door Ton Oosterhuis
Toen in 1985 de zelfstandige gemeenten Rhoon en
Poortugaal werden samengevoegd tot de nieuwe gemeente Albrandswaard, konden
sommige inwoners het maar moeilijk verkroppen dat de namen van hun gemeenten,
waaraan zo’n rijke historie was verbonden, plaats moesten maken voor die van
een onbekende polder die toevallig tussen die twee oude gemeenten was gelegen.
Rhoon had een kasteel, kon bogen op het riddergeslacht van de Duivelands en was
ook onder de familie Bentinck een fameuze hoge heerlijkheid geweest. De
historie van Poortugaal reikte blijkens opgravingen zelfs terug tot de Romeinse
tijd, terwijl ook de naam volgens sommigen oorspronkelijk Portus Gallus, haven
der Kelten, luidde.
De
nieuwe gemeente kreeg een wapen dat ontleend was aan de wapens van Rhoon en
Poortugaal. Hoe begrijpelijk dit alles ook is, het ging voorbij aan de
historische werkelijkheid, namelijk dat ook Albrandswaard eeuwenlang een hoge
heerlijkheid was, dat het tot 1841 een zelfstandige gemeente vormde en dat het
over een eigen wapen beschikte. Dat wapen wordt beschreven als bestaande uit
vier kwartieren, waarvan het eerste en vierde witte schilden zijn met drie rode
kruisjes, twee en één gesteld; het tweede en derde bestaat uit gele schilden
met zes blauwe blokjes in twee rijen, drie boven en drie onder geschaard. (1 –
251).
Albrandswaard
was dus een hoge heerlijkheid met een even oude en eerbiedwaardige geschiedenis
als Rhoon. Er waren evenwel ook verschillen en die hebben ertoe geleid dat de
ene geschiedenis niet en de andere wel in boeken en tijdschriften bleef
voortleven. Van belang is daarbij vooral, dat op het kasteel van Rhoon
eeuwenlang de heren van Rhoon en Pendrecht hebben gewoond en als landjonkers
hun bezit bestuurden. Daarentegen woonden de heren van Albrandswaard niet in
hun heerlijkheid, waar ook geen kasteel stond, maar in Breda of Den Haag. Zoals
wel vaker gebeurde was het bezit van die hoge heerlijkheid alleen maar van
belang omdat het de titel van vrijheer of vrijvrouwe verleende aan de eigenaar
of eigenares.
Niettemin
lijkt het mij interessant om aan de geschiedenis van de heerlijkheid
Albrandswaard een kleine beschouwing te wijden. Door te volgen wie er in de
loop van vele eeuwen de bezitters van waren, krijgen we een beeld van het
wisselvallige lot dat de meeste Hollandse heerlijkheden hebben ondergaan. Het
verhaal begint in de tijd van de eerste kruistochten en het eindigt in de
negentiende eeuw toen de heerlijkheden werden opgeheven.
*
De eerste eigenaar van de
polder Albrandswaard was, afgezien van de stichter, ene onbekende Albrand, vermoedelijk heer Hugo van IJsselmonde, een
ridder die dit deel van zijn bezit als huwelijksgift meegaf aan zijn dochters
Mabilie en Heilewif. Zij waren getrouwd met de edelen Wouter van Egmond en
Anthonis van Gelmen. Al die namen zijn ons bekend gebleven door de oorkonde
waarmee de beide edelen dit bezit opdroegen aan de abdij Ter Does in Vlaanderen
voor het zielenheil van hun echtgenotes en hun beider schoonvader. Of dat de
enige reden was, waag ik te betwijfelen. De cisterciënzer monniken stonden
bekend om hun bekwaamheden bij dijkaanleg en inpolderingen. Blijkens de
oorkonden vonden ze op de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden in die tijd een
dankbaar werkterrein. De streek was weer eens geteisterd door stormvloeden en
het vergde aller inspanning om bedreigd en verloren land terug te winnen en te
behouden. De gift werd bevestigd door graaf Dirk VII van Holland, dezelfde die
twee jaar eerder het startsein voor Rhoon had gegeven door de uitgifte van een
stuk land aan Biggo van Duiveland dat hij eerst moest rooien of roden en dat
daarom de naam Roden, later Rhoon, ontving.
