Weerkundig woordenboek: I

IAC
(Internationale Analyse Code) Een internationaal codebericht waarmee analyses van bepaalde meteorologische grootheden worden uitgewisseld.
IAC FLEET
Verkorte versie van de IAC (Internationale Analyse Code) ten behoeve van de scheepvaart. Schepen onderweg kunnen op die manier op de hoogte blijven van de weersontwikkelingen op de zeeën en oceanen
ICAO
International Civil Aviation Organisation
ICAO standaardatmosfeer
Theoretische atmosfeer met in de troposfeer een constante verticale temperatuurgradiënt en daardoor een vast verband tussen de druk en de hoogte. De ICAO-standaardatmosfeer wordt veel gebruikt, m.n. ten behoeve van de ijking van vliegtuiginstrumenten. Zij gaat op zeeniveau uit van een temperatuur van 15°C en een luchtdruk van 1013,2hPa. De verticale temperatuurgradiënt bedraagt 0,65°C per 100 m tot aan de tropopauze, die op 11.784 m ligt. Voor de hieronderstaande standaard drukvlakken gelden de volgende waarden. Vanwege het belang voor de luchtvaartmeteor0logie worden de hoogten ook in voeten vermeld.
Drukvlak Geopotentiële Temperatuur
hPa meters voeten °C
1000 111 364 14
850 1.457 4.781 5
700 3.012 9.882 -5
500 5.574 18.289 -21
300 9.164 30.065 -44
250 10.363 33.999 -52
200 11.784 38.662 -56
100 16.180 53.083 -56
70 18.442 60.504 -56
IJkcertificaat
De praktijk heeft uitgewezen dat alle meetinstrumenten na verloop van kortere of langere tijd minder nauwkeurig gaan aanwijzen. Nagenoeg alle meteorologische instrumenten worden daarom met regelmatige tussenpozen opnieuw geijkt. Op het bijbehorende ijkcertificaat staat vermeld welke eventuele correcties op de aflezingen dienen te worden toegepast. Bovendien is op het document aangegeven wanneer het instrument voor herijking moet worden aangeboden. Voor de Nederlandse waarnemingsstations wordt de ijking uitgevoerd door de Instrumentele Afdeling van het KNMI te De Bilt.
IJs
Is de vaste aggregatietoestand van water. Het ontstaat wanneer water wordt afgekoeld beneden het vriespunt (0°C). IJs bestaat in verschillende soorten: bevroren water, sneeuw, ijzel, rijp.
In tegenstelling tot andere stoffen zet water bij bevriezing uit en krimpt het zodra ijs weer overgaat in water. Een massa van 1000 kg water heeft een inhoud van 1 m3 en zal bij bevriezing een volume in gaan nemen van 1,1 m3. IJs heeft dus een lagere soortelijke massa (is lichter) dan water en blijft daardoor drijven.
Hoe lager de temperatuur, des te lichter is het ijs per kubieke meter. IJs van zoet water heeft bij een temperatuur van -1°C een massa van 920 kg/m3. Bij een temperatuur van -10°C weegt ijs nog maar 850 kg/m3 .
IJs dat gevormd is door bevriezing van zeewater, heeft een iets hogere soortelijke massa. Dit hangt vooral af van het zoutgehalte van het zeewater.
Ontstaan van ijs:
Zodra het gaat vriezen koelt het water af, het eerst aan het oppervlak. Dat koudere water is zwaarder en zakt omlaag. Als een temperatuur van 4 graden is bereikt, mengt het zich verder niet meer omdat water kouder dan 4 graden weer lichter wordt en omhoogkomt. Het water in de diepte blijft dus altijd 4 graden boven nul terwijl het water aan de oppervlakte afkoelt tot het vriespunt. Het ijs kan gevormd gaan worden.
Dat gebeurt op het wateroppervlak met het ontstaan van sterretjes en naaldjes. Die worden steeds groter en sluiten zich aaneen tot ze een samenhangend laagje vormen dat langzaam dikker wordt. Vanuit dit laagje schieten kristallen naar beneden.
Ondertussen vormen zich in het water andere kristallen die omhoogkomen en samengroeien met de kristallen aan het oppervlak.
