Beweging en Verschijnsel(deel 1 ; Hoorcolleges jaargang 1987/88) Het wordingsproces- Vervolg: Zie deel 2 en deel 3

Het Jan Vis deeltje, adam, afstand,anarchisme, beweging, bewustzijn, big bang, chaos, christendom, conditionering, de genetische manipulatie, de grote beweger, de menselijke geest, de werkelijkheid, de wording van de kosmos, descartes, dopplereffect, ecologie, eeuwigheid, einstein, elementaire deeltjes, elementaire materie, erfzonde, evolutie, evolutie van het leven, evolutieproces, filosoferen, filosofie, fred hoyle, freud, fundamentele materie, gedachtelezen, geest, god, goddelijk plan, heelal, hegel, het absolute niets, het brein, het eeuwige leven, het hiernamaals, het leven, het menselijk bewustzijn, het ontstaan van de kosmos, het ontstaan van de verschijnselen, het ontstaan van de werkelijkheid, het ontstaan van het heelal, het ontstaan van het leven, het ontstaansproces, het wordingsproces in de kosmos, het wordingsproces van de werkelijkheid, hoe zit het met de werkelijkheid, holisten, immanuel kant, inzicht, kosmos, krishnamoerti, kwantummechanica, materialist, materie, mechanistisch denken, mens, metafysica, niels bohr, nihilisme, oerbeweger, oercel, oermens, oermoeder, ontstaan van leven, organisme, paranormaal, paranormale verschijnselen, psyche, quantum mechanica, relatie, religie, religieus, ruimte, saamhorigheid, samenhang, samenleving, schepping, seksualiteit, socrates, spinoza, survival of the fittest, synchroniteit, telepathie, tijdloosheid, twijfel, universele bouwsteen, veiligheid, verschijnsel, vrijheid, wat is denken, wat is geest, wat is gevoel, wat is leven, wat is tijd, wijsbegeerte, wordingsproces, zelfbewustzijn.

Het ontstaan van het Universum / Heelal / de Kosmos t/m Het Slotakkoord DE MENS

Het ontstaan van zonnestelsels met tenslotte ůůk mensen berust louter en alleen op een onvermijdelijk toevalÖ

 

Naar HET BEGIN en aantal bladwijzersÖ (lees ÚÚk de verantwoording)

 

Terug naar de Startpagina

 

 

Help mee om deze site te promoten. Vertel het uwÖ!

(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )

 

 

BEWEGING EN VERSCHIJNSEL (deel.1) Verantwoording: lees de nummers 1 t/m 4

boven

Een aantal bladwijzers: De essentie van de werkelijkheid ; Nr. 29 t/m 37 ; Lichtsnelheid ; Pagina 26 ; Drie achtvoudige systemen ; Bolvormig(nrs 63 en 64) ; Nrs. 25/26 ; MASSA ; Oerexplosie ; De Samenleving ; Oergrond van de Werkelijkheid ; Socrates (de lastige vlieg) ; Wat is BEGRIJPEN Ė lees o.a. nrs 12t/m 14 ; vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; twee achtledige systemen van beweeglijkheden via een gemeenschappelijke beweeglijkheid versmelten tot een eenheid van twee. ; Meditatie ; KANT Ė zie 01 , 02 ; Bouwstenen ; Ons denken betrektÖLees o.a. nr. 23 ; Denken van achter naar voren ; Het EPR experiment in de fundamentele natuurkunde (Einstein, Podolsky en Rosen) ; Levende cellen, de elementen v/h leven op aarde ; ďHet BeginĒ ; Beweeglijkheden ; De grondgedachte van de Misdaad ; Boeddhisme ; Big Bang-1 ; Big Bang-2 ; Big Bang-3 ; Big Bang-4 ; Big Bang-5 ; Big Bang-6 ; Periodiek systeem ; CHAOS ; Vrouw/Man vanaf nr.44 ; Ontstaan van LEVEN ; Oerknal ; Lichtstralen-(lees o.a. pag. 24t/m26), constante snelheid ; E=MC2 ; Tijdloosheid/eindeloosheid ; Einstein-E=MC2 ; Pagina 17 ; Het onvermijdelijke toeval (nos 3,4,5) en vervolgens de nos. 8,†† 15,†† 18,20,21,22,23,25,27,28,†† 31,†† 60,67,68,69 en 70) ; objectiviteit ; Enkelvoudigheden ; Geest-1 ; Geest-2 ; Geest-3 ; Geest-4 ; Trilling-1 ; Trilling-2 ; Totaaltrilling ;Samenhang-1 ; Samenhang-2 ; Samenhang-3 ; Wat is Bewustzijn ; Psyche-0Psyche(gevoel) ; Psyche/ZELFBEWUSTZIJN/Totaaltrilling ; VORMEN van GEDACHTELEZEN, van Telepathie, van waarnemingen over grote afstanden en dergelijke kunnen wel degelijk voorkomen. Paranormale Verschijnselen-1 ; Paranormale Verschijnselen-2 ; Paranormale Verschijnselen-3 ; Paranormale Verschijnselen-4 ; Ontstaan van RUIMTE en Tijd-1(zie nrs. 4, 5 en 6) ; Wat is TIJD-2 ; radiogolven-1 ; radiogolven-2 ; KUNST(ENAAR)-zie o.a. nrs. 27t/m30 ; De Fundamentele Bouwsteen van ďDe WerkelijkheidĒ - Het Jan Visdeeltje - niet tastbaar - is een verhouding van 22 beweeglijkheden. Hoe zit dat..? ; Paranormale verschijnselen(4x) Geesten ; brandpunt van bewegingen ; gelijkwaardigheid ; Materialistisch ; Wetenschapsfilosofie ; survival of the fittest ; wat is leven ; Vrije tijd ;vertrouwen in ; denkenken in begrippen-1 ; denken in begrippen-2 ; denken over begrippen ; Absolute Niets ; De samenleving, vertaald naar onze wereld..! ; SNAAR, OEREXPLOSIE, BIGBANG theorie ; Wat is DOOD gaan, hoe zit dat..? ; Er moet toch iets zijn? ; De KloofÖzie de nummers 34 en 35 ;OERCEL; Lees o.a. nrs. 38 t/m 50 ; De Maatschappij is inhoud van de Samenleving ; Ziel ; Elementaire Materie ; Ödat het werk voor het meisje gaat ; Darwin ; Leidt de toename van de kennis tot een beter weten..? ; Hersencel -1 ; Hersencel -2 ; Hersencel -3 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ; Overgang-5 ; Overgang-6 ; Overgang-7 ; Opvoeding-1 ; Opgevoed-1 ; Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ; Eenzijdigheid-3 ; In elkaar overgaan Ė zie ruimtebrug1, 2 en 3 ; Uitdijend heelal /Dopplereffect ; De Werkelijkheid als Beeld ; Oorsprong Betrokkenheid ; de eerste materiŽle situatie van de werkelijkheid ; De elementaire materie als brandpunt van bewegingen(energie) ; de Grote Beweger ; Eerste Beweger ; Zwarte gaten ; Knooppunten ; RUIMTEbrug-1(nr.24) ; RUIMTEbrug-2(nrs.28, 29, 30) ; RUIMTEbrug-3(nr.37) ; Beleving ; Synchroniteit ; Communicatie-1 ; Communicatie-2(nrs34 en 35) ; Oneindigheid zie: 3 en 4 , 18 , 38 t/m 40 , 60 , 66 t/m 69 ; Eeuwigheid ; Ontstaan van ďde eerste situatie van de MATERIEĒ ; Sociaal-zijn van de mens ; De eerste materiŽle situatie van de werkelijkheid ; De conclusie, eenmaal getrokken, verklaart het uitgangspunt ; RUIMTElijn-uitbreiding v/d ruimte ;

( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)

 

 

 

 

 

Naar artikelen: Waar gaat het in de mensheid nu wezenlijk om..? ; Datverfoeilijkeindividualismedvg248 (derde vervolg ; de schijnbare tegenstelling individu-gemeenschap, kapitalist-proletaar en liberaal-socialist) ; Verzorging / verzorgen.? Vergeet het maar..! (zie bladwijzer) ; Veiligheid ; Het toenemend belang van het AtheÔsme ; Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheÔsme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ;Ongewenst atheÔsme- zie afl. 32 ;Een grens te ver (IsraŽl) ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61;Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld ..? zie no. 27 ;Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..?; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 : De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; Sjariía De heilige wet-De Sjariía ; Burqa, volg bladwijzer ; De ontwikkeling van de West Europese Cultuur ;†† Beweging en Verschijnsel (deel 2) ; Beweging en Verschijnsel (deel 3) ; Hoe zit het nou met God..? ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Individualisering-Tomeloze verwarring-Collectieve krankzinnigheid_zie nr. 12

 

 

No. 1 Om te beginnen wat inleidende opmerkingen.

Opvoeding-1 ; Opgevoed-1 ;

Ten eerste: het verhaal over Beweging en verschijnsel wordt tamelijk abstract. Dat schrikt af. Maar: wat ik onder abstract versta is niet een ingewikkeld gegoochel met begrippen en termen. Er is dan ook geen wetenschappelijke opleiding nodig. Zo'n opleiding kan zelfs een belemmering zijn.

Ten tweede: de filosofie wordt vaak beschouwd als een superwetenschap, in die zin dat ze de overige wetenschappen zou kunnen en moeten bewaken, o.a. wat betreft de gebruikte wetenschappelijke methodieken, maar ook in de wat meer morele zin. Als de filosofie een superwetenschap zou zijn en op zou moeten treden als bewaakster van de wetenschap, dan zou het morele aspect daarvan geen overbodige luxe zijn.Veel moderne ontwikkelingen roepen inderdaad morele vragen op. Maar, wetenschappers onderzoeken alleen maar de verschijnselen. Elk nieuw ontdekte gebied opent het uitzicht op andere onbekende gebieden en het ligt in de menselijke aard om die ook te gaan onderzoeken. Er gaan stemmen op om de wetenschap van morele regels te voorzien en de grens te bepalen hoever men gaan mag. Bijvoorbeeld op het gebied van de genetische manipulatie is er tegenwoordig heel wat te doen. Maar men stelt de zaak niet duidelijk. Het is immers logisch dat een wetenschapper de dingen uitzoekt. Dat is zijn vak. De morele verantwoordelijkheid van de wetenschapper ligt dan ook niet bij het onderzoek, maar bij het toepassen van de resultaten. Daarover kan de filosofie inderdaad zinvolle dingen zeggen, maar daar ligt toch niet haar taak. Ze is geen superwetenschap. Toch vinden veel denkers dat het de filosofie zou moeten zijn die er op toeziet dat de zaak niet ontspoort. Die gedachte is fout. De filosofie kan dat niet. De volgende argumenten wil ik daarvoor aanvoeren:

1e. Als de filosofie een superwetenschap zou zijn vooronderstelt dat een diepgaande kennis van alle wetenschapsgebieden. Dat is, zeker tegenwoordig, onmogelijk. Wetenschappers hebben zelfs al op hun eigen beperkte vakgebied moeite om bij te blijven. Praktisch kan de filosofie dan al helemaal niet uit de voeten. De vroegere universele geleerde wordt door ons, achteraf, geÔdealiseerd, maar in feite was er maar een kleine hoeveelheid wetenschappelijke kennis, die betrekkelijk gemakkelijk te overzien was.

2e. De filosofie als superwetenschap vooronderstelt kennis. Zelfs als je je daarvan op de hoogte zou kunnen stellen ben je toch nog altijd gebonden aan de stand van zaken van het moment. Je krijgt dan te doen met vaak controversiŽle theorieŽn en hypothesen. Zij worden door de ene wetenschapper onderschreven, maar door de andere afgewezen, in beide gevallen op goede gronden. Bovendien kan aanvankelijk als juist beschouwde kennis bij verder gaand onderzoek onjuist blijken te zijn. Dat is dus ongeschikt materiaal voor de filosofie, omdat het morgen niet waar meer kan blijken te zijn.

3e. Het is mogelijk dat de hele zaak van de wetenschap fout bekeken wordt.

De cultuurvoorstellingen bepalen in belangrijke mate de wetenschappelijke activiteit, bijvoorbeeld wat betreft datgene dat wel of niet de moeite waard geacht wordt om onderzocht te worden. Vaak weigert men botweg iets te onderzoeken en staat men zelfs niet open voor de mogelijke juistheid van ongewone ideeŽn. Maar ook wat betreft interpretaties van ontdekte verschijnselen spelen de cultuurvoorstellingen een rol. Zo schreef men in het beginnend Europa alles toe aan de hand van god. Het is mogelijk dat wij thans ook een uiteindelijk onhoudbare verklaringsgrond voor de dingen hanteren. Aan het regelmatig mislukken van de toepassingen van onze kennis zou je inderdaad zeggen dat er wezenlijk iets fout zit. Uiteraard vanuit de conditioneringen door de cultuur. Als het er in de filosofie om gaat te proberen inzicht te krijgen in en dan liefst een inzicht dat kans maakt om morgen ook nog waar te zijn, dan zou je een wijze van denken moeten ontdekken en ontwikkelen die onafhankelijk is van de kennis, die de mensen menen te bezitten. Een wijze van denken die niets met een superwetenschap te maken heeft. Om te beginnen lijkt dat onmogelijk, zeker voor mensen uit onze cultuur voor wie de kennis zo'n grote rol speelt. Onze hele opvoeding is kennisgericht. En hoe leer je je eigen conditioneringen doorzien? Deze zijn namelijk al heel vroeg ingeprent zonder dat je het wist, zodat ze iets vanzelfsprekendst hebben. Je komt niet op het idee ze in twijfel te trekken. Maar wie garandeert mij dat alle door mij verworven kennis juist is? Zelf kan ik verreweg het meeste niet controleren. Ik kom niet verder dan: misschien is het wel zo. Dat betekent dat ik aan die kennis niets heb voor de filosofie. In het vervolg van deze cursus zal ik proberen duidelijk te maken dat het toch mogelijk is een onafhankelijke filosofie te ontwikkelen over het thema Beweging en verschijnsel. Een filosofie waarbij je niets nodig hebt, zoals een grote wetenschappelijke kennis, scholing, genialiteit. Voor ons lijkt dit iets ongewoon, maar oorspronkelijk probeerden de denkers ook om onafhankelijk te filosoferen. Ze moesten trouwens wel, want er was nauwelijks enige wetenschappelijke kennis. Er was weinig kans om filosoferend in de val van de wetenschappelijkheid te lopen. Maar voor ons moet de bedoelde onafhankelijkheid een bewuste keuze zijn. Dus: kan ik als het ware als een kind de werkelijkheid bekijken en er iets van aan de weet komen. Dat is de vraag en het antwoord daarop moet luiden: ja, dat kan. Maar steeds moeten wij ons ervan bewust zijn dat we niemand geloven. Einstein was een geweldenaar, maar we geloven hem niet! We zeggen niet: hij heeft ongelijk, we maken eenvoudig geen gebruik van zijn al of niet juiste kennis en theorieŽn.

We krijgen dan als eerste de vraag, waarvan we eigenlijk zeker kunnen zijn. Dat blijkt een essentiŽle, maar uiterst lastige vraag te zijn. Het blijkt dat zo ongeveer alles afvalt. Van alle dingen en mensen om je heen kan je het bestaan in twijfel trekken. Misschien is het allemaal wel een droom. Dus is het niet zo'n zeker uitgangspunt voor ons filosoferen. Het meest zekere uitgangspunt, hoewel ook nog enigszins dubieus, ben je zelf, in de zin van: ik besta. Descartes (1596 - 1650) ging uit van iets dergelijks, namelijk: ik denk, dus ik ben. Toch blijft alles paradoxaal omdat ook de - voorlopige - vaststelling ik besta niet onderbouwd kan worden. Als ik van ik besta uitga, neem ik iets als uitgangspunt waarvan ik nu juist, onafhankelijk denkend, wil weten hoe het ermee zit. Ik wil weten hoe het zit met de werkelijkheid, maar omdat ik daar zelf ook toe behoor, wil ik ook van mezelf weten hoe het zit. Toch neem ik het ik besta als uitgangspunt. Het behoort tot de grondregels van het wetenschappelijk denken dat je geen cirkel redeneringen mag toepassen, maar het merkwaardige bij het filosoferen is dat je gedachten voortdurend cirkels beschrijven, terugkeren op voorgaande gedachten en er bij die terugkeer nieuwe inzichten en samenhangen aan toevoegen. Van alle onzekerheden is voor mij het ik besta nog de minst onzekere. Hij is tenminste nog paradoxaal. De andere onzekerheden blijken zonder meer onzeker te zijn omdat ze voor ons onder de rubriek kennis vallen. In tegenstelling tot wat men doorgaans meent is onze kennis juist fundamenteel onzeker.

Opvoeding-1 ; Opgevoed-1 ;

No.2

Het gaat er in de filosofie om dat je geheel op eigen kracht, zonder enig hulpmiddel (behalve je denkvermogen), een beschrijving probeert te geven van de werkelijkheid. Een dergelijke opgave wordt door de moderne denkers voor onmogelijk gehouden. Zij verwachten alles van de wetenschap, die van hen het monopolie heeft gekregen om als enige kennis te kunnen verwerven en zinvolle uitspraken over de werkelijkheid te doen. Dat houdt dan automatisch in dat niet wetenschappelijk geschoolden slechts tot het klappen van onzin in staat zouden zijn. Verder is er de vanuit het 19e eeuwse denken overgewaaide misvatting de filosofie tot de wetenschappen te willen rekenen. Het is daarentegen eigenlijk een kunst, waarvan eventueel wel gezegd kan worden dat zij zich van wetenschappelijke methodieken bedient, in die zin dat het om het maken van logische onderscheidingen gaat. Over het algemeen echter worden ook de in de filosofie gebruikte methodieken als niet-wetenschappelijk beschouwd, tenzij het gaat om een (modern) soort van filosofie die zich als een superwetenschap tracht te laten gelden en die dus ook gebaseerd is op wetenschappelijke kennis. Hoe dan ook, je zou eigenlijk als een kind moeten filosoferen, d.w.z. onbevangen en steeds uitgaande van niet-weten. Dat geldt overigens ook voor de belangrijkste wetenschappelijke ontdekkingen, die gewoonlijk niet gedaan worden vanuit zo'n wetenschap zelf, maar vanuit een onverwachte ingeving of een fantasie. Er moet je iets opvallen en dat kan alleen als je voor jezelf het niet-weten laat gelden. Maar voor de wetenschap zelf, ongeacht haar ontdekkingen, is de kennis het onontbeerlijke materiaal om mee te werken en dat is het belangrijke verschil met de filosofie. Je mag in de filosofie alleen maar dan een volgende stap als juist aanvaarden als hij onvermijdelijk volgt uit de voorgaande stappen en alleen daaruit verklaard kan worden. Met andere woorden: je mag er niets ter verklaring of rechtvaardiging bij halen dat je nog niet eerder gevonden hebt. In feite zou het dan immers gaan om kennis, die je ergens opgedaan hebt en die je meent toe te kunnen passen als argument voor de genomen volgende stap. Dat kan dus niet! In dit verband kun je denken aan Socrates, die tot vervelens toe op uitspraken reageerde met zoiets als: hoe weet je dat? Om dan vervolgens aan te tonen dat men het ook maar van horen zeggen had. Socrates (de lastige vlieg) kon op een dergelijke wijze reageren, niet omdat hij zo geniaal was, maar omdat hij een bepaalde kijk op de werkelijkheid had, een kijk als een kind dat in de situatie verkeert van niet-weten. Socrates zei dan ook: Ik weet niets.

Je kunt zeggen ik besta en erkennen dat de rest misschien een droom van Boeddha is en in ieder geval iets volslagen onbekends. Wat dat onbekende evenwel ook zijn mag, het is in ieder geval de rest, d.w.z. er is nog iets. Het is trouwens op zichzelf ook vreemd dat ik ik kan zeggen - je kunt dat namelijk alleen maar als je je van iets anders kunt onderscheiden. Er is dus buiten mijzelf nog iets anders, er is een rest. Hieruit moet geconcludeerd worden dat de werkelijkheid blijkbaar uit meer dingen bestaat, meervoudig is. Uiteraard is dit voor ons een waarheid als een koe, maar wij moeten hem toch denkend boven water krijgen, tenminste als wij willen filosoferen vanuit het niet-weten. Wat houdt het in als ik zeg dat de werkelijkheid meervoudig is? Het betekent dat er een universele bouwsteen moet zijn. Iets waaruit de hele zaak samen gesteld is. Sommige oude Grieken dachten nog in een viertal elementen, namelijk de aarde, de lucht, het vuur en het water. Anderen kwamen tot de conclusie dat alles terug te brengen moest zijn tot ondeelbare deeltjes, die zij atomen noemden. Lucretius (97 - 55 v.o.j. ) schreef over de oorsprong der dingen volgens de wijsbegeerte van Epicurus en hij ging ook uit van de atomen. Volgens Leibniz (1646 - 1716) waren die atomen verschillend en hadden een eigen plaats en taak. Hij noemde ze monaden. De verklaring voor die verschillen kon hij, zonder het inroepen van god, niet geven. Wat die bouwsteen is kunnen wij voorlopig weliswaar niet zeggen, maar het kan niet anders of de meervoudige werkelijkheid moet tenslotte tot een soort van ietsen teruggebracht kunnen worden. Tot iets namelijk dat zelf niet langer meervoudig is. Zolang er nog verschil is, bestaat er nog meervoudigheid.

De eerste belangrijke vraag is nu wat ik kan zeggen van een enkelvoudig iets, dat in niets meer verschilt van de andere enkelvoudige ietsen en dat zich dus daarvan niet meer onderscheidt. Je kunt dan een hele trits van vragen gaan stellen en steeds blijkt dat op die vragen geen antwoord is te geven. Is dat iets rond of vierkant, rood of blauw, licht of zwaar, zacht of hard, enz. Maar dat zijn allemaal onderscheidingen die niet voor zo'n iets gelden. De bouwsteen van de werkelijkheid kan niet anders dan volkomen onbepaald zijn. Dat betekent het als je tot de ontdekking komt dat je op al je vragen geen antwoord kunt vinden en dus moet toegeven: Ik kan er niets van zeggen. Je moet er aan denken, dat je geen gebruik mag maken van instrumenten om zo'n bouwsteen eventueel te kunnen bekijken. Maar als je dat toch zou proberen, zou je bemerken dat er niets te bekijken valt. Als iets zich van niets onderscheidt kan het ook niet waargenomen, aangetoond of geÔsoleerd worden. Maar desondanks is het er toch! Wat nu te denken van iets dat volkomen onbepaald is en waarvan dus niets te zeggen valt. Dat is voor het moderne denken een probleem dat onoplosbaar is. Je kunt er geen kant mee uit. Men verwerpt het daarom als metafysisch. Maar voor ons is het juist het uitgangspunt. Als ik namelijk zeg dat ik er niets van kan zeggen, heb ik er in feite iets heel belangrijks van gezegd, een uitspraak die mij wel degelijk verder kan helpen, namelijk de uitspraak: Ik kan er niets van zeggen. Het volkomen onbepaald zijn van die ietsen en het feit dat je er niets van kunt zeggen betekent dat zij nergens aan vastgelegd zijn, nergens iets mee te maken hebben, zich door niets laten beÔnvloeden en volkomen onvergelijkbaar zijn. Dat is wel degelijk een conclusie die uit het feit dat er van die ietsen niets te zeggen valt te trekken is. Daarmee hebben wij de essentie van de werkelijkheid gevonden en nu is het de vraag hoe je daarmee aan het werk kan gaan. Je moet overigens wel bedenken dat er een groot onderscheid is tussen niet te bepalen zijn en volkomen onbepaald zijn. Niet te bepalen is bijvoorbeeld de hoeveelheid hemellichamen in het heelal of de kwadraatwortel uit het getal drie. In beide gevallen kun je een antwoord geven dat een benadering is. Maar de volkomen onbepaalde elementaire ietsen zijn alleen maar te denken, en dat moet dan ook nog zo dat je er geen enkele eigenschap aan toekent. Ze laten zich nimmer aan iets of door iets vastleggen, dus bepalen. Aan het einde van ons verhaal over de werkelijkheid begrijp je gemakkelijk waarom je die ietsen alleen maar kunt denken en nooit op natuurwetenschappelijke wijze zult kunnen aantonen.

No. 3lees ook De Verantwoording

Bladwijzers: Paranormale Verschijnselen-1 ; Paranormale Verschijnselen-2 ; Paranormale Verschijnselen-3 ; Paranormale Verschijnselen-4 ; Het onvermijdelijke toeval (nos 3,4,5) en vervolgens de nos. 8,†† 15,†† 18,20,21,22,23,25,27,28,†† 31,†† 60,67,68,69 en 70)

Als je uitkomt op de constatering dat je als oergrond van de werkelijkheid te doen krijgt met ietsen waarvan alleen maar te zeggen valt dat er niets over te zeggen is, dan is het moment daar dat het gebruikelijke moderne denken afslaat. Dat denken is namelijk gericht op de dingen, op het een dat zich onderscheidt van het ander. Volgens dat denken kan je je dan alleen nog maar agnostisch opstellen, d.w.z. je onthouden van uitspraken en alles in het ongewisse laten. Zo zeggen veel humanisten: Ik weet niet of god bestaat, want de vraag naar dat al of niet bestaan heeft betrekking op een zaak die buiten het terrein van het denken valt omdat het niet meer over dingen gaat. Gewoonlijk hebben die humanisten niet in de gaten dat zij met die uitspraak al iets essentieels over het (niet) bestaan van god gezegd hebben en dat het heel goed mogelijk is van daaruit een denkweg te gaan volgen. Als je gaat nadenken over die ietsen is dus de constatering dat je er niets van kunt zeggen het begin van de te volgen denkweg. Je hebt namelijk te doen met volkomen onbepaalde ietsen en dat betekent dat ze niet vastgelegd zijn. Zichtbaar zijn ze natuurlijk ook niet. Dat hebben de denkers al heel vroeg in de geschiedenis ontdekt. De grond van de werkelijkheid is een onzichtbare, ongrijpbare, onmeetbare, onverklaarbare aanwezigheid van beweeglijkheden. De oude Grieken spraken van grondeloos licht. Op zichzelf is dat een nogal gevaarlijk denkbeeld omdat het nog steeds zo is dat menigeen er ten onrechte een argument in vindt om het bestaan van allerlei occulte en paranormale verschijnselen te bewijzen. Alle uitspraken, die je over dingen doet zijn betrekkelijke uitspraken. Zij berusten steeds op vergelijkingen: groter of kleiner, warmer of kouder, enz. Een absolute uitspraak is over een ding niet te doen. Wel echter over de ietsen als grond van de werkelijkheid. Voor die werkelijkheid zijn de betrekkelijke uitspraken vervallen en dat druk je uit door te verklaren dat er niets over te zeggen valt. Dat echter is zelf een absolute uitspraak! Hij heeft inhoudelijk geen betrekking meer op verschillen, onderscheidingen, vergelijkingen want die blijken er niet meer te zijn. Het onbepaald-zijn van de ietsen geldt uiteraard niet alleen vanuit het gezichtspunt van de mens, maar het geldt ook en vooral voor die ietsen zelf ten opzichte van elkaar. Twee ietsen kunnen elkaar ook niet bepalen, zij zijn er voor elkaar eenvoudig niet. Ze kunnen dan ook niet aan elkaar vastzitten en dus zijn zij ieder voor zich volkomen beweeglijk, zonder enige belemmering. We moeten ons goed realiseren dat datgene dat wij aan elkaar vastzitten noemen in feite is een ten opzichte van elkaar niet bewegen, terwijl een los van elkaar zijn een ten opzichte van elkaar bewegen inhoudt, of in ieder geval de mogelijkheid daartoe. We kunnen nu twee dingen zeggen: ten eerste dat de ontdekking dat de ietsen volkomen onbepaald zijn leidt tot de conclusie dat zij dan volkomen beweeglijk moeten zijn, en ten tweede dat het volkomen beweeglijk zijn verklaart waarom de ietsen volkomen onbepaald zijn. Dit is weer een voorbeeld van een filosofische redenering waarin je denken een cirkel beschrijft. De conclusie, eenmaal getrokken, verklaart het uitgangspunt. Overigens is juist dit de controle op je denken. Als de conclusie niet ook het uitgangspunt kan verklaren heb je ergens een fout gemaakt door bijvoorbeeld iets oneigenlijks, vanuit ergens opgedane kennis, in te voegen. Zoals al eerder gezegd, steeds hebben denkers uitgeplozen dat de werkelijkheid uit deeltjes zou moeten bestaan en sommigen kwamen zelfs zo ver dat zij inzagen dat die deeltjes allemaal eender moesten zijn. Maar zij konden niet tot klaarheid brengen waarom en hoe daaruit de verschijnselen waren ontstaan. Dus voerden zij allemaal een oneigenlijk argument in en dat was uiteraard meestal god. De Nederlandse filosoof Jan BŲrger (1888 - 1965) kwam waarschijnlijk nog het verste, maar zijn idee van het verdichten oftewel het ineen-gaan van de enkelvoudigheden berust in feite ook op een oneigenlijk argument omdat er dan een soort van werking bij betrokken wordt die op dat moment nog niet aanwezig kan zijn. Bovendien is ineen-gaan een begrip dat een betrekking tussen de enkelvoudigheden vooronderstelt. Zo'n betrekking is er echter niet. Overigens was dat voor genoemde filosoof geen beletsel om een ongewoon heldere beschrijving van het wordingsproces in de kosmos te geven. Hoe beweegt nu zo'n beweeglijkheid? Ook dat is niet te zeggen, niet in een bepaling vast te leggen, dus is er niet te spreken van een richting, niet van pulseren, noch van trillen. Bovendien is het een beweeglijkheid die absoluut is, d.w.z. niets te maken heeft met de beweeglijkheid van de andere ietsen. In menselijke termen (om je de zaak enigszins voor de geest te kunnen halen) zou je kunnen zeggen: ieder beweegt voor zich, zonder hoe dan ook rekening te kunnen houden met de ander of zich door die ander te laten beÔnvloeden; die ander is er eenvoudig niet en hij zal zich ook nooit kenbaar maken. De ietsen bewegen uitsluitend ieder voor zich en, let op: dat blijft zo, ook als zij, om zo te zeggen, later deel uitmaken van een bepaald verschijnsel. In dat algemene bewegen van de ietsen treedt ook geen stroming op, of een bepaalde cadans, golfslag of trilling - er is niets van dat alles. Hoe absurd het, voor ons moderne denken, ook is, toch moeten wij proberen alle toestanden, zoals botsen, elkaar afremmen of versnellen en dergelijke, volledig buiten onze gedachtegang te houden omdat al dit soort zaken op de een of andere manier betrekkingen tussen de ietsen veronderstellen. We hebben te doen met een werkelijkheid die op geen enkele manier aangesloten is op ons begrippenstelsel van alle dag. Zij beantwoordt ook niet aan onze voorstellingen. Toch zullen we steeds genoodzaakt zijn ons er iets bij voor te stellen teneinde nog een beetje vat op de zaak te krijgen. Dat is helemaal niet erg, als we maar voor ogen houden dat zo'n voorstelling slechts een hulpmiddel is en niet de echte werkelijkheid. We moeten hem dan ook voortdurend opheffen en hem beschouwen als een soort van momentopname, precies zoals een kunstenaar dat doet. Er is trouwens ook een zekere verwantschap met de abstracties van de wiskunde. In die wetenschap is bijvoorbeeld een punt ook alleen maar te denken. Het is eigenlijk de werkelijkheid als gedachte, terwijl het toch tegelijk zo is dat die werkelijkheid aanwezig is, zij het niet als een verschijnsel dat, hoe klein ook, aantoonbaar is. Wij moeten ons nu gaan afvragen hoe uit die volkomen ongrijpbare werkelijkheid, die zonder verband is en zonder programma toch onvermijdelijk een heel complex van verschijnselen kan ontstaan en wel zodanig dat de ietsen er zelf absoluut buiten blijven, er als het ware niets van weten.

We krijgen dan te maken met wat ik wil noemen het onvermijdelijke toeval. Daarbij komen enkele begrippen te pas, die wij eerst moeten afleiden uit datgene dat wij inmiddels al gevonden hebben, begrippen als oneindigheid, oneindig veel en eeuwigheid. Als dat helder is geworden zullen wij bemerken dat er, bij het gelden van genoemde begrippen, onvermijdelijk twee of meer ietsen moeten zijn die precies dezelfde beweging maken en dus ten opzichte van elkaar stilstaan. Daar ligt het begin van datgene dat wij de werkelijkheid plegen te noemen, maar ook daarmee blijkt het een beetje anders te zitten dan wij aanvankelijk geneigd waren te denken...

Paranormale Verschijnselen-1 ; Paranormale Verschijnselen-2 ; Paranormale Verschijnselen-3 ; Paranormale Verschijnselen-4 ; Het onvermijdelijke toeval (nos 3,4,5) en vervolgens de nos. 8,†† 15,†† 18,20,21,22,23,25,27,28,†† 31,†† 60,67,68,69 en 70) ; Tijdloosheid/eindeloosheid ; Oneindigheid zie 3 en 4 , 18 , 38 t/m 40 , 60 , 66 t/m 69 ; Eeuwigheid ; Trilling-1 ; Trilling-2 ; Totaaltrilling ;

 

Naar boven††††††††††††††††††

No. 4

( wat is tijd )††† Big Bang-1 ; Big Bang-2 ; Big Bang-3 ; Big Bang-4 ; Big Bang-5 ; Big Bang-6 ; Ontstaan van Ruimte en tijd-1(zie nrs. 4, 5 en 6) ; Wat is TIJD-2

We moeten nu een paar begrippen invoeren en we kunnen die benoemen met: oneindigheid of eindeloosheid en eeuwigheid of tijdloosheid. Beide begrippen komen mee aan die zee van beweeglijkheden. Het is niet mogelijk om een einde, een grens, aan die zee te denken omdat zoiets zou betekenen dat je bij die grens iets anders aan zou moeten treffen, iets dat op zichzelf een ontkenning van de beweeglijkheden zou moeten zijn. De enig denkbare ontkenning van de beweeglijkheden is het verschijnsel, maar dat treedt in deze fase van onze gedachtegang nog niet op. Evenzo kan het begrip tijd niet gelden omdat dat gebonden is, niet aan beweeglijkheid op zichzelf, maar aan een bepaalde beweging die door minstens twee factoren bepaald wordt, zoals we verderop in het verhaal zullen zien.

Tot nu toe hebben wij gevonden: 1. er zijn beweeglijkheden, 2. zij hebben met elkaar niets te maken en 3. voor het geheel daarvan (de zee van beweeglijkheden) gelden de begrippen eindeloosheid en tijdloosheid. Uit die drie gegevens is af te leiden dat er altijd wel ergens twee of meer beweeglijkheden moeten zijn, die toevallig gelijk-op bewegen, dezelfde beweging maken. Dat betekent dat er altijd wel ergens twee of meer beweeglijkheden zijn die ten opzichte van elkaar stil staan. Maar, nog steeds: zij blijven daarbij uitsluitend voor zichzelf beweeglijk. Van dat ten opzichte van elkaar stilstaan hebben zij, zogezegd, geen weet. Zou de ruimte beperkt zijn, dan kan het binnen een bepaald tijdsbestek heel gemakkelijk voorkomen dat er helemaal geen gelijk-op bewegen optreedt, zodat er niets is dat ten opzichte van iets anders stilstaat. Hieruit blijkt dat de begrippen eindeloosheid en tijdloosheid van essentieel belang zijn. Gelden die begrippen, dan kan het niet anders of er zijn onvermijdelijk steeds situaties van gelijk-op bewegen en dus van ten opzichte van elkaar stilstaan. Als je van een plaats en een tijd zou mogen spreken, zou je kunnen zeggen: ik weet niet waar en ik weet niet wanneer, maar op elk moment treedt er een gelijk-op bewegen op en dat gaat altijd maar door. Het houdt nooit op en het gebeurt steeds net op het moment dat ik nu zeg! Omdat ik niet weet waar en wanneer en tegelijk zeker weet dat het gelijk-op bewegen niet uit kan blijven, spreek ik in dit verband van onvermijdelijk toeval. Het woord toeval slaat dan op het waar en wanneer en het woord onvermijdelijk op de zekerheid dat het gebeurt. Het krijgen van een auto ongeluk is voor mij gewoon toeval. Het kan ook niet gebeuren. Maar het gebeuren in de kosmos is onvermijdelijk. Zoals al gezegd is de enig mogelijke gebeurtenis deze, dat twee of meer beweeglijkheden gelijk-op bewegen en daardoor ten opzichte van elkaar stilstaan. We ervaren dit wel eens in de praktijk als we in een trein zitten die gelijk met een andere het station binnenrijdt. We hebben dan soms de indruk dat beide treinen stilstaan. Bij het zien van de omgeving echter blijkt dat de twee treinen wel degelijk rijden. Alle verschijnselen waarvan wij vinden dat die aan elkaar vastzitten, vertonen in feite deze situatie dat de samenstellende delen ten opzichte van elkaar stilstaan omdat zij gelijk-op bewegen. Er is geen tussenstof, geen lijm, die de dingen aan elkaar plakt. In de gehele kosmos is er niets dat letterlijk aan iets anders vastzit. Wij beleven het wel als zodanig, maar in feite is dat allemaal schijn. Zo is het iets losmaken ook niets anders dan iets van iets anders verwijderen, dus: ten opzichte van elkaar beweeglijk maken. Er is dus niets dat het gebeuren in de werkelijkheid in gang zet. Het onvermijdelijke toeval roept het ten opzichte van elkaar stilstaan op. Het begin van het gebeuren, wat lange tijd voor de denkers en de wetenschappers onverklaarbaar leek, heeft totaal niets geheimzinnigs. En ook het feit, dat het gebeuren, bij wijze van spreken, hier wel en daar niet plaatsvindt laat zich uit het voorgaande gemakkelijk verklaren. De beweeglijkheden bewegen blijvend voor zichzelf, zodat het altijd maar weer de vraag is hoe het valt. En als het hier valt behoeft het daar nog niet zo te zijn. Bijgevolg is de kosmos in zichzelf gedifferentieerd. Maar wat er ook gebeurt, steeds is het een kwestie van ten opzichte van elkaar stilstaan. Ons zonnestelsel is als zodanig een keer begonnen. Dat kon dus onmogelijk uitblijven. Waarom hier en toen? Dat is toeval. Maar verderop beginnen (en eindigen) steeds zonnestelsels, welbeschouwd op ieder moment dat ik nu zeg. Zo kun je ook met zekerheid zeggen dat er altijd mensen in het heelal zijn, planeten ontstaan en vergaan en zonnestelsels, nevelvlekken, zwarte gaten, zonnen.. . enzovoort. De werkelijkheid is een voortdurend ontstaan en vergaan. Dat feit wordt lang niet door iedereen erkend. De wetenschappers willen graag over een begin en een einde spreken en dat zou in orde zijn als zij het hielden bij een bepaald zonnestelsel, bijv. het onze. Maar zij betrekken het (stilzwijgend) op de kosmos als zodanig. Gebleken is dat dit met een hardnekkigheid volgehouden wordt, die zich niet meer op wetenschappelijke gronden verdedigen laat. Men schijnt er psychisch problemen aan te hebben de werkelijkheid zonder begin en einde te denken, waarschijnlijk omdat een dergelijk denken een schepping door de een of andere godheid onmogelijk maakt. Volgens sommigen verklaart dit de populariteit van de nooit degelijk bewezen theorie dat de kosmos uit een gigantische explosie van uiterst verdichte materie zou zijn ontstaan, de zogenaamde Big Bang. Deze theorie biedt een begin en een einde en dat schijnt voor veel denkers een rustgevend houvast te zijn. Dat alles zomaar gebeurt is, niet alleen voor wetenschappers, moeilijk te aanvaarden. Enkele natuurwetenschappers echter, o.a. Fred Hoyle, hebben toch een theorie, gebaseerd op een voortdurend ontstaan en vergaan, ontwikkeld. Een groot deel van de wetenschappelijke wereld reageerde hysterisch: er moest en zou een begin zijn! Merkwaardig is dat de denkers uit de oudheid en het oosten, voor zover bekend, wel degelijk dachten in termen van een eeuwigdurend ontstaan en vergaan binnen een dansende (d.w.z. beweeglijke), heldere, ijle en niet-materiele werkelijkheid. Pas met het doorzetten van de westerse cultuur, verbonden met een aantal christelijke voorstellingen, zijn die inzichten verloren gegaan. Ook spraken die denkers over het schijn karakter van de dingen. Ze schijnen anders dan ze zijn. Hun concrete vastheid lijkt ons alleen maar vast te zijn, maar is in feite eigenlijk een zinsbegoocheling. Goethe sprak over de dingen als zouden zij een Gleichnis zijn, een symbool, een gelijkenis en in zekere zin zelfs een schijngestalte. En wij gebruiken vanouds het woord verschijnsel. Kennelijk hebben de mensen vroeger beseft wat de ware aard van de dingen was: een schijnbare vastheid, grijpbaarheid en stoffelijkheid, die voor de echte werkelijkheid niet gold. De echte werkelijkheid is die ijle, onzichtbare, tijdloze en eindeloze, beweeglijke zee van onbenoembare ietsen. Het is eigenlijk bedroevend dat de huidige wetenschap niets te maken wil hebben met die oude inzichten en er zelfs van overtuigd is dat de oergrond van de werkelijkheid wel degelijk doormiddel van concreet onderzoek aan te tonen zal zijn. Op velerlei gebieden heeft men datgene, dat ooit eens door de mensen werd geweten, verdrongen met het argument dat het geen wetenschappelijke kennis zou zijn. Dat heeft het nadenken over die zaken stopgezet en zelfs verdacht gemaakt, welbeschouwd tot groot nadeel van de wetenschap, ook de moderne. De werkelijkheid van de beweeglijkheden, waarmee wij ons op het ogenblik bezig houden, is alleen maar te denken. Dat houdt automatisch in dat ik niet kan bewijzen dat de zaken zitten zoals ik denk dat ze zitten. Ik kan bijgevolg niemand zekerheid verschaffen, hoewel ik zelf wel degelijk zeker van mijn zaak ben. Het enige dat ik kan doen is zo genuanceerd de zaak te gaan nadenken. Bij dat zelf nadenken kan mijn gedachtegang over de werkelijkheid als beweeglijkheden dan eventueel als leidraad dienen. Ik ben voor mijzelf zeker van de zaak, maar die zekerheid kan ik niet aan anderen geven. Dat mag ik ook niet proberen. Daarom ben ik er onverschillig voor of ik al dan niet van iemand gelijk krijg. Mijn enige zorg is de werkelijkheid zo helder en genuanceerd mogelijk te beschrijven.

Na deze verantwoording gaan wij verder met ons thema.

Big Bang-1 ; Big Bang-2 ; Big Bang-3 ; Big Bang-4 ; Big Bang-5 ; Big Bang-6 ; Tijdloosheid/eindeloosheid ; Oneindigheid zie 3 en 4 , 18 , 38 t/m 40 , 60 , 66 t/m 69 ; Eeuwigheid ; Trilling-1 ; Trilling-2 ; Totaaltrilling ;

No. 5 †††

Behalve de beweeglijkheden is er absoluut niets. Er zijn dus geen krachten, of samenhangen of mechanismen die bepaalde situaties kunnen veroorzaken. Het enige dat er is, behalve de beweeglijkheden, is het onvermijdelijke toeval. Maar dat is op zichzelf niets, hoewel je er wel van kunt zeggen dat het er alleen maar zijn kan juist omdat er niets is. Was er namelijk wel het een of andere mechanisme, dan zouden wij niet meer van toeval mogen spreken. Het kan niet uitblijven dat groepjes beweeglijkheden gelijk-op bewegen en daardoor ten opzichte van elkaar stil staan, zonder voor zichzelf ten opzichte van elkaar te zijn (omdat voor de een de ander er helemaal niet is). In de moderne natuurkunde heeft men, bij het onderzoek van de materie, ontdekt dat er gigantische krachten in de materie schuilen. Nu denkt men dat die krachten er zijn om de zaak bijeen te houden, maar dat is een foute beoordeling. Uit het feit dat je enorme kracht nodig hebt om de materie uit elkaar te halen mag je logischerwijs niet afleiden dat er dan ook krachten moeten zijn die de zaak bijeen houden. Wat er aan energie vrijkomt bij de splitsing van de atoomkern is geen gevolg van het vrijkomen van bijeenhoudende krachten, maar van de energie van de materie zelf zoals wij nog zullen zien. Denken wij ons twee beweeglijkheden die gelijk-op bewegen en laten wij veronderstellen dat je dat stel beet kon pakken. Als je die twee nu van elkaar zou willen halen zou je niet de een of andere bijeenhoudende kracht op moeten heffen (door een grotere in te zetten), maar je zou van een van die twee of van allebei de beweging moeten veranderen. Dat zou neerkomen op het veranderen van hun natuur, hun eigen vrije aanwezigheid. Uiteraard is dat allemaal onmogelijk, maar wellicht maakt het duidelijk hoe de situatie met de beweeglijkheden is. Voor een deel geldt dit ook voor de verschijnselen. De hemellichamen bijvoorbeeld worden volgens Newton in hun banen gehouden door krachten, gebaseerd op de aantrekkingskracht. Maar ook hij leidt dit af uit het feit dat er kracht voor nodig is om ze uit hun banen te stoten. Volgens de wet actie = reactie zou er dan ook een kracht moeten bestaan om ze in hun baan te houden, maar dat is, voor ons althans, voorlopig nog maar de vraag. De beweeglijkheden zijn er voor zichzelf. Dat houdt in dat ik ze als factoren van een aantal vergelijkingen kan gaan gebruiken. Die vergelijkingen ontstaan als ik, te beginnen met een exemplaar, er telkens een bijvoeg en dan naga welke situatie ik dan aantref, ervan uitgaande dat ze ten opzichte van elkaar stil staan. Dat gaat als volgt:

1. Een enkele beweeglijkheid is volkomen onbepaald. Het is het punt uit de wiskunde dat eigenlijk alleen maar in je denken bestaat. Vanuit dat punt kun je oneindig veel andere punten denken en altijd blijft het het centrum.

2. Twee beweeglijkheden vormen tezamen het begrip lijn. Als het ene punt gegeven is kan het andere punt overal liggen. Elke situatie is goed, want altijd is er een lijn tussen die punten te denken.

3. Drie beweeglijkheden vormen tezamen het begrip vlak. Dat doen zij omdat zij een driehoek met elkaar vormen, en wel een gelijkzijdige driehoek. Die gelijkzijdigheid is onvermijdelijk omdat wij er van uitgaan dat de beweeglijkheden alle drie ten opzichte van elkaar stilstaan en er dus vanuit elk van die beweeglijkheden een gelijke verhouding tot de andere twee moet zijn. Verder is het van belang je te realiseren dat er door drie willekeurige punten altijd en nooit niet een bepaald vlak aan te brengen is. Gegeven de twee punten van de lijn kan het 3e punt overal liggen.

4. Vier beweeglijkheden vormen met elkaar het begrip ruimte. Het 4e punt moet zich uit het vlak verheffen om in gelijke verhouding tot de andere drie te komen. En omdat de onderlinge verhoudingen steeds gelijk moeten zijn kunnen wij niet anders dan aan een gelijkzijdige driehoekspiramide denken.

5. Vijf beweeglijkheden vormen met elkaar het begrip materie. Dit is een heel bijzondere situatie omdat het 5e punt nooit zo te leggen is dat alle onderlinge verhoudingen gelijk zijn. Bij zoveel mogelijk gelijke verhoudingen blijft er toch altijd een die afwijkend is. De consequentie daarvan is het ontstaan van de verschijnselen en tenslotte van onszelf!

Een paar dingen moeten ons nu eerst duidelijk worden. Ten eerste is daar het (verbazingwekkende) feit dat het verhaal niet begint met de ruimte. Je bent geneigd te denken dat de beweeglijkheden zich in een (oneindig grote) ruimte moeten bevinden, maar dat is niet het geval. De ruimte komt mee aan de bijzondere situatie van 4 beweeglijkheden. Voordien is er niet van ruimte te spreken. Hoe je je zoiets zou moeten voorstellen weet ik niet. Ten tweede blijkt uit het bovenstaande dat de materie voortkomt uit de beweeglijkheden voor zover zij ruimte zijn. De ruimte brengt dus materie voort en wel geheel uit zichzelf. Er komt helemaal niets anders bij te pas. En ook is het niet de materie die er altijd al was, zoals velen menen. De materie ontstaat en het is te begrijpen dat men in de oudheid dacht dat zij uit het niets ontstaan is. Maar zij is dus ontstaan uit de beweeglijkheden als ruimte. Ten derde moeten wij begrijpen dat aan de materie, zoals hierboven gezegd, wel degelijk ruimte voorondersteld is. Zij neemt dus ruimte in. Dat beantwoordt gelukkig veel meer aan ons gebruikelijke voorstellingsvermogen! Ten vierde moet opgemerkt worden dat de gelijkzijdigheid van de bij 3. en 4. genoemde situaties in geen geval aangeeft dat de beweeglijkheden even ver van elkaar zouden liggen. Het slaat slechts op het feit dat er gelijke verhoudingen aanwezig moeten zijn, namelijk die van ten opzichte van elkaar stilstaan. Zijn die gelijke verhoudingen er niet, dan moeten we in het geval 3. denken aan 3 x 2 beweeglijkheden (lijn) en in het geval 4. aan 6 x 2 beweeglijkheden, of 1 x 3 (vlak) en 3 x 2. In feite gaat het in het laatste geval uitsluitend over het begrip vlak en niet over het begrip ruimte.

Tenslotte: Einstein zei: God dobbelt niet, doelende op de onvermijdelijkheid van de processen. Zo ook met ons denken. Er mag niet gedobbeld worden, steeds moet de enige mogelijkheid worden opgezocht.

Ontstaan van Ruimte en tijd-1(zie nrs. 4 en 5) ; Wat is TIJD-2 ; Het onvermijdelijke toeval (nos 3,4,5) en vervolgens de nos. 8,†† 15,†† 18,20,21,22,23,25,27,28,†† 31,†† 60,67,68,69 en 70) ;

No. 6

Trilling-1 ; Trilling-2 ; Totaaltrilling ;

Omdat we de beweeglijkheden gedacht hebben als volkomen op zichzelf staande ietsen is het mogelijk om je af te vragen: welke verhoudingen er optreden als er resp. twee, drie en meer van die ietsen in een ten opzichte van elkaar gelijke verhouding aanwezig zijn. Die gelijke verhouding kan natuurlijk niets anders betekenen dan gelijk-op bewegen en dus ten opzichte van elkaar stilstaan. Hoewel er in feite, wat deze zaken betreft, niets valt waar te nemen kun je je er toch iets van voorstellen. Sterker nog: je moet dit wel doen, want anders ontdek je de ervoor geldende verhoudingen helemaal niet. Zonder zo'n voorstelling is en blijft de zaak ongrijpbaar, met als gevolg dat je er niets aan kunt bedenken. De meetkundige voorstelling, namelijk die van punten, lijnen, vlakken, ruimte en materie leent zich er niet zo goed voor als je niet enigszins getraind bent in het denken van ruimtelijke figuren, zoals in de stereometrie het geval is. Daarom: je kunt de zaak betrekkelijk goed en betrouwbaar uitdrukken (d.w.z. voor de geest halen), door in plaats van aan punten aan bolletjes te denken, die allemaal even groot zijn. Je beschouwt het middelpunt van zo'n bolletje dan als het begrip punt, dus als de eigenlijke beweeglijkheid, en de bij allemaal even grote straal geeft aan dat de activiteit in alle richtingen exact dezelfde is. Leg je dan enkele van die bolletjes tegen elkaar, dan betekent dit dat zij ten opzichte van elkaar stilstaan. Houd echter goed in de gaten dat het in werkelijkheid geen bolletjes zijn en dat ons bolletje geen uitdrukking geeft aan een vorm, afmeting of wat dan ook, maar louter aan verhoudingen van beweeglijkheid. Wij hebben bijvoorbeeld gesproken over de gelijkzijdige driehoek. Deze vinden wij terug als wij drie bolletjes zo tegen elkaar leggen dat zij elkaar alle drie raken. De driehoek ontstaat als je de drie middelpunten door rechte lijnen met elkaar verbonden denkt. De gelijkzijdige driehoekspiramide ontstaat door op die drie tegen elkaar aanliggende bolletjes een vierde te leggen, die dan vanzelf tegen de oorspronkelijke drie aanligt. Je kunt gemakkelijk constateren dat dit vierde bolletje er inderdaad op gelegd moet worden en dat er geen andere mogelijkheid is om tot gelijke verhoudingen (het elkaar raken van alle bolletjes) te komen. Overigens: er op leggen of er onder leggen is precies hetzelfde, daarom houd ik het voor de duidelijkheid op er op leggen. Het zoeken van een plaats voor het vijfde bolletje, zo dat het de andere 4 raakt en er uitsluitend gelijke verhoudingen (= elkaar raken) ontstaan blijkt zinloos. Zo'n plaats is er niet. Als ik geen raakpunten met 4 bolletjes kan vinden ben ik genoodzaakt naar 3 raakpunten te zoeken. Daarvoor blijken er 4 mogelijkheden te zijn, die evenwel allemaal op hetzelfde neerkomen. Daarom situeer ik het vijfde bolletje maar aan de onderkant, uitsluitend ter wille van de duidelijkheid van onze voorstelling.

Eveneens ter wille van de duidelijkheid nummer ik de bolletjes als volgt: 1, 2 en 3 zijn de in een driehoek liggende bolletjes in het platte vlak, 4 is het er op liggende bolletje dat ruimte ten gevolge heeft en 5 is het onder het vlak van 1,2 en 3 liggende bolletje dat de eerste situatie van de materie oplevert. Deze situatie is een hoogst merkwaardige omdat er nu een verhouding is die afwijkt: de bolletjes 4 en 5 liggen niet tegen elkaar en dat betekent dat die twee ten opzichte van elkaar niet stilstaan. Maar tegelijk staan ze alle twee wel degelijk stil ten opzichte van de driehoek 1,2 en 3, zodat je niet anders kunt dan concluderen dat 4 en 5 ten opzichte van elkaar tegelijk wel en niet stilstaan. Daaruit komt het begrip trilling voort. Volgens de klassieke wis- en meetkunde klopt er hier iets niet: als 4 ten opzichte van vlak 1,2,3 stilstaat en 5 ten opzichte van datzelfde vlak stilstaat, dan moeten 4 en 5 ook ten opzichte van elkaar stilstaan. Pas betrekkelijk recentelijk is men in de wetenschap tot de ontdekking gekomen dat twee tegenstrijdigheden inderdaad tegelijk waar kunnen zijn. Vooral in de moderne natuurkunde stuit men herhaaldelijk op dit verschijnsel. In de filosofie echter, althans in de creatieve, is het denken van de eenheid van elkaar weersprekende verhoudingen iets heel gewoons. Denk maar aan de eenheid van tegendelen in de Hegelse filosofie. De ongelijke verhouding tussen 4 en 5 duidt dus op het gelijktijdig wel en niet in beweging zijn binnen het groepje van vijf beweeglijkheden. Dit in zichzelf in beweging zijn is iets anders dan de beweeglijkheid van de ietsen op zichzelf. Deze laatste was volkomen onbepaald, maar die binnen het groepje van vijf is in zoverre bepaald dat er een richting in zit: beweging van 4 ten opzichte van 5 en beweging van 5 ten opzichte van 4. Er loopt als het ware een bewegingsas door 4 en 5 heen. Het gehele materiele groepje van vijf is in zichzelf bewegend en daarvoor geldt het begrip richting- een uiterst belangrijk begrip...

( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)††††

Er is nog iets eigenaardigs. Als ik de verhoudingen tussen de bolletjes bekijk vanuit 4 is bolletje 5 er niet, omdat het voor 4 niet gelijk-op bewegend is en dus niet stilstaat. Dat betekent dat ik, het groepje bekijkend vanuit 4, slechts te doen zal hebben met ruimte en niet met materie. Hetzelfde geldt als ik vanuit 5 redeneer naar 4 toe. Bekijk ik de zaak echter vanuit 1, 2 of 3, dan is er wel degelijk sprake van materie omdat zowel 1 als 2 als 3 aan alle bolletjes raken. Dit betekent dat de eerste materiŽle situatie van de werkelijkheid zich als wel en niet materie laat gelden, afhankelijk van het gezichtspunt van waaruit de zaak bekeken wordt. Dit zal ons vreemd voorkomen. Voorlopig stel ik: het ziet er naar uit dat het waarnemen van en het nadenken over de werkelijkheid blijkbaar afhankelijk is van de optiek van de waarnemer. Of dit consequenties heeft zien we nog wel. De ruimte is een stabiele situatie van de beweeglijkheden, maar dat geldt niet voor die eerste materie. Doordat 4 en 5 ten opzichte van elkaar bewegen hebben wij te doen met uiterst labiele verhoudingen. Voor zover bijvoorbeeld 5 beweegt ten opzichte van 4 geldt er dat het groepje van vijf eigenlijk steeds terugvalt tot een groepje van vier, om vervolgens ook weer een groepje van vijf te vormen. Dat wil zeggen dat die eerste materiele situatie er afwisselend wel (materie) en niet (ruimte) is. Beter nog: er tegelijk wel en niet is. Dit nu is kenmerkend voor het begrip grens. Aan het begin van de wording van het verschijnsel ligt het tegelijk wel en niet materie zijn en dat is nu net precies dat begrip grens. Altijd heeft dat begrip een dubbel karakter (iets wel en niet tegelijk zijn) en dat zullen wij ook weer tegenkomen als wij eenmaal bij het verschijnsel mens zijn aangeland. Die eerste materie, dat eerste ding, zal ik nimmer kunnen bepalen, in de zin van vastleggen of waarneembaar maken, juist omdat het er voortdurend ook niet is op grond van de beweging van 4 ten opzichte van 5 en omgekeerd. Nog een opmerking over het gelijk-op bewegen. Je kunt je namelijk afvragen hoe je dat begrip kunt hanteren bij ietsen waarvan absoluut niets te zeggen valt. Welnu, het is niet mogelijk die zee van beweeglijkheden te denken, zodanig dat alle beweeglijkheden gelijk-op bewegen. Er zou dan niets zijn, behalve een ongedifferentieerde homogene massa. We hebben echter al gezien dat dit niet het geval kan zijn en dus moet je van de beweeglijkheden zeggen dat zij wezenlijk niet gelijk-op bewegen en juist dan is het onvermijdelijk dat er toevallig steeds aantallen gelijk-op bewegende ietsen zijn.

de eerste materiele situatie van de werkelijkheid ; De elementaire materie als brandpunt van bewegingen(energie) ; Tijdloosheid/eindeloosheid ; Oneindigheid zie 3 en 4 , 18 , 38 t/m 40 , 60 , 66 t/m 69 ; Eeuwigheid ; Trilling-1 ; Trilling-2 ; Totaaltrilling ;

No. 7

Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ; Overgang-5 ; Overgang-6 ; Overgang-7 ; geest-1 ; geest-2 ; geest-3 ; geest-4 ;

Op pagina 12 staat dat de eerste materiele situatie er afwisselend wel en niet is. Dat begrip afwisselend vereist enige toelichting. Het gaat om het in beweging zijn van 4 ten opzichte van 5 en omgekeerd. Voor zover de een ten opzichte van de ander is moet je spreken van in beweging zijn, maar voor zover 4 of 5 zich als het ware van het groepje afscheiden (dat dan tot ruimte terugvalt) geldt voor die beweeglijkheden 4 of 5 het volkomen onbepaald zijn. Voor die situatie van volkomen onbepaald zijn geldt het begrip tijd niet. Dat betekent dat we de genoemde afwisseling moeten begrijpen als een zaak die synchroon is, d.w.z. een zaak die geen tijd in beslag neemt. Tussen de situatie van het wel-materie zijn en het niet-materie zijn verloopt geen tijd. Vandaar dat ik gezegd heb dat 4 en 5 ten opzichte van elkaar tegelijk wel en niet beweeglijk zijn.

Zowel het wel-bestaan als het niet-bestaan geldt gelijktijdig voor die primaire materie. Die synchroniteit is voor ons niet zo vreemd als het ons op het eerste gezicht toeschijnt. Dat mag uit een drietal voorbeelden blijken: 1) ons denken neemt geen tijd in beslag; we kunnen ons, bij wijze van spreken, onmiddellijk op de maan denken of waar dan ook - dit niet te verwarren met het uitzoeken van een probleem, want dat kost gewoonlijk wel veel tijd. Het gelijktijdige karakter van het denken komt voort uit de situatie die onze geest is: de geest is de materie, tot een maximale samenhang verdicht (verinnigd), die zich gedraagt alsof ze geen materie, dus de oorspronkelijke beweeglijkheid, was. Hierop komen wij uiteraard nog uitvoerig terug, als wij, na een heel lang verhaal, eindelijk bij de mens aangeland zijn. 2) Wij kunnen soms een hele reeks gebeurtenissen dromen, die er mee eindigt dat de telefoon gaat. Op datzelfde moment gaat echt de telefoon. De hele geschiedenis speelt zich in onze geest af zonder dat er tijd verstrijkt maar wij hebben de indruk dat we misschien wel een uur gedroomd hebben. In feite ging alles gelijktijdig. 3) Het EPR experiment in de fundamentele natuurkunde (Einstein, Podolsky en Rosen): je splitst een deeltje in twee gelijksoortige deeltjes, die ieder een kant opgaan; je verandert, doormiddel van magneten, het gedrag van een van de deeltjes en je ziet dat het andere deeltje gelijktijdig zijn gedrag op overeenkomstige wijze verandert, zonder dat je dat deeltje ook maar iets in de weg gelegd hebt. Je zou denken dat er een signaal van het ene naar het andere deeltje gegaan zou zijn, maar dat moet dan een snelheid hoger dan die van het licht gehad hebben. Waarschijnlijk hebben de natuurkundigen bij dit experiment kennis gemaakt met een vorm van synchroniteit, gelijktijdigheid. Deze voorbeelden maken hopelijk duidelijk dat de gelijktijdigheid eigenlijk niet zo heel erg vreemd is. Maar het begrijpen hiervan blijft moeilijk. Zeker als je weigert op de mystieke toer te gaan. Overigens moeten wij goed voor ogen houden dat het over voorbeelden gaat, die in geen geval opgevat mogen worden als bewijzen of argumenten voor de juistheid van onze gedachtegang. Zou je dat wel doen, dan ben je met oneigenlijke argumenten bezig. Wat trouwens in de moderne filosofie schering en inslag is...

We gaan nu eens kijken welke (beweeglijkheids-) verhoudingen we krijgen als we een zesde bolletje aan het groepje van vijf toevoegen. Dan blijken er zes mogelijkheden te zijn, die allemaal op hetzelfde neerkomen. Daarom pikken we er een uit: bolletje 6 leggen wij tegen 1, 2 en 4 aan. Als eerste valt dan op dat er nu twee primaire materiele verhoudingen zijn, namelijk een die gevormd wordt door het oorspronkelijke groepje 1, 2, 3, 4, en 5, en een die gevormd wordt door 1, 2, 3, 4 en 6. In dat ene nieuwe groepje van zes beweeglijkheden is een tweetal primaire verhoudingen ineen. Eventueel kun je nu zeggen dat de materie zich aan het verdichten is. Je treft natuurlijk ook twee bewegings- richtingen aan: de richting 4/5 en de richting 3/6 en de denkbeeldige lijnen van die richtingen snijden elkaar binnen het groepje van zes. Maar er is nog meer: de bolletjes 3 en 6 en ook de bolletjes 4 en 5 gelden als in beweging ten opzichte van elkaar zodat zich daarin de situatie afwisselend wel/niet materie manifesteert. Als nu bijvoorbeeld bolletje 6 zich laat gelden als niet materie ten opzichte van 1, 2, 3 en 4 blijft er altijd nog materie over, namelijk 1,2,3,4 en 5 en dan is er geen terugval naar ruimte. Als we op dit laatste doordenken wordt hopelijk duidelijk dat bij het zich vergroten van het groepje bolletjes de kans dat teruggevallen wordt op ruimte steeds kleiner wordt. Maar het blijft mogelijk en dat zal altijd het geval zijn. De zich verdichtende materie staat steeds minder in het teken van de waarschijnlijkheid dat zij tot ruimte, vlak, lijn of punt terugvalt. Dat verklaart waarom wordingsprocessen in de kosmos overwegend doorgaan, maar soms ook niet. En het verklaart ook dat de waarschijnlijkheid van terugval kleiner wordt naarmate die wordingsprocessen zich verder doorgezet hebben. Hoe ijler de verschijnselen (= resultaten van zo'n wordingsproces) hoe groter de waarschijnlijkheid van terugval. Als we ons nu voorstellen dat de beweeglijkheden, in groepjes van vijf de primaire materie vormende, zich tot een groot materieel systeem hebben verdicht, dan is het wellicht begrijpelijk dat zich binnenin dat systeem een warwinkel van bewegingen bevindt, in allerlei richtingen en voortdurend in andere combinaties van groepjes van vijf, van primaire materie. Het is daar een onstabiele toestand. In het inwendige van grotere hemellichamen spelen zich dan ook almaar nucleaire processen af onder gigantisch hoge temperaturen, terwijl de buitenkant in veel gevallen gestold is. Maar soms ook niet, zoals bijvoorbeeld bij onze zon het geval is. Bovendien is er de neiging de vorm van een bol aan te nemen omdat er steeds sprake moet zijn van zoveel mogelijk ten opzichte van elkaar stilstaan van de beweeglijkheden. Dit stilstaan is en blijft essentieel voor de wording van de verschijnselen in de kosmos. We moeten ons dan ook goed blijven realiseren dat de wirwar van bewegingen in het inwendige van een hemellichaam niet het directe gevolg is van het beweeglijk-zijn van de ietsen, maar van de polaire beweging zoals die zich laat gelden tussen de ietsen 4 en 5 van ons groepje bolletjes, dat de primaire materie voorstelt. Correct gesproken gaat het dus niet over beweeglijkheid (= volkomen onbepaald), maar over beweging (= min of meer bepaald). Die beweging is aan de oppervlakte van grote materiele systemen in zoverre effectief dat er wel voortdurend een soort van uitwisseling is van beweeglijkheden (ietsen) die, al of niet in combinatie - ten opzichte van elkaar stilstaan - met andere beweeglijkheden, zich als het ware losmaken van het systeem en van beweeglijkheden die zich er bij voegen. Het is bekend uit de natuurkunde dat alle lichamen deeltjes, d.w.z. groepjes beweeglijkheden, uitstralen. Alle voorwerpen stralen. Geen enkel voorwerp is letterlijk begrensd, steeds is de begrenzing een overgangssituatie. Als je je hiervan goed bewust bent ga je toch wel heel anders tegen de kosmische verschijnselen aankijken.

Maar: intussen ben ik op een groot aantal zaken vooruit gelopen. Over de waarschijnlijkheid van de terugval tot niet-materie is, ook bij ons groepje van zes bolletjes, nog wel het een en ander te zeggen, dat enig licht werpt op het begrip waarschijnlijkheid.

Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ; Overgang-5 ; Overgang-6 ; Overgang-7 ; geest-1 ; geest-2 ; geest-3 ; geest-4 ;

 Naar boven††††††††††††††††††††††

No. 8

( naar het begin van: het onvermijdelijke toeval-pag. 3 t/m 5 ) ; Het onvermijdelijke toeval (nos 3,4,5) en vervolgens de nos. 8,†† 15,†† 18,20,21,22,23,25,27,28,†† 31,†† 60,67,68,69 en 70)

Er is een samenhang tussen het onvermijdelijke toeval en de waarschijnlijkheid, waarmee gebeurtenissen optreden. Maar je zou toch in de war kunnen raken, omdat het begrip onvermijdelijk in principe het begrip waarschijnlijkheid tegenspreekt. Toch is dat hier niet zo: het begrip onvermijdelijkheid slaat op veranderingen in bestaande bepaalde situaties, en wel zo, dat je kunt vaststellen welke mogelijkheden er zijn en dan tegelijk weet dat die mogelijkheden zich hier of daar stellig zullen manifesteren - is het niet in de ene situatie, dan wel in de andere. De waarschijnlijkheid slaat hierop dat je vaststelt welke van die mogelijkheden de meeste kans heeft om zich in de praktijk te realiseren als je een bepaalde materiele situatie, dus een bepaald groepje, nader beschouwt. Bij ons groepje van zes, in een stilstands-verhouding ten opzichte van elkaar staande bolletjes (= beweeglijkheden), heeft bolletje 4 minder kans om nog uit het groepje weg te springen, omdat hij, door het erbij komen van 6, in de stabiele situatie van het nieuw ontstane vlak 1-2-4 is terechtgekomen. Slechts de bolletjes 5 en 6 maken een goede kans weg te springen. Daarbij is dan weer het meest waarschijnlijke dat zij dit niet tegelijk zullen doen, omdat zij ten opzichte van elkaar beweeglijk zijn. Bijgevolg heeft het groepje van zes bolletjes de meeste kans niet tot ruimte (of nog minder) terug te vallen. Hoe meer bolletjes je er nu aan toevoegt, hoe groter de kans wordt dat het zich vormen van een materieel systeem zich doorzet. Als het met de waarschijnlijkheden niet zo zou liggen zou er in de kosmos niet of nauwelijks iets ontstaan zijn, op grond van het feit dat het terugvallen tot ruimte vrijwel steeds plaatsvond. Let op dat deze laatste uitspraak een oneigenlijke argument bevat: dat er allerlei ontstaan is zou moeten betekenen dat het terugvallen steeds onwaarschijnlijker wordt. In feite echter vonden we eerst die toenemende onwaarschijnlijkheid vanuit onze gedachtegang en daarna diende die uitspraak als illustratie daarvan. Alweer vooruitlopend op de zaak: de steeds aanwezige, maar steeds kleinere, kans op terugval tot ruimte (= voor ons: verdwijnen) houdt op te gelden als een hemellichaam, in feite een planeet, zich zover doorgezet heeft dat zij zichzelf tot een evenwichtssituatie heeft ontwikkeld. Onze aarde vertoont vervolgens dan ook nog het verschijnsel dat zij zich tot leven om gaat zetten. Door het vervallen van die kans op terugval is het zeker dat dit leven zich zal doorzetten tot en met het menselijke leven. Het verschijnen, tenslotte, van de mens is in feite dus niets bijzonders. ( terug naar: de verantwoording ) Veel geleerden vinden het wel iets bijzonders; zij achten de kans op het verschijnen van de mens uiterst klein en zij doen dan graag quasi diepzinnig over deze bijna onmogelijke gebeurtenis. In feite echter is het zeker dat de mens verschijnt. Maar let op: die zekerheid geldt als je vanuit die planeet redeneert. Als er, van buitenaf, iets met die planeet gebeurt kan de hele zaak kapotgemaakt worden en dan gaat het feest niet door! Hoe groot die kans is, is met geen mogelijkheid te zeggen, maar dat hij er is staat vast. Hetzelfde geldt voor een baby: het is absoluut zeker dat zo'n kindje tot een volwassen mens uit zal groeien, maar het is nog lang niet zeker dat er niet iets gebeurt waardoor de zaak spaak loopt. De kans daarop is zelfs tamelijk groot, vandaar dat je het kindje voortdurend in bescherming moet nemen. Totdat op onze planeet het leven ontstaat is er steeds een kans op terugval, die is als het ware in het materiele systeem ingebouwd, je kunt zeggen: het is een inwendige mogelijkheid. Het leven echter kan niet terugvallen, maar het kan wel verstoord worden door veranderende omstandigheden. Dat is een uitwendige mogelijkheid, die uiteraard ook weer onderworpen is aan het begrip waarschijnlijkheid. Het terugvallen van een materieel systeem tot eenvoudiger verhoudingen, en eventueel tot ruimte, is iets geheel anders dan het proces van het vergaan, oftewel de vergankelijkheid. Terugvallen behoort gewoon tot de natuurlijke processen, waarin veranderingen in de beweeglijkheids- verhoudingen optreden. Wij, in onze gedachtegang, noemen het terugvallen omdat wij op het ogenblik bezig zijn de wording als het ware op te bouwen. Dan is het wegspringen van beweeglijkheden uit een materieel systeem een stapje terug. Maar, gezien vanuit dat systeem is het een heel normale gang van zaken. Het vervallen van een radioactief atoom, door het vrijgeven van straling, tot een andere materie is geen kwestie van vergankelijkheid, van vergaan, maar van een normaal proces dat tot stabilisering van de materie leidt. Bij de vergankelijkheid echter heb je te doen met samenklonteringen van materie, stukken rots bijvoorbeeld, die als materie tot steeds kleinere klonteringen terugvallen, zonder daarbij tot een andere materie te worden. Je kunt met recht spreken van het vergaan tot stof. Dat vergaan is alleen dan mogelijk als een materieel systeem tot een evenwichtssituatie is gekomen en als zodanig niet verder kan gaan. Opmerkelijk is dan ook dat het leven het vergaan van de planeet nodig heeft, in de vorm van kleine concentraties gebroken samenklonteringen van de materie: mineralen en dergelijke. Het is in dit stadium van onze gedachtegang niet doenlijk na te gaan hoe het met dat vergaan zit, maar wij kunnen wellicht dit vasthouden: bij het vergaan breken de materiele, in een evenwicht uitgelopen, systemen, maar bij het wegspringen gaat het slechts om beweeglijkheden die zich aan het systeem onttrekken, zoals dat bijvoorbeeld aan de oppervlakte van lichamen voortdurend plaatsvindt. Daardoor veranderen die lichamen niet van karakter en van vorm (behalve bij heel elementaire situaties). Maar bij het vergaan verandert in eerste instantie de vorm en tenslotte ook het karakter.Over die bolletjes moet nog het volgende opgemerkt worden: wij stellen ons de beweeglijkheden voor doormiddel van onze bolletjes en daarbij is de bolvorm uitdrukking van een aan geen richting gebonden beweeglijkheid. Door onze voorstelling van die bolletjes ben je geneigd te gaan menen dat het om die bolletjes zou gaan, of, in de werkelijkheid: dat het om die beweeglijkheden zou gaan. Maar niets is minder waar. Die beweeglijkheden zijn volkomen oninteressant en dat moet ook wel, op grond van hun absoluut onbepaald-zijn. Het enige dat wel interessant is, is de verhouding van beweeglijkheid. Op grond van die verhoudingen is er voor ons een concrete, een tastbare, werkelijkheid en dat is eigenlijk een werkelijkheid van harde dingen, die wezenlijk uit niets anders bestaan dan beweeglijkheid. Voor ons alledaagse besef zou die werkelijkheid dus uit niets moeten bestaan en dat is toch wel een zaak die niet zo gemakkelijk te begrijpen valt. We zouden het veel gemakkelijker begrijpen als er inderdaad bolletjes waren. Meestal zijn de denkers en onderzoekers dan ook daarbij blijven steken, met als onbedoeld gevolg dat zij met geen mogelijkheid de oorspronkelijke aanwezigheid van die bolletjes konden verklaren. Heb je echter in de gaten dat het om beweeglijkheden gaat, dan wordt die oorsprong tenslotte duidelijker. Bovendien kan je dan ook bevatten dat de werkelijkheid in oorsprong helemaal niet materieel is en dat zij tenslotte in een situatie komt te verkeren waarin de materie zich als geen-materie gaat laten gelden. Dan blijkt het idee van de vroegere denkers dat er aan het begin en aan het eind van het kosmische proces zoiets als geest zou zijn, nog helemaal zo dom niet.

Het onvermijdelijke toeval (nos 3,4,5) en vervolgens de nos. 8,†† 15,†† 18,20,21,22,23,25,27,28,†† 31,†† 60,67,68,69 en 70)

No.9††† Big Bang-1 ; Big Bang-2 ; Big Bang-3 ; Big Bang-4 ; Big Bang-5 ; Big Bang-6

Het enige dat er is is de eindeloze zee van beweeglijkheden ( zie ook no. 3 ). Een verschijnsel wordt door die beweeglijkheden veroorzaakt, maar dat betekent zeker niet dat die ietsen, om zo te zeggen, aan zo'n verschijnsel deelnemen, bijvoorbeeld op de manier waarop de stenen aan het verschijnsel huis deelnemen, of de moleculen en atomen aan het verschijnsel ijzer. Was dit wel het geval, de beweeglijkheden zouden zich vastgelegd hebben, zij zouden tot bepaaldheden geworden zijn. Daarmee zouden zij hun wezenlijke onbepaaldheid (absolute beweeglijkheid) kwijtgeraakt zijn. Maar dat kan niet: om die onbepaaldheid kwijt te raken zouden de beweeglijkheden aantastbaar geweest moeten zijn, hetgeen niet het geval is. Zij zijn en blijven wat zij oorspronkelijk waren, namelijk volkomen onbepaald. Van belang zijn slechts de verhoudingen van beweeglijkheid, die buiten de ietsen om ontstaan en het zijn uitsluitend die verhoudingen die het verschijnsel vormen. Ons hulpmiddel, het bolletje, mag dus niet zoals steeds beklemtoond - als een bouwsteen opgevat worden, maar ook de beweeglijkheid, voorgesteld door dat bolletje, is in geen geval een bouwsteen. Sommige denkers uit vroeger tijden, onder andere Newton (1643- 1727) kwamen tot de ontdekking dat er een soort van oerbeweger aan het heelal ten grondslag zou moeten liggen. Wij zouden nu kunnen bevestigen dat dit klopt als je aan de beweeglijkheden denkt, maar het klopt niet als je, zoals die oude denkers deden, aanneemt dat zo'n oerbeweger de een of andere godheid zou zijn. Evenmin klopt het als je, zoals de eerder genoemde filosoof Jan BŲrger deed, uitsluitend van enkelvoudigheden spreekt, in de zin van niet verder splitsbare en dus fundamentele materie. Je beschouwt die enkelvoudigheden dan wel degelijk als bouwstenen. Je kunt echter wel de door ons gevonden materiele systemen als bouwstenen beschouwen, maar ook dan moet je er op attent blijven dat het ook daarbij om de beweging gaat en eigenlijk niet om dingen. We gaan nu terug naar het begrip ruimte, bestaande uit het systeem van vier beweeglijkheden in onderling gelijke verhoudingen (de gelijkzijdige driehoekspiramide). Vervolgens bedenken wij dat uit deze ruimte de materie voortgekomen is, te beginnen met de primaire verhouding, bestaande uit een systeem van vijf beweeglijkheden. Deze primaire verhouding is labiel, omdat wij de vijfde beweeglijkheid (bolletje 5) een plaats hebben gegeven, willekeurig gekozen uit vier mogelijkheden. Ook beweeglijkheid 6 (bolletje 6) was willekeurig gekozen en dat geldt eveneens voor de thans toe te voegen beweeglijkheid 7, bijvoorbeeld gelegen tegen 2, 3 en 4. Maar als de 8ste beweeglijkheid er aan toegevoegd is, uiteraard gelegen tegen 3, 1 en 4 houdt het systeem op labiel te zijn. Er zijn nu vier beweeglijkheden aan toegevoegd en wel op alle mogelijke plaatsen, uiteraard uitgaande van de situatie ruimte. Te constateren is dat wij nu een systeem hebben waarin de primaire materiele verhouding vier maal voorkomt, namelijk tussen de polaire beweeglijkheden 1 en 7, 2 en 8, 3 en 6, 4 en 5. Dat betekent dat het polaire in beweging zijn ook vier maal voorkomt, namelijk tussen de zojuist genoemde polaire beweeglijkheden. De richtingen van deze genoemde bewegingen zijn zodanig dat zij elkaar precies in het centrum van het systeem snijden, en wel op evenwichtige wijze: naar alle vier de richtingen treedt er een gelijke situatie op. Het brandpunt van deze gerichte bewegingen ligt in het centrum van het systeem, daar komen de bewegingen als het ware samen en nu is het juist dit brandpunt dat wij moeten benoemen met materie. Het is dus niet het klompje van acht beweeglijkheden dat materie is, maar juist het brandpunt van de vier polaire bewegingen. Alle verschijnselen bestaan uit verzamelingen van die brandpunten. Als een verschijnsel, een voorwerp, zich verplaatst zijn het niet klompjes beweeglijkheden die op weg gaan, maar zijn het die brandpunten die zich als het ware verplaatsen naar andere beweeglijkheden om daar een nieuw brandpunt te vormen, enzovoort. Als er een elektrische stroom door een stroomdraad gaat vloeit er niet iets door die draad, als een vloeistof door een buis. Er verplaatst zich een verhouding en die verplaatsing houdt op als je die draad doorknipt, maar als je die buis doorsnijdt loopt de vloeistof prompt weg. Het zich verplaatsen van voorwerpen door de ruimte gaat zoals de elektrische stroom door de draad: er verplaatst zich een brandpunt van verhoudingen tussen beweeglijkheden, zonder dat die beweeglijkheden er zelf aan deelnemen (zij nemen immers nergens aan deel!).

