|
Als
ik rond half zeven wakker wordt heb ik voor het eerst tijdens deze tocht een
nacht lekker geslapen en niet, zoals tot nu toe, vooral alleen maar gerust.
Gisteravond heeft het luisteren naar de muziek mij goed gedaan. Niemand heeft
echt zin om op te staan, maar rond half acht komt er toch hier en daar enige
beweging.
In
een smoezelig café gebruik ik een café americano en twee
magdalenas (dat zijn cakejes in een papieren vormpje). Samen vormt
dit hier een soort ontbijt. Aan de bar zitten andere bezoekers al aan
een hoog alcoholisch drankje. Het is kennelijk zelfgestookt, transparant
en stroperig en wordt in de koelkast bewaard. De kosten zijn € 1,10 per
vol (cognac)glas. Uit latere waarnemingen leid ik af dat het
waarschijnlijk om orujo gaat (in Italië grappa genoemd),
een uit nogmaals uitgeperste druivenschillen gewonnen hoog alcoholisch
drankje, dat hier tot een soort likeur is gemaakt. Ik zal het later
tijdens mijn tocht nog in verschillende uitvoeringen tegenkomen, maar nu
beperk ik mij tot de koffie.
De
klok slaat acht uur als ik het pelgrimspad weer betreed. In de lucht
zijn nog de laatste sporen zichtbaar van de regen van de afgelopen nacht
en ook op het pad staan nog regelmatig plassen. Het vele blauw boven me
belooft echter een aangename dag.
 
De
eerste vijf kilometer loop ik nog via het officiële caminopad, over het
terrein van een klein landgoed. Midden op het terrein staat het
bijbehorende Casa de la Postura, een schitterend zalm- en
geelkleurig landhuis met chique zuilengalerij.
Via
een hek moet ik een paardenwei passeren waarbij de twee bewoners me
nieuwsgierig van dichtbij komen opnemen. Wat kunnen paarden groot zijn,
maar gelukkig hadden ze alleen behoefte aan een bemoedigend klopje op de
hals. Vervolgens word ik tamelijk agressief toegeblaft door een troep
jachthonden die gelukkig achter een hekwerk staan.
Na
nog een stuk pad door een transparant kurkeikenbos bereik ik de uitgang
van het terrein en, natuurlijk gehoor gevend aan de dringende oproep op
een bordje, sluit ik zorgvuldig het hek achter mij.
 
De
oorspronkelijke gele pijlen zijn aan de veranderde route aangepast en
gehoorzaam loop ik het asfalt op. Dan begint een relatief saai traject.
De afwisseling zit in de bochten en de begroeiing van de bermen. Op een
boerderij langs de weg is het voedertijd. Als de boer met een baal
krachtvoer op zijn schouders naar buiten komt, scheiden de luid
gillen-de zwarte varkens zich van de geiten waartussen ze tot dat moment
hebben lopen scharrelen. Zij volgen de boer als ware hij een variant op
de bekende rattenvanger. De geiten kijken de vertrekkende troep
schreeuwers hooghartig na.
Op
een landgoed langs de weg is niets meer te bekennen van de op de
imposante toegangspoort getoonde trots van weleer: wilde zwijnen en
edelherten. Een kudde schapen trekt, begeleid door een oude herder,
hevig blatend en met veel kabaal van rond de nekken gebonden bellen,
centimeter voor centimeter door het landschap. Een ooievaar loopt statig
stappend door het weiland op zoek naar iets eetbaars en vormt daarbij
concurrentie voor de grote buizerdachtige vogel die bij mijn nadering
opvliegt.
Vele vogelgeluiden begeleiden mij en ook een enkele haan doet, net als
gisteren, van zich horen. Even verderop is een specht met zijn noeste
houthakkerswerk bezig en een zich voortdurend verplaatsende zwerm van
honderden kleine bontgekleurde vogeltjes houdt mij enige tijd
gezelschap. De lucht vertoont af en toe dreigende wolken maar regelmatig
ook een lekker zonnetje. Het is uitstekend loopweer.
De
bermen zijn nog steeds uitbundig begroeid en op de weg vertoont zich
slechts zelden een auto. Ik bestudeer de steeds frequenter langs de weg
voorkomende, naar wierook ruikende cistus. Vanuit het hart van deze
eendagsbloem loopt een kleverige stof naar beneden die de drager van de
karakteristieke geur blijkt te zijn.
Als
ik teruglees wat ik zojuist heb geschreven valt het met het saaie van
het traject eigenlijk wel mee. Negeer die opmerking dan ook maar.
Dan
voel ik iets in mijn schoen; een korte pauze is noodzakelijk. Omdat ik
niet de sokken over mijn schoenen heb gevouwen is er een minuscuul klein
opgewipt steentje ingekomen en uit ervaring weet ik dat zoiets het begin
van een blaar betekent.
Het
is pas half twaalf als ik gelijk met Tonyo arriveer in El Real de la
Jara. We kiezen een strategische plaats in een café om op de dames te
wachten en daar drink ik mijn eerste clara. Dit blijkt een met
7up (of iets dergelijks) verdund tapbiertje te zijn. Goed tegen de dorst
en met de helft minder alcohol. Na de tweede clara passeert
Ludwig die vertelt dat de dames vóór hem liepen. Ze blijken de herberg
al gevonden te hebben, maar we moeten eerst nog de sleutel halen bij het
gemeentehuis.
Voor acht euro per persoon krijgen we een vierpersoonskamer toegewezen
in de helemaal aan het begin van het dorp gelegen albergue. Omdat
Ludwig het nog te vroeg vindt om te stoppen en verder zal lopen, nemen
we afscheid en maken nog een foto van elkaar voor ieders plakboek.
Met
ons vieren gaan we op zoek naar iets te eten. We moeten daartoe helemaal
aan de andere kant van het dorp zijn dus lopen maar. Ik loop met blote
voeten in mijn sandalen. Aan het eind van de dag zal blijken dat ik dat
beter niet had kunnen doen. We genieten uitgebreid van een menu del
dia voor slechts € 6,50, inclusief wijn en een afsluitend kopje
koffie. Kom daar in Nederland eens om; hier kun je nog eens buiten de
deur eten.
Tijdens de maaltijd komen ook Giacinta en Julian (een Spanjaard die ik
al op de tweede dag in de herberg van Castilblanco de los Arroyos ben
tegengekomen) binnen. Zij slapen in een hostal, midden in het dorpje.
 