Het water bevriest het eerst aan de oevers van een sloot. Dat houdt verband met stroming. In het midden blijft het water het langst op temperatuur. De lucht, verwarmd door aanraking met he resterende warmere water, stijgt op boven het midden van de sloot, terwijl koudere lucht vanaf de oevers toestroomt. Die wordt op haar beurt geleidelijk verwarmd naarmate ze het midden van de sloot nadert. Zo koelt het water aan de randen dus sterker af dan in het midden.
IJsafzetting
Afzetting van ijs op onderdelen van vliegtuigen en helikopters tijdens de vlucht. Vroeger werden vliegtuigen, door te weinig reservevermogen van de vliegtuigmotoren, nogal eens gedwongen voortijdig te landen door ijsafzetting. Tegenwoordig hebben de vliegtuigen mechanische of thermische installaties om tijdens de vlucht ijs van de vleugels te verwijderen. Helikopters zijn echter nog steeds erg gevoelig voor ijsafzetting op de wieken.
IJsafzetting vindt vooral plaats wanneer een vliegtuig door een wolk vliegt waarin zich onderkoelde waterdruppels bevinden.
IJsdag
Van een ijsdag is sprake wanneer gedurende een etmaal de temperatuur (op 1,5 meter hoogte) op enig moment niet boven het vriespunt is gekomen. De maximum temperatuur ligt dus ook beneden het vriespunt. De maximumtemperatuur van die dag is dus kleiner of gelijk aan 0,0°C.
IJsdriehoek
Luchtlaag op enige hoogte, waarin de temperatuur beneden 0°C is, terwijl de luchtlagen eronder en erboven warmer zijn. Op een Θ s,p-diagram heeft de temperatuurkromme in dat gebied de vorm van een driehoek. Een ijsdriehoek kan aanleiding zijn tot de vorming van ijzel. Neerslag die uit de erboven gelegen warme laag valt, wordt in de koude luchtlaag onderkoeld. Voor de luchtvaart is dit fenomeen ook tamelijk gevaarlijk, omdat de vliegtuigen in zon ijsdriehoek extra veel last hebben van ijsafzetting.
IJsheiligenweer
De "IJsheiligen" is één van het oudste en wellicht bekendste begrip uit de volksweerkunde. De eerste berichten over deze "strenge heren" dateren van rond het jaar 1000. De IJsheiligen zijn St. Mamertus, St. Pankratius, St. Servatius en St. Bonifacius. Zij vieren hun naamdagen op achtereenvolgens 11, 12, 13 en 14 mei.
Drie is het heiliggetal en daarom rekent men er in de meeste landen maar drie tot de IJsheiligen. In sommige landen wordt St. Mamertus niet meegeteld, in andere landen hoort St. Bonifacius er niet bij. Deze heilige is niet de bekende Bonifatius, (bijgenaamd de Apostel van Duitsland), die in 754 te Dokkum werd vermoord want die heeft zijn feestdag op 5 juni. Zijn naamgenoot, de IJsheilige Bonifacius was een Romeins burger, die in 307 de marteldood stierf tijdens de christenvervolgingen onder keizer Diocletianus.
Sommige landen, waaronder Duitsland, Hongarije en Zwitserland, rekenden in het verleden ook 15 mei (ook wel aangeduid als koude Sophie) nog tot de IJsheiligen. Dat dateert uit de elfde eeuw, toen Sophie beschermelinge van de vorst was. In het Alpengebied werden indertijd op die dagen vuren ontstoken ter bescherming tegen de vorst.
De IJsheiligen ontlenen hun benaming aan het gevaar van koud voorjaarsweer voor het gewas, dat in deze tijd in volle bloei staat. Een late vorstnacht kan nu veel schade aanrichten. Het is echter niet zo dat tijdens de IJsheiligen de kans op een overgang naar koud weer groter is dan op andere dagen in het voorjaar. Abrupte klimaatveranderingen, die onder andere het gevolg zijn van het nog relatief koude zeewater, zijn kenmerkend voor dit hele jaargetijde en kunnen ook in juni nog voorkomen. Wel neemt na half mei de kans op vorst sterk af en aan het eind van deze maand zijn temperaturen onder nul heel uitzonderlijk. In dat opzicht markeren de IJsheiligen meestal de overgang naar een periode met een meer zomers karakter.
