|
Homepage Genealogy Lefthanders Paper Personal Guestbook |
Handhaving van Auteursrechten in een digitale omgeving Dit is de definitieve versie van mijn scriptie. Het manuscript werd goedgekeurd op 15 juli 1996. Scriptiebegeleider was Prof. Mr F.W. Grosheide, Rijksuniversiteit Utrecht.
Inhoudsopgave I. Inleiding 1. Op weg naar het digitale tijdperk In december 1943 legde een team van Engelse wetenschappers de laatste hand aan 'Colossus', een machine bedoeld voor het ontcijferen van gecodeerde Duitse radioboodschappen. Hiermee hadden zij de eerste volledig elektronische digitale computer gebouwd. Sindsdien is dit voor velen zo mysterieuze apparaat aan een opmars begonnen die de wereld voorgoed zou veranderen. Aanvankelijk waren computers grote, logge en energieslorpende machines, die in de weinige bedrijven die zich er één konden veroorloven een complete ruimte in beslag namen, een 'heilige der heiligen', waar technici in witte jassen wanhopig in de weer waren de gevoelige en onbetrouwbare componenten van het apparaat te beheersen. Maar de radiobuis werd vervangen door de transistor en deze op zijn beurt weer door de chip. Hierdoor werden computers steeds kleiner, krachtiger, betrouwbaarder en goedkoper, zodat vanaf begin jaren tachtig in toenemende mate ook consumenten zich deze apparaten konden veroorloven. Deze ontwikkeling is inmiddels zover gevorderd dat tegenwoordig iemand die nog geen PC op zijn bureau heeft staan, kan rekenen op meewarige blikken van vrienden en collega's. De laatste paar jaar volgen de ontwikkelingen elkaar in hoog tempo op. Wie bij wil blijven kan niet om begrippen als internet, CD-ROM en multimedia heen. Dit laatste geldt in het bijzonder op het terrein van het auteursrecht. Met geen mogelijkheid hadden de opstellers van de Berner Conventie, de basis van het hedendaagse auteursrecht, in 1886 kunnen voorzien welke ongekende mogelijkheden voor informatieverspreiding de technologieën van de volgende eeuw zouden brengen. 2. De analoge omgeving Natuurlijk zijn er nadien meer methoden uitgevonden voor het vastleggen, verveelvoudigen en verspreiden van informatie. Film (1888), radio (1895), televisie (1923) en xerografie (1937) om maar een paar voorbeelden te noemen. Waar nieuwe technologieën dit nodig maakten, is het verdrag herzien, zonder daarbij overigens de oorspronkelijke uitgangspunten aan te tasten. Dit was ook niet nodig, omdat elk nieuw medium toch weer bepaalde beperkingen kende waardoor het geen serieuze bedreiging voor het auteursrecht vormde. Wie op grote schaal analoge kopieën van een werk wil produceren ziet zich immers geconfronteerd met allerlei problemen. Ik noem er een aantal: - Hoge investeringen. Wie in korte tijd grote hoeveelheden kopieën wil vervaardigen heeft daar over het algemeen kostbare apparatuur voor nodig en moet zich bovendien de dragers waarop de informatie wordt vastgelegd aanschaffen. Het distribueren van de producten en het verwerven van know-how kan verdere investeringen vergen, zoals onder de volgende punten zal worden betoogd. - Moeizame distributie. Om de kopieën bij de uiteindelijke gebruikers te brengen zal een distributienetwerk opgezet moeten worden. Dit vergt een aanzienlijke organisatie. Los daarvan kan het vervoer van de informatiedragers de nodige kosten met zich meebrengen. - Behoefte aan know-how. De meeste mensen kunnen een fotokopieerapparaat of cassetterecorder bedienen, maar voor het werken met een drukpers, het dupliceren van een film of het tot stand brengen van een tv-uitzending zijn specifieke vaardigheden nodig die enige opleiding vergen. Wie een dergelijk procédé wil toepassen zal zich dus de vereiste kennis eigen moeten maken of een deskundige moeten inhuren. - Tijdrovend. Het fotokopiëren van een boek of overspelen van een videocassette is niet in een paar minuten gedaan. - Kwaliteitsverlies. Een analoge kopie is onvermijdelijk altijd van een iets mindere kwaliteit dan het originele werk. Gebruikt men deze kopie weer als origineel voor een nieuwe kopie, en zo verder, dan zal dit al snel louter inferieure producten opleveren. Bij bovenstaande punten moet ik wel opmerken dat ze niet allemaal bij elke vorm van analoog verveelvoudigen aan de orde zijn. De eerste drie bezwaren spelen vooral een rol bij het produceren van grote hoeveelheden kopieën, de laatste twee met name bij het thuiskopiëren. Wat ik met het bovenstaande probeer aan te tonen, is dat de bescherming van werken van letterkunde, wetenschap of kunst voor een groot deel werd geboden door feitelijke obstakels en niet door het auteursrecht alleen. Sterker nog, het auteursrecht gaat, in zijn huidige vorm, zelfs uit van de aanwezigheid van dit soort praktische belemmeringen bij het verveelvoudigen en openbaren van werken. Zo wordt kopiëring voor eigen gebruik in de meeste Europese landen toegestaan, aangezien het niet zo snel in conflict zal komen met de normale exploitatie van het werk zoals bedoeld in artikel 9 lid 2 Berner Conventie. Maar dit heeft veel te maken met de door mij hierboven geschetste technische barrières. Niet voor niets overweegt de Europese Commissie in haar Green Paper on copyright and related rights in the information society: "The criterion of strictly private use is becoming more fluid and difficult to apply. Digital technology could make home copying into a fully-fledged form of exploitation. A work can be reproduced systematically and any number of times without loss of quality." Waar bestaande drempels van technische of praktische aard wegvallen, ontstaat een leemte in de bescherming van werken, die niet vanzelfsprekend door het geldend auteursrecht wordt opgevuld. 3. De digitale omgeving 3.1 Definitie Een werk bevindt zich in de 'digitale omgeving' als de informatie waaruit het werk bestaat is geconverteerd tot een verzameling binaire codes die op één of andere gegevensdrager, hetzij bedoeld voor permanente, hetzij bedoeld voor tijdelijke opslag, zijn overgebracht die geschikt is om door een computer te worden gelezen. Een afbeelding gaat de digitale omgeving binnen via een scanner (wordt in binaire codes omgezet) en verlaat deze via de videokaart van de computer (wordt in RGB-signalen voor het beeldscherm omgezet). De afbeelding van een werk op een beeldscherm bevindt zich naar mijn maatstaven dus niet in de digitale omgeving. 3.2 Mogelijkheden in de digitale omgeving In een digitale omgeving zijn veel hindernissen die kenmerkend zijn voor het werken met analoge technieken verdwenen. Het beginnen van een uitgeverij kost niet meer dan de prijs van een PC en een abonnement op de diensten van een internet-provider. Digitale kopieën zijn volstrekt identiek aan hun origineel en kunnen via bijvoorbeeld het internet in een oogwenk in duizendvoud over de aardbol verspreid worden. Deze mogelijkheden maken dat digitale technologie iets radicaal anders is dan alle andere vindingen die na 1886 zijn gedaan en waar het auteursrecht een antwoord op moest formuleren. Binnen niet al te lange tijd zal ik mijn zojuist aangeschafte CD middels enige toetsaanslagen razendsnel aan mijn naaste buurman of verre neef in Australië kunnen e-mailen. De praktische bezwaren die massale auteursrechtinbreuken door middel van analoge technieken bemoeilijken, bestaan in een digitale omgeving niet of nauwelijks. De bescherming zal van het recht alleen moeten komen. Wellicht zou het mogelijk zijn om in een digitale omgeving langs kunstmatige weg enige barrières op te werpen, namelijk door beveiligingen in auteursrechtelijk beschermde werken aan te brengen. Mijns inziens zijn de verwachtingen hierover bij veel auteurs te hooggespannen. Kwaadwillende deskundigen kunnen deze beveiligingen immers altijd weer verwijderen, waarna het 'gekraakte' werk ongehinderd verspreid kan worden. De bewering van de Europese Commissie dat "digitization of works and other protected matter means that strict control of reproduction can now be envisaged once again" staat naar mijn mening dan ook ver buiten de realiteit. 3.3 Kenmerken van de digitale omgeving Analoge informatie wordt de digitale omgeving binnengevoerd door middel van digitalisering. Dat wil zeggen dat de informatie, of het nu gaat om tekst, beeld of geluid, wordt omgezet in getallen. Om bijvoorbeeld een afbeelding in digitale vorm te brengen wordt deze verdeeld in een raster van puntjes, waarna aan elk puntje op basis van relatieve helderheid een waarde wordt toegewezen. Tekst daarentegen wordt gedigitaliseerd door het middels een toetsenbord in te computer in te voeren. Het procédé dat voor de omzetting wordt gebruikt is dus per medium verschillend maar het resultaat is altijd hetzelfde: een omvangrijke stroom bits, geschikt om door een computer te worden opslagen, bewerkt en weer uitgevoerd. Dit uitvoeren geschiedt door de gegevens weer terug te brengen in hun oorspronkelijke analoge vorm. Het volgende is typerend voor de digitale omgeving. - Gegevens kunnen eindeloos en zonder enig kwaliteitsverlies gekopieerd worden. - Multimedia. Doordat in een digitale omgeving werken van verschillende aard in dezelfde vorm worden opgeslagen is het bijvoorbeeld mogelijk in één produkt film, video, muziek, foto's, schilderijen, animaties, tekst, landkaarten en computerprogrammatuur samen te brengen. Bovendien zijn multimedia produkten vaak interactief, wat wil zeggen dat gebruikers invloed uit kunnen oefenen op de wijze waarop de informatie gepresenteerd wordt. - Gegevens kunnen over netwerken getransporteerd worden, zodat het er niet langer toe doet of aanbieder en gebruiker van bepaalde informatie in dezelfde stad of op respectievelijk de noord- en zuidpool zitten. Overigens is 'transporteren' een onjuiste term. De informatie verlaat immers niet de plaats waar het zich oorspronkelijk bevond, maar er wordt een kopie van gemaakt op de plaats van bestemming. Zie het volgend punt. - In een digitale omgeving worden voortdurend kopieën gemaakt. Om bijvoorbeeld een werk dat zich op CD-ROM bevindt af te beelden moet het eerst in het werkgeheugen van de computer worden gebracht en vervolgens naar het beeldscherm gekopieerd. Bovendien geschiedt dit kopiëren via tussenkopieën naar en van de interne registers van de centrale processor. Het is in een digitale omgeving onmogelijk een werk te openbaren zonder dat daar verveelvoudiging bij komt kijken. - Informatie kan gemanipuleerd worden zonder dat achteraf zichtbaar is dat dit is gebeurd. Bij de huidige stand van de techniek bestaat in de digitale omgeving nog altijd een aantal technische obstakels die ongebreideld verveelvoudigen en openbaren van beschermde werken belemmeren: - Netwerkverbindingen zijn relatief traag. Dit geldt zeker voor het internet. Wie een volledige CD via e-mail wil versturen, zoals in mijn voorbeeld hierboven, moet daar enige dagen voor uittrekken. - Opslagcapaciteit van computers is beperkt of relatief kostbaar. Een gedigitaliseerde film of audio-CD op harde schijf opslaan vergt zoveel ruimte, dat aanschaf van het originele product