Na
afloop van de maaltijd loop ik met Giacinta naar het Castillo Real, het
‘koninklijke kasteel’ dat dominant boven het dorpje uittorent. Het is
een enorm, grotendeels gerestaureerd complex dat in vroegere jaren
diende ter verdediging van de enkele honderden meters verder liggende
grens tussen de provincies Sevilla (in de regio Andalusië) en Badajoz
(in de regio Extramadura). Vanaf de transen van het kasteel is in de
verte/diepte het ‘vijandige’ kasteel goed te zien. Ik kan mij goed
voorstellen dat men in tijden van spanning vanaf hier voortdurend naar
elkaar stond te gluren.
Als
we weer het dorp binnenlopen komt Maria, de al eerder genoemde Canadese
uit Québec, ons in tranen tegemoet. Voordat ik ook maar iets kan zeggen
slaat Giacinta een arm om haar heen en voert haar, als vrouwen onder
elkaar, weg naar een rustig plekje om het probleem te bespreken. Dit
gaat zo natuurlijk dat ik in mijn verbeelding een tafereel zie van een
gastvrije, breedgebouwde Italiaanse Mama die een huilend meisje aan de
boezem drukt. Dat is erg verwonderlijk, aangezien de extreem tengere
Giacinta geen gram vet op haar lichaam heeft. Kennelijk komt die warme
uitstraling vanuit de stem en het hart en niet vanuit het lichaam.
Later vertelt Giacinta mij dat het een meervoudig probleem betreft: geen
geld meer (nog slechts zo’n € 20 per persoon), nog twee maanden in
Europa moeten blijven als gevolg van een gedateerd retourticket, door
een slechte onderlinge verstandhouding thuis niet om hulp willen/durven
vragen en tenslotte een stukgelopen relatie met Sébastien, de in haar
gezelschap gesignaleerde jongeman, maar desondanks voorlopig op elkaar
aangewezen zijn.
 
Terug in de herberg blijken we nog steeds de enige gasten te zijn. Dat
wordt rustig vannacht. Tijdens het handwasje neem ik voor mezelf de dag
door. Afgezien van enkele regendruppels tijdens de wandeling naar de
maaltijd heb ik uitstekend weer gehad: zon, wind en afwisselend donkere
en lichte wolken. Vandaag heb ik zonder te transpireren gelopen, maar
het was dan ook maar 16,5km. Ik voel me met de dag sterker worden.
Gelukkig geven de voeten nauwelijks problemen, alleen de aanzet van de
rechter grote teen speelt van tijd tot tijd op.
We
besluiten om voorafgaand aan de avondmaaltijd eerst een aperitief te
drinken en komen, onderweg naar een bar nog het Duitse stel tegen dat
ergens in een hotel een kamer heeft betrokken. We zijn weer compleet. In
de bar staan twee tv’s aan, elk op een ander programma en elk zo luid
mogelijk. De dames in ons gezelschap vallen uit de toon, aangezien
barbezoek hier vrijwel uitsluitend door mannen schijnt te gebeuren. De
vrouwen staan traditiegetrouw achter het fornuis. Aan enkele tafeltjes
wordt door de oudere mannen fanatiek domino gespeeld, waarbij vooral de
winnende stenen met groot geweld op tafel worden geknald. De
toeschouwers geven luidruchtig commentaar.
In
dezelfde gelegenheid als vanmiddag hebben we ’s avonds nogmaals gegeten.
Het gezelschap pelgrims is compleet en we vormen met ons achten een
gezellige tafel. Ik geniet van een uitgebreide salade, gefrituurde
inktvisringen en veel frites. Ook de wijn wordt in royale hoeveelheden
op tafel gezet.
 
Op
de terugweg naar de herberg begint de zool van mijn linkervoorvoet op te
spelen. Het is een brandend gevoel dat voor morgen niet al te veel goeds
belooft. Kennelijk heb ik eerder vandaag te vroeg gejuicht en heb ik te
lang met mijn blote voeten in de sandalen gelopen. Mijn stappenteller
geeft een totaal van bijna tien kilometer dorpswandelingen aan. Waanzin!
Stom Klaas!! Maar ja, het is nu te laat en morgen zal ik er de wrange
vruchten van plukken, vrees ik. Ik smeer mijn voeten goed in en ga
tamelijk vroeg naar bed. Misschien valt het allemaal mee.
 |