Er schijnt een natuurkundige theorie te bestaan die overeenkomst vertoont met onze gedachtegang. Volgens die theorie zijn de verschijnselen knooppunten van (golf)bewegingen, precies zoals in een trillende vioolsnaar knopen en buiken aanwezig zijn, in plaats en aantal afhankelijk van de toonhoogte van de door de snaar teweeggebrachte toon. Die theorie echter schijnt de meeste natuurkundigen nogal onwaarschijnlijk voor te komen, maar wel wordt de gedachte algemeen aanvaard dat je eigenlijk, denkende over verschijnselen, niet van dingen zou moeten spreken, maar van gebeurtenissen. Hierin klinkt al wel het besef door dat de hele zaak tot een samenspel van bewegingen teruggebracht moet worden. Hoe dan ook, die knooppunten theorie zou, als men er in slaagde haar goed uit te werken, de genadeslag kunnen geven aan de algemeen aangehangen theorie van de Big Bang, volgens welke de verschijnselen het resultaat zijn van een oerexplosie van aanvankelijk uiterst verdichte materie. In ieder geval sluit onze gedachtegang een Big Bang, als begin van het ontstaan van het heelal, volkomen uit. Als je over de werkelijkheid nadenkt zoals wij op het ogenblik doen stuit je steeds op volkomen vanzelfsprekende zaken, die zo eenvoudig zijn dat je moeite hebt ze te aanvaarden. Maar ook als je ze (voorlopig?) niet aanvaardt blijft er toch over dat het interessant is om de gedachtegang voort te zetten en te kijken waar je tenslotte uitkomt. Zo is er nog iets aan ons systeem van acht beweeglijkheden te bedenken: de vier buitenste beweeglijkheden, namelijk de bolletjes 5, 6, 7 en 8, sluiten de vier binnenste, namelijk 1, 2, 3 en 4, op geheel regelmatige wijze in. Dat betekent dat het systeem ruimte (1-2-3-4) ingesloten is in de materie. Dit brengt ons tot de constatering dat de ruimte niet alleen de materie voortbrengt, zodat de materie zich in de ruimte bevindt, maar ook dat de materie zelf eveneens ruimte inneemt. De materie heeft een zeker volume, een feit dat ons uit de dagelijkse praktijk natuurlijk bekend is. Bovendien weten wij allemaal dat onze hersenen wel ruimte innemen uiteraard omdat zij materieel zijn - maar onze geest niet. Kennelijk is het innemen van ruimte gebonden aan materiele situaties en dat blijkt dan ook uit ons model van de materie. Opgemerkt moet ook nog worden dat wij in het geval van stabiele systemen, zoals ons groepje van acht, te maken krijgen met wiskundige figuren, volgens een strenge orde doortrokken van regelmatigheid. Ons groepje is volstrekt willekeurig vanuit elk der beweeglijkheden (bolletjes) te bekijken zonder dat wij op onregelmatigheden stuiten. De associatie met kristallen dringt zich onweerstaanbaar op en dan is het wel aardig om te bedenken dat er in een onooglijk klein kwartskristal een dermate regelmatige beweeglijkheid blijkt te zitten dat wij het kunnen benutten om een uiterst nauwkeurig uurwerk te maken, nauwkeuriger dan welk mechanisch uurwerk ook.

Big Bang-1 ; Big Bang-2 ; Big Bang-3 ; Big Bang-4 ; Big Bang-5 ; Big Bang-6 ; Tijdloosheid/eindeloosheid ; Oneindigheid zie 3 en 4 , 18 , 38 t/m 40 , 60 , 66 t/m 69 ; Eeuwigheid ; Trilling-1 ; Trilling-2 ; Totaaltrilling ;

No. 10

radiogolven-1 ; radiogolven-2 ; Samenhang-1 ; Samenhang-2 ; Samenhang-3

Het gaat er bij de beweeglijkheden steeds om dat zij al of niet ten opzichte van elkaar stil kunnen staan, doordat zij bij toeval gelijk-op bewegen. Nu zou je kunnen veronderstellen dat bijvoorbeeld het systeem ruimte best zou kunnen worden gevormd door een viertal beweeglijkheden die, zeg maar, op een afstand van een lichtjaar van elkaar verwijderd zijn. Het gaat immers alleen maar om het gelijk-op-bewegen. Op zichzelf is deze veronderstelling inderdaad houdbaar, maar: ongemerkt heb je er een grootheid ingevoerd die oneigenlijk is, namelijk het begrip afstand, en zelfs een bepaalde afstand. Dat is een begrip dat wij echter nog niet tegen gekomen zijn. Allicht niet want we zijn nog steeds bezig met ietsen waarvan op zichzelf absoluut niets te zeggen valt. Pas bij het optreden van materie zijn wij in staat wel allerlei zaken te bepalen. Maar dan gaat het eigenlijk niet meer over die ietsen. Het gaat dan over bewegingsverhoudingen, die wel een bepaald karakter aannemen. Omdat het begrip afstand nog niet geldt kan je, volkomen willekeurig, van alles veronderstellen, ook dat de beweeglijkheden oorspronkelijk helemaal geen afstand tot elkaar hebben (ineen-zijn), geconcentreerd zijn in een punt, wat het voor gelovige mensen aantrekkelijk maakt dit met god te benoemen. Je kunt vrijelijk je gang gaan, maar het slaat in feite nergens op. Immers, dergelijke veronderstellingen zijn inhoudelijk noch te verdedigen, noch te bestrijden. De clou is dat die veronderstellingen logischerwijze niet gemaakt mogen worden en dat wij steeds de neiging hebben dat toch te doen. Je zou willen dat de ietsen een bepaalde werking (aantrekken, afstoten) ten opzichte van elkaar hadden, dat zij aantoonbaar waren, eigenschappen hadden, enzovoort. Dat zou de verklaring van hun gedrag een stuk gemakkelijker maken. Maar zo zit de zaak nu eenmaal niet! Je bent werkelijk genoodzaakt van alle gedachten af te zien. Het is begrijpelijk dat je het op deze manier denken over die beweeglijkheden maar een vreemde zaak vindt en dat je de conclusies, die getrokken kunnen worden, nog vreemder en ongeloofwaardiger voorkomen. Daarentegen vind je het heel gewoon dat wij huizen bouwen en tunnels en bruggen, dat wij radiogolven door het luchtruim sturen en opvangen, dat wij op een aarde leven en van alles met die aarde doen, kortom: dat wij bestaan. Maar dat is nu eerst recht vreemd! Het komt toch allemaal voort uit die ongrijpbare beweeglijkheden, die er zomaar zijn en die op zichzelf niet eens tot de materie behoren. Vergeleken met dat vreemde verschijnsel is het denken over de ietsen en de daaruit te trekken conclusies misschien nog wel het minst absurde. Maar, toegegeven moet worden dat wij een dergelijk denken helemaal niet gewend zijn en dat nooit iemand ook maar gesuggereerd heeft dat het misschien toch mogelijk moet zijn geheel zelfstandig een geldige gedachtegang over onze oorsprong op te zetten. Nog een veronderstelling: waar de ene beweeglijkheid is, kan de andere niet tegelijk ook aanwezig zijn. Hierin zit evenwel het begrip plaats verborgen en bovendien het begrip volume, d.w.z. ruimte innemen. Beide begrippen komen echter pas later voor de dag, in ieder geval nadat wij het begrip ruimte, bestaande uit de verhouding tussen vier beweeglijkheden, gevonden hebben. De genoemde veronderstelling is dus ook oneigenlijk. Stellen wij ons een beweeglijkheid voor als een lichtpuntje dat naar alle kanten gelijkmatig licht uitstraalt. Hoever dringt dat licht dan door? Of, anders gesteld, waar eindigt het een en waar begint het ander? Elk voor zich kent immers geen begrenzing! Bij ons model van de bolletjes is er noodgedwongen wel een begrenzing en dat is misleidend. Wij hebben een zekere afmeting aangenomen door een bepaald bolletje te kiezen, maar in feite kunnen wij gaan tot en met een oneindig groot bolletje. Daaraan staat voor ons denken niets in de weg, het is alleen praktisch niet zo hanteerbaar. Je zou met recht kunnen zeggen dat letterlijk alles door alles heengaat en dit zal de grondverklaring blijken te zijn voor het (later uitvoeriger te bespreken) feit dat in de kosmos alles met alles samenhangt.

De gedachte van de samenhang is voor het westerse denken moeilijk te verstaan.

Men denkt wel steeds meer in onderlinge betrekkingen, maar dat is wat anders dan samenhang. Onderlinge betrekkingen vooronderstellen een buiten elkaar zijn van de dingen en dat geldt als je de werkelijkheid beschouwt als een verzameling. Zo'n verzameling wordt door betrekkingen, door banden, bijeen gehouden. Die bevinden zich dus tussen de elementen van de verzameling. Van belang is dan onvermijdelijk dat je de grens bepaalt van elk element: waar eindigt het een en begint het ander. Deze kwestie speelt een grote rol in ons vrijheidsbegrip: wij vinden dat onze vrijheid ophoudt waar die van een ander begint en bijgevolg zijn wij in onze maatschappij voortdurend bezig grenzen te bepalen... en die tegelijk zoveel mogelijk te overschrijden. Het is een nimmer aflatend gedring en geduw, juist omdat welbeschouwd de grens van de een altijd door de anderen bepaald wordt. En iedereen wil die grenzen naar buiten toe verleggen, ook in het geval dat men zich zo redelijk mogelijk opstelt. Dit alles is dus een gevolg van het feit dat wij de werkelijkheid, en derhalve ook de mensheid, louter en alleen als een verzameling zien, een verzameling van afzonderlijke, van elkaar gescheiden, elementen. Spreken wij dan toch over samenhang, dan bedoelen wij ongemerkt dat stelsel van onderlinge betrekkingen. Zo spreken wij bijvoorbeeld ook van religieus in de zin van je verbonden weten met de kosmos en ook dat slaat op een betrekking tussen de mens en die kosmos. Een betrekking tussen twee gescheiden zaken. In alles kun je dit denken in verzamelingen terugvinden. Samenhang echter betekent iets geheel anders, dat je zou kunnen omschrijven met door alles heengaan. Elke beweeglijkheid gaat als het ware door alle andere heen zonder enige begrenzing. Elke ene beweeglijkheid is op zijn wijze de andere beweeglijkheid, houdt die om zo te zeggen in overigens zonder dat er in feite van een inhoud te spreken is. Je kunt ook zeggen: je de ene beweeglijkheid denken is onmiddellijk je de andere denken. Tussen die beweeglijkheden is er niets en er zijn dan ook geen grenzen. Als je dit naar onze maatschappijen vertaalt krijg je prompt een heel ander wereldbeeld, namelijk dat van een samenleving, of beter: het ontbreken van een samenleving. Zou er een samenleving zijn, de mensen zouden heel anders met elkaar omgaan.

Zij zouden dat dan doen vanuit het besef dat zij allemaal bestaanswijzen (Spinoza) van een en dezelfde oerwerkelijkheid, van dezelfde substantie (ook Spinoza) zijn. Zij zouden zichzelf dan geen grenzen (laten) stellen, maar zichzelf zo oneindig mogelijk ontplooien, echter nimmer tegen de anderen in, maar juist in samenhang, dus met de anderen. Tegen de anderen in gaan vooronderstelt grenzen, maar in samenhang met, juist niet!

Dat door alles heengaan is overigens ook geen onbekend verschijnsel. Het is tekenend dat juist de, inmiddels door de natuurkundigen ontdekte, elementaire materie, in de vorm van straling, ook door zo ongeveer alles heengaat. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld ook voor radiogolven en dergelijke. En ook is het opmerkelijk dat de natuurkundigen hierbij van golfverschijnselen spreken. Dat verwijst immers naar onze gedachte dat de materie in de grond van de zaak niet iets is, geen ding is, maar een brandpunt van bewegingen. Daarom spreken de moderne onderzoekers terecht liever niet meer van dingen, maar van gebeurtenissen.

radiogolven-1 ; radiogolven-2 ; Samenhang-1 ; Samenhang-2 ; Samenhang-3

Naar boven††††††††††††††††††††††

No.11

We gaan nogmaals het materiele systeem ( zie ook no. 9 ), dat uit acht beweeglijkheden bestaat, bekijken. Je vindt dat systeem door uit te gaan van de verhouding ruimte, namelijk 1-2-3-4, en er dan aan toe te voegen 5,6,7 en 8, elk op een zodanige manier dat hij drie andere raakt. Als je dat gedaan hebt bemerk je dat er geen beweeglijkheden meer bij kunnen zonder de regelmatigheid van het systeem voorgoed aan te tasten. Voorlopig moeten we het dus hierbij laten.

Bedacht hadden we al dat: 1) we een viertal polaire bewegingen aantreffen, 2) de richtingen van die polaire bewegingen elkaar snijden midden in het systeem, 3) het snijpunt - brandpunt - midden in de oorspronkelijke verhouding ruimte (1-2-3-4) ligt en 4) dat die ruimte zich binnen het achtdelige systeem bevindt, zodat je van volume kunt spreken. Van de eerste materiele verhouding (1-2-3-4-5) is te zeggen dat het een variant van de ruimte is. We spraken al eerder van wel en niet materie tegelijk. Het is een voortdurende afwisseling van ruimte en materie. Je kunt deze situatie omschrijven als: de ruimte en haar anders-zijn, de materie als het andere van de ruimte, enzovoort. De ruimte zet zichzelf om tot het andere van zichzelf, namelijk tot materie. In feite gebeurt dat doordat beweeglijkheid 5 beweging veroorzaakt ten opzichte van de ruimte (1-2-3-4). Hetzelfde is, bij het achtdelige systeem, het geval bij 6, 7 en 8, alle ten opzichte van de ruimte (1-2-3-4). We hebben dus in totaal vier maal beweging ten opzichte van de ruimte. Hierbij past een opmerking. Wij houden ons nu bezig, met behulp van onze bolletjes, met een bepaald achtdelig systeem en wij nemen als vanzelfsprekend aan dat dit systeem zich consequent heeft ontwikkeld. Maar in werkelijkheid is niet te stellen dat elk systeem zover komt. We herinneren ons de mogelijkheid tot terugval. Echter, als het ene systeem het niet haalt is er zeker een ander, dat het wel haalt en dus doen wij maar alsof dat nou net toevallig ons systeem is...

Genoemde vier maal beweging ten opzichte van de ruimte levert een brandpunt op (en om dat brandpunt gaat het!), dat zich nu echter in de ruimte bevindt, namelijk in 1-2-3-4. Het brandpunt - en dat is zogezegd de echte materie - is nu iets dat in de ruimte aanwezig is en wel precies in het centrum daarvan. Elk verschijnsel bevindt zich altijd in het centrum van de ruimte, het doet er niet toe waar het op een bepaald moment is. De verschillende situaties met betrekking tot ruimte en materie zijn dus achtereenvolgens: 1) vier beweeglijkheden, stilstaand ten opzichte van elkaar, leveren ruimte op, 2) ruimte levert buiten zichzelf materiele verhoudingen op als het andere van zichzelf, 3) als viermaal het andere van zichzelf omsluit de ruimte zichzelf en geeft aan de materie volume, 4) deze materie bevindt zich, als brandpunt, in het centrum van de ruimte. Wij moeten er op bedacht zijn dat wij de uitdrukking ten opzichte van niet verkeerd interpreteren. Die uitdrukking komt namelijk voort uit ons eigen denken, in die zin dat de beweeglijkheden voor ons denken ten opzichte van elkaar beweeglijk zijn of stilstaan, maar dat zij voor zichzelf hieraan geen boodschap hebben. Zij zijn en blijven voor zichzelf absoluut beweeglijk zonder ook maar iets met ten opzichte van elkaar te maken te hebben. Hun bewegingen beÔnvloeden elkaar dus in genen dele, zijn niet ontvankelijk voor inwerkingen op elkaar. Zij zijn absoluut. In het hele verhaal van beweeglijk-zijn is nu een fundamentele verandering gekomen. Tot en met de verhouding ruimte ging het over absoluut beweeglijke beweeglijkheden die ten opzichte van elkaar stil stonden. Van beweging, en dus van verandering, is nog geen sprake. De ruimte is dan ook een statische verhouding, je zou kunnen zeggen: een zonder-meer-zijn. De ruimte is er gewoon en wel als een soort continuŁm dat op zichzelf onveranderlijk is. De ruimte is zogezegd in rust voor zover wij haar uitsluitend als zodanig denken. Maar bij het optreden van de eerste materiele verhouding (1-2-3-4-5) komt er, ten opzichte van die ruimte, beweging. Het oorspronkelijke beweeglijk-zijn van de beweeglijkheden doet zich opnieuw gelden, nu echter niet als een ten opzichte van elkaar stilstaan, maar als een ten opzichte van elkaar bewegen. Maar niet zonder meer: het is een beweging ten opzichte van de ruimte, een bepaalde beweging dus met een bepaalde richting. Het ten opzichte van elkaar zijn hield dus aanvankelijk stilstaan in, terwijl het thans een bepaald bewegen inhoudt. Dit bewegen levert een ruimtelijk brandpunt op dat zich in de ruimte bevindt en dat is een brandpunt van bewegingen ten opzichte van de ruimte. We treffen nu dus een soort van ding aan, een ruimte-innemend voorwerpje, dat zich in de ruimte beweegt. Precies zoals de natuurkunde ontdekt heeft: de werkelijkheid bestaat uit in de ruimte bewegende afzonderlijke lichaampjes en niet uit de een of andere vaste klomp materie of iets dergelijks. Wat wij als lichaampjes ervaren zijn in feite brandpunten van bewegingen, die veroorzaakt worden door beweeglijkheden die zich bewegen ten opzichte van de ruimte. Die beweeglijkheden zelf ervaren wij nimmer, zij zijn en blijven voor zichzelf absoluut beweeglijk. Die beweeglijkheid verliezen zij niet - hoe zou dat kunnen en wat zou daarvan de oorzaak moeten zijn? Wat ook een fundamentele verandering is, is het volgende: aanvankelijk (tot en met de ruimte) hadden wij uitsluitend met de beweeglijkheden zelf te maken, maar onmiddellijk daarna gaat het nog slechts over bewegingen, die weliswaar aan die beweeglijkheden ontspruiten, maar waarin die beweeglijkheden geen rol meer spelen. De werkelijkheid als brandpunt van bewegingen is er een die ten opzichte van de ruimte is. We kunnen tegelijk zeggen: de brandpunten bewegen in de ruimte en wel steeds in vier richtingen. Die vier richtingen zijn in ons model de assen 4/5, 3/6, 2/8 en 1/7 en daarbij zijn het de bolletjes 5,6,7 en 8 die de beweging veroorzaken. Aangezien deze ten opzichte van elkaar beweeglijk zijn is er bijgevolg een afwisselend domineren van 5,6,7 of 8 en dat bepaalt het gebeweeg van het brandpunt in de ruimte. Ondanks dat afwisselende domineren blijft het systeem toch in evenwicht en alweer. Als dat niet het geval is in de praktijk, is er wel een ander systeem dat wel in evenwicht blijft. Zo'n in de ruimte beweeglijk achtdelig systeem kan eventueel benoemd worden met het begrip energetische eenheid, maar dan moeten wij wel in de gaten houden dat dit eigenlijk een natuurkundig begrip is waarvan wij, als bewuste leken, niet precies de betekenis kennen. Bovendien is het niet zeker of er onder de natuurkundigen eenstemmigheid bestaat over de inhoud van dit begrip. In ieder geval hebben wij te doen met lichaampjes die zich in de ruimte bewegen. Dat geeft reden om opnieuw de formule gelijk-op bewegen is gelijk aan ten opzichte van elkaar stilstaan te gaan toepassen. Maar nu liggen de zaken geheel anders! We krijgen nu te doen met bewegingen en ook met de mogelijkheid dat het ene lichaampje (deeltje) het andere wel degelijk gaat beÔnvloeden, uiteraard allemaal op grond van bewegingen. Omdat elk deeltje in vier richtingen beweegt belooft dat een ingewikkelde zaak te worden, temeer daar elke bewegingsrichting ontleed kan worden in meerdere richtingen. Bijvoorbeeld: naar rechtsboven is te ontleden in naar rechts en naar boven. We zullen zien wat we hiermee kunnen doen.. .

No. 12

Volgens de aanvankelijke gedachtegang kwamen er, uitgaande van een enkele beweeglijkheid, telkens een of meer beweeglijkheden bij, zodanig dat er een evenwichtig systeem ontstond, in die zin dat de positie van de toegevoegde beweeglijkheden een onvermijdelijke was. Tot en met het systeem van vier (ruimte) kon er telkens maar een beweeglijkheid bij, maar het toevoegen van beweeglijkheid 5 roept noodzakelijk ook het toevoegen van 6, 7 en 8 op. De posities van 5, 6, 7 en 8 zijn vanzelfsprekend, er is geen andere mogelijkheid, het moet zo en niet anders. We kunnen dus zeggen dat het nu ontstane systeem van acht beweeglijkheden een logische noodzakelijkheid is. Maar deze noodzakelijkheid houdt op een gegeven moment wel op te bestaan: als je nog meer beweeglijkheden wilt toevoegen blijkt de positie daarvan helemaal niet meer vanzelfsprekend. Steeds maakt de keuze van de ene oplossing de andere onmogelijk. Er is geen sprake meer van de noodzaak om een bepaalde beweeglijkheid op een bepaalde plaats te situeren.

Leg je bijvoorbeeld bolletje 9 tegen 1, 4 en 8, dan wordt het onmogelijk ook nog de positie gelegen tegen 1, 4 en 6 in te nemen, enzovoort. Dat betekent in feite dat wij niet verder kunnen gaan met het toevoegen van beweeglijkheden, op grond van de gedachte dat deze in principe ten opzichte van elkaar stil moeten staan, al of niet in de vorm van een primaire materiele verhouding. Alles wat wij verder nog proberen kan alleen maar een willekeurige zaak zijn. Je kunt dan niet meer spreken van onvermijdelijk toeval, maar juist van een volstrekt willekeurig toeval. Het onvermijdelijke is totaal opgeheven en dat betekent in de praktijk dat je dan maar raak kunt gaan fantaseren zonder dat er ooit enige lijn in komt. Op die manier zal nooit te verklaren zijn dat er een werkelijkheid is verschenen en ook niet waarom die werkelijkheid is zoals ze is.

(wat is begrijpen) Omdat wij zelf die werkelijkheid zijn en omdat voor ons geldt dat wij tot begrijpen in staat zijn - waarover later meer - is een onverklaarbare werkelijkheid een onmogelijkheid. Wij mensen hebben niet de mogelijkheid misschien ooit eens, als wij boffen, de werkelijkheid te kunnen verklaren, maar juist de onmogelijkheid om haar niet te verklaren. Als iemand zegt dat de werkelijkheid altijd een onverklaarbaar raadsel zal blijven, geeft hij blijk van heel weinig zelfkennis. Hij geeft blijk van een groot niet-weten, wat overigens in onze moderne cultuur eerder regel dan uitzondering is... Het feit dat wij niet verder kunnen gaan met het toevoegen van beweeglijkheden wijst er op dat wij thans het elementaire materiŽle systeem gevonden hebben. Een verhouding van meer beweeglijkheden kan niet en van minder ook niet. Omdat dit geldt is de conclusie onontkoombaar dat die elementaire systemen allemaal aan elkaar gelijk zijn. De grond van de werkelijkheid bestaat uit een verzameling precies eendere elementaire deeltjes. Er zijn geen verschillende atomen, zoals de Grieken meenden en ook geen verschillende monaden, zoals Leibniz (1646 - 1716) dacht.

Lees ook het bovenstaande vanaf nr. 11

Iets dergelijks geldt ook, verder op in de gedachtegang, voor de levende cellen. Ook die zijn allemaal precies eender, of het nu over een cel uit ons lichaam gaat of over een eencellig wezen. Voor zover die cellen toch verschillen vertonen zijn dat functionele verschillen, die een gevolg zijn van de positie, die bepaalde cellen in een samenhangende organisatie innemen. Dat zijn dus verschillen die door iets uitwendigs opgeroepen worden. Maar qua grondstructuur zijn alle levende cellen precies aan elkaar gelijk, zij vormen de elementen van het leven op aarde. Maar, laten wij voor de aardigheid toch maar eens veronderstellen dat wij met het achtledige systeem wel verder konden, in de zin van het er aan toevoegen van beweeglijkheden. Wat zouden wij dan krijgen? Uiteraard een systeem dat zich almaar uitbreidt, maar dat in zichzelf geen enkele differentiatie vertoont. Noem het een homogeen systeem. We hadden evenwel in het begin al geconstateerd dat de werkelijkheid wel degelijk differentiatie vertoont.

De conclusie is daarom onvermijdelijk dat er een einde moet komen aan het toevoegen van steeds meer beweeglijkheden. Dat wil evenwel niet zeggen dat er in werkelijkheid geen beweeglijkheden aan het systeem toegevoegd kunnen worden, maar dat levert geen nieuw elementair systeem op. Het essentiŽle is immers het brandpunt zoals dat ontstaat uit vier bewegingen ten opzichte van de ruimte en dus uit een systeem van acht beweeglijkheden. Ik kan derhalve niet verder gaan dan tot een systeem van acht beweeglijkheden. Dan komt er een einde aan het ten opzichte van elkaar denken van beweeglijkheden en treedt het begin in van het denken in elementaire materie.

(wat is de bouwsteen van de werkelijkheid) Zodra dat einde er is krijg ik te doen met een systeem dat als bouwsteen van de werkelijkheid fungeert. Bij analyse van de verschijnselen, zover dat deze hun eigen specifieke karakter verliezen, moet die bouwsteen, die elementaire verhouding, voor de dag komen. Het feit dat de dingen uit elkaar te halen, te analyseren zijn, toont aan dat die bouwsteen er ook inderdaad is. De oude Grieken noemden die bouwsteen een atoom en dat betekent ondeelbaarheid. Inderdaad is een verschijnsel niet verder te delen. We moeten daarbij bedenken dat het delen van stoffen een materieel proces is dat tenslotte in ondeelbare materie uit moet lopen. Het brandpunt van ons achtledige systeem is die ondeelbare materie. Als materie is dit systeem ondeelbaar, hoewel het toch uit een verhouding van een achttal beweeglijkheden bestaat. Maar juist omdat het een verhouding van beweeglijkheden is slaat het materiele proces van het delen hier af. Met de beweeglijkheden zelf is immers niets aan te vangen! Bovendien: zelfs als ik in staat zou zijn er een of meer beweeglijkheden af te halen - wat dus niet kan - kom ik op niets uit. De hele zaak verdwijnt dan in de ruimte, er is geen brandpunt meer en voor het overige valt alles terug tot de verhouding van vier beweeglijkheden of nog minder. Ik houd dan helemaal niets over.

De verschijnselen zijn opgebouwd uit die achtledige elementaire materiŽle systemen en dat uiteraard in verschillende combinaties, die oorzaak zijn van verschillende structuren. Bij het ontstaan van die structuren speelt een rol dat de brandpunten van die elementaire systemen beweeglijk in de ruimte zijn, d.w.z. zich in de ruimte bewegen. Niet echter op de manier zoals bijvoorbeeld een hemellichaam zich door de ruimte beweegt. De elementaire systemen leggen geen weg af, zij volgen geen baan. Het zich in de ruimte bewegen betekent een zich bewegen van het brandpunt ten opzichte van de ruimte, en dat is een zich voortdurend manifesteren als een brandpunt van bewegingen, in vier richtingen die door elkaar bepaald zijn. Die richtingen zijn niet door iets anders, iets uitwendigs, bepaald. Als bij wijze van spreken een richting gegeven is, zijn de andere drie dat onvermijdelijk ook. Op de consequenties hiervan kom ik nog terug. Het hele verhaal over de werkelijkheid is zo droog als gort. Er ligt geen programma aan ten grondslag en er is geen doel dat bereikt moet worden, zoiets als de menselijke geest of het goede of volmaakte. Ondanks het ontbreken van een doel, en dus ook van een programma, formeert de werkelijkheid zich toch naar een bepaalde situatie toe, maar ook dat gebeurt gewoon droogweg. Wij zijn het zelf die, op de zaak terugkijkend, in verwondering staan over zulk een proces en het vele wonderbaarlijkst dat het oplevert. Wij zijn dan geneigd te denken dat alles met een doel geschapen is en volgens een bepaald plan verloopt. Dat plan echter is niets anders dan onze eigen gedachtegang, voor zover wij zelf nagaan hoe het zit.

No.13

(het ontstaan van de werkelijkheid)

Als de mensen zo eens een beetje hun gedachten laten gaan over de werkelijkheid en het ontstaan daarvan, hoor je vaak toch iets in hun gedachtegang doorklinken van het idee dat er een plan achter de werkelijkheid zou zitten. En dat is zelfs het geval als die mensen helemaal niet geloven in een schepping door de een of andere superintelligentie, een god of zoiets. Vooral de verwondering over de fijnzinnige organisatie van het leven en in laatste instantie de menselijke hersenen, wil nogal eens aanleiding zijn tot het gevoel dat er toch iets moet zijn, dat dit allemaal niet zomaar ontstaan kan zijn. Kortom: de gortdroge gedachtegang bevredigt een heleboel mensen niet. Wat daarbij doorgaans vergeten wordt, of niet goed begrepen, is dit, dat wij zelf geheel en al de werkelijkheid zijn. Gewoonlijk leeft het besef, onbewust, dat wij mensen in de wereld zijn en op de wereld leven als een ding dat op zichzelf staat temidden van allerlei andere dingen, waaraan wij eigenlijk vreemd zijn, waarmee wij eigenlijk niets te maken hebben, behalve dan dat wij er volgens eigen goeddunken gebruik van kunnen maken. Anders gezegd: tamelijk onbewust beseffen wij de wereld als iets dat er voor ons is, ter wille van ons ontstaan is. Dat houdt onvermijdelijk in dat wij mensen in zekere zin naast, tegenover en zelfs wel boven de wereld zouden staan. Dit besef, dat van oorsprong een Joods/Christelijk cultuurbesef is, is volkomen in strijd met de feiten. Wij zijn, op onze eigen wijze, zelf die werkelijkheid en wij kunnen wel die werkelijkheid van onszelf onderscheiden (zoals wij ook aan het begin van dit verhaal gedaan hebben), maar wij kunnen ons er niet van scheiden. Die onderscheiding is er een binnen de werkelijkheid zelf. Goed gezegd is bijgevolg: de werkelijkheid onderscheidt zich in zichzelf.

Op grond van deze laatste gedachte is de veronderstelling onhoudbaar dat de werkelijkheid uiteindelijk voor ons een raadsel zal blijven. Om nog maar te zwijgen over de veronderstelling dat ons mensenverstand ontoereikend zou zijn. Als in ons de werkelijkheid zichzelf onderscheidt, zichzelf doordenkt, is het uitgesloten dat we er op den duur niet uit zullen komen, dat het allemaal een raadsel zal blijven. De werkelijkheid immers levert niet haar eigen onmogelijkheid op, maar juist haar eigen enige mogelijkheid. Daarnaar zoeken wij op het ogenblik ook als wij ons bezig houden met de beweeglijkheden en de daarbij optredende verhoudingen. Zouden wij daarbij van mening zijn dat wij temidden van de dingen zijn, dan zouden wij haar beschouwen als iets anders dan wijzelf en dan zou het inderdaad te verdedigen zijn dat wij een heleboel niet zouden kunnen bevatten. Beschouwen wij haar echter als op andere wijze onszelf, dan is tenslotte het raadsel uitgesloten. Uiteraard staat er allerlei aan in de weg om het raadsel op te lossen. De voornaamste belemmering ligt in ons eigen denken, - niet omdat het ontoereikend zou zijn -, maar wel omdat wij het door voortdurende regulerende inprentingen onvrij hebben gemaakt, en daarmee inefficiŽnt. Inderdaad ontoereikend! Maar: ook deze inprentingen worden tenslotte herkend en begrepen, met als gevolg dat het denken weer vrij zal worden en de weg tot het bevatten van de werkelijkheid open ligt...

In onze moderne cultuur bijvoorbeeld beschikken wij over een gigantische hoeveelheid kennis en informatie. Onze cultuur staat in het teken van het denken en datgene dat daarmee samenhangt, zoals wetenschap en technologie. Toch is het denken stroever, vastgelegder dan ooit. De denkcultuur heeft in de eerste plaats dat denken zelf gereglementeerd en voorgeschreven hoe je met al die informatie om moet gaan, dus: hoe je hebt te denken. En zo ontstaat de paradox dat wij enerzijds veel kennis bezitten en er anderzijds denkend weinig raad mee weten, behalve natuurlijk als wij volgens de regels denken. Maar die regels verbieden het trekken van bepaalde conclusies, het uitwijken naar andere gedachtegangen en het betwijfelen van de geldigheid van de voorgeschreven redeneringen. In het moderne denken verkeert men in de mening dat onderzoek van de werkelijkheid alleen maar op objectieve wijze kan geschieden, en dan betekent objectief dat je de zaak van buitenaf benadert zonder er zelf een rol in te spelen. Vanuit onze gedachtegang signaleren wij nu twee dingen, namelijk dat van buitenaf een illusie is, en dat het onmogelijk is er zelf geen rol in te spelen. De werkelijkheid zelf onderzoekt zichzelf, kan dus niet van buitenaf bezig zijn en speelt daarin altijd een rol. Zonder het begrijpen van dit laatste kom je slechts tot het vergaren van kennis zonder dat je weet wat je ermee aan moet vangen. Dat wordt tegenwoordig trouwens steeds meer duidelijk. Als ik nu, in het volle besef van mijn eigen samenvallen met de werkelijkheid, op onderzoek uitga en daarbij de gang van zaken in het wordingsproces ontdek, dan ben ik de werkelijkheid zelf die haar eigen structuur ontdekt en die herkent als de enig houdbare. Ik herken dus mezelf en vind dat volkomen vanzelfsprekend; zoals ik mezelf herken, herken ik ook de werkelijkheid: mijn eigen logica herken ik in de werkelijkheid en die van de werkelijkheid herken ik als de mijne. Als ik dan niet oplet kom ik er gemakkelijk toe verhoudingen, die specifiek voor mij, als het verschijnsel mens, gelden ook van toepassing te achten voor de werkelijkheid als nog geen mens. Als het tot stand brengen van iets bij mij op een plan berust, zal ik geneigd zijn aan het wordingsproces ook een plan ten grondslag te leggen. Als ik een logische verbinding leg tussen oorzaak en gevolg, tussen een voorgaande en een volgende situatie, zal ik veronderstellen dat de werkelijkheid dit tijdens haar opbouw ook doet. Ik zal mijn menselijke doelgerichtheid inplanten in de werkelijkheid, enzovoort. Maar ik doe dat ten onrechte. Anderzijds kan ik ook zeggen dat de werkelijkheid tenslotte, namelijk als mens, uitloopt in planmatigheid, doelgerichtheid, enzovoort. Daaruit kan ik dan concluderen dat de hele zaak wel degelijk volgens een plan uitgewerkt is, maar dan moet ik ook erkennen dat het ten allen tijde mijn plan is. Voor mij verschijnt het allemaal als planmatig, zonder het voor zichzelf te zijn. Tot op zekere hoogte manifesteert het niet-planmatig zijn van de werkelijkheid zelf zich in de praktische gang van zaken. De opbouw van de kosmos gebeurt niet, stap voor stap, doormiddel van een telkens toevoegen van de enig mogelijke volgende stap, maar juist daarentegen door het voortdurend afvallen van verhoudingen en situaties die onhoudbaar blijken. Het is dus eigenlijk geen opbouwproces, maar een afvalproces de essentie is het afvallen van onhoudbare situaties en verhoudingen.

Als je nog eens nagaat hoe wij tot onze elementaire bouwsteen, namelijk ons brandpunt van een viertal bewegingen ten opzichte van de ruimte, zijn gekomen, dan bemerk je dat ook dit was: een telkens proberen van een volgende stap en vervolgens een onderzoeken of die houdbaar was. Je kunt zeggen dat die afgevallen situaties wel degelijk mogelijkheden waren, maar dat ze als zodanig toch onhoudbaar bleken. Zo is het best mogelijk om aan dat systeem van acht beweeglijkheden nog een negende toe te voegen, maar je blijkt dan in een situatie te belanden die onhoudbaar is. Er is dus een verschil tussen onmogelijkheden en onhoudbaarheden. Bijvoorbeeld een kracht aannemen tussen de beweeglijkheden is onmogelijk, maar het toevoegen van een negende beweeglijkheid is onhoudbaar. Onhoudbaarheden treden alleen op bij mogelijkheden; zij zijn essentieel bij het wordingsproces in de werkelijkheid.

No. 14

Een elementair deeltje, d.w.z. een systeem van acht beweeglijkheden, vertoont vier maal beweging ten opzichte van de ruimte en die bewegingen komen samen in het brandpunt, precies middenin het systeem. Dat brandpunt is datgene dat verschijnt en dat kan dus de bouwsteen van de verschijnselen genoemd worden. Die vier bewegingen ten opzichte van de ruimte hebben richtingen die zodanig zijn dat daardoor het brandpunt bepaald is ten opzichte van de ruimte. Ze zijn in ons model van bolletjes als volgt te beschrijven: de beweging volgens de richting brandpunt-5, brandpunt-6, brandpunt-7 en brandpunt-8. Alleen volgens deze richtingen is een punt te bepalen in een ruimte, die zelf volkomen onbepaald is en die dus geen enkel referentiepunt bevat. Over het begrip bepaald is het volgende te zeggen: als iets bepaald is, is het er ook inderdaad. Vanuit onze waarneming, ervaring, is iets er alleen maar dan als het bepaald is. Dan verschijnt het voor ons, het is dan verschijnsel. Je kunt daarom ook zeggen dat het brandpunt er is, dat het echt bestaat. Maar bijvoorbeeld van de ruimte kan je niet zeggen dat die er is, of dat die bestaat. Ruimte is in feite helemaal niets, ook al weten wij inmiddels dat we met een verhouding van vier beweeglijkheden te doen hebben. De ruimte is geen verschijnsel, hoewel toegegeven moet worden dat wij haar in de praktijk wel vaak als zodanig ervaren, bijvoorbeeld als wij spreken over de ruimte in een kast. Maar eigenlijk gaat het daarbij om de inhoud, het volume. Gewoonlijk bepalen wij een punt in de ruimte door coŲrdinaten aan te nemen en die te benoemen met lengte, breedte en hoogte. Dat is het zogenaamde drie dimensionale systeem. Bij dat systeem echter hebben wij van tevoren al een punt in de ruimte als referentiepunt aangenomen, namelijk het snijpunt van genoemde coŲrdinaten. Dan gaat er bijvoorbeeld zo'n coŲrdinaat naar rechts, een naar boven en een naar voren. Vervolgens bepalen wij dan de positie van het gezochte punt door de afstanden langs de coŲrdinaten, gemeten vanaf het referentiepunt, aan te geven. Voor ons brandpunt echter hebben wij geen referentiepunt, het is bepaald ten opzichte van de ruimte zelf. Dan is de enige mogelijkheid de vier bewegingsrichtingen, zoals wij die met behulp van ons model hebben aangegeven. Het gelukt niet om een punt in de onbepaalde ruimte te bepalen met minder dan vier richtingen. Je bent dan gedwongen om bepaalde vooronderstellingen te maken, bijvoorbeeld dat de hele zaak zich in een plat vlak bevindt. Maar, dergelijke vooronderstellingen mag je natuurlijk niet maken. Een systeem met meer richtingen is desnoods in theorie wel mogelijk (zie de opmerking over mogelijkheid en houdbaarheid op bladzijde 26), maar praktisch onhoudbaar omdat je dan een geheel ander systeem van beweeglijkheden moet hebben, in geen geval dat van acht beweeglijkheden, zoals wij dat gevonden hebben. Als je dan bedenkt dat het door ons gevonden achtledige systeem als enig houdbare voor de dag kwam, wordt het ook duidelijk dat je inderdaad uitsluitend met de genoemde vier bewegingsrichtingen ten opzichte van de ruimte moet rekenen. Aan die vier richtingen is op te merken dat zij geen tegenstellingen met elkaar vormen. Denk je bijvoorbeeld aan de ons bekende richtingen noord, zuid, oost en west, dan vallen respectievelijk noord en zuid, oost en west met elkaar samen en vormen op grond daarvan tegenstellingen. Noord is de tegenstelling van zuid, enz. Maar bij onze vier richtingen is dat niet het geval; behalve het brandpunt hebben zij niets met elkaar gemeen qua richting.

Het is goed om nog even stil te staan bij de vraag waarom we met zekerheid kunnen stellen dat het brandpunt, zoals dat ontstaat uit het achtledige systeem van beweeglijkheden, inderdaad een elementair deeltje is en dus als de meest eenvoudige vorm van de materie beschouwd moet worden. In feite dus de fundamentele materie, in de natuurkundige zin van het woord, hetgeen inhoudt dat het over een verschijnsel gaat. Welnu, als wij ons herinneren dat het brandpunt bepaald is ten opzichte van de ruimte, dan moeten wij stellen dat het is: de ruimte niet. Al eerder noemden wij het het andere van de ruimte. Dat betekent dat de ruimte tot wat anders geworden is, tot iets dat er wel is, dat wel bestaat en dat wel bepaald is. En dat is precies datgene waarover we het hebben als we over de materie spreken. Overigens: de ruimte niet is niet hetzelfde als geen ruimte. Dit laatste geldt voor verhoudingen van minder dan vier beweeglijkheden. Nu echter hebben wij te doen met verhoudingen voorbij de ruimte. Die verhoudingen, namelijk het achtledig systeem, leveren een stabiele materie op. Daarom kun je zeggen: die materie is er. Ook de ruimte als vierledige verhouding is stabiel, maar die is nog geen verschijnsel, de materie evenwel is een stabiel verschijnsel. We hebben dus nu de materie gevonden zodat het voor de hand ligt ons thans af te gaan vragen wat er mogelijk en houdbaar is als we er nog een elementair deeltje aan toevoegen. Daarbij moeten we ons goed realiseren dat we het risico lopen op het terrein van de natuurkunde terecht te komen. Er zullen immers situaties op gaan treden die berekeningen mogelijk maken. Dat evenwel is onze taak niet, alleen al vanwege het feit dat dergelijke berekeningen een tijdelijk karakter hebben, d.w.z. morgen wellicht anders en beter gemaakt kunnen worden, al naar gelang de toenemende natuurkundige kennis. Het is onze taak uitspraken te doen naar aanleiding van gedachtegangen die morgen ook nog geldig zijn. Dan moeten we ons beperken tot algemeenheden, d.w.z. tot de kenmerken van het proces dat plaatsvindt. Met het ontdekken van die kenmerken komen wij aan de weet waarom de werkelijkheid is zoals ze is. Je kunt onze gedachtegang over de opbouw van een elementair deeltje toch wel een berekening noemen, echter, het is dan geen kwantitatieve berekening die zich in waarden uitdrukt (natuurkundig), maar een kwalitatieve berekening die zich in verhoudingen uitdrukt (filosofisch). Vanaf de ontdekking van het elementaire deeltje wordt ook de kwantitatieve berekening mogelijk, maar dat betreft dus het terrein van de natuurkunde. Als filosoof moet je kwalitatief bezig zijn en blijven.

We gaan dus nu kijken naar twee elementaire deeltjes en de daarvoor geldende verhoudingen opzoeken. Het basisprincipe van het ontstaansproces is de gelijkopgaande beweeglijkheid die als verschijnsel het ten opzichte van elkaar stilstaan oplevert. Hoe dat nu te denken bij deeltjes die in vier richtingen ten opzichte van de ruimte bewegen? Het blijkt niet denkbaar te zijn dat onze twee deeltjes in vier richtingen tegelijk gelijk op bewegen. Zij kunnen dat slechts in beperkte mate, zodat we moeten concluderen dat er zowel een ten opzichte van elkaar stilstaan als een ten opzichte van elkaar in beweging zijn optreedt. En dat is dan ook nog afhankelijk van de positie die een deeltje in een verzameling deeltjes inneemt. Er is dus, in onderlinge afhankelijkheid, een bewegen zowel als een niet-bewegen. Dat komt overeen met de inmiddels bekende natuurkundige feiten: een steen bijvoorbeeld is een niet bewegend geval dat, in de diepte van de materie, toch een en al beweging blijkt te zijn. De atomaire deeltjes beschrijven almaar banen. Het zowel bewegen als niet bewegen is iets anders dan het tegelijkertijd wel en niet beweeglijk zijn, zoals we dat aantroffen bij beweeglijkheid 5 (zie pag. 13). Daarbij ging het om een afwisseling, maar nu gaat het om een blijvende situatie, namelijk in een bepaalde richting stilstaand en in een andere niet. Dat geldt dan voor de combinatie van die twee deeltjes.

No. 15

Het onvermijdelijke toeval (nos 3,4,5) en vervolgens de nos. 8,†† 15,†† 18,20,21,22,23,25,27,28,†† 31,†† 60,67,68,69 en 70)

In de moderne natuurkunde worden op het ogenblik steeds meer deeltjes gevonden die men elementair noemt. Hoewel die naam er eigenlijk op zou moeten duiden dat we met een niet verder herleidbaar (analyseerbaar) systeempje te maken hebben, kunnen we hem het beste interpreteren als eenvoudig, primitief of niet-ingewikkeld. Men weet namelijk al lang dat genoemde deeltjes wel degelijk verder analyseerbaar zijn, dus samengesteld uit nog weer andere deeltjes. Dat betekent dat men het werkelijk elementaire deeltje, het systeem namelijk van een brandpunt met vier bewegingen ten opzichte van de ruimte, nog niet ontdekt heeft, ook theoretisch niet. Ons elementaire deeltje kan betrokken raken bij andere deeltjes en dat kan er toe leiden dat zijn karakter veranderingen ondergaat. Wat dit betreft moeten wij er op letten dat bij alle voorgaande systemen, die dus verhoudingen van minder dan acht beweeglijkheden zijn, de beweeglijkheden zelf volkomen onaangetast bleven. Zij raakten op zichzelf nergens in betrokken en bleven gewoon beweeglijk. Het was slechts hun beweeglijkheid, die gelijk-op kon gaan met die van andere (op grond van het onvermijdelijke toeval). Het elementaire deeltje echter gaat wel zelf een rol spelen. Het verandert naarmate het in andere samenstellingen betrokken is - overigens zonder zijn karakter van brandpunt te verliezen. Nog even voor alle duidelijkheid: bij de term deeltje ben je geneigd aan een stofje, een dingetje, te denken, zoiets als een heel klein zandkorreltje. Dat wordt ook nog bevorderd door het feit dat wij van materie spreken. Maar dat is eigenlijk niet juist, het is een brandpunt van bewegingen. In de natuurkunde associeert met het begrip materie ook al niet meer met een heel klein ding, maar, zoals al eerder gezegd, met een gebeurtenis. Als wij gaan zoeken naar combinaties van elementaire deeltjes zijn wij genoodzaakt met twee samenhangende grootheden rekening te houden: ten eerste uiteraard de beweging en ten tweede de richting. Als deze twee grootheden tegelijk moeten gelden is het, bij twee elementaire deeltjes, slechts mogelijk dat een richting van de een samenvalt met een richting van de ander. Van elk blijven er dan dus drie bewegingen vrij. Maar, twee bewegingen hebben zich opgeheven, dat wil zeggen: hoewel ze eigenlijk nog bewegingen zijn, gelden ze niet meer als zodanig, ze gelden als stilstand. Dat begrip stilstand noem ik de betrekking, of de relatie tussen de twee brandpunten. Bij ons bolletjesmodel kun je je de zaak voorstellen door bijv. bol 5 van de een en bol 5 van de ander als een gezamenlijke te denken en de beide modellen zo te leggen dat bij ieder van de twee de richtingen brandpunt-5 in elkaars verlengde liggen. Alleen zo is het samenvallen van bewegingen te denken. Maar niet alleen dat! Deze noodzakelijke wijze van samenvallen levert bovendien een wetmatigheid op, namelijk dat de richtingen van de vrije zes bewegingen bepaald zijn, bepaald namelijk door de combinatie, die ik gevormd heb. Die combinatie, in dit geval dus van twee elementaire deeltjes, doet een wet in werking treden die met een volstrekte noodzaak voorschrijft in welke richtingen de vrije bewegingen gaan en in welke niet. Dat betekent niet dat er maar een mogelijkheid zou zijn, maar wel dat de mogelijkheden aan wetten gebonden zijn. Je weet dus nooit van tevoren met welke mogelijkheid je te maken zal krijgen, maar je weet wel dat die mogelijkheden wetmatig zijn. Dat stemt overeen met het beroemde, door Werner Heisenberg in 1927 opgestelde, onzekerheidsprincipe, dat betrekking heeft op de onvoorspelbaarheid van relaties tussen atomaire grootheden. Hier beginnen, om zo te zeggen, de natuurwetten. Wanneer, uitgaande van een bepaalde situatie, de daardoor opgeroepen mogelijkheden ook bepaald zijn, dan spreek ik van een natuurwet. Deze wetten beginnen dus bij de combinatie van twee elementaire deeltjes. In het woord combinatie zit besloten dat die twee zich letterlijk met elkaar verbonden hebben en dus niet langer twee maal de karakteristieken van elk deeltje op zich vertonen, maar als een nieuw verschijnsel met geheel eigen karakteristieken op gaan treden. Wanneer ik nu op overeenkomstige wijze grotere combinaties ga maken zal ik ontdekken dat de bewegingen ten opzichte van de ruimte steeds op wetmatige wijze veranderen, d.w.z. voor iedere combinatie op een bepaalde wijze anders zijn, maar ook dat er steeds meer beweging van brandpunten ten opzichte van elkaar opgeheven wordt, op grond van het samenvallen van richtingen van beweging. Laatstgenoemde bewegingen zijn er uiteraard nog wel, maar, gezien vanuit de combinatie, laten zij zich niet meer gelden. Dergelijke bewegingen noem ik latente bewegingen. Dat is beweging binnenin de combinaties, binnenin de verschijnselen dus. Het latent-zijn ervan is dus een gevolg van de combinatie. Bij een eventueel vervallen van zo'n combinatie komt die latente beweging weer vrij. De structuur van zogezegd de latente bewegingen en die van de overblijvende vrije bewegingen is een regelmatige. Dat zou niet anders kunnen, want de hele zaak volgt wetmatigheden. Praktisch wordt dit echter ook duidelijk als je nogmaals bedenkt dat als van een brandpunt een bewegingsrichting gegeven is, de andere drie onvermijdelijk vastliggen. Die regelmaat en die wetmatigheid zetten zich in de gehele opbouw van de verschijnselen door. Hoewel de zaak telkens weer anders in elkaar zal steken is dat wel steeds een kwestie van regelmaat en wetmaat.

( wat is leven )

Even een blik vooruit: we kunnen ons wellicht voorstellen dat er op den duur een verschijnsel voor de dag zal komen dat qua structuur het uiterste van regelmaat is. Het kan om zo te zeggen niet regelmatiger. Bij het optreden van die allerlaatste mogelijkheid qua regelmaat gebeurt er dit, dat de regelmaat van zichzelf gaat afwijken. Je hebt dan te doen met van zichzelf afwijkende regelmaat, of, anders gezegd: de regelmaat anders. Dan is die regelmaat niet weg, maar aanwezig op een andere manier. Als dat het geval is maken wij kennis met datgene dat wij het leven noemen. Het levende verschijnsel immers komt voor de dag als een verschijnsel van uitermate verfijnde regelmatige structuur, waarvan het kenmerkende is het voortdurend anders-zijn, het voortdurend van regelmaat en wetmatigheid afwijken. Leven is afwijkend zijn. Het merkwaardige van het leven van de mensen is dat zij aanvankelijk, tijdens hun ontwikkeling naar volwassenheid, almaar vechten tegen het afwijkende en almaar bezig zijn zichzelf en de anderen in regelmatige maatschappelijke structuren in te passen - volkomen in strijd met datgene dat voor het leven geldt. Tegelijk echter beseffen de mensen dat echt leven in geen geval betekent dat je de voorgeschreven wegen bewandelt. Men beseft dat dit laatste doods en saai is. Bovendien laat de geschiedenis zien dat alle vooruitgang om te beginnen als iets afwijkends gewaardeerd werd door de ordelijke mensen. Welbeschouwd betekent ontwikkeling dan ook: voortdurend van zichzelf afwijken en daarbij toch ook zichzelf gelijk blijven. Jij zult je leven lang zijn die je bent, en toch is je gehele leven een voortdurende verandering. Afwijken van eigen regelmaat heeft tot gevolg dat de latente beweging binnen het verschijnsel actief wordt. Het verschijnsel gaat in en uit zichzelf bewegen. Dat bewegen is een gevolg van de optimaal innige structuur van het verschijnsel zelf, en het is slechts indirect afkomstig van de oorspronkelijke beweeglijkheden. Bij het vervallen, het vernietigen, van die structuur houdt ook het in zichzelf bewegen op.

Het onvermijdelijke toeval (nos 3,4,5) en vervolgens de nos. 8,†† 15,†† 18,20,21,22,23,25,27,28,†† 31,†† 60,67,68,69 en 70)

No. 16†† Samenhang-1 ; Samenhang-2 ; Samenhang-3 ; Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ; Overgang-5 ; Overgang-6 ; Overgang-7 ; radiogolven-1 ; radiogolven-2

Alvorens nog wat nieuwe dingen aan de tweevoudige samenstelling van onze elementaire deeltjes te bedenken moet ik er nogmaals nadrukkelijk op wijzen dat de hele truc van het ontstaan van de verschijnselen in de werkelijkheid slechts hierop neerkomt dat beweeglijke of bewegende ietsen of lichamen, door overeenkomstige beweeglijkheid of beweging, ten opzichte van elkaar niet meer in beweging zijn, dus stilstaan. Hoe dat bij de beweeglijkheden zelf gedefinieerd zou moeten worden is niet te bepalen, reden waarop ik maar van gelijkop bewegen heb gesproken. Maar van de elementaire deeltjes (brandpunten van achtledige systemen) is wel iets te zeggen, namelijk dat de bewegingen samen moeten vallen. In ons model zodanig dat bijvoorbeeld de as brandpunt-5 van het tweede deeltje in het verlengde ligt van de gelijknamige as van het eerste deeltje; er een rechte lijn mee vormt. Daarbij vormt bolletje (beweeglijkheid) 5 het overgangspunt van de een in de ander. Vervolgens moeten wij ons ook nog goed realiseren dat de oorspronkelijke beweeglijkheden, in welke verhouding zij in onze gedachtegang ook terechtkomen, op zichzelf nergens in betrokken worden; zij weten er als het ware niets van. Maar de brandpunten, als elementaire deeltjes, zijn er daarentegen wel in betrokken. Met hen gebeurt van allerlei, op grond van het al of niet samenvallen van bewegingen ten opzichte van elkaar en van de ruimte. Evenwel, voor de acht in een elementair deeltje bijeen gedachte beweeglijkheden geldt nog steeds onverkort dat zij nergens in betrokken zijn. Zij weten niet dat zij een brandpunt opgeroepen hebben - uiteraard als zij iets hadden kunnen weten! Aan de combinatie van het eerste elementaire deeltje en het tweede valt nu een aantal zaken op.

1) De beweging brandpunt-5 bij beide deeltjes is er nu niet meer een ten opzichte van de ruimte, zoals aanvankelijk, maar ten opzichte van elkaar. In de verhouding brandpunt(1)-5(1 + 2)-brandpunt(2) is elke beweging nu opgeheven, hetgeen betekent dat de beweging er nog wel is, maar niet meer als zodanig geldt: hij is latent geworden en de brandpunten liggen aan elkaar vast.

2) Er is tussen beide brandpunten ruimte ontstaan. We herinneren ons dat wij het begrip ruimte gevonden hadden als het vierledige systeem, bestaande uit de beweeglijkheden 1,2,3 en 4. In de combinatie van beide elementaire deeltjes vinden we die ruimte natuurlijk twee maal terug. Maar:1,2,3 en 5 vormen nu ook ruimte en wel bij beide deeltjes. Dat is het geval omdat beweeglijkheid 5 ten opzichte van de brandpunten vast is komen te liggen tengevolge van de gevormde combinatie. Beweeglijkheid 5 kan zich niet meer laten gelden als het afwisselende er wel/niet bijbehoren. Dit betekent dat er, als er een combinatie is tussen de twee elementaire deeltjes, dus een samenstelling van twee deeltjes, ruimte aanwezig is tussen de twee brandpunten. Dat is een ruimte die zich uitdrukt (begrepen moet worden) langs een rechte lijn, namelijk de lijn brandpunt (l), beweeglijkheid 5, brandpunt(2) en omgekeerd, en dat is nu precies datgene dat wij kennen als het begrip afstand. De ruimte van het ene brandpunt en die van het andere breidt zich uit van de een naar de ander. Beide elementaire systemen vloeien als ruimte in elkaar over. Voordat twee deeltjes een samenstelling vormen is er nog niet van afstand te spreken, maar je bent geneigd om te denken dat zij dan juist wel op afstand van elkaar zijn omdat zij zich buiten elkaar bevinden. Je moet echter bedenken dat het begrip afstand een relatie vooronderstelt. Is die relatie aanwezig, dan is er een bepaalde vloeiende ruimte tussen de brandpunten en die manifesteert zich langs een lijn.

3) Als in een samenstelling de ruimte van het ene naar het andere brandpunt vloeit kan je, vanuit je eigen ervaringen, zeggen dat er niets is tussen beide brandpunten. Ruimte is geen verschijnsel, ruimte bestaat niet, is niet-materieel. Maar, intussen zijn het toch wel beweeglijkheden die deze verhoudingen oproepen en via die beweeglijkheden is er de relatie tussen beide brandpunten. Je kunt je waarschijnlijk gemakkelijk indenken dat dergelijke relaties door de gehele werkelijkheid heenlopen. Nooit zullen zij als relatie meetbaar zijn of zich manifesteren, maar je kunt wel geconfronteerd worden met de gevolgen ervan. Denk maar aan het eerder genoemde experiment van Einstein, Podolsky en Rosen uit 1935. De samenhang tussen de dingen, in de zin van ruimtelijnen, is voor ons, westerse mensen, niet voor de hand liggend. Wij zien alles los van elkaar, tenzij er een aanwijsbare verbinding is, een brug, een telefoonlijn of radiogolven. En in de menselijke verhoudingen geven we graag en nadrukkelijk aan hoe wij met elkaar in verbinding staan: m'n neef, m'n collega, m'n geliefde, enzovoort. Is zo'n verbinding niet aan te wijzen, dan vervalt plotseling het gevoel van samenhang en dan blijkt er nauwelijks een besef te zijn van bij elkaar behoren, een-zijn. De ecologische samenhang bijvoorbeeld moet eerst indirect uit rampen afgeleid worden wil hij enige betekenis krijgen en ook dan nog moet die samenhang wetenschappelijk aangetoond worden. Bij oudere denkers - Spinoza bijvoorbeeld die alle dingen als bestaanswijzen liet opkomen uit de substantie - en oosterse denkers blijkt het besef van samenhang veel meer op de voorgrond te liggen. De kosmos komt op uit en vloeit terug in een ijle, heldere oerwerkelijkheid die op zichzelf niet die kosmos is. De oude Chinezen beeldden dat uit door alles, bergen, bomen en zelfs mensen uit de nevelen te voorschijn te laten komen.

4) Als je eens let op de bewegingen (ten opzichte van de ruimte) die in de samenstelling van twee elementaire deeltjes vrij zijn gebleven, dan zie je dat die zodanig gericht zijn dat ze de samenstelling als het ware in elkaar drukken. Zij zijn schuin naar elkaar toe gericht en vormen een figuur die aan een diabolo doet denken. Natuurlijk wordt er niet echt samengedrukt, maar er wordt wel verhinderd dat de zaak al te gemakkelijk uit elkaar zal gaan. Was aanvankelijk, bij de opbouw van een elementair deeltje, de kans het grootste dat de beweeglijkheden ten opzichte van elkaar stil zouden blijven staan en niet terug zouden vallen tot ruimte, thans is het zo dat de samenstelling vanuit zichzelf een handhavende werking heeft. Natuurkundig ervaren wij dit fenomeen als aantrekkingskracht, maar voor onze filosofie is die term, wat dit betreft, niet te gebruiken. Voor ons gelden trouwens meer factoren: de samenstelling berust op latente beweging en een ruimtelijn tussen de brandpunten en de schuin naar binnen gerichte vrije bewegingen. Dat hele systeem moet als een zaak gedacht worden zonder welke verhouding dan ook buiten beschouwing te laten.

5) Er is ook een mogelijkheid om een andere combinatie te verzinnen, namelijk zodanig dat niet de beweeglijkheden 5 samenvallen, maar 4 van de een en 5 van de ander. Dan echter heffen de bewegingen brandpunt-5 en brandpunt-4 elkaar in genen dele op omdat de eerste inderdaad een beweging (ten opzichte van de ruimte) is, maar de tweede in het geheel niet. Bovendien zijn de vrije bewegingen niet naar binnen gericht, maar neutraal ten opzichte van elkaar. Dat heeft tot gevolg dat de beide elementaire systemen elkaar als het ware af zullen stoten, op grond van de, nog immer geldende, beweging brandpunt-5 van het ene elementaire deeltje. Afstoten wil zeggen: de samenstelling in de weg staan, niet geschikt zijn voor een combinatie. Gezien vanuit het wordingsproces is deze mogelijkheid een onhoudbare, maar hij speelt natuurlijk wel een rol.

Samenhang-1 ; Samenhang-2 ; Samenhang-3 ; Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ; Overgang-5 ; Overgang-6 ; Overgang-7 ; radiogolven-1 ; radiogolven-2

Naar boven††††††††††††††††††

No. 17

de eerste materiele situatie van de werkelijkheid ; De elementaire materie als brandpunt van bewegingen(energie) ; Lichtsnelheid ; Pagina 26 ; Einstein-E=MC2 ; Pagina 17

Om de richting en de werking van de bewegingen ten opzichte van de ruimte, zoals die bij het achtledige elementaire deeltje voorkomen, nog eens wat nauwkeuriger te begrijpen moeten wij nog een keer teruggaan naar de door mij genoemde eerste materiele verhouding, te weten het vijfledige systeem van beweeglijkheden. Toevoeging van de vijfde beweeglijkheid deed een situatie ontstaan waarbij zowel 4 als 5 ten opzichte van elkaar wel en niet beweeglijk waren. Dat betekende dat beide afwisselend ten opzichte van de ruimte bewogen, dus 5 ten opzichte van de ruimte l-2-3-4 en 4 ten opzichte van ruimte 1-2-3-5. Er ontstond beweging tussen de polen 4 en 5, naar twee kanten ten opzichte van de ruimte, precies in elkaars verlengde volgens de lijn 4-5. Je kunt spreken van de as van die eerste materiele verhouding. Als nu zo'n vijfledig systeem in een achtledig elementair deeltje vier maal voorkomt verandert er iets aan die bewegingen ten opzichte van de ruimte. Het naar twee kanten werkzaam zijn vervalt en er ontstaat gerichte beweging naar vier kanten, zoals wij reeds besproken hebben. Van ons vijfledige systeem is beweeglijkheid 4 niet meer vrij ten opzichte van ruimte 1-2-3-5, en wel omdat de beweeglijkheden 6, 7, en 8 hem gevangen houden door hem te laten gelden als de ruimte ten opzichte waarvan zij wel/niet beweeglijk zijn. Bijvoorbeeld: beweeglijkheid 6 geldt als wel/niet beweeglijk ten opzichte van ruimte 1-2-3-4, en datzelfde doet zich voor bij 7 en 8. Dat betekent dat 4 zich nu alleen nog maar als ruimte kan laten gelden en niet meer als afwisselend wel/niet ruimte. Hetzelfde is van kracht voor de beweeglijkheden 1, 2 en 3. De bewegingen ten opzichte van de ruimte moeten dus noodzakelijk beschreven worden als uitgaande van het brandpunt en gericht naar 5, 6, 7 en 8: brandpunt-5, enzovoort.

De elementaire materie als brandpunt van bewegingen ten opzichte van de ruimte maakt het aantrekkelijk eens te kijken naar de stand van zaken in de moderne natuurkunde. Einstein (1879 - 1955) drukte de fundamentele materie uit in de formule E=mc2, waarbij E staat voor energie, m voor massa en c voor een constante die de lichtsnelheid aangeeft. Voor ons zijn noch de juistheid van de formule, noch de exacte betekenis en waarde van de verschillende factoren na te gaan, maar kennelijk wijzen de resultaten van het natuurkundig onderzoek op een relatie tussen de energie van de materie en haar massa. Wij zouden de term energie kunnen vertalen als het vermogen om invloed uit te oefenen (arbeid) - voor ons zou dat misschien de beweging ten opzichte van de ruimte kunnen zijn, wat dan tevens zou verklaren waarom de materie altijd energetisch is en zich zelfs de ene keer als energie en de andere keer als massa (ding) manifesteert. Want het begrip massa kan mogelijk betrekking blijken te hebben op het aantal in een samenstelling betrokken achtledige elementaire deeltjes. In ieder geval is het niet onmogelijk de door ons gevonden zaken naar de natuurkundige theorieŽn te vertalen - maar of dit terecht is zal hopelijk de tijd leren... Dan zijn daar ook nog de eigenaardige bevindingen die door de formulering en de toepassing van de quantum mechanica gedaan zijn. Het is gebleken dat de energie uitstoot van een atoom, zoals die onder bepaalde omstandigheden plaatsvindt, steeds in gehele getallen uit te drukken is, dat wil zeggen: als je zo'n uitstoot onder de ene omstandigheid vergelijkt met die onder een andere omstandigheid, dan blijkt die vergelijking zich in een heel getal op te lossen. Zoiets als 3 x zoveel, 2 x zoveel, enzovoort. Nooit 2,5 maal zoveel. Dat zou ook wel eens kunnen wijzen op de kwantitatieve opbouw van de materie, zoals wij die vanuit een beweeglijkheid beredeneerd hebben. Een halve beweeglijkheid kan volgens die redenering niet bestaan en dus moeten heel primaire gebeurtenissen op de een of andere manier manifesteren dat zij plaatsvinden tussen groepjes beweeglijkheden die kwantitatief met een heel getal uit te drukken zijn.

Het bovenstaande berust op ontdekkingen van de moderne natuurkunde. Die is, ruw gezegd, ontstaan aan het begin van onze 20ste eeuw. Tot die tijd beschouwde men de natuurkundige werkelijkheid op basis van de ideeŽn van Newton, Descartes en ook de oude Aristoteles. Volgens die ideeŽn was de verschijnende werkelijkheid te beschouwen als een machine, een soort van uiterst verfijnd uurwerk waarvan de werkzaamheid, als je de ervoor geldende wetten eenmaal ontdekt had, tot in de kleinste bijzonderheden te voorspellen zou zijn. En inderdaad: die theorieŽn voldeden voor zo'n beetje de gehele wereld van de verschijnselen. Dit mechanistisch denken wordt in de westerse cultuur nog volop beoefend; vooral de politici en de economen blinken hierin uit, gedreven als zij zijn door de behoefte de hele wereld naar hun hand te zetten. Ook de medici blijken, nu zich mogelijkheden met genetische manipulatie voordoen, nog steeds te dromen van een door de mens beheerste, voorspelbare, voortplanting, geheel in de lijn van de machinebouwer die ook van tevoren weet wat zijn machine doen zal. Het is natuurlijk terecht dat de machinebouwer mechanistisch denkt en het is een feit dat een dergelijk denken essentieel is voor het praktische leven. Zonder dat denken kun je nog geen pot thee zetten...

Maar het is evenzeer een feit dat je intellectueel een achtergebleven gebied bent als je nog steeds meent dat de gehele werkelijkheid zich doormiddel van dit mechanistisch denken laat benaderen. Al ruim tachtig jaar weten de echte wetenschappelijke onderzoekers dat deze wijze van denken voor het doorgronden van de subatomaire werkelijkheid, de wezenlijke werkelijkheid, niet geschikt is. Bovendien begint duidelijk te worden dat het beweeglijkzijn de essentie van de werkelijkheid is en dat die essentie door alles heen merkbaar is, zodat je eigenlijk zelfs maar heel weinig zaken op de mechanistische manier kunt benaderen. In ieder geval geldt dat laatste voor het grote gebied van de levende verschijnselen, die dus zelfs gekenmerkt worden door het in en uit zichzelf bewegen. Dat nieuwe inzicht, dat voorspelbaarheid en manipuleerbaarheid slechts voor een klein deel van de werkelijkheid gelden, begint hier en daar voorzichtig de kop op te steken - helaas noodzakelijk nog wel in allerlei, door het ouderwetse denken vertekende, vreemde vormen. En, anderzijds, blijkt het steeds verder doorgevoerde mechanistische denken almaar duidelijker zijn eigen wezenlijke onmogelijkheid aan de dag te brengen. In verband met het bovenstaande is het wel aardig eens bij het denken van Hegel (1770 - 1831) stil te staan. Deze filosoof had een sterk besef van de beweeglijke grondslag van de werkelijkheid en bijgevolg ook van het denken. Hij bemerkte dat het denken als een soort van tweegesprek (dialectisch) functioneert, op de wijze van these (stelling), antithese (tegenstelling) en synthese (samenstelling of geheel). Het ging dus over een voortdurend in beweging zijn. Zijn gehele filosofie is daaruit voortgekomen. Het is een filosofie die ook vandaag nog als uiterst modern gewaardeerd zou worden... ware het niet dat het mechanistische denken van zijn navolgers zich van dit dialectische denken meester had gemaakt. Voor hen werd dit denken een vooropgestelde eis om tot voorspelbare resultaten te komen. Dat had merkwaardige gevolgen, onder andere de ontdekking dat een dergelijk denken onmogelijk was. Maar, in plaats van de eigen kortzichtige mechanistische methode als oorzaak daarvan te erkennen gaf men de schuld aan Hegel en noemde hem een idioot in de filosofie!

de eerste materiele situatie van de werkelijkheid ; De elementaire materie als brandpunt van bewegingen(energie) ; Lichtsnelheid ; Pagina 26 ; Einstein-E=MC2 ; Pagina 17

No. 18Zie ook het voorgaande††† Big Bang-1 ; Big Bang-2 ; Big Bang-3 ; Big Bang-4 ; Big Bang-5 ; Big Bang-6

Samenhang-1 ; Samenhang-2 ; Samenhang-3 ; Het onvermijdelijke toeval (nos 3,4,5) en vervolgens de nos. 8,†† 15,†† 18,20,21,22,23,25,27,28,†† 31,†† 60,67,68,69 en 70)

Wanneer wij nadenken over een combinatie van twee achtledige elementaire deeltjes (die geen deeltjes zijn!), valt ons onmiddellijk op dat er iets met de ruimte gebeurt. Maar, waarom dat het geval is zal niet meteen duidelijk zijn en daarom is het goed de zaak nog eens na te gaan. We hebben aangenomen dat beweeglijkheid 5 van deeltje A tegelijk fungeert als beweeglijkheid 5 van deeltje B. Beweeglijkheid 5 is dus de verbindende, de gezamenlijke, die bepalend is voor de combinatie van deeltje A en deeltje B. Uiteraard hadden wij als verbindende beweeglijkheid ook 6, 7 of 8 van zowel A als B kunnen nemen, en de mogelijkheden A6-B8 enzovoort. Want die nummering hebben wij slechts voor de duidelijkheid verzonnen. In alle gevallen echter is het resultaat hetzelfde. Daarom houden wij het maar op 5 als de verbindende. We zien nu dat de ruimte zich gaat uitbreiden. Hij vloeit over van A naar B en omgekeerd. Dat laat zich als volgt beredeneren: aanvankelijk gold het begrip ruimte voor de beweeglijkheden 1,2,3 en 4 van zowel deeltje A als deeltje B. Als die twee zich nog niet verbonden hebben zijn ruimte A en ruimte B van elkaar gescheiden: de ruimte is discontinu. Maar hij is continu als A en B met elkaar verbonden zijn, want de beweeglijkheden 1,2,3 en 5 van zowel deeltje A als deeltje B vormen nu ook het begrip ruimte. Eerst was 5 beweeglijk ten opzichte van 1,2,3 en 4 (ruimte A en ruimte B), waardoor hij afwisselend wel en niet ruimte liet gelden, dus afwisselend ruimte/materie. Doordat hij in de combinatie van de deeltjes A en B evenwel ingesloten wordt tussen A en B kan hij niet meer als beweeglijk fungeren. Hij ligt bijgevolg stil ten opzichte van de beweeglijkheden 1,2 en 3 van zowel A als B. Dat echter betekent dat hij zich nu als ruimte zal laten gelden, en wel de ruimte 5-1-2-3; uiteraard bij A en B. Zo ontstaat de volgende ruimtelijn: A(1-2-3-4) A(1-2-3-5) - B(l-2-3-5) - B(1-2-3-4). En natuurlijk ook omgekeerd. Die ruimtelijn is te benoemen als een uitbreiding van de ruimte. Deze uitgebreide ruimte is een gevolg van de combinatie van A en B; Zonder zo'n combinatie blijven de ruimten beperkt tot de aparte deeltjes en wel als het systeem van beweeglijkheden 1-2-3-4. Je kunt spreken van eilandjes van ruimte in de zee van beweeglijk heden. In die eilandjes zijn de beweeglijkheden 5,6,7 en 8 allemaal beweeglijk ten opzichte van de ruimte 1-2-3-4. Bij een combinatie van twee eilandjes (in ons voorbeeld via beweeglijkheid 5) vervalt het als beweeglijk gelden van 5, maar 6,7, en 8 volharden in hun beweeglijke verhouding, uiteraard totdat ook zij in een combinatie opgenomen worden. Met het zich voegen in combinaties gaat de ruimte overvloeien, hij wijzigt zich van discontinu in continu. De wijziging van de ruimte heeft een zich opheffen van beweging tot inhoud. De beweging namelijk van A(brandpunt naar 5) en B(brandpunt naar 5). Dat zich opheffen is een gevolg van het niet meer als beweeglijk gelden van de verbindende beweeglijkheid 5. Nog even voor alle duidelijkheid: toen het nog over de beweeglijkheden ging kon ik niet meer doen dan een gelijkop bewegen veronderstellen, op grond van het onvermijdelijke toeval. De beweeglijkheden zelf zijn (en blijven) nergens in betrokken. Nu echter moeten bewegingen zich opheffen en de achtledige deeltjes zijn er wel in betrokken. Het opheffen van bewegingen is hetzelfde als het ons bekende begrip stilstand. Hoewel echter de beweging is opgeheven is de beweeglijkheid (van de beweeglijkheden) nog steeds aanwezig en wel blijvend; die is, op grond van de volledige onbepaaldheid van de beweeglijkheden, nooit weg te denken! Voor het opheffen van beweging geldt maar een mogelijkheid die houdbaar is, namelijk dat A (brandpunt naar 5) en B (brandpunt naar 5) exact in een rechte lijn liggen, in elkaars verlengde. Bij die opheffing liggen de brandpunten A en B ten opzichte van elkaar stil, in ons spraakgebruik: ze zitten aan elkaar vast.

Het ineen-gaan van elementaire deeltjes roept een continue ruimte op. Dat is een zich uitbreidende ruimte. Opmerkelijk is dat men in de moderne natuurkunde ook van een zich uitbreidende ruimte spreekt. Men associeert die echter met de theorie van de Big Bang en daarom is het nog maar de vraag of de natuurkundigen het over hetzelfde hebben als wij op het ogenblik. In ieder geval stuiten wij op een begrensde ruimte, een ruimte immers die net zo ver gaat als er combinaties van elementaire deeltjes zijn. Dit is niet in strijd met het begrip oneindigheid, want dat is een begrip dat geldt voor die zee van beweeglijkheden. Geredeneerd echter vanuit de materie is de ruimte eindig, in zoverre hebben de natuurkundigen gelijk. Dat begrip eindige ruimte slaat dus uitsluitend op een ruimte die continu is en die is ontstaan op grond van het overvloeien van ruimte van het ene elementaire achtledige deeltje naar het andere. Omdat het over ruimtelijnen gaat moeten wij ons die continue eindige ruimte voorstellen als een netwerk van ruimtelijnen, met de brandpunten als knopen. Die knopen hangen naar alle richtingen met elkaar samen. Hoezeer dat ook, vanuit onze redenering, vanzelfsprekend is, voor het westerse analytische denken is het toch iets dat in principe onaanvaardbaar is, althans niet relevant voor het begrijpen van de werkelijkheid. Het is van belang je hiervan terdege bewust te zijn, want een logische consequentie is dat, in strijd met de inzichten van bijvoorbeeld Aristoteles, het een wel degelijk tegelijk het ander is. Er is wel een onderscheiding mogelijk, maar geen scheiding. De werkelijkheid is niet als een verzameling te begrijpen, maar als een netwerk van samenhangen.

