Een onderzoek naar de vegetatie en vegetatiestructuur van

adderligplaatsen op de Meinweg deel 1(voor deel 2 hierop klikken)

Math de Ponti, Roermond 2001

reacties: deponti@planet.nl

Hoofdstukindeling (klikken)

HOMEPAGE MATH DE PONTI (klikken)

 


Inhoud:

inhoud


Colofon

Uitgave: Stichting Natuurpublicaties Limburg

Tekst: Math de Ponti

Begeleiding: Drs. A.Lenders en Drs G.de Ruiter

Oplage: 50 ex.

Roermond, Mei 2001

© NATUURHISTORISCH GENOOTSCHAP IN LIMBURG

 Dankwoord:

Voor de hulp bij het maken van dit rapport wil ik bedanken:

Ton Lenders, Gerard de Ruiter, Pedro Janssen, Paul van Hoof, Ger Hendriks, Noud de Ponti, Ruud Leurs, Hans Heijnen, Ger Bakker, Frans Boermans, Ton Cleves, Annelies de Ponti-Heijnen, StaatsBosBeheer en Het NatuurHistorischGenootschap. 

Summary:

From August 1998 up to and including May 1999 the composition and structure of the vegetation in the direct surroundings if the adder’s breeding grounds was examined. The study was part of an extensive ecological investigation, supervised by Mr A. Lenders M.Sc.

Territory of investigation was the National Park "De Meinweg" (1500 ha.) , situated south-east of Roermond (the Netherlands). "De Meinweg"is terrace land, originated from sand and gravel sediments of the rivers Meuse and Rhine. At the lower sides of the terraces are humid parts with growths of dry and wet heath vegetations. The terraces have a south-western exposition. In De Meinweg live five species of reptiles and twelve species of amphibians.

The adder (Vipera bérus) is represented well and is found in all parts of the area. During the period of investigation the population was estimated at 400 adders. In 1976 the estimation was 1200-1500 animals.

The adders were caught in the neighbourhood of the hibernacula. In autumn mainly pregnant females were caught and in spring mainly males. The spots where adders are found are located in grassy heath fields. These sunbathing spots are without vegetation. The adders are located either on or against a clump of purple moor-grass (Molinea caerúlea) or on withered leaves of bogmyrtle (Myríca gale) and alder buckthorn (Fràngula alnus). The place is surrounded by two, or mostly three or four varieties of plants. Purple moor-grass is always present, other varieties can be heather (Callúna vulgaris), cross-leaved heath (Eríca tétralix), bogmyrtle and wavy hair grass (Deschámpsia flexuósa). At a distance of twenty centimetres from the spots, vegetation reaches a minimal length of 20 cm, but usually the vegetation is 30 to 60 cm high. The south side has a lower vegetation than the north, west or east side. The ground at the south side of the spots is often lower than the spot itself, as a result of which the sunrays reach the adder under a right angle. The site in which the adder lies is bowl-shaped, so that the temperature there can become considerably higher than the air temperature because of radiation of the sun and protection against the wind.

From their sunbathing spot the adders can easily reach their place of refuge and/or the place where they can regulate their temperature. The composition and structure of the grassy heath vegetation, where adders have sunbathing spots, develops during the succession from heath vegetation into oak-birch woods. Measures of management must be directed at maintaining or developing this phase in succession. Large-scale cutting of sods and peat and intensive all-year grazing affect the composition and structure of the vegetation negatively. Extensive grazing by cows, sheep or horses in the growing season can contribute to the preservation or the development of grassy heath vegetation with much structure.

inhoud


Verantwoording.

Het onderzoek is uitgevoerd door Math de Ponti in het kader van een vakinhoudelijke afstudeerscriptie van een eerstegraad studie biologie aan de Hoge School van Utrecht. Het onderzoek staat onder verantwoordelijkheid van Drs. A. Lenders van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg en Drs. G. de Ruiter van de Hoge School Utrecht.

Inleiding.

Het Nationaal Park de Meinweg (1500 ha.) is een heide-bosgebied even ten zuidoosten van Roermond (Nederland). Het gebied is een terrassenlandschap bestaande uit een hoogterras, een middenterras en een laagterras. De terrassen zijn ontstaan door zand- en grindafzettingen van Maas en Rijn. Het hoogterras heeft een deklaag van löss. Aan de onderkant van de terrassen is kwel van mineraalarm water. Hier liggen vochtige terreinen met een begroeiing van droge en natte heidevegetaties. De terrassen hebben een zuidzuidwestelijk expositie. Loodrecht op de terrassen snijden twee beken door het landschap, de Roodebeek aan de zuidoostzijde en de Boschbeek aan de noordwestzijde van het gebied. Door de variatie in het landschap, de grondsoorten, vochtige en droge terreindelen en het consistente beheer in het verleden is de Meinweg rijk aan structuur. Dit komt met name tot uiting in de vochtige en droge heidevelden. De Meinweg is dan ook een belangrijk herpetologisch gebied voor Nederland en West-Europa. In het gebied komen vijf soorten reptielen en twaalf soorten amfibieën voor. De adder (Vípera bérus) is goed vertegenwoordigd op de Meinweg. In 1976 werd door Drs. A. Lenders de populatie geschat op 1200-1500 exemplaren. Op dit moment zijn er mogelijk nog maar 400 dieren over. (mond. med. A. Lenders). Als oorzaak voor de teruggang van de adderpopulaties wordt aangegeven: verdroging van vochtige biotopen, nivellering door beheer van droge heideterreinen, het verdwijnen van biotopen door struweelvorming en de toenemende recreatie. (Lenders et al., 2000) Drs. A. Lenders voert al geruime tijd een breed oecologisch onderzoek uit naar de adder op de Meinweg. Dit onderzoek is gestart in 1976. Om de teruggang van de adder die nu plaatsvindt te verklaren is, het onderzoek vanaf 1998 geïntensiveerd. Deze studie vormt een onderdeel van het gevoerde onderzoek en spits zich toe op de vegetatiesamenstelling en vegetatiestructuur van de adderligplaatsen. Daarbij zijn ook een aantal ethologische onderwerpen beschreven o

Math de Ponti, Mei 2001,Roermond.

inhoud


Samenvatting.

Van augustus 1998 tot en met mei 1999 is onderzoek gedaan naar de samenstelling en structuur van de vegetatie in de directe omgeving van adderligplaatsen. Het onderzoek maakte deel uit van een groot ecologisch onderzoek onder leiding van Drs. A. Lenders.

Onderzoeksgebied was het Nationaal Park de Meinweg (1500 ha.) dat ten zuidoosten van Roermond (Nederland) ligt. De Meinweg is een terrassenlandschap dat ontstaan is door zand- en grindafzettingen van Maas en Rijn. Aan de onderkant van de terrassen zijn vochtige terreinen met begroeiingen van droge en natte heidevegetaties. De terrassen hebben een zuidwestelijke expositie. Op de Meinweg komen vijf soorten reptielen en twaalf soorten amfibieën voor.

