|
Op deze
Eerste Paasdag wekken de piepjes van Tonyo me rond zeven uur. Gezien de
verwachte warmte en de lange etappe van vandaag wil ik niet te laat van start,
dus maak ik me meteen klaar om te vertrekken. Een kwartier later zit ik al aan
een eenvoudig ontbijtje in een barretje aan de overkant en rond half acht begin
ik aan de dertig kilometer die mij van mijn bestemming van vandaag scheiden.
Alhoewel ik buiten langs het dorp loop zijn er, behalve de bar waar ik heb
ontbeten, al vijf bars open voor een consumptie. Eenzelfde aantal is nog
gesloten. Als je dan ook nog rekening houdt met de vele bars die ik gisteren bij
aankomst ben gepasseerd en die ik later nog in het dorp heb gezien kom ik tot de
conclusie dat hier ongeveer één bar is op elke twintig (mannelijke) inwoners.
 
De
eerste zestien kilometer van vandaag gaan via een rustige weg. Zeker
vandaag en op dit tijdstip is er niets op weg behalve een enkele
pelgrim. Het gezang van duizenden vogels begeleidt me en kondigt de
nieuwe dag aan. Ook de vele kraaiende hanen bij de huizen die ik in het
buitengebied passeer zijn nog geheel in de ban van de verloochening door
Petrus. Ze kunnen er geen genoeg van krijgen eindelijk eens een hoofdrol
in de wereldgeschiedenis gespeeld te hebben.
De
opgaande zon verzorgt een schitterend, steeds veranderend lichtspektakel
aan de ochtendhemel. Her en der in het groen langs de weg staan stapels
stenen te wachten op de uitvoering van uitgestelde bouwplannen. De
bermen zijn weer rijkbegroeid en bieden plaats aan vele planten en
bloemen. Ik passeer een fraaie oude poort die min of meer nutteloos voor
een stuk grasland staat te staan. Boven de ingang staat, behalve een
tegeltableau met een madonna, de tekst El piquillo, hetgeen ‘het
sommetje’ betekent. Ik kan van deze combinatie van beeld en tekst niets
bakken en loop derhalve enigszins in verwarring door.
 
Het
landschap verandert en links en rechts van de weg verschijnen de
kurkeiken en de eucalyptusbomen. Tussen de bomen is de bodem vrijwel
volledig bedekt met een deken van paarsblauwe bloemen en in de berm tref
ik steeds vaker de vlinderlavendel aan die het bij ons in de tuin niet
wilde doen, maar hier uitbundig bloeiend als onkruid te vinden is.
Tonyo loopt mij achterop en tijdens de wederzijdse rustpauzes passeren
we elkaar. Hij heeft een tamelijk hoog tempo en loopt met muziek van
Vivaldi op zijn koptelefoon. Ik hoor hem af en toe meezingen. Waar
zouden de dames gebleven zijn?
Na
zestien kilometer passeer ik de poort naar het natuurpark El Berrocal
waardoor ik in een nog fraaier kurkeikengebied terechtkom. Schitterende
lanen tussen de bomen die allen de lidtekens vertonen van een
regelmatige schilbeurt, maar daar kennelijk niet echt onder lijden.
Volgens mijn Engels routeboekje moet ik hier cistus-bosjes aantreffen
met bloemen die geuren naar kerkwierook. Ik ben benieuwd. Opvallend zijn
de vele vogelhuisjes die aan de bomen hangen. Zoiets verwacht je hier
helemaal niet.
Bij
het boswachtershuis, casa forestal, vanwaar dit park wordt
beheerd maar waar op deze paasdag geen mens is te bekennen, stuit ik
weer op Tonyo, nu in gezelschap van de beide dames. Zij bleken op te
zien tegen de lange etappe van vandaag en hebben zich met een taxi naar
de ingang van het park laten brengen.
Vanwege het verlaten karakter van het complex komt er ook niets terecht
van mijn hoop en verwachting hier misschien een kop koffie te kunnen
scoren. Derhalve trakteer ik me op enkele slokken water, een banaan en
een paar sultana’s. Dit feestmaal sluit ik af met een koffiesnoepje.
Ondertussen drogen mijn zweetvoeten in het zonnetje. Als de bewolking
onverwacht toch weer dreigende vormen aanneemt pak ik mijn boeltje
tezamen en ga weer op pad. In de verte voor me lopen de drie
Spanjaarden.
 