Als gevolg van die samenhangen komen de onderzoekers verschijnselen tegen die er op lijken dat het ene deeltje weet wat het andere doet. Volgens sommigen kan je aan de zaak bewustzijn toekennen. Als men daarmee doelt op datgene dat wij in ons hoofd aantreffen, dan is dat natuurlijk onzin, maar als je terug redeneert kan je stellen dat ons bewustzijn slechts mogelijk is omdat de werkelijkheid dat netwerk van samenhangen is. Zonder die samenhang waren wij ons nergens van bewust. In die zin kan je inderdaad spreken van een bewuste werkelijkheid. Alweer: ook wat dit betreft is het denken van Hegel interessant. Voor hem was de gehele werkelijkheid denken en hij noemde haar een kristallijnen netwerk van begrippen. Dat netwerk was voor Hegel een netwerk van bewegingen. Het karakter van denken zag hij ook als beweging. Overigens: ook in de moderne natuurkunde begint men meer in de richting van een organisme te denken en men laat de opvatting van Newton en Descartes, dat de werkelijkheid als een machine zou zijn, steeds meer vallen. Als we zouden denken dat er in de werkelijkheid alleen maar een netwerk van samenhangen zou zijn, omdat overal de genoemde combinaties van elementaire deeltjes zouden optreden, dan moesten wij logisch uitkomen op een kosmos, die een homogene klont is. Die gedachte is niet houdbaar. In de oneindigheid van de zee van beweeglijkheden zijn er steeds continenten van samenhangen, dus eindige continue ruimten. Maar ook zijn er discontinue ruimten: de beweeglijkheden in de verhouding 1-2-3-4. In die situatie bestaat er dus helemaal niets omdat er (voorlopig) geen brandpunten zijn. Dat is het oude Griekse begrip chaos. Tussen de continenten, in die chaos, zijn dus wel beweeglijkheden en ook zijn die er in de verhouding ruimte, in de zin van discontinue ruimte, eilandjes van ruimte. Maar, samenhang is er alleen in een verschijnselenwereld, een continent dus. Wie zal zeggen hoe groot zo'n continent is en hoeveel er zijn in het heelal?

Big Bang-1 ; Big Bang-2 ; Big Bang-3 ; Big Bang-4 ; Big Bang-5 ; Big Bang-6

Samenhang-1 ; Samenhang-2 ; Samenhang-3 ; Het onvermijdelijke toeval (nos 3,4,5) en vervolgens de nos. 8,†† 15,†† 18,20,21,22,23,25,27,28,†† 31,†† 60,67,68,69 en 70) ; Tijdloosheid/eindeloosheid ; Oneindigheid zie 3 en 4 , 18 , 38 t/m 40 , 60 , 66 t/m 69 ; Eeuwigheid ; Trilling-1 ; Trilling-2 ; Totaaltrilling ;

Naar boven†††††††

 

No.19

Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ; Overgang-5 ; Overgang-6 ; Overgang-7 ;

Het overvloeien van de ruimte van het ene elementaire deeltje (A) naar het andere (B) geschiedt lineair, d.w.z. de ruimteverhoudingen tussen brandpunt A en brandpunt B vormen een soort van rechte brug. Ik heb gesproken van ruimtelijnen. In een kosmos, dus in een bepaalde verschijnselenwereld zoals bijvoorbeeld de onze, vormen die ruimtelijnen een netwerk. Er is dus niet te spreken van een homogene substantie als bijvoorbeeld water, dat een verzameling van door elkaar heen krioelende watermoleculen is. Je kunt werkelijk aan een uitermate fijnmazig net denken en dan moet je je daarbij realiseren dat er niets is te bedenken dat nog verfijnder is. De mate van verfijning is voor ons onvoorstelbaar; je kunt dat vergelijken met een kathedraal die volledig opgevuld is met fijn geweven vitrage, waarbij de kathedraal dan de ruimte voorstelt die een elektron nodig heeft om zijn baan te beschrijven. De ruimtelijnen, waaruit de kosmos qua ruimte geweven is, zijn er wel, maar zij bestaan niet. Dat wil zeggen dat zij geen verschijnsel zijn en op grond daarvan nooit proefondervindelijk aangetoond kunnen worden. Zij vallen dus buiten het kennisgebied van de natuurkunde, hetgeen echter in geen geval mag betekenen dat ze dan buiten het menselijke kenvermogen vallen. Maar, wij hebben niet alleen ruimtelijnen. Bij een combinatie van de deeltjes A en B ontstaat ook een concrete lijn tussen de brandpunten A en B, namelijk de lijn van de opgeheven beweging tussen die brandpunten. Het netwerk dat door die lijnen gevormd wordt valt samen met het netwerk van de ruimtelijnen, maar is niet hetzelfde. Het is namelijk een netwerk dat zich tussen knopen bevindt, de knopen die door de brandpunten gevormd worden. Als nadere nuancering van het op pag. 36 gezegde over de samenhang maak ik dus nu een onderscheid tussen het netwerk van ruimtelijnen en het netwerk van opgeheven bewegingen, het laatste dus een netwerk waarin de brandpunten als knopen voorkomen. Hoewel ik dat nog zal bespreken zeg ik nu alvast dat het begrip samenhang behoort bij het eerste netwerk en het begrip relatie bij het tweede. De begrippen samenhang en relatie lijken elkaar te dekken, maar doen dat in feite helemaal niet. We denken ons nu weer de combinatie van A en B in. Bij die combinatie hebben wij de beweeglijkheden 6,7 en 8 van zowel A als B (willekeurig) opgevat als nog steeds in beweging ten opzichte van de ruimten 1-2-3-4 van A en B. Het is dus de beweeglijkheid 6, 7 of 8 van A of van B (dat maakt niet uit) die als overgang naar een derde elementair deeltje(C) kan fungeren. Voor het gemak neem ik nu aan dat beweeglijkheid A6 daartoe uitverkoren is. Als overgangs beweeglijkheid is hij nu dus ook met C6 te benoemen. Thans treedt er iets eigenaardigs op: de lijn van de stilgelegde beweging tussen de brandpunten A en B en de lijn tussen de brandpunten A en C maken een hoek met elkaar, liggen dus niet in elkaars verlengde. Hoe ik het nieuwe elementaire deeltje C ook combineer met A of B, steeds zal ik zo'n hoek aantreffen en dus zal ik nooit een rechte lijn vinden die de brandpunten A, B en C tegelijk bevat. Dit betekent dat een rechte lijn alleen maar mogelijk is tussen twee brandpunten, maar nooit tussen meer brandpunten. De rechte lijn bestaat in werkelijkheid alleen maar in zijn elementaire gedaante (tussen de brandpunten A en B, of B en C, enz.), maar niet als structuur, namelijk als een verzameling van meerdere punten. Als structuur is hij noodzakelijk gebroken door een hoek. In de praktijk kennen we deze lijn als de gebogen lijn, die wiskundig steeds teruggebracht kan worden tot een verzameling oneindig kleine rechte lijnen. Die oneindig kleine lijnen maken altijd een bepaalde hoek met elkaar. Dat is, willekeurig vanuit elementair deeltje B gezien, de hoek BAC, oftewel, helemaal uitgeschreven: B(brandpunt naar 5) - A(5 naar brandpunt) - A(brandpunt naar 6) - C(6 naar brandpunt). Het hoekpunt is dus, in ons model, het brandpunt van A, en ook dat is natuurlijk niet zonder betekenis.. .

De op het ogenblik onder de moderne natuurkundigen geldende opvatting dat ook de ruimte gekromd, en dus gebogen, is kan mogelijk teruggebracht worden tot bovengenoemde onvermijdelijkheid dat elementaire lijnen ten opzichte van elkaar hoeken maken. Het feit van het maken van hoeken heeft uiteraard zijn consequenties. Als je namelijk bedenkt dat beweging zich opheft als de bewegende verhoudingen in elkaars verlengde liggen, dan betekent het maken van een hoek dit, dat de zaak zich in beweging gaat zetten. In onze combinatie van de deeltjes A, B en C zijn de bewegingen A-B en A-C opgeheven. Dat blijven zij ook ten allen tijde. Maar, die opgeheven bewegingen liggen qua richting helemaal niet in elkaars verlengde, zodat je moet concluderen dat zij aan en met elkaar beweging oproepen. Deze beweging geldt uitsluitend voor de combinatie van de drie elementaire deeltjes A, B en C. Met andere woorden: het is de combinatie zelf die dit zich in beweging zetten oproept omdat A-B en A-C qua richting niet samenvallen en elkaar dus als beweging niet kunnen opheffen. Als je voor de aardigheid eens redeneert vanuit de combinatie van de deeltjes A en B (onze oorspronkelijke combinatie), dan is het zich erbij voegen van C voor de combinatie A-B de uitwendige oorzaak van het zich in beweging zetten van de nieuwe combinatie A-B-C. We moeten hierbij uitdrukkelijk spreken van zich in beweging zetten, want eerst was er geen beweging (A-B), maar nu is die er plotseling wel. Datgene wat tot stilstand was gekomen, namelijk in de combinatie A-B zet zich thans, als stilstaande zaak, in beweging, en wel in een uitwendige beweging. Je kunt zeggen dat de nieuwe combinatie zich gaat verplaatsen. Er komt beweging in de kosmos! Zij verandert van statisch in dynamisch.

De oeroude gedachte dat de kosmos zich eens een keer in beweging gezet heeft blijkt dus te kloppen, maar onjuist is de gedachte dat er iets geweest zou moeten zijn dat hiervan de oorzaak was. De grote beweger, oftewel god, blijkt ook wat dit betreft weer een hersenspinsel. De elementaire deeltjes zetten elkaar in beweging bij het vormen van drie- en meervoudige combinaties. We moeten nu een vijftal soorten van beweeglijkheid gaan onderscheiden, afhankelijk van het systeem waarin zij optreden:

1) de beweeglijkheid van de beweeglijkheden zelf. Daarover is niets bepaalds te zeggen.

2) de beweging die in het meest primaire systeem van vijf beweeglijkheden gaat optreden, namelijk de beweging wel/niet materie of wel/niet ruimte.

3) de beweging ten opzichte van de ruimte, zoals die in een achtledig elementair deeltje viermaal te voorschijn komt, zich afspelend tussen de door ons genummerde beweeglijkheden 5,6,7,8 en het brandpunt.

4) de opgeheven beweging tussen de brandpunten van twee, met elkaar gecombineerde, elementaire deeltjes A en B.

5) het zich in beweging zetten van de combinatie A-B-C doordat het elementaire deeltje C zich bij de combinatie A-B voegt.

Verderop in onze gedachtegang zal blijken dat er nog een zesde mogelijkheid van beweging is. Die treedt op als het verschijnsel in en uit zichzelf gaat bewegen, d.w.z. tot leven komt. Hierbij is er echter geen uitwendige oorzaak, zoals die zich wel bij de onder 5) genoemde situatie voordeed. Het beweeglijk worden geschiedt geheel en al vanuit de dan aanwezige combinatie zelf. Die (levende) combinatie verplaatst zich uiteraard ook, zoals dat in principe voor alle verschijnselen geldt, maar daarenboven leeft zij.

Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ; Overgang-5 ; Overgang-6 ; Overgang-7 ; de Grote Beweger ; Eerste Beweger ;

No.20

Het onvermijdelijke toeval (nos 3,4,5) en vervolgens de nos. 8,†† 15,†† 18,20,21,22,23,25,27,28,†† 31,†† 60,67,68,69 en 70)

Naarmate je verder komt met de gedachtegang over de beweeglijkheden en de elementaire deeltjes krijg je te maken met steeds meer alledaagse verschijnselen en begrippen. Maar die zijn, hoewel alledaags, toch niet zo zonder meer te begrijpen. Zo heb je dan het in beweging komen, in de zin van het zich verplaatsen door de ruimte. Daarvan realiseren wij ons gewoonlijk niet dat wij dit automatisch denken vanuit de stilstand, het niet in beweging zijn. Wij doen dat intuÔtief en het is terecht dat wij dit doen: inderdaad zetten de verschijnselen zich in beweging, te beginnen met de combinatie van drie elementaire deeltjes - zoals wij gezien hebben. Het feit echter dat de verschijnselen zich in beweging zetten houdt niet in dat het begrip stilstand een absoluut begrip zou zijn, d.w.z. een zaak die onafhankelijk van iets anders zou kunnen bestaan. Uit onze gedachtegang blijkt dat de stilstand een betrekking of een relatie is tussen (de brandpunten van) twee elementaire deeltjes. Het is dus een relatief begrip, een begrip dat te voorschijn komt aan en door iets anders. Waarschijnlijk is het Einstein geweest die dit als eerste begrepen heeft en toegepast in zijn Speciale Relativiteitstheorie van 1905. Weliswaar heeft hij het voornamelijk over het relatieve karakter van bewegingen, maar in ons verhaal is dat niet denkbaar zonder ook de stilstand als relatief te beschouwen. Voor Einstein werd de stilstand als de absolute basissituatie van de (verschijnende) werkelijkheid opgevat. Vandaar dat men in arren moede maar de werkzaamheid van een Grote Beweger aannam. We weten nu dat het inderdaad de basissituatie van het verschijnsel is, maar volstrekt geen absolute, van niets afhankelijke. Het is een relatieve. Als ik de combinatie van twee elementaire deeltjes verbreek, vervalt ook het begrip stilstand, omdat de relatie tussen beide brandpunten verbroken wordt. In dat geval kan ik niet meer van stilstand of in beweging zijn (verplaatsen) spreken. Die begrippen zijn dan eenvoudig nog niet van toepassing. Zoals al eerder gezegd gaat er, bij combinatie van twee elementaire deeltjes, nog een begrip een rol spelen, namelijk het begrip afstand. Dat is een concreet begrip, en wel omdat het vastligt. Alle voorwerpen bevinden zich op een bepaalde afstand van elkaar. Weliswaar geeft het meten van zo'n afstand problemen omdat onze meetapparatuur altijd onzuiver is en blijft, maar dat neemt het feit niet weg dat we toch van een bepaalde afstand moeten spreken. Genoemde onzuiverheid echter is, ondanks de ondubbelzinnigheid van een bepaalde afstand (het is zoveel en niet meer of minder), evenzeer essentieel. Dat komt doordat de kleinst mogelijke afstand, die je dus als eenheid van afstand zou moeten aannemen, zich niet laat bepalen. De afstand brandpunt A naar brandpunt B is wel bepaald, maar hij is tegelijk niet te bepalen, omdat in de combinatie van de deeltjes A en B de beweging een rol blijft spelen, namelijk de bewegingen ten opzichte van de ruimte van de beweeglijkheden 6,7 en 8 van zowel A als B.

Op dit punt aangekomen is het wellicht verhelderend om onze eigen rol in het filosofische denkproces te onderzoeken. Het is namelijk zo dat, tot en met het achtledige elementaire deeltje (voor ons A) de gebeurtenissen door mijzelf bepaald worden, zij het dan in overeenstemming met de logica. Ik laat naar believen twee of drie of meer beweeglijkheden samenkomen, net zolang tot dat niet meer gaat, in feite bij acht beweeglijkheden. Daarna echter bepaal ik niets meer. Zodra het verschijnsel er is kan ik nog slechts nagaan wat de consequenties en de mogelijkheden zijn. Uiteraard hangt dat samen met het feit dat ik, tot en met het elementaire deeltje (A), uitsluitend op mijn denken aangewezen ben en pas daarna in een werkelijkheid terechtkom die, behalve doormiddel van mijn denken, ook nog, in principe, doormiddel van onderzoek te benaderen is. Onderzoek is alleen mogelijk bij een gegeven object, iets dat voor mijn onderzoek al aanwezig was. Deze factor gaat nu eveneens en tegelijk in mijn denken meespelen. Ik ben van nu af aan ook gebonden aan de mij bekende werkelijkheid, de voor mij alledaagse werkelijkheid. Maar, ook in dat gebonden-zijn mag ik, bij het filosofische nadenken, niet steunen op als juist veronderstelde (wetenschappelijke) feiten. Die feiten illustreren hoogstens de door mij ontwikkelde gedachtegang.

Terzijde: als ik steeds van ik en mij spreek bedoel ik niet mijzelf, in persoonlijke zin, maar de toehoorder of lezer, die zich (tijdelijk) identificeert met de gedachtegang en die van daaruit in de ik-vorm redeneert. Dat in de ik-vorm redeneren is trouwens de enige weg om werkelijk iets aan de weet te komen! Filosoferen is in wezen een dialoog voeren met jezelf. Het in beweging komen van het (primitieve) verschijnsel is gebaseerd op de combinatie van drie elementaire deeltjes. De inhoud van die combinatie is het in relatie tot elkaar staan van twee maal twee brandpunten. In strijd met de logica van de gebruikelijke rekenkunde is voor ons 2 x 2 geen 4, maar 3. Ik heb te doen met twee maal een relatie van stilstand en daaraan moet bedacht worden dat die twee relaties in ons model in brandpunt A samenkomen, maar voor het overige elkaar als stilstaand opheffen op grond van het niet in elkaars verlengde liggen van de richtingen van stilstand (brandpunt A naar brandpunt B en brandpunt A naar brandpunt C).

Alle bewegingen, die aan de verschijnselen meekomen, berusten op dit opheffen van stilstand door de aard van de gevormde combinaties. Doordat het gaat over een opheffen van stilstand is er steeds de neiging daartoe terug te keren. Heel duidelijk manifesteert dit zich in het leven dat voortdurend in stand gehouden moet worden om tenslotte toch, in de dood, zijn in beweging zijn te verliezen. Het leven is eigenlijk een strijd tegen de dood. Je kunt spreken van overleven en dat overleven gelukt geruime tijd, totdat het niet meer lukt. Het zich in beweging zetten van het verschijnsel roept voor ons denken een moeilijkheid op, die zich aanvankelijk als onoplosbaar voordoet. Dit is het probleem: als een verschijnsel zich voortbeweegt drukt het dan, zoals een duikboot in de zee, de andere beweeglijkheden opzij, of nemen die andere beweeglijkheden, elk op hun beurt, de verhoudingen van dat verschijnsel over, zodat dit verschijnsel als het ware steeds uit nieuwe beweeglijkheden bestaat. Al eerder heb ik gezegd dat dit laatste het geval is, maar, bij beide mogelijkheden, die van de duikboot en die van het overnemen lijkt het er op dat de er in betrokken beweeglijkheden tot iets gedwongen worden. Namelijk in het eerste geval tot opzij gaan en in het tweede geval tot het vormen van bepaalde verhoudingen. De beweeglijkheden echter zijn volkomen onaantastbaar, nergens in betrokken, tot niets te dwingen dat van buitenaf komt. Hoe kan een verschijnsel zich dan verplaatsen? In zekere zin is de zee van beweeglijkheden ondoordringbaar en zijn alle gebeurtenissen, die erin plaatsvinden, onvermijdelijke toevalligheden, die evengoed, op een bepaalde plaats, niet op kunnen treden. De beweeglijkheden zouden dan toevallig opzij moeten gaan of toevallig een verhouding aannemen, precies eender als de oorspronkelijke. Dat laatste zou op zichzelf gemakkelijk kunnen, ware het niet dat deze gebeurtenis vlak naast de oorspronkelijke moet plaats vinden. Hoe je het ook bekijkt, we zitten nu muurvast met onze gedachtegang. We moeten terug om te kijken of we iets over het hoofd gezien hebben, of mogelijk ergens een fout hebben gemaakt.

No. 21

vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; Ontstaan van Ruimte en tijd-1(zie nrs. 4 en 5) ; Wat is TIJD-2

We zitten met een probleem omdat een verschijnsel niet in staat is de onaantastbare, absolute beweeglijkheden te dwingen tot een verhouding waartoe zij niet op grond van het onvermijdelijke toeval terechtgekomen zijn. De vraag is bijgevolg: hebben wij een fout gemaakt of hebben wij iets over het hoofd gezien? De mogelijkheid dat wij een fout gemaakt hebben kunnen wij buiten beschouwing laten, niet omdat we geen zin zouden hebben om fouten toe te geven, maar omdat herhaald nagaan van onze gedachtegang niet leidt tot de conclusie dat er nog andere mogelijkheden waren geweest wat betreft de reeks van opeenvolgende gebeurtenissen. De posities bijvoorbeeld van de beweeglijkheden in ons systeem waren steeds onvermijdelijkheden die geen andere mogelijkheid openlieten: beweeglijkheid 4 kon nergens anders gelegd worden dan boven op 1,2 en 3 op de wijze zoals wij gedaan hebben. En zo ook met de andere beweeglijkheden.

De andere mogelijkheid is dat wij iets over het hoofd hebben gezien. Dat is inderdaad het geval. Vanuit onze cultuur en de daarbij behorende wijze van denken zou dit een bijzonder kwalijke zaak zijn. Je hebt maar niets over het hoofd te zien en als je dat toch doet valt je hele gedachtegang in duigen. Filosofisch denkend echter is het vastlopen helemaal geen kwalijke zaak; het is het gevolg van die filosofische wijze van denken, waarin, als je het goed doet, een waarschuwingssysteem werkzaam is, dat je telkens dwingt het geheel van de werkelijkheid opnieuw te overzien. Als je dat laatste doet bemerk je waarom je bij herhaling iets over het hoofd ziet en wat de betekenis daarvan is. Onze gedachtegang, beginnend bij een beweeglijkheid en voortgaande tot en met een systeem van acht, en daarna betrekking hebbend op combinaties van elementaire deeltjes, was een eenzijdige, namelijk lineaire gedachtegang. Via causale verbanden, dus oorzaken en gevolgen, hebben wij die lineaire gedachtegang opgebouwd. We begonnen met een enkelvoudig gegeven in relatie tot een ander enkelvoudig gegeven en hebben daaruit een consequentie getrokken. Wij hebben daarmee een bepaald proces als een op zichzelf staande, een geÔsoleerde, zaak beschouwd. Daarin hadden wij geen keuze. Er moest lineair geredeneerd worden: een beweeglijkheid, twee beweeglijkheden, enzovoort. Dat was de enige weg om dat aspect van de werkelijkheid te begrijpen. Dus: een kwantitatieve, causale en lineaire redenering is noodzakelijk om de gang van zaken te achterhalen. Maar in feite hebben wij niet met een geÔsoleerde zaak te doen. Het gaat over een nuance, een spel van bewegingen, binnen een geheel van oneindig vele bewegingen. Binnen dat geheel hebben wij een lijn getrokken, en daarbij dat geheel buiten beschouwing gelaten. Thans echter zijn wij op een punt aangekomen dat wij dat geheel er weer in moeten betrekken en juist omdat wij op een goede wijze aan het denken waren laat ons eigen denken een waarschuwing horen! Die waarschuwing ďje zit vastĒ is dus geen kwalijke zaak, maar daarentegen een heel goede. Hier zit de mogelijkheid tot zelfcorrectie van het filosofische denken en het aardige hiervan is dat wij het nu aan den lijve voelen. Het moderne westerse denken is vrijwel uitsluitend lineair. Dat moet dus een denken zijn dat telkens vastloopt omdat het geen zelfcorrectie kent. Inderdaad is dat het geval, maar omdat er in dat denken geen ruimte is voor iets anders geeft het vastlopen geen aanleiding tot opnieuw beginnen, maar juist tot een ontwijken van de ontstane moeilijkheden. Daarop is ons gehele wetenschappelijke denken gebaseerd. Bij voorbaat wordt er zo gedacht dat de moeilijkheden uitblijven en dan meent men op de goede weg te zitten, terwijl in werkelijkheid een steeds grotere vervreemding het gevolg is. Dat zou niet het geval zijn als er ook synthetisch, d.w.z. samenvattend gedacht werd. We moeten dus nu, als een schilder, terug stappen om ons werkstuk als geheel te gaan bekijken. Dan zien wij dat alle door ons als op zichzelf staande gevallen besproken systemen van verhoudingen voortdurend, in een eeuwige afwisseling, ontstaan en vergaan. Er is geen moment dat zij er niet zijn, telkens in andere variaties en telkens gebaseerd op andere, toevallig ten opzichte van elkaar stilstaande beweeglijkheden. Nemen wij in onze fantasie een bepaalde beweeglijkheid in ogenschouw, dan zien wij die telkens in andere systemen en daarin in andere posities optreden. Nooit is definitief te zeggen of onze bepaalde beweeglijkheid op een bepaald moment tot het ene systeem behoort of tot het andere. En alle denkbare systemen zijn steeds aanwezig, op de wijze van voortdurende afwisseling. In de zee van beweeglijkheden treedt niet een combinatie van drie elementaire deeltjes op en verder niets. Alles is er verder ook! Er is dus een voortdurende tendens om tot bestaan te komen en die bestaanstendenties zijn er altijd en overal. Dit betekent voor ons probleem dat een zich verplaatsend voorwerp - in ons geval een combinatie van drie elementaire deeltjes - altijd beweeglijkheidsverhoudingen zal aantreffen die dat verplaatsen mogelijk maken. De benodigde bestaanstendenties zijn steeds aanwezig. Maar, uiteraard ook tendenties die al tot bestaan gekomen zijn. Daarbij kan ons voorwerp dergelijke materiele verhoudingen, dus andere voorwerpen, onder omstandigheden ook opzij drukken of zich ermee combineren. Maar de niet-materiele verhoudingen kunnen alleen maar worden overgenomen. Materieel is er dus overnemen, het duikboot verschijnsel en het verdichtings- verschijnsel, maar niet materieel is er uitsluitend het overnemen van verhoudingen. Dat laatste is het verplaatsen in de zin van zich voortbewegen. Om je je dat verplaatsen voor te stellen kun je denken aan een lichtkrant zoals die soms op gebouwen aangebracht is. Je ziet bijvoorbeeld de letter E zich van rechts naar links verplaatsen. In feite echter zijn er steeds andere lampjes die oplichten en wel in de verhouding E. Deze verhouding is dus in werkelijkheid datgene dat zich verplaatst. Zo is het nu ook met het zich verplaatsen van een voorwerp door de ruimte. ( wat is tijd ) Als je op dat zich verplaatsen doordenkt blijkt dat het altijd mogelijk is dat ons voorwerp, in principe bestaande uit een combinatie van drie elementaire deeltjes, op een bepaald moment geen verhouding in zijn buurt aantreft waardoor het zich verplaatsen door kan gaan via het overnemen van de verhouding. Op een van de daarop volgende momenten echter zal dit wel het geval zijn. Je zou kunnen zeggen: je moet dan even wachten. Dat is gemakkelijk gezegd, maar enig nadenken hierover leert je dat je nu het basisprincipe van het begrip tijd ontdekt hebt. Dat begrip heeft dus alles met het zich verplaatsen, het in beweging zijn te maken, en dat betekent dat het gerekend moet worden tot de verschijnselenwereld en niet tot de oorspronkelijke werkelijkheid als de zee van beweeglijkheden. Daarbij moet je voorlopig niet denken aan een langere of kortere tijd, een tijdsbestek. Je hebt dan de tijd ingeklemd tussen een beginmoment en een eindmoment. Maar hier hebben wij steeds te doen met een eindmoment. Doordat wij mensen een besef van een toekomst hebben zien wij de tijd doorgaans als een beginmoment. Maar in werkelijkheid is er steeds het eindmoment: het moment nu. En daarvan is het opmerkelijke dat het altijd net voorbij is. Hoe kort wij de tijdsspanne ook nemen, steeds is het moment nu een voorbij moment. In deze zin moeten wij gaan nadenken over het begrip tijd. We hebben dan ook niets te maken met het feit dat zelfs de kortst denkbare tijdsspanne nog altijd te lang is om het voorbijgaan van het moment nu in uit te drukken.

vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; Ontstaan van Ruimte en tijd-1(zie nrs. 4 en 5) ; Wat is TIJD-2

No. 22

Het loont de moeite om het voorbeeld van die zogenaamde lichtkrant nog eens goed te bekijken. Je kunt je dan een heel aardige voorstelling maken van het zich verplaatsen en het overnemen van verhoudingen. Wat je ervaart is dat de letter E zich van rechts naar links verplaatst. Dat is te vergelijken met het zich verplaatsende verschijnsel. In feite echter verplaatst zich een bepaalde verhouding, die bepaalt welke lichtjes van die lichtkrant op een bepaald moment aan moeten zijn en welke uit. Op elk bepaald volgend moment neemt een aantal van de vorige lichtjes en neemt een aantal andere lichtjes aan het verschijnsel E, deel, terwijl andere niet meer meedoen. Overeenkomstig daarmee zou je kunnen zeggen dat er bij het zich verplaatsen van een verschijnsel door de ruimte ook telkens andere beweeglijkheden aan deel nemen. Hoewel dat vanzelfsprekend het geval is zijn het in werkelijkheid toch niet de beweeglijkheden die bepalend zijn, maar de brandpunten. De deelname van die beweeglijkheden is mogelijk doordat er, op grond van het onvermijdelijke toeval, steeds verhoudingen aanwezig zullen zijn die de mogelijkheid bieden andere verhoudingen over te nemen. Die beweeglijkheden zelf hebben met die hele gang van zaken niets te maken. Dat is een gegeven dat wij steeds goed voor ogen moeten houden. Maar toch zijn het die onaanraakbare beweeglijkheden die onderhevig zijn aan de dwang van het zich verplaatsende voorwerp (bestaande uit een combinatie van drie elementaire deeltjes): er worden krachten uitgeoefend. Die krachten evenwel zijn op zichzelf gevolg van bepaalde verhoudingen en op grond daarvan werken zij op de aanwezige andere verhoudingen in. Met andere woorden: de verhoudingen (systemen) betrekken zich wel op elkaar, maar de in die systemen toevallig betrokken beweeglijkheden niet en nooit. Daarbij moeten we bedenken dat een kracht alleen dan kan optreden als er een verschijnsel is, dus een systeem waarvoor geldt dat er gerichte bewegingen zijn die voortgekomen zijn uit het dynamisch worden van de werkelijkheid. Bewegingen dus, die gebaseerd zijn op stilstand en die vervolgens in beweging gekomen zijn, zoals dat het geval is- bij onze combinatie van drie elementaire deeltjes. Het zijn dus deze in beweging gekomen bewegingen die krachten gaan uitoefenen op andere verhoudingen. Het voorwerp verplaatst zich door de ruimte. Dat is letterlijk zo, omdat het steeds de verhouding ruimte (het systeem 1-2-3-4) is die een cruciale rol bij het zich voortbewegen speelt. Al eerder heb ik er op gewezen dat het geheel van de systemen 1-2-3-4 op te vatten is als de discontinue ruimte, de eilandjes van ruimte in de zee van beweeglijkheden. Het is deze discontinue ruimte die het zich verplaatsen mogelijk maakt en wel door het vormen van een ruimtelijn tussen het brandpunt A van een bestaand voorwerp en een nieuw te vormen brandpunt, dat via (denk aan ons model) de beweeglijkheden 7 of 8 met brandpunt A een verhouding aangaat en daarna de rol van A overneemt. Dat uitoefenen van krachten, met als gevolg het zich verplaatsen van het verschijnsel (voorwerp) dat die krachten zelf opgeroepen hebben, wordt pas dan effectief als er verhoudingen aanwezig zijn die zich daartoe lenen. De aanwezigheid van die verhoudingen kan niet uitblijven, zoals we gezien hebben op pag. 42, maar toch is het de vraag of dat op het moment nu het geval is. De consequentie hiervan is dat het begrip tijd op gaat treden. Maar dat is dan wel een tijd die wij niet moeten begrijpen in termen van de ons bekende tijd, die gebaseerd is op en bepaald door een tijdsverloop. Het zich verplaatsen van een voorwerp verschilt van het zich verplaatsen van de letter E in ons voorbeeld van de lichtkrant: daarbij ging telkens een volgend lampje branden en we stelden ons zo'n lampje voor als een beweeglijkheid in een zich verplaatsend voorwerp. In feite echter verplaatst dat voorwerp zich niet door, bij wijze van spreken, over te springen naar ernaast gelegen beweeglijkheden, maar door over te gaan naar een naastgelegen brandpunt. De voortbeweging is dus een verplaatsing van brandpunt naar brandpunt. Het voorgaande brandpunt gaat zich realiseren als het volgende brandpunt, maar, dat volgende brandpunt moet er wel eerst zijn! Daarvoor zorgen de krachten, die ik genoemd heb en in dat ontstaan van dat volgende brandpunt speelt het begrip tijd een rol. Die gang van zaken is met behulp van ons bolletjes-model enigszins duidelijk te maken. We waren zover dat wij aan de beweeglijkheden 5 en 6 van het elementaire deeltje A de deeltjes B en C gekoppeld hadden. Dat betekent dat van deeltje A de beweeglijkheden 7 en 8 nog vrij zijn, d.w.z. beweeglijk ten opzichte van de ruimte. Laten wij nu veronderstellen dat via beweeglijkheid 7 de verplaatsing een feit wordt. Dan is het beweeglijkheid 7 die toevallig in een ruimteverhouding komt (vier ten opzichte van elkaar stilstaande beweeglijkheden) met drie andere beweeglijkheden, laten we zeggen 9, l0 en 11. Zodoende ontstaat dus de ruimte 7-9-10-11, en nu is het deze ruimte die ingenomen gaat worden door de oorspronkelijke, voor deeltje A geldende ruimte 1-2-3-4. Daarmee is het systeem een stukje opgeschoven. Uiteraard is daarover veel meer te zeggen omdat we niet alleen maar te doen hebben met zich verplaatsende ruimten: het gaat over hele systemen. Maar wellicht krijgen wij toch een indruk van datgene dat er wezenlijk gebeurt. Wij hebben aangenomen dat het zich verplaatsen zich via beweeglijkheid 7 doorzet, maar het had evengoed via 8 kunnen gebeuren en dan was het resultaat, kosmisch gezien, anders geweest. Er is met geen mogelijkheid te voorspellen of de zaak zich via 7 of via 8 verplaatst, voor beide mogelijkheden zijn de kansen even groot. Maar, die kansen zijn wel aan elkaar bepaald, in die zin dat de richtingen vastliggen. Het gaat in de richting brandpunt A naar 7 of in de richting brandpunt A naar 8. Die richtingen bepalen de onderlinge afhankelijkheid van de beide mogelijkheden. Het zich bewegen in een willekeurige richting is uitgesloten. Daarbij moeten wij wel bedenken dat de twee mogelijke bewegings-richtingen van het voorwerp A-B-C door niets anders bepaald worden dan door dat voorwerp zelf. Er is geen enkele uitwendige factor die hierin een rol speelt. Dat kan betekenen dat een elders aanwezige waarnemer gemakkelijk de indruk kan krijgen dat ons voorwerp zomaar ergens heen vliegt, omdat er voor die waarnemer om te beginnen geen referentiekader aanwezig is. Vanuit ons voorwerp echter is het of naar de ene kant of naar de andere en die beide mogelijke richtingen liggen, bekeken vanuit ons voorwerp, onverbiddelijk vast. Je krijgt hier te doen met iets merkwaardigs: er zijn twee mogelijkheden met even grote kansen en je kunt niet voorspellen welke kant het uit zal gaan, maar waarmee je te maken krijgt is dit, dat op het moment nu, wanneer de tijd dus zijn rol heeft gespeeld, een van de twee mogelijkheden vervallen is. Op het moment nu is zogezegd onze waarschijnlijkheids-uitspraak ingestort. Hij was volledig geldig voordat het moment nu aangebroken was, maar omdat wij zelf, als wezens die over deze zaak nadenken, altijd en onvermijdelijk in het moment nu leven, ja zelfs eigenlijk altijd voorbij dat moment omdat het steeds net voorbij is, hebben wij voortdurend met een ingestorte waarschijnlijkheid te doen. Voor ons is steeds zeker dat het een gebeurd is en niet het ander. Dat geldt ook voor ons leven: op het moment nu zijn alle alternatieve mogelijkheden ingestort en heeft er zich een gerealiseerd.

No. 23

Wanneer je te doen gaat krijgen met materie, in principe een achtledig elementair deeltje en de verbindingen daarvan met andere deeltjes, en wanneer die zaak zich in beweging gaat zetten, komt dat doordat er mogelijkheden op gaan treden. Dat zijn steeds bepaalde mogelijkheden, in die zin dat de aard van die mogelijkheden bij voorbaat vastligt en in die zin dat het aantal van die mogelijkheden bepaald is. De waarschijnlijkheden, waarvan eerst, bij de beweeglijkheden zelf sprake was, kenden die bepaaldheid niet: er stond niet vast dat er alleen maar dit of dat of nog iets anders kon gebeuren. De gebeurtenissen van 1, 2, 3 of 4 beweeglijkheden hebben wij zelf bepaald en wij hebben daarbij bedacht dat het optreden van die gebeurtenissen in de praktijk op niets anders dan het onvermijdelijke toeval kon berusten. Nu echter weten we zeker welke noodzakelijke gebeurtenissen plaats kunnen grijpen (mogelijkheid) en wordt door het toeval slechts bepaald welke keuze de werkelijkheid maakt. Daardoor wordt van nu af aan ons denken beheerst door de vraag naar de mogelijkheden en de nieuwe situatie, die ontstaat als een van die mogelijkheden zich doorzet. Met het zich doorzetten van een van die mogelijkheden stort het hele systeem van mogelijkheden in, d.w.z. de andere mogelijkheden vervallen nu als mogelijkheid en kunnen dus nooit meer een gebeurtenis in de werkelijkheid teweeg brengen - althans niet bij het voorwerp waarop op een bepaald moment onze aandacht gericht is, dus dat voorwerp dat wij als model hebben gekozen. Andere voorwerpen, in precies dezelfde situatie als het onze kunnen natuurlijk wel degelijk een andere mogelijkheid realiseren. Maar steeds gaat het over mogelijkheden die op zichzelf volkomen vast liggen, bepaald zijn, en waarbij het niet meer de vraag is wat er gebeurt, maar uitsluitend de vraag of dit gebeurt, dan wel dat gebeurt. Bij ons voorwerp zijn er, als het over het zich verplaatsen door de ruimte gaat, twee mogelijkheden, laten we zeggen: een mogelijkheid links en een rechts. Welke van die twee mogelijkheden door de werkelijkheid gekozen wordt is een kwestie van tijd omdat het de vraag is wanneer de buiten ons voorwerp aanwezige, steeds tot wisselende verhoudingen behorende, beweeglijkheden het zich verplaatsen mogelijk maken. Zijn de beweeglijkheden in de juiste verhouding aanwezig, dan verspringt het verhoudingen systeem van ons voorwerp naar de volgende positie. Tijdens dat verspringen heft ons voorwerp zich voor een moment op, of, anders gezegd: het moment van het er niet zijn laat zich gelden. Bij alle zich verplaatsen van voorwerpen en dus verspringen van verhoudingen treedt dit moment van er niet zijn op. Voor een zich voortbewegend voorwerp geldt dus wel degelijk dat het op bepaalde momenten ergens is. Dit is in overeenstemming met de opvatting van Newton en de daarop gebaseerde mechanica. Bij berekeningen van de baan van een zich voortbewegend voorwerp neemt men aan dat die beweging een opeenvolging van momenten van stilstand is: op een bepaald moment is het voorwerp op een bepaalde plaats. In de moderne kwantummechanica kijkt men daar enigszins anders tegenaan, maar het feit dat men in quanta denkt, d.w.z. groepjes eenheden van een bepaalde hoeveelheid, kan niet anders dan tot onze conclusie leiden, namelijk dat er bij het voortbewegen steeds sprake is van een opeenvolgend er zijn, er niet zijn en er zijn. Wel echter is het frappant dat men in de kwantummechanica ontdekt heeft dat van de twee samenhangende grootheden impuls en plaats er altijd maar een bekend kan zijn en nooit alle twee tegelijk. Ik kom hierop nog terug. Op het moment nu is ons voorwerp er. Maar, omdat op dat moment ook de nieuwe mogelijkheden een feit zijn is dat moment nu onmiddellijk al weer voorbij. Dat kennen wij uit ons dagelijkse leven: zo kort kun je het moment nu niet nemen of het is alweer verleden tijd. Consequentie daarvan is dat wij eigenlijk almaar in het verleden leven, althans voor zover het over het leven als zelfbewustzijn gaat. Ons denken betrekt zich dus ook noodzakelijk op een vervlogen realiteit, op een werkelijkheid die zo was. Als je hier op doordenkt ontdek je nog een argument voor de gedachte dat de moderne mens, met zijn materiele analytische onderzoek, nooit de werkelijkheid kan ontdekken, maar daarentegen steeds kennis verzamelt over de vervlogen realiteit. Het was de Indische wijsgeer Krishnamoerti die er op wees dat het onderwerp van het denken onvermijdelijk in het verleden moest liggen en dat dit wel degelijk consequenties had voor de kwaliteit van de door analyse verkregen kennis. Het onmiddellijk voorbijgaan van het moment nu betekent, zoals gezegd, ook dat er steeds nieuwe mogelijkheden zijn. Hoewel die mogelijkheden bepaald blijken te zijn is de door de werkelijkheid te maken keuze niet te voorspellen. Dat betekent in de praktijk dat je er nooit zeker van kunt zijn wat het volgende moment brengen zal: gaat de zon morgen weer op? Bestaat onze aarde morgen nog? Leven wij de komende seconde nog wel? Wij gaan er zonder meer van uit dat alles nog wel zal voortduren, maar in feite is dat allemaal maar de vraag. Diezelfde vraag speelt een rol in de wetenschapstheorie. Bewijzen dat een bepaalde uitspraak tot nu toe steeds waar gebleken is houdt nog niet in dat hij echt waar is. Dat laatste kun je pas weten als je er achter gekomen bent welke mogelijkheden er zijn en wat de waarschijnlijkheid is dat die zich doorzetten. Die mogelijkheden moeten altijd in een uitspraak inbegrepen zijn; wijzen op tot nu toe voorgekomen situaties maakt hoogstens achteraf duidelijk welke keuzen de werkelijkheid gemaakt heeft. Ons voorwerp is er op het moment nu. In de periode - laat ik het zo maar zeggen om de zaak duidelijk te maken - dat de mogelijkheden zich realiseren naar een volgend moment nu is ons voorwerp er niet. Dat betekent dat wij niet meer van tijd mogen spreken. Het begrip tijd kwam immers op aan het er zijn van ons voorwerp, in principe bestaande uit een drietal elementaire deeltjes. Je mag dus niet spreken van een tijdsverloop tussen het zich realiseren van het vorige moment nu en het volgende moment nu. Dat wij desalniettemin toch de ervaring van tijdsverlopen hebben komt voort uit het feit dat wij vergelijken kunnen, namelijk al die verschillende bewegingen in de kosmos. Ons voorwerp is het enige niet dat beweegt: de kosmos is een door elkaar gebeweeg van voorwerpen en het is het vergelijken daarvan dat voor ons leidt tot het ervaren van een tijdsverloop. Het basisbegrip tijd echter is louter en alleen het optreden van de momenten nu van een zich voortbewegend voorwerp.Aan het er niet zijn van ons voorwerp in de periode tussen het voorgaande moment nu en het volgende moment nu is nog wel iets te bedenken. Als je eens veronderstelt dat ons voorwerp er gewoon wel zou zijn, hoe moet je het dan begrijpen dat er mogelijkheden voor dat voorwerp gelden? Bovendien mogelijkheden die alleen maar voortkomen uit het beweeglijk zijn van het gehele verhoudingen stelsel van ons voorwerp. We blijven immers te doen hebben met beweeglijkheden, ook als de bewegingen, zoals tussen de brandpunten A en B van ons model, zichzelf opgeheven hebben. Het er niet zijn is het instorten van de verhouding die aan ons voorwerp ten grondslag ligt en juist dat is het eerder genoemde instorten van de mogelijkheden bij het realiseren van een volgende realiteit op het daarvoor geldende moment nu. De oude realiteit verdwijnt al voordat de nieuwe optreedt.

No. 24

Ruimtebrug-1(nr.24) ; Ruimtebrug-2(nrs.28, 29, 30) ; Ruimtebrug-3(nr.37) ;

Bij het zich verplaatsen van een voorwerp, bestaande uit een combinatie van drie elementaire achtledige deeltjes, speelt het begrip richting een belangrijke rol. Om hierin meer inzicht te krijgen moet je nog weer even terug gaan naar het vijfledige systeem, dat als eerste materiele aspecten vertoonde. Deze primaire materiele verhouding verkeert in de situatie dat er wel en niet van materie, c.q. wel en niet van ruimte gesproken moet worden. In ons model zijn het de beweeglijkheden 4 en 5 die ten opzichte van elkaar niet stilstaan en daarbij is het beweeglijkheid 5 die, in een tijdloze afwisseling, het gehele systeem dan weer ruimte, dan weer materie doet zijn. Die afwisseling geschiedt volgens een richting die geldt ten gevolge van het ten opzichte van elkaar in beweging zijn van 4 en 5. De primaire beweging tussen 4 en 5 speelt zich af langs een as, namelijk de lijn van 4 naar 5. De richting van die as is, kosmisch gezien, volkomen onbepaald, maar gezien binnen het kader van het vijfledige systeem van beweeglijkheden ligt hij vast: het is de as 4-5 en geen andere. Bij verdere opbouw van ons model komen wij uit op een systeem van acht beweeglijkheden: het elementaire deeltje. Voor dit deeltje geldt dat er vier maal een bewegingsas aanwezig is, en wel zo dat het brandpunt van die assen, midden in het systeem, geheel in evenwicht is. Vanuit dat brandpunt zijn er dus vier richtingen, namelijk de assen brandpunt naar 5, naar 6, naar 7 en naar 8. Zonder die vier bewegingen en hun, vanuit het systeem bepaalde, richtingen kan dat brandpunt er niet zijn. Pas nu is de materie stabiel. Bij een lens spreken wij ook van een brandpunt. Dan betekent het dat de lichtstralen, die door die lens vallen, naar een bepaald punt geconcentreerd worden. In feite zijn die lichtstralen ook bewegingen: het licht wordt in dit geval beschouwd als een golfbeweging. Die golfbewegingen leveren in het brandpunt een hoge concentratie van energie op, zodanig dat je de lens als brandglas kunt gebruiken. In het brandpunt van ons elementaire deeltje zijn ook bewegingen geconcentreerd en je zou in natuurkundige zin ook hier van een concentratie van energie kunnen spreken. Wat dat betreft lijkt het door ons gevonden achtledige systeem aan te sluiten bij de natuurkundige ontdekking dat massa en energie eigenlijk verwisselbare eigenschappen van een en hetzelfde verschijnsel moeten zijn. Het zijn de (energetische) brandpunten die wij als materie kennen. De acht beweeglijkheden, die tot dat brandpunt aanleiding geven, kennen wij uiteraard niet, want die zijn niet te kennen in de zin van hun bestaan empirisch vaststellen. Zij zijn slechts denkend te ontdekken. De brandpunten zijn wel het begin van de kenbare werkelijkheid, maar tegelijk moet je begrijpen dat je ze nooit zult waarnemen omdat zij zich, door hun primaire karakter, nooit zullen kunnen onderscheiden van het instrument waarmee je ze zou willen waarnemen. Zij vormen onmiddellijk een geheel met dat instrument. Maar intussen is zo'n brandpunt wel het eerste moment van de waarneembaarheid. Om overigens als eerste moment tevens tegelijk niet-waarneembaar te zijn - op grond van het feit dat voor een eerste moment noodzakelijk een dubbelsituatie geldt. Het ons indenken van dubbelsituaties is om te beginnen moeilijk. Wij zijn allemaal min of meer getraind in het analytische denken: het uiteenleggen van de werkelijkheid. Als gevolg hiervan beschouwen wij die uit elkaar gelegde onderdelen als aparte zaken die op zichzelf niets met elkaar te maken hebben. Door die conditionering hebben wij moeite als wij, voor het analytische denken gescheiden en onverenigbare grootheden toch als een zaak moeten denken. Nu moeten wij ons op ons voorwerp gaan concentreren. Dat voorwerp bestaat uit de elementaire deeltjes A, B en C, waarbij B met A verbonden is via de beweeglijkheid 5 en C met A verbonden is via de beweeglijkheid 6. Het kan ook via 7 of 8, maar dat komt op hetzelfde neer. We hebben dus nu een enigszins V-vormige tros van beweeglijkheden waarbij A de punt van de V is. Van de deeltjes B en C zijn de beweeglijkheden 6, 7 en 8 nog vrij, zodat zij kunnen wegspringen naar verhoudingen, die in hun buurt ontstaan. Stel dat van het deeltje B een vrije beweeglijkheid wegspringt. Dan vervalt het brandpunt van B en daarmee valt ons voorwerp terug tot de combinatie A-C waarvoor geldt dat het een ruimtebrug en een relatie tussen twee elementaire deeltjes is, met als kenmerk dat de beweging tussen de brandpunten van A en C zichzelf vastgelegd heeft en dus opgeheven is. Door het vervallen van ons voorwerp kan er van verplaatsing geen sprake meer zijn. Dus: het wegspringen van de vrije beweeglijkheden van B en C levert qua verplaatsing van een voorwerp niets op. De zaak valt terug tot een lineaire combinatie (A-B of A-C).

Geheel anders ligt de zaak als we gaan kijken naar A. In ons model zijn de beweeglijkheden 5 en 6 verbonden met resp. deeltje B en deeltje C. De beweeglijkheden 7 en 8 van deeltje A zijn dus nog vrij. Zij kunnen dus wegspringen naar nabijgelegen verhoudingen, maar dat heeft wel enkele consequenties. De eerste is deze dat met dat wegspringen van 7 of van 8 het brandpunt van A vervalt en, ten gevolge daarvan het hele gecombineerde systeem van drie elementaire deeltjes. Alles is dus weg. Alle mogelijkheden zijn volledig ingestort, iets dat we al eerder geconstateerd hadden. Maar, de weggesprongen beweeglijkheid komt in een zodanig nieuw verhoudingen systeem terecht dat zich daar onmiddellijk weer een nieuwe tros vormt, geheel identiek aan de oude, maar op een andere plaats. De herhaling van dit verval en het tegelijk nieuw ontstaan van materiele combinaties levert voor ons het verschijnsel van het zich verplaatsen op. Heb ik aanvankelijk (ter wille van onze voorstelling) gezegd dat de verhoudingen zich verplaatsen, thans, na dieper onderzoek, blijkt dat ook dit maar een illusie is omdat de verhouding van die drie gecombineerde elementaire deeltjes zich telkens opnieuw vormt. Dit zich opnieuw vormen echter is van een ijzeren noodzakelijkheid, die slechts bepaald wordt door het moment nu en dus door de tijd. Die verplaatsing is evenwel niet willekeurig: gezien vanuit het eerst aanwezige voorwerp ligt de richting van het zich verplaatsen vast. Noodzakelijk moet dat gebeuren in de richting brandpunt A naar 7 of brandpunt A naar 8. Elke andere richting is uitgesloten. Dat betekent dat de richting bepalend is voor datgene dat er gebeurt. Ons voorwerp gaat niet lukraak de ruimte in, maar exact volgens een bepaalde richting, een richting overigens die bepaald wordt door het vorige systeem dat inmiddels vervallen is. Alweer: we hebben nu, om uit zoeken wat er gebeurt, aan een enkel systeem gedacht. In feite echter spelen deze gebeurtenissen zich overal en voortdurend af zodat er een heel gewriemel van zich voortbewegende, vergaande en ontstaande voorwerpen aanwezig is. En al die gebeurtenissen verlopen voor zichzelf volgens ijzeren wetten. Bij die verplaatsingen treden er onder andere samenklonteringen op (verdichten van materie). Zonder dat is het ondenkbaar - en dus onmogelijk - dat er een kosmos, rijk voorzien van hemellichamen, ontstaat. Die samenklonteringen zijn op hun beurt weer gebonden aan die ijzeren wetten, met als consequentie dat zij regelmatige structuren op gaan leveren en die regelmaat is gebaseerd op de richtingen van beweging. Die richtingen staan ten opzichte van elkaar in bepaalde, wetmatige verhoudingen. In die zin is de kosmos gedetermineerd, maar tegelijk is haar weg, door de keuzemogelijkheid nimmer te voorspellen.

Ruimtebrug-1(nr.24) ; Ruimtebrug-2(nrs.28, 29, 30) ; Ruimtebrug-3(nr.37) ;

No. 25

Naar bladwijzers : Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ; Eenzijdigheid-3 ;

Wij mensen kijken terug op het wordingsproces van de werkelijkheid. Dat betekent dat wij kennis maken met de resultaten van een proces waarin de keuzen al gemaakt zijn en waarbij die keuzen zo uitgevallen zijn, dat wij als laatste verschijnsel, voor de dag gekomen zijn. Voor ons is het wordingsproces klaar. Doordat er voor ons die wetmatige lijn, terug naar het begin is, kunnen wij gemakkelijk vergeten dat die lijn zich volgens het onvermijdelijke toeval gevormd heeft. Hij had ook niet kunnen ontstaan, maar dan hadden wij daarvan niets geweten, want dan waren wij er, hier en nu, niet geweest. Nu wij er wel zijn en die wordingslijn er wel is, is dat voor ons iets vanzelfsprekendst, temeer daar blijkt dat die lijn volkomen wetmatig is. Dat is logisch, want, als de keuzen eenmaal gemaakt zijn kunnen de opeenvolgende stappen van het wordingsproces niet anders dan wetmatig zijn, een wetmatigheid die wij, ontstaan als wij zijn juist op grond van die wetmatigheden, noodzakelijk als logisch ervaren. Wat wij als logisch beschouwen is in feite de voor ons geldende en door ons herkende kosmische wetmatigheid. Voor ons lijkt het er op dat het wordingsproces zich op zo'n manier gerealiseerd heeft dat elke keuze door de werkelijkheid op een zodanige manier gemaakt is dat de lijn van de wording zonder mankeren naar de uiteindelijke mens doorgetrokken kon worden. Dat nu is gezichtsbedrog. Op grond daarvan verkeren veel mensen nog altijd in de mening dat er aan onze werkelijkheid een al of niet goddelijk plan ten grondslag heeft gelegen. In feite echter heeft de werkelijkheid planloos alle mogelijke keuzes gemaakt (zij heeft alle tijd en alle ruimte) en al die keuzes hebben tot bepaalde verschijnselen geleid, verschijnselen die op den duur onhoudbaar bleken en dus weer terugvielen, verschijnselen die op een zeker moment niet verder konden en zich lange tijd als zodanig handhaafden en uiteraard verschijnselen die de mogelijkheid hadden om tot verdere stadia te geraken, zoals, zeg maar, onze planeet. Terugkijkend kun je zeker zeggen dat de hele zaak gedetermineerd is - op grond van de onverbiddelijke wetmatigheid - maar je realiserend dat de wording zelf een opeenvolging van momenten nu is, met de daarin aanwezige keuze mogelijkheden, moet je zeggen dat er van gedetermineerdheid geen sprake kan zijn. Als je werkelijk alle wetten zou kennen weet je nog niet welke keuzes er gemaakt zullen worden, sterker nog: juist dan weet je eerst recht dat er niets is dat voorspelbaar genoemd kan worden. Dat onvoorspelbare van de te maken keuzes is logisch verklaarbaar. Het gaat er immers om dat de dynamiek van de kosmos zich door kan zetten! Daartoe is het nodig dat er steeds verhoudingen aanwezig zijn die het zich wijzigen van situaties mogelijk maken. Deze verhoudingen echter zijn systemen van beweeglijkheden, in zichzelf kwantitatief gevarieerd van een tot acht. Het optreden van die systemen valt volledig buiten het voorspelbare. Weliswaar weet je dat ze niet weg kunnen blijven (onvermijdelijk), maar je weet ook dat er niet te zeggen is wanneer en hoe (toeval). Eenvoudiger gezegd: het zich vormen van de basissystemen berust op de beweeglijkheid van de beweeglijkheden zelf en valt daardoor buiten de empirisch vast te stellen werkelijkheid. Naar dit aspect is de zaak dus niet gedetermineerd. In de theorievorming over de evolutie van het leven speelt het bovenstaande ook een rol. Meende men aanvankelijk dat de evolutie gericht naar een doel streefde, namelijk de mens als laatste en hoogste mogelijkheid, thans ziet men in dat het evolutieproces een soort van afvalrace is geweest. Alle mogelijkheden realiseerden zich, maar de meeste daarvan bleken, in samenhang met de verdere ontwikkeling van het leven, onhoudbaar te zijn. Uiteraard zien wij dan, terugkijkend, alleen nog maar de houdbaar gebleken levensvormen. In de bij ons gebruikelijke analytische wetenschap houden wij ons bezig met de bestaande werkelijkheid zoals die zich op dit moment aan ons vertoont. Dat betekent dat alle keuzes die in onze ervaring tot niets geleid hebben buiten beschouwing moeten blijven. Zij hebben echter, op hun wijze, wel degelijk een rol gespeeld. Zij zijn, om zo te zeggen, verzonken in de bestaande werkelijkheid, niet meer concreet herkenbaar. Een zogenaamd wetenschappelijk feit is een deel van de werkelijkheid, ontdaan van de verzonken mogelijkheden en eigenlijk dus ontdaan van de samenhang. Daarop berust de onvermijdelijke eenzijdigheid van onze analytische wetenschap. Als je de werkelijkheid echter filosofisch tracht te begrijpen kan je niet buiten die verzonken keuzes om gaan: zij zijn immers ook de werkelijkheid! Je kunt dan ook stellen dat de wetenschap pas dan volwassen is als beide, het filosofische denken en het analytische denken tot een synthese gekomen zijn. Ik heb gesproken over het geheel verdwijnen van ons voorwerp A-B-C als een van de twee vrije beweeglijkheden van deeltje A wegspringt. Dat wegspringen van zo'n vrije beweeglijkheid is echter alleen maar dan mogelijk als hij in een ander systeem een, laten we zeggen, vaste positie in gaat nemen. Dat betekent in feite dat hij deel moet worden van de in dat andere systeem aanwezige ruimte-verhouding. Dat is dus de verhouding die in ons model door de beweeglijkheden 1, 2, 3 en 4 gevormd wordt. Je kunt je echter ook indenken dat hij niet in die ruimtefunctie terechtkomt, maar in die van een van de vrije beweeglijkheden (5, 6, 7 of 8). Dan echter vormt hij een ruimtelijn en een relatie naar dat andere systeem en dat betekent dat ons voorwerp A-B-C zich uitgebreid heeft. Met als centraal deeltje A is er nu een derde deeltje bijgekomen, zeg deeltje D. Er blijft nu nog maar een verplaatsingsmogelijkheid over. Ook de deeltjes B en C beschikten over vrije beweeglijkheden en daarvoor gelden eveneens twee mogelijkheden. Of zij komen vast te liggen in ruimteverhoudingen van andere deeltjes, Of zij vormen ruimtelijnen en relaties. In het eerste geval stort de combinatie B-A of C-A in, zoals reeds besproken, en in het tweede geval ontstaat er nog een keer een voorwerp, met als centrale beweeglijkheid B of C. Een voorwerp overigens dat verbonden is met het oorspronkelijke (A-B-C). Het geheel overziende krijg je nu met het volgende te doen: de achtledige materie deeltjes combineren zich met andere deeltjes; door dergelijke combinaties kunnen zij zich, als combinatie, verplaatsen; als combinatie kunnen zij almaar grotere samenstellingen vormen (verdichting van de materie). Die grotere samenstellingen kunnen zich, op grond van de verplaatsing, met andere min of meer grote samenstellingen verenigen. Dan is er geen sprake van verdichting van de materie, maar, laten we zeggen opbouw van een verschijnsel.

Duidelijk zal zijn dat we met steeds meer mogelijkheden, keuzes, verdichtingen en opbouw te maken zullen krijgen. Hoe dat allemaal in zijn werk gaat en wat de resultaten daarvan zijn, het wordt steeds meer het terrein van de (theoretische) natuurkunde. Filosofisch kun je al die berekeningen niet maken en dat behoeft ook niet. In de filosofie gaat het om het begrijpen hoe de zaak werkt, hoe de dingen gaan en natuurlijk ook het doorzien van de daaraan ten grondslag liggende verhoudingen en begrippen. Zo langzamerhand zijn wij er dan ook aan toe om grotere lijnen te gaan trekken, lijnen overigens die als het ware in zichzelf en in hun samenhang met al het andere ook een dermate verfijnde nuancering van beschrijving vereisen dat we er voorlopig nog niet mee klaar zijn...

Naar bladwijzers : Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ; Eenzijdigheid-3 ;

No. 26†††† Naar bladwijzers : Big Bang-1 ; Big Bang-2 ; Big Bang-3 ; Big Bang-4 ; Big Bang-5 ; Big Bang-6 ; Lichtsnelheid ; Pagina 26 ; Einstein-E=MC2 ; Pagina 17

Meestal, als wij over de tijd spreken, hebben wij het over een relatieve zaak, namelijk het tijdsverloop tussen de ene gebeurtenis en de andere gebeurtenis. Dat tijdsverloop is niet mogelijk zonder dat de factor snelheid, of in ieder geval het zich verplaatsen, daarin een rol speelt, en natuurlijk ook de factor afstand. Deze laatste heeft trouwens in de eerste plaats met het zich verplaatsen te maken. Die tijd als tijdsverloop is zozeer relatief dat zij voor ons stil zou staan als wij ons met de lichtsnelheid zouden voortbewegen, althans vanuit een bepaald gezichtspunt. Volgens de natuurkunde is bij het licht het tijdsverloop van het zich verplaatsen van het ene punt naar het andere het kortst. Anders gezegd: het licht plant zich voort met de grootst mogelijke snelheid. Die zou dan 300.000 kilometer per seconde bedragen. Ik weet niet op grond waarvan men aanneemt dat er geen deeltjes of golven zijn die sneller gaan. Waarschijnlijk neemt men het gewoon aan omdat er geen snellere verschijnselen waargenomen zijn. Dat is evenwel op zichzelf geen bewijs; je behoeft maar een keer iets waar te nemen dat sneller is en de hele zaak valt in duigen. Bovendien is het licht een tamelijk grof verschijnsel. Het is om te buigen, het wordt door grote hemellichamen aangetrokken en het wordt zelfs enigszins door de lucht afgeremd in zijn snelheid. Ook gaat het nauwelijks ergens doorheen. Al die dingen pleiten niet voor de aanname dat het licht op de een of andere manier een absoluut karakter zou hebben, zoals gesuggereerd wordt als je stelt dat het de grootst mogelijke snelheid heeft. De theorie van de big bang berust voornamelijk op de aanname dat het licht absoluut is. Men gaat er van uit dat de lichtstralen, die door ver verwijderde hemellichamen worden uitgezonden, met een constante snelheid door de ruimte voortbewegen. Die ruimte zou dan leeg zijn, maar dat is een zeer dubieus begrip. Wij hebben immers gezien dat er een voortdurend ontstaan en vergaan van verhoudingen van beweeglijkheden is en dat zelfs de aanwezigheid van achtledige elementaire deeltjes niet natuurkundig opgemerkt kan worden. Een voor de natuurkunde lege ruimte is dus in feite helemaal niet leeg, zodat er alle gelegenheid tot afremming van het licht is. Men gaat er echter van uit dat het niet afgeremd wordt. Maar bij meting blijkt dat het binnenkomende licht van ver verwijderde hemellichamen een zogenaamd Dopplereffect vertoont: de frequentie (aantal trillingen per seconde) wordt lager. Dat zou alleen maar dan kunnen als die hemellichamen zich van ons verwijderen zodat de uitgezonden trillingen een steeds langere weg af te leggen hebben en dus vertraagd binnenkomen in ons meetinstrument.

Op grond daarvan heeft men bedacht dat die hemellichamen zich met grote snelheid van ons verwijderen en dat is de basis van de theorie van de big bang en van het uitdijend heelal. Het is echter maar zeer de vraag of het hier optredende Dopplereffect zo verklaard moet worden. Het kan ook een gevolg zijn van het meer en meer afgeremd worden van het licht. De basis van het begrip tijd ligt bij het moment nu, dat altijd weer net voorbij blijkt te zijn. Het is het begrip tijd voor zover dat nog geen tijd kost, voor zover er nog geen tijdsverloop is. Het begrip nu komt aan de materie mee als de mogelijkheid van het zich verplaatsen op gaat treden. Er moet dus minimaal een verdichting van drie elementaire deeltjes zijn. Wat dit betreft is het interessant om op te merken dat de denkers uit het grijze verleden al begrepen hebben dat er voor de oerwerkelijkheid geen tijdsbegrippen gelden. Zij spraken dan van het eeuwige karakter van die oorspronkelijke werkelijkheid, van het onveranderlijke, het eeuwig zichzelf gelijk blijvende en dus datgene dat geen tijdsverloop kent. In het westerse denken is het begrip eeuwigheid verworden tot een almaar voortdurend tijdsverloop, dus een tijd die nooit ophoudt. In het hiernamaals blijft de tijd maar doorgaan. Dat echter is een banale, kwantitatieve westerse opvatting. Als men lang geleden, in het oosten maar ook later in de Griekse cultuur en de Evangelische cultuur, over ďhet eeuwige levenĒ sprak doelde men niet op een nimmer ophoudend tijdsverloop, maar op het karakter van de oorspronkelijke werkelijkheid. Omdat men begreep dat voor de mens die werkelijkheid geldt dacht men hem eeuwig leven toe, zonder te menen dat hij zonder ophouden zou leven. Men stelde de mens in het teken van de eeuwigheid en dat is eigenlijk in het teken van de geest, dat wil zeggen het oorspronkelijke karakter van de beweeglijkheden weer terug, het niet meer in het tijdelijke geworteld zijn en dus niet meer in het eenzijdig materiele. Ik heb gesproken over een achtledig elementair deeltje dat zich met een tweede en zelfs met een derde combineert. Bovendien over het feit dat die combinatie van drie uit kan groeien tot een combinatie van vier of meer. Ter wille van de duidelijkheid en ook om de gang van zaken in het wordingsproces recht te doen bepaal ik nu een paar begrippen. Als het gaat over elementaire deeltjes waaraan, aan de vrije beweeglijkheden, nieuwe elementaire deeltjes groeien - vanuit de beweeglijkheid van de beweeglijkheden zelf - spreek ik voortaan over het zich verdichten van de materie. Het wezen hiervan is dus het ontstaan, het groeien, van nieuwe elementaire verhoudingen. Gaat het echter over het zich aaneen sluiten van zich verplaatsende materie (minstens drie elementaire deeltjes), dan spreek ik over het zich combineren van materie. Als gecombineerde materie als materiaal gaat dienen voor de opbouw van de verschijnselen heb ik het over het zich structureren van de werkelijkheid. Verdichten, combineren en structureren zijn dus verschillende begrippen die in wezen alle drie voortkomen uit het ten opzichte van elkaar stilstaan van beweeglijkheden, maar die betrekking hebben op verschillende fasen van het wordingsproces. Uit de natuurkunde is bekend dat alle verschijnselen uit elementen zijn opgebouwd. Die elementen zijn verschillende typen atomen. Zij zijn in 1869 al door Mendelejew gerangschikt in het Periodieke Systeem, dat later (omstreeks 1920) door Niels Bohr langs een andere weg in zijn juistheid bevestigd werd. Uit dat Periodiek Systeem blijkt dat de wording niet zomaar uit het willekeurige samenklonteren van deeltjes bestaat, maar als het ware trapsgewijze geschiedt. Eerst ontstaan er door verdichting deeltjes die zich daarna tot atomen combineren (elementen) om vervolgens aan het structureren van de verschillende verschijnselen te gaan beginnen. Bij dat structureren ontstaan er ook moleculen, die beschouwd kunnen worden als de kleinste deeltjes van een bepaalde stof die nog de eigenschappen van die stof bezitten. Naar aanleiding van het bovenstaande, dat - alweer - in onze gedachtegang slechts als illustratie gebruikt mag worden, moeten wij ons toch wel af gaan vragen of er reden is om te onderzoeken of de verdichting van de materie, die dus plaats vindt door het groeien van elementaire deeltjes aan vrije beweeglijkheden, mogelijk niet verder kan gaan dan een bepaalde grens. Zouden we zoín grens vinden dan zou dat betekenen dat we daarmee het meest eenvoudige natuurkundige deeltje gevonden hebben. Ik bedoel nu een deeltje zoals dat bij de splijting van de atoomkern voor de dag komt. Op het ogenblik heeft men al heel wat van die deeltjes gevonden, maar slagorde schijnt er nog niet veel in te zitten. Alvorens op die vraag een antwoord te kunnen vinden moeten wij eerst nog iets naders te weten komen over de begrippen samenhang en relatie zoals die bij het verdichten van twee elementaire achtledige deeltjes (A en B) te voorschijn zijn gekomen.

Naar bladwijzers : Big Bang-1 ; Big Bang-2 ; Big Bang-3 ; Big Bang-4 ; Big Bang-5 ; Big Bang-6 ; Lichtsnelheid ; Pagina 26 ; Einstein-E=MC2 ; Pagina 17 ; Tijdloosheid/eindeloosheid ; Oneindigheid zie 3 en 4 , 18 , 38 t/m 40 , 60 , 66 t/m 69 ; Eeuwigheid ; Trilling-1 ; Trilling-2 ; Totaaltrilling ;

No. 27

In dit stadium van onze gedachtegang is het goed de principes van onze redenering nog even naar voren te halen. Het eerste principe is dit dat de beweeglijkheden ten opzichte van elkaar stil kunnen staan en dat dit mogelijk is op grond van het onvermijdelijke toeval. Het tweede is dat je dit stilstaan zover mogelijk moet doorvoeren, dus zo dat zoveel mogelijk beweeglijkheden met elkaar stilstaan in onderling overeenkomstige posities. Het derde principe is dat je bij dit doorvoeren steeds die oplossing kiest die een onvermijdelijk resultaat heeft. Het vierde is dat je moet stoppen als het resultaat niet anders meer dan willekeurig kan zijn. Het vijfde is dat je uit die noodzaak tot stoppen de consequenties trekt door in nieuwe, maar uit het reeds gevondene afleidbare, categorieŽn te gaan denken. Als je een en ander voor jezelf duidelijk wilt maken met behulp van bolletjes moet je steeds voor ogen houden dat de bolvorm niet de uitdrukking is van een vorm of een afmeting, maar de uitdrukking van een door niets aangetast, absoluut, beweeglijk-zijn dat voor alle beweeglijkheden uiteraard hetzelfde is. Houd je je daaraan, dan bemerk je dat het in onderling gelijke posities brengen (tegen elkaar aanleggen) geen problemen geeft tot en met 4 bolletjes (dat is het begrip ruimte). Maar het vijfde kan niet anders dan wel en niet beweeglijk zijn omdat hij nooit vier bolletjes in onderling gelijke posities tegelijk kan raken. Hier begint de verandering van de ruimte in de primaire materie. Na de vijfde kun je er nog 3 aan toevoegen en die maken het geheel tot een evenwichtige zaak, met een centraal brandpunt. Dat is het elementaire deeltje dat een verhoudings-systeem van 8 beweeglijkheden is. Verder dan zo kan je niet gaan zonder willekeurige keuzes te moeten maken en daarmee in strijd te komen met de principes van je eigen gedachtegang. Vanaf dat moment moet je weer andere denk-categorieŽn in gaan voeren, maar ook die moeten vanzelfsprekend af te leiden zijn uit de verhoudingen van het gevonden achtledige elementaire systeem. Nu blijkt dat aan de vier vrije beweeglijkheden (5,6,7 en 8) weer nieuwe achtledige systemen kunnen groeien. Dat kan juist omdat genoemde vrije beweeglijkheden wel en niet tot het systeem behoren. Voor zover zij er niet toe behoren kunnen zij met andere beweeglijkheden uitgroeien tot een systeem dat, op grond van het er wel toe behoren, uit twee elementaire deeltjes bestaat en ook uit drie van die deeltjes. In het geval van verdichting tot drie deeltjes kan vervolgens ook het zich verplaatsen op gaan treden. Tot op dit moment is de gehele gedachtegang gebaseerd op het groeien van systemen vanuit het beweeglijk-zijn van de beweeglijkheden zelf. Als je het aaneen gegroeide systeem van twee elementaire deeltjes nader beschouwt moet je constateren (zie pag. 31 en volgende) dat twee bewegingen ten opzichte van de ruimte elkaar opheffen en zodoende de twee brandpunten met elkaar doen samengroeien. Aan dat samengegroeid zijn laten zich twee zaken onderscheiden, namelijk een ruimtelijn en een opgeheven beweging. Die ruimtelijn laat zich aan de beweeglijkheden zelf bedenken en die opgeheven beweging aan de brandpunten (materie) binnen de systemen van beweeglijkheden. Op de ruimtelijn is het begrip samenhang gegrond en op de opgeheven beweging het begrip relatie. Die relatie is een wederzijdse betrekking: de een zit vast aan de ander en de ander aan de een: ze zijn op elkaar betrokken. In het nogal banale westerse taalgebruik worden begrippen als samenhang en relatie door elkaar heen gebruikt alsof zij dezelfde betekenis zouden hebben. In feite echter is een relatie heel iets anders dan een samenhang. Neem als voorbeeld de mensheid. Dan kun je zeggen de mensen hangen allemaal met elkaar samen, maar je kunt niet zeggen alle mensen hebben een relatie met elkaar. Voor dat laatste is immers nodig dat zij elkaar als individu of als groep kennen, contact met elkaar hebben, door iets met elkaar verbonden zijn. Dat elkaar verbindende iets kan abstract zijn, bijvoorbeeld een gezamenlijk ideaal of doel, maar het kan ook concreet zijn zoals bij een telefoon of radioverbinding het geval is. Hoe dan ook, het is steeds iets bepaalds, behorend tot de werkelijkheid als verschijnsel. Dat wil zeggen: het is in feite een materiele aangelegenheid. Er zit iets tussen de twee tot elkaar in relatie staande brandpunten, namelijk de beweeglijkheid (5), die niet meer vrij is. Natuurkundig is die relatieve beweeglijkheid uiteraard niet aan te tonen, maar denkend zelfs heel gemakkelijk. Hij vormt een brug tussen de brandpunten. Zoals gezegd: de relatie is wederzijds en hij is ook symmetrisch. De relatie A-B is symmetrisch aan de relatie B-A. Maar bij menselijke relaties wil het daaraan nogal eens mankeren. In de relatie vrouw-man bijvoorbeeld komt het nog steeds veelvuldig voor dat die van de man naar de vrouw domineert over die van de vrouw naar de man. De vrouw heeft maar te zijn zoals zij voor de man zijn moet, zij mag slechts op andere wijze de man zijn, terwijl de man er niet over piekert om op andere wijze de vrouw te zijn. En in de maatschappelijke verhoudingen is nagenoeg alles asymmetrisch: van boven naar beneden is waardevoller dan andersom. Daarop is dan ook de macht gebaseerd. Maar uit onze samengegroeide elementaire deeltjes blijkt dat de relatie noodzakelijk als symmetrisch beschouwd moet worden. De samenhang is gegrond op de ruimtelijn en dus de uitbreiding van de ruimte van A en B. Het is hun continue ruimte en kenmerkend daarvan is dat het een niet-materiele zaak is. Gezien vanuit het verschijnsel is die ruimte helemaal niets. Maar vanuit de beweeglijkheden is zij wel wat! Empirisch aantoonbaar is de samenhang dus niet en nooit. Wat is in een Mozart symfonie de samenhang tussen de noten? De relatie tussen die noten is gemakkelijk te bepalen als je van de muziektheorie op de hoogte bent... maar wat is de samenhang? Dat is nu net datgene dat wij de muziek noemen en dat is iets dat je moet kunnen horen maar dat voor een ander nooit aantoonbaar is. Je kunt een ander de relaties tussen de noten duidelijk maken maar niet de muziek. Andersom levert het opbouwen van een ingewikkeld, maar theoretisch verantwoord, patroon van relaties tussen de noten nog lang geen muziek op - hoogstens een aantal geluiden die aan muziek doen denken, en er vaak voor worden aangezien. De samenhang is niet aantoonbaar, niet begrijpelijk te maken, niet over te dragen en zelfs niet te construeren, maar ondanks dat alles is zij er wel. De gehele kunst berust er op. Het gaat over dat ongrijpbare iets dat de kunst tot kunst maakt en in het algemeen de werkelijkheid tot een geheel. Wanneer de mensen daarover met elkaar van gedachten wisselen blijken zij vrijwel altijd voor de dag te komen met informatie die op de relatie betrekking heeft. Doordat zij dit doorgaans niet bemerken komt het niet in hen op om over de samenhang in geheel andere termen te gaan denken en spreken. Die termen kunnen geen betrekking hebben op materiele aspecten van de werkelijkheid zodat alle gepraat daarover en het als de maat stellen daarvan nergens op slaat. De werkelijkheid als samenhang is niet uit te spreken noch empirisch aan te tonen, maar die werkelijkheid kan zich slechts laten gelden. En dat doet zij dan doormiddel van het ruimtelijke, dat bij de mensen voor de dag komt als onbevooroordeeld zijn, openstaan, de ander vrij laten, geen macht zoeken, onvoorwaardelijk liefhebben, enzovoort. IntuÔtief voelen de mensen blijkbaar aan dat met elkaar samenhangen een zaak van ruimte is en dat bij ontbreken van samenhang alles bekrompen en benauwd is.