De adder (Vípera bérus) is goed vertegenwoordigd en komt op de Meinweg verspreid voor. Tijdens de onderzoeksperiode werd de populatie geschat op 400 adders. In 1976 bedroeg de schatting 1200-1500 dieren (mond. med. A. Lenders).

De adders zijn gevangen in de omgeving van de hybernacula. In het najaar werden vooral zwangere vrouwtjes gevangen en in het voorjaar vooral mannetjes. De ligplaatsen van de adders bevinden zich in een vergraste heidevegetatie. De ligplekken van de adders zijn niet begroeid. De adders liggen enerzijds tegen of op een dode pol pijpenstrootje (Molinea caerúlea), anderzijds liggen de dieren op verdorde blaadjes van gagel (Myríca gále) en vuilboom (Frángula alnus). De ligplek wordt omgeven door twee, maar meestal door drie of vier plantensoorten. Pijpenstrootje komt altijd voor, andere soorten kunnen zijn: struikheide (Callúna vulgárus), dopheide (Eríca tétralix), vuilboom, gagel en bochtige smele (Deschámpsia flexuósa). Op 20 cm van de ligplaats bereikt de vegetatie minimaal een hoogte van 20 cm maar meestal is de vegetatie 30 tot 60 cm hoog. De zuidkant heeft een lagere begroeiing dan de noord-, west- of oostkant. Vaak is de bodem aan de zuidkant van de adderligplaats lager dan de ligplaats zelf, waardoor de zonnestralen onder een rechte hoek de adder raken. De adder ligt in een kom waar de temperatuur, door instraling van de zon en beschutting tegen wind, beduidend hoger kan worden dan de luchttemperatuur.

De adders hebben vanuit hun ligplaats een goede vluchtplaats en/of de mogelijkheid om hun temperatuur te reguleren. Vuilboom, gagel en goed ontwikkelde struikheide geven de adders beschutting van boven. Dode takken, die verspreid in het terrein liggen, geven ook beschutting.

De samenstelling en structuur van de vergraste heidevegetatie, waar adders ligplaatsen hebben, ontstaat tijdens de succesie van heidevegetaties naar eiken-berkenbossen. De beheersmaatregelen moeten erop gericht zijn om deze fase in successie te handhaven of te laten ontstaan. Grootschalig plaggen en intensieve jaarrondbegrazing hebben een negatieve invloed op de samenstelling en structuur van de vegetatie. Extensieve begrazing door runderen, schapen of paarden in het groeiseizoen kan bijdrage tot het behoud dan wel het ontstaan van vergraste heidevegetaties met veel structuur.

inhoud


1. Doelstellingen van het onderzoek.

Belangrijkste onderzoekvragen:

1. Welke terreinen op de Meinweg worden door adders bezocht in voor- en najaar?

2. Hoe is de samenstelling van de vegetatie van de adderligplaatsen en hun directe omgeving?

3. Hoe is de structuur van vegetatie en bodemoppervlak van de adderligplaatsen en hun directe omgeving?

4. Welke aanbevelingen kunnen worden gegeven om tot een zo goed mogelijk beheer te komen dat gericht is op het handhaven en mogelijk uitbreiden van de adderpopulatie?

Andere onderzoeksvragen:

1. Worden de biotopen uit de onderzoeken van Frigge et.al. (1978) en Klompen & Smeets (1979) nog steeds bezocht door adders in 1998 en 1999?

2.Wat voor gedrag vertoont de adder op de Meinweg, speciaal in relatie tot het opzoeken van geschikte zonplekken?

Vrouwtjes adder op dorre bladeren van pijpenstrootje. aan de noordkant van de adder een pol pijpenstrootje (foto: Pedro Janssen)


inhoud

2. Opzet en methode.

Het onderzoek dat in dit rapport wordt beschreven, is uitgevoerd in het najaar van 1998 en voorjaar 1999 (30-8-98 tot 10-5-99). De gebieden die zijn onderzocht, liggen verspreid over het Nationaal Park de Meinweg ten zuidoosten van Roermond. Als uitgangspunt dienden de zoekplaatsen naar adders beschreven door Frigge et al. (1978) en Klompen & Smeets (1979). Ook informatie van Drs. A. Lenders, promotor van het onderzoek, is bij de bepaling van de terreintjes gebruikt. Het zoeken naar adders vindt plaats door zig zag door het terrein te lopen en te speuren naar zonnende dieren. Als een adder wordt waargenomen, wordt deze rustig benaderd en gevangen. Een zware (2 lagen) uitvoering lashandschoen wordt als bescherming tegen beten gebruikt. Het dier wordt vastgepakt achter de kop. Op het veldformulier worden de volgende gegevens verzameld:

·         Het geslacht. De kleur van het dier wordt vastgesteld en de lengte van de staart gemeten. Ook de verhouding van de lichaamslengte ten opzichte van de staartlengte kan hierbij worden gebruikt.

·         De lichaamslengte en de lengte van de staart. Het meten wordt gedaan met een timmermansduimstok met mm. verdeling. De adder wordt langs de meter gelegd waarbij de kop bij het begin van de meter wordt vast gehouden. De andere hand trekt zachtjes aan de staart zodat het dier iets uitrekt.

·         De formule van de kopschilden aan de bovenkant en aan de onderkant van de adderkop (A. Lenders, 2000). Bovendien worden van de boven- en onderkant van de kop dia’s gemaakt. (Kodak 100 ASA film, Nikon camera met 70 mm lens en een voorzetlensje nr. 4) Later is een macro-objectief van Tokina gebruikt.

·         De houding van het dier: Opgerold, languit, in een bocht of kruipend.

·         De ligging van het dier ten opzichte van de zon. Dit wordt met behulp van een kompas bepaald.

·         De samenstelling van de vegetatie op de ligplaats volgens Braun-Blanquet. Hiervoor wordt een vegetatie opname gemaakt van 2 bij 2meter met de adder als middelpunt. De symbolen die worden gebruikt zijn:

Bedekking 0

Geen exemplaren

Bedekking 0,5

Een of enkele exemplaren, bedekking < 5%

Bedekking 1

Meerdere exemplaren, bedekking <5%

Bedekking 2

5% tot 25% is bedekt

Bedekking 3

25% tot 50% is bedekt

Bedekking 4

50% tot 75% is bedekt

Bedekking 5

75% tot 100% is bedekt

·         Het gedeelte dat niet begroeid is in % van het opnamevlak.

·         De hoogte van de begroeiing in cm.

·         De structuur van de begroeiing en het grondoppervlak. Dit wordt gedaan door over twee vectoren de vegetatie structuur schaal 1:10 in te tekenen. Een vector loopt van noord naar zuid en een van oost naar west. De adder is steeds het middelpunt.

