Beweging en Verschijnsel (3) Het wordingsproces
Het
ontstaan van het Heelal / de Kosmos t/m Het Slotakkoord “DE MENS”
Hoorcolleges jaargang
1992/94
Naar
het begin en bladwijzers…
afstand,analyse,angst,arbeid
om den brode,arbeid,beschrijving van de werkelijkheid,bewustzijn,cultuur,de
continue schepping,de grote beweger,de maagd met het kind,de mens,de
mentaliteit van de mensen,de moderne mens,de sociaal democratie,de struggle for
life,de ware mens christus,de werkelijkheid,de zin van het leven,de zonde,de
zoon van de mens,doen alsof,du sollst van kant,ecologie,elementaire
deeltjes,ethiek,evangelie,evolutie,fascisme,filosoof,geest,geestelijk
wezen,gevoel,gevoelswereld, gewone mensen,gods zoon,heelal,het arbeidsproces,het
jachtige karakter van de moderne tijd,het jachtige leven,het koninkrijk
gods,het leven,het ontstaan van bouwstenen,het zien van de
werkelijkheid,hiernamaals,hoer,holisme,huwelijk, ideologie,ieder het zijne,ik
ben de waarheid en ik zeg de waarheid,ik ben de weg, de waarheid en het
leven,in het zweet uws aanschijns,individualisering,instinct,inzicht in de
werkelijkheid,islam,je werkt voor je brood,kant,kapitalisme,ken u
zelve,kosmos,kunstmatige intelligentie,liberalisme,liefde,maagd maria,macht,metafysica,
moraal,nazisme,new age,nihilisme,oercel,oerchristendom,oermens,oermoeder,
ongehoorzaamheid,orde,organisme,overleven,planeet,psyche, rechten van de
mens,rechtsgevoel,rechtvaardigheid, reincarnatie,relatie,religieuze
prostitutie,revolutie,robot denken,ruimhartigheid,ruimte,saamhorigheid,samenleven,
samenleving,seksualiteit,socialisme,tijl
uilenspiegel,twijfel,vandalisme,veiligheid,verhoudingen in de
werkelijkheid,verzorgen, verzorgende
arbeid,verzorging,vrijheid,waarheid,wereldbouwer,werken voor je brood,wie niet
werkt zal niet eten,wordingsproces,zelfbewustzijn,zoon van god.
Help mee om deze site te
promoten. Vertel het uw…!
(Adres
luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )
Naar bladwijzers …maar een met
geweld veilig gemaakte wereld is nog
altijd een onveilige wereld… ; Ken U zelve
; Het jachtige leven
(nummers 208t/m 210) ; existentialisme-2
; Produceren ; Een verzorgde wereld is pas een veilige wereld..! ; Existentialistische
filosofie ; Identiteit Loutering-1
; Louteringsproces-2 ; Arbeid ; Vrije tijd ; Manipuleren/op de mouw spelden Zie
ook: Filosofie
van de Hak op de Tak-2 ; zelfstandig denken ; Wie niet wil
werken zal niet eten ; Is
werken een aangename bezigheid? ; Hoer-1 ; hoer-2 Sport en winnaar ; religieuze prostitutie ; de ongelovige
moderne mens ; Materialistisch
; natuurrampen1
; natuurrampen2
; Astrologie-1,hoe zit
dat? ; Astrologie-2
; Mystiek zie: nos. 151 en 152 en Mystiek en Metafysica de nos. 214 en 215 ; verliefd ; De zin van het leven ; Maagd-1 nr. 170 en 171
; Maagd-2 nr. 195 ;
Armoede ; spanning ; wrijving ; Zelfmoord ; Profeten-1 ; Profeten-2 ; profeet ; Brein-1 ; vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; vervreemding-3 ; vervreemding-4 en vervreemding-5 ; verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; krijgsgevangene ; Psychiatrie ; De
samenleving is niet berekenbaar ; concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; ;concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; Welvaart
; Blokkade(zie
ook vanaf no. 200) ; Ziel
; Intellectuele
lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2 ; Overgang-1 ; Economische Groei ; Mein Kampf
; Terugkoppeling zie pagina’s 197-1, 198-2, 199-3, 200-4, 210-5, 212-6, 214-7, 215-8 ; Vervang de waarheid oftewel… en de schrik zit er voorlopig behoorlijk in. ; Eenzijdigheid-1
; Eenzijdigheid-2
; Sociaal
democratie ; Kennis
is Macht ; Gnosis ; Gnostiek ; Betrokkenheid-1
; Betrokkenheid-2
; Betrokkenheid-3
; Verzorgen /
Verzorging..? Vergeet het maar..!..of..? ( lees nos. 173 t/m 178 ) ; Universele Verklaringsprincipe-1
; Universele Verklaringsprincipe-2 ; Universele Verklaringsprincipe-3 ; Universele Verklaringsprincipe-4 ; Universele Verklaringsprincipe-5 ; Rechten van de Mens-1
; Rechten van de
Mens-2 ; Leraar-Leerling
; Geblokkeerde
Mensen ; Godsdienstige
Cultuur ; De
voorgeschreven waarheid moet men aanvaarden, aannemen..! ; Deeltjesversneller ; Mannelijkheid
; Moederschap
; Beleving-zie pag. 208 t/m 210 ; Hoofddoekje ; Nalatigheid ; Pasen ; Drie achtvoudige systemen ;
Naar artikelen met o.a. de bladwijzer : De zin van
het leven-Zie A , C ,
Datverfoeilijkeindividualismedvg248(derde vervolg ; de schijnbare tegenstelling individu-gemeenschap,
kapitalist-proletaar en liberaal-socialist) ; Verzorging / verzorgen.?
Vergeet het maar..! (zie bladwijzer) ; Veiligheid ; Het toenemend belang van het
Atheïsme ; Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van
de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en
het atheïsme ; De verdedigers van de
Godsdienst ; Waarom is de Islam als
godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ; Ongewenst atheïsme- zie
afl. 32 ; Een grens te ver (Israël) ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Hoe zit het nou met god ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie
aflevering 60 / 61 ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse
Wereld ..? zie no. 27 ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse
Wereld..? ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie
aflevering 60 / 61 : De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; Sjari’a De heilige wet-De Sjari’a ; Burqa, volg bladwijzer ; Economisch Denken–zie bladwijzers in “De ontwikkeling van
het Denken”, ; Economische denken ; het
is het economische denken dat als vanzelfsprekend bepalend is geworden voor het
beoordelen van het welzijn van de mensen en dus de kwaliteit van de
samenleving-zie afl. 21, ; Economische
groei, zie
De Ontwikkeling van de West Europese Cultuur, ; Economische groei, zie Identiteitscrises
vrijdenken, ; Economische
groei, zie
Nihilisme en Anarchisme als basis van het Atheisme, ; Economische machthebbers-zie nr. 57 ; Economische slavernij-zie nr. 18,
Naar artikelen met o.a. de bladwijzer : De zin van
het leven-Zie A , C ,
Naar: De ontwikkeling van het denken
Naar: De
ontwikkeling van de West Europese Cultuur
Naar: Beweging en Verschijnsel (deel 1)
Naar: beweging en Verschijnsel (deel 2)
BEWEGING EN VERSCHIJNSEL (deel 3)
Naar
bladwijzers …maar een met
geweld veilig gemaakte wereld is nog
altijd een onveilige wereld… ; Ken U zelve
; Het jachtige leven
(nummers 208t/m 210) ; existentialisme-2
; Existentialistische filosofie ; Identiteit
Loutering-1 ; Louteringsproces-2
; Verzorgen / Verzorging..? Vergeet het maar..!..of..? (
lees nos. 174 t/m 178 ) ; Arbeid ; Vrije tijd ; Manipuleren/op de mouw spelden Zie
ook: Filosofie
van de Hak op de Tak-2 ; zelfstandig denken ; Wie niet wil
werken zal niet eten ; Is werken een aangename bezigheid? ; Hoer-1 ; hoer-2 Sport en winnaar ; religieuze prostitutie ; de ongelovige
moderne mens ; Materialistisch
; natuurrampen1
; natuurrampen2
; Astrologie-1,hoe zit
dat? ; Astrologie-2
; Mystiek zie: nos. 151 en 152 en Mystiek en Metafysica de nos. 214 en 215 ; verliefd ; De zin van het leven ; Maagd-1 nr. 170 en 171
; Maagd-2 nr. 195 ;
Armoede ; spanning ; wrijving ; Zelfmoord ; Profeten-1 ; Profeten-2 ; profeet ; vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; vervreemding-3 ; vervreemding-4 en vervreemding-5 ; verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; krijgsgevangene ; Psychiatrie ; De
samenleving is niet berekenbaar ; concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; Welvaart ; Blokkade(zie ook vanaf no. 200) ; Ziel ; Intellectuele lafheid-1
; Intellectuele
lafheid-2
; Brein-1 ; Overgang-1 ; Economische Groei ; Mein Kampf
; Terugkoppeling zie pagina’s 197-1, 198-2, 199-3, 200-4, 210-5, 212-6, 214-7, 215-8 ; Vervang de waarheid oftewel… en de schrik zit er voorlopig behoorlijk in. ; Eenzijdigheid-1
; Eenzijdigheid-2
; Sociaal
democratie ; Kennis
is Macht ; Gnosis ; Gnostiek ; Betrokkenheid-1
; Betrokkenheid-2
; Betrokkenheid-3
; Universele Verklaringsprincipe-1 ; Universele Verklaringsprincipe-2 ; Universele Verklaringsprincipe-3 ; Universele Verklaringsprincipe-4 ; Universele Verklaringsprincipe-5 ; Rechten van de Mens-1
; Rechten van de
Mens-2 ; Leraar-Leerling
; Deeltjesversneller
; Geblokkeerde
Mensen ; Godsdienstige
Cultuur ; De
voorgeschreven waarheid moet men aanvaarden, aannemen..! ; Mannelijkheid
; Moederschap
; Beleving-zie pag. 208 t/m 210 ; Produceren ; Een verzorgde wereld is pas een veilige wereld..!
; Hoofddoekje ; Nalatigheid ; Pasen ; Drie achtvoudige systemen ;
Naar artikelen met o.a. de bladwijzer : De zin van
het leven-Zie A , C ,
Psyche,
zie ook vervolgens: Psyche-1
; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Mystiek
zie: nos. 151 en 152 en Mystiek en Metafysica de nos. 214 en 215 ;
Je kunt je afvragen hoe het mogelijk is dat de
werkelijkheid als zelfbewustzijn ondergaat in de werkelijkheid als
bewustzijn. Zo'n vraag echter is op zichzelf zinloos, het antwoord kan immers
alleen maar luiden: het kan gebeuren omdat het kan gebeuren. Hoewel de vraag
als zodanig zinloos is, is de gedachte dat iets kan omdat het kan niet zonder
meer onzinnig. Het is alleen wel zaak inhoud aan die gedachte te geven. Je kunt
je bijvoorbeeld afvragen hoe het kan dat er een concrete verschijnselenwereld
ontstaan is en dat die op dit moment op het Weena fietst of bezig is over zijn
eigen bestaan na te denken. Als je je dit afvraagt word je geconfronteerd met
twee aspecten van de zaak. Ten eerste dat van de mogelijkheid en ten tweede dat
van de feitelijkheid. Aan dat eerste aspect is nader inhoud te geven. Als je in
de gaten hebt dat de oerwerkelijkheid een zee van beweeglijkheden is en als je
begrijpt welke consequenties je af kunt leiden uit het feit dat een
beweeglijkheid volkomen onbepaald is - er is niets van te zeggen - dan
kun je inzien en beredeneren dat er uit die zaak iets voort kan komen en ook
dat er iets uit voort zal komen. Het bestaan van de mogelijkheid en daarmee het
eerste aspect van de vraag hoe kan dat is daarmee in feite duidelijk geworden.
Maar met het tweede aspect, dat van de feitelijkheid, ligt het geheel anders.
Niemand kan ooit nagaan waarom de hele zaak ergens en op een bepaald moment
begonnen is, niemand zal ooit weten wat er zich toen en daar afspeelde. De
vraag hoe kan dat is, als hij betrekking heeft op de genoemde feitelijkheid,
een zinloze vraag. Wordt hij toch gesteld, dan is het enige logisch
aanvaardbare antwoord: het kan omdat het kan. Volgens modern denken zijn
dergelijke vragen en antwoorden helemaal niet logisch. Dat is bijvoorbeeld ook
het geval met de vraag hoe een mens weten kan dat hij het laatste verschijnsel
is.
Het antwoord kan dan luiden dat hij dat weet omdat
hij het zegt. Gewoonlijk vindt men dan dat dit een arrogant en oncontroleerbaar
antwoord is en men vraagt smalend of de spreker soms de wijsheid in pacht
heeft. In feite echter is het niet arrogant, maar getuigend van zelfkennis en
bovendien is het heel wel controleerbaar, zij het niet proefondervindelijk. Wat
nu de mystieke
gebeurtenis betreft: het zelfbewustzijn kan, door een onvoorspelbare
feitelijkheid, oplossen in het bewustzijn. Dat betekent in feite dat de
werkelijkheid als bepaald complex van trillingen (de voorstelling: deze tafel,
deze boom, dit gebouw etc.) op kan lossen in de werkelijkheid als
allesomvattende trilling, welke wij kennen als de werkelijkheid naar haar
algemeenheid; voor ons: het begrip tafel, boom, gebouw. In deze allesomvattende
trilling zijn immers alle mogelijke bepaalde trillingen opgenomen. Op het
moment dat de bepaalde trilling oplost in de algemene wordt hij het
verschijnsel (tafel, boom, gebouw) naar zijn essentiële materiële vorm, en dat
is het verschijnsel als licht. Uit de moderne natuurkunde is bijvoorbeeld
bekend dat het verschijnsel licht zowel materieel als niet-materieel is: zowel
deeltje als golf. Bovendien beschouwt men de snelheid van het licht als een
absolute constante. Of dit laatste juist is staat niet helemaal vast; het is,
filosofisch gezien, uiterst onwaarschijnlijk, maar hoe dit ook zij, we hebben
natuurkundig min of meer te doen met datgene waartoe, in de grond van de zaak,
elk verschijnsel is terug te brengen. Als je iets terugbrengt stel je dat iets
naar zijn essentie, naar zijn wezen. Het verschijnsel, gesteld als deeltje en
golf (materie en niet-materie tegelijkertijd) en als absolute snelheid
(namelijk die van de bouwsteen) is het verschijnsel als licht of, zo je wilt,
als schijnsel.
Dat is, in het kort gezegd, het waarom van het
bestaan van mystiek.
Dat de mystiek bij
de een wel optreedt en bij de ander niet is afhankelijk van hoe het valt,
hoewel daarbij wel opgemerkt moet worden dat de aard van de cultuur hierin een
belangrijke, doorgaans belemmerende, rol speelt. Het bewustzijn op zichzelf is
op geen enkele wijze kenbaar. Het is immers de trilling in de materie, te
beginnen met de trilling ten opzichte van elkaar van de brandpunten A en C in
de bouwsteen A-B-C. Het is dus wel een zaak die bij de materie behoort, er niet
los van te denken is, maar die op zichzelf niet-materieel is, in de zin van
verhouding ten opzichte van elkaar. Je moet dus opletten dat je niet denkt aan
trilling van de materie, maar juist aan trilling in de materie. Kenbaar is het
bewustzijn langs twee indirecte wegen: 1e als datgene dat zich aan het
verschijnsel als voorstelling afspiegelt (de werkelijkheid achter de dingen,
waarop filosofie en kunst gericht zijn); 2e als gevoel, dat wil zeggen de
materie die mee is gaan trillen met het bewustzijn (de werkelijkheid als psyche). In de mystiek wordt ook het
bewustzijn op zichzelf niet ervaren, maar de materie die zich als bewustzijn
laat gelden, dat wil zeggen ondergaat in het bewustzijn en zich dan laat
ervaren als licht of schijnsel. Zoals hiervoor al opgemerkt is de zin of het
nut van de mystiek
een indirecte. De gebeurtenis zelf leidt niet tot vermeerdering van kennis.
Maar het feit dat je de werkelijkheid op een mystieke manier kunt ervaren kan voor iemand
aanleiding zijn eens op een andere manier tegen de werkelijkheid aan te gaan
kijken en er eens anders over te gaan denken. Het is dit laatste dat voor de
filosofie van belang is. Het kan er toe bijdragen dat de moderne filosofen hun
analytisch denken en hun platvloers positivisme (alleen het meetbare is waar)
gaan laten varen. Wat dit betreft moet je het wel van de mystiek verwachten want
er is geen andere weg waarlangs het moderne filosofische denken zichzelf kan
corrigeren.
Het psychische immers wordt als een
onwetenschappelijke gevoelswereld afgewezen en aan de werkelijkheid als beeld
zoals die zich aan de voorstelling af laat lezen wordt geen betekenis
toegekend, omdat men van mening is met een volstrekt subjectieve, en dus geen
algemene geldigheid bezittende, zaak van doen te hebben. Het oplossen van het
zelfbewuste, het oplossen van de werkelijkheid als voorstelling, gaat op
zichzelf buiten het denken om en het levert aan het denken ook geen enkele
informatie. Men kan er dus niets mee doen, maar men kan er ook niet omheen. Dat
wil zeggen: men wordt geconfronteerd met een realiteit die men niet kan
verklaren, maar die onmiskenbaar naar iets niet-materieels verwijst. Het
psychische meent men te kunnen begrijpen en evenzo het afspiegelen, maar met de
mystiek is
analytisch niets aan te vangen. Dat leidt op den duur tot het besef dat de
rationele benadering van de werkelijkheid niet voldoende is. Daardoor is men
genoodzaakt zijn filosofie over de gehele linie te herzien. Zo fungeert de mystiek voor de filosofie
als een verstorend element in het gangbare filosofische gedoe, terwijl zij
tegelijkertijd een bron van inspiratie is voor de creatieve filosofie die in de
moderne wereld tot een onderstroom geworden is. Uiteraard gaat het er niet om
het rationele te verwerpen. Het filosofische verhaal dient een rationeel verhaal
te zijn, want anders heeft het geen betekenis voor de filosoof zelf, noch voor
de andere mensen; het is voor hen niet verstaanbaar als het niet rationeel is.
Dat wat voor het verhaal geldt is echter van een geheel andere orde dan hetgeen
voor het filosoferen zelf, als zelfwerkzaamheid van de werkelijkheid in het
individu, geldt. Het filosoferen zelf is helemaal niet uitsluitend rationeel:
het is in beginsel beschouwend en als zodanig is het een kenproces dat
volstrekt afwijkt van het algemeen erkende.
Psyche, zie
ook vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Mystiek
;
Psyche, zie
ook vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; existentialisme-2
; Existentialistische filosofie ; vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; vervreemding-3 ; vervreemding-4 en vervreemding-5 ;
De mystiek kan geen vorm van filosofie zijn. Nog afgezien
van het feit dat filosofie in de grond van de zaak helemaal geen specificatie
verdraagt, in de zin van Humanistische filosofie, Existentialistische filosofie of
Postmoderne filosofie, is het een nog ernstiger fout om van mystieke filosofie
te spreken, zoals helaas hier en daar gebeurt. De mystiek is geen kennisbron,
je komt door haar niets aan de weet, maar wel kan zij een bron van inspiratie
zijn en voor de mens van de westerse cultuur zeker een aanzet tot anders
denken. Anders denken omdat de mystieke ervaring precies tegengesteld is aan de
gebruikelijke positivistische: in het eerste geval is de voorstelling opgelost
tot licht en in het tweede geval is hij juist zo concreet mogelijk en dus
donker en ondoorzichtig. Datgene dat aan de werkelijkheid als voorstelling af
te lezen valt en dat de enige mogelijkheid vormt om op een betrouwbare wijze
van de werkelijkheid kennis te nemen (iets aan de weet te komen), wordt door
het moderne denken afgewezen. Eigenlijk is deze uitspraak niet goed: afgewezen zijn
vooronderstelt dat iets bekend is, maar niet geaccepteerd wordt op grond van
een negatief waardeoordeel. Het aan de voorstelling afleesbare, de
werkelijkheid als beeld, is in feite echter niet afgewezen, maar volstrekt
onbekend. Men kent het langs die weg realiseerbare waarheidsgetrouwe aan de
weet komen helemaal niet! Dus van afwijzen kan geen sprake zijn. Vooral de
hedendaagse moderne mens is bezig met een wereld die volstrekt niet met de
werkelijkheid overeenkomt. Zijn wereld is met recht een en al verbeelding te
noemen en het dramatische daarbij is de omstandigheid dat die mens dat helemaal
niet weet.. . Gevolg is dat deze weg, een van de drie wegen om contact met de
werkelijkheid zelf te verkrijgen, afgesloten is.
Zoals al eerder gezegd is ook de psychische weg
afgesloten. Het moderne, op de werkelijkheid als geest gerichte en van het
lichamelijke afgewende, zelfbewustzijn laat niet toe dat het lichaam een
verklanking van het bewustzijn is. Het mag daarvan geen klankbodem zijn omdat
dit als onbetrouwbaar, onverklaarbaar en onredelijk gewaardeerd wordt: in
strijd dus met de berekenbare en voorspelbare en dus redelijke zelfbewuste
werkelijkheid. Het psychische is dus ook als weg naar de enige universele
waarheid afgesloten. Het onbekend zijn van de mystiek, het psychische en het beeld komt voor de
dag in het niet gelden van deze drie mogelijkheden om in verbinding met de
echte werkelijkheid te blijven. Men weet dus niet dat het mogelijkheden zijn en
men weet al helemaal niet dat het de enige mogelijkheden zijn. Allerlei
verschijnselen echter, die aan de aanwezigheid van genoemde drie mogelijkheden
meekomen, worden wel degelijk wetenschappelijk bestudeerd Immers, het niet tot
hun recht komen betekent niet dat die mogelijkheden er niet zouden zijn. Ze
zijn er altijd omdat ze een onvervreemdbare eigenaardigheid van het
verschijnsel mens zijn. Ondanks de verwaarlozing komen zij dus op de een of
andere manier voor de dag, maar dat is dan wel op een verwrongen manier! . En
die verwrongen verschijnselen, worden dan wetenschappelijk bestudeerd, zonder
dat men weet wat men aan het onderzoeken is. In de wetenschap van de
psychologie bijvoorbeeld bestudeert men allerlei verschijnselen die de mensen
vertonen, zonder te weten wat en hoe de werkelijkheid als psyche is en helaas weet
men zelfs niet eens dat men dat niet weet. Men kan de vraag stellen hoe de
filosoof zo eigenwijs komt om ervan overtuigd te zijn dat hij de bovengenoemde
zaken wel weet, of op zijn minst weten kan.
Als antwoord op die vraag het volgende: ten eerste
zal de (post-)moderne academische filosoof zich bescheiden opstellen en beweren
dat hij die dingen helemaal niet weet - enerzijds omdat hij de hedendaagse
filosofische mode van voorgewende onwetendheid volgt en anderzijds omdat hij
het echt niet weet en niet weten kan. Ten tweede echter zal de creatieve
filosoof antwoorden dat hij die zaken, desnoods min of meer globaal, inderdaad
weet vanwege het feit dat hij de werkelijkheid niet benadert door de
verschijnselen die hij aantreft te analyseren, maar door haar vanaf haar onbepaalde
begin (de beweeglijkheden) na te gaan tot aan haar einde. Daardoor weet hij wat
hij bij het laatste verschijnsel, de mens, verwachten kan. En doordat hij dat
weet begrijpt hij ook dat er van een heleboel zaken voorlopig niets terechtkomt
en hoe zich dat vertoont. Dit weten is niet aan de filosoof voorbehouden. Het
is inderdaad een feit dat deze zich op dit weten toelegt en probeert de
werkelijkheid zo genuanceerd mogelijk na te gaan en daarvan zo rationeel
mogelijk mededeling te doen. In zoverre is van de filosoof te zeggen dat hij
betrekkelijk nauwkeurig kan aangeven hoe het zit met allerlei ogenschijnlijk
vreemde verschijnselen die aan het menselijk leven meekomen. Maar het begrip
nagaan van de werkelijkheid houdt ook in dat dit intuitief, min of meer
gevoelsmatig en zonder de toespitsing van de filosoof, mogelijk is. Dat komt
doordat er geen analyse van de werkelijkheid (als voorstelling) nodig is om
toch in de gaten te hebben hoe het met de zaak gesteld is. Het gaat immers om
datgene dat zich afspiegelt aan de voorstelling! Hoe dan ook, langs de
analytische en dus moderne weg kun je niet weten dat je de verbinding met de
werkelijkheid verloren hebt en dat de vervreemding is ingetreden. Zo is er te zeggen
dat er in onze wereld van de liefde niets terechtgekomen is. Als je dan niet
weet hoe het zit veronderstel je dat er bedoeld wordt dat de mensen qua liefde
niet aan hun trekken kunnen komen en dat zij dus lijden onder een tekort. Dat
zou betekenen dat de liefde er niet of te weinig zou zijn, maar zoiets is
onmogelijk: liefde is niet in hoeveelheden uit te drukken.
Als voor de mensen het begrip liefde geldt, geldt
het altijd... de vraag is alleen wat er daarvan terechtkomt, in de zin van:
hoezeer wordt de zaak vervormd en tot iets anders gemaakt? Als je dit niet weet
meen je dat de verschillende verschijnselen die je in de praktijk bij de mensen
tegenkomt op zichzelf staan en als zodanig ga je ze dan onderzoeken, met als
gevolg dat je tenslotte helemaal niet meer weet wat je ervan moet denken. Op
het ogenblik kennen de mensen een onvoorstelbare hoeveelheid feiten op alle
mogelijke gebieden, maar zij weten doorgaans niet waarop die feiten betrekking
hebben. Er wordt bijvoorbeeld getwist over de vraag of de mensen aan elkaar
gelijk zijn of zouden moeten zijn. Bijna niemand heeft daarbij in de gaten dat
er twee antwoorden mogelijk zijn en dat die beide op een ander aspect van het
mens-zijn betrekking hebben: de mensen zijn (ja) aan elkaar gelijk voor zover
het gaat over hun onvoorwaardelijke recht er op hun eigen wijze te zijn, maar
zij zijn (nee) volstrekt niet aan elkaar gelijk voor zover het gaat over hun
persoonlijke geaardheid. Dat niet aan elkaar gelijk zijn echter houdt geen
waardeverschil in, zoals de cultuurmens maar al te graag wil geloven. Al
dergelijke zaken zijn betrekkelijk gemakkelijk te begrijpen als je de
werkelijkheid vanaf haar begin nagaat. Maar als je dat niet doet ben je
genoodzaakt datgene wat je aantreft te gaan onderzoeken. Dat leidt echter
onmogelijk tot inzicht in de werkelijkheid zelf, maar uiteraard wel in je eigen
voorstelling ervan. Helaas is dat nu eenmaal de werkelijkheid niet, althans: de
voorstelling laat een werkelijkheid zien die de echte niet is. Vaak komt er dan
ook nog bij dat de voorstelling volstrekt geen houvast biedt, zoals ik heb
laten zien bij de mystiek,
maar zoals bijvoorbeeld ook bij de psychologie het geval is.
Psyche, zie
ook vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; existentialisme-2
; Existentialistische filosofie ; Mystiek zie: nos. 151 en 152 en Mystiek en Metafysica de nos. 214 en 215 ; vervreemding-1
; vervreemding-2
; vervreemding-3
; vervreemding-4
en vervreemding-5
;
Niemand heeft zin om in een doolhof te leven en
almaar niet te weten waarheen de weg gaat en zelfs in twijfel te verkeren over
de vraag of er eigenlijk wel een uitweg uit de verwarring bestaat. Ieder mens
zoekt en vindt een wereldbeschouwing (essentieel) en dat wil zeggen dat een
ieder zich een zodanige voorstelling van de werkelijkheid eigen maakt dat
duidelijk wordt wat de zin van zijn leven is. ( de zin van het leven ) Dat
zich eigen maken van die voorstelling geschiedt doorgaans via conditionering, het
klakkeloos inprenten van algemeen aanvaarde opvattingen. Hoe dan ook, de vraag
is feitelijk niet of mensen de waarheid zoeken, maar de vraag is met
welke waarheid zij genoegen nemen (incidenteel) en wat dit betreft zou je
voortdurend stomverbaasd staan als je niet langs de weg van de creatieve
filosofie zou leren begrijpen waarom in de praktijk bij de mensen hun waarheid
is zoals ze is. Dat een mens niet zonder waarheid kan is niet, zoals vaak
gemeend wordt, gelegen in het feit dat hij kan denken - dat kunnen de dieren
ook - maar is hierin gelegen dat de mens het laatste verschijnsel is waartoe
het wordingsproces, en dus de werkelijkheid, komt. Als laatste verschijnsel is
de werkelijkheid ten volle voor de dag gekomen (zelfbewustzijn) en dus is dan,
om zo te zeggen, de vraag hoe is de werkelijkheid beantwoord: de werkelijkheid
is zoals de mens is. Vandaar dat de
Zoon van de mens in het Evangelie zeggen kan: Ik ben de weg, de
waarheid en het leven. En het schijnt dat Hegel een keer gezegd heeft: Ik ben
de waarheid en ik zeg de waarheid. Er zijn min of meer uitzonderlijke mensen
die geen genoegen nemen met de gangbare voorstelling van de waarheid. Die
mensen gaan dieper zoeken, maar komen dan tot de ontdekking dat het ze niet
goed gelukt de zaak helder te krijgen. Het behoort tot
het karakter van de westerse cultuur om over alles waardeoordelen uit te spreken en
bijgevolg dat niet goed gelukken als een mislukking te beschouwen. Wat telt is
datgene dat gelukt is, wat telt is bijvoorbeeld in de sport en in het algemeen
in het maatschappelijk leven de winnaar. Diegene die zover niet komt is
van minder waarde en dus in feite niet belangrijk. Zo denkt diegene die dieper
zoekt dat zijn streven tot mislukken gedoemd en dus waardeloos en
zinloos is, maar helaas heeft hij gewoonlijk niet in de gaten dat het niet gaat
om het al of niet gelukken, maar om het ermee bezig zijn. In de mensen die
dieper zoeken, die filosofisch creatief zijn, is de werkelijkheid die zichzelf
voor zichzelf wil verhelderen werkzaam zonder gehinderd te worden. Als zodanig
is de werkelijkheid zoals ze logischerwijs in en voor de mens zijn moet. In dit
verband heeft het zin om op te merken dat het aanleggen van waardeoordelen,
zoals dat in de westerse moderne cultuur gebruikelijk is, een beletsel is voor
het ontsnappen uit de doolhof van hedendaagse waarheden in het algemeen, en
voor de creatieve filosofie in het bijzonder. Als voorbeeld: als
vanzelfsprekend wordt het ontbinden van een huwelijk als een treurige zaak
beschouwd, treurig omdat de zaak mislukt is. Dat mislukt zijn is gefundeerd op
een waardeoordeel: uit elkaar gaan van mensen is van minder waarde dan bij
elkaar blijven - wat god verbonden heeft zal de mens niet scheiden. Dit
waardeoordeel staat het helder nadenken over uit elkaar gaan en bij elkaar
blijven volstrekt in de weg. Bijgevolg is het eerste negatief en het tweede
positief. Het waardeoordeel is de vertroebelende factor en dit verschijnsel is
bij alle mogelijke discussies duidelijk waar te nemen. De westerse mens vindt
dat hij zich streng bij de feiten houdt en dat alleen die bij de beoordeling
van zaken mogen meespelen, maar in de praktijk blijken zijn waardeoordelen de
maat te zijn.
Het feit dat bovenbedoelde mensen kennis nemen van
het filosofische verhaal van anderen en zich min of meer daardoor laten leiden
is geen teken van zwakheid, maar daarentegen juist van de wil om tot helderheid
te komen, en dat niet door zichzelf een andere waarheid te laten inprenten,
maar door zichzelf qua zelfbewustzijn en voorstelling in beweging te laten
brengen, zodat langs die weg met het zelfstandig nagaan van de werkelijkheid
meegedaan kan worden. Dat meedoen met het nagaan van de werkelijkheid heeft
niets te maken met een leraar-leerling verhouding. Zo'n
verhouding geldt inderdaad in alle gevallen, behalve in het geval van de creatieve
filosofie. Je kunt je afvragen waarom het gaat in de creatieve filosofie.
Tegenwoordig wordt een dergelijke vraag opgevat als betrekking hebbende op de
thema's waarmee de filosoof, in dit geval de academische, zich bezig houdt. Het
antwoord kan dan toch nog tamelijk moeilijk te vinden zijn: dat het uitzoeken
hoe een viertaktmotor werkt geen filosofische thema vormt is niet zo moeilijk
te bedenken, maar hoe zit het met de taal, en, moeilijker nog, met de wiskunde?
Enkele Angelsaksische filosofen, zoals Alfred Jules Ayer (1910-1989) en
Bertrand Russell (1872-1970) schijnen van mening te zijn geweest dat vooral de
wiskunde als fundament voor de filosofie fungeert. Zij dachten hierbij
uiteraard aan het streng logische karakter van de wiskunde. Dit laatste was ook
voor Spinoza aanleiding om zijn Ethica in een wiskundige vorm te gieten,
althans, dat dacht hij. ! Ook Descartes zocht naar een wiskundige methodiek en
een wiskundige vorm. Waarom het gaat in de filosofie is niet een vraag naar de
thema's, maar naar de werkzaamheid van de werkelijkheid zelf, zoals die in de
mens plaatsvindt. Welnu, zoals ik al eerder besproken heb, gaat het er in de
eerste plaats om het filosoferen in jezelf zijn gang te laten gaan. Ten tweede
gaat het er om er achter te komen wat er gebeurt als het werkzaam is. Die
werkzaamheid is dan deze dat je in jezelf nagaat hoe de werkelijkheid is. Dat
doe je door uit te zoeken wat zich aan het in de voorstelling aanwezige
verschijnsel afspiegelt. Dat zich afspiegelende is een samenhangende werkelijkheid
en nu is het in de filosofie de kunst de samenhangen na te gaan. Daarbij dient
de voorstelling slechts als een soort van hulpmiddel: alleen daaraan kan de
werkelijkheid als beeld zich afspiegelen.
Maar het gaat niet om die voorstelling, het gaat
uiteraard om datgene dat zich afspiegelt, net zoals het bij Rembrandt niet om
Hendrikje Stoffels gaat bij een portret van haar, maar om het psychisch
vrouwelijke van de werkelijkheid. De wetenschap houdt zich wel met de
voorstelling bezig en ook in het leven van alledag speelt de voorstelling een
dominante rol. De bekende vastgelegde verbindingen worden in het alledaagse
robot denken automatisch gevolgd, wat maar goed is ook, want je kunt niet elke
keer gaan nadenken hoe je thee moet zetten. En in de wetenschap zoekt men de onbekende
vastgelegde verbindingen uit. Steeds heeft de zaak met kennis te maken. Maar in
de filosofie gaat het niet om vastgelegde verbindingen, maar om beweeglijke
samenhangen die als zodanig niet tot de voorstelling behoren, maar tot het
beeld. Omdat het in de filosofie niet om verbindingen uit de voorstelling gaat,
is de kennis niet essentieel en dus behoeft niemand haar ter beschikking te
hebben. Een heldere kijk op de voorstelling is echter wel essentieel, maar dat
is iets anders dan een hoeveelheid kennis. Dat laatste berust immers op een
ontlede voorstelling! Dank zij die heldere kijk kan het zich afspiegelen tot
haar recht komen. Als kennis geen vereiste is, is er aan de filosofie ook geen
leerproces voorondersteld en dat houdt op zijn beurt in dat er van overdragen
van kennis geen sprake kan zijn. Omdat er in de filosofie niets overgedragen
wordt is er ook niet van een leraar-leerling
verhouding te spreken.
Profeten-1 ; Profeten-2 ; profeet ; verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; Betrokkenheid-1 ; Betrokkenheid-2 ; Betrokkenheid-3 ;
Voor de mensen van onze moderne cultuur is het niet
goed te begrijpen dat je elkaar zaken duidelijk kunt maken zonder daarbij
concrete kennis over te dragen. Zo langzamerhand zijn de hedendaagse mensen
zover gekomen dat zij hun voorstelling van de werkelijkheid nauwelijks meer
opbouwen met behulp van directe ervaringen van hun eigen wereld, maar
doormiddel van indirecte. Dat wil zeggen dat zij gevormd worden door de, in
bepaalde wetenschappelijke vormen gegoten, ervaringen van anderen. Anders
gezegd: zij worden qua voorstelling van de werkelijkheid en dus qua
wereldbeschouwing gevormd door het boekje. Het opbouwen van de voorstelling is
dus vrijwel uitsluitend een zaak van concrete, bijeengevoegde en gerubriceerde
kennis geworden en daarbij behoort het overdragen daarvan aan anderen. Je kunt
stellen dat wij nagenoeg alles hebben van horen zeggen. Die
overdraagbare en overgedragen kennis behoort niet tot het gebied van de
werkelijkheid als ervaring, maar tot het gebied van de werkelijkheid als
leerproduct. Het is immers een product van een leerproces! Als leerproduct is
niet langer te spreken van onze eigen wereld als inhoud van het zelfbewustzijn,
maar wezenlijk de wereld van anderen, en daarvan kan bovendien gezegd worden
dat die, a) ons fundamenteel vreemd is en b) dat die niet uit
directe ervaringen, maar uit theoretische interpretaties van een versnipperde
werkelijkheid bestaat. Als voorbeeld kun je denken aan het sociale gedrag van
de mensen. Vroeger handelde men naar bevind van zaken en hielp elkaar op grond
daarvan in alle mogelijke noodgevallen. Inderdaad was dat in niet geringe mate
noodzakelijk vanwege de armoede, maar waarom het gaat is dat er een niet te
ontkennen sociale saamhorigheid was. Thans echter zijn er sociale diensten met
speciaal opgeleide deskundigen, die vanuit theoretische modellen handelen en
die telkens tot hun schrik moeten ontdekken dat hun arbeid en betrokkenheid
nauwelijks resultaat hebben. Daar komt nog bij dat er geen sociale
saamhorigheid meer is. Veel van die deskundigen vluchten dan ook in het
onderwijs: zij gaan de door hen verworven theoretische kennis overdragen aan
een volgende generatie deskundigen. Er is dus een geheel nieuwe menselijke
realiteit ontstaan: de werkelijkheid op de wijze van theoretische kennis. Dat
is in de praktijk van ons leven een van ons vervreemde wereld.
De denkers uit de vorige eeuw, staande in het
teken van de
Verlichting, hebben nooit kunnen denken dat de vermeerdering van
kennis niet tot een beter begrepen werkelijkheid zou leiden, maar juist tot een
bijna fatale verwarring... Al deze dingen gelden niet voor de filosofie. Dat
vindt zijn oorzaak in het feit dat het in de filosofie niet om de voorstelling,
en dus ook niet om de kennis, gaat. Zoals al telkens gezegd gaat het om datgene
dat zich aan de voorstelling afspiegelt. Dit luistert zo nauw dat het bezit van
kennis gemakkelijk tot een verstoring van het filosoferen kan leiden. Dat komt
enerzijds doordat de voorstelling als theoretische kennis betrekking heeft op
een van ons vervreemde realiteit, zoals hierboven besproken, en anderzijds
doordat een eigenaardigheid van kennis is dat zij heel overtuigend, maar ten
onrechte, suggereert op waarheid te berusten. Het aflezen van de werkelijkheid
als beeld aan de voorstelling is niet te leren op grond van kennisoverdracht.
Wel echter kan dat aflezen zich ontwikkelen, een proces dat buiten je wil
omgaat en dat op zichzelf niet te beïnvloeden is. Toch is er voor dat aflezen
iets nodig, namelijk een qua voorstelling zo helder mogelijke kijk op de
werkelijkheid. Je kunt ook zeggen: een zo realistisch mogelijke kijk op de
wereld.
Een dergelijke kijk is logischerwijs niet
behoudend, in de zin van eenmaal verworven en voortaan onveranderlijk geldig.
Een realistische kijk houdt een openstaan voor allerlei gebeurtenissen in en,
op grond daarvan, een veranderlijke reactie op die gebeurtenissen. Een kijk die
niet meegaat met de realiteit kan onmogelijk helder genoemd worden. Zo'n kijk
is juist duister en ondoordringbaar. Van iets dat zich daaraan afspiegelt kan
dan geen sprake zijn. Die kijk mag niet onderworpen zijn aan een waardeoordeel.
Dat is doorgaans niet zo gemakkelijk te begrijpen, juist omdat onze moderne
cultuur van waardeoordelen aaneenhangt. Zo'n oordeel, of het nu positief dan
wel negatief uitvalt, vertroebelt bij voorbaat de helderheid van de zaak. Een
heldere of realistische kijk is dus niet per se nobel of edelmoedig,
intelligent of zelfs filosofisch, kortom: ethisch. Dergelijke waardeoordelen
zijn in principe tijdelijk en plaatselijk en als zodanig vertekenen zij al bij
voorbaat de realiteit. Zelfs een misdadiger kan een realistische kijk op de
wereld hebben en op grond daarvan handelen, bijvoorbeeld door gebruik te maken
van de tomeloze hebzucht van de mensen. Uiteraard gaat het er nu niet om het
gedrag van misdadigers te verdedigen, maar het gaat er om duidelijk te maken
dat een realistische of heldere kijk het gelden van waardeoordelen uitsluit.
Eenvoudig gezegd: het zo getrouw mogelijk afspiegelen van de werkelijkheid als
beeld vooronderstelt een reële, zo gering mogelijk vertekende en zo weinig
mogelijk door de conventies bepaalde, voorstelling. Een dergelijke voorstelling
heeft iets kinderlijks en hij leidt dan ook telkens tot verwondering. Je kunt
je er over verwonderen dat bijvoorbeeld sommige mensen het recht hebben om
wapenen te dragen en te gebruiken en anderen daarentegen niet, of dat er een
élite is die medemensen, zij het na een gedegen proces, van hun vrijheid mag
beroven of zelfs mag doden, terwijl verder niemand dat mag. Natuurlijk, een
historische verklaring is gemakkelijk gegeven en een politieke, juridische of
psychologische ook. Maar zo'n verklaring licht alleen maar toe hoe het gekomen
is, maar niet waarom het is zoals het is. Het zich verwonderen over van alles
en nog wat, maar in ieder geval over zaken die door het gros van de mensen voor
normaal gehouden worden, is typerend voor de mens met een realistische kijk op
zijn wereld. Iemand met een dergelijke, door vroegere denkers wel eens
kinderlijk genoemde, kijk op de wereld heeft gegarandeerd een sterk
doorstralen, oftewel afspiegelen van het beeld. Maar dat wil nog niet zonder
meer zeggen dat zo iemand zich op de filosofie zal toeleggen, maar zeker is in
elk geval dat je te doen zult hebben met iemand die zich geen ficties aan laat
praten...
Het zich afspiegelen van het beeld aan de
voorstelling kan uiteraard alleen maar dan plaatsvinden als er ook een
voorstelling is. De betekenis van dingen in een kamer is alleen maar dan te
achterhalen als er in die kamer iets te zien is, en er is iets te zien als het
in die kamer licht is. In een donkere kamer is niets te zien en er is niets dat
blijk geeft van enige betekenis. Het is wat dit betreft precies als met de
mensheid aan het einde van de oudheid: langzaam maar zeker was de realiteit
voor de mensen helder zichtbaar geworden (de tijd van de zieners, de profeten
en dergelijke) en nu kon het aflezen beginnen. Dat leidde onmiddellijk over de
gehele wereld tot een opbloei van de kunst, het wetenschappelijke en het
religieuze denken en de filosofie. Voor de goede orde: de realistische en
heldere kijk op de wereld is niet mogelijk zonder het laten gelden van het
instorten en zich weer samenstellen van de voorstelling, overeenkomstig het
begrip niet-materie, oftewel geest. Het doorstralen is mogelijk dank zij het
instorten, maar het betrekt zich op het er zijn van de samengestelde concrete
voorstelling. De twijfel is een gevolg van het doorstralen, niet van het
instorten. De twijfel is immers het zich laten gelden van het feit dat iets ook
anders kan zijn.
