ALS HET BESTAAN VAN GOD  WETENSCHAPPELIJK

AANGETOOND WORDT...

februari 1991

 

Help mee om deze site te promoten. Vertel het uw…!

(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )

 

 

agnosticus,almachtige god,atheist,bestaan,geest,geloof,god,godsdienst,het al,het geheel,het ontstaansproces,materialist,materie,ontstaan en bestaan van de kosmos,schepper,scheppingsgedachte,spinoza,vrijdenker,zelforganisatie van beweeglijkheden.

 

 

 

Terug naar: de Startpagina

 

Naar bladwijzers: Agnosticus

 

Naar andere artikelen: Het toenemend belang van het Atheďsme ; Geen God wat dan ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheďsme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ;  Ongewenst atheďsme- zie afl. 32 ;  Een grens te ver (Israël) ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Hoe zit het nou met god ; Het staat in de Koran / Bijbel; zie aflevering 36 ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 : De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; Sjari’a- De heilige wet-De Sjari’a ; Burqa, volg bladwijzer ; Briewisseling- Geweld- Godsdienst- Geloof ; godsdienst en geloof ;

 

 

Jan Vis, creatief filosoof

 

Vrijdenkers doen voortdurend uitspraken over god. De strekking van die uitspraken is steevast dat god niet bestaat en dat hij het product is van het denken van onvolwassen mensen. Daarmee kun je het zonder meer eens zijn, maar helaas wordt dat moeilijker als je verneemt welke argumentaties er aan die uitspraken ten grondslag liggen. Omdat de vrijdenkers traditioneel een zwak voor de wetenschap hebben houden zij ervan als volgt te argumenteren: "God bestaat niet, want zijn bestaan is nog nooit wetenschappelijk aangetoond en het is onwetenschappelijk om dan aan te nemen dat hij wel zou bestaan. Zou de wetenschap ontdekken dat hij toch bestaat, dan zou de vrijdenker onmiddellijk dit feit aanvaarden. Hij behoeft echter ook in dat geval niet in god te geloven omdat het geloof dan plaats gemaakt heeft voor zeker weten". Dat is een interessante redenering, maar er is wel het een en ander op aan te merken...

 

Onzekerheid

Als je bovenstaande redenering naar zijn inhoud bekijkt, dan blijkt dat het helemaal niet gaat over een zeker weten dat god niet bestaat, maar over een veronderstelling. Er wordt aangenomen dat hij niet bestaat omdat het nog nooit gelukt is wetenschappelijk aan te tonen dat hij wel zou bestaan. De uitspraak “god bestaat niet" geeft wel de indruk dat het om de constatering van een feit zou gaan, maar welbeschouwd drukt hij alleen maar uit welk standpunt iemand ingenomen heeft, en op grond waarvan hij dat gedaan heeft, namelijk naar aanleiding van het feit dat er nog nooit iets aangetoond is. Zoals uit het vervolg van de redenering blijkt, wordt de mogelijkheid open gehouden dat er toch ooit nog eens een bewijs geleverd wordt.


