Weerkundig woordenboek: W

Waarnemen
Het beschrijven van het actuele weer in een weerrapport (waarneming) door een waarnemer op een bepaald tijdstip en op een bepaalde plaats. Er worden diverse meteorologische grootheden gemeten, zoals de luchtdruk, de luchttemperatuur, de luchtvochtigheid, de windrichting en de windsnelheid. De waarnemer beschrijft het weer. Hij kijkt onder meer of er neerslag valt en zo ja, wat voor soort en in welke hoeveelheid, of er misschien mist is en zo ja, hoe dicht die mist is. Verder maakt de waarnemer een schatting van het horizontaal zicht, van de hoeveelheid en soort van bewolking, enz.
Waarnemer
Iemand die een meteorologische waarneming verricht. Een betrouwbare waarneming staat aan de basis en aan het einde van de weersverwachting. Een waarneming bestaat uit metingen van een aantal meteorologische elementen, zoals luchtdruk en temperatuur. Andere elementen zijn schattingen, zoals de hoeveelheid en de hoogte van de bewolking en het zicht.
Waarnemingsdichtheid
Aantal waarnemingsstations per oppervlakte-eenheid. De exactheid van de analyse van een bepaalde weerssituatie in een bepaald kaart gebied hangt natuurlijk sterk af van het aantal waarnemingen die in dat gebied zijn gedaan. Om die reden kan worden gesteld dat de kwaliteit van een weersverwachting een relatie heeft met de dichtheid van het waarnemingsnet.
Waarnemingsnet
Lokatie van de waarnemingsstations in een bepaald kaartgebied en de manier waarop deze ten opzichte van elkaar zijn gesitueerd.
Waarnemingsstation
(ook: weerstation) Plaats waar meteorologische waarnemingen worden verricht. Daartoe staat op een waarnemingsterrein een aantal meteorologische instrumenten opgesteld. Nederland heeft ongeveer 20 bemande waarnemingsstations. Voor een deel vallen deze onder de verantwoordelijkheid van het KNMI in De Bilt. Dat zijn de waarnemingspunten te De Bilt, Den Helder (De Kooy), Vlissingen, Schiphol, Eelde (Groningen Airport), Beek (Maastricht-Aachen Airport), Rotterdam (Zestienhoven). Terschelling, IJmuiden, Hoek van Holland en Lelystad (Houtribsluizen). Militaire waarnemingspunten zijn gevestigd op de vliegvelden Valkenburg (ZH), Soesterberg, Leeuwarden, Deelen, Eindhoven, Volkel, Twente en Gilze-Rijen.
Verder is er een aantal automatische meetpunten, o.m. op enkele boorplatforms voor de Nederlandse kust: Euro-O, Lichteiland Goeree, Meetpost Noordwijk, AUK en K-13.
Bovendien zijn er enkele automatische windpalen: Huibertgat, Texel hors, Oosterschelde, Schaar en Cadzand. Op land zijn automatIsche meetpunten te vinden bij Lauwersoog, Marknesse, Stavoren, Hoorn, Lelystad, Hoogeveen, Nleuw-Beerta, Heino, Hupsel, Herwijnen, Rotterdam (Geulhaven), Arcen, Wilhelminadorp en Oost-Maarland.
Waarnemingsterrein
Terrein behorend bij een waarnemingsstation, waar de voor de meteorologische waarnemingen benodigde instrumenten staan opgesteld. Het terrein moet voldoen aan een aantal voorwaarden. Zo mogen de metingen niet door begroeiing of gebouwen in de omgeving worden beïnvloed.
Waarnemingstijd
Periode waarin de verschillende meteorologische grootheden worden gemeten, geschat, geconstateerd en genoteerd. Deze periode bedraagt meestal minimaal tien minuten. Bij volkomen duisternis en/of het aanwezig zijn van een grote verscheidenheid aan verschijnselen is een langere periode vaak noodzakelijk.
Waarnemingstijdstip
Moment waarop de waarneming wordt afgesloten. Voor synoptische waarnemingen is dit het moment waarop de barometer wordt afgelezen.
Walker Cel
De Walker Cel is genoemd naar de Engelse natuurkundige Sir Gilbert Walker.
Het gaat hier om een min of meer gesloten luchtcirculatie waarbij de lucht opstijgt boven de westelijke Stille Oceaan om dan naar Peru te stromen en daar weer te dalen als gevolg van subsidentie in hogedruk. Vervolgens keert de lucht onderin de atmosfeer weer terug naar zijn oorsprong met behulp van de oostelijke passaatwinden. Het proces begint dan weer opnieuw en is de circulatie rond.
Wallcloud
Lage uitzakking onder de wolkenbasis. Veelal is dit het voorstadium voor een tornado. De wallcloud is soms zo laag, dat ze tot bijna op het aardoppervlak hangt.
Warm
Term die kan voorkomen in een weersverwachting. Het verschil tussen de maximum temperatuur en de normale temperatuur bedraagt dan +5 t/m +10°C terwijl de maximum temperatuur 20°C of hoger moet zijn. Zie ook temperatuurterm.
Warm conveyor belt
Lett.: warme transportband. Sterke zuidelijke stroming met warme en vochtige lucht in een relatief smalle en ondiepe laag aan de voorzijde van een koufront. Nabij het front gaat de warm conveyor belt vaak samen met zware neerslag, soms zelfs onweer. Op satellietfoto's is dit verschijnsel vaak goed herkenbaar aan de smalle en scherp begrensde strook bewolking aan de voorkant van het koufront.
Warme Golfstroom
Hieronder verstaan we de stroming van het warme water uit de Golf van Mexico en aan de oostkust van de Verenigde Staten.
Warme dag
Een dag waarop de maximum temperatuur een waarde bereikt heeft ≥ 20°C.
Eerste warme dag
Warme luchtstreek
(ook: hete luchtstreek) Gebied op aarde begrensd door de 18°C-isotherm van de koudste maand. De gemiddelde temperatuur in dit gebied daalt dus niet onder de 18°C. Deze grens is gekozen op basis van de klimaatindeling volgens Köppen.
Warme massa
Het weerbeeld dat bij een bepaalde luchtsoort hoort, wordt in sterke mate bepaald door de toestand van het aardoppervlak, waarboven die luchtsoort zich op dat moment bevindt. De temperatuur van het aardoppervlak, bijvoorbeeld, bepaalt mede of de opbouw van de atmosfeer in de onderste niveaus stabiel dan wel onstabiel is. Wanneer de temperatuur van die lucht hoger is dan die van het onderliggende aardoppervlak, wordt gesproken van warme massa.
De opbouw van warme massa is daarom stabiel: er is weinig of geen uitwisseling met hogere luchtlagen. De invloed van de wrijving blijft daardoor vooral beperkt tot die onderste niveaus, waarin de wind dan ook vrij sterk gekrompen zal zijn en weinig schommelingen in richting en snelheid zal vertonen. Bij een hoge vochtigheid zal in een warme massa de hemel nagenoeg bedekt zijn met stratus of stratocumulus. Hieruit kan bij voldoende dikte gelijkmatige lichte neerslag vallen. Bij een laag vochtigheidsgehalte van de lucht zal het in warme massa onbewolkt zijn. In een warme massa hopen alle stof- en vochtdeeltjes zich op in de onderste luchtlaag en kunnen niet ontwijken naar hogere luchtlagen. Het zicht is dan ook meestal matig of slecht en vooral in de wintermaanden komt er (soms zeer) hardnekkige mist voor.
Bij voldoende afkoeling aan het aardoppervlak tijdens de nacht kan warme massa overgaan in koude massa. Ook invloeden van land en zee kunnen bij deze transformatie een rol spelen. In het voorjaar, bij een relatief koud zeeoppervlak, kan warme massa, eenmaal boven land aangekomen, overgaan in koude massa. Het kustgebied is dan nog wel bewolkt, maar verder landinwaarts breekt de bewolking en wordt duidelijk cumuliform. In het najaar gebeurt vaak het omgekeerde, met als gevolg dat dan boven land uitgestrekte wolkenvelden ontstaan.
Warme sector
Het gebied tussen een warmte- en een koufront.
