Door: Math de Ponti
1 mei 2002
t.b.v. 1e graad biologie
Hoge School Utrecht.
"Terug
naar de basis" een essay over Consiliënce: The Unity of Knowledge door
Edward O. Wilson.
Inleiding:
Consiliënce: The unity of knowledge is
geschreven door Edward O.Wilson. Wilson is bioloog en schrijver. Als hoogleraar
heeft hij gewerkt aan de Harvard University. Wilson behandelde met name de
evolutiebiologie. Deze wetenschap heeft verwantschap met de natuur- en
socialenwetenschappen. Door met wetenschappers uit deze en vele andere
vakgebieden inzichten te bespreken en te bediscussiëren heeft Wilson de kennis
vergaard om een uitvoerig essay te schrijven met als hoofdtitel: Consiliënce.
In Consiliënce geeft Wilson aan dat de
wetenschap steeds fragmentarischer en specialistischer wordt. Vanuit de
vakgebieden wordt te weinig naar andere vakgebieden gekeken laat staan geleerd.
Door samenwerking en unificatie kan de wetenschap doordringen tot de
elementaire processen van leven en gedrag en daarmee de evolutie doorgronden en
uiteindelijk voorspellen.
Andere werken van Wilson zijn:
On Human Nature (1978) Pulitzerprijs,
The Ants (1990) Pulitzerprijs, Het veelvormige leven (1994)
Het essay over Consiliënce volgt de
hoofdstukindeling van het boek van E.O. Wilson. Eerst wordt per hoofdstuk een
samenvatting gegeven en vervolgens mijn reflectie hierop.
Inhoud:
|
Hoofdstuk 1: De Ionische Bekoring. Hoofdstuk 2: De belangrijkste takken van de wetenschappen. Hoofdstuk 3: De verlichting (17e en 18e eeuw) Hoofdstuk 4: De natuurwetenschappers. |
Hoofdstuk 5: De draad van Ariadne. Hoofdstuk 6: De Geest. Hoofdstuk 7: Van genen tot cultuur. Hoofdstuk 8: Het Darwinistische succes van de menselijke natuur. |
Hoofdstuk 9: de sociale wetenschappen. Hoofdstul 10: De kunsten en de interpretatie ervan. Hoofdstuk 11: Ethiek en Religie. Hoofdstuk 12: Waartoe? |
Hoofdstuk 1: De Ionische
Bekoring.
Samenvatting:
Wilson geeft aan dat de wetenschap zijn
oorsprong vond in de 6e eeuw voor Christus. Hier start het zoeken
naar de objectieve werkelijkheid boven die van de openbaring. Hiermee is de
start gemaakt om onderzoek te doen en via observatie met onze zintuigen zaken
om ons heen te beschrijven. Zorg dat de dingen om ons heen genoemd worden met
de juiste naam: classificeren. Er ontstaat eenduidigheid die terug te voeren is
op éénheid. Eénheid in wetenschap zowel in de natuur- als
socialenwetenschappen. Met het ontstaan van de wetenschap zal religie terrein
moeten prijsgeven. Wilson geeft aan dat de zoektocht naar religie de zoektocht
naar werkelijkheid wordt. Wetenschap is dus ook en misschien vooral het zoeken
naar grenzen. Wat kan ik onder de gegeven omstandigheden, of om met Icarus te
spreken: "hoe hoog kan ik vliegen voordat de zon mijn vleugels doet
smelten". Het is niet verwonderlijk dat de wetenschap aanvangt als er voor
het eerst schrift gebruikt kan worden. Hierdoor wordt een en ander vastgelegd
en schrift is geduldig. Anderen kunnen becommentariëren en er kan herziening
plaatsvinden.
Reflectie:
Of de wetenschap start met hiërogliefen
valt te betwijfelen. Ook al voor deze tijd waren er grottekeningen en was er
taal. Via taal en deze tekeningen werd informatie overgedragen van de ene op de
andere generatie. Ongetwijfeld werd erover gediscussieerd. Van belang blijft
wel dat door teksten van andermans bevindingen de eerste stap van de wetenschap
ingeslagen is en daarmee de ratio belangrijker werd. De oorzaak van het
ontstaan van de wetenschap moet dan ook direct gezocht worden in de evolutie.
De mens ontstond uit primaten. De duim verplaatste naar voren en kwam bij de
vingers te staan. De handen konden daardoor veel beter voorwerpen vastpakken en
gaan gebruiken. De hersenen werden daardoor gestimuleerd, ontwikkelde zich
verder met als gevolg dat ze steeds ingewikkeldere processen zijn gaan
aansturen. Wat bij dieren beperkt blijft tot enkele handelingen zoals het
opduiken van schelpen en die kapot slaan zodat er voedsel is, is bij de mens
uitgegroeid tot een voortdurend denken over "waarom doe ik dat op deze
wijze". Wetenschap is een menselijke activiteit gestart toen de evolutie
de mens liet ontstaan. Religie was voor de komst van de mens niet bekend en dus
pas uitgevonden toen de mens de evolutie binnentrad.
Hoofdstuk 2: De belangrijkste
takken van de wetenschappen.
Samenvatting:
De verlichte denkers uit de 17e
en 18e eeuw hadden als uitgangspunt dat onze materiële wereld wordt
geregeerd door wetten. Kennis is in wezen voortgekomen uit eenheid en de mens
heeft in potentie een onbeperkte ontwikkeling. Deze uitgangspunten zijn ook nu
nog van belang. De exacte en geesteswetenschappen moeten verbinding zoeken.
Juist de exacte wetenschappen kunnen principes van de geesteswetenschappen
verklaren. Op dit moment is de wetenschap sterk gespecialiseerd. Deze
specialisatie is zo ver doorgevoerd dat de wetenschappers te weinig inzicht
hebben gekregen in andere vakgebieden. De taak van de specialist is om verder
te kijken dan het eigen specialisme. Juist dan kan er koppeling en overleg
plaatsvinden en daarmee breder inzicht. De grensgebieden tussen de specialismen
worden daardoor steeds kleiner en kunnen mogelijk verdwijnen. Conciliëntie
roept daartoe op. Via conciliëntie (Ned: verzoening) worden de wetenschappen
gedwongen naar elkaar te kijken. Het resultaat zal zijn dat kennis veel sneller
uitgewisseld wordt en daarmee toegepast wordt in andere specialismen. Dat juist
exacte wetenschappen veel meer toegepast moeten worden in geestes- en sociale
wetenschappen is een eerste stap. Het zoeken naar oorzaak en gevolg is bij de
exacte wetenschap de belangrijkste grondtheorie omdat dat de mogelijkheid tot
toetsing geeft. De geestes- en sociale wetenschappen kunnen door conciliëntie te
zoeken met de exacte wetenschap aan betekenis winnen.
Reflectie:
Belangrijk is het waarom de verlichte
denkers van de 17e en 18e eeuw een meer wetenschappelijke
benadering kozen in hun denken. Door onderzoekers kwam meer en meer kennis vrij
over onze omgeving. Belangrijke inzichten als de Generatio spontanea werden
herroepen, maar toch, zelfs de Generatio spontanea had een
"wetenschappelijke basis". De theorie werd beschreven en er werden
zelfs proeven gedaan om de theorie te bewijzen. De beschrijving maakte het
echter ook mogelijk om de gedachten van de Generatio spontanea te weerleggen.
De Verlichters pikten dus kennis op en gingen ermee aan de slag. De basis lag
in het exacte en zoals steeds weer blijkt als er nieuwe ontdekkingen worden
gedaan blijkt het formuleren van een grondregel mogelijk. De
geesteswetenschappers moeten zich realiseren dat stukje bij stukje hun
metafysische wetten in omvang afnemen omdat er natuurwetenschappelijke
verklaringen voor gevonden worden. Van belang voor alle wetenschappen is dat er
verder wordt gekeken dan het eigen vakgebied. Dit blijkt echter een moeilijke
opgave voor de onderzoeker. De onderzoeker wil graag van zich laten horen, wil
de top bereiken in een of ander onderzoeksgebied en gaat daarom in een
braakliggend terrein onderzoek doen op zoek naar een niche. Vervolgens bekwaamt
hij zich en groeit mogelijk uit tot "de specialist". Start een
gesprek met een "open mind" en zie je belandt als vanzelf in een
dialoog over het kennisgebied van de ander. Daarmee stel je jezelf kwetsbaar
op, je geeft toe dat de ander meer weet over het betreffende onderwerp. Het is
de vraag of de ander zich ook kwetsbaar wilt opstellen? Wilt hij dat dan kan
hij ook van jou leren. Dat opent uiteindelijk de weg naar conciliëntie. Leren
van elkaar door je in eerste instantie leergierig maar ook kwetsbaar op te
stellen. Uiteindelijk zal dat winst geven. Het vakgebied met al zijn kennis en
problemen openstellen voor alle anderen.
Hoofdstuk 3: De verlichting (17e
en 18e eeuw)
Samenvatting:
De belangrijkste uitgangspunten van de
verlichting waren vrijheid van het individu. "Vrijheid, gelijkheid en
broederschap" (J.J. Rousseau, 1712-1778). Uit deze gedachte is de Franse
revolutie geboren. Rousseau wilde deze grondgedachten bereiken door gemeenschappelijk
wil. Deze gemeenschappelijke wil is bepalend voor de rechtsorde die bepaald
wordt door de "vrije mensen", pas dan kan deze constant,
onveranderlijk en zuiver zijn maar ook: wie zich onttrekt is een uitzondering
en wordt verwijderd. M.de Robespierre (1758-1794, Jacobijn) zette vervolgens de
revolutie in 1793 aan de kant. Robespierre vond de jacobijnse doelstellingen
zuiver. Condorset een Girondijn (gematigde politieke idealen) verbond de
wiskunde aan de sociale wetenschappen: "sociaal gedrag is te kwantificeren".
De politiek is het instrument om de geheven morele principes ten uitvoer te
brengen. Condorset: een beschaving is onderworpen aan wetten, exacte principes,
begrijp je deze principes dan ontwikkeld de mens naar een volmaakte sociale
orde die geregeerd wordt door wetenschap en seculiere filosofie. De wetten haal
je uit het verleden, je ziet dan dat het ene het andere tot gevolg heeft of
beïnvloed. Hieruit ontstaat een samenleving die vrij is en rationeel. Religie
is dan niet nodig omdat religie juist rationeel denken uitsluit. Bacon: de
natuur om ons heen en in ons zelf moeten we begrijpen om de mens op koers te
zetten. Verzamel daarvoor feiten en zoek patronen, ga uit van wat je waarneemt
en generaliseer vervolgens daar uit, zorg voor uitsluiting van een tevoren
opgezette mening. De wetenschappers kwamen uit de hogere standen. Aanvankelijk
hadden ze politiek succes maar later niet meer. Anderen denken als Descartes
(1596-1650) : het universum is een rationeel systeem, er is in alles oorzaak en
gevolg. Vervolgens ging Newton (1643-1727) de wiskunde in de wetenschap
toepassen, wiskunde was geschikt om orde te scheppen. Waarom kunnen wij denken
op een rationele wijze? Dit is een voortbrengsel van de revolutie. Het begrip
van natuur is niet gemakkelijk, door de verzamelde kennis blijkt juist dat de
natuur heel ingewikkeld is. God wordt door de Verlichters en wetenschappers
niet beschouwd als de schepper c.q. heerser van het bestaan maar veeleer als
een dimensie die de basis heeft geschapen voor leven met als gevolg de
samenhangende wetten. Als de mens de wetten heeft doorgrond heeft hij God
bereikt. Het eindpunt van de evolutie: "er is totaal inzicht". Voor
de Verlichters gingen de ontdekkingen in de wetenschap te langzaam waardoor
wetenschap onwaarschijnlijk werd met als gevolg dat het theïsme weer terrein
won. Bovendien heeft de wetenschap geen emotie en kan hij God niet bewijzen.
