Beweging en Verschijnsel (2) Het wordingsproces
Het
ontstaan van het Heelal / de Kosmos t/m Het Slotakkoord “DE MENS”
Hoorcolleges jaargang
1989/91
Naar
het begin en bladwijzers…
albert einstein,allah,analyse,anarchisme,anarchist,anarchistisch,arbeid,begin
en einde,bewustzijn,blut und
boden,chaos,christendom,communisme,conditionering,cultuur,de maagd met het
kind,de menselijke geest,de tweede wereldoorlog,de werkelijkheid,de wording van
de kosmos,de zoon van de mens,democratie,e=mc2,erotiek,evangelie, evolutie,
evolutieproces,fascisme,filosofie,freud,geest,gevoel,gevoelens,geweld,gewone
mensen,god,god is liefde,godsdienst,het absolute niets,het arbeidsproces,het
begrip tijd,het brein,het geheel,het koninkrijk gods,het leven,het menselijk
denken,het nationaal socialisme,het nationaal-socialisme,n.s.b.,het
ontstaansproces,hoer,holisme,holisten,homoseksueel,huwelijk,ideaal,ideologie,
immanuel kant,intuitie, inzicht,islam,jahwe,jahwisme,jezus,joden,jodendom,jodenhaat,kapitalisme,kapitalist,ketter,kosmos,
kunstmatige intelligentie,liefde,macht ten
goede,macht,marx,materie,meeleven,metafysica,microkosmos,moraal,nationalisme,
new age,nihilisme,oedipuscomplex,oercel,oermoeder,oog om oog tand om tand,opstanding
en hemelvaart,overheid,overleven, particuliere
kapitalisme,psyche,recht,rechtvaardigheid,relatie,religie,religieuze
prostitutie,samenhang,samenleving,particuliere
kapitalisme,seksualiteit,sociaaldarwinisme,socialisme,socrates,spanningen,spinoza,superintelligentie,teilhard
de chardin, the struggle for life,the survival of the fittest,tijdloosheid,tijl
uilenspiegel,twijfel,vandalisme,van bovenaf denken,veiligheid, verhoudingen van
de werkelijkheid,verspilling,vrijheid,waarheid,wat is de geest,wat is
denken,wat is filosofie,wat is seksualiteit,wat is twijfelen,wat is
waarheid,wat is wangedrag,wie ben ik,wordingsproces,zarathustra,zelfbewustzijn,
zelfmoord,zelfontkenning,ziel.
Terug naar: Startpagina
Help mee om deze site te
promoten. Vertel het uw…!
(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )
Naar het begin en
bladwijzers…
Naar bladwijzers: Boeddhisme ; Yoga ; Hindoeïsme
; Anarchie
; Newton
en ruis(1) ; Newton en ruis(2) ; Het is dan ook begrijpelijk dat men zowel in de
Islam als in het Jahwisme verbood de goddelijke
werkelijkheid (het stoffelijke niet) in enigerlei natuurlijke vorm uit te drukken. ; Ze hebben het te goed
; Mohammed ; Jodendom
; Zowel het Christendom als de Islam
; Zolang de mensen nog allerlei… ; zelfbewustzijn
; vertrouwen in-1 vertrouwen in-2 Bijna doodervaring-1 Bijna doodervaring-2 Maagd-1 Maagd-2 Maagd-3,
nrs. 141,142 en 143 Wie ben ik eigenwaarde tot hun recht komen-1
tot hun recht komen-2 Jodenhaat Opstanding en Hemelvaart het sportieve als het artistieke spel staken De Maagd met het kindeke Jezus Het
verhelderingsproces hoer-1
hoer-2 Religieuze prostitutie Religieuze prostitutie-2 Onvermijdelijke toeval-1 ; onvermijdelijke
toeval-2 Darwin(isme) the survival of the fittest gelijkwaardigheid-1 gelijkwaardigheid-2 gelijkwaardigheid-3 ; Zelfmoord ; Godsdienst als intellectuele constructie Materialistisch Individualisering Seksualiteit / belediging/
Vrouw natuurrampen Metafysica Mystiek
en Metafysica vanaf no. 140 tot eind van deel 2 het denken van beneden naar boven ( no. 106 ) Verliefd E=MC2 God is Liefde pag. 142 t/m
144 ; S-1
; S-2 ; De Zoon van de mens - wij noemen hem Jezus ; collectivistische
denken(nos. 127 t/m 130) ; Verantwoordelijk ; Vervreemding ; Verlichting
Volwassen
worden-1, Volwassen
worden-2 ; Oedipuscomplex ; God is
Liefde pag. 142 t/m 145 ; P-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4 ; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; Mohammed bedacht de Islam en ook dat was een intellectuele
constructie ; concurrentie-1
; concurrentie-2
; Pilatus ; Ziel-1 ; Ziel-2 ; onthouden-1; onthouden-2 ;
Leerproces- (1-pag.83,
2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111,
en 5-pag.
144) ;
Lijdensweg
; Wangedrag ; De grondslagen van Jodendom-Christendom en
Islam-lees o.a de nrs. 142t/m145 en verder ; Sportief..? ; De Bijbel en de
Koran zijn intellectuele constructies..!
; Hersencel-1 ; Hersencel-2 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Overgang-1 ; Onverdraagzaamheid ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Betrokkenheid ; Rechten van de Mens ; Meditatie-1 ; Meditatie-2 ; Oude Testament-1 ; Oude Testament-2 ; Oude Testament-3 ; China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ; Grondslagen van de ISLAM en het CHRISTENDOM
; Beleving-1 ; Beleving-2 ; Verwijten maken aan diegenen
die die vernielingen aanrichten..? ; HOMOSEKSUALITEIT ;
Naar
artikelen: Het toenemend belang van het Atheïsme ; Geen God wat dan
; Godsdienst
en Geloof ; Evolutie
of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst
; God
bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheïsme
; De
verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de
Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een
Theocratie- zie afl. 18 ; Ongewenst
atheïsme- zie afl. 32 ; Een grens te ver (Israël) ; Verbieden
van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Hoe zit het nou met god..? ; Discrimineert
/ onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 ; Waarom is de
Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld ..? zie no. 27 ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie
aflevering 60 / 61 : De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjari’a
; Burqa, volg
bladwijzer ; De Westerse wereld en de wereld
van de Islam ;
Naar: De
ontwikkeling van de West Europese Cultuur
Naar: Beweging en Verschijnsel (deel 1)
Naar: Beweging en Verschijnsel (deel 3)
BEWEGING EN
VERSCHIJNSEL (deel 2)
Naar bladwijzers: Boeddhisme ; Yoga ; Hindoeïsme
; Anarchie
; Newton en RUIS(1)
; Newton en ruis(2)
; Het is dan ook begrijpelijk dat men zowel in de Islam als in het Jahwisme verbood de goddelijke
werkelijkheid (het stoffelijke niet) in enigerlei natuurlijke vorm uit te drukken. ; Ze hebben het te goed
; Mohammed ; Jodendom
; Zowel het Christendom als de Islam
; Zolang de mensen nog allerlei… ; zelfbewustzijn
; vertrouwen in-1 vertrouwen in-2 bijna doodervaring-1 bijna doodervaring-2 Maagd-1 Maagd-2 Maagd-3,
nrs. 141,142 en 143 Wie ben ik eigenwaarde tot hun recht komen-1
tot hun recht komen-2 Jodenhaat Opstanding en Hemelvaart het sportieve als het artistieke spel staken De Maagd met het kindeke Jezus Het
verhelderingsproces hoer-1
hoer-2 Religieuze prostitutie Religieuze prostitutie-2 Onvermijdelijke toeval-1 ; onvermijdelijke
toeval-2 Darwin(isme) the survival of the fittest gelijkwaardigheid-1 gelijkwaardigheid-2 gelijkwaardigheid-3 ; Zelfmoord ; Godsdienst als
intellectuele constructie Materialistisch Seksualiteit
/ belediging/ Vrouw natuurrampen Metafysica Mystiek
en Metafysica vanaf no. 140 tot eind van deel 2 het denken van beneden naar boven ( no. 106 ) Verliefd E=MC2 God is Liefde pag. 142 t/m
144 ; S-1
; S-2 ; De Zoon van de mens - wij noemen hem Jezus ; collectivistische
denken(nos. 127 t/m 130) ; Verantwoordelijk ; Vervreemding ; Verlichting
Volwassen
worden-1, Volwassen
worden-2 ; Oedipuscomplex
; God is Liefde pag. 142
t/m 145 ; P-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4 ; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; Mohammed bedacht de Islam en ook dat was een intellectuele
constructie ; concurrentie-1
; concurrentie-2
; Pilatus ; Ziel-1 ; Ziel-2 ; onthouden-1; onthouden-2 ;
Leerproces- (1-pag.83,
2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111,
en 5-pag.
144) ;
Lijdensweg
; Wangedrag ; De grondslagen van Jodendom-Christendom en
Islam-lees o.a de nrs. 142t/m145 en verder ; Sportief..? ; De Bijbel en de
Koran zijn intellectuele constructies..!
; Hersencel-1 ; Hersencel-2 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Overgang-1 ; Onverdraagzaamheid ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Betrokkenheid ; Rechten van de Mens ; Meditatie-1 ; Meditatie-2 ; Oude Testament-1 ; Oude Testament-2 ; Oude Testament-3 ; China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ; Grondslagen van de ISLAM en het CHRISTENDOM
; Beleving-1 ; Beleving-2 ; Verwijten maken aan diegenen
die die vernielingen aanrichten..? ; HOMOSEKSUALITEIT
;
Naar artikelen: Het toenemend belang van
het Atheïsme ; Geen God wat dan
; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele
intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging
van het vrijdenken en het atheïsme ; De verdedigers van de Godsdienst
; Waarom is de Islam als godsdienst
tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl.
18 ; Ongewenst atheïsme- zie afl. 32
; Een grens
te ver (Israël) ; Verbieden
van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Hoe zit
het nou met god..? ; Discrimineert
/ onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 ; Waarom is de Islam als godsdienst
tegen de Westerse Wereld ..? zie no. 27 ; Discrimineert
/ onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 : De Islam ; Het staat in de Koran- zie
aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjari’a
; Burqa,
volg bladwijzer ; De Westerse wereld en de wereld van de Islam ;
No. 76 Psyche,zie vervolgens: P-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;
Er komt in de wording van de
kosmos een moment voor dat op een planeet, als de omstandigheden daarop aan een
aantal voorwaarden voldoen, het leven te voorschijn komt. Dat moment draagt als
kenmerk dat het verschijnsel in zichzelf gaat bewegen. Wij noemen dat
levend-zijn. Naast dit levend-zijn treedt ook het bewustzijn op, namelijk de
totaaltrilling die het gevolg is van het feit dat de bouwstenen, waaruit het
verschijnsel is opgebouwd, in zichzelf in trilling zijn. Die trilling wordt op
een zeker moment dominant en dan komt het verschijnsel tot bewustzijn. Als het
verschijnsel tot bewustzijn gekomen is vervalt de combinatie van bouwstenen niet,
dat wil zeggen: het lichaam blijft een materieel ding. Het wordt wel een
bijzonder ding, namelijk een ding dat in zichzelf beweegt (levend-zijn) en
trilt (bewustzijn). Het is van belang dit goed in de gaten te houden, omdat je
vanuit onze denktraditie onwillekeurig zou gaan denken dat je met een aantal
verschillende verschijnselen binnen één verschijnsel te doen zou hebben. Dus
een gedeelte dat stoffelijk is, een gedeelte dat beweegt en een gedeelte dat
trilt. Maar zo zit het niet! Je hebt te doen met het tegelijk gelden van
materie, beweging en trilling voor een en hetzelfde samengestelde systeem. Het
gemakkelijkst is dit te begrijpen als je de grootheden materie, beweging en
trilling als verhoudingen binnen het verschijnsel beschouwt. De psyche
is een wisselwerking tussen de verhoudingen materie (het ding) en trilling (het
bewustzijn), in die zin dat het ding met het bewustzijn mee gaat trillen. Dat
leidt tot een tweetal eigenaardigheden: ten eerste het optreden van de
werkelijkheid als gevoel, en ten tweede het aan het lichaam ervaarbaar worden
van het psychische. Het lichaam spiegelt de psyche af, deze is er aan af
te lezen. Dat komt natuurlijk doordat het lichaam, vanwege het meetrillen, in een
speciale toestand komt. De rangschikking van de bouwstenen wijzigt zich in die
zin dat het vastgelegde karakter ervan gaat gelden alsof het niet vastgelegd
was. Het is het in trilling komen dat dit veroorzaakt. De vraag is wat zich dan
laat ervaren, wat zich dan afspiegelt. Uiteraard is dat het bewustzijn en dat
betekent dat de werkelijkheid als algemeenheid, de werkelijkheid zoals ze
wezenlijk is, afgespiegeld wordt. Omdat het bewustzijn bij de mens volledig
(volmaakt) geworden is spiegelt zich de gehele werkelijkheid af en wel in alle
verhoudingen die voor haar gelden. Als bijvoorbeeld schoonheid betekent dat
alles in samenhang aanwezig is, zonder dat er iets uitspringt, dan spiegelt het
menselijk lichaam schoonheid af. Als voor de wezenlijke werkelijkheid geldt dat
zij één ondeelbaar geheel is, dan spiegelt ons lichaam dat af. Er is een tijd
geweest dat de mensen beseften dat het lichaam aan het psychische uitdrukking
geeft en dat dit een afspiegeling van de wezenlijke werkelijkheid is. Dat was
de tijd van de Griekse cultuur. Natuurlijk hadden de meeste Grieken, bevangen
als zij waren in de strijd om het bestaan, nauwelijks notie van dit besef, maar
de meer zelfbewuste mensen hadden dat wel. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de
Griekse beeldhouwkunst. Men probeerde aan het menselijk lichaam de wezenlijke
werkelijkheid te tonen. Het menselijk lichaam werd zo gebeeldhouwd dat het het
psychische afstraalde. Dat betekende enerzijds dat het zo mooi mogelijk gemaakt
werd en anderzijds dat alle bijzondere toestanden, zoals bepaalde handelingen
en emoties, zoveel mogelijk buiten beschouwing werden gelaten. Men zag helder
in dat het niet om het bijzondere ging - zoals later in West-Europa wel het
geval zou zijn - maar om het algemene, datgene dat eeuwig geldig is. En ook zag
men in dat de meest volmaakte drager van het psychische het vrouwelijke lichaam
is.
Vandaar dat men zich aangetrokken
voelde tot de godin Afrodite, die als vertegenwoordigster van de liefde het
slotakkoord van de werkelijkheid is. Die oude Grieken zullen niet geweten
hebben hoe het zit met het meetrillen van het ding met de totaaltrilling die
het bewustzijn is, noch zullen zij de betekenis van het bewustzijn als
alomvattende werkelijkheid gekend hebben. Maar aangevoeld hebben zij die zaak
wel degelijk. Hoe dat mogelijk geweest is laat zich begrijpen als je bedenkt
dat de gehele oudheid gericht was op het bewustzijn en het ervaren van de
werkelijkheid als beeld. In de Griekse cultuur is die gerichtheid tot een
hoogtepunt gekomen. Uiteraard hebben die Griekse beeldhouwers het (vrouwelijke)
lichaam zo mooi mogelijk gemaakt. Dat is logisch, want het besef dat het
lichaam de psyche afspiegelt gaat samen met het besef dat dit lichaam
voorgesteld moet worden zonder gebreken. Ik heb er al op gewezen dat het psychische
belemmerd kan worden door onvolkomenheden van het lichaam, hetzij door
materiële oorzaken, hetzij door morele oorzaken. Daardoor kan het meetrillen
niet goed uit de voeten. Toch moeten wij hierbij wel bedenken dat er ook dan
een zekere mate van meetrillen is en dat dit, hoe gebrekkig ook, steeds het
bewustzijn is dat zich manifesteert. Daarom kun je aan een lelijk of gebrekkig
lichaam toch de psyche aflezen. Een gebrekkige psyche is ook een psyche!
Behalve afspiegeling van de wezenlijke werkelijkheid als bewustzijn is het
psychische ook de werkelijkheid als gevoel. De afspiegeling is een uitwendige
zaak, maar het gevoel is een inwendige. Voor jezelf geldt de psyche als
gevoel. Dat mag evenwel niet verward worden met de gevoelens. Deze slaan als
regel op bepaalde ervaringen van jezelf als zelfbewustzijn, ervaringen van
toestanden waarin je op een gegeven moment verkeert. De gevoelens zijn dan ook
te duiden. Hun oorsprong is, al dan niet met behulp van psychologische
onderzoekingen, te achterhalen en aan te wijzen. Tegenwoordig is het plegen van
dergelijke onderzoekingen tot een hele wetenschap uitgegroeid. Men hecht veel
waarde aan het achterhalen van de oorsprong van de gevoelens, de emoties. De
werkelijkheid als gevoel vertoont zich in principe het gaafst aan en in de
seksualiteit. Hierin laat zich gelden dat het vrouwelijke en het mannelijke
ineen zijn. Bijgevolg is er het gevoel dat beide zich hebben te verenigen. Dat
komt precies overeen met de situatie in de wezenlijke werkelijkheid van het
bewustzijn. Het vrouwelijke heeft het mannelijke als inhoud en het mannelijke
is inhoud van het vrouwelijke. Ik moet de seksualiteit nog bespreken, maar een
enkele opmerking is al wel te maken. Seksualiteit geldt voor die levende
verschijnselen die zich tijdens de evolutie uiteengelegd hebben in een
vrouwelijk exemplaar en een mannelijk exemplaar. Omdat zij uiteen zijn voelen
zij de noodzaak zich te verenigen. Gaat het echter over het bewustzijn, dan
zijn beide steeds ineen. Dan gaat het bijgevolg over een toestand. Die toestand
is eigenlijk datgene dat wij liefde noemen. Liefde is dus een begrip dat voor
elk mens geldt en het is niet een betrekkelijk toevallige situatie waarin twee
of meer mensen verkeren, zoals in de westerse denk-traditie gesteld wordt. Men
meent dat er pas dan liefde is als er een bepaalde omgang van mensen bestaat.
In feite echter ligt de zaak precies andersom: voor de mens geldt liefde en
daardoor kunnen er bepaalde omgangen tussen mensen tot stand komen. Het
seksuele is rechtstreeks te herleiden tot de werkelijkheid als gevoel. Het is
de meest zuivere manifestatie daarvan. Ook dat is in de oudheid ingezien. In
India bijvoorbeeld beelden reliëfs op tempels deze zuiverheid uit. Je ziet
uitermate liefelijke taferelen van vrijende mensen. Daarin werd uitdrukking
gegeven aan het goddelijke van de seksualiteit. De gehele oudheid, tot en met
de oude Griekse cultuur, toont ons vrijmoedige beelden van elkaar beminnende
mensen en steeds ligt de nadruk op het mooie ervan.
Psyche,zie
vervolgens: P-1 ; Psyche-2
; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;
Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Ziel-1 ; Ziel-2
Het heeft zin er nogmaals op te
wijzen dat het verschijnsel mens niet voor een gedeelte materieel is en voor
een ander gedeelte psychisch, maar dat het gehele verschijnsel zowel materieel
als psychisch is. Dat zal ons als vanzelfsprekend voorkomen, maar het is toch
nog altijd een zaak die voor het moderne denken moeilijk ligt. Volgens het
taalgebruik hebben wij een ziel of een geest. Men zal tegenwoordig niet meer zo
gemakkelijk op zoek gaan naar zo'n ziel of geest, zoals dat vroeger wel het
geval was door bijvoorbeeld iemand vlak voor en vlak na zijn sterven te wegen,
maar de verhalen over uittredende geesten en het zich manifesteren van de
geesten van overledenen bevestigen niettemin dat er eigenlijk toch aan aparte
onderdelen van het verschijnsel mens gedacht wordt. Hierboven genoemd probleem
doet zich ook voor bij het nadenken over nog een ander aspect van de mens,
namelijk datgene dat doorgaans geest genoemd wordt. Ook hierbij gaat het om een
verhouding in en van het gehele systeem van beweeglijkheden en niet om een
apart gedeelte daarvan. De verleiding om aan een apart gedeelte te denken is nu
evenwel extra groot omdat de mens over een brein beschikt waarin de zogenaamd
geestelijke processen zich af lijken te spelen. Hoe dan ook, het uitlopen in de
verhouding geest berust op het volgende: de bouwstenen gaan zich combineren en
vormen zodoende verschijnselen. Dat combineren geschiedt steeds inniger totdat
er een situatie optreedt waarbij de, eveneens voor de bouwstenen geldende,
trilling dominant gaat worden. Op dat moment krijg je te doen met een
totaaltrilling die zich enerzijds manifesteert als levend-zijn en anderzijds
als bewust-zijn. Vervolgens gaan die levende en bewuste systemen (cellen) zich
met elkaar verenigen tot steeds inniger organisaties en ook dat gaat tot een
grens, namelijk zover tot het punt bereikt is dat het proces niet verder kan.
De organisatie is dan zo innig, zo verfijnd, dat de beweeglijkheden, waaruit
natuurlijk de hele zaak opgebouwd is, niet meer eenzijdig gebonden zijn aan de
systemen waartoe zij, vanuit het wordingsproces, behoorden. Er gaat nu
verwisselbaarheid optreden en dat wil zeggen dat een bepaalde beweeglijkheid
zowel tot het éne als tot het andere systeem kan gaan behoren. In feite
betekent dit dat die beweeglijkheden vrij geworden zijn. Al eerder kwam je het
begrip verwisselbaarheid tegen, namelijk bij het optreden van levend-zijn en
bewust-zijn. Toen echter ging het om de onderlinge verwisselbaarheid van de
bouwstenen zelf, met als gevolg dat de trilling daarvan op een zeker moment
zowel bij de éne als bij de andere bouwsteen kon behoren, met daarvan weer het
gevolg dat er een totaaltrilling kon ontstaan. Deze trilling is in principe
materieel omdat het de trillende materie (bouwsteen) is die hem voortbrengt.
Thans echter gaat het om het feit dat het de beweeglijkheden zelf zijn die zich
vrij hebben gemaakt van alle systemen die in hun voorgeschiedenis een rol
speelden. Zij hebben nergens meer mee te maken en daarom kun je zeggen dat zij
al het voorgaande, in feite de verschenen werkelijkheid, ontkennen. Deze
ontkenning nu is het begrip geest. Duidelijk zal zijn dat wij nu met een
niet-materiële zaak van doen hebben. Het begrip ontkenning is niet te denken
zonder datgene dat ontkend wordt en evenzo is de weer vrij geworden
beweeglijkheid niet te denken zonder zijn voorgeschiedenis. Juist omdat het
wordingsproces tot een maximale innigheid van samenstelling heeft geleid kunnen
de beweeglijkheden gaan gelden alsof ze weer volkomen vrij zijn. Ze worden niet
echt vrij, want dan zou het gehele verschijnsel zich oplossen, welbeschouwd
niet alleen het verschijnsel mens, maar ook alles wat aan hem ten grondslag
ligt. Er zou dan, gezien in de tijdloosheid van de werkelijkheid als
beweeglijkheden, helemaal geen kosmos zijn. Het gaat er dus om te begrijpen dat
de beweeglijkheden zich nu gaan gedragen alsof ze geheel op zichzelf zijn. En
dat kunnen zij op voorwaarde dat er een kosmos, uitlopend in het meest innige verschijnsel
mens, ontstaan is. Het begrip geest is dus niet los te denken van de materie.
Het is in feite materie die zich als niet-materie gelden laat. Dit betekent dat
alle verhalen over geesten en goden, die de mensen in de loop der tijden elkaar
wijsgemaakt hebben, op een niet-begrijpen van het begrip geest berusten.
Het betekent ook dat de hele
verzameling godsbewijzen, waarmee men enerzijds wilde aantonen dat god niet
bestaat en anderzijds dat hij wel bestaat, over boord gezet kan worden. Al die
zogenaamde bewijzen berusten op waarschijnlijkheden, waarvan het dubieuze is
dat je niet met zekerheid kunt zeggen of je god niet toch tegen zult komen als
je mogelijkheden tot onderzoek vergroot zijn. Het feit dat god tot nu toe niet
ontdekt is betekent, logisch redenerend, op zichzelf niet dat hij er niet is!
Op dit laatste berusten de bevestigende bewijzen van Gods bestaan. Hetzelfde
geldt voor die hele collectie geesten die zich tegenwoordig in een zekere
populariteit kunnen verheugen...Als je de gedachtegang inzake de wording,
vanuit de beweeglijkheden, begrijpt heb je niets meer met bewijsvoeringen op
grond van waarschijnlijkheden te maken. Die gedachtegang leidt er
onvermijdelijk toe dat je begrijpt hoe het zit met de allerlaatste situatie
waarin de beweeglijkheden komen te verkeren. Vanuit dat begrijpen weet je voor
eens en voor altijd dat goden en geesten onmogelijk zijn, maar je begrijpt ook
waarom de mensen almaar met zulke verhalen op de proppen gekomen zijn.
Opmerkelijk is namelijk dat er binnen het kader van de religies uitspraken zijn
gedaan die verwijzen naar een besef omtrent de werkelijke situatie waarin de
mens in de kosmos verkeert. Men heeft over god gesproken als begin en einde, in
die zin dat beide situaties identiek zouden zijn. En in de filosofie heeft
bijvoorbeeld Hegel hetzelfde gezegd: de oorspronkelijke werkelijkheid (bij hem:
denken) zou, via een omkering in zichzelf (de verschijnselen) tenslotte weer
bij zichzelf terug gekomen zijn (denken). Op zichzelf zijn deze gedachten
juist, maar je mag toch in geen geval vergeten dat de oorspronkelijke
werkelijkheid (de beweeglijkheden) aan het eind in een volstrekt andere
situatie teruggekomen zijn. Aan het begin zijn zij helemaal op zichzelf, maar
aan het eind zijn zij er alsof zij op zichzelf zijn, zonder daarbij los te
komen van hun voorgeschiedenis: de wording. Omdat de werkelijkheid als geest de
ontkenning van al het bestaande is, uiteraard inclusief het verschijnsel mens,
denken de meeste mensen tot op de dag van vandaag dat genoemde werkelijkheid
een zelfstandige is, niet alleen buiten de mens, maar zelfs boven hem. Zij
kunnen niet bevatten dat alle uitspraken over goden en geesten op henzelf
betrekking hebben, dat dergelijke zaken alleen maar in hun eigen hoofd bestaan.
Omdat zulke uitspraken toch op de een of andere manier op de werkelijkheid als
geest slaan is het uitermate boeiend ervan kennis te nemen. Hoewel toegegeven
moet worden dat vanuit de godsdiensten, vooral de tegenwoordige, nauwelijks
iets anders dan onzin te berde gebracht wordt, is het toch goed om in te zien
dat die onzin te maken heeft met iets dat voor de mens essentieel is: het feit
dat hij grenst aan een volkomen vluchtige, aan niets gebonden, alles oplossende
heldere werkelijkheid. Zo gezien behoren de godsdiensten tot zo ongeveer de
enige overtuigingen die, zij het op Onbegrepen en bijgevolg onzinnige wijze,
nog enigszins op het wezen van de mens betrekking hebben. Dat verklaart dan ook
hun grote invloed op de mensen. Maar, je moet die godsdiensten dan wel naar hun
essentie beoordelen en niet naar hun onvermijdelijke en voor de mensheid
funeste streven naar macht.
Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8
Bij het nadenken over de wording
van de kosmos bemerk je dat het wordingsproces zich op verschillende niveaus
afspeelt. Nu zijn wij gewend om van hogere en lagere niveaus te spreken en dus,
als het gaat over de zogenaamde geest, die als het hoogste te beschouwen.
Hoewel je de woorden hoger en lager wel kunt gebruiken is het toch van belang
je goed te realiseren dat er in feite niet van hoger en lager gesproken kan
worden. Zou je daar niet op letten dan zou je ongewild in het gangbare westerse
denkpatroon vervallen, waarbij als vanzelfsprekend het lagere als minder
belangrijk, als minder waardevol, wordt gezien. Het westerse denken is in wezen
uiterst discriminerend, juist omdat er steeds iets is dat voor waardeloos
doorgaat. En anderzijds is er onvermijdelijk iets, namelijk datgene dat men
geest noemt, waaraan de grootste waarde wordt toegekend. Daardoor gaat het
geestelijke al het andere domineren en dat heeft tot gevolg dat je een volkomen
foute voorstelling van de werkelijkheid, en dus ook van je eigen leven, krijgt.
Er bestaat geen hoger en lager en de geest domineert de werkelijkheid niet, ook
al lijkt het of dit wel het geval is. Aan het einde van het wordingsproces zijn
alle verhoudingen, die tussen beweeglijkheden mogelijk en houdbaar zijn, tot
realiteit geworden. Van belang is hierbij dat het gaat over verhoudingen tussen
beweeglijkheden en dat die beweeglijkheden zelf onaangetast blijven - ik heb
hierop bij herhaling gewezen. Als die beweeglijkheden wel in de zaak betrokken
waren geweest, konden zij aan het einde van het gehele proces niet naar hun
ware, onafhankelijke, aard gaan gelden. Die onafhankelijkheid was dan volledig
verloren gegaan. De merkwaardige situatie die wij met het begrip geest
aanduiden was ten enenmale onmogelijk geweest. Tot nu toe heb ik als
vanzelfsprekend aangenomen dat het de mens is in wie de situatie geest voor de
dag komt. Maar eigenlijk moet dat beredeneerd worden, en wel vanuit de
gedachtegang over het wordingsproces zelf. De daarbij geldende argumenten
berusten allemaal op het feit dat de laatste mogelijkheid, waartoe het proces
komt, een dubbelsituatie moet zijn. Voor het laatste verschijnsel moet gelden
dat het een dubbelwezen is. Enerzijds heb je immers te doen met een
allesomvattend verschijnsel en anderzijds met de volstrekte ontkenning daarvan.
Bovendien moeten die beide situaties met elkaar samenhangen, waarbij de
verhouding zo zal moeten zijn dat de ontkenning niet denkbaar is zonder het
allesomvattende verschijnsel en zijn voorgeschiedenis. Het laatste verschijnsel
zal, omdat het alles omvattend is, geen enkele natuurlijke specialisatie kunnen
vertonen. Juist omdat elke specialisatie aanwezig is geldt er geen enkele als
kenmerkend. Alle voorgaande verschijnselen, die slechts, in het kader van de
verhouding binnen- en buitenwereld, met een beperkte en zeer speciale realiteit
verband houden (via het bewustzijn) zijn toegespitst op die speciale realiteit.
Zij zijn gespecialiseerd in het omgaan met die realiteit. Roofdieren zijn
toegerust op het doden van bepaalde andere dieren, planteneters op het
verwerken van moeilijk verteerbare organismen, kortom: ieder levend wezen is
toegerust op het tot energie omzetten van een specifieke werkelijkheid. Voor
het laatste verschijnsel is de werkelijkheid een allesomvattende en dus
vertoont het geen natuurlijke specialisatie. Maar, het laatste verschijnsel zal
in staat zijn op letterlijk alles nee te zeggen, alles te ontkennen. Het zal,
als enige in de kosmos, ook zichzelf moeten kunnen ontkennen. Het begrip zelfmoord moet van kracht
zijn. Omdat de overige levende wezens nog niet de laatsten zijn geldt het
begrip zelfmoord
voor hen niet. Inderdaad blijken de planten en de dieren volledig uitgeleverd
te zijn aan hun eigen realiteit, waartegen zij geen nee kunnen zeggen. Zij
zijn, in tegenstelling tot het laatste verschijnsel, niet in staat zich eraan
te onttrekken. Vervolgens moet blijken dat het laatste verschijnsel als kenmerk
draagt dat het voortdurend bezig is zijn wereld te veranderen. Dat komt doordat
voor hem geldt dat hij zijn wereld kan ontkennen en tegelijk in staat is zich
elke gewenste specialisatie eigen te maken. Het veranderen van iets is
ondenkbaar en onmogelijk zonder het vermogen tot ontkennen: zo moet iets niet
zijn, iets moet anders zijn. Als je bovenstaande eigenaardigheden van het
laatste verschijnsel in de gaten hebt, kan de conclusie geen andere zijn dan
deze, dat het moet gaan over de mens. De onafhankelijke gedachtegang over het
ontstaan van verhoudingen tussen de beweeglijkheden leidt onvermijdelijk tot de
constatering dat er bepaalde eigenaardigheden bij het laatste verschijnsel
aanwezig moeten zijn, en vervolgens blijken die eigenaardigheden bij de mens
voor te komen. Volgens sommige denkers, o.a. Teilhard de Chardin (1881-1955),
moet er na de ons bekende mens nog een, uiteraard hoger, verschijnsel komen.
Hij opperde die gedachte in Het verschijnsel mens. Op grond van het feit dat
het logisch redenerend vast komt te staan dat de mens de werkelijkheid als
zelfontkenning aan zich heeft, kan er na hem niet nog een verschijnsel komen,
maar zelfs als je aanneemt dat dit wel het geval zou zijn, blijft het een
onweerlegbaar feit dat wij mensen geen specialisatie vertonen en alles, zelfs
onszelf, kunnen ontkennen. Het blijft een feit dat wij een dubbelwezen zijn. De
gedachte van Teilhard de Chardin was dus fout. Eigenlijk verbaast het je dat
hij niet in de gaten had dat juist het feit dat hij een hogere mens kon
bedenken bewijst dat dat zogenaamde hogere voor hemzelf, als mens, geldt.
Waarschijnlijk kon hij, en hij is daarin niet de enige, niet verwerken dat Gods
laatste schepping (hij was Jezuïet!) zo armetierig voor de dag komt. Je kunt
constateren dat alle levende wezens, behalve de mens, ter wereld komen met een
aangeboren levensprogramma. Zo'n programma wordt zonder mankeren afgewerkt.
Eigenlijk behoeven die levende wezens niets te leren. Het reeds aanwezige
programma moet hoogstens geactiveerd worden. Wat wij bijvoorbeeld aanzien voor
het spelen van jonge dieren is in feite dat activeren. Voor Ons besef gaat het
daarbij om leren, maar dat is onjuist: dat besef komt voort uit het feit dat
wij, mensen, juist alles moeten leren omdat wij geen enkel levensprogramma
aangeboren hebben gekregen. De mens kan niets zomaar vanuit zichzelf omdat hij
tot niets toegerust is. Je ziet dan ook dat de mens zichzelf gaandeweg
programma's inprent, aanvankelijk natuurlijk vrijwel uitsluitend programma's om
te overleven en zich voort te planten. Dit alles heeft dus te maken met het
niet gespecialiseerd zijn van de mens. Ook het feit dat er voor de mens, als
laatste verschijnsel, ook nog een andere werkelijkheid geldt, een werkelijkheid
die op zichzelf de bestaande ontkent, is aan de praktijk van het menselijk
leven te herkennen. Sinds de vroegste tijden laten de mensen zich uit over een
hogere werkelijkheid. Het blijkt weliswaar dat zij daarbij allerlei onzin
uitkramen, maar toch is er een besef van een werkelijkheid die anders is.
Bovendien is dat een werkelijkheid die als de maat voor alle dingen gezien
wordt. Het gaat daarbij over iets eeuwigs, iets helders en iets dat aan alles
ten grondslag ligt en bijgevolg ook aanleiding geeft met betrekking tot het
leven een moraal te bedenken. Welke rol die andere werkelijkheid ook speelt in
de loop van de geschiedenis, steeds blijken de mensen er weet van te hebben en
de zaak zelfs als hoogste te waarderen. Waartoe een dergelijke waardering leidt
is op dit moment minder van belang - het gaat er om dat de mensen altijd
aangevoeld hebben dat er nog iets is. Zij zijn dus het gezochte dubbelwezen.
No. 79 (Voor een heldere uiteenzetting van de GRONDGEDACHTE zie: BEWEGING
EN VERSCHIJNSEL deel 1 en Beweging
en Verschijnsel deel 3)
“wie ben ik”. De gedachtegang, die
leidt tot de conclusie dat de mens een dubbelwezen is en als zodanig het
slotakkoord van het wordingsproces, berust op een bepaald logisch principe,
namelijk dat van de onafhankelijke redenering. Bij die redenering heb ik er
steeds de nadruk op gelegd dat je nooit gebruik mag maken van kennis, die je op
de een of andere manier opgedaan hebt en waarvan je meent dat die betrouwbaar
is. Dat gaat zelfs zover dat je je om te beginnen ook niet af mag vragen wie of
wat je zelf bent. Je weet immers het antwoord op die laatste vraag pas aan het
eind van de redenering over de werkelijkheid en haar wording! Het enige dat je
kunt doen is constateren dat je er bent als ik en dat er nog iets anders
is, zeg niet-ik. Dat leidt tot de conclusie dat de oorspronkelijke werkelijkheid
een zee van beweeglijkheden moet zijn. Die conclusie dient vervolgens als
uitgangspunt van de genoemde onafhankelijke redenering. Juist omdat die
redenering onafhankelijk is kun je, aan het einde gekomen, de vraag stellen of
datgene dat je daar aantreft een verschijnsel is dat je in de praktijk
aantreft. Het blijkt dan dat je zelf dat laatste verschijnsel bent. De meeste
denkers beginnen aan de verkeerde kant. Zij vragen zich af wie en wat zij zijn
en proberen van daaruit de werkelijkheid te beschrijven. Het is dan
onvermijdelijk dat er een beschrijving van de werkelijkheid ontstaat die
bevangen is in een aantal normen en waarden, die berusten op de toevallige
persoonlijkheid van zo'n denker en de tijd waarin hij leeft. Als hij dan ook
nog de in zijn tijd beschikbare kennis gebruikt is het al helemaal zeker dat
zijn filosofie gedateerd zal zijn. De filosoof Immanuel Kant bijvoorbeeld ging
uitzoeken hoe het met de geest en het denken zat en hij wist daarvan een groot
aantal eigenaardigheden boven water te krijgen (Kritik der reinen Vernunft,
1781). Het gevolg was dat zijn gehele beschrijving van de werkelijkheid in het
teken van die, door hemzelf ontdekte, eigenaardigheden stond. Dat is op
zichzelf een knap staaltje van denkwerk, maar je kunt het niet onafhankelijk
noemen. Doordat dit het geval is kan datgene dat hij over de mens gezegd heeft
in de grond van de zaak niet logisch onderbouwd worden, het heeft geen
filosofische bewijskracht. Bij nadere beschouwing blijkt dat hij uitsluitend
zijn eigen voorstelling van de werkelijkheid heeft gegeven. De hele zaak komt
dus hierop neer dat hij - en met hem alle bekende filosofen - iets als
uitgangspunt heeft genomen dat pas aan het einde van de gedachtegang geweten
kan worden. Dat uitgangspunt is bijgevolg een vooronderstelling waarvan het al
of niet juist zijn nimmer kan blijken. Als je echter alles wat je meent te
weten, ook omtrent jezelf, consequent als onbetrouwbaar afwijst, is het logisch
verantwoord om aan het einde van de gedachtegang vast te stellen dat je zelf
het laatste verschijnsel bent. Je stelt dat als het ware van buitenaf vast. Je
komt tot de conclusie dat het laatste verschijnsel een dubbelwezen is dat
enerzijds alles inhoudt om anderzijds tegelijk alles te ontkennen, en zie dat
ben ik zelf. Deze laatste ontdekking kun je alleen maar dan doen als je
redenering onafhankelijk geweest is. Het was deze onafhankelijkheid die door
Socrates indertijd bedoeld werd met de uitspraak: Ik weet niets. In feite wist
hij natuurlijk erg veel, maar hij wees dat af als het over het filosofische
denken ging. In de gehele mij bekende filosofie wordt het begrip geest gebruikt
op de wijze van de bovengenoemde vooronderstelling. Men gaat er steeds van uit
dat het de geest zou zijn die in ons werkzaam is en die bovendien de maat zou
zijn voor alle dingen. Opvallend is daarbij dat niemand weet te vertellen wat
de geest nu eigenlijk is. Toch geldt hij als de bron van alle moraal, van alle
ethiek, en dus als een leidinggevende instantie. Voor godsdienstige mensen is
de geest een buiten en boven de mens staande goddelijke werkelijkheid, maar
voor verreweg de meeste filosofen is hij een werkelijkheid binnen het
verschijnsel mens, zij het dan toch ook een hogere, een maatgevende,
werkelijkheid. Die zaak zou dan op de mens inwerken en hem in zekere zin tot
een geestelijk wezen maken. Een wezen dat zich boven het natuurlijke verheft.
Er wordt dan ook voortdurend in verheven termen over dat wezen en zijn geest
gesproken. Dat is allemaal te begrijpen als je bedenkt dat men van de vooronderstelling
uitgaat dat de geest een werkelijkheid zou zijn die op een veredelende wijze op
het verschijnsel mens inwerkt. In feite echter is dat niet het geval, maar dat
kun je pas weten als je, via de onafhankelijke redenering, bij het verschijnsel
mens uitgekomen bent. ( wat is de geest )Je ontdekt dan namelijk wat de geest
werkelijk is: de optimaal innig samengestelde materie die zich gelden laat
alsof ze géén materie was, maar louter beweeglijkheden. Dat echter betekent dat
het gaat over een zaak waarvan eigenlijk niets te zeggen valt, die geen
eigenschappen heeft en die volkomen onaantastbaar is. Bijgevolg is het
onmogelijk dat er een werking op het verschijnsel van uitgaat. In feite is er
van de geest alleen maar te zeggen dat hij niets is - als tegenstelling tot
iets, dat altijd de een of andere materiële verhouding is. Hij is dus niets
bestaands. Bovendien is te zeggen dat je er niets aan hebt: de geest ontsnapt
volkomen aan de realiteit van het verschijnsel. Het uitoefenen van een werking
is een eigenaardigheid van de beweeglijkheden voor zover die in een materiële
verhouding tot elkaar zijn komen te verkeren. Zo'n verhouding treedt pas op bij
het zich combineren van bouwstenen via het wederzijds opheffen van bewegingen.
Dat is dus een zaak die niet aan de orde is als het over de beweeglijkheden
zelf gaat. Hij is dus ook niet te bedenken aan de werkelijkheid als geest. Doe
je dat wel, dan pas je materiële kwalificaties toe op een niet-materiële
situatie. Dat kan natuurlijk niet! Intussen is dat in ons huidige denken wel
gebruikelijk: men schrijft aan de geest een werking op het verschijnsel toe,
juist omdat men veronderstelt te weten wat de geest is, maar het absoluut niet
weet. We zijn dus genoodzaakt anders over de mens en zijn geest te gaan denken.
De algemeen aanvaarde vooronderstelling dat de geest, op een regulerende wijze,
inwerkt op het menselijk leven blijkt, op grond van de onafhankelijke
redenering, een onjuiste vooronderstelling te zijn. Daarmee vervalt eigenlijk
al het denken van de mensen over zichzelf. Het godsdienstig en humanistisch
denken, het moralistische en ethische denken, ja zelfs elke vorm van
machtsdenken, dat zich, zoals de geschiedenis en de praktijk leren, altijd op
de geest beroept, in de vorm van god of de ingeboren rede. Er kan simpelweg
geen enkele zinvolle beoordeling van jouw en mijn leven gegeven worden met een
beroep op de geest. Voor zover een dergelijke beoordeling toch mogelijk is moet
die op een andere grootheid berusten. Welke dat is kan achterhaald worden door,
wederom, de onafhankelijke redenering te volgen. Voorlopig echter is van belang
in te zien dat er geen geestelijke maatstaf bestaat. In een ander verband heb
ik er op gewezen dat de veronderstelling dat de geest op de mensen inwerkt,
leidt tot van bovenaf denken, zie daarvoor De ontwikkeling van de West-Europese
cultuur, 1985-1987, en De kunst van het filosoferen, 1987-1989. Gevolg van dat
van bovenaf denken is onder andere dat de mensen altijd schuldig zijn omdat zij
altijd tekort schieten in vergelijking met datgene dat zij zelf, vanuit de
vooronderstelling van een op hen inwerkende geest, aan moraal en ethiek
bedenken. De mensen aanvaarden hun eigen normen niet en hebben er geen vrede
mee dat zij zijn zoals zij zijn.
Aan het einde van het wordingsproces
hebben de bouwstenen zich dermate innig met elkaar verbonden dat de
oorspronkelijke beweeglijkheden gaan gelden alsof zij weer volkomen vrij waren.