·         De Amersfoortcoördinaten van de vindplaats. In 1998 zijn de coördinaten bepaald met behulp van de stafkaart (SBB 1:5000), in 1999 met een GPS-apparaat. (Garmin GPS-12)

·         De temperatuur van de lucht op 1 meter hoogte en de temperatuur van de ligplek. De gebruikte alcoholthermometer wordt voor deze laatste bepaling op de zonplek gelegd totdat de temperatuur niet meer verandert. De verdeling is in hele graden.

·         Het weertype: Zon, zonnig, licht bewolkt, bewolkt, motregen en regen.

·         Bijzonderheden zoals wonden, zwangerschap en kleurafwijkingen.

·         De zoektijden en het aantal personen.

·         Vindplaatsen van de gladde slang (Coronélla austriaca). Door gebrek aan gegevens werden ook van deze soort vindplaatsen genoteerd.

·         De gegevens die zijn verkregen, werden in het database programma Acces versie 1997 ingevoerd. Alle terreintjes zijn meerdere malen bezocht, zowel in het najaar als in het voorjaar. Niet alle winterverblijven van adders op de Meinweg zijn bezocht. Door andere onderzoekers zijn nog, tot dan toe onbekende, winterverblijven gevonden. Deze zijn ook op de kaart aangegeven.

De tabellen en grafieken die in het verslag zijn opgenomen, werden gemaakt m.b.v. het programma Excel 1997.

inhoud


3. Enkele eocologische en ethologische aspecten van de adder op de Meinweg.

3.1. Inleiding.

De verzamelde gegevens geven veel informatie over de ethologie van de adder op de Meinweg. Deze gegevens worden met andere literatuurgegevens vergeleken om te onderzoeken of de adders op de Meinweg al of niet afwijkend gedrag vertonen. Ook kunnen deze gegevens van belang zijn bij het onderzoek van de vegetatie en vegetatiestructuur van adderligplaatsen.

Op het veldformulier zijn de volgende waarnemingen genoteerd van de adder en haar ligplaats:

  1. het geslacht
  2. de leeftijd
  3. de datum van de waarneming
  4. het tijdstip van de waarneming
  5. het weertype
  6. temperatuur van de lucht
  7. temperatuur van de ligplaats
  8. de vindplaats

 

  1. de schubformule met bijzonderheden
  2. lichaamslengte en staartlengte
  3. expositie ten opzichte van de zon
  4. expositie op de bodem
  5. de vegetatie en zijn bedekking
  6. de vegetatiestructuur van de adderligplaats
  7. het percentage van de bodem dat niet begroeid is

 

 

De onderdelen 1 tot en met 12 worden beschreven in hoofdstuk 3. De onderdelen 13,14 en 15 worden uitgewerkt in hoofdstuk 4.

In bovenstaand diagram worden de zoektijden aangegeven. De grafiek maakt duidelijk dat er op alle momenten van de dag tussen 08.00 uur en 19.00 uur is gezocht. De waarnemingen zijn verricht van 31-8-1998 tot en met 6-11-1999 en van 13-3-1999 tot en met 10-5-1999, verdeeld over 45 verschillende dagen. Het totaal aantal zoekuren is ongeveer 125 (omgerekend naar aantal personen is dit 175). In de meeste gevallen is het gebied alleen bezocht, een aantal keren met twee personen. Bijlage 2 geeft een overzicht van de zoektijden, de zoekdata, het weertype, en de temperaturen van lucht en bodem tijdens het zoeken, als ook de zoekplaatsen en de vangsten.

3.2. Adderwaarnemingen (1 en 3).

Uit de diagrammen blijkt dat er 74 adders zijn gevangen. Tevens zijn zes huidjes gevonden. Er zijn minder mannetjes gevangen dan vrouwtjes. De vrouwtjes werden vooral waargenomen in het najaar van 1998. De mannetjes werden vooral gevangen in het voorjaar van 1999. Van de 24 vrouwtjes die in het najaar van 1998 werden gevangen, waren er tenminste zestien zwanger of zwanger geweest. De vrouwtjes kregen pas vanaf half september tot half oktober jongen en hebben dus veel moeten zonnen om de jongen goed te laten ontwikkelen. De eerste juvenielen zijn waargenomen op 19 sept. 1998. Eén van deze juvenielen werd geboren tijdens het meten van de moeder. Op 13-10-99 werden twee groepen juvenielen gevonden. Een groep van drie in het Boschbeekdal en een groep van zes in de Slenk. Indien groepjes juvenielen tezamen worden waargenomen duidt dit op een recente geboorte (Schiemenz, 1987). Het is dus duidelijk dat nog laat in het najaar van 1998 geboorten hebben plaatsgevonden. In 1999 werden tijdens het monitoren op 20 augustus al juvenielen waargenomen. Het weer in 1999 is vanaf april uitzonderlijk goed geweest wat zon en warmte betreft. De mannetjes hebben een goed voorjaar gehad en de periode waarin mannetjes zijn waargenomen, is erg kort geweest. De mannetjes zonnen in het voorjaar veel om hun spermacellen te laten rijpen. Vanwege het goede weer is dat blijkbaar erg snel gegaan. De meeste mannetjes zijn in de periode van 3-4-99 tot 19-4-99 gevangen. Vanaf de laatste datum zijn de mannetjes op zoek gegaan naar vrouwtjes. Zo werden op 1-5-99 en 2-5-99 twee mannetje waargenomen die het Elfenmeertje overzwommen en vervolgens in het bos verdwenen (mond. med. P. Keijsers).

De eerste vervellingshuiden zijn gevonden vanaf 19-4-99. De mannetjes zullen pas na het afstropen van hun huid in het voorjaar een vrouwtje proberen te bevruchten (Schiemenz, 1987). Ook dit wijst erop dat de zaadcellen al vroeg voldoende ontwikkeld waren, zodat de mannetjes al snel op zoek konden gaan naar vrouwtjes, die bereid waren om te paren. De vrouwtjes, die gevangen zijn in het voorjaar 1999, waren goed doorvoed. Sommige hadden een prooi gevangen die duidelijk voelbaar was door wrijven over de buik. Dit is opvallend omdat literatuur aangeeft dat vrouwtjes, in het voorjaar, niet of slechts zelden eten voordat ze zwanger worden (Schiemenz, 1987). Later is deze veronderstelling herroepen en blijken vrouwtjes ook voor en tijdens de zwangerschap prooidieren te vangen (Schiemenz, 1995).