Onderwijl let ik scherp op bloeiende struiken die naar wierook zouden
moeten ruiken. Tot tweemaal toe ruik ik iets sterk geurend, maar ik
vraag me daarbij wel af, als dat is wat wordt bedoeld, waar Alison Raju
(de schrijfster van mijn Engelstalige gids) dan ter kerke gaat. Het doet
mij denken aan de verschaalde pislucht die gedurende Uitgeester kermis
rond de plaatselijke cafés hangt. Maar hier zie ik toch niet de boeren,
burgers en buitenlui die daar in Uitgeest verantwoordelijk voor zijn.
Wat
later ruik ik dan toch de zo karakteristieke geur van wierook en al
speurend kom ik uit bij de al eerder genoemde witte bloem met geel hart
en de enkele donkerbruine vlekjes. De cistus, of zoals ze hier worden
genoemd: Flor de Jara, is een eendagsbloem die me de komende
honderden kilometers in de bermen zal vergezellen.
 
 
Even verderop tref ik, eveneens in de berm, een jong stelletje dat uit
Gaspé in de Canadese provincie Québec blijkt te komen. Ze hebben een
zeer idealistisch beeld van het leven, zijn vrijwel zonder geld onderweg
en denken dat ze onderweg, met het doen van klusjes, wel aan de kost
kunnen komen. Dat blijkt niet mee te vallen met als gevolg dat ze
regelmatig buiten overnachten en leven op linzen uit blik. Vanavond zal
de herberg voor hen te duur blijken, maar ze mogen dan van de beheerster
gratis overnachten.
Via
een groot hek verlaat ik het park en even later word ik tegemoet gereden
door een drietal quats, dat zijn van die vierwiel motorfietsen die bij
de moderne cowboys de plaats van de paarden hebben ingenomen. Het is
slechts een korte verstoring van een paradijselijke atmosfeer.
Over de juistheid van het nu te volgen pad heb ik enige twijfels. De
bewijzering is niet geheel duidelijk en later hoor ik dat menigeen daar
verkeerd is gelopen en derhalve een grote omweg heeft moeten maken.
Aangezien tijdens een pauze Tonyo weer voorbij komt lopen krijg ik goede
moed dat ik toch wel goed zou kunnen zitten en na nog weer een tamelijk
lang stuk lopen doemt voor mij een reeds in de gids aangekondigde steile
helling op. Moeizaam neem ik de bijna tweehonderd meter hoge klim en kom
amechtig hijgend boven op de Miradores del Cerro del Calvario,
een uitzichtspunt naar twee zijden, op de kam van een heuvelrug met de
naam Calvario. De beloning voor de inspannende klim is overweldigend. In
zuidelijke richting heb ik een panoramisch uitzicht over het zojuist
gepasseerde natuurpark El Berrocal en in noordelijke richting
liggen de als van zilver gemaakte witte huizen van mijn bestemming,
Almadén de la Plata in de brandende zon te schitteren.
 
Na
een steile afdaling die, om mijn knieën te ontzien, heel voorzichtig
wordt genomen, bereik ik rond halfdrie het dorpje. Links van het pad
passeer ik een varkenshouderij waar de zwarte varkens lekker onder de
eikenbomen naar eikels lopen te scharrelen, alvorens onvermijdelijk te
worden omgetoverd tot die heerlijke gedroogde Spaanse ham.
In
het dorpje is het op straat een troep van jewelste. Overal liggen meer
of minder gescheurde stukken kleding en soms zelfs nog een volledige
arm, met de hand er nog aan. Navraag leert dat dit de restanten zijn van
alweer een optocht waarbij, als symbool van alles wat slecht is, de
figuur van Judas Iscariot (die Jezus voor dertig zilverlingen zou hebben
verraden) wordt rondgedragen. Als hoogtepunt van de rondgang worden de
poppen die deze verraderlijke figuur moeten voorstellen, door de
toeschouwers getuchtigd en in stukken gescheurd. Een oud vrouwtje loopt
spiedend rond, zoekend naar nog bruikbare kledingstukken hetgeen haar
een zo te zien nog ongescheurde spijkerbroek oplevert.
 