Met Rousseau kwam de romantiek in bloei. Rousseau wilde de wetenschap een halt
toeroepen. Van oorsprong is alles goed geweest maar beschaving (huwelijk,
godsdienst, wetten, overheid) heeft alles bedorven. Goethe (1749-1832) wilde
vervolgens de metafysica terug hebben in de wetenschap en wijsbegeerte. Dus
vanuit de wetenschap metafysische denkbeelden ontplooien maar ook de wetenschap
bedrijven als oorzaak en gevolg. Het doel was de metafysica een
wetenschappelijke grondslag te geven. Darwin (1809-1882) komt met zijn
evolutietheorie en doet daarmee een rechtstreekse aanval op het godsbeeld en
ook de romantiek. Er blijken in de natuur eigen wetten te heersen die een weg
bewandelen. In de 19e eeuw wordt veel kennis opgedaan in de
natuurkunde en biologie. Sociologie, antropologie, economie en politicologie
nemen hun plaats in tussen de exacte geesteswetenschappen. De wetenschappen
schieten nu door op hun eigen terrein. Ze verwachten dat zij het uiterste
bewijsmateriaal vinden voor het bestaan. Vergeten wordt daarbij naar de
samenhang te kijken. Het universum is niet gemaakt met ons als mens in het
achterhoofd. Daarom kunnen we begrijpen wat ons brein zich eigen maakt. De mens
heeft een overgeërfde hang naar ordening, daardoor kunnen we onderscheid maken
tussen waar en niet waar hetgeen betekent dat we elkaar (snel) kunnen begrijpen
want we zijn van dezelfde soort met biologisch vergelijkbare hersenen.
Reflectie:
Met de komst van de verlichting moesten
de Verlichters aantonen dat de ideeën van de verlichting juist waren. De
filosofen wilden de oude denkbeelden berustend op religie, wetten en macht van
de adel onderuit halen. Hiervoor kon gebruik gemaakt worden van de wetenschap,
met name wiskunde. Het kunnen bewijzen van sociale gedragingen via wiskundige
modellen. Een wens die nu en in de toekomst aanwezig zal zijn. Probleem was de
hoge verwachtingen die deze filosofen hadden van de wetenschap. De
verwachtingen die de mens stelt moeten ingewilligd worden in één mensenbestaan
of zelfs nog korter! Lukt dat niet of wordt de tegenwerking te groot dan
ontstaat een nieuwe leer in dogma’s. Iedereen zal het nieuwe beeld moeten
aanhangen c.q. uitdragen, anders "weg ermee". Het gevolg is
volkerenmoord. Blijkbaar is er een wetmatigheid in het handelen van de mens. In
zijn streven naar geluk voor "iedereen" dient een grote groep mensen
uitgeschakeld te moeten worden. Voorbeelden te over: de Franse revolutie met de
guillotine, de Russische revolutie met verbanning en uitroeiing van
andersdenkenden en "verkeerde" sociale klassen, de inquisitie door de
katholieke kerk en nu de lijfspreuk van terroristische regimes: "dood aan
de ongelovigen". Toch ontwikkeld de wetenschap verder en wat bewezen wordt
blijft bestaan ondanks alle tragische wereldgebeurtenissen (die juist door de
inzichten van de wetenschap vermeden hadden moeten worden). Het was een mooie
gedachte van Goethe om de wetenschap goed toe te passen en daar metafysische
gedachten aan te ontplooien. Een compromis tussen wetenschap en bovennatuurlijk
denken. Op dit moment aanvaardbaar omdat we daarin ook erkennen dat we op korte
termijn niet alles kunnen weten. Gevaar blijft dat het bovennatuurlijk denken in
vrijheid moet plaatsvinden en niet dogmatisch mag zijn en nog belangrijker; het
metafysisch denken vindt plaats als surrogaat dat voortdurend aangepast moet
worden of als suikergoed zal oplossen. Dit proces vindt plaats en had ook
plaats gevonden zonder dat de "leiders" stukjes wetenschap als bewijs
zagen voor hun stellingen. Wat ik kan gebruiken, gebruik ik, wat vervelend is
verdring ik. Door alle informatie toe te passen zal een, of dé oplossing
gegeven kunnen worden. Want, een gefundeerde (deel)oplossing bedenken is altijd
beter dan de halve waarheid. Van de start van de verlichting tot en met de
denkbeelden van Darwin is duidelijk dat met vallen en opstaan de wetenschap
zijn plaats inneemt in het totale denken. Steeds meer ontdekkingen door de
wetenschap bewijzen de wetenschap zelf. De wetenschap bewijst bij elke
ontdekking zichzelf in tegenstelling tot religie en metafysisch denken dat bij
elke nieuwe wetenschappelijke ontdekking afbrokkelt. Dat daarmee het geluk van
de mens groter wordt is de vraag. Er is (nog) geen meetinstrument om te meten
wie gelukkiger is: de mens uit de zeventiende eeuw, de middeleeuwer, de Azteek
of de hedendaagse mens. En dat "geluk" was een van de uitgangspunten
van de verlichting. Hierin zit dus ook het grootste probleem van onze wens: het
definiëren van het begrip geluk.
De wetenschap moet ook zijn
verantwoordelijkheid nemen voor zijn ontdekkingen. De uitvindingen mogen niet
verkeerd gebruikt worden. Gentherapie, genetische manipulatie, atoombom en
kernenergie zijn voortbrengselen van de wetenschap die met de stand van kennis
op dit moment oncontroleerbaar kunnen zijn. De wetenschap mag niet naïef zijn!
Hoofdstuk 4: De
natuurwetenschappers.
Samenvatting:
De ontdekking van natuurkunde,
scheikunde en biologie maken de wereld groter en complexer. Zonder deze kennis
zou de mens aangewezen zijn op cognitieve kennis en geloof. Het ontdekken van
deze wetenschappen is een gevolg van de evolutie en heeft uiteindelijk tot een
wetenschapsrevolutie geleid.
Evolutie heeft gezorgd voor:
·
nieuwsgierigheid
en creativiteit.
·
het vermogen tot
abstraheren (bv. de hoofdeigenschappen van het universum).
·
de wiskunde die
zo perfect past in de natuurwetenschappen.
Er zijn grote ontdekkingen gedaan die
de basis van het leven verklaren en de bouwstenen van het leven duiden.
Uiteindelijk is het mogelijk een steeds logischere verklaring te geven door
"wetten en principes" in tegenstelling tot pseudo-wetenschap die een
behoefte bevredigd uit subjectiviteit. Einde 19e eeuw wordt het
objectivisme weer belangrijk. In Amerika is de leidraad van het zoeken naar
waarheid, een aanlegeigenschap aller mensen. In Europa wil men datgene dat
waargenomen wordt exact beschrijven. Met behulp van de wiskunde is dat te
bereiken. Van groot belang is dat daarbij de wiskunde een verbindende factor
wordt. Wiskunde is het basisschrift en daardoor verbind het de verschillende
takken van de wetenschap. De wens van de natuurwetenschappers is hetzelfde als
die van de filosofen nl. de hersenen ontrafelen. Is dat gebeurd dan kan het
onderzoek gevoerd worden naar denkprocessen en de wereld daarbuiten. De
filosofen benaderen het andersom: de natuur ontrafelen via de wetenschap. Dan
kunnen de menselijke denkbeelden begrepen worden en dan,….. dan is alles
bekend!
Reflectie:
De natuurwetenschappen geven fundament
aan het leven en hebben daardoor hun bestaansrecht (existentie) maar de
natuurwetenschappen moeten in het teken staan om samen stap voor stap hun
ontdekkingen te doen en te beschrijven met gebruikmaking van middelen die
bekend zijn. De wiskunde is daarvoor een belangrijk middel en heeft in ieder
geval een gemeenschappelijke taal. De natuurwetenschappers mogen echter niet
aan hun uitvindingen meer conclusies koppelen als er gemaakt mogen worden.
Juist hier willen (natuur)wetenschappers de fout ingaan. Te vaak nemen de
gedachten met de conclusies de vrije loop en worden generalisaties gemaakt over
alle andere wetenschappen heen. Steeds weer wordt gedacht dat de
"graal" gevonden is. Bij medisch onderzoek worden middelen uitgevonden
die het aids-probleem zouden oplossen en kanker doet verdwijnen. Nu het genoom
van de mens bekend is, worden de verwachtingen over gentherapie hoog
opgeschroefd. Het lijkt een kwestie van enkele tientallen jaren dat erfelijke
aandoeningen te vermijden zijn dan wel opgelost kunnen worden. Ook het
voedselprobleem lijkt oplosbaar, via genetische manipulatie is nogal wat
mogelijk en worden de bevindingen erg rooskleurig voorgesteld. Maar onderzoeken
geven aan dat op dit moment de opbrengst van genetisch gemanipuleerde planten
niet hoger maar zelf lager is t.o.v. niet genetisch gemanipuleerde gewassen.
Factoren die bij de boer liggen als kennis van telen, wanneer welke
verdelgingsmiddelen gebruiken, oogsttijd zijn van grotere invloed. De hoop die
gekoesterd wordt maakt na enige tijd plaats voor scepsis. Hierin heeft de
wetenschapper zijn verantwoordelijkheid. De wetenschappers zijn niet alleen de
onderzoekers die hun bevindingen mogen droppen. Zij kunnen van de filosofen
leren welke waarden en normen er aan hun onderzoek verbonden dienen te worden.
Het ontdekken van penicilline is op geneeskundig gebied een topper maar het
succes ervan zorgde ook voor achteruitleunen in de strijd tegen pathogene
micro-organismen en mede door oneigenlijk gebruik is penicilline een achterhaald
geneesmiddel aan het worden. Hoe om te gaan met de opgedane kennis zou een
toegevoegd item aan elk onderzoek moeten worden. Met die vraag start dan meteen
een filosofische studie over de betekenis en de toepasbaarheid in onze
samenleving. Het uitvinden van de atoombom is een bijzondere ontdekking maar
zijn verwoestende kracht, gebruikt in de koude oorlogvoering tussen de grote
mogendheden, zorgde er bijna voor dat de vier miljard jaar durende evolutie op
aarde geen toekomst meer had. Natuurwetenschappers rationaliseren en proberen
daarmee alles te verklaren. Maar zolang niet alles verklaarbaar is zal emotie
een belangrijke rol blijven spelen en als emotie gerationaliseerd kan worden is
de evolutie en ons bestaan afgerond. Is dat te bereiken?
Hoofdstuk 5: De draad van
Ariadne.
Samenvatting:
De natuurwetenschappen zijn te bereiken
voor de mens. Ook de opbouw van werken is duidelijk. Er wordt uitgegaan van het
complexe, dat wordt ontrafeld tot zijn bouwstenen. Ook de evolutie van de
natuurwetenschappen laten dit zien. Eerst de cel, dan het celmembraan en daarna
alle peptide en lipide die het membraam opbouwen en vervolgens de atomen die
een peptide of lipide vormen.
