Weerkundig woordenboek: P

Paardenbreedten
Subtropische gebieden met relatief vaste hogedrukgebieden en daaraan verbonden weer.
In vroeger tijden, toen men voor veroveringen nog op zeilboten was aangewezen, kwam een schip in een dergelijk hogedrukgebied nogal eens stil te liggen. Die windstilte kon soms wel weken duren en pas als zo'n hogedrukgebied in beweging kwam of tijdelijk verdween, ging het weer waaien. Omdat de reis daardoor langer duurde dan voorzien, raakten eten en drinken op.Om het ergste te voorkomen, zette men dan de paarden, die men bij zich had voor het reizen over land, overboord.
Paardenijs
Zeer sterk ijs, waar een paard dus zonder problemen overheen kan. Schotsijs dat aan elkaar is gevroren.
Niet geschikt om op te schaatsen.
Buiten deze ijsvorm zijn er nog diverse vormen. Deze vindt u hier.
Paddestoelwolk
Wolk, die zich aanvankelijk vertikaal ontwikkelt, doch zich later horizontaal uitbreidt (tegen een inversie).
Pampero
Lokale wind in Argentinië. De wind waait vanaf de Andes over de pampa tot in Rio de la Plata en de Braziliaanse kust. De wind hangt samen met de passage van een koufront, voert polaire lucht aan en brengt doorgaans erg slecht weer, zware onweders, stortregens en sterke temperatuurdalingen.
Pampero limpo
Lokale wind in Argentinië. Een zuidelijke wind vanaf de pampa naar Rio de la Plata. In tegenstelling tot bij de pampero en de pampero sucio blijft de lucht helder.
Pampero sucio
Lokale wind. Het is een siroccoachtige westenwind in la Plata in Argentinië. Door de aanvoer van polaire lucht is het doorgaans een koude wind, die veel zand en stof vanaf de pampa aanvoert.
Pannenkoekenijs
IJsschotsen die, door voortdurend tegen elkaar botsen, een min of meer ronde vorm aan zijn gaan nemen. Dit als gevolg van golfslag in open water.
Pannus
Rafels, flarden. Meteorologisch: aanduiding voor slecht weer wolk.
Paradox van Bjerkness
Door de Noorse meteoroloog Bjerkness beschreven fenomeen: het stijgen van de luchttemperatuur na het passeren van een koufront. Dit verschijnsel kan met name optreden bij koufrontpassages overdag in het warme seizoen. Zodra het koufront gepasseerd is, zetten dalende luchtbewegingen in. De lucht warmt dan in een adiabatisch proces op. Daarbij komen soms felle opklaringen voor, zodat de zon ook nog een bijdrage levert aan het tegengaan van de verwachte temperatuurdaling.
Parallel
(ook: breedtecirkel) Denkbeeldige hele cirkel evenwijdig aan de evenaar, getrokken om plaatsbepaling op aarde mogelijk te maken. Inclusief de evenaar zijn er 179 breedtecirkels. Naar de polen toe worden de cirkels steeds kleiner. De evenaar heeft men gesteld op 0° breedte. Vanaf deze lijn zijn er 89 hele cirkels ten noorden van deze lijn getrokken en 89 hele cirkels ten zuiden van deze lijn. Samen met de meridianen vormen deze cirkels het graadnet, zodat elke plaats op de wereld een uniek snijpunt van een meridiaan en een parallel heeft.
Parelmoerwolken
Sterk iriserende wolken, op hoogten tussen de 20 en 30 km. Op deze hoogten komen zelden wolken voor. Ze kunnen ontstaan als bijvoorbeeld sterke winden in de bovenlucht aan de lijzijde van hooggebergten een sterke verticaal golvende beweging krijgen die tot in de stratosfeer merkbaar is. In de top van een op deze manier ontstane golf kan sublimatie van de meegevoerde waterdamp plaatsvinden. De mooiste kleuren ontstaan als de zon zich enkele graden onder de horizon bevindt. Gelet op de wijze waarop deze wolken ontstaan, is dit verschijnsel in onze omgeving zeer zelden te zien.
Parels van Baily
Bij een zonsverduistering de laatste (of na de totaliteit de eerste) lichtstralen die door de maandalen schijnen, ook wel Baily's Beads genoemd. Bij de laatste lichtstraal is de corona al te zien en we spreken dan wel van de diamantring.
