
De Gele Rijders
Dit jaar (2008) bestaat het Korps Rijdende Artillerie al weer 215
jaar. Het Korps, de Gele Rijders genoemd, werd opgericht 21 februari 1793. De
prachtige uniformen met de gele of gouden tressen bezorgden het Korps de bijnaam
"Gele Rijders". In 1842 kreeg het Korps van koning Willem 2 deze uniformen en
tijdens galavoorstellingen worden ze nog steeds gedragen. Al in 1794 bewees het
Korps zijn waarde door in België de Fransen bij de Maas tegen te houden,
waardoor het Nederlandse Leger voor omsingeling werd behoed. In 1815, onder
Prins Willem, leverden de Gele Rijders slag bij Quatre Bras en in 1830 trokken
ze mee in de tiendaagse veldtocht. In 1937 werd Prins Bernhard officier bij het
Koninklijk Huis
De Rijdende
Artillerie heeft een nauwe historische band met het
Koninklijke Huis
en de stad
Den Haag.
Tijdens de regering van Koning Willem II gingen de Gele Rijders aan kop in de
Koninklijke stoet bij de opening van de Staten-Generaal. Tegenwoordig is de
eenheid verantwoordelijk voor het afvuren van saluutschoten bij plechtigheden
rond het Koninklijk Huis. Ze deed dat onder meer bij het huwelijk van kroonprins
Willem-Alexander
en prinses
Máxima,
de geboorte van erfprinses
Amalia
en bij de begrafenissen van prins
Claus,
prinses
Juliana
en prins
Bernhard.
Bij de laatste uitvaart begeleidden officieren van de Rijdende Artillerie de
affuit waarop de kist van de Prins was geplaatst. Op
Prinsjesdag
geeft een batterij van de Gele Rijders minuutschoten af van het moment dat de
Koningin het Paleis verlaat totdat zij daarin is teruggekeerd.

ARTILLERIE
Het woord artillerie is afgeleid van het Latijnse woord Ars (kunst), Tirare
(schieten) of Tollere (werpen). De naam Artilia (kunstig werktuig) was voor het
ontstaan van de artillerie een verzamelnaam voor oorlogswerktuig welke konden
werpen en slingeren ook wel bekend als spangeschut.
De Romeinen en Grieken gebruikten dit spangeschut in hun tijd voor belegeringen
door middel van onder andere catapulta’s. tijdens de middeleeuwen werd het
spangeschut ingezet bij de belegeringen van kastelen en steden. Men gebruikte
onder andere rottend afval, en vaten brandend pek om weg te slingeren.
Het eerste vuurschot werd gelost tijdens de honderdjarige oorlog (1340-1450), de
toenmalige kanonnen konden maximaal 12 stenen afvuren met een bereik van 750
meter.
In de 15e en 16e eeuw ontwikkelde de klokkengieters handzamere en effectievere
kanonnen zoals de “bronzen Kartouw”en “slang”. Op een van de wielen werd tevens
een affuit geplaatst hierdoor kan het geschut ook in het veld gebruikt worden.
Hiernaast werd het buskruit gekorreld dit was effectiever dan de poedervorm
welke men eerst gebruikte.
Vanaf deze periode gebruikte men tevens ijzeren kogels, vuurballen en linnen
zakken gevuld met schroot en kogels om af te schieten
14e eeuw Nederland
Men schat dat in het midden van de 14e eeuw in Nederland het vuurgeschut in
gebruik werd genomen er zijn echter geen precieze datums hiervan bekend. In de
loop der jaren van de 14e eeuw beschikte de meeste steden over vuurgeschut, dit
veranderde de oorlogsvoering in Nederland voorgoed. Men gebruikte het vooral
voor stadsoorlogen en het belegeren van kastelen.
15e eeuw Bourgondische Rijk
In deze eeuw behoorde Nederland toe aan het rijkdom van de hertogen de Goede en
de Stoute. Zij stelde het gebruik van vuurgeschut onder toezicht van de staat.
Hiermee werden tevens de rangen kanon-of busmeester en meester der artillerie
ingevoerd. De mannen die het zware geschut ter water vervoerde werden “matrozen
van het geschut”genoemd, zij hielpen tevens bij de bediening. Daar het
“leger”steeds groter werd richtte hertog de Stoute in 1471 een beroepsleger op
waar ook de artillerie onder kwam te vallen.
Toen in 1515 Karel de V Heer der Nederlanden werd richtte hij diverse
artilleriescholen op om te zorgen dat de artillerie geoefend zou blijven.
Daarnaast werd in 1544 een standaardisatie van vuurgeschut ingevoerd. Men
beperkte het tot vijf verschillende kalibers om van de grote diversiteit die in
de loop der jaren was ontstaan af te komen.
16e – 17e eeuw De tachtigjarige oorlog
De tachtigjarige oorlog duurde van 1568 tot 1648 deze oorlog ontstond door
verzet tegen het Spaanse gezag en de geloofsvervolgingen. Omdat Nederland
verliezen leed bij diverse steden besloot men tegen het einde van de 16e eeuw om
de uitmuntende militair strateeg Prins Maurits (zie portret links) tot
opperbevelhebber te noemen van een klein maar goed getraind leger waarin de
artillerie een belangrijke rol speelde.
Onder zijn bewind werd het artilleriesysteem drastisch vernieuwd. Men
standaardiseerde het geschut tot vier kalibers; de hele, de halve, de kwart en
de achtste kartouw.
Het aantal stukken werd flink uitgebreid door een gieterij te openen voor
staatsgeschut in Den Haag.
Op 15 maart 1590 werden de eerste twee vuurmonden afgeleverd. Dit is dan ook
“het geboortejaar”van de artillerie. Tijdens de tachtigjarige oorlog werden de
eerste officieren functie benoemd het betrof hier generaals der artillerie. Deze
generaals hadden het voor het zeggen over de manschappen die werden ingehuurd,
in deze tijd bestond het leger nog niet uit vast personeel.
1793 Oprichting Korps Rijdende Artillerie
21 februari 1793.
Op 21 februari 1793 heeft Prins Willem V twee brigades Rijdende Artillerie
opgericht. Elk van deze brigades bestond uit twee compagnieën met in totaal 32
vuurmonden. Het Korps Rijdende Artillerie (KRA) diende als ondersteuning voor de
cavalerie met als voorwaarde dat deze artillerie brigade snel verplaatsbaar was.
April 1793.
Het Korps Rijdende Artillerie is sinds april 1793 volledig operationeel.

.
De Gele Rijders, Gunning en Pierson
Ondanks het feit dat het tehuis van de Rijders in
Arnhem, de Willemskazerne, in de oorlog een ruĎne werd en het Korps in mei 1946
werd opgeheven bij Koninklijk besluit, bleef de band met en de herinnering aan
de Gele Rijders bestaan.