Genoemde Wouter van Egmond was de stamvader van het
bekende Hollandse riddergeslacht van
die naam, strijdgenoot en bondgenoot van graaf Willem de Eerste in de Loonse
oorlog tegen diens nicht Ada en schoonzuster Aleid van Kleef. Hij overleed in
1208 en liet drie zoons na: Willem, Wouter en Gerard.
Het
was Nicolaas van Putten die in 1246 als heer over dit gebied de schenking aan
de abdij nog eens bevestigde. Bovendien voegde hij het visrecht en ook het hoog
en laag gerecht eraan toe, waarmee Albrandswaard dus de status van hoge
heerlijkheid had verworven.
De abdij van Ter Does heeft vermoedelijk niet zoveel
plezier beleefd aan dit bezit, want herhaaldelijk duiken berichten op over
conflicten, zoals in een oorkonde van 1266 als enige Zeeuwse heren over
Albrandswaard twisten met het klooster (2 – 218). En dan nog eens in 1285 als
een nakomeling van Anthonis van Gelmen, een zekere Henric Splinter, een
conflict uitvecht met de abdij over zijn helft van Albrandswaard. Hoe dat ook
zij, na de dertiende eeuw verdwijnt de relatie van de heerlijkheid
Albrandswaard met de Vlaamse abdij uit de stukken en zijn het verschillende
Hollandse edelen die beurtelings de titel ‘heer van Albrandswaard’ zullen
dragen.
*
In de veertiende en
vijftiende eeuw wisselt de heerlijkheid voortdurend van eigenaar. In de
Hollandse leenregisters komen we hun namen tegen in korte mededelingen zoals de
volgende: ‘Heer Geryt van der Heyden wordt
geconsenteert in sijnen ambacht van Harantswairrle eenen gewairden rechter te
hebben, 1352’ (gewaard
= gevolmachtigd).
Korte tijd daarna blijkt
Jacob van Rijsoort het goed te hebben verworven via zijn vrouw Maria
Hendriksdochter van Montfoort. Na zijn dood erft Adriana van den Berge het
goed, maar zij ziet er van af en geeft het over aan Gerrit van Zijl, heer van
Purmerend. Maar deze vindt er al een paar jaar later een koper voor en die
koper blijkt dan weer een telg uit het geslacht van Egmond te zijn. Het is
Willem van Egmond, heer van IJsselstein, die de heerlijkheid Albrandswaard in
1437 koopt (3 – 74).
Deze Willem van Egmond (1387
– 1451) was een broer van de beroemde Jan van Egmond, die ook wel Jan met de
Bellen werd genoemd omdat hij altijd met bellen aan zijn gordel ten strijde
trok. Jan was een der hoofden van de Kabeljauwse partij in die woelige dagen.
Hij stond zijn bezit in IJsselstein af
aan zijn broer Willem. Je vraagt je af, waarom deze er dan nog een
heerlijkheid bij wilde kopen? Het antwoord op die vraag moeten we zoeken in
zijn liefde voor Hillegonde, een dochter van de schout. Bij haar had heer
Willem, die het grootste deel van zijn leven ongetrouwd is gebleven, twee kinderen,
een zoon Arent en een dochter Yolente. Het is voor zijn bastaardzoon Arent dat
hij de heerlijkheid Albrandswaard koopt. Mocht Arent kinderloos sterven, dan
moest zijn zuster Yolente het goed erven, terwijl moeder Hillegonde voor de
duur van haar leven het vruchtgebruik zou hebben.
De
heerlijkheid blijft dan enige tijd in
dat geslacht, want Arent krijgt drie zonen, Willem, Cornelis en Christoffel.
Die volgen de een na de ander elkaar op als heer van Albrandswaard.
Uiteindelijk doet Christoffel er afstand van en in 1506 wordt de heerlijkheid
eigendom van Willem van Wijngaarden. Daarmee begint een nieuw hoofdstuk in een
nieuwe eeuw en dat voert ons naar de stad Breda.