Parhelische ring
(ook: bijzonnenring) Witte cirkel op zonshoogte evenwijdig aan de horizon, die bij een halo van 22° of een halo van 46° voorkomt. Op deze ring komen ook bijzonnen voor. Wanneer deze ring bij maanlicht optreedt, wordt hij paraselenische ring genoemd. De parhelische en de paraselenische ring zijn zeer zelden als volledige kring te zien.
Pascal
Eenheid van druk, is 1 Newton per m². De luchtdruk wordt meestal uitgedrukt in hectopascal (= 100 Pascal). Het getal komt dan overeen met de vroeger gebruikte eenheid millibar.
Passaat
Zijn winden ten noorden en ten zuiden van de evenaar. Ten noorden van de equator heeft men de NO-passaat en ten zuiden ervan de ZO-passaat. Was de corioliskracht (door de rotatie van de aarde) niet van toepassing geweest dan waren het gewoon noorden- en zuidenwinden.
Penumbrale schaduw
(halfschaduw) De schaduw die de maan op de aarde werpt bij een zonsverduistering en waarbij de zon niet geheel door de maan wordt bedekt.
Pentadegemiddelde
Dit is het klimatologisch gemiddelde over vijf dagen./dd>
Perigeum
Punt op de ellipsvormige maanbaan waar de maan het dichtst bij de aarde staat (356.400 km).
Perihelium
Punt op de ellipsvormige aardbaan waar de aarde het dichtst bij de zon staat (147 miljoen km).
Seizoencyclus (bron KNMI)
Perioden met regen (of sneeuw)
Term die kan voorkomen in een weersverwachting. Bij perioden met regen (of sneeuw) hoort een gelaagde bewolking, zoals dat bij de passage van een frontaal systeem het geval is. De regen (of sneeuw) valt van tijd tot tijd in vrij langdurige perioden. Is dat niet het geval, dan wordt gesproken van af en toe regen (of sneeuw).
Perioden met zon
Term die in een weersverwachting kan voorkomen. Over een dag genomen vertegenwoordigt deze term een zonneschijnpercentage van 20 tot 60. In een tijdspanne dat er sprake is van zon, mag de hemelkoepel voor een deel bedekt zijn met wolken. Met de term zonnige perioden wordt bedoeld dat in de periode dat de zon schijnt, er (vrijwel) geen bewolking is. De bijbehorende nachttermen zijn resp. opklaringen en heldere perioden.
Perlucidus
Wolkenvariëteit van de wolkengeslachten altocumulus en stratocumulus. De wolkenformaties zijn te zien als uitgestrekte velden, met daarin zeer kleine openingen, waardoor nog juist zichtbaar is wat zich daarboven bevindt.
Permafrost
Permanent bevroren bodem. Deze komt met name voor in Alaska en Siberië en kan tot meer dan 300 m diepte bevroren zijn. In de zomer ontdooit alleen de bovenlaag, terwijl de bodem daaronder bevroren blijft. Op deze manier ontwikkelen zich moerassige omstandigheden. Dit verschijnsel veroorzaakt grote problemen voor gebouwen en wegen.
Persistente contrail
Een contrail (vliegtuigcondensatiestreep) die langer dan 10 minuten zichtbaar blijft.
De persistentie is voornamelijk afhankelijk van de vochtigheid van de omgevingslucht en de windsnelheid. Is de lucht bij aanvang erg vochtig dan zal de contrail minder snel oplossen. Een luchttemperatuur van tussen de -50°C en -60°C en een relatieve vochtigheid van tenminste 80% zijn ideale omstandigheden voor de vorming van persistente contrails. Bij -45°C tot -50°C zijn de contrails vaak zwak en kort persistent.
Persluchtanemometer
Anemometer waarbij gebruik wordt gemaakt van perslucht, die onder in de poot van een, verticaal opgestelde, T-vormige buis wordt geblazen. De lucht moet door de twee horizontale armen, waarin de statische druk wordt gemeten, wegstromen. Als er nu wind is evenwijdig aan de buis, dus precies gericht op n van de armen, zal er in de horizontale buizen een drukverschil ontstaan, hetgeen een maat is voor de windsnelheid.
Pileus
(spreek uit: piléjus) -hoed, kapje. Meteorologisch: Altocumulus bankje, meestal boven een Cumuluscongestus en Cumulonimbus calvus en ontstaan door optilling van een hoeveelheid met waterdamp verzadigde lucht.
Piteraq
Zo noemt men in Denemarken een noordwesterstorm die vergezeld gaat met windstoten van orkaankracht.