In het najaar van 1998 zijn vijftien juvenielen waargenomen, in het voorjaar daarop geen enkele meer. Ook één- en tweejarige worden niet of weinig gezien. Mogelijk geeft dit aan, dat erg weinig juvenielen de winterperiode overleven. Saint-Girons (in Lamberts & van Rijst, 1988) geeft aan dat slechts 16% van de juvenielen de eerste drie levensjaren overleven. Een andere mogelijkheid is dat vrouwtjes, die niet zwanger zijn en mannetjes die nog geen zaadcellen produceren, weinig zonnen en daardoor ook niet worden opgemerkt. Dit wordt bevestigd door het geringe aantal vangsten van vrouwtjes in het voorjaar (12) ten opzichte van die in het najaar (24). De mannetjes werden daarentegen vooral gevangen in het voorjaar nl. twaalf, ten opzichte van drie in het najaar.

inhoud

Uit bovenstaande grafiek kan worden opgemaakt dat mannetjes eerder uit het winterverblijf komen dan vrouwtjes. Dit betekent dat mannetjes eerder in het seizoen gaan zonnen dan de vrouwtjes. Schiemenz (1987) geeft aan dat mannetjes ongeveer twee weken eerder uit het winterverblijf tevoorschijn komen dan de vrouwtjes om hun spermacellen te laten rijpen. De mannetjes paren nadat ze in het voorjaar hun oude huid hebben afgeworpen. De mannetjes, die gevangen zijn, hadden het kenmerk dat ze snel gingen vervellen. De eerste twee huidjes zijn op 17-4-99 gevonden. Op 16-4-99 is het eerste mannetje gevangen dat al verveld was. De kleuren waren zeer contrastrijk. Dit mannetje werd in ‘t Loom waargenomen samen met een vrouwtje. De afstand tussen beide was 20 cm. Tijdens de onderzoeksperiode is het Meinweggebied vrijwel dagelijks bezocht. Indien vrouwtjes en mannetjes in de directe omgeving van elkaar worden aangetroffen, is de kans op paring groot (Schiemenz, 1987). Paringen hebben dus mogelijk plaatsgevonden vanaf 17-4-99. P. Keijsers heeft een paring in de omgeving van het Elfenmeertje gefilmd op 1 mei 1999. Opvallend is dat vanaf het moment dat er huidjes gevonden zijn het aantal vangsten sterk afneemt. Concluderend kan worden gezegd dat:

·         De waarnemingen over het gedrag van de adders in de omgeving van winterverblijven op de Meinweg overeenkomen met het gedrag van adders zoals dat beschreven is door Schiemenz (1987).

·         Vrouwtjes vooral worden gevangen in het najaar. Deze vrouwtjes zijn meestal zwanger en zonnen dan veelvuldig om de jongen te laten ontwikkelen.

·         Mannetjes vooral worden gevangen in het voorjaar totdat ze hun eerste huid afstropen en eventueel daarna tot de paringen hebben plaatsgevonden. Zij zonnen in die periode om hun zaad te laten rijpen.

·         Er weinig niet-zwangere vrouwtjes worden gevangen hetgeen kan betekenen dat niet-zwangere vrouwtjes veel minder vaak en/of veel korter zonnen dan zwangere vrouwtjes.

·         Terugvangsten van vrouwtjes weinig voorkomen omdat hun cyclus twee jaar is. Het jaar na de worp van de jongen zonnen de vrouwtjes veel minder. Dit blijkt uit het beperkte aantal vangsten van niet-zwangere vrouwtjes. Ook Schiemenz (1987) maakt hier melding van. Er zijn weinig terugvangsten van mannetjes geregistreerd omdat de periode waarin mannetjes worden gevangen erg kort is. Deze duurt tot de eerste vervelling, die al in april kan plaatsvinden. Alleen bij zeer intensief veldwerk in het voorjaar zou het aantal terugvangsten kunnen toenemen.

inhoud

3.3. Temperatuurbepaling ( 6 en 7 ). 

 

Luchttemp. ºC.

Bodemtemp. ºC.

Hoogste temperatuur

24

31

Laagste temperatuur

8

11

Gemiddelde temperatuur

16,9

19,6

De bodemtemperatuur werd gemeten op de plek waar de adder heeft gelegen. De thermometer is daarvoor op de zonplaats gelegd. De luchttemperatuur is gemeten op 1meter boven de grond in de schaduw. Op deze manier kan het effect van de instraling voor de adder worden bepaald. Ook de invloed van de begroeiing bepaalt of de temperatuur van de ligplaats hoger wordt dan de luchttemperatuur. De ondergrond waarop de adder ligt is eveneens van belang. De ligplaats moet veel humus met een donkere kleur te bevatten om daarmee veel straling te absorberen (Lamberts & van der Rijst, 1988). Op de aspecten van ondergrond en begroeiing zal in het hoofdstuk "Vegetatie van de adderligplaatsen" uitvoerig worden ingegaan.

De bodemtemperatuur ligt tussen de 15ºC en 31ºC. De gemiddelde temperatuur van de bodem is 2,7ºC. hoger dan die van de lucht. De adder heeft het vermogen om de stralingsenergie van de zon op te vangen en op te slaan. Om de warmte goed vast te houden rolt de adder zich op. De adders, die gevangen zijn, lagen bijna altijd te zonnen. Als ze kruipend werden gezien, dan was dat veelal een gevolg van verstoring door de onderzoeker. Het temperatuursverschil tussen de lucht en de ligplaats bedroeg maximaal 12°C. Wanneer het verschil 0°C. bedroeg was er enige tijd voor de vangst meer zoninstraling. De grootste verschillen zijn gevonden in het voorjaar toen de luchttemperaturen nog laag waren met weinig of geen bewolking. De instraling was dan blijkbaar erg groot waardoor het voor de adder zinvol was om te zonnen. Als de bodemtemperatuur daalde als gevolg van opkomende bewolking werd de bodemtemperatuur gelijk aan de luchttemperatuur. Binnen een half uur werden nog wel adders gevonden maar daarna niet meer. Juvenielen lieten zich bij lage lucht- en bodemtemperaturen meer zien dan adulten. De laagste luchttemperatuur waarbij een vangst werd gedaan, was 8°C. De ligplaats had toen een temperatuur van 20°C. De zon scheen volop hetgeen inhoudt dat adders bij voldoende zon al bij een lage temperatuur gingen zonnen. Juist in het voorjaar komen dergelijke weertypen vaker voor en kunnen met name mannetjes al vroeg in het jaar gebruik maken van de instraling door de zon. Wanneer de temperatuur van de lucht boven de 25ºC. komt, worden er geen adders meer gevonden. Bij een luchttemperatuur tussen de 15ºC en 20ºC. werden de meeste adders gevangen. De bodemtemperatuur is bijna altijd hoger dan die van de lucht hetgeen ook uit de grafiek blijkt.

