Beweging en Verschijnsel (3)Het wordingsproces

Het ontstaan van het Heelal / de Kosmos t/m Het Slotakkoord ďDE MENSĒ

Hoorcolleges jaargang 1992/94

Naar het begin en bladwijzersÖ

afstand,analyse,angst,arbeid om den brode,arbeid,beschrijving van de werkelijkheid,bewustzijn,cultuur,de continue schepping,de grote beweger,de maagd met het kind,de mens,de mentaliteit van de mensen,de moderne mens,de sociaal democratie,de struggle for life,de ware mens christus,de werkelijkheid,de zin van het leven,de zonde,de zoon van de mens,doen alsof,du sollst van kant,ecologie,elementaire deeltjes,ethiek,evangelie,evolutie,fascisme,filosoof,geest,geestelijk wezen,gevoel,gevoelswereld, gewone mensen,gods zoon,heelal,het arbeidsproces,het jachtige karakter van de moderne tijd,het jachtige leven,het koninkrijk gods,het leven,het ontstaan van bouwstenen,het zien van de werkelijkheid,hiernamaals,hoer,holisme,huwelijk, ideologie,ieder het zijne,ik ben de waarheid en ik zeg de waarheid,ik ben de weg, de waarheid en het leven,in het zweet uws aanschijns,individualisering,instinct,inzicht in de werkelijkheid,islam,je werkt voor je brood,kant,kapitalisme,ken u zelve,kosmos,kunstmatige intelligentie,liberalisme,liefde,maagd maria,macht,metafysica, moraal,nazisme,new age,nihilisme,oercel,oerchristendom,oermens,oermoeder, ongehoorzaamheid,orde,organisme,overleven,planeet,psyche, rechten van de mens,rechtsgevoel,rechtvaardigheid, reincarnatie,relatie,religieuze prostitutie,revolutie,robot denken,ruimhartigheid,ruimte,saamhorigheid,samenleven, samenleving,seksualiteit,socialisme,tijl uilenspiegel,twijfel,vandalisme,veiligheid,verhoudingen in de werkelijkheid,verzorgen, verzorgende arbeid,verzorging,vrijheid,waarheid,wereldbouwer,werken voor je brood,wie niet werkt zal niet eten,wordingsproces,zelfbewustzijn,zoon van god.

 

Help mee om deze site te promoten. Vertel het uwÖ!

(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )

 

Naar bladwijzers Ömaar een met geweld veilig gemaakte wereld is nog altijd een onveilige wereldÖ ; PARADIGMA ; Ken U zelve ; Het jachtige leven (nummers 208t/m 210) ; existentialisme-2 ; Existentialistische filosofie ; Identiteit Loutering-1 ; Louteringsproces-2 ; Vrije tijd ; Manipuleren/op de mouw speldenZie ook:Filosofie van de Hak op de Tak-2 ; zelfstandig denken ; Wie niet wil werken zal niet eten ; Is werken een aangename bezigheid? ; Hoer-1 ; hoer-2 Sport en winnaar ;religieuze prostitutie ; de ongelovige moderne mens ; Materialistisch ; natuurrampen1 ; natuurrampen2 ; Astrologie-1,hoe zit dat? ; Astrologie-2 ; Mystiek zie: nos. 151 en 152en Mystiek en Metafysica de nos. 214 en 215 ; verliefd ; De zin van het leven ; Maagd-1 nr. 170 en 171 ; Maagd-2 nr. 195 ; Armoede ; spanning ; wrijving ; Zelfmoord ; Profeten-1 ; Profeten-2 ; profeet ; Brein-1 ; Een VERZORGDE WERELD is pas een VEILIGE WERELD..! ; vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; vervreemding-3 ; vervreemding-4 en vervreemding-5 ; verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Arbeid ; krijgsgevangene ; Psychiatrie ; De samenleving is niet berekenbaar ; concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; Welvaart ; Blokkade(zie ook vanaf no. 200) ; Ziel ; Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2 ; Overgang-1 ; Ik ben de waarheid en ik zeg de waarheid ; Economische Groei ; Mein Kampf ; Terugkoppeling zie paginaís 197-1, 198-2, 199-3, 200-4, 210-5, 212-6, 214-7, 215-8 ; Vervang de waarheid oftewelÖ en de schrik zit er voorlopig behoorlijk in. ; Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ; Sociaal democratie ; Kennis is Macht ; Gnosis ; Gnostiek ; Betrokkenheid-1 ; Betrokkenheid-2 ; Betrokkenheid-3 ; Waanvoorstellingen-1 ; Waanvoorstellingen-2 ; Waanvoorstellingen-3 ; Waanvoorstellingen-4 ; ARBEID Ė WERKEN - Verzorgen / Verzorging..? Vergeet het maar..!..of..? ( lees nos. 172 t/m 178 ) ; Universele Verklaringsprincipe-1 ; Universele Verklaringsprincipe-2 ; Universele Verklaringsprincipe-3 ; Universele Verklaringsprincipe-4 ; Universele Verklaringsprincipe-5 ; Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ; Leraar-Leerling ; Geblokkeerde Mensen ; Godsdienstige Cultuur ; De voorgeschreven waarheid moet men aanvaarden, aannemen..! ; Deeltjesversneller ; Mannelijkheid ; Moederschap ; Beleving-zie pag. 208 t/m 210 ; Hoofddoekje ; Nalatigheid ; Pasen ; Drie achtvoudige systemen ; Antropologie ; Antroposoof ; KANT- nrs. 01 , 02 , 03 , 04 , ;

 

Naar artikelen met o.a. de bladwijzer : De zin van het leven-Zie A , C ,

 

 

 

Naar artikelen: Waar gaat het in de mensheid nu wezenlijk om..? ;Datverfoeilijkeindividualismedvg248 (derde vervolg ; de schijnbare tegenstelling individu-gemeenschap, kapitalist-proletaar en liberaal-socialist) ; De samenleving, vertaald naar onze wereld..! (zie bladwijzer)†† ; Veiligheid ;Op de mouw spelden ; Waar gaat het in de mensheid nu wezenlijk om..? ;

Datverfoeilijkeindividualismedvg248(derde vervolg ; de schijnbare tegenstelling individu-gemeenschap, kapitalist-proletaar en liberaal-socialist) ; Verzorging / verzorgen.? Vergeet het maar..! (zie bladwijzer) ; Veiligheid ; Het toenemend belang van het AtheÔsme ; Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheÔsme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ;Ongewenst atheÔsme- zie afl. 32 ;Een grens te ver (IsraŽl) ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Hoe zit het nou met god ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61;Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld ..? zie no. 27 ;Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 : De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; Sjariía De heilige wet-De Sjariía ; Burqa, volg bladwijzer ;Economisch DenkenĖzie bladwijzers in ďDe ontwikkeling van het DenkenĒ, ; Economische denken ; het is het economische denken dat als vanzelfsprekend bepalend is geworden voor het beoordelen van het welzijn van de mensen en dus de kwaliteit van de samenleving-zie afl. 21, ;Economische groei, zie De Ontwikkeling van de West Europese Cultuur, ; Economische groei, zie Identiteitscrises vrijdenken, ; Economische groei, zie Nihilisme en Anarchisme als basis van het Atheisme, ; Economische machthebbers-zie nr. 57 ; Economische slavernij-zie nr. 18,

Naar artikelen met o.a. de bladwijzer : De zin van het leven-Zie A , C ,

 

 

Naar: De ontwikkeling van het denken

Naar: De ontwikkeling van de West Europese Cultuur

Naar: Beweging en Verschijnsel (deel 1)

Naar: beweging en Verschijnsel (deel 2)

 

BEWEGING EN VERSCHIJNSEL (deel 3)

Naar bladwijzers Ömaar een met geweld veilig gemaakte wereld is nog altijd een onveilige wereldÖ ; PARADIGMA ; Ken U zelve ; Het jachtige leven (nummers 208t/m 210) ; existentialisme-2 ; Existentialistische filosofie ; Identiteit Loutering-1 ; Louteringsproces-2 ; Vrije tijd ; Manipuleren/op de mouw speldenZie ook:Filosofie van de Hak op de Tak-2 ; zelfstandig denken ; Wie niet wil werken zal niet eten ; Is werken een aangename bezigheid? ; Hoer-1 ; hoer-2 Sport en winnaar ;religieuze prostitutie ; de ongelovige moderne mens ; Materialistisch ; natuurrampen1 ; natuurrampen2 ; Astrologie-1,hoe zit dat? ; Astrologie-2 ; Mystiek zie: nos. 151 en 152en Mystiek en Metafysica de nos. 214 en 215 ; verliefd ; De zin van het leven ; Maagd-1 nr. 170 en 171 ; Maagd-2 nr. 195 ; Armoede ; spanning ; wrijving ; Zelfmoord ; Profeten-1 ; Profeten-2 ; profeet ; Brein-1 ; Een VERZORGDE WERELD is pas een VEILIGE WERELD..! ; vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; vervreemding-3 ; vervreemding-4 en vervreemding-5 ; verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Arbeid ; krijgsgevangene ; Psychiatrie ; De samenleving is niet berekenbaar ; concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; Welvaart ; Blokkade(zie ook vanaf no. 200) ; Ziel ; Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2 ; Overgang-1 ;Ik ben de waarheid en ik zeg de waarheid ; Economische Groei ; Mein Kampf ; Terugkoppeling zie paginaís 197-1, 198-2, 199-3, 200-4, 210-5, 212-6, 214-7, 215-8 ; Vervang de waarheid oftewelÖ en de schrik zit er voorlopig behoorlijk in. ; Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ; Sociaal democratie ; Kennis is Macht ; Gnosis ; Gnostiek ; Betrokkenheid-1 ; Betrokkenheid-2 ; Betrokkenheid-3 ; Waanvoorstellingen-1 ; Waanvoorstellingen-2 ; Waanvoorstellingen-3 ; Waanvoorstellingen-4 ; ARBEID Ė WERKEN - Verzorgen / Verzorging..? Vergeet het maar..!..of..? ( lees nos. 172 t/m 178 ) ; Universele Verklaringsprincipe-1 ; Universele Verklaringsprincipe-2 ; Universele Verklaringsprincipe-3 ; Universele Verklaringsprincipe-4 ; Universele Verklaringsprincipe-5 ; Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ; Leraar-Leerling ; Geblokkeerde Mensen ; Godsdienstige Cultuur ; De voorgeschreven waarheid moet men aanvaarden, aannemen..! ; Deeltjesversneller ; Mannelijkheid ; Moederschap ; Beleving-zie pag. 208 t/m 210 ; Hoofddoekje ; Nalatigheid ; Pasen ; Drie achtvoudige systemen ; Antropologie ; Antroposoof ; KANT- nrs. 01 , 02 , 03 , 04 , ;

 

 

 

Naar artikelen met o.a. de bladwijzer : De zin van het leven-Zie A , C ,

 

Naar de Startpagina

 

 

No. 151

Psyche, zie ook vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Mystiek zie: nos. 151 en 152en Mystiek en Metafysica de nos. 214 en 215 ;

Je kunt je afvragen hoe het mogelijk is dat de werkelijkheid als zelfbewustzijn ondergaat in de werkelijkheid als bewustzijn. Zo'n vraag echter is op zichzelf zinloos, het antwoord kan immers alleen maar luiden: het kan gebeuren omdat het kan gebeuren. Hoewel de vraag als zodanig zinloos is, is de gedachte dat iets kan omdat het kan niet zonder meer onzinnig. Het is alleen wel zaak inhoud aan die gedachte te geven. Je kunt je bijvoorbeeld afvragen hoe het kan dat er een concrete verschijnselenwereld ontstaan is en dat die op dit moment op het Weena fietst of bezig is over zijn eigen bestaan na te denken. Als je je dit afvraagt word je geconfronteerd met twee aspecten van de zaak. Ten eerste dat van de mogelijkheid en ten tweede dat van de feitelijkheid. Aan dat eerste aspect is nader inhoud te geven. Als je in de gaten hebt dat de oerwerkelijkheid een zee van beweeglijkheden is en als je begrijpt welke consequenties je af kunt leiden uit het feit dat een beweeglijkheid volkomen onbepaald is - er is niets van te zeggen - dan kun je inzien en beredeneren dat er uit die zaak iets voort kan komen en ook dat er iets uit voort zal komen. Het bestaan van de mogelijkheid en daarmee het eerste aspect van de vraag hoe kan dat is daarmee in feite duidelijk geworden. Maar met het tweede aspect, dat van de feitelijkheid, ligt het geheel anders. Niemand kan ooit nagaan waarom de hele zaak ergens en op een bepaald moment begonnen is, niemand zal ooit weten wat er zich toen en daar afspeelde. De vraag hoe kan dat is, als hij betrekking heeft op de genoemde feitelijkheid, een zinloze vraag. Wordt hij toch gesteld, dan is het enige logisch aanvaardbare antwoord: het kan omdat het kan. Volgens modern denken zijn dergelijke vragen en antwoorden helemaal niet logisch. Dat is bijvoorbeeld ook het geval met de vraag hoe een mens weten kan dat hij het laatste verschijnsel is.

Het antwoord kan dan luiden dat hij dat weet omdat hij het zegt. Gewoonlijk vindt men dan dat dit een arrogant en oncontroleerbaar antwoord is en men vraagt smalend of de spreker soms de wijsheid in pacht heeft. In feite echter is het niet arrogant, maar getuigend van zelfkennis en bovendien is het heel wel controleerbaar, zij het niet proefondervindelijk. Wat nu de mystieke gebeurtenis betreft: het zelfbewustzijn kan, door een onvoorspelbare feitelijkheid, oplossen in het bewustzijn. Dat betekent in feite dat de werkelijkheid als bepaald complex van trillingen (de voorstelling: deze tafel, deze boom, dit gebouw etc.) op kan lossen in de werkelijkheid als allesomvattende trilling, welke wij kennen als de werkelijkheid naar haar algemeenheid; voor ons: het begrip tafel, boom, gebouw. In deze allesomvattende trilling zijn immers alle mogelijke bepaalde trillingen opgenomen. Op het moment dat de bepaalde trilling oplost in de algemene wordt hij het verschijnsel (tafel, boom, gebouw) naar zijn essentiŽle materiŽle vorm, en dat is het verschijnsel als licht. Uit de moderne natuurkunde is bijvoorbeeld bekend dat het verschijnsel licht zowel materieel als niet-materieel is: zowel deeltje als golf. Bovendien beschouwt men de snelheid van het licht als een absolute constante. Of dit laatste juist is staat niet helemaal vast; het is, filosofisch gezien, uiterst onwaarschijnlijk, maar hoe dit ook zij, we hebben natuurkundig min of meer te doen met datgene waartoe, in de grond van de zaak, elk verschijnsel is terug te brengen. Als je iets terugbrengt stel je dat iets naar zijn essentie, naar zijn wezen. Het verschijnsel, gesteld als deeltje en golf (materie en niet-materie tegelijkertijd) en als absolute snelheid (namelijk die van de bouwsteen) is het verschijnsel als licht of, zo je wilt, als schijnsel.

Dat is, in het kort gezegd, het waarom van het bestaan van mystiek. Dat de mystiek bij de een wel optreedt en bij de ander niet is afhankelijk van hoe het valt, hoewel daarbij wel opgemerkt moet worden dat de aard van de cultuur hierin een belangrijke, doorgaans belemmerende, rol speelt. Het bewustzijn op zichzelf is op geen enkele wijze kenbaar. Het is immers de trilling in de materie, te beginnen met de trilling ten opzichte van elkaar van de brandpunten A en C in de bouwsteen A-B-C. Het is dus wel een zaak die bij de materie behoort, er niet los van te denken is, maar die op zichzelf niet-materieel is, in de zin van verhouding ten opzichte van elkaar. Je moet dus opletten dat je niet denkt aan trilling van de materie, maar juist aan trilling in de materie. Kenbaar is het bewustzijn langs twee indirecte wegen: 1e als datgene dat zich aan het verschijnsel als voorstelling afspiegelt (de werkelijkheid achter de dingen, waarop filosofie en kunst gericht zijn); 2e als gevoel, dat wil zeggen de materie die mee is gaan trillen met het bewustzijn (de werkelijkheid als psyche). In de mystiek wordt ook het bewustzijn op zichzelf niet ervaren, maar de materie die zich als bewustzijn laat gelden, dat wil zeggen ondergaat in het bewustzijn en zich dan laat ervaren als licht of schijnsel. Zoals hiervoor al opgemerkt is de zin of het nut van de mystiek een indirecte. De gebeurtenis zelf leidt niet tot vermeerdering van kennis. Maar het feit dat je de werkelijkheid op een mystieke manier kunt ervaren kan voor iemand aanleiding zijn eens op een andere manier tegen de werkelijkheid aan te gaan kijken en er eens anders over te gaan denken. Het is dit laatste dat voor de filosofie van belang is. Het kan er toe bijdragen dat de moderne filosofen hun analytisch denken en hun platvloers positivisme (alleen het meetbare is waar) gaan laten varen. Wat dit betreft moet je het wel van de mystiek verwachten want er is geen andere weg waarlangs het moderne filosofische denken zichzelf kan corrigeren.

Het psychische immers wordt als een onwetenschappelijke gevoelswereld afgewezen en aan de werkelijkheid als beeld zoals die zich aan de voorstelling af laat lezen wordt geen betekenis toegekend, omdat men van mening is met een volstrekt subjectieve, en dus geen algemene geldigheid bezittende, zaak van doen te hebben. Het oplossen van het zelfbewuste, het oplossen van de werkelijkheid als voorstelling, gaat op zichzelf buiten het denken om en het levert aan het denken ook geen enkele informatie. Men kan er dus niets mee doen, maar men kan er ook niet omheen. Dat wil zeggen: men wordt geconfronteerd met een realiteit die men niet kan verklaren, maar die onmiskenbaar naar iets niet-materieels verwijst. Het psychische meent men te kunnen begrijpen en evenzo het afspiegelen, maar met de mystiek is analytisch niets aan te vangen. Dat leidt op den duur tot het besef dat de rationele benadering van de werkelijkheid niet voldoende is. Daardoor is men genoodzaakt zijn filosofie over de gehele linie te herzien. Zo fungeert de mystiek voor de filosofie als een verstorend element in het gangbare filosofische gedoe, terwijl zij tegelijkertijd een bron van inspiratie is voor de creatieve filosofie die in de moderne wereld tot een onderstroom geworden is. Uiteraard gaat het er niet om het rationele te verwerpen. Het filosofische verhaal dient een rationeel verhaal te zijn, want anders heeft het geen betekenis voor de filosoof zelf, noch voor de andere mensen; het is voor hen niet verstaanbaar als het niet rationeel is. Dat wat voor het verhaal geldt is echter van een geheel andere orde dan hetgeen voor het filosoferen zelf, als zelfwerkzaamheid van de werkelijkheid in het individu, geldt. Het filosoferen zelf is helemaal niet uitsluitend rationeel: het is in beginsel beschouwend en als zodanig is het een kenproces dat volstrekt afwijkt van het algemeen erkende.

Psyche, zie ook vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; Mystiek ;

No. 152

Psyche, zie ook vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; existentialisme-2 ; Existentialistische filosofie ; vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; vervreemding-3 ; vervreemding-4 en vervreemding-5 ;

De mystiek kan geen vorm van filosofie zijn. Nog afgezien van het feit dat filosofie in de grond van de zaak helemaal geen specificatie verdraagt, in de zin van Humanistische filosofie, Existentialistische filosofie of Postmoderne filosofie, is het een nog ernstiger fout om van mystieke filosofie te spreken, zoals helaas hier en daar gebeurt. De mystiek is geen kennisbron, je komt door haar niets aan de weet, maar wel kan zij een bron van inspiratie zijn en voor de mens van de westerse cultuur zeker een aanzet tot anders denken. Anders denken omdat de mystieke ervaring precies tegengesteld is aan de gebruikelijke positivistische: in het eerste geval is de voorstelling opgelost tot licht en in het tweede geval is hij juist zo concreet mogelijk en dus donker en ondoorzichtig. Datgene dat aan de werkelijkheid als voorstelling af te lezen valt en dat de enige mogelijkheid vormt om op een betrouwbare wijze van de werkelijkheid kennis te nemen (iets aan de weet te komen), wordt door het moderne denken afgewezen. Eigenlijk is deze uitspraak niet goed: afgewezen zijn vooronderstelt dat iets bekend is, maar niet geaccepteerd wordt op grond van een negatief waardeoordeel. Het aan de voorstelling afleesbare, de werkelijkheid als beeld, is in feite echter niet afgewezen, maar volstrekt onbekend. Men kent het langs die weg realiseerbare waarheidsgetrouwe aan de weet komen helemaal niet! Dus van afwijzen kan geen sprake zijn. Vooral de hedendaagse moderne mens is bezig met een wereld die volstrekt niet met de werkelijkheid overeenkomt. Zijn wereld is met recht een en al verbeelding te noemen en het dramatische daarbij is de omstandigheid dat die mens dat helemaal niet weet.. . Gevolg is dat deze weg, een van de drie wegen om contact met de werkelijkheid zelf te verkrijgen, afgesloten is.

Zoals al eerder gezegd is ook de psychische weg afgesloten. Het moderne, op de werkelijkheid als geest gerichte en van het lichamelijke afgewende, zelfbewustzijn laat niet toe dat het lichaam een verklanking van het bewustzijn is. Het mag daarvan geen klankbodem zijn omdat dit als onbetrouwbaar, onverklaarbaar en onredelijk gewaardeerd wordt: in strijd dus met de berekenbare en voorspelbare en dus redelijke zelfbewuste werkelijkheid. Het psychische is dus ook als weg naar de enige universele waarheid afgesloten. Het onbekend zijn van de mystiek, het psychische en het beeld komt voor de dag in het niet gelden van deze drie mogelijkheden om in verbinding met de echte werkelijkheid te blijven. Men weet dus niet dat het mogelijkheden zijn en men weet al helemaal niet dat het de enige mogelijkheden zijn. Allerlei verschijnselen echter, die aan de aanwezigheid van genoemde drie mogelijkheden meekomen, worden wel degelijk wetenschappelijk bestudeerd Immers, het niet tot hun recht komen betekent niet dat die mogelijkheden er niet zouden zijn. Ze zijn er altijd omdat ze een onvervreemdbare eigenaardigheid van het verschijnsel mens zijn. Ondanks de verwaarlozing komen zij dus op de een of andere manier voor de dag, maar dat is dan wel op een verwrongen manier! . En die verwrongen verschijnselen, worden dan wetenschappelijk bestudeerd, zonder dat men weet wat men aan het onderzoeken is. In de wetenschap van de psychologie bijvoorbeeld bestudeert men allerlei verschijnselen die de mensen vertonen, zonder te weten wat en hoe de werkelijkheid als psyche is en helaas weet men zelfs niet eens dat men dat niet weet. Men kan de vraag stellen hoe de filosoof zo eigenwijs komt om ervan overtuigd te zijn dat hij de bovengenoemde zaken wel weet, of op zijn minst weten kan.

Als antwoord op die vraag het volgende: ten eerste zal de (post-)moderne academische filosoof zich bescheiden opstellen en beweren dat hij die dingen helemaal niet weet - enerzijds omdat hij de hedendaagse filosofische mode van voorgewende onwetendheid volgt en anderzijds omdat hij het echt niet weet en niet weten kan. Ten tweede echter zal de creatieve filosoof antwoorden dat hij die zaken, desnoods min of meer globaal, inderdaad weet vanwege het feit dat hij de werkelijkheid niet benadert door de verschijnselen die hij aantreft te analyseren, maar door haar vanaf haar onbepaalde begin (de beweeglijkheden) na te gaan tot aan haar einde. Daardoor weet hij wat hij bij het laatste verschijnsel, de mens, verwachten kan. En doordat hij dat weet begrijpt hij ook dat er van een heleboel zaken voorlopig niets terechtkomt en hoe zich dat vertoont. Dit weten is niet aan de filosoof voorbehouden. Het is inderdaad een feit dat deze zich op dit weten toelegt en probeert de werkelijkheid zo genuanceerd mogelijk na te gaan en daarvan zo rationeel mogelijk mededeling te doen. In zoverre is van de filosoof te zeggen dat hij betrekkelijk nauwkeurig kan aangeven hoe het zit met allerlei ogenschijnlijk vreemde verschijnselen die aan het menselijk leven meekomen. Maar het begrip nagaan van de werkelijkheid houdt ook in dat dit intuitief, min of meer gevoelsmatig en zonder de toespitsing van de filosoof, mogelijk is. Dat komt doordat er geen analyse van de werkelijkheid (als voorstelling) nodig is om toch in de gaten te hebben hoe het met de zaak gesteld is. Het gaat immers om datgene dat zich afspiegelt aan de voorstelling! Hoe dan ook, langs de analytische en dus moderne weg kun je niet weten dat je de verbinding met de werkelijkheid verloren hebt en dat de vervreemding is ingetreden. Zo is er te zeggen dat er in onze wereld van de liefde niets terechtgekomen is. Als je dan niet weet hoe het zit veronderstel je dat er bedoeld wordt dat de mensen qua liefde niet aan hun trekken kunnen komen en dat zij dus lijden onder een tekort. Dat zou betekenen dat de liefde er niet of te weinig zou zijn, maar zoiets is onmogelijk: liefde is niet in hoeveelheden uit te drukken.

Als voor de mensen het begrip liefde geldt, geldt het altijd... de vraag is alleen wat er daarvan terechtkomt, in de zin van: hoezeer wordt de zaak vervormd en tot iets anders gemaakt? Als je dit niet weet meen je dat de verschillende verschijnselen die je in de praktijk bij de mensen tegenkomt op zichzelf staan en als zodanig ga je ze dan onderzoeken, met als gevolg dat je tenslotte helemaal niet meer weet wat je ervan moet denken. Op het ogenblik kennen de mensen een onvoorstelbare hoeveelheid feiten op alle mogelijke gebieden, maar zij weten doorgaans niet waarop die feiten betrekking hebben. Er wordt bijvoorbeeld getwist over de vraag of de mensen aan elkaar gelijk zijn of zouden moeten zijn. Bijna niemand heeft daarbij in de gaten dat er twee antwoorden mogelijk zijn en dat die beide op een ander aspect van het mens-zijn betrekking hebben: de mensen zijn (ja) aan elkaar gelijk voor zover het gaat over hun onvoorwaardelijke recht er op hun eigen wijze te zijn, maar zij zijn (nee) volstrekt niet aan elkaar gelijk voor zover het gaat over hun persoonlijke geaardheid. Dat niet aan elkaar gelijk zijn echter houdt geen waardeverschil in, zoals de cultuurmens maar al te graag wil geloven. Al dergelijke zaken zijn betrekkelijk gemakkelijk te begrijpen als je de werkelijkheid vanaf haar begin nagaat. Maar als je dat niet doet ben je genoodzaakt datgene wat je aantreft te gaan onderzoeken. Dat leidt echter onmogelijk tot inzicht in de werkelijkheid zelf, maar uiteraard wel in je eigen voorstelling ervan. Helaas is dat nu eenmaal de werkelijkheid niet, althans: de voorstelling laat een werkelijkheid zien die de echte niet is. Vaak komt er dan ook nog bij dat de voorstelling volstrekt geen houvast biedt, zoals ik heb laten zien bij de mystiek, maar zoals bijvoorbeeld ook bij de psychologie het geval is.

Psyche, zie ook vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ; existentialisme-2 ; Existentialistische filosofie ; Mystiek zie: nos. 151 en 152en Mystiek en Metafysica de nos. 214 en 215 ; vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; vervreemding-3 ; vervreemding-4 en vervreemding-5 ;

No. 153

Niemand heeft zin om in een doolhof te leven en almaar niet te weten waarheen de weg gaat en zelfs in twijfel te verkeren over de vraag of er eigenlijk wel een uitweg uit de verwarring bestaat. Ieder mens zoekt en vindt een wereldbeschouwing (essentieel) en dat wil zeggen dat een ieder zich een zodanige voorstelling van de werkelijkheid eigen maakt dat duidelijk wordt wat de zin van zijn leven is. ( de zin van het leven ) Dat zich eigen maken van die voorstelling geschiedt doorgaans via conditionering, het klakkeloos inprenten van algemeen aanvaarde opvattingen. Hoe dan ook, de vraag is feitelijk niet of mensen de waarheid zoeken, maar de vraag is met welke waarheid zij genoegen nemen (incidenteel) en wat dit betreft zou je voortdurend stomverbaasd staan als je niet langs de weg van de creatieve filosofie zou leren begrijpen waarom in de praktijk bij de mensen hun waarheid is zoals ze is. Dat een mens niet zonder waarheid kan is niet, zoals vaak gemeend wordt, gelegen in het feit dat hij kan denken - dat kunnen de dieren ook - maar is hierin gelegen dat de mens het laatste verschijnsel is waartoe het wordingsproces, en dus de werkelijkheid, komt. Als laatste verschijnsel is de werkelijkheid ten volle voor de dag gekomen (zelfbewustzijn) en dus is dan, om zo te zeggen, de vraag hoe is de werkelijkheid beantwoord: de werkelijkheid is zoals de mens is. Vandaar dat de Zoon van de mens in het Evangelie zeggen kan: Ik ben de weg, de waarheid en het leven. En het schijnt dat Hegel een keer gezegd heeft: Ik ben de waarheid en ik zeg de waarheid. Er zijn min of meer uitzonderlijke mensen die geen genoegen nemen met de gangbare voorstelling van de waarheid. Die mensen gaan dieper zoeken, maar komen dan tot de ontdekking dat het ze niet goed gelukt de zaak helder te krijgen. Het behoort tot het karakter van de westerse cultuur om over alles waardeoordelen uit te spreken en bijgevolg dat niet goed gelukken als een mislukking te beschouwen. Wat telt is datgene dat gelukt is, wat telt is bijvoorbeeld in de sport en in het algemeen in het maatschappelijk leven de winnaar. Diegene die zover niet komt is van minder waarde en dus in feite niet belangrijk. Zo denkt diegene die dieper zoekt dat zijn streven tot mislukken gedoemd en dus waardeloos en zinloos is, maar helaas heeft hij gewoonlijk niet in de gaten dat het niet gaat om het al of niet gelukken, maar om het ermee bezig zijn. In de mensen die dieper zoeken, die filosofisch creatief zijn, is de werkelijkheid die zichzelf voor zichzelf wil verhelderen werkzaam zonder gehinderd te worden. Als zodanig is de werkelijkheid zoals ze logischerwijs in en voor de mens zijn moet. In dit verband heeft het zin om op te merken dat het aanleggen van waardeoordelen, zoals dat in de westerse moderne cultuur gebruikelijk is, een beletsel is voor het ontsnappen uit de doolhof van hedendaagse waarheden in het algemeen, en voor de creatieve filosofie in het bijzonder. Als voorbeeld: als vanzelfsprekend wordt het ontbinden van een huwelijk als een treurige zaak beschouwd, treurig omdat de zaak mislukt is. Dat mislukt zijn is gefundeerd op een waardeoordeel: uit elkaar gaan van mensen is van minder waarde dan bij elkaar blijven - wat god verbonden heeft zal de mens niet scheiden. Dit waardeoordeel staat het helder nadenken over uit elkaar gaan en bij elkaar blijven volstrekt in de weg. Bijgevolg is het eerste negatief en het tweede positief. Het waardeoordeel is de vertroebelende factor en dit verschijnsel is bij alle mogelijke discussies duidelijk waar te nemen. De westerse mens vindt dat hij zich streng bij de feiten houdt en dat alleen die bij de beoordeling van zaken mogen meespelen, maar in de praktijk blijken zijn waardeoordelen de maat te zijn.

Het feit dat bovenbedoelde mensen kennis nemen van het filosofische verhaal van anderen en zich min of meer daardoor laten leiden is geen teken van zwakheid, maar daarentegen juist van de wil om tot helderheid te komen, en dat niet door zichzelf een andere waarheid te laten inprenten, maar door zichzelf qua zelfbewustzijn en voorstelling in beweging te laten brengen, zodat langs die weg met het zelfstandig nagaan van de werkelijkheid meegedaan kan worden. Dat meedoen met het nagaan van de werkelijkheid heeft niets te maken met een leraar-leerling verhouding. Zo'n verhouding geldt inderdaad in alle gevallen, behalve in het geval van de creatieve filosofie. Je kunt je afvragen waarom het gaat in de creatieve filosofie. Tegenwoordig wordt een dergelijke vraag opgevat als betrekking hebbende op de thema's waarmee de filosoof, in dit geval de academische, zich bezig houdt. Het antwoord kan dan toch nog tamelijk moeilijk te vinden zijn: dat het uitzoeken hoe een viertaktmotor werkt geen filosofische thema vormt is niet zo moeilijk te bedenken, maar hoe zit het met de taal, en, moeilijker nog, met de wiskunde? Enkele Angelsaksische filosofen, zoals Alfred Jules Ayer (1910-1989) en Bertrand Russell (1872-1970) schijnen van mening te zijn geweest dat vooral de wiskunde als fundament voor de filosofie fungeert. Zij dachten hierbij uiteraard aan het streng logische karakter van de wiskunde. Dit laatste was ook voor Spinoza aanleiding om zijn Ethica in een wiskundige vorm te gieten, althans, dat dacht hij. ! Ook Descartes zocht naar een wiskundige methodiek en een wiskundige vorm. Waarom het gaat in de filosofie is niet een vraag naar de thema's, maar naar de werkzaamheid van de werkelijkheid zelf, zoals die in de mens plaatsvindt. Welnu, zoals ik al eerder besproken heb, gaat het er in de eerste plaats om het filosoferen in jezelf zijn gang te laten gaan. Ten tweede gaat het er om er achter te komen wat er gebeurt als het werkzaam is. Die werkzaamheid is dan deze dat je in jezelf nagaat hoe de werkelijkheid is. Dat doe je door uit te zoeken wat zich aan het in de voorstelling aanwezige verschijnsel afspiegelt. Dat zich afspiegelende is een samenhangende werkelijkheid en nu is het in de filosofie de kunst de samenhangen na te gaan. Daarbij dient de voorstelling slechts als een soort van hulpmiddel: alleen daaraan kan de werkelijkheid als beeld zich afspiegelen.