Weliswaar wordt die mogelijkheid uitermate klein geacht, maar toch, hij is er. Op zichzelf is dat juist, want als je je stellingname baseert op de afwezigheid van bewijzen, dan blijft de mogelijkheid open dat men niet goed gezocht heeft of dat men nog niet voldoende kennis omtrent een aantal aspecten van de werkelijkheid bezit. Je moet dan wel een slag om de arm houden. Het ontbreken van bewijs houdt nu eenmaal niet automatisch in dat iets niet bestaat. Het is dus, wetenschappelijk gezien, correct dat er gesteld  wordt dat de vrijdenker, en dan natuurlijk speciaal de atheďst, het feit van het bestaan van god zal aanvaarden als mocht blijken dat er inderdaad een god is. Maar, het mag dan wetenschappelijk in orde zijn, in feite is het natuurlijk een uitermate zwakke stelling die de vrijdenker verdedigt. De atheďst verwijt de agnosticus dat deze de kerk in het midden laat door het standpunt in te nemen dat hij niet kan weten of god al dan niet bestaat. Weliswaar prijst hij hem tegelijkertijd, namelijk voor zover die agnosticus uit dat fundamentele niet-weten de conclusie trekt dat het geen enkele zin heeft met die buiten onze kennis vallende god rekening te houden, maar toch, de atheďst vindt het maar een halfslachtige zaak! Nu is dat waardeoordeel wel enigszins terecht, want de positieve stellingname dat men het niet kan weten laat volop ruimte open voor allerlei speculaties over “het Al”, een “Kosmisch bewustzijn”, verbondenheid met “Het geheel” en eventueel zelfs over een soort van universele, “geest”, die dan wel niet in concreto ingrijpt in het kosmische gebeuren, maar die toch op de een of andere manier als leidend principe geldt. Dat geeft aanleiding tot velerlei soorten van, “religiositeit” en tot een hang naar het “spirituele”, zoals dat tegenwoordig steeds meer in de mode komt. Maar, dat mag dan allemaal waar zijn, toch kun je je afvragen wat de niet-halfslachtige, rechtlijnige atheďst dan in handen heeft voor zover hij de bovenvermelde redenering aanhangt. In feite ook helemaal niets!  Zijn zogenaamde zekerheid is er een met een voorlopig karakter, geheel afhankelijk van de uitkomsten van toekomstig wetenschappelijk onderzoek. En het vermoeden dat dit onderzoek wel niets op zal leveren is niet meer waard dan het is: in wezen een slag in de lucht omdat er voorlopig nog niets aangetoond is. Wat anders is het of je het met dat vermoeden eens kunt zijn, maar dat berust dan meer op een bepaald gevoel dan op een waterdichte gedachtegang.

 

De stellingname

De bewering  god bestaat niet want zijn bestaan  is nog nooit aangetoond  berust niet op een waterdichte gedachtegang, maar op een aanname. Het is een stellingname die op een bepaalde manier als stellingname beargumenteerd wordt. Als zodanig kun je wel achter die argumentatie staan. Het is te verdedigen dat je zegt: "Ik ga er niet van uit dat iets bestaat als er geen aanwijzingen voor zijn".

 

Maar helemaal zuiver op de graat is ook deze zaak niet. Er zijn tal van voorbeelden te geven van zaken die lange tijd niet meer dan een vermoeden van de mensen waren en die toentertijd niet aangetoond konden worden, maar die later wel degelijk bleken te bestaan. In de natuurkunde wemelt het daarvan, sterker nog: de meeste ontdekkingen op dat gebied zijn gedaan juist omdat sommige geleerden bepaalde vermoedens hadden!  Het is dus allemaal nogal dubieus...


Bij dat alles komt nog dat ook het niet-bestaan van god nooit wetenschappelijk bewezen is. Tot nu toe is men hem nog niet tegengekomen, maar niet meer dan dat. Qua stellingname is dus evengoed te verdedigen dat hij wél bestaat, niet alleen maar in de breinen van de mensen, maar ook in het echt. Het veelgehoorde tegenargument dat het niet-bestaan van iets niet bewezen behoeft te worden snijdt geen hout. Het langzamerhand verdwijnen van een aantal ficties in de voorstellingen van de mensen berust wel degelijk op het aantonen dat het ficties waren. Het is waar dat je dat doet door te laten zien hoe het nu wel zit, maar dat neemt niet weg dat je het toch aantoont. Dus: de bewering dat de wetenschap het bestaan van god nog niet aangetoond heeft is als argument niet alleen zwak, maar ook nog nietszeggend. Hij kan naar twee kanten uitgelegd worden, zowel ontkennend als bevestigend wat betreft het bestaan van god. Je schiet er dus niets mee op als je die bewering als argument gebruikt. Het is inderdaad niet meer dan een bewéring! Maar een steekhoudend argument is het niet.

 

Het bestaan van god

Er is nog iets opmerkelijks aan de redenering over het niet-bestaan van god.

Je moet namelijk letten op een tweetal begrippen die gehanteerd worden. Het zijn begrippen die in zoverre bij elkaar behoren dat zij allebei betrekking hebben op één bepaalde manifestatie van de werkelijkheid, namelijk het materiële verschijnsel. Ik bedoel dan de begrippen “bestaan” en “wetenschappelijk”.

