Weerkundig woordenboek: D

Dagelijkse gang van de grondtemperatuur
Verloop van de grondtemperatuur op een bepaalde plaats gedurende een etmaal. Afhankelijk van de grondsoort is dit verloop belangrijk kleiner dan dat van de luchttemperatuur aan het aardoppervlak en bovendien iets in tijd verschoven. Op wat grotere diepte, zo′n 40 tot 50 cm, is de bodemtemperatuur vrijwel constant. Het bovenste laagje van de grond aan het aardoppervlak heeft in het algemeen daarentegen een veel grotere dagelijkse gang. Overdag door directe aanwarming door de zon en in de nacht door uitstraling.
Dagelijkse gang van de temperatuur
Verloop van de temperatuur op waarnemingshoogte op een bepaalde plaats gedurende een etmaal. Grafisch uitgezet, heeft dit verloop ongeveer de vorm van een sinuskromme. De maximumtemperatuur wordt in de regel halverwege de middag gemeten en de minimumtemperatuur valt doorgaans aan het einde van de nacht, omstreeks zonsopkomst. In het algemeen geldt dat bij veel bewolking de maximum- en minimumtemperatuur niet ver uit elkaar liggen: de dagelijkse gang is in dat geval klein. Omgekeerd is bij weinig bewolking de dagelijkse gang in de temperatuur doorgaans groot.
Dagelijkse gang van de wind
Verloop van windrichting en windsnelheid gedurende een etmaal. Door dichtheidsverschillen van de lucht, ten gevolge van temperatuursinvloeden, overdag en in de nacht zal in het algemeen overdag de wind meer geruimd en bovendien iets krachtiger zijn dan tijdens de nacht.
Dagzicht
Grootste afstand, vanaf de waarnemer, waarop een zwart voorwerp van voldoende grootte tegen een heldere horizon te zien en te herkennen is. Het als zichtmerk gekozen voorwerp moet zowel horizontaal als verticaal in een vlak van 0,5 tot 5 booggraden passen.
Dalmist
(ook: heuvelmist) Deze mist ontstaat als stralingsmist. Vanwege het gebrek aan wind en menging met de boven lucht kan deze mist in heuvel- en bergachtige gebieden in de luwte van de dalen bijzonder hardnekkig zijn. Een hoeveelheid vochtige lucht die in zo′n dal ′gevangen′ zit, komt er maar heel moeilijk weer uit.
Dalwind
Tegenovergestelde van een bergwind.
Beide winden zijn, net als de land- en zeewind, lokale winden die optreden ten gevolge van de dagelijkse gang van de temperatuur. De dalwind is een warme wind, die overdag vanuit het dal bergopwaarts waait. Hij ontstaat doordat de lucht aan de grond in het dal overdag door de zon sterker wordt verwarmd dan de lucht daarboven. De warme lucht stijgt op langs de berghellingen.
Dampdruk
De druk die het gas waterdamp, als onderdeel van het gasmengsel lucht, uitoefent op zijn omgeving (ook wel dampspanning genoemd).
Dampspanning
Zie dampdruk.
Dauw
Afzetsel van waterdruppels op voorwerpen, door rechtstreekse condensatie van waterdamp uit de omringende lucht. Koude lucht kan minder vocht bevatten dan warme lucht. Bij afkoeling kan de vochtige lucht het dauwpunt (= condensatiepunt) bereiken. Als de temperatuur onder het vriespunt is, ontstaat geen dauw, maar rijp. Er worden twee soorten dauw onderscheiden, namelijk de stralingsdauw en de advectieve dauw.
Dauwboog
Vrijwel op de grond liggende regen boog, die wel wordt waargenomen op bijv. bedauwde weilanden. Deze boog ontstaat op dezelfde manier als de regenboog, echter nu niet in regendruppels, maar in dauwdruppels op de grond.
Dauwpunt
(ook: condensatietemperatuur) Temperatuur van de lucht, waarbij condensatie begint op te treden doordat de verzadigingsdampspanning van de daarin aanwezige waterdamp is bereikt. De relatieve vochtigheid is dan 100%.