vele malen goedkoper zou zijn. 3.4 Vooronderstellingen ten aanzien van de technologische ontwikkelingen en te verwachten consequenties Het lijdt echter geen enkele twijfel dat binnen afzienbare tijd bovengenoemde knelpunten tot het verleden zullen behoren. Het auteursrecht doet er daarom goed aan zich reeds nu in te stellen op wat spoedig realiteit zal zijn, om niet straks achter de feiten aan te lopen. Bij het schrijven van mijn scriptie ga ik ervan uit dat zich de volgende ontwikkelingen zullen voordoen: - De transmissiesnelheid van netwerken zal toenemen. Waar particulieren nu nog via conventionele spraaktelefoonlijnen verbinding met een netwerk leggen, kunnen zij binnenkort van snelle glasvezelkabelnetten gebruik kunnen maken, bijvoorbeeld via hun kabeltelevisiemaatschappij. - De opslagcapaciteit van computers blijft toenemen. Externe opslagmedia voor grote hoeveelheden gegevens, zoals beschrijfbare CD's, zullen binnen handbereik van de consument komen. - Verspreiding van informatie zal steeds meer gaan verlopen via netwerken en steeds minder via permanente gegevensdragers (diskettes, CD-ROMs etc.). Een voorbeeld: Nadat een muziekwerk in de studio is opgenomen, is er nog een lange weg te gaan voordat het de consument heeft bereikt. Er moeten CD's van geperst worden, de CD's moeten naar de verkooppunten worden vervoerd - al dan niet via een importeur, er zijn winkelpanden met personeel nodig en ga zo maar door. Een heel traject dat kan worden omzeild wanneer de platenmaatschappij de opname rechtstreeks via een netwerk aan de consument ter beschikking stelt. De consument hoeft alleen nog maar de CD van zijn keuze te downloaden en op een blanco gegevensdrager vast te leggen. Los van de enorme kostenbesparing die dit met zich meebrengt is het ook minder schadelijk voor het milieu. - TV- en radiouitzendingen zullen in toenemende mate digitaal via netwerken verlopen in plaats van via de ether. Hierdoor kunnen immers meer etherfrequenties worden vrijgemaakt voor mobiele communicatie. Bovenstaande ontwikkelingen hebben de volgende consequenties: - Snellere gegevensoverdracht betekent dat het de moeite loont ook beschermd materiaal van relatief grote omvang (audio, video) over een netwerk te versturen. - Grotere opslagcapaciteit betekent dat het vastleggen van informatie relatief steeds goedkoper wordt. De consument zal daarom straks over de middelen beschikken om bijvoorbeeld een muziekuitvoering die hij via internet binnenhaalt tegen lage kosten op een permanente gegevensdrager te fixeren (bijv. een beschrijfbare CD). - Doordat er een verschuiving zal optreden van informatieverspreiding van permanente gegevensdragers naar informatieverspreiding via netwerken, wordt het steeds moeilijker zicht te houden op de informatiestromen. In strijd met het auteursrecht gefabriceerde dragers zijn nog traceerbaar, evenals hun makers. Veel omvangrijker en moeilijker te volgens is het vrije verkeer van werken op en binnen het gesloten stelsel van het internet. - Er is een wezenlijk verschil tussen uitzendingen die via de ether verlopen of een 'tv-uitzending' van bijvoorbeeld het internet. In het eerste geval is er sprake van ongerichte verspreiding, waardoor omroeporganisaties de kosten van het auteursrecht niet individueel kunnen doorbelasten, in het tweede geval verloopt de informatieoverdracht point-to-point, waardoor omvang en samenstelling van het publiek altijd duidelijk is. Het is dus maar de vraag of op zo'n netwerk-uitzending dezelfde regels toegepast kunnen worden als op een conventionele tv-uitzending. 4. Moet het auteursrecht worden aangepast? Zoals ik hierboven heb aangegeven, is digitalisering een ontwikkeling die op wezenlijke punten verschilt van andere vindingen die in de loop der tijd het auteursrecht onder druk hebben gezet. Het lijkt mij, onder de geschetste omstandigheden, noodzakelijk een aantal wijzigingen in het auteursrecht aan te brengen. Dit is in de literatuur de heersende opvatting, maar over de mate waarin bestaan verschillende meningen. 4.1 Regeringsstandpunten In het haar groenboek over dit onderwerp schrijft de Europese Commissie: "There is no doubt that laws will have to be adapted in order to respond to the new and varied requirements which may appear, raising unprecedented issues." De commissie stelt vast dat het huidige systeem van auteursrecht het resultaat is van jarenlange ervaring met analoge technologie. Evenwel verandert de komst van nieuwe technologieën de aard van de principes en opvattingen die aan het auteursrecht ten grondslag liggen niet. Wel heeft het zijn weerslag op de manier waarop we die principes en opvattingen interpreteren. In het Amerikaanse witboek "Intellectual Property and the National Information Infrastructure" wordt het standpunt ingenomen dat het geldend auteursrecht slechts de 'fine tuning' behoeft die door technologische ontwikkelingen noodzakelijk gemaakt worden. Daarnaast moet de bescherming komen van technische middelen en het onderwijzen van het publiek in het auteursrecht. Het Copyright Subcommittee van de Canadese regering beveelt in zijn rapport "Copyright and The Information Highway" aan het bestaande wettelijk kader van auteursrechtbescherming onveranderd te laten en er eerder naar te streven de problemen met technologische middelen op te lossen. In haar rapport "Industries culturelles et nouvelles technologies" onthoudt de commissie Sirinelli, door het Franse ministerie van Cultuur ingesteld om het effect van de nieuwe digitale technologie op het huidige auteursrecht te onderzoeken, zich van concrete voorstellen om het geldende recht te veranderen. Liever wacht zij eerst zowel de ontwikkeling van de techniek als die van het internationaal recht, met name in het kader van de WIPO, af. Het Japanse ministerie van cultuur heeft in een uitvoerig rapport onderzocht hoe het auteursrecht op de ontwikkeling van multimedia moet reageren. Het rapport stelt geen veranderingen van het auteursrecht voor, maar somt slechts mogelijke oplossingen voor de gesignaleerde problemen op. Deze voorbeelden geven aan dat regeringen over het algemeen geen ingrijpende wijzigingen in hun auteursrecht willen (of durven) aanbrengen en liever erop vertrouwen dat er wel een technische oplossingen voor de problemen zal komen. 4.2 Meningen van auteurs E.J. Dommering pleit ervoor het onderscheid tussen openbaar maken en verveelvoudigen als principieel verschillende categorieën los te laten en bij computernetwerken te gaan denken in termen van uitvoering van opgeslagen informatie. Hij constateert namelijk dat het onderscheid tussen werken die bestaan op vaste informatiedragers (en kunnen worden gekopieerd) en werken bestaan in een uitvoering (en onbeperkt herhaalbaar kunnen worden uitgevoerd) is achterhaald. P.B. Hugenholtz valt hem daarin bij. Hij pleit voor specifiek op het netwerk toegesneden exploitatierechten, bijvoorbeeld een recht van toegang. Bij het formuleren van nieuwe exploitatierechten moeten zowel de belangen van de rechthebbenden als die van gebruikers en intermediairs in het oog gehouden worden. Hij wijst in dat verband op de informatievrijheid die in art. 10 EVRM gewaarborgd is. Voorts vraagt hij zich af in hoeverre het stelsel van wettelijke beperkingen van het auteursrecht zich verdraagt met multimediale werken, die immers kenmerken vertonen van meer dan één werkcategorie. Hij concludeert dat de auteursrechtelijke exploitatierechten met bijbehorende beperkingen in het licht van de informatiesnelweg aan grondige herziening toe zijn. Nog verder gaat Th.A.M. Richard in zijn reactie op de hierboven verwoorde mening van Hugenholtz. Hij voorziet dat op termijn het verbodsrecht van de auteur plaats zal moeten maken voor een vergoedingsrecht. T. Hoeren wil, gelet op het feit dat digitale kopieën perfect en goedkoop zijn, de beperking ten behoeve van kopiëren voor eigen gebruik niet langer toestaan. Hij maakt niet duidelijk of hij deze beperking in zijn geheel wil afschaffen, of alleen met betrekking tot digitale werken. D.W.F. Verkade acht de bestaande begrippenkaders van de Auteurswet zo ruim en flexibel, 'dat ze op de digitale snelweg geen ongelukken behoeven te veroorzaken'. Met name onder het recht van openbaarmaking valt zoveel te brengen, dat een aanpassing niet nodig is. 5. Doel van deze scriptie Zoals ik al hierboven al heb geschreven, meen ik dat het auteursrecht op een aantal punten gewijzigd zal moeten worden wil het zijn functies ook in een digitale omgeving kunnen behouden. In deze scriptie wil ik onderzoeken welke veranderingen het geldend recht in dit verband dient te ondergaan. Ik zal proberen concrete oplossingen te formuleren voor de problemen die digitale technologie het auteursrecht heeft gebracht. Hiermee pretendeer ik geenszins het beslissende antwoord te geven op alle brandende vragen op dit gebied, maar slechts een denkbaar systeem te construeren dat naar mijn mening tegen de mogelijkheden van digitalisering is opgewassen. Hiertoe zal ik allereerst onderzoeken of aan de uitsluitende rechten van de maker van een werk van letterkunde, kunst of wetenschap iets veranderd moet worden. Kunnen deze rechten onverkort gehandhaafd blijven, of moeten er geheel nieuwe begrippen gedefinieerd worden? Vervolgens zal ik gaan bekijken welke beperkingen op deze rechten kunnen worden aangebracht. Tenslotte zal ik ingaan op de mogelijkheden van licentiëring van rechten. 5.1 Afbakening Ik zal mij in deze scriptie beperken tot de exploitatierechten van de auteursrechthebbende. Alhoewel ik mij ervan bewust ben dat digitalisering op het gebied van de persoonlijkheidsrechten spanningen teweeg kan brengen, daar het mogelijk wordt werken eenvoudig en onzichtbaar te manipuleren, meen ik dat de huidige wettelijk regeling op dit terrein afdoende is. 5.2 Uitgangspunten bij wijzigen van het auteursrecht Voorzover ik wijzigingen in het auteursrecht wil aanbrengen zal ik daarbij de volgende uitgangspunten in acht nemen: - Met zowel de belangen van gebruikers als rechthebbenden moet rekening worden gehouden. Hierbij dient de balans tussen deze belangen te blijven zoals zij nu is. Een drastische vermeerdering van de rechten van de ene groep ten koste van die van de andere is ongewenst. - Los van natuurrechtelijke achtergronden bestaan er economische, culturele en sociale argumenten die een auteursrechtsysteem rechtvaardigen. De functies die het auteursrecht op dit terrein uitoefent mogen niet in het gedrang komen. - Het auteursrecht moet toegankelijk zijn en begrijpelijk. In een tijdperk waarin informatie een steeds belangrijker rol gaat spelen, moet het auteursrecht niet een ondoorzichtig woud van regels zijn waarin slechts een beperkte groep deskundigen de weg weet te vinden. - Niet alleen uit oogpunt van toegankelijkheid, maar ook uit oogpunt van rechtszekerheid mag het auteursrecht niet nodeloos gecompliceerd raken. Er moet duidelijkheid bestaan over wat gebruikers wel en niet is toegestaan. - Aanpassing van het auteursrecht aan de nieuwe digitale technologieën mag niet leiden tot een verdere groei van verschillende beschermingsregimes. Dit levert immers problemen op bij multimediale werken, die kenmerken vertonen van meer dan één werkcategorie. II. De exclusieve rechten van de auteursrechthebbende 1. Begripsomschrijving Het lijkt mij nuttig allereerst duidelijk vast te stellen wat de omvang en betekenis van exclusieve rechten van de auteursrechthebbende in het huidige auteursrecht is. Hierna kan dan onderzocht worden wat de invloed van digitalisering op de inhoud van deze begrippen is. Krachtens artikel 1 van de Auteurswet 1912 heeft de auteursrechthebbende de uitsluitende bevoegdheid zijn werk openbaar maken en te verveelvoudigen. Derden mogen dit slechts met zijn voorafgaande toestemming, tenzij hen een doel voor ogen staat dat valt onder de bij de wet gestelde beperkingen van het auteursrecht. 