*
Ik vermoed dat aan het begin van de zestiende eeuw
het wapen van Albrandswaard is ontstaan dat ik al eerder beschreef. De witte
schilden met drie rode kruisjes in het eerste en vierde kwartier zijn behoudens
de kleurwisseling identiek met het huidige wapen van de stad Breda. Het is
oorspronkelijk het familiewapen van de heren van Strijen. De gele schilden met
zes blauwe blokjes in twee rijen, drie boven en drie onder geschaard in de
andere kwartieren, doen denken aan het wapen van de familie Van Wijngaarden.
Die familie kwam dus in het bezit van de heerlijkheid Albrandswaard. De naam
Van Wijngaarden treffen we ook aan op de lijst van de schouten van Breda. Op
die lijst volgt na Jan van Wijngaarden schout Dirk van Assendelft en deze Dirk
was behalve schout van de stad Breda ook heer van Albrandswaard. In 1534 droeg
Willem van Wijngaarden de heerlijkheid aan hem op.
Dirk
van Assendelft, heer van Besoyen, Heynenoord en Albrands-waard was de jongste
zoon van Claes van Assendelft en Aleyt van Kijfhoek. Aleyt was nog erg jong
(zes jaar) toen ze in 1476 werd verloofd met Jan van Assendelft. Toen die in
1484 overleed hertrouwde ze met zijn broer Claes van Assendelft, ridder, heer
van Kralingen, Besoyen, Heinenoord en Heemskerk. Beide broer behoorden tot de
vermogendste lieden van Holland en liggen begraven in de kapel van Assendelft
in de Groote Kerk te ’s Gravenhage ‘onder eenen blaauwen steen met een zeer
wijdruchtig opschrift’ (1 – 99). Aleyts tweede zoon Floris, heer van Goudriaan,
erfde de heerlijkheid Kijfhoek van haar en werd baljuw van ’s Gravenhage en
slotvoogd van Gouda, terwijl de jongste zoon Dirk dus Albrandswaard verwierf en
schout van Breda werd.
En dan komt een wat bekendere
naam in beeld, want Dirk van Assendelft trouwde met Adriana van Nassau, een
telg uit een bekende bastaardtak van de Nassau’s in Breda. De oorsprong van deze
familie lag bij de liefde van graaf Jan IV van Nassau voor ene juffrouw van
Loemel, waaruit een onechte zoon Jan voortsproot, de grootvader van Adriana.
Bekendheid verkreeg deze tak overigens vooral toen een van de nakomelingen in
de zeventiende eeuw als minnares van prins Maurits faam verwierf en het aantal
bastaarden van de Nassau’s met velen vermeerderde. Toen Dirk van Assendelft in
1554 overleed, erfde zijn oudste zoon de heerlijkheden Besoyen en Heynenoord,
maar werd Albrandswaard nagelaten aan vrouwe Adriana van Nassau.
Adriana
van Nassau woonde als weduwe een vijftal jaren aan de Steenbrugstraat in Breda.
Toen zij in 1559 overleed, werden haar bezittingen uitvoerig beschreven in een
boedelinventaris die thans nog berust in het rijksarchief van Noord-Brabant (9 - 186).
Haar erfgenaam werd haar jongere zoon Paulus, die het goed bij zijn
overlijden in 1594 naliet aan zijn zoon Jan van Assendelft, die ook al heer van
Kralingen was. Ook hij was schout van Breda (4 – 213).
Op
17 november 1595 geeft hij Johan van der Mijle, zoon van een burgemeester van
Dordrecht en ambachtsheer van een deel van de Kijfhoek, een hypotheek op zijn
bezit Albrandswaard, voor een bedrag van elfduizend tweehonderd gulden.
Vermoedelijk beoogde Van der Mijle het aankopen van het goed, want het kopen
van heerlijkheden werd meer en meer een gewoonte van de Hollandse regenten. Met
de rijkdommen die de burgers in handel en ambacht verwierven, kochten die voor
zichzelf en hun kinderen de heerlijkheden van het platteland op. Zo was de
Dordtse burgemeester Adriaen van Blijenburgh ambachtsheer van Zwijndrecht,
terwijl zijn vrienden en verwanten van de familie van Beveren de heerlijkheden
Groote Lindt en Kleine Lindt en Strevelshoek hadden bemachtigd. Jacob Muys van
Holy, die in 1572 schout van Dordrecht was geworden, verwierf door zijn
huwelijk met erfdochter Elizabeth de heerlijkheid Woude bij Ridderkerk, en
Arend van der Mijle, burgemeester van Dordrecht, had zoals gezegd de
heerlijkheid Kijfhoek gekocht voor zijn tweede zoon. Successievelijk werd het
platteland rond de steden eigendom van de rijke burgers, tot er uiteindelijk
van de oude adel slechts een enkele familie overbleef.