Wordt de temperatuur te hoog dan heeft de adder geen reden meer om te zonnen. Onder het gras is het dan warm genoeg en natuurlijk veel minder gevaarlijk. Indien de adder een temperatuur bereikt van 25ºC. houdt ze op met zonnen en gaat op zoek naar prooi (Claus, 1987). Mogelijk dat vrouwtjes in het najaar voor langere tijd een optimale temperatuur willen hebben om hun jongen goed te laten ontwikkelen. Ook geldt dit voor mannetjes in het voorjaar voor wat betreft de ontwikkeling van de zaadcellen. Dit kan een belangrijke reden zijn dat mannetjes die zich willen voortplanten en zwangere vrouwtjes in deze situatie langer zonnen. Beneden een luchttemperatuur van 14ºC. is het zoeken naar adders niet zinvol omdat de dieren dan weinig of niet zonnen. Alleen als er voldoende zon is bij deze temperatuur zoals dit met name in het voorjaar voorkomt, kunnen adders worden waargenomen.

inhoud

3.4. Het weertype tijdens de vangsten (5).

Kijkend naar het weertype blijkt dat adders niet erg kieskeurig zijn. Zelfs bij regenweer zijn adders gevangen. Wel was het dan, voorafgaande aan de regen of motregen, redelijk zonnig geweest of bedroeg de temperatuur meer dan 17°C. Ook felle zon hoeft geen belemmering te zijn, hoewel er dan minder adders worden waargenomen dan bij zon met bewolking. Het beste weertype om adders te vangen is bij bewolking, eventueel afgewisseld met zon. Juist dan zonnen de adders graag en waarschijnlijk ook het langst. De instraling zorgt ook bij bewolking voor wat extra warmte, maar niet zoveel dat de adder een te hoge lichaamstemperatuur krijgt. De temperatuur van de bodem is bij bewolking enkele graden hoger dan die van de lucht. Komt de temperatuur van de lucht onder de 15ºC. en is er bewolking, dan worden er vrijwel geen adders meer waargenomen.

3.5. Tijdstip van de vangsten (4).

Alle vangsten zijn gedaan in de periode dat de zomertijd in Nederland werd gehanteerd. De tijden zijn gegeven in de zomertijd. De officiële tijd is dus een uur eerder. In paragraaf 3.1. is een grafiek opgenomen over de zoektijden. De grafiek laat zien dat het zoeken naar adders goed gespreid is over de dag. Bovenstaand diagram geeft de verdeling van de vangsten over de dag weer. De eerste vangst heeft ‘s morgens om 10.00 uur plaatsgevonden, de laatste ‘s middags om 18.00 uur. De verdeling over de dag laat zien dat er een piek van vangsten is rond het middaguur. Toch is er een redelijke verdeling van vangsten over de gehele dag. Ook wordt duidelijk dat de meeste adders voor 13.00 uur werden gevangen. Samengevat betekent dit dat de adder zich niet alleen door het tijdstip van de dag laat leiden om te gaan zonnen maar veel meer door de temperatuur en het weertype. In het veld worden adders vaak na een regenbui waargenomen als de zon door de bewolking breekt. Tijdens hun verblijf in de omgeving van de winterverblijven in het voorjaar en najaar staat de zon, voor 10.00 uur en na 18.00 uur blijkbaar te laag om voldoende stralingswarmte aan de adder te geven. Rond 11.00 uur is het moment aangebroken om een ligplaats op te zoeken. In het algemeen kan gezegd worden dat in voor- en najaar vanaf 11.00 uur de trefkans op adders, die aan het zonnen zijn, het grootste is. De weersomstandigheden bepalen verder of er later op de dag tot 18.00 uur nog adders gaan zonnen.

3.6. De houding van de adders op de vindplaatsen (12).

De houding van de adder op de bodem toont geen duidelijke verschillen tussen mannen en vrouwen. In de meeste gevallen liggen de adders opgerold. Op deze manier kunnen ze het beste de warmte vasthouden en is de afkoeling van het lichaam bij, een (plotselinge) lagere luchttemperatuur, minder (Claus, 1988). Als de adders gaan zonnen, liggen ze eerst languit, al dan niet afgeplat. Na enige tijd gaan ze in een lus liggen om vervolgens zich helemaal op te rollen. Wanneer ze het te warm krijgen, kunnen ze door van positie te veranderen de lichaamstemperatuur reguleren. Ze kunnen vanuit de opgerolde houding in een lus gaan liggen of weer languit waardoor de uitstraling van warmte groter wordt (Claus, 1988). Meestal zullen ze echter onder de vegetatie verdwijnen om hun temperatuur te regelen, omdat dat veel veiliger is. De exemplaren die kruipend zijn gevangen, werden in de meeste gevallen in de buurt van een ligplaats waargenomen. Verwacht mag worden dat deze adders door verstoring van de zoeker wegvluchten. Slechts een enkele maal is een adder in dichte vegetatie kruipend waargenomen. Er kan dan ook worden aangenomen dat de adder vrijwel alleen wordt waargenomen als deze aan het zonnen is. De juvenielen (14), die tijdens het onderzoek zijn aangetroffen lagen vaker languit dan opgerold. De juvenielen werden allen in het najaar gezien. Blijkbaar willen ze zoveel mogelijk van de zon profiteren door languit gaan te liggen. Als de juvenielen lagen opgerold was het bewolkt of regenachtig. Als ze gestrekt lagen was er volop zon of zon met sluierbewolking.

inhoud

3.7. De expositie van de adder ten opzichte van de zon. (11)

De expositie van de adder ten opzichte van de zon laat zien dat de adder zoveel mogelijk zon probeert op te vangen. Het dier zal in de meeste gevallen de zonnestralen recht op het lichaam laten vallen. Afhankelijk van de hoek van inval van de zonnenstralen kunnen de oppervlaktetemperaturen meer dan 10ºC. uiteenlopen (Lamberts & van der Rijst, 1988). Het bepalen van deze expositie is niet altijd gemakkelijk. Bij bewolking is er geen duidelijke expositie vast te stellen. Ook als de adder kruipt is er geen sprake van een expositie. Er moet vooral worden gekeken of de adder zonnestralen ontvangt of niet. Een adder, die blijkbaar in de middaguren een zuid-oostelijke ligging heeft, kan toch veel zonnestralen opvangen met de zijkant van zijn opgerolde lichaam. Bij beoordeling van de situatieschets van de adderligplaatsen met een zuid-oostelijke expositie wordt achteraf inzichtelijk of de zonnestralen de adder voldoende raken. Duidelijk is echter dat de adders een expositie innemen, die ligt tussen zuid-oostelijk en westelijk. Ook is er een verplaatsing waar te nemen van expositie gedurende de dag. Een oostelijke expositie komt niet voor. De zon staat ‘s morgens nog te laag, waardoor de adder geen straling kan opvangen. De eerste vangsten zijn gedaan om 10.00 uur zomertijd. De zon staat dan al in het zuid-oosten. De adders die voor 13.00 uur zomertijd worden gevangen, hebben een zuidelijk georiënteerde expositie. De adders die tussen 13.00 uur en 16.00 uur worden gevangen, hebben een zuid-westelijke expositie. Adders gevangen na 17.00 uur hebben een westelijke expositie. De adders draaien dus met de zon mee. Bij de bespreking over de vegetatie zal nader worden ingegaan op de expositie van de zonplekken.