Hun eigen karakter gaat dan weer gelden, in tegenstelling tot alle voorgaande
situaties waarbij de materiële samenstellingen bepalend zijn en de
beweeglijkheden zelf van geen belang waren - behalve uiteraard als oorzaak van
allerlei verhoudingen. Ik wijs er nogmaals op dat de beweeglijkheden aan het
eind van het proces niet echt vrij worden. Als dat het geval was zou er in het
heelal geen laatste verschijnsel, de mens, aanwezig zijn. Bij hem aangekomen
zou elk wordingsproces onmiddellijk instorten, en wel in zijn geheel, dus met
inbegrip van alle voor het einde liggende fasen. Dit laatste is voor de moderne
mens wat moeilijk te begrijpen omdat voor hem alle, tijdens een proces te
voorschijn gekomen, verschijnselen op zichzelf staan. Daardoor meent hij dat de
rest best wel kan blijven bestaan als de mens wegvalt vanwege zijn oplossen in
beweeglijkheden bij het bereiken van de situatie geest. Je moet echter bedenken
dat alle verschijnselen manifestaties van één proces zijn. Loopt dat proces uit
in het zich oplossen tot beweeglijkheden, dan worden op dat moment ook al die
manifestaties opgelost. Er bestaat dan geen enkel verschijnsel meer. Als je de
zaak omkeert kun je concluderen: uit het feit dat (vrijwel) alle fasen van het
wordingsproces nog steeds als verschijnsel aanwezig zijn blijkt dat de geest
niet op zichzelf komt te staan, maar een wijze van bestaan van de materie is.
Het komt er dus op aan in te zien dat, bij de mens aangekomen, de materie zich
gaat gedragen alsof ze geen materie was, maar intussen toch materie blijft! Dat
zich gedragen als geen-materie is het begrip geest. Omdat voor dit begrip de
kwalificaties van de beweeglijkheden zelf gelden krijgen we, als het over de
geest gaat, te doen met een werkelijkheid die er voor de mens, en alles wat aan
hem voorafgaat, niet is. Die werkelijkheid bestaat eenvoudig niet, omdat er
niets van te zeggen is en omdat zij volkomen Onbepaald is. Een dergelijke
werkelijkheid kan geen werking op wat dan ook uitoefenen. Als de geest geen
werking op de materie kan uitoefenen zijn onvermijdelijk alle verhalen van de
mensen over het geestelijk wezen dat zij zouden zijn letterlijk uit de lucht
gegrepen. Zij berusten immers allemaal op de vooronderstelling dat de geest op
jou en mij inwerkt. Op die fictie berusten alle godsdiensten en filosofieën. De
werkelijkheid als geest is de volledige ontkenning van al datgene dat onze
werkelijkheid uitmaakt. Alles wat wij kennen is zij niet. Als wij daarbij dan
ook nog bedenken dat de mensen lange tijd niet begrijpen wie en wat zij zijn,
dan wordt het wellicht duidelijk dat die mensen steeds denken met een andere en
aparte werkelijkheid te doen hebben als het over de geest gaat. Een
werkelijkheid waar zij buiten staan. Oppervlakkig beschouwd klopt dat wel, want
de mensen zijn materie en de geest geldt als niet-materie. Maar in feite klopt
het niet omdat de materie, mens geworden, zich als niet-materie gedraagt.
Vanuit het besef en de gedachte dat de geest een andere werkelijkheid zou zijn
is het te begrijpen dat men in de mening verkeert dat de geest op de materie,
in feite de mens, inwerkt. In de realiteit van ons bestaan kennen wij immers
alleen maar verschijnselen die op elkaar inwerken. Logisch dat men dan ook
denkt aan een wisselwerking tussen geest en lichaam. Over die vermeende
inwerking is nog het volgende te zeggen: als het inderdaad zo zou zijn dat er
een inwerking was zou dat een zaak zijn waar wij mensen niet onderuit kunnen
komen. Ons geestelijk-zijn zou net zo vanzelfsprekend en onontkoombaar zijn als
het hebben van twee armen en benen. Het zou immers een kosmisch verschijnsel
zijn dat buiten onze wil om altijd en onvermijdelijk werkzaam was. De mensen
zouden dan niet anders kunnen dan zich overeenkomstig de geest te gedragen. Zij
zouden dan inderdaad beantwoorden aan de godsdienstige moraal, de ethiek en
alle overige hogere waarden en zij zouden daarin geen keuze hebben. De mensen
waren allemaal zonder meer heiligen, precies zoals zij zichzelf en elkaar
steeds als norm voor hebben gehouden. Wat we evenwel in de praktijk zien is
geheel iets anders! De mensen houden zich helemaal niet aan hun eigen
geestelijke normen, zij proberen voortdurend er onderuit te komen. Dat wijst er
op dat het slechts over bedenksels gaat en helemaal niet over een kosmische
verhouding, een wet, die onafhankelijk van onszelf van kracht is. Uiteraard
zijn het bedenksels omdat er, zoals gezegd, helemaal geen inwerking van de
geest is. Uit onbegrip inzake de eigen situatie in de kosmos verkeert men
alleen maar in die mening en naar die mening gedraagt men zich.
Omdat het echter slechts een
onvolwassen mening is ontstaat er een tweeslachtigheid: enerzijds beschouwt men
god (de geest, gezien als werkzame hogere instantie) als almachtig - wat op een
kosmische en dus onontkoombare verhouding duidt - om anderzijds in de praktijk
diezelfde almacht naast zich neer te leggen en helemaal niet aan de normen daarvan
te beantwoorden. Vanuit genoemde fictie van een werkzame geest stellen de
mensen zichzelf en elkaar een hogere en betere werkelijkheid, bijvoorbeeld god
of de rede, ten voorbeeld. Dat leidt er toe dat men, bij het nadenken over
zichzelf en de mensheid, niet uitgaat van de reële mens, maar van een bedachte
hogere mens. Daarvan is dan weer het gevolg dat men tot de overtuiging komt dat
wij allemaal voortdurend tekort schieten. Dat is natuurlijk een waardeoordeel
en wel bijna altijd een negatief. De fictie leidt er ook toe dat men
ideologieen gaat aanhangen en dat die een collectief karakter dragen. Als je
meent dat er een andere werkelijkheid is, dan volgt daar uit dat die voor alle
mensen geldt, of zij dat willen of niet. Bijgevolg wil je alle mensen er aan
onderwerpen en dat heeft onverdraagzaamheid tot gevolg. Eigenlijk heb ik al
steeds gezegd hoe het nu wel zit met dat begrip geest. Maar daarvan is meer te
zeggen: er is namelijk een beweging van materie naar niet-materie, geheel
overeenkomstig de richting waarin het wordingsproces zich afspeelt. Dat
betekent dat in de mens de materie almaar naar de geest toe werkt. Gezien
vanuit de realiteit is dat dus een beweging vanonder naar boven - om even in
die gangbare termen te spreken. Die beweging is in de gehele mensheid, vanaf de
vroegste tijden, waar te nemen. Steeds werken mensen zich omhoog, brengen alles
op een hoger plan om vervolgens vanuit dat hogere plan te gaan denken en met
verhalen over god en dergelijke te komen. Dat laatste denken gaat dus precies
in de verkeerde richting: het gaat van boven naar beneden, geheel in strijd met
de werkelijke richting. Het is, nogmaals, de materie die zich als niet-materie
laat gelden en dus, in de gebruikelijke terminologie: het is het lagere dat
zich omhoog werkt. De verhouding ligt niet andersom. Je kunt zeggen dat er in
de materie, in het verschijnsel mens, een nimmer aflatende drang naar het
geestelijke is. Dat wil niet zeggen dat het allemaal zo fraai zou zijn, want,
bijvoorbeeld, de drang naar macht en bezit behoort er ook bij. In de eerste
primitieve priesters vertoonde zich die drang, maar ook in diegenen die
begonnen met het verbouwen van gewassen. De moderne democratie laat duidelijk
de werking in de richting van beneden naar boven zien, maar ook voor de wetenschappelijke
ontwikkeling geldt dat. Kortom: alles dringt naar het geestelijke, naar
niet-materie, toe.
Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8
Het wordingsproces speelt zich af
in één richting. Hoe banaal het ook klinkt: het gaat van het begin naar het
einde en niet andersom. Wij vinden dat terecht iets vanzelfsprekends, zogezegd
een evidentie, maar toch kun je je afvragen waarom dat zo is. Het antwoord kun
je vinden door nog eens na te gaan wat er gebeurt tijdens het wordingsproces. Dat
proces heeft een kwantitatief karakter omdat er zich steeds systemen (bijv.
bouwstenen) voegen bij al bestaande systemen. Maar, dat zich erbij voegen is
aan een voorwaarde gebonden: de richting waarin de zich erbij voegende systemen
een bestaand systeem benaderen moet de juiste zijn. Van alle oneindig vele
mogelijke richtingen is er steeds maar één de juiste. Dat bleek heel duidelijk
toen wij het zich combineren van twee bouwstenen nagingen: de richting van de
beweging brandpunt naar vrije beweeglijkheid van het ene systeem moest precies
in het verlengde liggen en tegengesteld zijn aan de beweging brandpunt naar
vrije beweeglijkheid van het andere systeem, opdat beide bewegingen zich aan
elkaar konden neutraliseren. Het begrip richting is voortdurend maatgevend
tijdens het proces van de wording van de verschijnselen. Het bepaalt het
combineren van systemen. Achteraf kunnen wij een rode draad herkennen in het
wordingsproces. Dat kunnen wij doen omdat alle combinaties, die wel mogelijk,
maar niet houdbaar zijn gebleken, inmiddels zijn afgevallen. Het wordingsproces
is een afvalproces, zoals ik al eerder opgemerkt heb. In feite heeft dat proces
vele richtingen ingeslagen, maar slechts één leidde tot het slotakkoord, de
mens. Hierbij passen twee opmerkingen. Ten eerste: er zijn tijdens de wording
wel degelijk systemen die weer terug schijnen te vallen. Dat echter is ook een
voortgang in een richting: de zaak blijkt niet houdbaar te zijn. Ten tweede:
ook datgene dat ik nog zal bespreken als vergankelijkheid is een voortgang en
geen teruggang, hoewel het daarop wel lijkt omdat een verschijnsel tot stof
wederkeert. Eventueel is er nog een derde punt aan toe te voegen, namelijk als
het gaat om datgene dat zich door veranderingen in het geheel van de kosmos
niet kan handhaven. Dat was het geval met de dinosaurussen en dergelijke grote
diersoorten. Hierbij echter berust het afvallen op de onmogelijkheid zich aan
de veranderde omstandigheden aan te passen. Het schijnt dat er iets aan de hand
is geweest met de zwaartekracht van de aarde en de stand van de aardas. Telkens
als er zich een nieuw systeem bij een bestaand gevoegd heeft (kwantitatief)
treedt er een verschijnsel met een nieuwe kwaliteit op: het gedraagt zich
anders. Je ziet dus dat het proces nieuwe kwantiteiten te voorschijn brengt en
daardoor van kwaliteit verandert. Aan het einde van dat proces, als de laatste
kwantitatieve mogelijkheid is gerealiseerd, verandert de kwaliteit op een
zodanige manier dat het dan ontstane verschijnsel zich gaat gedragen alsof het
geen verschijnsel was: de materie als niet-materie. Het begrip
niet-materie kennen wij als de zogenaamde geest. Holisten bedienen zich graag
van de uitspraak dat het geheel meer is dan de som der delen. Dat is een
slordige uitspraak! Als het proces bij de mens aangeland is kan er,
kwantitatief gesproken, absoluut niets meer bij. Alle mogelijkheden van
combinaties zijn gerealiseerd. Er kan dus niets méér zijn dan de som der delen.
Wat men dan ook bedoelt te zeggen is dat de kwaliteit van die som een andere is
dan de kwaliteiten van de delen afzonderlijk. Met meer of minder heeft dit
niets te maken. Zo is de kwaliteit geest onmogelijk te bedenken aan de delen
waaruit het verschijnsel mens opgebouwd is, maar aan de som der delen, die een
absoluut totaal is omdat er werkelijk niets meer bij kan, is de kwaliteit geest
wel te bedenken.
Interessant is in dit verband dat
bepaalde denkers menen dat de evolutie nog niet afgelopen is en dat de mens
zich nog verder evolueren zal. Dat echter zou betekenen dat er wel degelijk nog
iets bij zal komen. Zo meent men dat onze breinen zich zullen vergroten
teneinde helderder te kunnen denken. Dit is natuurlijk onzin! Er kan niets meer
bij. Het is niet onmogelijk dat de mens in de loop der tijd een grotere
herseninhoud heeft gekregen, maar dat kan niet het gevolg zijn van een
voortgaande evolutie. Het is wel mogelijk op grond van aanpassingsprocessen,
maar die berusten op een reeds bestaande kwaliteit die zich gaandeweg
ontwikkelt. Er komt voor de dag wat reeds in principe mogelijk was. Het gaat
dus om het zich erbij voegen van systemen, net zolang totdat het niet verder
kan. Omdat dit zich erbij voegen gebonden is aan een richting, is ook het
proces aan een richting gebonden. Dat geldt natuurlijk ook voor het laatste
verschijnsel. Bijgevolg ligt het in de logica om te zeggen dat de materie zich
gedraagt als geest en dat er dus te spreken is van een beweging van materie
naar geest. Maar andersom, van geest naar materie, is onmogelijk. Er zijn dus
twee redenen waarom de algemeen gangbare gedachte dat de geest op de materie
zou inwerken een foute gedachte is: ten eerste de reeds genoemde reden dat de
werkelijkheid als beweeglijkheden, door haar absolute Onbepaaldheid, nergens op
in kan werken, en ten tweede deze dat een dergelijke inwerking niet aan de
richting van het proces beantwoordt. Dat de verhoudingen liggen zoals hierboven
gezegd is betrekkelijk gemakkelijk aan onszelf te controleren. Alle bestaande
verschijnselen, inclusief wijzelf, bestaan op twee manieren: ze bestaan in de realiteit
en ze bestaan zogezegd in onze geest. Een bepaalde tafel staat in onze kamer
als een concreet voorwerp, maar die tafel bestaat ook in ons hoofd als een
abstractie. Wij kunnen aan die tafel denken en hem dan voor ons zien. Let er
wel op dat ik het nu over een bestaande tafel heb en niet over het begrip
tafel. Die bestaande tafel is dus zowel concreet als abstractie kunt derhalve
constateren dat het bestaande zich omzet tot iets geestelijks. De gehele
werkelijkheid zet zich in de mens om tot geest. Dat komt helemaal overeen met
de genoemde richting van het proces. Soms lijkt het alsof er dingen zijn die
alleen maar in onze geest bestaan, maar als je zoiets nauwkeurig nagaat blijkt
dat niet het geval te zijn. Een nog te bouwen brug is inderdaad nog geen
realiteit, maar je moet toch weten wat een brug is en dus teruggrijpen op iets
bestaands. Voor diegene die indertijd als eerste een brug bouwde bestond er
helemaal geen idee van een brug, hij stond uitsluitend voor het probleem hoe
hij de overkant moest bereiken. Het was onder anderen Plato die meende dat er
een soort van ideeenwereld, onafhankelijk van het menselijk weten, bestond.
Vanuit die idee zouden zich dan de dingen formeren, als een soort van
afspiegeling van de idee. Waarschijnlijk is het bovenstaande om te beginnen
niet goed in te zien, maar dat komt doordat de zaak voor ons anders lijkt door
de werking van het zelfbewustzijn, waarover ik nog moet spreken.
Er zijn namelijk drie grootheden te bedenken aan die
allerlaatste verhouding materie als niet-materie. De eerste grootheid is
natuurlijk het begrip materie, de tweede is bijgevolg materie als
niet-materie en de derde is het begrip niet-materie. Nu is het dat
tweede begrip dat het zelfbewustzijn is. Hoewel het in dit rijtje een
middenpositie inneemt is het toch tegelijk het geheel van de zaak en dat wil
zeggen dat het de beide andere begrippen, namelijk materie en niet-materie
insluit. Dat insluiten van beide andere begrippen geldt niet voor het eerst- en
het laatstgenoemde begrip uit de drieslag materie, materie als niet-materie en
niet-materie . Bij de bespreking van deze drieslag wordt alles hopelijk
duidelijker!
No. 82 Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8
Over de begrippen materie en
niet-materie heb ik al het een en ander gezegd: het begrip materie houdt onder
andere in de begrippen samenhang en relatie en loopt uit in bewustzijn en psyche;
het begrip niet-materie kennen wij als de geest en ik heb er al met nadruk op
gewezen dat de geest, als absoluut beweeglijke verhouding, geen enkele invloed
op wat dan ook kan uitoefenen en eigenlijk zelfs niets is. Wat betreft dit
laatste nog een opmerking: het woord niets heeft geen betrekking op het eerder
door mij besproken absolute niets, zoals dat zich voordoet tussen twee
gecombineerde bouwstenen precies daar waar twee vrije beweeglijkheden elkaar in
de enig mogelijke richting raken en daardoor hun bewegingen ten opzichte van de
erbij behorende brandpunten neutraliseren. Het woord niets slaat, in het geval
van de geest, op het niet-bestaan ervan. Het begrip bestaan geldt voor alles
wat, in welke situatie dan ook, materieel is en wat dus tot de wereld van de
verschijnselen behoort. Onze taal is bijzonder leerzaam: het woord bestaan
betekent eigenlijk ergens op staan en dat verwijst naar het aan elkaar
vastgelegd zijn, het ten opzichte van elkaar niet bewegen. Dat is kenmerkend
voor het verschijnsel. Dat verschijnsel is samengestelde materie en ook daaruit
blijkt de juiste essentie van het taalgebruik. Inderdaad zijn de materiële
elementen van het verschijnsel aan elkaar gesteld, want zij zijn in de juiste
richting ten opzichte van elkaar geplaatst. Dat alles geldt niet voor de geest
en dus ook niet voor datgene dat men altijd god genoemd heeft. Op grond daarvan
kon de filosoof Jan Borger, toen hij nog dominee in Gouda was, destijds vanaf
de kansel verklaren dat god niet bestaat. Zolang de mensen nog allerlei
eigenschappen aan hun god toeschreven hadden zij niets van
hun eigen geloof
begrepen. Die gedachte werd niet in dank afgenomen...!
De drie begrippen, namelijk
materie, materie als niet-materie en niet-materie staan niet los van elkaar,
noch behoren zij bij elkaar op grond van bepaalde verbindingen (relaties). Zij
vormen met elkaar één geheel, zij zijn de inhoud van dat geheel. Dat maakt het
nadenken erover erg moeilijk. Dat geldt vooral voor het middelste begrip dat
direct met beide andere samenhangt. We hebben te doen met datgene dat ik
zelfbewustzijn genoemd heb. Die term wil uitdrukken dat de werkelijkheid als
mens zich van zichzelf bewust is. We moeten ervoor waken het zelfbewustzijn als
een veredeld soort bewustzijn te zien. Eigenlijk hebben bewustzijn en
zelfbewustzijn qua begrippen niets met elkaar te maken. Het bewustzijn immers
is de ontstane werkelijkheid die op de wijze van een trilling in de levende cel
aanwezig is, maar het zelfbewustzijn is de laatste mogelijkheid van de materie
waarbij die zich als niet-materie gelden laat. Dat houdt in dat het bewustzijn
de materie-in-trilling is, maar het zelfbewustzijn een gelden als zuivere
beweeglijkheid. Niet geheel ten onrechte komt in beide begrippen het woord
bewust voor. Dat vindt zijn oorzaak in het feit dat een mens beide, zowel het
bewustzijn als het zelfbewustzijn, in zichzelf ervaart, zich ervan bewust is.
Zo kun je zeggen dat het verschijnsel als algemeenheid in het levende wezen
bewust is geworden en dat het laatste verschijnsel in de mens als bijzonderheid
bewust is geworden. En in beide gevallen betekent het woord bewust dat de zaak
ervaren wordt. Veelal wordt beweerd dat het denken het onderscheid tussen de
mens en het dier uitmaakt. Denken betekent echter dat je onderscheidingen kunt
maken. De dieren maken echter ook onderscheidingen en zij nemen op grond
daarvan zelfs besluiten. Je kunt dus niet stellen dat het denken beide van
elkaar onderscheidt. Het essentiële verschil is dit dat de mensen weet hebben
van alles wat voor hen geldt. Zij hebben dus ook weet van hun denken, en
daarom: het
menselijk denken is uniek omdat het over zichzelf kan nadenken.
En dat kan het omdat voor de mens zelfbewustzijn geldt. Hij is zich bewust van
zichzelf. Als het gaat over zelfbewustzijn, dan gaat het over iets dat bestaat.
Uiteraard op grond van het feit dat het te allen tijde materie is die zich als
niet-materie gedraagt. Het zelfbewustzijn behoort tot de natuur van de mens,
het is zijn geaardheid. Ik bedoel dat woord op precies dezelfde manier als de
bedoeling is als je spreekt over de natuur van de kat en dergelijke. Het
typerende van de mens is dus zijn zelfbewustzijn. Dat is zijn wezen en dat
bestaat echt, hoewel het op zichzelf natuurlijk niet aan te wijzen is. Het is
daarentegen wel aan de mens af te lezen. Je leest dan aan de mens af dat hij
zelfbewustzijn is en dat dit zijn ware natuur is. De weg van de mensheid op de
planeet is een weg naar zichzelf toe. Dat betekent dat de mensen op weg zijn
naar hun eigen natuur en dus naar zichzelf als zelfbewustzijn. Gedurende het
gaan van die weg bedrijven de mensen een groot aantal schurkachtigheden, maar
die komen niet voort uit hun natuur, zoals bijna altijd gemeend wordt, maar uit
het feit dat zij die weg moeten gaan. Daarbij is de waan dat er een geest boven
alles uit zou gaan oorzaak van al die schurkenstreken. Indien het mogelijk zou
zijn geweest om direct al bij zichzelf als zelfbewustzijn te vertoeven, zou al
die ellende achterwege zijn gebleven. Omdat het niet in de natuur van de mens
ligt om een schurk te zijn is er ook nooit iemand die blij is met het moorden
en plunderen; iedereen, behalve misschien een enkele gestoorde, betreurt het en
noemt het misdadig. Wat is er nu eigenlijk aan de hand met dat zelfbewustzijn?
Om dat helder te krijgen moet je de situatie nog eens goed bekijken: de materie
heeft zich, met als basis-materiaal de bouwsteen, tot aan haar uiterste grens
tot samenstellingen opgebouwd. Die samenstellingen hebben alle voorgaande
mogelijkheden tot inhoud, niet alleen op de wijze van een totaaltrilling
(bewustzijn), maar ook - en daar gaat het nu om - als raster van verbindingen,
van relaties. Het is dit raster dat zich opheft bij het gaan gelden als
niet-materie. Dit echter is niet zo maar het geval. Er gaat een voortdurende
verwisseling optreden en die komt er op neer dat het raster zo kan zijn, maar
ook anders. Dat is alleen maar dan mogelijk als de rasters oplossen tot alleen
nog maar beweeglijkheden, om onmiddellijk tot andere rasters te worden. Je kunt
dus spreken van een voortdurende wisseling van situaties. Nooit blijft er een
gehandhaafd, steeds is hij er wel en niet tegelijk. Hij ontkent zichzelf
almaar, en dat dan niet tot een werkelijkheid van louter beweeglijkheden, maar
tot een materiële werkelijkheid die anders is. Je zou kunnen zeggen dat er een
trilling is, nu niet in de materie zoals bij het bewustzijn, maar een trilling
van de materie, in die zin dat de zaak steeds anders is. Dat anders-zijn is er
de reden van dat ik met nadruk de gedachte aan een, op de materie inwerkende,
geest heb bestreden. Het komt in feite nooit tot de geest, tot de werkelijkheid
als louter beweeglijkheden. Het komt tot een voortdurend anders-zijn van de
materiële, op een uiterste van innigheid samengestelde, materie. Dit voortdurende
anders-zijn is het zich gedragen als niet-materie, want telkens als je, bij
wijze van spreken, zou vaststellen dat de zaak zo is, is die onmiddellijk
alweer anders. Deze wisseling vindt plaats via het er niet zijn van de materie,
met andere woorden: er is een soort van drieslag die te beschrijven is als
er-zijn, er-niet-zijn en er-anders-zijn. En dan slaat dat begrip er-zijn dus
gewoon op de uiterst innige samenstelling van de materie, in feite dus het
verschijnsel mens voor zover dat een ding is.
Psyche,zie
vervolgens: Psyche-1
; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;
Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen
; Opvoeding-3
; Opvoedingsmethoden
; opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144)
Het zelfbewustzijn is de
middelste factor uit de eerder genoemde drieslag. Het gaat daarbij om de
materie die zich als niet-materie gelden laat. De vraag is nu met welke
situaties we te doen hebben als het over zelfbewustzijn gaat. Dan moet je je
natuurlijk als eerste realiseren dat het gaat over een uiterst verfijnd raster
van combinaties van bouwstenen. In dat raster zijn de bouwstenen op een
bepaalde manier aan elkaar vastgelegd, d.w.z. de bewegingen van de bouwstenen
hebben zich aan elkaar geneutraliseerd. Hierbij moet opgemerkt worden dat dit
aan elkaar vastgelegd zijn geen kwestie van krachten is. Er zijn geen krachten
die de zaak bij elkaar houden. Dat men wat dit betreft in de natuurkunde toch
van verschillende krachten spreekt is een gevolg van het feit dat men, bij
analyse van het verschijnsel, op weerstand stuit. Het verschijnsel verzet zich
tegen het uit elkaar halen en dus moeten wij er krachten op uitoefenen als wij
het willen analyseren. In het verschijnsel zelf echter ligt de zaak in rust:
bewegingen hebben zich aan elkaar geneutraliseerd, uiteraard voor zover het
over de combinaties gaat. Wij noemen een ding vast omdat de bewegingen van de
bouwstenen geneutraliseerd zijn. Dat vastgelegde is het kenmerk van het
verschijnsel, en dus ook van het laatste verschijnsel, de mens. Als het dan
gaat over de mens als zelfbewustzijn hebben wij te maken met het zich opheffen
van dat vastgelegde karakter van het verschijnsel. Het rastert heft zich op,
populair gezegd: de verbindingen oftewel de relaties tussen de bouwstenen
vervallen. Dat evenwel is geen blijvende zaak, want onmiddellijk, zonder
tijdsverloop, stellen zich nieuwe verbindingen. Dat zijn andere verbindingen,
maar, het merkwaardige daarvan is dat die andere verbindingen geen wezenlijk
andere werkelijkheid opleveren. Steeds wordt zij in het zelfbewustzijn opnieuw
opgebouwd. Je kunt zeggen dat elke nieuwe verbinding goed is. Het raster van
verbindingen is verwisselbaar. Elk systeem van verbindingen is mogelijk zonder
de zaak zelf aan te tasten. Genoemde verwisselbaarheid is mogelijk op grond van
het feit dat in laatste instantie de samenstellingen een dermate innig
gestructureerd raster hebben opgeleverd dat het niet meer uitmaakt welke
verbindingen je legt. Steeds is het de structuur van het laatste en meest
innige verschijnsel, en dat betekent op zijn beurt dat je steeds met de
structuur van de werkelijkheid te doen hebt. Het resultaat is dus een almaar in
zichzelf andere volledige werkelijkheid. Die afwisseling van werkelijkheden is
kenmerkend voor het zelfbewustzijn. Steeds echter is het een gestructureerde
werkelijkheid, want het zijn de rasters die voortdurend verwisselen. De
totaliteit van die verwisselingen omvat de volledige werkelijkheid, maar iedere
optredende verwisseling leidt tot een bepaalde werkelijkheid die zo is en niet
anders. Iedere mens kent, qua zelfbewustzijn, uitsluitend zijn eigen
werkelijkheid.
Er zijn bijgevolg net zoveel
zelfbewuste werkelijkheden als er mensen zijn. Die zijn allemaal verschillend
op grond van milieu, opvoeding en opleiding. Maar ook die eigen werkelijkheid
is voortdurend aan wisseling onderhevig. Je bent je steeds bewust van allerlei
andere dingen, er gaan almaar andere gedachten door je hoofd. Het ene moment
ben je je bewust van het een, het andere moment van het ander, maar, al die
verschillende inhouden van je zelfbewustzijn blijven in principe binnen het
kader van je eigen werkelijkheid. Die werkelijkheid, als inhoud van je
zelfbewustzijn, breidt zich wel geleidelijk aan uit, en wel door allerlei
ervaringen en leerprocessen. Er voegen zich nieuwe elementen aan toe en
daardoor verandert de totale inhoud van je zelfbewustzijn. Hoewel het dus een
bepaalde werkelijkheid is die de inhoud van je zelfbewustzijn vormt, is het
tegelijk dé werkelijkheid, omdat het niet uitmaakt welke rasterstructuur voor
je geldig is, d.w.z. binnen welke kaders de verwisseling van de rasters
plaatsvindt. Dit is er de reden van dat er geen waardeoordeel te geven is over
de wereldbeschouwing van de mensen binnen de context van bepaalde culturen. Wel
echter zijn die culturen zelf te beoordelen, namelijk naar hun meer of minder
beperkt zijn van de kaders waarbinnen de structuren zich verwisselen. Hierop
kom ik later nog terug. We kunnen nu een voorlopige vergelijking maken tussen
het bewustzijn en het zelfbewustzijn. Bij het bewustzijn gaat het om de
werkelijkheid als beeld. Daarin komen geen bepaaldheden voor. Het is de
werkelijkheid naar haar algemeenheid en als zodanig is zij voor een ieder
dezelfde. Bovendien verwisselt het beeld niet, het is steeds hetzelfde beeld.
Dat beeld is wel opgebouwd uit trillende elementen die er op hun beurt kunnen
zijn omdat er een verwisseling van de bouwstenen optreedt in het levende wezen,
maar die verwisseling leidt niet tot het volkomen oplossen van alle
verbindingen tot, in principe, beweeglijkheden. Hij leidt tot verwisseling van
bouwstenen. Bij het zelfbewustzijn echter gaat het juist wel om bepaaldheden en
het is steeds een incidentele werkelijkheid die voor niemand dezelfde is en die
in de loop van de tijd verandert. De trilling die hierbij optreedt is die van
een almaar wisselende structuur van de werkelijkheid. Je kunt zeggen dat het
bewustzijn een kosmisch gegéven is en het zelfbewustzijn een verkrégen
werkelijkheid. Deze laatste werkelijkheid valt onder het begrip voorstelling,
terwijl de eerste onder het begrip beeld valt. Die verkregen, incidentele,
inhoud van het zelfbewustzijn bestaat uit bepaalde dingen: het is die bepaalde
tafel, die bepaalde woonplaats, die bepaalde buurman, enzovoort, die er in
aanwezig is. Het gaat steeds over bestaande dingen, over dingen die onbekend
voor je zijn kan het niet gaan. Daarom kunnen de mensen over god ook alleen
maar spreken als over iets bestaands. Het blijkt dus dat die inhoud een heel
concrete is. Dat geldt voor alle kennis, al is die op zichzelf nog zo abstract
zoals bijvoorbeeld wiskundige kennis. Op grond van dat concrete karakter laat
de kennis zich dan ook overdragen, voor anderen beschrijven. De inhoud van je
zelfbewustzijn is aan anderen mee te delen. Die incidentele werkelijkheid is,
zoals gezegd, steeds wisselend. Dat is voor de mensen, tot op de dag van
vandaag, een onprettige situatie. Je hebt er immers geen houvast aan, want je
kunt je almaar afvragen of die werkelijkheid nu zo is of toch eigenlijk anders!
Juist op grond hiervan proberen de mensen, zolang de mensheid nog onvolwassen
is, de zaak vast te leggen, onveranderlijk te maken. Dat doen zij in hun culturen,
met een heel complex van regels en voorschriften, normen en waarden. De mensen
bedenken modellen van de werkelijkheid. Zij menen dan houvast te hebben, maar
toch blijft gelden dat het zelfbewustzijn een zaak van wisselende structuren is
zodat na verloop van tijd elk vastgelegd stelsel ondergraven wordt en tenslotte
ten onder gaat. Met dat culturele vastleggen van de inhoud van het
zelfbewustzijn zijn de onvolwassen mensen eigenlijk tegennatuurlijk bezig. Hun
natuur is juist dat die inhoud wel voortdurend verwisselt. Het is het toelaten
van die verwisseling die mensen ruimdenkend, tolerant, begripsvol en
vrijheidslievend maakt. Dit is in strijd met de algemeen aanvaarde opvatting
dat het juist de cultuur zou zijn die de mensen menselijk maakt. De zaak ligt
precies andersom, zoals uit het bovenstaande is af te leiden. Overigens doet
dat niets af aan de betekenis van culturen. Het tegennatuurlijke van een
cultuur is niet gelegen in haar inhoud, maar in het vastleggen en tot algemene
norm maken ervan.
Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen
; Opvoeding-3
; Opvoedingsmethoden
; opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144)
Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ;
De inhoud van het zelfbewustzijn
is, hoewel er het anders-zijn voor geldt, toch steeds de werkelijkheid. Dat
geldt ook voor allerlei onzinnige inhouden en fantasieën en zelfs voor ficties
en illusies, die in feite nauwelijks overeen komen met de realiteit. Zo denken
bijvoorbeeld de mensen uit onze moderne cultuur dat de werkelijkheid is zoals ze
volgens de wetenschappelijke theorieën lijkt te zijn. Hoewel filosofisch blijkt
dat zij helemaal zo niet is, kan toch niet ontkend worden dat zij in de breinen
van de mensen, dus als inhoud van hun zelfbewustzijn, wel degelijk
werkelijkheid is. Die onmogelijke werkelijkheid is ook werkelijkheid, al
bestaat zij niet op die manier. Bij het voortdurend verwisselen van de rasters
komen ook de feitelijk onmogelijke en niet reële rasters tot bestaan in het
zelfbewustzijn, zodat zij ervaren kunnen worden als voorstellingen van een
echte werkelijkheid. Als zodanig zijn zij wanen, of illusies of ficties. In
feite is eigenlijk alles mogelijk! Al dat mogelijke echter heeft steeds een
concreet karakter. De inhoud van het zelfbewustzijn doet zich aan de mens voor
als een werkelijkheid die bestaat uit een verzameling van bestaande dingen en
niet als een algemene werkelijkheid. Die werkelijkheid van bestaande dingen zie
je als het ware voor je gesteld: het is de voorstelling.
Jeroen Bosch bijvoorbeeld
schilderde vreemdsoortige wezens die niet bestaan, maar hij suggereerde dat ze
wel concreet aanwezig zouden zijn. In zijn voorstelling zijn zij echt. De
mensen kunnen van alles tot inhoud van hun zelfbewustzijn maken (bedenken) en
juist omdat zij dit kunnen is er de mogelijkheid om zaken aan de weet te komen,
kennis te vergaren en vooral ook kennis te toetsen. Het leren kennen van de
echte werkelijkheid is ondenkbaar zonder de onhoudbaarheden, de onzin en
dergelijke te bedenken en te doordenken. Zo is fantaseren, hoewel dat doorgaans
niet graag toegegeven wordt, essentieel voor het verwerven van kennis. Het bij
voorbaat vaststellen van wat onzin zou zijn en wat niet (godsdienstige,
maatschappelijke en wetenschappelijke dogmatiek) werkt als de belangrijkste rem
op zuivering van de inhoud van het zelfbewustzijn. Tot nu toe ging het over het
voortdurend veranderen van de rasters, die het kenmerk van de samenstellingen
zijn. Zou het echter alleen-maar daarover gaan, dan zou het oplossen niet
verder gaan dan de bouwstenen. Die zijn het immers die, bij het zich met elkaar
combineren, de rasters opleveren. Je kunt ook zeggen: de stelsels van
verbindingen. Zelf zijn zij evenwel ontstaan door het aaneengroeien van
elementaire systemen van beweeglijkheden. Daarin komt geen raster voor, wel
echter samenhang, namelijk als een achtledig systeem uitgroeit tot twee van
zulke systemen en dan gaat gelden als één systeem met twee brandpunten. Ook dit
systeem echter heft zich, bij het gelden van de materie als niet-materie
(zelfbewustzijn), volledig op omdat het gaat om het afwisselend terugvallen tot
absolute beweeglijkheden. Ook de samenhang vervalt voor het zelfbewustzijn. Dat
betekent dat de inhoud van dat zelfbewustzijn een kwantitatieve zaak is, het is
een verzameling. Het kenmerkende van een verzameling is dit, dat de verzamelde
elementen allemaal op zichzelf staan, van elkaar gescheiden zijn, maar toch ook
in een bepaald verband opgenomen zijn. Zij hebben op de een of andere manier
met elkaar te maken, maar dat is niet op die manier dat zij tot elkaar in
relatie zouden staan. Zij zijn niet aan elkaar vastgelegd. De dingen, als
inhoud van het zelfbewustzijn, worden begrepen als met elkaar in verband staand
en dat leidt tot het begrip verzameling en als zodanig zijn de aparte dingen in
het zelfbewustzijn aanwezig.
Het begrip verband is te
beschrijven als opgeloste samenhang. Het is dus samenhang die tegelijk geen
samenhang is, op grond, uiteraard, van het feit dat we met een voortdurende
afwisseling te maken hebben. Het begrip verband heeft dus wel iets te maken met
het begrip samenhang, maar het is op zichzelf wat anders. Het is de factor die
het mogelijk maakt de afzonderlijke dingen in een verzameling bijeen te brengen
en die verzameling tot een totaliteit uit te breiden. Omdat voor de mens als zelfbewustzijn
de samenhang tegelijk en onmiddellijk geen samenhang is kan hij zelf verbanden
leggen tussen de afzonderlijke dingen in zijn brein. Dat gebeurt in het groot
in de cultuur. Hij doet dat niet alleen denkend, maar het leggen van verbanden
vindt ook bij wijze van conditionering plaats. Op grond daarvan kun je zeggen
dat een mens letterlijk alles moet leren. Een duidelijk verband tussen de
dingen is de mens niet vanuit de wording gegeven. In het bewustzijn van de mens
ligt de samenhang op de voorgrond en die is op geen enkele wijze te verbreken.
Het beeld is een onveranderlijk geheel waarin het een overgaat in het ander. In
het zelfbewustzijn van de mens is de samenhang opgelost en veranderd in
verbanden die tussen de afzonderlijke dingen aangelegd worden. Dat is de
voorstelling en die is een verzameling, culminerend in een totaliteit.
In tegenstelling tot datgene dat
altijd verondersteld wordt berust het herkennen van de samenhang in de
werkelijkheid niet op het nagaan van verbanden in je zelfbewustzijn en het
verzamelen van kennis, maar juist op het in jezelf zichtbaar laten zijn van de
werkelijkheid als beeld, zoals dat de manifestatie is van het bewustzijn. Op
grond van dat beeld kunnen de afzonderlijke dingen en hun verbanden op de
juiste wijze, d.w.z. overeenkomstig de waarheid, gerangschikt worden. Vanuit
het zelfbewustzijn zelf is dat volkomen onmogelijk en het is zelfs zo sterk dat
je eenzijdig van daaruit willekeurig welke voorstelling kunt opbouwen zonder
dat die ook maar de geringste overeenkomst met de echte werkelijkheid behoeft
te vertonen. De aangelegde verbanden berusten daarbij niet op de
oorspronkelijke samenhang, maar op de relaties tussen de dingen. Die komen in
feite neer op waarde-oordelen, die, bijvoorbeeld in onze cultuur, eenzijdig
economisch zijn. Dat economische verband is bedacht naar aanleiding van de
analyse van de samenstellingen waarbij de verbinding tussen de onderdelen voor
de dag gekomen is. Als bepaalde culturen op hun hoogtepunt zijn gekomen
verstarren zij zich tot van bovenaf dwingende stelsels van regels en
voorschriften die de mensen ingeprent worden zonder dat die nog in twijfel
getrokken kunnen worden. Een cultuur is dan ingekrompen tot een louter
zelfbewuste aangelegenheid die niet meer ingebed is in het bewustzijn en die
bijgevolg gevoelloos, kil en benauwd is. Kortom, een wereld waarin niet meer te
leven valt en die dan ook gaandeweg instort. Anderzijds zie je, vooral in de
culturen van de oudheid, dat men almaar probeerde de dingen op een zodanige
wijze met elkaar in verband te brengen dat de voorstelling een zo getrouw
mogelijke afspiegeling van de werkelijkheid als beeld zou zijn. Maar, de
toenmalige mensen hadden nog niet veel kennis omtrent de dingen, en dat leidde
er toe dat de voorstelling meteen al op fantasie berustte, op sprookjes en
mythen die ontleend waren aan het leven van de mensen. Men vertelde bijgevolg
over goden en godinnen en allerlei fantasie-dieren, zoals draken en dergelijke.
Het sterke punt van de culturen van de oudheid was echter niet de voorstelling,
maar de innige verwantschap met de werkelijkheid als bewustzijn, zowel wat
betreft het beeld als wat betreft het psychische. Daardoor konden de wijzen uit
die tijd die opmerkelijke gedachten over de essentie van de werkelijkheid
ontwikkelen.
Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Meditatie-1 ; Meditatie-2 ;
De werkelijkheid als voorstelling
is aanwezig als inhoud van het zelfbewustzijn. Die inhoud bestaat uit zich
opheffende en weer stellende rasters, geheel willekeurig en dus zowel concreet
mogelijk als onmogelijk, en het verband tussen de afzonderlijke dingen. De
werkelijkheid als beeld is de totaaltrilling die zich als een spel van vormen
manifesteert, vormen die alleen-maar samenhangen en die onafhankelijk zijn van
welke inwerking dan ook. De voorstelling wordt door de mensen gemaakt, maar het
beeld is voor de mensen een gegeven waarop zij geen invloed kunnen uitoefenen.
De mensen leggen zelf een verband aan tussen de afzonderlijke dingen en komen
zo tot het opbouwen van een wereldbeschouwing, dat wil zeggen een voorstelling
van de werkelijkheid zoals die voor henzelf qua zelfbewustzijn geldig is. Die
voorstelling behoeft helemaal niet overeen te stemmen met de echte
werkelijkheid, in feite komt hij, tijdens de cultuurontwikkeling, slechts bij
enkelingen enigszins overeen met de echte werkelijkheid. Je kunt dat jammer
vinden, maar dan moet je wel bedenken dat dit jammer vinden voornamelijk voortkomt
uit het feit dat je, vanuit de waarden van je eigen cultuur, geneigd bent een
groot belang te hechten aan datgene dat geest genoemd wordt. Als dan blijkt dat
die geest niets te betekenen heeft wordt dat automatisch als een teleurstelling
ervaren. Pas na enige tijd begrijp je dat die geest je steeds misleid heeft en
dat het juist bevrijdend is die niet meer als de maat te nemen. Zolang je die
geest wel als de maat neemt blijf je bevangen in je eigen wereldbeschouwing, in
je eigen voorstelling. Dan blijft alles relatief, en dus gebonden aan de
persoon die je zelf bent. Er is echter ook nog het bewustzijn en haar
manifestatie het beeld. Als je die twee grootheden samen denkt, namelijk het
beeld en de voorstelling, dan ontdek je dat het een mens mogelijk is zich, bij
het aanleggen van de verbanden in de voorstelling, te richten op het beeld. Als
hem dat gelukt bouwt hij een wereldbeschouwing op die niet meer strijdig is met
de echte werkelijkheid. Dat is het wat je eigenlijk in de filosofie zou moeten
doen. De oude filosofen deden dat dan ook, maar de gesteldheid om het zo te
doen is in de westerse cultuur vrijwel geheel verloren gegaan. Men is gaan
filosoferen over zijn eigen voorstelling! Je kunt je de zaak als volgt
indenken: je kijkt als het ware dwars door je eigen voorstelling heen naar het
beeld. Daarbij moet je wel bedenken dat je bereid moet zijn die voorstelling
niet meer als de maat te nemen. In feite komt het er op neer dat je die
voorstelling in twijfel durft te trekken, dat je de mogelijkheid onder ogen
ziet dat hij wel eens fout zou kunnen zijn. Het is een tijdje in de mode
geweest om allerlei methodieken toe te passen, zoals yoga en meditatie en sensitivity-trainingen en
dergelijke. Hoewel die zeker wel bevrijdend kunnen werken voor bepaalde mensen
gaan die toch volledig langs de zaak heen. Doorgaans leveren die methodieken
niets anders op dan nieuwe voorstellingen, die op hun beurt weer als de maat
genomen worden. Maar het gaat er nu juist om elke voorstelling in twijfel te
trekken. Het gaat niet in de eerste plaats om de vraag of iemands voorstelling
al of niet juist is. Wat betreft onze tijd kunnen wij gerust vaststellen dat de
wetenschappelijke voorstelling, die wij van de werkelijkheid hebben, qua kennis
en het daarin aangelegde verband behoorlijk waarheidsgetrouw is. Als zodanig is
de voorstelling geen probleem. Maar het tragische van onze tijd is gelegen in
het feit dat die hoogontwikkelde voorstelling nauwelijks meer in twijfel
getrokken kan worden, zodat de spiegeling met het bewustzijn en het beeld
vrijwel ontbreekt.
