Een onderzoek naar de vegetatie en vegetatiestructuur van

adderligplaatsen op de Meinweg deel 2(voor deel 1 hierop klikken)

Math de Ponti, Roermond 2001

reacties: deponti@planet.nl

HOMEPAGE MATH DE PONTI (klikken)


inhoud vanaf hoofdstuk 6

VOOR HOOFDSTUK 1 TOT 5 hier KLIKKEN 

  • 6. Gebiedsbeschrijvingen van adderterreinen op de Meinweg 41
  • 6.1. Inleiding 41
  • 6.2. Schöndelsdeel 42
  • 6.3. Rolvennen 43
  • 6.4. Boschbeekdal 44
  • 6.5. Slenk 46
  • 6.6. Helling Vogelreservaat 47
  • 6.7. Paardengat 48
  • 6.8. Gagelveld 49
  • 6.9. Steenheuvel 50
  • 6.10. Woest 1 51
  • 6.11. Woest 2 51
  • 6.12. Het Loom in het Roode beekdal 52
  • 6.13. Algemene conclusie uit de gebiedsbeschrijvingen van adderterreinen op de Meinweg 53

6.Gebiedsbeschrijvingen van adderterreinen op de Meinweg.

6.1. Inleiding.

Tijdens het onderzoek zijn verspreid over de Meinweg terreinen onderzocht waar in het verleden, en in ieder geval vanaf 1958, adders zijn waargenomen. (Lenders et al., 2000). In 1977 en in 1978 is er onderzoek verricht in het merendeel van deze terreintjes door Frigge et al. (1978) en Klompen & Smeets (1979). Tijdens de onderzoeken in 1977 en 1978 zijn de adderterreintjes kort beschreven.

In dit hoofdstuk wordt de situatie in 1999 beschreven en een vergelijking gemaakt met de beschrijvingen uit 1978 en 1979. Ook wordt aangegeven hoeveel adders er in 1998-1999 in de verschillende terreinen zijn aangetroffen. De jaartallen van beheerswerkzaamheden zijn medegedeeld door G. Hendriks van Staatsbosbeheer.

De terreinen die bezocht zijn staan vermeld in onderstaande tabel: (zie ook bijlage 1)

Vindplaats

Vrouw

Man

Juveniel

Totaal

Huidjes

1. Schöndelsdeel

1

2

0

3

 

2. Rolvennen

2

3

0

5

 

3. Boschbeekdal

19

2

11

32

 

4. Slenk

2

3

4

9

 

5. Helling Vogelreservaat

0

0

0

0

 

6. Paardengat

4

1

0

5

 

7. Gagelveld

3

6

0

9

2

8. Spoorwegtalud

2

0

0

2

 

9. Woest 1

3

1

0

4

 

10. Woest 2

0

0

0

0

 

11. Rolvennen Duits

1

0

0

1

 

12. Het Loom

1

3

0

4

3

Totaal

38

21

15

74

5

 inhoud


6.2.Schöndelsdeel.

Schöndelsdeel (+38m.NAP) ligt op het middenterras langs het dal van de Boschbeek. Het terrein heeft een oppervlak van ongeveer 3 ha. 300 meter lang en maximaal 100 meter breed. Het is een droog terrein met veel bochtige smele en vuilboom. Meer naar de kant van de Grote Herkenbosscherlaan komt ook veel pijpenstrootje voor. Hier en daar zijn stukken met dichte begroeiing van adelaarsvaren. In het gebied stonden oorspronkelijk berken en eiken die grotendeels gekapt zijn. In 1997 zijn de Vuilboombomen tot op 20 cm hoogte afgezet. Het snoeihout ligt in grote hopen verspreid over het gebied. De vuilboombomen lopen thans weer uit op hun korte stammetjes.

De zuidkant grenst aan een zandpad, zuidelijk daarvan ligt de Waalsberg, een gebied dat heuvelachtig is met veel struikheide. Hier zijn vaker adders waargenomen. In 1999 heeft op de Waalsberg intensieve begrazing door schapen plaatsgevonden waardoor de structuur in de vegetatie geheel is verdwenen. Alleen aan de randen zijn in 1999 adders gezien (Dorenbosch & Van Hoof, 2000). Schöndelsdeel wordt aan de oostkant begrensd door een eiken-berkenbos. Het Boschbeekdal (ten noorden van het gebied) is begroeid met veel zwarte elzen (Alnus glutinosa). In het oosten staan eiken en daarboven begint een grote struikheidevlakte die zich tot de Rolvennen uitstrekt. Deze vlakte is in 1990 geplagd en is nu begroeid met struikheide.

Vindplaatsen van adders in Schöndelsdeel:

In het najaar van 1998 zijn geen adders in het gebied waargenomen. Wel twee gladde slangen. Ook werd een vervellingshuid van een gladde slang gevonden. In het voorjaar zijn drie adders gezien. Deze dieren lagen aan de zijde van de Boschbeek onder Vuilbomen, en aan de rand van de adelaarsvarens in het oostelijk gedeelte. De ligplaaten waren alle begroeid met een dikke laag bochtige smele.

Vergelijking met de beschrijving door Frigge et al. (1978) en Klompen & Smeets (1979).

Frigge et al. (1978) beschrijven het gebied summier en geven aan dat m.n. het noordelijk deel bestaat uit aanplant van jonge eiken en berken. Door de kap van bomen in 1992 is het gebied meer open geworden. Ook in 1977 waren er al veel vuilbomen die in 1997 teruggesnoeid zijn. Dit heeft ervoor gezorgd dat het gebied weinig beschutting heeft van struiken.

Tijdens de onderzoeken in ‘77 en ‘78 zijn in Schöndelsdeel resp. 14 en 3 adders gezien ook J. Tullemans heeft hier tussen 1958 en 1965 regelmatig dieren gezien.

 inhoud


6.3. Rolvennen.

De "Rolvennen" (+44 m NAP) is een terrein op het middenterras aan de voet van het hoogterras (+70 m NAP). Het gebied is gelegen aan de zuidkant van het Boschbeekdal. De oppervlakte bedraagt ongeveer 10 ha. Het Boschbeekdal vormt een vochtige verbindingsstrook tussen enerzijds het Schöndelsdeel en anderzijds het gebied van het Elfenmeertje en de Slenk. De Rolvennen bestaan uit enkele vennen waarvan het grootste 100 bij 30 meter bedraagt. In dit ven liggen kleine drijftillen van veenmos met opslag van berk. De vennen zijn ontstaan door turfafgraving in de vorige eeuw (A. Lenders, 1983). Rond de vennen is de oever van enkele tot tientallen meters, erg vochtig. Deze plekken zijn afwisselend begroeid met riet (Phragmites communis), gagel, pijpenstrootje en dopheide. Vooral in het noordoosten staat water tussen de vegetatie. De oplopende randen aan de noordkant vormen de scheiding met het Boschbeekdal. Deze rand is begroeid met struikheide en pijpenstrootje of met adelaarsvaren. Boven op de rand staan eiken en berken. Direct achter de rand begint het Boschbeekdal dat ter plekke erg vochtig is en begroeid met zwarte elzen (Alnus glutinosa), wilgen spp., waterbies (Eleochris palustris) en moeraszegge (Carex acutiformis). De oplopende rand vanaf de Rolvennen is geheel zuidelijk geëxponeerd. De vegetatie van de Rolvennen ligt als het ware in een kom, gericht op het zuiden, tegen het hoogterras. In 1989 is een zandpad dat tussen de verschillende vennen door liep verlegd. Het pad ligt nu aan de zuidkant van de Rolvennen. Deze maatregel heeft ongetwijfeld de rust in het gebied bevorderd. Het grootste ven dat het meest zuidelijk ligt is in 1994 gedeeltelijk opgeschoond en de noordzijde is geplagd. In 1992 is aan de zuidkant van dit ven een uitkijkvlonder in het ven geplaatst tussen een vegetatie van veenmos spp. (Sphagnum spp.) met ronde zonnedauw (Drosera rotundifolia), kleine zonnedauw (Drosera intermedia), witte snavelbies (Rhynchospora fusca), veenpluis (Eriophorum angustifolium) en wateraardbei (Comarum palustre). Even verderop staat ook eenarig wollegras (Eriofhorum vaginatum). Veel wandelaars maken van deze vlonder met zitbank gebruik. Aan de westkant van de Rolvennen ligt een groot struikheideterrein (geplagd in 1988) dat aansluit op Schöndelsdeel. In het grote heideterrein aan de zuidkant van de Rolvennen vond in 1999 nog intensieve begrazing plaats met schapen. Het beweidinggebied is ingerasterd. De vegetatie bestaat nu uit kort gevreten pollen pijpenstrootje en kleine struikheide planten. Er is weinig begroeiing tussen de pollen pijpenstrootje. Hier en daar staan eiken en berken die aan de onderkant tot op een meter hoogte zijn kaalgevreten. Hierdoor is een parkachtig landschap ontstaan. In dit gebied komt de nachtzwaluw (Caprimulgus europeus) voor. Langs de vennen is in 1997 veel opslag van vuilboom gekapt. Het kaphout is in een brede strook tussen twee vennen opgestapeld.

Vindplaatsen van adders in het gebied de Rolvennen.

De adders (5) zijn ten noordoosten van de Rolvennen gevonden in het vochtige gedeelte met gagel en pijpenstrootje. Ook in een droog stuk met pijpenstrootje langs het pad ten zuiden van het noordelijkst gelegen ven zijn zonnende adders aangetroffen.

Vergelijking met de beschrijving door Frigge et al. (1978) en Klompen & Smeets (1979).

De auteurs beschrijven alleen het stuk ten noordoosten van de Rolvennen. Zij geven al aan dat de vegetatie hier vooral bestaat uit stukken met riet, gagel, pijpenstrootje en dopheide.

Tijdens het onderzoek van 1977 en 1978 zijn hier resp. 7 en 9 adders waargenomen.