De natuurwetenschap ontrafelt en wil
weer opbouwen. Kunnen onze gedachten ook teruggebracht worden tot atomen? Wat
zijn dromen en welke oorsprong hebben ze, wat is hun betekenis? Waarom komen
slangen zoveel voor in menselijke dromen en waarom leren mensen zo snel om van
slangen bang te zijn en dat deze angst dan blijvend is. Als het "prepared
learning" is wil dit zeggen dat er een gencode in ons lichaam is die ons
leert om van slangen bang te zijn met als nut dat je niet zo snel gebeten wordt
door een gifslang. Maar op welke manier verloopt dit op moleculair-atoom
niveau? Als we dit kunnen ontrafelen tot op moleculair niveau kunnen we dan
vanuit die moleculen hetzelfde systeem weer opbouwen? Hoeveel mogelijkheden
zijn er om met dezelfde moleculen totaal andere formaties te maken die andere
eigenschappen bezitten? De code van het leven zit in ons DNA. De samenstelling
van nucleotiden en hun specifieke volgorde wordt door de wetenschappers
doorgrond. We vinden dat dit ook een verplichting is van de wetenschap. Juist
door ontdekking van de eigenschappen van nucleotiden en DNA kunnen ziekten
bestreden worden waardoor de mens langer en gelukkiger kan leven. De ontdekking
van de basismoleculen tot op atoomniveau blijkt binnen tientallen jaren
verwezenlijkt te kunnen worden. Dan de synthese: de weg terug naar complexiteit
en dat dan op de manier des mensen. Met een eigen interpretatie. Een
ontwikkeling die kan leiden tot nieuwe organismen met dezelfde mogelijkheden
als de huidige organismen. Dan ook zal de geest zijn geheim prijsgeven evenals
het gedrag en de ecosystemen omdat die allemaal producten zijn van organismen.
De belangrijkste vragen die opgelost
moeten worden zijn:
1.
Zijn er algemene
organiserende principes die het mogelijk maken een levend organismen volledig
te herscheppen?
2.
Zijn er gelijke
principes voor geest, gedrag en ecosystemen?
3.
Is er een
wiskundig systeem dat fungeert als natuurlijke taal voor de biologie en fysica?
4.
Kan bepaald
worden, na ontdekking van de juiste principes, of deze gedetailleerde
feitelijke informatie toegepast kan worden op de gewenste modellen.
Reflectie:
De natuurwetenschapper ontrafelt en
zoekt op die manier naar de eigenschappen van stoffen en leven. Er is
afgesproken om hierin volgens vaste principes te werken. Dat is de kracht van
de wetenschap. Zoeken naar de basisregels en formuleer dan de wetmatigheden.
Dat wat (nog) niet verklaarbaar is wordt een nieuwe onderzoeksvraag. Veel te
weinig wordt in onze samenleving op deze wijze gewerkt. Oeverloze vergaderingen
met de ene na de andere veronderstelling leveren conclusies op die niet
geformuleerd zijn op basis van wetmatigheden maar op subjectieve meningen en
hiërarchie. Toch is het is een aanboren eigenschap van de mens om naar de
oorzaken van problemen te zoeken. De oermens analyseerde het gedrag van dieren
om daarmee betere vangstmethoden te ontwikkelen. De bosjesmannen begrijpen dat
"overkill" uiteindelijk leidt tot uitsterven van de jachtprooi en dus
gevaar voor hun eigen bestaan oplevert. Maar na de objectieve kennis over de
bouwstenen van het leven en ecosystemen ontdekt te hebben zal de synthese
moeten plaatsvinden. Hier zullen de problemen van onderzoek onoverkomelijk
groot worden. De mogelijkheden om leven te maken door synthese wanneer de
grondprincipes ontdekt zijn, zal miljoenen mogelijkheden bieden. De
mogelijkheden gezien vanuit de moleculen zijn al zo groot en daarbij komen
factoren van buiten die invloed hebben. Elk gedachtespinsel van de mens wordt
direct en indirect beïnvloed door alles om ons heen. Wetmatigheden in
leerprocessen zijn moeilijk te ontdekken. Binnen grote groepen kunnen
gedragingen min of meer gestandaardiseerd zijn en kunnen er wetenschappelijk
onderbouwde voorspellingen gedaan worden, maar individueel is dit niet te doen.
Dat maakt dan ook dat gedrag op individueel niveau onvoorspelbaar is en zal
blijven. Dat zal er dan ook voor zorgen dat het gedrag, het leven steeds weer
een onvoorspelbare nieuwe weg zal inslaan en dientengevolge ondoorgrondelijk
zal blijven. Via onderzoek op moleculair niveau kan er veel bereikt worden.
Veel ziekten en afwijkingen hebben een oorzaak in een of enkele genen. Meerdere
genafwijkingen kunnen fataal zijn. Soms is de schade te overzien en zijn
maatregelen doeltreffend, vaak echter zijn de problemen zo groot dat een
gelukkig leven in gevaar komt voor de persoon zelf maar ook voor de verwanten.
Welke gevolgen hebben de ingrepen voor het leven van de mens zelf en voor zijn
nakomelingen? De mens is zich bewust van zijn bestaan en van zijn erfelijkheid
met als gevolg dat hij niet als proefkonijn wil leven. Natuurlijk, een dieet
aanpassen om geen verstandelijke handicap te krijgen als gevolg van een
stofwisselingsziekte is acceptabel maar het weghalen van een chromosoom uit een
bevruchte eicel waarin trisomie 21 is geconstateerd is ingrijpender en de
gevolgen voor persoon en nakomelingen (een ingewortelde wens) is nooit precies
aan te geven. Juist de onverwachtheid maakt het leven levensecht. Dat moet de
wetenschap zich terdege realiseren. Op zoek gaan, maar ook de beperking inzien
van de zoektocht. Ook dan is de wetenschap de moeite waard. Veel ontdekkingen
op alle gebied kunnen bijdragen tot inzicht in het bestaan en daarmee kunnen
keuzes gemaakt worden die beter gemotiveerd en geëvalueerd worden. Dat is de
kracht van het stap voor stap denken: oorzaak en gevolg ontdekken en vervolgens
deze ontdekkingen zo vertalen dat eenieder ze kan begrijpen.
Hoofdstuk 6: De Geest.
Samenvatting:
De geest is een biologische eenheid met
psychologische eigenschappen. Wat zijn de gebeurtenissen op cellulair niveau.
In 1850 kwam er over de bouw van de hersens meer inzicht. Elk gedeelte van de
hersenen heeft zijn specifieke eigenschappen. De evolutie heeft de hersenen
ontwikkeld tot een ronde bol met uitlopers naar alle delen van het lichaam. De
psychische kant van de hersenen heeft een lange ontwikkeling doorgemaakt en
ervoor gezorgd dat de mens een wezen is met emotie. Anno 2002 is er veel over
de hersenen bekend: bouw, functie, onderdelen en de zich afspelende processen.
Maar hoe vindt de omzetting plaats in de hersenen van kennis? De geest is in
staat bewuste en onbewuste ervaringen op te slaan in een groot werkend geheel.
De herinnering is een ingewikkeld proces waarbij lange geheugentermijn,
emotionele circuits en koppeling tussen verschillende hersenhelften van belang
zijn. De emotie kan primair (instinctief) maar ook secundair zijn, als gevolg
van levenservaring. Ongetwijfeld zijn beide met elkaar verweven. De fysieke
basis van de geest is objectief te volgen van prikkel via impuls naar een
gedeelte van de hersenen. Daarover is en wordt veel bekend maar de
subjectiviteit van de geest is niet te doorgronden. Mogelijk wel van groepen,
zoals bij het juichen om een doelpunt bij een voetbalwedstrijd, maar de mate
van blijheid is bij ieder individu verschillend. Belangrijk is dat cultuur het
denkproces beïnvloedt. Het handelen van de mens gebeurd uit vrije wil. De vrije
wil komt voort uit onzekerheid. Uit die onzekerheid wordt vaak onbewust een
oplossing gekozen. De chaos in lichaam en hersenen zorgen ervoor dat niets
voorspelbaar is en wordt versterkt door de chaos die van buiten op ons afkomt.
Elke zenuwimpuls kan door de hersenen anders geïnterpreteerd worden en leidt zo
tot een cascade van hersenactiviteiten. Toch lijkt de technologie onze hersenen
in te halen. Zo heeft de computer Deep Blue grootmeester Kasparov (*1963)
verslagen in een schaakwedstrijd. De computers breiden verder uit en gaan
aanpassingsgedrag vertonen. In hoeverre dit aanpassingsprogramma geprogrammeerd
is, blijft echter nog onduidelijk. Toch lijkt het onmogelijk om een computer te
maken die op het menselijk brein werkt:
1.
Het brein is te
complex. Het rationele denken ontstaat uit een doorlopende uitwisseling tussen
lichaam en brein via zenuwen, hormonen in bloed naar organen en lichaamscellen
die weer beïnvloed worden door emoties met al zijn eigen facetten.
2.
De evolutie van
de mens gaat over miljoenen jaren en deze stappen zijn opgeslagen.
Wat is er bij een robot bekend over
zijn verleden?
Reflectie :
Opvallend is dat de evolutie een wezen
heeft voortgebracht dat de mogelijkheid bezit om de vraag te stellen:"To
be or not to be, that's the question?" De ontwikkeling tot nu toe heeft er
toe geleid dat de mens zichzelf vraagstukken kan voorleggen die via een reeks
van handelingen opgelost kunnen worden. Doordat de vraag aan zichzelf gesteld
kan worden plaats de mens zich boven elk bedacht schepsel. De mogelijkheid van
het stellen van deze vraag impliceert ook de beperking van de mens. De vraag:
"Waar kom ik van af , wat is mijn oorsprong?" kan niet beantwoord
worden. Zou dit wel kunnen dan heeft de mens een zekerheid gevonden die ertoe
leidt dat de mens niet verder kan leven. Het weten dat er een god is betekent
dat je het voor hem allemaal doet of in naam van hem. Wat is dan de functie van
deze godheid? Waarom plaatst deze ons in een wereld van leven? Is er de
zekerheid dat er een god is dan is deze laatste vraag ook beantwoord. Maar wat
zullen we hebben aan deze antwoorden? Daarom zal het geloof blijven met al zijn
onzekerheid. Wordt de vraag over afkomst beantwoord met een toeval van leven
voortgekomen uit een oerkosmos waaruit uiteindelijk de mens is voortgekomen,
dan houdt dit ook direct in dat er een zinloosheid van ons bestaan is. Het
bestaan, het leven kan dan volledig gerelativeerd worden. Bij computers zou de
vraagstelling van herkomst en het bedenken van de betekenis ervan leiden tot
een "tilt-situatie" omdat hij ontdekt dat hij maakbaar is. De
aangehaalde ideeën van Wilson en zijn samenhang met alle andere details
onderschrijf ik. De mens is uniek en juist elk detail van de mens is uitgewerkt
in een langdurige evolutie. Zelfs daar zitten fouten in of zijn deze
"fouten" verschijnselen voor de volgende stap in ontwikkeling naar
adaptie in ons milieu. Een ander verschil tussen mens en computer is dat de
computer in zijn taal alleen ja/nee kan 'denken'. De mens heeft met zijn
emoties niet alleen een ja/nee - fase maar ook een tussenliggend gebied van
mogelijk ja tot uiterst nee. Dit maakt de mens onvoorspelbaar. Dat is voor het
leven geen negatieve betekenis. Een eerder gekozen ja zal door
omgevingsfactoren en denkprocessen in een andere situatie misschien nee worden
of uiterst nee om mogelijk weer snel over te gaan tot ja. Daarmee zijn de
keuzes van de mensen niet alleen tot stand gekomen volgens de logica.
Hoofdstuk 7: Van genen tot
cultuur.
Samenvatting:
De vraag, die gesteld kan worden is:
wat verbindt de genetische geschiedenis van onze soort met de recente culturele
geschiedenis van onze samenleving hoe uiteenlopend die ook is?