Maar het gaat niet om die voorstelling, het gaat uiteraard om datgene dat zich afspiegelt, net zoals het bij Rembrandt niet om Hendrikje Stoffels gaat bij een portret van haar, maar om het psychisch vrouwelijke van de werkelijkheid. De wetenschap houdt zich wel met de voorstelling bezig en ook in het leven van alledag speelt de voorstelling een dominante rol. De bekende vastgelegde verbindingen worden in het alledaagse robot denken automatisch gevolgd, wat maar goed is ook, want je kunt niet elke keer gaan nadenken hoe je thee moet zetten. En in de wetenschap zoekt men de onbekende vastgelegde verbindingen uit. Steeds heeft de zaak met kennis te maken. Maar in de filosofie gaat het niet om vastgelegde verbindingen, maar om beweeglijke samenhangen die als zodanig niet tot de voorstelling behoren, maar tot het beeld. Omdat het in de filosofie niet om verbindingen uit de voorstelling gaat, is de kennis niet essentieel en dus behoeft niemand haar ter beschikking te hebben. Een heldere kijk op de voorstelling is echter wel essentieel, maar dat is iets anders dan een hoeveelheid kennis. Dat laatste berust immers op een ontlede voorstelling! Dank zij die heldere kijk kan het zich afspiegelen tot haar recht komen. Als kennis geen vereiste is, is er aan de filosofie ook geen leerproces voorondersteld en dat houdt op zijn beurt in dat er van overdragen van kennis geen sprake kan zijn. Omdat er in de filosofie niets overgedragen wordt is er ook niet van een leraar-leerling verhouding te spreken.

No. 154

Profeten-1 ; Profeten-2 ; profeet ; verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; Betrokkenheid-1 ; Betrokkenheid-2 ; Betrokkenheid-3 ;

Voor de mensen van onze moderne cultuur is het niet goed te begrijpen dat je elkaar zaken duidelijk kunt maken zonder daarbij concrete kennis over te dragen. Zo langzamerhand zijn de hedendaagse mensen zover gekomen dat zij hun voorstelling van de werkelijkheid nauwelijks meer opbouwen met behulp van directe ervaringen van hun eigen wereld, maar doormiddel van indirecte. Dat wil zeggen dat zij gevormd worden door de, in bepaalde wetenschappelijke vormen gegoten, ervaringen van anderen. Anders gezegd: zij worden qua voorstelling van de werkelijkheid en dus qua wereldbeschouwing gevormd door het boekje. Het opbouwen van de voorstelling is dus vrijwel uitsluitend een zaak van concrete, bijeengevoegde en gerubriceerde kennis geworden en daarbij behoort het overdragen daarvan aan anderen. Je kunt stellen dat wij nagenoeg alles hebben van horen zeggen. Die overdraagbare en overgedragen kennis behoort niet tot het gebied van de werkelijkheid als ervaring, maar tot het gebied van de werkelijkheid als leerproduct. Het is immers een product van een leerproces! Als leerproduct is niet langer te spreken van onze eigen wereld als inhoud van het zelfbewustzijn, maar wezenlijk de wereld van anderen, en daarvan kan bovendien gezegd worden dat die, a) ons fundamenteel vreemd is en b) dat die niet uit directe ervaringen, maar uit theoretische interpretaties van een versnipperde werkelijkheid bestaat. Als voorbeeld kun je denken aan het sociale gedrag van de mensen. Vroeger handelde men naar bevind van zaken en hielp elkaar op grond daarvan in alle mogelijke noodgevallen. Inderdaad was dat in niet geringe mate noodzakelijk vanwege de armoede, maar waarom het gaat is dat er een niet te ontkennen sociale saamhorigheid was. Thans echter zijn er sociale diensten met speciaal opgeleide deskundigen, die vanuit theoretische modellen handelen en die telkens tot hun schrik moeten ontdekken dat hun arbeid en betrokkenheid nauwelijks resultaat hebben. Daar komt nog bij dat er geen sociale saamhorigheid meer is. Veel van die deskundigen vluchten dan ook in het onderwijs: zij gaan de door hen verworven theoretische kennis overdragen aan een volgende generatie deskundigen. Er is dus een geheel nieuwe menselijke realiteit ontstaan: de werkelijkheid op de wijze van theoretische kennis. Dat is in de praktijk van ons leven een van ons vervreemde wereld.

De denkers uit de vorige eeuw, staande in het teken van de Verlichting, hebben nooit kunnen denken dat de vermeerdering van kennis niet tot een beter begrepen werkelijkheid zou leiden, maar juist tot een bijna fatale verwarring... Al deze dingen gelden niet voor de filosofie. Dat vindt zijn oorzaak in het feit dat het in de filosofie niet om de voorstelling, en dus ook niet om de kennis, gaat. Zoals al telkens gezegd gaat het om datgene dat zich aan de voorstelling afspiegelt. Dit luistert zo nauw dat het bezit van kennis gemakkelijk tot een verstoring van het filosoferen kan leiden. Dat komt enerzijds doordat de voorstelling als theoretische kennis betrekking heeft op een van ons vervreemde realiteit, zoals hierboven besproken, en anderzijds doordat een eigenaardigheid van kennis is dat zij heel overtuigend, maar ten onrechte, suggereert op waarheid te berusten. Het aflezen van de werkelijkheid als beeld aan de voorstelling is niet te leren op grond van kennisoverdracht. Wel echter kan dat aflezen zich ontwikkelen, een proces dat buiten je wil omgaat en dat op zichzelf niet te beÔnvloeden is. Toch is er voor dat aflezen iets nodig, namelijk een qua voorstelling zo helder mogelijke kijk op de werkelijkheid. Je kunt ook zeggen: een zo realistisch mogelijke kijk op de wereld.

Een dergelijke kijk is logischerwijs niet behoudend, in de zin van eenmaal verworven en voortaan onveranderlijk geldig. Een realistische kijk houdt een openstaan voor allerlei gebeurtenissen in en, op grond daarvan, een veranderlijke reactie op die gebeurtenissen. Een kijk die niet meegaat met de realiteit kan onmogelijk helder genoemd worden. Zo'n kijk is juist duister en ondoordringbaar. Van iets dat zich daaraan afspiegelt kan dan geen sprake zijn. Die kijk mag niet onderworpen zijn aan een waardeoordeel. Dat is doorgaans niet zo gemakkelijk te begrijpen, juist omdat onze moderne cultuur van waardeoordelen aaneenhangt. Zo'n oordeel, of het nu positief dan wel negatief uitvalt, vertroebelt bij voorbaat de helderheid van de zaak. Een heldere of realistische kijk is dus niet per se nobel of edelmoedig, intelligent of zelfs filosofisch, kortom: ethisch. Dergelijke waardeoordelen zijn in principe tijdelijk en plaatselijk en als zodanig vertekenen zij al bij voorbaat de realiteit. Zelfs een misdadiger kan een realistische kijk op de wereld hebben en op grond daarvan handelen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de tomeloze hebzucht van de mensen. Uiteraard gaat het er nu niet om het gedrag van misdadigers te verdedigen, maar het gaat er om duidelijk te maken dat een realistische of heldere kijk het gelden van waardeoordelen uitsluit. Eenvoudig gezegd: het zo getrouw mogelijk afspiegelen van de werkelijkheid als beeld vooronderstelt een reŽle, zo gering mogelijk vertekende en zo weinig mogelijk door de conventies bepaalde, voorstelling. Een dergelijke voorstelling heeft iets kinderlijks en hij leidt dan ook telkens tot verwondering. Je kunt je er over verwonderen dat bijvoorbeeld sommige mensen het recht hebben om wapenen te dragen en te gebruiken en anderen daarentegen niet, of dat er een ťlite is die medemensen, zij het na een gedegen proces, van hun vrijheid mag beroven of zelfs mag doden, terwijl verder niemand dat mag. Natuurlijk, een historische verklaring is gemakkelijk gegeven en een politieke, juridische of psychologische ook. Maar zo'n verklaring licht alleen maar toe hoe het gekomen is, maar niet waarom het is zoals het is. Het zich verwonderen over van alles en nog wat, maar in ieder geval over zaken die door het gros van de mensen voor normaal gehouden worden, is typerend voor de mens met een realistische kijk op zijn wereld. Iemand met een dergelijke, door vroegere denkers wel eens kinderlijk genoemde, kijk op de wereld heeft gegarandeerd een sterk doorstralen, oftewel afspiegelen van het beeld. Maar dat wil nog niet zonder meer zeggen dat zo iemand zich op de filosofie zal toeleggen, maar zeker is in elk geval dat je te doen zult hebben met iemand die zich geen ficties aan laat praten...

Het zich afspiegelen van het beeld aan de voorstelling kan uiteraard alleen maar dan plaatsvinden als er ook een voorstelling is. De betekenis van dingen in een kamer is alleen maar dan te achterhalen als er in die kamer iets te zien is, en er is iets te zien als het in die kamer licht is. In een donkere kamer is niets te zien en er is niets dat blijk geeft van enige betekenis. Het is wat dit betreft precies als met de mensheid aan het einde van de oudheid: langzaam maar zeker was de realiteit voor de mensen helder zichtbaar geworden (de tijd van de zieners, de profeten en dergelijke) en nu kon het aflezen beginnen. Dat leidde onmiddellijk over de gehele wereld tot een opbloei van de kunst, het wetenschappelijke en het religieuze denken en de filosofie. Voor de goede orde: de realistische en heldere kijk op de wereld is niet mogelijk zonder het laten gelden van het instorten en zich weer samenstellen van de voorstelling, overeenkomstig het begrip niet-materie, oftewel geest. Het doorstralen is mogelijk dank zij het instorten, maar het betrekt zich op het er zijn van de samengestelde concrete voorstelling. De twijfel is een gevolg van het doorstralen, niet van het instorten. De twijfel is immers het zich laten gelden van het feit dat iets ook anders kan zijn.

Profeten-1 ; Profeten-2 ; profeet ; verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; Betrokkenheid-1 ; Betrokkenheid-2 ; Betrokkenheid-3 ;

 

naartop

No. 155

Als je de waarheid wilt leren kennen, de waarheid van alle dag of de daarmee wezenlijk identieke filosofische waarheid, dan is het zaak attent te zijn op datgene dat zich aan de voorstelling (van jouw eigen wereld) afspiegelt, of, anders gezegd: datgene dat doorstraalt door de voorstelling. Hierover heb ik het al vaak gehad. Dit gegeven echter vooronderstelt een realistische voorstelling die bovendien helder en duidelijk is. De kwaliteit ervan bepaalt de mate waarin doorstraling of afspiegeling kan plaatsvinden. Dat is overigens ook in de kunst het geval en dat ligt in de logica, want de kunst is er immers op gericht de zich afspiegelende werkelijkheid van het bewustzijn (beeld) tot uitdrukking te brengen! Een domme of gebrekkige voorstelling levert qua afspiegeling een treurig resultaat op. Nu kun je uit gaan zoeken welke varianten er mogelijk zijn van zo'n voorstelling, maar dat is meer een taak voor de psychologie. Voor de filosofie is het voldoende te weten dat hij dom en gebrekkig kan zijn en dat dit kan berusten op een tweetal hoofdoorzaken. De werkelijkheid van het bewustzijn, die op grond van dat afspiegelen de werkelijkheid als beeld oplevert, is op zichzelf een onaantastbare zaak. Er zijn dus geen gradaties in het zich afspiegelende, maar wel is het de vraag in hoeverre die zaak (kwantitatief) belemmerd wordt door de domheid of gebrekkigheid van de voorstelling. Dat belemmeren kan heel ver gaan, zover zelfs dat er van de echte werkelijkheid nauwelijks iets over blijft en zo ongeveer alles in een waan bevangen is. Inmiddels mag duidelijk zijn dat er aan dat afspiegelen (of doorstralen) niets te oefenen valt, maar ook dat de kwaliteit van de voorstelling wel enigszins te verbeteren is. Iemand kan zich er min of meer op toeleggen zijn wereld scherper in de gaten te houden en ook kunnen de omstandigheden er aanleiding toe geven. De voorstelling immers is inhoud van de werkelijkheid als zelfbewustzijn en omdat dit de materie als niet-materie is kan er aan deze stoffelijke zaak iets gedaan worden. De vraag waarom de een dit inderdaad doet en de ander niet laat ik nu buiten beschouwing... Zoals gezegd kan de voorstelling zowel dom als gebrekkig zijn. Wat het eerste betreft: van een domme voorstelling kan gesproken worden als hij beter had kunnen zijn; de betreffende persoon had beter kunnen weten, maar de conditioneringen vanuit de voor hem geldende cultuur zijn zo succesvol geweest dat hij aan beter weten helemaal niet toe kon komen.

Dergelijke conditioneringen brengen in iemand teweeg dat hij niet op zoek gaat naar alternatieven omdat hij in de waan verkeert, dat de hem ingeprente waarheden inderdaad op waarheid berusten. Van de tweede mogelijkheid is te zeggen dat de gebrekkigheid buiten iemands invloedssfeer valt: iemand kan namelijk lichamelijk niet helemaal in orde zijn, al of niet tengevolge van erfelijkheid of frustrerende ervaringen. Men beschouwt dat gewoonlijk ten onrechte als iets geestelijks en bijgevolg spreekt men van geestelijk gehandicapt. Maar ook kan de gebrekkigheid berusten op de onvermijdelijke situatie dat iets nog helemaal niet bekend is, dus nog niet in de voorstelling opgenomen kan zijn. In beide gevallen, namelijk bij domheid en gebrekkigheid, kan er van het doorstralen of afspiegelen maar weinig terechtkomen. Het spreekt vanzelf dat het afspiegelen en doorstralen alleen maar plaats kan vinden aan de voorstelling voor zover het moment opgebouwd-zijn of vastgesteld-zijn aan de orde is. De voorstelling naar het moment ingestort-zijn kan niets afspiegelen en laat trouwens helemaal niets zien of ervaren.

Het afspiegelen en doorstralen - wat in feite hetzelfde is - is dus qua gebeurtenis afhankelijk van het er-zijn van de voorstelling, maar de mogelijkheid van afspiegelen en doorstralen berust op het al eerder besproken dubbele aspect van het bestaan van de voorstelling: voor dat bestaan geldt een er-zijn (vastgesteld, opgebouwd) dat tegelijkertijd een er niet-zijn is (geest oftewel de beweeglijkheden weer absoluut op zichzelf). Juist op grond van deze tijdloze en onmiddellijke afwisseling kan er een werkelijkheid achter de voorstelling zichtbaar worden. Het twijfelen, dat de oorsprong van alle kennis en wijsheid is kan uiteraard niet betrekking hebben op de voorstelling voor zover die ingestort is. De twijfel slaat dus op de vastgestelde voorstelling, maar niet op het zich afspiegelen van de werkelijkheid als beeld. Het is dan ook op te merken dat slechts weinig mensen door datgene dat zich afspiegelt aan het twijfelen slaan. Bijna iedereen drukt de zaak zo vlug mogelijk weg in zichzelf, doormiddel van fraaie rationalisaties. Men luistert niet naar zijn geweten. Soms evenwel is die doorstralende zaak te krachtig en dan raakt iemand in verwarring zonder er het belangrijke van in te zien. Wegdrukken of in verwarring raken, in beide gevallen veroordeelt men de twijfel en probeert hem weg te werken, terwijl, men tegelijkertijd houvast zoekt bij het vastgelegde. Het doorstralen en afspiegelen geschiedt als het ware door de voorstelling heen en dat is mogelijk omdat hij afwisselend gesteld is en instort. Het is dus een zaak van de werkelijkheid als beeld (of bewustzijn). De twijfel echter is een zaak van de voorstelling, namelijk voor zover die ook anders kan zijn. Twijfelend vraagt men zich dus af of de voorstelling wel juist is en eventueel anders moet zijn. Intussen ligt daar nog steeds de vraag wat nu een realistische voorstelling is. Welnu, zo'n voorstelling of kijk op de praktisch aanwezige werkelijkheid (realiteit) ontstaat door de verwondering. Het begrip verwondering geldt als je voortdurend zaken, opvallen omdat ze niet te begrijpen zijn als resultaat van de processen in en van de werkelijkheid. Bijvoorbeeld: een man met een goudgerande pet op en een pistool aan de riem is wel een onvermijdelijk verschijnsel in de realiteit, maar is niet datgene waarin het wordingsproces en de evolutie uitlopen. Anders gezegd: de cultuurverschijnselen behoren tot een realiteit (ze zijn er) die onze verwondering wekt omdat de werkelijkheid zelf daarin niet uitloopt. Zij kunnen meekomen aan het denken van de mens, maar behoeven dat niet per se te doen. Is dat echter wel het geval, dan zijn zij verwonderlijk en door het optreden van die verwondering komt men tot een realistische kijk, een kijk namelijk waarin het cultureel incidentele wel verdisconteerd is, maar niet als essentieel wordt gezien. Dus: ervan op de hoogte zijn dat sommige mensen petten en wapenen dragen en tegelijk weten dat zo de mens niet is.

Vaak wordt het zo voorgesteld dat al die verwonderlijke dingen terug te voeren zijn tot de menselijke natuur die dan tevens op de een of andere manier dierlijk, stammende uit de dierenwereld, zou zijn. Maar de verwonderlijke dingen zijn daartoe helemaal niet terug te voeren, zij komen voort uit de cultuur, uit het denken van de mensen en zij zijn inhoud van zijn zelfbewustzijn. In feite komt er niets voort uit de dierenwereld omdat de mens die wereld ten eindeis en zo op geen enkele wijze gebonden is aan een natuurlijk gedragsprogramma. Uiteraard geldt er voor de mens een biologisch programma, zoals het kloppen van zijn hart en dergelijke. Als je veronderstelt dat de mens wel een natuurlijk gedragsprogramma heeft, dan zou dat noodzakelijk een allesomvattend programma moeten zijn vanwege het feit dat de mens als laatste voor de dag gekomen is. Dat zou betekenen dat de mens, meer dan welk dier dan ook, gebonden zou zijn aan dat programma, maar ook zou dat betekenen dat hij onmogelijk met iets nieuws kan komen. Opvallend aan de mens is echter dat hij steeds met nieuwe dingen komt.

No. 156

Een realistische kijk op de wereld als voorstelling berust op de verwondering. De filosoof Plato (427-347 v.o. j.) had het destijds al over de verwondering of de verbazing in verband met het feit dat je nooit iets aan de weet komt als er primair niet iets is dat je opvalt. Datgene dat opvalt is de aanzet tot onderzoek en nadenken. Deze platonische verwondering betreft het gehele terrein van de werkelijkheid, maar in feite ligt de nadruk wel op het wetenschappelijke onderzoek van de werkelijkheid. Er is echter nog een andere mogelijkheid wat betreft het begrip verwondering en hierover gaat het als ik dit begrip als basis van een realistische kijk op de persoonlijke wereld (voorstelling) naar voren haal. Doorgaans wordt het begrip verwondering toegepast op de werkelijkheid zelf, de platonische opvatting dus. Het is dan echter niet zozeer een aanzet tot onderzoek als wel een waardeoordeel: men is onder de indruk van de schoonheid van het heelal of het levende organisme of iets dergelijks. Vaak is er zelfs van enige eerbied of ontzag te spreken die niet geheel vrij is van religiositeit. En in ieder geval kun je vaststellen dat diegene die zich almaar zo verwondert er, terecht of ten onrechte, blijk van geeft van dat ďwondereĒ heelal of organisme weinig te begrijpen. De wonderlijkheid verdwijnt dan ook op het moment dat men achterhaald heeft hoe iets in elkaar steekt. Zo verwondert men zich erover dat op de planeet leven ontstaan is, maar eigenlijk is daar niets verwonderlijks aan, zeker niet als je de zaak filosofisch nagaat. De platonische verwondering als aanzet tot onderzoek leidt als het goed is tot kennis van zaken. Deze kennis echter, die in feite wetenschappelijke kennis is, kan helemaal geen realistische kijk opleveren. De wetenschappelijke werkelijkheid is immers volstrekt niet identiek aan de realiteit, maar is een (abstracte) analyse van de gemiddelde, gangbare voorstellingen van de mensen. Hierop heb ik al steeds gewezen. Bedoelde verwondering, zowel in de zin van ontzag voor als in de zin van aanzet tot is op zichzelf best in orde, maar is niet waarom het gaat bij het verkrijgen van een realistische kijk op de wereld. Zo'n kijk heeft natuurlijk betrekking op de individuele voorstelling, maar dan niet die welke door de cultuur bepaald is en dus ook niet de wetenschappelijk theoretische. Het gaat daarentegen om de individuele voorstelling, voor zover die, hoewel in feite slechts een bepaald gedeelte van de gehele werkelijkheid omvattende, niet in een waan bevangen is. Waarop ik derhalve doel is de culturele verwondering, dat wil zeggen: het er over verbaasd staan hoezeer mensen enerzijds afwijken van het karakter en de verhoudingen van de werkelijkheid en anderzijds daarmee almaar hardnekkig doorgaan.

In het kort gezegd: het verbaasd staan over de dwaasheid van de mensen. Die dwaasheid valt aan het gros van de mensen niet of nauwelijks op omdat de zaak cultureel bepaald is. Men vindt het normaal dat er een idioot in een lang gewaad en met een puntsteek op het hoofd rondloopt, bewerende dat hij de plaatsvervanger van Christus is. Men vindt het normaal dat bepaalde mannen zich behangen met blikjes aan gekleurde lintjes, zich bewapenen en vervolgens in rijen van drie gaan lopen gewichtig wezen - als zij al niet met schandelijker zaken bezig zijn. En zo zijn er tal van voorbeelden van dwaasheden die slechts aan enkelen als zodanig opvallen en verbazing wekken. Waarom het nu gaat is dus de afwijking van de werkelijkheid en haar verhoudingen. De in de platonische zin verwondering wekkende natuurverschijnselen zijn uiteraard geen afwijkingen van de werkelijkheid, maar blinde vlekken in onze eigen voorstelling. Het zijn zaken die nodig eens onderzocht moeten worden. Bij de mensen echter komen wel tal van afwijkingen van de werkelijke verhoudingen voor en die zijn het die een realistische kijk in de weg staan en daarmee natuurlijk ook een effectief doorstralen en afspiegelen van de, ware, werkelijkheid verhinderen. Overigens is de mens wel het enige verschijnsel dat af kan wijken: hij is immers het laatste verschijnsel waarvoor bijgevolg geldt dat alles in hem ontkend is. De natuurlijke (=de procesmatige, de geworden) verhoudingen zijn in hem ontkend aanwezig. Zolang hij daarmee vooralsnog geen raad weet gaat hij met hartstocht zijn gehele natuurlijkheid afschaffen, om zich op die manier om te beginnen een cultuur aan te meten, die hem vervolgens gaat overheersen en hem en zijn medemensen de maat gaat stellen. Het zijn de, uit het als de maat stellen van culturele wanen voortvloeiende, waarden en normen, handelingen en rituelen, waardeoordelen en opvattingen die van de mensen dwazen maken. Die dwaasheid komt dus niet voort, zoals veelal gedacht wordt, uit het nog niet overwonnen zijn van het beest in de mens en dus het natuurlijke, maar daarentegen uit het tegenovergestelde, namelijk de cultuur en het daarbij behorende robot denken. Het opmerkelijke van deze zaak is dat de mensen beter zouden kunnen weten.

Het afspiegelen aan de voorstelling namelijk wijst de weg naar de werkelijke verhoudingen en dat is door alle tijden heen het geval: er is wel een realistische kijk op de voorstelling nodig, maar het doet er niet toe wat die voorstelling is, of op welke tijd hij betrekking heeft. Die realistische kijk is dus altijd mogelijk, ongeacht het tijdperk waarin men leeft. Op grond hiervan kun je stellen dat de mensen steeds beter zouden kunnen weten. Het hoe van de werkelijkheid is te achterhalen ongeacht de tijd waarin men leeft, of het nu over de oermens gaat, de oude Griek, de Pygmee of de moderne mens. Er zijn dan ook steeds begaafde enkelingen geweest die de mensen op hun dwaasheden gewezen hebben. Terzijde: een algemeen gebrek aan kennis kan logischerwijs geen dwaasheid genoemd worden omdat de kennis (wat is de werkelijkheid) wel degelijk tijdgebonden is. Zoals gezegd is het de afwijking die verbazing wekt, maar ook filosofisch kun je stellen dat je kunt leren begrijpen waarom de mensen afwijken zodat er niets meer te verwonderen valt. Toch is dit laatste wel het geval omdat er nog een factor meespeelt, namelijk het feit dat de mensen aan de gang blijven met hun dwaasheden. Dit aan de gang blijven is vooral een kwestie van in stand houden, uiteraard om eigen belangen te dienen. Zo kun je je er in hoge mate over verwonderen dat er nu weer mensen bezig zijn oorlog te voeren, elkaars huizen in puin te schieten en elkaar zoveel mogelijk uit te roeien. En je kunt je erover verwonderen dat er nog steeds mensen zijn die het heil van een of andere ideologie verwachten, of mensen die zich vanuit een fundamentalistische godsdienst laten ringeloren.

Voor de volwassen mens geldt dat allemaal niet meer. Hij begrijpt dat de ontkenning van het natuurlijke niet een afschaffen daarvan betekent met tegelijkertijd een instellen van een aantal buiten alle verhoudingen liggende instituties, maar een zich onafhankelijk maken van het natuurlijke, juist door het optimaal tot haar recht te laten komen. Wanneer het natuurlijke er is en gelden kan naar haar eigen wezen is de basis van de mens en zijn leven op de planeet in orde. Daarmee is hij inderdaad de van niets afhankelijke geworden, dat wil zeggen: de zelfstandige mens. Deze mens schaft geen enkele van zijn tijdens zijn periode van dwaasheid ontwikkelde, verworvenheden af, maar gebruikt deze zinvol. Al die moderne afschaffings-theorieŽn zijn onzinnig en voor een belangrijk deel berusten zij op onbewuste overblijfselen van de christelijke godsdienst: hier beneden is het niet, en bij brood alleen zult gij niet leven enzovoort. In die godsdienst- wordt het bedrieglijk voorgesteld alsof de materiŽle werkelijkheid de ware niet zou zijn en alsof de mens zich tot het geestelijke zou moeten wenden.

No.157

Profeten-1 ; Profeten-2 ; profeet

Het door mij als essentieel voor het herkennen van dwaasheid naar voren gehaalde begrip verwondering heeft betrekking op de persoonlijke, de individuele, voorstelling van een mens. Deze voorstelling is voor ieder individu enigszins anders, maar, binnen het raam van een bepaalde cultuur zijn er uiteraard vele overeenkomsten. Het gehele complex van overeenkomende onderdelen van de voorstelling zou je met het begrip collectieve voorstelling of collectief zelfbewustzijn kunnen benoemen. Hoewel een groot deel van de voorstelling collectief van aard is geldt, gezien vanuit het bepaalde individu zelf, als maatgevend het feit dat zijn eigen voorstelling die van de ander niet is. Hij vindt zichzelf dus altijd uniek, en terecht. ! Omdat voor elk mens de voorstelling altijd en onvermijdelijk een onvervreemdbare individuele zaak is kan de verwondering bij iedereen en onder alle omstandigheden tot gelding komen. Het maakt dus niet uit onder welke cultuur en in welke tijd iemand leeft, steeds is er wrijving tussen de voorstelling en het beeld van de werkelijkheid. Die wrijving valt over het algemeen niemand op omdat de ingeprente voorstellingen van zodanige aard zijn dat zij het met elkaar strijdig zijn van beeld en voorstelling al bij voorbaat verdoezelen. Tegelijkertijd ligt het echter in de logica dat er enkelingen zullen zijn wie het wel opvalt dat er geen of weinig overeenstemming is tussen beeld en voorstelling. Dit opvallen geeft aanleiding tot verwondering en het laten gelden daarvan leidt tot een andere kijk op de eigen voorstelling van de werkelijkheid: een (meer) realistische.

Uit het bovenstaande zal duidelijk zijn dat iemand met een (meer) realistische kijk nog niet per se een filosoof behoeft te zijn. Zijn realistische kijk maakt wel een helderder afspiegelen of doorstralen van de werkelijkheid als beeld mogelijk, maar dat behoeft er nog niet toe te leiden dat hij in dat beeld de waarheid herkent en zich bijgevolg op dat beeld gaat richten. Iets van de moralist of de profeet zal hij echter wel degelijk in zich hebben, voor zover hij het niet kan laten duidelijk te maken dat de mensen met dwaasheden bezig zijn. Het herkennen van de echte werkelijkheid en de verontrusting over de dwaasheid van het gedoe van de mensen leidt tot een zekere mate van onaangepastheid en verzet. En dat is dus een zaak van alle tijden, juist omdat het de individuele mens is in wie dit conflict zich manifesteert. Collectieven hebben geen last van hun eigen dwaasheden, hoogstens na verloop van tijd van de resultaten ervan, en dan nog hebben de mensen binnen een collectief meestal niet in de gaten dat die slechte resultaten aan eigen dwaasheden te danken zijn. Zoals gezegd gaat het bij bedoelde dwaasheden steeds om gedragingen en opvattingen van de mensen die zonder al teveel moeite veranderd zouden kunnen worden, als men daarin niet belemmerd werd door de vastgestelde waarheden van de eigen cultuur. Het feit dat enkelingen wel door de dwaasheden heen kunnen prikken maakt de dwazen in zekere zin schuldig, omdat het beter had gekund en men dat vanuit angst, behoudzucht, belang of hoogmoed achterwege gelaten heeft. Toen bijvoorbeeld de filosofen Kant, Hegel en andere Duitsers nog stelden dat de monarchistische staat de zuivere afspiegeling van de werkelijkheid als geheel zou zijn (en zich op den duur ook als zodanig zou laten gelden) was het wel degelijk mogelijk om beter te weten: zo omstreeks 1800 waren er, vooral in Frankrijk en het jonge Amerika, al denkers die de mens niet ergens in onder wilden brengen, namelijk in dat geheel, maar daarentegen uitgingen van vrije en zelfstandige individuen. Dat leidde destijds tot het zogenaamde liberalisme, dat helaas door het min of meer tegelijkertijd opkomende kapitalisme al spoedig tot iets onmaatschappelijks verworden is.

Essentieel is dus dat men beter had kunnen weten en dat men op grond van een of ander cultuurbedenksel vasthoudt aan de conventie of de traditie en de daarbij spelende belangen. Als het echter over iets gaat dat op een bepaald moment nog door niemand geweten kan worden kun je niet van dwaasheid spreken. Uiteraard gaat het daarbij om kennis en niet om inzicht in het karakter van de werkelijkheid. Als iemand destijds in de mening verkeerde dat de aarde plat is, is er geen sprake van dwaasheid: men had de zaak nog niet efficiŽnt kunnen onderzoeken en wist niet beter. Hetzelfde is te zeggen van die toenmalige sterrenkundigen die van mening waren dat de stand van de hemellichamen, op het moment van iemands geboorte bepalend is voor iemands karakter en levensloop. Men wist nog niet beter, maar als thans die mening nog door een aantal mensen gedeeld wordt, is met recht te stellen dat die wel degelijk beter kunnen weten. Dat zijn dus zonder meer dwazen. Andere voorbeelden van dwaasheid zijn de huidige theorieŽn over het afschaffen van allerlei zaken in verband met uitputting en vervuiling van de aarde. Het is een feit dat de moderne mens op een misdadige wijze roofbouw op zijn milieu pleegt, maar de oorzaak daarvan is niet gelegen in de productie van bepaalde artikelen. De oorzaak ligt in het niet afdenken en geheel afwerken van het technologisch proces. Zou men dit wel doen, dan zou er bijna geen afval zijn en er zou ook geen nutteloze productie zijn zoals het fabriceren van sierstrips op een nieuw model auto, teneinde die te onderscheiden van oudere modellen. En men zou allang schone motoren ontwikkeld en geproduceerd hebben. Voor de overvolle wegen had men lang geleden al alternatieven ontwikkeld. Men zou voorts de aarde weer zoveel mogelijk bebost hebben en de woestijnen bevloeid. Deze dwaze, kortzichtige mensheid doet dat echter niet, volstrekt tegen beter weten in...

Er zijn een heleboel zaken die pas in de loop der tijd duidelijk geworden zijn; kortweg kun je spreken van wetenschappelijke zaken. Die kunnen niet anders dan door onderzoek opgehelderd worden. Zolang dat nog niet het geval is kan gesproken worden van onwetendheid, maar niet van dwaasheid, zelfs niet als die onwetendheid tot in onze ogen dwaze gedragingen en handelingen leidt. Het beoefenen van de wetenschap leidt tot een betere kennis van zaken, maar het is maar uiterst marginaal wat die wetenschap bijdraagt aan het verwerven van een realistische kijk op de werkelijkheid als voorstelling. Als voorbeeld kun je hierbij denken aan de inwerking van de wetenschap op de godsdienst: ondanks al datgene dat omtrent de kosmos bekend is geworden gelooft het gros van de mensen nog steeds in allerlei vormen van goddelijke besturing, goddelijk ingrijpen en de schepping van de kosmos door een handeling van een god. Dat is niet te verwonderen omdat de wetenschap een analyse van de voorstelling maakt en die dus letterlijk versnippert. Als er al enige invloed van de wetenschap uitgaat is dat voor zover zij gepopulariseerd wordt en als zodanig een rol gaat spelen bij het conditioneren. De geanalyseerde wetenschappelijke voorstelling is bovendien per definitie onbetrouwbaar, althans als het gaat over het verkrijgen van een realistische kijk op de werkelijkheid. Wetenschappelijke kennis immers is slechts voorlopig geldig, namelijk totdat men de zaak beter en nauwkeuriger onderzocht heeft en daardoor tot nieuwe opvattingen en theorieŽn is gekomen. Door dit feit en door het feit dat het gaat over een versnipperde voorstelling kan er logisch geen realistische kijk mogelijk zijn. Het optreden van een heldere afspiegeling van de werkelijkheid als beeld is bijgevolg ook volledig uitgesloten. Verbazing behoeft het dan ook niet te wekken dat de moderne, op wetenschapgerichte, wereld nauwelijks enig inzicht in de werkelijkheid vertoont en zelfs steeds verder van haar vervreemdt.

