Beweging en Verschijnsel (2)  Het wordingsproces

Het ontstaan van het Heelal / de Kosmos t/m Het Slotakkoord “DE MENS”

Hoorcolleges jaargang 1989/91

Naar het begin en bladwijzers

albert einstein,allah,analyse,anarchisme,anarchist,anarchistisch,arbeid,begin en einde,bewustzijn,blut und boden,chaos,christendom,communisme,conditionering,cultuur,de maagd met het kind,de menselijke geest,de tweede wereldoorlog,de werkelijkheid,de wording van de kosmos,de zoon van de mens,democratie,e=mc2,erotiek,evangelie, evolutie, evolutieproces,fascisme,filosofie,freud,geest,gevoel,gevoelens,geweld,gewone mensen,god,god is liefde,godsdienst,het absolute niets,het arbeidsproces,het begrip tijd,het brein,het geheel,het koninkrijk gods,het leven,het menselijk denken,het nationaal socialisme,het nationaal-socialisme,n.s.b.,het ontstaansproces,hoer,holisme,holisten,homoseksueel,huwelijk,ideaal,ideologie, immanuel kant,intuitie, inzicht,islam,jahwe,jahwisme,jezus,joden,jodendom,jodenhaat,kapitalisme,kapitalist,ketter,kosmos, kunstmatige intelligentie,liefde,macht ten goede,macht,marx,materie,meeleven,metafysica,microkosmos,moraal,nationalisme, new age,nihilisme,oedipuscomplex,oercel,oermoeder,oog om oog tand om tand,opstanding en hemelvaart,overheid,overleven, particuliere kapitalisme,psyche,recht,rechtvaardigheid,relatie,religie,religieuze prostitutie,samenhang,samenleving,particuliere kapitalisme,seksualiteit,sociaaldarwinisme,socialisme,socrates,spanningen,spinoza,superintelligentie,teilhard de chardin, the struggle for life,the survival of the fittest,tijdloosheid,tijl uilenspiegel,twijfel,vandalisme,van bovenaf denken,veiligheid, verhoudingen van de werkelijkheid,verspilling,vrijheid,waarheid,wat is de geest,wat is denken,wat is filosofie,wat is seksualiteit,wat is twijfelen,wat is waarheid,wat is wangedrag,wie ben ik,wordingsproces,zarathustra,zelfbewustzijn, zelfmoord,zelfontkenning,ziel.

Terug naar: Startpagina

 

Help mee om deze site te promoten. Vertel het uw…!

(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )

Naar het begin en bladwijzers…

 

Naar bladwijzers: Boeddhisme ; Yoga ; Hindoeïsme ; Anarchie ; Newton en ruis(1) ; Newton en ruis(2) ; Het is dan ook begrijpelijk dat men zowel in de Islam als in het Jahwisme verbood de goddelijke werkelijkheid (het stoffelijke niet) in enigerlei natuurlijke vorm uit te drukken. ; Ze hebben het te goed ;  Mohammed ; Jodendom ; Zowel het Christendom als de Islam ;  Zolang de mensen nog allerlei…  ; zelfbewustzijn ; vertrouwen in-1   vertrouwen in-2  Bijna doodervaring-1  Bijna doodervaring-2   Maagd-1   Maagd-2   Maagd-3, nrs. 141,142 en 143      Wie ben ik   eigenwaarde   tot hun recht komen-1     tot hun recht komen-2     Jodenhaat  Opstanding en Hemelvaart het sportieve als het artistieke spel  staken  De Maagd met het kindeke Jezus Het verhelderingsproces hoer-1 hoer-2  Religieuze prostitutie  Religieuze prostitutie-2  Onvermijdelijke toeval-1 ; onvermijdelijke toeval-2  Darwin(isme)  the survival of the fittest  gelijkwaardigheid-1  gelijkwaardigheid-2  gelijkwaardigheid-3 ; Zelfmoord ; Godsdienst als intellectuele constructie   Materialistisch  Individualisering  Seksualiteit / belediging/ Vrouw  natuurrampen   Metafysica    Mystiek en Metafysica vanaf no. 140 tot eind van deel 2  het denken van beneden naar boven ( no. 106 )  Verliefd  E=MC2   God is Liefde pag. 142 t/m 144  ; S-1 ;  S-2 ;  De Zoon van de mens - wij noemen hem Jezus  ;  collectivistische denken(nos. 127 t/m 130) ; Verantwoordelijk ;  Vervreemding ; Verlichting  Volwassen worden-1, Volwassen worden-2  ; Oedipuscomplex ; God is Liefde pag. 142 t/m 145 ; P-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4 ; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; Mohammed bedacht de Islam en ook dat was een intellectuele constructie ; concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; Pilatus ; Ziel-1 ; Ziel-2 ; onthouden-1; onthouden-2 ; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144)  ;  Lijdensweg ;  Wangedrag ; De grondslagen van Jodendom-Christendom en Islam-lees o.a de nrs. 142t/m145 en verder ; Sportief..? ; De Bijbel en de Koran zijn intellectuele constructies..!  ; Hersencel-1 ; Hersencel-2 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Overgang-1 ; Onverdraagzaamheid ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ;  Betrokkenheid ; Rechten van de Mens ; Meditatie-1 ; Meditatie-2 ; Oude Testament-1 ; Oude Testament-2 ; Oude Testament-3 ; China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ; Grondslagen van de ISLAM en het CHRISTENDOM ; Beleving-1 ; Beleving-2 ; Verwijten maken aan diegenen die die vernielingen aanrichten..? ; HOMOSEKSUALITEIT ;

 

 

 

Naar artikelen: Het toenemend belang van het Atheïsme ; Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheïsme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ;  Ongewenst atheïsme- zie afl. 32 ;  Een grens te ver (Israël) ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Hoe zit het nou met god..? ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61  ;  Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld ..? zie no. 27 ;  Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 : De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjari’a ; Burqa, volg bladwijzer ;  De Westerse wereld en de wereld van de Islam ;

 

 

Naar: De ontwikkeling van de West Europese Cultuur

Naar: Beweging en Verschijnsel (deel 1)

Naar: Beweging en Verschijnsel (deel 3)

 

BEWEGING EN VERSCHIJNSEL (deel 2)

Naar bladwijzers: Boeddhisme ; Yoga ; Hindoeïsme ; Anarchie ; Newton en RUIS(1) ; Newton en ruis(2) ; Het is dan ook begrijpelijk dat men zowel in de Islam als in het Jahwisme verbood de goddelijke werkelijkheid (het stoffelijke niet) in enigerlei natuurlijke vorm uit te drukken. ; Ze hebben het te goed ;  Mohammed ; Jodendom ; Zowel het Christendom als de Islam ;  Zolang de mensen nog allerlei…  ; zelfbewustzijn ; vertrouwen in-1   vertrouwen in-2  bijna doodervaring-1  bijna doodervaring-2   Maagd-1   Maagd-2   Maagd-3, nrs. 141,142 en 143      Wie ben ik   eigenwaarde   tot hun recht komen-1     tot hun recht komen-2     Jodenhaat  Opstanding en Hemelvaart het sportieve als het artistieke spel  staken  De Maagd met het kindeke Jezus Het verhelderingsproces hoer-1 hoer-2  Religieuze prostitutie  Religieuze prostitutie-2  Onvermijdelijke toeval-1 ; onvermijdelijke toeval-2  Darwin(isme)  the survival of the fittest  gelijkwaardigheid-1  gelijkwaardigheid-2  gelijkwaardigheid-3 ; Zelfmoord ; Godsdienst als intellectuele constructie   Materialistisch  Seksualiteit / belediging/ Vrouw  natuurrampen   Metafysica    Mystiek en Metafysica vanaf no. 140 tot eind van deel 2  het denken van beneden naar boven ( no. 106 )  Verliefd  E=MC2   God is Liefde pag. 142 t/m 144  ; S-1 ;  S-2 ;  De Zoon van de mens - wij noemen hem Jezus  ;  collectivistische denken(nos. 127 t/m 130) ; Verantwoordelijk ;  Vervreemding ; Verlichting  Volwassen worden-1, Volwassen worden-2  ; Oedipuscomplex ; God is Liefde pag. 142 t/m 145 ; P-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4 ; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; Mohammed bedacht de Islam en ook dat was een intellectuele constructie ; concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; Pilatus ; Ziel-1 ; Ziel-2 ; onthouden-1; onthouden-2 ; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144)  ;  Lijdensweg ;  Wangedrag ; De grondslagen van Jodendom-Christendom en Islam-lees o.a de nrs. 142t/m145 en verder ; Sportief..? ; De Bijbel en de Koran zijn intellectuele constructies..!  ; Hersencel-1 ; Hersencel-2 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Overgang-1 ; Onverdraagzaamheid ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ;  Betrokkenheid ; Rechten van de Mens ; Meditatie-1 ; Meditatie-2 ; Oude Testament-1 ; Oude Testament-2 ; Oude Testament-3 ; China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ; Grondslagen van de ISLAM en het CHRISTENDOM ; Beleving-1 ; Beleving-2 ; Verwijten maken aan diegenen die die vernielingen aanrichten..? ; HOMOSEKSUALITEIT ;

 

 

 

Naar artikelen: Het toenemend belang van het Atheïsme ; Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheïsme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ;  Ongewenst atheïsme- zie afl. 32 ;  Een grens te ver (Israël) ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Hoe zit het nou met god..? ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61  ;  Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld ..? zie no. 27 ;  Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 : De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjari’a ; Burqa, volg bladwijzer ;  De Westerse wereld en de wereld van de Islam ;

 

 

No. 76  Psyche,zie vervolgens: P-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

Er komt in de wording van de kosmos een moment voor dat op een planeet, als de omstandigheden daarop aan een aantal voorwaarden voldoen, het leven te voorschijn komt. Dat moment draagt als kenmerk dat het verschijnsel in zichzelf gaat bewegen. Wij noemen dat levend-zijn. Naast dit levend-zijn treedt ook het bewustzijn op, namelijk de totaaltrilling die het gevolg is van het feit dat de bouwstenen, waaruit het verschijnsel is opgebouwd, in zichzelf in trilling zijn. Die trilling wordt op een zeker moment dominant en dan komt het verschijnsel tot bewustzijn. Als het verschijnsel tot bewustzijn gekomen is vervalt de combinatie van bouwstenen niet, dat wil zeggen: het lichaam blijft een materieel ding. Het wordt wel een bijzonder ding, namelijk een ding dat in zichzelf beweegt (levend-zijn) en trilt (bewustzijn). Het is van belang dit goed in de gaten te houden, omdat je vanuit onze denktraditie onwillekeurig zou gaan denken dat je met een aantal verschillende verschijnselen binnen één verschijnsel te doen zou hebben. Dus een gedeelte dat stoffelijk is, een gedeelte dat beweegt en een gedeelte dat trilt. Maar zo zit het niet! Je hebt te doen met het tegelijk gelden van materie, beweging en trilling voor een en hetzelfde samengestelde systeem. Het gemakkelijkst is dit te begrijpen als je de grootheden materie, beweging en trilling als verhoudingen binnen het verschijnsel beschouwt. De psyche is een wisselwerking tussen de verhoudingen materie (het ding) en trilling (het bewustzijn), in die zin dat het ding met het bewustzijn mee gaat trillen. Dat leidt tot een tweetal eigenaardigheden: ten eerste het optreden van de werkelijkheid als gevoel, en ten tweede het aan het lichaam ervaarbaar worden van het psychische. Het lichaam spiegelt de psyche af, deze is er aan af te lezen. Dat komt natuurlijk doordat het lichaam, vanwege het meetrillen, in een speciale toestand komt. De rangschikking van de bouwstenen wijzigt zich in die zin dat het vastgelegde karakter ervan gaat gelden alsof het niet vastgelegd was. Het is het in trilling komen dat dit veroorzaakt. De vraag is wat zich dan laat ervaren, wat zich dan afspiegelt. Uiteraard is dat het bewustzijn en dat betekent dat de werkelijkheid als algemeenheid, de werkelijkheid zoals ze wezenlijk is, afgespiegeld wordt. Omdat het bewustzijn bij de mens volledig (volmaakt) geworden is spiegelt zich de gehele werkelijkheid af en wel in alle verhoudingen die voor haar gelden. Als bijvoorbeeld schoonheid betekent dat alles in samenhang aanwezig is, zonder dat er iets uitspringt, dan spiegelt het menselijk lichaam schoonheid af. Als voor de wezenlijke werkelijkheid geldt dat zij één ondeelbaar geheel is, dan spiegelt ons lichaam dat af. Er is een tijd geweest dat de mensen beseften dat het lichaam aan het psychische uitdrukking geeft en dat dit een afspiegeling van de wezenlijke werkelijkheid is. Dat was de tijd van de Griekse cultuur. Natuurlijk hadden de meeste Grieken, bevangen als zij waren in de strijd om het bestaan, nauwelijks notie van dit besef, maar de meer zelfbewuste mensen hadden dat wel. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de Griekse beeldhouwkunst. Men probeerde aan het menselijk lichaam de wezenlijke werkelijkheid te tonen. Het menselijk lichaam werd zo gebeeldhouwd dat het het psychische afstraalde. Dat betekende enerzijds dat het zo mooi mogelijk gemaakt werd en anderzijds dat alle bijzondere toestanden, zoals bepaalde handelingen en emoties, zoveel mogelijk buiten beschouwing werden gelaten. Men zag helder in dat het niet om het bijzondere ging - zoals later in West-Europa wel het geval zou zijn - maar om het algemene, datgene dat eeuwig geldig is. En ook zag men in dat de meest volmaakte drager van het psychische het vrouwelijke lichaam is.

Vandaar dat men zich aangetrokken voelde tot de godin Afrodite, die als vertegenwoordigster van de liefde het slotakkoord van de werkelijkheid is. Die oude Grieken zullen niet geweten hebben hoe het zit met het meetrillen van het ding met de totaaltrilling die het bewustzijn is, noch zullen zij de betekenis van het bewustzijn als alomvattende werkelijkheid gekend hebben. Maar aangevoeld hebben zij die zaak wel degelijk. Hoe dat mogelijk geweest is laat zich begrijpen als je bedenkt dat de gehele oudheid gericht was op het bewustzijn en het ervaren van de werkelijkheid als beeld. In de Griekse cultuur is die gerichtheid tot een hoogtepunt gekomen. Uiteraard hebben die Griekse beeldhouwers het (vrouwelijke) lichaam zo mooi mogelijk gemaakt. Dat is logisch, want het besef dat het lichaam de psyche afspiegelt gaat samen met het besef dat dit lichaam voorgesteld moet worden zonder gebreken. Ik heb er al op gewezen dat het psychische belemmerd kan worden door onvolkomenheden van het lichaam, hetzij door materiële oorzaken, hetzij door morele oorzaken. Daardoor kan het meetrillen niet goed uit de voeten. Toch moeten wij hierbij wel bedenken dat er ook dan een zekere mate van meetrillen is en dat dit, hoe gebrekkig ook, steeds het bewustzijn is dat zich manifesteert. Daarom kun je aan een lelijk of gebrekkig lichaam toch de psyche aflezen. Een gebrekkige psyche is ook een psyche! Behalve afspiegeling van de wezenlijke werkelijkheid als bewustzijn is het psychische ook de werkelijkheid als gevoel. De afspiegeling is een uitwendige zaak, maar het gevoel is een inwendige. Voor jezelf geldt de psyche als gevoel. Dat mag evenwel niet verward worden met de gevoelens. Deze slaan als regel op bepaalde ervaringen van jezelf als zelfbewustzijn, ervaringen van toestanden waarin je op een gegeven moment verkeert. De gevoelens zijn dan ook te duiden. Hun oorsprong is, al dan niet met behulp van psychologische onderzoekingen, te achterhalen en aan te wijzen. Tegenwoordig is het plegen van dergelijke onderzoekingen tot een hele wetenschap uitgegroeid. Men hecht veel waarde aan het achterhalen van de oorsprong van de gevoelens, de emoties. De werkelijkheid als gevoel vertoont zich in principe het gaafst aan en in de seksualiteit. Hierin laat zich gelden dat het vrouwelijke en het mannelijke ineen zijn. Bijgevolg is er het gevoel dat beide zich hebben te verenigen. Dat komt precies overeen met de situatie in de wezenlijke werkelijkheid van het bewustzijn. Het vrouwelijke heeft het mannelijke als inhoud en het mannelijke is inhoud van het vrouwelijke. Ik moet de seksualiteit nog bespreken, maar een enkele opmerking is al wel te maken. Seksualiteit geldt voor die levende verschijnselen die zich tijdens de evolutie uiteengelegd hebben in een vrouwelijk exemplaar en een mannelijk exemplaar. Omdat zij uiteen zijn voelen zij de noodzaak zich te verenigen. Gaat het echter over het bewustzijn, dan zijn beide steeds ineen. Dan gaat het bijgevolg over een toestand. Die toestand is eigenlijk datgene dat wij liefde noemen. Liefde is dus een begrip dat voor elk mens geldt en het is niet een betrekkelijk toevallige situatie waarin twee of meer mensen verkeren, zoals in de westerse denk-traditie gesteld wordt. Men meent dat er pas dan liefde is als er een bepaalde omgang van mensen bestaat. In feite echter ligt de zaak precies andersom: voor de mens geldt liefde en daardoor kunnen er bepaalde omgangen tussen mensen tot stand komen. Het seksuele is rechtstreeks te herleiden tot de werkelijkheid als gevoel. Het is de meest zuivere manifestatie daarvan. Ook dat is in de oudheid ingezien. In India bijvoorbeeld beelden reliëfs op tempels deze zuiverheid uit. Je ziet uitermate liefelijke taferelen van vrijende mensen. Daarin werd uitdrukking gegeven aan het goddelijke van de seksualiteit. De gehele oudheid, tot en met de oude Griekse cultuur, toont ons vrijmoedige beelden van elkaar beminnende mensen en steeds ligt de nadruk op het mooie ervan.

Psyche,zie vervolgens: P-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

No. 77

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Ziel-1 ; Ziel-2

Het heeft zin er nogmaals op te wijzen dat het verschijnsel mens niet voor een gedeelte materieel is en voor een ander gedeelte psychisch, maar dat het gehele verschijnsel zowel materieel als psychisch is. Dat zal ons als vanzelfsprekend voorkomen, maar het is toch nog altijd een zaak die voor het moderne denken moeilijk ligt. Volgens het taalgebruik hebben wij een ziel of een geest. Men zal tegenwoordig niet meer zo gemakkelijk op zoek gaan naar zo'n ziel of geest, zoals dat vroeger wel het geval was door bijvoorbeeld iemand vlak voor en vlak na zijn sterven te wegen, maar de verhalen over uittredende geesten en het zich manifesteren van de geesten van overledenen bevestigen niettemin dat er eigenlijk toch aan aparte onderdelen van het verschijnsel mens gedacht wordt. Hierboven genoemd probleem doet zich ook voor bij het nadenken over nog een ander aspect van de mens, namelijk datgene dat doorgaans geest genoemd wordt. Ook hierbij gaat het om een verhouding in en van het gehele systeem van beweeglijkheden en niet om een apart gedeelte daarvan. De verleiding om aan een apart gedeelte te denken is nu evenwel extra groot omdat de mens over een brein beschikt waarin de zogenaamd geestelijke processen zich af lijken te spelen. Hoe dan ook, het uitlopen in de verhouding geest berust op het volgende: de bouwstenen gaan zich combineren en vormen zodoende verschijnselen. Dat combineren geschiedt steeds inniger totdat er een situatie optreedt waarbij de, eveneens voor de bouwstenen geldende, trilling dominant gaat worden. Op dat moment krijg je te doen met een totaaltrilling die zich enerzijds manifesteert als levend-zijn en anderzijds als bewust-zijn. Vervolgens gaan die levende en bewuste systemen (cellen) zich met elkaar verenigen tot steeds inniger organisaties en ook dat gaat tot een grens, namelijk zover tot het punt bereikt is dat het proces niet verder kan. De organisatie is dan zo innig, zo verfijnd, dat de beweeglijkheden, waaruit natuurlijk de hele zaak opgebouwd is, niet meer eenzijdig gebonden zijn aan de systemen waartoe zij, vanuit het wordingsproces, behoorden. Er gaat nu verwisselbaarheid optreden en dat wil zeggen dat een bepaalde beweeglijkheid zowel tot het éne als tot het andere systeem kan gaan behoren. In feite betekent dit dat die beweeglijkheden vrij geworden zijn. Al eerder kwam je het begrip verwisselbaarheid tegen, namelijk bij het optreden van levend-zijn en bewust-zijn. Toen echter ging het om de onderlinge verwisselbaarheid van de bouwstenen zelf, met als gevolg dat de trilling daarvan op een zeker moment zowel bij de éne als bij de andere bouwsteen kon behoren, met daarvan weer het gevolg dat er een totaaltrilling kon ontstaan. Deze trilling is in principe materieel omdat het de trillende materie (bouwsteen) is die hem voortbrengt. Thans echter gaat het om het feit dat het de beweeglijkheden zelf zijn die zich vrij hebben gemaakt van alle systemen die in hun voorgeschiedenis een rol speelden. Zij hebben nergens meer mee te maken en daarom kun je zeggen dat zij al het voorgaande, in feite de verschenen werkelijkheid, ontkennen. Deze ontkenning nu is het begrip geest. Duidelijk zal zijn dat wij nu met een niet-materiële zaak van doen hebben. Het begrip ontkenning is niet te denken zonder datgene dat ontkend wordt en evenzo is de weer vrij geworden beweeglijkheid niet te denken zonder zijn voorgeschiedenis. Juist omdat het wordingsproces tot een maximale innigheid van samenstelling heeft geleid kunnen de beweeglijkheden gaan gelden alsof ze weer volkomen vrij zijn. Ze worden niet echt vrij, want dan zou het gehele verschijnsel zich oplossen, welbeschouwd niet alleen het verschijnsel mens, maar ook alles wat aan hem ten grondslag ligt. Er zou dan, gezien in de tijdloosheid van de werkelijkheid als beweeglijkheden, helemaal geen kosmos zijn. Het gaat er dus om te begrijpen dat de beweeglijkheden zich nu gaan gedragen alsof ze geheel op zichzelf zijn. En dat kunnen zij op voorwaarde dat er een kosmos, uitlopend in het meest innige verschijnsel mens, ontstaan is. Het begrip geest is dus niet los te denken van de materie. Het is in feite materie die zich als niet-materie gelden laat. Dit betekent dat alle verhalen over geesten en goden, die de mensen in de loop der tijden elkaar wijsgemaakt hebben, op een niet-begrijpen van het begrip geest berusten.

Het betekent ook dat de hele verzameling godsbewijzen, waarmee men enerzijds wilde aantonen dat god niet bestaat en anderzijds dat hij wel bestaat, over boord gezet kan worden. Al die zogenaamde bewijzen berusten op waarschijnlijkheden, waarvan het dubieuze is dat je niet met zekerheid kunt zeggen of je god niet toch tegen zult komen als je mogelijkheden tot onderzoek vergroot zijn. Het feit dat god tot nu toe niet ontdekt is betekent, logisch redenerend, op zichzelf niet dat hij er niet is! Op dit laatste berusten de bevestigende bewijzen van Gods bestaan. Hetzelfde geldt voor die hele collectie geesten die zich tegenwoordig in een zekere populariteit kunnen verheugen...Als je de gedachtegang inzake de wording, vanuit de beweeglijkheden, begrijpt heb je niets meer met bewijsvoeringen op grond van waarschijnlijkheden te maken. Die gedachtegang leidt er onvermijdelijk toe dat je begrijpt hoe het zit met de allerlaatste situatie waarin de beweeglijkheden komen te verkeren. Vanuit dat begrijpen weet je voor eens en voor altijd dat goden en geesten onmogelijk zijn, maar je begrijpt ook waarom de mensen almaar met zulke verhalen op de proppen gekomen zijn. Opmerkelijk is namelijk dat er binnen het kader van de religies uitspraken zijn gedaan die verwijzen naar een besef omtrent de werkelijke situatie waarin de mens in de kosmos verkeert. Men heeft over god gesproken als begin en einde, in die zin dat beide situaties identiek zouden zijn. En in de filosofie heeft bijvoorbeeld Hegel hetzelfde gezegd: de oorspronkelijke werkelijkheid (bij hem: denken) zou, via een omkering in zichzelf (de verschijnselen) tenslotte weer bij zichzelf terug gekomen zijn (denken). Op zichzelf zijn deze gedachten juist, maar je mag toch in geen geval vergeten dat de oorspronkelijke werkelijkheid (de beweeglijkheden) aan het eind in een volstrekt andere situatie teruggekomen zijn. Aan het begin zijn zij helemaal op zichzelf, maar aan het eind zijn zij er alsof zij op zichzelf zijn, zonder daarbij los te komen van hun voorgeschiedenis: de wording. Omdat de werkelijkheid als geest de ontkenning van al het bestaande is, uiteraard inclusief het verschijnsel mens, denken de meeste mensen tot op de dag van vandaag dat genoemde werkelijkheid een zelfstandige is, niet alleen buiten de mens, maar zelfs boven hem. Zij kunnen niet bevatten dat alle uitspraken over goden en geesten op henzelf betrekking hebben, dat dergelijke zaken alleen maar in hun eigen hoofd bestaan. Omdat zulke uitspraken toch op de een of andere manier op de werkelijkheid als geest slaan is het uitermate boeiend ervan kennis te nemen. Hoewel toegegeven moet worden dat vanuit de godsdiensten, vooral de tegenwoordige, nauwelijks iets anders dan onzin te berde gebracht wordt, is het toch goed om in te zien dat die onzin te maken heeft met iets dat voor de mens essentieel is: het feit dat hij grenst aan een volkomen vluchtige, aan niets gebonden, alles oplossende heldere werkelijkheid. Zo gezien behoren de godsdiensten tot zo ongeveer de enige overtuigingen die, zij het op Onbegrepen en bijgevolg onzinnige wijze, nog enigszins op het wezen van de mens betrekking hebben. Dat verklaart dan ook hun grote invloed op de mensen. Maar, je moet die godsdiensten dan wel naar hun essentie beoordelen en niet naar hun onvermijdelijke en voor de mensheid funeste streven naar macht.

Ziel-1 ; Ziel-2

No. 78

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8

Bij het nadenken over de wording van de kosmos bemerk je dat het wordingsproces zich op verschillende niveaus afspeelt. Nu zijn wij gewend om van hogere en lagere niveaus te spreken en dus, als het gaat over de zogenaamde geest, die als het hoogste te beschouwen. Hoewel je de woorden hoger en lager wel kunt gebruiken is het toch van belang je goed te realiseren dat er in feite niet van hoger en lager gesproken kan worden. Zou je daar niet op letten dan zou je ongewild in het gangbare westerse denkpatroon vervallen, waarbij als vanzelfsprekend het lagere als minder belangrijk, als minder waardevol, wordt gezien. Het westerse denken is in wezen uiterst discriminerend, juist omdat er steeds iets is dat voor waardeloos doorgaat. En anderzijds is er onvermijdelijk iets, namelijk datgene dat men geest noemt, waaraan de grootste waarde wordt toegekend. Daardoor gaat het geestelijke al het andere domineren en dat heeft tot gevolg dat je een volkomen foute voorstelling van de werkelijkheid, en dus ook van je eigen leven, krijgt. Er bestaat geen hoger en lager en de geest domineert de werkelijkheid niet, ook al lijkt het of dit wel het geval is. Aan het einde van het wordingsproces zijn alle verhoudingen, die tussen beweeglijkheden mogelijk en houdbaar zijn, tot realiteit geworden. Van belang is hierbij dat het gaat over verhoudingen tussen beweeglijkheden en dat die beweeglijkheden zelf onaangetast blijven - ik heb hierop bij herhaling gewezen. Als die beweeglijkheden wel in de zaak betrokken waren geweest, konden zij aan het einde van het gehele proces niet naar hun ware, onafhankelijke, aard gaan gelden. Die onafhankelijkheid was dan volledig verloren gegaan. De merkwaardige situatie die wij met het begrip geest aanduiden was ten enenmale onmogelijk geweest. Tot nu toe heb ik als vanzelfsprekend aangenomen dat het de mens is in wie de situatie geest voor de dag komt. Maar eigenlijk moet dat beredeneerd worden, en wel vanuit de gedachtegang over het wordingsproces zelf. De daarbij geldende argumenten berusten allemaal op het feit dat de laatste mogelijkheid, waartoe het proces komt, een dubbelsituatie moet zijn. Voor het laatste verschijnsel moet gelden dat het een dubbelwezen is. Enerzijds heb je immers te doen met een allesomvattend verschijnsel en anderzijds met de volstrekte ontkenning daarvan. Bovendien moeten die beide situaties met elkaar samenhangen, waarbij de verhouding zo zal moeten zijn dat de ontkenning niet denkbaar is zonder het allesomvattende verschijnsel en zijn voorgeschiedenis. Het laatste verschijnsel zal, omdat het alles omvattend is, geen enkele natuurlijke specialisatie kunnen vertonen. Juist omdat elke specialisatie aanwezig is geldt er geen enkele als kenmerkend. Alle voorgaande verschijnselen, die slechts, in het kader van de verhouding binnen- en buitenwereld, met een beperkte en zeer speciale realiteit verband houden (via het bewustzijn) zijn toegespitst op die speciale realiteit. Zij zijn gespecialiseerd in het omgaan met die realiteit. Roofdieren zijn toegerust op het doden van bepaalde andere dieren, planteneters op het verwerken van moeilijk verteerbare organismen, kortom: ieder levend wezen is toegerust op het tot energie omzetten van een specifieke werkelijkheid. Voor het laatste verschijnsel is de werkelijkheid een allesomvattende en dus vertoont het geen natuurlijke specialisatie. Maar, het laatste verschijnsel zal in staat zijn op letterlijk alles nee te zeggen, alles te ontkennen. Het zal, als enige in de kosmos, ook zichzelf moeten kunnen ontkennen. Het begrip zelfmoord moet van kracht zijn. Omdat de overige levende wezens nog niet de laatsten zijn geldt het begrip zelfmoord voor hen niet. Inderdaad blijken de planten en de dieren volledig uitgeleverd te zijn aan hun eigen realiteit, waartegen zij geen nee kunnen zeggen. Zij zijn, in tegenstelling tot het laatste verschijnsel, niet in staat zich eraan te onttrekken. Vervolgens moet blijken dat het laatste verschijnsel als kenmerk draagt dat het voortdurend bezig is zijn wereld te veranderen. Dat komt doordat voor hem geldt dat hij zijn wereld kan ontkennen en tegelijk in staat is zich elke gewenste specialisatie eigen te maken. Het veranderen van iets is ondenkbaar en onmogelijk zonder het vermogen tot ontkennen: zo moet iets niet zijn, iets moet anders zijn. Als je bovenstaande eigenaardigheden van het laatste verschijnsel in de gaten hebt, kan de conclusie geen andere zijn dan deze, dat het moet gaan over de mens. De onafhankelijke gedachtegang over het ontstaan van verhoudingen tussen de beweeglijkheden leidt onvermijdelijk tot de constatering dat er bepaalde eigenaardigheden bij het laatste verschijnsel aanwezig moeten zijn, en vervolgens blijken die eigenaardigheden bij de mens voor te komen. Volgens sommige denkers, o.a. Teilhard de Chardin (1881-1955), moet er na de ons bekende mens nog een, uiteraard hoger, verschijnsel komen. Hij opperde die gedachte in Het verschijnsel mens. Op grond van het feit dat het logisch redenerend vast komt te staan dat de mens de werkelijkheid als zelfontkenning aan zich heeft, kan er na hem niet nog een verschijnsel komen, maar zelfs als je aanneemt dat dit wel het geval zou zijn, blijft het een onweerlegbaar feit dat wij mensen geen specialisatie vertonen en alles, zelfs onszelf, kunnen ontkennen. Het blijft een feit dat wij een dubbelwezen zijn. De gedachte van Teilhard de Chardin was dus fout. Eigenlijk verbaast het je dat hij niet in de gaten had dat juist het feit dat hij een hogere mens kon bedenken bewijst dat dat zogenaamde hogere voor hemzelf, als mens, geldt. Waarschijnlijk kon hij, en hij is daarin niet de enige, niet verwerken dat Gods laatste schepping (hij was Jezuïet!) zo armetierig voor de dag komt. Je kunt constateren dat alle levende wezens, behalve de mens, ter wereld komen met een aangeboren levensprogramma. Zo'n programma wordt zonder mankeren afgewerkt. Eigenlijk behoeven die levende wezens niets te leren. Het reeds aanwezige programma moet hoogstens geactiveerd worden. Wat wij bijvoorbeeld aanzien voor het spelen van jonge dieren is in feite dat activeren. Voor Ons besef gaat het daarbij om leren, maar dat is onjuist: dat besef komt voort uit het feit dat wij, mensen, juist alles moeten leren omdat wij geen enkel levensprogramma aangeboren hebben gekregen. De mens kan niets zomaar vanuit zichzelf omdat hij tot niets toegerust is. Je ziet dan ook dat de mens zichzelf gaandeweg programma's inprent, aanvankelijk natuurlijk vrijwel uitsluitend programma's om te overleven en zich voort te planten. Dit alles heeft dus te maken met het niet gespecialiseerd zijn van de mens. Ook het feit dat er voor de mens, als laatste verschijnsel, ook nog een andere werkelijkheid geldt, een werkelijkheid die op zichzelf de bestaande ontkent, is aan de praktijk van het menselijk leven te herkennen. Sinds de vroegste tijden laten de mensen zich uit over een hogere werkelijkheid. Het blijkt weliswaar dat zij daarbij allerlei onzin uitkramen, maar toch is er een besef van een werkelijkheid die anders is. Bovendien is dat een werkelijkheid die als de maat voor alle dingen gezien wordt. Het gaat daarbij over iets eeuwigs, iets helders en iets dat aan alles ten grondslag ligt en bijgevolg ook aanleiding geeft met betrekking tot het leven een moraal te bedenken. Welke rol die andere werkelijkheid ook speelt in de loop van de geschiedenis, steeds blijken de mensen er weet van te hebben en de zaak zelfs als hoogste te waarderen. Waartoe een dergelijke waardering leidt is op dit moment minder van belang - het gaat er om dat de mensen altijd aangevoeld hebben dat er nog iets is. Zij zijn dus het gezochte dubbelwezen.

No. 79 (Voor een heldere uiteenzetting van de GRONDGEDACHTE zie: BEWEGING EN VERSCHIJNSEL  deel 1 en Beweging en Verschijnsel deel 3)

“wie ben ik”. De gedachtegang, die leidt tot de conclusie dat de mens een dubbelwezen is en als zodanig het slotakkoord van het wordingsproces, berust op een bepaald logisch principe, namelijk dat van de onafhankelijke redenering. Bij die redenering heb ik er steeds de nadruk op gelegd dat je nooit gebruik mag maken van kennis, die je op de een of andere manier opgedaan hebt en waarvan je meent dat die betrouwbaar is. Dat gaat zelfs zover dat je je om te beginnen ook niet af mag vragen wie of wat je zelf bent. Je weet immers het antwoord op die laatste vraag pas aan het eind van de redenering over de werkelijkheid en haar wording! Het enige dat je kunt doen is constateren dat je er bent als ik en dat er nog iets anders is, zeg niet-ik. Dat leidt tot de conclusie dat de oorspronkelijke werkelijkheid een zee van beweeglijkheden moet zijn. Die conclusie dient vervolgens als uitgangspunt van de genoemde onafhankelijke redenering. Juist omdat die redenering onafhankelijk is kun je, aan het einde gekomen, de vraag stellen of datgene dat je daar aantreft een verschijnsel is dat je in de praktijk aantreft. Het blijkt dan dat je zelf dat laatste verschijnsel bent. De meeste denkers beginnen aan de verkeerde kant. Zij vragen zich af wie en wat zij zijn en proberen van daaruit de werkelijkheid te beschrijven. Het is dan onvermijdelijk dat er een beschrijving van de werkelijkheid ontstaat die bevangen is in een aantal normen en waarden, die berusten op de toevallige persoonlijkheid van zo'n denker en de tijd waarin hij leeft. Als hij dan ook nog de in zijn tijd beschikbare kennis gebruikt is het al helemaal zeker dat zijn filosofie gedateerd zal zijn. De filosoof Immanuel Kant bijvoorbeeld ging uitzoeken hoe het met de geest en het denken zat en hij wist daarvan een groot aantal eigenaardigheden boven water te krijgen (Kritik der reinen Vernunft, 1781). Het gevolg was dat zijn gehele beschrijving van de werkelijkheid in het teken van die, door hemzelf ontdekte, eigenaardigheden stond. Dat is op zichzelf een knap staaltje van denkwerk, maar je kunt het niet onafhankelijk noemen. Doordat dit het geval is kan datgene dat hij over de mens gezegd heeft in de grond van de zaak niet logisch onderbouwd worden, het heeft geen filosofische bewijskracht. Bij nadere beschouwing blijkt dat hij uitsluitend zijn eigen voorstelling van de werkelijkheid heeft gegeven. De hele zaak komt dus hierop neer dat hij - en met hem alle bekende filosofen - iets als uitgangspunt heeft genomen dat pas aan het einde van de gedachtegang geweten kan worden. Dat uitgangspunt is bijgevolg een vooronderstelling waarvan het al of niet juist zijn nimmer kan blijken. Als je echter alles wat je meent te weten, ook omtrent jezelf, consequent als onbetrouwbaar afwijst, is het logisch verantwoord om aan het einde van de gedachtegang vast te stellen dat je zelf het laatste verschijnsel bent. Je stelt dat als het ware van buitenaf vast. Je komt tot de conclusie dat het laatste verschijnsel een dubbelwezen is dat enerzijds alles inhoudt om anderzijds tegelijk alles te ontkennen, en zie dat ben ik zelf. Deze laatste ontdekking kun je alleen maar dan doen als je redenering onafhankelijk geweest is. Het was deze onafhankelijkheid die door Socrates indertijd bedoeld werd met de uitspraak: Ik weet niets. In feite wist hij natuurlijk erg veel, maar hij wees dat af als het over het filosofische denken ging. In de gehele mij bekende filosofie wordt het begrip geest gebruikt op de wijze van de bovengenoemde vooronderstelling. Men gaat er steeds van uit dat het de geest zou zijn die in ons werkzaam is en die bovendien de maat zou zijn voor alle dingen. Opvallend is daarbij dat niemand weet te vertellen wat de geest nu eigenlijk is. Toch geldt hij als de bron van alle moraal, van alle ethiek, en dus als een leidinggevende instantie. Voor godsdienstige mensen is de geest een buiten en boven de mens staande goddelijke werkelijkheid, maar voor verreweg de meeste filosofen is hij een werkelijkheid binnen het verschijnsel mens, zij het dan toch ook een hogere, een maatgevende, werkelijkheid. Die zaak zou dan op de mens inwerken en hem in zekere zin tot een geestelijk wezen maken. Een wezen dat zich boven het natuurlijke verheft. Er wordt dan ook voortdurend in verheven termen over dat wezen en zijn geest gesproken. Dat is allemaal te begrijpen als je bedenkt dat men van de vooronderstelling uitgaat dat de geest een werkelijkheid zou zijn die op een veredelende wijze op het verschijnsel mens inwerkt. In feite echter is dat niet het geval, maar dat kun je pas weten als je, via de onafhankelijke redenering, bij het verschijnsel mens uitgekomen bent. ( wat is de geest )Je ontdekt dan namelijk wat de geest werkelijk is: de optimaal innig samengestelde materie die zich gelden laat alsof ze géén materie was, maar louter beweeglijkheden. Dat echter betekent dat het gaat over een zaak waarvan eigenlijk niets te zeggen valt, die geen eigenschappen heeft en die volkomen onaantastbaar is. Bijgevolg is het onmogelijk dat er een werking op het verschijnsel van uitgaat. In feite is er van de geest alleen maar te zeggen dat hij niets is - als tegenstelling tot iets, dat altijd de een of andere materiële verhouding is. Hij is dus niets bestaands. Bovendien is te zeggen dat je er niets aan hebt: de geest ontsnapt volkomen aan de realiteit van het verschijnsel. Het uitoefenen van een werking is een eigenaardigheid van de beweeglijkheden voor zover die in een materiële verhouding tot elkaar zijn komen te verkeren. Zo'n verhouding treedt pas op bij het zich combineren van bouwstenen via het wederzijds opheffen van bewegingen. Dat is dus een zaak die niet aan de orde is als het over de beweeglijkheden zelf gaat. Hij is dus ook niet te bedenken aan de werkelijkheid als geest. Doe je dat wel, dan pas je materiële kwalificaties toe op een niet-materiële situatie. Dat kan natuurlijk niet! Intussen is dat in ons huidige denken wel gebruikelijk: men schrijft aan de geest een werking op het verschijnsel toe, juist omdat men veronderstelt te weten wat de geest is, maar het absoluut niet weet. We zijn dus genoodzaakt anders over de mens en zijn geest te gaan denken. De algemeen aanvaarde vooronderstelling dat de geest, op een regulerende wijze, inwerkt op het menselijk leven blijkt, op grond van de onafhankelijke redenering, een onjuiste vooronderstelling te zijn. Daarmee vervalt eigenlijk al het denken van de mensen over zichzelf. Het godsdienstig en humanistisch denken, het moralistische en ethische denken, ja zelfs elke vorm van machtsdenken, dat zich, zoals de geschiedenis en de praktijk leren, altijd op de geest beroept, in de vorm van god of de ingeboren rede. Er kan simpelweg geen enkele zinvolle beoordeling van jouw en mijn leven gegeven worden met een beroep op de geest. Voor zover een dergelijke beoordeling toch mogelijk is moet die op een andere grootheid berusten. Welke dat is kan achterhaald worden door, wederom, de onafhankelijke redenering te volgen. Voorlopig echter is van belang in te zien dat er geen geestelijke maatstaf bestaat. In een ander verband heb ik er op gewezen dat de veronderstelling dat de geest op de mensen inwerkt, leidt tot van bovenaf denken, zie daarvoor De ontwikkeling van de West-Europese cultuur, 1985-1987, en De kunst van het filosoferen, 1987-1989. Gevolg van dat van bovenaf denken is onder andere dat de mensen altijd schuldig zijn omdat zij altijd tekort schieten in vergelijking met datgene dat zij zelf, vanuit de vooronderstelling van een op hen inwerkende geest, aan moraal en ethiek bedenken. De mensen aanvaarden hun eigen normen niet en hebben er geen vrede mee dat zij zijn zoals zij zijn.

