|
Rond half
acht word ik op deze Goede Vrijdag van 2006 wakker van alweer een passerende
groep en voorzichtig. Ik ben vandaag niet haatdragend, dus zoek ik mijn spullen
bij elkaar en verlaat vrijwel geruisloos, behoedzaam stappend over alle wijd en
zijd verspreid liggende bagage en kledingstukken, de kamer. Vijf minuten later
schuif ik aan voor het ontbijt. Van de hostalbeheerster begrijp ik dat ook de
komende nacht, net als de afgelopen nacht, er continu processies langs zullen
trekken. Ik hoop de komende nacht ergens te zijn waar het rustiger zal zijn.
Het is tien
minuten over acht als ik mijn rugzak omhang en de eerste stappen zet op
de duizend kilometer lange weg die voor mij ligt. Op de Calle Sierpes
loop ik achter langs de zojuist gepasseerde draagbaar met begeleidend
muziekkorps. De bijbehorende boetelingen zijn kennelijk al naar huis.
Het is de laatste groep van deze nacht, want de toeschouwers maken zich
op om naar huis te gaan en men begint met het opstapelen van de stoelen
om de straat vrij te maken. Als ik een doorsteek maak naar de uitgaande
caminoroute moet ik af en toe van het rechte pad afwijken wegens een
blokkade door een van de her en der nog aanwezige draagbaren.
Op
en langs de route staan en lopen nog vele duizenden mensen en als ik
passeer lijkt het alsof zij mij, een pelgrim naar Santiago, uitgeleide
doen. Pas als ik de Puente Isabel II over ben en de wijk Triana in loop
wordt het wat rustiger.
Dan
ontmoet ik de eerste ‘engel’ van deze tocht. Lekker lopend en in de
euforie van het moment let ik niet al te goed op de schelpen en pijlen.
De route lijkt logisch. Een jongeman loopt mij achterop en vraagt me of
ik naar Santiago ga. Ik bevestig dat en hij wenst mij een buen camino
en attendeert mij op een bocht naar rechts die ik op dat moment had
moeten nemen, in plaats van rechtdoor te lopen. Het zal niet de eerste
keer zijn dat, juist op het moment dat ik bewust of onbewust behoefte
heb aan een routeaanwijzing, er een ‘engel’ langskomt die mij op het
goede spoor zet. ¡Muchas gracias Santiago!
De
temperatuur is uitstekend en ik loop in mijn shirtje. Links en rechts
van de weg kondigen wilde bloemen in vele kleuren het voorjaar aan. Ik
loop op een verlaten fietspad langs een fraai vormgegeven
elektriciteitscentrale (zo kan het dus ook!) naar Camas waar ik mijn
eerste rustpauze neem. Langs de weg staan bloeiende, sterk geurende
sinaasappelboompjes waar ook nog de sinaasappeltjes aanhangen. Achter
mij in Sevilla getuigt het geluid van met loeiende sirenes voortjagende
ambulances van doorschietende religieuze dwaasheden.
 
De
pijlenroute voert mij langs de autoweg naar Santiponce. Een weinig
interessant stuk route. Ook de plaats zelf wordt, na een café solo
en een ‘refill’
van de waterfles, snel genomen. De ruïnes van Itálica wachten. De
Romeinse stad Itálica werd in 206 v.Chr. gesticht door Generaal Scipio
als woonplaats voor de soldaten die gewond waren geraakt tijdens de
strijd tegen Carthago. Het werd een belangrijk steunpunt voor de
Romeinen in Spanje. Vandaag de dag resteert van deze nederzetting een
uitgebreid opgravinggebied waar al sinds het einde van de achttiende
eeuw archeologisch werk wordt gedaan.
Tot mijn
verrassing heb ik als EU-burger gratis toegang. Wel krijg ik een
toegangskaartje maar dat is vooral om de statistieken bij te kunnen
houden. Op het uitgestrekte terrein bekijk ik veel overblijfselen,
variërend van een in verrassend goede staat verkerend amfitheater, via
reconstructies van echte Romeinse wegen tot zeer fraaie mozaïeken
vloeren. Vanaf het hoogste punt met o.a. een stambeeld van een blote
Romein, geniet ik enige tijd van het uitzicht over de wijde omgeving. In
de verte ligt Sevilla, vanwaar ik vanmorgen ben vertrokken.
 
Dan roept
Jacobus en verlaat ik deze oase van rust en ga verder richting Guillena.
Na een wat complexe passage van twee autowegen vind ik een fraai,
halfverhard pad dat mij in een vrijwel rechte lijn door een golvend
landschap naar mijn einddoel van vandaag zal voeren. Het is heerlijk
lopen. Als ik een figuur in de verte zie lopen is mijn eerste - naïeve -
gedachte: ‘hé wat leuk, een andere pelgrim’. Dichterbij gekomen blijkt
het echter om een bejaarde streekbewoner te gaan die zijn land gaat
inspecteren.
Aangekomen
bij de Río de Huelva heb ik aanvankelijk nog hoop dat er een droge
oversteek mogelijk is, doch helaas, de schoenen moeten uit. Voorzichtig
waad ik op mijn sandalen door een met beton makkelijk begaanbaar
gemaakte oversteekplaats. Het water komt mij op het diepste punt tot
onder mijn knieën. De totale te waden afstand is ongeveer 25 meter.
Gelukkig heb ik (nog) geen last van blaren want je moet er niet aan
denken dat je dit vuile water moet passeren met open blaren.
 