Bladwijzers: KANT- nrs. 01 , 02 , 03 , 04 , ;Profeten-1 ; Profeten-2 ; profeet

 

No. 158

Op het ogenblik leven wij in een wereld waarin de wetenschap en de uitkomsten van haar onderzoek in alle opzichten maatgevend zijn. Dat betekent dat de voorstelling van de mensen, hoewel op details steeds juister geworden, in zijn algemeenheid zozeer versnipperd is dat er nauwelijks meer van een goede basis voor afspiegeling van de werkelijkheid als bewustzijn gesproken kan worden. Je moet daarom tot de treurige conclusie komen dat de moderne wereld in een gigantische waan bevangen is, een schimmenspel waarin het vrijwel onmogelijk is geworden onderscheid tussen realiteit en zinsbegoocheling te maken. En het is al helemaal tot een ongeloofwaardig unicum geworden als iemand zover gaat de werkelijkheid als beeld te herkennen, te vertrouwen en tenslotte als de maat te nemen. De creatieve filosofie is dan ook door de academici tot een soort van geloof gedegradeerd, weliswaar een geloof zonder concrete god, maar toch even absurd en op niets gegrond als de godsdienst. Van deze cultuur als zinsbegoocheling zijn natuurlijk tal van voorbeelden te geven. Het is goed om toch nog even bij enkele zaken stil te staan. Zo is het een tijdlang, namelijk sinds de Franse revolutie tot zo ongeveer het einde van de tweede wereldoorlog, zinvol geweest de mensheid op te vatten als een verzameling collectieven, bijeen gehouden door ideologieŽn: bovenliggende universeel maatgevende modellen van een toekomstige wereld. Die opvatting heeft zijn vruchten afgeworpen en er is wel zo het een en ander tot stand gebracht, bijvoorbeeld door het (sociaal-democratische) socialisme. Zelfs in de Sovjet-Unie zijn aanvankelijk vorderingen gemaakt. De sociaal democratie is gebaseerd op collectieven, namelijk in de vorm van politieke partijen die met elkaar via het kiesstelsel om de macht strijden. Alleen al uit de praktijk is te leren dat dergelijke systemen de mensheid een stuk op weg geholpen hebben en in ieder geval een voorsprong in welvaart hebben opgeleverd. Toch gaan deze systemen, omdat zij in wezen niet deugen, ten gronde. Op het ogenblik is het ontbindingsproces in volle gang. De essentie van dat proces is de zelfverwerkelijking van de mens als individu, zeg maar: de mens als ik. Dat deze ontwikkeling ontstaat en zich doorzet ligt in de logica. De mensen groeien onvermijdelijk toe naar datgene dat zij wezenlijk zijn: individuen die de gehele werkelijkheid inhouden als in een samenhangend, allesomvattend, beweeglijk geheel.

Nu doet zich het verschijnsel voor dat politici, en in het algemeen machtzoekers en machthebbers, de nieuwe ontwikkeling niet wenselijk vinden omdat de basis van hun voorstelling van de werkelijkheid onhoudbaar wordt en dus ook de rechtvaardiging van hun macht. Zij keuren het ontbindingsproces bijgevolg ten zeerste af en proberen dat tegen te houden. Zij menen dat het mogelijk is de zaak tegen te houden omdat zij nog steeds in collectieven (moeten) denken. In feite echter laat geen enkel aspect van de ontwikkeling naar volwassenheid zich ontkennen, afremmen of onderdrukken. Het zou dus van een realistische kijk op de werkelijkheid getuigen als men poogde de nieuwe ontwikkeling in zijn context te doorgronden, zonder daarbij de ten onder gaande waarden en normen van het verleden als de maat voor een eerlijk en zinvol waardeoordeel te nemen. Men zou dus de individualistische ontwikkeling (die overigens in een ieder plaatsvindt, zelfs in de zogenaamd onderontwikkelde mensen uit de derde wereld!) positief moeten beoordelen en proberen de aan dat nieuwe meekomende kwalijke verschijnselen, zoals vandalisme en bandeloosheid, asociaal en misdadig gedrag en dergelijke, in zo goed mogelijke banen te leiden. Onderdrukking doormiddel van zelf in ontbinding zijnde mechanismen is natuurlijk zinloos - het werkt zelfs averechts...

Een aantal zogenaamd democratische collectieven heeft aanvankelijk wel zo'n beetje gefunctioneerd, maar daarnaast waren er ook waarin meteen al op gruwelijke wijze het onhoudbare en onmenselijke karakter van het collectief tot manifestatie kwam: in de godsdiensten, in het nationaal-socialisme, het fascisme, het dogmatisch communisme en het maoisme. Het zou echter een misvatting zijn alleen de ondergang van deze laatste collectieven toe te juichen; als er al iets toegejuicht moet worden, moet dat de nabije ondergang van alle collectieven zijn. In collectieven zoals de genoemde misdadige worden (werden) de mensen gedwongen deel te nemen en zich ermee te vereenzelvigen. Een alternatief op grond van een andere mening is (was) er niet en mag er ook niet zijn. In de westerse democratische collectieven evenwel worden de mensen niet gedwongen, het staat hen vrij een bepaald collectief, bijvoorbeeld een partij, te kiezen. Maar in beide gevallen is de zaak onhoudbaar en elke poging om dat niet te laten gelden is: dwaasheid! Het in ontbinding geraken van collectieven, tezamen met het doorbreken van een nieuw moment in de cultuurontwikkeling, leidt tot een zeer onaangename maatschappelijke situatie. Je kunt die met recht met begrippen als bandeloosheid, onverschilligheid, egoisme en dergelijke benoemen. En het is te begrijpen dat de mensen zo'n periode als bijzonder negatief ervaren. Maar, teruggrijpen naar een vroegere orde, die in feite op indoctrinatie vanuit het collectief, en dus op onderdanigheid, gebaseerd was, is een duidelijk voorbeeld van dwaasheid. Men oordeelt en handelt in strijd met de verhoudingen in de werkelijkheid en dus ook zonder enige kans van slagen, terwijl dat dwaze gedoe in de praktijk een vlotte wederkeer van meer evenwichtige verhoudingen lelijk afremt. Ook hier geldt: men zou beter kunnen weten, maar men is niet in staat die andere bron van weten, het bewustzijn namelijk, te herkennen en te laten gelden. Zou men daartoe wel in staat zijn, men zou inzien dat collectieven en ideologieen in de moderne tijd dwaasheden zijn, maar men zou anderzijds ook inzien dat individuen die nog bevangen zijn in bandeloosheid evenzeer tot de dwazen gerekend moeten worden. Dat inzicht evenwel zou door zijn realisme tot heel wat intelligenter reacties kunnen leiden dan thans doorgaans het geval is. Zoals gezegd is het de mens mogelijk beter te weten.

Deze verhouding, namelijk dat er enerzijds de praktijk is, gevormd en getekend door de geldende cultuur, en anderzijds een soort van verborgen ware werkelijkheid, die in feite door de mens zelf in duisternis gehouden wordt.. . deze verhouding houdt onder andere in dat mensen in een bepaalde, het doet er niet toe welke, cultuurfase fundamenteel schuldig zijn. Dat wil zeggen: tekortschieten. Je kunt er de mensheid op aanspreken, in de zin van: de mensheid als geheel is schuldig omdat zij haar mogelijkheid om de waarheid te kennen, te weten en te laten gelden hoe de werkelijkheid is, niet- wenst te benutten. Maar dit universele schuldig zijn is de mensen op zichzelf niet aan te rekenen. De afzonderlijke mens is, door de inprentingen van zijn cultuur, door zijn persoonlijke aanleg en door de omstandigheden, niet in staat genoemde schuld in te lossen en zich op de ware, werkelijkheid te richten. Hij heeft geen enkele keuze en dus is hem niets kwalijk te nemen, zelfs niet het feit dat hij doorgaans niet eens weet dat hij schuldig is. Toch kun je ook opmerken dat door alle tijden heen mensen een vermoeden van een andere werkelijkheid hebben en dat zij iets van schuld gevoelen als zij zich daaraan niets gelegen laten liggen Zij spreken dan van hun geweten en ervaren een zekere wroeging bij hun handel en wandel. Overigens is het dit vage schuldgevoel dat door de godsdiensten misbruikt wordt om de mensen onder de duim te houden. De priesters stellen het dan zo voor dat de mensen zich niet naar god, het hogere, willen schikken. Met die onwil echter zijn de mensen juist niet schuldig . . .!

No. 159

Profeten-1 ; Profeten-2 ; profeet

Het begrip schuld is van toepassing op een onvolwassen mensheid die voortdurend dingen doet die anders hadden gekund omdat ze op elk moment beter had kunnen weten. Maar, ze doet de dingen toch onvermijdelijk zoals ze ze doet en op grond daarvan kun je stellen dat de mensen er niets aan kunnen doen. De bedoelde schuld is die mensen dus niet aan te rekenen, zij is hen niet verwijtbaar. Wat dit betreft moeten we er attent op zijn dat het er niets aan kunnen doen, het niet verwijtbaar zijn, geen aanleiding mag zijn om het gelden van het begrip schuld dan maar te ontkennen. In het moderne denken, waarin het, bij het geven van een verklaring voor een bepaald verschijnsel, gewoonte is geworden te analyseren hoe iets ontstaan is (historische verklaringswijze), stapt men al te gemakkelijk over zoiets heen: kan iemand er niets aan doen, dan is hij niet schuldig! Filosofisch is zo'n gedachtegang echter niet houdbaar en bovendien misleidend bij het zoeken naar de waarheid. Enkele voorbeelden maken het bovenstaande wellicht wat duidelijker. In de oorlog schieten soldaten elkaar dood, gewoon omdat ze van hogerhand gedwongen zijn, bevelen hebben gekregen en geen keuze (menen te) hebben. Er zijn nu eenmaal legers en er is nu eenmaal oorlogsgeweld. Zijn deze soldaten nu zonder schuld? Filosofisch gezien in genen dele. . zij hebben gedood en zij hadden beter kunnen weten, zoals overigens altijd wel enkelen hebben laten blijken door de dienst te weigeren. Nu echter wordt het juridische schuldbegrip verwisseld met het morele schuldbegrip (=filosofische). Juridisch, dat wil zeggen nagaande hoe iets ontstaan is, is er geen schuld omdat men bij voorbaat heeft vastgesteld dat het gedrag van die moordende soldaten niet verwijtbaar en dus ook niet strafbaar is. Sterker nog, men zou hen straffen als zij niet gedood hadden! Een ander voorbeeld: het komt niet te pas om iemand leed te berokkenen (het waarom hiervan laat ik nu even daar).

Maar als ikzelf of iemand anders het slachtoffer dreigt te worden van een misdadige idioot, dan zal ik zijn misdadige gedrag toch moeten tegenhouden - hetgeen heel iets anders is dan wraak nemen - en daarbij kan het gemakkelijk voorkomen dat ik die misdadiger zwaar leed berokken of zelfs dood. Ben ik nu onschuldig? Neen, ik ben wel degelijk moreel filosofisch schuldig, maar er valt mij toch niets te verwijten omdat ik niet anders kon handelen dan zoals ik gedaan heb. Voor elk mens geldt dat er in haar of hem als levende materie bewustzijn huist en dat dit bewustzijn zich, in de vorm van de werkelijkheid als beeld, afspiegelt aan de voorstelling. Elk mens kan dus toetsen aan de echte, zij het algemene, werkelijkheid, aan de waarheid. Elk mens kan bijgevolg beter weten, in alle tijden en op alle plaatsen. Dit beter weten geldt voor het verschijnsel mens en is dus niet gebonden aan tijd en plaats. Het geldt volstrekt onafhankelijk, universeel. Dat neemt niet weg dat er in de praktijk van het onvolwassen menselijk leven doorgaans niet veel van terechtkomt en daar zit het begrip schuld. Dit is dus een universeel begrip, een begrip dat altijd en overal geldt en dat zich niet laat opheffen door een prestatie, een inlossing, delging of wat dan ook. Maar, intussen blijkt wel steeds weer dat het beter kunnen weten zich wel degelijk in de mensheid manifesteert. Daarbij zijn drie zaken van belang: ten eerste het verschijnsel dat er op allerlei momenten mensen zijn die hun medemensen wijzen op de dwaasheid van hun gedoe. Er zijn zieners, profeten, wijzen, kunstenaars en zo meer. Dat zou onmogelijk zijn geweest als er geen weet hebben van de waarheid was. In de literatuur bijvoorbeeld speelt dit een essentiŽle rol. De romans van Dostojewski draaien allemaal om het conflict tussen de waarheid (dat wat je beter weet) en de dwaasheid van de onvolwassen praktijk. Ten tweede blijken individuele mensen voortdurend last van hun geweten te hebben. Zij ervaren dan datgene van de werkelijkheid als beeld (bewustzijn) dat doordringt tot het zelfbewustzijn en dat zij zouden kunnen weten. Zij zouden de waarheid hebben kunnen weten. Vandaar het woord geweten. Daarbij is opmerkelijk dat de mensen dit begrip geweten steeds ervaren als geassocieerd met tekortkomen en dus met schuld. Vervolgens gaan zij gewoonlijk het geweten wegredeneren doormiddel van smoesjes. Het begrip smoes is filosofisch interessant; het betekent: het complex van redenen dat je aanvoert om iets goeds niet te doen, iets verkeerds niet te laten of je ergens niets aan gelegen te laten liggen.

Ten derde is het ondenkbaar dat er niet elders in het heelal planeten zullen zijn waarop de omstandigheden zo gunstig zijn dat de mensen beter met hun geweten overweg kunnen. Zij zouden dan met minder dwaasheden komen en minder last hebben van schuldgevoelens. Ook dat echter zou niet mogelijk zijn als er geen weten van de waarheid was. Dit houdt echter onmiddellijk in dat toch ook daar het begrip schuld geldig is, zij het in mindere mate. Het schuldbesef en natuurlijk ook het zich doen gevoelen van het geweten zijn door de christelijke en islamitische godsdiensten uitvoerig misbruikt om de mensen klein te maken en onder de duim te houden. Vervang de waarheid oftewel het bewustzijn door god en maak van het begrip schuld een incidentele zaak in plaats van een universele en de schrik zit er voorlopig behoorlijk in. Merk op dat in dit verband de schuld ook verwijtbaar is geworden en dat er wordt gesuggereerd dat hij te delgen, in te lossen zou zijn. En dat moet dan uiteraard doormiddel van gehoorzaamheid aan de geestelijken geschieden. Het universele schuldgevoel is een bijzonder efficiŽnt machtsmiddel gebleken en het heeft onvoorstelbaar veel leed teweeggebracht. Zoals gezegd is dat ook in de Islam het geval. Nogmaals wijs ik er op dat er van ons begrip beter weten niet gesproken kan worden in verband met de wetenschappelijke kennis. Wat de mensen op dat gebied niet weten kan op een bepaald moment nooit beter geweten worden. En als de situatie zo ligt dat bepaalde mensen beter zouden kunnen weten omdat de betreffende kennis elders wel degelijk voorhanden is, dan is deze dwaasheid geen universele aangelegenheid, maar een incidentele en bovendien een die goed te maken is door je op de hoogte te stellen. Bovendien heeft dit beter weten betrekking op de voorstelling als zodanig, terwijl het universele beter weten en de daarbij behorende schuld betrekking heeft op de waarheid, immers: datgene dat zich aan de voorstelling afspiegelt! Omdat we hier te doen hebben met een zaak van het bewustzijn valt deze schuld niet te kwantificeren, dat wil zeggen in waarden uit te drukken. Praktisch zou je het beste van een soort van gevoel, een sfeer kunnen spreken. Elke andere schuld is daarentegen te kwantificeren en bijgevolg ook in te lossen. Toch houdt de mensheid op den duur op schuldig te zijn. Dat is namelijk het geval als het volwassen zijn ingetreden is. Het beter kunnen weten gaat immers gelden als en voor zover er iets mis is met het zich afspiegelen van de waarheid. Deze onvolkomenheid is het gevolg van een niet-realistische voorstelling en, daarmee samenhangend, een afwijzen van de werkelijkheid als beeld. Dat echter zijn nu precies gebreken die de volwassen mens overwonnen heeft: hij is geheel en al terecht bij zichzelf en als zodanig gelden voor hem zowel bewustzijn als zelfbewustzijn, zowel beeld als voorstelling. Voor hem is het zich afspiegelende juist een toetssteen, een baken en een leidraad voor het leven. Daardoor verkeert hij blijvend in een situatie van beter weten, hetgeen overigens niet betekent dat hij alwetend zou zijn of dat hij het beter zou weten dan een ander. Het betekent dat hij steeds afgaat op zijn beter weten en dus op zijn beste weten en dat is nu precies datgene dat voor hem de waarheid is.

Profeten-1 ; Profeten-2 ; profeet

No. 160

Als in de toekomst de mensen volwassen individuen zijn geworden laten zij vanzelfsprekend weer gelden dat de mens ook nog bewustzijn is en dat die zaak zich bij wijze van beeld aan de voorstelling afspiegelt. Als en voor zover zij dat laten gelden gaan zij steeds af op hun beste weten en zij luisteren naar hun geweten. Dat wil niet zeggen dat zij dan heiligen zijn geworden die van alles weten hoe het zit en vooral hoe het moet en die nooit meer fouten zullen maken. Een dergelijk beste weten zou westers van aard zijn: doelgericht, kwantitatief en normatief. Het gevolg geven aan hun beste weten echter houdt in feite alleen maar in dat de enige toetssteen, die de mens inzake de werkelijkheid heeft, ook als zodanig functioneert. Dat sluit gebrekkigheid en het maken van vergissingen in genen dele uit, maar het houdt in dat men het samenhangen met de werkelijkheid en het leven nimmer verbreekt. Het maken van een vergissing tast die samenhang niet aan omdat het een vergissing qua beste weten is en dat leidt tot een heel ander resultaat dan helemaal niet op beste weten afgaan maar op vastgelegde voorstellingen waarvan je bij voorbaat al zeker kunt zijn dat ze niet kloppen. Er is alle reden om met een begrip als schuld uiterst voorzichtig om te gaan. Al eeuwen lang hebben wij van de geestelijken uit de christelijke kerken gehoord dat wij schuldig zouden zijn. Niemand weet waarom dat het geval is en nog minder is duidelijk waaraan wij dan wel schuldig zouden zijn, maar toch wordt het al zo'n kleine twintig eeuwen beweerd en merkwaardigerwijs door heel veel mensen voor waar gehouden. Hierbij vallen twee dingen op, ten eerste het feit dat de mensen er blijkbaar gevoelig voor zijn dat ze een schuldgevoel aangepraat wordt en ten tweede dat ze min of meer als vanzelfsprekend de schuld bij zichzelf als behorend tot de onderste lagen van de samenleving leggen.

Eventueel kun je als derde opvallende feit vermelden dat en het voor schuldig verklaren en het aan de onderkant van de samenleving situeren van die schuld typische streken van de na de oudheid gestichte christelijke godsdiensten en islamitische godsdiensten zijn. Die godsdiensten zijn, zoals ik al eerder heb laten zien, intellectuele constructies van mensen die cultureel in het teken van het begrip macht zijn komen te staan. De bewustwording van dat begrip en de praktische verwerkelijking ervan zijn ontwikkelingen van de mensheid van na de oudheid. Om macht te willen uitoefenen moet het in zichzelf gescheiden zijn van de werkelijkheid op de voorgrond zijn gekomen: het (de) een moet gescheiden zijn van het (de) ander. Bovendien moeten een en ander als zaken van waarde beoordeeld worden, zodat er als resultaat een onderscheid in hoger en lager te voorschijn komt. De intellectueel geconstrueerde godsdiensten zijn gericht op de werkelijkheid als het begrip geest. Dit begrip is te vertalen als niet-materie en dan ligt het in de logica dat men de materie en het materiele als een lagere werkelijkheid beschouwt. Deze werkelijkheid is niet zomaar lager, maar zij is ook nog onwaardiger. De gewone mensen, die steevast de ploeterende, uitgebuite, armoedige onderlaag van de samenleving vormen, behoren dus tot de onwaardige lagere werkelijkheid en daarom moet er noodzakelijk macht over hen uitgeoefend worden. En het is natuurlijk de bovenlaag die gerechtigd is dat te doen. Zij heeft daartoe de beschikking over een cultureel psychologisch instrument dat buitengewoon effectief is: het vage gevoel in de mensen schuldig te zijn vanwege het feit dat hun geweten hen zegt dat zij beter hadden kunnen weten. Dat gevoel komt pas na de oudheid sterk opzetten. In de oudheid lag de verbondenheid met zichzelf als bewustzijn op de voorgrond, en dus was er ook aandacht en respect voor de werkelijkheid als beeld, zoals die zich aan de voorstelling afspiegelt.

Op grond daarvan was er wel een besef van gebrekkigheid, omdat een mens steeds fouten maakt, en een besef van kleinheid, omdat een mens zichzelf nietig vindt in vergelijking met het grote geheel, maar er was niet of nauwelijks een schuldbesef op grond van het geweten. Met het inzetten van de nieuwe tijd richt de mensheid zich op zichzelf als zelfbewustzijn en daarmee komt de maat bij de voorstelling te liggen. Vanaf dat moment is de werkelijkheid als beeld en dus ook als bewustzijn een in toenemende mate verwaarloosde en steeds meer afgewezen zaak. Omdat men het dan niet meer weet ontstaat het gevoel dat men het wel had kunnen weten. In dat gat in de markt zijn het christendom en de islam maar al te graag gesprongen. Zij zijn onmiddellijk begonnen de lagere mensen te onderwerpen en daarbij speelden zij gewetenloos in op dat vage gevoel van schuld. Het universele, vage schuldgevoel kreeg vanuit de godsdienst schijnbaar een inhoud: de schuld was er een tegenover god omdat er niet volgens zijn geboden geleefd en gehandeld werd - zeker niet door die lagere, stoffelijk ingestelde ploeteraars die nog steeds niet wilden erkennen dat men niet bij brood alleen behoort te leven. Het was derhalve voor die sloebers zaak om de voorschriften en geboden van de vertegenwoordigers van god nauwgezet op te volgen teneinde de schuld gedelgd te krijgen. Wat is er toen gebeurd? Het verwaarlozen van de zich afspiegelende werkelijkheid als beeld, met als gevolg dat men niet naar beste weten leeft en handelt, werd geniepig verdraaid tot ongehoorzaamheid aan god, en omdat deze verdraaiing zo bedrieglijk dicht bij de werkelijke situatie ligt werd het verschil niet gezien zodat men er gretig intrapte... De culturele wurggreep op het geweten van de mensen heeft onvoorstelbaar veel leed aangericht en doet dat vandaag nog. Omdat de godsdienstige folteraars daarbij laaghartig een schuldbegrip hanteren is het voor het filosoferen moeilijk en zelfs gevaarlijk over het filosofische begrip schuld na te denken.

De kans om daarbij ongemerkt af te glijden naar a) een denken in hoger en lager en b) een denken in meer of minder schuldigen is dan levensgroot aanwezig. Wat dit laatste betreft: het is opvallend hoezeer dit nog steeds plaatsvindt. Vrijwel iedereen ziet moeiteloos kans om de schuld van allerlei maatschappelijke en politieke mislukkingen bij de gewone mensen, het volk, de massa, het proletariaat en dergelijke te leggen. Omdat die mensen bier zitten te drinken bij de televisie gaan zij niet meer naar protestvergaderingen om te pogen de regering en het kapitalisme te breken, beweert men onder andere. Steeds weer krijgen de mensen de schuld, ze zijn apathisch, materialistisch, dom, lui; ze kennen geen hogere waarden, ze consumeren maar en ze missen een ideologie en ze hebben het te goed... Dit zijn allemaal uitingen van een denken in hoger en lager, tezamen met schuld. Dat denken vindt vooral plaats bij de bovenlaag, maar ook bij de goedbedoelende, wat meer ontwikkelde, arbeiders van vroeger. Menig politiek denkend iemand vindt trouwens nog steeds dat de wereld zou veranderen als de mensen gezamenlijk de straat op zouden gaan en revolutie zouden maken. Inderdaad zou alles veranderen als iedereen zoiets zou doen, maar daarom gaat het niet. Het gaat om het feit dat automatisch en betrekkelijk liefdeloos aan iedereen verweten wordt niet geÔnteresseerd te zijn in de goede zaak. Met zo'n verwijt echter stelt de mens zichzelf als schuldige en als lagere en door dat te doen vertekent hij de werkelijke verhoudingen, met onder andere als gevolg dat hij voorlopig ook als individu nog lange tijd het slachtoffer van allerlei louche praktijken van hogergeplaatsten zal zijn. Juist die schuldige, die ook nog van lager allooi is, is typisch de onvolwassen mens, die voortdurend ondergeschikt is aan van alles en nog wat, maar zelden aan iets goeds!

No. 161

Het schuldbegrip waarom het nu gaat heeft als kenmerk het niet- verwijtbare, de omstandigheid dus dat de mensen er niets aan kunnen doen dat zij handelen zoals ze handelen en tegelijkertijd, op grond van het voor iedereen gelden van het bewustzijn en de werkelijkheid als beeld, toch beter hadden kunnen weten. De mogelijkheid om beter te kunnen weten berust niet op kennis, maar op zien van datgene dat zich aan de voorstelling afspiegelt, dus: de werkelijkheid als beeld. Vanaf het moment echter dat iemand iets bedacht heeft aan dat beeld en daarvan mededeling heeft gedaan kun je ook van kennis spreken en dan treedt al spoedig de situatie op dat bepaalde handelingen wel degelijk verwijtbaar zijn geworden. Vanzelfsprekend is daartoe een vereiste dat bedoelde tot kennis geworden mededelingen een algemeen aanvaard karakter hebben gekregen. Een voorbeeld daarvan is de afschaffing van de slavernij in de vorige eeuw: na verloop van tijd werden de aanvankelijk bij slechts enkelen levende inzichten omtrent de onmenselijkheid van slavernij gemeengoed en vanaf dat moment werd het handhaven van de slavernij verwijtbaar, al spoedig ook juridisch. Zo pretenderen wetgevers dat zij al bij voorbaat het recht hebben de mensen dingen te mogen verwijten, louter op grond van het feit dat een heel complex van handelingen en gedragingen nauwkeurig in de wetboeken als wel of niet afkeurenswaardig en strafbaar beschreven staat. Ze stellen zonder meer dat iedereen geacht wordt de wet te kennen, op grond waarvan zij het redelijk vinden de mensen onder omstandigheden van allerlei te verwijten. Zonder het al bij voorbaat als verwijtbaar stellen is inderdaad de wet niet te handhaven, maar het is natuurlijk wel de vraag in hoeverre die zogenaamde wet redelijk is, dat wil zeggen: een getrouwe weergave is van datgene dat zich aan de voorgestelde werkelijkheid afspiegelt, dus uitdrukking is van de werkelijkheid als beeld.

Inzake de vraag of het begrip schuld al of niet samengaat met het begrip verwijtbaarheid kun je ook bij de filosofie interessante voorbeelden vinden. Vooral vind je die bij de filosofie uit de tweede helft van de 18e en het begin van de 19e eeuw, toen de filosofen nog in belangrijke mate universele geleerden waren, die verstand hadden van nagenoeg het gehele terrein van de toenmalige wetenschap. Als eerste denk je dan aan Johann Wolfgang (von) Goethe (1749-1832), maar ook aan de Idealistische filosofen, met als belangrijkste vertegenwoordigers Immanuel Kant (1724-1804) en Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831). Er zou niets aan de hand zijn als zij zich als filosofen bij de grondslagen van de filosofie hadden gehouden, onder andere deze om geen wetenschappelijke uitspraken te doen, vanwege het feit dat die slechts over voorlopige waarheden gaan. Zij hadden beter moeten weten, maar toch deden zij dergelijke uitspraken, hetgeen voor latere vakgenoten aanleiding is geworden hen niet helemaal serieus te nemen - wat overigens ook niet van veel filosofisch inzicht getuigt. Een ander voorbeeld van beter kunnen weten, zeker voor een filosoof is het volgende: toen Hegel tot de filosofische slotsom kwam dat de mensheid onvermijdelijk in een zich breed makende middelmaat zou vastlopen als het democratische denken zich zou doorzetten, maar dat het - indachtig het Pruisische voorbeeld - gelukkig in de rede lag dat er in de toekomst verlichte vorsten zouden zijn die de mensen voor zouden gaan op de weg naar het goede, waren er tegelijkertijd elders in het westen al denkers die via het socialisme naar de vrije individu wilden. De socialistische Graaf de Saint-Simon (1760-1825) bijvoorbeeld propageerde de gloednieuwe Amerikaanse vrijheidsidealen, weliswaar niet zonder christelijke elementen, en Francois Fourier (1772-1837) bepleitte levensgemeenschappen waarin ieder individu naar eigen kunnen en in volle vrijheid zou werken aan het geheel.

Zonder te willen beweren dat deze en dergelijke denkers nu zo helder over de mens als individu dachten, is toch staande te houden dat zij maatschappelijk meer inzicht in de (westerse) mens en zijn ontwikkeling hadden dan genoemde filosofen, die over het algemeen niet verder kwamen dan het ouderwetse Du sollst van Kant (de zogenaamde Categorische Imperatief). De werkelijkheid als beeld, voor zover die door de mensen afgelezen wordt aan hun eigen voorstelling van de werkelijkheid, roept dus de niet- verwijtbare schuld op. Er is een kwalitatief verschil tussen het beeld en de voorstelling, waarbij de verhouding zo ligt dat het beeld de werkelijkheid afspiegelt en de voorstelling de realiteit weergeeft. Anders gezegd: het beeld is in principe absoluut (=van niets afhankelijk, fundamenteel en onder alle omstandigheden waar), terwijl de voorstelling relatief is (=van velerlei tijdgebonden en plaatsgebonden factoren afhankelijk). Omdat de werkelijkheid als beeld steevast uitdrukking van de absolute werkelijkheid als bewustzijn is kan zij bij de alsnog onvolwassen mensen tot een besef van tekortschieten aanleiding geven, wanneer zij namelijk gesteld wordt tegenover de voorstelling, die immers incidenteel door de mensen zelf gemaakt wordt. Is die voorstelling straks volwassen, dan is automatisch het kwalitatieve verschil tussen beeld en voorstelling opgeheven, en wel omdat beide tegelijkertijd volledig tot hun recht komen. Behalve dat het beleven van het beeld tot een niet- verwijtbare schuld leidt kan er, vaak samengaand met dat algemene schuldbesef, nog iets anders optreden. Ik benoem dat met het begrip liefdesheimwee. Hoe je het echter noemen wilt, het gaat in ieder geval om een verlangen naar die vredige, liefelijke en schone werkelijkheid die de mens onder omstandigheden beleeft aan zichzelf als bewustzijn. Dat beleven echter moet op de een of andere manier gestalte krijgen en daardoor opgeroepen worden. Op zichzelf leidt het slechts tot het door mij besproken vage schuldbesef, maar via iets of iemand kan het wakker worden en dan komt het voor de dag als houden-van.

Dat wil zeggen: men gaat houden van datgene of diegene die in het teken van die schone wereld van het bewustzijn staat. Dat houden-van wordt gekarakteriseerd door heimwee, een terugverlangen naar iets dat mooi en goed was. Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) was iemand van wie de mensen gingen houden, zozeer zelfs dat hij door menigeen als de verlosser werd gezien. Zijn charisma kwam voort uit zijn vermogen de mensen te confronteren met de werkelijkheid als beeld. Hij hield de arme sloebers, vernederd, vertrapt en uitgebuit, voor dat de wereld hun wereld is en dat het slechts een daad van willen zou zijn om die wereld op slag in een goede te veranderen. Uiteraard legde hij voortdurend de nadruk op de fundamentele vrijheid van alle mensen en ook op het feit dat verandering van de wereld een kwestie van een ander besef is en zeker niet in de eerste plaats een politieke zaak, zoals de toenmalige socialistische voorman Pieter Jelles Troelstra (1860-1930) verkondigde. Domela vertegenwoordigde datgene waarvan ik gezegd heb dat de mensen beter hadden kunnen weten, zonder dat hen verweten kan worden dat zij niet beter wisten. Zo werd hij symbool voor een goede, vrije en rechtvaardige (anarchistische) wereld. Het liefdesheimwee heeft overigens alles met de werkelijkheid als bewustzijn te maken en daarom is het zaak die werkelijkheid goed te leren begrijpen. Als het evenwel gaat over het schuldbesef waarop de godsdiensten speculeren dan is voor de werkelijkheid als beeld god ingevuld en de voorstelling wordt vervangen door het verschijnsel, dat wil zeggen: de samengeklonterde materie. Zo krijg je de tegenstelling tussen god en mens, logisch voorzien van een nimmer in te lossen schuld.

Bladwijzers: KANT- nrs. 01 , 02 , 03 , 04 , ;

No. 162

Loutering-1Louteringsproces-2

Uit de Griekse cultuur is het begrip Eros bekend. Dat begrip is goed te vertalen met liefdesverlangen. Dat echter is niet precies hetzelfde als wat ik bedoel met liefdesheimwee, hoewel toegegeven moet worden dat het verschil nogal subtiel is. Het begrip liefdesheimwee houdt een terugverlangen in, en wel naar zichzelf als bewustzijn. Dat is een terugverlangen naar een werkelijkheid waarvan je wel moet houden, het is zoiets als heimwee naar huis of naar de moederlijke veiligheid en warmte. Uiteraard is dat heimwee qua menselijke ervaring een psychische zaak, maar als je je afvraagt wat de essentie van het liefdesheimwee is, dan moet het antwoord zijn dat het om de werkelijkheid als bewustzijn gaat. Bij het begrip Eros gaat het om het liefdesverlangen, in die betekenis dat er een uitzien is naar een toekomstige situatie waarin de nu nog uiteen zijnde grootheden het een en het ander harmonieus ineen zullen zijn. Het verlangen van Eros is dus vooruit gericht en heeft betrekking op het een buiten en naast het ander, terwijl het liefdesheimwee daarentegen gekenmerkt wordt door zijn achterwaarts gericht zijn en het feit dat de grootheden het een en het ander in een eeuwig onveranderlijke toestand van ineen-zijn verkeren. Je zou hier kunnen spreken van een oertoestand. Overigens moet voor alle duidelijkheid opgemerkt worden dat het begrip ineen-zijn hetzelfde is als het begrip liefde. Bovendien is er nog het volgende van te zeggen: het terugverlangen naar een oertoestand moet niet in historische zin opgevat worden, als zou het gaan om een toestand waarin de mensheid ooit in het verleden verkeerde. Je zou dan kunnen denken aan de oudheid en datgene dat ik daarvan gezegd heb in verband met het feit dat de werkelijkheid als bewustzijn toen bij de mensen op de voorgrond lag. Zou het daarom gaan, je zou van een algemeen cultuurbesef moeten spreken, een besef dat vaag op de achtergrond van het leven meespeelt. Het begrip liefdesheimwee echter slaat op iets dat de individuele mens ondergaat.