Zeestroom die begint op lage breedte en stroomt naar hoge breedte, met als gevolg dat deze stroming relatief warmte met zich meebrengt.
Warmte eiland
Zie stadseffect.
Warmtefront
Het scheidingsvlak tussen een warme en een minder warme luchtsoort of tussen een koele een zeer koude luchtsoort.
In tegenstelling tot een koufront wordt hier relatief koudere lucht verdrongen door warmere lucht.
Op de weerkaart wordt een warmtefront aangegeven met halve bolletjes.
Typerend voor eeen warmtefront is een periode met gestage regen of motregen.
De warme lucht bevindt zich aan de linkerkant en kruipt op tegen de koude lucht. Bij de passage van een warmtefront (dat in de figuur van links naar rechts beweegt), ziet u achtereenvolgens de volgende bewolking passeren: cirrus (CI), cirrostratus (CS), altostratus (AS) en nimbostratus (NS). De eerste zijn de veerachtige wolken, de laatste de regenwolken
Warmtefrontgolf
Frontale storing in een warmtefront. Warmtefrontgolven zijn doorgaans stabiele golven en ontwikkelen zich dan ook niet verder tot een nieuw lagedrukgebied.
Warmtefrontocculsie
Occlusie in het verlengde van het warmtefront, waarbij de lucht aan de voorkant van het warmtefront kouder is dan de lucht achter het koufront. Op een weerkaart wordt een warmtefrontocclusie doorgaans aangegeven met een onderbroken rode lijn met daarachter een blauwe lijn of door een zwarte lijn met in de bewegingsrichting afwisselend halve cirkeltjes en driehoekjes, waarvan de halve cirkeltjes zijn opgevuld.
Warmtegetal
Een methode om de tussentijdse warmtebalans in een jaar te bepalen is het warmtegetal. Het warmtegetal wordt berekend door het aantal graden dat de gemiddelde etmaaltemperatuur van elke dag boven de 18,0°C ligt op te tellen.
Een dag met gemiddeld over 24 uur een temperatuur van 20,2°C draagt dus 2,2 bij aan het warmtegetal.
Zo komen we uiteindelijk tot een totale som die het mogelijk maakt de warmte in een jaar te classificeren. Het warmtegetal beperkt zich niet noodzakelijkerwijs de klimatologische zomermaanden juni, juli en augustus, maar loopt van 1 april t/m 31 oktober.
Warmtegetal
Warmteoverschot
Door positieve temperatuurafwijkingen ten opzichte van normaal op te tellen en negatieve afwijkingen af te trekken, wordt het warmteoverschot bepaald.
Als de gemiddelde etmaaltemperatuur op een dag bijv. 15°C is en het langjarige etmaalgemiddelde is 18°C dan is het warmteoverschot op die dag -3 punten. Was het die dag bijv. 20°C dan is het warmteoverschot +2 punten.
Door vanaf 1 januari t/m 31 december al deze waarden op te tellen verkrijgt men het warmteoverschot.
Warmteoverschot
Warmteplafond
Populaire benaming voor een inversie.
Warmwatereffect
Met het warmwatereffect bedoeld men het effect wat optreedt als koude lucht over warm water trekt.
Of het warmwatereffect optreedt en in welke vorm dat gebeurd, hangt af van verscheidene factoren. De onstabiele laag boven het warme water moet minstens 1000 tot 1500 meter dik zijn. Verder moet het temperatuurverschil tussen het water en de lucht op circa 850 meter hoogte meer dan 13 graden bedragen om een krachtige uitwisseling van warmte en vocht op gang te brengen.
Tevens is de afstand die de lucht over het warme water aflegt van belang. Hoe groter deze afstand des te heviger zijn de buien (de strijklengte).
Het warmwatereffect is heel duidelijk waarneembaar in de gebieden rondom de grote meren in de Verenigde Staten. Soms is het ook zichtbaar boven het Skagerak, de Oostzee, de Finse Golf, Het Kanaal of de Ierse Zee.
Water
De chemische verbinding van twee atomen waterstof met één atoom zuurstof. Het komt op onze aardbol voor in de drie verschillende aggregatietoestanden: vast, vloeibaar en gasvormig. Het is van zeer groot belang voor het dagelijkse weer en -leven.
Waterdamp
De gasvormige toestand van water. Het behoort tot één van de meest belangrijke gassen in de atmosfeer voor ons weersverloop.
Waterhoos
Zie windhoos.
Windhoos die ontstaat boven open water, bijvoorbeeld boven het IJselmeer of de Waddenzee. Een waterhoos is doorgaans minder sterk dan een windhoos, maar komt wel vaker voor dan een windhoos.
Waterkoud
Een weertype dat koud aanvoelt terwijl er vrij veel wind staat, maar het kan ook windstil zijn, en de atmosfeer vochtig is.
Waterkoud is een weertype waarbij na een koude periode, de hemel dichttrekt, de atmosfeer vochtiger wordt en de aantrekkende wind nog altijd koude (vaak continentale) lucht aanvoert. In ieder geval is er geen sprake van vriezend weer. Waterkoud weer kan het hele jaar optreden.
Waterwolk
Wolk waarin uitsluitend, al dan niet onderkoelde, waterdruppeltjes voorkomen. Boven het nulgradenniveau zijn de wolkendruppels in onderkoelde toestand. Hoe lager de temperatuur in de wolk, des te groter de kans dat de onderkoelde waterdruppels bevriezen. Boven een zekere hoogte (niveau) zal al het onderkoelde water overgaan in ijs. De temperatuur waarop dat gebeurt varieert sterk van wolk tot wolk, namelijk van -15 tot -40°C. In de meeste wolken zullen echter bij een lagere temperatuur dan -23°C alleen maar ijskristallen voorkomen.
Weer
Is de toestand van de atmosfeer of dampkring op een bepaald tijdstip op een bepaalde plaats.
Weeralarm
Wanneer weersomstandigheden worden verwacht, die problemen of overlast kunnen veroorzaken, geeft het KNMI een waarschuwing of weeralarm uit. Het weeralarm is de meest ernstige waarschuwing bij extreem weer, veelal op grote schaal d.w.z. tenminste over een gebeid ter grootte van het standaardgebied. De kleurcodering is ROOD.
Naast de verwachting biedt het KNMI-Weeralarm informatie over mogelijke gevolgen en risico's. Het weeralarm wordt gemiddeld zo'n 2 tot 6 keer per jaar, en op zijn vroegst 12 uur tevoren wordt gegeven. Wanneer de meteoroloog eerder al aanwijzingen heeft voor bijzondere weersontwikkelingen wordt maximaal 48 uur tevoren een waarschuwing voor gevaarlijk weer uitgebracht en 24 uur tevoren een waarschuwing voor extreem weer.
Voor een weeralarm gelden de volgende voorwaarden:
Fenomeen Criterium
Weeramateur
Iemand die van het waarnemen van weerselementen en het maken van weersverwachtingen zijn hobby heeft gemaakt. In Nederland en België bestaan zeer levende verenigingen van weeramateurs, met regelmatige bijeenkomsten.
Weerballon
Hoe het begon:
Voor de intrede van de radiosonde werd in de jaren twintig van de vorige eeuw met meteorografen die gekoppeld waren aan vliegtuigen hoogtewaarnemingen gedaan. In Nederland werden die vluchten in de regel vanaf vliegheide Soesterberg uitgevoerd.
In 1927 ontwikkelde de Rus Moltchanoff een miniatuurradiozender, die werd bevestigd aan een ballon die de gegevens over de toestand van de atmosfeer op verschillende niveaus naar de aarde kon zenden. In feite ontwikkelde Moltchanoff het prototype van de radiosonde. Op 30 januari 1930 werd zijn eerste volwaardige radiosonde, genaamd '271120', om 13.44 uur plaatselijke tijd bij het Geofysische Observatorium in Pavlovsk opgelaten. De instrumenten bereikten een hoogte van 7,5 kilometer alwaar een temperatuur van -40,7C werd gemeten. 32 minuten na de lancering werden de meetgegevens in een aerologisch bericht naar de weerinstituten in Leningrad en Moskou gestuurd.