'Openbaar maken' en 'verveelvoudigen' worden in het Nederlandse recht gebruikt als verzamelbegrippen. Ze moeten ruim genterpreteerd worden, want het omvat niet alleen al hetgeen onder hun eigenlijke betekenis valt, maar ook datgene dat volgens de artt. 12-14 Aw er mede onder moet worden verstaan. Hierdoor kunnen nieuwe exploitatiemogelijkheden meestal wel onder de bevoegdheden van de auteur gebracht worden zonder dat daarvoor een wetswijziging nodig is. Althans, zolang de rek van deze begrippen dit toelaat. In de meeste andere buitenlandse auteurswetten en in de Berner Conventie wordt een ander systeem gevolgd. Daar worden de afzonderlijke bevoegdheden van de auteursrechthebbende opgesomd. De Berner Conventie biedt slechts een zeer beperkte catalogus van exclusieve rechten, waarvan het belangrijkste het verveelvoudigingsrecht is. Een algemeen recht op openbaar maken of verspreiding van het werk ontbreekt. Ik zal mij hieronder beperken tot het bespreken van het Nederlandse systeem. 1.1 Verveelvoudigen Artikel 1 Aw kent de auteursrechthebbende het uitsluitend recht toe het werk te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen bij de wet gesteld. In de Auteurswet 1912 geeft de wetgever geen definitie van dit begrip, maar in de Wet op de naburige rechten wordt reproduceren in art. 1 sub f omschreven als: "Het vervaardigen van een of meer exemplaren van een opname of van een gedeelte daarvan." We kunnen er dus van uitgaan dat met 'verveelvoudigen' in art. 1 Aw wordt bedoeld het vervaardigen van een of meer exemplaren van het werk of van een gedeelte daarvan. Art. 13 Aw breidt dit begrip uit met "iedere geheele of gedeeltelijke bewerking of nabootsing in gewijzigde vorm, welke niet als een nieuw, oorspronkelijk werk moet worden aangemerkt". Als voorbeelden noemt de wet de vertaling, muziekschikking, verfilming of toneelbewerking van het werk. Art. 14 Aw bepaalt dat bovendien onder verveelvoudiging wordt verstaan "het vastleggen van een werk of een gedeelte daarvan op enig voorwerp dat bestemd is om een werk ten gehore te brengen of te vertonen". In principe zouden de hier bedoelde handelingen ook al krachtens art. 13 Aw aan te merken zijn als verveelvoudigen, maar art. 14 Aw voorkomt het ontstaan van misverstanden. Zo maakt dit artikel duidelijk dat het verveelvoudigingsrecht mede betrekking heeft op verveelvoudigingen die niet rechtstreeks - zonder daarvoor één of ander apparaat te gebruiken - kunnen worden waargenomen. Om van een verveelvoudiging te kunnen spreken is vereist dat er sprake is van een min of meer duurzame fixering of opslag van het werk op een tastbare drager. 1.2 Openbaar maken 1.2.1 Reikwijdte van het begrip Artikel 1 Aw kent de auteursrechthebbende het uitsluitend recht toe het werk openbaar te maken, behoudens de beperkingen bij de wet gesteld. Openbaar maken moet hier worden opgevat als bewerkstelligen dat het werk voor een publiek van enige omvang toegankelijk wordt. De auteur heeft dus het recht te beslissen of hij het werk aan het publiek presenteert. Art. 12 Aw bepaalt wat mede onder openbaar maken moet worden verstaan. 1. "de openbaarmaking van eene verveelvoudiging van het geheel of een gedeelte van het werk" De auteursrechthebbende heeft ten aanzien van elke verveelvoudiging van zijn werk het exclusieve recht die openbaar te maken. Is zijn werk belichaamd in een tastbaar exemplaar, bijvoorbeeld een boek, en is dat exemplaar rechtmatig in het verkeer gebracht, dan heeft de auteursrechthebbende over die ene kopie geen zeggenschap meer. Zijn recht is met betrekking tot dat exemplaar 'uitgeput'. 2. "de verbreiding van het geheel of een gedeelte van het werk of van eene verveelvoudiging daarvan, zoolang het niet in druk verschenen is" Wie een boek aan zijn buurman uitleent, maakt niet openbaar, aangezien daar geen sprake is van een publiek van enige omvang. De auteursrechthebbende heeft daar dan ook geen zeggenschap over. Betreft het echter een werk dat nog niet in druk is verschenen, bijvoorbeeld een manuscript, dan is dat op grond van deze wetsbepaling een vorm van openbaarmaking. Dat is derhalve weer wel gebonden aan de toestemming van de auteur. 3. "het verhuren of uitlenen van het geheel of een gedeelte van het werk met uitzondering van bouwwerken en werken van toegepaste kunst, of van een verveelvoudiging daarvan die door de rechthebbende of met zijn toestemming in het verkeer zijn gebracht" Verhuren wordt in lid 2 van artikel 12 Aw omschreven als 'het voor een beperkte tijd en tegen een direct of indirect economisch of commercieel voordeel voor gebruik ter beschikking stellen'. 4. "de voordracht op- of uitvoering of voorstelling in het openbaar van het geheel of een gedeelte van het werk of van eene verveelvoudiging daarvan" Het gaat hierbij dus om het op één of andere manier vertonen of ten gehore brengen van a. het werk zelf (toneel, opera, concert, ballet, filmvoorstelling enz.); en b. een verveelvoudiging van het werk (juke-box, voorlezing van de vertaling van een roman, vertoning van het verfilmde toneelstuk, vertoning van dia's van kunstwerken enz.). Wel toegestaan is het om niet vertonen of ten gehore brengen in familie-, vrienden of daaraan gelijk te stellen kring, krachtens art. 12 lid 2 Aw of in het kader van bepaalde onderwijs- of wetenschappelijke doelen, krachtens art. 12 lid 3 Aw. 1.2.2 Vormen van openbaar maken De auteur is vrij om te bepalen in welke vorm hij zijn werk openbaar maakt. Hoewel dit op talloze manieren kan gebeuren, valt in grote lijnen het volgende onderscheid te maken: 1. openbaarmaking in de vorm van algemene verkrijgbaarstelling van exemplaren (boek, grammofoonplaat); en 2. openbaarmaking door middel van het in het openbaar uitvoeren van het werk (concertzaal, schouwburg, museum, radio- en tv-uitzending). In de eerste categorie gelden twee kenmerkende eigenschappen van het auteursrecht. Ten eerste staat het de eigenaar van het unieke exemplaar van het werk vrij ermee te doen wat hij wil. Ten tweede is het auteursrecht op rechtmatig in het verkeer gebrachte exemplaren uitgeput. De openbaarmaking van die verveelvoudiging is met die handeling voltooid, zodat verdere beschikbaarstelling van die verveelvoudiging aan derden, door verhuur, bruikleen of op andere wijze - of aanbieding voor zulk een doel - niet als een (verdere) openbaarmaking in de zin van de Auteurswet is aan te merken. Anders is het in de tweede categorie. Hier bestaat immers geen tastbaar exemplaar waarin het werk belichaamd is. Enigszins parallel aan de regel dat het eigen gebruik van een exemplaar van een werk vrij is, geldt in deze categorie dat alleen uitvoeringen in besloten kring vrij zijn. Het criterium van het toegelaten gebruik wordt hier gezocht in de openbaarheid van de uitvoering. Voorts geldt de uitputtingsleer niet. Een uitvoering wordt niet in het verkeer gebracht om daardoor te zijn 'uitgeput', maar 'ter beschikking van het publiek gesteld bij wege van onbeperkt herhaalbare voorstellingen'. In deze paragraaf heb ik de wettelijke beperkingen op de beschreven uitsluitende rechten buiten beschouwing gelaten. Deze komen in het volgende hoofdstuk aan de orde. 2. Exclusieve rechten in een digitale omgeving Hieronder zal ik onderzoeken in hoeverre de in de vorige paragraaf beschreven exclusieve bevoegdheden van de auteursrechthebbende zich verdragen met de moderne digitale technologie. Zoals gezegd zijn in ons systeem de exclusieve rechten gedefinieerd als verzamelbegrippen, waardoor nieuwe exploitatiemogelijkheden meestal wel onder de reikwijdte van deze begrippen gebracht kunnen worden. Gelet op het feit dat digitalisering ten opzichte van nieuwe analoge technieken zo wezenlijk anders is, lijkt mij de vraag aan de orde of digitale verveelvoudigings- en openbaarmakingshandelingen ook onder de exclusieve bevoegdheden vallen. Mocht dit het geval zijn, dan moet bekeken worden of deze begrippen geschikte instrumenten zijn om auteursrechten in een digitale omgeving te beschermen. Het is immers mogelijk dat bijvoorbeeld een digitale verveelvoudiging weliswaar onder de uitsluitende bevoegdheid van de auteursrechthebbende valt, maar dat dit in bepaalde gevallen leidt tot een onwenselijk hoog beschermingsniveau. 2.1 Valt een digitale kopie onder het verveelvoudigingsrecht? Art. 9 lid 1 Berner Conventie bepaalt: "Authors of literary and artistic works protected by this Convention shall have the exclusive right of authorising the reproduction of these works, in any manner or form." (mijn cursivering) Het vastleggen van een beschermd werk in een digitaal medium is klaarblijkelijk een verveelvoudiging in de zin van artikel 9 lid 1 Berner Conventie. Wie echter denkt dat hiermee bovenvermelde vraag afdoende is beantwoord, wacht een teleurstelling. Er is immers pas een verveelvoudiging wanneer het werk min of meer duurzaam is vastgelegd op een tastbare drager. Dit staat weliswaar niet in de Berner Conventie, maar wordt onder meer betoogd door J.H. Spoor en is bijvoorbeeld ook opgenomen in art. 122-3 van de Franse auteurswet. Door deze eis van duurzame vastlegging ontstaan problemen. Het verveelvoudigen in permanente digitale vorm, zoals vastlegging op harde schijf, diskette of CD-ROM wordt over het algemeen gezien als een aan de auteursrechthebbende voorbehouden handeling. Maar wat is de status van een tijdelijke opslag in het werkgeheugen (RAM) van de computer? Is deze tijdelijke opslag een auteursrechtelijk relevante verveelvoudiging? Hierover zijn de meningen sterk verdeeld. Ik zet er een aantal op een rijtje. 