Cultuurwetenschap en de genetische
studie zullen naar gemeenschappelijke kenmerken moeten zoeken. Cultuur is een
gemeenschappelijke ontwikkeling van de geest, die bestaat uit afzonderlijke
individuen met een eigen genetisch gestructureerd brein. De verbinding is
flexibel en niet bepaald. De genen bepalen epigenetische regels, die in een
cultuur vastgelegd worden en daardoor een selectie-criteria gaan vormen bij de
verdere ontwikkeling van de cultuur maar ook van de mens. Bij de mens is het
leergedrag door imitatie en opnemen van taal zo snel dat het in cultuur
vastgelegd kan worden. Bij dieren is dat niet aanwezig. De behoefte van de mens
om de waarden, die opgedaan zijn, door te geven is erg groot; haast dwangmatig.
We stellen ons voorbeelden om iets te bereiken en willen dat, wat we geleerd
hebben, behouden en bewust verder uitbreiden. Deze behoefte blijkt een
genetische basis te bezitten die in onze cultuur vastgelegd wordt en benadrukt.
Er is dus interactie tussen genen en cultuur. De intelligentie is voor 50%
overerfbaar. Zou er meer overerven dan zou dit een egalisering van het
menselijke milieu betekenen en uitdrijving van groepen mensen in een groep. Zou
er minder overerving zijn, dan zou dit betekenen dat de mens vooral afhankelijk
is van zijn omgeving. Ook dit zou uiteen drijven veroorzaken en juist door
scholing groepen uit elkaar drijven. Zo komen de naturisten in de erfelijkheid
op een gulden middenweg. De menselijke gedragsgenetica is zeer belangrijk. Het
is een zoektocht van genen naar cultuur. Aanvankelijk begint iedereen vanuit
dezelfde basis aan het stenen tijdperk. Er werd begonnen met cultiveren van
planten en dorpen stichten, er ontstond kunst (potten en kleren) en religie, er
kwam behoefte aan het schrift en er ontwikkelden zich sociale klassen. Deze
ontwikkeling is geen toeval. Steeds komt deze ontwikkeling opnieuw op gang.
Daarom moet er een genetische achtergrond zijn. Maar tegen spreekt dat het
zolang geduurd heeft voordat de mensen deze cultuur ontwikkelden. Genetisch
waren ze naar alle waarschijnlijkheid eerder in staat om een dergelijke cultuur
te vormen. De mens bezit in zijn leervermogen over prepared learning. Er is een
aanleg aanwezig om bepaalde zaken sneller te leren (bv. angst voor slangen).
Dit kan in een cultuur tot uiting komen. Bepaalde aspecten van een cultuur
kunnen genetisch vastgelegd worden. Het geeft namelijk een grotere overlevingskans.
Daardoor kan er prepared learning ontstaan. Dit kan het proces van
cultuurvorming in een stroomversnelling brengen. Het gedrag van de mens is tot
op zekere hoogte erfelijk en wordt daardoor dan ook beïnvloed door de genen. De
locatie van deze gedragsgenen is echter nog weinig gelokaliseerd laat staan de
interactie die tussen genen plaats vindt. Dit geeft ook aan dat het ontdekken
van genen, die voor epigenetische regels zorgen, nog moeilijker traceerbaar
zijn. Dit is de zwakte van de hedendaagse menselijke genetica en de menselijke
sociobiologie: het geringe aantal relevante genen en epigenetische regels die
geïdentificeerd zijn. De samenwerking tussen de wetenschappen om hierover
kennis te verkrijgen is gering. Terwijl hier de grens tussen biologische en
sociale wetenschappen wordt bereikt en juist daar doorbraken worden verwacht.
Genen bepalen de epigenetische regels die voortkomen uit de zintuiglijke
waarneming en de geestelijke ontwikkeling die in een cultuur vastgelegd worden.
De cultuur helpt bepalen welke van de bepaalde genen overleven en zich van de
ene generatie op de volgende vermenigvuldigen. Succesvolle nieuwe genen van
populaties veranderen in epigenetische regels dus de veranderde epigenetische
regels veranderen de richting en de effectiviteit van de kanalen van de
culturele verwerving. Het mag duidelijk zijn er vindt een co-evolutie plaats
van genen en cultuur.
Reflectie:
Als groep functioneren biedt voordelen.
Dit is in de natuur op tal van plaatsen terug te vinden. Zowel bij hogere als
bij lagere organismen. Wolven jagen gezamenlijk. Wie uit de groep gestoten
wordt is verloren. Pinguïns broeden samen om zo hun kroost beter te kunnen
verdedigen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de mens een sociaal wezen is.
De mens heeft een extra vermogen ontwikkeld om boven de basisbehoefte uit te
steken. Door domesticatie na lange perioden van jacht, bleef er tijd over om te
filosoferen, verbanden te leggen en daarmee sociale vaardigheden verder te
ontwikkelen. Blijkbaar is die behoefte genetisch aanwezig want mensen die
samenleven vormen een cultuurgroep. Er is taal, expressie, wetgeving en
religie. De cultuur kan voordelen bieden om een grotere overlevingskans te
creëren. Daarmee kan cultuur dus ook vastgelegd worden in genen. Hier is dan
het punt bereikt dat er epigenetische regels ontstaan als gevolg van
co-evolutie van genen en cultuur. Maar over hoeveel tijd ontwikkelen dergelijke
genen zich? Kan dat in enkele generaties of zijn er vele generaties nodig over
een periode van duizenden jaren? Zou het in korter tijdsbestek plaatsvinden dan
is het gevaar groot dat ingebouwde genetische eigenschappen bij verandering van
omstandigheden tegen het voortbestaan gaan werken. Er is wel een goede
aanpassing voor korte periode maar de variatie voor langere tijd verdwijnt.
Juist daar zit de kracht van onze genetische samenstelling. Aanpassing aan
veranderde omstandigheden vanuit een basis aan erfelijk materiaal. Zijn de
ondergangen van culturen hieraan te wijten? Honderden jaren op weg naar cultureel
succes maar niet meer terug kunnen schakelen naar een ander niveau of wijze van
overleven. Zoals de Azteken in Tikal die als gevolg van natuurrampen geen
vermogen bezaten om hun leven als gevolg van hun culturele ontwikkeling aan te
passen en zelfs door hun gevormde cultuur de aftakeling van hun cultuur
versnelde. Een lange ontwikkeling van epigenetische regels lijkt dan
aannemelijker. Een probleem hierbij is echter dat de culturen die bestaan
hebben niet dergelijke lange perioden hebben overleefd en dat daarmee het
inbouwen van epigenetische regels niet groot geweest kan zijn. Culturen volgen
elkaar op en nemen van elkaar over. De Grieken namen datgene van de Etrusken
over wat ze aantrekkelijk vonden en vervolgens maakten de Romeinen gebruik van
beide culturen om hun eigen cultuur verder vorm te geven. Ook al stortte
culturen in en ging er veel verloren van hun eigenschappen er bleef genoeg over
waar volgende culturen profijt van hadden. Zo kunnen meerdere culturen hun
invloed hebben op het ontstaan van epigenetische regels. Het belang daarbij is
dat er lange tijd nodig is voor het vastleggen daarvan. Als dat verder
aannemelijk gemaakt kan worden dan is het aan de sociobiologische wetenschappen
om de biologische achtergronden van sociaal gedrag in hun wetenschap te
betrekken. Vreemd zou het niet zijn! Is er geen erfelijke basis voor sociaal
gedrag dan is het willekeurig en daarmee niet constignent.
Hoofdstuk 8: Het Darwinistische
succes van de menselijke natuur.
Samenvatting:
Epigenetische regels zijn erfelijke
regelmatigheden van de geestelijke ontwikkeling. Deze epigenetische regels
zorgen ervoor dat cultuur een niet willekeurige richting opgaat. Het gevolg is
dat er een koppeling plaatsvindt van cultuur aan genen. De omgeving van de mens
wordt mede door cultuur bepaald. Binnen die cultuur vindt evolutie plaats van
genen. Er is een grote wederkerigheid tussen cultuur en menselijke activiteit.
Denk aan de leefwijze van de bosjesmannen een cultuur die veel respect toont
voor de natuur vanwege het besef dat zij kunnen voortbestaan door wat de natuur
hen levert. Als epigenetische regels sterk genoeg zijn dan zullen verschillende
culturen convergent evolueren met als gevolg universele culturele categorieën.
De cultuur heeft zich in het verleden langzaam ontwikkeld in samenhang met
epigenetische regels. Vanaf 10.000 jaar geleden is de culturele ontwikkeling
erg snel gegaan. Zelfs zo snel dat de genen zich niet hebben kunnen aanpassen.
Cultuur moet het doen met de "oude genetische samenstelling" die vast
verankert blijft in ons genenstelsel. De sociobiologie heeft zijn basis in zes
categorieën binnen de primaire evolutionaire evoluties. Er is:
Verwantselectie:
·
Genen
broer/groep zorgen ervoor dat ook "mijn" genen doorgegeven worden.
·
Ouderlijke
investering:
·
Heeft als gevolg
meer overlevingskans. Emoties dragen bij om kinderen en verwanten zo goed
mogelijk op te voeden.
Reproductiestrategie:
·
Vrouwen kiezen
bewuster dan mannen. Mannen zijn lang vruchtbaar en willen dit (onbewust)
uitbuiten. Mannen zijn in hun voortplanting assertief en bronstig en vrouwen
zijn verlegen en selectief.
Status:
·
Mensen streven
in het algemeen naar status door rang, klasse of welstand en bepalen daarmee
veel van het menselijk gedrag. In andere culturen komt veelvuldig voor dat de
leiders meer vrouwen (naar keuze) mochten hebben en zo ontstonden ook meer
nakomelingen van de leiders.
Territoriale expansie en
verdediging:
·
Overerving zodat
in de groep het voortplantingspotentieel in stand wordt gehouden van de leiders
en ook de groep. De mens behoort tot een territoriale soort. Dit heeft zowel
een culturele als een genetische oorsprong. De bepaling van de wisselwerking
tussen deze kan oorlogen vermijden.
Contractuele overeenkomst:
·
De mens sluit
lange termijn contracten af met als doel overleving, voortplanting en geluk. In
de basis dus uit eigenbelang. Opvallend is dat het domein van bedrog hoog
ontwikkeld is bij de mens. Samenvattend komt de hypothese van het genetische
succes er op neer dat wijdverbreide cultuurkenmerken het Darwinistische
voordeel van bepaalde genen uitdragen. Als voorbeeld: De bestaande culturen
laten geen incest toe terwijl incest binnen een bloedverwant gezin als vanzelf
niet aan de orde is.
Reflectie:
·
Veel van ons
gedrag heeft als doel om te overleven of beter gezegd om onze soort te laten
overleven. Middels cultuur heeft de mens betere mogelijkheden om te overleven.
Cultuur voegt extra waarde toe doordat mensen zich bij een cultuur aansluiten
ontstaat een groep met normen en waarden mede bepaald door die cultuur.
Als de cultuur lang genoeg bestaat
kunnen deze cultuureigenschappen genetisch ingebouwd worden. De tijd moet
daarvoor lang zijn want middels mutaties en vervolgens selectie moet de
genetische code bij voldoende individuen aanwezig zijn en uitgedrukt worden. Het
Darwinistische model "survival of the fittest" gaat dan volledig op.
In het voorbeeld van de bosjesmannen wordt aangegeven dat ze niet meer jagen op
schaars geworden dieren. De gevolgen zouden anders uitsterving van de diersoort
zijn en daardoor een gevaar in de voedselvoorziening van de bosjesman. De
bosjesmannen hebben dit beredeneerd en van daaruit een cultuur ontwikkeld
waarin het jagen geregeld wordt. Dieren doen dit niet. Een dier zal een
prooidier niet laten lopen omdat er schaarste optreedt. In het dierenrijk
zullen de schaarse dieren overleven door het feit dat ze schaars geworden zijn
en daardoor jagers schaars laten worden. Gevolg is een toename van
eerstgenoemde. Dat de mens steeds weer opnieuw culturen laat ontstaan geeft een
behoefte weer. Er lijkt zo een genetische code te zijn vastgelegd die de mens
er toe dwingt om een cultuur te laten ontstaan. Maar ook hebben de culturen
gemeen dat ze instorten. Zeker in de jongste geschiedenis vanaf 1000 voor
Christus. Is dit ook aan een genetische code toe te schrijven?, anderzijds
moeten we bedenken dat een cultuur die ten onder gaat veelal door een andere
cultuur wordt overgenomen. Ziedaar de flexibiliteit van ons aanpassingsgedrag.