Uit het veschil tussen temperatuur en dauwpunt kan via een vuistgregel de wolkenbasis worden bepaald, in meters. Namelijk: temperatuur min het dauwpunt vermenigvuldigd met 120.
Dauwpuntsdepressie
Verschil tussen de actuele temperatuur en het dauwpunt. De dauwpuntsdepressie is een maat voor de hoeveelheid vocht in de lucht.
Decade
Een periode van 10 dagen.
De eerste decade is dus van dag 1 t/m dag 10 van de maand,
de tweede decade is van dag 11 t/m dag 20 en
de derde decade is van dag 21 t/m de laatste dag van de maand.
Decadegemiddelde
Gemiddelde van een bepaalde meteorologische grootheid over een periode van tien dagen.
Declinatie
Afwijking, die de kompasnaald aangeeft ten opzichte van de geografische noordpool. De kompasnaald wijst niet altijd precies naar het noorden. De oorzaak daarvan is dat de magnetische polen en de geografische polen niet exact samenvallen. De waarde van de declinatie hangt af van de plaats waar men zich op aarde bevindt. Bovendien liggen de magnetische polen niet vast, maar bewegen zij langzaam in de buurt van de geografische polen. Dit betekent dat ook de declinatie niet altijd gelijk is.
Deflatie
(ofwel: uitblazing) Transport van materiaal vlak boven het aardoppervlak door de wind. Bij sterke wind kan in een droog gebied, wanneer het bedekt is met los materiaal zoals zand, het fijnere zand tussen het grovere worden uitgeblazen, waardoor grote stofwolken ontstaan. Uiteindelijk kan dit proces zo ver doorgaan, dat aan het oppervlak alleen nog maar grotere stenen een laagje vormen (keienvloer). Het is een vorm van eolische erosie, waardoor woestijnen ontstaan en zich verplaatsen.
Deformatiethermometer
Soort van thermometer waarbij gebruik wordt gemaakt van de verandering van vorm van bepaalde stoffen bij verandering van temperatuur. De mate van de vormverandering is dan een indicatie voor de heersende temperatuur. Voorbeelden van deformatiethermometers zijn de bimetaalthermometer, de Bourdon-thermometer en de kwik-in-staalthermometer.
Densiteit
Dichtheid. Hier van bewolking.
Depositie
Is het neerslaan van allerhande luchtdeeltjes (aerosolen genaamd) op het aardoppervlak.
Depressie
Lagedrukgebied.
Depressiebaan
Route die een lagedrukgebied volgt. Door deze op een weerkaart vast te leggen kan de meteoroloog hieruit, in combinatie met de patronen van de isallobaren, een indicatie verkrijgen omtrent de vermoedelijke vervolgkoers van de depressie. Tegenwoordig leveren vooral de meteorologische modellen hierover bruikbare informatie.
Depressiefamilie
Reeks van lagedrukgebieden, die alle bij hetzelfde front horen. Die lagedrukgebieden (L) worden doorgaans gescheiden door een zwakke rug van hoge luchtdruk (H). Wanneer we eenmaal met zo′n depressiefamilie te maken hebben heeft het weer een uitermate wisselend karakter.
Depressiekern
Punt in een lagedrukgebied waar de laagste luchtdruk wordt gevonden. Alle lucht, met inbegrip van wolken en eventuele slechtweergebieden, draait in een cyclonale luchtbeweging rondom dit punt.
Dichte mist
We spreken van dichte mist als het zicht minder is dan 200 meter.
Diepvrieskou
Als de minimumtemperatuur beneden de -20°C komt spreken we van diepvrieskou. Dit is voor Nederland uitzonderlijk.
Diepzeethermometer
(ookwel: kantelthermometer, omkeerthermometer).
Een glasthermometer, gevuld met kwik, waarmee op zeer grote diepten de temperatuur van het zeewater kan worden bepaald. Het instrument bestaat uit een hoofdthermometer en een hulpthermometer. De hulpthermometer dient om tijdens de aflezing de omgevingstemperatuur van de hoofdthermometer te bepalen om op die manier een correctie op de aflezing van de hoofdthermometer aan te kunnen brengen. De aflezing vindt immers onder heel andere omstandigheden plaats, nl. boven water, dan waaronder wordt gemeten, nl. op grote diepte.