Eveneens bij Koninklijk besluit werd in 1962 het Korps
wederom opgericht. In februari 1964 kreeg het Korps, het resultaat van een
opgericht uniformcomité met als voorzitter de heer D. Rooseboom, weer zijn nieuw
(50) ceremonieel tenue.

Gele Rijders op de markt in Arnhem
1e Lnt. Hoogendoorn
In 1963 kwam ik van de Kaderschool te Breda naar Arnhem, in
de Oranje Kazerne als wachtmeesterwaarnemer. Vanaf september 1963 tot november
1964 diende ik bij de 11e afdeling Rijdende Artillerie in de Oranjekazerne te
Schaarsbergen. Het was een prachtige tijd en in 1963 was men nog trots om bij
het "Keurkorps"der Artillerie" te mogen behoren. Ik weet niet of dat nu nog zo is. Lange haren of baarden waren
er toen niet bij. Ook de paarden waren in 1964 nog niet in zicht. Die kwamen pas
later.

Rijdende Artillerie bij het 1000jarig bestaan van Rheden in 1960
Koningsland, in 1960 nog een zandweg. Ook de huizen aan de Hoge Kamp ontbreken

foto's archief Walter de Wit

wachtmeester Rijnbende (391121323) in 1964 wachtmeester Hans en broer sergeant Leopold
In mei 1964 oefende het Korps voor de NATO
Taptoe in Arnhem op het plein voor de Sabelpoort, nu parkeerplaats.

Batterijcommandant Kapitein Steemers
en Commandant der 11e Afd.Rijdende Artillerie Overste
Gunning

wachtmeester Bodt en kapitein Steemers

Voor de Sabelpoort in Arnhem mei 1964, Hans, tweede van rechts
Perfect gekleed
In 1999 zijn de Gele Rijders verhuisd naar de Tonnetkazerne in ’t
Harde.
Onze batterijcommandant was dus Kapitein Steemers en
batterijluitenant was luitenant P.H.M. Messerschmidt. Voor deze man had ik diep
respect. Wanneer wij op oefening gingen moesten wij soms dekking zoeken in een
greppel welke vol met water stond. Messerschmidt schreeuwde het commando:
"Dekking zoeken", maar ik kan mij nog herinneren, dat hij als eerste in de
greppel lag. Hij drilde ons, veelal onder gemopper, maar hij deed alles voor, of
het nou regende of niet. Het verbaasde mij dan ook niet onlangs te lezen, dat
hij generaal was geworden.

Links generaal Majoor P.H.M. Messerschmidt
Bezoek van de
Stichting Herdenkingsreizen Indonesië (SHI)
o.l.v. de heer L. van den Braken. Kranslegging door
generaalmajoor
L. Noordzij, namens 1 Divisie ‘7 December’, door generaal-
majoor b.d. P.H.M. Messerschmidt, namens de SHI en
door generaal-majoor b.d. Soediro namens de Indonesische
veteranen.
In 1999 zijn de Gele Rijders verhuisd naar de Tonnetkazerne in ’t
Harde.
Het leuke van een eigen website is, dat je met
veel mensen in contact komt en daardoor je kennis weer verbreedt.
Zo kreeg ik een mailtje van Prof. Dr. J.W.Gunning
van de VU te Amsterdam. Zijn vader was de overste Gunning, commandant van de 11e
afdeling Rijdende Artillerie, de Gele Rijders in de Oranje Kazerne te
Schaarsbergen bij Arnhem. ( zie foto rechts boven)

Prof. Gunning is hoogleraar afd.
Ontwikkelingseconomie aan de VU te Amsterdam. Natuurlijk houdt hij veel lezingen
en een van de lezingen ging over de Gunningfamilie. In zijn familie komt de naam
Pierson voor. Het gezin Pierson vervulde een belangtijke rol in het Reveil, een
geestelijke beweging die zich tegen de gezapigheid in de kerk keerde. Ook Rheden
had, onder leiding van Ds. Laatsman een eigen afdeling van het Reveil.
Het gezin Gunning-Pierson
Jan Willem Gunning
Lezing gehouden op de Gunningdag, 17 september
2005, in de Leeuwenberghkerk te Utrecht
Als u eens bij een promotie of oratie op de
UvA in de senaatszaal bent: kijkt u dan even naar dit portret.

Dat is Jan Willem
Gunning, hoogleraar scheikunde, rector-magnificus, een bekende Nederlander o.a.
door zijn vele maatschappelijke activiteiten. In een
biografie van Wilhelmina Drucker (de oorspronkelijke "Dolle Mina") lezen we hoe
de "Vrouwenbond ter Verhoging van het Zedelijk Bewustzijn" een bijeenkomst hield
om het voorstel te bespreken alle inrichtingen van ontucht strafbaar te stellen:
De voorzitter, prof. J.W. Gunning, opende
de bijeenkomst met gebed, daarna was het woord aan de vrouwen. Nadat de
voorstanders aan het woord waren geweest klonk de vraag: "Verlangen ook de
tegenstanders het woord?". "Ja" zegt Mina. Toen zij het podium betrad werd er
gesist, gefloten. Daarna gebeurde er iets enigs: de voorzitter, prof. Gunning,
verliet zijn zetel en ging achter haar staan.
Zijn houding imponeerde: het kabaal was bezworen.
Het was een karakteristieke gebeurtenis: het respect voor andere
meningen en de bemoeienis met grote sociale kwesties, kenmerkten deze Gunning,
ook dertig jaar eerder toen Röntgen bij hem in huis woonde.
Wat was die Gunning voor een man? Zijn vader
kwam uit Apeldoorn (daar werd het contact met de familie Röntgen gelegd). Hij
was predikant en stond heel lang in Leeuwarden. Hij was intellectueel niet echt
een hoogvlieger, maar zijn vrouw, Anna Elisabeth van Campen, wordt beschreven
als van "buitengewoon frisse geest". Van haar kant komt belangstelling voor
politiek, muziek en wetenschap. Dat levert een explosie van talent op in de
volgende generatie. De vier zoons in dit gezin zouden alle vier beroemd worden:
Willem als chemicus, Jan als theoloog, Marius als oogheelkundige en Edward (de
enige die geen hoogleraar werd) als predikant. Dit was een indrukwekkend viertal
dat heel veel tot stand heeft gebracht.
De jongens studeerden allemaal hier in
Utrecht. Willem begon met medicijnen, maar hij werd al snel gewonnen voor de
scheikunde door de beroemde Gerrit Jan Mulder, mogelijk de belangrijkste
Nederlandse wetenschapper van die tijd. Mulder maakte diepe indruk op hem met
zijn pleidooi voor een moderne, empirische natuurwetenschap en vooral ook door
te benadrukken wat daarmee kon worden bereikt voor de volksgezondheid. (Mulder
liet studenten hun eigen scheikundig onderzoek doen .. in dit gebouw.)