3.8. Lengte van lichaam en staart van de adders.(10)

De gegevens van de lichaamslengte bevestigen het al bekende beeld dat de vrouwtjes gemiddeld groter zijn dan de mannetjes. De gemiddelde lichaamslengte van adulten is bij de mannetjes 46,8cm. en bij de vrouwtjes 52,4cm. Onder adulte dieren verstaan we adders die geslachtsrijp zijn. Dit is meestal na het vierde levensjaar (Schiemenz, 1987). De gemiddelde staartlengte is bij de mannetjes 7,2cm, bij de vrouwtjes 6,2 cm. Ervan uitgaande dat de lengte met de leeftijd blijft toenemen, lijkt het er dus op dat de adders een hoge leeftijd hebben op de Meinweg. Ze kunnen een lichaamslengte bereiken van minimaal 58 cm voor mannetjes en 61 cm voor vrouwtjes. Wordt de staartlengte bij de lichaamslengte opgeteld dan is de lengte van het grootste mannetje dat is gevangen vrijwel gelijk aan die van het grootste vrouwtje namelijk, respectievelijk 67 en 68 cm De sterftekans stijgt met de ouderdom. De sterfte bij de mannetjes lijkt vanaf 51cm sterk toe te nemen. Bij de vrouwtjes is dat vanaf 57 cm. Van de negen juvenielen hebben er vier een lengte van 15 cm en vijf een lengte van 16 cm. De staartlengte is bij acht exemplaren 2 cm en bij één exemplaar 2,5 cm. De metingen zijn steeds afgerond op 0,5 cm. Volgens Schiemenz (1987) bereiken de vrouwtjes onder optimale condities de eerste drie levensjaren na hun eerste overwintering een lichaamslengte van 53 cm. Ze zijn dan 3,5 jaar oud. Na 4,5 jaar worden ze onder deze optimale omstandigheden geslachtsrijp. In het vrije veld groeien ze langzamer en zullen ze na 3,5 jaar een lengte bereiken van 44 cm. In het vierde jaar zijn ze ongeveer 48 cm (Schiemenz, 1987). De lengte van de gevangen vrouwtjes die zwanger waren was minimaal 48 cm. Vergeleken met de literatuurgegevens van Schiemenz (1987) kan dan ook geconcludeerd worden dat vrouwtjes op de Meinweg na 4,5 jaar geslachtrijp zijn. De mannetjes zijn volgens Schiemenz (1987) onder optimale omstandigheden in een terrarium na 3,5 jaar geslachtsrijp, de lengte is dan ongeveer 47 cm. In het veld is het mannetje ook geslachtsrijp na 3,5 jaar en de lengte is dan ongeveer 36 cm (Schiemenz, 1987). De mannetjes, die op de Meinweg gevangen zijn, hadden een minimale lengte van 39 cm. Er kan worden aangenomen dat mannetjes, op de Meinweg, dus vanaf 39 cm geslachtsrijp zijn. De leeftijd bedraagt dan afhankelijk van de groeisnelheid 3,5 of 4,5 jaar.

inhoud


4. De vegetatiesamenstelling van de adderligplaatsen.

4.1. Inleiding.

Tijdens veldwerk worden adders vooral aangetroffen in vegetaties met pijpenstrootje en struikheide. De ligplaatsen bevinden zich meestal in een vergraste heide. In de literatuur wordt aangegeven dat adders vooral voorkomen in heidevegetaties, die rijk zijn aan structuur. In dit hoofdstuk wordt beschreven in welke vegetatie de adder in het Meinweggebied vooral zijn ligplaatsen heeft. De oecologische gegevens van de verschillende plantensoorten zijn ontleend aan Weeda et.al.(1994).

De vegetatie is volgens de methode Braun-Blanquet opgenomen in een vlak van 2 bij 2 meter met de adderligplaats als middelpunt. De waarden die zijn gebruikt hebben de volgende betekenis:

Bedekking 0

Geen exemplaren

Bedekking 0,5

Een of enkele exemplaren, bedekking < 5%

Bedekking 1

Meerdere exemplaren, bedekking <5%

Bedekking 2

5% tot 25% is bedekt

Bedekking 3

25% tot 50% is bedekt

Bedekking 4

50% tot 75% is bedekt

Bedekking 5

75% tot 100% is bedekt

De onderstaande tabel geeft aan welke plantensoorten zijn aangetroffen op de ligplaatsen van de adders. Ook het aantal keren dat de plant is aangetroffen, is opgenomen in de tabel.

Soort

Soort

aantal keren

Percentage

Pijpenstrootje

Molínea caerúlea

71

97%

Struikheide

Callúna vulgáris

34

47%

Gagel

Myríca gále

32

44%

Dopheide

Eríca tétralix

27

37%

Bochtige smele

Deschámpsia flexuósa

18

25%

Vuilboom

Frángula álnus

16

22%

Berk

Bétula spp.

14

19%

Mos spp.

 

14

19%

Adelaarsvaren

Pteridíum aquilínum

6

8%

Korstmos spp.

 

2

3%

Braam

Rúbus spp.

2

3%

Grove den

Pínus Sylvéstris

1

1%

Zomereik

Quércus robur

1

1%

 

 

 

 

 

Totaal aantal opnamen

73

100%

4.2. Pijpenstrootje (Molínea caerúlea).

Pijpenstrootje komt in vrijwel elke opname voor (97%). Er kan worden gesteld dat pijpenstrootje een voorwaarde is voor een plek die kan dienen als ligplaats voor de adder. De bedekkingsgraad die pijpenstrootje op de ligplaatsen van de adders heeft varieert. De adder wordt het meest aangetroffen op plekken waar pijpenstrootje een bedekking van 2 of meer heeft. Plekken met een bedekking van 3 blijken het meest bezocht door de adder.

Duidelijk is dat de adder wordt aangetroffen op plaatsen waar pollen pijpenstrootje staan met een hoogte tussen de 20 en 40 cm (totaal 73% van de 73 ligplaatsen). Uit de bovenstaande gegevens volgt dat de adder een voorkeur heeft voor zonplekken met pijpenstrootje en dat de pollen van de plant goed moeten zijn ontwikkeld.

De eocologie van pijpenstrootje.