Tussen het (vrij grote) kwikreservoir en het capillair met de schaalverdeling van de hoofdthermometer is het capillair gekruld. Dat stuk wordt ook wel ′varkensstaart′ of ′appendix′ genoemd. Het instrument wordt met het kwikreservoir omlaag rechtstandig in het water neergelaten. Op de gewenste diepte wordt de thermometer 180° gekanteld. Door een vernauwing in de krul, breekt op het kantelmoment de kwikdraad altijd op dezelfde plaats. Het kwikniveau verandert dan niet meer. Boven water wordt het instrument afgelezen.
Diffluante stroming
Stromingspatroon van de lucht, waarbij de stroomlijnen verder van elkaar af komen te liggen en er in de stromingsrichting dus sprake is van een snelheidsafname van de luchtstroming.
Diffractie
Is de buiging van licht. Diffractie leidt tot verschillende optische verschijnselen aan de hemel.
Diffuus
Naar alle richtingen verstrooid; bij lucht of warmtestraling.
Diffuus front
Vooral wanneer een front langere tijd boven een bepaald gebied blijft hangen en zelfs stationair wordt, vervagen vaak de verschillen in eigenschappen aan beide kanten van het front. Het front is dan op een bepaald moment nauwelijks meer te herkennen.
Dikte
Bij de analyse van een weersituatie wordt onder meer gezocht naar temperatuurverschillen. Aangezien de dikte van een luchtlaag evenredig is aan de heersende temperatuur, is deze dikte een bruikbare grootheid. Een luchtlaag reageert vergelijkbaar met een homogeen materiaal. Bij hogere temperaturen zet de luchtlaag uit en wordt dus dikker. Een groot verschil in dikte over een relatief kleine afstand, een grote diktegradiënt dus, duidt op een grens tussen verschillende luchtsoorten: de aanwezigheid van een front.
Diktekaart
(ookwel: relatieve topografie) Weerkaart met diktelijnen. Diktekaarten zijn nuttige hulpmiddelen voor de meteoroloog bij het analyseren van weersituaties. De dikte van een luchtlaag is evenredig aan de heersende temperatuur in die laag. Bij een groot verval, dus op de grens tussen luchtlagen met verschillende dikten, zal een front gevonden kunnen worden. Op de diktekaarten worden doorgaans de dikten van de lagen tussen 1000 hPa, 850 hPa en 500 hPa beschouwd.
Diktelijn
(ookwel: isobath). Lijn die punten verbindt met gelijke dikte van een bepaalde luchtlaag. Vaak wordt hierbij de laag tussen 1000 en 500 hPa beschouwd. De thermische wind waait ongeveer evenwijdig aan de diktelijnen (isobathen).
Divergentie
(letterlijk.: het van één punt uiteenlopen).
Een divergerende luchtstroom is een luchtstroom waarin de luchtdeeltjes van elkaar wegstromen. Een hogedrukgebied heeft aan het aardoppervlak een divergerende luchtstroming. Divergenties in de bovenlucht hangen samen met drukdalingen en dus met de vorming van een lagedrukgebied aan het aardoppervlak. Door het uiteenstromen van de luchtdeeltjes dreigt in de bovenlucht een ′tekort′ aan lucht, hetgeen van onderaf wordt aangevuld. De stijgende luchtbewegingen, die daarvan het gevolg zijn, geven aan de grond dalingen van de luchtdruk en dus de vorming van een lagedrukgebied. Divergentie is het tegenovergestelde van convergentie.
D-klimaat
Continentaal klimaat volgens de indeling van de klimatoloog Köppen.
De D-klimaten komen uitsluitend voor op de grote continenten van het noordelijk halfrond tussen 40 en 80° NB, in de brongebieden van de continentaal polaire lucht. Door de beperkte zee-invloed zijn de verschillen tussen zomer- en wintertemperatuur groter dan bij een zeeklimaat De jaarlijkse gang van de temperatuur bedraagt ten minste 13°C. De gemiddelde temperatuur van de koudste maand is lager dan -3°C, terwijl de temperatuur van de warmste maand boven de 10°C blijft.
