[top.htm]

[left.htm]

Tollen en tolhuizen
 
Op 5 januari 2003 werd in het Ellecomse dorpshuis het tolschild, ooit bevestigd aan het tolhuisje bij de ingang van de Middachter Allee te Ellecom, onthuld door wethouder Jansen en Hans Rijnbende, schrijver dezes en lid van de redactie van de Oudheidkundige Kring.
 
Jaren lang verbleef het tolschild in de kelder van het gemeentehuis, verborgen voor het oog van allen die het zo graag willen bewonderen. Op initiatief van de Oudheidkundige Kring en met medewerking van Ellecoms Belang en de gemeente Rheden werd het tolschild uit de kelder gehaald en zal te zijner tijd op een daarvoor bestemde plaats voor het publiek te aanschouwen zijn.
Zo was de situatie in januari 2003 en gelukkig kunnen we het tolschild nu in januari 2004, zoals u verder in het verhaal kunt lezen, in volle glorie aanschouwen in het dorpshuis "Het Binnenhof" van Ellecom.
 
Zo’n tolschild verplaatst je dan direct weer in vervlogen tijden en roept ook (jeugd)herinneringen bij je op. Zo was er tussen Oegstgeest, mijn geboorteplaats, en Warmond een brug welke toegang gaf tot Warmond en je kwam het dorp niet binnen voor je een dubbeltje betaald had. Wanneer je er dan een vriendje had wonen zocht je mogelijkheden om ongemerkt de tol te passeren, want iedere keer een dubbeltje…….
Ook in onze omgeving waren er tollen te vinden. Ik noem er enkelen: de tol te Spankeren tegenover herberg "De Luchte", een tol op de weg van Ellecom naar Doesburg, het tolhuisje bevindt zich nog steeds op de zelfde plaats ( aan de rechter zijde van de weg ), het tolhuis langs de weg van Loenen naar de Woeste Hoeve, het tolhuis, nu bijna gerestaureerd, aan de Keyenbergseweg te Hummelo. en de drie tollen aan de straatweg van Dieren naar Arnhem. Ook vlakbij Terlet aan de Apeldoornseweg en aan het begin van de Berkenlaan, stond een tolhuis.
Behalve de bovengenoemde tolhuisjes staan er in het hele land nog gebouwtjes die ooit tot tolhuis hebben gediend en herinneren aan een plek waar tol werd geheven.
Nu zijn die gebouwtjes doorgaans in gebruik als woning of café-restaurant.
Aan de Delftweg te Overschie vinden we bijvoorbeeld een woning met de naam ’t Oude Tolhuys. In Schoonhoven staat aan de Tol nr. 10, het café De Tol.
Hoewel de meeste tollen aan het einde van de 19de eeuw verdwenen, bleven er toch nog een aantal tot ver in deze eeuw bestaan.
 
Het begrip tol.
Het woord tol kent twee betekenissen: - de betaling die men verschuldigd is om een bepaald gebied te mogen betreden of passeren – de plaats waar men tol moet betalen: het tolhuis, het tolhek, de tolboom.
Bij het heffen van de tol wordt, uit fiscaal oogpunt bezien, op verschillende gedachten gehinkt. Nu eens was het een soort douanerecht (in-, uit- en doorvoerrecht), geheven naar de soort en hoeveelheid van de passerende goederen. Dan weer was het de retributie ( een bestemmingsbelasting) voor de aanleg en het onderhoud van water- en landwegen en bruggen.
Van de tollen die als retributie werden geheven rest ons niet veel meer dan de hiervoor genoemde gebouwen, een naamsaanduiding of bestaande documenten en afbeeldingen.
 
