Beweging en Verschijnsel (2) Het wordingsproces

Het ontstaan van het Heelal / de Kosmos t/m Het Slotakkoord ďDE MENSĒ

Hoorcolleges jaargang 1989/91 Vervolg: deel 3

Naar het begin en bladwijzersÖ

albert einstein,allah,analyse,anarchisme,anarchist,anarchistisch,arbeid,begin en einde,bewustzijn,blut und boden,chaos,christendom,communisme,conditionering,cultuur,de maagd met het kind,de menselijke geest,de tweede wereldoorlog,de werkelijkheid,de wording van de kosmos,de zoon van de mens,democratie,e=mc2,erotiek,evangelie, evolutie, evolutieproces,fascisme,filosofie,freud,geest,gevoel,gevoelens,geweld,gewone mensen,god,god is liefde,godsdienst,het absolute niets,het arbeidsproces,het begrip tijd,het brein,het geheel,het koninkrijk gods,het leven,het menselijk denken,het nationaal socialisme,het nationaal-socialisme,n.s.b.,het ontstaansproces,hoer,holisme,holisten,homoseksueel,huwelijk,ideaal,ideologie, immanuel kant,intuitie, inzicht,islam,jahwe,jahwisme,jezus,joden,jodendom,jodenhaat,kapitalisme,kapitalist,ketter,kosmos, kunstmatige intelligentie,liefde,macht ten goede,macht,marx,materie,meeleven,metafysica,microkosmos,moraal,nationalisme, new age,nihilisme,oedipuscomplex,oercel,oermoeder,oog om oog tand om tand,opstanding en hemelvaart,overheid,overleven, particuliere kapitalisme,psyche,recht,rechtvaardigheid,relatie,religie,religieuze prostitutie,samenhang,samenleving,particuliere kapitalisme,seksualiteit,sociaaldarwinisme,socialisme,socrates,spanningen,spinoza,superintelligentie,teilhard de chardin, the struggle for life,the survival of the fittest,tijdloosheid,tijl uilenspiegel,twijfel,vandalisme,van bovenaf denken,veiligheid, verhoudingen van de werkelijkheid,verspilling,vrijheid,waarheid,wat is de geest,wat is denken,wat is filosofie,wat is seksualiteit,wat is twijfelen,wat is waarheid,wat is wangedrag,wie ben ik,wordingsproces,zarathustra,zelfbewustzijn, zelfmoord,zelfontkenning,ziel.

Terug naar: Startpagina

 

Help mee om deze site te promoten. Vertel het uwÖ!

(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )

Naar het begin en bladwijzersÖ

 

Naar bladwijzers: Boeddhisme ; Yoga ; HindoeÔsme ; Kunstmatige intelligentie ; Anarchie ; Newton en ruis(1) ; Newton en ruis(2) ; Het is dan ook begrijpelijk dat men zowel in de Islam als in het Jahwisme verbood de goddelijke werkelijkheid (het stoffelijke niet) in enigerlei natuurlijke vorm uit te drukken. ; Ze hebben het te goed ;Mohammed ; Jodendom ; KANT- zie 01 , 02 , 03 , 04 , 05 ; Zowel het christendom als de Islam ;Zolang de mensen nog allerleiÖ; zelfbewustzijn ; vertrouwen in-1 ; vertrouwen in-2 ; Bijna doodervaring-1 ; Bijna doodervaring-2 ; Schurkachtigheden ; Wie ben ik- lees paginaís 78 t/m 81 ; Maagd-1 ; Maagd-2 ; Maagd-3, nrs. 141,142 en 143 ; eigenwaarde ; tot hun recht komen-1; tot hun recht komen-2 ;Opstanding en Hemelvaart ; het sportieve als het artistieke spel ; staken ; Jodenhaat ; De Maagd met het kindeke Jezus ; Het verhelderingsproces ; hoer-1 ; hoer-2 ; Religieuze prostitutie ; Religieuze prostitutie-2 ; Onvermijdelijke toeval-1 ; onvermijdelijke toeval-2 ; Darwin(isme)the survival of the fittest ; gelijkwaardigheid-1 ; gelijkwaardigheid-2 ; gelijkwaardigheid-3 ; Tegennatuurlijk nr. 83 en Tegennatuurlijk nr. 102 ; Zelfmoord ; Godsdienst als intellectuele constructie ; Materialistisch ; Individualisering ; Napoleon / Waterloo ; Seksualiteit / belediging/ Vrouw ; natuurrampen ; Metafysica ; Mystiek en Metafysica vanaf no. 140 tot eind van deel 2 ; het denken van beneden naar boven ( no. 106 ) ; Verliefd ; E=MC2 ; God is Liefde pag. 142 t/m 144 ; Spanningen-1 ;Spanningen-2 ;De Zoon van de mens - wij noemen hem Jezus ; collectivistische denken(nos. 127 t/m 130) ; Verantwoordelijk ;Ziel-1 ; Ziel-2 ; Vervreemding ; VerlichtingVolwassen worden-1, Volwassen worden-2; Oedipuscomplex ; God is Liefde pag. 142 t/m 145 ; Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4 ; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; Mohammed bedacht de Islam en ook dat was een intellectuele constructie ; concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; Pilatus ; onthouden-1; onthouden-2 ; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144);Lijdensweg ;De grondslagen van Jodendom-Christendom en Islam-lees o.a. de nrs. 142t/m146 en verder ; De Bijbel en de Koran zijn intellectuele constructies..! ; Hersencel-1 ; Hersencel-2 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Overgang-1 ; Onverdraagzaamheid ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ;Betrokkenheid ; Rechten van de Mens ; Meditatie-1 ; Meditatie-2 ; Oude Testament-1 ; Oude Testament-2 ; Oude Testament-3 ; China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ; Grondslagen van de ISLAM en het christendom ; Beleving-1 ; Beleving-2 ; Verwijten maken aan diegenen die die vernielingen aanrichten..? ; HOMOSEKSUALITEIT ; Wangedrag ; Sportief..? ; Waanvoorstellingen ; Van bovenaf denken: zie A(79) , B(105t/m109) , C(113) , D(129 / 130) , E(136) , F(145) ; Twijfelen-1 ;Twijfelen-2 ;

 

 

 

Naar artikelen: Het toenemend belang van het AtheÔsme ; Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheÔsme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ;Ongewenst atheÔsme- zie afl. 32 ;Een grens te ver (IsraŽl) ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Hoe zit het nou met god..? ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61;Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld ..? zie no. 27 ;Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 : De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjariía ; Burqa, volg bladwijzer ; De Westerse wereld en de wereld van de Islam ;

 

 

Naar: De ontwikkeling van de West Europese Cultuur

Naar: Beweging en Verschijnsel (deel 1)

Naar: Beweging en Verschijnsel (deel 3)

 

BEWEGING EN VERSCHIJNSEL (deel 2)

Naar bladwijzers: Boeddhisme ; Yoga ; HindoeÔsme ; Kunstmatige intelligentie ; Anarchie ; Newton en ruis(1) ; Newton en ruis(2) ; Het is dan ook begrijpelijk dat men zowel in de Islam als in het Jahwisme verbood de goddelijke werkelijkheid (het stoffelijke niet) in enigerlei natuurlijke vorm uit te drukken. ; Ze hebben het te goed ;Mohammed ; Jodendom ; KANT- zie 01 , 02 , 03 , 04 , 05 ; Zowel het christendom als de Islam ;Zolang de mensen nog allerleiÖ; zelfbewustzijn ; vertrouwen in-1 ; vertrouwen in-2 ; Bijna doodervaring-1 ; Bijna doodervaring-2 ; Schurkachtigheden ; Wie ben ik- lees paginaís 78 t/m 81 ; Maagd-1 ; Maagd-2 ; Maagd-3, nrs. 141,142 en 143 ; eigenwaarde ; tot hun recht komen-1; tot hun recht komen-2 ;Opstanding en Hemelvaart ; het sportieve als het artistieke spel ; staken ; Jodenhaat ; De Maagd met het kindeke Jezus ; Het verhelderingsproces ; hoer-1 ; hoer-2 ; Religieuze prostitutie ; Religieuze prostitutie-2 ; Onvermijdelijke toeval-1 ; onvermijdelijke toeval-2 ; Darwin(isme)the survival of the fittest ; gelijkwaardigheid-1 ; gelijkwaardigheid-2 ; gelijkwaardigheid-3 ; Tegennatuurlijk nr. 83 en Tegennatuurlijk nr. 102 ; Zelfmoord ; Godsdienst als intellectuele constructie ; Materialistisch ; Individualisering ; Napoleon / Waterloo ; Seksualiteit / belediging/ Vrouw ; natuurrampen ; Metafysica ; Mystiek en Metafysica vanaf no. 140 tot eind van deel 2 ; het denken van beneden naar boven ( no. 106 ) ; Verliefd ; E=MC2 ; God is Liefde pag. 142 t/m 144 ; Spanningen-1 ;Spanningen-2 ;De Zoon van de mens - wij noemen hem Jezus ; collectivistische denken(nos. 127 t/m 130) ; Verantwoordelijk ;Ziel-1 ; Ziel-2 ; Vervreemding ; VerlichtingVolwassen worden-1, Volwassen worden-2; Oedipuscomplex ; God is Liefde pag. 142 t/m 145 ; Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4 ; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; Mohammed bedacht de Islam en ook dat was een intellectuele constructie ; concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; Pilatus ; onthouden-1; onthouden-2 ; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144);Lijdensweg ;De grondslagen van Jodendom-Christendom en Islam-lees o.a. de nrs. 142t/m146 en verder ; De Bijbel en de Koran zijn intellectuele constructies..! ; Hersencel-1 ; Hersencel-2 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Overgang-1 ; Onverdraagzaamheid ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ;Betrokkenheid ; Rechten van de Mens ; Meditatie-1 ; Meditatie-2 ; Oude Testament-1 ; Oude Testament-2 ; Oude Testament-3 ; China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ; Grondslagen van de ISLAM en het christendom ; Beleving-1 ; Beleving-2 ; Verwijten maken aan diegenen die die vernielingen aanrichten..? ; HOMOSEKSUALITEIT ; Wangedrag ; Sportief..? ; Waanvoorstellingen ; Van bovenaf denken: zie A(79) , B(105t/m109) , C(113) , D(129 / 130) , E(136) , F(145) ; Twijfelen-1 ;Twijfelen-2 ;

 

 

Naar artikelen: Het toenemend belang van het AtheÔsme ; Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheÔsme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ;Ongewenst atheÔsme- zie afl. 32 ;Een grens te ver (IsraŽl) ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Hoe zit het nou met god..? ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61;Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld ..? zie no. 27 ;Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 : De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjariía ; Burqa, volg bladwijzer ; De Westerse wereld en de wereld van de Islam ;

 

 

No. 76

Bladwijzers: Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

Er komt in de wording van de kosmos een moment voor dat op een planeet, als de omstandigheden daarop aan een aantal voorwaarden voldoen, het leven te voorschijn komt. Dat moment draagt als kenmerk dat het verschijnsel in zichzelf gaat bewegen. Wij noemen dat levend-zijn. Naast dit levend-zijn treedt ook het bewustzijn op, namelijk de totaaltrilling die het gevolg is van het feit dat de bouwstenen, waaruit het verschijnsel is opgebouwd, in zichzelf in trilling zijn. Die trilling wordt op een zeker moment dominant en dan komt het verschijnsel tot bewustzijn. Als het verschijnsel tot bewustzijn gekomen is vervalt de combinatie van bouwstenen niet, dat wil zeggen: het lichaam blijft een materieel ding. Het wordt wel een bijzonder ding, namelijk een ding dat in zichzelf beweegt (levend-zijn) en trilt (bewustzijn). Het is van belang dit goed in de gaten te houden, omdat je vanuit onze denktraditie onwillekeurig zou gaan denken dat je met een aantal verschillende verschijnselen binnen ťťn verschijnsel te doen zou hebben. Dus een gedeelte dat stoffelijk is, een gedeelte dat beweegt en een gedeelte dat trilt. Maar zo zit het niet! Je hebt te doen met het tegelijk gelden van materie, beweging en trilling voor een en hetzelfde samengestelde systeem. Het gemakkelijkst is dit te begrijpen als je de grootheden materie, beweging en trilling als verhoudingen binnen het verschijnsel beschouwt. De psyche is een wisselwerking tussen de verhoudingen materie (het ding) en trilling (het bewustzijn), in die zin dat het ding met het bewustzijn mee gaat trillen. Dat leidt tot een tweetal eigenaardigheden: ten eerste het optreden van de werkelijkheid als gevoel, en ten tweede het aan het lichaam ervaarbaar worden van het psychische. Het lichaam spiegelt de psyche af, deze is er aan af te lezen. Dat komt natuurlijk doordat het lichaam, vanwege het meetrillen, in een speciale toestand komt. De rangschikking van de bouwstenen wijzigt zich in die zin dat het vastgelegde karakter ervan gaat gelden alsof het niet vastgelegd was. Het is het in trilling komen dat dit veroorzaakt. De vraag is wat zich dan laat ervaren, wat zich dan afspiegelt. Uiteraard is dat het bewustzijn en dat betekent dat de werkelijkheid als algemeenheid, de werkelijkheid zoals ze wezenlijk is, afgespiegeld wordt. Omdat het bewustzijn bij de mens volledig (volmaakt) geworden is spiegelt zich de gehele werkelijkheid af en wel in alle verhoudingen die voor haar gelden. Als bijvoorbeeld schoonheid betekent dat alles in samenhang aanwezig is, zonder dat er iets uitspringt, dan spiegelt het menselijk lichaam schoonheid af. Als voor de wezenlijke werkelijkheid geldt dat zij ťťn ondeelbaar geheel is, dan spiegelt ons lichaam dat af. Er is een tijd geweest dat de mensen beseften dat het lichaam aan het psychische uitdrukking geeft en dat dit een afspiegeling van de wezenlijke werkelijkheid is. Dat was de tijd van de Griekse cultuur. Natuurlijk hadden de meeste Grieken, bevangen als zij waren in de strijd om het bestaan, nauwelijks notie van dit besef, maar de meer zelfbewuste mensen hadden dat wel. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de Griekse beeldhouwkunst. Men probeerde aan het menselijk lichaam de wezenlijke werkelijkheid te tonen. Het menselijk lichaam werd zo gebeeldhouwd dat het het psychische afstraalde. Dat betekende enerzijds dat het zo mooi mogelijk gemaakt werd en anderzijds dat alle bijzondere toestanden, zoals bepaalde handelingen en emoties, zoveel mogelijk buiten beschouwing werden gelaten. Men zag helder in dat het niet om het bijzondere ging - zoals later in West-Europa wel het geval zou zijn - maar om het algemene, datgene dat eeuwig geldig is. En ook zag men in dat de meest volmaakte drager van het psychische het vrouwelijke lichaam is.

Vandaar dat men zich aangetrokken voelde tot de godin Afrodite, die als vertegenwoordigster van de liefde het slotakkoord van de werkelijkheid is. Die oude Grieken zullen niet geweten hebben hoe het zit met het meetrillen van het ding met de totaaltrilling die het bewustzijn is, noch zullen zij de betekenis van het bewustzijn als alomvattende werkelijkheid gekend hebben. Maar aangevoeld hebben zij die zaak wel degelijk. Hoe dat mogelijk geweest is laat zich begrijpen als je bedenkt dat de gehele oudheid gericht was op het bewustzijn en het ervaren van de werkelijkheid als beeld. In de Griekse cultuur is die gerichtheid tot een hoogtepunt gekomen. Uiteraard hebben die Griekse beeldhouwers het (vrouwelijke) lichaam zo mooi mogelijk gemaakt. Dat is logisch, want het besef dat het lichaam de psyche afspiegelt gaat samen met het besef dat dit lichaam voorgesteld moet worden zonder gebreken. Ik heb er al op gewezen dat het psychische belemmerd kan worden door onvolkomenheden van het lichaam, hetzij door materiŽle oorzaken, hetzij door morele oorzaken. Daardoor kan het meetrillen niet goed uit de voeten. Toch moeten wij hierbij wel bedenken dat er ook dan een zekere mate van meetrillen is en dat dit, hoe gebrekkig ook, steeds het bewustzijn is dat zich manifesteert. Daarom kun je aan een lelijk of gebrekkig lichaam toch de psyche aflezen. Een gebrekkige psyche is ook een psyche! Behalve afspiegeling van de wezenlijke werkelijkheid als bewustzijn is het psychische ook de werkelijkheid als gevoel. De afspiegeling is een uitwendige zaak, maar het gevoel is een inwendige. Voor jezelf geldt de psyche als gevoel. Dat mag evenwel niet verward worden met de gevoelens. Deze slaan als regel op bepaalde ervaringen van jezelf als zelfbewustzijn, ervaringen van toestanden waarin je op een gegeven moment verkeert. De gevoelens zijn dan ook te duiden. Hun oorsprong is, al dan niet met behulp van psychologische onderzoekingen, te achterhalen en aan te wijzen. Tegenwoordig is het plegen van dergelijke onderzoekingen tot een hele wetenschap uitgegroeid. Men hecht veel waarde aan het achterhalen van de oorsprong van de gevoelens, de emoties. De werkelijkheid als gevoel vertoont zich in principe het gaafst aan en in de seksualiteit. Hierin laat zich gelden dat het vrouwelijke en het mannelijke ineen zijn. Bijgevolg is er het gevoel dat beide zich hebben te verenigen. Dat komt precies overeen met de situatie in de wezenlijke werkelijkheid van het bewustzijn. Het vrouwelijke heeft het mannelijke als inhoud en het mannelijke is inhoud van het vrouwelijke. Ik moet de seksualiteit nog bespreken, maar een enkele opmerking is al wel te maken. Seksualiteit geldt voor die levende verschijnselen die zich tijdens de evolutie uiteengelegd hebben in een vrouwelijk exemplaar en een mannelijk exemplaar. Omdat zij uiteen zijn voelen zij de noodzaak zich te verenigen. Gaat het echter over het bewustzijn, dan zijn beide steeds ineen. Dan gaat het bijgevolg over een toestand. Die toestand is eigenlijk datgene dat wij liefde noemen. Liefde is dus een begrip dat voor elk mens geldt en het is niet een betrekkelijk toevallige situatie waarin twee of meer mensen verkeren, zoals in de westerse denk-traditie gesteld wordt. Men meent dat er pas dan liefde is als er een bepaalde omgang van mensen bestaat. In feite echter ligt de zaak precies andersom: voor de mens geldt liefde en daardoor kunnen er bepaalde omgangen tussen mensen tot stand komen. Het seksuele is rechtstreeks te herleiden tot de werkelijkheid als gevoel. Het is de meest zuivere manifestatie daarvan. Ook dat is in de oudheid ingezien. In India bijvoorbeeld beelden reliŽfs op tempels deze zuiverheid uit. Je ziet uitermate liefelijke taferelen van vrijende mensen. Daarin werd uitdrukking gegeven aan het goddelijke van de seksualiteit. De gehele oudheid, tot en met de oude Griekse cultuur, toont ons vrijmoedige beelden van elkaar beminnende mensen en steeds ligt de nadruk op het mooie ervan.

Bladwijzers:Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

No. 77

Bladwijzers: Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Ziel-1 ; Ziel-2

Het heeft zin er nogmaals op te wijzen dat het verschijnsel mens niet voor een gedeelte materieel is en voor een ander gedeelte psychisch, maar dat het gehele verschijnsel zowel materieel als psychisch is. Dat zal ons als vanzelfsprekend voorkomen, maar het is toch nog altijd een zaak die voor het moderne denken moeilijk ligt. Volgens het taalgebruik hebben wij een ziel of een geest. Men zal tegenwoordig niet meer zo gemakkelijk op zoek gaan naar zo'n ziel of geest, zoals dat vroeger wel het geval was door bijvoorbeeld iemand vlak voor en vlak na zijn sterven te wegen, maar de verhalen over uittredende geesten en het zich manifesteren van de geesten van overledenen bevestigen niettemin dat er eigenlijk toch aan aparte onderdelen van het verschijnsel mens gedacht wordt. Hierboven genoemd probleem doet zich ook voor bij het nadenken over nog een ander aspect van de mens, namelijk datgene dat doorgaans geest genoemd wordt. Ook hierbij gaat het om een verhouding in en van het gehele systeem van beweeglijkheden en niet om een apart gedeelte daarvan. De verleiding om aan een apart gedeelte te denken is nu evenwel extra groot omdat de mens over een brein beschikt waarin de zogenaamd geestelijke processen zich af lijken te spelen. Hoe dan ook, het uitlopen in de verhouding geest berust op het volgende: de bouwstenen gaan zich combineren en vormen zodoende verschijnselen. Dat combineren geschiedt steeds inniger totdat er een situatie optreedt waarbij de, eveneens voor de bouwstenen geldende, trilling dominant gaat worden. Op dat moment krijg je te doen met een totaaltrilling die zich enerzijds manifesteert als levend-zijn en anderzijds als bewust-zijn. Vervolgens gaan die levende en bewuste systemen (cellen) zich met elkaar verenigen tot steeds inniger organisaties en ook dat gaat tot een grens, namelijk zover tot het punt bereikt is dat het proces niet verder kan. De organisatie is dan zo innig, zo verfijnd, dat de beweeglijkheden, waaruit natuurlijk de hele zaak opgebouwd is, niet meer eenzijdig gebonden zijn aan de systemen waartoe zij, vanuit het wordingsproces, behoorden. Er gaat nu verwisselbaarheid optreden en dat wil zeggen dat een bepaalde beweeglijkheid zowel tot het ťne als tot het andere systeem kan gaan behoren. In feite betekent dit dat die beweeglijkheden vrij geworden zijn. Al eerder kwam je het begrip verwisselbaarheid tegen, namelijk bij het optreden van levend-zijn en bewust-zijn. Toen echter ging het om de onderlinge verwisselbaarheid van de bouwstenen zelf, met als gevolg dat de trilling daarvan op een zeker moment zowel bij de ťne als bij de andere bouwsteen kon behoren, met daarvan weer het gevolg dat er een totaaltrilling kon ontstaan. Deze trilling is in principe materieel omdat het de trillende materie (bouwsteen) is die hem voortbrengt. Thans echter gaat het om het feit dat het de beweeglijkheden zelf zijn die zich vrij hebben gemaakt van alle systemen die in hun voorgeschiedenis een rol speelden. Zij hebben nergens meer mee te maken en daarom kun je zeggen dat zij al het voorgaande, in feite de verschenen werkelijkheid, ontkennen. Deze ontkenning nu is het begrip geest. Duidelijk zal zijn dat wij nu met een niet-materiŽle zaak van doen hebben. Het begrip ontkenning is niet te denken zonder datgene dat ontkend wordt en evenzo is de weer vrij geworden beweeglijkheid niet te denken zonder zijn voorgeschiedenis. Juist omdat het wordingsproces tot een maximale innigheid van samenstelling heeft geleid kunnen de beweeglijkheden gaan gelden alsof ze weer volkomen vrij zijn. Ze worden niet echt vrij, want dan zou het gehele verschijnsel zich oplossen, welbeschouwd niet alleen het verschijnsel mens, maar ook alles wat aan hem ten grondslag ligt. Er zou dan, gezien in de tijdloosheid van de werkelijkheid als beweeglijkheden, helemaal geen kosmos zijn. Het gaat er dus om te begrijpen dat de beweeglijkheden zich nu gaan gedragen alsof ze geheel op zichzelf zijn. En dat kunnen zij op voorwaarde dat er een kosmos, uitlopend in het meest innige verschijnsel mens, ontstaan is. Het begrip geest is dus niet los te denken van de materie. Het is in feite materie die zich als niet-materie gelden laat. Dit betekent dat alle verhalen over geesten en goden, die de mensen in de loop der tijden elkaar wijsgemaakt hebben, op een niet-begrijpen van het begrip geest berusten.

Het betekent ook dat de hele verzameling godsbewijzen, waarmee men enerzijds wilde aantonen dat god niet bestaat en anderzijds dat hij wel bestaat, over boord gezet kan worden. Al die zogenaamde bewijzen berusten op waarschijnlijkheden, waarvan het dubieuze is dat je niet met zekerheid kunt zeggen of je god niet toch tegen zult komen als je mogelijkheden tot onderzoek vergroot zijn. Het feit dat god tot nu toe niet ontdekt is betekent, logisch redenerend, op zichzelf niet dat hij er niet is! Op dit laatste berusten de bevestigende bewijzen van Gods bestaan. Hetzelfde geldt voor die hele collectie geesten die zich tegenwoordig in een zekere populariteit kunnen verheugen...Als je de gedachtegang inzake de wording, vanuit de beweeglijkheden, begrijpt heb je niets meer met bewijsvoeringen op grond van waarschijnlijkheden te maken. Die gedachtegang leidt er onvermijdelijk toe dat je begrijpt hoe het zit met de allerlaatste situatie waarin de beweeglijkheden komen te verkeren. Vanuit dat begrijpen weet je voor eens en voor altijd dat goden en geesten onmogelijk zijn, maar je begrijpt ook waarom de mensen almaar met zulke verhalen op de proppen gekomen zijn. Opmerkelijk is namelijk dat er binnen het kader van de religies uitspraken zijn gedaan die verwijzen naar een besef omtrent de werkelijke situatie waarin de mens in de kosmos verkeert. Men heeft over god gesproken als begin en einde, in die zin dat beide situaties identiek zouden zijn. En in de filosofie heeft bijvoorbeeld Hegel hetzelfde gezegd: de oorspronkelijke werkelijkheid (bij hem: denken) zou, via een omkering in zichzelf (de verschijnselen) tenslotte weer bij zichzelf terug gekomen zijn (denken). Op zichzelf zijn deze gedachten juist, maar je mag toch in geen geval vergeten dat de oorspronkelijke werkelijkheid (de beweeglijkheden) aan het eind in een volstrekt andere situatie teruggekomen zijn. Aan het begin zijn zij helemaal op zichzelf, maar aan het eind zijn zij er alsof zij op zichzelf zijn, zonder daarbij los te komen van hun voorgeschiedenis: de wording. Omdat de werkelijkheid als geest de ontkenning van al het bestaande is, uiteraard inclusief het verschijnsel mens, denken de meeste mensen tot op de dag van vandaag dat genoemde werkelijkheid een zelfstandige is, niet alleen buiten de mens, maar zelfs boven hem. Zij kunnen niet bevatten dat alle uitspraken over goden en geesten op henzelf betrekking hebben, dat dergelijke zaken alleen maar in hun eigen hoofd bestaan. Omdat zulke uitspraken toch op de een of andere manier op de werkelijkheid als geest slaan is het uitermate boeiend ervan kennis te nemen. Hoewel toegegeven moet worden dat vanuit de godsdiensten, vooral de tegenwoordige, nauwelijks iets anders dan onzin te berde gebracht wordt, is het toch goed om in te zien dat die onzin te maken heeft met iets dat voor de mens essentieel is: het feit dat hij grenst aan een volkomen vluchtige, aan niets gebonden, alles oplossende heldere werkelijkheid. Zo gezien behoren de godsdiensten tot zo ongeveer de enige overtuigingen die, zij het op Onbegrepen en bijgevolg onzinnige wijze, nog enigszins op het wezen van de mens betrekking hebben. Dat verklaart dan ook hun grote invloed op de mensen. Maar, je moet die godsdiensten dan wel naar hun essentie beoordelen en niet naar hun onvermijdelijke en voor de mensheid funeste streven naar macht.

Bladwijzers: Ziel-1 ; Ziel-2 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ;

 

No. 78

Bladwijzers: Wie ben ik- lees paginaís 78 t/m 81 ;

Bij het nadenken over de wording van de kosmos bemerk je dat het wordingsproces zich op verschillende niveaus afspeelt. Nu zijn wij gewend om van hogere en lagere niveaus te spreken en dus, als het gaat over de zogenaamde geest, die als het hoogste te beschouwen. Hoewel je de woorden hoger en lager wel kunt gebruiken is het toch van belang je goed te realiseren dat er in feite niet van hoger en lager gesproken kan worden. Zou je daar niet op letten dan zou je ongewild in het gangbare westerse denkpatroon vervallen, waarbij als vanzelfsprekend het lagere als minder belangrijk, als minder waardevol, wordt gezien. Het westerse denken is in wezen uiterst discriminerend, juist omdat er steeds iets is dat voor waardeloos doorgaat. En anderzijds is er onvermijdelijk iets, namelijk datgene dat men geest noemt, waaraan de grootste waarde wordt toegekend. Daardoor gaat het geestelijke al het andere domineren en dat heeft tot gevolg dat je een volkomen foute voorstelling van de werkelijkheid, en dus ook van je eigen leven, krijgt. Er bestaat geen hoger en lager en de geest domineert de werkelijkheid niet, ook al lijkt het of dit wel het geval is. Aan het einde van het wordingsproces zijn alle verhoudingen, die tussen beweeglijkheden mogelijk en houdbaar zijn, tot realiteit geworden. Van belang is hierbij dat het gaat over verhoudingen tussen beweeglijkheden en dat die beweeglijkheden zelf onaangetast blijven - ik heb hierop bij herhaling gewezen. Als die beweeglijkheden wel in de zaak betrokken waren geweest, konden zij aan het einde van het gehele proces niet naar hun ware, onafhankelijke, aard gaan gelden. Die onafhankelijkheid was dan volledig verloren gegaan. De merkwaardige situatie die wij met het begrip geest aanduiden was ten enenmale onmogelijk geweest. Tot nu toe heb ik als vanzelfsprekend aangenomen dat het de mens is in wie de situatie geest voor de dag komt. Maar eigenlijk moet dat beredeneerd worden, en wel vanuit de gedachtegang over het wordingsproces zelf. De daarbij geldende argumenten berusten allemaal op het feit dat de laatste mogelijkheid, waartoe het proces komt, een dubbelsituatie moet zijn. Voor het laatste verschijnsel moet gelden dat het een dubbelwezen is. Enerzijds heb je immers te doen met een allesomvattend verschijnsel en anderzijds met de volstrekte ontkenning daarvan. Bovendien moeten die beide situaties met elkaar samenhangen, waarbij de verhouding zo zal moeten zijn dat de ontkenning niet denkbaar is zonder het allesomvattende verschijnsel en zijn voorgeschiedenis. Het laatste verschijnsel zal, omdat het alles omvattend is, geen enkele natuurlijke specialisatie kunnen vertonen. Juist omdat elke specialisatie aanwezig is geldt er geen enkele als kenmerkend. Alle voorgaande verschijnselen, die slechts, in het kader van de verhouding binnen- en buitenwereld, met een beperkte en zeer speciale realiteit verband houden (via het bewustzijn) zijn toegespitst op die speciale realiteit. Zij zijn gespecialiseerd in het omgaan met die realiteit. Roofdieren zijn toegerust op het doden van bepaalde andere dieren, planteneters op het verwerken van moeilijk verteerbare organismen, kortom: ieder levend wezen is toegerust op het tot energie omzetten van een specifieke werkelijkheid. Voor het laatste verschijnsel is de werkelijkheid een allesomvattende en dus vertoont het geen natuurlijke specialisatie. Maar, het laatste verschijnsel zal in staat zijn op letterlijk alles nee te zeggen, alles te ontkennen. Het zal, als enige in de kosmos, ook zichzelf moeten kunnen ontkennen. Het begrip zelfmoord moet van kracht zijn. Omdat de overige levende wezens nog niet de laatsten zijn geldt het begrip zelfmoord voor hen niet. Inderdaad blijken de planten en de dieren volledig uitgeleverd te zijn aan hun eigen realiteit, waartegen zij geen nee kunnen zeggen. Zij zijn, in tegenstelling tot het laatste verschijnsel, niet in staat zich eraan te onttrekken. Vervolgens moet blijken dat het laatste verschijnsel als kenmerk draagt dat het voortdurend bezig is zijn wereld te veranderen. Dat komt doordat voor hem geldt dat hij zijn wereld kan ontkennen en tegelijk in staat is zich elke gewenste specialisatie eigen te maken. Het veranderen van iets is ondenkbaar en onmogelijk zonder het vermogen tot ontkennen: zo moet iets niet zijn, iets moet anders zijn. Als je bovenstaande eigenaardigheden van het laatste verschijnsel in de gaten hebt, kan de conclusie geen andere zijn dan deze, dat het moet gaan over de mens. De onafhankelijke gedachtegang over het ontstaan van verhoudingen tussen de beweeglijkheden leidt onvermijdelijk tot de constatering dat er bepaalde eigenaardigheden bij het laatste verschijnsel aanwezig moeten zijn, en vervolgens blijken die eigenaardigheden bij de mens voor te komen. Volgens sommige denkers, o.a. Teilhard de Chardin (1881-1955), moet er na de ons bekende mens nog een, uiteraard hoger, verschijnsel komen. Hij opperde die gedachte in Het verschijnsel mens. Op grond van het feit dat het logisch redenerend vast komt te staan dat de mens de werkelijkheid als zelfontkenning aan zich heeft, kan er na hem niet nog een verschijnsel komen, maar zelfs als je aanneemt dat dit wel het geval zou zijn, blijft het een onweerlegbaar feit dat wij mensen geen specialisatie vertonen en alles, zelfs onszelf, kunnen ontkennen. Het blijft een feit dat wij een dubbelwezen zijn. De gedachte van Teilhard de Chardin was dus fout. Eigenlijk verbaast het je dat hij niet in de gaten had dat juist het feit dat hij een hogere mens kon bedenken bewijst dat dat zogenaamde hogere voor hemzelf, als mens, geldt. Waarschijnlijk kon hij, en hij is daarin niet de enige, niet verwerken dat Gods laatste schepping (hij was JezuÔet!) zo armetierig voor de dag komt. Je kunt constateren dat alle levende wezens, behalve de mens, ter wereld komen met een aangeboren levensprogramma. Zo'n programma wordt zonder mankeren afgewerkt. Eigenlijk behoeven die levende wezens niets te leren. Het reeds aanwezige programma moet hoogstens geactiveerd worden. Wat wij bijvoorbeeld aanzien voor het spelen van jonge dieren is in feite dat activeren. Voor Ons besef gaat het daarbij om leren, maar dat is onjuist: dat besef komt voort uit het feit dat wij, mensen, juist alles moeten leren omdat wij geen enkel levensprogramma aangeboren hebben gekregen. De mens kan niets zomaar vanuit zichzelf omdat hij tot niets toegerust is. Je ziet dan ook dat de mens zichzelf gaandeweg programma's inprent, aanvankelijk natuurlijk vrijwel uitsluitend programma's om te overleven en zich voort te planten. Dit alles heeft dus te maken met het niet gespecialiseerd zijn van de mens. Ook het feit dat er voor de mens, als laatste verschijnsel, ook nog een andere werkelijkheid geldt, een werkelijkheid die op zichzelf de bestaande ontkent, is aan de praktijk van het menselijk leven te herkennen. Sinds de vroegste tijden laten de mensen zich uit over een hogere werkelijkheid. Het blijkt weliswaar dat zij daarbij allerlei onzin uitkramen, maar toch is er een besef van een werkelijkheid die anders is. Bovendien is dat een werkelijkheid die als de maat voor alle dingen gezien wordt. Het gaat daarbij over iets eeuwigs, iets helders en iets dat aan alles ten grondslag ligt en bijgevolg ook aanleiding geeft met betrekking tot het leven een moraal te bedenken. Welke rol die andere werkelijkheid ook speelt in de loop van de geschiedenis, steeds blijken de mensen er weet van te hebben en de zaak zelfs als hoogste te waarderen. Waartoe een dergelijke waardering leidt is op dit moment minder van belang - het gaat er om dat de mensen altijd aangevoeld hebben dat er nog iets is. Zij zijn dus het gezochte dubbelwezen.

No. 79 (Voor een heldere uiteenzetting van de GRONDGEDACHTE zie: BEWEGING EN VERSCHIJNSEL deel 1, 2 en 3

Van bovenaf denken: zie A(79) , B(105t/m109) , C(113) , D(129t/m130) , E(136) , F(145) ;

ďwie ben ikĒ. De gedachtegang, die leidt tot de conclusie dat de mens een dubbelwezen is en als zodanig het slotakkoord van het wordingsproces, berust op een bepaald logisch principe, namelijk dat van de onafhankelijke redenering. Bij die redenering heb ik er steeds de nadruk op gelegd dat je nooit gebruik mag maken van kennis, die je op de een of andere manier opgedaan hebt en waarvan je meent dat die betrouwbaar is. Dat gaat zelfs zover dat je je om te beginnen ook niet af mag vragen wie of wat je zelf bent. Je weet immers het antwoord op die laatste vraag pas aan het eind van de redenering over de werkelijkheid en haar wording! Het enige dat je kunt doen is constateren dat je er bent als ik en dat er nog iets anders is, zeg niet-ik. Dat leidt tot de conclusie dat de oorspronkelijke werkelijkheid een zee van beweeglijkheden moet zijn. Die conclusie dient vervolgens als uitgangspunt van de genoemde onafhankelijke redenering. Juist omdat die redenering onafhankelijk is kun je, aan het einde gekomen, de vraag stellen of datgene dat je daar aantreft een verschijnsel is dat je in de praktijk aantreft. Het blijkt dan dat je zelf dat laatste verschijnsel bent. De meeste denkers beginnen aan de verkeerde kant. Zij vragen zich af wie en wat zij zijn en proberen van daaruit de werkelijkheid te beschrijven. Het is dan onvermijdelijk dat er een beschrijving van de werkelijkheid ontstaat die bevangen is in een aantal normen en waarden, die berusten op de toevallige persoonlijkheid van zo'n denker en de tijd waarin hij leeft. Als hij dan ook nog de in zijn tijd beschikbare kennis gebruikt is het al helemaal zeker dat zijn filosofie gedateerd zal zijn. De filosoof Immanuel Kant bijvoorbeeld ging uitzoeken hoe het met de geest en het denken zat en hij wist daarvan een groot aantal eigenaardigheden boven water te krijgen (Kritik der reinen Vernunft, 1781). Het gevolg was dat zijn gehele beschrijving van de werkelijkheid in het teken van die, door hemzelf ontdekte, eigenaardigheden stond. Dat is op zichzelf een knap staaltje van denkwerk, maar je kunt het niet onafhankelijk noemen. Doordat dit het geval is kan datgene dat hij over de mens gezegd heeft in de grond van de zaak niet logisch onderbouwd worden, het heeft geen filosofische bewijskracht. Bij nadere beschouwing blijkt dat hij uitsluitend zijn eigen voorstelling van de werkelijkheid heeft gegeven. De hele zaak komt dus hierop neer dat hij - en met hem alle bekende filosofen - iets als uitgangspunt heeft genomen dat pas aan het einde van de gedachtegang geweten kan worden. Dat uitgangspunt is bijgevolg een vooronderstelling waarvan het al of niet juist zijn nimmer kan blijken. Als je echter alles wat je meent te weten, ook omtrent jezelf, consequent als onbetrouwbaar afwijst, is het logisch verantwoord om aan het einde van de gedachtegang vast te stellen dat je zelf het laatste verschijnsel bent. Je stelt dat als het ware van buitenaf vast. Je komt tot de conclusie dat het laatste verschijnsel een dubbelwezen is dat enerzijds alles inhoudt om anderzijds tegelijk alles te ontkennen, en zie dat ben ik zelf. Deze laatste ontdekking kun je alleen maar dan doen als je redenering onafhankelijk geweest is. Het was deze onafhankelijkheid die door Socrates indertijd bedoeld werd met de uitspraak: Ik weet niets. In feite wist hij natuurlijk erg veel, maar hij wees dat af als het over het filosofische denken ging. In de gehele mij bekende filosofie wordt het begrip geest gebruikt op de wijze van de bovengenoemde vooronderstelling. Men gaat er steeds van uit dat het de geest zou zijn die in ons werkzaam is en die bovendien de maat zou zijn voor alle dingen. Opvallend is daarbij dat niemand weet te vertellen wat de geest nu eigenlijk is. Toch geldt hij als de bron van alle moraal, van alle ethiek, en dus als een leidinggevende instantie. Voor godsdienstige mensen is de geest een buiten en boven de mens staande goddelijke werkelijkheid, maar voor verreweg de meeste filosofen is hij een werkelijkheid binnen het verschijnsel mens, zij het dan toch ook een hogere, een maatgevende, werkelijkheid. Die zaak zou dan op de mens inwerken en hem in zekere zin tot een geestelijk wezen maken. Een wezen dat zich boven het natuurlijke verheft. Er wordt dan ook voortdurend in verheven termen over dat wezen en zijn geest gesproken. Dat is allemaal te begrijpen als je bedenkt dat men van de vooronderstelling uitgaat dat de geest een werkelijkheid zou zijn die op een veredelende wijze op het verschijnsel mens inwerkt. In feite echter is dat niet het geval, maar dat kun je pas weten als je, via de onafhankelijke redenering, bij het verschijnsel mens uitgekomen bent. ( wat is de geest )Je ontdekt dan namelijk wat de geest werkelijk is: de optimaal innig samengestelde materie die zich gelden laat alsof ze gťťn materie was, maar louter beweeglijkheden. Dat echter betekent dat het gaat over een zaak waarvan eigenlijk niets te zeggen valt, die geen eigenschappen heeft en die volkomen onaantastbaar is. Bijgevolg is het onmogelijk dat er een werking op het verschijnsel van uitgaat. In feite is er van de geest alleen maar te zeggen dat hij niets is - als tegenstelling tot iets, dat altijd de een of andere materiŽle verhouding is. Hij is dus niets bestaands. Bovendien is te zeggen dat je er niets aan hebt: de geest ontsnapt volkomen aan de realiteit van het verschijnsel. Het uitoefenen van een werking is een eigenaardigheid van de beweeglijkheden voor zover die in een materiŽle verhouding tot elkaar zijn komen te verkeren. Zo'n verhouding treedt pas op bij het zich combineren van bouwstenen via het wederzijds opheffen van bewegingen. Dat is dus een zaak die niet aan de orde is als het over de beweeglijkheden zelf gaat. Hij is dus ook niet te bedenken aan de werkelijkheid als geest. Doe je dat wel, dan pas je materiŽle kwalificaties toe op een niet-materiŽle situatie. Dat kan natuurlijk niet! Intussen is dat in ons huidige denken wel gebruikelijk: men schrijft aan de geest een werking op het verschijnsel toe, juist omdat men veronderstelt te weten wat de geest is, maar het absoluut niet weet. We zijn dus genoodzaakt anders over de mens en zijn geest te gaan denken. De algemeen aanvaarde vooronderstelling dat de geest, op een regulerende wijze, inwerkt op het menselijk leven blijkt, op grond van de onafhankelijke redenering, een onjuiste vooronderstelling te zijn. Daarmee vervalt eigenlijk al het denken van de mensen over zichzelf. Het godsdienstig en humanistisch denken, het moralistische en ethische denken, ja zelfs elke vorm van machtsdenken, dat zich, zoals de geschiedenis en de praktijk leren, altijd op de geest beroept, in de vorm van god of de ingeboren rede. Er kan simpelweg geen enkele zinvolle beoordeling van jouw en mijn leven gegeven worden met een beroep op de geest. Voor zover een dergelijke beoordeling toch mogelijk is moet die op een andere grootheid berusten. Welke dat is kan achterhaald worden door, wederom, de onafhankelijke redenering te volgen. Voorlopig echter is van belang in te zien dat er geen geestelijke maatstaf bestaat. In een ander verband heb ik er op gewezen dat de veronderstelling dat de geest op de mensen inwerkt, leidt tot van bovenaf denken, zie daarvoor De ontwikkeling van de West-Europese Cultuur, 1985-1987, en De Kunst van het Filosoferen, 1987-1989. Gevolg van dat van bovenaf denken is onder andere dat de mensen altijd schuldig zijn omdat zij altijd tekort schieten in vergelijking met datgene dat zij zelf, vanuit de vooronderstelling van een op hen inwerkende geest, aan moraal en ethiek bedenken. De mensen aanvaarden hun eigen normen niet en hebben er geen vrede mee dat zij zijn zoals zij zijn.

Bladwijzers: KANT- zie 01 , 02 , 03 , 04 , 05 ; Van bovenaf denken: zie A(79) , B(105t/m109) , C(113) , D(129t/m130) , E(136) , F(145) ;

 

No. 80

Aan het einde van het wordingsproces hebben de bouwstenen zich dermate innig met elkaar verbonden dat de oorspronkelijke beweeglijkheden gaan gelden alsof zij weer volkomen vrij waren. Hun eigen karakter gaat dan weer gelden, in tegenstelling tot alle voorgaande situaties waarbij de materiŽle samenstellingen bepalend zijn en de beweeglijkheden zelf van geen belang waren - behalve uiteraard als oorzaak van allerlei verhoudingen. Ik wijs er nogmaals op dat de beweeglijkheden aan het eind van het proces niet echt vrij worden. Als dat het geval was zou er in het heelal geen laatste verschijnsel, de mens, aanwezig zijn. Bij hem aangekomen zou elk wordingsproces onmiddellijk instorten, en wel in zijn geheel, dus met inbegrip van alle voor het einde liggende fasen. Dit laatste is voor de moderne mens wat moeilijk te begrijpen omdat voor hem alle, tijdens een proces te voorschijn gekomen, verschijnselen op zichzelf staan. Daardoor meent hij dat de rest best wel kan blijven bestaan als de mens wegvalt vanwege zijn oplossen in beweeglijkheden bij het bereiken van de situatie geest. Je moet echter bedenken dat alle verschijnselen manifestaties van ťťn proces zijn. Loopt dat proces uit in het zich oplossen tot beweeglijkheden, dan worden op dat moment ook al die manifestaties opgelost. Er bestaat dan geen enkel verschijnsel meer. Als je de zaak omkeert kun je concluderen: uit het feit dat (vrijwel) alle fasen van het wordingsproces nog steeds als verschijnsel aanwezig zijn blijkt dat de geest niet op zichzelf komt te staan, maar een wijze van bestaan van de materie is. Het komt er dus op aan in te zien dat, bij de mens aangekomen, de materie zich gaat gedragen alsof ze geen materie was, maar intussen toch materie blijft! Dat zich gedragen als geen-materie is het begrip geest. Omdat voor dit begrip de kwalificaties van de beweeglijkheden zelf gelden krijgen we, als het over de geest gaat, te doen met een werkelijkheid die er voor de mens, en alles wat aan hem voorafgaat, niet is. Die werkelijkheid bestaat eenvoudig niet, omdat er niets van te zeggen is en omdat zij volkomen Onbepaald is. Een dergelijke werkelijkheid kan geen werking op wat dan ook uitoefenen. Als de geest geen werking op de materie kan uitoefenen zijn onvermijdelijk alle verhalen van de mensen over het geestelijk wezen dat zij zouden zijn letterlijk uit de lucht gegrepen. Zij berusten immers allemaal op de vooronderstelling dat de geest op jou en mij inwerkt. Op die fictie berusten alle godsdiensten en filosofieŽn. De werkelijkheid als geest is de volledige ontkenning van al datgene dat onze werkelijkheid uitmaakt. Alles wat wij kennen is zij niet. Als wij daarbij dan ook nog bedenken dat de mensen lange tijd niet begrijpen wie en wat zij zijn, dan wordt het wellicht duidelijk dat die mensen steeds denken met een andere en aparte werkelijkheid te doen hebben als het over de geest gaat. Een werkelijkheid waar zij buiten staan. Oppervlakkig beschouwd klopt dat wel, want de mensen zijn materie en de geest geldt als niet-materie. Maar in feite klopt het niet omdat de materie, mens geworden, zich als niet-materie gedraagt. Vanuit het besef en de gedachte dat de geest een andere werkelijkheid zou zijn is het te begrijpen dat men in de mening verkeert dat de geest op de materie, in feite de mens, inwerkt. In de realiteit van ons bestaan kennen wij immers alleen maar verschijnselen die op elkaar inwerken. Logisch dat men dan ook denkt aan een wisselwerking tussen geest en lichaam. Over die vermeende inwerking is nog het volgende te zeggen: als het inderdaad zo zou zijn dat er een inwerking was zou dat een zaak zijn waar wij mensen niet onderuit kunnen komen. Ons geestelijk-zijn zou net zo vanzelfsprekend en onontkoombaar zijn als het hebben van twee armen en benen. Het zou immers een kosmisch verschijnsel zijn dat buiten onze wil om altijd en onvermijdelijk werkzaam was. De mensen zouden dan niet anders kunnen dan zich overeenkomstig de geest te gedragen. Zij zouden dan inderdaad beantwoorden aan de godsdienstige moraal, de ethiek en alle overige hogere waarden en zij zouden daarin geen keuze hebben. De mensen waren allemaal zonder meer heiligen, precies zoals zij zichzelf en elkaar steeds als norm voor hebben gehouden. Wat we evenwel in de praktijk zien is geheel iets anders! De mensen houden zich helemaal niet aan hun eigen geestelijke normen, zij proberen voortdurend er onderuit te komen. Dat wijst er op dat het slechts over bedenksels gaat en helemaal niet over een kosmische verhouding, een wet, die onafhankelijk van onszelf van kracht is. Uiteraard zijn het bedenksels omdat er, zoals gezegd, helemaal geen inwerking van de geest is. Uit onbegrip inzake de eigen situatie in de kosmos verkeert men alleen maar in die mening en naar die mening gedraagt men zich.

Omdat het echter slechts een onvolwassen mening is ontstaat er een tweeslachtigheid: enerzijds beschouwt men god (de geest, gezien als werkzame hogere instantie) als almachtig - wat op een kosmische en dus onontkoombare verhouding duidt - om anderzijds in de praktijk diezelfde almacht naast zich neer te leggen en helemaal niet aan de normen daarvan te beantwoorden. Vanuit genoemde fictie van een werkzame geest stellen de mensen zichzelf en elkaar een hogere en betere werkelijkheid, bijvoorbeeld god of de rede, ten voorbeeld. Dat leidt er toe dat men, bij het nadenken over zichzelf en de mensheid, niet uitgaat van de reŽle mens, maar van een bedachte hogere mens. Daarvan is dan weer het gevolg dat men tot de overtuiging komt dat wij allemaal voortdurend tekort schieten. Dat is natuurlijk een waardeoordeel en wel bijna altijd een negatief. De fictie leidt er ook toe dat men ideologieŽn gaat aanhangen en dat die een collectief karakter dragen. Als je meent dat er een andere werkelijkheid is, dan volgt daar uit dat die voor alle mensen geldt, of zij dat willen of niet. Bijgevolg wil je alle mensen er aan onderwerpen en dat heeft onverdraagzaamheid tot gevolg. Eigenlijk heb ik al steeds gezegd hoe het nu wel zit met dat begrip geest. Maar daarvan is meer te zeggen: er is namelijk een beweging van materie naar niet-materie, geheel overeenkomstig de richting waarin het wordingsproces zich afspeelt. Dat betekent dat in de mens de materie almaar naar de geest toe werkt. Gezien vanuit de realiteit is dat dus een beweging vanonder naar boven - om even in die gangbare termen te spreken. Die beweging is in de gehele mensheid, vanaf de vroegste tijden, waar te nemen. Steeds werken mensen zich omhoog, brengen alles op een hoger plan om vervolgens vanuit dat hogere plan te gaan denken en met verhalen over god en dergelijke te komen. Dat laatste denken gaat dus precies in de verkeerde richting: het gaat van boven naar beneden, geheel in strijd met de werkelijke richting. Het is, nogmaals, de materie die zich als niet-materie laat gelden en dus, in de gebruikelijke terminologie: het is het lagere dat zich omhoog werkt. De verhouding ligt niet andersom. Je kunt zeggen dat er in de materie, in het verschijnsel mens, een nimmer aflatende drang naar het geestelijke is. Dat wil niet zeggen dat het allemaal zo fraai zou zijn, want, bijvoorbeeld, de drang naar macht en bezit behoort er ook bij. In de eerste primitieve priesters vertoonde zich die drang, maar ook in diegenen die begonnen met het verbouwen van gewassen. De moderne democratie laat duidelijk de werking in de richting van beneden naar boven zien, maar ook voor de wetenschappelijke ontwikkeling geldt dat. Kortom: alles dringt naar het geestelijke, naar niet-materie, toe.

No. 81

Bladwijzers: Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8

Het wordingsproces speelt zich af in ťťn richting. Hoe banaal het ook klinkt: het gaat van het begin naar het einde en niet andersom. Wij vinden dat terecht iets vanzelfsprekends, zogezegd een evidentie, maar toch kun je je afvragen waarom dat zo is. Het antwoord kun je vinden door nog eens na te gaan wat er gebeurt tijdens het wordingsproces. Dat proces heeft een kwantitatief karakter omdat er zich steeds systemen (bijv. bouwstenen) voegen bij al bestaande systemen. Maar, dat zich erbij voegen is aan een voorwaarde gebonden: de richting waarin de zich erbij voegende systemen een bestaand systeem benaderen moet de juiste zijn. Van alle oneindig vele mogelijke richtingen is er steeds maar ťťn de juiste. Dat bleek heel duidelijk toen wij het zich combineren van twee bouwstenen nagingen: de richting van de beweging brandpunt naar vrije beweeglijkheid van het ene systeem moest precies in het verlengde liggen en tegengesteld zijn aan de beweging brandpunt naar vrije beweeglijkheid van het andere systeem, opdat beide bewegingen zich aan elkaar konden neutraliseren. Het begrip richting is voortdurend maatgevend tijdens het proces van de wording van de verschijnselen. Het bepaalt het combineren van systemen. Achteraf kunnen wij een rode draad herkennen in het wordingsproces. Dat kunnen wij doen omdat alle combinaties, die wel mogelijk, maar niet houdbaar zijn gebleken, inmiddels zijn afgevallen. Het wordingsproces is een afvalproces, zoals ik al eerder opgemerkt heb. In feite heeft dat proces vele richtingen ingeslagen, maar slechts ťťn leidde tot het slotakkoord, de mens. Hierbij passen twee opmerkingen. Ten eerste: er zijn tijdens de wording wel degelijk systemen die weer terug schijnen te vallen. Dat echter is ook een voortgang in een richting: de zaak blijkt niet houdbaar te zijn. Ten tweede: ook datgene dat ik nog zal bespreken als vergankelijkheid is een voortgang en geen teruggang, hoewel het daarop wel lijkt omdat een verschijnsel tot stof wederkeert. Eventueel is er nog een derde punt aan toe te voegen, namelijk als het gaat om datgene dat zich door veranderingen in het geheel van de kosmos niet kan handhaven. Dat was het geval met de dinosaurussen en dergelijke grote diersoorten. Hierbij echter berust het afvallen op de onmogelijkheid zich aan de veranderde omstandigheden aan te passen. Het schijnt dat er iets aan de hand is geweest met de zwaartekracht van de aarde en de stand van de aardas. Telkens als er zich een nieuw systeem bij een bestaand gevoegd heeft (kwantitatief) treedt er een verschijnsel met een nieuwe kwaliteit op: het gedraagt zich anders. Je ziet dus dat het proces nieuwe kwantiteiten te voorschijn brengt en daardoor van kwaliteit verandert. Aan het einde van dat proces, als de laatste kwantitatieve mogelijkheid is gerealiseerd, verandert de kwaliteit op een zodanige manier dat het dan ontstane verschijnsel zich gaat gedragen alsof het geen verschijnsel was: de materie als niet-materie. Het begrip niet-materie kennen wij als de zogenaamde geest. Holisten bedienen zich graag van de uitspraak dat het geheel meer is dan de som der delen. Dat is een slordige uitspraak! Als het proces bij de mens aangeland is kan er, kwantitatief gesproken, absoluut niets meer bij. Alle mogelijkheden van combinaties zijn gerealiseerd. Er kan dus niets mťťr zijn dan de som der delen. Wat men dan ook bedoelt te zeggen is dat de kwaliteit van die som een andere is dan de kwaliteiten van de delen afzonderlijk. Met meer of minder heeft dit niets te maken. Zo is de kwaliteit geest onmogelijk te bedenken aan de delen waaruit het verschijnsel mens opgebouwd is, maar aan de som der delen, die een absoluut totaal is omdat er werkelijk niets meer bij kan, is de kwaliteit geest wel te bedenken.

Interessant is in dit verband dat bepaalde denkers menen dat de evolutie nog niet afgelopen is en dat de mens zich nog verder evolueren zal. Dat echter zou betekenen dat er wel degelijk nog iets bij zal komen. Zo meent men dat onze breinen zich zullen vergroten teneinde helderder te kunnen denken. Dit is natuurlijk onzin! Er kan niets meer bij. Het is niet onmogelijk dat de mens in de loop der tijd een grotere herseninhoud heeft gekregen, maar dat kan niet het gevolg zijn van een voortgaande evolutie. Het is wel mogelijk op grond van aanpassingsprocessen, maar die berusten op een reeds bestaande kwaliteit die zich gaandeweg ontwikkelt. Er komt voor de dag wat reeds in principe mogelijk was. Het gaat dus om het zich erbij voegen van systemen, net zolang totdat het niet verder kan. Omdat dit zich erbij voegen gebonden is aan een richting, is ook het proces aan een richting gebonden. Dat geldt natuurlijk ook voor het laatste verschijnsel. Bijgevolg ligt het in de logica om te zeggen dat de materie zich gedraagt als geest en dat er dus te spreken is van een beweging van materie naar geest. Maar andersom, van geest naar materie, is onmogelijk. Er zijn dus twee redenen waarom de algemeen gangbare gedachte dat de geest op de materie zou inwerken een foute gedachte is: ten eerste de reeds genoemde reden dat de werkelijkheid als beweeglijkheden, door haar absolute Onbepaaldheid, nergens op in kan werken, en ten tweede deze dat een dergelijke inwerking niet aan de richting van het proces beantwoordt. Dat de verhoudingen liggen zoals hierboven gezegd is betrekkelijk gemakkelijk aan onszelf te controleren. Alle bestaande verschijnselen, inclusief wijzelf, bestaan op twee manieren: ze bestaan in de realiteit en ze bestaan zogezegd in onze geest. Een bepaalde tafel staat in onze kamer als een concreet voorwerp, maar die tafel bestaat ook in ons hoofd als een abstractie. Wij kunnen aan die tafel denken en hem dan voor ons zien. Let er wel op dat ik het nu over een bestaande tafel heb en niet over het begrip tafel. Die bestaande tafel is dus zowel concreet als abstract. Je kunt derhalve constateren dat het bestaande zich omzet tot iets geestelijks. De gehele werkelijkheid zet zich in de mens om tot geest. Dat komt helemaal overeen met de genoemde richting van het proces. Soms lijkt het alsof er dingen zijn die alleen maar in onze geest bestaan, maar als je zoiets nauwkeurig nagaat blijkt dat niet het geval te zijn. Een nog te bouwen brug is inderdaad nog geen realiteit, maar je moet toch weten wat een brug is en dus teruggrijpen op iets bestaands. Voor diegene die indertijd als eerste een brug bouwde bestond er helemaal geen idee van een brug, hij stond uitsluitend voor het probleem hoe hij de overkant moest bereiken. Het was onder anderen Plato die meende dat er een soort van ideeŽnwereld, onafhankelijk van het menselijk weten, bestond. Vanuit die idee zouden zich dan de dingen formeren, als een soort van afspiegeling van de idee. Waarschijnlijk is het bovenstaande om te beginnen niet goed in te zien, maar dat komt doordat de zaak voor ons anders lijkt door de werking van het zelfbewustzijn, waarover ik nog moet spreken.

Er zijn namelijk drie grootheden te bedenken aan die allerlaatste verhouding materie als niet-materie. De eerste grootheid is natuurlijk het begrip materie, de tweede is bijgevolg materie als niet-materie en de derde is het begrip niet-materie. Nu is het dat tweede begrip dat het zelfbewustzijn is. Hoewel het in dit rijtje een middenpositie inneemt is het toch tegelijk het geheel van de zaak en dat wil zeggen dat het de beide andere begrippen, namelijk materie en niet-materie insluit. Dat insluiten van beide andere begrippen geldt niet voor het eerste en het laatstgenoemde begrip uit de drieslag materie, materie als niet-materie en niet-materie. Bij de bespreking van deze drieslag wordt alles hopelijk duidelijker!

Bladwijzers: Wie ben ik- lees paginaís 78 t/m 81 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8

No. 82

Bladwijzers:Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

 

Over de begrippen materie en niet-materie heb ik al het een en ander gezegd: het begrip materie houdt onder andere in de begrippen samenhang en relatie en loopt uit in bewustzijn en psyche; het begrip niet-materie kennen wij als de GEEST en ik heb er al met nadruk op gewezen dat de GEEST, als absoluut beweeglijke verhouding, gťťn enkele invloed op wat dan ook kan uitoefenen en eigenlijk zelfs niets is. Wat betreft dit laatste nog een opmerking: het woord niets heeft geen betrekking op het eerder door mij besproken Absolute Niets, zoals dat zich voordoet tussen twee gecombineerde bouwstenen precies daar waar twee vrije beweeglijkheden elkaar in de enig mogelijke richting raken en daardoor hun bewegingen ten opzichte van de erbij behorende brandpunten neutraliseren. Het woord niets slaat, in het geval van de geest, op het niet-bestaan ervan. Het begrip bestaan geldt voor alles wat, in welke situatie dan ook, materieel is en wat dus tot de wereld van de verschijnselen behoort. Onze taal is bijzonder leerzaam: het woord bestaan betekent eigenlijk ergens op staan en dat verwijst naar het aan elkaar vastgelegd zijn, het ten opzichte van elkaar niet bewegen. Dat is kenmerkend voor het verschijnsel. Dat verschijnsel is samengestelde materie en ook daaruit blijkt de juiste essentie van het taalgebruik. Inderdaad zijn de materiŽle elementen van het verschijnsel aan elkaar gesteld, want zij zijn in de juiste richting ten opzichte van elkaar geplaatst. Dat alles geldt niet voor de geest en dus ook niet voor datgene dat men altijd god genoemd heeft. Op grond daarvan kon de filosoof Jan Borger, toen hij nog dominee in Gouda was, destijds vanaf de kansel verklaren dat god niet bestaat. Zolang de mensen nog allerlei eigenschappen aan hun god toeschreven hadden zij niets van hun eigen geloof begrepen. Die gedachte werd niet in dank afgenomen...!

De drie begrippen, namelijk materie, materie als niet-materie en niet-materie staan niet los van elkaar, noch behoren zij bij elkaar op grond van bepaalde verbindingen (relaties). Zij vormen met elkaar ťťn geheel, zij zijn de inhoud van dat geheel. Dat maakt het nadenken erover erg moeilijk. Dat geldt vooral voor het middelste begrip dat direct met beide andere samenhangt. We hebben te doen met datgene dat ik zelfbewustzijn genoemd heb. Die term wil uitdrukken dat de werkelijkheid als mens zich van zichzelf bewust is. We moeten ervoor waken het zelfbewustzijn als een veredeld soort bewustzijn te zien. Eigenlijk hebben bewustzijn en zelfbewustzijn qua begrippen niets met elkaar te maken. Het bewustzijn immers is de ontstane werkelijkheid die op de wijze van een trilling in de levende cel aanwezig is, maar het zelfbewustzijn is de laatste mogelijkheid van de materie waarbij die zich als niet-materie gelden laat. Dat houdt in dat het bewustzijn de materie-in-trilling is, maar het zelfbewustzijn een gelden als zuivere beweeglijkheid. Niet geheel ten onrechte komt in beide begrippen het woord bewust voor. Dat vindt zijn oorzaak in het feit dat een mens beide, zowel het bewustzijn als het zelfbewustzijn, in zichzelf ervaart, zich ervan bewust is. Zo kun je zeggen dat het verschijnsel als algemeenheid in het levende wezen bewust is geworden en dat het laatste verschijnsel in de mens als bijzonderheid bewust is geworden. En in beide gevallen betekent het woord bewust dat de zaak ervaren wordt. Veelal wordt beweerd dat het denken het onderscheid tussen de mens en het dier uitmaakt. Denken betekent echter dat je onderscheidingen kunt maken. De dieren maken echter ook onderscheidingen en zij nemen op grond daarvan zelfs besluiten. Je kunt dus niet stellen dat het denken beide van elkaar onderscheidt. Het essentiŽle verschil is dit dat de mensen weet hebben van alles wat voor hen geldt. Zij hebben dus ook weet van hun denken, en daarom: het menselijk denken is uniek omdat het over zichzelf kan nadenken. En dat kan het omdat voor de mens zelfbewustzijn geldt. Hij is zich bewust van zichzelf. Als het gaat over zelfbewustzijn, dan gaat het over iets dat bestaat. Uiteraard op grond van het feit dat het te allen tijde materie is die zich als niet-materie gedraagt. Het zelfbewustzijn behoort tot de natuur van de mens, het is zijn geaardheid. Ik bedoel dat woord op precies dezelfde manier als de bedoeling is als je spreekt over de natuur van de kat en dergelijke. Het typerende van de mens is dus zijn zelfbewustzijn. Dat is zijn wezen en dat bestaat echt, hoewel het op zichzelf natuurlijk niet aan te wijzen is. Het is daarentegen wel aan de mens af te lezen. Je leest dan aan de mens af dat hij zelfbewustzijn is en dat dit zijn ware natuur is.

De weg van de mensheid op de planeet is een weg naar zichzelf toe. Dat betekent dat de mensen op weg zijn naar hun eigen natuur en dus naar zichzelf als zelfbewustzijn. Gedurende het gaan van die weg bedrijven de mensen een groot aantal schurkachtigheden, maar die komen niet voort uit hun natuur, zoals bijna altijd gemeend wordt, maar uit het feit dat zij die weg moeten gaan. Daarbij is de waan dat er een GEEST boven alles uit zou gaan oorzaak van al die schurkenstreken. Indien het mogelijk zou zijn geweest om direct al bij zichzelf als zelfbewustzijn te vertoeven, zou al die ellende achterwege zijn gebleven. Omdat het niet in de natuur van de mens ligt om een schurk te zijn is er ook nooit iemand die blij is met het moorden en plunderen; iedereen, behalve misschien een enkele gestoorde, betreurt het en noemt het misdadig. Wat is er nu eigenlijk aan de hand met dat zelfbewustzijn? Om dat helder te krijgen moet je de situatie nog eens goed bekijken: de materie heeft zich, met als basis-materiaal de bouwsteen, tot aan haar uiterste grens tot samenstellingen opgebouwd. Die samenstellingen hebben alle voorgaande mogelijkheden tot inhoud, niet alleen op de wijze van een totaaltrilling (bewustzijn), maar ook - en daar gaat het nu om - als raster van verbindingen, van relaties. Het is dit raster dat zich opheft bij het gaan gelden als niet-materie. Dit echter is niet zo maar het geval. Er gaat een voortdurende verwisseling optreden en die komt er op neer dat het raster zo kan zijn, maar ook anders. Dat is alleen maar dan mogelijk als de rasters oplossen tot alleen nog maar beweeglijkheden, om onmiddellijk tot andere rasters te worden. Je kunt dus spreken van een voortdurende wisseling van situaties. Nooit blijft er een gehandhaafd, steeds is hij er wel en niet tegelijk. Hij ontkent zichzelf almaar, en dat dan niet tot een werkelijkheid van louter beweeglijkheden, maar tot een materiŽle werkelijkheid die anders is. Je zou kunnen zeggen dat er een trilling is, nu niet in de materie zoals bij het bewustzijn, maar een trilling van de materie, in die zin dat de zaak steeds anders is. Dat anders-zijn is er de reden van dat ik met nadruk de gedachte aan een, op de materie inwerkende, geest heb bestreden. Het komt in feite nooit tot de geest, tot de werkelijkheid als louter beweeglijkheden. Het komt tot een voortdurend anders-zijn van de materiŽle, op een uiterste van innigheid samengestelde, materie. Dit voortdurende anders-zijn is het zich gedragen als niet-materie, want telkens als je, bij wijze van spreken, zou vaststellen dat de zaak zo is, is die onmiddellijk alweer anders. Deze wisseling vindt plaats via het er niet zijn van de materie, met andere woorden: er is een soort van drieslag die te beschrijven is als er-zijn, er-niet-zijn en er-anders-zijn. En dan slaat dat begrip er-zijn dus gewoon op de uiterst innige samenstelling van de materie, in feite dus het verschijnsel mens voor zover dat een ding is.

Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

 

No. 83

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144) ; Tegennatuurlijk nr. 83 en Tegennatuurlijk nr. 102

Het zelfbewustzijn is de middelste factor uit de eerder genoemde drieslag. Het gaat daarbij om de materie die zich als niet-materie gelden laat. De vraag is nu met welke situaties we te doen hebben als het over zelfbewustzijn gaat. Dan moet je je natuurlijk als eerste realiseren dat het gaat over een uiterst verfijnd raster van combinaties van bouwstenen. In dat raster zijn de bouwstenen op een bepaalde manier aan elkaar vastgelegd, d.w.z. de bewegingen van de bouwstenen hebben zich aan elkaar geneutraliseerd. Hierbij moet opgemerkt worden dat dit aan elkaar vastgelegd zijn geen kwestie van krachten is. Er zijn geen krachten die de zaak bij elkaar houden. Dat men wat dit betreft in de natuurkunde toch van verschillende krachten spreekt is een gevolg van het feit dat men, bij analyse van het verschijnsel, op weerstand stuit. Het verschijnsel verzet zich tegen het uit elkaar halen en dus moeten wij er krachten op uitoefenen als wij het willen analyseren. In het verschijnsel zelf echter ligt de zaak in rust: bewegingen hebben zich aan elkaar geneutraliseerd, uiteraard voor zover het over de combinaties gaat. Wij noemen een ding vast omdat de bewegingen van de bouwstenen geneutraliseerd zijn. Dat vastgelegde is het kenmerk van het verschijnsel, en dus ook van het laatste verschijnsel, de mens. Als het dan gaat over de mens als zelfbewustzijn hebben wij te maken met het zich opheffen van dat vastgelegde karakter van het verschijnsel. Het raster heft zich op, populair gezegd: de verbindingen oftewel de relaties tussen de bouwstenen vervallen. Dat evenwel is geen blijvende zaak, want onmiddellijk, zonder tijdsverloop, stellen zich nieuwe verbindingen. Dat zijn andere verbindingen, maar, het merkwaardige daarvan is dat die andere verbindingen geen wezenlijk andere werkelijkheid opleveren. Steeds wordt zij in het zelfbewustzijn opnieuw opgebouwd. Je kunt zeggen dat elke nieuwe verbinding goed is. Het raster van verbindingen is verwisselbaar. Elk systeem van verbindingen is mogelijk zonder de zaak zelf aan te tasten. Genoemde verwisselbaarheid is mogelijk op grond van het feit dat in laatste instantie de samenstellingen een dermate innig gestructureerd raster hebben opgeleverd dat het niet meer uitmaakt welke verbindingen je legt. Steeds is het de structuur van het laatste en meest innige verschijnsel, en dat betekent op zijn beurt dat je steeds met de structuur van de werkelijkheid te doen hebt. Het resultaat is dus een almaar in zichzelf andere volledige werkelijkheid. Die afwisseling van werkelijkheden is kenmerkend voor het zelfbewustzijn. Steeds echter is het een gestructureerde werkelijkheid, want het zijn de rasters die voortdurend verwisselen. De totaliteit van die verwisselingen omvat de volledige werkelijkheid, maar iedere optredende verwisseling leidt tot een bepaalde werkelijkheid die zo is en niet anders. Iedere mens kent, qua zelfbewustzijn, uitsluitend zijn eigen werkelijkheid.

Er zijn bijgevolg net zoveel zelfbewuste werkelijkheden als er mensen zijn. Die zijn allemaal verschillend op grond van milieu, opvoeding en opleiding. Maar ook die eigen werkelijkheid is voortdurend aan wisseling onderhevig. Je bent je steeds bewust van allerlei andere dingen, er gaan almaar andere gedachten door je hoofd. Het ene moment ben je je bewust van het een, het andere moment van het ander, maar, al die verschillende inhouden van je zelfbewustzijn blijven in principe binnen het kader van je eigen werkelijkheid. Die werkelijkheid, als inhoud van je zelfbewustzijn, breidt zich wel geleidelijk aan uit, en wel door allerlei ervaringen en leerprocessen. Er voegen zich nieuwe elementen aan toe en daardoor verandert de totale inhoud van je zelfbewustzijn. Hoewel het dus een bepaalde werkelijkheid is die de inhoud van je zelfbewustzijn vormt, is het tegelijk dť werkelijkheid, omdat het niet uitmaakt welke rasterstructuur voor je geldig is, d.w.z. binnen welke kaders de verwisseling van de rasters plaatsvindt. Dit is er de reden van dat er geen waardeoordeel te geven is over de wereldbeschouwing van de mensen binnen de context van bepaalde culturen. Wel echter zijn die culturen zelf te beoordelen, namelijk naar hun meer of minder beperkt zijn van de kaders waarbinnen de structuren zich verwisselen. Hierop kom ik later nog terug. We kunnen nu een voorlopige vergelijking maken tussen het bewustzijn en het zelfbewustzijn. Bij het bewustzijn gaat het om de werkelijkheid als beeld. Daarin komen geen bepaaldheden voor. Het is de werkelijkheid naar haar algemeenheid en als zodanig is zij voor een ieder dezelfde. Bovendien verwisselt het beeld niet, het is steeds hetzelfde beeld. Dat beeld is wel opgebouwd uit trillende elementen die er op hun beurt kunnen zijn omdat er een verwisseling van de bouwstenen optreedt in het levende wezen, maar die verwisseling leidt niet tot het volkomen oplossen van alle verbindingen tot, in principe, beweeglijkheden. Hij leidt tot verwisseling van bouwstenen. Bij het zelfbewustzijn echter gaat het juist wel om bepaaldheden en het is steeds een incidentele werkelijkheid die voor niemand dezelfde is en die in de loop van de tijd verandert. De trilling die hierbij optreedt, is die van een almaar wisselende structuur van de werkelijkheid. Je kunt zeggen dat het bewustzijn een kosmisch gegťven is en het zelfbewustzijn een verkrťgen werkelijkheid. Deze laatste werkelijkheid valt onder het begrip voorstelling, terwijl de eerste onder het begrip beeld valt. Die verkregen, incidentele, inhoud van het zelfbewustzijn bestaat uit bepaalde dingen: het is die bepaalde tafel, die bepaalde woonplaats, die bepaalde buurman, enzovoort, die er in aanwezig is. Het gaat steeds over bestaande dingen, over dingen die onbekend voor je zijn kan het niet gaan. Daarom kunnen de mensen over god ook alleen maar spreken als over iets bestaands. Het blijkt dus dat die inhoud een heel concrete is. Dat geldt voor alle kennis, al is die op zichzelf nog zo abstract zoals bijvoorbeeld wiskundige kennis. Op grond van dat concrete karakter laat de kennis zich dan ook overdragen, voor anderen beschrijven. De inhoud van je zelfbewustzijn is aan anderen mee te delen. Die incidentele werkelijkheid is, zoals gezegd, steeds wisselend. Dat is voor de mensen, tot op de dag van vandaag, een onprettige situatie. Je hebt er immers geen houvast aan, want je kunt je almaar afvragen of die werkelijkheid nu zo is of toch eigenlijk anders! Juist op grond hiervan proberen de mensen, zolang de mensheid nog onvolwassen is, de zaak vast te leggen, onveranderlijk te maken. Dat doen zij in hun culturen, met een heel complex van regels en voorschriften, normen en waarden. De mensen bedenken modellen van de werkelijkheid. Zij menen dan houvast te hebben, maar toch blijft gelden dat het zelfbewustzijn een zaak van wisselende structuren is zodat na verloop van tijd elk vastgelegd stelsel ondergraven wordt en tenslotte ten onder gaat. Met dat culturele vastleggen van de inhoud van het zelfbewustzijn zijn de onvolwassen mensen eigenlijk tegennatuurlijk bezig. Hun natuur is juist dat die inhoud wel voortdurend verwisselt. Het is het toelaten van die verwisseling die mensen ruimdenkend, tolerant, begripsvol en vrijheidslievend maakt. Dit is in strijd met de algemeen aanvaarde opvatting dat het juist de cultuur zou zijn die de mensen menselijk maakt. De zaak ligt precies andersom, zoals uit het bovenstaande is af te leiden. Overigens doet dat niets af aan de betekenis van culturen. Het tegennatuurlijke van een cultuur is niet gelegen in haar inhoud, maar in het vastleggen en tot algemene norm maken ervan.

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144) ; Tegennatuurlijk nr. 83 en Tegennatuurlijk nr. 102

No. 84

Bladwijzers: Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ;

De inhoud van het zelfbewustzijn is, hoewel er het anders-zijn voor geldt, toch steeds de werkelijkheid. Dat geldt ook voor allerlei onzinnige inhouden en fantasieŽn en zelfs voor ficties en illusies, die in feite nauwelijks overeen komen met de realiteit. Zo denken bijvoorbeeld de mensen uit onze moderne cultuur dat de werkelijkheid is zoals ze volgens de wetenschappelijke theorieŽn lijkt te zijn. Hoewel filosofisch blijkt dat zij helemaal zo niet is, kan toch niet ontkend worden dat zij in de breinen van de mensen, dus als inhoud van hun zelfbewustzijn, wel degelijk werkelijkheid is. Die onmogelijke werkelijkheid is ook werkelijkheid, al bestaat zij niet op die manier. Bij het voortdurend verwisselen van de rasters komen ook de feitelijk onmogelijke en niet reŽle rasters tot bestaan in het zelfbewustzijn, zodat zij ervaren kunnen worden als voorstellingen van een echte werkelijkheid. Als zodanig zijn zij wanen, of illusies of ficties. In feite is eigenlijk alles mogelijk! Al dat mogelijke echter heeft steeds een concreet karakter. De inhoud van het zelfbewustzijn doet zich aan de mens voor als een werkelijkheid die bestaat uit een verzameling van bestaande dingen en niet als een algemene werkelijkheid. Die werkelijkheid van bestaande dingen zie je als het ware voor je gesteld: het is de voorstelling.