Wat de neerslag betreft, onderscheidt Köppen bij het D-klimaat drie klimaten:
  1. Het type Ds: met de droge periode in de zomer. Dit klimaat komt niet voor, vanwege de aanwezigheid van een thermisch lagedrukgebied.
  2. Het type Dw: Dit is het meest continentale klimaat, met zeer droge winters, samenhangend met een thermisch hogedrukgebied. Het komt uitsluitend voor in Oost-Siberië en Noord-China.
  3. Het type Df: een vochtig en koud klimaat. Wat betreft de neerslaghoeveelheid is er geen significant verschil tussen de winter en de zomer. Het Df-klimaat vindt men vooral langs de westkusten van de noordelijke continenten.
Doctor
Lokale wind in Australië. Het is een typische zeewind, die aan de in het zuidoosten gelegen kusten van West-Australië waait.
Doldrum
(ookwel: equatoriale stiltegordel).
Continu thermisch lagedrukgebied in de omgeving van de evenaar. In de tijd van de handelsvaart met zeilschepen waren deze doldrums, vanwege het soms langdurig totaal ontbreken van wind, uiterst hinderlijk. Deze stiltegordel verplaatst zich in onze zomer tot ongeveer 12° NB op de oceanen en tot dichtbij de kreeftskeerkring op de continenten. In de winter verplaatst de gordel zich weer zuidwaarts. De doldrums maken deel uit van de algemene luchtcirculatie
Donder
Rommelend of explosief geluid dat bij onweer te horen is.
Het geluid ontstaat door de zeer hoge temperatuur die zich in minder dan één duizendste seconde in de bliksemstraal vormt. De lucht in de onmiddellijke nabijheid van de straal zet door de snelle temperatuurstijging in de bliksemstraal zeer snel uit. Deze uitzetting veroorzaakt een plotselinge drukgolf, die als donderend geluid te horen is. De donder verplaatst zich met de snelheid van het geluid, ongeveer 300 m per seconde. Dat betekent dat wanneer er tussen de bliksem en de donder 10 seconden verlopen, de ontlading op een afstand van ongeveer 3 km heeft plaatsgevonden. Het rommelende geluid wordt veroorzaakt doordat niet alle delen van de straal even ver weg zijn. Bij bijvoorbeeld een horizontale ontlading kan de ene kant vlak bij zijn, terwijl het uiteinde zich 6 km verder bevindt. In geluid levert dat een tijdsverschil van 20 seconden op. Een dergelijke donder zou dus wel 20 seconden lang kunnen rommelen.
Dooi
Het moment dat na een periode met vorst de temperatuur van de lucht boven het vriespunt komt. De term wordt alleen gebruikt binnen 24 uur na de inval van de dooi. Voor het etmaal daarna kan eventueel de term ′aanhoudende dooi′ worden gebruikt. Loopt de temperatuur niet verder op dan 4 graden boven het vriespunt, dan wordt dat lichte dooi genoemd.
Dooi kan risico's meebrengen voor het verkeer, niet alleen door de kans op sneeuw of ijzel, maar ook vanwege de grote kans op mist of gladheid. Vooral bij aarzelende dooi kan dat problemen opleveren.
In het overgangsgebied met de zachtere lucht kan zich een neerslaggebied vormen en afhankelijk van de snelheid waarmee de dooi intreedt kan er eerst sneeuw vallen, die overgaat in natte sneeuw (dikkere vlokken) of regen. Zet de dooi niet door dan kan de neerslag opnieuw in sneeuw overgaan. Bij een snelle dooi-inval begint het vaak meteen te regenen, waarbij de druppels in de vrieslucht of op het aardoppervlak bevriezen. In de weerberichten wordt dit ijzel genoemd. Voor het wegverkeer is dat heel gevaarlijk: een geringe hoeveelheid regen kan onder deze omstandigheden de wegen al zeer glad maken.