Water- en landtollen
Voor een goed begrip van de functie van de tollen is een historisch overzicht noodzakelijk. Voor het gemak onderscheiden we in de historie twee soorten tollen: water-en landtollen.
De heffing van tolgeld werd opgelegd voor het bevaren of oversteken van een rivier of het gebruiken van een zandweg en voor de meegevoerde goederen.
De riviertollen, o.a. bij Lobith, Schoonhoven, Dordrecht en Vlaardingen dateren al uit de 11de tot de 13de eeuw. Tot in de 17de eeuw waren de watertollen de belangrijkste, omdat door het nagenoeg ontbreken van goedbegaanbare wegen het vervoer van mensen en goederen grotendeels over het water plaatsvond.
De tolrechten kwamen de landsheer toe in wiens gebied zich de rivieren bevonden. Voor de graven van Holland en Gelderland zijn de tolgelden belangrijke inkomstenbronnen geweest waarmee zij de kosten van hun hofhouding en oorlogen mede konden bekostigen. Ook gebruikten zij het tolsysteem om handel binnen hun gebied te begunstigen.
In de 17de eeuw begon het vervoer over land door nieuwe en betere wegen voorzichtig toe te nemen. De aanleg ervan werd gefinancierd uit opbrengsten van de wegtollen. De door Constantijn Huijgens in 1665 ontworpen straatweg van Den Haag naar Scheveningen is daarvan een voorbeeld. Op den duur verschenen op vrijwel alle verbindings- en invalswegen tolhuizen. Na het betalen van een op het tariefbord vermeld bedrag werd een tolhek of tolboom opengedraaid.
De functie van land- en watertollen liep op den duur uiteen. De watertollen werden onder de naam convoyen en licenten een soort in-, uit-, en doorvoerrechten die ten goede kwamen aan de centrale overheid, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
De landtollen werden gebruikt om de vervoersvoorzieningen te verbeteren en te onderhouden. Deze situatie bleef onder de Betaafse republiek (1795–1806) en het Koningrijk Holland (1806–1810 voortbestaan. Er werden zelfs nog extra tollen op bestaande en nieuwe rijkswegen toegevoegd.
Kort daarop schafte Napoleon bij decreet van 21 oktober 1811 alle rijkstollen in Nederland af. De tollen op wegen en bruggen, evenals kanaal- en sluisgelden die door de gemeenten of particulieren werden beheerd, mochten in stand blijven.
 
De 19de eeuw
Na de bevrijding van Napoleon werd door Willem 1 vanaf 1815 het systeem van tollen weer voortvarend ter hand genomen om weg-en waterbouw te kunnen stimuleren. Hij besefte terdege het belang van grote "land-en watercommunicatiën". De tollen verschenen aan bestaande en nieuwe rijks,-provinciale-, gemeente-, en geconcessioneerde (particuliere) wegen. De koning had het oppertoezicht over alles wat de waterstaat van het koningrijk betrof, wegen en bruggen inbegrepen. Met de uitvoering van tolzaken, zoals bijvoorbeeld pachtcontracten, werd de minister van binnenlandse Zaken en waterstaat belast. Het geldelijk beheer lag bij de minister van financiën.
Tolgelden moesten geheven worden in opvolgende afstanden van één uur gaans te voet (5000 meter) en zodanig, dat de steden zich altijd bevonden in het midden van een afstand. Men had dus telkens op een afstand van 2 en een halve km van een stad een tolboom te passeren.
Zij die veel van de wegen met tollen gebruik moesten maken kregen het recht zich bij de ontvanger van de tol te abonneren. In sommige gevallen kon de tol voor een jaar worden afgekocht. Vóór het passeren van de tolpaal of tolboom moest aan de tolpachter (particulier) of de tolgaarder (ambtenaar) het verschuldigde tolgeld worden betaald. Volgens het in 1833 vastgestelde tarief voor de rijkstollen bedroeg dat b.v. voor een los passerend paard 5 cent en voor zespersoonsdiligences en postwagens voor elk aangespannen paard 10 cent. Vrij van het betalen van tolgeld waren ondermeer de paarden van het koninklijk huis, boerderijen, molens en fabrieken gelegen binneneen afstand van twee en een halve km van de tol.
 
Veranderingen in transportmiddelen
Vanaf het midden van de 19de eeuw kon men voor het vervoer ook gebruik maken van de inmiddels door particuliere maatschappijen aangelegde spoorlijnen. Het gebruik van diligences en de trekschuit, eeuwenlang de transportmiddelen, verminderde aanzienlijk. Het gevolg hiervan was, dat b.v. de opbrengst van de 7 tollen op de weg Den Haag – Haarlem met zo’n 70% terugliep. Door de verminderde opbrengsten daalde het aantal tollen drastisch. Alle rijkstollen werden dan ook uiteindelijk op 1 mei 1900 afgeschaft.
Door de ontwikkelingen in de 20ste eeuw op vervoersgebied doken in de tarieflijsten van de nog bestaande gemeentelijke en particuliere tollen nieuwe belaste objecten op zoals de stoomtram, de fiets en de auto.
 