No. 28

Naar bladwijzers : Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ; Eenzijdigheid-3 ; Ruimtebrug-1(nr.24) ; Ruimtebrug-2(nrs.28, 29, 30) ; Ruimtebrug-3(nr.37) ;

De relatie tussen twee elementaire deeltjes is de verbinding tussen die deeltjes, voor zover die deeltjes verschijnsel zijn en zich dus als een brandpunt manifesteren. Eenvoudig gezegd: de relatie is de vaste verbinding tussen de brandpunten. De samenhang echter is er op grond van het feit dat we met systemen van beweeglijkheden te doen hebben; het is de ruimtelijn of ruimtebrug van het ene systeem naar het andere. Die ruimtebrug is eigenlijk ruimte die zich uitgebreid heeft en die, in de verhouding van die twee elementaire deeltjes, als een continue ruimte beschouwd moet worden. Die ruimtebrug, en bijgevolg ook die samenhang, is nimmer natuurkundig aan te tonen. Zij valt dus buiten het gezichtsveld van het moderne wetenschappelijke denken. Dat is geen tekortkoming van dat denken op zich want dat kan slechts het verschijnsel analyseren, maar je kunt wel van een tekortkoming van het denken in het algemeen spreken als het geen oog heeft voor dergelijke niet-materiele zaken. Dat moderne denken is zeer eenzijdig! In het natuurkundige denken is die eenzijdigheid op schrijnende wijze aan het licht gekomen toen bleek dat het traditionele, van o.a. Descartes en Newton afstammende, denken onbruikbaar was om de subatomaire werkelijkheid te begrijpen en te verklaren. Dat heeft er onder meer toe geleid dat men meer aandacht ging besteden aan de relaties tussen de verschillende verschijnselen. Analyseerde men eerst met de bedoeling de bouwstenen van de werkelijkheid te vinden en te inventariseren, gaandeweg ging men er toe over ook de relaties tussen die bouwstenen in het onderzoek te betrekken. De betekenis van die relaties is, sinds de twintiger jaren van deze eeuw, steeds groter geworden. Een van de voor de filosofie interessantste aspecten daarvan is de erkenning dat een waarneming nooit objectief kan zijn, maar daarentegen altijd gezien moet worden in relatie tot de waarnemer en zijn instrumentarium. Zelfs de bedoelingen van die waarnemer moeten ingecalculeerd worden! Het is dan ook zo, dat relaties tussen verschijnselen pas bij analyse voor de dag komen, namelijk als abstracte verbindingen die op zichzelf niet waar te nemen zijn en die van karakter veranderen bij een andere analytische benadering. Dus: de relatie is een gevolg van de analyse van de materie en wordt volledig door haar bepaald. Hoe dieper de analyse gaat hoe meer de relatie op de voorgrond treedt, maar ook hoe sterker die relatie afhankelijk blijkt van diegene die analyseert. De noodzaak om het relatieve in het wetenschappelijk denken te betrekken heeft voor een belangrijk deel de eenzijdigheid van dat denken opgeheven, zozeer zelfs dat we op het ogenblik gerust kunnen stellen dat het moderne natuurkundige denken ook in filosofisch opzicht mijlenver voor ligt op de gangbare wijze van denken, vooral de economische en de politieke. Maar, als het gaat over het doordenken en begrijpen van de samenhang, en dat uiteraard op het terrein van de filosofie, moeten we constateren dat het daarmee alsnog treurig gesteld is. Bij analyse vind ik, hoewel op zichzelf abstract, wel de relatie, maar de samenhang vind ik niet. Sterker nog: doordat ik analyseer maak ik het voor mijzelf onmogelijk de samenhang te ontdekken. Ik heb haar verbroken en daarmee is zij spoorloos verdwenen. Logisch, want het gaat over de ruimte en dus over iets dat er is dankzij de beweeglijkheden zelf en niet dankzij de materiele brandpunten. Toch is de samenhang er. Ik gaf al het voorbeeld van de muziek, namelijk dat je een muziekstuk kunt maken dat qua relaties tussen de noten volkomen verantwoord is en dat toch net datgene mist dat van de muziek muziek maakt. Maar bijvoorbeeld bij Beethoven is het altijd muziek, ook als een enkele keer de zaak theoretisch niet helemaal in orde is. Een tekening van Rembrandt is altijd getekend, ook als Rembrandt slordig en niet helemaal correct te werk is gegaan. Dat mysterieuze iets is er bij mensen als Beethoven en Rembrandt altijd en bij theoretische vaklui bijna nooit. Hun producten gaan dan ook steevast na enige tijd vervelen. Nog een voorbeeld: het is denkbaar dat een heel knap toekomstig bioloog in staat is uit een grote hoeveelheid onderdelen een poes te maken, zo dat werkelijk alles aanwezig is en aan de eisen van alle betrekkingen voldaan is. Dan zal het hem toch nooit gelukken die poes leven in te blazen. Dat mysterieuze iets zal hij er niet in kunnen brengen. Ook de tegenwoordige zogenaamde holisten, voor zover die oproepen tot het herstellen van de samenhang in onze werkelijkheid, zullen blijken daartoe niet in staat te zijn, hoewel hun denken straks ongetwijfeld zal leiden tot een hechte theorie, een theorie echter van de relaties en niet van de samenhang. De genoemde voorbeelden dienen tot het volgende: het is onmogelijk ergens samenhang in aan te brengen als ik uitga van de veelheid van onderdelen en de daarbij behorende betrekkingen. Ik kom wel tot een resultaat dat er op lijkt, een poes die een poes lijkt te zijn, een wereld die een wereld lijkt te zijn, een samenleving die samenhangend lijkt te zijn, enzovoort, maar het is niet echt zo. Er is iets niet dat er wel behoort te zijn en ik kan dat niet vinden noch tot stand brengen. Samenhang kan ik niet maken.Het nog eens nagaan van onze gedachtegang levert de oplossing van het raadsel. De samenhang, als ruimtebrug tussen de elementaire achtledige systemen, onze elementaire deeltjes, ontstaat vanuit het groeien van die systemen. Dat wil zeggen: de samenhang is een gevolg van het beweeglijk-zijn van de beweeglijkheden zelf. De werkelijkheid levert de samenhang op als gevolg van het onvermijdelijke toevallige ten opzichte van elkaar stilstaan van de beweeglijkheden. Alleen vanuit dat proces is er samenhang. Is die eenmaal verbroken (door de analyse), dan kan ik haar nooit weer terugvinden, al maak ik nog zo'n fijnzinnige constructie, al bouw ik nog zo'n fijnzinnig netwerk van relaties op. Omdat onze cultuur gericht is op de analyse en het construeren van een werkelijkheid is het voor ons om te beginnen ongeloofwaardig dat samenhang niet te maken is. Wij denken echt dat dit wel kan. Zo menen wij ook dat een kunstwerk te maken is als je maar kennis van zaken hebt. Die kennis van zaken zou dan de oorzaak van het kunstwerk zijn. In feite echter is het zien en beleven van de samenhang de oorzaak van het kunstwerk en dient de kennis van zaken slechts tot het concretiseren van het geziene en beleefde. Samenhang is er dus op grond van het proces in en van de werkelijkheid. Voor onze kosmos is dat dus een eenmalige zaak, op grond van een proces dat in een richting verlopen is. En in de poes zit die elementaire situatie van twee deeltjes met de ruimtelijn; aan alles ligt die onaangrijpbare verhouding ten grondslag. Zo zet de aarde zich ook maar een keer om tot leven en aan dat leven valt niets te verbeteren noch te veranderen. Alle zogenaamde correcties die wij tegenwoordig kunnen aanbrengen zijn uitsluitend verminkingen van het door het kosmische proces opgeleverde leven, geen verbeteringen. Dat wij het desondanks toch verbeteringen vinden slaat wezenlijk niet op het leven, maar op onze wens om te overleven, een wens waaraan in alle culturen, aan de hand van allerlei daarin geldende voorstellingen, een andere praktische inhoud gegeven wordt. Steeds echter betreft die inhoud het stoppen van ongewenste ontwikkelingen, ziektes bijvoorbeeld. Dat er in de biogenetische wetenschap gespeculeerd wordt over een verbeterde mens bewijst alleen maar hoe onzinnig het wereldbeeld van de huidige mensen is...

Naar bladwijzers : Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ; Eenzijdigheid-3 ;

Het onvermijdelijke toeval (nos 3,4,5) en vervolgens de nos. 8,†† 15,†† 18,20,21,22,23,25,27,28,†† 31,†† 60,67,68,69 en 70)

No.29

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Communicatie-1 ; Communicatie-2(nrs34 en 35) ;

Samenhang is niet te maken. Dat is de ontdekking die je doet als je nagaat hoe de situatie is bij twee aaneen gegroeide elementaire deeltjes. Evenmin is de samenhang ontvankelijk voor een analytische benadering omdat zo'n benadering onherroepelijk de samenhang opheft. Omdat wij het op het ogenblik over die ijle, onvoorstelbaar nietige, elementaire deeltjes en hun aaneengroeien hebben zou je de hele zaak als theoretisch kunnen beschouwen, zonder dat die voor het alledaagse leven van betekenis is. Je zou dan echter een grote fout maken, want met het al of niet begrijpen van de samenhang en de relatie staat of valt de maatschappij en het samenleven van de mensen. Laten wij even fantaseren en aannemen dat de moderne mensen bezig zijn met het zo goed mogelijk opbouwen van onze wereld. Die gefantaseerde, goed opgebouwde, wereld doet recht aan alle menselijke relaties, maar van een samenhang zal geen sprake zijn. Op grond daarvan kan er ook geen samenleving bestaan. Uiteraard is die goed georganiseerde wereld te verkiezen boven een chaotische wereld, althans wat een aantal aspecten daarvan betreft: veiligheid en mogelijkheden tot ontplooiing (vrijheid). Maar toch zal er in zo'n wereld niet te leven zijn, omdat leven gebaseerd is op de samenhang en de verhouding tussen die samenhang en de relatie. Ook bij een kunstwerk draait alles om de samenhang en de verhouding daarvan tot de relatie. Je bouwt een kunstwerk dan ook niet op, zoals je dat wel doet als je bijvoorbeeld een brug bouwt. Die brug wordt samengesteld uit een hele massa onderdelen die op de juiste wijze met elkaar verbonden worden. Het begint bij wijze van spreken met een paar onduidelijke stukken ijzer en tenslotte is het een brug. Het ging daarbij om het tot elkaar in relatie brengen (samenvoegen) van onderdelen. De kunstenaar echter begint met een voorstelling van het geheel en binnen dat geheel brengt hij steeds meer details (onderdelen) aan. Eigenlijk begint hij aan het eind, als het ware bij het resultaat, het nog te scheppen in zichzelf samenhangende kunstwerk: om te beginnen grof en schetsmatig, maar gaandeweg steeds meer verfijnd. Opmerkelijk, maar logisch, is daarbij dat het kunstwerk in elke fase van zijn ontstaan mooi is, d.w.z. in zichzelf samenhangend. Daarom is het voor de kunstenaar altijd moeilijk om te besluiten wanneer zijn werkstuk af is; hij heeft steeds het gevoel er nog allerlei aan te moeten doen. Het kunstwerk is in wezen immers in alle stadia af, hetgeen van de brug niet te zeggen is! De gang van zaken, zoals die voor de kunstenaar geldt, behoort ook te gelden voor de filosofie. Maar de moderne filosofie is zogezegd constructief bezig, alsof er een brug gebouwd zou moeten worden. Daarom ligt bij die moderne filosofie de nadruk op de analyse als leverancier van onderdelen. Bijna niemand beschouwt en beoefent de filosofie nog als een kunst. Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat een visie, een heldere beschrijving van de werkelijkheid, nagenoeg geheel uit de filosofie verdwenen is. Zoals in de kunst en in de filosofie uitgegaan moet worden van de samenhang, zo moet dat ook bij een samenleving van mensen het geval zijn. Die samenhang kan niemand er in brengen, zij is er al vanaf het begin van het wordingsproces en dus ook vanaf het verschijnen van de mens op aarde. Dat verklaart waarom geÔsoleerde natuurvolken, die bijvoorbeeld praktisch nog in de steentijd leven, onmiddellijk, zodra zij daarmee contact krijgen, de moderne beschaving kunnen begrijpen en overnemen. Hun breinen zijn, in samenhang met alle andere mensen, maar zonder dat er een relatie was, mee ontwikkeld. De mensen behoeven zich slechts bewust te worden van de samenhang, zodat zij in staat zijn haar te laten gelden. Zodra zij dit kunnen zal het hen eindelijk gelukken de wereld gestalte te geven, d.w.z. haar te scheppen en voortdurend te herscheppen naar haar uiterste mogelijkheid, precies zoals de kunstenaar zijn kunstwerk schept. Een menselijke wereld is gelijk een kunstwerk. Als je goedbedoeld bezig bent een wereld te construeren, zoals de moderne mensen doen, loop je tenslotte vast in een eindeloze hoeveelheid relaties, een volkomen diffuus netwerk waarmee niemand meer raad weet. Omdat die relaties het gevolg zijn van de analyse (het verbreken) is elke samenhang volledig vernietigd. Het resultaat is dus precies datgene dat je bedoeld had te overwinnen: chaos.

Als je nog eens bekijkt hoe de situatie bij twee aaneengegroeide elementaire deeltjes is, dan zie je dat daar is de ruimtebrug (Al-2-3-4, Al-2-3-5, Bl-2-3-5, Bl-2-3-4, waarbij A5 en B5 samenvallen) en de relatie (de lijn brandpunt A via A5/B5 naar brandpunt B en omgekeerd). Zoals gezegd berust de samenhang op de ruimtebrug en de relatie op de gerichte verbinding van de brandpunten. Bij analyse ontdek ik de relatie op een negatieve of indirecte manier: de werkelijkheid verzet zich tegen analyse. Ik moet moeite doen om de zaak uit elkaar te halen. Omdat ik moeite moet doen begrijp ik dat er een verbinding moet zijn. De samenhang echter doe ik teniet als ik de deeltjes A en B ga scheiden. Omdat het bij de samenhang om een variant van de ruimte gaat (continue ruimte) en omdat ik derhalve te doen heb met een niet-materiele zaak stuit ik nu bij analyse niet op verzet. De samenhang manifesteert zich niet, is niet proefondervindelijk aantoonbaar en dus niet meetbaar, formuleerbaar, berekenbaar. Als een cultuur zich uitsluitend met analyse bezig houdt, zoals dat met onze cultuur het geval is, komen er steeds meer relaties tussen de dingen voor de dag en tegelijk verdwijnt de samenhang in evenredige mate. Dat kun je uit ons model (A + B) afleiden. De gang van zaken in onze wereld bevestigt dit overduidelijk: steeds minder saamhorigheid, kunstzinnigheid, warmte. En dat tegelijk met een steeds verfijnder organisatie, dus een gedetailleerder constructie van relaties. Op grond van dit laatste is er ook meer communicatie, die wel tot een beter elkaar en de werkelijkheid kennen, maar niet tot meer samenhang leidt. Ook kun je uit ons model afleiden dat vanuit het analytische denken nooit een samenhangende wereld mogelijk zal zijn. Het is van groot belang om te begrijpen dat de relatie inhoud is van de ruimtebrug; hij wordt letterlijk door de continue ruimte omsloten.

Vertaald naar onze wereld betekent dit: de samenleving (gegrond op samenhang) is niet de inhoud van de maatschappij (gegrond op relaties) maar andersom, de maatschappij is inhoud van de samenleving. Dit laatste nu is volkomen in strijd met de gangbare opvatting. Men vindt immers dat je maar in je vrije tijd moet leven en dat het werk voor het meisje gaat. Leven moet plaats vinden in de ruimte die de maatschappij voorlopig oningevuld laat en het is de maatschappij die de leefruimte van de mensen bepaalt. Het leven verkiezen boven het maatschappelijk functioneren wordt als een dwaasheid beschouwd. In feite echter ligt het maatschappelijk gedoe van de mensen binnen de samenleving. Het leven heeft als inhoud dat er brood gebakken moet worden, afspraken gemaakt, kortom dat er veiligheid en vrijheid is. Daartoe moet je allerlei dingen organiseren, maar dat moet steeds gebeuren met het oog op de samenhang en dus op het welzijn van de samenleving. Op kleine schaal, beperkt tot familie of groep, was het maatschappelijke aanvankelijk inderdaad binnen de levenssfeer gelegen, maar met het doorbreken van de analyse en de daaraan meekomende grootschalige industrialisatie is die verhouding gaandeweg omgedraaid.

Communicatie-1 ; Communicatie-2(nrs34 en 35) ;

No. 30 ( zie ook voorgaande paginaís )

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ; Overgang-5 ; Overgang-6 ; Overgang-7 ;

Over de relatie moeten een paar dingen goed duidelijk zijn, niet alleen om te begrijpen hoe de werkelijkheid in elkaar zit, maar ook vanwege enkele belangrijke conclusies die je ten aanzien van de moderne wetenschap kunt trekken. Ten eerste is er het feit dat de relatie dubbel is; hij geldt namelijk voor A ten opzichte van B, maar ook voor B ten opzichte van A. In ons model, bestaande uit de aaneengegroeide elementaire deeltjes A en B, is de relatie A-B symmetrisch met de relatie B-A. Je zou van gelijkwaardigheid kunnen spreken. Maar als het, verderop in het wordingsproces, over meer ingewikkelde relaties binnen grotere samenstellingen van de materie gaat, dan behoeven de relaties helemaal niet symmetrisch te zijn. Vooral bij de levende verschijnselen is dat aan de orde: de relatie mannelijk - vrouwelijk heeft een andere betekenis dan de relatie vrouwelijk - mannelijk. Wat op dit moment echter van belang is, is dit, dat de relatie tussen twee verschijnselen of onderdelen daarvan zich pas dan manifesteert als je de zaak analytisch benadert. Bij het uit elkaar halen komt de relatie voor de dag, niet eerder. Hij komt voor de dag als verzet van de werkelijkheid tegen het uit elkaar halen. Bij het splijten van de atoomkern, bijvoorbeeld ten behoeve van de opwekking van energie, moet je een grote hoeveelheid andersoortige energie (naar verluidt die van neutronen) aanwenden om het proces op gang te brengen. De atoomkern laat zich niet zomaar splijten! Zoveel energie, in allerlei vormen, schijnt daarbij nodig te zijn dat het volgens sommige kernfysici nog maar de vraag is of een nucleaire centrale eigenlijk wel energiewinst oplevert. De werkelijkheid verzet zich tegen analyse. Als wij op dat verzet stuiten concluderen wij dat het een kennelijk aan het ander vastzit en dan spreken wij van een relatie. Wij bemerken dat pas op het moment dat wij de zaak uit elkaar halen. Hieraan valt het een en ander te bedenken. Stel nu eens dat je niet de behoefte zou hebben de dingen uit elkaar te halen, dan zou dat betekenen dat je in de werkelijkheid geen relaties aantreft. In zogenaamd primitieve culturen kan je de gevolgen daarvan waarnemen. Omdat die mensen uiteraard ook mensen zijn maken ook zij vanzelfsprekend onderscheidingen. Zij scheiden dus ook het een van het ander. Maar omdat zij vanuit hun cultuur niet op dergelijke onderscheidingen ingesteld zijn - in feite dus niet of nog niet kunnen analyseren - komen zij met de meest onwaarschijnlijke verhalen. Die zijn gebaseerd op associaties. Men associeert bijvoorbeeld het toevallige inslaan van de bliksem en het ten gevolge daarvan wegvluchten van een bepaald dier op een zodanige wijze dat het inslaan van bliksems een goddelijke handeling zou zijn met de bedoeling dat dier te voorschijn te roepen. Zo associeert men ook het uitvoeren van bepaalde dansen door een medicijnman met het feit dat het gaat regenen: de medicijnman roept, volgens die mensen, de regen op. Ook de kunstenaars zijn niet analytisch ingesteld, zij suggereren relaties tussen de dingen en dat betekent dat zij je een werkelijkheid voorspiegelen. Die voorgespiegelde werkelijkheid behoeft daarom nog geen leugen te zijn: de grote kunstenaars spiegelen juist de waarheid voor! Overigens geldt dit niet meer voor de (meeste) moderne kunstenaars, want die zijn wel degelijk analytisch ingesteld hetgeen uit hun werkstukken duidelijk blijkt. Je kunt dus, in het algemeen, zeggen dat niet analytisch ingestelde mensen slechts tot associaties, tot gesuggereerde relaties, komen. In zoverre zijn hun uitspraken over de werkelijkheid als onzin te beschouwen. Maar, als je die associaties weet te vertalen, dan vind je vaak een verrassend diep inzicht in de werkelijkheid, mogelijk gemaakt door het feit dat er bij het afwezig zijn van analyse geen verbreking van de samenhang optreedt. Oorspronkelijk was dit bij de verschillende religies het geval, maar ook allerlei oude sprookjes over het zoeken van de mens (een prins) naar de waarheid en naar zichzelf getuigen van een haarfijn aanvoelen, een intuÔtief begrijpen, van de werkelijkheid en dus ook van het verschijnsel mens. Men begrijpt dat een mens zichzelf als bewustzijn (niet te verwarren met zelfbewustzijn - waarover later) moet leren kennen om raad te weten met zichzelf en de werkelijkheid. De verhalen hierover zijn mystiek, romantisch, onwetenschappelijk en voor ons besef vaak zweverig, maar de inhoud ervan is doorgaans glashelder...

Als je je nu goed realiseert dat de relatie tussen de dingen pas dan voor de dag komt als je de zaak uit elkaar haalt, dan wordt meteen duidelijk dat zo'n relatie, en de interpretatie daarvan, volkomen afhankelijk is van degene die met dat uit elkaar halen bezig is. Met andere woorden: de kennis van de relatie is bepaald door de onderzoeker. Dat leidt tot een aantal belangrijke vragen. Wat denkt hij te zullen bewijzen, wat hoopt hij aan te treffen en vooral de vraag naar datgene dat hij niet verwacht. Is hij in staat dat onverwachte op te merken of wordt dat onmogelijk gemaakt door de aard en opzet van zijn onderzoek. Zo was het probleem bij het onderzoek van de maan of je een apparaat zou kunnen ontwerpen dat het onbekende zou registreren en dat niet alleen maar zou reageren op het bekende, waarop het geprogrammeerd is. Sommigen, de Amerikanen bijvoorbeeld, kozen ervoor om dan maar een mens naar de maan te sturen, omdat de mens in staat is onbekende dingen op te merken. Bij onderzoek van de materie vind je de dingen die je verwacht, maar je vindt ook onbekende verschijnselen. Ook deze echter komen voort uit en verschijnen in de context van het bekende waarop je onderzoek gebaseerd was. De kennis van de relaties in de werkelijkheid is dus afhankelijk van de kennis waarover je reeds de beschikking had. Met andere woorden: de volgende kennis wordt door de voorgaande opgeroepen. Zo ontstaat een cumulatief kennisstelsel, dat door de analyse bepaald is. Als je dit begrijpt, begrijp je ook dat de nog steeds voorkomende wetenschappelijke pretentie van objectiviteit, d.w.z. van waarheid ongeacht de waarnemer, ten enenmale onjuist is. Gelukkig begint men dit hier en daar, bijvoorbeeld in de wetenschapsfilosofie, in te zien. Toch rijst hier de vraag of het niet mogelijk is zogezegd absolute, altijd geldende, uitspraken over de relatie te doen. Dat is inderdaad mogelijk, maar dan moet je je toevlucht nemen tot de filosofie. Niet evenwel de analytische filosofie, want daarin probeert men de totaliteit van de relaties onder een paraplu te brengen. Als gevolg daarvan komt men met betogen waaraan geen touw vast te knopen is, althans niet als je geen, in bepaalde vakken goed geschoolde, wetenschapper bent. Het filosofische beschrijven van de werkelijkheid is hier ver te zoeken! De analytische filosofie kan dan ook geen antwoord geven op de vraag naar de relatie. De wetenschap brengt inderdaad een groot aantal, door ons bepaalde relaties aan het licht, maar zij zal nooit alle relaties ontdekken. Eigenlijk kun je niet spreken van alle relaties, juist omdat de mensen die bepalen, zodat andere persoonlijkheden, andere cultuur opvattingen en andere technische mogelijkheden, steeds andere relaties te voorschijn roepen. Het begrip relatie heeft een oneindige inhoud en alle kennis daarover blijft onvolledig. Je kunt dat afleiden uit ons model A-B, waarin de overgangs beweeglijkheid (A5/B5), ondanks zijn vastgelegde karakter tussen A en B toch als een beweeglijkheid tussen de brandpunten van A en B blijft gelden. Als zodanig is hij wezenlijk onbepaald. Filosofisch kun je dit weten en daarvan moet je dan ook uitgaan en je, als filosoof, onthouden van concrete beweringen op dit gebied.

Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ; Overgang-5 ; Overgang-6 ; Overgang-7 ; Ruimtebrug-1(nr.24) ; Ruimtebrug-2(nrs.28, 29, 30) ; Ruimtebrug-3(nr.37) ;

Naar boven

No. 3l

Opvoeding-1 ; Opgevoed-1 ; Het onvermijdelijke toeval (nos 3,4,5) en vervolgens de nos. 8,†† 15,†† 18,20,21,22,23,25,27,28,†† 31,†† 60,67,68,69 en 70)

Nogmaals wil ik er op wijzen dat wij, als het gaat over het ontstaan van de verschijnselen, een tweetal werkingen goed van elkaar moeten onderscheiden. Ten eerste is daar de werking van de beweeglijkheden zelf. Die berust op het onvermijdelijke toeval en bestaat uit het gelijk-op bewegen en daardoor ten opzichte van elkaar stilstaan van de beweeglijkheden. Bij deze werking gaat er van de beweeglijkheden niets uit, zij blijven alleen-maar voor zichzelf beweeglijk en reageren niet op elkaar. Alles wat er gebeurt gaat buiten hen om en is daardoor een absolute buitenwereld. Maar, ten tweede: zodra er een achtledig elementair deeltje ontstaan is gaat dat deeltje, als een op zichzelf staand gesloten systeem reageren op andere deeltjes. Dat kan het inderdaad doen omdat er nu een viertal gerichte bewegingen in het spel is. Bij dat deeltje zijn het echter nog steeds niet de beweeglijkheden die iets doen, maar is het het systeem dat iets doet. In feite hebben wij alleen maar te doen met het brandpunt van de vier gerichte bewegingen. De verzameling van brandpunten, op elkaar inwerkend via de vier bewegingen, levert het samengestelde verschijnsel op. In het wordingsproces blijven alle voorgaande stadia bewaard. Bij het op elkaar reageren van elementaire deeltjes blijft het toevallige ten opzichte van elkaar stilstaan van de beweeglijkheden zelf derhalve ook een rol spelen. Uiteindelijk is natuurlijk alles terug te brengen tot de absolute buitenwereld van de beweeglijkheden op zichzelf. De bovenstaande twee werkingen geven aanleiding tot een drietal verschillende mogelijkheden, die ik overigens al eerder genoemd heb. Daarvan berust alleen de eerste uitsluitend op de werking als absolute buitenwereld; de twee andere zijn in de praktijk mengvormen van zowel de ene als de andere werking. De eerste mogelijkheid is die van het aaneengroeien. Het kenmerkende van groeien is dat de werking ervan uit de zaak zelf voortkomt en niet door iets anders wordt veroorzaakt. Uit de beweeglijkheden komt de mogelijkheid van het ten opzichte van elkaar stilstaan voort. Er is niets dat van buitenaf inwerkt, hetgeen logisch ook niet zou kunnen want de absolute buitenwereld ontstaat juist door het aaneengroeien van een, twee, drie, enzovoort, beweeglijkheden. Een bestaand elementair deeltje kan nog verder uitgroeien doordat aan de vrije beweeglijkheden (5,6,7 en 8) nieuwe systemen groeien, op grond van het feit dat die vrije beweeglijkheden Ook als niet tot het systeem behorend kunnen worden beschouwd. In dat geval ontstaat er een systeem dat uit meerdere brandpunten bestaat, zoals dat bijvoorbeeld met ons model A-B-C het geval was. Maar dit systeem met meerdere brandpunten valt niet onder de begrippen samenstelling, samenklontering of combinatie omdat het door het aaneengroeien van de beweeglijkheden ontstaan is. De tweede mogelijkheid is die van het samenstellen, combineren, samenklonteren. Dan gaat het niet over het aaneengroeien van beweeglijkheden, maar nu gaat het echt over het op elkaar inwerken van materiele deeltjes. Daarin spelen dus de vier bewegingen, geconcentreerd in het brandpunt, een rol. Voorlopig kunnen we desnoods wel spreken over energetische deeltjes die op elkaar krachten uitoefenen. Maar later wil ik de begrippen energie en kracht nog nader bekijken, in verband met het feit dat er eigenlijk alleen maar beweging blijkt te zijn. Al die verschillende bewegingen die op de een of andere manier met elkaar te maken krijgen leveren talloze verschillende resultaten op wat betreft de combinaties die ontstaan. Combinaties komen dus op grond van de inwerking van krachten tot stand en die krachten behoren bij de systemen die de elementaire deeltjes zijn. Omdat die systemen zich manifesteren als brandpunten gaat het nu wezenlijk over brandpunten en de krachten die zij op elkaar uitoefenen, zodat zij onder omstandigheden tot een combinatie kunnen komen. Dat is een proces dat zich in de werkelijkheid als materie afspeelt. Een belangrijke factor in het komen tot combinaties is uiteraard het gegeven dat het verschijnsel zich gaat verplaatsen, in beweging komt. Ik heb gesproken over het dynamisch worden van de kosmos. Combinatie zonder in beweging zijn is niet denkbaar. Wij bevinden ons overigens nog wel op het terrein van het uiterst kleine: de deeltjes die bij splijting van de atoomkern te voorschijn komen en dergelijke. En het ligt in de logica dat ook die deeltjes nog veelsoortig samengesteld zijn. De derde mogelijkheid is die van het organiseren. Dat is het geval als bepaalde samenklonteringen, die als zodanig hun uiterste bereikt hebben, zich met andere samenklonteringen tot een geheel nieuw en autonoom verschijnsel gaan organiseren. We hebben dan te doen met datgene dat wij het leven noemen. Daarbij gaan cellen zich met elkaar verenigen op zodanige wijze dat zij voor zichzelf opgaan in een veelomvattender systeem. Zo'n veelomvattend systeem mag niet verward worden met een collectief of een verzameling. In deze beide laatste gevallen gaat het om elementen die een totaliteit vormen waarin zij zelf op zichzelf aanwezig blijven, als elementen die er alleen maar voor zichzelf zijn. De gangbare opvatting van bijvoorbeeld een maatschappelijke organisatie berust op dat begrip totaliteit. Men probeert de verzameling van op zichzelf staande mensen tot een organisatie om te smeden door van bovenaf en van buitenaf regels te stellen. Maar telkens weer blijkt dat zo'n organisatie onhoudbaar is en terugvalt tot een verzameling losse elementen. Het pogen om op een dergelijke manier tot een organisatie te komen berust op politiek denken. Dat is een denken dat door het van buitenaf en het van bovenaf gekenmerkt wordt en dat behoort bij de voorstellingswereld van onvolwassen mensen. Die mensen zijn nog niet in staat zich vanuit zichzelf te organiseren. Het juiste begrip organisatie heeft als inhoud dat de elementen zich vanuit zichzelf verenigen, niet tot een totaliteit, maar tot een geheel. Dat geheel is een samenhangend systeem op zichzelf. Bij het doordenken van het wordingsproces moet je er goed op letten dat in elke volgende fase al datgene dat voor de voorgaande gold van kracht blijft. In het zich combineren blijft dus het aaneengroeien ook een rol spelen, en in het zich organiseren doet het combineren en het groeien ook op zijn wijze mee. Het levende verschijnsel is in de eerste plaats een organisatie, maar daarbinnen zijn allerlei combinaties en ook groeiverhoudingen. De maat ligt echter bij het organisatie-zijn, in dat licht verschijnen de begrippen groei en combinatie. Er is in de gehele werkelijkheid nooit een essentiŽle werking die komt te vervallen, maar wel wijzigt zich zo'n werking al naar gelang de situatie waarin hij optreedt. Ook al is een werking evenwel gewijzigd, het is nog steeds die bepaalde werking en die treedt op in functie van het gehele systeem waartoe hij behoort. De aard van zijn werkzaamheid wordt door dat systeem bepaald. Het op zijn wijze van kracht blijven van alle essentiŽle werkingen maakt het denken over deze zaken erg moeilijk, vooral voor ons, die opgevoed zijn in een traditie van lineair denken. In dat denken kun je bepaalde situaties op zichzelf bekijken, geÔsoleerd van al het andere. Maar in de filosofie moet je steeds maar weer alles ineen denken zonder ook maar iets op zichzelf te stellen. Een uitspraak over het een houdt onmiddellijk een uitspraak over het ander in. Een nieuw begrip inzake het een levert ook een nieuw begrip inzake het ander op.

Opvoeding-1 ; Opgevoed-1 ; Het onvermijdelijke toeval (nos 3,4,5) en vervolgens de nos. 8,†† 15,†† 18,20,21,22,23,25,27,28,†† 31,†† 60,67,68,69 en 70)

No. 32

geest-1 ; geest-2 ; geest-3 ; geest-4 ;

Zolang het gaat over het aaneengroeien van beweeglijkheden-1, in eerste instantie tot ons achtledige elementaire deeltje en dat, in tweede instantie, uitgegroeid tot een systeem met meerdere brandpunten, heb ik te maken met processen die empirisch wetenschappelijk niet aan te tonen zijn omdat wij ons op het terrein van de beweeglijkheden zelf bevinden. Louter denkend zijn zij echter wel te laten zien, maar dan moet je wel bereid zijn om een pure gedachtegang als een waarheid te aanvaarden, enkel en alleen op grond van zijn onontkoombare logica. In die logica moet je vertrouwen hebben. Het zal misschien bevreemding wekken, maar toch is het een feit dat in de moderne wetenschap die bereidheid eigenlijk niet aanwezig is. Men is er wel toe bereid theorieŽn te ontwikkelen, maar die blijken voortdurend sterk uiteen te lopen en zelfs elkaar tegen te spreken. De reden waarom de ene wetenschapper een bepaalde theorie wel aanvaardt en de andere dat niet doet, is doorgaans meer gelegen in buitenwetenschappelijke argumenten dan in strikt logische: argumenten vanuit eigenbelang, vanuit de levensovertuiging, vanuit de genoten opleiding en in het algemeen vanuit de geldende conditionering. Daardoor draait het er voornamelijk om of een bepaalde theorie, en degene die zo'n theorie naar voren brengt, bij iemand vertrouwen wekken of niet. Toegegeven wordt dit niet graag, maar omdat dit niet-rationele principe toch, om allerlei redenen, een grote rol in het moderne wetenschappelijke denken speelt vind je weinig of geen gehoor als je alleen-maar met een gedachtegang komt. Natuurlijk is het allemaal een cultuurkwestie. Op den duur zal men zijn toevlucht wel moeten nemen tot louter denken omdat er anders helemaal niet meer uit te komen is. Einstein schijnt destijds al opgemerkt te hebben dat het natuuronderzoek spoedig niet meer buiten de filosofie (welke?) zal kunnen, en eerlijke natuurkundigen geven inmiddels ook toe dat de werkelijkheid voor hen een steeds groter raadsel wordt. Toch zal het nog wel een hele tijd duren voor men de pure gedachtegang gaat vertrouwen. Er is namelijk heel wat voor nodig om zover te komen: de basisopvatting, geldend in de westerse cultuur, dat slechts metingen en in getalswaarden uit te drukken waarnemingen tot betrouwbare kennis van de werkelijkheid kunnen leiden, moet plaats maken voor inzicht. Een gedachtegang, gebaseerd op inzicht, is heel wat anders dan wetenschappelijke theorieŽn. Aan dit laatste ontbreekt het tegenwoordig niet, maar wat ze, ondanks alle verschillen, allemaal gemeen hebben is dit, dat ze een waarneming en een meting als uitgangspunt bezitten. Dat is bij een gedachtegang niet het geval. Je zou kunnen menen dat de filosofische gedachtegang wel degelijk ook met een waarneming begonnen is, namelijk deze, dat ik constateer dat ik besta en dat er buiten mij nog iets is. Je moet je evenwel afvragen of je wat dit betreft wel met een waarneming te doen hebt. Als je de hele gedachtegang over het wordingsproces, de evolutie van het leven en de structuur van de mens af gedacht hebt blijken er bewustzijn en zelfbewustzijn te gelden en op grond daarvan is de werkelijkheid zogezegd tot weten omtrent zichzelf gekomen. Dan blijkt dat dit weten de leidraad voor de filosofische gedachtegang is en niet de een of andere waarneming. Maar, het is typisch filosofisch, dat je hier pas dan achter kunt komen als je de hele denkweg afgelegd hebt. Omdat wij dit op het ogenblik nog niet gedaan hebben kunnen wij eigenlijk nog niet weten dat wij, bij het begin van onze gedachtegang, niet met een waarneming te doen hadden. En, voor zover het toch een waarneming was - want dat is het ook - is die er tengevolge van iets anders. Het blijkt namelijk dat wij mensen waar kunnen nemen juist omdat dit weten er is en dat de in onze cultuur heersende opvatting dat weten een gevolg zou zijn van waarneming, waarop onze gehele wetenschap en de daarbij behorende theorieŽn gebaseerd zijn, een misvatting is. Deze wreekt zich dan ook, met het voortschrijden van de wetenschappelijke ontwikkeling, steeds meer: de toename van de kennis leidt helemaal niet tot een beter weten, maar daarentegen juist tot een steeds grotere verwarring. Die heft zich op den duur echter wel weer op als de mensen cultureel zover gevorderd zijn dat zij de gedachtegang, op grond van louter denken, aandurven. Als het zover is zal ook blijken wat het werkelijke nut van het verzamelen van wetenschappelijke kennis is geweest. Er zijn nogal wat verschijnselen waarop het wetenschappelijke denken slechts tot aan een zekere grens vat heeft en daaraan voorbij niet meer. Volgens Newton moet je daarop verder geen acht slaan, maar intussen blijven de problemen wel liggen. Als voorbeeld de werking van de hersenen. Men weet een heleboel, zeker nu men meer vertrouwd is geraakt met kunstmatige geheugens zoals computers en zich geoefend heeft in een andere wijze van denken. Daardoor kan men zich wel enigszins voorstellen hoe bijvoorbeeld de herinnering werkt.

Maar voor een wetenschapper is de vraag wat het bewustzijn is, niet op te lossen. Wat is geest, wat is gevoel, wat is bewustzijn, wat is begrijpen? Hij kan er desnoods wel een aantal eigenschappen van opsommen, maar de vraag wat is het, blijkt onoplosbaar. De oorzaak van dit merkwaardige verschijnsel is gelegen in het feit dat in het verschijnsel hersenen, als samenklontering en als organisatie, ook het aaneen gegroeid zijn meespeelt en daarover is empirisch niets aan de weet te komen. Dat geldt niet alleen voor de hersenen, maar voor de gehele verschijnselen wereld. De onderzoekers stuiten dan ook steeds op onverklaarbare en niet te onderzoeken zaken. Daar slaat het onderzoeks- denken af. De leegte, die dan ontstaat, is gewoonlijk precies het terrein waarop allerlei theorieŽn losgelaten worden, van behoorlijk plausibele tot en met mystieke, paranormale en metafysische. Nog iets over de combinatie. Zoals gezegd gaat het dan over systemen van minstens driemaal acht aaneengegroeide beweeglijkheden (A-B-C) die elkaar, op grond van hun in beweging zijn, ontmoeten en samenklonteren. Dit laatste op grond van de erin aanwezige bewegingen. Het in beweging zijn en de bewegingen zijn de enig denkbare voorwaarden voor het vormen van samenstellingen. Maar, in zo'n combinatie vindt ook het aaneen groeien plaats en daardoor ontstaat er, behalve de relatie, ook de samenhang. Deze zijn er echter maar ten dele: je zou kunnen zeggen hier wel en daar niet, de zaak is doortrokken van samenhang als een soort van netwerk van verbindingen. Dit verklaart waarom je samenstellingen lange tijd in steeds kleinere delen kunt kloven zonder dat die delen het karakter van die combinatie verliezen. Je klooft tussen het samenhangende door. Als je een steen klooft houd je twee stenen over, enzovoort. Maar op een zeker moment kun je niet verder kloven zonder een geheel ander materiaal te krijgen. Dan ben je bezig de samenhang te verbreken, uiteraard binnen dat kleine stukje gruis dat je overgehouden hebt. Zodra die samenhang verbroken is, ook als dat maar gedeeltelijk het geval is, komt er een andere materie te voorschijn. Zolang die samenhang nog niet verbroken is houd je steeds stukken steen over. Probeer je een organisatie te kloven, dan vervalt onmiddellijk die organisatie als zodanig. Het wordt dan dode, d.w.z. niet-georganiseerde, materie. Dat is zo omdat de organisatie, het levende verschijnsel, in de eerste plaats een zaak van samenhang is. Levend zijn betekent door en door samenhang zijn.

geest-1 ; geest-2 ; geest-3 ; geest-4 ;

Naar boven†††††††††††††††††††††††††

No. 33

Om de gedachten te bepalen: de verschijnselen raken in beweging vanaf het moment dat wij te doen hebben met systemen van minstens drie aaneengegroeide elementaire deeltjes. Die in beweging geraakte systemen kunnen elkaar ontmoeten en bijgevolg allerlei combinaties vormen. Zonder het in beweging zijn en het elkaar ontmoeten is het vormen van combinaties onmogelijk. Dat is dus de eerste voorwaarde. Er is echter nog een tweede voorwaarde voor het zich combineren en wel deze: de systemen die elkaar ontmoeten zullen aan elkaar vast moeten komen te liggen. Dat betekent dat er bewegingen zijn die zich aan elkaar moeten opheffen. Dat kunnen dan niet anders dan de bewegingen zijn die wij in de elementaire deeltjes aantreffen, samenkomend in het brandpunt en gericht naar de vier vrije beweeglijkheden, in ons model: 5,6,7 en 8. Het combineren structureert zich dus noodzakelijk via die, in het elementaire deeltje aanwezige, gerichte bewegingen en het netwerk van de structuur verloopt volgens de richtingen van die aan elkaar opgeheven bewegingen. We hebben met niets anders te doen dan met a) het in beweging zijn van systemen, bestaande uit minstens drie elementaire deeltjes en b) de bewegingen van die deeltjes zelf met inbegrip van hun richting. In ons bolletjes-model zijn de beweeglijkheden aan elkaar gelijmd, maar in het echt is daarvan uiteraard geen sprake - hier speelt slechts het ten opzichte van elkaar stilstaan. In onze gedachtegang is het vanzelfsprekend dat er geen lijm tussen de beweeglijkheden en de elementaire deeltjes zit, maar toch is het van groot belang hieraan aandacht te schenken. In de natuurkunde namelijk zoekt men nog steeds naar iets, magnetisme of iets dergelijks, dat zich tussen het een en het ander bevinden zou en dat ze bijeen houdt, zoals de lijm dat met onze bolletjes doet. Een soort van middenstof, die op zichzelf noch bij het een, noch bij het ander behoort en dus op zichzelf buiten de zich combinerende systemen valt. Wij hebben zoiets echter niet gevonden, maar wij hebben wel ontdekt wat het combineren in feite is: het is het zich aan elkaar opheffen van bewegingen zodat het een inderdaad aan het ander vastzit. Ik ga nu even terug naar het aaneengroeien van twee elementaire deeltjes.

Aan het deeltje A groeit het deeltje B, bijvoorbeeld vanuit de vrije beweeglijkheid A5. Er ontstaat dan de relatie tussen de brandpunten A en B en ook krijgt de ruimte uitgebreidheid, zij vloeit over van A naar B. Op grond van dit laatste is er samenhang. De relatie is gebaseerd op het zich opheffen van de bewegingen Brandpunt-A naar A5 en Brandpunt-B naar B5, waarbij A5 en B5 dezelfde beweeglijkheid zijn. Waarom het nu gaat is dit, dat de relatie een materiele kwestie van opgeheven bewegingen is en de samenhang een kwestie van continue ruimte. Als je dit helder voor de geest hebt kun je je wellicht voorstellen dat bij het zich combineren wel de mogelijkheid bestaat dat bewegingen zich aan elkaar opheffen, maar niet dat er samenhang ontstaat. De verklaring hiervoor is dat het in het eerste geval gaat over iets materieels, maar in het tweede geval over (zich uitbreidende) ruimte en dus iets niet-materieels. Samenhangen ontstaan immers alleen maar voor zover het wordingsproces zich als groeiproces, vanuit de beweeglijkheden-zelf, laat gelden. In het wordingsproces gaat dat in principe tot en met een systeem van drie aaneengegroeide elementaire deeltjes. Als er meer deeltjes aaneengegroeid zijn moeten wij zo'n situatie dan ook beschouwen als zoveel maal drie. Samenhangen ontstaan nooit door inwerkingen op elkaar van materiele systemen. Wanneer er eenmaal materiele systemen, gestructureerd als combinaties, aanwezig zijn, geldt daarvoor uiteraard wel dat die combinaties doortrokken van samenhang zijn, d.w.z. er zijn overal eilandjes van samenhang. Omdat het nu gaat over ruimteverhoudingen moet je constateren dat we te maken hebben met een ruimte, die wel uitgebreidheid kent, maar die tegelijk discontinu is. De ruimte, die een voorwerp (combinatie) inneemt is op grond daarvan kwantitatief bepaald. Daarop kom ik nog terug. Nu evenwel is van belang in te zien dat het voorwerp niet uiteen valt, niet op grond van de samenhang, maar op grond van het er in aanwezige netwerk van relaties. Juist omdat dit zo is bestaat de mogelijkheid het voorwerp uit elkaar te halen, te analyseren. Het mes van de analyse snijdt de relaties door, maar laat de samenhang ongemoeid. Daarom vinden we bij analyse wel relaties, zoals we al gezien hebben, maar geen samenhang. Het zogenaamde dode voorwerp, zeg een steen, kan gekloofd worden zonder van karakter te veranderen. Pas als het, door vergaande analyse, geen steen meer is verandert het karakter. Dan zijn wij bezig de samenhang op te heffen. Overigens kan dit alleen maar op subatomair niveau en het is geen wonder dat juist deze vorm van analyse, door het aantasten van de samenhang, zo levensgevaarlijk is voor de planeet en het leven. Dat gevaar heeft nooit gegolden zolang de mensen niet tot meer in staat waren dan het verbreken van relaties in de materie, met de bedoeling zich een menselijke wereld te bouwen. Zodra echter de samenhang onder het mes komt gaan wij een letterlijk doodlopende weg op. Omdat het zogenaamde levende voorwerp, zoals wij nog zien zullen, in het teken van samenhang staat, daardoor gekenmerkt wordt, is analyse daarvan onmiddellijk karakterverandering. Het levend-zijn vervalt en het levende voorwerp maakt plaats voor een dood voorwerp. Dode voorwerpen, dus de anorganische verschijnselen, hebben allemaal een vorm. Die vorm is uitwendig, is een zaak van de buitenkant. Het begrip vorm echter is wel degelijk gebaseerd op samenhang. We zouden ons nu af kunnen vragen hoe voor een voorwerp, waarvoor in feite het netwerk van relaties essentieel is, toch het begrip vorm, dat bij het begrip samenhang behoort een rol kan spelen, en wel een nogal belangrijke rol: als vorm ervaren wij de voorwerpen en als zodanig plaatsen wij ze binnen de context van onze voorstelling van de wereld waarin wij leven. Het antwoord op deze vraag luidt als volgt: hoe ingewikkeld een combinatie ook is, altijd zijn er nog wel vrije beweeglijkheden die, voor zover ze zich als niet-behorend tot het materiele systeem, waartoe zij toch behoren, laten gelden, de mogelijkheid bieden tot het aangroeien. Op grond van dat aangroeien van elementaire deeltjes ontstaat er samenhang. Het ligt in de logica dat dit vooral het geval is aan de buitenkant van een voorwerp, omdat de vrije beweeglijkheden in het inwendige in meerderheid gebonden zijn aan en in het netwerk van relaties. Bij het doorsnijden, op een bepaalde plaats, van de relaties ontstaat op het snijvlak onmiddellijk weer de mogelijkheid van samenhang en daaraan is dan de nieuwe vorm weer bepaald. Overigens: het zal duidelijk zijn dat het begrip vorm bij het levende voorwerp een heel speciaal karakter heeft, een karakter dat bijvoorbeeld in de (beeldende) kunst van allesoverheersend belang is. De gehele werkelijkheid met de verschijnselen die daarin ontstaan is louter een zaak van beweeglijk-zijn en alle verhoudingen daarin. Die verhoudingen ontstaan doordat beweeglijk-zijn onmiddellijk inhoudt het ten opzichte van elkaar stilstaan op grond van gelijk-op bewegen. Dat kun je heel goed zien als je nog eens het begin van onze gedachtegang bekijkt. Heb je dit eenmaal ontdekt, dan worden de beweeglijkheden zelf totaal onbelangrijk, hoewel je ze natuurlijk wel nodig hebt om die verschillende verhoudingen te achterhalen. De beweeglijkheden kunnen ook niet belangrijk of interessant zijn, want er is immers niets over te zeggen. Er is pas dan wat over te zeggen, op te merken, als het elementaire deeltje uitgegroeid is tot een drieledig systeem dat met andere systemen relaties aangaat.

No. 34

De KloofÖzie de nummers 34 en 35 ; Communicatie-1 ; Communicatie-2(nrs34 en 35) ;

Het essentiŽle punt bij het zich combineren van twee voorwerpen, elk bestaande uit minstens drie aaneengegroeide elementaire deeltjes, is dit dat er wel een relatie tussen die voorwerpen ontstaat, maar geen samenhang. Hierbij past een niet onbelangrijke opmerking. Twee of meer gecombineerde voorwerpen vormen met elkaar een verschijnsel dat er nog niet was voordat die voorwerpen een combinatie aangingen. Zij vormen een nieuw en authentiek verschijnsel. De meeste, ons uit het dagelijkse leven bekende, verschijnselen zijn van die authentieke dingen, die heel ingewikkelde combinaties zijn, bestaande uit onvoorstelbaar grote hoeveelheden van met elkaar gecombineerde voorwerpen. Voor zover de zaak een combinatie is ontbreekt, hoe ingewikkeld de structuur ook is, de samenhang. Het begrip combinatie berust immers op bijeen gekomen voorwerpen. Maar: Voor zover er altijd, binnen het kader van zo'n combinatie, beweeglijkheden zijn die wij als vrij kunnen beschouwen ontstaan er van daaruit samenhangen doordat er nieuwe elementaire systemen aan die vrije beweeglijkheden groeien. Met zulke samenhangen zit een ingewikkelde combinatie vol. Die samenhangen zijn er echter niet op grond van het zich combineren, maar op grond van de (onvermijdelijk toevallige) mogelijkheid dat beweeglijkheden, omdat zij gelijk-op kunnen bewegen, tot systemen van primaire verhoudingen kunnen uitgroeien, waarin het begrip samenhang een rol speelt. Bedoelde samenhangen komen onder andere voor de dag in de vorm die elk ding, hoe ruw desnoods ook, heeft. En, zoals al gezegd: die vorm vervalt bij het kloven van een ding, terwijl de twee ontstane brokken elk voor zich volkomen de eigenschappen en het karakter van het oorspronkelijke ding behouden. Denk maar aan het kloven van een steen. Daarbij is er eigenlijk niets veranderd wat betreft de combinatie steen, maar wat betreft de vorm ervan is er wel wat veranderd en die verandering is niet meer ongedaan te maken. Op de vraag waarom combinaties niet leiden tot samenhangen en wel tot relaties heb ik gedeeltelijk al een antwoord gegeven. De combinatie is namelijk een puur materieel gebeuren, dat bepaald wordt door voorwerpen die elkaar ontmoeten. Een samenhang ontstaat echter vanuit de beweeglijkheden zelf. Daardoor is een samenhang niet empirisch aan te tonen bij analyse van een voorwerp. De relatie komt echter wel voor de dag omdat hij een materiele verhouding is. Dit verklaart waarom in de moderne wetenschappen zelfs de gedachte aan samenhangen als onbruikbaar verworpen wordt, terwijl er wel meer en meer in relaties gedacht wordt. Samenhang is en blijft alleen maar denkbaar. Het andere gedeelte van het antwoord is te vinden als je ons bolletjes-model nog weer eens voor de geest haalt. Je moet je dan voorstellen dat twee systemen van drie aaneengegroeide elementaire deeltjes elkaar benaderen. Dat kan op allerlei manieren, d.w.z. vanuit allerlei richtingen, maar slechts in een geval is het voor ons van belang: als namelijk een bewegings-richting (brandpunt naar een vrije beweeglijkheid) van het ene systeem samenvalt met zo'n bewegings-richting van het andere systeem. Dan heffen de bewegingen van een brandpunt naar een vrije beweeglijkheid van beide systemen elkaar op, omdat die bewegingen ten opzichte van de erbij behorende brandpunten tegengesteld zijn. Het ten opzichte van is tegengesteld. Op dat moment is er een relatie ontstaan omdat bewegingen zich aan elkaar opgeheven hebben en op die manier de er bij behorende brandpunten aan elkaar vastgelegd zijn. We wisten immers al dat er een relatie ontstaat als zich twee bewegingen aan elkaar opheffen. We krijgen nu deze situatie dat er twee (willekeurige) vrije beweeglijkheden, namelijk een van het ene systeem en een van het andere systeem, tegen elkaar aanliggen en door de opgeheven bewegingen aan elkaar vastzitten. Ze heffen daarmee ook hun vrijheid op. Maar er is nog meer aan op te merken. Er is namelijk wel een relatie, maar geen samenhang. De ruimte van het ene systeem breekt af precies tussen de twee aan elkaar vastzittende beweeglijkheden, en dat is ook het geval met de ruimte van het andere systeem. Van het zich uitbreiden van ruimte, dat kenmerkend is voor de samenhang, is geen sprake. Qua ruimte is de combinatie discontinu, ondanks het feit dat de ruimte in de zich combinerende voorwerpen wel continu is. Nog een opmerking: samenhang treedt pas voor het eerst op als er twee aaneengegroeide elementaire deeltjes zijn. Beweeglijkheden die ten opzichte van elkaar stilstaan - waarmee onze gedachtegang begonnen is - vertonen geen samenhang omdat die beweeglijkheden zelf nergens in betrokken zijn. Je kunt dan ook niet zeggen dat je, bijvoorbeeld bij een systeem van vier beweeglijkheden (het basisbegrip ruimte), met een stabiele situatie te maken hebt. Eigenlijk geldt voor zulke systemen dat het tendensen zijn, voortdurend wel en niet optredende verhoudingen. De elementaire deeltjes zijn echter in het aaneengroeien wel degelijk zelf betrokken, doormiddel van hun bewegingen vanuit het brandpunt naar de vrije beweeglijkheden en omgekeerd. Die betrokkenheid uit zich in het aan elkaar vastzitten van de brandpunten. De relatie, die bij een combinatie ontstaat, is een bijzondere relatie, omdat er nu twee, oorspronkelijk vrije, beweeglijkheden tegen elkaar aanliggen terwijl de ruimte precies op hun raakpunt afwezig is. Dat betekent: waar de een ophoudt begint de ander en omgekeerd. Hier treedt het begrip grens op en daaraan valt gemakkelijk te bedenken dat het dan letterlijk over niets gaat; het is niet eens ruimte. Hier ligt het beruchte begrip ďhet nietsĒ waarover zoveel denkers zich het hoofd hebben gebroken. Overigens kun je nu zien hoe onwerkelijk mensen bezig zijn als zij overal maar grenzen trekken en daaraan ook nog een grote betekenis hechten. Je kunt dan ook opmerken dat diegenen die voortdurend naar grenzen zoeken, kijken hoever je wel of niet gaan kunt, een benauwde gesteldheid hebben. Zij hebben in hun denken weinig ruimte, omdat zij zich inderdaad met niets bezig houden. Toch lijken zij heel redelijk en dat komt doordat het begrip grens niet denkbaar is zonder de relatie.

Dus: binnen het begrip relatie ligt het begrip grens en, hoewel dat begrip duidelijk van kracht is, moet je toch tegelijk vaststellen dat het, gezien vanuit de werkelijkheid als een systeem van beweeglijkheden, helemaal niets is. Dit relatieve niets loopt door de gehele verschijnselenwereld heen; het is de scheiding tussen het een en het ander en als zodanig is het ook het bepalende, het begrenzende principe. Dat principe komt aan het eind, bij het te voorschijn komen van het leven, op de achtergrond te liggen - zonder overigens te vervallen. De nieuwe soort relatie, die wij nu gevonden hebben, wordt gekenmerkt door de scheiding, de grens tussen het een en het ander. In onze moderne cultuur ligt het doorwerken van die relatie op de voorgrond. Je ziet dan ook dat er steeds twee dingen min of meer met elkaar overhoop liggen in het denken: de relatie die de mensen op de een of andere manier verbindt en daar tegenover de vaak grondeloze kloof, die de mensen scheidt. Voor zover wij tegenwoordig de communicatie tussen de afzonderlijke mensen bevorderen is dit onmiskenbaar het overbruggen van een kloof. Maar dat overbruggen vergroot niet de ruimte tussen de mensen, maar beklemtoont juist de scheiding. De relatie, die wij eerst vonden, als gevolg van het aaneengroeien van twee elementaire deeltjes, was van een geheel andere orde: hij lag binnen de samenhang en hij vertoonde geen grens tussen het een en het ander. Bovendien was het een zaak van ruimtelijkheid.

No. 35lees ook het bovenstaande vanaf no. 11

Zodra je te doen hebt met drie aaneengegroeide elementaire deeltjes gaat er een factor optreden die ik het zich in beweging zetten heb genoemd. Door het optreden van deze dynamiek wordt het mogelijk dat voorwerpen elkaar ontmoeten en vervolgens eventueel een combinatie vormen. Voor het laatste is het noodzakelijk dat twee bewegingen elkaar opheffen en dus en tegengesteld zijn en dezelfde richting hebben. Omdat het hier gaat over het opheffen van bewegingen moeten er noodzakelijk twee bewegingen aanwezig zijn en dat is het geval als we te doen hebben met de verhoudingen van brandpunten naar vrije beweeglijkheden. Aangezien die vrije beweeglijkheden niet weggedacht kunnen worden zonder de beweging te laten verdwijnen moet de situatie, bij het ontstaan van een combinatie, dus zo zijn dat een tweetal vrije beweeglijkheden zogezegd tegen elkaar komt te liggen en dus ten opzichte van elkaar stilstaat. Het aan elkaar opheffen van de beweging van de een en van de ander komt feitelijk neer op het neutraliseren van de bewegingen. Dat betekent dat zij wel aanwezig blijven, maar in de combinatie over en weer door elkaar geneutraliseerd worden. Op het moment dat dit het geval is, is er een relatie tussen de twee erin betrokken brandpunten ontstaan. Dit is een geheel andere relatie dan diegene die wij eerder gevonden hebben bij het aaneengroeien van twee elementaire deeltjes. Vloeide in deze laatste situatie de ruimte van het ene deeltje naar het andere over, met als gevolg samenhang met daarbinnen de relatie, thans, bij de combinatie, vloeit de ruimte helemaal niet over en er ontstaat zelfs een scheiding. Er is een grens waarvoor geldt dat er noch het een noch het ander aanwezig is. Dit is precies datgene waarnaar de denkers altijd gezocht hebben: het absolute niets! In dit verband moet worden opgemerkt dat het absolute niets meekomt aan gecombineerde materie, aan samenstellingen en dat het dus letterlijk beschouwd moet worden als niet-iets. Dit komt overeen met de taalkundige structuur van het woordje niets. Zolang er nog niet van een combinatie te spreken is kan ook het begrip niets niet van kracht zijn. In de oorspronkelijke werkelijkheid van de beweeglijkheden komt dit begrip dan ook niet voor zodat je kunt zeggen dat alle wijsgerige en wetenschappelijke speculaties over een ontstaan van de verschijnselen uit het niets als onzin van de hand moeten worden gewezen. Het niets komt mee aan het iets, aan de combinatie en in geen geval ligt de zaak andersom. Als ertussen de delen van de combinaties niets is dan betekent dit, als je er op doordenkt, dat de gehele werkelijkheid, inclusief de mens, door en door gespleten is. Dat gespleten zijn is tevens een begrensd zijn en dus ook een in zichzelf bepaald zijn. Dit is natuurlijk door de denkers van alle tijden opgemerkt, overigens zonder dat zij de zaak konden verklaren. Doordat zij dit niet konden hebben zij, vooral bij het nadenken over de mens en zijn getob, de gespletenheid steeds als negatief, beoordeeld, als een kwalijke tekortkoming die haat, nijd en tweedracht onder de mensen zou veroorzaken. Voor een deel is dit juist: wij zullen nog zien dat de mens in het teken van de samenhang staat en niet in dat van het gespletene. Voor zover dat gespletene tijdens de onvolwassenheid van de mensheid op de voorgrond staat hebben die denkers gelijk in hun negatieve beoordeling. Maar als zij menen dat het gespletene weggewerkt, afgeschaft zou moeten worden begaan zij de fout een essentieel kenmerk van de werkelijkheid te verdonkeremanen. Daardoor vervalt de houdbaarheid van hun ideeŽn over een toekomstige mensheid. Je kunt het gespletene niet afschaffen, maar wat je wel kunt, zelfs moet doen, is uitzoeken hoe de verhoudingen werkelijk liggen. De verhouding tussen twee (of meer) verschijnselen die tezamen een combinatie vormen levert een relatie op die niet denkbaar is zonder het absolute niets tussen die verschijnselen. Het is dus een relatie die als het ware een kloof overbrugt. Maar die kloof blijft wel bestaan als hij overbrugd is. Zoals we zullen zien speelt dat bij de mensen ook een rol. In de oudheid had men een besef van de aanwezigheid van die kloof en men heeft naar mogelijkheden gezocht om hem op te heffen. Men herkende de gespletenheid van de werkelijkheid en streefde op grond daarvan ernaar van de twee een te maken. Dat kwam tot uiting in het Griekse begrip Amor. De gespletenheid op zichzelf vinden we terug in het zondebegrip, zoals dat in de joodse godsdienst en later in het christendom gehanteerd wordt. De erfzonde bijvoorbeeld verwijst naar de fundamentele gespletenheid van de werkelijkheid. Steeds echter wilde men die kloof opheffen, maar de enige mogelijkheid is hem te overbruggen. In onze moderne cultuur houden we ons met dat overbruggen bezig, alweer: zonder te weten wat er werkelijk aan de hand is. Het overbruggen is hetzelfde als het leggen van contacten, communicatie, het aanbrengen van relaties. Dit loopt uit in een door en door georganiseerde wereld. Doordat de relaties echter voor de dag komen door analyse van de werkelijkheid verdwijnt tegelijk de samenhang. Op de voorgrond komt steeds meer het gespletene, overbrugd of niet. Het is van belang te begrijpen dat we inmiddels twee soorten van relaties gevonden hebben. Ten eerste de relatie die bij het aaneengroeien van twee elementaire deeltjes ontstaat, en wel als inhoud van de samenhang, en ten tweede de relatie waarover we nu het een en ander gezegd hebben en die geen samenhang kent maar juist scheiding op grond van het absolute niets. Op allerlei manieren blijven deze twee soorten van relaties een rol spelen in de verdere uitwikkeling van de kosmos. Uit de praktijk van je eigen leven kun je weten dat er twee soorten van relaties zijn, namelijk die relaties die zich binnen het samenleven afspelen en die onberekenbaar, niet te bepalen, niet vast te leggen en niet te formuleren zijn, en de relaties die zich in het zogenaamde maatschappelijke leven afspelen en die juist volkomen berusten op het geformuleerd zijn, op duidelijke afspraken en reglementeringen. Voor deze laatste relaties geldt blijvend dat ik niet jij bent en dat mijn aanwezigheid op een bepaalde plaats en een bepaald moment de aanwezigheid van jou uitsluit. Waar het een is kan nimmer het ander zijn. In een alsnog onvolwassen mensheid worden de relaties van de tweede soort zo goed en zo kwaad als het gaat geregeld doormiddel van dwingende voorschriften, wetten en juridische regels, maar dat is eigenlijk heel primitief. In een volwassen mensheid is zo'n wetstelsel helemaal niet nodig en zelfs onrechtvaardig: de relaties van de tweede soort behoren eigenlijk tot hun recht te komen op grond van de rede. Als je je nu eens voorstelt dat het absolute niets, de scheiding tussen het een het ander, er niet was (zoals men in de oude culturen wilde), dan betekent dat dat je nooit onderscheid zou kunnen maken tussen het een en het ander. ( wat is denken )Denk je daarop door, dan ontdek je dat je elke grond voor het denken afgeschaft hebt, want denken berust op het maken van onderscheidingen. In onze cultuur, waarin juist dat onderscheidende denken op de voorgrond staat, is waar te nemen dat de poging het denken af te schaffen omdat het vanwege het gespletene zo onbevredigend is, onvermijdelijk leidt tot mystieke onzin en tot willoze overgave. De mystieke onzin komt voor de dag bij het zich richten op een onbegrepen oosterse cultuur en de willoze overgave bij de bekering tot het geloof in Christus, zoals je dat bij de steeds populairdere evangelisatie beweging kunt waarnemen.

De KloofÖzie de nummers 34 en 35 ; Communicatie-1 ; Communicatie-2(nrs34 en 35) ;

No. 36

Trilling-1 ; Trilling-2 ; Totaaltrilling ;

We nemen nog weer eens in gedachten het elementaire deeltje A, met daaraan gegroeid, bijvoorbeeld aan beweeglijkheid 5 en beweeglijkheid 6, de elementaire deeltjes B en C. Aan dit drieledige elementaire systeem zit nog een aantal vrije beweeglijkheden, namelijk twee aan A (7 en 8) en drie (6,7 en 8) aan B en C, die uiteraard ook nog uit kunnen groeien tot elementaire deeltjes. Dit evenwel levert geen wezenlijk nieuwe situaties op omdat het enige resultaat van dit aangroeien is dat er nog een paar drieledige elementaire systemen bijgekomen zijn. Steeds gaat het om een aantal maal drie. Die verschillende drieledige systemen grijpen wel in elkaar, en dat heeft uiteraard consequenties, maar essentieel is dat we steeds met een veelvoud van drie te doen hebben. Drie is de basissituatie van de werkelijkheid voor zover het over het aaneengroeien gaat en alle volgende situaties zijn te onderscheiden in zoveel maal drie. De betekenis van dat drieledig zijn is deze dat bij de drieledige situatie het zich in beweging zetten voor de dag komt. Dat is het dynamisch worden van de werkelijkheid als verschijnsel, van de materie. Als we met een trosje elementaire deeltjes te doen hebben dat meerdere malen drieledig is, dan is dat laatste natuurlijk wel van invloed op het in beweging zijn van dat gehele verschijnseltje. De beweging van dat verschijnseltje wordt door alle aanwezige drieledige samengroeiingen bepaald. Duidelijk zal zijn dat bij verder ontwikkelde verschijnselen, zoals bijvoorbeeld de ons bekende hemellichamen, een uitermate ingewikkeld bewegingspatroon ontstaat, veel ingewikkelder zelfs dan bijvoorbeeld Newton (1643 - 1727) destijds kon bevroeden. Bovendien gaan die bewegingen een belangrijke rol spelen als, vanaf een zeker moment, het verschijnsel, als eencellig organisme, tot leven komt. We hebben al gesproken over het zich verplaatsen van verschijnselen door het vervallen van systemen die zich onmiddellijk, in de ene of de andere richting, opnieuw stellen. Als voorbeeld diende de lichtkrant waarbij letters zich verplaatsen doordat steeds een volgende groep lampjes gaat branden.

 

Overigens kun je je het zich in beweging zetten van het drieledige systeem A-B-C het beste voorstellen als een in de ruimte trillen van dat systeem, waarbij de trilling in de ruimte, bij ons systeem A-B-C met A als centraal elementair deeltje en B en C als aangegroeide deeltjes, bepaald wordt door de elementaire deeltjes B en C, die immers niet aan elkaar vastgelegd zijn. Het is dus als het ware een uitwendige trilling, een trilling naar buiten toe. En deze trilling is het dus die tenslotte karakteristiek wordt voor het leven, zoals we binnenkort bespreken zullen. Het is nu zaak om de twee soorten, door ons gevonden, relaties wat nader te beschouwen, en wel voor zover het gaat over hun bewegingen. De ene was die onberekenbare relatie tussen twee aaneengegroeide elementaire deeltjes, bijvoorbeeld A en B. De andere de relatie die bij de combinatie van twee drieledige, in beweging zijnde systemen ontstaat en die gekenmerkt wordt door het van elkaar gescheiden zijn door het absolute niets. Van belang is ook de definitie van het begrip relatie: het zich aan elkaar opheffen van twee tegengestelde bewegingen. Daarbij slaat het begrip tegengesteld op het begrip richting, en dat houdt ten eerste in dat de bewegingen op een lijn liggen (de richting van de lijn door de brandpunten), maar zich, ten tweede, tegen elkaar in bewegen (de richting van de beweging). Wat is nu het geval bij de relatie van de eerste soort? De twee tegengestelde bewegingen zijn niet van elkaar gescheiden en lopen om zo te zeggen door elkaar heen, met als gevolg dat zij beide, binnen de eenheid van de aaneengegroeide elementaire deeltjes (A en B) voor zichzelf verdwenen zijn. De beweging van A is onmiddellijk die van B en omgekeerd. Daarom zijn zij er niet meer voor zichzelf. Op grond van hun tegengesteld zijn heffen zij elke beweging op. Er is geen beweging meer binnen het stelsel A-B. Als ik dit stelsel zou kunnen bekijken zou ik geen enkele beweging waarnemen. Bij de relatie van de tweede soort echter blijven beide tegengesteldebewegingen in volle sterkte bestaan omdat de erbij behorende vrije beweeglijkheden gehandhaafd blijven. Voor zichzelf zijn die twee bewegingen dus blijvend aanwezig, maar hun aanwezigheid levert naar buiten toe het resultaat op dat ze door de afhankelijkheid van elkaar geneutraliseerd worden.

Dus: voor zichzelf zijn zij er wel, maar voor het andere (zeg: de buitenwereld) zijn zij er niet. Precies zoals twee geluidsbronnen met een tegengestelde trillingsfase wel degelijk ieder voor zich geluid maken, maar als gezamenlijk systeem geen geluid voortbrengen. De relatie van de tweede soort is er dus een die slechts van buitenaf als relatie te herkennen is. Hier ligt de eerste associatie met het woord verschijnsel: dat wat voor iets anders (in ons geval: de mens) te voorschijn komt. We moeten er acht op slaan dat we deze situatie van twee elkaar opheffende bewegingen niet gelijkstellen met die van twee, ten opzichte van elkaar stilstaande, beweeglijkheden. Deze laatste twee immers werken niet op elkaar in, houden geen verband met elkaar en zijn er alleen maar op zichzelf en voor zichzelf. Bij de relatie van de tweede soort evenwel hebben wij nadrukkelijk te doen met twee op elkaar inwerkende systemen, geheel afhankelijk van elkaar in die zin dat zij wel voor zichzelf bewegen, maar niet op zichzelf. Alle eigenschappen komen te voorschijn juist door de gevormde combinatie. Die is het die bepaalt wat er gebeurt. Denken wij nog weer even aan de maatschappelijke relaties dan kunnen wij zeggen dat die relaties eigenlijk gebaseerd moeten zijn op een volledig zelfstandig en onbelemmerd bewegen (- functioneren) van de individuen, dus het voor zichzelf bewegen. Gewoonlijk is dat hetgeen wij onder vrijheid verstaan en het is juist deze vrijheid die de voorwaarde ervoor is dat het maatschappelijke gewoel in de maatschappij in zijn totaliteit geneutraliseerd wordt. Opmerkelijk is in dit verband dat men tot op de dag van vandaag van mening is dat juist het afremmen en reglementeren van dat voor zichzelf bewegen tot een rustige maatschappij leidt. De praktijk leert echter dat je in zo'n maatschappij nooit rust vindt omdat de, met het oog op bepaalde belangen belemmerde, bewegingen het onvermijdelijk maken dat andere bewegingen vrij spel hebben en dominant worden. Dat zijn steeds asociale bewegingen omdat zij verhinderen dat zij in het functionele maatschappelijke samenspel geneutraliseerd kunnen worden. Praktischer gezegd: het reglementeren van de functionele, maatschappelijke, betrekkingen tussen de mensen leidt tot onrust vanwege de grotere vrijheid van de een in vergelijking met de ander. Met behulp van het geweldsmonopolie handhaaft een aantal mensen (de elite) eigen grotere vrijheid en vindt dan dat er orde in de maatschappij is. Dat is echter een orde die gehandhaafd moet worden omdat hij voortdurend aangetast wordt, uiteraard vanwege het feit dat de mensen nu eenmaal niet eenzijdig van de geest verlaten zijn..

Net zoals in twee gecombineerde materiele systemen de beweging van de ťťn tot zijn recht komt en daardoor het vermogen heeft om die van de ander te neutraliseren en omgekeerd, zo moet een (toekomstige) maatschappij in zichzelf geneutraliseerd worden door het onbelemmerd tot zijn recht komen van alle er aan deelnemende mensen. Elke inperking van het functioneren van die mensen, of het nu op grond van wetten gebeurt of op grond van feitelijke misdaad, moet beschouwd worden als op den duur onhoudbaar. Het zal echter nog lange tijd duren tot het moment aangebroken is dat de mensheid hier achter komt.

Tijdloosheid/eindeloosheid ; Oneindigheid zie 3 en 4 , 18 , 38 t/m 40 , 60 , 66 t/m 69 ; Eeuwigheid ; Trilling-1 ; Trilling-2 ; Totaaltrilling ;

 

No. 37

Ruimtebrug-1(nr.24) ; Ruimtebrug-2(nrs.28, 29, 30) ; Ruimtebrug-3(nr.37) ; †††††††††††††††

Het systeem van drie aaneengegroeide materiele deeltjes (A-B-C) vertoont als in zijn geheel samenhangend systeem een bepaalde trilling, en wel die tussen de door ons genoemde deeltjes B en C, die ten opzichte van elkaar geen verbinding vertonen in de zin van een ruimtebrug met een relatie van de eerste soort (onberekenbaar) als inhoud. Omdat de deeltjes B en C op zichzelf wel verbonden zijn met A kunnen we stellen dat genoemde trilling het brandpunt van deeltje A als dode punt of als de knoop van de trilling, heeft. Over de rol van dat trillende materiele systeem moet nog het een en ander opgemerkt worden. Wanneer twee van die drieledige materiele systemen een combinatie vormen hebben wij te doen met de basis van het verschijnsel. De gehele opbouw van het verschijnsel berust op die combinaties, het is het samenklonteren, het zichzelf samenstellen van de materie. De natuurkundigen spreken van verdichting en dan gaat het over het steeds inniger worden van de samenstelling. Daaraan laat zich bedenken dat die innige structuur een regelmatige is en dat betekent letterlijk dat de regel de maat is. Die maatgevende regel houdt dit in dat de richtingen van de zich in de combinatie neutraliserende bewegingen bij de elkaar benaderende systemen op een lijn liggen en tegengesteld zijn. Alleen dan treedt de combinatie op; er is dus maar een zeer bepaalde mogelijkheid waarvan niet afgeweken kan worden. Dat is de maatgevende regel, namelijk het op een lijn liggen en het tegengesteld zijn. We kunnen ons gemakkelijk indenken dat op een zeker moment de verdichting niet verder kan en dat dus de meest innige situatie opgetreden is. Dat zo'n eindpunt er is wordt logisch begrijpelijk als je bedenkt dat we al volop met materie, met voorwerpen te maken hebben. Bovendien zijn de zich combinerende systemen wezenlijk buiten elkaar, gescheiden door het absolute niets. Het feit dat er relaties (van de tweede soort) aanwezig zijn doet hierbij niet ter zake. Wat gebeurt er nu? Welnu, op dat allerlaatste verdichtingsmoment geldt niet meer dat elementaire deeltjes behoren of tot het ene systeem (dat van de combinatie) of tot het andere systeem (dat van het drieledige, aaneengegroeide, trillende verschijnseltje). Zij behoren dan tegelijk tot beide systemen, zijn zowel het een als het ander. En dat louter op grond van die maximale verdichting. Je kunt ook zeggen: de drieledige systemen behoren nu enerzijds tot een regelmatig netwerk van combinaties om anderzijds op zichzelf te staan als een veelheid van (de combinatie vormende) elementen. Hier spreek ik van verwisselbaarheid: het elementaire deeltje kan zowel tot het ene systeem behoren als tot het andere. Zolang er verdichting aan de gang is treedt deze verdichting op als de dominant. Die is voor alles de bepalende factor. Het verschijnsel vertoont zich dan als een geneutraliseerde, zelfs als een stilgelegde, zaak. Gangbaar spreken wij dan van de dode of de anorganische materie. Maar, als die verdichting maximaal geworden is worden de eigenschappen van de drieledige systemen dominant. Dan treedt in de eerste plaats de trilling daarvan (tussen B en C met A als dode punt) op de voorgrond, maar bovendien het feit dat zoín drieledig systeem in het teken van de samenhang en de onberekenbare relatie (van de eerste soort) staat. Er is dan dus een veelheid van trillingen die samenhangen en dat binnen het maximaal verdichte verschijnsel. Dat kennen wij als het verschijnsel dat levend geworden is. Met het dominant worden van die veelheid van trillingen (het levend-zijn) vervalt, let wel, de maximale regelmatige structuur niet. Die blijft de basis van het levende verschijnsel, ondanks het feit dat de regelmaat zichzelf als zodanig bij het levend-worden ontkent. Uit fundamenteel biologisch onderzoek is inderdaad gebleken dat de structuren binnen een levende cel van een onvoorstelbaar verfijnde wetmatigheid getuigen, denk bijvoorbeeld aan de structuur van het zogenaamde DNA-molecuul. Wij moeten dus goed in de gaten houden dat wij het of of denken achterwege moeten laten en ons nadrukkelijk richten op het en-en denken, ook als de zaken die wij ineendenken op zichzelf elkaars tegenstellingen zijn. Dat is voor ons, met onze culturele achtergrond en de daaruit voortkomende analytische conditionering, veel moeilijker dan het zich aanvankelijk laat aanzien. Maar wij kunnen er niet onderuit: het levende verschijnsel is zowel regelmatig vastgelegd als samenhangend trillend met daarbij het eerste als blijvende basis. Er treedt dus niet plotseling een chaotische situatie op: de dominant wordende veelheid van trillingen is uitermate gecoŲrdineerd, enerzijds vanwege de eraan ten grondslag liggende regelmaat en anderzijds op grond van de eveneens dominant geworden samenhang. En toch, ook is het tegelijkertijd een onberekenbare, niet in formules te vatten aangelegenheid. Je kunt in dit verband spreken van een afwijkende regelmaat, een regelmaat die van zichzelf afwijkt. Zoals gezegd: het optredende leven is eigenlijk gewoon een trilling in en van de materie. De onwillekeurig in je opkomende gedachte dat op de een of andere manier het oorspronkelijke beweeglijk-zijn van de beweeglijkheden zelf vrij spel krijgt, leidt op een dwaalspoor. Het gaat daarentegen over een betrekkelijk gewone trillende beweging, waarvan het resultaat, het levend-zijn, onmiddellijk waargenomen en vastgesteld kan worden. Dat zonder meer ervaarbare resultaat komt wezenlijk voort uit een veelheid van aparte trillingen: het is er de totaliteit van, de totaliteit van een gigantische veelheid op elkaar inwerkende trillingen. Het levend-zijn van het verschijnsel, als een totaliteit van afzonderlijke trillingen, levert nog een verhouding op, en wel het bewustzijn Voor elk levend wezen geldt dat bewustzijn. Alvorens hierop dieper in te gaan moet ik ervoor waarschuwen dat men in de menswetenschappen en in het gangbare taalgebruik de begrippen bewustzijn en zelfbewustzijn op een vaak ergerlijke wijze door elkaar heen gebruikt. Maar het zijn, zoals nog blijken zal, totaal verschillende verhoudingen binnen het levende verschijnsel, waarvan voorlopig al wel gezegd kan worden dat zelfbewustzijn alleen maar voor het laatste verschijnsel (de mens) geldt en bewustzijn voor alle levende verschijnselen. Een uitvloeisel van de aanwezigheid van bewustzijn is het reageren op de omgeving, zoals alle levende wezens dat op de een of andere manier doen. Zij staan blijkbaar niet eenzijdig op zichzelf, maar leven in een samenhang met de andere verschijnselen. De buitenwereld is een realiteit voor het levende wezen en je kunt zelfs stellen dat het de buitenwereld kent overigens zonder daar weet van te hebben. De totaliteit van de afzonderlijke trillingen (levend-zijn) is een ander begrip dan het begrip bewustzijn. Dit laatste betreft niet de totaliteit van de trillingen, maar het samenhangende geheel van die trillingen. Zoals een Beethoven symfonie als muziek iets anders is dan diezelfde symfonie als een bepaalde totaaltrilling op bijvoorbeeld de grammofoonplaat, zo is ook het bewustzijn iets anders dan het levend-zijn, terwijl het toch zo is dat het in de grond van de zaak om een veelheid trillingen gaat. De begrippen levend-zijn en bewustzijn behoren onlosmakelijk bij elkaar als twee duidelijk onderscheiden aspecten van een en dezelfde zaak. Als wij de totaliteit van de afzonderlijke trillingen nader bekijken blijkt dat deze alle fasen van het eraan voorafgaande wordingsproces van de kosmos tot inhoud heeft. Ook dit is van grote betekenis voor het doorgronden van het begrip bewustzijn.