Plaatselijkheidsterm
In weersverwachtingen gebruikte terminologie, met name in relatie tot neerslagtermen. Wanneer men een tiental plaatsen, gelijkmatig over het land verdeeld, in gedachten neemt, is het volgende overzicht van toepassing.
0-2 Vrijwel nergens, bijna nergens Kleine kans
3-7 Plaatselijk, op verscheidene plaatsen Mogelijk
8-10 Vrijwel overal, op de meeste plaatsen Grote kans
PLAT
Codewoord dat deel uitmaakt van een SYNOP, waaruit wordt opgemaakt dat deze meteorologische code afkomstig is van een boorplatform ten behoeve van olie- of gaswinning op zee. Wordt er niet naar olie of gas geboord, dan wordt het codebericht voorzien van de roepletters RIGG. Voor andere waarnemingsstations op zee wordt het woord SHIP gebruikt.
Platzee
(ook: vlakzee) zee met een maximale diepte van 200 m. Dit soort zee bevindt zich voor het grootste deel boven het continentaal plat en vormt als het ware een voortzetting van de oceaan. De Noordzee is een platzee.
Plot
Grafische weergave van waarnemingen op een weerkaart. Vroeger werd dit aan de hand van de via de telex binnenkomende waarnemingen met de hand gedaan. Tegenwoordig gebeurt het automatisch, door computergestuurde tekenmachines (plotautomaten).
Pluviograaf
Automatisch registrerende pluviometer.
Pluviogram
Registratie van een pluviograaf op een papieren strook. Op deze manier kan m.n. de neerslagintensiteit worden afgelezen.
Pluviometer
Toestel om de neerslaghoeveelheid te bepalen. Een pluviometer bestaat meestal uit een trechter met een gekende oppervlakte en iets om de opgevangen neerslag te verzamelen (in zijn eenvoudigste vorm een fles). Door de opgevangen hoeveelheid water te meten en te delen door de oppervlakte van de trechter bekomt men de neerslaghoeveelheid in liter per vierkante meter of millimeter.
Polair maximum
Als gevolg van de aardrotatie komen er per hafrond 3 luchtcirculatie-cellen voor. Aan de polen is er altijd een hoge luchtdruk als gevolg de neerdalende koude lucht. Dit continue hogedrukgebied wordt ook wel polair maximum genoemd.
Polaire lucht
Niet van de poolstreken afkomstig maar van het gebied tussen de 50°-65° N.B.
Polaire weersatelliet
Type weersatelliet, zoals de Amerikaanse NOAA-satelliet, die een baan rond de aarde beschrijft op zon 800 tot 850 km hoogte over de polen. Doordat de aarde onder de satelliet doordraait vliegt de satelliet over steeds een ander deel van de aarde. Ongeveer tweemaal per dag komt een dergelijke satelliet over Nederland. De satelliet scant voortdurend een strook van het aardoppervlak onder zich af. Vanwege de steeds veranderende invalshoek, zijn de beelden van deze satellieten niet geschikt voor animaties.
Polair maximum
Hogedrukgebied dat ontstaat door de extreme koude in het gebied van de polen. Aan de polen heeft de lucht een grotere dichtheid (is relatief zwaarder), waardoor zij gaat dalen. De lucht zal langs het aardoppervlak van de polen af gaan bewegen, terwijl, om dit te compenseren, in de bovenlaag lucht naar de polen toe stroomt.
Polaka
Lokale wind in Tsjechië. Het is een noordoostelijke koude valwind, die vanuit het bergachtige Sudetenland naar het lager gelegen Bohemen waait.
Polar Low
Een kleine maar intense depressie die zich ontwikkeld nabij de rand van het vaste ijs in het noordpoolgebied en met een noordelijke luchtstroming naar het zuiden trekt. Ze kenmerken zich door een zeer koude bovenlucht.
Poolbanden
Cirrus banden die, parallellopend, de indruk wekken in één punt samen te komen (convergeren) vanwege het perspectief. Vaak een 'straalstroom'-verschijnsel.
Poolcirkel
Breedtecirkel gelegen op 66,5° NB en ZB. In het gebied tussen de poolcirkels en de polen gaat de zon gedurende een bepaalde periode in het jaar niet onder. Dit verschijnsel wordt de middernachtzon genoemd. Naarmate men dichter bij de polen komt, worden, afhankelijk van het seizoen, de pool dag en poolnacht steeds langer. Op de polen zelf duren ze een half jaar.