Het heeft betrekking op vroegere momenten van het eigen persoonlijke leven, en dat zijn dan momenten waarin men een gevoel van geborgenheid, van warmte en van liefde ondergaan heeft. Je kunt het onderscheid ook nog op een andere manier uitdrukken. Het begrip Eros berust eigenlijk op een idee, en wel een die voortkomt uit een begrip, namelijk het begrip liefde oftewel ineen zijn. Als idee is er van een zelfbewuste zaak te spreken, zij het dan een zelfbewuste zaak die op de werkelijkheid als bewustzijn gericht is. Volgens die idee zal het uiteen zijn van het een en het ander straks, als een soort van slotakkoord van de werkelijkheid, overgaan in ineen-zijn. Naar die toestand kan men verlangen. Het begrip liefdesheimwee evenwel is een psychische zaak. Het betreft een verhouding in en van de werkelijkheid die zich in een mens heeft laten gevoelen. Die verhouding behoort tot het begrip bewustzijn. Ter wille van de duidelijkheid kun je ook spreken van een zich herinneren van eigen bewustzijnstoestanden. Denkend aan Domela Nieuwenhuis kun je zeggen dat hij geen vroegere perioden van de mensheid opriep, maar individuele herinneringen aan vroegere sferen en gevoelens. Omdat die in het verleden beleefd zijn kan de zaak wakker geschud worden en als het ware bewust gemaakt. In de Russische cultuur (misschien beter: de Slavische cultuur) speelt het liefdesheimwee trouwens een grote praktische rol. In dagelijks leven en kunst valt een bijzondere warmte op, opvallend omdat die bij de westerse cultuur ontbreekt. Je kunt bijvoorbeeld denken aan schrijvers als Maxim Gorki (De bittere, 1868-1936) in verhalen als Barrevoeters en Onder de levenden. En aan het gehele werk van Fjodor Dostojewski (1821-1881). Je kunt denken aan componisten als Modeste Moessorgki (1839-1881), de vele schilders van iconen en de gigantische schat aan volksmuziek en kerkmuziek.

Alles is doortrokken van een niet te definiŽren warmte. Dat blijkt onder andere ook uit het feit dat de Russische mens het besef heeft dat een misdadiger in de eerste plaats een ongelukkige is die recht heeft op medelijden en dat hij pas in de laatste plaats iemand is die gestraft moet worden. De verbanning naar SiberiŽ is dan ook niet zozeer een straf - hoewel de misdadigers ongewoon hard en onmenselijk werden aangepakt als wel een loutering om via bewustwording van de schuld te komen tot boete. Hierbij kun je denken aan de roman Schuld en boete (misdaad en straf) van Dostojewski (1866). De warmte in de Russische cultuur behoort bij het liefdesheimwee. Omdat dit heimwee betrekking heeft op de werkelijkheid als bewustzijn heeft de Russische cultuur ook in sterke mate een religieuze sfeer. De Russische mens verlangt steeds terug naar datgene waarmee hij wezenlijk een eenheid vormt en dat is voor hem het goddelijke, gepersonifieerd in Christus van wie hij zegt dat die werkelijk tussen het volk in leeft. De door mij besproken schuldeloze schuld en het liefdesheimwee zijn, ieder op eigen wijze, gevolgen van het zich afspiegelen van de werkelijkheid als bewustzijn aan de werkelijkheid als voorstelling en beide zijn er omdat het bewustzijn, vergeleken bij de voorstelling, niet goed uit de voeten kan zolang de mens nog Onvolwassen is. Je kunt ook zeggen dat bij de onvolwassen mensen de voorstelling domineert over het beeld. Om te weten wat er in deze situatie voor de mens verloren gaat en om tegelijkertijd te weten hoe het leven voor de mensen zou kunnen zijn, is het goed om nog eens opnieuw de werkelijkheid als bewustzijn te bekijken. Dan herinneren wij ons dat voor elk levend wezen, van het meest onaanzienlijke eencellige verschijnsel tot en met het meest innig samenhangende verschijnsel mens, het begrip bewustzijn geldt. Dat bewustzijn vertoont zich, in het kort gezegd, als een zich reactief gedragen ten opzichte van de buitenwereld.

Dat zich gedragen geschiedt zomaar vanzelf (domweg!) , maar bij de mens is de situatie zo dat hij er weet van heeft - zonder dat dit overigens betekent dat iedereen van dit feit op de hoogte is. Dat de mens weet heeft van zichzelf als bewustzijn komt voort uit de situatie zelfbewustzijn die typerend is voor het verschijnsel mens. Ik zal daar nog uitvoeriger op terugkomen, maar op dit moment is van belang in te zien dat het zelfbewustzijn er de oorzaak van is dat de mens (in principe) alle begrippen kent die voor het bewustzijn gelden. Beter is het echter om meteen al te begrijpen dat de van nature ontstane verhoudingen binnen de situatie bewustzijn voor de mens geworden zijn tot begrippen, die als zodanig door hem geweten (kunnen) worden. Dat weten verdient enige toelichting; in onze westerse cultuur heeft het begrip weten automatisch tot inhoud dat men ervan op de hoogte is hoe iets zit, uiteraard als resultaat van analyse. Het is echter aan te raden hiervoor het begrip kennen te gebruiken en het begrip weten te reserveren voor zelfbewustzijn van datgene dat ergens voor geldt. In deze zin weet de mens van de verhoudingen binnen het bewustzijn - ook al is hij desnoods totaal niet op de hoogte van het hoe en waarom. Dit weten van het bewustzijn leidt ertoe dat de begrippen van het bewustzijn, zoals samenhang, harmonie, schoonheid, warmte en dergelijke, van toepassing worden gebracht op de concrete werkelijkheid van de verschijnselen, dus op het heelal. Dit heelal, als een zogenaamd objectieve zaak, echter beantwoordt helemaal niet aan die begrippen. Het is de mens die zelf die begrippen projecteert op de verschijnselenwereld en er dus meteen iets anders van maakt. Dat andere is niet fout, het betreft wel degelijk de werkelijkheid, maar dan anders..

Loutering-1Louteringsproces-2

No. 163

Antropologie ; Antroposoof ;

Het verlangen naar ineen-zijn, historisch uitgedrukt in voorstellingen van een toekomstig paradijs of, in evangelische termen, van het koninkrijk Gods is een van de mogelijkheden waarin het voor de mens kenbaar zijn (het zelfbewust ervaren) van de zich afspiegelende werkelijkheid als bewustzijn uitloopt. Een andere mogelijkheid is het terugverlangen naar vroegere ervaringen en dat heb ik liefdesheimwee genoemd. Als derde heb ik ook melding gemaakt van een schuldgevoel dat gevolg is van het zich laten gelden van het feit dat een mens vaak tekortschiet omdat hij beter had kunnen weten. Al deze verschijnselen hebben betrekking op de verhouding tussen het bewustzijn, het beeld als een zich aan de voorstelling afspiegelend bewustzijn en de voorstelling zelf. Deze mogelijkheden doen zich universeel voor: daar waar sprake is van een mens is ook sprake van die symptomen, althans als het over de vooralsnog onvolwassen mens gaat. Dat geldt dus over de gehele wereld. Een andere vraag is echter hoe die symptomen onder omstandigheden voor de dag komen in de ene cultuur en hoe in de andere. Uiteraard kent dat zich manifesteren grote tijdelijke en plaatselijke verschillen. Om die te leren kennen moet je niet bij de filosofie zijn, maar bij een of andere onderzoekswetenschap, zoals de sociologie, de antropologie of iets dergelijks. Ook wat dit betreft kun je weer opmerken dat het filosofisch geen zin heeft opsommingen te geven van symptomen bij bepaalde mensen of groepen. Tegenover elk voorbeeld staat steeds een tegenvoorbeeld. Binnen het kader van deze en dergelijke op symptomen berustende verzamelingen is niet te achterhalen waarvan die symptomen het gevolg zijn omdat elke groep van verschijnselen weer anders is.

Dit is trouwens een van de grootste bezwaren die je kunt aanvoeren tegen de moderne opvatting dat wetenschappelijk massaonderzoek het monopolie heeft om inzicht te verschaffen in de werkelijkheid. Het verzamelt in feite alleen maar symptomen! Vooral in de Russische cultuur komen de genoemde drie mogelijkheden van reactie op de werkelijkheid als beeld op velerlei betrekkelijk gemakkelijk herkenbare wijzen voor de dag. Dat hangt samen met het, bij andere gelegenheden door mij onderbouwde, feit dat de Russische mens de aanleg heeft om straks de qua cultuur volwassen mens te worden en als zodanig de westerse mens op te volgen. Het begrip volwassenheid geldt voor een mens voor wie het, zich op de wijze van het beeld aan de voorstelling afspiegelende, bewustzijn richtinggevend is voor zijn leven. Omdat dit als aanleg in de Russische mens leeft vertoont hij zulke merkwaardige verschijnselen, zoals die vooral in de literatuur en de oorspronkelijk Russische muziek tot uitdrukking komen. Tot die verschijnselen behoort niet het maatschappelijke en individuele getob dat tot voor kort door de zogenaamd marxistische ideologen als het toppunt van socialisme en communisme werd gepropageerd. Dat getob heeft zich als een vreemde zaak over de sluimerende Russische cultuur heen gelegd. Het kan niet genoeg beklemtoond worden dat de revolutie van 1917 van westerse aard was; de overwinnaars van de revolutie waren allemaal westers geschoolde en westers denkende figuren die slechts in zoverre Russen waren dat zij Russische ouders hadden en dat zij hun toekomstvoorstellingen op het Russische volk projecteerden - vaak zonder dat volk echt te kennen en ervan te houden... Op het ogenblik is nog niet duidelijk in hoeverre die Russische aanleg zich onder het aan haar vreemde Leninisme verder ontwikkeld heeft, maar dat die aanleg zich doorzet staat logischerwijs vast! Dostojewski vertelt van een tweetal boeren die zich bij hun hut tegoed deden aan grote hoeveelheden wodka.

Met het toenemen van hun dronkenschap gingen zij elkaar tot steeds sterker staaltjes van moed uitdagen, totdat op zeker moment de een de ander uitdaagt om op een Christusicoon te schieten. Natuurlijk liet deze zich dat geen twee keer zeggen en dus schoot hij op de icoon... om zich op hetzelfde moment te realiseren dat hij iets verschrikkelijks gedaan had. Hij was niet te troosten en dus besloot hij zichzelf een zware straf als boetedoening op te leggen. Nu is het merkwaardige dat in zo'n geval de westerse mens na zou gaan hoe die schutter tot zijn daad gekomen is en dat vervolgens als verklaring aanvoeren. Zo niet de Russische geest: hoe iets gekomen is verklaart niets en is dus niet van belang, slechts de misdaad als zodanig geldt. Daaraan is men schuldig, men had beter kunnen weten en dus is men tekort geschoten. Men heeft een schone en goddelijke waarheid aangetast. In Dostojewskiís roman Boze geesten komt de ingenieur Kirilov voor. Deze zoekt het ineen-zijn van alle dingen, door hem verwoord in termen van gelijk worden aan god. Dit liefdesverlangen meent hij te kunnen bevredigen door zelfmoord te plegen. Zo'n zelfmoord is niet, zoals binnen de westerse cultuur voor de hand zou liggen, een willen ontsnappen aan ellende, wanhoop en verdriet, maar het is een ergens willen zijn, namelijk in de werkelijkheid als ineen-zijn. Kirilov wil bij god zijn, net als trouwens de typisch Russische drinker die zich letterlijk naar god drinkt en die zich daarbij geen beperkingen oplegt en ook niet beschaafd aan zijn glaasje nipt, maar zo snel mogelijk van de kaart wil zijn. Zo zijn er talloze voorbeelden te geven van merkwaardige Russische symptomen van reacties op de werkelijkheid als beeld. Er is bijvoorbeeld ook een gelijk opgaan van diepe gelovigheid en helder rationeel atheisme. Dit is mogelijk omdat de Russische mens alle schone verhoudingen die voor het bewustzijn gelden en die hij aan het zich afspiegelende beeld beleeft zowel als hoger, ruimer en verhevener als door en door menselijk ondergaat.

Je zou van hem kunnen zeggen dat hij de ware christen is omdat voor zijn besef het (hogere) goddelijke tegelijkertijd het (lagere) menselijke is. In die zin roept hij zijn vrienden en bekenden met Pasen toe: Christus is waarlijk opgestaan. Dit atheisme, dat alweer door Dostojewski schitterend getekend is in de figuur van Iwan Karamazow, is niet te vergelijken met het westerse waarin alle schone verhoudingen van het bewustzijn verworpen en ontkend worden. Dat gehele complex van reacties, waarvan ik genoemd heb schuld, liefdesverlangen en liefdesheimwee is samen te vatten onder het begrip religiositeit. Maar ook nu moeten wij opletten niet de westerse inhoud van dit begrip te hanteren: in het westen betekent het dat je je verbonden weet met de kosmos, het al of een universele geest. Dit begrip verbonden zijn met vooronderstelt echter een scheiding tussen jezelf en dat universele, en daarbij is die scheiding overbrugd door wat ik eerder een relatie genoemd heb. De westerse religiositeit is dus een relationele zaak. Zo niet de Russische, want voor de Rus gaat het om ineen-zijn van jezelf en het universele. In feite is dit Russische religieuze besef als zodanig het enig juiste, waarbij bovendien opgemerkt moet worden dat het nog in sterke mate overeenkomt met het besef van de oudheid. Het Russische gevoel voor communisme, (niet dat van de communistische machthebbers) berust in genoemde religiositeit. Voor de goede orde: het bovenstaande dient eigenlijk alleen maar als illustratie bij diverse symptomen die de mensen vertonen als gevolg van de aanwezigheid van de werkelijkheid als beeld. Maar tegelijkertijd komt er enigszins aan uit dat het volwassen gelden van het bewustzijn een mens oplevert die gegrond is in volkomen andere werkelijkheidsverhoudingen dan de laatste onvolwassen mens, namelijk die van de westerse cultuur, die overigens nog lang niet naar zijn ware aard voor de dag gekomen is.

Antropologie ; Antroposoof ;

No. 164

Voor het leven van de mensen spelen begrippen die uit de werkelijkheid als bewustzijn voortkomen een cruciale rol. Zo heb je de begrippencluster vrouwelijk-mannelijk die in zijn doorwerking naar het dagelijkse leven nogal wat teweegbrengt tussen vrouwen en mannen. Wat dit betreft moet ik evenwel meteen al voor de denkfout waarschuwen dat van genoemde begrippen er een zou zijn die zonder meer behoort bij de vrouw en een die uitsluitend voor de man zou gelden. De gehele cluster behoort bij elk mens, zowel vrouw als man, maar het is wel een feit dat er een belangrijk onderscheid is tussen de verhouding vrouwelijk-mannelijk bij de vrouw en diezelfde verhouding bij de man. Tengevolge van dat onderscheid is er in de praktijk van het leven enerzijds de enigszins aangename spanning van de erotiek, maar anderzijds de bijna steeds gefrustreerde spanning tussen vrouwen en mannen voor zover zij aan zichzelf en elkaar meerwaarden en minderwaarden toekennen. In heel oude tijden, voor zover die bij het hedendaagse onderzoek achterhaald worden, blijken zich complete strijdtonelen afgespeeld te hebben tussen vrouwen en mannen. Bij enkele primitieve stammen komt dat trouwens tegenwoordig ook nog voor, althans zijn er duidelijke restanten van op die strijd berustende zeden en gewoonten terug te vinden. Het zou daarbij gegaan zijn om de pogingen van mannen om de vrouwen een kosmisch en religieus geheim te ontfutselen, het geheim namelijk van het leven en het voortbrengen van leven. Het geheim dus van de Grote Baarmoeder zoals het bezit daarvan toegeschreven werd aan de Magna Mater, de Oermoeder die aan het begin der tijden overal dominant aanwezig was. In zekere zin ook voor vandaag een interessant thema omdat, zoals ik hoop te laten zien, het mannelijke denken er nog steeds op uit is het vrouwelijke en het daarmee corresponderende natuurlijke aan zich te onderwerpen en vervolgens de wet op te leggen.

Niet alleen echter ging het om het afhandig maken van een geheim, maar ook en vooral om het neutraliseren van de macht van de vrouwen om alles in zich te laten verzinken, dat wil zeggen terug op te nemen in de alles omsluitende baarmoeder. Deze brengt het leven voort maar neemt het ook weer in zichzelf op. Dat was voor de mannen buitengewoon bedreigend en dus moest dat gevaar afgewend worden. Deze en dergelijke toestanden waren vroeger geen uitzondering maar regel en daarom kunnen zij met recht als (voorlopig) voorbeeld van intense doorwerking in het dagelijkse leven gesteld worden. Naar alle waarschijnlijkheid heeft de besnijdenis van vrouwen, doorgaans gepaard gaande met het dichtnaaien van de vagina, oorspronkelijk op min of meer symbolische en rituele wijze de bedoeling het onmogelijk te maken dat de baarmoeder alles verzwelgt. Wat dit betreft heeft het zin het boek De roof van het vrouwengeheim te lezen, een studie naar de mythe van de dictatuur der vrouwen en het ontstaan der geheime mannengenootschappen, die Fokke Sierksma (1917-1977) in 1962 het licht deed zien. Afgezien echter daarvan is het ook filosofisch na te gaan dat men het alles omvattende karakter van de werkelijkheid als bewustzijn in het begin der menselijke tijden in hevige mate onderging en onvermijdelijk als bedreigend ervoer. Vanwege het levensbelang van de werkelijkheid als bewustzijn wil ik thans opnieuw nagaan hoe het zit met die werkelijkheid om er achter te komen hoe de verhoudingen tussen het vrouwelijke en mannelijke liggen, niet alleen in de erotiek, de seksualiteit en de liefde (in die volgorde) maar ook binnen het kader van samenleving en maatschappij. Het gaat bij het bewustzijn om de in de levende werkelijkheid aanwezige materiŽle trilling die van zodanige aard is dat de gehele werkelijkheid naar haar algemeenheid, oftewel naar de voor haar geldende trillingsverhoudingen, er in vertegenwoordigd is.

Het gaat dus om de op trillende wijze in de levende materie aanwezige waarachtige werkelijkheid. Hierover heb ik al vaak gesproken, maar het is toch noodzakelijk een aantal zaken nog weer naar voren te halen teneinde een helderder inzicht te krijgen in onder andere de cluster vrouwelijk-mannelijk. Welnu: op een gegeven moment ontstaat er ergens in de ruimte materie, bijvoorbeeld daar waar later ons zonnestelsel zal blijken te zijn. Die materie vooronderstelt ruimte, maar ruimte is niet het eerste wat zich aan de werkelijkheid bedenken laat; de beweeglijkheden zijn het eerste. Wat dit betreft is het aardig om te vernemen dat er op het ogenblik een aantal (theoretisch) natuurkundigen is dat speelt met de idee dat de elementaire materie zou bestaan uit virtuele deeltjes, d.w.z. uitsluitend denkbaar aanwezige en nog niet tot bestaan gekomen ietsen. Bovendien is te wijzen op de Engelse sterrenkundige Fred Hoyle (geb.1915) die de theorie van de continue schepping van materie ontwikkelde, maar die hem helaas in 1966 weer schijnt te hebben laten varen. Hoe dan ook, filosofisch nadenkend kom je in ieder geval tot het ontstaan uit de beweeglijkeden van materie die volhardt in haar bestaan doordat ze zich bevindt in energetische velden, bestaande uit systemen van telkens vijf beweeglijkheden die als systeem energetisch (bewegend) zijn en daarbij een richting hebben. Het zijn gerichte energetische systemen waarvan de in principe chaotisch gerichte energieen vanzelf ruimtelijke patronen gaan vormen. Die ruimtelijke patronen zijn oorzaak van het ontstaan van bouwstenen en daarmee begint het samenklonteren van de materie tot relatief grote verschijnselen. Dat zichzelf samenstellen, dat samenklonteren, kan onmogelijk uitblijven omdat we hier te doen hebben met een onbegrensde tijd en ruimte. Altijd gebeurt het wel ergens en om dezelfde reden gaat zo'n proces onvermijdelijk door totdat niet de grootste, maar de innigste structuur bereikt is en de zaak zich niet verder kan structureren. Op dat moment treedt de verwisselbaarheid op.

Een materiedeeltje bestaat namelijk uit een structuur van drie achtvoudige systemen van beweeglijkheden (brandpunten) waarin samenhang voorkomt, maar ook trilling. Door de optimale innigheid kan zowel de genoemde trilling als de samenhang behoren tot de ene bouwsteen, maar ook tot de andere. Het kan zogezegd zo zijn, maar ook anders. Dit anderszijn houdt een drietal denkbaarheden in: ten eerste is de optimaal innige structuur er aanleiding toe dat het gehele verschijnsel in zichzelf beweeglijk geworden is op de wijze van een totaaltrilling, en ten tweede zijn de afzonderlijke trillingen van de bouwstenen binnen het verschijnsel geworden tot een trillend geheel en ten derde is de samenhang verruimd van een in de bouwsteen beslotene tot een voor het gehele verschijnsel geldende. Het eerste is te herkennen als het levend-zijn van het bedoelde verschijnsel en het tweede als het feit dat dat verschijnsel bewustzijn heeft, terwijl de derde denkbaarheid zich vertoont in het ondeelbaar zijn van het levende verschijnsel. Alle drie deze eigenaardigheden, namelijk levend-zijn, bewustzijn en onverbrekelijkheid gaan noodzakelijk samen. Feitelijk is het zo dat dit allemaal mogelijk is doordat het begrip verwisselbaarheid gaat gelden, hetgeen betekent dat de in de afzonderlijke bouwsteen opgesloten samenhang en trilling zogezegd eigen grenzen te buiten gaan en geldig worden voor de gehele samenstelling, het gehele verschijnsel. Zo gezien is er niets raadselachtigs aan het optreden van het leven, mysterieus is alleen de natuurkundige kant van de zaak: welke stoffen en energieen hebben op welke manier samengewerkt om tot dat levende resultaat te komen? Dit echter heeft betrekking op de vraag hoe het daartoe gekomen is, terwijl wij ons filosofisch moeten afvragen hoe het zit.

No. 165

Er zijn in feite drie zaken aan de optimale combinatie van bouwstenen te onderscheiden: ten eerste heb je die totaaltrilling die zich manifesteert als het levend-zijn van het verschijnsel; ten tweede is daar de trilling als geheel die wij als bewustzijn onderkennen; ten derde heb je te maken met de samenhang die van het levende verschijnsel (de cel) een ondeelbaarheid maakt. Door het optreden van de verwisselbaarheid zijn de in de bouwsteen besloten trillingen niet langer aan zichzelf bepaald maar zijn zij in het teken van het anderszijn komen te staan. Het begrip het andere is ervoor gaan gelden, omdat van die trillingen is te zeggen dat ze zo kunnen zijn, maar ook anders. Voor zover ze afwisselend zo zijn vormen zij met elkaar de totaaltrilling en voor zover zij tegelijkertijd anders zijn vormen zij een eenheid, namelijk de trilling als geheel. Dat geldt ook voor de samenhang die aanvankelijk eveneens in de bouwsteen opgesloten was, maar die in het optimaal innig samengestelde verschijnsel op de manier van verwisselbaarheid gaat optreden. Daardoor ontstaat een stapsgewijze samenhang in het verschijnsel, die symbolisch is weer te geven in de volgende cyclus: A-B-C>B-C-D>C-D-E enzovoort. Samenhang bevindt zich uitsluitend opgesloten binnen de structuur van de bouwstenen, namelijk in de dubbelverhouding B-A en B-C (als B het centrale brandpunt is van de bouwsteen A-B-C) en ook en vooral is samenhang te vinden in de levende cel. Samenstellingen van meerdere cellen, dus organismen, kennen ook een inwendige samenhang, eveneens uit te drukken in bovengenoemde cyclus. Buiten deze drie mogelijkheden, namelijk bouwstenen, cellen en organismen, is er in het materiele heelal geen samenhang. De hemellichamen derhalve hangen niet, zoals velen menen, samen en diegenen die vinden dat dit wel het geval is bezondigen zich aan holistische romantiek.

Wel echter maken alle hemellichamen deel uit van een gigantisch kosmisch netwerk van relaties, dat ongetwijfeld veel verfijnder is dan het wetenschappelijk onderzoek tot nu toe aan het licht heeft gebracht en de theoretici hebben uitgedacht. Overal zit verband tussen. Dat men, bijvoorbeeld binnen het holistisch denken, overtuigd is van een allesomvattende innerlijke samenhang van het universum komt door een eigenaardigheid van de mens zelf. Op grond daarvan romantiseert hij de feitelijke stand van zaken en maakt er tenslotte iets verhevens van... Wat overigens vergeleken bij de praktijk van het huidige analytisch technologische denken tot een heel wat gezonder wereldbeschouwing leidt. Wat is nu die totaaltrilling? Het is in ieder geval een veelheid van trillingen die op elkaar inwerken omdat zij tot elkaar in steeds wisselende relaties staan. Van een chaotisch bewegen, ieder naar eigen goeddunken, is volstrekt geen sprake. In tegendeel: de zaak is door en door gecoŲrdineerd. Elke beweging wordt mede bepaald door de andere bewegingen. Een dergelijke totaalbeweging, veroorzaakt door van elkaar afhankelijke en op elkaar inwerkende trillingen, kun je benoemen met het begrip stroming. Het opmerkelijke van dit begrip is dat het gaat over iets dat getrouw zichzelf blijft en tegelijkertijd in zichzelf nooit een situatie herhaalt. Dus: in zichzelf steeds anders is. De oude Griekse wijsgeer Herakleitos (ca.500 v.o. j.) placht te zeggen dat je niet tweemaal in dezelfde rivier kunt baden. Volgens Plato zou hij opgemerkt hebben dat alles stroomt: panta rhei!

Bij de totaaltrilling is het uitgangspunt dat er afzonderlijke trillingen zijn die tot elkaar in relatie staan. Je hebt het hierbij dus over de trillingen en de wijze waarop die tenslotte met elkaar in verband staan. De stroming is uiteraard een kwantitatieve zaak en die berust op een verschijnsel van een zeer bepaalde structuur, namelijk de meest innige. Gaat het echter over de trilling als geheel, dan spreek je over de samenstelling, het volledige verschijnsel, zelf. Het verschijnsel dat als een enkelvoudige cel voor de dag komt. Voor dat verschijnsel geldt dat de er in aanwezige trilling een geheel is. De verwisselbaarheid geldt, zoals al eerder opgemerkt, ook voor de samenhang zoals die in de bouwsteen in een dubbelverhouding aanwezig is en nu door het gehele optimaal innige verschijnsel (de cel) heenloopt. Dit doortrokken zijn van samenhang leidt ertoe dat de cel niet deelbaar is. Het niet-deelbaar zijn echter betekent niet dat de cel niet stuk te maken zou zijn. Zoals bekend is dat wel degelijk te doen en het is zelfs betrekkelijk gemakkelijk. Doe je dat echter, dan is de cel niet meer levend en de te voorschijn gekomen brokstukken hebben niets meer gemeen met de oorspronkelijke cel. Het is wat biochemische rommel.. . Een steen daarentegen levert bij het stukmaken nog altijd stenen op en pas bij atomaire splijting verliest de steen zijn specifieke eigenschappen. De samenhang binnen de cel is dus in zoverre opmerkelijk dat zij essentieel is voor de cel, maar zij is toch niet zodanig aanwezig dat zij het stukmaken van de cel onmogelijk maakt. De oorzaak hiervan is gelegen in het feit dat wij te doen hebben met een stapsgewijze samenhang: er is samenhang omdat telkens het een met het ander samenhangt. Zoals ik al eerder heb laten zien treedt het begrip samenhang op waar twee brandpunten met elkaar vervloeien. De achtledige systemen, die die brandpunten vormen, smelten met elkaar samen via een vrije beweeglijkheid die zowel bij de ene als bij de andere behoort. Deze fundamentele samenhang is niet te verbreken. Interessant is dat de mensen altijd al aangevoeld hebben dat samenhang onverbrekelijk is: zij hebben het over het eeuwige van de liefde gehad en over wat god samengebracht heeft zal de mens niet scheiden. Zou iets dergelijks bij de levende cel uitsluitend het geval zijn, zij zou absoluut onaantastbaar zijn.

Dat is echter niet zo, en wel omdat zij ontstaan is als een steeds inniger wordende structuur van relaties, namelijk de samenklonterende bouwstenen, die samenklonteren omdat zij aan elkaar beweeglijkheid neutraliseren. Je kunt daarom van de cel zeggen dat zij een netwerk van relaties is dat zich als een weefsel van samenhangen laat gelden. Primair is dus dat netwerk. Ik had het over de holistische romantiek. Dat is niet bedoeld als een sneer naar het holisme, maar gewoon als een constatering van een feit. Holisten zijn tot de overtuiging gekomen dat in het universum alles met alles samenhangt en op zo'n manier een geheel vormt. Deze overtuiging blijkt echter niet met de feiten overeen te komen, en toch is te zeggen dat de essentie van het holisme juist is. Hoe zit dat? Het antwoord is gelegen in het gelden van de werkelijkheid als bewustzijn. Het kenmerkende van het bewustzijn is dat het op trillende wijze de gehele werkelijkheid als een geheel inhoudt. Het heeft namelijk genoemde totaaltrilling als inhoud. Binnen het levende verschijnsel is de werkelijkheid dus een in alle opzichten samenhangend geheel. Voor de planten en de dieren is dat een ongeweten vanzelfsprekendheid, maar voor de mensen is het letterlijk een opmerkelijk feit dat er toe leidt dat hij op een zeker moment een conclusie trekt: de werkelijkheid is een samenhangend geheel. Inderdaad is zij dat, namelijk binnen de werkelijkheid als bewustzijn. Zij is een geheel voor de mens. Denkt die mens nu dat de realiteit zo is, dan geeft hij zich over aan romantiek. Het begrip romantiek is van toepassing als en voor zover men bewustzijnsbegrippen, zoals schoonheid, liefde en dergelijke, van toepassing acht op de verschijnselenwereld. Het samenhangen binnen het menselijke bewustzijn leidt er voor de mens toe dat hij zichzelf zinvol in de werkelijkheid een plaats kan geven, en daarmee ook alles waarmee hij voor de draad komt, zoals zijn wetenschap, zijn technologie, zijn maatschappij en zijn samenleving.

No. 166

Astrologie-1,hoe zit dat?Astrologie-2 ;vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; vervreemding-3 ; vervreemding-4 en vervreemding-5 ;

Er zijn denkers die vinden dat het universum een volledig in zichzelf samenhangende heelheid is, zo ongeveer zoals een levende cel een onverbrekelijke eenheid is. Zij gaan daarbij vaak zover dat zij het universum als een organisme opvatten, dat wil zeggen: een door zichzelf en in zichzelf georganiseerd samenhangend ondeelbaar systeem. Een dergelijke opvatting is tegenwoordig tot op zekere hoogte populair en dat is eigenlijk wel goed omdat er dan in ieder geval een tegenwicht is tegen het in de wetenschap dominante positivistische denken. Er is zich een sterke reactie op dat eenzijdig analytisch autoritaire moderne denken aan het ontwikkelen, voorlopig evenwel nog vrijwel uitsluitend vanuit de hoek der holisten en New age denkers. Hun beweringen zijn volstrekt in strijd met het in onze cultuur geldende denken en de daarmee overeenkomende opvattingen en theorieŽn. Daarin speelt namelijk het begrip samenhang helemaal geen rol, behalve als een ander woord voor de begrippen verband, relatie en dergelijke. Op de een of andere manier speelt de samenhang in dat nieuwe denken echter wel een rol. Iets anders is evenwel enerzijds de vraag of die gedachte omtrent een in alles samenhangend universum wel juist is en anderzijds de vraag of de door de wetenschappers gewoonlijk ingebrachte tegenargumenten nu wel zo houdbaar zijn. Een voorbeeld van zowel het een als het ander vind je bij de astrologie. De astrologen beweren dat er een innige en veelbetekenende samenhang is tussen bepaalde hemellichamen en de individuele mens. Die samenhang zou bovendien na te rekenen zijn en in bepaalde waarden uit te drukken. Bepalend daarbij is, vreemd en onlogisch genoeg, het moment van je geboorte. De stand van de hemellichamen (de dierenriem) op dat moment maakt uit hoe je karakter is en hoe je toekomst zijn zal.

Volgens mijn gedachtegang op grond van de werkelijkheid als beweeglijkheden is wat de astrologen beweren absoluut onmogelijk, maar het gaat er nu om hoe de wetenschappers reageren. Zij beweren dan: a) er is nooit iets van samenhang gebleken, b) de afstanden zijn te groot om wat dan ook op de planeet te laten inwerken, c) de astrologische theorie stamt uit de grijze oudheid en is dus achterhaald en d) de resultaten van de astrologie, voornamelijk bestaande uit horoscopen, zijn niet verschillend van willekeurige uitspraken en toevallige overeenkomsten van gebeurtenissen. Al deze argumenten van de zijde van de wetenschap zijn ondeugdelijk omdat er van alle te zeggen is dat er wellicht nog onvoldoende of op verkeerde wijze uitgevoerd onderzoek achter staat. En wat punt d) betreft: misschien zijn de huidige bekende astrologen niet voldoende thuis in hun vak of zien zij nog steeds bepaalde grootheden over het hoofd. Trouwens, punt b) is ook interessant. Diezelfde wetenschappers bouwen namelijk deeltjesversnellers, voor het nemen van proeven met elementaire deeltjes, zo diep mogelijk onder de grond om de invloed van allerlei kosmische achtergrondstraling te neutraliseren. Maar de afstanden waren toch te groot? En er was toch nooit iets van inwerking gebleken? Kortom, er is op grond van het bovenstaande geen reden om de astrologen belachelijk te maken. Pas wanneer de wetenschappers laten zien hoe het nu wel zit, mogen zij zich over de astrologie vrolijk maken. Dat is de eerste reden om de astrologen, wetenschappelijk bezien, serieus te nemen - hetgeen niet betekent dat zij gelijk hebben, maar wel dat zij op een behoorlijke wetenschappelijke bestrijding recht hebben. De tweede reden is, zoals eigenlijk al gezegd, dat er door deze en dergelijke mensen een appŤl wordt gedaan op een andere wijze van benaderen van en denken over onze werkelijkheid. Een appŤl dat broodnodig is!