Drie tolhuisjes
 
De eerste steen voor de straatweg Arnhem – Dieren werd in 1820 gelegd en wel op 21 juli. De aanleg bracht hoge kosten met zich mee en daarom werd de straatweg met drie tollen bezwaard. Eén aan het begin van de Middachter Allee bij Ellecom, daar, waar zich nu de sauna bevindt. Het tolhuis lag op een afstand van ongeveer 3150 ellen van Dieren. Wat zullen veel mensen in die tachtig jaar de Ellecomse tol gepasseerd zijn. In het weekend echter was het bij de tol een rustige boel. Even, mooi aangekleed, op de foto gaan was dan een goede gelegenheid.
 
Eén schuin tegenover de Posthoorn, nu een Chinees restaurant op een afstand van 5000 ellen van de eerste.
en het laatste tolhuisje ter hoogte van Bronbeek waarin nu een makelaardij is gevestigd, ongeveer 2500 ellen uit het midden van Arnhem.
Aan het einde van de jaren zeventig van de vorige eeuw lag het tolhuis bij Bronbeek er oud en vervallen bij. Het leek er zelfs op dat het onder de slopershamer zou sneuvelen. Burgemeester en wethouders van Arnhem vonden, dat het pand de reconstructie van de Remagenlaan en de Velperweg in de weg stond. De Gelderse Monumentencommissie opperde dat het verkeer hier" een te zware tol" eiste.
Zwaar was het, in vroegere tijd, in de ogen van velen wel vaker.
Al sinds het ontstaan van Arnhem werden er bij de stadspoorten gelden geheven op alle have en goed dat naar binnen werd gereden. Veertig markten werden er per jaar in Arnhem gehouden, dus dat tikte lekker aan. De wegen tussen de steden speelden bij deze handel een uiterst belangrijke rol. Zo werd in 1683 de weg tussen Arnhem en Velp "langs het landgoed Prasichaef verlegt ende bekwaem gemaekt", om bij regen- en wintertijden te kunnen gebruikt worden, aldus een nota uit die tijd.
Langs de weg van de Grebbe naar Zutphen stonden tien tolhuizen. Wegdeel nr.8 was " den grooten weg der eerste Klasse strekkende van de stad Arnhem tot aan de Keistraat in Dieren. En er gold voor de "gaarders der gabellen", de tolbomen of tolhuizen een "strikt reglement voor de passage".
Het traktement van de tolgaarders werd in december 1820 bepaald op F 300,- ’s jaars. Daarbij werd F 14,- lantaarngeld uitbetaald en kreeg men 3% gaarloon. En dan te bedenken dat het tolhuisje in Worth-Rheden een jaarlijkse opbrengst had van f 100,- - F 150,-
De tollen werden ingesteld bij Koninklijk Besluit van 7 juli 1820, waarbij tevens de tarieven werden bepaald.
Het passeren van de tol was voor voetgangers gratis. Het laagste tarief betaalde men voor een kalf, schaap of varken ( 1cent), terwijl men voor paarden het hoogste tarief n.l. 30 cent betaalde.
Boeren van aangelegen boerderijen hoefden, wanneer ze o.a. met een kar mest spéciën ter "benificering" van hun land de tol passeerden niets te betalen. Ook begrafenisondernemers die naar de begraafplaats in Ellecom gingen waren van betaling vrijgesteld.
Bij marktgang betaalden de bouwlieden half geld. Wie weigerachtig was of nalatig te betalen, verviel in een boete van vijftig maal het verschuldigde. De helft voor de tolgaarder, de andere helft voor de "Kas des weegs".
Natuurlijk ontving de gaarder der gabel (tolboom) ook een instruktie. Hierin stond ondermeer, dat hij de ganse dag bij de gabel aanwezig diende te zijn en ook ‘s nachts de tolgelden diende te ontvangen. De slagboom mocht eerst na betaling geopend worden, de daglijsten diende hij nauwkeurig bij te houden en deze om twaalf uur ‘s nachts af te sluiten. Bij duistere nachten moest er altijd licht in de lantaarns bij de gabel branden en voor ontevreden passanten lag een klachtenboek in het tolhuisje klaar.
 