Ruimtebrug-1(nr.24) ; Ruimtebrug-2(nrs.28, 29, 30) ; Ruimtebrug-3(nr.37) ;

Naar boven

No. 38

Zie bladwijzers: OERCEL; Lees o.a. nrs. 38 t/m 50 ; ( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel en voorts deel 2 en 3 ).

Alvorens de lijn van de wording en daarna die van de evolutie van het leven verder door te trekken moeten wij een aantal van de op pag. 73 en 74 naar voren gebrachte gedachten van nader commentaar voorzien. Er schuilen namelijk nogal wat voetangels en klemmen in deze materie. Het uit drie aaneengegroeide elementaire deeltjes bestaande materiele systeem A-B-C is de bouwsteen van alle stoffelijke verschijnselen, uiteraard inclusief de daarin en daaraan voorkomende relaties. Alle combinaties vooronderstellen dus het zich met elkaar verbinden van die bouwstenen. Ik heb er al op gewezen dat er aan het zich combineren van die bouwstenen tot steeds inniger structuren een einde komt. Er is een limiet aan gesteld en de vraag is waarom dat het geval is. Om dat te begrijpen is het goed om eerst eens naar de voorgaande situaties te kijken, namelijk die van de alsnog uitsluitend aaneengegroeide systemen. In principe kun je daarvan zeggen dat zij onbelemmerd uit kunnen groeien, zelfs wel tot oneindig maal drie elementaire deeltjes. Maar : steeds is er een aantal vrije beweeglijkheden die weg kunnen springen (met een ander systeem aaneengroeien) en die dat in de oneindigheid van ruimte en tijd dan ook onvermijdelijk zullen doen. Met als gevolg dat de betreffende aaneengegroeide systemen geheel of gedeeltelijk (en uiteindelijk steeds geheel) zullen instorten, lang voordat zij de kans hebben gekregen erg complex te worden. Op grond daarvan kan het nimmer tot de situatie oneindig maal drie komen. Alledaags gezegd: lang voordien is de zaak al weer verdwenen, een korte levensduur ligt in de logica, een lange niet. Overigens houdt de term kort op zichzelf niets in. Slechts in het licht van ons tijdsbegrip kun je zo'n levensduur kort noemen. Er is dus niet te zeggen het gaat tot zover en niet verder en dus is er geen limiet gesteld. Ook is er niet te bepalen hoe ver het soms wel kan gaan: het is maar net hoe het valt. Maar het kan absoluut zeker niet tot oneindig maal drie uitgroeien omdat dan de werkelijkheid van de verschijnselen onmogelijk zou zijn geweest. De werkelijkheid was dan een homogeen netwerk van aaneengegroeide systemen en dat is in strijd met ons absoluut zekere uitgangspunt ik ben er. De natuurkundigen hebben inmiddels vastgesteld dat de door hen gevonden elementaire deeltjes, die volgens onze redenering stellig al aardig ingewikkeld moeten zijn, onveranderlijk een zeer korte levensduur hebben, gewoonlijk miljoensten van seconden. Een combinatie van bouwstenen echter zal zich wel doorzetten. Dat betekent niet dat al die combinaties zich doorzetten, maar sommige. En die zetten zich door tot het niet verder kan en dat is het geval als er een maximale verdichting tot stand gekomen is. Het bestaan van dat maximum is een gevolg van het dominant-zijn van het zich combineren en dus van de aanwezigheid van het absolute niets in de relatie (van de tweede soort) tussen twee gecombineerde bouwstenen: waar de ene is kan de andere niet zijn zodat de ene noodzakelijk buiten de andere moet blijven en slechts de gezamenlijke grens (dat absolute niets) kan benaderen, maar niet overschrijden. Het dominant zijn van die grens tijdens het zich combineren van bouwstenen is dus ook het de maat zijn van het tot hiertoe en niet verder. We treffen dus nu wel degelijk een limiet aan, een onmiskenbaar eindpunt. Doordat er meerdere bouwstenen in betrokken zijn wordt het ook onmogelijk dat zij elkaar (nog verder) wegdrukken, zoals bijvoorbeeld met suikerkorrels het geval is als je schudt met de suikerpot. Je moet oppassen dat je zo'n tot een eindpunt geraakte verdichting niet eenzijdig kwantitatief (in aantallen) denkt. Het gaat niet om de vraag hoe groot het aantal in een maximaal verdichte combinatie aanwezige bouwstenen is, maar om de vraag hoe groot de verdichtingsgraad is. Het ziet er naar uit dat er betrekkelijk weinig bouwstenen in zo'n combinatie betrokken zijn, weinig in vergelijking met bijvoorbeeld een hemellichaam, maar uiteraard heel erg veel in vergelijking met een uit de natuurkunde bekend elementair deeltje. Een levende oercel is maar een heel klein, met het blote oog onzichtbaar, verschijnseltje, dat evenwel uit een onvoorstelbaar grote hoeveelheid elementen bestaat. Denk maar eens aan het sinds kort ontdekte DNA-molecuul. Waar je bovendien op moet letten is, dat je het niet zo denkt dat bijvoorbeeld onze gehele planeet tot dat maximum van verdichting zou zijn gekomen. In feite spitst zich in het conglomeraat van verschillende verschijnselen, dat onze planeet is, alle met weer een andere verdichtingsgraad en structuur, een enkel verschijnsel toe tot dat maximum. En dat gebeurt hier en daar. Verder is het niet zo dat je alleen-maar en uitsluitend aan de planeet moet denken als ik zeg dat die zich omzet tot leven. Zij is het wel die zich omzet tot leven, maar dat gebeuren is niet los te denken van allerlei andere kosmische verschijnselen buiten onze planeet. Het is geen geÔsoleerd proces, zoals er trouwens in het geheel geen geÔsoleerde processen bestaan. De toespitsing tot het leven is wel een op zichzelf staande zaak, maar hij is desondanks toch alleen maar in relatie tot en in samenhang met de rest van de werkelijkheid te denken. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat bepaalde kosmische stralingen bij die ontwikkeling tot leven een rol spelen en dan meer specifiek bij het bereiken van dat punt van maximale verdichting. Vermoed wordt dat het zonlicht van groot belang is. Voor Ons is overigens helemaal niet interessant om welke verschijnselen het gaat; zeker is dat dergelijke verschijnselen een rol spelen. Wat ook nog enige toelichting behoeft is de trilling van het drieledige systeem A-B-C, dat ik nu de bouwsteen van het verschijnsel genoemd heb. Die trilling gaat als het ware heen en weer ten opzichte van het centrale deeltje A, of beter: het brandpunt dat door het achtledige systeem van beweeglijkheden, door ons A genoemd, te voorschijn geroepen is. Als wij de slinger van een klok als voorbeeld nemen, dan is de plaats waar de slinger in stilstand hangt te beschouwen als dat centrale deeltje A. Is de slinger in beweging, dan zijn de punten waar de slinger terugkeert te beschouwen als de deeltjes B en C. Of, bij een orgelpijp, zijn de zogeheten buiken de punten B en C en de knoop het deeltje A. Het dode punt van de slinger en de knopen van de orgelpijp zijn dus, gezien vanuit de trilling het vaste ten opzichte waarvan voortdurend afgeweken wordt. Van onze bouwsteen is dus ook te zeggen dat hij er concreet en vaststaand (onmiskenbaar) is om als zodanig voortdurend van zichzelf af te wijken. Het concreet-zijn van de bouwsteen berust dus op dat dode punt van de trilling B-C. Daarbij moet je goed voor ogen houden dat het begrip dode punt slechts bestaat als meekomend aan het gehele systeem A-B-C. Het is dus niet iets dat op zichzelf staat. Het is er omdat B en C ten opzichte van elkaar als een trilling verschijnen. Geredeneerd vanuit A naar B is er niets aan de hand, namelijk samenhang en een relatie van de eerste soort. Hetzelfde geldt vanuit A naar C. Maar juist vanuit B naar C en omgekeerd is het wel bijzonder. De plaats van de trillende bouwsteen (A-B-C), of anders: het er zijn ervan, wordt dus bepaald door het brandpunt van het elementaire deeltje A, zoals de plaats van de slinger van de klok bepaald wordt door het dode punt in de slingerbeweging. Als de situatie van maximale verdichting ingetreden is heb je uiteraard met een totaal aan trillingen te doen. Zodra die echter dominant worden gaan zij een geheel van een samengestelde trilling vormen en dan krijg je te maken met datgene dat ik bewustzijn noem.

No. 39

Bladwijzers: Trilling-1 ; Trilling-2 ; Totaaltrilling ;

De bouwstenen van de verschijnselenwereld ontmoeten elkaar voortdurend, maar vormen als regel geen combinatie, zodat je kunt stellen dat die wereld in principe onmogelijk is. Hij had er eigenlijk niet moeten zijn! Maar toch, onder een zeer bepaalde omstandigheid, temidden van die oneindigheid van onmogelijkheden, komt er wel een combinatie tot stand, als namelijk de richting van een beweging van de ene bouwsteen samenvalt met, en qua beweging tegengesteld is aan, een richting van een beweging van een andere bouwsteen. Slechts in dat ene, bijna onmogelijke geval, ontstaat er een combinatie. Bij optimale verdichting van de bouwstenen binnen een combinatie gaat de verwisselbaarheid een rol spelen. Een structuur steekt dan zo innig in elkaar dat de elementen van de bouwstenen van die structuur zowel tot het ene systeem (bouwsteen) als tot het andere kunnen behoren. Zolang die optimale verdichting nog geen feit is blijven de drie elementaire deeltjes van een bouwsteen eenduidig vastgelegd in het systeem waarvan zij oorspronkelijk, voor het combineren, deel uitmaakten. Zij gelden dus, bijvoorbeeld als deeltje A (of. B of. C van bouwsteen y; onmiskenbaar als dat bepaalde onderdeel van de gehele combinatie en in geen enkel geval als iets anders. In zo'n combinatie is de regel van het samenvallen van richtingen de maat. Die bepaalt de structuur, grillig of mooi gerangschikt als in een kristal. De regelmaat is dominant. Maar als de optimale verdichting optreedt gaat die dominante regelmaat van zichzelf afwijken. Hoe ziet dat er nu uit? Elke bouwsteen is een trillend ding, op grond van het niet aan elkaar vastliggen van de deeltjes B en C en de aanwezigheid van het dode punt A.

Bij de opbouw van het samengestelde verschijnsel rangschikken ook die trillingen zich volgens hun plaats in de structuur en volgens hun trillingsrichting. Het ganse patroon van trillingen beantwoordt aan de wet van de regelmaat tot aan het moment van optimale verdichting. Op dat moment verandert het totaal aan afzonderlijke trillingen, op grond van de verwisselbaarheid, in een totaaltrilling: de gehele combinatie (het verschijnsel) komt in zichzelf in beweging. Dat is het optreden van het levend-zijn. Het begrip een totaal aan afzonderlijke trillingen is niet hetzelfde als het begrip een totaaltrilling. In het eerste geval blijft iedere trilling een afzonderlijke, maar in het tweede wordt het een trilling. Ter verduidelijking kun je bijvoorbeeld aan het volgende denken: het woord zes duidt zowel op een getal (totaal van 6 eenheden) als op een begrip. Als getal is het eenduidig (6 eenheden), maar als begrip is het in zichzelf verwisselbaar. Je kunt immers stellen dat het 3+3 is, of 2+2+2, 4+2, enzovoort. Op dezelfde wijze is een totaaltrilling iets anders dan een totaal van trillingen. De totaaltrilling heeft een inhoud. Dat is uiteraard het totaal (de verzameling) van al die afzonderlijke, tot elkaar in regelmatige verhoudingen staande, trillingen. Door het proces van optimale verdichting zijn alle mogelijke verhoudingen in alle mogelijke gradaties aanwezig. De inhoud van de totaaltrilling is bijgevolg de gehele anorganische werkelijkheid, maar dan op de wijze van een complex van trillingen. Anders gezegd: de totaaltrilling houdt alle materiŽle trillingsverhoudingen van de werkelijkheid in. Op grond van dit feit ken ik alle levende wezens bewustzijn toe. Daarbij valt op dat levende wezens twee werkelijkheden kennen, namelijk een die je als buitenwereld kunt benoemen (de concreet aanwezige verschijnselen) en een die een binnenwereld is. Beide werelden corresponderen met elkaar hoewel zij alle twee in een andere situatie verkeren: de een is concreet aanwezig als complex van regelmatige, vastgelegde, verhoudingen, die van elkaar gescheiden zijn en de ander is aanwezig als ongescheiden complex van trillingsverhoudingen. Die twee werelden, die op andere wijze dezelfde zijn, vormen de grondslag voor het reageren van levende wezens op de omgeving, voor het leven in het milieu, en voor het kennen van dat milieu. Geen enkel levend wezen is los van haar milieu te denken en ook het kennen daarvan is er niet af te denken. De verwisselbaarheid levert de totaaltrilling op en is daarvan dus het hoofdkenmerk. Wij komen dat tegen bij de levende wezens, waarbij zich voortdurend allerlei interne situaties afwisselen, zonder dat het levende wezen zelf wezenlijk tot iets anders wordt. Dit is het begrip verandering en dat zou je dus kunnen omschrijven als de voortdurende afwisseling van een zichzelf gelijkblijvend levend systeem. In feite hebben wij te doen met de regelmaat die als zodanig van zichzelf afwijkt. Ook met behulp van deze omschrijving kunnen wij het levend-zijn typeren: leven is van zichzelf afwijkende regelmaat. De totaaltrilling zelf, gegrond op de verwisselbaarheid, is het levend-zijn, het feit dat die een inhoud heeft (dus een geheel is) kennen wij als het bewustzijn en de wijze waarop dat bewustzijn zich doet gelden is op de wijze van een beeld. Zo'n beeld is een samenhangend geheel en op grond daarvan heb ik hiervoor gesproken van het bewustzijn als samenhangend geheel. De toen ook genoemde totaliteit van trillingen, die dominant geworden zijn, is hetzelfde als de nu door mij totaaltrilling genoemde. Een dominante totaliteit van trillingen laat zich namelijk als een allesomvattende trilling gelden. Om ons die werkelijkheid als beeld voor te kunnen stellen is het handig om aan ons televisietoestel te denken. Wat je op het scherm ziet is de werkelijkheid (los van de vraag of men daarmee misschien gemanipuleerd heeft!), maar die is er niet echt, maar als gevolg van een bepaalde totaaltrilling die in het televisietoestel aanwezig is. Die totaaltrilling veroorzaakt de werkelijkheid als beeld. Tegelijk echter is die werkelijkheid er wel echt, maar dan als een buitenwereld die zich eventueel op grote afstand van ons bevindt. Ook als er met die echte werkelijkheid gemanipuleerd is, is de basis toch de realiteit. En die realiteit zie je als een (televisie)beeld en hij bestaat uit genoemde totaaltrilling, die op zijn beurt weer een totaal aan trillingen inhoudt. Het beeld manifesteert zich als de wijze waarop de totaaltrilling zich laat gelden. Hoewel die totaaltrilling niet denkbaar is zonder de afzonderlijke trillingen gaat het toch om de totaaltrilling. Dit is er de reden van dat de werkelijkheid als beeld een algemeen karakter heeft, d.w.z. het gaat niet over een bepaalde boom (zoals dat bij het televisiebeeld wel het geval is), maar om zo te zeggen over de boom. Precies zoals de beeldende kunstenaar de werkelijkheid in principe ook in algemene verschijningsvormen uitdrukt. Voor de duidelijkheid een recapitulatie: 1. het totaal van trillingen wordt door de verwisselbaarheid dominant en wordt dan de totaaltrilling; 2. voor deze totaaltrilling geldt dat hij een geheel is en het gelden van dat feit is het bewustzijn; 3. het bewustzijn manifesteert zich als een samenhangend beeld van de werkelijkheid in haar algemeenheid en dat is een trillingsbeeld. Dat trillingsbeeld bestaat in feite uit de totaliteit van de afzonderlijke trillingen en binnen die totaliteit zijn alle mogelijke variaties aanwezig. Daarmee is de gehele anorganische werkelijkheid als trilling aanwezig. Dat leidt tot een kennen van de werkelijkheid en een reageren op die realiteit; 4. bewustzijn geldt voor alles wat leeft, in tegenstelling tot het zelfbewustzijn, dat alleen maar bij het laatste levende verschijnsel voorkomt, namelijk de mens.

Tijdloosheid/eindeloosheid ; Oneindigheid zie 3 en 4 , 18 , 38 t/m 40 , 60 , 66 t/m 69 ; Eeuwigheid ; Trilling-1 ; Trilling-2 ; Totaaltrilling ;††

No. 40

Naar aanleiding van onze ontdekking van de gerichte trilling in de bouwsteen van de werkelijkheid, het daaruit bij verdichting voortvloeiende totaal van trillingen en de totaaltrilling die zich op zijn beurt als een geheel laat gelden, moet er toch nog iets besproken worden over de trilling in het algemeen. Daartoe moeten wij ons nog eens even het achtledige elementaire deeltje voor de geest halen. Dat deeltje werd gekenmerkt door een viertal bewegingen ten opzichte van de ruimte, alle vier gedacht vanuit het brandpunt naar de vier vrije beweeglijkheden (5, 6, 7 en 8). Hoewel je te maken hebt met een achttal beweeglijkheden gaat het er toch wezenlijk om dat er een ondeelbaar iets (deeltje) is. Dat is in feite het brandpunt en op de wijze van dat brandpunt is de werkelijkheid tot haar eerste manifestatie van materie gekomen. Dat brandpunt is dus in vier richtingen beweeglijk ten opzichte van de ruimte, zonder dat er van een zich verplaatsen gesproken kan worden. De vier bewegingen houden het brandpunt in evenwicht in de ruimte, gevormd door de beweeglijkheden 1, 2, 3 e n 4. Nu is het verleidelijk om de genoemde vier bewegingen als een soort van trillingen te zien, vooral omdat de vrije beweeglijkheden als zich bevindend in een wisselsituatie begrepen moeten worden, omdat zij namelijk tegelijkertijd wel en niet bij het achtledige systeem behoren. Toch is het beter om hier het begrip trilling niet te gebruiken omdat er voor een trilling altijd vier grootheden moeten gelden: het dode punt, de richting en de uitslag naar de ene kant en die naar de andere kant. Geen van deze grootheden gelden voor ons, ten opzichte van de ruimte beweeglijke, brandpunt. De bouwsteen echter vertoont wel een trilling, zoals inmiddels duidelijk zal zijn geworden. Die trilling, in toenemende mate gecombineerd met anders gerichte trillingen, is essentieel bij de opbouw van het verschijnsel en bij de omslag naar leven en bewustzijn. Essentieel zijn dus heel concrete trillingen in en van de werkelijkheid die al eerder tot materie geworden is. Het totaal van trillingen en de totaaltrilling behoren dus beide tot de materiele verschijnselen en zij mogen in geen geval beschouwd worden als ongrijpbare immateriŽle zaken. Voor zover de totaaltrilling zich manifesteert als levend-zijn vertoont zich dan ook een waarneembaar in beweging zijn. We kunnen gewoon zien of een verschijnsel leeft of niet: beweegt het of niet? De bewegingen van het levende verschijnsel zijn zo concreet dat zij onder omstandigheden zelfs meetbaar zijn. Maar echt meetbaar is onmogelijk omdat hier het begrip niet te bepalen zijn een rol speelt, en wel op grond van de geldende verwisselbaarheid: het kan het een zijn, maar ook het ander. Het begrip niet te bepalen vooronderstelt bepaalbaarheid (meet- of telbaarheid). Maar die blijkt dan in oneindigheid uit te lopen. Zo is het aantal hemellichamen niet te bepalen. Je kunt ze gaan tellen, maar als je dat doet blijkt er altijd een meer te zijn, zodat je aan het tellen kunt blijven. De niet te bepalen beweeglijkheid van het levende verschijnsel is in principe te meten, maar je kunt dan wel blijven meten. Zoals we al eerder gezien hebben is de beweging van de beweeglijkheden onbepaald omdat er totaal niets over te zeggen valt, hoezeer je ook je best doet. Dat was een van de eerste filosofische vragen waarvoor wij ons in het begin gesteld zagen: wat is er te bedenken aan iets waarvan absoluut niets te zeggen valt. Een voor de empirische wetenschap idiote vraag, maar voor ons een uiterst zinvolle. Het begrip bewustzijn komt mee aan de totaaltrilling, voor zover die zich als een geheel laat gelden. Eigenlijk komt het dus mee aan een concrete zaak, een zaak van het concrete verschijnsel. Het is van groot belang dit duidelijk in te zien omdat er in onze cultuur iets abstracts, in ieder geval iets immaterieels, aan het bewustzijn beseft wordt. Uiteraard komt dit doordat men nauwelijks iets van het bewustzijn begrijpt als men er mee geconfronteerd wordt en ook doordat men het, door datzelfde onbegrip, verwart met het zelfbewustzijn - wat iets geheel anders is. De mensen uit de oudheid stonden veel dichter bij zichzelf als bewustzijn dan wij. Zij richtten zich dan ook in sterke mate op de werkelijkheid als beeld, zoals ze die in zichzelf aantroffen. Dat verklaart onder andere hun grote behoefte aan schoonheid. Door die gerichtheid en de daaruit voortkomende beschrijvingen van de cultuurvoorstellingen krijgt de hele zaak, zeker voor ons achteraf, iets schoons en verhevens. Vooral omdat die beschrijvingen doordrongen waren van een intens schoonheidsgevoel. Dat verhevene en die schoonheid, hoe wezenlijk op zichzelf ook, zijn voor ons, als wij over deze dingen nadenken, uitermate misleidend. Al gauw verliezen wij ons in mystiek, zoals dat ook het geval was met enkele vroegere westerse denkers, o.a. Meister Eckhart (ca.126O - ca.1328). Deze meende zelfs bij God terechtgekomen te zijn, terwijl hij in zijn mystieke ervaringen in feite met zijn eigen bewustzijn geconfronteerd werd, zoals blijkt uit zijn eigen verhalen. Je maakt een ernstige fout als je bewustzijn en beeld als iets verhevens ziet. Maar anderzijds moet je je wel realiseren dat bewustzijn en beeld de enige verhoudingen zijn die in ieder levend wezen de echte werkelijkheid, zij het als algemeenheid, afspiegelen. De totaaltrilling immers houdt alle andere trillingsmogelijkheden van de werkelijkheid in, zodat hij het gehele terrein van de geworden werkelijkheid bestrijkt. Voor zover een mens op zoek is naar de waarheid kan hij die alleen maar in het bewustzijn en bij het beeld vinden. De ouden hadden hiervan een sterk vermoeden en zij gingen dan ook over tot zelfaanschouwing via meditatie en dergelijke. In de moderne westerse cultuur echter is men zich op de zogenaamde objectieve werkelijkheid gaan richten en daarmee is men een weg opgegaan die nimmer tot de waarheid leidt. De wijsgeer Immanuel Kant (1724 - 1804), die eigenlijk als de grondlegger van het moderne westerse (filosofische) denken beschouwd kan worden, vroeg zich dan ook af of je das Ding an sich wel zou kunnen kennen en hij kwam tot een ontkennend antwoord. In verband daarmee ging hij uitzoeken hoe ons denken de werkelijkheid vervormt. Al onze kennis is immers door de sluis van ons eigen denken gegaan! Zo hij al een vermoeden heeft gehad van de rol van het bewustzijn heeft hij die als subjectief terzijde geschoven. Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770 - 1831) daarentegen kwam er wel heel dichtbij, maar eigenlijk herkende hij de algemeen geldige betekenis van het bewustzijn ook niet. De algemene geldigheid van het bewustzijn berust op het feit dat in alle levende wezens diezelfde totaaltrilling (de ene werkelijkheid als trilling) aanwezig is, en op het feit dat die totaaltrilling gewoon als resultaat van een materieel proces tot stand gekomen is. Was hij het gevolg van iets niet-materieels, dan zou hij voor een ieder tot het terrein van het Onbepaalde behoren en geen enkele concrete geldigheid bezitten. Daarom hebben de moderne denkers op zichzelf gelijk als zij het bewustzijn, zoals zij er tegenaan kijken, niet vertrouwen. Voor hen is het immers wel degelijk iets abstracts, iets immaterieels. Zodra zij deze fout herkennen zullen zij toe moeten geven dat de waarheid inderdaad niet in de buitenwereld te vinden is, maar wel in het bewustzijn en bij de werkelijkheid als beeld. Het op zakelijke wijze leren kennen daarvan heft het sinds Kant op de voorgrond geschoven dilemma van das Ding an sich geheel op, maar het zou wel een revolutie in het denken teweeg brengen!

Bladwijzers: KANT Ė zie 01 , 02 ; Tijdloosheid/eindeloosheid ; Oneindigheid zie 3 en 4 , 18 , 38 t/m 40 , 60 , 66 t/m 69 ; Eeuwigheid ; Trilling-1 ; Trilling-2 ; Totaaltrilling ;

No. 41

Bladwijzers: Hersencel -1 ; Hersencel -2 ; Hersencel -3 ;

Als je goed doordrongen bent van het gegeven dat ons bewustzijn, dat in feite meekomt aan de werkelijkheid als totaaltrilling, op geen enkele manier iets verhevens is, maar daarentegen juist iets natuurlijks, kom je er vanzelf toe op een realistischer manier je eigen wereld te beschouwen. Als je tenminste ook begrijpt dat het precies dat natuurlijke is, dat werkelijk universeel is omdat het als een van de laatste onvermijdelijke verhoudingen van het, volledig buiten onszelf om ontstane, verschijnsel voor de dag komt. Het zal blijken dat er nog een paar van die verhoudingen zijn, maar daarbij gaat de invloed, die wij er zelf op uitoefenen een rol spelen. Dan komt dus de subjectiviteit in het geding, afhankelijk van onze eigen aanleg en de omstandigheden waarin wij, min of meer toevallig, verkeren. Ik heb gezegd: voor zover die totaaltrilling als zodanig ook nog een geheel is, spreek ik van het bewustzijn. Dat bewustzijn is er dus omdat er iets voor de totaaltrilling geldt, namelijk de heelheid oftewel het geheel. Wat bedoel ik nu met dat begrip geheel? Welnu: een totaliteit laat zich gelden als een geheel als binnen die totaliteit alles met alles samenhangt. Onze totaaltrilling (levend-zijn) is gebaseerd op verwisselbaarheid, die optreedt, zoals we gezien hebben, bij optimale verdichting. Als ik nu mijn aandacht richt op die verwisselbaarheid op zichzelf, dan gaat het uitsluitend over het levend-zijn, maar als ik let op een gevolg van die verwisselbaarheid, namelijk het volledige samenhangen, dan gaat het over het geheel en dus ook over het bewustzijn. Je kunt er niet omheen het onderscheid tussen levend-zijn en bewust-zijn te maken, vooral omdat dit onderscheid zich ook praktisch vertoont. Onze poes bijvoorbeeld kan nog wel levend zijn, maar het bewustzijn verloren hebben hij reageert dan nergens meer op. Het een gaat duidelijk voor het ander, want bewustzijn zonder levend-zijn is onmogelijk, maar levend-zijn kan wel bewustzijn voortbrengen en doet dat als regel ook. Om de vraag naar het samenhangen wat duidelijker te maken moeten wij ons weer eens twee samengegroeide elementaire deeltjes (A en B) voor de geest halen. We kwamen toen voor het eerst het begrip ďsamenhangĒ tegen. Essentieel daarbij was het overvloeien qua ruimte en het ontbreken van een grens, een afscheiding tussen A en B. Dat betekent eigenlijk dat A en B niet meer zelfstandig aanwezig zijn als twee op elkaar inwerkende, in feite afzonderlijke, deeltjes, maar daarentegen als een zaak, waarvan gezegd kan worden dat hij gevormd is door twee deeltjes. Je kunt spreken van een systeem met twee brandpunten, maar er is niet meer te vragen waar de een begint of waar de ander begint, of ophoudt. De een houdt onmiddellijk de ander in en de ander houdt de een in. De twee deeltjes zijn ongescheiden onderscheiden. Als bij de totaaltrilling de verwisselbaarheid van de erin betrokken systemen gaat optreden, dan geldt dat uiteraard ook voor de aaneengegroeide samenhangende situaties (het geheel, gevormd door A en B). Ook die worden verwisselbaar en dat betekent welbeschouwd dat de zaak qua samenhang zo kan zitten, maar ook anders. We krijgen dan te doen met een variant van het begrip samenhang. Dat wil zeggen dat alles met alles samenhangt, niet omdat het om zo te zeggen een homogene klomp is geworden, maar omdat in alle mogelijke richtingen lijnen van samenhangt aanwezig zijn. Of, anders gezegd: een netwerk van samenhangen. Als je bijvoorbeeld ons lichaam bekijkt, dan zie je dat de hersencellen met het gehele lichaam samenhangen, maar dat gebeurt wel via een groot aantal zenuwbanen waarvan de afzonderlijke cellen zich afwisselend als samenhangend met andere cellen laten gelden. De cel b hangt soms samen met a, maar soms ook met c. Zo verplaatst zich een signaal van a via b naar c en verder. Van een directe samenhang is dus niet te spreken. Het is een stapsgewijze, een middellijke samenhang. Omdat de samenhang, zoals wij die bij het levende wezen aantreffen, middellijk is kan zij vernietigd worden: je kunt een levende oercel inderdaad uit elkaar halen, maar dan heb je wel het levend-zijn en dus ook het bewustzijn opgeheven. Je hebt dan niet meer met een cel te doen maar met dood organisch materiaal. De middellijke samenhang is dus te verbreken en dat komt doordat zij voortspruit uit de maximaal verdichte combinatie. Het moderne genetische onderzoek heeft de ontleedbaarheid van de cel aan het licht gebracht. Daardoor misleid menen nu veel wetenschappers dat je de cel ook naar eigen goeddunken kunt opbouwen en zelfs verbeteren, het genetisch manipuleren. Dat evenwel is uitgesloten. De reden daarvan zal ik nog aangeven, maar in ieder geval leidt elke manipulatie tot een verslechtering, die evenwel in bepaalde gevallen als een verbetering beschouwd kan worden zonder dat echt te zijn: als je namelijk een reeds aanwezige ongewenste situatie (bijv. aanleg voor een ziekte)bij voorbaat kunt neutraliseren. Het op die manier voorkomen van een ziekte blijft echter op zichzelf een verslechtering van de cel. De oorspronkelijke samenhang echter, namelijk die van de twee aaneengegroeide elementaire deeltjes, is niet te verbreken. Die kan hoogstens zichzelf opheffen door het wegspringen van een van de vrije beweeglijkheden. In de wordingsgeschiedenis van de kosmos zit een volgorde. Hoewel het zich realiseren van telkens een volgende stap op zichzelf toevallig is, is het toch onvermijdelijk dat het gebeurt. In dat proces blijven de vorige stappen steeds gehandhaafd, hoewel zij, door de aanwezigheid van verdere situaties, de inwerking daarvan ondergaan (feedback) en daardoor op een andere manier gaan functioneren. Daarom moet je in de gaten houden dat de samenhang aan de combinatie vooraf gaat: eerst is er aaneengroeien en pas daarna kan het zich combineren plaats vinden. Wat zich dan bij de maximale verdichting voor gaat doen is dit, dat de reeds aanwezige samenhang zich als een verwisselbaar (= veranderlijk) netwerk gaat laten gelden en zo tot een variant wordt die zich doormiddel van iets anders, namelijk de optimale combinatie, kan laten gelden. Ook binnen de mensheid is te constateren dat het zich combineren van individuen, in maatschappelijke verhoudingen, een samenhangen van de mensheid, zij het doorgaans ongeweten, vooronderstelt. In de cultuurgeschiedenis zie je dan ook eerst een besef van samenhang en geheel en pas daarna een besef van gescheiden-zijn en de noodzaak tot combineren. Zonder de aanwezigheid van samenhang, al of niet door de mensen beseft, zou je niet eens in staat zijn weet te hebben van de aanwezigheid van andere verschijnselen, zoals je medemensen, dieren, enzovoort. Dat blijkt bijvoorbeeld in onze moderne maatschappij. Daarin is, door de vergevorderde analyse, het besef van samenhang ver op de achtergrond geraakt en het construeren van organisaties (= zich combineren) op de voorgrond gekomen. Ten gevolge daarvan is er organisatorisch een tamelijk nauw contact tussen de mensen ontstaan, maar een reŽel besef van elkaars aanwezigheid als medemens is nauwelijks te bespeuren. Met recht kun je constateren dat onze wereld a-sociaal geworden is en dat ondanks een grote hoeveelheid sociale regelingen, die in werkelijkheid organisatorische regelingen blijken te zijn. Over het begrip organisatie moet nog van alles gezegd worden, maar ik wijs er nu alvast op dat de levende cellen zich niet met elkaar gaan combineren, maar zichzelf met elkaar gaan organiseren en dat levert het begrip organisme op. Binnen het kader van dat begrip kun je desnoods wel van combineren spreken, maar er is eigenlijk heel wat anders aan de hand.

No. 42

Hersencel -1 ; Hersencel -2 ; Hersencel -3 ; Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ; Overgang-5 ; Overgang-6 ; Overgang-7 ;

Nogmaals: doordat de totaaltrilling gekenmerkt wordt door de geldende verwisselbaarheid geldt dat kenmerk vanzelfsprekend ook voor de samenhangen op grond van aaneengroeien, zoals die in dat optimaal verdichte verschijnsel als een netwerk aanwezig zijn. Dat netwerk van samenhangen heeft een middellijk karakter en dat betekent dat telkens en achtereenvolgens het een als middel voor het ander fungeert, zodat je een stapsgewijze voortgang krijgt: van bijvoorbeeld a, via b naar c, daarna b via c naar d, enzovoort. Op de manier van deze stapsgewijze samenhang hangt dan alles met alles samen en wanneer dat, uiteraard binnen het kader van een totaliteit (totaaltrilling) het geval is, spreek ik van een geheel of een heelheid. Zo kun je nu dus zeggen dat het bewustzijn gekenmerkt wordt door de heelheid. Het is een geheel. Dat geheel is wel degelijk uit elkaar te halen, d.w.z. dat die middellijke samenhang van buitenaf te verbreken is. Dat is mogelijk juist op grond van die stapsgewijze voortgaande samenhangen. Nu heeft Hegel gezegd dat een geheel (das Ganze) niet analyseerbaar, niet ontleedbaar is en o.a. vanwege die uitspraak verwijt men hem tegenwoordig onzin gepraat te hebben. Wat men daarbij echter over het hoofd ziet, of helemaal niet begrepen heeft, is dit dat hij er terecht bij gezegd heeft dat je een geheel niet kunt ontleden zonder het tot een ander verschijnsel te maken. Als je een steen splijt houd je twee (anders gevormde) stenen over, maar als je dat met een levende cel doet houd je alleen maar wat organisch materiaal over en in geen geval twee levende halve cellen. Een halve steen is een steen, maar een halve cel is geen cel, slechts wat materiaal. Toch is inmiddels gebleken dat het mogelijk is veranderingen in de cel aan te brengen, doormiddel van genetische manipulatie. Voor die veranderingen evenwel zijn plaatselijke verbrekingen van de samenhang noodzakelijk. Maar op de plaats waar de samenhang verbroken is kun je nooit meer van buitenaf - bijvoorbeeld door ons medische ingrijpen - een nieuwe samenhang tot stand brengen. Dat komt doordat de samenhang, zoals we al eerder gezien hebben, ontstaat 1e. door het aaneengroeien van elementaire deeltjes en 2e. door het optimaal verdicht zijn van combinaties, voor zover het over het ontstaan van de middellijke samenhang gaat. Beide gebeurtenissen zijn processen die tot het kosmische proces van de wording behoren. Dat betekent dat zij op dat moment onder die omstandigheden en op die plaats (onvermijdelijk) toevallig tot stand kwamen. Geen van die drie voorwaarden is te reconstrueren, precies zoals het verleden niet concreet te reconstrueren is. Daar, waar van buitenaf door ons een ingreep in de samenhang van een levende cel is gedaan zal bijgevolg een blijvende breuk aanwezig zijn. Daardoor is de kwaliteit van die cel verminderd. Slechts vanuit bepaalde bedoelingen kan zo'n verminderde kwaliteit door ons een verbetering genoemd worden: als je bijvoorbeeld behoefte hebt aan gehoorzame soldaten en dergelijke. In die zin is de uitspraak geldig dat genetische manipulatie onmogelijk is. De, zelfs door filosofen uitgesproken, verwachting dat wij straks mensen met een super intelligentie zouden kunnen maken is zonder meer idioot. Zo'n intelligentie kan alleen maar krankzinnig zijn omdat er geen volledig samenhangend bewustzijn meer aan ten grondslag ligt. Om bovengenoemde redenen is het ook absoluut onmogelijk het levend worden van het verschijnsel te reconstrueren. Er zal stellig veel mogelijk blijken, misschien zelfs wel dat bepaalde structuren gaan bewegen, maar die laatste grens, waaraan het bewustzijn meekomt, kan alleen maar via het kosmische proces bereikt worden. Dan kunnen er wel samenhangen ontstaan, maar door de ongrijpbaarheid van de elementaire deeltjes kan een mens zo'n samenhang niet tot stand brengen. Het is nu noodzakelijk om nog iets meer te zeggen over de zogenaamde feedback processen. Er is sprake van zo'n proces als een volgende situatie terugwerkt op de voorgaande en die van karakter doet veranderen. Feedback doet zich voor bij de overgang tot levend-zijn van het maximaal verdichte verschijnsel. In feite hebben we, zoals al aangetoond, met een vastgelegde combinatie van bouwstenen te doen. Dus met uiterst verdichte materie. Omdat er echter voor die materiele structuur, als gevolg van die uiterste verdichting, iets anders gaat gelden verandert die materiele structuur, die op zichzelf niet beweeglijk is, toch van karakter en wordt in zichzelf beweeglijk. Dat is dus een soort van terugwerking, maar die terugwerking wordt door de zaak zelf voortgebracht, zonder dat er van buitenaf enigerlei vorm van inwerking aanwezig is. Die terugwerking wordt tegenwoordig feedback genoemd. Gebleken is dat dit heel vaak voorkomt in biologische processen. Schematisch zou je een feedback proces als volgt kunnen weergeven: een proces gaat van a via b naar c en d, enzovoort. Nu zijn de stappen niet a-b, b-c, c-d etc. maar a-b-c, b-c-d, c-d-e... Daarin zit dus telkens een stap terug: van c naar b, van d naar c, enz. De situatie c werkt dus als een feedback proces naar b. En wijzigt de toestand waarin b verkeert, verandert hem van karakter. Het komende werkt in op het bestaande. Dat je niet te doen hebt met de stappen a-b, b-c, enz. komt omdat die stappen in feite een breuk inhouden. Want a-b is dan wat anders dan b-c. Pas in de verhouding a-b-c is de samenhang echt middellijk. Het over het hoofd zien van feedback processen heeft doorgaans zeer kwalijke gevolgen. Als men over het gedrag van mensen spreekt wordt dat vaak vergeleken met het gedrag van dieren en men verklaart het menselijk gedrag zelfs uit dat van de dieren. Daarbij gaat men van de natuurlijke grondslag van de mens uit en vindt het vanzelfsprekend dat die zonder meer voor de mens van kracht zou zijn. Maar in feite gaat die vergelijking helemaal niet op omdat het zogenaamde natuurlijke bij de mens geheel van karakter veranderd is onder invloed van een voor de mens geldende volgende verhouding, die in de natuur als zodanig niet aanwezig is. Over die verhouding, het zelfbewustzijn namelijk, zal ik uiteraard nog uitvoerig spreken, maar in ieder geval ligt de zaak zo dat er van daaruit een feedback is naar die natuurlijke basis, waardoor die eigenlijk helemaal niet meer natuurlijk is. Op grond van dat, door het zelfbewustzijn, gewijzigde natuurlijke gaat elke vergelijking van mens en dier, wat het gedrag betreft, helemaal niet op en hij geeft zelfs aanleiding tot ernstige fouten in de beoordeling van de mens. Zo hebben bepaalde filosofen wel beweerd dat de mens het laatste roofdier zou zijn en dat daardoor zijn vaak walglijke gedrag verklaard zou kunnen worden. En een algemeen gangbare filosofische gedachte is dat de mens zich, via de cultuur ontwikkeling, zou moeten verheffen boven de natuur. Hij zou die achter zich moeten laten en als hem dat gelukt zou hij eindelijk mens zijn. In feite echter geldt, vanaf zijn verschijnen op de planeet, dat natuurlijke al niet meer. Zou dat wel het geval zijn, de mens zou nog beter dan alle dieren zijn toegerust op een leven temidden van de dieren en planten. In feite echter komt hij volkomen hulpeloos en onaangepast ter wereld en moet hij zijn zelfbewustzijn (leren te) gebruiken om zich temidden van de overige levende wezens en verschijnselen te handhaven. Hij handhaaft zich niet door een subliem roofdier te zijn, maar juist door dat niet te zijn. En zijn abominabele gedrag komt niet voort uit zijn dierlijke grondslag, maar juist uit zijn zelfbewustzijn waarmee hij voorlopig geen raad weet. De zaak ligt dus precies andersom!

Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ; Overgang-5 ; Overgang-6 ; Overgang-7 ;

No. 43

Bij een feedback proces gaat het er dus om dat een volgende fase terugwerkt op een vorige. In ons geval gaat het om het zich wijzigen van de maximaal verdichte materiŽle combinatie vanuit het aan diezelfde combinatie meekomende bewustzijn. Dit zich wijzigen blijkt zelfs in de praktijk vast te stellen te zijn. Immers, het levende wezen - bijvoorbeeld de oercel - reageert op de buitenwereld. Dat reageren op zichzelf grijpt plaats omdat voor de oercel het begrip bewustzijn geldt: de werkelijkheid van de verschijnselen bestaat ook, op de wijze van een trillingssysteem, binnen de oercel. Op grond van dat bewustzijn is er een samenhang tussen de buitenwereld en de binnenwereld en die zorgt ervoor dat de oercel reageert op zijn omgeving. Dat reageren echter is niets anders dan een zich wijzigen van de materiŽle combinatie: bewegingen ontstaan en veranderen, de oercel vlucht weg of doet iets anders. In ieder geval wijzigt zich, bij het reageren, de situatie waarin de materie zich bevindt en dat wijzigen treedt op naar aanleiding van datgene dat op grond van een geldende volgende verhouding (bewustzijn volgend uit de totaaltrilling) herkend kan worden. We hebben hier dus te doen moet een duidelijk waarneembaar feedback proces. Terzijde: geen enkel levend wezen is mogelijk zonder verband met de buitenwereld. Mensen, die op grond van de een of andere medische, rechterlijke of politieke beslissing volkomen van de buitenwereld afgesloten worden in een isoleercel, gaan binnen de kortste keren in waanzin ten gronde. Dit heeft op zichzelf niets met het al of niet sociaal-zijn van een mens te maken, maar met het bewustzijn, dat door het uitgeschakeld zijn van de (zintuiglijke) verbindingen met de buitenwereld niet meer kan zijn wat het is. Als wij te maken hebben met feedback processen speelt er steeds een drietal factoren een rol. Alleen met drie factoren is het mogelijk om elk van die factoren achtereenvolgens in een andere functie te laten optreden: namelijk de functies laatste, volgende en vorige. In de volgorde a-b-c is b eerst de laatste (als de beweging tot b gevorderd is); daarna is b de volgende (ten opzichte van a); tenslotte is hij de vorige (gezien vanuit c die dan weer de laatste is). Het gelden van drie functies in een kan alleen maar op deze manier. Er is dan geen breuk in de voortgang - wat wel het geval is als je denkt aan a-b, b-c, c-d, enzovoort. Voor b geldt dan wel dat hij de laatste en volgende is, maar niet dat hij tegelijk de vorige (t.o.v. c) kan zijn. Daarmee is er geen stapsgewijze of middellijke samenhang. Dat het steeds om drie factoren gaat ligt al in het begin van het zich combineren besloten. De bouwsteen immers, zonder welke geen combineren mogelijk is omdat er een zich verplaatsen geldig moet zijn, bestaat uit drie elementaire deeltjes in de volgorde B-A-C, waarbij A samengegroeid is met B en C, maar deze laatste twee niet aan elkaar samengegroeid zijn en zelfs ten opzichte van elkaar trillen. Groeit er nu aan een van de vrije beweeglijkheden van B of C nog een elementair deeltje (D) en hieraan nog een deeltje (E), dan kun je driemaal een bouwsteen herkennen, maar dan wel precies zo dat de genoemde drievoudige functie voor C van kracht wordt: B-A-C, A-C-D, C-D-E. Nu heeft C op drie verschillende posities gestaan en dus drie functies uitgeoefend, steeds in samenhang met de overige factoren. Wat aan die voortgang van B naar E ook duidelijk zichtbaar is, is de reeds besproken verwisselbaarheid die voorwaarde is voor het optreden van de totaaltrilling en het daaruit voortkomende geheel. De functie van het deeltje C is inderdaad volkomen verwisselbaar gebleken. Zodra de stapsgewijze samenhang op gaat treden laat zich dus gelden dat alles op drievoudigheid gebaseerd is. Deze drievoudigheid gaat ook een belangrijke rol spelen als wij tenslotte over de mens gaan nadenken, en dan speciaal in verband met diens zelfbewustzijn. De werkelijkheid als bewustzijn doet zich ervaren als beeld. Wat is er nu van dat beeld te zeggen als we inmiddels weten dat, zij het op middellijke wijze, alles met alles samenhangt? Als eerste kun je constateren dat het beeld geen werkelijkheid is zoals de ons praktisch bekende. Het is namelijk geen zaak van bepaaldheden. Kenmerk van de bepaaldheid is het afgesloten zijn, het door een grens gescheiden zijn van de ene bepaaldheid en de andere. Omdat dit niet het geval is ervaren de mensen het beeld als een geheel van begrippen. Hegel sprak over een kristallijnen net van begrippen en volgens hem ging het er in de filosofie om dit net van begrippen helder te maken en gestalte te geven. Je doet dat door je de zaak voor de geest te halen - ik zal nog bespreken hoe dat zit. In ieder geval geeft het spraakgebruik, zoals zo vaak, precies de werkelijke situatie weer. Ten tweede moet je letten op de, reeds besproken, onafhankelijkheid van het beeld: ongeacht wie of wat dan ook is het aanwezig en het is altijd precies hetzelfde beeld omdat het de werkelijkheid (als trilling) is. In de loop der geschiedenis hebben de mensen almaar naar de waarheid gezocht, in feite dus naar een eenduidig en betrouwbaar criterium voor het kennen van de werkelijkheid en dus ook van het leven. Dat zoeken heeft een heleboel, vaak misdadige, onzin opgeleverd, maar intussen was en is het zoeken toch daarop gericht. Dat verschijnsel kan zich alleen maar dan voordoen als er inderdaad zo'n criterium is, ook al wordt het (voorlopig) door bijna niemand gevonden. In de moderne filosofie ontkent men het bestaan van dat criterium. Men is van mening dat je niet verder komt dan een eigen waarheid - alsof dat plotseling niet een zoeken naar waarheid zou zijn! Ten derde: de werkelijkheid als beeld is een volkomen waarde-neutrale werkelijkheid. Dat wil zeggen dat er niets is dat je er uit naar voren kunt halen als iets dat van meer waarde of belang is dan iets anders, iets derhalve, waarom het zou gaan. Eigenlijk zou je moeten spreken van waardeloosheid, maar omdat het voor een mens mogelijk is ergens waarde aan te hechten en omdat dit laatste voor ons, vanuit onze culturele traditie, gebruikelijk is, kun je in dit verband beter de meer begrijpelijke term waarde-neutraal bezigen: alles heeft dezelfde waarde. Ten vierde: je moet wel bedenken dat, door het niet geldig zijn van bepaaldheden, als het over het beeld gaat, de mensen als bepaalde op zichzelf staande individuen er niet in voorkomen. Vanuit het bewustzijn en het beeld ken je de ander niet als een afgesloten bepaaldheid die op zichzelf benoemd zou kunnen worden. Voor zover de ander er toch is laat hij zich voor jou gelden als iets dat onverbreekbaar samenhangt met allerlei andere zaken en in laatste instantie uiteraard met het geheel. Als zodanig beschouwden de mensen uit de oudheid, en in het algemeen de leden van de zogenaamde natuurvolken, zichzelf en elkaar.Ten vijfde: in de werkelijkheid als beeld zijn geen details te onderscheiden. Je kunt slechts de aandacht richten op zekere nuances, maar steeds vloeien die nuances over naar het samenhangende geheel. Een detail is als het ware tuitgeknipt uit het geheel en staat er daardoor los van, maar een nuance blijft samenhangen. Dit laatste is vooral kenmerkend voor de kunst en die menselijke uiting is dan ook a) het beste empirische bewijs voor het bestaan van het bewustzijn, het beeld en de waarheid en b) een heel aantoonbare en concrete manifestatie van al datgene dat ons, op grond van ons filosofische verhaal, wellicht wat al te ongrijpbaar en mogelijk zelfs al te speculatief voorkomt.

No. 44 ††††Psyche, zie vervolgens: ; Psyche-0Psyche ; Psyche/zelfbewustzijn/Totaaltrilling

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ;

Je bent zelf, als mens, het eindpunt van het wordingsproces en als zodanig kijk je terug op alle gebeurtenissen die in de loop van dat proces hebben plaatsgevonden. Je doet dat dus met je eigen denken, vanuit dat einde. Daarom kan het denkend nagaan van die gebeurtenissen niet anders dan een zaak van begrippen zijn, maar je hebt dat niet altijd even goed in de gaten. Aanvankelijk stelden wij de beweeglijkheden voor als bolletjes en gedurende lange tijd was het mogelijk om als het ware natuurkundig, van buitenaf beschouwend, de verschillende mogelijkheden en verhoudingen te proberen en te overdenken. Doordat dit mogelijk was krijg je de neiging de hele zaak van de filosofie als iets buiten jezelf te ervaren. Daar komt nog bij dat het in de aard van onze cultuur ligt zo tegen de werkelijkheid aan te kijken: op een natuurkundige, afstandelijke wijze. Zozeer is dat al het geval, dat wij zelfs onszelf op die manier beleven. Voor ons zijn ons lichaam, onze organen, onze geest, onze psyche, enzovoort, zo langzamerhand tot ons bezit geworden, een bezit dat zelfs in de westerse rechtsopvatting bevestigd wordt. Iemands lichaam is iemands onvervreemdbaar en onaantastbaar bezit. Alles wordt in het westerse recht trouwens in termen van bezit uitgedrukt. Dat wijst er op dat wij in ons denken over onszelf buiten onszelf zijn komen te staan. Wij denken in termen van een gebroken werkelijkheid: dit is mijn bezit en dat is niet mijn bezit, daar sta ik dus buiten. En iemand anders moet buiten mijn bezit blijven, er afstand toe bewaren. Het is voor ons uitermate moeilijk onszelf als een zijnsvorm, een gebeurtenis in en van de werkelijkheid te zien en van daaruit eveneens onze diverse begrippen als tot diezelfde werkelijkheid behorende gebeurtenissen te begrijpen. Jouw en mijn begrip is in laatste instantie de werkelijkheid, die zichzelf begrijpt. Dus, wat het filosoferen over beweging en verschijnsel betreft: enerzijds door ons eigen besluit om de beweeglijkheden als bolletjes voor te stellen, en anderzijds door de doorwerking van onze afstandelijke cultuur, dreigen wij te vergeten dat het voor ons steeds om begrippen gaat. Later, als ik het menselijk zelfbewustzijn en het denken zal bespreken, wordt wel duidelijk waarom dit allemaal zo is en ook waarom het feit dat wij met onze eigen begrippen te doen hebben geen afbreuk aan het waarheidsgehalte behoeft te doen. Het begrip, d.w.z. de werkelijkheid als begrip (en dat geldt voor de mens), relativeert de waarheid niet, maar maakt de waarheid onafhankelijk van wat dan ook. Nu we inmiddels verder zijn gekomen met onze gedachtegang blijkt steeds meer dat het alles om begrippen draait. Bij die bolletjes viel dat niet zo erg op, maar thans kan het zelfs wel tot een probleem worden, want bijna automatisch wantrouwen wij die begrippen. Daarbij komt nog dat wij het helemaal niet gewend zijn in ons denken met begrippen te werken. Gewend zijn we wel aan formules, berekeningen en waarden, maar niet aan begrippen. Daardoor kan, bijvoorbeeld in de moderne natuurkunde, de vraag opkomen of de werkelijkheid eigenlijk wel bestaat buiten ons zelfbewustzijn. Immers, bij experimenten blijkt steeds dat zij zich gedraagt overeenkomstig onze wil: zij is afhankelijk van de aard en opstelling van onze instrumenten en die zijn weer afhankelijk van denkbeelden, eventueel theorieŽn, in ons brein. Zo gezien is de werkelijkheid er alleen maar in afhankelijkheid van onze ervaringen! Een dergelijk probleem kan alleen maar opkomen in mensen die niet gewend zijn in begrippen te denken, maar slechts in formules. Dan gedraagt de werkelijkheid zich inderdaad overeenkomstig onze wil.. . Maar, als je wel in staat bent in begrippen te denken, dan heeft onze wil er niets meer mee te maken. Op een gegeven moment heb ik gezegd dat er aan de totaaltrilling iets mee komt, namelijk het begrip het geheel. Die meekomende zaak ontstond niet door een verandering van het optimaal verdichte materiele verschijnseltje, neen, het geheel is iets dat nu is gaan gelden, zonder dat er ook maar iets veranderd is in het objectief aanwezige verschijnsel. Je kunt dat geheel dan ook nimmer aanwijzen, in tegenstelling tot het bedoelde verschijnsel, dat, althans in principe, wel aanwijsbaar is. Zonder dat er ook maar iets aan dat verschijnsel toegevoegd is komt er nu iets aan mee dat uitsluitend in termen van begrippen uit te drukken is en dus in termen van een verschijnsel (de mens) dat in feite pas veel later in het proces voor de dag komt. Wat heb ik nu in handen? Ik heb, opeenvolgend, een totaal aan trillingen, ik heb een totaaltrilling en ik heb, hoewel een er aan meekomend begrip, een geheel. De zaak loopt dus uit in het geheel en binnen dat geheel liggen die andere, voorgaande, verhoudingen. Die laatste zijn bijgevolg inhoud van dat geheel. En dat is een kwantitatieve inhoud omdat, op de ene of op de andere wijze, de totaliteit als hoeveelheid van iets er het kenmerk van is. In ieder geval heb ik nu een verschijnsel dat een inhoud heeft en dat is eigenlijk nogal merkwaardig, want alle voorgaande verschijnselen hebben geen inhoud - wel volume in de zin van in de materie aanwezige ruimte, maar geen inhoud. We kunnen nu aan het geheel dat een inhoud heeft een naam geven en alweer: die naam geven wij er achteraf aan, vanuit onze realiteit! Dan noem ik dat geheel het vrouwelijke en de inhoud het mannelijke en dat doe ik op grond van het feit dat de mens als vrouw inderdaad een inhoud heeft, namelijk de man. Althans voor zover ik beiden naar hun seksualiteit beschouw. Maar, de vrouw heeft ook het kind als inhoud. Je kunt het geheel dus, in associatie met de vrouw, vrouwelijk noemen en de inhoud, in associatie met de man, mannelijk. Direct als het leven op gaat treden gaan de begrippen vrouwelijk en mannelijk gelden, maar dan wel zo, dat eigenlijk alle leven vrouwelijk is omdat de drieslag totaal van trillingen, totaaltrilling en geheel in het geheel uitloopt. Dat is namelijk het uiterste dat aan deze zaak te bedenken is. Terzijde: in de oudheid is het besef dat het leven vrouwelijk is een normale zaak geweest. Overal zijn door de archeologen zeer oude venusbeeldjes gevonden, met overdreven geslachtskenmerken en de vorm van een zwangere vrouw. Dat zijn votief-beeldjes, zinnebeelden, van de oermoeder, die alle leven voortgebracht heeft. Ook geven oude scheppingsverhalen er blijk van dat het leven tenslotte vrouwelijk is: in het bijbelse scheppingsverhaal komt de vrouw (Eva = leven) na de man (Adam = klei, aarde). Omdat Eva qua volgorde uit de man voortkomt heeft men in het Westen Adam superieur verklaard - weer eens een voorbeeld van westers onvermogen om in begrippen te denken! Er is natuurlijk niemand superieur, maar wel is de vrouw degene in wie alles uitloopt en dat heeft men vroeger heel helder ingezien. Het mannelijke heeft een dubbele gesteldheid, namelijk het totaal van trillingen en de totaaltrilling. We hebben gezien dat dit twee verschillende verhoudingen zijn. In het eerste geval gaat het over de veelheid en in het tweede geval over de eenheid. Hoewel beide begrippen bij elkaar behoren is het toch tegelijk een feit dat zij van elkaar gescheiden zijn en op grond hiervan spreek ik van gespletenheid, in die zin dat voor het mannelijke geldt dat het uiteen te leggen is. En als zodanig beschouwd gaat de veelheid vooraf aan de eenheid. Als veelheid op zichzelf is het mannelijke nog geen inhoud van het vrouwelijke. Op grond van de verwisselbaarheid moet de veelheid eerst tot eenheid geworden zijn om als inhoud van het vrouwelijke te kunnen gelden.

Psyche, zie vervolgens: ; Psyche-0Psyche ; Psyche/zelfbewustzijn/Totaaltrilling

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ;

No. 45

Hersencel -1 ; Hersencel -2 ; Hersencel -3 ; denkenken in begrippen-1 ; denken in begrippen-2 ; denken over begrippen ;

Het nieuwe begrip, waarvan wij nu de consequenties moeten zien te vinden, is het begrip inhoud. Daarbij wil ik me bepalen tot het denken in begrippen en het nagaan van de verschillende verhoudingen in het optimaal verdichte systeem van beweeglijkheden, elementaire deeltjes en bouwstenen (in ons praktische voorbeeld het complex van bolletjes) nog even achterwege laten. Maar intussen mogen we toch niet vergeten dat de door ons te onderzoeken begrippen te allen tijde moeten blijken te corresponderen met de verhoudingen in het complex van beweeglijkheden. Dat betekent dat de natuurkundig-filosofische verhoudingen moeten overeenstemmen met de filosofische begrippen en het betekent dus ook dat onze gedachtegang over de groei en het combineren van systemen nog lang niet ten einde is. We hebben al gezien dat de buitenwereld, bij wijze van een complex van trillingen, aanwezig is in de oercel. Anders gezegd: als geheel omvat de oercel, op trillende wijze, de gehele, tot op dat moment ontstane, verschijnselenwereld en deze is dubbel omdat het tegelijk een totaal aan trillingen is en een totaaltrilling. Deze twee begrippen treden in de aangeduide volgorde op, want de totaaltrilling volgt op het totaal van trillingen doordat er, bij optimale verdichting, verwisselbaarheid blijkt te gaan gelden. Dit alles betekent, als ik nadenk over de inhoud van de oercel, dat ik tot de onvermijdelijke conclusie moet komen dat ik te doen heb met een speciale vorm, gesteldheid, van de buitenwereld en dat die inhoud is van het geheel dat de oercel is. Zoals altijd met geldende begrippen zal ook deze zaak zich moeten realiseren en aanleiding geven tot bepaalde werkingen, in dit geval tussen de buiten- en de binnenwereld. Op de een of andere wijze zal dit binnenwereld-zijn van de buitenwereld zich in het levende wezen laten gelden. Dit gebeurt inderdaad, en wel op deze manier dat het levende wezen de buitenwereld in zich opneemt, tot haar inhoud maakt - in de meest letterlijke zin van het woord opeet, Je kunt met recht zeggen dat de levende wezens de planeet opeten en dat gaat, verderop in het evolutieproces zelfs zo ver dat bepaalde levende wezens zichzelf moeten handhaven door andere levensvormen op te eten. Het begin van deze relatie tot de buitenwereld ligt echter al bij het eerste leven. De oercel voedt zich met en aan de buitenwereld, breekt dat voedsel, kleine deeltjes materie zoals mineralen en dergelijke, af en zet het om tot een aantal systemen van trillingen (wij noemen dat energie opnemen). Zo ontstaat er in de oercel gaandeweg een nieuw totaal van trillingen. Er ontstaat in de oercel, naast de oorspronkelijke inhoud, een nieuwe inhoud en ook deze bestaat tenslotte uiteraard uit een totaal van trillingen dat naar een totaaltrilling en een samenhangend geheel overgaat, omdat dan ook weer de verwisselbaarheid gaat gelden. Het gevolg van die hele procedure is dat de oercel zichzelf verdubbeld, gereproduceerd, heeft, zij het voorlopig nog binnen de eigen grenzen, binnen zichzelf. Het gaat hier over een zichzelf verdubbelen - en niet bijv. over ver drie- of verviervoudigen - omdat het in zich opnemen van de buitenwereld als de eigen inhoud een kwestie van opbouw is. Het gaat geleidelijk van een klein beetje inhoud via steeds meer tot en met een volledige inhoud en op dat moment is de zaak een twee-eenheid. De nieuwe inhoud van de twee-eenheid is niet ontstaan vanuit de oorspronkelijke eigen groei en het zich combineren van bouwstenen tot en met het stadium van de optimale verdichting, maar daarentegen door de buitenwereld in zich op te nemen. Eigenlijk is die nieuwe inhoud dus de gewijzigde buitenwereld, de tot binnenwereld omgezette buitenwereld. Dat feit nu, namelijk dat het eigenlijk de buitenwereld is, laat zich op zijn beurt ook weer gelden en wel op zo'n manier dat de nieuwe inhoud zich gaat stellen als een zelfstandige, in de buitenwereld verkerende, nieuwe cel. De oude oercel heeft zich zodoende in de buitenwereld gereproduceerd, zodat er nu twee cellen zijn. Deze twee cellen echter zijn, hoewel qua structuur hetzelfde, toch wezenlijk verschillend. Immers: de oude oercel kwam rechtstreeks voort uit het verdichtingsproces van de bouwstenen, maar de nieuwe cel is het resultaat van de activiteiten van een andere cel, namelijk de oercel en zij komt slechts indirect uit het wordingsproces voort. Er is een onderscheid tussen het verleden van beide cellen; de oercel is de moedercel en de nieuwe is de dochtercel. De gehele wereld van de levende wezens, ook als die levende wezens al tot ingewikkelde organismen geworden zijn, vertoont precies dezelfde opeenvolging van begrippen: het gelden van het begrip inhoud, het opnemen van de inhoud uit de buitenwereld, het vervolmaken van die inhoud tot een nieuw geheel, het realiseren van dat nieuwe geheel als een zelfstandige zaak in de buitenwereld. Die sequens van gebeurtenissen kennen wij als de voortplanting. En, voor alle duidelijkheid: die voortplanting heeft wel alles met de reeds door mij genoemde typeringen vrouwelijk en mannelijk te maken, maar nog niets met datgene dat wij later zullen tegenkomen als seksualiteit. De biologen spreken van celdeling en zij menen daarbij opgemerkt te hebben dat de oorspronkelijke cel zichzelf precies in tweeŽn deelt, zodat er twee nieuwe, precies gelijke, cellen ontstaan. Dit kan evenwel maar ten dele juist zijn. De structuur van beide cellen is logischerwijze dezelfde omdat het om een reproductie-proces gaat, maar de ontstaanswijze is totaal verschillend. Op grond hiervan geldt er voor de dochtercel iets anders dan voor de moedercel en dat is er de reden van dat de steeds weer tot leven komende nieuwe generaties dochtercellen geleidelijk aan een ander gedrag gaan vertonen. Dat veranderen van gedrag, vanwege een zich wijzigend verleden van de dochtercellen, leidt tot een proces dat wij als de evolutie hebben leren kennen. Zonder het verschil tussen moeder- en dochtercel is de evolutie een onmogelijkheid. Er zouden alleen maar heel veel (ongeorganiseerde) cellen op de planeet zijn ontstaan. Enerzijds dus blijft het gaan over het omzetten van de buitenwereld tot binnenwereld en het verzelfstandigen daarvan in de vorm van een dochtercel, maar anderzijds is er steeds iets nieuws in elke volgende generatie. Uit de bovenstaande redenering blijkt dat er destijds een aantal oercellen geweest moet zijn met een heel ander gedrag dan de cellen die wij thans aantreffen. Zelfs de meest primitieve cel die wij hier en daar nog kunnen vinden kan niet anders dan de zoveelste generatie dochtercel zijn, met alle consequenties van dien. Op een gegeven moment gaan de cellen zich met elkaar organiseren zodat er meercellige organismen ontstaan en tenslotte zelfs de mens. De gedragsverandering leidt tot het zelforganiserende vermogen. Soms echter mislukt dat en wordt een cel weer op zichzelf staand: een kankercel. Uit de praktijk weten wij dat cellen verouderen en na verloop van tijd afsterven. Alle levende wezens zijn sterfelijk. Dit kan ons als voorbeeld dienen om de gedachte van het noodzakelijke bestaan van moeder- en dochtercellen te ondersteunen. Het leven zelf zet zich almaar voort, vanzelfsprekend totdat het hele planetaire systeem tenslotte instort, maar de individuele levensvormen, te beginnen met de enkele cel, verouderen en sterven wel degelijk. En ook in een organisme, bijvoorbeeld een mens, sterven voortdurend cellen af en worden door nieuwe vervangen. Naar het schijnt is een mens om de zeven jaar geheel vernieuwd van cellen, behalve de hersencellen want die schijnen zich niet te vernieuwen. Als dit laatste inderdaad zo is, betekent dit iets heel eigenaardigs in verband met de menselijke geest. Maar daarover later...

denkenken in begrippen-1 ; denken in begrippen-2 ; denken over begrippen ;

No.46

Hersencel -1 ; Hersencel -2 ; Hersencel -3

Als ik spreek over de inhoud van het eerste levende verschijnsel en als ik daarbij een aantal nieuwe begrippen en hun consequenties op tafel leg, zou je de indruk kunnen krijgen dat het over geÔsoleerde gebeurtenissen gaat, temidden van allerlei andere gebeurtenissen in de kosmos. Die indruk echter is niet juist. Dat het levende verschijnsel de buitenwereld tot haar eigen inhoud maakt berust niet op een bepaald mechanisme waarvoor die buitenwereld als een geheel andere realiteit aanwezig is, zogezegd een aan dat mechanisme vreemde realiteit, maar daarentegen juist op het feit dat buitenwereld en binnenwereld slechts van elkaar onderscheiden bestaanswijzen van een en dezelfde werkelijkheid zijn. Het begrip binnenwereld is het begrip buitenwereld voor zover die ook aanwezig is als een hoeveelheid trillingen in en van de verschillende kosmische verschijnselen. Zo hangen al die begrippen met elkaar samen. Plechtig gezegd: elk bijzonder begrip (bijv. het begrip binnenwereld) laat zich beschrijven in termen van andere bijzondere begrippen (bijv. het begrip buitenwereld). Ook dit is een vorm van verwisselbaarheid. Als je, filosoferende, hieraan voorbijgaat kun je niet tot een samenhangend inzicht in de werkelijkheid komen. Het afleiden van het ene geÔsoleerde begrip uit het andere is op zichzelf niet zo moeilijk, maar moeilijk is het wel om in je filosofische beschrijving voortdurend deze verwisselbaarheid van begrippen tot zijn recht te laten komen. En dat moet wel gebeuren, juist omdat de werkelijkheid een en al samenhang is. Het karakter van de door ons gevonden oercel is dit dat die cel de buitenwereld in zichzelf opneemt. Andere mogelijkheden zijn er niet en er is voor die werkelijkheid van de oercel geen keuze. Het ligt in het ontstaan en het bestaan van die oercel besloten dat dit opnemen plaats vindt. Wij ervaren die noodzakelijkheid overigens achteraf als (filosofische) logica. Logisch is het dan ook om nu te stellen: het levende wezen zet de bestaande (anorganische) werkelijkheid om tot zichzelf, en dus tot eveneens levend-zijn. Op die wijze gaat het wordingsproces, na het opleveren van het leven, voort. Het is bijgevolg niet verwonderlijk dat alle levend-zijn, van welke levensvormen dan ook, inclusief de mens, in de grond van de zaak neerkomt op het omzetten van de aangetroffen werkelijkheid tot zichzelf. Bij de mens is dat al helemaal duidelijk: via allerlei vormen van arbeid (niet te verwarren met werk of het hebben van een baan) zet hij de werkelijkheid die hij aantreft om tot zijn eigen werkelijkheid. Overal waar een mens langsgekomen is blijkt alles veranderd te zijn - tegenwoordig overigens lang niet altijd in positieve zin... Evenzeer is het logisch dat het omzetten tot zichzelf leidt tot het reproduceren van zichzelf. Dat betekent dat het voortplanten niet, zoals veelal gemeend wordt, een doel heeft, namelijk om het leven in stand te houden of iets dergelijks, maar daarentegen eenvoudig het resultaat is van het omzetten tot zichzelf. Als zodanig is het reproduceren te beschouwen als een wezenlijk levensproces. De gehele natuur is dan ook bezig met eten en voortplanten. En dat geldt ook voor de mensen, zij het dat er bij hen een dimensie bijgekomen is op grond van het feit dat zij het laatste levende verschijnsel zijn. Daardoor kunnen zij over eten en voortplanten allerlei meningen hebben en op een bepaalde manier zelfs keuzes maken. Maar die meningen en keuzes staan onvermijdelijk in het licht van het feit dat eten en voortplanten de essentie van het leven is. Erg enthousiast zullen moderne mensen niet zijn over deze constatering, maar de feiten liggen nu eenmaal niet anders, zoals hopelijk uit onze gedachtegang gebleken is. Als je die gedachtegang nog eens nagaat zul je opmerken dat er nergens ook maar een argument is te vinden op grond waarvan je zou kunnen stellen dat het in de werkelijkheid ergens om gaat. Voor het leven gaat het dus niet om eten en voortplanten en ook niet om het in leven blijven. Waarom zou de werkelijkheid daarnaar streven? Er is geen reden om in leven te blijven of zich voort te planten. Er is alleen maar een proces gaande en eten en voortplanten behoort gewoon tot de essentie van dat levensproces. Gevolg daarvan is dat het levende wezen zichzelf geruime tijd handhaaft en reproduceert. Elke andere verklaring is de mensen ingegeven door de moraal en een misplaatste poging tot zingeving aan de werkelijkheid en het leven. Het leven op aarde schuift steeds op, d.w.z. dat er almaar nieuwe generaties dochtercellen ontstaan en oude generaties moedercellen afsterven. Deze laatste spelen dus op een bepaald moment geen rol meer. Zo speelt ook de oercel geen rol meer; zij verdwijnt van de planeet en daarmee verdwijnt ook het zich omzetten van de anorganische, materiele verschijnselen tot levende verschijnselen zoals dat bij de oercel het geval was. Er zijn dan alleen nog maar dochtercellen die de buitenwereld tot binnenwereld maken. Dit betekent dat het levenwekkende vermogen van de planeet slechts gedurende een bepaalde periode aanwezig is en daarna niet meer. Je kunt zeggen dat de planeet vanaf dat moment onvruchtbaar is geworden. Alle nieuwe levensvormen die nu nog ontstaan zijn of zelfstandige dochtercellen van de zoveelste generatie of organismen, bestaande uit die dochtercellen. Alle cellen uit voorgaande perioden zijn verdwenen. De veronderstelling van veel biologen dat er op de planeet nog steeds oorspronkelijk leven ontstaat is dus een onhoudbare veronderstelling. De evolutie heeft thans een weg afgelegd en alle levensvormen die er nu zijn zijn gekenmerkt door dat nu. Het begin van de evolutie is voorbij en het komt (althans op onze planeet) nooit weer terug. De cel van nu is, hoewel van dezelfde structuur, een geheel andere dan die van toen. Tussen die van nu en toen ligt in feite, behalve de anorganische werkelijkheid zoals die inhoud was van de oercel, ook nog de organische werkelijkheid als inhoud van de levende cel. Die inhoud is dus van karakter veranderd, is nu zowel anorganisch als organisch. Het zal nu ook duidelijk zijn dat de oercel in geheel andere omstandigheden moest leven dan de cel van nu: er was nog geen organische wereld die tot inhoud gemaakt kon worden. Het schijnt dan ook zo te zijn, volgens de onderzoekers, dat die oercel in een voor het huidige leven volstrekt onmogelijke omgeving kon leven. Een omgeving van giftige dampen en sterke kosmische straling. Het is in de medische wereld een bekend feit dat bijvoorbeeld bacillen na verloop van tijd resistent worden tegen bepaalde geneesmiddelen zoals antibiotica. Ook als je nooit van die geneesmiddelen gebruikt hebt zijn de bacillen, die je besmetten, toch resistent. Dit verschijnsel is een goede illustratie van de karakter verandering van de inhoud van de levende cel. Gewoonlijk gooit men het bij dit verschijnsel op de erfelijkheid en dat is niet echt fout, maar beter is het te begrijpen dat de werkelijkheid, tot leven gekomen, voortdurend haar eigen inhoud verruimt en dat de erfelijkheid daarvan een concreet gevolg is. Ik heb er op gewezen dat je alles in zijn onderlinge samenhang moet zien. Dat neemt echter niet weg dat de processen die wij tot nu toe besproken hebben zich in een betrekkelijk afgezonderd gedeelte van het heelal afspelen. Binnen dat gedeelte is er de bedoelde samenhang en die berust op de verhoudingen die voor het begrip ruimte zijn gaan gelden, namelijk de al dan niet stapsgewijze continue ruimte. Dat hebben wij bij het begin van het zich vormen van materie besproken. Uiteraard zijn er elders in het heelal ook van die afgezonderde gedeelten, met dezelfde processen.

No. 47

De gehele werkelijkheid ontwikkelt zich in haar volle omvang zonder dat er ook maar iets buitengesloten is: aanvankelijk zogezegd in een anorganisch proces, later in een organisch. Als de organische ontwikkeling gaande is, blijft de anorganische niet alleen-maar onaangeroerd liggen, maar wordt ook omgezet tot inhoud van de levende cel. Die inhoud verandert in de loop der tijden omdat die inhoud steeds de verschijnende werkelijkheid is op het moment nut. Behalve het anorganische is er zoveel generaties organische werkelijkheid bijgekomen. Daardoor is elke cel, ook de meest primitieve die wij vinden kunnen, qua inhoud gekenmerkt door dat moment nu. Dat betekent dat het zogenaamde evolutie- proces een opschuivend proces is. Je kunt niet spreken van een zich telkens aan het bestaande toevoegen van iets nieuws, maar je moet spreken van een zich telkens Omzetten van het reeds opgeleverde tot iets nieuws. Het reeds opgeleverde, bijv. de oercel, komt dus voortdurend in het teken van het nieuwe (het moment nu) te staan. Dat wil niet zeggen dat alle reeds opgeleverde levensvormen overgaan naar de op dat moment hoogste levensvorm. Afhankelijk van de mogelijkheden die hun structuur biedt blijven zij wat zij waren, of evolueren naar een hogere vorm. Als zij niet in staat zijn te evolueren passen zij zich wel voortdurend aan. Misschien is het zo, dat het voortdurend in het teken staan van het moment nu zich manifesteert in het zogenaamde DNA-molecuul dat de informatie voor de erfelijkheid schijnt te bevatten. En misschien zullen de geleerden er straks in theorie in slagen de fijnste veranderingen in dat molecuul waar te nemen. Dan nog is het echter de vraag hoe je die veranderingen zou kunnen vaststellen, omdat je namelijk geen vergelijkingsmateriaal hebt. De cel, zoals zij eerst was, is op geen enkel moment nu (het moment van je onderzoek) meer aanwezig. Bovendien zou het gaan om het meten van complexe trillingen, omdat juist die de essentie van de levende cel uitmaken. Wat echter het grootste probleem is, is het feit dat het steeds om dat moment nu gaat. Niet alleen is de dochtercel van generatie zoveel anders dan haar moedercel, maar zelf verandert zij eveneens voortdurend: haar, als inhoud geldende, buitenwereld is zogezegd steeds een nieuwe, namelijk die van het moment nu. En dat geldt vooral voor zover die buitenwereld organisch is.In het verhaal van het leven speelt de tijd een belangrijke rol. We hebben al eerder gezien dat de tijd gedefinieerd zou moeten worden als het ingestort-zijn van een systeem, en dat een tijdsverloop bepaald wordt door het moment van instorten en het moment van zich opnieuw stellen van een systeem. Dat heeft dus alles met zich voortbewegen te maken. Het levend-zijn, dat in essentie bewegend-zijn is, is bijgevolg onlosmakelijk verbonden met de tijd op zichzelf en met de tijd als tijdsverloop. Elk leven wordt door het moment van geboorte en dood bepaald. Elk leven is een, door begin en einde, bepaalde opeenvolging van momenten nu. Ook voor de anorganische werkelijkheid geldt het begrip tijd, maar dat is daarbij niet bepalend omdat de beweging, anders dan bij het levende wezen, niet een dominante grootheid is. De beweging is in dit geval latent. Wanneer de beweging bij het levende wezen dominant is wordt ook de tijd een dominante grootheid en daar ligt de verbinding tussen de veranderende inhoud van de levende cel en het gelden van het begrip nut. Zonder een duidelijk inzicht in het bovenstaande is het evolutieproces niet te begrijpen en te verklaren. Helaas ontbreekt het vrijwel altijd aan dit inzicht. In onze cultuur staat het onderzoek op een hoog niveau, maar het denken is bepaald niet veel zaaks. Het beperkt zich tot uiteenleggen, rubriceren en systematiseren. Het is eigenlijk een statistisch denken, dat met denken in de zin van begrijpen, inzicht verkrijgen, nauwelijks iets te maken heeft.