Een
ander voorbeeld van deze gang van zaken betreft de heerlijkheid Stoutenburg bij
Amersfoort. Deze werd in 1616 gekocht door de bekende raadpensionaris Johan van
Oldenbarnevelt om zijn zoon Willem van een adellijke titel te voorzien. Heer
Willem van Stoutenburg zou een duistere rol in onze vaderlandse geschiedenis
spelen. De dood van zijn vader op het schavot verleidde hem tot een
samenzwering tegen het leven van prins Maurits. Hij moest het land ontvluchten,
werd rooms, trad als ritmeester in dienst van de vijand en voerde in de krijg
tegen zijn vaderland een zwarte standaard met een doodshoofd. Voor zijn twee
zoons betekende dit het einde van de adeldom. De ene werd pasteibakker in
Arnhem, de andere dreef er een oliemolen, verloor in 1672 bijna alles en stierf
van hartzeer. Deze zijsprong veroorloof ik me, omdat – zoals nog blijken zal -
de titel heer van Stoutenburg korte tijd later werd gedragen door de heren van
Albrandswaard.
Uiteindelijk heeft Jan van
Assendelft de heerlijkheid Albrandswaard verkocht aan Joris de Bie, de
thesaurier generaal van de Verenigde Provinciën. Als hij in 1605 in het
huwelijk treedt met Margaretha van Rossem, luiden zijn titels heer van
Kralingen, Besoyen en Heinenoord. Albrandswaard heeft hij van de hand gedaan.
Dan begint in een nieuwe
eeuw een nieuwe fase in de geschiedenis van Albrandswaard. Van Breda wordt het
accent verlegd naar ’sGravenhage.
*
Joris de Bie, soms ook George de Bye genoemd, was
een voorname burger van Delft. Zijn vader Dirck de Bye, zoon van Joris de Bye
en Aeltgen Danielsdochter, was de eerste rekenmeester van Holland en in 1566 en
1567 schepen te Delft. Zijn wapen was een beurtelings gekanteelde dwarsbalk met
als helmteken een bijenkorf. Toen zijn vader in 1591 overleed, had Joris de Bye
al een belangrijke carrière achter de rug. Hij was reeds op zijn
vierentwintigste lid van de vroedschap geworden, van 1574 tot 1578 burgemeester
van Delft, van 1566 tot 1593 hoogheemraad van Delfland, van 1583 tot 1593
curator van de Leidse Academie en uiteindelijk thesaurier generaal van de
Verenigde Provinciën, geen onbeduidende persoon dus in de jonge republiek. Zijn
Gedenkschrift wordt nog wel eens geciteerd, want hij was een overtuigde
aanhanger van de verworven staatsinrichting van de Republiek der Verenigde
Nederlanden, die hij ‘eene gemeene ende sociale regieringe’ noemde (10 – 100).
Maar van adel was hij niet
en dat heeft hem misschien dwarsgezeten, vooral toen hij in 1595 in het
huwelijk trad met de adellijke freule Maria van Almonde. Hij kocht derhalve de
heerlijkheid Albrandswaard en kon met die titel worden toegelaten tot de
Hollandse ridderschap. Zoals in vroeger eeuwen edelen dergelijke aankopen deden
om een bastaardzoon min of meer te wettigen, zo verkregen nu de rijkere burgers
langs deze weg toegang tot de adelstand, die in Holland nogal open was.
Uit een eerder huwelijk met
Johanna van Outshoorn van Sonnevelt had Joris de Bie een dochter Josina.