IJskap
Aaneengesloten ijsmassa op het land. Het verschil met landijs is dat met een ijskap vooral ijsbedekkingen in hooggebergten en op hoogvlakten bedoeld worden, terwijl landijs zich uitstrekt over een veel groter gebied, zoals Antarctica of Groenland. Een ijskap kan aan de randen verschillende gletsjertongen vertonen. Tijdens de ijstijden breidden de ijskappen zich sterk uit. Gebieden die bedekt zijn met een ijskap, hebben een E-klimaat.
IJskiemniveau
Het niveau waarbij de luchttemperatuur ongeveer -12°C is en waar de onderkoelde wolkendruppeltjes in ijskristallen beginnen over te gaan.
IJsland-laag
Als gevolg van de algemene luchtcirculatie komen er in de omgeving van IJsland vaak lagedrukgebieden voor. Samen met het Azoren-hoog is dit lagedrukgebied verantwoordelijk voor het feit dat wij gemiddeld een stroming uit westzuidwest hebben met het bijbehorende zeeklimaat.
IJsmist
Hydrometeoor bestaande uit een verzameling van een grote hoeveelheid zeer kleine ijs kristalletjes, die in de lucht zweven en het zicht aan het aardoppervlak beperken. Deze vrij droge mist ontstaat wanneer zachte en vochtige lucht over een zeer koud aardoppervlak strijkt, bijvoorbeeld in de winter over een ijs vlakte of een besneeuwd of bevroren landschap. Het horizontale zicht is minder dan 1 km.
IJsnaaldjes (poolsneeuw)
Treden op bij strenge kou (temperaturen beneden -10°C). Overdag zal de zon ze doen 'zilveren'. Heel fijne ijskristallen zweven dan voorbij.
IJsnevel
Hetzelfde als ijsmist maar dan met een horizontaal zicht tussen 1 en 2 km.
IJsplaatjes
(ook: ijsnaalden) neerslag die uit een wolken loze hemel valt in de vorm van zeer kleine ijskristallen. De ijskristallen zijn vaak zo klein, dat ze in de lucht schijnen te zweven. Ze zijn vooral zichtbaar wanneer zij in het zonlicht schitteren. Deze hydrometeoor, die dikwijls in de poolstreken wordt waargenomen, komt in een stabiele atmosfeer bij zeer lage temperaturen voor. De waterdamp in de lucht kristalliseert dan rechtstreeks uit en gaat niet eerst over in de vloeibare fase.
IJsregen
In tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt, is ijsregen geen hagel of korrelhagel. Bovendien valt ijsregen nooit uit buienwolken.
IJsregen komt voor tijdens en rond het invallen van de dooi. In dergelijke gevallen is de warmere lucht op enige hoogte al doorgedrongen, maar vriest het aan de grond nog steeds. Neerslag die op enige hoogte gesmolten is, bevriest dan weer tijdens de val door de koude luchtlaag nabij de grond. Het resultaat is een neerslag van kleine kogelronde ijsbolletjes die gewoonlijk vrijwel doorzichtig zijn. Deze bolletjes zijn altijd kleiner dan 5 mm.
Tijdens een traag doorzettende dooi kunnen afwisselend diverse neerslagvormen voorkomen: sneeuw, ijsregen of regen. Ook ijzel kan optreden.
IJsvormen
In Nederland kennen we veel verschillende ijsvormen, meer als waar ook ter wereld. Enkele van de meeste bekende soorten zijn: balkenijs, bobbelijs, bomijs, boterijs, drijfijs, dubbeltjesijs, fondantijs, gierijs, grasijs, grondijs, kistwerk, kwalsterijs, naaldijs, paardenijs, slopijs, sneeuwijs, spiegelijs (ook wel zwartijs of glij-ijs genoemd).
IJswolk
Wolk waarin alleen maar ijskristalletjes voorkomen. Boven het nulgradenniveau zijn de wolkendruppels in onderkoelde toestand. Hoe lager de temperatuur in de wolk, des te groter de kans dat de onderkoelde waterdruppels bevriezen. Boven een zekere hoogte (niveau) zal al het onder koelde water overgaan in ijs. De temperatuur waarbij dat gebeurt, varieert sterk van wolk tot wolk, namelijk van -15 tot -40°C. In de meeste wolken zullen echter bij een temperatuur lager dan -23°C alleen maar ijskristallen voorkomen.
IJzel
Ontstaat wanneer regen of motregen onderkoeld is. Bij aanraking met de grond of met voorwerpen bevriezen de druppels en ontstaat er een ijslaag.