J. Tullemans heeft hier tussen 1958 en 1965 ook al adders gezien.

De Rolvennen: overgang van drogere naar vochtige terreinen.

 inhoud


6.4. Boschbeekdal.

Het Boschbeekdal ligt langs de Duitse grens aan de noordoostelijke zijde van de Meinweg. Het dal begint ten noordoosten van de Rolvennen en loopt door tot het Elfenmeertje. Het Boschbeekdal vormt een goede verbinding tussen het hoogterras en het laagterras van de Meinweg. De maximale breedte is 200 meter. Het gedeelte direct boven de Rolvennen kenmerkt zich door bossages van eiken, berken en zwarte elzen. De onderbegroeiing bestaat voornamelijk uit pijpenstrootje en moeraszegge. Richting Elfenmeertje wordt het biotoop open. Vanaf de beek is er een geleidelijke overgang van vochtig naar droog gebied. In de vochtige stukken staat riet en vooral gagel met pijpenstrootje. In de overgang naar de drogere stukken groeit dopheide, struikheide en pijpenstrootje. Het pad vormt de grens tussen vochtig en droog. Op de nog hoger gelegen droge stukken komt vooral pijpenstrootje en struikheide voor.

In de vochtige gebieden zijn hier en daar stukjes geplagd. De breedte en ligging van de geplagde stukken variëren. Enkele zijn geplagd in de richting van noordoost naar zuidwest, dus met de loop van de beek mee. De breedte bedraagt 3 tot 5 meter bij een lengte van 20 meter. In andere delen is geplagd in de richting noordwest naar zuidoost, dus loodrecht op de loop van de beek. Deze stukjes zijn 3 tot 4 meter breed en 10 tot 15 meter lang. Tussen deze stukjes is een smalle strook vegetatie van ongeveer 1 meter breed blijven staan. Halverwege het Boschbeekdal zijn vroeger, in een breed gebied van het pad tot de beek, greppels gegraven van 50 cm diepte. De greppels monden uit in de beek en ontwateren hier het vochtige terrein. In 1995 zijn deze greppeltjes op verschillende plaatsen afgedamd. De oostzijde van het pad, dat veelal de grens van het dal met het hogere deel vormt, heeft een vegetatie met struikheide, pijpenstrootje en eiken-berkenbos met hier en daar enkele grove dennen (Pinus sylvrestis). Langs het pad zijn enkele poelen gegraven die nu gekoloniseerd zijn door vooral de poelkikker (Rana lessonae) en de vinpootsalamander (Triturus helveticus) (mond. med. A. Lenders). Net ten zuiden van het Elfenmeertje ligt de Vossenkop, een oud ven met langzaam oplopende oevers. De vegetatie rond dit ven is dopheide, veenbes (Vaccinium oxycoccus), struikheide en plekken met gagel. De hogere delen gaan over in eiken-berkenbos. Ter hoogte van de "Vossenkop", op 20 meter afstand van de beek, is een stuk geplagd van 70 bij 20 meter met de stroomrichting van de beek mee. Dit is evenals de andere plagstukken, gebeurd in 1994. Alle plagstukken zijn inmiddels schaars begroeid met struikheide, die maximaal 20 cm hoog is. In de plagstukken bevinden zich nog veel open plekken. De Duitse kant van het Boschbeekdal is vooral bedekt met struikheide, pijpenstrootje en eiken-berkenbos. Hier en daar staan grove dennen. Dit gedeelte heeft veel minder variatie in droge en vochtige terreinen. Daar waar het dal overgaat naar de hoger gelegen gronden staat massaal grove den van één jaarklasse. In het hele dal zijn in 1995 veel grote berken en vuilbomen gekapt. Onder één van de gekapte berken bevond zich een hibernaculum dat nu verwoest lijkt (mond. med. A. Lenders). Jaarlijks worden grote stukken gagel gesnoeid om o.a. kerststukjes te verfraaien. Sinds 1997 is het Komiezenpad verboden voor fietsers omdat er jaarlijks diverse adders overreden werden. Het Boschbeekdal is in het begin van de jaren ’90 uitgeroepen tot het gaafste beekdal van Nederland.

Vindplaatsen van de adders in het Boschbeekdal:

Er zijn 27 adders waargenomen in het Boschbeekdal. De meeste adders zijn gevonden in het gedeelte tegenover de Vossenkop. Veel vrouwtjes lagen in het najaar te zonnen op de grens van geplagde terrein gedeelten. Er zijn adders gevonden tot halverwege het gebied van Elfenmeertje naar de Rolvennen. A. Lenders (mond. med.) geeft aan dat er twee duidelijk van elkaar gescheiden populaties in het Boschbeekdal voorkomen.

Vergelijking met de beschrijving door Frigge et al. (1978) en Klompen & Smeets (1979).

Het gebied is door de auteurs niet nader beschreven.

Zowel in 1977 als 1978, is het Boschbeekdal niet specifiek geïnventariseerd op adders.

J. Tullemans daarentegen heeft tussen 1958 en 1965 veel adders langs het hele Komiezenpad waargenomen.

 inhoud


De Slenk aan de voet van het hoogterras.


6.5. Slenk

De Slenk (+58 m NAP) ligt op het hoogterras aan de voet van de Zandbergstoring. Het gebied krijgt veel kwelwater van het hoger gelegen Meinwegplateau. De Slenk beslaat een brede strook van maximaal 200 meter, die zich langs de steilrand uitstrekt van zuidoostelijke naar noordwestelijke richting en die in totaal ongeveer 12 ha. groot is. De laagste delen van het gebied bevatten het gehele jaar water. Hier en daar liggen vennen. In het noordoosten ligt het grote Elfenmeertje (200 bij maximaal 30 meter). De Slenk staat op die plek in verbinding met het Boschbeekdal. In het zuidoosten wordt de Slenk begrensd door hogere delen met eiken en berken- bossen. De Slenk is rijk aan hoogteverschillen. Hierdoor worden natte stukken afgewisseld met vochtige en droge gedeelten. De natte stukken zijn o.a. bedekt met broekbos, maar vooral met gagel en pijpenstrootje. De drogere stukken zijn begroeid met pijpenstrootje en vuilboom. De geplagde stukken (1994) hebben een ijle vegetatie van struikheide en dopheide. De grootte van de geplagde stukken varieert van 10 bij 20meter tot 100 bij 20 meter. Op de hogere delen in de Slenk staan eiken en berken omgeven door struikheidevegetatie. Ook komen hier dichte vegetaties van de adelaarsvaren voor. Wat de Slenk bijzonder maakt, is dat de overgang van nat via vochtig naar droog zeer geleidelijk verloopt (soms over een traject van soms wel 100 meter). Hierdoor kunnen de bijbehorende vegetaties zich goed ontwikkelen. De gagelstruwelen vormen dan ook mooie zomen in de richting van de Slenk. Het pad langs de Kombergen vormt de scheiding tussen vochtig en droog. De helling bezit een rijke struikheidevegetatie. Boven op de Kombergen is een fraai ontwikkeld hakbos van eiken en haagbeuk aanwezig.

Wild zwijn en ree (Capreolus capreolus) zoeken vaak dekking in de Slenk. In het gebied komen veel bijzondere vogels voor zoals bokje (Lymnocryptes minimus), wintertaling (Anas crecca), blauwborst (Luscinia svecica) en klapekster (Lanius excubitor). In de Slenk groeien o.a. rietorchis (Dactylorhiza praetermissa), veenpluis, eenarig wollegras, wateraardbei, beenbreek (Narthecium ossifragum), kleine zonnedauw, ronde zonnedauw, mattenbies (Scirpus lacustris) en veenbes. Verder is de Slenk, goed bezocht door veel soorten libellen (J. Hermans, 1992). De gehele Slenk wordt omzoomd door een zandpad. Alleen het druk bezochte zandpad dat onderlangs de Kombergen, loopt heeft direct invloed op de fauna in de Slenk omdat langs dit pad geen beschutting is van houtwallen of struikgewas. In 1990 zijn grote delen van de Slenk meer open gemaakt door bomen en struiken te kappen. In 1996 is een nieuw ven in het midden van de Slenk aangelegd. De oevers zijn tot 15 meter breed en op sommige plaatsen begroeid met o.a. pilvaren (Pilularia globulifera), moeraswolfsklauw (Lycopodium inundatum) en kleine zonnedauw. Tussen deze soorten zijn grote delen van de oever nog onbegroeid. Vanaf 1996 wordt de Slenk begraasd door IJslandse pony’s, sinds 1999 ook met Limousine-runderen. De westkant is vanaf 1997 niet meer toegankelijk voor fietsers. Deze maatregel is genomen om te voorkomen dat adders tijdens hun trek worden overreden.

Vindplaatsen van adders in de Slenk:

De adders (8) zijn waargenomen bij het aangelegde ven halverwege de Slenk, op de overgang van de geplagde oever naar de vergraste heidevegetatie. Deze rand bestaat vooral uit pijpenstrootje en struikheide. Ook lagen dieren te zonnen tussen pijpenstrootje, onder het zandpad langs de Kombergen. Bij het Elfenmeertje zijn aan de oostkant adders aangetroffen tussen pijpenstrootje en langs een pas geplagd stuk. In de Slenk zijn daarnaast veel hazelwormen (Anquis fragilis) (4) en gladde slangen (6) aangetroffen.

Vergelijking met de beschrijving door Frigge et al. (1978) en Klompen & Smeets (1979).

De beschrijving uit de jaren zeventig komt overeen met de situatie van 1999. In 1990 heeft groot onderhoud plaatsgevonden. Veel bomen en struiken zijn gekapt en diverse terreinen zijn geplagd. In 1977 was de Slenk meer begroeid met struiken en bomen. Hierdoor was het gebied indertijd veel ontoegankelijker en gaf het meer beschutting voor allerlei dieren.

Alleen in 1977 zijn er adders in de Slenk waargenomen. Het jaar daarop is er niet in dit deel van de Meinweg geïnventariseerd.