Het gaat namelijk hier om dat al die uitspraken over een samenhangende werkelijkheid, hoe idioot ze op zichzelf desnoods ook zijn, verwijzen naar een essentiŽle verhouding in de mens die juist in onze tijd zo verdrongen is dat de rampzalige gevolgen daarvan steeds meer manifest worden. Je moet bedenken dat ook idiote uitspraken en opvattingen gegrond kunnen zijn op vermoedens van de waarheid. Zo kun je best staande houden dat dominees als regel onzin uitkramen, maar datgene waarover zij denken te spreken is niet alleen geen onzin (de werkelijkheid als het begrip liefde onder andere) maar ook nog iets dat tegenwoordig heel zeldzaam is geworden. Behalve die dominees en enkele kunstenaars heeft niemand het er meer over, zeker niet die lui die zeggen de toekomst voor ons te regelen. Waarom het mij nu almaar te doen is is het feit dat er voor de mens een werkelijkheid geldt waarvoor alles ineen is in een samenhangend geheel, een heelheid, terwijl de uitwendige werkelijkheid (de buitenwereld) op zichzelf niet van zodanige aard is. Die buitenwereld, ook wel genoemd de objectieve werkelijkheid, is niet samenhangend. Wel is het een uiterst verfijnd netwerk van relaties, van verbanden. Binnen de op zichzelf staande verschijnselen komen natuurlijk wel samenhangen voor, namelijk als twee versmolten brandpunten, vervolgens binnen de bouwsteen, binnen de levende cel en binnen het organisme. Maar dit netwerk van relaties, deze buitenwereld, verschijnt aan de mens als een samenhangende heelheid, althans voor zover hij deze wereld beschouwt vanuit zichzelf als bewustzijn. Voor de mens die zichzelf als bewustzijn laat gelden verschijnt het netwerk van relaties als een samenhangend geheel. Tegelijkertijd echter is die zaak niet samenhangend en daarvan komt hij het fijne aan de weet via zichzelf als zelfbewustzijn en bijgevolg ook doormiddel van zijn denken. Het wordt voor hem de werkelijkheid als kennis doordat hij alles gaat onderzoeken, ontleden en ordelijk in rubrieken onderbrengen. Deze werkelijkheid als kennis echter is volkomen in zichzelf verdeeld. De rubrieken waarin de mens zijn kennis gesorteerd en geordend heeft komen bovendien niet overeen met de echte werkelijkheid (een netwerk is wat anders dan een assortiment), maar dekken slechts de voorstelling die de mens er zelf van heeft gemaakt. Er is dus in feite niets met die kennis aan te vangen, zelfs niet als alles ordelijk gerubriceerd is. Dat kun je vandaag al constateren aan twee dingen: ten eerste is de verzameling kennis al lang niet meer te overzien en ten tweede weet vrijwel niemand de afzonderlijke kenniselementen (data) meer in te passen in de werkelijkheid. Als de mens alleen maar de beschikking had over zijn zelfbewustzijn en dus alleen maar in staat was een hoeveelheid kennis te verzamelen zou hij inderdaad daarmee eindigen dat hij zichzelf en de wereld vernietigde. Hij zou immers alles uit elkaar halen! Bovendien zou hij steeds minder in staat zijn zichzelf in de werkelijkheid te herkennen. Hoewel dit laatste al te constateren is bij de moderne mens, en de verwarring en hulpeloosheid almaar groter worden, is het toch niet zo dat de mens niet zou kunnen ontkomen aan dat treurige vooruitzicht. Hij ontkomt er op den duur aan en de aanzet daartoe is het gaandeweg weer geldig worden voor hem van de werkelijkheid als bewustzijn. Er treedt dan namelijk deze situatie op dat al die, als los zand aan elkaar hangende, kenniselementen als vanzelf op hun plaats komen te liggen en daarmee gaan functioneren als uiterst verfijnde nuances in het geheel van de werkelijkheid als beeld, die, zoals we al eerder zagen, de afspiegeling is van het bewustzijn. Voor de planten en dieren is het overigens allemaal zo moeilijk niet! Zij leven gewoon vanuit de samenhang van de werkelijkheid als bewustzijn. Zij halen niets uit elkaar en zij zijn vertrouwd met alles wat tot hun biotoop behoort. Aan vervreemding zullen zij niet ten onder gaan, ondanks het feit dat ook voor hen geldt dat het ene levende wezen het andere niet is en zij qua verschijnsel slechts tot elkaar in relatie staan.

Astrologie-1,hoe zit dat?Astrologie-2 ;vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; vervreemding-3 ; vervreemding-4 en vervreemding-5 ;

No. 167

Als het goed is met de mens, dat wil zeggen als hij volwassen is, voelt hij de buitenwereld anders aan dan zij is; hij ondergaat haar anders, hij beleeft haar anders. Nu is de kans groot dat men deze uitspraak zal beamen omdat men meent dat ik het over het feit heb dat ieders waarneming van de buitenwereld verschilt van die van een ander. Bekend is dat getuigen van een gebeurtenis allemaal iets anders vertellen. Voor een belangrijk deel komt dat doordat ieders waarneming enigszins gebrekkig is. Maar ook is de voorstelling bij iedereen fundamenteel anders. We hebben hier inderdaad te doen met de werkelijkheid als voorstelling, voorkomende als inhoud van het zelfbewustzijn. Maar hierover gaat het nu niet, het gaat over de werkelijkheid als bewustzijn en over het aanvoelen, ondergaan en beleven daarvan. Bovendien gaat het niet over iets gebrekkigs, maar daarentegen juist over iets dat volkomen in orde is: de mens moet de buitenwereld aanvoelen, ondergaan en beleven als een samenhangende heelheid. Het gaat dus nu niet over het anders-ervaren van feiten of gebeurtenissen door een ieder individueel, maar het gaat over het aanvoelen, ondergaan of beleven van een andere werkelijkheid, namelijk een buitenwereld die in strijd met de feiten samenhangend is. Het gaat over de werkelijkheid zoals ze op trillende wijze aanwezig is in de tot leven gekomen materiele verschijnselen. Die werkelijkheid is te definiŽren als een weefsel, in tegenstelling tot de echte buitenwereld die een uiterst verfijnd netwerk van relaties is. Beide werkelijkheden, namelijk in de verhouding weefsel en in de verhouding netwerk, gelden voor de mens. Het feit dat ze van elkaar verschillen berust dus niet op een onvolkomenheid van de mens, maar juist op zijn bijzondere positie in het universum.

Gegeven dit feit moet je je vervolgens afvragen wat nu de verhouding is tussen de werkelijkheid als weefsel en de werkelijkheid als netwerk, oftewel de buitenwereld als binnenwereld en de buitenwereld op zichzelf. Bij het zoeken naar een antwoord op die vraag moet je er op bedacht zijn dat je denkt in termen van de individuele mens, van jij en ik. Denk je onwillekeurig in termen van collectieven, bijvoorbeeld de mensheid of de mens als soortaanduiding, dan is het antwoord niet te vinden omdat de vraag dan niet te stellen is: bewustzijn is individueel, strikt persoonlijk en dus, volgens het gangbare taalgebruik, subjectief. Het is volstrekt geen collectieve zaak. De mensheid heeft geen bewustzijn, maar de individuele mensen wel! De waarheid is niet collectief maar individueel en juist daardoor universeel. Die subjectieve werkelijkheid is in de moderne wereld niet in tel en dus wordt de vraag naar de verhouding tussen netwerk en weefsel niet gesteld. Doe je het echter toch, dan begrijpt men niet waarover je het hebt... Intussen is het toch een feit dat de mensen tegenover hun praktische werkelijkheid, tegenover hun realiteit, steeds een andere werkelijkheid stellen. Bij al het moorden en plunderen is er voortdurend een besef dat het zo niet zou moeten in de wereld. Steeds is er een zoeken naar ethiek en moraal. Dat komt voort uit de verhouding weefsel - netwerk. Uiteraard weet men dat niet en zo kan het gebeuren dat men de behoefte aan waarheid steeds vertaalt als een behoefte aan houvast, regels en voorschriften, autoriteit en een nauw omschreven ethiek. Van al die interpretaties van de waarheid is te zeggen dat ze een relatief karakter hebben: de ene keer is het zus, de andere keer zo. Dat is te begrijpen, want de onvolwassen mensen denken aan de hand van hun voorstelling en niet aan de hand van datgene dat zich eraan afspiegelt. Zij voelen slechts aan dat er zich iets afspiegelt (en vertrouwen het niet!), maar zij herkennen niet wat zich afspiegelt.

Zoals ik al vaker gezegd heb: als de mens alleen maar de beschikking had over zijn zelfbewustzijn, liep voor hem de werkelijkheid uit in volkomen vernietiging. Voor hem zou er tenslotte niets over blijven dan onherkenbaar gruis waarvan hij met geen mogelijkheid de herkomst zou kunnen achterhalen. Hij analyseert immers, vanuit het zelfbewustzijn, de werkelijkheid en dus is voor de mens vanaf het vroegste begin van zijn leven op aarde de werkelijkheid in principe vernietigd. Natuurlijk levert dat aanvankelijk nog niet veel resultaten op, maar toch is het vernietigingsproces al aan de gang. Ook een werkelijkheid die nog pas in, zeg maar, twee delen gespleten is, is in beginsel reeds vernietigd. Dat vernietigingsproces vindt zelfs zonder enige reserve plaats als de mens qua cultuur in het teken van het zelfbewustzijn en dus van de analyse is komen te staan. Deze analytische mens is de moderne westerse mens. Als hij bezig is zijn de resultaten wel degelijk van grote betekenis omdat de vernietiging almaar erger wordt. De moderne mens gaat immers door tot het bittere einde, althans dat is zijn bedoeling vanuit zijn cultuur. Alles moet voor hem kennis worden. Dat is het thema van zijn cultuur. Wat hij echter niet weet is dat hij zijn programma onmogelijk eenzijdig door kan zetten omdat er ook nog het bewustzijn is, inhoudende de werkelijkheid als weefsel. Dat bewustzijn gaat zich steeds meer laten gelden. Het is de werkelijkheid als bewustzijn die tenslotte de mens redt. De waarheid zal U vrijmaken! Het wederom gelden van die werkelijkheid leidt ertoe dat al datgene dat door de analyse in de vorm van kennis te voorschijn gekomen is precies zijn plaats vindt in het beeld van de werkelijkheid. Het aanvoelen, ondergaan en beleven van de werkelijkheid als bewustzijn krijgt een concrete betekenis doordat het geheel nu inhoud heeft gekregen. Van de andere kant gezien: de kennis die uiteindelijk door haar volledige versnippering niet meer thuis te brengen was, komt nu tezamen in het beeld van de werkelijkheid.

Daarmee is die kennis terechtgekomen waar zij thuishoort, namelijk in de werkelijkheid als waarheid. Vanaf dat moment verschijnt zij in het licht van de waarheid, zonder overigens op zichzelf ooit waarheid te worden. Welbeschouwd is kennis op zichzelf onbruikbaar. Je kunt er niets mee beginnen als je niet weet waar die kennis op slaat, als je geen beeld van de werkelijkheid hebt waarin al die kennis is gaan samenhangen. Buiten het bewustzijn gelegen kennis leidt alleen maar tot verdere analyse: kennis genereert kennis, zonder in feite de mens ook maar een stap dichter bij de waarheid te brengen... Je kunt dat in de moderne wereld waarnemen aan het feit dat alle kennis, waarvan de verwerving en de toepassing gelukt is, toch steeds weer negatief uitwerkt. De splijting van de atoomkern bijvoorbeeld is gelukt en het is ook gelukt er toepassingen voor te vinden, zowel positief als negatief. Maar over het geheel genomen is duidelijk dat de zaak bedreigend voor de mensen is. Hoe somber dit ook klinkt, alle op zichzelf staande kennis is volstrekt zonder betekenis als ze niet ingebed is in de werkelijkheid als beeld, inhoud van die werkelijkheid is. Zo zie je ook telkenmale dat allerlei ondernemingen almaar mislukken zodra de wetenschap zich ermee gaat bemoeien. Vooral als het over het milieu of het leven gaat is dit opvallend. Zoals gezegd is het de waarheid die redding brengt. Geen wetgeving, geen afspraken, geen organisaties en dergelijke - er is niets dat de wereld kan redden, behalve het weer gaan gelden van het bewustzijn. Zo kun je concluderen dat de verhouding tussen weefsel en netwerk gelijk is aan de verhouding tussen waarheid of weten en kennis. Deze waarheid en dit weten zijn niet onderzoekend, analyserend, theoretiserend of hoe dan ook te ontdekken. Ze komen vanzelf voor de dag als de mens zich naar zijn eigen wezen verder ontwikkeld heeft.

No. 168

Voor de wereld van de verschijnselen als zodanig geldt het begrip samenhang niet. Maar datzelfde heelal is doortrokken van allerlei vormen van samenhangen. Het begint al bij de versmelting van twee brandpunten! Daarna zit er op dubbele wijze samenhang in de bouwsteen en het is al helemaal een duidelijke zaak bij de levende wezens. Maar steeds zitten die vormen van samenhangen besloten in verschijnselen. Je moet er echter wel op letten dat je al die verschillende vormen van samenhang niet lineair, dat wil zeggen plaatselijk en tijdelijk denkt, in die zin dat je zou menen dat waar een verder stadium ontstaan is het voorgaande er niet meer zijn kan. In feite geldt voor elk al of niet levend verschijnsel dat alle situaties van samenhang er in bewaard zijn gebleven, dus bijvoorbeeld ook die van twee versmolten brandpunten. Er is dus geen verhouding van beweeglijkheden, die waar dan ook in het heelal verdwenen is en plaats heeft gemaakt voor wat anders. Alle mogelijkheden blijven overal aanwezig omdat het steeds gaat over situaties waarin beweeglijkheden verkeren. In iets ingewikkelds blijft het eenvoudige gehandhaafd. Omdat dit het geval is kun je zeggen dat het heelal doortrokken is van samenhang; overal is inderdaad samenhang aanwezig, maar het is er als een veelheid van eilandjes van samenhang, anders gezegd: het is een discontinue samenhang. Je moet dit dan ook kwantitatief denken, in tegenstelling tot de voor het bewustzijn geldende samenhang die kwalitatief is. De materiŽle verschijnselen worden echter niet bijeen gehouden door hoeveelheden van eilandjes van samenhang, maar door de netwerken van relaties. In die zin moet de uitspraak opgevat worden dat er geen samenhang in het heelal is, maar een netwerk van relaties. Ik heb al vaker opgemerkt dat het bewustzijn een onaantastbare werkelijkheid in jezelf is. Het is de werkelijkheid zelf als trilling, ongeacht je individuele bestaan.

Je kunt haar bijgevolg niet verhelderen noch verruimen of wat dan ook; je kunt haar evenmin verduisteren of buiten werking stellen en te begrijpen valt er al helemaal niets. Er is dus niets mee te beginnen, precies zoals met de waarheid niets te beginnen is. Ze leent zich nergens toe! Maar wat de mensen wel kunnen doen is haar isoleren! . Zij kunnen zich afschermen voor het bewustzijn, een muurtje optrekken tussen de voorstelling van zichzelf (de eigendunk) en het bewustzijn. Ze kunnen zich onttrekken aan de waarheid. Voor zover mensen zich niet afschermen kan voor hen het heelal, de buitenwereld, niet anders zijn dan samenhangend. Dat leidt ertoe dat ook hun gehele verzameling kennis in samenhang komt. De kennisdata staan dan niet langer los van elkaar, maar vloeien in elkaar over. Als dat het geval is krijgt de kennis betekenis. Kennis die iets betekent is kennis die in het licht der waarheid staat. Ik duid die kennis aan met het begrip weten. Kennis op zichzelf daarentegen is bevangen in de analyse en is, doordat het bestaande ontleed is, wezenlijk nietszeggend. De formule a2+b2=c2 zegt absoluut niets tenzij je erbij vermeldt dat hij betrekking heeft op de zijden van een rechthoekige driehoek; de stelling van Pythagoras! Je moet kennis altijd in een context, een bepaald verband plaatsen om er iets mee te kunnen aanvangen. Het is geen wonder dat onvolwassen mensen er dan maar waarde aan gaan toekennen om er zodoende een middel tot het verwerven en handhaven van macht van te maken; kennis is macht.

Nergens is dat beter te constateren dan bij het militair-industriŽle complex. De kennis die ten nutte van het welzijn van de bevolking taboe is wordt als vanzelfsprekend voor een nog verwoestender wapentechnologie aangewend. Andersom is een heleboel hooggekwalificeerde kennis verworven dank zij het zoeken van militaire macht (versluierend veiligheid genoemd). En tegenwoordig is de kennis trouwens ook al een veelgevraagd handelsartikel geworden. Hoe dan ook, het gaat hierbij steeds om kennis die in de voorstelling ingepast wordt, kennis die op een zo waardevol mogelijke plaats in die voorstelling wordt gesitueerd. Teneinde dat mogelijk te maken wordt ook die voorstelling doorgaans naar believen aangepast. Kennis evenwel behoort niet eenzijdig thuis in de voorstelling, maar in het bewustzijn, met als gevolg dat zij eigenlijk geen waarde, maar betekenis zou moeten hebben. Het begrip betekenis geldt als en voor zover een gedeelte of een aspect van de werkelijkheid gesteld wordt als de gehele werkelijkheid, zoals het geval is bij een door een kunstenaar gemaakte tekening. Hier geldt het begrip teken in de zin van verwijzing naar het geheel. In feite wordt dan het detail verheven tot nuance. Een bepaald landschap bijvoorbeeld wordt tot het (algemene) begrip landschap. Zo behoort kennis op zichzelf tot de werkelijkheid als detail, maar kennis die betekenis heeft gekregen is de werkelijkheid als nuance, een begrip waarin een verwijzing naar het geheel te vinden is. Het is onmogelijk een dergelijke betekenisvolle kennis te misbruiken voor welk doel dan ook, uiteraard omdat er steeds samenhang met al het bestaande is. Zo kun je zien dat het niet (langer) afschermen van jezelf als bewustzijn automatisch leidt tot een weten van de ware werkelijkheid en daardoor het oplossen van alle problemen die deze wereld nu zo uitzichtloos maken.. . Met het in pacht hebben van de wijsheid heeft dit uiteraard niets te maken, het houdt slechts in dat je niet meer in een waan leeft. De voorstelling is inhoud van het zelfbewustzijn. Die voorstelling is opgebouwd uit kennis en deze kennis is dus ook inhoud van het zelfbewustzijn, of, anders gezegd: voor het zelfbewustzijn van de mens wordt de materiele werkelijkheid, de door het samenvoegen van bouwstenen ontstane verschijnselenwereld, gaandeweg tot kennis. Deze kennis wordt door analyse verkregen.

Dat is kenmerkend voor de werking van het zelfbewustzijn omdat dit, liggend aan het eind van de wording van dingen en levende wezens, de materie als niet-materie is. Populair gezegd: de stof die zich als geest gedraagt. Dat betekent dat voor het zelfbewustzijn de verschijnselenwereld eigenlijk teruggebracht zou moeten zijn tot beweeglijkheden, tot geest, juist omdat het zelfbewustzijn die teruggebrachte zaak is. Het laat zich immers gelden alsof het de beweeglijkheden weer terug is. Omdat dit het geval is wordt als vanzelfsprekend door de mens vanuit zichzelf als zelfbewustzijn alles tot op zijn elementaire status, namelijk de beweeglijkheden en in de natuurkundige praktijk de elementaire deeltjes, ontleed. Zo maakt de mens zich als zelfbewustzijn waar: hij maakt van alles iets geestelijks en dat is in feite op zichzelf iets nietszeggends omdat van de beweeglijkheden niets te zeggen valt (volkomen onbepaaldheid). Het bovenstaande is de essentie van de westerse cultuur. Het is dus al nietszeggendheid wat de klok slaat. Omdat dit eigenlijk niet te verdragen is geeft men bepaalde waarden aan al die dingen, maar de mens die na het moderne westen verschijnt, namelijk de volwassen mens, kent geen waarde meer aan de dingen toe: hij herkent de betekenis van de dingen doordat zijn kennis op maat is komen te liggen. Dat is het geval doordat de kennis is thuisgebracht binnen het geheel van het bewustzijn. Zo is die verzameling van op zichzelf staande, nietszeggende, elementen tot inhoud van het bewustzijn geworden en aldus omgezet tot een samenhangende betekenisvolle werkelijkheid. Je kunt dus zeggen dat het bewustzijn nu als geheel een inhoud heeft gekregen en die inhoud is een verzameling van op zichzelf staande elementen. Je hebt nu te doen met de verhouding vrouwelijk-mannelijk, waarbij het begrip vrouwelijk staat voor het bewustzijn dat een inhoud heeft, en het begrip mannelijk voor het zelfbewustzijn dat inhoud is.

No. 169

Nu de begrippen vrouwelijk en mannelijk ter sprake komen moet ik er als eerste op wijzen dat deze begrippen ook een rol spelen bij de seksualiteit. Dat kan verwarring veroorzaken. Daarom: bij de seksualiteit betekent het dat er twee verschijnselen zijn en gaat het erom dat het vrouwelijke en het mannelijke verschijnsel elkaar voortdurend benaderen teneinde met elkaar te versmelten. Dit op grond van het feit dat er eigenlijk slechts van een enkel verschijnsel, dat tegelijkertijd zowel vrouwelijk als mannelijk is, gesproken kan worden. Het zich laten gelden van de fundamentele eenheid van de vrouwelijke manifestatie en de mannelijke is de seksualiteit. Overigens is het wel een feit dat in genoemde fundamentele eenheid het mannelijke inhoud is van het vrouwelijke en dat de verhoudingen ook zo liggen bij het thema dat thans aan de orde is. Sterker nog: bij dit thema draait het om die verhouding! Het gaat nu dus niet over de seksualiteit, maar over de verhouding tussen zelfbewustzijn en bewustzijn, zoals die voor elke mens, hetzij vrouw of man, geldig is. In die verhouding komen zowel het begrip vrouwelijk als het begrip mannelijk op een bijzondere wijze voor de dag. Het ineen zijn van beide begrippen kun je benoemen met het begrip liefde. Ieder mens heeft zelfbewustzijn omdat hij het materiele verschijnsel is dat aan zijn einde qua wording gekomen is en daardoor zich gedraagt als materie die zich als niet-materie laat gelden. Dit laatste heb ik benoemd met het begrip zelfbewustzijn, om redenen die ik nu even buiten beschouwing laat. Overigens is van belang op te merken dat ik over niet-materie moet spreken en niet over geen materie, hoewel ik deze term waarschijnlijk hier of daar wel gebruikt heb. Er is namelijk geen sprake van dat er geen materie zou zijn. Er is juist wel materie, zelfs materie in haar meest sublieme samenstelling (vorm), maar het merkwaardige is dat die materie er is alsof ze niet-materieel zou zijn: de werkelijkheid namelijk als beweeglijkheden. Gewoonlijk uiten de mensen hun vermoedens omtrent deze quasi niet-materiŽle werkelijkheid doormiddel van het woord geest, oftewel spiritus (vluchtigheid). Onwillekeurig verbindt men de geest met iets verhevens, zoals de werken van de geest, de cultuur, de wetenschap en dergelijke. Maar de geest behoort niet alleen bij de helden van de geest: voor de mens is alles geest. De hele wereld van een mens is geestelijk. De buitenwereld is als geest, dat wil zeggen als niet-materie, in een mens aanwezig. Aangezien de wereld van een mens gelijkstaat met de werkelijkheid als voorstelling is dus letterlijk alles geest, en niet alleen maar, bij wijze van spreken, een Beethoven-symfonie... !

De mens is qua natuurlijke vermogens volledig onbekwaam, in tegenstelling tot de plant en het dier voor wie er niets is dat niet natuurlijk is. Voor plant en dier is de werkelijkheid lichaam en hun gehele leven is lichamelijk, inclusief hun denken in de zin van onderscheiden van het een en het ander. Het voor hen geldende bewustzijn is immers gesitueerd binnen het materiele. Maar voor de mens is alles geest (in feite zelfbewustzijn) en alleen daarmee kan hij het natuurlijke aan. Niet echter met zijn lichaam, tenzij hij zijn lichaam in dienst van de geest stelt, wat hij dan ook voortdurend doet. Het zelfbewustzijn is niet wat het lijkt: een werkelijkheid die buiten en boven de mens gesitueerd is en die als iets goddelijks van kracht is voor het collectief dat door de mensen gevormd wordt. Met andere woorden: het zelfbewustzijn is niet iets van de mensheid. Het is daarentegen iets van de individuele mens. Omdat dit het geval is kun je inzake de filosofie staande houden dat je de vraag ďhoe zit hetĒ? geheel op eigen kracht moet beantwoorden.

Hoe overtuigend het ook lijkt je te beroepen op de autoriteit van hooggeleerde buitenstaanders, het heeft in wezen niets om het lijf qua weten omdat de door die buitenstaanders aangeleverde kennis zo zonder meer niet in het licht der waarheid staat. De vraag is dus hoe zit voor mij de werkelijkheid en welke algemeen geldige conclusies kan ik daaruit trekken? Voor de (individuele) mens als zelfbewustzijn blijkt de werkelijkheid een niet-materiele aangelegenheid te zijn. Het is alsof de beweeglijkheden (in alle onafhankelijkheid van de door henzelf gevormde systemen) weer terug zijn. Van die werkelijkheid als beweeglijkheden is te zeggen dat er absoluut niets over te zeggen valt. Dat was en is het uitgangspunt van de gedachtegang over Beweging en verschijnsel. Het is een uitgangspunt dat wetenschappelijk gezien absurd is omdat het geen onderscheiding inhoudt op grond waarvan de analyse aangevangen kan worden. Voor analyse is immers een onderscheid tussen het ene iets en het andere noodzakelijk! Als er echter van iets niets te zeggen valt betekent dat dat bedoeld onderscheid niet aanwezig is en er dus geen analyse kan plaats vinden. Analyse veronderstelt dat het object een samenstelling is en er dus onderscheid bestaat tussen het een en het ander. Filosofisch evenwel is de constatering dat over de beweeglijkheden niets te zeggen valt van groot belang. De uitdrukking dat er niets te zeggen valt is namelijk wel degelijk een uitspraak over de beweeglijkheden en hij blijkt in te houden dat a) het karakter van de werkelijkheid inderdaad absoluut beweeglijk is, b) dat alleen het tezamen-denken (in systemen) van meerdere beweeglijkheden tot conclusies over de werkelijkheid kan leiden, c) dat die in systemen gedachte werkelijkheid in wezen nog steeds nietszeggend is en d) dat bijgevolg de inhoud van het zelfbewustzijn, er zijnde quasi als beweeglijkheden, ook niet anders dan nietszeggend kan zijn. De uitspraak dat de werkelijkheid als inhoud van het zelfbewustzijn, dus in feite als kennis, een nietszeggende werkelijkheid is, mag, zeker voor de moderne mensen, bevreemding wekken.

Je hoort immers bij voortduring het geroezemoes van al die uitspraken uit al die culturen, een geroezemoes waarin al die verschillende uitspraken almaar proberen zelf de boventoon te voeren. Het zijn allemaal uiterst veelzeggende, gewichtige en belangwekkende uitspraken van lui die hun persoonlijke zwaarte te danken hebben aan de veelheid aan kennis die zij zich verzameld hebben. Kennelijk is voor de mensen de werkelijkheid helemaal niet nietszeggend, maar daarentegen uitermate veelzeggend. Toch is er een besef geweest dat wezenlijk in de nietszeggendheid van de zelfbewuste werkelijkheid (de geest) gegrond was. Aan het einde van de oudheid, bij de Grieken, de Romeinen en dergelijke was er de gedachte dat er een duivel zou zijn. Deze werd beschouwd als vertegenwoordiger van het vluchtige principe dat als zodanig door alles heen gaat. Hij ontkent al het bestaande, alle normen en waarden en hij is er als satyr voortdurend op uit met de vrouwen gemeenschap te hebben. En als demon is hij de onpersoonlijke en dus nietszeggende duistere macht, die als het kwade gewaardeerd wordt. Ook in het latere christendom komt de duivel voor, evenwel is hij daar de tegenspeler van god, om als zodanig al spoedig door niemand meer begrepen te worden als zijnde het naamloze en vluchtige principe dat hij oorspronkelijk was. Toch werden in de hekserij de duivels opgevat als verkrachters van de vrouwen die door geen muren tegen te houden waren en die almaar de wereld in de war stuurden. Hoe dan ook; het besef dat de werkelijkheid als zelfbewustzijn, als geest, voor de mens nietszeggend is heeft min of meer nadrukkelijk in het verleden geleefd. En nu is het frappante dat dit besef sloeg op de mannelijke werkelijkheid: de demon, duivel en satyr waren manifestaties van het wezenlijk mannelijke. ..

No. 170

Maagd-1 nr. 170 en 171 ; Maagd-2 nr. 195 ;

In het christendom wordt de duivel gezien als de verpersoonlijking van het kwaad en als zodanig dient hij als sanctiemiddel om de gelovigen er onder te kunnen houden. In de westerse literatuur is dat natuurlijk ook het geval, maar dan wordt dat kwade juist voorgesteld als iets begerenswaardigs, vooral omdat het macht geeft over zaken die normaal volstrekt buiten bereik liggen. Denk bijvoorbeeld aan de figuur van Faust, zoals die onder andere door Goethe in 1808 getekend is. Hierbij gaat het om een mens die een pact met de duivel sluit en daarvoor heel wat terug krijgt. Er zijn nog meer varianten, maar in ieder geval staat ook de christelijke duivel in het licht van de ontkenning, in die zin dat hij in alles strijdig is met god. Daarbij staat god voor een eenzijdig mannelijke werkelijkheid waarin het nietszeggende karakter van de geest, de voorstelling, het zelfbewustzijn (dat is allemaal hetzelfde, zij het in een iets ander licht bezien.) wordt opgeheven door de als geest gestelde verschijnselen (de voorstelling) verschillende waarden toe te kennen. Daarmee wordt de geest machtig zodat hij als hoogste waarde in de vorm van een alleen heersende god de werkelijkheid kan gaan overheersen. De roomse geestelijken wisten allerlei verhalen te vertellen over de duivels en hun gedoe. Die verhalen zijn onvoorstelbaar morbide. Zij zeggen niets over de duivel maar laten daarentegen zien hoe psychisch ziek dergelijke mensen zijn en hoe bij hen alles draait om geilheid. Dit omdat naar hun mening de seksualiteit wezenlijk duivels is, hetgeen in hun denken nog klopt ook! Zij vonden dat seksualiteit niet deugt omdat het als het ineen zijn van het mannelijke in het vrouwelijke, het nietszeggend zijn (de naamloosheid) van dat mannelijke vooronderstelt. Dit laatste is op positieve wijze te beluisteren in de verhalen die de zogenaamde heksen over de duivel vertelden. Deze vrouwen, die bij tienduizenden door de roomse kerk vermoord zijn, stonden in het teken van het vrouwelijke, zij waren een herinnering aan de oudheid, waarin het mannelijke duidelijk als naamloze, want volkomen onbepaalde, inhoud van het vrouwelijke gold.

Voor hen was de hen omringende intellectuele wereld er een van holle wind, van kinderachtige mannelijke dikdoenerij en huichelarij, van onverdraaglijke onwetendheid en schaamteloos gefantaseer en daarin hadden die zogenaamde heksen inderdaad volkomen gelijk. ! Genoemde heksen deelden met de oudheid het besef dat de werkelijkheid door en door vrouwelijk van aard is. In de oudheid wist men bovendien dat er daarnaast geen andere werkelijkheid is. Het is van belang dit laatste in de gaten te hebben. In ons westerse denken namelijk is er wel degelijk ook nog een andere werkelijkheid: men stelt dat de werkelijkheid stoffelijk en uitsluitend stoffelijk is, maar dat er daarnaast ook nog een geestelijke werkelijkheid (niet-stoffelijke) zou zijn, namelijk die van god met zijn hiernamaals, de hemel en dergelijke en ook die van de duivel met zijn hel, vagevuur etc. De stoffelijke werkelijkheid en de geestelijke werkelijkheid zijn wel streng van elkaar gescheiden, maar toch beÔnvloeden zij elkaar. Hoe dat dan allemaal zit wordt nooit geheel duidelijk. Allicht niet, want het is onzin! Dus: in de oudheid wist men dat er uitsluitend een enkele vrouwelijke werkelijkheid is. Dat houdt in dat alles wat er is inhoud is van die vrouwelijke werkelijkheid. Het houdt echter ook in dat die inhoud op zo'n manier aanwezig is dat er niets uitspringt. Dat wil zeggen dat van die enorm gevarieerde verzameling geen enkel onderdeel belangrijker is dan de rest, zich laat gelden alsof het daarom zou gaan. Dat kan ook niet want als dat wel het geval zou zijn zou dat belangrijkste onderdeel het geheel verbreken, maar steekhoudender nog is het argument dat er niets is dat het belangrijkst kan zijn omdat er niets is dat bepaald is; de hele verzameling is naamloos aanwezig.

Dat werd in de oudheid helder aangevoeld. Bij herhaling kom je dan ook tegen dat men het mannelijke - dat is de werkelijkheid als inhoud - geen naam wenst te geven. Op zichzelf is dat niet zo verwonderlijk, want men besefte hoe de werkelijkheid feitelijk is. Verwonderlijk is het dat in de op de oudheid volgende westerse wereld al spoedig geen enkele cultuurmens meer aangetroffen kon worden die dat besef omtrent de juiste verhoudingen nog bezat. Ik heb er al vaak op gewezen dat je je met een dergelijk besef tegenwoordig alleen nog maar belachelijk kunt maken. Toch is het ontbreken ervan zo langzamerhand uitermate bedreigend geworden. Die naamloze werkelijkheid is identiek met het begrip geest (overigens ook met voorstelling en inhoud van het zelfbewustzijn), en dus kun je zeggen dat de totale werkelijkheid als geest de nietszeggende inhoud van het vrouwelijke is. Je komt dat onder andere tegen in de vele verhalen over de Maagd met het Kind. Die maagd was zwanger door de activiteit van de geest en dus door iets dat in haarzelf aanwezig is. Weliswaar gaat het over een mannelijke zaak, maar die komt niet van buitenom in de maagd nieuw leven te verwekken. Hij is reeds permanent in haar aanwezig. Op grond daarvan kun je zeggen dat de Maagd altijd (en nooit niet) zwanger is van de geest. Altijd is zij in het bezit van haar naamloze inhoud. Die inhoud is tegelijkertijd de eeuwig actieve verwekker, zodat te concluderen is dat alles wat er is door de geest verwekt is, hetgeen overeenkomt met onze conclusie dat voor de mens de gehele werkelijkheid geestelijk is, namelijk materie als niet-materie. En filosofisch van groot belang is uiteraard het inzicht dat dit alles volstrekt nietszeggend is, en dus ook waardeloos, wezenlijk ongrijpbaar en zinloos. Ten onrechte worden in het westerse denken symbolen die naar het begrip geest verwijzen benoemd met de term vruchtbaarheidssymbool. Dat getuigt natuurlijk van een bijna absoluut gebrek aan inzicht. Het begrip vruchtbaarheid behoort bij het vrouwelijke en de vrouw en het begrip verwekker bij het mannelijke en de man. Ook wordt de zwangerschap van de maagd (denk maar aan de roomse Maria) als een gebeurtenis, een incident, gesteld, terwijl we in feite te doen hebben met een toestand.