2.1.1 Wetgeving Het laden van een computerprogramma in het werkgeheugen wordt naar Nederlands recht beschouwd als verveelvoudiging. Dit wordt bepaald in artikel 4 van de Software-richtlijn. Deze bepaling is geïmplementeerd in art. 45i Aw, waar staat dat onder het verveelvoudigen van computer programma's mede wordt verstaan het laden, het in beeld brengen, de uitvoering, de transmissie of de opslag, voor zover voor deze handelingen het verveelvoudigen van dat werk noodzakelijk is. Onduidelijk is of deze uitbreiding van het verveelvoudigingsrecht van invloed is op de status van andere soorten werken. Kijken we naar de ons omringende Europese staten, dan zien we ook daar grote onduidelijkheid over de auteursrechtelijke relevantie van tijdelijke kopieën in RAM. Alleen in Groot-Brittanië bestaat op dit punt duidelijkheid. Section 17.6 Copyright, Designs and Patents Act stelt: "Copying in relation to any description of work includes the making of copies which are transient or are incidental to some other use of the work." Hoewel deze bepaling oorspronkelijk alleen bedoeld was voor computer programmatuur strekt zij zich ook uit tot andere werken in digitale vorm. Uit deze bepaling blijkt duidelijk dat (a) ook tijdelijke kopieën onder de reikwijdte van het verveelvoudigingsrecht vallen en dat (b) dit geldt voor alle werkcategorieën. Wetgeving in andere landen laat het één en ander te raden. Art. 3.1.a van de Griekse auteurswet vermeldt expliciet dat het verveelvoudigingsrecht electronische reproductie en opslag omvat, maar geeft niet aan of dit ook geldt voor tijdelijke kopieën. In andere wetten wordt ook dat eerste niet genoemd, maar uit de omschrijving van het verveelvoudigingsrecht valt dan wel op te maken dat het zich ook tot digitale kopieën uitstrekt. Om het probleem nog iets complexer te maken: het is mogelijk om ook ten aanzien van tijdelijke kopieën nog een zekere hiërarchie in 'vluchtigheid' aan te brengen. Een eenmaal in het werkgeheugen geladen kopie van een computer programma blijft daar gedurende de tijd dat de software wordt gebruikt aanwezig. Maar tijdens het laden en uitvoeren van het programma worden ook voortdurend kopieën van en naar de CPU gemaakt. Ten aanzien van computer programma's heeft de Software Richtlijn duidelijk gemaakt dat opslag in het werkgeheugen van de computer onder de reikwijdte van het verveelvoudigingsrecht valt. Omstreden is echter of ook kopieën naar de systeemregisters van de CPU als verveelvoudiging kunnen worden aangemerkt. Volgens P.B. Hugenholtz en D.J.G. Visser heeft de Software Richtlijn op dit laatste punt geen uitsluitsel gebracht. Ik bestrijd dit. Duidelijk spreekt art. 4 van de richtlijn over "the permanent or temporary reproduction of a computer program by any means and in any form, in part or in whole". Genoemde auteurs betogen dat er onduidelijkheid ontstaat, omdat de richtlijn geen definitie van 'verveelvoudiging' geeft. Mijns inziens wordt er in de richtlijn gedoeld op het technische verveelvoudigingsbegrip. Wellicht menen de auteurs dat er pas sprake kan zijn van verveelvoudiging als de verbinding tussen werk en drager min of meer duurzaam is, maar dan hebben zij een meer juridisch verveelvoudigingsbegrip voor ogen. Door te spreken van een 'permanente of tijdelijke verveelvoudiging' verklaart de richtlijn dit criterium van duurzaamheid echter irrelevant. Een 'tijdelijke verveelvoudiging' is immers naar zijn aard niet duurzaam. Dus moet wel het technische begrip, het doen ontstaan van een nieuw exemplaar, zijn bedoeld. Mijn conclusie is dat, op grond van de Software Richtlijn, ook deze extreem kortstondige kopieën onder de verveelvoudigingsbevoegdheid van de auteursrechthebbende vallen. Bovenstaand betoog geldt uiteraard alleen voor computer programma's, want daar is de Software Richtlijn voor bedoeld. Voor andere werken blijft de auteursrechtelijke relevantie van elke tijdelijke kopie, ongeacht of dat naar het werkgeheugen of de systeemregisters is, onduidelijk (behalve in het Britse recht). 2.1.2 Meningen van auteurs Door veel auteurs is zeer kritisch gereageerd op de wijze waarop de Software Richtlijn het verveelvoudigingsrecht voor computer programma's heeft uitgebreid. Dit maakt immers een einde aan het principe van het eigen vrije gebruik. We kunnen er dus van uitgaan dat deze schrijvers een zelfde regime voor andere gedigitaliseerde werken evenmin zullen toejuichen. P.B. Hugenholtz constateert, naar aanleiding van de Software Richtlijn, dat het auteursrecht 'gevaarlijke octrooirechtelijke trekken' krijgt. Niet ieder gebruik of transport van informatie is immers exploitatie. Hij maakt zich zorgen over het 'eindeloos oprekken van het reproductierecht', hetgeen volgens hem leidt tot resultaten die haaks staan op het wezen van het auteursrechtelijke exploitatierecht. D.J.G. Visser vindt dat, indien het traditionele en consequente idee dat auteursrecht zich niet uitstrekt tot gebruikshandelingen wordt gevolgd, tijdelijke opslag in het interne geheugen (dus werkgeheugen, systeemregisters etc.) van de computer vrij van auteursrechten zou moeten zijn. Niet bij wijze van beperking op het recht, maar als regel. T.K. Dreier meent dat ook tijdelijke opslag in ROM (waarschijnlijk bedoelt hij RAM, aangezien tijdelijke opslag in ROM niet mogelijk is) aan het auteursrecht onderworpen is, in ieder geval zolang zulke opslag het mogelijk maakt het werk af te beelden, te printen of op andere wijze te gebruiken. T. Hoeren denkt hier anders over. Hij stelt dat opslag in RAM niet gelijkwaardig is aan opslag op een CD-ROM of harde schijf. Opslag in RAM is een tussenstap, gemaakt om technische redenen. De gebruiker kan uit deze extra kopie geen voordeel behalen. Daarom meent hij dat het laden van een werk niet een auteursrechtelijk relevante kopie doet ontstaan. J.H. Spoor acht niet elke digitale kopie relevante verveelvoudiging. Hij vindt dat het verveelvoudigingsrecht van toepassing is op het meeste dat zich in de digitale omgeving afspeelt, maar niet noodzakelijkerwijs op zeer tijdelijke kopieën. Hij geeft als voorbeeld opslag in 'cache memory'. 2.1.3 Mijn mening Valt een digitale kopie, hetzij van permanente, hetzij van tijdelijke aard, onder het verveelvoudigingsrecht? Ik beantwoord deze vraag bevestigend. Auteurs die van mening zijn dat bepaalde tijdelijke reproducties niet auteursrechtelijk relevant zijn, voeren hier over het algemeen twee argumenten voor aan: (1) de fixering is onvoldoende permanent om van een verveelvoudiging te kunnen spreken en/of (2) er is misschien wel een verveelvoudiging maar dit is geen vorm van exploitatie. Ten aanzien van beide standpunten het volgende: Wanneer is er sprake van een fixering? Sommige werken zijn onmiskenbaar in materiële vorm gefixeerd, bijvoorbeeld boeken, beeldhouwwerken of schilderijen. Van andere werken is juist duidelijk dat er geen fixering is, zoals toneeluitvoeringen. Helaas laten niet alle werken zich zo eenvoudig indelen. Traditioneel worden tv- en filmbeelden niet beschouwd als verveelvoudigingen. Zou dit iets te maken hebben met de kortstondigheid van de projectie van elk afzonderlijk beeldje, dan zou daarmee het oordeel over zeer tijdelijke verveelvoudigingen in bijvoorbeeld de systeemregisters van een CPU snel zijn uitgesproken. Ook daar is dan geen sprake van verveelvoudiging. Het probleem met dit criterium is echter: waar trek je de grens? Hoeveel tijd moet er verstrijken voordat er van een verveelvoudiging sprake is? Een seconde? Een uur? Een dag? In welk tempo moet de filmrol draaien voordat er ineens reeksen verveelvoudigingen ontstaan? In de tijdsduur van een verveelvoudiging kan mijns inziens geen bruikbare maatstaf gevonden worden om te bepalen of er verveelvoudigingen zijn ontstaan. Ik zie een heel ander argument waarom tv- en filmbeelden geen verveelvoudiging zijn. Beide blijven in stand doordat de projectie voortdurend wordt herhaald. Een filmbeeld wordt slechts zichtbaar door een onafgebroken bombardement van lichtdeeltjes op het witte doek. Wordt dit proces afgebroken, dan is ook het beeld spoedig verdwenen. Met andere woorden: het voortbestaan van de kopie is afhankelijk van de aanwezigheid van het origineel. Terug naar de computer. De zeer tijdelijke verveelvoudigingen die in het geheugen van een computer worden gemaakt, zijn vaak nog veel kortstondiger dan de projectie van een filmbeeldje. De duur van dit soort kopieën laat zich dikwijls uitdrukken in milliseconden. Het verschil is echter dat deze informatie wel wordt vastgehouden. De gegevens blijven daar totdat ze worden gewist, hetzij doordat nieuwe informatie op die plaats wordt opgeslagen, hetzij doordat de computer wordt uitgeschakeld. Dat het vasthouden van de informatie afhankelijk is van de stroomvoorziening acht ik niet relevant, dit is niet meer dan een kenmerk van de gegevensdrager. Waar het mij om gaat is dat het, om de informatie op een bepaalde plaats te houden, niet nodig is die informatie voortdurend naar die plaats over te brengen. De kopie is niet afhankelijk van het origineel. Niet elk gebruik van informatie is exploitatie, dus niet elke verveelvoudiging is auteursrechtelijk relevant, stellen sommige auteurs. Hoewel ik het ermee eens ben dat verveelvoudigen niet altijd exploiteren is, zie ik niet in waarom dit een rol moet spelen bij de beantwoording van de vraag wanneer er zich verveelvoudiging voordoet. De vereisten daarvoor heb ik besproken in paragraaf 1.1 en 'exploitatie' was er niet één van. Dat een bepaalde handelingen geen exploitatie behelzen geeft misschien wel aanleiding voor die gevallen beperkingen op het verveelvoudigingsrecht te formuleren, maar dat is nu niet aan de orde. Spoor merkt op dat het publiek misschien niet in hulpkopieën als zodanig geïnteresseerd is, maar dat het nochtans objecten zijn waarin het werk is belichaamd en derhalve verveelvoudigingen. Wat telt is fixatie, niet feitelijke exploitatie. Op grond van het bovenstaande kom ik tot de conclusie dat elke digitale kopie auteursrechtelijk relevant is. Ik besef dat ik met deze zienswijze het enkele gebruik van computer programma's, multimedia produkten en wat dies meer zij in principe onder het exclusieve recht van de auteursrechthebbende heb gebracht, eventuele wettelijke beperkingen daargelaten. Dit geeft mij echter geen aanleiding het verveelvoudigingsrecht anders te interpreteren dan ik hierboven heb gedaan. Wel doet het bij mij de vraag rijzen of deze exclusieve bevoegdheid wel zo geschikt is om in een digitale omgeving vorm te geven aan de uitgangspunten die aan het auteursrecht ten grondslag liggen. 