In Nederland begon men in 1947 bij het KNMI in De Bilt met het oplaten van radiosondes, aanvankelijk twee keer per dag. In de eerste jaren werden de ballonnen met een theodoliet (een meetinstrument uit de landmeetkunde) gevolgd, vanaf 1955 ook met behulp van de radar. Van 1985 tot 2006 werd vanuit De Bilt om 00:00, 06:00, 12:00 en 18:00 UTC een weerballon losgelaten. Tegenwoordig vindt op de meeste radiosondestations alleen om 00:00 en 12:00 UTC een meting in de bovenlucht plaats. Daarnaast wordt op marinevliegkamp De Kooy ook om 06:00 UTC een extra ballonoplating gedaan. Ook de weermeetgroep van de Koninklijke Landmacht verricht op onregelmatige tijden radiosondeoplatingen.

Ballon en parachute:
Het gehele systeem bestaat uit een ballon van rubber of latex waar een touw met een parachute en de radiosonde hangt. Tussen de ballon en de radiosonde zit ongeveer twintig meter lijn. De ballon wordt vlak voor het loslaten gevuld met helium of waterstof. Deze twee gassen zijn soortelijk lichter dan lucht en geven de radiosonde zijn stijgsnelheid. De ballon stijgt met ongeveer vijf meter per seconde (300 meter per minuut).
Het KNMI gebruikt helium. Dit edelgas heeft het voordeel dat het ongevaarlijk is, maar het nadeel dat het kostbaar is. Waterstof daarentegen is explosief en een stuk goedkoper en wordt door de Landmacht gebruikt. Het gebruik hiervan vereist uitgebreide veiligheidsmaatregelen.
Het vullen van de weerballon gebeurt bij het KNMI in de vulhut, een gebouwtje op het meetveld achter het KNMI. Een contragewicht wordt ingesteld om het vulgewicht van de ballon exact te kunnen bepalen. Tijdens het vullen wordt de batterij in de radiosonde geplaatst en worden de sensoren gecontroleerd. Vlak voordat de ballon met de verbonden sonde buiten de vulhut wordt gebracht, dient de verbinding met het grondstation te worden gecheckt opdat direct na loslaten van de ballon de gegevens van de radiosonde ontvangen kunnen worden.

Iedere seconde een meting:
De radiosonde, die kleiner dan een half pak melk is en hooguit 300 gram weegt, bestaat uit een batterij, een GPS ontvanger, een zender en sensoren voor het meten van drie meteorologische grootheden: de luchtdruk, de temperatuur en de relatieve vochtigheid.
Met behulp van een zendertje, dat in de sonde is ingebouwd, worden deze signalen doorgegeven naar de signaalontvanger op aarde bij het grondstation. Uit de ontvangen gegevens kunnen andere waarden als dauwpunt en mengverhouding worden berekend.
Op basis van GPS techniek (zoals bij een navigatiesysteem in de auto), wordt de locatie van de radiosonde ten opzichte van het aardoppervlak op de voet gevolgd. Middels de zender wordt de locatie iedere tien seconden doorgegeven. Luchtdruk, temperatuur en relatieve vochtigheid worden gedurende de gehele oplating eenmaal per seconde gemeten. De positie bestaat uit de hoogte en de lengte- en breedtegraad. Uit de posities wordt per hoogte de richting waarin en de snelheid waarmee de ballon beweegt, vastgesteld en kunnen op deze wijze de windrichtingen en windsnelheden op verscheidende hoogten afgeleid worden. Naast het gebruik van GPS-satellieten kunnen positie en windgegevens in de bovenlucht ook middels andere plaatsbepalingssystemen worden verkregen.

Hoe hoger hoe groter:
De ballonnen zijn gemaakt van een materiaal dat bestand is tegen zeer lage temperaturen (lager dan -75 C) en de op grote hoogte heersende lage luchtdruk. Dit kan natuurrubber, chloroprene of een speciale latex component zijn.
Het gewicht van de ballon kan uiteenlopen van 150 tot 3000 gram. Het KNMI gebruikt ballonnen van 500 en 800 gram.
Als de ballon met radiosonde omhoog gaat, komt deze in steeds ijlere lucht. De ballon wordt door het steeds grotere drukverschil steeds groter. Immers, het drukverschil tussen de druk in de ballon en in de omgevingslucht wordt steeds groter waardoor de ballon uitzet. De meeste weerballonnen zijn 1 tot 1,5 meter in doorsnede op het moment van vertrek. Op zo'n 20 km hoogte is de diameter tot zo'n 3 3,5 meter opgelopen (het volume is dan 20 tot 25 maal groter).
Hoe groter het gewicht van de ballon is, hoe groter deze kan worden en hoe hoger de radiosonde kan komen. Voor weerkundige doeleinden is een hoogte van ongeveer 15 kilometer voldoende. Ook voor het meten van de ozonconcentratie worden radiosondes gebruikt. Aangezien de grootste concentraties ozon tussen 15 en 25 kilometer worden gevonden, is hiervoor een zwaardere ballon van bijvoorbeeld 800 gram noodzakelijk. Deze ballonnen kunnen een hoogte van ongeveer 30 kilometer bereiken. Het KNMI doet meestal op de donderdagmiddagen een ozon meting, maar ook op aanvraag.

Flinke afstanden:
Het tijdstip van oplating ligt op circa 40 minuten voor 00.00 UTC en 12.00 UTC. Na een kleine twintig minuten is de radiosonde op ongeveer 5,5 km hoogte aangekomen waar nog ongeveer de helft van de luchtdruk op zeeniveau heerst. Na veertig minuten wordt een hoogte van 15 kilometer bereikt. Afhankelijk van de heersende windsnelheden en de windrichtingen kan een weerballon 100 tot 150 kilometer afdrijven, soms iets meer maar in een erg rustige atmosfeer soms wel minder dan 100 kilometers. Op 24 januari kwam de radiosonde even ten oosten van Enschede, net over de grens in Duitsland terecht (afstand ca. 145 kilometer hemelsbreed).
Nadat de ballon op bepaalde hoogte is geklapt, komt de radiosonde aan de opengevouwen parachute naar beneden. Helaas zijn gewone radiosondes slechts eenmaal te gebruiken. Wie zo'n sonde vindt, mag hem houden of kan hem inleveren bij het klein chemisch afval of voor verdere verwerking terugsturen naar het KNMI.
Iedere sonde is voorzien van een briefje met adresgegevens en een beschrijving in Duits, Frans en Engels. Dat is nodig omdat de ballonnen afstanden kunnen afleggen van honderden kilometers, zodat ze in de ons omringende landen terechtkomen. Ozonsondes zijn wel opnieuw bruikbaar. Het KNMI ontvangt deze sondes dan ook graag retour. De gelukkige vinder ontvangt een kleine vinderspremie.
Weerboei
In de oceanen en grote zeeën drijft een aantal boeien, die voorzien zijn van meteorologische meetinstrumenten. De informatie over luchten zeewatertemperatuur, luchtvochtigheid, luchtdruk, wind en zeegang wordt door middel van een zender (vaak via communicatiesatellieten) naar landstations gestuurd. De boeien zijn doorgaans niet aan de bodem bevestigd, maar drijven los rond. De posities van de boeien worden bewaakt aan de hand van de signalen die ze uitzenden. Zodra zo'n boei te dicht in de buurt van een kust komt, wordt zij opgevist en elders weer uitgezet.
Weercode
(ww-code) Karakter van het waargenomen weer, uitgedrukt in een codegetal. De code bestaat uit 2 cijfers en wordt aan de hand van een weercodetabel bepaald. Zo zijn er codegetallen voor allerlei soorten fenomenen, zoals mist, regen en sneeuw, in diverse intensiteiten. Globaal gesproken, wordt aan de slechtere weertypen een hogere weercode toegekend. Alleen de code met de hoogste getalwaarde wordt in de weerrapporten genoteerd.