Door dit kwantitatieve denken denkt men het evolutieproces gewoonlijk als een proces dat steeds iets toevoegt aan het bestaande zonder dat bestaande te veranderen, en men merkt niet op dat een bepaalde ongewijzigd bestaande levensvorm (zeg: een vis) nimmer zou kunnen reageren op een veranderd milieu. Zich dus niet zou kunnen aanpassen. Maar men heeft wel opgemerkt dat er een aanpassingsproces is! Men zou dus van een samenhang met de buitenwereld kunnen weten! Maar een in zichzelf rustende, en dus een op de zaak zelf gebaseerde, verklaring vindt men niet en de desondanks aangevoerde (uitwendige) verklaringen raken doorgaans kant noch wal, zoals bijvoorbeeld het toeschrijven van een doel aan de werkelijkheid en haar processen: aanpassing zou er zijn om te overleven! Vaak kun je vaststellen dat men geen onderscheid maakt tussen de evolutie en de aanpassing. De gedachte van de survival of the fittest steunt welbeschouwd juist op die aanpassing en niet op de evolutie. De verschijnselen die door o.a. Charles Darwin (1809 - 1882) zijn opgemerkt, zoals bijvoorbeeld het bestaan van een soort natuurlijke teeltkeus via de sterkste exemplaren van een soort, berusten zonder uitzondering op de aanpassing. Allicht, want alles wat thans waargenomen kan worden zijn aanpassingsprocessen, omdat de evolutie met de komst van de mens, lang geleden, is afgesloten. Tijdens de evolutie worden er talloze varianten van leven tot stand gebracht en dan is het de aanpassing, die bepalend is voor de vraag of en hoe die varianten zullen overleven en mogelijk thans nog bestaan. Zo selecteert de natuurt zichzelf uit. Voorbeelden van levensvormen die zich niet aan een gewijzigde buitenwereld konden aanpassen zijn er te over; vooral tegenwoordig met die vergaande vervuiling sterven er veel levensvormen uit. Hierin evenwel speelt ook de vraag een rol wat de mogelijkheden van het zelfgeorganiseerde leven (meercelligheid) zijn. Het aanpassingsproces berust op een reageren op de buitenwereld. Dat is echter een zaak van bewustzijn. Je kunt dus ook zeggen dat, in het verloop der tijden, het bewustzijn zich gaandeweg wijzigt, in feite zich verruimt. Nu zijn wij automatisch geneigd dan te denken aan een steeds groter bewustzijn, een steeds grotere inhoud. Er komt voor ons onmiddellijke denken steeds iets bij. Dat evenwel is een denkfout, berustend op kwantitatief denken. Wij hadden al vastgesteld dat het bij de inhoud van de levende cel, en dus ook bij het bewustzijn, gaat over een grote hoeveelheid trillingen. Inderdaad neemt die hoeveelheid toe naarmate de tijd verstrijkt. Maar, dat totaal van trillingen is voor het bewustzijn niet bepalend. Het is vooral de, op grond van de verwisselbaarheid aanwezige, totaaltrilling die van belang is en dan moet je je afvragen wat in dit verband groter moet betekenen. Als de totaaltrilling zich verruimt komt er niets bij. Wat zou er bij moeten komen? Het blijft een totaaltrilling, alleen is die wel steeds gevarieerder. Dit gevarieerder-zijn is dus op zichzelf geen vergroting. Om hierop een beetje vat te krijgen zou je kunnen denken aan een intensivering van de trilling. Ook hierbij is het weer de vraag of een dergelijke intensivering van de totaaltrilling ooit gemeten zou kunnen worden, allereerst omdat je niet over vergelijkingsmateriaal beschikt, maar ten tweede omdat het over zulke verfijnde variaties gaat. Zo zullen wij er ook nooit achter kunnen komen of de hersenactiviteit van bijvoorbeeld de oermens minder was dan die van ons. Men heeft wel metingen gedaan wat betreft de herseninhoud van de mensen uit de verschillende perioden. Die schijnt inderdaad enigszins toegenomen te zijn, maar op zichzelf zegt dat niets over een toenemende intensivering, het kan gewoon berusten op geleidelijk verbeterde leefomstandigheden.

 

No. 48††† Psyche, zie vervolgens: ; Psyche-0Psyche ; Psyche/zelfbewustzijn/Totaaltrilling

Als je vanaf de buitenkant naar het evolutieproces kijkt ben je geneigd aan te nemen dat het evolutieproces inderdaad een kwantitatieve zaak is. Er komen immers steeds nieuwe soorten bij. Tijdens het evolutieproces vertoont de opeenvolging van die nieuwe soorten een stijgende lijn, naar almaar hogere levensvormen, en na afsluiting van dat proces (als de mens opgeleverd is) een horizontale lijn: nieuwe variaties van bestaande soorten. Toch is het verkeerd om deze zaak kwantitatief te benaderen. Je beperkt je dan namelijk tot de waarneembare resultaten van het proces, meent vervolgens dat je daaruit het proces zelf zou kunnen begrijpen om tenslotte helemaal de mist in te gaan. Het leven is, hoewel niet zonder een kwantitatief aspect, niet van daaruit te begrijpen. Vanuit ons cultuur denken wordt het dan ook niet begrepen. De sleutel tot begrip van het leven is tweeledig: ten eerste het feit dat er maar ťťn leven op aarde is en ten tweede dat dit leven in haar geheel, via de opeenvolgende generaties, in ontwikkeling opschuift. Een vis uit de oertijd is een andere vis dan de tegenwoordige. Het feit dat er maar ťťn leven op de planeet is ontgaat je als je de zaak kwantitatief denkt. Je ziet dan alleen maar al die verschillende exemplaren en je hebt niet in de gaten dat dit slechts gevarieerde verschijningsvormen van dat ene leven zijn. Gevolg van dit onbegrip is dat je, bijvoorbeeld in de landbouw, onbekommerd allerlei schadelijke gewassen en dieren uitroeit. Na verloop van tijd blijken dan de kwalijke gevolgen in heel andere levenssectoren. Pas in onze tijd begint men daaraan (noodgedwongen) aandacht te schenken. De ecologie is een nog jonge wetenschap. Maar ook in deze wetenschap is het begrip samenhang nog niet in zijn volle omvang bekend. Men hanteert dit begrip voornamelijk binnen het kader van bepaalde voedselketens, namelijk die ketens die aantoonbaar leiden naar de mens en dicht bij de mens staande levensvormen (huisdieren, vee, zeehonden etc.). Bij begrip van een volledige samenhang fixeer je je echter niet op ketens maar let je op netwerken. De werkelijkheid, beschouwd naar het begrip samenhang, wordt gekenmerkt door het netwerk en niet door ketens of lijnen. Ik heb laten zien dat de buitenwereld steeds binnenwereld wordt of anders gezegd: elke volgende generatie van leven heeft de vorige generatie als inhoud en op die wijze verschuift het leven met het voortgaan van de tijd. De totaaltrilling krijgt een steeds intensiever karakter. We kunnen hierbij als voorbeeld denken aan het steeds mooier worden van tonen bij iemand die viool studeert. Dat mooier worden komt niet doordat er iets bijkomt, maar doordat zich verhoudingen wijzigen waardoor bepaalde grond en boventonen meer en meer tot hun recht komen. Voor zover je echter kwantitatief denkt kun je inderdaad vaststellen dat er bepaalde grond- en boventonen bijgekomen zijn, maar in feite waren die al in principe aanwezig en de verandering ligt in het tot hun recht komen, en dat is wat je zou moeten verstaan onder toenemende intensiteit. Een ander voorbeeld is dit, dat nogal wat mensen in de mening verkeren dat een toenemende intelligentie van de mensen zal leiden tot grotere hoofden. Ook dit is echter een kwestie van tot zijn recht komen, van grotere intensiteit en niet van het zich toevoegen van iets nieuws aan het reeds bestaande. In de evolutie verandert dus de intensiteit: er komt niets nieuws bij, maar de hele zaak wordt, hoewel zichzelf blijvende, telkens nieuw. Dat is het begrip verandering. Laten we nu nog eens even terugkeren naar de oercel. Kenmerkend daarvan was dat zij haar buitenwereld opeet: tot haar eigen inhoud maakt. Die buitenwereld is in principe vastgelegd, d.w.z. dat de voor de bouwstenen geldende trilling niet als kenmerk van het verschijnsel geldt en zogezegd latent is. Die latente trilling is er natuurlijk wel en voor zover dat geldt kan het verschijnsel als buitenwereld omgezet worden tot binnenwereld. Daarmee wordt het een samenhangende zaak, wat het vanuit zichzelf niet is. Hierover is nog wel iets te zeggen. De buitenwereld komt binnen bij de cel als een veelheid van trillingen. Vervolgens wordt dat een totaaltrilling en daarmee een samenhangend geheel dat, voor zover het een geheel is, functioneert als het bewustzijn. De gebeurtenis die zich voltrekt is deze, dat de buitenwereld in de vorm van een veelheid (totaal) van trillingen de intensiteit aanneemt van de cel totdat het tenslotte ook een totaaltrilling is geworden en daarmee in principe een nieuwe cel, die zich vervolgens afscheidt van de oude.

Dat aannemen van de intensiteit van de cel is een kwestie van gaan meetrillen met de trillende cel, zodat je zou kunnen zeggen dat de materie (het vastgelegde buitenwereldverschijnsel) met de totaaltrilling van de cel, oftewel het bewustzijn, gaat meetrillen. We hebben nu te doen met wat ik noem het klankbordeffect. Dat is een bekend verschijnsel bij muziek instrumenten, die eigenlijk allemaal gebaseerd zijn op het fenomeen dat materie, in de vorm van hout of metaal, mee gaat trillen met een trillingsbron: het trillende riet bij de hobo, saxofoon of klarinet, de snaar bij de viool of de piano, en dergelijke. Uiteraard in een veel verfijndere vorm, gebeurt datzelfde bij het tot inhoud van de cel worden van de buitenwereld. Daarmee is die buitenwereld een geheel andere werkelijkheid geworden. Ik noem dat een psychische werkelijkheid. Het begrip psyche laat zich moeilijk beschrijven, vooral omdat die werkelijkheid door ons mensen zelfbewust ervaren wordt zodat wij ervan weten en erover kunnen spreken.

Daardoor wordt het moeilijk om je in te denken dat het psychische er ook is als je er niet over kunt spreken, zoals dat bij de cel het geval is. De beste vertaling voor de psyche is gevoel, maar dan moet je er goed op letten dat je dit niet verwart met allerlei gevoelens, zoals die tot ons zelfbewustzijn doordringen. De buitenwereld wordt, als inhoud van de levende cel, door die cel ondergaan als gevoel. De cel voelt als het ware de buitenwereld. Bij de hogere organismen leidt het gelden van het begrip psyche tot de aanwezigheid van zogenaamde zintuigen. Via die zintuigen kan bijvoorbeeld een poes in de regen de buitenwereld als iets ellendigs voelen, d.w.z. ondergaan. Bij die poes is dat zo duidelijk dat wij het zelfs meevoelen, maar bij de voor ons besef lagere levensvormen verdwijnt dat meevoelen geleidelijk. Het doodslaan van een mug vervult ons eerder met vreugde dan dat wij medelijden hebben met die mug. Mooie bloemen snijden wij met het grootste gemak af zonder daarbij te beseffen, zoals bijvoorbeeld de Indianen nog steeds doen, dat je daarmee het leven leed doet. Waarschijnlijk kennen de planten geen pijnervaringen omdat zij daartoe de zintuigen nog niet schijnen te hebben, maar om, zoals die Indianen, de natuur om vergeving te vragen is op zichzelf zo gek nog niet. Het getuigt in ieder geval van een (vaag) besef van het psychische. Hoe dan ook: alles wat leeft voelt de buitenwereld, is psychisch op grond van het tot meetrillen brengen van de tot inhoud gemaakte buitenwereld. Naar verderop in onze gedachtegang zal blijken is het psychische bij de mensen tot een heel belangrijke grootheid uitgegroeid, maar helaas weten de moderne mensen er nauwelijks raad mee. Voor hen betekent psychisch dan ook wezenlijk wat anders, namelijk het complex van gevoelens, dat een geweten inhoud van het zelfbewustzijn blijkt te zijn. Hoewel men sinds Freud van een onbewuste en zelfs wel van een onderbewuste spreekt is de werkelijkheid als psyche nog steeds een vrijwel onbekend gebied.

Psyche, zie vervolgens: ; Psyche-0Psyche ; Psyche/zelfbewustzijn/Totaaltrilling

Naar boven††††††††††††††††††††††††††

No. 49††††††††††††††††††††††††††

Als je bij het organische aangeland bent en dus bij het ontstaan van het leven, krijg je deze situatie dat de levende cel de planeet opeet. Dat opeten is natuurlijk maar een woord, en zelfs een woord dat de situatie enigszins overtrokken aanduidt omdat het over veel meer gaat dan letterlijk opeten alleen. De mensen bijvoorbeeld gebruiken ook allerlei grondstoffen om er producten van te maken die zij nodig menen te hebben. Zij maken het daarbij zelfs zo bont dat er, bijvoorbeeld in het Rapport van de Club van Rome (De grenzen van de groei, 1972), gewaarschuwd moet worden tegen een algehele uitputting van de planeet. Hoewel hier niet in directe zin van opeten gesproken kan worden is het toch wel degelijk zo dat al die grondstoffen tot inhoud van het (menselijk) leven gemaakt worden. Dat is niet alleen zo met grondstoffen. Eigenlijk neemt het leven, en in laatste instantie de mens, alles in zich op. De mens is dan ook te beschouwen als de bezitter van de kosmos en er is niets dat niet zijn bezit is. Het bezitten van iets betekent dat iets je inhoud is. Ook als dat niet in letterlijke zin het geval is (de maan bijvoorbeeld), dan is het toch in abstracte zin een feit, namelijk in de vorm van kennis. Dat is ook een in bezit nemen en als zodanig maak je de wereld en al het andere tot je inhoud. De veel gelaakte bezitsdrang van de mensen berust bijgevolg ook op deze verhoudingen en daaruit kun je concluderen dat die drang helemaal niet negatief is, maar daarentegen juist essentieel. Het laakbare zit dan ook niet daar, maar in de onvolwassen menselijke behoefte om dat bezit voor zichzelf als individu op te eisen. Verreweg de meeste dingen blijven in de praktijk gewoon aanwezig naast de levende verschijnselen van welke zij in principe inhoud zijn. Zeg maar: je kunt niet alles opeten. Maar toch zijn zij, op allerlei manieren, o.a. in de indirecte vorm van kennis, inhoud van het leven, uitlopend in de mens. Nogmaals wijs ik er op dat zich ook hier weer een begrip laat gelden: het aanwezige verschijnsel (de realiteit) wordt tot inhoud gemaakt van het levende wezen. Dat zich laten gelden manifesteert zich, en wel als een concreet proces, een opeenvolging van gebeurtenissen. In dat concrete proces wordt het vastgelegde verschijnsel omgezet tot iets anders, namelijk tot een (stapsgewijze) samenhangende zaak. Hiermee is het verschijnsel gewijzigd in iets dat het vanuit zichzelf en dus ook vanuit zijn eigen ontstaansgeschiedenis niet geworden zou kunnen zijn. Die geschiedenis immers levert een maximaal verdicht materieel verschijnsel op, namelijk de laatste mogelijkheid van het zich combineren van bouwstenen. Verder kan dat proces niet. Maar, bij wijze van spreken, de werkelijkheid zelf gaat wel verder en zet die gecombineerde, niet samenhangende maar wel van relaties doortrokken, verschijnselenwereld Om tot een toch samenhangende. Het is natuurlijk eigenlijk maar een proces dat zich in de kosmos afspeelt, maar toch bestaat het uit twee processen: het anorganische en, daarna, het organische. Het eerste wordt gekenmerkt door het vormen van combinaties die een vastgelegd karakter hebben, en het tweede door het tot stand brengen van samenhangen binnen het geheel van de levende cel. Voor het westerse denken is er alleen-maar een scheiding tussen de anorganische en de organische verschijnselen, de dode en de levende materie. Van daaruit zoekt men naar de grens tussen leven en dood, maar, hoe verder men daarmee komt, hoe meer onduidelijk die grens blijkt te zijn. Daarom neemt men vaak zijn toevlucht tot de mening dat het leven een andere oorzaak zou hebben dan de dode materie. Uit onze gedachtegang echter blijkt dat het leven een wijziging van de gecombineerde materie is, en wel op grond van de verwisselbaarheid. Die wijziging treedt inderdaad plotseling op, maar dat betekent niet dat er een grens (een niets) tussen dode materie en levende aanwezig zou zijn, wel echter dat er een cruciaal moment is en dat je, van het ene moment op het andere, een onderscheiding kunt gaan maken. Vanaf het eerste moment van het leven wordt het wordingsproces geheel anders van karakter. Het gaat nu om de manifestatie van het begrip samenhang. Over deze zaak is nog het een en ander te zeggen. Ten eerste over het grondbegrip, de verhouding waaruit alle volgende mogelijkheden voortgekomen zijn: wij kwamen het begrip samenhang voor het eerst tegen toen wij het aaneengroeien van twee elementaire deeltjes bekeken. Toen bleek dat aan een van de vrije beweeglijkheden (bijv. nummer 5) van deeltje A een nieuw deeltje (B) kon groeien, op een zodanige wijze dat die vrije beweeglijkheid (5) van A tegelijk een vrije beweeglijkheid (bijv. ook nummer 5) van deeltje B is. In die situatie is er een continuŁm ontstaan tussen de verhouding ruimte van A en diezelfde verhouding van B, dus bij beide de met 1-2-3-4 benoemde beweeglijkheden. Die overvloeiende ruimte, met de daarin aanwezige onberekenbare relatie tussen de brandpunten A en B (relatie van de eerste soort), vormt het begrip samenhang. Ik heb daarbij uitvoerig stilgestaan, dus dat is gemakkelijk na te lezen. Wat er thans aan toegevoegd moet worden is dit, dat er geen uitgebreidere continue ruimte - en dus samenhang - denkbaar is dan die van twee elementaire deeltjes. Denk je aan de bouwsteen, dus aan drie aaneengegroeide elementaire deeltjes, dan zie je dat er wel continue ruimte is bij A en B, en ook bij A en C, maar niet bij B en C, omdat die twee niet in elkaars verlengde liggen en dus niet aan elkaar de beweging van brandpunt naar vrije beweeglijkheid kunnen opheffen. Tussen B en C is er bijgevolg geen samenhang. We hebben ook al gezien dat er daarentegen tussen B en C een trilling is en dat het nu juist die trilling is, die, bij maximale verdichting, mee gaat doen in de totaaltrilling. In principe is er dus geen continue samenhang mogelijk buiten twee aaneengegroeide elementaire deeltjes. De thans aanwezige werkelijkheid (realiteit) kent een groot aantal ruimtelijke continuŁms, die in een bepaald verschijnsel wel bij elkaar behoren, maar niet in elkaar overvloeien. Voor deze realiteit is samenhang bijgevolg onmogelijk. Toch komt de realiteit, nadat het leven ingezet is, tot samenhang. Die nieuwe samenhang is er op grond van de verwisselbaarheid en het is, zoals al beschreven, een stapsgewijze samenhang. Deze blijft niet beperkt tot een ruimteverhouding van twee elementaire deeltjes, maar wordt een samenhangen van alle erin betrokken elementen. Alles gaat met alles samenhangen binnen het geheel van het leven op aarde en ook binnen de individuele levensvormen zelf. Waarom het nu gaat is dit, dat de werkelijkheid, bij wijze van spreken, haar eigen onmogelijkheid mogelijk maakt. Natuurlijk is er van geen echte onmogelijkheid sprake, want dan zou het niet hebben kunnen gebeuren, maar toch is het van belang in te zien dat de samenhang vanuit datgene dat er aanvankelijk gebeurt, namelijk het zich combineren van bouwstenen, onmogelijk gerealiseerd kan worden. Als je dat inziet begrijp je meteen het kwetsbare karakter van het leven - er behoeft maar iets te gebeuren en de zaak stort volledig in! De mensen uit oude tijden hebben in zoverre aangevoeld hoe de zaken zitten dat zij beseften dat met de komst van de mens de werkelijkheid terechtgekomen was. Aan de natuur zagen zij een veelheid van dingen en levensvormen die er allemaal ieder voor zich waren en die elkaar voortdurend verdrongen. Bovendien een wereld van willekeur die elke orde miste. Als mens echter was deze wereld met zichzelf verzoend. Talloze oude verhalen getuigen hiervan.

No. 50

denkenken in begrippen-1 ; denken in begrippen-2 ; denken over begrippen ;

Je kunt een viertal manieren onderscheiden waarop het inhoud-zijn van het leven van de voorhanden werkelijkheid zich manifesteert. Steeds vertoont zich, in enigerlei vorm, het in bezit nemen van de voorhanden realiteit. Ten eerste is daar gewoon het door het levende wezen opeten van de materie in allerlei vormen, direct of indirect via andere levende wezens. Ten tweede is er het omzetten door het levende wezen van de voorhanden materie in een voor dat levende wezen dienstbare vorm. Bij de mensen komt dat voor de dag in het vervaardigen van gebruiksvoorwerpen. Dieren maken geen gebruiksvoorwerpen, maar wel veranderen zij hun leefgebied zodanig dat het voor hen optimale levenskansen biedt: de bever die dammen bouwt bijvoorbeeld. Bovendien nemen de meeste dieren - om over de mensen maar te zwijgen - een bepaald territorium in bezit.Ten derde is er het omzetten van de voorhanden werkelijkheid tot kennis. Je kunt zeggen dat het concrete hier tot een abstractie omgevormd wordt. Wij schrijven deze omzetting gewoonlijk uitsluitend aan de mensen toe, maar in feite leren dieren hun omgeving ook kennen, evenwel zonder dat zij daar weet van hebben - hetgeen bij de mensen doorgaans wel het geval is.Ten vierde heb je te maken met het gelden van het bewustzijn, dat zich door het levende wezen laat ervaren als een beeld van de werkelijkheid. Tegenwoordig rekent men dit weten tot het terrein van de intuÔtie en de mystiek en men geeft er een negatieve betekenis aan omdat er op dit terrein, op grond van de geldende normen voor betrouwbare kennis, niets te berekenen en te bewijzen zou zijn. Daarom doet men het laatdunkend af als een geloof. De samenhang in de werkelijkheid zoals wij die besproken hebben komt in het kort hier op neer: aanvankelijk beperkt de samenhang zich tot een verhouding tussen twee elementaire deeltjes. Bijgevolg wordt het samengestelde verschijnsel gekenmerkt door een samenhang die discontinu is, namelijk zoveel maal de samenhang van twee. Deze samenhang is latent. Kenmerk voor het verschijnsel is het gecombineerd zijn, het aan elkaar vastgelegd zijn van de elementaire deeltjes. Aan het einde van het zich combineren treedt de verwisselbaarheid op en daardoor ontstaat, als het leven op is gaan treden, de stapsgewijze samenhang van alles met alles. De eerstgenoemde samenhang is een kwantitatieve (zoveel maal twee) en de tweede is een kwalitatieve (alles met alles). Deze kwalitatieve samenhang is dominant, en dus bepalend inzake het levende verschijnsel. Dit verschijnsel is en blijft wel een kwantitatieve zaak, maar het kenmerk is het domineren van het kwalitatieve. Die dominante verhouding berust dus op de samenhang, maar dat is niet zonder meer de oorspronkelijke discontinue: het is de nieuwe stapsgewijze, die een wijziging is van de oorspronkelijke. De tot binnenwereld, als totaaltrilling, omgezette buitenwereld wordt, na de vervolmaking (vol gemaakt en af gemaakt) van die binnenwereld, gereproduceerd in de vorm van een nieuwe levende cel, de dochtercel. Deze cel echter is wel zelfstandig en dus los van de moedercel, maar zij is tevens niet zonder die moedercel te denken. Zij behoren zogezegd bij elkaar, en wel op grond van het feit dat zij voor elkaar tegelijk buitenwereld en binnenwereld zijn. Het tegelijk gelden van het zelfstandig-zijn en het bij elkaar behoren leidt er toe dat er een nieuwe mogelijkheid ontstaat, namelijk die van het vormen van meercellige organismen, waarbij de cellen naast elkaar komen te liggen. Deze organismen ontstaan uit een moedercel en worden gekenmerkt door het feit dat de generaties dochtercellen niet hun eigen weg gaan maar zich in het geheel van het organisme voegen. Bij dit laatste laat zich gelden dat de moedercel en de dochtercel van oorsprong in elkaar aanwezig zijn. Alles bijeen hebben we dus te doen met een drietal begrippen, namelijk in elkaar, buiten elkaar en naast elkaar en het samenspel van deze drie begrippen is de basis van het evolutie- proces. Dat samenspel is zodanig dat er nooit een van die begrippen vervalt. Bij letterlijk elke organisatie van cellen, hoe omvangrijk en verfijnd ook, zijn steeds die drie begrippen tegelijk geldig. Het is van belang hierop te letten omdat er volgens het gebruikelijke analytische denken maar een begrip tegelijk kan gelden en de andere twee vervallen moeten zijn. In feite echter blijven ze alle drie gelden en alleen dan is het genoemde samenspel te begrijpen. De cellen, die zich met elkaar organiseren, vormen een nieuw geheel. Voor dat geheel geldt op haar beurt ook weer dat de voorhanden werkelijkheid haar inhoud is en die inhoud is aanwezig als het totaal van de erin betrokken, verschillende generaties, dochtercellen. Op die wijze is de buitenwereld weer als inhoud van het geheel, dat het meercellige organisme is, aanwezig. Alle levensvormen komen voor de dag als inhoud van voorgaande levensvormen. Daarbij is steeds de eicel het voortbrengende principe; zij is het die de volgende levensvorm produceert. De daarbij, in het geval van hogere levensvormen, optredende mannelijke zaadcel komt in het hier besproken samenspel van begrippen niet voor, althans niet in directe zin. Hij is slechts een afgeleide en dat resulteert in de praktijk in het opgaan van de mannelijke zaadcel in de vrouwelijke eicel. Hij laat zich gelden als haar inhoud en heeft geen zelfstandige betekenis, ondanks het feit dat hij wel degelijk zijn bijdrage aan het erfelijk materiaal levert. In ieder geval mag uit onze gedachtegang tot nu toe blijken dat alle leven uit een cel voortkomt en zich van daaruit organiseert. Dat betekent dat al die levensorganisaties in principe inhoud van die ene cel zijn en op grond daarvan als een geheel beschouwd moeten worden. In feite blijkt de vorming van hogere levensorganisaties betrekkelijk gemakkelijk uit de voor de oercel geldende begrippen af te leiden te zijn en het centrale begrip voor deze hele zaak is het begrip inhoud. Ingewikkeld is het eigenlijk helemaal niet, maar als je de zaak uit wilt zoeken door de concrete processen na te gaan, dan is er bijna niet uit te komen, vooral omdat je te maken krijgt met het eerder genoemde totaal van trillingen dat bij de geboorte van de oercel aanwezig is.

In hoeverre hebben wij, gevormd als wij zijn door onze cultuur, vertrouwen in het denken in begrippen? Het is immers een denken dat wij vanuit die cultuur nooit geoefend hebben. Doorgaans weten wij niet eens het verschil tussen denken over begrippen en denken in begrippen. Het eerste heeft een grote vlucht genomen; er is bijna geen begrip of er zijn boekenplanken vol over geschreven, uitsluitend met analyses over de geldigheid en de toepassing ervan. Zo zijn er bijvoorbeeld talloze filosofische onderzoekingen over het begrip vrijheid. Maar, met het denken in het begrip vrijheid is het treurig gesteld. Dat wil zeggen dat het begrip vrijheid in het denken zelf nauwelijks een rol speelt, zodat men vaak niet eens bemerkt dat men in zijn denken, ten gevolge van allerlei cultuurprogrammeringen, onvrij is. Dat denken is namelijk geheel aan regels en voorschriften gebonden. Op die onvrije manier kan men, heel systematisch, over alles denken en dus ook over het begrip vrijheid.Maar men denkt niet in vrijheid... De verwaarlozing van het denken in begrippen leidt er toe dat wij geneigd zijn een gedachtegang als die over de vorming van meercellige organismen niet helemaal te vertrouwen, terwijl hij bovendien, door zijn ongrijpbare karakter, al vlug voor zweverig gehouden wordt.

Zie bladwijzers: OERCEL; Lees o.a. nrs. 38 t/m 50 ; ( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel)

denkenken in begrippen-1 ; denken in begrippen-2 ; denken over begrippen ;

No. 51

Alle georganiseerde levensvormen, d.w.z. de levensvormen die uit organisaties van meerdere cellen bestaan, zijn gegroeid uit een enkele cel, de moedercel. Alle tot zo'n levensvorm behorende dochtercellen zijn, direct of indirect, uit die ene moedercel voortgekomen en daarom geldt, begripsmatig gedacht, voor hen dat zij inhoud zijn van de moedercel. Dat brengt met zich mee dat zij, als staande in het teken van dat inhoud-zijn, met elkaar een geheel vormen. Op haar beurt zet ook dat geheel zich weer om tot een dochtercel, die, op een zeker moment zelfstandig geworden, als moedercel van een geheel nieuw levend wezen zal gaan fungeren. Ik heb er al op gewezen dat de bij de hogere levensvormen voor de voortplanting noodzakelijke mannelijke zaadcel slechts een afgeleide betekenis heeft. Wat dit betreft is het leerzaam om de gebruikelijke opvattingen over de verhouding tussen de eicel en de zaadcel eens nader te bekijken. Dan blijkt dat men doorgaans van mening is dat er bij de bevruchting twee cellen met elkaar versmelten zodat het resultaat is dat de bevruchte eicel inhoudelijk uit een soort van vermenging van twee cellen bestaat. Er is dan dus iets bijgekomen, er is een andere inhoud aan de oorspronkelijke inhoud van de eicel toegevoegd. De nu ontstane moedercel zou dus eigenlijk een dubbele inhoud hebben. Waarom het hier gaat is dat men er als vanzelfsprekend van uitgaat dat de bij elkaar komende eicel en zaadcel gelijksoortig zouden zijn en in de nieuwe moedercel een gelijke inbreng zouden hebben. Deze opvatting echter is niet houdbaar. De eicel en de zaadcel zijn onmogelijk als gelijksoortig te denken en er is ook geen sprake van dat er zich iets toevoegt aan de inhoud van de eicel. Dat zou immers niet kunnen omdat de eicel, als verzelfstandigde dochtercel van een georganiseerde levensvorm, noodzakelijk volmaakt moet zijn, d.w.z. zichzelf als totaaltrilling, en dus als geheel, waargemaakt moet hebben. In principe kan zij dan ook op eigen kracht, door het in de vorm van energie opnemen van de buitenwereld, een nieuw organisme vormen, hetgeen in de natuur, bij de zogenaamde ongeslachtelijke voortplanting, veelvuldig voorkomt. De mannelijke zaadcel speelt in het proces van het steeds maar weer vormen en verzelfstandigen van de inhoud van de cel een geheel andere rol. Hij bepaalt namelijk welk complex van mogelijkheden het uitgangspunt zal zijn voor het levende wezen dat op het punt staat tot leven gewekt te worden. Voor de eicel zelf zijn die mogelijkheden onbeperkt (zij is volmaakt); de zaadcel maakt daaruit als het ware een keuze (hij is bepalend) om vervolgens aan het toeval over te laten welk erfelijk patroon gerealiseerd zal worden. Dat patroon zal uiteraard herinneringen oproepen aan zowel het moeder- als het vaderorganisme, maar het is in geen geval samengesteld uit de erfelijke patronen van de oorspronkelijke eicel en zaadcel. Met andere woorden, vertaald naar de mensen: het kind is qua erfelijkheid geen combinatie van moeder en vader, maar vertoont juist een geheel nieuw patroon, met daarin, meer of minder duidelijk, dingen die aan de moeder of de vader herinneren. Essentieel zijn dus niet de ouders, maar essentieel is het volkomen nieuwe. Van uit allerlei sentimenten wil men deze zaak gewoonlijk niet zo bekijken en richt men zijn aandacht op de veronderstelde gelijkenis met moeder en vader, maar logisch denkend kun je tot geen andere conclusie komen dan deze, dat juist het nieuwe essentieel is. Dat nieuwe kan onmogelijk ontstaan als eicel en zaadcel een gelijksoortige bijdrage in de bevruchting leveren. De bijdrage van de eicel is de genoemde volmaakte waarvoor in principe alles mogelijk is, en de bijdrage van de zaadcel is de bepalende die een soort van (toevallige) keuze uit een in principe beperkte hoeveelheid mogelijkheden tot stand brengt. De zaadcel activeert als het ware een bepaald programma dat, op zichzelf, tot een niet te voorspellen uitwerking leidt. In zekere zin beschouwt men de eicel en de zaadcel echter ook weer niet als gelijksoortig, maar in dat geval is het opmerkelijk dat men aan de zaadcel een actieve rol toebedeelt, in tegenstelling tot de eicel, die passief zou zijn. De zaadcellen begeven zich in grote getale naar de eicel toe, de sterkste verdringen zich om de eicel en een daarvan gelukt het om binnen te dringen - dat is het verhaal dat je gewoonlijk opgedist krijgt. Buiten beschouwing wordt gelaten dat het toch het moederlichaam is dat aan die zaadcellen allerlei moeilijkheden in de weg legt en bovenal dat het de eicel is die bepaalt welke van de zich opdringende zaadcellen binnengelaten zal worden. Uiteraard is dat voor westers besef de sterkste! Het hele verhaal is trouwens typisch westers. Alle elementen zijn aanwezig: de sterkste winnen, de eicel laat het allemaal over zich komen, activiteit en passiviteit, enzovoort.

Ook de evolutie zet zich door via de moedercellen, zeg maar de vrouwelijke eicellen. Ik heb er al op gewezen dat voor die cellen geldt dat zij volmaakt zijn, alle mogelijkheden in zich hebben. Dat wil evenwel niet zeggen dat al die mogelijkheden voor de dag komen. Steeds komt het leven voor als een brede stroom die gevarieerd is van minimale tot en met maximale mogelijkheden. Tijdens de evolutie blijven de cellen met de minimale mogelijkheden al spoedig steken terwijl die met de maximale doorgaan naar hogere levensvormen. Maar op elk moment van de evolutie is er een horizontaal gevarieerde veelheid van levensvormen. Is op een bepaald moment het stadium van bijvoorbeeld de vissen bereikt, dan zijn er, naast de primitievere levensvormen die hun eindpunt al bereikt hebben, vissen op hun eindpunt en vissen die nog verder kunnen. Onder deze laatste zijn er ook die de mogelijkheid hebben het absolute eindpunt te bereiken: de mens. Gewoonlijk wordt - en dat is ook typisch westers - de evolutie niet horizontaal gedacht als een in haar geheel opschuivende stroom van levensvormen, maar juist als een piramidaal gebeuren. Een proces dus dat in een hoogste punt uitloopt. Denk maar aan de voorstelling van de levensboom waarbij de mens ergens in de kruin zit. In die gedachtegang blijven voltooide levensvormen tijdens de evolutie ongewijzigd. In feite echter zijn die levensvormen aan voortdurende aanpassingen onderhevig, op grond van het feit dat het evolutieproces van het gehele leven op aarde dan nog bezig is. In het vissenstadium is er onder al die vissen een vis die de belofte inhoudt ooit mens te worden. Maar het is toch nog steeds een vis, zij het een soort die, als je de zaak zou kunnen bekijken, een afwijkend gedrag blijkt te vertonen. Als mens terugkijkend op de evolutie (je kunt niet anders!) moet je constateren dat wij mensen eens aanwezig zijn geweest in primitieve levensvormen. Daarom maakt de zich tot een kindje ontwikkelende vrucht verschillende stadia door waarvan er bijvoorbeeld een als een vissenstadium is te herkennen. Als de mensen er eenmaal zijn is de mensheid eveneens gevarieerd van minimaal begaafd tot en met maximaal begaafd. Zeg maar van debiel tot en met geniaal. En op elk moment van haar ontwikkeling is deze in de breedte, horizontaal, gevarieerde mensheid als zodanig aanwezig en dat geheel schuift langzaam maar zeker op in ontwikkeling. Derhalve waren er in de oertijd ook geniale mensen en ook debiele en de hoofdmoot zat daartussenin, precies zoals dat ook nu nog het geval is. Het enige verschil tussen de geniale oermens en de geniale moderne mens is gelegen in de inhoud van hun zelfbewustzijn. Zeg maar in het kort: de hun ter beschikking staande hoeveelheid kennis. Hun genialiteit echter is precies dezelfde.

No. 52

Na de globale uiteenzetting over het evolutieproces is het zaak om eerst de begrippen zich organiseren en organisatie nader te bekijken. Ik doe dat om te beginnen door de in onze cultuur gebruikelijke ideeŽn over de organisatie te onderzoeken, vooral omdat die ideeŽn, zolang en voor zover die ons niet helder voor de geest staan, ongemerkt een totaal verkeerd begrip van het zich organiseren teweeg brengen. Dat verkeerde begrip leidt ertoe dat je telkens bij het nadenken over de levende werkelijkheid en haar ontwikkeling vastloopt. Een belangrijk punt is namelijk dat je, in zekere zin en tot op zekere hoogte, het zich met elkaar organiseren van de levende cellen moet nagaan op dezelfde wijze als het aaneengroeien van de oorspronkelijke beweeglijkheden. Het volkomen autonome (= niet op iets anders gerichte) gedrag van de beweeglijkheden komt overeen met dat van de cellen, die ook geheel van zichzelf uit tot het zich organiseren komen. Dat is het geval omdat voor die cellen het begrip inhoud geldt, namelijk het inhoud-zijn van de moedercel, waaruit zij allemaal zijn voortgekomen. Dat begrip inhoud geldt echter voor zo'n cel zelf, als het ware van binnenuit. Het geldt niet als een soort van uitwendige macht of kracht, die een cel zou dwingen tot een bepaald gedrag. De cel is dus niet ergens aan onderworpen. Zij volgt uitsluitend haar eigen natuur. Voor die natuur geldt het zich organiseren. De gangbare opvatting over het begrip organisatie wordt door een paar zaken gekenmerkt, zaken die juist tegenwoordig goed waar te nemen zijn omdat onze cultuur in het teken van de allesomvattende organisatie is komen te staan. Men gaat nu Europa organiseren. Iedereen moet in die organisatie ingepast worden, voorzien van een nummer en een daarbij behorend dossier. Zo'n organisatie vertoont twee hoofdkenmerken. Het eerste is dit dat de organisatie een piramidale structuur heeft, in een top uitloopt. Dit is het geval omdat in het eraan ten grondslag liggende denken uitgegaan wordt van de een of andere hogere macht. Tegenwoordig wordt god als zodanig afgewezen, maar de daarvoor in de plaats gekomen hogere principes wijken qua werking niet van god af: zij zijn evenzeer absoluut en dus onaantastbaar. En als zodanig zijn zij de maat voor het bestuur van de organisatie. Daarvoor is er een bestuursmechanisme en dat functioneert eigenlijk van buitenaf, omdat het zich op iets absoluuts beroept, dat op zichzelf boven de organisatie uitgaat. Absoluut is bijvoorbeeld de wetenschap in de vorm van economie, technologie en politicologie, met daar achter liggend de verzwegen vooronderstelling dat de rede en de redelijkheid absoluut maatgevend zijn. Uiteraard is de piramidale organisatie een machtsorganisatie, maar de macht als zodanig staat niet centraal. Hij is er als vanzelfsprekend aan voorondersteld. Toen de macht nog centraal stond ging het om de verdeling van de maatschappij in machtsblokken: de klassen. Men sprak dan ook van een klassenstrijd, een begrip dat in de moderne organisatie inhoudsloos geworden is.

Het tweede kenmerk is dit dat de organisatie een dwingend karakter heeft.

Dit laatste betekent ook dat de hele zaak vooropgezet is, je kunt zeggen: planmatig. Vanaf het moment dat er een plan voor de organisatie gemaakt is moeten alle aan de organisatie deelnemende elementen (de mensen) zich naar dat plan voegen. Is het plan niet helemaal goed, dan wordt het bijgesteld om daarna weer maatgevend te zijn. Alles wat zich niet kan of wil invoegen in het plan wordt als onbruikbaar, niet-deugend en waardeloos terzijde gesteld. Niet alleen echter valt er van alles buiten de organisatie, maar ook binnen de organisatie is er een buitengesloten deel van de werkelijkheid. Getolereerd wordt alleen dat wat bruikbaar, functioneel, is. Mensen kunnen dus maar voor een bepaald gedeelte van hun persoonlijkheid terecht in de organisatie. Een ander gedeelte mag niet meedoen en dat gaat dan gelden alsof het helemaal niet bestaat. Dat betekent dat niemand echt tot zijn recht kan komen, en dat geldt niet alleen voor mensen, maar ook voor dingen. Met als gevolg een onvoorstelbaar grote verwaarlozing van de aarde en verspilling van energie en grondstoffen. Maar anderzijds kent de organisatie een dermate verfijning dat er plaats is voor een grote variatie aan elementen. Kritische mensen bijvoorbeeld worden er graag in opgenomen omdat zij onmisbaar zijn om het plan te verfijnen. Zo zijn de deelnemers aan de revoltes van 1968 intussen allemaal in de organisatie opgenomen, voorzien van goede banen. Zij wilden eigenlijk alleen maar meedoen en daarom lag de nadruk dan ook op datgene dat zij democratisering noemden. Hoewel het begrip anarchisme veelvuldig ter tafel kwam ging het toch om de erkenning ook tot de organisatie te behoren. Vroeger stelde een aantal politieke partijen zich buiten de toenmalige organisatie op omdat zij vonden dat die maatschappelijke organisatie als zodanig niet deugde. Vanuit dit gezichtspunt deed men ongewoon radicale en vaak zeer juiste uitspraken. Maar thans zijn ook die partijen in de organisatie opgenomen, met als gevolg dat hun opvattingen letterlijk binnen de perken blijven en nauwelijks meer verschillen van die van de andere partijen. Kritiek wordt dus geaccepteerd, mits die binnen het organisatorische kader blijft en dus ook het dwingende karakter ervan erkent. Aan het vooropgezette, planmatige, karakter van de organisatie is nog het volgende te bedenken: het plan wordt opgesteld op grond van kennis die niet verder gaat dan op dat moment mogelijk is. Maar het praktische functioneren moet nog beginnen, ligt nog in de toekomst. Het plan is dus al bij voorbaat achterhaald. Dat wordt nog versterkt door het feit dat in de praktijk niemand in staat is de meest vergevorderde kennis te gebruiken en dus terugvalt op datgene dat hij geruime tijd geleden geleerd heeft. Niet alleen echter is de kennis beperkt.

Zij is ook nog gebaseerd op een bepaalde wijze van denken zoals die op een bepaald moment in zwang is, of die bepaald is door de opvattingen van de voor het verwerven van die kennis gekozen leermeesters. Als het gaat over het zich organiseren van de levende werkelijkheid zijn alle hierboven genoemde aspecten van het begrip organisatie niet van toepassing. Het zich organiseren leidt niet tot een piramidaal systeem, uitlopende in een machtige top die de zaak vanuit van buiten komende normen en waarden bestuurt, er ligt geen vooropgezet plan aan ten grondslag en er is geen dwang. De levende cellen kunnen zich alleen maar dan organiseren als zij niet voor een gedeelte, maar naar hun volledige identiteit kunnen gelden. Het volledig zichzelf-zijn is voorwaarde. Als daaraan voldaan is kan de zaak niet in een top culmineren en dit houdt onmiddellijk in dat de gangbare gedachte dat bijvoorbeeld de geest of de hersenen volgens eigen normen het lichaam zouden besturen een Onhoudbare is. Geen enkele cel is ondergeschikt aan en beperkt door een andere cel. Steeds is er een horizontale wisselwerking. Dat sluit niet uit dat er tijdens de evolutie organen ontstaan die een coŲrdinerende functie hebben, maar dat is natuurlijk heel wat anders dan een dwingende bestuursfunctie, waaraan speciale uitwendige normen ten grondslag liggen. We moeten het zich organiseren dus heel anders denken dan wij gewend zijn. Het gaat niet uit van een top die de elementen dwingt zich aan te passen, maar het gaat uit van die elementen (de cellen) zelf. Hoewel dat allemaal beantwoordt aan de wetten van de noodzakelijkheid is er geen vooropgezet plan dat uitgevoerd wordt.

No. 53

Hersencel -1 ; Hersencel -2 ; Hersencel -3

Voor de filosofie is het betrekkelijk eenvoudig om uiteen te zetten hoe bepaalde cultuurverschijnselen ontstaan zijn en welk denken eraan ten grondslag ligt. Maar het is echt moeilijk om te beschrijven hoe de zaak eigenlijk zit, omdat je gedwongen bent dat te doen met behulp van woorden, begrippen en gedachtegangen die behoren bij de cultuurfase waarin je zelf opgenomen bent. Als je die woorden, begrippen en gedachtegangen niet zou gebruiken zou niemand je verstaan. Sommige filosofen hebben gemeend dit probleem op te kunnen lossen door een eigen vaktaal te bezigen, maar dat lost wezenlijk niets op omdat het ontwerpen van zo'n vaktaal toch ook weer gebaseerd is op gangbare gedachtegangen. De beste methode is deze, dat je als filosoof probeert in een zo eenvoudig mogelijke taal te spreken en daarbij steeds vanuit een andere optiek je thema opnieuw te beschrijven. Zo moeten wij nu helderheid verkrijgen omtrent het zich organiseren terwijl wij gebonden zijn aan woorden, begrippen en gedachtegangen die bij de huidige cultuurfase behoren en die dus bevangen zijn in het gebruikelijke denken over de organisatie. We moeten het doen met het verkeerde gereedschap. Daar komt nog bij dat de gehele filosofische voorstelling berust op een werkelijkheid waarover in de grond van de zaak niets te zeggen valt: de beweeglijkheden onttrekken zich aan iedere bepaling en dus ook aan iedere kwalificatie. Juist met datgene waarover niets te zeggen valt moet je filosofisch aan het werk, volstrekt in strijd met datgene dat bijvoorbeeld Ludwig Wittgenstein (1889 - 1951) en de zijnen voorstonden. Zij waren van mening dat je er in zo'n geval het zwijgen moest toedoen en je werkzaamheid noodgedwongen had te beperken tot een analyse van de taal. Dat standpunt heeft de filosofie geen goed gedaan...

Het zich organiseren betekent in onze cultuur automatisch dat er een instantie in het leven geroepen moet worden en dat de betrokkenen zich daaraan moeten onderwerpen en er in opgaan. Een dergelijke instantie heeft een top die leiding aan de zaak geeft en die het recht en de macht heeft zijn maatregelen naar beneden toe af te dwingen. Het door mij bedoelde zich organiseren echter kan niet in een top uitlopen. Je moet de zaak horizontaal denken. Dat komt doordat de cellen zich niet moeten aanpassen in de zin van een gedeelte van hun identiteit prijsgeven, maar juist doordat zij hun volle zichzelf-zijn, oftewel identiteit, volkomen onbelemmerd inzetten. Zij laten dus gelden dat zij de gehele werkelijkheid, op de wijze van een totaaltrilling, tot inhoud hebben. Geen enkele cel kan daar beneden blijven (dan vervalt het levend-zijn), maar ook niet daar bovenuit gaan (er is niet meer dan de gehele werkelijkheid). Bovendien: wanneer wij aannemen dat een cel van buitenaf, door de organisatie waarvan zij deel moet gaan uitmaken, gedwongen wordt anders te zijn dan zij is, is er blijkbaar toch een buitenwereld die niet tegelijk binnenwereld is. Dat is in strijd met onze eerdere constatering dat de gehele buitenwereld (de werkelijkheid) inhoud is van de levende cel. Elke dwang van buitenaf is dus uitgesloten, omdat het begrip van buitenaf op zichzelf niet op de cel van toepassing is. Als je je dit goed indenkt begrijp je dat een piramidale, dwangmatige, organisatie Onmogelijk is als het over het leven gaat. We zullen nog zien dat dit ook voor de mensheid grote consequenties heeft. Intussen zal uit het voorgaande duidelijk zijn dat alle levende cellen dezelfde identiteit hebben, zeg maar: eender zijn. In die identiteit ligt besloten dat zij zich met elkaar gaan organiseren. De organisatie die dan ontstaat komt dus mee aan de cellen zelf; de cellen komen niet aan de organisatie mee, zoals het gebruikelijke denken wil. Dit basisinzicht moeten wij onder alle omstandigheden vasthouden, vooral nu er toch verschillen tussen de cellen te voorschijn komen, en wel op grond van het begrip functie In de zelforganisatie gaan de cellen langzaam maar zeker bepaalde functies uitoefenen en, mogelijk gemaakt door het al eerder genoemde evolutionaire aanpassingsproces, zich specialiseren in die functies. In het gebruikelijke denken houdt het uitoefenen van een functie in dat je een bepaald gedeelte van je vermogens aanwendt ten behoeve van het een of andere doel. Die nuttige vermogens heb je daartoe, doormiddel van oefeningen, tot zo groot mogelijke kundigheden omgezet. En dat alles tegelijk met het prijsgeven van andere vermogens die voor het gestelde doel van geen nut zijn. Maar als het gaat over de levende cel is er geen sprake van het prijsgeven van vermogens en het ontwikkelen van andere vermogens. Het zich specialiseren in een bepaalde functie houdt in dat het gehele organisme van de cel zich toespitst op een bepaalde taak. Precies zoals de echte kunstenaar zijn gehele wezen, met alle daartoe behorende aspecten, richt op zijn kunst. Een levercel bijvoorbeeld is, beschouwd vanuit het complex van begrippen dat voor de cel geldt, geen andere cel dan de hersencel, maar als je beide beschouwt in het licht van hun functie, dan vertonen zij wel verschillen. Die verschillen zijn aanpassingsverschillen; zij berusten dus op de verhouding tussen binnen- en buitenwereld. In het geval van zelforganisatie geldt die buitenwereld het organisatiesysteem waaraan een bepaalde cel deelneemt. Nogmaals wijs ik er op dat er bij het zich organiseren van cellen geen sprake is van zelfstandige, hier en daar aanwezige, cellen die bij elkaar komen, zoals materiŽle bouwstenen dat doen bij het vormen van combinaties. Het zich organiseren berust op het niet uit elkaar gaan van moeder- en dochtercellen, te beginnen met een moedercel, bijvoorbeeld de vrouwelijke eicel. Er is dus sprake van een (betrekkelijk) langzame, stapsgewijze opbouw van het organisme. De aanpassing aan de functie gebeurt dan ook geleidelijk tijdens het groeien van het betreffende levende wezen. Om te beginnen is een nieuwgeboren cel gewoon een cel als alle andere, maar tijdens de verdere uitgroei van het gehele organisme vindt de aanpassing plaats. Het is dus fout om te denken dat er een vooropgezette bedoeling zou bestaan, zo dat een cel aanvankelijk meteen al als bijvoorbeeld een levercel ontstaat. Natuurlijk is het wel zo dat een aangepaste cel de informatie voor die aanpassing doorgeeft aan haar dochtercellen, maar dan zijn we al een stuk verder op de weg van de groei van een organisme. Wij moeten steeds voor ogen houden dat het hele verschijnsel van de evolutie, voor zover het het leven op aarde in haar algemeenheid betreft en voor zover het gaat over de groei van individueel leven, bijvoorbeeld een kind in de moederschoot, ten nauwste samenhangt met de zich ontwikkelende werkelijkheid als buitenwereld, die inhoud is van de cel. Zoals ik al eerder uiteengezet heb intensiveert zich de totaaltrilling en dat maakt begrijpelijk dat er steeds meer mogelijkheden verwerkelijkt worden, in feite als almaar meer functies. Als de functie van levercel voor de dag is gekomen is vanaf dat moment die functie een vanzelfsprekende inhoud van volgende generaties dochtercellen. Ik ben nog steeds bezig de werkelijkheid als levend wezen te beschrijven doormiddel van (filosofische) begrippen. Hoewel dat stellig enigszins moeilijk te volgen is, vanwege het ongewone en ongrijpbare karakter ervan, is het toch zinvol, vooral om de andere denkweg, namelijk die van de gebeurtenissen, beter te bevatten. In de filosofie zijn beide denkwegen onlosmakelijk met elkaar verbonden: er gebeurt iets met de trillende materie en tegelijk ontstaan er, om zo te zeggen, begrippen.

No. 54

Hersencel -1 ; Hersencel -2 ; Hersencel -3 ; geest-1 ; geest-2 ; geest-3 ; geest-4 ;

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; vervreemding-1 ; vervreemding-2

Bij het zich, tijdens de evolutie, organiseren van de cellen tot meercellige, zogenaamd hogere, organismen gaat er een nieuw begrip een rol spelen: het begrip functie. De identiteit van een zelfstandige cel verandert in zoverre dat in toenemende mate het karakter ervan bepaald wordt door het geheel van het organisme waarbinnen die cel een functie vervult. Dat bepalen van het functionele karakter geschiedt echter niet via een soort van dwangsysteem, dat door het organisme gebruikt wordt om de cel te dwingen zich gehoorzaam te onderwerpen (dit berust op een westerse denkwijze!), maar het berust daarentegen op een vermogen van de cel zelf. Ik heb hier al op gewezen bij het bespreken van het begrip zich organiseren. Het gelden van het begrip functie komt steeds meer in de praktijk van de evolutie voor de dag om tenslotte, bij de hogere dieren en zeker bij de mens, uit te lopen in een uitermate verfijnde organisatie, namelijk het brein. Bij de mens is dan bovendien het brein aan zijn uiterste mogelijkheid van innigheid gekomen. Dat leidt ertoe dat het zich gaat gedragen alsof het helemaal geen uit de wording en de evolutie voortgekomen verschijnsel is, maar daarentegen de oorspronkelijke werkelijkheid: de werkelijkheid als louter beweeglijkheden. Eenvoudig kun je dat beschrijven als de materie die zich, aan haar uiterste grens gekomen, gedraagt alsof ze geen materie was....

De materie als geen materie kennen wij als onze geest. Hoewel het aan bijna niemand gelukt is over die geest zinnige uitspraken te doen, is het toch wel sinds mensenheugenis opgevallen dat het zogenaamd geestelijke iets onstoffelijks, ongrijpbaars, helders, vluchtigs en beweeglijks is. En ook is te constateren dat de mensen in alle tijden voorstellingen hebben gehad van een onstoffelijke werkelijkheid die zij als hoger hebben ervaren en die zij als goddelijk waardeerden. Er is in feite niets hogers en niets goddelijkst, maar het bestaan van een (vaag) besef dat er voor de mens een niet-materiele verhouding geldig is, valt niet te ontkennen. Voor die niet- materiele verhouding is ook van kracht datgene dat men altijd het eeuwige genoemd heeft, niet in deze (westerse) zin dat de tijd almaar doorgaat en nooit ophoudt, maar in de (klassieke) zin van een werkelijkheid waarvoor de tijd helemaal niet geldt. Om het tijdloze karakter van de materie als niet-materie goed te begrijpen ga ik nog weer eens even terug naar het begin van de wording, zoals dat denkend te begrijpen is. Je denkt je dan de beweeglijkheden, vervolgens het onvermijdelijk toevallige ten opzichte van elkaar stilstaan, dan het zich vormen van de verhoudingen lijn, vlak, ruimte en brandpunt en daarna het aaneengroeien van twee en drie elementaire deeltjes tot een zich verplaatsende trillende bouwsteen van het verschijnsel. Pas bij het zich verplaatsen van de bouwsteen treden de begrippen tijd en tijdsverloop op. Alle verhoudingen die voor de uit drie elementaire deeltjes bestaande bouwsteen liggen zijn zonder het begrip tijd en behoren dus tot het eeuwige heelal dat zich op geen enkele manier natuurkundig meten laat, juist omdat de dimensie tijd ontbreekt. De uit de natuurkunde bekende vierde dimensie, namelijk die van de tijd, is een wijziging van een ruimtedimensie. Die wijziging treedt pas dan op als het zich verplaatsen (van de bouwsteen) inzet. Dat verplaatsen gaat vergezeld van het instorten van het systeem van de bouwsteen en dus ook van het vervallen van de ruimtedimensies. Over blijft de tijddimensie. Daarom moeten natuurkundigen afwisselend met tijd- en ruimtedimensies werken. Om allerlei berekeningen te kunnen maken nemen zij soms hun toevlucht tot een groot aantal dimensies, maar steeds weer blijkt dat het er uiteindelijk maar vier zijn, eenvoudig gesteld: lengte, breedte, hoogte en tijd. Dit laatste is voor ons interessant omdat je, bij het nagaan van de mogelijke verhoudingen, noodzakelijk op vier ruimtedimensies uitkomt, waarvan er inderdaad een zich wijzigt in een tijddimensie.

Je hebt het uit acht beweeglijkheden gevormde elementaire deeltje. Dat heeft in vier richtingen een beweeglijk-zijn ten opzichte van de ruimte, in ons bolletjes-model duidelijk gemaakt door de richtingen van de vrije beweeglijkheden 5,6,7 en 8 naar het brandpunt. Die vier richtingen bepalen het brandpunt volledig. Je kunt dat aanschouwelijk maken en de juistheid ervan testen door aan een voorwerp een viertal touwtjes vast te maken. Alleen als je die touwtjes in de bij het bolletjes-model voorkomende richtingen spant is het voorwerp volkomen vastgelegd. Span je ze in andere richtingen of laat je een of meer van de touwtjes vervallen lukt het niet alle mogelijkheden tot bewegen uit te sluiten. Dus: bepaling van een punt in de ruimte vereist vier dimensies in zeer bepaalde richtingen ten opzichte van elkaar. Een opmerking: het bepaald-zijn van een punt in de ruimte betekent niet dat wij aan zouden kunnen wijzen waar dat punt zich bevindt; in de oneindige ruimte is elk punt middelpunt. Juist dat middelpunt echter is in vier dimensies bepaald. Wanneer twee elementaire deeltjes, A en B, aaneengroeien vervalt er een dimensie, laten we zeggen die van de vrije beweeglijkheid 5 van beide deeltjes. Er blijven dan drie dimensies over. Het gaat er niet om dat dit voor elk van de deeltjes geldt zodat je per ongeluk zou kunnen denken dat het er zes zijn. Geldig is dat er drie dimensies zijn, ongeacht de vraag hoe vaak die voorkomen. De beweeglijkheid 5 van beide deeltjes is opgenomen in de continue ruimte, gevormd door de brandpunten A en B. Hij is daar de grondslag voor de samenhang. Als zodanig geldt hij niet meer als beweging ten opzichte van de ruimte maar juist als geen beweging ten opzichte van beide brandpunten. Bij twee aaneengegroeide elementaire deeltjes hebben wij dus te doen met drie ruimtedimensies, geen tijddimensie maar wel samenhang. Hebben we drie aaneengegroeide deeltjes, vormende de bouwsteen van het verschijnsel, dan vinden we uiteraard weer drie ruimtedimensies, maar ook, bij het centrale deeltje A, twee vrije beweeglijkheden die als ruimtedimensies gelden. Via een van deze beweeglijkheden speelt zich het zich verplaatsen af en dan begint ook de tijd zijn rol te spelen. Lange tijd is dat een betrekkelijk ondergeschikte rol omdat het zich verplaatsen van de bouwsteen in de materiele combinatie (het anorganische ding) latent is. Maar als de levende cel voor de dag gekomen is vervalt het latente karakter van het zich verplaatsen om plaats te maken voor een voortdurende verplaatsing. Daarmee wordt de tijd belangrijk. Het leven is onvermijdelijk gebonden aan een tijdsduur en het speelt zich af op momenten nu die altijd weer net voorbij zijn. De moderne mens is veel meer vertrouwd met de opeenvolging van de momenten nu dan de mens uit het verleden. Deze laatste stond in het teken van een bepaalde tijdsduur: de seizoenen, de dag en de nacht, het verloop van de hemellichamen, enzovoort. De moderne mens echter kijkt op zijn horloge en is inmiddels al zover gevorderd dat hij de secondewijzer van zijn horloge niet meer kan missen. De tijd is voor hem in hoge mate abstract geworden. Dit leidt enerzijds tot een vervreemding van het leven, dat immers niet zonder de tijd denkbaar is, maar anderzijds tot een helderder bewustzijn wat betreft het vluchtige karakter van de tijd. Helaas vertaalt de moderne mens dit laatste echter in termen van de economie en vindt dan dat tijd geld kost en dat er daarom geen minuut verloren mag gaan! Verloren tijd is tijd die niet economisch nuttig besteed is...

geest-1 ; geest-2 ; geest-3 ; geest-4 ; vervreemding-1 ; vervreemding-2

No. 55

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; ††††††††††††††††††††††††††††

Om het voor de geest halen van de werkelijkheid als beweeglijkheden te vergemakkelijken heb ik aangeraden een model te maken van een aantal bolletjes. Daarbij drukken die regelmatige en allemaal even grote bolletjes uit dat we te doen hebben met ietsen die beweeglijk zijn en volkomen Onbepaald. Dat laatste wordt juist door het feit dat het regelmatige bolletjes zijn uitgedrukt: het beweeglijk-zijn van de ietsen laat zich, om zo te zeggen naar alle kanten op gelijke wijze gelden. Vanuit welk standpunt je een bolletje bekijkt, steeds word je met dezelfde situatie geconfronteerd. Ons bolletje is dus een voorstelling van iets anders, iets dat onmogelijk nader te onderzoeken is omdat het aan geen enkele van onze definities voldoet. Toch verbiedt de logica niet om je af te vragen wat een dergelijk mysterieus iets nu eigenlijk is. Vervelend is alleen dat je dan voor een onoplosbaar probleem komt te staan! De onoplosbaarheid van het probleem ligt in het gegeven dat je iets wilt weten over een werkelijkheid die volkomen onbepaald is en die bijgevolg geen enkele van je vragen beantwoordt. Zodra je dat ontdekt hebt ben je geneigd je er niet verder in te verdiepen omdat je toch geen antwoord krijgt. Maar nu ben je het slachtoffer geworden van je eigen wijze van denken! Volgens die denkwijze (de westers wetenschappelijke) houdt nu alles op...

In feite echter is het probleem helemaal niet onoplosbaar. Het is slechts onoplosbaar binnen het kader van een bepaalde, bij ons allemaal ingeprente, wijze van denken! Die heeft evenwel uitsluitend betrekking op de werkelijkheid als combinatie van bouwstenen, dus de wereld der verschijnselen. Dat ontdek je als je door de conditionering van je denken heen breekt: je ziet dan in dat je wel degelijk de ietsen getypeerd hebt. Je hebt ze namelijk als Onbepaald, als Ondefinieerbaar, herkend. En dat is nu precies je basisgegeven om op voort te denken. De uitspraak de ietsen zijn onbepaald is geen negatieve kwalificatie maar een positieve, die bovendien op geen enkele wijze in twijfel getrokken kan worden. Het is een absolute zekerheid. Deze absolute zekerheid echter is een heel eigenaardige omdat hij betrekking heeft op een werkelijkheid die niet in definities en formules uit te drukken is. Zij is slechts doormiddel van steeds meer verfijnde beschrijvingen te benaderen. Het feit dat je niet meer kunt doen dan dat houdt echter geen diskwalificatie van de filosofie in omdat je onveranderlijk bezig bent een beschrijving te geven van een absolute zekerheid. Dat is de essentie van de zaak. De geschiedenis van de filosofie begint, in tegenstelling tot wat lange tijd aangenomen werd, al lang voordat de eerste Griekse natuurfilosofen (Thales, Anaximander, Herakleitos) optraden. Bovendien speelde het filosoferen zich niet uitsluitend af in de traditionele cultuurgebieden, maar ook op het Amerikaanse en het Afrikaanse continent. Helaas is er over deze laatste twee gebieden weinig bekend. Als je die geschiedenis van de filosofie probeert te overzien, en je doet dat niet op analytische wijze door een soort van catalogus van filosofische uitspraken samen te stellen, maar op samenvattende wijze door te trachten inzicht in de denkwereld van vroeger te krijgen, dan bemerk je dat de filosofen steeds bezig zijn geweest een beschrijving van de werkelijkheid te geven die het ondefinieerbare zo dicht mogelijk benaderde. Een zelfde overzicht over de geschiedenis van de kunst leidt tot een overeenkomstige conclusie: de kunstenaars zijn in hun historisch opeenvolging en in de opeenvolging van hun eigen werken almaar doende geweest het ondefinieerbare gestalte te geven.

Dat kan de hedendaagse kunstminnaar enigszins onwaarschijnlijk voorkomen omdat hij er aan gewend is dat de moderne kunstenaars een intellectuele instelling hebben en ten gevolge daarvan hun werk op een redenering baseren. Het moderne kunstwerk behoeft dan ook een intellectuele verklaring, een toelichting, anders is de betekenis ervan niet te verstaan. Vroegere kunstwerken daarentegen lieten zich geheel van zichzelf uit verstaan door diegenen die zich enigermate met de werkelijkheid van de kunst vertrouwd gemaakt hadden door steeds maar weer te kijken, te luisteren enzovoort. Eenmaal ermee vertrouwd is er van daaruit natuurlijk wel allerlei over het kunstwerk te zeggen. Maar bij de moderne kunsten moet er eerst uitleg gegeven worden. Een redenering echter is logisch het tegengestelde van iets dat ondefinieerbaar is. De kunst kan niet op een redenering gebaseerd zijn, evenmin trouwens als de filosofie, die zich overigens in haar beschrijving wel van redeneringen bedient, maar in haar werkzaamheid als filosoferen benaderend te werk gaat. Ook in de filosofie moet eerst de betekenis worden verstaan opdat daarna de redenering, als benadering van het ondefinieerbare, begrepen kan worden. Kunst en filosofie zijn geen statische aangelegenheid juist omdat het noodzakelijk almaar over benaderen gaat. Er valt niets voor eens en voor altijd vast te leggen. Integendeel: steeds opnieuw wordt het absoluut zekere benaderd en als het goed is steeds helderder. Je hebt dus te doen met een dynamische werkzaamheid, met processen. De vraag waaruit de werkelijkheid bestaat is, zij het na verloop van nogal wat denkwerk, betrekkelijk gemakkelijk te beantwoorden: zij bestaat uit elementaire bouwstenen die tegelijk als dingen (brandpunten) en als trillingen voor de dag komen. Zoals we gezien hebben is zo'n bouwsteen een complex van verhoudingen dat een drietal elementaire deeltjes bevat, terwijl die deeltjes op hun beurt acht verhoudingen van beweeglijkheden behelzen. Dat is dus het filosofische verhaal, maar je hebt ook nog het natuurkundige dat handelt over het immer voortgaande praktische onderzoek van de concrete materie. In de natuurkunde, en in de wetenschap in het algemeen, is het overtuigende beginsel gelegen in het bewijzen van een bewering, in het aantonen dat het klopt wat je beweerd hebt. Om te kunnen overtuigen moet je dus iets in handen hebben en dat moet dan ook nog iets zijn dat je aan een ander kunt laten zien. Dat betekent dat je met een verschijnsel op de proppen moet komen. Dat echter houdt in dat je onmogelijk verder terug kunt gaan dan tot de grens van het verschijnsel, te weten de elementaire bouwsteen in zijn wisselwerking met andere bouwstenen, op grond van het zich in beweging zetten Alle primaire verhoudingen tussen de beweeglijke ietsen, dus de verhoudingen tot en met de drieledige bouwsteen zelf, vallen buiten het terrein van de te bewijzen en aan te tonen zaken. Daarmee zijn zij voor wetenschappelijk besef onbruikbaar geworden, en voor hedendaags wetenschappelijk besef zelfs speculatief en metafysisch, ja zelfs een kwestie van geloof en dus onzinnig. Voor iemand die de filosofie begrijpt en weet wat het zeggen wil het ondefinieerbare te beschrijven is het een contradictio in terminis, een tegenspraak in de begrippen, om inzake filosofische uitspraken bewijzen te verlangen en als norm voor de waarheid te stellen dat iets aangetoond zou moeten worden. Net als in de kunst valt er in de filosofie niets te bewijzen en aan te tonen. Je kunt niet bewijzen dat de laatste strijkkwartetten van Beethoven mooi zijn, of de portretten van Hendrikje Stoffels die Rembrandt geschilderd heeft. Net zomin kun je bewijzen dat de werkelijkheid als verschijnsel een verhoudingenspel van beweeglijkheden is. Maar: je kunt er wel over denken en dat net zo lang en net zo grondig tot er nergens meer een breekpunt in de gedachtegang zit.

No. 56

Bij het filosoferen over de structuur van de werkelijkheid kun je niet anders dan uitgaan van het samengestelde, dat je als een verzameling concrete verschijnselen om je heen aantreft. Je gaat dus uit van een werkelijkheid die, op grond van het samengesteld zijn, allerlei kenmerken draagt. Die kenmerken zijn gebaseerd op verschillen, die uiteraard slechts daar voor kunnen komen waar samenstellingen zijn. Enkelvoudige zaken kunnen geen verschillen vertonen. Als je nu de structuur van de werkelijkheid gaat ontrafelen, van achter naar voren, kom je op een gegeven moment bij een punt uit (onze bouwsteen) waarvoor geldt dat het niet verder te ontleden is. Bij dat punt vervallen de kenmerken. Maar: het feit dat die bouwsteen niet te ontleden is betekent niet dat er niet verder over nagedacht kan worden! Wetenschappelijk (analytisch) kun je inderdaad niet verder terug gaan omdat je niets meer in handen hebt, maar logisch denkend kan dat wel degelijk en dan blijkt dat die bouwsteen een systeem van verhoudingen van beweeglijkheden is. Dat systeem bevat drie sub-systemen, namelijk drie elementaire deeltjes, gevormd uit acht verhoudingen van beweeglijkheid. Om voorbij het punt te komen waar de wetenschap voor een onoplosbaar probleem staat (het enkelvoudige) moet je je eigen, cultureel bepaalde, denken aan een onderzoek onderwerpen. Dan blijkt dat je moet leren in verhoudingen te denken en niet alleen-maar in kenmerken oftewel bepaaldheden. De eerste verhouding die je dan moet begrijpen is de verhouding die ik uitgedrukt heb met de term beweeglijkheid. Wij zijn gewend dat als de uitdrukking van een kenmerk te beschouwen, in de trant van iets dat in beweging is, in tegenstelling tot iets anders dat niet in beweging is. Het gaat hier echter niet om een, op een vergelijking met iets anders berustend, kenmerk, maar om een toestand die voor de oorspronkelijke ietsen geldt. Als ik zeg dat de oorspronkelijke ietsen beweeglijkheden zijn, dan zeg ik eigenlijk dat ik met onbepaaldheden van doen heb. Ze zitten nergens aan vast en zijn nergens mee te vergelijken. Om hierover met succes na te kunnen denken moet je je denken in zekere zin veranderen. Met het gebruikelijke analytische denken kom je er niet uit. Dat denken beweegt zich voort langs causale verbanden waarin het bestaan van het een bepaald wordt door het bestaan van het ander. Over en weer bepalen de dingen elkaars wijze van bestaan. Zodra het laatste aan elkaar bepaald zijn verbroken is slaat dat denken af omdat er nu niets meer overgebleven is. De werkelijkheid is in niets opgelost. Omdat dit het geval is kom je, analytisch denkend, niet op het idee dat er toch wel degelijk verder doorgedacht kan worden als je er kans toe ziet in andere begrippen te gaan denken.

De situatie dat het bestaan van het ene ding bepaald wordt door het bestaan van het andere ding hebben wij al eerder leren kennen namelijk toen wij de relatie van de tweede soort ontdekten. Die relatie bleek op te treden bij het zich met elkaar combineren van bouwstenen. Daarbij neutraliseert een beweging van de ene bouwsteen een beweging van de andere bouwsteen. Op die manier bepalen zij elkaars bestaan. In het analytische denken komen die bepalingen voor de dag en die worden uitgedrukt in formules, die zowel bewegingen als niet-bewegingen vastleggen. Het feit dat die formules telkens weer veranderen omdat zij bij voortgaand onderzoek niet (helemaal) juist blijken te zijn, doet hieraan niets af: analytisch denkend leveren wij een steeds beter in formules vastgelegde wereld op, gebaseerd op de relaties tussen de zich met elkaar combinerende bouwstenen. Die wereld is een beperkte wereld omdat je niet buiten de kaders van de formules kunt gaan zonder van fantasie, speculatie of metafysica beschuldigd te worden. We zitten dus met de vraag of je niet op een andere manier over de werkelijkheid kunt nadenken, zo dat je beginnen kunt waar het werkelijk begint, namelijk bij de beweeglijkheden. Het antwoord op die vraag is natuurlijk ja: we hebben het immers al die tijd al gedaan! We hebben de verschijnselenwereld, zij het nog enigszins grof, uitsluitend vanuit de primaire verhoudingen van de beweeglijkheden bekeken. Zo kwamen we bij het ontstaan van het leven en vonden een aantal begrippen die daarvoor geldig zijn. Als je vanuit de primaire verhoudingen denkt blijft de hele zaak beweeglijk en laat zich niet in formules vastleggen. Dat betekent onder andere dat ook de zogenaamde, op verschillen berustende, kenmerken in het teken van de beweeglijkheid komen te staan en dus gerelativeerd worden, geen vaststaand karakter meer hebben. Het niet meer vaststaan van de kenmerken houdt ook in dat de waarden, die wij aan de verschillende dingen toekennen, niet meer vaststaan en dat leidt er vervolgens toe dat je kunt concluderen dat er eigenlijk helemaal geen waarden kunnen bestaan. Een denken dat deze conclusie incalculeert en tot zijn recht laat komen is een nihilistisch denken. Voor zover het begrip nihilisme ook inhoudt dat het bestaande, het samengestelde, vernietigd is zodra je in het analytische denken teruggegaan bent tot het punt waarop alles verdwijnt (= tot de bouwsteen), blijkt je filosofische denken eveneens nihilistisch te zijn. In dat denken blijft zoals gezegd, alles beweeglijk. Aanvankelijk weet je dan niet welke kant je uit moet gaan als je tot inzicht in de werkelijkheid wilt komen, totdat je ontdekt dat je letterlijk elke kant uit kunt. Dat komt doordat in de werkelijkheid alles met alles samenhangt.

Het filosofische nadenken over de werkelijkheid is gebaseerd op het inzicht dat de werkelijkheid een spel van verhoudingen is, verhoudingen die wel een vast karakter kunnen hebben, bijvoorbeeld 2:3, maar geen vaste inhoud, bijvoorbeeld 4:6, 8:12, enzovoort. Het beweeglijke is dus bewaard in die Onbepaalde inhoud. Allicht, want dat zijn nu precies de beweeglijkheden! Het denken in termen van een spel van verhoudingen sluit het analytische denken niet uit alsof het een foutief denken zou zijn. Je hoort tegenwoordig nogal eens beweren dat we van het analytische denken af zouden moeten komen. Dat is onzin! Zonder de analyse zouden we niets tot stand kunnen brengen. Waarom het gaat is dat we de analyse leren zien zoals ze werkelijk is: een specifieke denkwijze om het verschijnsel (en uitsluitend dat) te onderzoeken. Alles overziend kom je op twee wijzen van denken uit. Ten eerste het wetenschappelijke analytische denken dat zich beweegt op het terrein van de relaties van de tweede soort, dus de relaties die de scheiding van het absolute niets overbruggen zoals die voorkomen in de werkelijkheid als combinatie van bouwstenen: de werkelijkheid als verschijnsel. Ten tweede is daar het samenvattende denken oftewel het filosofische denken dat zich beweegt op het terrein van de relaties van de eerste soort zoals die ontstaan bij het aaneengroeien van elementaire deeltjes. Die relaties zijn inhoud van de werkelijkheid als samenhang. Die werkelijkheid is er omdat bij het aaneengroeien van elementaire deeltjes de ruimte gaat overvloeien (continu wordt) van het ene naar het andere brandpunt. Het kenmerkende van die relaties is het volkomen niet te bepalen karakter ervan dat er is omdat er nu geen scheiding tussen het ene en het ander deeltje is. Zij gaan in elkaar over en vormen samen een nieuw deeltje met twee brandpunten. Over al deze dingen heb ik al betrekkelijk uitvoerig gesproken, maar het is een eigenschap van de filosofie om telkens op het voorgaande terug te komen en dat te bezien in het licht van de nieuw ontdekte verhoudingen. In die zin is filosoferen wel degelijk een redeneren in cirkels, of beter: in spiralen.