Er zijn al addermeldingen bekend van J. Tullemans die tussen 1958 en 1965 waarnemingen noteerde.

inhoud


6.6. Helling Vogelreservaat.

Deze droge structuurrijke helling (+60 m NAP) op de Zandbergstoring, is voornamelijk begroeid met struikheide, pijpenstrootje en verspreid staande eiken en dennen. De helling is steil. Aan de onderkant van de helling ligt een weiland. De oostkant wordt begrensd door een vochtig terrein met een ven. Aan de kant van de verharde weg bevindt zich een poel.

Vergelijking met de beschrijving door Frigge et al. (1978) en Klompen & Smeets (1979).

De situatie is niet veranderd. Destijds zijn op de helling enkele adders waargenomen, nu zijn er geen vondsten gedaan. Tijdens het onderzoek werd wel een gladde slang aangetroffen.

In 1977 en 1978 werden op deze plek resp. 4 en 3 adders waargenomen.

Tussen 1958 en 1965, werden er door J. Tullemans ook adders gezien.


6.7. Paardengat. (Frigge et al.(1998) noemt het gebied "Eik").

Het Paardengat (+50 m NAP) ligt op het middenterras, direct aan de voet van het hoogterras (+70 m NAP), ten zuiden van de Grote Herkenbosscherbaan. Het is een open gebied van ongeveer 4 ha., waarvan in 1990 een groot gedeelte is geplagd. Dat deel is nu vrij uniform begroeid met struikheide van dezelfde jaarklasse. Langs het zandpad aan de zuidkant is een iets vochtiger terrein met een vegetatie van grote pollen pijpenstrootje en vuilbomen. Ook liggen hier kleine terreintjes met dopheide. Aan het zandpad ligt een poel waar o.a. kleine zonnedauw en ronde zonnedauw voorkomen. De poel is in 1986 opgeschoond en de struiken rond de poel zijn tot op de grond afgezet. Aan de oostkant ligt een groot terrein met adelaarsvaren. Het Paardengat ligt in een kom van het middenterras en heeft een zuidzuidoostelijke ligging. De Werkgroep Meinweg pleegt sinds 1990 kleinschalig onderhoud in het gebied door kleine stukjes in het vochtige gedeelte handmatig te plaggen. Dit wordt gespreid uitgevoerd over verschillende jaren. Een belangrijke doelstelling daarbij is om de klokjesgentiaan (Gentiana pneumonante) te laten uitbreiden. Het gebied wordt door de werkgroep aangeduid als de "Gentiaansplag" (mond. med. W. Jansen). De grote struikheidevlakte wordt begraasd door schapen. Dit gedeelte bevat nu stompen pijpenstrootje. Tussen de pollen is weinig of geen begroeiing. Ook tussen de struikheide is de bodem schaars begroeid. Het terrein tussen de Rolvennen en het Paardengat is vooral bedekt met struikheide. Hier en daar staan eiken en berken. Dit deel van de Meinweg wordt eveneens binnen een raster begraasd door schapen. De structuur van de vegetatie is geheel verdwenen. Er staan enkel nog polletjes pijpenstrootje die tot op de grond zijn afgevreten. Tussen deze pollen is geen begroeiing meer aanwezig. Tijdens werkzaamheden door de Werkgroep Meinweg, zijn hier dode hagedissen gevonden, die door oververhitting gestorven zijn (mond. med. W. Jansen). Langs de Grote Herkenbosscherbaan ligt een fraai eikenhakbos.

Vindplaatsen van adders in het Paardengat

De meeste adders lagen op de overgang van de vergraste heidevegetatie naar het groot plagstuk dat uniform begroeid is met struikheide. Ook tussen de struikheide langs het bospad richting Grote Herkenbosscherbaan zijn enkele adders aangetroffen.

Vergelijking met de beschrijving door Frigge et al. (1978) en Klompen & Smeets (1979).

Frigge et al. (1978) beschrijven grofweg eenzelfde type vegetatie voor het Paardengat. Eiken op de hogere delen (vandaar hun naam "Eik" voor dit gebied) en pijpenstrootje met struikheide in de lagere delen. Van vuilboom wordt in hun verslag geen melding gemaakt, wel van dopheideveldjes en klokjesgentiaan.

Tijdens de onderzoeken in 1977 en 1978, zijn in dit gebied resp. 20 en 8 adders waargenomen.

Ook J. Tullemans heeft hier, tussen 1958 en 1965, adders waargenomen.

 inhoud


6.8. Gagelveld

Het Gagelveld is een open gebied van ongeveer 13 ha. Het is geheel omgeven door naaldbossen met vooral grove den. Het Gagelveld grenst in het zuiden aan de spoorlijn, de IJzeren Rijn, die op een dijk ligt van ongeveer 5 m. hoogte. Ten noorden van het gebied ligt een groot terrein met vooral pijpenstrootje en struikheide (Honingberg en Lange Luier). Een bosstrook van 500 meter breed met grove dennen en enkele eiken en berken vormde hier de scheiding. Deze strook is in 1996 ontdaan van alle houtopstanden zodat het Gagelveld nu een open verbinding heeft met de Honingberg en de Lange Luier. In de strook staan nog wel enkele eiken en berken. Het Gagelveld ligt op het middenterras (45-50 m +NAP) direct aan de voet van het hoogterras (70-76 m +NAP). De oostelijke helling is begroeid met struikheide. Het kwelwater uit het hoogterras zorgt ervoor dat het Gagelveld plaatselijk erg nat is. Aan de voet van het hoogterras ligt een brede vochtige strook (150 m), die naar het zuiden toe smaller wordt (5 m). Door het Gagelveld loopt van noordoost naar zuid een sloot die het water afvoert. Meestal staat deze sloot droog, zelfs in de wintermaanden. Aan weerszijde van de sloot blijft het in het voorjaar en najaar enigszins vochtig. De sloot is op diverse plaatsen afgedamd om een snelle afvoer van het water tegen te gaan. Zoals de naam al aangeeft is het vochtige stuk vooral begroeid met gagel. Deze bereikt een hoogte van 70 cm. Op de drogere delen staat vuilboom die een hoogte van 2,5 m bereikt. Pijpenstrootje bedekt in deze delen de bodem. Tussen de gagelvegetatie groeit dopheide. De zijkant van het Gagelveld bestaat uit vegetaties van bochtige smele en pijpenstrootje. Tegen de bosranden, aan de westkant, liggen grote velden met adelaarsvaren. In het noordoosten ligt een groot stuk dat in 1990 geplagd is en nu begroeid is met struikheide van dezelfde jaarklasse.

Sinds 1994 grazen IJslandse pony’s in het gebied. Met name de drogere delen worden door de dieren vaak bezocht, hetgeen heeft geleid tot kaal afgevreten pollen pijpenstrootje met daartussen grote open plekken. In het zuiden loopt langs de beek een dijkje van 70 cm hoogte, begroeid met gagel en pijpenstrootje. Tegen dit dijkje of aan de voet ervan liggen vaak adders. In de winter van 1986 is het water in het hele Gagelveld opgestuwd door de sloot in het zuiden af te dammen. Waarschijnlijk heeft dit een nadelige invloed gehad op de adderpopulatie omdat veel adders mogelijk zijn verdronken in de hibernacula (Lenders, 1999). In het zuiden staat een oude appelboom (Malus communis) die in het voorjaar van 1999 volop bloeide. Wil men deze behouden dan zal aan de boom op korte termijn onderhoud gepleegd moeten worden.

Vindplaatsen van adders in het Gagelveld.

De meeste adders (totaal 9) zijn aangetroffen tegen het dijkje langs de sloot. Ook aan beide zijden van het slootje, halverwege het Gagelveld, lagen dieren tussen pijpenstrootje en gagel of onder de vuilboomstruiken. In het Gagelveld zijn ook hazelwormen (6) en gladde slangen (3) waargenomen.

Vergelijking met de beschrijving door Frigge et al. (1978) en Klompen & Smeets (1979).

De vegetatiebeschrijving uit 1977 en 1978 komt sterk overeen met de situatie van 1999. Wel lijkt het gebied droger te worden, omdat Klompen & Smeets (1978) melding maken van het, na regenval, onder water staan van het vochtige gedeelte. Dit is nu niet waargenomen, hoewel de herfst van 1998 en het voorjaar van 1999 erg nat zijn geweest. Ook in de sloot heeft tijdens het inventarisatiewerk geen water gestaan. In 1978 vond er nog geen begrazing plaats, waardoor in de randen van het Gagelveld, een veel dichtere vegetatie van pijpenstrootje moet hebben gestaan. Door het plaggen van een gebied ten oosten van de sloot halverwege het Gagelveld, is een groot stuk pijpenstrootje verdwenen waarvoor struikheide is teruggekomen. Met name deze maatregelen, hebben de droge delen sterk verarmd in structuur. Bovendien is hierdoor de overgang van het nattere gedeelte naar de drogere omgeving verloren gegaan. Het gedeelte waar adders met name zonnen, is door de aantasting van de vegetatie door overbegrazing aan de oostkant, sterk geïsoleerd komen te liggen.

Volgens Frigge et al. (1978) en Klompen & Smeets (1979) zijn op het Gagelveld in 1977 en 1978 resp. 133 en 123 adders waargenomen.

J. Tullemans heeft dit gebied in de zestiger jaren niet bezocht.


6.9. Steenheuvel (Spoorwegtalud)

Langs de spoorlijn, de IJzeren Rijn, bij de coördinaten 352.0-206.0 ligt een smalle strook met vooral struikheide, pijpenstrootje en bochtige smele. Halverwege staat een eik. Het droge stuk is ongeveer 100 meter lang en 5 meter breed. Zuidelijk tussen deze strook en het hoger gelegen spoor ligt een greppel van 1,5 meter diepte. Aan de noordkant is een zandpad dat langs een naaldbos loopt met pijpenstrootje als onderbegroeiing. Het bos heeft een open structuur. De heide vormt struiken tot 50 cm hoogte, met daartussen begroeiingen van bochtige smele en pijpenstrootje. Juist de plekken met bochtige smele tussen de struikheide, worden door de adders gebruikt als ligplaats. Het bos langs dit terrein grenst 400 meter verderop aan het Gagelveld.