Weercodetabel
Tabel aan de hand waarvan de weercode kan worden bepaald. De tabel geeft een honderdtal mogelijkheden, verdeeld in tien groepen (decaden), die elk een groep weersverschijnselen beschrijven. Zo gaat de tweede decade (ww = 20 t/m 29) over de neerslag in het afgelopen uur. De derde decade (ww = 30 t/m 39) wordt gebruikt bij zichtvermindering door dwarrelstof, driftsneeuw e.d. De ww-codes 40 t/m 49 gaan over mist in de directe omgeving van de waarnemer in diverse intensiteiten. Decade 5 gaat over motregen, decade 6 over regen, decade 7 over sneeuw, decade 8 over diverse soorten buien (niet met onweer) en de decade 9 (ww = 90 t/m 99) over onweer op het waarnemingstijdstip of in het afgelopen uur. Alle andere verschijnselen zijn in principe in de eerste twee decaden (ww = 00 t/m 19) te vinden.
Weerhaan
Windvaan in de vorm van een haan, die soms op oude gebouwen en kerken te zien is.
Weerkaart
Hulpmiddel en gereedschap voor de meteoroloog.
Op een weerkaart zijn in een bepaald kaartgebied de waarnemingen geplot van een aantal waarnemingsstations. De meteoroloog maakt een analyse van deze weerkaart. Hij zoekt onder meer naar de posities en verplaatsingen van weersystemen als hogedrukgebieden, lagedrukgebieden, fronten, troggen, slechtweergebieden, enz.
De grootte van het kaartgebied hangt af van de termijn waarvoor een weersverwachting wordt gemaakt. Ten behoeve van een weersverwachting van 36 uur vooruit is het kaartgebied uiteraard groter dan voor een verwachting van 6 of 12 uur vooruit. Tegenwoordig worden weerkaarten nauwelijks nog met de hand geanalyseerd. De computers spelen hier een steeds grotere rol.
Weerkamer
De ruimte binnen de weerkundige instituten waar de weersverwachtingen daadwerkelijk worden geproduceerd. In een continu proces worden meteorologen voorzien van informatie (actuele waarnemingen, satellietfoto's, computerberekeningen, etc.) op grond waarvan de weersverwachtingen worden gemaakt. In dat proces speelt de computer tegenwoordig een steeds grotere rol. Op de werkplek van de tegenwoordige meteoroloog zijn een aantal computerschermen te vinden. Enerzijds om de weerkundige gegevens te verwerken en zichtbaar te maken. Vervolgens moeten de verwachtingsteksten ook worden doorgecommuniceerd naar de diverse gebruikers. Ook dat gaat tegenwoordig veelal automatisch via computers.
Weerlicht
Onweer zonder donder. Dit verschijnsel wordt veroorzaakt door de bliksem. Het onweer is in dit geval echter zo ver verwijderd dat het geluid niet hoorbaar en de eigenlijke bliksemstraal niet zichtbaar is. Er is uitsluitend een oplichtende wolk op grote afstand te zien. Metingen hebben uitgewezen dat donder in het algemeen niet meer hoorbaar is als het onweer ca. 25 km of meer van de waarnemer verwijderd is. In onze omgeving is die afstand, vanwege het altijd aanwezige achtergrondlawaai, slechts ongeveer 10 km.
Weeromslag
Plotselinge weersverandering, vaak gepaard gaande met heftige weersverschijnselen als fikse buien en veel wind.
Weerradar
Een weerradar is een onderzoekradar voor het waarnemen van neerslag. De antenne zendt een pulsvormig radiosignaal uit dat voor een deel door neerslag wordt weerkaatst. Uit de richting van de antenne en uit de tijd tussen het uitzenden van de puls en de ontvangst van de echo's kan de locatie van neerslag worden afgeleid. Meestal worden dit op een beeldscherm getoond.
Weerrouteren
Bij weerrouteren wordt gebruik gemaakt van het effect dat de weersomstandigheden hebben op de snelheid van een schip. Bij hoge golven vaart een schip langzamer en voor ieder schip is de relatie tussen golven en snelheid anders. Bij weerrouteren wordt gekeken hoe ver een schip per dag kan komen gezien de golven en wind. Dit geeft een zogenaamd golffront. Van daaruit wordt dan weer gekeken naar de volgende dag en zo verder. De hele route over de oceaan werd vroeger helemaal met de hand uitgestippeld. Met weerrouteren kunnen soms tijdwinsten van meer dan een dag op de route over de Atlantische Oceaan gehaald worden.
Weersatelliet
(ook: meteorologische satelliet) Sinds 1969 worden er in De Bilt routinematig overzichtsbeelden van de atmosfeer, afkomstig van meteorologische satellieten, opgevangen en gepresenteerd op schermen. De opnamen van deze satellieten zijn uitstekende hulpmiddelen voor de meteoroloog bij de analyse van weerkaarten. Vaak zijn weersystemen, zoals fronten, lagedrukgebieden en buien- en regengebieden, heel fraai te zien. Door opnamen van verschillende tijdstippen naast elkaar te bestuderen, worden ook verplaatsingen van die systemen zichtbaar. Bovendien kan de positie van bijvoorbeeld een lagedrukgebied worden vergeleken met de uitvoer van een meteorologisch model, zodat de interpretatie daarvan kan worden bijgestuurd
Er zijn twee soorten weersatellieten: polaire en geostationaire.
Polaire satellieten draaien op een hoogte van 800 à 900 km rond de aarde. De aarde draait ondertussen ook verder om haar as en daardoor bevindt iedere volgende baan van de satelliet om de aarde zich dan ook een stuk verder naar het westen. Hoewel de baan van een polaire satelliet laag is en het signaal dat de satelliet uitzendt sterk, is er toch nogal wat apparatuur voor nodig om een dergelijke satelliet goed te kunnen ontvangen. Het is nodig om de satelliet in zijn baan om de aarde te volgen met een grote schotel en daarvoor is dure apparatuur nodig. Het voordeel van polaire satellieten is dat ze de hele aarde bestrijken.
Geostationaire satellieten draaien rond de aarde op een zo grote hoogte dat de aarde even snel om haar as draait als de satelliet om de aarde. Voor een waarnemer op aarde staan deze satellieten daarom stil. Dat kan alleen in een baan precies boven de evenaar en op een hoogte van ongeveer 36.200 km. Echt helemaal stil staat de satelliet ook weer niet: hij draait kleine 'achtjes'. De satellieten hebben altijd een eigen aandrijfsysteem zodat ze, indien ze langzaam wegdrijven, weer teruggebracht kunnen worden naar de oorspronkelijke positie.
Weerschip
Schip dat speciaal is uitgerust om op volle zee langere tijd meteorologische waarnemingen te verrichten. Nederland is niet meer in het bezit van een weerschip. Het laatste was de Cumulus, die in december 1985 voor £1,- aan het Verenigd Koninkrijk is verkocht, dat daarbij evenwel ook de verplichting overnam de waarnemingen voort te zetten. De ingelijste munt van £1,- wordt nog steeds op het KNMI bewaard.
Weersverwachting
(ook: weerbericht) Door een meteoroloog opgestelde verwachting betreffende de ontwikkelingen van het weer op een bepaalde plaats of in een bepaald gebied over een bepaalde periode. De inhoud van een weersverwachting hangt sterk af van de doelgroep waarvoor zij is bestemd. Weersverwachtingen voor het grote publiek worden vooral verspreid via radio, televisie, telefoon en Teletekst. Daarnaast is nog een groot aantal zeer uiteenlopende doelgroepen aan te wijzen. Zo worden er specifieke weersverwachtingen gemaakt ten behoeve van de scheepvaart, luchtvaart, de bouwwereld (denk aan vorstverlet), waterbeheer en kustverdediging, de land- en tuinbouw, toerisme en recreatie, het verkeer (gladde wegen, mist), milieu-instellingen, enz. Ten behoeve van deze laatste groepen wordt voor de verspreiding van de verwachtingen veel gebruik gemaakt van telefax. Via Videotext kunnen klantengroepen zich abonneren op bepaalde weersinformatie, die via een modem op de eigen PC gepresenteerd kan worden.