Gunning promoveerde bij Mulder, in 1853 (summa
cum laude). Al een jaar later werd hij benoemd tot lector. Mulder gaf toen
hij dat lectoraat aanvroeg, aan dat hij Gunning (die toen pas 26 jaar was) als
zijn opvolger wilde. De toekomst zag er dus veelbelovend uit en een jaar later
trouwde de jonge lector.
.jpg)
J.W.Gunning in zijn Utrechtsetijd
Dan komt er een zwarte periode: zijn moeder
sterft datzelfde jaar aan de cholera, zijn vrouw overlijdt vlak na de geboorte
van hun dochtertje Keetje. Bovendien komt hij in conflict met Mulder, een
conflict dat zo hoog oploopt dat hij de universiteit moet verlaten.
Mulders reputatie had ernstig geleden toen
zijn theorie over eiwitten onjuist bleek. Hij keerde zich toen af van de
scheikunde en wierp zich op de politiek. Hij was een tegenstander van Thorbecke
en werd een leidende figuur in de conservatieve Aprilbeweging. Vanwege die
politieke activiteiten (en overspannenheid) legde Mulder tijdelijk zijn
hoogleraarschap neer en hij werd door Gunning en twee anderen vervangen. Gunning
trok heel veel studenten en vermoedelijk ligt daar het begin van het conflict.
Mulder was jaloers op zijn succes als docent en dacht dat Gunning zijn plaats
wilde innemen. Misschien speelden ook politieke meningsverschillen een rol:
Mulder wilde een oude standenmaatschappij, Gunning stond aan de kant van de
liberalen. Hoe het ook zij, Mulder probeerde hem
ontslagen te krijgen. Curatoren wilden daar niet aan, maar Gunning werd wel
verbannen van het laboratorium en hij kreeg geen onderwijstaken. Hij richtte
toen een eigen laboratorium in zodat hij wel experimenten kon blijven doen. In
1858 werd hij docent aan de Technische School (een voorloper van de HBS, waar
Röntgen enkele jaren later leerling zou worden).
Gunning dweepte met Mulder en later schreef
hij over dit conflict: "ik heb het diep gevoeld". Hij was nu weduwnaar met een
dochtertje en zijn wetenschappelijke carričre was in de knop gebroken. In deze
moeilijke tijd leerde hij Petronella Adriana Pierson (Piet) kennen, een zusje
van zijn studievriend Allard. Zij werd zijn tweede vrouw.
Haar vader, Jan Lodewijk Gregory Pierson, was een rijke, Amsterdamse koopman met
een grachtenhuis aan het Singel en een buiten bij Haarlem.
Het gezin Pierson speelde een belangrijke
rol in het Reveil, de geestelijke beweging die zich tegen de gezapigheid in de
kerk keerde. Het Reveil hield aanvankelijk alleen stichtelijke bijeenkomsten,
maar in 1845 werd het actief op sociaal gebied. Op initiatief van Ds. Heldring
kwamen de "Christelijke Vrienden" twee keer per jaar bijeen, in het begin in het
huis van de Piersons op het Singel. In Oudere Tijdgenoten heeft hun zoon Allard
een prachtige beschrijving van die "reunions" in het oude grachtenhuis gegeven.
Daar kwamen Groen van Prinsterer, Heldring, Beets en Hasebroek. Daar werd niet
alleen stichtelijk gesproken, maar ook georganiseerd. De vrome Reveilmensen
konden heel praktisch zijn en waren overtuigd van de maakbaarheid van de
samenleving. Zij richtten scholen op, experimenteerden met
werkgelegenheidsprojecten op de Veluwe, stichtten opvang voor "gevallen
vrouwen", ontplooiden allerlei initiatieven op het gebied van de zending en van
drank- en prostitutiebestrijding en waren heel actief in het onderwijs. Het
Reveil heeft door die sociale bewogenheid heel veel tot stand gebracht. Het door
Klaas Pierson geleide kabinet (1897-1901) werd niet voor niets het kabinet der
sociale rechtvaardigheid genoemd.
Er was bij de Piersons een zeker
standsbesef, maar ook een sterk besef dat men bevoorrecht was (met geld en met
hersens) en dat men daarom geroepen was tot sociaal werk. Piets broer Hein droeg
bij de zilveren bruiloft van het echtpaar Gunning-Pierson het volgende
merkwaardige vers voor:
Dit
is 't geheim van 's Heeren diepe heilsgedachten:
Personen kiest Hij uit, maar ook geslachten;
Strooit schatten naar zijn Goddelijk raadsbesluit,
Deelt
geestesgaven en talenten uit;
Maar
't geen Hij kwistig leent aan Zijn verkoornen,
Keert
tot Hem weer met winst bij armen en verloornen.
We kunnen er nu om glimlachen dat de
Gunningen en Piersons zich kennelijk tot Gods "verkoornen" rekenden, maar er zit
veel sympathieks in de noblesse oblige gedachte en zij leefden ernaar.
De Reveilgeest vinden we terug bij het
echtpaar Gunning-Pierson. Zij hadden het in hun eerste huwelijksjaren (vanaf
1858) niet makkelijk. Keetje (de dochter uit het eerste huwelijk) overleed in
1860 en hun dochtertje Ida in 1863. Dat gebeurde toen Röntgen bij hen in huis
woonde. (Mijn overgrootvader heeft het in zijn kinderdagboek vaak over "de twee
zusjes in de hemel".) Gunnings jongste zusje Annette overleed in 1865, 26 jaar
oud.
Gunning deed ontzettend veel naast zijn
universitaire werk. Hij was actief in de Utrechtse gezondheidscommissie, speelde
een belangrijke rol bij het aanleggen van waterleidingen en riolering en daarmee
bij het terugdringen van de cholera. Hij hield zich (als een van de eersten)
bezig met de milieu-effecten van chemische fabrieken. Hij was aktief betrokken
bij de drankbestrijding en bij de organisatie van het lager onderwijs.
In 1865 wordt Gunning benoemd als
hoogleraar in Amsterdam. Ook zijn broers maken carričre. De theoloog krijgt in
1877 een eredoctoraat hier in Utrecht, weigert een jaar later een
hoogleraarschap en wordt dan in 1882 in Amsterdam benoemd. Marius is daar al in
1877 hoogleraar geworden. Ook Gunnings zwagers Allard en Klaas Pierson zijn
hoogleraar in Amsterdam. De familie bezette zo een leerstoel in elk van de vijf
faculteiten. Tot de broers behoorden ook Ds. Edward Gunning, een gevierd
prediker en een belangrijk man in de Hervormde Kerk, en Dr. Hendrik Pierson,
president-directeur van de Heldringgestichten, en een man die een grote rol
speelde in de schoolstrijd en in het verzet tegen de reglementering van de
prostitutie.