Mij lijkt dat daar de grote kracht zit in het succes van de mens in de
evolutie. Overal kan de mens zich aanpassen: in oerwoud, prairie of
flatgebouwen maar ook tussen de Papoea's van Guinea en bij Eskimo's of in het
voormalige Oostblok of zijn tegenhanger het kapitalistische westen. Mensen
jagen sociaal. Maar de mens heeft een surplus aan hersenen gekregen om met zijn
geringe specifieke lichamelijke mogelijkheden alle handelingen te verrichten
die nodig zijn om te overleven. De hersenen ontwikkelden zich in een
"razend" tempo steeds verder het lijkt erop dat de lichamelijke evolutie
de hersenevolutie in gang zette. Het vooruitschuiven van de duim zorgde ervoor
dat er een stok vastgepakt kon worden dat als gereedschap kon dienen. Om het
steeds handiger te gebruiken ontwikkelden de hersenen mee zodat ik op dit
moment een essay schrijf (en typ). Een nieuw doel voor mijn hand dat
oorspronkelijk alleen bedoeld was om gereedschap te vinden en te maken met als
doel overleven. Het lijkt erop dat de evolutie een zo groot denkvermogen heeft
laten ontwikkelen dat wij in staat zijn om naast het vervullen van primaire
levensbehoeften ook tal van andere bezigheden kunnen uitvoeren. De hersenen
stellen ons in staat de vraag te stellen waarom we dat doen of waarom we iets
gedaan hebben. Cultuur is een uitvergroting van de overlevingsstrategie van de
mens en dier met dezelfde basiseigenschappen die elk organisme heeft. Een
cultuur met groot succes graaft vervolgens zijn eigen ondergang en zal door
o.a. droogte, voedseltekort of overschatting instorten. Aangezien er nog geen
cultuur is die de middenweg kan bewandelen en in wederkerigheid kan leven met
natuur en andere culturen is het de vraag of cultuur genetisch ingebouwd is
temeer daar culturen in een relatief kort tijdsbestek ten gronde gaan.
Hoofdstuk 9: de sociale
wetenschappen.
Samenvatting:
Antropologie, economie, sociologie en
politicologie behoren tot de sociale wetenschappen. Zij vullen elkaar niet aan,
sterker zij vermijden elkaar als gevolg van een politieke grondslag. Sociale
wetenschappen zijn wars van een hiërarchische ordening van kennis. Sociale
wetenschap wordt veelal bedreven vanuit een ideologisch standpunt. De
deelnemers behoren bij een bepaalde groep en formuleren hun denkbeelden als
aanhangers van deze groep. De aannames of grondgedachten van de stroming heeft
geen wetenschappelijke grondslag. De basis is al doorspekt met onzekerheden
waar vervolgens op doorgeborduurd wordt. Nog steeds zijn de "oude
meesters" in de sociologische vakken de grote voorbeelden. Er heeft geen
evolutie plaats gevonden in de kern van deze vakgebieden. Een wetenschappelijke
benadering van bevindingen wordt genegeerd. Daardoor werd en de kracht van het
communisme overschat en de problemen van etnische spanningen onderschat. De
plotselinge instorting van het sovjetrijk en de etnische strijd die vervolgens
uitbarstten konden ze niet plaatsen, laat staan voorspellen. De sociale
wetenschappen zoeken niet naar de oorsprong van menselijk handelen maar werken
met hun gedachten vanuit een ideologie naar een ideaal beeld toe. Psychologie
en biologie zouden de basis moeten vormen van de sociologische vakken. Dat dit
niet het geval is, is geschiedkundig wel te verklaren. Darwinistische biologie
is vanuit sociaal ideologisch standpunt agressief en het discrimineert de
"zwakke" en leert ons dat de sterkste regeert. De socioloog ontdekt
steeds meer het individuele gedrag in een milieu. Dit gedrag komt voort uit een
wisselwerking tussen biologie en milieu. Het gedrag vindt zijn basis in de
genetische evolutie die weer epigenetische regels heeft. De epigenetische
regels zijn aangeboren bewerkingen in het zintuigstelsel en de hersenen. Het
stelt de mens in staat om snelle oplossingen te vinden voor problemen die in
het milieu aangetroffen worden. Er is een predisponatie door ontstaan. Paren
met broers of zusters wordt vermeden. Door emoties worden automatische keuzes
gemaakt die zorgen voor zelfbehoud en reproductie. Overleg vindt plaats in een
samenhangende grammatica. Maar deze epigenetische regels laten ook veel ruimte
over voor cultuurvariaties en -combinaties. Duidelijk wordt dat er een oorzaak
ten grondslag ligt aan het individuele gedrag en dus ook aan het milieu. Deze
oorsprong is biologisch en ligt vast in epigenetische regels hoe divers die ook
gestalte kunnen krijgen. Op dit gebied ligt dan ook de brug tussen de sociologie
en de natuurwetenschappen. De sociologie kan dan veel meer voorspellend worden.
De economie zoekt naar stabilisatie en voorspelbaarheid van het geldsysteem. De
economie zit ingewikkeld in elkaar. Een kleine verandering kan een golfbeweging
in gang zetten die onvoorspelbaar is. Toch kan door ingrepen een recessie
opgevangen worden. De economische theorieën moeten aan dezelfde eisen voldoen
als die van de natuurwetenschappen: soberheid, algemeenheid, consiliëntie en
voorspellend vermogen. Maar het probleem van de economie is dat er geen
fundering van eenheden en processen aanwezig is. De economie wordt vooral
bepaald door groepen mensen. Er is geen vertakking naar individueel gedrag maar
alleen naar gezamenlijk gedrag. Maar wat is de exacte bron van menselijk
gedrag?
De start wordt door economen gelegd bij
een complex geheel. Maar de mens is een berekenend persoon en van daaruit
econoom. Wat bepaalt dit economisch zijn van de mens? Zijn het de primaire
levensbehoeften of is het beleving? Wat zijn de biologische grondzaken van het
economisch gedrag van de mens. Uit de psychologie en biologie komen bewijzen
naar voren die generalisaties mogelijk maken omtrent nut:
1.
Keuze
categorieën zijn epistatisch. ( het een heeft invloed op het ander)
2.
Behoeften zijn
vaak preëmpatief. Zoals drugsverslaving en seksualiteit. Deze zaken worden nog
alleen als doel gezien.
3.
Rationele
bekering is gebaseerd op pieken van rivaliserende emoties die worden beïnvloed
door erfelijke milieufactoren. Zo wordt incest vermeden en door culturen als
taboe verklaard.
4.
Rationele
berekening is vaak onzelfzuchtig. Ze zijn patriottisch of altruïstisch.
5.
Keuzes zijn
groepsafhankelijk. Juist door aansluiting bij een groep worden keuzes bepaald.
6.
Besluitvorming
wordt per categorie bepaald door epigenetische regels. Eerst iets leren en dan
selecteren.
Veel sociobiologen zien onoplosbare
problemen bij consiliëntie op de grensvlakken vanwege de complexiteit. Deze
complexiteit is ook erg groot tussen biologie en cultuur. De interacties die
voortdurend meespelen maken het nog ingewikkelder. Mogelijk dat filosofen
opheldering kunnen geven door de grenzen van de wetenschap te definiëren en
verklaren.
Reflectie:
Ideologie zit diep geworteld in de
menselijke ziel. De mens probeert bewijzen te vinden voor zijn ideologie. Dit
versterkt zijn ideologie en dus ook zijn gelijk. Het onderzoek naar deze
bewijzen wordt daardoor gemakkelijk gestuurd en geïnterpreteerd richting:
"de ideologische denkbeelden". De weg zou andersom moeten zijn. Vanuit
de kennis die er is, een ideologisch model maken. Onderzoek kan dan bijdragen
tot interpretatie en bijstelling van de ideologie. De sociale wetenschappen
zullen dan ook veel meer vanuit wetenschappelijk onderzoek moeten ontwikkelen
en veel minder vanuit een filosofisch denkbeeld. In de biologische wereld
lijken Darwinistische wetten op te treden. Woorden als sterkste en beste komen
veel voor bij de interpretatie van het Darwinisme. Sociaal gezien zit dat niet
lekker. Maar vergelijkingen tussen sociale modellen en Darwinisme is ongelijk.
De evolutie is een proces van miljoenen jaren. Veranderingen binnen een of
enkele generaties hebben geen invloed. Sociologie geeft inzichten die over veel
kortere perioden gaan. De sociologie zal de biologie als uitgangspunt moeten
nemen. Het gedrag van de mens is naast een sociaal wezen ook een individualist
die zich weer door de heersende cultuur laat beïnvloeden. Wilson gaat ervan uit
dat cultuur een genetische basis krijgt. De "epigenetische regels".
De voorbeelden over incestvermijding lijken duidelijk. Maar het gevaar van het
begrip "epigenetische regels" ligt m.i. daarin, dat cultuur daarmee
een zware wissel trekt op de samenleving. Zijn Moslims volgens epigenetische
regels ontwikkeld tot een volk met agressieve uitbreiding van hun godsdienst?
Waren de Kruistochten een veldtocht gebaseerd op epigenetische regels? Is het
Midden-Oostenconflict een gevolg van erfelijkheid? De bewijzen voor het bestaan
van epigenetische regels zullen duidelijk en doorzichtig moeten worden om deze
regels aan te nemen. En dan nog is het gevaar aanwezig dat een samenleving zijn
eigen cultuur gaat zien als een eigen identiteit die genetisch opgeslagen ligt
in zijn eigen genen. Wat dan te doen als blijkt dat de epigenetische cultuur
eigenschap kwaadaardig is of als kwaadaardig beschouwd wordt met de dan
heersende kennis?
Epigenetische regels zouden de evolutie
in een richting sturen en de kracht van de evolutie is juist dat er steeds een
voorlopig eindpunt bereikt is en dat er vanuit dat punt geen richting
aangegeven kan worden. Epigenetische regels zouden een beperkt aantal factoren
bezitten, nl. uitgangspunt is de heersende cultuur. Evolutie op zich houdt met
alle factoren rekening. Het individuele aspect versus de gemeenschappelijke
aspecten maken het gedrag van de mens zeer ingewikkeld. De diversiteit is zo
groot tussen individuen en daarmee nog groter in gemeenschappelijke zin. Gedrag
van een individu kan onderzocht en beschreven worden maar toch zal de toekomst
altijd onvoorspelbaar zijn. De informatie die het individu steeds weer krijgt
en verwerkt is geen wiskundig stapelingsmodel. Kun je ooit bepalen hoe iemand
reageert op het overlijden van zijn ouders, broer of kind? Welke factoren
spelen mee bij zijn reacties. Hoe is zijn genetische gestel, werkbelasting en
eigen gezondheid? Wat voor impact heeft de oorzaak van overlijden van zijn
dierbare en hoe goed of slecht was de relatie? Kan dit in wiskundige modellen
ondergebracht worden? Kan de sociologie via bevolkingsonderzoek generalisaties toepassen?