SLUIPROUTE
Het was te begrijpen, dat veel voermannen een "sluiproute" kozen voor het vervoeren van hun handel om de tarievencontrole te omzeilen hetgeen de doorn was in de ogen van de tolgaarders. Een van die sluipwegen liep over het landgoed Klarenbeek wat in het bezit was van de baronnen van Pallandt. De Commissarissen voor de Straatwegen van Grebbe naar Dieren beklaagden zich dan ook bij de Staatsraad Baron van Pallandt. Ze eisten dat de bewoners van Klarenbeek en Ren-en-Enk hun " vijandige toelatingen" zouden staken.
Het baronnengeslacht schijnt zich er weinig van aangetrokken te hebben. Tijdens de laatste stuiptrekkingen van de tol bij de Oude Velperweg zijn er her en der nog extra bomen en hekken geplaatst om de vrije doorgang te belemmeren.
Het nieuwe tolhuis verrees op een grondstuk dat voorheen aan de Planten-en Vogelentuin ter plekke behoorde. Later werd hier het nonnenklooster Sacré Coeur, later Politieschool, gebouwd waarvan het koetshuis, pal naast het tolhuis, nog bewaard is gebleven en nu wordt gerestaureerd.
De laatste tolgaarders waren B.J. Heesbeen en H. Hogenboom. Na de opheffing van de tol op 1 mei 1900 is de tolbaas er vermoedelijk nog enkele jaren blijven wonen. Daarna ging de timmerman van Sacré Coeur er in wonen en diens dochter trouwde met sigarenhandelaar van Dijk en van het een kwam het ander: tot 1963 floreerde hier zijn sigarenzaak. In 1979 kwam er een einde aan deze zaak en werd het pand overgenomen door Mien Gerrits en Ciska Heesakkers. Zij begonnen er een speelgoedmuseum. In 1984 verkochten de dames het weer aan de makelaars Kuyk en Van Oldeniel en een jaar later werd het gerestaureerd.
 
 
In 1900 werden de tollen opgeheven en verkocht. Het Ellecomse huisje werd in 1903 afgebroken en verkocht voor F 4700,- aan notaris JN v.d. Boom te Doesburg.
Het tolhuisje in Worth-Rheden werd in 1934 afgebroken, terwijl het tolhuis bij Bronbeek, zij het in andere staat, nog steeds te bewonderen is.
 