Weervertaling
Na de prognose, is de weervertaling de zesde en voorlaatste stap in de productielijn van een weersverwachting. De door de meteoroloog gemaakte prognoses van de toekomstige ontwikkelingen van de weersystemen worden daarbij omgezet in werkelijke weersverwachtingen. De uiteindelijke inhoud van de verwachtingen ten behoeve van het algemeen publiek hangt af van het betreffende medium. Zo mag een radioverwachting niet te lang en te ingewikkeld zijn, op televisie moeten beeld en geluid met elkaar overeenkomen. De telefonische weerberichten mogen iets uitgebreider zijn. Men kan immers nog eens bellen. De verwachtingen op Teletekst mogen nog weer wat meer informatie bevatten, want het beeld kan rustig bestudeerd worden. In verband met de noodzakelijke eenduidigheid, wordt er in de diverse weersverwachtingen een min of meer vaste terminologie gebruikt. Naast deze weersverwachtingen voor het grote publiek, worden door het KNMI veel gerichte verwachtingen ten behoeve van zeer uiteenlopende doelgroepen gemaakt. De inhoud van die specifieke verwachtingen hangt af van de betreffende doelgroep. De duidelijkste voorbeelden zijn de verwachtingen ten behoeve van de lucht- en scheepvaart, die respectievelijk onder verantwoordelijkheid van de Luchtvaart Meteorologische Dienst (LMD) en de Maritiem Meteorologische Dienst (MMD) van het KNMI worden geproduceerd en de regionale landbouwweerberichten, die vooral door de Algemene Meteorologische Dienst in De Bilt worden gemaakt. De allerlaatste stap in de productielijn is de verzending van de weersverwachtingen naar de diverse gebruikers.
Wegener-Bergeron-proces
Proces genoemd naar de meteorologen Wegener en Bergeron; dat proces berust op het verschil in verzadigingsdampspanning tussen ijs en onderkoeld water (waterdruppeltjes). Dit verschil is het grootst bij -12°C.
Weinig bewolking
Term die in een weersverwachting kan voorkomen. Deze term vertegenwoordigt een zonneschijnpercentage van 40 tot 100%. Deze term wordt zowel voor overdag als 's nachts gebruikt. Een overeenkomende zonneschijnterm is zonnig.
Weinig zon
Term die in een weersverwachting kan voorkomen. Deze term vertegenwoordigt een zonneschijnpercentage van 0 tot 20%. Een overeenkomende bewolkingsterm is veel bewolking.
Wereld Meteorologische Organisatie
(WMO) Gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties voor de meteorologie. De organisatie werd in 1873 onder de naam IMO (Internationale Meteorologische Organisatie) opgericht. Tot de voornaamste taken van de WMO behoort het uitwisselen van meteorologische waarnemingen over de hele wereld, alsmede de bevordering van meteorologische kennis en onderzoek. De organisatie is gevestigd in Genève (Zwitserland). Alle meteorologische vakgebieden vallen onder de WMO.
Wervelstorm
Algemene naam voor sterke wervelwinden met vaak een verwoestende uitwerking.
Ze ontstaan in principe alle op ongeveer dezelfde wijze als zware onweerscomplexen en actieve buienlijnen. Noodzakelijke voorwaarden zijn een hoge relatieve vochtigheid van de lucht, een bijzonder grote onstabiliteit en een zeer lage luchtdruk. De wervelstormen zijn te onderscheiden naar hun afmetingen. De tropische cycloon heeft een doorsnede van 200 tot 700 km, de tornado heeft afmetingen van 300 m tot ongeveer 1 km en de windhoos is enkele tientallen meters in doorsnede. Aangezien de meeste van deze winden vrij sterk plaatsgebonden zijn, zijn ze te rangschikken onder de lokale winden.
Westcirculatie
En van de onderscheiden luchtcirculatietypen. De westcirculatie is een zonale circulatie. Van de Azoren tot over de Middellandse Zee strekt zich dan een groot hogedrukgebied uit. De lagedrukgebieden koersen daardoor vanaf de Atlantische Oceaan rechtstreeks naar West-Europa. Overwegend westelijke winden voeren maritiem polaire lucht of maritiem gematigde lucht naar onze omgeving. Bovendin trekken er in deze westelijke stroming nogal eens active storingen mee. zodat het weerbeeld bij ons sterk wisselend is, met bovendien van tijd tot tijd vrij veel wind.
Westelijke wind
Wind die ongeveer uit het westen waait, tussen westnoordwest en westzuidwest.
Westelijk halfrond
Deel van de aarde dat ten westen ligt van 20° WL. Men heeft niet de nulmeridiaan als grens tussen het oostelijk en westelijk halfrond genomen, omdat dan Ierland en Groot-Brittannië op het westelijk halfrond zouden liggen, gescheiden van de rest van Europa.
Westerlengte
(WL) Lengteligging van een plaats ten westen van de nulmeridiaan. Een plaats kan op maximaal 180° WL liggen.
West-Europese Tijd
Tijd die voor Groot-Brittannië en Ierland geldt.
Wig
Gedeelte van een hogedrukgebied waar de luchtdrukgradiënt, langs de as gemeten, kleiner is dan de luchtdrukgradiënt aan weerszijden van die as. De passage van een wig kenmerkt zich doorgaans door een rustig weertype met opklaringen.
Wildse vaan
Oude drukplaatanemometer, genoemd naar de ontwerper Wild. Hierbij is een plaat, met afmetingen van 150 x 300 mm en een gewicht van 200 gram, opgehangen aan een horizontale as, die dwars op een windvaan is geplaatst. Op die manier wordt de plaat altijd loodrecht op de windrichting gehouden. Langs de plaat is een boog geplaatst met pennen, die genummerd zijn van 1 t/m 8. De uitslag van de plaat, de hoek dus die deze onder invloed van de wind maakt, is maat voor de windsnelheid. In 1860 werd de wildse vaan officieel aanbevolen voor gebruik in de meteorologie. Zelfs tot in de jaren 1950 was deze anemometer nog leverbaar door de Duitse firma Fuess. Hieronder volgt een vergelijking met de schaal van Beaufort:
Pennr.
[m/sec]
Hoek in ° Snelheid Beaufort
1 0 0 0
2 4 2 2
3 15,5 4 3
4 31 6 4
5 45,5 8 5
6 58 10 6
7 72 14 7
8 80,5 20 9
Willy-Willy
De naam Willy-Willy is afgeleid van het feit dat een weerman in Australië deze stormen wilde beschrijven en hij koos daarbij de naam van zijn commandant uit het leger.
1. Tropische cycloon bij Australië. Deze wervelstorm trekt in westelijke richting over de Koraal-zee en vervolgens tegen de wijzers van de klok langs de noordoostkust van Australië. Deze Willy-Willy komt vooral voor in de maanden januari t/m maart.
2. Tropische cycloon aan de noordwestkant van Australië. Deze wervelstorm ontstaat in de Timor-zee en trekt vervolgens in zuidelijke richting langs de Australische kust. Deze Willy-Willy komt eveneens vooral voor in de maanden januari t/m maart.
Wind
In feite niets anders dan de horizontale verplaatsing van een hoeveelheid lucht, vooral veroorzaakt door verschillen in luchtdruk. De lucht stroomt in principe van een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied. Het begrip wind omvat twee grootheden.
In de eerste plaats de windsnelheid. Hoe groter de gradiënt (het verschil per afstandseenheid) tussen de druksystemen (ofwel: hoe dichter de isobaren bij elkaar liggen), des te sneller de lucht gaat stromen. De bijbehorende natuurkundige kracht heet de gradiëntkracht.
De tweede grootheid is de windrichting. Deze hangt vooral af van de positie van de hoge- en lagedrukgebieden op een bepaald moment. De lucht stroomt niet rechtstreeks van het hoge- naar het lagedrukgebied. Onder invloed van de Coriolis-kracht buigt de luchtstroming af.3
Verder worden richting en snelheid van de wind bepaald door veranderingen in luchtdruk (isallobarische wind) en de wrijving die de luchtstromingen aan het aardoppervlak ondervinden (de wrijvingskracht). In een ongestoorde situatie met weinig wrijving, boven zee of in de bovenlucht, stroomt de lucht bijna evenwijdig aan de isobaren. Naast deze wind ten gevolge van het luchtdrukpatroon, kan wind ook ontstaan door temperatuurverschillen. Een voorbeeld hiervan is de zeewindcirculatie. Overigens zijn er ook nog allerlei verticale luchtbewegingen in de atmosfeer, maar deze zijn niet in het begrip wind begrepen. De aard van de wind wordt op heel veel plaatsen op aarde door lokale omstandigheden bepaald.