De diversiteit en individualiteit is zo
groot dat we nooit het hele scala kunnen doorgronden. Maar dat neemt niet weg
dat er bepaalde gedragingen vertoond worden waarmee we in bepaalde
omstandigheden rekening kunnen houden. De biologische aspecten in ons lichaam
geven informatie. Met deze biologische en sociale informatie kunnen we bepalen
op welke manier we het meest verantwoord kunnen handelen. Als dat handelen op
een wetenschappelijke wijze geëvalueerd wordt is er een brug geslagen tussen de
sociale- en natuurwetenschappen.
Hoofdstul 10: De kunsten en de
interpretatie ervan.
Samenvatting:
Waar komen de kunsten historisch en
persoonlijk gezien vandaan. Hoe kan kunst uitgedrukt worden in taal? Kunst
heeft Apollinische en Dionysische eigenschappen oftewel rationaliteit tegenover
passie. Vervolgens wordt ze bekritiseerd. De kritiek is ook weer enerzijds
rationeel en anderzijds uitbundig. Hoe kan het een met het ander verzoend
worden? Is er een aangeboren menselijke natuur? Ja, de mens is diepzinnig en
daarnaast gestructureerd. Bij de interpretatie van de kunst wordt gebruik
gemaakt van geschiedenis, biografie, linguïstiek en esthetische criteria met
als grondslag het materiële proces van de menselijke geest. De
hersenwetenschappen, psychologie en evolutiebiologie zullen het brein moeten
ontrafelen zodat een duurzame theorie over kunst kan worden opgesteld. Omdat we
creatieve geesten willen begrijpen zullen de natuurwetenschappers en
geesteswetenschappers elkaar op moeten zoeken. Als gevolg van de co-evolutie
van genen en cultuur heeft kunst een plaats gekregen "in onze
hersenen". De kunst heeft eerst de natuur nagebootst door vormen uit de
natuur te gebruiken. De afbeeldingen van dieren in de grotten van Lasceax,
laten zien dat de dieren niet alleen natuurgetrouw maar ook kunstzinnig zijn
vormgegeven. Of zoals de piramide van Teotihucan in Mexico gebouwd is als
afleiding van de natuur met als doel de bergvorm te intensiveren. En de
schilderijen van Mondriaan die de versimpeling in basisvorm en kleuren van
natuurlijke objecten zijn en door mensen als natuurlijk en aantrekkelijk worden
ervaren. Er zijn dus wetmatigheden in de kunst. Kunstenaars en schrijvers weten
intuïtief hoe ze een emotionele en esthetische respons moeten oproepen. Het
maakt hen niet uit waarom die respons zo is. Het gebeurt en daarop spelen ze
in. Aan de wetenschap de taak om het waarom uit te zoeken. Zijn de kunsten een
basis, dus nodig om te overleven, in de evolutie of slechts een bijproduct? Wat
zijn de voordelen van kunst in de evolutie? Door taalontwikkeling,
cultuurontwikkeling en sociale contacten met een lange looptijd onderscheidt de
mens zich van dieren. Daarmee is ook het besef van begin en eind van ons
bestaan gekomen. Dit besef maakt kunst belangrijk. Kunst vertelt iets aan
anderen. Door iets vast te leggen in kunstzinnige vormen wordt het de moeite
waard om te "leren". De "grotkunst" in Lasceax of elders is
bedoeld als ondersteuning van de jacht. Schilderskunst, muziek, religie kwamen
in de grot samen met als doel jacht te leren en te vergemakkelijken. Kunst
vergroot zoals ook gebeurd bij het opmaken van gezichten. Zwarte omlijnde ogen,
rode lippen, rouge op wangen wordt als plezierig ervaren. Bij de bosjesmannen
wordt veel uit rationaliteit gedaan. De beredenering is groot bij het handelen.
Het een heeft het ander tot gevolg zowel op jachtgebied als sociaal gezien.
Interpreteren van voetsporen volgt een vaste lijn. Het doden van een aantal
dieren heeft als gevolg dat de jacht op deze soort tijdelijk gestopt wordt.
Sociaal gezien is er wederkerigheid. De een mag niet teveel boven de ander
uitstijgen. Dat brengt het sociale leven in gevaar. Datgene wat niet begrepen
wordt, wordt vertaald in mystiek, een uitdrukking in metaforen en dus in kunst.
Kunst is op zoek naar mysterie, mysteries die uiteindelijk ontrafeld zullen
worden. Daarmee worden mythen werkelijkheid; zelfs onze passie krijgt een
wetenschappelijke grondslag. Oorzaak en gevolg. Door natuurwetenschappelijk
onderzoek zullen verklaringen gevonden worden zowel in het gebied van lichaam
en hersenen alsook het gehele ecosysteem.
Reflectie:
Kunst is een belangrijke uitingsvorm
voor de mens. In taal, muziek, schilderen, boetseren, dans en vele andere
manieren geeft de mens uiting aan zijn gevoelens. De kunst is in aanvang vooral
functioneel geweest. Uiting in gebaar, woord en schrift (grottekening) hadden
als doel om anderen iets te zeggen, leren om te overleven of hun bestaan te
verbeteren. De kunst is snel geëvolueerd tot een uitingsvorm waarin diepe
achtergronden gezocht worden. Een goed gedicht heeft veel lagen (en is daarom
ook moeilijk te doorgronden). Een goed schilderij blijft de aandacht trekken en
steeds weer zullen nieuwe gedachten gevormd worden bij het zien en beleven.
Waarom heeft de kunstenaar de kleuren en motieven gebruikt waaruit het
schilderstuk is opgebouwd? Dit doorgronden lijkt mij ten allen tijden
onmogelijk. Al eerder heb ik aangehaald dat de hoeveelheid factoren die een rol
spelen bij het maken van keuzes onmetelijk groot zijn. In het algemeen zijn er
wetmatigheden te beschrijven. Iemand die zich gelukkig voelt ( wat is dat, hoe
beschrijf je geluk wetenschappelijk?) zal geen naargeestig doek maken, hoewel
misschien schept het welbehagen! De interpretatie van de kunst en dus van het
leven is nog moeilijker. Iemand gaat bepalen wat de ander mogelijk heeft willen
bereiken. Vaak worden bij boekbeschrijvingen aan de karakters uit het verhaal
eigenschappen toebedeeld die door de schrijver nooit zo bedoeld waren. Kan de
wetenschap zich zover ontwikkelen dat zij kan bepalen waarom ik op een bepaalde
manier handel. Stel je voor dat dat zo is. Wie ben ik dan nog? De kunst van
mensen om de leugendetector te bedriegen geeft aan dat de wetenschap te
hoogdravend met zijn ontdekkingen omgaat. De leugendetector kan zijn nut
bewijzen maar doet dit niet per definitie. Over de schrijver, schilder en
muzikant kan veel gezegd worden maar nooit alles. Kunst heeft zijn oorsprong in
de natuur en blijft daar ook deel van uitmaken. De inspiratiebron voor kunst is
onze omgeving, ons lichaam onze hersenen. De verbinding van het brein met zijn
omgeving geeft aan dat kunst een organische uiting is van gevoelens. Daarin zit
dus wel het biologische van de kunst en is kunst net als alle andere
wetenschappen verwant met de biologie. Want de biologie gaat over leven en
leven maakt kunst.
Hoofdstuk 11: Ethiek en Religie.
Samenvatting:
Ethische voorschriften zoals het recht
en mensenrechten zijn onafhankelijk van de menselijke ervaring of menselijke
uitvindingen. Beide aannames zijn onbeweeglijk en staan recht tegenover elkaar.
Het transcendentalisme gaat uit van morele leidraden die bepaald zijn buiten de
menselijke geest. Hiertegenover staan de empiristen die de leidraden beschouwen
als producten van de geest. Wilson is een securalist omdat hij ervan uitgaat
dat moreel oordelen intrinsiek consiliënt is met de natuurwetenschappen. Hij is
op zoek naar zekerheden en vindt die in de natuurwetenschappen. Het empirisch
denken is belangrijker dan transcendentaal denken. Bij de zinsnede van Newton,
een kardinaal, "Hoe haten we elkaar niet, uit liefde voor God" kunnen
we ons alle grote oorlogen voorstellen waarbij het transcendente godsbeeld zijn
invloed had tot en met "nine-eleven" toe. Empirisch denken gaat ervan
uit dat ethiek gelijk is aan het consistent toepassen van gedrag in een
samenleving dat in codes van principes wordt uitgedrukt. De empiristen denken
objectief en willen meer kennis opdoen van de hersenwerking en zo ook kennis
opdoen van de geest. Daarmee wordt de voorspellende waarde groter. De voorspellende
waarde wordt bepaald uit wetmatigheden die een natuurwetenschappelijke basis
heeft. De empirist kan de zwakte blootleggen van het transcendente denken door
o.a. te wijzen op
·
zijn er twee
godsdiensten tot bloei gekomen naast elkaar?
·
de staat beschermt
de godsdienst van de staat.
De eerste geeft aan dat het geloof in
eigen religie overheersende vormen aanneemt. Het geloof in "Het
Geloof" is te groot. Het tweede geeft aan dat Het Geloof als
rechtvaardiging van de staat wordt gebruikt en vervolgens als motief wordt
gebruikt om de staat te laten bestaan of uit te breiden. De religie is een
samenspel van mythische vertellingen die de oorsprong en haar bestemming
verklaren. Deze bestemming is een vorm van gelukzaligheid die in de godsdienst
op verschillende manieren bereikt wordt. Daarmee maakt religie haar deelnemers
tot iets bijzonders en uiteindelijk bovennatuurlijk. De empirist gaat ervan uit
dat we geen bijzondere wezens zijn. Dat wil niet zeggen dat empiristen geen
normen en waarden kunnen hebben. Nederigheid en wederkerigheid aan de mensen en
't leven zelf zijn de grondbeginselen van een empirist. Empirische principes
berusten op aangeboren gevoelens en historische ervaringen. Deze zorgen ervoor
dat bepaalde handelingen de voorkeur genieten, er zijn codes voortgekomen. De
codes moeten nagestreefd worden. Er moet worden geïnvesteerd in deze codes.
Deze codes worden gaandeweg ontwikkeld en vernieuwd in een steeds wijzer en
stabieler wordende samenleving. De mens heeft neiging tot samenwerking. Daardoor
is er meer kans op overleving. Er ontstaat gedrag dat overerft omdat
"samenwerkers" meer kinderen krijgen en meer voedsel produceren. Er
ontstaan morele sentimenten zoals geweten, zelfrespect en berouw. De volgende
fase is dan de eigen groep beschermen. Er ontstaan o.a. patriottisme,
altruïsme, gerechtigheid en mededogen. Veel menselijk gedrag ligt nog vast in
fundamentele instincten. Cultuurevolutie ligt nog niet genetisch vast omdat de
tijdspanne daarvoor te kort is geweest. Ethiek en politicologie hebben geen
basis vanuit de natuurwetenschappen. Er is geen oorzaak-gevolg-strategie. Wat
zijn de bronnen van ethisch gedrag? De opdracht is een zoektocht naar de
biologie van de morele sentimenten.
Dit is mogelijk doordat:
·
Morele
instincten gedefinieerd kunnen worden door de psychologie en vervolgens door
analyse van de neurale en endocriene responsen (fysiologische processen).
·
De erfbaarheid
bepaald wordt uit psychologische en fysiologische processen. De genetica van
morele sentimenten wordt daarmee gedefinieerd.
·
De ontwikkeling
van de morele sentimenten als producten van de interactie tussen genen en
milieu bepaald wordt.
Dit kan door de geschiedenis van
ethische systemen te onderzoeken als onderdeel van het ontstaan van
verschillende culturen en de cognitieve ontwikkeling van individuen die in
verschillende culturen leven. Hieraan zal de biologie ook zijn bijdrage gaan
leveren. Duidelijk wordt wat de diepe geschiedenis van de morele sentimenten
duidelijk wordt. Het waarom van hun bestaan. Religie start als cultus, het
groeit buiten de cultgroep en anderen sluiten zich aan. Er is scheppingsmythe.