Met de natte
sandalen bungelend onderaan de rugzak leg ik de laatste kilometers af.
De vermoeidheid begint toe te slaan, maar eerdere pijnklachten
verdwijnen. Het zal elke dag beter gaan. Vlak voor Guillema ben ik
getuige van wat volgens mij een castratie van een hengst in open veld
is. Ik zie nog juist hoe de verwijderde mannelijke onderdelen nonchalant
in een hoek van het weiland worden geworpen.
Bij het
passeren van de dorpskerk zie ik door de openstaande deur vier
verschillende draagbaren staan waarmee men ongetwijfeld door de plaats
gaat zeulen (wel wat oneerbiedig uitgedrukt hé?). Ik loop nog even door
naar het sportcomplex (polideportiva) waar pelgrims volgens de
berichten onderdak kunnen krijgen. In de bar, waar ik de sleutel van de
refugio kan krijgen, gebruik ik eerst een uitgebreide maaltijd en vul
mijn inwendige waterspiegel aan. Vandaag heb ik in totaal 2,5 liter
gedronken. Dit geeft aan hoe warm het is geweest. Vervolgens word ik
naar het onderdak gebracht, een uiterst primitieve kleedmaker met drie
springmatrassen uit de plaatselijke gymzaal op de vloer, een rij met
koude douches en een wasbak zonder stop.
|
Tip: de volgende keer een eigen afvoerstop meebrengen, want die
ontbreekt op veel plaatsen. |
Na een
verfrissende wasbeurt, scheren en tandenpoetsen lig ik heerlijk naar
muziek te luisteren en verzoen me er al mee dat ik hier alleen de nacht
zal doorbrengen. Dan komt Ludwig binnen, een nogal corpulente
Oostenrijker die in het dagelijks leven ‘creatief therapeut’ is. Hij
kondigt ook de komst aan van een derde pelgrim: een Italiaanse. Als deze
door de politie wordt gebracht (want hier worden door deze organisatie
soms ook pelgrims aan onderdak geholpen), blijkt het de dame te zijn die
ik gisteren al ben tegengekomen bij de kathedraal van Sevilla. Ze heet
Giacinta en ze spreekt, behalve Italiaans en Spaans ook heel behoorlijk
Duits. Dit wordt vandaag dan ook onze gemeenschappelijke taal. Beide
zijn in de vijftig en wat Ludwig teveel heeft aan gewicht ontbreekt
volledig bij Giacinta. Prima gezelschap, we kunnen het goed samen
vinden.
Buiten in
het zonnetje repareer ik de opengescheurde naad van mijn broek en dan
begint het langzaam, maar met grote druppels te regenen. De Spanjaarden
zullen het weten: ‘Klaas is hier en hij brengt overal waar hij komt
regen!’ Verder heb ik nog even telefonisch contact met Trees. zij
vertrekt aan het eind van de middag voor een week naar Peking. We zullen
contact houden met sms-jes. Wat een uitvinding eigenlijk: ik loop straks
in Spaans niemandsland en zij midden in Peking en als we het zouden
willen kunnen we zo met elkaar praten.
Met
ons drieën lopen we naar het dorp. In afwachting van de start van de
optocht drinken we iets, maar omdat de regen aanhoudt wordt voor
vanavond de optocht afgelast, te schadelijk voor de instrumenten van de
muziek en voor de beeldengroep op de draagbaar. We gaan weer terug naar
de ‘herberg’ waar een zojuist aangekomen Duits stel aanleiding is tot
enige improvisatie. Er zijn immers drie matrasjes. Het lukt, Giacinta
gaat op de bank (met het risico om er vanaf te vallen, maar ze is heel
pertinent) en een van de nieuwelingen gaat op het eigen dunne matje
liggen. Dan gaan we gedrieën eten: een gezonde ensalada mixta en
een fles Rioja voor Ludwig en mij. Giacinta drinkt alleen water. De
stemming wordt steeds beter en als de fles leeg is nemen we nog een
aanvullend glas ten afscheid.
Tegen elf
uur gaan we naar ‘bed’. Het regent nog steeds. Ondanks de tamelijk harde
ondergrond en de handdoek met jack als hoofdkussen heb ik een goede
nacht. Wel word ik regelmatig even wakker om een andere, meer
comfortabele houding te zoeken. Gelukkig is het gestopt met regenen.
 |