Expeditie-4 sluit verblijf af met druk programma
De vierde bemanning van het ruimtestation bleef het druk houden. Na aan het begin van het jaar zelf een aantal ruimtewandelingen te hebben gemaakt, moest nu belangrijk, ondersteunend werk worden gedaan om met de Canadarm-2 Shuttlemissie STS-110 de helpende hand te bieden. Tijdens STS-110 werd het station voorzien van het eerste deel van de honderd meter lange “ruggengraat”, waaraan de vier grote zonnepanelen en de radiatoren van het station vast komen te zitten. Na deze klus ontvingen de ruimtevaarders eind april een nieuwe Soyuz-capsule en de Zuid-Afrikaanse toerist Mark Shuttleworth. Daarna konden ze zich voorbereiden op hun welverdiende aflossing, die in mei met STS-111 moest arriveren.
Na
hun laatste ruimtewandeling, op 19 februari, begon voor de bemanning van het
Internationale Space Station het normale leven weer. Commandant Yuri Onufrienko
en astronauten Carl Walz en Dan Bursch legden zich toe op medische experimenten
in de Amerikaanse Destiny module.
De vervelende stank die uit de Quest-luchtsluis kwam, was na een paar dagen zo
goed als verdwenen. Met behulp van de aangekoppelde Progress werd de baan van
het station verhoogd naar ruim 380 kilometer.
Maart
De
eerste week van maart, terwijl elders in de ruimte de bemanning van STS-109
zich bezighield met de Hubble Space Telescope, stond in het teken van wat
technische klusjes. Zo vervingen ze een van de acht stabilisatoren in een speciaal experimentenrek, dat de
storende bewegingen van de kosmonauten zoveel mogelijk isoleert.
Daarnaast
monteerden de ruimtevaarders de EarthKam weer in het grote raam van de Destiny
module. De camera wordt vanaf aarde bestuurd door scholieren, die er in totaal
al meer dan 2200 foto’s van hun thuisplaneet mee hebben gemaakt.
Om
het zicht niet te belemmeren, werd de Canadarm-2 aan de buitenkant van de
module in een andere stand gebracht. De arm werd ook nog getest voor het werk
dat tijdens STS-110 gedaan moest worden. Tijdens die vlucht zou een groot deel
van de montagewerkzaamheden niet met de robotarm van de Shuttle gedaan worden,
maar met die van het station. Deze tests waren niet voor niets: ze brachten nog
wel wat mankementen aan het licht.
Progress
In
de tweede week van maart schakelden de ruimtevaarders de EarthKam, na het maken
van 425 foto’s, uit. Het experiment zat er voor deze vlucht op. Ook maakten de
astronauten een aantal monsters van planten gereed voor hun terugkeer naar de
aarde. Daarnaast deden ze medische experimenten die zich concentreerden op de
menselijke ruggengraat.
Daarna
was het tijd om afval te verzamelen en op te bergen in de aangekoppelde
Progress-6 capsule. Die werd op dinsdagavond 19 maart afgestoten, en verbrandde
in de dampkring. Op de 21e vertrok vanaf Bai-konoer de Progress-7. Die maakte
op zondag de 24e vast aan de achterste koppelpoort van de Zvezda
module
“Ruggengraat”
Vrijdag
29 maart was een belangrijke dag. Carl Walz en Dan Bursch testten voor de
laatste maal de Canadarm-2, om te zien of alles klaar was om Shuttlemissie
STS-110 (met de S0-“truss”) te ontvangen. De S0-truss is het centrale deel van
de bijna honderd meter lange grote “ruggengraat” die haaks boven op de Destiny
module komt. Het is de bedoeling dat hieraan in de toekomst de grote zonnepanelen
van het station worden vastgemaakt. Ook moet de Canadarm-2, op een speciaal
“karretje” dat over de lengte van de ruggengraat kan rijden, de S0-truss als
thuisbasis krijgen.