Pijpenstrootje is een successieplant, die in Nederland vooral op de pleistocene zandgronden voorkomt. Deze gronden zijn matig tot zuur, kalkarm en ook voedselarm. De bodem moet niet al te droog, maar ook niet blijvend nat zijn. De bodem moet daarbij uit humus tot venig zand bestaan. Juist het wisselen van de waterstand bevordert de groei van pijpenstrootje. Wanneer de hoeveelheid humus toeneemt en daarmee ook het zuurgehalte, hebben andere soorten steeds minder kans om zich te vestigen. Pijpenstrootje lijkt onder deze omstandigheden juist goed te gedijen. De plant vormt een monotone begroeiing waarin ze alle andere planten verstikt. Pijpenstrootje kan in de schaduw groeien, maar heeft een voorkeur voor zonnige plekken. De plant haalt zijn voedselreserves in het najaar uit zijn halmen en bladeren en slaat deze op in de stengelbasis en wortels. Op deze manier is pijpenstrootje op voedselarme plekken goed bestand tegen concurrentie van andere soorten. Naarmate de plant ouder wordt dijen de pollen steeds verder uit. De voortplanting geschiedt door zijn zaad. Alleen een beheer van vroeg maaien of begrazing, dringt pijpenstrootje terug. De aanwezigheid van pijpenstrootje in elzen-eikenbossen geeft aan dat er verdroging en verzuring optreedt, meestal als gevolg van grondwaterdaling. Pijpenstrootje is een soort die een belangrijke plaats inneemt in heidevegetaties. Vooral vochtige en natte heideterreinen blijken goede vestigingsplaatsen. Ook drogere heide met een leemlaag, zoals die onder heidevennen voorkomt, is geschikt terrein. Door menselijke invloed is de grondwaterstand veelal gedaald. Het gevolg is, dat de waterstand op veel plaatsen fluctueert, waardoor pijpenstrootje een ideaal vestigingsklimaat heeft. Pijpenstrootje ontwikkelt zich tot grote pollen die horstvorming veroorzaken. Indien de waterstand hoger wordt, waarbij de plant steeds met de voet in het water staat, sterft ze af.

Op de Meinweg zijn grote delen van de heideterreinen vanaf 1950 sterk vergrast. Pijpenstrootje heeft zich in de vochtige delen goed kunnen vestigen en kunnen uitbreiden mede als gevolg van verdroging door grondwateronttrekking. De eerste jaren vormt pijpenstrootje nog geen pollen. Pas na minimaal 15 jaar worden de pollen zo groot dat adders er bescherming in en tussen kunnen zoeken. De structuur van de pol is van alle kanten erg dicht en stevig maar bestaat ook voor een groot deel uit verdorde bladeren. De adders kunnen er gemakkelijk inkruipen en beschutting zoeken. Door deze dichte structuur isoleert de pol de warmte goed en kunnen predatoren moeilijk een opgerolde adder te pakken te krijgen. Uit de gegevens blijkt dat adders een voorkeur hebben voor pollen tussen de 20 en 40 cm hoogte. Voor de adder is het gemakkelijk om zich in de pol schuil te houden. Bij gunstige omstandigheden kruipt het dier uit de pol en gaat op of in de directe omgeving van de pol zonnen. Wanneer de pollen nog groter worden dan gaan ze ware bulten vormen. De onderkant van de pol wordt smaller. Andere planten krijgen geen kans meer om zich te vestiggen ( geen zonlicht op de bodem) met als gevolg een monocultuur van hoge pollen pijpenstrootje. Het grondoppervlak is aan de basis van de pol niet meer begroeid en ook de bladeren geven hier geen beschutting. Zonplekken zijn voor de adder nu moeilijker te vinden. De bovenkant van de pol ligt 40 cm of hoger boven de grond. Er is geen gelijkmatige overgang van de bodem naar de zijkant en bovenkant van de pol. De adder kan dus niet tegen de zijkant van de pol liggen en aan de onderkant komt geen zonlicht. De bovenkant van de pol geeft geen bescherming tegen roofvogels omdat er in deze vegetaties geen struiken voorkomen die bescherming geven.

Vrouwtjesadder ligt verscholen tussen pijpenstrootje.

 


inhoud

5. Vegetatatiestructuur van de adderligplaatsen.

5.1. Inleiding.

Van de adderligplaatsen zijn situatieschetsen gemaakt (schaal 1:10) over een oppervlak van 1 bij 1 meter. De tekening geeft een bovenaanzicht van de vegetatie weer met de adderligplaats als middelpunt. Vervolgens is de structuur van de vegetatie over een noordzuidelijke en een westoostelijke vector getekend met de adderligplaats als middelpunt. Ook hier is schaal 1:10 gebruikt. De lengte van deze vectoren zijn steeds 2 meter. De tekeningen geven informatie over de aangetroffen plantensoorten en de structuur van de vegetatie. Ook komt de structuur van de bodem tot uiting. Bij het onderzoek naar de structuur van de vegetatie op de adderligplaatsen, zijn de gegevens alleen opgenomen, als adders duidelijk lagen te zonnen. In totaal zijn de ligplaatsen van 45 zonnende adders gebruikt. Bij het bepalen van de vegetatiehoogte zijn de hoogten gemeten tot waar de stengels van de planten reikten. De gegevens over de structuur van de vegetatie zijn uitgewerkt tot 30 cm van de adderligplaats en tussen 30-60 cm van de ligplaats. De afstand is bepaald vanaf het middelpunt van de ligplaats.

inhoud

5.2. Vegetatiestructuur tot 30 cm van de adderplaats.

Grafiek 5.1.1. geeft de hoogten van de vegetatie weer t.o.v. de adderligplaats in de vier windrichtingen noord, oost, west en zuid tot 30 cm van de adderligplaats. Bij het maken van de grafiek, zijn de gegevens per ligplaats zo geordend, dat de hoogte van de vegetatie aan de zuidkant van links naar rechts oploopt. De grafiek maakt duidelijk dat:

·         Zuidelijk van de adderligplaats de begroeiing over het algemeen het laagst is (67%) en dat noordelijk van de adderligplaats de begroeiing het hoogst is (54%).

·         De hoogten van de vegetatie, zuidelijk van de adderligplaats, varieert van minus 20 tot plus 50 cm en bij 84% van de adderligplaatsen is de hoogte lager dan 25 cm.

·         Aan de zuidkant bij 50% de hoogte van de vegetatie niet hoger of zelfs lager is dan die van de adderligplaats.

·         De hoogte van de vegetatie noordelijk van de adder variëert van minus 15 tot plus 250 cm.

·         Oostelijk van de adder is de vegetatie over het algemeen lager dan aan de noordzijde en weer hoger dan aan de zuidzijde van de ligplaats.

·         De westzijde vertoont veelovereenkomsten met de noordzijde.

Grafiek 5.1.1.

In grafiek 5.1.2 is de maximale hoogte van de vegetatie weergegeven in een straal van 30 cm om de adderligplaats. Op 73% van de vindplaatsen is de begroeiing binnen de genoemde straal hoger dan 30 cm. De structuur van de begroeiing of van de bodem moet dus in de omgeving van de ligplaatsen sterk variëren. Binnen enkele decimeters moet de adder een plek kunnen bereiken om weg te kunnen kruipen als er gevaar dreigt of als ze de lichaamstemperatuur wil reguleren.

Grafiek 5.1.2.

