Het weer

Vergeleken met de "grote" luchtvaart is de kleine vliegerij veel gevoeliger voor weersinvloeden. Voor een groot deel heeft dat te maken met het feit dat je op zicht vliegt: dat zicht moet er dan natuurlijk wel zijn. Verder heeft een klein vliegtuig bij het opstijgen en landen meer last van zijwind, die daarom niet al te groot mag zijn.

In de wintermaanden vormt laaghangende bewolking de grootste spelbederver. Vaak zit de bewolking dan al op een meter of honderd en dat is veel te laag om veilig te kunnen vliegen.

Zomers heb je het meeste last van onweersbuien. De blikseminslagen en heftige verticale luchtstromingen die daarin voorkomen wil iedere piloot als het enigszins kan vermijden.

Vaak zal de piloot afspreken om kort voor de vlucht nog even telefonisch contact te hebben, om definitief te beslissen of de vlucht door kan gaan. De ervaring leert dat u in de periode van half november tot half februari de meeste kans heeft op een afgeblazen vlucht. De beste periode vormen de maanden april en mei en juni.

In tegenstelling tot wat u misschien zou verwachten, vormt een strakblauwe hemel geen garantie voor goed zicht. Dikwijls is er dan sprake van inversie, een conditie in de atmosfeer waardoor de onderste lagen als het ware worden afgedekt en alle vervuiling zich hierin ophoopt. Onder de inversie is het zicht vrijwel altijd slecht, vooral als tegen de zon wordt ingekeken. Extreem helder is het vaak vlak na de passage van een koufront. Onder gunstige condities kan het zicht dan oplopen tot ver boven de honderd kilometer!

 

Bij dit soort wolk blijft een piloot liefst uit de buurt...
(Foto afkomstig van de Wolkenatlas van dhr. J. Baartse)