De schepping is een mysterie en alleen toegankelijk voor opperpriesters op
heilige plaatsen. Bovendien is de groep aanhangers uitverkoren! Dit houdt in
dat er concurrentie ontstaat met andere religies. De andere religie wordt zelfs
verafschuwd en er vindt zelfopoffering plaats. De religie ontstaat uit een
ethisch fundament en wordt gebruikt om morele codes te rechtvaardigen.
Overlevingsstrategie is een aspect van religie. Er is angst voor de dood, zo
ontstaan er goden. Het lichaam sterft maar de geest leeft voort. Religie is
instinctief aanwezig en daarmee in de genen verankerd. Er is steeds een zelfde
weg naar totstandkoming van een religie, daarmee is er een voorprogrammering!
Religie geeft erfelijk selectie voordeel: een groep met geloof en levensdoel
geeft sociale gebondenheid. Altruïsme wordt vergroot in deze groep. De groep
krijgt dus grotere overlevingskansen ten opzichte van anderen. Het
transcendentalisme is rijk aan mythen en psychisch rijk en vol. Het voelt goed
aan en bied geborgenheid. Dit in tegenstelling tot empirisch denken. Koelte en
zakelijkheid. Er is geen fictie. Dat blijkt nadelig ook al verslaat wetenschap
religie keer op keer. De menselijke geest is gericht op "geloof",
niet in het geloof van de biologie. Hoe kunnen religie (het transcendentisme)
en het empirisch denken elkaar naderen? De herkomst van morele en religieuze
overtuiging zal worden getoetst door biologisch onderzoek naar complex menselijk
gedrag. Hierdoor wordt hun genetische, evolutionaire herkomst bepaald.
Zintuigen en zenuwstelsel zijn door natuurlijke selectie ontstaan. Dus een
empirische interpretatie is mogelijk en via cultuurevolutie vastgelegd in
genen.
Indien het niet lukt ethische en
religieuze verschijnselen te verklaren als biologische evolutie dan zal het
trancendentalistisch denken aanvaard moeten worden. Maar religie moet wel
voortdurend de nieuwe ontdekkingen door de wetenschap inpassen. De wetenschap
moet blijven toetsen en de kern zien te ontdekken over het bestaan van religie
en moraliteit en dus de securaliteit van mens en religie. Er zal wederzijds
respect moeten zijn.
Reflectie:
Religie en ethiek zijn de hete
hangijzers van ons bestaan. Door hun verwantschap en afhankelijkheid van elkaar
worden ze samen besproken. De basis van beide lijkt opgesloten in onze genen.
Als een leeuwin de savanne van Afrika of de sperwer langs de snelweg een dier
doodt dan doet het dit om te overleven. Voedsel ! Territorium gedrag uit zich
vooral in wegjagen. Zo bekeken lijkt het er op dat grote groepen mensen
genetische eigenschappen bezitten om hun eigen persoon of groep zo te
verdedigen dat er om die redenen gedood en oorlog gevoerd wordt. Welke
genetische grondslag ligt hieraan ten grondslag. De mens denkt vooruit,
definitieve uitschakeling van een tegenstander vergroot de kans dat hij niet
meer tot last zal zijn. Verwoesting van zijn cultuur vergroot de kans om de
eigen cultuur uit te laten groeien. Ethiek is op deze momenten niet aan de
orde. Maar wat blijkt? Als de verwoesting van levens, cultuur en natuur
exceptioneel wordt blijkt er besef te komen; ethisch besef. Dat is een
belangrijk gegeven voor de verdere ontwikkeling van de mens. Alle grote
oorlogsvoerders zoals: Alexander de Grote, Napoleon en Hitler stierven of
werden van hun macht ontdaan nadat hun overwicht vervloog bij elke verdere stap
die ze deden in hun grootheidswaanzin. Het moorden moest stoppen de waanzin had
lang genoeg geduurd. De ethiek heeft ook zijn belang bij het hedendaagse
onderzoek. Gentherapie en klonen zijn de issues van de eenentwintigste eeuw.
Voor veel wetenschappers omdat daarmee ziekten kunnen worden tegengegaan of
tegengehouden maar voor andere met als doel " de heilige graal". In
deze takken van de wetenschap zal de ethiek een belangrijke rol spelen over wat
wel en niet mogelijk moet zijn. Religie zal hierin geen rol van betekenis
spelen. Religie loopt achter de feiten aan zoals Wilson beschrijft. Religie
past zich niet aan, aan wat de wetenschap ontdekt of doet dit veel te laat.
Hoelang moest het duren voordat de aarde ook voor de katholieke kerk rond was?
Wat waren de bewijzen om de inquisitie te rechtvaardigen. Een groot
middeleeuwse vraagstuk of Jezus ooit gelachen had met als gevolg de vraag of de
mensen mogen lachen en daarmee relativeren (en niet alleen onderdanig moeten
zijn), werd opgelost met bijbelteksten en interpretaties van kunstenaars (al of
niet) in opdracht van de vertegenwoordigers van diezelfde bijbel. Alle interpretatie
van religie is gebaseerd op een geloofsboek zowel bij katholieken, moslims en
joden. De koran en bijbel zijn geschriften die een lange geschiedenis hebben
maar voortkwamen uit de menselijke geest. Ze zijn niet geschreven door een
godheid. Het zijn boeken met leefregels, die weer multi-interpretabel zijn
hetgeen problemen of beter gezegd tegenstellingen vergroot. Hoe kunnen wij een
katholieke kerk aanhangen die kruistochten organiseerden onder het mom van
bevrijding van het heilige land terwijl de bedoeling machtsuitbreiding was.
Hoeveel doden en leed heeft dit veroorzaakt? Kunnen we dit bevatten of
romantiseren we deze oorlogen. Hoe kunnen we in een katholieke kerk geloven die
geboortebeperking middels anticonceptiepil en condoom tegengaat en daarmee mede
verantwoordelijk is voor het leed dat o.a. aids en hepatitis veroorzaken. Kan
de katholieke kerk spreken dat hun voorspraken eerlijk zijn? Ze (b)lijken juist
het tegenovergestelde te zijn. Bij de moslimreligie is het al niet anders, de
koran kan volgens de letter zo geïnterpreteerd worden dat vrouwen volledig
beheerst worden door mannen. Zelfs hun gezicht wordt bedekt om onze zintuigen
met rust te laten. Zou de evolutie van de mens dit als doel hebben gehad:
gezichtloos zijn? En daar zit de kern. We zijn een evolutionair product, die
religie is gaan gebruiken omdat we kunnen bedenken dat we dood gaan. Daar zijn
we bang voor ook al hebben we duizend kinderen verwekt. Hoe zeker we ook kunnen
overkomen maar op onze laatste momenten en steeds als we met de dood
geconfronteerd worden zijn we letterlijk doodsbang. Voortleven zoals de mens
dat bedacht heeft in zijn godsdienst geeft enige rust maar toch, de onzekerheid
blijft groot. De wetenschap zal steeds meer ontrafelen dat religie en ethiek
aangeboren eigenschappen zijn. Door evolutie verkregen eigenschappen en niet
van hogere machten afkomstig. Religie en ethiek lijken voordelen te bieden maar
m.i. liggen deze voordelen vooral op gebied van de ethiek. De ethiek wordt
steeds meer op mondiaal niveau bepaald. Hoe problematisch ook, er zal steeds
meer vanuit een wetenschappelijke punt bepaald worden hoe te handelen. En
geloof mij: over enige tijd, laten ik zeggen 10- 20 jaar zal de reactie van de
V.S. op "nine-eleven" ethisch verworpen worden en zullen fundamentalistische
moslimleiders inzien dat ethiek op zichzelf staat met religie als gevolg maar
niet omgekeerd. Ook President Bush zal inzien dat God niet aan zijn zijde kan
staan want wat voor god zou God zijn als hij voor hem zou kiezen?
Hoofdstuk 12: Waartoe?
Samenvatting:
De oorsprong van consiliëntie is dat
alles reduceerbaar is tot de wetten van de fysica. De biologie maakt duidelijk
dat de mens als gevolg van evolutie verwant is met alle levensvormen. De
basisbouwstenen van het leven blijken bij alle organisme dezelfde te zijn. De
natuur van de mens, voortgekomen uit de evolutie, beïnvloedt de evolutie en
cultuur. Tussen de wetenschappen bevinden zich kloven, die gedicht zullen
worden. Er zal consiliëntie ontstaan tussen fysica, reconstructie van cellen,
de samenstelling van ecosystemen, de co-evolutie van genen en cultuur, de
fysieke basis van geest en de diepe herkomst van ethiek en religie. Het gevolg
hiervan is dat vanuit consiliëntie de totale realiteit omvat kan worden.
Wetenschap wordt door niet wetenschappers beschouwd als marginaal. De grote
groep mensen is op zoek naar seks, familie, werk, veiligheid, persoonlijke
expressie en spirituele vervulling. Wat heeft wetenschap hier mee te maken?
Sociale wetenschappen en de geesteswetenschappen staan los van de
natuurwetenschappen. Maar natuurwetenschappen zijn niet zo marginaal. De
natuurwetenschappen kan de materiele wereld ontrafelen en zo verklaren. De
natuurwetenschap zal door vereniging met de geesteswetenschappen deze nieuwe
impulsen geven. De toekomst geeft steeds meer kennis. Maar deze kennis is
sectarisch en zal naar synthese moeten groeien met als gevolg wijsheid. De
mensen die deze synthese bereiken zullen de leiders van de toekomst zijn. Is de
natuurlijke selectie nog steeds de stuwende kracht achter de evolutie? Duwt zij
de anatomie en het gedrag in een richting in respons op overleven en
reproductie? Genetisch zal de mens op korte termijn niet echt veranderen. Op
dit moment vindt er vooral homogenisatie plaats door immigratie en gemengde
huwelijken. Verschillen die toch al niet zo groot waren verdwijnen steeds meer
en steeds sneller. Toch zal dit de evolutie niet echt beïnvloeden. Natuurlijke
selectie zal minder invloed uitoefenen. Evolutie zal meer afhankelijk zijn van
sociale keuzes. Willen we erfelijk materiaal veranderen als de kennis daarvoor
aanwezig is? Het genoom kennen we nog niet zo lang. Tot ong. 1900 was er geen
kennis over het genoom. Selectie zorgde ervoor dat negatieve afwijkingen
uitgeselecteerd werden en alleen ziekteverwekkende recessieve allelen konden
blijven bestaan. Maar door moderne geneeskunde kunnen mensen met dubbele
recessieve allelen, die een ziekte veroorzaken, blijven leven en zich
voortplanten. Dit kan door leefwijze aan te passen, geneesmiddelen, operaties
en transplantaties. De prognoses van taaislijmvliesziekte zijn door medicijnen
en transplantaties van longen sterk verbeterd. Maar ook is het mogelijk om
"fouten" in het genoom te herstellen via gentherapie. Implantatie van
onaangetaste genen in longweefsel bij taaislijmpatiënten verbetert de situatie
aanzienlijk. Door deze ontwikkeling worden ethische vragen opgeworpen: in
hoeverre mogen we meedoen aan muteren? Moet er een grenslijn getrokken worden
tussen remedie en verbetering van normale, gezonde kenmerken. Of anders: als er
een gezond gen is om sneller te leren of beter te leren mogen we die dan
inbouwen? Op die manier kan de mens zich ontdoen van natuurlijke selectie. De
ethiek en als gevolg hiervan de politieke keuzes zullen bepalen wat wel en niet
kan. Wilson verwacht dat we genetisch conservatief blijven. We zullen de kennis
gebruiken voor het herstellen van ziekten. De erfelijkheid zal met rust gelaten
worden. Emoties en epigenetische regels veranderen met als gevolg dat de mens
er beter van wordt. We hechten aan het menszijn, niet aan een rationeel wezen.