2.2 Openbaar maken in een digitale omgeving Terwijl het bovenstaande exclusieve recht in elk Westers auteursrecht systeem voorkomt, is een breed begrip als 'openbaar maken' meer een uitzondering. Het komt niet voor in de Berner Conventie. Het maken van rechtsvergelijkingen met andere stelsels is daarom lastig, maar 'openbaar maken' komt grotendeels overeen met 'communication to the public' zoals dit in het EC-Groenboek wordt gedefinieerd en besproken. Hier valt dus bij aan te knopen. De beschrijving die in het Groenboek gegeven wordt is weinig verhelderend en misschien zelfs wel bewust verwarrend. Nadat eerst het verschil tussen privé-gebruik ('private use') en privé-kopiëren ('private copying') wordt uitgelegd, wordt betoogd dat art. 9 lid 2 Berner Conventie onderscheid maakt tussen privé-gebruik dat als 'normal' of als 'abuse' kan worden aangemerkt. Dit artikel heeft echter betrekking op het reproductierecht, niet op het openbaarmakingsrecht. Artikel 9 lid 2 BC wordt hier ineens opgevoerd als zou het een grens stellen aan het privé-gebruik in verband met het openbaarmakingsrecht. Vervolgens sluit men af met de constatering dat geen consensus bestaat over wat 'communication to the public' nou eigenlijk precies is. 2.2.1 Welke handelingen vallen onder openbaar maken? Of bepaalde handelingen onder het recht van openbaar maken/communication to the public vallen of daaraan verwante - meer media-specifieke - rechten verschilt van land tot land. In het algemeen lijken rechthebbenden beter beschermd onder systemen die voorzien in brede 'communication to the public'-achtige rechten, dan onder systemen waar de exclusieve rechten gedetailleerd worden opgesomd. Ter illustratie enige voorbeelden: Point-to-point transmissie van een werk valt in Duitsland noch onder het distributierecht, want dat heeft alleen betrekking op het verspreiden van exemplaren, noch onder uitzenden, want dat heeft alleen betrekking op een publiek dat tegelijkertijd dezelfde informatie ontvangt. In Frankrijk daarentegen, kent men het recht van 'représentation', uitvoering in het openbaar, waaronder télédiffusion valt. Télédiffusion is het door middel van enig telecommunicatieprocédé verspreiden van geluiden, afbeeldingen, documenten, gegevens en berichten van elk soort. Point-to-point transmissie valt hier wel onder. Ik zal hieronder eerst inventariseren welke wijzen van openbaar maken er met betrekking tot digitale werken bestaan. Daarna zal ik bekijken hoe deze in het Nederlandse openbaarmakingsbegrip passen. Zoals ik al eerder uiteengezet heb, kan er bij openbaarmaking onderscheid gemaakt worden tussen materieel openbaren, in de vorm van het verkrijgbaar stellen van exemplaren en in immaterieel openbaren, door het werk in het openbaar uit te voeren. In welke categorie vallen digitale werken? Om van gedigitaliseerde werken kennis te nemen, is een technische tussenstap nodig. Wie een boek of schilderij ziet, neemt het werk rechtstreeks waar. Maar zolang de medische wetenschap nog niet zover gevorderd is dat levende organismen van een data-interface kunnen worden voorzien, zullen technische hulpmiddelen gebruikt moeten worden om de inhoud van een CD aan de beperkingen van onze zintuigen aan te passen. In dit opzicht heeft digitale technologie niets nieuws gebracht, ook videocassettes en grammofoonplaten hebben deze eigenschap. Digitale informatie resideert op gegevensdragers. Ik heb in paragraaf 2.1.3 betoogd dat dit soort gegevens altijd ergens wordt vastgehouden. Een digitaal werk kan echter worden geopenbaard door middel van CD-ROM, diskette, Digitale Audio Tape en dergelijke, of via een netwerk. In het eerste geval wordt het aan de gebruiker beschikbaar gesteld door overdracht van een tastbaar voorwerp, waarin het werk is belichaamd. In het tweede geval geschiedt verspreiden door de informatie vanaf het netwerk naar het werkgeheugen van de computer van de gebruiker te kopiëren. Wanneer het gaat om het openbaar maken door het overhandigen aan de gebruiker van een gegevensdrager waarop het werk al van tevoren is verveelvoudigd, levert het openbaarmakingsrecht weinig problemen op. Er is geen verschil met de wijze waarop bijvoorbeeld muziek op grammofoonplaten wordt geopenbaard. Dit soort openbaar maken valt onder art. 12 lid 1 sub 1 Aw. Onduidelijkheden ontstaan daar waar via een netwerk geopenbaard wordt. Bij openbaar maken via een netwerk is geen sprake van een algemeen verkrijgbaar stellen van exemplaren. Wat verkrijgbaar wordt gesteld is immers niet een exemplaar, maar de informatie. Die wordt weliswaar vastgelegd, maar dat gebeurt aan de kant van de gebruiker. Zoals wanneer iemand een radio-uitzending op een cassettebandje opneemt. Het valt daarom niet onder art. 12 lid 1 sub 1 Aw. Is het dan uitvoering van het werk in de zin van art. 12 lid 1 sub 4 Aw? Dit artikel eist dat er sprake is van een uitvoering in het openbaar. Nu zou er twijfel kunnen ontstaan omtrent in hoeverre verspreiding via een netwerk als 'in het openbaar' kan worden beschouwd. Op grond van artikel 12 lid 4 Aw kan worden aangenomen dat als 'in het openbaar' moet worden aangemerkt 'buiten een kring van vrienden of familie'. in de rechtspraak is uitgemaakt dat dit criterium ook van toepassing is op verspreiding via een kabelnet. Aangenomen wordt dat deze maatstaf op alle vormen van openbaarmaking van toepassing is. Het besloten karakter van een netwerk staat aan de kwalificatie 'in het openbaar' dus niet in de weg. In de jurisprudentie ging het echter om doorgeven via de kabel, wat meebrengt dat alle gebruikers de informatie tegelijkertijd ontvangen. Maar bij digitale verspreiding via een netwerk is het mogelijk de werken beschikbaar te stellen op individueel verzoek. Er is wel een publiek, maar dit ontvangt de informatie niet noodzakelijkerwijs op hetzelfde moment. Is ook dan nog sprake van openbaar maken in de zin van lid 4? Het Hof 's-Gravenhage heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Het aanbieden aan het publiek van de mogelijkheid om individueel films te bekijken is een vorm van openbaarmaking. De transmissie van een werk over een netwerk is op zichzelf geen openbaarmaking, maar het aanbieden aan het publiek ervan wel. 2.3 Samenloop van exclusieve rechten Aangezien werken die zich in de digitale omgeving bevinden in die hoedanigheid niet voor mensen waarneembaar zijn, zullen ze altijd moeten worden uitgevoerd door middel van één of ander apparaat. Een printer, een beeldscherm, een geluidskaart of welke op menselijke zintuigen afgestemde voorziening dan ook. Ditzelfde geldt voor informatie die zich bevindt op grammofoonplaten, cassettebandjes of als radiogolven de ether doorkruist. Het cruciale verschil met deze analoge technieken is echter, dat er in de digitale omgeving voor openbaren altijd een tussenstap nodig is: een verveelvoudiging. Wie een dia projecteert kijkt naar een directe omzetting van het origineel. Wie een Kodak Photo-CD in zijn CD-ROM speler plaatst kopieert een afbeelding eerst naar het werkgeheugen van de computer, alvorens het op het beeldscherm verschijnt. Het verschil wordt snel genoeg duidelijk. Verwijder de dia uit het eerste voorbeeld en projectie op het scherm verdwijnt. Verwijder de Photo-CD uit de CD-speler en aan de afbeelding op de monitor verandert niets. Sterker nog, waarschijnlijk zal zelfs het wissen van het werkgeheugen van de computer geen nadelig effect op de voorstelling hebben. Vanuit het werkgeheugen is namelijk direct een kopie gemaakt naar het geheugen van de videokaart. De consequentie hiervan is dat het openbaarmakingsrecht volkomen overlapt wordt door het verveelvoudigingsrecht. Elke openbaarmaking wordt geïnitieerd door een kopie, dus elke openbaarmaking wordt beheerst door het verveelvoudigingsrecht. Wanneer vervolgens een regime zoals dat van de Software Richtlijn op alle gedigitaliseerde werken wordt gevestigd, zoals door sommige auteurs wordt bepleit, spelen het openbaarmakingsrecht en alle wettelijke beperkingen daarop geen rol van betekenis meer. Als dit de richting is die we met het auteursrecht uit willen, kunnen we het openbaarmakingsrecht net zo goed afschaffen. Alleen maar overbodige ballast. Het is dus mogelijk in een digitale omgeving het auteursrecht alleen nog met een verveelvoudigingsrecht te handhaven. Wat de rechthebbende hiermee feitelijk verkrijgt is een exclusief gebruiksrecht. Traditioneel bevond het slechts gebruiken of ontvangen van informatie zich buiten het bereik van het auteursrecht. Doordat in een digitale omgeving deze handelingen door de aard van de techniek slechts door middel van verveelvoudigen kunnen plaatsvinden en de tendens is het verveelvoudigingsrecht steeds verder uit te breiden, wordt met die traditie gebroken. Dit is niet alleen vanuit de achtergronden van het auteursrecht bezien betreurenswaardig, maar staat ook op gespannen voet met de informatievrijheid die in art. 10 EVRM gewaarborgd is. 3. Een mogelijke oplossing Het verveelvoudigingsrecht is niet geschikt om in een digitale omgeving handelingen die naar hun aard volkomen verschillend zijn, bijvoorbeeld het enkele gebruik of exploitatie, van elkaar te onderscheiden. Waar in de wet 'verveelvoudigingsrecht' staat, moet eigenlijk 'gebruiksrecht' worden gelezen. Zodra informatie het domein van enen en nullen binnengaat, wordt het verveelvoudigingsrecht ogenblikkelijk stekeblind en raakt de zorgvuldige balans tussen de belangen van gebruikers en rechthebbenden ruw verstoord. Het is misschien mogelijk de schade te herstellen door een uitgekiend systeem van beperkte rechten op te stellen. Maar is het niet beter eerst eens kritisch naar de formulering van de exclusieve rechten te kijken? Waarom uitgaan van een begrip dat niet past een de digitale omgeving? Wil een werk dat zich in de digitale omgeving bevindt waarneembaar worden, dan moet het altijd worden uitgevoerd, net zoals informatie op een grammofoonplaat of videocassette. Dat daar bij gedigitaliseerde werken één of meerdere kopieën aan te pas komen, is vanuit het standpunt van de gebruiker bezien irrelevant. Hij heeft er niet om gevraagd, behaalt er geen voordeel mee en is er zich misschien niet eens van bewust. Maar de kopie is er wel en stelt het auteursrecht voor grote problemen. Het verveelvoudigingsrecht manifesteert zich op een ongelegen ogenblik, op een plaats waar het niet thuishoort: in het proces van het uitvoeren van een werk. Een handeling die traditioneel alleen door het openbaarmakingsrecht bestreken werd, althans voor zover het een uitvoering buiten de kring van familie en vrienden betrof. Uitvoeren is iets anders dan verveelvoudigen. Het lijkt me daarom niet de bedoeling dat uitvoeringen mede beschermd worden als verveelvoudigingen. Hieronder zal ik uiteenzetten wat er, naar mijn mening, aan de exclusieve rechten moet veranderen. Het zal na het bovenstaande betoog niet als een verrassing komen dat met name het verveelvoudigingsrecht stevig onder handen zal worden genomen. 