Wanneer de zachtere lucht over het koudere aardoppervlak, een smeltende ijsvlakte of een sneeuwlaag stroomt, vormt zich door afkoeling mist. Bij invallende dooi wordt het zicht slechter en kan dichte tot zeer dichte mist met een zicht van minder dan 50 meter ontstaan. Dooimist ontstaat bij aanvoer van zachte lucht, zodat het bij deze vorm van mist ook behoorlijk kan waaien. Langs de oevers van het IJsselmeer, waar de lucht wordt aangevoerd over een ijsvlakte kan het nog dagen na het eind van de vorstperiode mistig zijn en blijft ook de temperatuur lager dan elders in het land. Wanneer het bovendien hard waait gaat het ijs kruien.
Dooimist
Wanneer de zachtere lucht over het koudere aardoppervlak, een smeltende ijsvlakte of een sneeuwlaag stroomt, vormt zich door afkoeling mist. Bij invallende dooi wordt het zicht slechter en kan dichte tot zeer dichte mist met een zicht van minder dan 50 meter ontstaan. Dooimist ontstaat bij aanvoer van zachte lucht, zodat het bij deze vorm van mist ook behoorlijk kan waaien. Langs de oevers van het IJsselmeer, waar de lucht wordt aangevoerd over een ijsvlakte kan het nog dagen na het eind van de vorstperiode mistig zijn en blijft ook de temperatuur lager dan elders in het land.
Dooi om de noord
Deze term duidt op het verschijnsel dat tijdens de winterperiode een dooi-aanval vanuit het noorden komt opzetten. Dit is een niet vaak voorkomend verschijnsel. Meestal treed dooi in vanuit het zuiden / zuidwesten.
Doorlatendheid
Mate waarin licht door een hoeveelheid lucht heen kan dringen.
De doorlatendheid wordt o.m. bepaald door het gehalte aan vocht in de lucht. Bij nevel of mist is er veel vocht in de lucht aanwezig, waardoor weinig licht wordt doorgelaten. Maar ook aërosolen kunnen het horizontale zicht sterk beperken. In onze omgeving is vrijwel uitsluitend sprake van industriële aërosolen. Deze worden door de eigen industrie in de lucht gebracht, maar bij geschikte (zuidoosten) wind ook uit het Duitse Ruhr-gebied aangevoerd. Er wordt in deze gevallen niet van nevel of mist gesproken, maar van heiigheid.
Doosbarograaf
Doosbarometer die door middel van een bepaald mechanisme continu de luchtdruk met een pen op een papieren strook registreert.
Doosbarometer
Aneroïde barometer, bestaande uit een geheel gesloten doos (doos van Vidi), die vrijwel geheel luchtledig is. Aan beide zijden is de doos afgesloten met een dunne metalen membraan, die onder invloed van de luchtdruk wordt ingedrukt. Aan het oppervlak van de membranen is een verend wijzermechanisme aangebracht, waarmee de indrukking op een schaalverdeling zichtbaar wordt gemaakt. De mate van indrukking is op deze manier een maat voor de heersende luchtdruk.
Doppler, Christian Johann
(1803-1853) Oostenrijks wiskundige en fysicus. Doppier werd vooral bekend door het door hem in 1842 afgeleide en naar hem genoemde Doppler-effect. Beweegt bijvoorbeeld een ster zich van een waarnemer af, dan is de waargenomen kleur ten opzichte van de uitgezonden kleur naar het rood verschoven. Beweegt zij daarentegen naar de waarnemer toe, dan is die naar het blauw verschoven.Het verschijnsel komt bij alle golfvoortplantingen voor. Ook bij elektromagnetische golven, die bij de radar worden gebruikt.
Dopplerradar
Met een speciale radar wordt er gekeken naar de richting waarin waterdruppeltjes bewegen. Hiermee kan men bepalen of er rotatie in een bui aanwezig is. Hoe krachtiger de rotatie, hoe groter de kans op een tornado.
Downburst
Ookwel valwind genoemd. Een sterke neerwaartse stroming van lucht in een zware bui.