Voordat we ingrijpen moeten we nog veel leren over het menselijk bestaan. Ons
collectief doel is urgent en acuut. De milieulast die de mens veroorzaakt noopt
ons tot een Faustiaanse keuze: of we kiezen verkeerd en gaan ten onder of we
kiezen goed met als gevolg een nieuwe milieuethiek. In milieudebatten komen de
volgende basisprincipes naar voren:
1.
De naturalisten:
het milieu heeft een naturalistische oorsprong. Het ideaalbeeld in de
natuurlijkheid zoals die er was voordat de mens ging ingrijpen. Daarheen zullen
we terug moeten keren.
2.
Exemptionisten:
de mens staat los van de natuurlijke wereld en regeert erover. Dus de mens is
niet alleen gebonden aan ecologische wetten. We kunnen een betere aarde
creëren.
Een maximale bevolking is afhankelijk
van de PAT. Dit is bevolkingsomvang maal consumptie per hoofd en maat voor de
vraatzucht van de technologie die wordt gebruikt voor het realiseren van de
consumptie. Volgens de PAT-formule betekent dat ong. 10 miljard inwoners op
aarde een redelijk bestaan kunnen hebben.
De exemptionisten zeggen problemen op
te kunnen lossen via wetenschap. Ook de problemen door etnische spanning en
politieke competentie. Maar….
·
De opbrengsten
van graan lopen weer terug.
·
Het grondwater
zakt en er is steeds minder water beschikbaar (40% van de mensen leeft in 2025
in landen met een watertekort).
·
De groei van de
bevolking blijft doorgaan.
·
Oceanen worden
overbevist en kweek van vis schiet tekort door verdringing van mangrove bossen.
Deze zijn de kraamkamers voor veel soorten vis en andere organismen.
·
De
klimatologische veranderingen zijn door menselijk invloed groot:
temperatuur stijging in 130 jaar met 1 graad Celsius
CO2 gehalte is nu 360 ppm en was de laatste 160.000 jaar gem. 160 ppm.
De gevolgen zijn groot. In 2100 zal de
temperatuur 1-3,5 graden Celsius hoger zijn hetgeen een zeestijging betekent
van 30cm door smelten van ijs en uitzetten van water. Er zullen andere neerslagpatronen
komen zoals nu al El Nino veroorzaakt. Het ecosysteem zal over de hele aarde
veranderen. De ontwikkelingslanden zullen het hardst getroffen worden door met
name voedsel en watertekort. De exemptionist is gevaarlijk omdat hij de
verwachting uitspreekt alles te kunnen oplossen.Hierdoor kan het ontstane
gevaar steeds groter worden. Er ontstaat eerst een probleem en dan wordt er pas
gezocht naar een oplossing. De werkwijze zou andersom moeten zijn. In het
verleden zijn beschavingen uitgestorven zoals in Noord-Mesopotamië, Egypte en
het Mayarijk uit Midden-Amerika. Meestal gebeurde dit op gruwelijke wijze. De
antropoloog is van mening dat dit alles gevolgen waren van droogte,
bodemuitputting, overbevolking en oorlog. De ecoloog geeft aan dat de maximale
draagkracht is bereikt. De technologie kan de verdere groei niet meer
ondersteunen. De conflicten in de wereld tussen bevolkingsgroepen zijn in
oorsprong ontstaan door schaarste. De overbevolking in Ruanda was een
belangrijke oorzaak van de Tutsi-Hutu oorlog met gruwelijke gevolgen. Maar ook
de recessies voor de Eerste en Tweede Wereldoorlog zijn de basis geweest voor
de beide wereldoorlogen. De spanningen waren zo hoog opgelopen dat een kleine
vonk een ongelooflijke keten van gebeurtenissen liet volgen. Als de
bevolkingsgroei terugloopt en onder de 10 miljard mensen blijft, is er
mogelijkheid tot aanpassing en kan de technologie mogelijk een bijdrage aan
duurzaam leven bieden. Een ontwikkeling die minder exemptionistisch is, lijkt
te starten. Milieuconferenties worden gehouden en soms zijn er positieve
resultaten, hoe marginaal ook. Toch moeten we hopen op de veerkracht van de
natuur. Kan de natuur herstellen van de aanslagen die zijn geweest en nog
zullen plaatsvinden? Economen betrekken veel te weinig het milieu in hun
visies. Uiteindelijk heeft alles invloed op het milieu. Wat je ergens haalt zal
op de een of andere manier teruggebracht moeten worden anders staan op beide
plekken problemen zoals het mestoverschot in West-Europa en uitputting van de grond
in ontwikkelingslanden. Duidelijk is dat de koersbepaling in de toekomst
milieuethiek moet bevatten. De taak is dan: bewaar "de schepping"
zoveel mogelijk!
Vragen die gesteld kunnen worden zijn:
1. Mag het uitsterven van soorten
gebagatelliseerd worden?
·
Na een grote
collaps in het verleden, zoals de komeetinslag in Yucatan die een einde maakte
aan het dinosaurus tijdperk, is er steeds 10 miljoen jaar nodig voor herstel.
2. Mag de diversiteit, die zo groot is,
af nemen?
· Hoe breder, groter en ingewikkelder het
ecosysteem is, hoe beter problemen opgevangen worden. De productiviteit van een
dergelijk systeem is groter en van elk afzonderlijk dus ook.
3. De "verborgen kennis" in
elk soort is ontstaan door evolutie en daarmee aan alle eisen van ons milieu
getoetst.
· De geneesmiddelen zijn 40% direct afkomstig
van soorten op aarde. De resistentie van bacteriën tegen penicilline wordt
steeds groter. Waar halen we weer nieuwe medicijnen vandaan? Juist, vooral uit
de natuur!
4. Kunnen we soorten opslaan in
dierentuinen en botanische tuinen?
· Enigszins zijn er mogelijkheden maar de
genetische variatie wordt dan erg klein.
Het erfgoed van de verlichting is:
Het volkomen zelfstandig kunnen weten
en begrijpen met als gevolg wijs kiezen neemt toe doordat de wetenschap
exponentieel is toegenomen. De toekomst ligt in handen van de homosapiëns zelf.
Daarin is ethiek alles. Sociaal gezien kan de mens lange termijn visie
ontwikkelen die door cultuur ontwikkeld wordt volgens morele geboden en wetten.
Deze wetten zijn dan niet van bovenaf aan de mensen gegeven en ook niet bij
toeval in het brein ontstaan. Ze zijn ontstaan omdat ze door evolutie
eigenschappen kregen, waardoor overleving beter mogelijk was. Vanuit
consiliëntie is een verenigde cultuur de basis om de onverkende domeinen van de
werkelijkheid te identificeren. Creatief denken zal uitmonden in existentieel
conservatisme. We kunnen niet leven van prothetische middelen om onszelf en
onze biosfeer in leven te houden. We zullen dan zeer kwetsbaar zijn en verarmd.
Uitlevering van onze genen aan technisch ondersteunde logica, onze ethiek,
kunst en onze levenszin zelf in naam van de vooruitgang aan een lichtzinnige
redeneertrant overgeven en ons als goden voorstellen zal leiden tot niets.
Reflectie:
In eerdere hoofdstukken was Wilson zeer
vooruitstrevend in zijn denkbeelden over waartoe de mens kan evolueren. In zijn
slotbeschouwing neemt hij gas terug en ziet met name de gevaren die op de loer
liggen. Gevaren die mede door nieuwe ontdekkingen in de wetenschap gedaan
kunnen worden. Hij duidt duidelijk op het gevaar van de mogelijkheden die
wetenschap biedt zoals bij gentherapie en geeft aan dat een te groot vertrouwen
in de wetenschap een (totale) instorting van onze biosfeer kan bewerkstelligen.
De technologie kan veel uitkomsten voor problemen aandragen maar alles heeft
zijn prijs. Die prijs moet doorberekend worden. Economen en politici doen dit
niet of te weinig. De kosten van afvalverwerking en CO2-verlaging zouden in
producten doorberekend moeten worden. Pas dan zou je werkelijk kunnen bepalen
of een technologische vondst daadwerkelijk in productie genomen kan worden. Wat
heeft een persoon nodig en wat is de draagkracht van ons milieu? Dat zijn de
parameters waar uiteindelijk mee gewerkt moet worden. Als dat bekend is, kun je
bepalen wat wel en niet kan. Terughoudendheid moet het devies zijn. Soberheid,
iets waarvan onze westerse samenleving vervreemd is, zal het leefmotief moeten
worden. Wat we uit ons milieu halen, zullen we op de juiste manier weer terug
moeten geven. Wederkerigheid zoals bij de bosjesmannen. De wetenschappen van nu
zijn in staat aan te geven wat wel en niet mogelijk is maar zijn wij in staat
om volgens die richtlijnen te leven? Willen wij inleveren? Lid van Natuurmonumenten,
Greenpeace, Artsen zonder grenzen of Amnestie International is daarvoor
onvoldoende. Een extra gevaar is dat het de laatste jaren lijkt dat onze
biotopen verbeteren. Het water van onze beken en rivieren wordt in snel tempo
schoner. Bevers keren in Limburg terug. Roofvogels nemen weer in aantallen toe.
Inzamelen van afval gebeurt gescheiden. Maar schijn bedriegt!
"Iedereen" heeft inmiddels een dan wel twee auto's, vijf fietsen en
een huis met alle voorzieningen erin en eromheen. De kosten voor ons milieu
zijn hoog. Een ander facet waar Wilson de vinger op legt is de genetische
inmenging van de mens. Tot wat zal die leiden? Kunnen we de gevolgen overzien?
Kunnen we "wetenschappers", die menen dat alles mogelijk is,
beperkingen opleggen? Wat zijn de grenzen van kunnen en mogen? Het klonen is
sinds kort een hot item. Er zijn wetenschappers die er mee weglopen maar er
zijn ook bevindingen dat een IVF kind meer ziekten krijgt dan een kind uit
normale bevruchtingen. Zeker de geneeskunde kan via klonen, stamcel therapie
een artrose patiënt weer goed en pijnloos laten bewegen. Als direct na de
geboorte stamcellen weggenomen worden, kunnen die goed van pas komen als zich
later Alzheimer of leukemie ontwikkelt. Voor een ieder een reservoir in de
diepvriezer? Als mijn kind er later gebruik van kan maken waarom zou ik dat dan
(als uitzondering) niet doen? Maar wat zijn hierin de grenzen? Waar eindigt dit
manipuleren? Dat is het punt van de ethiek. Ook ethiek is niet statisch. Ethiek
groeit mee in een cultuur. Of die cultuur vastgelegd wordt in onze genen is
daarvoor niet van belang. Er zullen voortdurend situaties ontstaan waar de mens
de mogelijkheid heeft om met alles wat aan kennis, emoties, normen en waarden
voor handen is te bepalen wat er verder moet gebeuren. Dan nog zal gevoel een
belangrijk aspect blijken te zijn bij het nemen van de meest beste beslissing.
Juist dat gevoel zit opgeslagen in onze genen. Omdat de mens zo veelzijdig in
aanleg en gedachten is, zullen veel feiten op tafel komen bij het nemen van
beslissingen. En elke beslissing kan voorspelbare situaties met zich meebrengen
maar door de veelheid van factoren zal nooit exact aangegeven kunnen worden hoe
een maatregel precies zal uitpakken. Daarin zit het avontuur van het leven!
Reacties: deponti@planet.nl