Het tolschild
Kort nadat Willem I zich, met goedvinden van de mogendheden, tot koning uitriep (16 maart 1815) vaardigde hij een Koninklijk besluit (no. 71) uit waarin het door hem vastgestelde rijkswapen wordt beschreven. Dat wapen gold tevens als het koninklijke wapen hetgeen zeer bijzonder is voor landen met een vorstenhuis.
Het wapen diende ter vervanging van het in januari 1814, kort na het vertrek van Napoleon en de op 2 december 1813 gevolgde inhuldiging van prins Willem als souverein vorst, kennelijk wat overhaast samengestelde rijks-en koninkrijkswapen.
Het wapen wordt gekenmerkt door een in vieren gedeeld schild waarin onder andere het wapen van het prinsdom Oranje. Over dit heen is in het midden een schildje met het wapen van het huis Nassau geplaatst
Het wapen was een combinatie van het wapen der Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en het geslachtswapen van Nassau.
Ik heb al aangegeven dat het Nederlandse wapen tevens het Koninklijke wapen was. Het is gebaseerd op het wapen van Nassau: een gouden leeuw op een blauw veld met gouden blokjes. De Nassause leeuw werd in 1815 na het herstel van onze onafhankelijkheid gekozen als symbool voor de Nederlandse leeuw. De kroon, het zwaard en de pijlen, ontleend aan het vroegere Generaliteitswapen, zijn er aan toegevoegd.
Voor het kiezen van een rijkssymbool is dikwijls een beroep gedaan op het dierenrijk. De adelaar en de leeuw zijn daarbij populair. Zo was het symbool van heerschappij onder meer van het Romeinse en het Franse keizerrijk de adelaar. Het gebruik van de leeuw, de koning der dieren als symbool stamt waarschijnlijk uit de tijd van de kruistochten.
De bundel pijlen, het zwaard en de kroon op de leeuw duiken als attributen aan het einde van de 16de eeuw op penningen en zegelstempels van de Verenigde Nederlanden op. In het begin van de 17de eeuw verschijnen ze ook op munten. De pijlbundel is een symbool van eendracht. Eerst bestond de bundel uit 17 pijlen, verwijzend naar de 17 Nederlanden, later werden het er zeven in verband met de afgesplitste Noordelijke gewesten die zich in de republiek (de Staten-Generaal) verenigden.
Het zwaard is een zinnebeeld van recht. Twee gekroonde aanziende leeuwen als schildhouders (zoals bij het tolschild van Ellecom) en een kroon op het schild zijn toevoegingen die eveneens in de eerste helft van de zeventiende eeuw ontstaan.
Uit het koninkrijkswapen is ook het Ellecomse tolschild ontstaan: twee naar je toekijkende staande leeuwen die het wapenbord met de leeuw, zwaard en pijlenbundel ondersteunen. De blokjes op het schild zijn staande (gouden) blokjes. Onder het schild de wapenspreuk "Je maintiendrai", ik zal handhaven.
 
IJzergieterijen
Bij het woord " IJzergieterijen" doemt het beeld op van een onregelmatige reeks van hoge en lage gebouwen, waarboven grote schoorstenen hun zwarte rook uitblazen. Met binnen ovens als brakende vuurmonsters en ontzettend zware hamerslagen op ijzeren gevaarten die de grond doen trillen. Witgloeiend ijzer stroomt als ware het water naar de bakken van de gietvormen. Kortom, een ambachtelijk bedrijf met een oorverdovend lawaai van machinerie?n, dan weer met harde en doffe geluiden, dan weer helder en snorrend.
Helemaal onjuist is deze kenschets niet. De gieterijen van weleer waren niet bepaald milieuvriendelijke ondernemingen met een gezond werkklimaat voor het personeel. In de negentiende eeuw werden ze in de volksmond wel vergeleken met "Het Hellevuur", "Paleis van een Vulkaan" enz..
Heden ten dage gaat het er allemaal anders toe, maar een echt schone onderneming zal het nooit worden.
De term " IJzergieterij" wekt wellicht de indruk, dat er altijd sprake zou zijn van hetzelfde materiaal. Dat is geenszins het geval. Naast ijzer werd ook met zink en koper gewerkt. Aanvankelijk waren ijzergieterijen bedrijven waar men zich in eerste instantie toelegde op het gieten van allerhande, vaak huishoudelijke producten.
In de negentiende eeuw zien we de ijzergieterijen tevens als onderdeel en hulpbedrijf van de machinefabriek. Als men spreekt over ijzergieterijen is er dus vaak sprake van een complexe bedrijfsinrichting waar, naast eenvoudige gietstukken, tevens omvangrijke werkstukken als ijzerconstructies, machines, stoomketels enz. konden worden vervaardigd, waarbij naast gietijzer ook smeedijzer en andere metalen werden verwerkt.
Vooral in de tweede helft van de negentiende eeuw en in de eerste helft van de twintigste eeuw beleefden de ijzergieterijen in Nederland hun bloeitijd.
In eerste instantie kwamen ze voor in het oosten van ons land. De aanwezigheid van ijzererts en voldoende water waren gunstige vestigingsfactoren. Het materiaal bleek zich goed te lenen voor ornamenteel werk dat men gestalte kon geven door vloeibaar metaal in een zandvorm te gieten. Zodoende was dit materiaal uitermate geschikt voor wapenschilden die zich onder meer kenmerken door veel ornamentiek.
 