Vindplaatsen van adders in het spoorwegtalud:

De adders (2) die hier gevonden zijn lagen op dezelfde ligplaats tussen struikheide en bochtige smele. Het gebiedje staat ook bekend om zijn gladde slangen. Tijdens het onderzoek heb is één gladde slang langs het spoor waargenomen.

Vergelijking met de beschrijving door Frigge et al. (1978) en Klompen & Smeets (1979).

Klompen & Smeets geven een overeenkomende beschrijving van het gebied. Zij troffen naast struikheide ook nogal wat bramenstruiken aan. Ook maken zij melding van de aanwezigheid van struiken. Nu zijn die enkel nog te vinden in de greppel langs de dijk van de spoorlijn.

Alleen Klompen & Smeets (1979) maken melding van 4 adders op deze plaats.

J. Tullemans heeft de plek niet bezocht.


6.10. Woest 1

"Woest 1" (+70 m NAP) ligt in een bosperceel ongeveer halverwege het Gagelveld (op 500 meter) en het dal van de Roode beek (op 500 meter). Het is een droog gebied dat op de overgang ligt van het hoogterras (+80 m NAP) naar het middenterras (+50 m NAP) Het gebied "Woest 1" bestaat uit enkele open plekken in een bos van voornamelijk grove dennen. In het bos staan hier en daar eiken en vuilbomen. De open plekken zijn ongeveer 60 bij 50 meter groot. De onderbe-groeiing van het open bos bestaat vooral uit pijpenstrootje en bochtige smele. Op de open plekken komt vooral pijpenstrootje voor, maar ook bochtige smele en sporadisch struikheide. In "Woest 1" verblijven veel wilde zwijnen, die hier beschutting zoeken. De wilde zwijnen maken veel wroetplaatsen waardoor in de dichte vegetatie open plekken ontstaan. De verspreid liggende takkenbossen laten veel zon door waardoor de adders hieronder goede zonplekken aantreffen. De open plekken waar de adders zijn gevonden liggen geheel ingesloten door hoge, grove dennen. De zon kan in het voor- en najaar maar kort de bodem verwarmen.

Vindplaatsen van adders in Woest 1:

De adders zijn aangetroffen in een open stuk dat direct aan een zandpad ligt. Deze open plek ligt bij de coördinaten: 351.9-207.8. Eén adder lag opgerold onder een takkenbos. De andere lagen in een pijpenstrootje- vegetatie.

Vergelijking met de beschrijving door Frigge et al. (1978) en Klompen & Smeets (1979).

De onderzoekers van 1977-1978 geven dezelfde beschrijving van het gebied. Toch moeten de grove dennen toen veel minder groot zijn geweest en heeft de zon de bodem hier ook in het voor- en najaar goed kunnen bereiken. Mogelijk is de aanwezige struikheide sinds 1977 verder afgenomen door de toename van pijpenstrootje en bochtige smele. De auteurs geven ook aan, dat ze destijds veel adders waargenomen hebben onder de takkenbossen.

In 1977 en 1978 zijn op Woest 1 resp. 32 en 39 adders waargenomen.

6.11. Woest 2.

Woest 2 (+80 m NAP) ligt op het hoogterras en is een open bos met vooral grove dennen. De onderbegroeiing bestaat uit pijpenstrootje. In dit terrein staan meer struiken dan in Woest 1 waardoor de vegetatie dichter is. Bovendien zijn er geen echte open plekken in dit bos.

Er zijn geen adders aangetroffen tijdens de onderzoeksperiode.

Vergelijking met de beschrijving door Frigge et al. (1978) en Klompen & Smeets (1979).

In 1977 is Woest 2 een weinig gesloten naaldbos met een onderbegroeiing van vooral bochtige smele. In het bos ligt een open plek die lager gelegen is en begroeid met pijpenstrootje (Frigge et al.,1978). Het bos is in de afgelopen 20 jaar dicht gegroeid waardoor de zon de bodem niet voldoende kan opwarmen.

Frigge et al. (1978) en Klompen & Smeets (1979) hebben hier in 1977 en 1978 resp. 1 en 6 adders waargenomen.


6.12. Het Loom in het Roode beekdal.

Het Loom ligt aan de zuidkant van de verharde weg naar Vlodrop-Station. Het terrein ligt in het Roode beekdal op +43 m NAP. Noordelijk en zuidelijk loopt het terrein snel op tot 70-80 m +NAP. Het Loom heeft een oppervlakte van ongeveer 10 ha. De hogere randen zijn vooral begroeid met eiken en berken. Deze bossen gaan naar het dal toe over in een vegetatie van adelaarsvaren, pijpenstrootje en struikheide. De vochtigere delen zijn dicht begroeid met pijpenstrootje en gagel. In het middengedeelte komen droge stukken voor, die begroeid zijn met eiken en berken. Aan de zuidkant tegen de Roode beek staan wilgenbossen. Door het gebied loopt van noord naar west een beekje, wat extra reliëf geeft aan het terrein. Langs dit beekje bevindt zich een goed ontwikkelde vegetatie van beenbreek (Narthecium ossifragum). De westkant wordt begrensd door een boomkwekerij. Aan de oostkant ligt een weidegebied dat aansluit op een bosperceel van naaldbomen.

Het gebied is rijk aan kleine hoogteverschillen, zodat er een grote variatie is in plantengroei. In het gebied komen veel reeën en wilde zwijnen voor. Het wilde zwijn zorgt voor veel wroetplaatsen in het gebied; tevens is het gebied rijk aan wildwissels. Het Loom ligt, door de spoorbaan en de verharde weg, geïsoleerd t.o.v. de andere heidegebieden van de Meinweg. De afstand tot Woest 1 is 300 meter en tot het Gagelveld 800 meter. Beheersmaatregelen, die vooral worden uitgevoerd in Het Loom, zijn het afzetten van vuilboom (1997) en kappen van berken (1997). Op veel plaatsen zijn de gesnoeide vuilbomen opgestapeld. Ook de gekapte berken liggen verspreid over het terrein.

Het gebied lijkt door zijn structuurvariatie een zeer geschikte adderbiotoop. Uitbreiding naar het zuidwesten behoort in de toekomst tot de mogelijkheden indien, de kwekerij verdwijnt. Aan de zuidkant zijn in 1997 oude greppels gedempt, waardoor mogelijk de vochtigheid in het gebied zal toenemen. Het Roode beekdal is in het begin van de jaren ‘90 uitgeroepen tot het één na gaafste beekdal van Nederland.

Vindplaatsen van adders in Het Loom:

In het voorjaar van 1999 zijn drie adders waargenomen in een vegetatie van vooral pijpenstrootje. Twee van hen lagen bij elkaar op een wroetplaats van een wild zwijn. Ook zijn er enkele vervellingshuiden gevonden verspreid over het gebied. In Het Loom is in het verleden weinig onderzoek gedaan naar adders. Tijdens monitoren tussen 18.00 en 18.20 uur in augustus 1999 werden vijf adders aangetroffen aan de westkant van het gebied.

Vergelijking met de beschrijving door Frigge et al. (1978) en Klompen & Smeets (1979).

De vegetatiebeschrijving uit 1977 verschilt nauwelijks van die uit 1999. Ook toen waren delen al zeer slecht toegankelijk door de dichte begroeiing van gagel.

In zowel 1977 als 1978 is er vrijwel niet geïnventariseerd in Het Loom. Er werden uit die jaren dan ook geen adders in dit gebied gemeld. inhoud


6.13. Algemene conclusies uit de gebiedsbeschrijvingen van adderterreinen op de Meinweg.

De veranderingen die sinds 1977 in de belangrijkste adderterreinen hebben plaatsgevonden komen op het volgende neer:

·         Er is een verdergaande verbossing en vergrassing in "Woest 1" en "Woest 2".

·         In Schöndelndeel, bij de Rolvennen, Elfenmeertje, Slenk, Paardengat en Het Loom zijn regelmatig berken en vuilbomen gekapt waardoor deze gebieden opener zijn geworden.

·         Er is grootschalig geplagd bij de Rolvennen, Elfenmeertje, Gagelveld en de Slenk.

·         In de Slenk is een nieuw ven aangelegd.

·         Aan de zuidkant van de Slenk is een stuwtje geplaatst om het water langer vast te houden in dit gebied.

·         Het pad langs de Kombergen en het Komiezenpad is afgesloten voor fietsers.

·         Er is een begrazingsbeheer met schapen, paarden en koeien ingevoerd rond de Rolvennen, de Waalsberg, in de Slenk en in het Gagelveld.

De vegetatie en de vegetatiestructuur is ten opzichte van 1977 en 1978 op enkele plaatsen behoorlijk veranderd. Woest 1 en Woest 2 zijn zo dichtgegroeid met grove dennen, dat het biotoop niet meer geschikt is voor de adder. In deze gebieden zal snel beheer moeten worden uitgevoerd om te voorkomen dat de adder hier verdwijnt (zie ook hoofdstuk 9). Door het grootschalige plaggen is veel vergraste heide verloren gegaan, met name rond de kerngebieden van de voor- en najaars verblijfplaatsen van de adders. De kerngebieden waar de adders in voor- en najaar verblijven, zijn over het algemeen niet wezenlijk veranderd. De kerngebieden van de adder liggen vooral aan de onderkant van de terrassen en in de beekdalen. Deze gebieden hebben een zuid en zuidoostelijke ligging waardoor de zon de grond goed beschijnt. De adderterreinen liggen verspreid over de Meinweg en nooit meer dan 500 m uit elkaar. De terreintjes zijn overgangen van droge naar natte gebieden, als gevolg van kwelwater. De adder heeft op korte afstand verschillende biotopen ter beschikking. In de zomer zoekt de adder de vochtigere delen op, omdat deze koeler zijn door de verdamping van water. In het voor- en najaar zijn de drogere delen meer geschikt omdat deze sneller opwarmen. (Lamberts & van der Rijst, 1988). De adderterreinen liggen nooit meer dan 500 m uit elkaar. Ze zijn verspreid over de hele Meinweg. De hellingen en de onderkant van de terrassen, die nu begroeid zijn met bossen, kunnen ontwikkeld worden als adderbiotopen door stukken vrij te kappen (zie ook A. Lenders, 1992). Door deze maatregel worden de afzonderlijke terreinen beter met elkaar verbonden. Stafkaarten van de Meinweg uit 1900 laten zien dat grote delen van de hellingen in deze periode bestonden uit een heidevegetatie.

 inhoud


7. Conclusies van het onderzoek.

Bij het samenvoegen van de conclusies is met name gekeken naar de onderzoeksresultaten die belangrijk zijn voor het beheer van de terreinen waar adders hun ligplaatsen kiezen.