Een dag met ijzel is een dag dat ijsafzetting is waargenomen, veroorzaakt door het bevriezen van onderkoelde regen- of motregendruppels op voorwerpen of op het aardoppervlak. Ook dagen waarop ijsregen (= bevroren regen) valt, rekenen we tot ijzeldagen.
Imbat
De lokale naam voor een zeebries in het oostelijk bekken van de Middellandse Zee, langs de Turkse westkust in de streek van Izmir.
IMC
Afkorting voor: International Meteorologisch Comité.
Impulsgolf
Een andere naam voor Tsunami. Impulsgolven zijn enorme vloedgolven van enkele tientallen meters hoog en zich verplaatsend met snelheden van meerdere honderden kilometers per uur. Zij komen vooral voor in het gebied van de Stille Oceaan en randzeeën. Deze vloedgolven ontstaan door onderzeese aardbevingen vanaf sterkte 7 op de schaal van Richter. Langs de bedreigde kusten werd een "tsunami waarschuwingsdienst" opgericht met meetinstrumenten die permanent het gemiddelde zeeniveau controleren en waarschuwen wanneer plotse dalingen optreden.
In cloud scavenging
Ook 'cloud scavenging' genoemd. De aanwezigheid van polluerende deeltjes in de atmosfeer (o.a. condensatiekernen) binden waterdamp waarna druppeltjes worden gevormd en de wolk 'regent uit'. De lucht wordt 'gereinigd'.
Incus
Latijns voor 'aambeeld'. Een toegevoegde detailbeschrijving van het wolkengeslacht Cumulonimbus. Bij zeer sterke vertikale ontwikkeling kan de top van deze wolk onderaan de tropopauze of op grote hoogten uitwaaieren. De sterke winden op deze niveaus drijven de ijskristallen in één richting zodat de wolk er uit ziet als een aambeeld. Na het verdwijnen van de cumulonimbus blijft de "incus" soms aanwezig als cirrostratus.
Verkeersvliegers houden steeds een veilige afstand van deze wolkvorm daar het gevaar voor hagelschade meestal aanwezig is.
Indian summer
Periode van 10 tot 14 dagen in het begin van de herfst met mooi en rustig zomers weer. Kenmerkend zijn de fraaie kleurige zonsondergangen en warme avonden. De term komt uit Amerika.
Indifferent
Een toestand in de atmosfeer waarbij een luchtdeeltje dat daalt of stijgt, adiabatisch afkoelt of opwarmt maar steeds de gelijke temperatuur aanneemt als de omringende lucht. Het zal dus steeds op dezelfde positie blijven.
Industriële cumulus
Soms te zien in het Botlek-gebied. Door de uitstoot van warmte en vocht ontstaat op beperkte schaal convectie, waardoor in een overigens strakblauwe hemel alleen boven het industriegebied enkele cumulus-wolken ontstaan. Een enkele keer kan daar zelfs een kleine bui uit vallen.
Inferno
Lokale aflandige wind langs de oevers van het Lago Maggiore in Italië.
Inflow
Veel gebruikt woord in het vakjargon dat letterlijk 'toevloed' of 'toestroming' betekent. Het wordt veelvuldig gebruikt om een duidelijk omlijnde (zowel in tijd als geografisch) aanvoer of toestroming van een bepaalde luchtmassa in een voorspellingsgebied aan te duiden of aan te kondigen, geassocieerd met een markante weersverandering.
Infrarood
Is de naam van de elektromagnetische straling waarvan de golflengte groter is dan deze van het zichtbare licht. Infrarode straling noemt men ook wel eens warmtestraling.
Infrarood hygrometer
Apparaat voor het meten van de relatieve luchtvochtigheid op basis van infrarode lichtbundels.
In het midden van de vorige eeuw ontwikkelde het US Weather Bureau deze apparatuur. Het geheel bestaat uit een projector, detector en een recorder.
De werking is als volgt: vanuit de projector worden twee infrarood lichtbundels met verschillende golflengten, horizontaal door een luchtlaag gezonden. Eén golflengte kan door waterdamp worden geabsorbeerd. In de detector kan het energieverschil tussen de beide invallende lichtstralen worden gemeten. In de recorder worden deze gegevens dan omgezet in relatieve vochtigheidsprocenten. Het toestel blijkt zeer nauwkeurig te meten, ook nog bij extreem lage temperaturen te functioneren en bij uiterst geringe vochtigheidswaarden.