Tijdens
volgende missies worden aan weerszijden van de S0-truss “verlengstukken”
aangebracht. Aan de bakboordzijde worden die aangeduid met een “P” (van het
Engelse woord “port”) en aan de stuurboordzijde met een “S” (van “starboard”).
Zo heet het stukje “ruggengraat” dat al sinds STS-97 op de Unity-module staat,
met daaraan het eerste grote zonnepaneel, “P6”. Het zal dan in de toekomst ook
worden verplaatst naar de bakboordzijde van de totale “truss”.
STS-110
De
vlucht waarmee het allemaal moest gebeuren, STS-110 met Space Shuttle Atlantis,
werd op 8 april gelanceerd. De lancering was een paar dagen uitgesteld omdat
tijdens de eerste lanceerpoging op 4 april een lek was ontstaan in een van de
leidingen op het lanceerplatform. Op de lanceerdag zelf had men nog 12 seconden
over in het 5 minuten durende venster, dit kwam door een kleine
computerstoring.
De
bemanning bestond uit de astronauten Mike Bloomfield, Steve Frick, Ellen Ochoa,
Steve Smith, Rex Walheim, Lee Morin en Jerry Ross. Voor Jerry Ross was het al
zijn zevende Shuttlevlucht, een record.
Tijdens
vier ruimtewandelingen werd de 13 meter lange en 13.500 kilo zware S0-truss
vastgemaakt aan de Destiny module.
Natuurlijk
bracht Atlantis ook de nodige voorraden mee voor de Expeditie-4 bemanning.
De
landing van Atlantis vond plaats op 19 april op het Kennedy Space Center. Doordat
de wind uit de verkeerde hoek waaide, moest men een half uur voor de landing
nog snel even wisselen van baan 15 naar 33, maar verder verliep de landing
vlekkeloos, en een uur naar de landing konden we de astronauten al om Atlantis
heen zien lopen.
Een
uitgebreid vluchtverslag van STS-110 volgt in het augustusnummer van Astruim.
Een korte rit
Met
STS-110 achter de rug, was het vooruitblikken naar de volgende grote
gebeurtenis: het vervangen van de Soyuz TM33-capsule door een vers exemplaar.
Deze missie, met aan boord de ruimtetoerist Mark Shuttleworth, de Italiaan
Roberto Vittori en de Rus Yuri Gid-zenko, moest op donderdag 25 april van start
gaan. Om ruimte te maken voor hun Soyuz TM34-capsule, werd de TM33 op zaterdag
20 april van de koppelpoort aan de aardzijde van de Zarya-module naar de Pirs
koppelpoort op de Zvezda-module gevlogen.
Onufrienko, Walz en Bursch waren tijdens deze korte rit (21 minuten) aan boord
van de Soyuz. Als de capsule immers niet meer aan kon koppelen, zouden ze zo
verzekerd zijn van een terugkeernaar de aarde.
Op
de ochtend van 25 april werd de Soyuz TM34 volgens plan gelanceerd. Ook over deze vlucht lees je in
de volgende Astruim meer!
Op naar ISS-5
Expeditie-5
moest op 30 mei richting ISS vertrekken aan boord van STS-111. De nieuwe bemanning zal bestaan uit twee Russische
kosmonauten, Valery G. Korzun en Sergei Treschev, en de Amerikaanse Peg-gy
Whitson. Het is de bedoeling dat de Expeditie-5 bemanning tot eind oktober aan
boord van ISS blijft.
Tijdens
STS-111 zal de Space Shuttlebemanning proberen de Canadarm-2 te repareren en de
elleboog te vervangen door een nieuwe. Een goed werkende arm is hard nodig voor
de uitbreiding van ISS omdat de arm van de Shuttle niet zo ver reikt.
STS-111
zal verder alleen maar voor voorraden en het verwisselen van experimenten van
ISS zorgen die de Expeditie 5 astronauten nodig hebben voor hun verblijf aan
boord.
Endeavour zal onder andere de in Italië gebouwde bevoorrading's module Leonardo meenemen en tijdelijk vastmaken aan ISS. Õ