Deze conclusies zijn:

·         Pijpenstrootje is de kensoort van de directe omgeving (2 bij 2 meter) van de adderligplaats.

·         Pijpenstrootje moet als polvorm voorkomen die niet hoger is dan 40 cm.

·         Andere soorten verhogen de kwaliteit van de ligplaats. Een biotoop waar pijpenstrootje een hogere bedekking heeft dan 4 is teveel vergrast.

·         De begeleidende soorten van pijpenstrootje op de ligplaats zijn bochtige smele, struikheide, dopheide, gagel en vuilboom.

·         Wanneer het aantal van bovengenoemde soorten op een ligplaats toeneemt, wordt de plek kwalitatief beter voor de adder om te zonnen.

·         De adderligplaats is vooral naar het zuidoosten en zuiden geëxponeerd.

·         De adders hebben in voor- en najaar een voorkeur om te zonnen tussen 11.00 uur en 14.00 uur zomertijd. Het weertype van de dag heeft een grote invloed op het tijdstip van zonnen.

·         De ligplaats moet gedeeltelijk onbegroeid zijn. Het onbegroeide deel is meestal de plek waar de Adder op gaat liggen om te zonnen. Het onbegroeide deel moet minimaal 5% van de totale oppervlakte (2 bij 2 meter) zijn en niet hoger worden dan 20%.

·         De plaats waar de adder gaat liggen, moet binnen 30 cm een vluchtplaats hebben waar de begroeiing hoger is dan 20 cm.

·         De zuidkant is tot 60 cm van de ligplaats overwegend begroeid met planten tot een maximale hoogte van 20 cm.

·         De begroeiing aan de noordkant is in het algemeen enkele tientallen cm hoger dan aan de zuidkant.

·         Aan de oost- en westkant is de vegetatie veelal hoger dan de zuidkant maar lager dan de noordkant. De oostkant heeft tot 30 cm van de ligplaats een grote overeenkomst met de zuidkant. De westkant heeft meer overeenkomst met de noordkant.

·         Adders kiezen bij voorkeur geen ligplaatsen in vegetaties die hoger worden dan 70 cm. Komt op de ligplaats wel een begroeiing voor die hoger wordt dan 70 cm dan ligt deze noordelijk van de adderligplaats.

·         Geplagde heidevegetaties worden niet door adders gebruikt om te zonnen. Op de rand van plagstukken en heidevegetaties worden wel adders aangetroffen die liggen te zonnen.

·         De biotopen waar de adders zonnen, liggen op de Meinweg vooral aan de onderkant van de terrassen, op de overgang van droge naar vochtige terreinen.

·         De terrassen op de Meinweg zijn zuidoostelijk geëxponeerd.

·         De adders komen zeer verspreid voor in het Meinweggebied.

·         Voortgaande successie van heideterreinen leidt tot monoculturen van pijpenstrootje en vervolgens tot opslag van bomen. Voor adders zijn dit geen goede biotopen om zonplekken te vinden.

·         Dopheide wordt door grazers als voedsel gemeden. De reden is waarschijnlijk de bittere smaak van de planten.

·         Struikheide wordt zelfs bij matige begrazing van runderen en paarden sterk teruggedrongen.

·         Gagel en pijpenstrootje zijn soorten, die in vochtige biotopen op de Meinweg bij elkaar voorkomen. Deze biotopen staan alleen in de winter onder water. Daarom kunnen in het voorjaar en najaar deze terreinen goede mogelijkheden bieden voor ligplaatsen van adders.

·         Gagel en vuilboom zijn heesters die niet al te hoog worden en zullen daarom de zonnestralen niet over een groot oppervlakte onderbreken, in tegenstelling tot berken en grove den. In biotopen met gagel en vuilboom worden dan ook zonnende adders waargenomen; in eiken-berkenbossen alsook naaldbossen niet. Beide soorten zijn ook open van structuur en laten zon door, zeker als ze nog niet in blad zijn.

·         Adelaarsvaren als monocultuur is voor de adder geen geschikt biotoop. Alleen de randen kunnen geschikte zonplaatsen vormen.

 inhoud


8. Beheersadviezen voor de biotopen waar adders in voor- en najaar hun ligplaatsen hebben.

8.1. Inleiding.

De beheersadviezen die gegeven worden, zijn tot stand gekomen door de bevindingen van het hier beschreven onderzoek te gebruiken, aangevuld met gegevens uit een publicatie van J. Burny (1999) over het beheer van heideterreinen op de Belgische Kempen. Hoofdstuk 8.2.geeft een overzicht van de resultaten van het onderzoek door J. Burny. Hoofdstuk 8.3 beschrijft de beheersadviezen.

8.2. Beheer van heideterreinen op de Kempen in België.

In 1999 is er een publicatie (J. Burny,1999) verschenen over de historische ecologie van de Limburgse Kempen (1910-1950). De auteur heeft hierin beschreven hoe de bewoners van de Kempen in België het gebied beheerden. Hij heeft voor zijn onderzoek bewoners geïnterviewd die tussen 1910 en 1950 gebruik maakten van dat gebied. In het onderzoek komen allerlei typen van beheer aan de orde zoals ze decennia lang zijn toegepast.

In dit hoofdstuk zullen een aantal van deze gebruiken worden aangehaald die van belang kunnen zijn voor beheersadviezen op de Meinweg.

De opmerkingen, die de geïnterviewden hebben gemaakt met betrekking tot beheersmaatregelen zijn:

1.      Als er heideplaggen gestoken werden en er vervolgens water bleef staan op de plek, groeide er weinig veenmos. Om dit te voorkomen werd niet alles weggestoken, maar werden steeds stukken weggehaald. Vanuit de randen kon dan snel nieuw veenmos groeien.Bij het plaggen ging men zo te werk dat er snel (2-3 jaar later) nieuwe plaggen gestoken konden worden.

2.      Koeien eten graag pijpenstrootje en de toppen van riet. Bij dit voedselaanbod geven de koeien goede melk. Dit gebeurde met name in juli en augustus als er op de thuisweide onvoldoende gras aanwezig was.

3.      In heidevegetaties waar kwel aan de oppervlakte kwam, kon dan om de 4-5 jaar brandzoden (heidezoden) worden gestoken. Dit gebeurde over oppervlakten van 4-5 aren.

4.      Er werden ook plaggen van gagel gestoken. De gagel komt in dat geval voor op drogere stukken met dopheide.

5.      Na het rooien van dennenbos komt struikheide massaal op.

6.      Als de terreinen eerst worden gehoed met runderen, zullen deze eerst pijpenstrootje eten. Ook eten ze jonge heideplanten. De zo ontwikkelde heide bleef 20 tot 30 jaar lang in stand.

7.      Heide werd in het voorjaar gebrand om jonge heide te krijgen die door koeien werd gegeten. Er werd tegen de wind in gestookt. De wortels van de planten bleven leven en liepen nog hetzelfde jaar uit.

8.      Ook werd er met de wind mee gebrand, hierdoor verbrande alleen de bovengrondse delen.

9.      Koeien werden in de heide in de lente en zomer gehoed. Dit gebeurde dan vooral ‘s morgens maar ook ‘s middags als het niet te warm was.

10. De koeien trekken het eerst naar vochtige plaatsen met pijpenstrootje om zich daar tegoed te doen.

11. Koeien eten jonge heide en jonge loten van oudere planten omdat de plant zelf te houtig is.

12. Het veedrijven begon als pijpenstrootje begon te wassen (groeien). Dat is einde maart tot half april. Eerst aten de koeien pijpenstrootje, daarna jonge struikheide. Na juni is pijpenstrootje te hard om te eten.

13. Na de twintiger en dertiger jaren vindt in de Kempen geen beweiding meer plaats door runderen en schaapskudde. In ieder geval is beweiding gestopt na de Tweede Wereldoorlog.

Burny geeft een toelichting over struikheide als veevoer. De informatie hierover heeft Burny van Gimingham (in J. Burny, 1972). De belangrijkste conclusies zijn:

·         Jonge struikheideloten zijn voor het vee een goede bron van Ca en Mg. Het gehalte is lager dan bij hooi maar de heideloten zorgen niettemin voor een aanvulling van deze elementen. Bovendien bevatten struikheideloten een bruikbare hoeveelheid K. De hoeveelheid P is laag.

·         Opvallend is dat juist de twijgen van de jongste planten de grootste hoeveelheid N, P, Ca, Mg, Na, en K bevatten. Het verschil met de oude planten is het grootst voor N en P. (Met jonge heideplanten worden vegetaties bedoeld die na kappen en maaien van de heide weer uitlopen op hun oude wortels. De individuele planten kunnen op deze wijze oud worden).