Instraling
Hoeveelheid zonne-energie die het aardoppervlak bereikt. Omdat bij de polen de zonnestralen schuin invallen, is de hoeveelheid instraling per oppervlakte-eenheid daar kleiner dan in gebieden rond de evenaar. Dit wordt versterkt doordat de zonnestralen bij de polen een langere weg door de dampkring moeten afleggen, waardoor een deel van de energie verloren gaat. Bovendien wordt door het witte poolijs nog een vrij groot deel van de straling direct gereflecteerd naar de ruimte. Bij de evenaar bestaat een energie-overschot, resulterend in hoge temperaturen.
Intensiteit
Om bij de beoordeling van de intensiteit der weersverschijnselen op een objectieve manier de grenzen tussen licht, matig en zwaar aan te geven, zijn twee manieren voorhanden.
In de eerste plaats de regenhoeveelheid per tijdseenheid (mm/uur). (zie tabel 1).
Verder kan de intensiteit van de neerslag worden beoordeeld in relatie tot het zicht. Deze manier geeft alleen een indicatie en wordt in de dagelijkse praktijk nauwelijks gebruikt. (zie tabel 2).
Verschijnselen als mist en nevel zijn eenvoudig op grond van een geschatte of een gemeten zichtwaarde te beoordelen.
(1) Relatie gemeten neerslaghoeveelheid - neerslagintensiteit
Neerslag
Licht Matig Zwaar/dicht Wolkbreuk
Motregen t/m 0,5 mm t/m 0,5 mm >0,5 mm  
Motregen en regen t/m 1 mm 1 t/m 5 mm >5 mm  
Regen (niet met ijzel) t/m 1 mm 1 t/m 5 mm >5 mm >25 mm
Regen met ijzel t/m 1 mm 1 mm >1 mm  
Motregen of regen met sneeuw (natte sneeuw) t/m 1 mm 1 t/m 5 mm >5 mm  
Sneeuw t/m 0,5 mm 0,5 t/m 5 mm >5 mm  
Regenbui t/m 1 mm 1 t/m 5 mm >5 mm >25 mm
Bui met regen en sneeuw (natte sneeuw) t/m 1 mm 1 t/m 5 mm >5 mm  
Sneeuwbui t/m 0,5 mm 0,5 t/m 5 mm >5 mm  
Bui met losse hagel, eventueel met regen of met regen en sneeuw t/m 5 mm t/m 5 mm >5 mm  

(2) Relatie zicht - intensiteit van de neerslag
Zicht Motregen Regen Sneeuw
0 - 50 mtr     zeer zwaar
50 - 200 mtr     zwaar-zeer zwaar
200 - 500 mtr   'tropisch' zwaar
500 - 1000 mtr dicht zeer zwaar matig
1 -2 km matig zwaar licht
2 - 4 km licht zwaar zeer licht
4 - 10 km matig    
10 - 20 km   licht  
INTER
Afkorting die vooral wordt gebruikt in de TAF en de TREND. Deze term moet worden gebruikt wanneer men verwacht dat de weerstoestand veelvuldig zal veranderen gedurende korte perioden. De veranderingen treden vaker op dan bij TEMPO.
Intermediate hours
Meteorologische waarnemingen worden overal op de wereld op hetzelfde tijdstip en op dezelfde manier verricht. De tijd wordt overal aangegeven in uren GMT. De intermediate hours zijn 0300, 0900, 1500 en 2100 GMT. De waarnemingen die op die uren worden verricht hebben een wat groter verspreidingsgebied dan die van de non-standard hours.
Inter-tropicale-convergentie-zone (ITCZ)
Vroeger ook wel "equatoriaal front" genoemd.