No.57

Het is niet alleen voor het filosofische denken zo dat de kenmerken van de verschijnselen verdwijnen op het moment dat je bij een ondeelbaarheid aanbeland bent. Ook in het moderne natuurkundige onderzoek komt men voor situaties te staan dat materie-deeltjes in het niets oplossen, zonder een spoor na te laten. Voorlopig kan men er echter nog niet goed achter komen of 1) dat oplossen van die deeltjes veroorzaakt wordt doordat de gebruikte apparatuur bepaalde gebeurtenissen niet kan registreren, er vreemd aan is, of 2) doordat die deeltjes versmelten met de apparatuur en zich niet langer daarvan onderscheiden, zodat ze niet meer waargenomen kunnen worden, of 3) dat ze inderdaad ophouden te bestaan. Ondanks die onzekerheid helt men toch tot de mening over dat elementaire deeltjes helemaal niet continu bestaan, maar er afwisselend wel en niet zijn. Men spreekt dan van tendensen tot bestaan. Dit komt overeen met onze conclusie dat er voortdurend verhoudingen van ten opzichte van elkaar stilstaan optreden en dat die verhoudingen ook steeds weer uiteenvallen. Bij dat uiteenvallen verdwijnen er dus verhoudingen. Beweeglijkheden verdwijnen niet, want die kunnen helemaal niets, dus zij kunnen ook niet verdwijnen of verschijnen. Juist omdat er niet waarneembare beweeglijkheden zijn kunnen er in de concrete werkelijkheid situaties optreden die zich fundamenteel aan onze waarnemingen onttrekken. Eigenlijk zou dat laatste de onderzoekers op het idee moeten brengen dat er nog andere mogelijkheden zijn dan de waarneembare. Overigens: de natuurkundige enkelvoudigheid is wat anders dan onze enkelvoudige beweeglijkheid op zich. Natuurkundig kun je niet verder voortgaan met splitsen tot op het moment dat je bij de bouwsteen terechtgekomen bent. Die bouwsteen echter bestaat uit drie aaneengegroeide achtvoudige elementaire deeltjes. Het is een verhouding van in totaal 22 beweeglijkheden. Deze beweeglijkheden - ik heb er al eerder op gewezen zijn op geen enkele manier met elkaar verbonden, zoals gecombineerde bouwstenen dat wel zijn, maar staan onvermijdelijk toevallig stil ten opzichte van elkaar - zonder zelf in dat stilstaan betrokken te zijn. Voor de filosofie is het van belang dat in de quantum mechanica (alles wat beweegt zijn groepjes ietsen, quanta.) de relatie tussen de onderzoeker met zijn instrumenten enerzijds en de verschijnselen anderzijds eindelijk erkend is. Voordien was men ervan overtuigd dat de werkelijkheid antwoorden gaf op vragen van onderzoekers zonder door die onderzoekers beÔnvloed te zijn. Thans erkent men dat alle kennis die wij inzake de werkelijkheid bezitten gekleurd is door de vragen die wij zelf gesteld hebben. Die kennis zegt dus niet alleen iets over de zogenaamd objectieve werkelijkheid, maar evenzeer over de subjectieve van de onderzoeker. Met het veranderen van inzichten, theorieŽn, apparaten en bedoelingen van de onderzoeker veranderen de antwoorden die de werkelijkheid geeft op vragen van die onderzoeker. Hieraan is niet te ontkomen, je blijft bevangen in de werkelijkheid als relatie tussen het ene en het andere verschijnsel. Voor de filosofie geldt het bovenstaande niet omdat je denkt vanuit en werkt met grootheden die aan de relaties voorafgaan: verhoudingen van beweeglijkheden. Die verhoudingen zijn algemeen geldend, omdat zij niet onderworpen zijn aan de willekeurige toevalligheid van de wijze van bestaan die voor het verschijnsel geldt. Ze gelden immers al voordat er van enig verschijnsel (combinatie van bouwstenen) sprake is. Wat de bouwsteen betreft: hoewel hij een systeem van 22 beweeglijkheden is mag je toch niet zeggen dat hij uit 22 beweeglijkheden bestaat. De bouwsteen is immers geen samenstelling. Hij is ontstaan ten gevolge van een samengroeien van beweeglijkheden op grond van hun, onvermijdelijk toevallig, stilstaan ten opzichte van elkaar als ze in de situatie van gelijk-op bewegen terechtgekomen zijn. Omdat het systeem van 22 beweeglijkheden op samengroeiing berust is het op zichzelf nog geen verschijnsel dat door analyse te voorschijn te roepen is. De analyse gaat tot een combinatie van twee bouwstenen, kan die twee van elkaar scheiden (hun onderlinge relatie vernietigen), maar is dan onmiddellijk alles kwijt. Daaruit kun je theoretisch beredeneren dat er twee afzonderlijke bouwstenen geweest moeten zijn, maar concreet in handen krijg je ze niet. Daarmee slaat de analyse en het daarop berustende denken af. Als je zegt: de werkelijkheid bestaat uit beweeglijkheden druk je je eigenlijk uit in de verkeerde termen. De term bestaan namelijk heeft betrekking op de werkelijkheid als samenstelling en daarom kun je alleen maar zeggen: de werkelijkheid bestaat uit niet splijtbare bouwstenen, Of je moet zeggen: de werkelijkheid is beweeglijkheden. Dat echter is niet erg duidelijk voor ons spraakgebruik. De werkelijkheid als samenstelling berust op het aan elkaar neutraliseren van bewegingen van bouwstenen. Daardoor komen die bouwstenen ten opzichte van elkaar stil te staan, en dat betekent dat ze aan elkaar vast zitten. Als de betreffende bewegingen geneutraliseerd zijn, zijn zij er voor zichzelf nog wel, maar in de betrekking tot elkaar (de relatie) zijn zij er niet meer. Je kunt hierbij denken aan een positieve trilling en een negatieve: beide zijn er voor zichzelf, maar in de relatie heffen zij elkaar op. Dat zich aan elkaar opheffen is precies hetgeen wij als de relatie kennen en het is de energie die de verschijnselen bijeen houdt. De beweeglijkheden van de bouwsteen zelf echter houden niets bij elkaar. Zoals ik al zo vaak gezegd heb: die ietsen doen ten opzichte van elkaar helemaal niets. Ze zijn er alleen-maar voor zichzelf, bewegen zoals zij zelf bewegen, ongeacht welke invloed van buitenaf dan ook. Er is voor hen trouwens helemaal geen van buitenaf. Voor de beweeglijkheid is er absoluut niets anders. Dat is voor ons moeilijk in te denken, maar we kunnen er toch niet omheen. Het is de basis tot alle begrip van de werkelijkheid. Als je dit begrijpt is vanzelf duidelijk dat de beweeglijkheden op geen enkele wijze samenhangen en dit ook niet zouden kunnen omdat zij er nu eenmaal niet voor elkaar zijn doch slechts voor zichzelf. De verhouding samenhang komt dan ook pas later (niet in de tijd, maar in ons denken) te voorschijn bij het aaneengegroeid zijn van twee systemen van acht beweeglijkheden. Dan echter is het geen samenhang tussen beweeglijkheden, maar tussen brandpunten. Daarbij is er geen sprake van het neutraliseren van bewegingen, maar van afwezigheid van beweging. De brandpunten zijn versmolten tot een systeem dat twee ten opzichte van elkaar stilstaande brandpunten kent. Die samenhang doortrekt de gehele werkelijkheid, wordt er tenslotte een die, bij het optreden van het leven, stapsgewijze continu is en bijgevolg dominant, zodat het levende verschijnsel erdoor gekenmerkt wordt. Van belang is bij het begrip samenhang dat het samenhangende niet berust op bewegingen die op elkaar inwerken (relatie van de tweede soort), maar op afwezigheid van beweging. Afwezigheid van beweging is iets anders dan stilstand. Dit laatste ontstaat bij het aan elkaar opheffen, het neutraliseren, en behoort dus tot de werkelijkheid als verschijnsel. Afwezigheid van beweging ligt ten grondslag aan datgene dat beseft wordt aan eeuwigheid, zichzelf gelijk blijven, onvergankelijk zijn en dergelijke. In de bouwsteen komt het begrip samenhang twee maal voor (A-B en A-C) en dat maakt het mogelijk dat de verhouding tussen A en C een trilling is, dat B-A-C zich kan verplaatsen en daardoor andere (combinaties van) bouwstenen kan ontmoeten en bewegingen neutraliseren, enzovoort.

No. 58

Naar bladwijzers : Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ; Eenzijdigheid-3 ;

Als twee bouwstenen zich met elkaar combineren neutraliseren zij elkaars bewegingen (niet elkaars trillingen die immers een rol gaan spelen als het leven optreedt) en er ontstaat een relatie van de tweede soort, met als inhoud het begrip grens en, daarmee samenhangend, het begrip het absolute niets. Zo'n relatie berust dus op de stilstand van bewegingen van twee bouwstenen en die stilstand verschijnt voor ons als een aan elkaar vastzitten. Hierop hebben al onze alledaagse begrippen betrekking; zij geven in wezen steeds een typering van die relatie en zijn uiteindelijk terug te brengen tot de uitdrukking van een vergelijking tussen twee (of meer) bouwstenen. De westerse wetenschap heeft zich toegelegd op het uitwerken van die vergelijking en komt bijgevolg met alledaagse begrippen en typeringen. De wetenschap heeft hierin geen keuze omdat zij zich wel moet bezig houden met de werkelijkheid als combinatie van bouwstenen (de verschijnselen), maar voor de westerse cultuur als zodanig betekent het een eenzijdigheid die het nadenken over de werkelijkheid als beweeglijkheid bijna onmogelijk maakt. Voor dat nadenken gelden de alledaagse begrippen niet meer, zoals wij gezien hebben. Als ik dan ook van de beweeglijkheid spreek als grond van de werkelijkheid drukt die term beweeglijkheid niet de een of andere vorm van bewegen uit (= alledaagse typering), maar een absoluut los-zijn-van het andere, iets anders. Dat zou te omschrijven zijn als een absoluut bewegen, maar ook als een onbepaald bewegen, een nergens zijn en dergelijke. De term beweeglijkheid moet dus niet als een alledaagse typering opgevat worden; ik gebruik hem omdat onze taal geen woord kent dat uitdrukking kan geven aan de oerwerkelijkheid. Zo kunnen wij ons ook moeilijk voorstellen hoe die, op zichzelf dus al raadselachtige beweeglijkheden, tot elkaar in verhouding kunnen staan. Om daar toch enige vat op te krijgen zijn wij met de bolletjes gaan werken, met als risico dat we de werkelijkheid als een samenstel van bolletjes zouden gaan zien. Het bolletje echter geeft uitdrukking aan het naar alle kanten Onbepaald zijn van de beweeglijkheid. Voor ons dus: een naar alle kanten gelijke mate van beweeglijkheid. Daarbij wordt die gelijke mate uitgedrukt door de gelijke grootten van de bolletjes. Wanneer wij dan twee bolletjes tegen elkaar aan leggen betekent dit dat zij ten opzichte van elkaar een gelijke beweeglijkheid hebben en dus ten opzichte van elkaar stil staan. Omdat het dit stilstaan is dat het wezen van alle wordingsprocessen uitmaakt is het steeds de maat bij ons nagaan van de mogelijke verhoudingen tussen de beweeglijkheden. Daarbij moeten wij de beweeglijkheden als naast elkaar denken, zodanig dat er zich geen andere beweeglijkheden tussen bevinden. Hoe groot wij de bolletjes denken doet niet ter zake, maar in principe is er helemaal van geen grootte te spreken, evenmin als van een afstand tussen de beweeglijkheden. Dit moeten wij voortdurend voor ogen houden.

Waar wij ook steeds op moeten letten is de zogenaamde onvermijdelijke exclusiviteit: bij het zoeken naar mogelijke verhoudingen tussen de beweeglijkheden gaat het almaar om die ene exclusieve verhouding temidden van de oneindig vele die mogelijk zijn. Dat begint bij de verhouding tussen drie beweeglijkheden: je kunt bolletje 3 tegen 1 of 2 aanleggen en dan zijn er oneindig veel mogelijkheden. Er is echter maar een mogelijkheid om 3 tegen 1 en 2 aan te leggen. Evenzo is er maar een mogelijkheid om 4 aan 1, 2 en 3 te laten raken. Dat betekent bij de bolletjes dat je onvermijdelijk hetzelfde vormpje krijgt. Het zoeken naar de exclusiviteit houdt in dat je vermijdt datgene dat ook anders kan. Zodra die exclusiviteit niet meer te handhaven is moet je een nieuwe weg inslaan die op zijn beurt ook weer een cyclus van exclusiviteiten oplevert. Dat blijkt voor het eerst het geval te zijn als wij het achtvoudige elementaire deeltje hebben gevonden en nu verder willen gaan door er een volgende beweeglijkheid aan toe te voegen. Wij staan dan voor de keuze om beweeglijkheid 9 te leggen tegen bijvoorbeeld 4-2-7 of 4-2-6. Kiezen wij voor het een, dan wordt het ander onmogelijk. Door de keuze-mogelijkheid vervalt de exclusiviteit. We kunnen dan niet verder langs de weg van het toevoegen van telkens een beweeglijkheid die zoveel mogelijk andere beweeglijkheden raakt (= stilstaan ten opzichte van). De nieuwe weg die wij vervolgens moeten gaan betreden is die van het aangroeien van een nieuw elementair systeem aan een van de vrije beweeglijkheden van het achtvoudige systeem dat wij gevonden hadden. Dat aangroeien blijkt te gaan tot en met een systeem van drie elementaire deeltjes: de bouwsteen. Er kan natuurlijk nog veel meer aangroeien, maar dan is de zaak steeds weer tot een systeem van drie deeltjes terug te brengen. Al het volgende is dus zoveel maal drie. De regel van de exclusiviteit is bijgevolg geldig tot en met de bouwsteen. Op een nieuwe wijze kan die regel dan weer doorgezet worden doormiddel van het combineren van bouwstenen en dat gaat net zolang totdat bij maximale verdichting de verwisselbaarheid op gaat treden die ons noodzaakt weer een nieuwe exclusiviteit als de maat te nemen, namelijk de totaaltrilling. De regel van de exclusiviteit is de norm voor de onvermijdelijkheid van de wijze waarop het wordingsproces plaatsvindt. Tussen de oneindig vele mogelijkheden bestaat er steeds een exclusieve en die is de volgende schakel in de ketting van het wordingsproces. Als er de mogelijkheid van iets anders is, dan moet er een eenvoudiger verhouding aan ten grondslag liggen. Het anders-zijn is namelijk een meer-aanwezig-zijn of een minder-aanwezig-zijn van de een of andere eigenschap (in wezen: verhouding). Dus is er een soort van grootste gemene deler die voor beide, ten opzichte van elkaar, andere zaken geldig is. Onwillekeurig denken wij ons de materie als een heel klein dingetje, een klein zandkorreltje of iets dergelijks. Hoe wij de zaak echter denken, het is steeds vanuit de alledaagse werkelijkheid en dat levert een bepaalde voorstelling van de materie op. Uit onze gedachtegang echter blijkt dat de primitiefste materie een systeem van verhoudingen van een drietal brandpunten is, waarbij die brandpunten ontstaan zijn uit een viertal, elkaar in evenwicht houdende, bewegingen ten opzichte van de ruimte. Hoe moet je je dat voorstellen? De materie als brandpunt van bewegingen, waarbij die bewegingen gevolg zijn van de aanwezigheid van beweeglijkheden die zelf op geen enkele wijze meedoen, zich nimmer manifesteren en eigenlijk volkomen oninteressant zijn! De materie dus als energetisch punt zonder dat er dan ook maar iets is dat aan onze gebruikelijke voorstelling beantwoordt

Sommige denkers, zoals Goethe en Hegel, hebben er blijk van gegeven te begrijpen dat de wezenlijke werkelijkheid buiten onze voorstelling ligt en dat die voorstelling eigenlijk een soort van schimmenspel is. In ons woord verschijnsel vinden we ook iets dergelijks terug: schijn, schijnsel. Toch kunnen we anderzijds beter niet zover gaan dat wij de alledaagse dingen als een zinsbegoocheling beschouwen want dan zijn we net zo onwerkelijk bezig als wanneer wij, zoals de echte materialisten, menen dat de werkelijkheid inderdaad uit heel kleine korreltjes van het een of ander opgebouwd is. Het zijn trouwens juist die materialisten die, wanneer de werkelijkheid toch ongrijpbaarder blijkt te zijn dan zij zo graag hadden gewild, van een zinsbegoocheling spreken - alsof zij voor de gek gehouden zijn! In feite is dus ons idee van de werkelijkheid, onze voorstelling, foutief. Dat blijkt ook telkens bij het natuurkundig onderzoek.

Naar bladwijzers : Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ; Eenzijdigheid-3 ;

No. 59

Hopelijk is het inmiddels duidelijk geworden dat het nagaan van het ontstaansproces van de werkelijkheid, het spel van verhoudingen van beweeglijkheden, op een betrekkelijk eenvoudige methode berust. Maar het is wel een methode die elke willekeur mist omdat je voortgaat van de ene exclusieve onvermijdelijkheid naar de andere, uitgaande van de gedachte dat je binnen een oneindige veelheid van Onbepaalde beweeglijkheden alleen-maar kan nagaan wat het oplevert als je een beweeglijkheid samendenkt met een andere, vervolgens met nog een andere, enzovoort. Daarbij geldt ook nog dat die methode zelf een exclusief onvermijdelijke is: je kunt voor het nagaan van het ontstaan willekeurig kiezen uit talloze mogelijkheden, tot en met het geloven dat er een schepping door een god heeft plaats gevonden, maar voor al die mogelijkheden geldt dat zij niet exclusief zijn (en doorgaans ook niet onvermijdelijk). Er blijven steeds alternatieven mogelijk. Het simpele toevoegen van telkens een nieuwe verhouding (zeg: de cumulatieve methode) laat echter geen ruimte voor alternatieven. Tegen iemand die zelfs dan nog sceptisch blijft kun je tenslotte nog aanvoeren dat, als mocht blijken dat het ook zo niet zit, in ieder geval de gedachtegang waterdicht is, en niet berust op vermeende wetenschappelijke waarheden die onvermijdelijk het karakter van voorlopige geldigheid bezitten. Waarheden bovendien die door bijna niemand van ons gecontroleerd en verantwoord toegepast kunnen worden. Wij staan er, doordat wij door de cultuur misvormd zijn, onwennig tegenover, maar toch is het een feit dat de cumulatieve methode door een ieder van ons op zijn geldigheid getoetst kan worden. Die toetsing echter is anders dan de ons vertrouwde wetenschappelijke. Deze richt zich namelijk op de concreet aanwezige dingen, de alledaagse wereld. Maar de filosofische toetsing richt zich op de aan de verschijnselen ten grondslag liggende verhoudingen van beweeglijkheden. Omdat wijzelf tot die verhoudingen behoren moeten wij de zaak bij de filosofische toetsing zowel in onszelf als bij onszelf nagaan en elke uitwendige informatie buiten beschouwing laten. Dat betekent dat wij de alledaagse werkelijkheid negeren (maar niet ontkennen) en ons richten op een werkelijkheid die je nergens aantreft en dus niet kunt laten zien, aantonen of zichtbaar maken. Diezelfde werkelijkheid echter is de grondtoon van de alledaagse werkelijkheid, die op zichzelf, zonder het kennen van die grondtoon niet te begrijpen is. Het gaat dus over de werkelijkheid achter de dingen.

De alledaagse werkelijkheid is te verklaren, duidelijk te maken, door er een zo gedetailleerd mogelijke tekening van te geven. De causale verbanden tussen de verschijnselen worden dan zichtbaar. Deze verklaring berust op een zo ver mogelijk doorgevoerde analyse. Tenslotte echter houd je, als je de analyse tot het eind toe doorzet, niets over omdat de bouwsteen van de werkelijkheid zich aan het bestaan onttrekt, zoals ik al besproken heb. Het eind van de verklaring is bijgevolg dat er geen verklaring is. Aan het eind vind je deze waarheid dat er in de verklaarde werkelijkheid geen waarheid zit. De analyse op zichzelf levert geen waarheid en dus geen begrijpen op. Uit de alledaagse dingen is de grondtoon, de werkelijkheid achter de dingen, niet naar voren te halen. In onze moderne cultuur zijn de gevolgen te zien: men is bezig met de analyse en dus is er in principe geen waarheid. Dat laat zich steeds meer gelden met als gevolg een toenemend besef van zinloosheid en een steeds meer uit hun verband gerukte wetenschap en technologie. De voortschrijdende wetenschap en technologie leveren, in tegenstelling tot wat je zou verwachten, geen beter functionerende alledaagse werkelijkheid op, maar juist een almaar grotere chaos, slechtere producten en uitputting van de aarde. Iedereen weet dat, iedereen constateert de feiten, maar voor bijna niemand gelden zij als waarheid en zo vergroot iedereen de zinloosheid. Maar ik heb al laten zien dat het denken over de werkelijkheid als spel van verhoudingen van beweeglijkheden in kan zetten daar waar de alledaagse dingen hun eigenschappen verloren hebben, dus: nadat de analyse voltooid is, nadat je de waarheid er is in het alledaagse geen waarheid gevonden hebt. Je kunt de werkelijkheid nu wel gaan begrijpen omdat je de grondtoon hebt leren kennen. Dat betekent in de praktijk dat je nu kunt begrijpen waarom de causale verbanden tussen de alledaagsheden liggen zoals ze liggen. Bijvoorbeeld: wat betekende de tweede wereldoorlog nu werkelijk en wat de koude oorlog met Rusland, enzovoort. Betekenissen - nogmaals - die je nimmer uit de gebeurtenissen zelf kunt afleiden, al heb je ze nog zo nauwkeurig en verfijnd uitgezocht en getekend. Je kunt de afzonderlijke alledaagsheden pas begrijpen als je door de totale alledaagse wereld heen bent. In zekere zin zijn er twee werkelijkheden, van elkaar onderscheiden op grond van verschillende beoordelingen door jezelf. In alle culturen, hoe oud en hoe geÔsoleerd ook, kom je het besef van een andere werkelijkheid, verscholen achter de alledaagse, tegen.

En dat besef is terecht: je hebt inderdaad de alledaagse werkelijkheid die wel feitelijk te kennen is maar niet te begrijpen en je hebt de ware werkelijkheid die geen feitelijke (verschijnende) is maar die wel begrepen kan worden en die de alledaagse begrijpelijk maakt. Begrip van de ware werkelijkheid houdt dus wel begrip van de alledaagse in, maar het kennen van de alledaagse niet het begrijpen daarvan. Ik noem het denken volgens de exclusieve onvermijdelijke verhoudingen van beweeglijkheden een artistiek denken en bijgevolg noem ik de filosofie, als beoefening en resultaat van dat denken, een kunst. Alle kunsten richten zich op aspecten van de werkelijkheid als spel van beweeglijkheids-verhoudingen. Zij geven aan dat spel uitdrukking, elk op eigen wijze. De filosofie echter onderscheidt zich hiervan in zoverre dat zij geen uitdrukking geeft aan dat spel, maar er een beschrijving van geeft op grond van exclusieve onvermijdelijkheden (= logica). Dit laatste rechtvaardigt ook de stelling dat de filosofie wetenschappelijk is, of zou moeten zijn. Maar dan moet haar wetenschappelijkheid niet als doel gezien worden, zoals bij de moderne filosofie, doch als het gereedschap waarvan de filosoof zich bedient. Zijn gereedschap is het logisch denken; zijn beschrijven van de echte werkelijkheid is een kunst. De werkelijkheid die door de filosoof op logische wijze beschreven wordt is een spel van verhoudingen van beweeglijkheden. Omdat dit het geval is komt de werkelijkheid als combinatie van bouwstenen (= de alledaagse wereld) er wel in voor, maar gaat de zaak er niet in Op. Dit betekent dat je met recht kunt zeggen dat het analytisch wetenschappelijke voorkomt binnen het kader van de filosofie, maar dat je niet kunt zeggen dat die filosofie op zichzelf wetenschappelijk is. In de filosofie ga je de werkelijkheid als spel van verhoudingen na. Je kunt dat doen omdat die werkelijkheid doortrokken is van samenhangen, zoals die tot stand zijn gekomen bij het aaneengroeien van twee elementaire deeltjes. Die samenhangen vormen een netwerk en het zijn de draden daarvan die je in alle richtingen na kunt gaan. Dat nagaan is heel wat anders dan het wetenschappelijke analyseren - alleen al op grond van het feit dat je bij het nagaan niets uit elkaar haalt en zelfs op het tegelijk aanwezig zijn van zowel het een als het ander aangewezen bent wil je het samenhangende kunnen navolgen. Samenhang immers vooronderstelt het aaneengegroeid zijn van het een en het ander, namelijk het ene elementaire deeltje en het andere.

No. 60

Het onvermijdelijke toeval (nos 3,4,5) en vervolgens de nos. 8,†† 15,†† 18,20,21,22,23,25,27,28,†† 31,†† 60,67,68,69 en 70) ; de Grote Beweger ; Eerste Beweger ;

Zoals ik al eerder opgemerkt heb zijn er in de loop der tijd verschillende denkers geweest die geprobeerd hebben de werkelijkheid te begrijpen vanuit het enkele basisgegeven dat er in feite alleen maar ondeelbaarheden (atomen), enkelvoudigheden, onbepaaldheden of beweeglijkheden zijn en dat het mogelijk moet zijn van daaruit de vorming van de werkelijkheid na te gaan. Maar eigenlijk heeft niemand het voor elkaar gekregen zonder er de een of andere gefantaseerde factor bij te halen: een bepaalde uitwendige universele kracht, een godheid of een bijzondere eigenschap van de ondeelbaarheden, bijvoorbeeld dat zij elkaar aantrekken en afstoten. Bovendien kon men er moeilijk van loskomen die enkelvoudigheden als heel kleine deeltjes materie (fijn zand ..!) te zien en dat maakte het weer noodzakelijk om het bestaan van een eerste beweger aan te nemen omdat materie niet uit zichzelf in beweging komt - wat Newton destijds overtuigend aangetoond heeft. Je mag echter geen enkele aanname a priori maken en je bent gedwongen zonder hulpmiddelen te zoeken naar die ene redenering, die, zonder enige oneigenlijke factor te bevatten en zonder af te slaan, samenhangend doorgezet kan worden, in alle richtingen en vanuit alle uitgangspunten. Die redenering moet onvermijdelijk zijn, d.w.z. een proces beschrijvend dat niet weg had kunnen blijven, en hij moet exclusief zijn, d.w.z. een proces beschrijvend dat niet anders had gekund. Als het proces ook anders had gekund was er aan het begin geen enkelvoudige, Onbepaalde werkelijkheid geweest. Er konden dan namelijk verschillende systemen bestaan. Dat vooronderstelt een niet-enkelvoudige basissituatie. Juist omdat het begin bij die onbepaalde enkelvoudige beweeglijkheden ligt is er maar een mogelijkheid om op weg te gaan: volgens de cumulatieve methode, waarbij je er telkens een bijvoegt op grond van geen andere factor dan het onvermijdelijke toeval. Over de aard van het beweeglijk-zijn van de beweeglijkheden is niets te zeggen. Er is geen concrete beschrijving van te geven. Maar er is wel te zeggen dat alle beweeglijkheden eender bewegen, d.w.z. een eender beweeglijk-zijn bezitten. En ook is te zeggen dat het beweeglijk-zijn van iedere beweeglijkheid volkomen op zichzelf staat, niets met de beweeglijkheid van de andere te maken heeft, een beweeglijkheid in zichzelf en vanuit zichzelf is.

De zee van beweeglijkheden kun je je indenken als een volledig willekeurig bewegen zonder dat er in die hele zaak een bijzondere situatie, zoals bijvoorbeeld begin en einde in ruimte en tijd, voorkomt. Omdat we het over een oneindigheid, een niet-begrensde werkelijkheid hebben die bovendien buiten elk tijdsbegrip valt zit er een mogelijkheid van iets bijzonders in, namelijk dat twee (of meer) beweeglijkheden ten opzichte van elkaar niet-beweeglijk zijn, juist door hun toevallige overeenkomstige beweeglijk-zijn, oftewel hun gelijk beweeglijk zijn. Het eender beweeglijk zijn van de beweeglijkheden valt bij nadere beschouwing uiteen in twee begrippen, namelijk de grondsituatie van het ongelijk beweeglijk zijn en de onvermijdelijk toevallige exclusieve situatie van het gelijk beweeglijk zijn. Het laatste levert het door mij genoemde ten opzichte van elkaar stilstaan op. Qua beweeglijk zijn heb ik eerder van gelijk-op bewegen gesproken. Het begrip bewegen echter mag hier eigenlijk nog niet gehanteerd worden. Ik heb het evenwel toch gedaan omdat de zaak anders helemaal niet meer duidelijk te maken is. In feite treedt het begrip bewegen pas op als we te doen hebben met een primair materieel systeem van vijf beweeglijkheden. Voor dat systeem geldt dat er beweging in zit en dat die beweging een richting heeft, namelijk in ons bolletjes-model de richting 4-5. Daar ligt het begin van alle bewegen in de werkelijkheid. Essentieel bij de beweging is het begrip richting. Het onvermijdelijk toevallige gelijk beweeglijk zijn is in de grond van de zaak mogelijk omdat voor alle beweeglijkheden geldt dat zij eender beweeglijk zijn. Zij verschillen niet van elkaar qua beweeglijkheid. Toch is de grondsituatie dat zij ongelijk beweeglijk zijn. Dat weten wij omdat wij de werkelijkheid kennen als een in zichzelf onderscheiden zaak en niet als een homogene massa zoals die onvermijdelijk ontstaan zou zijn als de beweeglijkheden uitsluitend gelijk beweeglijk geweest zouden zijn. De eendere beweeglijkheid is derhalve een andere zaak dan het gelijk of ongelijk beweeglijk zijn. Je kunt je dat wellicht voorstellen als je aan een massa mensen denkt. Die kunnen allemaal een eender complex van bewegingen uitvoeren, maar slechts bij toeval zullen de incidentele bewegingen van twee (of meer) mensen gelijk zijn. Grondsituatie is dat die bewegingen Ongelijk zullen zijn. De begrippen gelijk en ongelijk vooronderstellen een ander begrip en wel het begrip eender (of hoe je dat noemen wilt). Zou dit laatste begrip er niet zijn, dan verviel elke betekenis van gelijk of ongelijk. Het begrip gelijk beweeglijk zijn is geldig omdat het onmogelijk is het een zonder het ander te denken. Dat wil zeggen: als je de ene beweeglijkheid denkt kun je niet anders dan ook de andere beweeglijkheid denken. Daarbij is het volstrekt onbepaalbaar welke beweeglijkheid de ene is en welke de andere omdat er geen verschil tussen beide is. Ze zijn allebei enkelvoudig. Samenvattend leidt dit tot de constatering dat het mogelijk is dat zich laat gelden dat de ene beweeglijkheid de andere is - en omgekeerd. Ik heb dit genoemd het gelijk-op bewegen dat tegelijk het ten opzichte van elkaar stilstaan betekent. Je moet daarbij echter wel voor ogen houden dat het tegelijk denken van de een en de ander vooronderstelt dat er inderdaad de een en de ander is. Op grond van het feit dat er inderdaad de een is en ook de ander, blijft onverminderd geldig dat de ene beweeglijkheid de andere helemaal niet is. Zou dat niet zo zijn, wij konden onze cumulatieve gedachtegang niet eens opzetten. Beweeglijkheid nummer 1 is een heel andere dan beweeglijkheid nummer 2! Dat betekent ook letterlijk dat het beweeglijk-zijn van 1 een andere is dan dat van 2, ondanks het feit dat hun principiŽle beweeglijk-zijn een eendere is. Uiteraard kunnen wij 1 en 2 praktisch niet van elkaar onderscheiden omdat er geen enkel verschil is. Maar in alle onbepaaldheid blijft het feit gelden dat de een de ander niet is, ook als de onvermijdelijk toevallige, maar absoluut exclusieve, situatie aan de orde is dat zich bovendien laat gelden dat de een de ander wel is. Dit laatste komt er als het ware bij, voegt zich bij de grondsituatie dat de een de ander niet is. Datgene dat zich erbij voegt is de uitzondering, de exclusiviteit en het is precies daarop dat het zich vormen van de kosmos gebaseerd is. De kosmos, onze wereld en wijzelf zijn uitzonderings- gevallen, wij zijn die ene vrijwel onmogelijke mogelijkheid die zich alleen maar kan manifesteren omdat aanvankelijk ruimte en tijd nog niet gelden...

Het voorgaande is op geen enkele manier voor te stellen. Ons model met de bolletjes voldoet wat dit thema betreft bij lange na niet en is zelfs gevaarlijk - zoals we al eerder gezien hebben. Dat de zaak niet voorstelbaar is ligt in de logica omdat het gaat over de werkelijkheid voordat zij tot van elkaar gescheiden en onderscheiden verschijnselen is gekomen. We moeten het dus louter en alleen van ons denken hebben en daarbij blijkt dat je (1) inderdaad geen informatie van buitenaf nodig hebt, dat (2) in principe iedereen het kan denken (al kom je er niet zo vlug toe! ) en dat (3) de zaak niet anders te denken is.

Het onvermijdelijke toeval (nos 3,4,5) en vervolgens de nos. 8,†† 15,†† 18,20,21,22,23,25,27,28,†† 31,†† 60,67,68,69 en 70) ; de Grote Beweger ; Eerste Beweger ; Tijdloosheid/eindeloosheid ; Oneindigheid zie 3 en 4 , 18 , 38 t/m 40 , 60 , 66 t/m 69 ; Eeuwigheid ; Trilling-1 ; Trilling-2 ; Totaaltrilling ;

No. 61

Je komt, uitgaande van de werkelijkheid die je aantreft en constaterende dat die een samengestelde moet zijn, tot de conclusie dat de oerwerkelijkheid een zee van beweeglijkheden is. Beweeglijkheden die allemaal eender zijn en die dus als enkelvoudig gedacht moeten worden. Aanvankelijk leidt deze conclusie er toe dat je die beweeglijkheden als belangrijk beschouwt omdat het hun samenspel is dat de verschillende materiele systemen doet ontstaan. Pas daarna krijg je in de gaten dat die beweeglijkheden geen andere betekenis hebben dan deze dat zij op een gegeven moment ruimte veroorzaken en vervolgens beweging ten opzichte van de ruimte: de gerichte beweging die in ons model optreedt als de verhouding tussen de bolletjes 4 en 5. Het is deze gerichte beweging die als het eerste fenomeen beschouwd moet worden en het feit dat hij zijn bestaan dankt aan bepaalde verhoudingen van beweeglijkheden doet verder niet ter zake, omdat die beweeglijkheden zelf nergens in betrokken zijn. Dat eerste fenomeen echter, die gerichte beweging, is het eerste moment van een netwerk van met elkaar samenhangende en aan elkaar gerelateerde toestanden, en als zodanig blijft het van belang. Je kunt met recht zeggen dat de kosmos een netwerk van bewegingen is. In de taal van de natuurkunde is zij een energetisch veld. De vraag wat er dan beweegt moet beantwoord worden met: beweeglijkheden, maar dat antwoord heeft geen praktische betekenis. Wel praktische betekenis (in verband met de vraag: hoe zit het met de werkelijkheid) heeft het volgende fenomeen, namelijk het brandpunt dat als een samenkomen van een viertal gerichte bewegingen het eerste evenwichtige verschijnsel teweegbrengt, door mij een elementair deeltje genoemd.

Vanaf dit moment, of in de natuurkundige praktijk vanaf het moment van het samengegroeid zijn van drie van die elementaire deeltjes, krijgt de oerwerkelijkheid een concreet karakter: er zijn nu drie evenwichtige brandpunten die in hun onderlinge verhoudingen een basis geven aan de begrippen samenhang en trilling. Was tot nu toe het spel van verhoudingen van beweeglijkheden alleen maar te denken, voortaan komt er een dimensie bij, namelijk die van de empirie, het onderzoekbaar-zijn. Die dimensie is onvermijdelijk evenals de daarop berustende moderne cultuur, maar op zichzelf stelt hij weinig eisen aan het denken omdat hij slechts op het vermogen tot statistisch kwantificeren (in getalswaarden uitdrukken) en rubriceren (in categorieŽn uitdrukken) berust. De gevolgen echter van dit primitieve denken zijn groot omdat het aan de mens het benodigde materiaal levert om de kosmos om te zetten tot een kosmos van mensen. Hierover later meer...

Op het ogenblik gaat het hierom dat we te maken hebben met de brandpunten als evenwichtsmomenten van bewegingen ten opzichte van de ruimte. Brandpunten als rustpunten in de ruimte. Dat is voor ons nauwelijks te associŽren met de concrete dingen om ons heen waarvan wij weten dat zij uit heel kleine deeltjes bestaan (fijn zand). We weten geen raad met de gedachte dat de materie alleen maar als een rustpunt in de ruimte te begrijpen is. Maar we hebben geen keus, geen enkele andere gedachtegang blijkt houdbaar. Dat hebben vroegere denkers over atomen en monaden tot hun ergernis moeten ervaren! Intussen blijft het een feit dat je eigenlijk niet weet wat, in stoffelijke zin, zo'n brandpunt is. Bij het nadenken over de beweeglijkheden kon je je desnoods nog verbeelden dat het over een speciale vorm van iets stoffelijks ging en je kon er, met behulp van bolletjes, zelfs een enigszins bruikbaar model van maken. Van bewegingen is evenwel geen model te maken en dus dringt het niet-weten zich extra sterk op. Vanuit onze cultuur is een dergelijk niet-weten al gauw iets kwalijks omdat men vindt dat het op een gebrek betrekking heeft. Dat is echter alleen maar een gebrek in de ogen van de moderne mens. In feite stel je vast (weten!) dat je over een bepaalde zaak geen uitspraken in de zin van zeggen wat iets is kunt doen. Dat is dus wel degelijk een positieve (aan een waarheid uitdrukking gevende) uitspraak, vooral ook omdat je bovendien kunt verklaren waarom bepaalde uitspraken onmogelijk zijn. Het systeem met een brandpunt kan uitgroeien tot een systeem met twee brandpunten doordat zich bij een van de vrije beweeglijkheden nog andere beweeglijkheden voegen en zo een nieuw achtledig systeem vormen. Dan zijn er twee brandpunten ontstaan waarvan het eigenaardige is dat zij met elkaar een ondeelbare zaak vormen. Tussen de twee brandpunten is geen beweging, ook niet een beweging die geneutraliseerd is zoals bij een combinatie met de daarbij behorende relatie. Omdat er geen beweging is kan de ruimte van het ene brandpunt naar het andere overvloeien en omdat dat het geval is kun je van samenhang tussen beide brandpunten spreken.

Je moet echter in de gaten blijven houden dat die eenheid van ruimte een zaak is van twee brandpunten die op geen enkele manier los van elkaar kunnen zijn en die toch van elkaar onderscheiden worden. Als begrip heb je hier te maken met het begrip twee. Dat is een vreemd begrip omdat het twee van elkaar onderscheiden grootheden tot inhoud heeft, maar op zichzelf een ondeelbare zaak is. Wij kennen dat dubbele karakter: het woord twee is zowel een telwoord (een en nog een) als een begripswoord dat de eenheid van een en nog een aangeeft. Dat begripswoord twee is exclusief, het geeft een nieuwe situatie van de werkelijkheid aan en die situatie is niet anders te denken. Elk volgend begripswoord, bijvoorbeeld drie of vier of tachtig is in feite zoveel maal twee. Het begrip twee is essentieel voor de werkelijkheid voor zover die samenhang is en uiteraard ook voor zover die ruimte is. Samenhang en ruimte gaan, cumulatief gezien, niet verder dan het begrip twee. Ook kun je concluderen dat het begrip samenhang op zichzelf geen beweging tot inhoud heeft. Omdat dit het geval is mag je dan ook niet spreken van stilstand of opgeheven beweging want deze begrippen vooronderstellen wel degelijk de oorspronkelijke aanwezigheid van beweging. Als het gaat over de werkelijkheid als het begrip twee en dus over samenhang is beweging uitgesloten. Omdat dit het geval is stuit elke analyse er op af en daardoor is er van de samenhang te zeggen dat deze niet te bepalen is. Dit laatste begrip treedt hier voor de eerste maal op; voordien ging het steeds over onbepaaldheden die uiteraard aan elke bepaling vreemd waren. Nu echter is er wel degelijk iets bepaalds, namelijk dit brandpunt en dat brandpunt. Daarvoor geldt dat het ene het andere niet is terwijl hun relatie ten opzichte van elkaar niet te bepalen is. Ik heb dat eerder genoemd de relatie van de eerste soort. Het eerste echte materiele systeem dat zich verplaatsen kan en daardoor andere systemen kan ontmoeten is, zoals we gezien hebben, een systeem van drie aaneengegroeide brandpunten. Dat systeem echter is uiteen te denken in tweemaal de werkelijkheid als het begrip twee. Bijzonder daaraan is de verhouding tussen de ene maal het begrip twee en de andere maal het begrip twee. Die verhouding is noch een relatie van de eerste, noch (uiteraard!) een relatie van de tweede soort. Het is geen afwezigheid van beweging en ook geen opheffing of neutralisering daarvan. Het is beweging die niet meer ten opzichte van de ruimte is maar ten opzichte van het systeem zelf. Dat betekent dat het in zichzelf en vanuit zichzelf trilt. De materiele situatie die aan de basis van de samenstellingen ligt en die dus, zoals al eerder besproken, het eindpunt van de natuurkundige analyse vormt, is een trillend geval dat zich verplaatst.

No. 62

De eerste echt stoffelijke situatie in en van de werkelijkheid treffen wij aan in de vorm van de uit drie aaneengegroeide brandpunten bestaande bouwsteen. Die ligt ten grondslag aan alle verschijnselen. De gedachtegang die tot deze bouwsteen leidt levert een aantal bijzondere momenten op, bijvoorbeeld het moment dat er vijf beweeglijkheden in een onderlinge verhouding staan en het moment dat er aan een reeds aanwezig brandpunt een tweede brandpunt gegroeid is. Toch verstoren die bijzondere momenten de continuÔteit van de gedachtegang niet. Je doet gewoon steeds een volgende stap en dat is er een die onmogelijk uit kan blijven. Het komt er dus op neer dat je, uitgaande van de aanwezigheid van een enkele beweeglijkheid, consequent door redeneert volgens dezelfde principes. Op een zeker moment kom je dan de bouwsteen tegen en aan de hand van de eigenaardigheden die daaraan te bedenken blijken te zijn ga je in gedachten verder met de opbouw van de kosmos. Tenslotte kom je letterlijk jezelf tegen! Hoewel ik er al verschillende keren aandacht aan heb besteed wil ik er nogmaals op wijzen dat de omgekeerde gang van zaken iets geheel anders te zien geeft. Het is de weg die de wetenschap aflegt en daarbij gaat het om de analyse van de verschijnselen. Dus het uit elkaar halen van de samenstellingen. Bij dat uit elkaar halen ontstaat een steeds grotere hoeveelheid onderdelen die gaandeweg hun specifieke functie verliezen. Tenslotte heeft men zo een verfijnde stof in handen dat verdere analyse niets meer oplevert, behalve dan het feit dat er helemaal niets meer over is. Dan slaat de analyse af en daarmee is het wetenschappelijke denken uitgepraat... Op dat punt aangekomen kunnen wij vanuit de filosofie, in tegenstelling tot de wetenschap, nog wel bedenken dat het analytische denken in absolute zin niet verder kan en bijgevolg ook met geen mogelijkheid de beweeglijkheden kan ontdekken of bedenken. De analyse bedenkt trouwens per definitie niets, zij legt slechts bloot en rubriceert. Wetenschappelijk kun je dus geen stap (terug) maken van het kleinste stoffelijke verschijnsel, dat je gevonden hebt, naar de onstoffelijke beweeglijkheden. Van belang is ook je te realiseren dat wij, filosoferende, geen analyse toegepast hebben. In het kort ging onze gedachtegang als volgt: de werkelijkheid blijkt samengesteld te zijn; zij moet dus terug te brengen zijn tot iets enkelvoudigs; dat enkelvoudige moet zonder eigenschappen zijn; het moet absoluut beweeglijk zijn en tenslotte moet dat beweeglijk zijn de basis van het wordingsproces blijken. Wat hebben wij nu gedaan? Wij hebben vastgesteld dat langs de weg van het denken de zaak tot de beweeglijkheid terug te brengen is. Dat echter is geen analyse, het is het vaststellen dat analyse mogelijk is. Wij hebben dan ook geen almaar aanwassende hoeveelheid onderdelen geproduceerd. Die onderdelen lieten ons onverschillig. Uit de mogelijkheid tot analyse hebben wij rechtstreeks geconcludeerd dat er een beweeglijkheid moest zijn. Doordat wij niet analyseerden, maar een conclusie trokken, waren wij in staat het begin voor onze gedachtegang te vinden, een begin dat bij feitelijke analyse nooit gevonden had kunnen worden en ook nooit gevonden zal worden. De beweeglijkheid, die aan het begin van de wording gedacht moet worden is volkomen onbepaald. Ik heb steeds gezegd dat er niets over te zeggen valt in de zin van kwaliteiten, waarden, eigenaardigheden. Er is, kortom, geen onderscheid aan te geven tussen een beweeglijkheid en iets anders, of dit laatste nu ook een beweeglijkheid is of een systeem van beweeglijkheden. Iets dat Onbepaald is kan niet bepaald, vastgelegd, geformuleerd of iets dergelijks worden.

Op het moment dat er twee brandpunten tot een eenheid van twee aaneengegroeid zijn gaat het begrip niet te bepalen een rol spelen. Wat is brandpunt A en wat is brandpunt B, waar begint het een en eindigt het ander? Omdat er twee grootheden (brandpunten) zijn waarvan vaststaat dat de een de ander niet is terwijl toch niet te zeggen is wat de een is en wat de ander moet je van niet te bepalen spreken. Je kunt het begrip niet te bepalen omschrijven als bepaaldheid die zich niet als zodanig kan laten gelden. Als je te maken krijgt met drie brandpunten die tot een bouwsteen zijn aaneengegroeid komt het begrip bepaaldheid naar voren. De bouwsteen is een zeer bepaald geval: hij is ruimtelijk bepaald, in die zin dat hij zich ergens bevindt; hij is bepaald qua bewegingsrichting omdat hij ergens heen gaat; hij is bepaald qua energie omdat hij in zichzelf op een bepaalde manier in trilling is. Bovendien behoudt hij zijn eigen specifieke structuur als hij zich met een ander verschijnsel combineert. In zo'n combinatie blijft hij te allen tijde die bepaalde bouwsteen. Hoewel de bouwsteen op zichzelf door en door bepaald is zal het niet gelukken hem, op wetenschappelijke wijze, in een zekere waarde uit te drukken. Dat betekent dat de waarde van die bouwsteen niet te bepalen is.

Dit feit echter maakt niet ongedaan dat de bouwsteen zelf bepaald is. De niet te bepalen waarde van de bouwsteen, bijvoorbeeld van zijn energie, komt wetenschappelijk te voorschijn als een statistisch feit. Dat wil zeggen dat die waarde zich alleen maar statistisch laat benaderen en dat die benadering aan betrouwbaarheid wint naarmate meer, op zichzelf onjuiste, waardebepalingen ter beschikking staan. Dat je de bouwsteen alleen maar statistisch kunt bepalen vindt uiteraard zijn grond in het feit dat hij in zichzelf in trilling is, maar ook in het feit dat je, als je zijn plaats op een gegeven moment weet, niet kunt weten waarheen hij zich zal verplaatsen en vervolgens ook in het feit dat je niet kunt weten waar hij zich bevindt als je de beweging van zijn verplaatsing kent. In deze hele zaak speelt ook de tijd een rol. Ik heb dat al enigszins uitvoerig besproken toen het ging over het zich combineren van bouwstenen, waarbij het voorbeeld van de zich voortbewegende letters van een lichtkrant en de bewegende beelden van het televisiescherm ter sprake kwamen. De bepaaldheid van de bouwsteen is dus alleen maar op statistische wijze in waarden, oftewel zekerheden, uit te drukken. Hoewel men, naar alle waarschijnlijkheid, in de natuurkunde de bouwsteen nog niet gevonden heeft, is het tegenwoordig heel gewoon om waarden op statistische wijze uit te drukken. Maar wij behoeven ons daartoe niet te beperken: eigenlijk berust onze gehele toekomstverwachting op statistiek. Door de gigantische veelheid van zonsopgangen in het verleden verwachten wij er morgen weer een, zonder er zeker van te kunnen zijn.

Sterker nog: op grond van een statistische veelheid aan volgende momenten die ons leven tot nu toe telt, verwachten wij nu ook weer zo'n volgend moment, maar niemand van ons kan er zeker van zijn dat hij de komende minuut nog leeft, al vinden wij het desnoods heel waarschijnlijk! Wij, moderne mensen, zijn er erg aan gehecht om onze toekomst te bepalen. Eigenlijk is dat onzin, ten eerste omdat dit helemaal niet kan op grond van het statistische karakter van de te bepalen toekomst, maar ten tweede ook omdat we met dat plannen de kwaliteit van de momenten nu teniet doen. Toch verrichten alle levende wezens handelingen gericht op een, al of niet bewust, doel dat in de toekomst ligt. Door het statistische karakter van de werkelijkheid kan dat doel gemist worden. Daarom zou het van realiteitszin getuigen als de mensen hun eigen doelstellingen relativeerden, dat wil zeggen, in het licht van waarschijnlijkheden zagen. In dat licht namelijk kan de kwaliteit van het moment nu ten volle tot zijn recht komen...

No. 63

Voor de bouwsteen van het heelal, die begrepen moet worden als een samengroeisel van drie systemen met brandpunten, geldt dat het middelste van die drie brandpunten bepalend is voor het gehele systeem. Ik heb dan ook, bij de beschrijving van de bouwsteen, steeds het elementaire deeltje A in het midden geplaatst: de bouwsteen is dan B-A-C, waarbij achtereenvolgens B en C aan vrije beweeglijkheden van A gegroeid zijn. Het ontstaan van de bouwsteen is dus van deeltje A uitgegaan, is daarvan een voortzetting op een andere manier: een mutatie. Bij het denkend nagaan van de wording van de werkelijkheid is het van het grootste belang voortdurend de opeenvolging van de gemaakte stappen in het oog te houden. Doe je dat niet, dan verdrink je al spoedig in een poel van toevalligheden, die noch exclusief zijn, noch onvermijdelijk. Die opeenvolging betekent namelijk iets voor datgene, dat in de gedaante van het volgende, het vorige opvolgt. Het volgende moet steeds begrepen worden als een mutatie van het vorige systeem van verhoudingen van beweeglijkheid. Behalve dat het een mutatie is, moet daarna ook nog blijken dat het een exclusieve en een onvermijdelijke zaak is. Deze regel, dat je bij de volgende steeds de vorige situatie als maatgevend in gedachten moet houden, berust op het feit dat elke volgende stap verklaard en begrepen moet kunnen worden uit datgene dat je reeds in handen hebt, zonder dat je er iets bij mag halen dat je uit anderen hoofde meent te weten. Het mooie, maar tegelijk ook het moeilijke, van het zelf ontwikkelen van een gedachtegang over de wording is dat deze gedachtegang volledig in zichzelf gegrond moet zijn. Hij is autonoom en hij berust in zichzelf en dat moet wel, want in laatste instantie laat de werkelijkheid zich alleen maar vanuit zichzelf verklaren en in geen geval vanuit iets anders. Bedenk wel: wij mensen zijn de werkelijkheid die zichzelf verklaart. Dat moeten we dus laten gelden!

Wat de bouwsteen betreft is er eerst deeltje A, daarna de eenheid van A en B en daarna het systeem B-A-C, wanneer de eenheid van A en C er bijgekomen is. Steeds is A derhalve het uitgangspunt en steeds berusten de mutaties op mogelijkheden van A. Zou je de zaak niet op die manier bekijken, dan zou je B-A-C als een willekeurig ketentje opvatten. Dat ketentje kan dan gemakkelijk een onderdeel van een langere keten zijn en dan zou de rol van A een wisselende zijn: soms het linkse elementaire deeltje (brandpunt), soms het middelste deeltje en soms het rechtse. Letten we dan bijvoorbeeld alleen op A, dan is hij niet meer en niet minder dan een schakel in een langere of kortere keten. Dat houdt in dat er een verwisseling is van een tweetal mogelijkheden, namelijk afwisselend of een buitenste (links of rechts), of een binnenste (middelste). Wanneer dat het geval is kun je van de situatie waarin A verkeert niet zeggen dat deze exclusief is en ook niet dat hij onvermijdelijk is, omdat er wel drie mogelijkheden zijn. Daarmee is, voor het nagaan van de wording, de keten-hypothese vervallen. Het ligt in de logica dat er in de werkelijkheid tal van ketenvormige structuren ontstaan doordat steeds aan een volgende een nieuwe volgende groeit, dus: aan A groeit B, aan B groeit C, aan C groeit D, enzovoort.

Dergelijke structuren kunnen echter niet anders dan in zichzelf afgesloten zijn. Dat betekent dat zij niet kunnen muteren naar volgende stadia met nieuwe verhoudingen van beweeglijkheid. Zij kunnen alleen maar zichzelf blijven, zichzelf opheffen of zichzelf herhalen. Verder komen zij niet. Overigens: een nog niet zo lang bekend, maar buitengewoon intrigerend, ketenvormig verschijnsel is het DNA-molecuul. Ten onrechte veronderstelt men dat zo'n molecuul kan muteren naar een volgende status en zodoende de evolutie mogelijk maakt. Maar er zijn in feite slechts veranderingen mogelijk binnen het kader van de aanpassing of het kader van de tondergang, d.w.z. gericht op overleven of gericht op sterven. De bouwsteen is geen ketenvormig verschijnsel, al lijkt hij er wel op. Hij is het brandpunt A met daarmee versmolten de brandpunten B en C. Omdat dit zo is kan de bouwsteen tot nieuwe en verdere situaties komen. Hij is niet in zichzelf afgesloten! Zoals ik al heb laten zien kan hij zich verbinden met andere bouwstenen of samenstellingen van bouwstenen, overigens zonder daarbij zijn eigen structuur te verliezen. Over de structuur van de bouwsteen is nog van alles te melden. Als eerste een nadere beschouwing van het trillend-zijn van de bouwsteen. Omdat het deeltje A de uitgangssituatie is, fungeert het als het dode punt van de trilling. In de natuurkunde spreekt men van een knoop. Dat dode punt is van de bouwsteen het bepaalde; daar ligt de trilling vast, daar beweegt er niets. De bewegingen tussen resp. de brandpunten A-B en A-C zijn immers vervallen. Er is daar geen-beweging. De verhouding tussen de brandpunten B en C is echter zodanig dat er wel degelijk beweging is. Ten eerste omdat de beweeglijkheden, die de systemen B en C vormen, onmogelijk ten opzichte van elkaar stil kunnen staan (de bolletjes van ons model raken elkaar niet) en ten tweede omdat de systemen B en C hun ten opzichte van de ruimte in beweging zijn, dank zij de vrije beweeglijkheden, niet op kunnen heffen via A. De lijn A-B maakt altijd een hoek met de lijn A-C. Deze twee eigenschappen zorgen ervoor dat B en C zich ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de ruimte bewegen. Het ten opzichte van elkaar en het ten opzichte van de ruimte bewegen van B en C is echter wel aan iets gebonden, namelijk aan A. Ten opzichte van dit brandpunt is er geen beweging. Met het vervallen van de bewegingen in de verhoudingen A-B en A-C zijn uiteraard ook de richtingen van die bewegingen vervallen. Het gelden van het begrip richting komt voort uit het feit dat een brandpunt in (ruimtelijk) evenwicht wordt gehouden door bewegingen in een viertal richtingen, namelijk vanuit het brandpunt naar de vrije beweeglijkheden 5, 6, 7 en 8 van ons model. Wanneer die vrije beweeglijkheden niet meer vrij zijn, en dat is het geval bij het aaneengegroeid zijn van twee elementaire deeltjes, vervalt de beweging naar de brandpunten en daarmee ook de richting.

We krijgen nu deze situatie dat de tot eenheden versmolten systemen A-B en A-C behalve geen beweging ook geen richting van beweging meer kennen. Als je dat samen denkt met het feit dat de elementaire deeltjes B en C wel ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de ruimte in beweging zijn moet je tot de conclusie komen dat de brandpunten B en C zich willekeurig bewegen in een veld dat bolvormig is en dat A tot middelpunt heeft. Inderdaad moeten de bewegingen van A en B volkomen willekeurig zijn omdat zij qua beweging niets met elkaar te maken hebben en omdat er, gezien vanuit A, geen richtingen meer gelden. Maar tegelijk spelen hun bewegingen zich af op het oppervlak van een bol met A als middelpunt, omdat er geen beweging is ten opzichte van A. Het trillende karakter van de bouwsteen is betrekkelijk gemakkelijk te ontdekken als je voor ogen houdt dat je niet met een willekeurige keten te doen hebt maar met een systeem dat je van A uit moet benaderen, in die zin dat je onderzoekt wat de mogelijkheden zijn voor A. Dan is het exclusief en onvermijdelijk dat een vrije beweeglijkheid, zeg 5, uitgroeit tot een elementair systeem en dan is het vervolgens exclusief en onvermijdelijk dat een andere vrije beweeglijkheid, zeg 6, eveneens tot een nieuw systeem uitgroeit. Die zaak moet dan bekeken worden en dan blijkt precies dat een materieel trillingssysteem te zijn dat de mogelijkheid heeft zich met andere systemen te verbinden zonder zijn eigen identiteit te verliezen.

No. 64

Je moet de bouwsteen van de kosmos zo begrijpen dat het elementaire deeltje A uitgegroeid is tot de eenheid B-A, en dat die eenheid B-A vervolgens uitgegroeid is tot de bouwsteen B-A-C doordat er aan A nog een keer een elementair deeltje gegroeid is, namelijk C. Om niet steeds te behoeven uitleggen hoe de situatie is heb ik voor het gemak aangenomen dat B ontstaan is uit een samenspel (onvermijdelijk toevallig ten opzichte van elkaar stilstaan) van beweeglijkheden met de vrije beweeglijkheid 5 van A, en C uit het samenspel met 6 van A. Het elementaire deeltje A is in de bouwsteen het centrale punt, het dode punt van de trilling van B en C ten opzichte van A. Dat elementaire deeltje A doet zich uiteraard qua verschijnsel voor als het brandpunt van het gehele achtledige systeem, bestaande uit de beweeglijkheden 1 t/m 8, en het is in feite dan ook dat brandpunt dat als het dode punt aangemerkt moet worden. Voor zover we de bouwsteen als een bepaald ding beschouwen is het brandpunt A datgene waarom het gaat. Beschouwen we de bouwsteen echter als een bepaalde trilling, dan treden de brandpunten B en C op de voorgrond. Meer dan een op de voorgrond reden is het evenwel niet: treedt A op de voorgrond, dan is dat niet denkbaar zonder B en C, en treden B en C op de voorgrond, dan kan je er A niet uit wegdenken.

Je kunt dus opmerken dat er voor de bouwsteen twee zaken gelden. Enerzijds het in zichzelf onbeweeglijke, het vaste. Dat wordt gewoonlijk de dode materie genoemd. Daarvoor geldt dat er geen beweging is, dat wil zeggen dat er geen beweging in het systeem zelf is. Immers, beschouwd vanuit het elementaire deeltje A is er, op grond van het samengegroeid-zijn, geen beweging ten opzichte van B, en hetzelfde geldt ten opzichte van C. Maar: ten opzichte van de ruimte is er voor A nog wel beweging, namelijk op grond van de vrije beweeglijkheden 7 en 8. Via die beweeglijkheden vindt het zich voortbewegen plaats, zoals ik al eerder heb laten zien. Op grond van het bovenstaande kun je zeggen dat de bouwsteen uit vaste stoft bestaat. Voor zover dat het geval is spreek ik in het vervolg over een ding, in de letterlijke betekenis van het woord. Anderzijds is er het in zichzelf beweeglijke op grond van het niet ten opzichte van elkaar stilstaan van de beweeglijkheden van de elementaire deeltjes B en C. Gezien vanuit B is C volkomen onafhankelijk bewegend en hetzelfde geldt voor B, gezien vanuit C. Elk van die twee vormt echter een eenheid met A en daardoor hebben de bewegingen van B en C wel een gemeenschappelijke factor, namelijk het feit dat zij zich in een bolvormig veld bewegen met A als middelpunt. Voor zowel B als C is A het centrum waarin beide rust vinden. Een dergelijk in beweging zijn moet als een trilling begrepen worden.

De bouwsteen B-A-C is dus een dubbele zaak: enerzijds is het een ding en anderzijds is het een trilling. Beide eigenaardigheden gelden tegelijk omdat de ene niet denkbaar is zonder de andere en omgekeerd. Beide eigenaardigheden treden echter niet tegelijk op de voorgrond als de bouwsteen deel uitmaakt van een samengesteld verschijnsel. Dan maakt dat verschijnsel uit welke eigenaardigheid, het ding zijn of het trilling zijn, op de voorgrond staat. Dat ligt in de logica omdat beide eigenaardigheden berusten op materiele grootheden, namelijk de elementaire deeltjes A en de deeltjes B en C. Door dat materiele karakter kan er een betrekking met andere verschijnselen zijn, kan de zaak van buitenaf beÔnvloed worden. Hierbij moet je wel bedenken dat die beÔnvloeding, of inwerking, slechts mogelijk is omdat de genoemde elementaire deeltjes in de bouwsteen verenigd zijn. Op zichzelf kan een elementair deeltje niets anders dan uitgroeien tot een systeem van twee of drie brandpunten. Als het tot een systeem van drie brandpunten uitgegroeid is, en dus tot een bouwsteen, kan er inwerking van buitenaf optreden. Die bepaalt dan of zo'n bouwsteen functioneert als een dingt of als een trilling. Omdat het ding of trilling zijn van de bouwsteen, qua functie in een samenstelling, door inwerking van buitenaf bepaald wordt hangt het ook van de (menselijke) waarnemer of denker af welke eigenaardigheid op de voorgrond staat. Die waarnemer kan vrijelijk bepalen of hij de bouwsteen als een ding dan wel als een trilling wenst te beschouwen. De bouwsteen zelf is hiervoor, om zo te zeggen, onverschillig: hij is gewoon die dubbele zaak van die twee eigenaardigheden! De natuurkundigen hebben, de eerste decennia van deze eeuw, grote moeite gehad om te erkennen dat de elementaire werkelijkheid een dubbel karakter had, en nog moeilijker vonden (en vinden?) zij het om met het denkbeeld vertrouwd te raken dat zij het zelf waren die bepaalden of die werkelijkheid zich in de ene dan wel in de andere hoedanigheid zou vertonen. Er was dan ook een heel gedoe tussen diegenen die bijvoorbeeld het licht als een golfverschijnsel (trilling) zagen en diegenen voor wie het een stroom van deeltjes (dingen) was. Proeven toonden echter onomstotelijk aan dat het licht zowel het een als het ander moest zijn. Als een lichtstraal door twee nauwe spleten valt vertoont hij een essentieel kenmerk van golven, namelijk interferentie (elkaar versterken en verzwakken), maar als het licht daarna op een fotografische plaat valt blijken het toch deeltjes (dingen) te zijn. Je kunt vaststellen dat het licht beide eigenaardigheden omvat, maar ook en vooral kun je vaststellen dat het optreden van de ene dan wel de andere eigenaardigheid louter en alleen door de proef bepaald wordt, en dus door de onderzoeker oftewel de waarnemer. Hij was het die het licht in relatie bracht tot bepaalde samenstellingen (verschijnselen), namelijk het scherm met de spleten, de fotografische plaat en dergelijke. Het probleem van de natuurkundigen komt voort uit het feit dat zij zich met de verschijnselen bezig houden en daardoor niet weten hoe de bouwsteen begrepen moet worden, om nog maar te zwijgen over onze elementaire deeltjes en de beweeglijkheden! Ik heb al uiteengezet waardoor dat allemaal komt. In een trilling zijn dus drie (brand)punten betrokken. Als je aan de beweging van de slinger van een klok denkt kun je je die drie punten gemakkelijk voorstellen. Er is zogezegd het linkse punt, waar de beweging omslaat naar rechts; er is het rechtse punt, waar de beweging omslaat naar links; er is het middelste dode punt waar de slinger blijft hangen als de beweging gestopt wordt. Als de slinger in beweging is omvat het dode punt zowel de beweging naar links als die naar rechts, maar gezien vanuit dat dode punt geldt het linkse punt van omslag als geen-beweging (de slinger staat even stil!) en evenzo het rechtse punt van omslag. In dit voorbeeld beschrijft de slinger een baan die in een plat vlak ligt, maar de trilling van de bouwsteen is niet tot een plat vlak bepaald. Dat blijkt al uit het feit dat het veld, waarin B en C bewegen bolvormig is. Om je de zaak enigszins voor te kunnen stellen kun je denken aan een lamp die naar alle kanten, in een niet te bepalen aantal richtingen, licht uitstraalt. Dat licht moet dan, overeenkomstig de moderne natuurkundige inzichten, als een golf-verschijnsel begrepen worden, zodat je een soort van uitdijende bolvormige golven krijgt. Ongeveer op die manier trilt de bouwsteen, maar eigenlijk geldt ook hier weer dat onze gebruikelijke voorstellingen schromelijk tekort schieten. Zo denken wij bij het begrip trilling aan een voorwerp dat zich op een bepaalde manier heen en weer verplaatst, zoals de slinger van de klok dat doet, zij het langzaam. Maar de bouwsteen trilt in zichzelf, is zelf trilling.

No. 65 †††††

Paranormale Verschijnselen-1 ; Paranormale Verschijnselen-2 ; Paranormale Verschijnselen-3 ; Paranormale Verschijnselen-4

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; geest-1 ; geest-2 ; geest-3 ; geest-4 ; Communicatie-1 ; Communicatie-2(nrs34 en 35) ; Communicatie-3 ;

Er is in onze cultuur een sterke fixatie op datgene dat men de materie noemt. Dat is vooral in de wetenschap het geval, tenminste als het gaat om de materie als grondstof waaruit de werkelijkheid opgebouwd zou kunnen zijn, dus: de werkelijkheid als ding. Gaat het om de materie in een meer overdrachtelijke betekenis, dan zijn het vooral de gewone mensen die ervan beschuldigd worden materieel ingesteld te zijn en weinig oog te hebben voor de zogenaamde niet-materiŽle zaken. Men noemt hen dan materialistisch en wekt daarbij valselijk de suggestie dat diegenen die tot de bovenlaag behoren in het geheel niet met zo'n gesteldheid behept zouden zijn. In feite echter zijn zowel de gewone mensen als de op de materie gerichte wetenschappers tamelijk gevoelig voor niet-materiŽle zaken, althans voor zover die geheimzinnig, onverklaarbaar, occult en dus paranormaal en godsdienstig van aard zijn. Als regel wordt die gevoeligheid door de meer intellectueel ingestelden gelaakt als iets doms en daarin hebben zij op zichzelf doorgaans wel gelijk. Maar: de argumentatie die als bewijs moet dienen voor de opvatting dat het zogenaamd paranormale onzin is deugt ook niet, juist omdat die argumentatie vervormd is door genoemde fixatie op de materie. Die materie behoort uitsluitend tot de werkelijkheid als ding. Dat die werkelijkheid pas bij het elkaar ontmoeten van twee (of meer) aaneengegroeide systemen van drie brandpunten (bouwstenen) op gaat treden valt geheel buiten het gezichtsveld van de moderne wetenschappelijke cultuurmens.

Normaal is in onze cultuur dat je de werkelijkheid als een samenstelling van verzamelingen onderzoekbare dingen (materie) ziet. Vanuit die normale optiek wordt er van allerlei tegen het paranormale aangevoerd - en dat gebeurt in de meeste gevallen heel terecht - maar de argumentatie berust op de stelling dat er nog nooit aangetoond is dat paranormale verschijnselen bestaan, ondanks een grote hoeveelheid experimenten. Steeds bleek er niets te vinden te zijn. Dat echter zegt hoegenaamd niets: ten eerste is het heel waarschijnlijk dat onze kennis nog lang niet toereikend is om dergelijke fijnzinnige onderzoeken te plegen; ten tweede zijn wellicht de gestelde vragen verkeerd zodat de werkelijkheid de juiste antwoorden niet prijsgeeft en ten derde bewijst het feit dat je iets nog steeds niet tegengekomen bent niet dat dat iets er niet is! Het is met het paranormale net zoiets als met de godsbewijzen. Of je nu wilt bewijzen dat god wel bestaat of dat hij niet bestaat, steeds berust zo'n bewijs op het zoeken van iets: de een beweert dat je hem vindt als je gaat zoeken en de ander beweert dat je hem juist niet vindt. Geen van tweeŽn zal ooit zekerheid hebben... De werkelijkheid bestaat uit oneindig veel systemen en gebeurtenissen zodat alles wat je bij het zoeken vindt altijd weer opgevolgd zal worden door nog niet gevonden zaken. Je zoekt dus tot in eeuwigheid. Het lijkt heel zakelijk als je je richt op de dingen en het onderzoek daarvan. Maar bij nadere beschouwing blijkt dat allerlei veronderstellingen over het bestaan van paranormale verschijnselen noch weerlegd, noch bevestigd kunnen worden, en hetzelfde geldt voor het veronderstelde bestaan van een god of van goden. Dat die zakelijkheid inderdaad maar verbeelding is blijkt uit het feit dat de westerse exacte wetenschap absoluut niet in staat is gebleken de godsdienstige en paranormale onzin uit de wereld te helpen. Het is zelfs zo ver gekomen dat theologie en parapsychologie tegenwoordig aanspraak maken op wetenschappelijkheid! Zowel wat betreft de godsdienst, voor zover die uitspraken doet die op oeroude ideeŽn teruggrijpen, als wat betreft het paranormale, voor zover dat vooral op oude overleveringen steunt, is er een groot aantal zaken aan te wijzen dat een grond van waarheid bevat. Dergelijke waarheden echter laten zich niet begrijpen binnen het kader van het materiele denken, d.w.z. het denken dat berust op de opvatting dat de werkelijkheid uit dingen bestaat. Dus worden die waarheden afgewezen op gronden die niet houdbaar zijn. Overigens: op diezelfde onhoudbare gronden worden zij door anderen geaccepteerd. Toch zijn die waarheden vaak heel juist, bijvoorbeeld dat de werkelijkheid een heldere, doorzichtige, beweeglijke, onvergankelijke, in zichzelf dansende nevel is (Boeddhisme en TaoÔsme); of dat de oorspronkelijke werkelijkheid door alles heengaat (de alomtegenwoordige Joodse god en Christelijke god); of dat de oorspronkelijke werkelijkheid aan alles ten grondslag ligt zonder zelf aan dat alles deel te hebben (het oude Griekse grondeloze licht). Je kunt dus rustig stellen dat de nevelen van Tao bestaan, dat god bestaat en evenzo het grondeloze licht. Maar, dat bestaan kan je alleen dan herkennen als je de werkelijkheid als een zee van beweeglijkheden kunt begrijpen, of, op zijn minst, kunt beschouwen. Je zult dan evenwel niet meer aangewezen zijn op misleidende begrippen als god of Tao of Nirwana die uit een ver verleden stammen toen men nog in beelden dacht. Je kunt er dan gewoon in moderne termen over spreken en die geven dan bovendien aan dat de hele zaak niets met enige vorm van geloof of godsdienst te maken heeft. Zou de zaak daarmee wel te maken hebben, dan belandde je onvermijdelijk weer op het terrein van het zoeken naar, zoals hierboven beschreven.

Denkende vanuit de zee van beweeglijkheden en volgens de normen van het onvermijdelijke en het exclusieve kom je alle zaken zonder mankeren aan de weet en er zal niets blijken te zijn dat buiten de mogelijkheden van je denken valt. Dan zul je met stelligheid kunnen weten dat goden en de meeste paranormale verschijnselen niet bestaan. Zowel het geloof in het bestaan van goden als het geloof in het bestaan van een aantal paranormale verschijnselen berust op de veronderstelling dat de geest op zichzelf, los van materiele structuren, kan bestaan. Ik hoop echter nog duidelijk te maken dat datgene dat wij geest noemen een verschijnsel is dat wij bij onszelf waarnemen en dat berust op het feit dat, in laatste instantie, de materie (het complex van samenstellingen) zich gaat gedragen alsof ze geen materie meer is, maar de zee van beweeglijkheden weer terug. Dat niet-materiŽle gedrag van de optimaal gestructureerde materie is niet te ontdekken en te begrijpen vanuit welke materiele redenering of proefneming dan ook. Bijgevolg leidt de ervaring van dat gedrag tot godsdienstige en paranormale ideeŽn, juist bij die zo zakelijke moderne denkers. En, nogmaals, hun aanvaarden en hun afwijzen van die ideeŽn berust op de veronderstelling dat er iets wel of niet te vinden zal zijn als je maar lang genoeg zoekt. Redenerende vanuit de beweeglijkheden weet je (tenslotte) zeker wat wel en wat niet tot de mogelijkheden behoort.

Op zichzelf staande geesten zijn in elk geval onmogelijk, mŠŠr bijvoorbeeld bepaalde onmeetbare vormen van communicatie zijn helemaal niet uitgesloten. Vormen van gedachtelezen, van telepathie, van waarnemingen over grote afstanden en dergelijke kunnen wel degelijk voorkomen. Wij kunnen met betrekkelijk grove apparaten, zoals televisie- en radiotoestellen, beelden en geluiden transporteren over grote afstanden, met gebruikmaking van onvoorstelbaar ijle golfverschijnselen... zal dan een uiterste van verfijning, zoals het menselijk BREIN dat is, niet in staat zijn onder omstandigheden signalen op te vangen? Trouwens, eigenlijk is het gegeven dat wij BEWUSTZIJN bezitten en daardoor in onmiddellijke verbinding staan met de gehele werkelijkheid, binnen ons gezichtsveld of niet, al voldoende reden om vertrouwd te zijn met verschijnselen die door exact wetenschappelijk onderzoek niet te verklaren zijn.

Paranormale Verschijnselen-1 ; Paranormale Verschijnselen-2 ; Paranormale Verschijnselen-3 ; Paranormale Verschijnselen-4

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; geest-1 ; geest-2 ; geest-3 ; geest-4 ; Communicatie-1 ; Communicatie-2(nrs34 en 35) ; Communicatie-3 ;

Naar boven†††††††††††††††††††††††††††††††

No. 66††† Paranormale Verschijnselen-1 ; Paranormale Verschijnselen-2 ; Paranormale Verschijnselen-3 ; Paranormale Verschijnselen-4

Als je jezelf ermee vertrouwd hebt gemaakt de werkelijkheid te beschouwen als een eeuwig durend spel van ondefinieerbare beweeglijkheden en als je, daar van uitgaande, enigszins vat hebt gekregen op de wijze van denken die bij het nagaan van dat spel noodzakelijk is, dan wordt je langzaam maar zeker duidelijk dat je in toenemende mate in staat bent antwoorden te vinden op vragen die door het moderne wetenschappelijke denken absoluut niet beantwoord kunnen worden.

Er bestaat natuurlijk een groot aantal van die vragen, maar als voorbeeld kunnen het zoeken van verklaringen voor paranormale verschijnselen en het zoeken van zogenaamde godsbewijzen uitstekend dienen. In beide gevallen zijn er mensen die het bestaan van die verschijnselen of het bestaan van een god bevestigen, en tegelijk zijn er mensen die dat ontkennen. De daarbij aangevoerde bewijzen berusten steeds op kwantitatieve argumentaties, dat wil zeggen verzamelingen van zoveel mogelijk bevestigende of ontkennende ervaringen, in de geest van: op die bepaalde dag hebben zeven mensen met eigen ogen gezien dat..., enzovoort.

Hoe meer mensen het gezien hebben en hoe vaker zoiets het geval is, hoe overtuigender het bewijs. Zoals gezegd hebben dergelijke bewijzen geen enkele geldigheid en dat geldt voor, let op, zowel de bewijzen voor als tegen! Overigens: ook heel veel van onze kennis op andere gebieden gaat aan hetzelfde euvel mank. De juiste antwoorden, en ook de weg waarlangs je tot die antwoorden kunt komen, vind je als je de werkelijkheid niet meer ziet als een verzameling dingen, maar als een spel van beweeglijkheden. Voor de genoemde voorbeelden is van belang dat je het begrip geest leert kennen. Dat leidt er vanzelf toe dat je aan de weet komt wat wel en niet mogelijk is. Als je dat eenmaal in de gaten hebt blijkt dat je niet langer aan kwantitatieve argumentaties uitgeleverd bent, noch met betrekking tot het paranormale en het godsdienstige, noch met betrekking tot alle andere (filosofische) vraagstukken. Het niet meer afhankelijk zijn van kwantitatieve argumentaties is precies datgene dat aan het filosofische denken zijn grondslag van zeker weten geeft. Dat wil dus niet zeggen dat alle filosofische uitspraken bij voorbaat juist zijn. Zoals alles heeft ook dit denken zijn ontwikkeling nodig en dat is bijgevolg te noemen: de ontwikkeling van het zeker weten. De kwantitatieve argumentaties behoren tot het terrein van het lineaire denken. Dat denken, dat in onze cultuur allesoverheersend is, wordt gekenmerkt door het voortgaande. Het karakter is dat men in dat denken almaar verder gaat, in feite almaar verder zoekt... en nooit alles gevonden zal hebben. Op grond van het feit dat je, na verloop van tijd, veel gevonden zult hebben ben je tot velerlei dingen in staat. Je boekt grote resultaten, zoals ruimtereizen, atoomsplitsingen, genetische manipulaties, enzovoort. Maar, hoe ongelooflijk je prestaties ook zullen zijn, onvermijdelijk loopt de zaak in het honderd. Dat is vanwege het feit dat je denken verkeerd is omdat het altijd onvolledig blijft. In ons huidige tijdsgewricht kondigt zich dat fiasco al steeds duidelijker aan, het meest opvallend in de technologie.

Onze cultuurontwikkeling is nog niet zover dat men door heeft dat het lineaire denken verkeerd is. Men verwacht er nog steeds wonderen van, ook daar waar het gaat om de redding van onze verpauperde planeet. Maar hier en daar zijn al andere geluiden te horen, alleen hebben die voorlopig nog betrekking op de gedachte dat het lineaire denken afgeschaft zou moeten worden. In het zogenaamde holisme is dat het geval. Als je de zaak begrijpt zie je echter in dat er niets afgeschaft behoeft te worden. Dat kan trouwens ook niet. Zodra je weet dat het lineaire denken verkeerd is plaats je het binnen het grote kader van het spel van beweeglijkheden en dan heft het zijn eigen verkeerdheid op.

Voor zover het denken kwantitatieve argumentaties nodig heeft en lineair van karakter is beperkt het zich tot de werkelijkheid als een veelheid van details. Een detail is een stukje van het geheel en het kenmerk daarvan is dat het een in zichzelf afgesloten stukje is (bepaald binnen eigen grenzen), en ook dat het niet meer in samenhang is met de rest. Op grond van deze twee eigenaardigheden heeft een detail niets meer met de werkelijkheid te maken en is het niet waarheidsgetrouw. Het is een fictie, een illusie van de mens. Met zo'n illusie kun je wel van alles doen, allerlei constructies maken, maar tenslotte keert de zaak zich tegen de mensen. Het afgeslotene en het onsamenhangende zijn de factoren die het fiasco veroorzaken en ook dat wordt gaandeweg meer waarneembaar in onze moderne wereld. Zodra de mensen in de gaten hebben dat de werkelijkheid als detail haar waarheid verliest als ze niet in het grote geheel wordt geplaatst, verandert de zaak van karakter. De begrensdheid wordt opgeheven en de samenhang hersteld. Dat komt doordat men de grens niet meer beschouwt als het punt waarop de zaak ophoudt, maar als het punt waarop de zaak overgaat in iets anders. Dat laatste houdt dan tevens in dat er weer samenhang is. In dat geval is het detail veranderd in een nuance.

