De kunst van het bewaren van vergeelde dagbladen

De trouwe verzamelaars van de vereniging VKTV

Onderstaand artikel verscheen in het Haarlems Dagblad van vrijdag 6 januari 2006 en opnieuw op zaterdag 7 januari 2006, op pag. 009 van de bijlage.

Het mogen dan bange dagen zijn
voor dagbladuitgevers, er zijn nog
mensen die de krant niet kunnen
missen. Geen dag. “Who wants
yesterday's paper? vroegen de
Rolling Stones zich in 1967 luidkeels
af. In elk geval de trouwe leden van
de VKTV, de Vereniging voor Kranten
en Tijdschriftverzamelaars
.


Zoals Jan de Wit uit Rosmalen. En
oud-lid Paul Klein uit Naarden,
die 5000 binnen- en buitenlandse
dagbladtitels in huis heeft. Oude
kranten bewaren, is voor hen
zoiets als liefdewerk voor oud
papier verrichten. De Wit heeft
op maandbasis 100 euro voor zijn
liefhebberij over, Klein laat het in
het midden.
Persoonlijk had hij, VKTV-
bestuurslid Jan de Wit te Rosmalen,
er niet eens bij stil gestaan dat
de Oprechte Haerlemse Courant
op 8 januari 1656 voor het eerst
verscheen onder de titel Weeckelyke
Courante van Europa
. Maar
uitgerekend collega-verzamelaars uit
Berlijn en de VS vroegen zich af
of er in Haarlem iets bijzonders werd
gedaan aan het 350-jarig bestaan
van 's-werelds oudste krant. De 41-
jarige voorlichter van de gemeente
's-Hertogenbosch besloot medio
november per e-mail opheldering
te vragen bij de ‘geachte redactie’.
“Zelfs om een bescheiden bijlage zit
iedereen bij ons te springen.”
De twintig jaar geleden opgerichte
VKTV telt 85 leden, verspreid over
de hele wereld. De verzamelaars
wissselen op non-profitbasis
authentiek drukwerk uit via e-mail,
maar ook op tentoonstellingen
komen ze elkaar tegen. De Wit,
één van de jongsteVKTV'ers,
doet al een kleine 25 jaar zonder
winstoogmerk in oud papier. Thuis
in Rosmalen heeft hij om en nabij
1100 kranten op zolder, opgeborgen
in brandbestendige brandkasten. Hij
heeft zich onder meer toegelegd op
het verzamelen van berichtgeving
door de eeuwen heen over
's-Hertogenbosch. Maar De Wit
heeft meer interesses. De Vlaamse
krant Het Volk pakte op 15 juni 1993
uit met een reuznexemplaar (1,375
bij 0,985 meter) om als ‘grootste
krant’ in het Guinness Book of

Paul Klein. Foto: Ton Kastermans
Records te belanden. De Wit heeft
hem. Canards, misdrukken: De
Wit laat ze graag zien. Bijvoorbeeld
het Brabants Dagblad dat in 1977
een dag lang Drabants Baglad
heette, omdat een zetter op straffe
van ontslag de lolbroek had
aangetrokken. “Ik heb ook De
Telegraaf van 10 mei 1940, waarin
niets is terug te vinden over de inval
van de Duitsers.”
De zeventiende en achttiende-
eeuwse kranten die tot zijn collectie
behoren, heeft De Wit elders
opgeborgen in kluizen. “Een jaar of
vier geleden belde iemand van de
Rotterdamse bibliotheek. Ze wilden
af van enkele leggers Oprechte
Haerlemse Courant
uit de achttiende
en negentiende eeuw. Ik probeerde
zo zakelijk mogelijk te klinken, maar
mijn hart juichte. Ikzelf heb vier
jaargangen uit de negentiende eeuw
gehouden.”
Paul Klein is geen lid meer, maar hij
gaat met minstens zoveel toewijding
om met vergeeld krantenpapier.
Zodra hij verneemt dat ergens in
de wereld een nieuwe krant wordt
uitgegeven, doet Klein er alles aan
om de eerste editie te bemachtigen.
En zo moet en zal hij ook het
laatste nummer hebben, zodra een
dagbladuitgever aanstalten maaakt
de persen te stoppen. Normaal stapt
Paul Klein op station Naarden-
Bussum op de trein om linea recta
te ‘sporen’ naar Amsterdam-
Sloterdijk, op loopafstand van zijn
werkgever Elsevier Science. Maar op
1 september maakte Klein
's morgens eerst een rondje
randstad, voordat hij naar zijn werk
ging. Voor het eerst werden die dag
namelijk de Amersfoortse Courant,
Utrechts Nieuwsblad en Haagsche
Courant als kopbladen ingestoken
in het AD. “Ik had op de stations
van Amersfoort, Utrecht en Den
Haag vijf minuten om een krant te
kopen.”
Helaas, de allereerste krant die
drukker/uitgever Abraham
Casteleyn in 1656 verspreidde, is

Jan de Wit. Foto: Privécollectie
noch Klein noch De Wit rijk. Maar
Klein kan wel met gepaste trots de
editie van 8 januari 1856 laten zien,
compleet met een overdruk van het
eerste nummer van de Haarlemmer.
Kleins eerste bewaarnummer was
een editie van Haarlems Dagblad die
op 21 juli 1969 verscheen, waarin
alles over de maanlanding van Neil
Armstrong en Edwin Aldrin. “Het
woord maandag was deels rood
afgedrukt. Dat wil zeggen, de eesrte
vier letters.”
Zijn belangstelling gaat behalve
naar eerste en laatste nummers
uit naar dagbladen waarin
verkiezingsuitslagen zijn
opgenomen en naar special edities,
uitgebracht na rampen, blijde en
treurige gebeurtenissen van een
hoog royalty-gehalte. Op vakantie
in het buitenland gaat de 56-jarige
Klein altijd op krantenjacht. De
allereerste Diario Palentino en
Granada Hoy, Klein heeft ze. “Hier
verdwijnene kranten, in Spanje
komen er alleen maar bij.”
Jan de Wit deed geen vergeefs
beroep op de binnenkort
afzwaaiende NOS-correspondent
Charles Groenhuijsen om enkele
noodedities te bemachtigen van
dagbladen, na de aanslag op
de WCT-torens uitgebracht in
New York. De verzamelingen
hebben voor Klein en Wit vooral
historische en emotionele waarde.
De heren azen bovenal op originele
exemplaren. De Wit heeft dan wel
een kopie van de oudste, in 1618
gedrukte Courante uyt Italien,
Duytslandt
, maar eigenlijk telt een
afdruk voor hem niet. “Leuk om
te lezen, maar niet meer dan dat.
Een krant moet je voelen, ruiken en
zien.”


GERARD VAN PUTTEN