3.1 Beperken van het verveelvoudigingsrecht 'Restrict the right of reproduction' stellen Hugenholtz en Visser voor. Ik zou nog een stap verder willen gaan: schaf het af, in ieder geval daar waar het gedigitaliseerde werken betreft. Door vervolgens het geldingsgebied van het openbaarmakingsrecht uit te breiden of een wat meer passend exclusief recht toe te voegen, kan de ontstane leemte worden opgevuld. Dit moet een auteursrecht opleveren dat meer recht doet aan de aard van informatie in het algemeen en aan die van de digitale omgeving in het bijzonder. Een auteursrecht dat minder geforceerd is, minder medium-afhankelijk en minder verwarrend. Hoe ver kunnen we gaan met het afschaffen van het verveelvoudigingsrecht? Ik zou me een auteursrechtsysteem kunnen voorstellen waarin reproductie niet tot de exclusieve bevoegdheden van de maker (of diens rechtverkrijgenden) behoort. Het verveelvoudigingsrecht heeft immers geen betrekking op de informatie, maar op een stoffelijk voorwerp waarin het is belichaamd. Maar met het produceren van tienduizend exemplaren van de nieuwste roman van Harry Mulisch berokken ik de schrijver geen enkele schade. Pas wanneer ik die boeken ga verspreiden, moet hij zich zorgen gaan maken over zijn inkomsten. Met andere woorden, het verveelvoudigingsrecht heeft weinig te maken met het immateriële karakter van informatie. Het is geen noodzaak, maar slechts een handig hulpmiddel om de belangen van de maker te beschermen. In de woorden van het EC-Groenboek: "Any unauthorized reproduction by professionals constituted an act of piracy, and could easily be proven by establishing the existence of illicit copies." In een wereld waar dragers waarin het produceren en distribueren van reproducties in het oog springende en makkelijk te traceren daden zijn, is een exclusieve verveelvoudigingsbevoegdheid een handig instrument voor belangenbescherming. Onder omstandigheden waar het voor normaal gebruik van informatie niet nodig is kopieën te maken, levert het verveelvoudigingsrecht geen problemen op. Maar in de digitale omgeving zit het lelijk in de weg. Afschaffing van het verveelvoudigingsrecht noodzaakt natuurlijk wel dat er vervangende exclusieve rechten in het leven geroepen moeten worden, want het openbaarmakingsrecht is waarschijnlijk in zijn huidige vorm niet ruim genoeg om het gewenste niveau van bescherming te verzorgen. Helaas zal mijn zojuist gedane voorstel bij de meeste ingewijden in het auteursrecht slechts aanleiding geven tot het diep fronsen of hoog optrekken der wenkbrauwen. Ik heb allerminst de illusie dat mijn standpunt in brede kring bijval zal oogsten. Zolang het reproductierecht in het EC-Groenboek wordt omschreven als 'het hart van het auteursrecht' is de tijd er nog niet rijp voor. Ik zie echter niet in waarom een bevoegdheid die niets te maken heeft met de onderwerp van het auteursrecht, informatie, er het hart van zou moeten vormen. 'Blindedarmontsteking' van het auteursrecht is in mijn visie een juistere kwalificatie voor dit begrip. Omdat volledige afschaffing van het verveelvoudigingsrecht voorlopig niet haalbaar is en mijn scriptie zich afspeelt op het terrein van digitale technologie, zal ik mij bij het herdefiniëren van de exclusieve rechten tot dat gebied beperken. Dit betekent in de praktijk dat ik uitkom op een beperking - in plaats van afschaffing - van het verveelvoudigingsrecht. Rechtsvergelijkend onderzoek heeft uitgewezen dat auteursrechtsystemen met medium-onafhankelijke exclusieve rechten (zoals in Frankrijk en Nederland) beter met nieuwe technologieën uit de voeten kunnen dan systemen die voorzien in nauwkeurig omschreven bevoegdheden (zoals in Duitsland). Daarom zal ik proberen de beperking van het verveelvoudigingsrecht medium-onafhankelijk te formuleren. Er zijn twee redenen om te verveelvoudigen: - Verveelvoudiging als doel op zichzelf; - Verveelvoudiging als technische noodzaak teneinde het werk uit te voeren. Bij de eerste vorm van verveelvoudiging is de gebruiker er daadwerkelijk op uit een tweede exemplaar te doen ontstaan. Dit kan zijn met het oogmerk het werk te verspreiden, of ter verkrijging van een kopie voor eigen gebruik. Bij de tweede vorm is de gebruiker erop uit het werk uit te voeren, in eventuele tijdelijke verveelvoudigingen die om technische redenen worden gemaakt is hij niet geïnteresseerd. Dit laatste zou daarom, naar mijn mening, buiten de geldingssfeer van het verveelvoudigingsrecht moeten blijven. Nu zijn er twee mogelijkheden om het verveelvoudigingsrecht te beperken. Enerzijds zou het verveelvoudigingsrecht zelf anders geformuleerd kunnen worden, anderzijds zou er een wettelijke beperking in het leven geroepen kunnen worden. Ik kies voor het eerste. Het gaat er immers om de definitie van 'verveelvoudigen' zuiver te krijgen en zoals het nu is kan er bij toepassing van digitale technieken net zo 'gebruiken' gelezen worden. Dat is niet de bedoeling van het verveelvoudigingsrecht, dus blijkbaar is er iets mis met de formulering van het recht zelf. In paragraaf 5 van de Auteurswet zou het volgende regeltje ingevoerd kunnen worden: Art. 14a. Onder verveelvoudiging wordt niet begrepen die welke technisch noodzakelijk is en er uitsluitend toe dient een werk van letterkunde, wetenschap of kunst uit te voeren. Het voordeel van deze regel is dat het niet alleen voor digitale media geldt. Ook analoge apparaten die werken uitvoeren met behulp van technisch noodzakelijke kopieën vallen er onder. Het enige voorbeeld dat ik kan bedenken is de tape-echo die vroeger, voor de komst van digitale effect-processors, in studio's werd gebruikt. Maar wie weet wat de toekomst nog aan uitvindingen zal brengen. Het nadeel van dit artikel is dat het in conflict komt met art. 4 van de Software Richtlijn en art. 45i Aw. Willen we dit voorkomen - en dat zal wel moeten - dan moet aan het voorgestelde artikel 14a een tweede lid worden toegevoegd. Het voorgaande lid is niet van toepassing op werken als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 12ž. Met dit tweede lid wordt de Software Richtlijn gerespecteerd terwijl het eerste lid een dam opwerpt tegen verdere verloedering van het auteursrecht in de zin van deze richtlijn. Maar hiermee is het probleem dat op één multimedia-werk verschillende regimes heersen niet opgelost. Zolang deze richtlijn van kracht blijft is de enige manier om dat probleem uit de wereld te helpen het software-regime tot alle gedigitaliseerde werken uit te breiden. Maar daar ben ik, zoals uit de voorgaande pagina's moge blijken, een fervent tegenstander van. 3.2 Uitbreiden van het recht van openbaar maken In paragraaf 2.2.1 heb ik uiteengezet dat het openbaarmakingsrecht, zoals dat in Nederland in de wet is geregeld en door de rechtspraak is uitgelegd, geen problemen met digitale technologie oplevert. In feite hoeft er, naar mijn oordeel, weinig aan te worden veranderd. Niettemin zou het geen kwaad kunnen regels in de wet op te nemen die verduidelijken wat onder het recht van openbaarmaking valt. Hiervoor zou art. 20 lid 2 van de Spaanse Auteurswet model kunnen staan, waar wordt bepaald dat onder meer als openbaarmakingshandelingen zullen worden beschouwd: - het verspreiden van enig werk naar het publiek per draad, kabel, glasvezelkabel of ander vergelijkbaar procédé, al dan niet ter overweging; - openbare toegang tot computer databanken door middel van telecommunicatie, indien zulke databanken beschermde werken vormen of bevatten. Een ander mooi voorbeeld is te vinden in artikel 122-2 van de Franse Auteurswet, waarin het recht van 'télédiffusion' is opgenomen: - Télédiffusion betekent verspreiding middels enig telecommunicatie proces van geluiden, beelden, documenten, gegevens en berichten van welk soort dan ook. En télédiffusion wordt dan weer geacht een vorm van 'communication publique' te zijn. 3.3 Tot slot Hiermee besluit ik dit hoofdstuk, waarin ik de problemen die de geldende exclusieve rechten in een digitale omgeving kunnen opleveren in kaart heb gebracht en naar een oplossing voor die problemen heb gezocht. Dat dit maar ten dele gelukt is, heeft veel te maken met artikel 4 van de Software Richtlijn, een historische vergissing waarmee de ontwikkeling van het auteursrecht een verkeerde richting is ingeslagen. Nu ik de rechten van de auteur heb behandeld, zal ik in het volgende hoofdstuk gaan onderzoeken wat gebruikers met of zonder diens toestemming is toegestaan. Ik heb het dan over licentiëring en wettelijke beperkingen van het auteursrecht. III. Wettelijke beperkingen van het auteursrecht 1. Begripsomschrijving In de paragraaf 6 van de Auteurswet, de artikelen 15 tot en met 25a, wordt een aantal uitzonderingen gemaakt op de uitsluitende rechten van de auteursrechthebbende. Hierdoor valt een aantal vormen van openbaar maken en verveelvoudigen buiten het verbodsrecht van de auteur. 2. Wettelijke beperkingen in de digitale omgeving De relevante wettelijke beperking in dit verband is de bepaling van artikel 16b Aw. Hierin wordt uitgemaakt dat een verveelvoudiging, 'welke beperkt blijft tot enkele exemplaren en uitsluitend dient tot eigen oefening, studie of gebruik van degene die de verveelvoudiging vervaardigt of tot het verveelvoudigen uitsluitend ten behoeve van zichzelf opdracht geeft', niet als inbreuk op het auteursrecht wordt aangemerkt. Dit artikel is zo belangrijk omdat, zoals ik in het vorige hoofdstuk heb vastgesteld, elk gebruik van gedigitaliseerde informatie met verveelvoudigen gepaard gaat en daarom is onderworpen aan het verveelvoudigingsrecht van de auteur. Deze bepaling zou hierop een uitzondering kunnen maken. Op de uitzondering van art. 16b Aw wordt is een aantal beperkingen aangebracht: - Verveelvoudiging van geschriften als bedoeld in art. 10 lid 1 sub 1 Aw moet beperkt blijven tot een klein gedeelte van het werk. Dat geldt weer niet voor werken waarvan geen nieuwe exemplaren tegen betaling voor derden beschikbaar zullen komen en evenmin voor korte artikelen, berichten etc. - Het verveelvoudigen door het vastleggen van een werk op een drager waarmee het werk hoorbaar of zichtbaar gemaakt kan worden mag alleen voor eigen gebruik, niet in opdracht. - Kopiëren voor eigen gebruik van computer programma's is niet toegestaan. Art. 45n Aw verklaart art. 16b Aw ten aanzien van deze werken niet van toepassing. Wat opvalt aan deze regeling is dat het regime voor sommige werkcategorieën verschillend is. Dit levert problemen op bij multimedia producten, die meerdere soorten werken combineren. Nu in een digitale omgeving elk gebruik onder de uitsluitende bevoegdheid van de auteur lijkt te vallen, geeft art. 16b Aw aan wat de gebruiker nog wel mag. Althans, zolang het beschermde materiaal geen computer programma is, want in dat geval zijn de bevoegdheden van de gebruiker in de artikelen 45j-m Aw opgesomd. Ik zal hieronder een aantal handelingen opsommen die mijns inziens door art. 16b Aw worden toegestaan. Hierbij veronderstel ik steeds dat computer programma's geen deel uit maken van het werk. - Het maken van reservekopieën; - Het kopiëren naar RAM; - Het downloaden van een werk. Het uploaden van een werk (kopiëren naar een netwerk computer) valt mijns inziens niet onder art. 16b Aw, omdat de gebruiker niet verveelvoudigt. De vastlegging vindt plaats op de computer van de ontvanger, dat is dus degene die verveelvoudigt. Wel zal bij het versturen van het werk ook aan de kant van de gebruiker enig reproduceren aan de orde zijn, de informatie wordt immers vanuit het werkgeheugen naar het modem gekopieerd die het in geluidssignalen omzet. Maar dit is weer kopiëren naar RAM en valt dus onder de wettelijke beperking. 3. Een bedreiging voor de normale exploitatie van het werk Art. 9 lid 2 Berner Conventie stelt een duidelijk grens aan het kopiëren voor eigen gebruik: het mag niet zo ver gaan dat de normale exploitatie van het werk daardoor in het gedrang komt en de auteur onredelijk benadeeld wordt. Onder bepaalde omstandigheden is dit, bij kopiëren met behulp van digitale technologie, wel het geval. Dit kan in het bijzonder zo zijn bij downloaden en thuiskopiëren. 