Wellicht hebben de adellijke papieren van papa ook haar huwelijkskansen
vergroot, want op 26 november 1608 trouwde zij met Jan de Hertoghe, zoon van
Willem de Hertoghe, heer van Orsmael, en Catharina van Rhoon, een dochter van
de baljuw van Putten, beiden overleden in Breda. Deze Jan was heer van
Hogenhuysen en van Valkenburg (bij Katwijk) en bij hun huwelijk wordt Josina
vermeld als de dochter van het bekende lid der Hollandse ridderschap, de heer
van Albrandswaard. Haar man werd in 1626 door prins Frederik Hendrik aangesteld
tot gouverneur van het prinsdom Oranje in Frankrijk, maar heeft daar niet lang
plezier van gehad. In juni 1630 werd hij vermoord door de Zeeuw Jan de Knuyt.
Zijn weduwe bleef achter met twee zoons en vijf dochters. Een van haar zoons
heette George de Hertoghe, een van haar dochters heette Johanna de Hertoghe (6
– 251).
Johanna’s grootvader Joris
de Bie overleed op 6 april 1626. Als heer van Albrandswaard werd hij eerst
opgevolgd door zijn zoon Dirk of Diderik de Bye die evenwel reeds heer van
Albrandswaard werd genoemd toen hij op 16 maart 1621 tot heemraad van Delft
werd benoemd. Dirk stierf kinderloos en werd opgevolgd door zijn broer Abraham
de Bie, die van 1630 tot 1645 de titel vrijheer van Albrandswaard voerde. Toen
zijn broer nog leefde en hij op dit titel nog geen recht had, schijnt hij zich
op gezag van zijn moeder heer van Almonde te hebben genoemd. Beide broers
hadden als echte jonkers voor een militaire carrière gekozen. Dirk bracht het
tot luitenant-kolonel van de infanterie, zijn broer Abraham diende als kapitein
tijdens een van laatste veldtochten van prins Frederik Hendrik, toen hij in
1645 voor Sas van Gent om het leven kwam.
Abraham had bij zijn
echtgenote Mathilde van Zuylen van Nievelt één dochter Abraha. Zij volgde hem
op en droeg gedurende tien jaren de titel vrijvrouwe van Albrandswaard. Na haar
overlijden in 1655 ging de titel naar haar oom Jacob de Bie, de laatste zoon
van Joris de Bie. De familie was inmiddels zo in aanzien gestegen dat we Jacob
de Bie aantreffen als hofmeester van stadhouder prins Willem de Tweede. Hij is
de eerste die ook de titel heer van Stoutenburg voerde. Hoe hij die heeft
verkregen heb ik nog niet kunnen achterhalen.
Zijn zoon Johan de Bye was
geen onbekende in de Haagse hofkringen, zoals blijkt uit de vele vermeldingen
van zijn naam in de dagboeken van Constantijn Huygens, die hem en zijn vader
voortdurend aanduidt als ‘monsieur Albrantsweert’. Hieruit blijkt dat de
burgers in toenemende mate de verworven adeldom annexeerden in hun familienaam.
Want hoewel luitenant kolonel Johan de Bye herhaaldelijk wordt aangeduid als
heer van Albrandswaard en Stoutenburg, komt hij in de leenregisters van Holland
als zodanig niet voor. Johan de Bye overleed nog vòòr zijn vader en heeft de
heerlijkheid Albrandswaard dus nooit direct van hem kunnen erven. Toch wordt
hij heer van Albrandswaard genoemd als hij trouwt met zijn nicht Johanna de
Hertoghe. Het was een hechte familie, waarin een huwelijk tussen neef en nicht
geen verbazing wekte.
Als op 8 april 1672 hun
dochtertje Josina Maria wordt gedoopt in de Kloosterkerk is een van de getuigen
haar tante Susanne Studler van Zurck, de echtgenote van neef George van
Hertoghe. Laatstgenoemde was net als zijn vader een militair. Volgens Huygens
maakte hij zijn latere vrouw al het hof toen ze pas zestien jaar oud was.