Profeten-1 ; Profeten-2 ; profeet ; verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; Betrokkenheid-1 ; Betrokkenheid-2 ; Betrokkenheid-3 ;
No. 155
Als je de waarheid wilt leren kennen, de waarheid
van alle dag of de daarmee wezenlijk identieke filosofische waarheid, dan is
het zaak attent te zijn op datgene dat zich aan de voorstelling (van jouw eigen
wereld) afspiegelt, of, anders gezegd: datgene dat doorstraalt door de
voorstelling. Hierover heb ik het al vaak gehad. Dit gegeven echter
vooronderstelt een realistische voorstelling die bovendien helder en duidelijk
is. De kwaliteit ervan bepaalt de mate waarin doorstraling of afspiegeling kan
plaatsvinden. Dat is overigens ook in de kunst het geval en dat ligt in de
logica, want de kunst is er immers op gericht de zich afspiegelende
werkelijkheid van het bewustzijn (beeld) tot uitdrukking te brengen! Een domme
of gebrekkige voorstelling levert qua afspiegeling een treurig resultaat op. Nu
kun je uit gaan zoeken welke varianten er mogelijk zijn van zo'n voorstelling,
maar dat is meer een taak voor de psychologie. Voor de filosofie is het
voldoende te weten dat hij dom en gebrekkig kan zijn en dat dit kan berusten op
een tweetal hoofdoorzaken. De werkelijkheid van het bewustzijn, die op grond
van dat afspiegelen de werkelijkheid als beeld oplevert, is op zichzelf een onaantastbare
zaak. Er zijn dus geen gradaties in het zich afspiegelende, maar wel is het de
vraag in hoeverre die zaak (kwantitatief) belemmerd wordt door de domheid of
gebrekkigheid van de voorstelling. Dat belemmeren kan heel ver gaan, zover
zelfs dat er van de echte werkelijkheid nauwelijks iets over blijft en zo
ongeveer alles in een waan bevangen is. Inmiddels mag duidelijk zijn dat er aan
dat afspiegelen (of doorstralen) niets te oefenen valt, maar ook dat de
kwaliteit van de voorstelling wel enigszins te verbeteren is. Iemand kan zich
er min of meer op toeleggen zijn wereld scherper in de gaten te houden en ook
kunnen de omstandigheden er aanleiding toe geven. De voorstelling immers is
inhoud van de werkelijkheid als zelfbewustzijn en omdat dit de materie als
niet-materie is kan er aan deze stoffelijke zaak iets gedaan worden. De vraag
waarom de een dit inderdaad doet en de ander niet laat ik nu buiten
beschouwing... Zoals gezegd kan de voorstelling zowel dom als gebrekkig zijn.
Wat het eerste betreft: van een domme voorstelling kan gesproken worden als hij
beter had kunnen zijn; de betreffende persoon had beter kunnen weten, maar de
conditioneringen vanuit de voor hem geldende cultuur zijn zo succesvol geweest
dat hij aan beter weten helemaal niet toe kon komen.
Dergelijke conditioneringen brengen in iemand
teweeg dat hij niet op zoek gaat naar alternatieven omdat hij in de waan
verkeert, dat de hem ingeprente waarheden inderdaad op waarheid berusten. Van
de tweede mogelijkheid is te zeggen dat de gebrekkigheid buiten iemands
invloedssfeer valt: iemand kan namelijk lichamelijk niet helemaal in orde zijn,
al of niet tengevolge van erfelijkheid of frustrerende ervaringen. Men
beschouwt dat gewoonlijk ten onrechte als iets geestelijks en bijgevolg spreekt
men van geestelijk gehandicapt. Maar ook kan de gebrekkigheid berusten op de
onvermijdelijke situatie dat iets nog helemaal niet bekend is, dus nog niet in
de voorstelling opgenomen kan zijn. In beide gevallen, namelijk bij domheid en
gebrekkigheid, kan er van het doorstralen of afspiegelen maar weinig
terechtkomen. Het spreekt vanzelf dat het afspiegelen en doorstralen alleen
maar plaats kan vinden aan de voorstelling voor zover het moment opgebouwd-zijn
of vastgesteld-zijn aan de orde is. De voorstelling naar het moment
ingestort-zijn kan niets afspiegelen en laat trouwens helemaal niets zien of
ervaren.
Het afspiegelen en doorstralen - wat in feite
hetzelfde is - is dus qua gebeurtenis afhankelijk van het er-zijn van de
voorstelling, maar de mogelijkheid van afspiegelen en doorstralen berust op het
al eerder besproken dubbele aspect van het bestaan van de voorstelling: voor
dat bestaan geldt een er-zijn (vastgesteld, opgebouwd) dat tegelijkertijd een
er niet-zijn is (geest oftewel de beweeglijkheden weer absoluut op zichzelf).
Juist op grond van deze tijdloze en onmiddellijke afwisseling kan er een
werkelijkheid achter de voorstelling zichtbaar worden. Het twijfelen, dat de
oorsprong van alle kennis en wijsheid is kan uiteraard niet betrekking hebben
op de voorstelling voor zover die ingestort is. De twijfel slaat dus op de
vastgestelde voorstelling, maar niet op het zich afspiegelen van de
werkelijkheid als beeld. Het is dan ook op te merken dat slechts weinig mensen
door datgene dat zich afspiegelt aan het twijfelen slaan. Bijna iedereen drukt
de zaak zo vlug mogelijk weg in zichzelf, doormiddel van fraaie
rationalisaties. Men luistert niet naar zijn geweten. Soms evenwel is die
doorstralende zaak te krachtig en dan raakt iemand in verwarring zonder er het
belangrijke van in te zien. Wegdrukken of in verwarring raken, in beide
gevallen veroordeelt men de twijfel en probeert hem weg te werken, terwijl, men
tegelijkertijd houvast zoekt bij het vastgelegde. Het doorstralen en
afspiegelen geschiedt als het ware door de voorstelling heen en dat is mogelijk
omdat hij afwisselend gesteld is en instort. Het is dus een zaak van de
werkelijkheid als beeld (of bewustzijn). De twijfel echter is een zaak van de
voorstelling, namelijk voor zover die ook anders kan zijn. Twijfelend vraagt
men zich dus af of de voorstelling wel juist is en eventueel anders moet zijn.
Intussen ligt daar nog steeds de vraag wat nu een realistische voorstelling is.
Welnu, zo'n voorstelling of kijk op de praktisch aanwezige werkelijkheid
(realiteit) ontstaat door de verwondering. Het begrip verwondering geldt als je
voortdurend zaken, opvallen omdat ze niet te begrijpen zijn als resultaat van
de processen in en van de werkelijkheid. Bijvoorbeeld: een man met een
goudgerande pet op en een pistool aan de riem is wel een onvermijdelijk verschijnsel
in de realiteit, maar is niet datgene waarin het wordingsproces en de evolutie
uitlopen. Anders gezegd: de cultuurverschijnselen behoren tot een realiteit (ze
zijn er) die onze verwondering wekt omdat de werkelijkheid zelf daarin niet
uitloopt. Zij kunnen meekomen aan het denken van de mens, maar behoeven dat
niet per se te doen. Is dat echter wel het geval, dan zijn zij verwonderlijk en
door het optreden van die verwondering komt men tot een realistische kijk, een
kijk namelijk waarin het cultureel incidentele wel verdisconteerd is, maar niet
als essentieel wordt gezien. Dus: ervan op de hoogte zijn dat sommige mensen
petten en wapenen dragen en tegelijk weten dat zo de mens niet is.
Vaak wordt het zo voorgesteld dat al die
verwonderlijke dingen terug te voeren zijn tot de menselijke natuur die dan
tevens op de een of andere manier dierlijk, stammende uit de dierenwereld, zou
zijn. Maar de verwonderlijke dingen zijn daartoe helemaal niet terug te voeren,
zij komen voort uit de cultuur, uit het denken van de mensen en zij zijn inhoud
van zijn zelfbewustzijn. In feite komt er niets voort uit de dierenwereld omdat
de mens die wereld ten einde is
en zo op geen enkele wijze gebonden is aan een natuurlijk gedragsprogramma.
Uiteraard geldt er voor de mens een biologisch programma, zoals het kloppen van
zijn hart en dergelijke. Als je veronderstelt dat de mens wel een natuurlijk
gedragsprogramma heeft, dan zou dat noodzakelijk een allesomvattend programma
moeten zijn vanwege het feit dat de mens als laatste voor de dag gekomen is.
Dat zou betekenen dat de mens, meer dan welk dier dan ook, gebonden zou zijn
aan dat programma, maar ook zou dat betekenen dat hij onmogelijk met iets
nieuws kan komen. Opvallend aan de mens is echter dat hij steeds met nieuwe dingen
komt.
No. 156
Een realistische kijk op de wereld als
voorstelling berust op de verwondering. De filosoof Plato (427-347 v.o. j.) had
het destijds al over de verwondering of de verbazing in verband met het feit
dat je nooit iets aan de weet komt als er primair niet iets is dat je opvalt.
Datgene dat opvalt is de aanzet tot onderzoek en nadenken. Deze platonische
verwondering betreft het gehele terrein van de werkelijkheid, maar in feite
ligt de nadruk wel op het wetenschappelijke onderzoek van de werkelijkheid. Er
is echter nog een andere mogelijkheid wat betreft het begrip verwondering en
hierover gaat het als ik dit begrip als basis van een realistische kijk op de
persoonlijke wereld (voorstelling) naar voren haal. Doorgaans wordt het begrip
verwondering toegepast op de werkelijkheid zelf, de platonische opvatting dus.
Het is dan echter niet zozeer een aanzet tot onderzoek als wel een
waardeoordeel: men is onder de indruk van de schoonheid van het heelal of het
levende organisme of iets dergelijks. Vaak is er zelfs van enige eerbied of
ontzag te spreken die niet geheel vrij is van religiositeit. En in ieder geval
kun je vaststellen dat diegene die zich almaar zo verwondert er, terecht of ten
onrechte, blijk van geeft van dat “wondere” heelal of organisme weinig te
begrijpen. De wonderlijkheid verdwijnt dan ook op het moment dat men
achterhaald heeft hoe iets in elkaar steekt. Zo verwondert men zich erover dat
op de planeet leven ontstaan is, maar eigenlijk is daar niets verwonderlijks
aan, zeker niet als je de zaak filosofisch nagaat. De platonische verwondering
als aanzet tot onderzoek leidt als het goed is tot kennis van zaken. Deze
kennis echter, die in feite wetenschappelijke kennis is, kan helemaal geen
realistische kijk opleveren. De wetenschappelijke werkelijkheid is immers
volstrekt niet identiek aan de realiteit, maar is een (abstracte) analyse van
de gemiddelde, gangbare voorstellingen van de mensen. Hierop heb ik al steeds
gewezen. Bedoelde verwondering, zowel in de zin van ontzag voor als in de zin
van aanzet tot is op zichzelf best in orde, maar is niet waarom het gaat bij
het verkrijgen van een realistische kijk op de wereld. Zo'n kijk heeft
natuurlijk betrekking op de individuele voorstelling, maar dan niet die welke
door de cultuur bepaald is en dus ook niet de wetenschappelijk theoretische.
Het gaat daarentegen om de individuele voorstelling, voor zover die, hoewel in
feite slechts een bepaald gedeelte van de gehele werkelijkheid omvattende, niet
in een waan bevangen is. Waarop ik derhalve doel is de culturele verwondering,
dat wil zeggen: het er over verbaasd staan hoezeer mensen enerzijds afwijken
van het karakter en de verhoudingen van de werkelijkheid en anderzijds daarmee
almaar hardnekkig doorgaan.
In het kort gezegd: het verbaasd staan over de
dwaasheid van de mensen. Die dwaasheid valt aan het gros van de mensen niet of
nauwelijks op omdat de zaak cultureel bepaald is. Men vindt het normaal dat er
een idioot in een lang gewaad en met een puntsteek op het hoofd rondloopt,
bewerende dat hij de plaatsvervanger van Christus is. Men vindt het normaal dat
bepaalde mannen zich behangen met blikjes aan gekleurde lintjes, zich bewapenen
en vervolgens in rijen van drie gaan lopen gewichtig wezen - als zij al niet
met schandelijker zaken bezig zijn. En zo zijn er tal van voorbeelden van
dwaasheden die slechts aan enkelen als zodanig opvallen en verbazing wekken.
Waarom het nu gaat is dus de afwijking van de werkelijkheid en haar
verhoudingen. De in de platonische zin verwondering wekkende natuurverschijnselen
zijn uiteraard geen afwijkingen van de werkelijkheid, maar blinde vlekken in
onze eigen voorstelling. Het zijn zaken die nodig eens onderzocht moeten
worden. Bij de mensen echter komen wel tal van afwijkingen van de werkelijke
verhoudingen voor en die zijn het die een realistische kijk in de weg staan en
daarmee natuurlijk ook een effectief doorstralen en afspiegelen van de, ware,
werkelijkheid verhinderen. Overigens is de mens wel het enige verschijnsel dat
af kan wijken: hij is immers het laatste verschijnsel waarvoor bijgevolg geldt
dat alles in hem ontkend is. De natuurlijke (=de procesmatige, de geworden)
verhoudingen zijn in hem ontkend aanwezig. Zolang hij daarmee vooralsnog geen
raad weet gaat hij met hartstocht zijn gehele natuurlijkheid afschaffen, om
zich op die manier om te beginnen een cultuur aan te meten, die hem vervolgens
gaat overheersen en hem en zijn medemensen de maat gaat stellen. Het zijn de,
uit het als de maat stellen van culturele wanen voortvloeiende, waarden en
normen, handelingen en rituelen, waardeoordelen en opvattingen die van de
mensen dwazen maken. Die dwaasheid komt dus niet voort, zoals veelal gedacht
wordt, uit het nog niet overwonnen zijn van het beest in de mens en dus het
natuurlijke, maar daarentegen uit het tegenovergestelde, namelijk de cultuur en
het daarbij behorende robot denken. Het opmerkelijke van deze zaak is dat de
mensen beter zouden kunnen weten.
Het afspiegelen aan de voorstelling namelijk wijst
de weg naar de werkelijke verhoudingen en dat is door alle tijden heen het
geval: er is wel een realistische kijk op de voorstelling nodig, maar het doet
er niet toe wat die voorstelling is, of op welke tijd hij betrekking heeft. Die
realistische kijk is dus altijd mogelijk, ongeacht het tijdperk waarin men leeft.
Op grond hiervan kun je stellen dat de mensen steeds beter zouden kunnen weten.
Het hoe van de werkelijkheid is te achterhalen ongeacht de tijd waarin men
leeft, of het nu over de oermens gaat, de oude Griek, de Pygmee of de moderne
mens. Er zijn dan ook steeds begaafde enkelingen geweest die de mensen op hun
dwaasheden gewezen hebben. Terzijde: een algemeen gebrek aan kennis kan
logischerwijs geen dwaasheid genoemd worden omdat de kennis (wat is de
werkelijkheid) wel degelijk tijdgebonden is. Zoals gezegd is het de afwijking
die verbazing wekt, maar ook filosofisch kun je stellen dat je kunt leren
begrijpen waarom de mensen afwijken zodat er niets meer te verwonderen valt.
Toch is dit laatste wel het geval omdat er nog een factor meespeelt, namelijk het
feit dat de mensen aan de gang blijven met hun dwaasheden. Dit aan de gang
blijven is vooral een kwestie van in stand houden, uiteraard om eigen belangen
te dienen. Zo kun je je er in hoge mate over verwonderen dat er nu weer mensen
bezig zijn oorlog te voeren, elkaars huizen in puin te schieten en elkaar
zoveel mogelijk uit te roeien. En je kunt je erover verwonderen dat er nog
steeds mensen zijn die het heil van een of andere ideologie verwachten, of
mensen die zich vanuit een fundamentalistische godsdienst laten ringeloren.
Voor de volwassen mens geldt dat allemaal niet
meer. Hij begrijpt dat de ontkenning van het natuurlijke niet een afschaffen
daarvan betekent met tegelijkertijd een instellen van een aantal buiten alle
verhoudingen liggende instituties, maar een zich onafhankelijk maken van het
natuurlijke, juist door het optimaal tot haar recht te laten komen. Wanneer het
natuurlijke er is en gelden kan naar haar eigen wezen is de basis van de mens
en zijn leven op de planeet in orde. Daarmee is hij inderdaad de van niets
afhankelijke geworden, dat wil zeggen: de zelfstandige mens. Deze mens schaft
geen enkele van zijn tijdens zijn periode van dwaasheid ontwikkelde,
verworvenheden af, maar gebruikt deze zinvol. Al die moderne
afschaffings-theorieën zijn onzinnig en voor een belangrijk deel berusten zij
op onbewuste overblijfselen van de christelijke godsdienst: hier beneden is het
niet, en bij brood alleen zult gij niet leven enzovoort. In die
godsdienst- wordt het bedrieglijk voorgesteld alsof de materiële werkelijkheid
de ware niet zou zijn en alsof de mens zich tot het geestelijke zou moeten
wenden.
Profeten-1 ; Profeten-2 ; profeet
Het door mij als essentieel voor het herkennen van
dwaasheid naar voren gehaalde begrip verwondering heeft betrekking op de
persoonlijke, de individuele, voorstelling van een mens. Deze voorstelling is
voor ieder individu enigszins anders, maar, binnen het raam van een bepaalde
cultuur zijn er uiteraard vele overeenkomsten. Het gehele complex van
overeenkomende onderdelen van de voorstelling zou je met het begrip collectieve
voorstelling of collectief zelfbewustzijn kunnen benoemen. Hoewel een groot
deel van de voorstelling collectief van aard is geldt, gezien vanuit het
bepaalde individu zelf, als maatgevend het feit dat zijn eigen voorstelling die
van de ander niet is. Hij vindt zichzelf dus altijd uniek, en terecht. ! Omdat
voor elk mens de voorstelling altijd en onvermijdelijk een onvervreemdbare
individuele zaak is kan de verwondering bij iedereen en onder alle
omstandigheden tot gelding komen. Het maakt dus niet uit onder welke cultuur en
in welke tijd iemand leeft, steeds is er wrijving tussen de voorstelling
en het beeld van de werkelijkheid. Die wrijving valt over het
algemeen niemand op omdat de ingeprente voorstellingen van zodanige aard zijn
dat zij het met elkaar strijdig zijn van beeld en voorstelling al bij voorbaat
verdoezelen. Tegelijkertijd ligt het echter in de logica dat er enkelingen
zullen zijn wie het wel opvalt dat er geen of weinig overeenstemming is tussen
beeld en voorstelling. Dit opvallen geeft aanleiding tot verwondering en het
laten gelden daarvan leidt tot een andere kijk op de eigen voorstelling van de
werkelijkheid: een (meer) realistische.
Uit het bovenstaande zal duidelijk zijn dat iemand
met een (meer) realistische kijk nog niet per se een filosoof behoeft te zijn.
Zijn realistische kijk maakt wel een helderder afspiegelen of doorstralen van
de werkelijkheid als beeld mogelijk, maar dat behoeft er nog niet toe te leiden
dat hij in dat beeld de waarheid herkent en zich bijgevolg op dat beeld gaat
richten. Iets van de moralist of de profeet zal hij echter wel degelijk in zich hebben, voor zover
hij het niet kan laten duidelijk te maken dat de mensen met dwaasheden bezig
zijn. Het herkennen van de echte werkelijkheid en de verontrusting over de
dwaasheid van het gedoe van de mensen leidt tot een zekere mate van
onaangepastheid en verzet. En dat is dus een zaak van alle tijden, juist omdat
het de individuele mens is in wie dit conflict zich manifesteert. Collectieven
hebben geen last van hun eigen dwaasheden, hoogstens na verloop van tijd van de
resultaten ervan, en dan nog hebben de mensen binnen een collectief meestal
niet in de gaten dat die slechte resultaten aan eigen dwaasheden te danken
zijn. Zoals gezegd gaat het bij bedoelde dwaasheden steeds om gedragingen en
opvattingen van de mensen die zonder al teveel moeite veranderd zouden kunnen
worden, als men daarin niet belemmerd werd door de vastgestelde waarheden van
de eigen cultuur. Het feit dat enkelingen wel door de dwaasheden heen kunnen
prikken maakt de dwazen in zekere zin schuldig, omdat het beter had gekund en
men dat vanuit angst, behoudzucht, belang of hoogmoed achterwege gelaten heeft.
Toen bijvoorbeeld de filosofen Kant, Hegel en andere Duitsers nog stelden dat
de monarchistische staat de zuivere afspiegeling van de werkelijkheid als
geheel zou zijn (en zich op den duur ook als zodanig zou laten gelden) was het
wel degelijk mogelijk om beter te weten: zo omstreeks 1800 waren er, vooral in
Frankrijk en het jonge Amerika, al denkers die de mens niet ergens in onder
wilden brengen, namelijk in dat geheel, maar daarentegen uitgingen van vrije en
zelfstandige individuen. Dat leidde destijds tot het zogenaamde liberalisme,
dat helaas door het min of meer tegelijkertijd opkomende kapitalisme al spoedig
tot iets onmaatschappelijks verworden is.
Essentieel is dus dat men beter had kunnen weten
en dat men op grond van een of ander cultuurbedenksel vasthoudt aan de
conventie of de traditie en de daarbij spelende belangen. Als het echter over
iets gaat dat op een bepaald moment nog door niemand geweten kan worden kun je
niet van dwaasheid spreken. Uiteraard gaat het daarbij om kennis en niet om
inzicht in het karakter van de werkelijkheid. Als iemand destijds in de mening
verkeerde dat de aarde plat is, is er geen sprake van dwaasheid: men had de
zaak nog niet efficiënt kunnen onderzoeken en wist niet beter. Hetzelfde is te
zeggen van die toenmalige sterrenkundigen die van mening waren dat de stand van
de hemellichamen, op het moment van iemands geboorte bepalend is voor iemands
karakter en levensloop. Men wist nog niet beter, maar als thans die mening nog
door een aantal mensen gedeeld wordt, is met recht te stellen dat die wel
degelijk beter kunnen weten. Dat zijn dus zonder meer dwazen. Andere
voorbeelden van dwaasheid zijn de huidige theorieën over het afschaffen van
allerlei zaken in verband met uitputting en vervuiling van de aarde. Het is een
feit dat de moderne mens op een misdadige wijze roofbouw op zijn milieu pleegt,
maar de oorzaak daarvan is niet gelegen in de productie van bepaalde artikelen.
De oorzaak ligt in het niet afdenken en geheel afwerken van het technologisch
proces. Zou men dit wel doen, dan zou er bijna geen afval zijn en er zou ook
geen nutteloze productie zijn zoals het fabriceren van sierstrips op een nieuw
model auto, teneinde die te onderscheiden van oudere modellen. En men zou
allang schone motoren ontwikkeld en geproduceerd hebben. Voor de overvolle
wegen had men lang geleden al alternatieven ontwikkeld. Men zou voorts de aarde
weer zoveel mogelijk bebost hebben en de woestijnen bevloeid. Deze dwaze, kortzichtige
mensheid doet dat echter niet, volstrekt tegen beter weten in...
Er zijn een heleboel zaken die pas in de loop der
tijd duidelijk geworden zijn; kortweg kun je spreken van wetenschappelijke
zaken. Die kunnen niet anders dan door onderzoek opgehelderd worden. Zolang dat
nog niet het geval is kan gesproken worden van onwetendheid, maar niet
van dwaasheid, zelfs niet als die onwetendheid tot in onze ogen dwaze
gedragingen en handelingen leidt. Het beoefenen van de wetenschap leidt tot een
betere kennis van zaken, maar het is maar uiterst marginaal wat die wetenschap
bijdraagt aan het verwerven van een realistische kijk op de werkelijkheid als
voorstelling. Als voorbeeld kun je hierbij denken aan de inwerking van de
wetenschap op de godsdienst: ondanks al datgene dat omtrent de kosmos bekend is
geworden gelooft het gros van de mensen nog steeds in allerlei vormen van
goddelijke besturing, goddelijk ingrijpen en de schepping van de kosmos door
een handeling van een god. Dat is niet te verwonderen omdat de wetenschap een
analyse van de voorstelling maakt en die dus letterlijk versnippert. Als er al
enige invloed van de wetenschap uitgaat is dat voor zover zij gepopulariseerd
wordt en als zodanig een rol gaat spelen bij het conditioneren. De geanalyseerde
wetenschappelijke voorstelling is bovendien per definitie onbetrouwbaar,
althans als het gaat over het verkrijgen van een realistische kijk op de
werkelijkheid. Wetenschappelijke kennis immers is slechts voorlopig geldig,
namelijk totdat men de zaak beter en nauwkeuriger onderzocht heeft en daardoor
tot nieuwe opvattingen en theorieën is gekomen. Door dit feit en door het feit
dat het gaat over een versnipperde voorstelling kan er logisch geen
realistische kijk mogelijk zijn. Het optreden van een heldere afspiegeling van
de werkelijkheid als beeld is bijgevolg ook volledig uitgesloten. Verbazing
behoeft het dan ook niet te wekken dat de moderne, op wetenschapgerichte,
wereld nauwelijks enig inzicht in de werkelijkheid vertoont en zelfs steeds
verder van haar vervreemdt.
Profeten-1 ; Profeten-2 ; profeet
Op het ogenblik leven wij in een wereld waarin de
wetenschap en de uitkomsten van haar onderzoek in alle opzichten maatgevend
zijn. Dat betekent dat de voorstelling van de mensen, hoewel op details steeds
juister geworden, in zijn algemeenheid zozeer versnipperd is dat er nauwelijks
meer van een goede basis voor afspiegeling van de werkelijkheid als bewustzijn
gesproken kan worden. Je moet daarom tot de treurige conclusie komen dat de
moderne wereld in een gigantische waan bevangen is, een schimmenspel waarin het
vrijwel onmogelijk is geworden onderscheid tussen realiteit en zinsbegoocheling
te maken. En het is al helemaal tot een ongeloofwaardig unicum geworden als
iemand zover gaat de werkelijkheid als beeld te herkennen, te vertrouwen en
tenslotte als de maat te nemen. De creatieve filosofie is dan ook door de
academici tot een soort van geloof gedegradeerd, weliswaar een geloof zonder
concrete god, maar toch even absurd en op niets gegrond als de godsdienst. Van
deze cultuur als zinsbegoocheling zijn natuurlijk tal van voorbeelden te geven.
Het is goed om toch nog even bij enkele zaken stil te staan. Zo is het een
tijdlang, namelijk sinds de Franse revolutie tot zo ongeveer het einde van de
tweede wereldoorlog, zinvol geweest de mensheid op te vatten als een
verzameling collectieven, bijeen gehouden door ideologieën: bovenliggende
universeel maatgevende modellen van een toekomstige wereld. Die opvatting heeft
zijn vruchten afgeworpen en er is wel zo het een en ander tot stand gebracht,
bijvoorbeeld door het (sociaal-democratische) socialisme. Zelfs in de
Sovjet-Unie zijn aanvankelijk vorderingen gemaakt. De sociaal democratie
is gebaseerd op collectieven, namelijk in de vorm van politieke partijen die
met elkaar via het kiesstelsel om de macht strijden. Alleen al uit de praktijk
is te leren dat dergelijke systemen de mensheid een stuk op weg geholpen hebben
en in ieder geval een voorsprong in welvaart hebben
opgeleverd. Toch gaan deze systemen, omdat zij in wezen niet deugen, ten
gronde. Op het ogenblik is het ontbindingsproces in volle gang. De essentie van
dat proces is de zelfverwerkelijking van de mens als individu, zeg maar: de
mens als ik. Dat deze ontwikkeling ontstaat en zich doorzet ligt in de logica.
De mensen groeien onvermijdelijk toe naar datgene dat zij wezenlijk zijn:
individuen die de gehele werkelijkheid inhouden als in een samenhangend, allesomvattend,
beweeglijk geheel.
Nu doet zich het verschijnsel voor dat politici,
en in het algemeen machtzoekers en machthebbers, de nieuwe ontwikkeling niet
wenselijk vinden omdat de basis van hun voorstelling van de werkelijkheid
onhoudbaar wordt en dus ook de rechtvaardiging van hun macht. Zij keuren het
ontbindingsproces bijgevolg ten zeerste af en proberen dat tegen te houden. Zij
menen dat het mogelijk is de zaak tegen te houden omdat zij nog steeds in
collectieven (moeten) denken. In feite echter laat geen enkel aspect van de
ontwikkeling naar volwassenheid zich ontkennen, afremmen of onderdrukken. Het
zou dus van een realistische kijk op de werkelijkheid getuigen als men poogde
de nieuwe ontwikkeling in zijn context te doorgronden, zonder daarbij de ten
onder gaande waarden en normen van het verleden als de maat voor een eerlijk en
zinvol waardeoordeel te nemen. Men zou dus de individualistische ontwikkeling
(die overigens in een ieder plaatsvindt, zelfs in de zogenaamd onderontwikkelde
mensen uit de derde wereld!) positief moeten beoordelen en proberen de aan dat
nieuwe meekomende kwalijke verschijnselen, zoals vandalisme en bandeloosheid,
asociaal en misdadig gedrag en dergelijke, in zo goed mogelijke banen te
leiden. Onderdrukking doormiddel van zelf in ontbinding zijnde mechanismen is
natuurlijk zinloos - het werkt zelfs averechts...
Een aantal zogenaamd democratische collectieven
heeft aanvankelijk wel zo'n beetje gefunctioneerd, maar daarnaast waren er ook
waarin meteen al op gruwelijke wijze het onhoudbare en onmenselijke karakter
van het collectief tot manifestatie kwam: in de godsdiensten, in het
nationaal-socialisme, het fascisme, het dogmatisch communisme en het maoisme.
Het zou echter een misvatting zijn alleen de ondergang van deze laatste collectieven
toe te juichen; als er al iets toegejuicht moet worden, moet dat de nabije
ondergang van alle collectieven zijn. In collectieven zoals de genoemde
misdadige worden (werden) de mensen gedwongen deel te nemen en zich ermee te
vereenzelvigen. Een alternatief op grond van een andere mening is (was) er niet
en mag er ook niet zijn. In de westerse democratische collectieven evenwel
worden de mensen niet gedwongen, het staat hen vrij een bepaald collectief,
bijvoorbeeld een partij, te kiezen. Maar in beide gevallen is de zaak
onhoudbaar en elke poging om dat niet te laten gelden is: dwaasheid! Het in
ontbinding geraken van collectieven, tezamen met het doorbreken van een nieuw
moment in de cultuurontwikkeling, leidt tot een zeer onaangename maatschappelijke
situatie. Je kunt die met recht met begrippen als bandeloosheid,
onverschilligheid, egoisme en dergelijke benoemen. En het is te begrijpen dat
de mensen zo'n periode als bijzonder negatief ervaren. Maar, teruggrijpen naar
een vroegere orde, die in feite op indoctrinatie vanuit het collectief, en dus
op onderdanigheid, gebaseerd was, is een duidelijk voorbeeld van dwaasheid. Men
oordeelt en handelt in strijd met de verhoudingen in de werkelijkheid en dus
ook zonder enige kans van slagen, terwijl dat dwaze gedoe in de praktijk een
vlotte wederkeer van meer evenwichtige verhoudingen lelijk afremt. Ook hier
geldt: men zou beter kunnen weten, maar men is niet in staat die andere bron
van weten, het bewustzijn namelijk, te herkennen en te laten gelden. Zou men daartoe
wel in staat zijn, men zou inzien dat collectieven en ideologieen in de moderne
tijd dwaasheden zijn, maar men zou anderzijds ook inzien dat individuen die nog
bevangen zijn in bandeloosheid evenzeer tot de dwazen gerekend moeten worden.
Dat inzicht evenwel zou door zijn realisme tot heel wat intelligenter reacties
kunnen leiden dan thans doorgaans het geval is. Zoals gezegd is het de mens
mogelijk beter te weten.
Deze verhouding, namelijk dat er enerzijds de praktijk
is, gevormd en getekend door de geldende cultuur, en anderzijds een soort van
verborgen ware werkelijkheid, die in feite door de mens zelf in duisternis
gehouden wordt.. . deze verhouding houdt onder andere in dat mensen in een
bepaalde, het doet er niet toe welke, cultuurfase fundamenteel schuldig zijn.
Dat wil zeggen: tekortschieten. Je kunt er de mensheid op aanspreken, in de zin
van: de mensheid als geheel is schuldig omdat zij haar mogelijkheid om de
waarheid te kennen, te weten en te laten gelden hoe de werkelijkheid is, niet-
wenst te benutten. Maar dit universele schuldig zijn is de mensen op zichzelf
niet aan te rekenen. De afzonderlijke mens is, door de inprentingen van zijn
cultuur, door zijn persoonlijke aanleg en door de omstandigheden, niet in staat
genoemde schuld in te lossen en zich op de ware, werkelijkheid te richten. Hij
heeft geen enkele keuze en dus is hem niets kwalijk te nemen, zelfs niet het
feit dat hij doorgaans niet eens weet dat hij schuldig is. Toch kun je ook
opmerken dat door alle tijden heen mensen een vermoeden van een andere
werkelijkheid hebben en dat zij iets van schuld gevoelen als zij zich daaraan
niets gelegen laten liggen Zij spreken dan van hun geweten en ervaren een
zekere wroeging bij hun handel en wandel. Overigens is het dit vage
schuldgevoel dat door de godsdiensten misbruikt wordt om de mensen onder de
duim te houden. De priesters stellen het dan zo voor dat de mensen zich niet
naar god, het hogere, willen schikken. Met die onwil echter zijn de mensen juist
niet schuldig . . .!
Profeten-1 ; Profeten-2 ; profeet
Het begrip schuld is van toepassing op een onvolwassen
mensheid die voortdurend dingen doet die anders hadden gekund omdat ze op elk
moment beter had kunnen weten. Maar, ze doet de dingen toch onvermijdelijk
zoals ze ze doet en op grond daarvan kun je stellen dat de mensen er niets aan
kunnen doen. De bedoelde schuld is die mensen dus niet aan te rekenen, zij is
hen niet verwijtbaar. Wat dit betreft moeten we er attent op zijn dat het er
niets aan kunnen doen, het niet verwijtbaar zijn, geen aanleiding mag zijn om
het gelden van het begrip schuld dan maar te ontkennen. In het moderne denken,
waarin het, bij het geven van een verklaring voor een bepaald verschijnsel,
gewoonte is geworden te analyseren hoe iets ontstaan is (historische
verklaringswijze), stapt men al te gemakkelijk over zoiets heen: kan iemand er
niets aan doen, dan is hij niet schuldig! Filosofisch is zo'n gedachtegang
echter niet houdbaar en bovendien misleidend bij het zoeken naar de waarheid.
Enkele voorbeelden maken het bovenstaande wellicht wat duidelijker. In de
oorlog schieten soldaten elkaar dood, gewoon omdat ze van hogerhand gedwongen
zijn, bevelen hebben gekregen en geen keuze (menen te) hebben. Er zijn nu
eenmaal legers en er is nu eenmaal oorlogsgeweld. Zijn deze soldaten nu zonder
schuld? Filosofisch gezien in genen dele. . zij hebben gedood en zij hadden
beter kunnen weten, zoals overigens altijd wel enkelen hebben laten blijken
door de dienst te weigeren. Nu echter wordt het juridische schuldbegrip
verwisseld met het morele schuldbegrip (=filosofische). Juridisch, dat wil
zeggen nagaande hoe iets ontstaan is, is er geen schuld omdat men bij voorbaat
heeft vastgesteld dat het gedrag van die moordende soldaten niet verwijtbaar en
dus ook niet strafbaar is. Sterker nog, men zou hen straffen als zij niet
gedood hadden! Een ander voorbeeld: het komt niet te pas om iemand leed te
berokkenen (het waarom hiervan laat ik nu even daar).
Maar als ikzelf of iemand anders het slachtoffer
dreigt te worden van een misdadige idioot, dan zal ik zijn misdadige gedrag
toch moeten tegenhouden - hetgeen heel iets anders is dan wraak nemen - en
daarbij kan het gemakkelijk voorkomen dat ik die misdadiger zwaar leed berokken
of zelfs dood. Ben ik nu onschuldig? Neen, ik ben wel degelijk moreel
filosofisch schuldig, maar er valt mij toch niets te verwijten omdat ik niet
anders kon handelen dan zoals ik gedaan heb. Voor elk mens geldt dat er in haar
of hem als levende materie bewustzijn huist en dat dit bewustzijn zich, in de
vorm van de werkelijkheid als beeld, afspiegelt aan de voorstelling. Elk mens
kan dus toetsen aan de echte, zij het algemene, werkelijkheid, aan de waarheid.
Elk mens kan bijgevolg beter weten, in alle tijden en op alle plaatsen. Dit
beter weten geldt voor het verschijnsel mens en is dus niet gebonden aan tijd
en plaats. Het geldt volstrekt onafhankelijk, universeel. Dat neemt niet weg
dat er in de praktijk van het onvolwassen menselijk leven doorgaans niet veel
van terechtkomt en daar zit het begrip schuld. Dit is dus een universeel
begrip, een begrip dat altijd en overal geldt en dat zich niet laat opheffen
door een prestatie, een inlossing, delging of wat dan ook. Maar, intussen
blijkt wel steeds weer dat het beter kunnen weten zich wel degelijk in de
mensheid manifesteert. Daarbij zijn drie zaken van belang: ten eerste het verschijnsel
dat er op allerlei momenten mensen zijn die hun medemensen wijzen op de
dwaasheid van hun gedoe. Er zijn zieners, profeten, wijzen, kunstenaars en zo meer. Dat
zou onmogelijk zijn geweest als er geen weet hebben van de waarheid was. In de
literatuur bijvoorbeeld speelt dit een essentiële rol. De romans van
Dostojewski draaien allemaal om het conflict tussen de waarheid (dat wat je
beter weet) en de dwaasheid van de onvolwassen praktijk. Ten tweede blijken
individuele mensen voortdurend last van hun geweten te hebben. Zij ervaren dan
datgene van de werkelijkheid als beeld (bewustzijn) dat doordringt tot het
zelfbewustzijn en dat zij zouden kunnen weten. Zij zouden de waarheid hebben
kunnen weten. Vandaar het woord geweten. Daarbij is opmerkelijk dat de mensen
dit begrip geweten steeds ervaren als geassocieerd met tekortkomen en dus met
schuld. Vervolgens gaan zij gewoonlijk het geweten wegredeneren doormiddel van
smoesjes. Het begrip smoes is filosofisch interessant; het betekent: het
complex van redenen dat je aanvoert om iets goeds niet te doen, iets verkeerds
niet te laten of je ergens niets aan gelegen te laten liggen.
Ten derde is het ondenkbaar dat er niet elders in
het heelal planeten zullen zijn waarop de omstandigheden zo gunstig zijn dat de
mensen beter met hun geweten overweg kunnen. Zij zouden dan met minder
dwaasheden komen en minder last hebben van schuldgevoelens. Ook dat echter zou
niet mogelijk zijn als er geen weten van de waarheid was. Dit houdt echter
onmiddellijk in dat toch ook daar het begrip schuld geldig is, zij het in
mindere mate. Het schuldbesef en natuurlijk ook het zich doen gevoelen van het
geweten zijn door de christelijke en islamitische godsdiensten uitvoerig
misbruikt om de mensen klein te maken en onder de duim te houden. Vervang de waarheid
oftewel het bewustzijn door god en maak
van het begrip schuld een incidentele zaak in plaats van een universele en de
schrik zit er voorlopig behoorlijk in. Merk op dat in dit verband de schuld
ook verwijtbaar is geworden en dat er wordt gesuggereerd dat hij te delgen, in
te lossen zou zijn. En dat moet dan uiteraard doormiddel van gehoorzaamheid aan
de geestelijken geschieden. Het universele schuldgevoel is een bijzonder
efficiënt machtsmiddel gebleken en het heeft onvoorstelbaar veel leed
teweeggebracht. Zoals gezegd is dat ook in de Islam het geval. Nogmaals wijs ik
er op dat er van ons begrip beter weten niet gesproken kan worden in verband
met de wetenschappelijke kennis. Wat de mensen op dat gebied niet weten kan op
een bepaald moment nooit beter geweten worden. En als de situatie zo ligt dat
bepaalde mensen beter zouden kunnen weten omdat de betreffende kennis elders
wel degelijk voorhanden is, dan is deze dwaasheid geen universele
aangelegenheid, maar een incidentele en bovendien een die goed te maken is door
je op de hoogte te stellen. Bovendien heeft dit beter weten betrekking op de
voorstelling als zodanig, terwijl het universele beter weten en de daarbij
behorende schuld betrekking heeft op de waarheid, immers: datgene dat zich aan
de voorstelling afspiegelt! Omdat we hier te doen hebben met een zaak van het
bewustzijn valt deze schuld niet te kwantificeren, dat wil zeggen in waarden
uit te drukken. Praktisch zou je het beste van een soort van gevoel, een sfeer
kunnen spreken. Elke andere schuld is daarentegen te kwantificeren en bijgevolg
ook in te lossen. Toch houdt de mensheid op den duur op schuldig te zijn. Dat
is namelijk het geval als het volwassen zijn ingetreden is. Het beter kunnen
weten gaat immers gelden als en voor zover er iets mis is met het zich
afspiegelen van de waarheid. Deze onvolkomenheid is het gevolg van een
niet-realistische voorstelling en, daarmee samenhangend, een afwijzen van de
werkelijkheid als beeld. Dat echter zijn nu precies gebreken die de volwassen
mens overwonnen heeft: hij is geheel en al terecht bij zichzelf en als zodanig
gelden voor hem zowel bewustzijn als zelfbewustzijn, zowel beeld als
voorstelling. Voor hem is het zich afspiegelende juist een toetssteen, een
baken en een leidraad voor het leven. Daardoor verkeert hij blijvend in een
situatie van beter weten, hetgeen overigens niet betekent dat hij alwetend zou
zijn of dat hij het beter zou weten dan een ander. Het betekent dat hij steeds
afgaat op zijn beter weten en dus op zijn beste weten en dat is nu precies
datgene dat voor hem de waarheid is.
Profeten-1 ; Profeten-2 ; profeet
No. 160
Als in de toekomst de mensen volwassen individuen
zijn geworden laten zij vanzelfsprekend weer gelden dat de mens ook nog
bewustzijn is en dat die zaak zich bij wijze van beeld aan de voorstelling
afspiegelt. Als en voor zover zij dat laten gelden gaan zij steeds af op hun
beste weten en zij luisteren naar hun geweten. Dat wil niet zeggen dat zij dan
heiligen zijn geworden die van alles weten hoe het zit en vooral hoe het moet
en die nooit meer fouten zullen maken. Een dergelijk beste weten zou westers van
aard zijn: doelgericht, kwantitatief en normatief. Het gevolg geven aan hun
beste weten echter houdt in feite alleen maar in dat de enige toetssteen, die
de mens inzake de werkelijkheid heeft, ook als zodanig functioneert. Dat sluit
gebrekkigheid en het maken van vergissingen in genen dele uit, maar het houdt
in dat men het samenhangen met de werkelijkheid en het leven nimmer verbreekt.