Jeroen Bosch bijvoorbeeld schilderde vreemdsoortige wezens die niet bestaan, maar hij suggereerde dat ze wel concreet aanwezig zouden zijn. In zijn voorstelling zijn zij echt. De mensen kunnen van alles tot inhoud van hun zelfbewustzijn maken (bedenken) en juist omdat zij dit kunnen is er de mogelijkheid om zaken aan de weet te komen, kennis te vergaren en vooral ook kennis te toetsen. Het leren kennen van de echte werkelijkheid is ondenkbaar zonder de onhoudbaarheden, de onzin en dergelijke te bedenken en te doordenken. Zo is fantaseren, hoewel dat doorgaans niet graag toegegeven wordt, essentieel voor het verwerven van kennis. Het bij voorbaat vaststellen van wat onzin zou zijn en wat niet (godsdienstige, maatschappelijke en wetenschappelijke dogmatiek) werkt als de belangrijkste rem op zuivering van de inhoud van het zelfbewustzijn. Tot nu toe ging het over het voortdurend veranderen van de rasters, die het kenmerk van de samenstellingen zijn. Zou het echter alleen-maar daarover gaan, dan zou het oplossen niet verder gaan dan de bouwstenen. Die zijn het immers die, bij het zich met elkaar combineren, de rasters opleveren. Je kunt ook zeggen: de stelsels van verbindingen. Zelf zijn zij evenwel ontstaan door het aaneengroeien van elementaire systemen van beweeglijkheden. Daarin komt geen raster voor, wel echter samenhang, namelijk als een achtledig systeem uitgroeit tot twee van zulke systemen en dan gaat gelden als ťťn systeem met twee brandpunten. Ook dit systeem echter heft zich, bij het gelden van de materie als niet-materie (zelfbewustzijn), volledig op omdat het gaat om het afwisselend terugvallen tot absolute beweeglijkheden. Ook de samenhang vervalt voor het zelfbewustzijn. Dat betekent dat de inhoud van dat zelfbewustzijn een kwantitatieve zaak is, het is een verzameling. Het kenmerkende van een verzameling is dit, dat de verzamelde elementen allemaal op zichzelf staan, van elkaar gescheiden zijn, maar toch ook in een bepaald verband opgenomen zijn. Zij hebben op de een of andere manier met elkaar te maken, maar dat is niet op die manier dat zij tot elkaar in relatie zouden staan. Zij zijn niet aan elkaar vastgelegd. De dingen, als inhoud van het zelfbewustzijn, worden begrepen als met elkaar in verband staand en dat leidt tot het begrip verzameling en als zodanig zijn de aparte dingen in het zelfbewustzijn aanwezig.

Het begrip verband is te beschrijven als opgeloste samenhang. Het is dus samenhang die tegelijk geen samenhang is, op grond, uiteraard, van het feit dat we met een voortdurende afwisseling te maken hebben. Het begrip verband heeft dus wel iets te maken met het begrip samenhang, maar het is op zichzelf wat anders. Het is de factor die het mogelijk maakt de afzonderlijke dingen in een verzameling bijeen te brengen en die verzameling tot een totaliteit uit te breiden. Omdat voor de mens als zelfbewustzijn de samenhang tegelijk en onmiddellijk geen samenhang is kan hij zelf verbanden leggen tussen de afzonderlijke dingen in zijn brein. Dat gebeurt in het groot in de cultuur. Hij doet dat niet alleen denkend, maar het leggen van verbanden vindt ook bij wijze van conditionering plaats. Op grond daarvan kun je zeggen dat een mens letterlijk alles moet leren. Een duidelijk verband tussen de dingen is de mens niet vanuit de wording gegeven. In het bewustzijn van de mens ligt de samenhang op de voorgrond en die is op geen enkele wijze te verbreken. Het beeld is een onveranderlijk geheel waarin het een overgaat in het ander. In het zelfbewustzijn van de mens is de samenhang opgelost en veranderd in verbanden die tussen de afzonderlijke dingen aangelegd worden. Dat is de voorstelling en die is een verzameling, culminerend in een totaliteit.

In tegenstelling tot datgene dat altijd verondersteld wordt berust het herkennen van de samenhang in de werkelijkheid niet op het nagaan van verbanden in je zelfbewustzijn en het verzamelen van kennis, maar juist op het in jezelf zichtbaar laten zijn van de werkelijkheid als beeld, zoals dat de manifestatie is van het bewustzijn. Op grond van dat beeld kunnen de afzonderlijke dingen en hun verbanden op de juiste wijze, d.w.z. overeenkomstig de waarheid, gerangschikt worden. Vanuit het zelfbewustzijn zelf is dat volkomen onmogelijk en het is zelfs zo sterk dat je eenzijdig van daaruit willekeurig welke voorstelling kunt opbouwen zonder dat die ook maar de geringste overeenkomst met de echte werkelijkheid behoeft te vertonen. De aangelegde verbanden berusten daarbij niet op de oorspronkelijke samenhang, maar op de relaties tussen de dingen. Die komen in feite neer op waarde-oordelen, die, bijvoorbeeld in onze cultuur, eenzijdig economisch zijn. Dat economische verband is bedacht naar aanleiding van de analyse van de samenstellingen waarbij de verbinding tussen de onderdelen voor de dag gekomen is. Als bepaalde culturen op hun hoogtepunt zijn gekomen verstarren zij zich tot van bovenaf dwingende stelsels van regels en voorschriften die de mensen ingeprent worden zonder dat die nog in twijfel getrokken kunnen worden. Een cultuur is dan ingekrompen tot een louter zelfbewuste aangelegenheid die niet meer ingebed is in het bewustzijn en die bijgevolg gevoelloos, kil en benauwd is. Kortom, een wereld waarin niet meer te leven valt en die dan ook gaandeweg instort. Anderzijds zie je, vooral in de culturen van de oudheid, dat men almaar probeerde de dingen op een zodanige wijze met elkaar in verband te brengen dat de voorstelling een zo getrouw mogelijke afspiegeling van de werkelijkheid als beeld zou zijn. Maar, de toenmalige mensen hadden nog niet veel kennis omtrent de dingen, en dat leidde er toe dat de voorstelling meteen al op fantasie berustte, op sprookjes en mythen die ontleend waren aan het leven van de mensen. Men vertelde bijgevolg over goden en godinnen en allerlei fantasie-dieren, zoals draken en dergelijke. Het sterke punt van de culturen van de oudheid was echter niet de voorstelling, maar de innige verwantschap met de werkelijkheid als bewustzijn, zowel wat betreft het beeld als wat betreft het psychische. Daardoor konden de wijzen uit die tijd die opmerkelijke gedachten over de essentie van de werkelijkheid ontwikkelen.

Bladwijzers: Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8

No. 85

Bladwijzers: Meditatie-1 ; Meditatie-2 ;

De werkelijkheid als voorstelling is aanwezig als inhoud van het zelfbewustzijn. Die inhoud bestaat uit zich opheffende en weer stellende rasters, geheel willekeurig en dus zowel concreet mogelijk als onmogelijk, en het verband tussen de afzonderlijke dingen. De werkelijkheid als beeld is de totaaltrilling die zich als een spel van vormen manifesteert, vormen die alleen-maar samenhangen en die onafhankelijk zijn van welke inwerking dan ook. De voorstelling wordt door de mensen gemaakt, maar het beeld is voor de mensen een gegeven waarop zij geen invloed kunnen uitoefenen. De mensen leggen zelf een verband aan tussen de afzonderlijke dingen en komen zo tot het opbouwen van een wereldbeschouwing, dat wil zeggen een voorstelling van de werkelijkheid zoals die voor henzelf qua zelfbewustzijn geldig is. Die voorstelling behoeft helemaal niet overeen te stemmen met de echte werkelijkheid, in feite komt hij, tijdens de cultuurontwikkeling, slechts bij enkelingen enigszins overeen met de echte werkelijkheid. Je kunt dat jammer vinden, maar dan moet je wel bedenken dat dit jammer vinden voornamelijk voortkomt uit het feit dat je, vanuit de waarden van je eigen cultuur, geneigd bent een groot belang te hechten aan datgene dat geest genoemd wordt. Als dan blijkt dat die geest niets te betekenen heeft wordt dat automatisch als een teleurstelling ervaren. Pas na enige tijd begrijp je dat die geest je steeds misleid heeft en dat het juist bevrijdend is die niet meer als de maat te nemen. Zolang je die geest wel als de maat neemt blijf je bevangen in je eigen wereldbeschouwing, in je eigen voorstelling. Dan blijft alles relatief, en dus gebonden aan de persoon die je zelf bent. Er is echter ook nog het bewustzijn en haar manifestatie het beeld. Als je die twee grootheden samen denkt, namelijk het beeld en de voorstelling, dan ontdek je dat het een mens mogelijk is zich, bij het aanleggen van de verbanden in de voorstelling, te richten op het beeld. Als hem dat gelukt bouwt hij een wereldbeschouwing op die niet meer strijdig is met de echte werkelijkheid. Dat is het wat je eigenlijk in de filosofie zou moeten doen. De oude filosofen deden dat dan ook, maar de gesteldheid om het zo te doen is in de westerse cultuur vrijwel geheel verloren gegaan. Men is gaan filosoferen over zijn eigen voorstelling! Je kunt je de zaak als volgt indenken: je kijkt als het ware dwars door je eigen voorstelling heen naar het beeld. Daarbij moet je wel bedenken dat je bereid moet zijn die voorstelling niet meer als de maat te nemen. In feite komt het er op neer dat je die voorstelling in twijfel durft te trekken, dat je de mogelijkheid onder ogen ziet dat hij wel eens fout zou kunnen zijn. Het is een tijdje in de mode geweest om allerlei methodieken toe te passen, zoals yoga en meditatie en sensitivity-trainingen en dergelijke. Hoewel die zeker wel bevrijdend kunnen werken voor bepaalde mensen gaan die toch volledig langs de zaak heen. Doorgaans leveren die methodieken niets anders op dan nieuwe voorstellingen, die op hun beurt weer als de maat genomen worden. Maar het gaat er nu juist om elke voorstelling in twijfel te trekken. Het gaat niet in de eerste plaats om de vraag of iemands voorstelling al of niet juist is. Wat betreft onze tijd kunnen wij gerust vaststellen dat de wetenschappelijke voorstelling, die wij van de werkelijkheid hebben, qua kennis en het daarin aangelegde verband behoorlijk waarheidsgetrouw is. Als zodanig is de voorstelling geen probleem. Maar het tragische van onze tijd is gelegen in het feit dat die hoogontwikkelde voorstelling nauwelijks meer in twijfel getrokken kan worden, zodat de spiegeling met het bewustzijn en het beeld vrijwel ontbreekt.

Daardoor kunnen wij steeds minder uit de voeten met die voorstelling en blijkt ons handelen en omgaan met de wereld in toenemende mate een slag in de lucht te zijn. Wij hebben ons bijna geheel uitgeleverd aan de wetenschappelijke voorstelling die wij zelf opgebouwd hebben. Ik denk dat dit uitgeleverd-zijn nog veel indringender is dan destijds met de godsdiensten het geval was. Als je het voor elkaar krijgt om vertrouwen te hebben in jezelf als bewustzijn, en in staat bent je voorstelling niet als de maat te nemen, ben je vanzelf in staat om die voorstelling aan het beeld te toetsen. Dat is eigenlijk niets bijzonders: het verschijnsel mens is zo gegroeid dat er steeds een soort van wisselwerking, een spiegeling, plaats heeft tussen het beeld en de voorstelling, en wel op grond van het voortdurend leggen van verbanden, die immers terug te voeren zijn tot opgeloste samenhangen. Maar voor Ons lijkt het wel iets bijzonders omdat wij geconditioneerd zijn door een cultuur waarin het bewustzijn taboe is en het zelfbewustzijn op een verkeerde wijze, namelijk als ondergeschikt aan de geest, tot gelding komt. Dat verkeerde zelfbewustzijn komt onder andere hieraan tot uiting dat men de uitgebreidheid van zijn inhoud het belangrijkste vindt. Met andere woorden, men weegt de waarde van de mens af aan datgene dat hij geleerd heeft. De hoeveelheid beschikbare kennis en het daartussen aangelegde (wetenschappelijke) verband zijn de norm voor menselijke waarde. Als je echter inziet hoe bij de mens de verhoudingen werkelijk liggen wordt onmiddellijk duidelijk dat die norm onhoudbaar is, juist omdat het er om gaat de voorstelling niet als de maat te nemen. Welke geestelijke of intellectuele bagage een mens ook meetorst, het is van geen enkel belang als het er om gaat de werkelijkheid te leren kennen en, als gevolg daarvan, te leven overeenkomstig datgene dat voor het leven werkelijk geldt. Het is zelfs zo sterk dat mensen in wie de wereldbeschouwing oftewel de voorstelling - gewoonlijk door een wetenschappelijke opleiding op hoog niveau - stevig vastgelegd is, nauwelijks in staat meer zijn iets te bevatten van de echte werkelijkheid. De voorstelling zit zo vast dat elke spiegeling met het beeld onmogelijk is geworden. Dergelijke mensen weten dan ook geen raad met het vrije en creatieve filosoferen, vinden het (terecht!) onwetenschappelijk en wijzen het, vaak op hysterische wijze, volledig af. .. Die hysterie komt voort uit het feit dat ook die mensen met hun vastgelegde voorstellingen mensen zijn in wie de bedoelde spiegeling tussen beeld en voorstelling ongewild en op verdrongen wijze doorgaat.

Telkens als mensen geconfronteerd worden met iets wezenlijks dat zij niet willen, worden zij hysterisch, gaan op onredelijke wijze tekeer en zijn soms zelfs geneigd tot moord en doodslag. Het komt echter ook voor dat mensen zich met een schok realiseren dat zij helemaal niet weten waarmee zij hun leven lang bezig zijn geweest. Zo'n schok wordt dikwijls veroorzaakt door iets uitwendigs zoals oorlog, natuurrampen, ziekte en dood en wat er dan gebeurt is dit, dat men plotseling zijn eigen voorstelling in twijfel trekt en, als gevolg daarvan, geconfronteerd wordt met de spiegeling tussen beeld en voorstelling. Het in twijfel trekken van de voorstelling is eigenlijk voor de mens iets natuurlijks, maar in het geval van een schokeffect geschiedt het onverwacht en ongewild, en dat des te heviger als men een erg vastgelegde voorstelling heeft. Dan blijkt dat een mens geheel anders is dan zijn voorstelling hem suggereert: hij blijkt bijvoorbeeld een sociaal wezen te zijn (op grond van de samenhang) maar zich tot dan toe helemaal niet als zodanig gedragen te hebben. Uiteraard willen wetenschappers zoiets wetenschappelijk gaan onderzoeken, maar als je begrijpt hoe het verschijnsel mens is valt er niets te onderzoeken. Bovendien is zo'n onderzoek op zichzelf ook bevangen in de geldende voorstelling, zodat je er niet van kunt verwachten dat het de essentie van de zaak bloot zal leggen.

Meditatie-1 ; Meditatie-2 ;

No. 86

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Twijfelen-1 ;Twijfelen-2 ;

In de drieslag materie, materie als niet-materie en niet-materie berust het zelfbewustzijn op de middelste factor. Maar, zoals wellicht inmiddels duidelijk is geworden, het bewustzijn berust op de eerste factor. Het is immers een zaak van de materie waarin op een gegeven moment de totaaltrilling op gaat treden, een totaaltrilling die zich manifesteert als enerzijds het levend-zijn van het verschijnsel en anderzijds als het bewust-zijn daarvan. De spiegeling tussen beeld en voorstelling is dus een soort van wisselwerking tussen de materie en de materie als niet-materie. Dat komt neer op een wisselwerking tussen de universele werkelijkheid als spel van vormen en de schijnbare particuliere werkelijkheid als een verzameling van gevormde dingen. Die verzameling is door de individuele mens opgebouwd aan de hand van een complex van ervaringen op het terrein van opvoeding, opleiding en gebeurtenissen, welke laatste zowel intern zijn (psychologisch) als extern (omstandigheden). Omdat het over individuele ervaringen gaat is de voorstelling van de ene mens fundamenteel niet te kennen voor de andere mens. De enige manier om deze onbekendheid enigszins op te heffen is gelegen in het gebruiken van taal. Doormiddel van de taal kun je elkaar op de hoogte stellen van je voorstelling. Die taal berust op conventies, op een overeenstemming tussen de afzonderlijke mensen inzake het benoemen van de dingen. Die overeenstemming is doorgaans niet bewust en van tevoren bedacht.

Ze is geleidelijk in het dagelijkse leven ontstaan en wordt vervolgens van geslacht op geslacht doorgegeven: de kinderen moeten hun taal lťren spreken. Maar soms is de overeenstemming wel bedacht, bijvoorbeeld in de wetenschappelijke taal. Het is dus via geconditioneerde en ook via bewust afgesproken conventies dat de mensen elkaars voorstelling enigszins kunnen kennen en bespreken. De voorstelling is een soort van plaatje van de persoonlijke werkelijkheid van een bepaald mens. Dat plaatje is vastgelegd doormiddel van bepaalde verbanden die een mens ook zelf aangelegd heeft. Voor zover dat vastgelegd-zijn geldt, kun je niet door dat plaatje heen kijken en dat betekent dat het bewustzijn als beeld niet zichtbaar is. Maar, voor zover geldt dat het plaatje transparant is wordt de werkelijkheid als beeld wel zichtbaar, en dan krijg je deze situatie dat op de voorgrond het plaatje aanwezig is en op de achtergrond het beeld. Alles draait dus om de vraag in hoeverre het plaatje transparant is. Dat is een kwestie van variatie, en die variatie geldt binnen de polen volledig niet transparant zijn en volledig transparant zijn. Als de zaak volkomen ondoorzichtig is hebben wij te doen met iemand die iets mist dat heel essentieel is. Er is dan geen contact met de echte werkelijkheid, zodat zo iemand geheel en al vastzit in een fictie. Hij behoort tot die mensen die van zichzelf vinden dat zij principes hebben en die keihard zijn, vooral voor de medemens. Anderzijds kun je je indenken dat iemand een volkomen doorzichtige voorstelling bezit. Zo iemand is ernstig ziek, hij verkeert voortdurend in een hem onbekende wereld, kan zich het vorige moment niet herinneren en weet daardoor niet wat hij met zijn omgeving moet aanvangen. Die komt namelijk niet meer overeen met zijn voorstelling omdat die immers geheel ontbreekt. Dat komt voor bij ernstig demente mensen en er schijnt ook een ziekte te zijn die deze volledige vertwijfeling met zich mee brengt. Dit zijn echter extreme situaties. Als alles goed is vertoont een mens een variatie tussen beide genoemde polen. Het gevarieerd transparant zijn van het plaatje, de voorstelling, opent de mogelijkheid om die voorstelling aan het beeld te toetsen en dus een spiegeling tot stand te brengen tussen de universele werkelijkheid en de voorgestelde individuele werkelijkheid. Daardoor kun je tot de ontdekking komen dat je voorstelling in bepaalde opzichten niet klopt. Hij is in strijd met de logica. Dat maakt meteen duidelijk wat logica eigenlijk is: het is het overeen komen van de door jezelf aangelegde verbanden met de samenhang van de werkelijkheid, zoals die bij het beeld op de voorgrond staat. Voor zover de mensen de nadruk leggen op het er-zijn van de voorstelling ligt voor hen de maat bij een vastgelegd patroon van rasters. Het er-niet-zijn van de voorstelling wordt dan niet in aanmerking genomen. In dat geval geldt voor die mensen het dominant-zijn van een niet transparante werkelijkheid. Maar intussen geldt toch het er-niet-zijn van de voorstelling omdat de verhoudingen nu eenmaal zo in de mens liggen. Dat toch gelden van dat er-niet-zijn, ondanks het feit dat hij dat eigenlijk niet wil, wordt door de mens ervaren als twijfel. Het begrip twijfel houdt in dat iets voor je vaststaat, maar dat je er toch niet helemaal zeker van bent. Het is een aantasting van iets dat vast voor je staat. In feite berust dat natuurlijk op het terugvallen van de samengestelde en aaneengegroeide werkelijkheid tot absolute beweeglijkheden: de materie als niet-materie! Met dat terugvallen wordt die zaak beweeglijk en dat betekent dat hij transparant wordt. Je kunt er dan doorheen kijken. Uit het bovenstaande is af te leiden dat het twijfelen een essentieel menselijk fenomeen is: het brengt je in aanraking met de echte werkelijkheid. De twijfel is de eerste stap op de weg van het weten. Als je iemand in twijfel brengt is er de mogelijkheid om een bepaald denkbeeld duidelijk te maken, maar als je die twijfel niet weet op te roepen is het vergeefse moeite te proberen iemand ergens van te overtuigen. In onze cultuur bestaat de neiging het twijfelen af te keuren. Onze wetenschappelijk ingestelde cultuur vraagt om zekerheden, om feiten die vastgesteld zijn. Een bepaald complex van feiten wordt geacht wetenschappelijk onbetwijfelbaar te zijn. Hoewel dat binnen het kader van de wetenschap een juist standpunt is, moeten we ons er toch terdege van bewust zijn dat de twijfel als enige de mogelijkheid biedt om iets aan de weet te komen. Alle ontwikkeling berust op twijfel, juist omdat het instorten van de vastgelegde voorstelling tot een nieuwe voorstelling kan leiden. Het miskennen van de twijfel remt de ontwikkeling van de mensheid voortdurend af. Zoals gezegd hebben de mensen de behoefte hun voorstellingen vast te leggen. Dat is te begrijpen omdat, naar hun mening, die voorstellingen overeen komen met de concrete werkelijkheid, zoals die om hen heen staat en zoals ze die almaar ervaren. Het kan best zijn dat het allemaal een fictie is, maar zij wordt ook dan als een realiteit ervaren, een realiteit waaraan men houvast heeft. Men wil dus de voorstelling vasthouden als een realiteit en men wil de twijfel niet in zichzelf toelaten. Desondanks doet die zich toch gevoelen en dat leidt ertoe dat er zich in de mensheid een verhelderingsproces aftekent, een langzame ontwikkeling naar een zelfbewustzijn dat, hoewel het altijd een voorstelling tot inhoud heeft, toch steeds diezelfde voorstelling in twijfel trekt. Dat wil zeggen: het er-niet-zijn van de rasters gaat gelden. Daarmee verschuift het vastgelegd-zijn van de voorstelling naar een toenemend beweeglijk-zijn ervan. Met die toename ontstaat er ook de mogelijkheid dat het begrip nihilisme tot gelding kan komen. Dat begrip is gegrond in het er-niet-zijn van de voorstelling, en dus de afwezigheid van door de mensen zelf aangelegde verbanden die een waardeoordeel inhouden. Men heeft het begrip nihilisme wel eens omschreven als de werkelijkheid als volkomen nietigheid en dat is juist, omdat het inderdaad over het vervallen van alle verbanden gaat.

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Twijfelen-1 ;Twijfelen-2 ;

No. 87

We zitten met de vraag hoe het komt dat de mensen hun voorstelling van de werkelijkheid vast willen houden, dat wil zeggen: niet willen laten gelden dat hij altijd min of meer transparant is. Ik heb er al op gewezen dat er door het zelfbewustzijn een overeenkomst ervaren wordt tussen de voorstelling en de buitenwereld. Dat is logisch, want de voorstelling bestaat uit de totale werkelijkheid, die zich laat gelden op de wijze van materie als niet-materie. Omdat alles mogelijk is behoeft de voorstelling niet realistisch te zijn, hij kan ook op een fictie berusten. Maar die lijkt dan toch ook op de concrete buitenwereld. Het is onmogelijk dat iemand een voorstelling in stand houdt waarvan hij zelf vindt dat die helemaal niet met de buitenwereld overeen stemt. Niemand voelt zich thuis bij een dergelijke ongerijmdheid. Er is altijd wel enige overeenkomst. Het is een essentieel punt dat de mensen eerlijk menen dat hun voorstelling realistisch is, dus menen dat hun bedachte werkelijkheid net eender is als de waargenomen werkelijkheid. Vaak hoor je beweren dat de mensen het goede of een betere wereld niet zouden willen. Die bewering vooronderstelt dat de mensen dat goede of die betere wereld zouden kennen, maar dat zij er om de een of andere reden geen zin in, of belang bij, zouden hebben. Dat echter is onmogelijk, de zaak heeft met het begrip willen niets te maken en ook niet met het begrip keuze. In feite hebben de mensen die andere wereld helemaal niet in hun voorstelling, niet voor ogen. Zodra dat wel het geval is leven zij automatisch in die betere wereld, zonder dat zij daarin een keuze zouden hebben. De gedachte van Jean Paul Sartre dat een mens zou kunnen kiezen voor een beter leven in een betere wereld is derhalve onjuist. Het in de voorstelling liggen van een betere wereld is iets anders dan een fantasie of een utopie over zo'n wereld. Dat zijn namelijk constructies, bedenksels, maar het gaat nu over de voorstelling in de zin van materie als niet-materie. Die voorstelling hebben de mensen zelf opgebouwd, zij menen dat die realistisch is en dus houden zij hem vast. Dat leidt er toe dat die voorstelling gaat werken als een barriŤre die verhindert dat de mensen er achter komen hoe het zit met de werkelijkheid. Dit blijft in principe altijd voor de mens gelden, ook als hij tenslotte volwassen geworden is. Er gaat dan evenwel ook nog iets anders gelden waardoor dat vasthouden een incidenteel karakter krijgt, de barriŤre telkens weer overwonnen wordt en de voorstelling zijn eeuwigheidswaarde verliest. Het vasthouden van de voorstelling geschiedt niet alleen maar op grond van de overeenkomst met de buitenwereld. Ik herinner er aan dat de mens verbanden legt tussen de verschillende inhouden van zijn zelfbewustzijn. Die verbanden zijn opgeloste samenhangen. Die kunnen er zijn omdat er spiegeling met het beeld is, op grond van het min of meer transparant zijn van de voorstelling. Nu zijn het ook die verbanden waarvan de mens meent dat zij identiek zijn met de samenhang in het beeld, alleen: daarvan weet hij, vooral in onze cultuur, doorgaans niets af en wel omdat hij zichzelf als bewustzijn en als beeld verdrongen heeft. Maar intussen werkt het wel zo in hem omdat hij nu eenmaal zo in elkaar zit.

Hij vertrouwt dus de door hemzelf aangelegde verbanden zonder te weten waarom. Je zou het een zaak van intuÔtie kunnen noemen - alweer een begrip waarvan de moderne wetenschappelijke mensen niets moeten hebben! Het is van groot belang om in te zien dat de mensen oprecht menen dat hun voorstelling klopt met de realiteit en er ook oprecht vertrouwen in hebben dat de aangelegde verbanden de juiste zijn. Er valt hier dus niets te beschuldigen en je kunt met recht stellen dat de mensen niet weten wat ze doen als ze bezig zijn van hun wereld een bloedbad te maken.

Wat anders is dat bepaalde mensen, zoals pausen en politici, leugens vertellen en het doen voorkomen of zij een andere, voor de bevolking betere, voorstelling van de werkelijkheid hebben dan zij werkelijk hebben. Als regel is dat een machtskwestie waarbij de bevolking gepaaid wordt met mooie verhalen, met de bedoeling voor zichzelf meer vrijheid te verwerven. De mensen noemen iets logisch als zij er op vertrouwen dat het verband, dat zij tussen de inhouden van het zelfbewustzijn hebben aangelegd, overeenkomt met de samenhang die voor het beeld geldt. Iets logisch vinden berust dus op vertrouwen, niet een vertrouwen in iets of iemand anders, maar in zichzelf. In de moderne cultuur weet men er nauwelijks iets van, en dat blijkt wel heel erg duidelijk hieruit dat het nooit gelukt is een grond te vinden voor de logica. Vooral in de filosofie heeft men zich intensief bezig gehouden met de vraag wanneer iets logisch genoemd kan worden - het antwoord is nooit gevonden. Toch bemerkte men dat er een zekere vanzelfsprekende natuurlijke overeenstemming tussen de mensen was. Uiteraard, want de door de mens aangelegde verbanden zijn aan de samenhang van het beeld gespiegeld. Omdat het uitgangspunt van de logica in de werkelijkheid als beeld is gelegen heeft zij een universeel karakter, maar dat komt slechts in hoofdzaak in de wetenschap tot uiting. Gangbaar vinden de mensen van alles logisch, voornamelijk dat wat in hun kraam te pas komt. Dit is mogelijk omdat in het begrip logica het verband tussen de inhouden van het zelfbewustzijn (de dingen die je in je hoofd hebt) bepalend is. Daardoor is de individuele voorstelling bepalend zodat de mensen tot op zekere hoogte van alles logisch kunnen vinden. De een vindt het bijvoorbeeld logisch dat mensen met elkaar trouwen en de ander vindt dat heel Onlogisch, terwijl beiden het over de natuurwetten volkomen met elkaar eens zijn. Omdat dit het geval is zijn er bindende afspraken gemaakt om eenstemmigheid te verkrijgen over wat logisch is en wat niet. Maar wat de godsvoorstelling betreft het volgende: een vorm van samenhang die aanleiding kan geven tot het logisch vinden dat er een god bestaat is in het beeld niet aanwezig. God behoort louter tot de voorstelling zonder dat hij aan het beeld gespiegeld wordt. Hij kan daaraan ook niet gespiegeld worden omdat hij berust op het begrip niet-materie voor zover dat op zichzelf gesteld wordt. Dat is er de reden van dat godsvoorstellingen niet getoetst en doordacht mogen worden en daardoor zo onuitroeibaar zijn. Doordenkt men zo'n voorstelling echter wel, dan is god in de kortste keren verdwenen omdat er geen spiegeling met het beeld mogelijk is. Het is op grond van deze onmogelijkheid dat je de godsvoorstelling en de godsdienst tot de waandenkbeelden moet rekenen. Omdat men de logica niet thuis kon brengen heeft men zijn toevlucht tot de exacte wetenschap genomen en datgene logisch genoemd wat bij herhaalde toetsing dezelfde verhouding tussen twee of meer grootheden opleverde. In feite heeft men het verband tussen die grootheden als grondslag voor de logica aangenomen en men spreekt dan ook van causale verbanden. Voor zover een mens die verbanden in zijn dagelijkse leven laat gelden heeft men het over redelijkheid. Ook wat de rede betreft hebben de denkers aangevoeld met iets universeels te maken te hebben. Sommigen, bijvoorbeeld humanisten, hebben op grond hiervan de redelijkheid als de maat voor het gehele leven gesteld en haar zodoende ook weer verheven tot iets geestelijks, met als onvermijdelijk gevolg een stelsel van regels, geboden en verboden, kortom: de ethiek. In de werkelijkheid als beeld zit geen logica, maar samenhang. Pas voor het menselijk zelfbewustzijn is het begrip logica geldig, namelijk als en voor zover de mens er op vertrouwt dat de verbanden binnen zijn voorstelling die samenhang afspiegelen.

No. 88

Onvermijdelijke toeval-1 ; onvermijdelijke toeval-2 ; Metafysica††† Mystiek en Metafysica vanaf no. 140 tot eind van deel 2

Doorgaans weten de mensen niet dat er in henzelf als zelfbewustzijn een spiegeling plaats heeft tussen de voorstelling en het beeld. Maar die spiegeling is er, ook als de mensen, bijvoorbeeld in onze cultuur, er geen boodschap aan hebben. Op grond van die spiegeling stellen zij vertrouwen in de verbanden die zij tussen de verschillende inhouden van hun zelfbewustzijn leggen. Zij noemen die betrouwbare verbanden logisch. Van de weeromstuit zijn veel mensen gaan geloven dat de werkelijkheid zelf logisch is, in die zin dat haar wording en bestaan op van haar onafhankelijk geldende wetten berusten. Dat zij dus van iets uitwendigs afhankelijk is, namelijk van als het ware van tevoren en buiten haar om opgestelde wetten die er aan ten grondslag zouden liggen. Die veronderstelling leidt tot de mening dat de kosmos en het leven zin zouden hebben, en wel omdat het tot stand komen van de kosmos voor de werkelijkheid een doel zou zijn. Als het waar was dat de kosmos volgens een vaste cyclus van logische oorzaken en gevolgen ontstaan zou zijn, dan zou de daaraan ten grondslag liggende wet helemaal aan het begin moeten liggen en je zou het doel er al ingecalculeerd moeten vinden. Wij treffen daar echter alleen maar beweeglijkheden aan, chaotisch beweeglijk zonder aan iets, wat dan ook, gebonden te zijn. Zo je al van een wet zou willen spreken zou het de wet van het onvermijdelijke toeval moeten zijn. Maar die houdt geen doelgerichtheid in doch slechts mogelijkheden, die misschien houdbaar blijken te zijn, maar misschien ook niet. Er ontstaat telkens een veelheid aan verschijnselen waarvan de houdbaarheid nog blijken moet. Als er echter een doel was zou er uit een bepaald voorgaand stadium slechts ťťn bepaald volgend stadium kunnen voortkomen en daarvan zou bij voorbaat zeker zijn dat het houdbaar was. Er is in de wetenschap en de filosofie voortdurend gezocht naar een universele grondslag van de logica. Men heeft die nooit gevonden. De verklaring voor dat falen is deze, dat het bewust zoeken van antwoorden op essentiŽle vragen onvermijdelijk bevangen is in de aanwezige voorstelling. De zaak is gedateerd. De essentie blijft verborgen omdat die buiten de voorstelling ligt. Men kan dan geen ander antwoord vinden dan dat het allemaal om conventies, afspraken, gaat. Op een zeker moment meende men het gevonden te hebben in de taal, maar uiteraard bleek men daarmee ook niet verder te komen. Het is juist het bewuste zoeken dat belemmerend werkt. Om er achter te komen hoe de dingen nu echt zitten moet je niet naar die dingen en hun grondslag zoeken, maar naar de werkelijkheid als beeld. Dat levert vanzelf de spiegeling met de voorstelling op en daarmee een betrouwbare verklaring, een die wij logisch vinden. Eigenlijk zou de filosofie op vragen antwoorden moeten geven waar niet naar gezocht is! Daarom heb ik steeds gesteld dat je het verhaal van de wording en het bestaan, en in het algemeen van de filosofie, moet proberen te denken zonder gebruik te maken van je kennis, d.w.z. datgene dat je meent te weten. Deze kennis immers ligt binnen de voorstelling, is er inhoud van. Spinoza bijvoorbeeld sprak van de zuivering van het verstand. Hij beschouwde die activiteit als essentieel voor het begrijpen van de werkelijkheid. Latere denkers hebben hier geen aandacht aan besteed omdat men in de mening verkeerde dat het volgen van de logica het denken zou zuiveren. Daarmee leverden de denkers zich automatisch uit aan hun eigen voorstelling. De voorstelling komt, zoals al gezegd, enigermate overeen met de samenhang binnen het beeld en met de concrete buitenwereld. Er zijn echter elementen in de voorstelling die noch met het een, noch met het ander overeen stemmen.

We rekenen die elementen tot de metafysica, het bovenzinnelijke. Alle godsbegrippen behoren daartoe, voorts ideeŽn over geesten, duivels, kabouters, bezielde voorwerpen en bijna alle paranormale verschijnselen. Ook de filosofie heeft lange tijd een metafysisch karakter gehad: met behulp van god verklaarde men alle mogelijke en onmogelijke verschijnselen. Daartegen is men in de moderne filosofie terecht in verzet gekomen: men is zich positivistisch gaan opstellen. De goede kant daarvan is dat men het vertrouwen verloor in al die ongerijmde, gefantaseerde verhalen die als verklaring voor allerlei verschijnselen dienden. Maar de kwalijke kant is deze dat men zich nog meer aan zijn eigen voorstelling uitleverde en de deur naar het beeld vrijwel volledig sloot. De eigen logica, namelijk de op conventies berustende, werd de maat. Op grond daarvan ging men er toe over alle niet wetenschappelijk toetsbare gedachtegangen te verwerpen in plaats van uitsluitend de echt metafysische. Zuiver filosofische gedachtegangen zijn namelijk niet metafysisch, maar zij lenen zich ook niet voor empirische controle. Door het verwerpen van deze gedachtegangen, als zouden zij metafysisch zijn, heeft de moderne filosofie zichzelf voorlopig de das om gedaan. Een zuiver filosofische gedachtegang berust op spiegeling en niet op metafysica. Spiegeling is er waar het zelfbewustzijn zich gelden laat op de wijze van materie als niet-materie. Het gaat dus om een bijzondere verhouding van de materie, een verhouding die zich niet laat kwantificeren, d.w.z. in meetbaarheden (getallen) uitdrukken. Maar intussen is het toch materie en dus, hoewel niet meetbaar, na te gaan. Het metafysische echter berust louter op verzelfstandiging van de geest en dus uitsluitend op het begrip niet-materie. Dat ontkent een wisselwerking met de materie en dus is er geen logica. Je kunt van alles beweren zonder dat iemand het ooit zal kunnen nagaan. Dergelijke beweringen berusten op een waan die vrijwel niet te doorbreken is. Zo'n waan, bijvoorbeeld de godsdienstige, heeft een onuitroeibaar karakter. Toen in de 19e eeuw het wetenschappelijk denken door ging breken dacht men dat de godsdienst het tegen dit denken af zou leggen en vanzelf zou verdwijnen. Inmiddels is duidelijk geworden dat dit helemaal niet het geval is. Er is wel een groot aantal godsdienstige voorstellingen verdwenen, zoals bijvoorbeeld de gedachte dat de aarde door een god geschapen zou zijn, maar daardoor is de godsdienstigheid niet aangetast. Uit het bovenstaande blijkt dat een dergelijke aantasting helemaal niet mogelijk is, en wel juist omdat er geen spiegeling met het beeld kan zijn. Je kunt het dan ook meemaken dat exact denkende mensen zoals natuurwetenschappers en wiskundigen zonder bezwaar in een god geloven, zij het soms iets minder platvloers dan de meeste evangelisten. Het godsbegrip laat zich niet aan het beeld toetsen en kan dus niet bijgesteld worden. Het blijft hangen, juist omdat het losgemaakt is van datgene dat werkelijk zelfbewustzijn genoemd kan worden. Toch zal het op den duur verdwijnen, namelijk als de mensen de deur naar het beeld weer gaan openen en de spiegeling weer vanzelf een kans krijgt. Wij moeten er op letten dat de godsbegrippen oorspronkelijk stoelden op een besef dat de mensen omtrent de werkelijkheid hadden. Zo'n besef heeft alles met de spiegeling tussen beeld en voorstelling te maken, reden waarom men in oude religies wel degelijk met diepzinnige uitspraken, in de vorm van beelden, kwam. Maar die uitspraken, voortkomend uit inzichten, werden onmiddellijk door priesters ingepikt en tot een waant omgezet. Uiteraard met de bedoeling er macht mee uit te kunnen oefenen. Maar, te beginnen met de Romeinen, is er een verandering opgetreden, namelijk het als autonoom stellen van de geest, de werkelijkheid als niet-materie. En daarmee is elk verband met de werkelijkheid verloren gegaan.

Onvermijdelijke toeval-1 ; onvermijdelijke toeval-2 ; Metafysica††† Mystiek en Metafysica vanaf no. 140 tot eind van deel 2

No. 89

De als inhoud van het zelfbewustzijn door jezelf opgebouwde voorstelling is gebaseerd op de afzonderlijke dingen die je in de buitenwereld waarneemt, en de verbanden die je daartussen aanlegt vanuit de spiegeling met de werkelijkheid als beeld. Die voorstelling wordt vastgelegd omdat ze je als zodanig de mogelijkheid biedt om thuis te raken in de werkelijkheid die je omringt. Anderzijds wordt het vastleggen bevorderd door het feit dat je meent dat de door jezelf in een bepaald verband geplaatste werkelijkheid de echte werkelijkheid is. In feite betekent het vastleggent dat de doorzichtigheid van de voorstelling opgeheven wordt. Dat is het geval omdat vastleggen niets anders is dan het stilleggen van beweeglijk-zijn. Als er geen beweeglijkheid meer is kun je ergens niet meer door heen kijken. In dat geval is er voor de mens geen mogelijkheid meer om de spiegeling tussen beeld en bewustzijn tot zijn recht te laten komen. Het beeld wordt als het ware afgedekt door de dichtgemetselde voorstelling, die dan als een barriŤre tegen de ontwikkeling gaat werken. Wat betreft dat thuis raken in zijn omgeving nog het volgende: in het bewustzijn van alle levende wezens ligt de bestaande werkelijkheid als totaaltrilling besloten. Via die verhouding is er een binnenwereld en een buitenwereld. In die buitenwereld is elk levend wezen thuis, maar voor de mens geldt dat niet als een natuurlijk gegeven, en wel omdat hij de bestaande werkelijkheid ontkent. Hij is, als laatste verschijnsel, immers ook nog niet-materie, oftewel geest. Door het gelden van die ontkenning is voor hem het thuis zijn in zijn omgeving niet een natuurlijk gegťven, maar iets dat hij moet verwerven. Ik heb al eerder gezegd dat de mens alles moet leren. Hij moet leren te overleven omdat hij in principe niet kan overleven in de realiteit waarin hij terecht is gekomen. Door nu te leren in die realiteit thuis te zijn kan hij overleven. Het overleven komt namelijk mee aan het leren zich in de wereld thuis te voelen: omdat hij zich thuis gaat voelen kan hij overleven - die verhouding ligt niet andersom, zoals tegenwoordig veelal gemeend wordt. Dat leren zich thuis te voelen gaat niet zonder ervaringen. Het opdoen van ervaringen is een cumulatief proces. Er voegen zich steeds meer ervaringen bij en die vormen gaandeweg het complex van kennis. Dat complex is eveneens inhoud van het zelfbewustzijn. Het is ingepast in de voorstelling. Het is een feit dat de mensen de verbanden in hun voorstelling naar analogie van de samenhang in het beeld hebben aangelegd. Maar juist omdat bij het opnemen in de voorstelling de samenhangen tot verbanden geworden zijn is het een vastgelegde zaak. De samenhang wordt immers opgelost om onmiddellijk weer als een verband gesteld te worden. Alhoewel soms blijkt dat zo'n verband redelijk waarheidsgetrouw is werkt de zaak toch als een barriŤre. Onvermijdelijk ontstaat de tragische situatie dat de mensen zich aan hun eigen voorstelling uitleveren. Dat is echter niet onherroepelijk: doordat er onvermijdelijk enigermate van spiegeling overblijft, en doordat er steeds meer ervaringen opgedaan worden, wijzigt zich in de loop der tijd toch de voorstelling. Nu kun je je afvragen waarom de mensen niet gewoon vaststellen dat bijvoorbeeld een boom een boom is en het voortaan daarbij laten. Dat evenwel is onmogelijk omdat alle inhouden van het zelfbewustzijn, ontleend aan de omringende wereld, noodzakelijk in verbanden opgenomen worden. Door het gelden van die verbanden is een boom nooit zomaar een boom, maar bijvoorbeeld een mooie boom, of een nutteloze boom of mijn boom. Er wordt altijd een verband met iets anders gelegd en daardoor wordt er een speciale betekenis aan gegeven en een waardeoordeel mee verbonden.

De boom op zichzelf is niet in de voorstelling aanwezig, het is steeds een bepaalde boom. De bepaaldheid daarvan berust op een complex van, door de mensen zelf aangelegde, verbanden. Binnen de context van het zelfbewustzijn en zijn voorstelling is het zinloos om naar Das Ding an sich te zoeken, zoals de wijsgeer Immanuel Kant geprobeerd heeft. Hij kwam dan ook tot de conclusie dat zoiets onkenbaar is, ondanks het feit dat hij een heel intelligent systeem van denkcategorieŽn uitgedacht heeft. In de loop der tijd zijn er door de mensen tal van verschillende verbanden tussen de inhouden van hun zelfbewustzijn gelegd. Soms klopten die verbanden redelijk goed, maar heel vaak sloegen zij nauwelijks ergens op. Als je bijvoorbeeld een boom als de woonplaats van de een of andere geest beschouwt stel je die boom in een verband dat niet blijkt te kloppen. Bekijk je de boom louter als een winstobject omdat hij timmerhout oplevert leg je ook een verkeerd verband aan. Je kunt dus van die verbanden het volgende zeggen: er zijn er die juist blijken te zijn, er voegen zich andere bij die op hun beurt al of niet juist zijn en er zijn er die absoluut nergens op slaan. Bovendien zijn er verbanden die de mensen helemaal nog niet kunnen leggen, verbanden waar ze zogezegd nog niet aan toe zijn. Je kunt verwachten dat op den duur alle aangelegde verbanden redelijk goed en redelijk volledig zullen zijn. Toch leidt dit niet tot een beter begrip van de werkelijkheid. Het is namelijk niet datgene waar het eigenlijk om gaat. Het gaat er om dat de zaak vastgelegd wordt! Daarmee is elk verband, juist of niet, geen afspiegeling meer van de samenhang. Dat dit het geval is blijkt in onze moderne tijd waarin de, wetenschappelijk uitgezochte, verbanden behoorlijk waarheidsgetrouw zijn, maar toch een heldere kijk op de werkelijkheid in de weg staan. Bijna niemand weet er raad mee. Dat het tenslotte toch tot een spiegeling komt heeft een andere oorzaak. Het vastleggen vormt dus de barriŤre. In het oude oosten had men hiervan een besef en ook nog wel in het beginnende Europa. Men was dan ook van mening dat het leren kennen van de werkelijkheid niet zozeer berustte op extravert (naar buiten gericht) onderzoek van de verschijnselen, maar vooral op introvert nagaan van de inwendig aanwezige werkelijkheid. Zij wisten niet waarom dat zo was. Dat er een spiegeling tussen de voorstelling en het beeld is wisten zij niet. Maar toch verstonden zij onder wetenschappelijkheid niet eenzijdig geleerdheid - eigenlijk is een ieder op eigen wijze geleerd - maar vooral wijsheid. Daarom moest je jezelf ontwikkelen om aanspraak te kunnen maken op wetenschappelijkheid. Zelfs bij de Europese alchimisten was dat besef nog levend. Wetenschap kwam tot stand via een dubbele weg: de introverte en de extraverte. In de cultuurgeschiedenis zie je dat het steeds de twijfelaars zijn die de ontwikkeling een stukje verder helpen door de bestaande voorstellingen aan te tasten. Wij kennen hen als de ketters, de onruststokers, de rebellen. Voor hen stond het lang niet vast dat de werkelijkheid was zoals de voorstelling die suggereerde. In hen werd het vastgelegde enigszins beweeglijk, en de spiegeling gaf aanleiding tot het verwerpen van de gevestigde waarden. In feite zijn er twee processen: ten eerste het geleidelijke veranderen van verbanden via de erfelijkheid en doordat er toch altijd enige spiegeling aanwezig is, en ten tweede het schoksgewijze aantasten. Het eerste vertoont zich als de ontwikkeling van de mensheid en het tweede ligt daarin ingebed, maar springt er tevens op revolutionaire wijze uit. Zo waren er in het grijze verleden al denkers, zieners, die bijvoorbeeld de oorlog als onmenselijk veroordeelden en probeerden de mensen er van af te houden. Maar van dergelijke inzichten trekt niemand zich iets aan: tegenwoordig is nog lang niet iedereen van de misdadigheid van oorlog overtuigd!

Bladwijzers: KANT- zie 01 , 02 , 03 , 04 , 05 ;

No. 90

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144) ; Rechten van de Mens ;

Als het over de ontwikkeling van de mensheid gaat zijn er eigenlijk niet twee, maar drie varianten van het opheffen van de barriŤre: 1e) de langzame, individueel onbewuste, via de opeenvolging der geslachten, 2e) de in een groep individuen bewust optredende, op grond van het doorstralen van een bepaald facet van het beeld, en 3e) het, in een enkele rebelse individu optredende, schoksgewijze opheffen vanwege de twijfel, die zich op de gehele voorstelling betrekt. Steeds echter leidt het tot varianten van spiegeling tussen beeld en voorstelling. Er zijn nogal wat denkers die van mening zijn dat in het algemeen de mensen dom zijn, maar dat dit enigszins over gaat naarmate zij wetenschappelijke kennis verwerven via ervaring en scholing. Die mening stoelt op het denken van de Verlichting aan het einde van de 18e eeuw. Men had toen het gevoel het universele mechanisme gevonden te hebben met behulp waarvan de mens op objectieve wijze zinvol over de werkelijkheid zou kunnen nadenken. Men meende nu het juiste gereedschap in handen te hebben om overdraagbare, controleerbare, toetsbare, positieve kennis te verwerven en die kennis in logische verbanden op te nemen. Dat zou de ontwikkeling van de mensen bevorderen en op den duur tot een betere wereld leiden. Die mening was fout: hoewel inderdaad de hoeveelheid beschikbare kennis aanzienlijk is toegenomen en het leggen van logische verbanden gemeengoed is geworden, is het inzicht in de werkelijkheid nauwelijks verhelderd en een betere wereld ver te zoeken... integendeel, er gaapt een steeds bredere kloof tussen het complex van de logisch geordende kennis en de kwaliteit van de praktijk van het leven. Omdat de verzameling kennis een rol speelt in de opbouw van de individuele voorstelling gaat de ontwikkeling weliswaar niet zonder de vermeerdering van de beschikbare logisch verantwoorde kennis, maar Zij berust daar niet op. Zij berust op het zich geleidelijk opheffen van de eerdergenoemde barriŤre via de opeenvolgende geslachten van gewone mensen. Deze bepalen de grote lijn van het wereldgebeuren. Dit lijkt een overbodige bewering, maar ik moet er toch op wijzen omdat de algemene opvatting juist is dat het de hooggeschoolde machtige ťlites zijn die het wereldbeeld bepalen. In feite kunnen deze echter alleen maar datgene manipuleren dat in de gewone mensen, min of meer bewust, qua voorstelling aan de orde is. Buiten de gangbare voorstelling van die gewone mensen om kan geen enkele machthebber iets tot stand brengen, zelfs niet met geweld. Die gangbare voorstelling geldt trouwens, zij het op geraffineerde wijze, ook voor die machthebbers - van een vooruitziende blik hebben die als regel geen last! Zij kunnen dus niet eens met iets vooruitstrevends komen. Het is overigens opmerkelijk dat wij geen kwalitatief positieve of zelfs maar neutrale termen hebben voor de gewone mensen. Of je het nu hebt over het volk, de burgers, het gepeupel, de massa, het vulgus of het proletariaat, steeds is er een ondertoon van minachting.

Dat komt doordat de zaak van bovenaf bekeken wordt vanwege het als de maat nemen van de geest. Vanuit die optiek komen de gewone mensen nooit met iets bijzonders, zijn niet in staat hun zaken zelf te regelen en moeten in toom gehouden worden. Die voorstelling lijkt waar te zijn, maar als je de geschiedenis eens goed bekijkt zie je dat de zaak eigenlijk andersom ligt. Bij herhaling geven de gewone mensen er blijk van de, zich op de geest (het hogere) beroepende, ťlites in toom te moeten houden. Je zou kunnen menen dat een ontwikkeling via de opeenvolging der geslachten een kwestie van genetica, van erfelijkheid is. Die mening is maar zeer ten dele juist. De genetica gaat over het doorgeven van bepaalde eigenschappen van individuele mensen. Het is een materieel biologisch proces dat tegenwoordig, door allerlei verbazingwekkende resultaten van het natuurwetenschappelijk onderzoek, erg in de belangstelling staat en daardoor de indruk wekt het enige criterium voor de opeenvolging der geslachten te zijn. Nu echter gaat het om iets anders, dat, biologisch gezien, ook wel doorgegeven wordt, maar dat niets met bepaalde eigenschappen van doen heeft. Doorgegeven wordt een kwaliteit, namelijk het materie als niet-materie zijn. Als er een kind ter wereld komt is dat niet een verschijnsel dat nog mens worden moet, maar het is echt een mens.

Dat betekent dat het materie als niet-materie zijn geheel en al aanwezig is: er komt een zelfbewust wezen ter wereld. Voor zover voor dat zelfbewuste wezen geldt dat het geest is (niet-materie), is het de ontkenning van alle rasters en verbanden. Als geest gaat het nergens over omdat het is alsof de beweeglijkheden weer terug zijn. Daardoor is het zelfbewustzijn volkomen helder en heeft nog geen enkele voorstelling tot inhoud. De voorstelling ontstaat langzamerhand via het opdoen van ervaringen, opvoedingsprocessen en leerprocessen. Maar om te beginnen is hij er niet. Het gelden als beweeglijkheden is hetzelfde als helder-zijn. Het heldere kind is qua zelfbewustzijn zonder inhoud, maar qua erfelijkheid is het behept met allerlei eigenaardigheden, waarvan de structuur zo onvoorstelbaar ingewikkeld is dat we er misschien wel nooit het fijne van te weten zullen komen. Dat is overigens ook niet zo belangrijk, veel belangrijker is het om te begrijpen dat een kind voor ťťn moment onschuldig is en onbevooroordeeld en onbevangen. Dat wordt door de mensen soms aangevoeld, in het Evangelie wordt de mensen aangeraden te worden gelijk een kind. Op het doorgeven van ouder op kind van het heldere zelfbewustzijn op zichzelf is geen enkele invloed uit te oefenen, maar de vorming van de voorstelling is natuurlijk wel afhankelijk van de omstandigheden waarin het kind terechtkomt. Het pasgeboren kind treft een wereld aan die is zoals hij is en het maakt kennis met de voorstellingen die in de mensen uit zijn omgeving leven. Die hele zaak wordt in dat kind tot een nieuwe voorstelling waarin nieuwe verbanden gelegd worden, maar essentieel is dat dit gebeurt vanuit een volkomen heldere situatie. Het kind is om te beginnen een onbeschreven blad, waarop pas later ervaringen geschreven worden. Daardoor wijkt de nieuwe voorstelling, zoals die in het kind ontstaat, af van die van de ouderen. De oude voorstelling wordt in het kind tot een nieuwe.

Omdat niet-materie, dus helderheid, de voedingsbodem van het nieuwe is, is voor een moment de barriŤre afwezig geweest en de werkelijkheid als beeld bepalend. Het gevolg is dat de nieuwe voorstelling van het kind iets dichter bij de waarheid ligt. Op grond van dit fenomeen vertoont de mensheid ontwikkeling en spreken wij van vooruitgang. Deze ontwikkeling gaat onbewust, juist omdat zij gebaseerd is op een helderheidsmoment, waarvoor geldt dat het zelfbewustzijn nog geen inhoud heeft. De mensen weten er dus niets van. Bovendien gaat die vooruitgang met zulke kleine stapjes dat zij slechts achteraf over een langere periode waargenomen kan worden. En ook dan nog moet je weten waarop je moet letten: het bedrieglijke is namelijk dat niet alles in absolute zin bťter wordt, maar vaak lange tijd slechter. Zo zie je bijvoorbeeld dat naast een toenemend besef van het gelden van de rechten van de mens tegelijk het raffinement van het elkaar naar het leven staan toeneemt. Een ander voorbeeld: het vernietigen van de werkelijkheid, gegrond op de analyse, gaat almaar door omdat het tenslotte zover moet komen dat het zijn eigen onhoudbaarheid openbaart. Overigens zijn het doorgaans de slechte ontwikkelingen die het meest opvallen, en wel omdat zij rechtstreeks verband houden met de structuur van de voorstelling en daardoor op het terrein van het bewuste liggen.

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144) ; Rechten van de Mens ;

No. 91

bijna doodervaring-1bijna doodervaring-2 ; Twijfelen-1 ; Twijfelen-2 ;

Als het gaat over de langzame, onbewuste, verheldering van de mensen moet je bedenken dat dit niet een kwestie is van erfelijkheid, in de zin van het doorgeven van bepaalde eigenschappen en kenmerken, maar dat het een kwestie is van een zich bij elke nieuwe generatie opnieuw stellend helderheidsmoment. De in een situatie van optimale verdichting verkerende verhoudingen van de beweeglijkheden ontkennen dan zichzelf, zodat de beweeglijkheden er zijn alsof ze weer volkomen vrij zijn. Dat geldt voor elk kind, ongeacht de genetische structuur van zo'n kind. Terzijde merk ik hierbij op dat er bij het sterven van een mens ook een helderheidsmoment optreedt en wel als het organisme op het punt staat in te storten.

De bijna-doodervaringen van een groot aantal mensen getuigen hiervan: men vertelt steeds weer dat men een oogverblindend helder licht heeft gezien! Het is natuurlijk interessant kennis te nemen van de denkbeelden en gevoelens van dissidente mensen zoals bijvoorbeeld die van de christengemeenschappen aan het einde van de oudheid en de in alle tijden optredende rebellen. Maar, die mensen zijn steeds uitzonderingen die zich in het geheel van de mensheid niet lang kunnen handhaven. Bepalend voor het wereldbeeld zijn de gewone mensen. Het is van groot belang dit in te zien, juist omdat de aandacht altijd valt op de toppen van de beschaving. Dat is ook het geval in de filosofie: vooral in de moderne filosofie houdt men zich vrijwel uitsluitend bezig met datgene dat de topfiguren op tafel gelegd hebben. Maar eigenlijk gaat het er om als filosoof inzicht te krijgen in het ontwikkelingsmoment dat je zelf bent om van daar uit tot een zo helder mogelijke filosofie te komen. Je richten op die anderen levert alleen maar wetenschap op en is als zodanig een bevestiging van de gangbare voorstelling. Je kunt veronderstellen dat een nieuwe voorstelling, ontstaan op grond van een nieuw helderheidsmoment, alleen maar anders is dan de voorgaande, maar niet teen stapje vooruit betekent - de gedachte dus dat er niets nieuws onder de zon zou zijn en dat de geschiedenis ons zou leren dat wij niets leren. Die veronderstelling echter is onhoudbaar. Dat blijkt als je nagaat wat er gebeurt bij het ontstaan van een nieuwe generatie. Er is dan niet alleen een nieuw helderheidsmoment, maar er is ook opnieuw een bewustzijn dat niet afhankelijk is van de toevallige eigenaardigheden van de nieuwe individu. Het is immers de werkelijkheid als totaaltrilling, zich manifesterende als beeld en gevoel.

Die werkelijkheid is gegeven en die wordt niet, zoals het geval is met de voorstelling, gaandeweg opgebouwd: het beeld is gegeven, maar de voorstelling ontstaat. Als die voorstelling er in het helderheidsmoment nog niet is kunnen het beeld en het gevoel onbelemmerd en in volle sterkte gelden. Dat is bij elke nieuwe generatie het geval; er is om te beginnen steeds een volmaakte spiegeling. Die wordt niet door een vastgelegde voorstelling gehinderd en juist daardoor wordt telkens de werkelijkheid als bewustzijn iets dichter benaderd. Dat betekent dat de mensheid langzaam aan en in feite bijna onmerkbaar dichter bij de waarheid komt. Het doorwerken van het helderheidsmoment is bij de ene mens effectiever dan bij de andere mens. De oorzaak daarvan ligt uiteraard in de persoonlijke ontvankelijkheid voor conditioneringen, met andere woorden: de een is meer geneigd de zich uitbreidende voorstelling vast te leggen dan de ander. Dit verschijnsel berust wel op een genetische factor die ertoe leidt dat de ontvankelijkheid voor conditioneringen gevarieerd voorkomt. Dat levert bij het gros van de gewone mensen variaties op binnen een algemeen geldige, enigszins naar de waarheid opgeschoven, voorstelling, waaraan zij zich geconformeerd hebben. Geheel anders ligt het bij de rebellen en dissidente groepen.

Die vormen namelijk afwijkingen van het algemeen gangbare. Bij de grote kunstenaars echter is het afwijkend zijn niet essentieel, maar het dominant zijn en blijven van de beweeglijkheid van de voorstelling. Zowel de variaties in de gangbare voorstellingen als de afwijkingen berusten dus op een genetische factor. Dat is te begrijpen, want het gaat immers over het zelfbewustzijn van de mensen, en dus over de materie als niet-materie. Basisgegeven is zoals steeds de materie. In dit geval gaat het om de vraag wat de hoedanigheid is van die bepaalde materiŽle structuur die zich als niet-materie gelden laat. Het niet-materie zijn op zichzelf is uiteraard een toestand van volkomen helderheid, maar de vraag is dus wat er volkomen helder is en deze vraag heeft betrekking op de materiŽle gesteldheid van een bepaald mens. Het antwoord op die vraag is bepalend voor de ontvankelijkheid voor conditioneringen, de behoefte van een bepaald mens om zich aan het gangbare te conformeren, zich daarmee te vereenzelvigen. Elk individueel mens is een variatie van het verschijnsel mens. Er zijn geen twee mensen gelijk. Dat betekent dat het opbouwen van de voorstelling, hoewel het uitgangspunt daarbij het helderheidsmoment is, gevarieerd voorkomt. De twee grondslagen van dit opbouwen zijn absoluut van karakter: het bewustzijn en het beeld zijn voor een ieder hetzelfde en dat is ook het geval met het helderheidsmoment op zichzelf. Maar het opbouwen van de voorstelling, als inhoud van het zelfbewustzijn, is afhankelijk van de materiŽle hoedanigheid van het verschijnsel en is, op grond daarvan, gevarieerd. We kunnen in dit verband spreken van de aanleg van een bepaald mens. Het is daarmee maar net hoe het valt en daarom noem ik het een genetische kwestie, maar misschien is het beter om van een biologische zaak te spreken, omdat het nog maar de vraag is of een dergelijke aanleg overgeŽrfd wordt. ( wat is twijfelen ) Ook het vermogen om te twijfelen komt in de mensen gevarieerd voor, en ook hier geldt weer: het begrip twijfel geldt voor iedereen omdat voor iedereen het er-niet-zijn van de verbanden en rasters van kracht is. Voor iedereen geldt het begrip geest in de zin van niet-materie. Voor zover dit er-niet-zijn bij tijd en wijle in een mens effectief is twijfelt hij. Maar lang niet iedereen weet er raad mee en je kunt zelfs stellen dat het logisch is dat het gros van de mensen de twijfel zo grondig mogelijk wegdrukt omdat hij de voorstelling aantast en verlies van houvast geeft. Die twijfel kan ook opgeroepen worden, bijvoorbeeld door de filosofie en de kunst.

De werking hiervan berust niet op het overdragen van kennis, zoals dat in de wetenschap het geval is, maar op het incidenteel bij de toehoorder of lezer beweeglijk en dus diffuus maken van de vastgelegde voorstelling. Daardoor opent zich in die genieter een perspectief naar de werkelijkheid als beeld, met als gevolg een zuiverder spiegeling. Die genieter moet de zaak echter helemaal zelf verwerken en om daarmee raad te weten moet hij aanleg hebben. Geen enkele filosofie of kunst kan een mens van buitenaf tot een andere opvatting van de werkelijkheid brengen. Soms lijkt het wel daarop, maar dan heeft men gewoon iets aangenomen of overgenomen. De wezenlijke werking komt neer op het openen van perspectieven, het als het ware wegschuiven van het gordijn tussen beeld en voorstelling. Het begrip variatie berust op het feit dat er in de samengestelde materie allerlei verwisselingen mogelijk zijn. Weliswaar zijn dat zeer beperkte verwisselingen, maar toch is steeds het een net een beetje anders dan het ander. Bijvoorbeeld: bij elk mens is de genetische structuur van het DNA precies dezelfde, maar binnen die grondstructuur zijn er kleine verschillen in combinaties van factoren en die variaties zijn volgens de wetenschappers zo essentieel dat men van een genetisch paspoort kan spreken. In feite is dat hetzelfde als de aanleg.

bijna doodervaring-1bijna doodervaring-2 ; Twijfelen-1 ; Twijfelen-2 ;

No.92

Zoals gezegd is het begrip variatie er op grond van verschillende combinatie mogelijkheden van de materiŽle bouwstenen. Die leiden evenwel toch tot hetzelfde verschijnsel, waarvan te zeggen is dat hetzelfde-anders er voor geldt. De kwaliteit van de verschijnselen waarvoor hetzelfde-anders geldt verschilt niet, en wel omdat het kwantitatieve systeem niet anders is. Maar de op zichzelf staande exemplaren ervan verschillen wel. Zo zijn er dus allerlei mogelijkheden waaruit hetzelfde verschijnsel kan ontstaan en dan zijn ertussen de diverse exemplaren van dat hetzelfde-anders variabele verschillen. Dat betreft echter een beperkt terrein. Als voorbeeld kun je denken aan zogenaamde rechts- en linksdraaiende melkzuurmoleculen. Het schijnt dat rechtsdraaiende moleculen lichaamseigen zijn en daardoor gemakkelijk opgenomen kunnen worden, maar linksdraaiende daarentegen niet. Qua scheikundige formule is er echter geen verschil, vandaar dat er volgens de wetenschappers geen betekenis aan die variatie in draaiing toegekend mag worden. Het bestaan van variaties is belangrijk in verband met de vraag hoe de ervaringen in de ene mens terechtkomen en hoe in de andere. Dat is op zijn beurt weer bepalend wat betreft de vraag in hoeverre in iemand de spiegeling aan de gang blijft. Er is onderscheid te maken tussen rebelse enkelingen, dissidente groepen en gewone mensen. Van die eerste twee soorten kun je vaststellen dat die afwijkend van karakter zijn. Er wordt anders tegen de wereld aangekeken. Vaak waarderen wij die andere kijk op de wereld als menselijker en redelijker, denk bijvoorbeeld aan de toenmalige christengemeenschappen die aan het einde van de oudheid her en der ontstaan waren. Het denken van die mensen was anarchistisch, zonder aanvaarding van hoger gezag en de ideeŽn wat betreft de spullen waren zelfs uitgesproken nihilistisch: men hechtte geen speciale waarde aan de dingen. Toch waren die ideeŽn niet echt helder omdat zij een reactie op onderdrukking en uitbuiting waren. Het oorspronkelijke christendom was eigenlijk een slavengodsdienst, waarin de voorstelling van de werkelijkheid afweek van de gangbare. Maar, het werd als zodanig toch ook weer een vastgelegde zaak die geen ruimte voor twijfel overliet. Als je de algemeen aanvaarde vaste voorstellingen niet deelde vloog je er zonder mankeren uit. De afwijkende voorstellingen worden op den duur net zo dogmatisch als de gangbare.

Van een dergelijke ontwikkeling zijn ook andere voorbeelden te geven: de bisschoppen van de beginnende Roomse kerk behoorden qua wereldbeschouwing ook tot de afwijkingen - totdat hun ideeŽn gemeengoed werden. Charles de Coster (1827-1879) vertelt in het verhaal (1867) van Tijl Uilenspiegel dat de beide hoofdfiguren, de legendarische Tijl en diens geliefde Nele eeuwig blijven voortleven. Tijl was niet zonder meer een rebelse enkeling maar wezenlijk iemand die geniaal was. Bij zo'n mens gaan de voorstellingen niet vastzitten. Eeuwig leven betekent in dit verband dat het helderheidsmoment blijft gelden en voortdurend de voorstelling verandert en verheldert. Het gaat daarbij dus om de vraag in hoeverre iemand ontvankelijk is voor het vastleggen van de voorstelling. Is iemand nauwelijks ontvankelijk daarvoor, dan kun je van een genie spreken. De aanleg om ervaringen op te nemen is daarbij eigenlijk niet essentieel, hoewel je op kunt merken dat juist geniale mensen doorgaans enorm veel opnemen, omdat hen erg veel opvalt waar de anderen langsheen kijken. Het kernpunt ligt bij de ontvankelijkheid voor vastleggen. Bij een genie is er een geringe aanleg om vast te leggen en een grote om in twijfel te trekken, beweeglijk te zijn en te blijven. Zulke mensen komen altijd met wat nieuws. Juist omdat de voorstelling niet vastgelegd is.

De anderen zien alleen maar hun voorstelling en niets anders en daardoor valt hen weinig op. Zij zijn het slachtoffer van robot-denken, een denken langs vaste kanalen. GenieŽn daarentegen zijn afwijkingen die in hun eigen afwijkend-zijn niet bevangen zijn. In zekere zin geldt dit ook voor de zogenaamde eeuwige revolutionair die nooit ophoudt en die tenslotte afgemaakt moet worden als de omwenteling eenmaal geslaagd is. Een voorbeeld daarvan is Che Guevara. In het moderne denken wordt de aanleg weggemoffeld. Zoiets toevalligs, zoiets willekeurigs past niet meer in de moderne tijd, vindt men. Zo leidt men tegenwoordig hulpverleners op die mensen in nood moeten helpen. Zij leren de theorie van dat vak uit boeken waarin analyses van problemen gegeven worden. Iedereen kan dat leren omdat het uitsluitend een zaak is van overdraagbare kennis. Maar om in de praktijk naar iemand te kunnen luisteren, je in iemand in te leven, heb je geen analytische kennis nodig. Je moet de gesteldheid hebben om geen begrip te tonen, maar om begrip te zijn. Vandaag de dag is de opleiding, bijvoorbeeld aan de sociale academie, het uit een boekje leren van systemen, analyses en modellen het enige dat telt. Je behoeft je dan ook niet erover te verbazen dat het allemaal zo weinig uithaalt. Om andere mensen te helpen moet je een speciale aanleg hebben, maar omdat een aanleg iets toevalligs is past hij niet in de voorstelling van een berekenbare en beheersbare werkelijkheid. Een ander voorbeeld is te vinden in de kunst. De meeste mensen reageren op een kunstwerk voor zover zij de voorstelling herkennen. Voor hen moet er een overeenkomst zijn tussen hun voorstelling en datgene waarop het kunstwerk betrekking heeft, in de beeldende kunst dus het plaatje. Om die overeenkomst te zien behoef je geen aanleg te hebben, er is slechts begrijpelijke informatie voor nodig. Dat geldt tegenwoordig voor het gehele terrein van de kunst: mooi vinden op basis van het herkennen van de voorstelling. Dat geldt ook voor een zogenaamd abstracte voorstelling. Daarom is er het streven om in de kunst alles uit te leggen. Uiteraard kan het nooit kwaad als er iets uitgelegd wordt, maar het kwalijke is dat men in de mening verkeert dat de uitleg het mooi vinden tot stand brengt. Dat is echter niet het geval: mooi vinden is een aanleg, evenals trouwens het scheppen van kunstwerken. Die aanleg berust op een werking die op zichzelf niets met de voorstelling te maken heeft. Hij berust op het beweeglijk-zijn ervan, een beweeglijk-zijn dat door het kunstwerk langs de weg van het psychische opgeroepen kan worden. Mensen voor wie dit geldt, zijn de echte mooi-vinders.

Dat is ook het geval in de moderne filosofie. In feite wordt er bijna niet meer gefilosofeerd, maar er wordt uitgelegd waarover het in een bepaalde gedachtegang gaat. Daarvan worden analyses gemaakt zodat een ieder er kennis van kan nemen. Op zichzelf is een dergelijke kennis zeker de moeite waard en het heeft zin die aan anderen over te dragen, maar het gaat uiteindelijk slechts over kennis van filosofie en dat is geen filosofie. In het gunstigste geval is het wetenschap. Het gaat dus juist om de aanleg, maar helaas vertrouwt men die niet meer. Alles moet aan systemen beantwoorden en je moet in het hanteren van die systemen opgeleid zijn. Vroeger was er daarentegen veel aandacht voor het leren van het vak. Essentieel bij het tegenwoordige opnemen van kennis is dat je moet kunnen analyseren en rubriceren, theorieŽn kunnen begrijpen en de systematiek van het vak leren, terwijl echt het vak leren op inzicht in de materie en haar samenhang berust. Als de aanleg weer zou gelden zou de maatschappij optimaal functioneren. Iedereen zou dan doen wat hij het beste kan. Nu echter zakt de maatschappij steeds verder onder de maat. Leervermogen wordt de maat en niet het kunnen. De theorie neemt een steeds hogere vlucht en de praktijk wordt almaar slechter.

No. 93

Het komt vaak voor dat men de begrippen leervermogen en denken met elkaar verwart. Tegenwoordig wordt iemand met een groot leervermogen al gauw voor een groot denker aangezien, maar dat is helemaal ten onrechte. Eigenlijk hebben beide begrippen nauwelijks iets met elkaar gemeen, behalve dan het feit dat zij allebei gericht zijn op de voorstelling. Over het begrip denken hoor je zelden een aanvaardbare gedachtegang. Dat blijkt al meteen als je de vraag waardoor de mens zich van de overige levende wezens onderscheidt stelt. Het antwoord op die vraag is doorgaans dat men stelt dat de mens kan denken en de rest niet. Vervolgens blijkt dat men onder denken verstaat dat je het een van het ander kunt onderscheiden weer eens een bewijs hoe slonzig het tegenwoordige denken is, ondanks ruimtevaart en atoomtheorie. Dat onderscheid maken is immers geen specialiteit van de mens, alle levende wezens maken onderscheid tussen het een en het ander. Als dat niet het geval zou zijn zou bijvoorbeeld de poes voortdurend tegen allerlei voorwerpen aanlopen en een plant zou zich niet naar het licht kunnen richten. Kortom: het leven zou volslagen onmogelijk zijn. Onderscheid maken is dus niet specifiek menselijk, maar toch wordt het steeds als kenmerk van het denken genoemd. Tenslotte komt het er op neer dat ook de filosofen toegeven dat zij eigenlijk niet weten wat denken is. ( wat is denken ) Ze zeggen dan dat we het niet weten en dat houdt automatisch in dat anderen het zťker niet zullen weten. Die conclusie is voor hen vanzelfsprekend omdat datgene dat zij voor denken houden, namelijk het leervermogen, naar hun besef algemene geldigheid bezit. Als zij het dan niet weten weet niemand het! Dat is een vooroordeel dat geen stand houdt als je in de gaten krijgt wat denken nu werkelijk is. Het onderscheidingen maken behoort bij alle levende wezens en dus ook bij de mens. Het is de basis van het denken, maar het is niet het denken zelf. Dat ligt een fase verder. Als basis van het denken en dus als puur onderscheidingen maken heeft de zaak zijn oorzaak in het bewustzijn en het beeld. Deze laatste werkelijkheid is er een van vormen, zoals ik al eerder heb laten zien. Dat is het geval omdat de totaaltrilling (bewustzijn) op trillende wijze de buitenwereld is en omdat die buitenwereld een gevormde wereld is. De vormen, als inhoud van het beeld, zijn niet van elkaar gescheiden door grenzen. Het zijn daarentegen vervloeiende vormen; zij gaan naadloos in elkaar over.

Dat heft echter het feit niet op dat de ene vorm de andere niet is, en op grond daarvan is de werkelijkheid als beeld in zichzelf onderscheiden, zonder dus in zichzelf gescheiden te zijn. Het zich manifesteren van dit in zichzelf onderscheiden zijn is wat men gewoonlijk denken noemt, overigens zonder dit te weten. In mijn gedachtegang is het evenwel slechts de basis van het denken. Als het gaat over het specifiek menselijke denken en dus de activiteit van het denken zelf krijgen wij wederom met de werkelijkheid als voorstelling van doen. De mens kan namelijk zijn eigen voorstelling, bestaande uit een aantal gegevens (kennis) en een aantal verbanden daartussen, nagaan. Hij kan als het ware in het landschap van de voorstelling verschillende wegen bewandelen en zien wat hij dan tegenkomt, dus een ontdekkingsreis maken. Dat is in strijd met wat gewoonlijk gemeend wordt. Men is van mening dat het denken een soort van scheppende activiteit zou zijn die tot nieuwe dingen leidt. Echter, dat lijkt alleen maar zo omdat die dingen er eerst nog niet waren en er plotseling wel zijn. Het denken van de mens is een nagaan van zijn eigen voorstelling. Het is een volgen van de door de mens zelf gelegde verbanden.

Zo'n verband is een oorspronkelijk in de werkelijkheid als beeld aanwezige samenhang die, op grond van het als inhoud van het zelfbewustzijn voortdurend tot weer vrije beweeglijkheden instorten van de gevormde werkelijkheid, eveneens instort om zich onmiddellijk weer te stellen als een verband tussen de op zichzelf staande inhouden van de voorstelling. Zoals ik al heb laten zien hebben de mensen vertrouwen in de door henzelf aangelegde verbanden omdat zij, zonder het te weten, hun voorstelling aan het beeld gespiegeld hebben. Het nagaan van het netwerk van die verbanden is bij de mens de activiteit van het denken. Het leggen van die verbanden is een gevolg van de spiegeling met het beeld en als zodanig is dat gťťn denken. Je legt de verbanden niet denkend, maar wat je wel denkend doet is het volgen, het nagaan daarvan. De mensen hebben vaak de indruk dat het denken tot iets nieuws leidt. Dat is maar betrekkelijk waar. Als er al iets nieuws voor de dag komt is dat een verband dat voordien, binnen de context van de voorstelling, nog niet ontdekt was, maar dat er al wel in besloten lag. Het ogenschijnlijk nieuwe is dus eigenlijk alleen maar een ontdekking van iets dat er al was. Buiten de bestaande voorstelling en de daaraan inherente verbanden wordt er denkend niets nieuws ontdekt. Uit de cultuurgeschiedenis blijkt dan ook dat nieuwe gedachten altijd gebonden zijn aan de bestaande cultuur en nooit een absolute betekenis hebben. Bovendien worden dergelijke nieuwe gedachten steeds door de een onderschreven om door de ander verworpen te worden. Je kunt dus stellen dat er geen absolute factor in het denken zit. Het is een nagaan van de voorstelling, en dus van iets dat in ons persoonlijk gegeven is. Wij hebben het dan ook over nadenken. Je kunt je afvragen hoe het met uitvindingen zit. Maar dan moeten wij wel bedenken dat elke uitvinding een voorgeschiedenis heeft en op grond daarvan steeds steunt op zaken die al bekend waren. In feite is een uitvinding gebaseerd op een reeds aanwezig verband dat evenwel nog niet blootgelegd was. Soms gebeurt het dat iemand iets uitvindt waarmee niemand raad weet en dat dan maar terzijde gelegd wordt. Veel later ziet ineens iemand de verbanden zodat die aanvankelijk zinloze uitvinding wel betekenis krijgt. Zo schijnen mensen in een grijs verleden al atoomproeven gedaan te hebben zonder te weten waarmee zij bezig waren. Pas in onze cultuur kennen wij de verbanden in de materie en kunnen wij dergelijke proeven welbewust uitvoeren. Het bovenstaande houdt in dat de moderne gedachte dat de mensen van tegenwoordig beter zouden kunnen denken dan die van vroeger een onhoudbare gedachte is.