Röntgen was toen al weg, maar hij kende deze
familiekring, een groep buitengewoon interessante mensen. Opvallend is hoe groot
de spreiding is op geestelijk gebied. Allard Pierson was theologisch modern (en
verloor zo veel van zijn geloof dat hij het nodig vond om zijn predikantsambt
neer te leggen), maar Edward Gunning en Hendrik Pierson waren confessioneel,
d.w.z behoudend. Wie weet hoe vaak in de negentiende eeuw kleine verschillen op
kerkelijk gebied tot hevige conflicten leidden, zal zich verbazen dat dit
gezelschap decennia lang graag bijeenkwam. In het gezin was het een levendige
boel.
%2520met%2520haar%2520zoontje%2520Willem%20(2).jpg)
Mevr. Gunning met zoon
Willem in 1863
Er kwamen tal van interessante en vaak controversiële mensen: Mendeljew,
later Paul Kruger. Maar vooral: de drie broers Gunning en de drie broers
Pierson. Jan, de oudste zoon, schreef over die ooms:
Al deze mannen waren begaafde, vlotte
sprekers, zodat zelfs het eenvoudigste familiedinétje meestal een kruisvuur van
geestige toast-en opleverde, niet zelden in dichtvorm, terwijl er voor banale
conversatie nooit tijd overschoot. Al deze persoonlijkheden ontmoetten elkaar
bij voorkeur in ons gezin, waar zij een hartelijkheid aantroffen, die alle
tegenstellingen overbrugde: dat twee zulke diametraal verschillende
persoonlijkheden en zoo ver uiteenlopend van richting en wereldbeschouwing als
oom Jan Gunning en oom Allard Pierson elkaar een met diep respect gemengde
vriendschap toedroegen, heb ik altijd voor een deel daaraan toegeschreven, dat
Vader en Moeder als verbindingslid tusschen hen stonden.
Dat was het gezin waarin Röntgen woonde.
Gunning was geen theoreticus, maar een
praktisch wetenschapper: "hij had zijn vak vooral lief om de uitnemende diensten
die het aan het maatschappelijk leven kon bewijzen", schrijft zijn zoon, die ook
opmerkt dat zijn vader vond dat "beoefenaars der wetenschap die niet voor ons
zelve hebben maar voor anderen". Daar proeft u weer even dat plichtsgevoel. Hij
schreef al vroeg enkele leerboeken en Röntgen schreef bij ččn daarvan een
hulpboek, zijn eerste publikatie. Gunning schijnt een uitnemend docent te zijn
geweest. Van 't Hoff (de latere Nobel-prijswinnaar) vertelde dat er van zijn
onderwijs "een geheel eigenaardige kracht uitging .. als intellectueel
opvoedmiddel". Zijn aanpak was sterk historisch: je moest niet alleen het
eindresultaat presenteren maar de ontwikkelingsgang van het vak in zekere zin
opnieuw doorlopen.
Gunning heeft geen grote wetenschappelijke
reputatie opgebouwd (hoewel sommige van zijn artikelen nog steeds worden
geciteerd) en ik heb de indruk dat hij soms diep teleurgesteld is geweest dat
anderen bereikten wat hij eens zelf had geambieerd.
Hij was een groot organisator. De
afzonderlijke wis- en natuurkundige faculteit, het doctoraat in de farmacie, de
organisatie van de GGD, de oprichting van de rijkslandbouwproefstations, de
rijkssuikerlaboratoria, dat alles was zijn werk.
Van 't Hoff beschreef Gunnings manier van
werken:
Hij kon in korten tijd ongeloofelijk veel
goed afdoen. De tentamina b.v. die bij den toenemenden bloei van de
Amsterdamsche Universiteit, over een groot personeel van toekomstige medici
liepen, werden door Gunning op eigenaardig practische wijze afgenomen, die
intusschen slechts bij zijn inzicht en menschenkennis tot een betrouwbaar
resultaat voerde. Aanvankelijk was dan het kleine spreekkamertje aan de Groene
Burgwal gevuld met candidaten, en na korte gemeenschappelijke ondervraging, werd
de beste weggezonden en dan de beste van de rest, tot na een niet al te lange
tijd eenige bleeke, onzekere verschijningen achterbleven, die dan met grote
mildheid werden geëxecuteerd. Waren de candidaten behandeld, waaraan meestal een
college voorafging dan begon het gerechtelijk onderzoek; ik werd door de
spreekbuis opgeroepen en de onvermijdelijke Korthals bracht b. v. de garderobe
van een dame, die verdacht werd rattekruid te hebben toegediend; alle zakken
worden zorgvuldig boven papier omgekeerd; uit alle zakken komen overblijfselen
van koekjes;
Korthals verzegelt ze met volkomen ernst. Er
wordt geklopt - ik was nooit in het spreekkamertje of er werd geklopt - een
afgevaardigde komt spreken over Zuid-Afrikaansche belangen; de afgevaardigde
begint, maar schrikt op door een fluitje achter hem in den hoek; het is niets:
door een gaatje in den muur wordt bericht ontvangen over de uitkomst van een
onderzoek in het laboratorium en dadelijk beantwoord. Er wordt weer geklopt -
van Halteren komt met hoed en jas om Prof. te herinneren aan een conferentie ten
raadhuize. Wij schrikken weer even op: in het privaatlaboratorium naast het
spreekkamertje heeft een bediende een klein ongeluk met glaswerk, Gunning trekt
intusschen zijn jas aan, dicteert een zeer helder rapport over de dame, laat van
Halteren zijn vrouw roepen om het privaat-laboratorium weer in orde te maken,
neemt de afgevaardigde mee en behandelt diens zaak onderweg, geeft ongetwijfeld
ten raadhuize een zeer practisch advies, komt volkomen kalm in de
faculteitszitting, waar gewoonlijk van Halteren weer wacht met eenige stukken
ter afdoening. Zoo was ongeveer het leven van Gunning.
Hij had een zeer brede belangstelling. Dat
blijkt o.a. uit zijn brieven aan zijn zoon Jan. Daarin schrijft hij vaak over
hun gemeenschappelijke literatuur. Vader en zoon discussiëren uitgebreid over
Goethe. Hij zag het als zijn taak de verhouding tussen
geloof en wetenschap duidelijk te maken. (Die typische 19e-eeuwse discussie is
dit jaar opeens weer actueel geworden, met het wonderlijke debat over
intelligent design.) Gunning was daarin glashelder. Hij benadrukte de
scheiding tussen de wereld der wetmatigheid en die der zedelijkheid. In 1883
schreef hij: "elk natuurkundig begrip wordt niet alleen aan de verschijnselen
zelve ontleend, maar ook verworven door buitensluiting zooveel mogelijk van
elken maatstaf van ethischen aard, van alle persoonlijke gewaarwording, van alle
sympathie en antipathie". Men mocht van de wetenschap dan ook geen
"dienstbaarheid verlangen aan doeleinden die hoe verheven en eerbiedwekkend ook
haar als zodanig vreemd zijn". In onderwijs op gereformeerde grondslag zag hij
niets en hij weigerde dan ook een VU-hoogleraarschap: hij kon zich wel
gereformeerde chemici voorstellen, maar geen gereformeerde chemie. Hij trad in
het krijt voor de Anglicaanse bisschop Temple, die gelovig was en toch de
evolutieleer aanvaardde, hij klaagde over theologen die niets begrepen van
"natuurkundig denken" en eiste dat de Bijbel aan kritisch onderzoek werd
onderworpen.