No. 80

Aan het einde van het wordingsproces hebben de bouwstenen zich dermate innig met elkaar verbonden dat de oorspronkelijke beweeglijkheden gaan gelden alsof zij weer volkomen vrij waren. Hun eigen karakter gaat dan weer gelden, in tegenstelling tot alle voorgaande situaties waarbij de materiële samenstellingen bepalend zijn en de beweeglijkheden zelf van geen belang waren - behalve uiteraard als oorzaak van allerlei verhoudingen. Ik wijs er nogmaals op dat de beweeglijkheden aan het eind van het proces niet echt vrij worden. Als dat het geval was zou er in het heelal geen laatste verschijnsel, de mens, aanwezig zijn. Bij hem aangekomen zou elk wordingsproces onmiddellijk instorten, en wel in zijn geheel, dus met inbegrip van alle voor het einde liggende fasen. Dit laatste is voor de moderne mens wat moeilijk te begrijpen omdat voor hem alle, tijdens een proces te voorschijn gekomen, verschijnselen op zichzelf staan. Daardoor meent hij dat de rest best wel kan blijven bestaan als de mens wegvalt vanwege zijn oplossen in beweeglijkheden bij het bereiken van de situatie geest. Je moet echter bedenken dat alle verschijnselen manifestaties van één proces zijn. Loopt dat proces uit in het zich oplossen tot beweeglijkheden, dan worden op dat moment ook al die manifestaties opgelost. Er bestaat dan geen enkel verschijnsel meer. Als je de zaak omkeert kun je concluderen: uit het feit dat (vrijwel) alle fasen van het wordingsproces nog steeds als verschijnsel aanwezig zijn blijkt dat de geest niet op zichzelf komt te staan, maar een wijze van bestaan van de materie is. Het komt er dus op aan in te zien dat, bij de mens aangekomen, de materie zich gaat gedragen alsof ze geen materie was, maar intussen toch materie blijft! Dat zich gedragen als geen-materie is het begrip geest. Omdat voor dit begrip de kwalificaties van de beweeglijkheden zelf gelden krijgen we, als het over de geest gaat, te doen met een werkelijkheid die er voor de mens, en alles wat aan hem voorafgaat, niet is. Die werkelijkheid bestaat eenvoudig niet, omdat er niets van te zeggen is en omdat zij volkomen Onbepaald is. Een dergelijke werkelijkheid kan geen werking op wat dan ook uitoefenen. Als de geest geen werking op de materie kan uitoefenen zijn onvermijdelijk alle verhalen van de mensen over het geestelijk wezen dat zij zouden zijn letterlijk uit de lucht gegrepen. Zij berusten immers allemaal op de vooronderstelling dat de geest op jou en mij inwerkt. Op die fictie berusten alle godsdiensten en filosofieën. De werkelijkheid als geest is de volledige ontkenning van al datgene dat onze werkelijkheid uitmaakt. Alles wat wij kennen is zij niet. Als wij daarbij dan ook nog bedenken dat de mensen lange tijd niet begrijpen wie en wat zij zijn, dan wordt het wellicht duidelijk dat die mensen steeds denken met een andere en aparte werkelijkheid te doen hebben als het over de geest gaat. Een werkelijkheid waar zij buiten staan. Oppervlakkig beschouwd klopt dat wel, want de mensen zijn materie en de geest geldt als niet-materie. Maar in feite klopt het niet omdat de materie, mens geworden, zich als niet-materie gedraagt. Vanuit het besef en de gedachte dat de geest een andere werkelijkheid zou zijn is het te begrijpen dat men in de mening verkeert dat de geest op de materie, in feite de mens, inwerkt. In de realiteit van ons bestaan kennen wij immers alleen maar verschijnselen die op elkaar inwerken. Logisch dat men dan ook denkt aan een wisselwerking tussen geest en lichaam. Over die vermeende inwerking is nog het volgende te zeggen: als het inderdaad zo zou zijn dat er een inwerking was zou dat een zaak zijn waar wij mensen niet onderuit kunnen komen. Ons geestelijk-zijn zou net zo vanzelfsprekend en onontkoombaar zijn als het hebben van twee armen en benen. Het zou immers een kosmisch verschijnsel zijn dat buiten onze wil om altijd en onvermijdelijk werkzaam was. De mensen zouden dan niet anders kunnen dan zich overeenkomstig de geest te gedragen. Zij zouden dan inderdaad beantwoorden aan de godsdienstige moraal, de ethiek en alle overige hogere waarden en zij zouden daarin geen keuze hebben. De mensen waren allemaal zonder meer heiligen, precies zoals zij zichzelf en elkaar steeds als norm voor hebben gehouden. Wat we evenwel in de praktijk zien is geheel iets anders! De mensen houden zich helemaal niet aan hun eigen geestelijke normen, zij proberen voortdurend er onderuit te komen. Dat wijst er op dat het slechts over bedenksels gaat en helemaal niet over een kosmische verhouding, een wet, die onafhankelijk van onszelf van kracht is. Uiteraard zijn het bedenksels omdat er, zoals gezegd, helemaal geen inwerking van de geest is. Uit onbegrip inzake de eigen situatie in de kosmos verkeert men alleen maar in die mening en naar die mening gedraagt men zich.

Omdat het echter slechts een onvolwassen mening is ontstaat er een tweeslachtigheid: enerzijds beschouwt men god (de geest, gezien als werkzame hogere instantie) als almachtig - wat op een kosmische en dus onontkoombare verhouding duidt - om anderzijds in de praktijk diezelfde almacht naast zich neer te leggen en helemaal niet aan de normen daarvan te beantwoorden. Vanuit genoemde fictie van een werkzame geest stellen de mensen zichzelf en elkaar een hogere en betere werkelijkheid, bijvoorbeeld god of de rede, ten voorbeeld. Dat leidt er toe dat men, bij het nadenken over zichzelf en de mensheid, niet uitgaat van de reële mens, maar van een bedachte hogere mens. Daarvan is dan weer het gevolg dat men tot de overtuiging komt dat wij allemaal voortdurend tekort schieten. Dat is natuurlijk een waardeoordeel en wel bijna altijd een negatief. De fictie leidt er ook toe dat men ideologieen gaat aanhangen en dat die een collectief karakter dragen. Als je meent dat er een andere werkelijkheid is, dan volgt daar uit dat die voor alle mensen geldt, of zij dat willen of niet. Bijgevolg wil je alle mensen er aan onderwerpen en dat heeft onverdraagzaamheid tot gevolg. Eigenlijk heb ik al steeds gezegd hoe het nu wel zit met dat begrip geest. Maar daarvan is meer te zeggen: er is namelijk een beweging van materie naar niet-materie, geheel overeenkomstig de richting waarin het wordingsproces zich afspeelt. Dat betekent dat in de mens de materie almaar naar de geest toe werkt. Gezien vanuit de realiteit is dat dus een beweging vanonder naar boven - om even in die gangbare termen te spreken. Die beweging is in de gehele mensheid, vanaf de vroegste tijden, waar te nemen. Steeds werken mensen zich omhoog, brengen alles op een hoger plan om vervolgens vanuit dat hogere plan te gaan denken en met verhalen over god en dergelijke te komen. Dat laatste denken gaat dus precies in de verkeerde richting: het gaat van boven naar beneden, geheel in strijd met de werkelijke richting. Het is, nogmaals, de materie die zich als niet-materie laat gelden en dus, in de gebruikelijke terminologie: het is het lagere dat zich omhoog werkt. De verhouding ligt niet andersom. Je kunt zeggen dat er in de materie, in het verschijnsel mens, een nimmer aflatende drang naar het geestelijke is. Dat wil niet zeggen dat het allemaal zo fraai zou zijn, want, bijvoorbeeld, de drang naar macht en bezit behoort er ook bij. In de eerste primitieve priesters vertoonde zich die drang, maar ook in diegenen die begonnen met het verbouwen van gewassen. De moderne democratie laat duidelijk de werking in de richting van beneden naar boven zien, maar ook voor de wetenschappelijke ontwikkeling geldt dat. Kortom: alles dringt naar het geestelijke, naar niet-materie, toe.

No. 81

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8

Het wordingsproces speelt zich af in één richting. Hoe banaal het ook klinkt: het gaat van het begin naar het einde en niet andersom. Wij vinden dat terecht iets vanzelfsprekends, zogezegd een evidentie, maar toch kun je je afvragen waarom dat zo is. Het antwoord kun je vinden door nog eens na te gaan wat er gebeurt tijdens het wordingsproces. Dat proces heeft een kwantitatief karakter omdat er zich steeds systemen (bijv. bouwstenen) voegen bij al bestaande systemen. Maar, dat zich erbij voegen is aan een voorwaarde gebonden: de richting waarin de zich erbij voegende systemen een bestaand systeem benaderen moet de juiste zijn. Van alle oneindig vele mogelijke richtingen is er steeds maar één de juiste. Dat bleek heel duidelijk toen wij het zich combineren van twee bouwstenen nagingen: de richting van de beweging brandpunt naar vrije beweeglijkheid van het ene systeem moest precies in het verlengde liggen en tegengesteld zijn aan de beweging brandpunt naar vrije beweeglijkheid van het andere systeem, opdat beide bewegingen zich aan elkaar konden neutraliseren. Het begrip richting is voortdurend maatgevend tijdens het proces van de wording van de verschijnselen. Het bepaalt het combineren van systemen. Achteraf kunnen wij een rode draad herkennen in het wordingsproces. Dat kunnen wij doen omdat alle combinaties, die wel mogelijk, maar niet houdbaar zijn gebleken, inmiddels zijn afgevallen. Het wordingsproces is een afvalproces, zoals ik al eerder opgemerkt heb. In feite heeft dat proces vele richtingen ingeslagen, maar slechts één leidde tot het slotakkoord, de mens. Hierbij passen twee opmerkingen. Ten eerste: er zijn tijdens de wording wel degelijk systemen die weer terug schijnen te vallen. Dat echter is ook een voortgang in een richting: de zaak blijkt niet houdbaar te zijn. Ten tweede: ook datgene dat ik nog zal bespreken als vergankelijkheid is een voortgang en geen teruggang, hoewel het daarop wel lijkt omdat een verschijnsel tot stof wederkeert. Eventueel is er nog een derde punt aan toe te voegen, namelijk als het gaat om datgene dat zich door veranderingen in het geheel van de kosmos niet kan handhaven. Dat was het geval met de dinosaurussen en dergelijke grote diersoorten. Hierbij echter berust het afvallen op de onmogelijkheid zich aan de veranderde omstandigheden aan te passen. Het schijnt dat er iets aan de hand is geweest met de zwaartekracht van de aarde en de stand van de aardas. Telkens als er zich een nieuw systeem bij een bestaand gevoegd heeft (kwantitatief) treedt er een verschijnsel met een nieuwe kwaliteit op: het gedraagt zich anders. Je ziet dus dat het proces nieuwe kwantiteiten te voorschijn brengt en daardoor van kwaliteit verandert. Aan het einde van dat proces, als de laatste kwantitatieve mogelijkheid is gerealiseerd, verandert de kwaliteit op een zodanige manier dat het dan ontstane verschijnsel zich gaat gedragen alsof het geen verschijnsel was: de materie als niet-materie. Het begrip niet-materie kennen wij als de zogenaamde geest. Holisten bedienen zich graag van de uitspraak dat het geheel meer is dan de som der delen. Dat is een slordige uitspraak! Als het proces bij de mens aangeland is kan er, kwantitatief gesproken, absoluut niets meer bij. Alle mogelijkheden van combinaties zijn gerealiseerd. Er kan dus niets méér zijn dan de som der delen. Wat men dan ook bedoelt te zeggen is dat de kwaliteit van die som een andere is dan de kwaliteiten van de delen afzonderlijk. Met meer of minder heeft dit niets te maken. Zo is de kwaliteit geest onmogelijk te bedenken aan de delen waaruit het verschijnsel mens opgebouwd is, maar aan de som der delen, die een absoluut totaal is omdat er werkelijk niets meer bij kan, is de kwaliteit geest wel te bedenken.

Interessant is in dit verband dat bepaalde denkers menen dat de evolutie nog niet afgelopen is en dat de mens zich nog verder evolueren zal. Dat echter zou betekenen dat er wel degelijk nog iets bij zal komen. Zo meent men dat onze breinen zich zullen vergroten teneinde helderder te kunnen denken. Dit is natuurlijk onzin! Er kan niets meer bij. Het is niet onmogelijk dat de mens in de loop der tijd een grotere herseninhoud heeft gekregen, maar dat kan niet het gevolg zijn van een voortgaande evolutie. Het is wel mogelijk op grond van aanpassingsprocessen, maar die berusten op een reeds bestaande kwaliteit die zich gaandeweg ontwikkelt. Er komt voor de dag wat reeds in principe mogelijk was. Het gaat dus om het zich erbij voegen van systemen, net zolang totdat het niet verder kan. Omdat dit zich erbij voegen gebonden is aan een richting, is ook het proces aan een richting gebonden. Dat geldt natuurlijk ook voor het laatste verschijnsel. Bijgevolg ligt het in de logica om te zeggen dat de materie zich gedraagt als geest en dat er dus te spreken is van een beweging van materie naar geest. Maar andersom, van geest naar materie, is onmogelijk. Er zijn dus twee redenen waarom de algemeen gangbare gedachte dat de geest op de materie zou inwerken een foute gedachte is: ten eerste de reeds genoemde reden dat de werkelijkheid als beweeglijkheden, door haar absolute Onbepaaldheid, nergens op in kan werken, en ten tweede deze dat een dergelijke inwerking niet aan de richting van het proces beantwoordt. Dat de verhoudingen liggen zoals hierboven gezegd is betrekkelijk gemakkelijk aan onszelf te controleren. Alle bestaande verschijnselen, inclusief wijzelf, bestaan op twee manieren: ze bestaan in de realiteit en ze bestaan zogezegd in onze geest. Een bepaalde tafel staat in onze kamer als een concreet voorwerp, maar die tafel bestaat ook in ons hoofd als een abstractie. Wij kunnen aan die tafel denken en hem dan voor ons zien. Let er wel op dat ik het nu over een bestaande tafel heb en niet over het begrip tafel. Die bestaande tafel is dus zowel concreet als abstractie kunt derhalve constateren dat het bestaande zich omzet tot iets geestelijks. De gehele werkelijkheid zet zich in de mens om tot geest. Dat komt helemaal overeen met de genoemde richting van het proces. Soms lijkt het alsof er dingen zijn die alleen maar in onze geest bestaan, maar als je zoiets nauwkeurig nagaat blijkt dat niet het geval te zijn. Een nog te bouwen brug is inderdaad nog geen realiteit, maar je moet toch weten wat een brug is en dus teruggrijpen op iets bestaands. Voor diegene die indertijd als eerste een brug bouwde bestond er helemaal geen idee van een brug, hij stond uitsluitend voor het probleem hoe hij de overkant moest bereiken. Het was onder anderen Plato die meende dat er een soort van ideeenwereld, onafhankelijk van het menselijk weten, bestond. Vanuit die idee zouden zich dan de dingen formeren, als een soort van afspiegeling van de idee. Waarschijnlijk is het bovenstaande om te beginnen niet goed in te zien, maar dat komt doordat de zaak voor ons anders lijkt door de werking van het zelfbewustzijn, waarover ik nog moet spreken.

Er zijn namelijk drie grootheden te bedenken aan die allerlaatste verhouding materie als niet-materie. De eerste grootheid is natuurlijk het begrip materie, de tweede is bijgevolg materie als niet-materie en de derde is het begrip niet-materie. Nu is het dat tweede begrip dat het zelfbewustzijn is. Hoewel het in dit rijtje een middenpositie inneemt is het toch tegelijk het geheel van de zaak en dat wil zeggen dat het de beide andere begrippen, namelijk materie en niet-materie insluit. Dat insluiten van beide andere begrippen geldt niet voor het eerst- en het laatstgenoemde begrip uit de drieslag materie, materie als niet-materie en niet-materie . Bij de bespreking van deze drieslag wordt alles hopelijk duidelijker!

 

No. 82 Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8

 

Over de begrippen materie en niet-materie heb ik al het een en ander gezegd: het begrip materie houdt onder andere in de begrippen samenhang en relatie en loopt uit in bewustzijn en psyche; het begrip niet-materie kennen wij als de geest en ik heb er al met nadruk op gewezen dat de geest, als absoluut beweeglijke verhouding, geen enkele invloed op wat dan ook kan uitoefenen en eigenlijk zelfs niets is. Wat betreft dit laatste nog een opmerking: het woord niets heeft geen betrekking op het eerder door mij besproken absolute niets, zoals dat zich voordoet tussen twee gecombineerde bouwstenen precies daar waar twee vrije beweeglijkheden elkaar in de enig mogelijke richting raken en daardoor hun bewegingen ten opzichte van de erbij behorende brandpunten neutraliseren. Het woord niets slaat, in het geval van de geest, op het niet-bestaan ervan. Het begrip bestaan geldt voor alles wat, in welke situatie dan ook, materieel is en wat dus tot de wereld van de verschijnselen behoort. Onze taal is bijzonder leerzaam: het woord bestaan betekent eigenlijk ergens op staan en dat verwijst naar het aan elkaar vastgelegd zijn, het ten opzichte van elkaar niet bewegen. Dat is kenmerkend voor het verschijnsel. Dat verschijnsel is samengestelde materie en ook daaruit blijkt de juiste essentie van het taalgebruik. Inderdaad zijn de materiële elementen van het verschijnsel aan elkaar gesteld, want zij zijn in de juiste richting ten opzichte van elkaar geplaatst. Dat alles geldt niet voor de geest en dus ook niet voor datgene dat men altijd god genoemd heeft. Op grond daarvan kon de filosoof Jan Borger, toen hij nog dominee in Gouda was, destijds vanaf de kansel verklaren dat god niet bestaat. Zolang de mensen nog allerlei eigenschappen aan hun god toeschreven hadden zij niets van hun eigen geloof begrepen. Die gedachte werd niet in dank afgenomen...!

De drie begrippen, namelijk materie, materie als niet-materie en niet-materie staan niet los van elkaar, noch behoren zij bij elkaar op grond van bepaalde verbindingen (relaties). Zij vormen met elkaar één geheel, zij zijn de inhoud van dat geheel. Dat maakt het nadenken erover erg moeilijk. Dat geldt vooral voor het middelste begrip dat direct met beide andere samenhangt. We hebben te doen met datgene dat ik zelfbewustzijn genoemd heb. Die term wil uitdrukken dat de werkelijkheid als mens zich van zichzelf bewust is. We moeten ervoor waken het zelfbewustzijn als een veredeld soort bewustzijn te zien. Eigenlijk hebben bewustzijn en zelfbewustzijn qua begrippen niets met elkaar te maken. Het bewustzijn immers is de ontstane werkelijkheid die op de wijze van een trilling in de levende cel aanwezig is, maar het zelfbewustzijn is de laatste mogelijkheid van de materie waarbij die zich als niet-materie gelden laat. Dat houdt in dat het bewustzijn de materie-in-trilling is, maar het zelfbewustzijn een gelden als zuivere beweeglijkheid. Niet geheel ten onrechte komt in beide begrippen het woord bewust voor. Dat vindt zijn oorzaak in het feit dat een mens beide, zowel het bewustzijn als het zelfbewustzijn, in zichzelf ervaart, zich ervan bewust is. Zo kun je zeggen dat het verschijnsel als algemeenheid in het levende wezen bewust is geworden en dat het laatste verschijnsel in de mens als bijzonderheid bewust is geworden. En in beide gevallen betekent het woord bewust dat de zaak ervaren wordt. Veelal wordt beweerd dat het denken het onderscheid tussen de mens en het dier uitmaakt. Denken betekent echter dat je onderscheidingen kunt maken. De dieren maken echter ook onderscheidingen en zij nemen op grond daarvan zelfs besluiten. Je kunt dus niet stellen dat het denken beide van elkaar onderscheidt. Het essentiële verschil is dit dat de mensen weet hebben van alles wat voor hen geldt. Zij hebben dus ook weet van hun denken, en daarom: het menselijk denken is uniek omdat het over zichzelf kan nadenken. En dat kan het omdat voor de mens zelfbewustzijn geldt. Hij is zich bewust van zichzelf. Als het gaat over zelfbewustzijn, dan gaat het over iets dat bestaat. Uiteraard op grond van het feit dat het te allen tijde materie is die zich als niet-materie gedraagt. Het zelfbewustzijn behoort tot de natuur van de mens, het is zijn geaardheid. Ik bedoel dat woord op precies dezelfde manier als de bedoeling is als je spreekt over de natuur van de kat en dergelijke. Het typerende van de mens is dus zijn zelfbewustzijn. Dat is zijn wezen en dat bestaat echt, hoewel het op zichzelf natuurlijk niet aan te wijzen is. Het is daarentegen wel aan de mens af te lezen. Je leest dan aan de mens af dat hij zelfbewustzijn is en dat dit zijn ware natuur is. De weg van de mensheid op de planeet is een weg naar zichzelf toe. Dat betekent dat de mensen op weg zijn naar hun eigen natuur en dus naar zichzelf als zelfbewustzijn. Gedurende het gaan van die weg bedrijven de mensen een groot aantal schurkachtigheden, maar die komen niet voort uit hun natuur, zoals bijna altijd gemeend wordt, maar uit het feit dat zij die weg moeten gaan. Daarbij is de waan dat er een geest boven alles uit zou gaan oorzaak van al die schurkenstreken. Indien het mogelijk zou zijn geweest om direct al bij zichzelf als zelfbewustzijn te vertoeven, zou al die ellende achterwege zijn gebleven. Omdat het niet in de natuur van de mens ligt om een schurk te zijn is er ook nooit iemand die blij is met het moorden en plunderen; iedereen, behalve misschien een enkele gestoorde, betreurt het en noemt het misdadig. Wat is er nu eigenlijk aan de hand met dat zelfbewustzijn? Om dat helder te krijgen moet je de situatie nog eens goed bekijken: de materie heeft zich, met als basis-materiaal de bouwsteen, tot aan haar uiterste grens tot samenstellingen opgebouwd. Die samenstellingen hebben alle voorgaande mogelijkheden tot inhoud, niet alleen op de wijze van een totaaltrilling (bewustzijn), maar ook - en daar gaat het nu om - als raster van verbindingen, van relaties. Het is dit raster dat zich opheft bij het gaan gelden als niet-materie. Dit echter is niet zo maar het geval. Er gaat een voortdurende verwisseling optreden en die komt er op neer dat het raster zo kan zijn, maar ook anders. Dat is alleen maar dan mogelijk als de rasters oplossen tot alleen nog maar beweeglijkheden, om onmiddellijk tot andere rasters te worden. Je kunt dus spreken van een voortdurende wisseling van situaties. Nooit blijft er een gehandhaafd, steeds is hij er wel en niet tegelijk. Hij ontkent zichzelf almaar, en dat dan niet tot een werkelijkheid van louter beweeglijkheden, maar tot een materiële werkelijkheid die anders is. Je zou kunnen zeggen dat er een trilling is, nu niet in de materie zoals bij het bewustzijn, maar een trilling van de materie, in die zin dat de zaak steeds anders is. Dat anders-zijn is er de reden van dat ik met nadruk de gedachte aan een, op de materie inwerkende, geest heb bestreden. Het komt in feite nooit tot de geest, tot de werkelijkheid als louter beweeglijkheden. Het komt tot een voortdurend anders-zijn van de materiële, op een uiterste van innigheid samengestelde, materie. Dit voortdurende anders-zijn is het zich gedragen als niet-materie, want telkens als je, bij wijze van spreken, zou vaststellen dat de zaak zo is, is die onmiddellijk alweer anders. Deze wisseling vindt plaats via het er niet zijn van de materie, met andere woorden: er is een soort van drieslag die te beschrijven is als er-zijn, er-niet-zijn en er-anders-zijn. En dan slaat dat begrip er-zijn dus gewoon op de uiterst innige samenstelling van de materie, in feite dus het verschijnsel mens voor zover dat een ding is.

Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

 

No. 83

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144)

Het zelfbewustzijn is de middelste factor uit de eerder genoemde drieslag. Het gaat daarbij om de materie die zich als niet-materie gelden laat. De vraag is nu met welke situaties we te doen hebben als het over zelfbewustzijn gaat. Dan moet je je natuurlijk als eerste realiseren dat het gaat over een uiterst verfijnd raster van combinaties van bouwstenen. In dat raster zijn de bouwstenen op een bepaalde manier aan elkaar vastgelegd, d.w.z. de bewegingen van de bouwstenen hebben zich aan elkaar geneutraliseerd. Hierbij moet opgemerkt worden dat dit aan elkaar vastgelegd zijn geen kwestie van krachten is. Er zijn geen krachten die de zaak bij elkaar houden. Dat men wat dit betreft in de natuurkunde toch van verschillende krachten spreekt is een gevolg van het feit dat men, bij analyse van het verschijnsel, op weerstand stuit. Het verschijnsel verzet zich tegen het uit elkaar halen en dus moeten wij er krachten op uitoefenen als wij het willen analyseren. In het verschijnsel zelf echter ligt de zaak in rust: bewegingen hebben zich aan elkaar geneutraliseerd, uiteraard voor zover het over de combinaties gaat. Wij noemen een ding vast omdat de bewegingen van de bouwstenen geneutraliseerd zijn. Dat vastgelegde is het kenmerk van het verschijnsel, en dus ook van het laatste verschijnsel, de mens. Als het dan gaat over de mens als zelfbewustzijn hebben wij te maken met het zich opheffen van dat vastgelegde karakter van het verschijnsel. Het rastert heft zich op, populair gezegd: de verbindingen oftewel de relaties tussen de bouwstenen vervallen. Dat evenwel is geen blijvende zaak, want onmiddellijk, zonder tijdsverloop, stellen zich nieuwe verbindingen. Dat zijn andere verbindingen, maar, het merkwaardige daarvan is dat die andere verbindingen geen wezenlijk andere werkelijkheid opleveren. Steeds wordt zij in het zelfbewustzijn opnieuw opgebouwd. Je kunt zeggen dat elke nieuwe verbinding goed is. Het raster van verbindingen is verwisselbaar. Elk systeem van verbindingen is mogelijk zonder de zaak zelf aan te tasten. Genoemde verwisselbaarheid is mogelijk op grond van het feit dat in laatste instantie de samenstellingen een dermate innig gestructureerd raster hebben opgeleverd dat het niet meer uitmaakt welke verbindingen je legt. Steeds is het de structuur van het laatste en meest innige verschijnsel, en dat betekent op zijn beurt dat je steeds met de structuur van de werkelijkheid te doen hebt. Het resultaat is dus een almaar in zichzelf andere volledige werkelijkheid. Die afwisseling van werkelijkheden is kenmerkend voor het zelfbewustzijn. Steeds echter is het een gestructureerde werkelijkheid, want het zijn de rasters die voortdurend verwisselen. De totaliteit van die verwisselingen omvat de volledige werkelijkheid, maar iedere optredende verwisseling leidt tot een bepaalde werkelijkheid die zo is en niet anders. Iedere mens kent, qua zelfbewustzijn, uitsluitend zijn eigen werkelijkheid.

Er zijn bijgevolg net zoveel zelfbewuste werkelijkheden als er mensen zijn. Die zijn allemaal verschillend op grond van milieu, opvoeding en opleiding. Maar ook die eigen werkelijkheid is voortdurend aan wisseling onderhevig. Je bent je steeds bewust van allerlei andere dingen, er gaan almaar andere gedachten door je hoofd. Het ene moment ben je je bewust van het een, het andere moment van het ander, maar, al die verschillende inhouden van je zelfbewustzijn blijven in principe binnen het kader van je eigen werkelijkheid. Die werkelijkheid, als inhoud van je zelfbewustzijn, breidt zich wel geleidelijk aan uit, en wel door allerlei ervaringen en leerprocessen. Er voegen zich nieuwe elementen aan toe en daardoor verandert de totale inhoud van je zelfbewustzijn. Hoewel het dus een bepaalde werkelijkheid is die de inhoud van je zelfbewustzijn vormt, is het tegelijk dé werkelijkheid, omdat het niet uitmaakt welke rasterstructuur voor je geldig is, d.w.z. binnen welke kaders de verwisseling van de rasters plaatsvindt. Dit is er de reden van dat er geen waardeoordeel te geven is over de wereldbeschouwing van de mensen binnen de context van bepaalde culturen. Wel echter zijn die culturen zelf te beoordelen, namelijk naar hun meer of minder beperkt zijn van de kaders waarbinnen de structuren zich verwisselen. Hierop kom ik later nog terug. We kunnen nu een voorlopige vergelijking maken tussen het bewustzijn en het zelfbewustzijn. Bij het bewustzijn gaat het om de werkelijkheid als beeld. Daarin komen geen bepaaldheden voor. Het is de werkelijkheid naar haar algemeenheid en als zodanig is zij voor een ieder dezelfde. Bovendien verwisselt het beeld niet, het is steeds hetzelfde beeld. Dat beeld is wel opgebouwd uit trillende elementen die er op hun beurt kunnen zijn omdat er een verwisseling van de bouwstenen optreedt in het levende wezen, maar die verwisseling leidt niet tot het volkomen oplossen van alle verbindingen tot, in principe, beweeglijkheden. Hij leidt tot verwisseling van bouwstenen. Bij het zelfbewustzijn echter gaat het juist wel om bepaaldheden en het is steeds een incidentele werkelijkheid die voor niemand dezelfde is en die in de loop van de tijd verandert. De trilling die hierbij optreedt is die van een almaar wisselende structuur van de werkelijkheid. Je kunt zeggen dat het bewustzijn een kosmisch gegéven is en het zelfbewustzijn een verkrégen werkelijkheid. Deze laatste werkelijkheid valt onder het begrip voorstelling, terwijl de eerste onder het begrip beeld valt. Die verkregen, incidentele, inhoud van het zelfbewustzijn bestaat uit bepaalde dingen: het is die bepaalde tafel, die bepaalde woonplaats, die bepaalde buurman, enzovoort, die er in aanwezig is. Het gaat steeds over bestaande dingen, over dingen die onbekend voor je zijn kan het niet gaan. Daarom kunnen de mensen over god ook alleen maar spreken als over iets bestaands. Het blijkt dus dat die inhoud een heel concrete is. Dat geldt voor alle kennis, al is die op zichzelf nog zo abstract zoals bijvoorbeeld wiskundige kennis. Op grond van dat concrete karakter laat de kennis zich dan ook overdragen, voor anderen beschrijven. De inhoud van je zelfbewustzijn is aan anderen mee te delen. Die incidentele werkelijkheid is, zoals gezegd, steeds wisselend. Dat is voor de mensen, tot op de dag van vandaag, een onprettige situatie. Je hebt er immers geen houvast aan, want je kunt je almaar afvragen of die werkelijkheid nu zo is of toch eigenlijk anders! Juist op grond hiervan proberen de mensen, zolang de mensheid nog onvolwassen is, de zaak vast te leggen, onveranderlijk te maken. Dat doen zij in hun culturen, met een heel complex van regels en voorschriften, normen en waarden. De mensen bedenken modellen van de werkelijkheid. Zij menen dan houvast te hebben, maar toch blijft gelden dat het zelfbewustzijn een zaak van wisselende structuren is zodat na verloop van tijd elk vastgelegd stelsel ondergraven wordt en tenslotte ten onder gaat. Met dat culturele vastleggen van de inhoud van het zelfbewustzijn zijn de onvolwassen mensen eigenlijk tegennatuurlijk bezig. Hun natuur is juist dat die inhoud wel voortdurend verwisselt. Het is het toelaten van die verwisseling die mensen ruimdenkend, tolerant, begripsvol en vrijheidslievend maakt. Dit is in strijd met de algemeen aanvaarde opvatting dat het juist de cultuur zou zijn die de mensen menselijk maakt. De zaak ligt precies andersom, zoals uit het bovenstaande is af te leiden. Overigens doet dat niets af aan de betekenis van culturen. Het tegennatuurlijke van een cultuur is niet gelegen in haar inhoud, maar in het vastleggen en tot algemene norm maken ervan.

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144)

No. 84

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ;

De inhoud van het zelfbewustzijn is, hoewel er het anders-zijn voor geldt, toch steeds de werkelijkheid. Dat geldt ook voor allerlei onzinnige inhouden en fantasieën en zelfs voor ficties en illusies, die in feite nauwelijks overeen komen met de realiteit. Zo denken bijvoorbeeld de mensen uit onze moderne cultuur dat de werkelijkheid is zoals ze volgens de wetenschappelijke theorieën lijkt te zijn. Hoewel filosofisch blijkt dat zij helemaal zo niet is, kan toch niet ontkend worden dat zij in de breinen van de mensen, dus als inhoud van hun zelfbewustzijn, wel degelijk werkelijkheid is. Die onmogelijke werkelijkheid is ook werkelijkheid, al bestaat zij niet op die manier. Bij het voortdurend verwisselen van de rasters komen ook de feitelijk onmogelijke en niet reële rasters tot bestaan in het zelfbewustzijn, zodat zij ervaren kunnen worden als voorstellingen van een echte werkelijkheid. Als zodanig zijn zij wanen, of illusies of ficties. In feite is eigenlijk alles mogelijk! Al dat mogelijke echter heeft steeds een concreet karakter. De inhoud van het zelfbewustzijn doet zich aan de mens voor als een werkelijkheid die bestaat uit een verzameling van bestaande dingen en niet als een algemene werkelijkheid. Die werkelijkheid van bestaande dingen zie je als het ware voor je gesteld: het is de voorstelling.

Jeroen Bosch bijvoorbeeld schilderde vreemdsoortige wezens die niet bestaan, maar hij suggereerde dat ze wel concreet aanwezig zouden zijn. In zijn voorstelling zijn zij echt. De mensen kunnen van alles tot inhoud van hun zelfbewustzijn maken (bedenken) en juist omdat zij dit kunnen is er de mogelijkheid om zaken aan de weet te komen, kennis te vergaren en vooral ook kennis te toetsen. Het leren kennen van de echte werkelijkheid is ondenkbaar zonder de onhoudbaarheden, de onzin en dergelijke te bedenken en te doordenken. Zo is fantaseren, hoewel dat doorgaans niet graag toegegeven wordt, essentieel voor het verwerven van kennis. Het bij voorbaat vaststellen van wat onzin zou zijn en wat niet (godsdienstige, maatschappelijke en wetenschappelijke dogmatiek) werkt als de belangrijkste rem op zuivering van de inhoud van het zelfbewustzijn. Tot nu toe ging het over het voortdurend veranderen van de rasters, die het kenmerk van de samenstellingen zijn. Zou het echter alleen-maar daarover gaan, dan zou het oplossen niet verder gaan dan de bouwstenen. Die zijn het immers die, bij het zich met elkaar combineren, de rasters opleveren. Je kunt ook zeggen: de stelsels van verbindingen. Zelf zijn zij evenwel ontstaan door het aaneengroeien van elementaire systemen van beweeglijkheden. Daarin komt geen raster voor, wel echter samenhang, namelijk als een achtledig systeem uitgroeit tot twee van zulke systemen en dan gaat gelden als één systeem met twee brandpunten. Ook dit systeem echter heft zich, bij het gelden van de materie als niet-materie (zelfbewustzijn), volledig op omdat het gaat om het afwisselend terugvallen tot absolute beweeglijkheden. Ook de samenhang vervalt voor het zelfbewustzijn. Dat betekent dat de inhoud van dat zelfbewustzijn een kwantitatieve zaak is, het is een verzameling. Het kenmerkende van een verzameling is dit, dat de verzamelde elementen allemaal op zichzelf staan, van elkaar gescheiden zijn, maar toch ook in een bepaald verband opgenomen zijn. Zij hebben op de een of andere manier met elkaar te maken, maar dat is niet op die manier dat zij tot elkaar in relatie zouden staan. Zij zijn niet aan elkaar vastgelegd. De dingen, als inhoud van het zelfbewustzijn, worden begrepen als met elkaar in verband staand en dat leidt tot het begrip verzameling en als zodanig zijn de aparte dingen in het zelfbewustzijn aanwezig.

Het begrip verband is te beschrijven als opgeloste samenhang. Het is dus samenhang die tegelijk geen samenhang is, op grond, uiteraard, van het feit dat we met een voortdurende afwisseling te maken hebben. Het begrip verband heeft dus wel iets te maken met het begrip samenhang, maar het is op zichzelf wat anders. Het is de factor die het mogelijk maakt de afzonderlijke dingen in een verzameling bijeen te brengen en die verzameling tot een totaliteit uit te breiden. Omdat voor de mens als zelfbewustzijn de samenhang tegelijk en onmiddellijk geen samenhang is kan hij zelf verbanden leggen tussen de afzonderlijke dingen in zijn brein. Dat gebeurt in het groot in de cultuur. Hij doet dat niet alleen denkend, maar het leggen van verbanden vindt ook bij wijze van conditionering plaats. Op grond daarvan kun je zeggen dat een mens letterlijk alles moet leren. Een duidelijk verband tussen de dingen is de mens niet vanuit de wording gegeven. In het bewustzijn van de mens ligt de samenhang op de voorgrond en die is op geen enkele wijze te verbreken. Het beeld is een onveranderlijk geheel waarin het een overgaat in het ander. In het zelfbewustzijn van de mens is de samenhang opgelost en veranderd in verbanden die tussen de afzonderlijke dingen aangelegd worden. Dat is de voorstelling en die is een verzameling, culminerend in een totaliteit.

In tegenstelling tot datgene dat altijd verondersteld wordt berust het herkennen van de samenhang in de werkelijkheid niet op het nagaan van verbanden in je zelfbewustzijn en het verzamelen van kennis, maar juist op het in jezelf zichtbaar laten zijn van de werkelijkheid als beeld, zoals dat de manifestatie is van het bewustzijn. Op grond van dat beeld kunnen de afzonderlijke dingen en hun verbanden op de juiste wijze, d.w.z. overeenkomstig de waarheid, gerangschikt worden. Vanuit het zelfbewustzijn zelf is dat volkomen onmogelijk en het is zelfs zo sterk dat je eenzijdig van daaruit willekeurig welke voorstelling kunt opbouwen zonder dat die ook maar de geringste overeenkomst met de echte werkelijkheid behoeft te vertonen. De aangelegde verbanden berusten daarbij niet op de oorspronkelijke samenhang, maar op de relaties tussen de dingen. Die komen in feite neer op waarde-oordelen, die, bijvoorbeeld in onze cultuur, eenzijdig economisch zijn. Dat economische verband is bedacht naar aanleiding van de analyse van de samenstellingen waarbij de verbinding tussen de onderdelen voor de dag gekomen is. Als bepaalde culturen op hun hoogtepunt zijn gekomen verstarren zij zich tot van bovenaf dwingende stelsels van regels en voorschriften die de mensen ingeprent worden zonder dat die nog in twijfel getrokken kunnen worden. Een cultuur is dan ingekrompen tot een louter zelfbewuste aangelegenheid die niet meer ingebed is in het bewustzijn en die bijgevolg gevoelloos, kil en benauwd is. Kortom, een wereld waarin niet meer te leven valt en die dan ook gaandeweg instort. Anderzijds zie je, vooral in de culturen van de oudheid, dat men almaar probeerde de dingen op een zodanige wijze met elkaar in verband te brengen dat de voorstelling een zo getrouw mogelijke afspiegeling van de werkelijkheid als beeld zou zijn. Maar, de toenmalige mensen hadden nog niet veel kennis omtrent de dingen, en dat leidde er toe dat de voorstelling meteen al op fantasie berustte, op sprookjes en mythen die ontleend waren aan het leven van de mensen. Men vertelde bijgevolg over goden en godinnen en allerlei fantasie-dieren, zoals draken en dergelijke. Het sterke punt van de culturen van de oudheid was echter niet de voorstelling, maar de innige verwantschap met de werkelijkheid als bewustzijn, zowel wat betreft het beeld als wat betreft het psychische. Daardoor konden de wijzen uit die tijd die opmerkelijke gedachten over de essentie van de werkelijkheid ontwikkelen.

No. 85

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Meditatie-1 ; Meditatie-2 ;

De werkelijkheid als voorstelling is aanwezig als inhoud van het zelfbewustzijn. Die inhoud bestaat uit zich opheffende en weer stellende rasters, geheel willekeurig en dus zowel concreet mogelijk als onmogelijk, en het verband tussen de afzonderlijke dingen. De werkelijkheid als beeld is de totaaltrilling die zich als een spel van vormen manifesteert, vormen die alleen-maar samenhangen en die onafhankelijk zijn van welke inwerking dan ook. De voorstelling wordt door de mensen gemaakt, maar het beeld is voor de mensen een gegeven waarop zij geen invloed kunnen uitoefenen. De mensen leggen zelf een verband aan tussen de afzonderlijke dingen en komen zo tot het opbouwen van een wereldbeschouwing, dat wil zeggen een voorstelling van de werkelijkheid zoals die voor henzelf qua zelfbewustzijn geldig is. Die voorstelling behoeft helemaal niet overeen te stemmen met de echte werkelijkheid, in feite komt hij, tijdens de cultuurontwikkeling, slechts bij enkelingen enigszins overeen met de echte werkelijkheid. Je kunt dat jammer vinden, maar dan moet je wel bedenken dat dit jammer vinden voornamelijk voortkomt uit het feit dat je, vanuit de waarden van je eigen cultuur, geneigd bent een groot belang te hechten aan datgene dat geest genoemd wordt. Als dan blijkt dat die geest niets te betekenen heeft wordt dat automatisch als een teleurstelling ervaren. Pas na enige tijd begrijp je dat die geest je steeds misleid heeft en dat het juist bevrijdend is die niet meer als de maat te nemen. Zolang je die geest wel als de maat neemt blijf je bevangen in je eigen wereldbeschouwing, in je eigen voorstelling. Dan blijft alles relatief, en dus gebonden aan de persoon die je zelf bent. Er is echter ook nog het bewustzijn en haar manifestatie het beeld. Als je die twee grootheden samen denkt, namelijk het beeld en de voorstelling, dan ontdek je dat het een mens mogelijk is zich, bij het aanleggen van de verbanden in de voorstelling, te richten op het beeld. Als hem dat gelukt bouwt hij een wereldbeschouwing op die niet meer strijdig is met de echte werkelijkheid. Dat is het wat je eigenlijk in de filosofie zou moeten doen. De oude filosofen deden dat dan ook, maar de gesteldheid om het zo te doen is in de westerse cultuur vrijwel geheel verloren gegaan. Men is gaan filosoferen over zijn eigen voorstelling! Je kunt je de zaak als volgt indenken: je kijkt als het ware dwars door je eigen voorstelling heen naar het beeld. Daarbij moet je wel bedenken dat je bereid moet zijn die voorstelling niet meer als de maat te nemen. In feite komt het er op neer dat je die voorstelling in twijfel durft te trekken, dat je de mogelijkheid onder ogen ziet dat hij wel eens fout zou kunnen zijn. Het is een tijdje in de mode geweest om allerlei methodieken toe te passen, zoals yoga en meditatie en sensitivity-trainingen en dergelijke. Hoewel die zeker wel bevrijdend kunnen werken voor bepaalde mensen gaan die toch volledig langs de zaak heen. Doorgaans leveren die methodieken niets anders op dan nieuwe voorstellingen, die op hun beurt weer als de maat genomen worden. Maar het gaat er nu juist om elke voorstelling in twijfel te trekken. Het gaat niet in de eerste plaats om de vraag of iemands voorstelling al of niet juist is. Wat betreft onze tijd kunnen wij gerust vaststellen dat de wetenschappelijke voorstelling, die wij van de werkelijkheid hebben, qua kennis en het daarin aangelegde verband behoorlijk waarheidsgetrouw is. Als zodanig is de voorstelling geen probleem. Maar het tragische van onze tijd is gelegen in het feit dat die hoogontwikkelde voorstelling nauwelijks meer in twijfel getrokken kan worden, zodat de spiegeling met het bewustzijn en het beeld vrijwel ontbreekt.