Windchill
Engelse benaming voor het effect van de wind op de afkoeling van levende organismen zoals mens en dier.
Windchilltemperatuur
Engelse benaming voor gevoelstemperatuur.
Winddruk
Kracht per oppervlakte-eenheid die wordt uitgeoefend door de wind op een vlak dat dwars op de windrichting is geplaatst. Met name bij het ontwerpen en dimensioneren van gebouwen en bruggen moet men terdege rekening houden met de krachten, die de wind op deze constructies kan uitoefenen.
Windhoos
Dit is de Nederlandse benaming voor een tornado. Het is een vertikaal wervelende luchtkolom. Ze komen het meest voor in het grensgebied tussen warme en koelere lucht. Als het ware een zeer lichte tornado. Een windhoos brengt soms wat schade aan. Het verschil tussen een windhoos en een (lichte) tornado is soms moeilijk uit te maken. Indien de windhoos zich boven water bevindt, spreekt men van een waterhoos.
Windkracht
Term die vooral in gebruik is bij de scheepvaart. Daarmee wordt de windsnelheid bedoeld, die doorgaans wordt aangegeven in waarden oplopend van 0 t/m 12 op de schaal van Beaufort. In de 18de eeuw had Noppen reeds een indeling gemaakt van de wind met betrekking tot de hoeveelheid te voeren zeil op windmolens. Deze molenwindschaal volgens Noppen wordt niet meer gebruikt.
Windrichting
Kompasrichting waar de wind vandaan komt ten opzichte van het ware noorden, de geografische noordpool (dus niet ten opzichte van de magnetische noordpool). Een westenwind bijvoorbeeld is een wind die vanuit het westen waait. Voor meteorologische doeleinden wordt de windrichting opgegeven in booggraden. Een noordenwind wordt gemeld met 360°, een oostenwind is 90°, een zuidenwind 180° en een westenwind 270°. De windrichting wordt gemeten met behulp van een anemoscoop (windwijzer), waarvan de meest eenvoudige de windvaan is. Daarnaast kan de windrichting globaal worden vastgesteld met behulp van rook, een wimpel of een windzak. Volgens internationaal vastgelegde voorschriften van de Wereld Meteorologische Organisatie worden de windrichting en -snelheid altijd gemeten op precies 10 meter boven de grond op vlak en open terrein. Door lokale omstandigheden is dit niet altijd mogelijk, zoals op booreilanden. In dergelijke gevallen wordt de wind echter naar een 10-meterwind herleid. In de SYNOP wordt, eveneens volgens internationale afspraak, altijd het tienminutengemiddelde gepresenteerd, en wel over de tien minuten direct voorafgaande aan het waarnemingstijdstip.
Windroos
Diagram waarbij de windrichtingen worden weergegeven door middel van stralen. De lengte van de stralen geeft informatie over de frequentie van de windrichting, de dikte van de stralen zegt iets over de windkracht uit de aangegeven richting. Als voorbeeld hier de windroos van De Bilt over het gehele jaar.
Windschering
Markante horizontale of verticale gradiënt in de windsnelheid enlof windrichting. De wind heeft bijvoorbeeld op 100 m hoogte een snelheid van 20 knopen (40 km per uur) uit het zuiden en op 200 m een snelheid van 50 knopen uit het noorden. Vooral voor de kleine luchtvaart is een grote windschering gevaarlijk, mede omdat deze vaak gepaard gaat met veel turbulentie. Afhankelijk van de aard van de windschering, wordt gesproken van horizontale windschering of van verticale windschering.
Windsnelheid
De hoeveelheid windbeweging in eenheden van afstand/tijd.
Windsprong
Verschijnsel dat tijdens de passage van een front doorgaans de wind in korte tijd een flink stuk ruimt. Windruimingen van 90 tot 120° zijn niet ongewoon. Deze windsprong geeft de meteoroloog het inzicht dat een front op een bepaalde plaats op een bepaald tijdstip gepasseerd is.
Windstilte
Periode waarin er geen wind staat.
Windstoot
(Engels: gust; ook: uitschieter) Windvlaag die voorkomt in een situatie met buien. Wanneer een (zware) bui zich ontlaadt, valt er niet alleen veel neerslag naar beneden, maar ook de omringende lucht. Aan het aardoppervlak spreidt die (koude) lucht zich naar alle kanten uit. Dergelijke windstoten kunnen gevaarlijk zijn voor m. n. het wegverkeer en de kleine lucht- en scheepvaart, omdat ze plotseling komen opzetten en ook even plotseling weer verdwijnen. De windsnelheid van de windstoot wordt opgegeven in knopen of meters per seconde. Niet in een kracht volgens de schaal van Beaufort, omdat deze alleen betrekking heeft op tienminutengemiddelden van de windsnelheid.
Wind uit uiteenlopende richtingen
Variabele wind; veranderlijke wind.
Windvaan
Instrument om de windrichting te meten. Een vaan bestaat in de regel uit een dun, smal en relatief hoog blad, dat verticaal bevestigd is aan een stang, die door middel van een verticale as in een horizontaal vlak moet kunnen draaien. De neus van de windvaan geeft de richting aan waar de wind vandaan komt. Wijst de neus naar het westen, dan is er dus sprake van een westenwind. Evenals de windsnelheid wordt de windrichting, volgens voorschrift van de Wereld Meteorologische Organisatie, gemeten op 10 m boven de grond op vlak en open terrein, of naar die hoogte herleid.
Windwegmeter
Er zijn windmeters die een gemiddelde windsnelheid gedurende een zekere tijdsperiode aangeven. Dat type telt het aantal gepasseerde meters lucht door het molentje: als dat bijvoorbeeld 360 meter is in één minuut dan was de gemiddelde windsnelheid 6 m/sec, of omgerekend ruim 21 km/uur. Windkracht 4 dus. Bij zo'n meter heb je wel een stopwatch nodig. Dit type meter wordt een windwegmeter genomend.
Windzak
Is een conische zak van geweven (kunst)stof die aan weerszijden open is en wordt gebruikt voor het bepalen van de windrichting en -kracht (door schatting). Doordat deze zak conisch is (de inlaatopening heeft een groter oppervlak dan de uitlaatopening), oefent de wind er een bepaalde kracht op uit waardoor de zak minder gaat "doorhangen" bij toenemende windkracht. De mate van dit "doorhangen" is een maat voor de windkracht. Doordat de windzak vrij wordt opgehangen, kan de windrichting er ook uit afgeleid worden. Windzakken kan met veelal zien op vliegvelden en op bruggen en viaducten langs autosnelwegen.
Winter
Eén van de 4 seizoenen. De astronomische winter begint rond 22 december wanneer de nachtperiode het langst is en de dagperiode het kortst. De meteorologische winter omvat de maanden december, januari en februari. In dit seizoen worden meestal de laagste temperaturen opgetekend.
In sommige jaren, onder andere in 2004 en 2005 begint de winter op 21 december; in 2080, 2084, 2088, 2092 en 2096 zelfs al op 20 december. De verschillen in tijdstippen en soms ook data zijn het gevolg van het feit dat het kalenderjaar geen geheel aantal dagen telt, en van het invoeren van een schrikkeldag. De zon staat bij het begin van de winter het laagst boven de horizon en komt in Midden-Nederland op om ongeveer kwart voor negen op en gaat om half vijf in de middag onder. Deze astronomische winter eindigt overigens op 21 maart om 02.00 uur.
Het begin van de winter betekent de kortste dag van het jaar, maar dat houdt niet dat de zon dan het laatst opkomt en het vroegst ondergaat. Al vanaf 13 december gaat de zon later onder en pas op 30 december blijft het 's ochtends het langst donker. Dat komt doordat de aardbaan rond de zon niet cirkelvormig is, waardoor de zon in de winter iets sneller beweegt dan in de zomer. Het gevolg is dat de zon nu dagelijks iets later door het zuiden gaat.
