De Taíno Indianen


Gereconstrueerd Taíno dorpje in Cuba.De Taíno's waren een subgroep van de Arowakken en bewoonden de Grote Antillen (Cuba, Jamaica, Haiti, Dominicaanse Republiek en Puerto Rico) van de Caribische zee ten tijde van Columbus. 

De Spanjaarden waren al snel onder de indruk van de Taíno-cultuur. De Arowakken bouwden ceremoniële balspeelvelden, waarvan de grenzen werden aangegeven met stenen markeringszuilen, ontwikkelden een gemeenschappelijke taal en creëerden een gecompliceerde religie. Er bestond een hiërarchie onder de goden die in de hemel woonden. Yocahu was de Schepper en tevens belangrijkste god van de Taíno's. De god Huracán was een kwade god en regeerde over de krachten van de orkanen (hurricane's). Deze god kennen wij ook uit de Popol Vuh van de Quiché Maya's. Andere goden waren Zemi en Maboya. De Zemi's, meervoudige godheden van beide geslachten, werden afgebeeld door iconen in de vorm van menselijke en dierlijke figuren en kettingen van hout, steen, botten en menselijke resten. De Taíno's geloofden dat als ze de Zemi's gunstig konden stemmen, ze beschermd zouden zijn tegen ziekten, orkanen of oorlogen. Om te Zemi's gunstig te stemmen offerden ze cassave brood (manioc), dranken en tabak aan de Zemi's. Maboya was een gevreesde godheid die alle gewassen vernietigde en zo gevreesd werd dat er vele offers aan hem geschonken werden.    

Mythen en tradities werden vereeuwigd in hun ceremoniële dansen (areytos), drumslagen, mondelinge vertellingen en hun ceremoniële balspel, wat gespeeld werd door twee teams (10 tot 30 spelers per team), met een rubberen bal. Als het spel gewonnen werd zou dit een goede oogst opleveren als ook sterke en gezonde kinderen.

De Taíno indianen leefden in een theocratische gemeenschap met een cacique aan het hoofd van een dorp. De Taíno's waren verdeeld in drie sociale klassen: de naborias (werkende klasse), de nitainos (adel, waaronder ook de priesters (bohiques) en medicijnmannen vielen) en de caciques, waarvan er in elk dorp (yucayeque) een was.  

                 

De rang van elke cacique werd waarschijnlijk verkregen via een democratische weg. Zijn betekenis in de stam was afhankelijk van de omvang van zijn clan, in plaats van de kracht tijdens oorlogstijd. Er waren geen dynastieën. De titels die een individu kreeg waren slechts bedoeld om aan te geven welke diensten hij vervulden binnen de clan. 

De mannen liepen over het algemeen naakt of droegen een lendendoek (nagua). Vrijgezelle vrouwen liepen naakt, getrouwde vrouwen droegen iets voor hun genitaliën, gemaakt van katoen en palmvezels. De lengte daarvan vertelde iets over de rang. Beide geslachten verfden zichzelf voor speciale gelegenheden. Ze droegen oorringen, neusringen en kettingen (soms gemaakt van goud). Er waren enkele ambachten zoals het vervaardigen van eenvoudig aardewerk en manden. Stenen, marmer en hout werden vakkundig bewerkt.

Naast hun vaardigheid in het verbouwen van gewassen en jagen, waren de Taíno's ook goede zeevaarders, vissers en kanobouwers. Hun belangrijkste gewassen waren cassave, knoflook, aardappel, yautias, mamey, guava en anón. Ze hadden geen kalender of schrijfsysteem en konden slechts tellen tot twintig. Hun persoonlijke bezittingen bestonden uit houten krukjes met vier poten en waarvan het zitje bewerkt was, hangmaten van katoen, schalen van klei en hout voor voedsel, kalebassen als bekers en hun meest gewaardeerde bezitting: grote kano's voor transport, vissen en watersporten.

Taíno vrouw met sigaar.Caciques leefden in grote vierkante hutten, caneyes genaamd, die zich in het midden van een dorp bevonden. De naborias (werkende klasse) leefden in kleine hutjes daar omheen (bohíos). De constructie van beide soorten was hetzelfde: houten frames, afgedenkt met stro en een vloer van aarde. De bouwwerken waren sterk genoeg om orkanen te weerstaan. Er wordt vanuit gegaan dat Taíno gemeenschappen varieerden van één enkele familie tot groepen van 3.000 mensen.

Ongeveer 100 jaar vóór de Spaanse invasie, werden de Taíno's bedreigd door een Zuid-Amerikaanse stam: de Caribs. Een wreed, oorlogvoerend en sadistisch volk die giftige pijlen gebruikten en de Taíno gemeenschappen aanvielen met het doel slaven te verzamelen (voornamelijk  vrouwen) en lichamen voor hun kannibalisme. Sommigen menen dat de komst van de Caribs er voor gezorgd hebben dat de Taíno indianen op vele eilanden met uitsterven bedreigd werden voordat de Spanjaarden arriveerden. Het waren ook de Caribs die als eerste verzet boden tegen de Spanjaarden. Het gedrag van de Caribs heeft er waarschijnlijk toe geleid dat de Europeanen, onterecht, elke stam zouden bestempelen als oorlogszuchtig.  

Vele Taíno gewoonten zijn door de Europeanen overgenomen, waaronder de bohío (strohut) en de hamaca (hangmat), de muziekinstrumenten die bekend staan als maracas en het vervaardigen van cassavebrood. Vele Taíno woorden worden vandaag de dag nog gebruikt op de oorspronkelijke eilanden waar ze leefden voor de namen van planten, bomen en fruit, waaronder: maní, leren, ají, yuca, mamey, pajuil, pitajaya, cupey, tabonuco en ceiba. Namen voor vissen en dieren omvatten: mucaro, guaraguao, iguana, cobo, carey, jicotea, guabina, manati, buruquena and juey. Sommige woorden zijn niet alleen in het Spaans geïntegreerd, maar ook in het  Engels, zoals Huracán (hurricane) and hamaca (hammock). 

Vaak wordt ervan uitgegaan dat de Taíno Indianen volledig zijn verdwenen. Niets is echter minder waar. José Néstor schreef hierover het gedicht:

The beating of the drums


Interessante links

http://welcome.topuertorico.org/reference/taino.shtml : Taino indian Culture of Puerto Rico.

http://www.elmuseo.org/taino/tainoworld.html : Taino World.

http://members.dandy.net/~orocobix/tedict.html : Taino Dictionary.

http://www.uctp.org/ : United Confederation of Taino People.