Het eigenaardige van het begrip nuance is dat het een beschrijving geeft van een (klein) onderdeel van de werkelijkheid, maar dat het bij die beschrijving de gehele werkelijkheid in stand houdt. Die gehele werkelijkheid wordt dan op zichzelf niet beschreven, wordt als het ware in het duister (buiten beschouwing) gelaten, maar wordt niet weggedacht alsof zij er niet zou zijn. Het beschrijven van zo'n nuance is als het belichten van een bepaald onderdeel, waarbij de belichting naar alle kanten vervaagt en overvloeit naar het duister. Hoewel slechts voor een klein gedeelte belicht is toch de gehele werkelijkheid aanwezig en het belichte gedeelte verliest nimmer zijn geleidelijke overgang naar het duistere gedeelte. De nuance is dan ook niet losgemaakt uit het geheel, er uitgeknipt en apart gelegd, maar daarentegen volledig in het geheel ingebed gebleven. Als dit het geval is spreek je over de nuance als de werkelijkheid naar een bepaald aspect, gezien vanuit een bepaald gezichtspunt, en dergelijke. Ieder mens is zich bewust van zijn eigen werkelijkheid. Zou dat bewuste een detail van de gehele werkelijkheid zijn, dan was er nimmer iets gemeenschappelijks mogelijk, juist omdat het dan om een eigen, dat wil zeggen een afgesloten en onsamenhangende, werkelijkheid gaat. Begrip van het spel der beweeglijkheden leidt echter tot het inzicht dat het inzake het bewustzijn niet om details gaat maar om nuances, zodat je kunt stellen dat een ieder de werkelijkheid op zijn eigen wijze beleeft, maar dat het wel altijd om dezelfde werkelijkheid gaat. De meeste mensen laten die werkelijkheid voor wat ze is en houden het bij hun bewustzijn, bij het beleven daarvan. Sommigen echter willen de nuances nauwkeuriger leren kennen en gaan daarbij zover dat zij een filosofie ontwikkelen. Die filosofie beschrijft dan die nuances en dat is een bezigheid waaraan nimmer een einde komt: het kan altijd nog verfijnder. Deze oneindigheid van de verfijning is evenwel een andere dan de oneindigheid van het kwantitatieve. Deze laatste blijft bevangen in het onzekere, terwijl de eerste op alle momenten, grof of fijn, waarheidsgetrouw is. Het is daarbij net als bij het bekijken van een schilderij: zowel degene die vanaf enige afstand de schoonheid ervan ondergaat, als degene die zich voorover buigt om de nuances nader te beschouwen, ziet echt het schilderij. Dat is waarom het wezenlijk gaat!

Paranormale Verschijnselen-1 ; Paranormale Verschijnselen-2 ; Paranormale Verschijnselen-3 ; Paranormale Verschijnselen-4

Naar boven†††††††††††††††††††††††

No. 67†† Paranormale Verschijnselen-1 ; Paranormale Verschijnselen-2 ; Paranormale Verschijnselen-3 ; Paranormale Verschijnselen-4 ; Het onvermijdelijke toeval (nos 3,4,5) en vervolgens de nos. 8,†† 15,†† 18,20,21,22,23,25,27,28,†† 31,†† 60,67,68,69 en 70)

Het lineaire denken bedient zich van kwantitatieve argumentaties. Er moeten zoveel mogelijk argumenten voor of tegen een bepaalde zaak zijn om het wel of niet accepteren ervan te rechtvaardigen. Een groot aantal geslaagde proeven, zo breed mogelijk onderzoek en optimale mogelijkheden om bepaalde verschijnselen te verklaren fungeren als voor- of tegenargumenten. Die eis van zoveel mogelijk argumenten is redelijk voor zover het over de voor ons gebruikelijke wetenschap gaat. Maar de redelijkheid van die eis heft enkele wezenlijke onzekerheden niet op. Ten eerste is er niet aan te ontkomen dat zelfs een oneindig grote verzameling van argumenten niet uitsluit dat je ťťn doorslaggevend tegenargument nog niet tegengekomen bent. Dat tegenargument kan ontleend zijn aan een op zichzelf bestaande zaak (de zwarte zwaan van Popper!), maar het kan ook hieruit voortkomen dat een zaak onmogelijk blijkt te zijn juist met het vergroten van de verzameling argumenten (hoe meer je weet van bestrijdingsmiddelen voor de landbouw, hoe meer agrarische toepassing onmogelijk blijkt). Kwantitatieve argumentaties zijn, wetenschappelijk gezien, redelijk te verantwoorden, maar bieden uiteindelijk geen enkele zekerheid. Het is van belang dit in te zien, vooral in verband met het feit dat tegenwoordig vele mensen, voornamelijk door de arrogantie van de meeste wetenschappers, in de mening verkeren dat kwantitatieve wetenschappelijke argumentaties tot zeker weten zouden leiden. Een andere onzekerheid komt voort uit het feit dat een wetenschappelijke theorie opgebouwd wordt met behulp van kennis of informatie die door analyse verkregen is. Gegevens dus die uit de samenhangende werkelijkheid losgemaakt zijn. Met behulp van de tussen die verschillende gegevens bestaande relaties wordt er een theorie opgebouwd in de hoop en de verwachting dat hij zal overeen stemmen met de echte werkelijkheid. Dat laatste echter blijft onzeker, zelfs als herhaalde proeven en succesvolle toepassingen de overeenkomst met de realiteit lijken te bevestigen. Als je consequent filosofisch redeneert kun je uiteraard met zekerheid stellen dat ook de meest verfijnde theorie per definitie zal afwijken. Men heeft immers bij de analyse de samenhang verbroken en, zoals we al eerder gezien hebben: die is nimmer op wetenschappelijke of technische wijze opnieuw tot stand te brengen. Uit de praktijk weten de technici dat geen enkele moderne technologie zonder een zekere mate van improviseren mogelijk is. Er blijft altijd een bepaalde marge van onvoorziene bijwerkingen, een zekere tolerantie, die met vaak primitieve lapmiddelen opgevangen moet worden. Meestal lukt dat wel, maar soms gebeuren er vreselijke rampen.. .

Het lineaire denken leek aanvankelijk een betrouwbaar gereedschap om de werkelijkheid te leren kennen. Men heeft er in de vorige eeuw veel van verwacht. Die verwachting werd steeds meer versterkt toen wetenschap en technologie het ene succes na het andere boekten. Door dat succes raakte bijna iedereen ervan overtuigd dat het de echte werkelijkheid was waarop men vat begon te krijgen. Het is zover gekomen dat je tegenwoordig nauwelijks nog gehoor vindt als je laat zien dat wetenschap en technologie betrekking hebben op slechts een aspect van de werkelijkheid, namelijk de samengestelde materie. Die is opgebouwd uit combinaties van bouwstenen die, zoals we gezien hebben, uit drie aaneen gegroeide elementaire deeltjes bestaan. Essentieel daarbij is de relatie van de tweede soort die de scheiding en zelfs het absolute niets tot inhoud heeft. Het werken met die bouwsteen en met die relatie levert wel kennis over de werkelijkheid op, en ook ligt hier de basis voor het omzetten van de materie tot een menselijke werkelijkheid (technologie), maar het levert in genen dele zeker weten op. Evenmin biedt het de mogelijkheid om bepaalde vragen over bijvoorbeeld het bestaan van god of het bestaan van paranormale verschijnselen, en vragen over buiten ons bereik liggende kosmische gebieden te beantwoorden. Het nut van het uitsluitend met je eigen denkvermogen filosoferen, via het nagaan van de mogelijke verhoudingen tussen de beweeglijkheden, is dit dat je op genoemde vragen onmiskenbaar zekere antwoorden kunt krijgen. Dat onderscheidt de filosofie van de wetenschap. Als je bijvoorbeeld aan een astronoom vraagt of er elders in het heelal (menselijk) leven aanwezig is, dan zal hij je antwoorden dat hij daarvoor geen aanwijzingen heeft en dat hij dus geen antwoord op je vraag kan geven. Als je echter op puur filosofische wijze, uitgaande van de enige zekerheid die je hebt, de werkelijkheid nagaat is het antwoord op je vraag eenduidig te geven. Het is zelfs tamelijk gemakkelijk: in de oneindigheid van tijd en ruimte kan het niet anders of het onvermijdelijke toeval, dat hier tot levende wezens geleid heeft, is verderop op precies dezelfde wijze werkzaam. Er is geen filosofisch houdbaar argument te vinden voor de veronderstelling dat er alleen maar hier leven ontstaan zou zijn. Gaat het over de vraag of god bestaat, dan kun je filosofisch met absolute zekerheid weten dat hij niet bestaat, dat hij niet bestaan kan. Maar wetenschappelijk is alleen maar een agnostisch standpunt houdbaar. Wij weten het niet en houden het derhalve niet voor onmogelijk, hoewel we god tot nu toe (kwantitatieve argumentatie) niet tegengekomen zijn. Misschien wordt zijn bestaan ooit nog eens aangetoond! Overigens is deze, vooral onder humanisten gebruikelijke, gedachtegang in zichzelf inconsequent omdat een eventueel bestaan van god betrekking heeft op een niet-materiŽle zaak waarop begrippen als aantoonbaarheid en onderzoekbaarheid helemaal niet van toepassing zijn. Al eerder heb ik er op gewezen dat het voor moderne wetenschappers een uitgemaakte zaak is dat een filosofie die louter op in jezelf herkenbare en alleen-maar denkend te begrijpen gegevens berust gewaardeerd moet worden als een geloof. Men bedoelt daarmee dat je aanneemt dat iets zo of zo is. Zo'n waardering komt voort uit de bij die wetenschappers onvermijdelijke gerichtheid op de werkelijkheid als materie. Die gerichtheid maakt het voor hen onmogelijk te erkennen en te begrijpen dat een mens in staat is glashelder het groeiproces binnen de werkelijkheid na te gaan. Voor hen bestaat eenzijdig en uitsluitend de mogelijkheid om Over de werkelijkheid theorieŽn op te stellen. Als je aan het filosoferen bent haal je, als je althans niet bezig wilt zijn als een moderne analytische filosoof, niets uit elkaar. Bijgevolg ben je ook niet bezig iets op te bouwen. Wat je probeert te doen is: nagaan hoe het groeiproces gaat. Dat heeft niets met opbouwen te maken, Net zomin als het uitgroeien van een bevruchte eicel tot een mens iets met opbouwen te maken heeft. Binnen het kader van dat uitgroeien vindt er ook wel opbouw plaats met het vermeerderen van het aantal cellen, maar dat is niet het wezenlijke van het kosmische proces. We moeten er op letten dat er een onderscheid is tussen het filosoferen zelf, als een werkzaamheid die in een bepaald mens plaats heeft, en het beschrijven van de werkelijkheid. Bij dat beschrijven namelijk is er wel degelijk sprake van een zekere opbouw. Het filosofische verhaal kan niet anders dan in een reeks van causaal verbonden uitspraken verteld worden. Dat vindt zijn grond in het feit dat je bij het filosofische beschrijven van de werkelijkheid tijdelijk op het geven van een voorstelling aangewezen bent. Het aan elkaar mededeling doen van een bepaalde gedachtegang geschiedt noodzakelijk doormiddel van voor een groot aantal mensen bekende vastgelegde en concrete begrippen, neergelegd in de gangbare taal. De een doet zijn mededelingen wat systematischer dan de ander, maar zonder systeem kan het niet. Je zou onmiddellijk vervallen in wartaal!

Paranormale Verschijnselen-1 ; Paranormale Verschijnselen-2 ; Paranormale Verschijnselen-3 ; Paranormale Verschijnselen-4

Naar boven††††††††††††††††††††††††

No. 68

In het wetenschappelijk denken gaat het onvermijdelijk over de werkelijkheid zoals die na het uit elkaar halen waarschijnlijk is. Het woord waarschijnlijk kan er niet uit gemist worden. Helaas wordt het maar al te vaak verdoezeld dat er geen echte zekerheid bestaat, maar slechts een voorlopige. De wetenschappers hebben in onze cultuur een hoge status en orakelen er menig keer maar wat op los zonder acht te slaan op het wezenlijke karakter van hun wetenschap. Dat leidt tot ernstige misverstanden over tal van zaken. Bovendien is er voor diegene die filosofeert dit probleem dat de filosofische beschrijving soms niet lijkt te kloppen met de voorhanden wetenschappelijke kennis. Dat komt door het feit dat je in de filosofie de zaak nagaat langs het netwerk van samenhangen met daarin de draden van de stapsgewijze samenhang. Nu is het deze stapsgewijze samenhang die door de analyse tenietgedaan wordt. De analyse verbreekt namelijk de combinatie van bouwstenen onder het vrijkomen van beweging ten opzichte van de ruimte. Die beweging was in de combinatie opgeheven doordat twee vrije beweeglijkheden op zodanige wijze tegen elkaar kwamen te liggen (gelijkop bewegen) dat de bewegingsrichtingen van brandpunt naar vrije beweeglijkheid in elkaars verlengde lagen en daardoor, tegengesteld van richting zijnde, de bewegingen neutraliseerden. Die bewegingen zijn niet ten opzichte van andere materiŽle verschijnselen, zoals de aarde, maar zij zijn ten opzichte van de ruimte en als zodanig komen zij bij de analyse vrij. De natuurkundigen menen dan pure energie aangetroffen te hebben omdat die energie geen werking vertoont op enigerlei vorm van materie. Er is echter geen pure energie. Het is en blijft vrijgekomen beweging ten opzichte van de ruimte van de vrije beweeglijkheden, behorende tot een elementair systeem. Met het verbreken van de combinatie en het vrijkomen van energie verdwijnen de stapsgewijze samenhangen spoorloos. Men kan dan nog wel iets over de vroegere combinatie zeggen en heeft het dan in feite over de relatie van de tweede soort. Maar over de vroegere samenhang is niets te zeggen omdat die zogezegd geen enkel spoor nalaat. Daardoor is de wetenschappelijke beschrijving onvolledig en vaak afwijkend van de filosofische. Helaas wordt op grond hiervan deze laatste niet serieus genomen, ondanks het feit dat hij menigmaal gebleken is juist te zijn. Zoals we eerder gezien hebben is er samenhang waar twee elementaire, uit 8 beweeglijkheden bestaande, systemen aaneengegroeid zijn. Daarbij vloeit de ruimte over van A naar B en omgekeerd, is de beweging ten opzichte van de ruimte van de gezamenlijke, oorspronkelijk vrije, beweeglijkheid (5) verdwenen en is er geen scheiding tussen A en B. Hoewel dat het geval is blijft toch het feit geldig dat er twee systemen (A en B) zijn. We kunnen hier spreken van het ineen-zijn van twee. Zij zijn aaneen gegroeid tot ťťn systeem en tegelijk toch twee systemen. Er is niet te zeggen waar de een begint, de ander eindigt en omgekeerd. Denken aan de een houdt onmiddellijk denken aan de ander in. Omdat er toch twee systemen zijn kun je spreken van een relatie tussen beide, maar, zoals al eerder gezegd, die relatie is in alle opzichten niet te bepalen. Die niet te bepalen relatie, die samenhang, is in de drieledige bouwsteen aanwezig tussen de elementaire deeltjes A en B en tussen A en C. Tussen B en C bevindt zich de trilling waaruit tenslotte, bij het ontstaan van het leven, de totaaltrilling en het begrip het geheel zullen voortkomen. We moeten ons goed realiseren dat het beweeglijk-zijn dat het leven is, niets anders is dan een materiŽle trilling in de drieledige bouwsteen. De samenhang is uitsluitend aanwezig tussen twee elementaire deeltjes die aaneengegroeid zijn. De werkelijkheid is dus geen homogene zaak van aaneengegroeide deeltjes en dat zou ook niet kunnen omdat het de mens dan niet mogelijk zou zijn onderscheidingen en zelfs scheidingen in zijn werkelijkheid aan te brengen. Als je te maken hebt met het begrip ineen-zijn van twee is er immers geen scheiding tussen de een en de ander. Uit onze aanvankelijke vaststelling dat het gegeven ik en de rest onomstotelijk vaststaat (zie het begin van ons verhaal) volgt ook, zoals nu blijkt, dat de werkelijkheid geen continue samenhang kan bevatten, maar een discontinue, die zichzelf in zekere zin opheft door de stapsgewijze samenhang. Deze laatste geldt voor de levende wezens. Als wij ons nog eens voor de geest halen hoe de drieledige bouwsteen er volgens ons model uitziet, dan kunnen wij gemakkelijk inzien dat er steeds verschillende mogelijkheden openblijven voor het aangroeien van nieuwe elementaire systemen. Er is immers een achttal vrije beweeglijkheden! Dit aangroeien echter levert in feite niets nieuws op: je krijgt nog een aantal malen een drieledige bouwsteen, die via stapsgewijze samenhang met de andere verbonden is. Uiteindelijk zou dit wederom uitlopen in een homogene massa waarin op geen enkele wijze onderscheid aanwezig is. Maar, er speelt nog iets anders. Doordat de drieledige bouwsteen zich verplaatst door de ruimte ontmoet hij andere materiŽle systemen en vormt daarmee, onder de juiste omstandigheden, combinaties. De kans dat die optreden wordt groter naarmate er meer systemen aaneengegroeid zijn. Ook hier speelt weer het onvermijdelijke toeval een rol. Die combinaties ontstaan noodzakelijk in bepaalde richtingen omdat bij het zich combineren de richting van twee bewegingen ten opzichte van de ruimte essentieel is. Daaruit volgt dat er in de combinaties een zekere regelmatige structuur zal ontstaan en ook dat die structuur typerend voor een bepaald materieel verschijnsel zal zijn. De combinaties vertonen een bepaalde rangschikking. Uit het natuurkundig onderzoek is gebleken dat alle stoffen inderdaad qua moleculen, atomen, elektronen, enzovoort, aan een bepaalde rangschikking onderworpen zijn. Bij kristallen is het zelfs een wiskundige figuur. Dat die rangschikking alles te maken heeft met het begrip richting blijkt ook uit het magnetisch maken van ijzer. Je schijnt daarbij de elektronen in een bepaalde richting te dwingen. Van een verschijnsel is dus te zeggen dat het zowel uit een weefsel van samenhangen bestaat als uit een raster van combinaties, waarbij bedacht moet worden dat het raster zijn geheimen door analyse prijs kan geven omdat er een scheiding is tussen het een en het ander, en het weefsel bij elke analytische handeling spoorloos verdwijnt. Om het voor jezelf enigszins te formuleren zou je kunnen zeggen dat het weefsel de manifestatie is van het begrip het ineen-zijn van twee en dat het bij het raster gaat om het uiteen-zijn van twee. Beide begrippen treden tegelijkertijd in elk verschijnsel op, maar zij typeren zo'n verschijnsel elk op een andere wijze. Staat het raster op de voorgrond, dan heb je een anorganisch verschijnsel, staat daarentegen het weefsel op de voorgrond een organisch. De structuur van het raster berust precies op de vastgelegde verbindingen binnen de materie. Het gaat om de relaties van de tweede soort, met hun aan elkaar opgeheven bewegingen, hun scheiding die een absoluut niets is en hun afhankelijkheid van de richting van de opgeheven bewegingen. Bepalend voor het verschijnsel is dus eigenlijk niet datgene dat er gebeurt, want dat is betrekkelijk eenvoudig: er is aaneengroeien en er is zich combineren en verder is er niets. Maar de rangschikking van het raster is bepalend. Dat is ook het geval bij het levende verschijnsel, alleen is daarbij het raster op de achtergrond komen te liggen. Zonder dat raster evenwel is ook het levende verschijnsel onmogelijk.

No. 69†††† Big Bang-1 ; Big Bang-2 ; Big Bang-3 ; Big Bang-4 ; Big Bang-5 ; Big Bang-6

Voor elk verschijnsel gelden twee begrippen die aangeven hoe het met de structuur van zo'n verschijnsel gesteld is. Daar is dan het begrip weefsel, dat betrekking heeft op de samenhang tussen telkens twee achtledige elementaire deeltjes, en daar is het begrip raster dat op de relaties tussen de, met elkaar gecombineerde, bouwstenen slaat. Het kenmerkende van het raster is de regelmatige rangschikking. Dat betekent niet dat alle voorwerpen een regelmatige structuur hebben. In de praktijk bestaat zo'n voorwerp uit een mengeling van verschillende regelmatigheden, al naar gelang er atomen en moleculen van verschillende elementen in betrokken zijn. De rangschikking daarvan kan op zichzelf ook regelmatig zijn. Hoe dan ook, steeds zijn er die regelmatige rangschikkingen en omdat die op vastgelegde verbindingen berusten zijn zij bepalend voor het herkennen van de verschillende materialen. De regelmatige rangschikking berust op het gelden van het begrip richting. De bewegingen immers van brandpunt naar vrije beweeglijkheid hebben ten opzichte van elkaar een bepaalde richting. De hoek tussen die richtingen, gedacht vanuit het brandpunt van een achtledig elementair deeltje, is steeds van dezelfde grootte. Wanneer er nu combinaties tussen bouwstenen optreden is het de richting die bepalend is. Het gaat namelijk om twee bewegingen die qua richting precies in elkaars verlengde liggen en qua beweging tegengesteld zijn, zodat de bewegingen zich aan elkaar kunnen opheffen. Je kunt dus stellen dat combinaties steeds op precies dezelfde manier gevormd zijn. Wat betreft die combinaties is op te merken dat deze eigenlijk Onmogelijk zijn. Het elkaar benaderen van bouwstenen geschiedt natuurlijk vanuit allerlei richtingen, in feite zijn er oneindig veel mogelijkheden. Die leiden geen van alle tot een combinatie, behalve in het vrijwel Onmogelijke geval dat de richtingen in elkaars verlengde liggen. De waarschijnlijkheid dat dit gebeurt is welbeschouwd ťťn op oneindig. Je bent geneigd te menen dat een dergelijke kans helemaal geen kans is, maar toch is dat wel het geval. Het ontstaan van de verschijnselen is dus eigenlijk een kwestie van een onvoorstelbaar klein toeval. Dat kleine toeval echter is toch onvermijdelijk en wel omdat het in de oneindigheid van ruimte en tijd plaatsgrijpt. Zoals ik al eerder heb laten zien kan zoiets Onwaarschijnlijks als het zich combineren van twee bouwstenen in die oneindigheid niet uitblijven, maar, bij wijze van spreken: niemand kan voorspellen waar en wanneer.

Van datgene dat wij gewoonlijk toeval noemen is te zeggen dat een bepaalde gebeurtenis ook had kunnen uitblijven. Een ongeluk met mijn auto had ook niet kunnen gebeuren. Maar als het gaat over het onvermijdelijke toeval is, ondanks alle onvoorspelbaarheid, met absolute zekerheid te zeggen dat het gebeuren zal. Zo is het absoluut zeker dat combinaties van bouwstenen zullen optreden, maar het waar en wanneer is onvoorspelbaar. Wij mensen kijken terug op het ontstaan en dan wil het ons voorkomen dat de hele zaak volgens een plan ontwikkeld is. Inderdaad blijkt achteraf dat alleen de mogelijke mogelijkheden zich doorgezet hebben, maar dat berust natuurlijk niet op een van tevoren opgesteld plan. Je kunt best staande houden dat het begrip richting voor ons besef een soort plan oplevert, maar in feite is daarvan geen sprake. In feite is het steeds het bijna onmogelijke dat, omdat het toch niet uit kan blijven, tot het ontstaan van verschijnselen leidt. Overigens: zou dat niet het geval zijn, dan is het volslagen ondenkbaar dat er ‹berhaupt een kosmos ontstaan zou zijn. Juist die ťne, bijna onmogelijke, mogelijkheid is wezenlijk voor alles wat er is. Binnen het kader van het natuurkundige denken is het onbegrijpelijk dat het alles zo geraffineerd in elkaar zit, al helemaal als het over de laatste structuren gaat, zoals bijvoorbeeld de menselijke hersenen.

Nog altijd is men geneigd toch maar een goddelijk plan achter de werkelijkheid te zoeken en men vindt het filosofische verhaal dat deze zaak duidelijk maakt uitermate onwaarschijnlijk. En dit temeer omdat dit verhaal zich niet voor natuurkundige toetsing leent. Je wordt met iets dergelijks geconfronteerd bij het verbeten vasthouden aan de theorie van de Big Bang, waaruit alle verschijnselen ontstaan zouden zijn. Zo'n aan het begin liggende gebeurtenis lijkt namelijk het onwaarschijnlijke van het ontstaan van de kosmos weg te nemen. Hij lijkt het plausibel te maken omdat hij tot een systeem van causaal verklaarbare voortgangen leidt. Eigenlijk is de aanname van zo'n oerbegin een onbewust godsdienstige voorstelling, een modern soort scheppingsverhaal! In een dergelijk verhaal is het onvermijdelijke toeval weggewerkt. Als de zaak niet toevallig zou zijn is dat voor het denken van alsnog Onvolwassen mensen veel bevredigender en het biedt voor het wetenschappelijk denken meer mogelijkheden om als betrouwbaar over te komen. Hoe onwaarschijnlijk het ontstaan van de kosmos ook is, toch is het anderzijds een feit dat, naarmate er uitgebreidere materiŽle combinaties ontstaan, de kansen op verdergaande ontwikkeling groter worden. Een systeem van enige duizenden bouwstenen biedt een dienovereenkomstige verzameling van mogelijkheden tot voortgaande combinaties. Er zijn gewoon meer vrije beweeglijkheden die tot het ontstaan van Of weefsels, Of rasters aanleiding kunnen geven. Maar: bijna onmogelijk blijft het! Terzijde: je kunt zeggen dat er helemaal geen toeval bestaat omdat er in de oneindigheid altijd wel bepaalde verhoudingen zullen ontstaan. Waarom dan toch over toeval gesproken? De rechtvaardiging hiervan is gelegen in een puur filosofisch probleem. Je moet in de filosofie zaken beschrijven die op zichzelf buiten de gangbare voorstellingen blijken te liggen. De beschrijving echter is gebonden aan die bestaande voorstellingen. Zou je dat feit ontkennen, dan is het onmogelijk om voor je medemensen verstaanbaar te zijn. De poging van sommige filosofen om zelf termen en begrippen te bedenken is bij voorbaat mislukt. Niemand weet tenslotte meer waarover het gaat! Bovendien kun je een dergelijk gedoe asociaal en zelfs wel onfatsoenlijk noemen. Maar dat heeft wel het voordeel dat men je voor bijzonder diepzinnig houdt en op grond daarvan misschien wel professor maakt... Omdat er in een cultuur gedacht wordt zoals er gedacht wordt moet je als filosoof werken met de gangbare begrippen en het begrip toeval is er daar een van. Met behulp van zo'n begrip leg je vervolgens uit hoe het werkelijk zit. En nu de volgende zaak. De werkelijkheid is opgebouwd uit niveaus. Dat wil zeggen dat er telkens een bepaald eindpunt optreedt waarop de voordien geldige gedachtegang niet verder mogelijk is. Dat eindpunt moet dan op zijn beurt weer als beginpunt van de volgende gedachtegang dienen, zonder dat daarbij de voorgaande gedachtegangen komen te vervallen. Geen enkele ontwikkeling kan op zichzelf tot het algehele einde van de werkelijkheid, in feite de mens, doorgedacht worden. Steeds treedt er een ander en nieuw niveau op. Zo heb ik laten zien dat het ten opzichte van elkaar stilstaan van de oorspronkelijke beweeglijkheden niet verder mogelijk is dan tot vier beweeglijkheden. Daarna moet ik op een ander niveau gaan denken, namelijk een niveau waarop ook de beweging aanwezig is. De vijfde beweeglijkheid immers beweegt wel en niet ten opzichte van de voorgaande vier omdat nu niet langer geldt dat alle, in een systeem betrokken, beweeglijkheden ten opzichte van elkaar stil moeten staan. Daarna komt het elementaire deeltje, de bouwsteen, de atomen, de elementen, enzovoort.

Big Bang-1 ; Big Bang-2 ; Big Bang-3 ; Big Bang-4 ; Big Bang-5 ; Big Bang-6 ; Tijdloosheid/eindeloosheid ; Oneindigheid zie 3 en 4 , 18 , 38 t/m 40 , 60 , 66 t/m 69 ; Eeuwigheid ; Trilling-1 ; Trilling-2 ; Totaaltrilling ;

No. 70

Het kenmerk van de materie, voor zover die zich opgebouwd heeft, is datgene dat ik het raster genoemd heb. Dat raster neemt gedurende de wording van de kosmos steeds verfijnder en ingewikkelder vormen aan totdat tenslotte die verfijning zodanig is dat er geen mogelijkheden zijn om nog verder te gaan. De zaak sluit zich als het ware in zichzelf af. Als dat punt bereikt is moet je, bij het nagaan van het ontstaan, op een ander niveau gaan denken: het niveau van de levende cellen. Het voorgaande, namelijk het steeds maar verfijnen van rasters is dan niet langer kenmerkend. Het tot inhoud maken van de bestaande materiŽle werkelijkheid, en het te voorschijn brengen van die inhoud in de vorm van een dochtercel wordt dan het leidende beginsel. Zo zie je dat je telkens in nieuwe niveaus moet denken. Steeds loopt het nagaan van de werkelijkheid vast. Ik heb er eerder al op gewezen dat dit vastlopen essentieel is en in geen geval als een tekort schieten van je denken opgevat moet worden, tenzij je vastloopt doordat je ergens een fout gemaakt hebt, maar in dat geval stuit je niet op een in zichzelf voltooide fase van het ontstaan, maar daarentegen op een situatie waarin je letterlijk alle kanten uit kunt zonder de eerder genoemde unieke bijna onmogelijkheid te vinden. Dan heb je dus een fout gemaakt. Het vastlopen echter treedt op juist doordat een bepaalde fase aan zijn einde gekomen is en er op een nieuw niveau gedacht moet gaan worden. Wat betreft het onvermijdelijke toeval wil ik nog het volgende opmerken: in het dagelijkse leven is ons gedoe gebaseerd op voorspelbaarheden. Wij verwachten dat een bepaalde handeling tot een bepaald resultaat leidt. Je verwacht dat resultaat en, als er niets fout gaat, gebeurt het ook inderdaad. Zonder die voorspelbaarheden kun je niet overleven omdat je volkomen uitgeleverd zou zijn aan het toeval. Toch is ook ons dagelijks leven in principe Onvoorspelbaar. Het is in feite een reeks van verwachtingen, die doorgaans uitkomen, maar soms ook niet. Vaak zijn het heel kleine gebeurtenissen, die aan je aandacht ontsnappen, maar die toch tot grote gevolgen kunnen leiden. In de natuurwetenschap heeft men lange tijd gedacht dat heel kleine gebeurtenissen bij het onderzoek verwaarloosd konden worden. Men dacht dus dat het grote gebeuren niet of nauwelijks beÔnvloed werd door het kleine gebeuren. Er traden wel steeds onverklaarbare afwijkingen op, maar men schreef die toe aan onnauwkeurigheden in de waarnemingen, metingen en dergelijke. Tegenwoordig echter begint duidelijk te worden dat die afwijkingen grote gevolgen zijn van kleine gebeurtenissen. Zo kan een kleine verontreiniging in een wolk waterdamp er toe leiden dat de waterdeeltjes zich in zo'n mate gaan concentreren dat het gaat regenen. Daarvan maakt men nogal eens gebruik om regen op te wekken. Men schiet dan bijvoorbeeld een granaat in een wolk. Indianen stookten vroeger grote vuren zodat de roetdeeltjes in de opstijgende rook condensatie teweeg konden brengen, met als gevolg regen. Met het groeien van inzichten op dit gebied is het vermoeden gerezen dat grote chaotische verzamelingen bewegende deeltjes, atomen, moleculen, op den duur patronen in zo'n verzameling zullen vertonen. Die patronen ontstaan niet doordat er voor een dergelijke verzameling op zichzelf bepaalde wetten gelden, maar louter doordat al die deeltjes in beweging zijn. Die beweging is voor elk afzonderlijk deeltje onafhankelijk van de andere en juist omdat dat het geval is ontstaan er op den duur patronen. In de weerkunde spreekt men dan van bepaalde wolkenformaties die men allemaal namen gegeven heeft. Tegenwoordig beschikt men over gigantisch sterke computers en het kon niet uitblijven dat bepaalde, overigens voor gek versleten, wiskundigen met die dingen zijn gaan spelen. Zij begonnen met eenvoudige berekeningen en herhaalden die eindeloos vaak, op zo'n manier dat de volgende telkens de vorige als uitgangspunt had. In principe berustte dat hele gedoe op chaotische handelingen die op zichzelf op geen enkele verwachting gebaseerd waren. Maar wat bleek? Na lange tijd ontstonden er patronen, een soort van wetmatigheden die, en dat is nu juist het merkwaardige, absoluut niet bedoeld waren. Men probeerde dus geen patronen op te roepen, want dan zou het resultaat beantwoorden aan een bepaalde verwachting. Neen, men zette daarentegen de chaos door, vergrootte die eindeloos, en vond toen patronen. Een onbeduidend klein begin met grote gevolgen! Je kunt dus zelfs met een machine zover komen dat er patronen in de chaos ontstaan. Men heeft die patronen met een soort van printers, die in meerdere kleuren kunnen printen, afgedrukt en daarbij ontstonden de meest fantastische figuren die aan de structuren van sneeuwvlokken en ijsbloemen op de ruiten deden denken. Geen enkele van die figuren bleek bewust op te roepen: zij bleken volkomen Onvoorspelbaar. Voor ons is niet goed te begrijpen hoe die wiskundigen met die computers aan het werk zijn, maar wij kunnen er wel uit begrijpen dat grote verzamelingen chaotisch bewegende elementen zich tenslotte tot ordelijke patronen ontwikkelen. Als je dat zelfs met een betrekkelijk grof apparaat als een computer kunt doen kan het zeker plaatsvinden in die oneindige zee van beweeglijkheden, elementaire materiŽle deeltjes, bouwstenen, enzovoort. En het maakt hopelijk duidelijk dat juist het absoluut onafhankelijke karakter van de beweegelijkheden tot het vormen van systemen leidt. Wij zijn er inmiddels, langs de weg van het pure filosofische denken, achter gekomen dat de clou van dit hele gebeuren ligt in het onvermijdelijk toevallig voorkomen van gelijk-op bewegende, en dus ten opzichte van elkaar stilstaande, beweeglijkheden! Het spreekt vanzelf dat in die door de wiskundigen gevonden patronen het begrip richting een wezenlijke rol speelt. Het bepaalt de structuur van die patronen. Maar er is nog iets anders, dat heel frappant is: het ziet er naar uit dat die patronen, eenmaal opgeroepen in de computer, niet meer tot het eenvoudige uitgangspunt terug te brengen zijn. Dat betekent dat het begrip richting niet alleen bepalend is voor de structuur van die patronen, maar ook voor de voortgang van het proces dat tot die patronen leidt. Het proces gaat in ťťn richting. Een terugweg is onmogelijk. Maar dat komt precies overeen met het door ons ontdekte ontstaansproces in de werkelijkheid. Wat eenmaal een bepaald niveau heeft bereikt kan alleen maar verder naar een volgend zonder naar een vorig terug te kunnen vallen. Het kosmisch stelsel, waarin wij leven, gaat tenslotte ten onder. Gewoonlijk denkt men dat zo dat de zaak weer teruggaat, dat de richting tegengesteld wordt. Dat echter is fout gedacht. Het proces gaat almaar in dezelfde richting door en daarbij realiseert zich gaandeweg een niveau dat een toenemend uiteenvallen als kenmerk heeft. Je moet dat denken, niet langs een rechte lijn, maar als een beweging langs een cirkel waarbij, al voortgaande, tenslotte het uitgangspunt weer bereikt wordt. Er zijn denkers die menen dat de evolutie van het leven en de ontwikkeling van het menselijk zelfbewustzijn weer opnieuw kunnen beginnen als er een, alle leven vernietigende, ramp heeft plaats gevonden. Uit het bovenstaande moge duidelijk zijn dat dit onmogelijk is. De ontwikkeling van het leven is op een bepaalde planeet een ťťnmalig gebeuren. Zelfs een nieuwe ontwikkeling uit eventueel overgebleven primitieve levende cellen is ondenkbaar. Je kunt trouwens aan je eigen leven vaststellen dat er nooit iets terugkomt, dat het almaar voortgaat. Het optreden van het moment nu is, zoals al eerder besproken, niet los te maken van de richting van voortbeweging van de bouwsteen door de ruimte.

Het onvermijdelijke toeval (nos 3,4,5) en vervolgens de nos. 8,†† 15,†† 18,20,21,22,23,25,27,28,†† 31,†† 60,67,68,69 en 70)

No. 71††††† Bladwijzers: Big Bang-1 ; Big Bang-2 ; Big Bang-3 ; Big Bang-4 ; Big Bang-5 ; Big Bang-6

Bij het nadenken over het ontstaan van de verschijnselen is het van het grootste belang de volstrekte Onafhankelijkheid van de beweeglijkheden te handhaven. De verleiding is groot dat niet te doen. Zo zoek je bijvoorbeeld uit hoe de verhouding is tussen twee gelijk-op bewegende en daardoor ten opzichte van elkaar stilstaande beweeglijkheden. De bij dat uitzoeken benodigde begrippen, zoals ten opzichte van elkaar, behoren echter uitsluitend bij je denken, het zijn factoren van je denkproces. De beweeglijkheden zelf echter hebben daaraan geen boodschap. Zij zijn niet ten opzichte van elkaar, omdat zij elkaar volkomen uitsluiten. Populair gezegd: zij kennen elkaar niet omdat zij enkelvoudig zijn en dus het andere, het anders-zijn, niet in zich hebben. Maar voor jou, als je die verhoudingen van de beweeglijkheden onderling vergelijkt, is er wel een ten opzichte van elkaar zijn, een zich vormen van systemen en patronen. In dit verband is het leerzaam om eens, in het kort, de filosofie van de al eerder genoemde Jan BŲrger te bekijken. Daarbij stel ik nadrukkelijk voorop dat deze filosoof, voor zover mij bekend, de meest intelligente en heldere gedachtegang over het ontstaan ontwikkeld heeft. Maar, hoewel hij stelt dat de oorspronkelijke werkelijkheid uit enkelvoudigheden bestaat, rekent hij er toch mee alsof ze niet enkelvoudig zijn. Hij laat ze namelijk ineen gaan en zich daarbij verzetten tegen dat ineen gaan. Op grond daarvan concludeert hij dat er een gehinderd en een ongehinderd ineen gaan plaatsgrijpt. Deze gedachtegang echter is alleen dan houdbaar als de enkelvoudigheden juist niet enkelvoudig zijn, maar daarentegen het andere in zich hebben. Op grond van mijn gedachtegang weet je dat het in feite bij BŲrger over de bouwstenen moet gaan. Daarvoor geldt immers interne samenhang (ongehinderd ineen zijn) en externe combinatie (gehinderd). De vergissing ligt duidelijk bij het over het hoofd zien van het onderscheid tussen datgene dat voor je denken bestaat en datgene dat in het echt bestaat. Met het uitzoeken van dat onderscheid heeft Immanuel Kant zich uitvoerig bezig gehouden, overigens zonder een bevredigende oplossing te vinden. Het bovengenoemde probleem speelt ook een rol in de natuurkunde, althans voor zover je kennis neemt van de resultaten. Je krijgt namelijk de indruk dat de resultaten aangeven wat er in werkelijkheid gebeurt, maar die indruk is fout: de resultaten geven aan wat er te bedenken valt aan bepaalde experimenten. Het gaat dus uitsluitend over gebeurtenissen binnen het denken. Omdat dit het geval is blijven de natuurkundige beschrijvingen de mogelijkheid inhouden er anders over te denken. Elke uitspraak kan door een tegenuitspraak gevolgd worden, denk maar aan de verdedigers en de bestrijders van de Big Bang theorie. Overigens is het precies daardoor dat de natuurwetenschap zich verder kan ontwikkelen, maar, zoals al vaker gezegd, dat is ook de reden waarom natuurkundige kennis in de filosofie alleen maar als voorbeeld gebruikt kan worden. Zo is mijn voorbeeld van die door een computer voortgebrachte patronen in de chaos misschien wel feitelijk Onjuist, of niet helemaal juist, maar voor de filosofie is het toch een veelzeggend voorbeeld! Opmerkelijk is dat critici van de filosofie bijna altijd hun aanvallen richten op die uitspraken, die louter als voorbeeld, om de gedachten te bepalen, gedaan zijn. Zo wordt Hegel nog altijd veroordeeld op grond van het feit dat hij bezig is geweest iets over bepaalde planeten uit te rekenen en daarbij ongelijk heeft gekregen. Het is terecht dat hem dat verweten wordt: hij had zich bij zijn eigen vak, de filosofie, moeten houden. Maar het is niet terecht op grond van dergelijke fouten zijn gehele filosofie te verwerpen, zoals zo langzamerhand gewoonte is geworden. Het gaat in de filosofie om de gedachtegangen die een beschrijving van de werkelijkheid geven. Het gaat niet om de daarbij gebruikte voorbeelden. Die dienen slechts om de gedachten te bepalen door deze te spiegelen aan concrete, bij voorkeur wetenschappelijk verantwoorde, kennis.

We gaan weer nu verder met het thema van de niveaus. Ik heb er al over gesproken dat je vanaf een zeker moment op het niveau van de levende cel moet gaan denken. Die levende cel wordt dan het uitgangspunt van de volgende gedachtegang. Je krijgt te doen met moeder- en dochtercellen die aanvankelijk uiteen gaan (zelfstandig worden), maar die daarna bijeen blijven en zichzelf tot meercellige organismen organiseren. Daarbij is het van belang te begrijpen dat het zichzelf organiseren alleen-maar uitgaat van die cellen zelf en dat dit geen beperking voor zo'n cel inhoudt, maar juist een volledige ontplooiing. Het door de cellen gevormde grotere geheel is dus voor die cellen de uiterste mogelijkheid. In de Hegelse filosofie zou van een idealiteit gesproken worden. Het zich steeds meer realiseren als uiterste mogelijkheid kennen wij als de evolutie van het leven. Daarbij komen almaar inniger zelforganisaties voor de dag. In de biologie spreekt men van hogere levensvormen, maar dat begrip hoger is eigenlijk een onhoudbaar begrip. Er is niets hogers. Zo'n term komt voort uit de westerse misvatting dat er een hogere werkelijkheid (in laatste instantie god) en een lagere zou zijn. Het gaat in feite om inniger organisaties. Nu ligt het in de logica - maar ik kom daar nog op terug - dat de evolutie tenslotte een punt bereikt waarop het inniger worden niet verder kan. Het uiterste van innigheid is dan bereikt. Dat betekent dat we alweer op een volgend niveau moeten gaan denken. Aan dat niveau is de zelforganisatie voorondersteld, maar op zichzelf is het wat anders geworden. Dat andere laat zich gelden als de ontkenning van datgene dat er aan vooraf is gegaan, dus de optimaal innige zelforganisatie. De vraag is nu wat er aan die situatie te bedenken valt. Als eerste moet je voor ogen houden dat je op een punt bent aangeland waarop verder voortgaan alleen maar meer van hetzelfde oplevert, maar geen nieuwe situatie. Op dat moment houdt het zich verinnigen van de zelforganisatie op en is er het begin van een niet meer gelden van het innig-zijn en het georganiseerd-zijn. Als dat echter het geval is vervallen alle verhoudingen die achtereenvolgens in het proces van het ontstaan van kracht zijn geweest. Dat evenwel betekent dat je weer bij de beweeglijkheden terechtkomt, dat wil zeggen: de beweeglijkheden die weer geheel op zichzelf zijn! Je krijgt dan bijgevolg te doen met een verschijnsel dat een uiterste is aan materiŽle mogelijkheden en dat als zodanig zichzelf opheft. Dat zich opheffen is een nieuwe verhouding die, let wel, voor dat optimaal materiŽle verschijnsel van kracht is. Dat verschijnsel kan niet weggedacht worden, want dan zou je a) de richting van het proces ontkennen door terug te gaan, en b) je zou de mogelijkheid van die nieuwe verhouding uitsluiten. Op de grens van optimale stoffelijkheid en vrijkomen van de beweeglijkheden worden we geconfronteerd met de moeilijkheid beide situaties tegelijk, oftewel ineen, te denken. Doe je dat niet, dan komen de voor die grenssituatie geldende essentiŽle begrippen niet voor de dag. Het eerste begrip dat dan in de lucht komt te hangen is het begrip geest, in de zin van de menselijke geest. De inhoud van dat begrip is dat de beweeglijkheden weer op zichzelf gelden, dus absoluut, eeuwig en oneindig zijn. Tevens is de inhoud dat de geest in principe alle voorgaande verhoudingen, wetmatigheden en eigenschappen ontkent. Die ontkenning vooronderstelt datgene dat ontkend wordt zodat hij onmogelijk zonder het voorgaande geldig kan zijn. Juist omdat dat voorgaande er is kan er een ontkenning zijn. Voor de mens betekent dat het onlosmakelijk samengaan van lichaam en geest.

Bladwijzers: Big Bang-1 ; Big Bang-2 ; Big Bang-3 ; Big Bang-4 ; Big Bang-5 ; Big Bang-6 ; KANT Ė zie 01 , 02 ;

No. 72

Op het moment dat de zelforganisatie van de levende cellen haar laatste mogelijkheid bereikt heeft ontstaat er een verschijnsel dat wij aanduiden met het begrip mens. Dat het bij die laatste mogelijkheid om de mens gaat moet op zichzelf nog aangetoond worden, maar, vooruitlopend daarop wil ik al wel zeggen dat wij nu op een gebied aangeland zijn dat aldoor het onderwerp van filosofische onderzoekingen geweest is. Eigenlijk staat of valt de filosofie met het begrijpen van die laatste situatie. Die echter is uitermate gecompliceerd, vooral omdat ons traditionele denken, dat de verschillende verhoudingen uit elkaar wil leggen, niet geschikt is voor een dergelijk onderzoek. Om de zaak te beschrijven en duidelijk te maken is uit elkaar leggen onvermijdelijk, maar toch moet steeds de samenhang van het een met het ander op de voorgrond staan. Als dat niet het geval is kan het resultaat alleen-maar verwarring zijn. Het nagaan van de werkelijkheid gaat via kwantitatieve processen. Je voegt er steeds nog een element aan toe, bijvoorbeeld, op het eerste niveau een beweeglijkheid en op een volgend niveau een achtledig elementair deeltje. Die toevoeging echter leidt tot een kwalitatieve nieuwe situatie. En daarbij gaat het om dat kwalitatieve. Op een zeker moment is er geen kwalitatief nieuwe verhouding meer te vinden. Je blijft dan in het kwantitatieve steken: steeds meer van hetzelfde. Daar ligt de basis voor een volgend niveau. Zo ook bij de zelforganisatie. Daarbij is de laatst volgende kwaliteit het vervallen van alle verhoudingen en het optreden van de toestand van de oorspronkelijke, van elkaar onafhankelijke beweeglijkheden. Het gaat nu dus over de mens. De grondslag van dat verschijnsel is het bewustzijn. Dat begrip heeft betrekking op het feit dat iedere levende cel de werkelijkheid als totaaltrilling in zich heeft. Daarover heb ik al eerder gesproken. Op grond van dat bewustzijn bevindt alles wat leeft zich in een omgeving en reageert daarop. Maar ook neemt het leven die omgeving als inhoud in zich op in de vorm van voedsel dat omgezet wordt tot trilling: energie. Daarna ontstaat de dochtercel die op haar beurt ook weer de werkelijkheid, in de vorm van energie, in zich opneemt. Zo is er steeds een bewustzijn in elke levende cel, al of niet opgenomen in een organisatie van cellen, dat in het teken staat van het moment nu en dat, louter als een trilling, correspondeert met de dan aanwezige werkelijkheid. De cellen die met elkaar een organisatie, een organisme, vormen hebben zelf dus ook het moment nu als bewuste inhoud. Maar dat is dan wel een inhoud die ook in het teken van de organisatie staat. Dat betekent dat de totaaltrillingen iets met elkaar tot stand brengen. Dat is de werkelijkheid als beeld. Deze moet je dus definiŽren als het samenhangende geheel van totaaltrillingen. Je kunt daarbij aan het beeld van je televisie denken. Dat samenhangende geheel is afhankelijk van de evolutie en dat laat zich waarnemen aan het feit dat voor nog primitief georganiseerde levende wezens de werkelijkheid maar een zeer beperkte is. Hun wereldje is niet erg groot. Maar tenslotte, als de mens ontstaan is, is dat wereldje uitgegroeid tot de gehele kosmos, zonder dat er ook maar iets buitengesloten is. Hier ligt direct al een moeilijkheid. De cellen bevatten allemaal, ieder voor zich, de totaaltrilling die gaandeweg gecompliceerder is geworden met de opeenvolging van de momenten nu. Dat echter levert op zichzelf geen beeld van de werkelijkheid op, maar eigenlijk een verzameling van afzonderlijke bewuste toestanden. Je moet dat dus zuiver kwantitatief denken. Maar, op grond van de zelforganisatie geldt die verzameling, binnen het kader van een bepaald organisme, als een samenhangend geheel van bewuste toestanden en dat is, wat ik noem, de werkelijkheid als beeld. Dat beeld breidt zich uit tot het, bij de mens, de gehele kosmos omvat. Een boom bijvoorbeeld reageert duidelijk waarneembaar veel minder alert dan een poes. De bewustzijnsprocessen verlopen langzamer en bij een groot aantal gebeurtenissen kunnen wij vrijwel geen reactie constateren. Als je in de boom snijdt met een mes volgt er een heel andere reactie dan wanneer je hetzelfde bij de poes probeert. De boom is qua samenhangend geheel van trillingen (beeld) lang niet toe aan de wereld van de poes en van de mens. Deze laatste is in principe vertrouwd met de gehele werkelijkheid, niets is hem echt vreemd en overal weet hij, desnoods na verloop van tijd en na veel denkwerk, raad mee. Onder alle omstandigheden kan hij zich handhaven. Dat geldt niet voor plant en dier. Als je die te drastisch uit hun eigen milieu haalt raken zij in de war en vaak overleven zij het niet. Gewoonlijk beweert men dat bijvoorbeeld de poes een hoger bewustzijn heeft dan de boom. Dat is fout gedacht: bewustzijn is de totaaltrilling in de cel en die is voor alle cellen gelijk. Daarin bestaat geen hoger of lager, beter of slechter. Niveaus zijn er als het over de toenemende organisatiegraad van organismen gaat. Zij hebben dus betrekking op het Beeld. Ook daarbij kun je beter vermijden in termen van hoger en lager te denken, het gaat immers louter om de meer of minder omvangrijke en meer of minder gedetailleerde wereld van het organisme. Het bewustzijn, als trillende werkelijkheid binnen de cel, is, zoals gezegd altijd in de situatie nu. Was dat niet het geval, dan zouden de cellen, bij wijze van spreken, nog leven in de omstandigheden van de oertijd toen het leven ontstond. Dat is natuurlijk niet zo, zij behoren volledig tot de nu aanwezige werkelijkheid. Je kunt dus zeggen dat zij, in zekere zin, mťť-ontwikkeld zijn qua totaaltrilling. Maar dat is wat anders dan de evolutie van de werkelijkheid dan beeld. Wel echter is het een feit dat laatstgenoemde evolutie ondenkbaar zou zijn als er niet steeds een volgend moment nu was. Zodra de mens op de planeet ontstaat is er dat alles-omvattende beeld van de werkelijkheid. Aan dat beeld verandert niets meer omdat het logischerwijze niet verder kan gaan dan alles-omvattend. Daar aanbeland is de evolutie, het zich ontwikkelen tot omvangrijker niveaus, ten einde. Het menselijk bewustzijn, geldend als trillend beeld van de werkelijkheid, is dus een constante die onder alle omstandigheden en in alle tijden zichzelf gelijk blijft. Het gaat steeds over de werkelijkheid zelf. Al leven mensen nog zo geÔsoleerd en buiten de gang van de zogenaamde beschaving, toch ligt er in hen dat wereldbeeld. Dat die mensen nauwelijks iets van de beschaafde wereld afweten heeft daarmee niets te maken. Dat heeft te maken met iets anders dat ook nog geldt, namelijk zelfbewustzijn. Dat komt uiteraard nog aan de orde, maar wel wijs ik er alvast op dat die hele zaak van het bewustzijn en het beeld op zichzelf niets te maken heeft met onze kennis omtrent de kosmos of wat dan ook. Het zelfbewustzijn is een geheel andere verhouding dan het bewustzijn. Helaas worden die begrippen voortdurend door elkaar heen gebruikt, uiteraard omdat vrijwel niemand in de gaten heeft hoe het zit met het leven, de organismen en tenslotte de mens. De in de afzonderlijke cellen aanwezige totaaltrillingen vertonen binnen een organisme een soort van patroon. Je kunt daarbij denken aan een televisie scherm waarop lukraak puntjes verschijnen. Die puntjes zijn te vergelijken met onze totaaltrillingen. Als er almaar van die puntjes te voorschijn komen ontstaat er tenslotte een patroon, je gaat een beeld zien: het beeld van de werkelijkheid. Dat beeld kon ontstaan doordat er steeds meer puntjes kwamen die met elkaar samenhangen. Het voorbeeld gaat uiteraard mank, maar het maakt het misschien mogelijk je enigszins een voorstelling van het ontstaan van de werkelijkheid als beeld te vormen.

No. 73

Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ; Overgang-5 ; Overgang-6 ; Overgang-7 ;

Ter wille van de duidelijkheid geef ik nogmaals de beschrijving van de werkelijkheid als bewustzijn en de werkelijkheid als beeld: het bewustzijn zetelt in de levende cel en het is de ontstane werkelijkheid die zich op de wijze van een totaaltrilling (= een allesomvattende trilling) in en voor die levende cel laat gelden; het beeld daarentegen is het samenhangende complex van totaaltrillingen binnen het geheel van een organisme (=zelforganisatie van meerdere cellen). Het is dus zo, dat de werkelijkheid als beeld, kortweg het beeld, een volgend niveau is vergeleken bij het bewustzijn. Het beeld omvat, omdat het gegrond is in het organisme en haar meer of minder innige structuur, een uitgebreidere en meer genuanceerde werkelijkheid naarmate het organisme een verder stadium van innigheid vertegenwoordigt. Tenslotte, bij de mens, omvat het beeld de gehele werkelijkheid en er is absoluut niets dat hier buiten valt. De mens is nooit een vreemde in de kosmos. Er is geen situatie waaraan hij zich niet kan aanpassen, hetgeen natuurlijk niet zeggen wil dat hij overal behoorlijk en zinvol zou kunnen leven. De mens is, net als alle andere verschijnselen, opgebouwd uit materie. Als we dat gegeven echter even laten voor wat het is, dan vinden wij bij het nadenken over de mens als eerste de grondslag van het bewustzijn en het gelden daarvan als beeld. Dit laatste mag, in tegenstelling tot het bewustzijn als zodanig, niet kwantitatief opgevat worden, in die zin dat het beeld een verzameling bepaalde ditten en datten zou zijn. Op grond van de samenhang zijn de grenzen van de bepaaldheden vervallen en tot overgangen geworden. De bepaaldheden zijn nu algemeenheden. In zo'n geval spreek ik van een geheel. Het gaat daarbij dus niet om dťze boom, maar om de boom. Hierbij past een opmerking. De algemeenheden die het beeld te zien geeft zijn voor ons, mensen, allemaal uitgedrukt in begrippen. Op zichzelf bestaat de boom niet, maar als begrip bestaat hij wel. Zo'n begrip komt alleen maar voor bij de mens en wel omdat er voor hem nog iets anders geldt, namelijk het zelfbewustzijn, waarvan te zeggen is dat de werkelijkheid als mens zich van zichzelf bewust geworden is. Buiten dat zelfbewustzijn om zijn er geen begrippen, zoals ik nog bespreken zal. Op het moment dat wij nadenken over de werkelijkheid als beeld en de daarin aanwezige algemeenheden zijn wij bezig met begrippen en wij proberen ook ons daarin uit te drukken. Van het beeld zelf is alleen maar te zeggen dat het een samenhangend geheel van trillingen is waarbinnen het een overgaat in het ander zonder dat ertussen beide een grens te trekken valt. Er zijn tal van aanwijzingen dat de mensen uit vroeger tijden een duidelijk besef van de aanwezigheid van het beeld in de mens hadden. Volgens Plato en Aristoteles bijvoorbeeld zou het leren kennen van de werkelijkheid berusten op het zich herinneren van zaken die de mensen in principe altijd al weten. En in het oude oosten deden allerlei verhalen de ronde over mensen die wijsheid zochten en die zich daartoe in zichzelf gingen verdiepen om tenslotte de glasheldere bron te ontdekken waarin zij de werkelijkheid weerspiegelt zagen. Treffend genoeg vertoonde die werkelijkheid hun eigen gestalte, hetgeen er op duidt dat men besefte zelf het geheel te zijn, dus de werkelijkheid als alles omvattend beeld. De sterkste aanwijzing voor de aanwezigheid en het gelden van het beeld levert de kunst zoals die oorspronkelijk beoefend werd. De kunstenaars probeerden allemaal gestalte te geven, op welke manier dan ook, aan een werkelijkheid binnen henzelf, en dat bleek een algemene zaak te zijn die in principe door een ieder mťť-gezien en mťť-beleefd kon worden. De taal van de kunst is universeel. Voor zover in de westerse cultuur naar de waarheid gezocht wordt gebeurt dat niet door in jezelf te zoeken, maar juist door de uitwendige wereld aan een onderzoek te onderwerpen. Dat zou objectieve kennis opleveren. Men meent dan ook dat zelfonderzoek subjectief en dus onbetrouwbaar is: je kunt wel zo veel beweren, maar hoe zou dat gecontroleerd kunnen worden? De kwalificatie solipsisme wordt in dit verband gebruikt en dan bedoelt men dat in afkeurende zin, hoewel het woord op zichzelf juist is: alleen (solus) in jezelf (ipse) kun je de waarheid vinden, het kenbare is in jezelf als een gegeven aanwezig. Maar, vanwege de onmogelijkheid een concreet bewijs te leveren wordt dat solipsisme afgewezen. Daarom vermijd ik die term maar liever...

Intussen wijst het nagaan van het ontstaan uit dat er wel degelijk een alles omvattende trillende werkelijkheid in de mens aanwezig is. Maar bovendien leidt dat nagaan tot de onvermijdelijke conclusie dat die werkelijkheid, dat beeld, voor een ieder hetzelfde is omdat de zaak volkomen onafhankelijk van elke menselijke wil tot stand is gekomen. De zaak is gewoon ontstaan, als resultaat van het wordingsproces, precies zoals onze organen, armen en benen, enzovoort ontstaan zijn. Daarop heeft ook niemand invloed gehad. De verschillende culturen, met hun veranderlijke wereldbeschouwingen, zijn evenmin op het beeld van invloed. Daarom is het onzinnig als bepaalde moderne mensen beweren dat je je bewustzijn zou moeten verruimen. Waar zij eigenlijk een vermoeden van hebben (terecht!) is dit, dat wij zo langzamerhand onze kijk op onszelf als beeld verduisterd hebben. Het gaat er dan niet om het bewustzijn op de een of andere manier te versterken, maar om die verduistering op te heffen. Dat echter is geen zaak van het bewustzijn, maar van het, later te bespreken, zelfbewustzijn. Als het beeld de gehele werkelijkheid omvat zijn de andere mensen uiteraard ook in het beeld opgenomen. Omdat er geen grens is tussen het een en het ander, maar daarentegen een overgang, kun je stellen dat je zelf, zij het op andere wijze, onmiddellijk de ander bent en omgekeerd. Daarop berust het sociaal-zijn van de mens. Dit is dus een basis kwaliteit die in wezen niets met maatschappelijke opvattingen te maken heeft, noch met min of meer aangeleerde redelijkheid, noch met morele en ethische voorschriften. Dat men zich tegenwoordig afvraagt hoe het zit met het sociaal-zijn van de mensen wijst er op dat het zicht op het beeld inderdaad in hoge mate verduisterd is. Anders zou men weten dat een mens in geen enkel opzicht los te denken is van de andere mensen en ook niet van de rest van de kosmos. Bovendien zouden de mensen zichzelf niet van de anderen afzonderen en proberen alles naar zich toe te halen. Maar voorlopig leidt de moderne gerichtheid op de afzonderlijke verschijnselen tot een almaar groter verval van het sociale, een steeds grotere versnippering van de mensheid. Voor de mens manifesteert het bewustzijn zich als een beeld. Dit begrip is niet zo gemakkelijk te vatten omdat wij onwillekeurig geneigd zijn aan een plaatje te denken. Dat echter is iets dat vastgelegd is en iets bepaalds te zien geeft dat volstrekt los staat van andere dingen. Het stelt dat voor en niets anders. Maar het beeld gaat steeds over de gehele werkelijkheid. Nu kun je bezwaar maken tegen het begrip beeld omdat dit associaties oproept met zien en zelfs wel met kijken. In dat geval zou je uitsluitend over een samenhangend geheel van trillingen kunnen spreken. Maar dat heeft nauwelijks enig verband met je eigen ervaringen. Die ervaringen, die gemakkelijk bij jezelf te controleren zijn, wijzen steeds op een soort van zien. Met gesloten ogen en, zoals wel gezegd wordt, met je geestesoog. Men spreekt niet voor niets van zieners en nog lang niet van luisteraars en dergelijke. Dat wil niet zeggen dat er niet iets te beluisteren zou zijn - het gaat tenslotte over trillingen - maar het wil wel zeggen dat het zien iets essentieels is. Daarom handhaaf ik de, enigszins misleidende, term: de werkelijkheid als beeld.

Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ; Overgang-5 ; Overgang-6 ; Overgang-7 ;

No. 74

Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ; Overgang-5 ; Overgang-6 ; Overgang-7 ;

Het bewustzijn is, zoals we gezien hebben, de ontstane werkelijkheid die op de wijze van een totaaltrilling in de levende cel aanwezig is. Het is dus de buitenwereld op de wijze van de binnenwereld, en dat wil zeggen: op trillende wijze. Dat leidt tot de conclusie dat de levende cel zich in de buitenwereld bevindt en onmiddellijk daarmee samenhangt. Die samenhang vertoont zich als het reageren op allerlei situaties en verschijnselen die in die buitenwereld voorkomen. Dat reageren is mogelijk doordat er zintuigen zijn die het contact met de buitenwereld vormen. Maar, we moeten oppassen dit niet fout te denken. Gewoonlijk hoor je beweren dat de buitenwereld voor een levend wezen aanwezig is omdat dat levende wezen zintuigen heeft. Dat is echter fout gedacht. In feite liggen de verhoudingen zo dat, omgekeerd, de zintuigen er zijn omdat er samenhang met de buitenwereld is, of anders gezegd: omdat voor het levende wezen bewustzijn geldt. Naarmate de evolutie van het leven vordert wordt de werkelijkheid, waarmee het levende wezen samenhangt, gecompliceerder met als gevolg dat ook de zintuigen zich verfijnen. Hoewel alle zintuigen op zichzelf onmisbaar zijn is er toch op te merken dat het kijken het meest essentieel is. Dat wil niet zeggen dat alle levende wezens wat dat betreft even goed ontwikkeld zijn. Het hele plantenrijk bijvoorbeeld mist de mogelijkheid om te kijken en veel dieren eveneens. Het gaat nu echter om het kijken als kwaliteit, in die zin dat alleen daardoor het levende wezen zijn eigen begrenzing opheft. Het is niet meer in zichzelf besloten. Het is dan ook de algemene ervaring van blindgeboren mensen dat zij er geen idee van hebben hoe uitgebreid de werkelijkheid is. Aan de overige zintuigen, bijvoorbeeld het gehoor of de tastzin, is die uitgebreidheid niet te beleven. Het kijken levert als enige die beleving op. Gehoor, tastzin, smaak maken het wel mogelijk contact met de wereld te hebben, maar niet de beleving van de ruimte. Op zichzelf behoef je je daarover niet te verwonderen omdat het kijken in het teken van de werkelijkheid als beeld staat, terwijl gehoor, tastzin en smaak meer bij het bewustzijn als zodanig behoren. Zij maken wel het contact met de buitenwereld mogelijk zodat er gereageerd kan worden, maar zij heffen het in zichzelf besloten-zijn niet op. Het kijken doet dat wel. Het maakt het mogelijk je, letterlijk, in de buitenwereld te bewegen. Je kunt opmerken dat de mensen in het algemeen het meest aangesproken worden door datgene dat zij te zien krijgen. Foto, film en televisie zijn niet voor niets zo'n belangrijke rol in het moderne leven gaan spelen. De werkelijkheid als bekeken realiteit is onmiddellijk herkenbaar en te interpreteren, desnoods fout te interpreteren, maar toch... Iets wat je hoort of wat je voelt of proeft is helemaal niet meteen te herkennen, doorgaans heb je daarvoor meer informatie nodig. Hoe dan ook, de werkelijkheid als een samenhangend geheel van trillingen laat zich gelden als een beeld in onszelf. Je kunt dat uiteraard filosofisch beredeneren: de kosmos bestaat uit een hoeveelheid verschijnselen. Dat zijn allemaal bepaalde samenstellingen van bouwstenen die volgens bepaalde rasters gegroepeerd zijn. Gevolg hiervan is dat alle verschijnselen een bepaalde ruimte innemen en dus een vorm hebben. Het begrip vorm berust op de combinatie van ruimte innemen, samengesteld zijn en begrensd zijn. Zo'n vorm is begrensd, omdat hij ergens ophoudt. Daar begint iets anders, bijvoorbeeld de lucht, maar het gaat er eigenlijk om dat de vormen aan de ruimte begrensd zijn. Welbeschouwd is van die verschijnselen in principe niets anders te zeggen dan dat zij vorm hebben, zij zijn gevormd tijdens het ontstaansproces. Als je je nu herinnert dat de werkelijkheid als beeld de bestaande werkelijkheid (op trillende wijze) is, dan zal duidelijk zijn dat voor dat beeld in de eerste plaats geldt dat het een werkelijkheid van vormen is. Die vormen zijn het echter precies die je ervaart bij het kijken! Dat is de filosofische reden om van een beeld te spreken. Er is inderdaad een associatie met het kijken, vandaar dat wij van zieners spreken en bij gelegenheid zeggen: je moet het als volgt zien..., en dergelijke uitspraken. Maar, we moeten hierbij op een paar dingen letten. De verschijnselen zijn allemaal begrensd, zij nemen een bepaalde ruimte in en niet meer dan dat. Die begrenzing echter wordt, als het over het beeld gaat, opgeheven.

Het wordt een tovergang van het een naar het ander. Dat komt door het feit dat er samenhang is gaan gelden en natuurlijk ook doordat het over een trillende zaak gaat. Wat betreft het beeld hebben wij dus te doen met in elkaar overgaande vormen. Soms kun je dat in je dromen ervaren, als je niet let op wat je gedroomd hebt, maar op het karakter van een droom. Daarin gaat de ene vorm voortdurend in de andere over. Dat berust op een werking van het bewustzijn en het is een kenmerk van het beeld. De in elkaar overgaande vormen zijn beslist geen wazige of onduidelijke vormen, zoals je gemakkelijk zou kunnen menen. Het begrip grens blijft namelijk gelden in het tot overgang opgeheven zijn. Het is er aan voorondersteld en dat blijft zo. Het gaat er natuurlijk om dat de vormen in een samenhangend geheel opgenomen zijn en er niet uitspringen als een verzameling op zichzelf staande dingen. De werkelijkheid als in elkaar overgaande vormen kennen wij uit de kunst, vooral uit de beeldende kunst. De oude Griekse beeldhouwers, Praxiteles bijvoorbeeld (midden 4e eeuw voor onze jaartelling), wisten te melden dat een beeld over moest gaan in de ruimte. Daarmee doelden zij niet op de omgeving met gebouwen en dergelijke, maar op een kwaliteit van het beeld zelf. De begrenzing aan de oppervlakte moest zodanig zijn dat er een overgaan naar de ruimte ontstond. Een beeld mocht dus niet uitgeknipt zijn. Zij begrepen dat de vorm dan vanzelf mooi was. Opvallend is dat zij niet als eerste aan de anatomische juistheid van de vorm dachten. Dat was als vanzelfsprekend aan het overgaan in de ruimte voorondersteld. De anatomische juistheid behoort immers bij het begrensde verschijnsel. Bij de schilder Pieter Breughel (1525-1569) zie je doorgaans vele figuurtjes en voorwerpen, maar geen van alle springen zij uit het geheel. Zij zijn niet uitgeknipt en ingevuld, maar zij gaan in het geheel over. Zo zijn er vele voorbeelden te geven. In de moderne kunst is het besef dat de vormen in de ruimte moeten overgaan goeddeels vervallen. In het beste geval probeert men, bijvoorbeeld in de architectuur, de vorm aan de omgeving aan te passen en dan zie je dat dit bijna altijd mislukt en slechts meer van hetzelfde oplevert. Het gaat om de werkelijkheid als vorm. De kleur, die aan de dingen meekomt is van ondergeschikt belang. Je kunt dat direct vaststellen als je naar een zwart-wit film of foto kijkt: hoewel je geen kleur ziet zie je toch onmiskenbaar de werkelijkheid. De essentie is dus de vorm. Ook voor de kunst blijkt dat op te gaan, bijvoorbeeld in een tekening of beeldhouwwerk.

Nog een waarschuwing: de werkelijkheid als beeld is een volstrekt andere als de werkelijkheid als voorstelling. Deze laatste ontstaat gaandeweg door het contact met de buitenwereld en behoort tot het zelfbewustzijn. Dat contact bestaat voornamelijk uit het kijken. Het beeld daarentegen is domweg het gevolg van het ontstaansproces en is, zoals al eerder gezegd, zonder meer in elk mens op precies dezelfde wijze aanwezig. Dat echter is nauwelijks bekend in de westerse cultuur, met onder andere als gevolg dat men de begrippen voorstelling en beeld voortdurend door elkaar haalt. Dat leidt er onder andere toe dat de hedendaagse mensheid in een verschrikkelijke waanwereld leeft, een wereld die bijna niets meer met de echte werkelijkheid gemeen heeft.

Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ; Overgang-5 ; Overgang-6 ; Overgang-7 ;

No. 75††† Psyche, zie vervolgens: ; Psyche-0Psyche ; Psyche/zelfbewustzijn/Totaaltrilling

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ;

De werkelijkheid als beeld is een werkelijkheid van vormen. Zoals gezegd zijn dat geen op zichzelf staande, als het ware uitgeknipte, vormen zodat ook het beeld niet geldt als een verzameling van aparte en bepaalde vormen, maar als een geheel van vormen, die in elkaar overgaan. Het begrip in elkaar overgaan vooronderstelt dat er wel degelijk onderscheid is tussen de ene vorm en de andere, maar dat er geen scheiding aan te leggen is. Er springt niets uit. Dat betekent dat de ene vorm niet zonder de andere gedacht kan worden. Als je je het bovenstaande in wilt denken rijst de moeilijkheid dat je geneigd bent te concluderen dat er tenslotte niets meer te zien zou zijn omdat alle vormen zich opgelost hebben. Dat evenwel is een foute conclusie: het geheel met daarin alle nuances blijft zichtbaar. Zou het gaan over de waarneembare werkelijkheid van de dingen, dan zou je inderdaad niets meer waarnemen omdat alles in alles over zou vloeien en daardoor op zou lossen. Maar het gaat nu om het zien van een geheel andere werkelijkheid. Zoals gezegd is dat een werkelijkheid van voortdurend veranderende en in elkaar overgaande vormen. Maar die vormen zijn er wel! Hun aanwezigheid in jezelf maakt het mogelijk en onvermijdelijk dat je in de buitenwereld de afzonderlijke dingen kunt waarnemen en ze vervolgens als afzonderlijke dingen kunt benoemen. Kijk je naar de wereld om je heen, dan zie je geen samenhang. Je ziet een aantal afzonderlijke verschijnselen die zich allemaal, zonder uitzondering, in de ruimte bevinden. De afzonderlijkheid staat bij het kijken naar de wereld op de voorgrond, en dat komt doordat je bij het kijken de verschijnselen, de combinaties van bouwstenen waarneemt. Maar bij het zien van het beeld staat de samenhang op de voorgrond en van een afzonderlijkheid is zelfs niet meer te spreken. Aan de wereld van de afzonderlijke ditten en datten besef je echter, als het goed is, wel een samenhang zonder dat die waar te nemen valt. Dat besef nu komt voort uit het zien van het samenhangende beeld in jezelf en niet uit enigerlei vorm van waarneming. Als ik spreek van een werkelijkheid van vormen wil dat niet zeggen dat er echt gevormde dingen in het bewustzijn aanwezig zijn. Wat er in feite is, is het complex van trillingen. Dat complex echter ervaren wij als een vormenwereld. Daarbij moet opgemerkt worden dat ik het systeem dat tot die ervaringen leidt nog niet besproken heb. Wel heb ik er op gewezen dat het bedoelde systeem tot het zelfbewustzijn behoort en dat dit op zichzelf niets met het bewustzijn te maken heeft, afgezien uiteraard van het feit dat al die systemen in het menselijk brein een samenhang en dus ook een wisselwerking vertonen. De werkelijkheid van de vormen in het bewustzijn, dus de werkelijkheid als beeld, laat je niet zien dat jij en ik, als bepaalde mensen, er zijn. Als zodanig zijn wij wel aanwezig in de voorstelling van het zelfbewustzijn die refereert aan de waarneembare concrete wereld van de dingen. Als vorm, en dus als beeld in het bewustzijn, zijn jij en ik er als algemeenheid. Dat betekent dat wij er zijn als de mens, dat wil zeggen: voor ons, vanuit het zelfbewustzijn, gelden jij en ik als een begrip. Dat kun je desnoods een abstractie noemen als je daarbij dan maar aan zoiets als een essentie denkt en niet aan een tot een formule teruggebrachte ontlede werkelijkheid. Het wezenlijke probleem voor een kunstenaar is het vormprobleem: hoe geef ik aan die binnenwereld vorm. Het overweldigende van bijvoorbeeld een Beethoven symfonie is gelegen in de vorm. Daarin kun je nog weer een aantal onderscheidingen maken zoals de melodie, de harmonie, de orkestratie, het ritme enzovoort. Maar die vallen allemaal binnen het begrip vorm. Bij de melodie gaat het om de rangschikking en de trillingsverhouding van een hoeveelheid tonen. Dat is precies datgene dat voor de vorm geldt. We hebben gezien dat de werkelijkheid als bewustzijn, zich in de mens manifesterend als een beeld van de gehele werkelijkheid, een volkomen onaantastbare werkelijkheid is. Het ervaren daarvan kan aangetast zijn, maar die werkelijkheid zelf niet. Geheel anders zit het als het over de psyche van de mens gaat. Deze komt bij ieder mens weer anders voor de dag en heel vaak is zij in ernstige mate verstoord.

Toch is de oorsprong van de psyche onaantastbaar: het is de werkelijkheid als bewustzijn. We hebben bij de psyche te doen met de volgende situatie: het lichaam, voor zover daarvoor geldt dat het een samenstelling van bouwstenen is en dus een stoffelijk ding, trilt mee met de totaaltrilling die het bewustzijn is. Om de gedachten te bepalen kun je daarbij denken aan de klankkast van een viool. Zo'n kast is eigenlijk gewoon een houten kistje, weliswaar enigszins bijzonder van vorm, maar toch een kistje. Over dat kistje is een snaar gespannen en die wordt door de strijkstok in trilling gebracht. Van die trilling zou je niet veel bemerken als daar niet dat kistje was dat op een bepaalde manier gaat meetrillen, het geluid versterkt en er tegelijk een schone klank aan geeft. Die schone klank ontstaat doordat het kistje op een bijzondere manier gemaakt is. Ik laat in dit voorbeeld het feit dat je de snaar ook nog goed moet aanstrijken even buiten beschouwing. Het gaat nu om twee dingen, enerzijds de snaar als trillingsbron en anderzijds de klankkast die meetrilt. Deze twee grootheden komen overeen met de factoren die bij de psyche een rol spelen. Je hebt de totaaltrilling van het bewustzijn als trillingsbron en het stoffelijke lichaam als klankkast. De oude Grieken beschouwden de psyche als een soort van adem die het leven aanblaast, een begrip dat vroeger in het Westen met het woord ziel werd aangeduid. Later kreeg het ook de betekenis van geest, maar dat is uitermate misleidend. In ieder geval meenden de Grieken wel, o.a. Plato, dat de psyche een eigen oorsprong had, niet afhankelijk van het stoffelijke lichaam. Hoe dan ook, de psyche heeft inderdaad een eigen oorsprong, het bewustzijn, maar verder is zij geheel afhankelijk van het lichaam dat tot meetrillen gebracht wordt. Ik zal het begrip ziel niet gebruiken, enerzijds vanwege de onterechte associatie met het begrip geest en anderzijds vanwege het feit dat het woord ziel ons eigenlijk niets te zeggen heeft. Ik spreek daarom van de werkelijkheid als gevoel. Het meetrillende stoffelijke lichaam doet het bewustzijn gevoelen en daarmee de werkelijkheid als beeld. Voorlopig wijs ik er op dat je beter niet aan gevoelens kunt denken. Die hebben bijna altijd een andere oorsprong, namelijk het zelfbewustzijn.

Je kunt je voorstellen dat de schone klank van de viool teloor gaat als je de klankkast beschadigt. Zelfs de kleinste verandering vermindert de schoonheid. Zo is het nu ook met de psyche. Omdat deze zich in het lichaam doet gevoelen is het juist dat lichaam dat bepalend is voor de kwaliteit van het meetrillen. Die kwaliteit kan op verschillende manieren verminderd zijn. Het lichaam kan in de moederschoot gebrekkig gegroeid zijn; het kan onder slechte omstandigheden ter wereld komen (honger, ziekte); het kan door een ongeluk getroffen worden. Maar, het kan ook vanuit het zelfbewustzijn verminkt worden doordat het, op grond van in een cultuur geldende normen, niet mag zijn zoals het is. In de traditionele Christelijke cultuur bijvoorbeeld was alle lichamelijkheid taboe omdat dit betrekking heette te hebben op de lagere en verderfelijke natuur. In het algemeen wordt het natuurlijke in op de geest gerichte (mannelijk ingestelde) culturen door allerlei taboes verminkt.

Psyche, zie vervolgens: ; Psyche-0Psyche ; Psyche/zelfbewustzijn/Totaaltrilling ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ;

Vervolg: zie deel 2 en deel 3

 

Terug naar de Startpagina

Bovenstaande tekst is geschreven:

Door Jan Vis, filosoof.

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit deze bundel zonder meer toegestaan.

Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld.

Pagina's zijn door mij uit de studie cyclus beweging en verschijnsel deel1 , 2 en 3 (jaargangen 1987/88- 1988/89 -1989/90-1990/91-1991/92-1992/93 en1993/94)overgenomen.

 

website analysis
website analysis

website analysis
online hit counter