Ook is de daglengte (het verschil in tijdstip van opkomst en ondergang van de zon) afhankelijk van de geografische breedte. Zo heeft Zuid-Frankrijk al op 9 december de vroegste zonsondergang en de meest late zonsopkomst op 3 januari.
Winterse bui
Een combinatie van regen-, sneeuw- en hagelbuien, die valt in de maanden december t/rn februari. Soms gaan deze buien gepaard met onweer. Wanneer zo'n bui in maart of begin april valt, wordt zij een maartse bui genoemd.
Wintergetal
Andere benaming voor het koudegetal van Hellmann.
Wisselend bewolkt
Term die kan voorkomen in een weersverwachting. Deze term vertegenwoordigt een zonneschijnpercentage van 20 tot 60% en hoort bij een typisch Hollandse wolkenlucht: een blauwe lucht met daarin verspreid cumulus-wolken in diverse grootten, zoals vaak te zien is bij een noordwestelijke stroming, en aanvoer van arctische lucht (AL). Eventueel kan de wisselende bewolking samengaan met buien. Een overeenkomende zonneschijnterm is perioden met zon.
Wisselvallig weer
Term die kan voorkomen in een weersverwachting, m. n. in de middellange-termijn- en de lange-termijnverwachting. Perioden met opklaringen worden afgewisseld met wolkenvelden en regen of buien, en doorgaans is er van tijd tot tijd tamelijk veel wind. Een dergelijk weertype mag worden verwacht bij een westelijke stroming met beurtelings de passage van storingen en kleine hogedrukgebieden.
Witte dauw
Wit afzetsel, bestaande uit bevroren dauw. Uiterlijk lijkt de witte dauw veel op rijp.
Witte Kerst
Het KNMI te de Bilt spreekt van een witte Kerst als de grasvelden rondom het KNMI op beide Kerstdagen zijn bedekt met een aaneengesloten sneeuwdek van ten minste een centimeter dik.
W.M.O.
Wereld Meteorologische Organisatie.
Wolk
Verzameling van uiterst kleine, nauwelijks met het oog afzonderlijk waarneembare, wolkenelementen, zoals waterdruppeltjes en ijsdeeltjes, of een mengsel daarvan. De meeste wolkendruppeltjes hebben een doorsnede van 1/100 tot 1/200 mm, slechts enkele zijn groter dan 1/50 mm Sommige wolken bestaan alleen uit waterdruppeltjes, al dan niet onderkoeld. Andere bestaan uitsluitend uit ijskristalletjes. Een derde type is de gemengde wolk, waarin zowel waterdruppels als ijskristalletjes voorkomen.
Men kan wolken waarnemen omdat de wolkenelementen een zeer kleine onderlinge afstand hebben en het (zon)licht erdoor wordt verstrooid. Wolken bevinden zich in het onderste gedeelte van de atmosfeer en ontstaan doordat waterdamp in de atmosfeer in bepaalde omstandigheden condenseert op daar aanwezige deeltjes (condensatiekernen). Een wolk kan op een aantal manieren weer verdwijnen, namelijk door uitregenen, door verdampen, door opwarming of door menging met een drogere luchtlaag.
Wolkbreuk
Een bui, waarin het zo hard regent dat er in 5 minuten ruim 10 mm of meer valt wordt door de waarnemers van het KNMI een wolkbreuk genoemd. In een uur zou er dan meer dan 25 mm kunnen vallen en als die hoeveelheid wordt gemeten wordt de bui als wolkbreuk in de klimatologische overzichten van het KNMI gearchiveerd. Het zicht loopt tijdens een wolkbreuk terug tot minder dan 200 meter. Een willekeurige plek in ons land krijgt gemiddeld eens in de tien jaar een wolkbreuk te verwerken.
Wolken
Wanneer stijgende lucht zodanig afkoelt dat deze het condensatieniveau bereikt, worden wolken gevormd. Deze gecondenseerde waterdamp kan later als neerslag naar beneden vallen of op zijn terugweg verdampen.
Wolkenband
In Engels: Cloud band (CB)
Dit is een min of meer lange gesloten wolkenbaan met een lengte-breedte verhouding die groter is dan 4:1. Zij heeft een breedte van maximaal 1°. Vaak kan de wolkenband geassocieerd worden met een koudefront.
Wolkenbasis
Meestal vlakke en horizontale onderkant van een wolk.
Wolkenclassificatie
Al heel lang is er de behoefte geweest om beschrijvingen en classificaties te maken van de wolken, die men dagelijks waarneemt. Voor de meteoroloog is het bij de analyse van een bepaalde weersituatie van groot belang om inzicht te hebben in de diverse wolkenpatronen. Iedere wolk is het gevolg van bepaalde meteorologische omstandigheden, van bewegingen in de atmosfeer.
Aan het begin van de 19de eeuw kwamen de Franse natuurkundige Lamarck en de Engelse meteoroloog Howard tot lijsten met afbeeldingen van wolken. De indelingen van Lamarck en Howard verschilden niet veel van elkaar, maar die van de Engelsman vond toch meer weerklank, omdat hij de wolken voorzag van Latijnse namen, iets waar men vooral in de wetenschappelijke wereld (plant-, dier-, geneesen scheikunde), al aan gewend was. Volledig op Howards indeling geënt, verscheen in 1932 De internationale atlas der bewolkingen en toestanden van den hemel. Deze wolkenatlas was samengesteld door een Internationale Commissie voor de bestudering der wolken, die in 1921 bijeenkwam.
Onder toezicht van de WMO, de Wereld Meteorologische Organisatie, is in 1956 een verbeterde uitgave van de Internationale wolkenatlas verschenen. Deze is op dit moment op de hele wereld nog steeds in gebruik. De indeling is als volgt:
I. eerste indeling: 10 geslachten Deze wolkengeslachten worden nog onderscheiden in 4 families, naar de hoogte waarop ze voorkomen. A. De hoge wolken, hoger dan 6 km. Deze wolken bestaan uit kleine ijskristalletjes. B. Middelbare bewolking, tussen 2,5 en 6 km. Wolken in deze etage bestaan meestal uit onderkoelde waterdruppels. C. Lage bewolking, lager dan 2,5 km, bestaande uit waterdruppels met soms wat kristallen korrelsneeuw. D. Bewolking die zich niets van deze indeling aantrekt. Meestal cumuliforme bewolking (stapelwolken), die de basis (de onderkant) in de onderste etage heeft en helemaal tot in de hoogste etage kan opbollen.
II. tweede indeling: 14 soorten De tweede indeling vertelt iets over de vorm van de diverse wolken.
III. derde indeling: 9 variëteiten Deze derde indeling heeft voor een deel betrekking op de manier waarop de wolken zijn gerangschikt. De overige variëteiten geven de mate van doorschijnendheid aan.
IV. bijkomende vormen en verschijnselen Een beschrijving van het uiterlijk van de wolk.
In het schema is aangegeven welke combinaties van geslachten, soorten, variëteiten en bijkomende vormen en verschijnselen kunnen voorkomen.
Geslachten Soorten Variëteiten Bijkomende vormen en
verschijnselen
Cirrus Castelanus Intotus Mamma
Fibratus Duplicatus Virga
Floccus Radiatus  
Spissatus Vertebratus  
Unicus    
Cirrocumulus Castelanus Lacunosus Mamma
Floccus Undulatus Virga
Lenticularis    
Stratiformis    
Cirrostratus Fibratus Duplicatus  
  Undulatus  
Altocumulus Castelanus Duplicatus Mamma
Floccus Lacunosus Virga
Lenticularis Opacus  
Stratiformis Perlucidus  
  Radiatus  
  Translucidus  
  Undulatus  
Nimbostratus     Pannus
    Praecipitatio
    Virga
Stratocumulus Castelanus Duplicatus Mamma
Lenticularis Lacunosus Praecipitatio
Stratiformis Opacus Virga
  Perlucidus  
  Radiatus  
  Translucidus  
  Undulatus  
Stratus Fractus Opacus Praecipitatio
Nebulosus Translucidus  
  Undulatus  
Cumulus Congestus Radiatus Arcus
Fractus   Pannus
Humilis   Pileus
Mediocris   Praecipitatio
    Tuba
    Velum
    Virga
Cumulonimbus Calvus   Arcus
Capillatus   Incus
    Mamma
    Pannus
    Pileus
    Praecipitatio
    Tuba
    Velum
Wolkendruppel
Vloeibaar wolkenelement. Door verschillende fysische processen, zoals het Wegener-Bergeron-proces en de coalescentie, kunnen uit wolkendruppels neerslagelementen ontstaan.