Daardoor kunnen wij steeds minder
uit de voeten met die voorstelling en blijkt ons handelen en omgaan met de
wereld in toenemende mate een slag in de lucht te zijn. Wij hebben ons bijna
geheel uitgeleverd aan de wetenschappelijke voorstelling die wij zelf opgebouwd
hebben. Ik denk dat dit uitgeleverd-zijn nog veel indringender is dan destijds
met de godsdiensten het geval was. Als je het voor elkaar krijgt om vertrouwen
te hebben in jezelf als bewustzijn, en in staat bent je voorstelling niet als
de maat te nemen, ben je vanzelf in staat om die voorstelling aan het beeld te
toetsen. Dat is eigenlijk niets bijzonders: het verschijnsel mens is zo
gegroeid dat er steeds een soort van wisselwerking, een spiegeling, plaats heeft
tussen het beeld en de voorstelling, en wel op grond van het voortdurend leggen
van verbanden, die immers terug te voeren zijn tot opgeloste samenhangen. Maar
voor Ons lijkt het wel iets bijzonders omdat wij geconditioneerd zijn door een
cultuur waarin het bewustzijn taboe is en het zelfbewustzijn op een verkeerde
wijze, namelijk als ondergeschikt aan de geest, tot gelding komt. Dat verkeerde
zelfbewustzijn komt onder andere hieraan tot uiting dat men de uitgebreidheid
van zijn inhoud het belangrijkste vindt. Met andere woorden, men weegt de
waarde van de mens af aan datgene dat hij geleerd heeft. De hoeveelheid
beschikbare kennis en het daartussen aangelegde (wetenschappelijke) verband
zijn de norm voor menselijke waarde. Als je echter inziet hoe bij de mens de
verhoudingen werkelijk liggen wordt onmiddellijk duidelijk dat die norm
onhoudbaar is, juist omdat het er om gaat de voorstelling niet als de maat te
nemen. Welke geestelijke of intellectuele bagage een mens ook meetorst, het is
van geen enkel belang als het er om gaat de werkelijkheid te leren kennen en,
als gevolg daarvan, te leven overeenkomstig datgene dat voor het leven
werkelijk geldt. Het is zelfs zo sterk dat mensen in wie de wereldbeschouwing
oftewel de voorstelling - gewoonlijk door een wetenschappelijke opleiding op
hoog niveau - stevig vastgelegd is, nauwelijks in staat meer zijn iets te
bevatten van de echte werkelijkheid. De voorstelling zit zo vast dat elke
spiegeling met het beeld onmogelijk is geworden. Dergelijke mensen weten dan ook
geen raad met het vrije en creatieve filosoferen, vinden het (terecht!)
onwetenschappelijk en wijzen het, vaak op hysterische wijze, volledig af. ..
Die hysterie komt voort uit het feit dat ook die mensen met hun vastgelegde
voorstellingen mensen zijn in wie de bedoelde spiegeling tussen beeld en
voorstelling ongewild en op verdrongen wijze doorgaat.
Telkens
als mensen geconfronteerd worden met iets wezenlijks dat zij niet willen,
worden zij hysterisch, gaan op onredelijke wijze tekeer en zijn soms zelfs geneigd
tot moord en doodslag. Het komt echter ook voor dat mensen zich met een schok
realiseren dat zij helemaal niet weten waarmee zij hun leven lang bezig zijn
geweest. Zo'n schok wordt dikwijls veroorzaakt door iets uitwendigs zoals
oorlog, natuurrampen, ziekte en dood en wat er dan gebeurt is dit, dat men
plotseling zijn eigen voorstelling in twijfel trekt en, als gevolg daarvan,
geconfronteerd wordt met de spiegeling tussen beeld en voorstelling. Het in
twijfel trekken van de voorstelling is eigenlijk voor de mens iets natuurlijks,
maar in het geval van een schokeffect geschiedt het onverwacht en ongewild, en
dat des te heviger als men een erg vastgelegde voorstelling heeft. Dan blijkt
dat een mens geheel anders is dan zijn voorstelling hem suggereert: hij blijkt
bijvoorbeeld een sociaal wezen te zijn (op grond van de samenhang) maar zich
tot dan toe helemaal niet als zodanig gedragen te hebben. Uiteraard willen
wetenschappers zoiets wetenschappelijk gaan onderzoeken, maar als je begrijpt
hoe het verschijnsel mens is valt er niets te onderzoeken. Bovendien is zo'n
onderzoek op zichzelf ook bevangen in de geldende voorstelling, zodat je er
niet van kunt verwachten dat het de essentie van de zaak bloot zal leggen.
Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen
; Opvoeding-3
; Opvoedingsmethoden
; opvoeding-4
; Opvoeding-5
;
In de drieslag materie, materie
als niet-materie en niet-materie berust het zelfbewustzijn op de middelste
factor. Maar, zoals wellicht inmiddels duidelijk is geworden, het bewustzijn
berust op de eerste factor. Het is immers een zaak van de materie waarin op een
gegeven moment de totaaltrilling op gaat treden, een totaaltrilling die zich manifesteert
als enerzijds het levend-zijn van het verschijnsel en anderzijds als het
bewust-zijn daarvan. De spiegeling tussen beeld en voorstelling is dus een
soort van wisselwerking tussen de materie en de materie als niet-materie. Dat
komt neer op een wisselwerking tussen de universele werkelijkheid als spel van
vormen en de schijnbare particuliere werkelijkheid als een verzameling van
gevormde dingen. Die verzameling is door de individuele mens opgebouwd aan de
hand van een complex van ervaringen op het terrein van opvoeding, opleiding en
gebeurtenissen, welke laatste zowel intern zijn (psychologisch) als extern
(omstandigheden). Omdat het over individuele ervaringen gaat is de voorstelling
van de ene mens fundamenteel niet te kennen voor de andere mens. De enige
manier om deze onbekendheid enigszins op te heffen is gelegen in het gebruiken
van taal. Doormiddel van de taal kun je elkaar op de hoogte stellen van je
voorstelling. Die taal berust op conventies, op een overeenstemming tussen de
afzonderlijke mensen inzake het benoemen van de dingen. Die overeenstemming is
doorgaans niet bewust en van tevoren bedacht.
Ze is geleidelijk in het
dagelijkse leven ontstaan en wordt vervolgens van geslacht op geslacht
doorgegeven: de kinderen moeten hun taal léren spreken. Maar soms is de
overeenstemming wel bedacht, bijvoorbeeld in de wetenschappelijke taal. Het is
dus via geconditioneerde en ook via bewust afgesproken conventies dat de mensen
elkaars voorstelling enigszins kunnen kennen en bespreken. De voorstelling is
een soort van plaatje van de persoonlijke werkelijkheid van een bepaald mens.
Dat plaatje is vastgelegd doormiddel van bepaalde verbanden die een mens ook
zelf aangelegd heeft. Voor zover dat vastgelegd-zijn geldt kun je niet door dat
plaatje heen kijken en dat betekent dat het bewustzijn als beeld niet zichtbaar
is. Maar, voor zover geldt dat het plaatje transparant is wordt de
werkelijkheid als beeld wel zichtbaar, en dan krijg je deze situatie dat op de
voorgrond het plaatje aanwezig is en op de achtergrond het beeld. Alles draait
dus om de vraag in hoeverre het plaatje transparant is. Dat is een kwestie van
variatie, en die variatie geldt binnen de polen volledig niet transparant zijn
en volledig transparant zijn. Als de zaak volkomen ondoorzichtig is hebben wij
te doen met iemand die iets mist dat heel essentieel is. Er is dan geen contact
met de echte werkelijkheid, zodat zo iemand geheel en al vastzit in een fictie.
Hij behoort tot die mensen die van zichzelf vinden dat zij principes hebben en die
keihard zijn, vooral voor de medemens. Anderzijds kun je je indenken dat iemand
een volkomen doorzichtige voorstelling bezit. Zo iemand is ernstig ziek, hij
verkeert voortdurend in een hem onbekende wereld, kan zich het vorige moment
niet herinneren en weet daardoor niet wat hij met zijn omgeving moet aanvangen.
Die komt namelijk niet meer overeen met zijn voorstelling omdat die immers
geheel ontbreekt. Dat komt voor bij ernstig demente mensen en er schijnt ook
een ziekte te zijn die deze volledige vertwijfeling met zich mee brengt. Dit
zijn echter extreme situaties. Als alles goed is vertoont een mens een variatie
tussen beide genoemde polen. Het gevarieerd transparant zijn van het plaatje,
de voorstelling, opent de mogelijkheid om die voorstelling aan het beeld te
toetsen en dus een spiegeling tot stand te brengen tussen de universele
werkelijkheid en de voorgestelde individuele werkelijkheid. Daardoor kun je tot
de ontdekking komen dat je voorstelling in bepaalde opzichten niet klopt. Hij
is in strijd met de logica. Dat maakt meteen duidelijk wat logica eigenlijk is:
het is het overeen komen van de door jezelf aangelegde verbanden met de
samenhang van de werkelijkheid, zoals die bij het beeld op de voorgrond staat.
Voor zover de mensen de nadruk leggen op het er-zijn van de voorstelling ligt
voor hen de maat bij een vastgelegd patroon van rasters. Het er-niet-zijn van
de voorstelling wordt dan niet in aanmerking genomen. In dat geval geldt voor
die mensen het dominant-zijn van een niet transparante werkelijkheid. Maar
intussen geldt toch het er-niet-zijn van de voorstelling omdat de verhoudingen
nu eenmaal zo in de mens liggen. Dat toch gelden van dat er-niet-zijn, ondanks
het feit dat hij dat eigenlijk niet wil, wordt door de mens ervaren als
twijfel. Het begrip twijfel houdt in dat iets voor je vaststaat, maar dat je er
toch niet helemaal zeker van bent. Het is een aantasting van iets dat vast voor
je staat. In feite berust dat natuurlijk op het terugvallen van de
samengestelde en aaneengegroeide werkelijkheid tot absolute beweeglijkheden: de
materie als niet-materie! Met dat terugvallen wordt die zaak beweeglijk en dat
betekent dat hij transparant wordt. Je kunt er dan doorheen kijken. Uit het
bovenstaande is af te leiden dat het twijfelen een essentieel menselijk
fenomeen is: het brengt je in aanraking met de echte werkelijkheid. De twijfel
is de eerste stap op de weg van het weten. Als je iemand in twijfel brengt is
er de mogelijkheid om een bepaald denkbeeld duidelijk te maken, maar als je die
twijfel niet weet op te roepen is het vergeefse moeite te proberen iemand
ergens van te overtuigen. In onze cultuur bestaat de neiging het twijfelen af
te keuren. Onze wetenschappelijk ingestelde cultuur vraagt om zekerheden, om
feiten die vastgesteld zijn. Een bepaald complex van feiten wordt geacht
wetenschappelijk onbetwijfelbaar te zijn. Hoewel dat binnen het kader van de
wetenschap een juist standpunt is, moeten we ons er toch terdege van bewust
zijn dat de twijfel als enige de mogelijkheid biedt om iets aan de weet te
komen. Alle ontwikkeling berust op twijfel, juist omdat het instorten van de
vastgelegde voorstelling tot een nieuwe voorstelling kan leiden. Het miskennen
van de twijfel remt de ontwikkeling van de mensheid voortdurend af. Zoals
gezegd hebben de mensen de behoefte hun voorstellingen vast te leggen. Dat is
te begrijpen omdat, naar hun mening, die voorstellingen overeen komen met de
concrete werkelijkheid, zoals die om hen heen staat en zoals ze die almaar
ervaren. Het kan best zijn dat het allemaal een fictie is, maar zij wordt ook
dan als een realiteit ervaren, een realiteit waaraan men houvast heeft. Men wil
dus de voorstelling vasthouden als een realiteit en men wil de twijfel niet in
zichzelf toelaten. Desondanks doet die zich toch gevoelen en dat leidt ertoe
dat er zich in de mensheid een verhelderingsproces aftekent, een
langzame ontwikkeling naar een zelfbewustzijn dat, hoewel het altijd een
voorstelling tot inhoud heeft, toch steeds diezelfde voorstelling in twijfel
trekt. Dat wil zeggen: het er-niet-zijn van de rasters gaat gelden. Daarmee
verschuift het vastgelegd-zijn van de voorstelling naar een toenemend
beweeglijk-zijn ervan. Met die toename ontstaat er ook de mogelijkheid dat het
begrip nihilisme tot gelding kan komen. Dat begrip is gegrond in het
er-niet-zijn van de voorstelling, en dus de afwezigheid van door de mensen zelf
aangelegde verbanden die een waardeoordeel inhouden. Men heeft het begrip
nihilisme wel eens omschreven als de werkelijkheid als volkomen nietigheid en
dat is juist, omdat het inderdaad over het vervallen van alle verbanden gaat.
Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen
; Opvoeding-3
; Opvoedingsmethoden
; opvoeding-4
; Opvoeding-5
;
No. 87
We zitten met de vraag hoe het komt
dat de mensen hun voorstelling van de werkelijkheid vast willen houden, dat wil
zeggen: niet willen laten gelden dat hij altijd min of meer transparant is. Ik
heb er al op gewezen dat er door het zelfbewustzijn een overeenkomst ervaren
wordt tussen de voorstelling en de buitenwereld. Dat is logisch, want de
voorstelling bestaat uit de totale werkelijkheid, die zich laat gelden op de
wijze van materie als niet-materie. Omdat alles mogelijk is behoeft de
voorstelling niet realistisch te zijn, hij kan ook op een fictie berusten. Maar
die lijkt dan toch ook op de concrete buitenwereld. Het is onmogelijk dat
iemand een voorstelling in stand houdt waarvan hij zelf vindt dat die helemaal
niet met de buitenwereld overeen stemt. Niemand voelt zich thuis bij een dergelijke
ongerijmdheid. Er is altijd wel enige overeenkomst. Het is een essentieel punt
dat de mensen eerlijk menen dat hun voorstelling realistisch is, dus menen dat
hun bedachte werkelijkheid net eender is als de waargenomen werkelijkheid. Vaak
hoor je beweren dat de mensen het goede of een betere wereld niet zouden
willen. Die bewering vooronderstelt dat de mensen dat goede of die betere
wereld zouden kennen, maar dat zij er om de een of andere reden geen zin in, of
belang bij, zouden hebben. Dat echter is onmogelijk, de zaak heeft met het
begrip willen niets te maken en ook niet met het begrip keuze. In feite hebben
de mensen die andere wereld helemaal niet in hun voorstelling, niet voor ogen.
Zodra dat wel het geval is leven zij automatisch in die betere wereld, zonder
dat zij daarin een keuze zouden hebben. De gedachte van Jean Paul sartre dat
een mens zou kunnen kiezen voor een beter leven in een betere wereld is
derhalve onjuist. Het in de voorstelling liggen van een betere wereld is iets
anders dan een fantasie of een utopie over zo'n wereld. Dat zijn namelijk
constructies, bedenksels, maar het gaat nu over de voorstelling in de zin van
materie als niet-materie. Die voorstelling hebben de mensen zelf opgebouwd, zij
menen dat die realistisch is en dus houden zij hem vast. Dat leidt er toe dat
die voorstelling gaat werken als een barrière die verhindert dat de mensen er
achter komen hoe het zit met de werkelijkheid. Dit blijft in principe altijd
voor de mens gelden, ook als hij tenslotte volwassen geworden is. Er gaat dan
evenwel ook nog iets anders gelden waardoor dat vasthouden een incidenteel
karakter krijgt, de barrière telkens weer overwonnen wordt en de voorstelling
zijn eeuwigheidswaarde verliest. Het vasthouden van de voorstelling geschiedt
niet alleen maar op grond van de overeenkomst met de buitenwereld. Ik herinner
er aan dat de mens verbanden legt tussen de verschillende inhouden van zijn
zelfbewustzijn. Die verbanden zijn opgeloste samenhangen. Die kunnen er zijn
omdat er spiegeling met het beeld is, op grond van het min of meer transparant
zijn van de voorstelling. Nu zijn het ook die verbanden waarvan de mens meent
dat zij identiek zijn met de samenhang in het beeld, alleen: daarvan weet hij,
vooral in onze cultuur, doorgaans niets af en wel omdat hij zichzelf als
bewustzijn en als beeld verdrongen heeft. Maar intussen werkt het wel zo in hem
omdat hij nu eenmaal zo in elkaar zit.
Hij vertrouwt dus de door hemzelf aangelegde verbanden zonder
te weten waarom. Je zou het een zaak van intuïtie kunnen noemen - alweer een
begrip waarvan de moderne wetenschappelijke mensen niets moeten hebben! Het is
van groot belang om in te zien dat de mensen oprecht menen dat hun voorstelling
klopt met de realiteit en er ook oprecht vertrouwen in hebben dat
de aangelegde verbanden de juiste zijn. Er valt hier dus niets te beschuldigen
en je kunt met recht stellen dat de mensen niet weten wat ze doen als ze bezig
zijn van hun wereld een bloedbad te maken.
Wat anders is dat bepaalde
mensen, zoals pausen en politici, leugens vertellen en het doen voorkomen of
zij een andere, voor de bevolking betere, voorstelling van de werkelijkheid
hebben dan zij werkelijk hebben. Als regel is dat een machtskwestie waarbij de
bevolking gepaaid wordt met mooie verhalen, met de bedoeling voor zichzelf meer
vrijheid te verwerven. De mensen noemen iets logisch als zij er op vertrouwen
dat het verband, dat zij tussen de inhouden van het zelfbewustzijn hebben
aangelegd, overeenkomt met de samenhang die voor het beeld geldt. Iets logisch vinden
berust dus op vertrouwen, niet een vertrouwen in iets of iemand
anders, maar in zichzelf. In de moderne cultuur weet men er nauwelijks iets
van, en dat blijkt wel heel erg duidelijk hieruit dat het nooit gelukt is een
grond te vinden voor de logica. Vooral in de filosofie heeft men zich intensief
bezig gehouden met de vraag wanneer iets logisch genoemd kan worden - het
antwoord is nooit gevonden. Toch bemerkte men dat er een zekere
vanzelfsprekende natuurlijke overeenstemming tussen de mensen was. Uiteraard,
want de door de mens aangelegde verbanden zijn aan de samenhang van het beeld
gespiegeld. Omdat het uitgangspunt van de logica in de werkelijkheid als beeld
is gelegen heeft zij een universeel karakter, maar dat komt slechts in
hoofdzaak in de wetenschap tot uiting. Gangbaar vinden de mensen van alles
logisch, voornamelijk dat wat in hun kraam te pas komt. Dit is mogelijk omdat
in het begrip logica het verband tussen de inhouden van het zelfbewustzijn (de
dingen die je in je hoofd hebt) bepalend is. Daardoor is de individuele
voorstelling bepalend zodat de mensen tot op zekere hoogte van alles logisch
kunnen vinden. De een vindt het bijvoorbeeld logisch dat mensen met elkaar
trouwen en de ander vindt dat heel Onlogisch, terwijl beiden het over de natuurwetten
volkomen met elkaar eens zijn. Omdat dit het geval is zijn er bindende
afspraken gemaakt om eenstemmigheid te verkrijgen over wat logisch is en wat
niet. Maar wat de godsvoorstelling betreft het volgende: een vorm van samenhang
die aanleiding kan geven tot het logisch vinden dat er een god bestaat is in
het beeld niet aanwezig. God behoort louter tot de voorstelling zonder dat hij
aan het beeld gespiegeld wordt. Hij kan daaraan ook niet gespiegeld worden
omdat hij berust op het begrip niet-materie voor zover dat op zichzelf gesteld
wordt. Dat is er de reden van dat godsvoorstellingen niet getoetst en doordacht
mogen worden en daardoor zo onuitroeibaar zijn. Doordenkt men zo'n voorstelling
echter wel, dan is god in de kortste keren verdwenen omdat er geen spiegeling
met het beeld mogelijk is. Het is op grond van deze onmogelijkheid dat je de
godsvoorstelling en de godsdienst tot de waandenkbeelden moet rekenen. Omdat
men de logica niet thuis kon brengen heeft men zijn toevlucht tot de exacte
wetenschap genomen en datgene logisch genoemd wat bij herhaalde toetsing
dezelfde verhouding tussen twee of meer grootheden opleverde. In feite heeft
men het verband tussen die grootheden als grondslag voor de logica aangenomen
en men spreekt dan ook van causale verbanden. Voor zover een mens die verbanden
in zijn dagelijkse leven laat gelden heeft men het over redelijkheid. Ook wat
de rede betreft hebben de denkers aangevoeld met iets universeels te maken te
hebben. Sommigen, bijvoorbeeld humanisten, hebben op grond hiervan de
redelijkheid als de maat voor het gehele leven gesteld en haar zodoende ook
weer verheven tot iets geestelijks, met als onvermijdelijk gevolg een stelsel
van regels, geboden en verboden, kortom: de ethiek. In de werkelijkheid als
beeld zit geen logica, maar samenhang. Pas voor het menselijk zelfbewustzijn is
het begrip logica geldig, namelijk als en voor zover de mens er op vertrouwt
dat de verbanden binnen zijn voorstelling die samenhang afspiegelen.
Onvermijdelijke
toeval-1 ; onvermijdelijke toeval-2 ; Metafysica Mystiek
en Metafysica vanaf no. 140 tot eind van deel 2
Doorgaans weten de mensen niet
dat er in henzelf als zelfbewustzijn een spiegeling plaats heeft tussen de
voorstelling en het beeld. Maar die spiegeling is er, ook als de mensen,
bijvoorbeeld in onze cultuur, er geen boodschap aan hebben. Op grond van die spiegeling
stellen zij vertrouwen in de verbanden die zij tussen de
verschillende inhouden van hun zelfbewustzijn leggen. Zij noemen die
betrouwbare verbanden logisch. Van de weeromstuit zijn veel mensen gaan geloven
dat de werkelijkheid zelf logisch is, in die zin dat haar wording en bestaan op
van haar onafhankelijk geldende wetten berusten. Dat zij dus van iets
uitwendigs afhankelijk is, namelijk van als het ware van tevoren en buiten haar
om opgestelde wetten die er aan ten grondslag zouden liggen. Die veronderstelling
leidt tot de mening dat de kosmos en het leven zin zouden hebben, en wel omdat
het tot stand komen van de kosmos voor de werkelijkheid een doel zou zijn. Als
het waar was dat de kosmos volgens een vaste cyclus van logische oorzaken en gevolgen
ontstaan zou zijn, dan zou de daaraan ten grondslag liggende wet helemaal aan
het begin moeten liggen en je zou het doel er al ingecalculeerd moeten vinden.
Wij treffen daar echter alleen maar beweeglijkheden aan, chaotisch beweeglijk
zonder aan iets, wat dan ook, gebonden te zijn. Zo je al van een wet zou willen
spreken zou het de wet van het onvermijdelijke toeval moeten zijn. Maar
die houdt geen doelgerichtheid in doch slechts mogelijkheden, die misschien
houdbaar blijken te zijn, maar misschien ook niet. Er ontstaat telkens een
veelheid aan verschijnselen waarvan de houdbaarheid nog blijken moet. Als er
echter een doel was zou er uit een bepaald voorgaand stadium slechts één
bepaald volgend stadium kunnen voortkomen en daarvan zou bij voorbaat zeker
zijn dat het houdbaar was. Er is in de wetenschap en de filosofie voortdurend
gezocht naar een universele grondslag van de logica. Men heeft die nooit
gevonden. De verklaring voor dat falen is deze, dat het bewust zoeken van
antwoorden op essentiële vragen onvermijdelijk bevangen is in de aanwezige
voorstelling. De zaak is gedateerd. De essentie blijft verborgen omdat die
buiten de voorstelling ligt. Men kan dan geen ander antwoord vinden dan dat het
allemaal om conventies, afspraken, gaat. Op een zeker moment meende men het
gevonden te hebben in de taal, maar uiteraard bleek men daarmee ook niet verder
te komen. Het is juist het bewuste zoeken dat belemmerend werkt. Om er achter
te komen hoe de dingen nu echt zitten moet je niet naar die dingen en hun grondslag
zoeken, maar naar de werkelijkheid als beeld. Dat levert vanzelf de spiegeling
met de voorstelling op en daarmee een betrouwbare verklaring, een die wij
logisch vinden. Eigenlijk zou de filosofie op vragen antwoorden moeten geven
waar niet naar gezocht is! Daarom heb ik steeds gesteld dat je het verhaal van
de wording en het bestaan, en in het algemeen van de filosofie, moet proberen
te denken zonder gebruik te maken van je kennis, d.w.z. datgene dat je meent te
weten. Deze kennis immers ligt binnen de voorstelling, is er inhoud van.
Spinoza bijvoorbeeld sprak van de zuivering van het verstand. Hij beschouwde
die activiteit als essentieel voor het begrijpen van de werkelijkheid. Latere
denkers hebben hier geen aandacht aan besteed omdat men in de mening verkeerde
dat het volgen van de logica het denken zou zuiveren. Daarmee leverden de
denkers zich automatisch uit aan hun eigen voorstelling. De voorstelling komt,
zoals al gezegd, enigermate overeen met de samenhang binnen het beeld en met de
concrete buitenwereld. Er zijn echter elementen in de voorstelling die noch met
het een, noch met het ander overeen stemmen.
We rekenen die elementen tot de
metafysica, het bovenzinnelijke. Alle godsbegrippen behoren daartoe, voorts
ideeën over geesten, duivels, kabouters, bezielde voorwerpen en bijna alle
paranormale verschijnselen. Ook de filosofie heeft lange tijd een metafysisch
karakter gehad: met behulp van god verklaarde men alle mogelijke en onmogelijke
verschijnselen. Daartegen is men in de moderne filosofie terecht in verzet
gekomen: men is zich positivistisch gaan opstellen. De goede kant daarvan is
dat men het vertrouwen verloor in al die ongerijmde, gefantaseerde verhalen die
als verklaring voor allerlei verschijnselen dienden. Maar de kwalijke kant is deze
dat men zich nog meer aan zijn eigen voorstelling uitleverde en de deur naar
het beeld vrijwel volledig sloot. De eigen logica, namelijk de op conventies
berustende, werd de maat. Op grond daarvan ging men er toe over alle niet
wetenschappelijk toetsbare gedachtegangen te verwerpen in plaats van
uitsluitend de echt metafysische. Zuiver filosofische gedachtegangen zijn
namelijk niet metafysisch, maar zij lenen zich ook niet voor empirische
controle. Door het verwerpen van deze gedachtegangen, als zouden zij
metafysisch zijn, heeft de moderne filosofie zichzelf voorlopig de das om
gedaan. Een zuiver filosofische gedachtegang berust op spiegeling en niet op
metafysica. Spiegeling is er waar het zelfbewustzijn zich gelden laat op de
wijze van materie als niet-materie. Het gaat dus om een bijzondere verhouding
van de materie, een verhouding die zich niet laat kwantificeren, d.w.z. in
meetbaarheden (getallen) uitdrukken. Maar intussen is het toch materie en dus,
hoewel niet meetbaar, na te gaan. Het metafysische echter berust louter op
verzelfstandiging van de geest en dus uitsluitend op het begrip niet-materie.
Dat ontkent een wisselwerking met de materie en dus is er geen logica. Je kunt
van alles beweren zonder dat iemand het ooit zal kunnen nagaan. Dergelijke
beweringen berusten op een waan die vrijwel niet te doorbreken is. Zo'n waan,
bijvoorbeeld de godsdienstige, heeft een onuitroeibaar karakter. Toen in de 19e
eeuw het wetenschappelijk denken door ging breken dacht men dat de godsdienst
het tegen dit denken af zou leggen en vanzelf zou verdwijnen. Inmiddels is
duidelijk geworden dat dit helemaal niet het geval is. Er is wel een groot
aantal godsdienstige voorstellingen verdwenen, zoals bijvoorbeeld de gedachte
dat de aarde door een god geschapen zou zijn, maar daardoor is de
godsdienstigheid niet aangetast. Uit het bovenstaande blijkt dat een dergelijke
aantasting helemaal niet mogelijk is, en wel juist omdat er geen spiegeling met
het beeld kan zijn. Je kunt het dan ook meemaken dat exact denkende mensen zoals
natuurwetenschappers en wiskundigen zonder bezwaar in een god geloven, zij het
soms iets minder platvloers dan de meeste evangelisten. Het godsbegrip laat
zich niet aan het beeld toetsen en kan dus niet bijgesteld worden. Het blijft
hangen, juist omdat het losgemaakt is van datgene dat werkelijk zelfbewustzijn
genoemd kan worden. Toch zal het op den duur verdwijnen, namelijk als de mensen
de deur naar het beeld weer gaan openen en de spiegeling weer vanzelf een kans
krijgt. Wij moeten er op letten dat de godsbegrippen oorspronkelijk stoelden op
een besef dat de mensen omtrent de werkelijkheid hadden. Zo'n besef heeft alles
met de spiegeling tussen beeld en voorstelling te maken, reden waarom men in
oude religies wel degelijk met diepzinnige uitspraken, in de vorm van beelden,
kwam. Maar die uitspraken, voortkomend uit inzichten, werden onmiddellijk door
priesters ingepikt en tot een waant omgezet. Uiteraard met de bedoeling er
macht mee uit te kunnen oefenen. Maar, te beginnen met de Romeinen, is er een verandering
opgetreden, namelijk het als autonoom stellen van de geest, de werkelijkheid
als niet-materie. En daarmee is elk verband met de werkelijkheid verloren
gegaan.
Onvermijdelijke
toeval-1 ; onvermijdelijke toeval-2 ; Metafysica Mystiek
en Metafysica vanaf no. 140 tot eind van deel 2
No. 89
De als inhoud van het
zelfbewustzijn door jezelf opgebouwde voorstelling is gebaseerd op de
afzonderlijke dingen die je in de buitenwereld waarneemt, en de verbanden die
je daartussen aanlegt vanuit de spiegeling met de werkelijkheid als beeld. Die
voorstelling wordt vastgelegd omdat ze je als zodanig de mogelijkheid biedt om
thuis te raken in de werkelijkheid die je omringt. Anderzijds wordt het
vastleggen bevorderd door het feit dat je meent dat de door jezelf in een
bepaald verband geplaatste werkelijkheid de echte werkelijkheid is. In feite
betekent het vastleggent dat de doorzichtigheid van de voorstelling opgeheven
wordt. Dat is het geval omdat vastleggen niets anders is dan het stilleggen van
beweeglijk-zijn. Als er geen beweeglijkheid meer is kun je ergens niet meer
door heen kijken. In dat geval is er voor de mens geen mogelijkheid meer om de
spiegeling tussen beeld en bewustzijn tot zijn recht te laten komen. Het beeld
wordt als het ware afgedekt door de dichtgemetselde voorstelling, die dan als
een barrière tegen de ontwikkeling gaat werken. Wat betreft dat thuis raken in
zijn omgeving nog het volgende: in het bewustzijn van alle levende wezens ligt
de bestaande werkelijkheid als totaaltrilling besloten. Via die verhouding is
er een binnenwereld en een buitenwereld. In die buitenwereld is elk levend wezen
thuis, maar voor de mens geldt dat niet als een natuurlijk gegeven, en wel
omdat hij de bestaande werkelijkheid ontkent. Hij is, als laatste verschijnsel,
immers ook nog niet-materie, oftewel geest. Door het gelden van die ontkenning
is voor hem het thuis zijn in zijn omgeving niet een natuurlijk gegéven, maar
iets dat hij moet verwerven. Ik heb al eerder gezegd dat de mens alles moet
leren. Hij moet leren te overleven omdat hij in principe niet kan overleven in
de realiteit waarin hij terecht is gekomen. Door nu te leren in die realiteit
thuis te zijn kan hij overleven. Het overleven komt namelijk mee aan het leren
zich in de wereld thuis te voelen: omdat hij zich thuis gaat voelen kan hij
overleven - die verhouding ligt niet andersom, zoals tegenwoordig veelal
gemeend wordt. Dat leren zich thuis te voelen gaat niet zonder ervaringen. Het
opdoen van ervaringen is een cumulatief proces. Er voegen zich steeds meer
ervaringen bij en die vormen gaandeweg het complex van kennis. Dat complex is
eveneens inhoud van het zelfbewustzijn. Het is ingepast in de voorstelling. Het
is een feit dat de mensen de verbanden in hun voorstelling naar analogie van de
samenhang in het beeld hebben aangelegd. Maar juist omdat bij het opnemen in de
voorstelling de samenhangen tot verbanden geworden zijn is het een vastgelegde
zaak. De samenhang wordt immers opgelost om onmiddellijk weer als een verband
gesteld te worden. Alhoewel soms blijkt dat zo'n verband redelijk
waarheidsgetrouw is werkt de zaak toch als een barrière. Onvermijdelijk
ontstaat de tragische situatie dat de mensen zich aan hun eigen voorstelling
uitleveren. Dat is echter niet onherroepelijk: doordat er onvermijdelijk
enigermate van spiegeling overblijft, en doordat er steeds meer ervaringen
opgedaan worden, wijzigt zich in de loop der tijd toch de voorstelling. Nu kun
je je afvragen waarom de mensen niet gewoon vaststellen dat bijvoorbeeld een
boom een boom is en het voortaan daarbij laten. Dat evenwel is onmogelijk omdat
alle inhouden van het zelfbewustzijn, ontleend aan de omringende wereld,
noodzakelijk in verbanden opgenomen worden. Door het gelden van die verbanden
is een boom nooit zomaar een boom, maar bijvoorbeeld een mooie boom, of een
nutteloze boom of mijn boom. Er wordt altijd een verband met iets anders gelegd
en daardoor wordt er een speciale betekenis aan gegeven en een waardeoordeel
mee verbonden.
De boom op zichzelf is niet in de
voorstelling aanwezig, het is steeds een bepaalde boom. De bepaaldheid daarvan
berust op een complex van, door de mensen zelf aangelegde, verbanden. Binnen de
context van het zelfbewustzijn en zijn voorstelling is het zinloos om naar Das
Ding an sich te zoeken, zoals de wijsgeer Immanuel Kant geprobeerd heeft. Hij
kwam dan ook tot de conclusie dat zoiets onkenbaar is, ondanks het feit dat hij
een heel intelligent systeem van denkcategorieën uitgedacht heeft. In de loop
der tijd zijn er door de mensen tal van verschillende verbanden tussen de
inhouden van hun zelfbewustzijn gelegd. Soms klopten die verbanden redelijk
goed, maar heel vaak sloegen zij nauwelijks ergens op. Als je bijvoorbeeld een
boom als de woonplaats van de een of andere geest beschouwt stel je die boom in
een verband dat niet blijkt te kloppen. Bekijk je de boom louter als een
winstobject omdat hij timmerhout oplevert leg je ook een verkeerd verband aan.
Je kunt dus van die verbanden het volgende zeggen: er zijn er die juist blijken
te zijn, er voegen zich andere bij die op hun beurt al of niet juist zijn en er
zijn er die absoluut nergens op slaan. Bovendien zijn er verbanden die de
mensen helemaal nog niet kunnen leggen, verbanden waar ze zogezegd nog niet aan
toe zijn. Je kunt verwachten dat op den duur alle aangelegde verbanden redelijk
goed en redelijk volledig zullen zijn. Toch leidt dit niet tot een beter begrip
van de werkelijkheid. Het is namelijk niet datgene waar het eigenlijk om gaat.
Het gaat er om dat de zaak vastgelegd wordt! Daarmee is elk verband, juist of
niet, geen afspiegeling meer van de samenhang. Dat dit het geval is blijkt in
onze moderne tijd waarin de, wetenschappelijk uitgezochte, verbanden behoorlijk
waarheidsgetrouw zijn, maar toch een heldere kijk op de werkelijkheid in de weg
staan. Bijna niemand weet er raad mee. Dat het tenslotte toch tot een
spiegeling komt heeft een andere oorzaak. Het vastleggen vormt dus de barrière.
In het oude oosten had men hiervan een besef en ook nog wel in het beginnende
Europa. Men was dan ook van mening dat het leren kennen van de werkelijkheid
niet zozeer berustte op extravert (naar buiten gericht) onderzoek van de
verschijnselen, maar vooral op introvert nagaan van de inwendig aanwezige
werkelijkheid. Zij wisten niet waarom dat zo was. Dat er een spiegeling tussen
de voorstelling en het beeld is wisten zij niet. Maar toch verstonden zij onder
wetenschappelijkheid niet eenzijdig geleerdheid - eigenlijk is een ieder op
eigen wijze geleerd - maar vooral wijsheid. Daarom moest je jezelf ontwikkelen
om aanspraak te kunnen maken op wetenschappelijkheid. Zelfs bij de Europese
alchimisten was dat besef nog levend. Wetenschap kwam tot stand via een dubbele
weg: de introverte en de extraverte. In de cultuurgeschiedenis zie je dat het
steeds de twijfelaars zijn die de ontwikkeling een stukje verder helpen door de
bestaande voorstellingen aan te tasten. Wij kennen hen als de ketters, de
onruststokers, de rebellen. Voor hen stond het lang niet vast dat de
werkelijkheid was zoals de voorstelling die suggereerde. In hen werd het
vastgelegde enigszins beweeglijk, en de spiegeling gaf aanleiding tot het
verwerpen van de gevestigde waarden. In feite zijn er twee processen: ten
eerste het geleidelijke veranderen van verbanden via de erfelijkheid en doordat
er toch altijd enige spiegeling aanwezig is, en ten tweede het schoksgewijze
aantasten. Het eerste vertoont zich als de ontwikkeling van de mensheid en het
tweede ligt daarin ingebed, maar springt er tevens op revolutionaire wijze uit.
Zo waren er in het grijze verleden al denkers, zieners, die bijvoorbeeld de
oorlog als onmenselijk veroordeelden en probeerden de mensen er van af te
houden. Maar van dergelijke inzichten trekt niemand zich iets aan: tegenwoordig
is nog lang niet iedereen van de misdadigheid van oorlog overtuigd!
Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen
; Opvoeding-3
; Opvoedingsmethoden
; opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144) ; Rechten van de Mens ;
Als het over de ontwikkeling van
de mensheid gaat zijn er eigenlijk niet twee, maar drie varianten van het
opheffen van de barrière: 1e) de langzame, individueel onbewuste, via de opeenvolging
der geslachten, 2e) de in een groep individuen bewust optredende, op grond van
het doorstralen van een bepaald facet van het beeld, en 3e) het, in een enkele
rebelse individu optredende, schoksgewijze opheffen vanwege de twijfel, die
zich op de gehele voorstelling betrekt. Steeds echter leidt het tot varianten
van spiegeling tussen beeld en voorstelling. Er zijn nogal wat denkers die van
mening zijn dat in het algemeen de mensen dom zijn, maar dat dit enigszins over
gaat naarmate zij wetenschappelijke kennis verwerven via ervaring en scholing.
Die mening stoelt op het denken van de Verlichting aan het einde van de
18e eeuw. Men had toen het gevoel het universele mechanisme gevonden te hebben
met behulp waarvan de mens op objectieve wijze zinvol over de werkelijkheid zou
kunnen nadenken. Men meende nu het juiste gereedschap in handen te hebben om
overdraagbare, controleerbare, toetsbare, positieve kennis te verwerven en die
kennis in logische verbanden op te nemen. Dat zou de ontwikkeling van de mensen
bevorderen en op den duur tot een betere wereld leiden. Die mening was fout:
hoewel inderdaad de hoeveelheid beschikbare kennis aanzienlijk is toegenomen en
het leggen van logische verbanden gemeengoed is geworden, is het inzicht in de
werkelijkheid nauwelijks verhelderd en een betere wereld ver te zoeken...
integendeel, er gaapt een steeds bredere kloof tussen het complex van de
logisch geordende kennis en de kwaliteit van de praktijk van het leven. Omdat
de verzameling kennis een rol speelt in de opbouw van de individuele
voorstelling gaat de ontwikkeling weliswaar niet zonder de vermeerdering van de
beschikbare logisch verantwoorde kennis, maar Zij berust daar niet op. Zij
berust op het zich geleidelijk opheffen van de eerdergenoemde barrière via de opeenvolgende
geslachten van gewone mensen. Deze bepalen de grote lijn van het
wereldgebeuren. Dit lijkt een overbodige bewering, maar ik moet er toch op
wijzen omdat de algemene opvatting juist is dat het de hooggeschoolde machtige
élites zijn die het wereldbeeld bepalen. In feite kunnen deze echter alleen
maar datgene manipuleren dat in de gewone mensen, min of meer bewust, qua
voorstelling aan de orde is. Buiten de gangbare voorstelling van die gewone
mensen om kan geen enkele machthebber iets tot stand brengen, zelfs niet met
geweld. Die gangbare voorstelling geldt trouwens, zij het op geraffineerde
wijze, ook voor die machthebbers - van een vooruitziende blik hebben die als
regel geen last! Zij kunnen dus niet eens met iets vooruitstrevends komen. Het
is overigens opmerkelijk dat wij geen kwalitatief positieve of zelfs maar
neutrale termen hebben voor de gewone mensen. Of je het nu hebt over het volk,
de burgers, het gepeupel, de massa, het vulgus of het proletariaat, steeds is
er een ondertoon van minachting.
Dat komt doordat de zaak van
bovenaf bekeken wordt vanwege het als de maat nemen van de geest. Vanuit die
optiek komen de gewone mensen nooit met iets bijzonders, zijn niet in staat hun
zaken zelf te regelen en moeten in toom gehouden worden. Die voorstelling lijkt
waar te zijn, maar als je de geschiedenis eens goed bekijkt zie je dat de zaak
eigenlijk andersom ligt. Bij herhaling geven de gewone mensen er blijk van de,
zich op de geest (het hogere) beroepende, élites in toom te moeten houden. Je
zou kunnen menen dat een ontwikkeling via de opeenvolging der geslachten een
kwestie van genetica, van erfelijkheid is. Die mening is maar zeer ten dele
juist. De genetica gaat over het doorgeven van bepaalde eigenschappen van
individuele mensen. Het is een materieel biologisch proces dat tegenwoordig,
door allerlei verbazingwekkende resultaten van het natuurwetenschappelijk
onderzoek, erg in de belangstelling staat en daardoor de indruk wekt het enige
criterium voor de opeenvolging der geslachten te zijn. Nu echter gaat het om
iets anders, dat, biologisch gezien, ook wel doorgegeven wordt, maar dat niets
met bepaalde eigenschappen van doen heeft. Doorgegeven wordt een kwaliteit,
namelijk het materie als niet-materie zijn. Als er een kind ter wereld komt is
dat niet een verschijnsel dat nog mens worden moet, maar het is echt een mens.
Dat betekent dat het materie als
niet-materie zijn geheel en al aanwezig is: er komt een zelfbewust wezen ter
wereld. Voor zover voor dat zelfbewuste wezen geldt dat het geest is (niet-materie),
is het de ontkenning van alle rasters en verbanden. Als geest gaat het nergens
over omdat het is alsof de beweeglijkheden weer terug zijn. Daardoor is het
zelfbewustzijn volkomen helder en heeft nog geen enkele voorstelling tot
inhoud. De voorstelling ontstaat langzamerhand via het opdoen van ervaringen,
opvoedingsprocessen en leerprocessen. Maar om te beginnen is hij er niet. Het
gelden als beweeglijkheden is hetzelfde als helder-zijn. Het heldere kind is
qua zelfbewustzijn zonder inhoud, maar qua erfelijkheid is het behept met
allerlei eigenaardigheden, waarvan de structuur zo onvoorstelbaar ingewikkeld
is dat we er misschien wel nooit het fijne van te weten zullen komen. Dat is
overigens ook niet zo belangrijk, veel belangrijker is het om te begrijpen dat
een kind voor één moment onschuldig is en onbevooroordeeld en onbevangen. Dat
wordt door de mensen soms aangevoeld, in het Evangelie wordt de mensen
aangeraden te worden gelijk een kind. Op het doorgeven van ouder op kind van
het heldere zelfbewustzijn op zichzelf is geen enkele invloed uit te oefenen,
maar de vorming van de voorstelling is natuurlijk wel afhankelijk van de
omstandigheden waarin het kind terechtkomt. Het pasgeboren kind treft een
wereld aan die is zoals hij is en het maakt kennis met de voorstellingen die in
de mensen uit zijn omgeving leven. Die hele zaak wordt in dat kind tot een
nieuwe voorstelling waarin nieuwe verbanden gelegd worden, maar essentieel is
dat dit gebeurt vanuit een volkomen heldere situatie. Het kind is om te
beginnen een onbeschreven blad, waarop pas later ervaringen geschreven worden.
Daardoor wijkt de nieuwe voorstelling, zoals die in het kind ontstaat, af van
die van de ouderen. De oude voorstelling wordt in het kind tot een nieuwe.