Hoewel beide neven hadden
gekozen voor een militaire carrière, is het de vraag of Johan de Bye daarin erg
succesvol was. Huygens maakt althans melding van het feit dat hij als officier
werd beschuldigd van een grove fout (8 – 60). Hij was in 1672 kolonel en nam
deel aan de slag bij Seneffe. Daar vond op 11 augustus 1674 een bloedige
veldslag plaats tussen 45.000 Fransen onder de prins van Condé en 48.000 man
onder de prins van Oranje, de latere koning-stadhouder Willem III. De uitkomst
was onbeslist, hoewel de prins van Oranje zichzelf de overwinning toekende.
George de Hertoghe die ook aan deze veldslag deelnam, raakte in
krijgsgevangenschap.
Johanna
de Hertoghe, de echtgenote van Johan de Bye, zelf ook een kleindochter van
Joris de Bie, wordt na de dood van haar oom Jacob de Bie op 11 mei 1681 de
nieuwe vrouwe van Albrandswaard. Zij is dan weduwe van Johan de Bye.
In 1716 volgt haar zoon, de
dan vijftigjarige Willem de Bye haar op (3 – 86). Als die in 1737 overlijdt
wordt zijn zuster Josina Maria de Bye
de laatste telg uit dit geslacht die de titel vrouwe van Albrandswaard zal
dragen.
*
We zijn intussen al in de achttiende eeuw beland en
het wordt tijd dat we de blik eens richten op het eigenlijke Albrandswaard in
plaats van op de heren en dames die
eerst in Breda, later in Den Haag, profiteren van de inkomsten uit deze
heerlijkheid.
De
heerlijkheid Albrandswaard was een polder en de meeste inwoners zullen boeren
geweest zijn. De omvang werd in 1732 gerekend groot te zijn 434 gemeten en 285
roeden lands. Er stonden 26 huizen (een eeuw eerder in 1632 nog 34) en men
telde erin 1795 ongeveer 160 inwoners. In 1848 woonden er tweehonderd mensen in
28 huizen. Toch beschikte deze kleine gemeenschap over een baljuw voor de
criminele zaken en een schout voor de civiele zaken. Ook een dijkgraaf kon in
deze polder uiteraard niet gemist worden.
Als
we de namen van deze functionarissen in de stukken tegenkomen, krijgen we de
indruk dat in die kleine gemeenschap de taken tussen een paar families werden
verdeeld. In een beschouwing over een bepaalde boerenfamilie in de contreien
van Poortugaal, kwamen we de volgende woorden tegen: ‘Met het voortschrijden
der jaren geraakte de familie geparenteerd aan de meeste plaatselijke
landbouwersfamilies die omstreeks het midden van de achttiende eeuw als het
ware één grote familiekring waren gaan vormen, in wier handen het dorps-,
polder- en kerkbestuur lag. Wat inde steden plaatsvond onder de patriciërs vond
op het platteland plaats onder de gezeten boerenfamilies in de omgeving van
Poortugaal: hoogst gecompliceerde familieverhoudingen en ambten die in die
kring bleven circuleren.’ (Ned. Leeuw 1983 – 351).
Er
is één man die door vrijwel alle boerenfamilies in deze streek als hun
stamvader wordt aangewezen en bij hem zal ik dus ook maar beginnen. Zijn naam
was Doen Beyenszoon en hij leefde in het begin van de vijftiende eeuw. Toen in
1421 de beruchte Sint Elisabethsvloed een groot deel van Brabant en
Zuid-Holland in een watervlakte had herschapen, waren de tijden blijkbaar
dusdanig veranderd dat voor het herstel geen beroep werd gedaan op
cisterciënzer monniken, maar op de poorters en boeren uit de omgeving. In 1436
werd een consortium gevormd met het doel zoveel mogelijk land te heroveren door
bedijking en inpoldering. Tot de deelnemers behoorden ‘Pieter Renger Willems
soon, Doedijn Beijen soon ende Heinric Olerts soon mit horen medegesellen uit
Poortegael’. Doen Beijensz onderhield blijkbaar een goede relatie met zijn
leenheer, want in een aantal oorkonden wordt hem land in leen gegeven, zoals in
1455: ‘eenen dijck gelegen an die Moelen binnen onsen lande ende herlicheit van
Portegael mitten Zweerdijkcksen dijkck streckende totten ouden Rodensen Dijck’.