De mensen van vroeger konden de verbanden in hun voorstelling net zo goed nagaan als wij, maar hun voorstelling was uiteraard een heel stuk primitiever. Daardoor konden zij bijvoorbeeld geen vliegtuig uitvinden. De benodigde kennis en de verbanden daartussen waren nog niet voorhanden. Maar het denken zelf was er wel. De zaak ligt zelfs zo dat er voor het denken geen ontwikkeling geldt. Het vermogen om de verbanden na te gaan is er zodra de mens er is. De resultaten ervan echter worden almaar geraffineerder op grond van de toenemende hoeveelheid ervaringen. Dat kan overigens niet alleen maar positief beoordeeld worden. Juist de eenvoudige voorstelling van de mensen van vroeger maakt het nagaan van de verbanden gemakkelijker en daardoor was de kans groter dat men tot gedachten kwam die, in alle eenvoud, dichter bij de waarheid omtrent de werkelijkheid lagen dan bij de moderne mens het geval is. Als bijvoorbeeld Herakleitos vaststelde dat in de werkelijkheid alles stroomt, is dat een eenvoudige gedachte, maar hij klopt wel! De moderne mens daarentegen zou met een heel ingewikkelde doctoraalscriptie komen en misschien niet eens ontdekken wat Herakleitos wel in de gaten had. De gedachtegang is dus als volgt: de mens doet ervaringen op en die worden inhoud van het zelfbewustzijn; op grond van de spiegeling met het beeld legt hij, zonder het te weten, verbanden tussen die inhouden aan; vervolgens gaat hij die verbanden na en dat is denken.

No. 94

Het is logisch te verklaren waarom men gewoonlijk alleen aan de mensen het vermogen om te denken toeschrijft. Men verwart namelijk het feit dat een mens zich van zijn denken bewust is met het denken zelf en, in het verlengde daarvan, bepaalt men zich tot de menselijke activiteit van het denken. Die activiteit is deze dat de mens bezig is de verbanden in zijn eigen voorstelling na te gaan, en dat is inderdaad een zaak die niet voor de overige levende wezens geldt. Bij deze laatsten gaat het denken niet verder dan het zich manifesteren van het feit dat de werkelijkheid in zichzelf onderscheiden is (statisch), maar bij de mens is er de activiteit van het nagaan van de verbanden (dynamisch). Dat laatste vooronderstelt dus de aanwezigheid van een voorstelling. Nu komt het nogal eens voor dat men meent dat denken is het leggen van verbanden tussen het een en het ander. Verbanden die dan bijvoorbeeld vertaald worden in formules die het verband tussen de verschillende kennisgegevens (data) uitdrukken. Deze mening is fout: de verbanden zijn er bij voorbaat op grond van de spiegeling tussen voorstelling en beeld en zij zijn onbewust in de voorstelling aangebracht. Het nagaan van die reeds onbewust gelegde verbanden is datgene dat wij kennen als het denken. Omdat die verbanden onbewust en automatisch gelegd worden en om te beginnen letterlijk onbekend voor je zijn, heb je bij het ontdekken daarvan de indruk dat je ze op dat moment zelf aangelegd hebt. Het komt je voor dat je iets geheel nieuws boven water hebt gebracht, maar in feite is alleen de ontdekking nieuw en is het ontdekte al lang aanwezig geweest. Vanaf het moment dat de ontdekking gedaan is wordt het ontdekte verband tot een (zelf)bewuste aangelegenheid en dan wordt het op zijn beurt weer een kennisgegeven binnen de voorstelling. Die kennis verandert tot op zekere hoogte je voorstelling. Daarna geeft die bijgestelde voorstelling weer aanleiding tot het, op grond van de spiegeling, leggen van nieuwe onbekende verbanden die dan weer nagegaan kunnen worden... enzovoort. Het is om zo te zeggen een zichzelf reproducerende zaak die almaar gedetailleerder wordt, maar die kwalitatief steeds afhankelijk blijft van de mate waarin er spiegeling met het beeld plaats heeft en van de mate waarin die spiegeling effectief is.

Het spreekt vanzelf dat het almaar gedetailleerder worden van de voorstelling niet alleen maar van het denken afhankelijk is. In de praktijk doe je ook allerlei kennisgegevens op aan een grote variŽteit van zowel inwendige als uitwendige ervaringen. En ook die kennisgegevens worden op de hierboven beschreven wijze verwerkt. Als het goed is. Want, vooral in onze moderne cultuur gaat men nauwelijks meer bij zijn eigen voorstelling te rade om denkend de verbanden te ontdekken. Men is er op geprogrammeerd om de aangeboden kennis en de veronderstelde verbanden klakkeloos aan te nemen, in wezen zonder erbij na te denken. Dat betreft echter een functie van het leervermogen dat op het geheugen van de mens berust en niet op het denken als nagaan van onbekende verbanden. In de moderne wetenschap richt men zich op objectief en positief onderzoekende wijze op de verschijnselen. Dat echter geeft aanleiding tot een veel voorkomend misverstand, namelijk dit dat het object van onderzoek het concrete verschijnsel zou zijn. Maar dat is niet het geval, in feite onderzoekt men primair zijn eigen voorstelling en men doet dat, secundair, door de verschijnselen te analyseren.

Geen enkel onderzoek wordt gedaan vanuit een blanco houding en is denkbaar zonder een voorafgaande voorstelling van datgene dat onderzocht moet gaan worden. Het te onderzoeken object heeft binnen de voorstelling een bepaalde betekenis en doorgaans ook een (maatschappelijk) bepaalde waarde.

Dit laatste is, vooral tegenwoordig, vrijwel uitsluitend de rechtvaardiging voor het verrichten van een bepaald onderzoek, maar zeker ook voor het achterwege laten van een onderzoek. Overigens geldt dit ook voor zuiver theoretische wetenschappen. Die wekken de indruk de voorstelling losgelaten te hebben. Hun abstracties echter zijn aftreksels van voorstellingen en die behoren als zodanig nog steeds tot de werkelijkheid als voorstelling.

Een formule is eigenlijk een taalkundige uitdrukking en dat heeft altijd betrekking op de voorstelling. Wat dit betreft is het aardig om te weten dat in het Jahwisme (het oude Jodendom) elke beschrijving van god verboden was. Zodra er maar iets concreets over god gezegd werd verdween het goddelijke, omdat elke uitdrukking ervan de zaak binnen het kader van de voorstelling bracht. Ik denk dat dit de diepere oorzaak van de latere Jodenhaat is. Het denken van na de oudheid is immers juist positief op de voorstelling gericht en is daardoor strijdig met en vijandig aan het Jahwistische denken, dat overigens in de grond van de zaak evenzeer op de voorstelling betrekking heeft, maar dan op negatieve wijze. Men mocht god niet uitbeelden, niet beschrijven en zelfs geen naam geven. Hij was de volslagen nietigheid, in feite volslagen geest. Men had het dan ook over een verterend vuur. Ik heb al eerder op het grote probleem van Immanuel Kant gewezen, namelijk het feit dat hij ontdekte dat alles waarover hij na kon denken binnen zijn voorstelling bleef. Hij probeerde tevergeefs daarbuiten te komen door zich af te vragen hoe het zit met das Ding an sich. Op zichzelf had hij iets wezenlijks ontdekt: je komt inderdaad niet buiten de voorstelling. Denken is nu eenmaal het nagaan van de verbanden binnen de voorstelling! Daarom zou de juiste vraag moeten luiden hoe je met die voorstelling te werk zou moeten gaan om de waarheid te vinden. De oplossing van die vraag is gelegen in het meer of minder beweeglijk zijn van de onbewust aangelegde verbanden. De mate van effectiviteit van de spiegeling is bepalend voor de aard van de onbewust aangelegde verbanden. Dat is, zoals al besproken, een kwestie van individuele aanleg. Afhankelijk van die aanleg kan die spiegeling zelfs een zodanige aard hebben dat hij dominant is en dus dat hij het vastleggen van de verbanden overheerst. Resultaat is dat die verbanden een veranderlijk karakter hebben, in die zin dat het wel diezelfde verbanden blijven maar op zo'n manier dat zij zich voortdurend opheffen om zich vervolgens opnieuw te stellen.

Bovenkant document

( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)

Dat levert een beweeglijke voorstelling op, met als kenmerk dat hij in grote mate een afspiegeling is van de werkelijkheid als beeld. In die voorstelling staat dus het beweeglijke op de voorgrond en het vastgelegde op de achtergrond. Dat betekent dat het denken in dit geval beweeglijke verbanden nagaat in een vastgelegde voorstelling. Als het goed is is dit het geval in de filosofie. Omdat die voorstelling zijn vastgelegd-zijn niet opgeeft blijft het wel dezelfde voorstelling, maar tegelijkertijd is te zeggen dat hij verandert omdat het verband tussen de elementen (data) ervan beweeglijk is. Als voorbeeld kun je denken aan het verschil tussen een foto van een landschap en een televisiebeeld van datzelfde landschap. Bij de foto staat alles stil, is in ťťn moment bevroren, terwijl bij het televisiebeeld alles, ondanks het niet veranderen van het plaatje, in beweging is: het water van het beekje stroomt, de bladeren ritselen in de wind, enzovoort. Dit voorbeeld maakt misschien duidelijk dat ook voor een mens in wie het beweeglijke dominant is de voorstelling een zeer bepaalde is. Het is ook voor die mens zijn eigen wereld als voorstelling en geen andere. Kant heeft dus terecht opgemerkt dat een mens niet buiten zijn voorstelling kan komen, maar zijn conclusie dat er dan dus niets echt te weten valt is onjuist. Het dominant zijn van de beweeglijke verbanden brengt het denken niet buiten de voorstelling, maar leidt het denken er doorheen! Dan krijgt de vraag naar das Ding an sich een heel andere dimensie.

Bladwijzers: KANT- zie 01 , 02 , 03 , 04 , 05 ;

No. 95

Bladwijzers: Hersencel-1 ; Hersencel-2 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ;

Het nagaan van de (onbekende) verbanden die je in de voorstelling onderscheidt is een werkzaamheid die voor de mens als laatste verschijnsel een gegeven is: het verschijnsel mens gaat die verbanden na. Dat nagaan is een ieder gegeven vanuit het ontstaansproces. Denken, als werkzaamheid, is niet iets dat je aangeleerd wordt, het begint zodra het brein zich - al in de moederschoot - tot zelfbewustzijn ontwikkeld heeft. Toch leert de praktijk dat het denken de een beter gelukt dan de ander. Het meer of minder gelukken van het denken heeft betrekking op de resultaten van het denken en die resultaten zijn afhankelijk van de voorstelling. Je kunt dat vaststellen bij zogenaamd onderontwikkelde, primitieve volken. Die blijken in staat te zijn zich heel snel met het moderne denken vertrouwd te maken. Zodra hun voorstelling, door het kennis maken met een verder ontwikkelde cultuur, gemoderniseerd is denken zij net zo gedetailleerd als de zogenaamd ontwikkelde mensen. Hun primitiviteit was gelegen in de voorstelling en niet in een ogenschijnlijk geringer vermogen om te denken. Zo'n voorstelling kan meer of minder duidelijk zijn, al naar gelang de ervaringen die iemand opgedaan heeft. Mensen met veel ervaringen weten doorgaans veel meer aan hun wereld te bedenken. Maar ook speelt het individuele meer of minder effectief zijn van de spiegeling tussen voorstelling en beeld een belangrijke rol. Hebben wij te doen met mensen in wie die spiegeling weinig effectief is, dan zijn de verbanden in de voorstelling betrekkelijk duidelijk, maar juist die verbanden zijn slecht na te gaan. Duidelijke verbanden zijn in sterke mate vastgelegd, zij hebben een onwrikbaar, nauwelijks voor twijfel vatbaar karakter. Je zou kunnen menen dat juist die duidelijke, onwrikbaar vastgelegde verbanden gemakkelijk na te gaan zijn, maar dat is dus niet het geval. In de praktijk zie je dat principiŽle mensen met duidelijke opvattingen over hun wereld de grootste moeite hebben met het nadenken daarover. Zij beginnen er zelfs niet aan. Hun fundamentalistische gesteldheid verhindert het nadenken. Stijle gereformeerden, fanatieke islamieten, rechtlijnige communisten, formalistische wetenschappers, zij allemaal zijn nauwelijks bereid over hun wereld na te denken. Daarentegen zitten zij vol met meningen, opvattingen en oordelen. Overal weten zij iets principieels over te zeggen!

De vraag is wat nu eigenlijk dat nagaan is, want kennelijk zijn duidelijke verbanden geen goede aanleiding om na te gaan denken. Om enig inzicht te krijgen in de activiteit van het nagaan kunnen wij misschien het beste te rade gaan bij de wetenschappelijke inzichten omtrent de structuur van het brein. Gebleken is dat de hersencellen allemaal met elkaar in verbinding staan, en wel op zo'n manier dat elke cel verbinding heeft met elke andere cel. De verfijnde opbouw van dat netwerk van verbindingen schijnt afhankelijk te zijn van het aantal en de soort ervaringen dat een zeer jong kind opdoet, vooral in een vroege fase van haar ontwikkeling. Kennelijk leggen zich dan die verbindingen. Nu is het vanuit de filosofie niet met zekerheid te stellen, maar toch is het zeer waarschijnlijk dat de verbindingen die zich in het brein ontwikkelen, de materiŽle manifestaties zijn van de verbanden, zoals die op grond van de spiegeling in ons zelfbewustzijn ontstaan. Langs die verbindingen kunnen signalen doorgegeven worden. De weg die die signalen volgen wordt door opvoeding en opleiding in belangrijke mate vastgelegd, oftewel geconditioneerd. Het is dan zeker dat een bepaalde impuls tot het volgen van een bepaald circuit van verbindingen leidt. Dat circuit wordt bepaald door een groot aantal schakelingen, die net als in een computer aan of uit kunnen staan.

Het patroon van die aan- en uitschakelingen is dus het resultaat van de conditionering. Het volgen van het circuit van verbindingen en schakelingen heeft een aantal gevolgen, waarvan een gedachtegang er een is. Aan de hand van het bovenstaande is wellicht duidelijk geworden dat een circuit van bij voorbaat geprogrammeerde verbindingen en schakelingen gemakkelijk te volgen is. Dat gaat automatisch, om zo te zeggen als bij een robot. Maar het geheel van alle verbindingen en schakelingen, wat ons thema betreft dus de voorstelling, is dan niet gemakkelijk na te gaan omdat andere mogelijkheden bij voorbaat uitgesloten zijn. Je zou kunnen zeggen dat het niet mogelijk is om keuzes te maken. Het denken echter, dat een nagaan van de verbanden is, berust juist op het maken van keuzes, op het zoeken van andere wegen. Het denken is te vergelijken met een dwaaltocht door het landschap van de voorstelling. Daarbij doe je allerlei ontdekkingen die je niet gedaan zou hebben als je op de voorgeschreven paden zou zijn gebleven. Dus: het volgen van vastgelegde wegen gaat automatisch en levert op zichzelf geen problemen op. Dat is het robot- denken, dat vooral op geldende cultuuropvattingen berust. Het resultaat van dat denken is voorspelbaar en daarom feitelijk de moeite niet waard, behalve als het gaat over het sturen van standaardhandelingen in het dagelijkse leven en in de arbeid. Maar het denkend nagaan van verbanden betrekt zich op onbekende, onduidelijke verhoudingen die als regel buiten de cultuur vallen. Het resultaat van dat denken is altijd van belang en het is altijd iets nieuws voor diegene die ermee bezig is. Als het gaat over de resultaten van het denken, dan is het nagaan van de voorstelling het vruchtbaarst. Dit nagaan heeft dus betrekking op onduidelijke verbanden. Dat staat op zichzelf los van de vraag of die verbanden meer of minder vastgelegd zijn. In het eerste geval zijn zij object van analytisch wetenschappelijk denken, in het tweede geval van filosofisch denken. Het robot- denken heeft als belangrijk kenmerk dat het doelgericht is: door het bij voorbaat vaststaan van het denkcircuit staat ook de uitkomst vast. Je hebt te doen met een denken waarin steevast naar iets toe geredeneerd wordt. Het is een denken dat recht praat wat krom is en krom wat recht is. Vooral in de politiek wordt dit denken veelvuldig toegepast, maar ook in de theologie weet men er goed raad mee. Het werkelijk nagaan van de voorstelling echter kan niet doelgericht zijn omdat nooit van tevoren vaststaat waar je uit zult komen. Dat geldt vooral voor het filosoferen zoals zich dat in de filosoof afspeelt. Eigenlijk gaat zijn denken alle kanten uit zonder dat het een bepaald doel heeft.

Wil je toch van een doel spreken, dan zou dat een bedoeling moeten zijn. De filosoof wil helderheid omtrent de werkelijkheid verkrijgen. Die activiteit van het filosofische denken mag niet verward worden met het filosofische verhaal. Als de filosoof zijn verhaal vertelt volgt hij in dat verhaal uiteraard wel een bepaalde gedachtegang, omdat hij de door hem ontdekte verbanden aan anderen duidelijk moet maken. Maar kenmerkend voor dat verhaal is wel dat de filosoof het door hem gestelde thema van alle kanten kan benaderen zonder daarbij vast te lopen. Hij kan dat juist omdat hij in zijn filosoferen zijn denken zijn eigen gang heeft laten gaan. Hij is niet aan een bepaald denkcircuit gebonden. In het zuiver wetenschappelijk denken zoekt men naar onbekende, maar wel vastgelegde verbanden. Omdat dit het geval is moet dat denken aan regels gebonden zijn, of, beter gezegd: dat denken blijkt aan regels gebonden. Men moet van bepaalde methodieken gebruik maken omdat men datgene dat vastgelegd is in zijn samenstellende delen en de daartussen aanwezige relaties wil uiteenleggen. De structuur van die delen en die relaties is van materiŽle aard en beantwoordt op grond daarvan aan bepaalde wetten.

Bladwijzers: Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8

No. 96

Bladwijzers: Hersencel-1 ; Hersencel-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden/opvoeding ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ;

Met nadruk moet ik er nogmaals op wijzen dat het denken betrekking heeft op verbanden, dat wil zeggen gestelde samenhangen, die ongeweten tussen de verschillende kennisdata in de voorstelling aangelegd zijn. Het gaat dus om onbekende verbanden, die wel in de voorstelling aanwezig zijn, maar die nog niet tot enigerlei vorm van kennis zijn geworden. Geheel anders ligt de zaak als het over verbindingen gaat, want die zijn namelijk wel bekend. Het gaat er daarbij niet om of die verbindingen juist of onjuist, waar of onwaar zijn. Van belang is alleen maar het feit dat zij er zijn; het betreft hier de duidelijk te volgen verbindingen die tot een doelgerichte, automatisch verlopende gedachtegang leiden. Je kunt in dit verband spreken van robot- denken. De verbindingen die bij het robot denken een rol spelen zijn bijna altijd van buitenaf in geprogrammeerd via opvoedingsmethoden die in de zeer vroege jeugd door de ouderen op de kinderen toegepast zijn. Omdat dit in zo'n vroeg stadium gebeurd is, weten de mensen daarvan als regel niets af. Het object van die zogenaamde zwarte pedagogie, die zelfs aan het begin van deze eeuw op de universiteiten gedoceerd werd, is immers het kinderlijke zelfbewustzijn voor zover dat nog aan de opbouw van zijn voorstelling moet beginnen! Door het alsnog ontbreken daarvan verloopt het genoemde proces van conditioneren Ongeweten. Maar het resultaat van zo'n opvoeding, namelijk het circuit van verbindingen, is wel bekend en het wordt voortdurend geactiveerd in onder andere het onderwijs. Tenslotte verlopen de gedachtegangen volgens van tevoren opgestelde dienstregelingen zonder dat er enige twijfel over de juistheid van de gevolgde route bestaat. Hierop berust het gehele moderne systeem van kennisoverdracht. Welbeschouwd is een dergelijk volgen van geprogrammeerde routes niet tot het denken te rekenen. Ten eerste omdat het proces niet via verbanden maar verbindingen gaat en ten tweede omdat er niet van een nagaan te spreken is maar van een automatisch volgen. Omdat dit in de moderne cultuur zo allesoverheersend geworden is, hoor je in de praktijk nog vrijwel uitsluitend standaard redeneringen, en dat erger naarmate je met hoger opgeleide mensen van doen hebt. Door de gigantische hoeveelheid kennis, die wij tegenwoordig ter beschikking hebben, is de inwerking van de conditioneringen effectiever dan ooit. Je behoeft nauwelijks meer denkbeelden op te dringen want je kunt gewoon de in geprogrammeerde denkroutes volgen om iemand van de juistheid van die denkbeelden te overtuigen.

De zogenaamde intellectuelen, die per definitie bedreven zijn in het volgen van genoemde denkroutes, worden geheel ten onrechte aangezien voor de denkers van deze wereld. In feite echter zijn zij heel geraffineerd bezig gebaande wegen te volgen. Met echt denken, hetzij zuiver wetenschappelijk, hetzij filosofisch, heeft dit alles niets te maken. Het zuivere denken gaat de onbekende verbanden in de voorstelling na en die verbanden zijn er op grond van de spiegeling tussen voorstelling en beeld. En, ter wille van de duidelijkheid: de onbekende verbanden zijn van elkaar te onderscheiden in a) verbanden waarin het vastgelegde dominant is en b) verbanden waarin het beweeglijke dominant is. In het geval van a) gaat het dan bij het nagaan over zuiver wetenschappelijk denken en in het geval van b) over filosofisch denken. Bij het onder a) genoemde zuiver wetenschappelijke denken is het kenmerkende onderscheid met het filosofische denken dat het gebonden is aan vooropgezette regels en methodieken. Het moet aan wetten beantwoorden omdat het zich bezig houdt met een gevormde materiŽle werkelijkheid die gebaseerd is op wetmatigheden. Bij het zich combineren van bouwstenen moet aan voorwaarden voldaan zijn, namelijk wat betreft richting en beweging. Die voorwaarden worden door ons als wetten begrepen en uiteraard zijn het die wetten die in het zuiver wetenschappelijke nagaan van de werkelijkheid geŽerbiedigd moeten worden. In zoverre is dat wetenschappelijk denken heel erg gebonden en omdat het een gebonden-zijn is aan wetten die de mensen zelf ontdekt hebben, ligt bij dit denken altijd het robot- denken op de loer, veel meer dan bij de filosofie het geval is. Behalve dat men in het zuiver wetenschappelijke denken gebonden is aan wetten, is er nog iets opmerkelijks: men kan niet buiten de kennis die door voorgangers ontdekt is. Het is dus een cumulatief denken en wel omdat het een nagaan is van een gevormde, een opgebouwde werkelijkheid. Je kunt niet anders dan die stap voor stap nagaan. Elke volgende stap kan alleen-maar vanuit een reeds bekend vertrekpunt gezet worden en tegenwoordig is zo'n stap zelfs nauwelijks meer mogelijk zonder de samenwerking met een heel team van onderzoekers. Bij het filosoferen, richt je je op de beweeglijke verbanden. Bijgevolg kun je niet van tevoren besluiten om bepaalde wetten te volgen, juist omdat er niets vast ligt. Bovendien kun je niet uitgaan van de filosofieŽn die voorgangers al uitgedacht hebben, omdat met het gericht zijn op de beweeglijke verbanden de reeds door anderen, en eerder ook door jezelf, vastgelegde voorstellingen vanzelfsprekend ondeugdelijk worden om als uitgangspunt te dienen. Die voorstellingen bevinden zich mogelijk wel in je zelfbewustzijn - niemand is helemaal zonder kennis! - maar zij kunnen niet gelden als betrouwbare basis om op verder te gaan. En wat betreft van tevoren opgestelde wetten: voor de beweeglijke verbanden geldt het begrip wet helemaal niet. Een beweeglijke verhouding kan zo zijn, maar ook anders. In de kunst van het filosoferen, komt het erop aan de werkelijkheid steeds opnieuw te bekijken, alsof je haar voor het eerst zag. In feite is dat natuurlijk doorgaans niet het geval. Je hebt al vaker over bepaalde thema's nagedacht. Maar het resultaat van dat nadenken, namelijk een nieuwe voorstelling, wordt niet vastgelegd: je vergeet telkens je eigen voorstellingen en je blijft, al filosoferende, blanco tegenover de zaak staan. Doordat dit het geval is wordt het filosoferen ook geen routinezaak; er zijn geen van tevoren uitgestippelde routes voor je gedachtegangen. Je doordenkt je werkelijkheid steeds weer opnieuw. Beweeglijke verbanden zijn uiteraard ook verbanden. Bij je filosofische dwaaltocht door de werkelijkheid ontdek je ze en je slaat vrijelijk en wezenlijk doelloos alle mogelijke wegen in. Daarbij gebeurt het herhaaldelijk dat je vastloopt en gedeeltelijk opnieuw moet beginnen, maar dat is geen enkel bezwaar, juist omdat je opnieuw kunt beginnen.

Bovendien ben je bij het vastlopen iets aan de weet gekomen, namelijk dat een bepaalde gedachtegang onhoudbaar is. Een onhoudbare gedachtegang is immers ook een gedachtegang! De wijsheid van de filosofie is onder andere hierin gelegen dat zij ook de fouten kent en begrijpt. Het robot denken, maar ook de wetenschap, kennen die ruimte niet. In het eerste geval omdat er helemaal geen kennis van andere mogelijkheden toegelaten is en in het tweede geval omdat het streven erop gericht is doormiddel van methodieken bij voorbaat het maken van fouten te vermijden. In beide gevallen blijft er een groot deel van het landschap van de voorstelling braak liggen. Maar in de filosofie is dat niet het geval. Toch geschiedt het dwalen van de gedachten niet lukraak. Je zoekt immers steeds een begaanbare weg door de voorstelling. Voor zover dat gelukt is de gedachtegang samenhangend en hij slaat dan niet af. Dat is je garantie dat het een juiste gedachtegang is. In het wetenschappelijke denken daarentegen kan een gedachtegang in principe helemaal niet af slaan, juist omdat hij bij voorbaat al onderworpen is aan bepaalde methodieken.

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ;

No. 97

Datgene dat tegenwoordig wetenschappelijk denken genoemd wordt blijkt bij nadere beschouwing vrijwel altijd robot denken te zijn. Het wordt beoefend door het wetenschappelijke voetvolk dat keurig exerceert volgens de voorgeschreven regels. Met zuiver wetenschappelijk denken heeft dit nauwelijks iets gemeen: het is alleen-maar gestoeld op de wetenschap, en dan ook nog uitsluitend op de resultaten daarvan. Men heeft zich die resultaten eigen gemaakt en wekt daardoor de suggestie dat men wetenschappelijk denkt. Dat is dus een fictie; een wetenschappelijke opleiding is geen garantie voor wetenschappelijk denken. Omdat het bij beide, het zuiver wetenschappelijke denken en het filosofische denken, gaat om het nagaan van onbekende verbanden kun je van een zekere verwantschap tussen beide denkwijzen spreken. Daardoor zie je, vooral in onze moderne cultuur, telkens weer dat filosofen zich ertoe laten verleiden hun werk tot de wetenschappen te rekenen en alle mogelijke moeite doen daarvoor bewijzen te leveren. Dat mislukt echter steeds. Die filosofen hebben niet begrepen dat het filosoferen zich op een geheel ander aspect van de werkelijkheid betrekt en dat je de filosofie alleen maar belachelijk maakt als je haar als een wetenschap presenteert. Al eerder heb ik er op gewezen dat het onzin is de filosofie als de koningin der wetenschappen te beschouwen, enerzijds om een praktische reden - je kunt niet alle wetenschappen beheersen en er een overzicht over hebben - en anderzijds om bovengenoemde reden. Het wetenschappelijke denken sluit zichzelf op in zijn eigen methodieken.

Dat kan niet anders omdat het nu eenmaal methodisch moet zijn. Een gevolg daarvan is dat er bij wetenschappers een sterke neiging bestaat hun methodieken als de absolute maat te stellen en op grond daarvan andere mogelijkheden bij voorbaat uit te sluiten. Daardoor hebben denkers met nieuwe theorieŽn de grootste moeite gehoor te vinden voor hun denkbeelden. Uiteraard werkt dit in principe zuiverend op het gehele complex van de wetenschap, maar helaas ontaardt het in wetenschappelijke behoudzucht, belangenstrijd en manipulaties. Dat doet de wetenschap helemaal geen goed. Er zijn zoveel voorbeelden van verguizing en verkettering dat je met recht kunt stellen dat de wetenschappelijke machtsstrijd eerder regel dan uitzondering is. Paul Feyerabend heeft daarover in 1975 een uitstekend boek geschreven, getiteld Against Method, Nederlandse vertaling ďIn strijd met de methodeĒ, Boom Meppel 1977. Prompt zijn bijna alle wetenschappers over hem heen gevallen. Gelukkig is het ook een feit dat men na verloop van tijd nieuwe ideeŽn aanvaardt, maar dat neemt niet weg dat het vasthouden aan traditionele methodieken onnodig remmend werkt op de uitbouw van de wetenschap. Omdat het zuiver wetenschappelijke denken gebonden is aan methodieken is er het streven om bij voorbaat fouten uit te sluiten. Dat betekent dat men al van tevoren besluit om bepaalde wegen, die volgens de geldende methode onbegaanbaar of doelloos zijn, niet te bewandelen. Op die manier sluit je je echter af voor velerlei aspecten van de werkelijkheid. Bovendien maak je het onmogelijk kennis te vergaren uit gemaakte fouten, zowel wat je eigen methodiek betreft alsook wat nieuw te onderzoeken problemen betreft. Met andere woorden: het gebonden zijn aan methodieken werkt bevestigend ten aanzien van diezelfde methodieken. Er ontstaat een vicieuze cirkel, die alleen maar van buitenaf doorbroken kan worden, hetgeen dan ook steeds het geval blijkt. De wetenschap corrigeert zichzelf als regel door een impuls van buiten en dus door iets dat vanuit de geldende methode als een fout gezien wordt.

Voor de goede orde: dat het in de wetenschap zo toegaat is geen gebrek daarvan. De wetenschap kan niet anders dan op die manier functioneren. Verwijtbaar is alleen het feit dat men er, vooral tegenwoordig, zo weinig oog voor heeft. Een integere wetenschapper moet openstaan voor alles wat van buitenaf op hem afkomt. Hij moet zogezegd ruimte in zijn zelfbewustzijn hebben. Als je daarop doordenkt, dan blijkt dat die min of meer artistieke ruimte niets anders is dan het gelden van het feit dat verbanden behalve vastgelegd ook nog beweeglijk zijn. Als zodanig vallen ze buiten het complex van methodieken. De vroegere wetenschappers waren doorgaans zeer ontwikkelde, universeel ingestelde en wijze mensen die een vrije wetenschap voorstonden. Tegenwoordig belijdt men die vrijheid nog wel met de mond, maar men levert zich in feite geheel en al aan maatschappelijke doelstellingen en waarden uit. Hoewel er dus inderdaad een verwantschap tussen de filosofie en de zuivere wetenschap bestaat, is toch de verwantschap met de kunst, juist door de filosofische nadruk op de beweeglijke verbanden en het niet bij voorbaat gelden van methodieken, veel groter. Voor ons huidige denken is de kunst echter niet meer een uitdrukking van de waarheid, maar een uitdrukking van persoonlijke psychische en emotionele ervaringen. Daardoor wordt het verband tussen de kunst en de filosofie niet meer gevoeld en vindt men het onlogisch om een dergelijk verband aan te leggen. Op zichzelf is dat wel juist, want de filosofie vertelt niet het verhaal van persoonlijke ervaringen, maar (zo helder mogelijk) het verhaal van de waarheid omtrent de werkelijkheid. Vroeger was dat ook met de kunst het geval, maar met het doorzetten van de analytische cultuur is de individuele ervaring centraal komen te staan. In zekere zin is het de praktijk van het filosoferen om fouten te maken.

Deze fouten zijn van essentieel belang, niet voor het resultaat, maar voor het zoeken van een denkweg. Die fouten zijn hierom van belang omdat datgene dat je als een fout herkent ook aan je filosofische weten toegevoegd wordt. Dit leidt ertoe dat een filosoof heel goed kan begrijpen waarom de mensen denken zoals ze denken en zelfs waarom wetenschappers denken zoals ze denken, maar dat het omgekeerde niet het geval is. De mensen in het algemeen en de wetenschappers in het bijzonder (behalve een enkele artistieke wetenschapper) hebben er geen notie van hoe filosofisch denken verloopt. Zij vinden het dan ook maar een zweverig en onpraktisch gedoe. Je maakt een filosofische fout als blijkt dat je vastloopt met je gedachtegang. Vastlopen treedt op als je niet verder kunt en dus de samenhang met al het andere verloren hebt. Daarmee word je geconfronteerd op elk moment dat je een stap op je denkweg maakt die op een vastgelegd verband of op een geconditioneerde verbinding berust. Je voert dan een oneigenlijk argument in. Zo'n argument bestaat uit een stukje kennis waarvan je de filosofische waarheid niet kunt controleren, enerzijds omdat het om een wetenschappelijke waarheid gaat en anderzijds omdat het over een ingeprente vanzelfsprekendheid gaat. In beide gevallen voer je in je gedachtegang een element in dat tijdens die gedachtegang niet naar voren gekomen is en dat dus eigenlijk van buitenaf komt. Was het bij de wetenschap zo dat elementen van buitenaf een corrigerende factor voor het denken kunnen zijn, voor de filosofie zijn zij fouten die een vastlopen van de gedachtegang tot gevolg hebben. Daarom heb ik er steeds met nadruk op gewezen dat je bij het filosoferen alles wat je meent te weten terzijde moet laten en moet proberen creatief, dat wil zeggen uit zichzelf scheppend te denken. In de filosofie is dat creatieve moment vrijwel geheel verloren gegaan: het is tegenwoordig mode om filosofische gedachtegangen met zoveel mogelijk wetenschappelijke argumenten te onderbouwen, uiteraard in de (vergeefse) poging de filosofie wetenschap te laten zijn. De moderne filosofie is dan ook nauwelijks te volgen!

No. 98

Het is op zichzelf terecht dat men in het methodische wetenschappelijke denken ernaar streeft fouten bij voorbaat uit te sluiten. Dat is natuurlijk vooral van belang bij het toepassen van de resultaten van dat denken, bijvoorbeeld in de technologie. Maar het nadeel is dat er in sterke mate behoudzucht optreedt omdat men van tevoren meent te weten dat een bepaalde denkweg onbegaanbaar is en tot niets leidt, of omdat die denkweg tot een doel leidt dat men niet beoogt. Tegenwoordig worden de doelstellingen van het universitaire onderzoek steeds meer bepaald door het bedrijfsleven en dat leidt tot een nog grotere behoefte om zich uitsluitend tot de gebaande methodische wegen te beperken. Hierdoor sluit de wetenschap zich in zichzelf op en wordt nog minder ontvankelijk voor de broodnodige van buitenaf komende impulsen. Uiteraard worden er op die manier wel nieuwe dingen ontdekt, maar die zijn doorgaans slechts te kwalificeren als meer van hetzelfde. Er worden geen wezenlijk nieuwe wegen ingeslagen. In de creatieve filosofie ligt de zaak geheel anders. Doordat het filosoferen zich richt op de onbekende beweeglijke verbanden in de werkelijkheid als voorstelling, ga je als filosoof niet te werk volgens vooropgestelde methodieken (zelfs niet volgens de beruchte dialectische), maar ga je voortdurend alle kanten uit in je denken, met als onvermijdelijk gevolg dat je met een zekere regelmaat vast loopt, wat het voordeel heeft dat je ook aan de weet komt hoe het zit met het maken van fouten. Als je filosofeert bemerk je dat je fouten maakt, maar in het wetenschappelijk denken probeer je bij voorbaat fouten te vermijden; je hebt de bedoeling ze juist niet te maken. Bovendien werk je in de wetenschap met kennis en methodieken die zoveel mogelijk vaststaan, hetgeen betekent dat zij geldig zijn zolang nog niet aangetoond is dat zij onhoudbaar zijn. Doordat je echter bij het filosoferen fouten maakt leer je de andere denkwijzen, namelijk de wetenschappelijke en de geconditioneerde (robot denken) grondig kennen en begrijpen. Daardoor treedt deze eigenaardigheid op dat je als filosoof het denken van andere mensen moeiteloos kunt begrijpen, en zelfs heel vaak kunt voorspellen, terwijl die andere mensen jouw filosofische gedachtegang bijna nooit kunnen volgen. Dat geldt uiteraard voor gedachtegangen van die andere mensen en niet voor wetenschappelijk geformuleerde kennis. Deze laatste kennis is zelden filosofisch te begrijpen.

Het is overigens wel van belang onderscheid te maken tussen datgene dat aan de werkelijkheid als denken op filosofische wijze bedacht kan worden en datgene dat een mens in de praktijk vertoont. Een mens kan een zodanige aanleg hebben dat het creatieve filosofische denken in hem of haar domineert. Gewoonlijk echter domineren het wetenschappelijke denken en het robot denken. Maar het is geen kwestie van of het een of het ander. In ieder mens is er een mengelmoes van die drie denkwijzen. In die mengelmoes spelen wetenschappelijk denken en robot denken de hoofdrol in het dagelijkse leven. Zou dat niet het geval zijn, je zou nog geen potje thee kunnen zetten! Om nog maar te zwijgen over het bouwen van bijvoorbeeld een vliegtuig of het besturen van een groot maatschappelijk instituut. Het was onder andere Plato die in zijn werk De staat voorstelde om de regering maar aan filosofen over te laten, omdat dit volgens hem per definitie wijze mensen zouden zijn die het volk op de goede weg zouden leiden. Immanuel Kant bedacht de categorische Imperatief en zei tegen de mensen Du sollst. Hij vond dat de mensen ten goede gedwongen moesten worden. Tegenwoordig leeft deze gedachte ook nog, maar vooral op negatieve wijze: staatslieden doen het graag voorkomen alsof zij zo wijs zouden zijn en daarbij fungeert die zogenaamde wijsheid als legitimatie voor hun macht.

Zij zouden het goede met de mensen voor hebben en hun macht heet een macht ten goede te zijn! In feite echter kunnen filosofen de wereld niet besturen, juist omdat zij in hun denken (als het goed is!) geen methodieken volgen en omdat voorlopig geldige kennis nu net precies voor hun denken ongeldig is. Hun denken is overwegend onzakelijk, niet op de dingen gericht. Het methodische, zakelijke denken is voor het bestaan van de mensen essentieel. Zonder dat denken zou zelfs de oermens al niet overleefd hebben... Er is dus geen enkele reden om dat denken te minachten. Maar wel is te zeggen dat de moderne toespitsing op het zakelijke denken kwalijk en gevaarlijk is door het verwaarlozen van het denken in onbekende beweeglijke verbanden. Dat denken geldt immers ook voor elk mens, zij het niet in die hevige mate als bij de creatieve filosoof het geval is. Ik spreek steeds over gedachtegangen en suggereer daarbij dat het denken te vergelijken is met het afleggen van een weg. Waarom je in je denken inderdaad een weg aflegt moge uit het volgende blijken: het er zijn van de werkelijkheid als een stelsel van verschijnselen berust steeds op het moment nu. Dat heb ik al eerder besproken. Er is dus een voortdurend optreden en instorten van de momenten nu. Aan dat moment nu op zichzelf is te bedenken dat het de tijd is die geen tijd nodig heeft, d.w.z. de tijd waarvoor geen tijdsverloop geldt. Aan het optreden en instorten van de momenten nu is daarentegen wel de tijd als tijdsverloop te bedenken. De bestaande werkelijkheid is dus onderhevig aan een voortgang in de tijd, uiteraard omdat voor de hele zaak beweging geldt. Omdat dit het geval is kun je ook van de voorstelling zeggen dat die berust op een voortgang in de tijd, en wel op zo'n manier dat de voorstelling voortdurend ter is om er onmiddellijk niet te zijn, enzovoort. Dus, het opbouwen en instorten van de voorstelling. Nu is het op grond van dit opbouwen en instorten dat het denken, als nagaan van de verbanden, een verloop kent en dus zogezegd een weg aflegt. Daarbij moet je wel bedenken dat er geen mechanisme is dat het denken voortdrijft, zoals dat in de praktijk bij het afleggen van een weg wel het geval is. Het nagaan geschiedt geheel vanzelf, juist omdat er een opeenvolging van er zijn en er niet zijn van de werkelijkheid als voorstelling is. Het nagaan van de verbanden in de voorstelling valt onder het begrip tijd als tijdsverloop. Dat betekent dat dit denken dus tijd kost en dat je er helemaal niet zo vlug achter komt hoe het zit met de werkelijkheid. Omdat de momenten nu echter op zichzelf geen tijdsverloop kennen zit er ook een tijdloos aspect in het denken.

Je kunt je namelijk onmiddellijk ergens anders denken, bijvoorbeeld in je eigen kamer. Als je nagaat hoe het zit met dit eigenaardige verschijnsel, dan blijkt dat het eigenlijk niet over denken in de zin van nagaan gaat, maar over het verwisselen van voorstelling. Als je je ergens anders denkt roep je een andere voorstelling in jezelf op en die verwisseling kost geen tijd. Natuurlijk komt dat door het onmiddellijke instorten van de bestaande voorstelling en het vervolgens onmiddellijk opbouwen van een nieuwe. Beide voorstellingen, de oude en de nieuwe behoren echter tot het totaal van je voorstelling, van de wereld zoals die voor jou is. Eigenlijk heeft dit verwisselen van voorstelling niets met denken te maken omdat het nu niet over het nagaan van verbanden gaat. Maar het is wel een feit dat het nagaan direct in werking treedt als de nieuwe voorstelling er is. Daardoor krijg je de indruk dat het denken geen tijd nodig heeft en die indruk wordt versterkt door het feit dat reeds in de voorstelling liggende geprogrammeerde verbindingen vrijwel onmiddellijk herkend worden. Zoals al eerder gezegd: die verbindingen worden eigenlijk niet nagegaan, maar (klakkeloos) gevolgd.

Bladwijzers: KANT- zie 01 , 02 , 03 , 04 , 05 ;

No. 99

Bladwijzers: Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144) ; ; onthouden-1; onthouden-2

Veel van datgene dat gewoonlijk denken genoemd wordt valt eigenlijk onder de rubriek leerprocessen. Dat zijn processen die op zichzelf niets met denken, in de zin van nagaan van de verbanden in de voorstelling, te maken hebben. Het gaat immers niet over het zoeken van een weg door de voorstelling, maar over het aanleggen van een weg. En dat gebeurt vrijwel uitsluitend met behulp van informatie die van anderen afkomstig is en die van buitenaf, ongeacht de reeds in iemand aanwezige voorstelling, ingebracht wordt. Het is zelfs zo, dat er bij een leerproces in belangrijke mate een nieuwe voorstelling tot stand gebracht wordt. Die ontstaat door het aan de bestaande voorstelling toevoegen van nieuwe kennisdata, van nieuwe verbindingen tussen die data en van methodieken om die verbindingen gemakkelijk te kunnen volgen. Het leerproces betreft dus in feite conditionering van je brein. Dat gaat bij de ene mens gemakkelijker dan bij de andere, maar in het algemeen is te zeggen dat het werkelijke denkvermogen afneemt naarmate het leervermogen toeneemt. Zonder iemand te willen beledigen kun je stellen dat het leren op zichzelf een domme aangelegenheid is waaraan alle creativiteit ontbreekt. Maar, in onze cultuur wordt aan dat leren grote waarde gehecht en dat is niet helemaal ten onrechte, want je kunt er een heleboel mee doen, niet in de laatste plaats een goede positie in de maatschappij verwerven. De mens is echter ook nog wat anders dan een maatschappelijk wezen en eigenlijk ligt de verhouding zo, dat echte maatschappelijkheid onmogelijk is als uitsluitend de resultaten van leerprocessen als de maat worden genomen. Het zelf denken, het creatieve denken, zowel zuiver wetenschappelijk als filosofisch, gaat boven de geconditioneerde kennis uit en is daardoor van veel groter nut voor de mensheid. Men is tegenwoordig volop bezig met het ontwikkelen van kunstmatige intelligentie. Steeds vaker hoor je beweren dat men straks een zodanige kwaliteit van kunstmatige intelligentie ter beschikking heeft, dat die de intelligentie van de mens overtreft. Aan zulke beweringen kun je zien hoe slecht het met het echte denken gesteld is. Men wordt verblind door het grote vermogen van computers om gegevens op te nemen en met elkaar in verbinding te brengen. Men verwart dus het denken met het leerproces, dat inderdaad bij een computer sneller en beter verloopt dan bij de mens. Bovendien heeft men niet in de gaten dat het ontwerpen van een zogenaamd hogere intelligentie het bezit van zo'n intelligentie bij de mens vooronderstelt. Je kunt dus helemaal geen hogere intelligentie ontwerpen, maar wel een machine die qua leerproces beter functioneert dan een mens. Zo een machine valt dus buiten de definitie van het denken, maar menigeen gelooft dat het een superdenker is! Er zit een logische fout in de gedachte dat je een hogere intelligentie kunt maken. Dat is net zoiets als het probleem dat de geleerden uit de Middeleeuwen bezig hield: kan god in zijn almacht een steen maken die zo zwaar is dat hij hem zelf niet op kan tillen? Op een andere manier speelt dit probleem ook, namelijk als men zich afvraagt of een groep van knappe koppen intelligenter kan zijn dan de knapste uit het gezelschap. Ook hierbij verwart men het leerproces met het denken: die groep weet uiteraard mťťr dan ieder lid afzonderlijk en kan ook ontdekkingen doen die voor ieder lid op zichzelf onmogelijk zouden zijn geweest, maar het denken in die groep haalt hoogstens het niveau van de helderste denker, en in de praktijk zal dat niet eens gelukken omdat er in zo'n groep een zekere mate van eenstemmigheid zal moeten zijn. De zaak komt hierop neer dat je hoeveelheden kennis wel bij elkaar op kunt tellen, omdat het begrip kwantiteit ervoor geldt, maar dat je intelligenties niet bij elkaar kunt optellen, op grond van het feit dat het dan over kwaliteiten gaat.

Eigenlijk is het leerproces het meest primitieve proces in het zelfbewustzijn voor zover het gaat over de reflectie op de voorstelling. Dat primitieve proces is onmisbaar voor de basis van het menselijk leven: het overleven. Minder primitief zijn achtereenvolgens het robot denken, het zuiver wetenschappelijke denken en het filosofische denken. Van deze verschillende varianten vallen het leerproces en het robot denken wezenlijk buiten het denken omdat zij berusten op respectievelijk conditionering en navolging. Maar alle vier de varianten spelen zich in elke mens af en voor niemand geldt er eenzijdig een van die vier. Zo is te zeggen dat een ieder wel een beetje filosofeert en zich ook min of meer wetenschappelijke vragen stelt. Het bovenstaande houdt niet in dat het filosoferen de hoogste vorm van geestelijke activiteit zou zijn. Wel echter betekent het dat het de meest creatieve wijze van denken is. Je kunt wat dit betreft geen waardeoordeel geven, maar wel kun je een cultuur waarin ťťn van de genoemde varianten allesoverheersend is op zijn waarde beoordelen. Onze cultuur bijvoorbeeld, met zijn fixatie op leerprocessen en robot denken is zonder meer banaal te noemen. Het is een cultuur die blijft steken in een laag, stoffelijk en kwantitatief, niveau en die qua maatschappij en samenleving lang niet oplevert wat menselijk mogelijk is. Het grootste probleem bij een leerproces is het onthouden van de leerstof.

Door de eenzijdige gerichtheid op leerprocessen wordt het hoog gewaardeerd als je veel kunt onthouden, maar eigenlijk is het onthouden tťgennatuurlijk! Je legt immers je voorstelling vast, terwijl het bovendien een geconditioneerde en niet zelf uitgezochte voorstelling is. Zo'n voorstelling voldoet niet aan het gegeven dat de inhoud van het zelfbewustzijn er voortdurend is om er onmiddellijk weer niet te zijn en zich daarna weer opnieuw te stellen. Geen wonder dat een dergelijke muurvaste voorstelling een storende uitwerking heeft op het leven. Toch is de gangbare mening in onze cultuur dat iemand die niet goed kan onthouden van minder waarde is: op de scholen geeft men lagere cijfers, de studenten slagen niet voor examens en uiteindelijk is er geen mogelijkheid om op een behoorlijke wijze maatschappelijk te functioneren. Tegenwoordig kennen wij de computer. Die kan alles voor ons onthouden zodat er energie vrij kan komen om het nadenken wat meer te gaan beoefenen. Maar in het onderwijs heeft men nog steeds allerlei bezwaren, die pas dan zullen vervallen als men nu eens echt tot wetenschappelijk onderwijs over gaat.

Een dergelijk onderwijs is gericht op de training van het denken als nagaan van de verbanden, en niet op het via leerprocessen onthouden van kennisdata en methodieken. Het merkwaardige van het nagaan van de voorstelling is dat het er niet om gaat van alles te onthouden, maar dat die voorstelling zo helder mogelijk is. Hoe meer dat het geval is, hoe gemakkelijker het nagaan (denken) verloopt. Dat heeft tot gevolg dat je iedere keer weer opnieuw kunt bedenken hoe bepaalde zaken in elkaar zitten. Bovendien houdt dat de mogelijkheid open om tot nieuwe denkbeelden te komen. De verstarring van de geleerdheid kan dan niet optreden. Het ontwikkelen van de helderheid van de voorstelling met als gevolg het gemakkelijk nagaan of navolgen van de verbanden en de verbindingen, is datgene dat wij begrijpen noemen. Iemand die begrijpt hoe iets zit behoeft de zaak niet te onthouden, maar voor iemand die op grond van een leerproces veel kennis heeft vergaard kan het heel wel zo zijn dat hij er eigenlijk niets van begrijpt. Dat begrijpen berust dus niet op een veelheid aan kennis, maar op de helderheid van de voorstelling. Die voorstelling kan alleen maar helder worden door het er-zijn, het er-niet-zijn en het er opnieuw zijn zoveel mogelijk te laten gelden. Dan immers kan de spiegeling met de werkelijkheid als beeld (bewustzijn) optimaal tot zijn recht komen.

Bladwijzers: onthouden-1; onthouden-2 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ;

No. 100

Bladwijzers: Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ;

De leerprocessen resulteren zowel in denk- als in handelingsautomatismen. De vakman bijvoorbeeld conditioneert zichzelf in het verrichten van een aantal handelingen zodat hij niet behoeft na te denken tijdens routine werkzaamheden. Maar ook menig kunstenaar behoeft conditionering, denk maar aan een balletdanser en een uitvoerend musicus. Al die conditioneringen echter moeten de mens aangeleerd worden, berusten dus op leerprocessen. Dat is het geval juist omdat een mens ter wereld komt zonder enige inhoud van het zelfbewustzijn. Alle verbindingen moeten aangelegd worden. Je kunt stellen dat voor een mens datgene dat hij leert altijd iets nieuws is, iets onbekends dat vanaf een zeker moment gekend word. Bij de dieren ligt de zaak heel anders. Dat berust ten eerste op het feit dat voor dieren het begrip zelfbewustzijn helemaal niet geldt en dat er dus op dat gebied niets geleerd, oftewel geconditioneerd, kan worden. En ten tweede berust dat op het feit dat in dieren de programma's al bij de geboorte klaar liggen. Wij constateren gewoonlijk, bij het bekijken van de opvoeding van jonge dieren, dat er van allerlei geleerd moet worden, maar die constatering is onjuist. Hij wordt ingegeven door onwillekeurige associatie van Ons leerproces met dat van het dier. In feite echter worden bij de opvoeding van dieren de reeds aanwezige programma's geactiveerd. Dat is wat wij het spelen van de dieren noemen. Die programma's berusten op de werkelijkheid als bewustzijn en op de overeenkomst van die innerlijke werkelijkheid met de uiterlijke. Het bewustzijn is de werkelijkheid als totaaltrilling, het is dus op andere wijze de (uitwendige) werkelijkheid. Dat is een volledig samenhangende zaak. Zoals wij al eerder gezien hebben is die zaak zonder meer gegťven. Hij is dus autonoom in het levende wezen aanwezig. Voor zover nu in die gegeven en autonome zaak de samenhang op de voorgrond staat komt dat bij het dier in concreto voor de dag als een bepaald weefsel van vaste verbindingen. Dat weefsel is bij ieder levend wezen weer anders, afhankelijk van de geaardheid van dat levende wezen en wereld waarin het zal moeten leven. Het is dat weefsel dat bij de opvoeding en het spelen actief wordt en het gevolg is dat er onder bepaalde omstandigheden een bepaalde cyclus van activiteiten afgewerkt wordt.

Die cyclus van activiteiten is, juist omdat hij op een gegťven zaak berust, onveranderlijk. Toch blijft er een mogelijkheid tot kleine aanpassingen, op grond van het feit dat het bewustzijn als weefsel van samenhangen een beweeglijke werkelijkheid is, en omdat het nog altijd over dť werkelijkheid gaat. In principe is dus alles mogelijk, maar in de praktijk is alleen maar dat mogelijk dat binnen het gezichtsveld van dat bepaalde levende wezen, dus binnen de eigen wereld, valt en binnen dat kader zijn aanpassingen mogelijk. Dat zijn overigens langdurige processen die met heel kleine stapjes verlopen. Zo kun je tegenwoordig zelfs een kat een aantal dingen leren, maar nooit zal het je gelukken het gedoe van een kat te veranderen in dat van bijvoorbeeld een hond. De geaardheid en de omvang van het programma zijn gegeven en blijven gegeven! De conditioneringen van een dier berusten dus op het bewustzijn, maar die van een mens, als het althans over diens handelingen gaat, berusten op het zelfbewustzijn. Het zijn dus eigenlijk een ander soort conditioneringen. Wil je onder het begrip conditionering uitsluitend aangeleerde, oorspronkelijk (nog) niet aanwezige verbindingen verstaan, dan zou je bij het dier niet van conditionering kunnen spreken. Je zou het dan bijvoorbeeld over natuurlijke programma's kunnen hebben. Welbeschouwd verricht het dier dan ook geen handelingen, maar het vertoont natuurlijke gedragingen.

Zo gezien is de mens wel geconditioneerd en ook verricht hij handelingen, namelijk aangeleerde gedragingen. Dus: het dier kent natuurlijke programma's en gedragingen, en de mens kent conditioneringen en handelingen. Je hoort nogal eens de mening verkondigen dat elk mens onbewust iets heeft meegekregen van zijn geboortegrond en dat bijgevolg iemand die uit Japanse ouders in het westen geboren is toch nooit een echte westerling zal worden. De verklaring voor deze, op zichzelf juiste, waarneming berust echter niet op enigerlei vorm van overgeŽrfde natuurlijke programmering, maar op een veelheid van indrukken die, zonder dat die achteraf nog na te gaan zijn, op het kind ingewerkt hebben. Dat waren bepaald niet alleen westerse indrukken, maar via de ouders, familie en bekenden, ook Japanse. Het is in de praktijk niet mogelijk om uitsluitend ťťn soort ervaringen op te doen, alleen bij het nadenken over deze zaken kun je onderscheid maken en als je dat doet bemerk je dat elk mens blanco ontstaat en tijdens de groei geconditioneerd wordt. Als er ook maar iets in het zelfbewustzijn van een mens bij voorbaat geprogrammeerd was zou er geen mogelijkheid zijn iets nieuws te leren. Dat het allemaal conditioneringen zijn moge blijken uit het feit dat mensen uit andere culturen zonder enige moeite het westerse wetenschappelijke en maatschappelijke denken kunnen leren beoefenen. Echter: voor een mens geldt niet alleen het zelfbewustzijn, maar natuurlijk ook het bewustzijn. Dat betekent dat er in een mens ook programma's zullen zijn die niets met conditionering op grond van leerprocessen te maken hebben. Programma's dus waarin een mens helemaal niet vrij is. Dat is inderdaad het geval, bijvoorbeeld met alle biologische processen waarop wij met onze wil, en dus met ons zelfbewustzijn, geen enkele invloed kunnen uitoefenen. Dan gaat het in de eerste plaats over onze lichamelijke functies, zoals het kloppen van ons hart, de spijsvertering en dergelijke. Maar ook gaat het over seksuele aandriften en over de geaardheid van het vrouw- of man-zijn. Die biologische programma's zullen van invloed zijn op het zelfbewustzijn als voorstelling van de eigen werkelijkheid. Die invloed gaat zowel direct als indirect: hij werkt in op het vermogen van het zelfbewustzijn, maar ook op de voorstelling zoals die opgebouwd is uit ervaringen. Als zo'n programma niet helemaal in orde is kun je bepaalde dingen niet goed en dat ervaar je zodat dit inhoud van je voorstelling wordt. Dat behoeft niet altijd een negatieve invloed te zijn.

Er zijn voorbeelden van mensen die biologisch helemaal niet in orde zijn, maar die geestelijk grote prestaties leveren. Kortom: hoe het uitpakt met die wisselwerking tussen programma's en conditioneringen is nooit van tevoren te zeggen. Al die zaken die je filosofisch mooi naast elkaar kunt zetten zijn in de praktijk van het menselijk leven ten nauwste met elkaar verweven. Je zult nooit een analyse kunnen maken die uitwijst in hoeverre je leven bepaald wordt door natuurlijke programma's enerzijds en conditioneringen anderzijds. Zo is het ook een feit dat het zelfbewustzijn met zijn voorstelling van de (jouw) werkelijkheid ook invloed uitoefent op je biologische programma. Het is mogelijk om vanuit die voorstelling en het daarop gebaseerde denken biologische programma's te wijzigen of te beheersen. Dat is het geval als je bijvoorbeeld een bepaalde ziekte weet te onderdrukken of ermee leert leven. Dat is ook het geval als je, vanuit de je ingeprente cultuurvoorstelling, jezelf als seksualiteit belemmert om vrij te zijn en daardoor min of meer gefrustreerd raakt. Die inwerking van het zelfbewustzijn en het denken op het lichamelijke zijn veel ingrijpender dan gewoonlijk gedacht wordt. Het is zelfs mogelijk dat een groot deel van de medische wetenschap in de grond van de zaak op deze wisselwerking berust en nauwelijks op de effectiviteit van geneesmiddelen.

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ;

No. 101††

Bladwijzers:Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

In alle levende wezens ontwikkelen zich, op grond van de samenhang in de werkelijkheid als bewustzijn (beeld), natuurlijke programma's. Die moeten op de een of andere manier geactiveerd worden en dat kennen wij, althans bij de zogenaamd hogere dieren, als het spelen. Dat spelen is dus geen leerproces zoals wij dat bij de mensen tegen komen. Bij deze laatsten levert het leerproces iets nieuws op, maar het activeren heeft betrekking op reeds aanwezige verhoudingen, die met het opgroeien van het levende wezen moeten gaan functioneren. Zij moeten zich gaan concretiseren, zich manifesteren in de realiteit. Zo'n manifestatie spreekt ons meer aan naarmate het over meer ontwikkelde diersoorten gaat en dat is te begrijpen want die hebben een meer omvattend beeld van de werkelijkheid en staan als zodanig dichter bij ons. Dat activeren van programma's is eigenlijk een afspiegeling van verhoudingen die voor het bewustzijn gelden. Tot op zekere hoogte is het dus ook een afspiegeling van schoonheid, en dat beleven wij mensen onbewust als wij het spelen van de dieren gadeslaan. Dat roept in ons een gevoel van verwantschap met de echte werkelijkheid op: lichtvoetig, beweeglijk en zonder bedoeling. Het heeft op ons een bevrijdende werking. Voor ons besef heeft dat spel echter wel degelijk een bedoeling en wij zeggen dan dat het dier zich voorbereidt op het komende harde bestaan, maar voor het dier geldt dat niet, het weet nergens van, is gewoon zichzelf. De bedoeling, die wij er achter zoeken, berust op een foute associatie op grond van uiterlijke overeenkomsten. Ik heb er al op gewezen dat je bij de dieren, wat betreft hun natuurlijke gedragingen, niet van conditioneringen kunt spreken, omdat hen in feite niet geleerd wordt die gedragingen te vertonen. Uiteraard zijn er ook wel voorbeelden te geven van conditioneringen bij de dieren, bijvoorbeeld als je de hond geleerd hebt aan bepaalde commando's te gehoorzamen. Het gaat nu echter over datgene dat vanuit de natuur aan het dier meegegeven is. De specifieke gedragingen van een mens komen echter allemaal voort uit een al of niet bewuste - wilsstimulans van het zelfbewustzijn. Zij behoren dus tot datgene dat aangeleerd is vanaf het allereerste begin van het mens-zijn in de moederschoot. Daarom spreek ik bij de mens van handelingen, ook als die uit de een of andere onbewuste, niet-gekende, stimulans voortkomen.

Naast de, op een wilsstimulans berustende, handelingen en de natuurlijke gedragingen, tot welke laatste ook de seksuele aandriften behoren, zijn er ook nog de psychische gedragingen. Dat zijn uitingen van de psyche, die, zoals al eerder besproken, het gevolg zijn van het meetrillen van het materiŽle (het zuiver lichamelijke) met de totaaltrilling die het bewustzijn is. Het lichaam fungeert daarbij als klankbodem van die trilling. Ook dat gaat buiten je wil om en heeft dus in principe niets met het zelfbewustzijn te maken, behalve dan dat je vanuit het zelfbewustzijn kan proberen die psychische uitingen te onderdrukken - waar je gewoonlijk niet van opknapt! Het is een bekend feit dat kinderen ook spelen. Dat echter gebeurt niet zonder dat er bij het kind een bedoeling voorzit. Die bedoeling behoeft niet bewust te zijn, maar toch is het zo dat het kind zich al spelende verplaatst in de wereld die het heeft leren kennen. Het fantaseert zich in die wereld en het wil zich daarin bevinden. Die wil is, doorgaans ongeweten, zelfbewust. Daarom zegt men: dat kind heeft een willetje. Over het algemeen is te zeggen dat het kind zijn, tot op dat moment bekende, werkelijkheid reproduceert. Daarom kun je dan ook constateren dat het spel van het kind vaak een getrouwe afspiegeling is van de harde wereld. Het is niet dat lichtvoetige, belangeloze en bevrijdende spel van de dieren.

En dat komt dus bij die kinderen door de suprematie van het zelfbewustzijn over het bewustzijn. Zij oefenen wel degelijk hun conditioneringen. In dat oefenen straalt natuurlijk het bewustzijn van het kind door, en het doet dat sterker dan bij volwassenen het geval is, omdat de inhoud van het zelfbewustzijn, de gekende werkelijkheid als voorstelling, nog niet zo omvangrijk en nog niet zo maatgevend is. Maar meer dan een doorstralen is het niet. Het spelen van volwassenen is er weer wel mee te vergelijken. Volwassenen beoefenen spelen, maar ook hebben zij het over het spel van de violist. Hoewel beide verschijnselen praktisch een andere betekenis hebben is er toch in zoverre een overeenkomst dat het bij beide nergens om gaat en iets met schoonheid, beweeglijkheid, harmonie en dergelijke te maken heeft.

Tegenwoordig weet men nauwelijks meer wat het zeggen wil dat het bij het spel nergens om behoort te gaan: zowel het sportieve als het artistieke spel is geheel en al in het teken komen te staan van winnen of verliezen, de beste zijn en geld verdienen. Maar oorspronkelijk was dat helemaal niet zo, vandaar dat wij voor al die dingen hetzelfde woord gebruiken, namelijk spelen. Nog de oude Grieken speelden het spel om het spel en de Zigeuners speelden op hun viool om de muziek zelve. Het spelen van volwassenen, zowel sportief als artistiek, is, net als het spelen van de dieren, een afspiegeling van de werkelijkheid als bewustzijn. Dat wil zeggen: dat is het wezenlijk, maar, zoals gezegd: in de moderne cultuur is dat, onder invloed van de analyse en de ontwikkeling tot individu, vrijwel geheel verloren gegaan. Slechts het gebruik van hetzelfde woord spelen herinnert nog aan de tijd dat de mensen wel beseften hoe het zit. Het verloren gaan van dit besef leidt ertoe dat, zeker in het sportieve spel, het bevrijdende en ontspannende plaats maakt voor het zwaarwichtige, het moeizame en het afmattende. Tegelijkertijd echter is er nog het rudimentaire besef dat het allemaal als vanzelf en moeiteloos zou moeten gaan, zodat men dan weer net zolang oefent totdat dit schijnbaar het geval is. Zou het juiste besef echter nog leven, dan zou alles inderdaad als vanzelf gaan, ondanks het feit dat er toch heel wat oefening aan vooraf is gegaan. Vooral voor het artistieke spel komt heel wat kijken, niet alleen qua technische oefeningen, maar in de eerste plaats qua zelfontwikkeling. Om het artistieke spel goed tot zijn recht te laten komen is een voortdurend proces van onthechting noodzakelijk, d.w.z. een beweeglijk maken van de werkelijkheid als voorstelling opdat de spiegeling met het beeld effectief kan worden.

Dat is het proces van de innerlijke rijping, een proces waarvan de noodzaak tegenwoordig maar al te vaak over het hoofd gezien wordt. We leven in een technische wereld en dus menen we dat alles in orde is als aan de technische eisen is voldaan. Wat dat betreft werkt de huidige cultuur belemmerend voor het kunstenaarschap. Het opruimen van die belemmeringen is een hele opgave, zelfs voor de artistiek begaafde mens. Maar nog niet zo lang geleden beseften de mensen dat er een verband is tussen een onconventioneel, niet aan de gangbare voorstelling gebonden, leven en het kunstenaarschap. Het spelen van volwassenen gebeurt zelfbewust in die zin dat zij het van zichzelf weten en het welbewust willen. Dat wil zeggen: zij weten dat zij willen spelen, maar zij weten weer niet waarom het daarbij gaat. Het gaat om het beleven van een verwantschap met het bewustzijn. In de kunst doe je dan een poging om de werkelijkheid als beeld tot uitdrukking te brengen, een poging die bij voorbaat gedoemd is te mislukken, maar die als poging gelukken kan. In de sport gaat het meer om de harmonische beweging en vooral ook het belangeloze en dus ook ontspannende.

Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

No. 102

onthouden-1; onthouden-2 ; Tegennatuurlijk nr. 83 en Tegennatuurlijk nr. 102

In onze cultuur zijn de mensen toegespitst op het verzamelen van kennis en dus wordt aan de leerprocessen grote waarde gehecht. Dat betekent uiteraard ook dat de mensen in ernstige mate geconditioneerd worden op het kennen van een werkelijkheid die uitsluitend is zoals de voorstelling die te zien geeft. Alle andere mogelijkheden tot het ervaren van de werkelijkheid, zoals bijvoorbeeld het gevoel, de intuÔtie en het artistieke zien worden buitengesloten omdat zij onbetrouwbaar zouden zijn. Voor westers cultuurbesef liggen de zaken zo dat de wetenschap zou hebben uitgewezen dat onze voorstelling van de werkelijkheid overeenstemt met de echte werkelijkheid, en dus op waarheid berust. Men moest wel tot die overtuiging komen omdat men in feite louter zijn eigen voorstelling onderzoekt en helemaal niet de echte werkelijkheid. Je kunt zeggen: men is bevangen in een vicieuze cirkel en omdat dit het geval is bemerkt men niet of nauwelijks dat het allemaal eigenlijk niet over de werkelijkheid gaat. De werkelijkheid die men meent te kennen is er helemaal niet. Het gericht zijn op de voorstelling brengt met zich dat men kennis belangrijk vindt en dat leidt ertoe dat de leerprocessen als de basis van alle menselijke activiteiten gezien worden. Maar wezenlijk zijn die processen tegennatuurlijk omdat ze het zelfbewustzijn, dat qua karakter beweeglijk is, verminken tot een vastgelegde zaak waarvoor geldt: het zit zo en niet anders! Die vastgelegde zaak is van een onvoorstelbare banaliteit, juist omdat het anders-zijn, dat bij het begrip beweeglijk-zijn behoort, buitengesloten is. Onze westerse wereld is een banale wereld omdat de mens gereduceerd wordt tot zijn eigen voorstelling en daarmee de ruimte van het onvoorspelbare opgeheven wordt. De verbazing, op grond van het feit dat je onverwacht iets opvalt, komt steeds minder voor en alles wordt vlak, alledaags en dus banaal. Dat is allemaal het gevolg van het feit dat wij de mens almaar meer als een product van leerprocessen zijn gaan beschouwen. Voor alle duidelijkheid: het gaat nu niet over het feit dat een mens van allerlei moet leren om te kunnen overleven. Een mens doet voortdurend ervaringen op en daartoe behoort ook datgene dat hij leert via een leerproces. Waarom het daarentegen wel gaat is dit dat het hele gebied van de ervaringen vernauwd wordt tot een complex van ingeprente overdraagbare kennis, eigenlijk dus een stelsel van theorieŽn. Iemand wordt capabel voor zijn werk gevonden als hij de voorgeschreven leerprocessen achter de rug heeft.

Een hulpverlener is, zoals dat heet, gekwalificeerd als hij de vereiste cursussen gevolgd heeft en niet omdat hij zo goed met mensen kan omgaan en meelevend luistert naar hun problemen. Gekwalificeerd ben je als je ergens voor geleerd hebt, en dus: als je een product van een leerproces bent. Alleen als dat het geval is mag je meepraten. Het tegennatuurlijke is gelegen in het feit dat wezenlijk onze gehele westerse cultuurwereld op een fictie berust. De wereld die er volgens die fictie is, is niet de echte wereld. Al diegenen die in deze wereld geweld plegen, met legers oprukken, mensen tiranniseren, maar ook al diegenen die menen dat ze macht moeten uitoefenen, maatschappijen besturen, regels uitvaardigen en dergelijke, leven in een onwerkelijke wereld. Die wereld bestaat wel: er zijn legers en er worden regels uitgevaardigd. Die wereld is dus realiteit. Maar die realiteit is een onwerkelijke, louter voortgekomen uit verminkte voorstellingen in het zelfbewustzijn. Uit die onwerkelijke wereld is praktisch niet te ontvluchten. Je blijft het risico lopen er het slachtoffer van te worden. Maar toch kun je er ook weer wel uit wegkomen, door namelijk te proberen je eigen voorstelling te deprogrammeren, dat wil zeggen, al het vaststaande om te beginnen in twijfel te trekken en vervolgens uit te zoeken hoe het nu wel zit.

Zoals ik al eerder heb uitgelegd is de werkelijkheid als voorstelling eigenlijk beweeglijk van karakter door het telkens instorten en vervolgens weer tot stand komen van het complex van verbanden dat alle data van kennis bijeenhoudt. Als je zegt dat de wereld van geweld en misdaad er niet behoort te zijn houdt die uitspraak in dat er kennelijk twee werelden zijn: de reŽle wereld van het geweld en de misdaad en een andere wereld die goed is. Terecht wordt daaraan bedacht dat die slechte wereld feitelijk bestaat en die goede niet. Het onwerkelijke van die slechte wereld echter is gelegen in het feit dat hij op een zelfbewustzijn berust dat, als product van leerprocessen, volkomen vastgelegd is. Dat is dus een zelfbewustzijn dat in strijd is met de echte werkelijkheid en daarom noem ik het een fictie. Die fictie evenwel is de basis van een door de mensen gemaakte wereld die, hoezeer die wereld ook een praktische realiteit is en dus concreet bestaat, toch onwerkelijk is. De mensen hebben hem gemaakt op grond van foute, onhoudbare en dus onwerkelijke voorstellingen. Hij kan bestaan en bestaat, maar het is iets onwerkelijks, iets fictiefs dat niettemin bestaat. Een realiteit geworden nachtmerrie.. . Welbeschouwd hanteer je in de filosofie, althans in deze filosofie, een ander realiteitsbegrip. Je onderscheidt namelijk twee realiteiten en wel een werkelijke en een onwerkelijke. In het eerste geval spiegelt de realiteit de echte, beweeglijke, zichzelf organiserende werkelijkheid af en in het tweede geval de bedachte, geconditioneerde, vastgelegde en vanuit iets anders, doormiddel van macht en geweld, georganiseerde werkelijkheid. Uiteraard is deze laatste werkelijkheid in de grond van de zaak terug te brengen tot de werkelijke realiteit. Ze is er immers uit voortgekomen! Ze behoort dus tot de mogelijkheden van de werkelijkheid. Maar die mogelijkheid blijkt een fictieve te zijn, die, tot het einde toe doorgedacht, tot vernietiging leidt. Opmerkelijk is dat de wereld als onwerkelijke realiteit met geweld in stand gehouden moet worden om uiteindelijk, ondanks alle dwangmaatregelen, toch ten onder te gaan. Zo groot kan de macht van diegenen die aan het hoofd van zo'n onwerkelijke realiteit staan niet zijn of het loopt tenslotte toch in een fiasco uit. Het is logisch dat die zaak met geweld in stand moet worden gehouden omdat de werkelijke realiteit beweeglijk is en dus in strijd ermee en zich als zodanig in allerlei mensen laat gelden. In de praktijk ondermijnen die mensen, alleen al door hun zijn, almaar die gewelddadige zaak. Je kunt dus zeggen dat het natuurlijke, dat wil zeggen het verschijnsel mens als beweeglijke zaak, het tegennatuurlijke steeds ondermijnt, precies zoals we dat gezien hebben bij het onthouden van kennis.

Met een bepaalde vorm van geweld proberen we zover te komen dat we de dingen kunnen onthouden, maar steeds weer leidt het natuurlijke in ons ertoe dat wij ze vergeten. Een realiteit die onwerkelijk is kan niet anders dan een gewelddadige zijn. Het beweeglijke moet stilgelegd worden. Onze wereld is dan ook een door en door gewelddadige wereld die er, let wel, niet is op grond van ingeboren slechtheid van het verschijnsel mens, maar op grond van een, door leerprocessen verkregen, verminkt, want vastgelegd, zelfbewustzijn. De gewelddadigheid is dus een cultuurverschijnsel dat als zodanig behoort tot datgene dat gewoonlijk de menselijke geest genoemd wordt, maar dat in feite het zelfbewustzijn is. Die realiteit van geweld wordt gekenmerkt door het feit dat alles er geforceerd aan toegaat. Niets kan zijn eigen beloop hebben, steeds moet er ingegrepen worden, tegenwoordig fraai verdoezeld met het begrip beleid voeren. Daardoor lijkt de fictie niet zo ernstig, maar het tegendeel is waar...

onthouden-1; onthouden-2 ; Tegennatuurlijk nr. 83 en Tegennatuurlijk nr. 102

No. 103

We hebben ons nu geruime tijd bezig gehouden met het zelfbewustzijn, waarbij dan speciaal de werkelijkheid als voorstelling op de voorgrond stond. Dat zelfbewustzijn berust wezenlijk op de drieslag materie - materie als niet-materie - niet-materie, waarin dan het begrip niet-materie overeenkomt met het gangbare begrip geest en het begrip materie als niet-materie met het begrip voorstelling. Daarbij heb ik er nadrukkelijk op gewezen dat het begrip geest geen enkele inhoud heeft, noch enigerlei werking uitoefent op wat dan ook. Dit op grond van het feit dat we te doen hebben met een werkelijkheid die zich gedraagt alsof ze louter van elkaar onafhankelijke beweeglijkheden was. Alles wat wij doorgaans onder de rubriek geest situeren behoort in feite onder de rubriek zelfbewustzijn en is dus als zodanig een werking van de genoemde drieslag. Ons filosofische begrip geest kan er evenwel niet af gedacht worden, want anders is het laatste verschijnsel niet te begrijpen. Je zou bijvoorbeeld niet in de gaten hebben dat de voorstelling voortdurend instort, om zich vervolgens weer op te bouwen. En in dat geval zou ook het cultuurproces van het vastleggen, onder andere door de leerprocessen, niet te begrijpen zijn. Nu ik het nog eens wat uitvoeriger over het begrip bewustzijn wil hebben moet ik er als eerste op wijzen dat dit begrip onder het hoofdstuk materie valt. Het bewustzijn komt namelijk in de materie voor. Als trilling is het op zichzelf natuurlijk niet materieel, maar omdat die trilling aanwezig is in de bouwsteen behoort hij tot het materiŽle. Als nu die trilling in de bouwsteen, door de grote mate van innigheid van de samenstelling van het door de bouwstenen gevormde verschijnsel, een totaaltrilling geworden is - en dat is het geval bij het levende verschijnsel - spreek ik van bewustzijn. Dat is te zeggen: voor zover die totaaltrilling zich laat gelden als ťťn zaak, als een geheel, geldt dat begrip, en voor zover het toch ook nog een totaal is, dus een verzameling van verschillende trillingen (in de bouwstenen), geldt het begrip levend-zijn. We hebben al eerder besproken dat het bewustzijn door ons ervaren wordt als een beeld van de werkelijkheid als geheel. Daarbij moet bedacht worden dat dit ervaren slechts aan de mens voorbehouden is: hij is de enige die wťťt heeft van die werkelijkheid. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat die werkelijkheid altijd een rol speelt in de zelfbewuste voorstelling. Meestal, en zeker in onze cultuur, is de zaak verwaarloosd en voor zover hij toch bekend is wordt hij verdrongen. De niet-menselijke levende verschijnselen evenwel hebben geen weet van hun bewustzijn, maar gedragen zich automatisch, op grond van natuurlijke programma's, overeenkomstig dat bewustzijn. Voor die levende wezens geldt het begrip voorstelling niet en daardoor kunnen zij ook niet misleid worden en een fictieve werkelijkheid voor de echte aanzien. Alle levende wezens hangen, door het gelden van het bewustzijn, samen met hun omgeving en zijn in de praktijk daarvan afhankelijk. Dat is ook het geval met een pasgeboren kind. In dat kind is het bewustzijn als geheel aanwezig. Er ontbreekt - als dat kind gezond is - niets aan. De samenhang met de omgeving is er dus ook onmiddellijk. Wat ons echter, bij het nadenken daarover, steeds van de wijs brengt is het feit dat het zelfbewustzijn nog inhoud moet krijgen en dat daardoor de afhankelijkheid om te beginnen nog volledig is. Ondanks die volstrekte afhankelijkheid functioneert dat jonge kind toch in zijn omgeving, denk maar aan het leven in de baarmoeder.