Omdat niet-materie, dus
helderheid, de voedingsbodem van het nieuwe is, is voor een moment de barrière
afwezig geweest en de werkelijkheid als beeld bepalend. Het gevolg is dat de
nieuwe voorstelling van het kind iets dichter bij de waarheid ligt. Op grond
van dit fenomeen vertoont de mensheid ontwikkeling en spreken wij van
vooruitgang. Deze ontwikkeling gaat onbewust, juist omdat zij gebaseerd is op
een helderheidsmoment, waarvoor geldt dat het zelfbewustzijn nog geen inhoud
heeft. De mensen weten er dus niets van. Bovendien gaat die vooruitgang met
zulke kleine stapjes dat zij slechts achteraf over een langere periode
waargenomen kan worden. En ook dan nog moet je weten waarop je moet letten: het
bedrieglijke is namelijk dat niet alles in absolute zin béter wordt, maar vaak
lange tijd slechter. Zo zie je bijvoorbeeld dat naast een toenemend besef van
het gelden van de rechten van de mens
tegelijk het raffinement van het elkaar naar het leven staan toeneemt. Een
ander voorbeeld: het vernietigen van de werkelijkheid, gegrond op de analyse,
gaat almaar door omdat het tenslotte zover moet komen dat het zijn eigen
onhoudbaarheid openbaart. Overigens zijn het doorgaans de slechte
ontwikkelingen die het meest opvallen, en wel omdat zij rechtstreeks verband
houden met de structuur van de voorstelling en daardoor op het terrein van het
bewuste liggen.
Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen
; Opvoeding-3
; Opvoedingsmethoden
; opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111, en 5-pag. 144) ; Rechten van de Mens ;
bijna doodervaring-1 bijna doodervaring-2
Als het gaat over de langzame,
onbewuste, verheldering van de mensen moet je bedenken dat dit niet een kwestie
is van erfelijkheid, in de zin van het doorgeven van bepaalde eigenschappen en
kenmerken, maar dat het een kwestie is van een zich bij elke nieuwe generatie
opnieuw stellend helderheidsmoment. De in een situatie van optimale verdichting
verkerende verhoudingen van de beweeglijkheden ontkennen dan zichzelf, zodat de
beweeglijkheden er zijn alsof ze weer volkomen vrij zijn. Dat geldt voor elk
kind, ongeacht de genetische structuur van zo'n kind. Terzijde merk ik hierbij
op dat er bij het sterven van een mens ook een helderheidsmoment optreedt en
wel als het organisme op het punt staat in te storten.
De bijna-doodervaringen van een
groot aantal mensen getuigen hiervan: men vertelt steeds weer dat men een
oogverblindend helder licht heeft gezien! Het is natuurlijk interessant kennis
te nemen van de denkbeelden en gevoelens van dissidente mensen zoals
bijvoorbeeld die van de christengemeenschappen aan het einde van de oudheid en
de in alle tijden optredende rebellen. Maar, die mensen zijn steeds
uitzonderingen die zich in het geheel van de mensheid niet lang kunnen
handhaven. Bepalend voor het wereldbeeld zijn de gewone mensen. Het is van
groot belang dit in te zien, juist omdat de aandacht altijd valt op de toppen
van de beschaving. Dat is ook het geval in de filosofie: vooral in de moderne
filosofie houdt men zich vrijwel uitsluitend bezig met datgene dat de
topfiguren op tafel gelegd hebben. Maar eigenlijk gaat het er om als filosoof
inzicht te krijgen in het ontwikkelingsmoment dat je zelf bent om van daar uit
tot een zo helder mogelijke filosofie te komen. Je richten op die anderen
levert alleen maar wetenschap op en is als zodanig een bevestiging van de
gangbare voorstelling. Je kunt veronderstellen dat een nieuwe voorstelling,
ontstaan op grond van een nieuw helderheidsmoment, alleen maar anders is dan de
voorgaande, maar niet teen stapje vooruit betekent - de gedachte dus dat er
niets nieuws onder de zon zou zijn en dat de geschiedenis ons zou leren dat wij
niets leren. Die veronderstelling echter is onhoudbaar. Dat blijkt als je
nagaat wat er gebeurt bij het ontstaan van een nieuwe generatie. Er is dan niet
alleen een nieuw helderheidsmoment, maar er is ook opnieuw een bewustzijn dat
niet afhankelijk is van de toevallige eigenaardigheden van de nieuwe individu.
Het is immers de werkelijkheid als totaaltrilling, zich manifesterende als
beeld en gevoel.
Die werkelijkheid is gegeven en
die wordt niet, zoals het geval is met de voorstelling, gaandeweg opgebouwd:
het beeld is gegeven, maar de voorstelling ontstaat. Als die voorstelling er in
het helderheidsmoment nog niet is kunnen het beeld en het gevoel onbelemmerd en
in volle sterkte gelden. Dat is bij elke nieuwe generatie het geval; er is om
te beginnen steeds een volmaakte spiegeling. Die wordt niet door een vastgelegde
voorstelling gehinderd en juist daardoor wordt telkens de werkelijkheid als
bewustzijn iets dichter benaderd. Dat betekent dat de mensheid langzaam aan en
in feite bijna onmerkbaar dichter bij de waarheid komt. Het doorwerken van het
helderheidsmoment is bij de ene mens effectiever dan bij de andere mens. De
oorzaak daarvan ligt uiteraard in de persoonlijke ontvankelijkheid voor
conditioneringen, met andere woorden: de een is meer geneigd de zich
uitbreidende voorstelling vast te leggen dan de ander. Dit verschijnsel berust
wel op een genetische factor die ertoe leidt dat de ontvankelijkheid voor
conditioneringen gevarieerd voorkomt. Dat levert bij het gros van de gewone
mensen variaties op binnen een algemeen geldige, enigszins naar de waarheid
opgeschoven, voorstelling, waaraan zij zich geconformeerd hebben. Geheel anders
ligt het bij de rebellen en dissidente groepen.
Die vormen namelijk afwijkingen
van het algemeen gangbare. Bij de grote kunstenaars echter is het afwijkend
zijn niet essentieel, maar het dominant zijn en blijven van de beweeglijkheid
van de voorstelling. Zowel de variaties in de gangbare voorstellingen als de
afwijkingen berusten dus op een genetische factor. Dat is te begrijpen, want
het gaat immers over het zelfbewustzijn van de mensen, en dus over de materie
als niet-materie. Basisgegeven is zoals steeds de materie. In dit geval gaat
het om de vraag wat de hoedanigheid is van die bepaalde materiële structuur die
zich als niet-materie gelden laat. Het niet-materie zijn op zichzelf is uiteraard
een toestand van volkomen helderheid, maar de vraag is dus wat er volkomen
helder is en deze vraag heeft betrekking op de materiële gesteldheid van een
bepaald mens. Het antwoord op die vraag is bepalend voor de ontvankelijkheid
voor conditioneringen, de behoefte van een bepaald mens om zich aan het
gangbare te conformeren, zich daarmee te vereenzelvigen. Elk individueel mens
is een variatie van het verschijnsel mens. Er zijn geen twee mensen gelijk. Dat
betekent dat het opbouwen van de voorstelling, hoewel het uitgangspunt daarbij
het helderheidsmoment is, gevarieerd voorkomt. De twee grondslagen van dit
opbouwen zijn absoluut van karakter: het bewustzijn en het beeld zijn voor een
ieder hetzelfde en dat is ook het geval met het helderheidsmoment op zichzelf.
Maar het opbouwen van de voorstelling, als inhoud van het zelfbewustzijn, is
afhankelijk van de materiële hoedanigheid van het verschijnsel en is, op grond
daarvan, gevarieerd. We kunnen in dit verband spreken van de aanleg van een
bepaald mens. Het is daarmee maar net hoe het valt en daarom noem ik het een
genetische kwestie, maar misschien is het beter om van een biologische zaak te
spreken, omdat het nog maar de vraag is of een dergelijke aanleg overgeërfd
wordt. ( wat is twijfelen ) Ook het vermogen om te twijfelen komt in de mensen
gevarieerd voor, en ook hier geldt weer: het begrip twijfel geldt voor iedereen
omdat voor iedereen het er-niet-zijn van de verbanden en rasters van kracht is.
Voor iedereen geldt het begrip geest in de zin van niet-materie. Voor zover dit
er-niet-zijn bij tijd en wijle in een mens effectief is twijfelt hij. Maar lang
niet iedereen weet er raad mee en je kunt zelfs stellen dat het logisch is dat
het gros van de mensen de twijfel zo grondig mogelijk wegdrukt omdat hij de
voorstelling aantast en verlies van houvast geeft. Die twijfel kan ook
opgeroepen worden, bijvoorbeeld door de filosofie en de kunst.
De werking hiervan berust niet op
het overdragen van kennis, zoals dat in de wetenschap het geval is, maar op het
incidenteel bij de toehoorder of lezer beweeglijk en dus diffuus maken van de
vastgelegde voorstelling. Daardoor opent zich in die genieter een perspectief
naar de werkelijkheid als beeld, met als gevolg een zuiverder spiegeling. Die
genieter moet de zaak echter helemaal zelf verwerken en om daarmee raad te
weten moet hij aanleg hebben. Geen enkele filosofie of kunst kan een mens van
buitenaf tot een andere opvatting van de werkelijkheid brengen. Soms lijkt het
wel daarop, maar dan heeft men gewoon iets aangenomen of overgenomen. De
wezenlijke werking komt neer op het openen van perspectieven, het als het ware
wegschuiven van het gordijn tussen beeld en voorstelling. Het begrip variatie
berust op het feit dat er in de samengestelde materie allerlei verwisselingen
mogelijk zijn. Weliswaar zijn dat zeer beperkte verwisselingen, maar toch is
steeds het een net een beetje anders dan het ander. Bijvoorbeeld: bij elk mens
is de genetische structuur van het DNA precies dezelfde, maar binnen die
grondstructuur zijn er kleine verschillen in combinaties van factoren en die
variaties zijn volgens de wetenschappers zo essentieel dat men van een
genetisch paspoort kan spreken. In feite is dat hetzelfde als de aanleg.
bijna doodervaring-1 bijna doodervaring-2
No.92
Zoals gezegd is het begrip
variatie er op grond van verschillende combinatie mogelijkheden van de
materiële bouwstenen. Die leiden evenwel toch tot hetzelfde verschijnsel, waarvan
te zeggen is dat hetzelfde-anders er voor geldt. De kwaliteit van de
verschijnselen waarvoor hetzelfde-anders geldt verschilt niet, en wel omdat het
kwantitatieve systeem niet anders is. Maar de op zichzelf staande exemplaren
ervan verschillen wel. Zo zijn er dus allerlei mogelijkheden waaruit hetzelfde
verschijnsel kan ontstaan en dan zijn ertussen de diverse exemplaren van dat
hetzelfde-anders variabele verschillen. Dat betreft echter een beperkt terrein.
Als voorbeeld kun je denken aan zogenaamde rechts- en linksdraaiende
melkzuurmoleculen. Het schijnt dat rechtsdraaiende moleculen lichaamseigen zijn
en daardoor gemakkelijk opgenomen kunnen worden, maar linksdraaiende
daarentegen niet. Qua scheikundige formule is er echter geen verschil, vandaar
dat er volgens de wetenschappers geen betekenis aan die variatie in draaiing
toegekend mag worden. Het bestaan van variaties is belangrijk in verband met de
vraag hoe de ervaringen in de ene mens terechtkomen en hoe in de andere. Dat is
op zijn beurt weer bepalend wat betreft de vraag in hoeverre in iemand de
spiegeling aan de gang blijft. Er is onderscheid te maken tussen rebelse
enkelingen, dissidente groepen en gewone mensen. Van die eerste twee soorten
kun je vaststellen dat die afwijkend van karakter zijn. Er wordt anders tegen
de wereld aangekeken. Vaak waarderen wij die andere kijk op de wereld als
menselijker en redelijker, denk bijvoorbeeld aan de toenmalige
christengemeenschappen die aan het einde van de oudheid her en der ontstaan
waren. Het denken van die mensen was anarchistisch, zonder aanvaarding van
hoger gezag en de ideeën wat betreft de spullen waren zelfs uitgesproken
nihilistisch: men hechtte geen speciale waarde aan de dingen. Toch waren die
ideeën niet echt helder omdat zij een reactie op onderdrukking en uitbuiting
waren. Het oorspronkelijke christendom was eigenlijk een slavengodsdienst,
waarin de voorstelling van de werkelijkheid afweek van de gangbare. Maar, het
werd als zodanig toch ook weer een vastgelegde zaak die geen ruimte voor twijfel
overliet. Als je de algemeen aanvaarde vaste voorstellingen niet deelde vloog
je er zonder mankeren uit. De afwijkende voorstellingen worden op den duur net
zo dogmatisch als de gangbare.
Van een dergelijke ontwikkeling
zijn ook andere voorbeelden te geven: de bisschoppen van de beginnende Roomse
kerk behoorden qua wereldbeschouwing ook tot de afwijkingen - totdat hun ideeën
gemeengoed werden. Charles de Coster (1827-1879) vertelt in het verhaal (1867)
van Tijl Uilenspiegel dat de beide hoofdfiguren, de legendarische Tijl en diens
geliefde Nele eeuwig blijven voortleven. Tijl was niet zonder meer een rebelse
enkeling maar wezenlijk iemand die geniaal was. Bij zo'n mens gaan de
voorstellingen niet vastzitten. Eeuwig leven betekent in dit verband dat het
helderheidsmoment blijft gelden en voortdurend de voorstelling verandert en
verheldert. Het gaat daarbij dus om de vraag in hoeverre iemand ontvankelijk is
voor het vastleggen van de voorstelling. Is iemand nauwelijks ontvankelijk
daarvoor, dan kun je van een genie spreken. De aanleg om ervaringen op te nemen
is daarbij eigenlijk niet essentieel, hoewel je op kunt merken dat juist
geniale mensen doorgaans enorm veel opnemen, omdat hen erg veel opvalt waar de
anderen langsheen kijken. Het kernpunt ligt bij de ontvankelijkheid voor
vastleggen. Bij een genie is er een geringe aanleg om vast te leggen en een
grote om in twijfel te trekken, beweeglijk te zijn en te blijven. Zulke mensen
komen altijd met wat nieuws. Juist omdat de voorstelling niet vastgelegd is.
De anderen zien alleen maar hun
voorstelling en niets anders en daardoor valt hen weinig op. Zij zijn het
slachtoffer van robot-denken, een denken langs vaste kanalen. Genieën
daarentegen zijn afwijkingen die in hun eigen afwijkend-zijn niet bevangen zijn.
In zekere zin geldt dit ook voor de zogenaamde eeuwige revolutionair die nooit
ophoudt en die tenslotte afgemaakt moet worden als de omwenteling eenmaal
geslaagd is. Een voorbeeld daarvan is Che Guevara. In het moderne denken wordt
de aanleg weggemoffeld. Zoiets toevalligs, zoiets willekeurigs past niet meer
in de moderne tijd, vindt men. Zo leidt men tegenwoordig hulpverleners op die
mensen in nood moeten helpen. Zij leren de theorie van dat vak uit boeken
waarin analyses van problemen gegeven worden. Iedereen kan dat leren omdat het
uitsluitend een zaak is van overdraagbare kennis. Maar om in de praktijk naar
iemand te kunnen luisteren, je in iemand in te leven, heb je geen analytische
kennis nodig. Je moet de gesteldheid hebben om geen begrip te tonen, maar om
begrip te zijn. Vandaag de dag is de opleiding, bijvoorbeeld aan de sociale
academie, het uit een boekje leren van systemen, analyses en modellen het enige
dat telt. Je behoeft je dan ook niet erover te verbazen dat het allemaal zo
weinig uithaalt. Om andere mensen te helpen moet je een speciale aanleg hebben,
maar omdat een aanleg iets toevalligs is past hij niet in de voorstelling van
een berekenbare en beheersbare werkelijkheid. Een ander voorbeeld is te vinden
in de kunst. De meeste mensen reageren op een kunstwerk voor zover zij de
voorstelling herkennen. Voor hen moet er een overeenkomst zijn tussen hun
voorstelling en datgene waarop het kunstwerk betrekking heeft, in de beeldende
kunst dus het plaatje. Om die overeenkomst te zien behoef je geen aanleg te
hebben, er is slechts begrijpelijke informatie voor nodig. Dat geldt
tegenwoordig voor het gehele terrein van de kunst: mooi vinden op basis van het
herkennen van de voorstelling. Dat geldt ook voor een zogenaamd abstracte
voorstelling. Daarom is er het streven om in de kunst alles uit te leggen.
Uiteraard kan het nooit kwaad als er iets uitgelegd wordt, maar het kwalijke is
dat men in de mening verkeert dat de uitleg het mooi vinden tot stand brengt.
Dat is echter niet het geval: mooi vinden is een aanleg, evenals trouwens het
scheppen van kunstwerken. Die aanleg berust op een werking die op zichzelf
niets met de voorstelling te maken heeft. Hij berust op het beweeglijk-zijn
ervan, een beweeglijk-zijn dat door het kunstwerk langs de weg van het
psychische opgeroepen kan worden. Mensen voor wie dit geldt zijn de echte
mooi-vinders.
Dat is ook het geval in de
moderne filosofie. In feite wordt er bijna niet meer gefilosofeerd, maar er
wordt uitgelegd waarover het in een bepaalde gedachtegang gaat. Daarvan worden
analyses gemaakt zodat een ieder er kennis van kan nemen. Op zichzelf is een
dergelijke kennis zeker de moeite waard en het heeft zin die aan anderen over
te dragen, maar het gaat uiteindelijk slechts over kennis van filosofie en dat
is geen filosofie. In het gunstigste geval is het wetenschap. Het gaat dus
juist om de aanleg, maar helaas vertrouwt men die niet meer. Alles moet aan
systemen beantwoorden en je moet in het hanteren van die systemen opgeleid
zijn. Vroeger was er daarentegen veel aandacht voor het leren van het vak.
Essentieel bij het tegenwoordige opnemen van kennis is dat je moet kunnen
analyseren en rubriceren, theorieën kunnen begrijpen en de systematiek van het
vak leren, terwijl echt het vak leren op inzicht in de materie en haar
samenhang berust. Als de aanleg weer zou gelden zou de maatschappij optimaal
functioneren. Iedereen zou dan doen wat hij het beste kan. Nu echter zakt de
maatschappij steeds verder onder de maat. Leervermogen wordt de maat en niet
het kunnen. De theorie neemt een steeds hogere vlucht en de praktijk wordt
almaar slechter.
No. 93
Het komt vaak voor dat men de
begrippen leervermogen en denken met elkaar verwart. Tegenwoordig wordt iemand
met een groot leervermogen al gauw voor een groot denker aangezien, maar dat is
helemaal ten onrechte. Eigenlijk hebben beide begrippen nauwelijks iets met
elkaar gemeen, behalve dan het feit dat zij allebei gericht zijn op de
voorstelling. Over het begrip denken hoor je zelden een aanvaardbare
gedachtegang. Dat blijkt al meteen als je de vraag waardoor de mens zich van de
overige levende wezens onderscheidt stelt. Het antwoord op die vraag is
doorgaans dat men stelt dat de mens kan denken en de rest niet. Vervolgens
blijkt dat men onder denken verstaat dat je het een van het ander kunt
onderscheiden weer eens een bewijs hoe slonzig het tegenwoordige denken is,
ondanks ruimtevaart en atoomtheorie. Dat onderscheid maken is immers geen
specialiteit van de mens, alle levende wezens maken onderscheid tussen het een
en het ander. Als dat niet het geval zou zijn zou bijvoorbeeld de poes
voortdurend tegen allerlei voorwerpen aanlopen en een plant zou zich niet naar
het licht kunnen richten. Kortom: het leven zou volslagen onmogelijk zijn.
Onderscheid maken is dus niet specifiek menselijk, maar toch wordt het steeds
als kenmerk van het denken genoemd. Tenslotte komt het er op neer dat ook de
filosofen toegeven dat zij eigenlijk niet weten wat denken is. ( wat is denken
) Ze zeggen dan dat we het niet weten en dat houdt automatisch in dat anderen
het zéker niet zullen weten. Die conclusie is voor hen vanzelfsprekend omdat
datgene dat zij voor denken houden, namelijk het leervermogen, naar hun besef
algemene geldigheid bezit. Als zij het dan niet weten weet niemand het! Dat is
een vooroordeel dat geen stand houdt als je in de gaten krijgt wat denken nu
werkelijk is. Het onderscheidingen maken behoort bij alle levende wezens en dus
ook bij de mens. Het is de basis van het denken, maar het is niet het denken
zelf. Dat ligt een fase verder. Als basis van het denken en dus als puur
onderscheidingen maken heeft de zaak zijn oorzaak in het bewustzijn en het
beeld. Deze laatste werkelijkheid is er een van vormen, zoals ik al eerder heb
laten zien. Dat is het geval omdat de totaaltrilling (bewustzijn) op trillende
wijze de buitenwereld is en omdat die buitenwereld een gevormde wereld is. De
vormen, als inhoud van het beeld, zijn niet van elkaar gescheiden door grenzen.
Het zijn daarentegen vervloeiende vormen; zij gaan naadloos in elkaar over.
Dat heft echter het feit niet op
dat de ene vorm de andere niet is, en op grond daarvan is de werkelijkheid als
beeld in zichzelf onderscheiden, zonder dus in zichzelf gescheiden te zijn. Het
zich manifesteren van dit in zichzelf onderscheiden zijn is wat men gewoonlijk
denken noemt, overigens zonder dit te weten. In mijn gedachtegang is het
evenwel slechts de basis van het denken. Als het gaat over het specifiek
menselijke denken en dus de activiteit van het denken zelf krijgen wij wederom
met de werkelijkheid als voorstelling van doen. De mens kan namelijk zijn eigen
voorstelling, bestaande uit een aantal gegevens (kennis) en een aantal
verbanden daartussen, nagaan. Hij kan als het ware in het landschap van de
voorstelling verschillende wegen bewandelen en zien wat hij dan tegenkomt, dus
een ontdekkingsreis maken. Dat is in strijd met wat gewoonlijk gemeend wordt.
Men is van mening dat het denken een soort van scheppende activiteit zou zijn
die tot nieuwe dingen leidt. Echter, dat lijkt alleen maar zo omdat die dingen
er eerst nog niet waren en er plotseling wel zijn. Het denken van de mens is
een nagaan van zijn eigen voorstelling. Het is een volgen van de door de mens
zelf gelegde verbanden.
Zo'n verband is een oorspronkelijk in de werkelijkheid als
beeld aanwezige samenhang die, op grond van het als inhoud van het
zelfbewustzijn voortdurend tot weer vrije beweeglijkheden instorten van de
gevormde werkelijkheid, eveneens instort om zich onmiddellijk weer te stellen
als een verband tussen de op zichzelf staande inhouden van de voorstelling.
Zoals ik al heb laten zien hebben de mensen vertrouwen in de door
henzelf aangelegde verbanden omdat zij, zonder het te weten, hun voorstelling aan
het beeld gespiegeld hebben. Het nagaan van het netwerk van die verbanden is
bij de mens de activiteit van het denken. Het leggen van die verbanden is een
gevolg van de spiegeling met het beeld en als zodanig is dat géén denken. Je
legt de verbanden niet denkend, maar wat je wel denkend doet is het volgen, het
nagaan daarvan. De mensen hebben vaak de indruk dat het denken tot iets nieuws
leidt. Dat is maar betrekkelijk waar. Als er al iets nieuws voor de dag komt is
dat een verband dat voordien, binnen de context van de voorstelling, nog niet
ontdekt was, maar dat er al wel in besloten lag. Het ogenschijnlijk nieuwe is
dus eigenlijk alleen maar een ontdekking van iets dat er al was. Buiten de
bestaande voorstelling en de daaraan inherente verbanden wordt er denkend niets
nieuws ontdekt. Uit de cultuurgeschiedenis blijkt dan ook dat nieuwe gedachten
altijd gebonden zijn aan de bestaande cultuur en nooit een absolute betekenis
hebben. Bovendien worden dergelijke nieuwe gedachten steeds door de een onderschreven
om door de ander verworpen te worden. Je kunt dus stellen dat er geen absolute
factor in het denken zit. Het is een nagaan van de voorstelling, en dus van
iets dat in ons persoonlijk gegeven is. Wij hebben het dan ook over nadenken.
Je kunt je afvragen hoe het met uitvindingen zit. Maar dan moeten wij wel
bedenken dat elke uitvinding een voorgeschiedenis heeft en op grond daarvan
steeds steunt op zaken die al bekend waren. In feite is een uitvinding
gebaseerd op een reeds aanwezig verband dat evenwel nog niet blootgelegd was.
Soms gebeurt het dat iemand iets uitvindt waarmee niemand raad weet en dat dan
maar terzijde gelegd wordt. Veel later ziet ineens iemand de verbanden zodat
die aanvankelijk zinloze uitvinding wel betekenis krijgt. Zo schijnen mensen in
een grijs verleden al atoomproeven gedaan te hebben zonder te weten waarmee zij
bezig waren. Pas in onze cultuur kennen wij de verbanden in de materie en
kunnen wij dergelijke proeven welbewust uitvoeren. Het bovenstaande houdt in
dat de moderne gedachte dat de mensen van tegenwoordig beter zouden kunnen
denken dan die van vroeger een onhoudbare gedachte is.
De mensen van vroeger konden de
verbanden in hun voorstelling net zo goed nagaan als wij, maar hun voorstelling
was uiteraard een heel stuk primitiever. Daardoor konden zij bijvoorbeeld geen
vliegtuig uitvinden. De benodigde kennis en de verbanden daartussen waren nog
niet voorhanden. Maar het denken zelf was er wel. De zaak ligt zelfs zo dat er
voor het denken geen ontwikkeling geldt. Het vermogen om de verbanden na te
gaan is er zodra de mens er is. De resultaten ervan echter worden almaar
geraffineerder op grond van de toenemende hoeveelheid ervaringen. Dat kan
overigens niet alleen maar positief beoordeeld worden. Juist de eenvoudige
voorstelling van de mensen van vroeger maakt het nagaan van de verbanden
gemakkelijker en daardoor was de kans groter dat men tot gedachten kwam die, in
alle eenvoud, dichter bij de waarheid omtrent de werkelijkheid lagen dan bij de
moderne mens het geval is. Als bijvoorbeeld Herakleitos vaststelde dat in de
werkelijkheid alles stroomt is dat een eenvoudige gedachte, maar hij klopt wel!
De moderne mens daarentegen zou met een heel ingewikkelde doctoraalscriptie
komen en misschien niet eens ontdekken wat Herakleitos wel in de gaten had. De
gedachtegang is dus als volgt: de mens doet ervaringen op en die worden inhoud
van het zelfbewustzijn; op grond van de spiegeling met het beeld legt hij,
zonder het te weten, verbanden tussen die inhouden aan; vervolgens gaat hij die
verbanden na en dat is denken.
Het is logisch te verklaren
waarom men gewoonlijk alleen aan de mensen het vermogen om te denken
toeschrijft. Men verwart namelijk het feit dat een mens zich van zijn denken
bewust is met het denken zelf en, in het verlengde daarvan, bepaalt men zich
tot de menselijke activiteit van het denken. Die activiteit is deze dat de mens
bezig is de verbanden in zijn eigen voorstelling na te gaan, en dat is
inderdaad een zaak die niet voor de overige levende wezens geldt. Bij deze
laatsten gaat het denken niet verder dan het zich manifesteren van het feit dat
de werkelijkheid in zichzelf onderscheiden is (statisch), maar bij de mens is
er de activiteit van het nagaan van de verbanden (dynamisch). Dat laatste
vooronderstelt dus de aanwezigheid van een voorstelling. Nu komt het nogal eens
voor dat men meent dat denken is het leggen van verbanden tussen het een en het
ander. Verbanden die dan bijvoorbeeld vertaald worden in formules die het
verband tussen de verschillende kennisgegevens (data) uitdrukken. Deze mening
is fout: de verbanden zijn er bij voorbaat op grond van de spiegeling tussen
voorstelling en beeld en zij zijn onbewust in de voorstelling aangebracht. Het
nagaan van die reeds onbewust gelegde verbanden is datgene dat wij kennen als
het denken. Omdat die verbanden onbewust en automatisch gelegd worden en om te
beginnen letterlijk onbekend voor je zijn, heb je bij het ontdekken daarvan de
indruk dat je ze op dat moment zelf aangelegd hebt. Het komt je voor dat je
iets geheel nieuws boven water hebt gebracht, maar in feite is alleen de
ontdekking nieuw en is het ontdekte al lang aanwezig geweest. Vanaf het moment
dat de ontdekking gedaan is wordt het ontdekte verband tot een (zelf)bewuste
aangelegenheid en dan wordt het op zijn beurt weer een kennisgegeven binnen de
voorstelling. Die kennis verandert tot op zekere hoogte je voorstelling. Daarna
geeft die bijgestelde voorstelling weer aanleiding tot het, op grond van de
spiegeling, leggen van nieuwe onbekende verbanden die dan weer nagegaan kunnen
worden... enzovoort. Het is om zo te zeggen een zichzelf reproducerende zaak
die almaar gedetailleerder wordt, maar die kwalitatief steeds afhankelijk
blijft van de mate waarin er spiegeling met het beeld plaats heeft en van de
mate waarin die spiegeling effectief is.
Het spreekt vanzelf dat het
almaar gedetailleerder worden van de voorstelling niet alleen maar van het
denken afhankelijk is. In de praktijk doe je ook allerlei kennisgegevens op aan
een grote variëteit van zowel inwendige als uitwendige ervaringen. En ook die
kennisgegevens worden op de hierboven beschreven wijze verwerkt. Als het goed
is. Want, vooral in onze moderne cultuur gaat men nauwelijks meer bij zijn
eigen voorstelling te rade om denkend de verbanden te ontdekken. Men is er op
geprogrammeerd om de aangeboden kennis en de veronderstelde verbanden
klakkeloos aan te nemen, in wezen zonder erbij na te denken. Dat betreft echter
een functie van het leervermogen dat op het geheugen van de mens berust en niet
op het denken als nagaan van onbekende verbanden. In de moderne wetenschap
richt men zich op objectief en positief onderzoekende wijze op de
verschijnselen. Dat echter geeft aanleiding tot een veel voorkomend
misverstand, namelijk dit dat het object van onderzoek het concrete
verschijnsel zou zijn. Maar dat is niet het geval, in feite onderzoekt men
primair zijn eigen voorstelling en men doet dat, secundair, door de
verschijnselen te analyseren.
Geen enkel onderzoek wordt gedaan
vanuit een blanco houding en is denkbaar zonder een voorafgaande voorstelling
van datgene dat onderzocht moet gaan worden. Het te onderzoeken object heeft
binnen de voorstelling een bepaalde betekenis en doorgaans ook een
(maatschappelijk) bepaalde waarde.
Dit laatste is, vooral
tegenwoordig, vrijwel uitsluitend de rechtvaardiging voor het verrichten van
een bepaald onderzoek, maar zeker ook voor het achterwege laten van een
onderzoek. Overigens geldt dit ook voor zuiver theoretische wetenschappen. Die
wekken de indruk de voorstelling losgelaten te hebben. Hun abstracties echter
zijn aftreksels van voorstellingen en die behoren als zodanig nog steeds tot de
werkelijkheid als voorstelling.
Een formule is eigenlijk een
taalkundige uitdrukking en dat heeft altijd betrekking op de voorstelling. Wat
dit betreft is het aardig om te weten dat in het Jahwisme (het oude
Jodendom) elke beschrijving van god verboden was. Zodra er maar iets
concreets over god gezegd werd verdween het goddelijke, omdat elke uitdrukking
ervan de zaak binnen het kader van de voorstelling bracht. Ik denk dat dit de
diepere oorzaak van de latere jodenhaat is. Het denken van na de oudheid is immers juist
positief op de voorstelling gericht en is daardoor strijdig met en vijandig aan
het Jahwistische denken, dat overigens in de grond van de zaak evenzeer op de
voorstelling betrekking heeft, maar dan op negatieve wijze. Men mocht god niet
uitbeelden, niet beschrijven en zelfs geen naam geven. Hij was de volslagen
nietigheid, in feite volslagen geest. Men had het dan ook over een verterend
vuur. Ik heb al eerder op het grote probleem van Immanuel Kant gewezen,
namelijk het feit dat hij ontdekte dat alles waarover hij na kon denken binnen
zijn voorstelling bleef. Hij probeerde tevergeefs daarbuiten te komen door zich
af te vragen hoe het zit met das Ding an sich. Op zichzelf had hij iets
wezenlijks ontdekt: je komt inderdaad niet buiten de voorstelling.
Denken is nu eenmaal het nagaan van de verbanden binnen de voorstelling! Daarom
zou de juiste vraag moeten luiden hoe je met die voorstelling te werk zou
moeten gaan om de waarheid te vinden. De oplossing van die vraag is gelegen in
het meer of minder beweeglijk zijn van de onbewust aangelegde verbanden. De
mate van effectiviteit van de spiegeling is bepalend voor de aard van de onbewust
aangelegde verbanden. Dat is, zoals al besproken, een kwestie van individuele
aanleg. Afhankelijk van die aanleg kan die spiegeling zelfs een zodanige aard
hebben dat hij dominant is en dus dat hij het vastleggen van de verbanden
overheerst. Resultaat is dat die verbanden een veranderlijk karakter hebben, in
die zin dat het wel diezelfde verbanden blijven maar op zo'n manier dat zij
zich voortdurend opheffen om zich vervolgens opnieuw te stellen.
( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn
geheel.)
Dat levert een beweeglijke
voorstelling op, met als kenmerk dat hij in grote mate een afspiegeling is van
de werkelijkheid als beeld. In die voorstelling staat dus het beweeglijke op de
voorgrond en het vastgelegde op de achtergrond. Dat betekent dat het denken in
dit geval beweeglijke verbanden nagaat in een vastgelegde voorstelling. Als het
goed is is dit het geval in de filosofie. Omdat die voorstelling zijn
vastgelegd-zijn niet opgeeft blijft het wel dezelfde voorstelling, maar
tegelijkertijd is te zeggen dat hij verandert omdat het verband tussen de
elementen (data) ervan beweeglijk is. Als voorbeeld kun je denken aan het
verschil tussen een foto van een landschap en een televisiebeeld van datzelfde
landschap. Bij de foto staat alles stil, is in één moment bevroren, terwijl bij
het televisiebeeld alles, ondanks het niet veranderen van het plaatje, in
beweging is: het water van het beekje stroomt, de bladeren ritselen in de wind,
enzovoort. Dit voorbeeld maakt misschien duidelijk dat ook voor een mens in wie
het beweeglijke dominant is de voorstelling een zeer bepaalde is. Het is ook
voor die mens zijn eigen wereld als voorstelling en geen andere. Kant heeft dus
terecht opgemerkt dat een mens niet buiten zijn voorstelling kan komen, maar
zijn conclusie dat er dan dus niets echt te weten valt is onjuist. Het dominant
zijn van de beweeglijke verbanden brengt het denken niet buiten de
voorstelling, maar leidt het denken er doorheen! Dan krijgt de vraag naar das
Ding an sich een heel andere dimensie.
Hersencel-1 ; Hersencel-2 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ;
Het nagaan van de (onbekende)
verbanden die je in de voorstelling onderscheidt is een werkzaamheid die voor
de mens als laatste verschijnsel een gegeven is: het verschijnsel mens gaat die
verbanden na. Dat nagaan is een ieder gegeven vanuit het ontstaansproces.
Denken, als werkzaamheid, is niet iets dat je aangeleerd wordt, het begint
zodra het brein zich - al in de moederschoot - tot zelfbewustzijn ontwikkeld
heeft. Toch leert de praktijk dat het denken de een beter gelukt dan de ander.
Het meer of minder gelukken van het denken heeft betrekking op de resultaten
van het denken en die resultaten zijn afhankelijk van de voorstelling. Je kunt
dat vaststellen bij zogenaamd onderontwikkelde, primitieve volken. Die blijken
in staat te zijn zich heel snel met het moderne denken vertrouwd te maken.
Zodra hun voorstelling, door het kennis maken met een verder ontwikkelde
cultuur, gemoderniseerd is denken zij net zo gedetailleerd als de zogenaamd
ontwikkelde mensen. Hun primitiviteit was gelegen in de voorstelling en niet in
een ogenschijnlijk geringer vermogen om te denken. Zo'n voorstelling kan meer
of minder duidelijk zijn, al naar gelang de ervaringen die iemand opgedaan
heeft. Mensen met veel ervaringen weten doorgaans veel meer aan hun wereld te
bedenken. Maar ook speelt het individuele meer of minder effectief zijn van de
spiegeling tussen voorstelling en beeld een belangrijke rol. Hebben wij te doen
met mensen in wie die spiegeling weinig effectief is, dan zijn de verbanden in
de voorstelling betrekkelijk duidelijk, maar juist die verbanden zijn slecht na
te gaan. Duidelijke verbanden zijn in sterke mate vastgelegd, zij hebben een
onwrikbaar, nauwelijks voor twijfel vatbaar karakter. Je zou kunnen menen dat
juist die duidelijke, onwrikbaar vastgelegde verbanden gemakkelijk na te gaan
zijn, maar dat is dus niet het geval. In de praktijk zie je dat principiële
mensen met duidelijke opvattingen over hun wereld de grootste moeite hebben met
het nadenken daarover. Zij beginnen er zelfs niet aan. Hun fundamentalistische
gesteldheid verhindert het nadenken. Stijle gereformeerden, fanatieke
islamieten, rechtlijnige communisten, formalistische wetenschappers, zij
allemaal zijn nauwelijks bereid over hun wereld na te denken. Daarentegen
zitten zij vol met meningen, opvattingen en oordelen. Overal weten zij iets
principieels over te zeggen!
De vraag is wat nu eigenlijk dat
nagaan is, want kennelijk zijn duidelijke verbanden geen goede aanleiding om na
te gaan denken. Om enig inzicht te krijgen in de activiteit van het nagaan
kunnen wij misschien het beste te rade gaan bij de wetenschappelijke inzichten
omtrent de structuur van het brein. Gebleken is dat de hersencellen allemaal
met elkaar in verbinding staan, en wel op zo'n manier dat elke cel verbinding
heeft met elke andere cel. De verfijnde opbouw van dat netwerk van verbindingen
schijnt afhankelijk te zijn van het aantal en de soort ervaringen dat een zeer
jong kind opdoet, vooral in een vroege fase van haar ontwikkeling. Kennelijk
leggen zich dan die verbindingen. Nu is het vanuit de filosofie niet met
zekerheid te stellen, maar toch is het zeer waarschijnlijk dat de verbindingen
die zich in het brein ontwikkelen, de materiële manifestaties zijn van de
verbanden, zoals die op grond van de spiegeling in ons zelfbewustzijn ontstaan.
Langs die verbindingen kunnen signalen doorgegeven worden. De weg die die
signalen volgen wordt door opvoeding en opleiding in belangrijke mate
vastgelegd, oftewel geconditioneerd. Het is dan zeker dat een bepaalde impuls
tot het volgen van een bepaald circuit van verbindingen leidt. Dat circuit
wordt bepaald door een groot aantal schakelingen, die net als in een computer
aan of uit kunnen staan.
Het patroon van die aan- en
uitschakelingen is dus het resultaat van de conditionering. Het volgen van het
circuit van verbindingen en schakelingen heeft een aantal gevolgen, waarvan een
gedachtegang er een is. Aan de hand van het bovenstaande is wellicht duidelijk
geworden dat een circuit van bij voorbaat geprogrammeerde verbindingen en
schakelingen gemakkelijk te volgen is. Dat gaat automatisch, om zo te zeggen
als bij een robot. Maar het geheel van alle verbindingen en schakelingen, wat
ons thema betreft dus de voorstelling, is dan niet gemakkelijk na te gaan omdat
andere mogelijkheden bij voorbaat uitgesloten zijn. Je zou kunnen zeggen dat
het niet mogelijk is om keuzes te maken. Het denken echter, dat een nagaan van
de verbanden is, berust juist op het maken van keuzes, op het zoeken van andere
wegen. Het denken is te vergelijken met een dwaaltocht door het landschap van
de voorstelling. Daarbij doe je allerlei ontdekkingen die je niet gedaan zou
hebben als je op de voorgeschreven paden zou zijn gebleven. Dus: het volgen van
vastgelegde wegen gaat automatisch en levert op zichzelf geen problemen op. Dat
is het robot- denken, dat vooral op geldende cultuuropvattingen berust. Het
resultaat van dat denken is voorspelbaar en daarom feitelijk de moeite niet
waard, behalve als het gaat over het sturen van standaardhandelingen in het
dagelijkse leven en in de arbeid. Maar het denkend nagaan van verbanden betrekt
zich op onbekende, onduidelijke verhoudingen die als regel buiten de cultuur
vallen. Het resultaat van dat denken is altijd van belang en het is altijd iets
nieuws voor diegene die ermee bezig is. Als het gaat over de resultaten van het
denken, dan is het nagaan van de voorstelling het vruchtbaarst. Dit nagaan
heeft dus betrekking op onduidelijke verbanden. Dat staat op zichzelf los van
de vraag of die verbanden meer of minder vastgelegd zijn. In het eerste geval
zijn zij object van analytisch wetenschappelijk denken, in het tweede geval van
filosofisch denken. Het robot- denken heeft als belangrijk kenmerk dat het
doelgericht is: door het bij voorbaat vaststaan van het denkcircuit staat ook
de uitkomst vast. Je hebt te doen met een denken waarin steevast naar iets toe
geredeneerd wordt. Het is een denken dat recht praat wat krom is en krom wat
recht is. Vooral in de politiek wordt dit denken veelvuldig toegepast, maar ook
in de theologie weet men er goed raad mee. Het werkelijk nagaan van de
voorstelling echter kan niet doelgericht zijn omdat nooit van tevoren vaststaat
waar je uit zult komen. Dat geldt vooral voor het filosoferen zoals zich dat in
de filosoof afspeelt. Eigenlijk gaat zijn denken alle kanten uit zonder dat het
een bepaald doel heeft.
Wil je toch van een doel spreken,
dan zou dat een bedoeling moeten zijn. De filosoof wil helderheid omtrent de
werkelijkheid verkrijgen. Die activiteit van het filosofische denken mag niet
verward worden met het filosofische verhaal. Als de filosoof zijn verhaal
vertelt volgt hij in dat verhaal uiteraard wel een bepaalde gedachtegang, omdat
hij de door hem ontdekte verbanden aan anderen duidelijk moet maken. Maar
kenmerkend voor dat verhaal is wel dat de filosoof het door hem gestelde thema
van alle kanten kan benaderen zonder daarbij vast te lopen. Hij kan dat juist
omdat hij in zijn filosoferen zijn denken zijn eigen gang heeft laten gaan. Hij
is niet aan een bepaald denkcircuit gebonden. In het zuiver wetenschappelijk
denken zoekt men naar onbekende, maar wel vastgelegde verbanden. Omdat dit het
geval is moet dat denken aan regels gebonden zijn, of, beter gezegd: dat denken
blijkt aan regels gebonden. Men moet van bepaalde methodieken gebruik maken
omdat men datgene dat vastgelegd is in zijn samenstellende delen en de
daartussen aanwezige relaties wil uiteenleggen. De structuur van die delen en
die relaties is van materiële aard en beantwoordt op grond daarvan aan bepaalde
wetten.
Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen
; Opvoeding-3
; Opvoedingsmethoden
; opvoeding-4
; Opvoeding-5
;
Hersencel-1 ; Hersencel-2 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen ; Opvoeding-3 ; Opvoedingsmethoden/opvoeding ; opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ;
Met nadruk moet ik er nogmaals op
wijzen dat het denken betrekking heeft op verbanden, dat wil zeggen gestelde
samenhangen, die ongeweten tussen de verschillende kennisdata in de
voorstelling aangelegd zijn. Het gaat dus om onbekende verbanden, die wel in de
voorstelling aanwezig zijn, maar die nog niet tot enigerlei vorm van kennis
zijn geworden. Geheel anders ligt de zaak als het over verbindingen gaat, want
die zijn namelijk wel bekend. Het gaat er daarbij niet om of die verbindingen
juist of onjuist, waar of onwaar zijn. Van belang is alleen maar het feit dat
zij er zijn; het betreft hier de duidelijk te volgen verbindingen die tot een
doelgerichte, automatisch verlopende gedachtegang leiden. Je kunt in dit
verband spreken van robot- denken. De verbindingen die bij het robot denken een
rol spelen zijn bijna altijd van buitenaf in geprogrammeerd via
opvoedingsmethoden die in de zeer vroege jeugd door de ouderen op de kinderen
toegepast zijn. Omdat dit in zo'n vroeg stadium gebeurd is, weten de mensen
daarvan als regel niets af. Het object van die zogenaamde zwarte pedagogie, die
zelfs aan het begin van deze eeuw op de universiteiten gedoceerd werd, is
immers het kinderlijke zelfbewustzijn voor zover dat nog aan de opbouw van zijn
voorstelling moet beginnen! Door het alsnog ontbreken daarvan verloopt het
genoemde proces van conditioneren Ongeweten. Maar het resultaat van zo'n
opvoeding, namelijk het circuit van verbindingen, is wel bekend en het wordt
voortdurend geactiveerd in onder andere het onderwijs. Tenslotte verlopen de
gedachtegangen volgens van tevoren opgestelde dienstregelingen zonder dat er
enige twijfel over de juistheid van de gevolgde route bestaat. Hierop berust
het gehele moderne systeem van kennisoverdracht. Welbeschouwd is een dergelijk
volgen van geprogrammeerde routes niet tot het denken te rekenen. Ten eerste
omdat het proces niet via verbanden maar verbindingen gaat en ten tweede omdat
er niet van een nagaan te spreken is maar van een automatisch volgen. Omdat dit
in de moderne cultuur zo allesoverheersend geworden is, hoor je in de praktijk
nog vrijwel uitsluitend standaard redeneringen, en dat erger naarmate je met
hoger opgeleide mensen van doen hebt. Door de gigantische hoeveelheid kennis,
die wij tegenwoordig ter beschikking hebben, is de inwerking van de conditioneringen
effectiever dan ooit. Je behoeft nauwelijks meer denkbeelden op te dringen want
je kunt gewoon de in geprogrammeerde denkroutes volgen om iemand van de
juistheid van die denkbeelden te overtuigen.
De zogenaamde intellectuelen, die
per definitie bedreven zijn in het volgen van genoemde denkroutes, worden
geheel ten onrechte aangezien voor de denkers van deze wereld. In feite echter
zijn zij heel geraffineerd bezig gebaande wegen te volgen. Met echt denken,
hetzij zuiver wetenschappelijk, hetzij filosofisch, heeft dit alles niets te
maken. Het zuivere denken gaat de onbekende verbanden in de voorstelling na en
die verbanden zijn er op grond van de spiegeling tussen voorstelling en beeld.
En, ter wille van de duidelijkheid: de onbekende verbanden zijn van elkaar te
onderscheiden in a) verbanden waarin het vastgelegde dominant is en b)
verbanden waarin het beweeglijke dominant is. In het geval van a) gaat het dan
bij het nagaan over zuiver wetenschappelijk denken en in het geval van b) over
filosofisch denken. Bij het onder a) genoemde zuiver wetenschappelijke denken
is het kenmerkende onderscheid met het filosofische denken dat het gebonden is
aan vooropgezette regels en methodieken. Het moet aan wetten beantwoorden omdat
het zich bezig houdt met een gevormde materiële werkelijkheid die gebaseerd is
op wetmatigheden. Bij het zich combineren van bouwstenen moet aan voorwaarden
voldaan zijn, namelijk wat betreft richting en beweging. Die voorwaarden worden
door ons als wetten begrepen en uiteraard zijn het die wetten die in het zuiver
wetenschappelijke nagaan van de werkelijkheid geëerbiedigd moeten worden. In
zoverre is dat wetenschappelijk denken heel erg gebonden en omdat het een
gebonden-zijn is aan wetten die de mensen zelf ontdekt hebben, ligt bij dit
denken altijd het robot- denken op de loer, veel meer dan bij de filosofie het
geval is. Behalve dat men in het zuiver wetenschappelijke denken gebonden is
aan wetten, is er nog iets opmerkelijks: men kan niet buiten de kennis die door
voorgangers ontdekt is. Het is dus een cumulatief denken en wel omdat het een
nagaan is van een gevormde, een opgebouwde werkelijkheid. Je kunt niet anders
dan die stap voor stap nagaan. Elke volgende stap kan alleen-maar vanuit een
reeds bekend vertrekpunt gezet worden en tegenwoordig is zo'n stap zelfs
nauwelijks meer mogelijk zonder de samenwerking met een heel team van
onderzoekers. Bij het filosoferen richt je je op de beweeglijke verbanden.
Bijgevolg kun je niet van tevoren besluiten om bepaalde wetten te volgen, juist
omdat er niets vast ligt. Bovendien kun je niet uitgaan van de filosofieën die
voorgangers al uitgedacht hebben, omdat met het gericht zijn op de beweeglijke
verbanden de reeds door anderen, en eerder ook door jezelf, vastgelegde
voorstellingen vanzelfsprekend ondeugdelijk worden om als uitgangspunt te
dienen. Die voorstellingen bevinden zich mogelijk wel in je zelfbewustzijn -
niemand is helemaal zonder kennis! - maar zij kunnen niet gelden als
betrouwbare basis om op verder te gaan. En wat betreft van tevoren opgestelde
wetten: voor de beweeglijke verbanden geldt het begrip wet helemaal niet. Een
beweeglijke verhouding kan zo zijn, maar ook anders. In de kunst van het
filosoferen komt het erop aan de werkelijkheid steeds opnieuw te bekijken,
alsof je haar voor het eerst zag. In feite is dat natuurlijk doorgaans niet het
geval. Je hebt al vaker over bepaalde thema's nagedacht. Maar het resultaat van
dat nadenken, namelijk een nieuwe voorstelling, wordt niet vastgelegd: je
vergeet telkens je eigen voorstellingen en je blijft, al filosoferende, blanco
tegenover de zaak staan. Doordat dit het geval is wordt het filosoferen ook
geen routinezaak; er zijn geen van tevoren uitgestippelde routes voor je
gedachtegangen. Je doordenkt je werkelijkheid steeds weer opnieuw. Beweeglijke
verbanden zijn uiteraard ook verbanden. Bij je filosofische dwaaltocht door de
werkelijkheid ontdek je ze en je slaat vrijelijk en wezenlijk doelloos alle
mogelijke wegen in. Daarbij gebeurt het herhaaldelijk dat je vastloopt en
gedeeltelijk opnieuw moet beginnen, maar dat is geen enkel bezwaar, juist omdat
je opnieuw kunt beginnen.
Bovendien ben je bij het
vastlopen iets aan de weet gekomen, namelijk dat een bepaalde gedachtegang
onhoudbaar is. Een onhoudbare gedachtegang is immers ook een gedachtegang! De
wijsheid van de filosofie is onder andere hierin gelegen dat zij ook de fouten
kent en begrijpt. Het robot denken, maar ook de wetenschap, kennen die ruimte
niet. In het eerste geval omdat er helemaal geen kennis van andere mogelijkheden
toegelaten is en in het tweede geval omdat het streven erop gericht is
doormiddel van methodieken bij voorbaat het maken van fouten te vermijden. In
beide gevallen blijft er een groot deel van het landschap van de voorstelling
braak liggen. Maar in de filosofie is dat niet het geval. Toch geschiedt het
dwalen van de gedachten niet lukraak. Je zoekt immers steeds een begaanbare weg
door de voorstelling. Voor zover dat gelukt is de gedachtegang samenhangend en
hij slaat dan niet af. Dat is je garantie dat het een juiste gedachtegang is.
In het wetenschappelijke denken daarentegen kan een gedachtegang in principe
helemaal niet af slaan, juist omdat hij bij voorbaat al onderworpen is aan
bepaalde methodieken.
Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen
; Opvoeding-3
; Opvoedingsmethoden
; opvoeding-4
; Opvoeding-5
;
No. 97
Datgene dat tegenwoordig
wetenschappelijk denken genoemd wordt blijkt bij nadere beschouwing vrijwel
altijd robot denken te zijn. Het wordt beoefend door het wetenschappelijke
voetvolk dat keurig exerceert volgens de voorgeschreven regels. Met zuiver
wetenschappelijk denken heeft dit nauwelijks iets gemeen: het is alleen-maar
gestoeld op de wetenschap, en dan ook nog uitsluitend op de resultaten daarvan.
Men heeft zich die resultaten eigen gemaakt en wekt daardoor de suggestie dat
men wetenschappelijk denkt. Dat is dus een fictie; een wetenschappelijke
opleiding is geen garantie voor wetenschappelijk denken. Omdat het bij beide,
het zuiver wetenschappelijke denken en het filosofische denken, gaat om het
nagaan van onbekende verbanden kun je van een zekere verwantschap tussen beide
denkwijzen spreken. Daardoor zie je, vooral in onze moderne cultuur, telkens
weer dat filosofen zich ertoe laten verleiden hun werk tot de wetenschappen te rekenen
en alle mogelijke moeite doen daarvoor bewijzen te leveren. Dat mislukt echter
steeds. Die filosofen hebben niet begrepen dat het filosoferen zich op een
geheel ander aspect van de werkelijkheid betrekt en dat je de filosofie alleen
maar belachelijk maakt als je haar als een wetenschap presenteert. Al eerder
heb ik er op gewezen dat het onzin is de filosofie als de koningin der
wetenschappen te beschouwen, enerzijds om een praktische reden - je kunt niet
alle wetenschappen beheersen en er een overzicht over hebben - en anderzijds om
bovengenoemde reden. Het wetenschappelijke denken sluit zichzelf op in zijn
eigen methodieken.
Dat kan niet anders omdat het nu
eenmaal methodisch moet zijn. Een gevolg daarvan is dat er bij wetenschappers
een sterke neiging bestaat hun methodieken als de absolute maat te stellen en
op grond daarvan andere mogelijkheden bij voorbaat uit te sluiten. Daardoor
hebben denkers met nieuwe theorieën de grootste moeite gehoor te vinden voor
hun denkbeelden. Uiteraard werkt dit in principe zuiverend op het gehele
complex van de wetenschap, maar helaas ontaardt het in wetenschappelijke
behoudzucht, belangenstrijd en manipulaties. Dat doet de wetenschap helemaal
geen goed. Er zijn zoveel voorbeelden van verguizing en verkettering dat je met
recht kunt stellen dat de wetenschappelijke machtsstrijd eerder regel dan
uitzondering is. Paul Feyerabend heeft daarover in 1975 een uitstekend boek
geschreven, getiteld Against Method, Nederlandse vertaling “In strijd met de
methode”, Boom Meppel 1977. Prompt zijn bijna alle wetenschappers over hem heen
gevallen. Gelukkig is het ook een feit dat men na verloop van tijd nieuwe
ideeën aanvaardt, maar dat neemt niet weg dat het vasthouden aan traditionele
methodieken onnodig remmend werkt op de uitbouw van de wetenschap. Omdat het
zuiver wetenschappelijke denken gebonden is aan methodieken is er het streven
om bij voorbaat fouten uit te sluiten. Dat betekent dat men al van tevoren
besluit om bepaalde wegen, die volgens de geldende methode onbegaanbaar of
doelloos zijn, niet te bewandelen. Op die manier sluit je je echter af voor
velerlei aspecten van de werkelijkheid. Bovendien maak je het onmogelijk kennis
te vergaren uit gemaakte fouten, zowel wat je eigen methodiek betreft alsook
wat nieuw te onderzoeken problemen betreft. Met andere woorden: het gebonden
zijn aan methodieken werkt bevestigend ten aanzien van diezelfde methodieken.
Er ontstaat een vicieuze cirkel, die alleen maar van buitenaf doorbroken kan
worden, hetgeen dan ook steeds het geval blijkt. De wetenschap corrigeert
zichzelf als regel door een impuls van buiten en dus door iets dat vanuit de
geldende methode als een fout gezien wordt.
Voor de goede orde: dat het in de
wetenschap zo toegaat is geen gebrek daarvan. De wetenschap kan niet anders dan
op die manier functioneren. Verwijtbaar is alleen het feit dat men er, vooral
tegenwoordig, zo weinig oog voor heeft. Een integere wetenschapper moet
openstaan voor alles wat van buitenaf op hem afkomt. Hij moet zogezegd ruimte
in zijn zelfbewustzijn hebben. Als je daarop doordenkt, dan blijkt dat die min
of meer artistieke ruimte niets anders is dan het gelden van het feit dat
verbanden behalve vastgelegd ook nog beweeglijk zijn. Als zodanig vallen ze
buiten het complex van methodieken. De vroegere wetenschappers waren doorgaans
zeer ontwikkelde, universeel ingestelde en wijze mensen die een vrije
wetenschap voorstonden. Tegenwoordig belijdt men die vrijheid nog wel met de
mond, maar men levert zich in feite geheel en al aan maatschappelijke doelstellingen
en waarden uit. Hoewel er dus inderdaad een verwantschap tussen de filosofie en
de zuivere wetenschap bestaat, is toch de verwantschap met de kunst, juist door
de filosofische nadruk op de beweeglijke verbanden en het niet bij voorbaat
gelden van methodieken, veel groter. Voor ons huidige denken is de kunst echter
niet meer een uitdrukking van de waarheid, maar een uitdrukking van
persoonlijke psychische en emotionele ervaringen. Daardoor wordt het verband
tussen de kunst en de filosofie niet meer gevoeld en vindt men het onlogisch om
een dergelijk verband aan te leggen. Op zichzelf is dat wel juist, want de
filosofie vertelt niet het verhaal van persoonlijke ervaringen, maar (zo helder
mogelijk) het verhaal van de waarheid omtrent de werkelijkheid. Vroeger was dat
ook met de kunst het geval, maar met het doorzetten van de analytische cultuur
is de individuele ervaring centraal komen te staan. In zekere zin is het de
praktijk van het filosoferen om fouten te maken.
Deze fouten zijn van essentieel
belang, niet voor het resultaat, maar voor het zoeken van een denkweg. Die
fouten zijn hierom van belang omdat datgene dat je als een fout herkent ook aan
je filosofische weten toegevoegd wordt. Dit leidt ertoe dat een filosoof heel
goed kan begrijpen waarom de mensen denken zoals ze denken en zelfs waarom
wetenschappers denken zoals ze denken, maar dat het omgekeerde niet het geval
is. De mensen in het algemeen en de wetenschappers in het bijzonder (behalve
een enkele artistieke wetenschapper) hebben er geen notie van hoe filosofisch
denken verloopt. Zij vinden het dan ook maar een zweverig en onpraktisch gedoe.
Je maakt een filosofische fout als blijkt dat je vastloopt met je gedachtegang.
Vastlopen treedt op als je niet verder kunt en dus de samenhang met al het
andere verloren hebt. Daarmee word je geconfronteerd op elk moment dat je een
stap op je denkweg maakt die op een vastgelegd verband of op een
geconditioneerde verbinding berust. Je voert dan een oneigenlijk argument in.
Zo'n argument bestaat uit een stukje kennis waarvan je de filosofische waarheid
niet kunt controleren, enerzijds omdat het om een wetenschappelijke waarheid
gaat en anderzijds omdat het over een ingeprente vanzelfsprekendheid gaat. In
beide gevallen voer je in je gedachtegang een element in dat tijdens die
gedachtegang niet naar voren gekomen is en dat dus eigenlijk van buitenaf komt.
Was het bij de wetenschap zo dat elementen van buitenaf een corrigerende factor
voor het denken kunnen zijn, voor de filosofie zijn zij fouten die een vastlopen
van de gedachtegang tot gevolg hebben. Daarom heb ik er steeds met nadruk op
gewezen dat je bij het filosoferen alles wat je meent te weten terzijde moet
laten en moet proberen creatief, dat wil zeggen uit zichzelf scheppend te
denken. In de filosofie is dat creatieve moment vrijwel geheel verloren gegaan:
het is tegenwoordig mode om filosofische gedachtegangen met zoveel mogelijk
wetenschappelijke argumenten te onderbouwen, uiteraard in de (vergeefse) poging
de filosofie wetenschap te laten zijn. De moderne filosofie is dan ook
nauwelijks te volgen!
No. 98
Het is op zichzelf terecht dat
men in het methodische wetenschappelijke denken ernaar streeft fouten bij
voorbaat uit te sluiten. Dat is natuurlijk vooral van belang bij het toepassen
van de resultaten van dat denken, bijvoorbeeld in de technologie. Maar het
nadeel is dat er in sterke mate behoudzucht optreedt omdat men van tevoren
meent te weten dat een bepaalde denkweg onbegaanbaar is en tot niets leidt, of
omdat die denkweg tot een doel leidt dat men niet beoogt. Tegenwoordig worden
de doelstellingen van het universitaire onderzoek steeds meer bepaald door het
bedrijfsleven en dat leidt tot een nog grotere behoefte om zich uitsluitend tot
de gebaande methodische wegen te beperken. Hierdoor sluit de wetenschap zich in
zichzelf op en wordt nog minder ontvankelijk voor de broodnodige van buitenaf
komende impulsen. Uiteraard worden er op die manier wel nieuwe dingen ontdekt,
maar die zijn doorgaans slechts te kwalificeren als meer van hetzelfde. Er worden
geen wezenlijk nieuwe wegen ingeslagen. In de creatieve filosofie ligt de zaak
geheel anders. Doordat het filosoferen zich richt op de onbekende beweeglijke
verbanden in de werkelijkheid als voorstelling, ga je als filosoof niet te werk
volgens vooropgestelde methodieken (zelfs niet volgens de beruchte
dialectische), maar ga je voortdurend alle kanten uit in je denken, met als
onvermijdelijk gevolg dat je met een zekere regelmaat vast loopt, wat het
voordeel heeft dat je ook aan de weet komt hoe het zit met het maken van
fouten. Als je filosofeert bemerk je dat je fouten maakt, maar in het
wetenschappelijk denken probeer je bij voorbaat fouten te vermijden; je hebt de
bedoeling ze juist niet te maken. Bovendien werk je in de wetenschap met kennis
en methodieken die zoveel mogelijk vaststaan, hetgeen betekent dat zij geldig
zijn zolang nog niet aangetoond is dat zij onhoudbaar zijn. Doordat je echter
bij het filosoferen fouten maakt leer je de andere denkwijzen, namelijk de
wetenschappelijke en de geconditioneerde (robot denken) grondig kennen en
begrijpen. Daardoor treedt deze eigenaardigheid op dat je als filosoof het
denken van andere mensen moeiteloos kunt begrijpen, en zelfs heel vaak kunt
voorspellen, terwijl die andere mensen jouw filosofische gedachtegang bijna
nooit kunnen volgen. Dat geldt uiteraard voor gedachtegangen van die andere
mensen en niet voor wetenschappelijk geformuleerde kennis. Deze laatste kennis
is zelden filosofisch te begrijpen.
Het is overigens wel van belang
onderscheid te maken tussen datgene dat aan de werkelijkheid als denken op
filosofische wijze bedacht kan worden en datgene dat een mens in de praktijk
vertoont. Een mens kan een zodanige aanleg hebben dat het creatieve
filosofische denken in hem of haar domineert. Gewoonlijk echter domineren het
wetenschappelijke denken en het robot denken. Maar het is geen kwestie van of
het een of het ander. In ieder mens is er een mengelmoes van die drie
denkwijzen. In die mengelmoes spelen wetenschappelijk denken en robot denken de
hoofdrol in het dagelijkse leven. Zou dat niet het geval zijn, je zou nog geen
potje thee kunnen zetten! Om nog maar te zwijgen over het bouwen van
bijvoorbeeld een vliegtuig of het besturen van een groot maatschappelijk
instituut. Het was onder andere Plato die in zijn werk De staat voorstelde om
de regering maar aan filosofen over te laten, omdat dit volgens hem per
definitie wijze mensen zouden zijn die het volk op de goede weg zouden leiden.
Immanuel Kant bedacht de categorische Imperatief en zei tegen de mensen Du
sollst. Hij vond dat de mensen ten goede gedwongen moesten worden. Tegenwoordig
leeft deze gedachte ook nog, maar vooral op negatieve wijze: staatslieden doen
het graag voorkomen alsof zij zo wijs zouden zijn en daarbij fungeert die
zogenaamde wijsheid als legitimatie voor hun macht.
Zij zouden het goede met de
mensen voor hebben en hun macht heet een macht ten goede te zijn! In feite
echter kunnen filosofen de wereld niet besturen, juist omdat zij in hun denken
(als het goed is!) geen methodieken volgen en omdat voorlopig geldige kennis nu
net precies voor hun denken ongeldig is. Hun denken is overwegend onzakelijk,
niet op de dingen gericht. Het methodische, zakelijke denken is voor het
bestaan van de mensen essentieel. Zonder dat denken zou zelfs de oermens al
niet overleefd hebben... Er is dus geen enkele reden om dat denken te
minachten. Maar wel is te zeggen dat de moderne toespitsing op het zakelijke
denken kwalijk en gevaarlijk is door het verwaarlozen van het denken in
onbekende beweeglijke verbanden. Dat denken geldt immers ook voor elk mens, zij
het niet in die hevige mate als bij de creatieve filosoof het geval is. Ik
spreek steeds over gedachtegangen en suggereer daarbij dat het denken te
vergelijken is met het afleggen van een weg. Waarom je in je denken inderdaad
een weg aflegt moge uit het volgende blijken: het er zijn van de werkelijkheid
als een stelsel van verschijnselen berust steeds op het moment nu. Dat heb ik
al eerder besproken. Er is dus een voortdurend optreden en instorten van de
momenten nu. Aan dat moment nu op zichzelf is te bedenken dat het de tijd is
die geen tijd nodig heeft, d.w.z. de tijd waarvoor geen tijdsverloop geldt. Aan
het optreden en instorten van de momenten nu is daarentegen wel de tijd als
tijdsverloop te bedenken. De bestaande werkelijkheid is dus onderhevig aan een
voortgang in de tijd, uiteraard omdat voor de hele zaak beweging geldt. Omdat
dit het geval is kun je ook van de voorstelling zeggen dat die berust op een
voortgang in de tijd, en wel op zo'n manier dat de voorstelling voortdurend ter
is om er onmiddellijk niet te zijn, enzovoort. Dus, het opbouwen en instorten
van de voorstelling. Nu is het op grond van dit opbouwen en instorten dat het
denken, als nagaan van de verbanden, een verloop kent en dus zogezegd een weg
aflegt. Daarbij moet je wel bedenken dat er geen mechanisme is dat het denken
voortdrijft, zoals dat in de praktijk bij het afleggen van een weg wel het
geval is. Het nagaan geschiedt geheel vanzelf, juist omdat er een opeenvolging
van er zijn en er niet zijn van de werkelijkheid als voorstelling is. Het
nagaan van de verbanden in de voorstelling valt onder het begrip tijd als
tijdsverloop. Dat betekent dat dit denken dus tijd kost en dat je er helemaal
niet zo vlug achter komt hoe het zit met de werkelijkheid. Omdat de momenten nu
echter op zichzelf geen tijdsverloop kennen zit er ook een tijdloos aspect in
het denken.
Je kunt je namelijk onmiddellijk
ergens anders denken, bijvoorbeeld in je eigen kamer. Als je nagaat hoe het zit
met dit eigenaardige verschijnsel, dan blijkt dat het eigenlijk niet over
denken in de zin van nagaan gaat, maar over het verwisselen van voorstelling.
Als je je ergens anders denkt roep je een andere voorstelling in jezelf op en
die verwisseling kost geen tijd. Natuurlijk komt dat door het onmiddellijke
instorten van de bestaande voorstelling en het vervolgens onmiddellijk opbouwen
van een nieuwe. Beide voorstellingen, de oude en de nieuwe behoren echter tot
het totaal van je voorstelling, van de wereld zoals die voor jou is. Eigenlijk
heeft dit verwisselen van voorstelling niets met denken te maken omdat het nu
niet over het nagaan van verbanden gaat. Maar het is wel een feit dat het
nagaan direct in werking treedt als de nieuwe voorstelling er is. Daardoor
krijg je de indruk dat het denken geen tijd nodig heeft en die indruk wordt
versterkt door het feit dat reeds in de voorstelling liggende geprogrammeerde
verbindingen vrijwel onmiddellijk herkend worden. Zoals al eerder gezegd: die
verbindingen worden eigenlijk niet nagegaan, maar (klakkeloos) gevolgd.
Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Leerproces-
(1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111,
en 5-pag. 144)
; ; onthouden-1;
onthouden-2
Veel van datgene dat gewoonlijk
denken genoemd wordt valt eigenlijk onder de rubriek leerprocessen. Dat zijn
processen die op zichzelf niets met denken, in de zin van nagaan van de
verbanden in de voorstelling, te maken hebben. Het gaat immers niet over het
zoeken van een weg door de voorstelling, maar over het aanleggen van een weg.
En dat gebeurt vrijwel uitsluitend met behulp van informatie die van anderen
afkomstig is en die van buitenaf, ongeacht de reeds in iemand aanwezige
voorstelling, ingebracht wordt. Het is zelfs zo, dat er bij een leerproces in
belangrijke mate een nieuwe voorstelling tot stand gebracht wordt. Die ontstaat
door het aan de bestaande voorstelling toevoegen van nieuwe kennisdata, van
nieuwe verbindingen tussen die data en van methodieken om die verbindingen
gemakkelijk te kunnen volgen. Het leerproces betreft dus in feite
conditionering van je brein. Dat gaat bij de ene mens gemakkelijker dan bij de
andere, maar in het algemeen is te zeggen dat het werkelijke denkvermogen
afneemt naarmate het leervermogen toeneemt. Zonder iemand te willen beledigen
kun je stellen dat het leren op zichzelf een domme aangelegenheid is waaraan
alle creativiteit ontbreekt. Maar, in onze cultuur wordt aan dat leren grote
waarde gehecht en dat is niet helemaal ten onrechte, want je kunt er een
heleboel mee doen, niet in de laatste plaats een goede positie in de
maatschappij verwerven. De mens is echter ook nog wat anders dan een
maatschappelijk wezen en eigenlijk ligt de verhouding zo, dat echte
maatschappelijkheid onmogelijk is als uitsluitend de resultaten van leerprocessen
als de maat worden genomen. Het zelf denken, het creatieve denken, zowel zuiver
wetenschappelijk als filosofisch, gaat boven de geconditioneerde kennis uit en
is daardoor van veel groter nut voor de mensheid. Men is tegenwoordig volop
bezig met het ontwikkelen van kunstmatige intelligentie. Steeds vaker hoor je
beweren dat men straks een zodanige kwaliteit van kunstmatige intelligentie ter
beschikking heeft, dat die de intelligentie van de mens overtreft. Aan zulke
beweringen kun je zien hoe slecht het met het echte denken gesteld is. Men
wordt verblind door het grote vermogen van computers om gegevens op te nemen en
met elkaar in verbinding te brengen. Men verwart dus het denken met het
leerproces, dat inderdaad bij een computer sneller en beter verloopt dan bij de
mens. Bovendien heeft men niet in de gaten dat het ontwerpen van een zogenaamd
hogere intelligentie het bezit van zo'n intelligentie bij de mens
vooronderstelt. Je kunt dus helemaal geen hogere intelligentie ontwerpen, maar
wel een machine die qua leerproces beter functioneert dan een mens. Zo een
machine valt dus buiten de definitie van het denken, maar menigeen gelooft dat
het een superdenker is! Er zit een logische fout in de gedachte dat je een
hogere intelligentie kunt maken. Dat is net zoiets als het probleem dat de
geleerden uit de Middeleeuwen bezig hield: kan god in zijn almacht een steen
maken die zo zwaar is dat hij hem zelf niet op kan tillen? Op een andere manier
speelt dit probleem ook, namelijk als men zich afvraagt of een groep van knappe
koppen intelligenter kan zijn dan de knapste uit het gezelschap. Ook hierbij
verwart men het leerproces met het denken: die groep weet uiteraard méér dan
ieder lid afzonderlijk en kan ook ontdekkingen doen die voor ieder lid op
zichzelf onmogelijk zouden zijn geweest, maar het denken in die groep haalt
hoogstens het niveau van de helderste denker, en in de praktijk zal dat niet
eens gelukken omdat er in zo'n groep een zekere mate van eenstemmigheid zal
moeten zijn. De zaak komt hierop neer dat je hoeveelheden kennis wel bij elkaar
op kunt tellen, omdat het begrip kwantiteit ervoor geldt, maar dat je
intelligenties niet bij elkaar kunt optellen, op grond van het feit dat het dan
over kwaliteiten gaat.
Eigenlijk is het leerproces het
meest primitieve proces in het zelfbewustzijn voor zover het gaat over de
reflectie op de voorstelling. Dat primitieve proces is onmisbaar voor de basis
van het menselijk leven: het overleven. Minder primitief zijn achtereenvolgens
het robot denken, het zuiver wetenschappelijke denken en het filosofische
denken. Van deze verschillende varianten vallen het leerproces en het robot
denken wezenlijk buiten het denken omdat zij berusten op respectievelijk
conditionering en navolging. Maar alle vier de varianten spelen zich in elke
mens af en voor niemand geldt er eenzijdig een van die vier. Zo is te zeggen
dat een ieder wel een beetje filosofeert en zich ook min of meer
wetenschappelijke vragen stelt. Het bovenstaande houdt niet in dat het
filosoferen de hoogste vorm van geestelijke activiteit zou zijn. Wel echter
betekent het dat het de meest creatieve wijze van denken is. Je kunt wat dit
betreft geen waardeoordeel geven, maar wel kun je een cultuur waarin één van de
genoemde varianten allesoverheersend is op zijn waarde beoordelen. Onze cultuur
bijvoorbeeld, met zijn fixatie op leerprocessen en robot denken is zonder meer
banaal te noemen. Het is een cultuur die blijft steken in een laag, stoffelijk
en kwantitatief, niveau en die qua maatschappij en samenleving lang niet oplevert
wat menselijk mogelijk is. Het grootste probleem bij een leerproces is het
onthouden van de leerstof.
Door de eenzijdige gerichtheid op
leerprocessen wordt het hoog gewaardeerd als je veel kunt onthouden, maar
eigenlijk is het onthouden tégennatuurlijk! Je legt immers je voorstelling
vast, terwijl het bovendien een geconditioneerde en niet zelf uitgezochte
voorstelling is. Zo'n voorstelling voldoet niet aan het gegeven dat de inhoud
van het zelfbewustzijn er voortdurend is om er onmiddellijk weer niet te zijn
en zich daarna weer opnieuw te stellen. Geen wonder dat een dergelijke
muurvaste voorstelling een storende uitwerking heeft op het leven. Toch is de
gangbare mening in onze cultuur dat iemand die niet goed kan onthouden van
minder waarde is: op de scholen geeft men lagere cijfers, de studenten slagen
niet voor examens en uiteindelijk is er geen mogelijkheid om op een behoorlijke
wijze maatschappelijk te functioneren. Tegenwoordig kennen wij de computer. Die
kan alles voor ons onthouden zodat er energie vrij kan komen om het nadenken
wat meer te gaan beoefenen. Maar in het onderwijs heeft men nog steeds allerlei
bezwaren, die pas dan zullen vervallen als men nu eens echt tot
wetenschappelijk onderwijs over gaat.
Een dergelijk onderwijs is
gericht op de training van het denken als nagaan van de verbanden, en niet op
het via leerprocessen onthouden van kennisdata en methodieken. Het merkwaardige
van het nagaan van de voorstelling is dat het er niet om gaat van alles te
onthouden, maar dat die voorstelling zo helder mogelijk is. Hoe meer dat het
geval is, hoe gemakkelijker het nagaan (denken) verloopt. Dat heeft tot gevolg
dat je iedere keer weer opnieuw kunt bedenken hoe bepaalde zaken in elkaar
zitten. Bovendien houdt dat de mogelijkheid open om tot nieuwe denkbeelden te
komen. De verstarring van de geleerdheid kan dan niet optreden. Het ontwikkelen
van de helderheid van de voorstelling met als gevolg het gemakkelijk nagaan of
navolgen van de verbanden en de verbindingen, is datgene dat wij begrijpen noemen.
Iemand die begrijpt hoe iets zit behoeft de zaak niet te onthouden, maar voor
iemand die op grond van een leerproces veel kennis heeft vergaard kan het heel
wel zo zijn dat hij er eigenlijk niets van begrijpt. Dat begrijpen berust dus
niet op een veelheid aan kennis, maar op de helderheid van de voorstelling. Die
voorstelling kan alleen maar helder worden door het er-zijn, het er-niet-zijn
en het er opnieuw zijn zoveel mogelijk te laten gelden. Dan immers kan de
spiegeling met de werkelijkheid als beeld (bewustzijn) optimaal tot zijn recht
komen.
Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3
; Brein-4
; Brein-5
; Brein-6
; Brein-7
; Brein-8
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2
; Opvoedingsprocessen
; Opvoeding-3
; Opvoedingsmethoden
; opvoeding-4
; Opvoeding-5
;
De leerprocessen resulteren zowel
in denk- als in handelingsautomatismen. De vakman bijvoorbeeld conditioneert
zichzelf in het verrichten van een aantal handelingen zodat hij niet behoeft na
te denken tijdens routine werkzaamheden. Maar ook menig kunstenaar behoeft
conditionering, denk maar aan een balletdanser en een uitvoerend musicus. Al
die conditioneringen echter moeten de mens aangeleerd worden, berusten dus op
leerprocessen. Dat is het geval juist omdat een mens ter wereld komt zonder
enige inhoud van het zelfbewustzijn. Alle verbindingen moeten aangelegd worden.
Je kunt stellen dat voor een mens datgene dat hij leert altijd iets nieuws is,
iets onbekends dat vanaf een zeker moment gekend word. Bij de dieren ligt de
zaak heel anders. Dat berust ten eerste op het feit dat voor dieren het begrip
zelfbewustzijn helemaal niet geldt en dat er dus op dat gebied niets geleerd,
oftewel geconditioneerd, kan worden. En ten tweede berust dat op het feit dat
in dieren de programma's al bij de geboorte klaar liggen. Wij constateren
gewoonlijk, bij het bekijken van de opvoeding van jonge dieren, dat er van
allerlei geleerd moet worden, maar die constatering is onjuist. Hij wordt
ingegeven door onwillekeurige associatie van Ons leerproces met dat van het
dier. In feite echter worden bij de opvoeding van dieren de reeds aanwezige
programma's geactiveerd. Dat is wat wij het spelen van de dieren noemen. Die
programma's berusten op de werkelijkheid als bewustzijn en op de overeenkomst
van die innerlijke werkelijkheid met de uiterlijke. Het bewustzijn is de
werkelijkheid als totaaltrilling, het is dus op andere wijze de (uitwendige)
werkelijkheid. Dat is een volledig samenhangende zaak. Zoals wij al eerder
gezien hebben is die zaak zonder meer gegéven. Hij is dus autonoom in het
levende wezen aanwezig. Voor zover nu in die gegeven en autonome zaak de
samenhang op de voorgrond staat komt dat bij het dier in concreto voor de dag
als een bepaald weefsel van vaste verbindingen. Dat weefsel is bij ieder levend
wezen weer anders, afhankelijk van de geaardheid van dat levende wezen en
wereld waarin het zal moeten leven. Het is dat weefsel dat bij de opvoeding en
het spelen actief wordt en het gevolg is dat er onder bepaalde omstandigheden
een bepaalde cyclus van activiteiten afgewerkt wordt.
Die cyclus van activiteiten is,
juist omdat hij op een gegéven zaak berust, onveranderlijk. Toch blijft er een
mogelijkheid tot kleine aanpassingen, op grond van het feit dat het bewustzijn
als weefsel van samenhangen een beweeglijke werkelijkheid is, en omdat het nog
altijd over dé werkelijkheid gaat. In principe is dus alles mogelijk, maar in
de praktijk is alleen maar dat mogelijk dat binnen het gezichtsveld van dat
bepaalde levende wezen, dus binnen de eigen wereld, valt en binnen dat kader
zijn aanpassingen mogelijk. Dat zijn overigens langdurige processen die met
heel kleine stapjes verlopen. Zo kun je tegenwoordig zelfs een kat een aantal
dingen leren, maar nooit zal het je gelukken het gedoe van een kat te
veranderen in dat van bijvoorbeeld een hond. De geaardheid en de omvang van het
programma zijn gegeven en blijven gegeven! De conditioneringen van een dier
berusten dus op het bewustzijn, maar die van een mens, als het althans over
diens handelingen gaat, berusten op het zelfbewustzijn. Het zijn dus eigenlijk
een ander soort conditioneringen. Wil je onder het begrip conditionering
uitsluitend aangeleerde, oorspronkelijk (nog) niet aanwezige verbindingen
verstaan, dan zou je bij het dier niet van conditionering kunnen spreken. Je
zou het dan bijvoorbeeld over natuurlijke programma's kunnen hebben.
Welbeschouwd verricht het dier dan ook geen handelingen, maar het vertoont
natuurlijke gedragingen.
Zo gezien is de mens wel
geconditioneerd en ook verricht hij handelingen, namelijk aangeleerde
gedragingen. Dus: het dier kent natuurlijke programma's en gedragingen, en de
mens kent conditioneringen en handelingen. Je hoort nogal eens de mening
verkondigen dat elk mens onbewust iets heeft meegekregen van zijn geboortegrond
en dat bijgevolg iemand die uit Japanse ouders in het westen geboren is toch
nooit een echte westerling zal worden. De verklaring voor deze, op zichzelf
juiste, waarneming berust echter niet op enigerlei vorm van overgeërfde
natuurlijke programmering, maar op een veelheid van indrukken die, zonder dat
die achteraf nog na te gaan zijn, op het kind ingewerkt hebben. Dat waren
bepaald niet alleen westerse indrukken, maar via de ouders, familie en
bekenden, ook Japanse. Het is in de praktijk niet mogelijk om uitsluitend één
soort ervaringen op te doen, alleen bij het nadenken over deze zaken kun je
onderscheid maken en als je dat doet bemerk je dat elk mens blanco ontstaat en
tijdens de groei geconditioneerd wordt. Als er ook maar iets in het
zelfbewustzijn van een mens bij voorbaat geprogrammeerd was zou er geen
mogelijkheid zijn iets nieuws te leren. Dat het allemaal conditioneringen zijn
moge blijken uit het feit dat mensen uit andere culturen zonder enige moeite
het westerse wetenschappelijke en maatschappelijke denken kunnen leren
beoefenen. Echter: voor een mens geldt niet alleen het zelfbewustzijn, maar
natuurlijk ook het bewustzijn. Dat betekent dat er in een mens ook programma's
zullen zijn die niets met conditionering op grond van leerprocessen te maken
hebben. Programma's dus waarin een mens helemaal niet vrij is. Dat is inderdaad
het geval, bijvoorbeeld met alle biologische processen waarop wij met onze wil,
en dus met ons zelfbewustzijn, geen enkele invloed kunnen uitoefenen. Dan gaat
het in de eerste plaats over onze lichamelijke functies, zoals het kloppen van
ons hart, de spijsvertering en dergelijke. Maar ook gaat het over seksuele
aandriften en over de geaardheid van het vrouw- of man-zijn. Die biologische
programma's zullen van invloed zijn op het zelfbewustzijn als voorstelling van
de eigen werkelijkheid. Die invloed gaat zowel direct als indirect: hij werkt
in op het vermogen van het zelfbewustzijn, maar ook op de voorstelling zoals
die opgebouwd is uit ervaringen. Als zo'n programma niet helemaal in orde is
kun je bepaalde dingen niet goed en dat ervaar je zodat dit inhoud van je
voorstelling wordt. Dat behoeft niet altijd een negatieve invloed te zijn.
Er zijn voorbeelden van mensen
die biologisch helemaal niet in orde zijn, maar die geestelijk grote prestaties
leveren. Kortom: hoe het uitpakt met die wisselwerking tussen programma's en
conditioneringen is nooit van tevoren te zeggen. Al die zaken die je
filosofisch mooi naast elkaar kunt zetten zijn in de praktijk van het menselijk
leven ten nauwste met elkaar verweven. Je zult nooit een analyse kunnen maken
die uitwijst in hoeverre je leven bepaald wordt door natuurlijke programma's
enerzijds en conditioneringen anderzijds. Zo is het ook een feit dat het zelfbewustzijn
met zijn voorstelling van de (jouw) werkelijkheid ook invloed uitoefent op je
biologische programma. Het is mogelijk om vanuit die voorstelling en het daarop
gebaseerde denken biologische programma's te wijzigen of te beheersen. Dat is
het geval als je bijvoorbeeld een bepaalde ziekte weet te onderdrukken of ermee
leert leven. Dat is ook het geval als je, vanuit de je ingeprente
cultuurvoorstelling, jezelf als seksualiteit belemmert om vrij te zijn en
daardoor min of meer gefrustreerd raakt. Die inwerking van het zelfbewustzijn
en het denken op het lichamelijke zijn veel ingrijpender dan gewoonlijk gedacht
wordt. Het is zelfs mogelijk dat een groot deel van de medische wetenschap in
de grond van de zaak op deze wisselwerking berust en nauwelijks op de
effectiviteit van geneesmiddelen.
Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoedingsprocessen
; Opvoeding-3
; Opvoedingsmethoden
; opvoeding-4
; Opvoeding-5
;
No. 101 Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;
In alle levende wezens
ontwikkelen zich, op grond van de samenhang in de werkelijkheid als bewustzijn (beeld),
natuurlijke programma's. Die moeten op de een of andere manier geactiveerd
worden en dat kennen wij, althans bij de zogenaamd hogere dieren, als het
spelen. Dat spelen is dus geen leerproces zoals wij dat bij de mensen tegen
komen. Bij deze laatsten levert het leerproces iets nieuws op, maar het
activeren heeft betrekking op reeds aanwezige verhoudingen, die met het
opgroeien van het levende wezen moeten gaan functioneren. Zij moeten zich gaan
concretiseren, zich manifesteren in de realiteit. Zo'n manifestatie spreekt ons
meer aan naarmate het over meer ontwikkelde diersoorten gaat en dat is te
begrijpen want die hebben een meer omvattend beeld van de werkelijkheid en
staan als zodanig dichter bij ons. Dat activeren van programma's is eigenlijk
een afspiegeling van verhoudingen die voor het bewustzijn gelden. Tot op zekere
hoogte is het dus ook een afspiegeling van schoonheid, en dat beleven wij
mensen onbewust als wij het spelen van de dieren gadeslaan. Dat roept in ons
een gevoel van verwantschap met de echte werkelijkheid op: lichtvoetig,
beweeglijk en zonder bedoeling. Het heeft op ons een bevrijdende werking. Voor
ons besef heeft dat spel echter wel degelijk een bedoeling en wij zeggen dan
dat het dier zich voorbereidt op het komende harde bestaan, maar voor het dier
geldt dat niet, het weet nergens van, is gewoon zichzelf. De bedoeling, die wij
er achter zoeken, berust op een foute associatie op grond van uiterlijke
overeenkomsten. Ik heb er al op gewezen dat je bij de dieren, wat betreft hun natuurlijke
gedragingen, niet van conditioneringen kunt spreken, omdat hen in feite niet
geleerd wordt die gedragingen te vertonen. Uiteraard zijn er ook wel
voorbeelden te geven van conditioneringen bij de dieren, bijvoorbeeld als je de
hond geleerd hebt aan bepaalde commando's te gehoorzamen. Het gaat nu echter
over datgene dat vanuit de natuur aan het dier meegegeven is. De specifieke
gedragingen van een mens komen echter allemaal voort uit een al of niet bewuste
- wilsstimulans van het zelfbewustzijn. Zij behoren dus tot datgene dat
aangeleerd is vanaf het allereerste begin van het mens-zijn in de moederschoot.
Daarom spreek ik bij de mens van handelingen, ook als die uit de een of andere
onbewuste, niet-gekende, stimulans voortkomen.
Naast de, op een wilsstimulans
berustende, handelingen en de natuurlijke gedragingen, tot welke laatste ook de
seksuele aandriften behoren, zijn er ook nog de psychische gedragingen. Dat
zijn uitingen van de psyche, die, zoals al eerder besproken, het gevolg zijn
van het meetrillen van het materiële (het zuiver lichamelijke) met de
totaaltrilling die het bewustzijn is. Het lichaam fungeert daarbij als
klankbodem van die trilling. Ook dat gaat buiten je wil om en heeft dus in
principe niets met het zelfbewustzijn te maken, behalve dan dat je vanuit het
zelfbewustzijn kan proberen die psychische uitingen te onderdrukken - waar je
gewoonlijk niet van opknapt! Het is een bekend feit dat kinderen ook spelen.
Dat echter gebeurt niet zonder dat er bij het kind een bedoeling voorzit. Die
bedoeling behoeft niet bewust te zijn, maar toch is het zo dat het kind zich al
spelende verplaatst in de wereld die het heeft leren kennen. Het fantaseert
zich in die wereld en het wil zich daarin bevinden. Die wil is, doorgaans ongeweten,
zelfbewust. Daarom zegt men: dat kind heeft een willetje. Over het algemeen is
te zeggen dat het kind zijn, tot op dat moment bekende, werkelijkheid
reproduceert. Daarom kun je dan ook constateren dat het spel van het kind vaak
een getrouwe afspiegeling is van de harde wereld. Het is niet dat lichtvoetige,
belangeloze en bevrijdende spel van de dieren.