Om met het laatste te beginnen: alle, in onze cultuur gebruikelijke, wetenschappen houden zich bezig met de verschillende verschijningsvormen van de materie. Dat is ook het geval met de zogenaamde geesteswetenschappen en menswetenschappen. Allemaal catalogiseren en analyseren zij verschijnselen, zaken die op de een of andere manier, direct of indirect, aan het verschijnsel “mens” waargenomen kunnen worden. Dat zijn verschijnselen waar voor het begrip “bestaan” van kracht is. De bestaande werkelijkheid is de werkelijkheid van de verschijnselen, het is een zaak die bepaald wordt door zijn materiële karakter, dus door aantoonbaarheid en bijgevolg meetbaarheid en de mogelijkheid om in formules uitgedrukt te worden. Nu kun je van mening zijn dat het materiële, en dus het bestaande, nou net de gehele werkelijkheid omvat en dat bijgevolg het begrip “bestaan” in alle opzichten van kracht is. En dat betekent dan ook dat letterlijk alles wetenschappelijk, namelijk doormiddel van analyse, te onderzoeken zou zijn. Zelfs is het dan mogelijk te onderzoeken of god bestaat, omdat hij binnen het kader van die werkelijkheid zou moeten vallen. Dat is dan ook de mening van diegenen die zich materialist noemen, welke mening de achtergrond vormt van de in de aanhef van dit artikel beschreven gedachtegang. Maar, het is een foute mening! Als je namelijk analyserend terug redeneert van het samengestelde materiële verschijnsel naar een situatie waarin de zaak niet meer samengesteld is, zoals men doormiddel van analytisch onderzoek in de natuurkunde doet, dan kom je tot de conclusie dat er aan het begin van het ontstaansproces van de wereld van de verschijnselen een toestand moet zijn die op zichzelf niet-materieel is. Een toestand waarin alle kenmerken van de materie zijn komen te vervallen. Het is moeilijk om je zoiets voor te stellen, maar nog moeilijker is het om er in je denken enigszins vat op te krijgen. Er wordt dan ook wel beweerd dat, op dat punt aangekomen, het denken afslaat, maar dat is geen juiste bewering: niet het denken als zodanig slaat af, maar het analytisch denken. Het denken dus dat wij in onze cultuur vrijwel als enige beoefenen, en dat wij zeker als enige als de maat nemen. Dat denken slaat inderdaad af omdat er niets meer uit elkaar te halen valt.

 


Maar gelukkig heeft ons denken meer mogelijkheden dan alleen maar de analytische. Als je, louter denkend, nagaat hoe het dan met die elementaire werkelijkheid zit, dan ontdek je dat daarvoor nou net een aantal begrippen geldt die in alle culturen door de mensen aan goden en dergelijke zijn toegeschreven. Om er een paar te noemen: ongrijpbaar, eeuwig zichzelf gelijk blijvend, vluchtig en helder en doorzichtig, door alles heengaand en van alles de oorsprong vormend, onvergankelijk, enzovoort. Ongeveer datgene dat Spinoza destijds “substantie” noemde. Het gaat daarbij dus steeds over begrippen die een tegenstelling vormen tot de materiële werkelijkheid.