Omdat voor ons het leven als vanzelfsprekend een zelfbewust leven is hebben wij er moeite mee te begrijpen dat het jonge kind qua bewustzijn onmiddellijk efficiŽnt functioneert. De mens herkent (zelfbewust) de buitenwereld omdat in hem de werkelijkheid als bewustzijn aanwezig is. Dat herkennen is dus niet zonder de aanwezigheid van die buitenwereld. Maar juist door die buitenwereld wordt voor hem het bewustzijn, op de wijze van een beeld ervaarbaar. Je kunt zeggen: zonder de ervaring van de buitenwereld, die zich omzet tot een voorstelling, is de werkelijkheid als beeld niet als zodanig aanwezig. Wel is natuurlijk het bewustzijn als totaaltrilling in de kwaliteit van het geheel aanwezig. Dit bewustzijn wordt echter aan de voorstelling tot beeld. Om dit duidelijk te krijgen kun je denken aan de muziek. Het begrip muziek houdt in het totaal aan alle muziekwerken, maar het is ook een begrip op zichzelf, laten we zeggen de verklanking van de werkelijkheid als bewustzijn. Door nu een bepaald muziekwerk te horen straalt die werkelijkheid als bewustzijn door, en voor die door gestraalde werkelijkheid geldt het begrip beeld - in dit geval eventueel te benoemen met klankbeeld. Bekijk je Rembrandts portret van Hendrikje Stoffels, dan gaat de voorstelling over uitsluitend diť vrouw, maar daar doorheen straalt de werkelijkheid als beeld. Dan gaat het niet meer over Hendrikje. Er wordt dan een universele werkelijkheid zichtbaar. Hendrikje is eigenlijk het plaatje, maar in feite (als je er oog voor hebt) zie je de werkelijkheid. De werkelijkheid als beeld is een werkelijkheid van in elkaar overgaande vormen. Zoals al eerder besproken geldt het begrip vorm omdat het gaat over de geworden werkelijkheid, en die werkelijkheid als een totale trilling. We hebben dus te doen met het begrip vorm als trilling. Binnen de context van dat begrip zijn de verschillende vormen, zoals die in de concrete verschijnselenwereld voorkomen, niet van elkaar gescheiden door grenzen, maar zij gaan in elkaar over. Dat is het begrip nuance. Dit is voor ons moeilijk te begrijpen omdat een werkelijkheid als beeld, waarin alle vormen aanwezig zijn en in elkaar overgaan, op zichzelf geen voorstelling oplevert. De werking van deze zaak is precies andersom: een gegeven voorstelling maakt het beeld zichtbaar. Je ziet als het ware aan de gegeven buitenwereld, die altijd jouw buitenwereld is, een andere werkelijkheid. Men heeft wel gesproken over de werkelijkheid achter de dingen. De meeste filosofen, vooral na Immanuel Kant, zijn van mening dat die achterliggende werkelijkheid niet te kennen is, maar die misvatting is ontstaan door de verwaarlozing van het bewustzijn en de fixatie op het zelfbewustzijn voor zover dat een vastgelegde werkelijkheid tot inhoud heeft. Ik heb in het voorgaande gesproken over het begrip spiegeling. Dat begrip heeft betrekking op het doorstralen van het bewustzijn, dat als het ware de gegeven voorstelling tot een andere maakt. Daarbij is de spiegeling de vergelijking van de gegeven voorstelling met die achterliggende andere voorstelling die op het beeld gegrond is. Dat is een universele werkelijkheid. Je kunt dan ook stellen dat de kunst de universele taal bij uitstek is, en dat is zij niet op grond van haar voorstellingen, maar op grond van de werkelijkheid als bewustzijn die zij - bij benadering zichtbaar, althans ervaarbaar, maakt.

De kunstervaringen van de verschillende mensen lopen sterk uiteen en dus kan men erover twisten wat nu eigenlijk kunst is. Die twisten echter komen bijna in hun geheel voort uit conditioneringen: wat is op een zeker moment in de mode, wat wordt de mensen over de kunst verteld, welke maatschappelijke rol vervult de kunst, enzovoort. Van een zuivere kunstbeleving is, vooral in onze tijd, nauwelijks meer sprake. In de oudheid, met haar groter besef omtrent het bewustzijn, was die beleving veel sterker. Dat was dan ook een kunstzinnige tijd.

Bladwijzers: KANT- zie 01 , 02 , 03 , 04 , 05 ; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144)

No. 104††

Bladwijzers:Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

De werkelijkheid als beeld is er pas dan als er een voorstelling is. De verhouding ligt zo dat je aan een bepaalde voorstelling een andere werkelijkheid ziet, een werkelijkheid die door de voorstelling heen straalt. Het beeld op zichzelf is niet zichtbaar omdat het eigenlijk niet bestaat buiten de voorstelling om, maar pas op: de werkelijkheid als totaaltrilling is er wel. Het is immers een materieel verschijnsel! Enerzijds is het er als levend-zijn, zich vertonend in het voortdurende bewegen van de materie waaruit het lichaam van een levend wezen bestaat, en anderzijds als bewustzijn, dat zich niet vertoont maar zich laat kennen aan de psyche, het gevoel, op de wijze van meetrillen. En behalve aan het psychische laat het bewustzijn zich dus ook via de voorstelling gelden als beeld. Er wordt vaak gezegd dat een kunstenaar probeert uit te drukken wat hij innerlijk ziet. Dat is eigenlijk niet goed gezegd omdat dat innerlijk helemaal niet uit te drukken is. Daarom is die kunstenaar op een voorstelling aangewezen om daaraan die andere werkelijkheid, dat beeld gestalte te geven. Echter: het landschap bijvoorbeeld is op zichzelf niet mooi, het is gewoon een verzameling natuurlijke en eventueel ook menselijke verschijnselen. Het mooi vinden evenwel is een puur menselijke ervaring, op grond van het feit dat door de voorstelling van het landschap heen iets anders te zien is. Een dergelijke ervaring is dus aan de mens voorbehouden, want hij is de enige in wie de werkelijkheid tot voorstelling wordt. Op zichzelf is de kosmos niet mooi of lelijk, hij is dat pas in en voor de zelfbewuste werkelijkheid, de mens dus. Wat ik hierboven over de kunst heb gezegd geldt ook voor de zuivere, de creatieve filosofie. Het is de filosoof om een beschrijving van de werkelijkheid te doen in het licht van die andere werkelijkheid. Ook hij is dus, voor zover het over die beschrijving gaat, op de gangbare voorstelling aangewezen. Dat heeft als consequentie dat hij de woorden van alledag moet gebruiken, wil hij verstaan worden. De moderne behoefte aan een vakmatig taalgebruik dat zich van eenduidige begrippen bedient is niet alleen onzinnig maar ook arrogant. Het leidt ertoe dat de filosofie onbegrijpelijk wordt en daardoor voor niemand meer te volgen. De Duitse filosoof Martin Heidegger (1889-1976) stond zo'n filosofische taal voor en hij was bovendien van mening dat die taal op het Duits gebaseerd moest zijn omdat dit de enige taal zou zijn waarin men filosoferen kan. Hij beweerde zelfs dat bijvoorbeeld een fransman, hoewel Frans sprekend en schrijvend, toch in het Duits filosofeerde. Over arrogant gesproken! Er zijn mensen geweest die geprobeerd hebben op te gaan in en een te worden met de andere werkelijkheid van het bewustzijn. Zij verkeerden daarbij in de mening dat zij het goddelijke of god zochten. Hoewel die mystici wel tot de ontdekking kwamen dat die werkelijkheid op zichzelf onzegbaar was waren zij toch op de taal van alledag aangewezen om aan die werkelijkheid uitdrukking te geven. Van Meister Eckhart (ca.1260-1328) bijvoorbeeld zijn nog preken bewaard gebleven en daaruit blijkt dat hij de gangbare taal gebruikte, en dus de gangbare voorstellingen, om duidelijk te maken waarover hij het had. Dat geldt overigens voor vrijwel alle grote mystici.

Het zien van die andere werkelijkheid via de voorstelling is een zaak die geheel en al zonder bedoeling moet zijn. Dat geldt in hevige mate voor de creatieve filosofie. Zou je namelijk er op uit zijn die andere werkelijkheid te ontdekken om een bepaald doel te bereiken, dan streef je iets na dat inhoud van je voorstelling is en dat als zodanig vastgelegd is. Je handhaaft en versterkt dan een bepaalde voorstelling, maar het is juist dit vasthouden aan en handhaven van het vastgelegde dat aan het zien van het beeld in de weg staat. Het doorstralen van het beeld vooronderstelt immers een voorstelling die, op grond van het gelden van beweeglijkheid, doorzichtig is. We herinneren ons het verhaal over de functie van het in twijfel trekken, dat een laten gelden is van het feit dat de inhoud van het zelfbewustzijn zich steeds tot een voorstelling opbouwt en onmiddellijk weer instort. Als dit wezenlijke karakter van het zelfbewustzijn voor je geldt, is er van het vasthouden aan een voorstelling geen sprake en dus kun je ook geen vooropgezette bedoelingen hebben. Voor de goede orde: het gaat nu natuurlijk niet over het feit dat je je filosofische ontdekkingen op wilt schrijven of erover wilt vertellen. Het gaat om bedoelingen van inhoudelijke aard, bijvoorbeeld om een bepaald vooropgezet idee te bewijzen. In dit verband wijs ik ook op datgene dat aan het begrip spel te bedenken valt. Ook daarbij gaat het essentiŽle verloren door de bedoeling. In feite maak je, als je met een vooropgezette bedoeling te werk gaat, het proces van het ervaren en laten gelden van de werkelijkheid als beeld ondergeschikt aan iets anders. In de filosofie en de kunst heeft dit ondergeschikt maken onmiddellijk een negatief resultaat. Er komt dan in feite niets van de zaak terecht. Maar ook op het terrein van het maatschappelijke leven laat het zijn sporen na, bijvoorbeeld bij de productie van de voor het leven benodigde spullen. Doordat er daarbij een bedoeling voorzit wordt het product niet wat het zijn moet: het wordt een winstobject. We moeten ook nog op het volgende letten: als je aan een bepaalde voorstelling, waartoe ook datgene behoort dat een kunstwerk je laat ervaren, de werkelijkheid als beeld beleeft, dan is die belevenis gebonden aan die bepaalde voorstelling. Dat is uiteraard op zichzelf een deelgebied van de werkelijkheid. Het is maar een beperkt stukje. De belevenis van het beeld echter is niet beperkt tot een deelgebied. Je beleeft de werkelijkheid als geheel, en wel omdat het de totaaltrilling is die zich aan dat deelgebied manifesteert. Je komt dus zogezegd in de sfeer van het geheel en dat is in feite de sfeer van het bewustzijn. Kathe Kollwitz (1867-1945) heeft zich in haar grafische werk voornamelijk toegelegd op het uitbeelden van de armoe en de ellende, veroorzaakt door allerlei sociale misstanden. Bekend van haar zijn de series Wevers opstand, oorlog en Proletariaat. Dat werk is duidelijk nadelig beÔnvloed door het feit dat er bij haar een bedoeling voorzat, de politieke bedoeling namelijk van het socialisme. Iets dergelijks was ook het geval bij de al eerder genoemde Martin Heidegger. Het is onmiskenbaar een feit dat hij op het spoor was van de universele werkelijkheid van het bewustzijn. Zijn nazistische bedoelingen echter, als echte Duitser met de daarbij behorende verheerlijking van Blut und Boden en van de strijd, maakten het hem onmogelijk er achter te komen hoe het nu werkelijk zit. Hij had namelijk de bedoeling die specifieke Duitse cultuurbegrippen te verheffen tot algemene begrippen die bij de authentieke mens zouden behoren. Daarmee leverde hij zich aan een vastgelegde voorstelling uit en sloot de weg af naar het bewustzijn. Ik heb mij tot nu toe voornamelijk bediend van voorbeelden uit de kunst en de filosofie om duidelijk te maken hoe het zit met de werkelijkheid als beeld en het zien daarvan. Dat kan de indruk wekken dat het slechts aan filosofen en kunstenaars vergund zou zijn zichzelf als bewustzijn te ervaren. Dat echter is een foute indruk.

De kunstenaars en filosofen zijn de meest uitgesproken representanten van die zaak (als het goed is!), maar voor ieder mens geldt precies hetzelfde, zij het dan dat dit overwegend onder druk staat van de heersende culturen en daardoor afhankelijk is van het ontwikkelingsproces in de mensheid.

Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

No. 105

Van bovenaf denken: zie A(79) , B(105t/m109) , C(113) , D(129t/m130) , E(136) , F(145) ;

De creatieve kunstenaars en de filosofen zijn op het zien van de werkelijkheid als beeld toegespitst. Dat is het gevolg van het feit dat zij qua zelfbewustzijn enigszins afwijken van de normale mensen, in die zin dat het beweeglijk-zijn van het zelfbewustzijn, en daarmee ook dat van de voorstelling, dominant is over het vastgelegd-zijn. Die kunstenaars en filosofen zijn bijgevolg minder het slachtoffer van de conditioneringen vanuit de cultuur waarin zij leven moeten. Uiteraard hebben zij ook hun conditioneringen, maar die worden door hen vaker en gemakkelijker in twijfel getrokken en daardoor voortdurend doorbroken. Daarom zijn zij minder het slachtoffer. Maar aan de andere kant levert die toespitsing wel degelijk minder aangename eigenschappen op. Elke toespitsing, elke gericht-zijn op iets heeft zijn bezwaren, in het geval van de kunstenaars en filosofen liggen die bijvoorbeeld op het vlak van het dagelijkse leven en dan speciaal waar het de omgang met medemensen betreft. Wij mogen niet vergeten dat de kunstenaars en de filosofen in het verband van onze gedachtegang slechts als voorbeelden worden aangehaald. In feite geldt het zien van het beeld voor elke mens. De spiegeling van voorstelling en beeld is een algemeen menselijk gegeven. Als ik dus zeg dat je in de kunst en de filosofie kunt zien hoe het zit met die spiegeling, dan betekent dat niet dat die zaak bij de overige mensen niet aanwezig zou zijn. Het is dus beslist niet de bedoeling om kunstenaars en filosofen als betere of meer heldere mensen voor te stellen. Echter; als het over de normale mensen gaat moet je je afvragen wat er, gezien in het licht van de cultuur ontwikkeling, van terechtkomt. Dan zie je dat gedurende lange tijd het vastgelegde domineert en dat dit eigenlijk slechts stapsgewijze doorbroken wordt bij de opeenvolging van de geslachten. Dat is echter een niet-zelfbewuste zaak. In de praktijk is dus bij die normale mensen nauwelijks van spontane zelfbewuste spiegeling te spreken. Het vrijwel geheel ontbreken van die spiegeling is geen gebrek van die normale mensen. Juist zij zijn het die geheel en al in het verhelderingsproces van de werkelijkheid betrokken zijn. Juist zij laten zien hoe het er met en in de werkelijkheid aan toe gaat: de mensen moeten een hele weg afleggen om tenslotte volwassen te worden. Die weg is er niet af te denken. De stappen die de mensheid op die weg zet zijn de opeenvolgende momenten van helderheid via de voortplanting. Elk volgend geslacht begint met een helder zelfbewustzijn. De voorstellingen die daarin ontstaan zijn onvermijdelijk steeds iets anders dan die van het vorige geslacht en omdat het over helderheid gaat (dat is: beweeglijkheid) is elke volgende stap iets helderder dan de vorige. Dat is de normale gang van zaken. De mensen hebben voorstellingen en zij hebben de behoefte die vast te houden, uit zelfbehoud. Zonder die voorstellingen is overleven volstrekt onmogelijk, de mensen zouden geen kennis omtrent hun werkelijkheid verwerven en bijgevolg volkomen hulpeloos zijn. Zij komen immers ter wereld zonder enig programma waarin hun natuurlijk gedrag bij voorbaat vastgelegd is! Zij moeten dus programma's maken. Dat levert iets tegenstrijdigs op: enerzijds is het programma, op grond van een vastgelegde voorstelling, noodzakelijk en onvermijdelijk, maar anderzijds belet datzelfde programma de mensen om de spiegeling met de werkelijkheid als beeld zelfbewust te laten gelden.

Juist omdat dit de normale natuurlijke gang van zaken is kun je niet van een gebrek bij de mensen spreken en eigenlijk moet je tot de conclusie komen dat kunstenaars en filosofen afwijkingen van het natuurlijke zijn. In de praktijk blijkt dat ook, men noemt hen niet voor niets cultuurdragers. Dat heeft iets verhevens, maar dat komt niet doordat het over iets werkelijk verhevens zou gaan, maar omdat er in een onvolwassen mensheid noodzakelijkerwijs van bovenaf gedacht wordt. Als je over de mensheid filosofeert en je komt tot de ontdekking dat de gewone mensen het normale ontwikkelingsproces afspiegelen voor zover dat zonder bijzondere uitschieters zijn eigen gang gaat, dan weet je meteen dat je de geschiedenis en het heden van de mensheid niet kunt begrijpen als je uitsluitend op de uitschieters let. Het van bovenaf denken leidt dus niet tot begrip inzake de werkelijkheid. Het levert, filosofisch gezien, een fictie op, ondanks het feit dat die uitschieters uitdrukking geven aan de echte werkelijkheid - als het goed is... Het is al in de Romeinse cultuur begonnen dat men niet meer vanuit het normale is gaan denken, maar vanuit datgene dat als het hogere beseft werd. Gevolg daarvan is dat in het denken de bijzondere mensen op de voorgrond zijn komen te staan: de staatslieden, de militairen, de geestelijken en de denkers. Bepalend zijn dus uitzonderlijke minderheden geworden. Op zichzelf kon ook dat niet uitblijven, maar wij zitten er in onze cultuur wel mee dat dit van bovenaf denken de maat is geworden en inmiddels tot een enorme chaos in de mensheid geleid heeft, een chaos die voornamelijk gegrond is op verwijten en haat. Iedereen schiet immers in de ogen van iedereen schromelijk tekort! Het is bijvoorbeeld een feit dat er tegenwoordig erg veel aan gemeenschappelijke voorzieningen vernield wordt. Dat is aanleiding om diegenen die die vernielingen aanrichten verwijten te maken. Dat is op zichzelf en met betrekking tot de daders volkomen terecht. Maar niet terecht is het als men op grond daarvan concludeert dat de mensen niet deugen, asociaal zijn en daarom hard aangepakt moeten worden. ( wat is wangedrag ) De oorzaak van hun wangedrag is niet gelegen in het ontbreken van toezicht en gezag, maar juist in het feit dat zij geprogrammeerd zijn op het zich volledig onderwerpen aan toezicht en gezag. Daardoor is voor hen nooit tot gelding gekomen dat al die voorzieningen wezenlijk hun eigen voorzieningen zijn. Voor hen zijn het zaken die bij die wereld van boven, die overheid, behoren. Het daarbij behorende denken leidt tot een steeds grotere chaos. Aan de ontwikkelingsweg van de mensheid is te zien dat langzaam maar zeker alle aspecten van de werkelijkheid als bewustzijn voor de dag komen. Op het ogenblik zie je dat de mensen zich meer en meer van hun individu-zijn bewust worden. Dat gaat gepaard met een groot aantal vervelende bijverschijnselen, zoals nationalisme, terreur en dergelijke, maar niettemin is het een feit. Het individu-zijn berust hierop dat het een het ander niet is. Dat is op zijn beurt weer terug te brengen tot het feit dat het bewustzijn de werkelijkheid als totaaltrilling is en dat die werkelijkheid een verzameling van verschillende trillingen inhoudt. Dit laatste komt voor de dag, zij het als een op zichzelf staande zaak, in het ontwaken van het individualisme. De mensen maken zich los uit het collectief dat de verzameling is en gaan laten gelden dat zij ieder voor zich een component van het totaal zijn. De mensheid, als een geheel van afzonderlijke mensen, wordt zich over de gehele wereld hiervan bewust en brengt deze ontdekking tot ontwikkeling. Zij doen dat niet zelfbewust, zij beseffen alleen maar Ik ben er ook nog. Het tot ontwikkeling brengen van dergelijke ontdekkingen verbreekt onvermijdelijk het geheel waaruit het ontdekte voortgekomen is.

Het er uitlichten van een bepaald aspect van de totaaltrilling doet het geheel, dat die totaaltrilling ook nog is, instorten. Het doorstralen van de werkelijkheid als beeld komt dus in de mensheid voor de dag aan allerlei kleine verschuivingen in het besef omtrent de werkelijkheid. Die verschuivingen zijn niet zonder schoonheid, vandaar dat het nooit zonder een bepaalde vorm van ontroering gaat.

No. 106

Het is een misvatting te menen dat de mensheid geheel op eigen zelfbewuste kracht haar weg gaat. Die misvatting komt voort uit het feit dat de mens als geest een volledige ontkenning is van de werkelijkheid als verschijnsel. Die ontkenning echter blijft geheel en al bij zichzelf en dat wil zeggen dat hij niet tot een andere werkelijkheid leidt. Ik heb er al met nadruk op gewezen dat de geest helemaal niets is: geen bestaand iets. Dat is het geval omdat de werkelijkheid, voor zover ze zich als louter beweeglijkheid laat gelden, geen enkele inhoud heeft en, om zo te zeggen, alleen maar helder is. Het feit dat die laatste helderheid slechts denkbaar is (maar er als zodanig niet af gedacht kan worden) laat zich in de mensheid gelden en brengt haar ertoe te geloven dat zij een keuze heeft en op grond daarvan haar eigen weg kan bepalen. In feite echter is de weg van de mensheid op aarde uitsluitend de weg die de werkelijkheid zelf, in haar uitwikkeling, gaan moet. Die weg had volstrekt niet anders gekund. Wel echter kunnen details min of meer op een keuze berusten. Als bijvoorbeeld Napoleon in juni 1815 de beschikking had gehad over meer kanonnen en er een gunstiger weersgesteldheid was geweest (ik noem maar wat!), zou hij misschien de slag bij Waterloo gewonnen hebben. Dan had de concrete geschiedenis een iets andere loop gehad..., maar Napoleon zou toch uit West-Europa weggejaagd zijn, en wel omdat hij niet meer samenviel met het op dat moment aan de orde zijnde ontwikkelingsmoment. Uit het bovenstaande mag nog eens blijken dat begrip omtrent de mensheid niet verduisterd mag worden door de handelingen van uitzonderlijke personen, die in bepaalde opzichten bij machte waren en zijn om incidentele, maar op dat moment voor een gedeelte van de mensheid ingrijpende, keuzes te maken. Je moet daarentegen heel scherp letten op datgene dat de gewone mensen vertonen. En je moet je er in oefenen dat niet van bovenaf te waarderen.

Je kunt de weg van de mensheid om volwassen te worden ongetwijfeld typeren als een lijdensweg. Maar toch is die lijdensweg niet zonder een bepaald aspect van schoonheid. In de klassieke Russische literatuur bijvoorbeeld tekenden schrijvers als Fjodor Dostojewski (1821-1881) het Russische volk. Los van het feit dat zo'n tekening op zichzelf een zaak van schoonheid is, is er ook nog de schoonheid van dat volk. Die uitte zich bijvoorbeeld in de oneindig weemoedige liederen van de steppe en de grote rivieren, in het diepe medelijden met misdadigers, in het bijzondere en levende geloof in Christus en in de prachtige liturgie van de Russisch orthodoxe kerk. Kennismaking daarmee gaat onvermijdelijk gepaard met een grote ontroering. Rusland is doortrokken van een alles doordringende, niet-artistieke, schoonheid... Een ander aspect van schoonheid hebben wij dezer dagen meegemaakt toen de mensen uit het Oostblok zich bevrijdden van de collectivistische tirannie door de zogenaamd communistische bovenlaag. Ook die taferelen waren ontroerend. Zo zijn er vele voorbeelden te geven. Zoals al eerder gezegd is het opkijken naar grote figuren, zoals kunstenaars, filosofen, staatslieden en dergelijke, een gevolg van het van bovenaf denken dat kenmerkend is voor onze cultuur en wezenlijk ook al voor die van de Romeinen. Wij moeten daarbij enkele zaken goed van elkaar onderscheiden.

Er is namelijk enerzijds het opzien naar alles wat beter, edeler en intelligenter is, en dat is dus een beweging van beneden naar boven, terwijl er tegelijkertijd in het denken een beweging is van boven naar beneden. In het denken stelt men zich op dat hogere en edeler standpunt om van daaruit aan de gang te gaan. Daardoor verschijnt de gehele realiteit in het licht van dat hogere en edele, met als dramatisch gevolg dat die realiteit vertekend wordt, verwrongen tot een zaak die hij helemaal niet is. Men verbeeldt zich slechts dat die zaak zo is, en men handelt daar automatisch naar. Die handelingen zijn dus wezenlijk een slag in de lucht, die toevallig wel eens raak kan zijn, maar doorgaans verkeerd uitpakt. In de westerse cultuur gaat het om naakte macht. De kiem daarvoor lag al klaar in de oude Germaanse wereld. Opmerkelijk voor die wereld is dat men de helden uit de sagen van beneden naar boven besefte: het waren mensen die door hun voortreffelijke eigenschappen of door de voorzienigheid omhoog gestuwd werden, boven de gewone mensen uit. Vanuit die hoge positie verrichtten zij dan hun edele daden die tevens strijd tegen het kwade betekenden.

Het karakter van onze huidige westerse wereld is nog precies zo. Voor een belangrijk deel spiegelt onze democratie deze beweging van beneden naar boven af. Nu viel destijds de christelijke godsdienst, wat zijn machtsstreven betreft, in een vruchtbare bodem. De christenen kwamen aantoonbaar - volgens de toenmalige begrippen - met de machtigste god. Deze god voerde zijn heerschappij niet slechts over een deelgebied van de werkelijkheid (het weer, de oorlog, de gezondheid en dergelijke), maar over de gehťle werkelijkheid. Hij was alom tegenwoordig en regeerde het totale ondermaanse. De oude Griekse cultuur echter, als culminatiepunt van de gehele oudheid, stond daar lijnrecht tegenover. Je kunt dat nog begrijpen uit de Ilias van Homeros. De held Achilles bijvoorbeeld was van goddelijke oorsprong; hij was de zoon van Thetis die een nimf was en dus een godin. De Griekse held werd kennelijk niet van beneden naar boven beseft, maar van boven, vanuit het edele, naar beneden. Het bij een dergelijk besef behorende denken bewoog zich van beneden naar boven. Alle waardeoordelen werden vanuit de natuur en de mens gedacht. De beoordeling van de mens vond zijn uitgangspunt in de mens en niet in een hoger principe. Dienovereenkomstig dacht men de mens als uitlopend in het eeuwige, het zogenaamd goddelijke, in feite het geheel dat de werkelijkheid is. In de oudheid kon je dan ook zien dat de heersers van goddelijke komaf waren en dat iedereen zich naar die zaak toedacht. Men dacht zich als een zaak die uiteindelijk in dat goddelijke zijn bestemming zou vinden. De restanten van dat denken vinden wij nog in de zogenaamde evangeliŽn. Kenmerkend daarin is dat de mensen uitdrukkelijk niet veroordeeld worden, niet gebukt gaan onder zonde en schuld. De Zoon van de mens - wij noemen hem Jezus - was van goddelijke komaf (besef), maar zijn denken was van beneden naar boven. In het latere Romeinse christendom lag dat precies andersom: Christus werd als naar boven verheven beseft (opstanding en Hemelvaart), maar diens leer is van boven naar beneden. In die leer fungeert hij nog steeds als middelaar tussen god en de mensen. Die mensen zijn per definitie zondig en schuldig. In het kort gezegd: 1) het westerse denken, met de daarbij behorende waardeoordelen, geschiedt van boven naar beneden, en het denken van de oudheid vormde zijn waardeoordelen van beneden naar boven. En 2) in het westerse besef wordt alles naar boven toe geprojecteerd, terwijl in het antieke besef alle verschijnselen, inclusief de mens, naar beneden toe verkleind werden tot een microkosmos. De noodzakelijke onderscheiding ligt dus bij het begrip het besef en het begrip het denken. In de oudheid drukten de mensen hun besef uit in beelden. Dat waren beelden uit en van het goddelijke, feitelijk natuurlijk uitdrukkingen van de werkelijkheid als beeld. Uiteraard werd die werkelijkheid aan de voorstelling afgelezen en uitgedrukt in voorstellingen met een beeldend karakter. Het ging echter niet om de voorstelling, maar dat is, te beginnen met de Romeinse cultuur, in de westerse wereld precies andersom komen te liggen. De Christelijke god dankt zijn aanvaardbaarheid juist aan zijn (vermeende) concrete bestaan.

No. 107

gelijkwaardigheid-1gelijkwaardigheid-2gelijkwaardigheid-3 ; Maagd-1†† Maagd-2†† Maagd-3, nrs. 141,142 en 143

Het is opvallend dat je vrijwel nooit een denker tegenkomt die in de gaten heeft dat de werkelijke geschiedenis van de mensheid een geheel andere is dan de feitelijke. Wat dit laatste betreft, de hedendaagse studie van de geschiedenis staat op een aanzienlijk hoger plan dan enkele tientallen jaren geleden. Men heeft veel meer oog gekregen voor de geschiedenis van het dagelijkse leven. Ook is de bronnenstudie veel intensiever, mede door het feit dat men is gaan inzien dat juist simpele overblijfselen uit vroeger tijden, zoals brieven van gewone mensen, zakelijke overeenkomsten, doktersrekeningen, enzovoort, veel meer te zeggen hebben dan voorheen werd aangenomen. De aandacht van de moderne historici is verlegd van de handelingen van de culturele en politieke bovenlaag en het louter causale verband tussen die handelingen (voornamelijk betrekking hebbend op machtsstrijd) naar het dagelijkse leven van de gewone mensen. Dat hangt samen met het tegenwoordig groeiende besef dat enerzijds de bovenlaag helemaal niet zo bepalend voor de verschillende culturen is en anderzijds dat het zogenaamde volk wel degelijk uit een verzameling individuen bestaat. Ondanks die indringender benadering van de geschiedenis, ook wat betreft de cultuurgeschiedenis, is het een zeldzaamheid als een onderzoeker de feitelijke geschiedenis beschouwt als het tastbare resultaat van een veel dieper liggend proces, namelijk de ontwikkeling van het zelfbewustzijn. Maar als je dat wel doet, dan ontdek je dat er ten tijde van het begin van onze jaartelling een bijzonder belangrijke omslag in de geschiedenis geweest is. Die omslag vond plaats nadat de culturen van de oudheid in de Griekse cultuur hun bekroning hadden gevonden, enerzijds verbeeld in de godin Afrodite en anderzijds verwoord in gnostische geschriften als de EvangeliŽn. Doorgaans worden deze geschriften ten onrechte in de historische lijn van de Joodse cultuur geplaatst en dus gezien als een sublimering van die cultuur. In werkelijkheid zijn zij Grieks en houden als zodanig veel mťťr in dan alleen maar het joodse cultuurmoment. Het cultuurbeeld van de maagd met het kind bijvoorbeeld is helemaal niet joods maar van oorsprong Indisch. De omslag in de cultuur kwam historisch voor de dag in de strijd van de Romeinen tegen de volkeren van Griekenland en Klein-AziŽ. Voor deze laatste volkeren was de rol die het bewustzijn speelde kenmerkend, in tegenstelling tot de Romeinen. Bij hen begon het zelfbewustzijn dominant te worden. Let wel, het gaat nu om de rol die beide begrippen spelen. Uiteraard gold voor de mensen uit de oudheid ook het begrip zelfbewustzijn. Maar het speelde een andere rol. De inhoud ervan, de voorstelling dus, werd in de oudheid voornamelijk bepaald door verbeeldingen, die gegrond waren op datgene dat vanuit de werkelijkheid als beeld doorstraalde. Die verbeeldingen zijn te omschrijven als in denkbeelden uitgedrukte kennis omtrent de werkelijkheid. Dat leidde tot mythische verhalen die uitdrukking gaven aan de werkelijkheid als beeld, en dus aan de echte werkelijkheid achter de dingen. Te beginnen met de late Grieken en de Romeinen begon het zelfbewustzijn te domineren, zich vertonend als gericht zijn op de voorstelling. Dat wat die te zien gaf werd de maat en dat is tegenwoordig nog steeds zo. Nu bevat de voorstelling een verzameling (het begrip totaal) werkelijkheden en dat leidt ertoe dat men overging tot het maken van onderscheid tussen het een en het ander. Daarmee begint de analyse en deze is onverschillig voor dat wat van de werkelijkheid als beeld zichtbaar is. Het gaat nu om de feiten en voortaan wordt alle kennis uitgedrukt in formules - niet langer in beelden.

Dat is aan het christendom goed waar te nemen, alles wordt voorgesteld als een feitelijkheid: Christus heeft echt geleefd, de wonderen zijn echt verricht, hij is werkelijk opgestaan en ten hemel gevaren, enzovoort. En de werkelijkheid wordt steeds meer beschreven in formules, zoals je bij de moderne wetenschap kunt zien. Zoals ik al eerder heb opgemerkt is de moderne wetenschap eigenlijk niets anders dan onderzoek van de voorstelling. Bij een dergelijk onderzoek behoort de eis dat alle kennis aantoonbaar en bewijsbaar (aanwijsbaar) juist moet zijn. Als dat niet mogelijk is, dan geeft men er in de godsdienst een draai aan door ofwel te beweren dat een bepaalde gebeurtenis op een wonder berust, ofwel door de mensen op straffe van hel en verdoemenis te dwingen geloof aan de zaak te hechten. De door mij bedoelde omslag is bepaald niet zonder geschiedkundige gevolgen gebleven. In de voor de omslag liggende oude wereld leefden de mensen in een geheel andere verhouding tot de werkelijkheid dan erna. Voor de omslag was de verhouding reŽel; men hield zich bezig met de echte werkelijkheid zoals die als bewustzijn voor de mens geldig is. De kennis daaromtrent werd weliswaar uitgedrukt in mythische beelden en men onderging religieuze gevoelens, maar dat alles had toch betrekking op de waarheid. Het is waar dat je met een dergelijke waarheid niet zo goed kunt overleven, maar intussen blijft het een feit dat je niet in een fictie leeft. Dat werd na de omslag heel anders zodat de mensheid gaandeweg dieper in de fictie weg ging zakken. De door gestraalde werkelijkheid werd steeds meer onbetrouwbaar en subjectief gevonden, terwijl daarentegen de werkelijkheid zoals ze wezenlijk niet is, namelijk de werkelijkheid als voorstelling, voor de enig ware werd aangezien. De waarheid was voortaan niet meer de maat, maar het concrete, aanwijsbare bestaan. De Romeinen begonnen dan ook met bijvoorbeeld het vervaardigen van gelijkende individuele portretten in plaats van uitdrukkingen van het wezen en het was Pilatus, de Romein, die zich met betrekking tot het denkbeeld van De zoon van de mens (Jezus) afvroeg: wat is waarheid? Er is geen symmetrie tussen de cultuur van de oudheid en die van de nieuwe tijd of, anders gezegd: er is geen gelijkwaardigheid. De mensen uit de oudheid hadden betrekkelijk weinig kennis maar hadden een juist inzicht in de werkelijkheid - die van de nieuwe tijd hebben veel kennis maar wťten nauwelijks iets... De werkelijkheid als voorstelling levert een fictie op, niet omdat die voorstelling fout zou zijn, maar omdat een voorstelling, al is hij nog zo getrouw, de werkelijkheid niet is. De voorstelling is niet de zaak zelf. Precies zoals een satellietfoto van Nederland ondanks zijn betrouwbaarheid toch Nederland niet is. Al eerder heb ik er op gewezen dat de voorstelling zijn waarheid vindt bij de werkelijkheid als beeld en het is uitgesloten die waarheid aan iets anders te ontlenen. Dat wil evenwel niet zeggen dat men qua voorstelling met onzin genoegen zou kunnen nemen. De westerse mens doet dat dan ook niet. Maar ondanks het feit dat de kennis omtrent de werkelijkheid als voorstelling inmiddels gigantisch gegroeid is blijven wij toch zitten met een zaak die niet is zoals de werkelijkheid echt is. Een goede illustratie hiervan vind je in de architectuur en dan speciaal bij de stedenbouw.

Vergelijk je een oud stadje als Brugge met het moderne Rotterdam, dan zie je dat in het eerste geval de bebouwing en de plattegrond ontstaan zijn vanuit het concrete dagelijkse leven van de individuele mens, met zijn behoeften, verlangens en ook ijdelheden, terwijl in het tweede geval te spreken is van een van bovenaf bedachte zaak die met behulp van allerlei modieuze theorieŽn gerealiseerd wordt. Was de inspirerende gedachte vroeger Ik moet een goed huis hebben, thans gaat men uit van wij gaan een stad ontwerpen, een Manhattan aan de Maas, geheel volgens de gangbare theorie en mode. Het resultaat is geen leefbare stad maar een blokkendoos.

Bladwijzers: gelijkwaardigheid-1gelijkwaardigheid-2gelijkwaardigheid-3 ; Maagd-1†† Maagd-2†† Maagd-3, nrs. 141,142 en 143

No. 108

Bladwijzers: Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8

Het hoofdthema waarmee we op het ogenblik bezig zijn is de werkelijkheid als bewustzijn, en in dat verband heb ik er op gewezen dat de mensen uit de oudheid gericht waren op het bewustzijn en er een veel grotere aandacht voor hadden dan in onze cultuur het geval is. De woorden gericht zijn op en aandacht hebben voor zijn eigenlijk niet goed, omdat zij suggereren dat de mensen van de oudheid geweten zouden hebben hoe het zit en daardoor heel zelfbewust met die werkelijkheid bezig waren. Dat echter was niet zo. Het ging allemaal heel intuÔtief en kinderlijk. Het bedrieglijke zit hierin dat wij, achteraf, letten op die dingen die voor ons de hoogtepunten zijn. Wij doen dat omdat wij vanuit onze cultuur van bovenaf denken. We herinneren ons dat het begrip bewustzijn betrekking heeft op de werkelijkheid als totaaltrilling, waaraan enerzijds te bedenken valt dat dit een verzameling van alle mogelijke trillingen is - zich manifesterend als levend-zijn - en anderzijds dat het een ondeelbaar geheel is: het bewustzijn. Op zichzelf is in het bewustzijn niets aanwijsbaar, slechts via de voorstelling wordt het bewustzijn, op de wijze van een beeld, kenbaar. Bovendien is het bewustzijn nergens te lokaliseren, noch in het zenuwgestel, noch in het brein. Het is een trillingsverhouding die in principe voor alle cellen geldt en die zich dus in het gehele lichaam gelden laat. Dit staat in tegenstelling tot het zelfbewustzijn dat inderdaad wel in het brein te lokaliseren is. Dat vertoont zich dan ook als een netwerk van aanwijsbare verbindingen, ruw gezegd, het zenuwstelsel. Ook is er dit verschil dat de inhoudt van het zelfbewustzijn altijd een bepaalde werkelijkheid is (voorstelling) en het bewustzijn de gehele werkelijkheid, zij het op de wijze van een trilling, omvat. De mens is het verschijnsel waarin de werkelijkheid tot weten omtrent zichzelf komt. Dat houdt in dat hij van zichzelf als de werkelijkheid weet moet hebben. Om dat te realiseren moet hij om zo te zeggen datgene in zichzelf opzoeken dat inderdaad de werkelijkheid is. Als hij dat vindt kan hij zich beroepen op objectiviteit, omdat het dan over een zaak gaat die is zoals ze is, ongeacht de persoonlijke eigenaardigheden die ieder afzonderlijk mens typeren. Objectiviteit blijkt dus gelegen te zijn binnen het geheel dat elk afzonderlijk mens is, of, met andere woorden: de objectiviteit ligt in jezelf. Dat is volstrekt in strijd met de in onze cultuur gangbare normen. Volgens ons cultuur denken ligt de objectiviteit in de buitenwereld, de wereld van de aanwijsbare, onderzoekbare en meetbare verschijnselen. Alles wat je omtrent die buitenwereld opmerkt kan aan anderen aangewezen worden en bijgevolg kunnen je opmerkingen, je uitspraken, aan die buitenwereld getoetst worden. Als die toetsing positief uitvalt heb je volgens dat denken een objectieve uitspraak gedaan, dat wil zeggen: een uitspraak ongeacht je persoonlijke eigenaardigheden zoals daar zijn je wensen en verlangens, je goed- of afkeuring en je denkbeelden over de werkelijkheid. Maar, is een dergelijke objectiviteit werkelijk objectief? Je hebt hem ontleend aan je eigen voorstelling en hem vervolgens als objectief gekwalificeerd omdat gebleken is dat de meerderheid van de andere mensen er net zo over denkt.

Je zogenaamde objectiviteit berust dus op een overeenstemming van jouw eigen voorstelling met die van anderen. Al die voorstellingen echter - al zijn ze bij gelegenheid nog zo juist - betreffen niet de echte werkelijkheid, maar zijn slechts een betrekkelijk onnauwkeurig afschrift daarvan. Welbeschouwd is er dus helemaal niet van objectiviteit te spreken, doch slechts van een overeenstemmende subjectiviteit. Ondanks alle overeenstemming is en blijft dat toch iets subjectiefs, waarvan bij voorbaat al met zekerheid te zeggen is dat het geen betrekking heeft op de werkelijkheid. De waarheid van de zogenaamd objectieve uitspraken omtrent de werkelijkheid wordt gerechtvaardigd door de hoeveelheid overeenkomstige meningen. En die zijn allemaal gebaseerd op de werkelijkheid als voorstelling, voor zover die in de afzonderlijke mensen, als regel door conditioneringen, een overeenkomstig grondpatroon heeft. Werkelijk objectief zijn uitspraken die zo helder mogelijk uitdrukken hoe het zit met de werkelijkheid. Maar die uitspraken kunnen noodzakelijk nergens anders aan ontleend worden dan aan het bewustzijn voor zover dat als beeldt doorstraalt door de voorstelling heen. Uitspraken dus die betrekking hebben op de werkelijkheid achter de dingen. Die werkelijkheid zelf is niet aan te wijzen en bijgevolg is het onmogelijk om aan iemand anders te bewijzen hoe het met die werkelijkheid zit. De zaak is niet overdraagbaar. Daarmee vervalt voor modern denken elke betrouwbaarheid. Men is dan ook van mening dat een (filosofisch) denken dat zich op dat terrein beweegt speculatief van karakter is en daardoor gerekend moet worden tot de subjectieve meningen die ons geen houdbare kennis omtrent de werkelijkheid kunnen bezorgen. Precies de omgekeerde wereld! De beschrijving van de echte werkelijkheid, en dus eigenlijk de beschrijving die de filosofie zou behoren te geven, kan alleen maar geschieden in de vorm van het verhaal. Het kenmerkende van een verhaal is dat het melding maakt van een aantal samenhangende gebeurtenissen in de realiteit, maar dat het gaat over iets anders, iets dat op zichzelf niet aan te wijzen en onder woorden te brengen is. Het verhaal beschrijft de werkelijkheid van het bewustzijn. Het is dan ook een samenhangend geheel dat in feite geen begin en geen einde kent omdat het licht laat vallen op een bepaald aspect van de gehele werkelijkheid zonder het geheel daarvan te verbreken. De werking van zo'n verhaal is niet zodanig dat het aan iemand iets wil bewijzen of wil controleren of anderen er ook zo over denken. De werking van het verhaal is wezenlijk indirect: het maakt iets los in de lezer of toehoorder (het maakt de voorstelling tijdelijk beweeglijk) en daardoor wordt de werkelijkheid als beeld zichtbaar. Daardoor wordt dus het bewustzijn kenbaar. Voor zover dat het geval is in de toehoorder gaat zich onmiddellijk laten gelden dat de werkelijkheid als bewustzijn op trillende wijze de werkelijkheid is. Dan behoeft er niets bewezen te worden, sterker nog: er kan niets bewezen worden. Maar er is wel overeenstemming tussen diegene die het verhaal vertelt en de toehoorder. Niet omdat de verteller de toehoorder heeft weten te overtuigen, maar omdat beiden onvermijdelijk met hetzelfde bezig zijn. De filosoof vertelt - als het goed is - zijn verhaal niet omdat hij de mensen van iets wil overtuigen, of omdat hij de mensen iets wil leren of tot andere gedachten brengen, neen, hij vertelt zijn verhaal louter en alleen om de mensen ertoe te bewegen (!) zelf door hun voorstellingen heen te zien en aan de hand daarvan een reŽel inzicht in de echte werkelijkheid te krijgen. Dat inzicht is heel wat anders dan een theorie over de werkelijkheid. Een theorie behoort tot het terrein van de voorstellingen. Hij moet beantwoorden aan de normen voor toetsing en bewijsvoering en dus aan normen van overdraagbaarheid. Maar een visie, op grond van verkregen inzicht in de werkelijkheid, heeft niets met overdraagbaarheid te maken; in feite ligt de visie al in alle mensen klaar, namelijk als de werkelijkheid als beeld. Die behoeft alleen maar opgeroepen te worden door de vastgelegde voorstelling beweeglijk en dus doorzichtig te maken. Dat kan iedereen zelf doen, maar ook kan dit teweeggebracht worden door het verhaal van de kunstenaar of de filosoof.

Bladwijzers: Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ;

No.109

Filosofisch kun je niet anders dan een verhaal vertellen. Omdat er niets aan te wijzen valt is het onmogelijk om iets te bewijzen. Je kunt dat spijtig vinden, maar dat komt dan doordat wij allemaal in de traditie van het moderne denken staan en dus gericht zijn op de voorstelling. Met betrekking daartoe is er wel van allerlei te bewijzen, een theorie te ontwikkelen en de uitkomst te toetsen. De bedoeling van het filosofische verhaal is niet in de eerste plaats om een bepaalde mededeling te doen (al komt dat er wel vaak aan mťť, je kunt er inderdaad wel iets van leren), maar het is de bedoeling om iemands voorstelling beweeglijk te maken zodat die toehoorder of lezer geconfronteerd wordt met de werkelijkheid als beeld en vervolgens zelf na kan gaan hoe het daarmee zit. Je kunt filosofisch wel, doormiddel van een aantal begrippen, een beschrijving geven van het bewustzijn als zodanig, maar dan heb je nog steeds geen mededeling over de inhoud gedaan. Als je een mededeling doet licht je iets bepaalds uit het totaal. Omdat in het bewustzijn alles in alles overgaat, er geen scheidingen zijn doch slechts nuances, is er niets uit te lichten en bijgevolg zijn er geen mededelingen te doen. Als het filosofische verhaal in iemand de voorstelling beweeglijk maakt zodat het beeld zichtbaar wordt ontstaat er overeenstemming tussen de verteller en de toehoorder. Die overeenstemming berust op het feit dat het bewustzijn in een ieder dezelfde werkelijkheid is. Daardoor kan de toehoorder vertrouwen hebben in de filosofie, haar als een objectieve waarheid zien. Maar de werkelijkheid als beeld verschilt bij de een in zoverre van die bij de ander dat zij door een andere voorstelling heen straalt. Dus: dezelfde werkelijkheid straalt op een telkens andere wijze door bij de verschillende mensen. Zij doet zich dus in een andere context, een andere sfeer gelden. En ook dat is een reden om te stellen dat de filosofie letterlijk niets bewijzen kan... Eigenlijk heeft het filosofische verhaal geen bedoeling. Het wordt verteld omdat de verteller niet na kan laten het te vertellen en niet omdat de filosoof de mensen iets wil leren of beter; iets wijs wil maken. Om twee redenen kan dat niet het geval zijn: 1) zoals in het voorgaande uiteengezet kan de filosofie in wezen niemand iets leren en 2) de wil om de mensen iets te leren is arrogant. Hij berust in de grond van de zaak op machtswil die tot uiting komt in je behoefte om anderen zodanig te vervormen dat zij aan je eigen voorstellingen gaan beantwoorden. Hoewel zo ongeveer iedereen hiermee bezig is en dat normaal vindt, is toch te stellen dat niemand het recht daartoe heeft. De mening dat men dit recht wel heeft komt voort uit het eerder door mij beschreven van bovenaf denken. Het is nu juist dat denken dat door de filosofie als misleidend ontmaskerd is! Uiteraard is het zo dat mensen allerlei kunnen leren, en zelfs moeten leren, al was het alleen maar om te kunnen overleven. Het feit echter dat het voor mensen nodig is bepaalde zaken te leren mag geen rechtvaardiging zijn voor machtsuitoefening van een bovenlaag die de zaak omkeert en van daaruit bepaalt dat er geleerd moet worden en wat er geleerd moet worden. In de logica ligt het dat er bij de individuele mensen behoefte is om zich kennis, theorieŽn, methodieken en vaardigheden eigen te maken, maar niemand heeft het recht anderen zaken op te dringen, met daaraan onlosmakelijk verbonden de fundamentele (machts)wil om het leven van die anderen naar zijn hand te zetten. Je kunt je afvragen wat het nut is van het beweeglijk worden van de voorstelling en het doorstralen van het beeld. Om je staande te houden in deze wereld heb je toch vooral kennis en bekwaamheden nodig.

En dat niet alleen om zelf te overleven, maar ook om het overleven van de gehele mensheid, waarvan je afhankelijk bent, mogelijk te maken. Inzicht in de echte werkelijkheid van het bewustzijn levert geen brood op, geen onderdak, geen veiligheid op welk gebied dan ook. Wetenschappelijk en technologisch kom je geen stap verder als je je denken en je zijn baseert op de ervaringen vanuit het bewustzijn. Over het begrip arbeid zal ik nog nader spreken, maar nu kan al wel opgemerkt worden dat het tot het wezen van de mens behoort de verschijnselen om te zetten tot een menselijke werkelijkheid. Voor dat omzetten tot zichzelf, dat arbeidsproces, is de filosofie van geen enkele praktische betekenis. Maar de wetenschap en de technologie zijn dat wel. Zij zijn van betekenis op het gehele terrein van de concrete omzetting van het verschijnsel. Natuurlijk omvat het menselijk leven meer dan alleen maar wetenschap en technologie: daar zijn ook allerlei morele kwesties en kwesties van recht en beleid. Bij het oplossen van die kwesties kan de filosofie behulpzaam zijn, maar het is beslist niet zonder verklaarbare grond dat ook daarbij de filosofische inzichten stelselmatig buiten beschouwing worden gelaten. Men voelt intuÔtief aan dat de filosofie zich niet op dat terrein heeft te bewegen, want ook zaken van moraal, recht, beleid en dergelijke behoren tot het genoemde omzettingsproces. Zij zijn de abstracte kant daarvan en behoren als zodanig tot het je staande houden. Het is zelfs zo sterk dat je met recht kunt stellen dat steeds wanneer de filosofie uitspraken doet over de verschijnselenwereld, hetzij naar haar concrete, hetzij naar haar abstracte gesteldheid, de filosofie al bij voorbaat gedoemd is tot fouten te vervallen. Zij verloochent immers haar essentiŽle opgave: uitspraken te doen die, omdat het over de werkelijkheid zelve gaat, morgen ook nog waar moeten zijn. Zoals gezegd kan en mag de wereld van de verschijnselen, in ons aanwezig als (individuele) voorstelling, slechts dienen om aan een andere werkelijkheid gestalte te geven - om die werkelijkheid uitspreekbaar te maken! Nogmaals: als het bovenstaande allemaal waar is, wat moet je dan met die filosofie. Wat is de betekenis ervan voor jezelf en voor de mensheid? ( wat is filosofie )

De clou is deze, dat de verschillende dingen die in je voorstelling aanwezig zijn in zoverre veranderen dat je ze gaat zien in samenhang met elkaar. Het zijn en blijven altijd afzonderlijke inhouden van de voorstelling, onderbouwd door kennis en theorieŽn en te voorschijn gebracht door het arbeidsproces (niet te verwarren met het ons bekende, in essentie op machtspolitiek berustende, arbeidsproces!), maar door de spiegeling met het bewustzijn komen die afzonderlijke inhouden op hun plaats te liggen. We moeten die samenhang echter niet verwarren met het netwerk van relaties dat tussen genoemde inhouden aanwezig is. Die relaties zijn in ons zelfbewustzijn vastgelegd, afhankelijk van de verbindingen die wij zelf tussen het een en het ander tot stand gebracht hebben. Nu evenwel gaat het om iets beweeglijks. Op grond daarvan verliest het op zichzelf staan van de dingen zijn betekenis. Het blijft uiteraard wel gelden, maar voor een bewust mens gaat het daar niet meer om. Het gaat er letterlijk om de afzonderlijke dingen binnen de context van het geheel te zien, en daarnaar te handelen. Het behandelen van de afzonderlijke dingen binnen de context van het geheel is van levensbelang voor onszelf en voor de mensheid. Aan onze huidige wereld kun je zien wat er van het leven terechtkomt wanneer een dergelijke behandeling ontbreekt, omdat de cultuur in het teken van de analyse staat. Enerzijds levert dat een grote hoeveelheid bruikbare kennis op, maar anderzijds leidt het tot vernietiging van het leven. Dat laatste manifesteert zich al in de bijna niet meer te keren milieuramp die zich aan het voltrekken is.

Van bovenaf denken: zie A(79) , B(105t/m109) , C(113) , D(129t/m130) , E(136) , F(145) ;

No.110†††

Bladwijzers:Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-8 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144)

 

Het filosofische verhaal is niet overdraagbaar, je kunt de mensen niet leren filosofisch te zijn. Dat komt doordat het filosofische verhaal en de beschrijvingen die je over de werkelijkheid doet morgen ook nog waar moeten zijn. Juist daardoor is de zaak niet in een leerprogramma onder te brengen. Die constatering heeft iets weg van een paradox: je zou zeggen dat filosofische uitspraken zich juist uitstekend lenen om aan anderen overgedragen te worden, in tegenstelling tot de wetenschappelijke, die immers zťker morgen niet meer (geheel) waar zullen blijken te zijn. Het overdragen van kennis berust in feite op het vastleggen in iemands brein van bepaalde kennis. Die kennis wordt dan ingepast in iemands voorstelling, in wezen door een proces van conditioneren. Dat inpassen in de voorstelling gelukt niet altijd; als iemands voorstelling te ver afwijkt van of te weinig gedetailleerd is om de nieuwe informatie te verwerken mislukt het overdragen. Hoe dan ook, het gaat er om dat het overdragen een zaak van vastleggen is, inderdaad tijdelijk van karakter, maar toch: vastleggen. Zelf speel je geen rol in dat leerproces, dat wil zeggen: de werkelijkheid die essentieel voor je is, namelijk het bewustzijn, doet in het geheel niet mee. Het is zelfs mogelijk om leerstof op te nemen die je helemaal niet ligt of die geen enkele verwantschap vertoont met de echte werkelijkheid. Je onthoudt zo goed mogelijk die leerstof om er straks iets mee te kunnen doen, bijvoorbeeld slagen voor een tentamen. In de filosofie gaat het daarentegen juist niet om vastleggen, maar om beweeglijk maken. Eigenlijk gaat het dus om het in twijfel trekken van de bestaande voorstelling. Daarin ben je wel degelijk zelf betrokken, want het gaat nu om je eigen essentiŽle werkelijkheid. Datgene dat daardoor kenbaar wordt is op zichzelf niet in woorden uit te drukken en bijgevolg is dat niet overdraagbaar. De verhouding ligt zo, dat de essentie van het verhaal morgen onverminderd waar is, maar dat de voor dat verhaal benodigde voorstellingen morgen zťker niet meer waar zullen zijn. De voorstellingen van bijvoorbeeld Plato van zo ongeveer 400 voor onze jaartelling zijn al lang achterhaald, maar de essentie van zijn verhaal houdt de mensen nog steeds bezig, hoewel opgemerkt moet worden dat dit doorgaans ook niet verder gaat dan een analyse van zijn voorstellingen. Precies datgene waarom het niet gaat!

Toch kan de filosoof de mensen bewegen om de werkelijkheid op filosofische wijze te benaderen. Dat doet hij doormiddel van een verhaal dat de mensen iets te zeggen heeft, een verhaal dat de mensen aan het denken zet. Het is helemaal niet bij voorbaat zeker dat dat verhaal weerklank vindt. De filosoof moet immers inspelen op het vermogen van de mensen om hun eigen voorstellingen in twijfel te trekken. Dat vermogen nu is vaak slecht ontwikkeld, vooral bij wetenschappelijk zwaar geconditioneerde toehoorders of lezers. In zo'n geval gelukt het niet twijfel te zaaien... Bovendien kunnen de persoon van de verteller en de wijze waarop het verhaal verteld wordt (het taalgebruik) weerstand bij de toehoorder of lezer opwekken. Het is dus eigenlijk een soort van gevoelszaak, een zaak van weerklank vinden, en helemaal niet een kwestie van overtuigen, bewijzen of op onpersoonlijke wijze overdragen. Het nut van de filosofie is naar twee kanten te bepalen, ten eerste het nut voor jezelf en ten tweede het nut voor de mensheid. Wat het eerste betreft: je komt ten aanzien van de dingen in het leven sterker in de schoenen te staan. In de filosofie, bijvoorbeeld bij de StoÔcijnen en bij Confucius, wordt dat doorgaans begrepen als het streven om onaandoenlijk te zijn. Je moet zover zien te komen dat je niet meer aangedaan wordt door vreugde of smart. Dat echter heeft niets met de zaak te maken. Een op zijn eigen essentie gericht mens is juist ten volle aandoenlijk, gevoelig voor de wisselvalligheden van het leven. Maar, hij ziet in dat die onvermijdelijk zijn en dat geeft hem de kracht er overheen te komen.

Het begrip onaandoenlijkheid echter houdt in dat men zich afsluit voor vreugde en smart en louter de eigen vastgelegde voorstelling als de maat neemt. Die voorstelling laat de beweging van het aandoenlijke niet toe. Maar sterk in je schoenen staan houdt dus een grote ontvankelijkheid in en tegelijk het vermogen om de aandoeningen van het leven op heldere en evenwichtige wijze te verwerken. Wat het tweede betreft: de verschijnselen, aanwezig in de buitenwereld en in de voorstelling, komen op hun plaats te liggen zodat je er niet meer tegenaan kijkt als een warwinkel. Verder verliezen al die verschijnselen hun aparte karakter en komen onderling in samenhang, en tenslotte treedt er ook nog dit op dat de verschijnselen en de voorstellingen doorzichtiger worden zodat zij gemakkelijker te begrijpen zijn. Dit is voor de mensheid van grote betekenis omdat al het gedoe dan zin en betekenis gaat krijgen in het licht van de werkelijkheid als geheel. Dat sluit de mogelijkheid uit van activiteiten (productie, regelgeving en dergelijke) die ter bevoordeling van enkelingen of enkele groepen ondernomen worden. Een verpauperde derde wereld is dan niet langer mogelijk... Kortom, alles wat de werkelijkheid als geheel verbreekt blijft dan achterwege. Intussen blijft het feit liggen dat deze zaak niet aan anderen te leren is. De enige factor die wat dit betreft hoopvol stemt is deze dat ieder mens een kring van medemensen om zich heen heeft die in enigerlei mate de invloed ondergaan van een dagelijks gedrag dat in het teken staat van dergelijke inzichten. Hoe groot die kring is valt met geen mogelijkheid te zeggen. Hoewel het filosofische verhaal niet zonder een voorstelling kan (ook de taal is een zaak van voorstellingen), is dus toch te stellen dat het niet om zo'n voorstelling gaat en dat er niets via een leerproces over te dragen valt. Naar aanleiding daarvan kun je je afvragen hoe de wisselwerking tussen de verteller en de toehoorder in zijn werk gaat. Om op die vraag een antwoord te vinden moet je bedenken dat het cruciale punt in de hele zaak de beweeglijke werkelijkheid is. Als die werkelijkheid in jezelf effectief wordt kan het psychische uit de voeten. Dat wil zeggen: de werkelijkheid als materie, die je uiteraard zelf bent, kan gaan mťťtrillen met de totaaltrilling die het bewustzijn is. Wat dan optreedt, is het psychische, de werkelijkheid als gevoel. En het is dat gevoel dat weerklank vindt bij de werkelijkheid achter de dingen, zoals die door de filosoof verteld wordt. Niet voor niets zeggen de mensen vaak dat zij in een dergelijk geval op dezelfde golflengte zitten. Het weerklank vinden van het filosofische verhaal wordt veroorzaakt door het psychische, de werkelijkheid als gevoel. Die werkelijkheid is aan de verschijning van elk mens, aan de persoon, af te lezen. Dat is dus een zaak van meetrillen, precies zoals muziekinstrumenten met elkaar kunnen meetrillen. De mogelijkheid van meetrillen is gelegen in het feit dat de trillingsbron, namelijk de totaaltrilling, voor een ieder dezelfde is. Zou dat niet het geval zijn, de filosofie en de kunst zouden onmogelijk zijn, de mensheid zou die fenomenen helemaal niet kennen. Bovendien zou het dan eerst recht onmogelijk zijn om ooit te achterhalen wat de waarheid omtrent de werkelijkheid is. De werkelijkheid als gevoel is geheel iets anders dan het feit dat wij emoties en sentimenten kennen. Ik zal daarover, in verband met het begrip psyche, nog uitweiden. In ieder geval is nu reeds te zeggen dat emoties en sentimenten betrekking hebben op verschillen tussen onze eigen voorstellingen en de realiteit. Zij behoren dus tot het terrein van het zelfbewustzijn en zijn als zodanig precies het andere van het gevoel.

Bladwijzers: Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ;

No. 111†††

Bladwijzers: Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; Spanningen-1 ;Spanningen-2 ;

Het weerklank vinden van het filosofische verhaal is geen intellectuele zaak, maar een zaak van het psychische. Dat wil zeggen dat door het filosofische verhaal het materiŽle verschijnsel, het lichaam, mee gaat trillen met de totaaltrilling die het bewustzijn is. Als we het over het psychische hebben gaat het over de werkelijkheid als gevoel. Ik gebruik hier twee uitdrukkingen voor dezelfde zaak; de eerste heeft betrekking op datgene dat er gebeurt en de tweede op datgene dat wij op de een of andere manier kennen, bij onszelf waarnemen. De tweede uitdrukking, namelijk het begrip gevoel, geeft volop aanleiding tot misverstanden, gewoonlijk veroorzaakt door het feit dat wij het gevoelt beschouwen als het complex van gevoelens, dat zich bij alle mogelijke gelegenheden in ons doet gelden. Het gevoel is dan een verzamelnaam voor verschillende afzonderlijke gevoelens. De werkelijkheid als gevoel is echter geheel iets anders dan het complex van gevoelens. Je zou je kunnen afvragen of het, met het oog op genoemde misverstanden, niet beter is uitsluitend de uitdrukkingen psychisch en meetrillen te gebruiken en de uitdrukking gevoel te reserveren voor het complex van gevoelens. Daartegen bestaat echter een filosofisch bezwaar, en dat is hierin gelegen dat eerstgenoemde uitdrukkingen een intellectueel karakter hebben en eigenlijk min of meer bedacht zijn. Daardoor spreken zij nauwelijks aan en blijven in sterke mate in de sfeer van het overdraagbare liggen: je kunt ze overnemen en onderdeel maken van een leerproces zonder er hoe dan ook bij betrokken te zijn, zonder te beseffen dat het gaat om verhoudingen in de werkelijkheid die voor jezelf van essentiŽle betekenis zijn. Zou je dergelijke uitdrukkingen handhaven en ze niet, ondanks het risico van misverstanden, vertalen naar je eigen lichaam en leven, dan zou je de belangrijkste factor bij het weerklank vinden van het filosofische verhaal verwaarlozen. Je moet de filosofie om zo te zeggen tot in je botten meevoelen. Is dat niet het geval, dan blijft het bij het overdragen van de filosofische voorstelling (de taal), en bijgevolg bij een steriele intellectuele zaak waarvoor je in wezen onverschillig kunt zijn. Precies zoals dat bij de wetenschappelijke kennis het geval is.

Het zijn vooral de moderne filosofen geweest die getracht hebben van de filosofie een wetenschap te maken en die zich beijverd hebben in de filosofie een wetenschappelijk eenduidig taalgebruik in te voeren. Gevolg is dat de filosofie de mensen niets meer te zeggen heeft, behalve dit dat zij zich aardig is gaan lenen voor academische proefschriften. Die rampzalige ontwikkeling is dus te wijten aan het uitschakelen van de gevoelswerking, het psychische dat nu juist de enige weg is voor de filosofie om weerklank te vinden. De rekensom, die in zekere zin het skelet van het filosofische verhaal is, blijft op zichzelf buiten je leven, raakt je niet en brengt niets in je teweeg. Hij kan slechts opgenomen en vastgelegd worden in je voorstelling. Maar het ging er in de filosofie nu juist om door die voorstelling heen te gaan en werkelijk bij jezelf als bewustzijn terecht te komen! Eigenlijk is de filosofische rekensom een leugen, voornamelijk omdat het filosoferen in jezelf zo niet gaat. Het is geen steriele zaak. De rekensom is een (vastgelegd) resultaat van het denken zelf, en al is die rekensom nog zo foutloos, toch is hij een betrekkelijk onzuivere verwoording van de waarheid. Als zodanig ontkent hij het beweeglijke karakter van het filosoferen en dat leidt tot een bloedeloze filosofie. Daarom moet in de filosofie de nadruk liggen op al datgene dat wij aan onszelf en aan de werkelijkheid ervaren.

En zo ervaren wij wel de werkelijkheid als gevoel, maar niet die van de psyche of van het meetrillen. Vertalen wij dus het meetrillen, oftewel het psychische, als de werkelijkheid als gevoel, dan zitten wij meteen al met een moeilijkheid. Omdat in onze cultuur het bewustzijn en dus ook het psychische taboe zijn kennen wij de werkelijkheid als gevoel nauwelijks. Wat wij wel kennen is een groot aantal gevoelens. Deze echter zijn geen meetrillen met het bewustzijn, maar zij behoren tot het terrein van het zelfbewustzijn. Ze zijn dan ook met name te noemen en je kunt er een lijst van opstellen. Als je dat eens goed in jezelf nagaat zul je ontdekken dat die gevoelens ervaringen zijn van spanningen tussen je eigen voorstelling van de werkelijkheid en de realiteit waarmee je geconfronteerd wordt. Gevoelens berusten dus op confrontaties met de buitenwereld, en wel zodanig dat die buitenwereld niet overeenstemt met je verwachtingen die op je voorstelling berusten. Je stelt je de realiteit anders voor dan hij is. Het geldt echter niet alleen maar ten aanzien van de buitenwereld: ook je voorstelling van jezelf kan op gespannen voet staan met je eigen realiteit. Hoe dan ook, bij gevoelens gaat het steeds om een spanningsveld tussen de voorstelling en de realiteit. Dat spanningsveld kan zowel negatief als positief zijn, het kan meevallen en tegenvallen en dat levert bijvoorbeeld een gevoel van verdriet op of een gevoel van blijdschap. Het spreekt vanzelf dat lang niet alle gevoelens even goed thuis te brengen zijn. Vaak kom je er niet achter waarom en hoe je iets voelt. In de psychologie zoekt men in probleemgevallen de herkomst van die mysterieuze gevoelens uit. Men probeert ze weer in je herinnering terug te brengen. Maar, let op. De gangbare mening is dat men zich bezig houdt met de psyche. Dat echter is, zoals uit het bovenstaande blijken zal, geenszins het geval.

Uit het feit dat men het onderzoek van de menselijke gevoelens psychologie noemt blijkt weer eens temeer dat men er geen notie van heeft wat de psyche en het zelfbewustzijn nu eigenlijk zijn. De psychologie en de psychoanalyse houden zich met verdrongen en vergeten gevoelens bezig, proberen het oorspronkelijke spanningsveld tussen voorstelling en realiteit te reconstrueren en langs die weg eventuele problemen uit de weg te ruimen. Dat heeft op zichzelf niets met de werkelijkheid als gevoel te maken. In de werkelijkheid als psyche voelt de levende werkelijkheid zichzelf aan. Dat heeft niets met een spanningsveld, op grond van een tegenstelling, te maken. Het berust juist op een overeenkomst. Je trilt immers lichamelijk mee met jezelf als bewustzijn! Dat laatste is geen werkelijkheid van van elkaar onderscheiden gebeurtenissen, maar je zou het een zijns-toestand kunnen noemen. De moeilijkheid om hierin filosofisch inzicht te krijgen is helaas deze dat er nauwelijks voorbeelden van psychische toestanden zijn te geven. Dat komt doordat het psychische zelfbewust ervaren wordt en zich daardoor manifesteert in de vorm van bepaalde gevoelens. Bij het beluisteren van muziek bijvoorbeeld ga je meetrillen met de werkelijkheid van die muziek. Dat is de psychische kant van de zaak. Maar dat meetrillen, kan in jezelf tot bepaalde gevoelens leiden: begeestering, droefheid, vreugde, enzovoort. Die gevoelens zijn echter niet bepalend, we weten waarschijnlijk allemaal dat een zelfde muziekje niet steeds dezelfde gevoelens teweegbrengt. Soms brengt het niets teweeg, terwijl er toch een psychische weerklank aanwezig is. Jen kunt je zelfs afvragen of bepaalde gevoelens niet als een rem werken op het werkelijk ondergaan van muziek. Hoe dan ook, in dit voorbeeld gaat het psychische aan de gevoelens vooraf. Omdat het psychische een meetrillen van het materiŽle verschijnsel is, is het af te lezen aan dat verschijnsel. Dat aflezen leidt tot bepaalde gevoelens, maar die moeten onderscheiden worden van datgene dat af te lezen was. Het maken van dit onderscheid is essentieel voor het inzicht in het begrip psyche.

Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; ; Spanningen-1 ;Spanningen-2 ;Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144)

No. 112

Spanningen-1 ;Spanningen-2 ;Ziel-1 ; Ziel-2

Het psychische wordt door sommigen, bijvoorbeeld de Hegeliaanse filosoof Bolland (1854-1922), ook wel het zielige genoemd. Hij verwijst daarbij naar het begrip ziel, zoals dat in het spraakgebruik voorkomt. Nu is het altijd moeilijk en zelfs gevaarlijk om termen en uitspraken van anderen te duiden, maar waarschijnlijk heeft Bolland het over de geest, die door zijn gebondenheid aan de materie niet uit de voeten zou kunnen en daardoor eigenlijk een treurige zaak zou zijn. Een voorstelling van zaken die in de dagen van Bolland tot het traditionele denken behoorde. Men gebruikte de termen ziel en geest dan ook door elkaar heen, alsof zij op dezelfde verhoudingen in de werkelijkheid gegrond waren. Dat het psychische de in het nauw gedreven geest zou zijn berust op een denkfout. Ten eerste omdat het Ondenkbaar is dat de werkelijkheid als geest (= niet-materie) zich in het nauw laat drijven en ten tweede omdat het psychische helemaal niets met het begrip geest te maken heeft, doch met de begrippen samengestelde materie (= verschijnsel, voorwerp) en bewustzijn. Daarom gebruik ik liever de uitdrukking de werkelijkheid als gevoel, en dan in deze betekenis dat de werkelijkheid zichzelf aanvoelt. Nogmaals: het verschijnsel trilt mee met zichzelf als totaaltrilling, en dus met zichzelf als bewustzijn, ongeveer zoals de viool als klankkast meetrilt met de viool als trillende snaar. Het is dus een zaak binnen het verschijnsel zelf, in wezen voortkomend uit de trilling die in elke bouwsteen afzonderlijk aanwezig is en die in het levende verschijnsel, door het ontstaan van een zekere samenhang in dat verschijnsel, tot een totaaltrilling komt. Die laat zich op twee manieren gelden, namelijk als levend-zijn en als bewust-zijn. En deze laatste verhouding geeft aanleiding tot meetrillen en dus tot het psychische. Zoals gezegd laat het psychische zich nauwelijks door voorbeelden verduidelijken, maar wellicht komen wij dichter bij huis als wij, bij de mens, denken aan warmte, gemoedelijkheid, liefelijkheid, ontvankelijkheid en dergelijke. Al deze uitdrukkingen verwijzen wezenlijk niet naar bepaalde gevoelens, maar naar kwaliteiten van het verschijnsel, het lichaam. Omdat het gaat over het levende verschijnsel is het psychische niet beperkt tot de mens. Het geldt voor alle levende wezens. Daarbij moet opgemerkt worden dat het bij die levende wezens, uitgezonderd de mens, ook nog zo is dat het psychische onbelemmerd uit de voeten kan. Het dier heeft immers geen instantie van waaruit het zichzelf als bewustzijn kan onderdrukken. De mens heeft zo'n instantie wel: het zelfbewustzijn. Wij zullen een aantal eigenaardigheden van de dieren misschien niet zo vlug als psychisch duiden, maar toch zijn zij dat wel. Hierop berust de sympathie die wij voor bepaalde dieren, zoals de poes, voelen. Op grond van het aanvoelen van het psychische van de poes of de hond houden wij van die dieren en vinden wij ze lief. Overigens: ook bij de dieren kan het psychische verstoord zijn, maar dan vindt dat zijn oorzaak in slechte lichamelijke omstandigheden, die enerzijds veroorzaakt kunnen zijn door een slecht functionerend lichaam (ziekten) en anderzijds door uitwendige omstandigheden (geen voedsel, verwaarlozing en dergelijke). Over het algemeen wordt er door psychologen, sociologen, filosofen en ethici gedacht dat het slechte gedrag van de mensen veroorzaakt wordt door het vermeende feit dat zij nog te dicht bij de dierenwereld staan: het beest in de mens! . Maar de dierenwereld is ongehinderd psychisch, dus dat kan dat slechte gedrag niet verklaren. Wat dit betreft heb ik er al meerdere malen op gewezen dat 's mensen slechte gedrag voortkomt uit zijn zelfbewustzijn, en dus uit de verkeerde vastgelegde voorstellingen die hij koestert.

Zijn zelfbewustzijn deugt niet voor zover en zolang hij waanvoorstellingen als de maat neemt. Het niet-deugen van dat zelfbewustzijn is mogelijk omdat de mens nu eenmaal het laatste station van de wording is en op grond daarvan naar keuze ja of nee tegen de werkelijkheid kan zeggen. In de praktijk verkiest hij dan nee te zeggen omdat hij zichzelf, onvolwassen zijnde, nog steeds als een ontkenning van de natuurlijke (= geworden) werkelijkheid beschouwt. Dat houdt vanzelfsprekend ook een ontkenning en miskenning van het bewustzijn en vervolgens het psychische in. Als wij, voor het gemak, eens even het woord ziel voor het psychische gebruiken, dan is het wel aardig om te constateren dat de gehele levende natuur bezield is. Dat wil zeggen dat de mensen uit vroeger tijden, en de mensen uit zogenaamd primitieve culturen zoals die van de Indianen, het wel degelijk goed aangevoeld hebben als zij de natuur als bezield beschouwden. Wij noemen hen dan animisten. Doordat wij doorgaans alleen op de voorstellingen van die animisten letten zijn wij terecht van oordeel dat het allemaal onzin is. Letten wij echter op de oorsprong van die voorstellingen, dan blijkt dat het animisme van een juist grondbesef omtrent de werkelijkheid getuigt. Overigens: de moderne veroordeling van de animistische voorstellingen is nog weer eens de zoveelste uiting van wetenschappelijke arrogantie, want de voorstellingen die de moderne mens omtrent de werkelijkheid koestert zijn in een aantal opzichten nog onzinniger. .. Bij het dier kan het psychische in het nauw gedreven worden door een aantal inwendige en uitwendige oorzaken. Uiteraard geldt dat voor een mens ook. Ziekten en barre omstandigheden kunnen een fnuikende invloed op het psychische hebben. Maar, er is iets eigenaardigs: dat behoeft bij een mens niet het geval te zijn. Vanuit zijn zelfbewustzijn kan een mens zijn inwendige en uitwendige situatie tot op zekere hoogte ontkennen, er onverschillig voor zijn en er zogezegd mee leren leven. Omdat de mens de geworden werkelijkheid ten einde is kan hij de zaak ontkennen. Dat betekent echter ook dat een mens het vermogen heeft om zichzelf psychisch in het nauw te drijven. Het gaat nu in feite om de vraag wat de kwaliteit is van het materiŽle verschijnsel dat met de totaaltrilling meetrilt. Is er sprake van een slechte kwaliteit, dan wordt het met dat meetrillen niet veel. Wanneer derhalve de mens er toe komt om zichzelf als verschijnsel, als voorwerp, vanuit bepaalde voorstellingen in het zelfbewustzijn, te beletten op natuurlijke wijze te gelden, dan geraakt het psychische in het nauw. Het kan dan niet uit de voeten. Dat betekent in geen geval dat het meetrillende psychische dan weg is, in die zin dat het opgeheven zou zijn, maar het betekent letterlijk dat het in het nauw gedreven is. Daardoor lopen de spanningen op, net zolang tot er een uitbarsting komt. In zo'n geval kan iemand tot de meest krankzinnige en zelfs wel misdadige dingen komen. Als je je eens realiseert hoe groot in onze cultuur de druk op het lichamelijke is, zelfs nu er een aantal taboes verdwenen is, dan kun je je er met recht over verbazen dat er niet veel meer ziekelijke uitbarstingen van het in het nauw gedreven psychische zijn. En misschien zijn er wel vťťl meer. Lang niet alles komt in het nieuws. Vooral op het terrein van het seksuele, dat in belangrijke mate door het psychische getypeerd wordt, gebeuren er heel wat kleine en grote misdadigheden, meestal in de beslotenheid van de slaapkamers. Maar ook in de maatschappij zelf is een groot gemis aan warmte en gemoedelijkheid te constateren, naast een groot aantal verwrongen uitingen van innerlijke vertwijfeling. En dat alles komt voort uit de wil om de eigen natuurlijkheid en dus het eigen lichaam doormiddel van een tirannieke moraal te reglementeren, een moraal die lang niet alleen maar Christelijk is, maar die in wezen voortkomt uit het verlangen de werkelijkheid naar zijn hand te zetten...