Hij had een uitzonderlijk goed huwelijk.
Kort voor hun zilveren bruiloft schrijft hij zijn vrouw: "Als gij er niet zijt,
het is alsof ik een andere persoon ben .. Het zal heerlijk zijn om Uw oog weer
te zien en Uw armen weer om mij heen te voelen". En, zeer typerend: "Ik ben U er
altijd dankbaar voor dat gij nooit het ideaal in het huwelijk hebt laten
schieten en nooit met half werk en een half hart tevreden zijt geweest".
Hoe was het om kind te zijn van zulke
ouders? De opvoeding was zeer onorthodox. Gunning nam Jan in 1871 van school
toen de meester dwaze verhalen over atomen en moleculen hield en stuurde hem (11
jaar oud) eerst naar Parijs en vervolgens naar Heidelberg (waar hij bij zijn oom
Allard Pierson in huis kwam, die daar toen hoogleraar was). Pas anderhalf jaar
later kwam hij terug in het ouderlijk huis. Van de kinderen werd een grote
zelfstandigheid verwacht (Jan regelde toen hij 15 was de vakantie van zijn
ouders); ze werden heel vroeg als volwassenen behandeld.
Zijn vrouw schreef allerlei tractaatjes op
paedagogisch gebied. Ze was tegen gedogmatiseer, en had een simplele boodschap:
ouders moeten voor hun kinderen een ideaal zijn van al wat goed is. Haar advies
aan moeders luidt:
Wees daarom zelf altijd waar tegenover [Uw
kind], fop hem nooit, houd getrouw uwe beloften tegenover hem, en verklaar hem,
zoo gij buiten staat zijt geweest die te houden, waarom gij het niet hebt kunnen
doen. Een kind voelt fijn op dit punt, en onthoudt langer dan men vermoedt.
Boezem hem door uw voorbeeld een diep gevoel van waarheid in en wijs er hem op
dat uitvluchten zoeken ook onwaarheid is. Wat zegt een kind meestal: Het is
gevallen, het is gebroken ... Neen het is niet gevallen, maar ik heb het laten
vallen, en ik heb het gebroken; de andere voorstelling is onwaar ...
Huismoeders, bedenkt dit alles en waakt met de tederste zorg over het
geestelijke heil uwer kinderen. .. Al die zielen zijn u toevertrouwd, één voor
één, niet toevallig; al die zielen worden weder zoo vele leden van de
maatschappij.
Casimir (de paedagoog, dus de vader van de
natuurkundige) publiceerde een open brief aan haar bij haar 80ste
verjaardag. Over haar rol als moeder zegt hij:
Slechts één ding vroegt ge aan Uw kinderen
en van uw kinderen: niet, wŕt ze deden, maar of ze dat, wat ze deden, gočd
deden, d.i. met heel hun hart, hun ziel, hun toewijding.
Haar oudste zoon, vond dat: "Opvoeding
diende niet te geschieden door dogmatische zedenpreken, maar door het goede
voorbeeld te geven met de nadruk op morele en intellectuele zelfstandigheid van
het kind.". Nu misschien vanzelfsprekend, maar toen niet en wat hier over de
zoon werd gezegd gold precies zo voor zijn ouders.
We krijgen hiermee even een kijkje in de
omgeving waarin Röntgen in zijn Utrechtse jaren verkeerde. Het was een bijzonder
gezin: gelovig, maar onorthodox; een gezin waarin buitengewoon veel waarde werd
gehecht aan oprechtheid, aan zelfstandigheid en aan vrijheid van denken. Röntgen
kwam in contact met allerlei interessante mensen, van heel verschillende
overtuigingen. Hij zag een jonge wetenschapper in aktie, een begenadigd docent,
vol enthousiasme over empirisch onderzoek en de bijdrage die dat onderzoek kon
leveren aan de volksgezondheid.
Het contact bleef. Toen Röntgens ontdekking
bekend werd, schreef Gunning een felicitatie. Röntgen was daar zeer door
geroerd. Hij antwoordde (met als aanhef "Hochvererter Herr und Freund"), in het
Duits: "van de vele gelukwensen was er nauwelijks ččn zo waardevol en mij zo
lief" als juist die brief. Zijn ouders hadden de ontdekking van de X-stralen
niet meer mogen beleven, maar hij was heel dankbaar dat dat wel gold voor het
echtpaar Gunning-Pierson, die "liebe Leute" die na zijn ouders, schreef hij, de
grootste invloed op zijn opvoeding hadden gehad. Hij herinnerde zich dat hij
jarenlang in hun huis woonde: "wie ein eigenes Kind". En als u vraagt of die
Utrechtse jaren voor Röntgen belangrijk waren, dan geeft hij in deze brief zelf
het antwoord, en daarmee eindig ik:
Ich wollte Ihnen schreiben das Ihr Platz in
meinem Herzen niemals leer geworden ist, und dass ich niemals vergessen habe wie
viel Gutes ich in Ihnen beiden zu verdanken haben.
Het leuke ook is, dat
Hermien haar moeder op de Petronella Hoeve in Hoog Baarlo woonde. Petronella
Gunning-Pierson die we hierboven al zijn tegengekomen. Jan Willem Gunning kocht
in Hoog Baarlo grond met enkele hoeven. Hij gaf al de hoeven een meisjesnaam,
waarvan Petronella er dus een van was. Nu, de familie van Hermien woonde jaren
op Baarlo en waren dus ook in Hoenderloo erg bekend. Het volgende verhaal is
weer een lezing, gehouden door Prof. Dr. Jan Willem Gunning,waar ik hem erg
dankbaar voor ben, want het verrijkt weer onze kennis.
Het Réveil op de hei
Jan Willem Gunning
In 1845 spoorde Ds. O.G. Heldring
(1804-1876) de Réveilbeweging aan om naar buiten te treden. Zijn oproep leidde
tot de beroemde Amsterdamse bijeenkomsten van de “Christelijke Vrienden” ten
huize van het echtpaar Pierson-Oyens, schitterend beschreven door hun zoon
Allard Pierson in Oudere Tijdgenoten. In die bijeenkomsten werd de eerste
stoot gegeven voor talloze praktische initiatieven. Een zusje van Allard
schreef daarover:
een ieder moest
wat doen, wat werken voor den Heer dat naar buiten sprak, dat van Hem getuigde.