Wie het huidige Albrandswaard kent, zal het beschreven leen herkennen als de
noordgrens van de polder Albrandswaard. Dat was niet zo onbegrijpelijk want het
is in deze polder dat we ook een deel van Doen Beyensz bezit moeten zoeken. Ik
leid dat af uit het feit dat we in de volgende eeuwen zijn nakomelingen de
bestuurlijke functies van Albrandswaard zien vervullen.
De kleinzoon van Doen
Beyensz heette ook weer Doen Beyensz. Hij leefde in het begin van de zestiende
eeuw. Hij had drie zonen, Cornelis, Beyen en Willem. In 1532 is zijn zoon
Cornelis Doensz schout van Albrandswaard. Voorts vinden we in 1561 Willem
Doensz vermeld in het Kohier van de Tiende Penning van Albrandswaard. Om het
verhaal verder te kunnen volgen, zal ik maar een stamboom tekenen:
Doen Beyensz. † 1515
* Aeskin ( = Haasje)
________________________|________________________
| | |
Cornelis Doensz Beyen
Doensz Willem
Doensz
(geen zonen) | _______|______
Adriaen
Beyensz | |
| Doen Cornelis
Geertje
Adriaensdr Willemsz Willemsz
mr P.C. Vermaet *
Aert van Driel | |
| ____________|_____ | |
Cornelis * Adriaentje Neeltje * Jan Doensz Maertgen*
Vermaet | mr
Pieter
Aert
Jansz van Driel Cornelis Vermaet
De cursief gedrukte namen zijn van de mannen die
functies in Albrandswaard vervulden. Cornelis Doensz was schout van
Albrandswaard in 1532. In 1652 verenigt Aart Janszoon van Driel de functies van
baljuw, schout en dijkgraaf in zijn persoon. Hij was ook schepen van Roozand,
een polder onder Pernis, en heemraad van Poortugaal.
Naast de afstammelingen van
Doen Beyensz treedt een andere naam voor het voetlicht, die van mr Pieter
Cornelis Vermaet. Hij kwam vermoe-delijk van elders om als gestudeerd persoon
in deze boerengemeenschap een bestaan op te bouwen. We vinden hem vermeld als
schoolmeester in Rhoon en als barbier-chirurgijn, maar ook als pachter van
weidegrond en als pachter van de accijns van het mangelen van de vaten.
In 1579 treffen we hem aan
als schepen en dijkgraaf van de heerlijkheid Albrandswaard. Hij was toen
getrouwd met een nakomelinge van Doen Beyensz.. Haar grootvader was Willem
Doenszoon. Hun zoon Cornelis Vermaet wordt ook dijkgraaf van Albrandswaard. En
tenslotte treffen we in 1700 een Philips Vermaet aan als schout en baljuw van
deze heerlijkheid.
Terug nu naar de mensen die
in Den Haag deze mensen in hun functies benoemden omdat zij de heerlijkheid in
hun bezit hadden..
*
Toen in 1751 Josina Maria de Bye overleed was zij
vrouwe van Stoutenburg en Albrandswaard en douarière van wijlen heer Augustus
Diderik van Schak. Maar haar huwelijk was blijkbaar kinderloos gebleven. Als
haar enige en universele erfgenaam wees zij aan de toen al zeventigjarige heer
Martinus Domus van Eversdijck, die genoemd wordt “commies ter kamere van de
generaliteitsfinantien”. Deze heer had uit zijn tweede huwelijk met Maria van
Honert een zoon Herman Cornelis Johan, secretaris van het Hof van Holland, en
een dochter Anna Maria van Eversdyck. Toen hij op 84-jarige leeftijd overleed,
was zijn zoon hem juist een half jaar eerder voorgegaan. De ongehuwde dochter,
intussen ook al 52 jaar oud, was de enige erfgename en werd dus de vrouwe van
Albrandswaard.
Anna Maria van Eversdyck
heeft vijfmaal een testament gemaakt. In de eerste vier was haar belangrijkste
erfgename de eveneens ongehuwde Johanna Smits, maar blijkbaar heeft ze deze
vriendin overleefd. Toen ze stierf in 1779, 66 jaar oud, bleek dat zij de
eveneens ongehuwde Maria Jacoba Montagne als haar erfgename had aangewezen.