Het maken van een vergissing tast die samenhang niet aan omdat het een
vergissing qua beste weten is en dat leidt tot een heel ander resultaat dan
helemaal niet op beste weten afgaan maar op vastgelegde voorstellingen waarvan
je bij voorbaat al zeker kunt zijn dat ze niet kloppen. Er is alle reden om met
een begrip als schuld uiterst voorzichtig om te gaan. Al eeuwen lang hebben wij
van de geestelijken uit de christelijke kerken gehoord dat wij schuldig zouden
zijn. Niemand weet waarom dat het geval is en nog minder is duidelijk waaraan
wij dan wel schuldig zouden zijn, maar toch wordt het al zo'n kleine twintig
eeuwen beweerd en merkwaardigerwijs door heel veel mensen voor waar gehouden.
Hierbij vallen twee dingen op, ten eerste het feit dat de mensen er blijkbaar
gevoelig voor zijn dat ze een schuldgevoel aangepraat wordt en ten tweede dat
ze min of meer als vanzelfsprekend de schuld bij zichzelf als behorend tot de
onderste lagen van de samenleving leggen.
Eventueel kun je als derde opvallende feit
vermelden dat en het voor schuldig verklaren en het aan de onderkant van de
samenleving situeren van die schuld typische streken van de na de oudheid
gestichte christelijke godsdiensten en islamitische godsdiensten zijn. Die
godsdiensten zijn, zoals ik al eerder heb laten zien, intellectuele
constructies van mensen die cultureel in het teken van het begrip macht zijn
komen te staan. De bewustwording van dat begrip en de praktische
verwerkelijking ervan zijn ontwikkelingen van de mensheid van na de oudheid. Om
macht te willen uitoefenen moet het in zichzelf gescheiden zijn van de
werkelijkheid op de voorgrond zijn gekomen: het (de) een moet gescheiden zijn
van het (de) ander. Bovendien moeten een en ander als zaken van waarde
beoordeeld worden, zodat er als resultaat een onderscheid in hoger en lager te
voorschijn komt. De intellectueel geconstrueerde godsdiensten zijn gericht op
de werkelijkheid als het begrip geest. Dit begrip is te vertalen als
niet-materie en dan ligt het in de logica dat men de materie en het materiele
als een lagere werkelijkheid beschouwt. Deze werkelijkheid is niet zomaar
lager, maar zij is ook nog onwaardiger. De gewone mensen, die steevast
de ploeterende, uitgebuite, armoedige onderlaag van de samenleving vormen,
behoren dus tot de onwaardige lagere werkelijkheid en daarom moet er
noodzakelijk macht over hen uitgeoefend worden. En het is natuurlijk de
bovenlaag die gerechtigd is dat te doen. Zij heeft daartoe de beschikking over
een cultureel psychologisch instrument dat buitengewoon effectief is: het vage
gevoel in de mensen schuldig te zijn vanwege het feit dat hun geweten hen zegt
dat zij beter hadden kunnen weten. Dat gevoel komt pas na de oudheid sterk
opzetten. In de oudheid lag de verbondenheid met zichzelf als bewustzijn op de
voorgrond, en dus was er ook aandacht en respect voor de werkelijkheid als
beeld, zoals die zich aan de voorstelling afspiegelt.
Op grond daarvan was er wel een besef van
gebrekkigheid, omdat een mens steeds fouten maakt, en een besef van kleinheid,
omdat een mens zichzelf nietig vindt in vergelijking met het grote geheel, maar
er was niet of nauwelijks een schuldbesef op grond van het geweten. Met het
inzetten van de nieuwe tijd richt de mensheid zich op zichzelf als
zelfbewustzijn en daarmee komt de maat bij de voorstelling te liggen. Vanaf dat
moment is de werkelijkheid als beeld en dus ook als bewustzijn een in
toenemende mate verwaarloosde en steeds meer afgewezen zaak. Omdat men het dan
niet meer weet ontstaat het gevoel dat men het wel had kunnen weten. In dat gat
in de markt zijn het christendom en de islam maar al te graag gesprongen. Zij
zijn onmiddellijk begonnen de lagere mensen te onderwerpen en daarbij speelden
zij gewetenloos in op dat vage gevoel van schuld. Het universele, vage
schuldgevoel kreeg vanuit de godsdienst schijnbaar een inhoud: de schuld was er
een tegenover god omdat er niet volgens zijn geboden geleefd en gehandeld werd
- zeker niet door die lagere, stoffelijk ingestelde ploeteraars die nog steeds
niet wilden erkennen dat men niet bij brood alleen behoort te leven. Het was
derhalve voor die sloebers zaak om de voorschriften en geboden van de
vertegenwoordigers van god nauwgezet op te volgen teneinde de schuld gedelgd te
krijgen. Wat is er toen gebeurd? Het verwaarlozen van de zich afspiegelende
werkelijkheid als beeld, met als gevolg dat men niet naar beste weten leeft en
handelt, werd geniepig verdraaid tot ongehoorzaamheid aan god, en omdat deze
verdraaiing zo bedrieglijk dicht bij de werkelijke situatie ligt werd het
verschil niet gezien zodat men er gretig intrapte... De culturele wurggreep op
het geweten van de mensen heeft onvoorstelbaar veel leed aangericht en doet dat
vandaag nog. Omdat de godsdienstige folteraars daarbij laaghartig een
schuldbegrip hanteren is het voor het filosoferen moeilijk en zelfs gevaarlijk
over het filosofische begrip schuld na te denken.
De kans
om daarbij ongemerkt af te glijden naar a) een denken in hoger en lager en b)
een denken in meer of minder schuldigen is dan levensgroot aanwezig. Wat dit
laatste betreft: het is opvallend hoezeer dit nog steeds plaatsvindt. Vrijwel
iedereen ziet moeiteloos kans om de schuld van allerlei maatschappelijke en
politieke mislukkingen bij de gewone mensen, het volk, de massa, het
proletariaat en dergelijke te leggen. Omdat die mensen bier zitten te drinken
bij de televisie gaan zij niet meer naar protestvergaderingen om te pogen de
regering en het kapitalisme te breken, beweert men onder andere. Steeds weer
krijgen de mensen de schuld, ze zijn apathisch, materialistisch, dom, lui; ze kennen geen hogere
waarden, ze consumeren maar en ze missen een ideologie en ze hebben het te
goed... Dit zijn allemaal uitingen van een denken in hoger en lager, tezamen
met schuld. Dat denken vindt vooral plaats bij de bovenlaag, maar ook bij de
goedbedoelende, wat meer ontwikkelde, arbeiders van vroeger. Menig politiek
denkend iemand vindt trouwens nog steeds dat de wereld zou veranderen als de
mensen gezamenlijk de straat op zouden gaan en revolutie zouden maken.
Inderdaad zou alles veranderen als iedereen zoiets zou doen, maar daarom gaat
het niet. Het gaat om het feit dat automatisch en betrekkelijk liefdeloos aan
iedereen verweten wordt niet geïnteresseerd te zijn in de goede zaak. Met zo'n
verwijt echter stelt de mens zichzelf als schuldige en als lagere en door dat
te doen vertekent hij de werkelijke verhoudingen, met onder andere als gevolg
dat hij voorlopig ook als individu nog lange tijd het slachtoffer van allerlei
louche praktijken van hogergeplaatsten zal zijn. Juist die schuldige, die ook
nog van lager allooi is, is typisch de onvolwassen mens, die voortdurend
ondergeschikt is aan van alles en nog wat, maar zelden aan iets goeds!
No. 161
Het schuldbegrip waarom het nu gaat heeft als
kenmerk het niet- verwijtbare, de omstandigheid dus dat de mensen er niets aan
kunnen doen dat zij handelen zoals ze handelen en tegelijkertijd, op grond van
het voor iedereen gelden van het bewustzijn en de werkelijkheid als beeld, toch
beter hadden kunnen weten. De mogelijkheid om beter te kunnen weten berust niet
op kennis, maar op zien van datgene dat zich aan de voorstelling afspiegelt,
dus: de werkelijkheid als beeld. Vanaf het moment echter dat iemand iets
bedacht heeft aan dat beeld en daarvan mededeling heeft gedaan kun je ook van
kennis spreken en dan treedt al spoedig de situatie op dat bepaalde handelingen
wel degelijk verwijtbaar zijn geworden. Vanzelfsprekend is daartoe een vereiste
dat bedoelde tot kennis geworden mededelingen een algemeen aanvaard karakter
hebben gekregen. Een voorbeeld daarvan is de afschaffing van de slavernij in de
vorige eeuw: na verloop van tijd werden de aanvankelijk bij slechts enkelen
levende inzichten omtrent de onmenselijkheid van slavernij gemeengoed en vanaf
dat moment werd het handhaven van de slavernij verwijtbaar, al spoedig ook
juridisch. Zo pretenderen wetgevers dat zij al bij voorbaat het recht hebben de
mensen dingen te mogen verwijten, louter op grond van het feit dat een heel
complex van handelingen en gedragingen nauwkeurig in de wetboeken als wel of
niet afkeurenswaardig en strafbaar beschreven staat. Ze stellen zonder meer dat
iedereen geacht wordt de wet te kennen, op grond waarvan zij het redelijk
vinden de mensen onder omstandigheden van allerlei te verwijten. Zonder het al
bij voorbaat als verwijtbaar stellen is inderdaad de wet niet te handhaven,
maar het is natuurlijk wel de vraag in hoeverre die zogenaamde wet redelijk is,
dat wil zeggen: een getrouwe weergave is van datgene dat zich aan de
voorgestelde werkelijkheid afspiegelt, dus uitdrukking is van de werkelijkheid
als beeld.
Inzake de vraag of het begrip schuld al of niet
samengaat met het begrip verwijtbaarheid kun je ook bij de filosofie
interessante voorbeelden vinden. Vooral vind je die bij de filosofie uit de
tweede helft van de 18e en het begin van de 19e eeuw, toen de filosofen nog in
belangrijke mate universele geleerden waren, die verstand hadden van nagenoeg
het gehele terrein van de toenmalige wetenschap. Als eerste denk je dan aan
Johann Wolfgang (von) Goethe (1749-1832), maar ook aan de Idealistische
filosofen, met als belangrijkste vertegenwoordigers Immanuel Kant (1724-1804)
en Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831). Er zou niets aan de hand zijn als
zij zich als filosofen bij de grondslagen van de filosofie hadden gehouden,
onder andere deze om geen wetenschappelijke uitspraken te doen, vanwege het
feit dat die slechts over voorlopige waarheden gaan. Zij hadden beter moeten
weten, maar toch deden zij dergelijke uitspraken, hetgeen voor latere
vakgenoten aanleiding is geworden hen niet helemaal serieus te nemen - wat
overigens ook niet van veel filosofisch inzicht getuigt. Een ander voorbeeld van
beter kunnen weten, zeker voor een filosoof is het volgende: toen Hegel tot de
filosofische slotsom kwam dat de mensheid onvermijdelijk in een zich breed
makende middelmaat zou vastlopen als het democratische denken zich zou
doorzetten, maar dat het - indachtig het Pruisische voorbeeld - gelukkig in de
rede lag dat er in de toekomst verlichte vorsten zouden zijn die de mensen voor
zouden gaan op de weg naar het goede, waren er tegelijkertijd elders in het
westen al denkers die via het socialisme naar de vrije individu wilden. De
socialistische Graaf de Saint-Simon (1760-1825) bijvoorbeeld propageerde de
gloednieuwe Amerikaanse vrijheidsidealen, weliswaar niet zonder christelijke
elementen, en Francois Fourier (1772-1837) bepleitte levensgemeenschappen waarin
ieder individu naar eigen kunnen en in volle vrijheid zou werken aan het
geheel.
Zonder te willen beweren dat deze en dergelijke
denkers nu zo helder over de mens als individu dachten, is toch staande te
houden dat zij maatschappelijk meer inzicht in de (westerse) mens en zijn
ontwikkeling hadden dan genoemde filosofen, die over het algemeen niet verder
kwamen dan het ouderwetse Du sollst van Kant (de zogenaamde Categorische
Imperatief). De werkelijkheid als beeld, voor zover die door de mensen afgelezen
wordt aan hun eigen voorstelling van de werkelijkheid, roept dus de niet-
verwijtbare schuld op. Er is een kwalitatief verschil tussen het beeld en de
voorstelling, waarbij de verhouding zo ligt dat het beeld de werkelijkheid
afspiegelt en de voorstelling de realiteit weergeeft. Anders gezegd: het beeld
is in principe absoluut (=van niets afhankelijk, fundamenteel en onder alle
omstandigheden waar), terwijl de voorstelling relatief is (=van velerlei
tijdgebonden en plaatsgebonden factoren afhankelijk). Omdat de werkelijkheid
als beeld steevast uitdrukking van de absolute werkelijkheid als bewustzijn is
kan zij bij de alsnog onvolwassen mensen tot een besef van tekortschieten
aanleiding geven, wanneer zij namelijk gesteld wordt tegenover de voorstelling,
die immers incidenteel door de mensen zelf gemaakt wordt. Is die voorstelling
straks volwassen, dan is automatisch het kwalitatieve verschil tussen beeld en
voorstelling opgeheven, en wel omdat beide tegelijkertijd volledig tot hun
recht komen. Behalve dat het beleven van het beeld tot een niet- verwijtbare
schuld leidt kan er, vaak samengaand met dat algemene schuldbesef, nog iets
anders optreden. Ik benoem dat met het begrip liefdesheimwee. Hoe je het echter
noemen wilt, het gaat in ieder geval om een verlangen naar die vredige,
liefelijke en schone werkelijkheid die de mens onder omstandigheden beleeft aan
zichzelf als bewustzijn. Dat beleven echter moet op de een of andere manier
gestalte krijgen en daardoor opgeroepen worden. Op zichzelf leidt het slechts tot
het door mij besproken vage schuldbesef, maar via iets of iemand kan het wakker
worden en dan komt het voor de dag als houden-van.
Dat wil zeggen: men gaat houden van datgene of
diegene die in het teken van die schone wereld van het bewustzijn staat. Dat
houden-van wordt gekarakteriseerd door heimwee, een terugverlangen naar iets
dat mooi en goed was. Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) was iemand van
wie de mensen gingen houden, zozeer zelfs dat hij door menigeen als de
verlosser werd gezien. Zijn charisma kwam voort uit zijn vermogen de mensen te
confronteren met de werkelijkheid als beeld. Hij hield de arme sloebers,
vernederd, vertrapt en uitgebuit, voor dat de wereld hun wereld is en dat het
slechts een daad van willen zou zijn om die wereld op slag in een goede te
veranderen. Uiteraard legde hij voortdurend de nadruk op de fundamentele
vrijheid van alle mensen en ook op het feit dat verandering van de wereld een
kwestie van een ander besef is en zeker niet in de eerste plaats een politieke
zaak, zoals de toenmalige socialistische voorman Pieter Jelles Troelstra
(1860-1930) verkondigde. Domela vertegenwoordigde datgene waarvan ik gezegd heb
dat de mensen beter hadden kunnen weten, zonder dat hen verweten kan worden dat
zij niet beter wisten. Zo werd hij symbool voor een goede, vrije en
rechtvaardige (anarchistische) wereld. Het liefdesheimwee heeft overigens alles
met de werkelijkheid als bewustzijn te maken en daarom is het zaak die
werkelijkheid goed te leren begrijpen. Als het evenwel gaat over het
schuldbesef waarop de godsdiensten speculeren dan is voor de werkelijkheid als
beeld god ingevuld en de voorstelling wordt vervangen door het verschijnsel,
dat wil zeggen: de samengeklonterde materie. Zo krijg je de tegenstelling
tussen god en mens, logisch voorzien van een nimmer in te lossen schuld.
Loutering-1 Louteringsproces-2
Uit de Griekse cultuur is het begrip Eros bekend.
Dat begrip is goed te vertalen met liefdesverlangen. Dat echter is niet precies
hetzelfde als wat ik bedoel met liefdesheimwee, hoewel toegegeven moet worden
dat het verschil nogal subtiel is. Het begrip liefdesheimwee houdt een
terugverlangen in, en wel naar zichzelf als bewustzijn. Dat is een terugverlangen
naar een werkelijkheid waarvan je wel moet houden, het is zoiets als heimwee
naar huis of naar de moederlijke veiligheid en warmte. Uiteraard is dat heimwee
qua menselijke ervaring een psychische zaak, maar als je je afvraagt wat de
essentie van het liefdesheimwee is, dan moet het antwoord zijn dat het om de
werkelijkheid als bewustzijn gaat. Bij het begrip Eros gaat het om het
liefdesverlangen, in die betekenis dat er een uitzien is naar een toekomstige
situatie waarin de nu nog uiteen zijnde grootheden het een en het ander
harmonieus ineen zullen zijn. Het verlangen van Eros is dus vooruit gericht en
heeft betrekking op het een buiten en naast het ander, terwijl het
liefdesheimwee daarentegen gekenmerkt wordt door zijn achterwaarts gericht zijn
en het feit dat de grootheden het een en het ander in een eeuwig
onveranderlijke toestand van ineen-zijn verkeren. Je zou hier kunnen spreken
van een oertoestand. Overigens moet voor alle duidelijkheid opgemerkt worden
dat het begrip ineen-zijn hetzelfde is als het begrip liefde. Bovendien is er
nog het volgende van te zeggen: het terugverlangen naar een oertoestand moet
niet in historische zin opgevat worden, als zou het gaan om een toestand waarin
de mensheid ooit in het verleden verkeerde. Je zou dan kunnen denken aan de
oudheid en datgene dat ik daarvan gezegd heb in verband met het feit dat de
werkelijkheid als bewustzijn toen bij de mensen op de voorgrond lag. Zou het
daarom gaan, je zou van een algemeen cultuurbesef moeten spreken, een besef dat
vaag op de achtergrond van het leven meespeelt. Het begrip liefdesheimwee
echter slaat op iets dat de individuele mens ondergaat.
Het heeft betrekking op vroegere momenten van het
eigen persoonlijke leven, en dat zijn dan momenten waarin men een gevoel van
geborgenheid, van warmte en van liefde ondergaan heeft. Je kunt het onderscheid
ook nog op een andere manier uitdrukken. Het begrip Eros berust eigenlijk op
een idee, en wel een die voortkomt uit een begrip, namelijk het begrip liefde
oftewel ineen zijn. Als idee is er van een zelfbewuste zaak te spreken, zij het
dan een zelfbewuste zaak die op de werkelijkheid als bewustzijn gericht is.
Volgens die idee zal het uiteen zijn van het een en het ander straks, als een
soort van slotakkoord van de werkelijkheid, overgaan in ineen-zijn. Naar die
toestand kan men verlangen. Het begrip liefdesheimwee evenwel is een psychische
zaak. Het betreft een verhouding in en van de werkelijkheid die zich in een
mens heeft laten gevoelen. Die verhouding behoort tot het begrip bewustzijn.
Ter wille van de duidelijkheid kun je ook spreken van een zich herinneren van
eigen bewustzijnstoestanden. Denkend aan Domela Nieuwenhuis kun je zeggen dat
hij geen vroegere perioden van de mensheid opriep, maar individuele
herinneringen aan vroegere sferen en gevoelens. Omdat die in het verleden
beleefd zijn kan de zaak wakker geschud worden en als het ware bewust gemaakt.
In de Russische cultuur (misschien beter: de Slavische cultuur) speelt het
liefdesheimwee trouwens een grote praktische rol. In dagelijks leven en kunst
valt een bijzondere warmte op, opvallend omdat die bij de westerse cultuur
ontbreekt. Je kunt bijvoorbeeld denken aan schrijvers als Maxim Gorki (De
bittere, 1868-1936) in verhalen als Barrevoeters en Onder de levenden. En aan
het gehele werk van Fjodor Dostojewski (1821-1881). Je kunt denken aan
componisten als Modeste Moessorgki (1839-1881), de vele schilders van iconen en
de gigantische schat aan volksmuziek en kerkmuziek.
Alles is doortrokken van een niet te definiëren
warmte. Dat blijkt onder andere ook uit het feit dat de Russische mens het
besef heeft dat een misdadiger in de eerste plaats een ongelukkige is die recht
heeft op medelijden en dat hij pas in de laatste plaats iemand is die gestraft
moet worden. De verbanning naar Siberië is dan ook niet zozeer een straf -
hoewel de misdadigers ongewoon hard en onmenselijk werden aangepakt als wel een
loutering om via
bewustwording van de schuld te komen tot boete. Hierbij kun je denken aan de
roman Schuld en boete (misdaad en straf) van Dostojewski (1866). De warmte in
de Russische cultuur behoort bij het liefdesheimwee. Omdat dit heimwee
betrekking heeft op de werkelijkheid als bewustzijn heeft de Russische cultuur
ook in sterke mate een religieuze sfeer. De Russische mens verlangt steeds
terug naar datgene waarmee hij wezenlijk een eenheid vormt en dat is voor hem
het goddelijke, gepersonifieerd in Christus van wie hij zegt dat die werkelijk
tussen het volk in leeft. De door mij besproken schuldeloze schuld en het
liefdesheimwee zijn, ieder op eigen wijze, gevolgen van het zich afspiegelen
van de werkelijkheid als bewustzijn aan de werkelijkheid als voorstelling en
beide zijn er omdat het bewustzijn, vergeleken bij de voorstelling, niet goed
uit de voeten kan zolang de mens nog Onvolwassen is. Je kunt ook zeggen dat bij
de onvolwassen mensen de voorstelling domineert over het beeld. Om te weten wat
er in deze situatie voor de mens verloren gaat en om tegelijkertijd te weten
hoe het leven voor de mensen zou kunnen zijn, is het goed om nog eens opnieuw
de werkelijkheid als bewustzijn te bekijken. Dan herinneren wij ons dat voor
elk levend wezen, van het meest onaanzienlijke eencellige verschijnsel tot en
met het meest innig samenhangende verschijnsel mens, het begrip bewustzijn
geldt. Dat bewustzijn vertoont zich, in het kort gezegd, als een zich reactief
gedragen ten opzichte van de buitenwereld.
Dat zich gedragen geschiedt zomaar vanzelf
(domweg!) , maar bij de mens is de situatie zo dat hij er weet van heeft -
zonder dat dit overigens betekent dat iedereen van dit feit op de hoogte is.
Dat de mens weet heeft van zichzelf als bewustzijn komt voort uit de situatie
zelfbewustzijn die typerend is voor het verschijnsel mens. Ik zal daar nog
uitvoeriger op terugkomen, maar op dit moment is van belang in te zien dat het
zelfbewustzijn er de oorzaak van is dat de mens (in principe) alle begrippen
kent die voor het bewustzijn gelden. Beter is het echter om meteen al te
begrijpen dat de van nature ontstane verhoudingen binnen de situatie bewustzijn
voor de mens geworden zijn tot begrippen, die als zodanig door hem geweten
(kunnen) worden. Dat weten verdient enige toelichting; in onze westerse cultuur
heeft het begrip weten automatisch tot inhoud dat men ervan op de hoogte is hoe
iets zit, uiteraard als resultaat van analyse. Het is echter aan te raden
hiervoor het begrip kennen te gebruiken en het begrip weten te reserveren voor
zelfbewustzijn van datgene dat ergens voor geldt. In deze zin weet de mens van
de verhoudingen binnen het bewustzijn - ook al is hij desnoods totaal niet op
de hoogte van het hoe en waarom. Dit weten van het bewustzijn leidt ertoe dat
de begrippen van het bewustzijn, zoals samenhang, harmonie, schoonheid, warmte
en dergelijke, van toepassing worden gebracht op de concrete werkelijkheid van
de verschijnselen, dus op het heelal. Dit heelal, als een zogenaamd objectieve
zaak, echter beantwoordt helemaal niet aan die begrippen. Het is de mens die
zelf die begrippen projecteert op de verschijnselenwereld en er dus meteen iets
anders van maakt. Dat andere is niet fout, het betreft wel degelijk de
werkelijkheid, maar dan anders..
Loutering-1 Louteringsproces-2
Het verlangen naar ineen-zijn, historisch uitgedrukt
in voorstellingen van een toekomstig paradijs of, in evangelische termen, van
het koninkrijk Gods is een van de mogelijkheden waarin het voor de mens kenbaar
zijn (het zelfbewust ervaren) van de zich afspiegelende werkelijkheid als
bewustzijn uitloopt. Een andere mogelijkheid is het terugverlangen naar
vroegere ervaringen en dat heb ik liefdesheimwee genoemd. Als derde heb ik ook
melding gemaakt van een schuldgevoel dat gevolg is van het zich laten gelden
van het feit dat een mens vaak tekortschiet omdat hij beter had kunnen weten.
Al deze verschijnselen hebben betrekking op de verhouding tussen het
bewustzijn, het beeld als een zich aan de voorstelling afspiegelend bewustzijn
en de voorstelling zelf. Deze mogelijkheden doen zich universeel voor: daar
waar sprake is van een mens is ook sprake van die symptomen, althans als het
over de vooralsnog onvolwassen mens gaat. Dat geldt dus over de gehele wereld.
Een andere vraag is echter hoe die symptomen onder omstandigheden voor de dag
komen in de ene cultuur en hoe in de andere. Uiteraard kent dat zich
manifesteren grote tijdelijke en plaatselijke verschillen. Om die te leren
kennen moet je niet bij de filosofie zijn, maar bij een of andere
onderzoekswetenschap, zoals de sociologie, de antropologie of iets dergelijks.
Ook wat dit betreft kun je weer opmerken dat het filosofisch geen zin heeft
opsommingen te geven van symptomen bij bepaalde mensen of groepen. Tegenover
elk voorbeeld staat steeds een tegenvoorbeeld. Binnen het kader van deze en
dergelijke op symptomen berustende verzamelingen is niet te achterhalen waarvan
die symptomen het gevolg zijn omdat elke groep van verschijnselen weer anders
is.
Dit is trouwens een van de grootste bezwaren die
je kunt aanvoeren tegen de moderne opvatting dat wetenschappelijk
massaonderzoek het monopolie heeft om inzicht te verschaffen in de
werkelijkheid. Het verzamelt in feite alleen maar symptomen! Vooral in de
Russische cultuur komen de genoemde drie mogelijkheden van reactie op de
werkelijkheid als beeld op velerlei betrekkelijk gemakkelijk herkenbare wijzen
voor de dag. Dat hangt samen met het, bij andere gelegenheden door mij
onderbouwde, feit dat de Russische mens de aanleg heeft om straks de qua
cultuur volwassen mens te worden en als zodanig de westerse mens op te volgen.
Het begrip volwassenheid geldt voor een mens voor wie het, zich op de wijze van
het beeld aan de voorstelling afspiegelende, bewustzijn richtinggevend is voor
zijn leven. Omdat dit als aanleg in de Russische mens leeft vertoont hij zulke
merkwaardige verschijnselen, zoals die vooral in de literatuur en de
oorspronkelijk Russische muziek tot uitdrukking komen. Tot die verschijnselen
behoort niet het maatschappelijke en individuele getob dat tot voor kort door
de zogenaamd marxistische ideologen als het toppunt van socialisme en
communisme werd gepropageerd. Dat getob heeft zich als een vreemde zaak over de
sluimerende Russische cultuur heen gelegd. Het kan niet genoeg beklemtoond
worden dat de revolutie van 1917 van westerse aard was; de overwinnaars van de
revolutie waren allemaal westers geschoolde en westers denkende figuren die
slechts in zoverre Russen waren dat zij Russische ouders hadden en dat zij hun
toekomstvoorstellingen op het Russische volk projecteerden - vaak zonder dat
volk echt te kennen en ervan te houden... Op het ogenblik is nog niet duidelijk
in hoeverre die Russische aanleg zich onder het aan haar vreemde Leninisme
verder ontwikkeld heeft, maar dat die aanleg zich doorzet staat logischerwijs
vast! Dostojewski vertelt van een tweetal boeren die zich bij hun hut tegoed
deden aan grote hoeveelheden wodka.
Met het toenemen van hun dronkenschap gingen zij
elkaar tot steeds sterker staaltjes van moed uitdagen, totdat op zeker moment
de een de ander uitdaagt om op een Christusicoon te schieten. Natuurlijk liet
deze zich dat geen twee keer zeggen en dus schoot hij op de icoon... om zich op
hetzelfde moment te realiseren dat hij iets verschrikkelijks gedaan had. Hij
was niet te troosten en dus besloot hij zichzelf een zware straf als boetedoening
op te leggen. Nu is het merkwaardige dat in zo'n geval de westerse mens na zou
gaan hoe die schutter tot zijn daad gekomen is en dat vervolgens als verklaring
aanvoeren. Zo niet de Russische geest: hoe iets gekomen is verklaart niets en
is dus niet van belang, slechts de misdaad als zodanig geldt. Daaraan is men
schuldig, men had beter kunnen weten en dus is men tekort geschoten. Men heeft
een schone en goddelijke waarheid aangetast. In Dostojewski’s roman Boze
geesten komt de ingenieur Kirilov voor. Deze zoekt het ineen-zijn van alle
dingen, door hem verwoord in termen van gelijk worden aan god. Dit
liefdesverlangen meent hij te kunnen bevredigen door zelfmoord te plegen. Zo'n zelfmoord is niet, zoals
binnen de westerse cultuur voor de hand zou liggen, een willen ontsnappen aan
ellende, wanhoop en verdriet, maar het is een ergens willen zijn, namelijk in
de werkelijkheid als ineen-zijn. Kirilov wil bij god zijn, net als trouwens de
typisch Russische drinker die zich letterlijk naar god drinkt en die zich
daarbij geen beperkingen oplegt en ook niet beschaafd aan zijn glaasje nipt,
maar zo snel mogelijk van de kaart wil zijn. Zo zijn er talloze voorbeelden te
geven van merkwaardige Russische symptomen van reacties op de werkelijkheid als
beeld. Er is bijvoorbeeld ook een gelijk opgaan van diepe gelovigheid en helder
rationeel atheisme. Dit is mogelijk omdat de Russische mens alle schone
verhoudingen die voor het bewustzijn gelden en die hij aan het zich
afspiegelende beeld beleeft zowel als hoger, ruimer en verhevener als door en
door menselijk ondergaat.
Je zou van hem kunnen zeggen dat hij de ware
christen is omdat voor zijn besef het (hogere) goddelijke tegelijkertijd het
(lagere) menselijke is. In die zin roept hij zijn vrienden en bekenden met Pasen toe: Christus is
waarlijk opgestaan. Dit atheisme, dat alweer door Dostojewski schitterend
getekend is in de figuur van Iwan Karamazow, is niet te vergelijken met het
westerse waarin alle schone verhoudingen van het bewustzijn verworpen en
ontkend worden. Dat gehele complex van reacties, waarvan ik genoemd heb schuld,
liefdesverlangen en liefdesheimwee is samen te vatten onder het begrip
religiositeit. Maar ook nu moeten wij opletten niet de westerse inhoud van dit
begrip te hanteren: in het westen betekent het dat je je verbonden weet met de
kosmos, het al of een universele geest. Dit begrip verbonden zijn met
vooronderstelt echter een scheiding tussen jezelf en dat universele, en daarbij
is die scheiding overbrugd door wat ik eerder een relatie genoemd heb. De
westerse religiositeit is dus een relationele zaak. Zo niet de Russische, want
voor de Rus gaat het om ineen-zijn van jezelf en het universele. In feite is
dit Russische religieuze besef als zodanig het enig juiste, waarbij bovendien
opgemerkt moet worden dat het nog in sterke mate overeenkomt met het besef van
de oudheid. Het Russische gevoel voor communisme, (niet dat van de
communistische machthebbers) berust in genoemde religiositeit. Voor de goede
orde: het bovenstaande dient eigenlijk alleen maar als illustratie bij diverse
symptomen die de mensen vertonen als gevolg van de aanwezigheid van de
werkelijkheid als beeld. Maar tegelijkertijd komt er enigszins aan uit dat het
volwassen gelden van het bewustzijn een mens oplevert die gegrond is in volkomen
andere werkelijkheidsverhoudingen dan de laatste onvolwassen mens, namelijk die
van de westerse cultuur, die overigens nog lang niet naar zijn ware aard voor
de dag gekomen is.
Voor het leven van de mensen spelen begrippen die uit
de werkelijkheid als bewustzijn voortkomen een cruciale rol. Zo heb je de
begrippencluster vrouwelijk-mannelijk die in zijn doorwerking naar het
dagelijkse leven nogal wat teweegbrengt tussen vrouwen en mannen. Wat dit
betreft moet ik evenwel meteen al voor de denkfout waarschuwen dat van genoemde
begrippen er een zou zijn die zonder meer behoort bij de vrouw en een die
uitsluitend voor de man zou gelden. De gehele cluster behoort bij elk mens,
zowel vrouw als man, maar het is wel een feit dat er een belangrijk onderscheid
is tussen de verhouding vrouwelijk-mannelijk bij de vrouw en diezelfde
verhouding bij de man. Tengevolge van dat onderscheid is er in de praktijk van
het leven enerzijds de enigszins aangename spanning van de erotiek, maar
anderzijds de bijna steeds gefrustreerde spanning tussen vrouwen
en mannen voor zover zij aan zichzelf en elkaar meerwaarden en minderwaarden
toekennen. In heel oude tijden, voor zover die bij het hedendaagse onderzoek
achterhaald worden, blijken zich complete strijdtonelen afgespeeld te hebben
tussen vrouwen en mannen. Bij enkele primitieve stammen komt dat trouwens
tegenwoordig ook nog voor, althans zijn er duidelijke restanten van op die
strijd berustende zeden en gewoonten terug te vinden. Het zou daarbij gegaan zijn
om de pogingen van mannen om de vrouwen een kosmisch en religieus geheim te
ontfutselen, het geheim namelijk van het leven en het voortbrengen van leven.
Het geheim dus van de Grote Baarmoeder zoals het bezit daarvan toegeschreven
werd aan de Magna Mater, de Oermoeder die aan het begin der tijden overal
dominant aanwezig was. In zekere zin ook voor vandaag een interessant thema
omdat, zoals ik hoop te laten zien, het mannelijke denken er nog steeds op uit
is het vrouwelijke en het daarmee corresponderende natuurlijke aan zich te
onderwerpen en vervolgens de wet op te leggen.
Niet alleen echter ging het om het afhandig maken
van een geheim, maar ook en vooral om het neutraliseren van de macht van de
vrouwen om alles in zich te laten verzinken, dat wil zeggen terug op te nemen
in de alles omsluitende baarmoeder. Deze brengt het leven voort maar neemt het
ook weer in zichzelf op. Dat was voor de mannen buitengewoon bedreigend en dus
moest dat gevaar afgewend worden. Deze en dergelijke toestanden waren vroeger
geen uitzondering maar regel en daarom kunnen zij met recht als (voorlopig)
voorbeeld van intense doorwerking in het dagelijkse leven gesteld worden. Naar
alle waarschijnlijkheid heeft de besnijdenis van vrouwen, doorgaans gepaard
gaande met het dichtnaaien van de vagina, oorspronkelijk op min of meer
symbolische en rituele wijze de bedoeling het onmogelijk te maken dat de
baarmoeder alles verzwelgt. Wat dit betreft heeft het zin het boek De roof van
het vrouwengeheim te lezen, een studie naar de mythe van de dictatuur der
vrouwen en het ontstaan der geheime mannengenootschappen, die Fokke Sierksma
(1917-1977) in 1962 het licht deed zien. Afgezien echter daarvan is het ook
filosofisch na te gaan dat men het alles omvattende karakter van de
werkelijkheid als bewustzijn in het begin der menselijke tijden in hevige mate
onderging en onvermijdelijk als bedreigend ervoer. Vanwege het levensbelang van
de werkelijkheid als bewustzijn wil ik thans opnieuw nagaan hoe het zit met die
werkelijkheid om er achter te komen hoe de verhoudingen tussen het vrouwelijke
en mannelijke liggen, niet alleen in de erotiek, de seksualiteit en de liefde
(in die volgorde) maar ook binnen het kader van samenleving en maatschappij.
Het gaat bij het bewustzijn om de in de levende werkelijkheid aanwezige
materiële trilling die van zodanige aard is dat de gehele werkelijkheid naar
haar algemeenheid, oftewel naar de voor haar geldende trillingsverhoudingen, er
in vertegenwoordigd is.
Het
gaat dus om de op trillende wijze in de levende materie aanwezige waarachtige
werkelijkheid. Hierover heb ik al vaak gesproken, maar het is toch noodzakelijk
een aantal zaken nog weer naar voren te halen teneinde een helderder inzicht te
krijgen in onder andere de cluster vrouwelijk-mannelijk. Welnu: op een gegeven
moment ontstaat er ergens in de ruimte materie, bijvoorbeeld daar waar later
ons zonnestelsel zal blijken te zijn. Die materie vooronderstelt ruimte, maar
ruimte is niet het eerste wat zich aan de werkelijkheid bedenken laat; de
beweeglijkheden zijn het eerste. Wat dit betreft is het aardig om te vernemen
dat er op het ogenblik een aantal (theoretisch) natuurkundigen is dat speelt
met de idee dat de elementaire materie zou bestaan uit virtuele deeltjes,
d.w.z. uitsluitend denkbaar aanwezige en nog niet tot bestaan gekomen ietsen.
Bovendien is te wijzen op de Engelse sterrenkundige Fred Hoyle (geb.1915) die
de theorie van de continue schepping van materie ontwikkelde, maar die hem
helaas in 1966 weer schijnt te hebben laten varen. Hoe dan ook, filosofisch
nadenkend kom je in ieder geval tot het ontstaan uit de beweeglijkeden van
materie die volhardt in haar bestaan doordat ze zich bevindt in energetische
velden, bestaande uit systemen van telkens vijf beweeglijkheden die als systeem
energetisch (bewegend) zijn en daarbij een richting hebben. Het zijn gerichte
energetische systemen waarvan de in principe chaotisch gerichte energieen
vanzelf ruimtelijke patronen gaan vormen. Die ruimtelijke patronen zijn oorzaak
van het ontstaan van bouwstenen en daarmee begint het samenklonteren van de
materie tot relatief grote verschijnselen. Dat zichzelf samenstellen, dat
samenklonteren, kan onmogelijk uitblijven omdat we hier te doen hebben met een
onbegrensde tijd en ruimte. Altijd gebeurt het wel ergens en om dezelfde reden
gaat zo'n proces onvermijdelijk door totdat niet de grootste, maar de innigste
structuur bereikt is en de zaak zich niet verder kan structureren. Op dat
moment treedt de verwisselbaarheid op.
Een materiedeeltje bestaat namelijk uit een
structuur van drie
achtvoudige systemen van beweeglijkheden (brandpunten) waarin
samenhang voorkomt, maar ook trilling. Door de optimale innigheid kan zowel de
genoemde trilling als de samenhang behoren tot de ene bouwsteen, maar ook tot
de andere. Het kan zogezegd zo zijn, maar ook anders. Dit anderszijn houdt een
drietal denkbaarheden in: ten eerste is de optimaal innige structuur er
aanleiding toe dat het gehele verschijnsel in zichzelf beweeglijk geworden is
op de wijze van een totaaltrilling, en ten tweede zijn de afzonderlijke
trillingen van de bouwstenen binnen het verschijnsel geworden tot een trillend
geheel en ten derde is de samenhang verruimd van een in de bouwsteen beslotene
tot een voor het gehele verschijnsel geldende. Het eerste is te herkennen als
het levend-zijn van het bedoelde verschijnsel en het tweede als het feit dat
dat verschijnsel bewustzijn heeft, terwijl de derde denkbaarheid zich vertoont
in het ondeelbaar zijn van het levende verschijnsel. Alle drie deze
eigenaardigheden, namelijk levend-zijn, bewustzijn en onverbrekelijkheid gaan
noodzakelijk samen. Feitelijk is het zo dat dit allemaal mogelijk is doordat
het begrip verwisselbaarheid gaat gelden, hetgeen betekent dat de in de
afzonderlijke bouwsteen opgesloten samenhang en trilling zogezegd eigen grenzen
te buiten gaan en geldig worden voor de gehele samenstelling, het gehele
verschijnsel. Zo gezien is er niets raadselachtigs aan het optreden van het
leven, mysterieus is alleen de natuurkundige kant van de zaak: welke stoffen en
energieen hebben op welke manier samengewerkt om tot dat levende resultaat te
komen? Dit echter heeft betrekking op de vraag hoe het daartoe gekomen is,
terwijl wij ons filosofisch moeten afvragen hoe het zit.
No. 165
Er zijn in feite drie zaken aan de optimale
combinatie van bouwstenen te onderscheiden: ten eerste heb je die
totaaltrilling die zich manifesteert als het levend-zijn van het verschijnsel;
ten tweede is daar de trilling als geheel die wij als bewustzijn onderkennen;
ten derde heb je te maken met de samenhang die van het levende verschijnsel (de
cel) een ondeelbaarheid maakt. Door het optreden van de verwisselbaarheid zijn
de in de bouwsteen besloten trillingen niet langer aan zichzelf bepaald maar
zijn zij in het teken van het anderszijn komen te staan. Het begrip het andere
is ervoor gaan gelden, omdat van die trillingen is te zeggen dat ze zo kunnen
zijn, maar ook anders. Voor zover ze afwisselend zo zijn vormen zij met elkaar
de totaaltrilling en voor zover zij tegelijkertijd anders zijn vormen zij een
eenheid, namelijk de trilling als geheel. Dat geldt ook voor de samenhang die
aanvankelijk eveneens in de bouwsteen opgesloten was, maar die in het optimaal
innig samengestelde verschijnsel op de manier van verwisselbaarheid gaat
optreden. Daardoor ontstaat een stapsgewijze samenhang in het verschijnsel, die
symbolisch is weer te geven in de volgende cyclus: A-B-C>B-C-D>C-D-E
enzovoort. Samenhang bevindt zich uitsluitend opgesloten binnen de structuur van
de bouwstenen, namelijk in de dubbelverhouding B-A en B-C (als B het centrale
brandpunt is van de bouwsteen A-B-C) en ook en vooral is samenhang te vinden in
de levende cel. Samenstellingen van meerdere cellen, dus organismen, kennen ook
een inwendige samenhang, eveneens uit te drukken in bovengenoemde cyclus.
Buiten deze drie mogelijkheden, namelijk bouwstenen, cellen en organismen, is
er in het materiele heelal geen samenhang. De hemellichamen derhalve hangen
niet, zoals velen menen, samen en diegenen die vinden dat dit wel het geval is
bezondigen zich aan holistische romantiek.
Wel echter maken alle hemellichamen deel uit van
een gigantisch kosmisch netwerk van relaties, dat ongetwijfeld veel verfijnder
is dan het wetenschappelijk onderzoek tot nu toe aan het licht heeft gebracht
en de theoretici hebben uitgedacht. Overal zit verband tussen. Dat men,
bijvoorbeeld binnen het holistisch denken, overtuigd is van een allesomvattende
innerlijke samenhang van het universum komt door een eigenaardigheid van de mens
zelf. Op grond daarvan romantiseert hij de feitelijke stand van zaken en maakt
er tenslotte iets verhevens van... Wat overigens vergeleken bij de praktijk van
het huidige analytisch technologische denken tot een heel wat gezonder
wereldbeschouwing leidt. Wat is nu die totaaltrilling? Het is in ieder geval
een veelheid van trillingen die op elkaar inwerken omdat zij tot elkaar in
steeds wisselende relaties staan. Van een chaotisch bewegen, ieder naar eigen
goeddunken, is volstrekt geen sprake. In tegendeel: de zaak is door en door
gecoördineerd. Elke beweging wordt mede bepaald door de andere bewegingen. Een
dergelijke totaalbeweging, veroorzaakt door van elkaar afhankelijke en op
elkaar inwerkende trillingen, kun je benoemen met het begrip stroming. Het opmerkelijke
van dit begrip is dat het gaat over iets dat getrouw zichzelf blijft en
tegelijkertijd in zichzelf nooit een situatie herhaalt. Dus: in zichzelf steeds
anders is. De oude Griekse wijsgeer Herakleitos (ca.500 v.o. j.) placht te
zeggen dat je niet tweemaal in dezelfde rivier kunt baden. Volgens Plato zou
hij opgemerkt hebben dat alles stroomt: panta rhei!