Derhalve ook begrippen die buiten de mogelijkheden van het analytische, het splitsende en rubricerende, denken vallen. Op die zaak, waarover overigens veel meer te zeggen valt, is de essentie van het geloof in god gebaseerd. Daarom heeft men het in elke godsdienst over iets “geestelijks” dat in tegenstelling staat tot het materiële, het zogenaamde aardse. Bovendien voert men zijn goden steevast op in de rol van schepper, staande aan de oorsprong van alle dingen. Dat hebben de mensen in de loop der tijden goed aangevoeld. Uiteraard hebben zij er telkens weer vreemdsoortige voorstellingen van gemaakt en die aan zichzelf en anderen opgedrongen vanuit de, uit dat hogere voortspruitende, behoefte om macht uit te oefenen. Maar intussen bedroog hun intuďtie hen niet. De agnosticus zegt dat hij zich niet met god bezig wenst te houden omdat deze buiten het terrein van zijn denken valt. Hij heeft daarin gelijk, althans voor zover hij zijn denken ziet als beperkt tot analytisch denken. In feite echter kun je er wel degelijk over nadenken. Waarom het evenwel gaat is dit: als het godsbegrip inderdaad betrekking heeft op die niet-materiële werkelijkheid, de werkelijkheid waarvoor het begrip “bestaan” (nog) niet geldt, dan is het onzin om te verwachten dat de op de materie gerichte wetenschap Gods al of niet bestaan zal aantonen. Het godsbegrip valt geheel buiten het terrein van het bestaan en heeft bijgevolg niets te maken met aantoonbaarheid en bewijsbaarheid. Het is inderdaad, om een oude kerkvader te parafraseren, een “absurditeit”. Van hieruit kun je met recht zeggen dat god niet bestaat en niet bestaan kan, maar, op zichzelf wil dat nog niet zeggen dat hij er niet is. In theorie kan hij een verhouding, een situatie zo je wil, zijn van de oorspronkelijke niet-materiële werkelijkheid. Precies zoals het door de wat minder duffe denkers onder de theologen altijd gesteld is. Een van hen zei mij eens dat god net achter de elementaire deeltjes gezocht moest worden en dat dit geheel en al overeenkomt met de scheppingsgedachte, die immers inhoudt dat de schepper zelf logischer wijs niet geschapen kan zijn. Een dergelijke bewering kun je natuurlijk honend terzijde schuiven, maar het blijft een feit dat hij niet zo gemakkelijk te ontzenuwen is.

 

Nadenken over beweeglijkheden


Als het nu zinloos is om te vragen naar bewijzen van het wel-bestaan of het niet-bestaan van God omdat deze zich, als hij er zou zijn, buiten de werkelijkheid van de materiële verschijnselen zou moeten bevinden, blijft er nog één mogelijkheid over, namelijk de vraag of dat laatste misschien het geval zou kunnen zijn. Voor de agnosticus is zoals gezegd ook die vraag zinloos omdat het volgens hem onmogelijk is kennis te vergaren over iets niet-materieels. Zijn denken slaat dus af. Maar in feite is het wel degelijk mogelijk zonder in allerlei metafysische speculaties te vervallen. Je moet dan namelijk gaan nadenken over iets waarvan je om te beginnen alleen maar kunt stellen dat er absoluut niets over te zeggen valt, behalve dan het feit dat het geen verschijnsel is, dat het dus aan niets meer vastzit en dat het bijgevolg absoluut beweeglijk is. Het nadenken daarover geeft aanvankelijk nogal wat problemen omdat je telkens weer geneigd bent aan die voor-materiële werkelijkheid verschillende eigenschappen toe te kennen - in strijd met de logica, want alleen de materie heeft eigenschappen. Hoe dan ook, je kunt vanuit dat ongrijpbare, onmeetbare, niet met eigenschappen te benoemen “beginpunt” een waterdichte redenering opzetten over het ontstaan en bestaan van de kosmos, overigens zonder daarbij op enigerlei wijze gebruik te maken van wetenschappelijke kennis. Die valt immers buiten het kader van die werkelijkheid!

Bovendien is het niet laten meewegen van die kennis noodzakelijk omdat je van de juistheid daarvan niet zeker kunt zijn. Alle kwalitatief hoogstaande wetenschappelijke kennis, hoe betrouwbaar en toepasbaar ook, is onvermijdelijk voorlopige kennis waarvan wij de juistheid slechts in goed vertrouwen kunnen aannemen.