Wolkenelement
Microscopisch klein waterdruppeltje of ijskristalletje waaruit wolken zijn opgebouwd.
Wolkenflard
Kleine gerafelde wolk, schijnbaar zonder enige structuur. Bij slecht weer worden zulke wolken wel eens waargenomen onder een nimbostratus-wolk, de zgn. pannus.
Wolkenhoogte
Hoogte boven het aardoppervlak waarop zich de wolkenbasis bevindt. De wolkenhoogte wordt meestal door de waarnemer geschat. Bij duisternis kan de wolkenhoogte worden bepaald met behulp van een wolkenlicht. In de luchtvaartmeteorologie wordt de wolken hoogte nog altijd uitgedrukt in voeten (ft), in ander meteorologisch gebruik doorgaans in meters. In onze omgeving kan men in de regel uitgaan van de volgende wolkenhoogten:
Stratus 0 - 1000 mtr
Cumulus en cumulonimbus 500 - 1500 mtr
Nimbostratus met lichte neerslag 1500 - 2000 mtr
Nimbostratus met zware neerslag Belangrijk lager dan 1500 mtr
maar zelden beneden 500 mtr
Stratus fractus en cumulus fractus 50 - 500 mtr
Stratocumulus 500 - 2500 mtr
Altostratus en altocumulus 2000 - 6000 mtr
Cirrus; cirrostratus en cirrocumulus 6000 - 10000 mtr
Wolkenlaan
Een smalle wolkenbaan (<1° breed), vaak bestaande uit aaneen geregen kleinere wolkenelementen. Een wolkenlaan word soms ook wel rolwolk (rope cloud) genoemd. Vaak zijn het restanten van oude (oplossende) koudefronten.
Wolkenlicht
Instrument om de wolkenhoogte te bepalen bij duisternis. Vanaf het aardoppervlak wordt een smalle bundel licht loodrecht omhoog gestraald. Indien er bewolking aanwezig is, zal er tegen de onderkant van de wolk een lichtvlek te zien zijn. De waarnemer gaat op een vastgestelde horizontale afstand staan en meet met een theodoliet de hoek waaronder hij de lichtvlek ziet. Met behulp van een eenvoudige berekening is op deze manier de hoogte van de wolkenbasis te bepalen.
Wolkenstraat
Reeks wolken van dezelfde soort, achter elkaar in de richting van de wind.
Rijen van meestal cumulus of cumulus-achtige wolken die parallel gerangschikt zijn in de onderste lagen van de atmosfeer. Ze zijn soms waar te nemen vanop de grond, maar op satellietbeelden zijn ze vaak snel te herkennen.
Wolkentop
Bovenste punt van een wolk. Het kan voor de meteoroloog van belang zijn om de hoogte van dat punt te kennen. De temperatuur op dat punt bepaalt namelijk mede de mogelijkheid van ijsvorming in de wolk, waardoor de kans op neerslag een stuk groter wordt.
Wolkenvelden
Term die kan voorkomen in een weersverwachting. Er zijn velden stratocumulus en altocumulus die overdrijven, zodat de hemel nu eens voor een groot deel bedekt is en dan weer bijna onbewolkt. De term vertegenwoordigt een gemiddeld zonneschijnpercentage van 20 tot 60% en wordt zowel voor overdag als 's nachts gebruikt. De meest gebruikte overeenkomende zonneschijnterm is perioden met zon.
Wolkenvinger
Dit is een uitloper van een frontale wolkenband. Hier breekt het koudefront. De wolkenvinger wijst meestal naar zuidelijke richtingen.
Wolkenvorming
Een wolk kan op meerdere manieren ontstaan, maar het principe is altijd gelijk: een hoeveelheid lucht wordt afgekoeld tot het dauwpunt, waarna de in de lucht aanwezige waterdamp tegen condensatiekernen condenseert.
Dit proces voltrekt zich bijvoorbeeld als een hoeveelheid lucht wordt gedwongen een stijgende beweging te ondergaan, zoals bij convectie (de convectieve bewolking), bij gedwongen optilling over bergruggen en langs frontvlakken wanneer een koude luchtsoort zich onder een warmere luchtlaag dringt, zoals dat in lagedrukgebieden op grote schaal voorkomt (de frontale bewolking).
Tijdens de stijgende beweging koelt de lucht in een droog-adiabatisch proces af. De hoogte waarop de condensatie plaatsvindt, het condensatieniveau, hangt af van de vochtigheid in die lucht. Is de vochtigheid van de opstijgende lucht groot, dan zal de wolkenbasis laag zijn; bij van origine drogere lucht is de wolkenbasis hoger.
Boven het condensatieniveau zal de afkoeling in een verzadigdadiabatisch proces plaatsvinden. Bewolking kan ook ontstaan door contact van vochtige lucht met een koud oppervlak. De luchtlaag koelt dan ook af, met als gevolg de vorming van dauw, rijp, mist, of laaghangende bewolking. Soms kunnen wolken ontstaan door uitstraling, en dus afkoeling, aan de bovenkant van een vochtige laag.
World Weather Watch
(WWW) Organisatie, die in 1967 door de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) is opgericht. Het doel van deze organisatie is om het verzamelen, het uitwisselen en het verwerken van de zeer vele waarnemingsgegevens te stroomlijnen.
Wrijvingsconvergentie
Convergentie ten gevolge van wrijvingsverschillen. Een hoeveelheid lucht bijvoorbeeld, die vanuit zee het land op stroomt, ondervindt plotseling een grotere wrijving met het aardoppervlak. Er ontstaat op deze wijze als het ware een ophoping van lucht in het kustgebied. Die lucht kan alleen maar naar boven uitstromen, met als gevolg in het algemeen het ontstaan van cumuliforme bewolking en soms zelfs een bui. Dit verschijnsel wordt wel kustconvergentie genoemd.
Wrijvingsinversie
Inversie die ontstaat bij voldoende turbulentie in het onderste deel van de atmosfeer. Stel dat een hoeveelheid lucht aan het aardoppervlak een temperatuur heeft van 10°C en met het toenemen van de hoogte een temperatuurafname van 0,65°C per 100 m. Op 300 m hoogte heeft deze lucht dan een temperatuur van ca. 8°C. De turbulentie mengt die lucht gelijkmatig, die daardoor een droog-adiabatische opbouw krijgt, met een temperatuurafname van ca. 1°C per 100 m. De temperatuur op 300 m wordt in dit geval 7°C. Direct boven deze grenslaag is de temperatuur nog gewoon ca. 8°C, zodat in een dunne luchtlaag de temperatuur even scherp zal toenemen: er ontstaat op deze wijze een wrijvingsinversie. Bij voldoende vocht in de grenslaag zal zich direct onder de inversie een egale laag bewolking vormen: de zgn. turbulentie-stratus.
Wrijvingskracht
Eén van de krachten die samen de richting en snelheid van de wind bepalen. Het is in feite de hinder die een luchtstroming aan het aardoppervlak in de beweging ondervindt door obstakels, zoals gebouwen, bossen e.d. Deze invloed is uiteraard het duidelijkst merkbaar in de onderste tientallen meters van de atmosfeer. Maar tot een hoogte van ongeveer 1 km is nog van een zekere wrijvingsinvloed sprake. De onderste 1000 m van de atmosfeer wordt daarom ook wel de wrijvingslaag genoemd. De richting van de wrijvingskracht is tegengesteld aan de windrichting, terwijl de grootte toeneemt met de windsnelheid.

Voor het laatst bijgewerkt op 15-03-2013. Opmerkingen of wil je reageren: stuur een e-mail Free counter and web stats