Bij de totaaltrilling is het uitgangspunt dat er
afzonderlijke trillingen zijn die tot elkaar in relatie staan. Je hebt het
hierbij dus over de trillingen en de wijze waarop die tenslotte met elkaar in
verband staan. De stroming is uiteraard een kwantitatieve zaak en die berust op
een verschijnsel van een zeer bepaalde structuur, namelijk de meest innige.
Gaat het echter over de trilling als geheel, dan spreek je over de
samenstelling, het volledige verschijnsel, zelf. Het verschijnsel dat als een
enkelvoudige cel voor de dag komt. Voor dat verschijnsel geldt dat de er in
aanwezige trilling een geheel is. De verwisselbaarheid geldt, zoals al eerder opgemerkt,
ook voor de samenhang zoals die in de bouwsteen in een dubbelverhouding
aanwezig is en nu door het gehele optimaal innige verschijnsel (de cel)
heenloopt. Dit doortrokken zijn van samenhang leidt ertoe dat de cel niet
deelbaar is. Het niet-deelbaar zijn echter betekent niet dat de cel niet stuk
te maken zou zijn. Zoals bekend is dat wel degelijk te doen en het is zelfs
betrekkelijk gemakkelijk. Doe je dat echter, dan is de cel niet meer levend en
de te voorschijn gekomen brokstukken hebben niets meer gemeen met de
oorspronkelijke cel. Het is wat biochemische rommel.. . Een steen daarentegen
levert bij het stukmaken nog altijd stenen op en pas bij atomaire splijting
verliest de steen zijn specifieke eigenschappen. De samenhang binnen de cel is
dus in zoverre opmerkelijk dat zij essentieel is voor de cel, maar zij is toch
niet zodanig aanwezig dat zij het stukmaken van de cel onmogelijk maakt. De
oorzaak hiervan is gelegen in het feit dat wij te doen hebben met een
stapsgewijze samenhang: er is samenhang omdat telkens het een met het ander
samenhangt. Zoals ik al eerder heb laten zien treedt het begrip samenhang op
waar twee brandpunten met elkaar vervloeien. De achtledige systemen, die die
brandpunten vormen, smelten met elkaar samen via een vrije beweeglijkheid die
zowel bij de ene als bij de andere behoort. Deze fundamentele samenhang is niet
te verbreken. Interessant is dat de mensen altijd al aangevoeld hebben dat
samenhang onverbrekelijk is: zij hebben het over het eeuwige van de liefde
gehad en over wat god samengebracht heeft zal de mens niet scheiden. Zou iets
dergelijks bij de levende cel uitsluitend het geval zijn, zij zou absoluut
onaantastbaar zijn.
Dat is echter niet zo, en wel omdat zij ontstaan
is als een steeds inniger wordende structuur van relaties, namelijk de
samenklonterende bouwstenen, die samenklonteren omdat zij aan elkaar
beweeglijkheid neutraliseren. Je kunt daarom van de cel zeggen dat zij een
netwerk van relaties is dat zich als een weefsel van samenhangen laat gelden.
Primair is dus dat netwerk. Ik had het over de holistische romantiek. Dat is
niet bedoeld als een sneer naar het holisme, maar gewoon als een constatering
van een feit. Holisten zijn tot de overtuiging gekomen dat in het universum
alles met alles samenhangt en op zo'n manier een geheel vormt. Deze overtuiging
blijkt echter niet met de feiten overeen te komen, en toch is te zeggen dat de
essentie van het holisme juist is. Hoe zit dat? Het antwoord is gelegen in het
gelden van de werkelijkheid als bewustzijn. Het kenmerkende van het bewustzijn
is dat het op trillende wijze de gehele werkelijkheid als een geheel inhoudt.
Het heeft namelijk genoemde totaaltrilling als inhoud. Binnen het levende
verschijnsel is de werkelijkheid dus een in alle opzichten samenhangend geheel.
Voor de planten en de dieren is dat een ongeweten vanzelfsprekendheid,
maar voor de mensen is het letterlijk een opmerkelijk feit dat er toe leidt dat
hij op een zeker moment een conclusie trekt: de werkelijkheid is een samenhangend
geheel. Inderdaad is zij dat, namelijk binnen de werkelijkheid als bewustzijn.
Zij is een geheel voor de mens. Denkt die mens nu dat de realiteit zo is, dan
geeft hij zich over aan romantiek. Het begrip romantiek is van toepassing als
en voor zover men bewustzijnsbegrippen, zoals schoonheid, liefde en dergelijke,
van toepassing acht op de verschijnselenwereld. Het samenhangen binnen het
menselijke bewustzijn leidt er voor de mens toe dat hij zichzelf zinvol in de
werkelijkheid een plaats kan geven, en daarmee ook alles waarmee hij voor de
draad komt, zoals zijn wetenschap, zijn technologie, zijn maatschappij en zijn
samenleving.
Astrologie-1,hoe
zit dat? Astrologie-2
; vervreemding-1
; vervreemding-2
; vervreemding-3
; vervreemding-4
en vervreemding-5
;
Er zijn denkers die vinden dat het universum een
volledig in zichzelf samenhangende heelheid is, zo ongeveer zoals een levende
cel een onverbrekelijke eenheid is. Zij gaan daarbij vaak zover dat zij het
universum als een organisme opvatten, dat wil zeggen: een door zichzelf en in
zichzelf georganiseerd samenhangend ondeelbaar systeem. Een dergelijke
opvatting is tegenwoordig tot op zekere hoogte populair en dat is eigenlijk wel
goed omdat er dan in ieder geval een tegenwicht is tegen het in de wetenschap
dominante positivistische denken. Er is zich een sterke reactie op dat
eenzijdig analytisch autoritaire moderne denken aan het ontwikkelen, voorlopig
evenwel nog vrijwel uitsluitend vanuit de hoek der holisten en New age denkers.
Hun beweringen zijn volstrekt in strijd met het in onze cultuur geldende denken
en de daarmee overeenkomende opvattingen en theorieën. Daarin speelt namelijk
het begrip samenhang helemaal geen rol, behalve als een ander woord voor de
begrippen verband, relatie en dergelijke. Op de een of andere manier speelt de
samenhang in dat nieuwe denken echter wel een rol. Iets anders is evenwel
enerzijds de vraag of die gedachte omtrent een in alles samenhangend universum
wel juist is en anderzijds de vraag of de door de wetenschappers gewoonlijk
ingebrachte tegenargumenten nu wel zo houdbaar zijn. Een voorbeeld van zowel
het een als het ander vind je bij de astrologie. De astrologen beweren dat er een innige en veelbetekenende
samenhang is tussen bepaalde hemellichamen en de individuele mens. Die
samenhang zou bovendien na te rekenen zijn en in bepaalde waarden uit te
drukken. Bepalend daarbij is, vreemd en onlogisch genoeg, het moment van
je geboorte. De stand van de hemellichamen (de dierenriem) op dat moment maakt
uit hoe je karakter is en hoe je toekomst zijn zal.
Volgens mijn gedachtegang op grond van de
werkelijkheid als beweeglijkheden is wat de astrologen beweren absoluut
onmogelijk, maar het gaat er nu om hoe de wetenschappers reageren. Zij beweren
dan: a) er is nooit iets van samenhang gebleken, b) de afstanden
zijn te groot om wat dan ook op de planeet te laten inwerken, c) de
astrologische theorie stamt uit de grijze oudheid en is dus achterhaald en d)
de resultaten van de astrologie,
voornamelijk bestaande uit horoscopen, zijn niet verschillend van willekeurige
uitspraken en toevallige overeenkomsten van gebeurtenissen. Al deze argumenten
van de zijde van de wetenschap zijn ondeugdelijk omdat er van alle te zeggen is
dat er wellicht nog onvoldoende of op verkeerde wijze uitgevoerd onderzoek
achter staat. En wat punt d) betreft: misschien zijn de huidige
bekende astrologen niet voldoende thuis in hun vak of zien zij nog steeds
bepaalde grootheden over het hoofd. Trouwens, punt b) is ook
interessant. Diezelfde wetenschappers bouwen namelijk deeltjesversnellers,
voor het nemen van proeven met elementaire deeltjes, zo diep mogelijk onder de
grond om de invloed van allerlei kosmische achtergrondstraling te neutraliseren.
Maar de afstanden waren toch te groot? En er was toch nooit iets van inwerking
gebleken? Kortom, er is op grond van het bovenstaande geen reden om de
astrologen belachelijk te maken. Pas wanneer de wetenschappers laten zien hoe
het nu wel zit, mogen zij zich over de astrologie vrolijk maken. Dat is de eerste reden
om de astrologen, wetenschappelijk bezien, serieus te nemen - hetgeen niet
betekent dat zij gelijk hebben, maar wel dat zij op een behoorlijke
wetenschappelijke bestrijding recht hebben. De tweede reden is, zoals eigenlijk
al gezegd, dat er door deze en dergelijke mensen een appèl wordt gedaan
op een andere wijze van benaderen van en denken over onze werkelijkheid. Een appèl
dat broodnodig is!
Het gaat namelijk hier om dat al die uitspraken
over een samenhangende werkelijkheid, hoe idioot ze op zichzelf desnoods ook
zijn, verwijzen naar een essentiële verhouding in de mens die juist in onze
tijd zo verdrongen is dat de rampzalige gevolgen daarvan steeds meer manifest
worden. Je moet bedenken dat ook idiote uitspraken en opvattingen gegrond
kunnen zijn op vermoedens van de waarheid. Zo kun je best staande houden dat
dominees als regel onzin uitkramen, maar datgene waarover zij denken te spreken
is niet alleen geen onzin (de werkelijkheid als het begrip liefde onder andere)
maar ook nog iets dat tegenwoordig heel zeldzaam is geworden. Behalve die
dominees en enkele kunstenaars heeft niemand het er meer over, zeker niet die
lui die zeggen de toekomst voor ons te regelen. Waarom het mij nu almaar te
doen is is het feit dat er voor de mens een werkelijkheid geldt waarvoor alles
ineen is in een samenhangend geheel, een heelheid, terwijl de uitwendige
werkelijkheid (de buitenwereld) op zichzelf niet van zodanige aard is. Die
buitenwereld, ook wel genoemd de objectieve werkelijkheid, is niet
samenhangend. Wel is het een uiterst verfijnd netwerk van relaties, van
verbanden. Binnen de op zichzelf staande verschijnselen komen natuurlijk wel
samenhangen voor, namelijk als twee versmolten brandpunten, vervolgens binnen
de bouwsteen, binnen de levende cel en binnen het organisme. Maar dit netwerk
van relaties, deze buitenwereld, verschijnt aan de mens als een samenhangende
heelheid, althans voor zover hij deze wereld beschouwt vanuit zichzelf als bewustzijn.
Voor de mens die zichzelf als bewustzijn laat gelden verschijnt het netwerk van
relaties als een samenhangend geheel. Tegelijkertijd echter is die zaak niet
samenhangend en daarvan komt hij het fijne aan de weet via zichzelf als
zelfbewustzijn en bijgevolg ook doormiddel van zijn denken. Het wordt voor hem
de werkelijkheid als kennis doordat hij alles gaat onderzoeken, ontleden en
ordelijk in rubrieken onderbrengen. Deze werkelijkheid als kennis echter is
volkomen in zichzelf verdeeld. De rubrieken waarin de mens zijn kennis
gesorteerd en geordend heeft komen bovendien niet overeen met de echte
werkelijkheid (een netwerk is wat anders dan een assortiment), maar dekken
slechts de voorstelling die de mens er zelf van heeft gemaakt. Er is dus in
feite niets met die kennis aan te vangen, zelfs niet als alles ordelijk
gerubriceerd is. Dat kun je vandaag al constateren aan twee dingen: ten eerste
is de verzameling kennis al lang niet meer te overzien en ten tweede weet
vrijwel niemand de afzonderlijke kenniselementen (data) meer in te passen in de
werkelijkheid. Als de mens alleen maar de beschikking had over zijn
zelfbewustzijn en dus alleen maar in staat was een hoeveelheid kennis te
verzamelen zou hij inderdaad daarmee eindigen dat hij zichzelf en de wereld
vernietigde. Hij zou immers alles uit elkaar halen! Bovendien zou hij steeds
minder in staat zijn zichzelf in de werkelijkheid te herkennen. Hoewel dit
laatste al te constateren is bij de moderne mens, en de verwarring en
hulpeloosheid almaar groter worden, is het toch niet zo dat de mens niet zou
kunnen ontkomen aan dat treurige vooruitzicht. Hij ontkomt er op den duur aan
en de aanzet daartoe is het gaandeweg weer geldig worden voor hem van de
werkelijkheid als bewustzijn. Er treedt dan namelijk deze situatie op dat al
die, als los zand aan elkaar hangende, kenniselementen als vanzelf op hun
plaats komen te liggen en daarmee gaan functioneren als uiterst verfijnde
nuances in het geheel van de werkelijkheid als beeld, die, zoals we al eerder
zagen, de afspiegeling is van het bewustzijn. Voor de planten en dieren is het
overigens allemaal zo moeilijk niet! Zij leven gewoon vanuit de samenhang van
de werkelijkheid als bewustzijn. Zij halen niets uit elkaar en zij zijn
vertrouwd met alles wat tot hun biotoop behoort. Aan vervreemding zullen zij niet ten onder
gaan, ondanks het feit dat ook voor hen geldt dat het ene levende wezen het
andere niet is en zij qua verschijnsel slechts tot elkaar in relatie staan.
Astrologie-1,hoe
zit dat? Astrologie-2
; vervreemding-1
; vervreemding-2
; vervreemding-3
; vervreemding-4
en vervreemding-5
;
No. 167
Als het goed is met de mens, dat wil zeggen als
hij volwassen is, voelt hij de buitenwereld anders aan dan zij is; hij
ondergaat haar anders, hij beleeft haar anders. Nu is de kans groot dat men
deze uitspraak zal beamen omdat men meent dat ik het over het feit heb dat
ieders waarneming van de buitenwereld verschilt van die van een ander. Bekend
is dat getuigen van een gebeurtenis allemaal iets anders vertellen. Voor een
belangrijk deel komt dat doordat ieders waarneming enigszins gebrekkig is. Maar
ook is de voorstelling bij iedereen fundamenteel anders. We hebben hier
inderdaad te doen met de werkelijkheid als voorstelling, voorkomende als inhoud
van het zelfbewustzijn. Maar hierover gaat het nu niet, het gaat over de
werkelijkheid als bewustzijn en over het aanvoelen, ondergaan en beleven
daarvan. Bovendien gaat het niet over iets gebrekkigs, maar daarentegen juist
over iets dat volkomen in orde is: de mens moet de buitenwereld aanvoelen,
ondergaan en beleven als een samenhangende heelheid. Het gaat dus nu niet over
het anders-ervaren van feiten of gebeurtenissen door een ieder individueel,
maar het gaat over het aanvoelen, ondergaan of beleven van een andere
werkelijkheid, namelijk een buitenwereld die in strijd met de feiten
samenhangend is. Het gaat over de werkelijkheid zoals ze op trillende wijze
aanwezig is in de tot leven gekomen materiele verschijnselen. Die werkelijkheid
is te definiëren als een weefsel, in tegenstelling tot de echte buitenwereld
die een uiterst verfijnd netwerk van relaties is. Beide werkelijkheden,
namelijk in de verhouding weefsel en in de verhouding netwerk, gelden voor de
mens. Het feit dat ze van elkaar verschillen berust dus niet op een
onvolkomenheid van de mens, maar juist op zijn bijzondere positie in het
universum.
Gegeven dit feit moet je je vervolgens afvragen
wat nu de verhouding is tussen de werkelijkheid als weefsel en de werkelijkheid
als netwerk, oftewel de buitenwereld als binnenwereld en de buitenwereld op
zichzelf. Bij het zoeken naar een antwoord op die vraag moet je er op bedacht
zijn dat je denkt in termen van de individuele mens, van jij en ik. Denk je
onwillekeurig in termen van collectieven, bijvoorbeeld de mensheid of de mens
als soortaanduiding, dan is het antwoord niet te vinden omdat de vraag dan niet
te stellen is: bewustzijn is individueel, strikt persoonlijk en dus, volgens
het gangbare taalgebruik, subjectief. Het is volstrekt geen collectieve zaak.
De mensheid heeft geen bewustzijn, maar de individuele mensen wel! De waarheid
is niet collectief maar individueel en juist daardoor universeel. Die
subjectieve werkelijkheid is in de moderne wereld niet in tel en dus wordt de
vraag naar de verhouding tussen netwerk en weefsel niet gesteld. Doe je het
echter toch, dan begrijpt men niet waarover je het hebt... Intussen is het toch
een feit dat de mensen tegenover hun praktische werkelijkheid, tegenover hun
realiteit, steeds een andere werkelijkheid stellen. Bij al het moorden en plunderen
is er voortdurend een besef dat het zo niet zou moeten in de wereld. Steeds is
er een zoeken naar ethiek en moraal. Dat komt voort uit de verhouding weefsel -
netwerk. Uiteraard weet men dat niet en zo kan het gebeuren dat men de behoefte
aan waarheid steeds vertaalt als een behoefte aan houvast, regels en
voorschriften, autoriteit en een nauw omschreven ethiek. Van al die
interpretaties van de waarheid is te zeggen dat ze een relatief karakter
hebben: de ene keer is het zus, de andere keer zo. Dat is te begrijpen, want de
onvolwassen mensen denken aan de hand van hun voorstelling en niet aan de hand
van datgene dat zich eraan afspiegelt. Zij voelen slechts aan dat er zich iets
afspiegelt (en vertrouwen het niet!), maar zij herkennen niet wat zich afspiegelt.
Zoals ik al vaker gezegd heb: als de mens alleen
maar de beschikking had over zijn zelfbewustzijn, liep voor hem de
werkelijkheid uit in volkomen vernietiging. Voor hem zou er tenslotte niets
over blijven dan onherkenbaar gruis waarvan hij met geen mogelijkheid de
herkomst zou kunnen achterhalen. Hij analyseert immers, vanuit het
zelfbewustzijn, de werkelijkheid en dus is voor de mens vanaf het vroegste
begin van zijn leven op aarde de werkelijkheid in principe vernietigd.
Natuurlijk levert dat aanvankelijk nog niet veel resultaten op, maar toch is
het vernietigingsproces al aan de gang. Ook een werkelijkheid die nog pas in,
zeg maar, twee delen gespleten is, is in beginsel reeds vernietigd. Dat
vernietigingsproces vindt zelfs zonder enige reserve plaats als de mens qua
cultuur in het teken van het zelfbewustzijn en dus van de analyse is komen te
staan. Deze analytische mens is de moderne westerse mens. Als hij bezig is zijn
de resultaten wel degelijk van grote betekenis omdat de vernietiging almaar erger
wordt. De moderne mens gaat immers door tot het bittere einde, althans dat is
zijn bedoeling vanuit zijn cultuur. Alles moet voor hem kennis worden. Dat is
het thema van zijn cultuur. Wat hij echter niet weet is dat hij zijn programma
onmogelijk eenzijdig door kan zetten omdat er ook nog het bewustzijn is,
inhoudende de werkelijkheid als weefsel. Dat bewustzijn gaat zich steeds meer
laten gelden. Het is de werkelijkheid als bewustzijn die tenslotte de mens
redt. De waarheid zal U vrijmaken! Het wederom gelden van die werkelijkheid
leidt ertoe dat al datgene dat door de analyse in de vorm van kennis te
voorschijn gekomen is precies zijn plaats vindt in het beeld van de
werkelijkheid. Het aanvoelen, ondergaan en beleven van de werkelijkheid als
bewustzijn krijgt een concrete betekenis doordat het geheel nu inhoud heeft
gekregen. Van de andere kant gezien: de kennis die uiteindelijk door haar
volledige versnippering niet meer thuis te brengen was, komt nu tezamen in het
beeld van de werkelijkheid.
Daarmee is die kennis terechtgekomen waar zij
thuishoort, namelijk in de werkelijkheid als waarheid. Vanaf dat moment
verschijnt zij in het licht van de waarheid, zonder overigens op zichzelf ooit
waarheid te worden. Welbeschouwd is kennis op zichzelf onbruikbaar. Je kunt er
niets mee beginnen als je niet weet waar die kennis op slaat, als je geen beeld
van de werkelijkheid hebt waarin al die kennis is gaan samenhangen. Buiten het
bewustzijn gelegen kennis leidt alleen maar tot verdere analyse: kennis
genereert kennis, zonder in feite de mens ook maar een stap dichter bij de
waarheid te brengen... Je kunt dat in de moderne wereld waarnemen aan het feit
dat alle kennis, waarvan de verwerving en de toepassing gelukt is, toch steeds
weer negatief uitwerkt. De splijting van de atoomkern bijvoorbeeld is gelukt en
het is ook gelukt er toepassingen voor te vinden, zowel positief als negatief.
Maar over het geheel genomen is duidelijk dat de zaak bedreigend voor de mensen
is. Hoe somber dit ook klinkt, alle op zichzelf staande kennis is volstrekt
zonder betekenis als ze niet ingebed is in de werkelijkheid als beeld, inhoud
van die werkelijkheid is. Zo zie je ook telkenmale dat allerlei ondernemingen
almaar mislukken zodra de wetenschap zich ermee gaat bemoeien. Vooral als het over
het milieu of het leven gaat is dit opvallend. Zoals gezegd is het de waarheid
die redding brengt. Geen wetgeving, geen afspraken, geen organisaties en
dergelijke - er is niets dat de wereld kan redden, behalve het weer gaan gelden
van het bewustzijn. Zo kun je concluderen dat de verhouding tussen weefsel en
netwerk gelijk is aan de verhouding tussen waarheid of weten en kennis. Deze
waarheid en dit weten zijn niet onderzoekend, analyserend, theoretiserend of
hoe dan ook te ontdekken. Ze komen vanzelf voor de dag als de mens zich naar
zijn eigen wezen verder ontwikkeld heeft.
Voor de wereld van de verschijnselen als zodanig
geldt het begrip samenhang niet. Maar datzelfde heelal is doortrokken van
allerlei vormen van samenhangen. Het begint al bij de versmelting van twee
brandpunten! Daarna zit er op dubbele wijze samenhang in de bouwsteen en het is
al helemaal een duidelijke zaak bij de levende wezens. Maar steeds zitten die
vormen van samenhangen besloten in verschijnselen. Je moet er echter wel op
letten dat je al die verschillende vormen van samenhang niet lineair, dat wil
zeggen plaatselijk en tijdelijk denkt, in die zin dat je zou menen dat waar een
verder stadium ontstaan is het voorgaande er niet meer zijn kan. In feite geldt
voor elk al of niet levend verschijnsel dat alle situaties van samenhang er in
bewaard zijn gebleven, dus bijvoorbeeld ook die van twee versmolten
brandpunten. Er is dus geen verhouding van beweeglijkheden, die waar dan ook in
het heelal verdwenen is en plaats heeft gemaakt voor wat anders. Alle
mogelijkheden blijven overal aanwezig omdat het steeds gaat over situaties
waarin beweeglijkheden verkeren. In iets ingewikkelds blijft het eenvoudige
gehandhaafd. Omdat dit het geval is kun je zeggen dat het heelal doortrokken is
van samenhang; overal is inderdaad samenhang aanwezig, maar het is er als een
veelheid van eilandjes van samenhang, anders gezegd: het is een discontinue
samenhang. Je moet dit dan ook kwantitatief denken, in tegenstelling tot de
voor het bewustzijn geldende samenhang die kwalitatief is. De materiële
verschijnselen worden echter niet bijeen gehouden door hoeveelheden van
eilandjes van samenhang, maar door de netwerken van relaties. In die zin moet
de uitspraak opgevat worden dat er geen samenhang in het heelal is, maar een
netwerk van relaties. Ik heb al vaker opgemerkt dat het bewustzijn een
onaantastbare werkelijkheid in jezelf is. Het is de werkelijkheid zelf als
trilling, ongeacht je individuele bestaan.
Je kunt haar bijgevolg niet verhelderen noch verruimen
of wat dan ook; je kunt haar evenmin verduisteren of buiten werking stellen en
te begrijpen valt er al helemaal niets. Er is dus niets mee te beginnen,
precies zoals met de waarheid niets te beginnen is. Ze leent zich nergens toe!
Maar wat de mensen wel kunnen doen is haar isoleren! . Zij kunnen zich
afschermen voor het bewustzijn, een muurtje optrekken tussen de voorstelling
van zichzelf (de eigendunk) en het bewustzijn. Ze kunnen zich onttrekken aan de
waarheid. Voor zover mensen zich niet afschermen kan voor hen het heelal, de
buitenwereld, niet anders zijn dan samenhangend. Dat leidt ertoe dat ook hun
gehele verzameling kennis in samenhang komt. De kennisdata staan dan niet
langer los van elkaar, maar vloeien in elkaar over. Als dat het geval is krijgt
de kennis betekenis. Kennis die iets betekent is kennis die in het licht der
waarheid staat. Ik duid die kennis aan met het begrip weten. Kennis op zichzelf
daarentegen is bevangen in de analyse en is, doordat het bestaande ontleed is,
wezenlijk nietszeggend. De formule a2+b2=c2 zegt absoluut niets tenzij je erbij
vermeldt dat hij betrekking heeft op de zijden van een rechthoekige driehoek;
de stelling van Pythagoras! Je moet kennis altijd in een context, een bepaald
verband plaatsen om er iets mee te kunnen aanvangen. Het is geen wonder dat
onvolwassen mensen er dan maar waarde aan gaan toekennen om er zodoende een
middel tot het verwerven en handhaven van macht van te maken; kennis is macht.
Nergens is dat beter te constateren dan bij het
militair-industriële complex. De kennis die ten nutte van het welzijn van de
bevolking taboe is wordt als vanzelfsprekend voor een nog verwoestender
wapentechnologie aangewend. Andersom is een heleboel hooggekwalificeerde kennis
verworven dank zij het zoeken van militaire macht (versluierend veiligheid
genoemd). En tegenwoordig is de kennis trouwens ook al een veelgevraagd
handelsartikel geworden. Hoe dan ook, het gaat hierbij steeds om kennis die in
de voorstelling ingepast wordt, kennis die op een zo waardevol mogelijke plaats
in die voorstelling wordt gesitueerd. Teneinde dat mogelijk te maken wordt ook
die voorstelling doorgaans naar believen aangepast. Kennis evenwel behoort niet
eenzijdig thuis in de voorstelling, maar in het bewustzijn, met als gevolg dat
zij eigenlijk geen waarde, maar betekenis zou moeten hebben. Het begrip
betekenis geldt als en voor zover een gedeelte of een aspect van de
werkelijkheid gesteld wordt als de gehele werkelijkheid, zoals het geval is bij
een door een kunstenaar gemaakte tekening. Hier geldt het begrip teken in de
zin van verwijzing naar het geheel. In feite wordt dan het detail verheven tot
nuance. Een bepaald landschap bijvoorbeeld wordt tot het (algemene) begrip
landschap. Zo behoort kennis op zichzelf tot de werkelijkheid als detail, maar
kennis die betekenis heeft gekregen is de werkelijkheid als nuance, een begrip
waarin een verwijzing naar het geheel te vinden is. Het is onmogelijk een
dergelijke betekenisvolle kennis te misbruiken voor welk doel dan ook,
uiteraard omdat er steeds samenhang met al het bestaande is. Zo kun je zien dat
het niet (langer) afschermen van jezelf als bewustzijn automatisch leidt tot
een weten van de ware werkelijkheid en daardoor het oplossen van alle problemen
die deze wereld nu zo uitzichtloos maken.. . Met het in pacht hebben van de
wijsheid heeft dit uiteraard niets te maken, het houdt slechts in dat je niet
meer in een waan leeft. De voorstelling is inhoud van het zelfbewustzijn. Die
voorstelling is opgebouwd uit kennis en deze kennis is dus ook inhoud van het
zelfbewustzijn, of, anders gezegd: voor het zelfbewustzijn van de mens wordt de
materiele werkelijkheid, de door het samenvoegen van bouwstenen ontstane
verschijnselenwereld, gaandeweg tot kennis. Deze kennis wordt door analyse
verkregen.
Dat is kenmerkend voor de werking van het
zelfbewustzijn omdat dit, liggend aan het eind van de wording van dingen en
levende wezens, de materie als niet-materie is. Populair gezegd: de stof die
zich als geest gedraagt. Dat betekent dat voor het zelfbewustzijn de
verschijnselenwereld eigenlijk teruggebracht zou moeten zijn tot
beweeglijkheden, tot geest, juist omdat het zelfbewustzijn die teruggebrachte
zaak is. Het laat zich immers gelden alsof het de beweeglijkheden weer terug
is. Omdat dit het geval is wordt als vanzelfsprekend door de mens vanuit
zichzelf als zelfbewustzijn alles tot op zijn elementaire status, namelijk de
beweeglijkheden en in de natuurkundige praktijk de elementaire deeltjes,
ontleed. Zo maakt de mens zich als zelfbewustzijn waar: hij maakt van alles
iets geestelijks en dat is in feite op zichzelf iets nietszeggends omdat van de
beweeglijkheden niets te zeggen valt (volkomen onbepaaldheid). Het
bovenstaande is de essentie van de westerse cultuur. Het is dus al
nietszeggendheid wat de klok slaat. Omdat dit eigenlijk niet te verdragen is
geeft men bepaalde waarden aan al die dingen, maar de mens die na het moderne
westen verschijnt, namelijk de volwassen mens, kent geen waarde meer aan de
dingen toe: hij herkent de betekenis van de dingen doordat zijn kennis op maat
is komen te liggen. Dat is het geval doordat de kennis is thuisgebracht binnen
het geheel van het bewustzijn. Zo is die verzameling van op zichzelf staande,
nietszeggende, elementen tot inhoud van het bewustzijn geworden en aldus
omgezet tot een samenhangende betekenisvolle werkelijkheid. Je kunt dus zeggen
dat het bewustzijn nu als geheel een inhoud heeft gekregen en die inhoud is een
verzameling van op zichzelf staande elementen. Je hebt nu te doen met de
verhouding vrouwelijk-mannelijk, waarbij het begrip vrouwelijk staat voor het
bewustzijn dat een inhoud heeft, en het begrip mannelijk voor het
zelfbewustzijn dat inhoud is.
No. 169
Nu de begrippen vrouwelijk en mannelijk ter sprake
komen moet ik er als eerste op wijzen dat deze begrippen ook een rol spelen bij
de seksualiteit. Dat kan verwarring veroorzaken. Daarom: bij de seksualiteit
betekent het dat er twee verschijnselen zijn en gaat het erom dat het
vrouwelijke en het mannelijke verschijnsel elkaar voortdurend benaderen teneinde
met elkaar te versmelten. Dit op grond van het feit dat er eigenlijk slechts
van een enkel verschijnsel, dat tegelijkertijd zowel vrouwelijk als mannelijk
is, gesproken kan worden. Het zich laten gelden van de fundamentele eenheid van
de vrouwelijke manifestatie en de mannelijke is de seksualiteit. Overigens is
het wel een feit dat in genoemde fundamentele eenheid het mannelijke inhoud is
van het vrouwelijke en dat de verhoudingen ook zo liggen bij het thema dat
thans aan de orde is. Sterker nog: bij dit thema draait het om die
verhouding! Het gaat nu dus niet over de seksualiteit, maar over de verhouding
tussen zelfbewustzijn en bewustzijn, zoals die voor elke mens, hetzij vrouw of
man, geldig is. In die verhouding komen zowel het begrip vrouwelijk als het
begrip mannelijk op een bijzondere wijze voor de dag. Het ineen zijn van beide
begrippen kun je benoemen met het begrip liefde. Ieder mens heeft
zelfbewustzijn omdat hij het materiele verschijnsel is dat aan zijn einde qua
wording gekomen is en daardoor zich gedraagt als materie die zich als
niet-materie laat gelden. Dit laatste heb ik benoemd met het begrip
zelfbewustzijn, om redenen die ik nu even buiten beschouwing laat. Overigens is
van belang op te merken dat ik over niet-materie moet spreken en niet over geen
materie, hoewel ik deze term waarschijnlijk hier of daar wel gebruikt heb. Er
is namelijk geen sprake van dat er geen materie zou zijn. Er is juist wel
materie, zelfs materie in haar meest sublieme samenstelling (vorm), maar het
merkwaardige is dat die materie er is alsof ze niet-materieel zou zijn: de
werkelijkheid namelijk als beweeglijkheden. Gewoonlijk uiten de mensen hun
vermoedens omtrent deze quasi niet-materiële werkelijkheid doormiddel van het
woord geest, oftewel spiritus (vluchtigheid). Onwillekeurig verbindt men de
geest met iets verhevens, zoals de werken van de geest, de cultuur, de
wetenschap en dergelijke. Maar de geest behoort niet alleen bij de helden van
de geest: voor de mens is alles geest. De hele wereld van een mens is
geestelijk. De buitenwereld is als geest, dat wil zeggen als niet-materie, in
een mens aanwezig. Aangezien de wereld van een mens gelijkstaat met de
werkelijkheid als voorstelling is dus letterlijk alles geest, en niet alleen
maar, bij wijze van spreken, een Beethoven-symfonie... !
De mens is qua natuurlijke vermogens volledig
onbekwaam, in tegenstelling tot de plant en het dier voor wie er niets is dat
niet natuurlijk is. Voor plant en dier is de werkelijkheid lichaam en hun
gehele leven is lichamelijk, inclusief hun denken in de zin van onderscheiden
van het een en het ander. Het voor hen geldende bewustzijn is immers gesitueerd
binnen het materiele. Maar voor de mens is alles geest (in feite
zelfbewustzijn) en alleen daarmee kan hij het natuurlijke aan. Niet echter met
zijn lichaam, tenzij hij zijn lichaam in dienst van de geest stelt, wat hij dan
ook voortdurend doet. Het zelfbewustzijn is niet wat het lijkt: een
werkelijkheid die buiten en boven de mens gesitueerd is en die als iets
goddelijks van kracht is voor het collectief dat door de mensen gevormd wordt.
Met andere woorden: het zelfbewustzijn is niet iets van de mensheid. Het is
daarentegen iets van de individuele mens. Omdat dit het geval is kun je inzake
de filosofie staande houden dat je de vraag “hoe zit het”? geheel op eigen
kracht moet beantwoorden.
Hoe overtuigend het ook lijkt je te beroepen op de
autoriteit van hooggeleerde buitenstaanders, het heeft in wezen niets om het lijf
qua weten omdat de door die buitenstaanders aangeleverde kennis zo zonder meer
niet in het licht der waarheid staat. De vraag is dus hoe zit voor mij de
werkelijkheid en welke algemeen geldige conclusies kan ik daaruit trekken? Voor
de (individuele) mens als zelfbewustzijn blijkt de werkelijkheid een
niet-materiele aangelegenheid te zijn. Het is alsof de beweeglijkheden (in alle
onafhankelijkheid van de door henzelf gevormde systemen) weer terug zijn. Van
die werkelijkheid als beweeglijkheden is te zeggen dat er absoluut niets over
te zeggen valt. Dat was en is het uitgangspunt van de gedachtegang over
Beweging en verschijnsel. Het is een uitgangspunt dat wetenschappelijk gezien
absurd is omdat het geen onderscheiding inhoudt op grond waarvan de analyse
aangevangen kan worden. Voor analyse is immers een onderscheid tussen het ene
iets en het andere noodzakelijk! Als er echter van iets niets te zeggen valt
betekent dat dat bedoeld onderscheid niet aanwezig is en er dus geen analyse
kan plaats vinden. Analyse veronderstelt dat het object een samenstelling is en
er dus onderscheid bestaat tussen het een en het ander. Filosofisch evenwel is
de constatering dat over de beweeglijkheden niets te zeggen valt van groot
belang. De uitdrukking dat er niets te zeggen valt is namelijk wel degelijk een
uitspraak over de beweeglijkheden en hij blijkt in te houden dat a) het
karakter van de werkelijkheid inderdaad absoluut beweeglijk is, b) dat
alleen het tezamen-denken (in systemen) van meerdere beweeglijkheden tot conclusies
over de werkelijkheid kan leiden, c) dat die in systemen gedachte
werkelijkheid in wezen nog steeds nietszeggend is en d) dat bijgevolg de
inhoud van het zelfbewustzijn, er zijnde quasi als beweeglijkheden, ook niet
anders dan nietszeggend kan zijn. De uitspraak dat de werkelijkheid als inhoud
van het zelfbewustzijn, dus in feite als kennis, een nietszeggende
werkelijkheid is, mag, zeker voor de moderne mensen, bevreemding wekken.
Je hoort immers bij voortduring het geroezemoes
van al die uitspraken uit al die culturen, een geroezemoes waarin al die
verschillende uitspraken almaar proberen zelf de boventoon te voeren. Het zijn
allemaal uiterst veelzeggende, gewichtige en belangwekkende uitspraken van lui
die hun persoonlijke zwaarte te danken hebben aan de veelheid aan kennis die
zij zich verzameld hebben. Kennelijk is voor de mensen de werkelijkheid
helemaal niet nietszeggend, maar daarentegen uitermate veelzeggend. Toch is er
een besef geweest dat wezenlijk in de nietszeggendheid van de zelfbewuste werkelijkheid
(de geest) gegrond was. Aan het einde van de oudheid, bij de Grieken, de
Romeinen en dergelijke was er de gedachte dat er een duivel zou zijn. Deze werd
beschouwd als vertegenwoordiger van het vluchtige principe dat als zodanig door
alles heen gaat. Hij ontkent al het bestaande, alle normen en waarden en hij is
er als satyr voortdurend op uit met de vrouwen gemeenschap te hebben. En als
demon is hij de onpersoonlijke en dus nietszeggende duistere macht, die
als het kwade gewaardeerd wordt. Ook in het latere christendom komt de duivel
voor, evenwel is hij daar de tegenspeler van god, om als zodanig al spoedig
door niemand meer begrepen te worden als zijnde het naamloze en vluchtige
principe dat hij oorspronkelijk was. Toch werden in de hekserij de duivels
opgevat als verkrachters van de vrouwen die door geen muren tegen te houden
waren en die almaar de wereld in de war stuurden. Hoe dan ook; het besef dat de
werkelijkheid als zelfbewustzijn, als geest, voor de mens nietszeggend is heeft
min of meer nadrukkelijk in het verleden geleefd. En nu is het frappante dat
dit besef sloeg op de mannelijke werkelijkheid: de demon, duivel en satyr waren
manifestaties van het wezenlijk mannelijke. ..
Maagd-1 nr. 170 en 171
; Maagd-2 nr. 195 ;
In het christendom wordt de duivel gezien als de
verpersoonlijking van het kwaad en als zodanig dient hij als sanctiemiddel om
de gelovigen er onder te kunnen houden. In de westerse literatuur is dat
natuurlijk ook het geval, maar dan wordt dat kwade juist voorgesteld als iets
begerenswaardigs, vooral omdat het macht geeft over zaken die normaal volstrekt
buiten bereik liggen. Denk bijvoorbeeld aan de figuur van Faust, zoals die
onder andere door Goethe in 1808 getekend is. Hierbij gaat het om een mens die
een pact met de duivel sluit en daarvoor heel wat terug krijgt. Er zijn nog
meer varianten, maar in ieder geval staat ook de christelijke duivel in het licht
van de ontkenning, in die zin dat hij in alles strijdig is met god. Daarbij
staat god voor een eenzijdig mannelijke werkelijkheid waarin het nietszeggende
karakter van de geest, de voorstelling, het zelfbewustzijn (dat is allemaal
hetzelfde, zij het in een iets ander licht bezien.) wordt opgeheven door de als
geest gestelde verschijnselen (de voorstelling) verschillende waarden toe te
kennen. Daarmee wordt de geest machtig zodat hij als hoogste waarde in de vorm
van een alleen heersende god de werkelijkheid kan gaan overheersen. De roomse
geestelijken wisten allerlei verhalen te vertellen over de duivels en hun
gedoe. Die verhalen zijn onvoorstelbaar morbide. Zij zeggen niets over de
duivel maar laten daarentegen zien hoe psychisch ziek dergelijke mensen zijn en
hoe bij hen alles draait om geilheid. Dit omdat naar hun mening de seksualiteit
wezenlijk duivels is, hetgeen in hun denken nog klopt ook! Zij vonden dat
seksualiteit niet deugt omdat het als het ineen zijn van het mannelijke in het
vrouwelijke, het nietszeggend zijn (de naamloosheid) van dat mannelijke
vooronderstelt. Dit laatste is op positieve wijze te beluisteren in de verhalen
die de zogenaamde heksen over de duivel vertelden. Deze vrouwen, die bij
tienduizenden door de roomse kerk vermoord zijn, stonden in het teken van het
vrouwelijke, zij waren een herinnering aan de oudheid, waarin het mannelijke
duidelijk als naamloze, want volkomen onbepaalde, inhoud van het
vrouwelijke gold.
Voor hen was de hen omringende intellectuele
wereld er een van holle wind, van kinderachtige mannelijke dikdoenerij en
huichelarij, van onverdraaglijke onwetendheid en schaamteloos gefantaseer en
daarin hadden die zogenaamde heksen inderdaad volkomen gelijk. ! Genoemde
heksen deelden met de oudheid het besef dat de werkelijkheid door en door
vrouwelijk van aard is. In de oudheid wist men bovendien dat er daarnaast geen
andere werkelijkheid is. Het is van belang dit laatste in de gaten te hebben.
In ons westerse denken namelijk is er wel degelijk ook nog een andere werkelijkheid:
men stelt dat de werkelijkheid stoffelijk en uitsluitend stoffelijk is, maar
dat er daarnaast ook nog een geestelijke werkelijkheid (niet-stoffelijke) zou
zijn, namelijk die van god met zijn hiernamaals, de hemel en dergelijke en ook
die van de duivel met zijn hel, vagevuur etc. De stoffelijke werkelijkheid en
de geestelijke werkelijkheid zijn wel streng van elkaar gescheiden, maar toch
beïnvloeden zij elkaar. Hoe dat dan allemaal zit wordt nooit geheel duidelijk.
Allicht niet, want het is onzin! Dus: in de oudheid wist men dat er uitsluitend
een enkele vrouwelijke werkelijkheid is. Dat houdt in dat alles wat er is
inhoud is van die vrouwelijke werkelijkheid. Het houdt echter ook in dat die
inhoud op zo'n manier aanwezig is dat er niets uitspringt. Dat wil zeggen dat
van die enorm gevarieerde verzameling geen enkel onderdeel belangrijker is dan
de rest, zich laat gelden alsof het daarom zou gaan. Dat kan ook niet want als
dat wel het geval zou zijn zou dat belangrijkste onderdeel het geheel verbreken,
maar steekhoudender nog is het argument dat er niets is dat het belangrijkst
kan zijn omdat er niets is dat bepaald is; de hele verzameling is naamloos
aanwezig.
Dat werd in de oudheid helder aangevoeld. Bij
herhaling kom je dan ook tegen dat men het mannelijke - dat is de werkelijkheid
als inhoud - geen naam wenst te geven. Op zichzelf is dat niet zo
verwonderlijk, want men besefte hoe de werkelijkheid feitelijk is.