En dat komt dus bij die kinderen door de suprematie van het
zelfbewustzijn over het bewustzijn. Zij oefenen wel degelijk hun
conditioneringen. In dat oefenen straalt natuurlijk het bewustzijn van het kind
door, en het doet dat sterker dan bij volwassenen het geval is, omdat de inhoud
van het zelfbewustzijn, de gekende werkelijkheid als voorstelling, nog niet zo
omvangrijk en nog niet zo maatgevend is. Maar meer dan een doorstralen is het
niet. Het spelen van volwassenen is er weer wel mee te vergelijken. Volwassenen
beoefenen spelen, maar ook hebben zij het over het spel van de violist. Hoewel
beide verschijnselen praktisch een andere betekenis hebben is er toch in
zoverre een overeenkomst dat het bij beide nergens om gaat en iets met
schoonheid, beweeglijkheid, harmonie en dergelijke te maken heeft.
Tegenwoordig
weet men nauwelijks meer wat het zeggen wil dat het bij het spel nergens om
behoort te gaan: zowel het sportieve als het artistieke spel is geheel en al in
het teken komen te staan van winnen of verliezen, de beste zijn en geld
verdienen. Maar oorspronkelijk was dat helemaal niet zo, vandaar dat wij voor
al die dingen hetzelfde woord gebruiken, namelijk spelen. Nog de oude Grieken
speelden het spel om het spel en de Zigeuners speelden op hun viool om de
muziek zelve. Het spelen van volwassenen, zowel sportief als artistiek, is, net
als het spelen van de dieren, een afspiegeling van de werkelijkheid als
bewustzijn. Dat wil zeggen: dat is het wezenlijk, maar, zoals gezegd: in de
moderne cultuur is dat, onder invloed van de analyse en de ontwikkeling tot
individu, vrijwel geheel verloren gegaan. Slechts het gebruik van hetzelfde
woord spelen herinnert nog aan de tijd dat de mensen wel beseften hoe het zit.
Het verloren gaan van dit besef leidt ertoe dat, zeker in het sportieve spel,
het bevrijdende en ontspannende plaats maakt voor het zwaarwichtige, het
moeizame en het afmattende. Tegelijkertijd echter is er nog het rudimentaire
besef dat het allemaal als vanzelf en moeiteloos zou moeten gaan, zodat men dan
weer net zolang oefent totdat dit schijnbaar het geval is. Zou het juiste besef
echter nog leven, dan zou alles inderdaad als vanzelf gaan, ondanks het feit
dat er toch heel wat oefening aan vooraf is gegaan. Vooral voor het artistieke
spel komt heel wat kijken, niet alleen qua technische oefeningen, maar in de
eerste plaats qua zelfontwikkeling. Om het artistieke spel goed tot zijn recht
te laten komen is een voortdurend proces van onthechting noodzakelijk, d.w.z.
een beweeglijk maken van de werkelijkheid als voorstelling opdat de spiegeling
met het beeld effectief kan worden.
Dat is het proces van de
innerlijke rijping, een proces waarvan de noodzaak tegenwoordig maar al te vaak
over het hoofd gezien wordt. We leven in een technische wereld en dus menen we
dat alles in orde is als aan de technische eisen is voldaan. Wat dat betreft
werkt de huidige cultuur belemmerend voor het kunstenaarschap. Het opruimen van
die belemmeringen is een hele opgave, zelfs voor de artistiek begaafde mens.
Maar nog niet zo lang geleden beseften de mensen dat er een verband is tussen
een onconventioneel, niet aan de gangbare voorstelling gebonden, leven en het
kunstenaarschap. Het spelen van volwassenen gebeurt zelfbewust in die zin dat
zij het van zichzelf weten en het welbewust willen. Dat wil zeggen: zij weten
dat zij willen spelen, maar zij weten weer niet waarom het daarbij gaat. Het
gaat om het beleven van een verwantschap met het bewustzijn. In de kunst doe je
dan een poging om de werkelijkheid als beeld tot uitdrukking te brengen, een
poging die bij voorbaat gedoemd is te mislukken, maar die als poging gelukken
kan. In de sport gaat het meer om de harmonische beweging en vooral ook het
belangeloze en dus ook ontspannende.
Psyche,zie
vervolgens: Psyche-1
; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;
In onze cultuur zijn de mensen
toegespitst op het verzamelen van kennis en dus wordt aan de leerprocessen grote
waarde gehecht. Dat betekent uiteraard ook dat de mensen in ernstige mate
geconditioneerd worden op het kennen van een werkelijkheid die uitsluitend is
zoals de voorstelling die te zien geeft. Alle andere mogelijkheden tot het
ervaren van de werkelijkheid, zoals bijvoorbeeld het gevoel, de intuitie en het
artistieke zien worden buitengesloten omdat zij onbetrouwbaar zouden zijn. Voor
westers cultuurbesef liggen de zaken zo dat de wetenschap zou hebben uitgewezen
dat onze voorstelling van de werkelijkheid overeenstemt met de echte
werkelijkheid, en dus op waarheid berust. Men moest wel tot die overtuiging
komen omdat men in feite louter zijn eigen voorstelling onderzoekt en helemaal
niet de echte werkelijkheid. Je kunt zeggen: men is bevangen in een vicieuze
cirkel en omdat dit het geval is bemerkt men niet of nauwelijks dat het
allemaal eigenlijk niet over de werkelijkheid gaat. De werkelijkheid die men
meent te kennen is er helemaal niet. Het gericht zijn op de voorstelling brengt
met zich dat men kennis belangrijk vindt en dat leidt ertoe dat de
leerprocessen als de basis van alle menselijke activiteiten gezien worden. Maar
wezenlijk zijn die processen tegennatuurlijk omdat ze het zelfbewustzijn, dat
qua karakter beweeglijk is, verminken tot een vastgelegde zaak waarvoor geldt:
het zit zo en niet anders! Die vastgelegde zaak is van een onvoorstelbare
banaliteit, juist omdat het anders-zijn, dat bij het begrip beweeglijk-zijn
behoort, buitengesloten is. Onze westerse wereld is een banale wereld omdat de mens
gereduceerd wordt tot zijn eigen voorstelling en daarmee de ruimte van het
onvoorspelbare opgeheven wordt. De verbazing, op grond van het feit dat je
onverwacht iets opvalt, komt steeds minder voor en alles wordt vlak, alledaags
en dus banaal. Dat is allemaal het gevolg van het feit dat wij de mens almaar
meer als een product van leerprocessen zijn gaan beschouwen. Voor alle
duidelijkheid: het gaat nu niet over het feit dat een mens van allerlei moet
leren om te kunnen overleven. Een mens doet voortdurend ervaringen op en
daartoe behoort ook datgene dat hij leert via een leerproces. Waarom het
daarentegen wel gaat is dit dat het hele gebied van de ervaringen vernauwd
wordt tot een complex van ingeprente overdraagbare kennis, eigenlijk dus een
stelsel van theorieën. Iemand wordt capabel voor zijn werk gevonden als hij de
voorgeschreven leerprocessen achter de rug heeft.
Een hulpverlener is, zoals dat
heet, gekwalificeerd als hij de vereiste cursussen gevolgd heeft en niet omdat
hij zo goed met mensen kan omgaan en meelevend luistert naar hun problemen.
Gekwalificeerd ben je als je ergens voor geleerd hebt, en dus: als je een
product van een leerproces bent. Alleen als dat het geval is mag je meepraten.
Het tegennatuurlijke is gelegen in het feit dat wezenlijk onze gehele westerse
cultuurwereld op een fictie berust. De wereld die er volgens die fictie is, is
niet de echte wereld. Al diegenen die in deze wereld geweld plegen, met legers
oprukken, mensen tiranniseren, maar ook al diegenen die menen dat ze macht
moeten uitoefenen, maatschappijen besturen, regels uitvaardigen en dergelijke,
leven in een onwerkelijke wereld. Die wereld bestaat wel: er zijn legers en er
worden regels uitgevaardigd. Die wereld is dus realiteit. Maar die realiteit is
een onwerkelijke, louter voortgekomen uit verminkte voorstellingen in het
zelfbewustzijn. Uit die onwerkelijke wereld is praktisch niet te ontvluchten.
Je blijft het risico lopen er het slachtoffer van te worden. Maar toch kun je
er ook weer wel uit wegkomen, door namelijk te proberen je eigen voorstelling
te deprogrammeren, dat wil zeggen, al het vaststaande om te beginnen in twijfel
te trekken en vervolgens uit te zoeken hoe het nu wel zit.
Zoals ik al eerder heb uitgelegd
is de werkelijkheid als voorstelling eigenlijk beweeglijk van karakter door het
telkens instorten en vervolgens weer tot stand komen van het complex van
verbanden dat alle data van kennis bijeenhoudt. Als je zegt dat de wereld van
geweld en misdaad er niet behoort te zijn houdt die uitspraak in dat er
kennelijk twee werelden zijn: de reële wereld van het geweld en de misdaad en
een andere wereld die goed is. Terecht wordt daaraan bedacht dat die slechte
wereld feitelijk bestaat en die goede niet. Het onwerkelijke van die slechte
wereld echter is gelegen in het feit dat hij op een zelfbewustzijn berust dat,
als product van leerprocessen, volkomen vastgelegd is. Dat is dus een
zelfbewustzijn dat in strijd is met de echte werkelijkheid en daarom noem ik
het een fictie. Die fictie evenwel is de basis van een door de mensen gemaakte
wereld die, hoezeer die wereld ook een praktische realiteit is en dus concreet
bestaat, toch onwerkelijk is. De mensen hebben hem gemaakt op grond van foute,
onhoudbare en dus onwerkelijke voorstellingen. Hij kan bestaan en bestaat, maar
het is iets onwerkelijks, iets fictiefs dat niettemin bestaat. Een realiteit
geworden nachtmerrie.. . Welbeschouwd hanteer je in de filosofie, althans in
deze filosofie, een ander realiteitsbegrip. Je onderscheidt namelijk twee
realiteiten en wel een werkelijke en een onwerkelijke. In het eerste geval
spiegelt de realiteit de echte, beweeglijke, zichzelf organiserende
werkelijkheid af en in het tweede geval de bedachte, geconditioneerde,
vastgelegde en vanuit iets anders, doormiddel van macht en geweld,
georganiseerde werkelijkheid. Uiteraard is deze laatste werkelijkheid in de
grond van de zaak terug te brengen tot de werkelijke realiteit. Ze is er immers
uit voortgekomen! Ze behoort dus tot de mogelijkheden van de werkelijkheid.
Maar die mogelijkheid blijkt een fictieve te zijn, die, tot het einde toe
doorgedacht, tot vernietiging leidt. Opmerkelijk is dat de wereld als
onwerkelijke realiteit met geweld in stand gehouden moet worden om
uiteindelijk, ondanks alle dwangmaatregelen, toch ten onder te gaan. Zo groot
kan de macht van diegenen die aan het hoofd van zo'n onwerkelijke realiteit
staan niet zijn of het loopt tenslotte toch in een fiasco uit. Het is logisch
dat die zaak met geweld in stand moet worden gehouden omdat de werkelijke
realiteit beweeglijk is en dus in strijd ermee en zich als zodanig in allerlei
mensen laat gelden. In de praktijk ondermijnen die mensen, alleen al door hun
zijn, almaar die gewelddadige zaak. Je kunt dus zeggen dat het natuurlijke, dat
wil zeggen het verschijnsel mens als beweeglijke zaak, het tegennatuurlijke
steeds ondermijnt, precies zoals we dat gezien hebben bij het onthouden van
kennis.
Met een bepaalde vorm van geweld
proberen we zover te komen dat we de dingen kunnen onthouden, maar steeds weer
leidt het natuurlijke in ons ertoe dat wij ze vergeten. Een realiteit die
onwerkelijk is kan niet anders dan een gewelddadige zijn. Het beweeglijke moet
stilgelegd worden. Onze wereld is dan ook een door en door gewelddadige wereld
die er, let wel, niet is op grond van ingeboren slechtheid van het verschijnsel
mens, maar op grond van een, door leerprocessen verkregen, verminkt, want
vastgelegd, zelfbewustzijn. De gewelddadigheid is dus een cultuurverschijnsel
dat als zodanig behoort tot datgene dat gewoonlijk de menselijke geest genoemd
wordt, maar dat in feite het zelfbewustzijn is. Die realiteit van geweld wordt
gekenmerkt door het feit dat alles er geforceerd aan toegaat. Niets kan zijn
eigen beloop hebben, steeds moet er ingegrepen worden, tegenwoordig fraai
verdoezeld met het begrip beleid voeren. Daardoor lijkt de fictie niet zo
ernstig, maar het tegendeel is waar...
We hebben ons nu geruime tijd
bezig gehouden met het zelfbewustzijn, waarbij dan speciaal de werkelijkheid
als voorstelling op de voorgrond stond. Dat zelfbewustzijn berust wezenlijk op
de drieslag materie - materie als niet-materie - niet-materie, waarin dan het
begrip niet-materie overeenkomt met het gangbare begrip geest en het begrip
materie als niet-materie met het begrip voorstelling. Daarbij heb ik er
nadrukkelijk op gewezen dat het begrip geest geen enkele inhoud heeft, noch
enigerlei werking uitoefent op wat dan ook. Dit op grond van het feit dat we te
doen hebben met een werkelijkheid die zich gedraagt alsof ze louter van elkaar
onafhankelijke beweeglijkheden was. Alles wat wij doorgaans onder de rubriek
geest situeren behoort in feite onder de rubriek zelfbewustzijn en is dus als
zodanig een werking van de genoemde drieslag. Ons filosofische begrip geest kan
er evenwel niet af gedacht worden, want anders is het laatste verschijnsel niet
te begrijpen. Je zou bijvoorbeeld niet in de gaten hebben dat de voorstelling
voortdurend instort, om zich vervolgens weer op te bouwen. En in dat geval zou
ook het cultuurproces van het vastleggen, onder andere door de leerprocessen,
niet te begrijpen zijn. Nu ik het nog eens wat uitvoeriger over het begrip
bewustzijn wil hebben moet ik er als eerste op wijzen dat dit begrip onder het
hoofdstuk materie valt. Het bewustzijn komt namelijk in de materie voor. Als
trilling is het op zichzelf natuurlijk niet materieel, maar omdat die trilling
aanwezig is in de bouwsteen behoort hij tot het materiële. Als nu die trilling
in de bouwsteen, door de grote mate van innigheid van de samenstelling van het
door de bouwstenen gevormde verschijnsel, een totaaltrilling geworden is - en
dat is het geval bij het levende verschijnsel - spreek ik van bewustzijn. Dat
is te zeggen: voor zover die totaaltrilling zich laat gelden als één zaak, als
een geheel, geldt dat begrip, en voor zover het toch ook nog een totaal is, dus
een verzameling van verschillende trillingen (in de bouwstenen), geldt het
begrip levend-zijn. We hebben al eerder besproken dat het bewustzijn door ons
ervaren wordt als een beeld van de werkelijkheid als geheel. Daarbij moet
bedacht worden dat dit ervaren slechts aan de mens voorbehouden is: hij is de
enige die wéét heeft van die werkelijkheid. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat
die werkelijkheid altijd een rol speelt in de zelfbewuste voorstelling.
Meestal, en zeker in onze cultuur, is de zaak verwaarloosd en voor zover hij
toch bekend is wordt hij verdrongen. De niet-menselijke levende verschijnselen
evenwel hebben geen weet van hun bewustzijn, maar gedragen zich automatisch, op
grond van natuurlijke programma's, overeenkomstig dat bewustzijn. Voor die
levende wezens geldt het begrip voorstelling niet en daardoor kunnen zij ook
niet misleid worden en een fictieve werkelijkheid voor de echte aanzien. Alle
levende wezens hangen, door het gelden van het bewustzijn, samen met hun
omgeving en zijn in de praktijk daarvan afhankelijk. Dat is ook het geval met
een pasgeboren kind. In dat kind is het bewustzijn als geheel aanwezig. Er
ontbreekt - als dat kind gezond is - niets aan. De samenhang met de omgeving is
er dus ook onmiddellijk. Wat ons echter, bij het nadenken daarover, steeds van
de wijs brengt is het feit dat het zelfbewustzijn nog inhoud moet krijgen en
dat daardoor de afhankelijkheid om te beginnen nog volledig is. Ondanks die
volstrekte afhankelijkheid functioneert dat jonge kind toch in zijn omgeving,
denk maar aan het leven in de baarmoeder.
Omdat voor ons het leven als
vanzelfsprekend een zelfbewust leven is hebben wij er moeite mee te begrijpen
dat het jonge kind qua bewustzijn onmiddellijk efficiënt functioneert. De mens
herkent (zelfbewust) de buitenwereld omdat in hem de werkelijkheid als
bewustzijn aanwezig is. Dat herkennen is dus niet zonder de aanwezigheid van die
buitenwereld. Maar juist door die buitenwereld wordt voor hem het bewustzijn,
op de wijze van een beeld ervaarbaar. Je kunt zeggen: zonder de ervaring van de
buitenwereld, die zich omzet tot een voorstelling, is de werkelijkheid als
beeld niet als zodanig aanwezig. Wel is natuurlijk het bewustzijn als
totaaltrilling in de kwaliteit van het geheel aanwezig. Dit bewustzijn wordt
echter aan de voorstelling tot beeld. Om dit duidelijk te krijgen kun je denken
aan de muziek. Het begrip muziek houdt in het totaal aan alle muziekwerken,
maar het is ook een begrip op zichzelf, laten we zeggen de verklanking van de
werkelijkheid als bewustzijn. Door nu een bepaald muziekwerk te horen straalt
die werkelijkheid als bewustzijn door, en voor die door gestraalde werkelijkheid
geldt het begrip beeld - in dit geval eventueel te benoemen met klankbeeld.
Bekijk je Rembrandts portret van Hendrikje Stoffels, dan gaat de voorstelling
over uitsluitend dié vrouw, maar daar doorheen straalt de werkelijkheid als
beeld. Dan gaat het niet meer over Hendrikje. Er wordt dan een universele
werkelijkheid zichtbaar. Hendrikje is eigenlijk het plaatje, maar in feite (als
je er oog voor hebt) zie je de werkelijkheid. De werkelijkheid als beeld is een
werkelijkheid van in elkaar overgaande vormen. Zoals al eerder besproken geldt
het begrip vorm omdat het gaat over de geworden werkelijkheid, en die
werkelijkheid als een totale trilling. We hebben dus te doen met het begrip
vorm als trilling. Binnen de context van dat begrip zijn de verschillende
vormen, zoals die in de concrete verschijnselenwereld voorkomen, niet van
elkaar gescheiden door grenzen, maar zij gaan in elkaar over. Dat is het begrip
nuance. Dit is voor ons moeilijk te begrijpen omdat een werkelijkheid als
beeld, waarin alle vormen aanwezig zijn en in elkaar overgaan, op zichzelf geen
voorstelling oplevert. De werking van deze zaak is precies andersom: een
gegeven voorstelling maakt het beeld zichtbaar. Je ziet als het ware aan de
gegeven buitenwereld, die altijd jouw buitenwereld is, een andere
werkelijkheid. Men heeft wel gesproken over de werkelijkheid achter de dingen.
De meeste filosofen, vooral na Immanuel Kant, zijn van mening dat die
achterliggende werkelijkheid niet te kennen is, maar die misvatting is ontstaan
door de verwaarlozing van het bewustzijn en de fixatie op het zelfbewustzijn
voor zover dat een vastgelegde werkelijkheid tot inhoud heeft. Ik heb in het
voorgaande gesproken over het begrip spiegeling. Dat begrip heeft betrekking op
het doorstralen van het bewustzijn, dat als het ware de gegeven voorstelling
tot een andere maakt. Daarbij is de spiegeling de vergelijking van de gegeven
voorstelling met die achterliggende andere voorstelling die op het beeld
gegrond is. Dat is een universele werkelijkheid. Je kunt dan ook stellen dat de
kunst de universele taal bij uitstek is, en dat is zij niet op grond van haar
voorstellingen, maar op grond van de werkelijkheid als bewustzijn die zij - bij
benadering zichtbaar, althans ervaarbaar, maakt.
De kunstervaringen van de verschillende
mensen lopen sterk uiteen en dus kan men erover twisten wat nu eigenlijk kunst
is. Die twisten echter komen bijna in hun geheel voort uit conditioneringen:
wat is op een zeker moment in de mode, wat wordt de mensen over de kunst
verteld, welke maatschappelijke rol vervult de kunst, enzovoort. Van een
zuivere kunstbeleving is, vooral in onze tijd, nauwelijks meer sprake. In de
oudheid, met haar groter besef omtrent het bewustzijn, was die beleving veel
sterker. Dat was dan ook een kunstzinnige tijd.
Leerproces-
(1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111,
en 5-pag. 144)
No. 104 Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;
De werkelijkheid als beeld is er
pas dan als er een voorstelling is. De verhouding ligt zo dat je aan een
bepaalde voorstelling een andere werkelijkheid ziet, een werkelijkheid die door
de voorstelling heen straalt. Het beeld op zichzelf is niet zichtbaar omdat het
eigenlijk niet bestaat buiten de voorstelling om, maar pas op: de werkelijkheid
als totaaltrilling is er wel. Het is immers een materieel verschijnsel!
Enerzijds is het er als levend-zijn, zich vertonend in het voortdurende bewegen
van de materie waaruit het lichaam van een levend wezen bestaat, en anderzijds
als bewustzijn, dat zich niet vertoont maar zich laat kennen aan de psyche,
het gevoel, op de wijze van meetrillen. En behalve aan het psychische laat het
bewustzijn zich dus ook via de voorstelling gelden als beeld. Er wordt vaak
gezegd dat een kunstenaar probeert uit te drukken wat hij innerlijk ziet. Dat
is eigenlijk niet goed gezegd omdat dat innerlijk helemaal niet uit te drukken
is. Daarom is die kunstenaar op een voorstelling aangewezen om daaraan die
andere werkelijkheid, dat beeld gestalte te geven. Echter: het landschap
bijvoorbeeld is op zichzelf niet mooi, het is gewoon een verzameling
natuurlijke en eventueel ook menselijke verschijnselen. Het mooi vinden evenwel
is een puur menselijke ervaring, op grond van het feit dat door de voorstelling
van het landschap heen iets anders te zien is. Een dergelijke ervaring is dus
aan de mens voorbehouden, want hij is de enige in wie de werkelijkheid tot
voorstelling wordt. Op zichzelf is de kosmos niet mooi of lelijk, hij is dat
pas in en voor de zelfbewuste werkelijkheid, de mens dus. Wat ik hierboven over
de kunst heb gezegd geldt ook voor de zuivere, de creatieve filosofie. Het is
de filosoof om een beschrijving van de werkelijkheid te doen in het licht van
die andere werkelijkheid. Ook hij is dus, voor zover het over die beschrijving
gaat, op de gangbare voorstelling aangewezen. Dat heeft als consequentie dat
hij de woorden van alledag moet gebruiken, wil hij verstaan worden. De moderne
behoefte aan een vakmatig taalgebruik dat zich van eenduidige begrippen bedient
is niet alleen onzinnig maar ook arrogant. Het leidt ertoe dat de filosofie
onbegrijpelijk wordt en daardoor voor niemand meer te volgen. De Duitse
filosoof Martin Heidegger (1889-1976) stond zo'n filosofische taal voor en hij
was bovendien van mening dat die taal op het Duits gebaseerd moest zijn omdat
dit de enige taal zou zijn waarin men filosoferen kan. Hij beweerde zelfs dat
bijvoorbeeld een fransman, hoewel Frans sprekend en schrijvend, toch in het
Duits filosofeerde. Over arrogant gesproken! Er zijn mensen geweest die
geprobeerd hebben op te gaan in en een te worden met de andere werkelijkheid
van het bewustzijn. Zij verkeerden daarbij in de mening dat zij het goddelijke
of god zochten. Hoewel die mystici wel tot de ontdekking kwamen dat die
werkelijkheid op zichzelf onzegbaar was waren zij toch op de taal van alledag
aangewezen om aan die werkelijkheid uitdrukking te geven. Van Meister Eckhart
(ca.126O-1328) bijvoorbeeld zijn nog preken bewaard gebleven en daaruit blijkt
dat hij de gangbare taal gebruikte, en dus de gangbare voorstellingen, om
duidelijk te maken waarover hij het had. Dat geldt overigens voor vrijwel alle
grote mystici.
Het zien van die andere
werkelijkheid via de voorstelling is een zaak die geheel en al zonder bedoeling
moet zijn. Dat geldt in hevige mate voor de creatieve filosofie. Zou je
namelijk er op uit zijn die andere werkelijkheid te ontdekken om een bepaald
doel te bereiken, dan streef je iets na dat inhoud van je voorstelling is en
dat als zodanig vastgelegd is. Je handhaaft en versterkt dan een bepaalde
voorstelling, maar het is juist dit vasthouden aan en handhaven van het
vastgelegde dat aan het zien van het beeld in de weg staat. Het doorstralen van
het beeld vooronderstelt immers een voorstelling die, op grond van het gelden
van beweeglijkheid, doorzichtig is. We herinneren ons het verhaal over de
functie van het in twijfel trekken, dat een laten gelden is van het feit dat de
inhoud van het zelfbewustzijn zich steeds tot een voorstelling opbouwt en
onmiddellijk weer instort. Als dit wezenlijke karakter van het zelfbewustzijn
voor je geldt is er van het vasthouden aan een voorstelling geen sprake en dus
kun je ook geen vooropgezette bedoelingen hebben. Voor de goede orde: het gaat
nu natuurlijk niet over het feit dat je je filosofische ontdekkingen op wilt
schrijven of erover wilt vertellen. Het gaat om bedoelingen van inhoudelijke
aard, bijvoorbeeld om een bepaald vooropgezet idee te bewijzen. In dit verband
wijs ik ook op datgene dat aan het begrip spel te bedenken valt. Ook daarbij
gaat het essentiële verloren door de bedoeling. In feite maak je, als je met
een vooropgezette bedoeling te werk gaat, het proces van het ervaren en laten
gelden van de werkelijkheid als beeld ondergeschikt aan iets anders. In de
filosofie en de kunst heeft dit ondergeschikt maken onmiddellijk een negatief
resultaat. Er komt dan in feite niets van de zaak terecht. Maar ook op het
terrein van het maatschappelijke leven laat het zijn sporen na, bijvoorbeeld
bij de productie van de voor het leven benodigde spullen. Doordat er daarbij
een bedoeling voorzit wordt het product niet wat het zijn moet: het wordt een
winstobject. We moeten ook nog op het volgende letten: als je aan een bepaalde
voorstelling, waartoe ook datgene behoort dat een kunstwerk je laat ervaren, de
werkelijkheid als beeld beleeft, dan is die belevenis gebonden aan die bepaalde
voorstelling. Dat is uiteraard op zichzelf een deelgebied van de werkelijkheid.
Het is maar een beperkt stukje. De belevenis van het beeld echter is niet
beperkt tot een deelgebied. Je beleeft de werkelijkheid als geheel, en wel
omdat het de totaaltrilling is die zich aan dat deelgebied manifesteert. Je
komt dus zogezegd in de sfeer van het geheel en dat is in feite de sfeer van
het bewustzijn. Kathe Kollwitz (1867-1945) heeft zich in haar grafische werk
voornamelijk toegelegd op het uitbeelden van de armoe en de ellende,
veroorzaakt door allerlei sociale misstanden. Bekend van haar zijn de series
Wevers opstand, oorlog en Proletariaat. Dat werk is duidelijk nadelig beïnvloed
door het feit dat er bij haar een bedoeling voorzat, de politieke bedoeling
namelijk van het socialisme. Iets dergelijks was ook het geval bij de al eerder
genoemde Martin Heidegger. Het is onmiskenbaar een feit dat hij op het spoor
was van de universele werkelijkheid van het bewustzijn. Zijn nazistische
bedoelingen echter, als echte Duitser met de daarbij behorende verheerlijking
van Blut und Boden en van de strijd, maakten het hem onmogelijk er achter te
komen hoe het nu werkelijk zit. Hij had namelijk de bedoeling die specifieke
Duitse cultuurbegrippen te verheffen tot algemene begrippen die bij de
authentieke mens zouden behoren. Daarmee leverde hij zich aan een vastgelegde
voorstelling uit en sloot de weg af naar het bewustzijn. Ik heb mij tot nu toe
voornamelijk bediend van voorbeelden uit de kunst en de filosofie om duidelijk
te maken hoe het zit met de werkelijkheid als beeld en het zien daarvan. Dat
kan de indruk wekken dat het slechts aan filosofen en kunstenaars vergund zou
zijn zichzelf als bewustzijn te ervaren. Dat echter is een foute indruk.
De kunstenaars en filosofen zijn
de meest uitgesproken representanten van die zaak (als het goed is!), maar voor
ieder mens geldt precies hetzelfde, zij het dan dat dit overwegend onder druk
staat van de heersende culturen en daardoor afhankelijk is van het
ontwikkelingsproces in de mensheid.
Psyche,zie
vervolgens: Psyche-1
; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;
De creatieve kunstenaars en de
filosofen zijn op het zien van de werkelijkheid als beeld toegespitst. Dat is
het gevolg van het feit dat zij qua zelfbewustzijn enigszins afwijken van de
normale mensen, in die zin dat het beweeglijk-zijn van het zelfbewustzijn, en
daarmee ook dat van de voorstelling, dominant is over het vastgelegd-zijn. Die
kunstenaars en filosofen zijn bijgevolg minder het slachtoffer van de
conditioneringen vanuit de cultuur waarin zij leven moeten. Uiteraard hebben
zij ook hun conditioneringen, maar die worden door hen vaker en gemakkelijker
in twijfel getrokken en daardoor voortdurend doorbroken. Daarom zijn zij minder
het slachtoffer. Maar aan de andere kant levert die toespitsing wel degelijk
minder aangename eigenschappen op. Elke toespitsing, elke gericht-zijn op iets
heeft zijn bezwaren, in het geval van de kunstenaars en filosofen liggen die
bijvoorbeeld op het vlak van het dagelijkse leven en dan speciaal waar het de
omgang met medemensen betreft. Wij mogen niet vergeten dat de kunstenaars en de
filosofen in het verband van onze gedachtegang slechts als voorbeelden worden
aangehaald. In feite geldt het zien van het beeld voor elke mens. De spiegeling
van voorstelling en beeld is een algemeen menselijk gegeven. Als ik dus zeg dat
je in de kunst en de filosofie kunt zien hoe het zit met die spiegeling, dan
betekent dat niet dat die zaak bij de overige mensen niet aanwezig zou zijn.
Het is dus beslist niet de bedoeling om kunstenaars en filosofen als betere of
meer heldere mensen voor te stellen. Echter; als het over de normale mensen
gaat moet je je afvragen wat er, gezien in het licht van de cultuur
ontwikkeling, van terechtkomt. Dan zie je dat gedurende lange tijd het
vastgelegde domineert en dat dit eigenlijk slechts stapsgewijze doorbroken
wordt bij de opeenvolging van de geslachten. Dat is echter een niet-zelfbewuste
zaak. In de praktijk is dus bij die normale mensen nauwelijks van spontane
zelfbewuste spiegeling te spreken. Het vrijwel geheel ontbreken van die
spiegeling is geen gebrek van die normale mensen. Juist zij zijn het die geheel
en al in het verhelderingsproces van de werkelijkheid betrokken zijn. Juist zij
laten zien hoe het er met en in de werkelijkheid aan toe gaat: de mensen moeten
een hele weg afleggen om tenslotte volwassen te worden. Die weg is er niet af
te denken. De stappen die de mensheid op die weg zet zijn de opeenvolgende
momenten van helderheid via de voortplanting. Elk volgend geslacht begint met
een helder zelfbewustzijn. De voorstellingen die daarin ontstaan zijn
onvermijdelijk steeds iets anders dan die van het vorige geslacht en omdat het
over helderheid gaat (dat is: beweeglijkheid) is elke volgende stap iets
helderder dan de vorige. Dat is de normale gang van zaken. De mensen hebben
voorstellingen en zij hebben de behoefte die vast te houden, uit zelfbehoud.
Zonder die voorstellingen is overleven volstrekt onmogelijk, de mensen zouden
geen kennis omtrent hun werkelijkheid verwerven en bijgevolg volkomen hulpeloos
zijn. Zij komen immers ter wereld zonder enig programma waarin hun natuurlijk
gedrag bij voorbaat vastgelegd is! Zij moeten dus programma's maken. Dat levert
iets tegenstrijdigs op: enerzijds is het programma, op grond van een
vastgelegde voorstelling, noodzakelijk en onvermijdelijk, maar anderzijds belet
datzelfde programma de mensen om de spiegeling met de werkelijkheid als beeld
zelfbewust te laten gelden.
Juist omdat dit de normale
natuurlijke gang van zaken is kun je niet van een gebrek bij de mensen spreken
en eigenlijk moet je tot de conclusie komen dat kunstenaars en filosofen
afwijkingen van het natuurlijke zijn. In de praktijk blijkt dat ook, men noemt
hen niet voor niets cultuurdragers. Dat heeft iets verhevens, maar dat komt
niet doordat het over iets werkelijk verhevens zou gaan, maar omdat er in een
onvolwassen mensheid noodzakelijkerwijs van bovenaf gedacht wordt. Als je over
de mensheid filosofeert en je komt tot de ontdekking dat de gewone mensen het
normale ontwikkelingsproces afspiegelen voor zover dat zonder bijzondere
uitschieters zijn eigen gang gaat, dan weet je meteen dat je de geschiedenis en
het heden van de mensheid niet kunt begrijpen als je uitsluitend op de
uitschieters let. Het van bovenaf denken leidt dus niet tot begrip inzake de
werkelijkheid. Het levert, filosofisch gezien, een fictie op, ondanks het feit
dat die uitschieters uitdrukking geven aan de echte werkelijkheid - als het
goed is... Het is al in de Romeinse cultuur begonnen dat men niet meer vanuit
het normale is gaan denken, maar vanuit datgene dat als het hogere beseft werd.
Gevolg daarvan is dat in het denken de bijzondere mensen op de voorgrond zijn
komen te staan: de staatslieden, de militairen, de geestelijken en de denkers.
Bepalend zijn dus uitzonderlijke minderheden geworden. Op zichzelf kon ook dat
niet uitblijven, maar wij zitten er in onze cultuur wel mee dat dit van bovenaf
denken de maat is geworden en inmiddels tot een enorme chaos in de mensheid
geleid heeft, een chaos die voornamelijk gegrond is op verwijten en haat.
Iedereen schiet immers in de ogen van iedereen schromelijk tekort! Het is
bijvoorbeeld een feit dat er tegenwoordig erg veel aan gemeenschappelijke
voorzieningen vernield wordt. Dat is aanleiding om diegenen die die
vernielingen aanrichten verwijten te maken. Dat is op zichzelf en met
betrekking tot de daders volkomen terecht. Maar niet terecht is het als men op
grond daarvan concludeert dat de mensen niet deugen, asociaal zijn en daarom
hard aangepakt moeten worden. ( wat is wangedrag ) De oorzaak van hun wangedrag
is niet gelegen in het ontbreken van toezicht en gezag, maar juist in het feit
dat zij geprogrammeerd zijn op het zich volledig onderwerpen aan toezicht en
gezag. Daardoor is voor hen nooit tot gelding gekomen dat al die voorzieningen
wezenlijk hun eigen voorzieningen zijn. Voor hen zijn het zaken die bij die
wereld van boven, die overheid, behoren. Het daarbij behorende denken leidt tot
een steeds grotere chaos. Aan de ontwikkelingsweg van de mensheid is te zien
dat langzaam maar zeker alle aspecten van de werkelijkheid als bewustzijn voor
de dag komen. Op het ogenblik zie je dat de mensen zich meer en meer van hun
individu-zijn bewust worden. Dat gaat gepaard met een groot aantal vervelende
bijverschijnselen, zoals nationalisme, terreur en dergelijke, maar niettemin is
het een feit. Het individu-zijn berust hierop dat het een het ander niet is.
Dat is op zijn beurt weer terug te brengen tot het feit dat het bewustzijn de
werkelijkheid als totaaltrilling is en dat die werkelijkheid een verzameling
van verschillende trillingen inhoudt. Dit laatste komt voor de dag, zij het als
een op zichzelf staande zaak, in het ontwaken van het individualisme. De mensen
maken zich los uit het collectief dat de verzameling is en gaan laten gelden
dat zij ieder voor zich een component van het totaal zijn. De mensheid, als een
geheel van afzonderlijke mensen, wordt zich over de gehele wereld hiervan
bewust en brengt deze ontdekking tot ontwikkeling. Zij doen dat niet
zelfbewust, zij beseffen alleen maar Ik ben er ook nog. Het tot
ontwikkeling brengen van dergelijke ontdekkingen verbreekt onvermijdelijk het
geheel waaruit het ontdekte voortgekomen is.
Het er uitlichten van een bepaald
aspect van de totaaltrilling doet het geheel, dat die totaaltrilling ook nog
is, instorten. Het doorstralen van de werkelijkheid als beeld komt dus in de
mensheid voor de dag aan allerlei kleine verschuivingen in het besef omtrent de
werkelijkheid. Die verschuivingen zijn niet zonder schoonheid, vandaar dat het
nooit zonder een bepaalde vorm van ontroering gaat.
Het is een misvatting te menen
dat de mensheid geheel op eigen zelfbewuste kracht haar weg gaat. Die misvatting
komt voort uit het feit dat de mens als geest een volledige ontkenning is van
de werkelijkheid als verschijnsel. Die ontkenning echter blijft geheel en al
bij zichzelf en dat wil zeggen dat hij niet tot een andere werkelijkheid leidt.
Ik heb er al met nadruk op gewezen dat de geest helemaal niets is: geen
bestaand iets. Dat is het geval omdat de werkelijkheid, voor zover ze zich als
louter beweeglijkheid laat gelden, geen enkele inhoud heeft en, om zo te
zeggen, alleen maar helder is. Het feit dat die laatste helderheid slechts
denkbaar is (maar er als zodanig niet af gedacht kan worden) laat zich in de
mensheid gelden en brengt haar ertoe te geloven dat zij een keuze heeft en op
grond daarvan haar eigen weg kan bepalen. In feite echter is de weg van de
mensheid op aarde uitsluitend de weg die de werkelijkheid zelf, in haar
uitwikkeling, gaan moet. Die weg had volstrekt niet anders gekund. Wel echter
kunnen details min of meer op een keuze berusten. Als bijvoorbeeld Napoleon in
juni 1815 de beschikking had gehad over meer kanonnen en er een gunstiger
weersgesteldheid was geweest (ik noem maar wat!), zou hij misschien de slag bij
Waterloo gewonnen hebben. Dan had de concrete geschiedenis een iets andere loop
gehad..., maar Napoleon zou toch uit West-Europa weggejaagd zijn, en wel omdat
hij niet meer samenviel met het op dat moment aan de orde zijnde
ontwikkelingsmoment. Uit het bovenstaande mag nog eens blijken dat begrip
omtrent de mensheid niet verduisterd mag worden door de handelingen van
uitzonderlijke personen, die in bepaalde opzichten bij machte waren en zijn om
incidentele, maar op dat moment voor een gedeelte van de mensheid ingrijpende,
keuzes te maken. Je moet daarentegen heel scherp letten op datgene dat de
gewone mensen vertonen. En je moet je er in oefenen dat niet van bovenaf te
waarderen. Je kunt de weg van de mensheid om volwassen te worden ongetwijfeld
typeren als een lijdensweg. Maar toch is die lijdensweg niet zonder een bepaald
aspect van schoonheid. In de klassieke Russische literatuur bijvoorbeeld
tekenden schrijvers als Fjodor Dostojewski (1821-1881) het Russische volk. Los
van het feit dat zo'n tekening op zichzelf een zaak van schoonheid is, is er
ook nog de schoonheid van dat volk. Die uitte zich bijvoorbeeld in de oneindig
weemoedige liederen van de steppe en de grote rivieren, in het diepe medelijden
met misdadigers, in het bijzondere en levende geloof in Christus en in de
prachtige liturgie van de Russisch orthodoxe kerk. Kennismaking daarmee gaat
onvermijdelijk gepaard met een grote ontroering. Rusland is doortrokken van een
alles doordringende, niet-artistieke, schoonheid... Een ander aspect van
schoonheid hebben wij dezer dagen meegemaakt toen de mensen uit het Oostblok
zich bevrijdden van de collectivistische tirannie door de zogenaamd
communistische bovenlaag. Ook die taferelen waren ontroerend. Zo zijn er vele
voorbeelden te geven. Zoals al eerder gezegd is het opkijken naar grote
figuren, zoals kunstenaars, filosofen, staatslieden en dergelijke, een gevolg
van het van bovenaf denken dat kenmerkend is voor onze cultuur en wezenlijk ook
al voor die van de Romeinen. Wij moeten daarbij enkele zaken goed van elkaar
onderscheiden.
Er is namelijk enerzijds het opzien
naar alles wat beter, edeler en intelligenter is, en dat is dus een beweging van
beneden naar boven, terwijl er tegelijkertijd in het denken een beweging is
van boven naar beneden. In het denken stelt men zich op dat hogere en edeler
standpunt om van daaruit aan de gang te gaan. Daardoor verschijnt de gehele
realiteit in het licht van dat hogere en edele, met als dramatisch gevolg dat
die realiteit vertekend wordt, verwrongen tot een zaak die hij helemaal niet
is. Men verbeeldt zich slechts dat die zaak zo is, en men handelt daar
automatisch naar. Die handelingen zijn dus wezenlijk een slag in de lucht, die
toevallig wel eens raak kan zijn, maar doorgaans verkeerd uitpakt. In de
westerse cultuur gaat het om naakte macht. De kiem daarvoor lag al klaar in de
oude Germaanse wereld. Opmerkelijk voor die wereld is dat men de helden uit de
sagen van beneden naar boven besefte: het waren mensen die door hun
voortreffelijke eigenschappen of door de voorzienigheid omhoog gestuwd werden,
boven de gewone mensen uit. Vanuit die hoge positie verrichtten zij dan hun
edele daden die tevens strijd tegen het kwade betekenden.
Het karakter van onze huidige westerse wereld is nog precies
zo. Voor een belangrijk deel spiegelt onze democratie deze beweging van
beneden naar boven af. Nu viel destijds de christelijke godsdienst, wat
zijn machtsstreven betreft, in een vruchtbare bodem. De christenen kwamen
aantoonbaar - volgens de toenmalige begrippen - met de machtigste god. Deze god
voerde zijn heerschappij niet slechts over een deelgebied van de werkelijkheid
(het weer, de oorlog, de gezondheid en dergelijke), maar over de gehéle
werkelijkheid. Hij was alom tegenwoordig en regeerde het totale ondermaanse. De
oude Griekse cultuur echter, als culminatiepunt van de gehele oudheid, stond
daar lijnrecht tegenover. Je kunt dat nog begrijpen uit de Ilias van Homeros.
De held Achilles bijvoorbeeld was van goddelijke oorsprong; hij was de zoon van
Thetis die een nimf was en dus een godin. De Griekse held werd kennelijk niet van
beneden naar boven beseft, maar van boven, vanuit het edele, naar beneden.