De adder heeft een voorkeur voor een ligplaats die zuidelijk geëxponeerd is. Grafiek 5.1.3. laat zien dat zuidelijk van de adder de hoogte van de vegetatie of bodem in 60% van de gevallen niet hoger is dan 10 cm. Het komt zelfs regelmatig (24% van de gevallen) voor dat de begroeiing zuidelijk van de adder lager is dan op de ligplaats zelf. Slechts 2 maal is de vegetatie aan de zuidkant hoger dan 40 cm en nooit hoger dan 60 cm. De noordkant geeft een heel ander beeld. Op 53% van de ligplaatsen is de begroeiing hoger dan 30 cm, op 64% hoger dan 20 cm. De adder zoekt dus over het algemeen een plek op die zuidelijk van zijn ligplaats een lage begroeiing heeft. De oostelijke kant van de adderligplaats heeft veel overeenkomst met de zuidkant. Bij 20% van de ligplaatsen is de begroeiing lager dan op de ligplaats zelf. In 49% van de gevallen is de begroeiing niet hoger dan 20 cm t.o.v. de adderligplaats. De grafieken 5.1.3. en 5.1.4. laten zien dat de oostkant en de zuidkant van de adder de meeste overeenkomsten vertonen, alsmede de noordkant met de westkant. De adderligplaatsen moeten dus binnen 30 cm aan de oost- en/of zuidkant een laag gedeelte bezitten. De adder heeft bovendien een voorkeur voor plekken die aan de noord- en oostkant een hogere begroeiing dan zijn ligplaats hebben. De ligplaats vormt een kom zodat de zonnestralen gemakkelijk de adder van de oost- en zuidkant kunnen bereiken. Adders gaan zonnen vanaf 10.00 uur. De zon staat dan nog erg oostelijk. In het voor- en najaar staat de zon laag aan de hemel. De stralen moeten de adder goed kunnen bereiken. Daarom kiest de adder een plek die aan de oost- en zuidkant niet hoger begroeid is dan 20 cm t.o.v. zijn ligplaats. Adders lijken vooral te zonnen voor 14.00 uur zomertijd. De hoogte van de vegetatie aan de west- en noordzijde is dan ook minder van belang voor wat betreft het opvangen van zonnestralen. Wel is de hoogte van belang om op korte afstand een goede vluchtplaats te hebben. De temperatuur van de adderligplaats wordt vaak en tevens gunstig beïnvloed doordat de adder aan de noord- en oostkant beschut wordt voor de wind. Omdat de verdroogde bladeren van pijpenstrootje, afgevallen bladeren van vuilboom en gagel en de donkere kleur van humus op de grond de warmte goed kunnen absorberen onstaat er voor de adder een optimale plek om optimaal te kunnen profiteren van de zonnestralen.

Grafiek 5.1.3.

Grafiek 5.1.4.

inhoud

5.3. Vegetatiestructuur tussen 30 en 60 cm van de adderligplaats.

De zuidkant van de adderligplaatsen laat tussen 30 en 60 cm van de adderligplaats een vegetatiehoogte zien, die in de meeste gevallen lager is dan de oost-, west-, en noordkant. De hoogte aan de zuidkant varieert tussen –20 en +70 cm. Daar waar de vegetatie aan de zuidkant een hoogte bereikt van 20 cm, is de vegetatiehoogte aan de zuid-, oost- en /of noordkant nog hoger.

De adder heeft een voorkeur voor een plek die, tussen 30 en 60 cm van de ligplaats, zuidelijk een lage begroeiing heeft. Noordelijk is de begroeiing het hoogste.

Grafiek 5.2.1.

Grafiek 5.2.2. geeft aan dat op een afstand van 30 tot 60 cm bij 93% van de ligplaatsen de begroeiing hoger is dan 20 cm, bij 82% hoger dan 30 cm. Ook wordt duidelijk dat de vegetatie in een straal van 30 tot 60 cm niet hoger dan 70 cm moet zijn. Er is in dat geval opslag van heesters en bomen, die teveel zonnestralen wegvangen. De adder kan geen geschikte zonplekken meer vinden. Uit veldwaarnemingen tijdens het onderzoek blijkt dat de adder in biotopen met gagel en vuilboom veelal de randen van deze vegetaties opzoekt om goed te kunnen zonnen. De hoogste begroeiing (gagel en/of vuilboom) staat dan noordelijk van de adderligplaats.

Grafiek 5.2.2.

Grafiek 5.2.3. geeft een gedetailleerd beeld van de hoogte van de begroeiing aan de oost-, west-, noord- en zuidkant. De vegetatiehoogte aan de zuidkant is bij 93% lager dan 40 cm, bij 58% lager dan 20 cm. De begroeiing aan de oost- en westkant vertoont veel overeenkomst met elkaar. De vegetatie aan deze zijden is bij 69% hoger dan 20 cm, bij 76% lager dan 30 cm. Noordelijk van de ligplaats is de begroeiing over het algemeen het hoogst; bij 73% is deze hoger dan 30 cm. Geconcludeerd kan worden dat tussen 30 en 60cm. van de adderligplaats, de hoogte van de vegetatie aan de zuidkant het laagst moet zijn. De zonnestralen moeten de adder goed kunnen bereiken. Daarbij is de vegetatie aan de oost- en westkant hoger dan aan de zuidkant maar tevens niet al te hoog. Deze komt overeen met de hoogte van een pol pijpenstrootje die ongeveer 15 jaar oud is of de hoogte van goed ontwikkelde struikheide. Beiden bereiken na ongeveer 15 jaar een hoogte van 20 tot 40 cm. Noordelijk van de ligplaats is de begroeiing duidelijk hoger dan aan de andere zijden zodat de adder binnen een straal van 60 cm altijd een plek heeft om weg te kruipen voor gevaar of om de temperatuur te reguleren. Uit de vorige paragraaf blijkt dat op 16% van de ligplaatsen de vegetatie binnen een straal van 30 cm lager is dan 20 cm. In het gebied tussen 30 en 60 cm van de adderligplaats is dat nog maar bij 7% het geval. De adder zoekt een ligplaats op, die dus op zeer korte afstand begroeiing heeft waar zij in weg kan kruipen.

De structuur wordt niet alleen bereikt door de vegetatie. Ook de bodem kan bijdragen tot een goede structuur voor een adderligplaats! Uit veldwaarnemingen tijdens het onderzoek is gebleken dat adders graag tegen een dijkje gaan liggen waardoor de zonnestralen de adder onder een veel rechtere hoek kunnen bereiken. Een voorbeeld van zo’n plek is het dijkje dat langs een afwateringsslootje in het Gagelveld ligt.

Grafiek 5.2.3.

Een vervelde mannetjesaddder ligt op korte afstand van een vervelde vrouwtjesadder tegen de rand van een wroetplaats van een wild zwijn.


inhoud

homepage van Math de Ponti

reacties: deponti@planet.nl