Men moest het Evangelie allereerst aan de Heidenen brengen. Dan werden allerlei
Inrichtingen en Verbonden opgericht tot bekeering van zielen, couranten, week-
en maandbladen geschreven, huisbezoek gedaan, scholen en Zondagsscholen
opgericht, ja wat al niet; stilzitten was haast verboden.
Zelf schreef Heldring over de beroemde
eerste samenkomst van de vrienden: “een stroom van werkzaamheden in Staat, Kerk,
en philantropie lag voor ons open.”
Het initiatief voor die werkzaamheden kwam vaak van hem. Dat geldt ook voor het
ontginningswerk op de Veluwe. In 1839 kwam Heldring bij een tocht over de Veluwe
voor het eerst in Hoenderloo: “Een nederzetting van een aantal doodarme menschen,
die zich deze vruchtbare plek te midden van de eindeloze dorre heide tot
woonplaats gekozen hadden, en hier woekerden met wat de natuur hun bood. De
nederzetting had echter, zoo het scheen, twee onoverkomelijke bezwaren, er was
geen goed drinkwater en geen school.”
Heldring pakte beide problemen aan. Na allerlei moeilijkheden, of in zijn eigen
woorden: “... na drie dagen van tegenspoed, vond men eene overvloedige bron
waaruit het water met kracht kwam opzetten. Toen noodigde ik al de bewoners van
Hoenderloo uit om met mij den put ledig te scheppen. Welk een aardig, landelijk
tooneel. Gansch Hoenderloo, grijsaards, vrouwen met haar zuigelingen, tot zelfs
de kinderen verzamelden zich rondom den put. […] Welk een voorraad van water!
Welk een geluk voor die arme menschen!”.
Het bleef niet bij die put. Geschokt door de
armoede die hij als predikant aantrof op de Veluwe, begon Heldring met
ontginningswerk, in feite een ontwikkelingshulpprogramma avant la lettre.
Hij haalde een aantal van zijn Réveilvrienden ertoe over om grote terreinen aan
te kopen op de Veluwe en om door ontginning daarvan de verpauperde bevolking
betere toekomstmogelijkheden te bieden. Zo kwam het Réveil op de hei.
Het was een idealistisch experiment waaraan
enkele van de voortrekkers van het Réveil decennia lang veel van hun krachten
hebben gegeven. Toch is hierover in de Réveilgeschiedschrijving nauwelijks iets
te vinden. Kluit, die wij zelden op veel belangstelling voor de praktische kant
van het Réveil kunnen betrappen, zegt er vrijwel niets over. De enige
uitzondering is een korte passage over de belangstelling van de Amsterdamse
koopman J. Rooseboom – een van de Christelijke Vrienden van het eerste uur –
voor het ontginningswerk in Hoenderloo.
Dat is misschien niet zo verwonderlijk, want zij bleef dicht bij haar
voornaamste bron, Heldrings eigen autobiografische aantekeningen. Daarin wijdt
Heldring slechts één bladzijde aan het ontginningswerk van de Christelijke
Vrienden.
De viering van het 60-jarig jubileum van het
Nationale Park “De Hoge Veluwe” leidde tot de publicatie van een boekje over
De Hoge Veluwe in de 19e eeuw. Het is de neerslag van het
voortreffelijke speurwerk van de werkgroep geschiedenis van de Vereniging
Vrienden van de Hoge Veluwe. In dat boekje is wel veel te vinden over het
Réveil op de hei.
Heldring was een praktisch man: het ging hem
niet alleen om “inwendige zending”, maar ook om de strijd tegen armoede. Die
strijd zag hij nadrukkelijk niet als een taak van de overheid.
In Hoenderloo heeft hij eerst voor die beroemde put en voor een school gezorgd
en pas daarna voor een kerkgebouw. De Christelijke Vrienden staken heel veel
geld in die kerk (fl 20 mille), maar zij kochten ook - op Heldrings
verzoek - in 1848 op grote schaal land.
Het was een tijd waarin het denken over de
ruimtelijke ordening snel veranderde. Van der Woud beschrijft dit proces voor
bedijkingen: wat eens alleen een zaak van de grondeigenaars was, wordt een zaak
van maatschappelijk belang. Bedijkingsplannen trekken de aandacht en bemoeienis
van een bonte groep personen, met zeer diverse belangen, waaronder het opzetten
van sociale experimenten. Zo wilde Heldring in de Anna Paulownapolder “een
kolonie van boeren die er een zelfstandig bestaan konden opbouwen, in plaats van
elders bij het armbestuur de hand op te moeten houden.”
Dat een groot deel van het Nederlandse landareaal ongebruikt bleef, was Heldring
al lang een doorn in het oog. Bij Hoenderloo vestigde hij zijn hoop op
grootgrondbezitters die woeste gronden zouden willen ontginnen. Dat was niet
ongebruiklijk. Ontginningswerk was eigenlijk alleen aantrekkelijk voor
vermogende “heren” die “zich konden permitteren de woeste grond door middel van
houtcultuur te verbeteren: de aanplant van een bos, bijvoorbeeld van dennen, dat
na twintig, dertig jaar gerooid werd, waarna de grond verrijkt met humus
achterbleef”. De staat, die vanaf 1843 woeste gronden op de Veluwe verkocht, had
niets aan grondverbeteing gedaan.
Heldring hoopte dat ontginning veel werkgelegenheid zou scheppen en dat de
betrokken arbeiders uiteindelijk tot zelfstandige landbouw zouden komen. In
Wandelingen over de Veluwe schreef hij daarover:
De heer baron Van
Heeckeren van Enghuizen is deze kolonie tot grote zegen. Een menigte huisvaders
vindt bestendig werk op de grote heide-ontginning [Deelerwoud] door hem
ondernomen. Ook blijve hij nog lang deze nuttige arbeid voortzetten. […] Alsdan
kan de kolonisatie van Hoenderloo blijven voortgaan. Want slechts als de
arbeider de eerste jaren zijn brood kan verdienen op de akker van iemand, die
vast werk verleent en inmiddels toch voortgaat zijn eigen grond te ontginnen, is
er de mogelijkheid om hem allengskens tot die onafhankelijke cultuur te brengen,
waardoor hij eenmaal op zijn eigen hoeve zijn brood kan verdienen.