Dit gebied, gesitueerd in de buurt van de thermische evenaar, is ontstaan als gevolg van overheersende convergerende grootschalige windsystemen zoals de NO- en ZO-passaten, moesson winden en bijv. over Afrika de "Harmattan" winden. Over de oceanen is deze gordel gelieerd met de zone van de "Doldrums". De ITCZ vertoont een seizoensgebonden verschuiving van noord naar zuid. Meer noordwaarts gedurende de zomerperiode in het noordelijk halfrond en meer zuidwaarts (t.o.v. de evenaar) tijdens de zomer in het zuidelijk halfrond. Deze schommeling is meer uitgesproken over de continenten dan over de oceanen. Het ITCZ weer is gekenmerkt door intense convectieve activiteiten (wanneer miljarden m³ lucht in de onderste lagen van de atmosfeer naar elkaar toestromen is er maar één uitwijkmogelijkheid: omhoog met als gevolg cumulonimbi, buien en onweer) afhankelijk van de lokale dagelijkse temperatuurschommelingen. Tijdens de meest noordelijke, resp. zuidelijke positie van de ITCZ t.o.v. de geografische evenaar kunnen er zich ook geïsoleerde en vrij vlakke tropische depressies ontwikkelen. De positie en activiteit van de ITCZ is via weersatellieten duidelijk te volgen.
Invalshoek
Hoek die de zonnestralen maken met het aardoppervlak. Op hoge breedte (richting polen) is deze hoek kleiner dan op lage breedte. De invalshoek is van grote invloed op de heersende temperatuur. Twee factoren spelen daarbij een belangrijke rol. Als de zonnestralen loodrecht invallen, verwarmen ze een kleiner stuk aardoppervlak dan wanneer ze schuin invallen. Bij loodrechte inval wordt de temperatuur dus hoger.
De tweede factor die meespeelt, is dat schuin invallende zonnestralen een langere weg door de dampkring moeten afleggen dan loodrecht invallende zonnestralen. In de dampkring verliezen de zonnestralen energie door weerkaatsing e.d. Bij de polen reflecteert het witte poolijs bovendien een deel van de stralen direct weer de ruimte in.
Inversie
Omkering. Normaal neemt de temperatuur met de hoogte af met ongeveer 0,65°C per 100 meter. Indien echter de temperatuur vanaf een bepaald niveau in de bovenlucht opnieuw toeneemt (komt veelvuldig voor in een hogedrukgebied) spreekt men van een inversie. Naargelang het vormingsproces spreekt men van een subsidentie-inversie in hogedrukgebieden, frontale-inversie, stralings- of afkoelings-inversie op het einde van koude wolkenloze nachten.
De aanwezigheid van een inversie(laag) verhindert de vertikale uitwisseling in de atmosfeer, waardoor bijv. vochtige, koude lucht in de onderste lagen langer aanwezig kan blijven met als gevolg langer aanhoudende nevel of mist en toenemend gevaar voor aandoeningen van de luchtwegen.
Zie ook temperatuursinversie.
Interferentie
Het verschijnsel dat golven uit verschillende richtingen elkaar versterken of uitdoven. Dit komt bijvoorbeeld voor bij lichtgolven en bij golven op een wateroppervlak.
Intortus
Latijns voor: verwrongen, verward, grillig gekromd. Een variëteit van de Cirrus bewolking.
Ionisatie
Het ontstaan van ionen (elektrisch geladen deeltjes) in de materie door afsplitsing van elektronen van moleculen of atomen. De oorspronkelijke atomen of moleculen blijven verder met overwegend positief geladen deeltjes bestaan doch met een geringe hoeveelheid elektronen. Een eerder zwak ionisatieproces gebeurt in de onderste lagen van de atmosfeer onder invloed van kosmische- en radioactieve straling, door fragmentatie van regendruppels of door onderlinge wrijving van door de wind opgejaagde golven, sneeuwkristallen of zelfs zandkorrels.
Intensiever is de ionisatie in de hogere lagen van de atmosfeer, in de zgn. ionosfeer. De graad van ionisatie is maatgevend voor het elektrisch geleidendvermogen van de atmosfeer.
Ionosfeer
De luchtlaag van de atmosfeer die zich uitstrekt van ongeveer 70 tot 700 km boven het aardoppervlak. Het is het gebied van de dampkring waarin zich ionisatieprocessen afspelen. Het is trouwens in dit gedeelte van de atmosfeer dat het poollicht voorkomt.
I.P.C.C.
Intergovernmental Panel for Climate Change. Een internationale groep van de Verenigde Naties die zich buigt over de klimaat veranderingen.
Iriseren
Het verschijnen van een regenboogkleurige krans, of een gedeelte daarvan, in de wolken.