·         De kwaliteit van jonge struikheide is het hoogst in juni en juli. In de winter is deze het laagst. Bij oudere planten is er nauwelijks kwaliteitsverschil.

 inhoud


8.3. De beheersadviezen

De terreinen op de Meinweg waar de adders hun ligplaatsen in voor- en najaar hebben, zijn de overgangen tussen droge en natte heidevegetaties. Deze terreinen liggen voornamelijk aan de onderkant van de terrassen. De zuidelijke en zuidwestelijke expositie van de terrassen draagt bij tot een optimalisering van de ligplaatsomstandigheden. In al deze terreinen is het voor de adder mogelijk om ligplaatsen te vinden, mits de samenstelling van de vegetatie en vegetatiestructuur daar geschikt voor is. In deze gebieden liggen ook de hibernacula. Naar de toekomst toe zal een aantal beheersmaatregelen moeten worden uitgevoerd, die de samenstelling en de structuur van de vegetatie behouden, dan wel zo laat ontwikkelen, dat de adder er voldoende beschutting en rust kan vinden. Daarbij moet de adder de lichaamstemperatuur kunnen reguleren in periodes dat de temperatuurverschillen groot zijn, met name in voor- en najaar. Ook hiervoor worden hoge eisen gesteld aan de vegetatiestructuur. De samenstelling van de vegetatie moet op kleine schaal (2 bij 2 meter) rijk zijn aan soorten. Dit wil zeggen dat naast pijpenstrootje ook een of meerdere andere soorten zoals struikheide, gagel, vuilboom, dopheide en mogelijk ook bochtige smele aanwezig zijn. Het beheer zal er dus op gericht moeten zijn dat de ontwikkeling naar monoculturen wordt tegen gegaan, evenals de opslag van berk en eik. Door plaggen wordt de totale structuur van vegetatie en bodem vernietigd en deze maatregel is voor de adder (en andere reptielen) dan ook funest. Op de plagstukken ontstaat pas na twintig tot dertig jaar een structuur in de vegetatie, die voor de adder geschikte plekken biedt om te zonnen. Het herstel van de verandering in bodemstructuur, die ook kan bijdragen tot het ontstaan van goede ligplaatsen, zal nog langer duren. Het beheer moet er op gericht zijn om een zodanig stadium in de successie te fixeren, dat ligt tussen een heideterrein dat enigszins vergrast is en de overgang naar eiken-berkenbos.

Allerlei vormen van beheer kunnen hiervoor worden gebruikt. Uitgangspunt moet zijn dat de ingrepen die plaatsvinden, geen al te grote invloed hebben op korte termijn. De consequenties van het toegepaste beheer moeten nauwkeurig worden gevolgd. Dit geldt voor de invloed op de adderpopulatie alsook voor de invloed op de vegetatie en zijn structuur. De adder komt anno 1999 goed verspreid over de Meinweg voor. Deze (deel)populaties bestaan al vele tientallen jaren en er mag worden aangenomen dat de adder zich redelijk kan handhaven op de Meinweg. Uitgangspunt voor het beheer moet de bestaande situatie zijn, om van daaruit geleidelijk, over een lange periode, te werken naar een uitbreiding van een bodem- en vegetatiestructuur, die voor de adder het meest geschikt is. Ingrijpende maatregelen zoals het grootschalige plaggen in 1992 kunnen de adderpopulaties grote schade berokkenen en zelfs vernietigen. Die beheersmaatregel heeft wel de struikheide teruggebracht maar geen variatie in vegetatie en vegetatiestructuur. Ook kleinschalig plaggen in de Slenk en Bosbeekdal heeft geen goed gedaan aan het adderbiotoop aldaar. Alleen de randen van de plagstukken worden soms door de adders als ligplaats gebruikt. Deze plagstukken variëren van enkele tientallen tot honderden vierkante meters. Nog kleinschaliger plaggen, dus stukken van enkele vierkante meters, kan open plekken creëren, waar de adder goede zonplekken kan vinden. De plagstukjes moeten sterk versnipperd liggen over het terrein zodat geen lange linten zonder begroeiing ontstaan. De plagstukjes moeten een oost-west ligging hebben zodat de noordkant van het plagstukje goed beschenen wordt door de zon. De zuidkant moet een niet al te hoge begroeiing hebben. Tot 100 cm naar het zuiden niet hoger dan 30-40 cm. Verder zuidelijk, tot enkele meters, niet hoger dan 70-100 cm. De vorm van deze stukken kan bijdragen tot goede ligplekken, waar de adder op elk moment van de dag kan zonnen. Bijlage 5 laat enkele voorbeelden zien. Indien er wordt geplagd moet de vegetatie niet geheel worden verwijderd. Als de onderlaag aanwezig blijft is een optimale regeneratie van de vegetatie mogelijk en zal, na enkele jaren, een goede vegetatiestructuur terugkomen. Ook moet erop worden gelet dat de structuur van de bodem zo goed mogelijk behouden blijft. De plagstukken kunnen gebruikt worden om elders meer hoogteverschillen te creëren. Zo kunnen lage dijkjes in oost-westrichting worden aangelegd. Adders kiezen vaak ligplaatsen tegen deze dijkjes. Begrazing door schapen binnen een afrastering zoals nu op de Meinweg in verschillende terreinen wordt toegepast vernietigt het biotoop van de adder voor lange tijd. De vegetatie wordt kaal gevreten, waardoor de structuur geheel verdwijnt. Een dergelijke intensieve begrazing moet dan ook afgewezen worden. Indien voor begrazing door schapen wordt gekozen, moet deze extensief plaatsvinden en moet de begrazing als middel worden gebruikt om de bestaande situatie te verbeteren, zonder dat de structuur van de vegetatie teveel wordt aangetast. Indien de vergrassing te sterk toeneemt en er ook te veel opslag van berken en eiken plaatsvindt, moet de successie over een reeks van jaren geleidelijk worden teruggedrongen. De aanwezige structuur blijft dan gehandhaafd en men kan jaar na jaar de begrazing bijstellen. Juist in terreinen waar nu nog adders voorkomen of waar adders in het verleden voorkwamen, moet zeer voorzichtig begrazing worden geïntroduceerd. Jaarrond begrazing is niet geschikt als middel om de structuur in de vegetatie van een adderbiotoop te handhaven. Juist de jonge loten bevatten de meeste mineralen. Runderen paarden en schapen nemen het eerst deze jonge delen van de plant tot zich en zullen pas daarna de oudere delen van de plant eten. Wanneer de dieren aan de oudere delen van de planten gaan vreten moet de begrazing worden gestopt. Hierdoor blijft de aanwezige structuur van de vegetatie gehandhaafd. Bovendien vindt er toch afvoer van mineralen en biomassa plaats, waardoor de vergrassing en de opslag van berken en eiken wordt afgeremd. De beste periode voor extensieve begrazing is de periode van eind mei tot begin augustus. De adders ondervinden dan weinig hinder van de grazers, omdat de temperaturen in deze maanden zo hoog zijn, dat de adders relatief weinig hoeven te zonnen.

inhoud


De begrazing continueren in herfst, winter en voorjaar heeft vooral afvoer van mineraalarm organisch materiaal tot gevolg, maar heeft geen betekenis voor de reductie van mineralen, waardoor de vergrassing kan toenemen. De grazers moeten veel van de vegetatie eten om toch voldoende voedingsstoffen op te nemen. De structuur van de vegetatie wordt daardoor minder van kwaliteit. Grazers kiezen in het voorjaar als eerste voor uilopers van pijpenstrootje om daarna aan de nieuwe loten van struikheide te beginnen. Omdat vooral jonge bladeren van pijpenstrootje worden gegeten blijft de polstructuur bestaan. Belangrijk blijft om er op toe te zien dat er niet teveel wordt weggevreten. Beter een jaar te weinig dan teveel begrazingsdruk moet het motto zijn. De dopheide vegetaties worden bij extensieve begrazing ontzien door de grazers, omdat ze dopheide bij voldoende aanbod van pijpenstrootje en struikheide met rust laten. Voor gagel geldt hetzelfde. De opslag van gagel en vuilboom kan erg dicht worden en aanzienlijke hoogten bereiken. Juist in terreinen waar deze soorten over vele vierkante meters de bodem bedekken, kan het nodig zijn om de struiken uit te dunnen. Kappen vlak boven de grond moet worden afgeraden, de stobben lopen opnieuw uit en er ontstaat een dichte structuur die weinig zon doorlaat. Het in zijn geheel verwijderen van deze vegetatie is ook niet goed, omdat de structuur daardoor te open wordt. Gagel en vuilboom moeten zo worden uitgedund dat er open plekken worden gecreëerd waar de zon ook bij een lage stand de bodem kan bereiken. Een goede mogelijkheid kan zijn om vuilboom in de zomer te ringen zodat de struik afsterft en niet meer uitloopt. De dode bomen en struiken kunnen beschutting geven tegen roofvogels en laten voldoende zonnenstralen door. Bovendien bespaart deze vorm van beheer arbeid.

In enkele gebieden (o.a. Woest 1) is het adderbiotoop vrijwel geheel omgeven door grove dennen. De zon kan nog maar een klein oppervlak (50 bij 50 meter) van de bodem beschijnen en alleen pas dan, als zij hoog aan de hemel staat. Op deze plekken moet in het najaar vanaf november tot februari uitdunning plaatsvinden van grove dennen. Dit moet gefaseerd gebeuren. De spaarzame vuilbomen en eiken moeten worden gespaard. De bijdrage die wilde zwijnen en reeën kunnen geven aan het beheer, moet niet worden onderschat. Ze creëren plekken in de vegetatie, die voor de adder als zonplek kunnen worden gebruikt. Het omwoelen van de bodem door het wilde zwijn is hier een voorbeeld van. Tijdens veldwerk zijn regelmatig adders aangetroffen op dergelijke plekken.  

Samenvattend kunnen de volgende aanbevelingen voor het beheer worden gegeven:

1.      In de terreinen waar adders zijn of werden aangetroffen moet het beheer zo worden uitgevoerd dat de bestaande situatie het uitgangspunt vormt. Vanuit die situatie moet een beheersplan worden uitgezet dat over een lange periode (10 jaar) moet leiden tot een optimale biotoop voor de adder. Er moet worden gewerkt in fasen, zodat er op elk moment kan worden bijgestuurd.

2.      In de bestaande adderbiotopen mag geen jaarrond begrazing worden toegepast.

3.      Begrazing door schapen, runderen en paarden kan in de bekende addergebieden alleen in juni en juli, onder toezicht van een herder.