Verwonderlijk is het dat in de op de oudheid volgende westerse wereld al
spoedig geen enkele cultuurmens meer aangetroffen kon worden die dat besef
omtrent de juiste verhoudingen nog bezat. Ik heb er al vaak op gewezen dat je
je met een dergelijk besef tegenwoordig alleen nog maar belachelijk kunt maken.
Toch is het ontbreken ervan zo langzamerhand uitermate bedreigend geworden. Die
naamloze werkelijkheid is identiek met het begrip geest (overigens ook met
voorstelling en inhoud van het zelfbewustzijn), en dus kun je zeggen dat de
totale werkelijkheid als geest de nietszeggende inhoud van het vrouwelijke is.
Je komt dat onder andere tegen in de vele verhalen over de Maagd met het
Kind. Die maagd was zwanger door de activiteit van de geest en dus door
iets dat in haarzelf aanwezig is. Weliswaar gaat het over een mannelijke zaak,
maar die komt niet van buitenom in de maagd nieuw leven te verwekken.
Hij is reeds permanent in haar aanwezig. Op grond daarvan kun je zeggen dat de Maagd
altijd (en nooit niet) zwanger is van de geest. Altijd is zij in het bezit van
haar naamloze inhoud. Die inhoud is tegelijkertijd de eeuwig actieve verwekker,
zodat te concluderen is dat alles wat er is door de geest verwekt is, hetgeen
overeenkomt met onze conclusie dat voor de mens de gehele werkelijkheid
geestelijk is, namelijk materie als niet-materie. En filosofisch van groot
belang is uiteraard het inzicht dat dit alles volstrekt nietszeggend is, en dus
ook waardeloos, wezenlijk ongrijpbaar en zinloos. Ten onrechte worden in
het westerse denken symbolen die naar het begrip geest verwijzen benoemd met de
term vruchtbaarheidssymbool. Dat getuigt natuurlijk van een bijna absoluut
gebrek aan inzicht. Het begrip vruchtbaarheid behoort bij het vrouwelijke en de
vrouw en het begrip verwekker bij het mannelijke en de man. Ook wordt de
zwangerschap van de maagd (denk maar aan de roomse Maria) als een
gebeurtenis, een incident, gesteld, terwijl we in feite te doen hebben met een
toestand.
Dat onbegrip behoeft je eigenlijk niet te
verwonderen, want het westerse denken vernietigt alles, begrijpt nergens iets
van omdat het niet tot weten komt en drijft de mensen steeds verder van huis,
dat wil zeggen: van de waarheid. Inmiddels zijn we al zover dat wij leven in
een wereld die een grote begoocheling is, een grote hersenschim - dit ondanks
en tot op grote hoogte dankzij de gigantische wetenschappelijke verworvenheden.
Je hoort vrijwel uitsluitend onzin om je heen en daarbij is vooral stuitend de
onzinnige context waarin wetenschappers hun moeizaam verkregen kennis plaatsen.
De een wil de koeien genetisch veranderen, de ander wil de mens intelligenter
maken en een derde verbeeldt zich kunstenaar te zijn... ga zo maar een tijdje
door! Filosofisch gaat het er, zoals ten onrechte veelal gemeend wordt, niet om
met betere oplossingen te komen, het beter te weten. Het begrip beter weten,
zoals ik het nu gebruik en zoals het gewoonlijk gebruikt wordt, houdt alleen
maar in dat je nog slimmer met de onzin bezig bent, zodat er te spreken is van
nog beter geweten onzin. Voor de filosofie is dit beter weten niet van belang,
maar het weten dat het allemaal onzin is is daarentegen essentieel. Zo weet je
dan iets anders dat buiten het terrein van de onzin ligt. Dan gaat het over de
waarheid en daarvoor geldt deze verhouding dat de inhoud van het
zelfbewustzijn, en dus de voorstelling en de geest, naamloos binnen het
vrouwelijke liggen en als zodanig werkelijk mannelijk zijn. De wereld van de
onzin evenwel ligt buiten het vrouwelijke en is als zodanig van een misplaatste
mannelijkheid: macho !..
Hoer-1 ; hoer-2 ; vervreemding-1
; vervreemding-2
; vervreemding-3
; vervreemding-4
en vervreemding-5
;
Als ik de term nietszeggend gebruik wil ik
uitdrukking geven aan het feit dat je omtrent een bepaalde zaak niet weet, en
ook niet weten kunt, waarover het wezenlijk gaat. Zoals in het moderne
natuurkundige onderzoek men er wel achter komt welke waarnemingen men kan
voorspellen, maar niet kan achterhalen wat er nu feitelijk gebeurt. De bonafide
natuurkundige geeft dan ook eerlijk toe er eigenlijk niets van te begrijpen. De
door hem verworven kennis zegt hem op zichzelf niets, hij kan er niet achter
komen wat er gaande is. Nietszeggend derhalve is iets als het niets zegt over
de werkelijkheid. Deze kwalificatie is van toepassing op de verzameling kennis
die de mens in de loop der tijden bijeengegaard heeft. Van toepassing dus op
zijn wetenschap als zijnde de inhoud van het zelfbewustzijn. Vooral voor de
moderne, wetenschappelijk ingestelde, mens is dat feit van de nietszeggendheid
moeilijk te aanvaarden. Hij vindt juist dat zijn kennis heel veel, zo niet al
datgene dat mogelijk te kennen is, over de werkelijkheid zegt. Tegelijkertijd
vindt hij alleen al de gedachte onzinnig dat er een weten zou zijn dat begrepen
moet worden als een zaak van het bewustzijn en dat wel iets waarachtigs te
zeggen zou hebben. Hij is zelfs van mening dat de waarheid niet bestaat en
derhalve onmogelijk te kennen is. Ook de filosofen die zich opwerpen als
wetenschappelijke kennistheoretici hebben als regel niet in de gaten dat wat de
moderne wetenschap te zeggen heeft er door diezelfde wetenschap ingelegd is en
dus niet meer is dan een interpretatie. In die wetenschap zelf worden theorieën
ontwikkeld en uitsluitend die zijn het die de erin verzamelde kennisdata enige
zeggenschap geven, doordat ze in een systeem samengevoegd worden en als zodanig
in de voorstelling komen te liggen. Ze worden een bepaald plaatje van de
werkelijkheid. Zo'n plaatje zegt uiteraard wel iets, maar dat is nog altijd
niet meer dan een voorstelling van de werkelijkheid en nog lang niet de
werkelijkheid zelve. In feite zegt een theorie alleen maar iets over hoe de
mens zichzelf en zijn wetenschap op een bepaald moment ziet.
Juist omdat dit het geval is heeft de moderne
wetenschap een forum nodig om te beoordelen wie er gelijk heeft en wie niet. In
een dergelijk forum spelen allerlei belangen van niet wetenschappelijke aard
een overheersende rol zodat uiteindelijk de mening van de meerderheid - en dus
de mening van de machtigsten doorslaggevend is inzake de zeggenschap van een
theorie. Maar gelden blijft dat er niets over de werkelijkheid gezegd wordt en
dat bijgevolg al die theorieën de mensen een fictieve werkelijkheid voortoveren
waarvan tenslotte niemand meer kan achterhalen waarover het nu eigenlijk gaat.
De almaar toenemende verwarring in de huidige wereld is daarvan een
onvermijdelijk gevolg. Het gaat namelijk niet alleen om de wetenschap, het gaat
ook om dat wat de wetenschap teweegbrengt: de algemeen geldende werkelijkheid
als voorstelling. Die hele ontwikkeling tot verwarring en machteloosheid is
natuurlijk het gevolg van het analyseren van de werkelijkheid. Dat levert die
fictie op. Toch moet je je niet laten verleiden tot het veroordelen van die
ontwikkeling: de mensheid kan niet buiten de analyse om, ondanks het feit dat
die analyse nietszeggende kennis oplevert en een grote hoeveelheid fictie. In
feite is natuurlijk deze fictie de boosdoener. Wanneer de mensen tenslotte
inzien dat de kennis nietszeggend behoort te zijn ligt alles weer op maat en is
tegelijkertijd de fictie opgeheven. Paradoxaal genoeg levert juist de analyse
het inzicht op dat de gekende werkelijkheid niets te zeggen heeft. Het
verdoezelen van dit feit, omdat men om te beginnen macht zoekt, en het maken
van een bedrieglijke voorstelling, leidt tot die ellendige vervreemding.
Het
analyseren is een mechanistisch proces, het is mogelijk omdat de verschijnselen
complexen van relaties zijn. Ook de machine, het mechanisme, is een complex van
relaties. Hij berust immers principieel op de relaties tussen de dingen;
tandwielen bijvoorbeeld moeten in elkaar grijpen, in feite elkaars energie aan
elkaar neutraliseren, zoals ook de bouwstenen dat met elkaar doen bij het met
elkaar combineren. Die tandwielen mogen vanzelfsprekend niet in elkaar overgaan
want dan deugt de machine niet. Evenwel: hoe nuttig de machine ook is, hij is
wat de waarheid betreft nietszeggend; zijn eventuele zeggenschap ontleent hij
in wezen aan zichzelf in de hoedanigheid van een, voor het voldoen aan allerlei
levensbehoeften, nuttige zaak. Wat dit betreft is er een duidelijke tegenstelling
tot de kunst. Een kunstwerk is veelzeggend en het zegt zelfs uitsluitend iets
over de werkelijkheid. Dat is nu juist de functie van de kunst. Zij geeft de
waarheid gestalte. Als en voor zover het kunstwerk iets over zichzelf en de
eigen realiteit zegt, bijvoorbeeld als tijdsbeeld, is het als kunstwerk
mislukt. Hoe dan ook, bovenstaande gedachtegang over de nietszeggendheid van
kennis en in het algemeen de inhoud van het zelfbewustzijn, is volstrekt in
strijd met het gangbare moderne denken. Toch is het hele verhaal over die
nietszeggendheid eigenlijk oud nieuws! In de oudheid, vooral in de
culturen rond de Middellandse zee, wist men al hoe de verhouding tussen het
mannelijke en het vrouwelijke ligt. Men herkende het mannelijke als een
permanente inhoud van het vrouwelijke, zodat de maagd permanent zwanger
was van de geest. Deze visie op de werkelijkheid had ook in de praktijk
gevolgen, namelijk in de zogenaamde religieuze prostitutie. Daarin kwam tot uiting dat een vrouw die
ging trouwen (het huwelijk bestond al) zich misdroeg omdat zij zich als inhoud
een bepaalde, immers met name genoemde, man verkoos. Zij verloochende dus het
feit dat het mannelijke onbepaald moet zijn. Deze misdraging moest geboet
worden en wel door zich, in ieder geval eenmaal, op de juiste wijze als het
vrouwelijke principe te laten gelden: zij moest zich prostitueren bij de tempel
van de liefdes godin! Maar dat was nog niet alles, ze moest dat noodzakelijk
doen met iemand die ze niet kende, het moest een vreemdeling zijn.
De term vreemdeling is natuurlijk een duidelijke
verwijzing naar het naamloze geestelijke, het volstrekt onbepaalde. Die
vreemdeling komt trouwens vaker voor, namelijk in dit verband dat men hem
onvoorwaardelijk gastvrijheid en bescherming moest bieden als hij binnen uw
poorten vertoeft. De ommuurde stad stond symbool voor het vrouwelijke en ook
hier vertegenwoordigt de vreemdeling de mannelijke geest. Het is trouwens ook
opvallend dat de hoer
van aanzienlijk grotere betekenis was dan tegenwoordig en ook dat zij als
representante van het begrip hoer
of maagd of oermoeder, positief gewaardeerd werd. Of zij nu als begrip
of als symbool fungeert, of als reële vrouw aanwezig is, steeds werd zij in
nauw verband met het universeel vrouwelijke beseft. In een van de Evangelien
wordt zelfs gezegd dat de hoeren u voor zullen gaan in het paradijs! Dat
vrouwelijke was uiteraard een religieuze zaak, een zaak van eenheid met de
werkelijkheid als geheel, de werkelijkheid dus die ik beschreven heb als
bewustzijn. Dat, vooral aan het einde van de oudheid, het besef overal leefde
dat het mannelijke alleen maar als naamloze inhoud van het vrouwelijke tot zijn
recht kan komen, blijkt onder andere ook uit het feit dat de mannelijke
machthebbers in bijvoorbeeld Perzië en Egypte steeds met nadruk verklaarden
namens de vrouw en het vrouwelijke op te treden. Dat houdt natuurlijk niet in
dat zij zich op grond daarvan humaan gedroegen! Zulk gedrag kan pas dan van de
handelende mannen verwacht worden als zij, volwassen geworden zijnde, zichzelf werkelijk
tot in alle onderdelen via de analyse hebben leren kennen.
Hoer-1 ; hoer-2 ; Maagd-1
nr. 170 en 171 ; Maagd-2
nr. 195 ; vervreemding-1
; vervreemding-2
; vervreemding-3
; vervreemding-4
en vervreemding-5
;
Wie niet wil
werken zal niet eten Is werken een aangename bezigheid? ; natuurrampen1 ; natuurrampen2 ; verlichting-1
; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ;
Er is niet alleen deze ontwikkeling dat de mensen
zichzelf via de analyse van de werkelijkheid leren kennen, zodat het mogelijk
wordt dat zij het mannelijke als de naamloze, onbepaalde, inhoud van het
vrouwelijke gaan laten gelden, maar er is ook aan de orde dat de mensen
enerzijds genoodzaakt zijn zich in leven te houden en anderzijds dat de mensen
zich tot eigenaars van de kosmos moeten maken. Deze drie processen lopen
enigszins door elkaar heen, zodat het erg moeilijk is er belangeloos over na te
denken, niet in het minst doordat de moderne westerse cultuur in het teken van
de economie staat. In het economisch denken zijn de verhoudingen volledig op
hun kop gezet en omdat dit in de vorm van een cultuur plaats vindt, namelijk
die van de uitwikkeling van de analyse, is er aan dit denken bijna niet te
ontkomen. Ook als je begrijpt hoe de zaak in elkaar steekt dreigen voortdurend
de analytische waardeoordelen de overhand te krijgen. Een schier onuitroeibaar
waardeoordeel is de gedachte: wie niet werkt zal niet eten, tegenwoordig vooral opgevat als; wie niet wil werken zal niet
eten. Gelukkig mag wie niet kan werken tegenwoordig wel (mee)eten. Ik
zal proberen duidelijk te maken waarom die uitspraken niet deugen en daartoe
zal ik beginnen met de begrippen overleven en toe-eigenen te belichten. Elk
levend wezen is onderworpen aan de noodzaak te overleven. Dat is een zaak die
hier op neerkomt dat de aarde, in de een of andere al of niet levende vorm,
wordt opgegeten. Al eerder heb ik uiteengezet dat in feite de buitenwereld
gerealiseerd wordt als zijnde de binnenwereld op (trillende) energetische wijze. Op energetische wijze is
de concrete buitenwereld binnenwereld geworden, oftewel inhoud van het levende
wezen. Omdat de mens net zo goed een levend wezen is als het overige leven
geldt het opeten van de aarde voor hem ook. Er is echter een verschil en dat
komt voort uit het feit dat de mens het laatste verschijnsel is. Is het
namelijk zo dat het overleven (opeten van de aarde) voor alle overige levende
wezen een kwestie van instinct is, voor de mens is het een kwestie van
handelen.
Hiermee wil ik zeggen dat elk levend wezen,
behalve de mens, overleeft volgens een onontkoombaar, van nature meegegeven
programma, dat buiten de wil van zo'n levend wezen om actief is, maar dat de
mens noodzakelijk een aantal handelingen moet bedenken om te overleven. Hij
heeft zijn zelfbewustzijn nodig om zichzelf qua overleven veilig te stellen.
Dat betekent dat bepaalde verhoudingen binnen de werkelijkheid als
zelfbewustzijn bepalend worden voor de handelingen die de mensen verrichten om
te overleven. Het betekent echter ook dat de mens in begin en beginsel bevrijd
is van de, het levende wezen overheersende, drang (instinct) om op een bepaalde
wijze aan de noodzaak om te overleven te voldoen. De mens is het verschijnsel dat
niet langer onderworpen is aan de natuur, dat wil zeggen dat hij
vanzelfsprekend wel moet zien te overleven, maar dat de wijze waarop niet van
tevoren bepaald is. Aanvankelijk leken zijn handelingen om te overleven nog
sterk op het gedoe van de dieren: de mensen waren verzamelaars die op zoek
gingen naar voorhanden voedsel, in de vorm van gewassen en gedierte. Ook gingen
zij op jacht, wat eigenlijk ook een vorm van verzamelen is. Maar al spoedig
gingen zij zich op het kweken en telen van voedsel toeleggen en vanaf dat
moment realiseerde zich inderdaad het feit dat de mens onafhankelijk van de
natuurprogramma’s is. Maar hij is, als hij tenminste wil overleven, wel
degelijk genoodzaakt om een aantal handelingen te verrichten, zoals gaan
verzamelen, op jacht gaan, de akker bebouwen, enzovoort. Het overleven is dus
een natuurlijke noodzaak die echter door de mens op alle mogelijke manieren
vervuld kan worden. En het gaat om het opnemen van de buitenwereld in de vorm
van energie.
Daarnaast echter is er nog iets anders aan de hand
en dat is het proces waarbij de mens zich eigenaar maakt van de kosmos, in de
praktijk de aarde tot zijn eigendom maakt. Hij doet ook dat omdat hij het
laatste verschijnsel is en als zodanig aan de gehele verschijnselenwereld
voorbij is. Als laatste is al het voorgaande zijn inhoud en wel op zo'n manier
dat dit voorgaande omgezet wordt tot de werkelijkheid die die laatste, de mens,
is. Anders gezegd; de aarde wordt door de mens omgezet tot een menselijke zaak,
een zaak van mensen. Dat omzettingproces speelt zich in elke individuele mens
af en er is geen mens in wie dit niet het geval is. Waar een mens is, is dit
omzettingsproces. Er is voor de mens dus geen enkele keuze in deze zaak; net zo
goed als hij geen keuze heeft inzake het zelfbewustzijn heeft hij geen keuze in
het laten gelden van zichzelf als omzetten van de aarde, als ombouwer, als
wereldbouwer. Bedoeld omzettingsproces heeft tot gevolg dat de aarde bewoonbaar
wordt in die zin dat de mensen er kunnen leven zonder alles overheersende
afhankelijkheid van natuurlijke zaken waarop de mens niet instinctmatig
ingesteld is. Ik zeg alles overheersend omdat die afhankelijkheid nooit
volledig opgeheven kan worden. Natuurrampen blijven mogelijk evenals mensen die misdrijven
plegen.
Maar de struggle for life is in ieder geval
achter de rug, voor zover het de mensen gelukt is de aarde om te zetten tot
mens. De tot mens omgezette aarde is de aarde die eigendom van de mens is
geworden. Je hebt nu te doen met een tweetal verhoudingen die voor de mens
gelden: enerzijds is daar het overleven waarvoor een mens iets moet bedenken en
een aantal handelingen verrichten en anderzijds is daar het wereld bouwen dat
ook een kwestie van handelen is. Ik noem dit laatste handelen het verrichten
van arbeid.
Het begrip arbeid betekent dus
het omzetten van de aarde en dat is een vanzelfsprekend proces dat in een ieder
plaatsvindt. Het gevolg van de arbeid is een leefbare wereld. Dus: arbeid wordt
niet verricht om te overleven, noch om zich te verrijken, noch om macht te
verwerven: arbeid is er omdat het laatste verschijnsel de aarde omzet tot
zichzelf. De handelingen om te overleven leveren niets op. Weliswaar blijf je
in leven, maar de aarde wordt er niets leefbaarder door.
Zo gezien is overleven zinloos, maar dat is het
niet als het overleven begrepen wordt als de volstrekte voorwaarde om via de
arbeid de aarde menselijk te maken. In dat geval arbeid je niet om te
overleven, maar overleef je om te arbeiden. De alsnog onvolwassen mens is niet
in staat het overleven en de arbeid in deze verhouding te zien. Hij denkt ten
onrechte dat het verrichten van arbeid noodzakelijk is om te overleven. Hij
denkt dat hij arbeidt om zijn brood te verdienen. Voor zover de onvolwassen
mens dit nog denkt is hij niet bezig met arbeid, maar met werken. Werken doet
hij ergens voor, het heeft een doel, en omdat dit het geval is zoekt hij steeds
wegen om het doel te bereiken zonder te werken. Werken is namelijk geen aangename bezigheid: het
is sloven en ploeteren en het gaat gepaard aan onderdanigheid, vernedering en
ondergeschiktheid. In de westerse wereld lijkt het er voor sommige mensen op of
werken prettig is. Zij zullen niet willen toegeven dat zij het liever niet
zouden doen, maar uit hun gedrag blijkt dat zij proberen het via werken zover
te krijgen dat zij niet meer behoeven te werken, althans de vernederende kanten
ervan kunnen opheffen. Hoe dan ook, de mensen hebben er iets onmenselijks van
gemaakt. Dat is vooral gebeurd na de Verlichting, bij het intreden van het industriële tijdperk.
In de daaraan vooraf gaande agrarische periode met zijn feodale verhoudingen
leefde nog veel meer het besef dat het bebouwen van de akker een wijze van
leven was, in feite natuurlijk het vanzelfsprekende omzettingsproces. De
landbouw is inderdaad een heel direct voorbeeld daarvan.
Wie niet wil
werken zal niet eten Is werken een aangename bezigheid? ; natuurrampen1 ; natuurrampen2 ; verlichting-1
; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ;
verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; Betrokkenheid-1
; Betrokkenheid-2
; Betrokkenheid-3
; Verzorgen / Verzorging..? Vergeet het maar..!..of..? ( lees nos. 173 t/m 178 )
De begrippen arbeid en werk betekenen in mijn
gedachtegang achtereenvolgens dat de mens de aarde omzet tot zichzelf en dat
dit omzettingsproces in het teken van het overleven is komen te staan. Deze
laatste verandering is vooral kenmerkend voor de industriële cultuur van de
westerse wereld. In deze wereld werkt men dus en naar eigen besef doet men dat
om te overleven, om zijn brood te verdienen. Is door een of ander gelukkig
toeval, een erfenis, een hoofdprijs in de loterij of een geslaagde bankoverval,
het brood aanwezig, dan houdt men gewoonlijk op met werken. Het is dan niet
meer nodig... In de vroegere agrarische wereld, die in Nederland zelfs nog
standhield tot enige tientallen jaren in de 20ste eeuw, stonden de activiteiten
veel meer dan in de industriële wereld in het teken van het omzettingproces,
zeg maar: van de arbeid. Dat wil niet zeggen dat de mensen uit die periode
volwassener waren dan de huidige mens (dat kan immers niet!), maar wel wil het
zeggen dat men een meer onbevangen kijk op de werkelijkheid had. In alle
kinderlijkheid bevond men zich dichter bij de waarheid, zoals dat overigens
doorgaans het geval is met jonge culturen en nieuwe inzichten. De mensen vinden
het dan gevoelsmatig vanzelfsprekend dat zij doen wat zij doen, het behoort nu
eenmaal bij hun leven en daardoor zijn zij ook weinig gericht op uitwendige
belangen. Het is een naar binnen gerichte zaak. De industriële periode zette
zich werkelijk door aan het einde van de 18e eeuw, tegelijkertijd met de Verlichting. Zij
verdrong stap voor stap de agrarische periode die al in het grijze verleden
begonnen was, toen de mensen in de gaten hadden gekregen hoe zij bepaalde
gewassen konden verbouwen en zich min of meer vast gingen vestigen. Het was
toen dat men effectief overging tot het omzetten van de aarde om er een zaak
van mensen van te maken. Uiteraard wist men dat niet te vertellen, maar het
zelfbewustzijn had ongeweten een agrarische gerichtheid gekregen.
Die gerichtheid werd na verloop van tijd wat meer
bewust in de mensen en dat leidde ertoe dat bepaalde machthebbers gingen uitleggen
dat de bedoeling van de arbeid was dat er voor die machthebbers geproduceerd
moest worden. Daarmee kreeg de agrarische gerichtheid een uitwendige bedoeling:
men ging de akker bewerken ten behoeve van iets anders. Die verwording is het
doorbreken van het feodale tijdperk. De boeren waren er voortaan voor de heren
en niet langer voor zichzelf en de rond hen aanwezige gemeenschap. Dat echter
was alleen maar wat men ervan maakte, in feite bleven de boeren, cultureel
gezien, voor zichzelf gewoon een met de akker. Nu het industriële denken zich
doorgezet heeft is die vanzelfsprekende betrokkenheid bij de
aarde, de natuur en de seizoenen geheel en al verdwenen: de boer is ook een
technicus, een manager en een econoom geworden. Hij produceert allang niet meer
voor zichzelf en zijn gemeenschap, maar voor iets abstracts als de wereldmarkt.
De volgorde is deze: er breekt iets door in de mensen; zij gaan daarmee
onbevangen aan de slag zonder zich af te vragen waarom zij dat doen en daardoor
is hun gedoe in sterke mate in overeenstemming met de verhoudingen in de
werkelijkheid; na verloop van tijd gaan de mensen zich echter wel afvragen
waarom zij doen wat zij doen en dan verdwijnt het vanzelfsprekende om plaats te
maken voor allerlei bedachte verklaringen; omdat dergelijke verklaringen
onvermijdelijk verwijzen naar iets uitwendigs kunnen buitenstaanders zich
opwerpen als belanghebbenden; als er eenmaal uitwendige belangen in het spel
zijn verwordt zo de arbeid tot werk. De verwording tot werk is niet alleen op te
merken in de agrarische wereld. Ook de daarop volgende industriële wereld
vertoont hetzelfde patroon.
Aanvankelijk, zeg maar begin 19e eeuw, werden de
industriële producten met grote zorg gemaakt door vaklieden die hun
persoonlijke kwaliteiten inzetten voor een goed product. Er is daarvan
tegenwoordig nog het een en ander over en dat is zo bijzonder van kwaliteit en
technisch inzicht dat men die overblijfselen in musea bijeenbrengt.
Stoommachines bijvoorbeeld. Maar al spoedig namen buitenstaanders de zaak over
en daarmee vervreemdde de arbeid tot werk - aanvankelijk zelfs van een
onvoorstelbare onmenselijkheid die net zolang voortduurde tot de
arbeiders zich gingen verzetten en hun rechten gingen opeisen, zo goed en zo
kwaad als het ging.. De industriële wereld staat op het ogenblik op instorten.
Het is niet alleen in Oost-Europa dat dit gebeurt, hoewel menigeen dat denkt op
grond van de misvatting dat de industrie en economie aldaar op socialistische
leest geschoeid waren. In feite echter stort de industriële wereld overal in
doordat men zozeer vervreemd is van de arbeid dat de productie in een
luchtledig is terechtgekomen. De producten zijn middel tot economische macht
geworden in plaats van een levensmiddel dat ertoe dient de aarde leefbaar en de
arbeid, het omzetten tot mens, mogelijk te maken. Een op een ander terrein
liggend voorbeeld van verwording op grond van bewustwording is te vinden bij de
democratie. Deze was aanvankelijk nog zo kinderlijk en intuïtief dat er een
groot aantal maatregelen werden aangenomen die in alle opzichten redelijk
genoemd kunnen worden. Zo behoefde niemand zich bij de overheid te legitimeren
omdat zijn lijfelijke aanwezigheid voldoende was en ook omdat niemand gedwongen
kon worden aan zijn eigen veroordeling mee te werken. Ook was de woning
volstrekt verboden terrein voor de overheid; de politie mocht slechts op
rechterlijk bevel een woning betreden. Niemand behoefde eigen onschuld aan te
tonen en dergelijke. Er was - en daar gaat het om - een behoorlijk sterk
rechtsgevoel. Anderzijds getuigden bijvoorbeeld socialisten van een bijzonder
radicale kijk op de staat, een kijk die thans zelfs voor asociaal,
onverantwoord, onredelijk en zelfs wel misdadig zou worden uitgemaakt.
Van al deze inzichten is thans nauwelijks nog iets
over: het nadenken erover heeft alles doen verworden tot iets uitwendigs en
zogenaamd wetenschappelijks, waarbij in feite niemand zich nog betrokken voelt.
De ontwikkeling van het denken over de ethiek van de oorlog kan ook als
voorbeeld dienen van verwording die samengaat met en gevolg is van het zich
bewust worden door de mensen van verhoudingen die zij aanvankelijk slechts
aangevoeld hebben. Wat betreft de oorlog bijvoorbeeld is het op een gegeven
moment zelfs zover gekomen dat men een bepaald oorlogsrecht opgesteld heeft.
Daarin werd onder andere verboden open steden te beschieten of te bombarderen,
op gewonden en hun verzorgers te schieten, krijgsgevangenen voor
oorlogsdoeleinden in te zetten en dergelijke. Langs allerlei intellectuele
smoesjes is het inmiddels voor zo ongeveer iedereen vanzelfsprekend geworden
dat de burgerbevolking gegijzeld kan worden met terreurbombardementen en
intercontinentale nucleaire raketten die dreigend op haar gericht zijn. De
bedoeling van deze voorbeelden is te laten zien dat er steeds nieuwe
verhoudingen aan de oppervlakte komen en dat die aanvankelijk betrekkelijk
zuiver gelden, om na enige tijd bewuster te worden en daarmee als onderwerp van
het denken te gaan fungeren, een ontwikkeling die onherroepelijk tot verwording
leidt - uiteraard omdat het analytische denken de zaak niet verheldert maar
stukmaakt. En zo is ook de sfeer van het begrip arbeid langzamerhand
teruggedrongen naar het terrein van de hobby die tot nu toe nog steeds
belangeloos is gebleven. Die belangeloosheid is al zozeer uit het beeld
verdwenen dat zelfs menig historicus al niet meer weet dat bijvoorbeeld de
gilden er destijds waren om de kwaliteit te beschermen en niet om de prijzen te
bewaken! In wezen berustte de argumentatie dus niet op het begrip werk, maar op
het begrip arbeid.
verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; Betrokkenheid-1 ; Betrokkenheid-2 ; Betrokkenheid-3 ; Wie niet wil werken zal niet eten Is werken een aangename bezigheid?
Het is nu de vraag hoe de begrippen vrouwelijk en
mannelijk gelden voor de mens en hoe dat gelden van die begrippen doorwerkt in
het dagelijkse leven van de mensen. Dat dagelijkse leven in haar volle omvang
is een afspiegeling van de cultuur, als je tenminste onder cultuur verstaat het
gehele complex van ideeën, voorstellingen, waarden en normen, zeden en
dergelijke. Gewoonlijk geeft men aan de cultuur een veel zwaardere lading,
namelijk al datgene wat boven komt drijven aan intellectuele uitingen van de
mensen. Het gaat dan eenzijdig over kleine groepen in de samenleving:
maatgevende culturele minderheden, élites. De nadruk op die zwaardere lading is
een gevolg van het al vaak door mij genoemde van bovenaf denken. Over het
algemeen is te zeggen dat dit van bovenaf denken tot voor kort zo ver ging dat
alles wat met de gewone mensen te maken had niet of nauwelijks aandacht kreeg,
behalve als die gewone mensen zich bij gelegenheid gingen verzetten tegen de
bovenlaag. Maar ook dan ging het qua cultuur nog steeds over de bovenlaag en
zijn wederwaardigheden! Ik echter heb het over het gehele complex en daarvan
het algemene beeld en de essentie daarvan. Tot die essentie behoort het gelden
van de begrippen vrouwelijk en mannelijk. De dichters, de kunstenaars in het
algemeen brengen inzake genoemde begrippen allerlei moois tot stand; voor de
filosofie is dat wel leerzaam maar niet zo belangrijk omdat de kunstenaars een
niet concreet bestaande andere werkelijkheid, namelijk die achter de dingen, op
zichzelf stellen. Voor de filosoof echter gaat het om beide tegelijkertijd; de
werkelijkheid als verschijnsel zoals die voor de mens tot voorstelling geworden
is en de werkelijkheid als beeld die zich aan de voorstelling afspiegelt,
terwijl van beide, voorstelling en beeld, de onderlinge veranderlijke
verhoudingen nagegaan worden.
Je kunt dus zeggen dat de kunstenaars niet de
waarheid vertellen, maar gewag maken van de schoonheid. Die is wel een aspect
van de waarheid, maar niet de waarheid zelf. Het begrip arbeid heeft te maken
met de werkelijkheid als een vrouwelijk-mannelijke zaak. Maar in de
cultuurontwikkeling komt daarvan niet veel naar voren. Wel echter zie je de
verminkingen ervan. Die zijn het resultaat van het, nadenken erover, een
nadenken evenwel dat, zolang de mensen alsnog onvolwassen zijn, steeds
verkeerde uitkomsten oplevert. Zo is het omzetten van de planeet tot een
menselijke werkelijkheid, wat in het vroegste begin der mensheid nog juist
aangevoeld werd, al spoedig begrepen als werken voor je brood - en dan
doorgaans in de eerste plaats het brood van anderen! Maar eigenlijk ligt de
verhouding zo dat de mens de aarde omzet (het begrip arbeid) en dat hij ten
gevolge daarvan overleeft. Zijn arbeid is dus op omzetten gericht en niet op
overleven, hoewel dit laatste er onmiddellijk aan meekomt. De verminking van
deze verhouding komt voort uit het menselijk vermogen tot denken in de zin van
analyseren. Niet domheid, slechtheid, hebzucht en egoïsme verzieken de zaak,
maar het analytische, naar oorzaken zoekende, onvolwassen denken is de
(overigens onvermijdelijke) boosdoener. Zolang dat onvolwassen denken nog de
maat is werken de mensen voor hun brood en dat betekent dat zij geen goede
producten maken, niet zichzelf welbevinden bij het werk, de wereld niet
leefbaar maken maar daarentegen juist steeds meer onbewoonbaar. Het is
waar dat er desondanks enige welstand en veiligheid ontstaan, maar die zijn
minimaal omdat zij slechts bijproducten zijn van het algemene gejaag naar
brood, in de zin van bezit. Daarbij gaat het (vrijwel) niemand om de aarde en
alles wat zich daarop bevindt.
Er staat altijd een belang van iets of iemand
anders achter. En als dat het geval is houdt een mens zich niet bezig met
arbeid, maar met werk (of hoe je dat noemen wilt, sommigen spreken van gesjouw,
geploeter, slavernij en dergelijke). Te stellen is dat het gevolg van mijn
arbeid is dat wij kunnen overleven, dat wil zeggen dat de producten ingebracht
worden in het samenhangende geheel dat een menselijke aarde is. De arbeid maakt
de aarde leefbaar en dus kunnen alle mensen leven. Armoede als in
het huidige Afrika is dan uitgesloten, niet omdat iedereen zo begaan is met het
lot van een ander, maar omdat het de aarde is die leefbaar is geworden doordat
de producten van de omzetting haar ten goede zijn gekomen. Het begrip arbeid
brengt belangenloosheid met zich. Eigenlijk moet je zeggen dat er geen
particuliere belangen in meespelen, want het is wel een feit dat het belang van
de aarde in de arbeid gediend wordt. Maar omdat deze zaak niet van de mens af
te denken is en dus vanzelfsprekend, al of niet verminkt, tot gelding komt doe
je er goed aan je te realiseren dat er eigenlijk van geen belang sprake kan
zijn. Iets wat onvermijdelijk is is wezenlijk vanzelfsprekend en zoiets kan
geen zaak van belangen zijn. Een gigantisch arbeidsterrein van de mensen valt
bij de beschouwingen over en beoordelingen van het werk geheel buiten de boot.
Dat is de arbeid die zowel vrouwen als mannen verrichten voor zover zij zich
bezig houden met het zogenaamde huishouden en de verzorging van de kinderen en
de verdere levende have. Door de fixatie op de verminkte arbeid om den brode,
dus op het werk, valt deze gehele vrouwelijke wereld buiten het gezichtsveld
van de onvolwassen mens. Die vrouwelijke wereld wordt beschouwd als een
bijkomende zaak die er is ter wille van diegenen die aan het werk zijn. Deze
laatsten zijn doorgaans mannen, maar tegenwoordig ook veel vrouwen. Zowel
mannen als vrouwen vinden zich geëmancipeerd als zij werken en zij vinden zich
terecht belangrijk. Zij gaan inderdaad gebukt onder de belangen en dat willen
zij, tot hun eigen nadeel, nog graag weten ook! Maar wat zij niet weten is dat
het wezenlijk om het belangeloze en vanzelfsprekende gaat.
En wat de meeste (geëmancipeerde) vrouwen niet
weten is dat zij met hun zogenaamde emancipatie nu juist het terrein van de
arbeid verlaten hebben om binnen te treden in de wereld van het werk. Als het
gaat over het arbeidsproces heb je te doen met een tweetal aspecten. Het ene
aspect is letterlijk de omzetting, die je kunt benoemen met het begrip
productie. Dat is de mannelijke kant van de zaak. Het andere aspect betreft het
begrip verzorging en dat is de vrouwelijke kant. Dat is het geheel van de zaak:
de via de omzetting geproduceerde spullen moeten allemaal zin en betekenis
krijgen binnen de verhoudingen die voor een samenhangende werkelijkheid, een
geheel, gelden. Je kunt niet zomaar lukraak van alles gaan zitten produceren
zonder dat dit nuttig is voor de aarde en bijgevolg voor de individuele mensen.
Alles moet op zichzelf tot zijn recht komen, nuttig zijn voor het dagelijkse
leven. Dat wil zeggen dat alles in het vrouwelijke geheel terecht moet komen.
Het laten functioneren binnen dat geheel is het begrip verzorging. Er is dus
productie en verzorging en dat zijn twee aspecten van een enkele zaak, namelijk
de arbeid, oftewel de omzetting van de aarde tot de mens. In de onvolwassen
wereld zijn die twee begrippen gescheiden.
Verzorgen
/ Verzorging..? Vergeet het maar..!..of..? ( lees
nos. 173 t/m 178
)
Zoals ik heb laten zien produceert men niet ter
wille van een leefbare wereld, maar ter wille van, zeg maar, eigenbelang. Het geproduceerde
komt dus wezenlijk niet terecht en het is nauwelijks mogelijk het te verzorgen. De onvolwassen mens produceert in het wilde weg.
Daardoor laat hij de aarde verkommeren. Dat betreft niet alleen maar het
zogenaamde milieu, maar vooral ook zijn medemensen. Of die medemensen nu in
betrekkelijke welstand leven of in bittere armoede, noodzakelijk geldt voor
allen dat zij in armoede leven, tekort komen, zich niet kunnen ontplooien en
over de gehele linie onvrij zijn...
Wie niet wil
werken zal niet eten Is werken een aangename bezigheid? ;
No. 175
Zoals gezegd wordt er door de onvolwassen mens een
rechtstreekse relatie gelegd tussen werken en overleven: je werkt voor je
brood. Zo ongeveer iedereen is ervan overtuigd dat die directe relatie er is en
dat deze onontkoombaar is. Toch is men tegelijkertijd voortdurend bezig deze
zogenaamd logische verbinding tussen werk en overleven te verbreken: enerzijds
probeert zo ongeveer iedereen zo luxueus mogelijk te overleven en zo weinig
mogelijk te werken, en anderzijds ploeteren de meeste mensen de godganse dag
voor een loon dat nauwelijks voldoet om te overleven. Het vanzelfsprekende van
de relatie werk-overleven is dus kennelijk niet zo zeker en dat betekent in
feite dat zich laat gelden dat genoemde relatie er eigenlijk helemaal niet is.
Het is eigenaardig dat, vooral in de moderne cultuur van de westerse wereld, de
mensen almaar wereldbeschouwelijke uitspraken doen die feitelijk helemaal niet
blijken te kloppen, maar die toch met grote overtuiging gedaan worden. Het gaat
mij daarbij niet om de vele leugens die over allerlei zaken verteld worden. Het
gaat om dingen die men eerlijk meent, waarvan men rotsvast overtuigd is, en die
desondanks kant noch wal raken. Je zou kunnen stellen dat men maar wat kletst,
stellig doordat men geen enkele notie van de ware werkelijkheid heeft. Dat is
ook het geval met de beweringen die men doet over de relatie werk-overleven.
Hoewel dat eigenaardige onderscheid tussen wereldbeeld en werkelijkheid op alle
terreinen van het hedendaagse leven valt te herkennen, kun je het toch aan
enkele zaken extra duidelijk illustreren. Zo is daar het recht: de
moderne mens is er rotsvast van overtuigd dat men zich aan het recht en zijn
regels te houden heeft, wil er van het maatschappelijk leven iets terechtkomen.
Dat zou des temeer gelden omdat wij met zijn allen dat recht bedacht en
geformuleerd hebben, hetgeen in feite onwaar is, maar dit terzijde. Wat
je nu kan waarnemen is dat vrijwel niemand zich aan dat recht houdt, althans
steeds probeert door de mazen heen te glippen.
Je zou zowaar gaan denken dat het recht er alleen
maar is om er onderuit te komen... Hoe dan ook, je kunt op een ouderwetse manier
zeggen: de moderne mens heeft wel recht, maar hij is geen recht. Zou hij dat
namelijk zijn, dan ontdook hij het niet. Een ander voorbeeld vind je bij de
godsdienst, zowel de christelijke als de islamitische: de godsdienstigen zijn
ervan overtuigd dat zij de dienaren van hun god zijn. De praktijk evenwel is
totaal anders. In feite is god namelijk in dienst van de godsdienstigen. Hij
krijgt voortdurend opdrachten: hij moet je op reis beschermen, je door een
ziekte heen slepen, je de overwinning bezorgen, je behoeden voor armoede,
enzovoort. En als god die opdrachten niet of niet goed uitvoert loopt hij de
kans de laan uitgestuurd te worden, zoals destijds de oude Germanen al deden
met hun goden. En men vraagt zich vertwijfeld af waarom die goede en gedienstige
god Auschwitz door heeft laten gaan... Hij had daar eigenlijk een stokje voor
moeten steken, maar helaas is hij zwaar in gebreke gebleven. Ook hier dus weer
een tegenstelling tussen wat men in alle oprechtheid meent en wat men in de
praktijk gelden laat. De hedendaagse mens zegt dus dat werken en overleven bij
elkaar behoren, dat je je aan het recht moet houden en dat je god moet dienen.
Maar hij houdt zich volstrekt niet aan zijn eigen ideeën. Wat betreft het
werken en overleven vindt hij voor zichzelf dat hij zo weinig mogelijk moet
werken en zo luxueus mogelijk moet overleven, terwijl hij voor anderen laat
gelden dat zij zoveel mogelijk moeten werken voor een zo minimaal mogelijk
overleven. De vraag is nu hoe die vreemde tegenstelling mogelijk is.