Spanningen-1 ;Spanningen-2 ;Ziel-1 ; Ziel-2

No. 113††

Bladwijzers: Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; Van bovenaf denken: zie A(79) , B(105t/m109) , C(113) , D(129t/m130) , E(136) , F(145) ;

 

Ook bij een mens geldt het principe dat de toestand van het lichaam bepalend is voor de kwaliteit van het psychische; hoe slechter die toestand, hoe minder er van dat psychische terechtkomt. Maar, vanuit het zelfbewustzijn, kan de mens de toestand van zijn lichaam niet laten gelden, hij kan voor zichzelf doen alsof de zaak helemaal in orde was, en wel op grond van het feit dat de factor niet-materie in het begrip zelfbewustzijn meespeelt. Doorgaans is men van mening dat de mens aan de materie voorbij zou zijn en men zegt dan dat de mens een geestelijk wezen is. Die gedachte echter berust op een denkfout: men stelt de geest, in feite dus het niet-materie zijn, ten onrechte op zichzelf alsof het een zelfstandige grootheid zou zijn. En van daaruit meent men dat het lichamelijke eigenlijk maar bijzaak is. In werkelijkheid echter gaat het om een grenssituatie en daarin is het begrip niet-materie niet los te denken van het begrip materie. Het begrip niet-materie is een factor in de al eerder besproken drieslag materie, materie als niet-materie en niet-materie. Op grond daarvan kan de mens nee zeggen tegen zijn eigen lichamelijkheid. Hij kan zowel zijn gezonde als zijn Ongezonde lichamelijkheid niet laten gelden. Maar hij kan haar niet Opheffen - wat hij wel zou kunnen als de geest inderdaad iets zelfstandigs was. Het niet laten gelden van de lichamelijkheid geschiedt dus vanuit het zelfbewustzijn, en dat betekent onmiddellijk dat de dieren- en plantenwereld daartoe niet in staat zijn. Als iemand in staat is zijn ongezonde lichamelijkheid niet te laten gelden, kun je dat de positieve kant van de zaak noemen. Die blijft beperkt tot individuen. De negatieve kant echter beperkt zich niet tot het individu. Dat is het geval als er vanuit een cultuur druk op het lichamelijke wordt uitgeoefend. Dat heeft grote gevolgen voor het welzijn van de mensen en het is bepalend voor de kwaliteit van samenleving en maatschappij. Ik doel nu op het complex van taboes, de zeden, de moraal, kortom: alle reglementeringen die bepalen wat hoort en wat niet hoort. Over het algemeen zijn dat in godsdiensten gefundeerde voorschriften, en dus voorschriften die het gevolg zijn van het van bovenaf denken op grond van de als zelfstandig gestelde geest. Hierbij past een opmerking. Het zijn inderdaad de godsdiensten die met al die voorschriften komen, maar je kunt je afvragen waarom de mensen die gewoonlijk niet terzijde leggen. De oorzaak is hierin gelegen, dat de godsdiensten eigenlijk de spreekbuis zijn van het dieper liggende besef van genoemde als zelfstandig gestelde geest. De voorschriften worden opgevolgd omdat zij corresponderen met het, tot de essentie van de cultuur behorende, van bovenaf denken. Voor dat denken kan het lichamelijke niet anders dan het lagere, het minderwaardige, zijn. Het besef daarvan lag, als het over de westerse wereld gaat, al klaar in de Germaanse cultuur. En het heeft zich in de loop der tijden doorgezet, mede door de macht van de christelijke kerken, die er psychologisch heel handig gebruik van hebben gemaakt. Het blijkt echter dat niet alleen de christenen in het westen er een lichaamsontkennende moraal op na houden. Ook humanisten en atheÔsten hebben er last van. Ook zij zijn van mening dat het lichamelijke het ware niet is, en dat het geestelijke dat wel is. Freud bijvoorbeeld vond dat het seksuele zich moest veredelen tot iets geestelijks. Tot die overtuiging kwam hij nadat hij ontdekt had dat de mens een door en door seksueel wezen is en dus voortgedreven wordt door lichamelijke driften. Hij was niet zo erg ingenomen met een dergelijke lichamelijke zaak, die bovendien zo'n belangrijke rol leek te spelen.

Wat hij uiteraard niet in de gaten had was het feit dat de seksualiteit een bij uitstek psychische aangelegenheid is en dat die, in plaats van veredeld (gesublimeerd) tot iets gereglementeerd geestelijks, daarentegen juist vrijgelaten zou moeten worden. Geen wonder dat hij allerlei psychische storingen toeschreef aan door hemzelf bedachte, op zichzelf staande, individuele complexen, zoals het Oedipuscomplex, en niet aan de inwerking van lichaamsvijandige cultuuropvattingen. In feite heeft hij geprobeerd een psychologisch theoretische basis te leggen voor de mening dat het lichamelijke het ware niet is. Als je zijn achtergrond in aanmerking neemt, joods patriarchaal en geworteld in het 19e eeuwse Duitse cultuurgoed, is dat allemaal zo verwonderlijk niet. Wel is verwonderlijk dat psychoanalytici als Wilhelm Reich (1897-1957), die juist voor seksuele vrijheid pleitten, nog steeds nauwelijks erkenning hebben gevonden. Te constateren is dat over het algemeen de op het geestelijke ingestelde mensen geen aardige mensen zijn. Zij zijn doorgaans hard in hun oordeel en hebben een onuitroeibare neiging om voor anderen de dienst uit te maken. Begrippen als warmte, gemoedelijkheid, liefelijkheid en ontvankelijkheid zijn nauwelijks op hen van toepassing. En in de maatschappij is het al niet veel anders gesteld, uiteraard omdat de geestelijke types de boventoon voeren: onze wereld is bepaald niet aardig, maar juist koud, hard, lelijk en principieel. Er is een groot gemis aan het psychische, het lichamelijke wordt nog steeds volop gediskwalificeerd. Een mens knapt er niet van op als hij zichzelf als lichamelijkheid diskwalificeert. Hij belet zichzelf om psychisch te zijn, of beter gezegd: hij traumatiseert zichzelf als psyche, hij maakt er een ziekelijke zaak van. Dat leidt vaak tot lichamelijke kwalen omdat het in het nauw gedreven psychische een uitweg zoekt. Wreedheid bijvoorbeeld is er ook een uiting van en die komt vooral voor bij mensen die in een streng geestelijk keurslijf geperst zijn. Bij soldaten is dat vaak waar te nemen, vooral als zij, vanuit de hogere zaak waarvoor zij staan, menen orde op zaken te moeten stellen en daartoe volmacht hebben gekregen. Je kunt stellen dat iemand die zichzelf psychisch vrij laat een aardig mens is. Dat is dus een mens die door warmte, gemoedelijkheid, ontvankelijkheid en liefelijkheid gekenmerkt wordt. En zelfs kun je stellen dat zo iemand een mooi mens is, uiteraard niet in de modieuze betekenis, want die wordt bepaald door op stroom liggende voorstellingen. Ik bedoel eigenlijk meer in de artistieke betekenis. Dat genoemde begrippen gelden voor psychisch vrije mensen is als volgt te verklaren: het psychische is het mťťtrillen van het lichaam met het bewustzijn. Als dat het geval is hebben wij lichamelijk te maken met de afspiegeling van begrippen die voor het bewustzijn gelden. Dan geldt achtereenvolgens: warmte als manifestatie van het feit dat we qua bewustzijn te doen hebben met een voortdurend in beweging zijn (denk aan de totaaltrilling), gemoedelijkheid omdat er geen grenzen gesteld worden (er wordt niet principieel gedacht), ontvankelijkheid omdat geldt dat wezenlijk alles in het geheel opgenomen is (je kunt bij die mensen terecht) en liefelijkheid omdat de totale inhoud van het bewustzijn ineen is en er niets buitengesloten is, noch er uitspringt als zou het iets van grotere waarde zijn. En, omdat deze gehele zaak in zichzelf en met zichzelf in harmonie is kunnen wij ook zeggen dat het iets moois is. Aardige mensen stralen al deze begrippen uit en er is aan hen te bemerken dat er geen breuk door hun psyche loopt. Zij zijn dan ook in zichzelf in rust. Zij worden niet heen en weer geslingerd tussen van elkaar gescheiden tegenstellingen. Daarom heeft Wilhelm Reich gelijk als hij zegt dat seksueel vrije mensen psychisch ontspannen zijn en niet geneigd tot het autoritaire, het gewelddadige en het wrede.

Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; Van bovenaf denken: zie A(79) , B(105t/m109) , C(113) , D(129t/m130) , E(136) , F(145) ;

No. 114†††

Bladwijzers: Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

In het verband van het filosofische verhaal komt het als heel vanzelfsprekend over dat het vrij laten van het psychische leidt tot het gelden van begrippen als het gemoedelijke en dergelijke. Je vindt het logisch dat je in zo'n geval te doen hebt met aardige mensen. Toch zul je bemerken, in gesprekken met anderen die het filosofische verhaal niet begrijpen en die louter de toevallige praktijk als de maat nemen, dat er steeds geprotesteerd zal worden en dat men vindt dat het filosofische verhaal niet met de praktijk strookt. Men vindt dat het psychische helemaal niet vrijgelaten kan worden omdat het nu eenmaal niet te pas komt dat een ieder maar zijn eigen zin doet. En je zult bemerken dat je daar weinig tegenin kunt brengen, vooral als het gaat over de seksualiteit. Eigenlijk hebben die alledaags praktische mensen gelijk: het wordt een chaos als men zichzelf psychisch vrij laat. De vraag is nu hoe het te verklaren is dat de filosofische gedachtegang tot een uitkomst leidt die in strijd is met de praktijk. Daartoe moeten we die praktijk nader bekijken. De mensen uit onze cultuur denken in termen van reglementeringen en ten gevolge daarvan onderdrukken zij zichzelf als psyche. Zij weten niet beter of die onderdrukte psyche is de normale menselijke toestand. Zij beschouwen die toestand zelfs als een vorm van beschaving. De samenleving en de maatschappij zijn dan ook zodanig georganiseerd dat het psychische geen andere rol mag spelen dan die streng gereglementeerde. Als je de mensen dan voorstelt om zichzelf eens vrij te gaan laten, kunnen zij dit alleen maar zo begrijpen dat je voorstander bent van het afschaffen van de reglementen, het verbreken van de banden en het doen waar je zin in hebt. En zij voorspellen terecht dat het dan een grote janboel zou worden.

Inderdaad loopt de zaak dan uit in bandeloosheid. Dat manifesteert zich vooral op het terrein van de seksualiteit, omdat dit een levensterrein is dat helemaal afhankelijk is van het psychische. In de maatschappij en, in mindere mate, in de samenleving is het onderdrukt zijn van het psychische nog wel enigszins te verdragen, maar in de seksualiteit is het onmiddellijk frustrerend. Worden dan de reglementen doorbroken, dan krijg je te doen met een gefrustreerde seksualiteit die onbelemmerd zijn gang kan gaan. Met recht is dan te verwachten dat vrouwen, mannen en kinderen letterlijk niet meer veilig voor elkaar zijn. Tot op zekere hoogte was dat te constateren toen in de zestiger jaren een golf van zogenaamde bevrijding de westerse cultuur overspoelde: de psyche en de seksualiteit werden in feite niet vrij gelaten, maar zij werden ontregeld. Alles moest kunnen! Het begrip vrijheid houdt, binnen het kader van het moderne denken, in dat de banden verbroken zijn, dat een ieder op eigen wijze zijn gang kan gaan en met niemand rekening behoeft te houden. Men denkt namelijk wezenlijk in termen van gebondenheid en slavernij en bedenkt van daaruit dat zoiets de mens onwaardig is. Het resultaat is dan een negatieve houding: ontkenning van gebondenheid, ontkenning van reglementen en dergelijke. Zo vertaalt men het begrip vrije psyche automatisch door doen waar je zin in hebt. In het beste geval is men, uit een oogpunt van redelijkheid, bereid zich in zoverre in te perken dat men niet over de grens gaat die het ene individu van het andere scheidt - althans, dat zegt men: in werkelijkheid probeert men voortdurend die grens te overschrijden, en dat levert het immer voortdurende verdrukkingsproces op dat kenmerkend voor de moderne mensheid is. Als het begrip vrijheid door niets anders dan bandeloosheid vertaald wordt, is het maar beter niet naar vrijheid te streven. Gelukkig ligt het in de aard van de menselijke werkelijkheid dat de reglementeringen in een onvolwassen mensheid niet afgeschaft kunnen worden en bijgevolg hebben genoemde critici al bij voorbaat het gelijk aan hun zijde. Dat het vrij laten van het psychische inderdaad in de praktijk niet kan ligt evenwel niet in de mens als zodanig besloten, maar in de vooralsnog Onvolwassen mens, die nog helemaal niet in de gaten heeft wat het betekent individu te zijn. Het kan dus nu niet! Wat dit betreft zijn er meer voorbeelden te geven.

Zo is er het ideaal van de anarchisten om de maatschappij zo in te richten dat ieder mens zichzelf bestuurt, zonder dat er machtige overheden aan te pas komen. Ook dat is op zichzelf goed gedacht, maar ook hierbij geldt dat het alleen maar voor de volwassen mens opgaat. Brengt de onvolwassen mens zijn ideaal van het anarchisme in de praktijk, dan wordt het automatisch bandeloosheid. Een asociaal en meedogenloos zichzelf bevestigend gedrag is er het gevolg van. Het zichzelf psychisch vrij laten heeft niets te maken met het afschaffen van reglementen en het vrijelijk doen waar je zin in hebt. Het heeft daarentegen alles te maken met het laten gelden van de werkelijkheid als gevoel. Omdat voor deze werkelijkheid begrippen gelden als ineen-zijn, gemoedelijkheid en ontvankelijkheid staat het feit dat wij mensen met zijn allen zijn op de voorgrond, en dat leidt ertoe dat de andere mens voortdurend inbegrepen is in ons eigen leven. Het rekening houden met de medemens is dan geen kwestie van uitwendige reglementeringen, maar een kwestie van kwaliteit van je eigen leven. Als de verhoudingen zo liggen is bandeloosheid uitgesloten omdat het gebonden-zijn niet langer het uitgangspunt is. Juist als het om de kwaliteit van je eigen leven gaat wordt al datgene waartoe de losgeslagen bandeloze mens wel komt onmogelijk. Omdat de seksualiteit bij uitstek in het teken van het psychische staat gelden daarvoor in volle omvang alle eerder genoemde kwalificaties, zoals gemoedelijkheid en dergelijke. Daaruit volgt dat het de volwassen mens ten enenmale onmogelijk is de geliefde als een object te beschouwen. Het object-zijn vooronderstelt dat er een afstand en dus een scheiding is tussen de een en de ander. En bovendien houdt het in dat er, al of niet vrijwillig, grenzen overschreden worden. Men probeert elkaar te gebruiken, doorgaans zonder er zelf erg in te hebben vanwege het als vanzelfsprekend aanvaarde gangbare cultuur denken. Het object-zijn en het overschrijden van grenzen vervormt de seksualiteit tot een zaak van belangen. Die zaak wordt vervolgens op de een of andere manier gereglementeerd, bijvoorbeeld in het huwelijk. Dat reglementeren geschiedt niet vanuit een behoefte aan redelijkheid of rechtvaardigheid, maar louter vanuit de noodzaak om zichzelf tegen de ander te beschermen. Reglementen worden immers steeds door de zwakke van de sterke afgedwongen! Versta je nu onder vrijlaten het afschaffen van die reglementen, dan is niemand meer veilig voor de ander. Maar, zoals gezegd: vrijlaten betekent niet afschaffen, maar het betekent laten gelden wat geldt, en dat houdt nu net de eerder genoemde kwalificaties in. Uit het bovenstaande mag duidelijk zijn dat de kritiek van diegenen die het filosofische verhaal over de psyche niet begrijpen, moeilijk te weerleggen is omdat dat filosofische verhaal iets vertelt over een geheel andere werkelijkheid dan die van de vastgelegde voorstellingen. Binnen het kader van die voorstellingen geldt die kritiek inderdaad, maar hij vervalt onmiddellijk als je begrijpt wat het psychische werkelijk is, en tot welke levenshouding het realiseren van de werkelijkheid als gevoel leidt. Het was Wilhelm Reich die wat dat betreft op het goede spoor zat, maar de kritiek op zijn ideeŽn werd tenslotte zo agressief dat hij er mentaal aan onderdoor ging: hij stierf op 3 november 1957 onder armzalige omstandigheden in een Amerikaanse gevangenis en zijn boeken en manuscripten werden verbrand...

Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

No. 115††††

Bladwijzers: Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

De seksualiteit is in de moderne wereld geworden tot een zaak van het bevredigen van behoeften en het gehoor geven aan begeerten. Dat dit heeft kunnen gebeuren is te wijten aan een tweetal ontwikkelingen, die ten nauwste met elkaar samenhangen. Als eerste is daar het verdrukken van het psychische. Zoals gezegd is dat een gevolg van de behoefte om alles te reglementeren. De gebeurtenissen in de menselijke werkelijkheid moeten beheersbaar en voorspelbaar gemaakt worden, zij moeten gaan passen in een overzichtelijk en begrijpelijk systeem. Dat heeft, ten tweede, te maken met de ontwikkeling van de mens tot individu, een ontwikkeling die zich in de Romeinse cultuur inzet, zich doorzet in de West-Europese cultuur, van oorsprong Germaanse cultuur en zich vervolgens uitlegt over de gehele wereld als Moderne cultuur. Het zich ontwikkelen tot individu is gebaseerd op het op de voorgrond treden van het zelfbewustzijn. De inhoud van dat zelfbewustzijn is de voorstelling, dat wil zeggen: de werkelijkheid zoals die volgens de mens als ik is. In die voorstelling zijn alle verschijningsvormen van de werkelijkheid van elkaar gescheiden; zij vormen met elkaar een verzameling van op zichzelf staande dingen. Met het op de voorgrond komen van het zelfbewustzijn en de daarin aanwezige voorstelling breekt in de mensen het besef door dat ook zij van elkaar gescheiden verschijnselen zijn. Vanaf dat moment gaat er gelden dat ik niet jij ben en de mensen beginnen zichzelf als de maat te nemen en zich af te zonderen van de anderen. In die afzondering gaan zij zichzelf zoveel als mogelijk waarmaken, en dat betekent dat zij er toe overgaan alles in bezit te nemen. Dat kunnen zij doen omdat zij als laatste verschijnsel (mens) de gehele werkelijkheid inhouden. Het zich verwerkelijken als ik houdt dus automatisch het vergaren van bezittingen in, en daarbij behoort dan weer dat men zijn medemens als vanzelfsprekend gaat beoordelen vanuit een oogpunt van nut. De medemens wordt een waardeobject dat voor de mens als ik al of niet van enig nut is. Als er een scheiding is tussen de een en de ander, en als de ander voor de een tegelijkertijd een zaak van de buitenwereld is waarmee hij eigenlijk niets te maken heeft, dan wordt voor de een de ander onmiddellijk een object. De ander wordt gedegradeerd tot een ding zoals alle andere dingen en de individu, dus de mens als ik, vindt vervolgens dat hijzelf de baas is over die als ding gestelde andere mensen. Dus gaat hij moeite doen om die baas-knecht verhouding in de praktijk waar te maken: hij gaat zich breed maken. Zo ontstaan er individuen die zichzelf macht gaan toekennen en die gaan heersen over de anderen en hen de wet stellen. Deze laatsten laten dit noodgedwongen over zich heen komen en hebben er zelfs enigszins vrede mee. Omdat zij zelf ook in het teken staan van het zich ontwikkelen tot individu vinden zij het normaal dat anderen het verder schoppen dan zijzelf en zij vinden het hoogstens jammer dat het niet gelukt is om zelf hogerop te komen. Intussen gaat echter ook hun eigen ontwikkeling door en zo komen er steeds meer individuen die hun onderlinge strijd enerzijds zo onbarmhartig mogelijk voeren, om anderzijds tegelijkertijd steeds meer reglementen in te voeren omdat zij ook wel inzien dat een strijd van allen tegen allen niet lang vol te houden is. Ontwikkeling tot individu en het ontstaan van de mens als ik is geen ontsporing van de mensheid, zoals nogal eens gedacht wordt. Het kan logisch niet uitblijven dat de mensen zich als ik gaan stellen want het is immers een feit dat de ene mens de andere niet is. En omdat dit een feit is realiseert het zich ook in de mensheid.

Het zich doorzetten van de scheiding tussen de mensen is noodzakelijk om na verloop van tijd te kunnen laten gelden wat de werkelijke verhouding tussen de mensen is. Deze verhouding is voor de mensen kenbaar, niet vanuit het zelfbewustzijn waarin alles gescheiden is - maar vanuit het bewustzijn, waarin het een onmiddellijk op zijn wijze het ander is. Anders gezegd: de ontwikkeling tot individu is voorwaarde voor het sociaal-zijn van de mensen. Als de ontwikkeling tot individu voorwaarde is voor het in volle omvang gelden van het bewustzijn is het dat ook voor het gelden van het psychische en ook voor het tot haar recht komen van de seksualiteit. Zolang echter die ontwikkeling nog niet voltooid is kunnen bewustzijn, psyche en seksualiteit niet uit de voeten. Omdat zij evenwel niet van de mens af gedacht kunnen worden wroeten zij in het dagelijkse leven door op een nagenoeg volkomen verwrongen wijze en daarbij ligt de maat in het elkaar object-zijn en dus bij het nut. Bekijken wij de wereld van vandaag dan zien wij dat de seksualiteit geheel bepaald wordt door de waarde die de mensen aan zichzelf en aan elkaar toekennen. Tegenwoordig wordt die waarde niet meer eenzijdig uitgedrukt in het huwelijkscontract, maar er is toch duidelijk te constateren dat ook andersoortige relaties door contracten en afspraken gelegaliseerd worden. Echter, ook als er bij uitzondering geen contracten en afspraken gemaakt worden kun je vaststellen dat de relaties waardeverhoudingen afspiegelen. Men moet wat aan elkaar hebben! De feministen zijn van mening dat de manier waarop de moderne mensen met de seksualiteit omgaan een belediging voor de vrouw is. Zij hebben in zoverre gelijk dat de West-Europese cultuur en, in het verlengde daarvan, de moderne cultuur in principe en in de praktijk vijandig aan het vrouwelijke zijn. Als ik straks het wezen van de seksualiteit zal bespreken zal duidelijk worden waarom dit in genoemde culturen het geval is. Maar, de degeneratie van de seksualiteit heeft op zichzelf niets met feminisme en vrouwvijandigheid te maken. Zij is aanwezig in zowel vrouwen als mannen, omdat beiden de uitwerking van hetzelfde cultuurmoment zijn: de verwerkelijking van de mens als ik. Als je dan van een belediging wilt spreken zou je het zo moeten stellen dat beiden, vrouw en man, zichzelf en elkaar beledigen in hun opvatting en hun praktijk van het seksuele leven. De blote dame in een advertentie voor een dure automobiel, vrijwel naakt op de motorkap gezeten, maakt niet alleen de vrouw belachelijk, maar ook de man van wie kennelijk verondersteld wordt dat hij die auto vanwege die dame zal kopen. De mens die alsnog bezig is zichzelf als ik te realiseren kan niet anders dan zijn seksuele tegenvoeter zien als een object dat zoveel mogelijk bevrediging moet schenken. Er zijn behoeften die bevredigd moeten worden en nu maar kijken wie dat het beste kan. Je kunt dan ook opmerken dat men de seksualiteit als een kwantitatieve zaak ziet, het gaat vooral om het aantal keren dat men bevrediging vindt, dat is steeds de strekking van de sex verhalen! In wezen is dat precies dezelfde gang van zaken als in de economie. Het mag dan ook geen wonder heten dat de verhouding tussen de seksen een duidelijk economische inslag heeft: de basissituatie in huwelijk en gezin is er een van een taakverdeling, traditioneel zo dat de vrouw de verzorgende taken op zich moet nemen en de man de verwervende. Hij moet zorgen dat er wat binnen komt (letterlijk: inkomen!) en zij moet die zaak bij elkaar houden en verzorgen. Dat was al zo in de oude Griekse cultuur en het is tot op heden niet wezenlijk veranderd. De Islamieten hebben er zelfs een strenge geloofsregel van gemaakt! Het feit dat er tegenwoordig veel mensen zijn die de verdeling der taken wat redelijker doen betekent niet dat de relatie tussen de seksuele partners niet meer overwegend van economische aard is. Uiteraard wil ik niet beweren dat het economische aspect uit het dagelijkse leven weggedacht zou moeten of kunnen worden. Het gaat er nu louter om wat er over de seksualiteit beseft wordt en waar dat vandaan gekomen is.

Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;

No.116 ( wat is seksualiteit )

Maagd-1†† Maagd-2†† Maagd-3, nrs. 141,142 en 143

Onder seksualiteit versta ik het elkaar benaderen van het vrouwelijke en het mannelijke. Hierbij passen meteen al enkele opmerkingen. Ten eerste: het gaat hierbij beslist niet om het elkaar benaderen van de vrouw en de man omdat de seksualiteit zich niet uitsluitend tussen de vrouw en de man afspeelt, maar ook een homofiel karakter kan hebben. Bovendien geldt het begrip seksualiteit niet alleen voor de mens, maar in feite voor de gehele levende werkelijkheid. Ten tweede: fixatie op de vrouw en de man, en op het vrouwtjesdier en het mannetjesdier, koppelt de seksualiteit onmiddellijk met de voortplanting, hetgeen, filosofisch gezien, niet juist is. Ten derde van belang is het begrip elkaar benaderen, een begrip dat op een beweging, een activiteit duidt. Seksualiteit is dus een dynamisch begrip. Over het algemeen wordt dat niet zo gezien, de opvattingen over seksualiteit beperken zich tot datgene dat plaats vindt als een vrouw en een man elkaar reeds benaderd hebben en tot het liefdesspel overgegaan zijn. Je kunt daarover inderdaad heel interessante zaken aan de weet komen, bijvoorbeeld hoe het er in andere culturen toegaat. Maar al die kennis levert geen inzicht in het wezen van de seksualiteit op. Omdat het gaat over het elkaar benaderen van het vrouwelijke en het mannelijke, rijst als eerste de vraag hoe dat zit en waar dat vandaan komt. Voor een gedeelte heb ik er al eerder over gerept toen het over de levende cel ging zoals die de werkelijkheid op de wijze van een totaaltrilling inhoudt. We hebben daarbij te doen met een verschijnsel dat zichzelf inhoudt. Tijdens het wordingsproces immers is op een zeker moment het qua structuur meest innige verschijnsel voor de dag gekomen. Datzelfde innige verschijnsel houdt bij wijze van een trilling de werkelijkheid als verzameling van afzonderlijke dingen in. Dat moment van de wording is het dus zelf en daarom zeg ik dat het zichzelf inhoudt. Het begrip inhoud is essentieel voor de seksualiteit. Zoals met alle begrippen het geval is - omdat zij betrekking hebben op verhoudingen - laat ook het begrip inhoud zich gelden. Voor het levende verschijnsel geldt bijgevolg dat het twee aspecten vertoont: het geheel (de zaak zelf) en haar inhoud. Hierbij moet opgemerkt worden dat die inhoud niet bepaald wordt door het feit dat het geheel opgebouwd is uit optimaal innig gerangschikte bouwstenen, maar daarentegen door het feit dat de totaaltrilling alle mogelijke trillingen in zich verenigt. Het levende verschijnsel kan dus beschouwd worden in het licht van die totaaltrilling en in het licht van het geheel, of, anders gezegd: in het licht van de inhoud en in het licht van het inhoudende. Een gevolg hiervan is dat het levende wezen zichzelf voortbrengt, en dat betekent dat het haar eigen inhoud, datgene dat zij zelf is, als een zelfstandige werkelijkheid tot manifestatie brengt. Zij reproduceert dus zichzelf. Aan het feit van het zichzelf reproduceren moet je bedenken dat het woord zichzelf van groot belang is. In ons gangbare denken, dat analytisch is, ligt de nadruk op het feit dat het gereproduceerde, het voortgebrachte, iets anders is dan het voortbrengende. Anders gezegd: de dochtercel is iets anders dan de moedercel. Op zichzelf is dat natuurlijk juist, maar die opvatting verdoezelt wel de essentie van de zaak, namelijk dat het leven zichzelf voortbrengt. De inhoud van het levende wezen staat in het teken van de verzameling, namelijk van alle mogelijke trillingen. Dat leidt ertoe dat je die inhoud kunt typeren doormiddel van het begrip mannelijk, terwijl het levende wezen zelf getypeerd wordt door het begrip vrouwelijk. Het geheel is dus vrouwelijk en de inhoud is mannelijk.

Dat zijn twee onafscheidelijke begrippen: het geheel is niet zonder haar inhoud te denken en de inhoud niet zonder het geheel. Derhalve is het vrouwelijke niet zonder het mannelijke en het mannelijke niet zonder het vrouwelijke te denken. Het is in feite ťťn zaak! Als nu de levende cel zichzelf voortbrengt, komt haar inhoud te voorschijn en die inhoud is mannelijk. Dat betekent niet dat het een mannelijk verschijnsel is, het is natuurlijk weer een cel waarvoor het geheel en dus het vrouwelijke geldt. Het is zogezegd een dochtercel. Maar gezien en gedacht vanuit het voortbrengende is het voortgebrachte mannelijk. Op zichzelf is het vrouwelijk, en dan zodanig dat het weer een mannelijke inhoud heeft. Het is opmerkelijk dat men dit in de oudheid beseft heeft. Men dacht zich de aarde als een vrouw, als een oermoeder. Die moeder bracht al het leven voort en dat leven werd steeds in het licht van het vrouwelijke gezien. Men besefte terecht met een vrouwelijke zaak van doen te hebben. Toch werd tegelijk het voortgebrachte als mannelijk beschouwd. De oude verhalen hebben dan ook deze strekking: de maagd (= het zichzelf voortbrengende leven) kreeg steevast een mannelijk kind, en die Moedermaagd beschouwde dat kind als haar zoon maar tegelijkertijd als haar geliefde en dus als haar inhoud, waarmee de zaak weer als vrouwelijk gesteld werd. En er is in de cultuur ontwikkeling een hele strijd geweest van de mannen om van dit verzonken-zijn in het vrouwelijke af te komen. Eigenlijk is dit pas gelukt met het doorbreken van de westerse cultuur.

Dat het mannelijke in de oudheid nooit gezien werd als iets zelfstandigs, maar daarentegen als inhoud van het vrouwelijke, blijkt ook uit het, meer Griekse, denkbeeld van de androgyne mens. Deze mens is tweeslachtig, zowel vrouw als man. Maar zij is dat niet op de wijze van de hermafrodiet, die door biologische oorzaken tweeslachtig is, maar op de wijze van het ineen-zijn van vrouw en man, waarbij de man inhoud van de vrouw is. Beelden uit de Griekse beeldhouwkunst die voor westers besef hermafrodiet zijn drukken in feite dat ineen-zijn van vrouw en man uit: de mens (en daarmee het gehele leven) is ťťn vrouwelijk verschijnsel met een mannelijke inhoud. Naarmate de levende verschijnselen zich in de evolutie verder ontwikkelen tot meer complexe samenstellingen van meerdere cellen, groeien, op grond van de twee begrippen geheel en inhoud oftewel vrouwelijk en mannelijk, de twee geslachten steeds meer uiteen. We krijgen te doen met vrouwelijke en mannelijke verschijnselen. In wezen echter is het nog steeds ťťn verschijnsel en omdat dat het geval is, is er dat voortdurende elkaar benaderen van het vrouwelijke en het mannelijke. Dit benaderen heeft dus op zichzelf niets met voortplanting en het in stand houden van de soort te maken, het berust uitsluitend op het feit dat het vrouwelijke en het mannelijke onafscheidelijk zijn. Het verlangen naar elkaar werd door de Grieken uitgedrukt doormiddel van het beeld van Eros. De Romeinen hebben er later Cupido van gemaakt en toen werd het vervormd tot een principe dat mensen verliefd op elkaar maakt. Daarmee werd het een uitwendige zaak, iets dat je van buitenaf en incidenteel overkomt. Eros echter geldt permanent en inwendig, het is de ingeboren drang tot het verenigen van het vrouwelijke en het mannelijke. De verhouding tussen het vrouwelijke en het mannelijke is asymmetrisch. Je hebt niet te doen met twee gelijksoortige grootheden die als het ware elkaars spiegelbeeld zijn en die ieder voor zich in de ander opgaan, maar je hebt te doen met ongelijksoortige grootheden. Voor de een geldt het geheel en voor de ander de inhoud, bij het een worden gaat het mannelijke op in het vrouwelijke en verdwijnt daarin zonder een spoor na te laten. Dat laatste is in de praktijk het geval bij de samengestelde organismen, bij de cel op zichzelf en dus bij de oercel is er helemaal geen op zichzelf staand mannelijk verschijnsel.

Maagd-1†† Maagd-2†† Maagd-3, nrs. 141,142 en 143

No. 117

De voortplanting en de seksualiteit hebben op zichzelf, als eigenaardigheid van het levende wezen, niets met elkaar te maken. Maar de grondverhouding waaruit beide voortkomen is wel dezelfde, namelijk de verhouding tussen het geheel en haar inhoud. In deze asymmetrische verhouding staat het geheel voor de zaak zelf, dus in principe de in zichzelf samenhangende levende cel en de inhoud voor de totaaltrilling. Voor deze inhoud geldt het begrip verzameling en die is te benoemen met de term mannelijk. De zaak zelf heet dan uiteraard vrouwelijk. Voor de oercel, die het basisgegeven is voor alle organismen, geldt dat zij een inhoud heeft. Dat betekent dat het mannelijke zonder meer haar inhoud is. Voor die inhoud geldt dat het eigenlijk de buitenwereld is, en wel op zodanige wijze dat die buitenwereld, voor zover die op zichzelf bestaat uit een verzameling trillingen, als een totaaltrilling in de oercel aanwezig is. Deze factor laat zich in de oercel gelden: de inhoud, de buitenwereld als totaaltrilling, gaat zich telkens als een zelfstandige zaak manifesteren en wordt als het ware zelf tot buitenwereld. Dat betekent dat de oercel zichzelf reproduceert en een nieuwe cel voortbrengt. We hebben nu te doen met voortplanting. Als je deze zaak nader beschouwt valt het op dat de voortplanting vooronderstelt dat het mannelijke (de totaaltrilling, de verzameling) inhoud van het vrouwelijke (het geheel) is. Dus niet dat het mannelijke al of niet inhoud wordt, maar dat het inhoud is. Pas als dat het geval is en voor zover dat het geval is reproduceert de oercel, dus het vrouwelijke, het geheel, zichzelf. Je hebt dus te doen met een puur vrouwelijke aangelegenheid waarin het mannelijke geen enkele zelfstandige rol speelt: het mannelijke is slechts de vanzelfsprekende inhoud van het vrouwelijke en het manifesteert zich op geen enkele wijze. Die verhouding blijft voortdurend gelden, ook als de oercel zich tot complexe organismen ontwikkeld heeft. Bij de mens bijvoorbeeld is het louter en alleen de eicel die tot een kind uitgroeit en dat is dus een proces dat zich in de vrouw afspeelt zonder dat er ook maar van enige medewerking of invloed van de man sprake is. Het gehele voortplantingsproces gaat buiten de man om. De mensen vinden die gedachte doorgaans moeilijk te aanvaarden, omdat zij niet kunnen laten allerlei sociale aspecten in de gedachtegang in te brengen. Op grond daarvan vinden zij dat de voortplanting een zaak van beiden, de vrouw en de man is. Op het sociale vlak is dat inderdaad de moderne opvatting, maar het gaat nu uitsluitend om het proces van de voortplanting zelf, en dan geldt dit, dat de man buiten de voortplanting staat en zelfs helemaal niet in staat is zich voort te planten. Het herkennen van deze verhouding is ook cultureel gezien van belang, in onze cultuur immers is het formeel nog steeds de man die zich voortplant: de kinderen gelden als zijn kinderen en dragen zijn naam!

Naarmate de evolutie tot steeds meer complexe organismen voortschrijdt, groeien die organismen op zo'n manier uiteen dat er organismen ontstaan die in het teken van het vrouwelijke staan en organismen die in het teken van het mannelijke staan. De organismen gaan zich specialiseren. Beschouwen wij dit proces op louter natuurlijke gronden, dan loopt dit tenslotte uit in de vrouw en de man. Nu echter komt de verhouding tussen het geheel en haar inhoud fundamenteel anders te liggen. Beide zijn nu niet meer ineen, maar beide zijn uiteen. Voor de voortplanting betekent dit dat de vrouw haar inhoud in zich op zal moeten nemen om tot voortplanting te kunnen komen. Het mannelijke zal zich dus in het vrouwelijke moeten begeven en zich daarin als inhoud moeten laten gelden. De zaadcel is dat mannelijke en dat nestelt zich in de eicel. Dat gebeurt op zodanige wijze dat het daarin geheel en al ondergaat: het verdwijnt spoorloos! De wetenschappers hebben inmiddels ontdekt dat het DNA van de zaadcel zich verbindt met dat van de eicel en dat het er dus op lijkt dat de zaadcel iets aan de eicel toevoegt.

Maar de schijn bedriegt: het DNA van de zaadcel maakt het DNA van de eicel volmaakt zodat die eicel tot haar recht kan komen, en als zij tot haar recht komt gaat zij er automatisch toe over zichzelf te reproduceren. Dan is niet meer te zeggen wat de mannelijke inbreng geweest is. Het geheel en de inhoud zijn niet meer van elkaar te scheiden. Tijdens de evolutie ontstaat er dus een situatie dat het mannelijke inhoud van het vrouwelijke moet worden om tot zijn recht te komen, en dat het vrouwelijke haar inhoud, het mannelijke, in zich op moet nemen om tot haar recht te komen. De weg daarheen is de seksualiteit. Dat is in feite het zich manifesteren van het feit dat het mannelijke en het vrouwelijke ineen moeten geraken. Dat manifesteren is het elkaar benaderen van het vrouwelijke en het mannelijke. Nu echter moeten wij goed opletten: dat elkaar benaderen is er niet om zich voort te planten, maar het is er om ineen te geraken. Het voortplanten komt pas aan de orde als er niet meer te spreken is van ineen geraken, maar van ineen zijn. Dat ineen zijn valt dus riet meer onder het hoofdstuk van de seksualiteit. Het mag uit het bovenstaande duidelijk zijn dat de gangbare opvatting, namelijk dat de seksualiteit dient voor de voortplanting een onjuiste opvatting is. De mensen hebben dat ook altijd aangevoeld. Dat blijkt alleen al uit het feit dat er steeds op een bijzondere manier over de seksualiteit gesproker is, in die zin dat het iets heerlijks en zelfs wel iets verhevens zou zijn. In het oude oosten groeide het uit tot een soort van cultus die met het goddelijke in verband gebracht werd. Het is bovendien bekend dat de mensen aanvankelijk het verband tussen de seksualiteit en de voortplanting niet eens kenden. Zij vrijden naar hartelust, maar begrepen niet dat zwangerschap daarvan het gevolg was. Toen zij dat op een gegeven moment wel begrepen, hebben zij van alles geprobeerd om zwangerschap te verhinderen, totdat men tenslotte in onze tijd een redelijk betrouwbare methode gevonden, heeft. Maar, over die zwangerschap is men nooit zo begeesterd geweest als over de seksualiteit! Intussen houden vooral de godsdienstige mensen vol dat je vrijt om je voort te planten en ter staving daarvan draaien zij de zaak om en wijzen er op dat je, als je een kind wilt hebben, toch eerst moet vrijen - een schijnargument, zoals blijkt uit het feit dat het op het ogenblik medisch al mogelijk is om zonder seksualiteit toch zwanger te worden! Overigens: ondanks hun standpunt hopen ook godsdienstige mensen dat hun seksualiteit niet steeds tot zwangerschap zal leiden. Het feit dat seksualiteit iets geheel anders is dan voortplanting houdt niet in dat beide helemaal los van elkaar staan. In alle twee de gevallen gaat het om de verhouding tussen het geheel en haar inhoud. Maar in het eerste geval wordt de zaak bepaald door de omstandigheid dat het mannelijke en het vrouwelijke uiteen zijn en in het tweede geval door de omstandigheid dat zij ineen zijn. De samenhang tussen deze twee omstandigheden vertoont zich hierin dat voortplanting een gevolg kan zijn van het ineen geraken. Ik zeg kan zijn omdat het niet altijd tot voortplanting komt. Soms gaat het niet door. Ook moeten wij er op letten dat de zaak eigenlijk draait om het vrouwelijke en het mannelijke en dat het bij de mensen niet noodzakelijk om een vrouw en een man behoeft te gaan, tenminste, als het over de seksualiteit gaat. Mensen van een gelijk geslacht kunnen heel goed aan elkaar de verhouding vrouwelijk - mannelijk beleven en op grond daarvan elkaar benaderen. Maar om tot voortplanting te komen blijven, direct of indirect, de vrouw en de man nodig.

No. 118††††

Bladwijzers: Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; Religieuze prostitutieReligieuze prostitutie-2

Als het over de seksualiteit gaat behoeft dat niet alleen maar een zaak tussen een man en een vrouw te zijn, en wel omdat het daarbij gaat om het vrouwelijke en het mannelijke. In een man kan het vrouwelijke dominant zijn en in een vrouw het mannelijke, en bij sommige mensen treden, afhankelijk van de relatie die zij hebben, het vrouwelijke en het mannelijke afwisselend op. Omdat dit het geval is kunnen mensen homoseksueel zijn. Dat is vooral aan de orde bij mensen die een sterke verwantschap met zichzelf als bewustzijn hebben: in de werkelijkheid als bewustzijn is het mannelijke ineen met het vrouwelijke. De seksualiteit is dus een zaak tussen twee mensen. De conceptie (=bevruchting) is een zaak van de vrouw en de man. Hoe die bevruchting ook tot stand gebracht wordt, steeds zijn er een eicel en een zaadcel bij nodig. De voortplanting echter is een louter vrouwelijke aangelegenheid. De evolutie, dat wil zeggen de ontwikkeling van het leven tot complexe organismen, is eigenlijk gewoon een zaak van de materie, zij het dan dat die materie in een bijzondere situatie is gekomen. De splitsing tussen vrouwelijke organismen en mannelijke organismen is dus ook een materiŽle aangelegenheid. Er ontstaan twee aan elkaar verwante levende dingen, en voor die dingen geldt datgene dat voor alle dingen geldt: het is of dit of dat. Het een is het ander niet en het ander is niet het een. Er is een absolute scheiding tussen het een en het ander. Een complex organisme is dus een vrouwtje of een mannetje, voor zover het gaat over het materiŽle en dus het lichamelijke. Maar, voor zo'n organisme geldt ook nog het bewustzijn en daarin is de situatie zo dat het vrouwelijke en het mannelijke ineen zijn, en wel op een zodanige manier dat het mannelijke inhoud van het vrouwelijke is. Qua bewustzijn is er dus geen scheiding en omdat het bewustzijn een dynamische zaak is gaat zich manifesteren dat het van elkaar gescheiden mannelijke en vrouwelijke elkaar gaan zoeken en benaderen. Geraken die twee dan ineen, dan realiseren zij zich overeenkomstig de werkelijkheid als bewustzijn. In die situatie is de materiŽle scheiding opgeheven; gedurende enige tijd laten de twee gescheiden verschijnselen zich gelden als ťťn verschijnsel, eigenlijk het primaire levende wezen, namelijk de oercel die, zelf vrouwelijk zijnde, het mannelijke als inhoud heeft. Het dynamische zich laten gelden van het bewustzijn komt voor de dag als een psychisch gebeuren. Bijgevolg is van de seksualiteit te zeggen dat de zaak zich manifesteert binnen het kader van het psychische. Dat betekent in de praktijk van het mensenleven dat de seksualiteit volledig afhankelijk is van de psychische gesteldheid van de mensen. We hebben eerder al gezien dat die gesteldheid bepaald wordt door datgene dat de mensen over zichzelf denken: het is hun voorstelling die bepalend is voor de psychische vrijheid. De voorstelling maakt of breekt derhalve ook de seksualiteit, in de culturen van onvolwassen mensen doorgaans het laatste. Het gevoel dat er geen scheiding is wordt dan verdrongen, met als gevolg dat de mensen elkaar als objecten gaan behandelen. In dit geval als seksuele objecten. In de situatie dat de van elkaar gescheiden verschijnselen psychisch geen scheiding aan elkaar beleven, maar juist een ineen zijn van vrouwelijk en mannelijk, en desondanks lichamelijk toch gescheiden zijn, treedt er een moment op dat er ook van een (tijdelijk) lichamelijk ineen zijn te spreken is. Precies in de juiste verhouding, namelijk zo dat het mannelijke in het vrouwelijke is. Het elkaar benaderen is nu tot een eind gekomen en het ineen zijn is nu een feit. Voor dat ineen zijn gebruik ik het woord liefde, gewoon in de betekenis van alledag en niet in de ideŽle betekenis die betrekking heeft op de gehele menselijke werkelijkheid, in de zin van de mensen moeten elkaar liefhebben.

Die liefde is dan het enige moment in het leven dat ook het fundamentele buiten elkaar zijn van het vrouwelijke verschijnsel en het mannelijke verschijnsel, niet geldt. Je zou kunnen zeggen dat de werkelijkheid nu volmaakt is. Het mannelijke en het vrouwelijke zijn nu werkelijk ineen en de scheiding, die door de gehele levende werkelijkheid heenloopt, is opgeheven. Daarmee hebben die gescheiden verschijnselen zich, om zo te zeggen, aan elkaar verloren. Zij hebben het eigen bestaan voor een moment opgeheven. Deze situatie, van het aan elkaar opgeheven zijn van twee lichamen, deze liefde dus, is door de mensen altijd als iets bijzonders gevoeld. Bijzonder vooral in deze zin dat de geliefden voelden boven zichzelf uit te gaan. Uiteraard gaat er niemand echt boven zichzelf uit, in feite kun je alleen maar zeggen dat je aan elkaar bij jezelf terechtkomt, maar toch hebben de mensen dat als iets hogers ervaren. In de cultuur van het oude India associeerden de mensen de liefde met iets goddelijks. Op een aantal van hun tempels hebben zij talloze afbeeldingen van vrijende mensen afgebeeld, niet om aan de een of andere behoefte aan erotiek te voldoen, maar om het goddelijke gestalte te geven. Ook het in de oudheid veelvuldig voorkomende verschijnsel van de religieuze prostitutie is uitdrukking van het goddelijke. De liefde tussen de tempeldienares en de vreemdeling geeft precies de juiste verhouding tussen het mannelijke en het vrouwelijke aan: de vrouw die haar vanzelfsprekende inhoud in zich opneemt en die inhoud is dan de onbekende man. Als inhoud gaat hij namelijk op in het vrouwelijke en als zodanig is hij naamloos, geen zelfstandigheid. En juist deze verhouding werd als goddelijk beseft. Voor westers besef hebben liefde en vooral prostitutie niets met het goddelijke te maken, integendeel, beide worden ten scherpste veroordeeld. Het goddelijke wordt in het westen als iets reins, als iets aseksueels gezien. En de liefde wordt beschouwd als een toestand van reine, niet door het lichamelijke bezoedelde, heiligheid die in principe eeuwig voortduurt. Die heiligheid en die eeuwigheid zijn typisch analytische interpretaties van begrippen die voor het bewustzijn gelden. Het begrip heiligheid komt voort uit de vroegere idee dat de liefde iets onaantastbaar goddelijks zou zijn en het begrip eeuwigheid uit de idee dat het om een almaar zichzelf gelijkblijvende werkelijkheid zou gaan. Beide oorspronkelijke ideeŽn slaan inderdaad op het bewustzijn, maar de westerse interpretaties slaan volstrekt nergens op. Het onaantastbaar goddelijke is verworden tot een aseksuele hogere macht en het eeuwige tot een eeuwig voortdurende zaak. Het bijzondere moment van liefde is een moment dat in het teken staat van de begrippen die voor de werkelijkheid als bewustzijn gelden. Het is een moment van thuiszijn bij zichzelf als echte werkelijkheid. Maar het is slechts een moment: onmiddellijk daarna treedt de feitelijke situatie weer op en zijn beide verschijnselen weer buiten elkaar. Het begrip liefde geldt dan niet meer. Dat wil niet zeggen dat de geliefden dan plotseling niet meer van elkaar houden. Maar het houden-van is niet een zaak van liefde, maar van gezelligheid - in de letterlijke betekenis van het woord, namelijk elkaars gezel zijn. Daarin ligt het ineen zijn op de achtergrond en de relatie op de voorgrond. Dus speelt het zelfbewustzijn daarin een dominante rol. In de liefde gaat het om het bewustzijn en haar dynamische manifestatie, de psyche. Er is geen enkele reden om van de gezelligheid te eisen dat die eeuwig voortduurt, zoals men in het huwelijk verlangt. In de praktijk blijkt ze dan ook gewoonlijk niet voort te duren omdat men aan de relatie allerlei onmogelijke eisen stelt. Doet men dat niet, dan is er een kans dat de gezelligheid blijvend is...

Religieuze prostitutieReligieuze prostitutie-2 ; Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12

No. 119†††

Bladwijzers: Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; hoer-1 hoer-2 ; Religieuze prostitutieReligieuze prostitutie-2

Voor zover een levend wezen samengesteld is uit meerdere cellen die met elkaar ťťn niet te splitsen geheel vormen, spreek ik voortaan van het organisme. Deze term is hierom ook aan te bevelen omdat het begrip organisatie er in opgenomen is. Wij moeten hierbij echter goed in de gaten houden dat dit begrip organisatie de eigenlijke betekenis heeft, namelijk die van zelforganisatie. Een of ander, boven en buiten de organisatie staand, bindend principe is hier uitgesloten, omdat een dergelijk principe slechts in de voorstelling van mensen uit de moderne cultuur bestaat en op zichzelf geen realiteit bezit. Dat is zo omdat het op de fictie van de macht berust. Het organisme bevat in zichzelf een tegenstelling, die alleen in de incidentele momenten van ineen zijn (liefde) opgeheven is. Bezien vanuit de verhouding verschijnsel is er de scheiding tussen het vrouwelijke en het mannelijke, maar gezien vanuit de verhouding bewustzijn is er het ineen zijn van beide. Bovendien ligt de verhouding in het bewustzijn zo dat het ineen zijn een asymmetrische aangelegenheid is. Het vrouwelijke en het mannelijke zijn niet gelijksoortig, maar voor het eerste geldt het begrip het inhoudende en voor het tweede het begrip de inhoud. In het ineen zijn gaat het tweede in het eerste op en vindt het eerste daaraan haar vervulling zodat zij tot haar recht kan komen. Het mannelijke komt op zijn beurt tot zijn recht als en voor zover het inhoud van het vrouwelijke is. De seksualiteit is het elkaar benaderen van het vrouwelijke en het mannelijke verschijnsel, met de bedoeling tot ineen zijn te komen en dus het bewustzijn tot een realiteit te maken. Het moment van ineen zijn, dat het slotakkoord van de seksualiteit is, manifesteert zich in de praktijk als de extase. Wat meer gevoelige mensen ervaren die extase als een van de wereld af zijn, een er zelf niet meer zijn en dergelijke. Die ervaringen komen rechtstreeks voort uit het voor een moment realiteit zijn van het bewustzijn. Inderdaad zijn dan het vrouwelijke en het mannelijke verschijnsel ineen en dat is niet anders denkbaar dan zo, dat het verschijnsel even zichzelf niet meer is. Dat wil zeggen: het dit of dat zijn is een moment vervallen. Op een modern mens komt het bovenstaande over als romantiek, een verzinsel van de dichters. Hij vindt het dan ook een onwaarschijnlijk verhaal. Dit evenwel zegt meer over die moderne mens dan over het verhaal: de moderne mens is psychisch zo verarmd dat hij nauwelijks meer in staat is de seksualiteit en de extase te beleven. Bovendien voelt hij zichzelf als bewustzijn niet meer aan en is hij zelfs van mening dat de werkelijkheid als bewustzijn helemaal niet bestaat. In alle culturen laten de mensen zich als seksualiteit gelden, en uiteraard komt dit in de praktijk altijd neer op het elkaar opzoeken van de vrouw en de man. Op grond daarvan zijn sommige denkers en seksuologen van mening dat de seksualiteit onafhankelijk van de cultuur zou zijn. Je kunt dat beamen voor zover die onderzoekers hun aandacht gericht hebben op het gedoe van de mensen, en dus het onmiddellijk waarneembare, dat zich ertoe leent in statistieken opgenomen te worden. Maar, als het gaat over de beleving van de seksualiteit en het ineen zijn (de liefde) is er wel degelijk van verandering te spreken. Die verandering vindt zijn oorzaak in het meer of minder zichzelf vrijlaten als psychische werkelijkheid. Dit is echter niet onmiddellijk waarneembaar. Bovendien is het onderzoek daarnaar volgens het moderne denken op een ander terrein gelegen: niet dat van de seksualiteit, maar dat van de psychologie.

Het wordt dus nooit iets met zo'n onderzoek! Wil je de seksualiteit en de liefde filosofisch begrijpen, dan kom je er niet omheen dat je eerst iets anders zult moeten begrijpen, namelijk het complex van begrippen dat voor het levende verschijnsel geldt. Ga je zo niet te werk, dan kom je wel een heleboel aan de weet, maar je wťťt uiteindelijk nog niets... De kwaliteit van de psyche speelt een alles bepalende rol in de seksualiteit. Zo kun je, vanuit het inzicht in de werkelijkheid als verschijnsel en als bewustzijn, constateren dat het tegenwoordige gedoe in de seksualiteit buitengewoon kinderachtig is, dat het vrijwel steeds een machtsspel is en bijgevolg ook een zaak van status, dat het in het teken van het bezitten staat en ook in het teken van het bevredigen van materiŽle behoeften. En je kunt toch moeilijk staande houden dat een dergelijk gedoe een afspiegeling is van het zich laten gelden als bewustzijn! Het is in feite een heel armoedige zaak, vooral ook qua gevoel en hij getuigt van een vrijwel volledig gebrek aan menselijke zelfkennis. Kwaliteiten als gemoedelijkheid, liefelijkheid en warmte zijn er nauwelijks aan te beleven. Dat wordt nog versterkt door het feit dat onze cultuur een eenzijdig mannelijke instelling heeft en dat daardoor het gedoe op de voorgrond komt te staan, uiteraard voornamelijk het gedoe van mannen. En het zijn vaak de vrouwen die de armoedigheid hiervan het duidelijkst bemerken. Het komt algemeen voor dat vrouwen intuÔtief een aversie ontwikkelen tegen de seksualiteit waarmee zij vrijwel steeds te maken krijgen. Het gedoe gaat hen tegenstaan. In verband met het besef van het goddelijke aan de seksualiteit wil ik nog iets opmerken.

Het is namelijk opvallend dat de mensen uit vroeger tijden niet alleen iets goddelijks aan de seksualiteit beseften, maar ook nog aanvoelden hoe de verhouding tussen het vrouwelijke en het mannelijke in werkelijkheid ligt. In de religieuze prostitutie bijvoorbeeld gold de man als vreemdeling en de vrouw als hoer. Dat betekent dat de man de onbekende was en de vrouw de ontvankelijke. Deze verhouding staat lijnrecht tegenover het begrip huwelijk. Daarin immers is de vrouw niet ontvankelijk en de man geen onbekende: zij sluit zich voor alles af en hij geldt als iemand. In de oudheid, vooral in zogenaamd matriarchale (moederrechtelijke) culturen, werd het huwelijk dan ook gezien als de vijand van de liefde. Het huwelijk was de dood voor de liefde. Zelfs in de vroegmiddeleeuwse cultuur van West-Europa komt dit besef nog voor. Maar in het westen ging de individu zich ontwikkelen en daarmee ging samen dat de prostitutie de moderne negatieve betekenis kreeg en de hoer tot iets minderwaardigs werd. Al uit de zogenaamde brieven van de apostel Paulus, die een christelijke Romein was, is op te maken dat de hoer veroordeeld werd, evenals trouwens het samenleven in een commune, dat destijds ook in het teken van het begrip ineen zijn stond. Het komt er dus op neer dat al aan het begin van de westerse cultuur de gehele vrouwelijke werkelijkheid van het bewustzijn de kop ingedrukt werd en dat dit juist vanuit het christendom gebeurde. Al spoedig werden zich van zichzelf bewuste vrouwen dan ook tot gevaarlijke heksen bestempeld en ter dood gebracht. Het feit dat de verhouding zo ligt dat het mannelijke inhoud van het vrouwelijke is heeft ook maatschappelijke consequenties, vooral waar het de productie betreft. Het produceren van artikelen is een mannelijke aangelegenheid - niet te verwarren met een aangelegenheid van mannen. Doordat in de moderne cultuur het vrouwelijke niet in tel is beseft men ook niet dat de geproduceerde artikelen tot hun recht moeten kunnen komen. Dat doen zij namelijk wel als zij gemaakt worden vanuit het inzicht dat zij inhoud van het geheel, het vrouwelijke, moeten zijn. Ontbreekt dat inzicht, dan komen de artikelen in een luchtledig terecht. Dat wil zeggen dat zij hun betekenis niet in zichzelf vinden, maar in iets anders, in feite de winst die zij aan de producenten opleveren. Daarmee is de basis gelegd voor verspilling, vervuiling en slechte kwaliteit.

Psyche, zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; hoer-1 hoer-2 ; Religieuze prostitutieReligieuze prostitutie-2

No. 120

We herinneren ons dat op het ogenblik het hoofdthema van ons filosoferen het complex van verhoudingen is dat voor de levende cel geldt. Dan vind je op de eerste plaats dat die cel een geheel is, hetgeen wil zeggen dat de inhoud van die cel volledig samenhangend is. Die samenhang is geen lineaire, waarin de samenhangende elementen bepaalde reeksen vormen, die als reeksen geen onderlinge samenhang vertonen. Het gaat daarentegen over een volledige samenhang, en daarvan is het kenmerkende dat elk element met elk ander element samenhangt. In dat volledig samenhangende geheel zijn wel allerlei lineaire reeksen aan te wijzen, maar die liggen niet vast: je kunt ook talloze andere reeksen naar believen aanwijzen. De inhoud van de levende cel is uiteraard een complex van bouwstenen. Maar als ik over de inhoud spreek doel ik niet op dat complex, maar op het systeem van trillingen dat aan de optimaal innige structuur van de bouwstenen meekomt. Ik heb het dan over de totaaltrilling die als trilling alle mogelijkheden van concrete verschijnselen omvat. Het gaat over de op trillende wijze aanwezige buitenwereld. Die totaaltrilling, als inhoud van het geheel, is het mannelijke principe en dat geheel zelf is het vrouwelijke. De grondslag van de totaaltrilling is te benoemen met het begrip veelheid. Het is immers een verzameling van trillingen! En voor het vrouwelijke geldt dan het begrip begrippen terug te vinden. Men heeft namelijk ontdekt dat het begin van een bepaald leven steevast gekenmerkt wordt door ťťn enkele eicel en een veelheid van zaadcellen. Al eerder heb ik er op gewezen dat het vrouwelijke geheel logischerwijs een mannelijke zaak voortbrengt, omdat het haar inhoud is die zij verzelfstandigt. Gezien vanuit het vrouwelijke is datgene dat voortgebracht wordt mannelijk, maar op zichzelf is het vrouwelijk omdat het weer een geheel is. Het is namelijk een nieuwe cel. Deze cluster van verhoudingen, namelijk: het vrouwelijke (eenheid, heelheid) met mannelijke inhoud (veelheid, verzameling); het verzelfstandigen van de inhoud (voortbrengen); het vrouwelijk zijn van het voortgebrachte (opnieuw eenheid, heelheid) met opnieuw een mannelijke inhoud, deze cluster manifesteert zich in het gehele leven op aarde. Hij manifesteert zich derhalve ook in het leven van de mensen. En dat is niet alleen het geval als het over de voortplanting gaat, maar ook als het gaat over het voortbrengen van producten. Ook dat is een vorm van verzelfstandigen van de eigen inhoud. Dat proces van verzelfstandigen kennen wij als het begrip arbeid. Bijna geen enkele denker heeft in de gaten dat de arbeid op bovengenoemde cluster van verhoudingen berust.

Voor zover de denkers die cluster aan de voortplanting ontdekt hebben - wat een zeldzaamheid is! - laten zij het daarbij en trekken de lijn niet door naar alle eigenaardigheden van het leven, en dus zeker niet naar de arbeid die de mensen verrichten. In feite zien zij de arbeid als een economisch verschijnsel, samenhangend met de noodzaak om in leven te blijven. Omdat dit het geval is herkennen zij het moderne werken niet als iets onmenselijks, als een verbitterd gevecht van de een tegen de ander. Zij vinden de zaak in principe in orde en geven hoogstens toe dat er hier en daar wat verbeterd zou kunnen worden. In zijn arbeid zet de mens de buitenwereld om tot een wereld die zijn verzelfstandigde inhoud is. Hij maakt van de planeet een menselijke zaak in die zin dat het een zaak van mensen wordt. Dat proces is het productieproces en daarvoor geldt dat de producten, gezien vanuit de mensen die ze voortbrengen, een mannelijke zaak zijn.

Maar, gezien vanuit de werkelijkheid zelf, in feite de menselijk gemaakte planeet, is het een vrouwelijke zaak. Voor die zaak geldt het begrip geheel of heelheid. Dat betekent, populair gezegd, dat de producten terecht moeten komen in een vrouwelijke werkelijkheid. Zij moeten met elkaar een samenhangend geheel vormen en niet blijven steken in het begrip verzameling of veelheid. De producten vormen met elkaar een geheel als zij hun betekenis uitsluitend aan zichzelf ontlenen, als hun intrinsieke betekenis alleen maar gelegen is in het nut dat zij voor de mensen hebben. Zij kunnen dan functioneren als inhoud van het dagelijkse leven van de mensen. Maar nog belangrijker is dat de producten daar komen waar zij nut kunnen hebben en dat zij voor iedereen die ze nodig heeft beschikbaar zijn. Deze twee begrippen, het begrip nut en het begrip beschikbaar, zijn essentieel voor de productie in een wereld die in volle omvang in het teken van het vrouwelijke staat. Een wereld die in het teken van het mannelijke staat blijft steken in het begrip verzameling. Kenmerkend daarvoor is de veelheid: er moet van alles zoveel als mogelijk gemaakt worden, ook als er daarvoor helemaal geen behoefte bestaat. Je kunt dan ook constateren dat de producenten almaar bezig zijn behoeften te creŽren omdat er steeds meer gemaakt moet worden. Het is niet goed als de afzet niet groeit!

Ook is kenmerkend voor een wereld waarin het denken niet boven het mannelijke uitkomt dat het nut van producten niet in die producten zelf gelegen is maar in iets anders, buiten die producten. Het produceren staat in dienst van het maken van winsten, en, in het verlengde daarvan, het verwerven van macht. De producten zijn dus middel tot iets anders en dat andere heeft geen betrekking op de mensheid als geheel, maar op het tegenovergestelde: de individu als van de rest der mensen afgezonderd verschijnsel. Wanneer dat afgezonderde verschijnsel voor zichzelf geen winst kan maken worden de producten niet gemaakt, de productie is dan niet lonend, ongeacht het feit dat er behoefte aan die producten bestaat. Deze hele zaak globaal overziende kom je tot de conclusie dat de producten in onze cultuur helemaal niet in een vrouwelijk geheel terechtkomen, maar in een luchtledig blijven hangen. Het overgrote deel van de mensen die ze nodig hebben kunnen ze niet betalen en anderen hebben er teveel van. Bovendien is de kwaliteit van de producten slecht omdat er zo goedkoop mogelijke materialen gebruikt moeten worden. Het aanschaffen van die materialen werkt verarming van een groot deel van de wereld in de hand. Vervolgens kun je opmerken dat er van een ontzaglijke verspilling sprake is, omdat de noodzaak tot vergroting van de omzet met zich meebrengt dat er steeds nieuwe modellen met zinloze verfraaiingen geproduceerd worden. En dan heb ik het nog niet eens over het afval dat, omdat er geen winst mee te maken valt, gewoon maar ergens gedumpt wordt. Kortom: in onze moderne wereld liggen de werkelijke verhoudingen helemaal scheef... volgens de cluster van verhoudingen, die te ontdekken zijn aan de levende cel, zijnde een geheel met haar inhoud, behoren de producten onvoorwaardelijk terecht te komen bij diegenen die ze nodig hebben en zij behoren gemaakt te worden op een zodanige wijze dat zij hun nut in zichzelf vinden. Dan komen zij niet in een luchtledig terecht. Het spreekt vanzelf dat, gezien vanuit deze optiek, het huidige economische denken niet alleen primitief, maar zelfs wel misdadig te noemen is. Het verbreekt de menselijke werkelijkheid in plaats van haar tot een geheel te maken. Wat dit betreft is het meest schrijnende voorbeeld van verbreken van de werkelijkheid het produceren en gebruiken van oorlogsmateriaal. Komt een groot deel van de tegenwoordig geproduceerde spullen nog wel enigszins terecht, althans in de westerse wereld, het oorlogsmateriaal kan helemaal niet terechtkomen. ! Toch ligt een aanzienlijk deel van de productie in de moderne wereld op dat terrein. Dat is mogelijk omdat het niet om de producten maar om de winst gaat.

 

No.121

De westerse wereld staat in het teken van het mannelijke, en onder bepaalde omstandigheden is het zelfs een patriarchale wereld. Dominant in een dergelijke cultuur is het begrip veelheid. Je kunt ook zeggen dat het begrippenkoppel het een en het ander op de voorgrond staat. Dat is niet altijd zo geweest: in de oudheid, toen de mensen dichter bij zichzelf als bewustzijn stonden, lag het ineen zijn van het een en het ander op de voorgrond. De cultuur stond in het teken van de eenheid of heelheid en daarin werd alles gezien als in elkaar overgaand zonder scheiding. Uiteraard kun je hieruit concluderen dat de oudheid in het teken van het vrouwelijke stond. Verhalen uit die tijd wijzen daar dan ook onmiskenbaar op.

Het ligt in de aard van de westerse cultuur om op gezette tijden de oudheid te romantiseren met betrekking tot het vrouwelijke. Soms gaat men zo ver dat men de stelling verkondigt dat in de oudheid de vrouwen de baas waren en dat daardoor het samenleven van de mensen veel minder agressief en zakelijk zou zijn geweest. Het leven was veel liefelijker, meent men. In feite echter besefte men wel dat alles inhoud van het vrouwelijke geheel was en uit dat geheel, als oermoeder, was voortgekomen, maar dat hield wel in dat van die inhoud zo ongeveer niets tot zijn recht kon komen. Die inhoud was, om zo te zeggen, naamloos in het geheel verzonken. Voor de mensen betekende dit dat er helemaal geen besef van individu-zijn was. Het onderscheid tussen de ene en de andere individu stond niet op de voorgrond. Je vindt dat nog enigszins terug in het vroege Europa toen bijvoorbeeld kunstenaars het niet nodig vonden hun naam aan hun kunstwerken te verbinden. Men bleef anoniem en er was niet de behoefte om aan eigen bekwaamheden status te ontlenen. In de oudheid was er echter altijd wel ťťn die wel status had, en dat was degene die zichzelf en anderen ervan kon overtuigen dat hij het geheel vertegenwoordigde. Zijn status berustte dan op de bewering Ik ben de vertegenwoordiger van het geheel. Zo iemand ging dan gelden als absoluut heerser, in feite was hij de ťnige individu! Als zodanig stelde hij aan de mensen de wet en de enige en afdoende legitimatie daarbij was het feit dat hij het zei namens het geheel. Van enige argumentatie was geen sprake, zijn woord was wet. Dat was het geval omdat hij het geheel vertegenwoordigde. In Egypte handelde de Farao namens zijn zuster, dat wil zeggen: namens de goddelijke vrouw, die in de praktijk al of niet echt zijn zuster was. De Farao oefende alle macht uit, voerde het leger aan en stelde de wet. Hij had het dus voor het zeggen, maar steeds uit naam van de goddelijke vrouw, het geheel. In allerlei varianten kwam deze figuur in de oudheid voor: de mannelijke machthebber in wie alles samenkwam (denk aan de totaaltrilling) en die deze positie ontleende aan het inhoud-zijn van het vrouwelijke geheel. Er zijn wel culturen geweest waarin de vrouwen de macht hadden. Doorgaans zijn die van zeer oude datum, namelijk van voor- historische tijden. Maar over het algemeen betekende het matriarchaat niet dat in de praktijk de vrouwen de baas waren. Hun betekenis lag meer bij de voortplanting via de vrouwelijke lijn en hun fungeren als idealiteit bij allerlei religieuze sacramenten. In overdrachtelijke zin kun je zeggen: de man, als enig bestaand individu, is de wereld en de vrouw is de hemel. Het gaat er in het bovenstaande om te laten zien dat de basisverhouding van de oercel, namelijk het geheel met haar inhoud, in de cultuur tot uitdrukking komt en dat je, filosoferende, de lijn vanuit die basis moet doortrekken naar alle manifestaties van het leven. Daarbij moet je echter goed voor ogen houden dat niemand weet heeft van deze verhouding - hij laat zich ongeweten gelden, en zelfs als men die verhouding aan de oercel ontdekt wordt hij als regel niet doorgedacht naar het leven in haar uiteindelijke vorm: de mens. Met de ontwikkeling van de westerse wereld komt de zaak er heel anders uit te zien. De nadruk komt nu op de inhoud als zodanig te liggen en dus wordt het begrippenkoppel het een en het ander de maat. De mensen gaan zich van elkaar onderscheiden, zij gaan zich uitwerken als individu en komen zodoende los van elkaar te staan. Dat is de mannelijke wereld en die staat in het teken van de veelheid. De mensen komen dan niet boven het stadium van de verzamelaar uit. Er moet zoveel mogelijk bijeen gegraaid worden, niet alleen aan spullen, maar ook aan kennis. Het toppunt van westerse ontwikkeling is: zoveel mogelijk kennis vergaard hebben! Een heldere gedachtegang leidt niet tot algemene waardering maar wordt met grote argwaan benaderd, tenzij het alleen maar een gedachtegang lijkt en in feite slechts een aan de norm beantwoordende rangschikking van kenniselementen is.

Je kunt niet promoveren op een gedachtegang, wel echter op een verzameling ordelijk gerubriceerde kennis. We hebben dus in de mannelijke cultuur te doen met de mens als verzamelaar. Ook in die westerse mannelijke wereld berust de macht bij de mannen. Nu echter ligt de legitimering daarvan niet meer bij iets anders, namelijk het vrouwelijke geheel, maar bij het mannelijke zelf. Verwezen wordt niet meer naar het geheel, maar naar de zogenaamde geest, zich manifesterend in een mannelijke god. Voor zover een westerse man zich op die god beroept is hij te typeren als de patriarch. Hij behoeft zich nergens rekenschap van te geven, zijn waarheid is zonder meer de waarheid, juist omdat het zijn waarheid is. Hij zegt dan ook: Het is zo omdat ik het zeg, met de nadruk op ik. Het mannelijke op zich behoeft niet per se patriarchaal te zijn. Het gelden van het een en het ander houdt immers ook in dat er vergeleken kan worden en dat er dus discussie mogelijk is. Je kunt van mening verschillen en dat is iets dat tegenwoordig meer en meer erkend wordt. Daarmee verdwijnt het patriarchale, zonder evenwel als grondslag voor de mannelijke wereld opgeheven te worden. Op zichzelf behoeft de ontwikkeling van het mannelijke geen ramp te zijn.

Het ligt in de logica dat de inhoud van het geheel ernaar gaat streven tot zijn recht te komen. Het kan niet blijvend als een naamloze zaak in het vrouwelijke geheel verzonken blijven. De mens moet zichzelf als individu leren kennen en waarmaken, maar het maakt een heel verschil of dit geschiedt als een op zichzelf staande zaak, die louter in zichzelf gelegitimeerd is, of als een zaak die zijn rustpunt en zijn waarheid in het geheel vindt. Dit laatste is evenwel voorlopig in de moderne cultuur niet aan de orde. Aanvankelijk op patriarchale wijze en later op redelijke wijze stelt de westerse mens zichzelf als individu, vanuit een mannelijk gezichtspunt, als de absolute maat. En daarmee komt de gehele werkelijkheid in een luchtledig terecht. Alles hangt als los zand aan elkaar, niemand weet waarom en waarheen en niemand vindt rust. Als je de oudheid vergelijkt met de moderne tijd valt het volgende op: in de oudheid kwam de inhoud niet tot zijn recht, maar de grondverhouding van de werkelijkheid werd wel beseft, namelijk dat er eigenlijk alleen maar het vrouwelijke geheel is. Maar in de moderne tijd komt daarentegen die grondverhouding niet tot zijn recht, zodat je kunt zeggen dat de moderne mensen vervreemd zijn van de werkelijkheid. Dat de zaak zo ligt komt voort uit het feit dat de verhouding tussen het geheel en haar inhoud asymmetrisch is. De inhoud kan alleen maar binnen het geheel tot zijn recht komen en is dus eigenlijk een afhankelijke grootheid. Echt zelfstandig is alleen maar het geheel en dus het vrouwelijke, precies zoals er wezenlijk maar ťťn levende cel is, en die is vrouwelijk.

 

No. 122

De cultuurontwikkelingen van de wereld van de oudheid en die van de westerse wereld vertonen geen symmetrie. In beide ontwikkelingen is er geheel iets anders gaande. Dat komt omdat de verhouding het geheel en haar inhoud van een heel ander karakter is dan de verhouding de inhoud van het geheel. Voor de eerste verhouding geldt namelijk dat er iets tot zijn recht moet komen (de inhoud als verzameling van afzonderlijke elementen), terwijl voor de tweede geldt dat er iets ergens in op moet gaan (de afzonderlijke elementen moeten met elkaar een geheel vormen). Zoals gezegd leidt dat tot volkomen verschillende cultuur ontwikkelingen en wereldbeschouwingen. Als je beide verhoudingen ineen denkt, krijg je niet iets nieuws dat uit de optelsom van beide verhoudingen bestaat, maar dan krijg je ťťn zaak die zich naar zijn ware aard laat gelden: het geheel met haar werkelijk bestaande, haar reŽle, inhoud. Je krijgt dan dus niet twee afzonderlijke begrippen, maar slechts ťťn begrip, waarin beide aspecten ineen zijn. In de oudheid lag het geheel op de voorgrond en de inhoud, die uiteraard wel aanwezig was, lag daarin naamloos verzonken. Behalve de vertegenwoordiger van dat geheel gold niemand als individu. Toch is van die situatie te zeggen dat hij niet in strijd was met de werkelijkheid. De mensen leefden dus in een reŽle cultuursfeer. Daarover vertelden zij wel van allerlei onwaarschijnlijke verhalen, over de strijd van licht en donker, goed en kwaad, mannelijk en vrouwelijk, maar die verhalen hadden een betekenis die op zichzelf niet fictief was. Dat blijkt als je die verhalen terugvertaalt: het besef omtrent de werkelijkheid was reŽel. Dat betekent in geen geval dat de kennis omtrent de werkelijkheid betrouwbaar was; men wist zo ongeveer niets over de samenstelling van de materie en over de fysische processen die in de kosmos plaats vinden. De kennis die men intussen wel vergaard had, bijvoorbeeld over de sterrenhemel, berustte uitsluitend op waarnemingen en eeuwenlange ervaringen. Niet echter, zoals onze kennis, op onderzoek, analyse en theorievorming. In de westerse wereld, te beginnen met de Romeinen, kan er geen reŽle kijk op de werkelijkheid meer zijn, tenminste, niet binnen het cultuurbesef. Er zijn natuurlijk hier en daar wel individuen met een juiste kijk! Je kunt dat gebrek aan inzicht betrekkelijk gemakkelijk waarnemen aan het reilen en zeilen van het westen. Vooral tegenwoordig is het opvallend hoezeer bijvoorbeeld de leiders van deze wereld in het duister tasten bij hun pogingen de maatschappij te besturen. Maar, je kunt het ook nagaan vanuit het gegeven dat het nu om de inhoud gaat en dus om de verzameling afzonderlijke elementen. Het is dan namelijk onvermijdelijk dat het geheel verloren gaat omdat bij het op zichzelf stellen van die elementen de samenhang verbroken wordt. Resultaat is een besef omtrent een werkelijkheid die als los zand aan elkaar hangt. Dat is een irreŽel besef, want zo is de werkelijkheid helemaal niet! De verschillende verschijnselen doen zich wel als van elkaar gescheiden voor, maar zij zijn dat in feite niet. Gaandeweg verzinkt de westerse mens qua cultuurbesef weg in een poel van waanideeŽn. Al tamelijk vroeg ontstaat er in de westerse cultuur een wantrouwen tegen en een afwijzen van alles wat vrouwelijk is. Dat geldt ook ten aanzien van de natuur; zij wordt, evenals de vrouw, beschouwd als duister, ondoorgrondelijk, irrationeel, onhanteerbaar en vooral ook van een lagere orde. Dat is, in het algemeen gesproken, het beeld van de heks. Er zijn in het westen heel wat vrouwen als heks ter dood gebracht. Dat waren als regel zelfstandige vrouwen, die op de een of andere manier een sterke associatie met de natuur opriepen: vroedvrouwen, natuurgeneeskundigen, kruidenvrouwen en dergelijke.