Deze vrijvrouwe van Al-brandswaard droeg de titel tot het jaar 1803.
Intussen
was het feodale begrip ‘heerlijkheid’ onder invloed van de Franse revolutie
bijna een vies woord geworden. Bij de Staatsregeling van 1798 werden de
heerlijkheden officiëel afgeschaft, maar toen koning Willem I na de Franse tijd
als Souverein Vorst terugkeerde, liet hij bij Souverein Besluit van 26 maart
1814, Staatsblad 46, die heerlijke rechten nog een beetje herleven. De grenzen
van de gemeenten vielen veelal samen met die van de vroegere heerlijkheden en
de heren kregen het recht van voordracht voor de benoeming van schouten en
andere gemeentebestuurders. Dat gold ook voor de heerlijkheid Albrandswaard,
hoewel die als zelfstandige gemeente in 1841 ophield te bestaan door de
samenvoeging met Poortugaal.
In 1848 werd ook aan dit
restant van de heerlijke rechten een einde gemaakt, zodat de toenmalige
vrijvrouwe van Albrandswaard, de weduwe W.H. Dreux van Holy en Albrandswaard,
over niet veel meer dan een lege titel beschikte. Willem Hendrik Dreux woonde
te Rotterdam aan de Leuvehaven toen Napoleon in 1811 deze stad bezocht. In 1817
wordt hij heer van Holy genoemd. Hij is dan getrouwd met Johanna Gerarda
Diderica van Nievervaart, weduwe van Pieter de Heer, heer van Holy. Hoe zijn
echtgenote als weduwe de heerlijkheid Albrandswaard heeft verkregen, heb ik
niet kunnen achterhalen.
In
1848 vormden de twee voormalige heerlijkheden Poortugaal en Albrandswaard nog
samen de burgerlijke gemeente Poortugaal en Albrands-waard. De tweede naam
verviel na enige tijd toen alleen de naam Poortugaal overbleef, maar herleefde
in 1985 bij de samenvoeging met de gemeente Rhoon tot een nieuwe gemeente.
Tot
zover de geschiedenis van de heerlijkheid Albrandswaard, waar geen veldslag
heeft gewoed, waar geen kerk of kasteel heeft gestaan en dat nooit meer dan een
gehucht in een bescheiden polder is geweest (als enige bijzonderheid staat op
een kaart van 1848 een watermolen getekend), maar dat vele dames en heren in
den lande de adeldom van een begerenswaardige titel heeft geschonken.
1. J.W. Regt, Geschied- en aardrijkskundige
beschrijving van den Zwijndrechtschen Waard, den Riederwaard en het Land van
Putten over de Maas, Zwijndrecht 1848.
2.
Obreen, H., ‘Onuitgegeven oorkonden uit de 13e eeuw, betreffende Zeeland’, in: BMHG
1929..
3. J.C. v.d. M., ‘De Heerlijkheid van
Albrantswaard’, in: De Nederlandsche Leeuw 1885, pag. 74, 81 en 86.
4. Th. E. van Goor, Beschryving der Stadt en
Lande van Breda, ’s Gravenhage 1744.
5. Dr P.G.F. Vermaet, ‘Eenige mededeelingen omtrent
Delftsche de Bye’s en hun magen’, in De Nederlandsche Leeuw 1937, pag.
186 e.v.
6. W.J.J.C. Bijleveld, ‘Bijdrage tot de genealogie
van het geslacht De Hertoghe’, in De Nederlandsche Leeuw, 1933 pag. 249
e.v.
7. M.G. Wildeman, ‘De oudste grafboeken der Groote
of St. Jacobskerk te ’s Gravenhage’ in: De Navorscher 1892, pag. 482 –
486.
8. ‘Register op de journalen van Constantijn
Huygens’ in: WHG derde serie nr 22, Amsterdam 1906..
9. J.P.W.A. Smit, ‘De voorouders van het Vrouwtje
van Mechelen’ in: De Nederlandsche Leeuw 1919, kol. 312 – 314, en 1922,
kol 185 – 188.
10. Gosses en Japikse, Handboek tot de
staatkundige geschiedenis van Nederland, ’s Gravenhage 1920.