Ten eerste moet dan opgemerkt worden dat een mens
zich niet aan dat soort ideeën kan houden omdat het foute interpretaties van de
werkelijkheid zijn. Dat feit laat zich door alles heen en op geniepige wijze
gelden, overigens doorgaans zo dat bijna niemand er iets van begrijpt. Als je
de mensen op genoemde tegenstelling wijst gaan zij er onmiddellijk toe over de
oorzaak daarvan bij iets uitwendigs te zoeken. Het komt niet in hen op de
gedachte zelf in twijfel te trekken en te onderzoeken, neen zij gaan redenen aanvoeren
waarom de zaak steeds weer mislukt. De schuld krijgt het kapitalisme of het
communisme, de schaarste of het slechte weer en dergelijke. Het gaat daarmee
net als met het economisch denken: als het niet blijkt te kloppen wat de
economen voorspeld hebben (en het klopt nooit!) dan ligt dat niet aan hun
denken, maar aan de prijzen op de wereldmarkt, de politiek van het Oostblok of
de hoge looneisen van de werknemers. Het economische denken zelf wordt nooit
ter discussie gesteld. Daarin verschilt de economische wetenschap overigens
hemelsbreed van bijvoorbeeld de natuurwetenschap, waarin voortdurend nieuwe
gedachten ingang vinden. De moderne economie functioneert als een
fundamentalistische godsdienst: zijn dogma's mogen niet ter discussie gesteld
worden... Zoals al gezegd: de werkelijke reden voor het zich niet houden aan de
uitspraak werken voor je brood is gelegen in het feit dat die uitspraak van
geen kanten klopt. Het feit dat de mens inderdaad niet overleeft als hij niet
arbeid betekent niet dat hij, omgekeerd, zou moeten werken om te overleven. De
werkelijke verhouding is deze dat hij overleeft doordat en voor zover hij zijn
wereld verzorgd heeft. Die verzorging vooronderstelt de productie van allerlei
goederen. De werkelijke verhouding is derhalve niet
werken - overleven, máár produceren - verzorgen - overleven. Eigenlijk
kun je het het beste zo stellen dat er een rechtstreeks
verband bestaat tussen de begrippen verzorgen en overleven, en ook zo'n verband
tussen produceren en verzorgen. Deze laatste cluster is dan samen te vatten
onder het
begrip arbeid. In dit begrip arbeid zit dus besloten dat er
geproduceerd wordt en dat er verzorgd wordt.
Hieruit laat zich begrijpen dat de zogenaamd primitieve
mens, die nog loopt te zoeken naar voedsel of die op jacht gaat - wat eigenlijk
ook zoeken is, nog niet toegekomen is aan datgene dat typisch menselijk is,
namelijk het gelden van de cluster produceren - verzorgen - overleven. Zijn
overleven moet destijds dan ook een uiterst riskante zaak zijn geweest, een
zaak die eigenlijk helemaal niet kon gelukken! Het natuurlijke leven, zoals
plant en dier dat vanzelfsprekend kunnen leiden, is voor de mens volstrekt
onmogelijk. Hij kan slechts leven als hij overgaat tot het laten gelden en het
verwerkelijken van bovengenoemde cluster van begrippen. Het gelden daarvan
brengt op den duur met zich mee dat mensen bij hun arbeid dingen doen die op
zichzelf nauwelijks een rechtstreeks verband met het overleven laten zien. Het
solderen van weerstandjes op printplaten bijvoorbeeld levert hopelijk! - aan
het einde van de maand wel een salaris op, maar de handelingen als zodanig doen
niet aan overleven denken. Dat wordt begrijpelijk als je bedenkt dat het
verband met overleven een indirect verband is: het begrip verzorging zit
ertussen. De productie krijgt zin als zij uitloopt in verzorging van de wereld,
in feite dus als zij uitloopt in een vrouwelijke werkelijkheid. De productie
als een kwestie van louter overleven (=het werken) loopt nergens in uit: de
arbeid wordt tot werken en het resultaat daarvan is een grote hoeveelheid
spullen die wezenlijk nergens thuishoren. Die spullen komen steeds terecht bij
diegenen die ze niet nodig hebben, dat wil zeggen, bij diegenen die er geen
gebrek aan hebben. In de westerse wereld bijvoorbeeld is een gigantisch
overschot aan spullen, juist omdat nagenoeg iedereen er geen gebrek meer aan
heeft, terwijl de rest van de wereld, waar die spullen echt nodig zijn, ervan
verstoken blijft.
Wie niet wil
werken zal niet eten Is werken een aangename bezigheid?
No. 176
Je kunt met recht stellen dat de mensen niet
zouden kunnen overleven als zij niet zouden werken (hoewel dieren dat wel
degelijk kunnen. !). Maar de omkering van die bewering, namelijk dat de mensen
werken om te overleven, klopt niet, hoewel het wel zo lijkt, het is een
realiteit in een onvolwassen wereld: in die wereld werkt men, dat wil zeggen
sjouwt, ploetert en scharrelt men, om voor zichzelf en zijn naasten overleven
mogelijk te maken. In het zweet uws aanschijns. ! Hierdoor blijft het begrip
arbeid nagenoeg uit het zicht, maar toch weerspiegelt nu juist dat de juiste
verhouding. De mens produceert spullen, verzorgt de wereld en overleeft. Hij
overleeft in een verzorgde wereld waarin alles wat hij voortgebracht
(geproduceerd) heeft terecht is gekomen en tot zijn recht komt (verzorgd is).
Het produceren en verzorgen is in feite het omzetten van de planeet tot
een wereld van en voor mensen en dat omzetten kun je benoemen met het begrip
arbeid. Ik wijs er op dat ook het verzorgen nadrukkelijk onder het begrip
arbeid valt. Het is van belang dit in de gaten te hebben omdat het verzorgen
tot op heden nog niet of nauwelijks, vanwege het economische denken dat op
productie toegespitst is, gewaardeerd wordt. De eerste consequentie van het
niet-begrijpen van het omzettingsproces is derhalve dat verzorgende arbeid op
zichzelf niet gewaardeerd wordt en slechts enigszins in tel is voor zover het
economisch wel gewaardeerde activiteiten ondersteunt of mogelijk maakt. Als
dienstbaarheid is er enige waardering, maar niet als een zelfstandig element in
het begrip arbeid. De tweede consequentie van bedoeld onbegrip is het
verschijnsel dat de productie als een op zichzelf staande grootheid wordt
beschouwd, een zaak dus die in zichzelf zijn eigen normen vindt en die van
niets anders afhankelijk is. Er wordt dan geproduceerd om het produceren.
Logisch gevolg is dat de norm daarvoor de zogenaamde groei is. Het gaat goed
met de economie als zij groeit. Of het geproduceerde tot zijn recht komt (de
verzorging van de wereld dient) is van geen enkel belang.
De derde consequentie is dit dat het produceren
dient om het overleven van bepaalde personen en groepen mogelijk te maken en
niet om er een leefbare wereld van te maken. Het op zichzelf staande produceren
maakt ook een zaak als wapenfabricage en wapenhandel mogelijk. Nog steeds is
die productie uitermate lucratief, ondanks het feit dat wapens in geen enkel
opzicht bijdragen aan de verzorging van de wereld. Op het ogenblik worden
wapens en militairen aangewend om in bepaalde gebieden rust te brengen en
veiligheid voor de burgers. Dan lijkt het of je met iets zinvols te doen hebt,
maar een met geweld veilig gemaakte wereld is nog altijd een onveilige
wereld die plaatselijk en tijdelijk wat minder onveilig is gemaakt. Pas
een verzorgde wereld is een veilige wereld. De geproduceerde spullen moeten zin
hebben voor het menselijk leven. Als dat het geval is dragen zij bij aan de
verzorging van de wereld. Je kunt in het kort zeggen dat de spullen nuttig
moeten zijn. In dat begrip nuttig is ook het begrip nodig besloten. In onze
onvolwassen wereld worden het nodig-zijn en de nuttigheid van bepaalde spullen
alleen maar gesuggereerd om een excuus te hebben voor een ongebreidelde
productie en een groeiende afzet, een excuus dus voor winst maken. Overigens,
werkelijke verhoudingen laten zich door alles heen gelden, zij het zo dat er
(voorlopig) niets van terechtkomt. Zo voelt men aan dat spullen nut moeten
hebben en daarom doet men het voorkomen dat alle geproduceerde rotzooi
uitermate nuttig is. Nuttigheid wordt daarbij in feite niet als norm voor
kwaliteit gebruikt, maar als middel om onbelemmerd te produceren en af te
zetten. Zoals al eerder gezegd is onze wereld tot nu toe door en door onveilig,
en dat komt doordat de verzorging ervan nog nooit aan bod is gekomen.
Voor zover er toch van enige vooruitgang op dat
gebied gesproken kan worden is dat per ongeluk en onbedoeld aan het gangbare
produceren meegekomen. De verzorging is in plaats van hoofdzaak als bijzaak
gesteld. Doordat de werkelijke verhoudingen liggen zoals ze liggen ontstaat er
als bijproduct wel een enigszins verzorgde wereld, maar die wereld is te
definiëren als een minder verwaarloosde. In die minder verwaarloosde wereld
komen de geproduceerde spullen ook min of meer tot hun recht: zij kunnen
niet helemaal zonder nut zijn en zij moeten ook nog een beetje functioneren,
maar essentieel is dat zij daarvoor niet gemaakt worden. Zij dienen slechts om
winst te maken en daarom is te zeggen dat het werken dat de mensen tot nu toe
doen eigenlijk een vorm van stelen is. Dat is de meeste werkende mensen niet
aan te rekenen. Zij hebben geen keus in deze wereld. Het begrip arbeid is een
onvoorwaardelijke zaak: je arbeidt omdat deze wereld verzorgd moet worden
en omdat dit zich in het laatste verschijnsel, de mens, laat gelden. Als en
voor zover de wereld verzorgd is kunnen de mensen, alweer onvoorwaardelijk,
leven. Daarbij maakt het absoluut niet uit wat de een doet en wat de ander. De
spullen zijn beschikbaar en voor een ieder is dat onvoorwaardelijk het geval.
Maar dat is voor de moderne onvolwassen mens moeilijk te bevatten omdat hij ten
eerste alles voorwaardelijk doet, dus nooit zomaar zonder eigenbelang, en ten
tweede alles naar zich toe wil halen en op grond daarvan van mening is dat
iedereen teveel zal inpikken. Begrijp je deze zaak echter in zijn samenhang,
dan blijkt dat niemand eisen stelt en dat niemand steelt. Voor een ieder zijn
de spullen beschikbaar, onvoorwaardelijk omdat voor een ieder de wereld
verzorgd is. Dat houdt tevens in dat niemand teveel heeft, alleen al vanwege de
extra zorg die het teveel met zich brengt. De onvolwassen mens zou in de
hierboven vluchtig geschetste volwassen, en dus verzorgde, wereld onmiddellijk
gaan doen wat je nu de rijken ziet doen.
Gelukkig krijgt hij niet de kans daartoe, maar zou
dat wel het geval zijn, hij zou de knoppen van zijn deuren van goud laten
maken, teveel en te dure kleren hebben, anderen tot slaaf maken en in te
luxueuze huizen wonen; kortom: hij zou zich schandelijk misdragen. De
onvolwassen wereld is een onverzorgde wereld en daarin tracht men een weinig
paal en perk te stellen aan het verwaarlozen en het stelen, vanuit een vaag
besef dat dergelijke gedragingen niet bij de mens behoren. Volgens een groot
aantal denkers zal het met de mens nooit zover komen dat hij raad zal weten met
een wereld waarin al het nodige voorhanden is en vrijelijk en onvoorwaardelijk
beschikbaar. De al vaker genoemde filosoof Jan Borger hield het voor mogelijk
dat de mensheid op onze planeet ziek geboren zou zijn en misschien wel nooit de
reis zou halen. Hij ging ervan uit dat alles gevarieerd is en dat dit ook met
mensheden het geval zou zijn. Anderen menen dat de mens een soort van dier is
dat in de grond van de zaak altijd roofzuchtig, moordzuchtig en egoïstisch zal
blijven. Het komt er dus op neer dat men het door mij geschetste perspectief
bestrijdt. Veel is daar voor te zeggen, maar toch is dat onjuist. Zelfs als het
waar zou blijken dat onze mensheid beneden de maat blijft, dan nog
blijft mijn, gedachtegang overeind. Elders in het heelal lukt het dan stellig
wel... In een verzorgde wereld is het overleven veilig gesteld. Op het moment
dat dit het geval is kunnen wij van het begrip leven gaan gewagen. Voor dat begrip
geldt dat het het vrouwelijke en het mannelijke ineen is, je kunt het ook
benoemen met liefde. De verhouding productie - verzorging- overleven is dan te
vertalen met de begrippen mannelijk - vrouwelijk- liefde. Elke productie is
mannelijk, ook als vrouwen ermee bezig zijn; elke verzorging is vrouwelijk, ook
als mannen ermee bezig zijn, en leven is steeds het ineen zijn van beide.
Wie niet wil
werken zal niet eten Is werken een aangename bezigheid?
verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ;
Het begrip arbeid dekt zowel het begrip produceren
als het begrip verzorgen. Maar in het vanaf de Verlichting aan het einde van de 18e eeuw
doorgebroken en gevestigde economische denken worden beide begrippen van elkaar
gescheiden, op zo'n manier dat de verzorging of geheel buiten het
economische denken valt, zoals bijvoorbeeld de huishoudelijke arbeid van de
vrouw, of niet als een op zichzelf staand begrip wordt gezien maar juist
als een aan de productie ondergeschikte zaak. Daarbij is dan automatisch gesteld
dat de verzorging niet als een op de productie volgend meeromvattend begrip
geldt, maar als een betrekkelijk onbelangrijke bijzaak binnen het kader van de
productie. In feite echter ligt de verhouding zo dat het begrip verzorging het
begrip productie inhoudt (en niet andersom!) en dat daarom het begrip
verzorging meeromvattend is. De producten hebben namelijk op zichzelf geen
betekenis, om van waarde al helemaal niet te spreken. Zij zijn pas werkelijk
product voor zover zij gericht zijn op en terechtkomen in een verzorgende en
verzorgde wereld! Het maken van winst, overeenkomstig het verlichte economische
denken, gooit genoemde verhouding omver: de bepalende factoren bij het
produceren zijn dan niet langer het nut en het nodig-zijn maar het zich verrijken
en het veroveren van macht, een streven dat leidt tot een ongebreidelde
productie van minderwaardige artikelen, vergezeld van vervuiling en
verspilling. Als de geproduceerde spullen verzorgd zijn is vanzelf aan de eis
voldaan dat zij voor iedereen beschikbaar moeten zijn. Dat is iets dat door de
huidige mensen nauwelijks te begrijpen is. Drie factoren spelen hierin een rol.
Ten eerste wordt het begrip beschikbaar zijn onmiddellijk geassocieerd met
eerlijk verdelen, met een begrip dus dat kwantitatief van aard is en dat geen
ruimere inhoud heeft dan iedereen evenveel van hetzelfde.
Als dat echter het geval is heeft uiteindelijk
iedereen teveel en tegelijk heeft iedereen te weinig. De reden hiervoor is dat elk
mens andere spullen nodig heeft om zich te kunnen ontplooien en dus om te
kunnen leven. Geen twee mensen zijn immers eender! De tweede factor is deze dat
men denkt dat beschikbaarheid leidt tot ongeremd en onverantwoord inpikken van
zoveel mogelijk spullen. Men kan zich niet indenken dat volwassen mensen geen
behoefte hebben aan meer dan zij nodig hebben. De derde factor is gelegen in
een verkeerde interpretatie van het begrip minimum behoefte. Dit betekent
namelijk dat een ieder neemt wat zij of hij echt nodig heeft om te leven.
Steevast begrijpt men dit echter als een armoedeprogramma waarin de mensen
zich, behalve hun directe behoeften om te overleven, alles ontzeggen - een
stokpaardje van de tegenwoordige milieufanaten die zo ongeveer alles willen afschaffen.
Onvolwassen mensen begeren van allerlei en eigenlijk hebben zij nooit genoeg.
Hun genoeg ligt in laatste instantie bij het (overigens onmogelijke) bezit van
het heelal. Volwassen mensen echter zijn aan dat kinderachtige gedoe voorbij,
zij hebben alleen maar datgene dat zij nodig hebben om te leven. Dat is
overigens veel meer dan wat nodig is om alleen maar te overleven. Voor een
muzikaal mens behoort de piano er bij, voor een geleerde zijn boeken en
internationale contacten, voor de kinderen hun speelgoed enzovoort. Alles wat
de mensen gezamenlijk ontwikkeld en geproduceerd hebben behoort erbij en niets
kan aan iemand onthouden worden. De reden hiervan is dat het gelden van het
begrip nodig-zijn uitsluitend bepaald wordt door de individuele mens zelf en
door niemand anders. Niemand kan voor een ander bepalen wat zij of hij nodig
heeft en dus moet alles ter beschikking staan en kan niets aan iemand onthouden
worden.
Dat volwassen mensen als regel geen misbruik van
die situatie zullen maken wordt veroorzaakt door het feit dat hun ontwikkeling
aan het begeren voorbij is gegaan en terecht is gekomen bij het nodig-zijn. Het
nodig-zijn hangt samen met onafhankelijkheid van de spullen doordat die spullen
er zijn. Als dit laatste het geval is heeft het begeren geen zin meer. Dit
begeren derhalve behoort bij onvolwassen mensen die in een onverzorgde
wereld leven waarin aan alles een (bijna steeds bewust in stand gehouden)
tekort is. Van de drie begrippen produceren, verzorgen en overleven kun je de
kwaliteit aangeven, dat wil zeggen dat je de aard ervan kunt bepalen en dus
kunt zeggen waarin zij tenslotte uitlopen. Zo blijken het produceren een
mannelijke aangelegenheid, het verzorgen een vrouwelijke en het overleven een
levenszaak te zijn. Je hebt nu dus de drieslag mannelijk-vrouwelijk-leven.
Hierin is het leven een kwalitatief overleven en dat is een leven waarin alles
kan en waarin de zorg voor het dagelijks overleven vervallen is. Een leven dus
in een wereld waarin de onveiligheid, zoveel als redelijk mogelijk, opgeheven
is. Die opgeheven onveiligheid heeft een stabiel karakter wat niet door de een
of andere idioot ongedaan gemaakt kan worden, zoals dat wel het geval is in de
onvolwassen wereld. De betrekkelijke veiligheid, die steeds tijdelijk en
plaatselijk is, is uitermate wankel, zoals de geschiedenis steeds weer heeft
laten zien. Bovendien is de onvolwassen wereld vol van idioten, dat wil zeggen
van mensen die volkomen bevangen zijn in de waan van hun cultuur. Die idioten
vormen de bovenlaag van de cultuur; zij voldoen het best aan de normen en
waarden en zijn in de daarbij behorende hiërarchie het hoogst opgeklommen. De
meest fnuikende cultuurwaan is die van het regeren en besturen. Volgens die
waan moeten de mensen geregeerd en bestuurd worden. De overheden vinden dat en
de onderdanen vinden dat eveneens. In feite echter kunnen mensen niet geregeerd
en bestuurd worden en wel omdat het verschijnsel mens culmineert in de mens als
individu, dus als volkomen zelfstandige eenling.
Die eenling gaat weliswaar vanuit zichzelf over
tot samenwerken en samenleven met zijn medemensen, maar dat is geheel iets
anders dan bestuurd en geregeerd worden. Dit laatste immers vooronderstelt een
hogere en maatgevende instantie, maar omdat die er in werkelijkheid niet is zijn
het steeds bepaalde mensen die zich als hoger opwerpen. Deze nu zijn de door
mij bedoelde idioten: zij leven geheel en al buiten de realiteit. Die idioten
bedreigen voortdurend de wankele veiligheid, de opgeheven onveiligheid,
die de mensen met pijn en moeite tot stand gebracht hebben. Zij heffen
belastingen, vaardigen verboden en geboden uit, bepalen wat goed en kwaad is en
roepen op ten oorlog. In feite doen zij niets dat de persoonlijke ontplooiing
van het individu bevordert - al doen zij net alsof zij daarmee wel degelijk
almaar bezig zijn... Volgens het economisch denken is de moderne mensheid heel
zakelijk bezig. Hierover filosoferende kom je tot de ontdekking dat de moderne
mensheid juist buitengewoon onzakelijk te werk gaat. Het toegeven aan de
begeerte leidt ertoe dat er een topzware wereld ontstaan is waarin een
onvoorstelbaar dure administratie er zorg voor moet dragen dat ook het laatste
dubbeltje door de burgers betaald wordt. Zo'n administratie is duurder dan de
voorzieningen waarover zij de administratie voeren. Dat geldt voor de gehele
moderne wereld: het afschaffen van geld en winst zou het leven zeker tienmaal
zo goedkoop maken, goedkoop, wel te verstaan in energie. Uiteindelijk is alles
om te rekenen in energie, ook geld is eigenlijk energie. Zo is enigszins te
bevatten hoeveel energie, menselijke en mechanische, in onze wereld verspild
wordt vanwege de cultuurwaan en het machtsbesef van een groot aantal idioten.
En intussen is men in onze wereld uitermate onzakelijk bezig totdat wij
straks voor de rand van de afgrond staan.
verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; Wie niet wil
werken zal niet eten Is werken een aangename bezigheid? ;
natuurrampen1
; natuurrampen2
; verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ;
Productie heeft geen zin als er niet verzorging,
zo ruim mogelijk opgevat en dus ook met alle aspecten van veiligheid als
inhoud, op volgt. Verzorging heeft geen zin als er geen kans op overleven is,
bijvoorbeeld door onbedwingbare natuurrampen, en uiteraard valt er niets te verzorgen als er
geen productie, eveneens zo ruim mogelijk begrepen, aan vooraf gaat. Er is dus
een volgorde qua inhoud en betekenis; verzorging is ruimer qua inhoud dan
productie en overleven gaat op haar beurt weer verder dan verzorging. Dat wordt
nog duidelijker en betekenisvoller als je die drie begrippen naar hun aard
vertaalt: de werkelijkheid als mannelijke zaak, als vrouwelijke en als
levenszaak. Het mannelijke staat voor het bestaande en het (door de mens)
geschapene; het vrouwelijke voor het terecht-zijn ervan en het leven voor het
tot zijn recht komen ervan. Uiteraard kun je dat ook nog op andere manieren
formuleren, bijvoorbeeld in termen van verwekken, voortbrengen en leven. Steeds
echter gaat het over de veelheid (van alle bestaande verschijnselen en
spullen), het ene geheel (waarin alles ineen is) en het zich ontplooien als
autonoom verschijnsel (de mens als individu). En steeds is het mannelijke
inhoud van het vrouwelijke en dat inhoudsvolle vrouwelijke is inhoud van het
leven. Daarnaast is te zeggen dat het mannelijke kwantitatief van aard is, het
vrouwelijke kwalitatief en het leven normatief (zichzelf normen stellend en
richting gevend, zichzelf besturend) is. In de moderne wereld staat alles op
zijn kop, verzorging wordt gezien als inhoud en onderdeel van de werkelijkheid
als productie en zelfs het leven wordt als inherent aan en afhankelijk van
productie gedacht. Alle leven staat op de een of andere manier in verband met
de productie.
Je leeft na en naast je
werk (in je zogenaamde vrije tijd), je leeft dankzij je werk en
als je per ongeluk niet werkt wordt je levensonderhoud toch uitgedrukt in
termen van productie, zoals iedereen met een uitkering weet. Je betaalt zelfs
ook dan loonbelasting! Ik noem die wereld modern die na de tijd van de Verlichting op is
komen zetten. Wat er in die wereld speelt is, vergeleken bij de voorgaande
culturen, totaal anders en nieuw. Voor het eerst ontstaat er het besef dat onze
wereld door onszelf gemaakt kan en moet worden. Voordien heeft de mensheid zich
als het ware slapend ontwikkeld. Die ontwikkeling ging buiten de zelfbewuste
mensen om haar eigen gang, men hield zich er niet mee bezig en had zelfs vaak
niet eens in de gaten dat er een voortgang was! Men zag dus zijn eigen
ontwikkeling niet. Natuurlijk bedacht men wel van allerlei aan de resultaten
van die ontwikkeling en men maakte uiteraard daarvan een gretig gebruik, maar
als het gaat over die ontwikkeling zelf, dan had men daar geen besef van. Dat
veranderde met de
Verlichting. Toen ging men zich met de eigen voortgang bezig houden,
uitzoeken hoe die voortgang te stimuleren en welke doelen er gesteld zouden
moeten worden. De tijd van de ideologieën brak aan! Dat men zich met zichzelf
ging bezig houden komt voort uit het gericht zijn op zichzelf als
zelfbewustzijn, het zich verwerkelijken als ik: vrijheid, gelijkheid en
broederschap. De werkelijkheid zoals die in het zelfbewustzijn ligt is een
opgebouwde, een door het individu zelf geschapen, werkelijkheid. Dat is immers
de voorstelling! Aan die voorstelling gaat men werken teneinde die om te vormen
tot een nieuwe wereld, opgebouwd volgens de in het zelfbewustzijn aanwezige
logische regels. Daarbij behoorde dat men de productie ging zien als een
universele zaak in het belang van een nieuwe wereld, maar ook dat men het
vrouwelijke, voor zover nog levend, als een bij het bewustzijn behorende zaak
naar de achtergrond ging verwijzen.
Vanaf de Verlichting komt de nadruk te liggen op die
mannelijke zaak. Gecombineerd met het besef dat het om de mens als ik gaat
ontstaat er deze situatie dat zowel mannen als vrouwen de man als de
belangrijkste mens gaan beschouwen, met aan hem dienstig de vrouw en het, zijn
naam dragende, nageslacht. De zelfstandige vrouw, die er voor die tijd wel
degelijk was, voor zover mogelijk in de patriarchale wereld van het christendom,
verdwijnt nagenoeg geheel van het toneel naar de keuken en de slaapkamer. De
vrouw van voor de
Verlichting ging niet onder in de mannenwereld, zij had er slechts
meer of minder mee te maken voor zover het thema macht aan de orde was en dus
ook binnen het kader van de godsdienst. Nu echter werd zij ingelijfd en lijfde
zij zichzelf in in een wereld van mannen, juist omdat ook zij cultureel in het
teken van beide, het mannelijke en het individuele, is komen te staan. De vrouw
als ik kreeg een mannelijk accent en juist daardoor werd zij naar de keuken
verwezen. Maar ook gaat diezelfde vrouw, in de mening zich te emanciperen,
proberen op mannelijke wijze in de maatschappij te functioneren. Haar
levensvervulling komt dan te liggen bij het maken van carrière. Let echter op:
het gaat volstrekt niet over de vraag of vrouwen al of niet het recht hebben
mee te doen in de door productie beheerste maatschappij! Uiteraard verschillen
haar rechten niet van die van de man. Waarover het gaat is de vraag hoe de
verhoudingen liggen en wat daarvan in de moderne wereld terechtkomt. Ik heb er
al op gewezen dat de moderne mannenwereld een onzakelijke wereld is. Het
is evenwel ook een chaotische wereld. Je kunt zelfs wel van krankzinnigheid
spreken. Een dergelijk hard oordeel is gegrond in het feit dat alles wat
geproduceerd wordt in een luchtledig terechtkomt. Het komt niet, via de
verzorging (het vrouwelijke), terecht in het leven, maar in een economisch
circuit waarvoor de norm is dat de gebruikers het moeten kunnen betalen.
Of, anders gezegd: de spullen worden geproduceerd
en gedistribueerd ter wille van de winst en winst is in feite een fictie, een
hap lucht. Door het ontbreken van een reële norm voor de productie, namelijk
het nuttig en nodig zijn, verloopt het hele proces chaotisch. Omdat de
verhoudingen liggen zoals ze liggen ontkomt men ook in die chaotische
mannenwereld niet aan de begrippen nuttig en nodig. Het gevolg is dat men de
suggestie wekt dat ze gelden, enerzijds door ervoor te zorgen dat de producten
enigszins te gebruiken zijn en anderzijds door het maken van reclame en
propaganda. Tegelijkertijd wekt men de suggestie dat je te doen zou hebben met
een ordelijke wereld. Het ordelijke daarvan echter is in feite een zo goed
mogelijk in bedwang gehouden wanorde, maar geregelde chaos is ook chaos. Dat
blijkt als in tijden van nood de regels en de controle verslappen. Men doet in
deze wereld niets anders dan regelingen treffen en voorschriften geven, maar
vooral tegenwoordig wordt almaar meer duidelijk dat onze moderne wereld in
wezen chaotisch is. De regels en voorschriften zijn steeds minder effectief en
men weet nauwelijks meer hoe ze toe te passen. Overigens: het feit dat iedereen
inziet dat er regelingen getroffen moeten worden wijst er onmiskenbaar op dat
iedereen weet dat het een chaos is. Dus: het chaotische van de mannenwereld
komt voort uit het feit dat de kwantiteit, de hoeveelheid, de verzameling
spullen, op zichzelf geen samenhangende eenheid is maar daarentegen als los
zand aan elkaar hangt en daarbij gekenmerkt wordt door het toeval; het is maar
net hoe het valt! In zo'n situatie komt er niets terecht, de spullen vinden
geen thuis en de mensen vinden geen thuis. Geen wonder dat er voortdurend van
alles teveel is en tegelijkertijd van alles te weinig. De spullen komen niet
daar waar zij echt nodig zijn, namelijk bij de behoeftigen, maar eigenlijk
slechts bij diegenen die al van alles hebben, namelijk diegenen die het kunnen
betalen. Dat mag dan economisch nog zo vanzelfsprekend zijn, filosofisch
doorgedacht blijkt er niets van te deugen.
natuurrampen1
; natuurrampen2
; verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ;
verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ;
De mensen van voor de Verlichting waren natuurlijk ook
zelfbewuste mensen. Waar een mens is is zelfbewustzijn. Zij waren echter niet
op zichzelf gericht qua zelfbewustzijn, zij hielden zich er niet mee bezig. Zij
deden de dingen die zij deden, gewoon omdat die gedaan moesten worden. De
moderne mens echter heeft een in de toekomst liggende reden, een complex van
motieven, waarom hij de dingen doet en hij streeft op de een of andere manier
een doel na, een doel dat verder reikt dan zijn eigen dagelijkse leven. Dat
laatste heeft betrekking op de werkelijkheid als voorstelling. Voor de
ouderwetse mens was die voorstelling een “onmiddellijk gegeven”, die wereld was
zoals hij was, maar voor de moderne mens wordt hij onderwerp van onderzoek, men
vertrouwt hem niet zonder meer. Vandaar dat vandaag de dag alles eerst
wetenschappelijk onderzocht moet worden, ook datgene dat zonneklaar uit de
voorstelling blijkt. De voorstelling wordt ontleed, in tegenstelling tot wat
het geval was bij de ouderwetse mens: deze liet de voorstelling intact en als
zodanig was hij hem de maat. Het spreekt vanzelf dat op die manier heel wat
foute oordelen gedurende lange tijd stand konden houden, maar daar tegenover
staat een betrekkelijk karaktervolle mens. De moderne mens was aanvankelijk de
mens van de ideologieën. Zelfs de godsdiensten kregen een ideologisch karakter:
zij veranderden van een directe maatschappelijke macht in een voor iedereen als
de maat gestelde bovenliggende collectieve voorstelling van een wenselijke werkelijkheid.
Tijdens de Franse revolutie brak de maatschappelijke macht van de godsdiensten,
maar, vooral in de 19e eeuw, nam de ideologische kracht van de godsdiensten
aanzienlijk toe.
De mensen gingen proberen te leven naar een
persoonlijke voorstelling van een toekomstige goddelijke wereld, al of niet
gesitueerd in een hiernamaals. Voordien was de godsdienstigheid vooral een zaak
van gedragsregels, zoals je vandaag nog kunt zien bij de Islamieten: een hoofddoekje is de maat
voor de godsdienstigheid van een meisje. Bij een ideologie gaat het om een
voorstelling van een voor iedereen verplichte toekomstige wereld. Zo'n
voorstelling is ontworpen naar aanleiding van onderzoek van de onmiddellijke
voorstelling van de werkelijkheid. Zo heerst er tegenwoordig een betrekkelijk
nieuwe ideologie onder vrouwen, met als inhoud om in de maatschappij net als de
mannen carrière te gaan maken. En in het fascisme en nationaal-socialisme had
men de vroegere wereld van de Romeinen en de Germanen als ideologische
voorstelling voor ogen. Dan waren er, naast de al genoemde godsdienstige, ook
nog de ideologieën van het liberalisme, het socialisme en dergelijke. Allemaal
hadden zij een toekomstige wereld als doel, een wereld die, al of niet met
geweld, door gezamenlijke inspanning van iedereen opgebouwd moest worden.
Daarbij onderscheiden fascisme en nazisme, evenals trouwens stalinisme en
maoïsme, zich van de genoemde andere ideologieën voor zover daarin niet
iedereen betrokken was, maar slechts raszuivere en nationalistische elementen.
Qua ideologie waren deze laatste dus eigenlijk niet helemaal in orde, hetgeen
de geschiedenis dan ook duidelijk heeft laten zien in hun ondergang tijdens de
tweede wereldoorlog en recentelijk. Hoe dan ook, sinds de Verlichting, als
de mens zich met zichzelf als zelfbewustzijn gaat bezig houden, ontstaat er een
maatschappij van mannen die doende zijn een nieuwe wereld op te bouwen, in het
besef dat de mens het zelf moet doen omdat er niets of niemand anders is die
het voor hem doen kan. De mannenwereld berust op een samengaan van een tweetal
factoren: a) het mannelijke in de mens, gericht op de werkelijkheid als
hoeveelheid, kwantitatief dus, en b) de mens als zich ontwikkelende
individu, als een zich tot ik ontplooiend mens. Het gaat dus over de mannelijke
individu.
In de ouderwetse wereld draaide alles inderdaad
ook om het gedoe van de mannen, maar niet om de mens als individu, zodat het
vrouwelijke geheel veel meer bepalend was voor het gedoe van die mannen. In de
moderne mannenwereld echter worden het vrouwelijke en het leven weggewerkt naar
terreinen die aan het gedoe van de mannen dienstbaar zijn. Het lijkt alsof de
verbanning van de vrouwen naar de keuken en de slaapkamer er een is naar een
vrouwelijke wereld, namelijk de wereld van de verzorging en het leven.
Praktisch gezien is dat uiteraard een feit, maar waarom het gaat is dat die
hele vrouwelijke wereld als ondergeschikt aan de mannelijke gesteld wordt. Zij
geldt niet als een autonome en zelfs de mannelijke overtreffende werkelijkheid,
maar als een dienstbare, aan de mannelijke werkelijkheid inferieure, zaak. Zo
zijn de keuken en de slaapkamer symbolen geworden van letterlijk onderdrukking
van de vrouw en het vrouwelijke, onderdrukking die gebaseerd is op enerzijds
het feit dat de begrippen verzorging en leven inderdaad vrouwelijk zijn en
anderzijds op de suprematie van de mannelijke individu. Tegenwoordig breken
vele vrouwen los uit de mannelijke kluisters. Zij verlaten de keuken en ook de
voor het gerief van de mannen ingerichte slaapkamer. Maar het kan voorlopig
niet meer zijn dan dat. Het enige wat gebeurt is dat zij overgaan naar het
traditionele terrein van de mannen; de door de economie gedomineerde
maatschappij. Wezenlijk is er niets aan de hand en het is zelfs mogelijk deze
gang van zaken als een achteruitgang te zien omdat de laatste herinneringen aan
het vrouwelijke, namelijk de verzorging en het overleven, ook nog vervlogen
zijn. Het uitbreken uit de kluisters betekent wezenlijk een verlies van
vrouwelijkheid, maar er staat natuurlijk tegenover dat er eindelijk ruimte komt
voor het zich tot individu ontplooien van de vrouw. Langs deze weg kan zij zich
gaan emanciperen.
Wij hebben tegenwoordig dus te doen met een
mannenwereld (bestaande uit vrouwen en mannen!). In deze wereld vieren wetenschappelijk
onderzoek, technologie, redelijk overleg, beleid, management en dergelijke
hoogtij. Alles wordt uitgerekend en niets is waar tenzij het wetenschappelijk
als waar aangetoond is. Deze wereld evenwel is gebaseerd op en resultaat van
analytisch onderzoek van de werkelijkheid als voorstelling. Het is daarom een
wereld die samengesteld is uit een grote hoeveelheid, op zichzelf los van
elkaar staande, feiten, en dat samenstellen gebeurt met behulp van theorieën,
regels en voorschriften die eveneens uit analyse van de voorstelling verkregen
zijn. Mag het dan een wonder heten dat het in genoemde mannenwereld steeds
chaotischer wordt en dat men steeds minder weet waarover het nu allemaal gaat?
En, zoals al eerder gezegd; het resultaat is volstrekt willekeurig, hetgeen wil
zeggen dat dit niet gezien en beoordeeld wordt als inhoud van een in alle
opzichten samenhangend geheel. Een aardige illustratie aangaande de
thuisloosheid van de moderne man en diens wereld is de man die slachtoffer is
van een echtscheiding. Dan staat de superieure wereldbouwer, die alles af weet
van management en van conflictanalyse, als een zwerver op straat, zonder
onderdak, zonder eigen spullen en zonder toekomst. Hij blijkt dan een thuisloze
te zijn wiens leven en doen nergens voltooiing vindt. Uiteraard komt niet
iedereen in zo'n situatie, maar wel blijkt vrijwel elke man wezenlijk een
tobberd te zijn die zich letterlijk geen raad weet. Zo weet hij ook volstrekt
geen raad met de liefde. Hij komt op zijn best tot een draaglijke relatie met
zijn partner. Hij is natuurlijk ook een gemakkelijke prooi van de wanen die hij
zelf mede in leven geroepen en in stand gehouden heeft: hij vindt het een eer
om in Vlaanderen in de loopgraven te gaan verrekken (1914-1918) en hij vindt
het jammer doch redelijk dat hij zijn overschot aan levensmiddelen niet aan de
arme derde wereld kan geven.
verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ;
No.
180 concurrentie-1 ; concurrentie-2
; concurrentie-3 ; concurrentie-4
Helaas is het in de filosofie gebruikelijk
geworden zich van een terminologie te bedienen die slechts betekenis heeft voor
diegenen die zich in een bepaalde tak van filosofie bekwaamd hebben. Er is dus
een vaktaal ontstaan, precies zoals dat in de natuurwetenschappen het geval is.
Deze wetenschappen echter zijn er alleen maar voor insiders en zij spelen in
directe zin geen rol in het leven van de mensen. Slechts de tot praktische
technologie omgezette resultaten ervan komen terecht in het dagelijkse leven maar
als zodanig behoef je hun werking niet te begrijpen. Bij de filosofie ligt dat
volstrekt anders: zij is er niet voor vaklui maar voor iedereen. Net als de
kunst vertelt zij de waarheid aan de mensen. Dat kan niet doormiddel van een
vaktaal, maar dat moet via de verstaanbare spreektaal. In feite ligt de
wetenschappelijke kennis buiten het leven. Of de atoomkern nu twee of drie
quarks bevat is daarvoor van geen enkel belang, maar de waarheden van de
filosofie zijn van direct belang. Dat het bijvoorbeeld niet aangaat je medemens
leed te berokkenen is onmiddellijk van betekenis. De filosofie levert inzicht
op in je leven, ze heeft dan ook een niet te onderschatten ethische betekenis.
De werkelijkheid mannelijk en de werkelijkheid vrouwelijk zijn met afstandelijke
vaktermen te benoemen, bijvoorbeeld het kwantitatieve principe en het
kwalitatieve principe. Als zodanig vallen deze begrippen buiten het leven, zij
zeggen je niets. De termen mannelijk en vrouwelijk daarentegen roepen bepaalde
associaties op die op hun beurt sommige, al of niet reële, beseffen wakker
kunnen roepen. En die beseffen zijn in en voor de filosofie nu juist zo
belangrijk! Doorgaans worden zij, onder invloed van de overheersende
cultuuropvattingen, verkeerd geïnterpreteerd, maar juist ook die verkeerde
interpretatie is voor de filosofie veelzeggend!
In de loop van de 19e eeuw heeft de opvatting veld
gewonnen dat de vrouw thuis behoort te zijn en daar de verzorging op zich moet
nemen. De man daarentegen gaat er op uit om voor de productie te zorgen. Nu
lijkt het er op dat de juiste verhoudingen voor de dag zijn gekomen, maar dit
is geenszins het geval. Qua besef is er wel iets doorgedrongen omtrent de
begrippen vrouwelijk en mannelijk, hetgeen te verklaren is uit het feit dat de
mens als individu begonnen is zich te ontplooien en dus te maken krijgt met de
voor hem geldende wezenlijke verhoudingen, maar in de praktijk is dat besef
vertaald in een voor de individu als man gunstige machtspositie: de gehele
vrouwelijke werkelijkheid als aan de man onderworpen zaak. Je kunt dus
constateren dat het besef omtrent de geldende begrippen levend is geworden,
maar dat blijkbaar niet geweten wordt hoe de zaak in elkaar zit. Dat
verschijnsel doet zich in de gehele (westerse) moderne cultuur voor: alle mogelijke
waarachtige begrippen worden op alle mogelijke manieren gehanteerd, zijn bekend
geworden, zonder dat men weet waarover het nu werkelijk gaat. Oude evangelische
begrippen bijvoorbeeld, zoals vrede, liefde, eenvoud en dergelijke behoren tot
het arsenaal van termen en begrippen, maar steeds weer blijkt dat men er niets
van begrijpt, hoewel het gebruik ervan de schijn wekt dat men alles goed in de
gaten heeft. Zo werkt men ook met de termen vrouwelijk en mannelijk, bedenkt er
van allerlei aan, onderzoekt van alles en vormt alle mogelijke theorieën, maar
de hele zaak slaat in feite nergens op... Er wordt niets van begrepen! Deze
paradoxale situatie is voor het denken uiterst gevaarlijk omdat hij gemakkelijk
tot misverstanden kan leiden, in de geest van: zie je wel dat de vrouw wel
degelijk in de keuken thuishoort, de filosofie zegt het...!
Toen het ging over de levende cel heb ik laten
zien dat er twee begrippen voor gelden, namelijk het begrip inhoud en het
begrip geheel. Het begrip inhoud omvat de werkelijkheid als totaal van alles
wat er is (kwantiteit) en het begrip geheel betekent de samenhangende
werkelijkheid als eenheid (kwaliteit). Je kunt in dit verband de begrippen
uiteen zijn en ineen zijn gebruiken. Gemakkelijker wordt dan duidelijk dat het
mannelijke een uitwendig, en het vrouwelijke een inwendig karakter heeft. Iets
moeilijker wordt het om te begrijpen dat het ineen zijn van het vrouwelijke
betekent dat alles er in aanwezig is, maar dan wel op zodanige wijze dat het
een niet meer gescheiden is van het ander, er niet meer tegenover staat en er
niet meer mee in concurrentie
is. Hieruit volgt dat er met het vrouwelijke, voor zover het over haar inhoud
gaat, volstrekt niets gebeurt. Er zit geen ontwikkeling in, vooruitgang noch
achteruitgang; het is een zijnstoestand. Die toestand is onveranderlijk, maar
in alle onveranderlijkheid is zij volmaakt, er ontbreekt niets aan en alles
komt tot zijn recht. Je kunt die toestand kwalificeren als een toestand van
harmonie, waarin alles in rust is. Het vrouwelijke is qua inhoud in zichzelf in
ruste. Voor haar geldt het eeuwig onveranderlijke, precies zoals de denkers van
het oude oosten het steeds aangevoeld en begrepen hebben. Boven de toestand van
onveranderlijkheid is niet uit te denken: je hebt te doen met een volmaakte
zaak omdat alles aanwezig is en tot zijn recht komt, ook datgene dat van
zichzelf uit concurrerend is, met name het mannelijke. Hoe komt een besef
omtrent het bovenstaande nu in de zich ontplooiende moderne mens terecht? Wel,
dat komt voor de dag als de buitengewoon botte mening dat voor vrouwen
ontwikkeling niet nodig en zelfs onmogelijk is. Men stelt het als strijdig met
de vrouwelijke natuur! Je bemerkt dus: er is een besef van de juiste verhouding
(op grond van ontwakende individualiteit), maar er wordt niets van begrepen en
men geeft er een typisch mannelijke draai aan, namelijk een causale verklaring.
Dit gaat zo diep dat bijna niemand het bovenstaande over het in zichzelf
rustende vrouwelijke kan verwerken en begrijpen...