Kortom, het gaat over een minderwaardige werkelijkheid die onderworpen moet worden en dienstbaar gemaakt aan de man en het mannelijke. Het christendom haakte daar geraffineerd op in en ook vandaag wordt dat nog, qua besef, gehandhaafd, al zegt men dat dit niet het geval is en plaatst men bij tijden het vrouwelijke op een voetstuk. De vrouw moet dan rein, onschuldig en moederlijk zijn. Maar dan wel voor de man! Veel vaker komt het echter voor dat er een hysterische angst voor de vrouw is, bijvoorbeeld binnen het fascisme. Maar niet alleen daar: ook de moderne mens kent die diepe psychologische angst. Het behoort tot de westerse cultuur om in machtsverhoudingen te denken, een zaak die logisch meekomt aan het op zichzelf stellen van de afzonderlijke mensen omdat daardoor de verschillen geaccentueerd worden. Voor dit denken is alleen al de suggestie dat het mannelijke binnen het vrouwelijke behoort te zijn niet te verwerken.

Men gaat onmiddellijk denken aan de man als pantoffelheld, de man die thuis niets te vertellen heeft. De man dus die zijn macht heeft moeten afstaan aan de vrouw. Dergelijke misvattingen zijn bijna niet te vermijden, reden waarom het nauwelijks zin heeft over deze dingen te praten. Je kunt je afvragen of de volgorde in de ontwikkeling, waarbij het besef van het geheel opgevolgd wordt door het besef van de elementen, een noodzakelijke is en of het niet mogelijk zou zijn geweest dat de zaak andersom verloopt. Het antwoord moet zijn dat het niet andersom kan. Je moet namelijk bedenken dat je, om de werkelijkheid te kunnen analyseren, eerst de beschikking moet hebben over een algemene voorstelling van de werkelijkheid. Anders gezegd: de werkelijkheid moet er eerst voor je zijn wil je haar onderdelen kunnen gaan onderzoeken. In de oudheid komt die voorstelling langzaam maar zeker tot stand, en wel in wisselwerking met de werkelijkheid als bewustzijn. In die voorstelling liggen de dingen nog niet uiteen, maar vormen met elkaar nog een samenhangend geheel, zonder dat men vooralsnog weet wat die dingen zijn. Men geeft ze uiteraard wel een naam, maar zo'n naam geeft eigenlijk aan wat de verhouding is tussen die dingen en het geheel. Als die samenhangende, maar in essentie onbegrepen, voorstelling er optimaal helder is, kan men zich af gaan vragen waaruit die zaak bestaat, wat de samenstellende delen zijn. Dan kan de analyse beginnen en die begint dan ook. Je kunt achteraf constateren dat de Romeinen de eerste culturele verzamelaars waren: in het oude Rome was het een ratjetoe van naast elkaar bestaande culturen. Maar daaraan voorafgaand, in de Evangelisch-Griekse cultuur, vloeiden alle culturen ineen. Dat was het culminatiepunt wat betreft een volledige en heldere voorstelling. Je kunt zeggen dat men in die tijd zag hoe de werkelijkheid is, zonder te weten wat zij is. Het is bepaald niet verwonderlijk dat men uitgerekend toentertijd met het liefdesbegrip kwam: het ineen zijn van het een en het ander! Dat leverde in Griekenland de meest zuivere kunst op, in de vorm van het beeld van de Afrodite en de Apollo en ook het meest omvattende denken waartoe de mens in staat is. Dat denken, dat wij in verminkte vorm nog terug vinden in de EvangeliŽn, vertoont dan ook alle kenmerken van een dergelijk inzicht: nihilisme (geen waarde hechten aan, de wereld is een lijk, geef de keizer wat des keizers is, enzovoort), anarchisme (in vrijheid leven in gezagsloze gemeenschappen), socialisme (als ik er ben, ben jij er ook) en communisme (wij zijn met zijn allen). Maar, al die prachtige begrippen konden te voorschijn komen juist omdat de voorstelling nog niet uit elkaar gehaald was en nog een samenhangend geheel vormde. Je kunt ook zeggen: omdat de inhoud van de zaak nog niet bekend was. En die kan alleen maar dan bekend worden als je datgene dat je uit wilt zoeken ter beschikking hebt.

 

No. 123

Er is in de cultuurontwikkeling een periode van overgang geweest, die je eigenlijk wel uniek kunt noemen. Dat was de periode die ik de Grieks-Evangelische periode heb genoemd. Het kenmerk van die periode is dat er een helder zicht op de werkelijkheid was, vergezeld van het besef dat die werkelijkheid gedoemd was uiteen te vallen. Aan die periode was het zich ontwikkelen van die heldere kijk voorafgegaan, voornamelijk vanuit het oude Oosten, en erna kwam het verbreken van het geheel. Wat dit laatste betreft komt dit voor de dag als enerzijds de ontwikkeling van de mens als individu en anderzijds van de mens als wetenschappelijk onderzoeker. In de Grieks-Evangelische periode was er een optimale verwantschap met de werkelijkheid als bewustzijn, zich vertonend als een denken in beelden. Je zou kunnen zeggen: de voorstelling als verbeelding. In de EvangeliŽn vind je dan ook velerlei in beelden gegoten gedachten, denkbeelden.

Te beginnen met de Romeinse cultuur verliezen de mensen hun verwantschap met die integrale voorstelling en er ontstaat agressie tegen het vrouwelijke en eigenlijk ook tegen het leven zelf. Zoals ik al vaker heb gezegd: de wereld komt op zijn kop te staan, het gaat nergens meer over en er is een toenemende vervreemding. In de letterlijke zin van het woord kun je van een krankzinnige wereld gaan spreken. Men investeert een enorme energie in het elkaar naar het leven staan, in het zich verheffen van de een boven de ander, in het elkaar betwisten van eigendommen en in het vestigen en handhaven van macht. Slechts een klein deel van die energie zou voldoende zijn om de rijkdommen van deze planeet ter beschikking te stellen van diegenen die ze nodig hebben en om met zijn allen gezellig te leven. Men twist om het bezit van een oliebron, een stukje grond, een brood, terwijl het veel minder moeite zou kosten en meer welvaart zou opleveren als men die dingen als iets gemeenschappelijks zou beschouwen, niet gemeenschappelijk in de staatkundige zin, zoals men in de Sovjet-Unie beoogde, maar gemeenschappelijk in de individuele zin: de dingen zijn van ons allemaal en niemand maakt uit wat ons wel en wat ons niet toekomt. Een aardige vergelijking levert nog steeds het boek Utopia van Thomas More (1478-1535) op. More beschrijft daarin hoe het in Nergens land toeging. Uiteraard zitten er van allerlei gedateerde elementen in, maar over het algemeen is te zeggen dat er een beschrijving van een geheel andere werkelijkheid wordt gegeven, precies het omgekeerde van de westerse. In het westen steekt men pluimen op de hoed en behangt men zich met glimmende voorwerpen. Op zichzelf moet ieder dat voor zich weten, maar het is wel de moeite van het overdenken waard welke wereld van macht, inbeelding en gewichtigheid daar achter ligt. De mens als zwaarwichtig verschijnsel, loodzwaar drukkend op zijn wereld, doordrongen van eigen waarde en eigen voortreffelijkheid. En dat in tegenstelling tot datgene dat de mens werkelijk is: lichtvoetig, op grond van het instorten van de materie tot beweeglijkheden, ons bekend als het begrip geest, en voorts zonder waarde en specifieke voortreffelijkheid. Gezien in dat licht verschijnt de westerse mens als een ontkenning van alle menselijkheid, als een wezen dat op zijn kop staat, een wezen dat letterlijk verkeerd is. Heel vaak kom je de gedachte tegen dat het met de mensheid fout gegaan is en over het algemeen voelt men wel aan dat dit ergens aan het einde van de oudheid gebeurd zou moeten zijn. Dostojewski merkt meerdere malen op dat het westen de werkelijkheid verbroken heeft. Dat is op zichzelf juist gezien, maar niet juist is zijn suggestie dat het westen daar schuld aan zou hebben.

Dat zou wel het geval zijn als de mensheid een keuze had, maar de feiten liggen zo dat het verbreken van de werkelijkheid onvermijdelijk is. Zoals ik heb laten zien kan het niet anders dan dat de mensen, na het helder voor ogen hebben van de hoedanigheid van de werkelijkheid, overgaan tot het onderzoeken ervan: hoe zit de zaak in elkaar. Na het inzicht in de werkelijkheid als vorm begint het uitzoeken van de werkelijkheid als structuur. En dat laatste leidt logischerwijs tot het verbreken van de samenhang en dus van het geheel. De werkelijkheid als het begrip oercel brengt haar eigen inhoud voort. Zo gaan de mensen zichzelf als voortgebrachte inhoud beseffen. Dat houdt in dat zij in het teken van het mannelijke komen te staan. Dat betreft een verzameling van afzonderlijke elementen. Dus gaan de mensen zich tot individuen ontwikkelen. Een ieder wil zichzelf worden. Wij, moderne westerse mensen, vinden dat heel normaal, maar in feite is dat zo normaal niet. In een groot deel van de wereld wordt die individuele ontwikkeling tegen gehouden omdat het belang van het collectief op de voorgrond staat. Men laat de gemeenschap, steeds opgevat als de staat, domineren over het individu. Dat moet zich invoegen in en aanpassen aan de staat en zijn belang.

Logisch redenerend blijkt dat een onhoudbare opvatting te zijn en we zien dan ook in de praktijk dat overal op de wereld de mens als individu wakker wordt en het juk van het collectief van zich af probeert te schudden. Er is, vooral ook in de westerse wereld, veel kritiek op het gedrag van de mens als individu. Die kritiek komt er op neer dat die individu alleen maar zichzelf op het oog heeft en daardoor niet geÔnteresseerd is in het zogenaamde algemeen belang. Die kritiek is zeker terecht, maar er zijn toch een paar dingen die niet uit het oog verloren mogen worden. Juist omdat ieder voor zich bezig is kon er in de westerse wereld een zeer fijnmazige infrastructuur ontstaan, die er toe leidde dat zo ongeveer aan alle levensbehoeften voldaan kon worden. Juist omdat ieder voor zich bezig is ontstonden er op de goede plaatsen bedrijvigheden. Het is opmerkelijk, hoewel verklaarbaar, dat moderne managers vergeten zijn dat de gehele infrastructuur van de westerse wereld zijn oorsprong van onderaf heeft in enkelingen die een zaakje begonnen zijn en dat er helemaal geen leiding van bovenaf was die daartoe opdracht gegeven heeft. Eigenlijk is de westerse mensheid in anarchie begonnen. Het is een feit dat je in de westerse wereld, vooral in de noordwest hoek van Europa, de beschikking hebt over alle mogelijke levensbehoeften, dat je betrekkelijk veilig bent voor willekeur en dat je als individu rechten hebt. In de rest van de wereld is het met dat alles veel slechter gesteld, omdat de ontwikkeling tot individu daar nog lang niet zover is en omdat die ontwikkeling vaak onderdrukt wordt. Je kunt met recht stellen dat de noordwest hoek van Europa het verst ontwikkeld is, maar: dat is wel een ontwikkeling in analytische zin. Het is de ontwikkeling van een verbroken wereld. Het is echter van belang in te zien dat het nu net precies de mens van die wereld is die via het eenzijdige voor zichzelf bezig zijn de grondslag legt voor een wereld waarin alle mensen aanwezig kunnen zijn, ongeacht hun persoonlijke eigenaardigheden en kwaliteiten. De inhoud van de werkelijkheid als oercel, namelijk de verzameling van op zichzelf staande elementen, die stuk voor stuk tot hun recht moeten komen, wordt door de individualistische mens waargemaakt. Dat leidt er op den duur toe dat het zich bewust zijn van het geheel weer terug komt. Dan echter is het een geheel met een effectieve inhoud, die niet meer naamloos verzonken is. Dan kan de mensheid echt tot samenleven komen, letterlijk gezellig zijn, zonder druk van bovenaf in de vorm van overheden, hun vertegenwoordigers en managers. De energie die de mensen eerst gebruikten om elkaar dwars te zitten vloeit dan terug naar het geheel, zonder dat ook maar iemand aan dat geheel onderworpen is.

No. 124

tot hun recht komen-1†††tot hun recht komen-2 ; China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ;

De cultuur van de mensen uit de noordwest hoek van Europa is, vergeleken met de rest van de wereld, het verst gevorderd. Daarmee bedoel ik niet dat zij vooraan zouden lopen wat betreft het samenvallen met zichzelf als bewustzijn, maar eigenlijk het tegendeel daarvan. Zij zijn namelijk het verst inzake het zich ontwikkelen en waarmaken als ik, en dus met het vergaren van kennis omtrent zichzelf als voorstelling. Daaraan komen een heleboel op zichzelf kwalijke verschijnselen mee waarvan de belangrijkste zijn het plunderen en uitbuiten, en ook het elkaar naar het leven staan. Maar intussen is het wel een ontwikkeling die niet van de cultuur is af te denken, een proces waar de mens doorheen moet gaan om tenslotte werkelijk bij zichzelf terecht te komen. Omdat de inhoud van het geheel een verzameling van op zichzelf staande elementen is, gaat de mens, die zich als die inhoud waarmaakt, over tot het verzamelen van zoveel dingen als maar mogelijk is. Eigenlijk wil hij alles in bezit nemen. Dat komt doordat hij als laatste verschijnsel de gehele werkelijkheid tot inhoud heeft. We hebben immers al gezien dat het bewustzijn op trillende wijze de gehele werkelijkheid omvat! En het is juist het, bij de opeenvolging van de generaties, telkens weer optredende moment van helderheid (= nog niet aanwezig zijn van de voorstelling) dat er toe leidt dat zich het feit laat gelden dat het de mens om de gehele werkelijkheid gaat. Omdat dit voor ieder individu persoonlijk geldt, wil ook ieder individu voor zichzelf die gehele werkelijkheid in bezit nemen. Die mens is wezenlijk een verzamelaar die alles probeert te roven. Je moet er echter goed op letten dat de mensen niet roven omdat zij rovers zouden zijn, maar omdat het roven aan hen meekomt. Aan het zich waarmaken als individu komt om te beginnen het roven mee, en wel zolang en voor zover die individu nog bezig is zich van de anderen, het collectief, los te maken. En dat laatste is op zichzelf een heel gewone zaak, een natuurlijk proces dat niet uit kan blijven. Ieder mens wil zijn persoonlijkheid ontwikkelen omdat ieder mens wil leven en niet alleen maar overleven. Niemand van ons wil zijn persoonlijkheid ter wille van wat dan ook inleveren of laten beknotten...Het is veelzeggend dat de westerse mensen destijds begonnen zijn als rovers. De Germanen hadden de mentaliteit van een rover. Zij waren dan ook voortdurend met elkaar in strijd. De Romeinen hebben geprobeerd van die Germaanse wereld een eenheid te maken, eigenlijk een collectief, een complete verzameling. Dat is hen nooit gelukt en ook later is er nooit een eenheid gekomen, ondanks het feit dat er wel staten zijn ontstaan. Het ontbreken van die eenheid vindt zijn moderne uitdrukking in datgene dat wij de democratie plegen te noemen. Dat is namelijk de poging om tot iets gemeenschappelijks te komen, een poging die in feite steeds mislukt omdat er altijd grote groepen zijn die wat anders willen en er voortdurend op uit zijn hun wil door te zetten. Bij de oude Germanen lag de mentaliteit al klaar voor de ontplooiing van de mens als individu. Behalve dat die westerse mens zich als een rover gedraagt, komt ook nog het moordenaar zijn aan hem mee. Je bent een moordenaar als je beseft dat je een individu doodt. Dat het iemand is die je vermoordt. In het westen wil men dan ook iedere moord rechtvaardigen, men wil er argumenten voor hebben. In de praktijk zijn die doorgaans, zeker voor overheden, gemakkelijk te vinden en de mensen laten zich tamelijk gewillig ervan overtuigen dat het rechtvaardig is om zoveel duizend mensen doormiddel van bommentapijten af te slachten. Maar, waarom het gaat is dat je met argumenten moet komen. Dat duidt op een besef van individualiteit. In de oudheid, en tot op zekere hoogte ook nu nog in het oosten, bijvoorbeeld China, rechtvaardigt men zich niet.

Je doodt daar niet iemand maar iets. Dat noem je dan een misdadig element, dat wil zeggen datgene dat het collectief verstoort. Maar in de westerse wereld is er altijd nog het besef met iemand van doen te hebben en juist omdat dit het geval is kun je stellen dat aan de westerse mens meekomt dat hij een moordenaar is. Als je die westerse mens louter en alleen beoordeelt op datgene dat aan hem meekomt, dus dat hij rooft en moordt, dan kun je hem zonder meer misdadig noemen. Zijn gedrag is dan verwerpelijk. Maar het is goed om te begrijpen dat die mens geen keuze heeft, hij moet door die fase heen. Zo beschouwd kun je met Hegel zeggen dat de realiteit goed is. Het is in orde, want het ligt in de logica. Daarmee is het roven en moorden op zichzelf niet in orde: ieder, zichzelf bevestigend, individu is vooral mens en hij heeft die misdadigheid maar te laten. Dat wordt dan ook terdege beseft in het westen, vandaar dat men er paal en perk aan stelt. Maar het is niet meer dan dat... zodra er verkoopbare argumenten voorhanden zijn bij overheden worden de grenzen zonder scrupules verlegd! Niettegenstaande dat is van de westerse mens te zeggen dat hij er geen vrede mee heeft dat hij rooft en moordt. Want hij is in wezen juist geen rover en moordenaar.

Omdat dit het geval is keurt hij voortdurend zijn eigen gedrag af, om zich tegelijkertijd ervoor te verontschuldigen: hij is er wel toe gedwongen omdat hij anders zijn baan verliest en hij moet toch ook kunnen overleven! En dus doet hij zijn zaakjes die op zichzelf geen van alle deugen, met het paradoxale gevolg dat juist hij een verfijnde maatschappelijke infrastructuur tot stand brengt waarin de mogelijkheden tot overleven optimaal worden! Dat is nu net niet wat de marxisten verwacht hebben. Volgens Marx zou het proletariaat steeds meer verkommeren totdat het niets meer te verliezen heeft en in opstand komt. De revolutie!

Maar, Marx heeft zich vergist, de westerse wereld heeft niet te maken met een paar rovers en moordenaars tegenover een grote meerderheid van onschuldige lammeren - in die wereld zijn het allemaal rovers en moordenaars omdat iedereen bezig is zichzelf tot individu te ontwikkelen. En dat is dan ook de gang van zaken die wij tot nu toe meegemaakt hebben. Ik heb gezegd dat het nu gaat om de individu die zich vooralsnog aan het waarmaken is. Dat betekent dat hij zich losmaakt van de anderen en die anderen, op hun beurt, maken zich los van hem. Omdat dit een zaak van individuen is gaat dit proces door totdat het individu-zijn voor iedereen van kracht is geworden. Op het moment dat dit het geval is vervalt de strijd om zich van elkaar los te maken en daarmee komt de mogelijkheid vrij om zich overeenkomstig het bewustzijn te laten gelden. Dat houdt in dat men tot het inzicht komt dat de ander er ook is, met hetzelfde recht van bestaan en ook de praktische mogelijkheden daartoe. Als het eenmaal zover is gaat vanzelf gelden dat al die afzonderlijke, op zichzelf tot hun recht komende individuen met elkaar een geheel vormen. Dat geheel behoeft niet ingesteld te worden, het behoeft niet door managers georganiseerd te worden - het is niet nodig om dan ook maar iemand er aan te onderwerpen, want het geldt vanzelf als de inhoud van het geheel tot werkelijke inhoud geworden is. Daarom kan er dan ook geen overheid zijn die de pretentie heeft dat geheel te vertegenwoordigen en die van daar uit de individuen dwingt zich te onderwerpen. Het geheel is niet te bedenken noch in te stellen, en daarop berust de fout die de zogenaamde holisten maken: zij proberen een geheel tot stand te brengen door de elementen daarvoor aan te passen. Daarmee beknotten zij in feite de individu. Een volgend station is dat de mensen ook in gaan zien dat zij met zijn allen inhoud van een geheel zijn. Als dat een feit is geworden zijn de mensen volwassen.

tot hun recht komen-1†††tot hun recht komen-2 ; China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ;

No. 125

Wij leven op het ogenblik in een wereld die geheel en al het resultaat is van wetenschap en techniek. Elk probleem wordt op wetenschappelijke en technische wijze benaderd. Daaraan nemen niet alleen de vakmensen deel, iedereen is omringd door producten die aan die wijze van denken te danken zijn, al gaat het maar over de theepot. Voeg bij die producten dan ook nog eens de organisaties op alle mogelijke gebieden, zoals bijvoorbeeld de gezondheidszorg, en je zult niets meer aantreffen dat nog door het wetenschappelijke denken onberoerd is gelaten. Zelfs de natuurproducten worden op die manier gekweekt. Dat alles levert een breed en in zichzelf uiterst verfijnd scala van verworvenheden op die stuk voor stuk bijdragen aan het veilig stellen en overleefbaar maken van ons bestaan op aarde. Hoe negatief je alle aan de wetenschappelijk denkende individu meekomende verschijnselen ook beoordeelt, het valt niet te ontkennen dat de westerse cultuur tot nu toe de meest vruchtbare is. En evenmin valt te ontkennen dat de inspiratie daartoe gelegen is in de mens als individu. In de praktijk valt dan ook waar te nemen dat de technologische vruchtbaarheid van de mens minder is naarmate hij meer gehinderd is om zich als individu te ontplooien.

Daarnaast kun je je afvragen wat het westen in immateriŽle zin heeft opgeleverd. Dan wordt als eerste je aandacht getrokken door het feit dat er eigenlijk in het westen geen samenleving is, hetgeen ook niet zou kunnen omdat het juist om de afzonderlijke individuen gaat. Het ieder voor zich is het wezen van de westerse cultuur. Maar dat ieder voor zicht leidde wel tot het zich ontwikkelen van een zeer verfijnd rechtsstelsel met betrekkelijk grote waarborgen voor de veiligheid van de enkeling. Vergelijk je dat met de oudheid - toen er wel een samenleving was - dan ontdek je dat er in onze wereld recht gesproken wordt, maar dat in de oudheid de wet gehandhaafd werd, de wet namelijk van diegenen die het geheel vertegenwoordigden. En het mag dan een feit zijn dat de westerse mens zich als een moordenaar gedraagt, er is toch een tamelijk duidelijk besef van het begrip moord, in tegenstelling tot vroeger tijden en tot op zekere hoogte het huidige oosten, waar zelfs dat besef nog uiterst pril is. Er is een tijd geweest dat de cultuur van de oude Grieken in het westen in hoog aanzien stond. Dat zou enigszins te rechtvaardigen zijn, ware het niet dat al dat moois uitsluitend aan een vrije bovenlaag was voorbehouden. De overgrote meerderheid van de bevolking was onvrij of zelfs wel slaaf. Voor hen gold de democratie van Pericles (ca.495-429) volstrekt niet!

Als je let op de praktijk van het persoonlijke leven - en dat is toch in feite het enige leven dat er is - blijkt dat geen enkele cultuur kan tippen aan de westerse, ondanks het feit dat begrippen als samenleving, schoonheid, vrouwelijkheid en dergelijke in het westen niet aan bod komen. Dus, ondanks het feit dat de werkelijkheid als bewustzijn verwaarloosd is en iedereen zich, vanuit de hem overheersende cultuur, gedraagt als een rover en een moordenaar. Ondanks dat alles geldt dat de westerse cultuur het verst gevorderd is. De voor die cultuur typerende gereglementeerde roofzucht en moordzucht levert voor de enkeling de meeste overlevingskansen op, juist omdat al die enkelingen last van elkaar hebben en daardoor gedwongen zijn afspraken met elkaar te maken. Langs die weg kan het begrip relatie, dat kenmerkend is voor de samengestelde werkelijkheid, de werkelijkheid als verzameling, zich ontwikkelen en tot zijn recht komen. Welbeschouwd zijn roofzucht en moordzucht de eerste factoren van het begrip relatie. Dat is een naar buiten gerichte zaak. Het gaat daarbij immers om het absoluut gescheiden-zijn van de een en de ander.

Jij bent buiten mij en dus ben jij er voor mij niet, behalve als een lastig en in de weg lopend obstakel dat ik maar het liefste op zou ruimen! De betekenis van het roven en moorden gaat veel dieper dan het feitelijke roven en moorden. Met enige reserve kun je wel stellen dat er feitelijk niet zoveel geroofd en gemoord wordt, althans minder dan je op grond van de essentie van de cultuur zou verwachten. Het is gaandeweg niet alleen een gereglementeerde, maar ook een indirecte zaak geworden. En als zodanig geldt hij voor alle westerse mensen. Ook voor diegenen die vanuit hun persoonlijke aanleg niet geneigd zijn tot enige gewelddaad. Achter het kopen van bijvoorbeeld een brood steekt al die gewelddadige realiteit: er zijn mensen tekort gedaan door het graan tegen zo laag mogelijke prijzen in te kopen, er zijn te lage lonen betaald, enzovoort. Onvermijdelijk maakt ook de goedmoedige mens vuile handen. In het algemeen kun je stellen dat elke aanschaffing van een product ergens op roof en moord berust. Over de gehele wereld is de individualisering zich aan het doorzetten. De mensen maken zich los uit de collectieven waarin zij gevangen hebben gezeten. En een ieder doet dat ieder voor zich. Juist daardoor gaat een ieder aan de anderen in de weg staan zodat die zich niet meer ongebreideld breed kunnen maken.

Het klassieke kapitalisme is op de terugweg, dat wil zeggen dat het de enkeling niet meer gelukt zich maatschappelijk als de enige door te zetten en de levens en het bestaan van anderen te beheersen. Hier en daar zijn er nog wel dictators, maar bijvoorbeeld die uit de zogenaamd socialistische landen, die wezenlijk nog klassieke kapitalisten waren, zijn zo goed als allemaal opgeruimd. Steeds meer mensen zijn begonnen zich ook tot individu te ontwikkelen en daarmee gaan zij in toenemende mate een rem vormen voor elkaars particuliere kapitalisme. De ontwikkeling daarvan voert tot zijn eigen ondergang. De moderne wereld is gebaseerd op rivaliteit, een ieder wil de eerste van de klas worden. Het hele onderwijssysteem is daarop gericht en dat is het geval juist omdat het individualisme nog in ontwikkeling is: het is nog steeds iets bijzonders om wat te bereiken, en dan uiteraard iets in de zin van rijkdom en macht. Die bepalen het aanzien dat iemand heeft. En dat gaat door totdat ieders individu-zijn niets bijzonders meer is. De vraag is nu wat er voor de ontwikkelde individu geldt. Komt er aan hem ook een roof en moord programma mee? Neen, aan hem komt mee dat hij zich is gaan realiseren dat de andere mensen er ook zijn. Als dat het geval is, is de werkelijkheid als inhoud van het geheel tot haar recht gekomen. Ieder individu is dan de ontwikkelde inhoud van het geheel, en de mensen gaan dat langzaam maar zeker beseffen. Tot het helder worden van dat besef draagt bij dat de mens, die zichzelf geworden is, ook weer bij zichzelf als bewustzijn terechtgekomen is. Voor dat bewustzijn geldt dat alles ineen is en dat leidt er toe dat de mensen in gaan zien met zijn allen te zijn. Het is natuurlijk niet te voorspellen hoe dit alles zich in de praktijk zal vertonen en wat de mensen er dan over zullen zeggen, maar dat het bewustzijn zal gaan gelden, naast het elkaar ontzien wat betreft de relaties, is een ding dat zeker is. Het complex van verhoudingen dat dan in de mensheid optreedt is te benoemen met het begrip communisme - een heel ander communisme dan het individuontkennende collectivisme dat de wereld tot op heden aanschouwd heeft...Voorlopig evenwel zitten wij nog in de fase van het individu worden. Dat houdt in dat en de misdadigheid en het reglementeren flink zullen toenemen. De mensen zullen steeds onverschilliger voor elkaar worden en voor al datgene dat het collectief vertegenwoordigt, zoals daar zijn openbare voorzieningen en voorschriften van overheidswege. Tegelijkertijd zie je nu reeds een toenemend gezag van de rechter die in geschillen over de reglementen moet bemiddelen. Het is namelijk niet de overheid maar het rechtssysteem dat voor ontwikkelde individuen maatgevend is.

No. 126

Volwassen worden-1, Volwassen worden-2

De mens als individu kan van zichzelf zeggen dat het hem gaat om zijn eigen leven. Gezien in dat daglicht is het te begrijpen dat die mens onverschillig is voor collectieven, of die nu van ideologische aard of van politieke aard zijn. Dat leidt in de moderne wereld tot diepe conflicten omdat die wereld nog steeds overheerst wordt door overheden, voor wie de afzonderlijke onderdanen op geen andere manier dan die van het collectief tot gelding kunnen komen. Ook de moderne kreet dat een samenleving pluriform zou moeten zijn houdt voor een overheid toch nog steeds in dat het om een pluriform collectief moet gaan: een in zichzelf gedifferentieerd collectief. Aan zo'n collectief worden allerlei namen gegeven, in de hoop dat de individuen erdoor gemotiveerd zullen worden om bepaalde politieke, commerciŽle en ideologische belangen van overheden te dienen. Zo konden wij onlangs meemaken dat de Amerikanen weer met hun vaderland op de proppen kwamen toen er belangen in het Midden-Oosten op het spel stonden en er een oorlog uitgevochten moest worden.

Opmerkelijk daarbij was dat de soldaten er zelf op wezen dat zij uitsluitend ter wille van hun kameraden zouden vechten. Zelfs een generaal bevestigde dat soldaten niet voor hun land vechten. Het begrip overheid houdt in dat de individuen er niet zijn voor zichzelf, maar voor iets anders buiten henzelf. Onder dat begrip overheid vallen niet alleen de zogenaamde regeringen, maar alle instellingen die voorgeven een bepaalde groep leiding te geven of te vertegenwoordigen. En daarbij gaat het steeds om een collectief waarin afzonderlijke mensen zich invoegen en zich aanpassen om zichzelf in dienst te stellen van iets dat buiten henzelf ligt. Dat begrip overheid is dus in strijd met het begrip individu. Tijdens het zich ontwikkelen van de mens als individu staat het collectief nog steeds op de voorgrond, ”ůk voor het besef van die individu. Dat leidt ertoe dat deze voortdurend voor zichzelf bezig is om tegelijkertijd de toenemende onverschilligheid voor het collectief af te keuren, uiteraard vooral als het anderen betreft! Die anderen worden dan zonder meer egoÔsten genoemd. Het toenemende besef dat het de afzonderlijke mens om zichzelf gaat is, ondanks alle tegenwerking, niet tegen te houden. Zoals ik heb laten zien kan de mensheid niet volwassen worden zonder de ontplooiing van het individu. De inhoud van het geheel moet tot zijn recht komen. Daarbij worden de oude zienswijzen omtrent leidinggevende overheden, die wezenlijk nog uit de oudheid stammen, almaar meer onrealistisch, hetgeen zich manifesteert in het steeds paniekerige gedoe van die overheden. Hun greep op het collectief is eigenlijk al fictief geworden, de zaak is in de praktijk al uitgehold. Dat geldt niet alleen voor de overheden en collectieven, het geldt uiteraard in de eerste plaats voor het denken van de mensen. Omdat in dit denken de praktische inwerking van de spanningen tussen de individuen een minder indringende rol speelt kan deze dynamiek gemakkelijk buiten beschouwing gelaten worden. Daardoor loopt het denken achter bij de praktijk, zodat je bijvoorbeeld in de filosofie nog nauwelijks een positieve benadering van de individu in de cluster collectiefindividu tegenkomt. Anders gezegd: jij en ik komen in de filosofie nog steeds niet voor. Men denkt de individu nog altijd in termen van collectieven, namelijk als element van een verzameling, gewoonlijk gemeenschap, samenleving of maatschappij genoemd. Vanuit die verzameling denkt men dan na over de individu, met als gevolg dat jij en ik er onvermijdelijk als een onderdaan uitkomen. Dus als een mens die bestaat ter wille van iets anders...

Het is verklaarbaar, maar toch verbazingwekkend, dat zelfs de filosofen nog niet van de erfenis van de oudheid zijn losgekomen! Je kunt opmerken dat de onverschilligheid van de mensen zich nooit richt op hun eigen wereldje, maar steeds op voorzieningen die vanuit een overheid tot stand zijn gekomen, zelfs als dat voorzieningen zijn die voor de mensen van nut zijn. Telefooncellen, treincoupťs, huurwoningen, groenstroken, enzovoort, moeten het ontgelden. De helft van de bevolking begeeft zich niet meer naar het stemlokaal, niet op redelijke gronden (er zijn filosofisch sterke argumenten om niet met het legaliseren van overheden mee te doen), maar uit asociale onverschilligheid. Gezien vanuit de optiek van het collectief (de maatschappij, de staat en dergelijke) is dat buitengewoon verwerpelijk en ik zal niet beweren dat het allemaal zo leuk is! Maar, nogmaals: deze verwerpelijke en zelfs wel bedreigende zaken zijn toch symptomen van een verdergaande ontwikkeling van de mensen. Als vanzelfsprekend veronderstelt menigeen dat vooruitgang altijd aangenaam van karakter is; in materieel opzicht is dat doorgaans inderdaad het geval, maar als het gaat over een volgende fase van de cultuurmentaliteit behoeft dat lang niet altijd zo prettig te zijn. Een fase van ondergang is in de praktijk verwarrend en bedreigend, terwijl toch in zo'n fase het tot bloei komen van iets nieuws, aanvankelijk onder de oppervlakte, plaatsvindt.

De aanwezigheid van overheden berust op een ouderwetse voorstelling van de werkelijkheid. Het uitvaardigen van wetten, onvermijdelijk nadat er zich in de bevolking nieuwe ontwikkelingen voorgedaan hebben, is een op ouderwetse opvattingen gestoelde bezigheid, die een erfenis uit de oudheid is. Daarbij wordt een bepaalde machtsverhouding tussen de enkeling en het collectief afgedwongen. De moderne individu echter vraagt niet om wetten, maar om regeling van de relaties tussen zichzelf en de anderen. Dat is in feite een juridische kwestie, het is een zaak van het recht. Je ziet dan ook dat er in onze tegenwoordige maatschappij in toenemende mate een beroep op de rechter wordt gedaan als er geschillen gerezen zijn. En ook zie je dat de uitspraken van de rechter serieus genomen worden - zelfs stakers houden op met staken als de rechter daartoe opdracht geeft! Dat wijst er op dat in het denken de individu meer op de voorgrond komt te staan, terwijl de overheid zienderogen aan gezag inboet. Daarmee vervalt ook het zogenaamde vertegenwoordigen, waarbij men voorgeeft namens mensen op te treden, maar in feite de eigen positie rechtvaardigt doormiddel van een collectief. Er is inderdaad een verschil tussen de overheid van de oudheid en die van de westerse wereld. Dat verschil evenwel ligt niet in de absolute macht van beide, maar in de wijze waarop die macht gelegaliseerd wordt. Vroeger was het voldoende om tot een bepaalde clan of familie te behoren, of door goddelijke uitverkiezing tot overheid (tiran) geroepen te zijn, maar tegenwoordig moet je om te beginnen voldoende mensen verleid hebben om op je te stemmen, en vervolgens moet je voldoende intrigant zijn om, temidden van de andere gekozenen, een zo machtig mogelijke positie te veroveren. In wezen is er dus geen verschil: in beide situaties heb je te doen wat er gezegd wordt. En, zoals gezegd, is dat in strijd met datgene dat voor de individu geldt. Het is opmerkelijk dat de anarchisten nog steeds doende zijn een organisatievorm voor een toekomstige betere maatschappij te bedenken. Zij zoeken dus naar een redelijk systeem waaraan de individuen zich zullen moeten onderwerpen. Dat dit in strijd is met hun eigen anarchistische ideeŽn schijnt hen niet op te vallen. Er bestaat geen redelijke organisatievorm waarin tegelijkertijd iedereen vrij is van overheidsdwang. De enige vorm waarin de vrijheid van de individu tot zijn recht kan komen is de juridische, die vorm dus waarin de mensen zelf in volle vrijheid hun persoonlijke relaties regelen.

Volwassen worden-1, Volwassen worden-2

No. 127

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ;

Het is een feit dat wij tegenwoordig het begrip individu kennen, maar het is nog maar de vraag of het in onze cultuur begrepen wordt. Men weet inderdaad dat het om de mens als enkeling gaat, maar nader onderzoek brengt aan het licht dat in het denken die enkeling benaderd wordt vanuit een collectivistisch standpunt: de enkeling is het kleinste element van het collectief. En steeds worden aan die enkeling beperkingen opgelegd, omdat hij zich te houden zou hebben aan de regels die het collectief hem oplegt. In het denken is het collectivisme dus nog steeds maatgevend. De reden daarvan is dat wij niet te maken hebben met een wereld van individuen, maar een wereld van zich ontwikkelende individuen, die vooralsnog niet terecht zijn gekomen bij hun eigen zichzelf-zijn en die zodoende nog overkoepeld worden door het collectief. Dat begrip collectief is een erfenis uit de oudheid, het gaat over het oude besef omtrent het geheel, nu echter niet voorzien van een er in verzonken verzameling enkelingen, maar voorzien van een verzameling aangepaste enkelingen. Bijgevolg speelt de aanpassing een cruciale rol in het huidige denken over de cluster individugemeenschap. Bij het collectivistische denken behoort het stellen van wetten.

Maar, dat stellen van wetten heeft steeds minder effect, enerzijds doordat het almaar moeilijker wordt er een algemene gelding aan te geven (wat tot het maken van talloze uitzonderingen en extra bepalingen leidt) en anderzijds doordat de wetten op zichzelf steeds minder serieus genomen worden en de mensen zich er nauwelijks nog aan gebonden voelen. Dat staat in tegenstelling tot het toenemende gezag van de rechter. Desondanks is het nog steeds zo dat, bijvoorbeeld in de filosofie, maar ook in de sociologie, de individu beschouwd wordt vanuit het collectief. Je kunt dat vaststellen aan het feit dat men onveranderlijk begint met het stellen van eisen aan de enkeling en dat men niet of nauwelijks op het idee komt om de rechtvaardigheid van dat stellen van eisen in twijfel te trekken. Het gaat hierbij dus om het bij voorbaat stellen van die eisen. Zonder dat men het in de gaten heeft maakt men het dan onmiddellijk onmogelijk om zinvol over de mens als individu na te denken. Het resultaat is onvermijdelijk dat de enkeling een ondergeschikte is die van alles moet en die, als het helemaal niet anders kan, ook nog het een en ander mag! Als je de mens denkt vanuit zijn werkelijke zelfstandigheid kom je stellig tegen dat mensen onder omstandigheden aan zichzelf en aan elkaar eisen stellen. Die behoren dan echter tot het terrein van de relaties en die zijn dan ook steeds weer anders en nooit bij voorbaat vast te stellen. Bovendien dienen die eisen niet een collectief maar zelfstandige mensen en het zijn dan vanzelf eisen die voor die mensen betekenis hebben en dus in de praktijk zinvol zijn. Is dat laatste niet het geval (niet iedereen stelt steeds redelijke eisen!), dan kan iemand zich aan de betreffende relatie onttrekken om zo aan die onredelijke eisen te ontkomen. Als je de mens als individu denkt als een zelfstandigheid kom je een viertal begrippen tegen die bij de moderne mens wel bekend zijn, maar die onvermijdelijk, vanuit het collectivistische denken, in een geheel verkeerd en zelfs wel negatief daglicht zijn komen te staan. Als zodanig hebben zij voortdurend een rol gespeeld, goedbedoeld bij diegenen die zich ertoe aangetrokken hebben gevoeld en bestreden door diegenen die op de een of andere manier aan het collectief macht ontleenden. Begrippen ook die tegenwoordig vrijwel allemaal uit het zicht zijn verdwenen, hetgeen eigenlijk wel toe te juichen valt omdat zij toch maar verminkt naar voren kwamen.

Het gaat dan om de begrippen nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme - in deze volgorde. Van geen van deze begrippen is in de praktijk iets terechtgekomen, uiteraard door de druk van het collectivisme. Toch is het opmerkelijk dat deze begrippen in het denken een rol gingen spelen juist toen in de mensen een besef van individualiteit door ging breken. Dat besef bracht vrijwel onmiddellijk de essentie van de zaak tot bewustzijn, maar bij het zich concretiseren van dat besef - het zich waarmaken als individu - ging de betekenis van die essentiŽle begrippen verloren en veranderde alles in een aantal warrige en onrealistische theorieŽn die, zelfs met gebruikmaking van geweld (de Sovjet-Unie, China en dergelijke), onmogelijk in de praktijk toepasbaar zijn. Zo ontaardde het nihilisme vooral in Rusland in redeloze terreur, mislukte het theoretische anarchisme in Spanje aan het eind van de dertiger jaren en is de mislukking van socialisme en communisme tegenwoordig een feit geworden. Maar het ging daarbij wezenlijk niet om de inhoud van genoemde vier begrippen. Het ging om de verbasteringen ervan, omdat zij onvermijdelijk door de vooronderstellingen van het collectivistische denken in een geheel verkeerd daglicht gesteld werden, en dan vooral door diegenen die er heil van verwachtten. Het begrip nihilisme moet gezien worden in het licht van datgene dat ik al over de ontwikkelde individu gezegd heb: als alle mensen voor ieders besef, en dus ook onderling, individu geworden zijn en datzelfde ook geldt voor de producten van die mensen, vervallen de waardeverschillen tussen de afzonderlijke mensen.

Met het vervallen van die verschillen wordt het waardebegrip een leeg begrip. Je kunt dan ook stellen dat er wezenlijk niets is dat waarde heeft. En ook is er niemand die waarde heeft. Dat is de werkelijke inhoud van het begrip nihilisme, een begrip dat in onze huidige cultuur vrijwel niet verstaan wordt, juist omdat iedereen nog bezig is eigenwaarde te ontwikkelen en te bevestigen. Het begrip anarchisme heeft als inhoud dat de mens zichzelf bestuurt. Het tot gelding komen van dat begrip vooronderstelt dat er geen materiŽle of ideologische waarden zijn die de mens dwingen een bepaalde kant op te gaan. Zijn die waarden er wel dan kun je niet spreken van een zichzelf besturend mens, het zijn dan de waarden die hem besturen. Anarchisme heeft dus in feite niets met het bedenken van organisatievormen te maken, juist omdat het zichzelf besturen een puur individuele, en dus onvoorspelbare, aangelegenheid is. Het begrip socialisme heeft als inhoud dat de ene mens heeft leren herkennen en erkennen dat de andere mens er ook is. Je mag je niet verkijken op de praktijk, waarin die andere mens juist van die ene mens eist hem ook te erkennen. In dat geval is die eisende afhankelijk van iemand anders en dus helemaal nog geen zichzelf besturend mens. Dan geldt dus het begrip anarchisme niet. Essentieel hierbij is dus dat de mens als ik - waarom immers alles begonnen was - de andere mensen zonder het voorbehoud van welk waardeoordeel dan ook erkent. Met iets als een partij of een vereniging van proletariŽrs aller landen heeft dit niets te maken. Tenslotte het begrip communisme. Dit is eigenlijk het meest omvattende begrip omdat daaraan tot uitdrukking komt dat alle mensen met zijn allen zijn. Dit met zijn allen zijn vertoont zich in zijn verminkte vorm als de eenheid van een totalitaire staat, waarin alle mensen volstrekt gehouden zijn zich overeenkomstig de voorschriften van de machthebbers te gedragen, te denken en te leven. De mens wordt dan gedegradeerd tot een eenheidsproduct van opvoeding, onderwijs en indoctrinatie. In feite echter betekent het met zijn allen zijn dat iedereen in principe in relatie staat tot alle andere mensen (socialisme), zich geheel op eigen wijze laat gelden (anarchisme) en ten opzichte van zichzelf noch van de ander enig waardeoordeel aanlegt (nihilisme).

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ;

 

No. 128

gelijkwaardigheid-1gelijkwaardigheid-2gelijkwaardigheid-3 ; tot hun recht komen-1†††tot hun recht komen-2China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ;

Sinds de 19e eeuw hebben heel wat denkers zich met het probleem van het nihilisme bezig gehouden, maar het is hen nooit gelukt er iets zinnigs over te zeggen omdat men steeds maar niet in de gaten had dat dit begrip, alsmede de begrippen anarchisme, socialisme en communisme, niet van bovenaf benaderd moet worden, maar vanuit de mens als individu. Van bovenaf benaderen is hetzelfde als denken vanuit het collectief; het collectief wordt immers gedacht als iets dat boven de enkeling uitgaat, iets dat groter, hoger, belangrijker en waardevoller is. Zo wordt de mens als nihilist automatisch beschouwd als een verbreker, een vernietiger van bestaande complexe instituten, zoals daar zijn de godsdienst, de staat, de partij en dergelijke. Het gaat dan dus om iets negatiefs. Dat het begrip nihilisme in feite slechts een kwalificatie is van de mens als individu wordt niet gezien. De bekendste denker over het nihilisme is ongetwijfeld Friedrich Nietzsche (1844-19OO). Hij kwam tot de, op zichzelf juiste, overtuiging dat de West-Europese cultuur in nihilisme uit zal lopen en hij was van oordeel dat dit rampzalig zou zijn. Het is te begrijpen dat hij met die denkbeelden nogal wat los maakte, vooral bij de westerse intellectuelen, die uiteraard allemaal in het teken van het collectivistische denken stonden. En zij waren het met hem eens dat het met de cultuur de verkeerde kant opging.

Vanuit hun gezichtspunt hadden zij daar gelijk in, maar wat zij absoluut niet begrepen was dit, dat het wezenlijk om de ontwikkeling tot individu gaat. Ook de andere drie aan de individu meekomende begrippen konden in hun ogen geen genade vinden. Zo zou het socialisme, in de concrete gedaante van de sociaal-democratie, er toe leiden dat de massa het voor het zeggen zou krijgen en daarvan was niets goeds te verwachten. Eigenlijk kon je alleen iets verwachten van intellectueel hoogstaande individuen, zoals de door Nietzsche getekende Zarathustra (In het beroemde boek Also sprach Zarathustra, 1883-1891). Het individu-zijn werd dus wel herkend en erkend, maar alleen dan als dit zich op het niveau van het hogere, dus het collectief als zodanig, bevindt: de ‹bermensch! Hieruit blijkt duidelijk dat de zaak van bovenaf gedacht werd. Het mag dan ook geen wonder heten dat Nietzsche steeds meer in verwarring raakte over zijn eigen inzichten. Zijn denken liep hopeloos vast!

Zoals gezegd heeft het begrip nihilisme tot inhoud dat er geen waardeverschillen zijn tussen de mensen, de natuur en de dingen. Je kunt het dan zo stellen dat alles van gelijke waarde is, maar beter is het om daaruit de laatste consequentie te trekken, namelijk dat er dan niets van waarde is, een alomvattende waardeloosheid dus. Het handhaven van het waardebegrip heeft als nadeel dat je aan de werkelijkheid een kwaliteit toekent die in die werkelijkheid zelf nergens geldt. Noch het elektron, noch een grasspriet heeft enige waarde, behalve in de voorstelling van de mensen, maar het is nu juist die voorstelling die de mens bedriegt. Omdat het begrip waardeloosheid niet te begrijpen is vanuit het denken in (hogere) collectieven wordt er in onze cultuur steevast een verkeerde inhoud aan de zaak gegeven. Iets is waardeloos omdat het daarom niet gaat en iets is waardevol als het iets van belang is. Gevolg daarvan is een gigantische verwaarlozing van een groot deel van de werkelijkheid en een idiote overwaardering van een klein deel daarvan. Voortdurend ligt de aandacht bij dat kleine deel. Dat wordt niet verwaarloosd omdat het als waardevol beschouwd wordt. En nu denkt men dat een totaal waardeloze werkelijkheid niet anders dan verwaarloosd kan worden omdat men gewoon is aan het waardeloze geen aandacht te besteden.

Deze gevolgtrekking is echter volstrekt fout: juist als men geen waarde meer hecht (men hecht ergens waarde aan!) aan de dingen kunnen die dingen gelden naar datgene dat zij wezenlijk zijn. Een wasmachine is dan uitsluitend een wasmachine en niet iets anders, bijvoorbeeld een winstobject of een statusobject, en een piano is dan een muziekinstrument en niet een, van culturele ontwikkeling getuigend, meubelstuk. Hetzelfde geldt voor de mensen: het is juist datgene dat als iets waardevols van een mens verwacht wordt dat die mens van zichzelf afbrengt. Hij moet aan dat waardevolle gaan beantwoorden en zichzelf daartoe forceren, met als gevolg verminking. Het waarde hechten aan werkt onvermijdelijk vervormend, zowel bij de mensen als bij de natuur en de dingen. Het niet-begrijpen van het begrip waardeloosheid houdt ook onmiddellijk in dat men het onderscheid tussen de begrippen waarde en betekenis niet kent. Het begrip betekenis geldt voor die verschijnselen die als basis dienen voor het jezelf-zijn. Dat is namelijk niet alleen maar een mentale zaak, maar ook een zaak die vereist dat er aan een aantal voorwaarden voldaan is, samen te vatten onder het begrip veiligheid. Daar zijn dan: een dak boven je hoofd, kleding, voedsel, maar ook rechtsbescherming en medische voorzieningen en dergelijke. Die voorwaarden zijn van meer algemene aard, maar er zijn er ook die persoonlijk van karakter zijn, zoals boeken en kunst. Kortom, ieder mens heeft zo zijn wereldje om zich heen en dat is een verzameling van betekenisvolle zaken. Daaronder vallen uiteraard ook andere mensen.

Die hele verzameling is van essentiŽle betekenis voor je leven en men zegt daarvan terecht dat die niet in geld (= symbool van waarde) is uit te drukken. Het begrip anarchisme volgt niet uit het begrip nihilisme want het zichzelf besturen is iets geheel anders dan het besef van waardeloosheid. Maar tegelijkertijd ligt de verhouding zo dat anarchisme niet mogelijk is als nihilisme er niet aan voorafgegaan is. Hetzelfde geldt voor de begrippen socialisme en communisme. Daarom is dat laatste begrip het meest omvattende omdat het zonder de drie daaraan voorafgaande geen enkele betekenis heeft. En het socialisme - wat is daarvan terechtgekomen? Het is een machtssysteem geworden waarin van gelijkwaardigheid in waardeloosheid en van zichzelf besturen geen sprake kan zijn. Dat politieke socialisme is fel gekant tegen alles wat naar nihilisme zweemt en het heeft zelfs daadwerkelijk de Spaanse pogingen tot het realiseren van een praktisch anarchisme de kop ingedrukt. De sociaal-democratie is de vijand van de individu en daarom is er, menselijk gesproken, niets van te verwachten. Mensen als Michael Bakoenin (1814-1876) en Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) hebben dat destijds al helder ingezien. Beiden waren revolutionaire voorvechters van de individuele vrijheid van de mensen en zij dachten dan ook anarchistisch. Weliswaar zagen zij de betekenis van het nihilisme niet duidelijk in, maar de nadruk lag bij hen toch op de mens als vrije individu, in tegenstelling tot de mens als particuliere individu die alles naar zich toe haalt: de zogenaamde kapitalist.

In de Sovjet-Unie en in de volksrepubliek China bijvoorbeeld heeft het collectivistische communisme zich doorgezet. Voor de mens als individu is er daar vanuit de ideologie geen ruimte, maar zo langzamerhand wordt duidelijk dat de individu zich niet blijvend onderdrukken laat. Daarom neemt men nu allerlei noodmaatregelen, die evenwel allemaal tot mislukken gedoemd zijn. De enige mogelijkheid is gelegen in het volledig vrijlaten van de zich ontwikkelende individuen. Uiteraard brengt dat alle, hiervoor besproken, ellende met zich mee, samen te vatten onder de begrippen roof, moord en egoÔsme. De mensen zullen ieder voor zich hun zaakjes gaan doen en dat is op zichzelf niet iets om naar uit te kijken, maar er is geen andere weg. Alle elementen, die inhoud zijn van het geheel, moeten nu eenmaal tot hun recht komen en dat begint noodzakelijkerwijs met rivaliteit en strijd...

gelijkwaardigheid-1gelijkwaardigheid-2gelijkwaardigheid-3 ; tot hun recht komen-1†††tot hun recht komen-2China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ;

No. 129

gelijkwaardigheid-1gelijkwaardigheid-2gelijkwaardigheid-3 ; Van bovenaf denken: zie A(79) , B(105t/m109) , C(113) , D(129t/m130) , E(136) , F(145) ;

Het diskwalificeren van de gewone mensen vanuit het van bovenaf denken geschiedt niet alleen maar door diegenen die ook inderdaad tot de bovenlaag van de maatschappij (denken te) behoren. Het zijn niet alleen de bestuurders die voortdurend kritiek hebben op de gewone mensen, voornamelijk omdat dezen zich te weinig gelegen laten liggen aan de voorschriften, maar het zijn vooral ook de idealisten, de bouwers aan een zogenaamd nieuwe wereld, die onbarmhartig het gedoe van de gewone mensen veroordelen. Zij zouden niet solidair zijn met de verdrukten, zich niet verantwoordelijk voelen voor het onrecht, nauwelijks kritisch zijn en geen idealen koesteren. Ergens voor warm lopen, zou er al helemaal niet bij zijn. Daarentegen zouden zij wel de hele avond voor de televisie zitten te hangen en bier drinken en zich materialistisch opstellen. Een grote apathie zou zich van hen meester gemaakt hebben, onverschilligheid voor hun naaste omgeving en de rest van de wereld. Kortom: volgens die idealisten zijn de mensen dom en ingeslapen - volgens sommigen omdat zij het te goed zouden hebben! Denkend van bovenaf vanuit het collectief zijn al die verwijten terecht en het is een feit dat de mensen van vroeger, toen zij hevig onderdrukt werden, zich veel gemakkelijker aaneensloten om gezamenlijk te proberen de toestand te verbeteren.

Maar, dit moeten wij achteraf niet overdrijven, want ook toen waren het slechts minderheden die tot actie overgingen. Hoe dan ook, er was ongetwijfeld een grotere, door de slechte omstandigheden gestimuleerde, solidariteit. Die is thans nagenoeg verdwenen, inderdaad doordat de omstandigheden aanzienlijk verbeterd zijn. Voor het collectivistische denken mag dat jammer zijn en zelfs verwijtbaar, in feite behoort het gewoon bij de vooruitgang, namelijk het zich waarmaken als individu. Opmerkelijk is dat het, ondanks het meer ontwikkeld zijn als individu, toch nog steeds niet mogelijk blijkt de idealisten zelfs maar tot de overweging te brengen eens vanuit die zogenaamd apathische mensen te gaan denken en te zien of er dan nog zoveel kritiek uit te oefenen valt. Vanwege het nog steeds geldende van bovenaf denken vind je geen gehoor, logisch, want het individu-zijn is nog slechts in wording en het collectief is nog steeds de maat, met als gevolg dat het individuele gedrag van anderen afgewezen wordt en dat van zichzelf goedgekeurd. Iets dergelijks was het geval met de Romeinen ten aanzien van de Germanen.

Toen de Romeinen de Germaanse landen binnentrokken vonden zij daar niets wat op enige vorm van beschaving leek. Dat oordeel werd natuurlijk ingegeven door het feit dat voor hen de aanwezigheid van tempels, arena's en paleizen, alsmede beeldhouwwerken, wandschilderingen en literatuur, de norm voor beschaving was. Je kunt dat lezen bij de geschiedschrijver Publius Cornelius Tacitus (ca.5O-ca.116), vooral in zijn werk Germania. De Germanen beantwoordden aan geen van genoemde normen en dus waren zij barbaren. In werkelijkheid echter waren zij uitermate bedreven in onder andere de sierkunst en wapensmeedkunst, het vervaardigen van sieraden, het op vernuftige wijze bouwen van houten boerderijen en schepen. Bovendien kenden zij een uitgebreide volksliteratuur. Allemaal verschijnselen die behoren bij mensen die zich straks tot individuen zullen gaan ontwikkelen. De boerderij en het schip, de wapens en de gereedschappen zijn dan van grotere betekenis dan de aan iets hogers gewijde tempels en dergelijke. De persoonlijke sieraden zijn belangrijker dan kunstwerken die in het teken van het collectieve staan. Je ziet dus dat de beschaafde Romeinen geen oog hadden voor de Germaanse beschaving en datzelfde verschijnsel doet zich nu weer voor: de van bovenaf denkende mensen hebben geen oog voor de zich ontwikkelende individu.

Toch vertoont die individu een aantal eigenaardigheden die je, bij onbevooroordeelde beschouwing, heel positief zou kunnen noemen. Ten eerste is daar het verschijnsel dat die zogenaamd apathische individuen nauwelijks meer op te porren zijn om achter een ideologie aan te gaan. Ze zijn nog wel enigszins gek te maken, maar dan moet men de zaak voorstellen als een praktische aangelegenheid die even geregeld moet worden, de Golfoorlog bijvoorbeeld. En een voetbalwedstrijd wil de mensen ook nog wel verleiden tot collectief (wan)gedrag. Maar waarom het gaat is dit: tot aan de tweede wereldoorlog was het typerend voor de bevolking dat zij achter ideologische stromingen aanging. Politieke partijen hadden inhoudelijk iets te betekenen. Na die oorlog is dat geleidelijk over gegaan en op het ogenblik loopt bijna niemand er nog warm voor. Dat is positief, want dergelijke zaken zijn inderdaad niet de moeite waard. Ten tweede valt op dat je de mensen nauwelijks geÔnteresseerd krijgt in zogenaamd gemeenschappelijke - in feite staatkundige - belangen. Ook dat is positief omdat dergelijke belangen in het geheel de mens niet dienen, maar het collectief met zijn machtige vertegenwoordigers. Er is een ontwikkeling naar gelijkwaardigheid en uiteindelijk waardeloosheid en dus nihilisme. Zoals gezegd verdraagt dat geen overheid die voorschrijft wat te doen en wat te laten. Die is namelijk niet op gelijkwaardigheid gefundeerd, ook al noemt zij zich democratisch. De tot nu toe hooggewaardeerde gemeenschappelijke belangen verdienen de interesse van de mensen niet, er gaat niets aan verloren! Ten derde zie je een toenemende onverschilligheid voor de cultuurwaarden.

Ook dat is gunstig omdat de zogenaamde cultuurwaarden al lang geen cultuur meer zijn maar statusobjecten voor bovenliggende ťlites. Men doet aan kunst, neemt deel aan het artistieke wereldje om zichzelf daarmee belangrijker te maken. Daartoe maakt men misbruik van de kunst, die op zichzelf juist niets met status te maken heeft, maar daarentegen met harmonie waarin alles tot zijn recht komt. Toch verdwijnen de kunstwerken in de kluizen van de miljonairs. Is het dan zo kwalijk dat de mensen zich van die wereld afwenden? In wezen voelen zij heel scherp aan dat er daar voor hen niets te zoeken valt. Het is een wereld die aan zijn ondergang bezig is en die behoort bij een collectivistisch denkende bovenlaag die zich thans met alle mogelijke middelen probeert te handhaven. Bovendien is het een wereld die voor de gewone mensen nog nooit iets goeds gebracht heeft. Tenslotte kun je ook nog wijzen op het waardeverval van de macht als zodanig. De huidige mensen hebben beduidend minder eerbied voor de macht en voor diegenen die haar uitoefenen en bovendien wordt er sneller gevraagd op grond waarvan iemand het recht meent te hebben de baas te spelen. De vanzelfsprekendheid van de macht is al vrijwel in zijn geheel komen te vervallen. Ook dit is een gevolg van een versterkt individueel bewustzijn. Er zijn stellig nog meer voorbeelden te geven. Steeds zal daaruit blijken dat het begrip collectief almaar verder uitgehold wordt en dat daarmee een hele reeks van mensonvriendelijke maatschappelijke instellingen zijn definitieve ondergang tegemoet gaat. Zo kun je in het boek De nieuwe machtselite van Alvin Toffler lezen hoe zich in het moderne bedrijfsleven de machtsverhoudingen aan het wijzigen zijn doordat de beschikbaarheid en de snelheid van verwerven en verwerken van informatie vrijwel onbegrensd zijn geworden. Die machtsverhoudingen veranderen van verticaal in horizontaal en krijgen het karakter van relaties tussen individuele mensen. Dat worden steeds meer beweeglijke relaties en binnen die relaties is uitwisseling van een optimale hoeveelheid informatie mogelijk. Toffler filosofeert daar niet over, hij vertelt alleen maar nauwkeurig wat er gaande is.

gelijkwaardigheid-1gelijkwaardigheid-2gelijkwaardigheid-3

No. 130

Het denken, zoals zich dat in de loop van de geschiedenis ontwikkelt, blijft aanvankelijk verstrikt in zijn eigen gericht-zijn op een hogere werkelijkheid. Dat is het geval tot en met de moderne cultuur, dus tot en met de cultuur van onze huidige wereld. Dat hogere neemt allerlei vormen aan. De meest bekende en meest funeste is die van goden, maar ook in de vorm van de geest of het intellect, de rede of de logica komt die hogere werkelijkheid voor de dag, en steeds manifesteert die zaak zich in de praktijk in bepaalde collectieven waaraan de mensen zich geheel of gedeeltelijk te onderwerpen hebben. De op de goden gebaseerde collectieven zijn zo langzamerhand in de moderne wereld niet langer bepalend. Zogenaamde theocratieŽn worden bijna overal afgewezen, hoewel zij daar waar de moderne cultuur nog nauwelijks doorgedrongen is, nog wel met geweld in stand worden gehouden. En natuurlijk zijn er in de moderne wereld nog tal van individuen die via het netwerk van relaties, op persoonlijke titel, godsdienstige standpunten proberen door te drijven, vaak met nog steeds een verbijsterend succes. Maar als collectieve zaak heeft de godenwereld afgedaan. Het zijn thans andere collectieven die voor de maatschappij en de samenleving bepalend zijn en daarbij spant dat wat je zou kunnen noemen het intellectuele collectief de kroon. Het begrip collectief heeft een andere inhoud dan het begrip geheel.

Bij dit laatste gaat het er om dat de afzonderlijke mensen (jij en ik) niet als individu gelden en dat er een is (de tiran) die wel als individu geldt, terwijl in hem alle afzonderlijke mensen op vanzelfsprekende wijze naamloos verzonken zijn. De mens als individu is in die situatie dus niet erkend. In het collectief daarentegen zijn de individuen wel erkend, echter op zodanige wijze dat zij zich moeten onderwerpen aan dat collectief. De definitie van het begrip collectief zou dan ook kunnen luiden: het collectief is een geheel waarin de individuen gedwongen zijn zich eenvormig naar de normen van dat collectief te laten gelden. Dat wat eens vanzelfsprekend was is nu dus een afgedwongen zaak geworden. Over de gehele wereld verkeren op het ogenblik de collectieven in een crisissituatie. Dat is niet alleen maar het geval met die staten die zich op grond van een Marxistische ideologie gevormd hebben. Zij vallen echter het meest op omdat daarin alle vormen van menselijk leven aan het collectief onderworpen zijn. De steeds ernstiger wordende crisis doet dan beide, zowel de maatschappij (netwerk van relaties) als de samenleving (weefsel van samenhangen) instorten, zodat er tenslotte helemaal niets meer functioneert. Ook de zogenaamd kapitalistische collectieven staan op instorten, maar dat werkt slechts door op, voornamelijk maatschappelijke, deelgebieden, terwijl tegelijkertijd nieuwe maatschappelijke relatievormen in ontwikkeling zijn. Dat is mogelijk juist omdat het in die moderne wereld om de mens als individu gaat en er bijgevolg een voortdurende tegenbeweging ten opzichte van de collectieven aanwezig is. Die tegenbeweging tast om te beginnen de bureaucratie aan, omdat die de meest concrete manifestatie van collectivistisch denken is. Alle handelingen en alle gedrag van de mensen moet door hogere instanties goedgekeurd en gecontroleerd worden. De communicatie is dan ook zodanig gestructureerd dat alle verbindingen naar boven lopen en zo de structuur van een piramide te zien geven. Communicatie tussen de ene afdeling en de andere verloopt niet via een directe horizontale verbinding, maar indirect via een hogere afdeling, die op zijn beurt ook weer onderworpen is aan een nog hogere. Relaties tussen individuen zijn dan in principe onmogelijk en er kunnen alleen maar machtsverhoudingen bestaan.

Het naar boven gerichte is een fundamenteel kenmerk van de bureaucratie. Daarin wordt in feite de verhouding tussen de (onderworpen) individu en het hogere, het collectief, bepaald. In de Marxistische staten wordt het collectief vertegenwoordigd door de partij en de leden daarvan zijn de enigen die voor zichzelf wel het recht van individu-zijn opeisen, uiteraard in het geniep, zoals inmiddels zonneklaar is gebleken. Het fascisme en het nationaal-socialisme zijn binnen de kapitalistische wereld extreme voorbeelden van collectivistisch denken. In tegenstelling tot wat velen menen was er binnen die ideologieŽn wel degelijk een duidelijke opvatting over het individu-zijn. Maar, alweer: van die mensen werd geŽist dat zij gelijkvormig zouden zijn, en dus het uniform aangetrokken en in keurige rijen opgemarcheerd naar de heilstaat! Beide ideologieŽn zijn wezenlijk een laatste opleving van het eenzijdige denken in collectieven. Het ging daarbij om een alles omvattend collectief, zich manifesterende in de leider die alles voor het zeggen had. Ook in de niet Marxistische, fascistische of nationaal-socialistische bureaucratieŽn gaat het om het vastleggen van de verhouding tussen het lagere en het hogere. Zoals gezegd is dat in strijd met datgene dat voor de mens als individu geldt. Het behoeft dan ook geen wonder te heten dat alle creativiteit, alle betrokkenheid en vrijwel alle energie verloren gaat. In de meest letterlijke zin van het woord vervalt ieders belang bij de maatschappij en de samenleving en daardoor kan de zaak niet anders dan hopeloos verstarren. Bij tal van westerse bedrijven en bij alle overheden doet dit verschijnsel zich in toenemende mate voor. Omdat evenwel de toppen van die bedrijven en overheden zich niet laten vervangen worden er oplossingen gezocht die passen binnen het raamwerk van juist dat denken dat kortzichtig is gebleken, met als gevolg dat het instorten zich steeds meer versnelt. Het gaat immers niet om een oplossing, maar om de zaak zelf. Het collectivistische denken is bezig ten onder te gaan!

In de moderne bedrijven is dat denken al goeddeels op de achtergrond gedrongen - het geldt eigenlijk alleen nog maar voor de uiterlijke vorm. Toch moet je goed in de gaten houden dat het collectivistische denken nog steeds de boventoon voert en dat het gericht zijn op iets hogers nog lang niet voorbij is. Dat kan immers pas dan als werkelijk alle mensen tot individu-zijn uitgegroeid zijn. Zolang dat nog niet het geval is zijn de collectieven de maat, maar de tijd dat nagenoeg iedereen als vanzelfsprekend collectivistisch dacht en handelde is definitief voorbij. De reactie daarop is deze dat de bestaande collectieven (vooral de overheden) zich verharden en almaar meer lijfelijk, intellectueel en juridisch geweld gaan gebruiken om de zaak in stand te houden en uiteraard grijpen zij daarbij terug op oude normen en waarden. Ook voor de onderdanen is de zaak niet meer zo vanzelfsprekend, maar zij reageren ten opzichte van de overheid hoofdzakelijk met onverschilligheid, vandalisme en terrorisme en ten opzichte van zichzelf met een zekere mate van apathie. Het verhaal over het collectivistische denken is in hoofdzaak bedoeld als illustratie bij de gedachte dat het geheel een inhoud heeft en dat die inhoud noodzakelijk tot zijn recht moet komen. De begrippen geheel en inhoud zijn al te vinden bij de eerste levensvorm, de oercel, en de wisselwerking tussen die begrippen is bepalend voor alles wat zich in de levende werkelijkheid voor doet. Het geheel brengt haar inhoud voort en reproduceert daarbij zichzelf. Dat gaat door al het levende heen en vertoont zich zelfs in de geschiedenis van de mensheid. Het voortbrengen en verzelfstandigen van die inhoud is in de moderne cultuur in volle gang, maar dat het daarbij gaat om het reproduceren van zichzelf (het geheel) is voorlopig nog lang niet tot iedereen doorgedrongen!

Van bovenaf denken: zie A(79) , B(105t/m109) , C(113) , D(129t/m130) , E(136) , F(145) ;

No. 131

concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; Overgang-1 ; Newton en RUIS(1) ; Newton en ruis(2) ;

Tijdens het gehele verloop van het wordingsproces blijken er begrippen te gelden die in allerlei variaties weerkeren. Zo heb je de begrippen geheel en inhoud, die vanaf het eerste optreden van het leven van kracht zijn, begrippen die zelfs bepalend blijken te zijn voor de gang van zaken tijdens het culturele ontwikkelingsproces van de mensen. Toch moeten wij goed in de gaten houden hoe het zit met begrippen. Het feit namelijk dat wij een aantal begrippen almaar tegenkomen - dat geldt overigens ook voor de zogenaamde natuurwetten die in feite, net als de begrippen, uitdrukking geven aan bepaalde verhoudingen - betekent niet dat de werkelijkheid zelf aan begrippen en wetten gebonden zou zijn. Althans niet aan de begrippen en wetten zoals wij die herkennen en formuleren. Je moet bedenken dat wij, als laatste verschijnsel, terugkijken naar de reeds bestaande kosmos en, na onderzoek, concluderen dat het wordingsproces zo en zo gegaan is. Vervolgens vinden wij dat dat dus de logische gang van zaken is. Dat leidt gemakkelijk tot de overtuiging dat er een plan aan de werkelijkheid ten grondslag zou moeten liggen, een plan dat al of niet door een superintelligentie opgesteld is, in ieder geval een zodanige situatie dat alles voorbestemd zou zijn. Dit nu zijn foute overtuigingen.

Als er een plan aan de werkelijkheid ten grondslag lag zou dit iets moeten zijn dat voorafgaat aan de werkelijkheid als beweeglijkheden en dat aan hun activiteiten de wet oplegt. Wij hebben echter aan het begin van onze gedachtegang gezien dat de hele zaak op toeval berust, zij het dan een toeval dat in de afwezigheid van tijd en ruimte niet uit kan blijven. Juist op grond van het onvermijdelijk toevallige ten opzichte van elkaar stilstaan (door het identieke beweeglijk-zijn) van twee of meer beweeglijkheden kan er op den duur iets ontstaan, en daarbij moet je die beweeglijkheden volkomen onafhankelijk van elkaar denken. Veronderstel je een bepaald plan, dan vervalt die onafhankelijkheid en daarmee de enig denkbare mogelijkheid van het ontstaan van een kosmos. Omdat het vrijwel ondoenlijk is de werkelijkheid te beschrijven in neutrale, of zo je wilt abstracte termen, beschouw ik haar nu eens als een persoon. En dan zeg ik: de werkelijkheid realiseert elke mogelijkheid die zich voordoet. Zij maakt geen keuzen. Sommige gerealiseerde mogelijkheden lopen na verloop van tijd vast omdat zij geen verdere mogelijkheden hebben. Dan storten zij weer in en verdwijnen, of zij blijven in die eindtoestand bestaan. Het spreekt vanzelf dat de werkelijkheid verder gaat met proberen via die situaties die nog wel mogelijkheden bieden en dat zij daarmee tenslotte een absoluut eindpunt bereikt: de mens. Wat die mens dan ervaart is uiteraard die weg die de werkelijkheid met succes gegaan is en dan lijkt het of alles volgens een logisch plan verlopen is. Maar dat is niet het geval, logische planmatigheid is een misleidende constatering achteraf. Op grond van die constatering menen wij voorspellingen te kunnen doen over toekomstige gebeurtenissen. In de 19e eeuw dacht men dat je alles zou kunnen voorspellen, en dus ook besturen en beheersen, vanaf het moment dat je alle wetten zou kennen. Die gedachte is zelfs op het ogenblik nog aanwezig, hoewel een aantal natuurkundige ontdekkingen ons geleerd heeft dat er niets te voorspellen valt. Op zijn best kun je van tevoren waarschijnlijkheden bedenken. De val waarin men steeds loopt is deze dat men datgene dat zich tijdens het proces afgespeeld heeft tot iets wetmatigs verklaart en daarbij niet in de gaten heeft dat het wezenlijk een zaak van proberen tot het uiterste is. Het heeft geen zin er, bij wijze van tegenargument, tegenin te brengen dat voorspelbaarheid en dus wetmatigheid in het wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk is om iets te bewijzen.

Bij de proeven die men daartoe neemt worden immers alle storende elementen buitengesloten en storend is dat wat de mogelijkheid inhoudt tot geheel andere resultaten te komen. Wat ook dan nog niet helemaal te vermijden is wordt beschouwd als ruis en als tolerantie, dat wil zeggen: onnauwkeurigheid van de gebruikte apparatuur. Zelfs Newton (1643-1727), de grondlegger van menige wetenschappelijke theorie, was van mening dat je aan die ruis en die tolerantie maar geen aandacht moest besteden. Logisch dat je dan elk resultaat kunt voorspellen! In de werkelijkheid spelen echter juist die andere mogelijkheden een essentiŽle rol. Overigens bedacht Newton dat een voorwerp waarop geen krachten worden uitgeoefend zich eenparig voortbeweegt, dus zich verplaatst zonder versnelling of vertraging. Dat is op zichzelf een interessante gedachte omdat dit eigenlijk betekent dat alles in principe in beweging is. Des te merkwaardiger is het dan dat Newton een beweging opvatte als een snelle opeenvolging van momenten van stilstand en dat hij daardoor vanzelf op de vraag kwam hoe alles dan wel in beweging gekomen kon zijn. Die vraag is natuurlijk verkeerd: niet de vraag naar het in beweging komen is zinvol (je moet immers van beweeglijkheden uitgaan!), maar de vraag naar het tot stilstand komen van het een ten opzichte van het ander. Dat stilstand in feite een situatie van beweging is, namelijk het gelijk-op bewegen van het een en het ander, is tot nog toe tot bijna niemand doorgedrongen...

Dat het evolutieproces van het leven op aarde een proberen tot het uiterste is wordt zo hier en daar al wel ingezien. Toch overheerst nog steeds de gedachte dat de evolutie uitsluitend aan onderlinge concurrentie te danken zou zijn. De sterkste of de slimste of de meest toegeruste is in die gedachtegang de overwinnaar en als zodanig de basis voor de verdere ontwikkeling. Nu is het een feit dat de evolutie niet zonder concurrentie verloopt, maar de basis is het niet. Je kunt namelijk opmerken dat men zich voorstelt dat de levende werkelijkheid uit een aantal soorten bestaat die zich ieder voor zich verder ontwikkelen, dus onafhankelijk van elkaar. Op grond daarvan acht men het mogelijk bepaalde lijnen in de evolutie te volgen en zo zoekt men dan ook de lijn die tenslotte de mens op zou moeten leveren. Helaas kan men nog steeds de overgang van dier naar mens niet vinden en daarom neemt men dan maar zijn toevlucht tot de veronderstelling dat er ergens een plotselinge mutatie zou zijn opgetreden, eventueel door radioactieve inwerking vanuit de kosmos. Filosofisch is de gedachte niet houdbaar dat zich onafhankelijke soorten ontwikkelen. Je kunt filosofisch wel verklaren dat er gaandeweg soorten ontstaan, maar niet dat deze zich onafhankelijk ontwikkelen. De evolutie is namelijk alleen maar denkbaar als een volkomen in zichzelf samenhangend proces waarin telkens alles wat nog mogelijkheden bezit verder gaat, niet op eigen houtje, maar ten gevolge van de voortgang van dat ene proces. De zaak schuift in haar geheel almaar op, over de gehele breedte van het reeds aanwezige leven. Dat opschuiven geschiedt manifest (als er iemand was om het te zien zou hij het zien!) aan het front van het leven, terwijl datgene dat er reeds is zonder verdere mogelijkheden blijft bestaan, echter niet zonder meer, want het zal zich moeten aanpassen aan het almaar veranderende karakter van het gehele leven. Lukt dat niet, dan sterft het af. Een aantal soorten vissen bijvoorbeeld zal verdwijnen en over blijven die vissen die in staat zijn zich in te stellen op de nieuwe omstandigheden. Doordat men gewoonlijk denkt in onafhankelijke soorten hecht men weinig betekenis aan het feit dat er van twee processen te spreken is: het (tijdelijke) evolutieproces en het (continue) aanpassingsproces. Het laatste geldt voor de ontstane soorten, het eerste voor het gehele leven.

concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; Overgang-1 ; Newton en RUIS(1) ; Newton en ruis(2) ;

No. 132

concurrentie-1 ; concurrentie-2

Zoals al eerder opgemerkt is het onjuist de evolutie te beschouwen als de ontwikkeling van een aantal soorten die betrekkelijk onafhankelijk van elkaar, maar wel in een zekere mate van onderlinge concurrentie, tot ontplooiing zijn gekomen. De evolutie is filosofisch alleen maar denkbaar als de uitwikkeling van een levend wezen dat over de volle breedte almaar verder gegaan is en dat zich daarbij steeds meer gedifferentieerd heeft. Wat wij soorten noemen zijn in feite op een bepaalde wijze gedifferentieerde levensvormen, die allemaal gebaseerd zijn op een enkele oercel. Alle levende wezens bestaan uit dezelfde cellen. Voor zover bij onderzoek blijkt dat er verschillen tussen die cellen zijn, blijken die te berusten op verschillen in functie binnen de structuur van een bepaalde levensvorm. Hoe verder de levensvormen zich ontwikkelen, hoe meer de cellen functies krijgen en zich in verband daarmee van elkaar gaan onderscheiden, zonder evenwel op te houden eigenlijk de oercel te zijn. Op elk moment van die ontwikkeling was er een heel scala van organismen aanwezig, van het eenvoudige eencellige wezen tot de op dat moment verst gevorderde levensvorm. Tussen die verst gevorderde levensvormen bevonden zich steeds organismen die de mogelijkheid in zich hadden om te zijner tijd nog weer een stapje verder te gaan. Maar andere waren niet in staat om verder te gaan; zij zouden achterblijven en hun op dat moment bereikte structuur bewaren.