Pooldag
Verschijnsel dat aan de polen een zes maanden durende dag bestaat. Hierbij blijft de zon boven de horizon. Naarmate men verder van de pool afgaat, wordt de duur van de pooldag geleidelijk korter. Tijdens een pooldag is er naar verhouding weinig afkoeling en, hoewel de zon altijd laag staat, kunnen de temperaturen soms toch behoorlijk oplopen. De pooldag is het gevolg van de (steeds in dezelfde richting staande) schuine stand van de aardas in de ruimte, samengaand met de draaiing van de aarde om de zon en de draaiing van de aarde om haar eigen as. In juni staat de noordpool gericht op de zon, terwijl de zuidpool dan juist van de zon is afgekeerd. In december is de situatie precies andersom.
Poolklimaat
Klimaat, dat wordt gevonden op en rond de beide poolcirkels. Het kenmerkt zich doordat zowel de winters als de zomers koud zijn.
Poollicht
Het poollicht krijgt ook de naam van zuider- of noorderlicht. Het is een kleurrijk lichtverschijnsel dat zich op grote hoogte boven onze hoofden afspeelt: in de ionosfeer. Het poollicht komt voor op hoogten tussen de 70 en 700 kilometer. In de meeste gevallen echter situeert de hoogte zich tussen de 100 en 150 km. Het frequent voorkomen van het poollicht hangt samen met de 11-jarige zonnevlekkencyclus. De van de zon afkomstige protonen en elektronen slaan de stikstof en zuurstof aan die deze lichtverschijnselen geven. Het magnetische veld van de aarde zorgt ervoor dat alleen aan de polen deze van de zon afkomstige deeltjes dieper in de atmosfeer kunnen doordringen waarbij ionisatieprocessen optreden.
Poolnacht
Verschijnsel dat aan de polen een zes maanden durende nacht bestaat. Hierbij blijft de zon onder de horizon. Naarmate men verder van de pool afgaat, wordt de duur van de poolnacht geleidelijk korter. Tijdens de poolnacht daalt de temperatuur tot ver beneden het vriespunt.
Poolsneeuw
Zie ijsnaaldjes.
Postfrontaal
Bepaald weerfenomeen, zoals felle opklaringen of juist regen, achter het front. Het tegenovergestelde is prefrontaal.
Potentiële energie
De energie van een lichaam of voorwerp door zijn positie in het gravitaieveld of de energie die nodig is om een voorwerp tot een bepaalde hoogte te brengen vanaf een standaard niveau.
Potenieel neerslagtekort
Wordt berekend door het KNMI uit de hoeveelheid neerslag minus de verdamping. Dit gebeurd alleen in de periode april t/m september omdat die maanden het groeiseizoen vormen.
In het extreem droge jaar 2003 liep het tekort op tot 230 mm. In het recorddroge jaar 1976 werd het zelfs 330 mm.
Potentieel onstabiel
Luchtlaag die van oorsprong stabiel is, maar die na optilling onstabiel wordt. De oorzaak van die verandering ligt besloten in de vochtverdeling in de luchtlaag.
Praecipitatio
(lett.: neerstorting) Bijkomende vorm van de wolkengeslachten altostratus, nimbostratus, stratocumulus, stratus, cumulus en cumulonimbus. In tegenstelling tot de virga bereiken de praecipitatio-valstrepen van neerslag onder een wolk het aardoppervlak wél.
Prebaratic
Met de hand getekende prognose van de luchtdrukverdeling voor een bepaalde tijd vooruit.
Prefrontaal
Bepaald weerfenomeen dat zich vr een front uit manifesteert, zoals felle opklaringen of juist regen. Het tegenovergestelde is postfrontaal.
PROB
Afkorting, die vooral wordt gebruikt in de TAF en de TREND. De afkorting dient om een bepaalde waarde toe te kennen aan een verwachtingselement. PROB 30 betekent bijvoorbeeld, dat de kans dat het verwachte weerselement daadwerkelijk optreedt, 30% bedraagt. Deze term wordt vooral gebruikt bij weerselementen als buien, onweer en mist.
Prognose
Na de analyse is de prognose de vijfde stap in de productielijn van een weersverwachting. Aan de hand van zijn analyses maakt de meteoroloog prognoses van toekomstige ontwikkelingen van de weersystemen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen zeer-korte-termijnverwachtingen (nowcasting), korte-termijnverwachtingen, middellangetermijnverwachtingen en lange-termijnverwachtingen. De volgende stap in de productielijn is de weervertaling.