Gezien vanuit het vrouwelijke is de inhoud in
rust, maar denkende vanuit die inhoud zelf is er onrust, beweging, verandering,
concurrentie
en dus ontwikkeling. Dit laatste wil zeggen dat er vanuit het mannelijke wel
ontwikkeling is. Een consequentie die je uit het mannelijke begrip uiteen zijn
kunt trekken is als eerste de al genoemde concurrentie, het ten opzichte van elkaar in
beweging zijn. Ten tweede kun je bedenken dat het mannelijke staat voor een
wereld die niet bij zichzelf blijft, maar die naar het andere toegaat. Het
mannelijke houdt steeds een beweging in en is daardoor almaar aan verandering
onderhevig. Van in rust zijn is geen sprake. Ook nu weer kun je je afvragen hoe
een ontwakend besef omtrent deze zaak in de praktijk van de moderne wereld voor
de dag komt. Je ziet dan dat de mannen zich in de buitenwereld begeven, het
huis verlaten, buiten de deur werken, dat wil zeggen: bezig zijn de
werkelijkheid te veroveren (naar het andere toegaan) en haar te veranderen
(arbeid). Juist de moderne mannelijke wereld is er een van er op uitgaan en
alles in bezit nemen en naar zijn hand zetten. Kortom, de buitenwereld is er
voor de mannen. En weer is duidelijk dat men er niets van begrepen heeft want
die wereld is helemaal niet exclusief voor de mannen, hij is er evengoed voor
de vrouwen en bovendien: het er op uitgaan heeft slechts dan betekenis en zin
als het als inhoud van het vrouwelijke geschiedt. Waarom het gaat is dat de
werkelijkheid vrouwelijk en de werkelijkheid mannelijk twee essentiële aspecten
zijn van de levende werkelijkheid die uiteindelijk mens geworden is. De
verdeling van die begrippen over de vrouw en de man is symptomatisch voor
analytisch individueel denken.
concurrentie-1 ; concurrentie-2
; concurrentie-3 ; concurrentie-4
Wat betreft het vrouwelijke kun je, uitgaande van het
begrip ineen zijn, zeggen dat het er over gaat dat a) alles aanwezig is,
b) dat er niets buitengesloten is, c) dat er geen scheiding
tussen het een en het ander is en d) dat het één volledig met het ànder
samenhangt op de wijze van het in elkaar overgaan, zodat het een op zijn wijze
het ander is. Deze vier punten houden niet in dat het een en het ander (de
dingen die er zijn) op de een of andere manier in het ineen zijn opgelost zijn,
zoals suiker in water. Beide daarentegen zijn volledig en naar eigen aard
aanwezig en als zodanig erkend. Het ineen zijn slaat slechts op de situatie
waarin het een en het ander ten opzichte van elkaar verkeren, anders en
overdrachtelijk gezegd; de wijze waarop zij zich tegenover elkaar gedragen. Het
gaat om de vraag hoe zij zich laten gelden. Het helder begrijpen van deze vraag
leidt overigens ook tot een oplossing als het gaat over het al eeuwenoude
vraagstuk van de verhouding tussen gemeenschap en individu. Tot op heden heeft
men dit uitsluitend als een onoplosbare, in zichzelf paradoxale, zaak gezien,
juist omdat men maar niet kan begrijpen dat het niet om de individu als zaak,
maar om het gedrag gaat, de volwassen en volstrekt zelfstandige individu die
zich, zonder ook maar iets van zichzelf te verloochenen maar juist door
zichzelf zo helder mogelijk te laten gelden, gedraagt als deelgenoot in een
gemeenschap. De individu is niet strijdig met de gemeenschap, maar voorwaarde
tot de gemeenschap. En zo is de inhoud van het ineen zijn noodzakelijke
voorwaarde voor dat ineen zijn. Bij de versmelting van twee achtledige
elementaire deeltjes, brandpunten genaamd, gaat de ruimte van de een over in
die van de ander en zo ontstaat er een overgang tussen beide. Beide zijn voor elkaar
nuances van het geheel. Ook hierbij hebben wij, zoals we destijds al gezien
hebben, te doen met ineen zijn, in dit geval een ineen zijn dat twee
brandpunten als inhoud heeft. Die brandpunten verdwijnen niet in het ineen
zijn, maar zij gedragen zich als waren zij een eenheid. En dat kunnen zij doen
omdat zij volstrekt zichzelf zijn. Van zichzelf verloochenen is absoluut geen
sprake.
Ik heb er op gewezen dat het vrouwelijke in
zichzelf geen ontwikkeling kent. Dat nu is een gevaarlijke uitspraak omdat het
in de aard van het moderne denken ligt dan automatisch te veronderstellen dat
ik dus meen dat het vrouwelijke onontwikkeld is. Vooral mensen met een
hoge opleiding zijn erg vlug met een dergelijke conclusie en zij zijn als regel
niet bereid toe te geven dat zij weer eens verkeerd gelezen of geluisterd
hebben. Verkeerd luisteren of lezen is zo langzamerhand een hoofdkenmerk van
gestudeerde lieden geworden..! Deze starheid, deze vooringenomenheid, komt
voort juist uit die hoge opleiding die er immers op neerkomt dat men tijdens
zijn leerprocessen uiterst diep geconditioneerd is geworden. Het is voor zulke
mensen, getraind in de analyse, niet te bevatten dat het vrouwelijke juist
volmaakt genoemd moet worden: als alles naar eigen aard aanwezig is valt er
niets meer te ontwikkelen, niets meer uit te wikkelen. Het proces is dan klaar
en er is een rusttoestand ingetreden, waarin alles blijvend tot zijn recht
komt. Het vrouwelijke is voorbij aan de ontwikkeling, het is, filosofisch
gesproken, voorbij aan het begrip worden. Het is dus pertinent niet zo dat het
aan ontwikkeling niet toe kan komen (zoals de christelijke kerkvaders menen en
waarvan de islamitische imams zo nodig nog meer overtuigd zijn) of er niet
geschikt voor is (de filosofie van Bolland en ten dele ook die van Jan Borger).
Het vrouwelijke laat al het gedoe van vooruitgang, ontwikkeling, wijs worden
enzovoort, wezenlijk achter zich. Het is volmaakt in de zin van vol gemaakt,
tot wasdom gekomen, allesomvattend - maar vooral niet in de westerse betekenis
van verheven, heilig of zonder fouten.
Volgens de beroemde psychoanalyticus Carl Gustav
Jung (1875-1961) acht de vrouw zich in haar diepste wezen verheven boven het
kinderachtige mannelijke gedoe..! Hij heeft dit bij analyses in de praktijk
opgemerkt. In de westerse cultuur is een almaar voortdurende dubbelhartige
benadering van de vrouw en het vrouwelijke waar te nemen. Enerzijds is het
vrouwelijke verwerpelijk omdat het duister, geheimzinnig en duivels zou zijn en
anderzijds wordt het vrouwelijke hemelhoog verheven. Dit laatste was het geval
bij de zogenaamde troubadours, die hun, vaak denkbeeldige, geliefden opsloten
opdat hun verhevenheid, kuisheid en schoonheid niet aangerand zouden kunnen
worden. Cervantes (1547-1616) drijft daarmee de spot in zijn Don Quichotte, die
zich verbeeldt namens zijn geliefde Dulcinea ten strijde te moeten trekken
tegen het onrecht. In de Duitse cultuur van het interbellum (1918-1939), waarin
kleine legertjes met groot geweld en niets ontziende wreedheid vochten tegen
socialisten en communisten, bereikt de fixatie op het vrouwelijke een ongekend
hoogtepunt; als lid van de communistische vloed is het vrouwelijke walglijk en
moet het meedogenloos uitgeroeid worden, maar als de moeder van alle edele
soldaten is zij rein, kuis en hoogverheven. Het behoeft wel geen betoog dat een
en ander tot in het diepste doortrokken was van seksuele perversiteiten. De
begrippen uiteen zijn (mannelijk) en ineen zijn (vrouwelijk) zijn niet
symmetrisch. Dat betekent dat zij geen tegenstellingen zijn op de manier van
licht en donker, zwart en wit en dergelijke. In dit geval zijn de
tegenstellingen gelijksoortig; beide behoren tot dezelfde zaak en zijn in die
zaak onvermijdelijke tegenstellingen. Uiteen zijn en ineen zijn echter zijn
niet gelijksoortig. Dat betekent het als ik zeg niet symmetrisch. De verhouding
uiteen-ineen is een volstrekt andere dan de verhouding ineen-uiteen. Denkende
vanuit uiteen zijn heb je te doen met een wordende werkelijkheid, maar denkende
vanuit ineen zijn met een zijnde werkelijkheid. Het verhaal van het mannelijke
is een ander verhaal dan dat van het vrouwelijke. Over het algemeen wordt dat
niet ingezien, vandaar dat men bijvoorbeeld in feministische theorieën een
pleidooi houdt voor gelijke verdeling van werkzaamheden, plichten en rechten
van vrouwen en mannen.
Er gaan zelfs al stemmen op die willen dat de
mannen zodanig getransformeerd moeten worden dat ook zij kinderen kunnen
krijgen. Men streeft dus naar vormen van uniseks, alsof het mannelijke precies
hetzelfde is als het vrouwelijke en dat dus de tegenstelling tussen die twee
gemakkelijk op te heffen is, namelijk door alles gelijkelijk over beide te
verdelen. Indachtig de asymmetrie van ineen zijn en uiteen zijn is evenwel
gemakkelijk te begrijpen dat een dergelijke verdeling onmogelijk is. Een
behoorlijke omgang van vrouwen en mannen kan dan ook alleen maar tot stand
komen als de daarvoor geldende begrippen als ongelijksoortig (maar natuurlijk
wel gelijkwaardig!) herkend worden. Is dat niet het geval, vrouwen en mannen
zouden in grijze gebieden terechtkomen waarin een ieder eigen identiteit
verloren heeft: uniseks! De vrouw en de man zijn ontstaan ten gevolge van een
wordingsproces van en in de werkelijkheid. In dat proces treedt, als het leven
er eenmaal is, al heel gauw de splitsing in twee geslachten op. Het begrip de
mens manifesteert zich als twee mensen: een vrouw en een man. Dit begrip zelf
is een vrouwelijk begrip, geheel in strijd met het westerse woordgebruik dat
mannelijk is. Het leven is door en door vrouwelijk, hetgeen men in de oudheid
nog begreep want alle leven heette voort te komen uit de oermoeder. Hieruit
blijkt dat men inzag dat het vrouwelijke het eeuwige was, namelijk datgene dat
“voorbij het wordende” gelegen was. Dat is dus ook datgene waarin de
werkelijkheid qua proces uitloopt: een vrouwelijke, volmaakte, in zichzelf
rustende wereld waarin alles thuis is...
No. 182 Psyche,
zie ook vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ;
De begrippen ineenzijn en uiteenzijn, vrouwelijk
en mannelijk, zijn niet symmetrisch. Symmetrische begrippen behoren op de wijze
van tweelingen tot dezelfde werkelijkheid, maar genoemde begrippen behoren tot
verschillende werkelijkheden, dat wil zeggen, de werkelijkheid (er is er immers
maar een!) naar volstrekt verschillende aspecten. Om hierin wat meer klaarheid
te brengen kunnen wellicht een tweetal benaderingen dienstig zijn: de eerste
verloopt via het wordingsproces, zoals dat op een gegeven moment het levende
verschijnsel voortbrengt, en de tweede verloopt via onderzoek van het complex
van verhoudingen dat, aan het einde van de wording, de mens blijkt te zijn. Op
een zeker moment komt de levende cel voor de dag, namelijk het verschijnsel dat
in zichzelf beweeglijk is geworden. Dat verschijnsel is zelf iets, namelijk een
geheel en er is ook nog de inhoud van dat geheel, namelijk de verzameling van
verschillende onderdelen. Het begrip geheel komt overeen met de begrippen
vrouwelijk en ineen zijn en het begrip inhoud komt overeen met de begrippen
mannelijk en uiteen zijn. Al deze begrippen zijn bij herhaling ter sprake
gekomen, maar ik wijs er nog even op dat uiteen zijn niet betekent dat je te
doen hebt met het een volledig op zichzelf en het ander dito. Het betekent
daarentegen wel degelijk dat er een zeker verband tussen het een en het ander
is. Dat verband wordt aangegeven doormiddel van het begrip verzameling. Alle
daarbij behorende elementen hebben een bepaalde relatie gemeen, er is een
netwerk van relaties, en dat feit leidt ertoe dat het begrip geheel kan gaan
gelden. Het uiteen zijn slaat dus in feite op een situatie van naast elkaar
zijn. Bij het ineen zijn gaat het juist om het samenhangende, om het zich laten
gelden als een enkele zaak, als een soort van eenheid, namelijk een geheel. Het
wordingsproces loopt heel concreet uit in die ene levende cel. Voor die cel
geldt het ineen zijn (want het is een geheel) en dus is die cel vrouwelijk. De
wording loopt tastbaar in een vrouwelijk verschijnsel uit. Het leven is
exclusief vrouwelijk en kan bijgevolg alleen maar in termen van het vrouwelijke
beschreven worden. Dat geldt dus ook voor het mannelijke, ook dat is alleen
maar vanuit het vrouwelijke te definiëren.
Het mannelijke kan onmogelijk als een op zichzelf
staande zaak beschreven worden, het is een zaak die zijn bestaan niet aan
zichzelf dankt, maar aan iets anders, namelijk het vrouwelijke. Dat geldt niet
alleen voor het (begripsmatige) mannelijke, maar ook concreet voor het mannelijke
dier en als laatste de man. In de westerse wereld zijn wij niet gewend de man
af te leiden van de vrouw en het vrouwelijke. Men denkt de zaak precies
andersom: de man is de autonome, de op zichzelf staande en in zichzelf rustende
en de vrouw is de daarvan afgeleide. Zij wordt gedefinieerd vanuit de man en
het mannelijke, zij wordt gezien als aan de man meekomend. De zaak staat dus op
zijn kop! In feite komt het mannelijke niet op zichzelf voor, zelfs niet als
er, verderop in de evolutie, levende wezens te voorschijn komen die mannelijk
zijn. Die wezens zijn volkomen afhankelijk van hun vrouwelijke tegenhangers.
Dat blijkt dan ook in de praktijk, want alles wat leeft wordt geboren uit
vrouwelijke wezens, een feit dat iedereen weet. Het basisprincipe van de
levende werkelijkheid is dus het vrouwelijke verschijnsel (moeder) en het
mannelijke verschijnsel komt te voorschijn als inhoud daarvan. Daarom moet het
dan ook als zodanig gedefinieerd worden en de daarbij benodigde begrippen
moeten van het vrouwelijke afgeleid zijn. Als de mensheid dat eindelijk
begrijpt vervalt het tot op heden gangbare vijandige gedoe van de mensen onder
elkaar.
Immers, vanuit dat zogenaamde mannelijke is het
een buiten het ander en staat het een aan het ander in de weg, met alle
gevolgen van dien. Gedacht vanuit het vrouwelijke echter geldt het ineen zijn
en dus het in samenhang met elkaar verkeren van de mensen. Dat is de echte
werkelijkheid... De afwezigheid daarvan is de grootste tragiek van de mensheid,
een tragiek waarbij alle ellende door moord en doodslag, verkrachting en
plundering, verbleekt. Een tragiek die bovendien nog versterkt wordt door het
feit dat juist die afwezigheid van het vrouwelijke niet herkend wordt zodat men
ook geen verband voelt tussen de afzonderlijke misdaden en die bijgevolg als
incidenten beschouwt. Juist omdat men ze als zodanig beschouwt kun je er ook
onverschillig voor zijn en stellen dat er niets aan verloren gaat. Aan de
ondergang van een vanuit het mannelijke gewaardeerde wereld gaat niets verloren
omdat dat wat verloren gaat helemaal niets is in het licht van de ware
werkelijkheid. Zoals gezegd kun je de gedachtegang via het wordingsproces laten
voor wat die is en onmiddellijk de blik richten op de mens, op het eind van dat
proces. Aan dat eind tref je een aantal begrippen aan en nu is het dus de vraag
hoe het daarmee zit. In feite vraag je dan naar de betekenis van de door jezelf
herkende en verklaarde begrippen. Als je dat doet blijkt het niet moeilijk in
te zien dat het begrip ineen zijn behoort tot de werkelijkheid als bewustzijn.
Dat betekent dat er verband is tussen het vrouwelijke en het bewustzijn. Dat
bewustzijn immers is de werkelijkheid als een in zichzelf samenhangende,
ongescheiden eenheid. Die eenheid is het kenmerkende van het vrouwelijke.
Gemakkelijk is dan na te gaan dat het begrip uiteen zijn verband houdt met het
zelfbewustzijn, dat immers staat voor de werkelijkheid als de verzameling
concrete dingen zoals die op trillende wijze de werkelijkheid als niet-materie
vormen. Dat betekent dat er een verband is tussen het mannelijke en het
zelfbewustzijn. Uiteraard geldt dat verband ook voor het mannelijke en de
voorstelling, zoals dat ook het geval is met het vrouwelijke en het beeld. Als
je nu primitief analytisch denkt, zoals dat in het westen gebruikelijk is, dan
zou je uit het bovenstaande af kunnen leiden dat er voor de vrouw kennelijk
geen zelfbewustzijn geldt en voor de man geen bewustzijn. Je kunt dan nog
verder gaan en beweren dat de vrouw niet geschikt is voor het denken, dat
immers over het nagaan van de voorstelling gaat, en dat zij niet
wetenschappelijk noch technisch kan zijn.
Over de man zou dan te zeggen zijn dat hij nuchter
van aard is, niets moet hebben van de gevoelswereld van het bewustzijn en zich
alleen maar thuis voelt bij de analyseerbare werkelijkheid. Het spreekt vanzelf
dat een dergelijke verdeling van eigenaardigheden nergens op slaat en typisch
een product is van primitief denken. Toch behoort het tot de gedachtespinsels
van menig filosoof, zoals bijvoorbeeld de Nederlandse Hegeliaan G.J.P.J.
Bolland (1854-1922), die beweerde dat je het denken aan de man over moet laten
en dat het de vrouw past te luisteren. Zij vertegenwoordigt de werkelijkheid
als zieligheid, dat is de wereld van het gevoel. Bolland gebruikt de
vernederende term zielig als vertaling van het woord psyche. Voor hem is de vrouw niet veel
zaaks, maar de man staat voor helder denken (zuiver begrip), voor redelijkheid
en rechtvaardigheid. Hij gaat als zodanig boven de concrete, natuurlijk vrouwelijke,
werkelijkheid uit... Uiteraard is dit grote onzin van Bolland, ingegeven door
een paternalistische wijze van denken en grenzenloze zelfoverschatting. Dat
komt overigens ook bij Friedrich Nietzsche (1844-1900) voor, zij het in wat
aangenamer vorm. Hij beschouwt de man als het Apollinische beginsel; Apollo, de
zonnegod, die het verschijnsel te boven gaat, het verlicht en het daarmee
bevrucht.. Gelukkig is voor Nietzsche de ware mens Dionysisch, dat wil zeggen
een harmonisch samengaan van het aardse en het hemelse. Maar toch kan ook hij
vreemde dingen beweren als het gaat over de verhouding zelfbewustzijn en
bewustzijn in man en vrouw.
Psyche, zie
ook vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ;
Universele Verklaringsprincipe-1 ; Universele Verklaringsprincipe-2 ; Universele Verklaringsprincipe-3 ; Universele Verklaringsprincipe-4 ; Universele Verklaringsprincipe-5 ;
Al vaker heb ik er op gewezen dat het in de
filosofie gaat om de vraag hoe zit het. Bij nadere beschouwing is te zeggen dat
deze vraag eigenlijk berust op de behoefte om op denkende wijze aan mijn
werkelijkheid een ware grondslag te geven. Uiteraard gaat het daarbij over mijn
eigen werkelijkheid, qua zelfbewustzijn in mij aanwezig als voorstelling - een
andere werkelijkheid ken ik niet, evenmin als die van iemand anders. En dat
later blijkt dat mijn eigen werkelijkheid veel ruimer is dan ik aanvankelijk
dacht, wel degelijk algemene geldigheid kan verkrijgen, is iets dat om te beginnen
voor mij onbekend is en dus geen rol kan spelen. Je moet namelijk volkomen
blanco beginnen: niets willen bereiken, geen houvast zoeken en zelfs niet naar
een verklaring van de dingen streven op grond van kennis die je meent te
bezitten. Zo kun je bijvoorbeeld niet stellen dat het je bedoeling is een
humanistische filosofie te ontwerpen. Nog afgezien van de vraag wat dat dan wel
mag wezen is het een feit dat je niet blanco begint. Je hebt jezelf een doel
gesteld en dat is de zekerste weg om geen ware grondslag voor je zelfbewuste
werkelijkheid te vinden. Je kunt een bepaald thema benaderen langs twee met
elkaar samenhangende wegen. De eerste weg is die vanuit het ene universele verklaringsprincipe, de volkomen onbepaalde
beweeglijkheden waarover absoluut niets te zeggen valt en waarover juist op
grond daarvan zinvol nagedacht kan worden. Wat betreft het thema vrouw en man
ontdek je dan na een hele denkweg waarom beiden er zijn en voor welke
verhoudingen zij model staan, hoewel zij wezenlijk maar tot een enkel leven
behoren: een vrouwelijk leven! Dat leven herbergt een dubbelbegrip in zich,
namelijk het geheel en haar inhoud, oftewel het ineen zijn met daarin het
uiteen zijn, en dus het vrouwelijke met in zich het mannelijke. De tweede
benaderingsweg gaat uit van dat wat je concreet aantreft, namelijk de vrouw en
de man. Deze pragmatische weg kan in feite alleen maar succes hebben als je de
eerstgenoemde universele weg reeds gegaan bent en dus kent. Is dat niet het
geval dan blijf je onontkoombaar bevangen in je eigen vooronderstellingen. Aan
iedere mening, theorie of levensbeschouwing ligt een complex van
vooronderstellingen omtrent de mens ten grondslag.
In de geesteswetenschappen steunt de antroposoof
bijvoorbeeld op een andere basis dan de islamiet, de christen, de boeddhist en
dergelijke en die allemaal verschillen weer van de basis van een leerling van,
zeg maar, Jung. Zo'n basis is samengesteld uit een aantal ervaringen en
waarnemingen. Het systematische verslag van die ervaringen en waarnemingen dient
dan als verklaring voor de mening, theorie of levensbeschouwing. Dat verslag
geeft aan hoe iets zo gekomen is, maar dat geeft natuurlijk geen antwoord op de
vraag hoe zit het. De pragmatische weg leidt dus tot een beschrijving van een
zaak, in dit geval vrouw en man, maar dan niet op grond van vooronderstellingen
doch op grond van weten van de werkelijkheid vanuit een universeel verklaringsprincipe. Zo is dan ook gemakkelijk in te zien
dat het vrouwelijke verbonden is met de werkelijkheid als bewustzijn en het
mannelijke met de werkelijkheid als zelfbewustzijn. Deze constatering echter
heeft menigeen verleid tot volkomen verkeerde uitspraken over de VROUW en over
de man. Men gaat er namelijk toe over de vrouw als een manifestatie van
bewustzijn te zien en de man als manifestatie van zelfbewustzijn. Zelfs grote
filosofen zijn in deze val getrapt, voornamelijk doordat zij eenzijdig
analytisch dachten, en tegenwoordig vinden de denkers dat de vrouwelijke en
mannelijke eigenschappen, nog steeds als manifestaties van bewustzijn
respectievelijk zelfbewustzijn, eigenlijk gelijkmatig over vrouw en man
verdeeld zouden moeten worden.
Volslagen onzin, die bovendien onvermijdelijk
leidt tot het verheffen van de een boven de ander, in de westerse cultuur de
man boven de vrouw omdat hij verbonden is met zelfbewustzijn, het westerse
cultuurthema. Dat geldt ook nu wij over het algemeen van opvatting zijn dat
vrouwen en mannen gelijk behandeld moeten worden en dat vrouwen dus ook
maatschappelijk mee moeten tellen. Je ziet daarbij echter steeds dat vrouwen
zich een mannelijk gedrag gaan aanmeten en daarmee ongewild en ongeweten het
mannelijke boven het vrouwelijke stellen. Het moderne thema voor het feminisme
is dan ook niet langer de strijd voor gelijkheid van vrouw en man, maar het
zich bevrijden van de vanzelfsprekende culturele dominantie van de man op grond
van het zelfbewustzijn. Het zijn voornamelijk de godsdiensten die de naam
hebben de man boven de vrouw te verheffen, maar in de filosofie en in de
zogenaamde geesteswetenschappen weet men er bepaald ook goed raad mee... De
begrippen ineen zijn en uiteen zijn komen voor de dag aan de levende cellen
(cellen zijn de enige vorm van leven!). Voor zover die zich georganiseerd
hebben tot geslachtelijke levende wezens, in laatste instantie mensen. Beide
begrippen behoren onlosmakelijk bij elkaar, geen van beide is zonder de ander
te denken. Dat leidt tot de conclusie dat elk mens, hetzij vrouw of man,
gekenmerkt wordt door beide begrippen, die op de een of andere manier tot elkaar
in verhouding staan. Het van elkaar afzonderen van die begrippen is dus fout,
maar het werd in oude tijden veel gedaan, met als gevolg dat in christendom en
islam nog steeds vrouwen en mannen als aparte wezens beschouwd worden, elk met
een eigen oorsprong en achtergrond. In de oudheid echter betekende de genoemde
splitsing niet dat men dacht dat vrouwen en mannen op afzonderlijke
werkelijkheden, een vrouwelijke en een mannelijke, terug te voeren zouden zijn,
maar dat men beide begrippen in hun onderlinge verhouding liet zien. In hun
gebruikelijke beeldtaal stond de vrouw dan voor het begrip vrouwelijk en de man
voor mannelijk. Dat was de formule voor de verhouding tussen vrouwelijke en
mannelijke begrippen. Voor de westerse mens is die formule een feitelijke
realiteit geworden en zelfs de filosofen, psychologen en seksuologen kunnen er
maar niet van los komen... De vraag is dus niet wat bij de een hoort en wat bij
de ander, maar hoe de dubbelverhouding er bij de een uitziet en hoe bij de
ander.
Daarbij spreekt het vanzelf dat je bij de vrouw
uit moet gaan van ineen zijn en bij de man van uiteen zijn. Zij is de
dubbelverhouding vanuit ineen zijn en hij vanuit uiteen zijn. Voor beiden
echter is nu de gehele figuur, ineen-uiteen, geldig gebleven. Denkende over de
vrouw moet je dan noodzakelijk denken vanuit ineen zijn, zodat je terechtkomt
bij uiteen zijn, en denkende over de man ga je uit van uiteen zijn en kom je
noodzakelijk terecht bij ineen zijn. Bij beiden is er een beweging naar de
eigen immanente (er in aanwezige) tegenstelling. Het uitzoeken van de essentie
van de vrouw en van de man komt filosofisch gezien neer op het nagaan van
vormen van anderszijn, ten gevolge van een tweetal bewegingen, namelijk van
ineen zijn naar uiteen zijn (vrouw) en van uiteen zijn naar ineen zijn (man).
Opgemerkt moet worden dat in deze gedachtegang het hele spel van begrippen in
zichzelf besloten blijft. Er is nergens te spreken van een binnen of een
buiten. In de filosofie echter, denk aan Bolland, komt het mannelijke (intellect)
van buitenaf tot de vrouw om haar op die wijze op een hoger plan te brengen en
het vrouwelijke (geborgenheid) komt ook van buitenaf tot de man om hem tot rust
te brengen. Slim uitgedacht, maar door en door analytisch en zelfs seksistisch,
omdat het intellect stilzwijgend verondersteld wordt van een hogere orde te
zijn... In het door mij beschreven spel van bewegingen blijft de gehele zaak in
zichzelf besloten. Dat moet ook wel, want eigenlijk gaat het over maar een
leven, namelijk dat van het verschijnsel als levende cel.
Universele Verklaringsprincipe-1 ; Universele Verklaringsprincipe-2 ; Universele Verklaringsprincipe-3 ; Universele Verklaringsprincipe-4 ; Universele Verklaringsprincipe-5 ;
Universele Verklaringsprincipe-1 ; Universele Verklaringsprincipe-2 ; Universele Verklaringsprincipe-3 ; Universele Verklaringsprincipe-4 ; Universele Verklaringsprincipe-5 ;
Het volgen van de pragmatische weg levert in
zoverre moeilijkheden op dat het steeds de vraag is hoe iemand tegen de wereld,
die hij aantreft, aankijkt. Het antwoord op die vraag wordt in niet geringe mate
bepaald door de heersende cultuur en de daarin geldende opvattingen en normen
inzake de wijze waarop men kennis kan verwerven en hoe die kennis gewaardeerd
moet worden, dat wil zeggen: waar het waarheidscriterium gelegd wordt - als het
al gelegd wordt. Omdat dit een belangrijk thema is wil ik er als eerste nog het
een en ander over zeggen, alvorens de cluster van verhoudingen vrouwelijk naar
mannelijk, oftewel ineen zijn naar uiteen zijn en mannelijk naar vrouwelijk,
oftewel uiteen zijn naar ineen zijn nader te belichten. Omdat de pragmatische
weg je onmiddellijk confronteert met aanwezige, maar in wezen onbekende,
verschijnselen heeft het zin als eerste na te gaan hoe te denken over de
moderne gedachte dat de filosofie problemen zou oplossen, dit althans tot haar
taak zou moeten rekenen. Daartoe is het noodzakelijk je te realiseren dat de
aanwezige werkelijkheid, de realiteit, zich manifesteert als een
trillingsverschijnsel in het zelfbewustzijn, anders gezegd: als voorstelling.
Ook de vrouw en de man behoren tot onze voorstelling en het is deze
voorstelling die als uitgangspunt en bron van informatie dient bij ons nadenken
over de aard van het vrouwelijke en het mannelijke. Nu zijn er twee
mogelijkheden en die verschillen hemelsbreed van elkaar, hoewel ze beide
uitgaan van een en dezelfde voorstelling. De eerste mogelijkheid is deze dat
uitsluitend de, in feite concrete, voorstelling, bestaande uit een aantal
elementen en de daartussen aanwezige relaties, als de maat wordt genomen. Dan
is te verwachten dat er in die voorstelling zwarte gaten zullen voorkomen,
plekken die duister zijn en die niet begrepen kunnen worden omdat de kennis
ervan ontbreekt. Zo'n zwart gat is dan een probleem omdat het aanleiding geeft
tot het stellen van vragen die om te beginnen niet beantwoord kunnen worden.
Pas bij analyse ontstaat de mogelijkheid een antwoord te vinden. Zoals ik al
eerder heb laten zien hebben wij hier te doen met wetenschappelijke
activiteiten.
De wetenschap zoekt de zwarte gaten in onze
voorstelling op en probeert die helder te krijgen, dat wil zeggen: op causale
wijze passend in de reeds bestaande voorstelling. Je kunt bijgevolg ook zeggen
dat de wetenschap de zwarte gaten tot voorstelling omzet. Zij maakt het
ongekende tot het gekende, tot kennis. Grondslag hiervan is dus het niet-kennen
en dat wordt via de wetenschap omgezet tot kennen. Dus ten overvloede: bij het
onderzoek van de concrete voorstelling ligt de essentie bij het niet-kennen,
gangbaar uitgedrukt als niet-weten. Het behoeft geen verwondering te wekken dat
inzake de verhouding vrouw-man bij de moderne wetenschappelijk onderzoekers elk
inzicht ontbreekt. Er is wel een heleboel feitenkennis, passend gemaakt in de
bestaande voorstelling, boven water gekomen, maar die heeft geen betekenis,
hetgeen blijkt uit het feit dat men, zonder zelfs maar te vermoeden met
waandenkbeelden bezig te zijn, de vrouw zowel als de man tot een soort van
biologisch-chemische fabrieken reduceert waarvan de onderlinge verschillen
slechts functioneel zijn en niet wezenlijk. Allicht, want men kent het wezen
van beiden niet... Zo speelt menig feministe bijvoorbeeld met de gedachte dat
het straks mogelijk moet zijn dat mannen, na een chirurgische ingreep, kinderen
krijgen en dat pas dan de verhouding vrouw-man werkelijk op maat is komen te
liggen. Als je filosofisch niet beter wist zou je je er over verbazen dat
moderne, zich op wetenschap baserende, mensen zover van huis kunnen geraken!
De tweede mogelijkheid is de filosofische, althans
de filosofische als je de filosofie als een creatieve werkzaamheid opvat en
niet als het moderne academische gezever over uitspraken van wetenschappers die
zich filosoof noemen omdat zij zich een verzameling uitspraken van anderen
hebben eigen gemaakt. Als het gaat over de creatief filosofische mogelijkheid,
dan is het uitgangspunt niet zozeer de concrete voorstelling als wel de
werkelijkheid als beeld zoals die zich aan de zo helder mogelijke voorstelling
afspiegelt. Het gaat dan zogezegd om de werkelijkheid achter de dingen. Het
beleven van die werkelijkheid vooronderstelt geen in alle opzichten gekende
(tot kennis omgezette) voorstelling, maar een zichtbare voorstelling. Alledaags
gezegd: een realistische kijk op de werkelijkheid. Is die kijk aanwezig, dan is
het afspiegelen van het beeld optimaal. Als het beeld zich afspiegelt is het in
feite de werkelijkheid als bewustzijn die zich gelden laat. Die werkelijkheid
omvat alles wat er is, op trillende en samenhangende wijze en het is een zaak
die in elke mens volledig en helder aanwezig is, zonder dat er ook maar iets
aan ontbreekt of als onbelangrijk op de achtergrond gedrongen is. Het is de
echte werkelijkheid naar haar algemeenheid. Het zich laten gelden hiervan
betekent een zich laten gelden van iets dat geweten is. We hebben nu dus niet
te doen met een grondslag die onbekend is, maar met een die in principe
bekend is en dat niet alleen aan die of gene uitverkorene of begenadigde, maar
aan ieder mens, ongeacht ontwikkeling of cultuur. Aristoteles merkte destijds
al op dat de waarheid in een ieder aanwezig is en dat je je die alleen maar
behoeft te herinneren. Dat betekent dat de filosofie geen problemen kent omdat
er voor haar geen zwarte gaten zijn. Wil je toch van problemen spreken, dan
liggen die op het terrein van het uitdrukken, het gestalte geven aan de
filosofische denkbeelden. Het duidelijk uitdrukken, in feite het gebruik van de
taal, kan grote problemen geven, maar die zijn voor de filosofie zelve niet
interessant. Daarom is onder andere de moderne positivistische taalfilosofie
oninteressant. Het is gezeur over het gereedschap waarvan het verbeteren tot
hoogste wijsheid wordt verheven. De verhouding tussen de wetenschap en de
filosofie ligt dus zo dat de eerste gegrond is in het onbekend zijn van
een deel van de werkelijkheid terwijl de tweede gegrond is in het in principe
bekend zijn van de gehele werkelijkheid naar haar algemeenheid.
De wetenschap gaat
derhalve buiten de waarheid om omdat zij zich aan de concrete voorstelling
houdt en de filosofie is een en al waarheid die zich manifesteert aan de hand
van een zichtbare, niet geanalyseerde, voorstelling. Wil je, zoals op het
ogenblik in ons geval, filosofisch over de vrouw en de man nadenken volgens de
pragmatische weg, dan draait alles om het zich aan de voorstelling manifesteren
van de werkelijkheid als beeld. Dat houdt in dat de pragmatische weg
stilzwijgend vooronderstelt dat het nagaan volgens het universele verklaringsprincipe, al of niet als zelfbewuste redenering
(filosofie), geschied is. Het oplossen van problemen is gebonden aan de
werkelijkheid als eenzijdig voorstelling en het kan op geen andere manier
gebeuren dan via de analyse. Het gevolg is dat de problemen zich op een almaar
kleiner terrein bevinden en tenslotte nauwelijks meer te bevatten zijn. Niet
alleen echter speelt hierbij dat de werkelijkheid steeds meer versnipperd
wordt, maar vooral treedt in toenemende mate op de voorgrond dat de samenhang
verloren gaat, in die zin dat zij tenslotte nauwelijks meer te ervaren is. Met
het toenemen van de analyse namelijk vervallen steeds meer relaties tussen de
verschillende elementen zodat op den duur de voorstelling niet meer te
herkennen is. Als dat het geval is kan er van het afspiegelen van de
werkelijkheid als bewustzijn, en dus van het beeld, nauwelijks nog iets
terechtkomen. Daarmee is de mogelijkheid komen te vervallen om de waarheid te
vinden. Waar is dan nog slechts datgene dat op een bepaald moment causaal in de
voorstelling ingepast kan worden.
Universele Verklaringsprincipe-1 ; Universele Verklaringsprincipe-2 ; Universele Verklaringsprincipe-3 ; Universele Verklaringsprincipe-4 ; Universele Verklaringsprincipe-5 ;
Op het ogenblik is het in de academisch
filosofische wereld mode om geen mening te hebben. Dat lijkt heel redelijk en
zelfs heeft het iets nihilistisch omdat aan alles dezelfde waarde wordt toegekend.
Maar in feite is het een uiting van grote intellectuele lafheid die enerzijds voortkomt uit
de vrees een mening te vormen die verkeerd zou kunnen blijken te zijn en
anderzijds uit het in toenemende mate onherkenbaar worden van de voorstelling,
dus: niet meer weten waarover het gaat. Symptoom van dit laatste is de bijna
ziekelijke behoefte aan onderzoek. Men verkeert in de waan dat de uitkomsten
van onderzoek duidelijk maken waarover het gaat als het over de werkelijkheid
gaat en ook hoe die werkelijkheid in elkaar steekt. In feite echter kan men er
niet meer uit wijs worden, men is het spoor bijster. De ervaring het spoor
bijster te zijn heeft een aantal consequenties. Als eerste is er de poging de
verwarring te neutraliseren door te verklaren dat er helemaal geen spoor is en,
daarmee samenhangend, ook geen waarheid. Logisch dat men het dan verkeerd vindt
om een mening te hebben. Het hebben van een mening is dan kortzichtig, het is
intolerant, gelijkhebberig en het getuigt van een teveel aan eigendunk, waarbij
dan ook nog komt dat het in strijd is met een opvatting van deskundigen die in
de mening verkeren dat zij terecht geen meningen hebben omdat zij er als enigen
verstand van hebben. Zij zeggen dan dat het begrip waarheid alleen maar een
woord is, net zoals dat met god het geval is. De waarheid zou slechts retoriek
zijn, woordenkraam uit een vroegere primitieve periode. Door de zaak aldus te
stellen vervalt elke noodzaak na te gaan hoe het zit met de werkelijkheid en
deze nalatigheid is
wetenschappelijk verantwoord: er is immers geen waarheid.
De oude filosofen waren uitsluitend op zoek naar
de waarheid. Zij waren ervan overtuigd dat die te vinden was, maar zij konden
het er niet over eens worden langs welke weg dat zou moeten gebeuren en al
evenmin vonden zij een antwoord op de vraag hoe je zou kunnen controleren of je
eigen idee van de waarheid of dat van iemand anders klopt of niet. Wat later,
met name in de Romeinse tijd, raakten de filosofen in twijfel over de vraag of
de waarheid, waarvan wel werd aangenomen dat die er is, wel door de mens
gevonden kan worden. Men dacht eigenlijk van niet en men meende bijgevolg dat
de waarheid alleen maar geopenbaard zou kunnen worden - door god natuurlijk:
christendom. De grote westerse filosofen, voornamelijk Kant en Hegel, meenden
de wel degelijk aanwezige en kenbare waarheid via streng logisch en
wetenschappelijk denken boven water te krijgen. Het zich doorzetten daarvan in
de academische filosofie, heeft geleid tot de huidige opvatting dat er geen
waarheid is, dat wil zeggen: geen objectieve waarheid, uiteraard wel een
persoonlijke, maar die wordt wetenschappelijk niet relevant gevonden vanwege
zijn zogenaamde subjectiviteit. Tot voor kort meenden sommigen dat het falen
van de speurtocht naar de waarheid verklaard moest worden uit het feit dat de
methode niet deugde. Men is toen onder andere de taal gaan onderzoeken, nadat
men eerder al had vastgesteld dat alleen de aantoonbare verschijnselen voor
filosofisch onderzoek in aanmerking kunnen komen. Beide, zowel het
positivistische (meetbare) onderzoek als het taalonderzoek (onder anderen door
Wittgenstein), zijn filosofisch helaas van geen enkele betekenis. Het
verschijnsel fungeert in de filosofie slechts als aangever van de werkelijkheid
als beeld, om de beschrijving waarvan het wezenlijk gaat. Onderzoek van dat
verschijnsel levert op zichzelf nog lang geen filosofie op en staat er als
zodanig zelfs aan in de weg, omdat dit onderzoek tenslotte uitloopt in een
onvoorstelbare, vergruisde en onherkenbare werkelijkheid waaraan zich niets
meer kan afspiegelen (verval van het beeld).
En de taal op zichzelf geeft slechts uitdrukking
aan datgene dat in de voorstelling ligt. Zij betekent filosofisch, en ook
kunstzinnig, pas dan iets als zij gedragen wordt door het bewustzijn en op die
manier het verhaal van de werkelijkheid als beeld poogt te vertellen. Het is
natuurlijk mogelijk de waarheid, die door iemand naar voren gebracht wordt, te
betwisten. Dat echter is niet waar het op dit moment om gaat. Het gaat om de
vraag of er een waarheid is, of die door de mens achterhaald kan worden, hoe je
dat dan zou moeten doen en tenslotte wat je ter beschikking hebt om de zaak te
controleren. De vraag of er een waarheid is wordt door de academische filosofen
onder allerlei voorwendsels met nee beantwoord omdat men, zelfs zonder het te
weten, het spoor bijster is geraakt en daardoor inderdaad niets meer aan de
weet kan komen. Het gestelde niet-bestaan van de waarheid dient nu als excuus
om de fout niet bij zichzelf te zoeken en niet naar de juiste inzichten op zoek
behoeven te gaan. Zodoende is de moderne filosofie het tijdperk van de grote
onwetendheid binnengetreden! Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat er op
het ogenblik filosofisch heel wat af geklungeld wordt en dat het daaruit
voortkomende knoeiwerk geheel verstoken is van inzicht in de werkelijkheid.
Omdat men van mening is dat er geen waarheid bestaat vindt men ook dat het
onmogelijk is ergens een mening over te hebben en er een stellige uitspraak
over te doen. Als iemand zich dan toch aan een stellige uitspraak bezondigt kan
dit niet anders dan onzinnig zijn en dus behoeft men niet de moeite te nemen
zo'n uitspraak inhoudelijk te bestrijden. Voldoende is het er een waardeoordeel
over te geven en vast te stellen dat dergelijke uitspraken alleen maar gedaan
worden door mensen die per se gelijk willen hebben. Terug naar het thema. Ik
heb laten zien dat je bij de vrouw als basissituatie aantreft de werkelijkheid
als ineen zijn en bij de man als de werkelijkheid als uiteen zijn. Vanuit die
basissituatie loopt het bij de eerste uit in uiteen zijn en bij de tweede in
ineen zijn. Je ziet dus dat voor beiden alle twee de begrippen gelden, en dan
in die zin dat zij een rol spelen in een beweging die voortdurend van het een
naar het ander gaat. Dat is geen beweging die ooit eens begint en tenslotte
ergens eindigt, bijvoorbeeld in de loop van iemands leven.