4.      Alleen kleinschalig plaggen, maximaal 10-20 m2 in overwegend oost-westelijke richting, kan bijdrage tot verbetering van het adderbiotoop

5.      Dennenbossen aan de onderkant van de terrassen, moeten worden gekapt en op deze plaatsen kan een vergraste heidevegetatie ontstaan, met soorten als gagel, vuilboom, struikheide en pijpenstrootje.

6.      Bij teveel opslag van vuilboom kan men in de zomer een aantal bomen en struiken ringen.

7.      Het gevoerde beheer moet jaarlijks worden gecontroleerd en geëvalueerd.

begrazing door paarden is een mogelijkheid maar..................?

 inhoud


Literatuur

Bossenbeek, Ph. & Hermans, J.T., 1999. Nationaal Park de Meinweg. Natuurhistorisch Maandblad 88 (11): 282-288.

Bossenbeek, Ph. & Hermans, J.T. et. al., 1997. Het Land van Peel en Maas. Staatsbosbeheer, regio Peel en Maas, Roermond.

Bürny, J., 1999. Bijdrage tot de historische ecologie van de Limburgse kempen (1910-1950) Tweehonderd gesprekken samengevat. Natuurhistorisch Genootschap in Limburg. Maastricht.

Claus, K., 1987-1988. Inleidende studie van de ekologie en ethologie van de adder. Universitaire Instelling Antwerpen Departement Biologie.

Dorenbosch, M. & Hoof, P.H. Van., 2000. De Adder in het Meinweggebied: Een morfologischevergelijking met twee andere Nederlandse populaties. Stichting Natuurpublicaties Limburg / Natuurhistorisch Genootschap in Limburg. Maastricht.

Frigge, P., Kobussen V., Mutsers K. & Wersch G. Van., 1978. Adders in het Meynweggebied. Verslag nr. 150. Afd. Diereocologie, K.U. Nijmegen.

Garms, H., 1980. Dieren en Plantengids van Europa. Elsevier-Amsterdam / Brussel

Günther, R., (Hrsg.) 1996. Die Amphibien und Reptilien Deutschlands. Gustav Fischer Verlag, Jena.

Hordie, F. & Hecke, A. Van., 1985. Gedrag en leefgewoonte van de adder Vipera berus berus inNoord-België. Privépublicatie A. Lenders, Melick.

Klompen, H. & Smeets, D., 1979. Adders in het Meynweggebied. Verslag nr.163. Afd. Diereocologie, K.U. Nijmegen.

Lamberts, J. & Rijst, H. Van Der., 1986. Rapport ter bevordering van addervriendelijk heidebeheer.Stichting Geldersch Landschap. Utrecht.

Lamberts, J. & Rijst, H. Van Der., 1988. Een oecologische studie aan de adder, Vipera berus (L.) nabij Ermelo. Rapport 283 Werkgroep Dieroecologie Vakgroep Experimentele Zoölogie Katholieke Universiteit Nijmegen.

Lenders, A.J.W., 2000. Merkmethoden bij de herpetofauna. Patronen van kopschilden alsindividuele herkenning bij de adder. RAVON 3:13-18.

Lenders, A.J.W., 1983. De Meinweg, een potentieel nationaal park. Roerstreek ’83, jaarboek Heemkunde vereniging Roerstreek 15:18-42.

Lenders, A.J.W., Jansen, P.W.A.M. & Dorenbosch, M., 2000. De adder, hét symbool van Nationaal Park De Meinweg. Natuurhistorisch Maandblad 88:316-320.

Lenders, A.J.W., 1992. Een herpetologische visie op beheer en inrichting van het Meinweggebied. Natuurhistorisch Maandblad 81:183-196.

Peterson, R.T., Mountfort G. & Hollom P.A.D. 1980. Petersons Vogelgids. Elsevier-Amsterdam / Brussel

Ponti, M. de & Falize, M.H.G.C., 1981. De Brunssummer Heide, een verslag van een floristisch en vegetatiekundig onderzoek. Moller Instituut, Tilburg.

Rijksinstituut voor natuurbeheer. 1979. Levensgemeenschappen. Pudoc. Centrum voor landbouwpublicaties en landbouwdocumentatie. Wageningen.

Schiemenz H., 1987. Die Kreutzotter. Die Neue Brehm-Bücherei. A. Ziemsen Verlag. Wittenberg Lutherstadt

Schiemenz, H., 1995. Die Kreuzotter. Die neue-Bücherei. Westarp-Wissenschaften, Magdenburg; Spectrum Akademischer Verlag, Heidelberg.

Topografische Dienst., 1989. Grote Provincie Atlas 1:25000 Limburg. Wolters-Noordhoff Atlasproducties, Groningen.

Weeda, E.J., Westra, R., et. al., 1985. Nedelandse Oecologische Flora wilde planten en hun relaties deel 1-5. IVN in samenwerking met de Vara Omroepvereniging, Vewin en de KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Westhoff, V., Bakker, P.A. et. al., 1970. Wilde Planten Flora en vegetatie in onze natuurgebieden Deel 3. Vereniging tot behoud van natuurmonumenten in

inhoud


bijlage:

ID

Weer

Tlucht

Tbodem

Exp-zon

Exp-bodem

Molinea c.

Descham. f .

Myrica g.

Frangula a.

Calluna v.

Erica t.

Betula sp.

Mos

Korstmos

Rubus f.

Pteridium a.

Quercus sp.

Geen begr.

dood hout

1

bewolkt

21 °C

25 °C

geen

languit + afgeplat

2 00-15cm

3 00-10cm

2 00-040cm

 

2 00-20cm

 

 

 

 

 

 

 

20%

 

2

motregen

20 °C

23 °C

geen

@

3 00-20cm

 

2 30-070cm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

40%

 

3

motregen

20 °C

23 °C

N.W.W.

@

5 00-40cm

 

r 00-020cm

 

 

+ 00-10cm

 

 

 

 

 

 

05%

 

4

zonnig + bewolkt

20 °C

22 °C

geen

opgerold

4 00-25cm

 

2 00-070cm

 

 

 

 

r 00-00cm

 

 

 

 

25%

 

5

sluier + zonnig

21 °C

23 °C

Z.W

opgerold

4 00-25cm

 

1 00-075cm

r 00-035cm

 

 

 

 

 

 

 

 

20%

 

6

bewolkt

21 °C

24 °C

Z.W.W

opgerold

1 00-30cm

 

1 00-060cm

 

 

1 00-20cm

 

 

 

 

 

 

20%

 

7

bewolkt

21 °C

21 °C

geen

opgerold

1 00-05cm

 

+ 00-030cm

 

 

5 00-20cm

 

 

 

 

 

 

05%

 

8

sluier

22 °C

22 °C

Z.W.W

opgerold

2 00-10cm

 

 

 

+ 00-20cm

4 00-20cm

 

 

 

 

 

 

05%

 

9

zonnig

23 °C

23 °C

 

 

1 00-30cm

 

2 00-030cm

r 00-010cm

 

 

 

 

 

 

 

 

70%

 

10

bewolkt

19 °C

20 °C

geen

kruipend

3 00-50cm

 

2 00-045cm

 

3 00-35cm

 

 

 

 

 

 

 

15%

 

11

bewolkt

20 °C

22 °C

Z.Z.O

opgerold

2 00-10cm

 

2 30-070cm

1 99-350cm

 

 

 

 

2 00-15cm

 

 

 

05%

 

12

zonnig + bewolkt

22 °C

28 °C

Z.W

opgerold

3 00-40cm

 

+ 30-050cm

 

+ 00-20cm

r 00-20cm

 

 

 

 

 

 

15%

 

13

zonnig + bewolkt

22 °C

28 °C

Z.W.W

languit

2 00-50cm

 

 

+ 00-050cm

r 00-10cm

 

 

 

 

 

 

 

30%

 

14

bewolkt

15 °C

16 °C

geen

kruipend

3 05-25cm

 

+ 00-050cm

 

1 00-20cm

2 00-20cm

r 00-015cm

 

 

 

 

 

10%

 

15

bewolkt

15 °C

16 °C

Z.W.W

languit

3 10-25cm

 

 

 

 

3 20-30cm

r 00-010cm

 

 

 

 

 

10%

 

16

motregen

16 °C

16 °C

Z.W

languit

3 05-25cm

 

+ 30-050cm

 

1 00-20cm

2 00-20cm

r 00-015cm

 

 

 

 

 

10%

 

17

motregen

16 °C

16 °C

geen

kruipend

5 00-40cm

 

+ 00-040cm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0%

 

18

motregen

16 °C

16 °C

geboren

geboren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

19

motregen

16 °C

16 °C

geen

opgerold

3 05-25cm

 

+ 00-050cm

 

1 00-20cm

2 00-20cm

r 00-015cm

 

 

 

 

 

10%

 

20

motregen

17 °C

18 °C

geen

languit

2 00-30cm

 

1 20-060cm

 

2 00-25cm

+ 00-10cm

 

2 00-20cm

 

 

 

 

20%

 

21

volle zon

23 °C

31 °C

 

opgerold

+ 00-10cm

 

 

 

+ 00-20cm

5 00-30cm

 

 

 

 

 

 

05%

 

22

volle zon

22 °C

24 °C

Z.W.W

opgerold

+ 00-20cm

 

 

 

4 20-60cm

 

r 00-050cm

 

 

 

 

 

25%

 

23

volle zon

20 °C

24 °C

W

kruipend

3 00-25cm

 

 

+ 00-025cm

3 20-90cm

r 00-20cm

 

 

 

 

 

 

10%

 

24

volle zon

20 °C

24 °C

W

languit

3 00-40cm

 

 

 

2 00-50cm

1 00-20cm

 

 

 

 

 

 

20%

 

25

volle zon

19 °C

21 °C

 

kruipend

+ 00-40cm

 

 

 

4 20-60cm

+ 00-40cm

r 00-050cm

 

 

 

 

 

25%

 