Daardoor kunnen wij steeds minder uit de voeten met die voorstelling en blijkt ons handelen en omgaan met de wereld in toenemende mate een slag in de lucht te zijn. Wij hebben ons bijna geheel uitgeleverd aan de wetenschappelijke voorstelling die wij zelf opgebouwd hebben. Ik denk dat dit uitgeleverd-zijn nog veel indringender is dan destijds met de godsdiensten het geval was. Als je het voor elkaar krijgt om vertrouwen te hebben in jezelf als bewustzijn, en in staat bent je voorstelling niet als de maat te nemen, ben je vanzelf in staat om die voorstelling aan het beeld te toetsen. Dat is eigenlijk niets bijzonders: het verschijnsel mens is zo gegroeid dat er steeds een soort van wisselwerking, een spiegeling, plaats heeft tussen het beeld en de voorstelling, en wel op grond van het voortdurend leggen van verbanden, die immers terug te voeren zijn tot opgeloste samenhangen. Maar voor Ons lijkt het wel iets bijzonders omdat wij geconditioneerd zijn door een cultuur waarin het bewustzijn taboe is en het zelfbewustzijn op een verkeerde wijze, namelijk als ondergeschikt aan de geest, tot gelding komt. Dat verkeerde zelfbewustzijn komt onder andere hieraan tot uiting dat men de uitgebreidheid van zijn inhoud het belangrijkste vindt. Met andere woorden, men weegt de waarde van de mens af aan datgene dat hij geleerd heeft. De hoeveelheid beschikbare kennis en het daartussen aangelegde (wetenschappelijke) verband zijn de norm voor menselijke waarde. Als je echter inziet hoe bij de mens de verhoudingen werkelijk liggen wordt onmiddellijk duidelijk dat die norm onhoudbaar is, juist omdat het er om gaat de voorstelling niet als de maat te nemen. Welke geestelijke of intellectuele bagage een mens ook meetorst, het is van geen enkel belang als het er om gaat de werkelijkheid te leren kennen en, als gevolg daarvan, te leven overeenkomstig datgene dat voor het leven werkelijk geldt. Het is zelfs zo sterk dat mensen in wie de wereldbeschouwing oftewel de voorstelling - gewoonlijk door een wetenschappelijke opleiding op hoog niveau - stevig vastgelegd is, nauwelijks in staat meer zijn iets te bevatten van de echte werkelijkheid. De voorstelling zit zo vast dat elke spiegeling met het beeld onmogelijk is geworden. Dergelijke mensen weten dan ook geen raad met het vrije en creatieve filosoferen, vinden het (terecht!) onwetenschappelijk en wijzen het, vaak op hysterische wijze, volledig af. .. Die hysterie komt voort uit het feit dat ook die mensen met hun vastgelegde voorstellingen mensen zijn in wie de bedoelde spiegeling tussen beeld en voorstelling ongewild en op verdrongen wijze doorgaat.

Telkens als mensen geconfronteerd worden met iets wezenlijks dat zij niet willen, worden zij hysterisch, gaan op onredelijke wijze tekeer en zijn soms zelfs geneigd tot moord en doodslag. Het komt echter ook voor dat mensen zich met een schok realiseren dat zij helemaal niet weten waarmee zij hun leven lang bezig zijn geweest. Zo'n schok wordt dikwijls veroorzaakt door iets uitwendigs zoals oorlog, natuurrampen, ziekte en dood en wat er dan gebeurt is dit, dat men plotseling zijn eigen voorstelling in twijfel trekt en, als gevolg daarvan, geconfronteerd wordt met de spiegeling tussen beeld en voorstelling. Het in twijfel trekken van de voorstelling is eigenlijk voor de mens iets natuurlijks, maar in het geval van een schokeffect geschiedt het onverwacht en ongewild, en dat des te heviger als men een erg vastgelegde voorstelling heeft. Dan blijkt dat een mens geheel anders is dan zijn voorstelling hem suggereert: hij blijkt bijvoorbeeld een sociaal wezen te zijn (op grond van de samenhang) maar zich tot dan toe helemaal niet als zodanig gedragen te hebben. Uiteraard willen wetenschappers zoiets wetenschappelijk gaan onderzoeken, maar als je begrijpt hoe het verschijnsel mens is valt er niets te onderzoeken. Bovendien is zo'n onderzoek op zichzelf ook bevangen in de geldende voorstelling, zodat je er niet van kunt verwachten dat het de essentie van de zaak bloot zal leggen.

Meditatie-1 ; Meditatie-2 ;

No. 86

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ;

In de drieslag materie, materie als niet-materie en niet-materie berust het zelfbewustzijn op de middelste factor. Maar, zoals wellicht inmiddels duidelijk is geworden, het bewustzijn berust op de eerste factor. Het is immers een zaak van de materie waarin op een gegeven moment de totaaltrilling op gaat treden, een totaaltrilling die zich manifesteert als enerzijds het levend-zijn van het verschijnsel en anderzijds als het bewust-zijn daarvan. De spiegeling tussen beeld en voorstelling is dus een soort van wisselwerking tussen de materie en de materie als niet-materie. Dat komt neer op een wisselwerking tussen de universele werkelijkheid als spel van vormen en de schijnbare particuliere werkelijkheid als een verzameling van gevormde dingen. Die verzameling is door de individuele mens opgebouwd aan de hand van een complex van ervaringen op het terrein van opvoeding, opleiding en gebeurtenissen, welke laatste zowel intern zijn (psychologisch) als extern (omstandigheden). Omdat het over individuele ervaringen gaat is de voorstelling van de ene mens fundamenteel niet te kennen voor de andere mens. De enige manier om deze onbekendheid enigszins op te heffen is gelegen in het gebruiken van taal. Doormiddel van de taal kun je elkaar op de hoogte stellen van je voorstelling. Die taal berust op conventies, op een overeenstemming tussen de afzonderlijke mensen inzake het benoemen van de dingen. Die overeenstemming is doorgaans niet bewust en van tevoren bedacht.

Ze is geleidelijk in het dagelijkse leven ontstaan en wordt vervolgens van geslacht op geslacht doorgegeven: de kinderen moeten hun taal léren spreken. Maar soms is de overeenstemming wel bedacht, bijvoorbeeld in de wetenschappelijke taal. Het is dus via geconditioneerde en ook via bewust afgesproken conventies dat de mensen elkaars voorstelling enigszins kunnen kennen en bespreken. De voorstelling is een soort van plaatje van de persoonlijke werkelijkheid van een bepaald mens. Dat plaatje is vastgelegd doormiddel van bepaalde verbanden die een mens ook zelf aangelegd heeft. Voor zover dat vastgelegd-zijn geldt kun je niet door dat plaatje heen kijken en dat betekent dat het bewustzijn als beeld niet zichtbaar is. Maar, voor zover geldt dat het plaatje transparant is wordt de werkelijkheid als beeld wel zichtbaar, en dan krijg je deze situatie dat op de voorgrond het plaatje aanwezig is en op de achtergrond het beeld. Alles draait dus om de vraag in hoeverre het plaatje transparant is. Dat is een kwestie van variatie, en die variatie geldt binnen de polen volledig niet transparant zijn en volledig transparant zijn. Als de zaak volkomen ondoorzichtig is hebben wij te doen met iemand die iets mist dat heel essentieel is. Er is dan geen contact met de echte werkelijkheid, zodat zo iemand geheel en al vastzit in een fictie. Hij behoort tot die mensen die van zichzelf vinden dat zij principes hebben en die keihard zijn, vooral voor de medemens. Anderzijds kun je je indenken dat iemand een volkomen doorzichtige voorstelling bezit. Zo iemand is ernstig ziek, hij verkeert voortdurend in een hem onbekende wereld, kan zich het vorige moment niet herinneren en weet daardoor niet wat hij met zijn omgeving moet aanvangen. Die komt namelijk niet meer overeen met zijn voorstelling omdat die immers geheel ontbreekt. Dat komt voor bij ernstig demente mensen en er schijnt ook een ziekte te zijn die deze volledige vertwijfeling met zich mee brengt. Dit zijn echter extreme situaties. Als alles goed is vertoont een mens een variatie tussen beide genoemde polen. Het gevarieerd transparant zijn van het plaatje, de voorstelling, opent de mogelijkheid om die voorstelling aan het beeld te toetsen en dus een spiegeling tot stand te brengen tussen de universele werkelijkheid en de voorgestelde individuele werkelijkheid. Daardoor kun je tot de ontdekking komen dat je voorstelling in bepaalde opzichten niet klopt. Hij is in strijd met de logica. Dat maakt meteen duidelijk wat logica eigenlijk is: het is het overeen komen van de door jezelf aangelegde verbanden met de samenhang van de werkelijkheid, zoals die bij het beeld op de voorgrond staat. Voor zover de mensen de nadruk leggen op het er-zijn van de voorstelling ligt voor hen de maat bij een vastgelegd patroon van rasters. Het er-niet-zijn van de voorstelling wordt dan niet in aanmerking genomen. In dat geval geldt voor die mensen het dominant-zijn van een niet transparante werkelijkheid. Maar intussen geldt toch het er-niet-zijn van de voorstelling omdat de verhoudingen nu eenmaal zo in de mens liggen. Dat toch gelden van dat er-niet-zijn, ondanks het feit dat hij dat eigenlijk niet wil, wordt door de mens ervaren als twijfel. Het begrip twijfel houdt in dat iets voor je vaststaat, maar dat je er toch niet helemaal zeker van bent. Het is een aantasting van iets dat vast voor je staat. In feite berust dat natuurlijk op het terugvallen van de samengestelde en aaneengegroeide werkelijkheid tot absolute beweeglijkheden: de materie als niet-materie! Met dat terugvallen wordt die zaak beweeglijk en dat betekent dat hij transparant wordt. Je kunt er dan doorheen kijken. Uit het bovenstaande is af te leiden dat het twijfelen een essentieel menselijk fenomeen is: het brengt je in aanraking met de echte werkelijkheid. De twijfel is de eerste stap op de weg van het weten. Als je iemand in twijfel brengt is er de mogelijkheid om een bepaald denkbeeld duidelijk te maken, maar als je die twijfel niet weet op te roepen is het vergeefse moeite te proberen iemand ergens van te overtuigen. In onze cultuur bestaat de neiging het twijfelen af te keuren. Onze wetenschappelijk ingestelde cultuur vraagt om zekerheden, om feiten die vastgesteld zijn. Een bepaald complex van feiten wordt geacht wetenschappelijk onbetwijfelbaar te zijn. Hoewel dat binnen het kader van de wetenschap een juist standpunt is, moeten we ons er toch terdege van bewust zijn dat de twijfel als enige de mogelijkheid biedt om iets aan de weet te komen. Alle ontwikkeling berust op twijfel, juist omdat het instorten van de vastgelegde voorstelling tot een nieuwe voorstelling kan leiden. Het miskennen van de twijfel remt de ontwikkeling van de mensheid voortdurend af. Zoals gezegd hebben de mensen de behoefte hun voorstellingen vast te leggen. Dat is te begrijpen omdat, naar hun mening, die voorstellingen overeen komen met de concrete werkelijkheid, zoals die om hen heen staat en zoals ze die almaar ervaren. Het kan best zijn dat het allemaal een fictie is, maar zij wordt ook dan als een realiteit ervaren, een realiteit waaraan men houvast heeft. Men wil dus de voorstelling vasthouden als een realiteit en men wil de twijfel niet in zichzelf toelaten. Desondanks doet die zich toch gevoelen en dat leidt ertoe dat er zich in de mensheid een verhelderingsproces aftekent, een langzame ontwikkeling naar een zelfbewustzijn dat, hoewel het altijd een voorstelling tot inhoud heeft, toch steeds diezelfde voorstelling in twijfel trekt. Dat wil zeggen: het er-niet-zijn van de rasters gaat gelden. Daarmee verschuift het vastgelegd-zijn van de voorstelling naar een toenemend beweeglijk-zijn ervan. Met die toename ontstaat er ook de mogelijkheid dat het begrip nihilisme tot gelding kan komen. Dat begrip is gegrond in het er-niet-zijn van de voorstelling, en dus de afwezigheid van door de mensen zelf aangelegde verbanden die een waardeoordeel inhouden. Men heeft het begrip nihilisme wel eens omschreven als de werkelijkheid als volkomen nietigheid en dat is juist, omdat het inderdaad over het vervallen van alle verbanden gaat.

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ;

No. 87

We zitten met de vraag hoe het komt dat de mensen hun voorstelling van de werkelijkheid vast willen houden, dat wil zeggen: niet willen laten gelden dat hij altijd min of meer transparant is. Ik heb er al op gewezen dat er door het zelfbewustzijn een overeenkomst ervaren wordt tussen de voorstelling en de buitenwereld. Dat is logisch, want de voorstelling bestaat uit de totale werkelijkheid, die zich laat gelden op de wijze van materie als niet-materie. Omdat alles mogelijk is behoeft de voorstelling niet realistisch te zijn, hij kan ook op een fictie berusten. Maar die lijkt dan toch ook op de concrete buitenwereld. Het is onmogelijk dat iemand een voorstelling in stand houdt waarvan hij zelf vindt dat die helemaal niet met de buitenwereld overeen stemt. Niemand voelt zich thuis bij een dergelijke ongerijmdheid. Er is altijd wel enige overeenkomst. Het is een essentieel punt dat de mensen eerlijk menen dat hun voorstelling realistisch is, dus menen dat hun bedachte werkelijkheid net eender is als de waargenomen werkelijkheid. Vaak hoor je beweren dat de mensen het goede of een betere wereld niet zouden willen. Die bewering vooronderstelt dat de mensen dat goede of die betere wereld zouden kennen, maar dat zij er om de een of andere reden geen zin in, of belang bij, zouden hebben. Dat echter is onmogelijk, de zaak heeft met het begrip willen niets te maken en ook niet met het begrip keuze. In feite hebben de mensen die andere wereld helemaal niet in hun voorstelling, niet voor ogen. Zodra dat wel het geval is leven zij automatisch in die betere wereld, zonder dat zij daarin een keuze zouden hebben. De gedachte van Jean Paul sartre dat een mens zou kunnen kiezen voor een beter leven in een betere wereld is derhalve onjuist. Het in de voorstelling liggen van een betere wereld is iets anders dan een fantasie of een utopie over zo'n wereld. Dat zijn namelijk constructies, bedenksels, maar het gaat nu over de voorstelling in de zin van materie als niet-materie. Die voorstelling hebben de mensen zelf opgebouwd, zij menen dat die realistisch is en dus houden zij hem vast. Dat leidt er toe dat die voorstelling gaat werken als een barrière die verhindert dat de mensen er achter komen hoe het zit met de werkelijkheid. Dit blijft in principe altijd voor de mens gelden, ook als hij tenslotte volwassen geworden is. Er gaat dan evenwel ook nog iets anders gelden waardoor dat vasthouden een incidenteel karakter krijgt, de barrière telkens weer overwonnen wordt en de voorstelling zijn eeuwigheidswaarde verliest. Het vasthouden van de voorstelling geschiedt niet alleen maar op grond van de overeenkomst met de buitenwereld. Ik herinner er aan dat de mens verbanden legt tussen de verschillende inhouden van zijn zelfbewustzijn. Die verbanden zijn opgeloste samenhangen. Die kunnen er zijn omdat er spiegeling met het beeld is, op grond van het min of meer transparant zijn van de voorstelling. Nu zijn het ook die verbanden waarvan de mens meent dat zij identiek zijn met de samenhang in het beeld, alleen: daarvan weet hij, vooral in onze cultuur, doorgaans niets af en wel omdat hij zichzelf als bewustzijn en als beeld verdrongen heeft. Maar intussen werkt het wel zo in hem omdat hij nu eenmaal zo in elkaar zit.

Hij vertrouwt dus de door hemzelf aangelegde verbanden zonder te weten waarom. Je zou het een zaak van intuïtie kunnen noemen - alweer een begrip waarvan de moderne wetenschappelijke mensen niets moeten hebben! Het is van groot belang om in te zien dat de mensen oprecht menen dat hun voorstelling klopt met de realiteit en er ook oprecht vertrouwen in hebben dat de aangelegde verbanden de juiste zijn. Er valt hier dus niets te beschuldigen en je kunt met recht stellen dat de mensen niet weten wat ze doen als ze bezig zijn van hun wereld een bloedbad te maken.

Wat anders is dat bepaalde mensen, zoals pausen en politici, leugens vertellen en het doen voorkomen of zij een andere, voor de bevolking betere, voorstelling van de werkelijkheid hebben dan zij werkelijk hebben. Als regel is dat een machtskwestie waarbij de bevolking gepaaid wordt met mooie verhalen, met de bedoeling voor zichzelf meer vrijheid te verwerven. De mensen noemen iets logisch als zij er op vertrouwen dat het verband, dat zij tussen de inhouden van het zelfbewustzijn hebben aangelegd, overeenkomt met de samenhang die voor het beeld geldt. Iets logisch vinden berust dus op vertrouwen, niet een vertrouwen in iets of iemand anders, maar in zichzelf. In de moderne cultuur weet men er nauwelijks iets van, en dat blijkt wel heel erg duidelijk hieruit dat het nooit gelukt is een grond te vinden voor de logica. Vooral in de filosofie heeft men zich intensief bezig gehouden met de vraag wanneer iets logisch genoemd kan worden - het antwoord is nooit gevonden. Toch bemerkte men dat er een zekere vanzelfsprekende natuurlijke overeenstemming tussen de mensen was. Uiteraard, want de door de mens aangelegde verbanden zijn aan de samenhang van het beeld gespiegeld. Omdat het uitgangspunt van de logica in de werkelijkheid als beeld is gelegen heeft zij een universeel karakter, maar dat komt slechts in hoofdzaak in de wetenschap tot uiting. Gangbaar vinden de mensen van alles logisch, voornamelijk dat wat in hun kraam te pas komt. Dit is mogelijk omdat in het begrip logica het verband tussen de inhouden van het zelfbewustzijn (de dingen die je in je hoofd hebt) bepalend is. Daardoor is de individuele voorstelling bepalend zodat de mensen tot op zekere hoogte van alles logisch kunnen vinden. De een vindt het bijvoorbeeld logisch dat mensen met elkaar trouwen en de ander vindt dat heel Onlogisch, terwijl beiden het over de natuurwetten volkomen met elkaar eens zijn. Omdat dit het geval is zijn er bindende afspraken gemaakt om eenstemmigheid te verkrijgen over wat logisch is en wat niet. Maar wat de godsvoorstelling betreft het volgende: een vorm van samenhang die aanleiding kan geven tot het logisch vinden dat er een god bestaat is in het beeld niet aanwezig. God behoort louter tot de voorstelling zonder dat hij aan het beeld gespiegeld wordt. Hij kan daaraan ook niet gespiegeld worden omdat hij berust op het begrip niet-materie voor zover dat op zichzelf gesteld wordt. Dat is er de reden van dat godsvoorstellingen niet getoetst en doordacht mogen worden en daardoor zo onuitroeibaar zijn. Doordenkt men zo'n voorstelling echter wel, dan is god in de kortste keren verdwenen omdat er geen spiegeling met het beeld mogelijk is. Het is op grond van deze onmogelijkheid dat je de godsvoorstelling en de godsdienst tot de waandenkbeelden moet rekenen. Omdat men de logica niet thuis kon brengen heeft men zijn toevlucht tot de exacte wetenschap genomen en datgene logisch genoemd wat bij herhaalde toetsing dezelfde verhouding tussen twee of meer grootheden opleverde. In feite heeft men het verband tussen die grootheden als grondslag voor de logica aangenomen en men spreekt dan ook van causale verbanden. Voor zover een mens die verbanden in zijn dagelijkse leven laat gelden heeft men het over redelijkheid. Ook wat de rede betreft hebben de denkers aangevoeld met iets universeels te maken te hebben. Sommigen, bijvoorbeeld humanisten, hebben op grond hiervan de redelijkheid als de maat voor het gehele leven gesteld en haar zodoende ook weer verheven tot iets geestelijks, met als onvermijdelijk gevolg een stelsel van regels, geboden en verboden, kortom: de ethiek. In de werkelijkheid als beeld zit geen logica, maar samenhang. Pas voor het menselijk zelfbewustzijn is het begrip logica geldig, namelijk als en voor zover de mens er op vertrouwt dat de verbanden binnen zijn voorstelling die samenhang afspiegelen.

No. 88

Onvermijdelijke toeval-1 ; onvermijdelijke toeval-2 ; Metafysica    Mystiek en Metafysica vanaf no. 140 tot eind van deel 2

Doorgaans weten de mensen niet dat er in henzelf als zelfbewustzijn een spiegeling plaats heeft tussen de voorstelling en het beeld. Maar die spiegeling is er, ook als de mensen, bijvoorbeeld in onze cultuur, er geen boodschap aan hebben. Op grond van die spiegeling stellen zij vertrouwen in de verbanden die zij tussen de verschillende inhouden van hun zelfbewustzijn leggen. Zij noemen die betrouwbare verbanden logisch. Van de weeromstuit zijn veel mensen gaan geloven dat de werkelijkheid zelf logisch is, in die zin dat haar wording en bestaan op van haar onafhankelijk geldende wetten berusten. Dat zij dus van iets uitwendigs afhankelijk is, namelijk van als het ware van tevoren en buiten haar om opgestelde wetten die er aan ten grondslag zouden liggen. Die veronderstelling leidt tot de mening dat de kosmos en het leven zin zouden hebben, en wel omdat het tot stand komen van de kosmos voor de werkelijkheid een doel zou zijn. Als het waar was dat de kosmos volgens een vaste cyclus van logische oorzaken en gevolgen ontstaan zou zijn, dan zou de daaraan ten grondslag liggende wet helemaal aan het begin moeten liggen en je zou het doel er al ingecalculeerd moeten vinden. Wij treffen daar echter alleen maar beweeglijkheden aan, chaotisch beweeglijk zonder aan iets, wat dan ook, gebonden te zijn. Zo je al van een wet zou willen spreken zou het de wet van het onvermijdelijke toeval moeten zijn. Maar die houdt geen doelgerichtheid in doch slechts mogelijkheden, die misschien houdbaar blijken te zijn, maar misschien ook niet. Er ontstaat telkens een veelheid aan verschijnselen waarvan de houdbaarheid nog blijken moet. Als er echter een doel was zou er uit een bepaald voorgaand stadium slechts één bepaald volgend stadium kunnen voortkomen en daarvan zou bij voorbaat zeker zijn dat het houdbaar was. Er is in de wetenschap en de filosofie voortdurend gezocht naar een universele grondslag van de logica. Men heeft die nooit gevonden. De verklaring voor dat falen is deze, dat het bewust zoeken van antwoorden op essentiële vragen onvermijdelijk bevangen is in de aanwezige voorstelling. De zaak is gedateerd. De essentie blijft verborgen omdat die buiten de voorstelling ligt. Men kan dan geen ander antwoord vinden dan dat het allemaal om conventies, afspraken, gaat. Op een zeker moment meende men het gevonden te hebben in de taal, maar uiteraard bleek men daarmee ook niet verder te komen. Het is juist het bewuste zoeken dat belemmerend werkt. Om er achter te komen hoe de dingen nu echt zitten moet je niet naar die dingen en hun grondslag zoeken, maar naar de werkelijkheid als beeld. Dat levert vanzelf de spiegeling met de voorstelling op en daarmee een betrouwbare verklaring, een die wij logisch vinden. Eigenlijk zou de filosofie op vragen antwoorden moeten geven waar niet naar gezocht is! Daarom heb ik steeds gesteld dat je het verhaal van de wording en het bestaan, en in het algemeen van de filosofie, moet proberen te denken zonder gebruik te maken van je kennis, d.w.z. datgene dat je meent te weten. Deze kennis immers ligt binnen de voorstelling, is er inhoud van. Spinoza bijvoorbeeld sprak van de zuivering van het verstand. Hij beschouwde die activiteit als essentieel voor het begrijpen van de werkelijkheid. Latere denkers hebben hier geen aandacht aan besteed omdat men in de mening verkeerde dat het volgen van de logica het denken zou zuiveren. Daarmee leverden de denkers zich automatisch uit aan hun eigen voorstelling. De voorstelling komt, zoals al gezegd, enigermate overeen met de samenhang binnen het beeld en met de concrete buitenwereld. Er zijn echter elementen in de voorstelling die noch met het een, noch met het ander overeen stemmen.

We rekenen die elementen tot de metafysica, het bovenzinnelijke. Alle godsbegrippen behoren daartoe, voorts ideeën over geesten, duivels, kabouters, bezielde voorwerpen en bijna alle paranormale verschijnselen. Ook de filosofie heeft lange tijd een metafysisch karakter gehad: met behulp van god verklaarde men alle mogelijke en onmogelijke verschijnselen. Daartegen is men in de moderne filosofie terecht in verzet gekomen: men is zich positivistisch gaan opstellen. De goede kant daarvan is dat men het vertrouwen verloor in al die ongerijmde, gefantaseerde verhalen die als verklaring voor allerlei verschijnselen dienden. Maar de kwalijke kant is deze dat men zich nog meer aan zijn eigen voorstelling uitleverde en de deur naar het beeld vrijwel volledig sloot. De eigen logica, namelijk de op conventies berustende, werd de maat. Op grond daarvan ging men er toe over alle niet wetenschappelijk toetsbare gedachtegangen te verwerpen in plaats van uitsluitend de echt metafysische. Zuiver filosofische gedachtegangen zijn namelijk niet metafysisch, maar zij lenen zich ook niet voor empirische controle. Door het verwerpen van deze gedachtegangen, als zouden zij metafysisch zijn, heeft de moderne filosofie zichzelf voorlopig de das om gedaan. Een zuiver filosofische gedachtegang berust op spiegeling en niet op metafysica. Spiegeling is er waar het zelfbewustzijn zich gelden laat op de wijze van materie als niet-materie. Het gaat dus om een bijzondere verhouding van de materie, een verhouding die zich niet laat kwantificeren, d.w.z. in meetbaarheden (getallen) uitdrukken. Maar intussen is het toch materie en dus, hoewel niet meetbaar, na te gaan. Het metafysische echter berust louter op verzelfstandiging van de geest en dus uitsluitend op het begrip niet-materie. Dat ontkent een wisselwerking met de materie en dus is er geen logica. Je kunt van alles beweren zonder dat iemand het ooit zal kunnen nagaan. Dergelijke beweringen berusten op een waan die vrijwel niet te doorbreken is. Zo'n waan, bijvoorbeeld de godsdienstige, heeft een onuitroeibaar karakter. Toen in de 19e eeuw het wetenschappelijk denken door ging breken dacht men dat de godsdienst het tegen dit denken af zou leggen en vanzelf zou verdwijnen. Inmiddels is duidelijk geworden dat dit helemaal niet het geval is. Er is wel een groot aantal godsdienstige voorstellingen verdwenen, zoals bijvoorbeeld de gedachte dat de aarde door een god geschapen zou zijn, maar daardoor is de godsdienstigheid niet aangetast. Uit het bovenstaande blijkt dat een dergelijke aantasting helemaal niet mogelijk is, en wel juist omdat er geen spiegeling met het beeld kan zijn. Je kunt het dan ook meemaken dat exact denkende mensen zoals natuurwetenschappers en wiskundigen zonder bezwaar in een god geloven, zij het soms iets minder platvloers dan de meeste evangelisten. Het godsbegrip laat zich niet aan het beeld toetsen en kan dus niet bijgesteld worden. Het blijft hangen, juist omdat het losgemaakt is van datgene dat werkelijk zelfbewustzijn genoemd kan worden. Toch zal het op den duur verdwijnen, namelijk als de mensen de deur naar het beeld weer gaan openen en de spiegeling weer vanzelf een kans krijgt. Wij moeten er op letten dat de godsbegrippen oorspronkelijk stoelden op een besef dat de mensen omtrent de werkelijkheid hadden. Zo'n besef heeft alles met de spiegeling tussen beeld en voorstelling te maken, reden waarom men in oude religies wel degelijk met diepzinnige uitspraken, in de vorm van beelden, kwam. Maar die uitspraken, voortkomend uit inzichten, werden onmiddellijk door priesters ingepikt en tot een waant omgezet. Uiteraard met de bedoeling er macht mee uit te kunnen oefenen. Maar, te beginnen met de Romeinen, is er een verandering opgetreden, namelijk het als autonoom stellen van de geest, de werkelijkheid als niet-materie. En daarmee is elk verband met de werkelijkheid verloren gegaan.

Onvermijdelijke toeval-1 ; onvermijdelijke toeval-2 ; Metafysica    Mystiek en Metafysica vanaf no. 140 tot eind van deel 2

No. 89

De als inhoud van het zelfbewustzijn door jezelf opgebouwde voorstelling is gebaseerd op de afzonderlijke dingen die je in de buitenwereld waarneemt, en de verbanden die je daartussen aanlegt vanuit de spiegeling met de werkelijkheid als beeld. Die voorstelling wordt vastgelegd omdat ze je als zodanig de mogelijkheid biedt om thuis te raken in de werkelijkheid die je omringt. Anderzijds wordt het vastleggen bevorderd door het feit dat je meent dat de door jezelf in een bepaald verband geplaatste werkelijkheid de echte werkelijkheid is. In feite betekent het vastleggent dat de doorzichtigheid van de voorstelling opgeheven wordt. Dat is het geval omdat vastleggen niets anders is dan het stilleggen van beweeglijk-zijn. Als er geen beweeglijkheid meer is kun je ergens niet meer door heen kijken. In dat geval is er voor de mens geen mogelijkheid meer om de spiegeling tussen beeld en bewustzijn tot zijn recht te laten komen. Het beeld wordt als het ware afgedekt door de dichtgemetselde voorstelling, die dan als een barrière tegen de ontwikkeling gaat werken. Wat betreft dat thuis raken in zijn omgeving nog het volgende: in het bewustzijn van alle levende wezens ligt de bestaande werkelijkheid als totaaltrilling besloten. Via die verhouding is er een binnenwereld en een buitenwereld. In die buitenwereld is elk levend wezen thuis, maar voor de mens geldt dat niet als een natuurlijk gegeven, en wel omdat hij de bestaande werkelijkheid ontkent. Hij is, als laatste verschijnsel, immers ook nog niet-materie, oftewel geest. Door het gelden van die ontkenning is voor hem het thuis zijn in zijn omgeving niet een natuurlijk gegéven, maar iets dat hij moet verwerven. Ik heb al eerder gezegd dat de mens alles moet leren. Hij moet leren te overleven omdat hij in principe niet kan overleven in de realiteit waarin hij terecht is gekomen. Door nu te leren in die realiteit thuis te zijn kan hij overleven. Het overleven komt namelijk mee aan het leren zich in de wereld thuis te voelen: omdat hij zich thuis gaat voelen kan hij overleven - die verhouding ligt niet andersom, zoals tegenwoordig veelal gemeend wordt. Dat leren zich thuis te voelen gaat niet zonder ervaringen. Het opdoen van ervaringen is een cumulatief proces. Er voegen zich steeds meer ervaringen bij en die vormen gaandeweg het complex van kennis. Dat complex is eveneens inhoud van het zelfbewustzijn. Het is ingepast in de voorstelling. Het is een feit dat de mensen de verbanden in hun voorstelling naar analogie van de samenhang in het beeld hebben aangelegd. Maar juist omdat bij het opnemen in de voorstelling de samenhangen tot verbanden geworden zijn is het een vastgelegde zaak. De samenhang wordt immers opgelost om onmiddellijk weer als een verband gesteld te worden. Alhoewel soms blijkt dat zo'n verband redelijk waarheidsgetrouw is werkt de zaak toch als een barrière. Onvermijdelijk ontstaat de tragische situatie dat de mensen zich aan hun eigen voorstelling uitleveren. Dat is echter niet onherroepelijk: doordat er onvermijdelijk enigermate van spiegeling overblijft, en doordat er steeds meer ervaringen opgedaan worden, wijzigt zich in de loop der tijd toch de voorstelling. Nu kun je je afvragen waarom de mensen niet gewoon vaststellen dat bijvoorbeeld een boom een boom is en het voortaan daarbij laten. Dat evenwel is onmogelijk omdat alle inhouden van het zelfbewustzijn, ontleend aan de omringende wereld, noodzakelijk in verbanden opgenomen worden. Door het gelden van die verbanden is een boom nooit zomaar een boom, maar bijvoorbeeld een mooie boom, of een nutteloze boom of mijn boom. Er wordt altijd een verband met iets anders gelegd en daardoor wordt er een speciale betekenis aan gegeven en een waardeoordeel mee verbonden.

De boom op zichzelf is niet in de voorstelling aanwezig, het is steeds een bepaalde boom. De bepaaldheid daarvan berust op een complex van, door de mensen zelf aangelegde, verbanden. Binnen de context van het zelfbewustzijn en zijn voorstelling is het zinloos om naar Das Ding an sich te zoeken, zoals de wijsgeer Immanuel Kant geprobeerd heeft. Hij kwam dan ook tot de conclusie dat zoiets onkenbaar is, ondanks het feit dat hij een heel intelligent systeem van denkcategorieën uitgedacht heeft. In de loop der tijd zijn er door de mensen tal van verschillende verbanden tussen de inhouden van hun zelfbewustzijn gelegd. Soms klopten die verbanden redelijk goed, maar heel vaak sloegen zij nauwelijks ergens op. Als je bijvoorbeeld een boom als de woonplaats van de een of andere geest beschouwt stel je die boom in een verband dat niet blijkt te kloppen. Bekijk je de boom louter als een winstobject omdat hij timmerhout oplevert leg je ook een verkeerd verband aan. Je kunt dus van die verbanden het volgende zeggen: er zijn er die juist blijken te zijn, er voegen zich andere bij die op hun beurt al of niet juist zijn en er zijn er die absoluut nergens op slaan. Bovendien zijn er verbanden die de mensen helemaal nog niet kunnen leggen, verbanden waar ze zogezegd nog niet aan toe zijn. Je kunt verwachten dat op den duur alle aangelegde verbanden redelijk goed en redelijk volledig zullen zijn. Toch leidt dit niet tot een beter begrip van de werkelijkheid. Het is namelijk niet datgene waar het eigenlijk om gaat. Het gaat er om dat de zaak vastgelegd wordt! Daarmee is elk verband, juist of niet, geen afspiegeling meer van de samenhang. Dat dit het geval is blijkt in onze moderne tijd waarin de, wetenschappelijk uitgezochte, verbanden behoorlijk waarheidsgetrouw zijn, maar toch een heldere kijk op de werkelijkheid in de weg staan. Bijna niemand weet er raad mee. Dat het tenslotte toch tot een spiegeling komt heeft een andere oorzaak. Het vastleggen vormt dus de barrière. In het oude oosten had men hiervan een besef en ook nog wel in het beginnende Europa. Men was dan ook van mening dat het leren kennen van de werkelijkheid niet zozeer berustte op extravert (naar buiten gericht) onderzoek van de verschijnselen, maar vooral op introvert nagaan van de inwendig aanwezige werkelijkheid. Zij wisten niet waarom dat zo was. Dat er een spiegeling tussen de voorstelling en het beeld is wisten zij niet. Maar toch verstonden zij onder wetenschappelijkheid niet eenzijdig geleerdheid - eigenlijk is een ieder op eigen wijze geleerd - maar vooral wijsheid. Daarom moest je jezelf ontwikkelen om aanspraak te kunnen maken op wetenschappelijkheid. Zelfs bij de Europese alchimisten was dat besef nog levend. Wetenschap kwam tot stand via een dubbele weg: de introverte en de extraverte. In de cultuurgeschiedenis zie je dat het steeds de twijfelaars zijn die de ontwikkeling een stukje verder helpen door de bestaande voorstellingen aan te tasten. Wij kennen hen als de ketters, de onruststokers, de rebellen. Voor hen stond het lang niet vast dat de werkelijkheid was zoals de voorstelling die suggereerde. In hen werd het vastgelegde enigszins beweeglijk, en de spiegeling gaf aanleiding tot het verwerpen van de gevestigde waarden. In feite zijn er twee processen: ten eerste het geleidelijke veranderen van verbanden via de erfelijkheid en doordat er toch altijd enige spiegeling aanwezig is, en ten tweede het schoksgewijze aantasten. Het eerste vertoont zich als de ontwikkeling van de mensheid en het tweede ligt daarin ingebed, maar springt er tevens op revolutionaire wijze uit. Zo waren er in het grijze verleden al denkers, zieners, die bijvoorbeeld de oorlog als onmenselijk veroordeelden en probeerden de mensen er van af te houden. Maar van dergelijke inzichten trekt niemand zich iets aan: tegenwoordig is nog lang niet iedereen van de misdadigheid van oorlog overtuigd!

No. 90

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144) ; Rechten van de Mens ;

Als het over de ontwikkeling van de mensheid gaat zijn er eigenlijk niet twee, maar drie varianten van het opheffen van de barrière: 1e) de langzame, individueel onbewuste, via de opeenvolging der geslachten, 2e) de in een groep individuen bewust optredende, op grond van het doorstralen van een bepaald facet van het beeld, en 3e) het, in een enkele rebelse individu optredende, schoksgewijze opheffen vanwege de twijfel, die zich op de gehele voorstelling betrekt. Steeds echter leidt het tot varianten van spiegeling tussen beeld en voorstelling. Er zijn nogal wat denkers die van mening zijn dat in het algemeen de mensen dom zijn, maar dat dit enigszins over gaat naarmate zij wetenschappelijke kennis verwerven via ervaring en scholing. Die mening stoelt op het denken van de Verlichting aan het einde van de 18e eeuw. Men had toen het gevoel het universele mechanisme gevonden te hebben met behulp waarvan de mens op objectieve wijze zinvol over de werkelijkheid zou kunnen nadenken. Men meende nu het juiste gereedschap in handen te hebben om overdraagbare, controleerbare, toetsbare, positieve kennis te verwerven en die kennis in logische verbanden op te nemen. Dat zou de ontwikkeling van de mensen bevorderen en op den duur tot een betere wereld leiden. Die mening was fout: hoewel inderdaad de hoeveelheid beschikbare kennis aanzienlijk is toegenomen en het leggen van logische verbanden gemeengoed is geworden, is het inzicht in de werkelijkheid nauwelijks verhelderd en een betere wereld ver te zoeken... integendeel, er gaapt een steeds bredere kloof tussen het complex van de logisch geordende kennis en de kwaliteit van de praktijk van het leven. Omdat de verzameling kennis een rol speelt in de opbouw van de individuele voorstelling gaat de ontwikkeling weliswaar niet zonder de vermeerdering van de beschikbare logisch verantwoorde kennis, maar Zij berust daar niet op. Zij berust op het zich geleidelijk opheffen van de eerdergenoemde barrière via de opeenvolgende geslachten van gewone mensen. Deze bepalen de grote lijn van het wereldgebeuren. Dit lijkt een overbodige bewering, maar ik moet er toch op wijzen omdat de algemene opvatting juist is dat het de hooggeschoolde machtige élites zijn die het wereldbeeld bepalen. In feite kunnen deze echter alleen maar datgene manipuleren dat in de gewone mensen, min of meer bewust, qua voorstelling aan de orde is. Buiten de gangbare voorstelling van die gewone mensen om kan geen enkele machthebber iets tot stand brengen, zelfs niet met geweld. Die gangbare voorstelling geldt trouwens, zij het op geraffineerde wijze, ook voor die machthebbers - van een vooruitziende blik hebben die als regel geen last! Zij kunnen dus niet eens met iets vooruitstrevends komen. Het is overigens opmerkelijk dat wij geen kwalitatief positieve of zelfs maar neutrale termen hebben voor de gewone mensen. Of je het nu hebt over het volk, de burgers, het gepeupel, de massa, het vulgus of het proletariaat, steeds is er een ondertoon van minachting.

Dat komt doordat de zaak van bovenaf bekeken wordt vanwege het als de maat nemen van de geest. Vanuit die optiek komen de gewone mensen nooit met iets bijzonders, zijn niet in staat hun zaken zelf te regelen en moeten in toom gehouden worden. Die voorstelling lijkt waar te zijn, maar als je de geschiedenis eens goed bekijkt zie je dat de zaak eigenlijk andersom ligt. Bij herhaling geven de gewone mensen er blijk van de, zich op de geest (het hogere) beroepende, élites in toom te moeten houden. Je zou kunnen menen dat een ontwikkeling via de opeenvolging der geslachten een kwestie van genetica, van erfelijkheid is. Die mening is maar zeer ten dele juist. De genetica gaat over het doorgeven van bepaalde eigenschappen van individuele mensen. Het is een materieel biologisch proces dat tegenwoordig, door allerlei verbazingwekkende resultaten van het natuurwetenschappelijk onderzoek, erg in de belangstelling staat en daardoor de indruk wekt het enige criterium voor de opeenvolging der geslachten te zijn. Nu echter gaat het om iets anders, dat, biologisch gezien, ook wel doorgegeven wordt, maar dat niets met bepaalde eigenschappen van doen heeft. Doorgegeven wordt een kwaliteit, namelijk het materie als niet-materie zijn. Als er een kind ter wereld komt is dat niet een verschijnsel dat nog mens worden moet, maar het is echt een mens.

Dat betekent dat het materie als niet-materie zijn geheel en al aanwezig is: er komt een zelfbewust wezen ter wereld. Voor zover voor dat zelfbewuste wezen geldt dat het geest is (niet-materie), is het de ontkenning van alle rasters en verbanden. Als geest gaat het nergens over omdat het is alsof de beweeglijkheden weer terug zijn. Daardoor is het zelfbewustzijn volkomen helder en heeft nog geen enkele voorstelling tot inhoud. De voorstelling ontstaat langzamerhand via het opdoen van ervaringen, opvoedingsprocessen en leerprocessen. Maar om te beginnen is hij er niet. Het gelden als beweeglijkheden is hetzelfde als helder-zijn. Het heldere kind is qua zelfbewustzijn zonder inhoud, maar qua erfelijkheid is het behept met allerlei eigenaardigheden, waarvan de structuur zo onvoorstelbaar ingewikkeld is dat we er misschien wel nooit het fijne van te weten zullen komen. Dat is overigens ook niet zo belangrijk, veel belangrijker is het om te begrijpen dat een kind voor één moment onschuldig is en onbevooroordeeld en onbevangen. Dat wordt door de mensen soms aangevoeld, in het Evangelie wordt de mensen aangeraden te worden gelijk een kind. Op het doorgeven van ouder op kind van het heldere zelfbewustzijn op zichzelf is geen enkele invloed uit te oefenen, maar de vorming van de voorstelling is natuurlijk wel afhankelijk van de omstandigheden waarin het kind terechtkomt. Het pasgeboren kind treft een wereld aan die is zoals hij is en het maakt kennis met de voorstellingen die in de mensen uit zijn omgeving leven. Die hele zaak wordt in dat kind tot een nieuwe voorstelling waarin nieuwe verbanden gelegd worden, maar essentieel is dat dit gebeurt vanuit een volkomen heldere situatie. Het kind is om te beginnen een onbeschreven blad, waarop pas later ervaringen geschreven worden. Daardoor wijkt de nieuwe voorstelling, zoals die in het kind ontstaat, af van die van de ouderen. De oude voorstelling wordt in het kind tot een nieuwe.