Haak, een van de auteurs van het gedenkboek,
merkt daarover op:
Uit dit citaat
blijkt, dat Heldring verwachtte dat de kolonist na verloop van tijd baas op
eigen hoeve zou kunnen worden. Maar dit optimisme was op niets gebaseerd. Zou de
kolonist met het geringe dat hij verdiende zoveel kunnen sparen, dat hij een
eigen stukje land kon kopen en van wie? [...] En op welke wijze kon de kolonist
over mest beschikken, nu de heideterreinen waar vroeger de schapen werden
gehouden, steeds verder voor bosbouw werden ontgonnen[?] […] Heldring vraagt
nogal wat van de kolonist. Hij stelt het voor, alsof de kolonist dag en nacht
kon werken, geld overhield, spaarcenten had die hij kon beleggen, maar niets is
minder waar: Heldring moet hebben gezien en geweten, dat de kolonist te veel had
om te sterven en te weinig om van te leven.
Het plan moge naďef geweest zijn, Heldring
slaagde er toch in de Christelijke Vrienden ervoor te interesseren. Het was een
tijd van economische ellende - er waren twee achtereenvolgende aardappeloogsten
mislukt - van cholera en van revolutiedreiging.
Misschien had zijn oproep om woeste gronden aan te kopen juist daardoor succes.
Een kleine groep kocht in 1848 ruim 800 ha.
in de omgeving van Hoenderloo. De kopers waren de al genoemde Rooseboom, Groen
van Prinsterer, J. Nijenhuis en vijf bekende Amsterdammers: J.L. Gregory
Pierson, H. Gildemeester, G. Boissevain, E. Boissevain en C.P. van Eeghen
(1816-1889), vriend van Heldring en penningmeester van wat zou uitgroeien tot de
Heldringgestichten.
Van Eeghen kocht in eerste instantie 146 ha.
Hij ontpopte zich als de meest enthousiaste ontginner en zijn activiteiten zijn
goed te volgen, want hij heeft veel aantekeningen over zijn ontginningswerk
nagelaten.
In de beginperiode bezocht hij het land twee keer per jaar. Van één van die
bezoeken (in 1849) is een verslag bewaard gebleven. Van Eeghen reisde met een
groep familieleden van Amsterdam naar Arnhem, installeerde zich daar in een
hotel en trok de volgende dag in een gehuurde “glazen wagen” (een rijtuig met
veel ramen) verder:
Tot de Woeste
Hoeve ging het langs een gebaande weg, maar van daar af ging de tocht dwars over
de hei en moest een extra voorspan voor dit zware werk gehuurd worden. De tocht
duurde drie uur, onder voortdurende slagregens, terwijl het rijtuig aan alle
kanten lekte. Veel tijd om rond te lopen [in Hoenderloo] was er niet, want het
plaatsje bood weinig mogelijkheden om de honger van onverwachte gasten te
stillen; ook was de animo van de dames, om met hun lange rokken in de harde wind
door de kletsnatte hei te gaan lopen, zeer gering. Om half acht ’s avonds was
het gezelschap weer terug in Arnhem [...].
Later - na zijn
aankoop in 1858 van de “Pietersberg”, een buitenplaats bij Oosterbeek – ging Van
Eeghen veel vaker naar Hoenderloo. Hij gaf uitvoerige instructies voor het
ontginningswerk. Dat begon met de aanplant van jeneverbessen.
Het was een enorm karwei: eerst werd de hei gemaaid, vervolgens werd de grond
omgespit en het zand - bekend van de verstuivingen - werd afgedekt met het
maaisel. Er werden paarden noch ploegen gebruikt; al het omspitten gebeurde met
de spa. Na het omspitten werd de grond enigszins geëgaliseerd met de kettingeg.
Vervolgens werden er dennen en later vooral eiken geplant.
Van Eeghen zorgde veertig jaar lang voor
werk in Hoenderloo, precies zoals Heldring had gehoopt. Hij probeerde ook nog
wat aan onderwijs te doen door privé-lessen te regelen voor de opzichter, die
nauwelijks kon lezen en schrijven.
Van Eeghen breidde zijn bezit later uit tot 230 ha. en gaf het gebied, dat eens
zo kaal was geweest, trots de naam “het Hoenderlose bos”.
Het was een nobel experiment, maar de meeste
Christelijke Vrienden hielden maar één generatie stand. Tussen 1870 en 1876
overleden Rooseboom, Nijenhuis, Groen en ook Heldring. Van Eeghen overleed in
1889, maar zijn kinderen zetten de ontginning voort en breidden hun terrein nog
aanzienlijk uit, tot 550 ha., deels door aankoop van het terrein van Groen van
Prinsterer. Bij de Van Eeghens speelden, zo wordt uit de archieven duidelijk,
vooral overwegingen van liefdadigheid. Dat uitte zich ook daarin dat C.P. van
Eeghen het toezicht op de ontginning toevertrouwde aan inwoners van Hoenderloo,
mannen zonder enige speciale opleiding. Dat het winstoogmerk bepaald niet
centraal stond, blijkt ook uit een brief van de oudste zoon, P. van Eeghen
(1844-1907). Die schreef in 1890, kort na de dood van zijn vader: “Ik zou het
liefst de ontginningen willen voortzetten omdat het in de eerste plaats ging om
het belang van de bewoners van Hoenderloo.”
Een andere groep die lang bleef, bestond uit
familieleden van J.L. Gregory Pierson, de oorspronkelijke gastheer van de
Christelijke Vrienden. Toen Pierson overleed, kwam zijn landbezit in 1860 in
handen van zijn dochter Piet Pierson en haar man, de chemicus prof.dr. J.W.
Gunning (1827-1900). Net als zijn vriend Van Eeghen was deze Gunning zeer
geďnteresseerd in ontginning. In 1879 kocht hij het landgoed Hoog Baarlo (ten
zuiden van Hoenderloo) erbij (136 ha.). Dit terrein werd zeer ontwikkeld. Er
werd steeds weer gebouwd en uiteindelijk stonden er 14 boerderijen, allemaal
genoemd naar vrouwelijke familieleden. Hoog Baarlo kwam dichter bij wat Heldring
voor ogen had gestaan dan de andere landerijen. De vorige eigenaar had de
ontginning wat laten versloffen, maar er werd nu flink geďnvesteerd. Er kwamen
goede woningen voor de pachters - sommige van die huizen staan er nog - en
Gunning maakte van de Deelense weg (destijds een zandpad) een doorgaande weg.
Hij pakte de zaak professioneel aan en benoemde in 1893 een opzichter, Brinksma,
die opgeleid was aan de bosbouwschool. Daarmee doorbrak hij de traditie van de
Christelijke Vrienden.
Na Gunnings dood in 1900 zette zijn oudste zoon, prof.dr. J.H. Gunning Wzn., het
werk voort.
Pas in 1910 kwam het einde van het
experiment in zicht. Het Hoenderlose bos werd toen door de kinderen Van Eeghen
verkocht aan een man die het naastgelegen landgoed Hoenderloo al in bezit had.
Hij wilde dat voor de jacht gebruiken en had daarom speciale belangstelling voor
het terrein van de Van Eeghens: het wild zou in de bossen op het Van
Eeghen-terrein voedsel kunnen vinden.