Het bij een dergelijk besef behorende denken bewoog zich van beneden naar
boven. Alle waardeoordelen werden vanuit de natuur en de mens gedacht. De
beoordeling van de mens vond zijn uitgangspunt in de mens en niet in een hoger
principe. Dienovereenkomstig dacht men de mens als uitlopend in het eeuwige,
het zogenaamd goddelijke, in feite het geheel dat de werkelijkheid is. In de
oudheid kon je dan ook zien dat de heersers van goddelijke komaf waren en dat
iedereen zich naar die zaak toedacht. Men dacht zich als een zaak die
uiteindelijk in dat goddelijke zijn bestemming zou vinden. De restanten van dat
denken vinden wij nog in de zogenaamde evangeliën. Kenmerkend daarin is dat de
mensen uitdrukkelijk niet veroordeeld worden, niet gebukt gaan onder zonde en
schuld. De Zoon van de mens - wij noemen hem Jezus - was van goddelijke
komaf (besef), maar zijn denken was van beneden naar boven. In het
latere Romeinse Christendom lag dat precies andersom: Christus werd als naar
boven verheven beseft (opstanding en Hemelvaart), maar diens leer is
van boven naar beneden. In die leer fungeert hij nog steeds als
middelaar tussen god en de mensen. Die mensen zijn per definitie zondig en
schuldig. In het kort gezegd: 1) het westerse denken, met de daarbij behorende
waardeoordelen, geschiedt van boven naar beneden, en het denken van de oudheid
vormde zijn waardeoordelen van beneden naar boven. En 2) in het westerse
besef wordt alles naar boven toe geprojecteerd, terwijl in het antieke besef
alle verschijnselen, inclusief de mens, naar beneden toe verkleind werden tot
een microkosmos. De noodzakelijke onderscheiding ligt dus bij het begrip het
besef en het begrip het denken. In de oudheid drukten de mensen hun besef uit
in beelden. Dat waren beelden uit en van het goddelijke, feitelijk natuurlijk
uitdrukkingen van de werkelijkheid als beeld. Uiteraard werd die werkelijkheid
aan de voorstelling afgelezen en uitgedrukt in voorstellingen met een beeldend
karakter. Het ging echter niet om de voorstelling, maar dat is, te beginnen met
de Romeinse cultuur, in de westerse wereld precies andersom komen te liggen. De
Christelijke god dankt zijn aanvaardbaarheid juist aan zijn (vermeende)
concrete bestaan.
gelijkwaardigheid-1 gelijkwaardigheid-2 gelijkwaardigheid-3 ; Maagd-1
Maagd-2 Maagd-3,
nrs. 141,142 en 143
Het is opvallend dat je vrijwel
nooit een denker tegenkomt die in de gaten heeft dat de werkelijke geschiedenis
van de mensheid een geheel andere is dan de feitelijke. Wat dit laatste
betreft, de hedendaagse studie van de geschiedenis staat op een aanzienlijk
hoger plan dan enkele tientallen jaren geleden. Men heeft veel meer oog
gekregen voor de geschiedenis van het dagelijkse leven. Ook is de bronnenstudie
veel intensiever, mede door het feit dat men is gaan inzien dat juist simpele
overblijfselen uit vroeger tijden, zoals brieven van gewone mensen, zakelijke
overeenkomsten, doktersrekeningen, enzovoort, veel meer te zeggen hebben dan
voorheen werd aangenomen. De aandacht van de moderne historici is verlegd van
de handelingen van de culturele en politieke bovenlaag en het louter causale
verband tussen die handelingen (voornamelijk betrekking hebbend op
machtsstrijd) naar het dagelijkse leven van de gewone mensen. Dat hangt samen
met het tegenwoordig groeiende besef dat enerzijds de bovenlaag helemaal niet
zo bepalend voor de verschillende culturen is en anderzijds dat het zogenaamde
volk wel degelijk uit een verzameling individuen bestaat. Ondanks die
indringender benadering van de geschiedenis, ook wat betreft de
cultuurgeschiedenis, is het een zeldzaamheid als een onderzoeker de feitelijke
geschiedenis beschouwt als het tastbare resultaat van een veel dieper liggend
proces, namelijk de ontwikkeling van het zelfbewustzijn. Maar als je dat wel
doet, dan ontdek je dat er ten tijde van het begin van onze jaartelling een
bijzonder belangrijke omslag in de geschiedenis geweest is. Die omslag vond
plaats nadat de culturen van de oudheid in de Griekse cultuur hun bekroning
hadden gevonden, enerzijds verbeeld in de godin Afrodite en anderzijds verwoord
in gnostische geschriften als de Evangelien. Doorgaans worden deze geschriften
ten onrechte in de historische lijn van de Joodse cultuur geplaatst en dus
gezien als een sublimering van die cultuur. In werkelijkheid zijn zij Grieks en
houden als zodanig veel méér in dan alleen maar het joodse cultuurmoment. Het
cultuurbeeld van de maagd met het kind bijvoorbeeld is helemaal niet
joods maar van oorsprong Indisch. De omslag in de cultuur kwam historisch voor
de dag in de strijd van de Romeinen tegen de volkeren van Griekenland en
Klein-Azië. Voor deze laatste volkeren was de rol die het bewustzijn speelde
kenmerkend, in tegenstelling tot de Romeinen. Bij hen begon het zelfbewustzijn
dominant te worden. Let wel, het gaat nu om de rol die beide begrippen spelen.
Uiteraard gold voor de mensen uit de oudheid ook het begrip zelfbewustzijn.
Maar het speelde een andere rol. De inhoud ervan, de voorstelling dus, werd in
de oudheid voornamelijk bepaald door verbeeldingen, die gegrond waren op
datgene dat vanuit de werkelijkheid als beeld doorstraalde. Die verbeeldingen
zijn te omschrijven als in denkbeelden uitgedrukte kennis omtrent de
werkelijkheid. Dat leidde tot mythische verhalen die uitdrukking gaven aan de
werkelijkheid als beeld, en dus aan de echte werkelijkheid achter de dingen. Te
beginnen met de late Grieken en de Romeinen begon het zelfbewustzijn te
domineren, zich vertonend als gericht zijn op de voorstelling. Dat wat die te
zien gaf werd de maat en dat is tegenwoordig nog steeds zo. Nu bevat de
voorstelling een verzameling (het begrip totaal) werkelijkheden en dat leidt
ertoe dat men overging tot het maken van onderscheid tussen het een en het
ander. Daarmee begint de analyse en deze is onverschillig voor dat wat van de
werkelijkheid als beeld zichtbaar is. Het gaat nu om de feiten en voortaan
wordt alle kennis uitgedrukt in formules - niet langer in beelden.
Dat is aan het christendom goed
waar te nemen, alles wordt voorgesteld als een feitelijkheid: Christus heeft
echt geleefd, de wonderen zijn echt verricht, hij is werkelijk opgestaan en ten
hemel gevaren, enzovoort. En de werkelijkheid wordt steeds meer beschreven in
formules, zoals je bij de moderne wetenschap kunt zien. Zoals ik al eerder heb
opgemerkt is de moderne wetenschap eigenlijk niets anders dan onderzoek van de
voorstelling. Bij een dergelijk onderzoek behoort de eis dat alle kennis
aantoonbaar en bewijsbaar (aanwijsbaar) juist moet zijn. Als dat niet mogelijk
is, dan geeft men er in de godsdienst een draai aan door ofwel te beweren dat
een bepaalde gebeurtenis op een wonder berust, ofwel door de mensen op straffe
van hel en verdoemenis te dwingen geloof aan de zaak te hechten. De door mij
bedoelde omslag is bepaald niet zonder geschiedkundige gevolgen gebleven. In de
voor de omslag liggende oude wereld leefden de mensen in een geheel andere
verhouding tot de werkelijkheid dan erna. Voor de omslag was de verhouding
reëel; men hield zich bezig met de echte werkelijkheid zoals die als bewustzijn
voor de mens geldig is. De kennis daaromtrent werd weliswaar uitgedrukt in
mythische beelden en men onderging religieuze gevoelens, maar dat alles had
toch betrekking op de waarheid. Het is waar dat je met een dergelijke waarheid
niet zo goed kunt overleven, maar intussen blijft het een feit dat je niet in
een fictie leeft. Dat werd na de omslag heel anders zodat de mensheid gaandeweg
dieper in de fictie weg ging zakken. De door gestraalde werkelijkheid werd
steeds meer onbetrouwbaar en subjectief gevonden, terwijl daarentegen de
werkelijkheid zoals ze wezenlijk niet is, namelijk de werkelijkheid als
voorstelling, voor de enig ware werd aangezien. De waarheid was voortaan niet
meer de maat, maar het concrete, aanwijsbare bestaan. De Romeinen begonnen dan
ook met bijvoorbeeld het vervaardigen van gelijkende individuele portretten in
plaats van uitdrukkingen van het wezen en het was Pilatus, de Romein,
die zich met betrekking tot het denkbeeld van De zoon van de mens (Jezus)
afvroeg: wat is waarheid? Er is geen symmetrie tussen de cultuur van de oudheid
en die van de nieuwe tijd of, anders gezegd: er is geen gelijkwaardigheid. De
mensen uit de oudheid hadden betrekkelijk weinig kennis maar hadden een juist
inzicht in de werkelijkheid - die van de nieuwe tijd hebben veel kennis maar
wéten nauwelijks iets... De werkelijkheid als voorstelling levert een fictie
op, niet omdat die voorstelling fout zou zijn, maar omdat een voorstelling, al
is hij nog zo getrouw, de werkelijkheid niet is. De voorstelling is niet de
zaak zelf. Precies zoals een satellietfoto van Nederland ondanks zijn
betrouwbaarheid toch Nederland niet is. Al eerder heb ik er op gewezen dat de
voorstelling zijn waarheid vindt bij de werkelijkheid als beeld en het is
uitgesloten die waarheid aan iets anders te ontlenen. Dat wil evenwel niet
zeggen dat men qua voorstelling met onzin genoegen zou kunnen nemen. De
westerse mens doet dat dan ook niet. Maar ondanks het feit dat de kennis
omtrent de werkelijkheid als voorstelling inmiddels gigantisch gegroeid is
blijven wij toch zitten met een zaak die niet is zoals de werkelijkheid echt
is. Een goede illustratie hiervan vind je in de architectuur en dan speciaal
bij de stedenbouw.
Vergelijk je een oud stadje als
Brugge met het moderne Rotterdam, dan zie je dat in het eerste geval de
bebouwing en de plattegrond ontstaan zijn vanuit het concrete dagelijkse leven
van de individuele mens, met zijn behoeften, verlangens en ook ijdelheden,
terwijl in het tweede geval te spreken is van een van bovenaf bedachte zaak die
met behulp van allerlei modieuze theorieën gerealiseerd wordt. Was de
inspirerende gedachte vroeger Ik moet een goed huis hebben, thans gaat men uit
van wij gaan een stad ontwerpen, een Manhattan aan de Maas, geheel
volgens de gangbare theorie en mode. Het resultaat is geen leefbare stad maar
een blokkendoos.
gelijkwaardigheid-1 gelijkwaardigheid-2 gelijkwaardigheid-3 ; Maagd-1
Maagd-2 Maagd-3,
nrs. 141,142 en 143
Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8
Het hoofdthema waarmee we op het
ogenblik bezig zijn is de werkelijkheid als bewustzijn, en in dat verband heb
ik er op gewezen dat de mensen uit de oudheid gericht waren op het bewustzijn
en er een veel grotere aandacht voor hadden dan in onze cultuur het geval is.
De woorden gericht zijn op en aandacht hebben voor zijn eigenlijk niet goed,
omdat zij suggereren dat de mensen van de oudheid geweten zouden hebben hoe het
zit en daardoor heel zelfbewust met die werkelijkheid bezig waren. Dat echter
was niet zo. Het ging allemaal heel intuïtief en kinderlijk. Het bedrieglijke
zit hierin dat wij, achteraf, letten op die dingen die voor ons de hoogtepunten
zijn. Wij doen dat omdat wij vanuit onze cultuur van bovenaf denken. We
herinneren ons dat het begrip bewustzijn betrekking heeft op de werkelijkheid
als totaaltrilling, waaraan enerzijds te bedenken valt dat dit een verzameling
van alle mogelijke trillingen is - zich manifesterend als levend-zijn - en
anderzijds dat het een ondeelbaar geheel is: het bewustzijn. Op zichzelf is in
het bewustzijn niets aanwijsbaar, slechts via de voorstelling wordt het
bewustzijn, op de wijze van een beeld, kenbaar. Bovendien is het bewustzijn
nergens te lokaliseren, noch in het zenuwgestel, noch in het brein. Het is een
trillingsverhouding die in principe voor alle cellen geldt en die zich dus in
het gehele lichaam gelden laat. Dit staat in tegenstelling tot het
zelfbewustzijn dat inderdaad wel in het brein te lokaliseren is. Dat vertoont
zich dan ook als een netwerk van aanwijsbare verbindingen, ruw gezegd, het
zenuwstelsel. Ook is er dit verschil dat de inhoudt van het zelfbewustzijn
altijd een bepaalde werkelijkheid is (voorstelling) en het bewustzijn de gehele
werkelijkheid, zij het op de wijze van een trilling, omvat. De mens is het
verschijnsel waarin de werkelijkheid tot weten omtrent zichzelf komt. Dat houdt
in dat hij van zichzelf als de werkelijkheid weet moet hebben. Om dat te
realiseren moet hij om zo te zeggen datgene in zichzelf opzoeken dat inderdaad
de werkelijkheid is. Als hij dat vindt kan hij zich beroepen op objectiviteit, omdat
het dan over een zaak gaat die is zoals ze is, ongeacht de persoonlijke
eigenaardigheden die ieder afzonderlijk mens typeren. Objectiviteit blijkt dus
gelegen te zijn binnen het geheel dat elk afzonderlijk mens is, of, met andere
woorden: de objectiviteit ligt in jezelf. Dat is volstrekt in strijd met de in
onze cultuur gangbare normen. Volgens ons cultuur denken ligt de objectiviteit
in de buitenwereld, de wereld van de aanwijsbare, onderzoekbare en meetbare
verschijnselen. Alles wat je omtrent die buitenwereld opmerkt kan aan anderen
aangewezen worden en bijgevolg kunnen je opmerkingen, je uitspraken, aan die
buitenwereld getoetst worden. Als die toetsing positief uitvalt heb je volgens
dat denken een objectieve uitspraak gedaan, dat wil zeggen: een uitspraak
ongeacht je persoonlijke eigenaardigheden zoals daar zijn je wensen en
verlangens, je goed- of afkeuring en je denkbeelden over de werkelijkheid.
Maar, is een dergelijke objectiviteit werkelijk objectief? Je hebt hem ontleend
aan je eigen voorstelling en hem vervolgens als objectief gekwalificeerd omdat
gebleken is dat de meerderheid van de andere mensen er net zo over denkt.
Je zogenaamde objectiviteit
berust dus op een overeenstemming van jouw eigen voorstelling met die van
anderen. Al die voorstellingen echter - al zijn ze bij gelegenheid nog zo juist
- betreffen niet de echte werkelijkheid, maar zijn slechts een betrekkelijk
onnauwkeurig afschrift daarvan. Welbeschouwd is er dus helemaal niet van
objectiviteit te spreken, doch slechts van een overeenstemmende subjectiviteit.
Ondanks alle overeenstemming is en blijft dat toch iets subjectiefs, waarvan
bij voorbaat al met zekerheid te zeggen is dat het geen betrekking heeft op de
werkelijkheid. De waarheid van de zogenaamd objectieve uitspraken omtrent de
werkelijkheid wordt gerechtvaardigd door de hoeveelheid overeenkomstige
meningen. En die zijn allemaal gebaseerd op de werkelijkheid als voorstelling,
voor zover die in de afzonderlijke mensen, als regel door conditioneringen, een
overeenkomstig grondpatroon heeft. Werkelijk objectief zijn uitspraken die zo
helder mogelijk uitdrukken hoe het zit met de werkelijkheid. Maar die
uitspraken kunnen noodzakelijk nergens anders aan ontleend worden dan aan het
bewustzijn voor zover dat als beeldt doorstraalt door de voorstelling heen.
Uitspraken dus die betrekking hebben op de werkelijkheid achter de dingen. Die
werkelijkheid zelf is niet aan te wijzen en bijgevolg is het onmogelijk om aan
iemand anders te bewijzen hoe het met die werkelijkheid zit. De zaak is niet
overdraagbaar. Daarmee vervalt voor modern denken elke betrouwbaarheid. Men is
dan ook van mening dat een (filosofisch) denken dat zich op dat terrein beweegt
speculatief van karakter is en daardoor gerekend moet worden tot de subjectieve
meningen die ons geen houdbare kennis omtrent de werkelijkheid kunnen bezorgen.
Precies de omgekeerde wereld! De beschrijving van de echte werkelijkheid, en
dus eigenlijk de beschrijving die de filosofie zou behoren te geven, kan alleen
maar geschieden in de vorm van het verhaal. Het kenmerkende van een verhaal is
dat het melding maakt van een aantal samenhangende gebeurtenissen in de
realiteit, maar dat het gaat over iets anders, iets dat op zichzelf niet aan te
wijzen en onder woorden te brengen is. Het verhaal beschrijft de werkelijkheid
van het bewustzijn. Het is dan ook een samenhangend geheel dat in feite geen
begin en geen einde kent omdat het licht laat vallen op een bepaald aspect van
de gehele werkelijkheid zonder het geheel daarvan te verbreken. De werking van
zo'n verhaal is niet zodanig dat het aan iemand iets wil bewijzen of wil
controleren of anderen er ook zo over denken. De werking van het verhaal is
wezenlijk indirect: het maakt iets los in de lezer of toehoorder (het maakt de
voorstelling tijdelijk beweeglijk) en daardoor wordt de werkelijkheid als beeld
zichtbaar. Daardoor wordt dus het bewustzijn kenbaar. Voor zover dat het geval
is in de toehoorder gaat zich onmiddellijk laten gelden dat de werkelijkheid
als bewustzijn op trillende wijze de werkelijkheid is. Dan behoeft er niets
bewezen te worden, sterker nog: er kan niets bewezen worden. Maar er is wel
overeenstemming tussen diegene die het verhaal vertelt en de toehoorder. Niet
omdat de verteller de toehoorder heeft weten te overtuigen, maar omdat beiden
onvermijdelijk met hetzelfde bezig zijn. De filosoof vertelt - als het goed is
- zijn verhaal niet omdat hij de mensen van iets wil overtuigen, of omdat hij
de mensen iets wil leren of tot andere gedachten brengen, neen, hij vertelt
zijn verhaal louter en alleen om de mensen ertoe te bewegen (!) zelf door hun
voorstellingen heen te zien en aan de hand daarvan een reëel inzicht in de
echte werkelijkheid te krijgen. Dat inzicht is heel wat anders dan een theorie
over de werkelijkheid. Een theorie behoort tot het terrein van de
voorstellingen. Hij moet beantwoorden aan de normen voor toetsing en
bewijsvoering en dus aan normen van overdraagbaarheid. Maar een visie, op grond
van verkregen inzicht in de werkelijkheid, heeft niets met overdraagbaarheid te
maken; in feite ligt de visie al in alle mensen klaar, namelijk als de
werkelijkheid als beeld. Die behoeft alleen maar opgeroepen te worden door de
vastgelegde voorstelling beweeglijk en dus doorzichtig te maken. Dat kan
iedereen zelf doen, maar ook kan dit teweeggebracht worden door het verhaal van
de kunstenaar of de filosoof.
No.109
Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8
Filosofisch kun je niet anders
dan een verhaal vertellen. Omdat er niets aan te wijzen valt is het onmogelijk
om iets te bewijzen. Je kunt dat spijtig vinden, maar dat komt dan doordat wij
allemaal in de traditie van het moderne denken staan en dus gericht zijn op de
voorstelling. Met betrekking daartoe is er wel van allerlei te bewijzen, een
theorie te ontwikkelen en de uitkomst te toetsen. De bedoeling van het
filosofische verhaal is niet in de eerste plaats om een bepaalde mededeling te
doen (al komt dat er wel vaak aan méé, je kunt er inderdaad wel iets van
leren), maar het is de bedoeling om iemands voorstelling beweeglijk te maken
zodat die toehoorder of lezer geconfronteerd wordt met de werkelijkheid als
beeld en vervolgens zelf na kan gaan hoe het daarmee zit. Je kunt filosofisch
wel, doormiddel van een aantal begrippen, een beschrijving geven van het
bewustzijn als zodanig, maar dan heb je nog steeds geen mededeling over de
inhoud gedaan. Als je een mededeling doet licht je iets bepaalds uit het
totaal. Omdat in het bewustzijn alles in alles overgaat, er geen scheidingen
zijn doch slechts nuances, is er niets uit te lichten en bijgevolg zijn er geen
mededelingen te doen. Als het filosofische verhaal in iemand de voorstelling
beweeglijk maakt zodat het beeld zichtbaar wordt ontstaat er overeenstemming
tussen de verteller en de toehoorder. Die overeenstemming berust op het feit
dat het bewustzijn in een ieder dezelfde werkelijkheid is. Daardoor kan de
toehoorder vertrouwen hebben in de filosofie, haar als een objectieve waarheid
zien. Maar de werkelijkheid als beeld verschilt bij de een in zoverre van die
bij de ander dat zij door een andere voorstelling heen straalt. Dus: dezelfde
werkelijkheid straalt op een telkens andere wijze door bij de verschillende
mensen. Zij doet zich dus in een andere context, een andere sfeer gelden. En
ook dat is een reden om te stellen dat de filosofie letterlijk niets bewijzen
kan... Eigenlijk heeft het filosofische verhaal geen bedoeling. Het wordt
verteld omdat de verteller niet na kan laten het te vertellen en niet omdat de
filosoof de mensen iets wil leren of beter; iets wijs wil maken. Om twee
redenen kan dat niet het geval zijn: 1) zoals in het voorgaande uiteengezet kan
de filosofie in wezen niemand iets leren en 2) de wil om de mensen iets te
leren is arrogant. Hij berust in de grond van de zaak op machtswil die tot
uiting komt in je behoefte om anderen zodanig te vervormen dat zij aan je eigen
voorstellingen gaan beantwoorden. Hoewel zo ongeveer iedereen hiermee bezig is
en dat normaal vindt, is toch te stellen dat niemand het recht daartoe heeft.
De mening dat men dit recht wel heeft komt voort uit het eerder door mij
beschreven van bovenaf denken. Het is nu juist dat denken dat door de filosofie
als misleidend ontmaskerd is! Uiteraard is het zo dat mensen allerlei kunnen
leren, en zelfs moeten leren, al was het alleen maar om te kunnen overleven.
Het feit echter dat het voor mensen nodig is bepaalde zaken te leren mag geen
rechtvaardiging zijn voor machtsuitoefening van een bovenlaag die de zaak
omkeert en van daaruit bepaalt dat er geleerd moet worden en wat er geleerd
moet worden. In de logica ligt het dat er bij de individuele mensen behoefte is
om zich kennis, theorieën, methodieken en vaardigheden eigen te maken, maar
niemand heeft het recht anderen zaken op te dringen, met daaraan onlosmakelijk
verbonden de fundamentele (machts)wil om het leven van die anderen naar zijn
hand te zetten. Je kunt je afvragen wat het nut is van het beweeglijk worden
van de voorstelling en het doorstralen van het beeld. Om je staande te houden
in deze wereld heb je toch vooral kennis en bekwaamheden nodig.
En dat niet alleen om zelf te
overleven, maar ook om het overleven van de gehele mensheid, waarvan je
afhankelijk bent, mogelijk te maken. Inzicht in de echte werkelijkheid van het
bewustzijn levert geen brood op, geen onderdak, geen veiligheid op welk gebied
dan ook. Wetenschappelijk en technologisch kom je geen stap verder als je je
denken en je zijn baseert op de ervaringen vanuit het bewustzijn. Over het
begrip arbeid zal ik nog nader spreken, maar nu kan al wel opgemerkt worden dat
het tot het wezen van de mens behoort de verschijnselen om te zetten tot een
menselijke werkelijkheid. Voor dat omzetten tot zichzelf, dat arbeidsproces, is
de filosofie van geen enkele praktische betekenis. Maar de wetenschap en de
technologie zijn dat wel. Zij zijn van betekenis op het gehele terrein van de
concrete omzetting van het verschijnsel. Natuurlijk omvat het menselijk leven
meer dan alleen maar wetenschap en technologie: daar zijn ook allerlei morele
kwesties en kwesties van recht en beleid. Bij het oplossen van die kwesties kan
de filosofie behulpzaam zijn, maar het is beslist niet zonder verklaarbare
grond dat ook daarbij de filosofische inzichten stelselmatig buiten beschouwing
worden gelaten. Men voelt intuïtief aan dat de filosofie zich niet op dat terrein
heeft te bewegen, want ook zaken van moraal, recht, beleid en dergelijke
behoren tot het genoemde omzettingsproces. Zij zijn de abstracte kant daarvan
en behoren als zodanig tot het je staande houden. Het is zelfs zo sterk dat je
met recht kunt stellen dat steeds wanneer de filosofie uitspraken doet over de
verschijnselenwereld, hetzij naar haar concrete, hetzij naar haar abstracte
gesteldheid, de filosofie al bij voorbaat gedoemd is tot fouten te vervallen.
Zij verloochent immers haar essentiële opgave: uitspraken te doen die, omdat
het over de werkelijkheid zelve gaat, morgen ook nog waar moeten zijn. Zoals
gezegd kan en mag de wereld van de verschijnselen, in ons aanwezig als
(individuele) voorstelling, slechts dienen om aan een andere werkelijkheid gestalte
te geven - om die werkelijkheid uitspreekbaar te maken! Nogmaals: als het
bovenstaande allemaal waar is, wat moet je dan met die filosofie. Wat is de
betekenis ervan voor jezelf en voor de mensheid? ( wat is filosofie )
De clou is deze, dat de verschillende
dingen die in je voorstelling aanwezig zijn in zoverre veranderen dat je ze
gaat zien in samenhang met elkaar. Het zijn en blijven altijd afzonderlijke
inhouden van de voorstelling, onderbouwd door kennis en theorieën en te
voorschijn gebracht door het arbeidsproces (niet te verwarren met het ons
bekende, in essentie op machtspolitiek berustende, arbeidsproces!), maar door
de spiegeling met het bewustzijn komen die afzonderlijke inhouden op hun plaats
te liggen. We moeten die samenhang echter niet verwarren met het netwerk van
relaties dat tussen genoemde inhouden aanwezig is. Die relaties zijn in ons
zelfbewustzijn vastgelegd, afhankelijk van de verbindingen die wij zelf tussen
het een en het ander tot stand gebracht hebben. Nu evenwel gaat het om iets
beweeglijks. Op grond daarvan verliest het op zichzelf staan van de dingen zijn
betekenis. Het blijft uiteraard wel gelden, maar voor een bewust mens gaat het
daar niet meer om. Het gaat er letterlijk om de afzonderlijke dingen binnen de
context van het geheel te zien, en daarnaar te handelen. Het behandelen van de
afzonderlijke dingen binnen de context van het geheel is van levensbelang voor
onszelf en voor de mensheid. Aan onze huidige wereld kun je zien wat er van het
leven terechtkomt wanneer een dergelijke behandeling ontbreekt, omdat de
cultuur in het teken van de analyse staat. Enerzijds levert dat een grote
hoeveelheid bruikbare kennis op, maar anderzijds leidt het tot vernietiging van
het leven. Dat laatste manifesteert zich al in de bijna niet meer te keren
milieuramp die zich aan het voltrekken is.
No.110
Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-8 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; Leerproces- (1-pag.83, 2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111,
en 5-pag. 144)
Het filosofische verhaal is niet
overdraagbaar, je kunt de mensen niet leren filosofisch te zijn. Dat komt
doordat het filosofische verhaal en de beschrijvingen die je over de
werkelijkheid doet morgen ook nog waar moeten zijn. Juist daardoor is de zaak
niet in een leerprogramma onder te brengen. Die constatering heeft iets weg van
een paradox: je zou zeggen dat filosofische uitspraken zich juist uitstekend
lenen om aan anderen overgedragen te worden, in tegenstelling tot de
wetenschappelijke, die immers zéker morgen niet meer (geheel) waar zullen
blijken te zijn. Het overdragen van kennis berust in feite op het vastleggen in
iemands brein van bepaalde kennis. Die kennis wordt dan ingepast in iemands
voorstelling, in wezen door een proces van conditioneren. Dat inpassen in de
voorstelling gelukt niet altijd; als iemands voorstelling te ver afwijkt van of
te weinig gedetailleerd is om de nieuwe informatie te verwerken mislukt het
overdragen. Hoe dan ook, het gaat er om dat het overdragen een zaak van
vastleggen is, inderdaad tijdelijk van karakter, maar toch: vastleggen. Zelf
speel je geen rol in dat leerproces, dat wil zeggen: de werkelijkheid die
essentieel voor je is, namelijk het bewustzijn, doet in het geheel niet mee.
Het is zelfs mogelijk om leerstof op te nemen die je helemaal niet ligt of die
geen enkele verwantschap vertoont met de echte werkelijkheid. Je onthoudt zo
goed mogelijk die leerstof om er straks iets mee te kunnen doen, bijvoorbeeld
slagen voor een tentamen. In de filosofie gaat het daarentegen juist niet om
vastleggen, maar om beweeglijk maken. Eigenlijk gaat het dus om het in twijfel
trekken van de bestaande voorstelling. Daarin ben je wel degelijk zelf
betrokken, want het gaat nu om je eigen essentiële werkelijkheid. Datgene dat
daardoor kenbaar wordt is op zichzelf niet in woorden uit te drukken en
bijgevolg is dat niet overdraagbaar. De verhouding ligt zo, dat de essentie van
het verhaal morgen onverminderd waar is, maar dat de voor dat verhaal benodigde
voorstellingen morgen zéker niet meer waar zullen zijn. De voorstellingen van
bijvoorbeeld Plato van zo ongeveer 400 voor onze jaartelling zijn al lang
achterhaald, maar de essentie van zijn verhaal houdt de mensen nog steeds
bezig, hoewel opgemerkt moet worden dat dit doorgaans ook niet verder gaat dan
een analyse van zijn voorstellingen. Precies datgene waarom het niet gaat!
Toch kan de filosoof de mensen
bewegen om de werkelijkheid op filosofische wijze te benaderen. Dat doet hij
doormiddel van een verhaal dat de mensen iets te zeggen heeft, een verhaal dat
de mensen aan het denken zet. Het is helemaal niet bij voorbaat zeker dat dat
verhaal weerklank vindt. De filosoof moet immers inspelen op het vermogen van
de mensen om hun eigen voorstellingen in twijfel te trekken. Dat vermogen nu is
vaak slecht ontwikkeld, vooral bij wetenschappelijk zwaar geconditioneerde
toehoorders of lezers. In zo'n geval gelukt het niet twijfel te zaaien...
Bovendien kunnen de persoon van de verteller en de wijze waarop het verhaal
verteld wordt (het taalgebruik) weerstand bij de toehoorder of lezer opwekken.
Het is dus eigenlijk een soort van gevoelszaak, een zaak van weerklank vinden,
en helemaal niet een kwestie van overtuigen, bewijzen of op onpersoonlijke
wijze overdragen. Het nut van de filosofie is naar twee kanten te bepalen, ten
eerste het nut voor jezelf en ten tweede het nut voor de mensheid. Wat het eerste
betreft: je komt ten aanzien van de dingen in het leven sterker in de schoenen
te staan. In de filosofie, bijvoorbeeld bij de Stoïcijnen en bij Confucius,
wordt dat doorgaans begrepen als het streven om onaandoenlijk te zijn. Je moet
zover zien te komen dat je niet meer aangedaan wordt door vreugde of smart. Dat
echter heeft niets met de zaak te maken. Een op zijn eigen essentie gericht
mens is juist ten volle aandoenlijk, gevoelig voor de wisselvalligheden van het
leven. Maar, hij ziet in dat die onvermijdelijk zijn en dat geeft hem de kracht
er overheen te komen.
Het begrip onaandoenlijkheid
echter houdt in dat men zich afsluit voor vreugde en smart en louter de eigen
vastgelegde voorstelling als de maat neemt. Die voorstelling laat de beweging
van het aandoenlijke niet toe. Maar sterk in je schoenen staan houdt dus een
grote ontvankelijkheid in en tegelijk het vermogen om de aandoeningen van het
leven op heldere en evenwichtige wijze te verwerken. Wat het tweede betreft: de
verschijnselen, aanwezig in de buitenwereld en in de voorstelling, komen op hun
plaats te liggen zodat je er niet meer tegenaan kijkt als een warwinkel. Verder
verliezen al die verschijnselen hun aparte karakter en komen onderling in
samenhang, en tenslotte treedt er ook nog dit op dat de verschijnselen en de
voorstellingen doorzichtiger worden zodat zij gemakkelijker te begrijpen zijn.
Dit is voor de mensheid van grote betekenis omdat al het gedoe dan zin en
betekenis gaat krijgen in het licht van de werkelijkheid als geheel. Dat sluit
de mogelijkheid uit van activiteiten (productie, regelgeving en dergelijke) die
ter bevoordeling van enkelingen of enkele groepen ondernomen worden. Een
verpauperde derde wereld is dan niet langer mogelijk... Kortom, alles wat de
werkelijkheid als geheel verbreekt blijft dan achterwege. Intussen blijft het
feit liggen dat deze zaak niet aan anderen te leren is. De enige factor die wat
dit betreft hoopvol stemt is deze dat ieder mens een kring van medemensen om
zich heen heeft die in enigerlei mate de invloed ondergaan van een dagelijks
gedrag dat in het teken staat van dergelijke inzichten. Hoe groot die kring is
valt met geen mogelijkheid te zeggen. Hoewel het filosofische verhaal niet
zonder een voorstelling kan (ook de taal is een zaak van voorstellingen), is
dus toch te stellen dat het niet om zo'n voorstelling gaat en dat er niets via
een leerproces over te dragen valt. Naar aanleiding daarvan kun je je afvragen
hoe de wisselwerking tussen de verteller en de toehoorder in zijn werk gaat. Om
op die vraag een antwoord te vinden moet je bedenken dat het cruciale punt in
de hele zaak de beweeglijke werkelijkheid is. Als die werkelijkheid in jezelf
effectief wordt kan het psychische uit de voeten. Dat wil zeggen: de
werkelijkheid als materie, die je uiteraard zelf bent, kan gaan méétrillen met
de totaaltrilling die het bewustzijn is. Wat dan optreedt is het psychische, de
werkelijkheid als gevoel. En het is dat gevoel dat weerklank vindt bij de
werkelijkheid achter de dingen, zoals die door de filosoof verteld wordt. Niet
voor niets zeggen de mensen vaak dat zij in een dergelijk geval op dezelfde
golflengte zitten. Het weerklank vinden van het filosofische verhaal wordt
veroorzaakt door het psychische, de werkelijkheid als gevoel. Die werkelijkheid
is aan de verschijning van elk mens, aan de persoon, af te lezen. Dat is dus
een zaak van meetrillen, precies zoals muziekinstrumenten met elkaar kunnen
meetrillen. De mogelijkheid van meetrillen is gelegen in het feit dat de
trillingsbron, namelijk de totaaltrilling, voor een ieder dezelfde is. Zou dat
niet het geval zijn, de filosofie en de kunst zouden onmogelijk zijn, de
mensheid zou die fenomenen helemaal niet kennen. Bovendien zou het dan eerst
recht onmogelijk zijn om ooit te achterhalen wat de waarheid omtrent de
werkelijkheid is. De werkelijkheid als gevoel is geheel iets anders dan het
feit dat wij emoties en sentimenten kennen. Ik zal daarover, in verband met het
begrip psyche, nog uitweiden. In ieder geval is nu reeds te zeggen dat
emoties en sentimenten betrekking hebben op verschillen tussen onze eigen
voorstellingen en de realiteit. Zij behoren dus tot het terrein van het
zelfbewustzijn en zijn als zodanig precies het andere van het gevoel.
No. 111 Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Brein-4 ; Brein-5 ; Brein-6 ; Brein-7 ; Brein-8 ; ; S-1
; S-2 ;
Het weerklank vinden van het
filosofische verhaal is geen intellectuele zaak, maar een zaak van het
psychische. Dat wil zeggen dat door het filosofische verhaal het materiële
verschijnsel, het lichaam, mee gaat trillen met de totaaltrilling die het
bewustzijn is. Als we het over het psychische hebben gaat het over de
werkelijkheid als gevoel. Ik gebruik hier twee uitdrukkingen voor dezelfde
zaak; de eerste heeft betrekking op datgene dat er gebeurt en de tweede op
datgene dat wij op de een of andere manier kennen, bij onszelf waarnemen. De
tweede uitdrukking, namelijk het begrip gevoel, geeft volop aanleiding tot
misverstanden, gewoonlijk veroorzaakt door het feit dat wij het gevoelt
beschouwen als het complex van gevoelens, dat zich bij alle mogelijke
gelegenheden in ons doet gelden. Het gevoel is dan een verzamelnaam voor
verschillende afzonderlijke gevoelens. De werkelijkheid als gevoel is echter
geheel iets anders dan het complex van gevoelens. Je zou je kunnen afvragen of
het, met het oog op genoemde misverstanden, niet beter is uitsluitend de
uitdrukkingen psychisch en meetrillen te gebruiken en de uitdrukking gevoel te
reserveren voor het complex van gevoelens. Daartegen bestaat echter een
filosofisch bezwaar, en dat is hierin gelegen dat eerstgenoemde uitdrukkingen
een intellectueel karakter hebben en eigenlijk min of meer bedacht zijn.
Daardoor spreken zij nauwelijks aan en blijven in sterke mate in de sfeer van
het overdraagbare liggen: je kunt ze overnemen en onderdeel maken van een
leerproces zonder er hoe dan ook bij betrokken te zijn, zonder te beseffen dat
het gaat om verhoudingen in de werkelijkheid die voor jezelf van essentiële
betekenis zijn. Zou je dergelijke uitdrukkingen handhaven en ze niet, ondanks
het risico van misverstanden, vertalen naar je eigen lichaam en leven, dan zou
je de belangrijkste factor bij het weerklank vinden van het filosofische
verhaal verwaarlozen. Je moet de filosofie om zo te zeggen tot in je botten
meevoelen. Is dat niet het geval, dan blijft het bij het overdragen van de
filosofische voorstelling (de taal), en bijgevolg bij een steriele
intellectuele zaak waarvoor je in wezen onverschillig kunt zijn. Precies zoals
dat bij de wetenschappelijke kennis het geval is.
Het zijn vooral de moderne
filosofen geweest die getracht hebben van de filosofie een wetenschap te maken
en die zich beijverd hebben in de filosofie een wetenschappelijk eenduidig
taalgebruik in te voeren. Gevolg is dat de filosofie de mensen niets meer te
zeggen heeft, behalve dit dat zij zich aardig is gaan lenen voor academische
proefschriften. Die rampzalige ontwikkeling is dus te wijten aan het
uitschakelen van de gevoelswerking, het psychische dat nu juist de enige weg is
voor de filosofie om weerklank te vinden. De rekensom, die in zekere zin het
skelet van het filosofische verhaal is, blijft op zichzelf buiten je leven,
raakt je niet en brengt niets in je teweeg. Hij kan slechts opgenomen en
vastgelegd worden in je voorstelling. Maar het ging er in de filosofie nu juist
om door die voorstelling heen te gaan en werkelijk bij jezelf als bewustzijn
terecht te komen! Eigenlijk is de filosofische rekensom een leugen,
voornamelijk omdat het filosoferen in jezelf zo niet gaat. Het is geen steriele
zaak. De rekensom is een (vastgelegd) resultaat van het denken zelf, en al is
die rekensom nog zo foutloos, toch is hij een betrekkelijk onzuivere
verwoording van de waarheid. Als zodanig ontkent hij het beweeglijke karakter
van het filosoferen en dat leidt tot een bloedeloze filosofie. Daarom moet in
de filosofie de nadruk liggen op al datgene dat wij aan onszelf en aan de
werkelijkheid ervaren.
En zo ervaren wij wel de
werkelijkheid als gevoel, maar niet die van de psyche of van het meetrillen.
Vertalen wij dus het meetrillen, oftewel het psychische, als de werkelijkheid
als gevoel, dan zitten wij meteen al met een moeilijkheid. Omdat in onze
cultuur het bewustzijn en dus ook het psychische taboe zijn kennen wij de
werkelijkheid als gevoel nauwelijks. Wat wij wel kennen is een groot aantal
gevoelens. Deze echter zijn geen meetrillen met het bewustzijn, maar zij
behoren tot het terrein van het zelfbewustzijn. Ze zijn dan ook met name te
noemen en je kunt er een lijst van opstellen. Als je dat eens goed in jezelf
nagaat zul je ontdekken dat die gevoelens ervaringen zijn van spanningen tussen
je eigen voorstelling van de werkelijkheid en de realiteit waarmee je
geconfronteerd wordt. Gevoelens berusten dus op confrontaties met de buitenwereld,
en wel zodanig dat die buitenwereld niet overeenstemt met je verwachtingen die
op je voorstelling berusten. Je stelt je de realiteit anders voor dan hij is.
Het geldt echter niet alleen maar ten aanzien van de buitenwereld: ook je
voorstelling van jezelf kan op gespannen voet staan met je eigen realiteit. Hoe
dan ook, bij gevoelens gaat het steeds om een spanningsveld tussen de
voorstelling en de realiteit. Dat spanningsveld kan zowel negatief als positief
zijn, het kan meevallen en tegenvallen en dat levert bijvoorbeeld een gevoel
van verdriet op of een gevoel van blijdschap. Het spreekt vanzelf dat lang niet
alle gevoelens even goed thuis te brengen zijn. Vaak kom je er niet achter
waarom en hoe je iets voelt. In de psychologie zoekt men in probleemgevallen de
herkomst van die mysterieuze gevoelens uit. Men probeert ze weer in je
herinnering terug te brengen. Maar, let op. De gangbare mening is dat men zich
bezig houdt met de psyche. Dat echter is, zoals uit het bovenstaande
blijken zal, geenszins het geval.
Uit het feit dat men het
onderzoek van de menselijke gevoelens psychologie noemt blijkt weer eens temeer
dat men er geen notie van heeft wat de psyche en het zelfbewustzijn nu
eigenlijk zijn. De psychologie en de psychoanalyse houden zich met verdrongen
en vergeten gevoelens bezig, proberen het oorspronkelijke spanningsveld tussen
voorstelling en realiteit te reconstrueren en langs die weg eventuele problemen
uit de weg te ruimen. Dat heeft op zichzelf niets met de werkelijkheid als
gevoel te maken. In de werkelijkheid als psyche voelt de levende
werkelijkheid zichzelf aan. Dat heeft niets met een spanningsveld, op grond van
een tegenstelling, te maken. Het berust juist op een overeenkomst. Je trilt
immers lichamelijk mee met jezelf als bewustzijn! Dat laatste is geen
werkelijkheid van van elkaar onderscheiden gebeurtenissen, maar je zou het een
zijns-toestand kunnen noemen. De moeilijkheid om hierin filosofisch inzicht te
krijgen is helaas deze dat er nauwelijks voorbeelden van psychische toestanden zijn
te geven. Dat komt doordat het psychische zelfbewust ervaren wordt en zich
daardoor manifesteert in de vorm van bepaalde gevoelens. Bij het beluisteren
van muziek bijvoorbeeld ga je meetrillen met de werkelijkheid van die muziek.
Dat is de psychische kant van de zaak. Maar dat meetrillen kan in jezelf tot
bepaalde gevoelens leiden: begeestering, droefheid, vreugde, enzovoort. Die
gevoelens zijn echter niet bepalend, we weten waarschijnlijk allemaal dat een
zelfde muziekje niet steeds dezelfde gevoelens teweegbrengt. Soms brengt het
niets teweeg, terwijl er toch een psychische weerklank aanwezig is. Jen kunt je
zelfs afvragen of bepaalde gevoelens niet als een rem werken op het werkelijk
ondergaan van muziek. Hoe dan ook, in dit voorbeeld gaat het psychische aan de
gevoelens vooraf. Omdat het psychische een meetrillen van het materiële
verschijnsel is, is het af te lezen aan dat verschijnsel. Dat aflezen leidt tot
bepaalde gevoelens, maar die moeten onderscheiden worden van datgene dat af te
lezen was. Het maken van dit onderscheid is essentieel voor het inzicht in het
begrip psyche.