Omdat niet-materie, dus helderheid, de voedingsbodem van het nieuwe is, is voor een moment de barrière afwezig geweest en de werkelijkheid als beeld bepalend. Het gevolg is dat de nieuwe voorstelling van het kind iets dichter bij de waarheid ligt. Op grond van dit fenomeen vertoont de mensheid ontwikkeling en spreken wij van vooruitgang. Deze ontwikkeling gaat onbewust, juist omdat zij gebaseerd is op een helderheidsmoment, waarvoor geldt dat het zelfbewustzijn nog geen inhoud heeft. De mensen weten er dus niets van. Bovendien gaat die vooruitgang met zulke kleine stapjes dat zij slechts achteraf over een langere periode waargenomen kan worden. En ook dan nog moet je weten waarop je moet letten: het bedrieglijke is namelijk dat niet alles in absolute zin béter wordt, maar vaak lange tijd slechter. Zo zie je bijvoorbeeld dat naast een toenemend besef van het gelden van de rechten van de mens tegelijk het raffinement van het elkaar naar het leven staan toeneemt. Een ander voorbeeld: het vernietigen van de werkelijkheid, gegrond op de analyse, gaat almaar door omdat het tenslotte zover moet komen dat het zijn eigen onhoudbaarheid openbaart. Overigens zijn het doorgaans de slechte ontwikkelingen die het meest opvallen, en wel omdat zij rechtstreeks verband houden met de structuur van de voorstelling en daardoor op het terrein van het bewuste liggen.

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144) ; Rechten van de Mens ;

No. 91

bijna doodervaring-1  bijna doodervaring-2

Als het gaat over de langzame, onbewuste, verheldering van de mensen moet je bedenken dat dit niet een kwestie is van erfelijkheid, in de zin van het doorgeven van bepaalde eigenschappen en kenmerken, maar dat het een kwestie is van een zich bij elke nieuwe generatie opnieuw stellend helderheidsmoment. De in een situatie van optimale verdichting verkerende verhoudingen van de beweeglijkheden ontkennen dan zichzelf, zodat de beweeglijkheden er zijn alsof ze weer volkomen vrij zijn. Dat geldt voor elk kind, ongeacht de genetische structuur van zo'n kind. Terzijde merk ik hierbij op dat er bij het sterven van een mens ook een helderheidsmoment optreedt en wel als het organisme op het punt staat in te storten.

De bijna-doodervaringen van een groot aantal mensen getuigen hiervan: men vertelt steeds weer dat men een oogverblindend helder licht heeft gezien! Het is natuurlijk interessant kennis te nemen van de denkbeelden en gevoelens van dissidente mensen zoals bijvoorbeeld die van de christengemeenschappen aan het einde van de oudheid en de in alle tijden optredende rebellen. Maar, die mensen zijn steeds uitzonderingen die zich in het geheel van de mensheid niet lang kunnen handhaven. Bepalend voor het wereldbeeld zijn de gewone mensen. Het is van groot belang dit in te zien, juist omdat de aandacht altijd valt op de toppen van de beschaving. Dat is ook het geval in de filosofie: vooral in de moderne filosofie houdt men zich vrijwel uitsluitend bezig met datgene dat de topfiguren op tafel gelegd hebben. Maar eigenlijk gaat het er om als filosoof inzicht te krijgen in het ontwikkelingsmoment dat je zelf bent om van daar uit tot een zo helder mogelijke filosofie te komen. Je richten op die anderen levert alleen maar wetenschap op en is als zodanig een bevestiging van de gangbare voorstelling. Je kunt veronderstellen dat een nieuwe voorstelling, ontstaan op grond van een nieuw helderheidsmoment, alleen maar anders is dan de voorgaande, maar niet teen stapje vooruit betekent - de gedachte dus dat er niets nieuws onder de zon zou zijn en dat de geschiedenis ons zou leren dat wij niets leren. Die veronderstelling echter is onhoudbaar. Dat blijkt als je nagaat wat er gebeurt bij het ontstaan van een nieuwe generatie. Er is dan niet alleen een nieuw helderheidsmoment, maar er is ook opnieuw een bewustzijn dat niet afhankelijk is van de toevallige eigenaardigheden van de nieuwe individu. Het is immers de werkelijkheid als totaaltrilling, zich manifesterende als beeld en gevoel.

Die werkelijkheid is gegeven en die wordt niet, zoals het geval is met de voorstelling, gaandeweg opgebouwd: het beeld is gegeven, maar de voorstelling ontstaat. Als die voorstelling er in het helderheidsmoment nog niet is kunnen het beeld en het gevoel onbelemmerd en in volle sterkte gelden. Dat is bij elke nieuwe generatie het geval; er is om te beginnen steeds een volmaakte spiegeling. Die wordt niet door een vastgelegde voorstelling gehinderd en juist daardoor wordt telkens de werkelijkheid als bewustzijn iets dichter benaderd. Dat betekent dat de mensheid langzaam aan en in feite bijna onmerkbaar dichter bij de waarheid komt. Het doorwerken van het helderheidsmoment is bij de ene mens effectiever dan bij de andere mens. De oorzaak daarvan ligt uiteraard in de persoonlijke ontvankelijkheid voor conditioneringen, met andere woorden: de een is meer geneigd de zich uitbreidende voorstelling vast te leggen dan de ander. Dit verschijnsel berust wel op een genetische factor die ertoe leidt dat de ontvankelijkheid voor conditioneringen gevarieerd voorkomt. Dat levert bij het gros van de gewone mensen variaties op binnen een algemeen geldige, enigszins naar de waarheid opgeschoven, voorstelling, waaraan zij zich geconformeerd hebben. Geheel anders ligt het bij de rebellen en dissidente groepen.

Die vormen namelijk afwijkingen van het algemeen gangbare. Bij de grote kunstenaars echter is het afwijkend zijn niet essentieel, maar het dominant zijn en blijven van de beweeglijkheid van de voorstelling. Zowel de variaties in de gangbare voorstellingen als de afwijkingen berusten dus op een genetische factor. Dat is te begrijpen, want het gaat immers over het zelfbewustzijn van de mensen, en dus over de materie als niet-materie. Basisgegeven is zoals steeds de materie. In dit geval gaat het om de vraag wat de hoedanigheid is van die bepaalde materiële structuur die zich als niet-materie gelden laat. Het niet-materie zijn op zichzelf is uiteraard een toestand van volkomen helderheid, maar de vraag is dus wat er volkomen helder is en deze vraag heeft betrekking op de materiële gesteldheid van een bepaald mens. Het antwoord op die vraag is bepalend voor de ontvankelijkheid voor conditioneringen, de behoefte van een bepaald mens om zich aan het gangbare te conformeren, zich daarmee te vereenzelvigen. Elk individueel mens is een variatie van het verschijnsel mens. Er zijn geen twee mensen gelijk. Dat betekent dat het opbouwen van de voorstelling, hoewel het uitgangspunt daarbij het helderheidsmoment is, gevarieerd voorkomt. De twee grondslagen van dit opbouwen zijn absoluut van karakter: het bewustzijn en het beeld zijn voor een ieder hetzelfde en dat is ook het geval met het helderheidsmoment op zichzelf. Maar het opbouwen van de voorstelling, als inhoud van het zelfbewustzijn, is afhankelijk van de materiële hoedanigheid van het verschijnsel en is, op grond daarvan, gevarieerd. We kunnen in dit verband spreken van de aanleg van een bepaald mens. Het is daarmee maar net hoe het valt en daarom noem ik het een genetische kwestie, maar misschien is het beter om van een biologische zaak te spreken, omdat het nog maar de vraag is of een dergelijke aanleg overgeërfd wordt. ( wat is twijfelen ) Ook het vermogen om te twijfelen komt in de mensen gevarieerd voor, en ook hier geldt weer: het begrip twijfel geldt voor iedereen omdat voor iedereen het er-niet-zijn van de verbanden en rasters van kracht is. Voor iedereen geldt het begrip geest in de zin van niet-materie. Voor zover dit er-niet-zijn bij tijd en wijle in een mens effectief is twijfelt hij. Maar lang niet iedereen weet er raad mee en je kunt zelfs stellen dat het logisch is dat het gros van de mensen de twijfel zo grondig mogelijk wegdrukt omdat hij de voorstelling aantast en verlies van houvast geeft. Die twijfel kan ook opgeroepen worden, bijvoorbeeld door de filosofie en de kunst.

De werking hiervan berust niet op het overdragen van kennis, zoals dat in de wetenschap het geval is, maar op het incidenteel bij de toehoorder of lezer beweeglijk en dus diffuus maken van de vastgelegde voorstelling. Daardoor opent zich in die genieter een perspectief naar de werkelijkheid als beeld, met als gevolg een zuiverder spiegeling. Die genieter moet de zaak echter helemaal zelf verwerken en om daarmee raad te weten moet hij aanleg hebben. Geen enkele filosofie of kunst kan een mens van buitenaf tot een andere opvatting van de werkelijkheid brengen. Soms lijkt het wel daarop, maar dan heeft men gewoon iets aangenomen of overgenomen. De wezenlijke werking komt neer op het openen van perspectieven, het als het ware wegschuiven van het gordijn tussen beeld en voorstelling. Het begrip variatie berust op het feit dat er in de samengestelde materie allerlei verwisselingen mogelijk zijn. Weliswaar zijn dat zeer beperkte verwisselingen, maar toch is steeds het een net een beetje anders dan het ander. Bijvoorbeeld: bij elk mens is de genetische structuur van het DNA precies dezelfde, maar binnen die grondstructuur zijn er kleine verschillen in combinaties van factoren en die variaties zijn volgens de wetenschappers zo essentieel dat men van een genetisch paspoort kan spreken. In feite is dat hetzelfde als de aanleg.

bijna doodervaring-1  bijna doodervaring-2

No.92

Zoals gezegd is het begrip variatie er op grond van verschillende combinatie mogelijkheden van de materiële bouwstenen. Die leiden evenwel toch tot hetzelfde verschijnsel, waarvan te zeggen is dat hetzelfde-anders er voor geldt. De kwaliteit van de verschijnselen waarvoor hetzelfde-anders geldt verschilt niet, en wel omdat het kwantitatieve systeem niet anders is. Maar de op zichzelf staande exemplaren ervan verschillen wel. Zo zijn er dus allerlei mogelijkheden waaruit hetzelfde verschijnsel kan ontstaan en dan zijn ertussen de diverse exemplaren van dat hetzelfde-anders variabele verschillen. Dat betreft echter een beperkt terrein. Als voorbeeld kun je denken aan zogenaamde rechts- en linksdraaiende melkzuurmoleculen. Het schijnt dat rechtsdraaiende moleculen lichaamseigen zijn en daardoor gemakkelijk opgenomen kunnen worden, maar linksdraaiende daarentegen niet. Qua scheikundige formule is er echter geen verschil, vandaar dat er volgens de wetenschappers geen betekenis aan die variatie in draaiing toegekend mag worden. Het bestaan van variaties is belangrijk in verband met de vraag hoe de ervaringen in de ene mens terechtkomen en hoe in de andere. Dat is op zijn beurt weer bepalend wat betreft de vraag in hoeverre in iemand de spiegeling aan de gang blijft. Er is onderscheid te maken tussen rebelse enkelingen, dissidente groepen en gewone mensen. Van die eerste twee soorten kun je vaststellen dat die afwijkend van karakter zijn. Er wordt anders tegen de wereld aangekeken. Vaak waarderen wij die andere kijk op de wereld als menselijker en redelijker, denk bijvoorbeeld aan de toenmalige christengemeenschappen die aan het einde van de oudheid her en der ontstaan waren. Het denken van die mensen was anarchistisch, zonder aanvaarding van hoger gezag en de ideeën wat betreft de spullen waren zelfs uitgesproken nihilistisch: men hechtte geen speciale waarde aan de dingen. Toch waren die ideeën niet echt helder omdat zij een reactie op onderdrukking en uitbuiting waren. Het oorspronkelijke christendom was eigenlijk een slavengodsdienst, waarin de voorstelling van de werkelijkheid afweek van de gangbare. Maar, het werd als zodanig toch ook weer een vastgelegde zaak die geen ruimte voor twijfel overliet. Als je de algemeen aanvaarde vaste voorstellingen niet deelde vloog je er zonder mankeren uit. De afwijkende voorstellingen worden op den duur net zo dogmatisch als de gangbare.

Van een dergelijke ontwikkeling zijn ook andere voorbeelden te geven: de bisschoppen van de beginnende Roomse kerk behoorden qua wereldbeschouwing ook tot de afwijkingen - totdat hun ideeën gemeengoed werden. Charles de Coster (1827-1879) vertelt in het verhaal (1867) van Tijl Uilenspiegel dat de beide hoofdfiguren, de legendarische Tijl en diens geliefde Nele eeuwig blijven voortleven. Tijl was niet zonder meer een rebelse enkeling maar wezenlijk iemand die geniaal was. Bij zo'n mens gaan de voorstellingen niet vastzitten. Eeuwig leven betekent in dit verband dat het helderheidsmoment blijft gelden en voortdurend de voorstelling verandert en verheldert. Het gaat daarbij dus om de vraag in hoeverre iemand ontvankelijk is voor het vastleggen van de voorstelling. Is iemand nauwelijks ontvankelijk daarvoor, dan kun je van een genie spreken. De aanleg om ervaringen op te nemen is daarbij eigenlijk niet essentieel, hoewel je op kunt merken dat juist geniale mensen doorgaans enorm veel opnemen, omdat hen erg veel opvalt waar de anderen langsheen kijken. Het kernpunt ligt bij de ontvankelijkheid voor vastleggen. Bij een genie is er een geringe aanleg om vast te leggen en een grote om in twijfel te trekken, beweeglijk te zijn en te blijven. Zulke mensen komen altijd met wat nieuws. Juist omdat de voorstelling niet vastgelegd is.

De anderen zien alleen maar hun voorstelling en niets anders en daardoor valt hen weinig op. Zij zijn het slachtoffer van robot-denken, een denken langs vaste kanalen. Genieën daarentegen zijn afwijkingen die in hun eigen afwijkend-zijn niet bevangen zijn. In zekere zin geldt dit ook voor de zogenaamde eeuwige revolutionair die nooit ophoudt en die tenslotte afgemaakt moet worden als de omwenteling eenmaal geslaagd is. Een voorbeeld daarvan is Che Guevara. In het moderne denken wordt de aanleg weggemoffeld. Zoiets toevalligs, zoiets willekeurigs past niet meer in de moderne tijd, vindt men. Zo leidt men tegenwoordig hulpverleners op die mensen in nood moeten helpen. Zij leren de theorie van dat vak uit boeken waarin analyses van problemen gegeven worden. Iedereen kan dat leren omdat het uitsluitend een zaak is van overdraagbare kennis. Maar om in de praktijk naar iemand te kunnen luisteren, je in iemand in te leven, heb je geen analytische kennis nodig. Je moet de gesteldheid hebben om geen begrip te tonen, maar om begrip te zijn. Vandaag de dag is de opleiding, bijvoorbeeld aan de sociale academie, het uit een boekje leren van systemen, analyses en modellen het enige dat telt. Je behoeft je dan ook niet erover te verbazen dat het allemaal zo weinig uithaalt. Om andere mensen te helpen moet je een speciale aanleg hebben, maar omdat een aanleg iets toevalligs is past hij niet in de voorstelling van een berekenbare en beheersbare werkelijkheid. Een ander voorbeeld is te vinden in de kunst. De meeste mensen reageren op een kunstwerk voor zover zij de voorstelling herkennen. Voor hen moet er een overeenkomst zijn tussen hun voorstelling en datgene waarop het kunstwerk betrekking heeft, in de beeldende kunst dus het plaatje. Om die overeenkomst te zien behoef je geen aanleg te hebben, er is slechts begrijpelijke informatie voor nodig. Dat geldt tegenwoordig voor het gehele terrein van de kunst: mooi vinden op basis van het herkennen van de voorstelling. Dat geldt ook voor een zogenaamd abstracte voorstelling. Daarom is er het streven om in de kunst alles uit te leggen. Uiteraard kan het nooit kwaad als er iets uitgelegd wordt, maar het kwalijke is dat men in de mening verkeert dat de uitleg het mooi vinden tot stand brengt. Dat is echter niet het geval: mooi vinden is een aanleg, evenals trouwens het scheppen van kunstwerken. Die aanleg berust op een werking die op zichzelf niets met de voorstelling te maken heeft. Hij berust op het beweeglijk-zijn ervan, een beweeglijk-zijn dat door het kunstwerk langs de weg van het psychische opgeroepen kan worden. Mensen voor wie dit geldt zijn de echte mooi-vinders.

Dat is ook het geval in de moderne filosofie. In feite wordt er bijna niet meer gefilosofeerd, maar er wordt uitgelegd waarover het in een bepaalde gedachtegang gaat. Daarvan worden analyses gemaakt zodat een ieder er kennis van kan nemen. Op zichzelf is een dergelijke kennis zeker de moeite waard en het heeft zin die aan anderen over te dragen, maar het gaat uiteindelijk slechts over kennis van filosofie en dat is geen filosofie. In het gunstigste geval is het wetenschap. Het gaat dus juist om de aanleg, maar helaas vertrouwt men die niet meer. Alles moet aan systemen beantwoorden en je moet in het hanteren van die systemen opgeleid zijn. Vroeger was er daarentegen veel aandacht voor het leren van het vak. Essentieel bij het tegenwoordige opnemen van kennis is dat je moet kunnen analyseren en rubriceren, theorieën kunnen begrijpen en de systematiek van het vak leren, terwijl echt het vak leren op inzicht in de materie en haar samenhang berust. Als de aanleg weer zou gelden zou de maatschappij optimaal functioneren. Iedereen zou dan doen wat hij het beste kan. Nu echter zakt de maatschappij steeds verder onder de maat. Leervermogen wordt de maat en niet het kunnen. De theorie neemt een steeds hogere vlucht en de praktijk wordt almaar slechter.

No. 93

Het komt vaak voor dat men de begrippen leervermogen en denken met elkaar verwart. Tegenwoordig wordt iemand met een groot leervermogen al gauw voor een groot denker aangezien, maar dat is helemaal ten onrechte. Eigenlijk hebben beide begrippen nauwelijks iets met elkaar gemeen, behalve dan het feit dat zij allebei gericht zijn op de voorstelling. Over het begrip denken hoor je zelden een aanvaardbare gedachtegang. Dat blijkt al meteen als je de vraag waardoor de mens zich van de overige levende wezens onderscheidt stelt. Het antwoord op die vraag is doorgaans dat men stelt dat de mens kan denken en de rest niet. Vervolgens blijkt dat men onder denken verstaat dat je het een van het ander kunt onderscheiden weer eens een bewijs hoe slonzig het tegenwoordige denken is, ondanks ruimtevaart en atoomtheorie. Dat onderscheid maken is immers geen specialiteit van de mens, alle levende wezens maken onderscheid tussen het een en het ander. Als dat niet het geval zou zijn zou bijvoorbeeld de poes voortdurend tegen allerlei voorwerpen aanlopen en een plant zou zich niet naar het licht kunnen richten. Kortom: het leven zou volslagen onmogelijk zijn. Onderscheid maken is dus niet specifiek menselijk, maar toch wordt het steeds als kenmerk van het denken genoemd. Tenslotte komt het er op neer dat ook de filosofen toegeven dat zij eigenlijk niet weten wat denken is. ( wat is denken ) Ze zeggen dan dat we het niet weten en dat houdt automatisch in dat anderen het zéker niet zullen weten. Die conclusie is voor hen vanzelfsprekend omdat datgene dat zij voor denken houden, namelijk het leervermogen, naar hun besef algemene geldigheid bezit. Als zij het dan niet weten weet niemand het! Dat is een vooroordeel dat geen stand houdt als je in de gaten krijgt wat denken nu werkelijk is. Het onderscheidingen maken behoort bij alle levende wezens en dus ook bij de mens. Het is de basis van het denken, maar het is niet het denken zelf. Dat ligt een fase verder. Als basis van het denken en dus als puur onderscheidingen maken heeft de zaak zijn oorzaak in het bewustzijn en het beeld. Deze laatste werkelijkheid is er een van vormen, zoals ik al eerder heb laten zien. Dat is het geval omdat de totaaltrilling (bewustzijn) op trillende wijze de buitenwereld is en omdat die buitenwereld een gevormde wereld is. De vormen, als inhoud van het beeld, zijn niet van elkaar gescheiden door grenzen. Het zijn daarentegen vervloeiende vormen; zij gaan naadloos in elkaar over.

Dat heft echter het feit niet op dat de ene vorm de andere niet is, en op grond daarvan is de werkelijkheid als beeld in zichzelf onderscheiden, zonder dus in zichzelf gescheiden te zijn. Het zich manifesteren van dit in zichzelf onderscheiden zijn is wat men gewoonlijk denken noemt, overigens zonder dit te weten. In mijn gedachtegang is het evenwel slechts de basis van het denken. Als het gaat over het specifiek menselijke denken en dus de activiteit van het denken zelf krijgen wij wederom met de werkelijkheid als voorstelling van doen. De mens kan namelijk zijn eigen voorstelling, bestaande uit een aantal gegevens (kennis) en een aantal verbanden daartussen, nagaan. Hij kan als het ware in het landschap van de voorstelling verschillende wegen bewandelen en zien wat hij dan tegenkomt, dus een ontdekkingsreis maken. Dat is in strijd met wat gewoonlijk gemeend wordt. Men is van mening dat het denken een soort van scheppende activiteit zou zijn die tot nieuwe dingen leidt. Echter, dat lijkt alleen maar zo omdat die dingen er eerst nog niet waren en er plotseling wel zijn. Het denken van de mens is een nagaan van zijn eigen voorstelling. Het is een volgen van de door de mens zelf gelegde verbanden.

Zo'n verband is een oorspronkelijk in de werkelijkheid als beeld aanwezige samenhang die, op grond van het als inhoud van het zelfbewustzijn voortdurend tot weer vrije beweeglijkheden instorten van de gevormde werkelijkheid, eveneens instort om zich onmiddellijk weer te stellen als een verband tussen de op zichzelf staande inhouden van de voorstelling. Zoals ik al heb laten zien hebben de mensen vertrouwen in de door henzelf aangelegde verbanden omdat zij, zonder het te weten, hun voorstelling aan het beeld gespiegeld hebben. Het nagaan van het netwerk van die verbanden is bij de mens de activiteit van het denken. Het leggen van die verbanden is een gevolg van de spiegeling met het beeld en als zodanig is dat géén denken. Je legt de verbanden niet denkend, maar wat je wel denkend doet is het volgen, het nagaan daarvan. De mensen hebben vaak de indruk dat het denken tot iets nieuws leidt. Dat is maar betrekkelijk waar. Als er al iets nieuws voor de dag komt is dat een verband dat voordien, binnen de context van de voorstelling, nog niet ontdekt was, maar dat er al wel in besloten lag. Het ogenschijnlijk nieuwe is dus eigenlijk alleen maar een ontdekking van iets dat er al was. Buiten de bestaande voorstelling en de daaraan inherente verbanden wordt er denkend niets nieuws ontdekt. Uit de cultuurgeschiedenis blijkt dan ook dat nieuwe gedachten altijd gebonden zijn aan de bestaande cultuur en nooit een absolute betekenis hebben. Bovendien worden dergelijke nieuwe gedachten steeds door de een onderschreven om door de ander verworpen te worden. Je kunt dus stellen dat er geen absolute factor in het denken zit. Het is een nagaan van de voorstelling, en dus van iets dat in ons persoonlijk gegeven is. Wij hebben het dan ook over nadenken. Je kunt je afvragen hoe het met uitvindingen zit. Maar dan moeten wij wel bedenken dat elke uitvinding een voorgeschiedenis heeft en op grond daarvan steeds steunt op zaken die al bekend waren. In feite is een uitvinding gebaseerd op een reeds aanwezig verband dat evenwel nog niet blootgelegd was. Soms gebeurt het dat iemand iets uitvindt waarmee niemand raad weet en dat dan maar terzijde gelegd wordt. Veel later ziet ineens iemand de verbanden zodat die aanvankelijk zinloze uitvinding wel betekenis krijgt. Zo schijnen mensen in een grijs verleden al atoomproeven gedaan te hebben zonder te weten waarmee zij bezig waren. Pas in onze cultuur kennen wij de verbanden in de materie en kunnen wij dergelijke proeven welbewust uitvoeren. Het bovenstaande houdt in dat de moderne gedachte dat de mensen van tegenwoordig beter zouden kunnen denken dan die van vroeger een onhoudbare gedachte is.

De mensen van vroeger konden de verbanden in hun voorstelling net zo goed nagaan als wij, maar hun voorstelling was uiteraard een heel stuk primitiever. Daardoor konden zij bijvoorbeeld geen vliegtuig uitvinden. De benodigde kennis en de verbanden daartussen waren nog niet voorhanden. Maar het denken zelf was er wel. De zaak ligt zelfs zo dat er voor het denken geen ontwikkeling geldt. Het vermogen om de verbanden na te gaan is er zodra de mens er is. De resultaten ervan echter worden almaar geraffineerder op grond van de toenemende hoeveelheid ervaringen. Dat kan overigens niet alleen maar positief beoordeeld worden. Juist de eenvoudige voorstelling van de mensen van vroeger maakt het nagaan van de verbanden gemakkelijker en daardoor was de kans groter dat men tot gedachten kwam die, in alle eenvoud, dichter bij de waarheid omtrent de werkelijkheid lagen dan bij de moderne mens het geval is. Als bijvoorbeeld Herakleitos vaststelde dat in de werkelijkheid alles stroomt is dat een eenvoudige gedachte, maar hij klopt wel! De moderne mens daarentegen zou met een heel ingewikkelde doctoraalscriptie komen en misschien niet eens ontdekken wat Herakleitos wel in de gaten had. De gedachtegang is dus als volgt: de mens doet ervaringen op en die worden inhoud van het zelfbewustzijn; op grond van de spiegeling met het beeld legt hij, zonder het te weten, verbanden tussen die inhouden aan; vervolgens gaat hij die verbanden na en dat is denken.

No. 94

Het is logisch te verklaren waarom men gewoonlijk alleen aan de mensen het vermogen om te denken toeschrijft. Men verwart namelijk het feit dat een mens zich van zijn denken bewust is met het denken zelf en, in het verlengde daarvan, bepaalt men zich tot de menselijke activiteit van het denken. Die activiteit is deze dat de mens bezig is de verbanden in zijn eigen voorstelling na te gaan, en dat is inderdaad een zaak die niet voor de overige levende wezens geldt. Bij deze laatsten gaat het denken niet verder dan het zich manifesteren van het feit dat de werkelijkheid in zichzelf onderscheiden is (statisch), maar bij de mens is er de activiteit van het nagaan van de verbanden (dynamisch). Dat laatste vooronderstelt dus de aanwezigheid van een voorstelling. Nu komt het nogal eens voor dat men meent dat denken is het leggen van verbanden tussen het een en het ander. Verbanden die dan bijvoorbeeld vertaald worden in formules die het verband tussen de verschillende kennisgegevens (data) uitdrukken. Deze mening is fout: de verbanden zijn er bij voorbaat op grond van de spiegeling tussen voorstelling en beeld en zij zijn onbewust in de voorstelling aangebracht. Het nagaan van die reeds onbewust gelegde verbanden is datgene dat wij kennen als het denken. Omdat die verbanden onbewust en automatisch gelegd worden en om te beginnen letterlijk onbekend voor je zijn, heb je bij het ontdekken daarvan de indruk dat je ze op dat moment zelf aangelegd hebt. Het komt je voor dat je iets geheel nieuws boven water hebt gebracht, maar in feite is alleen de ontdekking nieuw en is het ontdekte al lang aanwezig geweest. Vanaf het moment dat de ontdekking gedaan is wordt het ontdekte verband tot een (zelf)bewuste aangelegenheid en dan wordt het op zijn beurt weer een kennisgegeven binnen de voorstelling. Die kennis verandert tot op zekere hoogte je voorstelling. Daarna geeft die bijgestelde voorstelling weer aanleiding tot het, op grond van de spiegeling, leggen van nieuwe onbekende verbanden die dan weer nagegaan kunnen worden... enzovoort. Het is om zo te zeggen een zichzelf reproducerende zaak die almaar gedetailleerder wordt, maar die kwalitatief steeds afhankelijk blijft van de mate waarin er spiegeling met het beeld plaats heeft en van de mate waarin die spiegeling effectief is.

Het spreekt vanzelf dat het almaar gedetailleerder worden van de voorstelling niet alleen maar van het denken afhankelijk is. In de praktijk doe je ook allerlei kennisgegevens op aan een grote variëteit van zowel inwendige als uitwendige ervaringen. En ook die kennisgegevens worden op de hierboven beschreven wijze verwerkt. Als het goed is. Want, vooral in onze moderne cultuur gaat men nauwelijks meer bij zijn eigen voorstelling te rade om denkend de verbanden te ontdekken. Men is er op geprogrammeerd om de aangeboden kennis en de veronderstelde verbanden klakkeloos aan te nemen, in wezen zonder erbij na te denken. Dat betreft echter een functie van het leervermogen dat op het geheugen van de mens berust en niet op het denken als nagaan van onbekende verbanden. In de moderne wetenschap richt men zich op objectief en positief onderzoekende wijze op de verschijnselen. Dat echter geeft aanleiding tot een veel voorkomend misverstand, namelijk dit dat het object van onderzoek het concrete verschijnsel zou zijn. Maar dat is niet het geval, in feite onderzoekt men primair zijn eigen voorstelling en men doet dat, secundair, door de verschijnselen te analyseren.

Geen enkel onderzoek wordt gedaan vanuit een blanco houding en is denkbaar zonder een voorafgaande voorstelling van datgene dat onderzocht moet gaan worden. Het te onderzoeken object heeft binnen de voorstelling een bepaalde betekenis en doorgaans ook een (maatschappelijk) bepaalde waarde.

Dit laatste is, vooral tegenwoordig, vrijwel uitsluitend de rechtvaardiging voor het verrichten van een bepaald onderzoek, maar zeker ook voor het achterwege laten van een onderzoek. Overigens geldt dit ook voor zuiver theoretische wetenschappen. Die wekken de indruk de voorstelling losgelaten te hebben. Hun abstracties echter zijn aftreksels van voorstellingen en die behoren als zodanig nog steeds tot de werkelijkheid als voorstelling.

Een formule is eigenlijk een taalkundige uitdrukking en dat heeft altijd betrekking op de voorstelling. Wat dit betreft is het aardig om te weten dat in het Jahwisme (het oude Jodendom) elke beschrijving van god verboden was. Zodra er maar iets concreets over god gezegd werd verdween het goddelijke, omdat elke uitdrukking ervan de zaak binnen het kader van de voorstelling bracht. Ik denk dat dit de diepere oorzaak van de latere jodenhaat is. Het denken van na de oudheid is immers juist positief op de voorstelling gericht en is daardoor strijdig met en vijandig aan het Jahwistische denken, dat overigens in de grond van de zaak evenzeer op de voorstelling betrekking heeft, maar dan op negatieve wijze. Men mocht god niet uitbeelden, niet beschrijven en zelfs geen naam geven. Hij was de volslagen nietigheid, in feite volslagen geest. Men had het dan ook over een verterend vuur. Ik heb al eerder op het grote probleem van Immanuel Kant gewezen, namelijk het feit dat hij ontdekte dat alles waarover hij na kon denken binnen zijn voorstelling bleef. Hij probeerde tevergeefs daarbuiten te komen door zich af te vragen hoe het zit met das Ding an sich. Op zichzelf had hij iets wezenlijks ontdekt: je komt inderdaad niet buiten de voorstelling. Denken is nu eenmaal het nagaan van de verbanden binnen de voorstelling! Daarom zou de juiste vraag moeten luiden hoe je met die voorstelling te werk zou moeten gaan om de waarheid te vinden. De oplossing van die vraag is gelegen in het meer of minder beweeglijk zijn van de onbewust aangelegde verbanden. De mate van effectiviteit van de spiegeling is bepalend voor de aard van de onbewust aangelegde verbanden. Dat is, zoals al besproken, een kwestie van individuele aanleg. Afhankelijk van die aanleg kan die spiegeling zelfs een zodanige aard hebben dat hij dominant is en dus dat hij het vastleggen van de verbanden overheerst. Resultaat is dat die verbanden een veranderlijk karakter hebben, in die zin dat het wel diezelfde verbanden blijven maar op zo'n manier dat zij zich voortdurend opheffen om zich vervolgens opnieuw te stellen.

Bovenkant document

( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)

Dat levert een beweeglijke voorstelling op, met als kenmerk dat hij in grote mate een afspiegeling is van de werkelijkheid als beeld. In die voorstelling staat dus het beweeglijke op de voorgrond en het vastgelegde op de achtergrond. Dat betekent dat het denken in dit geval beweeglijke verbanden nagaat in een vastgelegde voorstelling. Als het goed is is dit het geval in de filosofie. Omdat die voorstelling zijn vastgelegd-zijn niet opgeeft blijft het wel dezelfde voorstelling, maar tegelijkertijd is te zeggen dat hij verandert omdat het verband tussen de elementen (data) ervan beweeglijk is. Als voorbeeld kun je denken aan het verschil tussen een foto van een landschap en een televisiebeeld van datzelfde landschap. Bij de foto staat alles stil, is in één moment bevroren, terwijl bij het televisiebeeld alles, ondanks het niet veranderen van het plaatje, in beweging is: het water van het beekje stroomt, de bladeren ritselen in de wind, enzovoort. Dit voorbeeld maakt misschien duidelijk dat ook voor een mens in wie het beweeglijke dominant is de voorstelling een zeer bepaalde is. Het is ook voor die mens zijn eigen wereld als voorstelling en geen andere. Kant heeft dus terecht opgemerkt dat een mens niet buiten zijn voorstelling kan komen, maar zijn conclusie dat er dan dus niets echt te weten valt is onjuist. Het dominant zijn van de beweeglijke verbanden brengt het denken niet buiten de voorstelling, maar leidt het denken er doorheen! Dan krijgt de vraag naar das Ding an sich een heel andere dimensie.

No. 95

Hersencel-1 ; Hersencel-2 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ;

Het nagaan van de (onbekende) verbanden die je in de voorstelling onderscheidt is een werkzaamheid die voor de mens als laatste verschijnsel een gegeven is: het verschijnsel mens gaat die verbanden na. Dat nagaan is een ieder gegeven vanuit het ontstaansproces. Denken, als werkzaamheid, is niet iets dat je aangeleerd wordt, het begint zodra het brein zich - al in de moederschoot - tot zelfbewustzijn ontwikkeld heeft. Toch leert de praktijk dat het denken de een beter gelukt dan de ander. Het meer of minder gelukken van het denken heeft betrekking op de resultaten van het denken en die resultaten zijn afhankelijk van de voorstelling. Je kunt dat vaststellen bij zogenaamd onderontwikkelde, primitieve volken. Die blijken in staat te zijn zich heel snel met het moderne denken vertrouwd te maken. Zodra hun voorstelling, door het kennis maken met een verder ontwikkelde cultuur, gemoderniseerd is denken zij net zo gedetailleerd als de zogenaamd ontwikkelde mensen. Hun primitiviteit was gelegen in de voorstelling en niet in een ogenschijnlijk geringer vermogen om te denken. Zo'n voorstelling kan meer of minder duidelijk zijn, al naar gelang de ervaringen die iemand opgedaan heeft. Mensen met veel ervaringen weten doorgaans veel meer aan hun wereld te bedenken. Maar ook speelt het individuele meer of minder effectief zijn van de spiegeling tussen voorstelling en beeld een belangrijke rol. Hebben wij te doen met mensen in wie die spiegeling weinig effectief is, dan zijn de verbanden in de voorstelling betrekkelijk duidelijk, maar juist die verbanden zijn slecht na te gaan. Duidelijke verbanden zijn in sterke mate vastgelegd, zij hebben een onwrikbaar, nauwelijks voor twijfel vatbaar karakter. Je zou kunnen menen dat juist die duidelijke, onwrikbaar vastgelegde verbanden gemakkelijk na te gaan zijn, maar dat is dus niet het geval. In de praktijk zie je dat principiële mensen met duidelijke opvattingen over hun wereld de grootste moeite hebben met het nadenken daarover. Zij beginnen er zelfs niet aan. Hun fundamentalistische gesteldheid verhindert het nadenken. Stijle gereformeerden, fanatieke islamieten, rechtlijnige communisten, formalistische wetenschappers, zij allemaal zijn nauwelijks bereid over hun wereld na te denken. Daarentegen zitten zij vol met meningen, opvattingen en oordelen. Overal weten zij iets principieels over te zeggen!

De vraag is wat nu eigenlijk dat nagaan is, want kennelijk zijn duidelijke verbanden geen goede aanleiding om na te gaan denken. Om enig inzicht te krijgen in de activiteit van het nagaan kunnen wij misschien het beste te rade gaan bij de wetenschappelijke inzichten omtrent de structuur van het brein. Gebleken is dat de hersencellen allemaal met elkaar in verbinding staan, en wel op zo'n manier dat elke cel verbinding heeft met elke andere cel. De verfijnde opbouw van dat netwerk van verbindingen schijnt afhankelijk te zijn van het aantal en de soort ervaringen dat een zeer jong kind opdoet, vooral in een vroege fase van haar ontwikkeling. Kennelijk leggen zich dan die verbindingen. Nu is het vanuit de filosofie niet met zekerheid te stellen, maar toch is het zeer waarschijnlijk dat de verbindingen die zich in het brein ontwikkelen, de materiële manifestaties zijn van de verbanden, zoals die op grond van de spiegeling in ons zelfbewustzijn ontstaan. Langs die verbindingen kunnen signalen doorgegeven worden. De weg die die signalen volgen wordt door opvoeding en opleiding in belangrijke mate vastgelegd, oftewel geconditioneerd. Het is dan zeker dat een bepaalde impuls tot het volgen van een bepaald circuit van verbindingen leidt. Dat circuit wordt bepaald door een groot aantal schakelingen, die net als in een computer aan of uit kunnen staan.

Het patroon van die aan- en uitschakelingen is dus het resultaat van de conditionering. Het volgen van het circuit van verbindingen en schakelingen heeft een aantal gevolgen, waarvan een gedachtegang er een is. Aan de hand van het bovenstaande is wellicht duidelijk geworden dat een circuit van bij voorbaat geprogrammeerde verbindingen en schakelingen gemakkelijk te volgen is. Dat gaat automatisch, om zo te zeggen als bij een robot. Maar het geheel van alle verbindingen en schakelingen, wat ons thema betreft dus de voorstelling, is dan niet gemakkelijk na te gaan omdat andere mogelijkheden bij voorbaat uitgesloten zijn. Je zou kunnen zeggen dat het niet mogelijk is om keuzes te maken. Het denken echter, dat een nagaan van de verbanden is, berust juist op het maken van keuzes, op het zoeken van andere wegen. Het denken is te vergelijken met een dwaaltocht door het landschap van de voorstelling. Daarbij doe je allerlei ontdekkingen die je niet gedaan zou hebben als je op de voorgeschreven paden zou zijn gebleven. Dus: het volgen van vastgelegde wegen gaat automatisch en levert op zichzelf geen problemen op. Dat is het robot- denken, dat vooral op geldende cultuuropvattingen berust. Het resultaat van dat denken is voorspelbaar en daarom feitelijk de moeite niet waard, behalve als het gaat over het sturen van standaardhandelingen in het dagelijkse leven en in de arbeid. Maar het denkend nagaan van verbanden betrekt zich op onbekende, onduidelijke verhoudingen die als regel buiten de cultuur vallen. Het resultaat van dat denken is altijd van belang en het is altijd iets nieuws voor diegene die ermee bezig is. Als het gaat over de resultaten van het denken, dan is het nagaan van de voorstelling het vruchtbaarst. Dit nagaan heeft dus betrekking op onduidelijke verbanden. Dat staat op zichzelf los van de vraag of die verbanden meer of minder vastgelegd zijn. In het eerste geval zijn zij object van analytisch wetenschappelijk denken, in het tweede geval van filosofisch denken. Het robot- denken heeft als belangrijk kenmerk dat het doelgericht is: door het bij voorbaat vaststaan van het denkcircuit staat ook de uitkomst vast. Je hebt te doen met een denken waarin steevast naar iets toe geredeneerd wordt. Het is een denken dat recht praat wat krom is en krom wat recht is. Vooral in de politiek wordt dit denken veelvuldig toegepast, maar ook in de theologie weet men er goed raad mee. Het werkelijk nagaan van de voorstelling echter kan niet doelgericht zijn omdat nooit van tevoren vaststaat waar je uit zult komen. Dat geldt vooral voor het filosoferen zoals zich dat in de filosoof afspeelt. Eigenlijk gaat zijn denken alle kanten uit zonder dat het een bepaald doel heeft.

Wil je toch van een doel spreken, dan zou dat een bedoeling moeten zijn. De filosoof wil helderheid omtrent de werkelijkheid verkrijgen. Die activiteit van het filosofische denken mag niet verward worden met het filosofische verhaal. Als de filosoof zijn verhaal vertelt volgt hij in dat verhaal uiteraard wel een bepaalde gedachtegang, omdat hij de door hem ontdekte verbanden aan anderen duidelijk moet maken. Maar kenmerkend voor dat verhaal is wel dat de filosoof het door hem gestelde thema van alle kanten kan benaderen zonder daarbij vast te lopen. Hij kan dat juist omdat hij in zijn filosoferen zijn denken zijn eigen gang heeft laten gaan. Hij is niet aan een bepaald denkcircuit gebonden. In het zuiver wetenschappelijk denken zoekt men naar onbekende, maar wel vastgelegde verbanden. Omdat dit het geval is moet dat denken aan regels gebonden zijn, of, beter gezegd: dat denken blijkt aan regels gebonden. Men moet van bepaalde methodieken gebruik maken omdat men datgene dat vastgelegd is in zijn samenstellende delen en de daartussen aanwezige relaties wil uiteenleggen. De structuur van die delen en die relaties is van materiële aard en beantwoordt op grond daarvan aan bepaalde wetten.