26

volle zon

20 °C

20 °C

 

kruipend

+ 00-20cm

+ 05-10cm

 

 

2 10-40cm

 

 

 

 

 

 

 

20%

 

27

volle zon

24 °C

26 °C

Z

opgerold

3 10-40cm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

20%

 

28

bewolkt

23 °C

23 °C

 

opgerold

5 20-45cm

 

+ 00-050cm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

10%

 

29

sluier + zonnig

15 °C

17 °C

Z.W

languit

1 00-20cm

 

 

 

1 00-20cm

 

+ 00-015cm

 

 

 

 

 

20%

 

30

sluier + zonnig

15 °C

17 °C

Z.W

languit

4 00-25cm

 

 

 

1 00-20cm

 

 

 

 

 

 

 

20%

 

31

sluier + zonnig

15 °C

17 °C

Z.W

languit

2 00-30cm

 

 

 

2 00-15cm

3 00-20cm

r 00-020cm

 

 

 

 

 

20%

 

32

bewolkt

16,5 °C

16,5 °C

 

languit

2 00-30cm

 

 

 

2 00-15cm

3 00-20cm

r 00-020cm

 

 

 

 

 

20%

 

33

bewolkt

16,5 °C

16,5 °C

 

languit in lus

2 00-30cm

 

 

 

2 00-15cm

2 00-20cm

 

 

 

 

 

 

20%

 

34

bewolkt

13,5 °C

13,5 °C

 

languit

4 00-20cm

 

 

 

+ 00-15cm

 

 

 

 

 

 

 

15%

 

35

bewolkt

16 °C

16 °C

Z.W

opgerold

2 00-30cm

 

 

 

2 00-15cm

3 00-20cm

+ 00-010cm

 

 

 

 

 

20%

 

36

bewolkt

13,5 °C

13,5 °C

 

languit

4 00-20cm

 

 

 

+ 00-15cm

 

 

 

 

 

 

 

15%

 

37

zonnig + bewolkt

17 °C

23 °C

Z.O

opgerold

3 00-30cm

+ 00-20cm

2 60-120cm

1 00-250cm

+ 00-35cm

 

 

 

 

 

1 00-010cm

 

15%

 

38

zonnig + bewolkt

17 °C

22 °C

Z.O

opgerold

3 00-40cm

3 00-10cm

2 50-070cm

2 00-175cm

 

 

 

 

 

 

 

 

05%

 

39

zonnig + bewolkt

18 °C

23 °C

Z.O

opgerold

3 00-30cm

3 00-10cm

2 00-050cm

2 00-175cm

 

 

 

 

 

 

 

 

05%

 

40

bewolkt

18 °C

25 °C

Z.O.O

opgerold

3 00-30cm

2 00-10cm

2 30-060cm

2 00-250cm

 

 

 

1 00-10cm

1 00-10cm

 

 

 

10%

 

41

zonnig + bewolkt

16 °C

17 °C

Z.O

opgerold

0 00-40cm

2 00-10cm

 

1 00-350cm

 

 

 

1 00-10cm

 

 

2 00-050cm

 

0%

 

 

ID

Weer

Tlucht

Tbodem

Exp-zon

Exp-bodem

Mc

Df

Mg

Fa

Cv

Et

B

Mos

Korstmos

R

Pa

quercus sp

geen

dood hout

42

zonnig + bewolkt

16 °C

17 °C

Z.O

languit in lus

 

4 00-40cm

 

+ 00-060cm

 

 

 

2 00-40cm

 

 

1 00-060cm

 

 

 

43

zonnig + bewolkt

16 °C

17 °C

Z.O

opgerold

 

4 00-20cm

 

+ 00-080cm

 

 

 

2 00-15cm

 

 

1 00-070cm

 

 

 

44

zonnig + bewolkt

16 °C

17 °C

geen

kruipend

2 00-50cm

2 00-20cm

 

r 00-180cm

 

 

 

+ 00-15cm

 

+ 00-050cm

 

 

05%

10%

45

zonnig + bewolkt

15 °C

16 °C

Z.O.O

languit in lus

5 00-40cm

2 00-20cm

 

1 00-020cm

 

 

 

+ 00-05cm

 

+ 00-050cm

 

r 00-400cm

0%

 

46

zonnig + bewolkt

16 °C

17 °C

Z.O.O

opgerold

2 00-25cm

 

 

 

2 00-60cm

2 00-30cm

r 00-500cm

 

 

 

 

 

05%

 

47

volle zon

19 °C

23 °C

Z.W

languit

5 00-40cm

 

 

r 00-220cm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

15%

48

bewolkt

14 °C

16 °C

Z.W

opgerold

5 00-30cm

 

1 00-040cm

 

 

 

 

1 00-15cm

 

 

 

 

05%

 

49

bewolkt

14 °C

16 °C

Z.O

opgerold

5 00-30cm

 

1 40-070cm

 

 

 

 

1 00-15cm

 

 

 

 

05%

 

50

bewolkt

15 °C

17 °C

Z.O

opgerold

5 00-40cm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

20%

 

51

zonnig + bewolkt

16 °C

22 °C

Z.O

opgerold

2 00-50cm

2 00-10cm

1 00-070cm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0%

 

52

zonnig + bewolkt

17 °C

22 °C

Z.O

opgerold

1 00-20cm

2 00-20cm

 

 

3 00-40cm

 

+ 00-040cm

+ 00-15cm

 

 

 

 

10%

 

53

zonnig + bewolkt

13 °C

20 °C

Z.O

languit

5 00-40cm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

05%

 

54

zonnig + bewolkt

13 °C

19 °C

 

kruipend

5 00-40cm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

05%

 

55

zonnig + bewolkt

13 °C

19 °C

Z.O.O

opgerold

2 00-40cm

 

1 00-070cm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

10%

 

56

zonnig + bewolkt

13 °C

19 °C

Z.O.O

opgerold

2 00-40cm

 

1 00-070cm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

10%

 

57

zonnig + bewolkt

17 °C

23 °C

Z.W

opgerold

3 00-30cm

3 00-30cm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

05%

10%

58

regen

11 °C

11 °C

Z

opgerold

4 00-40cm

 

1 00-060cm

 

 

1 00-30cm

 

1 00-10cm

 

 

 

 

10%

10%

59

 

 

 

 

 

3 00-40cm

 

2 00-060cm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0%

 

60

 

 

 

 

 

2 00-40cm

 

2 00-060cm

 

 

 

 

 

1 00-00cm

 

 

 

0%

 

61

zonnig + bewolkt

11 °C

14 °C

Z.O

languit in lus

2 00-40cm

 

 

 

3 00-80cm

2 00-30cm

 

 

 

 

 

 

20%

 

62

sluier + zonnig

14 °C

19 °C

 

kruipend

4 00-30cm

 

1 00-060cm

 

 

 

 

 

 

 

1 00-050cm

 

0%

 

63

zonnig + bewolkt

14 °C

18 °C

Z.O.O

opgerold

2 00-25cm

 

 

 

2 00-60cm

 

r 00-500cm

 

 

 

 

 

05%

 

64

volle zon

15 °C

20 °C

 

languit

5 00-50cm

 

 

 

 

2 00-20cm

 

2 00-20cm

 

 

 

 

0%

 

65

 

 

 

 

 

2 00-40cm

 

 

 

3 00-50cm

2 00-40cm

+ 00-040cm

 

 

 

 

 

0%

 

66

 

 

 

 

 

 

3 00-30cm

2 00-070cm

+ 00-200cm

 

 

 

 

 

 

 

 

0%

 

67

bewolkt

16 °C

20 °C

Z.W

languit in lus

1 00-20cm

2 00-20cm

 

 

3 00-40cm

 

+ 00-040cm

+ 00-15cm

 

 

 

 

10%

 

68

 

 

 

 

 

3 00-60cm

 

1 00-060cm

 

 

2 00-40cm

1 00-040cm

 

 

 

 

 

0%

 

69

volle zon

20 °C

28 °C

Z.O.O

languit in lus

4 00-40cm

 

1 00-060cm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

10%

5%

70

bewolkt

16 °C

17 °C

 

kruipend

4 00-40cm

2 00-20cm

 

r 00-400cm

 

 

 

 

 

 

 

 

10%

 

71

bewolkt

16 °C

18 °C

Z.W

languit + afgeplat

4 00-35cm

2 00-10cm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

05%

 

72

bewolkt

8 °C

20 °C

Z

languit + afgeplat

3 00-30cm

3 00-10cm

2 00-250cm

 

 

 

 

 

 

 

1 00-040cm

 

05%

 

73

 

 

 

 

 

3 00-30cm

3 00-20cm

 

2 00-030cm

 

 

 

2 00-05cm

 

 

 

 

0%

 

74

bewolkt

22 °C

22 °C

 

kruipend

5 00-40cm

 

1 00-050cm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

15%

 

75

zonnig

15 °C

17 °C

Z.W

languit

3 00-25cm

 

1 00-050cm

 

1 00-15cm

1 00-20cm

 

 

 

 

 

 

10%

 

76

zonnig

15 °C

17 °C

Z.W

languit

3 00-25cm

 

2 00-050cm

 

1 00-15cm

+ 00-20cm

 

 

 

 

 

 

15%

 

77

zonnig

15 °C

17 °C

Z.W

languit

3 00-25cm

 

1 00-050cm

 

1 00-15cm

2 00-15cm

 

 

 

 

 

 

10%

 

78

zonnig

15 °C

17 °C

Z.W

languit

3 00-25cm

 

2 00-040cm

 

+ 00-15cm

r 00-15cm

 

 

 

 

 

 

15%

 

79

zonnig

15 °C

17 °C

Z.W

languit

3 00-25cm

 

1 00-050cm

 

1 00-20cm

1 00-20cm

 

 

 

 

 

 

20%

 

80

zonnig

15 °C

17 °C

Z.W

languit

3 00-25cm

 

2 00-050cm

 

1 00-20cm

2 00-20cm

 

 

 

 

 

 

15%

 

naar inhoud

reacties: deponti@planet.nl