Die man was Anton Kröller, wiens naam voortleeft in het Kröller-Müller museum.
Het is een einde vol ironie. De bossen die eens waren geplant om de inwoners van
Hoenderloo uit hun armoede te trekken, werden nu het terrein voor de wilde
zwijnen waarop Kröller wilde jagen. Die zwijnen bleken verzot te zijn op de
eikels uit Van Eeghens eikenbomen. Hoewel het Hoenderlose bos nog steeds de
officiële naam is, heet het gebied in de volksmond nu al bijna een eeuw de
Varkensbaan.
Na het vertrek van de Van Eeghens was er van
de families uit 1848 nog maar één over. Maar ook die wilde verkopen. Al in 1909
had J.H. Gunning Wzn. aan zijn broers en zusjes geschreven dat het geld dat
vastzat in het landbezit, niet nog langer renteloos kon blijven liggen: “Ik heb
waarschijnlijk gelegenheid om Hoenderloo goed te verkopen, d.w.z. zoo, dat het
in goede handen komt en voor Brinksma gezorgd wordt.”
Uit zijn brief blijkt dat het land toen nog steeds nauwelijks iets opbracht. Een
broer schreef terug “Ik betreur het dat een zaak, waar Papa zooveel hart voor
had, uit de familie gaat.” Een andere broer schreef: “Is het wel zoo zeker, ook,
bij den tegenwoordigen stand der wetenschap en gezien het vele dat ook de
Heidemij reeds heeft gedaan, [dat] Hoenderloo werkelijk pas “zoveel later” (zooals
Papa meende ..) rentegevend zal worden?”.
Het zou nog tot 1912 duren voordat het
land werkelijk werd verkocht. Zo eindigde deze merkwaardige episode van het
Réveil op de hei met het vertrek van de derde generatie, Piersons kleinkinderen.
Ook nu was Kröller de koper. Na zijn dood
zou veel van zijn land opgaan in het park De Hoge Veluwe. Buiten dat park staan
nog steeds vier van de destijds op Hoog Baarlo gebouwde boerderijen, o.a. de
Catharinahoeve en de Carolinahoeve, genoemd naar twee zusjes, kleindochters van
Van Eeghen en achterkleindochters van het echtpaar Pierson-Oyens.
Die naamgeving is het laatste dat herinnert aan het Réveil op de hei.
Was het experiment mislukt? Haak oordeelt
hard over de Christelijke Vrienden:
Zij hadden wel
geld gestoken in de ontginning van de percelen rond Hoenderloo, maar toch op een
zodanige wijze dat zij daarbij zelf weinig risico liepen. Geen enkele bewoner
van Hoenderloo heeft ooit met hulp van de Christelijke Vrienden een eigen stukje
grond kunnen kopen of een bedrijfje kunnen opbouwen. Zover ging hun
maatschappelijke betrokkenheid niet.
Heldring zelf gaf (op die ene bladzij) een
heel rooskleurige visie:
Reeds de eerste
ontmoeting met de arme weduwe, die ons met zooveel blijdschap haar korenakker,
bloeiende boekweit en hofje toonde, bewees mij dat de grond er uitnemend moest
wezen, en dit werd later door scheikundig onderzoek bevestigd. Met volle
vrijmoedigheid kon ik dus vermogende vrienden aanraden om hier heidegronden aan
te kopen en in cultuur te brengen; alle, die dit hebben ondernomen, mogelijk
alleen met de bedoeling om de kolonisten werk te verschaffen, zullen later van
deze daad geen berouw gehad hebben. Bunders grond waren destijds voor een
luttele som te koop, en hebben na de ontginning de verwachting ver overtroffen;
de schoonste bosschen van dennen en akkermaalshout ziet men thans, waar wij
eenmaal de ontzettendste zandverstuivingen vonden. Jaarlijks werden ongeveer 100
bunders heide diep gespit en bezaaid, en dit gaf den bewoner overvloedig werk.
Met elk jaar namen den bosschen toe, overal doorsneden met beschaduwde lanen
voor den eenzamen wandelaar.
De suggestie dat de investeerders onverwacht
grote winsten hadden gemaakt, was onjuist: een commerciële onderneming was het
nooit geworden. De twee families die bleven, hebben er weinig aan verdiend, veel
minder dan de schrijvers van het gedenkboek (die maar een deel van hun brieven
hebben gelezen) vermoedden. Van Eeghens land bracht pas na 35 jaar wat op.
Toen Hoog Baarlo iets opbracht in 1897 - na bijna 20 jaar - beschouwde Gunning
dat als een uitzondering.
De Réveilontginners waren werkelijk heel geduldig. Pieter van Eeghen schreef in
1890 dat hij nu dertig jaar betrokken was bij de langzame ontwikkeling van de
streek en dat het land pas sinds 6 of 7 jaar iets opbracht. Hij verwachtte
uiteindelijk grote opbrengsten, maar die lagen, dacht hij, nog wel 20 of 30 jaar
in de toekomst.
In de Gunningfamilie was er, zoals wij zagen, in 1909 - dus ruim 60 jaar na het
eerste begin - nog steeds discussie over hoe lang het zou duren voordat het land
wat zou opbrengen. Heldrings bewering dat “de verwachting ver [werd]
overtroffen” lijkt dan ook ongefundeerd. De opbrengsten waren laag en de
eigenaars namen daarmee genoegen omdat voor hen heel lang werkverschaffing, niet
winst voorop stond. Zo was het experiment dan ook begonnen: Heldring had in 1848
zijn vrienden opgeroepen om de armoede op de Veluwe te bestrijden; dat aspect
kreeg toen hij terugblikte, veel minder nadruk.
In 1848 lag de nadruk op particulier
initiatief. Dat de overheid een taak had in het terugdringen van armoede, zou
destijds door de Réveilmensen zijn beschouwd als een merkwaardige suggestie.
Maar toen aan het eind van de 19e eeuw het experiment op de Veluwe op
zijn laatste benen liep, was het tij gekeerd. Nederland had van 1897 tot 1901
een kabinet dat door zijn wetgeving op sociaal terrein de bijnaam zou krijgen
van “het kabinet van de sociale rechtvaardigheid”. Dat dat kabinet onder leiding
stond van prof.mr.dr. N.G. Pierson, zoon van het echtpaar Pierson-Oyens,
illustreert treffend hoe het Réveil in een halve eeuw was geëevolueerd.

P.A. Gunning-Pierson, Wij en onze kinderen, 1907, herdruk van een
artikel dat in 1881 anoniem was verschenen in de Stemmen voor
Waarheid en Vrede.
B.
Haak en P. Hofman (red.), De Hoge Veluwe in de 19e eeuw,
Apeldoorn: Vereniging Vrienden van de Hoge Veluwe, 1995.