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ;

No. 96

Hersencel-1 ; Hersencel-2 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden/opvoeding ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ;

Met nadruk moet ik er nogmaals op wijzen dat het denken betrekking heeft op verbanden, dat wil zeggen gestelde samenhangen, die ongeweten tussen de verschillende kennisdata in de voorstelling aangelegd zijn. Het gaat dus om onbekende verbanden, die wel in de voorstelling aanwezig zijn, maar die nog niet tot enigerlei vorm van kennis zijn geworden. Geheel anders ligt de zaak als het over verbindingen gaat, want die zijn namelijk wel bekend. Het gaat er daarbij niet om of die verbindingen juist of onjuist, waar of onwaar zijn. Van belang is alleen maar het feit dat zij er zijn; het betreft hier de duidelijk te volgen verbindingen die tot een doelgerichte, automatisch verlopende gedachtegang leiden. Je kunt in dit verband spreken van robot- denken. De verbindingen die bij het robot denken een rol spelen zijn bijna altijd van buitenaf in geprogrammeerd via opvoedingsmethoden die in de zeer vroege jeugd door de ouderen op de kinderen toegepast zijn. Omdat dit in zo'n vroeg stadium gebeurd is, weten de mensen daarvan als regel niets af. Het object van die zogenaamde zwarte pedagogie, die zelfs aan het begin van deze eeuw op de universiteiten gedoceerd werd, is immers het kinderlijke zelfbewustzijn voor zover dat nog aan de opbouw van zijn voorstelling moet beginnen! Door het alsnog ontbreken daarvan verloopt het genoemde proces van conditioneren Ongeweten. Maar het resultaat van zo'n opvoeding, namelijk het circuit van verbindingen, is wel bekend en het wordt voortdurend geactiveerd in onder andere het onderwijs. Tenslotte verlopen de gedachtegangen volgens van tevoren opgestelde dienstregelingen zonder dat er enige twijfel over de juistheid van de gevolgde route bestaat. Hierop berust het gehele moderne systeem van kennisoverdracht. Welbeschouwd is een dergelijk volgen van geprogrammeerde routes niet tot het denken te rekenen. Ten eerste omdat het proces niet via verbanden maar verbindingen gaat en ten tweede omdat er niet van een nagaan te spreken is maar van een automatisch volgen. Omdat dit in de moderne cultuur zo allesoverheersend geworden is, hoor je in de praktijk nog vrijwel uitsluitend standaard redeneringen, en dat erger naarmate je met hoger opgeleide mensen van doen hebt. Door de gigantische hoeveelheid kennis, die wij tegenwoordig ter beschikking hebben, is de inwerking van de conditioneringen effectiever dan ooit. Je behoeft nauwelijks meer denkbeelden op te dringen want je kunt gewoon de in geprogrammeerde denkroutes volgen om iemand van de juistheid van die denkbeelden te overtuigen.

De zogenaamde intellectuelen, die per definitie bedreven zijn in het volgen van genoemde denkroutes, worden geheel ten onrechte aangezien voor de denkers van deze wereld. In feite echter zijn zij heel geraffineerd bezig gebaande wegen te volgen. Met echt denken, hetzij zuiver wetenschappelijk, hetzij filosofisch, heeft dit alles niets te maken. Het zuivere denken gaat de onbekende verbanden in de voorstelling na en die verbanden zijn er op grond van de spiegeling tussen voorstelling en beeld. En, ter wille van de duidelijkheid: de onbekende verbanden zijn van elkaar te onderscheiden in a) verbanden waarin het vastgelegde dominant is en b) verbanden waarin het beweeglijke dominant is. In het geval van a) gaat het dan bij het nagaan over zuiver wetenschappelijk denken en in het geval van b) over filosofisch denken. Bij het onder a) genoemde zuiver wetenschappelijke denken is het kenmerkende onderscheid met het filosofische denken dat het gebonden is aan vooropgezette regels en methodieken. Het moet aan wetten beantwoorden omdat het zich bezig houdt met een gevormde materiële werkelijkheid die gebaseerd is op wetmatigheden. Bij het zich combineren van bouwstenen moet aan voorwaarden voldaan zijn, namelijk wat betreft richting en beweging. Die voorwaarden worden door ons als wetten begrepen en uiteraard zijn het die wetten die in het zuiver wetenschappelijke nagaan van de werkelijkheid geëerbiedigd moeten worden. In zoverre is dat wetenschappelijk denken heel erg gebonden en omdat het een gebonden-zijn is aan wetten die de mensen zelf ontdekt hebben, ligt bij dit denken altijd het robot- denken op de loer, veel meer dan bij de filosofie het geval is. Behalve dat men in het zuiver wetenschappelijke denken gebonden is aan wetten, is er nog iets opmerkelijks: men kan niet buiten de kennis die door voorgangers ontdekt is. Het is dus een cumulatief denken en wel omdat het een nagaan is van een gevormde, een opgebouwde werkelijkheid. Je kunt niet anders dan die stap voor stap nagaan. Elke volgende stap kan alleen-maar vanuit een reeds bekend vertrekpunt gezet worden en tegenwoordig is zo'n stap zelfs nauwelijks meer mogelijk zonder de samenwerking met een heel team van onderzoekers. Bij het filosoferen richt je je op de beweeglijke verbanden. Bijgevolg kun je niet van tevoren besluiten om bepaalde wetten te volgen, juist omdat er niets vast ligt. Bovendien kun je niet uitgaan van de filosofieën die voorgangers al uitgedacht hebben, omdat met het gericht zijn op de beweeglijke verbanden de reeds door anderen, en eerder ook door jezelf, vastgelegde voorstellingen vanzelfsprekend ondeugdelijk worden om als uitgangspunt te dienen. Die voorstellingen bevinden zich mogelijk wel in je zelfbewustzijn - niemand is helemaal zonder kennis! - maar zij kunnen niet gelden als betrouwbare basis om op verder te gaan. En wat betreft van tevoren opgestelde wetten: voor de beweeglijke verbanden geldt het begrip wet helemaal niet. Een beweeglijke verhouding kan zo zijn, maar ook anders. In de kunst van het filosoferen komt het erop aan de werkelijkheid steeds opnieuw te bekijken, alsof je haar voor het eerst zag. In feite is dat natuurlijk doorgaans niet het geval. Je hebt al vaker over bepaalde thema's nagedacht. Maar het resultaat van dat nadenken, namelijk een nieuwe voorstelling, wordt niet vastgelegd: je vergeet telkens je eigen voorstellingen en je blijft, al filosoferende, blanco tegenover de zaak staan. Doordat dit het geval is wordt het filosoferen ook geen routinezaak; er zijn geen van tevoren uitgestippelde routes voor je gedachtegangen. Je doordenkt je werkelijkheid steeds weer opnieuw. Beweeglijke verbanden zijn uiteraard ook verbanden. Bij je filosofische dwaaltocht door de werkelijkheid ontdek je ze en je slaat vrijelijk en wezenlijk doelloos alle mogelijke wegen in. Daarbij gebeurt het herhaaldelijk dat je vastloopt en gedeeltelijk opnieuw moet beginnen, maar dat is geen enkel bezwaar, juist omdat je opnieuw kunt beginnen.

Bovendien ben je bij het vastlopen iets aan de weet gekomen, namelijk dat een bepaalde gedachtegang onhoudbaar is. Een onhoudbare gedachtegang is immers ook een gedachtegang! De wijsheid van de filosofie is onder andere hierin gelegen dat zij ook de fouten kent en begrijpt. Het robot denken, maar ook de wetenschap, kennen die ruimte niet. In het eerste geval omdat er helemaal geen kennis van andere mogelijkheden toegelaten is en in het tweede geval omdat het streven erop gericht is doormiddel van methodieken bij voorbaat het maken van fouten te vermijden. In beide gevallen blijft er een groot deel van het landschap van de voorstelling braak liggen. Maar in de filosofie is dat niet het geval. Toch geschiedt het dwalen van de gedachten niet lukraak. Je zoekt immers steeds een begaanbare weg door de voorstelling. Voor zover dat gelukt is de gedachtegang samenhangend en hij slaat dan niet af. Dat is je garantie dat het een juiste gedachtegang is. In het wetenschappelijke denken daarentegen kan een gedachtegang in principe helemaal niet af slaan, juist omdat hij bij voorbaat al onderworpen is aan bepaalde methodieken.

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ;

No. 97

Datgene dat tegenwoordig wetenschappelijk denken genoemd wordt blijkt bij nadere beschouwing vrijwel altijd robot denken te zijn. Het wordt beoefend door het wetenschappelijke voetvolk dat keurig exerceert volgens de voorgeschreven regels. Met zuiver wetenschappelijk denken heeft dit nauwelijks iets gemeen: het is alleen-maar gestoeld op de wetenschap, en dan ook nog uitsluitend op de resultaten daarvan. Men heeft zich die resultaten eigen gemaakt en wekt daardoor de suggestie dat men wetenschappelijk denkt. Dat is dus een fictie; een wetenschappelijke opleiding is geen garantie voor wetenschappelijk denken. Omdat het bij beide, het zuiver wetenschappelijke denken en het filosofische denken, gaat om het nagaan van onbekende verbanden kun je van een zekere verwantschap tussen beide denkwijzen spreken. Daardoor zie je, vooral in onze moderne cultuur, telkens weer dat filosofen zich ertoe laten verleiden hun werk tot de wetenschappen te rekenen en alle mogelijke moeite doen daarvoor bewijzen te leveren. Dat mislukt echter steeds. Die filosofen hebben niet begrepen dat het filosoferen zich op een geheel ander aspect van de werkelijkheid betrekt en dat je de filosofie alleen maar belachelijk maakt als je haar als een wetenschap presenteert. Al eerder heb ik er op gewezen dat het onzin is de filosofie als de koningin der wetenschappen te beschouwen, enerzijds om een praktische reden - je kunt niet alle wetenschappen beheersen en er een overzicht over hebben - en anderzijds om bovengenoemde reden. Het wetenschappelijke denken sluit zichzelf op in zijn eigen methodieken.

Dat kan niet anders omdat het nu eenmaal methodisch moet zijn. Een gevolg daarvan is dat er bij wetenschappers een sterke neiging bestaat hun methodieken als de absolute maat te stellen en op grond daarvan andere mogelijkheden bij voorbaat uit te sluiten. Daardoor hebben denkers met nieuwe theorieën de grootste moeite gehoor te vinden voor hun denkbeelden. Uiteraard werkt dit in principe zuiverend op het gehele complex van de wetenschap, maar helaas ontaardt het in wetenschappelijke behoudzucht, belangenstrijd en manipulaties. Dat doet de wetenschap helemaal geen goed. Er zijn zoveel voorbeelden van verguizing en verkettering dat je met recht kunt stellen dat de wetenschappelijke machtsstrijd eerder regel dan uitzondering is. Paul Feyerabend heeft daarover in 1975 een uitstekend boek geschreven, getiteld Against Method, Nederlandse vertaling “In strijd met de methode”, Boom Meppel 1977. Prompt zijn bijna alle wetenschappers over hem heen gevallen. Gelukkig is het ook een feit dat men na verloop van tijd nieuwe ideeën aanvaardt, maar dat neemt niet weg dat het vasthouden aan traditionele methodieken onnodig remmend werkt op de uitbouw van de wetenschap. Omdat het zuiver wetenschappelijke denken gebonden is aan methodieken is er het streven om bij voorbaat fouten uit te sluiten. Dat betekent dat men al van tevoren besluit om bepaalde wegen, die volgens de geldende methode onbegaanbaar of doelloos zijn, niet te bewandelen. Op die manier sluit je je echter af voor velerlei aspecten van de werkelijkheid. Bovendien maak je het onmogelijk kennis te vergaren uit gemaakte fouten, zowel wat je eigen methodiek betreft alsook wat nieuw te onderzoeken problemen betreft. Met andere woorden: het gebonden zijn aan methodieken werkt bevestigend ten aanzien van diezelfde methodieken. Er ontstaat een vicieuze cirkel, die alleen maar van buitenaf doorbroken kan worden, hetgeen dan ook steeds het geval blijkt. De wetenschap corrigeert zichzelf als regel door een impuls van buiten en dus door iets dat vanuit de geldende methode als een fout gezien wordt.

Voor de goede orde: dat het in de wetenschap zo toegaat is geen gebrek daarvan. De wetenschap kan niet anders dan op die manier functioneren. Verwijtbaar is alleen het feit dat men er, vooral tegenwoordig, zo weinig oog voor heeft. Een integere wetenschapper moet openstaan voor alles wat van buitenaf op hem afkomt. Hij moet zogezegd ruimte in zijn zelfbewustzijn hebben. Als je daarop doordenkt, dan blijkt dat die min of meer artistieke ruimte niets anders is dan het gelden van het feit dat verbanden behalve vastgelegd ook nog beweeglijk zijn. Als zodanig vallen ze buiten het complex van methodieken. De vroegere wetenschappers waren doorgaans zeer ontwikkelde, universeel ingestelde en wijze mensen die een vrije wetenschap voorstonden. Tegenwoordig belijdt men die vrijheid nog wel met de mond, maar men levert zich in feite geheel en al aan maatschappelijke doelstellingen en waarden uit. Hoewel er dus inderdaad een verwantschap tussen de filosofie en de zuivere wetenschap bestaat, is toch de verwantschap met de kunst, juist door de filosofische nadruk op de beweeglijke verbanden en het niet bij voorbaat gelden van methodieken, veel groter. Voor ons huidige denken is de kunst echter niet meer een uitdrukking van de waarheid, maar een uitdrukking van persoonlijke psychische en emotionele ervaringen. Daardoor wordt het verband tussen de kunst en de filosofie niet meer gevoeld en vindt men het onlogisch om een dergelijk verband aan te leggen. Op zichzelf is dat wel juist, want de filosofie vertelt niet het verhaal van persoonlijke ervaringen, maar (zo helder mogelijk) het verhaal van de waarheid omtrent de werkelijkheid. Vroeger was dat ook met de kunst het geval, maar met het doorzetten van de analytische cultuur is de individuele ervaring centraal komen te staan. In zekere zin is het de praktijk van het filosoferen om fouten te maken.

Deze fouten zijn van essentieel belang, niet voor het resultaat, maar voor het zoeken van een denkweg. Die fouten zijn hierom van belang omdat datgene dat je als een fout herkent ook aan je filosofische weten toegevoegd wordt. Dit leidt ertoe dat een filosoof heel goed kan begrijpen waarom de mensen denken zoals ze denken en zelfs waarom wetenschappers denken zoals ze denken, maar dat het omgekeerde niet het geval is. De mensen in het algemeen en de wetenschappers in het bijzonder (behalve een enkele artistieke wetenschapper) hebben er geen notie van hoe filosofisch denken verloopt. Zij vinden het dan ook maar een zweverig en onpraktisch gedoe. Je maakt een filosofische fout als blijkt dat je vastloopt met je gedachtegang. Vastlopen treedt op als je niet verder kunt en dus de samenhang met al het andere verloren hebt. Daarmee word je geconfronteerd op elk moment dat je een stap op je denkweg maakt die op een vastgelegd verband of op een geconditioneerde verbinding berust. Je voert dan een oneigenlijk argument in. Zo'n argument bestaat uit een stukje kennis waarvan je de filosofische waarheid niet kunt controleren, enerzijds omdat het om een wetenschappelijke waarheid gaat en anderzijds omdat het over een ingeprente vanzelfsprekendheid gaat. In beide gevallen voer je in je gedachtegang een element in dat tijdens die gedachtegang niet naar voren gekomen is en dat dus eigenlijk van buitenaf komt. Was het bij de wetenschap zo dat elementen van buitenaf een corrigerende factor voor het denken kunnen zijn, voor de filosofie zijn zij fouten die een vastlopen van de gedachtegang tot gevolg hebben. Daarom heb ik er steeds met nadruk op gewezen dat je bij het filosoferen alles wat je meent te weten terzijde moet laten en moet proberen creatief, dat wil zeggen uit zichzelf scheppend te denken. In de filosofie is dat creatieve moment vrijwel geheel verloren gegaan: het is tegenwoordig mode om filosofische gedachtegangen met zoveel mogelijk wetenschappelijke argumenten te onderbouwen, uiteraard in de (vergeefse) poging de filosofie wetenschap te laten zijn. De moderne filosofie is dan ook nauwelijks te volgen!

No. 98

Het is op zichzelf terecht dat men in het methodische wetenschappelijke denken ernaar streeft fouten bij voorbaat uit te sluiten. Dat is natuurlijk vooral van belang bij het toepassen van de resultaten van dat denken, bijvoorbeeld in de technologie. Maar het nadeel is dat er in sterke mate behoudzucht optreedt omdat men van tevoren meent te weten dat een bepaalde denkweg onbegaanbaar is en tot niets leidt, of omdat die denkweg tot een doel leidt dat men niet beoogt. Tegenwoordig worden de doelstellingen van het universitaire onderzoek steeds meer bepaald door het bedrijfsleven en dat leidt tot een nog grotere behoefte om zich uitsluitend tot de gebaande methodische wegen te beperken. Hierdoor sluit de wetenschap zich in zichzelf op en wordt nog minder ontvankelijk voor de broodnodige van buitenaf komende impulsen. Uiteraard worden er op die manier wel nieuwe dingen ontdekt, maar die zijn doorgaans slechts te kwalificeren als meer van hetzelfde. Er worden geen wezenlijk nieuwe wegen ingeslagen. In de creatieve filosofie ligt de zaak geheel anders. Doordat het filosoferen zich richt op de onbekende beweeglijke verbanden in de werkelijkheid als voorstelling, ga je als filosoof niet te werk volgens vooropgestelde methodieken (zelfs niet volgens de beruchte dialectische), maar ga je voortdurend alle kanten uit in je denken, met als onvermijdelijk gevolg dat je met een zekere regelmaat vast loopt, wat het voordeel heeft dat je ook aan de weet komt hoe het zit met het maken van fouten. Als je filosofeert bemerk je dat je fouten maakt, maar in het wetenschappelijk denken probeer je bij voorbaat fouten te vermijden; je hebt de bedoeling ze juist niet te maken. Bovendien werk je in de wetenschap met kennis en methodieken die zoveel mogelijk vaststaan, hetgeen betekent dat zij geldig zijn zolang nog niet aangetoond is dat zij onhoudbaar zijn. Doordat je echter bij het filosoferen fouten maakt leer je de andere denkwijzen, namelijk de wetenschappelijke en de geconditioneerde (robot denken) grondig kennen en begrijpen. Daardoor treedt deze eigenaardigheid op dat je als filosoof het denken van andere mensen moeiteloos kunt begrijpen, en zelfs heel vaak kunt voorspellen, terwijl die andere mensen jouw filosofische gedachtegang bijna nooit kunnen volgen. Dat geldt uiteraard voor gedachtegangen van die andere mensen en niet voor wetenschappelijk geformuleerde kennis. Deze laatste kennis is zelden filosofisch te begrijpen.

Het is overigens wel van belang onderscheid te maken tussen datgene dat aan de werkelijkheid als denken op filosofische wijze bedacht kan worden en datgene dat een mens in de praktijk vertoont. Een mens kan een zodanige aanleg hebben dat het creatieve filosofische denken in hem of haar domineert. Gewoonlijk echter domineren het wetenschappelijke denken en het robot denken. Maar het is geen kwestie van of het een of het ander. In ieder mens is er een mengelmoes van die drie denkwijzen. In die mengelmoes spelen wetenschappelijk denken en robot denken de hoofdrol in het dagelijkse leven. Zou dat niet het geval zijn, je zou nog geen potje thee kunnen zetten! Om nog maar te zwijgen over het bouwen van bijvoorbeeld een vliegtuig of het besturen van een groot maatschappelijk instituut. Het was onder andere Plato die in zijn werk De staat voorstelde om de regering maar aan filosofen over te laten, omdat dit volgens hem per definitie wijze mensen zouden zijn die het volk op de goede weg zouden leiden. Immanuel Kant bedacht de categorische Imperatief en zei tegen de mensen Du sollst. Hij vond dat de mensen ten goede gedwongen moesten worden. Tegenwoordig leeft deze gedachte ook nog, maar vooral op negatieve wijze: staatslieden doen het graag voorkomen alsof zij zo wijs zouden zijn en daarbij fungeert die zogenaamde wijsheid als legitimatie voor hun macht.

Zij zouden het goede met de mensen voor hebben en hun macht heet een macht ten goede te zijn! In feite echter kunnen filosofen de wereld niet besturen, juist omdat zij in hun denken (als het goed is!) geen methodieken volgen en omdat voorlopig geldige kennis nu net precies voor hun denken ongeldig is. Hun denken is overwegend onzakelijk, niet op de dingen gericht. Het methodische, zakelijke denken is voor het bestaan van de mensen essentieel. Zonder dat denken zou zelfs de oermens al niet overleefd hebben... Er is dus geen enkele reden om dat denken te minachten. Maar wel is te zeggen dat de moderne toespitsing op het zakelijke denken kwalijk en gevaarlijk is door het verwaarlozen van het denken in onbekende beweeglijke verbanden. Dat denken geldt immers ook voor elk mens, zij het niet in die hevige mate als bij de creatieve filosoof het geval is. Ik spreek steeds over gedachtegangen en suggereer daarbij dat het denken te vergelijken is met het afleggen van een weg. Waarom je in je denken inderdaad een weg aflegt moge uit het volgende blijken: het er zijn van de werkelijkheid als een stelsel van verschijnselen berust steeds op het moment nu. Dat heb ik al eerder besproken. Er is dus een voortdurend optreden en instorten van de momenten nu. Aan dat moment nu op zichzelf is te bedenken dat het de tijd is die geen tijd nodig heeft, d.w.z. de tijd waarvoor geen tijdsverloop geldt. Aan het optreden en instorten van de momenten nu is daarentegen wel de tijd als tijdsverloop te bedenken. De bestaande werkelijkheid is dus onderhevig aan een voortgang in de tijd, uiteraard omdat voor de hele zaak beweging geldt. Omdat dit het geval is kun je ook van de voorstelling zeggen dat die berust op een voortgang in de tijd, en wel op zo'n manier dat de voorstelling voortdurend ter is om er onmiddellijk niet te zijn, enzovoort. Dus, het opbouwen en instorten van de voorstelling. Nu is het op grond van dit opbouwen en instorten dat het denken, als nagaan van de verbanden, een verloop kent en dus zogezegd een weg aflegt. Daarbij moet je wel bedenken dat er geen mechanisme is dat het denken voortdrijft, zoals dat in de praktijk bij het afleggen van een weg wel het geval is. Het nagaan geschiedt geheel vanzelf, juist omdat er een opeenvolging van er zijn en er niet zijn van de werkelijkheid als voorstelling is. Het nagaan van de verbanden in de voorstelling valt onder het begrip tijd als tijdsverloop. Dat betekent dat dit denken dus tijd kost en dat je er helemaal niet zo vlug achter komt hoe het zit met de werkelijkheid. Omdat de momenten nu echter op zichzelf geen tijdsverloop kennen zit er ook een tijdloos aspect in het denken.

Je kunt je namelijk onmiddellijk ergens anders denken, bijvoorbeeld in je eigen kamer. Als je nagaat hoe het zit met dit eigenaardige verschijnsel, dan blijkt dat het eigenlijk niet over denken in de zin van nagaan gaat, maar over het verwisselen van voorstelling. Als je je ergens anders denkt roep je een andere voorstelling in jezelf op en die verwisseling kost geen tijd. Natuurlijk komt dat door het onmiddellijke instorten van de bestaande voorstelling en het vervolgens onmiddellijk opbouwen van een nieuwe. Beide voorstellingen, de oude en de nieuwe behoren echter tot het totaal van je voorstelling, van de wereld zoals die voor jou is. Eigenlijk heeft dit verwisselen van voorstelling niets met denken te maken omdat het nu niet over het nagaan van verbanden gaat. Maar het is wel een feit dat het nagaan direct in werking treedt als de nieuwe voorstelling er is. Daardoor krijg je de indruk dat het denken geen tijd nodig heeft en die indruk wordt versterkt door het feit dat reeds in de voorstelling liggende geprogrammeerde verbindingen vrijwel onmiddellijk herkend worden. Zoals al eerder gezegd: die verbindingen worden eigenlijk niet nagegaan, maar (klakkeloos) gevolgd.

No. 99

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144) ; ; onthouden-1; onthouden-2

Veel van datgene dat gewoonlijk denken genoemd wordt valt eigenlijk onder de rubriek leerprocessen. Dat zijn processen die op zichzelf niets met denken, in de zin van nagaan van de verbanden in de voorstelling, te maken hebben. Het gaat immers niet over het zoeken van een weg door de voorstelling, maar over het aanleggen van een weg. En dat gebeurt vrijwel uitsluitend met behulp van informatie die van anderen afkomstig is en die van buitenaf, ongeacht de reeds in iemand aanwezige voorstelling, ingebracht wordt. Het is zelfs zo, dat er bij een leerproces in belangrijke mate een nieuwe voorstelling tot stand gebracht wordt. Die ontstaat door het aan de bestaande voorstelling toevoegen van nieuwe kennisdata, van nieuwe verbindingen tussen die data en van methodieken om die verbindingen gemakkelijk te kunnen volgen. Het leerproces betreft dus in feite conditionering van je brein. Dat gaat bij de ene mens gemakkelijker dan bij de andere, maar in het algemeen is te zeggen dat het werkelijke denkvermogen afneemt naarmate het leervermogen toeneemt. Zonder iemand te willen beledigen kun je stellen dat het leren op zichzelf een domme aangelegenheid is waaraan alle creativiteit ontbreekt. Maar, in onze cultuur wordt aan dat leren grote waarde gehecht en dat is niet helemaal ten onrechte, want je kunt er een heleboel mee doen, niet in de laatste plaats een goede positie in de maatschappij verwerven. De mens is echter ook nog wat anders dan een maatschappelijk wezen en eigenlijk ligt de verhouding zo, dat echte maatschappelijkheid onmogelijk is als uitsluitend de resultaten van leerprocessen als de maat worden genomen. Het zelf denken, het creatieve denken, zowel zuiver wetenschappelijk als filosofisch, gaat boven de geconditioneerde kennis uit en is daardoor van veel groter nut voor de mensheid. Men is tegenwoordig volop bezig met het ontwikkelen van kunstmatige intelligentie. Steeds vaker hoor je beweren dat men straks een zodanige kwaliteit van kunstmatige intelligentie ter beschikking heeft, dat die de intelligentie van de mens overtreft. Aan zulke beweringen kun je zien hoe slecht het met het echte denken gesteld is. Men wordt verblind door het grote vermogen van computers om gegevens op te nemen en met elkaar in verbinding te brengen. Men verwart dus het denken met het leerproces, dat inderdaad bij een computer sneller en beter verloopt dan bij de mens. Bovendien heeft men niet in de gaten dat het ontwerpen van een zogenaamd hogere intelligentie het bezit van zo'n intelligentie bij de mens vooronderstelt. Je kunt dus helemaal geen hogere intelligentie ontwerpen, maar wel een machine die qua leerproces beter functioneert dan een mens. Zo een machine valt dus buiten de definitie van het denken, maar menigeen gelooft dat het een superdenker is! Er zit een logische fout in de gedachte dat je een hogere intelligentie kunt maken. Dat is net zoiets als het probleem dat de geleerden uit de Middeleeuwen bezig hield: kan god in zijn almacht een steen maken die zo zwaar is dat hij hem zelf niet op kan tillen? Op een andere manier speelt dit probleem ook, namelijk als men zich afvraagt of een groep van knappe koppen intelligenter kan zijn dan de knapste uit het gezelschap. Ook hierbij verwart men het leerproces met het denken: die groep weet uiteraard méér dan ieder lid afzonderlijk en kan ook ontdekkingen doen die voor ieder lid op zichzelf onmogelijk zouden zijn geweest, maar het denken in die groep haalt hoogstens het niveau van de helderste denker, en in de praktijk zal dat niet eens gelukken omdat er in zo'n groep een zekere mate van eenstemmigheid zal moeten zijn. De zaak komt hierop neer dat je hoeveelheden kennis wel bij elkaar op kunt tellen, omdat het begrip kwantiteit ervoor geldt, maar dat je intelligenties niet bij elkaar kunt optellen, op grond van het feit dat het dan over kwaliteiten gaat.

Eigenlijk is het leerproces het meest primitieve proces in het zelfbewustzijn voor zover het gaat over de reflectie op de voorstelling. Dat primitieve proces is onmisbaar voor de basis van het menselijk leven: het overleven. Minder primitief zijn achtereenvolgens het robot denken, het zuiver wetenschappelijke denken en het filosofische denken. Van deze verschillende varianten vallen het leerproces en het robot denken wezenlijk buiten het denken omdat zij berusten op respectievelijk conditionering en navolging. Maar alle vier de varianten spelen zich in elke mens af en voor niemand geldt er eenzijdig een van die vier. Zo is te zeggen dat een ieder wel een beetje filosofeert en zich ook min of meer wetenschappelijke vragen stelt. Het bovenstaande houdt niet in dat het filosoferen de hoogste vorm van geestelijke activiteit zou zijn. Wel echter betekent het dat het de meest creatieve wijze van denken is. Je kunt wat dit betreft geen waardeoordeel geven, maar wel kun je een cultuur waarin één van de genoemde varianten allesoverheersend is op zijn waarde beoordelen. Onze cultuur bijvoorbeeld, met zijn fixatie op leerprocessen en robot denken is zonder meer banaal te noemen. Het is een cultuur die blijft steken in een laag, stoffelijk en kwantitatief, niveau en die qua maatschappij en samenleving lang niet oplevert wat menselijk mogelijk is. Het grootste probleem bij een leerproces is het onthouden van de leerstof.

Door de eenzijdige gerichtheid op leerprocessen wordt het hoog gewaardeerd als je veel kunt onthouden, maar eigenlijk is het onthouden tégennatuurlijk! Je legt immers je voorstelling vast, terwijl het bovendien een geconditioneerde en niet zelf uitgezochte voorstelling is. Zo'n voorstelling voldoet niet aan het gegeven dat de inhoud van het zelfbewustzijn er voortdurend is om er onmiddellijk weer niet te zijn en zich daarna weer opnieuw te stellen. Geen wonder dat een dergelijke muurvaste voorstelling een storende uitwerking heeft op het leven. Toch is de gangbare mening in onze cultuur dat iemand die niet goed kan onthouden van minder waarde is: op de scholen geeft men lagere cijfers, de studenten slagen niet voor examens en uiteindelijk is er geen mogelijkheid om op een behoorlijke wijze maatschappelijk te functioneren. Tegenwoordig kennen wij de computer. Die kan alles voor ons onthouden zodat er energie vrij kan komen om het nadenken wat meer te gaan beoefenen. Maar in het onderwijs heeft men nog steeds allerlei bezwaren, die pas dan zullen vervallen als men nu eens echt tot wetenschappelijk onderwijs over gaat.

Een dergelijk onderwijs is gericht op de training van het denken als nagaan van de verbanden, en niet op het via leerprocessen onthouden van kennisdata en methodieken. Het merkwaardige van het nagaan van de voorstelling is dat het er niet om gaat van alles te onthouden, maar dat die voorstelling zo helder mogelijk is. Hoe meer dat het geval is, hoe gemakkelijker het nagaan (denken) verloopt. Dat heeft tot gevolg dat je iedere keer weer opnieuw kunt bedenken hoe bepaalde zaken in elkaar zitten. Bovendien houdt dat de mogelijkheid open om tot nieuwe denkbeelden te komen. De verstarring van de geleerdheid kan dan niet optreden. Het ontwikkelen van de helderheid van de voorstelling met als gevolg het gemakkelijk nagaan of navolgen van de verbanden en de verbindingen, is datgene dat wij begrijpen noemen. Iemand die begrijpt hoe iets zit behoeft de zaak niet te onthouden, maar voor iemand die op grond van een leerproces veel kennis heeft vergaard kan het heel wel zo zijn dat hij er eigenlijk niets van begrijpt. Dat begrijpen berust dus niet op een veelheid aan kennis, maar op de helderheid van de voorstelling. Die voorstelling kan alleen maar helder worden door het er-zijn, het er-niet-zijn en het er opnieuw zijn zoveel mogelijk te laten gelden. Dan immers kan de spiegeling met de werkelijkheid als beeld (bewustzijn) optimaal tot zijn recht komen.

onthouden-1; onthouden-2

No. 100

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ;

De leerprocessen resulteren zowel in denk- als in handelingsautomatismen. De vakman bijvoorbeeld conditioneert zichzelf in het verrichten van een aantal handelingen zodat hij niet behoeft na te denken tijdens routine werkzaamheden. Maar ook menig kunstenaar behoeft conditionering, denk maar aan een balletdanser en een uitvoerend musicus. Al die conditioneringen echter moeten de mens aangeleerd worden, berusten dus op leerprocessen. Dat is het geval juist omdat een mens ter wereld komt zonder enige inhoud van het zelfbewustzijn. Alle verbindingen moeten aangelegd worden. Je kunt stellen dat voor een mens datgene dat hij leert altijd iets nieuws is, iets onbekends dat vanaf een zeker moment gekend word. Bij de dieren ligt de zaak heel anders. Dat berust ten eerste op het feit dat voor dieren het begrip zelfbewustzijn helemaal niet geldt en dat er dus op dat gebied niets geleerd, oftewel geconditioneerd, kan worden. En ten tweede berust dat op het feit dat in dieren de programma's al bij de geboorte klaar liggen. Wij constateren gewoonlijk, bij het bekijken van de opvoeding van jonge dieren, dat er van allerlei geleerd moet worden, maar die constatering is onjuist. Hij wordt ingegeven door onwillekeurige associatie van Ons leerproces met dat van het dier. In feite echter worden bij de opvoeding van dieren de reeds aanwezige programma's geactiveerd. Dat is wat wij het spelen van de dieren noemen. Die programma's berusten op de werkelijkheid als bewustzijn en op de overeenkomst van die innerlijke werkelijkheid met de uiterlijke. Het bewustzijn is de werkelijkheid als totaaltrilling, het is dus op andere wijze de (uitwendige) werkelijkheid. Dat is een volledig samenhangende zaak. Zoals wij al eerder gezien hebben is die zaak zonder meer gegéven. Hij is dus autonoom in het levende wezen aanwezig. Voor zover nu in die gegeven en autonome zaak de samenhang op de voorgrond staat komt dat bij het dier in concreto voor de dag als een bepaald weefsel van vaste verbindingen. Dat weefsel is bij ieder levend wezen weer anders, afhankelijk van de geaardheid van dat levende wezen en wereld waarin het zal moeten leven. Het is dat weefsel dat bij de opvoeding en het spelen actief wordt en het gevolg is dat er onder bepaalde omstandigheden een bepaalde cyclus van activiteiten afgewerkt wordt.

Die cyclus van activiteiten is, juist omdat hij op een gegéven zaak berust, onveranderlijk. Toch blijft er een mogelijkheid tot kleine aanpassingen, op grond van het feit dat het bewustzijn als weefsel van samenhangen een beweeglijke werkelijkheid is, en omdat het nog altijd over dé werkelijkheid gaat. In principe is dus alles mogelijk, maar in de praktijk is alleen maar dat mogelijk dat binnen het gezichtsveld van dat bepaalde levende wezen, dus binnen de eigen wereld, valt en binnen dat kader zijn aanpassingen mogelijk. Dat zijn overigens langdurige processen die met heel kleine stapjes verlopen. Zo kun je tegenwoordig zelfs een kat een aantal dingen leren, maar nooit zal het je gelukken het gedoe van een kat te veranderen in dat van bijvoorbeeld een hond. De geaardheid en de omvang van het programma zijn gegeven en blijven gegeven! De conditioneringen van een dier berusten dus op het bewustzijn, maar die van een mens, als het althans over diens handelingen gaat, berusten op het zelfbewustzijn. Het zijn dus eigenlijk een ander soort conditioneringen. Wil je onder het begrip conditionering uitsluitend aangeleerde, oorspronkelijk (nog) niet aanwezige verbindingen verstaan, dan zou je bij het dier niet van conditionering kunnen spreken. Je zou het dan bijvoorbeeld over natuurlijke programma's kunnen hebben. Welbeschouwd verricht het dier dan ook geen handelingen, maar het vertoont natuurlijke gedragingen.

Zo gezien is de mens wel geconditioneerd en ook verricht hij handelingen, namelijk aangeleerde gedragingen. Dus: het dier kent natuurlijke programma's en gedragingen, en de mens kent conditioneringen en handelingen. Je hoort nogal eens de mening verkondigen dat elk mens onbewust iets heeft meegekregen van zijn geboortegrond en dat bijgevolg iemand die uit Japanse ouders in het westen geboren is toch nooit een echte westerling zal worden. De verklaring voor deze, op zichzelf juiste, waarneming berust echter niet op enigerlei vorm van overgeërfde natuurlijke programmering, maar op een veelheid van indrukken die, zonder dat die achteraf nog na te gaan zijn, op het kind ingewerkt hebben. Dat waren bepaald niet alleen westerse indrukken, maar via de ouders, familie en bekenden, ook Japanse. Het is in de praktijk niet mogelijk om uitsluitend één soort ervaringen op te doen, alleen bij het nadenken over deze zaken kun je onderscheid maken en als je dat doet bemerk je dat elk mens blanco ontstaat en tijdens de groei geconditioneerd wordt. Als er ook maar iets in het zelfbewustzijn van een mens bij voorbaat geprogrammeerd was zou er geen mogelijkheid zijn iets nieuws te leren. Dat het allemaal conditioneringen zijn moge blijken uit het feit dat mensen uit andere culturen zonder enige moeite het westerse wetenschappelijke en maatschappelijke denken kunnen leren beoefenen. Echter: voor een mens geldt niet alleen het zelfbewustzijn, maar natuurlijk ook het bewustzijn. Dat betekent dat er in een mens ook programma's zullen zijn die niets met conditionering op grond van leerprocessen te maken hebben. Programma's dus waarin een mens helemaal niet vrij is. Dat is inderdaad het geval, bijvoorbeeld met alle biologische processen waarop wij met onze wil, en dus met ons zelfbewustzijn, geen enkele invloed kunnen uitoefenen. Dan gaat het in de eerste plaats over onze lichamelijke functies, zoals het kloppen van ons hart, de spijsvertering en dergelijke. Maar ook gaat het over seksuele aandriften en over de geaardheid van het vrouw- of man-zijn. Die biologische programma's zullen van invloed zijn op het zelfbewustzijn als voorstelling van de eigen werkelijkheid. Die invloed gaat zowel direct als indirect: hij werkt in op het vermogen van het zelfbewustzijn, maar ook op de voorstelling zoals die opgebouwd is uit ervaringen. Als zo'n programma niet helemaal in orde is kun je bepaalde dingen niet goed en dat ervaar je zodat dit inhoud van je voorstelling wordt. Dat behoeft niet altijd een negatieve invloed te zijn.

Er zijn voorbeelden van mensen die biologisch helemaal niet in orde zijn, maar die geestelijk grote prestaties leveren. Kortom: hoe het uitpakt met die wisselwerking tussen programma's en conditioneringen is nooit van tevoren te zeggen. Al die zaken die je filosofisch mooi naast elkaar kunt zetten zijn in de praktijk van het menselijk leven ten nauwste met elkaar verweven. Je zult nooit een analyse kunnen maken die uitwijst in hoeverre je leven bepaald wordt door natuurlijke programma's enerzijds en conditioneringen anderzijds. Zo is het ook een feit dat het zelfbewustzijn met zijn voorstelling van de (jouw) werkelijkheid ook invloed uitoefent op je biologische programma. Het is mogelijk om vanuit die voorstelling en het daarop gebaseerde denken biologische programma's te wijzigen of te beheersen. Dat is het geval als je bijvoorbeeld een bepaalde ziekte weet te onderdrukken of ermee leert leven. Dat is ook het geval als je, vanuit de je ingeprente cultuurvoorstelling, jezelf als seksualiteit belemmert om vrij te zijn en daardoor min of meer gefrustreerd raakt. Die inwerking van het zelfbewustzijn en het denken op het lichamelijke zijn veel ingrijpender dan gewoonlijk gedacht wordt. Het is zelfs mogelijk dat een groot deel van de medische wetenschap in de grond van de zaak op deze wisselwerking berust en nauwelijks op de effectiviteit van geneesmiddelen.

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ;

No. 101   Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

In alle levende wezens ontwikkelen zich, op grond van de samenhang in de werkelijkheid als bewustzijn (beeld), natuurlijke programma's. Die moeten op de een of andere manier geactiveerd worden en dat kennen wij, althans bij de zogenaamd hogere dieren, als het spelen. Dat spelen is dus geen leerproces zoals wij dat bij de mensen tegen komen. Bij deze laatsten levert het leerproces iets nieuws op, maar het activeren heeft betrekking op reeds aanwezige verhoudingen, die met het opgroeien van het levende wezen moeten gaan functioneren. Zij moeten zich gaan concretiseren, zich manifesteren in de realiteit. Zo'n manifestatie spreekt ons meer aan naarmate het over meer ontwikkelde diersoorten gaat en dat is te begrijpen want die hebben een meer omvattend beeld van de werkelijkheid en staan als zodanig dichter bij ons. Dat activeren van programma's is eigenlijk een afspiegeling van verhoudingen die voor het bewustzijn gelden. Tot op zekere hoogte is het dus ook een afspiegeling van schoonheid, en dat beleven wij mensen onbewust als wij het spelen van de dieren gadeslaan. Dat roept in ons een gevoel van verwantschap met de echte werkelijkheid op: lichtvoetig, beweeglijk en zonder bedoeling. Het heeft op ons een bevrijdende werking. Voor ons besef heeft dat spel echter wel degelijk een bedoeling en wij zeggen dan dat het dier zich voorbereidt op het komende harde bestaan, maar voor het dier geldt dat niet, het weet nergens van, is gewoon zichzelf. De bedoeling, die wij er achter zoeken, berust op een foute associatie op grond van uiterlijke overeenkomsten. Ik heb er al op gewezen dat je bij de dieren, wat betreft hun natuurlijke gedragingen, niet van conditioneringen kunt spreken, omdat hen in feite niet geleerd wordt die gedragingen te vertonen. Uiteraard zijn er ook wel voorbeelden te geven van conditioneringen bij de dieren, bijvoorbeeld als je de hond geleerd hebt aan bepaalde commando's te gehoorzamen. Het gaat nu echter over datgene dat vanuit de natuur aan het dier meegegeven is. De specifieke gedragingen van een mens komen echter allemaal voort uit een al of niet bewuste - wilsstimulans van het zelfbewustzijn. Zij behoren dus tot datgene dat aangeleerd is vanaf het allereerste begin van het mens-zijn in de moederschoot. Daarom spreek ik bij de mens van handelingen, ook als die uit de een of andere onbewuste, niet-gekende, stimulans voortkomen.

Naast de, op een wilsstimulans berustende, handelingen en de natuurlijke gedragingen, tot welke laatste ook de seksuele aandriften behoren, zijn er ook nog de psychische gedragingen. Dat zijn uitingen van de psyche, die, zoals al eerder besproken, het gevolg zijn van het meetrillen van het materiële (het zuiver lichamelijke) met de totaaltrilling die het bewustzijn is. Het lichaam fungeert daarbij als klankbodem van die trilling. Ook dat gaat buiten je wil om en heeft dus in principe niets met het zelfbewustzijn te maken, behalve dan dat je vanuit het zelfbewustzijn kan proberen die psychische uitingen te onderdrukken - waar je gewoonlijk niet van opknapt! Het is een bekend feit dat kinderen ook spelen. Dat echter gebeurt niet zonder dat er bij het kind een bedoeling voorzit. Die bedoeling behoeft niet bewust te zijn, maar toch is het zo dat het kind zich al spelende verplaatst in de wereld die het heeft leren kennen. Het fantaseert zich in die wereld en het wil zich daarin bevinden. Die wil is, doorgaans ongeweten, zelfbewust. Daarom zegt men: dat kind heeft een willetje. Over het algemeen is te zeggen dat het kind zijn, tot op dat moment bekende, werkelijkheid reproduceert. Daarom kun je dan ook constateren dat het spel van het kind vaak een getrouwe afspiegeling is van de harde wereld. Het is niet dat lichtvoetige, belangeloze en bevrijdende spel van de dieren.