Het is helaas onmogelijk om in het korte bestek van dit artikel te vertellen tot welke ontdekkingen je inzake de werkelijkheid komt. ( Zie hiervoor het hoofdwerk:  Beweging en Verschijnsel deel 1, 2 en 3 ) Daarom moet ik het bij een paar uitspraken laten die voor mij zelf gefundeerd zijn, maar die voor u, lezer, slechts “beweringen” kunnen blijven. Deze komen hier op neer dat zich systemen van beweeglijkheden gaan vormen die tot het ontstaan van energetische patronen leiden en die op een bepaald moment van een zodanige aard zijn dat je van “materie” kunt gaan spreken. Van af dat moment treedt het verschijnsel op en gaat het begrip “bestaan” van kracht worden. Het bijzondere van deze gehele zaak is dat ze zichzelf uit zichzelf te voorschijn roept, zonder dat er ook maar iets van buitenaf ingebracht behoeft te worden: geen kracht die de zaak in beweging zet of een kracht die de zaak bij elkaar houdt, niets van dit alles. De werkelijkheid is een zaak van zelforganisatie van beweeglijkheden.

 

Er is geen god

Als je het proces van zelforganisatie van de beweeglijkheden in gedachten nagaat kom je als eerste tot de conclusie dat er van enigerlei vorm van schepping geen sprake kan zijn. Buiten die beweeglijkheden is er niets dat op de een of andere wijze zijn werking op die beweeglijkheden zou kunnen uitoefenen. De gedachte dat er een “schepper” zou zijn blijkt volkomen onhoudbaar. Maar, dat houdt onmiddellijk in dat er ook geen besturende instantie kan zijn. Als je al van “besturen” zou willen spreken - wat je beter niet kunt doen - dan zou je het zo moeten stellen dat de werkelijkheid zichzelf bestuurt. Er is dus geen almachtige god die de touwtjes in handen heeft, maar er is daarentegen wel een oer werkelijkheid van “beweeglijkheden die aan alles ten grondslag ligt en die bijgevolg door alles heengaat. En dat is precies datgene dat de mensen door alle tijden heen aangevoeld hebben en dat zij benoemd hebben met het begrip “god”.

 


Terecht hebben zij daarbij gedacht aan iets dat henzelf te buiten en te boven gaat en dat niet onderworpen is aan de beperkingen van de alledaagse verschijnselen. Dus hebben zij die verschijnselen tot in het oneindige uitvergroot, geprojecteerd tegen de hemel, en daarmee een voorstellingswereld opgebouwd die als zodanig uit waandenkbeelden bestaat, maar die steeds een grond van waarheid bevat. Volgens mij behoort het tot het intellectuele werkterrein van de vrijdenker deze waarheid zo helder mogelijk te verwoorden. Zo er al een mogelijkheid is om de mensen van de onzinnigheid van hun godsdienst te overtuigen is deze juist hier in gelegen dat je almaar laat zien wat de essentie is van al datgene dat zij over hun goden beweren. Het meer of minder agressief bestrijden van hun waanvoorstellingen met behulp van de traditionele vrijdenkers dogmatiek heeft naar mijn idee volstrekt geen zin: de zaak blijft steken in een uitzichtloos en in wezen onredelijk ja en nee geharrewar...

 

PS. Probleem in de Wereld. Jawel onze GODEN. Oplossing inzake de Goden. Stel de Goden ter discussie..! Nog béter is De Werkelijkheid als vertrekpunt te nemen, “de werkelijkheid”, waarin zowel jij, ik, god, allah en al die andere goden, deel van uitmaken. Vervolgens stel je jezelf de vraag: Wie, wat is De Mens..! Waarin onderscheid De Mens zich van het overige leven. Wie, wat is god..! Lees: Beweging en Verschijnsel deel 1, 2 en 3 (Toegevoegd door Rob van Es)

 

 

 

Bovenstaande tekst is geschreven:

 

Door Jan Vis, creatief filosoof.

 

 

Pagina's zijn door mij uit het tijdschrift van De Vrije Gedachte no. 212 februari 1991 overgenomen.   

 

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten maar juist voor alle mensen, is het citeren uit  mijn werk zonder meer toegestaan. (Jan Vis)

 

Wel echter zou ik het op prijs stellen dat het citeren vergezeld gaat van een duidelijke bronvermelding! (Jan Vis)

 

Terug naar: de Startpagina

 

 

 

 

website analysis
website analysis

website analysis
online hit counter