Als
ik bij de albergue aankom, komen van de andere kant vrijwel
gelijktijdig Tonyo met de beide dames aangelopen. We ‘forceren’ de
knullig met een touwtje dichtgebonden deur, zoeken elk een comfortabel
bed uit en installeren ons. Een heerlijk warme douche spoelt de
vermoeidheid uit mijn lijf en met ons vieren gaan we snel het dorp weer
in om nog wat te eten te zoeken.
Eigenlijk zijn we te laat, maar dankzij de overredingskracht van Tonyo
(Spanjaarden onder elkaar!) wordt er een tafel voor vier gedekt. Een
vleesschotel vormt de entree en een royale wildstoofpot de
hoofdmaaltijd; dit alles rijkelijk met wijn overgoten. Een feestelijk
flanpuddinkje vormt de afsluiting van deze paasmaaltijd die elk van ons
vijftien euro armer maakt.
Rond vijf uur zijn we weer terug in de herberg en heb ik me net met
muziek geïnstalleerd als Giacinta en Ludwig arriveren. We zijn weer
compleet.

Nadat ik mijn dagboek heb bijgeschreven ga ik met Giacinta het dorp
bekijken waarbij we in de kerk terechtkomen. Daar is men net bezig om de
processiedraagbaren te onttakelen. De beeldengroepen krijgen weer hun
vaste plaats in de kerk terug en de rest wordt tot op de afzonderlijke
onderdelen losgeschroefd en ergens opgeborgen tot de volgende Semana
Santa.
We
lopen door naar het kerkhof met vrijwel uitsluitend grafmuren. Kennelijk
is de grond hier te rotsachtig en/of te schaars en worden de overledenen
gestapeld bijgezet in de nissen van bijna twee meter dikke muren. Tussen
de vele honderden aanwezige plastic bloemversieringen vonden we, na
intensief zoeken, één miezerig bosje echte bloemen.
Vanwege de copieuze en late maaltijd van vanmiddag laat ik de
avondmaaltijd aan mij voorbijgaan. Tonyo c.s. gaan echter nog wel weer
uitgebreid eten. Ik heb alleen maar dorst en les deze met veel fris
water en een sinaasappel.
Morgen blijken we, volgens een aangeplakte mededeling, niet de in de
gids aangegeven route over het land van Finca Arroyo Mateos te
kunnen volgen, maar worden we gedwongen tien kilometer langs een
geasfalteerde weg te lopen. Sinds 1 november 2004 wil de eigenaar van
het landgoed geen lopers meer op het terrein en is het toegangshek
hermetisch gesloten. Vroeger moest elke, toen nog spaarzame loper
telefonisch toestemming vragen - die vrijwel automatisch werd verleend -
maar het aantal lopers is kennelijk teveel toegenomen. Volgens de
berichten wordt er onderhandeld over een oplossing aangezien het een
geaccidenteerd terrein schijnt te zijn met schitterende panorama’s. Ik
zal er niets van meekrijgen; voor de lopers van nu wacht de gewone weg.
Aan
het begin van de avond is het armlastige Canadese paartje gearriveerd
dat, zoals al gezegd, zonder te betalen in de herberg mag slapen. Ik
verbaas me over de grote bult bagage die ze meesjouwen. Zelfs een gitaar
maakt deel uit van de rugbelasting. Rond half tien komt ook het Duitse
stel nog binnen; ze waren na het hek verkeerd gelopen. De dame heeft erg
veel last van blaren en komt strompelend binnen. Na de douche verzorgt
de heer liefdevol haar voeten en zonder te eten schuiven ze dodelijk
vermoeid in de slaapzak.
Buiten regent het weer. Ik lig nog enige tijd naar muziek te luisteren
als rond elf uur de eters binnenkomen en zo stil mogelijk ook hun bed
opzoeken. De nacht kan beginnen, morgen wacht weer een nieuwe dag.
 |