En dat komt dus bij die kinderen door de suprematie van het zelfbewustzijn over het bewustzijn. Zij oefenen wel degelijk hun conditioneringen. In dat oefenen straalt natuurlijk het bewustzijn van het kind door, en het doet dat sterker dan bij volwassenen het geval is, omdat de inhoud van het zelfbewustzijn, de gekende werkelijkheid als voorstelling, nog niet zo omvangrijk en nog niet zo maatgevend is. Maar meer dan een doorstralen is het niet. Het spelen van volwassenen is er weer wel mee te vergelijken. Volwassenen beoefenen spelen, maar ook hebben zij het over het spel van de violist. Hoewel beide verschijnselen praktisch een andere betekenis hebben is er toch in zoverre een overeenkomst dat het bij beide nergens om gaat en iets met schoonheid, beweeglijkheid, harmonie en dergelijke te maken heeft.

Tegenwoordig weet men nauwelijks meer wat het zeggen wil dat het bij het spel nergens om behoort te gaan: zowel het sportieve als het artistieke spel is geheel en al in het teken komen te staan van winnen of verliezen, de beste zijn en geld verdienen. Maar oorspronkelijk was dat helemaal niet zo, vandaar dat wij voor al die dingen hetzelfde woord gebruiken, namelijk spelen. Nog de oude Grieken speelden het spel om het spel en de Zigeuners speelden op hun viool om de muziek zelve. Het spelen van volwassenen, zowel sportief als artistiek, is, net als het spelen van de dieren, een afspiegeling van de werkelijkheid als bewustzijn. Dat wil zeggen: dat is het wezenlijk, maar, zoals gezegd: in de moderne cultuur is dat, onder invloed van de analyse en de ontwikkeling tot individu, vrijwel geheel verloren gegaan. Slechts het gebruik van hetzelfde woord spelen herinnert nog aan de tijd dat de mensen wel beseften hoe het zit. Het verloren gaan van dit besef leidt ertoe dat, zeker in het sportieve spel, het bevrijdende en ontspannende plaats maakt voor het zwaarwichtige, het moeizame en het afmattende. Tegelijkertijd echter is er nog het rudimentaire besef dat het allemaal als vanzelf en moeiteloos zou moeten gaan, zodat men dan weer net zolang oefent totdat dit schijnbaar het geval is. Zou het juiste besef echter nog leven, dan zou alles inderdaad als vanzelf gaan, ondanks het feit dat er toch heel wat oefening aan vooraf is gegaan. Vooral voor het artistieke spel komt heel wat kijken, niet alleen qua technische oefeningen, maar in de eerste plaats qua zelfontwikkeling. Om het artistieke spel goed tot zijn recht te laten komen is een voortdurend proces van onthechting noodzakelijk, d.w.z. een beweeglijk maken van de werkelijkheid als voorstelling opdat de spiegeling met het beeld effectief kan worden.

Dat is het proces van de innerlijke rijping, een proces waarvan de noodzaak tegenwoordig maar al te vaak over het hoofd gezien wordt. We leven in een technische wereld en dus menen we dat alles in orde is als aan de technische eisen is voldaan. Wat dat betreft werkt de huidige cultuur belemmerend voor het kunstenaarschap. Het opruimen van die belemmeringen is een hele opgave, zelfs voor de artistiek begaafde mens. Maar nog niet zo lang geleden beseften de mensen dat er een verband is tussen een onconventioneel, niet aan de gangbare voorstelling gebonden, leven en het kunstenaarschap. Het spelen van volwassenen gebeurt zelfbewust in die zin dat zij het van zichzelf weten en het welbewust willen. Dat wil zeggen: zij weten dat zij willen spelen, maar zij weten weer niet waarom het daarbij gaat. Het gaat om het beleven van een verwantschap met het bewustzijn. In de kunst doe je dan een poging om de werkelijkheid als beeld tot uitdrukking te brengen, een poging die bij voorbaat gedoemd is te mislukken, maar die als poging gelukken kan. In de sport gaat het meer om de harmonische beweging en vooral ook het belangeloze en dus ook ontspannende.

Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

No. 102

onthouden-1; onthouden-2

In onze cultuur zijn de mensen toegespitst op het verzamelen van kennis en dus wordt aan de leerprocessen grote waarde gehecht. Dat betekent uiteraard ook dat de mensen in ernstige mate geconditioneerd worden op het kennen van een werkelijkheid die uitsluitend is zoals de voorstelling die te zien geeft. Alle andere mogelijkheden tot het ervaren van de werkelijkheid, zoals bijvoorbeeld het gevoel, de intuitie en het artistieke zien worden buitengesloten omdat zij onbetrouwbaar zouden zijn. Voor westers cultuurbesef liggen de zaken zo dat de wetenschap zou hebben uitgewezen dat onze voorstelling van de werkelijkheid overeenstemt met de echte werkelijkheid, en dus op waarheid berust. Men moest wel tot die overtuiging komen omdat men in feite louter zijn eigen voorstelling onderzoekt en helemaal niet de echte werkelijkheid. Je kunt zeggen: men is bevangen in een vicieuze cirkel en omdat dit het geval is bemerkt men niet of nauwelijks dat het allemaal eigenlijk niet over de werkelijkheid gaat. De werkelijkheid die men meent te kennen is er helemaal niet. Het gericht zijn op de voorstelling brengt met zich dat men kennis belangrijk vindt en dat leidt ertoe dat de leerprocessen als de basis van alle menselijke activiteiten gezien worden. Maar wezenlijk zijn die processen tegennatuurlijk omdat ze het zelfbewustzijn, dat qua karakter beweeglijk is, verminken tot een vastgelegde zaak waarvoor geldt: het zit zo en niet anders! Die vastgelegde zaak is van een onvoorstelbare banaliteit, juist omdat het anders-zijn, dat bij het begrip beweeglijk-zijn behoort, buitengesloten is. Onze westerse wereld is een banale wereld omdat de mens gereduceerd wordt tot zijn eigen voorstelling en daarmee de ruimte van het onvoorspelbare opgeheven wordt. De verbazing, op grond van het feit dat je onverwacht iets opvalt, komt steeds minder voor en alles wordt vlak, alledaags en dus banaal. Dat is allemaal het gevolg van het feit dat wij de mens almaar meer als een product van leerprocessen zijn gaan beschouwen. Voor alle duidelijkheid: het gaat nu niet over het feit dat een mens van allerlei moet leren om te kunnen overleven. Een mens doet voortdurend ervaringen op en daartoe behoort ook datgene dat hij leert via een leerproces. Waarom het daarentegen wel gaat is dit dat het hele gebied van de ervaringen vernauwd wordt tot een complex van ingeprente overdraagbare kennis, eigenlijk dus een stelsel van theorieën. Iemand wordt capabel voor zijn werk gevonden als hij de voorgeschreven leerprocessen achter de rug heeft.

Een hulpverlener is, zoals dat heet, gekwalificeerd als hij de vereiste cursussen gevolgd heeft en niet omdat hij zo goed met mensen kan omgaan en meelevend luistert naar hun problemen. Gekwalificeerd ben je als je ergens voor geleerd hebt, en dus: als je een product van een leerproces bent. Alleen als dat het geval is mag je meepraten. Het tegennatuurlijke is gelegen in het feit dat wezenlijk onze gehele westerse cultuurwereld op een fictie berust. De wereld die er volgens die fictie is, is niet de echte wereld. Al diegenen die in deze wereld geweld plegen, met legers oprukken, mensen tiranniseren, maar ook al diegenen die menen dat ze macht moeten uitoefenen, maatschappijen besturen, regels uitvaardigen en dergelijke, leven in een onwerkelijke wereld. Die wereld bestaat wel: er zijn legers en er worden regels uitgevaardigd. Die wereld is dus realiteit. Maar die realiteit is een onwerkelijke, louter voortgekomen uit verminkte voorstellingen in het zelfbewustzijn. Uit die onwerkelijke wereld is praktisch niet te ontvluchten. Je blijft het risico lopen er het slachtoffer van te worden. Maar toch kun je er ook weer wel uit wegkomen, door namelijk te proberen je eigen voorstelling te deprogrammeren, dat wil zeggen, al het vaststaande om te beginnen in twijfel te trekken en vervolgens uit te zoeken hoe het nu wel zit.

Zoals ik al eerder heb uitgelegd is de werkelijkheid als voorstelling eigenlijk beweeglijk van karakter door het telkens instorten en vervolgens weer tot stand komen van het complex van verbanden dat alle data van kennis bijeenhoudt. Als je zegt dat de wereld van geweld en misdaad er niet behoort te zijn houdt die uitspraak in dat er kennelijk twee werelden zijn: de reële wereld van het geweld en de misdaad en een andere wereld die goed is. Terecht wordt daaraan bedacht dat die slechte wereld feitelijk bestaat en die goede niet. Het onwerkelijke van die slechte wereld echter is gelegen in het feit dat hij op een zelfbewustzijn berust dat, als product van leerprocessen, volkomen vastgelegd is. Dat is dus een zelfbewustzijn dat in strijd is met de echte werkelijkheid en daarom noem ik het een fictie. Die fictie evenwel is de basis van een door de mensen gemaakte wereld die, hoezeer die wereld ook een praktische realiteit is en dus concreet bestaat, toch onwerkelijk is. De mensen hebben hem gemaakt op grond van foute, onhoudbare en dus onwerkelijke voorstellingen. Hij kan bestaan en bestaat, maar het is iets onwerkelijks, iets fictiefs dat niettemin bestaat. Een realiteit geworden nachtmerrie.. . Welbeschouwd hanteer je in de filosofie, althans in deze filosofie, een ander realiteitsbegrip. Je onderscheidt namelijk twee realiteiten en wel een werkelijke en een onwerkelijke. In het eerste geval spiegelt de realiteit de echte, beweeglijke, zichzelf organiserende werkelijkheid af en in het tweede geval de bedachte, geconditioneerde, vastgelegde en vanuit iets anders, doormiddel van macht en geweld, georganiseerde werkelijkheid. Uiteraard is deze laatste werkelijkheid in de grond van de zaak terug te brengen tot de werkelijke realiteit. Ze is er immers uit voortgekomen! Ze behoort dus tot de mogelijkheden van de werkelijkheid. Maar die mogelijkheid blijkt een fictieve te zijn, die, tot het einde toe doorgedacht, tot vernietiging leidt. Opmerkelijk is dat de wereld als onwerkelijke realiteit met geweld in stand gehouden moet worden om uiteindelijk, ondanks alle dwangmaatregelen, toch ten onder te gaan. Zo groot kan de macht van diegenen die aan het hoofd van zo'n onwerkelijke realiteit staan niet zijn of het loopt tenslotte toch in een fiasco uit. Het is logisch dat die zaak met geweld in stand moet worden gehouden omdat de werkelijke realiteit beweeglijk is en dus in strijd ermee en zich als zodanig in allerlei mensen laat gelden. In de praktijk ondermijnen die mensen, alleen al door hun zijn, almaar die gewelddadige zaak. Je kunt dus zeggen dat het natuurlijke, dat wil zeggen het verschijnsel mens als beweeglijke zaak, het tegennatuurlijke steeds ondermijnt, precies zoals we dat gezien hebben bij het onthouden van kennis.

Met een bepaalde vorm van geweld proberen we zover te komen dat we de dingen kunnen onthouden, maar steeds weer leidt het natuurlijke in ons ertoe dat wij ze vergeten. Een realiteit die onwerkelijk is kan niet anders dan een gewelddadige zijn. Het beweeglijke moet stilgelegd worden. Onze wereld is dan ook een door en door gewelddadige wereld die er, let wel, niet is op grond van ingeboren slechtheid van het verschijnsel mens, maar op grond van een, door leerprocessen verkregen, verminkt, want vastgelegd, zelfbewustzijn. De gewelddadigheid is dus een cultuurverschijnsel dat als zodanig behoort tot datgene dat gewoonlijk de menselijke geest genoemd wordt, maar dat in feite het zelfbewustzijn is. Die realiteit van geweld wordt gekenmerkt door het feit dat alles er geforceerd aan toegaat. Niets kan zijn eigen beloop hebben, steeds moet er ingegrepen worden, tegenwoordig fraai verdoezeld met het begrip beleid voeren. Daardoor lijkt de fictie niet zo ernstig, maar het tegendeel is waar...

onthouden-1; onthouden-2

No. 103

We hebben ons nu geruime tijd bezig gehouden met het zelfbewustzijn, waarbij dan speciaal de werkelijkheid als voorstelling op de voorgrond stond. Dat zelfbewustzijn berust wezenlijk op de drieslag materie - materie als niet-materie - niet-materie, waarin dan het begrip niet-materie overeenkomt met het gangbare begrip geest en het begrip materie als niet-materie met het begrip voorstelling. Daarbij heb ik er nadrukkelijk op gewezen dat het begrip geest geen enkele inhoud heeft, noch enigerlei werking uitoefent op wat dan ook. Dit op grond van het feit dat we te doen hebben met een werkelijkheid die zich gedraagt alsof ze louter van elkaar onafhankelijke beweeglijkheden was. Alles wat wij doorgaans onder de rubriek geest situeren behoort in feite onder de rubriek zelfbewustzijn en is dus als zodanig een werking van de genoemde drieslag. Ons filosofische begrip geest kan er evenwel niet af gedacht worden, want anders is het laatste verschijnsel niet te begrijpen. Je zou bijvoorbeeld niet in de gaten hebben dat de voorstelling voortdurend instort, om zich vervolgens weer op te bouwen. En in dat geval zou ook het cultuurproces van het vastleggen, onder andere door de leerprocessen, niet te begrijpen zijn. Nu ik het nog eens wat uitvoeriger over het begrip bewustzijn wil hebben moet ik er als eerste op wijzen dat dit begrip onder het hoofdstuk materie valt. Het bewustzijn komt namelijk in de materie voor. Als trilling is het op zichzelf natuurlijk niet materieel, maar omdat die trilling aanwezig is in de bouwsteen behoort hij tot het materiële. Als nu die trilling in de bouwsteen, door de grote mate van innigheid van de samenstelling van het door de bouwstenen gevormde verschijnsel, een totaaltrilling geworden is - en dat is het geval bij het levende verschijnsel - spreek ik van bewustzijn. Dat is te zeggen: voor zover die totaaltrilling zich laat gelden als één zaak, als een geheel, geldt dat begrip, en voor zover het toch ook nog een totaal is, dus een verzameling van verschillende trillingen (in de bouwstenen), geldt het begrip levend-zijn. We hebben al eerder besproken dat het bewustzijn door ons ervaren wordt als een beeld van de werkelijkheid als geheel. Daarbij moet bedacht worden dat dit ervaren slechts aan de mens voorbehouden is: hij is de enige die wéét heeft van die werkelijkheid. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat die werkelijkheid altijd een rol speelt in de zelfbewuste voorstelling. Meestal, en zeker in onze cultuur, is de zaak verwaarloosd en voor zover hij toch bekend is wordt hij verdrongen. De niet-menselijke levende verschijnselen evenwel hebben geen weet van hun bewustzijn, maar gedragen zich automatisch, op grond van natuurlijke programma's, overeenkomstig dat bewustzijn. Voor die levende wezens geldt het begrip voorstelling niet en daardoor kunnen zij ook niet misleid worden en een fictieve werkelijkheid voor de echte aanzien. Alle levende wezens hangen, door het gelden van het bewustzijn, samen met hun omgeving en zijn in de praktijk daarvan afhankelijk. Dat is ook het geval met een pasgeboren kind. In dat kind is het bewustzijn als geheel aanwezig. Er ontbreekt - als dat kind gezond is - niets aan. De samenhang met de omgeving is er dus ook onmiddellijk. Wat ons echter, bij het nadenken daarover, steeds van de wijs brengt is het feit dat het zelfbewustzijn nog inhoud moet krijgen en dat daardoor de afhankelijkheid om te beginnen nog volledig is. Ondanks die volstrekte afhankelijkheid functioneert dat jonge kind toch in zijn omgeving, denk maar aan het leven in de baarmoeder.

Omdat voor ons het leven als vanzelfsprekend een zelfbewust leven is hebben wij er moeite mee te begrijpen dat het jonge kind qua bewustzijn onmiddellijk efficiënt functioneert. De mens herkent (zelfbewust) de buitenwereld omdat in hem de werkelijkheid als bewustzijn aanwezig is. Dat herkennen is dus niet zonder de aanwezigheid van die buitenwereld. Maar juist door die buitenwereld wordt voor hem het bewustzijn, op de wijze van een beeld ervaarbaar. Je kunt zeggen: zonder de ervaring van de buitenwereld, die zich omzet tot een voorstelling, is de werkelijkheid als beeld niet als zodanig aanwezig. Wel is natuurlijk het bewustzijn als totaaltrilling in de kwaliteit van het geheel aanwezig. Dit bewustzijn wordt echter aan de voorstelling tot beeld. Om dit duidelijk te krijgen kun je denken aan de muziek. Het begrip muziek houdt in het totaal aan alle muziekwerken, maar het is ook een begrip op zichzelf, laten we zeggen de verklanking van de werkelijkheid als bewustzijn. Door nu een bepaald muziekwerk te horen straalt die werkelijkheid als bewustzijn door, en voor die door gestraalde werkelijkheid geldt het begrip beeld - in dit geval eventueel te benoemen met klankbeeld. Bekijk je Rembrandts portret van Hendrikje Stoffels, dan gaat de voorstelling over uitsluitend dié vrouw, maar daar doorheen straalt de werkelijkheid als beeld. Dan gaat het niet meer over Hendrikje. Er wordt dan een universele werkelijkheid zichtbaar. Hendrikje is eigenlijk het plaatje, maar in feite (als je er oog voor hebt) zie je de werkelijkheid. De werkelijkheid als beeld is een werkelijkheid van in elkaar overgaande vormen. Zoals al eerder besproken geldt het begrip vorm omdat het gaat over de geworden werkelijkheid, en die werkelijkheid als een totale trilling. We hebben dus te doen met het begrip vorm als trilling. Binnen de context van dat begrip zijn de verschillende vormen, zoals die in de concrete verschijnselenwereld voorkomen, niet van elkaar gescheiden door grenzen, maar zij gaan in elkaar over. Dat is het begrip nuance. Dit is voor ons moeilijk te begrijpen omdat een werkelijkheid als beeld, waarin alle vormen aanwezig zijn en in elkaar overgaan, op zichzelf geen voorstelling oplevert. De werking van deze zaak is precies andersom: een gegeven voorstelling maakt het beeld zichtbaar. Je ziet als het ware aan de gegeven buitenwereld, die altijd jouw buitenwereld is, een andere werkelijkheid. Men heeft wel gesproken over de werkelijkheid achter de dingen. De meeste filosofen, vooral na Immanuel Kant, zijn van mening dat die achterliggende werkelijkheid niet te kennen is, maar die misvatting is ontstaan door de verwaarlozing van het bewustzijn en de fixatie op het zelfbewustzijn voor zover dat een vastgelegde werkelijkheid tot inhoud heeft. Ik heb in het voorgaande gesproken over het begrip spiegeling. Dat begrip heeft betrekking op het doorstralen van het bewustzijn, dat als het ware de gegeven voorstelling tot een andere maakt. Daarbij is de spiegeling de vergelijking van de gegeven voorstelling met die achterliggende andere voorstelling die op het beeld gegrond is. Dat is een universele werkelijkheid. Je kunt dan ook stellen dat de kunst de universele taal bij uitstek is, en dat is zij niet op grond van haar voorstellingen, maar op grond van de werkelijkheid als bewustzijn die zij - bij benadering zichtbaar, althans ervaarbaar, maakt.

De kunstervaringen van de verschillende mensen lopen sterk uiteen en dus kan men erover twisten wat nu eigenlijk kunst is. Die twisten echter komen bijna in hun geheel voort uit conditioneringen: wat is op een zeker moment in de mode, wat wordt de mensen over de kunst verteld, welke maatschappelijke rol vervult de kunst, enzovoort. Van een zuivere kunstbeleving is, vooral in onze tijd, nauwelijks meer sprake. In de oudheid, met haar groter besef omtrent het bewustzijn, was die beleving veel sterker. Dat was dan ook een kunstzinnige tijd.

Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144)

No. 104   Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

De werkelijkheid als beeld is er pas dan als er een voorstelling is. De verhouding ligt zo dat je aan een bepaalde voorstelling een andere werkelijkheid ziet, een werkelijkheid die door de voorstelling heen straalt. Het beeld op zichzelf is niet zichtbaar omdat het eigenlijk niet bestaat buiten de voorstelling om, maar pas op: de werkelijkheid als totaaltrilling is er wel. Het is immers een materieel verschijnsel! Enerzijds is het er als levend-zijn, zich vertonend in het voortdurende bewegen van de materie waaruit het lichaam van een levend wezen bestaat, en anderzijds als bewustzijn, dat zich niet vertoont maar zich laat kennen aan de psyche, het gevoel, op de wijze van meetrillen. En behalve aan het psychische laat het bewustzijn zich dus ook via de voorstelling gelden als beeld. Er wordt vaak gezegd dat een kunstenaar probeert uit te drukken wat hij innerlijk ziet. Dat is eigenlijk niet goed gezegd omdat dat innerlijk helemaal niet uit te drukken is. Daarom is die kunstenaar op een voorstelling aangewezen om daaraan die andere werkelijkheid, dat beeld gestalte te geven. Echter: het landschap bijvoorbeeld is op zichzelf niet mooi, het is gewoon een verzameling natuurlijke en eventueel ook menselijke verschijnselen. Het mooi vinden evenwel is een puur menselijke ervaring, op grond van het feit dat door de voorstelling van het landschap heen iets anders te zien is. Een dergelijke ervaring is dus aan de mens voorbehouden, want hij is de enige in wie de werkelijkheid tot voorstelling wordt. Op zichzelf is de kosmos niet mooi of lelijk, hij is dat pas in en voor de zelfbewuste werkelijkheid, de mens dus. Wat ik hierboven over de kunst heb gezegd geldt ook voor de zuivere, de creatieve filosofie. Het is de filosoof om een beschrijving van de werkelijkheid te doen in het licht van die andere werkelijkheid. Ook hij is dus, voor zover het over die beschrijving gaat, op de gangbare voorstelling aangewezen. Dat heeft als consequentie dat hij de woorden van alledag moet gebruiken, wil hij verstaan worden. De moderne behoefte aan een vakmatig taalgebruik dat zich van eenduidige begrippen bedient is niet alleen onzinnig maar ook arrogant. Het leidt ertoe dat de filosofie onbegrijpelijk wordt en daardoor voor niemand meer te volgen. De Duitse filosoof Martin Heidegger (1889-1976) stond zo'n filosofische taal voor en hij was bovendien van mening dat die taal op het Duits gebaseerd moest zijn omdat dit de enige taal zou zijn waarin men filosoferen kan. Hij beweerde zelfs dat bijvoorbeeld een fransman, hoewel Frans sprekend en schrijvend, toch in het Duits filosofeerde. Over arrogant gesproken! Er zijn mensen geweest die geprobeerd hebben op te gaan in en een te worden met de andere werkelijkheid van het bewustzijn. Zij verkeerden daarbij in de mening dat zij het goddelijke of god zochten. Hoewel die mystici wel tot de ontdekking kwamen dat die werkelijkheid op zichzelf onzegbaar was waren zij toch op de taal van alledag aangewezen om aan die werkelijkheid uitdrukking te geven. Van Meister Eckhart (ca.126O-1328) bijvoorbeeld zijn nog preken bewaard gebleven en daaruit blijkt dat hij de gangbare taal gebruikte, en dus de gangbare voorstellingen, om duidelijk te maken waarover hij het had. Dat geldt overigens voor vrijwel alle grote mystici.

Het zien van die andere werkelijkheid via de voorstelling is een zaak die geheel en al zonder bedoeling moet zijn. Dat geldt in hevige mate voor de creatieve filosofie. Zou je namelijk er op uit zijn die andere werkelijkheid te ontdekken om een bepaald doel te bereiken, dan streef je iets na dat inhoud van je voorstelling is en dat als zodanig vastgelegd is. Je handhaaft en versterkt dan een bepaalde voorstelling, maar het is juist dit vasthouden aan en handhaven van het vastgelegde dat aan het zien van het beeld in de weg staat. Het doorstralen van het beeld vooronderstelt immers een voorstelling die, op grond van het gelden van beweeglijkheid, doorzichtig is. We herinneren ons het verhaal over de functie van het in twijfel trekken, dat een laten gelden is van het feit dat de inhoud van het zelfbewustzijn zich steeds tot een voorstelling opbouwt en onmiddellijk weer instort. Als dit wezenlijke karakter van het zelfbewustzijn voor je geldt is er van het vasthouden aan een voorstelling geen sprake en dus kun je ook geen vooropgezette bedoelingen hebben. Voor de goede orde: het gaat nu natuurlijk niet over het feit dat je je filosofische ontdekkingen op wilt schrijven of erover wilt vertellen. Het gaat om bedoelingen van inhoudelijke aard, bijvoorbeeld om een bepaald vooropgezet idee te bewijzen. In dit verband wijs ik ook op datgene dat aan het begrip spel te bedenken valt. Ook daarbij gaat het essentiële verloren door de bedoeling. In feite maak je, als je met een vooropgezette bedoeling te werk gaat, het proces van het ervaren en laten gelden van de werkelijkheid als beeld ondergeschikt aan iets anders. In de filosofie en de kunst heeft dit ondergeschikt maken onmiddellijk een negatief resultaat. Er komt dan in feite niets van de zaak terecht. Maar ook op het terrein van het maatschappelijke leven laat het zijn sporen na, bijvoorbeeld bij de productie van de voor het leven benodigde spullen. Doordat er daarbij een bedoeling voorzit wordt het product niet wat het zijn moet: het wordt een winstobject. We moeten ook nog op het volgende letten: als je aan een bepaalde voorstelling, waartoe ook datgene behoort dat een kunstwerk je laat ervaren, de werkelijkheid als beeld beleeft, dan is die belevenis gebonden aan die bepaalde voorstelling. Dat is uiteraard op zichzelf een deelgebied van de werkelijkheid. Het is maar een beperkt stukje. De belevenis van het beeld echter is niet beperkt tot een deelgebied. Je beleeft de werkelijkheid als geheel, en wel omdat het de totaaltrilling is die zich aan dat deelgebied manifesteert. Je komt dus zogezegd in de sfeer van het geheel en dat is in feite de sfeer van het bewustzijn. Kathe Kollwitz (1867-1945) heeft zich in haar grafische werk voornamelijk toegelegd op het uitbeelden van de armoe en de ellende, veroorzaakt door allerlei sociale misstanden. Bekend van haar zijn de series Wevers opstand, oorlog en Proletariaat. Dat werk is duidelijk nadelig beïnvloed door het feit dat er bij haar een bedoeling voorzat, de politieke bedoeling namelijk van het socialisme. Iets dergelijks was ook het geval bij de al eerder genoemde Martin Heidegger. Het is onmiskenbaar een feit dat hij op het spoor was van de universele werkelijkheid van het bewustzijn. Zijn nazistische bedoelingen echter, als echte Duitser met de daarbij behorende verheerlijking van Blut und Boden en van de strijd, maakten het hem onmogelijk er achter te komen hoe het nu werkelijk zit. Hij had namelijk de bedoeling die specifieke Duitse cultuurbegrippen te verheffen tot algemene begrippen die bij de authentieke mens zouden behoren. Daarmee leverde hij zich aan een vastgelegde voorstelling uit en sloot de weg af naar het bewustzijn. Ik heb mij tot nu toe voornamelijk bediend van voorbeelden uit de kunst en de filosofie om duidelijk te maken hoe het zit met de werkelijkheid als beeld en het zien daarvan. Dat kan de indruk wekken dat het slechts aan filosofen en kunstenaars vergund zou zijn zichzelf als bewustzijn te ervaren. Dat echter is een foute indruk.

De kunstenaars en filosofen zijn de meest uitgesproken representanten van die zaak (als het goed is!), maar voor ieder mens geldt precies hetzelfde, zij het dan dat dit overwegend onder druk staat van de heersende culturen en daardoor afhankelijk is van het ontwikkelingsproces in de mensheid.

Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

No. 105

De creatieve kunstenaars en de filosofen zijn op het zien van de werkelijkheid als beeld toegespitst. Dat is het gevolg van het feit dat zij qua zelfbewustzijn enigszins afwijken van de normale mensen, in die zin dat het beweeglijk-zijn van het zelfbewustzijn, en daarmee ook dat van de voorstelling, dominant is over het vastgelegd-zijn. Die kunstenaars en filosofen zijn bijgevolg minder het slachtoffer van de conditioneringen vanuit de cultuur waarin zij leven moeten. Uiteraard hebben zij ook hun conditioneringen, maar die worden door hen vaker en gemakkelijker in twijfel getrokken en daardoor voortdurend doorbroken. Daarom zijn zij minder het slachtoffer. Maar aan de andere kant levert die toespitsing wel degelijk minder aangename eigenschappen op. Elke toespitsing, elke gericht-zijn op iets heeft zijn bezwaren, in het geval van de kunstenaars en filosofen liggen die bijvoorbeeld op het vlak van het dagelijkse leven en dan speciaal waar het de omgang met medemensen betreft. Wij mogen niet vergeten dat de kunstenaars en de filosofen in het verband van onze gedachtegang slechts als voorbeelden worden aangehaald. In feite geldt het zien van het beeld voor elke mens. De spiegeling van voorstelling en beeld is een algemeen menselijk gegeven. Als ik dus zeg dat je in de kunst en de filosofie kunt zien hoe het zit met die spiegeling, dan betekent dat niet dat die zaak bij de overige mensen niet aanwezig zou zijn. Het is dus beslist niet de bedoeling om kunstenaars en filosofen als betere of meer heldere mensen voor te stellen. Echter; als het over de normale mensen gaat moet je je afvragen wat er, gezien in het licht van de cultuur ontwikkeling, van terechtkomt. Dan zie je dat gedurende lange tijd het vastgelegde domineert en dat dit eigenlijk slechts stapsgewijze doorbroken wordt bij de opeenvolging van de geslachten. Dat is echter een niet-zelfbewuste zaak. In de praktijk is dus bij die normale mensen nauwelijks van spontane zelfbewuste spiegeling te spreken. Het vrijwel geheel ontbreken van die spiegeling is geen gebrek van die normale mensen. Juist zij zijn het die geheel en al in het verhelderingsproces van de werkelijkheid betrokken zijn. Juist zij laten zien hoe het er met en in de werkelijkheid aan toe gaat: de mensen moeten een hele weg afleggen om tenslotte volwassen te worden. Die weg is er niet af te denken. De stappen die de mensheid op die weg zet zijn de opeenvolgende momenten van helderheid via de voortplanting. Elk volgend geslacht begint met een helder zelfbewustzijn. De voorstellingen die daarin ontstaan zijn onvermijdelijk steeds iets anders dan die van het vorige geslacht en omdat het over helderheid gaat (dat is: beweeglijkheid) is elke volgende stap iets helderder dan de vorige. Dat is de normale gang van zaken. De mensen hebben voorstellingen en zij hebben de behoefte die vast te houden, uit zelfbehoud. Zonder die voorstellingen is overleven volstrekt onmogelijk, de mensen zouden geen kennis omtrent hun werkelijkheid verwerven en bijgevolg volkomen hulpeloos zijn. Zij komen immers ter wereld zonder enig programma waarin hun natuurlijk gedrag bij voorbaat vastgelegd is! Zij moeten dus programma's maken. Dat levert iets tegenstrijdigs op: enerzijds is het programma, op grond van een vastgelegde voorstelling, noodzakelijk en onvermijdelijk, maar anderzijds belet datzelfde programma de mensen om de spiegeling met de werkelijkheid als beeld zelfbewust te laten gelden.

Juist omdat dit de normale natuurlijke gang van zaken is kun je niet van een gebrek bij de mensen spreken en eigenlijk moet je tot de conclusie komen dat kunstenaars en filosofen afwijkingen van het natuurlijke zijn. In de praktijk blijkt dat ook, men noemt hen niet voor niets cultuurdragers. Dat heeft iets verhevens, maar dat komt niet doordat het over iets werkelijk verhevens zou gaan, maar omdat er in een onvolwassen mensheid noodzakelijkerwijs van bovenaf gedacht wordt. Als je over de mensheid filosofeert en je komt tot de ontdekking dat de gewone mensen het normale ontwikkelingsproces afspiegelen voor zover dat zonder bijzondere uitschieters zijn eigen gang gaat, dan weet je meteen dat je de geschiedenis en het heden van de mensheid niet kunt begrijpen als je uitsluitend op de uitschieters let. Het van bovenaf denken leidt dus niet tot begrip inzake de werkelijkheid. Het levert, filosofisch gezien, een fictie op, ondanks het feit dat die uitschieters uitdrukking geven aan de echte werkelijkheid - als het goed is... Het is al in de Romeinse cultuur begonnen dat men niet meer vanuit het normale is gaan denken, maar vanuit datgene dat als het hogere beseft werd. Gevolg daarvan is dat in het denken de bijzondere mensen op de voorgrond zijn komen te staan: de staatslieden, de militairen, de geestelijken en de denkers. Bepalend zijn dus uitzonderlijke minderheden geworden. Op zichzelf kon ook dat niet uitblijven, maar wij zitten er in onze cultuur wel mee dat dit van bovenaf denken de maat is geworden en inmiddels tot een enorme chaos in de mensheid geleid heeft, een chaos die voornamelijk gegrond is op verwijten en haat. Iedereen schiet immers in de ogen van iedereen schromelijk tekort! Het is bijvoorbeeld een feit dat er tegenwoordig erg veel aan gemeenschappelijke voorzieningen vernield wordt. Dat is aanleiding om diegenen die die vernielingen aanrichten verwijten te maken. Dat is op zichzelf en met betrekking tot de daders volkomen terecht. Maar niet terecht is het als men op grond daarvan concludeert dat de mensen niet deugen, asociaal zijn en daarom hard aangepakt moeten worden. ( wat is wangedrag ) De oorzaak van hun wangedrag is niet gelegen in het ontbreken van toezicht en gezag, maar juist in het feit dat zij geprogrammeerd zijn op het zich volledig onderwerpen aan toezicht en gezag. Daardoor is voor hen nooit tot gelding gekomen dat al die voorzieningen wezenlijk hun eigen voorzieningen zijn. Voor hen zijn het zaken die bij die wereld van boven, die overheid, behoren. Het daarbij behorende denken leidt tot een steeds grotere chaos. Aan de ontwikkelingsweg van de mensheid is te zien dat langzaam maar zeker alle aspecten van de werkelijkheid als bewustzijn voor de dag komen. Op het ogenblik zie je dat de mensen zich meer en meer van hun individu-zijn bewust worden. Dat gaat gepaard met een groot aantal vervelende bijverschijnselen, zoals nationalisme, terreur en dergelijke, maar niettemin is het een feit. Het individu-zijn berust hierop dat het een het ander niet is. Dat is op zijn beurt weer terug te brengen tot het feit dat het bewustzijn de werkelijkheid als totaaltrilling is en dat die werkelijkheid een verzameling van verschillende trillingen inhoudt. Dit laatste komt voor de dag, zij het als een op zichzelf staande zaak, in het ontwaken van het individualisme. De mensen maken zich los uit het collectief dat de verzameling is en gaan laten gelden dat zij ieder voor zich een component van het totaal zijn. De mensheid, als een geheel van afzonderlijke mensen, wordt zich over de gehele wereld hiervan bewust en brengt deze ontdekking tot ontwikkeling. Zij doen dat niet zelfbewust, zij beseffen alleen maar Ik ben er ook nog. Het tot ontwikkeling brengen van dergelijke ontdekkingen verbreekt onvermijdelijk het geheel waaruit het ontdekte voortgekomen is.

Het er uitlichten van een bepaald aspect van de totaaltrilling doet het geheel, dat die totaaltrilling ook nog is, instorten. Het doorstralen van de werkelijkheid als beeld komt dus in de mensheid voor de dag aan allerlei kleine verschuivingen in het besef omtrent de werkelijkheid. Die verschuivingen zijn niet zonder schoonheid, vandaar dat het nooit zonder een bepaalde vorm van ontroering gaat.

No. 106

Het is een misvatting te menen dat de mensheid geheel op eigen zelfbewuste kracht haar weg gaat. Die misvatting komt voort uit het feit dat de mens als geest een volledige ontkenning is van de werkelijkheid als verschijnsel. Die ontkenning echter blijft geheel en al bij zichzelf en dat wil zeggen dat hij niet tot een andere werkelijkheid leidt. Ik heb er al met nadruk op gewezen dat de geest helemaal niets is: geen bestaand iets. Dat is het geval omdat de werkelijkheid, voor zover ze zich als louter beweeglijkheid laat gelden, geen enkele inhoud heeft en, om zo te zeggen, alleen maar helder is. Het feit dat die laatste helderheid slechts denkbaar is (maar er als zodanig niet af gedacht kan worden) laat zich in de mensheid gelden en brengt haar ertoe te geloven dat zij een keuze heeft en op grond daarvan haar eigen weg kan bepalen. In feite echter is de weg van de mensheid op aarde uitsluitend de weg die de werkelijkheid zelf, in haar uitwikkeling, gaan moet. Die weg had volstrekt niet anders gekund. Wel echter kunnen details min of meer op een keuze berusten. Als bijvoorbeeld Napoleon in juni 1815 de beschikking had gehad over meer kanonnen en er een gunstiger weersgesteldheid was geweest (ik noem maar wat!), zou hij misschien de slag bij Waterloo gewonnen hebben. Dan had de concrete geschiedenis een iets andere loop gehad..., maar Napoleon zou toch uit West-Europa weggejaagd zijn, en wel omdat hij niet meer samenviel met het op dat moment aan de orde zijnde ontwikkelingsmoment. Uit het bovenstaande mag nog eens blijken dat begrip omtrent de mensheid niet verduisterd mag worden door de handelingen van uitzonderlijke personen, die in bepaalde opzichten bij machte waren en zijn om incidentele, maar op dat moment voor een gedeelte van de mensheid ingrijpende, keuzes te maken. Je moet daarentegen heel scherp letten op datgene dat de gewone mensen vertonen. En je moet je er in oefenen dat niet van bovenaf te waarderen. Je kunt de weg van de mensheid om volwassen te worden ongetwijfeld typeren als een lijdensweg. Maar toch is die lijdensweg niet zonder een bepaald aspect van schoonheid. In de klassieke Russische literatuur bijvoorbeeld tekenden schrijvers als Fjodor Dostojewski (1821-1881) het Russische volk. Los van het feit dat zo'n tekening op zichzelf een zaak van schoonheid is, is er ook nog de schoonheid van dat volk. Die uitte zich bijvoorbeeld in de oneindig weemoedige liederen van de steppe en de grote rivieren, in het diepe medelijden met misdadigers, in het bijzondere en levende geloof in Christus en in de prachtige liturgie van de Russisch orthodoxe kerk. Kennismaking daarmee gaat onvermijdelijk gepaard met een grote ontroering. Rusland is doortrokken van een alles doordringende, niet-artistieke, schoonheid... Een ander aspect van schoonheid hebben wij dezer dagen meegemaakt toen de mensen uit het Oostblok zich bevrijdden van de collectivistische tirannie door de zogenaamd communistische bovenlaag. Ook die taferelen waren ontroerend. Zo zijn er vele voorbeelden te geven. Zoals al eerder gezegd is het opkijken naar grote figuren, zoals kunstenaars, filosofen, staatslieden en dergelijke, een gevolg van het van bovenaf denken dat kenmerkend is voor onze cultuur en wezenlijk ook al voor die van de Romeinen. Wij moeten daarbij enkele zaken goed van elkaar onderscheiden.

Er is namelijk enerzijds het opzien naar alles wat beter, edeler en intelligenter is, en dat is dus een beweging van beneden naar boven, terwijl er tegelijkertijd in het denken een beweging is van boven naar beneden. In het denken stelt men zich op dat hogere en edeler standpunt om van daaruit aan de gang te gaan. Daardoor verschijnt de gehele realiteit in het licht van dat hogere en edele, met als dramatisch gevolg dat die realiteit vertekend wordt, verwrongen tot een zaak die hij helemaal niet is. Men verbeeldt zich slechts dat die zaak zo is, en men handelt daar automatisch naar. Die handelingen zijn dus wezenlijk een slag in de lucht, die toevallig wel eens raak kan zijn, maar doorgaans verkeerd uitpakt. In de westerse cultuur gaat het om naakte macht. De kiem daarvoor lag al klaar in de oude Germaanse wereld. Opmerkelijk voor die wereld is dat men de helden uit de sagen van beneden naar boven besefte: het waren mensen die door hun voortreffelijke eigenschappen of door de voorzienigheid omhoog gestuwd werden, boven de gewone mensen uit. Vanuit die hoge positie verrichtten zij dan hun edele daden die tevens strijd tegen het kwade betekenden.

Het karakter van onze huidige westerse wereld is nog precies zo. Voor een belangrijk deel spiegelt onze democratie deze beweging van beneden naar boven af. Nu viel destijds de christelijke godsdienst, wat zijn machtsstreven betreft, in een vruchtbare bodem. De christenen kwamen aantoonbaar - volgens de toenmalige begrippen - met de machtigste god. Deze god voerde zijn heerschappij niet slechts over een deelgebied van de werkelijkheid (het weer, de oorlog, de gezondheid en dergelijke), maar over de gehéle werkelijkheid. Hij was alom tegenwoordig en regeerde het totale ondermaanse. De oude Griekse cultuur echter, als culminatiepunt van de gehele oudheid, stond daar lijnrecht tegenover. Je kunt dat nog begrijpen uit de Ilias van Homeros. De held Achilles bijvoorbeeld was van goddelijke oorsprong; hij was de zoon van Thetis die een nimf was en dus een godin. De Griekse held werd kennelijk niet van beneden naar boven beseft, maar van boven, vanuit het edele, naar beneden. Het bij een dergelijk besef behorende denken bewoog zich van beneden naar boven. Alle waardeoordelen werden vanuit de natuur en de mens gedacht. De beoordeling van de mens vond zijn uitgangspunt in de mens en niet in een hoger principe. Dienovereenkomstig dacht men de mens als uitlopend in het eeuwige, het zogenaamd goddelijke, in feite het geheel dat de werkelijkheid is. In de oudheid kon je dan ook zien dat de heersers van goddelijke komaf waren en dat iedereen zich naar die zaak toedacht. Men dacht zich als een zaak die uiteindelijk in dat goddelijke zijn bestemming zou vinden. De restanten van dat denken vinden wij nog in de zogenaamde evangeliën. Kenmerkend daarin is dat de mensen uitdrukkelijk niet veroordeeld worden, niet gebukt gaan onder zonde en schuld. De Zoon van de mens - wij noemen hem Jezus - was van goddelijke komaf (besef), maar zijn denken was van beneden naar boven. In het latere Romeinse Christendom lag dat precies andersom: Christus werd als naar boven verheven beseft (opstanding en Hemelvaart), maar diens leer is van boven naar beneden. In die leer fungeert hij nog steeds als middelaar tussen god en de mensen. Die mensen zijn per definitie zondig en schuldig. In het kort gezegd: 1) het westerse denken, met de daarbij behorende waardeoordelen, geschiedt van boven naar beneden, en het denken van de oudheid vormde zijn waardeoordelen van beneden naar boven. En 2) in het westerse besef wordt alles naar boven toe geprojecteerd, terwijl in het antieke besef alle verschijnselen, inclusief de mens, naar beneden toe verkleind werden tot een microkosmos. De noodzakelijke onderscheiding ligt dus bij het begrip het besef en het begrip het denken. In de oudheid drukten de mensen hun besef uit in beelden. Dat waren beelden uit en van het goddelijke, feitelijk natuurlijk uitdrukkingen van de werkelijkheid als beeld. Uiteraard werd die werkelijkheid aan de voorstelling afgelezen en uitgedrukt in voorstellingen met een beeldend karakter. Het ging echter niet om de voorstelling, maar dat is, te beginnen met de Romeinse cultuur, in de westerse wereld precies andersom komen te liggen. De Christelijke god dankt zijn aanvaardbaarheid juist aan zijn (vermeende) concrete bestaan.