Het is een voortdurend bewegen; almaar is daar de
beweging van het een naar het ander, en dat telkens opnieuw. Alles wordt steeds
maar weer van het een naar het ander bewogen, van het een in het ander
veranderd. Bovendien: omdat het een bewegende zaak is kun je niet
stellen dat de een voor een deel de ander inhoudt en de ander voor een deel de
een. De bewering van psychologen en seksuologen dat de man eigenlijk een beetje
vrouw is en de vrouw eigenlijk een beetje man, is dus fout. Er is geen
verdeling van vrouwelijke elementen en mannelijke, het is geen kwantitatieve
zaak. Het gaat niet om een beetje van dit en een beetje van dat. Voor beiden,
de vrouw zowel als de man, gelden de begrippen ineen zijn en uiteen zijn
volledig en zonder beperking. En als zodanig zijn zij factoren (actieve
grootheden) in dynamische processen. Zo is het leven van de man een immer
voortdurende beweging van uiteen zijn naar ineen zijn en het leven van de vrouw
van ineen zijn naar uiteen zijn. Deze formulering is in andere woorden te geven
en als volgt te vertalen; het leven van de man wordt gekenmerkt door het almaar
bewegen van zelfbewustzijn naar bewustzijn en dat van de vrouw door het almaar
bewegen van bewustzijn naar zelfbewustzijn. Aldus geformuleerd liggen deze
verhoudingen stellig beter in het denken dan bij het gebruik van de wat meer
abstracte begrippen uiteen zijn en ineen zijn het geval is. Bij de vrouw wordt
een innerlijke wereld met een vanzelfsprekende waarheid (=bewustzijn)
getransformeerd tot een uitgesproken (=zelfbewustzijn) waarheid.
Het voor de vrouw geldende transformeren van een
innerlijke vanzelfsprekende waarheid in een, letterlijk, uitgesproken waarheid
komt in een bepaalde periode van de cultuurgeschiedenis op een heel diepzinnige
manier tot uiting. Dat is namelijk het geval in het zogenaamde hermetische
denken en in de, daarbij behorende, gnostiek.
Beide lijken mannelijk van aard te zijn, onder andere omdat het steeds over de
geest gaat en het een worden daarmee, maar als je let op de basis en bron van
het hermetische en gnostische denken, dan blijkt dat het nadrukkelijk gaat over
het onder woorden brengen van vanzelfsprekende innerlijke waarheden. Precies
het proces derhalve dat bij de vrouw zijn praktische uitdrukking vindt: de
nimmer aflatende beweging van ineen zijn naar uiteen zijn, van bewustzijn naar
zelfbewustzijn. Modern historisch onderzoek heeft een grote hoeveelheid oude
geschriften opgeleverd. Uit die geschriften blijkt dat er qua zien en denken
heel wat meer en heel wat anders aan de hand is geweest dan voorheen, zelfs nog
in het recente verleden, gedacht werd. Om dit evenwel enigszins verantwoord
uiteen te zetten moet je een uiterst gespecialiseerde studie van deze materie
gemaakt hebben. Als filosoof kun je je dat niet veroorloven en dus moet het nu
bij enkele opmerkingen blijven. Hopelijk zijn die echter tekenend genoeg... Het hermetische denken en het
gnostische denken waren gebaseerd op het zien van de werkelijkheid.
Men probeerde dat zien, oftewel aanschouwen, effectief en helder te krijgen en
wel om een antwoord te vinden op de vraag hoe de werkelijkheid is - niet te
verwarren met wat de werkelijkheid is. Dit zien leidde tot een beschrijving van
de werkelijkheid, logisch en samenhangend, maar uiteraard wel in de
bewoordingen (formules) van de periode van omstreeks het begin van onze
jaartelling. Die bewoordingen komen ons godsdienstig voor, maar dat is
niet terecht. De christelijke kerk heeft ze voor haar machtsstreven
misbruikt door er valselijk godsdienstige uitspraken van te maken. In feite
beschrijven zij de werkelijkheid zoals die gezien kan worden en dat is in mijn
bewoordingen de werkelijkheid als beeld zoals die zich afspiegelt aan de
voorstelling.
Duidelijk zal zijn dat er hierbij niet van analyse
als instrument om de waarheid te vinden gesproken kan worden. Wel echter
gebruik je soms het analyseren om de voorstelling, die voor het zien van het
beeld onontbeerlijk is, zo gedetailleerd mogelijk te maken. Dat leidt er
overigens toe dat het de moderne mens in principe mogelijk zou zijn zeer
genuanceerd te filosoferen, maar helaas belet zijn overtuiging dat
analyse op zichzelf de waarheid oplevert hem de werkelijkheid als beeld te
zien, te vertrouwen en te beschrijven. De analyse levert natuurlijk wel de
feiten op, de zo'n bijvoorbeeld is volgens de natuurkundigen een soort van
vuurbal waarin zich processen van kernfusie afspelen en hoewel men daarvan nog
lang niet alles af weet kun je toch zeggen dat die feiten juist zijn. De zaak
klopt. Maar geeft dat nu een beeld van de werkelijkheid? Als je last hebt van teveel
cholesterol in je bloedvaten, verkrijg je dan inzicht in het levende geheel van
je lichaam? Daar tegenover staat bijvoorbeeld het verhaal in de Ilias van
Homerus dat de zon de god Apollo zou zijn, de treffer van verre die met zijn
dodelijk trefzekere pijlen de aarde splijt en doodt om haar daarmee tot nieuw
leven te wekken. Zo'n verhaal is feitelijk onjuist, maar het beeldt wel
uit hoe de werkelijkheid is en hoe daarin de verhoudingen liggen. Als de feiten
juist zijn kan de waarheid nog altijd ver te zoeken zijn. De vraag is dus:
wat beeldt de werkelijkheid uit en is als zodanig veelzeggend en dus waarachtig
en hoe verhoudt dat zich tot de feiten die op zichzelf wel juist, maar helemaal
niet waar behoeven te zijn.
De hermetische
denkers en gnostische denkers vonden elkaar in geheime
genootschappen. Geheim, niet omdat de zaak occult en onnavolgbaar moest
zijn en blijven, maar omdat de verworven inzichten in de werkelijkheid voor die
denkers zelf levensgevaarlijk waren. Zij waren volkomen in strijd met het in de
toenmalige maatschappij gebruikelijke gedoe, in strijd met de heersende machten
en met de heersende ideologieën. Uiting geven daaraan betekende een wisse dood,
zeker toen ook nog eens de Romeinen het voor het zeggen kregen. Thans loop je
zo'n risico niet meer, maar in strijd met het gangbare gedoe is de op het zien
gebaseerde creatieve filosofie nog steeds. Eigenlijk geldt nog steeds dat je
beter geen paarlen voor de zwijnen kunt werpen. Boven de in het hermetische
denken en gnostische denken beschreven werkelijkheid is qua waarheid niet uit
te denken. Men was tot het inzicht gekomen dat de werkelijkheid een in zichzelf
samenhangend geheel is en dat daarin alles ineen moest zijn. Men beschreef dat
doormiddel van het begrip liefde. Inderdaad kun je niet verder gaan dan alles
ineen te denken. Uiteraard is daarvan wel een genuanceerder beschrijving te
geven die veel verder en dieper gaat dan die van de toenmalige hermetische
denkers en gnostische denkers, maar er bovenuit kom je niet. De westerse
filosofen is dat dan ook nooit gelukt en de modernen onder hen zal het, op
grond van hun analytische gesteldheid, al helemaal nooit gelukken. De kans dat
er iemand tussendoor loopt die de aanleg heeft om louter op het zien af te gaan
is uiterst gering. De fixatie op de voorstelling en de analyse staat nu eenmaal
in de weg. Daarom is te zeggen dat er in de westerse wereld van de filosofie
niet veel terecht is gekomen, ondanks de ijver waarmee zij beoefend is.
Praktisch gesproken kun je het betrekkelijke mislukken van de westerse
filosofie toeschrijven aan het gemis van een visie oftewel inzicht. Daardoor
treedt het verschijnsel op dat men telkens weer vertrouwen stelt in de
werkelijkheid als voorstelling en daardoor geloof hecht aan allerlei bedenksels
van, doorgaans op macht beluste, lieden. Men ziet niet, men voelt niet aan dat
er iets niet klopt bij al die op de voorstelling berustende uitspraken, zoals
bijvoorbeeld deze dat overheden de burgers besturen en dat dit voor een goede
gang van zaken noodzakelijk is. Of de reeds door mij aangehaalde uitspraak dat
de vrouw gedeeltelijk mannelijk is en de man gedeeltelijk vrouwelijk.
Het betwisten van deze en dergelijke uitspraken
begint bij het zien hoe de werkelijkheid is. Dat nu is in de westerse cultuur
vrijwel geheel verdrongen en voor zover het er nog is wordt het ernstig
gewantrouwd. Steeds duidelijker is het culturele resultaat dat het denken gaat
zwalken en tenslotte niets meer met de waarheid te maken wil hebben, nota bene
op grond van wetenschappelijke kennistheorieën. Behalve dat het logisch
onmogelijk is boven ineen zijn uit te denken is het ook op natuurlijke wijze
onmogelijk; de mens is het laatste en volmaaktste waartoe de kosmos komt, de
vrouwelijke variant daarvan als manifestatie van ineen zijn dat in uiteen zijn
uitloopt kan nimmer overtroffen worden omdat erna immers niets meer kan
ontstaan. Ten derde is ook nog op te merken dat je niet meer kunt beschrijven
dan datgene dat te zien is, maar dat dit wel steeds genuanceerder en helderder
kan. Er is over het hermetische denken en gnostische denken nog veel meer te
zeggen, maar waarom het gaat is dit, dat het een uiting is van vrouwelijke
processen en dat het op die manier steeds over de waarheid en het ware gaat.
Dat betekent helemaal niet dat uiteindelijk noodzakelijk de waarheid op tafel
komt en het betekent ook niet dat elke vrouw dat doet, maar het betekent wel
dat de poging gedaan wordt en dat de bron en inspiratie bij de waarheid ligt.
Voor de rest is het maar de vraag wat er van het uitspreken en waarmaken van
die zaak terechtkomt. De waarheid moet namelijk een feit worden!
No. 187
Je kunt natuurlijk zeggen dat dat denken van vroeger,
bijvoorbeeld het hermetische denken en het gnostische denken, het resultaat is
van voorbije culturen en dat je er dus eigenlijk niets mee te maken hebt, net
zomin trouwens als met het denken van eigentijdse mensen. Gaat het om het
creatieve denken, dan moet alles dat op welke manier dan ook van buiten jezelf
komt buiten beschouwing gelaten worden. Het kan slechts dienen als illustratie
bij het autonome eigen denken en soms is het nuttig omdat het je op een idee
kan brengen, op een spoor kan zetten. Maar je weet nooit van tevoren of
dat het geval zal zijn. Voor het zuivere creatieve filosoferen is alleen de
eigen voorstelling van de werkelijkheid interessant omdat daaraan, en
uitsluitend daaraan, de echte werkelijkheid zich afspiegelt. Dat laatste is,
zoals al zo vaak betoogd, de werkelijkheid als bewustzijn die bij wijze van
beeld en als algemeenheid in elk levend wezen aanwezig is. Gezien in dat licht
is het hermetische denken en gnostische denken op zichzelf niet interessant
(behalve natuurlijk voor deskundigen), maar als illustratie bij de beschrijving
van de verhoudingen die voor de vrouw gelden is het wel goed te gebruiken. De
denkers van genoemde stromingen hielden het namelijk ook uitsluitend op datgene
dat zij in zichzelf aanschouwden, om dat vervolgens zo helder mogelijk uit te
werken. Zij vertonen dus de beweging van ineen zijn naar uiteen zijn, het
uitspreekbaar maken van de innerlijke werkelijkheid, het omzetten van
bewustzijn in zelfbewustzijn. Deze voortdurende beweging werd voor hen echter
een in formules uitgedrukt stelsel dat maakt dat de, op zichzelf in feite onuitspreekbare,
waarheid op een min of meer wetenschappelijke wijze uitgesproken wordt. Dit
uitspreken kan zich namelijk verfijnen tot filosoferen, als op een gegeven
moment het uitspreken zelf tot een soort van wetenschap verheven wordt. Dan
gaat ook de taal een eigen en belangrijke rol spelen, overigens zonder dat
staande gehouden kan worden - zoals veel moderne denkers proberen - dat
filosofie wezenlijk taal is. Het uitspreken kan ook een soort van theosofie
worden, zoals het geval is bij de meeste hermetische denkers en gnostische
denkers. Voor zover je met zo'n filosofie en theosofie van doen hebt, komt het
intellectuele resultaat van het zich in haar representanten afspelende proces
(ineen zijn naar uiteen zijn) per se niet overeen met dat wat zich in de mens
als vrouw afspeelt.
Dat blijkt ook wel, want de ideeën van deze en
dergelijke denkers, en ook die van de filosofen, zijn niet bepaald
vrouwvriendelijk. Bij voorbaat al wordt de vrouw gezien als onderworpen aan de
man en vaak is zij zelfs manifestatie van het kwade. De intellectuele
verwerking is derhalve wat anders dan het uitspreken zelve, zoals dat bij de
vrouw het geval is. Die verwerking, namelijk het op wetenschappelijke wijze
uitspreken van datgene dat als waarheid gezien wordt, heeft in de westerse
cultuur evenwel geen genade gevonden. Zowel filosofie als theosofie zijn al ras
ondergronds gegaan, terwijl het academische, verstandelijke en positivistische
denken oppermachtig werd. De filosoof Hegel was eigenlijk ook in strijd met het
gebruikelijke verstandelijke denken, ondanks het feit dat hij een tijdlang het
filosofische klimaat in Duitsland bepaald heeft. Al spoedig ging men hem dan
ook verketteren. De theosofische wijze van denken heeft bij bepaalde mensen ook
veel weerklank gevonden, maar is toch gaandeweg naar het occulte afgegleden.
Hoe dan ook, het uitspreken van de waarheid op grond van de zelfaanschouwing is
in de ogen van de westerling solipsisme, en dat vindt men verwerpelijk omdat
het subjectief zou zijn.
Het gaat bij de vrouw louter om de beweging van
binnen naar buiten, van bewustzijn naar zelfbewustzijn, en niet om de
wetenschappelijke verwerking ervan. Zo'n verwerking is eigenlijk een onmogelijkheid:
je probeert met gebruikmaking van het denken iets uit te drukken, gestalte te
geven, dat zich wezenlijk niet uitspreken laat. Wat bijvoorbeeld liefde is kan
niet onder woorden gebracht worden evenmin als datgene dat de kunstenaar
beweegt, namelijk de schoonheid. Beide begrippen zijn wel filosofisch te
definiëren, maar je kunt het voelen van liefde en schoonheid niet onder woorden
brengen. De bedoelde verwerking is dus eigenlijk onmogelijk, reden waarom het
creatieve filosofische denken en het kunstzinnige proces zichzelf almaar en
blijvend vernieuwend herhalen: het onmogelijke nagenoeg mogelijk maken. Voor de
vrouw geldt dat allemaal niet, want het gaat bij haar niet om het verwerken.
Haar kenmerkende situatie is het onmiddellijk tonen, het manifesteren van de
waarheid, namelijk laten zien, afspiegelen hoe de werkelijkheid is. Je kunt ook
zeggen dat voor de vrouw geldt dat zij in principe de waarheid is. Hierop is de
mening gegrond dat er zoiets als vrouwelijke intuitie bestaat. Die
eigenaardigheid geldt altijd voor de vrouw, maar of dat altijd, door haarzelf
of door anderen, begrepen wordt en of die waarheid altijd waar is, valt nog te
bezien! Dat is afhankelijk van de heersende cultuur en haar persoonlijke
aanleg. Maar ook dan is het toch de werkelijkheid als waarheid, namelijk
bewustzijn dat de vrouw vanzelf en vanuit zichzelf vertoont. Zij doet dat
altijd en nooit niet, net zo vanzelfsprekend als zij altijd biologisch vrouw
is. Het feit dat de waarheid niet denkend vast te leggen is, is er de oorzaak
van dat mannen vinden dat de vrouw niet te doorgronden is. Zij is voor hen een
gesloten boek, een raadsel, een mysterie, duistere natuurlijkheid. Uiteraard is
dat onzin: de mens kan de gehele werkelijkheid doorgronden en daartoe behoort
ook de vrouw. Maar anderzijds klopt het toch wel, als je namelijk bedenkt dat
het de westerse man is die de vrouw niet begrijpt. Hij wil alles denkend vast
leggen (in altijd geldige formules) en dat gaat niet bij de vrouw. Dus valt zij
buiten zijn intellectuele wereld. En welbeschouwd valt zij dan geheel en al
buiten zijn wereld, althans voor zover zij werkelijk vrouw is... Niet alleen
echter speelt het denkend vastleggen de westerse man parten, hij is ook nog
ingesteld op het uiteen zijn, het zelfbewustzijn met zijn voorstelling. Op
grond hiervan is het hem onmogelijk vat te krijgen op de beweging van
bewustzijn naar zelfbewustzijn: die is immers tegengesteld aan datgene wat in
hemzelf plaatsvindt en is daardoor voor hem onbegrijpelijk. Voor de onvolwassen
westerse man is het onmogelijk de vrouw als geliefde te zien en te beleven. Hij
kan haar niet liefhebben.
Hij komt hoogstens tot een enigszins aangename
vorm van houden van, maar die verschilt niet wezenlijk van zijn houden van zijn
auto en dergelijke. Het is niet bevreemdend dat in onze cultuur de vrouw
eigenlijk bezit van de man is en dat deze vorm van bezitten min of meer de vorm
van houden van aanneemt. Geruime tijd geleden was zelfs dat laatste niet
gebruikelijk. Van vrouwen hield je niet (behalve als lustobject), vrouwen moest
je onder de duim houden, gehoorzaamheid afdwingen en tot je slavin maken. Een
eventueel houden van kwam doorgaans niet verder dan het besef die slavin niet
te kunnen missen: ik zou geen raad weten zonder jou! . Ook de filosofen deelden
deze meningen. Er kon in de filosofie nooit een goed woord voor de vrouw af en
zelfs heden ten dage blinkt de filosofie nog niet uit door begrip van het
vrouwelijke en de vrouw. Behalve het feit dat dit niet als filosofisch thema
beschouwd wordt kan men het vrouwelijke ook niet van het mannelijke
onderscheiden, enerzijds doordat men met de verschillen geen raad weet en
anderzijds doordat men meent dat er helemaal geen verschillen tussen de vrouw
en de man zijn. Het denken over de vrouw en het vrouwelijke staat op een treurig
laag peil.
existentialisme-2 ; Existentialistische filosofie ; verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; Betrokkenheid-1 ; Betrokkenheid-2 ; Betrokkenheid-3 ;
In de filosofie en de kunst zijn je persoonlijke
ervaringen, gevoelens, inzichten en dergelijke van essentiële betekenis. Zij
hebben te maken met datgene dat zich bij het doorstralen van het bewustzijn op
de wijze van een beeld afspiegelt aan de voorstelling. Omdat het om de algemeen
geldige waarheid gaat moet dat beeld zo onpersoonlijk mogelijk worden,
maar dat is wat anders dan de zogenaamde objectiviteit die de wetenschapper
noodzakelijk nastreeft: hij ontleedt immers de voorstelling en meent
zodoende de waarheid te vinden, terwijl hij het doorstralen (van het
bewustzijn) en het afspiegelen (van het beeld) helemaal niet opmerkt, laat voor
wat zij zijn of zelfs pertinent afwijst. Op grond hiervan kent voor hem noch de
kunst, noch de (creatieve of speculatieve) filosofie enige waarheid. In het
verlengde hiervan vindt hij dat je niet persoonlijk betrokken mag zijn bij het
zoeken en uitspreken van de waarheid. Voor hem moet alles overdraagbaar zijn,
dat wil zeggen: doormiddel van al of niet taalkundige formules aan
anderen voor te rekenen en te bewijzen. Daarbij behoeft die ander totaal geen
inzicht te hebben - hij behoeft slechts het werken met genoemde formules te
beheersen. De filosofie echter vereist, evenals de kunst, betrokkenheid.
Je moet er zelf in meedoen, je in het thema inleven en het helderste in jezelf
naar voren halen. Door er zelf in betrokken te zijn ontdek je zaken die bij
wetenschappelijk denken verborgen blijven. Zo blijkt onder andere dat de vrouw
en het vrouwelijke in het westerse denken niet voorkomen, ook niet in de
filosofie. Wetenschappelijk kun je wijzen op een gigantische bibliotheek over
het onderwerp “De vrouw en het vrouwelijke”, maar filosofisch constateer je dat
beide er in geen geval in voorkomen. Aan de orde zijn de man en het mannelijke
denken waarin het bij gelegenheid, op zogenaamd objectieve wijze, over de vrouw
en het vrouwelijke kan gaan. Zelf is hij er niet in betrokken; hij vertelt zijn
waarneming daaromtrent en formuleert vervolgens wat hij daaraan bedenkt,
precies zoals hij het over willekeurig welk verschijnsel zou hebben. Helaas,
maar wel verklaarbaar, is dat ook het geval met de filosofen, of zij
hebben het helemaal niet over de vrouw of zij kankeren op haar omdat zij
volgens hen natuurlijk, zinnelijk, twistziek, irrationeel en dergelijke zou
zijn. Zo zou je verwachten dat een filosoof als Jean Paul Sartre (1905-1980)
wel op een redelijke wijze over de vrouw zou denken. Zijn existentialisme zou
daarvoor toch borg moeten staan, handelende als dat is over het bestaan van de
mens, zijn dagelijkse leven en zijn vrijheid. Niets daarvan!
Hij denkt over de vrouw als ware hij een bezitter:
zij is er slechts ter wille van hem en dan meestal ook nog uitsluitend in
seksueel opzicht. Zeker achteraf kun je vaststellen dat iemand die zich vereenzelvigt
met een totalitair systeem als dat van de Sovjets en dat ook nog tegen alle
redelijkheid in volhoudt, geen heldere kijk kan hebben op het leven, en dus
zeker niet op de vrouw en het vrouwelijke. Over het algemeen kun je zeggen dat
het in de westerse filosofie almaar over de geest gaat, niet die van de levende
mens, maar die geest die boven de mens en het aardse verheven is en die vanuit
die hoogverheven positie inwerkt op de mens, natuurlijk in de eerste plaats op
de man die verondersteld wordt het hogere te vertegenwoordigen. Dat is
natuurlijk onzin, maar die onzin laat zich verklaren uit het feit dat bij de
man het zelfbewustzijn uitgangspunt is. Dat zelfbewustzijn is verbonden met het
begrip niet-materie, oftewel geest. Voor de vrouw geldt dat niet: zij is als
bewustzijn verbonden met de materie. Het aanvoelen maar niet begrijpen van de
door mij genoemde verhoudingen van ineen zijn en uiteen zijn, bewustzijn en
zelfbewustzijn, leidt tot de onzinnige en kwalijke opvatting dat de man als
geestelijk wezen boven de vrouw staat.
Dat was ook al het geval in het denken van de
gnostische denkers en hermetische denkers uit het verleden. Zo legde Filo van
Alexandrië omstreeks het begin van onze jaartelling uit dat de mens weliswaar
van oorsprong androgyn (vrouw en man ineen) is, maar dat hij daarna in twee
mensen uiteen gevallen is en dat daarbij de man de hoogste geworden is. Op
grond van allerlei schijnargumenten heeft men gedurende de gehele westerse
cultuur de mannelijke superioriteit staande proberen te houden. Vanuit deze
waanvoorstelling is het verklaarbaar dat de vrouw en het vrouwelijke niet
voorkomen in het westerse denken. In de beroemde troubadours-poëzie wordt de
vrouw almaar op een voetstuk geplaatst. Maar steeds is het de man die haar
verheft: zij is voor hem een ideaal van schoonheid en reinheid. Dat ideaal
moest verdedigd en beschermd worden, vandaar dat zij, voorzien van
kuisheidsgordel, in het beruchte torenkamertje op zijn terugkeer kon gaan
zitten wachten. Ook in de Islam is de vrouw zozeer een mannelijk ideaal dat zij
zich voor de blikken van een ieder moet verbergen en geen contact met de
buitenwereld mag hebben. Waarom het gaat is evenwel de vraag wat zij zelf is en
hoe zij als zodanig in de verhouding vrouw-man aanwezig is. Op die vragen wordt
bijvoorbeeld in het verhaal van Tristan en Isolde (van lang voor het jaar
1100), het verhaal van Don Quichotte (Miguel de Cervantes Saavedra, geschreven
ca. 1610) en Tijl Uilenspiegel (Charles de Coster, geschreven in 1867) een
aanvaardbaar antwoord gegeven. Slechts zelden komen de vrouw en het vrouwelijke
behoorlijk voor de dag. Naast golven van ongeremde, psychisch ziekelijke,
verheerlijking was en is er ontzettend veel vrouwenhaat in de westerse cultuur.
Deze haat is slechts voor een deel terug te brengen tot de geestelijke
minderwaardigheid van de vrouw. De werkelijke oorzaak is gelegen in het feit
dat de vrouw qua zelfbewustzijn met een veel betere en mooiere wereld komt dan
de man, een wereld ook die veel meer ruimte kent en lichtvoetiger is. Op de een
of andere manier heeft deze mooiere wereld, naast extatische verering, de
afgunst en de haat van de mannen opgewekt, een haat die onvoorstelbaar heftig
in onze cultuur aanwezig is. Het duidelijkst kwam, voor mannelijk besef, het
vrouwelijke tot uiting in de heksen. Of beter: een vrouwelijke vrouw was per
definitie een heks. Zo iemand moest terstond opgeruimd worden en daarbij
ontzagen de mannen zich niet om in zogenaamde godsoordelen quasi objectief de
schuld van heksen aan te tonen. Het resultaat was altijd de dood... Zoals
gezegd heeft het vrouwelijke bij de vrouw dit karakter dat het bewustzijn
voortdurend als zelfbewustzijn voor de dag komt. Het onuitspreekbare wordt
uitgesproken. Inmiddels zal duidelijk geworden zijn dat ik het niet heb over een
intellectueel proces.
Zodra door onvolwassen mensen wordt
nagedacht over dat proces ontstaat er godsdienstig gefilosofeer over de
almachtige geest, over de opgave die de mens gesteld is om geestelijk wezen te
worden en over de praktische zondigheid van de mens. Eerst volwassen mensen
zullen dat proces denkend kunnen volgen. Waarom het nu gaat is het feit dat de
vrouw zonder meer, en dus zeg maar van nature, met een zelfbewust bewustzijn
voor de dag komt. Zij verwijst zonder er over na te behoeven denken in haar
gedoe, haar reacties, haar uitspraken, naar de werkelijkheid als bewustzijn.
Als het denken dat niet verstikt, zoals in onze cultuur, functioneert dat gedoe
van vrouwen als een correctie op het gedoe van de mannen. Dat heeft zich vaak
in de geschiedenis vertoond. Maar in de moderne tijd, na de Verlichting, wordt
die corrigerende rol nauwelijks nog gespeeld: de vrouwen beoefenen meer en meer
het onvolwassen mannelijke systeem: analyse van de werkelijkheid op grond van
eenzijdig zelfbewustzijn en verwaarlozing van het bewustzijn.
existentialisme-2 ; Existentialistische filosofie ; verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; Betrokkenheid-1 ; Betrokkenheid-2 ; Betrokkenheid-3 ;
No. 189
In onze cultuur wordt alles wat niet echt
intellectueel is minderwaardig gevonden, het wordt niet voor vol aangezien. Dat
is niet zo verwonderlijk, want aan de cultuur van het zelfbewustzijn komt mee
dat alles wetenschappelijk gekwalificeerd moet zijn. Het moet een
wetenschappelijke ondergrond hebben en mensen die mee willen tellen en het
willen maken, moeten wetenschappelijk opgeleid zijn, bij voorkeur op een
gerenommeerde universiteit. Die universiteiten zijn allang geen centra van
wetenschappelijke ontwikkeling meer, maar opleidingsinstituten op betrekkelijk
hoog niveau, hetgeen onder andere betekent dat iemand die alleen maar goed kan
leren en die aan geld weet te komen eraan deel kan nemen. Een wetenschappelijke
instelling is nauwelijks meer vereist en mensen die wel zo'n instelling hebben
komen nog maar zelden voor en als zij voor komen kunnen zij bijna nergens
behoorlijk terecht. Het is dan ook een feit dat onze huidige wereld, ondanks
haar wetenschappelijke status en de gigantische hoeveelheid kennis die haar ter
beschikking staat, zich niet kan beroemen op wetenschappelijkheid. Die was er
vroeger veel meer, dat wil zeggen: de intellectuelen van destijds beschikten
wel over veel minder kennis en methodieken, maar stonden veel meer open
voor de werkelijkheid, hadden een veel meer onderzoekende geest die veel minder
bevooroordeeld was. Thans bestaat wetenschappelijkheid voornamelijk uit meer
van hetzelfde en de bekwaamheid om dat meerdere op tafel te krijgen. Dat komt
natuurlijk door de vergevorderde omzetting van de werkelijkheid als
voorstelling in formules. Levende in zo'n quasi wetenschappelijke wereld is het
moeilijk om duidelijk te maken dat het vrouwelijke proces van het zich tot
zelfbewustzijn omzettende bewustzijn per se geen intellectueel proces is, maar
desondanks het mooiste waartoe de werkelijkheid kan komen. Als dat proces niet
intellectueel is dan gaat het buiten het denken, de rede en het begrijpelijke
om. Dan kom je naar westers besef al gauw terecht bij de instincten, de
driften, de gevoelens en de aandoeningen, en die staan niet bepaald hoog
aangeschreven. Dat is moeilijk te rijmen met iets dat het mooist mogelijke is,
iets dat bovendien geheel vanzelf geschiedt, zo ongeveer zoals een plant
uitloopt in een schitterende bloem, oftewel uitloopt in schoonheid. Deze zaak
geldt voor de vrouw in de hoedanigheid van het verschijnsel waarin het
vrouwelijke, uitgedrukt in het begrip ineen zijn, zich omzet tot het
mannelijke, uitgedrukt in uiteen zijn. Anders gezegd: de vrouw als verschijnsel
waarin het bewustzijn zelfbewust wordt. Dat je deze apotheose uitgerekend bij
de vrouw aantreft houdt verband met het feit dat het levende verschijnsel
eigenlijk vrouwelijk gedefinieerd moet worden.
Het leven loopt niet uit in de man, maar in de
vrouw, en dat betekent dat de mens, in strijd met de westerse gewoonte,
vrouwelijk gedacht moet worden. Als het over de mens gaat moet je in feite over
“zij” spreken in plaats van “hij”. Gezien in dit licht is het logisch dat de
vrouw inderdaad, in schoonheid uitloopt, schoonheid wel te verstaan als
verschijnsel dat schoon is en waarbij die schoonheid ervaarbaar en dus ook
voorstelling is geworden. Het in de vrouw zelfbewust worden van het bewustzijn
wordt in onze cultuur nauwelijks opgemerkt, tenminste niet als iets van bijzondere
betekenis. Meer als iets lastigs. De vrouw vertoont van allerlei dat vanuit het
mannen denken flauwekul wordt gevonden. Zelfs als alle vrouwen de uitingen van
zelfbewust geworden bewustzijn glashelder zouden vertonen, dan nog zou dat in
de westerse wereld als lastig, als niet ter zake doende, worden ervaren.
Maar, de vrouwen komen er niet allemaal even
duidelijk mee voor de dag. Het is er dus wel, maar het is verminkt. De oorzaak
hiervan zijn natuurlijk de vele en diepgaande conditioneringen vanuit de
mannelijke cultuur, met zijn schijnwetenschappelijkheid waarin de materiele
analyse hoogtij viert. Toch zijn er wel enkele situaties te schetsen die
enigszins duidelijk maken hoe de zaak in de praktijk voor de dag komt. Zo is er
bijvoorbeeld een generaal en die staat zich ‘s morgens op te doffen, met al
zijn onderscheidingen en versierselen. Zijn vrouw slaat dat schouwspel voor de
zoveelste keer gade en merkt dan op: wanneer hou je nu eens op met die onzin?
De generaal zal later tegen zijn collega's zeggen dat zijn vrouw weer zo lastig
was. In feite echter heeft zij een zeer wezenlijke opmerking gemaakt en daarbij
uitdrukking gegeven aan datgene dat uit haar bewustzijn opwelt. Natuurlijk is
iedereen, ook de vrouw in kwestie, het voorval onmiddellijk vergeten. Er wordt
geen aandacht aan besteed, behalve dan dat de generaal zijn vrouw maar knap
vervelend vindt. Een ander voorbeeld. Magnus Hirschfeld (1868-1935), de Duitse
seksuoloog, heeft een verzuchting geslaakt met betrekking tot de Duitse,
engelse en Franse soldaten die aan het begin van de eerste wereldoorlog naar
het front in Vlaanderen en Noord-Frankrijk vertrokken om daar te moorden en
vervolgens te sneuvelen. Zo'n vertrek ging met parades en dergelijke gepaard en
volgens Hirschfeld wemelde dat van de verborgen seksuele symbolieken. De
vrouwen staken bloemen in de lopen van de geweren, zij waren verschrikkelijk
opgewonden. Dan vraagt Hirschfeld zich af hoe het zou zijn als de vrouwen hun
ware aard lieten gelden en die mannen niet langer als hun geliefden zouden
erkennen omdat zij nu moordenaars waren geworden. De wereld zou er heel anders
uitzien. !
Derde voorbeeld. De Zwitserse psychiater Carl
Gustav Jung (1875-1961) merkt in zijn boek Ein moderner Mythus (1958) op dat
vrouwen, in tegenstelling tot mannen, bij diepgaande psychoanalyse blijk geven
van een veel ruimer en indringender besef van de werkelijkheid dan mannen en
dat onveranderlijk het gevolg is dat die vrouwen de mannen en hun wereld
kinderachtig, dom, onpraktisch en zelfs misdadig vinden. Die vrouwen, die
overigens volop deel uitmaakten van die wereld, stonden eigenlijk, doorgaans
nauwelijks bewust, ver boven de mannen. Jung was er de man niet naar om dat
merkwaardige verschijnsel te veroordelen en als een ziekelijke afwijking te
duiden, zoals Sigmund Freud nogal eens deed met resultaten die hem niet
bevielen. Jung daarentegen zag de verstrekkende reële betekenis ervan in. Als
het gaat om het werkelijk eigenaardige van de vrouw kun je ook denken aan de
bijzondere sfeer direct na de geboorte van haar kind. Er is dan iets tussen die
vrouw en haar kind dat van alle tijden is, niet beïnvloed door welke cultuur
dan ook. De conditioneringen gelden even niet. Uiteraard moet je ervoor
ontvankelijk zijn om die sfeer aan de kraamvrouw en haar kindje te proeven,
maar die ontvankelijkheid is ook enigszins te herkennen aan de reactie van
vrouwen op alles wat jong en klein is: jonge hondjes en poesjes en dergelijke
dieren met een hoge aaibaarheidsfactor, De reacties van de vrouwen gaan zonder
twijfel terug op het meest wezenlijke proces dat zich in hen afspeelt. Dat is
voor mannenbesef al of niet aandoenlijke flauwekul, maar voor vrouwen ligt dat
precies andersom, en terecht! Hoe dan ook, voor vrouwelijk besef is de
mannenwereld er een vol kinderachtigheden vol uiterlijkheden en bijzaken,
volkomen in strijd met datgene waarom het eigenlijk zou moeten gaan. Dat
vrouwen hierin gelijk hebben kun je ook constateren bij het gadeslaan van
gepensioneerde mannen. Heel vaak is er naast hun werkzame leven geen ander leven
mogelijk geweest. Hun hele leven blijkt tenslotte infantiel te zijn, het blijkt
dat het geen inhoud gehad heeft. Dat blijkt nu er niets overgebleven is en ze
alleen nog maar terug kunnen denken aan hoe het vroeger was toen zij nog
leefden.
No. 190
Ter verklaring van het verbazingwekkende
verschijnsel van de afwezigheid van de vrouw en het vrouwelijke in het westerse
denken, inclusief de filosofie, wordt gewoonlijk aangevoerd dat a) het
christelijke denken en vooral roomse denken, op grond van zijn gerichtheid op
macht, nu eenmaal eenzijdig mannelijk is en zelfs wel vrouwvijandig genoemd kan
worden, en b) dat de mannelijke dominantie, op grond van het feit dat de mannen
het sterke geslacht zouden zijn, de vrouw in een ondergeschikte positie heeft
gedrongen en c) dat biologisch gezien de man de meest essentiële factor van de
evolutie en ontwikkeling zou zijn omdat hij het is die door zijn gesteldheid
van uit zwervende jager steeds nieuw bloed inbrengt, kortom dat de verwekker
hoger staat dan de voortbrengster, die eigenlijk niet meer kan doen dan als een
soort van draagmoeder fungeren. Als je deze verklaringen goed doordenkt blijken
zij niet alleen banaal, maar zelfs buitengewoon dom te zijn. En het meest
treurige is nog wel het feit dat ze typerend zijn voor het moderne denken. Veel
moderne denkers echter menen dat zij op een objectieve wijze en onbaatzuchtig
over de vrouw en het vrouwelijke nadenken terwijl zij zich ongeweten toch aan
bovengenoemde banaliteiten bezondigen. Dat heeft tot gevolg dat zij heel moeilijk
te bestrijden zijn. Veel mannelijke feministen zijn voorbeelden hiervan. Over
het algemeen wordt niet opgemerkt dat de westerse wijze van kijken naar en
ondergaan van de werkelijkheid een groot gedeelte ervan totaal negeert. De
meest essentiële verhoudingen, situaties en processen vallen buiten het
blikveld of worden volkomen verkeerd beoordeeld. Daartoe behoren de uitingen
van de vrouwen die duiden op de beweging van bewustzijn naar zelfbewustzijn.
Vaak wordt beweerd dat de gebrekkigheid van het westerse denken alleen maar tot
uiting komt bij het denken van de straat, van Jan Rap en dergelijke, hetgeen
uiteraard inhoudt dat meer intellectuele lieden een helderder kijk op de zaak
zouden hebben. Doorgaans echter ligt het precies andersom! Juist het meest
ontwikkelde en maatgevende denken van onze cultuur vertoont het duidelijkst het
door mij bedoelde gebrek. Voor de filosofie vormt dit alles een schier
onoverkomelijke barrière... Nogmaals: de westerse cultuur is het moment in de
menselijke ontwikkeling waarin het zelfbewustzijn zich met zichzelf gaat bezig
houden. Anders gezegd: het zelfbewustzijn wordt onderwerp van cultuur. Gevolg
is dat de werkelijkheid als niet-materie, als geest, maatgevend wordt en dat de
werkelijkheid als voorstelling de bron van alle informatie wordt.
Alles gaat uit van het zelfbewustzijn, de geest en
het rationele denken, maar dat is nu precies de richting waarin de voor de man
geldende beweeglijke verhouding gaat: van zelfbewustzijn naar
bewustzijn, van uiterlijk naar innerlijk, enzovoort. Er is nauwelijks iemand
die hiervan weet heeft, maar intussen wordt er wel naar gehandeld en gedacht
zodat de vrouw uit het beeld verdwijnt: voor haar geldt het geestelijke niet,
zij kan niet tot begrip komen; zij zal eeuwig de mindere van de man blijven en
dan mag ze nog dankbaar zijn als zij zo af en toe ook nog een beetje mee mag
doe! Aldus ziet een ruwe schets van de cultuur van de westerse wereld er uit.
Over het vrouwelijke op zichzelf zijn hier en daar wel behartigenswaardige
dingen gezegd, vooral door cultuurvorsers uit de sfeer van de 19e eeuw, zoals
bijvoorbeeld Johann Jacob Bachofen (1815-1887) die het indrukwekkende Das
Mutterrecht in 1861 schreef. Daarin liet hij zien dat aan het huidige
patriarchaat (vaderrecht) een lange periode van matriarchaat (moederrecht)
vooraf ging, een stelling die de huidige wetenschappers uiteraard niet
onderschrijven, maar die wel heel goed overeen komt met datgene dat je
filosofisch over de ontwikkeling van de mensheid aan de weet kunt komen en
waarover ik eerder al gesproken heb. Ook Carl Gustav Jung en de seksuologen
Magnus Hirschfeld en Wilhelm Reich (1897-1957) moeten in dit verband genoemd
worden.
In de feministische literatuur is uiteraard ook
wel het een en ander te vinden hoewel de in die beweging heersende behoefte om
maatschappelijk en dus op mannelijke wijze mee te tellen in menig opzicht
verduisterend werkt ten aanzien van het denken over het begrip vrouwelijk.
Tenslotte zijn daar nog de mensen van de New Age beweging. Zij geven vaak blijk
van sterke vermoedens omtrent de werkelijke situatie van de vrouw en de voor
haar geldende vrouwelijke verhoudingen, maar hun denken daarover verzandt
doorgaans in onhoudbare fantastische bedenksels. Al met al moet toch in de
gaten worden gehouden dat het min of meer vrijblijvend denken over het
vrouwelijke voor het mannelijke denken gemakkelijker is dan het
onbevooroordeeld denken over de vrouw. De vrouwelijke begrippen lenen zich er
gemakkelijk toe geromantiseerd te worden, hetgeen dan ook bij herhaling geschiedt.
Daarmee zit de zaak toch weer opgesloten in het mannelijke denken van de
westerse cultuur. Filosofisch is het echter de opgave over de werkelijkheid van
de vrouw onbevangen en zonder vooroordelen na te denken en dat gelukt maar
zelden. Toch is er een goed verhaal in de westerse literatuur waarin de vrouw
glashelder getekend wordt, niet alleen op zichzelf, maar ook in relatie tot de
man, de echte volwassen man wel te verstaan. Dat is het al eerder door mij
genoemde verhaal van Tijl Uilenspiegel. Daarin is vooral van belang wat zich
tussen Tijl en zijn geliefde Nele niet afspeelt. Dat wordt duidelijk aan de
pendant van die twee, te weten Lamme Goedzak en zijn vrouw Kalleken die in
feite een beeld geven van het gebruikelijke onvolwassen gedrag van de mensen.
Lamme loopt voortdurend naar zijn vrouw te verlangen en dat doet hij op
dezelfde manier als hij verlangt naar lekker eten. En Kalleken ontwijkt hem
omdat zij niet in zonde wil vervallen, hetgeen zo ver gaat dat zij op een
gegeven moment met een geslepen, geile, dikke monnik vertrokken is en Lamme
haar overal vertwijfeld gaat lopen zoeken. Hij is geheel in haar ban, wil haar
slaaf, haar kok, haar echtgenoot zijn. De omgang van Lamme Goedzak - inderdaad
een goedzak, de beste mogelijkheid van onvolwassen mensen - en zijn
vrouw is er typisch een die in het teken van de relatie staat. Dat
veronderstelt beider aanwezigheid en de overeenkomst van beider interesses en
opvattingen. Maar tegelijkertijd veronderstelt dat de afstand tussen die twee
en het vervallen in excessen: de relatie omvat immers maar een gedeelte van de
persoonlijkheid van een mens!
Tijl en Nele daarentegen zijn er voor zichzelf en voor elkaar. De relatie tussen beiden speelt daarin geen rol zodat er enerzijds geen wederzijdse afhankelijkheid is en anderzijds geen afstand. Het houden van zoals dat in een relatie essentieel is, is overgegaan in liefde Tijl en Nele zijn elkaars geliefden Daarmee realiseren zij het begrip ineen zijn en dat is een zaak die in de westerse cultuur vrijwel ondenkbaar is en die bijgevolg slechts bij hoge uitzondering door kunstenaars getekend of door denkers beschreven is. Het is Charles de Coster gelukt twee geliefden te tekenen en hij geeft er bl