Dat onbegrip behoeft je eigenlijk niet te verwonderen, want het westerse denken vernietigt alles, begrijpt nergens iets van omdat het niet tot weten komt en drijft de mensen steeds verder van huis, dat wil zeggen: van de waarheid. Inmiddels zijn we al zover dat wij leven in een wereld die een grote begoocheling is, een grote hersenschim - dit ondanks en tot op grote hoogte dankzij de gigantische wetenschappelijke verworvenheden. Je hoort vrijwel uitsluitend onzin om je heen en daarbij is vooral stuitend de onzinnige context waarin wetenschappers hun moeizaam verkregen kennis plaatsen. De een wil de koeien genetisch veranderen, de ander wil de mens intelligenter maken en een derde verbeeldt zich kunstenaar te zijn... ga zo maar een tijdje door! Filosofisch gaat het er, zoals ten onrechte veelal gemeend wordt, niet om met betere oplossingen te komen, het beter te weten. Het begrip beter weten, zoals ik het nu gebruik en zoals het gewoonlijk gebruikt wordt, houdt alleen maar in dat je nog slimmer met de onzin bezig bent, zodat er te spreken is van nog beter geweten onzin. Voor de filosofie is dit beter weten niet van belang, maar het weten dat het allemaal onzin is is daarentegen essentieel. Zo weet je dan iets anders dat buiten het terrein van de onzin ligt. Dan gaat het over de waarheid en daarvoor geldt deze verhouding dat de inhoud van het zelfbewustzijn, en dus de voorstelling en de geest, naamloos binnen het vrouwelijke liggen en als zodanig werkelijk mannelijk zijn. De wereld van de onzin evenwel ligt buiten het vrouwelijke en is als zodanig van een misplaatste mannelijkheid: macho !..

No. 171

Hoer-1 ; hoer-2 ; vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; vervreemding-3 ; vervreemding-4 en vervreemding-5 ;

Als ik de term nietszeggend gebruik wil ik uitdrukking geven aan het feit dat je omtrent een bepaalde zaak niet weet, en ook niet weten kunt, waarover het wezenlijk gaat. Zoals in het moderne natuurkundige onderzoek men er wel achter komt welke waarnemingen men kan voorspellen, maar niet kan achterhalen wat er nu feitelijk gebeurt. De bonafide natuurkundige geeft dan ook eerlijk toe er eigenlijk niets van te begrijpen. De door hem verworven kennis zegt hem op zichzelf niets, hij kan er niet achter komen wat er gaande is. Nietszeggend derhalve is iets als het niets zegt over de werkelijkheid. Deze kwalificatie is van toepassing op de verzameling kennis die de mens in de loop der tijden bijeengegaard heeft. Van toepassing dus op zijn wetenschap als zijnde de inhoud van het zelfbewustzijn. Vooral voor de moderne, wetenschappelijk ingestelde, mens is dat feit van de nietszeggendheid moeilijk te aanvaarden. Hij vindt juist dat zijn kennis heel veel, zo niet al datgene dat mogelijk te kennen is, over de werkelijkheid zegt. Tegelijkertijd vindt hij alleen al de gedachte onzinnig dat er een weten zou zijn dat begrepen moet worden als een zaak van het bewustzijn en dat wel iets waarachtigs te zeggen zou hebben. Hij is zelfs van mening dat de waarheid niet bestaat en derhalve onmogelijk te kennen is. Ook de filosofen die zich opwerpen als wetenschappelijke kennistheoretici hebben als regel niet in de gaten dat wat de moderne wetenschap te zeggen heeft er door diezelfde wetenschap ingelegd is en dus niet meer is dan een interpretatie. In die wetenschap zelf worden theorieŽn ontwikkeld en uitsluitend die zijn het die de erin verzamelde kennisdata enige zeggenschap geven, doordat ze in een systeem samengevoegd worden en als zodanig in de voorstelling komen te liggen. Ze worden een bepaald plaatje van de werkelijkheid. Zo'n plaatje zegt uiteraard wel iets, maar dat is nog altijd niet meer dan een voorstelling van de werkelijkheid en nog lang niet de werkelijkheid zelve. In feite zegt een theorie alleen maar iets over hoe de mens zichzelf en zijn wetenschap op een bepaald moment ziet.

Juist omdat dit het geval is heeft de moderne wetenschap een forum nodig om te beoordelen wie er gelijk heeft en wie niet. In een dergelijk forum spelen allerlei belangen van niet wetenschappelijke aard een overheersende rol zodat uiteindelijk de mening van de meerderheid - en dus de mening van de machtigsten doorslaggevend is inzake de zeggenschap van een theorie. Maar gelden blijft dat er niets over de werkelijkheid gezegd wordt en dat bijgevolg al die theorieŽn de mensen een fictieve werkelijkheid voortoveren waarvan tenslotte niemand meer kan achterhalen waarover het nu eigenlijk gaat. De almaar toenemende verwarring in de huidige wereld is daarvan een onvermijdelijk gevolg. Het gaat namelijk niet alleen om de wetenschap, het gaat ook om dat wat de wetenschap teweegbrengt: de algemeen geldende werkelijkheid als voorstelling. Die hele ontwikkeling tot verwarring en machteloosheid is natuurlijk het gevolg van het analyseren van de werkelijkheid. Dat levert die fictie op. Toch moet je je niet laten verleiden tot het veroordelen van die ontwikkeling: de mensheid kan niet buiten de analyse om, ondanks het feit dat die analyse nietszeggende kennis oplevert en een grote hoeveelheid fictie. In feite is natuurlijk deze fictie de boosdoener. Wanneer de mensen tenslotte inzien dat de kennis nietszeggend behoort te zijn ligt alles weer op maat en is tegelijkertijd de fictie opgeheven. Paradoxaal genoeg levert juist de analyse het inzicht op dat de gekende werkelijkheid niets te zeggen heeft. Het verdoezelen van dit feit, omdat men om te beginnen macht zoekt, en het maken van een bedrieglijke voorstelling, leidt tot die ellendige vervreemding.

Het analyseren is een mechanistisch proces, het is mogelijk omdat de verschijnselen complexen van relaties zijn. Ook de machine, het mechanisme, is een complex van relaties. Hij berust immers principieel op de relaties tussen de dingen; tandwielen bijvoorbeeld moeten in elkaar grijpen, in feite elkaars energie aan elkaar neutraliseren, zoals ook de bouwstenen dat met elkaar doen bij het met elkaar combineren. Die tandwielen mogen vanzelfsprekend niet in elkaar overgaan want dan deugt de machine niet. Evenwel: hoe nuttig de machine ook is, hij is wat de waarheid betreft nietszeggend; zijn eventuele zeggenschap ontleent hij in wezen aan zichzelf in de hoedanigheid van een, voor het voldoen aan allerlei levensbehoeften, nuttige zaak. Wat dit betreft is er een duidelijke tegenstelling tot de kunst. Een kunstwerk is veelzeggend en het zegt zelfs uitsluitend iets over de werkelijkheid. Dat is nu juist de functie van de kunst. Zij geeft de waarheid gestalte. Als en voor zover het kunstwerk iets over zichzelf en de eigen realiteit zegt, bijvoorbeeld als tijdsbeeld, is het als kunstwerk mislukt. Hoe dan ook, bovenstaande gedachtegang over de nietszeggendheid van kennis en in het algemeen de inhoud van het zelfbewustzijn, is volstrekt in strijd met het gangbare moderne denken. Toch is het hele verhaal over die nietszeggendheid eigenlijk oud nieuws! In de oudheid, vooral in de culturen rond de Middellandse zee, wist men al hoe de verhouding tussen het mannelijke en het vrouwelijke ligt. Men herkende het mannelijke als een permanente inhoud van het vrouwelijke, zodat de maagd permanent zwanger was van de geest. Deze visie op de werkelijkheid had ook in de praktijk gevolgen, namelijk in de zogenaamde religieuze prostitutie. Daarin kwam tot uiting dat een vrouw die ging trouwen (het huwelijk bestond al) zich misdroeg omdat zij zich als inhoud een bepaalde, immers met name genoemde, man verkoos. Zij verloochende dus het feit dat het mannelijke onbepaald moet zijn. Deze misdraging moest geboet worden en wel door zich, in ieder geval eenmaal, op de juiste wijze als het vrouwelijke principe te laten gelden: zij moest zich prostitueren bij de tempel van de liefdes godin! Maar dat was nog niet alles, ze moest dat noodzakelijk doen met iemand die ze niet kende, het moest een vreemdeling zijn.

De term vreemdeling is natuurlijk een duidelijke verwijzing naar het naamloze geestelijke, het volstrekt onbepaalde. Die vreemdeling komt trouwens vaker voor, namelijk in dit verband dat men hem onvoorwaardelijk gastvrijheid en bescherming moest bieden als hij binnen uw poorten vertoeft. De ommuurde stad stond symbool voor het vrouwelijke en ook hier vertegenwoordigt de vreemdeling de mannelijke geest. Het is trouwens ook opvallend dat de hoer van aanzienlijk grotere betekenis was dan tegenwoordig en ook dat zij als representante van het begrip hoer of maagd of oermoeder, positief gewaardeerd werd. Of zij nu als begrip of als symbool fungeert, of als reŽle vrouw aanwezig is, steeds werd zij in nauw verband met het universeel vrouwelijke beseft. In een van de Evangelien wordt zelfs gezegd dat de hoeren u voor zullen gaan in het paradijs! Dat vrouwelijke was uiteraard een religieuze zaak, een zaak van eenheid met de werkelijkheid als geheel, de werkelijkheid dus die ik beschreven heb als bewustzijn. Dat, vooral aan het einde van de oudheid, het besef overal leefde dat het mannelijke alleen maar als naamloze inhoud van het vrouwelijke tot zijn recht kan komen, blijkt onder andere ook uit het feit dat de mannelijke machthebbers in bijvoorbeeld PerziŽ en Egypte steeds met nadruk verklaarden namens de vrouw en het vrouwelijke op te treden. Dat houdt natuurlijk niet in dat zij zich op grond daarvan humaan gedroegen! Zulk gedrag kan pas dan van de handelende mannen verwacht worden als zij, volwassen geworden zijnde, zichzelf werkelijk tot in alle onderdelen via de analyse hebben leren kennen.

Hoer-1 ; hoer-2 ; Maagd-1 nr. 170 en 171 ; Maagd-2 nr. 195 ; vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; vervreemding-3 ; vervreemding-4 en vervreemding-5 ;

No. 172

Wie niet wil werken zal niet etenIs werken een aangename bezigheid? ; natuurrampen1 ; natuurrampen2 ; verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; ARBEID Ė WERKEN - Verzorgen / Verzorging..? Vergeet het maar..!..of..? ( lees nos. 172 t/m 178 )

Er is niet alleen deze ontwikkeling dat de mensen zichzelf via de analyse van de werkelijkheid leren kennen, zodat het mogelijk wordt dat zij het mannelijke als de naamloze, onbepaalde, inhoud van het vrouwelijke gaan laten gelden, maar er is ook aan de orde dat de mensen enerzijds genoodzaakt zijn zich in leven te houden en anderzijds dat de mensen zich tot eigenaars van de kosmos moeten maken. Deze drie processen lopen enigszins door elkaar heen, zodat het erg moeilijk is er belangeloos over na te denken, niet in het minst doordat de moderne westerse cultuur in het teken van de economie staat. In het economisch denken zijn de verhoudingen volledig op hun kop gezet en omdat dit in de vorm van een cultuur plaats vindt, namelijk die van de uitwikkeling van de analyse, is er aan dit denken bijna niet te ontkomen. Ook als je begrijpt hoe de zaak in elkaar steekt dreigen voortdurend de analytische waardeoordelen de overhand te krijgen. Een schier onuitroeibaar waardeoordeel is de gedachte: wie niet werkt zal niet eten, tegenwoordig vooral opgevat als; wie niet wil werken zal niet eten. Gelukkig mag wie niet kan werken tegenwoordig wel (mee)eten. Ik zal proberen duidelijk te maken waarom die uitspraken niet deugen en daartoe zal ik beginnen met de begrippen overleven en toe-eigenen te belichten. Elk levend wezen is onderworpen aan de noodzaak te overleven. Dat is een zaak die hier op neerkomt dat de aarde, in de een of andere al of niet levende vorm, wordt opgegeten. Al eerder heb ik uiteengezet dat in feite de buitenwereld gerealiseerd wordt als zijnde de binnenwereld op (trillende)energetische wijze. Op energetische wijze is de concrete buitenwereld binnenwereld geworden, oftewel inhoud van het levende wezen. Omdat de mens net zo goed een levend wezen is als het overige leven geldt het opeten van de aarde voor hem ook. Er is echter een verschil en dat komt voort uit het feit dat de mens het laatste verschijnsel is. Is het namelijk zo dat het overleven (opeten van de aarde) voor alle overige levende wezen een kwestie van instinct is, voor de mens is het een kwestie van handelen.

Hiermee wil ik zeggen dat elk levend wezen, behalve de mens, overleeft volgens een onontkoombaar, van nature meegegeven programma, dat buiten de wil van zo'n levend wezen om actief is, maar dat de mens noodzakelijk een aantal handelingen moet bedenken om te overleven. Hij heeft zijn zelfbewustzijn nodig om zichzelf qua overleven veilig te stellen. Dat betekent dat bepaalde verhoudingen binnen de werkelijkheid als zelfbewustzijn bepalend worden voor de handelingen die de mensen verrichten om te overleven. Het betekent echter ook dat de mens in begin en beginsel bevrijd is van de, het levende wezen overheersende, drang (instinct) om op een bepaalde wijze aan de noodzaak om te overleven te voldoen. De mens is het verschijnsel dat niet langer onderworpen is aan de natuur, dat wil zeggen dat hij vanzelfsprekend wel moet zien te overleven, maar dat de wijze waarop niet van tevoren bepaald is. Aanvankelijk leken zijn handelingen om te overleven nog sterk op het gedoe van de dieren: de mensen waren verzamelaars die op zoek gingen naar voorhanden voedsel, in de vorm van gewassen en gedierte. Ook gingen zij op jacht, wat eigenlijk ook een vorm van verzamelen is. Maar al spoedig gingen zij zich op het kweken en telen van voedsel toeleggen en vanaf dat moment realiseerde zich inderdaad het feit dat de mens onafhankelijk van de natuurprogrammaís is. Maar hij is, als hij tenminste wil overleven, wel degelijk genoodzaakt om een aantal handelingen te verrichten, zoals gaan verzamelen, op jacht gaan, de akker bebouwen, enzovoort. Het overleven is dus een natuurlijke noodzaak die echter door de mens op alle mogelijke manieren vervuld kan worden. En het gaat om het opnemen van de buitenwereld in de vorm van energie.

Daarnaast echter is er nog iets anders aan de hand en dat is het proces waarbij de mens zich eigenaar maakt van de kosmos, in de praktijk de aarde tot zijn eigendom maakt. Hij doet ook dat omdat hij het laatste verschijnsel is en als zodanig aan de gehele verschijnselenwereld voorbij is. Als laatste is al het voorgaande zijn inhoud en wel op zo'n manier dat dit voorgaande omgezet wordt tot de werkelijkheid die die laatste, de mens, is. Anders gezegd; de aarde wordt door de mens omgezet tot een menselijke zaak, een zaak van mensen. Dat omzettingproces speelt zich in elke individuele mens af en er is geen mens in wie dit niet het geval is. Waar een mens is, is dit omzettingsproces. Er is voor de mens dus geen enkele keuze in deze zaak; net zo goed als hij geen keuze heeft inzake het zelfbewustzijn heeft hij geen keuze in het laten gelden van zichzelf als omzetten van de aarde, als ombouwer, als wereldbouwer. Bedoeld omzettingsproces heeft tot gevolg dat de aarde bewoonbaar wordt in die zin dat de mensen er kunnen leven zonder alles overheersende afhankelijkheid van natuurlijke zaken waarop de mens niet instinctmatig ingesteld is. Ik zeg alles overheersend omdat die afhankelijkheid nooit volledig opgeheven kan worden. Natuurrampen blijven mogelijk evenals mensen die misdrijven plegen.

Maar de struggle for life is in ieder geval achter de rug, voor zover het de mensen gelukt is de aarde om te zetten tot mens. De tot mens omgezette aarde is de aarde die eigendom van de mens is geworden. Je hebt nu te doen met een tweetal verhoudingen die voor de mens gelden: enerzijds is daar het overleven waarvoor een mens iets moet bedenken en een aantal handelingen verrichten en anderzijds is daar het wereld bouwen dat ook een kwestie van handelen is. Ik noem dit laatste handelen het verrichten van arbeid.

Het begrip arbeid betekent dus het omzetten van de aarde en dat is een vanzelfsprekend proces dat in een ieder plaatsvindt. Het gevolg van de arbeid is een leefbare wereld. Dus: arbeid wordt niet verricht om te overleven, noch om zich te verrijken, noch om macht te verwerven: arbeid is er omdat het laatste verschijnsel de aarde omzet tot zichzelf. De handelingen om te overleven leveren niets op. Weliswaar blijf je in leven, maar de aarde wordt er niets leefbaarder door.

Zo gezien is overleven zinloos, maar dat is het niet als het overleven begrepen wordt als de volstrekte voorwaarde om via de arbeid de aarde menselijk te maken. In dat geval arbeid je niet om te overleven, maar overleef je om te arbeiden. De alsnog onvolwassen mens is niet in staat het overleven en de arbeid in deze verhouding te zien. Hij denkt ten onrechte dat het verrichten van arbeid noodzakelijk is om te overleven. Hij denkt dat hij arbeidt om zijn brood te verdienen. Voor zover de onvolwassen mens dit nog denkt is hij niet bezig met arbeid, maar met werken. Werken doet hij ergens voor, het heeft een doel, en omdat dit het geval is zoekt hij steeds wegen om het doel te bereiken zonder te werken. Werken is namelijk geen aangename bezigheid: het is sloven en ploeteren en het gaat gepaard aan onderdanigheid, vernedering en ondergeschiktheid. In de westerse wereld lijkt het er voor sommige mensen op of werken prettig is. Zij zullen niet willen toegeven dat zij het liever niet zouden doen, maar uit hun gedrag blijkt dat zij proberen het via werken zover te krijgen dat zij niet meer behoeven te werken, althans de vernederende kanten ervan kunnen opheffen. Hoe dan ook, de mensen hebben er iets onmenselijks van gemaakt. Dat is vooral gebeurd na de Verlichting, bij het intreden van het industriŽle tijdperk. In de daaraan vooraf gaande agrarische periode met zijn feodale verhoudingen leefde nog veel meer het besef dat het bebouwen van de akker een wijze van leven was, in feite natuurlijk het vanzelfsprekende omzettingsproces. De landbouw is inderdaad een heel direct voorbeeld daarvan.

Wie niet wil werken zal niet etenIs werken een aangename bezigheid? ; natuurrampen1 ; natuurrampen2 ; verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ;

No. 173

verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; Betrokkenheid-1 ; Betrokkenheid-2 ; Betrokkenheid-3 ;

 

De begrippen arbeid en werk betekenen in mijn gedachtegang achtereenvolgens dat de mens de aarde omzet tot zichzelf en dat dit omzettingsproces in het teken van het overleven is komen te staan. Deze laatste verandering is vooral kenmerkend voor de industriŽle cultuur van de westerse wereld. In deze wereld werkt men dus en naar eigen besef doet men dat om te overleven, om zijn brood te verdienen. Is door een of ander gelukkig toeval, een erfenis, een hoofdprijs in de loterij of een geslaagde bankoverval, het brood aanwezig, dan houdt men gewoonlijk op met werken. Het is dan niet meer nodig... In de vroegere agrarische wereld, die in Nederland zelfs nog standhield tot enige tientallen jaren in de 20ste eeuw, stonden de activiteiten veel meer dan in de industriŽle wereld in het teken van het omzettingproces, zeg maar: van de arbeid. Dat wil niet zeggen dat de mensen uit die periode volwassener waren dan de huidige mens (dat kan immers niet!), maar wel wil het zeggen dat men een meer onbevangen kijk op de werkelijkheid had. In alle kinderlijkheid bevond men zich dichter bij de waarheid, zoals dat overigens doorgaans het geval is met jonge culturen en nieuwe inzichten. De mensen vinden het dan gevoelsmatig vanzelfsprekend dat zij doen wat zij doen, het behoort nu eenmaal bij hun leven en daardoor zijn zij ook weinig gericht op uitwendige belangen. Het is een naar binnen gerichte zaak. De industriŽle periode zette zich werkelijk door aan het einde van de 18e eeuw, tegelijkertijd met de Verlichting. Zij verdrong stap voor stap de agrarische periode die al in het grijze verleden begonnen was, toen de mensen in de gaten hadden gekregen hoe zij bepaalde gewassen konden verbouwen en zich min of meer vast gingen vestigen. Het was toen dat men effectief overging tot het omzetten van de aarde om er een zaak van mensen van te maken. Uiteraard wist men dat niet te vertellen, maar het zelfbewustzijn had ongeweten een agrarische gerichtheid gekregen.

Die gerichtheid werd na verloop van tijd wat meer bewust in de mensen en dat leidde ertoe dat bepaalde machthebbers gingen uitleggen dat de bedoeling van de arbeid was dat er voor die machthebbers geproduceerd moest worden. Daarmee kreeg de agrarische gerichtheid een uitwendige bedoeling: men ging de akker bewerken ten behoeve van iets anders. Die verwording is het doorbreken van het feodale tijdperk. De boeren waren er voortaan voor de heren en niet langer voor zichzelf en de rond hen aanwezige gemeenschap. Dat echter was alleen maar wat men ervan maakte, in feite bleven de boeren, cultureel gezien, voor zichzelf gewoon een met de akker. Nu het industriŽle denken zich doorgezet heeft is die vanzelfsprekende betrokkenheid bij de aarde, de natuur en de seizoenen geheel en al verdwenen: de boer is ook een technicus, een manager en een econoom geworden. Hij produceert allang niet meer voor zichzelf en zijn gemeenschap, maar voor iets abstracts als de wereldmarkt. De volgorde is deze: er breekt iets door in de mensen; zij gaan daarmee onbevangen aan de slag zonder zich af te vragen waarom zij dat doen en daardoor is hun gedoe in sterke mate in overeenstemming met de verhoudingen in de werkelijkheid; na verloop van tijd gaan de mensen zich echter wel afvragen waarom zij doen wat zij doen en dan verdwijnt het vanzelfsprekende om plaats te maken voor allerlei bedachte verklaringen; omdat dergelijke verklaringen onvermijdelijk verwijzen naar iets uitwendigs kunnen buitenstaanders zich opwerpen als belanghebbenden; als er eenmaal uitwendige belangen in het spel zijn verwordt zo de arbeid tot werk. De verwording tot werk is niet alleen op te merken in de agrarische wereld. Ook de daarop volgende industriŽle wereld vertoont hetzelfde patroon.

Aanvankelijk, zeg maar begin 19e eeuw, werden de industriŽle producten met grote zorg gemaakt door vaklieden die hun persoonlijke kwaliteiten inzetten voor een goed product. Er is daarvan tegenwoordig nog het een en ander over en dat is zo bijzonder van kwaliteit en technisch inzicht dat men die overblijfselen in musea bijeenbrengt. Stoommachines bijvoorbeeld. Maar al spoedig namen buitenstaanders de zaak over en daarmee vervreemdde de arbeid tot werk - aanvankelijk zelfs van een onvoorstelbare onmenselijkheid die net zolang voortduurde tot de arbeiders zich gingen verzetten en hun rechten gingen opeisen, zo goed en zo kwaad als het ging.. De industriŽle wereld staat op het ogenblik op instorten. Het is niet alleen in Oost-Europa dat dit gebeurt, hoewel menigeen dat denkt op grond van de misvatting dat de industrie en economie aldaar op socialistische leest geschoeid waren. In feite echter stort de industriŽle wereld overal in doordat men zozeer vervreemd is van de arbeid dat de productie in een luchtledig is terechtgekomen. De producten zijn middel tot economische macht geworden in plaats van een levensmiddel dat ertoe dient de aarde leefbaar en de arbeid, het omzetten tot mens, mogelijk te maken. Een op een ander terrein liggend voorbeeld van verwording op grond van bewustwording is te vinden bij de democratie. Deze was aanvankelijk nog zo kinderlijk en intuÔtief dat er een groot aantal maatregelen werden aangenomen die in alle opzichten redelijk genoemd kunnen worden. Zo behoefde niemand zich bij de overheid te legitimeren omdat zijn lijfelijke aanwezigheid voldoende was en ook omdat niemand gedwongen kon worden aan zijn eigen veroordeling mee te werken. Ook was de woning volstrekt verboden terrein voor de overheid; de politie mocht slechts op rechterlijk bevel een woning betreden. Niemand behoefde eigen onschuld aan te tonen en dergelijke. Er was - en daar gaat het om - een behoorlijk sterk rechtsgevoel. Anderzijds getuigden bijvoorbeeld socialisten van een bijzonder radicale kijk op de staat, een kijk die thans zelfs voor asociaal, onverantwoord, onredelijk en zelfs wel misdadig zou worden uitgemaakt.

Van al deze inzichten is thans nauwelijks nog iets over: het nadenken erover heeft alles doen verworden tot iets uitwendigs en zogenaamd wetenschappelijks, waarbij in feite niemand zich nog betrokken voelt. De ontwikkeling van het denken over de ethiek van de oorlog kan ook als voorbeeld dienen van verwording die samengaat met en gevolg is van het zich bewust worden door de mensen van verhoudingen die zij aanvankelijk slechts aangevoeld hebben. Wat betreft de oorlog bijvoorbeeld is het op een gegeven moment zelfs zover gekomen dat men een bepaald oorlogsrecht opgesteld heeft. Daarin werd onder andere verboden open steden te beschieten of te bombarderen, op gewonden en hun verzorgers te schieten, krijgsgevangenen voor oorlogsdoeleinden in te zetten en dergelijke. Langs allerlei intellectuele smoesjes is het inmiddels voor zo ongeveer iedereen vanzelfsprekend geworden dat de burgerbevolking gegijzeld kan worden met terreurbombardementen en intercontinentale nucleaire raketten die dreigend op haar gericht zijn. De bedoeling van deze voorbeelden is te laten zien dat er steeds nieuwe verhoudingen aan de oppervlakte komen en dat die aanvankelijk betrekkelijk zuiver gelden, om na enige tijd bewuster te worden en daarmee als onderwerp van het denken te gaan fungeren, een ontwikkeling die onherroepelijk tot verwording leidt - uiteraard omdat het analytische denken de zaak niet verheldert maar stukmaakt. En zo is ook de sfeer van het begrip arbeid langzamerhand teruggedrongen naar het terrein van de hobby die tot nu toe nog steeds belangeloos is gebleven. Die belangeloosheid is al zozeer uit het beeld verdwenen dat zelfs menig historicus al niet meer weet dat bijvoorbeeld de gilden er destijds waren om de kwaliteit te beschermen en niet om de prijzen te bewaken! In wezen berustte de argumentatie dus niet op het begrip werk, maar op het begrip arbeid.

verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; Betrokkenheid-1 ; Betrokkenheid-2 ; Betrokkenheid-3 ;

No. 174

Het is nu de vraag hoe de begrippen vrouwelijk en mannelijk gelden voor de mens en hoe dat gelden van die begrippen doorwerkt in het dagelijkse leven van de mensen. Dat dagelijkse leven in haar volle omvang is een afspiegeling van de cultuur, als je tenminste onder cultuur verstaat het gehele complex van ideeŽn, voorstellingen, waarden en normen, zeden en dergelijke. Gewoonlijk geeft men aan de cultuur een veel zwaardere lading, namelijk al datgene wat boven komt drijven aan intellectuele uitingen van de mensen. Het gaat dan eenzijdig over kleine groepen in de samenleving: maatgevende culturele minderheden, ťlites. De nadruk op die zwaardere lading is een gevolg van het al vaak door mij genoemde van bovenaf denken. Over het algemeen is te zeggen dat dit van bovenaf denken tot voor kort zo ver ging dat alles wat met de gewone mensen te maken had niet of nauwelijks aandacht kreeg, behalve als die gewone mensen zich bij gelegenheid gingen verzetten tegen de bovenlaag. Maar ook dan ging het qua cultuur nog steeds over de bovenlaag en zijn wederwaardigheden! Ik echter heb het over het gehele complex en daarvan het algemene beeld en de essentie daarvan. Tot die essentie behoort het gelden van de begrippen vrouwelijk en mannelijk. De dichters, de kunstenaars in het algemeen brengen inzake genoemde begrippen allerlei moois tot stand; voor de filosofie is dat wel leerzaam maar niet zo belangrijk omdat de kunstenaars een niet concreet bestaande andere werkelijkheid, namelijk die achter de dingen, op zichzelf stellen. Voor de filosoof echter gaat het om beide tegelijkertijd; de werkelijkheid als verschijnsel zoals die voor de mens tot voorstelling geworden is en de werkelijkheid als beeld die zich aan de voorstelling afspiegelt, terwijl van beide, voorstelling en beeld, de onderlinge veranderlijke verhoudingen nagegaan worden.

Je kunt dus zeggen dat de kunstenaars niet de waarheid vertellen, maar gewag maken van de schoonheid. Die is wel een aspect van de waarheid, maar niet de waarheid zelf. Het begrip arbeid heeft te maken met de werkelijkheid als een vrouwelijk-mannelijke zaak. Maar in de cultuurontwikkeling komt daarvan niet veel naar voren. Wel echter zie je de verminkingen ervan. Die zijn het resultaat van het, nadenken erover, een nadenken evenwel dat, zolang de mensen alsnog onvolwassen zijn, steeds verkeerde uitkomsten oplevert. Zo is het omzetten van de planeet tot een menselijke werkelijkheid, wat in het vroegste begin der mensheid nog juist aangevoeld werd, al spoedig begrepen als werken voor je brood - en dan doorgaans in de eerste plaats het brood van anderen! Maar eigenlijk ligt de verhouding zo dat de mens de aarde omzet (het begrip arbeid) en dat hij ten gevolge daarvan overleeft. Zijn arbeid is dus op omzetten gericht en niet op overleven, hoewel dit laatste er onmiddellijk aan meekomt. De verminking van deze verhouding komt voort uit het menselijk vermogen tot denken in de zin van analyseren. Niet domheid, slechtheid, hebzucht en egoÔsme verzieken de zaak, maar het analytische, naar oorzaken zoekende, onvolwassen denken is de (overigens onvermijdelijke) boosdoener. Zolang dat onvolwassen denken nog de maat is werken de mensen voor hun brood en dat betekent dat zij geen goede producten maken, niet zichzelf welbevinden bij het werk, de wereld niet leefbaar maken maar daarentegen juist steeds meer onbewoonbaar. Het is waar dat er desondanks enige welstand en veiligheid ontstaan, maar die zijn minimaal omdat zij slechts bijproducten zijn van het algemene gejaag naar brood, in de zin van bezit. Daarbij gaat het (vrijwel) niemand om de aarde en alles wat zich daarop bevindt.

Er staat altijd een belang van iets of iemand anders achter. En als dat het geval is houdt een mens zich niet bezig met arbeid, maar met werk (of hoe je dat noemen wilt, sommigen spreken van gesjouw, geploeter, slavernij en dergelijke). Te stellen is dat het gevolg van mijn arbeid is dat wij kunnen overleven, dat wil zeggen dat de producten ingebracht worden in het samenhangende geheel dat een menselijke aarde is. De arbeid maakt de aarde leefbaar en dus kunnen alle mensen leven. Armoede als in het huidige Afrika is dan uitgesloten, niet omdat iedereen zo begaan is met het lot van een ander, maar omdat het de aarde is die leefbaar is geworden doordat de producten van de omzetting haar ten goede zijn gekomen. Het begrip arbeid brengt belangenloosheid met zich. Eigenlijk moet je zeggen dat er geen particuliere belangen in meespelen, want het is wel een feit dat het belang van de aarde in de arbeid gediend wordt. Maar omdat deze zaak niet van de mens af te denken is en dus vanzelfsprekend, al of niet verminkt, tot gelding komt doe je er goed aan je te realiseren dat er eigenlijk van geen belang sprake kan zijn. Iets wat onvermijdelijk is is wezenlijk vanzelfsprekend en zoiets kan geen zaak van belangen zijn. Een gigantisch arbeidsterrein van de mensen valt bij de beschouwingen over en beoordelingen van het werk geheel buiten de boot. Dat is de arbeid die zowel vrouwen als mannen verrichten voor zover zij zich bezig houden met het zogenaamde huishouden en de verzorging van de kinderen en de verdere levende have. Door de fixatie op de verminkte arbeid om den brode, dus op het werk, valt deze gehele vrouwelijke wereld buiten het gezichtsveld van de onvolwassen mens. Die vrouwelijke wereld wordt beschouwd als een bijkomende zaak die er is ter wille van diegenen die aan het werk zijn. Deze laatsten zijn doorgaans mannen, maar tegenwoordig ook veel vrouwen. Zowel mannen als vrouwen vinden zich geŽmancipeerd als zij werken en zij vinden zich terecht belangrijk. Zij gaan inderdaad gebukt onder de belangen en dat willen zij, tot hun eigen nadeel, nog graag weten ook! Maar wat zij niet weten is dat het wezenlijk om het belangeloze en vanzelfsprekende gaat.

En wat de meeste (geŽmancipeerde) vrouwen niet weten is dat zij met hun zogenaamde emancipatie nu juist het terrein van de arbeid verlaten hebben om binnen te treden in de wereld van het werk. Als het gaat over het arbeidsproces heb je te doen met een tweetal aspecten. Het ene aspect is letterlijk de omzetting, die je kunt benoemen met het begrip productie. Dat is de mannelijke kant van de zaak. Het andere aspect betreft het begrip verzorging en dat is de vrouwelijke kant. Dat is het geheel van de zaak: de via de omzetting geproduceerde spullen moeten allemaal zin en betekenis krijgen binnen de verhoudingen die voor een samenhangende werkelijkheid, een geheel, gelden. Je kunt niet zomaar lukraak van alles gaan zitten produceren zonder dat dit nuttig is voor de aarde en bijgevolg voor de individuele mensen. Alles moet op zichzelf tot zijn recht komen, nuttig zijn voor het dagelijkse leven. Dat wil zeggen dat alles in het vrouwelijke geheel terecht moet komen. Het laten functioneren binnen dat geheel is het begrip verzorging. Er is dus productie en verzorging en dat zijn twee aspecten van een enkele zaak, namelijk de arbeid, oftewel de omzetting van de aarde tot de mens. In de onvolwassen wereld zijn die twee begrippen gescheiden.

Zoals ik heb laten zien produceert men niet ter wille van een leefbare wereld, maar ter wille van, zeg maar, eigenbelang. Het geproduceerde komt dus wezenlijk niet terecht en het is nauwelijks mogelijk het te verzorgen. De onvolwassen mens produceert in het wilde weg. Daardoor laat hij de aarde verkommeren. Dat betreft niet alleen maar het zogenaamde milieu, maar vooral ook zijn medemensen. Of die medemensen nu in betrekkelijke welstand leven of in bittere armoede, noodzakelijk geldt voor allen dat zij in armoede leven, tekort komen, zich niet kunnen ontplooien en over de gehele linie onvrij zijn...