Propelleranemometer
Rotatie-anemometer die bestaat uit een propeller, die op de neus van een windvaan, dwars op de lengteas van de vaan, is geplaatst. De rotatiesnelheid van de propeller is een maat voor de windsnelheid.
Protuberans
Uitbarsting op de zon, die soms wel een miljoen kilometer in de ruimte reiken. Tijdens een eclips soms zichtbaar als rode of roze uitsteeksels aan de zwarte maanrand.
Psychrometer
Toestel voor het meten van de vochtigheid van de lucht. Een psychrometer bestaat uit 2 thermometers. Eén daarvan meet de gewone luchttemperatuur. Deze thermometer wordt ook de 'droge bolthermometer' genoemd. De tweede thermometer heeft iets speciaals: het reservoir is omwikkeld met een vochtig doekje of kousje dat met een klein waterreservoir verbonden is. Deze thermometer heet dan ook 'natte bolthermometer'.
Hoe werkt het nu? Wanneer de relatieve luchtvochtigheid minder dan 100% bedraagt (dus niet verzadigd), dan kan er water uit dit kousje verdampen. Verdamping kost energie en deze energie wordt onttrokken aan het kwik in het reservoir van de tweede thermometer. Daardoor gaat deze tweede thermometer een lagere temperatuur aanwijzen dan de eerste. Aan de hand van het temperatuurverschil tussen beide kan o.a. de relatieve vochtigheid, dauwpunt, enz. worden bepaald. Dit is een vrij ingewikkelde berekening zodat op de meeste psychrometers een tabel is aangebracht waardoor men de relatieve vochtigheid eenvoudig kan aflezen.
Psychrometer van Assmann
Psychrometer die in het algemeen voor incidentele waarnemingen wordt gebruikt. De twee thermometers zijn ieder in een eigen beschermhuls bevestigd. Bovenaan het instrument bevindt zich een roterende luchtpomp, die door de beschermhulzen lucht aanzuigt, zodat elke thermometer zijn eigen luchtstroom heeft.
Psychrometerverschil
Verschil tussen de droge-boltemperatuur en de natte-boltemperatuur. Een maat dus voor de hoeveelheid vocht in de lucht. Bij gelijke luchttemperaturen, duidt een groter psychrometerverschil op drogere lucht.
Puelche
Lokale wind aan de kust van Chili. Dezelandwind is vernoemd naar een stam van pampa-Indianen, de Puelches. Het is een warme oostelijke valwind met duidelijke föhneigenschappen, die vanuit het Andesgebergte waait. De wind wordt ook wel terral genoemd.
Puntverwachting
Weersverwachting, die een betrekkelijk klein gebied bestrijkt. Met name in deluchtvaartmeteorologie wordt dit type verwachtingen geproduceerd ten behoeve van binnenkomende vliegtuigen.
Purga
Lokale wind in Rusland. Het zijn hevige sneeuwstormen, die in de winter over de toendra en de taiga waaien, en zeer koude continentaal polaire lucht (cPL) of arctische lucht (AL) aanvoeren.
Pyranometer
Toestel voor het meten van diffuus en directe zonnestraling.
Pyrocumulus
Hieronder verstaat men de vorming van een cumuluswolk aan de bovenkant van een rookpluim. Het Latijnse woord 'Pyro' betekend vuur.
De pyrocumulus ontstaat boven bronnen van extreme hitte zoals bosbranden, industrie en vulkanen. De snel opstijgende hete lucht koelt vervolgens af en condenseert, doordat de asdeeltjes de basis vormen van druppelvorming. De wolken worden meestal grijs van kleur en kunnen flink variëren in grootte: van kleine cumulus tot grote cumulonimbus (buienwolk, afgekort Cb).
Bij de grote versies kan er neerslag en onweer optreden. In dat geval is er sprake van een pyrocumulonimbus.
De stromingen in deze wolken kunnen zeer turbulent zijn en als er veel asdeeltjes in zitten, kunnen daardoor ladingsverschillen optreden die resulteren in onweer. Als de wolken groot genoeg zijn kan er ook (lichte) neerslag uit vallen, vaak regen vermengt met as. Door de turbulentie treden er bovendien vaak zware windstoten op aan de grond. Maar ook hagel en zelfs tornado's behoren tot de mogelijkheden.
De hoogste wolken rijken tot 15 kilometer hoogte.

Voor het laatst bijgewerkt op 26-06-2011. Opmerkingen of wil je reageren: stuur een e-mail Free counter and web stats