Het doet zich voor op die plaatsen waar de koude lucht, die met de neeslag mee hoog uit de wolk op het aardoppervlak wordt gesmeten, uit de bui stroomt. Dergelijke sterke valwinden kunnen aan het aardoppervlak snelheden tot 200 km/uur bereiken en schade aanrichten op een manier die doet denken aan schade die ook van een windhoos het gevolg zou kunnen zijn. Bomen vallen daarbij om als luciferhoutjes, maar doen dat allemaal in dezelfde richting. Daaraan is zo'n valwind goed te herkennen.
Valwinden ontstaan wanneer grote hoeveelheden koudere lucht tezamen met neerslag uit een zware onweersbui omlaag komen. De vallende lucht stroomt aan het aardoppervlak met grote kracht weg en kan daarbij zeer hoge windsnelheden opleveren. Op enkele locaties (aan de randen van de gebieden waar de valwinden optreden) zijn daarbij mogelijk ook enkele verticaal georiënteerde luchtwervels mogelijk (zgn. gustnado's) die de schade nog kunnen vergroten.
Draconische maand
Tijd die de maan nodig heeft om van knoop naar knoop te gaan (zie knooppunt).
Dramundan
Lokale wind in het zuiden van Frankrijk. Het is een koude noordwestenwind, die langs de Pyreneeën bij Perpignan waait, met mistralkenmerken.
Driftsneeuw
Sneeuw die door een voldoende sterke en turbulente wind van de grond wordt opgewerveld. Er wordt onderscheid gemaakt tussen lage en hoge driftsneeuw. Bij lage driftsneeuw wordt het horizontaal zicht op ooghoogte, per definitie 1,80 m boven de grond, niet merkbaar verminderd. Bij hoge driftsneeuw is dat wel het geval.
Driftstroom
Zeestroom die een direct gevolg van de wind is. Bekende voorbeelden zijn de zeestromen die ontstaan door de passaten, de moessondriften en de zeestromen als gevolg van overheersende westenwinden op middelbare breedten.
Drijfijs
Dit ijs komt vooral na een vorstperiode voor. Los dobberende ijsbrokken op grote wateroppervlakten zoals de Randmeren, het Markermeer en het ijsselmeer. Met meer wind kan dit ijs gaan kruien. Fraai om te fotograferen, maar niet fijn voor de mensen met zomerhuisjes langs de dijk. De zomerhuisjes kunnen zelfs gaan verschuiven en zelfs de vuurtoren op Marken, het Paard van Marken, is al vaak genoeg enkele centimeters verschoven.
Wanneer drijfijs aaneenklontert tot een grotere oppervlakte, wordt het een ijsschots genoemd en wanneer het tot een grote massa aaneengroeit, wordt het pakijs (of ijsveld) genoemd. Drijfijs vormt een groot gevaar voor de scheepvaart, aangezien het in de maanden april tot augustus veel voorkomt in de druk bevaren wateren van de noordelijke Atlantische Oceaan. Op speciale kaarten wordt de drijfijsgrens daarom maandelijks ingetekend.
Buiten deze ijsvorm zijn er nog diverse vormen. Deze vindt u hier.
Drizzle
Engels woord voor motregen.
Droge bol temperatuur
In de meteorologie gebruikte benaming voor de temperatuur van de lucht. Het verschil tussen deze droge-boltemperatuur en de natte-boltemperatuur is een maat voor de hoeveelheid vocht in de lucht. De droge-boltemperatuur wordt in het algemeen gemeten met een drogebolthermometer. Ook wanneer de temperatuur van de lucht echter met een elektrische thermometer gemeten is, wordt deze wel de droge-boltemperatuur genoemd.
Zie ook psychrometer en natte bol temperatuur.
Droge lucht
Lucht die niet is verzadigd met waterdamp.
Droogadiabatisch
Een adiabatisch proces, waarbij de verdampings- of condensatiewarmte geen rol speelt.
Droog-klimaat
Zie ook B-klimaat.
Droogte
Het begrip 'droogte' is moeilijk in specifieke termen uit te drukken, omdat het niet voor iedereen hetzelfde betekent. Zo onderscheidt de WMO (Wereld Meteorologische Organisatie) drie verschillende definities tw: meteorologische droogte, hydrologische droogte en agriculturele droogte.