No. 175

Zoals gezegd wordt er door de onvolwassen mens een rechtstreekse relatie gelegd tussen werken en overleven: je werkt voor je brood. Zo ongeveer iedereen is ervan overtuigd dat die directe relatie er is en dat deze onontkoombaar is. Toch is men tegelijkertijd voortdurend bezig deze zogenaamd logische verbinding tussen werk en overleven te verbreken: enerzijds probeert zo ongeveer iedereen zo luxueus mogelijk te overleven en zo weinig mogelijk te werken, en anderzijds ploeteren de meeste mensen de godganse dag voor een loon dat nauwelijks voldoet om te overleven. Het vanzelfsprekende van de relatie werk-overleven is dus kennelijk niet zo zeker en dat betekent in feite dat zich laat gelden dat genoemde relatie er eigenlijk helemaal niet is. Het is eigenaardig dat, vooral in de moderne cultuur van de westerse wereld, de mensen almaar wereldbeschouwelijke uitspraken doen die feitelijk helemaal niet blijken te kloppen, maar die toch met grote overtuiging gedaan worden. Het gaat mij daarbij niet om de vele leugens die over allerlei zaken verteld worden. Het gaat om dingen die men eerlijk meent, waarvan men rotsvast overtuigd is, en die desondanks kant noch wal raken. Je zou kunnen stellen dat men maar wat kletst, stellig doordat men geen enkele notie van de ware werkelijkheid heeft. Dat is ook het geval met de beweringen die men doet over de relatie werk-overleven. Hoewel dat eigenaardige onderscheid tussen wereldbeeld en werkelijkheid op alle terreinen van het hedendaagse leven valt te herkennen, kun je het toch aan enkele zaken extra duidelijk illustreren. Zo is daar het recht: de moderne mens is er rotsvast van overtuigd dat men zich aan het recht en zijn regels te houden heeft, wil er van het maatschappelijk leven iets terechtkomen. Dat zou des temeer gelden omdat wij met zijn allen dat recht bedacht en geformuleerd hebben, hetgeen in feite onwaar is, maar dit terzijde. Wat je nu kan waarnemen is dat vrijwel niemand zich aan dat recht houdt, althans steeds probeert door de mazen heen te glippen.

Je zou zowaar gaan denken dat het recht er alleen maar is om er onderuit te komen... Hoe dan ook, je kunt op een ouderwetse manier zeggen: de moderne mens heeft wel recht, maar hij is geen recht. Zou hij dat namelijk zijn, dan ontdook hij het niet. Een ander voorbeeld vind je bij de godsdienst, zowel de christelijke als de islamitische: de godsdienstigen zijn ervan overtuigd dat zij de dienaren van hun god zijn. De praktijk evenwel is totaal anders. In feite is god namelijk in dienst van de godsdienstigen. Hij krijgt voortdurend opdrachten: hij moet je op reis beschermen, je door een ziekte heen slepen, je de overwinning bezorgen, je behoeden voor armoede, enzovoort. En als god die opdrachten niet of niet goed uitvoert loopt hij de kans de laan uitgestuurd te worden, zoals destijds de oude Germanen al deden met hun goden. En men vraagt zich vertwijfeld af waarom die goede en gedienstige god Auschwitz door heeft laten gaan... Hij had daar eigenlijk een stokje voor moeten steken, maar helaas is hij zwaar in gebreke gebleven. Ook hier dus weer een tegenstelling tussen wat men in alle oprechtheid meent en wat men in de praktijk gelden laat. De hedendaagse mens zegt dus dat werken en overleven bij elkaar behoren, dat je je aan het recht moet houden en dat je god moet dienen. Maar hij houdt zich volstrekt niet aan zijn eigen ideeŽn. Wat betreft het werken en overleven vindt hij voor zichzelf dat hij zo weinig mogelijk moet werken en zo luxueus mogelijk moet overleven, terwijl hij voor anderen laat gelden dat zij zoveel mogelijk moeten werken voor een zo minimaal mogelijk overleven. De vraag is nu hoe die vreemde tegenstelling mogelijk is.

Ten eerste moet dan opgemerkt worden dat een mens zich niet aan dat soort ideeŽn kan houden omdat het foute interpretaties van de werkelijkheid zijn. Dat feit laat zich door alles heen en op geniepige wijze gelden, overigens doorgaans zo dat bijna niemand er iets van begrijpt. Als je de mensen op genoemde tegenstelling wijst gaan zij er onmiddellijk toe over de oorzaak daarvan bij iets uitwendigs te zoeken. Het komt niet in hen op de gedachte zelf in twijfel te trekken en te onderzoeken, neen zij gaan redenen aanvoeren waarom de zaak steeds weer mislukt. De schuld krijgt het kapitalisme of het communisme, de schaarste of het slechte weer en dergelijke. Het gaat daarmee net als met het economisch denken: als het niet blijkt te kloppen wat de economen voorspeld hebben (en het klopt nooit!) dan ligt dat niet aan hun denken, maar aan de prijzen op de wereldmarkt, de politiek van het Oostblok of de hoge looneisen van de werknemers. Het economische denken zelf wordt nooit ter discussie gesteld. Daarin verschilt de economische wetenschap overigens hemelsbreed van bijvoorbeeld de natuurwetenschap, waarin voortdurend nieuwe gedachten ingang vinden. De moderne economie functioneert als een fundamentalistische godsdienst: zijn dogma's mogen niet ter discussie gesteld worden... Zoals al gezegd: de werkelijke reden voor het zich niet houden aan de uitspraak werken voor je brood is gelegen in het feit dat die uitspraak van geen kanten klopt. Het feit dat de mens inderdaad niet overleeft als hij niet arbeid betekent niet dat hij, omgekeerd, zou moeten werken om te overleven. De werkelijke verhouding is deze dat hij overleeft doordat en voor zover hij zijn wereld verzorgd heeft. Die verzorging vooronderstelt de productie van allerlei goederen. De werkelijke verhouding is derhalve niet werken - overleven, mŠŠr produceren - verzorgen - overleven. Eigenlijk kun je het het beste zo stellen dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de begrippen verzorgen en overleven, en ook zo'n verband tussen produceren en verzorgen. Deze laatste cluster is dan samen te vatten onder het begrip arbeid. In dit begrip arbeid zit dus besloten dat er geproduceerd wordt en dat er verzorgd wordt.

Hieruit laat zich begrijpen dat de zogenaamd primitieve mens, die nog loopt te zoeken naar voedsel of die op jacht gaat - wat eigenlijk ook zoeken is, nog niet toegekomen is aan datgene dat typisch menselijk is, namelijk het gelden van de cluster produceren - verzorgen - overleven. Zijn overleven moet destijds dan ook een uiterst riskante zaak zijn geweest, een zaak die eigenlijk helemaal niet kon gelukken! Het natuurlijke leven, zoals plant en dier dat vanzelfsprekend kunnen leiden, is voor de mens volstrekt onmogelijk. Hij kan slechts leven als hij overgaat tot het laten gelden en het verwerkelijken van bovengenoemde cluster van begrippen. Het gelden daarvan brengt op den duur met zich mee dat mensen bij hun arbeid dingen doen die op zichzelf nauwelijks een rechtstreeks verband met het overleven laten zien. Het solderen van weerstandjes op printplaten bijvoorbeeld levert hopelijk! - aan het einde van de maand wel een salaris op, maar de handelingen als zodanig doen niet aan overleven denken. Dat wordt begrijpelijk als je bedenkt dat het verband met overleven een indirect verband is: het begrip verzorging zit ertussen. De productie krijgt zin als zij uitloopt in verzorging van de wereld, in feite dus als zij uitloopt in een vrouwelijke werkelijkheid. De productie als een kwestie van louter overleven (=het werken) loopt nergens in uit: de arbeid wordt tot werken en het resultaat daarvan is een grote hoeveelheid spullen die wezenlijk nergens thuishoren. Die spullen komen steeds terecht bij diegenen die ze niet nodig hebben, dat wil zeggen, bij diegenen die er geen gebrek aan hebben. In de westerse wereld bijvoorbeeld is een gigantisch overschot aan spullen, juist omdat nagenoeg iedereen er geen gebrek meer aan heeft, terwijl de rest van de wereld, waar die spullen echt nodig zijn, ervan verstoken blijft.

No. 176

Je kunt met recht stellen dat de mensen niet zouden kunnen overleven als zij niet zouden werken (hoewel dieren dat wel degelijk kunnen. !). Maar de omkering van die bewering, namelijk dat de mensen werken om te overleven, klopt niet, hoewel het wel zo lijkt, het is een realiteit in een onvolwassen wereld: in die wereld werkt men, dat wil zeggen sjouwt, ploetert en scharrelt men, om voor zichzelf en zijn naasten overleven mogelijk te maken. In het zweet uws aanschijns. ! Hierdoor blijft het begrip arbeid nagenoeg uit het zicht, maar toch weerspiegelt nu juist dat de juiste verhouding. De mens produceert spullen, verzorgt de wereld en overleeft. Hij overleeft in een verzorgde wereld waarin alles wat hij voortgebracht (geproduceerd) heeft terecht is gekomen en tot zijn recht komt (verzorgd is). Het produceren en verzorgen is in feite het omzetten van de planeet tot een wereld van en voor mensen en dat omzetten kun je benoemen met het begrip arbeid. Ik wijs er op dat ook het verzorgen nadrukkelijk onder het begrip ARBEID valt. Het is van belang dit in de gaten te hebben omdat het verzorgen tot op heden nog niet of nauwelijks, vanwege het economische denken dat op productie toegespitst is, gewaardeerd wordt. De eerste consequentie van het niet-begrijpen van het omzettingsproces is derhalve dat verzorgende arbeid op zichzelf niet gewaardeerd wordt en slechts enigszins in tel is voor zover het economisch wel gewaardeerde activiteiten ondersteunt of mogelijk maakt. Als dienstbaarheid is er enige waardering, maar niet als een zelfstandig element in het begrip arbeid. De tweede consequentie van bedoeld onbegrip is het verschijnsel dat de productie als een op zichzelf staande grootheid wordt beschouwd, een zaak dus die in zichzelf zijn eigen normen vindt en die van niets anders afhankelijk is. Er wordt dan geproduceerd om het produceren. Logisch gevolg is dat de norm daarvoor de zogenaamde groei is. Het gaat goed met de economie als zij groeit. Of het geproduceerde tot zijn recht komt (de verzorging van de wereld dient) is van geen enkel belang.

Lees ook vanaf nr. 172

De derde consequentie is dit dat het produceren dient om het overleven van bepaalde personen en groepen mogelijk te maken en niet om er een leefbare wereld van te maken. Het op zichzelf staande produceren maakt ook een zaak als wapenfabricage en wapenhandel mogelijk. Nog steeds is die productie uitermate lucratief, ondanks het feit dat wapens in geen enkel opzicht bijdragen aan de verzorging van de wereld. Op het ogenblik worden wapens en militairen aangewend om in bepaalde gebieden rust te brengen en veiligheid voor de burgers. Dan lijkt het of je met iets zinvols te doen hebt, maar een met geweld veilig gemaakte wereld is nog altijd een onveilige wereld die plaatselijk en tijdelijk wat minder onveilig is gemaakt. Pas een verzorgde wereld is een veilige wereld. De geproduceerde spullen moeten zin hebben voor het menselijk leven. Als dat het geval is dragen zij bij aan de verzorging van de wereld. Je kunt in het kort zeggen dat de spullen nuttig moeten zijn. In dat begrip nuttig is ook het begrip nodig besloten. In onze onvolwassen wereld worden het nodig-zijn en de nuttigheid van bepaalde spullen alleen maar gesuggereerd om een excuus te hebben voor een ongebreidelde productie en een groeiende afzet, een excuus dus voor winst maken. Overigens, werkelijke verhoudingen laten zich door alles heen gelden, zij het zo dat er (voorlopig) niets van terechtkomt. Zo voelt men aan dat spullen nut moeten hebben en daarom doet men het voorkomen dat alle geproduceerde rotzooi uitermate nuttig is. Nuttigheid wordt daarbij in feite niet als norm voor kwaliteit gebruikt, maar als middel om onbelemmerd te produceren en af te zetten. Zoals al eerder gezegd is onze wereld tot nu toe door en door onveilig, en dat komt doordat de verzorging ervan nog nooit aan bod is gekomen.

Voor zover er toch van enige vooruitgang op dat gebied gesproken kan worden is dat per ongeluk en onbedoeld aan het gangbare produceren meegekomen. De verzorging is in plaats van hoofdzaak als bijzaak gesteld. Doordat de werkelijke verhoudingen liggen zoals ze liggen ontstaat er als bijproduct wel een enigszins verzorgde wereld, maar die wereld is te definiŽren als een minder verwaarloosde. In die minder verwaarloosde wereld komen de geproduceerde spullen ook min of meer tot hun recht: zij kunnen niet helemaal zonder nut zijn en zij moeten ook nog een beetje functioneren, maar essentieel is dat zij daarvoor niet gemaakt worden. Zij dienen slechts om winst te maken en daarom is te zeggen dat het werken dat de mensen tot nu toe doen eigenlijk een vorm van stelen is. Dat is de meeste werkende mensen niet aan te rekenen. Zij hebben geen keus in deze wereld. Het begrip arbeid is een onvoorwaardelijke zaak: je arbeidt omdat deze wereld verzorgd moet worden en omdat dit zich in het laatste verschijnsel, de mens, laat gelden. Als en voor zover de wereld verzorgd is kunnen de mensen, alweer onvoorwaardelijk, leven. Daarbij maakt het absoluut niet uit wat de een doet en wat de ander. De spullen zijn beschikbaar en voor een ieder is dat onvoorwaardelijk het geval. Maar dat is voor de moderne onvolwassen mens moeilijk te bevatten omdat hij ten eerste alles voorwaardelijk doet, dus nooit zomaar zonder eigenbelang, en ten tweede alles naar zich toe wil halen en op grond daarvan van mening is dat iedereen teveel zal inpikken. Begrijp je deze zaak echter in zijn samenhang, dan blijkt dat niemand eisen stelt en dat niemand steelt. Voor een ieder zijn de spullen beschikbaar, onvoorwaardelijk omdat voor een ieder de wereld verzorgd is. Dat houdt tevens in dat niemand teveel heeft, alleen al vanwege de extra zorg die het teveel met zich brengt. De onvolwassen mens zou in de hierboven vluchtig geschetste volwassen, en dus verzorgde, wereld onmiddellijk gaan doen wat je nu de rijken ziet doen.

Gelukkig krijgt hij niet de kans daartoe, maar zou dat wel het geval zijn, hij zou de knoppen van zijn deuren van goud laten maken, teveel en te dure kleren hebben, anderen tot slaaf maken en in te luxueuze huizen wonen; kortom: hij zou zich schandelijk misdragen. De onvolwassen wereld is een onverzorgde wereld en daarin tracht men een weinig paal en perk te stellen aan het verwaarlozen en het stelen, vanuit een vaag besef dat dergelijke gedragingen niet bij de mens behoren. Volgens een groot aantal denkers zal het met de mens nooit zover komen dat hij raad zal weten met een wereld waarin al het nodige voorhanden is en vrijelijk en onvoorwaardelijk beschikbaar. De al vaker genoemde filosoof Jan Borger hield het voor mogelijk dat de mensheid op onze planeet ziek geboren zou zijn en misschien wel nooit de reis zou halen. Hij ging ervan uit dat alles gevarieerd is en dat dit ook met mensheden het geval zou zijn. Anderen menen dat de mens een soort van dier is dat in de grond van de zaak altijd roofzuchtig, moordzuchtig en egoÔstisch zal blijven. Het komt er dus op neer dat men het door mij geschetste perspectief bestrijdt. Veel is daar voor te zeggen, maar toch is dat onjuist. Zelfs als het waar zou blijken dat onze mensheid beneden de maat blijft, dan nog blijft mijn, gedachtegang overeind. Elders in het heelal lukt het dan stellig wel... In een verzorgde wereld is het overleven veilig gesteld. Op het moment dat dit het geval is kunnen wij van het begrip leven gaan gewagen. Voor dat begrip geldt dat het het vrouwelijke en het mannelijke ineen is, je kunt het ook benoemen met liefde. De verhouding productie - verzorging- overleven is dan te vertalen met de begrippen mannelijk - vrouwelijk- liefde. Elke productie is mannelijk, ook als vrouwen ermee bezig zijn; elke verzorging is vrouwelijk, ook als mannen ermee bezig zijn, en leven is steeds het ineen zijn van beide.

No.177

verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ;

Het begrip arbeid dekt zowel het begrip produceren als het begrip verzorgen. Maar in het vanaf de Verlichting aan het einde van de 18e eeuw doorgebroken en gevestigde economische denken worden beide begrippen van elkaar gescheiden, op zo'n manier dat de verzorging of geheel buiten het economische denken valt, zoals bijvoorbeeld de huishoudelijke arbeid van de vrouw, of niet als een op zichzelf staand begrip wordt gezien maar juist als een aan de productie ondergeschikte zaak. Daarbij is dan automatisch gesteld dat de verzorging niet als een op de productie volgend meeromvattend begrip geldt, maar als een betrekkelijk onbelangrijke bijzaak binnen het kader van de productie. In feite echter ligt de verhouding zo dat het begrip verzorging het begrip productie inhoudt (en niet andersom!) en dat daarom het begrip verzorging meeromvattend is. De producten hebben namelijk op zichzelf geen betekenis, om van waarde al helemaal niet te spreken. Zij zijn pas werkelijk product voor zover zij gericht zijn op en terechtkomen in een verzorgende en verzorgde wereld! Het maken van winst, overeenkomstig het verlichte economische denken, gooit genoemde verhouding omver: de bepalende factoren bij het produceren zijn dan niet langer het nut en het nodig-zijn maar het zich verrijken en het veroveren van macht, een streven dat leidt tot een ongebreidelde productie van minderwaardige artikelen, vergezeld van vervuiling en verspilling. Als de geproduceerde spullen verzorgd zijn is vanzelf aan de eis voldaan dat zij voor iedereen beschikbaar moeten zijn. Dat is iets dat door de huidige mensen nauwelijks te begrijpen is. Drie factoren spelen hierin een rol. Ten eerste wordt het begrip beschikbaar zijn onmiddellijk geassocieerd met eerlijk verdelen, met een begrip dus dat kwantitatief van aard is en dat geen ruimere inhoud heeft dan iedereen evenveel van hetzelfde.

Als dat echter het geval is heeft uiteindelijk iedereen teveel en tegelijk heeft iedereen te weinig. De reden hiervoor is dat elk mens andere spullen nodig heeft om zich te kunnen ontplooien en dus om te kunnen leven. Geen twee mensen zijn immers eender! De tweede factor is deze dat men denkt dat beschikbaarheid leidt tot ongeremd en onverantwoord inpikken van zoveel mogelijk spullen. Men kan zich niet indenken dat volwassen mensen geen behoefte hebben aan meer dan zij nodig hebben. De derde factor is gelegen in een verkeerde interpretatie van het begrip minimum behoefte. Dit betekent namelijk dat een ieder neemt wat zij of hij echt nodig heeft om te leven. Steevast begrijpt men dit echter als een armoedeprogramma waarin de mensen zich, behalve hun directe behoeften om te overleven, alles ontzeggen - een stokpaardje van de tegenwoordige milieufanaten die zo ongeveer alles willen afschaffen. Onvolwassen mensen begeren van allerlei en eigenlijk hebben zij nooit genoeg. Hun genoeg ligt in laatste instantie bij het (overigens onmogelijke) bezit van het heelal. Volwassen mensen echter zijn aan dat kinderachtige gedoe voorbij, zij hebben alleen maar datgene dat zij nodig hebben om te leven. Dat is overigens veel meer dan wat nodig is om alleen maar te overleven. Voor een muzikaal mens behoort de piano er bij, voor een geleerde zijn boeken en internationale contacten, voor de kinderen hun speelgoed enzovoort. Alles wat de mensen gezamenlijk ontwikkeld en geproduceerd hebben behoort erbij en niets kan aan iemand onthouden worden. De reden hiervan is dat het gelden van het begrip nodig-zijn uitsluitend bepaald wordt door de individuele mens zelf en door niemand anders. Niemand kan voor een ander bepalen wat zij of hij nodig heeft en dus moet alles ter beschikking staan en kan niets aan iemand onthouden worden.

Dat volwassen mensen als regel geen misbruik van die situatie zullen maken wordt veroorzaakt door het feit dat hun ontwikkeling aan het begeren voorbij is gegaan en terecht is gekomen bij het nodig-zijn. Het nodig-zijn hangt samen met onafhankelijkheid van de spullen doordat die spullen er zijn. Als dit laatste het geval is heeft het begeren geen zin meer. Dit begeren derhalve behoort bij onvolwassen mensen die in een onverzorgde wereld leven waarin aan alles een (bijna steeds bewust in stand gehouden) tekort is. Van de drie begrippen produceren, verzorgen en overleven kun je de kwaliteit aangeven, dat wil zeggen dat je de aard ervan kunt bepalen en dus kunt zeggen waarin zij tenslotte uitlopen. Zo blijken het produceren een mannelijke aangelegenheid, het verzorgen een vrouwelijke en het overleven een levenszaak te zijn. Je hebt nu dus de drieslag mannelijk-vrouwelijk-leven. Hierin is het leven een kwalitatief overleven en dat is een leven waarin alles kan en waarin de zorg voor het dagelijks overleven vervallen is. Een leven dus in een wereld waarin de onveiligheid, zoveel als redelijk mogelijk, opgeheven is. Die opgeheven onveiligheid heeft een stabiel karakter wat niet door de een of andere idioot ongedaan gemaakt kan worden, zoals dat wel het geval is in de onvolwassen wereld. De betrekkelijke veiligheid, die steeds tijdelijk en plaatselijk is, is uitermate wankel, zoals de geschiedenis steeds weer heeft laten zien. Bovendien is de onvolwassen wereld vol van idioten, dat wil zeggen van mensen die volkomen bevangen zijn in de waan van hun cultuur. Die idioten vormen de bovenlaag van de cultuur; zij voldoen het best aan de normen en waarden en zijn in de daarbij behorende hiŽrarchie het hoogst opgeklommen. De meest fnuikende cultuurwaan is die van het regeren en besturen. Volgens die waan moeten de mensen geregeerd en bestuurd worden. De overheden vinden dat en de onderdanen vinden dat eveneens. In feite echter kunnen mensen niet geregeerd en bestuurd worden en wel omdat het verschijnsel mens culmineert in de mens als individu, dus als volkomen zelfstandige eenling.

Die eenling gaat weliswaar vanuit zichzelf over tot samenwerken en samenleven met zijn medemensen, maar dat is geheel iets anders dan bestuurd en geregeerd worden. Dit laatste immers vooronderstelt een hogere en maatgevende instantie, maar omdat die er in werkelijkheid niet is zijn het steeds bepaalde mensen die zich als hoger opwerpen. Deze nu zijn de door mij bedoelde idioten: zij leven geheel en al buiten de realiteit. Die idioten bedreigen voortdurend de wankele veiligheid, de opgeheven onveiligheid, die de mensen met pijn en moeite tot stand gebracht hebben. Zij heffen belastingen, vaardigen verboden en geboden uit, bepalen wat goed en kwaad is en roepen op ten oorlog. In feite doen zij niets dat de persoonlijke ontplooiing van het individu bevordert - al doen zij net alsof zij daarmee wel degelijk almaar bezig zijn... Volgens het economisch denken is de moderne mensheid heel zakelijk bezig. Hierover filosoferende kom je tot de ontdekking dat de moderne mensheid juist buitengewoon onzakelijk te werk gaat. Het toegeven aan de begeerte leidt ertoe dat er een topzware wereld ontstaan is waarin een onvoorstelbaar dure administratie er zorg voor moet dragen dat ook het laatste dubbeltje door de burgers betaald wordt. Zo'n administratie is duurder dan de voorzieningen waarover zij de administratie voeren. Dat geldt voor de gehele moderne wereld: het afschaffen van geld en winst zou het leven zeker tienmaal zo goedkoop maken, goedkoop, wel te verstaan in energie. Uiteindelijk is alles om te rekenen in energie, ook geld is eigenlijk energie. Zo is enigszins te bevatten hoeveel energie, menselijke en mechanische, in onze wereld verspild wordt vanwege de cultuurwaan en het machtsbesef van een groot aantal idioten. En intussen is men in onze wereld uitermate onzakelijk bezig totdat wij straks voor de rand van de afgrond staan.

verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ;

No. 178

natuurrampen1 ; natuurrampen2 ; verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ;

Productie heeft geen zin als er niet verzorging, zo ruim mogelijk opgevat en dus ook met alle aspecten van veiligheid als inhoud, op volgt. Verzorging heeft geen zin als er geen kans op overleven is, bijvoorbeeld door onbedwingbare natuurrampen, en uiteraard valt er niets te verzorgen als er geen productie, eveneens zo ruim mogelijk begrepen, aan vooraf gaat. Er is dus een volgorde qua inhoud en betekenis; verzorging is ruimer qua inhoud dan productie en overleven gaat op haar beurt weer verder dan verzorging. Dat wordt nog duidelijker en betekenisvoller als je die drie begrippen naar hun aard vertaalt: de werkelijkheid als mannelijke zaak, als vrouwelijke en als levenszaak. Het mannelijke staat voor het bestaande en het (door de mens) geschapene; het vrouwelijke voor het terecht-zijn ervan en het leven voor het tot zijn recht komen ervan. Uiteraard kun je dat ook nog op andere manieren formuleren, bijvoorbeeld in termen van verwekken, voortbrengen en leven. Steeds echter gaat het over de veelheid (van alle bestaande verschijnselen en spullen), het ene geheel (waarin alles ineen is) en het zich ontplooien als autonoom verschijnsel (de mens als individu). En steeds is het mannelijke inhoud van het vrouwelijke en dat inhoudsvolle vrouwelijke is inhoud van het leven. Daarnaast is te zeggen dat het mannelijke kwantitatief van aard is, het vrouwelijke kwalitatief en het leven normatief (zichzelf normen stellend en richting gevend, zichzelf besturend) is. In de moderne wereld staat alles op zijn kop, verzorging wordt gezien als inhoud en onderdeel van de werkelijkheid als productie en zelfs het leven wordt als inherent aan en afhankelijk van productie gedacht. Alle leven staat op de een of andere manier in verband met de productie.

Je leeft na en naast je werk (in je zogenaamde vrije tijd), je leeft dankzij je werk en als je per ongeluk niet werkt wordt je levensonderhoud toch uitgedrukt in termen van productie, zoals iedereen met een uitkering weet. Je betaalt zelfs ook dan loonbelasting! Ik noem die wereld modern die na de tijd van de Verlichting op is komen zetten. Wat er in die wereld speelt is, vergeleken bij de voorgaande culturen, totaal anders en nieuw. Voor het eerst ontstaat er het besef dat onze wereld door onszelf gemaakt kan en moet worden. Voordien heeft de mensheid zich als het ware slapend ontwikkeld. Die ontwikkeling ging buiten de zelfbewuste mensen om haar eigen gang, men hield zich er niet mee bezig en had zelfs vaak niet eens in de gaten dat er een voortgang was! Men zag dus zijn eigen ontwikkeling niet. Natuurlijk bedacht men wel van allerlei aan de resultaten van die ontwikkeling en men maakte uiteraard daarvan een gretig gebruik, maar als het gaat over die ontwikkeling zelf, dan had men daar geen besef van. Dat veranderde met de Verlichting. Toen ging men zich met de eigen voortgang bezig houden, uitzoeken hoe die voortgang te stimuleren en welke doelen er gesteld zouden moeten worden. De tijd van de ideologieŽn brak aan! Dat men zich met zichzelf ging bezig houden komt voort uit het gericht zijn op zichzelf als zelfbewustzijn, het zich verwerkelijken als ik: vrijheid, gelijkheid en broederschap. De werkelijkheid zoals die in het zelfbewustzijn ligt is een opgebouwde, een door het individu zelf geschapen, werkelijkheid. Dat is immers de voorstelling! Aan die voorstelling gaat men werken teneinde die om te vormen tot een nieuwe wereld, opgebouwd volgens de in het zelfbewustzijn aanwezige logische regels. Daarbij behoorde dat men de productie ging zien als een universele zaak in het belang van een nieuwe wereld, maar ook dat men het vrouwelijke, voor zover nog levend, als een bij het bewustzijn behorende zaak naar de achtergrond ging verwijzen.

Vanaf de Verlichting komt de nadruk te liggen op die mannelijke zaak. Gecombineerd met het besef dat het om de mens als ik gaat ontstaat er deze situatie dat zowel mannen als vrouwen de man als de belangrijkste mens gaan beschouwen, met aan hem dienstig de vrouw en het, zijn naam dragende, nageslacht. De zelfstandige vrouw, die er voor die tijd wel degelijk was, voor zover mogelijk in de patriarchale wereld van het christendom, verdwijnt nagenoeg geheel van het toneel naar de keuken en de slaapkamer. De vrouw van voor de Verlichting ging niet onder in de mannenwereld, zij had er slechts meer of minder mee te maken voor zover het thema macht aan de orde was en dus ook binnen het kader van de godsdienst. Nu echter werd zij ingelijfd en lijfde zij zichzelf in in een wereld van mannen, juist omdat ook zij cultureel in het teken van beide, het mannelijke en het individuele, is komen te staan. De vrouw als ik kreeg een mannelijk accent en juist daardoor werd zij naar de keuken verwezen. Maar ook gaat diezelfde vrouw, in de mening zich te emanciperen, proberen op mannelijke wijze in de maatschappij te functioneren. Haar levensvervulling komt dan te liggen bij het maken van carriŤre. Let echter op: het gaat volstrekt niet over de vraag of vrouwen al of niet het recht hebben mee te doen in de door productie beheerste maatschappij! Uiteraard verschillen haar rechten niet van die van de man. Waarover het gaat is de vraag hoe de verhoudingen liggen en wat daarvan in de moderne wereld terechtkomt. Ik heb er al op gewezen dat de moderne mannenwereld een onzakelijke wereld is. Het is evenwel ook een chaotische wereld. Je kunt zelfs wel van krankzinnigheid spreken. Een dergelijk hard oordeel is gegrond in het feit dat alles wat geproduceerd wordt in een luchtledig terechtkomt. Het komt niet, via de verzorging (het vrouwelijke), terecht in het leven, maar in een economisch circuit waarvoor de norm is dat de gebruikers het moeten kunnen betalen.

Of, anders gezegd: de spullen worden geproduceerd en gedistribueerd ter wille van de winst en winst is in feite een fictie, een hap lucht. Door het ontbreken van een reŽle norm voor de productie, namelijk het nuttig en nodig zijn, verloopt het hele proces chaotisch. Omdat de verhoudingen liggen zoals ze liggen ontkomt men ook in die chaotische mannenwereld niet aan de begrippen nuttig en nodig. Het gevolg is dat men de suggestie wekt dat ze gelden, enerzijds door ervoor te zorgen dat de producten enigszins te gebruiken zijn en anderzijds door het maken van reclame en propaganda. Tegelijkertijd wekt men de suggestie dat je te doen zou hebben met een ordelijke wereld. Het ordelijke daarvan echter is in feite een zo goed mogelijk in bedwang gehouden wanorde, maar geregelde chaos is ook chaos. Dat blijkt als in tijden van nood de regels en de controle verslappen. Men doet in deze wereld niets anders dan regelingen treffen en voorschriften geven, maar vooral tegenwoordig wordt almaar meer duidelijk dat onze moderne wereld in wezen chaotisch is. De regels en voorschriften zijn steeds minder effectief en men weet nauwelijks meer hoe ze toe te passen. Overigens: het feit dat iedereen inziet dat er regelingen getroffen moeten worden wijst er onmiskenbaar op dat iedereen weet dat het een chaos is. Dus: het chaotische van de mannenwereld komt voort uit het feit dat de kwantiteit, de hoeveelheid, de verzameling spullen, op zichzelf geen samenhangende eenheid is maar daarentegen als los zand aan elkaar hangt en daarbij gekenmerkt wordt door het toeval; het is maar net hoe het valt! In zo'n situatie komt er niets terecht, de spullen vinden geen thuis en de mensen vinden geen thuis. Geen wonder dat er voortdurend van alles teveel is en tegelijkertijd van alles te weinig. De spullen komen niet daar waar zij echt nodig zijn, namelijk bij de behoeftigen, maar eigenlijk slechts bij diegenen die al van alles hebben, namelijk diegenen die het kunnen betalen. Dat mag dan economisch nog zo vanzelfsprekend zijn, filosofisch doorgedacht blijkt er niets van te deugen.

natuurrampen1 ; natuurrampen2 ; verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; ARBEID Ė WERKEN - Verzorgen / Verzorging..? Vergeet het maar..!..of..? ( lees nos. 172 t/m 178 )

No. 179

verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ;

De mensen van voor de Verlichting waren natuurlijk ook zelfbewuste mensen. Waar een mens is is zelfbewustzijn. Zij waren echter niet op zichzelf gericht qua zelfbewustzijn, zij hielden zich er niet mee bezig. Zij deden de dingen die zij deden, gewoon omdat die gedaan moesten worden. De moderne mens echter heeft een in de toekomst liggende reden, een complex van motieven, waarom hij de dingen doet en hij streeft op de een of andere manier een doel na, een doel dat verder reikt dan zijn eigen dagelijkse leven. Dat laatste heeft betrekking op de werkelijkheid als voorstelling. Voor de ouderwetse mens was die voorstelling een ďonmiddellijk gegevenĒ, die wereld was zoals hij was, maar voor de moderne mens wordt hij onderwerp van onderzoek, men vertrouwt hem niet zonder meer. Vandaar dat vandaag de dag alles eerst wetenschappelijk onderzocht moet worden, ook datgene dat zonneklaar uit de voorstelling blijkt. De voorstelling wordt ontleed, in tegenstelling tot wat het geval was bij de ouderwetse mens: deze liet de voorstelling intact en als zodanig was hij hem de maat. Het spreekt vanzelf dat op die manier heel wat foute oordelen gedurende lange tijd stand konden houden, maar daar tegenover staat een betrekkelijk karaktervolle mens. De moderne mens was aanvankelijk de mens van de ideologieŽn. Zelfs de godsdiensten kregen een ideologisch karakter: zij veranderden van een directe maatschappelijke macht in een voor iedereen als de maat gestelde bovenliggende collectieve voorstelling van een wenselijke werkelijkheid. Tijdens de Franse revolutie brak de maatschappelijke macht van de godsdiensten, maar, vooral in de 19e eeuw, nam de ideologische kracht van de godsdiensten aanzienlijk toe.