Wapenborden van ijzer
Tot de bekendste negentiende-eeuwse gieterijen behoren de firma’s L.J. Enthoven enCo en de Wed. A. Sterkman en Zn. Ofwel " De Prins van Oranje" genaamd, beide te ’s Gravenhage en de Koninklijke Stoomfabriek in Zink en andere metalen " F.W.Braat" te Delft en de firma L. Schulz te Zeist.
Deze ondernemingen hadden in de tweede helft van de negentiende eeuw een groot aandeel in de productie van onder meer wapenborden in handen, niet enkel voor Hofleveranciers maar ook voor de diverse overheidsinstellingen, zoals de Koninklijke Marechaussee, Post-en Telegraafkantoren en de Belastingen en Douane. Het tolschild van o.a. het Tolhuis te Ellecom was dus eigendom van laatstgenoemde.
Later waren vooral de gieterijen Ubbink uit Doesburg en Metaalgieterij " Holland" te Amsterdam actief met het vervaardigen van dergelijke wapenborden.
Bij deze firma’s kon men dan wapenborden bestellen, daarnaast kon men in sommige gevallen hetzelfde bord verkrijgen bij verschillende gieterijen, waarbij de prijs dan ook anders was. Zo zou in 1857 een wapenbord bestemd voor de Rijkstelegraaf in zink F 32,- en in ijzer F 17,- per stuk kosten bij de Heeren Enthoven & Co te ’s Gravenhage bij een minimale afname van veertig stuks. In 1870 bestelde de overheid zo’n vijftig ijzeren wapenborden voor de postkantoren tegen F 13,50 per stuk bij de Prins van Oranje in Den Haag. Ook al gaat het hier om een gewijzigde versie, ze waren dus aanzienlijk goedkoper dan die uit 1857.
Bij welke firma het tolbord in Ellecom vervaardigd is, is helaas niet te achterhalen daar bovengenoemde firma’s niet meer bestaan, maar van een familielid van een medewerker van " De Prins van Oranje" kreeg ik deze afdruk van een tolschild aldaar gemaakt welke exact gelijk is aan die van het Ellecomse bord.
 
Tot slot het kleurenschema voor het voormalige en het huidige rijks-en koninklijk wapen;
Volgens Soeverein Besluit 14 jan. 1814, no 133, zoals gewijzigd bij K.B. 24 aug. 1815 no. 71 en 24 juni 1816, no.77.
 
Het wapenschild
Schild blauw (azuur)
Blokjes goud
Leeuw goud
Kroon goud (Koninklijke kroon)
Uitvoering gelijk aan
"kroon op het wapenschild’
tong rood
nagels goud
zwaard zilver met gouden gevest
pijlen zilver met gouden punten
lint goud
 
Opmerking: De uitvoering van de rijkswapenborden op grond van deze richtlijnen is altijd gebaseerd geweest op de persoonlijke opvattingen van de schilder, zodat kleurverschillen nog al eens voorkomen.
--------------------
Het Ellecomse schild heeft veel geleden. Er zitten scheuren in en roestplekjes dringen overal door de verflaag heen. Geen wonder als men bedenkt dat het tolschild tientallen jaren regen en wind getrotseerd heeft. Toen het archief van onze Kring naar Arnhem verhuisde diende er voor het tolschild een definitieve bestemming gevonden te worden. Mede dankzij de inspanning van ons bestuurslid Marianne Poorthuis en wethouder Jan Jansen is de Oudheidkundige Kring, die eigenaar van het schild is (was) daar in geslaagd en….. , op 4 januari 2004 werd het tolbord, gerestaureerd in Amsterdam, namens onze kring overgedragen aan de gemeente Rheden die het op haar beurt weer in bruikleen afstond aan de Stichting Dorpshuis Ellecom.
Mevrouw E. Olde Rikkert, voorzitter van onze vereniging mocht het samen met wethouder J. Jansen onthullen. Het tolschild is gerestaureerd in de kleuren zoals de situatie was voor de restauratie.
 
Bronnen:
Gegevens Belasting-en Douanemuseum te Rotterdam
"Herinneringen aan de Middachter Allee", Hans Rijnbende
Gemeente Archief Rheden
"Waar de tolgaarder wikte en woog" J.H. Drost