3.1 Downloaden Onder downloaden versta ik: het laden van informatie vanaf een netwerk computer in het geheugen van de computer van een gebruiker. Hierbij acht ik niet van belang of deze informatie permanent wordt vastgelegd, bijvoorbeeld op harde schijf, of alleen in het werkgeheugen blijft. 'Browsen', het on-line bekijken van documenten, beschouw ik dus ook als downloaden. Daarbij wil ik overigens opmerken dat ook bij browsen informatie op harde schijf wordt vastgelegd. Althans, voor zover het browsen plaatsvindt op het World Wide Web. Een browser-programma als Netscape houdt een sub-directory op de harde schijf, genaamd 'cache', waarin informatie die vaak of recentelijk gedownload is wordt opgeslagen, dit opdat veel geraadpleegde informatie sneller voorhanden is, omdat het niet steeds hoeft te worden gedownload. De verveelvoudiging die de gebruiker bij downloading maakt is voor eigen gebruik. Wanneer het bijvoorbeeld browsen betreft wordt de kopie slechts gemaakt opdat de gebruiker het werk kan waarnemen. Dat downloaden, naar ik meen, niet onder het exclusieve verveelvoudigingsbevoegdheid van de auteur valt, is mijns inziens terecht. Het betreft hier immers het ontvangen van informatie, iets dat gewaarborgd wordt in art. 10 lid 1 EVRM. Aangezien de handelingen van de aanbieder onder het openbaarmakingsrecht vallen, behoudt de auteur controle over zijn werk. Het bezwaar tegen bovenstaande redenering is echter, dat het denkbaar is dat de aanbieder van de informatie zich in een land bevindt waar het openbaarmakingsrecht, of zelfs het gehele auteursrecht, ontbreekt. In dat geval zou de auteursrechthebbende noch op de gebruiker, noch op de aanbieder van de informatie verhaal kunnen halen. Maar zelfs als de aanbieder zich in een land als Nederland zou bevinden, kan de rechthebbende met lege handen staan. Stel dat een arme student - bijvoorbeeld ik - een complete CD naar zijn website kopieert en dat die tegen de tijd dat de rechthebbende de inbreuk ontdekt al 250.000 keer door andere netgebruikers is gedownload. De arme student kan de schade niet vergoeden. Hier komt de wettelijke beperking duidelijk in botsing met het bepaalde in artikel 9 lid 2 Berner Conventie, de normale exploitatie van het werk is hier in gevaar. Het lijkt mij dan ook onvermijdelijk deze beperking enigszins te nuanceren. 3.2 Thuiskopiëren Wie van zijn buurman een CD leent kan daar, met de juiste apparatuur, een perfecte kopie van maken. Door dit soort praktijken kan thuiskopiëren uitgroeien tot een volwaardige vorm van exploitatie, iets wat duidelijk niet de bedoeling van de beperking van artikel 16b Aw kan zijn. Ook dit soort kopiëren voor eigen gebruik zou van de beperking uitgesloten moeten worden. 4. De beperking beperken? Moet er iets veranderen aan de wettelijke beperkingen van het auteursrecht? Ik vind van wel, hetgeen uit de voorafgaande paragrafen moge blijken. Hieronder volgt een aantal standpunten. 4.1 Het Groenboek Het EC-Groenboek besteedt geen uitgebreide aandacht aan wettelijke beperkingen, maar laat die min of meer terloops aan de orde komen. Zorgvuldig moet bekeken worden welke beperkingen kunnen blijven bestaan. 4.2 Meningen van auteurs T. Hoeren waarschuwt dat de grenzen tussen commerciële piraterij en kopiëren voor privégebruik verdwijnen als gevolg van de mogelijkheden die digitalisering biedt. Er treedt decentralisatie in de verspreiding van informatieproducten op, waardoor het handhaven van auteursrechten onredelijk kostbaar wordt. Daarom moet volgens hem overwogen worden wettelijke beperkingen voor privé gebruik (mijn cursivering) af te schaffen voor alle gedigitaliseerde werken, naar het voorbeeld van de Software Richtlijn. Er zouden alleen voorrechten voor audio-visueel gehandicapten over moeten blijven. P.B. Hugenholtz stelt voor het bestaande stelsel van specifieke wettelijke beperkingen te vervangen door een flexibele en medium-onafhankelijke fair use-bepaling naar Amerikaans model. D.J.G. Visser stelt vast dat de bestaande wettelijke beperkingen niet bedoeld zijn voor een digitale omgeving en in veel gevallen niet in 'cyberspace' passen. Hij vraagt zich echter af of het niet nog wat te vroeg is om uit te vinden wat voor soort beperkingen in de digitale omgeving nodig zijn. A.N. Dixon en L.C. Self vinden dat de Software Richtlijn een goed model vormt voor de bescherming van andere gedigitaliseerde werken. Er moeten weinig wettelijke beperkingen aan het auteursrecht zijn en ze mogen niet al te ruim zijn. 4.3 Mijn mening Aanvankelijk ging mijn voorkeur uit naar het formuleren van een flexibele, medium-onafhankelijke wettelijk beperking, zoals Hugenholtz voorstelt. Hier is veel voor te zeggen, omdat juist daar waar regelgeving heel precies op bepaalde media is toegesneden, problemen ontstaan met gedigitaliseerde werken. Wellicht is dit uiteindelijk het regime waar we naar toe moeten. Auteursrecht zou immers zoveel mogelijk betrekking moeten hebben op datgene waar het over gaat: informatie, inplaats van uit te gaan van de media waarmee die informatie gecommuniceerd wordt. De nadruk zou meer moeten liggen op de activiteit dan op de techniek. Wanneer bij elk nieuw technisch medium de reactie van het auteursrecht daarop moet bestaan uit het formuleren van weer nieuwe uitzonderingen, soms zelfs weer uitzonderingen op die uitzonderingen, ligt de vraag voor de hand of de uitsluitende rechten zelf niet eens aangepast moeten worden. Ik heb die vraag in mijn vorige hoofdstuk bevestigend beantwoord. Helaas heb ik daaraan moeten toevoegen dat vergaande aanpassingen op dit ogenblik nog niet haalbaar zijn. Het is in dit licht dat ik voorstel het systeem van wettelijke beperkingen zo veel mogelijk in tact te laten. Thans wordt het grootste deel van de informatie nog via analoge technieken verspreid en de gevolgen van vergaande wijziging van de wettelijke beperkingen zijn moeilijk te overzien. Ik denk dat met een geringe aanpassing al een heel wenselijk effect bereikt kan worden. In het kort komt mijn voorstel erop neer dat het verveelvoudigen voor eigen gebruik beperkt moet worden tot de rechtmatige verkrijger van die informatie en dat niet verveelvoudigd mag worden ten behoeve van een derde. Om een concreet voorbeeld te geven: iemand die een muziekuitvoering heeft gedownload en daarvoor aan de rechthebbenden heeft betaald, mag dit naar Digitale Audio Tape kopiëren om af te spelen op de DAT-recorder in zijn auto. Dit lijkt mij een geoorloofde vorm van eigen gebruik. Wat hij niet mag is een kopie maken voor zijn buurman, aangezien hij dan niet kopieert ten behoeve van zichzelf. Evenmin mag zijn buurman, die de DAT-cassette even leent, een kopie maken, aangezien hij niet de rechtmatige verkrijger van de informatie is. Voor alle duidelijkheid: het gaat hier niet om verveelvoudigen voor eigen gebruik in het algemeen, maar om het verveelvoudigen van gedigitaliseerde werken. Voor analoge werken blijft het bestaande regime dus intact. Met bovenstaand voorstel meen ik een rechtvaardige balans tussen de belangen van de auteur en die van de gebruiker te hebben gevonden. Hierbij ga ik wel uit van mijn eigen herformulering van het verveelvoudigingsbegrip uit het vorige hoofdstuk. IV. Licentiëring van rechten 1. Problemen met het verkrijgen van licenties Wie ten aanzien van een beschermd werk handelingen wil verrichten die slechts de rechthebbende zijn voorbehouden, zal daarvoor diens toestemming moeten krijgen. Dit is echter niet altijd even eenvoudig. Hiervoor is een aantal redenen aan te wijzen: - Het kan moeilijk zijn te achterhalen wie de rechthebbende is. Het komt voor dat individuele auteurs die niet vertegenwoordigd worden door rechtenorganisaties, uitgevers of agenten gewoonweg niet te vinden zijn. - Vaak is niet duidelijk welke bevoegdheden de rechthebbende precies heeft. Dit doet zich voor wanneer de originaire maker rechten heeft overgedragen voor het exploiteren van het werk in traditionele media aan bijvoorbeeld een platenmaatschappij, rechtenorganisatie of filmproducent. Of bij de overdracht van de rechten ook de exploitatie in digitale media is inbegrepen, is maar zeer de vraag. Art. 2 lid 2 Aw bepaalt immers dat de overdracht alleen die bevoegdheden omvat waarvan dit in de overdrachtsakte is vermeld of uit de aard of strekking van de titel noodzakelijk voortvloeit. De meeste rechtenorganisaties hebben niet het mandaat over de elektronische rechten van de aangesloten rechthebbenden te beschikken. - Rechthebbenden zijn vaak terughoudend met het licentiëren voor exploitatie in een digitale omgeving, omdat ze vrezen daarmee de controle over primaire exploitatie op de digitale markt kwijt te raken. - De producent van een multimedia product wordt geconfronteerd met een groot aantal rechthebbenden, met wie allemaal onderhandeld moet worden, die veel verschillende rechten kunnen hebben die elkaar ook nog eens kunnen overlappen: auteursrechten, naburige rechten etc. 2. Mogelijke oplossingen In de literatuur zowel als in het EC-Groenboek worden verschillende mogelijke oplossingen aangedragen voor de hierboven geschetste problemen. Ondermeer wordt erop gewezen dat digitale technologie het mogelijk maakt dat rechthebbenden en gebruikers van informatie rechtstreeks transacties aangaan. "De nieuwe informatietechniek zal ons bevrijden uit het knellende keurslijf van het collectieve rechtenbeheer." jubelt Hugenholtz. Daarbij wil ik echter opmerken dat rechtenorganisaties ook een sociale rol vervullen voor auteurs. Zo hebben veel rechtenorganisaties in verschillende landen een sociaal zekerheidssysteem geregeld voor auteurs. Bovendien kan dit soort organisaties beter voor de rechten van hun gezamenlijke leden opkomen dan een individuele auteur. Ik denk daarom niet dat digitalisering collectief rechtenbeheer zal uitbannen. Licentiëring zou op drie manieren geregeld kunnen worden: via dwanglicenties, door collectief rechtenbeheer of in een samenwerkingsverband rechthebbenden en gebruikers. Ik behandel hieronder in dezelfde volgorde. 2.1 Dwanglicenties Art. 16b lid 6 Aw voorziet in een dwanglicentie voor het verveelvoudigen van kleine gedeelten van werken in de zin van art. 10 lid 1 sub 1 Aw, of het gehele werk indien geen nieuwe exemplaren tegen betaling aan derden meer ter beschikking zullen worden gesteld en artikelen, berichten of andere korte stukken. Het Reprobesluit 1974 bepaalt onder welke omstandigheden dit verveelvoudigen geen inbreuk op het auteursrecht is. In artikel 7 van dit KB wordt een vergoeding aan de rechthebbende toegekend. Het zou mogelijk zijn een soortgelijke regeling te treffen met betrekking tot het digitaal verveelvoudigen van werken. Vanuit het perspectief van de gebruiker zou dit veruit te prefereren zijn. Een zo ver gaande beperking van het verbodsrecht van de auteur zou echter een overschrijding betekenen van de grenzen die door art. 9 lid 2 BC getrokken worden. Dwanglicenties zijn een ultimum remedium, een middel waar pas naar gegrepen moet worden als andere maatregelen niet werken. 