Op elk moment in het evolutieproces zijn er twee groepen van organismen te onderscheiden. Ten eerste is daar de groep die mogelijkheden heeft om zich verder te ontwikkelen tot wat wij, geheel ten onrechte, hogere levensvormen plegen te noemen. Die groep bestaat niet enkel uit een bepaalde soort, zoals bijvoorbeeld de vissen, maar hij bevat een verscheidenheid aan soorten. Nogmaals: het zich ontplooiende leven schuift op over haar volle breedte. Het ligt echter wel in de logica dat er gaandeweg minder soorten zijn die nog verder kunnen, totdat er tenslotte een overblijft die, als slotakkoord van de evolutie en daarmee van de gehele werkelijkheid, de mens op zal leveren. Ten tweede is er de groep die niet verder kan gaan omdat op het bedoelde moment de laatste mogelijkheid te voorschijn is gekomen, of omdat dit eindpunt al eerder bereikt is. Die tweede groep is te onderscheiden in organismen die zich (voorlopig) nog zullen kunnen handhaven en organismen die daartoe niet in staat zullen blijken te zijn. Je komt regelmatig mensen tegen die van mening blijken te zijn dat de zogenaamde evolutie nog steeds aan de gang is. Sommigen ontlenen die mening aan wetenschappelijk onderzoek en filosofische overwegingen, zoals bijvoorbeeld de JezuÔet Teilhard de Chardin (1881-1955), maar de meesten komen er toe doordat zij zo slordig denken en elkaar klakkeloos napraten. Zij hebben namelijk ontdekt dat de menselijke intelligentie tot steeds meer in staat is en menen dan met een zich voortzettende evolutie van doen te hebben. Wat hen ontgaat is dat met die zich ontwikkelende intelligentie slechts vermogens van de mens te voorschijn komen, maar niet een nieuw levend wezen. Filosofisch evenwel kom je tot de conclusie dat de evolutie haar slotakkoord bereikt heeft met de mens en dat zij dus op het moment van het verschijnen van die mens opgehouden heeft als levensproces te bestaan. Al eerder heb ik laten zien wat noodzakelijk het eindpunt van het zich met elkaar organiseren van cellen moet zijn; dat je dan aantreft een optimaal innig weefsel van cellen en dat op dat moment de materie zich als niet-materie gaat laten gelden, een verschijnsel waarvan je vervolgens kunt vaststellen dat het voor jezelf geldt.

Het blijkt dan ook dat alles wat je bedenkt als iets dat nog verder gaat, een op ons volgend verschijnsel dus, volkomen binnen het complex van vermogens van de thans bestaande mens, en dus van jezelf, valt. Het feit dat zonder uitzondering alles binnen je eigen werkelijkheid valt wordt door sommige denkers gewaardeerd als een beperking van de menselijke vermogens. Je zou dan immers geen weet kunnen hebben van iets dat buiten je eigen werkelijkheid aanwezig is. Het is echter juist een bewijs voor het alomvattende karakter van het verschijnsel mens en dat bevestigt op zijn beurt dat je, als het over de mens gaat, inderdaad met het laatste verschijnsel te maken moet hebben. Dat verschijnsel moet alles kunnen omvatten en bevatten omdat daarin alle mogelijkheden te voorschijn zijn gekomen. Juist omdat dit het geval is kun je vragen naar iets buiten jezelf en met het stellen van die vraag heb je er blijk van gegeven dat ook dat binnen je werkelijkheid valt. De evolutie is dus een tijdelijk proces waarin de levensvormen zich, als het samenhangende geheel dat het leven is, ontwikkelen. Dat proces berust dus op het zich organiseren van cellen tot en met de meest innige organisatie. Wat dit betreft is een vergelijking mogelijk met het ontstaan van de zogenaamd dode materie. Ook daarbij ging het om het zich samenstellen van elementen, in feite de bouwstenen, en dat ging net zolang door totdat de meest verfijnde combinatie te voorschijn was gekomen. Dat zich samenstellen echter berustte op het elkaar ontmoeten van op afstand van elkaar in beweging zijnde bouwstenen. Van uiteen-zijn naar aaneen-zijn. Bij de organisatie van het leven evenwel gaat het om bijeen-zijn omdat de cellen niet uiteen gaan. Ik kom hierop nog terug.

Het gehele wordingsproces berust dus op het zich vormen van structuren en gezien vanuit dit gezichtspunt is er eigenlijk geen onderscheid tussen de anorganische wording en de organische wording. De veelgehoorde vraag waar nu eigenlijk het leven vandaan komt is dan ook een onzinnige vraag. Het leven ontstaat gewoon op een, op zichzelf bijzonder, moment in het proces van zelfstructurering van de werkelijkheid, en het ligt in de aard van het analytisch wetenschappelijke denken om dat bijzondere moment voor een breekpunt aan te zien. Met het verschijnen van de mens houdt de evolutie op, maar dat wil niet zeggen dat die mens zich niet verder ontwikkelt. De gehele geschiedenis is wezenlijk het verhaal van die ontwikkeling, en dat verhaal is nog lang niet af. Wij zouden stellig verbaasd staan te kijken bij het zien van de vermogens die in de verre toekomst volwassen mensen ontwikkeld hebben. En dan gaat het niet alleen over technologische vermogens, maar ook over psychische, zintuiglijke en intellectuele. Heel veel van die vermogens sluimeren nog in de huidige mensheid. Dat is gemakkelijk af te leiden uit het feit dat juist de mens de meest innige structuur van al het bestaande bezit. Deze zaak komt tijdens het leven van de mensheid tot ontwikkeling via een proces dat je het ontwikkelingsproces zou kunnen noemen. Behalve de evolutie en het ontwikkelingsproces speelt zich nog een proces in de levende werkelijkheid af. Dat is het aanpassingsproces. Dat begint al onmiddellijk bij het ontstaan van het eerste leven en het zet zich gedurende zowel de evolutie als het verdere leven op aarde voort. Ook bij de mens is dat het geval, maar bij hem moet je er op bedacht zijn dat er een onderscheid is tussen datgene dat hij dank zij zijn ontwikkeling vertoont en datgene dat louter natuurlijke aanpassing is. In ieder geval liggen de zaken zo dat elk levend wezen het vermogen tot aanpassing heeft. Maar dat vermogen realiseert zich niet onbeperkt. Er zijn grenzen aan het aanpassingsvermogen. Worden die grenzen voor een bepaald organisme overschreden, dan kan dat organisme zich niet langer handhaven. Wat Charles Darwin (1809-1882) tijdens zijn beroemde reis met het schip de Beagle waarnam was niet de evolutie, maar de aanpassing.

concurrentie-1 ; concurrentie-2

No. 133

Wat Darwin gezien heeft en waarop hij zijn theorie baseerde was niet de evolutie, maar de aanpassing. Van dat aanpassingsproces is inderdaad te zeggen dat alles draait om het overleven, en wel het overleven van die organismen die het meest toegerust zijn op het leven in de wereld die zij bij hun ontstaan aantreffen. Het gaat daarbij dus inderdaad om the survival of the fittest. Dat is wat anders dan de gedachte dat de sterkste zal overwinnen. Het begrip overwinnen heeft een andere inhoud dan survival, dat eigenlijk overleven betekent, en the fittest is niet per se de sterkste, maar zoals gezegd de meest toegeruste. Overigens heeft de idee dat de sterkste in the struggle for life zal overwinnen, de wezenlijk foute interpretatie dus, in het begin van de 20ste eeuw bij een aantal Amerikaanse en Engelse sociologen de mening doen post vatten dat ook de mensen aan die wetmatigheid onderworpen zouden zijn: het edelste ras zou overwinnen! Zo ontstond de theorie van het Sociaal Darwinisme. Die theorie is de poging de agressie van het blanke ras te rechtvaardigen, omdat de onderlinge strijd van de mensen een wezenlijk element van het mens-zijn zou uitmaken. Daarmee wordt in feite de schofterigheid in de wereld goedgepraat. Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat er in het Nationaal Socialisme, het Fascisme en ten dele ook in het kapitalisme een warme sympathie voor het Sociaal Darwinisme bestaat. Inderdaad vertoont de mensheid het beeld van een strijd van allen tegen allen. Dat echter is geen manifestatie van de wezenlijke mens, maar een tijdelijk verschijnsel dat aan de zich ontwikkelende individu meekomt. Het gaat daarbij om een cultuurkwestie. Darwin echter had het over een zaak van de natuur. Betrek je het Sociaal Darwinisme toch op de theorie van Darwin, die meende het over de evolutie te hebben, dan wordt onmiddellijk duidelijk dat het Sociaal Darwinisme nergens op slaat, omdat de mens immers aan de evolutie voorbij is. Het evolutieproces houdt op als de laatste mogelijkheid voor de dag gekomen is. Het gaat daarbij eigenlijk niet om de mens, maar om de laatste mogelijkheid, welke dat ook is. Als je ontdekt hebt wat daarvoor gelden moet blijkt vervolgens dat de mens dat is. Die mens is dus in de gedachtegang niet zo belangrijk. Ik zeg dit omdat gebleken is dat sommige slordige denkers uit het bovenstaande afleiden dat ik zou bedoelen dat de evolutie door de mens gestopt zou zijn. Dat is natuurlijk geenszins het geval: de evolutie zelf komt aan haar eind en dat eind blijkt de mens te zijn. Wat de mens, terugkijkend naar de natuur, ziet is nooit de evolutie, maar altijd het aanpassingsproces. Elk levend wezen past zich aan bij de wereld die het aantreft. Dat is niet alleen het geval als de evolutie voltooid is, maar ook tijdens de evolutie. In dit laatste geval zijn de veranderingen die bepaalde levende wezens doormaken Of een gevolg van het zich instellen op de omgeving (aanpassen), Of een gevolg van verder gaande evolutie. Er zijn echter ook levensvormen die aan het afsterven zijn, en dat kan dan weer plaatselijk zijn of zich over de gehele planeet voordoen. Bepaalde levensvormen kunnen zich ook plaatselijk handhaven, bijvoorbeeld in geÔsoleerde streken met gunstige omstandigheden en geen natuurlijke vijanden. Die levensvormen passen zich zelfs nauwelijks aan omdat het milieu van zichzelf uit al aan alle levensvoorwaarden voldoet. Je kunt daar dan ook van allerlei oervormen van leven aantreffen. Om het proces van aanpassing te begrijpen moet je teruggaan naar het begrip bewustzijn zoals dat voor alle levende wezens geldt. De levende cel verschijnt op de planeet wanneer het zich combineren van bouwstenen een optimaal innige situatie heeft bereikt.

Dan treedt de totaaltrilling op en als zodanig omvat die alle denkbare verhoudingen van de werkelijkheid. Het gelden daarvan is het begrip bewustzijn. Dat betekent dat de buitenwereld op trillende wijze inhoud is van de levende cel, hij correspondeert met het levend-zijn van de cel. Daardoor leeft elk levend wezen in de werkelijkheid, is zich ervan bewust en reageert er op. Dat reageren is het begin van de aanpassing, het leven stelt zich in op de buitenwereld doormiddel van een reactief proces. Daarbij toomt dat leven zichzelf niet in, zoals dat bij zich aanpassende mensen het geval is, maar het zoekt een uiterste mogelijkheid om overeenkomstig haar eigen karakter te kunnen functioneren en zich te kunnen handhaven. Dit proces berust dus op het gelden van het bewustzijn, het is een zich realiseren als bewustzijn en dat is niet denkbaar zonder de samenhang tussen de buitenwereld en de binnenwereld. We moeten er dan ook goed op letten dat het aanpassingsproces eigenlijk een proces is dat er op gericht is de samenhang in de werkelijkheid in stand te houden. Zelfs als de leeuw een antilope verslindt houdt dat de samenhang in stand. Voor ons lijkt het een verbrekende handeling, maar dat is het dus helemaal niet. Zoals gezegd zijn er, in je fantasie terugkijkend op de evolutie, steeds twee mogelijkheden qua het zich veranderen van een organisme. Het kan bezig zijn zich aan te passen, maar ook kan het bezig zijn zich te evolueren. Wat is nu tussen deze mogelijkheden het onderscheid? Afgezien van het feit dat dit voor ons nooit meer op zichzelf te onderzoeken is moet je tot de conclusie komen dat het onderscheid gelegen is in de organisatie van de cellen. De vraag daarbij is of die organisatie in zichzelf afgesloten is of dat er nog een mogelijkheid is tot inniger organisatie.

Het kan heel goed zijn dat de kwaliteit van die organisatie zich afspiegelt aan het DNA, een bepaald soort zuur dat zich in de chromosomen van alle levende wezens bevindt en dat de drager is van de erfelijke eigenschappen. Misschien treden er binnen een bepaald patroon van het DNA kleine wijzigingen op die betrekking hebben op aanpassingen terwijl er anderzijds veranderingen in het patroon zelf plaats vinden die betrekking hebben op evolutie. Mocht dit juist blijken, dan zou de evolutie theoretisch te reconstrueren zijn... Een levend wezen dat zich aanpast verandert niet wezenlijk van karakter.

Een huiskat blijft, ondanks zijn verregaande aanpassing aan het leven en de omstandigheden van de mensen, toch altijd een kat. Hij is niet opgeklommen tot een hogere sport van de ladder van de evolutie. Hij blijft altijd de fase die hij was tijdens het toenmalige proces van de evolutie, ook al ontwikkelt hij zich tot een dier dat in niets meer doet denken aan een wilde kat. Er is trouwens nog iets dat wijst op wezenlijke verschillen tussen geŽvolueerde levensvormen en aangepaste levensvormen. Het is namelijk gebleken dat bepaalde vormen zich met geen mogelijkheid met elkaar laten kruiser en andere daarentegen wel. Sommige apensoorten bijvoorbeeld kunnen zich met elkaar niet voortplanten, ondanks het feit dat beide ogenschijnlijk niet ver van elkaar af staan. Kennelijk speelt hier het feit een rol dat die twee levensvormen ieder gebaseerd zijn op een andere fase van de evolutie. Daardoor bezitten zij andere DNA patronen die bij de versmelting van eicel en zaadcel niet met elkaar overeen komen en daardoor geen nieuwe cel, als begin van een nieuw leven, kunnen teweeg brengen. Nogmaals, het is niet zeker dat het DNA de manifestatie is van de opeenvolgende momenten van de evolutie. De wetenschap zal hierover uitsluitsel moeten geven, maar filosofisch zeker is in elk geval dat de opeenvolgende momenten van de evolutie, ondanks hun samenhang in algemene zin - zij zijn immers vormen van een leven - qua essentie geen overeenkomst met elkaar vertonen. De opeenvolgende momenten van de aanpassing bewaren die essentiŽle overeenkomst wel.

No. 134

Hersencel-1 ; Hersencel-2 ;

De oercellen, die op een gegeven moment uit de dode materiele samenstellingen ontstaan, komen terecht in een wereld die voortdurend aan verandering onderhevig is. Niet alleen dat er plaatselijke verschillen zijn, maar er zijn ook tijdelijke verschillen: het ene moment is de situatie anders dan het andere moment. Dat is temeer het geval doordat die oercellen in een waterachtig milieu tot leven zijn gekomen, sommige onderzoekers spreken in dit verband over de oerzee en zij vergelijken die qua samenstelling zelfs met het vruchtwater in de baarmoeder van de vrouw. Door die veranderlijkheid en gevarieerdheid van de buitenwereld leidt het aanpassingsproces tot een grote variŽteit aan eencellige levensvormen. Sterker nog: het aanpassingsproces is er omdat die buitenwereld zo gevarieerd en veranderlijk is! Was dat een statische en eenvormige zaak, dan zou de oercel er zich onmiddellijk in thuis voelen en geen behoefte hebben aan aanpassing. Ik wees er al eerder op dat de aanpassing een reactief proces is. Het berust op een reactie op een veranderlijke werkelijkheid. Het evolutieproces onderscheidt zich van de aanpassing doordat het ook een kwantitatief proces is. Het gaat daarbij niet alleen om het zich veranderen in progressieve zin, namelijk om het te voorschijn brengen van hogere, verder ontwikkelde levensvormen, maar ook om het zich met elkaar organiseren van cellen tot meercellige organismen. De verhouding ligt daarbij zo dat het hogere organisme mogelijk wordt doordat er zelforganisatie plaatsvindt. De zich aanpassende oercel zelf komt niet tot een verder stadium, de organisatie van oercellen in de evolutie daarentegen wel. De evolutie is dus zowel kwantitatief als kwalitatief, het bij elkaar blijven van meerdere cellen, die alle uit elkaar voortgekomen zijn, levert een hogere kwaliteit op. Voor de goede orde: het zich combineren van bouwstenen is een uitwendige zaak. Twee (of meer) zelfstandig bestaande, buiten elkaar zijnde, bouwstenen ontmoeten elkaar en leggen zich, onder de juiste omstandigheden, aan elkaar vast. Maar twee cellen ontstaan uit elkaar (moeder- en dochtercel) en blijven bij elkaar. Dat noem ik een inwendige zaak omdat het in de (moeder)cel besloten ligt.

Met dat kwantitatieve aspect moet je echter oppassen. Het gaat namelijk niet om de kwantiteit in absolute zin als zou het gaan om zoveel mogelijk cellen. In dat geval zou bijvoorbeeld de olifant een hoger wezen zijn dan bijvoorbeeld de mens. Net als bij de bouwstenen gaat het om het evenwicht tussen de optimale verfijning van de structuur en de hoeveelheid daarvoor benodigde elementen. Organismen zoals de olifant met een grotere hoeveelheid cellen behoeven volstrekt niet verfijnder van structuur te zijn. Bij de bouwstenen heb je te maken met een netwerk van relaties, maar bij organismen gaat het om een weefsel. Dat zijn natuurlijk maar woorden, maar zij drukken toch wel enigszins het onderscheid uit. Het kenmerkende van een weefsel is dat het zich gedraagt alsof het een geheel was, in feite een enkele cel. Het weefsel reageert op de buitenwereld precies zoals een enkele cel dat doet. Als je bijvoorbeeld bij de mens het bijzondere buiten beschouwing laat, dus het zelfbewustzijn er even af denkt, zie je dat hij net als de enkele oercel zichzelf als bewustzijn laat gelden. Hij laat zich niet gelden als een verzameling afzonderlijke bewustzijnen op grond van het feit dat voor letterlijk elke cel bewustzijn geldt, maar als een bewustzijn. En op grond daarvan reageert hij op zijn omgeving, neemt hij energie op en plant zich voort. Het komt dus hier op neer dat het hogere organisme geen wezenlijk ander gedrag vertoont dan de oercel. Het begrip kwaliteit slaat dus niet op het gedrag ten gevolge van het bewustzijn, maar op de verfijning van het weefsel.

De vraag is nu te stellen waarom het meercellige organisme zich gedraagt alsof het een enkele cel was. Om deze vraag te beantwoorden moet je bedenken dat de enkele cel datgene is waarin het ontstaansproces van de werkelijkheid uitloopt. Dat ontstaansproces is een zaak van de beweeglijkheden, om te beginnen van die beweeglijkheden op zichzelf en, als de bouwsteen er eenmaal is, van de beweeglijkheden voor zover die nog als vrije beweeglijkheden aan de bouwsteen voorkomen. De combinatie van bouwstenen gaat door totdat de meest innige structuur, het meest innige netwerk, te voorschijn gekomen is. Een nog inniger structuur van beweeglijkheden en bouwstenen is niet mogelijk. Op dat moment houdt het op qua proces een zaak van de beweeglijkheden te zijn: er zijn nu (oer)cellen. Verder dan zo gaat het ontstaansproces, zo je wilt het materiŽle proces, niet. De rest bestaat eigenlijk uit varianten van cellen en celgroeperingen, waarvoor almaar hetzelfde blijft gelden omdat zij allemaal uit elkaar zijn voortgekomen en als zodanig reproducties zijn van de oercel. Al datgene waartoe die cellen komen berust niet meer op enigerlei werking of mogelijkheid van beweeglijkheden, maar op mogelijkheden van die cellen zelf. In die zin bedoel ik het als ik zeg dat het ontstaansproces niet verder gaat dan de levende (oer)cel. Dat betekent dat de evolutie niets aan het ontstaan van de werkelijkheid toevoegt, zij varieert slechts op het thema van haar laatste materiŽle mogelijkheid, de levende cel en voor al die variaties blijft gelden dat zij in het teken van die ene cel staan. Omdat dit het geval is gedraagt elk organisme zich alsof het een enkele cel is.

Als de cellen zich met elkaar organiseren tot een weefsel en zich toch als een geheel zullen gedragen, ontstaat er gaandeweg een systeem van functies. Dat systeem is de manifestatie van het feit dat elke afzonderlijke cel zich laat gelden alsof zij zelf dat geheel was. Daartoe moet de ene cel zich anders gedragen dan de andere cel en zodoende ontstaan er verschillen tussen die cellen. Een hersencel bijvoorbeeld doet iets anders dan een levercel. Deze specialisatie in taken houdt echter geen beperking van mogelijkheden in, integendeel: elke gespecialiseerde cel gaat om zo te zeggen zelfs haar eigen beperkingen te buiten doordat zij zich als het geheel moet gaan laten gelden. Dat is heel wat anders dan de functies die wij in onze maatschappij kennen. Daarbij immers worden de individuele mogelijkheden beknot ten dienste van het geheel, eigenlijk het collectief. En dat collectief laat zich gelden als een hogere en machtige instantie die bepaalt hoe een individu zich in de organisatie heeft te gedragen, hoe hij zich heeft in te passen. Deze organisatie is er een van onderdrukking en het individu wordt gesteld als iets dat er ten dienste van iets anders is. Dat betekent onvermijdelijk het gedwongen uitschakelen van een aantal vermogens. De levende cel echter laat al haar vermogens tot aan het uiterste gelden bij het uitoefenen van een functie. Zij staat niet ten dienste van iets anders, maar ten dienste van zichzelf voor zover zij op haar eigen wijze het geheel, die ene cel is. Het is dan ook fout om het zo voor te stellen dat er in een gecompliceerd levend organisme een groep van cellen is (bijvoorbeeld de hersencellen) die de dienst uitmaken. Een dergelijke voorstelling berust op een vergelijking met onze maatschappij waarin nog lang geen volwassen organisatie voorkomt, maar slechts georganiseerde collectieven. In feite maakt in het organisme geen enkele cel de dienst uit, maar er zijn wel regulerende functies die allemaal op wisselwerkingen en feed-back processen berusten. Gedurende de evolutie neemt het aantal functies toe en zo ontstaat er een gecompliceerd samenhangend weefsel waarin tenslotte elke cel voor een speciale functie gespecialiseerd is.

No. 135

Hersencel-1 ; Hersencel-2 ; Onvermijdelijke toeval-1 ; onvermijdelijke toeval-2 ; Volwassen worden-1, Volwassen worden-2

Vanaf het moment dat de oercel voortgebracht is wordt datgene dat de werkelijkheid nog meer vertoont, namelijk het evoluerende organisme, uitsluitend een zaak van de cellen zelf. Zij houden allerlei verhoudingen in die zich gaandeweg zullen verwerkelijken. In vergelijking met de materiele bouwstenen is van de cellen te zeggen dat deze zelf actief zijn in zowel de aanpassing als de evolutie, maar dat daarentegen de bouwstenen helemaal niet actief zijn: het is maar net hoe het valt, wat hen overkomt, zodat zij misschien combinaties met elkaar gaan vormen. Hierin speelt het onvermijdelijke toeval een cruciale rol, maar als het gaat over de cellen kun je zeggen dat de noodzakelijkheid essentieel is, de noodzakelijkheid namelijk van het realiseren van de ervoor geldende verhoudingen. Die verhoudingen liggen allemaal in het bewustzijn verankerd, het zijn de basisverhoudingen van het leven. Het bewustzijn wordt, met het voortschrijden van de evolutie, niet groter; het blijft hetzelfde bewustzijn, maar je kunt wel nagaan dat het steeds omvattender wordt. De op trillende wijze aanwezige buitenwereld wordt almaar rijker totdat het tenslotte bij de mens de gehele werkelijkheid omvat. De mens kijkt op de werkelijkheid terug en dan ziet hij een bepaalde lijn die zich doorgezet heeft in de evolutie. Met het zich doorzetten van die lijn blijken er allerlei mogelijkheden ingestort te zijn, althans langs die lijn, want elders zijn zij wel te voorschijn gekomen en hebben het een of andere verschijnsel opgeleverd. Maar zo'n verschijnsel beschouwen wij achteraf als niet relevant voor die ontwikkelingslijn die naar ons leidt.

Door die beschouwingswijze dringt het gevoel zich aan ons op dat de wording volgens een plan zou zijn verlopen en dat in feite dus alles voorbestemd zou zijn, voorbestemd weliswaar niet door iets of iemand, maar door de een of andere natuurwet. Dit gevoel evenwel is misleidend. De enige materiŽle wet die er is is deze dat de bouwstenen elkaar volgens een bepaalde richting moeten benaderen. Maar elke bouwsteen en combinatie van bouwstenen biedt verschillende mogelijkheden van combinatie met andere en daardoor is het toeval of het de ene dan wel de andere combinatie wordt. Maar, als de ene er eenmaal is, vervalt, voor dat speciale verschijnseltje, de andere mogelijkheid, om zich ergens anders wel te realiseren. Om tot de mens te komen heeft de werkelijkheid een bepaalde lijn gerealiseerd en temidden van een veelheid van mogelijkheden was elke stap er een uit vele mogelijkheden en die ene bleek tenslotte de mens op te leveren. Overigens: als je inziet hoe dit in zijn werk gaat weet je ook dat er overal in de oneindige kosmos planeten met mensen voor zullen komen, uiteraard in verschillende stadia van ontwikkeling. De werkelijkheid is een en al beweging, te beginnen bij de beweeglijkheden en, al spoedig, als we te doen hebben met een systeem van vijf beweeglijkheden, in de vorm van (willekeurig) gerichte energie. In die chaotische wirwar van gerichte energieŽn ontstaan patronen van materie (groepen bouwstenen) en voor die materie geldt dat zij zowel energie als massa (= bouwsteen) is.

Einstein ontdekte dit dubbele karakter al omstreeks 1905 en hij drukte dit uit in de formule E=mc2. Energie is in feite een niet materiŽle zaak. Hoewel dit onstoffelijke karakter van de werkelijkheid dus reeds lang in de natuurkunde bekend is, weigeren tot op de dag van vandaag de positivistische filosofen en in het algemeen de materialistisch denkende mensen in te zien dat de werkelijkheid haar eigen materie oplevert. Zij willen almaar staande houden dat het begint met materie, met stoffelijke elementaire deeltjes. Door deze kortzichtigheid is het voor hen onmogelijk te begrijpen hoe het zit met de menselijke geest.

Zij komen niet verder dan het elkaar napraten dat de geest een werking van de materie is, terwijl de geest in feite een ontkenning van de materie is en er dus geen werking van kan zijn. De bouwstenen komen bij elkaar als het zo valt, maar de levende cellen blijven bij elkaar omdat zij eigen verhoudingen verwerkelijken, op grond van hun in zichzelf beweeglijk zijn. Zo verwerkelijken die cellen de verhouding het geheel. Maar ook de verhouding het totaal, met de daarvoor geldende sub-verhoudingen, namelijk 1) buiten elkaar een totaal vormend, 2) naast elkaar een totaal vormend en 3) met elkaar een totaal vormend. Bij 1) gaat het dan om zelfstandig levende eencelligen, bij 2) om kolonies van zelfstandige, maar aan elkaar gerelateerde, cellen, zoals dat bij koraal het geval is en bij 3) gaat het om meercellige organismen. In dit laatste geval geldt het totaal onmiddellijk als het geheel. Het zich voortplanten van de cellen berust op de verhouding tussen buiten en binnenwereld. De buitenwereld is, op trillende wijze, inhoud van het geheel en dus is de buitenwereld op andere wijze de binnenwereld. Omdat de verhouding zo ligt dat de buitenwereld inhoud is, maakt deze verhouding zich waar tijdens het beweeglijk-zijn (energetisch-zijn) en dat heeft tot gevolg dat de buitenwereld, in de hoedanigheid van energetische binnenwereld, verdubbelt. Op het moment dat deze verdubbeling voltooid is splitst de cel zich in tweeŽn en in elk van die twee voltrekt zich het verdubbelingsproces opnieuw. Reproduceren wil in dit verband zeggen: zichzelf nog eens te voorschijn roepen.

Anders gezegd: bij de cel is gegeven de buitenwereld als binnenwereld; de cel neemt de (concrete) buitenwereld in zich op, op grond van dit gegeven (het zich waarmaken); zij verdubbelt daarmee haar eigen inhoud; zij brengt die weer als enkel gestelde inhoud voort en stelt deze daarmee weer als buitenwereld. De levende cel is een energetisch geval, zij is een en al beweging in zichzelf. In dat bewegen komen de voor de cel geldende verhoudingen voor de dag. Het is geen lukraak bewegen, maar een bewegen volgens patronen en die patronen zijn manifestaties van de geldende verhoudingen. Het voor de dag komen van die manifestaties is het zichzelf waarmaken. Alle levend-zijn is een zichzelf waarmaken, een tot zichzelf komen. Dat is een werkzaamheid, een gerichte activiteit. Voor de niet in zichzelf bewegende werkelijkheid geldt dit niet: een steen is niet bezig tot zichzelf te komen, hij is gewoon wat hij is. Maar een levend wezen komt wel tot zichzelf, realiseert zich naar datgene dat voor haar geldt. Dat geldt uiteraard ook voor de mens, we spreken dan bijvoorbeeld van volwassen worden of je talenten ontwikkelen en dergelijke. Ook bij de mensen is dat waarmaken een zaak van het bewustzijn, precies zoals bij de overige levende wezens. Er is echter tegelijk een verschil: de mens weet in principe dat hij met dat waarmaken bezig is en kan dat bijgevolg zelfbewust doen. Het wordt echter niets als hij zich verbeeldt dat hij zich zomaar als dit of dat, op grond van een besluit, kan gaan ontwikkelen. Zich ontwikkelen, zich waarmaken, gelukt alleen maar dan als daartoe aanleg aanwezig is, dat wil zeggen een bepaald samenstel van verhoudingen. En die liggen verankerd in het bewustzijn. Daarom weet iemand doorgaans niet waarom hij zich ontwikkeld heeft zoals hij zich ontwikkeld heeft. Bij levende wezens komt er uit wat er qua aanleg in zit, omdat alle bewegingen gestuurd worden door en in het teken staan van de aan de zaak ten grondslag liggende verhoudingen. Die verhoudingen benoemen wij, als wij filosofisch nadenken over de werkelijkheid, met begrippen. Voor ons zijn het begrippen, maar in werkelijkheid zijn het geldende verhoudingen. Het begrijpen hiervan is voor ons moeilijk, omdat wij gewend zijn om alles uit elkaar te halen. Nu echter moeten wij alles ineen denken...

Onvermijdelijke toeval-1 ; onvermijdelijke toeval-2 ; Volwassen worden-1, Volwassen worden-2

No. 136

Van bovenaf denken: zie A(79) , B(105t/m109) , C(113) , D(129t/m130) , E(136) , F(145) ;

De processen, zoals die in de werkelijkheid plaats vinden, worden gekenmerkt door grilligheid en onvoorspelbaarheid. Er is nooit van tevoren te zeggen hoe een bepaald proces uit zal pakken. Ook het denkproces verloopt grillig en onvoorspelbaar, het is eigenlijk een chaotische opeenvolging van associaties. Ga je die opeenvolging echter achteraf na, dan blijkt dat er wel degelijk een logische lijn in heeft gezeten. Die logische lijn evenwel is op het moment van zijn ontstaan niet voorspelbaar geweest. Er waren tal van andere mogelijkheden, maar die zijn niet gerealiseerd, zij zijn als mogelijkheden ingestort op het moment dat er een uitgekozen is. Achteraf beschouwd lijkt het alsof het allemaal noodzakelijk zo heeft moeten zijn, maar dat is dus niet het geval. Nu zou je kunnen opmerken dat bijvoorbeeld bij natuurkundige experimenten wel degelijk de voorspelbaarheid essentieel is en zelfs als maatstaf voor de juistheid van de verkregen resultaten geldt. Maar je moet daarbij wel bedenken dat bij een dergelijk experiment de apparatuur zodanig ingericht is dat juist alle mogelijke andere gebeurtenissen uitgesloten worden. Bij het experiment wordt het wezenlijke karakter van de werkelijkheid tenietgedaan - ook al een reden waarom je, filosofisch beschouwd, de natuurkundige voorstelling van de werkelijkheid moet wantrouwen, zonder die overigens te verwerpen, want de natuurkundige werkelijkheid is ook een, mogelijkheid van de werkelijkheid. Als het goed is laat je in de filosofie, in tegenstelling tot de gang van zaken in de wetenschappen, de grilligheid en de onvoorspelbaarheid volledig tot hun recht komen. Je kunt zelfs wel stellen dat beide eigenaardigheden tot de essentie van de filosofie behoren. Het filosofische denken is dan ook grillig en onvoorspelbaar. Het is helemaal geen systematisch of methodisch denken. De poging om dit, sinds de tijd van Descartes, wel zo te laten zijn en het systeem en de methode als de maat voor de betrouwbaarheid van het filosofische denken te stellen is voortdurend mislukt. Het resultaat van al die pogingen is namelijk niet de destijds verwachte eenduidige samenhangende filosofie, maar een veelheid aan stelsels, stromingen en opvattingen. En dat is het geval omdat de grilligheid en de onvoorspelbaarheid zich niet laten weg reglementeren, zelfs niet- doormiddel van via het onderwijs ingeprente denkmethoden.

Het enige moment waarin de filosofie gedwongen is systematisch en methodisch te zijn is het moment dat ze haar inzicht in de werkelijkheid voor de mensen onder woorden brengt. Ze is dan immers gebonden aan de taal en de daarin aanwezige logica en systematiek. Volgens sommige moderne denkers is ze ook nog aan een aantal andere criteria gebonden, zoals bijvoorbeeld objectieve toetsbaarheid en bewijsbaarheid, maar die opvatting is duidelijk in strijd met het karakter van het filosoferen. Via de taal laat je het beeld van de werkelijkheid zien. Die taal behoeft geen vaktaal te zijn, mag dat zelfs niet zijn wil het filosoferen zichzelf niet aan de onvrijheid van het keurslijf van de reglementeringen uitleveren. Juist omdat de werkelijkheid grillig en onvoorspelbaar is, of, anders gezegd: niet gedetermineerd is kan zij, in onbeperktheid van tijd en ruimte, al haar mogelijkheden realiseren. Er blijft geen enkele mogelijkheid onbeproefd, maar het is wel de vraag waar en wanneer zoiets voor de dag komt. Zo ontstaan er vanaf een zeker moment bepaalde functies in de meercellige organismen. Die ontstaan niet, nogmaals, omdat zij in bepaalde organismen ontstaan moeten op grond van een soort van in gebouwd plan (gedetermineerd-zijn), maar zij ontstaan omdat zij in bepaalde organismen ontstaan kunnen en dat ergens een onverwacht dan ook doen. Die functies zijn manifestaties van verhoudingen die in de tot materiŽle systemen uitgegroeide clusters van beweeglijkheden aanwezig zijn.

Een van die verhoudingen is diegene die wij met- het begrip samenhang aangeduid hebben en het is die verhouding die de basis is voor het zich laten gelden van functies. Alleen bij meercellige organismen spreek ik van functies. Daarbij gaat het uitsluitend over deze situatie dat een willekeurige enkele cel zich laat gelden, zich gedraagt, alsof zij het gehele organisme was. Als het er om gaat aan te geven waartoe een bijzonderheid van een cel dient, bijvoorbeeld trilhaartjes aan bepaalde eencelligen in slootwater, dan spreek ik niet over de functie van die trilhaartjes - dit in strijd met het gangbare spraakgebruik. De reden hiervan is dat het nu niet gaat om een zich gedragen als het geheel, maar om een bepaalde vorm van aanpassing van zon cel. Het trilhaartje dient een bepaald doel. Bij het begrip functie echter gaat het niet om het dienstbaar zijn aan een zeer bepaald doel maar om het zichzelf verruimen tot een groter geheel.

Al eerder heb ik er op gewezen dat het filosofische begrip, functie een heel andere betekenis heeft dan het overeenkomstige, in onze cultuur gebruikelijke, begrip functie. In dit laatste begrip spelen beperking en ondergeschiktheid een cruciale rol. Iemand in een bepaalde functie heeft zich louter te beperken tot datgene waarvoor zij of hij aangesteld is en zich verder nergens mee te bemoeien. Van zichzelf verruimen is dus geen sprake. Bovendien heeft zo iemand zich maar te houden aan de bevelen die van bovenaf gegeven worden. Als er in dit verband al van een zich gedragen als het geheel te spreken zou zijn is het toch in ieder geval een gedrag dat niet vanuit zo iemand zelf bepaald is, maar vanuit de hogere regionen van de organisatie. Kortom, we hebben in alle opzichten met een geheel andere zaak te doen. Het feit dat men tegenwoordig wat ruimere opvattingen over management heeft en doormiddel van informatienetwerken de beperkingen enigszins opheft verandert de betekenis van het huidige functiebegrip niet wezenlijk: een verruimde beperking is nog steeds een beperking en een democratische bevelsstructuur nog steeds een bevelsstructuur. In een meercellig organisme is de enkele cel op haar wijze zelf het geheel. Dat heeft niets met beperking en ondergeschiktheid te maken. Dat men gewoonlijk toch in dergelijke termen denkt is uiteraard een gevolg van onze cultuur waarin het van bovenaf denken nog steeds maatgevend is. Zo verkeert men in de mening dat de activiteiten van bepaalde functionele cellen geregeld, geregeerd, worden doormiddel van bevelsstructuren die in een bepaald centrum - bij de hogere organismen de hersenen - gelokaliseerd zijn. Vanuit de hersenen zouden de bevelen komen voor de afzonderlijke cellen. Dat echter is geenszins het geval. Ten eerste is er geen sprake van bevelen, maar van het doorgeven van informatie en ten tweede zijn alle informatiestromen gebaseerd op zogenaamde feedback processen waarin voortdurende wisselwerkingen en terug koppelingen plaats vinden. In zo'n proces komt geen element voor dat maatgevend is. Praktisch gesproken: de hersenen zijn niet het regeercentrum van het organisme maar een coŲrdinatiesysteem van alle feedback processen. Het is vanuit onze cultuur doorgaans moeilijk te vatten dat zo'n coŲrdinatiesysteem geen hogere instantie is maar daarentegen gewoon de manifestatie van een bepaalde functie die door de evolutie aan bepaalde cellen is toebedeeld. Terzijde: zelfs in het anarchistische denken blijkt het moeilijk te zijn in te zien dat het coŲrdineren van zaken op geen enkele wijze gezag en macht rechtvaardigt, zelfs geen tijdelijke en gedelegeerde macht. De samenwerking tussen mensen in een anarchistische wereld kan en moet tenslotte berusten op de wisselwerking tussen de individuele talenten van de mensen.

Van bovenaf denken: zie A(79) , B(105t/m109) , C(113) , D(129t/m130) , E(136) , F(145) ;

No. 137

Tijdens de evolutie wordt de zelforganisatie van de uit elkaar voortkomende cellen steeds inniger. Dat levert onder andere bepaalde functies op: bepaalde cellen gaan een bepaalde taak op zich nemen en wel op zo'n manier dat zij zich daarbij gedragen alsof ze het geheel van het organisme zijn. In zekere zin kun je dus spreken van een verruiming van het leven van die cellen. Zij zijn evenwel nog steeds voor zichzelf bezig, maar dat voor zichzelf houdt het geheel waartoe zij behoren in. Die verruiming moet daarom niet in externe, maar in interne zin opgevat worden. De cel geldt in zichzelf als het geheel. Dat begrip verruiming berust letterlijk op werkingen en verhoudingen van de beweeglijkheden. Al eerder hebben wij gezien dat in de bouwsteen een drietal achtledige systemen (de brandpunten A, B en C) aaneen gegroeid zijn, op zodanige wijze dat er samenhang is tussen A-B en B-C. Beide samenhangen zijn in feite uitbreidingen van de ruimte van elk van de drie achtledige systemen: de samenhang tussen A en B berust op de ruimte van A die overgevloeid is naar die van B, en hetzelfde geldt voor B en C. We hebben te doen met tweemaal een niet te scheiden twee-eenheid. Het bleek daarna dat bij een optimale innigheid van verdichting van bouwstenen verwisselbaarheid op gaat treden en een consequentie daarvan is dat ook de samenhangen in de bouwstenen onderling verwisselbaar worden met die van andere bouwstenen. Op grond daarvan is er nu een verschijnsel ontstaan dat door innerlijke samenhang gekenmerkt wordt, een samenhang echter die niet continu is, maar een ononderbroken weefsel van onderbrekingen vertoont. De samenhang manifesteert zich bij het functioneren volgens de reeks A-B-C > B-C-D > C-D-E enzovoorts. Er is in de voortgang dus telkens een stapje terug en dat is de grondslag voor de later optredende feedback processen. Bij de toenemende innigheid van zelforganisatie van cellen laat deze eigenaardigheid zich ook gelden voor de onderlinge verhoudingen van die cellen, zodat zij met elkaar feedback processen in het leven roepen. Daarin spelen bepaalde cellen een bepaalde rol. Maar die gehele zaak berust op het in elkaar overgaan van samenhangen en dus ook van ruimten. Het verwisselbaar in elkaar overgaan van ruimten is de verruiming waarvan ik sprak. Deze verruiming leidt er toe dat een enkele cel zich zal gaan laten gelden als het geheel en ook dat, omgekeerd, het geheel zich laat gelden als was zij een enkele cel. Deze tweeslag, namelijk dat het enkele zich als het geheel en het geheel zich als het enkele laat gelden, is het fundamentele kenmerk van het leven. Uit het feit dat de cellen hun leven verruimen tot het geheel mag niet afgeleid worden dat het geheel meer zou zijn dan de som van de afzonderlijke delen, in die zin dat er iets bij zou komen. Een dergelijke gedachte komen wij in het holisme nogal eens tegen. Die gedachte is fout, want er is alleen maar een bepaald aantal cellen in een levend wezen en die cellen wijken fundamenteel niet af van alle andere cellen. Hun functie berust immers op de samenhang en komt dus niet tot een materieel waarneembare manifestatie. Wat je wel materieel waar kunt nemen is de aanpassing aan de functie. Het enige bijzondere is welbeschouwd die aanwezigheid van aan functies aangepaste cellen. Dat echter is geen kwantitatieve kwestie (dat er iets meer zou zijn), maar een kwalitatieve. De verruiming levert geen meer-zijn op, maar een anders-zijn. Een functionele cel leeft in een andere werkelijkheid, een andere buitenwereld, vergeleken bij een op zichzelf staande cel. En op die buitenwereld, die voor het levende wezen zelf haar binnenwereld is (haar inwendige) reageert zij. De binnenwereld van het gehele organisme is de buitenwereld van de functionele enkele cel.

Het begrip samenhang is niet empirisch aan te tonen omdat het op overvloeien van ruimte berust en op geen enkele wijze te bepalen is. De functie is op zichzelf ook niet aan te tonen. De gevolgen ervan echter, namelijk de aanpassing aan een bepaalde taak binnen het geheel zijn wel waar te nemen: er spelen zich biochemische en elektrische processen af die tegenwoordig betrekkelijk nauwkeurig onderzocht worden. Bij de mensen is de samenhang ook niet aan te tonen, maar een van de gevolgen ervan, namelijk het feit dat mensen een bepaald gedrag kunnen vertonen dat wij elkaar liefhebben noemen, is wel waarneembaar. Overigens: dat mensen ook relaties met elkaar kunnen hebben is eveneens waarneembaar, maar berust op iets heel anders, namelijk het materiŽle begrip combinatie. Vanuit dit begrip redenerend kunnen van de mensheid heel wat mensen gemist worden. We laten ze dan ook rustig verrekken. Maar, redenerend vanuit datgene dat voor het leven wezenlijk kenmerkend is, namelijk de samenhang, kan niemand gemist worden, zelfs niet degene die de hele dag dichterlijk dromend door het landschap dwaalt en naar onvolwassen begrippen niets uitvoert. In het geheel van het leven op aarde functioneert letterlijk elk mens, wat zij of hij ook doet of laat... Een besef overigens dat nog altijd niet tot het gros van de mensen is doorgedrongen.

Er zijn in het levende wezen geen bevelsstructuren. Dat wil zeggen dat het ondenkbaar is dat de ene cel de dienst uitmaakt voor de andere cel. Een bepaalde activiteit is het resultaat van het volwaardig meeleven van alle erbij betrokken afzonderlijke cellen, die, zoals we zojuist gezien hebben, hun werking zowel heen als terug uitoefenen. Het besluit tot een bepaalde activiteit wordt via een heen en weer gaand samenspel van alle erbij betrokken cellen genomen. Wat dit betreft moeten wij ons ervoor hoeden van bovenaf te gaan denken. Het begrip functie geldt omdat er samenhang in het organisme is. Je kunt dan ook zeggen dat het de functie van elke cel is het geheel in stand te houden, want de samenhang te handhaven. En in principe is het zo dat geen enkele cel uit een organisme gemist kan worden. Zou je zo'n cel toch verwijderen, dan stort het gehele organisme in: het sterft. Als je van een steen een stukje afslaat gebeurt er met die steen eigenlijk niets want in die steen gelden alleen maar de relaties tussen de bouwstenen en de samenhang blijft beperkt tot de eerder genoemde dubbele samenhang binnen de afzonderlijke bouwstenen. Je moet de steen al helemaal tot op atomair niveau splijten wil hij zijn karakter van steen kwijtraken. Maar als je van een organisme een stukje wegneemt stort het als organisme in en sterft. Natuurlijk, inmiddels is medisch gezien wel gebleken dat in een noodgeval bepaalde organen of delen daarvan verwijderd kunnen worden, maar wat dat betreft moet je je wel realiseren dat bij elke operatie zich onmiddellijk het probleem voordoet hoe de patiŽnt in leven gehouden moet worden. Als je dat probleem niet baas kunt sterft de patiŽnt gegarandeerd. Het verwijderen is op zichzelf geen probleem, het in leven houden is het probleem! Alle cellen in een organisme gedragen zich zogezegd in het belang van het geheel. Toch komt het voor dat er binnen een organisme cellen zijn die niet in staat zijn zich als het geheel te gedragen. Dat zijn de beruchte kankercellen. Omdat die aan het geheel vijandig zijn worden zij door het organisme zonder pardon verwijderd. Maar soms bezit het organisme de kracht daar niet (meer) toe en dan kunnen die betrekkelijk weinige kankercellen het gehele organisme doen instorten. De arts Moerman heeft ergens geschreven dat de kankercel zich gedraagt als de oercel: uitsluitend bezig met zichzelf en nog lang niet in staat zich als het geheel te gedragen. Het behoeft dan ook niet te verbazen dat in een complex van kankercellen (tumor) geen enkele functionele structuur aanwezig is en ook is het niet verwonderlijk dat kankercellen zich in het gehele lichaam uitzaaien. Zij staan allemaal op zichzelf.

No. 138

Al eerder heb ik opgemerkt dat het bewustzijn van een meercellig organisme zich laat gelden als een homogeen bewustzijn en niet als een verzameling van bewustzijnen van alle afzonderlijke cellen. Het organisme is zich bewust van zichzelf als een geheel en niet zichzelf als een totaliteit. Om te begrijpen hoe dat zit moet je nog eens even de gang van zaken bij het zich combineren van bouwstenen nagaan. Als twee bouwstenen met elkaar een combinatie aangaan neutraliseert zich de beweging van een vrije beweeglijkheid van de ene bouwsteen aan die van de andere. Op dat moment ontstaat er een relatie tussen beide bouwstenen. Het ontstaan van relaties, dat wil zeggen het zich combineren, gaat geheel buiten de in elk der bouwstenen aanwezige trilling om. De trilling van de ene bouwsteen blijft dan ook gescheiden van die van de andere bouwsteen. In zo'n combinatie bevindt zich dus een bepaald aantal afzonderlijke trillingen die met elkaar niets te maken hebben. Dat blijft gelden totdat een combinatie een optimale innigheid heeft bereikt, waarbij de situatie zodanig verandert dat niet meer is te zeggen welke beweeglijkheden bij de ene bouwsteen behoren en welke tot de andere. Er treedt dan verwisselbaarheid op. De verwisselbaarheid leidt er toe dat ook de in de bouwstenen aanwezige trillingen niet meer te definiŽren zijn als behorende tot deze of gene bouwsteen. Zo'n trilling kan evengoed tot de ene bouwsteen behoren als tot de andere. Het in zichzelf veranderlijk zijn gaat optreden en omdat dit het geval is gaat er voor al die afzonderlijke trillingen gelden dat zij met elkaar een totaaltrilling opleveren. Deze totaaltrilling herkennen wij aan het organisme als het levend-zijn ervan. Behalve echter dat wij met een totaaltrilling te maken hebben is er ook nog te zeggen dat hij een geheel is. Hij laat zich ook nog gelden als een ondeelbare, in zichzelf niet te scheiden, homogene zaak. Voor zover dat het geval is spreek ik van het bewustzijn van de levend geworden materie. Een totaal is altijd een optelsom van afzonderlijkheden. Deze vormen met elkaar een verzameling. Een verzameling is opgebouwd vanuit zijn elementen en hij wordt van daaruit gedefinieerd: een verzameling koeien. Een geheel echter is een kwaliteit van het geeft niet welke totaliteit van verschillende elementen: het kunnen zowel paarden als koeien zijn. De totaliteit is nu een geheel geworden. Overigens, het geldig worden van het begrip geheel berust op het feit dat bij het verwisselbaar worden van de bouwstenen ook hun innerlijke samenhang verwisselbaar wordt en daardoor uit de beslotenheid van de bouwsteen loskomt en voor de volledige combinatie gaat gelden. Die combinatie wordt dan getypeerd door de samenhang: het typerende van het levende wezen is haar onverbrekelijke samenhang en dus ook het feit dat zij in zichzelf een geheel vormt. Het bewustzijn is het geheel van trillingen dat in de optimaal innige combinatie tot gelding komt. Dat geheel van trillingen heeft als inhoud de totaliteit van alle mogelijke afzonderlijke trillingen zoals die tijdens de materiŽle opbouw van het verschijnsel tot stand kwamen. Dat betekent dat het bewustzijn op trillende wijze de totale werkelijkheid inhoudt. Die werkelijkheid komt als het ware terug in het levende verschijnsel en dat doet zij als een totaliteit van alle mogelijke trillingen. De buitenwereld is op trillende wijze de binnenwereld van het levende wezen. Tot zover in het kort nogmaals een beschrijving van de aard en de inhoud van het bewustzijn. Het is nu de vraag hoe het gaat met dat bewustzijn als het behoort bij cellen die, na uit elkaar voortgekomen te zijn, bijeen blijven om zo een meercellig organisme te vormen. Een organisme dus dat uit een enkele cel voortgekomen is doordat die cel zichzelf heeft laten uitgroeien doormiddel van reproductie van zichzelf. Bij dat uitgroeien, gebeurt er iets met de verhouding buitenwereld - binnenwereld. Voor een bepaalde cel namelijk bestaat de buitenwereld ook nog uit een aantal andere cellen waarmee zij een geheel vormt. Dat wil zeggen dat haar bewustzijn ook die andere cellen omvat. Dat geldt uiteraard voor alle in een organisme opgenomen cellen en dus kun je stellen dat het bewustzijn van elke cel onmiddellijk bewustzijn van het geheel is.

Bezien vanuit dat geheel geldt dan dat dit aanwezig is in elke afzonderlijke cel. Anders gezegd: het geheel laat zich gelden alsof zij een enkele cel was en de enkele cel laat zich gelden alsof zij het geheel was. Elke cel reageert dus zowel op zichzelf als organisme als ook op datgene dat je letterlijk de buitenwereld kunt noemen, de wereld dus buiten het organisme. Tijdens de evolutie ontstaat er dus een dubbele werking van het reactieve proces: enerzijds naar zichzelf als organisme en anderzijds naar de omgevende werkelijkheid van het organisme. Er is dus bewustzijn van zichzelf en bewustzijn van de omgeving. Bewustzijn van zichzelf is iets anders dan datgene dat ik zelfbewustzijn genoemd heb. Dit laatste heeft eigenlijk niets met bewustzijn te maken omdat het alleen maar bij de mens voorkomt en berust op het zich als niet-materie laten gelden van de materie. Maar het bewustzijn van zichzelf is om zo te zeggen verruimd bewustzijn, dat als bewustzijn berust op de puur materiele trillingen van de bouwstenen. Je kunt het begrip bewustzijn van zichzelf vertalen door te zeggen dat het organisme zich laat gelden, zich op de een of andere manier gedraagt temidden van de overige verschijnselen. Een steen daarentegen gedraagt zich niet, hij is er alleen maar en kent geen bewustzijn van zichzelf. Een poes bijvoorbeeld gedraagt zich als een geheel en dat gedrag is volstrekt anders dan het gedrag van alle afzonderlijke cellen waaruit de poes bestaat. Het gedrag van elke afzonderlijke cel verklaart het gedrag van de poes niet, maar het samenhangende geheel van alle gedragingen van afzonderlijke cellen bepaalt het gedrag van de poes wel. In die zin is de poes zich bewust van zichzelf, maar omdat zelfbewustzijn niet voor haar geldt, weet zij van dit alles niets af. Zij kent zichzelf niet, maar zij is wel zichzelf. In het zichzelf-zijn speelt het gehele complex van functies een bepalende rol. Dat complex van functies manifesteert zich in het karakter van de poes. In de psychologie gebruikt men de term bewustzijn in velerlei betekenissen, maar welbeschouwd heeft geen enkele van die betekenissen iets met het begrip bewustzijn te maken. Het gaat daarentegen steeds over een of andere situatie binnen het zelfbewustzijn. Dat wat bijvoorbeeld onbewust of onderbewust genoemd wordt is in feite een vergeten, onderdrukte of niet verwerkte inhoud van het zelfbewustzijn. Het zijn ervaringen van gebeurtenissen of toestanden die eens concreet aanwezig geweest zijn en die door allerlei oorzaken verkeerd terechtgekomen zijn en daardoor als een ongeweten storingsbron in het zelfbewustzijn zijn gaan werken. Dat het over het zelfbewustzijn gaat blijkt uit het feit dat die inhouden doormiddel van bepaalde therapieŽn, technieken of middelen naar voren gehaald kunnen worden zodat de patiŽnt er over kan vertellen. Op dat moment behoren die inhouden weer tot het bekende gedeelte van de voorstelling. Zij waren in het verleden daaruit verwijderd. Het bewustzijn is niet naar boven te halen noch weg te drukken. Het is er zonder dat het op zichzelf voor enige ingreep vatbaar is en er is in feite ook niets over te zeggen in de zin van situaties of gebeurtenissen. Het is de werkelijkheid die zichzelf aanvoelt en dat gaat buiten de wil van de mens om. Wel echter kan een mens zijn eigen ervaringen van dat aanvoelen verminken. Die verminkte ervaringen zijn het object van psychologische therapieŽn.

No. 139

In een ander verband heb ik al eens uitgelegd dat de wetenschap zich in wezen slechts bezig houdt en kan houden met de werkelijkheid als voorstelling, de werkelijkheid dus die als inhoud van het zelfbewustzijn in de mens aanwezig is. Deze voorstelling is een vastgelegde zaak en daarin zoekt men de alsnog onbekende feiten en de daartussen aanwezige onderlinge verbindingen uit. Op grond van dit vastgelegde karakter van de te onderzoeken objecten is het mogelijk een aantal eigenaardigheden van de werkelijkheid in eenduidige termen en formules uit te drukken. Een bepaalde wetenschappelijke term heeft een nauwkeurig vastgestelde betekenis die voor iedere vakgenoot, op grond van onderlinge afspraken, precies dezelfde is voor de wetenschap is het dus mogelijk een vaktaal te ontwikkelen. Dat die taal niet voor een ieder verstaanbaar is is geen bezwaar omdat wetenschap toch alleen maar door ingewijden beoefend kan worden. De filosofie echter houdt zich niet bezig met de voorstelling als zodanig, maar met de werkelijkheid die door de voorstelling heen straalt. In feite dus de werkelijkheid als beeld. Deze werkelijkheid echter is door en door beweeglijk en dus ook voortdurend veranderlijk. Bovendien verschijnt zij steeds in de sfeer van diegene die haar op een bepaald moment beschouwt. Op grond hiervan is het onmogelijk een stelsel van vaststaande, voor een ieder hetzelfde betekenende, termen op te bouwen. De filosoof kan en wil er niet aan ontkomen steeds een beschrijving van de bij zijn thema voorkomende fenomenen te geven. Eigenlijk zou hij iedere uitdrukking moeten toelichten, maar dat is natuurlijk onbegonnen werk. Daarom gebruikt hij zoveel mogelijk in het taalgebruik gangbare woorden, evenwel niet zonder er op gezette tijden opnieuw een toelichting bij te geven. In beide eerder besproken begrippen bewustzijn van zichzelf en zelfbewustzijn komt het woord bewustzijn voor, maar wel twee maal in een andere betekenis. Dat is enigszins misleidend, maar het gebruik van andere woorden maakt de zaak niet duidelijker en daarom is het beter dicht bij het spraakgebruik te blijven. Dat heeft bovendien het voordeel dat de zaak zoveel mogelijk in de sfeer van het leven blijft en niet tot een bloedeloze abstractie verwordt. Het is in de wetenschap niet gebruikelijk en ook niet noodzakelijk de werkelijkheid te begrijpen. Sterker nog: het is zelfs onmogelijk haar te begrijpen omdat de wetenschap zich onvermijdelijk op deelgebieden van de werkelijkheid begeeft. Eigenlijk gaat het er bij haar om de feiten en verbindingen binnen een bepaald gebied zo logisch (causaal) mogelijk te rangschikken en de nieuw verworven gegevens in te passen in de reeds bestaande rangschikking. De wetenschap is dan ook cumulatief van karakter. Er komt steeds iets bij en het is de kunst om dat logisch en zinvol te plaatsen in het totaal. In feite is dat het moeilijke in de wetenschap. Begrijpen in de zin van weten hoe het met de werkelijkheid zit en in de zin van de werkelijkheid denkend omvatten en doorgronden is echter niet aan de orde. Als ik dat zeg bedoel ik geen diskwalificatie van de wetenschap, zoals maar al te vaak gemeend wordt, maar daarentegen een zo zuiver mogelijk situeren van de wetenschap in het geheel van de werkelijkheid. Helaas zijn het doorgaans de wetenschappers zelf die een dergelijk omvatten en doorgronden ook voor de filosofie voor onmogelijk houden en zich bijgevolg ten overstaan van de filosofie verlagen tot discriminerende waardeoordelen, zoals: hij kletst maar wat, hij is een fantast, een zwever, een gelovige... Intussen is het toch een feit dat het de filosofie juist om dat omvattende te doen is, ongeacht de vraag in hoeverre dat gelukt.

Dat wat algemeen voorkomt in de kosmos is niet het zelfbewustzijn, maar het bewustzijn. Alles wat leeft is immers bewust (van zichzelf), maar lang niet alles wat leeft is zelfbewust. Dat laatste is alleen bij de mens aanwezig en het is in zekere zin een uitzondering, mede door het feit dat de werkelijkheid als zelfbewustzijn een ontkenning is van al het bestaande, inclusief het bewustzijn. Daarbij komt nog het feit dat het bewustzijn een materiele zaak is, omdat het gebaseerd is op de trilling in de bouwsteen. Die trilling is in het levende verschijnsel dominant geworden. In het zelfbewustzijn echter geldt de materie als niet-materie. Zij gedraagt zich alsof ze geen materie was, maar louter van elkaar onafhankelijke beweeglijkheden en in die zin ontkent de werkelijkheid als zelfbewustzijn alles wat er is. Die ontkenning wordt doorgaans niet goed begrepen. Men meent dan dat het er om zou gaan het bestaan van allerlei verschijnselen op te heffen, in feite het verschijnsel te vernietigen, tot niets terug te brengen. Zo zou je bijvoorbeeld de poes kunnen doden en zeggen dat je daarmee jezelf als ontkenning laat gelden.

Dat evenwel is fout gedacht: het gaat niet om het vernietigen van verschijnselen, maar om het als niet-materieel gelden ervan. De materie geldt voor het zelfbewustzijn als niet-materie, maar het verschijnsel is en blijft gewoon datgene wat het is. Een ethisch gevolg van dit laatste inzicht is dat je in staat bent alles wat er is tot zijn recht te laten komen, zichzelf te laten zijn. Als je inziet dat het verschijnsel voor jou als mens niet-materieel is kun je het met rust laten en eventueel verzorgen. Verzorgen wil zeggen dat je ervoor zorgt dat het zichzelf kan zijn en tot zijn recht kan komen. Daarmee komt dan tevens voor de dag het feit dat de mens als niet-materie nergens van afhankelijk is en dus niets naar zijn hand behoeft te zetten en te overheersen. Hoewel de aanwezigheid van zelfbewustzijn in zekere zin iets uitzonderlijks is, kun je toch stellen dat in de oneindigheid van de kosmos overal plaatsen zijn waar het voorkomt. En datzelfde geldt uiteraard voor het bewustzijn. Op grond hiervan zou je kunnen zeggen dat de kosmos in laatste instantie bewust en zelfbewust is en zelfs kun je staande houden dat de kosmos in beide begrippen uitloopt. Maar nu gaat het over datgene waarin de processen in de kosmos voortdurend en overal uitlopen. Velen menen daarentegen dat er zoiets als bewustzijn of geest aan de kosmos ten grondslag zou liggen. Dat is eigenlijk een religieuze opvatting, die van allerlei vormen van geloof mogelijk maakt. Ook in het moderne New Age denken is die opvatting populair. Hij is evenwel in strijd met de feiten zoals je die aan de weet kunt komen door over het ontstaansproces na te denken, te beginnen bij de beweeglijkheden. Dan blijkt ook dat zowel bewustzijn als zelfbewustzijn strikt plaatselijke situaties zijn, gebonden aan en beperkt tot bepaalde kosmische stelsels die overal hier en daar voorkomen. Die situaties komen alleen daar voor waar een planeet zich tot leven omgezet heeft. Ook de vraag of het leven, en dan speciaal het zelfbewuste leven, elders misschien in een andere gedaante te voorschijn is gekomen, is doormiddel van het denken langs de weg van de beweeglijkheden betrekkelijk gemakkelijk te beantwoorden: alle processen zijn een spel van identieke beweeglijkheden dat overal zijn mogelijkheden realiseert en dus ook overal dezelfde laatste mogelijkheid. In principe zien derhalve alle mensen in de kosmos er hetzelfde uit. Maar het ligt tegelijk in de logica dat al die in principe eendere mensen in allerlei variaties zullen voorkomen, afhankelijk van de aard van het stelsel waarin zij tot leven gekomen zijn: de ene planeet is groter dan de andere, de verdeling van water en land is verschillend, enzovoort. Dergelijke variaties komen trouwens voor een deel ook op onze planeet voor.

No. 140

Metafysica††† Mystiek en Metafysica vanaf no. 140 tot eind van deel 2Bezield: lees de nrs. 140, 142 en 143

Je krijgt de indruk dat men binnen het New Age denken tot de overtuiging is gekomen dat de kosmos bezield zou zijn en dat er dus een soort van al-bewustzijn aan de kosmos ten grondslag zou liggen. Ook denkt men dat alles met alles op een organische manier zou samenhangen. Die gedachten van bezield-zijn en organische samenhang komen bij zo ongeveer alle natuurvolken voor en gezegd moet worden dat het voor de moderne mensen aantrekkelijke gedachten zijn. Immers, zij verwijzen naar een zekere niet-natuurlijke eenheid in de kosmos en dus ook naar het besef dat de kosmos niet aangetast mag worden. Het aantrekkelijke van deze idee is vooral gelegen in de tegenstelling tot het, op beheersing gerichte, moderne wetenschappelijke en technologische denken dat zo langzamerhand voor menigeen bedreigend is geworden. De planeet wordt op een misdadige wijze uitgebuit en vervuild en daarnaast is er de voortdurende dreiging van een nucleaire ramp.

Als je er dan ook nog bij bedenkt dat een aantal wetenschappers onderzoekt hoe je, via manipulatie van het DNA, in de toekomst mensen zou kunnen programmeren op allerlei nuttige eigenschappen en ook op een hogere intelligentie, dan is het te begrijpen dat het voor een toenemend aantal mensen steeds meer duidelijk wordt dat enerzijds ons een walglijke toekomst wacht en anderzijds de ideeŽn van die natuurvolken en die New age denkers heel wat sympathieker en zelfs wel plausibeler zijn. Daar komt nog bij dat de New Age denkers niet zomaar wat beweren, maar zich overwegend baseren op resultaten van de moderne natuurkunde, waarin inmiddels gebleken is dat de werkelijkheid in zichzelf een soort van samenhang vertoont en bovendien onberekenbaar en niet beÔnvloedbaar is. Deze en dergelijke ontdekkingen schijnen de grondgedachten van de New Age cultuur in allerlei opzichten te bevestigen en, daar tegenover, de gevestigde voorstellingen omtrent de werkelijkheid te weerspreken. Het is dus alleszins begrijpelijk dat velen zich er toe aangetrokken voelen. Dat alles neemt niet weg dat je je voortdurend filosofisch af moet vragen of alles wat door de New Age denkers naar voren gebracht wordt wel zo houdbaar is. Het op zichzelf juiste inzicht bijvoorbeeld dat het denken zich wel degelijk buiten de grenzen van het door de traditionele wetenschap bestreken terrein kan begeven en dat het de hoogste tijd is dat het denken zich ook in die richting gaat bewegen, leidt in veel gevallen tot min of meer mystieke en paranormale speculaties omtrent het wezen van de werkelijkheid, terwijl het daarentegen juist zaak is strikt consequent, op filosofische wijze, door te denken. Over de grenzen heen denken vereist een volstrekt logische wijze van redeneren, temeer omdat er op dit terrein niets is dat op de gebruikelijke wetenschappelijke manier te bewijzen valt. De door mij ontwikkelde gedachtegang over de beweeglijkheden is ten volle gebaseerd op logisch doordenken over de zuivere beweeglijkheid, waaromtrent niets te bepalen valt, waaraan geen eigenschappen zijn toe te kennen en die geen enkele werking ten opzichte van iets anders uitoefent. Een belangrijk idee binnen de New Age beweging is dat de kosmos samenhangend zou zijn en ook dat er een soort van bewustzijn aan ten grondslag zou liggen. Men denkt zich kennelijk de werkelijkheid als een bezield geheel. Bezien wij echter de beweeglijkheden en hun situatie in de werkelijkheid, dan blijkt dat het uitgesloten is dat zij met elkaar samenhangen of op de een of andere manier bewustzijn vertonen. De beweeglijkheden zijn daarentegen alleen maar denkbaar als volkomen onafhankelijk van elkaar, zonder dat er ook maar iets is dat een verbinding, communicatie of samenhang met elkaar mogelijk maakt. Zij zijn volstrekt onbepaald. In mensenbegrippen gesproken: zij weten niets van elkaar af en zij zijn niet in staat met elkaar contact op te nemen, noch op elkaar te reageren.

Dat zou ook niet anders kunnen, want door hun absolute ondeelbaarheid hebben zij het andere niet aan zich. Dat blijft doorheen de gehele verschijnselenwereld voor de beweeglijkheden gelden; dat er later, bij de organische verschijnselen, samenhang op gaat treden berust niet op enigerlei eigenschap van de beweeglijkheden zelf, maar op het beweeglijk-zijn er van. Datzelfde geldt voor het optreden van bewustzijn. Het betreft allemaal verhoudingen van beweeglijkheid die achtereenvolgens uit elkaar ontstaan. Evengoed als aan het eind van de op beweeglijkheid berustende processen een situatie optreedt (de mens), waarbij al die processen ontkend aanwezig zijn is dat aan het begin het geval. De ideeŽn van bijvoorbeeld Lucretius (1e eeuw voor onze jaartelling), neergelegd in zijn filosofisch gedicht De rerum natura (over de oorsprong der dingen), zijn onhoudbaar omdat hij de ontkenning niet consequent doorgevoerd heeft en aan de oerdeeltjes verschillende eigenschappen toebedeeld heeft. Daarmee heeft hij ze in feite tot bepaaldheden gemaakt.

Hij zag ze als een soort van zaadjes die gaandeweg uit zouden groeien tot de diverse verschijnselen. Zo'n zaadje kan dus beschouwd worden als een bepaald verschijnsel in potentie. Iets dergelijks was ook bij Leibniz (1646-1716) het geval in zijn theorie over de monaden. Ook enkele oude Grieken hebben zich de werkelijkheid voorgesteld als bestaande uit deeltjes (atomen = ondeelbaarheden). Steeds echter werd dezelfde fout gemaakt: het begin is alleen maar te begrijpen als je alle eigenschappen en bepalingen, die immers uit de wereld van de verschijnselen stammen, er af weet te denken. Zo moet je ook de gangbare gedachte verwerpen dat de beweeglijkheden elkaar zouden aantrekken en afstoten en dat dat de verklaring zou zijn voor het zich vormen van combinaties. Maar, aantrekken en afstoten treden pas dan op als er al tamelijk ingewikkelde structuren van bouwstenen zijn, behept met allerlei eigenschappen. En let op: de beweeglijkheid van de beweeglijkheden is geen eigenschap, maar een toestand! Het nagaan van de werkelijkheid, uitgaande van de volstrekt onbepaalde beweeglijkheden, leert ons dus dat er noch een samenhang, noch een bewustzijn aan ten grondslag ligt. Verderop, tijdens het ontstaansproces, wordt de kosmos wel een netwerk van relaties en voor een bepaalde groep van verschijnselen gaan samenhang en bewustzijn gelden. Op grond hiervan kun je wel zeggen dat de werkelijkheid in genoemde begrippen uitloopt en dat die derhalve typerend voor haar zijn, maar aanvankelijk is alles even levenloos, zielloos en chaotisch. Wat dit betreft zitten het, overigens sympathieke, natuur denken en het New Age denken verkeerd aangesloten... Je krijgt hierbij te maken met een bekend verschijnsel, namelijk dat men een op zichzelf juist besef op een verkeerde manier interpreteert en uitwerkt. Bij alle in de oudheid ontstane godsdiensten komt dat verschijnsel voor en bij het New Age denken ook, wat dit laatste betreft in die zin dat een geconstateerd netwerk van relaties tussen alle dingen beschouwd wordt als zou het samenhang zijn en dat een geconstateerde aanwezigheid van bewustzijn beschouwd wordt als een eigenaardigheid van de gehele werkelijkheid. Samenhang berust in wezen op de eenheid van twee, de twee-eenheid, waarin er geen onderscheid meer is tussen het een en het ander, waarin het een vloeiend overgaat in het ander en de tussen die twee aanwezige beweging verdwenen is, dit in tegenstelling tot de combinatie, waarbij twee bouwstenen door het absolute niets gescheiden zijn en een tweetal bewegingen zich aan elkaar geneutraliseerd hebben. Een voorbeeld van een eenheid van twee is ons begrip twee. Dat houdt in: er is er een en er is er nog een (totaal, verzameling, relatie) en tegelijkertijd is er de ondeelbare eenheid van twee (geheel, samenhang).

No. 141

Maagd-1†† Maagd-2†† Maagd-3, nrs. 141,142 en 143 ; Newton en RUIS(1) ; Newton en ruis(2) ;

Voor de werkelijkheid gelden, in de grond van de zaak, geen begrippen als bewustzijn en samenhang, ondanks het feit dat de processen in de werkelijkheid wel degelijk uitlopen in situaties waarvoor die begrippen wel gelden. Het is dan ook op grond van dit uitlopen in dat er, bijvoorbeeld in het New Age denken, en ook in het zogenaamde Holisme, het tegendeel beweerd kan worden. Om er achter te komen hoe dat laatste mogelijk is wil ik eerst enkele opmerkingen maken over beide opvattingen. Ten eerste: onze moderne wereld is gericht op wetenschap. Dat wil niet zeggen dat het er nu zo wetenschappelijk toegaat. Het wil daarentegen zeggen dat men zich, om anderen van iets te overtuigen, beroept op wetenschappelijkheid. Een beroep op iets anders, bijvoorbeeld de Bijbel, heeft nauwelijks nog overtuigingskracht, tenzij men er in slaagt quasi wetenschappelijk aan te tonen dat die bijbel toch gelijk heeft. Dat gebeurt vooral in de hedendaagse evangelisatie bewegingen als men poogt met behulp van de natuurkunde te bewijzen dat de wereld inderdaad geschapen moet zijn.

Ook aanhangers van het holisme en het New Age denken misbruiken de wetenschap vaak als zij aan willen tonen dat het met de werkelijkheid toch heel anders zit dan we tot nu toe gemeend hebben en meestal komt het er dan op neer dat men het bestaan van een aantal paranormale verschijnselen probeert te bevestigen. Ten tweede: vooraanstaande figuren binnen de New Age beweging, zoals de natuurkundige Fridjof Capra, houden zich strikt aan datgene dat de geavanceerde natuurkunde heeft ontdekt. Zij wijzen er echter terecht op dat allerlei mysterieuze verschijnselen, die zich bij bepaalde experimenten voordoen, niet klakkeloos als ruis beschouwd moeten worden. Die ruis, dat wil zeggen: die betrekkelijke onregelmatigheid en wisselvalligheid in allerlei meetresultaten, kan volgens hen wel degelijk wijzen op verschijnselen die in de geldende theorieŽn bewust buiten beschouwing worden gelaten. Uiteraard omdat die zich niet goed vanuit die geldende theorie laten verklaren. Newton bijvoorbeeld had er een handje van om onverklaarbare onregelmatigheden te negeren omdat zij niet dienstig waren om zijn theorie te bevestigen - een levensgevaarlijk standpunt. Het is trouwens opmerkelijk hoe, juist door wetenschappelijk ingestelde mensen, betrekkelijk onorthodoxe ideeŽn verdraaid worden. Zo probeert men Capra belachelijk te maken door te beweren dat hij gezegd zou hebben dat de denkers uit het oude Oosten, vooral uit India, kennis hebben gehad van datgene dat de moderne natuurkunde thans met veel moeite en veel technologie aan de weet is gekomen. Hij heeft dat echter nooit gezegd; hij heeft daarentegen opgemerkt dat de fundamentele wereldbeschouwing van die ouden gaandeweg door de moderne natuurkunde bevestigd wordt, namelijk dat de werkelijkheid in de grond van de zaak vluchtig, doorzichtig en onbepaald is. Als het ware een spel, een dans van... beweeglijkheden. Dat inzicht van die ouden is juist en Capra wijst daar terecht op, maar hij heeft nooit beweerd dat die ouden iets afwisten van neutronen, quarks en dergelijke. Wel constateert hij dat hun wereldbeeld in strijd is met de in het westerse denken nog steeds dominante opvatting van een statische werkelijkheid die op een zeker moment in beweging zou zijn gekomen! Na deze inleidende opmerkingen iets meer over de wereldbeschouwing van de mensen uit de oudheid. Die mensen drukten datgene dat zij aan de werkelijkheid ontdekt hadden uit in beelden die in de vorm van sprookjes en mythische verhalen verwoord werden. Wij drukken onze ontdekkingen uit in formules, maar zij deden dat in verhalen. Bijvoorbeeld in een verhaal over een prins die een geliefde zoekt. Een geliefde die de schoonste van allen is, de meest harmonieuze en de meest kuise.

Zo'n verhaal moet je, net als een moderne formule, vertalen en dan blijkt dat het over de mens-op-zijn-best gaat (een prins) die de zuivere werkelijkheid zoekt. Dan moet hij onder andere de draak verslaan (de ingeprente voorstelling vernietigen) en afdalen naar een glashelder meer waarin hij zichzelf gespiegeld ziet (het bewustzijn). Als dat gelukt is vindt hij de waarheid (de werkelijkheid als beeld) en dat is tevens zijn geliefde en de ontmoeting met haar betekent zijn dood, want die werkelijkheid is niet die van de bestaande dingen. Je kunt dus zien dat de ouden het inderdaad over verhoudingen in de werkelijkheid hadden. Zij konden die zaak echter niet nader uitwerken, enerzijds omdat zij de werkelijkheid als een caleidoscoop van veranderlijke beelden zagen en anderzijds omdat hun culturen nog niet aan analyse toe waren. Ik heb er al eerder op gewezen dat de mensen uit de oudheid de werkelijkheid zagen als een geheel. Dat laat zich verklaren uit hun grote verwantschap met het bewustzijn, met als gevolg dat de werkelijkheid als beeld, zoals die zich afspiegelt aan de voorstelling (van de dingen), voor hen samenviel met de waarheid. Omdat het over een beeld ging stond het zien, en niet de analyse, op de voorgrond.

