|
Het verhaal
in het kort
De priester Bérenger
Saunière besloot op een dag zijn sterk verwaarloosde kerkje te renoveren.
Eén van zijn eerste activiteiten was het verplaatsen van de altaarsteen
die op twee oude Visigotische pilaren rustte. Een van de pilaren bleek
hol te zijn en daarin vond de abbé vier (of vijf?) perkamenten.
Twee van deze perkamenten zijn bijbelverhalen in het Latijn en de rest
zouden stambomen bevatten.
Voor de cynische lezers:
geen van deze documenten zijn in hun originele vorm opgedoken. Alle literatuur
baseert zich op het eerste boek hierover van Gerard de Sède. Ik
vind het verbazingwekkend dat gerenommeerde auteurs, mensen die zelfs met
Gerard de Sède in contact zijn getreden, deze originele perkamenten
niet onder ogen hebben gehad. Temeer omdat een groot aantal van deze auteurs
de locatie van een 'schat' - wat dat dan ook zijn moge - baseert op zorgvuldig
getrokken lijntjes op deze kopieën.
De perkamenten met de bijbelverhalen
zouden in 1780 vervaardigd zijn door een voorganger van Saunière,
abbé Antoine Bigou. Volgens het verhaal kreeg Saunière in
de gaten dat hij op iets belangrijks was gestuit. Hij overhandigde de perkamenten
aan zijn meerdere, de bisschop van Carcassonne en vanaf dat moment begon
hij steeds meer geld uit te geven en zich in belangrijke, occulte kringen
op te houden. Hij stierf in 1917 (blut!), maar zijn dienstbode, Marie Denarnaud,
leefde comfortabel verder totdat de Fransen in 1946 een andere muntsoort
invoerde. Met haar dood in 1953 ging het geheim verloren…
Sinds de publicatie in 1967
van Gerard de Sède zijn er veel wilde theorieën ontstaan over
zowel de inhoud als de vindplaats van de schat. Op dit moment wil ik niet
ingaan op de waarde van deze theorieën. Het lijkt mij zinniger om
te beginnen bij de bestudering van de perkamenten zoals deze op dit moment
bekend zijn.
|