No. 107

gelijkwaardigheid-1  gelijkwaardigheid-2  gelijkwaardigheid-3 ; Maagd-1   Maagd-2   Maagd-3, nrs. 141,142 en 143

Het is opvallend dat je vrijwel nooit een denker tegenkomt die in de gaten heeft dat de werkelijke geschiedenis van de mensheid een geheel andere is dan de feitelijke. Wat dit laatste betreft, de hedendaagse studie van de geschiedenis staat op een aanzienlijk hoger plan dan enkele tientallen jaren geleden. Men heeft veel meer oog gekregen voor de geschiedenis van het dagelijkse leven. Ook is de bronnenstudie veel intensiever, mede door het feit dat men is gaan inzien dat juist simpele overblijfselen uit vroeger tijden, zoals brieven van gewone mensen, zakelijke overeenkomsten, doktersrekeningen, enzovoort, veel meer te zeggen hebben dan voorheen werd aangenomen. De aandacht van de moderne historici is verlegd van de handelingen van de culturele en politieke bovenlaag en het louter causale verband tussen die handelingen (voornamelijk betrekking hebbend op machtsstrijd) naar het dagelijkse leven van de gewone mensen. Dat hangt samen met het tegenwoordig groeiende besef dat enerzijds de bovenlaag helemaal niet zo bepalend voor de verschillende culturen is en anderzijds dat het zogenaamde volk wel degelijk uit een verzameling individuen bestaat. Ondanks die indringender benadering van de geschiedenis, ook wat betreft de cultuurgeschiedenis, is het een zeldzaamheid als een onderzoeker de feitelijke geschiedenis beschouwt als het tastbare resultaat van een veel dieper liggend proces, namelijk de ontwikkeling van het zelfbewustzijn. Maar als je dat wel doet, dan ontdek je dat er ten tijde van het begin van onze jaartelling een bijzonder belangrijke omslag in de geschiedenis geweest is. Die omslag vond plaats nadat de culturen van de oudheid in de Griekse cultuur hun bekroning hadden gevonden, enerzijds verbeeld in de godin Afrodite en anderzijds verwoord in gnostische geschriften als de Evangelien. Doorgaans worden deze geschriften ten onrechte in de historische lijn van de Joodse cultuur geplaatst en dus gezien als een sublimering van die cultuur. In werkelijkheid zijn zij Grieks en houden als zodanig veel méér in dan alleen maar het joodse cultuurmoment. Het cultuurbeeld van de maagd met het kind bijvoorbeeld is helemaal niet joods maar van oorsprong Indisch. De omslag in de cultuur kwam historisch voor de dag in de strijd van de Romeinen tegen de volkeren van Griekenland en Klein-Azië. Voor deze laatste volkeren was de rol die het bewustzijn speelde kenmerkend, in tegenstelling tot de Romeinen. Bij hen begon het zelfbewustzijn dominant te worden. Let wel, het gaat nu om de rol die beide begrippen spelen. Uiteraard gold voor de mensen uit de oudheid ook het begrip zelfbewustzijn. Maar het speelde een andere rol. De inhoud ervan, de voorstelling dus, werd in de oudheid voornamelijk bepaald door verbeeldingen, die gegrond waren op datgene dat vanuit de werkelijkheid als beeld doorstraalde. Die verbeeldingen zijn te omschrijven als in denkbeelden uitgedrukte kennis omtrent de werkelijkheid. Dat leidde tot mythische verhalen die uitdrukking gaven aan de werkelijkheid als beeld, en dus aan de echte werkelijkheid achter de dingen. Te beginnen met de late Grieken en de Romeinen begon het zelfbewustzijn te domineren, zich vertonend als gericht zijn op de voorstelling. Dat wat die te zien gaf werd de maat en dat is tegenwoordig nog steeds zo. Nu bevat de voorstelling een verzameling (het begrip totaal) werkelijkheden en dat leidt ertoe dat men overging tot het maken van onderscheid tussen het een en het ander. Daarmee begint de analyse en deze is onverschillig voor dat wat van de werkelijkheid als beeld zichtbaar is. Het gaat nu om de feiten en voortaan wordt alle kennis uitgedrukt in formules - niet langer in beelden.

Dat is aan het christendom goed waar te nemen, alles wordt voorgesteld als een feitelijkheid: Christus heeft echt geleefd, de wonderen zijn echt verricht, hij is werkelijk opgestaan en ten hemel gevaren, enzovoort. En de werkelijkheid wordt steeds meer beschreven in formules, zoals je bij de moderne wetenschap kunt zien. Zoals ik al eerder heb opgemerkt is de moderne wetenschap eigenlijk niets anders dan onderzoek van de voorstelling. Bij een dergelijk onderzoek behoort de eis dat alle kennis aantoonbaar en bewijsbaar (aanwijsbaar) juist moet zijn. Als dat niet mogelijk is, dan geeft men er in de godsdienst een draai aan door ofwel te beweren dat een bepaalde gebeurtenis op een wonder berust, ofwel door de mensen op straffe van hel en verdoemenis te dwingen geloof aan de zaak te hechten. De door mij bedoelde omslag is bepaald niet zonder geschiedkundige gevolgen gebleven. In de voor de omslag liggende oude wereld leefden de mensen in een geheel andere verhouding tot de werkelijkheid dan erna. Voor de omslag was de verhouding reëel; men hield zich bezig met de echte werkelijkheid zoals die als bewustzijn voor de mens geldig is. De kennis daaromtrent werd weliswaar uitgedrukt in mythische beelden en men onderging religieuze gevoelens, maar dat alles had toch betrekking op de waarheid. Het is waar dat je met een dergelijke waarheid niet zo goed kunt overleven, maar intussen blijft het een feit dat je niet in een fictie leeft. Dat werd na de omslag heel anders zodat de mensheid gaandeweg dieper in de fictie weg ging zakken. De door gestraalde werkelijkheid werd steeds meer onbetrouwbaar en subjectief gevonden, terwijl daarentegen de werkelijkheid zoals ze wezenlijk niet is, namelijk de werkelijkheid als voorstelling, voor de enig ware werd aangezien. De waarheid was voortaan niet meer de maat, maar het concrete, aanwijsbare bestaan. De Romeinen begonnen dan ook met bijvoorbeeld het vervaardigen van gelijkende individuele portretten in plaats van uitdrukkingen van het wezen en het was Pilatus, de Romein, die zich met betrekking tot het denkbeeld van De zoon van de mens (Jezus) afvroeg: wat is waarheid? Er is geen symmetrie tussen de cultuur van de oudheid en die van de nieuwe tijd of, anders gezegd: er is geen gelijkwaardigheid. De mensen uit de oudheid hadden betrekkelijk weinig kennis maar hadden een juist inzicht in de werkelijkheid - die van de nieuwe tijd hebben veel kennis maar wéten nauwelijks iets... De werkelijkheid als voorstelling levert een fictie op, niet omdat die voorstelling fout zou zijn, maar omdat een voorstelling, al is hij nog zo getrouw, de werkelijkheid niet is. De voorstelling is niet de zaak zelf. Precies zoals een satellietfoto van Nederland ondanks zijn betrouwbaarheid toch Nederland niet is. Al eerder heb ik er op gewezen dat de voorstelling zijn waarheid vindt bij de werkelijkheid als beeld en het is uitgesloten die waarheid aan iets anders te ontlenen. Dat wil evenwel niet zeggen dat men qua voorstelling met onzin genoegen zou kunnen nemen. De westerse mens doet dat dan ook niet. Maar ondanks het feit dat de kennis omtrent de werkelijkheid als voorstelling inmiddels gigantisch gegroeid is blijven wij toch zitten met een zaak die niet is zoals de werkelijkheid echt is. Een goede illustratie hiervan vind je in de architectuur en dan speciaal bij de stedenbouw.

Vergelijk je een oud stadje als Brugge met het moderne Rotterdam, dan zie je dat in het eerste geval de bebouwing en de plattegrond ontstaan zijn vanuit het concrete dagelijkse leven van de individuele mens, met zijn behoeften, verlangens en ook ijdelheden, terwijl in het tweede geval te spreken is van een van bovenaf bedachte zaak die met behulp van allerlei modieuze theorieën gerealiseerd wordt. Was de inspirerende gedachte vroeger Ik moet een goed huis hebben, thans gaat men uit van wij gaan een stad ontwerpen, een Manhattan aan de Maas, geheel volgens de gangbare theorie en mode. Het resultaat is geen leefbare stad maar een blokkendoos.

gelijkwaardigheid-1  gelijkwaardigheid-2  gelijkwaardigheid-3 ; Maagd-1   Maagd-2   Maagd-3, nrs. 141,142 en 143

No. 108

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8

Het hoofdthema waarmee we op het ogenblik bezig zijn is de werkelijkheid als bewustzijn, en in dat verband heb ik er op gewezen dat de mensen uit de oudheid gericht waren op het bewustzijn en er een veel grotere aandacht voor hadden dan in onze cultuur het geval is. De woorden gericht zijn op en aandacht hebben voor zijn eigenlijk niet goed, omdat zij suggereren dat de mensen van de oudheid geweten zouden hebben hoe het zit en daardoor heel zelfbewust met die werkelijkheid bezig waren. Dat echter was niet zo. Het ging allemaal heel intuïtief en kinderlijk. Het bedrieglijke zit hierin dat wij, achteraf, letten op die dingen die voor ons de hoogtepunten zijn. Wij doen dat omdat wij vanuit onze cultuur van bovenaf denken. We herinneren ons dat het begrip bewustzijn betrekking heeft op de werkelijkheid als totaaltrilling, waaraan enerzijds te bedenken valt dat dit een verzameling van alle mogelijke trillingen is - zich manifesterend als levend-zijn - en anderzijds dat het een ondeelbaar geheel is: het bewustzijn. Op zichzelf is in het bewustzijn niets aanwijsbaar, slechts via de voorstelling wordt het bewustzijn, op de wijze van een beeld, kenbaar. Bovendien is het bewustzijn nergens te lokaliseren, noch in het zenuwgestel, noch in het brein. Het is een trillingsverhouding die in principe voor alle cellen geldt en die zich dus in het gehele lichaam gelden laat. Dit staat in tegenstelling tot het zelfbewustzijn dat inderdaad wel in het brein te lokaliseren is. Dat vertoont zich dan ook als een netwerk van aanwijsbare verbindingen, ruw gezegd, het zenuwstelsel. Ook is er dit verschil dat de inhoudt van het zelfbewustzijn altijd een bepaalde werkelijkheid is (voorstelling) en het bewustzijn de gehele werkelijkheid, zij het op de wijze van een trilling, omvat. De mens is het verschijnsel waarin de werkelijkheid tot weten omtrent zichzelf komt. Dat houdt in dat hij van zichzelf als de werkelijkheid weet moet hebben. Om dat te realiseren moet hij om zo te zeggen datgene in zichzelf opzoeken dat inderdaad de werkelijkheid is. Als hij dat vindt kan hij zich beroepen op objectiviteit, omdat het dan over een zaak gaat die is zoals ze is, ongeacht de persoonlijke eigenaardigheden die ieder afzonderlijk mens typeren. Objectiviteit blijkt dus gelegen te zijn binnen het geheel dat elk afzonderlijk mens is, of, met andere woorden: de objectiviteit ligt in jezelf. Dat is volstrekt in strijd met de in onze cultuur gangbare normen. Volgens ons cultuur denken ligt de objectiviteit in de buitenwereld, de wereld van de aanwijsbare, onderzoekbare en meetbare verschijnselen. Alles wat je omtrent die buitenwereld opmerkt kan aan anderen aangewezen worden en bijgevolg kunnen je opmerkingen, je uitspraken, aan die buitenwereld getoetst worden. Als die toetsing positief uitvalt heb je volgens dat denken een objectieve uitspraak gedaan, dat wil zeggen: een uitspraak ongeacht je persoonlijke eigenaardigheden zoals daar zijn je wensen en verlangens, je goed- of afkeuring en je denkbeelden over de werkelijkheid. Maar, is een dergelijke objectiviteit werkelijk objectief? Je hebt hem ontleend aan je eigen voorstelling en hem vervolgens als objectief gekwalificeerd omdat gebleken is dat de meerderheid van de andere mensen er net zo over denkt.

Je zogenaamde objectiviteit berust dus op een overeenstemming van jouw eigen voorstelling met die van anderen. Al die voorstellingen echter - al zijn ze bij gelegenheid nog zo juist - betreffen niet de echte werkelijkheid, maar zijn slechts een betrekkelijk onnauwkeurig afschrift daarvan. Welbeschouwd is er dus helemaal niet van objectiviteit te spreken, doch slechts van een overeenstemmende subjectiviteit. Ondanks alle overeenstemming is en blijft dat toch iets subjectiefs, waarvan bij voorbaat al met zekerheid te zeggen is dat het geen betrekking heeft op de werkelijkheid. De waarheid van de zogenaamd objectieve uitspraken omtrent de werkelijkheid wordt gerechtvaardigd door de hoeveelheid overeenkomstige meningen. En die zijn allemaal gebaseerd op de werkelijkheid als voorstelling, voor zover die in de afzonderlijke mensen, als regel door conditioneringen, een overeenkomstig grondpatroon heeft. Werkelijk objectief zijn uitspraken die zo helder mogelijk uitdrukken hoe het zit met de werkelijkheid. Maar die uitspraken kunnen noodzakelijk nergens anders aan ontleend worden dan aan het bewustzijn voor zover dat als beeldt doorstraalt door de voorstelling heen. Uitspraken dus die betrekking hebben op de werkelijkheid achter de dingen. Die werkelijkheid zelf is niet aan te wijzen en bijgevolg is het onmogelijk om aan iemand anders te bewijzen hoe het met die werkelijkheid zit. De zaak is niet overdraagbaar. Daarmee vervalt voor modern denken elke betrouwbaarheid. Men is dan ook van mening dat een (filosofisch) denken dat zich op dat terrein beweegt speculatief van karakter is en daardoor gerekend moet worden tot de subjectieve meningen die ons geen houdbare kennis omtrent de werkelijkheid kunnen bezorgen. Precies de omgekeerde wereld! De beschrijving van de echte werkelijkheid, en dus eigenlijk de beschrijving die de filosofie zou behoren te geven, kan alleen maar geschieden in de vorm van het verhaal. Het kenmerkende van een verhaal is dat het melding maakt van een aantal samenhangende gebeurtenissen in de realiteit, maar dat het gaat over iets anders, iets dat op zichzelf niet aan te wijzen en onder woorden te brengen is. Het verhaal beschrijft de werkelijkheid van het bewustzijn. Het is dan ook een samenhangend geheel dat in feite geen begin en geen einde kent omdat het licht laat vallen op een bepaald aspect van de gehele werkelijkheid zonder het geheel daarvan te verbreken. De werking van zo'n verhaal is niet zodanig dat het aan iemand iets wil bewijzen of wil controleren of anderen er ook zo over denken. De werking van het verhaal is wezenlijk indirect: het maakt iets los in de lezer of toehoorder (het maakt de voorstelling tijdelijk beweeglijk) en daardoor wordt de werkelijkheid als beeld zichtbaar. Daardoor wordt dus het bewustzijn kenbaar. Voor zover dat het geval is in de toehoorder gaat zich onmiddellijk laten gelden dat de werkelijkheid als bewustzijn op trillende wijze de werkelijkheid is. Dan behoeft er niets bewezen te worden, sterker nog: er kan niets bewezen worden. Maar er is wel overeenstemming tussen diegene die het verhaal vertelt en de toehoorder. Niet omdat de verteller de toehoorder heeft weten te overtuigen, maar omdat beiden onvermijdelijk met hetzelfde bezig zijn. De filosoof vertelt - als het goed is - zijn verhaal niet omdat hij de mensen van iets wil overtuigen, of omdat hij de mensen iets wil leren of tot andere gedachten brengen, neen, hij vertelt zijn verhaal louter en alleen om de mensen ertoe te bewegen (!) zelf door hun voorstellingen heen te zien en aan de hand daarvan een reëel inzicht in de echte werkelijkheid te krijgen. Dat inzicht is heel wat anders dan een theorie over de werkelijkheid. Een theorie behoort tot het terrein van de voorstellingen. Hij moet beantwoorden aan de normen voor toetsing en bewijsvoering en dus aan normen van overdraagbaarheid. Maar een visie, op grond van verkregen inzicht in de werkelijkheid, heeft niets met overdraagbaarheid te maken; in feite ligt de visie al in alle mensen klaar, namelijk als de werkelijkheid als beeld. Die behoeft alleen maar opgeroepen te worden door de vastgelegde voorstelling beweeglijk en dus doorzichtig te maken. Dat kan iedereen zelf doen, maar ook kan dit teweeggebracht worden door het verhaal van de kunstenaar of de filosoof.

No.109

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8

Filosofisch kun je niet anders dan een verhaal vertellen. Omdat er niets aan te wijzen valt is het onmogelijk om iets te bewijzen. Je kunt dat spijtig vinden, maar dat komt dan doordat wij allemaal in de traditie van het moderne denken staan en dus gericht zijn op de voorstelling. Met betrekking daartoe is er wel van allerlei te bewijzen, een theorie te ontwikkelen en de uitkomst te toetsen. De bedoeling van het filosofische verhaal is niet in de eerste plaats om een bepaalde mededeling te doen (al komt dat er wel vaak aan méé, je kunt er inderdaad wel iets van leren), maar het is de bedoeling om iemands voorstelling beweeglijk te maken zodat die toehoorder of lezer geconfronteerd wordt met de werkelijkheid als beeld en vervolgens zelf na kan gaan hoe het daarmee zit. Je kunt filosofisch wel, doormiddel van een aantal begrippen, een beschrijving geven van het bewustzijn als zodanig, maar dan heb je nog steeds geen mededeling over de inhoud gedaan. Als je een mededeling doet licht je iets bepaalds uit het totaal. Omdat in het bewustzijn alles in alles overgaat, er geen scheidingen zijn doch slechts nuances, is er niets uit te lichten en bijgevolg zijn er geen mededelingen te doen. Als het filosofische verhaal in iemand de voorstelling beweeglijk maakt zodat het beeld zichtbaar wordt ontstaat er overeenstemming tussen de verteller en de toehoorder. Die overeenstemming berust op het feit dat het bewustzijn in een ieder dezelfde werkelijkheid is. Daardoor kan de toehoorder vertrouwen hebben in de filosofie, haar als een objectieve waarheid zien. Maar de werkelijkheid als beeld verschilt bij de een in zoverre van die bij de ander dat zij door een andere voorstelling heen straalt. Dus: dezelfde werkelijkheid straalt op een telkens andere wijze door bij de verschillende mensen. Zij doet zich dus in een andere context, een andere sfeer gelden. En ook dat is een reden om te stellen dat de filosofie letterlijk niets bewijzen kan... Eigenlijk heeft het filosofische verhaal geen bedoeling. Het wordt verteld omdat de verteller niet na kan laten het te vertellen en niet omdat de filosoof de mensen iets wil leren of beter; iets wijs wil maken. Om twee redenen kan dat niet het geval zijn: 1) zoals in het voorgaande uiteengezet kan de filosofie in wezen niemand iets leren en 2) de wil om de mensen iets te leren is arrogant. Hij berust in de grond van de zaak op machtswil die tot uiting komt in je behoefte om anderen zodanig te vervormen dat zij aan je eigen voorstellingen gaan beantwoorden. Hoewel zo ongeveer iedereen hiermee bezig is en dat normaal vindt, is toch te stellen dat niemand het recht daartoe heeft. De mening dat men dit recht wel heeft komt voort uit het eerder door mij beschreven van bovenaf denken. Het is nu juist dat denken dat door de filosofie als misleidend ontmaskerd is! Uiteraard is het zo dat mensen allerlei kunnen leren, en zelfs moeten leren, al was het alleen maar om te kunnen overleven. Het feit echter dat het voor mensen nodig is bepaalde zaken te leren mag geen rechtvaardiging zijn voor machtsuitoefening van een bovenlaag die de zaak omkeert en van daaruit bepaalt dat er geleerd moet worden en wat er geleerd moet worden. In de logica ligt het dat er bij de individuele mensen behoefte is om zich kennis, theorieën, methodieken en vaardigheden eigen te maken, maar niemand heeft het recht anderen zaken op te dringen, met daaraan onlosmakelijk verbonden de fundamentele (machts)wil om het leven van die anderen naar zijn hand te zetten. Je kunt je afvragen wat het nut is van het beweeglijk worden van de voorstelling en het doorstralen van het beeld. Om je staande te houden in deze wereld heb je toch vooral kennis en bekwaamheden nodig.

En dat niet alleen om zelf te overleven, maar ook om het overleven van de gehele mensheid, waarvan je afhankelijk bent, mogelijk te maken. Inzicht in de echte werkelijkheid van het bewustzijn levert geen brood op, geen onderdak, geen veiligheid op welk gebied dan ook. Wetenschappelijk en technologisch kom je geen stap verder als je je denken en je zijn baseert op de ervaringen vanuit het bewustzijn. Over het begrip arbeid zal ik nog nader spreken, maar nu kan al wel opgemerkt worden dat het tot het wezen van de mens behoort de verschijnselen om te zetten tot een menselijke werkelijkheid. Voor dat omzetten tot zichzelf, dat arbeidsproces, is de filosofie van geen enkele praktische betekenis. Maar de wetenschap en de technologie zijn dat wel. Zij zijn van betekenis op het gehele terrein van de concrete omzetting van het verschijnsel. Natuurlijk omvat het menselijk leven meer dan alleen maar wetenschap en technologie: daar zijn ook allerlei morele kwesties en kwesties van recht en beleid. Bij het oplossen van die kwesties kan de filosofie behulpzaam zijn, maar het is beslist niet zonder verklaarbare grond dat ook daarbij de filosofische inzichten stelselmatig buiten beschouwing worden gelaten. Men voelt intuïtief aan dat de filosofie zich niet op dat terrein heeft te bewegen, want ook zaken van moraal, recht, beleid en dergelijke behoren tot het genoemde omzettingsproces. Zij zijn de abstracte kant daarvan en behoren als zodanig tot het je staande houden. Het is zelfs zo sterk dat je met recht kunt stellen dat steeds wanneer de filosofie uitspraken doet over de verschijnselenwereld, hetzij naar haar concrete, hetzij naar haar abstracte gesteldheid, de filosofie al bij voorbaat gedoemd is tot fouten te vervallen. Zij verloochent immers haar essentiële opgave: uitspraken te doen die, omdat het over de werkelijkheid zelve gaat, morgen ook nog waar moeten zijn. Zoals gezegd kan en mag de wereld van de verschijnselen, in ons aanwezig als (individuele) voorstelling, slechts dienen om aan een andere werkelijkheid gestalte te geven - om die werkelijkheid uitspreekbaar te maken! Nogmaals: als het bovenstaande allemaal waar is, wat moet je dan met die filosofie. Wat is de betekenis ervan voor jezelf en voor de mensheid? ( wat is filosofie )

De clou is deze, dat de verschillende dingen die in je voorstelling aanwezig zijn in zoverre veranderen dat je ze gaat zien in samenhang met elkaar. Het zijn en blijven altijd afzonderlijke inhouden van de voorstelling, onderbouwd door kennis en theorieën en te voorschijn gebracht door het arbeidsproces (niet te verwarren met het ons bekende, in essentie op machtspolitiek berustende, arbeidsproces!), maar door de spiegeling met het bewustzijn komen die afzonderlijke inhouden op hun plaats te liggen. We moeten die samenhang echter niet verwarren met het netwerk van relaties dat tussen genoemde inhouden aanwezig is. Die relaties zijn in ons zelfbewustzijn vastgelegd, afhankelijk van de verbindingen die wij zelf tussen het een en het ander tot stand gebracht hebben. Nu evenwel gaat het om iets beweeglijks. Op grond daarvan verliest het op zichzelf staan van de dingen zijn betekenis. Het blijft uiteraard wel gelden, maar voor een bewust mens gaat het daar niet meer om. Het gaat er letterlijk om de afzonderlijke dingen binnen de context van het geheel te zien, en daarnaar te handelen. Het behandelen van de afzonderlijke dingen binnen de context van het geheel is van levensbelang voor onszelf en voor de mensheid. Aan onze huidige wereld kun je zien wat er van het leven terechtkomt wanneer een dergelijke behandeling ontbreekt, omdat de cultuur in het teken van de analyse staat. Enerzijds levert dat een grote hoeveelheid bruikbare kennis op, maar anderzijds leidt het tot vernietiging van het leven. Dat laatste manifesteert zich al in de bijna niet meer te keren milieuramp die zich aan het voltrekken is.

No.110    Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-8 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144)

 

Het filosofische verhaal is niet overdraagbaar, je kunt de mensen niet leren filosofisch te zijn. Dat komt doordat het filosofische verhaal en de beschrijvingen die je over de werkelijkheid doet morgen ook nog waar moeten zijn. Juist daardoor is de zaak niet in een leerprogramma onder te brengen. Die constatering heeft iets weg van een paradox: je zou zeggen dat filosofische uitspraken zich juist uitstekend lenen om aan anderen overgedragen te worden, in tegenstelling tot de wetenschappelijke, die immers zéker morgen niet meer (geheel) waar zullen blijken te zijn. Het overdragen van kennis berust in feite op het vastleggen in iemands brein van bepaalde kennis. Die kennis wordt dan ingepast in iemands voorstelling, in wezen door een proces van conditioneren. Dat inpassen in de voorstelling gelukt niet altijd; als iemands voorstelling te ver afwijkt van of te weinig gedetailleerd is om de nieuwe informatie te verwerken mislukt het overdragen. Hoe dan ook, het gaat er om dat het overdragen een zaak van vastleggen is, inderdaad tijdelijk van karakter, maar toch: vastleggen. Zelf speel je geen rol in dat leerproces, dat wil zeggen: de werkelijkheid die essentieel voor je is, namelijk het bewustzijn, doet in het geheel niet mee. Het is zelfs mogelijk om leerstof op te nemen die je helemaal niet ligt of die geen enkele verwantschap vertoont met de echte werkelijkheid. Je onthoudt zo goed mogelijk die leerstof om er straks iets mee te kunnen doen, bijvoorbeeld slagen voor een tentamen. In de filosofie gaat het daarentegen juist niet om vastleggen, maar om beweeglijk maken. Eigenlijk gaat het dus om het in twijfel trekken van de bestaande voorstelling. Daarin ben je wel degelijk zelf betrokken, want het gaat nu om je eigen essentiële werkelijkheid. Datgene dat daardoor kenbaar wordt is op zichzelf niet in woorden uit te drukken en bijgevolg is dat niet overdraagbaar. De verhouding ligt zo, dat de essentie van het verhaal morgen onverminderd waar is, maar dat de voor dat verhaal benodigde voorstellingen morgen zéker niet meer waar zullen zijn. De voorstellingen van bijvoorbeeld Plato van zo ongeveer 400 voor onze jaartelling zijn al lang achterhaald, maar de essentie van zijn verhaal houdt de mensen nog steeds bezig, hoewel opgemerkt moet worden dat dit doorgaans ook niet verder gaat dan een analyse van zijn voorstellingen. Precies datgene waarom het niet gaat!

Toch kan de filosoof de mensen bewegen om de werkelijkheid op filosofische wijze te benaderen. Dat doet hij doormiddel van een verhaal dat de mensen iets te zeggen heeft, een verhaal dat de mensen aan het denken zet. Het is helemaal niet bij voorbaat zeker dat dat verhaal weerklank vindt. De filosoof moet immers inspelen op het vermogen van de mensen om hun eigen voorstellingen in twijfel te trekken. Dat vermogen nu is vaak slecht ontwikkeld, vooral bij wetenschappelijk zwaar geconditioneerde toehoorders of lezers. In zo'n geval gelukt het niet twijfel te zaaien... Bovendien kunnen de persoon van de verteller en de wijze waarop het verhaal verteld wordt (het taalgebruik) weerstand bij de toehoorder of lezer opwekken. Het is dus eigenlijk een soort van gevoelszaak, een zaak van weerklank vinden, en helemaal niet een kwestie van overtuigen, bewijzen of op onpersoonlijke wijze overdragen. Het nut van de filosofie is naar twee kanten te bepalen, ten eerste het nut voor jezelf en ten tweede het nut voor de mensheid. Wat het eerste betreft: je komt ten aanzien van de dingen in het leven sterker in de schoenen te staan. In de filosofie, bijvoorbeeld bij de Stoïcijnen en bij Confucius, wordt dat doorgaans begrepen als het streven om onaandoenlijk te zijn. Je moet zover zien te komen dat je niet meer aangedaan wordt door vreugde of smart. Dat echter heeft niets met de zaak te maken. Een op zijn eigen essentie gericht mens is juist ten volle aandoenlijk, gevoelig voor de wisselvalligheden van het leven. Maar, hij ziet in dat die onvermijdelijk zijn en dat geeft hem de kracht er overheen te komen.

Het begrip onaandoenlijkheid echter houdt in dat men zich afsluit voor vreugde en smart en louter de eigen vastgelegde voorstelling als de maat neemt. Die voorstelling laat de beweging van het aandoenlijke niet toe. Maar sterk in je schoenen staan houdt dus een grote ontvankelijkheid in en tegelijk het vermogen om de aandoeningen van het leven op heldere en evenwichtige wijze te verwerken. Wat het tweede betreft: de verschijnselen, aanwezig in de buitenwereld en in de voorstelling, komen op hun plaats te liggen zodat je er niet meer tegenaan kijkt als een warwinkel. Verder verliezen al die verschijnselen hun aparte karakter en komen onderling in samenhang, en tenslotte treedt er ook nog dit op dat de verschijnselen en de voorstellingen doorzichtiger worden zodat zij gemakkelijker te begrijpen zijn. Dit is voor de mensheid van grote betekenis omdat al het gedoe dan zin en betekenis gaat krijgen in het licht van de werkelijkheid als geheel. Dat sluit de mogelijkheid uit van activiteiten (productie, regelgeving en dergelijke) die ter bevoordeling van enkelingen of enkele groepen ondernomen worden. Een verpauperde derde wereld is dan niet langer mogelijk... Kortom, alles wat de werkelijkheid als geheel verbreekt blijft dan achterwege. Intussen blijft het feit liggen dat deze zaak niet aan anderen te leren is. De enige factor die wat dit betreft hoopvol stemt is deze dat ieder mens een kring van medemensen om zich heen heeft die in enigerlei mate de invloed ondergaan van een dagelijks gedrag dat in het teken staat van dergelijke inzichten. Hoe groot die kring is valt met geen mogelijkheid te zeggen. Hoewel het filosofische verhaal niet zonder een voorstelling kan (ook de taal is een zaak van voorstellingen), is dus toch te stellen dat het niet om zo'n voorstelling gaat en dat er niets via een leerproces over te dragen valt. Naar aanleiding daarvan kun je je afvragen hoe de wisselwerking tussen de verteller en de toehoorder in zijn werk gaat. Om op die vraag een antwoord te vinden moet je bedenken dat het cruciale punt in de hele zaak de beweeglijke werkelijkheid is. Als die werkelijkheid in jezelf effectief wordt kan het psychische uit de voeten. Dat wil zeggen: de werkelijkheid als materie, die je uiteraard zelf bent, kan gaan méétrillen met de totaaltrilling die het bewustzijn is. Wat dan optreedt is het psychische, de werkelijkheid als gevoel. En het is dat gevoel dat weerklank vindt bij de werkelijkheid achter de dingen, zoals die door de filosoof verteld wordt. Niet voor niets zeggen de mensen vaak dat zij in een dergelijk geval op dezelfde golflengte zitten. Het weerklank vinden van het filosofische verhaal wordt veroorzaakt door het psychische, de werkelijkheid als gevoel. Die werkelijkheid is aan de verschijning van elk mens, aan de persoon, af te lezen. Dat is dus een zaak van meetrillen, precies zoals muziekinstrumenten met elkaar kunnen meetrillen. De mogelijkheid van meetrillen is gelegen in het feit dat de trillingsbron, namelijk de totaaltrilling, voor een ieder dezelfde is. Zou dat niet het geval zijn, de filosofie en de kunst zouden onmogelijk zijn, de mensheid zou die fenomenen helemaal niet kennen. Bovendien zou het dan eerst recht onmogelijk zijn om ooit te achterhalen wat de waarheid omtrent de werkelijkheid is. De werkelijkheid als gevoel is geheel iets anders dan het feit dat wij emoties en sentimenten kennen. Ik zal daarover, in verband met het begrip psyche, nog uitweiden. In ieder geval is nu reeds te zeggen dat emoties en sentimenten betrekking hebben op verschillen tussen onze eigen voorstellingen en de realiteit. Zij behoren dus tot het terrein van het zelfbewustzijn en zijn als zodanig precies het andere van het gevoel.

No. 111    Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; ; S-1 ;  S-2 ; 

Het weerklank vinden van het filosofische verhaal is geen intellectuele zaak, maar een zaak van het psychische. Dat wil zeggen dat door het filosofische verhaal het materiële verschijnsel, het lichaam, mee gaat trillen met de totaaltrilling die het bewustzijn is. Als we het over het psychische hebben gaat het over de werkelijkheid als gevoel. Ik gebruik hier twee uitdrukkingen voor dezelfde zaak; de eerste heeft betrekking op datgene dat er gebeurt en de tweede op datgene dat wij op de een of andere manier kennen, bij onszelf waarnemen. De tweede uitdrukking, namelijk het begrip gevoel, geeft volop aanleiding tot misverstanden, gewoonlijk veroorzaakt door het feit dat wij het gevoelt beschouwen als het complex van gevoelens, dat zich bij alle mogelijke gelegenheden in ons doet gelden. Het gevoel is dan een verzamelnaam voor verschillende afzonderlijke gevoelens. De werkelijkheid als gevoel is echter geheel iets anders dan het complex van gevoelens. Je zou je kunnen afvragen of het, met het oog op genoemde misverstanden, niet beter is uitsluitend de uitdrukkingen psychisch en meetrillen te gebruiken en de uitdrukking gevoel te reserveren voor het complex van gevoelens. Daartegen bestaat echter een filosofisch bezwaar, en dat is hierin gelegen dat eerstgenoemde uitdrukkingen een intellectueel karakter hebben en eigenlijk min of meer bedacht zijn. Daardoor spreken zij nauwelijks aan en blijven in sterke mate in de sfeer van het overdraagbare liggen: je kunt ze overnemen en onderdeel maken van een leerproces zonder er hoe dan ook bij betrokken te zijn, zonder te beseffen dat het gaat om verhoudingen in de werkelijkheid die voor jezelf van essentiële betekenis zijn. Zou je dergelijke uitdrukkingen handhaven en ze niet, ondanks het risico van misverstanden, vertalen naar je eigen lichaam en leven, dan zou je de belangrijkste factor bij het weerklank vinden van het filosofische verhaal verwaarlozen. Je moet de filosofie om zo te zeggen tot in je botten meevoelen. Is dat niet het geval, dan blijft het bij het overdragen van de filosofische voorstelling (de taal), en bijgevolg bij een steriele intellectuele zaak waarvoor je in wezen onverschillig kunt zijn. Precies zoals dat bij de wetenschappelijke kennis het geval is.

Het zijn vooral de moderne filosofen geweest die getracht hebben van de filosofie een wetenschap te maken en die zich beijverd hebben in de filosofie een wetenschappelijk eenduidig taalgebruik in te voeren. Gevolg is dat de filosofie de mensen niets meer te zeggen heeft, behalve dit dat zij zich aardig is gaan lenen voor academische proefschriften. Die rampzalige ontwikkeling is dus te wijten aan het uitschakelen van de gevoelswerking, het psychische dat nu juist de enige weg is voor de filosofie om weerklank te vinden. De rekensom, die in zekere zin het skelet van het filosofische verhaal is, blijft op zichzelf buiten je leven, raakt je niet en brengt niets in je teweeg. Hij kan slechts opgenomen en vastgelegd worden in je voorstelling. Maar het ging er in de filosofie nu juist om door die voorstelling heen te gaan en werkelijk bij jezelf als bewustzijn terecht te komen! Eigenlijk is de filosofische rekensom een leugen, voornamelijk omdat het filosoferen in jezelf zo niet gaat. Het is geen steriele zaak. De rekensom is een (vastgelegd) resultaat van het denken zelf, en al is die rekensom nog zo foutloos, toch is hij een betrekkelijk onzuivere verwoording van de waarheid. Als zodanig ontkent hij het beweeglijke karakter van het filosoferen en dat leidt tot een bloedeloze filosofie. Daarom moet in de filosofie de nadruk liggen op al datgene dat wij aan onszelf en aan de werkelijkheid ervaren.

En zo ervaren wij wel de werkelijkheid als gevoel, maar niet die van de psyche of van het meetrillen. Vertalen wij dus het meetrillen, oftewel het psychische, als de werkelijkheid als gevoel, dan zitten wij meteen al met een moeilijkheid. Omdat in onze cultuur het bewustzijn en dus ook het psychische taboe zijn kennen wij de werkelijkheid als gevoel nauwelijks. Wat wij wel kennen is een groot aantal gevoelens. Deze echter zijn geen meetrillen met het bewustzijn, maar zij behoren tot het terrein van het zelfbewustzijn. Ze zijn dan ook met name te noemen en je kunt er een lijst van opstellen. Als je dat eens goed in jezelf nagaat zul je ontdekken dat die gevoelens ervaringen zijn van spanningen tussen je eigen voorstelling van de werkelijkheid en de realiteit waarmee je geconfronteerd wordt. Gevoelens berusten dus op confrontaties met de buitenwereld, en wel zodanig dat die buitenwereld niet overeenstemt met je verwachtingen die op je voorstelling berusten. Je stelt je de realiteit anders voor dan hij is. Het geldt echter niet alleen maar ten aanzien van de buitenwereld: ook je voorstelling van jezelf kan op gespannen voet staan met je eigen realiteit. Hoe dan ook, bij gevoelens gaat het steeds om een spanningsveld tussen de voorstelling en de realiteit. Dat spanningsveld kan zowel negatief als positief zijn, het kan meevallen en tegenvallen en dat levert bijvoorbeeld een gevoel van verdriet op of een gevoel van blijdschap. Het spreekt vanzelf dat lang niet alle gevoelens even goed thuis te brengen zijn. Vaak kom je er niet achter waarom en hoe je iets voelt. In de psychologie zoekt men in probleemgevallen de herkomst van die mysterieuze gevoelens uit. Men probeert ze weer in je herinnering terug te brengen. Maar, let op. De gangbare mening is dat men zich bezig houdt met de psyche. Dat echter is, zoals uit het bovenstaande blijken zal, geenszins het geval.

Uit het feit dat men het onderzoek van de menselijke gevoelens psychologie noemt blijkt weer eens temeer dat men er geen notie van heeft wat de psyche en het zelfbewustzijn nu eigenlijk zijn. De psychologie en de psychoanalyse houden zich met verdrongen en vergeten gevoelens bezig, proberen het oorspronkelijke spanningsveld tussen voorstelling en realiteit te reconstrueren en langs die weg eventuele problemen uit de weg te ruimen. Dat heeft op zichzelf niets met de werkelijkheid als gevoel te maken. In de werkelijkheid als psyche voelt de levende werkelijkheid zichzelf aan. Dat heeft niets met een spanningsveld, op grond van een tegenstelling, te maken. Het berust juist op een overeenkomst. Je trilt immers lichamelijk mee met jezelf als bewustzijn! Dat laatste is geen werkelijkheid van van elkaar onderscheiden gebeurtenissen, maar je zou het een zijns-toestand kunnen noemen. De moeilijkheid om hierin filosofisch inzicht te krijgen is helaas deze dat er nauwelijks voorbeelden van psychische toestanden zijn te geven. Dat komt doordat het psychische zelfbewust ervaren wordt en zich daardoor manifesteert in de vorm van bepaalde gevoelens. Bij het beluisteren van muziek bijvoorbeeld ga je meetrillen met de werkelijkheid van die muziek. Dat is de psychische kant van de zaak. Maar dat meetrillen kan in jezelf tot bepaalde gevoelens leiden: begeestering, droefheid, vreugde, enzovoort. Die gevoelens zijn echter niet bepalend, we weten waarschijnlijk allemaal dat een zelfde muziekje niet steeds dezelfde gevoelens teweegbrengt. Soms brengt het niets teweeg, terwijl er toch een psychische weerklank aanwezig is. Jen kunt je zelfs afvragen of bepaalde gevoelens niet als een rem werken op het werkelijk ondergaan van muziek. Hoe dan ook, in dit voorbeeld gaat het psychische aan de gevoelens vooraf. Omdat het psychische een meetrillen van het materiële verschijnsel is, is het af te lezen aan dat verschijnsel. Dat aflezen leidt tot bepaalde gevoelens, maar die moeten onderscheiden worden van datgene dat af te lezen was. Het maken van dit onderscheid is essentieel voor het inzicht in het begrip psyche.

Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; ; S-1 ;  S-2 ;  Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144)

No. 112

S-1 ;  S-2 ;  Ziel-1 ; Ziel-2

Het psychische wordt door sommigen, bijvoorbeeld de Hegeliaanse filosoof Bolland (1854-1922), ook wel het zielige genoemd. Hij verwijst daarbij naar het begrip ziel, zoals dat in het spraakgebruik voorkomt. Nu is het altijd moeilijk en zelfs gevaarlijk om termen en uitspraken van anderen te duiden, maar waarschijnlijk heeft Bolland het over de geest, die door zijn gebondenheid aan de materie niet uit de voeten zou kunnen en daardoor eigenlijk een treurige zaak zou zijn. Een voorstelling van zaken die in de dagen van Bolland tot het traditionele denken behoorde. Men gebruikte de termen ziel en geest dan ook door elkaar heen, alsof zij op dezelfde verhoudingen in de werkelijkheid gegrond waren. Dat het psychische de in het nauw gedreven geest zou zijn berust op een denkfout. Ten eerste omdat het Ondenkbaar is dat de werkelijkheid als geest (= niet-materie) zich in het nauw laat drijven en ten tweede omdat het psychische helemaal niets met het begrip geest te maken heeft, doch met de begrippen samengestelde materie (= verschijnsel, voorwerp) en bewustzijn. Daarom gebruik ik liever de uitdrukking de werkelijkheid als gevoel, en dan in deze betekenis dat de werkelijkheid zichzelf aanvoelt. Nogmaals: het verschijnsel trilt mee met zichzelf als totaaltrilling, en dus met zichzelf als bewustzijn, ongeveer zoals de viool als klankkast meetrilt met de viool als trillende snaar. Het is dus een zaak binnen het verschijnsel zelf, in wezen voortkomend uit de trilling die in elke bouwsteen afzonderlijk aanwezig is en die in het levende verschijnsel, door het ontstaan van een zekere samenhang in dat verschijnsel, tot een totaaltrilling komt. Die laat zich op twee manieren gelden, namelijk als levend-zijn en als bewust-zijn. En deze laatste verhouding geeft aanleiding tot meetrillen en dus tot het psychische. Zoals gezegd laat het psychische zich nauwelijks door voorbeelden verduidelijken, maar wellicht komen wij dichter bij huis als wij, bij de mens, denken aan warmte, gemoedelijkheid, liefelijkheid, ontvankelijkheid en dergelijke. Al deze uitdrukkingen verwijzen wezenlijk niet naar bepaalde gevoelens, maar naar kwaliteiten van het verschijnsel, het lichaam. Omdat het gaat over het levende verschijnsel is het psychische niet beperkt tot de mens. Het geldt voor alle levende wezens. Daarbij moet opgemerkt worden dat het bij die levende wezens, uitgezonderd de mens, ook nog zo is dat het psychische onbelemmerd uit de voeten kan. Het dier heeft immers geen instantie van waaruit het zichzelf als bewustzijn kan onderdrukken. De mens heeft zo'n instantie wel: het zelfbewustzijn. Wij zullen een aantal eigenaardigheden van de dieren misschien niet zo vlug als psychisch duiden, maar toch zijn zij dat wel. Hierop berust de sympathie die wij voor bepaalde dieren, zoals de poes, voelen. Op grond van het aanvoelen van het psychische van de poes of de hond houden wij van die dieren en vinden wij ze lief. Overigens: ook bij de dieren kan het psychische verstoord zijn, maar dan vindt dat zijn oorzaak in slechte lichamelijke omstandigheden, die enerzijds veroorzaakt kunnen zijn door een slecht functionerend lichaam (ziekten) en anderzijds door uitwendige omstandigheden (geen voedsel, verwaarlozing en dergelijke). Over het algemeen wordt er door psychologen, sociologen, filosofen en ethici gedacht dat het slechte gedrag van de mensen veroorzaakt wordt door het vermeende feit dat zij nog te dicht bij de dierenwereld staan: het beest in de mens! . Maar de dierenwereld is ongehinderd psychisch, dus dat kan dat slechte gedrag niet verklaren. Wat dit betreft heb ik er al meerdere malen op gewezen dat 's mensen slechte gedrag voortkomt uit zijn zelfbewustzijn, en dus uit de verkeerde vastgelegde voorstellingen die hij koestert.

Zijn zelfbewustzijn deugt niet voor zover en zolang hij waanvoorstellingen als de maat neemt. Het niet-deugen van dat zelfbewustzijn is mogelijk omdat de mens nu eenmaal het laatste station van de wording is en op grond daarvan naar keuze ja of nee tegen de werkelijkheid kan zeggen. In de praktijk verkiest hij dan nee te zeggen omdat hij zichzelf, onvolwassen zijnde, nog steeds als een ontkenning van de natuurlijke (= geworden) werkelijkheid beschouwt. Dat houdt vanzelfsprekend ook een ontkenning en miskenning van het bewustzijn en vervolgens het psychische in. Als wij, voor het gemak, eens even het woord ziel voor het psychische gebruiken, dan is het wel aardig om te constateren dat de gehele levende natuur bezield is. Dat wil zeggen dat de mensen uit vroeger tijden, en de mensen uit zogenaamd primitieve culturen zoals die van de Indianen, het wel degelijk goed aangevoeld hebben als zij de natuur als bezield beschouwden. Wij noemen hen dan animisten. Doordat wij doorgaans alleen op de voorstellingen van die animisten letten zijn wij terecht van oordeel dat het allemaal onzin is. Letten wij echter op de oorsprong van die voorstellingen, dan blijkt dat het animisme van een juist grondbesef omtrent de werkelijkheid getuigt. Overigens: de moderne veroordeling van de animistische voorstellingen is nog weer eens de zoveelste uiting van wetenschappelijke arrogantie, want de voorstellingen die de moderne mens omtrent de werkelijkheid koestert zijn in een aantal opzichten nog onzinniger. .. Bij het dier kan het psychische in het nauw gedreven worden door een aantal inwendige en uitwendige oorzaken. Uiteraard geldt dat voor een mens ook. Ziekten en barre omstandigheden kunnen een fnuikende invloed op het psychische hebben. Maar, er is iets eigenaardigs: dat behoeft bij een mens niet het geval te zijn. Vanuit zijn zelfbewustzijn kan een mens zijn inwendige en uitwendige situatie tot op zekere hoogte ontkennen, er onverschillig voor zijn en er zogezegd mee leren leven. Omdat de mens de geworden werkelijkheid ten einde is kan hij de zaak ontkennen. Dat betekent echter ook dat een mens het vermogen heeft om zichzelf psychisch in het nauw te drijven. Het gaat nu in feite om de vraag wat de kwaliteit is van het materiële verschijnsel dat met de totaaltrilling meetrilt. Is er sprake van een slechte kwaliteit, dan wordt het met dat meetrillen niet veel. Wanneer derhalve de mens er toe komt om zichzelf als verschijnsel, als voorwerp, vanuit bepaalde voorstellingen in het zelfbewustzijn, te beletten op natuurlijke wijze te gelden, dan geraakt het psychische in het nauw. Het kan dan niet uit de voeten. Dat betekent in geen geval dat het meetrillende psychische dan weg is, in die zin dat het opgeheven zou zijn, maar het betekent letterlijk dat het in het nauw gedreven is. Daardoor lopen de spanningen op, net zolang tot er een uitbarsting komt. In zo'n geval kan iemand tot de meest krankzinnige en zelfs wel misdadige dingen komen. Als je je eens realiseert hoe groot in onze cultuur de druk op het lichamelijke is, zelfs nu er een aantal taboes verdwenen is, dan kun je je er met recht over verbazen dat er niet veel meer ziekelijke uitbarstingen van het in het nauw gedreven psychische zijn. En misschien zijn er wel véél meer. Lang niet alles komt in het nieuws. Vooral op het terrein van het seksuele, dat in belangrijke mate door het psychische getypeerd wordt, gebeuren er heel wat kleine en grote misdadigheden, meestal in de beslotenheid van de slaapkamers. Maar ook in de maatschappij zelf is een groot gemis aan warmte en gemoedelijkheid te constateren, naast een groot aantal verwrongen uitingen van innerlijke vertwijfeling. En dat alles komt voort uit de wil om de eigen natuurlijkheid en dus het eigen lichaam doormiddel van een tirannieke moraal te reglementeren, een moraal die lang niet alleen maar Christelijk is, maar die in wezen voortkomt uit het verlangen de werkelijkheid naar zijn hand te zetten...

S-1 ;  S-2 ;  Ziel-1 ; Ziel-2

No. 113   Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

Ook bij een mens geldt het principe dat de toestand van het lichaam bepalend is voor de kwaliteit van het psychische; hoe slechter die toestand, hoe minder er van dat psychische terechtkomt. Maar, vanuit het zelfbewustzijn, kan de mens de toestand van zijn lichaam niet laten gelden, hij kan voor zichzelf doen alsof de zaak helemaal in orde was, en wel op grond van het feit dat de factor niet-materie in het begrip zelfbewustzijn meespeelt. Doorgaans is men van mening dat de mens aan de materie voorbij zou zijn en men zegt dan dat de mens een geestelijk wezen is. Die gedachte echter berust op een denkfout: men stelt de geest, in feite dus het niet-materie zijn, ten onrechte op zichzelf alsof het een zelfstandige grootheid zou zijn. En van daaruit meent men dat het lichamelijke eigenlijk maar bijzaak is. In werkelijkheid echter gaat het om een grenssituatie en daarin is het begrip niet-materie niet los te denken van het begrip materie. Het begrip niet-materie is een factor in de al eerder besproken drieslag materie, materie als niet-materie en niet-materie. Op grond daarvan kan de mens nee zeggen tegen zijn eigen lichamelijkheid. Hij kan zowel zijn gezonde als zijn Ongezonde lichamelijkheid niet laten gelden. Maar hij kan haar niet Opheffen - wat hij wel zou kunnen als de geest inderdaad iets zelfstandigs was. Het niet laten gelden van de lichamelijkheid geschiedt dus vanuit het zelfbewustzijn, en dat betekent onmiddellijk dat de dieren- en plantenwereld daartoe niet in staat zijn. Als iemand in staat is zijn ongezonde lichamelijkheid niet te laten gelden, kun je dat de positieve kant van de zaak noemen. Die blijft beperkt tot individuen. De negatieve kant echter beperkt zich niet tot het individu. Dat is het geval als er vanuit een cultuur druk op het lichamelijke wordt uitgeoefend. Dat heeft grote gevolgen voor het welzijn van de mensen en het is bepalend voor de kwaliteit van samenleving en maatschappij. Ik doel nu op het complex van taboes, de zeden, de moraal, kortom: alle reglementeringen die bepalen wat hoort en wat niet hoort. Over het algemeen zijn dat in godsdiensten gefundeerde voorschriften, en dus voorschriften die het gevolg zijn van het van bovenaf denken op grond van de als zelfstandig gestelde geest. Hierbij past een opmerking. Het zijn inderdaad de godsdiensten die met al die voorschriften komen, maar je kunt je afvragen waarom de mensen die gewoonlijk niet terzijde leggen. De oorzaak is hierin gelegen, dat de godsdiensten eigenlijk de spreekbuis zijn van het dieper liggende besef van genoemde als zelfstandig gestelde geest. De voorschriften worden opgevolgd omdat zij corresponderen met het, tot de essentie van de cultuur behorende, van bovenaf denken. Voor dat denken kan het lichamelijke niet anders dan het lagere, het minderwaardige, zijn. Het besef daarvan lag, als het over de westerse wereld gaat, al klaar in de Germaanse cultuur. En het heeft zich in de loop der tijden doorgezet, mede door de macht van de christelijke kerken, die er psychologisch heel handig gebruik van hebben gemaakt. Het blijkt echter dat niet alleen de christenen in het westen er een lichaamsontkennende moraal op na houden. Ook humanisten en atheisten hebben er last van. Ook zij zijn van mening dat het lichamelijke het ware niet is, en dat het geestelijke dat wel is. Freud bijvoorbeeld vond dat het seksuele zich moest veredelen tot iets geestelijks. Tot die overtuiging kwam hij nadat hij ontdekt had dat de mens een door en door seksueel wezen is en dus voortgedreven wordt door lichamelijke driften. Hij was niet zo erg ingenomen met een dergelijke lichamelijke zaak, die bovendien zo'n belangrijke rol leek te spelen.

Wat hij uiteraard niet in de gaten had was het feit dat de seksualiteit een bij uitstek psychische aangelegenheid is en dat die, in plaats van veredeld (gesublimeerd) tot iets gereglementeerd geestelijks, daarentegen juist vrijgelaten zou moeten worden. Geen wonder dat hij allerlei psychische storingen toeschreef aan door hemzelf bedachte, op zichzelf staande, individuele complexen, zoals het Oedipuscomplex, en niet aan de inwerking van lichaamsvijandige cultuuropvattingen. In feite heeft hij geprobeerd een psychologisch theoretische basis te leggen voor de mening dat het lichamelijke het ware niet is. Als je zijn achtergrond in aanmerking neemt, joods patriarchaal en geworteld in het 19e eeuwse Duitse cultuurgoed, is dat allemaal zo verwonderlijk niet. Wel is verwonderlijk dat psychoanalytici als Wilhelm Reich (1897-1957), die juist voor seksuele vrijheid pleitten, nog steeds nauwelijks erkenning hebben gevonden. Te constateren is dat over het algemeen de op het geestelijke ingestelde mensen geen aardige mensen zijn. Zij zijn doorgaans hard in hun oordeel en hebben een onuitroeibare neiging om voor anderen de dienst uit te maken. Begrippen als warmte, gemoedelijkheid, liefelijkheid en ontvankelijkheid zijn nauwelijks op hen van toepassing. En in de maatschappij is het al niet veel anders gesteld, uiteraard omdat de geestelijke types de boventoon voeren: onze wereld is bepaald niet aardig, maar juist koud, hard, lelijk en principieel. Er is een groot gemis aan het psychische, het lichamelijke wordt nog steeds volop gediskwalificeerd. Een mens knapt er niet van op als hij zichzelf als lichamelijkheid diskwalificeert. Hij belet zichzelf om psychisch te zijn, of beter gezegd: hij traumatiseert zichzelf als psyche, hij maakt er een ziekelijke zaak van. Dat leidt vaak tot lichamelijke kwalen omdat het in het nauw gedreven psychische een uitweg zoekt. Wreedheid bijvoorbeeld is er ook een uiting van en die komt vooral voor bij mensen die in een streng geestelijk keurslijf geperst zijn. Bij soldaten is dat vaak waar te nemen, vooral als zij, vanuit de hogere zaak waarvoor zij staan, menen orde op zaken te moeten stellen en daartoe volmacht hebben gekregen. Je kunt stellen dat iemand die zichzelf psychisch vrij laat een aardig mens is. Dat is dus een mens die door warmte, gemoedelijkheid, ontvankelijkheid en liefelijkheid gekenmerkt wordt. En zelfs kun je stellen dat zo iemand een mooi mens is, uiteraard niet in de modieuze betekenis, want die wordt bepaald door op stroom liggende voorstellingen. Ik bedoel eigenlijk meer in de artistieke betekenis. Dat genoemde begrippen gelden voor psychisch vrije mensen is als volgt te verklaren: het psychische is het méétrillen van het lichaam met het bewustzijn. Als dat het geval is hebben wij lichamelijk te maken met de afspiegeling van begrippen die voor het bewustzijn gelden. Dan geldt achtereenvolgens: warmte als manifestatie van het feit dat we qua bewustzijn te doen hebben met een voortdurend in beweging zijn (denk aan de totaaltrilling), gemoedelijkheid omdat er geen grenzen gesteld worden (er wordt niet principieel gedacht), ontvankelijkheid omdat geldt dat wezenlijk alles in het geheel opgenomen is (je kunt bij die mensen terecht) en liefelijkheid omdat de totale inhoud van het bewustzijn ineen is en er niets buitengesloten is, noch er uitspringt als zou het iets van grotere waarde zijn. En, omdat deze gehele zaak in zichzelf en met zichzelf in harmonie is kunnen wij ook zeggen dat het iets moois is. Aardige mensen stralen al deze begrippen uit en er is aan hen te bemerken dat er geen breuk door hun psyche loopt. Zij zijn dan ook in zichzelf in rust. Zij worden niet heen en weer geslingerd tussen van elkaar gescheiden tegenstellingen. Daarom heeft Wilhelm Reich gelijk als hij zegt dat seksueel vrije mensen psychisch ontspannen zijn en niet geneigd tot het autoritaire, het gewelddadige en het wrede.

No. 114    Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

In het verband van het filosofische verhaal komt het als heel vanzelfsprekend over dat het vrij laten van het psychische leidt tot het gelden van begrippen als het gemoedelijke en dergelijke. Je vindt het logisch dat je in zo'n geval te doen hebt met aardige mensen. Toch zul je bemerken, in gesprekken met anderen die het filosofische verhaal niet begrijpen en die louter de toevallige praktijk als de maat nemen, dat er steeds geprotesteerd zal worden en dat men vindt dat het filosofische verhaal niet met de praktijk strookt. Men vindt dat het psychische helemaal niet vrijgelaten kan worden omdat het nu eenmaal niet te pas komt dat een ieder maar zijn eigen zin doet. En je zult bemerken dat je daar weinig tegenin kunt brengen, vooral als het gaat over de seksualiteit. Eigenlijk hebben die alledaags praktische mensen gelijk: het wordt een chaos als men zichzelf psychisch vrij laat. De vraag is nu hoe het te verklaren is dat de filosofische gedachtegang tot een uitkomst leidt die in strijd is met de praktijk. Daartoe moeten we die praktijk nader bekijken. De mensen uit onze cultuur denken in termen van reglementeringen en ten gevolge daarvan onderdrukken zij zichzelf als psyche. Zij weten niet beter of die onderdrukte psyche is de normale menselijke toestand. Zij beschouwen die toestand zelfs als een vorm van beschaving. De samenleving en de maatschappij zijn dan ook zodanig georganiseerd dat het psychische geen andere rol mag spelen dan die streng gereglementeerde. Als je de mensen dan voorstelt om zichzelf eens vrij te gaan laten, kunnen zij dit alleen maar zo begrijpen dat je voorstander bent van het afschaffen van de reglementen, het verbreken van de banden en het doen waar je zin in hebt. En zij voorspellen terecht dat het dan een grote janboel zou worden.

Inderdaad loopt de zaak dan uit in bandeloosheid. Dat manifesteert zich vooral op het terrein van de seksualiteit, omdat dit een levensterrein is dat helemaal afhankelijk is van het psychische. In de maatschappij en, in mindere mate, in de samenleving is het onderdrukt zijn van het psychische nog wel enigszins te verdragen, maar in de seksualiteit is het onmiddellijk frustrerend. Worden dan de reglementen doorbroken, dan krijg je te doen met een gefrustreerde seksualiteit die onbelemmerd zijn gang kan gaan. Met recht is dan te verwachten dat vrouwen, mannen en kinderen letterlijk niet meer veilig voor elkaar zijn. Tot op zekere hoogte was dat te constateren toen in de zestiger jaren een golf van zogenaamde bevrijding de westerse cultuur overspoelde: de psyche en de seksualiteit werden in feite niet vrij gelaten, maar zij werden ontregeld. Alles moest kunnen! Het begrip vrijheid houdt, binnen het kader van het moderne denken, in dat de banden verbroken zijn, dat een ieder op eigen wijze zijn gang kan gaan en met niemand rekening behoeft te houden. Men denkt namelijk wezenlijk in termen van gebondenheid en slavernij en bedenkt van daaruit dat zoiets de mens onwaardig is. Het resultaat is dan een negatieve houding: ontkenning van gebondenheid, ontkenning van reglementen en dergelijke. Zo vertaalt men het begrip vrije psyche automatisch door doen waar je zin in hebt. In het beste geval is men, uit een oogpunt van redelijkheid, bereid zich in zoverre in te perken dat men niet over de grens gaat die het ene individu van het andere scheidt - althans, dat zegt men: in werkelijkheid probeert men voortdurend die grens te overschrijden, en dat levert het immer voortdurende verdrukkingsproces op dat kenmerkend voor de moderne mensheid is. Als het begrip vrijheid door niets anders dan bandeloosheid vertaald wordt, is het maar beter niet naar vrijheid te streven. Gelukkig ligt het in de aard van de menselijke werkelijkheid dat de reglementeringen in een onvolwassen mensheid niet afgeschaft kunnen worden en bijgevolg hebben genoemde critici al bij voorbaat het gelijk aan hun zijde. Dat het vrij laten van het psychische inderdaad in de praktijk niet kan ligt evenwel niet in de mens als zodanig besloten, maar in de vooralsnog Onvolwassen mens, die nog helemaal niet in de gaten heeft wat het betekent individu te zijn. Het kan dus nu niet! Wat dit betreft zijn er meer voorbeelden te geven.

Zo is er het ideaal van de anarchisten om de maatschappij zo in te richten dat ieder mens zichzelf bestuurt, zonder dat er machtige overheden aan te pas komen. Ook dat is op zichzelf goed gedacht, maar ook hierbij geldt dat het alleen maar voor de volwassen mens opgaat. Brengt de onvolwassen mens zijn ideaal van het anarchisme in de praktijk, dan wordt het automatisch bandeloosheid. Een asociaal en meedogenloos zichzelf bevestigend gedrag is er het gevolg van. Het zichzelf psychisch vrij laten heeft niets te maken met het afschaffen van reglementen en het vrijelijk doen waar je zin in hebt. Het heeft daarentegen alles te maken met het laten gelden van de werkelijkheid als gevoel. Omdat voor deze werkelijkheid begrippen gelden als ineen-zijn, gemoedelijkheid en ontvankelijkheid staat het feit dat wij mensen met zijn allen zijn op de voorgrond, en dat leidt ertoe dat de andere mens voortdurend inbegrepen is in ons eigen leven. Het rekening houden met de medemens is dan geen kwestie van uitwendige reglementeringen, maar een kwestie van kwaliteit van je eigen leven. Als de verhoudingen zo liggen is bandeloosheid uitgesloten omdat het gebonden-zijn niet langer het uitgangspunt is. Juist als het om de kwaliteit van je eigen leven gaat wordt al datgene waartoe de losgeslagen bandeloze mens wel komt onmogelijk. Omdat de seksualiteit bij uitstek in het teken van het psychische staat gelden daarvoor in volle omvang alle eerder genoemde kwalificaties, zoals gemoedelijkheid en dergelijke. Daaruit volgt dat het de volwassen mens ten enenmale onmogelijk is de geliefde als een object te beschouwen. Het object-zijn vooronderstelt dat er een afstand en dus een scheiding is tussen de een en de ander. En bovendien houdt het in dat er, al of niet vrijwillig, grenzen overschreden worden. Men probeert elkaar te gebruiken, doorgaans zonder er zelf erg in te hebben vanwege het als vanzelfsprekend aanvaarde gangbare cultuur denken. Het object-zijn en het overschrijden van grenzen vervormt de seksualiteit tot een zaak van belangen. Die zaak wordt vervolgens op de een of andere manier gereglementeerd, bijvoorbeeld in het huwelijk. Dat reglementeren geschiedt niet vanuit een behoefte aan redelijkheid of rechtvaardigheid, maar louter vanuit de noodzaak om zichzelf tegen de ander te beschermen. Reglementen worden immers steeds door de zwakke van de sterke afgedwongen! Versta je nu onder vrijlaten het afschaffen van die reglementen, dan is niemand meer veilig voor de ander. Maar, zoals gezegd: vrijlaten betekent niet afschaffen, maar het betekent laten gelden wat geldt, en dat houdt nu net de eerder genoemde kwalificaties in. Uit het bovenstaande mag duidelijk zijn dat de kritiek van diegenen die het filosofische verhaal over de psyche niet begrijpen, moeilijk te weerleggen is omdat dat filosofische verhaal iets vertelt over een geheel andere werkelijkheid dan die van de vastgelegde voorstellingen. Binnen het kader van die voorstellingen geldt die kritiek inderdaad, maar hij vervalt onmiddellijk als je begrijpt wat het psychische werkelijk is, en tot welke levenshouding het realiseren van de werkelijkheid als gevoel leidt. Het was Wilhelm Reich die wat dat betreft op het goede spoor zat, maar de kritiek op zijn ideeën werd tenslotte zo agressief dat hij er mentaal aan onderdoor ging: hij stierf op 3 november 1957 onder armzalige omstandigheden in een Amerikaanse gevangenis en zijn boeken en manuscripten werden verbrand...

No. 115     Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

De seksualiteit is in de moderne wereld geworden tot een zaak van het bevredigen van behoeften en het gehoor geven aan begeerten. Dat dit heeft kunnen gebeuren is te wijten aan een tweetal ontwikkelingen, die ten nauwste met elkaar samenhangen. Als eerste is daar het verdrukken van het psychische. Zoals gezegd is dat een gevolg van de behoefte om alles te reglementeren. De gebeurtenissen in de menselijke werkelijkheid moeten beheersbaar en voorspelbaar gemaakt worden, zij moeten gaan passen in een overzichtelijk en begrijpelijk systeem. Dat heeft, ten tweede, te maken met de ontwikkeling van de mens tot individu, een ontwikkeling die zich in de Romeinse cultuur inzet, zich doorzet in de West-Europese cultuur, van oorsprong Germaanse cultuur en zich vervolgens uitlegt over de gehele wereld als Moderne cultuur. Het zich ontwikkelen tot individu is gebaseerd op het op de voorgrond treden van het zelfbewustzijn. De inhoud van dat zelfbewustzijn is de voorstelling, dat wil zeggen: de werkelijkheid zoals die volgens de mens als ik is. In die voorstelling zijn alle verschijningsvormen van de werkelijkheid van elkaar gescheiden; zij vormen met elkaar een verzameling van op zichzelf staande dingen. Met het op de voorgrond komen van het zelfbewustzijn en de daarin aanwezige voorstelling breekt in de mensen het besef door dat ook zij van elkaar gescheiden verschijnselen zijn. Vanaf dat moment gaat er gelden dat ik niet jij ben en de mensen beginnen zichzelf als de maat te nemen en zich af te zonderen van de anderen. In die afzondering gaan zij zichzelf zoveel als mogelijk waarmaken, en dat betekent dat zij er toe overgaan alles in bezit te nemen. Dat kunnen zij doen omdat zij als laatste verschijnsel (mens) de gehele werkelijkheid inhouden. Het zich verwerkelijken als ik houdt dus automatisch het vergaren van bezittingen in, en daarbij behoort dan weer dat men zijn medemens als vanzelfsprekend gaat beoordelen vanuit een oogpunt van nut. De medemens wordt een waardeobject dat voor de mens als ik al of niet van enig nut is. Als er een scheiding is tussen de een en de ander, en als de ander voor de een tegelijkertijd een zaak van de buitenwereld is waarmee hij eigenlijk niets te maken heeft, dan wordt voor de een de ander onmiddellijk een object. De ander wordt gedegradeerd tot een ding zoals alle andere dingen en de individu, dus de mens als ik, vindt vervolgens dat hijzelf de baas is over die als ding gestelde andere mensen. Dus gaat hij moeite doen om die baas-knecht verhouding in de praktijk waar te maken: hij gaat zich breed maken. Zo ontstaan er individuen die zichzelf macht gaan toekennen en die gaan heersen over de anderen en hen de wet stellen. Deze laatsten laten dit noodgedwongen over zich heen komen en hebben er zelfs enigszins vrede mee. Omdat zij zelf ook in het teken staan van het zich ontwikkelen tot individu vinden zij het normaal dat anderen het verder schoppen dan zijzelf en zij vinden het hoogstens jammer dat het niet gelukt is om zelf hogerop te komen. Intussen gaat echter ook hun eigen ontwikkeling door en zo komen er steeds meer individuen die hun onderlinge strijd enerzijds zo onbarmhartig mogelijk voeren, om anderzijds tegelijkertijd steeds meer reglementen in te voeren omdat zij ook wel inzien dat een strijd van allen tegen allen niet lang vol te houden is. Ontwikkeling tot individu en het ontstaan van de mens als ik is geen ontsporing van de mensheid, zoals nogal eens gedacht wordt. Het kan logisch niet uitblijven dat de mensen zich als ik gaan stellen want het is immers een feit dat de ene mens de andere niet is. En omdat dit een feit is realiseert het zich ook in de mensheid.

Het zich doorzetten van de scheiding tussen de mensen is noodzakelijk om na verloop van tijd te kunnen laten gelden wat de werkelijke verhouding tussen de mensen is. Deze verhouding is voor de mensen kenbaar, niet vanuit het zelfbewustzijn waarin alles gescheiden is - maar vanuit het bewustzijn, waarin het een onmiddellijk op zijn wijze het ander is. Anders gezegd: de ontwikkeling tot individu is voorwaarde voor het sociaal-zijn van de mensen. Als de ontwikkeling tot individu voorwaarde is voor het in volle omvang gelden van het bewustzijn is het dat ook voor het gelden van het psychische en ook voor het tot haar recht komen van de seksualiteit. Zolang echter die ontwikkeling nog niet voltooid is kunnen bewustzijn, psyche en seksualiteit niet uit de voeten. Omdat zij evenwel niet van de mens af gedacht kunnen worden wroeten zij in het dagelijkse leven door op een nagenoeg volkomen verwrongen wijze en daarbij ligt de maat in het elkaar object-zijn en dus bij het nut. Bekijken wij de wereld van vandaag dan zien wij dat de seksualiteit geheel bepaald wordt door de waarde die de mensen aan zichzelf en aan elkaar toekennen. Tegenwoordig wordt die waarde niet meer eenzijdig uitgedrukt in het huwelijkscontract, maar er is toch duidelijk te constateren dat ook andersoortige relaties door contracten en afspraken gelegaliseerd worden. Echter, ook als er bij uitzondering geen contracten en afspraken gemaakt worden kun je vaststellen dat de relaties waardeverhoudingen afspiegelen. Men moet wat aan elkaar hebben! De feministen zijn van mening dat de manier waarop de moderne mensen met de seksualiteit omgaan een belediging voor de vrouw is. Zij hebben in zoverre gelijk dat de West-Europese cultuur en, in het verlengde daarvan, de moderne cultuur in principe en in de praktijk vijandig aan het vrouwelijke zijn. Als ik straks het wezen van de seksualiteit zal bespreken zal duidelijk worden waarom dit in genoemde culturen het geval is. Maar, de degeneratie van de seksualiteit heeft op zichzelf niets met feminisme en vrouwvijandigheid te maken. Zij is aanwezig in zowel vrouwen als mannen, omdat beiden de uitwerking van hetzelfde cultuurmoment zijn: de verwerkelijking van de mens als ik. Als je dan van een belediging wilt spreken zou je het zo moeten stellen dat beiden, vrouw en man, zichzelf en elkaar beledigen in hun opvatting en hun praktijk van het seksuele leven. De blote dame in een advertentie voor een dure automobiel, vrijwel naakt op de motorkap gezeten, maakt niet alleen de vrouw belachelijk, maar ook de man van wie kennelijk verondersteld wordt dat hij die auto vanwege die dame zal kopen. De mens die alsnog bezig is zichzelf als ik te realiseren kan niet anders dan zijn seksuele tegenvoeter zien als een object dat zoveel mogelijk bevrediging moet schenken. Er zijn behoeften die bevredigd moeten worden en nu maar kijken wie dat het beste kan. Je kunt dan ook opmerken dat men de seksualiteit als een kwantitatieve zaak ziet, het gaat vooral om het aantal keren dat men bevrediging vindt, dat is steeds de strekking van de sex verhalen! In wezen is dat precies dezelfde gang van zaken als in de economie. Het mag dan ook geen wonder heten dat de verhouding tussen de seksen een duidelijk economische inslag heeft: de basissituatie in huwelijk en gezin is er een van een taakverdeling, traditioneel zo dat de vrouw de verzorgende taken op zich moet nemen en de man de verwervende. Hij moet zorgen dat er wat binnen komt (letterlijk: inkomen!) en zij moet die zaak bij elkaar houden en verzorgen. Dat was al zo in de oude Griekse cultuur en het is tot op heden niet wezenlijk veranderd. De Islamieten hebben er zelfs een strenge geloofsregel van gemaakt! Het feit dat er tegenwoordig veel mensen zijn die de verdeling der taken wat redelijker doen betekent niet dat de relatie tussen de seksuele partners niet meer overwegend van economische aard is. Uiteraard wil ik niet beweren dat het economische aspect uit het dagelijkse leven weggedacht zou moeten of kunnen worden. Het gaat er nu louter om wat er over de seksualiteit beseft wordt en waar dat vandaan gekomen is.

Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

No.116 ( wat is seksualiteit )

Maagd-1   Maagd-2   Maagd-3, nrs. 141,142 en 143

Onder seksualiteit versta ik het elkaar benaderen van het vrouwelijke en het mannelijke. Hierbij passen meteen al enkele opmerkingen. Ten eerste: het gaat hierbij beslist niet om het elkaar benaderen van de vrouw en de man omdat de seksualiteit zich niet uitsluitend tussen de vrouw en de man afspeelt, maar ook een homofiel karakter kan hebben. Bovendien geldt het begrip seksualiteit niet alleen voor de mens, maar in feite voor de gehele levende werkelijkheid. Ten tweede: fixatie op de vrouw en de man, en op het vrouwtjesdier en het mannetjesdier, koppelt de seksualiteit onmiddellijk met de voortplanting, hetgeen, filosofisch gezien, niet juist is. Ten derde van belang is het begrip elkaar benaderen, een begrip dat op een beweging, een activiteit duidt. Seksualiteit is dus een dynamisch begrip. Over het algemeen wordt dat niet zo gezien, de opvattingen over seksualiteit beperken zich tot datgene dat plaats vindt als een vrouw en een man elkaar reeds benaderd hebben en tot het liefdesspel overgegaan zijn. Je kunt daarover inderdaad heel interessante zaken aan de weet komen, bijvoorbeeld hoe het er in andere culturen toegaat. Maar al die kennis levert geen inzicht in het wezen van de seksualiteit op. Omdat het gaat over het elkaar benaderen van het vrouwelijke en het mannelijke, rijst als eerste de vraag hoe dat zit en waar dat vandaan komt. Voor een gedeelte heb ik er al eerder over gerept toen het over de levende cel ging zoals die de werkelijkheid op de wijze van een totaaltrilling inhoudt. We hebben daarbij te doen met een verschijnsel dat zichzelf inhoudt. Tijdens het wordingsproces immers is op een zeker moment het qua structuur meest innige verschijnsel voor de dag gekomen. Datzelfde innige verschijnsel houdt bij wijze van een trilling de werkelijkheid als verzameling van afzonderlijke dingen in. Dat moment van de wording is het dus zelf en daarom zeg ik dat het zichzelf inhoudt. Het begrip inhoud is essentieel voor de seksualiteit. Zoals met alle begrippen het geval is - omdat zij betrekking hebben op verhoudingen - laat ook het begrip inhoud zich gelden. Voor het levende verschijnsel geldt bijgevolg dat het twee aspecten vertoont: het geheel (de zaak zelf) en haar inhoud. Hierbij moet opgemerkt worden dat die inhoud niet bepaald wordt door het feit dat het geheel opgebouwd is uit optimaal innig gerangschikte bouwstenen, maar daarentegen door het feit dat de totaaltrilling alle mogelijke trillingen in zich verenigt. Het levende verschijnsel kan dus beschouwd worden in het licht van die totaaltrilling en in het licht van het geheel, of, anders gezegd: in het licht van de inhoud en in het licht van het inhoudende. Een gevolg hiervan is dat het levende wezen zichzelf voortbrengt, en dat betekent dat het haar eigen inhoud, datgene dat zij zelf is, als een zelfstandige werkelijkheid tot manifestatie brengt. Zij reproduceert dus zichzelf. Aan het feit van het zichzelf reproduceren moet je bedenken dat het woord zichzelf van groot belang is. In ons gangbare denken, dat analytisch is, ligt de nadruk op het feit dat het gereproduceerde, het voortgebrachte, iets anders is dan het voortbrengende. Anders gezegd: de dochtercel is iets anders dan de moedercel. Op zichzelf is dat natuurlijk juist, maar die opvatting verdoezelt wel de essentie van de zaak, namelijk dat het leven zichzelf voortbrengt. De inhoud van het levende wezen staat in het teken van de verzameling, namelijk van alle mogelijke trillingen. Dat leidt ertoe dat je die inhoud kunt typeren doormiddel van het begrip mannelijk, terwijl het levende wezen zelf getypeerd wordt door het begrip vrouwelijk. Het geheel is dus vrouwelijk en de inhoud is mannelijk.

Dat zijn twee onafscheidelijke begrippen: het geheel is niet zonder haar inhoud te denken en de inhoud niet zonder het geheel. Derhalve is het vrouwelijke niet zonder het mannelijke en het mannelijke niet zonder het vrouwelijke te denken. Het is in feite één zaak! Als nu de levende cel zichzelf voortbrengt, komt haar inhoud te voorschijn en die inhoud is mannelijk. Dat betekent niet dat het een mannelijk verschijnsel is, het is natuurlijk weer een cel waarvoor het geheel en dus het vrouwelijke geldt. Het is zogezegd een dochtercel. Maar gezien en gedacht vanuit het voortbrengende is het voortgebrachte mannelijk. Op zichzelf is het vrouwelijk, en dan zodanig dat het weer een mannelijke inhoud heeft. Het is opmerkelijk dat men dit in de oudheid beseft heeft. Men dacht zich de aarde als een vrouw, als een oermoeder. Die moeder bracht al het leven voort en dat leven werd steeds in het licht van het vrouwelijke gezien. Men besefte terecht met een vrouwelijke zaak van doen te hebben. Toch werd tegelijk het voortgebrachte als mannelijk beschouwd. De oude verhalen hebben dan ook deze strekking: de maagd (= het zichzelf voortbrengende leven) kreeg steevast een mannelijk kind, en die Moedermaagd beschouwde dat kind als haar zoon maar tegelijkertijd als haar geliefde en dus als haar inhoud, waarmee de zaak weer als vrouwelijk gesteld werd. En er is in de cultuur ontwikkeling een hele strijd geweest van de mannen om van dit verzonken-zijn in het vrouwelijke af te komen. Eigenlijk is dit pas gelukt met het doorbreken van de westerse cultuur.

Dat het mannelijke in de oudheid nooit gezien werd als iets zelfstandigs, maar daarentegen als inhoud van het vrouwelijke, blijkt ook uit het, meer Griekse, denkbeeld van de androgyne mens. Deze mens is tweeslachtig, zowel vrouw als man. Maar zij is dat niet op de wijze van de hermafrodiet, die door biologische oorzaken tweeslachtig is, maar op de wijze van het ineen-zijn van vrouw en man, waarbij de man inhoud van de vrouw is. Beelden uit de Griekse beeldhouwkunst die voor westers besef hermafrodiet zijn drukken in feite dat ineen-zijn van vrouw en man uit: de mens (en daarmee het gehele leven) is één vrouwelijk verschijnsel met een mannelijke inhoud. Naarmate de levende verschijnselen zich in de evolutie verder ontwikkelen tot meer complexe samenstellingen van meerdere cellen, groeien, op grond van de twee begrippen geheel en inhoud oftewel vrouwelijk en mannelijk, de twee geslachten steeds meer uiteen. We krijgen te doen met vrouwelijke en mannelijke verschijnselen. In wezen echter is het nog steeds één verschijnsel en omdat dat het geval is, is er dat voortdurende elkaar benaderen van het vrouwelijke en het mannelijke. Dit benaderen heeft dus op zichzelf niets met voortplanting en het in stand houden van de soort te maken, het berust uitsluitend op het feit dat het vrouwelijke en het mannelijke onafscheidelijk zijn. Het verlangen naar elkaar werd door de Grieken uitgedrukt doormiddel van het beeld van Eros. De Romeinen hebben er later Cupido van gemaakt en toen werd het vervormd tot een principe dat mensen verliefd op elkaar maakt. Daarmee werd het een uitwendige zaak, iets dat je van buitenaf en incidenteel overkomt. Eros echter geldt permanent en inwendig, het is de ingeboren drang tot het verenigen van het vrouwelijke en het mannelijke. De verhouding tussen het vrouwelijke en het mannelijke is asymmetrisch. Je hebt niet te doen met twee gelijksoortige grootheden die als het ware elkaars spiegelbeeld zijn en die ieder voor zich in de ander opgaan, maar je hebt te doen met ongelijksoortige grootheden. Voor de een geldt het geheel en voor de ander de inhoud, bij het een worden gaat het mannelijke op in het vrouwelijke en verdwijnt daarin zonder een spoor na te laten. Dat laatste is in de praktijk het geval bij de samengestelde organismen, bij de cel op zichzelf en dus bij de oercel is er helemaal geen op zichzelf staand mannelijk verschijnsel.

Maagd-1   Maagd-2   Maagd-3, nrs. 141,142 en 143

No. 117

De voortplanting en de seksualiteit hebben op zichzelf, als eigenaardigheid van het levende wezen, niets met elkaar te maken. Maar de grondverhouding waaruit beide voortkomen is wel dezelfde, namelijk de verhouding tussen het geheel en haar inhoud. In deze asymmetrische verhouding staat het geheel voor de zaak zelf, dus in principe de in zichzelf samenhangende levende cel en de inhoud voor de totaaltrilling. Voor deze inhoud geldt het begrip verzameling en die is te benoemen met de term mannelijk. De zaak zelf heet dan uiteraard vrouwelijk. Voor de oercel, die het basisgegeven is voor alle organismen, geldt dat zij een inhoud heeft. Dat betekent dat het mannelijke zonder meer haar inhoud is. Voor die inhoud geldt dat het eigenlijk de buitenwereld is, en wel op zodanige wijze dat die buitenwereld, voor zover die op zichzelf bestaat uit een verzameling trillingen, als een totaaltrilling in de oercel aanwezig is. Deze factor laat zich in de oercel gelden: de inhoud, de buitenwereld als totaaltrilling, gaat zich telkens als een zelfstandige zaak manifesteren en wordt als het ware zelf tot buitenwereld. Dat betekent dat de oercel zichzelf reproduceert en een nieuwe cel voortbrengt. We hebben nu te doen met voortplanting. Als je deze zaak nader beschouwt valt het op dat de voortplanting vooronderstelt dat het mannelijke (de totaaltrilling, de verzameling) inhoud van het vrouwelijke (het geheel) is. Dus niet dat het mannelijke al of niet inhoud wordt, maar dat het inhoud is. Pas als dat het geval is en voor zover dat het geval is reproduceert de oercel, dus het vrouwelijke, het geheel, zichzelf. Je hebt dus te doen met een puur vrouwelijke aangelegenheid waarin het mannelijke geen enkele zelfstandige rol speelt: het mannelijke is slechts de vanzelfsprekende inhoud van het vrouwelijke en het manifesteert zich op geen enkele wijze. Die verhouding blijft voortdurend gelden, ook als de oercel zich tot complexe organismen ontwikkeld heeft. Bij de mens bijvoorbeeld is het louter en alleen de eicel die tot een kind uitgroeit en dat is dus een proces dat zich in de vrouw afspeelt zonder dat er ook maar van enige medewerking of invloed van de man sprake is. Het gehele voortplantingsproces gaat buiten de man om. De mensen vinden die gedachte doorgaans moeilijk te aanvaarden, omdat zij niet kunnen laten allerlei sociale aspecten in de gedachtegang in te brengen. Op grond daarvan vinden zij dat de voortplanting een zaak van beiden, de vrouw en de man is. Op het sociale vlak is dat inderdaad de moderne opvatting, maar het gaat nu uitsluitend om het proces van de voortplanting zelf, en dan geldt dit, dat de man buiten de voortplanting staat en zelfs helemaal niet in staat is zich voort te planten. Het herkennen van deze verhouding is ook cultureel gezien van belang, in onze cultuur immers is het formeel nog steeds de man die zich voortplant: de kinderen gelden als zijn kinderen en dragen zijn naam!

Naarmate de evolutie tot steeds meer complexe organismen voortschrijdt groeien die organismen op zo'n manier uiteen dat er organismen ontstaan die in het teken van het vrouwelijke staan en organismen die in het teken van het mannelijke staan. De organismen gaan zich specialiseren. Beschouwen wij dit proces op louter natuurlijke gronden, dan loopt dit tenslotte uit in de vrouw en de man. Nu echter komt de verhouding tussen het geheel en haar inhoud fundamenteel anders te liggen. Beide zijn nu niet meer ineen, maar beide zijn uiteen. Voor de voortplanting betekent dit dat de vrouw haar inhoud in zich op zal moeten nemen om tot voortplanting te kunnen komen. Het mannelijke zal zich dus in het vrouwelijke moeten begeven en zich daarin als inhoud moeten laten gelden. De zaadcel is dat mannelijke en dat nestelt zich in de eicel. Dat gebeurt op zodanige wijze dat het daarin geheel en al ondergaat: het verdwijnt spoorloos! De wetenschappers hebben inmiddels ontdekt dat het DNA van de zaadcel zich ve