Het KNMI volgt de definitie voor droogte zoals vastgesteld door de Culuurtechnische Vereniging: De mate van droogte is te karakteriseren als de maximale toename van het (doorlopende poteniële) neerslagtekort over een aaneengesloten periode binnen het groeiseizoen (april tot en met september).
Volgens het Culuurtechnische Vademecum (Utrecht 1988) 376: Tijdens een droogteperiode blijft de hoeveelheid neerslag achter bij de verdamping. Dit tekort is uit te drukken als het doorlopende poteniële neerslagtekort: het - van dag tot dag opbouwende- verschil tussen de poteniële vedamping (de verdamping van het gewas als er voldoende aanvoer van water in de bodem is) en de gevallen hoeveelheid neerslag.
Van ernstige droogte is sprake als het neerslagtekort een waarde heeft die gemiddeld eens in de tien jaar wordt overschreden.
Droogteperiode
Onder een droogteperiode wordt verstaan een aaneengesloten periode van minstens 20 dagen zonder meetbare (<0,1 mm) neerslag.
Kijk hier voor alle droogteperioden op dit weerstation.
Droogterui
Bomen reageren op droogte door de verdamping te beperken. Ze beginnen met in het blad de huidmondjes bijna te sluiten, maar ze werpen ook blad af. Dat heet droogterui.
Drukbalanemometer
Anemometer die werkt op de drukkracht van de wind. Op een verticaal geplaatst verend onderstel is een bol(letje) bevestigd. De verplaatsing van de bol ten gevolge van de winddruk is hierbij maat voor de windsnelheid.
Drukbuisanemometer
Anemometer waarbij gebruik wordt gemaakt van de winddruk. Met behulp van een windvaan wordt een buis met de opening tegen de wind in gehouden. Doordat de binnenkomende lucht niet onbelemmerd de buis weer kan verlaten, zal in de buis een overdruk ontstaan. De grootte van het drukverschil binnen en buiten de buis is maat voor de windsnelheid. Een anemometer van dit type werd al in 1890 door de Engelsman Dines geconstrueerd.
Drukgradiënt
Is het verschil in druk over een bepaalde afstand. Hoe groter de drukgradiënt is, hoe groter de windsnelheid. Bij een zeer kleine drukgradiënt is het haast windstil.
Drukkend weer
Als de relatieve vochtigheidsgraad hoog is in combinatie met een hoge temperatuur, voelt dat benauwd aan en noemen het weer drukkend. De warmte is dan minder goed te verdragen dan bij een lage relatieve vochtigheidsgraad.
We spreken van drukkend weer als deze omstandigheden zich overdag voordoen, anders spreken we van zwoel weer.
Drukplaatanemometer
Zeer oud type anemometer. De Italiaan Leon Battista Alberti gebruikte dit principe al rond het jaar 1450. Korte tijd later experimenteerde ook Leonardo da Vinci (1452-1519) met de drukplaat. Het principe is dat de winddruk een verticale, scharnierend opgehangen plaat uit de neutrale stand brengt. De hoek waaronder die plaat komt te hangen, is dan maat voor de windsnelheid. Een voorbeeld van een drukplaatanem0meter is de zgn. wildse vaan.
Drukveld
Patroon van de luchtdrukverdeling in een bepaald gebied. Hoe groter de luchtdrukgradiënt in het drukveld, des te groter de windsnelheid in dat gebied.
Drukvlak
(ook: isobarisch vlak) Vlak waarop de luchtdruk overal gelijk is. Een vlak van gelijke luchtdruk golft door de atmosfeer, omdat de luchtdruk niet overal gelijk is. Voor het verkrijgen van een driedimensionaal beeld van de atmosfeer zijn analyse en prognose van een weerkaart onvoldoende. Er is ook behoefte aan inzicht in de onderlinge samenhang van de meetresultaten van meerdere weerballonnen. Omdat de luchtdichtheid met toenemende hoogte afneemt, worden vergelijkingen tussen de diverse hoogten erg moeilijk. Daarom worden er geen beschouwingen gemaakt van diverse horizontale vlakken, maar van een aantal drukvlakken. Doorgaans worden de drukvlakken op 1000 hPa (op onze geografische breedte gemiddeld op ongeveer 150 m hoogte), 850 hPa (ca. 1500 m), 700 hPa (zo′n 3000 m), 500 hPa (ongeveer 5500 m) en 300 hPa (ongeveer 10.000 m hoogte) beschouwd.