Zij zagen dan een werkelijkheid, die harmonisch en schoon en kuis is. Harmonisch omdat alles met alles samenhangt, schoon omdat er niets als bijzonderheid uitspringt en kuis omdat het een werkelijkheid betreft die door niets aan te tasten is. Dat is in feite een vrouwelijke werkelijkheid waaruit alles voortgekomen is zonder dat daartoe enige inwerking van buitenaf nodig en mogelijk is. Het is de werkelijkheid als maagd, die tegelijk oermoeder is en die blijvend alle dingen tot inhoud heeft. Die werkelijkheid is atheÔstisch omdat er buiten haar geen macht bestaat (god) die zijn werking op haar kan uitoefenen: zij heeft geheel uit zichzelf voortgebracht. Omdat die mensen uit de oudheid in feite de werkelijkheid als beeld aanschouwden en dus eigenlijk zichzelf aanschouwden stond het voor hen vast dat het een zaak van samenhang en bewustzijn was: de werkelijkheid was samenhang en bewustzijn. Dat is een religieus besef in de ware zin van het woord, temeer daar zij ook nog beseften een te zijn met die werkelijkheid. Ook voor ons, moderne mensen, zou de werkelijkheid zo zijn als en voor zover wij nog in staat zijn ons uitsluitend te richten op de werkelijkheid als beeld. Maar, wij kunnen er niet meer om heen dat wij gericht zijn op de voorstelling en dat wij die in belangrijke mate uiteengelegd hebben. Voor ons verschijnt de werkelijkheid als beeld bijgevolg in een andere gedaante, namelijk veel genuanceerder en daardoor is het voor ons mogelijk te herkennen dat de werkelijkheid alleen maar voor het bewustzijn samenhangend en bewust is en daarentegen naar waarheid het tegendeel daarvan. Omdat het bewustzijn evenwel voor de mens de absolute toetssteen inzake de werkelijkheid is blijven de door de ouden ontdekte verhoudingen eveneens waar. Als dus holisten en New Age mensen beweren dat de werkelijkheid samenhangend en bewust zou zijn geven zij er blijk van zich enigszins op zichzelf als bewustzijn te richten, althans er enige betekenis aan toe te kennen. Maar voor een belangrijk deel praten zij de ouden na. Omdat zij niet weten over welke werkelijkheid het in feite gaat komen zij gemakkelijk met fantastische schijntheorieŽn, die het gevolg zijn van het feit dat zij nog steeds eenzijdig analytisch denken. In werkelijkheid gaat het de mens in de toekomst er om tegelijkertijd bezig te zijn met de werkelijkheid als bewustzijn en de werkelijkheid als zelfbewustzijn, dus met beeld en voorstelling. In die situatie kan het beeld als toetssteen gaan fungeren om onze voorstelling te controleren en onze kennis in samenhang te brengen. Er zal dus een synthese ontstaan tussen weten (zien) en kennen (onderzoeken).

Bladwijzers:Newton en RUIS(1) ; Newton en ruis(2) ;

No. 142

Toevoeging: Hoe zit het nou met GOD..?

God is Liefde pag. 142 t/m 146

Oude Testament-1 ; Oude Testament-2 ; Oude Testament-3 ; China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ;

Het christendom, zoals wij dat hebben leren kennen, is eigenlijk een interessant verschijnsel, als je het althans bekijkt in het licht van de grondslagen waarop het destijds gefundeerd is. Het christendom heeft heel oude wortels, die teruggaan tot de tijd van de oude Indische filosofie, het oude Egypte en MesopotamiŽ en zelfs tot de Zen-filosofie van China. Het gaat dus terug tot de tijd dat de mens nog verwant was aan zichzelf als bewustzijn en ten gevolge daarvan de werkelijkheid als beeld als de ware beschouwde. Die werkelijkheid was vrouwelijk, schoon, harmonieus en bezield, en volstrekt uitgaand boven de dingen. In het Nieuwe Testament van de Bijbel kun je nog een aantal sporen van dat oude besef terugvinden, bijvoorbeeld het beeld van de maagd met het kind. Een grote variŽteit aan wereldbeelden is, min of meer via Griekenland, samengekomen in Rome. Dat cultuurgoed evenwel kwam in Rome niet tot een synthese, tot een nog diepzinniger inzicht in de werkelijkheid, maar er werd een samenraapsel van gemaakt: een beetje van dit en een beetje van dat! Rome was in feite een conglomeraat van velerlei culturen. Daaruit heeft men de christelijke godsdienst samengesteld en dat was een puur intellectuele constructie, uitgedacht door een aantal machthebbers van destijds.

Ongeveer in diezelfde tijd, enkele eeuwen na het begin van onze jaartelling, heeft Mohammed de Islam bedacht en ook dat was een intellectuele constructie, eigenlijk net zoiets als het christendom. Alleen waren de grondslagen anders: de Islam is niet gefundeerd op oeroude en ware inzichten, maar op een verzameling volstrekt patriarchale herdersverhalen, namelijk die van het Oude Testament van de Bijbel en een aantal plaatselijke godsdienstige overleveringen. Door de oppervlakkigheid van die verhalen is de Islam eigenlijk een stelsel van voorschriften. In zoverre geeft de Islam een goed beeld van het inmiddels veranderde denken in en van de mensheid, de verschuiving namelijk van het gericht zijn op het beeld naar gericht zijn op de voorstelling. Dat is in het christendom minder direct zichtbaar omdat dit zich baseerde op de evangeliŽn en dat zijn inderdaad oude wijsheden, maar de wijze van denken is dezelfdeÖeen gericht zijn op de voorstelling met als gevolg een intellectuele constructie. Overigens heeft de Islam destijds, in haar culturele bloeiperiode, heel wat filosofie opgeleverd, maar die was wezenlijk niet in de Islam gegrond. Het was een voortzetting en vooral een bestudering van de Griekse filosofie. Deze filosofie is vijf eeuwen later via Noord-Afrika en Spanje (de Moren) in het westen bekend geworden. Aanvankelijk wist men in het westen nauwelijks iets van de Griekse filosofie af, want Rome heeft alleen maar de oude wijsheden voor zijn machtsdoeleinden gebruikt en niet de filosofie. Pas omstreeks de 10e eeuw kon men de teksten van Plato, Aristoteles en anderen bestuderen, uiteraard ook met de bedoeling er misbruik van te gaan maken... Zowel het christendom als de Islam zijn intellectuele constructies; men las de waarheid niet langer af aan het afspiegelen van de werkelijkheid als beeld, maar aan de voorstelling. Dit leidde er toe dat er machtssystemen ontstonden waarin de mens ondergeschikt is aan een hogere macht: god. Deze machtssystemen zijn de godsdiensten, zoals wij die nu nog kennen. Binnen die godsdiensten wordt de werkelijkheid gereglementeerd: in feite begint hier het in formules uitdrukken van de werkelijkheid, op grond van de voorstelling. De verzameling van bijzonderheden (verschijnselen) wordt geordend tot een stelsel en uitgedrukt in formules. Dat is in feite het begin van de analyse. In beide godsdiensten is het daarbij gebleven, de goddelijke stelsels waren voor eens en altijd vastgelegd op grond van de gedachte dat god eeuwig en onveranderlijk is. Die godsdiensten zijn dus stellend van karakter en per definitie fundamentalistisch en conservatief.

Maar in het westen heeft de analyse zich ondanks de godsdienst doorgezet en is uitgelopen in de moderne wetenschap. Het paradoxale is dat het materiaal waaruit het christendom is samengesteld volstrekt ongelovig (atheÔstisch) van aard is. In het oude besef was er geen plaats voor een god omdat de vrouwelijke werkelijkheid geheel uit zichzelf voortbrengt en niet door iets uitwendigs en hogers geschapen en tot leven gewekt is. De in dat oude besef voorkomende goden en godinnen waren zinnebeelden voor reŽle verhoudingen in de werkelijkheid, die als een bezield geheel werd gezien. Je kunt dit besef religieus noemen omdat de mens zichzelf in die situatie beschouwt als samenvallend met dat bezielde geheel. Maar, voor ons is de term religieus gevaarlijk omdat religie te zeer met godsdienst geassocieerd wordt. In de genoemde godsdiensten wordt de mens gescheiden van en onderworpen aan god, maar voor religieus besef is de mens ťťn met de ware werkelijkheid. Omdat dit laatste berust op het zien zat er, in tegenstelling tot de godsdienst, wel degelijk ontwikkeling in. De zelfaanschouwing in de oudheid heeft zich ontwikkeld tot een helder zien van de werkelijkheid, uitlopend in het (evangelische) liefdesbegrip: alles is ineen! Daarmee is de zelfaanschouwing voltooid en is de basis gelegd voor onderzoek. Nadat duidelijk is geworden hoe de werkelijkheid is komt de vraag aan de orde wat zij is.

Verder dan tot helderheid kan het zien zich niet ontwikkelen, vandaar dat West-Europa nooit verder is gekomen dan gepraat over God is liefde zonder daaraan consequenties te verbinden, behalve deze dat ketterse, op liefde gerichte volksbewegingen, letterlijk te vuur en te zwaard bestreden moesten worden. In de Roomse theologie is de inhoud van het liefdesbegrip niet nader uitgewerkt, in tegenstelling tot de verhouding god - mens die uit den treure behandeld is. De zogenaamde Bergrede (Mattheus 5:1-12) heeft men maar liever zoveel als mogelijk buiten beschouwing gelaten, omdat de inhoud daarvan al te duidelijk naar het liefdesbegrip en zijn inhoud verwijst. De westerse wereld, gericht als zij is op de voorstelling en het ontleden daarvan, is een kale en kille wereld. Alles wat schoonheid, liefelijkheid, warmte en samenhang aan de verschijnselen geeft is gaandeweg op de achtergrond gedrongen en op het ogenblik zelfs vrijwel uit de cultuur verdwenen. Het aftakelen daarvan gaat tegenwoordig zo snel dat het in een mensenleven geconstateerd kan worden. Daarmee valt samen dat het analyseren en rubriceren van de werkelijkheid ook steeds sneller gaat en dat brengt die verkilling teweeg. Daar tussendoor zijn er altijd wel mensen geweest in wie de werkelijkheid als beeld min of meer levend is gebleven, Leo Tolstoi (1828-1910) bijvoorbeeld. Hij wees er almaar op dat zonder de liefde het leven tot een hel wordt. Maar uiteraard is de moderne mens niet bereid aan zo'n oproep gehoor te geven. Eigenlijk is dat wel terecht want de moderne mens moet door de analyse heen en hij kan niet teruggrijpen op iets dat vroeger voor de mensen een reŽel inzicht was. Het heeft dan ook weinig zin om de mensen tot liefde op te roepen. Zonder het laten gelden van het bewustzijn kan dat begrip geen werkelijke inhoud krijgen en het blijft qua inhoud onvermijdelijk steken in de relatie tussen de ene mens en de andere. Naarmate de analyse zich verder doorzet kunnen de mensen er minder afstand van nemen. De aan die analyse meekomende wijze van denken wordt ook op de overgeleverde ideeŽn en op vermoedens van een samenhangende, bezielde, werkelijkheid toegepast, met als gevolg dat men er onzinnigheden aan gaat bedenken. Onzinnig is het als men ideeŽn en vermoedens als objecten van studie gaat beschouwen, in plaats van ze te laten gelden en er betekenis aan te geven. Als object van studie en onderzoek levert de werkelijkheid als beeld alleen maar onzin op, maar als toetssteen voor ons denken kan en zal zij op den duur tot haar recht komen.

Oude Testament-1 ; Oude Testament-2 ; Oude Testament-3 ; China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ;

No.143

Het materiaal, waarmee de voorstellingen van de Christelijke godsdienst zijn opgebouwd, stamt voor een groot deel uit de oudheid. Voor zover er ook Germaanse elementen ingevoegd zijn gaan ook die terug op oude inzichten. Het gaat evenwel steeds om religieuze denkbeelden die op verhalende wijze de verhoudingen in de werkelijkheid weergeven. Je kunt in dit verband spreken van een bespiegelend denken. Het doet er daarbij weinig toe dat die verhoudingen vaak verkeerd gezien werden, omdat het gaat om het feit dat men gericht was op en vertrouwen stelde in de werkelijkheid als beeld, een werkelijkheid overigens die men wel zocht in het eigen bewustzijn (zelfaanschouwing), maar die men niet herkende als identiek met dat bewustzijn. Men dacht met de feitelijk bestaande werkelijkheid van doen te hebben. Het basismateriaal van de Islam en het Jahwisme (Jodendom) is niet van bespiegelende aard, maar van stoffelijke. Die stoffelijkheid wordt weliswaar tenslotte ontkend tot het begrip het stoffelijke niet, namelijk de volledig abstracte Jahwe, maar dat neemt niet weg dat er toch van een gericht zijn op de stoffelijke verschijnselen te spreken is. Ontkende stoffelijkheid is immers ook stoffelijkheid! In de praktijk kwam die gesteldheid voor de dag in allerlei herdersverhalen waarvan de tendens is dat de mens zich van het stoffelijke zou moeten afwenden.

Het is dan ook begrijpelijk dat men zowel in de Islam als in het Jahwisme verbood de goddelijke werkelijkheid (het stoffelijke niet) in enigerlei natuurlijke vorm uit te drukken. Het mocht zelfs niet met een naam benoemd worden. Zowel de Islam als het Jahwisme hebben, binnen het kader van de godsdienst, geen beeldende kunst van betekenis opgeleverd, juist omdat het goddelijke niet verbeeld mocht worden. Wel was men met name in de Islam uitermate bedreven in het componeren van ornamenten, die oorspronkelijk de tekens waren waarmee de goddelijke wereld aangeduid werd. Ook de bouwkunst kwam tot grote bloei, maar die steunde vooral op oudere bouwwijzen die in de Islam verder ontwikkeld werden ten behoeve van de bouw van moskeeŽn. In het christendom daarentegen is een enorme variŽteit aan beeldende kunst ontstaan. Het voor het christendom gebruikte materiaal was immers beeldmateriaal, stammend uit de tijd toen alles nog in beelden uitgedrukt werd! Denk bijvoorbeeld aan de talloze Madonna's, al of niet met kind. Het westerse analytische denken richt zich niet op de werkelijkheid als beeld, maar op de voorstelling. Voor dat denken hangen de dingen niet met elkaar samen, maar staan tot elkaar in betrekking. Het gaat daarbij dus om de relatie tussen de afzonderlijke dingen. Die dingen zijn exact van elkaar gescheiden en de grondgedachte daarbij is dat het ene ding het andere niet is. In feite speelt het absolute niets, dat ik al eerder besproken heb toen het over het zich met elkaar combineren van bouwstenen ging, een doorslaggevende rol. Dat absolute niets wordt overbrugd door de relatie, de betrekking tussen het een en het ander. Als dat denken met de uit de oudheid overgewaaide beelden geconfronteerd wordt maakt het van die beelden automatisch gebeurtenissen, omdat men ze zonder meer betrekt op de werkelijkheid als voorstelling en met geen mogelijkheid in kan zien dat de zaak niets met de voorstelling te maken heeft. In de Christelijke godsdienst wordt het hele verhaal van de EvangeliŽn dan ook voorgesteld als waar gebeurd en aan die gesuggereerde historische feitelijkheid wordt de overtuigingskracht van het godsdienstig stelsel ontleend. Voor de analytisch denkende mens moet alles realiteit zijn, controleerbaar, onderzoekbaar en causaal verklaarbaar. Op zichzelf is dat, mits het over de als voorstelling aanwezige verschijnselen gaat, een juist standpunt, maar het is ontoereikend om de werkelijkheid in haar geheel te begrijpen.

Betekende het begrip geloof vroeger dat de mens vertrouwen zou moeten hebben in de werkelijkheid als beeld, in de westerse cultuur betekent het niet meer dan dat de mens aan moet nemen dat bepaalde gebeurtenissen, die voor het causale denken onmogelijk plaats gevonden kunnen hebben, toch echt gebeurd zijn. Als je dat niet kunt geloven, niet aan kunt nemen, rest je niets anders dan de hele zaak als onzin te verwerpen, met als tragisch gevolg dat je al het zicht op de werkelijkheid als beeld kwijtraakt. Maar als je wel bereid bent het aan te nemen raak je dat zicht ook kwijt omdat je iets onmogelijks voor een feit houdt. Bijvoorbeeld: diegenen die de geboorte van een zoon van god uit een maagd als onzin verwerpen en diegenen die geloven dat dit echt gebeurd is hebben er niet alleen niets van begrepen, maar kunnen het ook niet begrijpen. Het begrip geloven, in de zin van voor waarheid aannemen behoort bij het op de voorstelling gerichte denken. Als en voor zover dat denken namelijk (nog) geen verklaring kan geven voor een bepaald verschijnsel treedt het geloof in werking. Het is dan bepaald niet uitgesloten dat men met de meest fantastische verhalen komt en die nog voor waar houdt ook! De Christelijke godsdienst biedt wat dit betreft voorbeelden te over. De mensen uit de oudheid stonden in het teken van de zelfaanschouwing. Zij herkenden de werkelijkheid als beeld als de ware werkelijkheid.

De verhalen die zij daarover vertelden hadden met de realiteit niets te maken, de er in voorkomende figuren en gebeurtenissen kunnen onmogelijk bestaan. Maar, qua inhoud kloppen die verhalen: zo liggen de verhoudingen in de werkelijkheid. Die werkelijkheid was voor hen bezield en samenhangend. Ga je die werkelijkheid nu echter analyseren, dan houd je alleen maar onzin over. Dat laat zich als volgt verklaren: 1e door het analyseren gaat de samenhang verloren, zodat het onvermijdelijk wordt dat je willekeurige verbanden gaat leggen tussen het ťťn en het ander, met de ongegronde pretentie dat die verbanden causaal en logisch zouden zijn; 2e bij het analytisch verbreken van het beeld veranderen de nuances in details waarvoor in dit geval ook nog geldt dat de grens tussen die details willekeurig is. In het beeld gaat namelijk het ťťn vloeiend in het ander over, je kunt niet bepalen waar het ťťn ophoudt en het ander begint en omgekeerd. In die situatie is het ťťn ten opzichte van het ander een nuance. Maar bij de analyse gaat het om de details en daartoe wordt het ťťn absoluut van het ander gescheiden. Waar echter ligt, bij een poging tot analyse van het beeld, de scheiding? Je kunt er niet aan ontkomen dat je die legt waar het je toevallig goeddunkt. Zowel in het eerste als in het tweede geval is het resultaat niet alleen volstrekt willekeurig, maar ook nog gegarandeerd fout omdat noch de zogenaamd causale verbanden, noch de grens tussen het ťťn en het ander te bepalen waren. In het New Age denken, in het Holisme en vooral in het denken over het paranormale gaat men analytisch denkend de zich op vage wijze afspiegelende werkelijkheid als beeld te lijf, met als onvermijdelijk gevolg dat het resultaat van dat denken per definitie onzin is. Als een zogenaamde magnetiseur beweert dat hij in zijn hand de kosmische krachten kan bundelen praat hij onzin over een verschijnsel dat op zichzelf heel goed mogelijk is. Dat verschijnsel zal ooit nog wel eens natuurkundig verklaard worden, maar waarom het gaat is dat hij met zijn kosmische krachten suggereert de samenhang in de werkelijkheid als beeld op wetenschappelijk analytische wijze begrepen te hebben. Dat echter is op grond van het bovenstaande uitgesloten. Al die genoemde wijzen van denken berusten op geloof, in de zin van aannemen dat iets zo of zo is en als zodanig zijn zij een dialectische tegenstelling tot het analytisch wetenschappelijke westerse denken. Er bij behorend staan zij er tegenover.

Maagd-1†† Maagd-2†† Maagd-3, nrs. 141,142 en 143 ;

No. 144

Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144) ; hoer-1 hoer-2

Oude Testament-1 ; Oude Testament-2 ; Oude Testament-3 ;

Het materiaal, waarvan men bij het construeren van de Christelijke godsdienst gebruik heeft gemaakt, is het resultaat van de cultuur van de zelfaanschouwing, zoals die vanuit het Verre oosten via Klein-AziŽ en Griekenland naar Rome was gekomen. Het begrip zelfaanschouwing duidt op het feit dat men toentertijd de waarheid omtrent de werkelijkheid in zichzelf zocht. Dat leidde er toe dat men verhalen vertelde over datgene dat wij thans herkennen als de werkelijkheid als beeld, die zich afspiegelt aan de werkelijkheid als voorstelling. De samenstellers van het christendom hebben echter ook gebruik gemaakt van oude Joodse geschriften. Die vinden wij nog terug in het zogenaamde Oude Testament. De verhalen uit deze geschriften, die ook als basismateriaal voor de Islam dienden, stammen uit een andere traditie die je generaliserend een herderstraditie kunt noemen. Deze stamt vooral uit Klein-AziŽ, van zwervende volksstammen met een patriarchale mentaliteit. De ontwikkelingslijn van de zelfaanschouwing is de intuÔtieve lijn (matriarchaal) en die van de herderstraditie (patriarchaal) is de rationele. Hoewel de verhalen uit het Oude Testament uit Klein-AziŽ stammen, gaat de rationele lijn op zichzelf ook terug op het Verre oosten, maar het kenmerkende ervan is dat deze lijn ondergeschikt was aan de intuÔtieve.

Deze laatste was dominant, maar die dominantie ging voorbij aan het einde van de oudheid, in feite met het doorzetten van de Romeinse cultuur, toen het rationele gaandeweg de overhand kreeg. Over de rationele ontwikkelingslijn is het volgende te zeggen. De mensen voor wie de zelfaanschouwing op de wijze van intuÔtie dominant was hadden natuurlijk ook een voorstelling van de werkelijkheid. Daaraan lazen zij, zoals we gezien hebben, het beeld af. Maar die voorstelling zelf, hoewel voor het cultuurbesef ondergeschikt, speelde ook zijn rol in het menselijk leven. Die rol komt hier op neer dat er een verzameling kennis omtrent de werkelijkheid ontstond die berustte op de ervaringen die de mensen aan de voorhanden werkelijkheid opdeden. Ervaringskennis of ervaringswetenschap berust niet op analyse van de werkelijkheid, maar op voortdurend proberen. Daarbij wordt die werkelijkheid, die realiteit, niet wezenlijk aangetast, maar men probeert van de voorhanden dingen gebruik te maken. Een wezenlijke aantasting vindt alleen dan plaats als de mensen tot analyse zijn overgegaan, maar dat was in die tijd nog vrijwel niet het geval: men probeerde slechts de realiteit te benutten, bijvoorbeeld door uit te zoeken hoe je de masten van je schip het beste kon plaatsen om zoveel mogelijk wind te vangen bij het zeilen, of men zocht uit hoe je een riviertje zodanig om kon leiden dat je de akkers of rijstvelden efficiŽnt kon bevloeien. Eeuwenlang toepassen van het principe van trial and error leidde tot een onvoorstelbare schat aan ervaring, waarmee wij vaak nu nog moeite hebben, die goed te begrijpen. Zowel bij de zelfaanschouwing (intuÔtief) als bij de ervaring (rationeel), in deze verhouding dat het eerstgenoemde dominant is, gaat het om de vraag hoe de werkelijkheid is. Zodra, na het verstrijken van de oudheid, die verhouding andersom komt te liggen berust het rationele niet langer op de ervaring maar op de analyse, terwijl het intuÔtieve tot mystiek verwordt. Het gaat dan niet langer om de vraag hoe de werkelijkheid is, maar om de vraag wat zij is. Je ziet dan ook in onze tijd dat het in de cultuur nauwelijks meer om ervaring gaat. De kennis van de moderne mensen berust op de analyse en die kennis is via leerprocessen in de schoolbanken overgedragen. Je kunt dat vooral waarnemen in de medische wereld, in die van het management en die van de hulpverlening. Daarbij is niet meer de ervaring de maat, maar de theorie. Uiteraard gelukt er niets zonderervaring, maar het gaat er nu om waar de maat is komen te liggen.

De rationele lijn in de oudheid, die dus overheerst werd door de intuÔtie, loopt uit in de gedachte dat de werkelijkheid in laatste instantie het natuurlijke niet is. Anders gezegd: het wezen van de werkelijkheid ligt niet in de voorhanden realiteit, maar in de ontkenning daarvan. Je herkent die gedachte als ons begrip niet-materie, oftewel geest. Volgens de rationele lijn is de wezenlijke werkelijkheid derhalve volslagen geest. Dat is dan ook precies datgene dat van de Joodse Jahwe en de Islamitische Allah gezegd wordt: zij zijn onzichtbaar, in alles aanwezig, ongeschapen en dergelijke. Zij zijn een brandend vuur, dat wil zeggen dat zij daar zijn waar de dingen niet meer bestaan. Die ontkenning van het bestaan van de dingen begon destijds met het toekennen van een geest aan bepaalde dingen. Een berg bijvoorbeeld kon heilig zijn en daarmee was hij eigenlijk geen berg meer maar iets goddelijks. Zo werd aan allerlei dingen een geestelijk wezen toegedicht, totdat men tenslotte tot de ontdekking kwam dat alle dingen van dien aard waren en dat dus alles ontkend moest worden (= gesteld worden als iets anders) om het wezen van de werkelijkheid te vinden. Dat wezen is god, en dat is de Oudtestamentische god der wrake, die alles vernietigt en voor wiens aangezicht niets stand houdt. Naast hem kan niets bestaan, hij is dan ook een naijverig (jaloers) god en hij is ook nog de enige (monotheÔsme). Hem uitbeelden of zijn naam uitspreken is onmogelijk en dus verboden.

Deze god is de volslagen abstractie en hij berust op het rationele denken, voor zover dat nog in het teken van de ervaring staat. De intuÔtieve lijn van de oudheid loopt uit in het besef god is liefde. Dat kan ook niet anders, want het gaat daarbij om de werkelijkheid als beeld, waarin alles ineen is, samenhangend, zonder scheidingen en in volle harmonie. Volgens dit besef is alles wat er is erkend en zonder enige voorwaarde in het geheel opgenomen. Uit het zogenaamde Nieuwe Testament, waarin in feite de EvangeliŽn het belangrijkste zijn, blijkt dat besef zelfs door iedereen verachte mensen, je vijanden, de tollenaars, de hoeren, zijn in het geheel, namelijk het koninkrijk Gods, opgenomen. Dat betekent dat alles terecht is en dat er vrede is. Het een staat niet langer tegenover het ander. De rationele lijn van de oudheid loopt in een heel andere gedachte uit, deze namelijk dat god volslagen abstractie is en dat er verder niets mag zijn. Alles is ontkend en dat betekent dat er niets bij god terecht kan. Bij voorbaat is alles reeds verdoemd en zal door het vuur verteerd moeten worden. In feite gaat het natuurlijk over de werkelijkheid als voorstelling die helemaal tot niets teruggebracht is. Dat is mogelijk omdat hij betrekking heeft op de werkelijkheid van de verschijnselen. Als je die verschijnselen ontkent houd je datgene over dat ten grondslag ligt aan de werkelijkheid, namelijk de beweeglijkheden. Het symbool voor die ontkenning is het vuur. In de Christelijke godsdienst kom je de tegenstrijdigheid tussen god is liefde en de god der wrake voortdurend tegen. Dan weer heet het hebt uw vijanden lief en dan weer oog om oog tand om tand. Dat zou niet het geval zijn als die godsdienst louter op de EvangeliŽn gebaseerd was, maar, zoals gezegd: Rome heeft er destijds een rommeltje van gemaakt en bovendien was het helemaal niet de bedoeling het thema van de liefde nader uit te werken. Aan de orde waren de rationaliteit en de analyse. Dat betekende automatisch dat het ťťn tegenover het ander kwam te staan en dat het uiteindelijk alleen nog maar om de macht ging. Intussen is het besef van god is liefde wel blijven bestaan, maar het is steeds meer gedomineerd door het uit de analyse voortkomende machtsbewustzijn. Het is dan ook vrijwel uitsluitend gebruikt als rechtvaardiging van misdaden tegen andersdenkenden . . .

Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144) ; hoer-1 hoer-2

Oude Testament-1 ; Oude Testament-2 ; Oude Testament-3 ;

No.145

China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ; Van bovenaf denken: zie A(79) , B(105t/m109) , C(113) , D(129t/m130) , E(136) , F(145) ;

 

Je moet altijd voorzichtig zijn met beoordelingen van andere en vooral oudere culturen. De informatie, die je ter beschikking staat, stamt vrijwel uitsluitend uit West-Europese bron en die is nog steeds in sterke mate vervuild door het denken van de 19e eeuw, vooral dat uit het Duitse taalgebied. Men was daar tot een soort van idealisme gekomen wat betreft de Griekse en Romeinse cultuur en hechtte grote waarde aan bijvoorbeeld de Griekse democratie en het Romeinse recht. In feite echter ging het over ideeŽn die bij de bovenlaag van die culturen leefden, ideeŽn die in de praktijk voor de bevolking in het geheel niet gerealiseerd waren. Zo was in Griekenland slechts een kleine minderheid tot het democratisch stelsel toegelaten en onder het Romeinse recht was vrijwel iedereen een slaaf. Het lijkt inderdaad alsof zo'n slaaf bepaalde rechten had, maar in feite waren dat enkele minimale verplichtingen, die de eigenaren ten opzichte van de slaven hadden na te komen. In het 19e eeuwse westerse van bovenaf denken zijn die ideeŽn naar voren gehaald en men is er als vanzelfsprekend van uitgegaan dat de toenmalige realiteit overeenstemde met die ideeŽn, hetgeen helemaal niet het geval was. Het Griekse leven was zo redelijk en zo democratisch niet en de mensen in het oude TaoÔstische China bijvoorbeeld leefden bij lange na niet in zo'n verlichte wereld als de denkers van het TaoÔsme ons willen doen geloven.

Het oude China was een buitengewoon wrede en gewelddadige wereld waarin het individu geen enkele betekenis had. Het westerse denken heeft eenzijdig de bovenliggende voorstellingen opgepikt en die ten onrechte als kenmerkend voor die oude culturen beschouwd. Het leven van enkele bevoorrechte vrijgestelden werd verheerlijkt, uiteraard omdat dit in de kraam van het westerse denken te pas kwam. Zo ligt het ook in de aard van het westerse denken om de rationele cultuurlijn van de oudheid als de maat te nemen. Die rationele lijn stond, zoals gezegd, in het teken van het intuÔtieve, was om zo te zeggen intuÔtief-rationeel. De via dat rationele verworven kennis is vrijwel uitsluitend gebaseerd op ervaringen. Kenmerkend daarvoor is dat de dingen uit de voorhanden realiteit, via het almaar opnieuw proberen, benut werden. Die dingen werden dus aangepast en zij werden niet eerst geanalyseerd om daarna pas toepasbaar en bruikbaar gemaakt te worden, zoals wij dat in onze cultuur kennen. Men maakte dan ook geen nieuwe materialen en grondstoffen, maar paste datgene dat men, min of meer toevallig, ontdekte zo goed mogelijk aan. In de Steentijd bewerkte men bijvoorbeeld bepaalde geschikte stenen om er pijlpunten, messen en bijlen van te maken. Juist omdat men in het westerse denken gericht is op het rationele, rekende men tot voor kort die ervaringskennis slechts met tegenzin tot de wetenschap. Thans zijn de wetenschappers, onder de indruk van het geweldige vernuft van de mensen uit de oudheid, wat gemakkelijker bereid de ervaringskennis als wetenschap te beschouwen, zij het dan als een aanloop ertoe...

Aan het einde van de oudheid wordt de rationele lijn dominant en daarmee ontstaat er gaandeweg een geheel andere verhouding tussen het rationele en het intuÔtieve. Was het in de oudheid nog zo dat het rationele gewaardeerd werd en meespeelde binnen het intuÔtieve, met het zich doorzetten van de nieuwe tijd wordt de waardering voor het intuÔtieve steeds minder totdat de daarop gebaseerde ontwikkeling nagenoeg geheel uit de culturele realiteit verdwijnt, in die zin dat het als het ware een ondergrondse stroming wordt. Het wordt steeds meer een verdachte zaak die men maar het liefste met wortel en tak uit zou willen roeien. Die vijandige mentaliteit is tegenwoordig weer wat meer waarneembaar, nu er bij veel mensen onvrede met de rationaliteit is ontstaan en als gevolg daarvan allerlei occulte ideeŽn populair worden. Het gaat mij er nu niet om die occulte ideeŽn te verdedigen, maar het gaat er om dat er vijandig op die zaken gereageerd wordt. Een sprekender en tevens schrijnender voorbeeld van vijandigheid is te vinden in de houding van moderne filosofen ten aanzien van datgene dat de filosofie wezenlijk is. Als het goed is vertelt de filosofie een rationeel verhaal over dat wat aan de realiteit af te lezen is. Zij behoort dan ook tot de kunsten omdat zij zich bezig houdt met de werkelijkheid als beeld. Dat betekent dat door haar de intuÔtieve lijn in ere gehouden wordt en eigenlijk zelfs de bron van al haar activiteiten en inzichten is. Voor de echte creatieve filosofie is de intuÔtieve lijn geen verdachte onderstroom maar juist de essentie van waaruit niet aan tijd of plaats gebonden, uitspraken over de werkelijkheid gedaan kunnen worden. Als echter een filosoof op een dusdanige wijze aan het werk is kan hij rekenen op min of meer overspannen hysterische reacties, juist van diegenen die vinden dat zij zelf zo rationeel bezig zijn. Plotseling zijn dezen niet meer in staat tot redelijke tegenspraak: verdachtmakingen en dubieuze waardeoordelen vallen de creatieve filosoof ten deel wat vooral zo'n filosoof verweten wordt is dat hij niet met bewijzen komt, bewijzen althans in de rationele, analytische zin.

Men wil niet begrijpen dat in de filosofie waarheden, binnen het samenhangende geheel van de aanschouwde werkelijkheid, moeten blijken waar te zijn, niet door een logische constructie of analyse, maar doordat je, al denkende over de werkelijkheid, niet vastloopt. En dat is nu precies datgene dat in de intuÔtief-rationele lijn de norm voor waarheid is: uit de ervaring moet blijken dat iets mogelijk is, dat iets klopt en dat iets waar is. In de kunst liggen de verhoudingen net zo: de schoonheid van een kunstwerk is niet te bewijzen, zij moet blijken. De gangbare moderne filosoof analyseert zijn eigen denken en dat van anderen. Daardoor is het voor hem onmogelijk geworden een geldige uitspraak over de werkelijkheid te doen. Je wordt bij een dergelijk filosoof dan ook voortdurend geconfronteerd met onduidelijke wartaal waaruit alleen maar blijkt dat er niets blijkt. Uit wanhoop verschuilt hij zich dan maar achter het standpunt dat hij geen standpunt heeft en hij stelt deze armoede voor als de hoogste filosofische wijsheid, een wijsheid die minstens op het niveau van Socrates staat! In feite echter ontbreekt het hem aan een visie op en aan inzicht in de werkelijkheid. Dat kan ook niet anders, want hij richt zich op een geanalyseerde werkelijkheid als voorstelling, die resultaat is van eenzijdig rationeel denken en vijandigheid ten aanzien van het intuÔtieve. Beschouw je de cultuur van het westen, dan kom je daarin de intuÔtieve lijn niet tegen, althans niet als een positieve zaak. Toch laat die lijn zich illegaal wel degelijk gelden, maar dan wordt hij prompt vijandig bejegend. Men spreekt dan van het duister natuurlijke, het ondoorgrondelijk vrouwelijke en, bijvoorbeeld in de westerse Middeleeuwen, van het duivelse. Dat was en is de oorzaak van een diepgewortelde haat tegen vrouwen. Niet geheel ten onrechte associeert men de vrouw met de werkelijkheid als beeld, een werkelijkheid die zich niet analyseren laat en waarop op geen enkele wijze invloed uit te oefenen is. In de westerse zin van het woord is die werkelijkheid onbegrijpelijk, ondoorgrondelijk en, op grond daarvan bedreigend. De rationele lijn immers is die van het ingrijpen, het aantasten en het beÔnvloeden. Het is de lijn van het macht hebben over en het is dus te begrijpen dat men alles wat zich daaraan onttrekt als vijandig ervaart. Als een illegale, aan de westerse cultuur vijandige, zaak is de intuÔtieve lijn intussen niet weg te denken, maar van erkenning is volstrekt geen sprake.

China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ; Van bovenaf denken: zie A(79) , B(105t/m109) , C(113) , D(129t/m130) , E(136) , F(145) ;

 

Toevoeging: »n Hoe zit het nou met GOD..?

No. 146

Oude Testament-1 ; Oude Testament-2 ; Oude Testament-3 ;

Over het algemeen geven moderne wetenschappers wel toe dat er aan de rationele methode bezwaren kleven, maar zij zijn doorgaans niet bereid hun standpunt, dat het rationele denken de enig ware methode zou opleveren, te laten varen. De vragen die via de rationele methode onoplosbaar zijn, die overigens in hoofdzaak op het terrein van het leven liggen, zijn voor hun besef absoluut onoplosbaar, dat wil zeggen dat zij ervan overtuigd zijn dat niemand ze kan oplossen. Met die overtuiging wordt alles wat aan het intuÔtieve ontsproten is zonder pardon verketterd, maar dat niet alleen: het vermogen van de mens om zich als zelfbewustzijn te laten gelden en dus tot weten omtrent de werkelijkheid te komen wordt niet ten volle benut, maar slechts voor een deel - en dan ook nog het meest primitieve deel! In feite berust bovenstaande opvatting op 19e eeuws denken, toen men nog van mening was dat de werkelijkheid rationeel, met behulp van het verstand, berekenbaar zou zijn. Met dat denken van de 19e eeuw is in het westen de intuÔtieve lijn voorlopig ten onder gegaan en geworden tot een onderstroom, die nog slechts hier en daar, zonder overigens erkenning te vinden, schuchter de kop opsteekt. Schuchter omdat dat denken bij voorbaat al grote vijandigheid ten deel valt. Intussen is het toch zo dat de intuÔtieve lijn aanvankelijk in het westen niet geheel verdwenen was.

Ruw gezegd kun je stellen dat er twee stromingen waren, namelijk, sinds het begin van de Middeleeuwen, de Rooms-Christelijke Scholastiek (rationeel) en de tot in de grijze oudheid teruggaande en niet per se aan een bepaalde godsdienst gebonden Mystiek (intuÔtief). In het westen stonden beide uiteraard in het teken van het christendom. In dat christendom waren zowel de rationele als de intuÔtieve lijnen uit de oudheid opgenomen, maar de functie van het door beide lijnen afzonderlijk opgeleverde gedachtegoed was verschillend. Het rationele erfgoed, uitlopende in de Jahwistische gedachte, werd inhoud van het machtsdenken van de Roomse kerk, maar het intuÔtieve erfgoed, gecomprimeerd in de EvangeliŽn werd daarentegen inhoud van het Christelijke filosofische denken. Beide gedachtegoederen echter werden op een rationele wijze benaderd: het rationele denken was immers dominant geworden! Binnen dat denken speelt de macht een alles overheersende rol. In het licht daarvan wordt duidelijk hoe het Jahwisme en dus het Oude Testament gebruikt werd. De Jahwistische god was namelijk onmiskenbaar de machtigste omdat voor zijn aangezicht helemaal niets stand kon houden. Hij overtrof alle Germaanse goden aan macht en dat was, juist voor die Germanen die toch altijd al op macht uit waren, koren op de molen. Dus: Jahwe werd gebruikt om macht te verkrijgen (praktisch) en dat was in feite het doorzetten van het rationele, maar datgene waarmee het denken (ideŽel) zich aanvankelijk ging bezig houden, op zichzelf dus ook rationeel, was de beeldenwereld van de intuÔtieve stroming, geconcentreerd rond het Evangelie en enkele Griekse denkers, zoals Aristoteles en Plato. Als inhoud van het denken was daar bijvoorbeeld ook de Madonna, al of niet met kind. Zij werd ook in de kerkelijke kunst veelvuldig uitgebeeld en later is er zelfs een Maria-cultus ontstaan. Zo was daar ook de Christus figuur, die in feite een rationalisering is van de Evangelische zoon van de mens. Beiden, zowel Maria als Christus, staan centraal in de Roomse godsdienst - tot op de dag van vandaag. De eerder genoemde lijn van de Scholastiek is uitgelopen in het moderne westerse denken. De Scholastiek zelf heeft zijn ups en downs gekend. In later eeuwen is er qua inhoud nauwelijks nog verwantschap met het moderne wetenschappelijke denken, maar de essentie van de wijze van denken is onmiskenbaar dezelfde.

In aanleg zie je in de oude Scholastiek al dezelfde kenniscriteria als in het moderne denken, alleen zijn die criteria thans uiteraard veel meer verfijnd en aan formele logica gebonden. De moderne academische filosofie houdt zich wezenlijk nog steeds met hetzelfde gezever bezig als de oude Scholastiek. Vroeg men zich destijds in alle ernst af hoeveel engelen zich op de punt van een naald zouden kunnen bevinden, of stelde men zich de vraag of de almachtige god zo almachtig was dat hij een steen kon maken die zo zwaar was dat hij hem zelf niet eens op kon tillen, thans is men verwoed bezig de geschriften van anderen uit te pluizen om te zien of het taalgebruik wel consistent, zonder innerlijke tegenspraak, is. Hoe nuttig dat op zichzelf ook is, je kunt het toch met Karl Popper eens zijn als hij vaststelt dat dergelijke filosofen te vergelijken zijn met een timmerman die almaar bezig is zijn beitels te slijpen, maar die nooit toekomt aan het maken van een werkstuk. Zo had je voor de 2e wereldoorlog de zogenaamde Wiener Kreiss. Dat was een groepje geleerden die zich met filosofie bezig hielden en daarbij alleen maar analyses maakten van de filosofische taal. De filosoof Ludwig Wittgenstein (1889-1951) was ook uit deze kring afkomstig. Voor deze denkers was de filosofie slechts een verzameling uitspraken en nu vroegen zij zich af in hoeverre die uitspraken op zichzelf houdbaar waren of niet. Het ging hen dus niet om de vraag hoe het zit met de werkelijkheid, maar louter om de vraag hoe het zit met uitspraken.

De gehele moderne academische filosofie is daarvan het slachtoffer geworden: nagenoeg iedereen zit met grote spitsvondigheid te zeveren over dit soort kwesties, die overigens alleen maar kunnen bestaan als er door anderen al eerder uitspraken zijn gedaan. Volgens sommigen is filosofie niets anders dan taal die gebruikt wordt om concrete, meetbare en controleerbare zaken uit te drukken (positivisme). Als je die mening toegedaan bent is het gereedschap geworden tot de zaak zelf, en je verwart de vorm met de inhoud. Dit heeft onder andere tot gevolg dat je niets zinnigs meer over de werkelijkheid kan en wil zeggen, maar het heeft ook tot gevolg dat de filosofie verwordt tot academische muggenzifterij. Vanuit dat niveau is elk inzicht, elke visie niet meer dan het werk van een dominee - en dat wordt de creatieve filosoof dan ook verweten... Zoals gezegd is er naast de bovenliggende rationele lijn ook nog de ondergrondse intuÔtieve lijn. De laatste figuur op deze lijn die nog tot enig aanzien kwam was de filosoof Hegel (1770-1831). De denkers na hem echter zetten zich allemaal fel af tegen zijn denken en men ging daarmee tenslotte zo ver dat men hem een idioot in de filosofie ging noemen. Interessant is wat dit betreft dat men tot de conclusie kwam dat Hegel de werkelijkheid op zijn kop gezet had, een conclusie die men in het licht van de rationaliteit wel moest trekken omdat men zelf andersom was gaan filosoferen, namelijk niet meer gericht op het beeld, maar op de voorstelling. Karl Marx vond dan ook dat Hegel de werkelijkheid had moeten veranderen, in plaats van over haar na te denken. Als Hegel in zijn Geschichte der Philosophie de westerse filosofische hoogtepunten bespreekt noemt hij in de eerste plaats, naast een groot denker als Spinoza, enkele mystici, zoals Meister Eckhart (ca. 1300) en Jacob Bohme (1575-1624). Maar dat zijn nu precies denkers die op de intuÔtieve lijn zaten, zij het uiteraard ieder op eigen wijze. Verder is ook opmerkelijk dat Hegel tamelijk veel aandacht aan de oude oosterse filosofie besteedt en zich niet blindstaart op de Griekse filosofen uitgezonderd Heraklitus, die hij waardeert om zijn inzicht dat de werkelijkheid niet statisch maar dynamisch is. Na Hegel komt de vijandigheid tegen het intuÔtieve onverbloemd boven water, voornamelijk als Kantiaans verzet tegen Hegels zogenaamde idealisme en er is geen sprake van dat iemand als de al vaker door mij genoemde Nederlandse filosoof Jan Borger in kringen van filosofen enige waardering geniet.

Oude Testament-1 ; Oude Testament-2 ; Oude Testament-3 ;

No. 147

Zoals gezegd vertoont de oude Scholastiek in aanleg grote overeenkomsten met het moderne filosofische denken. Niet alleen is daar de overeenkomst wat betreft het gezever over formeel filosofische kwesties (de vorm van de filosofie betreffende), maar ook wat betreft de informatie waarop men zich baseert. Precies als in het moderne filosofische denken hield men zich destijds voornamelijk bezig met de analyse van uitspraken van anderen, bijvoorbeeld die van Aristoteles. De geschriften van eigentijdse en vroegere vakgenoten werden tot op de letter nageplozen, terwijl het wezenlijke probleem van de filosofie, namelijk de vraag hoe het zit met de werkelijkheid, niet of nauwelijks gesteld werd, laat staan beantwoord... De intuÔtieve lijn komt in het westerse denken al vrijwel vanaf het begin op min of meer illegale wijze voor de dag. Het wordt een onderstroom die bepaald niet vriendelijk bejegend wordt. De rationele lijn wordt maatgevend, in die zin dat andere mogelijkheden, zoals het intuÔtieve, niet geduld worden. Geheel anders lag de verhouding in de oudheid: toen was de intuÔtieve lijn dominant, evenwel zonder het rationele uit te schakelen of te miskennen.

Het rationele sprak op het culturele vlak niet het laatste woord, maar in het maatschappelijk leven van alledag stond het uiteraard centraal: er moesten allerlei praktische problemen opgelost worden, zoals het bevloeien van de akkers, het bouwen van goede schepen en dergelijke. Behalve dat echter was daar ook het onder woorden brengen van datgene dat intuÔtief aan de werkelijkheid achter de dingen opgemerkt werd. Dat wat vanuit het intuÔtieve gezien werd kwam rationeel tot uiting in de verhalen en in de exegese van die verhalen, dat wil zeggen het duiden, het uitleggen ervan. Het intuÔtief geziene zelf kon uiteraard niet uitgelegd worden, maar het duiden van de daarop betrekking hebbende verhalen kon een plotseling inzicht teweeg brengen. Vooral in het Boeddhisme richtte men zich daar op; in het TaoÔsme had men niet zo erg veel met die verhalen op, voornamelijk omdat men van mening was dat die verhalen op den duur de plaats van de intuÔtie zouden gaan innemen. Dat is dan ook gebeurd met bijvoorbeeld de verhalen uit de EvangeliŽn. Hoe dan ook, de rationele lijn was in de oudheid helemaal geen onderstroom, men liet hem gewoon tot zijn recht komen, maar dan wel binnen de sfeer van het intuÔtieve. De maatgevende rationele lijn in het westen leverde niet alleen een positivistisch denken op, een denken dus dat zich uitsluitend verlaat op datgene dat waarneembaar, meetbaar, kwantificeerbaar en analytisch onderzoekbaar is. Hij leverde ook de zogenaamde metafysica op. Zowel deze metafysica als de mystiek richtten zich op en deden uitspraken over de niet waarneembare werkelijkheid, althans de werkelijkheid waarvan in het westerse denken gevonden wordt dat zij niet, direct of indirect, waarneembaar is. Dit oordeel heeft betrekking op drie varianten die min of meer door elkaar heen lopen: a) het taboe dat optreedt als men een werkelijkheid wel waarneemt, maar haar niet wil zien of haar expres verkeerd interpreteert, omdat zij niet past in en strijdig is met de heersende voorstellingen, b) de onwetendheid die het gevolg is van het helemaal niet waarnemen, omdat daarvoor het aan de heersende voorstellingen ontleende begrippenkader niet geschikt is, en c) de zekerheid dat een dergelijke niet waarneembare werkelijkheid helemaal niet bestaan kan. Wat de metafysica en de mystiek betreft gelden voor het westerse denken de varianten a) en b), want filosofisch is gemakkelijk te ontdekken dat de werkelijkheid een volstrekt niet-waarneembaar aspect vertoont. Doorgaans is men daarover onwetend of er rust een taboe op. Het essentiŽle verschil tussen de metafysica en de mystiek is dit, dat de eerste op de lijn van het rationele ligt en de tweede op die van het intuÔtieve.

In de metafysica houdt men zich bezig met datgene dat buiten het fysische, de natuur, de verschijnselenwereld, ligt en dat geacht wordt er bovenuit te gaan en als zodanig een hogere werkelijkheid te vormen. Volgens de leden van de destijds in hoog aanzien staande Wiener Kreiss en vrijwel alle figuren uit de moderne Angelsaksische filosofie komt men in de metafysica alleen maar met onzin. Omgekeerd rekenen zij alles wat naar hun oordeel onzin is tot de metafysica. Van zichzelf vinden zij, bepaald niet zonder zelfoverschatting, dat zij positivistisch zijn en dat zij op grond daarvan, welbeschouwd als enigen, het recht hebben geldige uitspraken te doen. Dit echter is een gigantische misvatting. De metafysica is een filosofische wijze van denken waarin men bij voorbaat ervan overtuigd is dat de grondslagen van de werkelijkheid absoluut niet waarneembaar zijn en dat de kosmos uitloopt in en overkoepeld wordt door een hogere, eveneens niet waarneembare, werkelijkheid. Nu is het inderdaad een feit dat een dergelijke overtuiging ruimte biedt aan allerlei speculaties over die, buiten het letterlijke bestaan vallende, werkelijkheid: er is in de metafysica heel wat af gefantaseerd met gebruikmaking van allerlei logisch ongeoorloofde veronderstellingen en informatie.

Zo veronderstelde Leibniz (1646-1716), uiteraard om zijn vooropgezette overtuiging te bevestigen, dat ertussen alle monaden (zeg maar: deeltjes) een goddelijke monade zou zijn, een veronderstelling die niet kan worden afgeleid uit en gerechtvaardigd door het geheel van zijn filosofische model van de werkelijkheid. Hij is er zogezegd met de haren bijgesleept. Hiervan zijn er in de metafysica tal van voorbeelden, zij vertonen vaak nauwe verwantschap met de theologie. Intussen hebben de positivisten ongelijk, terwijl de metafysici gelijk hebben met hun overtuiging dat er aan de werkelijkheid een onwaarneembaar aspect zit. Maar het metafysisch denken daarover berust helaas nog steeds vrijwel uitsluitend op veronderstellingen, speculaties. Daarom is het aan te raden het denken vanuit de beweeglijkheden (creatieve filosofie) niet met metafysica te benoemen, hoewel het wel gaat over een niet waarneembare en ondefinieerbare werkelijkheid. Het gaat evenwel volstrekt niet over een hogere werkelijkheid - en dat is een reden temeer om het in dit verband niet over metafysica te hebben. Ik spreek nu nadrukkelijk over een overtuiging omdat het in de metafysische filosofie niet gaat om de conclusie dat er een niet-waarneembare oerwerkelijkheid is, maar om een vooronderstelling, waarvan de juistheid eigenlijk niet logisch beredeneerd wordt. Van bewijzen kun je in dit geval niet spreken, maar te beredeneren is de zaak wel en de controle op die gedachtegang is gelegen in het zichzelf genoeg zijn (d.w.z. er is geen informatie van buitenaf voor nodig) en het niet afslaan ervan, welke richting die gedachtegang ook uitgaat. Hij moet in alle richtingen consistent zijn. Een positivistisch bewijs is niet te leveren want er is niets dat waarneembaar gemaakt kan worden. Het is trouwens goed je te realiseren dat de betrouwbaarheid van een positivistisch bewijs uiterst twijfelachtig is. Niet alleen dat daarbij slechts een gedeelte van de werkelijkheid onderzocht wordt, maar vooral dat daarbij de wisselwerking met andere verschijnselen zo drastisch mogelijk wordt uitgesloten. Op grond hiervan bestaat er geen betrouwbaar antwoord op de vraag of het in werkelijkheid net zo toegaat als in het laboratorium. Als nu de positivistische filosofen hun gedachtegang baseren op de uit dergelijk onderzoek verkregen informatie, is er geen enkele rechtvaardiging voor hun arrogante verkettering van de creatieve filosofie. Daarentegen is op goede gronden staande te houden dat de metafysica, nu bedoeld in de ware zin van het woord, in principe de enige filosofisch zinvolle benaderingswijze is.

No. 148

Meditatie-1 ; Meditatie-2 ;

Metafysica, in de ware zin van het woord, houdt in dat je de werkelijkheid niet uitsluitend wilt begrijpen als een verzameling bepaalde en bepaalbare verschijnselen, maar haar daarentegen als een in wezen onbepaalde en dus niet-materiŽle zaak beschouwt. Daarbij moet je als logisch noodzakelijke eis stellen dat het onbepaald zijn geen vooronderstelling is, maar een conclusie die, via een zekere gedachtegang, getrokken kan worden uit de enige fundamentele zekerheid die wij hebben, namelijk die van het eigen er zijn. Vanuit die conclusie blijkt het bovendien onvermijdelijk te zijn die onbepaalde werkelijkheid als een horizontale zaak te beschouwen en dus elke gedachte aan iets hogers te laten varen. In die zin is te stellen dat de metafysica de enig juiste benaderingswijze is, maar dat neemt niet weg dat je die term beter niet kunt gebruiken omdat er in de metafysica vrijwel steeds uitgegaan wordt van bedoelde vooronderstelling, vergezeld van de idee dat het om iets hogers gaat. Dat het om iets hogers zou gaan komt ook voor de dag in de westerse mystiek, althans voor zover westerse mystici verslag doen van hun ervaringen en proberen er een rationele verklaring voor te geven.

Nog afgezien van het feit dat het helemaal niet om iets hogers kan gaan, moet je inzien dat de mysticus in feite de eenwording met zichzelf zoekt. Wat dat betreft hadden de oosterse mystici meer inzicht in de zaak: zij begrepen dat het niets met god te maken had, hoewel zij wel het idee hadden in contact te komen met een werkelijkheid die hen verre te buiten ging en die als zodanig edeler was dan de alledaagse realiteit. De verslagen van de mystici en hun verklaringen zijn uiteraard gebonden aan en getekend door de cultuur waarin zij leven. Ten gevolge daarvan word je, als je omtrent de mystiek het een en ander uit gaat zoeken, geconfronteerd met een groot aantal verschillende definities van het begrip mystiek. Dat is in zoverre misleidend dat daardoor het feit aan het oog onttrokken wordt dat het steeds om dezelfde ervaring gaat. Bovendien berusten die definities op historisch lineair denken: men verkeert in de foute veronderstelling dat de causale analyse van de ontwikkeling van een zaak een verklaring geeft voor die zaak zelf. Dat is een euvel dat in toenemende mate aan het westerse denken kleeft. Het huidige instorten van een aantal traditionele ideologieŽn bijvoorbeeld wordt bijna zonder uitzondering verklaard door te laten zien hoe het allemaal gegaan is. Dat zet de zaak op zijn kop: eigenlijk moet je verklaren wat ideologieŽn zijn en van daaruit laten zien waarom het daarmee gaat zoals het gaat. In de oude oosterse mystiek wordt het zichzelf gelijk blijvende eeuwige beseft als een horizontale zaak waaraan de mens deel heeft, maar in het westen beseft men hem verticaal, naar boven toe. En dan niet als iets dat men in wezen zelf is, maar als iets anders dat men bereiken kan, een werkelijkheid (god) waarin men terecht kan komen. In het westerse besef ligt dus een scheiding besloten en ten gevolge daarvan denkt men in termen van worden en komen - je wordt in het goddelijke opgenomen, je komt bij god - terwijl die scheiding in het oosten ontbreekt: je bent dat eeuwige en je behoeft dat alleen maar te laten gelden. Om iets te worden en ergens te komen moet je van allerlei doen, maar om iets te zijn behoef je alleen maar van allerlei te laten... Het begrip mystiek houdt het volgende in: onder bepaalde omstandigheden kan de werkelijkheid als voorstelling oplossen in de werkelijkheid als beeld; hij kan er in onder gaan. De mens ondergaat dan zichzelf als bewustzijn. Dat is een abnormale toestand, hetgeen niet wil zeggen dat hij uitsluitend in abnormale mensen voorkomt, maar daarentegen dat het een niet alledaagse toestand is waarin in principe elk mens kan geraken, hetzij door drugs, meditatie, bepaalde therapieŽn, maar ook door diepe concentratie op een bepaald thema of zomaar enkele woorden (mantra).

Soms brengen ook heftige emoties van geluk een mystieke ervaring teweeg. Het kan echter ook door willoos je eigen voorstellingen te laten voor wat ze zijn en je onbevangen de werkelijkheid voor ogen te halen. Hegel: als ik mijn ogen sluit zie ik de gehele werkelijkheid. De normale toestand van een mens is deze dat hij aan de voorstelling het beeld afleest, als dat tenminste niet door rationele invloeden van de heersende cultuur verhinderd wordt. Daarbij gaat de voorstelling niet op in het beeld, maar blijft bestaan, zij het doorlicht door het beeld. Dit is het materiaal voor de creatieve filosofie. Als de voorstelling ondergaat in het beeld en dus het zelfbewustzijn oplost in, het bewustzijn, doet zich een werkelijkheid ervaren die beantwoordt aan alle reeds door mij, in verband met het bewustzijn genoemde, begrippen. Daar is een geheel van een oneindige ruimte, harmonie, samenhang, eenheid en louter beweging. Het is een spel van in elkaar overgaande vormen, er is niets dat vaststaat en niets dat zich van iets anders afscheidt. Het ervaren van deze werkelijkheid wordt door de westerse mysticus geduid als een ervaren van god, maar het is dan wel een god die met de god uit de godsdienst niets van doen heeft. Deze laatste behoort tot de werkelijkheid als voorstelling en hij is dan ook te beschrijven als de tot in het oneindige uitvergrote mens. Het is een uitgedachte, beredeneerde en geformuleerde zaak, ook in de Islam. De zogenaamde god uit de mystiek echter is er een van onbegrensde ruimte, ineen zijn (liefde), schoonheid en harmonie. Geen wonder dat de machthebbers van het christendom en de Islam de mystiek vrezen, haar veroordelen en waar mogelijk proberen te bestraffen. Je kunt inzake de mystiek een aantal begrippen op tafel leggen, begrippen die uiteraard dezelfde zijn als die van het bewustzijn. Die begrippen zijn zo nauwkeurig en zo genuanceerd mogelijk te verklaren en te beschrijven, maar daarmee is de mystieke ervaring zelf nog lang niet onder woorden gebracht.

Dat kan ook niet, want het gaat over een werkelijkheid die zich, vanwege haar beweeglijke karakter, in geen enkel opzicht vastleggen laat, net zoals dat met de essentie van kunstwerken het geval is. Je moet er wat dat betreft het zwijgen toe doen. Elk woord dat je er aan besteedt verplaatst de zaak naar de voorstelling en daar hoort ze nu juist niet thuis! Het woord mystiek komt waarschijnlijk van het Griekse muein dat het sluiten van de mond, het zwijgen, aanduidt. Meister Eckhart deelde zijn toehoorders dan ook mee dat zij maar eens op moesten houden over god te kakelen, omdat het op het moment dat je er iets over zei niet meer over god kon gaan. De werkelijkheid als bewustzijn laat zich niet onder woorden brengen, niet omdat wij mensen daartoe te beperkt zouden zijn of omdat wij er in onze cultuur te weinig vertrouwd mee zouden zijn, maar omdat er nu eenmaal geen vorm, en dus geen formulering, aan te geven is. Je kunt dat jammer vinden, zoals dat bij sommige denkers het geval is, maar dan ontgaat je toch de essentie van de mystiek. Je kunt ook de mystiek als onzin afwijzen, zoals dat bij de meeste (moderne) denkers het geval is, en dan heb je er helemaal niets van begrepen. De vraag wat heb je aan de mystiek is in feite geen vraag. Ze is er niet om er wat aan te hebben, ze is er omdat het oplossen van de voorstelling (niet te verwarren met het instorten ervan) gewoon tot de mogelijkheden van de werkelijkheid behoort. Daarom is het ook volstrekt onjuist om, zoals gebruikelijk is, de mystiek met de godsdienst te associŽren en ze voor de filosofie als niet relevant te beschouwen. Ze is relevant voor het gehele leven omdat ze de betekenis van de werkelijkheid achter de dingen voor de mens voelbaar maakt.

Meditatie-1 ; Meditatie-2 ;

No. 149

De verklaringen die mensen, in dit geval mystici, geven omtrent hun bewustzijnservaringen zijn vrijwel altijd ondeugdelijk doordat ze niet los komen van de dominerende voorstellingen van de cultuur waarin die mensen leven. Hoogst zelden krijg je een verklaring te horen die enigszins vrij is van het plaatselijke en tijdelijke. Zo sprak Meister Eckhart over een eenwording met god, maar in een andere cultuur zal een mysticus over een beleven van oneindige schoonheid, algehele samenhang, innige verbondenheid met het al en dergelijke spreken. Over het algemeen kun je zeggen dat zulke verklaringen als beschrijving van de werkelijkheid nergens op slaan, kortweg mystieke onzin zijn. Dat wil echter niet zeggen dat de ervaringen zelf onzinnig of paranormaal zijn: eigenlijk is elke ervaring, ook de paranormale en de ziekelijke, bonafide en is het slechts de uitleg die men daaromtrent geeft die nergens op slaat. Hij slaat nergens op omdat men zich baseert op de voorstelling die zo'n ervaring oproept, maar die heeft nu net niets met de zaak te maken. Je moet dus, nadenkende over dit soort zaken, proberen een onderscheid te maken tussen datgene dat de mensen zeggen en datgene dat de werkelijke ervaring geweest zou kunnen zijn.

In de moderne wetenschap speelt dit probleem veel minder, ten eerste omdat men zich van een universele wetenschappelijke taal tracht te bedienen en ten tweede omdat men van mening is dat de individuele ervaring, bij een proefneming bijvoorbeeld, buiten beschouwing gelaten moet worden, althans omgezet tot zogenaamd objectieve informatie. In hoeverre beide oogmerken haalbaar en reŽel zijn laat ik nu even buiten beschouwing. Terzijde en wellicht ten overvloede: er zijn drie redenen waarom bij het filosoferen gedachten van anderen, zelfs als je die vermeldt bij wijze van voorbeeld, beter buiten beschouwing gelaten kunnen worden. De eerste is deze dat je aan de kennis over uitspraken van anderen niets hebt als je niet geheel op jezelf en uit jezelf, zonder er ook maar iets van buitenaf bij te halen, tot inzicht in het wezen van de betreffende thematiek kunt komen. De tweede reden is dat je er nooit helemaal zeker van kunt zijn of je die ander begrepen hebt, enerzijds omdat het ook voor die ander onmogelijk is zijn of haar ideeŽn precies onder woorden te brengen en er dus steeds een zekere speling, tolerantie overblijft en anderzijds omdat woorden voor de een onvermijdelijk een iets andere betekenis en sfeer hebben als voor de ander. En ten derde: het je uitvoerig verdiepen in de gedachtewereld van iemand anders neemt energie en tijd in beslag die je bitter hard nodig hebt om zelf inzicht in de werkelijkheid te verkrijgen. Je kunt een dergelijk onderzoek beter aan anderen overlaten die de aanleg en het verlangen hebben zoveel mogelijk kennis te verwerven. Het gaat in de filosofie immers niet om kennis, maar om kunnen: het kunnen doorzien van je eigen voorstelling van de werkelijkheid. Zoals gezegd gaat het in de mystiek om het oplossen van de werkelijkheid als zelfbewustzijn (voorstelling) in de werkelijkheid als bewustzijn (beeld). Dat bewustzijn is een trillingsverschijnsel in de levende materie, het is de trilling waarin alle mogelijke trillingen in een geheel opgenomen zijn, en dus gaat het over de gehele werkelijkheid die als algemeenheid (niet als een verzameling ditten en datten) op trillende wijze in het levende wezen aanwezig is. Op die alles omvattende trilling berust het reactieve proces van elk levend wezen op zijn omgeving: het leeft in de werkelijkheid. In die verhouding ligt besloten dat de werkelijkheid zichzelf laat gelden in het levende wezen. In de planten- en dierenwereld op zuivere wijze en in de mens op de achtergrond van het zelfbewustzijn, dat zelf op de voorgrond ligt.

Vanuit die achtergrond kan het bewustzijn zich bij de mens laten gelden als het psychische, dat wil zeggen het meetrillen van de materie met de alles omvattende trilling die het bewustzijn is. We hebben dan te doen met de werkelijkheid die zichzelf aanvoelt. Daarnaast hebben wij in de mystiek te doen met de werkelijkheid die zichzelf ondergaat. Dat gebeurt nu evenwel niet met de materie als zodanig, maar met de materiŽle werkelijkheid als voorstelling. Wat er gebeurt is niet dat die materie als voorstelling op de een of andere manier gaat meetrillen, maar het is het zelf in trilling komen ervan. Dat resulteert in precies dezelfde trilling als die welke het bewustzijn is: het zelfbewustzijn, de voorstelling wordt voor een moment bewustzijn. Op dat moment valt er niets meer te beschrijven, enerzijds, zoals gezegd, omdat de werkelijkheid als bewustzijn pure beweeglijkheid is zodat het een niet meer gescheiden is van en begrensd is door het ander, hetgeen voor een beschrijving nodig is, en anderzijds omdat er van een in volledige trilling geraakte voorstelling niets over blijft. Wil men toch een beschrijving geven van de mystieke ervaring, dan moet men noodzakelijkerwijs een of andere voorstelling oproepen, maar daarmee is de zaak tot iets geheel anders geworden. Als men nu het verschijnsel mystiek wil bespreken zonder in de gaten te hebben waarom het eigenlijk gaat, en dus af moet gaan op wat er over gezegd wordt, komt men onvermijdelijk met een aantal verschillende definities die in feite geen van alle het wezen van de zaak raken.

Bovendien ontkomt men dan niet aan de associatie met een godsdienst of een religie omdat de in de mystiek ervaren werkelijkheid er een is die de indruk geeft de bepaaldheid van de mens verre te buiten te gaan. In een godsdienstige cultuur gaat dat dan ook nog boven de mens uit, terwijl zij tegelijkertijd als een andere, op zichzelf aan de mens vreemde, zaak gezien wordt. Aan die vreemde en hogere zaak is de mens ondergeschikt, hij moet er dienstbaar aan zijn en hij is, daarbij vergeleken, minderwaardig, hetgeen tot het zondebesef leidt. In een religieuze cultuur daarentegen wordt een mystieke gebeurtenis niet beschouwd als een opgaan in iets hogers, maar als een versmelten met de werkelijkheid die men zelf in wezen is. Daarin ligt een individualistisch moment besloten, vandaar dat oude religieuze culturen, zoals bijvoorbeeld de HindoeÔstische, geen evangelisatie kenden en zeer tolerant waren: ieder moest zelf maar zien op welke wijze dat wezenlijke gerealiseerd kon worden. Al eerder heb ik er op gewezen dat mystiek niet voorbehouden is aan enkele bijzondere mensen. Voor ieder mens is mystiek mogelijk, maar om dit te laten gelden, moet er vanuit de cultuur niets in de weg staan. In de westerse cultuur staat zo ongeveer alles in de weg: men is in die cultuur gefixeerd op de voorstelling en daardoor komt men er niet gemakkelijk toe deze te laten voor wat hij is opdat de zaak in trilling kan geraken. Men houdt juist verbeten aan de voorstelling vast omdat men geen raad weet met het eerder door mij besproken, instorten ervan. Dat instorten is een wezenlijk aspect van de voorstelling omdat het zelfbewustzijn, waarvan de voorstelling inhoud is, geldt als materie als niet-materie. Daardoor is er steeds een afwisseling van voorstellingen, met daartussen het instorten. Het ondergaan van de voorstelling in het bewustzijn mag niet verward worden met dat instorten. Het moment van instorten is een moment van afwezigheid van de voorstelling, maar bij het ondergaan in het bewustzijn is de voorstelling wel degelijk aanwezig, alleen, er gaat voor hem gelden dat hij volledig overgaat in een alles omvattende trilling. Als dat mystieke moment echter voorbij is komt dezelfde voorstelling weer terug, zodat je in zekere zin kunt stellen dat er niets gebeurd is, althans niet met het denken en de daaraan ten grondslag liggende voorstelling. Gevolg daarvan zijn de ondeugdelijke verklaringen omtrent mystieke gebeurtenissen.

No. 150

Bladwijzers: Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; bijna doodervaring-1bijna doodervaring-2

Als het er om gaat er filosofisch achter te komen hoe het zit met een bepaald verschijnsel heb je niets aan al die, wel of niet wetenschappelijk gegronde, verhalen die de mensen over zo'n verschijnsel, bijvoorbeeld de mystiek, vertellen. Voor wetenschappelijk onderzoek lenen dergelijke verhalen zich zo goed en zo kwaad als het gaat wel. De wetenschap heeft trouwens geen keus: iets anders dan verhalen staat haar niet ter beschikking. Filosofisch daarentegen zoek je uit hoe het zit met een verschijnsel en van daaruit probeer je er achter te komen welke eigenaardigheden je van zo'n verschijnsel kunt verwachten. Zo kun je van het verschijnsel mens verwachten dat daarbij de mogelijkheid bestaat dat de werkelijkheid als voorstelling ondergaat in de werkelijkheid als beeld, of, anders gezegd: dat het zelfbewustzijn oplost in het bewustzijn. Na verder doordenken blijkt dat die eigenaardigheid zich inderdaad af en toe manifesteert en bekend staat als mystiek. Mystiek is niet iets wat met het denken te maken heeft. Het is geen denk of beschouwingswijze zoals bijvoorbeeld metafysica dat wel is. Denkwijzen en beschouwingswijzen variŽren met de cultuur waarin ze optreden. Zo zijn gedachten over de mystiek ook steeds verschillend, maar de mystiek zelf heeft daarmee niets te maken. Het is net zo'n noodzakelijke eigenaardigheid als bijvoorbeeld zien, voelen en dergelijke. Dat houdt bijgevolg ook in dat het begrip mystiek voor elk mens geldt.

Elk mens is zelfbewust en elk mens heeft een voorstelling van de werkelijkheid. De werkelijkheid stelt zichzelf in de mens voor. Terzijde: het is westers spraakgebruik om te zeggen dat de mens zich de werkelijkheid voorstelt. Op die manier gezegd is dat zich voorstellen een activiteit, iets dat men eventueel ook achterwege zou kunnen laten. Men doet het omdat men het ook kan laten! Inzake de voorstelling valt er echter niets te laten. De werkelijkheid zelve veroorzaakt de voorstelling in het laatste verschijnsel. Het oude Chinese spraakgebruik is bijvoorbeeld veel helderder: het stelt zichzelf in de mens voor. Over het algemeen is trouwens te zeggen dat men ook bij intelligente natuurvolken veel minder denkt in termen van menselijk doen en meer in termen van innerlijke werkzaamheid van de werkelijkheid als geheel. Het zich oplossen van de voorstelling in het bewustzijn (of beeld) vooronderstelt uiteraard wel dat die voorstelling er ook inderdaad is. Het ingestort-zijn van de voorstelling speelt nu dus niet mee. Waarmee we te maken hebben is het plaatje van de werkelijkheid en het is die vastgelegde zaak die oplost in het bewustzijn. Dat oplossen in het bewustzijn is mogelijk doordat de werkelijkheid als voorstelling essentieel ook een trillende zaak is: op de wijze van een trilling is onze wereld in ons brein aanwezig! Die trilling kan incidenteel zodanig zijn dat genoemd oplossen een feit wordt. De opgeloste voorstelling is in zekere zin toch nog voorstelling gebleven: hij wordt terecht door de mystici ervaren als een soort goddelijk licht. In feite is de voorstelling inderdaad omgezet tot licht. De vastgelegde voorstelling is een zaak van bepaalde trillingen. Het is immers deze werkelijkheid, de mijne of de jouwe. Het bepaald-zijn echter is afgeleid van onbepaald-zijn, van volledig vrij-zijn. Het volledig-vrije kan ingeperkt worden tot het bepaalde. Voor het bepaalde geldt steeds dat het geworden is; alle bepaalde dingen worden bepaald via processen die bij hun begin gekenmerkt worden door het onbepaalde. Helemaal aan het begin van het algemene wordingsproces zijn, er de beweeglijkheden die, zoals we gezien hebben, ook volkomen onbepaald zijn. De algemene, allesomvattende trilling ligt dus aan de bepaalde trilling van de voorstelling ten grondslag.

Omdat dit het geval is kan hij zich ook laten gelden: de bepaalde voorstelling als algemeenheid is de voorstelling als licht. Wij spreken gewoonlijk van het licht, maar in feite is dat onze voorstelling van de werkelijkheid, gesteld als algemeenheid. Deze zaak laat zich ook gelden bij de zogenaamde bijna-doodervaringen. Men spreekt daarbij ook steeds over een bijna onverdraaglijk mooi helder licht.. . en over vrede en vertrouwen, welke laatste begrippen verwijzen naar het opgeheven zijn van de tegenstellingen in de tot licht geworden voorstelling. Bij het instorten verdwijnt de voorstelling zoals die als inhoud van het zelfbewustzijn aanwezig is. Alles wordt bij het moment van instorten tot zelfstandige beweeglijkheden en als zodanig is elke vorm van verschijnsel verdwenen. Bij het oplossen echter verandert de wijze waarop de voorstelling bestaat: hij wordt tot een helder licht en is als zodanig ogenschijnlijk verdwenen zonder echter in feite verdwenen te zijn. Om dit te begrijpen is het zinvol te bedenken dat het natuurkundige verschijnsel licht de in uiterste trilling verkerende materie is: bijna letterlijk de materie als niet-materie! Deze in licht opgegane materie gaat onder in de werkelijkheid als bewustzijn en zo is het mogelijk dat de mens zichzelf als bewustzijn ondergaat. Dat evenwel is weer iets anders dan het zichzelf aanvoelen als bewustzijn, wat het psychische is. In beide gevallen echter is er te spreken van een direct contact met de werkelijkheid zelf en dat is er de reden van dat beide menselijke eigenaardigheden door alle tijden heen zo'n indringende rol hebben gespeeld. Zoals al eerder opgemerkt is de mystieke gebeurtenis niet te verklaren vanuit die gebeurtenis zelf. Die gebeurtenis bestaat immers alleen maar uit licht! Deze, zich als niet-materie (geest!) voordoende zaak, biedt geen enkel houvast voor onderzoek, voor analyse. Dus kan het resultaat van onderzoek alleen maar onzin zijn. Slechts de filosofische benadering, vanuit de oorsprong van de werkelijkheid, kan duidelijk maken wat er aan de hand is en wat de oorzaak is van die merkwaardige ervaringen waarvan sommige mensen vertellen. Er zijn nogal wat denkers die in de mening verkeren dat mystieke gebeurtenissen nuttig kunnen zijn voor het verwerven van samenhangend wetenschappelijk inzicht in de werkelijkheid. Zij denken dus dat zo'n gebeurtenis op zichzelf inzicht verschaft. Uit het bovenstaande is evenwel af te leiden dat dit niet het geval kan zijn: het enige wat men ervaart is het licht, zonder dat er verder nog iets te zien is. Als er niets te zien is kan er ook geen (verdieping van) inzicht plaats vinden. Het wetenschappelijke denken heeft, zoals we al eerder gezien hebben, de voorstelling nodig om de onbekende verbanden daarin na te kunnen gaan. Wetenschappelijk denken is nagaan van de voorstelling. Die voorstelling is er tijdelijk niet omdat hij alleen maar licht is, maar na enige tijd komt die oorspronkelijke voorstelling weer gewoon terug en dat betekent dat de betreffende mysticus voortgaat met zijn gebruikelijke manier van denken. Je ziet dan ook bij godsdienstige mystici dat hun geloof in god gewoon even dogmatisch en irreŽel blijft. Nogmaals: de mystieke gebeurtenis op zichzelf verruimt het inzicht niet, wijst de mens de waarheid niet en levert geen wijsheid op. Uiteraard kan de persoonlijke ervaring van de mystieke gebeurtenis voor de mysticus wel aanleiding tot nieuwe gedachtegangen en inzichten zijn. De gebeurtenis laat doorgaans niet na diepe indruk te maken en dat kan in een mens grote veranderingen teweeg brengen. Welke die veranderingen echter ook zijn, de voorstelling die voor een moment alleen maar licht is kan geen kennis of wijsheid opleveren. De mening van bijvoorbeeld een aantal New age denkers dat de mystiek essentieel zou zijn voor de creatieve filosofie is dan ook onjuist: er kan alleen maar onzin uit voortkomen.

Bladwijzers: Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Metafysica††† Mystiek en Metafysica vanaf no. 140 tot eind van deel 2 ; bijna doodervaring-1bijna doodervaring-2

 

Vervolg: zie deel 3 en tevens slot

 

Naar: Beweging en Verschijnsel (deel 1)

Naar: Beweging en Verschijnsel (deel 3)

 

Bovenstaande tekst is geschreven: door Jan Vis, filosoof.

Terug naar: Startpagina

 

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit deze bundel zonder meer toegestaan.

Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld.

Pagina's zijn door mij uit de studie cyclus beweging en verschijnsel deel1 , 2 en 3 (jaargangen 1987/88- 1988/89 -1989/90-1990/91-1991/92-1992/93 en1993/94) overgenomen.

 

website analysis
website analysis

website analysis
online hit counter