Psyche,zie
vervolgens: Psyche-1
; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ; ; S-1 ; S-2 ; Leerproces- (1-pag.83,
2-pag.90, 3-pag.99t/m103, 4-pag.110 en 111,
en 5-pag. 144)
Het psychische wordt door
sommigen, bijvoorbeeld de Hegeliaanse filosoof Bolland (1854-1922), ook wel het
zielige genoemd. Hij verwijst daarbij naar het begrip ziel, zoals dat in het spraakgebruik
voorkomt. Nu is het altijd moeilijk en zelfs gevaarlijk om termen en uitspraken
van anderen te duiden, maar waarschijnlijk heeft Bolland het over de geest, die
door zijn gebondenheid aan de materie niet uit de voeten zou kunnen en daardoor
eigenlijk een treurige zaak zou zijn. Een voorstelling van zaken die in de
dagen van Bolland tot het traditionele denken behoorde. Men gebruikte de termen
ziel en geest dan ook door elkaar heen, alsof zij op dezelfde verhoudingen in
de werkelijkheid gegrond waren. Dat het psychische de in het nauw gedreven
geest zou zijn berust op een denkfout. Ten eerste omdat het Ondenkbaar is dat
de werkelijkheid als geest (= niet-materie) zich in het nauw laat drijven en
ten tweede omdat het psychische helemaal niets met het begrip geest te maken
heeft, doch met de begrippen samengestelde materie (= verschijnsel, voorwerp)
en bewustzijn. Daarom gebruik ik liever de uitdrukking de werkelijkheid als
gevoel, en dan in deze betekenis dat de werkelijkheid zichzelf aanvoelt. Nogmaals:
het verschijnsel trilt mee met zichzelf als totaaltrilling, en dus met zichzelf
als bewustzijn, ongeveer zoals de viool als klankkast meetrilt met de viool als
trillende snaar. Het is dus een zaak binnen het verschijnsel zelf, in wezen
voortkomend uit de trilling die in elke bouwsteen afzonderlijk aanwezig is en
die in het levende verschijnsel, door het ontstaan van een zekere samenhang in
dat verschijnsel, tot een totaaltrilling komt. Die laat zich op twee manieren
gelden, namelijk als levend-zijn en als bewust-zijn. En deze laatste verhouding
geeft aanleiding tot meetrillen en dus tot het psychische. Zoals gezegd laat
het psychische zich nauwelijks door voorbeelden verduidelijken, maar wellicht
komen wij dichter bij huis als wij, bij de mens, denken aan warmte,
gemoedelijkheid, liefelijkheid, ontvankelijkheid en dergelijke. Al deze
uitdrukkingen verwijzen wezenlijk niet naar bepaalde gevoelens, maar naar
kwaliteiten van het verschijnsel, het lichaam. Omdat het gaat over het levende
verschijnsel is het psychische niet beperkt tot de mens. Het geldt voor alle
levende wezens. Daarbij moet opgemerkt worden dat het bij die levende wezens,
uitgezonderd de mens, ook nog zo is dat het psychische onbelemmerd uit de
voeten kan. Het dier heeft immers geen instantie van waaruit het zichzelf als
bewustzijn kan onderdrukken. De mens heeft zo'n instantie wel: het
zelfbewustzijn. Wij zullen een aantal eigenaardigheden van de dieren misschien
niet zo vlug als psychisch duiden, maar toch zijn zij dat wel. Hierop berust de
sympathie die wij voor bepaalde dieren, zoals de poes, voelen. Op grond van het
aanvoelen van het psychische van de poes of de hond houden wij van die dieren
en vinden wij ze lief. Overigens: ook bij de dieren kan het psychische
verstoord zijn, maar dan vindt dat zijn oorzaak in slechte lichamelijke
omstandigheden, die enerzijds veroorzaakt kunnen zijn door een slecht
functionerend lichaam (ziekten) en anderzijds door uitwendige omstandigheden
(geen voedsel, verwaarlozing en dergelijke). Over het algemeen wordt er door
psychologen, sociologen, filosofen en ethici gedacht dat het slechte gedrag van
de mensen veroorzaakt wordt door het vermeende feit dat zij nog te dicht bij de
dierenwereld staan: het beest in de mens! . Maar de dierenwereld is ongehinderd
psychisch, dus dat kan dat slechte gedrag niet verklaren. Wat dit betreft heb
ik er al meerdere malen op gewezen dat 's mensen slechte gedrag voortkomt uit
zijn zelfbewustzijn, en dus uit de verkeerde vastgelegde voorstellingen die hij
koestert.
Zijn zelfbewustzijn deugt niet
voor zover en zolang hij waanvoorstellingen als de maat neemt. Het niet-deugen
van dat zelfbewustzijn is mogelijk omdat de mens nu eenmaal het laatste station
van de wording is en op grond daarvan naar keuze ja of nee tegen de werkelijkheid
kan zeggen. In de praktijk verkiest hij dan nee te zeggen omdat hij zichzelf,
onvolwassen zijnde, nog steeds als een ontkenning van de natuurlijke (=
geworden) werkelijkheid beschouwt. Dat houdt vanzelfsprekend ook een ontkenning
en miskenning van het bewustzijn en vervolgens het psychische in. Als wij, voor
het gemak, eens even het woord ziel voor het psychische gebruiken, dan is het
wel aardig om te constateren dat de gehele levende natuur bezield is. Dat wil
zeggen dat de mensen uit vroeger tijden, en de mensen uit zogenaamd primitieve
culturen zoals die van de Indianen, het wel degelijk goed aangevoeld hebben als
zij de natuur als bezield beschouwden. Wij noemen hen dan animisten. Doordat
wij doorgaans alleen op de voorstellingen van die animisten letten zijn wij
terecht van oordeel dat het allemaal onzin is. Letten wij echter op de
oorsprong van die voorstellingen, dan blijkt dat het animisme van een juist
grondbesef omtrent de werkelijkheid getuigt. Overigens: de moderne veroordeling
van de animistische voorstellingen is nog weer eens de zoveelste uiting van
wetenschappelijke arrogantie, want de voorstellingen die de moderne mens
omtrent de werkelijkheid koestert zijn in een aantal opzichten nog onzinniger.
.. Bij het dier kan het psychische in het nauw gedreven worden door een aantal
inwendige en uitwendige oorzaken. Uiteraard geldt dat voor een mens ook.
Ziekten en barre omstandigheden kunnen een fnuikende invloed op het psychische
hebben. Maar, er is iets eigenaardigs: dat behoeft bij een mens niet het geval
te zijn. Vanuit zijn zelfbewustzijn kan een mens zijn inwendige en uitwendige
situatie tot op zekere hoogte ontkennen, er onverschillig voor zijn en er
zogezegd mee leren leven. Omdat de mens de geworden werkelijkheid ten einde is
kan hij de zaak ontkennen. Dat betekent echter ook dat een mens het vermogen
heeft om zichzelf psychisch in het nauw te drijven. Het gaat nu in feite om de
vraag wat de kwaliteit is van het materiële verschijnsel dat met de
totaaltrilling meetrilt. Is er sprake van een slechte kwaliteit, dan wordt het
met dat meetrillen niet veel. Wanneer derhalve de mens er toe komt om zichzelf
als verschijnsel, als voorwerp, vanuit bepaalde voorstellingen in het
zelfbewustzijn, te beletten op natuurlijke wijze te gelden, dan geraakt het
psychische in het nauw. Het kan dan niet uit de voeten. Dat betekent in geen
geval dat het meetrillende psychische dan weg is, in die zin dat het opgeheven
zou zijn, maar het betekent letterlijk dat het in het nauw gedreven is.
Daardoor lopen de spanningen op, net zolang tot er een uitbarsting komt. In
zo'n geval kan iemand tot de meest krankzinnige en zelfs wel misdadige dingen
komen. Als je je eens realiseert hoe groot in onze cultuur de druk op het
lichamelijke is, zelfs nu er een aantal taboes verdwenen is, dan kun je je er
met recht over verbazen dat er niet veel meer ziekelijke uitbarstingen van het
in het nauw gedreven psychische zijn. En misschien zijn er wel véél meer. Lang
niet alles komt in het nieuws. Vooral op het terrein van het seksuele, dat in
belangrijke mate door het psychische getypeerd wordt, gebeuren er heel wat
kleine en grote misdadigheden, meestal in de beslotenheid van de slaapkamers.
Maar ook in de maatschappij zelf is een groot gemis aan warmte en
gemoedelijkheid te constateren, naast een groot aantal verwrongen uitingen van
innerlijke vertwijfeling. En dat alles komt voort uit de wil om de eigen
natuurlijkheid en dus het eigen lichaam doormiddel van een tirannieke moraal te
reglementeren, een moraal die lang niet alleen maar Christelijk is, maar die in
wezen voortkomt uit het verlangen de werkelijkheid naar zijn hand te zetten...
No. 113
Psyche,zie
vervolgens: Psyche-1
; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;
Ook bij een mens geldt het
principe dat de toestand van het lichaam bepalend is voor de kwaliteit van het
psychische; hoe slechter die toestand, hoe minder er van dat psychische
terechtkomt. Maar, vanuit het zelfbewustzijn, kan de mens de toestand van zijn
lichaam niet laten gelden, hij kan voor zichzelf doen alsof de zaak helemaal in
orde was, en wel op grond van het feit dat de factor niet-materie in het begrip
zelfbewustzijn meespeelt. Doorgaans is men van mening dat de mens aan de
materie voorbij zou zijn en men zegt dan dat de mens een geestelijk wezen is.
Die gedachte echter berust op een denkfout: men stelt de geest, in feite
dus het niet-materie zijn, ten onrechte op zichzelf alsof het een zelfstandige grootheid
zou zijn. En van daaruit meent men dat het lichamelijke eigenlijk maar bijzaak
is. In werkelijkheid echter gaat het om een grenssituatie en daarin is het
begrip niet-materie niet los te denken van het begrip materie. Het begrip
niet-materie is een factor in de al eerder besproken drieslag materie, materie
als niet-materie en niet-materie. Op grond daarvan kan de mens nee zeggen tegen
zijn eigen lichamelijkheid. Hij kan zowel zijn gezonde als zijn Ongezonde
lichamelijkheid niet laten gelden. Maar hij kan haar niet Opheffen - wat hij
wel zou kunnen als de geest inderdaad iets zelfstandigs was. Het niet laten
gelden van de lichamelijkheid geschiedt dus vanuit het zelfbewustzijn, en dat
betekent onmiddellijk dat de dieren- en plantenwereld daartoe niet in staat
zijn. Als iemand in staat is zijn ongezonde lichamelijkheid niet te laten
gelden, kun je dat de positieve kant van de zaak noemen. Die blijft beperkt tot
individuen. De negatieve kant echter beperkt zich niet tot het individu. Dat is
het geval als er vanuit een cultuur druk op het lichamelijke wordt uitgeoefend.
Dat heeft grote gevolgen voor het welzijn van de mensen en het is bepalend voor
de kwaliteit van samenleving en maatschappij. Ik doel nu op het complex van
taboes, de zeden, de moraal, kortom: alle reglementeringen die bepalen wat
hoort en wat niet hoort. Over het algemeen zijn dat in godsdiensten gefundeerde
voorschriften, en dus voorschriften die het gevolg zijn van het van bovenaf
denken op grond van de als zelfstandig gestelde geest. Hierbij past een
opmerking. Het zijn inderdaad de godsdiensten die met al die voorschriften
komen, maar je kunt je afvragen waarom de mensen die gewoonlijk niet terzijde
leggen. De oorzaak is hierin gelegen, dat de godsdiensten eigenlijk de
spreekbuis zijn van het dieper liggende besef van genoemde als zelfstandig
gestelde geest. De voorschriften worden opgevolgd omdat zij corresponderen met
het, tot de essentie van de cultuur behorende, van bovenaf denken. Voor dat
denken kan het lichamelijke niet anders dan het lagere, het minderwaardige,
zijn. Het besef daarvan lag, als het over de westerse wereld gaat, al klaar in
de Germaanse cultuur. En het heeft zich in de loop der tijden doorgezet, mede
door de macht van de christelijke kerken, die er psychologisch heel handig
gebruik van hebben gemaakt. Het blijkt echter dat niet alleen de christenen in
het westen er een lichaamsontkennende moraal op na houden. Ook humanisten en
atheisten hebben er last van. Ook zij zijn van mening dat het lichamelijke het
ware niet is, en dat het geestelijke dat wel is. Freud bijvoorbeeld vond dat het seksuele zich
moest veredelen tot iets geestelijks. Tot die overtuiging kwam hij nadat hij
ontdekt had dat de mens een door en door seksueel wezen is en dus voortgedreven
wordt door lichamelijke driften. Hij was niet zo erg ingenomen met een
dergelijke lichamelijke zaak, die bovendien zo'n belangrijke rol leek te
spelen.
Wat hij uiteraard niet in de
gaten had was het feit dat de seksualiteit een bij uitstek psychische
aangelegenheid is en dat die, in plaats van veredeld (gesublimeerd) tot iets
gereglementeerd geestelijks, daarentegen juist vrijgelaten zou moeten worden.
Geen wonder dat hij allerlei psychische storingen toeschreef aan door hemzelf
bedachte, op zichzelf staande, individuele complexen, zoals het Oedipuscomplex, en niet
aan de inwerking van lichaamsvijandige cultuuropvattingen. In feite heeft hij
geprobeerd een psychologisch theoretische basis te leggen voor de mening dat
het lichamelijke het ware niet is. Als je zijn achtergrond in aanmerking neemt,
joods patriarchaal en geworteld in het 19e eeuwse Duitse cultuurgoed, is dat
allemaal zo verwonderlijk niet. Wel is verwonderlijk dat psychoanalytici als
Wilhelm Reich (1897-1957), die juist voor seksuele vrijheid pleitten, nog steeds
nauwelijks erkenning hebben gevonden. Te constateren is dat over het algemeen
de op het geestelijke ingestelde mensen geen aardige mensen zijn. Zij zijn
doorgaans hard in hun oordeel en hebben een onuitroeibare neiging om voor
anderen de dienst uit te maken. Begrippen als warmte, gemoedelijkheid,
liefelijkheid en ontvankelijkheid zijn nauwelijks op hen van toepassing. En in
de maatschappij is het al niet veel anders gesteld, uiteraard omdat de
geestelijke types de boventoon voeren: onze wereld is bepaald niet aardig, maar
juist koud, hard, lelijk en principieel. Er is een groot gemis aan het
psychische, het lichamelijke wordt nog steeds volop gediskwalificeerd. Een mens
knapt er niet van op als hij zichzelf als lichamelijkheid diskwalificeert. Hij
belet zichzelf om psychisch te zijn, of beter gezegd: hij traumatiseert
zichzelf als psyche, hij maakt er een ziekelijke zaak van. Dat leidt
vaak tot lichamelijke kwalen omdat het in het nauw gedreven psychische een
uitweg zoekt. Wreedheid bijvoorbeeld is er ook een uiting van en die komt
vooral voor bij mensen die in een streng geestelijk keurslijf geperst zijn. Bij
soldaten is dat vaak waar te nemen, vooral als zij, vanuit de hogere zaak
waarvoor zij staan, menen orde op zaken te moeten stellen en daartoe volmacht
hebben gekregen. Je kunt stellen dat iemand die zichzelf psychisch vrij laat
een aardig mens is. Dat is dus een mens die door warmte, gemoedelijkheid,
ontvankelijkheid en liefelijkheid gekenmerkt wordt. En zelfs kun je stellen dat
zo iemand een mooi mens is, uiteraard niet in de modieuze betekenis, want die
wordt bepaald door op stroom liggende voorstellingen. Ik bedoel eigenlijk meer
in de artistieke betekenis. Dat genoemde begrippen gelden voor psychisch vrije
mensen is als volgt te verklaren: het psychische is het méétrillen van het
lichaam met het bewustzijn. Als dat het geval is hebben wij lichamelijk te
maken met de afspiegeling van begrippen die voor het bewustzijn gelden. Dan
geldt achtereenvolgens: warmte als manifestatie van het feit dat we qua bewustzijn
te doen hebben met een voortdurend in beweging zijn (denk aan de
totaaltrilling), gemoedelijkheid omdat er geen grenzen gesteld worden (er wordt
niet principieel gedacht), ontvankelijkheid omdat geldt dat wezenlijk alles in
het geheel opgenomen is (je kunt bij die mensen terecht) en liefelijkheid omdat
de totale inhoud van het bewustzijn ineen is en er niets buitengesloten is,
noch er uitspringt als zou het iets van grotere waarde zijn. En, omdat deze
gehele zaak in zichzelf en met zichzelf in harmonie is kunnen wij ook zeggen
dat het iets moois is. Aardige mensen stralen al deze begrippen uit en er is
aan hen te bemerken dat er geen breuk door hun psyche loopt. Zij zijn
dan ook in zichzelf in rust. Zij worden niet heen en weer geslingerd tussen van
elkaar gescheiden tegenstellingen. Daarom heeft Wilhelm Reich gelijk als hij
zegt dat seksueel vrije mensen psychisch ontspannen zijn en niet geneigd tot
het autoritaire, het gewelddadige en het wrede.
No. 114 Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;
In het verband van het filosofische
verhaal komt het als heel vanzelfsprekend over dat het vrij laten van het
psychische leidt tot het gelden van begrippen als het gemoedelijke en
dergelijke. Je vindt het logisch dat je in zo'n geval te doen hebt met aardige
mensen. Toch zul je bemerken, in gesprekken met anderen die het filosofische
verhaal niet begrijpen en die louter de toevallige praktijk als de maat nemen,
dat er steeds geprotesteerd zal worden en dat men vindt dat het filosofische
verhaal niet met de praktijk strookt. Men vindt dat het psychische helemaal
niet vrijgelaten kan worden omdat het nu eenmaal niet te pas komt dat een ieder
maar zijn eigen zin doet. En je zult bemerken dat je daar weinig tegenin kunt
brengen, vooral als het gaat over de seksualiteit. Eigenlijk hebben die
alledaags praktische mensen gelijk: het wordt een chaos als men zichzelf
psychisch vrij laat. De vraag is nu hoe het te verklaren is dat de filosofische
gedachtegang tot een uitkomst leidt die in strijd is met de praktijk. Daartoe
moeten we die praktijk nader bekijken. De mensen uit onze cultuur denken in
termen van reglementeringen en ten gevolge daarvan onderdrukken zij zichzelf
als psyche. Zij weten niet beter of die onderdrukte psyche is de
normale menselijke toestand. Zij beschouwen die toestand zelfs als een vorm van
beschaving. De samenleving en de maatschappij zijn dan ook zodanig
georganiseerd dat het psychische geen andere rol mag spelen dan die streng
gereglementeerde. Als je de mensen dan voorstelt om zichzelf eens vrij te gaan
laten, kunnen zij dit alleen maar zo begrijpen dat je voorstander bent van het
afschaffen van de reglementen, het verbreken van de banden en het doen waar je
zin in hebt. En zij voorspellen terecht dat het dan een grote janboel zou
worden.
Inderdaad loopt de zaak dan uit
in bandeloosheid. Dat manifesteert zich vooral op het terrein van de
seksualiteit, omdat dit een levensterrein is dat helemaal afhankelijk is van
het psychische. In de maatschappij en, in mindere mate, in de samenleving is
het onderdrukt zijn van het psychische nog wel enigszins te verdragen, maar in
de seksualiteit is het onmiddellijk frustrerend. Worden dan de reglementen
doorbroken, dan krijg je te doen met een gefrustreerde seksualiteit die
onbelemmerd zijn gang kan gaan. Met recht is dan te verwachten dat vrouwen,
mannen en kinderen letterlijk niet meer veilig voor elkaar zijn. Tot op zekere
hoogte was dat te constateren toen in de zestiger jaren een golf van zogenaamde
bevrijding de westerse cultuur overspoelde: de psyche en de seksualiteit
werden in feite niet vrij gelaten, maar zij werden ontregeld. Alles moest
kunnen! Het begrip vrijheid houdt, binnen het kader van het moderne denken, in
dat de banden verbroken zijn, dat een ieder op eigen wijze zijn gang kan gaan
en met niemand rekening behoeft te houden. Men denkt namelijk wezenlijk in
termen van gebondenheid en slavernij en bedenkt van daaruit dat zoiets de mens
onwaardig is. Het resultaat is dan een negatieve houding: ontkenning van
gebondenheid, ontkenning van reglementen en dergelijke. Zo vertaalt men het
begrip vrije psyche automatisch door doen waar je zin in hebt. In het
beste geval is men, uit een oogpunt van redelijkheid, bereid zich in zoverre in
te perken dat men niet over de grens gaat die het ene individu van het andere
scheidt - althans, dat zegt men: in werkelijkheid probeert men voortdurend die
grens te overschrijden, en dat levert het immer voortdurende verdrukkingsproces
op dat kenmerkend voor de moderne mensheid is. Als het begrip vrijheid door
niets anders dan bandeloosheid vertaald wordt, is het maar beter niet naar
vrijheid te streven. Gelukkig ligt het in de aard van de menselijke
werkelijkheid dat de reglementeringen in een onvolwassen mensheid niet
afgeschaft kunnen worden en bijgevolg hebben genoemde critici al bij voorbaat
het gelijk aan hun zijde. Dat het vrij laten van het psychische inderdaad in de
praktijk niet kan ligt evenwel niet in de mens als zodanig besloten, maar in de
vooralsnog Onvolwassen mens, die nog helemaal niet in de gaten heeft wat het
betekent individu te zijn. Het kan dus nu niet! Wat dit betreft zijn er meer
voorbeelden te geven.
Zo is er het ideaal van de
anarchisten om de maatschappij zo in te richten dat ieder mens zichzelf
bestuurt, zonder dat er machtige overheden aan te pas komen. Ook dat is op
zichzelf goed gedacht, maar ook hierbij geldt dat het alleen maar voor de
volwassen mens opgaat. Brengt de onvolwassen mens zijn ideaal van het
anarchisme in de praktijk, dan wordt het automatisch bandeloosheid. Een
asociaal en meedogenloos zichzelf bevestigend gedrag is er het gevolg van. Het
zichzelf psychisch vrij laten heeft niets te maken met het afschaffen van
reglementen en het vrijelijk doen waar je zin in hebt. Het heeft daarentegen
alles te maken met het laten gelden van de werkelijkheid als gevoel. Omdat voor
deze werkelijkheid begrippen gelden als ineen-zijn, gemoedelijkheid en
ontvankelijkheid staat het feit dat wij mensen met zijn allen zijn op de
voorgrond, en dat leidt ertoe dat de andere mens voortdurend inbegrepen is in
ons eigen leven. Het rekening houden met de medemens is dan geen kwestie van
uitwendige reglementeringen, maar een kwestie van kwaliteit van je eigen leven.
Als de verhoudingen zo liggen is bandeloosheid uitgesloten omdat het
gebonden-zijn niet langer het uitgangspunt is. Juist als het om de kwaliteit
van je eigen leven gaat wordt al datgene waartoe de losgeslagen bandeloze mens
wel komt onmogelijk. Omdat de seksualiteit bij uitstek in het teken van het
psychische staat gelden daarvoor in volle omvang alle eerder genoemde kwalificaties,
zoals gemoedelijkheid en dergelijke. Daaruit volgt dat het de volwassen mens
ten enenmale onmogelijk is de geliefde als een object te beschouwen. Het
object-zijn vooronderstelt dat er een afstand en dus een scheiding is tussen de
een en de ander. En bovendien houdt het in dat er, al of niet vrijwillig,
grenzen overschreden worden. Men probeert elkaar te gebruiken, doorgaans zonder
er zelf erg in te hebben vanwege het als vanzelfsprekend aanvaarde gangbare
cultuur denken. Het object-zijn en het overschrijden van grenzen vervormt de
seksualiteit tot een zaak van belangen. Die zaak wordt vervolgens op de een of
andere manier gereglementeerd, bijvoorbeeld in het huwelijk. Dat reglementeren
geschiedt niet vanuit een behoefte aan redelijkheid of rechtvaardigheid, maar
louter vanuit de noodzaak om zichzelf tegen de ander te beschermen. Reglementen
worden immers steeds door de zwakke van de sterke afgedwongen! Versta je nu
onder vrijlaten het afschaffen van die reglementen, dan is niemand meer veilig
voor de ander. Maar, zoals gezegd: vrijlaten betekent niet afschaffen, maar het
betekent laten gelden wat geldt, en dat houdt nu net de eerder genoemde
kwalificaties in. Uit het bovenstaande mag duidelijk zijn dat de kritiek van
diegenen die het filosofische verhaal over de psyche niet begrijpen,
moeilijk te weerleggen is omdat dat filosofische verhaal iets vertelt over een
geheel andere werkelijkheid dan die van de vastgelegde voorstellingen. Binnen
het kader van die voorstellingen geldt die kritiek inderdaad, maar hij vervalt
onmiddellijk als je begrijpt wat het psychische werkelijk is, en tot welke
levenshouding het realiseren van de werkelijkheid als gevoel leidt. Het was
Wilhelm Reich die wat dat betreft op het goede spoor zat, maar de kritiek op
zijn ideeën werd tenslotte zo agressief dat hij er mentaal aan onderdoor ging:
hij stierf op 3 november 1957 onder armzalige omstandigheden in een Amerikaanse
gevangenis en zijn boeken en manuscripten werden verbrand...
No.
115 Psyche,zie vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;
De seksualiteit is in de moderne wereld
geworden tot een zaak van het bevredigen van behoeften en het gehoor geven aan
begeerten. Dat dit heeft kunnen gebeuren is te wijten aan een tweetal
ontwikkelingen, die ten nauwste met elkaar samenhangen. Als eerste is daar het
verdrukken van het psychische. Zoals gezegd is dat een gevolg van de behoefte
om alles te reglementeren. De gebeurtenissen in de menselijke werkelijkheid
moeten beheersbaar en voorspelbaar gemaakt worden, zij moeten gaan passen in
een overzichtelijk en begrijpelijk systeem. Dat heeft, ten tweede, te maken met
de ontwikkeling van de mens tot individu, een ontwikkeling die zich in de
Romeinse cultuur inzet, zich doorzet in de West-Europese cultuur, van oorsprong
Germaanse cultuur en zich vervolgens uitlegt over de gehele wereld als Moderne
cultuur. Het zich ontwikkelen tot individu is gebaseerd op het op de voorgrond
treden van het zelfbewustzijn. De inhoud van dat zelfbewustzijn is de
voorstelling, dat wil zeggen: de werkelijkheid zoals die volgens de mens als ik
is. In die voorstelling zijn alle verschijningsvormen van de werkelijkheid van
elkaar gescheiden; zij vormen met elkaar een verzameling van op zichzelf
staande dingen. Met het op de voorgrond komen van het zelfbewustzijn en de
daarin aanwezige voorstelling breekt in de mensen het besef door dat ook zij
van elkaar gescheiden verschijnselen zijn. Vanaf dat moment gaat er gelden dat
ik niet jij ben en de mensen beginnen zichzelf als de maat te nemen en zich af
te zonderen van de anderen. In die afzondering gaan zij zichzelf zoveel als
mogelijk waarmaken, en dat betekent dat zij er toe overgaan alles in bezit te
nemen. Dat kunnen zij doen omdat zij als laatste verschijnsel (mens) de gehele
werkelijkheid inhouden. Het zich verwerkelijken als ik houdt dus automatisch
het vergaren van bezittingen in, en daarbij behoort dan weer dat men zijn
medemens als vanzelfsprekend gaat beoordelen vanuit een oogpunt van nut. De
medemens wordt een waardeobject dat voor de mens als ik al of niet van
enig nut is. Als er een scheiding is tussen de een en de ander, en als de ander
voor de een tegelijkertijd een zaak van de buitenwereld is waarmee hij
eigenlijk niets te maken heeft, dan wordt voor de een de ander onmiddellijk een
object. De ander wordt gedegradeerd tot een ding zoals alle andere dingen en de
individu, dus de mens als ik, vindt vervolgens dat hijzelf de baas is
over die als ding gestelde andere mensen. Dus gaat hij moeite doen om die
baas-knecht verhouding in de praktijk waar te maken: hij gaat zich breed maken.
Zo ontstaan er individuen die zichzelf macht gaan toekennen en die gaan heersen
over de anderen en hen de wet stellen. Deze laatsten laten dit noodgedwongen
over zich heen komen en hebben er zelfs enigszins vrede mee. Omdat zij zelf ook
in het teken staan van het zich ontwikkelen tot individu vinden zij het normaal
dat anderen het verder schoppen dan zijzelf en zij vinden het hoogstens jammer
dat het niet gelukt is om zelf hogerop te komen. Intussen gaat echter ook hun
eigen ontwikkeling door en zo komen er steeds meer individuen die hun
onderlinge strijd enerzijds zo onbarmhartig mogelijk voeren, om anderzijds
tegelijkertijd steeds meer reglementen in te voeren omdat zij ook wel inzien
dat een strijd van allen tegen allen niet lang vol te houden is. Ontwikkeling
tot individu en het ontstaan van de mens als ik is geen ontsporing van de
mensheid, zoals nogal eens gedacht wordt. Het kan logisch niet uitblijven dat
de mensen zich als ik gaan stellen want het is immers een feit dat de ene mens
de andere niet is. En omdat dit een feit is realiseert het zich ook in de
mensheid.
Het
zich doorzetten van de scheiding tussen de mensen is noodzakelijk om na verloop
van tijd te kunnen laten gelden wat de werkelijke verhouding tussen de mensen
is. Deze verhouding is voor de mensen kenbaar, niet vanuit het zelfbewustzijn
waarin alles gescheiden is - maar vanuit het bewustzijn, waarin het een
onmiddellijk op zijn wijze het ander is. Anders gezegd: de ontwikkeling tot
individu is voorwaarde voor het sociaal-zijn van de mensen. Als de ontwikkeling
tot individu voorwaarde is voor het in volle omvang gelden van het bewustzijn
is het dat ook voor het gelden van het psychische en ook voor het tot haar
recht komen van de seksualiteit. Zolang echter die ontwikkeling nog niet
voltooid is kunnen bewustzijn, psyche en seksualiteit niet uit de
voeten. Omdat zij evenwel niet van de mens af gedacht kunnen worden wroeten zij
in het dagelijkse leven door op een nagenoeg volkomen verwrongen wijze en
daarbij ligt de maat in het elkaar object-zijn en dus bij het nut. Bekijken wij
de wereld van vandaag dan zien wij dat de seksualiteit geheel bepaald wordt
door de waarde die de mensen aan zichzelf en aan elkaar toekennen. Tegenwoordig
wordt die waarde niet meer eenzijdig uitgedrukt in het huwelijkscontract,
maar er is toch duidelijk te constateren dat ook andersoortige relaties door
contracten en afspraken gelegaliseerd worden. Echter, ook als er bij
uitzondering geen contracten en afspraken gemaakt worden kun je vaststellen dat
de relaties waardeverhoudingen afspiegelen. Men moet wat aan elkaar hebben! De
feministen zijn van mening dat de manier waarop de moderne mensen met de
seksualiteit omgaan een belediging voor de vrouw is. Zij hebben in zoverre
gelijk dat de West-Europese cultuur en, in het verlengde daarvan, de moderne
cultuur in principe en in de praktijk vijandig aan het vrouwelijke zijn. Als ik
straks het wezen van de seksualiteit zal bespreken zal duidelijk worden waarom
dit in genoemde culturen het geval is. Maar, de degeneratie van de seksualiteit
heeft op zichzelf niets met feminisme en vrouwvijandigheid te maken. Zij is
aanwezig in zowel vrouwen als mannen, omdat beiden de uitwerking van hetzelfde
cultuurmoment zijn: de verwerkelijking van de mens als ik. Als je dan van een
belediging wilt spreken zou je het zo moeten stellen dat beiden, vrouw en man,
zichzelf en elkaar beledigen in hun opvatting en hun praktijk van het seksuele
leven. De blote dame in een advertentie voor een dure automobiel, vrijwel naakt
op de motorkap gezeten, maakt niet alleen de vrouw belachelijk, maar ook de man
van wie kennelijk verondersteld wordt dat hij die auto vanwege die dame zal
kopen. De mens die alsnog bezig is zichzelf als ik te realiseren kan niet
anders dan zijn seksuele tegenvoeter zien als een object dat zoveel mogelijk bevrediging
moet schenken. Er zijn behoeften die bevredigd moeten worden en nu maar kijken
wie dat het beste kan. Je kunt dan ook opmerken dat men de seksualiteit als een
kwantitatieve zaak ziet, het gaat vooral om het aantal keren dat men
bevrediging vindt, dat is steeds de strekking van de sex verhalen! In wezen is
dat precies dezelfde gang van zaken als in de economie. Het mag dan ook geen
wonder heten dat de verhouding tussen de seksen een duidelijk economische
inslag heeft: de basissituatie in huwelijk en gezin is er een van een
taakverdeling, traditioneel zo dat de vrouw de verzorgende taken op zich moet
nemen en de man de verwervende. Hij moet zorgen dat er wat binnen komt
(letterlijk: inkomen!) en zij moet die zaak bij elkaar houden en verzorgen. Dat
was al zo in de oude Griekse cultuur en het is tot op heden niet wezenlijk
veranderd. De Islamieten hebben er zelfs een strenge geloofsregel van gemaakt!
Het feit dat er tegenwoordig veel mensen zijn die de verdeling der taken wat
redelijker doen betekent niet dat de relatie tussen de seksuele partners niet
meer overwegend van economische aard is. Uiteraard wil ik niet beweren dat het
economische aspect uit het dagelijkse leven weggedacht zou moeten of kunnen
worden. Het gaat er nu louter om wat er over de seksualiteit beseft wordt en
waar dat vandaan gekomen is.
Psyche,zie
vervolgens: Psyche-1
; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Psyche-4; Psyche-5 ; Psyche-6 ; Psyche-7 ; Psyche-9 ; Psyche-10 ; Psyche-11 ; Psyche-12 ;
No.116 ( wat
is seksualiteit )
Maagd-1 Maagd-2 Maagd-3,
nrs. 141,142 en 143
Onder seksualiteit versta ik het
elkaar benaderen van het vrouwelijke en het mannelijke. Hierbij passen meteen
al enkele opmerkingen. Ten eerste: het gaat hierbij beslist niet om het elkaar
benaderen van de vrouw en de man omdat de seksualiteit zich niet uitsluitend
tussen de vrouw en de man afspeelt, maar ook een homofiel karakter kan hebben.
Bovendien geldt het begrip seksualiteit niet alleen voor de mens, maar in feite
voor de gehele levende werkelijkheid. Ten tweede: fixatie op de vrouw en de
man, en op het vrouwtjesdier en het mannetjesdier, koppelt de seksualiteit
onmiddellijk met de voortplanting, hetgeen, filosofisch gezien, niet juist is.
Ten derde van belang is het begrip elkaar benaderen, een begrip dat op een
beweging, een activiteit duidt. Seksualiteit is dus een dynamisch begrip. Over
het algemeen wordt dat niet zo gezien, de opvattingen over seksualiteit
beperken zich tot datgene dat plaats vindt als een vrouw en een man elkaar
reeds benaderd hebben en tot het liefdesspel overgegaan zijn. Je kunt daarover
inderdaad heel interessante zaken aan de weet komen, bijvoorbeeld hoe het er in
andere culturen toegaat. Maar al die kennis levert geen inzicht in het wezen
van de seksualiteit op. Omdat het gaat over het elkaar benaderen van het
vrouwelijke en het mannelijke, rijst als eerste de vraag hoe dat zit en waar
dat vandaan komt. Voor een gedeelte heb ik er al eerder over gerept toen het
over de levende cel ging zoals die de werkelijkheid op de wijze van een
totaaltrilling inhoudt. We hebben daarbij te doen met een verschijnsel dat
zichzelf inhoudt. Tijdens het wordingsproces immers is op een zeker moment het
qua structuur meest innige verschijnsel voor de dag gekomen. Datzelfde innige
verschijnsel houdt bij wijze van een trilling de werkelijkheid als verzameling
van afzonderlijke dingen in. Dat moment van de wording is het dus zelf en
daarom zeg ik dat het zichzelf inhoudt. Het begrip inhoud is essentieel voor de
seksualiteit. Zoals met alle begrippen het geval is - omdat zij betrekking
hebben op verhoudingen - laat ook het begrip inhoud zich gelden. Voor het
levende verschijnsel geldt bijgevolg dat het twee aspecten vertoont: het geheel
(de zaak zelf) en haar inhoud. Hierbij moet opgemerkt worden dat die inhoud
niet bepaald wordt door het feit dat het geheel opgebouwd is uit optimaal innig
gerangschikte bouwstenen, maar daarentegen door het feit dat de totaaltrilling
alle mogelijke trillingen in zich verenigt. Het levende verschijnsel kan dus
beschouwd worden in het licht van die totaaltrilling en in het licht van het
geheel, of, anders gezegd: in het licht van de inhoud en in het licht van het
inhoudende. Een gevolg hiervan is dat het levende wezen zichzelf voortbrengt,
en dat betekent dat het haar eigen inhoud, datgene dat zij zelf is, als een
zelfstandige werkelijkheid tot manifestatie brengt. Zij reproduceert dus
zichzelf. Aan het feit van het zichzelf reproduceren moet je bedenken dat het
woord zichzelf van groot belang is. In ons gangbare denken, dat analytisch is,
ligt de nadruk op het feit dat het gereproduceerde, het voortgebrachte, iets anders
is dan het voortbrengende. Anders gezegd: de dochtercel is iets anders dan de
moedercel. Op zichzelf is dat natuurlijk juist, maar die opvatting verdoezelt
wel de essentie van de zaak, namelijk dat het leven zichzelf voortbrengt. De
inhoud van het levende wezen staat in het teken van de verzameling, namelijk
van alle mogelijke trillingen. Dat leidt ertoe dat je die inhoud kunt typeren
doormiddel van het begrip mannelijk, terwijl het levende wezen zelf getypeerd
wordt door het begrip vrouwelijk. Het geheel is dus vrouwelijk en de inhoud is
mannelijk.
Dat zijn twee onafscheidelijke
begrippen: het geheel is niet zonder haar inhoud te denken en de inhoud niet
zonder het geheel. Derhalve is het vrouwelijke niet zonder het mannelijke en
het mannelijke niet zonder het vrouwelijke te denken. Het is in feite één zaak!
Als nu de levende cel zichzelf voortbrengt, komt haar inhoud te voorschijn en
die inhoud is mannelijk. Dat betekent niet dat het een mannelijk verschijnsel
is, het is natuurlijk weer een cel waarvoor het geheel en dus het vrouwelijke
geldt. Het is zogezegd een dochtercel. Maar gezien en gedacht vanuit het
voortbrengende is het voortgebrachte mannelijk. Op zichzelf is het vrouwelijk,
en dan zodanig dat het weer een mannelijke inhoud heeft. Het is opmerkelijk dat
men dit in de oudheid beseft heeft. Men dacht zich de aarde als een vrouw, als
een oermoeder. Die moeder bracht al het leven voort en dat leven werd steeds in
het licht van het vrouwelijke gezien. Men besefte terecht met een vrouwelijke
zaak van doen te hebben. Toch werd tegelijk het voortgebrachte als mannelijk
beschouwd. De oude verhalen hebben dan ook deze strekking: de maagd (=
het zichzelf voortbrengende leven) kreeg steevast een mannelijk kind, en die Moedermaagd
beschouwde dat kind als haar zoon maar tegelijkertijd als haar geliefde en dus
als haar inhoud, waarmee de zaak weer als vrouwelijk gesteld werd. En er is in
de cultuur ontwikkeling een hele strijd geweest van de mannen om van dit
verzonken-zijn in het vrouwelijke af te komen. Eigenlijk is dit pas gelukt met
het doorbreken van de westerse cultuur.
Dat het
mannelijke in de oudheid nooit gezien werd als iets zelfstandigs, maar
daarentegen als inhoud van het vrouwelijke, blijkt ook uit het, meer Griekse,
denkbeeld van de androgyne mens. Deze mens is tweeslachtig, zowel vrouw als
man. Maar zij is dat niet op de wijze van de hermafrodiet, die door biologische
oorzaken tweeslachtig is, maar op de wijze van het ineen-zijn van vrouw en man,
waarbij de man inhoud van de vrouw is. Beelden uit de Griekse beeldhouwkunst
die voor westers besef hermafrodiet zijn drukken in feite dat ineen-zijn van
vrouw en man uit: de mens (en daarmee het gehele leven) is één
vrouwelijk verschijnsel met een mannelijke inhoud. Naarmate de levende
verschijnselen zich in de evolutie verder ontwikkelen tot meer complexe
samenstellingen van meerdere cellen, groeien, op grond van de twee begrippen
geheel en inhoud oftewel vrouwelijk en mannelijk, de twee geslachten steeds
meer uiteen. We krijgen te doen met vrouwelijke en mannelijke verschijnselen.
In wezen echter is het nog steeds één verschijnsel en omdat dat het geval is,
is er dat voortdurende elkaar benaderen van het vrouwelijke en het mannelijke.
Dit benaderen heeft dus op zichzelf niets met voortplanting en het in stand
houden van de soort te maken, het berust uitsluitend op het feit dat het
vrouwelijke en het mannelijke onafscheidelijk zijn. Het verlangen naar elkaar
werd door de Grieken uitgedrukt doormiddel van het beeld van Eros. De Romeinen
hebben er later Cupido van gemaakt en toen werd het vervormd tot een principe
dat mensen verliefd op elkaar maakt. Daarmee werd het een uitwendige
zaak, iets dat je van buitenaf en incidenteel overkomt. Eros echter geldt
permanent en inwendig, het is de ingeboren drang tot het verenigen van het
vrouwelijke en het mannelijke. De verhouding tussen het vrouwelijke en het
mannelijke is asymmetrisch. Je hebt niet te doen met twee gelijksoortige
grootheden die als het ware elkaars spiegelbeeld zijn en die ieder voor zich in
de ander opgaan, maar je hebt te doen met ongelijksoortige grootheden. Voor de
een geldt het geheel en voor de ander de inhoud, bij het een worden gaat het
mannelijke op in het vrouwelijke en verdwijnt daarin zonder een spoor na te
laten. Dat laatste is in de praktijk het geval bij de samengestelde organismen,
bij de cel op zichzelf en dus bij de oercel is er helemaal geen op zichzelf
staand mannelijk verschijnsel.
Maagd-1 Maagd-2 Maagd-3,
nrs. 141,142 en 143
No. 117
De voortplanting en de
seksualiteit hebben op zichzelf, als eigenaardigheid van het levende wezen,
niets met elkaar te maken. Maar de grondverhouding waaruit beide voortkomen is
wel dezelfde, namelijk de verhouding tussen het geheel en haar inhoud. In deze
asymmetrische verhouding staat het geheel voor de zaak zelf, dus in principe de
in zichzelf samenhangende levende cel en de inhoud voor de totaaltrilling. Voor
deze inhoud geldt het begrip verzameling en die is te benoemen met de term
mannelijk. De zaak zelf heet dan uiteraard vrouwelijk. Voor de oercel, die het
basisgegeven is voor alle organismen, geldt dat zij een inhoud heeft. Dat
betekent dat het mannelijke zonder meer haar inhoud is. Voor die inhoud geldt
dat het eigenlijk de buitenwereld is, en wel op zodanige wijze dat die
buitenwereld, voor zover die op zichzelf bestaat uit een verzameling
trillingen, als een totaaltrilling in de oercel aanwezig is. Deze factor laat
zich in de oercel gelden: de inhoud, de buitenwereld als totaaltrilling, gaat
zich telkens als een zelfstandige zaak manifesteren en wordt als het ware zelf
tot buitenwereld. Dat betekent dat de oercel zichzelf reproduceert en een
nieuwe cel voortbrengt. We hebben nu te doen met voortplanting. Als je deze
zaak nader beschouwt valt het op dat de voortplanting vooronderstelt dat het
mannelijke (de totaaltrilling, de verzameling) inhoud van het vrouwelijke (het
geheel) is. Dus niet dat het mannelijke al of niet inhoud wordt, maar dat het
inhoud is. Pas als dat het geval is en voor zover dat het geval is reproduceert
de oercel, dus het vrouwelijke, het geheel, zichzelf. Je hebt dus te doen met
een puur vrouwelijke aangelegenheid waarin het mannelijke geen enkele
zelfstandige rol speelt: het mannelijke is slechts de vanzelfsprekende inhoud
van het vrouwelijke en het manifesteert zich op geen enkele wijze. Die
verhouding blijft voortdurend gelden, ook als de oercel zich tot complexe
organismen ontwikkeld heeft. Bij de mens bijvoorbeeld is het louter en alleen
de eicel die tot een kind uitgroeit en dat is dus een proces dat zich in de
vrouw afspeelt zonder dat er ook maar van enige medewerking of invloed van de
man sprake is. Het gehele voortplantingsproces gaat buiten de man om. De mensen
vinden die gedachte doorgaans moeilijk te aanvaarden, omdat zij niet kunnen
laten allerlei sociale aspecten in de gedachtegang in te brengen. Op grond
daarvan vinden zij dat de voortplanting een zaak van beiden, de vrouw en de man
is. Op het sociale vlak is dat inderdaad de moderne opvatting, maar het gaat nu
uitsluitend om het proces van de voortplanting zelf, en dan geldt dit, dat de
man buiten de voortplanting staat en zelfs helemaal niet in staat is zich voort
te planten. Het herkennen van deze verhouding is ook cultureel gezien van
belang, in onze cultuur immers is het formeel nog steeds de man die zich
voortplant: de kinderen gelden als zijn kinderen en dragen zijn naam!
Naarmate de evolutie tot steeds meer complexe organismen voortschrijdt groeien die organismen op zo'n manier uiteen dat er organismen ontstaan die in het teken van het vrouwelijke staan en organismen die in het teken van het mannelijke staan. De organismen gaan zich specialiseren. Beschouwen wij dit proces op louter natuurlijke gronden, dan loopt dit tenslotte uit in de vrouw en de man. Nu echter komt de verhouding tussen het geheel en haar inhoud fundamenteel anders te liggen. Beide zijn nu niet meer ineen, maar beide zijn uiteen. Voor de voortplanting betekent dit dat de vrouw haar inhoud in zich op zal moeten nemen om tot voortplanting te kunnen komen. Het mannelijke zal zich dus in het vrouwelijke moeten begeven en zich daarin als inhoud moeten laten gelden. De zaadcel is dat mannelijke en dat nestelt zich in de eicel. Dat gebeurt op zodanige wijze dat het daarin geheel en al ondergaat: het verdwijnt spoorloos! De wetenschappers hebben inmiddels ontdekt dat het DNA van de zaadcel zich ve