2.2 Collectief rechtenbeheer Al sinds Caron de Beaumarchais tegen het einde van de achttiende eeuw een pressiegroep voor toneelschrijvers oprichtte bestaan er organisaties die collectief de belangen van auteurs behartigen. Met name in de muziekindustrie wordt erg veel van collectief rechtenbeheer gebruik gemaakt. In Frankrijk is op dit moment het SESAM-project aan de gang, waarbij organisaties die zich met verschillende categorieën rechten bezighouden hun repertoire bijeenbrengen. Het EC-Groenboek beveelt het samenbrengen van beschikbare informatie aan als een goede manier om de juiste omgeving voor creativiteit in het multimedia tijdperk te scheppen. Er zouden 'one stop shop'-organisaties opgericht kunnen worden, waar het identificeren van rechten gecentraliseerd wordt. Een stapje verder gaat een 'clearing house', waar een centraal lichaam als tussenpersoon functioneert bij het toekennen van multimedia-rechten. 2.3 Licentiëring in samenwerking Bij deze vorm van licentiëring, in het Engels aangeduid met 'co-operative licensing', werken rechtenorganisaties en uitgevers samen met multimedia producenten om collectieve 'clearance centres' op te zetten. Het doel is dat producenten op een eenvoudige manier individuele licenties van een veelvoud van rechthebbenden kunnen krijgen. Inmiddels bestaan er al zulke initiatieven, zoals het Copyright Clearance Center Inc. Deze organisatie voorziet ondermeer in een 'digital licensing program'. Voorlopig zijn er nog veel beperkende voorwaarden, er worden bijvoorbeeld alleen licenties voor interne netwerken gegeven, niet voor het internet. Interessant is de 'pricing structure', wat wil zeggen dat elke aanbieder van informatie zijn eigen tarief kan bepalen. Een clearance center biedt alle partijen voordelen. De rechthebbende behoudt zeggenschap over zijn rechten, terwijl gebruikers een 'one stop shop' hebben. 3. Mijn mening Bij mijn bespreking van de verschillende licentievormen is al enigszins naar voren gekomen waar mijn voorkeur naar uitgaat: de clearance center variant. Evenwel is op dit ogenblik moeilijk te overzien in welke vorm licentiëring het beste gegoten kan worden. Een dergelijk systeem zal zich toch vooral in de praktijk moeten bewijzen. V. Conclusie In deze scriptie heb ik gezocht naar oplossingen voor een aantal problemen waar digitalisering het auteursrecht voor stelt. Op een aantal cruciale punten heb ik (geringe) aanpassingen geformuleerd, die naar mijn mening het geldend recht beter zouden doen aansluiten op de mogelijkheden van een digitale informatie-maatschappij, die nu deels al realiteit is en voor het overige dat in de nabije toekomst zal worden. Ik heb vastgesteld dat met name het verveelvoudigingsrecht gebrekkig functioneert in een digitale omgeving. Doordat elke gebruikshandeling met betrekking tot digitale werken gepaard gaat met het maken van kopieën, die naar mijn mening alle voor het auteursrecht relevante verveelvoudigingen zijn, is het verveelvoudigingsrecht in een digitale omgeving in feite tot een exclusief gebruiksrecht verworden. Ik heb vervolgens voorgesteld het verveelvoudigingsrecht zodanig te herdefiniëren, dat kopieën die technisch noodzakelijk zijn en er uitsluitend toe dienen een werk uit te voeren, niet langer als verveelvoudigingen in de zin van de Auteurswet worden beschouwd. Daarbij heb ik te overwegen gegeven of het verveelvoudigingsrecht als exclusieve bevoegdheid op termijn niet beter afgeschaft zou kunnen worden. Een auteursrechtsysteem zonder deze bevoegdheid lijkt mij heel goed denkbaar en zou beter passen bij het karakter van informatie. Informatie is immers geen stoffelijke zaak. Het recht van openbaar maken, dat in ons systeem een breed scala van handelingen omvat, is mijns inziens uitstekend geschikt voor toepassing in een digitale omgeving. Hier en daar zouden bepalingen ter verduidelijking toegevoegd kunnen worden. Ik heb daarbij voorbeelden uit de Franse en Spaanse auteurswet genoemd. Voor wat betreft de wettelijke beperkingen van het auteursrecht heb ik betoogd dat art. 16b Aw nu zo geformuleerd is dat onder omstandigheden, bijvoorbeeld bij thuiskopiren of downloaden van werken, de rechthebbende geschaad kan worden bij de normale exploitatie van zijn werk. Ik heb voorgesteld deze bepaling zo aan te passen dat alleen de rechtmatige verkrijger van de informatie deze mag verveelvoudigen, uitsluitend voor eigen gebruik, niet ten behoeve van een derde. Ten slotte heb ik enige mogelijkheden van licentiëren besproken, waarbij ik de 'clearance center' optie het meest aantrekkelijk vond. Daar heb ik wel aan toegevoegd dat eigenlijk alleen in de praktijk te zien valt hoe zo'n licentiesysteem er uit zou moeten zien. "Almost everything we think we know about intellectual property is wrong", beweert J.P. Barlow. Hoewel deze uitspraak misschien enigszins gechargeerd is, denk ik dat er toch een grote kern van waarheid in zit. We moeten, bij de zoektocht naar een auteursrecht dat ook in de 21e eeuw een positieve bijdrage kan leveren aan zowel de productie als de verspreiding van werken van kunst, wetenschap en literatuur, niet krampachtig vast willen houden aan achterhaalde of slecht functioneerde begrippen. Literatuur - J.H. Spoor, "Uitputting van intellectuele eigendomsrechten, met name in het auteursrecht", Cierlezingen 1988/1989 - N. van Lingen, Auteursrecht in hoofdlijnen, Alphen aan den Rijn 1990 - "Controlling Electronic Rights", Rights, Vol. 6, No. 2 - D.J.G. Visser, "De elektronische kopie en het reprorecht", Computerrecht 1993/1 - E.J. Dommering, "Het auteursrecht spoelt weg door het elektronische vergiet", Computerrecht 1994/3 - A.P. Meyboom, "Auteursrechtelijke bescherming van databases", Recht en Computer - W.S. Strong, "Copyright in the New World of Electronic Publishing", presented at the workshop Electronic Publishing Issues II at the Assiciation of Aermican University Presses (AAUO) Annual Meeting, June 17, 1994, Washington, D.C. - P. Samuelson, "The Copyright Grab" - F.W. Grosheide, "Paradigms in Copyright Law", in Brad Sherman/Alain Strowel, Of Authors and Origins 1994, blz. 203-232. - J.S. Erickson, "Can Fair Use Survive our Information-based Future?" - D.J.G. Visser, "Gebruik van CD-ROM's in netwerken en het auteursrecht", Computerrecht 1994/5 - T. Hoeren, "Legal aspects of multimedia, Long term solutions, legal aspects of multimedia and GIS", Lisbon, 27/28 oktober 1994 - A.N. Dixon, L.C. Shelf, "Copyright Protection for the Information Superhighway", EIPR nr 11, 1994 - E.J. Dommering, "Verhuren en lenen: de laatste openbaarmakingen in het auteursrecht", Informatierecht/AMI 1994, blz 187-194. - D.J.G. Visser, "Groen Papier over auteursrecht van E4@DG15.cec.be.", Het Groenboek Auteursrecht en naburige rechten in de informatiemaatschappij, Mediaforum (10), 1995 - "European Commision Green Paper on Copyright and Related Rights in the Information Society" - P.B. Hugenholtz, "Licensing rights in a digital multimedia environment", The Information Society: copyright and multimedia, - J.L. Tournier, "The future of collective administration of autors' rights", The Information Society: copyright and multimedia - G. Vercken, "Practical guide to copyright and authors' societies for the use of multimedia producers", The Information Society: copyright and multimedia - W.G. van Gils, "Uitgeven of uitsterven?", I&I nr. 2, 1995 - S. Olswang, "Accessright: An Evolutionary Path for Copyright into the Digital Era?", EIPR 5, 1995 - P.B. Hugenholtz, "Het auteursrecht, het internet en de informatiesnelweg", NJB nr. 14, 1995 - Th.A.M. Richard, "Het auteursrecht, het internet en de informatiesnelweg", NJB nr. 23, 1995 - J. Kirchner, "The Search for New Markets: Multimedia and Digital Television under German Broadcasting and Copyright Law", EIPR 6, 1995 - J.H. Spoor, "(Over)stretching the Reproduction Right?", Royal Academy Colloquium, Amsterdam 6-7 July 1995 - J.P. Barlow, "Selling wine without bottles, the economy of mind on the global net", Royal Academy Colloquium, Amsterdam 6-7 July 1995 - C. Clark, "The answer to the machine is in the machine", Royal Academy Colloquium, Amsterdam 6-7 July 1995 - D.J.G. Visser, "Copyright exemptions old and new", Royal Academy Colloquium, Amsterdam 6-7 July 1995 - P.B. Hugenholtz, D.J.G. Visser, "Copyright problems of electronic document delivery", Institute for Information Law, UvA - "News Section: European Institutions: Green Papers on copyright and related rights in the 'Information Society' and on utility models", EIPR 10, 1995. - D.J.G. Visser, "Groen Papier over auteursrecht van E4@DG15.cec.be. Het Groenboek Auteursrecht en naburige rechten in de informatiemaatschappij", Mediaforum (10), 1995, blz. 118-121. - M.R. de Zwaan, "Groenboek auteursrecht en naburige rechten in de informatiemaatschappij", NTER, nr. 8, november 1995 - S. von Lewinski, "Das europ„ische Grünbuch über das Urheberrecht und neue Technologien", GRUR International nr. 11, 1995 - T. Dreier, "Der französische 'Rapport Sirinelli' zum Urheberrecht und den neuen Technoligien", GRUR International nr. 11, 1995 - C. Heath, "Multimedia und Urheberrecht in Japan", GRUR International nr. 11, 1995 - D.W.F. Verkade, in het verslag van parallelsessie 3: 'intellectuele eigendom' tijdens het congres: Wissels op de Electronische Snelweg, 12 december 1995. - D.J.G. Visser, National Dutch Report, in: Copyright in Cyberspace, ALAI Study Days 4-8 Juni 1996, Amsterdam, blz. 5. - A. Lucas, Le droit d'auteur et l'infrastructure mondiale de l'information (Journées d'étude de l'ALAI, juin 1996), Dispositions contre le contournement des dispositifs de protection technique. - Marcus Polman, "De weg naar het internet", Elsevier nr. 26, 1996, blz. 68-70. Bronnen op het internet Steeds meer juristen publiceren artikelen op het internet, met name op het terrein van het auteursrecht en andere intellectuele eigendommen. Een aantal 'websites' fungeert als index voor dit soort publicaties en maakt daarmee een rijke bron van informatie toegankelijk. Tijdens het zoeken naar gegevens voor mijn scriptie ben ik groot aantal nuttige indices op het World Wide Web tegengekomen die ook voor andere juristen interessant kunnen zijn. De meeste verwijzen slechts naar relevante bronnen op het net, andere bieden ook zelf informatie. The Intellectual Property Information Mall Copyright and Intellectual Property Resources ACA Copyright & Intellectual Property Pages Legal Net Services - Auteursrecht Yahoo! - Government:Law:Intellectual Property:Copyrights Copyright & Intellectual Property: Issues, Law & Services Intellectual Property: Online Resources Intellectual Property Magazine European Commission Legal Advisory Board for the Information Market Home Recording Rights Coalition Home Page National & Pan-European initiatives on Information Highways
|