Iriserende wolken
Verschijnsel dat bestaat uit fraaie, parelmoerachtige kleuren waarmee soms hele wolken of wolkenbanken kunnen oplichten. Het meest komt dit voor in altocumulus lenticularis, waarbij de kleureffecten in het algemeen zullen optreden in de nabijheid van de zon, tot op ca. 40° daarvan. De irisatie wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door interferentie, waarbij de kleuren afhangen van de grootte van de wolkendeeltjes en de wijze waarop het licht invalt.
Isallobaar
Lijn die punten van gelijke luchtdrukverandering met elkaar verbindt.
De luchtdrukverdeling op de weerkaarten is vrijwel altijd aan verandering onderhevig. De trekrichting van een lagedrukgebied wordt aan de voorkant gekenmerkt door luchtdrukdalingen en aan de achterzijde door stijgingen van de luchtdruk. Bij een hogedrukgebied is dat precies andersom. Dat wordt juist voorafgegaan door drukstijgingen, terwijl de luchtdruk weer gaat dalen zodra het zwaartepunt ervan is gepasseerd. Uit het isallobarenpatroon kan dus de trekrichting en -snelheid van de druksystemen worden afgeleid.
Isallobarische wind
Het patroon van de isallobaren vertoont maxima en minima. Een isallobarisch minimum, ofwel een daalgebied (op de weerkaart aangeduid met een D), geeft aan dat op die plaats de luchtdruk in een periode van drie uren voorafgaande aan de waarneming is gedaald. In een isallobarisch maximum, ofwel een stijggebied (op de weerkaart aangeduid met een S), is de luchtdruk juist gestegen. Ergens tussen de daalgebieden en stijggebieden in loopt de zgn. nul-isallobaar, de lijn waar in de afgelopen drie uren de luchtdruk gelijk is gebleven. Er is een luchtverplaatsing, een wind dus, van de stijggebieden naar de daalgebieden. Deze zgn. isallobarische wind is mede van invloed op de richting en snelheid van de wind.
Isobaar
Lijn die punten van gelijke luchtdruk met elkaar verbindt.
Isobarenpatroon
Patroon van isobaren, dat de verdeling van de luchtdruk weergeeft op de weerkaarten. Het isobarenpatroon toont de ligging van weersystemen, zoals hogedrukgebieden, lagedrukgebieden, troggen, enz.
Isobarisch conservatisme
Een grootheid wordt isobarisch conservatief genoemd, wanneer de waarde van die grootheid binnen zekere tijd (minimaal 12 uur) bij een isobarisch proces niet of slechts in zeer geringe mate verandert.
Isobarisch proces
Proces waarbij de druk van de lucht die bij het proces is betrokken, nagenoeg ongewijzigd blijft. Zo verloopt een horizontale luchtstroming vaak isobarisch.
Isobath
Zie diktelijn.
Isochronenkaart
Kaart waarop isochronen zijn opgetekend. De meteoroloog krijgt op die manier een indruk van de verplaatsingen van de betreffende weersystemen en fenomenen.
Isochroon
Lijn die posities in de tijd van een bepaald fenomeen verbindt. Voorbeelden daarvan zijn de posities in drie- of zes-uurlijkse stappen van een front, de as van een trog of een rug of de voorste of achterste begrenzing van een regen- of bewolkingsgebied. De route van de kern van een lagedrukgebied of van een hogedrukgebied wordt gevolgd op een banenkaart.
Isohyps
Lijn die punten met gelijke hoogte van een bepaald drukvlak met elkaar verbindt.
Isolijn
Lijn op een kaart of in een grafiek die punten verbindt met een gelijke waarde. Zo is een isobaar een lijn die punten met gelijke luchtdruk verbindt. Op alle punten op de 1020 hPa-isobaar is de luchtdruk gelijk aan 1020 hPa. Een isotherm is een lijn die punten verbindt met een gelijke temperatuur.
Isotach
Isolijn die punten met gelijke windsnelheid verbindt. Isotachen worden zowel op de grondkaarten, als op de aërologische kaarten getekend.
Isotherm
Lijn die punten van gelijke temperatuur met elkaar verbindt.
Isothermie
Een luchtlaag heeft een isotherme opbouw wanneer de temperatuur in die luchtlaag in de verticale richting niet verandert. Een isotherme luchtlaag is, evenals de inversie, absoluut stabiel van opbouw.
ITCZ
Zie Inter-Tropicale-Convergentie-Zone.

Voor het laatst bijgewerkt op 8-07-2012. Opmerkingen of wil je reageren: stuur een e-mail Free counter and web stats