Dryline
Letterlijk vertaald: een droogtefront.
Is de Engelse term voor een gebied met zeer sterke gradiënt in dauwpuntstemperatuur. Ofwel een scherpe begrenzing tussen vochtige, warme lucht en heel droge, zeer warme lucht. We moeten dan denken aan temperaturen van meer dan 32°C en een relatieve vochtigheid van minder dan 20%.
In dit gebied kunnen zeer zware onweders ontwikkelen die dikwijls leiden tot tornado′s.
Dubbeltjesijs
Een gladde, zwarte ijsvloer - perfect schaatsijs - met lucht- en gasbelleljes die wit afsteken als dubbeltjes. Planten en bodem produceren belletjes die in het ijs blijven hangen. Het ijs komt vooral voor op natuurijsbanen die nét onder water staan en in moerassige gebieden.
Buiten deze ijsvorm zijn er nog diverse vormen. Deze vindt u hier.
Duplicatus
Uit twee of meer (wolken)lagen bestaand.
Dust bowls
Stofstormen die ontstaan door verkeerd gebruik van landbouwgronden in droge gebieden, zoals in de Verenigde Staten vanaf 1930. Door o.a. intensieve beweiding van en zelfs akkerbouw op de prairie werd het grasland volledig vernietigd. Na enkele tientallen jaren was de bodem volkomen uitgeput en nauwelijks meer begroeid. In de uitzonderlijk droge zomer van 1930 kregen de zomerstormen vat op de bodem en ontstonden er reusachtige stofstormen waardoor duizenden boeren en veehouders uit het prairiegebied wegtrokken. De Amerikaanse regering heeft in de jaren zestig en zeventig o.a. bos laten aanplanten om verdere erosie te voorkomen.
Dwarswind
(ook: zijwind) windrichting loodrecht op een bepaald voorwerp. Vooral voor vliegtuigen is een teveel aan dwarswind vaak lastig. Om die reden hebben veel vliegvelden de beschikking over landingsbanen in diverse richtingen, zodat de vliegtuigen zoveel mogelijk recht tegen de wind in kunnen landen en opstijgen.
Dynamische klimatologie
(ook: luchtsoortenklimatologie).
Men kan een klimaat van een bepaalde plaats beschrijven aan de hand van de eigenschappen van de optredende luchtsoorten in de verschillende seizoenen op die plaats. Bovendien is het belangrijk te weten hoe vaak een luchtsoort op die plaats gemiddeld voorkomt. Bijvoorbeeld: lagedrukgebieden boven de noordelijke Atlantische Oceaan en een hogedrukgebied boven de Azoren veroorzaken in onze omgeving een stroming uit het zuidwesten. De aanvoer van maritiem gematigde lucht (mGL) levert in het najaar doorgaans een overwegend bewolkt en wat druilerig, maar vrij zacht weertype op. Deze kennis is vanzelfsprekend een dankbaar hulpmiddel voor de meteoroloog. De methode heeft grote opgang gemaakt door een in 1952 verschenen publicatie, opgesteld door de Duitse meteorologen Hess en Brezowsky: Katalog der Groszwetterlagen Europa′s. Aan de hand van algemene meteorologische situaties en circulaties worden tabellen met bijbehorende weerkarakteristieken vermeld.
Dynamische meteorologie
Deel van de meteorologie dat zich bezighoudt met de natuurkundige en wiskundige beschrijving van de bewegingen in de atmosfeer. De dynamische meteorologie is de basis van de numerieke meteorologie.

Voor het laatst bijgewerkt op 10-04-2013. Opmerkingen of wil je reageren: stuur een e-mail Free counter and web stats