De mensen gingen proberen te leven naar een persoonlijke voorstelling van een toekomstige goddelijke wereld, al of niet gesitueerd in een hiernamaals. Voordien was de godsdienstigheid vooral een zaak van gedragsregels, zoals je vandaag nog kunt zien bij de Islamieten: een hoofddoekje is de maat voor de godsdienstigheid van een meisje. Bij een ideologie gaat het om een voorstelling van een voor iedereen verplichte toekomstige wereld. Zo'n voorstelling is ontworpen naar aanleiding van onderzoek van de onmiddellijke voorstelling van de werkelijkheid. Zo heerst er tegenwoordig een betrekkelijk nieuwe ideologie onder vrouwen, met als inhoud om in de maatschappij net als de mannen carriŤre te gaan maken. En in het fascisme en nationaal-socialisme had men de vroegere wereld van de Romeinen en de Germanen als ideologische voorstelling voor ogen. Dan waren er, naast de al genoemde godsdienstige, ook nog de ideologieŽn van het liberalisme, het socialisme en dergelijke. Allemaal hadden zij een toekomstige wereld als doel, een wereld die, al of niet met geweld, door gezamenlijke inspanning van iedereen opgebouwd moest worden. Daarbij onderscheiden fascisme en nazisme, evenals trouwens stalinisme en maoÔsme, zich van de genoemde andere ideologieŽn voor zover daarin niet iedereen betrokken was, maar slechts raszuivere en nationalistische elementen. Qua ideologie waren deze laatste dus eigenlijk niet helemaal in orde, hetgeen de geschiedenis dan ook duidelijk heeft laten zien in hun ondergang tijdens de tweede wereldoorlog en recentelijk. Hoe dan ook, sinds de Verlichting, als de mens zich met zichzelf als zelfbewustzijn gaat bezig houden, ontstaat er een maatschappij van mannen die doende zijn een nieuwe wereld op te bouwen, in het besef dat de mens het zelf moet doen omdat er niets of niemand anders is die het voor hem doen kan. De mannenwereld berust op een samengaan van een tweetal factoren: a) het mannelijke in de mens, gericht op de werkelijkheid als hoeveelheid, kwantitatief dus, en b) de mens als zich ontwikkelende individu, als een zich tot ik ontplooiend mens. Het gaat dus over de mannelijke individu.

In de ouderwetse wereld draaide alles inderdaad ook om het gedoe van de mannen, maar niet om de mens als individu, zodat het vrouwelijke geheel veel meer bepalend was voor het gedoe van die mannen. In de moderne mannenwereld echter worden het vrouwelijke en het leven weggewerkt naar terreinen die aan het gedoe van de mannen dienstbaar zijn. Het lijkt alsof de verbanning van de vrouwen naar de keuken en de slaapkamer er een is naar een vrouwelijke wereld, namelijk de wereld van de verzorging en het leven. Praktisch gezien is dat uiteraard een feit, maar waarom het gaat is dat die hele vrouwelijke wereld als ondergeschikt aan de mannelijke gesteld wordt. Zij geldt niet als een autonome en zelfs de mannelijke overtreffende werkelijkheid, maar als een dienstbare, aan de mannelijke werkelijkheid inferieure, zaak. Zo zijn de keuken en de slaapkamer symbolen geworden van letterlijk onderdrukking van de vrouw en het vrouwelijke, onderdrukking die gebaseerd is op enerzijds het feit dat de begrippen verzorging en leven inderdaad vrouwelijk zijn en anderzijds op de suprematie van de mannelijke individu. Tegenwoordig breken vele vrouwen los uit de mannelijke kluisters. Zij verlaten de keuken en ook de voor het gerief van de mannen ingerichte slaapkamer. Maar het kan voorlopig niet meer zijn dan dat. Het enige wat gebeurt is dat zij overgaan naar het traditionele terrein van de mannen; de door de economie gedomineerde maatschappij. Wezenlijk is er niets aan de hand en het is zelfs mogelijk deze gang van zaken als een achteruitgang te zien omdat de laatste herinneringen aan het vrouwelijke, namelijk de verzorging en het overleven, ook nog vervlogen zijn. Het uitbreken uit de kluisters betekent wezenlijk een verlies van vrouwelijkheid, maar er staat natuurlijk tegenover dat er eindelijk ruimte komt voor het zich tot individu ontplooien van de vrouw. Langs deze weg kan zij zich gaan emanciperen.

Wij hebben tegenwoordig dus te doen met een mannenwereld (bestaande uit vrouwen en mannen!). In deze wereld vieren wetenschappelijk onderzoek, technologie, redelijk overleg, beleid, management en dergelijke hoogtij. Alles wordt uitgerekend en niets is waar tenzij het wetenschappelijk als waar aangetoond is. Deze wereld evenwel is gebaseerd op en resultaat van analytisch onderzoek van de werkelijkheid als voorstelling. Het is daarom een wereld die samengesteld is uit een grote hoeveelheid, op zichzelf los van elkaar staande, feiten, en dat samenstellen gebeurt met behulp van theorieŽn, regels en voorschriften die eveneens uit analyse van de voorstelling verkregen zijn. Mag het dan een wonder heten dat het in genoemde mannenwereld steeds chaotischer wordt en dat men steeds minder weet waarover het nu allemaal gaat? En, zoals al eerder gezegd; het resultaat is volstrekt willekeurig, hetgeen wil zeggen dat dit niet gezien en beoordeeld wordt als inhoud van een in alle opzichten samenhangend geheel. Een aardige illustratie aangaande de thuisloosheid van de moderne man en diens wereld is de man die slachtoffer is van een echtscheiding. Dan staat de superieure wereldbouwer, die alles af weet van management en van conflictanalyse, als een zwerver op straat, zonder onderdak, zonder eigen spullen en zonder toekomst. Hij blijkt dan een thuisloze te zijn wiens leven en doen nergens voltooiing vindt. Uiteraard komt niet iedereen in zo'n situatie, maar wel blijkt vrijwel elke man wezenlijk een tobberd te zijn die zich letterlijk geen raad weet. Zo weet hij ook volstrekt geen raad met de liefde. Hij komt op zijn best tot een draaglijke relatie met zijn partner. Hij is natuurlijk ook een gemakkelijke prooi van de wanen die hij zelf mede in leven geroepen en in stand gehouden heeft: hij vindt het een eer om in Vlaanderen in de loopgraven te gaan verrekken (1914-1918) en hij vindt het jammer doch redelijk dat hij zijn overschot aan levensmiddelen niet aan de arme derde wereld kan geven.

verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ;

No. 180††† concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4

Helaas is het in de filosofie gebruikelijk geworden zich van een terminologie te bedienen die slechts betekenis heeft voor diegenen die zich in een bepaalde tak van filosofie bekwaamd hebben. Er is dus een vaktaal ontstaan, precies zoals dat in de natuurwetenschappen het geval is. Deze wetenschappen echter zijn er alleen maar voor insiders en zij spelen in directe zin geen rol in het leven van de mensen. Slechts de tot praktische technologie omgezette resultaten ervan komen terecht in het dagelijkse leven maar als zodanig behoef je hun werking niet te begrijpen. Bij de filosofie ligt dat volstrekt anders: zij is er niet voor vaklui maar voor iedereen. Net als de kunst vertelt zij de waarheid aan de mensen. Dat kan niet doormiddel van een vaktaal, maar dat moet via de verstaanbare spreektaal. In feite ligt de wetenschappelijke kennis buiten het leven. Of de atoomkern nu twee of drie quarks bevat is daarvoor van geen enkel belang, maar de waarheden van de filosofie zijn van direct belang. Dat het bijvoorbeeld niet aangaat je medemens leed te berokkenen is onmiddellijk van betekenis. De filosofie levert inzicht op in je leven, ze heeft dan ook een niet te onderschatten ethische betekenis. De werkelijkheid mannelijk en de werkelijkheid vrouwelijk zijn met afstandelijke vaktermen te benoemen, bijvoorbeeld het kwantitatieve principe en het kwalitatieve principe. Als zodanig vallen deze begrippen buiten het leven, zij zeggen je niets. De termen mannelijk en vrouwelijk daarentegen roepen bepaalde associaties op die op hun beurt sommige, al of niet reŽle, beseffen wakker kunnen roepen. En die beseffen zijn in en voor de filosofie nu juist zo belangrijk! Doorgaans worden zij, onder invloed van de overheersende cultuuropvattingen, verkeerd geÔnterpreteerd, maar juist ook die verkeerde interpretatie is voor de filosofie veelzeggend!

In de loop van de 19e eeuw heeft de opvatting veld gewonnen dat de vrouw thuis behoort te zijn en daar de verzorging op zich moet nemen. De man daarentegen gaat er op uit om voor de productie te zorgen. Nu lijkt het er op dat de juiste verhoudingen voor de dag zijn gekomen, maar dit is geenszins het geval. Qua besef is er wel iets doorgedrongen omtrent de begrippen vrouwelijk en mannelijk, hetgeen te verklaren is uit het feit dat de mens als individu begonnen is zich te ontplooien en dus te maken krijgt met de voor hem geldende wezenlijke verhoudingen, maar in de praktijk is dat besef vertaald in een voor de individu als man gunstige machtspositie: de gehele vrouwelijke werkelijkheid als aan de man onderworpen zaak. Je kunt dus constateren dat het besef omtrent de geldende begrippen levend is geworden, maar dat blijkbaar niet geweten wordt hoe de zaak in elkaar zit. Dat verschijnsel doet zich in de gehele (westerse) moderne cultuur voor: alle mogelijke waarachtige begrippen worden op alle mogelijke manieren gehanteerd, zijn bekend geworden, zonder dat men weet waarover het nu werkelijk gaat. Oude evangelische begrippen bijvoorbeeld, zoals vrede, liefde, eenvoud en dergelijke behoren tot het arsenaal van termen en begrippen, maar steeds weer blijkt dat men er niets van begrijpt, hoewel het gebruik ervan de schijn wekt dat men alles goed in de gaten heeft. Zo werkt men ook met de termen vrouwelijk en mannelijk, bedenkt er van allerlei aan, onderzoekt van alles en vormt alle mogelijke theorieŽn, maar de hele zaak slaat in feite nergens op... Er wordt niets van begrepen! Deze paradoxale situatie is voor het denken uiterst gevaarlijk omdat hij gemakkelijk tot misverstanden kan leiden, in de geest van: zie je wel dat de vrouw wel degelijk in de keuken thuishoort, de filosofie zegt het...!

Toen het ging over de levende cel heb ik laten zien dat er twee begrippen voor gelden, namelijk het begrip inhoud en het begrip geheel. Het begrip inhoud omvat de werkelijkheid als totaal van alles wat er is (kwantiteit) en het begrip geheel betekent de samenhangende werkelijkheid als eenheid (kwaliteit). Je kunt in dit verband de begrippen uiteen zijn en ineen zijn gebruiken. Gemakkelijker wordt dan duidelijk dat het mannelijke een uitwendig, en het vrouwelijke een inwendig karakter heeft. Iets moeilijker wordt het om te begrijpen dat het ineen zijn van het vrouwelijke betekent dat alles er in aanwezig is, maar dan wel op zodanige wijze dat het een niet meer gescheiden is van het ander, er niet meer tegenover staat en er niet meer mee in concurrentie is. Hieruit volgt dat er met het vrouwelijke, voor zover het over haar inhoud gaat, volstrekt niets gebeurt. Er zit geen ontwikkeling in, vooruitgang noch achteruitgang; het is een zijnstoestand. Die toestand is onveranderlijk, maar in alle onveranderlijkheid is zij volmaakt, er ontbreekt niets aan en alles komt tot zijn recht. Je kunt die toestand kwalificeren als een toestand van harmonie, waarin alles in rust is. Het vrouwelijke is qua inhoud in zichzelf in ruste. Voor haar geldt het eeuwig onveranderlijke, precies zoals de denkers van het oude oosten het steeds aangevoeld en begrepen hebben. Boven de toestand van onveranderlijkheid is niet uit te denken: je hebt te doen met een volmaakte zaak omdat alles aanwezig is en tot zijn recht komt, ook datgene dat van zichzelf uit concurrerend is, met name het mannelijke. Hoe komt een besef omtrent het bovenstaande nu in de zich ontplooiende moderne mens terecht? Wel, dat komt voor de dag als de buitengewoon botte mening dat voor vrouwen ontwikkeling niet nodig en zelfs onmogelijk is. Men stelt het als strijdig met de vrouwelijke natuur! Je bemerkt dus: er is een besef van de juiste verhouding (op grond van ontwakende individualiteit), maar er wordt niets van begrepen en men geeft er een typisch mannelijke draai aan, namelijk een causale verklaring. Dit gaat zo diep dat bijna niemand het bovenstaande over het in zichzelf rustende vrouwelijke kan verwerken en begrijpen...

Gezien vanuit het vrouwelijke is de inhoud in rust, maar denkende vanuit die inhoud zelf is er onrust, beweging, verandering, concurrentie en dus ontwikkeling. Dit laatste wil zeggen dat er vanuit het mannelijke wel ontwikkeling is. Een consequentie die je uit het mannelijke begrip uiteen zijn kunt trekken is als eerste de al genoemde concurrentie, het ten opzichte van elkaar in beweging zijn. Ten tweede kun je bedenken dat het mannelijke staat voor een wereld die niet bij zichzelf blijft, maar die naar het andere toegaat. Het mannelijke houdt steeds een beweging in en is daardoor almaar aan verandering onderhevig. Van in rust zijn is geen sprake. Ook nu weer kun je je afvragen hoe een ontwakend besef omtrent deze zaak in de praktijk van de moderne wereld voor de dag komt. Je ziet dan dat de mannen zich in de buitenwereld begeven, het huis verlaten, buiten de deur werken, dat wil zeggen: bezig zijn de werkelijkheid te veroveren (naar het andere toegaan) en haar te veranderen (arbeid). Juist de moderne mannelijke wereld is er een van er op uitgaan en alles in bezit nemen en naar zijn hand zetten. Kortom, de buitenwereld is er voor de mannen. En weer is duidelijk dat men er niets van begrepen heeft want die wereld is helemaal niet exclusief voor de mannen, hij is er evengoed voor de vrouwen en bovendien: het er op uitgaan heeft slechts dan betekenis en zin als het als inhoud van het vrouwelijke geschiedt. Waarom het gaat is dat de werkelijkheid vrouwelijk en de werkelijkheid mannelijk twee essentiŽle aspecten zijn van de levende werkelijkheid die uiteindelijk mens geworden is. De verdeling van die begrippen over de vrouw en de man is symptomatisch voor analytisch individueel denken.

concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4

No. 181

Overgang-1

Wat betreft het vrouwelijke kun je, uitgaande van het begrip ineen zijn, zeggen dat het er over gaat dat a) alles aanwezig is, b) dat er niets buitengesloten is, c) dat er geen scheiding tussen het een en het ander is en d) dat het ťťn volledig met het ŗnder samenhangt op de wijze van het in elkaar overgaan, zodat het een op zijn wijze het ander is. Deze vier punten houden niet in dat het een en het ander (de dingen die er zijn) op de een of andere manier in het ineen zijn opgelost zijn, zoals suiker in water. Beide daarentegen zijn volledig en naar eigen aard aanwezig en als zodanig erkend. Het ineen zijn slaat slechts op de situatie waarin het een en het ander ten opzichte van elkaar verkeren, anders en overdrachtelijk gezegd; de wijze waarop zij zich tegenover elkaar gedragen. Het gaat om de vraag hoe zij zich laten gelden. Het helder begrijpen van deze vraag leidt overigens ook tot een oplossing als het gaat over het al eeuwenoude vraagstuk van de verhouding tussen gemeenschap en individu. Tot op heden heeft men dit uitsluitend als een onoplosbare, in zichzelf paradoxale, zaak gezien, juist omdat men maar niet kan begrijpen dat het niet om de individu als zaak, maar om het gedrag gaat, de volwassen en volstrekt zelfstandige individu die zich, zonder ook maar iets van zichzelf te verloochenen maar juist door zichzelf zo helder mogelijk te laten gelden, gedraagt als deelgenoot in een gemeenschap. De individu is niet strijdig met de gemeenschap, maar voorwaarde tot de gemeenschap. En zo is de inhoud van het ineen zijn noodzakelijke voorwaarde voor dat ineen zijn. Bij de versmelting van twee achtledige elementaire deeltjes, brandpunten genaamd, gaat de ruimte van de een over in die van de ander en zo ontstaat er een overgang tussen beide. Beide zijn voor elkaar nuances van het geheel. Ook hierbij hebben wij, zoals we destijds al gezien hebben, te doen met ineen zijn, in dit geval een ineen zijn dat twee brandpunten als inhoud heeft. Die brandpunten verdwijnen niet in het ineen zijn, maar zij gedragen zich als waren zij een eenheid. En dat kunnen zij doen omdat zij volstrekt zichzelf zijn. Van zichzelf verloochenen is absoluut geen sprake.

Ik heb er op gewezen dat het vrouwelijke in zichzelf geen ontwikkeling kent. Dat nu is een gevaarlijke uitspraak omdat het in de aard van het moderne denken ligt dan automatisch te veronderstellen dat ik dus meen dat het vrouwelijke onontwikkeld is. Vooral mensen met een hoge opleiding zijn erg vlug met een dergelijke conclusie en zij zijn als regel niet bereid toe te geven dat zij weer eens verkeerd gelezen of geluisterd hebben. Verkeerd luisteren of lezen is zo langzamerhand een hoofdkenmerk van gestudeerde lieden geworden..! Deze starheid, deze vooringenomenheid, komt voort juist uit die hoge opleiding die er immers op neerkomt dat men tijdens zijn leerprocessen uiterst diep geconditioneerd is geworden. Het is voor zulke mensen, getraind in de analyse, niet te bevatten dat het vrouwelijke juist volmaakt genoemd moet worden: als alles naar eigen aard aanwezig is valt er niets meer te ontwikkelen, niets meer uit te wikkelen. Het proces is dan klaar en er is een rusttoestand ingetreden, waarin alles blijvend tot zijn recht komt. Het vrouwelijke is voorbij aan de ontwikkeling, het is, filosofisch gesproken, voorbij aan het begrip worden. Het is dus pertinent niet zo dat het aan ontwikkeling niet toe kan komen (zoals de christelijke kerkvaders menen en waarvan de islamitische imams zo nodig nog meer overtuigd zijn) of er niet geschikt voor is (de filosofie van Bolland en ten dele ook die van Jan Borger). Het vrouwelijke laat al het gedoe van vooruitgang, ontwikkeling, wijs worden enzovoort, wezenlijk achter zich. Het is volmaakt in de zin van vol gemaakt, tot wasdom gekomen, allesomvattend - maar vooral niet in de westerse betekenis van verheven, heilig of zonder fouten.

Volgens de beroemde psychoanalyticus Carl Gustav Jung (1875-1961) acht de vrouw zich in haar diepste wezen verheven boven het kinderachtige mannelijke gedoe..! Hij heeft dit bij analyses in de praktijk opgemerkt. In de westerse cultuur is een almaar voortdurende dubbelhartige benadering van de vrouw en het vrouwelijke waar te nemen. Enerzijds is het vrouwelijke verwerpelijk omdat het duister, geheimzinnig en duivels zou zijn en anderzijds wordt het vrouwelijke hemelhoog verheven. Dit laatste was het geval bij de zogenaamde troubadours, die hun, vaak denkbeeldige, geliefden opsloten opdat hun verhevenheid, kuisheid en schoonheid niet aangerand zouden kunnen worden. Cervantes (1547-1616) drijft daarmee de spot in zijn Don Quichotte, die zich verbeeldt namens zijn geliefde Dulcinea ten strijde te moeten trekken tegen het onrecht. In de Duitse cultuur van het interbellum (1918-1939), waarin kleine legertjes met groot geweld en niets ontziende wreedheid vochten tegen socialisten en communisten, bereikt de fixatie op het vrouwelijke een ongekend hoogtepunt; als lid van de communistische vloed is het vrouwelijke walglijk en moet het meedogenloos uitgeroeid worden, maar als de moeder van alle edele soldaten is zij rein, kuis en hoogverheven. Het behoeft wel geen betoog dat een en ander tot in het diepste doortrokken was van seksuele perversiteiten. De begrippen uiteen zijn (mannelijk) en ineen zijn (vrouwelijk) zijn niet symmetrisch. Dat betekent dat zij geen tegenstellingen zijn op de manier van licht en donker, zwart en wit en dergelijke. In dit geval zijn de tegenstellingen gelijksoortig; beide behoren tot dezelfde zaak en zijn in die zaak onvermijdelijke tegenstellingen. Uiteen zijn en ineen zijn echter zijn niet gelijksoortig. Dat betekent het als ik zeg niet symmetrisch. De verhouding uiteen-ineen is een volstrekt andere dan de verhouding ineen-uiteen. Denkende vanuit uiteen zijn heb je te doen met een wordende werkelijkheid, maar denkende vanuit ineen zijn met een zijnde werkelijkheid. Het verhaal van het mannelijke is een ander verhaal dan dat van het vrouwelijke. Over het algemeen wordt dat niet ingezien, vandaar dat men bijvoorbeeld in feministische theorieŽn een pleidooi houdt voor gelijke verdeling van werkzaamheden, plichten en rechten van vrouwen en mannen.

Er gaan zelfs al stemmen op die willen dat de mannen zodanig getransformeerd moeten worden dat ook zij kinderen kunnen krijgen. Men streeft dus naar vormen van uniseks, alsof het mannelijke precies hetzelfde is als het vrouwelijke en dat dus de tegenstelling tussen die twee gemakkelijk op te heffen is, namelijk door alles gelijkelijk over beide te verdelen. Indachtig de asymmetrie van ineen zijn en uiteen zijn is evenwel gemakkelijk te begrijpen dat een dergelijke verdeling onmogelijk is. Een behoorlijke omgang van vrouwen en mannen kan dan ook alleen maar tot stand komen als de daarvoor geldende begrippen als ongelijksoortig (maar natuurlijk wel gelijkwaardig!) herkend worden. Is dat niet het geval, vrouwen en mannen zouden in grijze gebieden terechtkomen waarin een ieder eigen identiteit verloren heeft: uniseks! De vrouw en de man zijn ontstaan ten gevolge van een wordingsproces van en in de werkelijkheid. In dat proces treedt, als het leven er eenmaal is, al heel gauw de splitsing in twee geslachten op. Het begrip de mens manifesteert zich als twee mensen: een vrouw en een man. Dit begrip zelf is een vrouwelijk begrip, geheel in strijd met het westerse woordgebruik dat mannelijk is. Het leven is door en door vrouwelijk, hetgeen men in de oudheid nog begreep want alle leven heette voort te komen uit de oermoeder. Hieruit blijkt dat men inzag dat het vrouwelijke het eeuwige was, namelijk datgene dat ďvoorbij het wordendeĒ gelegen was. Dat is dus ook datgene waarin de werkelijkheid qua proces uitloopt: een vrouwelijke, volmaakte, in zichzelf rustende wereld waarin alles thuis is...

Overgang-1

No. 182†††† Psyche, zie ook vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ;

De begrippen ineenzijn en uiteenzijn, vrouwelijk en mannelijk, zijn niet symmetrisch. Symmetrische begrippen behoren op de wijze van tweelingen tot dezelfde werkelijkheid, maar genoemde begrippen behoren tot verschillende werkelijkheden, dat wil zeggen, de werkelijkheid (er is er immers maar een!) naar volstrekt verschillende aspecten. Om hierin wat meer klaarheid te brengen kunnen wellicht een tweetal benaderingen dienstig zijn: de eerste verloopt via het wordingsproces, zoals dat op een gegeven moment het levende verschijnsel voortbrengt, en de tweede verloopt via onderzoek van het complex van verhoudingen dat, aan het einde van de wording, de mens blijkt te zijn. Op een zeker moment komt de levende cel voor de dag, namelijk het verschijnsel dat in zichzelf beweeglijk is geworden. Dat verschijnsel is zelf iets, namelijk een geheel en er is ook nog de inhoud van dat geheel, namelijk de verzameling van verschillende onderdelen. Het begrip geheel komt overeen met de begrippen vrouwelijk en ineen zijn en het begrip inhoud komt overeen met de begrippen mannelijk en uiteen zijn. Al deze begrippen zijn bij herhaling ter sprake gekomen, maar ik wijs er nog even op dat uiteen zijn niet betekent dat je te doen hebt met het een volledig op zichzelf en het ander dito. Het betekent daarentegen wel degelijk dat er een zeker verband tussen het een en het ander is. Dat verband wordt aangegeven doormiddel van het begrip verzameling. Alle daarbij behorende elementen hebben een bepaalde relatie gemeen, er is een netwerk van relaties, en dat feit leidt ertoe dat het begrip geheel kan gaan gelden. Het uiteen zijn slaat dus in feite op een situatie van naast elkaar zijn. Bij het ineen zijn gaat het juist om het samenhangende, om het zich laten gelden als een enkele zaak, als een soort van eenheid, namelijk een geheel. Het wordingsproces loopt heel concreet uit in die ene levende cel. Voor die cel geldt het ineen zijn (want het is een geheel) en dus is die cel vrouwelijk. De wording loopt tastbaar in een vrouwelijk verschijnsel uit. Het leven is exclusief vrouwelijk en kan bijgevolg alleen maar in termen van het vrouwelijke beschreven worden. Dat geldt dus ook voor het mannelijke, ook dat is alleen maar vanuit het vrouwelijke te definiŽren.

Het mannelijke kan onmogelijk als een op zichzelf staande zaak beschreven worden, het is een zaak die zijn bestaan niet aan zichzelf dankt, maar aan iets anders, namelijk het vrouwelijke. Dat geldt niet alleen voor het (begripsmatige) mannelijke, maar ook concreet voor het mannelijke dier en als laatste de man. In de westerse wereld zijn wij niet gewend de man af te leiden van de vrouw en het vrouwelijke. Men denkt de zaak precies andersom: de man is de autonome, de op zichzelf staande en in zichzelf rustende en de vrouw is de daarvan afgeleide. Zij wordt gedefinieerd vanuit de man en het mannelijke, zij wordt gezien als aan de man meekomend. De zaak staat dus op zijn kop! In feite komt het mannelijke niet op zichzelf voor, zelfs niet als er, verderop in de evolutie, levende wezens te voorschijn komen die mannelijk zijn. Die wezens zijn volkomen afhankelijk van hun vrouwelijke tegenhangers. Dat blijkt dan ook in de praktijk, want alles wat leeft wordt geboren uit vrouwelijke wezens, een feit dat iedereen weet. Het basisprincipe van de levende werkelijkheid is dus het vrouwelijke verschijnsel (moeder) en het mannelijke verschijnsel komt te voorschijn als inhoud daarvan. Daarom moet het dan ook als zodanig gedefinieerd worden en de daarbij benodigde begrippen moeten van het vrouwelijke afgeleid zijn. Als de mensheid dat eindelijk begrijpt vervalt het tot op heden gangbare vijandige gedoe van de mensen onder elkaar.

Immers, vanuit dat zogenaamde mannelijke is het een buiten het ander en staat het een aan het ander in de weg, met alle gevolgen van dien. Gedacht vanuit het vrouwelijke echter geldt het ineen zijn en dus het in samenhang met elkaar verkeren van de mensen. Dat is de echte werkelijkheid... De afwezigheid daarvan is de grootste tragiek van de mensheid, een tragiek waarbij alle ellende door moord en doodslag, verkrachting en plundering, verbleekt. Een tragiek die bovendien nog versterkt wordt door het feit dat juist die afwezigheid van het vrouwelijke niet herkend wordt zodat men ook geen verband voelt tussen de afzonderlijke misdaden en die bijgevolg als incidenten beschouwt. Juist omdat men ze als zodanig beschouwt kun je er ook onverschillig voor zijn en stellen dat er niets aan verloren gaat. Aan de ondergang van een vanuit het mannelijke gewaardeerde wereld gaat niets verloren omdat dat wat verloren gaat helemaal niets is in het licht van de ware werkelijkheid. Zoals gezegd kun je de gedachtegang via het wordingsproces laten voor wat die is en onmiddellijk de blik richten op de mens, op het eind van dat proces. Aan dat eind tref je een aantal begrippen aan en nu is het dus de vraag hoe het daarmee zit. In feite vraag je dan naar de betekenis van de door jezelf herkende en verklaarde begrippen. Als je dat doet blijkt het niet moeilijk in te zien dat het begrip ineen zijn behoort tot de werkelijkheid als bewustzijn. Dat betekent dat er verband is tussen het vrouwelijke en het bewustzijn. Dat bewustzijn immers is de werkelijkheid als een in zichzelf samenhangende, ongescheiden eenheid. Die eenheid is het kenmerkende van het vrouwelijke. Gemakkelijk is dan na te gaan dat het begrip uiteen zijn verband houdt met het zelfbewustzijn, dat immers staat voor de werkelijkheid als de verzameling concrete dingen zoals die op trillende wijze de werkelijkheid als niet-materie vormen. Dat betekent dat er een verband is tussen het mannelijke en het zelfbewustzijn. Uiteraard geldt dat verband ook voor het mannelijke en de voorstelling, zoals dat ook het geval is met het vrouwelijke en het beeld. Als je nu primitief analytisch denkt, zoals dat in het westen gebruikelijk is, dan zou je uit het bovenstaande af kunnen leiden dat er voor de vrouw kennelijk geen zelfbewustzijn geldt en voor de man geen bewustzijn. Je kunt dan nog verder gaan en beweren dat de vrouw niet geschikt is voor het denken, dat immers over het nagaan van de voorstelling gaat, en dat zij niet wetenschappelijk noch technisch kan zijn.

Over de man zou dan te zeggen zijn dat hij nuchter van aard is, niets moet hebben van de gevoelswereld van het bewustzijn en zich alleen maar thuis voelt bij de analyseerbare werkelijkheid. Het spreekt vanzelf dat een dergelijke verdeling van eigenaardigheden nergens op slaat en typisch een product is van primitief denken. Toch behoort het tot de gedachtespinsels van menig filosoof, zoals bijvoorbeeld de Nederlandse Hegeliaan G.J.P.J. Bolland (1854-1922), die beweerde dat je het denken aan de man over moet laten en dat het de vrouw past te luisteren. Zij vertegenwoordigt de werkelijkheid als zieligheid, dat is de wereld van het gevoel. Bolland gebruikt de vernederende term zielig als vertaling van het woord psyche. Voor hem is de vrouw niet veel zaaks, maar de man staat voor helder denken (zuiver begrip), voor redelijkheid en rechtvaardigheid. Hij gaat als zodanig boven de concrete, natuurlijk vrouwelijke, werkelijkheid uit... Uiteraard is dit grote onzin van Bolland, ingegeven door een paternalistische wijze van denken en grenzenloze zelfoverschatting. Dat komt overigens ook bij Friedrich Nietzsche (1844-1900) voor, zij het in wat aangenamer vorm. Hij beschouwt de man als het Apollinische beginsel; Apollo, de zonnegod, die het verschijnsel te boven gaat, het verlicht en het daarmee bevrucht.. Gelukkig is voor Nietzsche de ware mens Dionysisch, dat wil zeggen een harmonisch samengaan van het aardse en het hemelse. Maar toch kan ook hij vreemde dingen beweren als het gaat over de verhouding zelfbewustzijn en bewustzijn in man en vrouw.

Psyche, zie ook vervolgens: Psyche-1 ; Psyche-2 ; Psyche-3 ;

No. 183

Universele Verklaringsprincipe-1 ; Universele Verklaringsprincipe-2 ; Universele Verklaringsprincipe-3 ; Universele Verklaringsprincipe-4 ; Universele Verklaringsprincipe-5 ; Antropologie ; Antroposoof ;

Al vaker heb ik er op gewezen dat het in de filosofie gaat om de vraag hoe zit het. Bij nadere beschouwing is te zeggen dat deze vraag eigenlijk berust op de behoefte om op denkende wijze aan mijn werkelijkheid een ware grondslag te geven. Uiteraard gaat het daarbij over mijn eigen werkelijkheid, qua zelfbewustzijn in mij aanwezig als voorstelling - een andere werkelijkheid ken ik niet, evenmin als die van iemand anders. En dat later blijkt dat mijn eigen werkelijkheid veel ruimer is dan ik aanvankelijk dacht, wel degelijk algemene geldigheid kan verkrijgen, is iets dat om te beginnen voor mij onbekend is en dus geen rol kan spelen. Je moet namelijk volkomen blanco beginnen: niets willen bereiken, geen houvast zoeken en zelfs niet naar een verklaring van de dingen streven op grond van kennis die je meent te bezitten. Zo kun je bijvoorbeeld niet stellen dat het je bedoeling is een humanistische filosofie te ontwerpen. Nog afgezien van de vraag wat dat dan wel mag wezen is het een feit dat je niet blanco begint. Je hebt jezelf een doel gesteld en dat is de zekerste weg om geen ware grondslag voor je zelfbewuste werkelijkheid te vinden. Je kunt een bepaald thema benaderen langs twee met elkaar samenhangende wegen. De eerste weg is die vanuit het ene universele verklaringsprincipe, de volkomen onbepaalde beweeglijkheden waarover absoluut niets te zeggen valt en waarover juist op grond daarvan zinvol nagedacht kan worden. Wat betreft het thema vrouw en man ontdek je dan na een hele denkweg waarom beiden er zijn en voor welke verhoudingen zij model staan, hoewel zij wezenlijk maar tot een enkel leven behoren: een vrouwelijk leven! Dat leven herbergt een dubbelbegrip in zich, namelijk het geheel en haar inhoud, oftewel het ineen zijn met daarin het uiteen zijn, en dus het vrouwelijke met in zich het mannelijke. De tweede benaderingsweg gaat uit van dat wat je concreet aantreft, namelijk de vrouw en de man. Deze pragmatische weg kan in feite alleen maar succes hebben als je de eerstgenoemde universele weg reeds gegaan bent en dus kent. Is dat niet het geval dan blijf je onontkoombaar bevangen in je eigen vooronderstellingen. Aan iedere mening, theorie of levensbeschouwing ligt een complex van vooronderstellingen omtrent de mens ten grondslag.

In de geesteswetenschappen steunt de antroposoof bijvoorbeeld op een andere basis dan de islamiet, de christen, de boeddhist en dergelijke en die allemaal verschillen weer van de basis van een leerling van, zeg maar, Jung. Zo'n basis is samengesteld uit een aantal ervaringen en waarnemingen. Het systematische verslag van die ervaringen en waarnemingen dient dan als verklaring voor de mening, theorie of levensbeschouwing. Dat verslag geeft aan hoe iets zo gekomen is, maar dat geeft natuurlijk geen antwoord op de vraag hoe zit het. De pragmatische weg leidt dus tot een beschrijving van een zaak, in dit geval vrouw en man, maar dan niet op grond van vooronderstellingen doch op grond van weten van de werkelijkheid vanuit een universeel verklaringsprincipe. Zo is dan ook gemakkelijk in te zien dat het vrouwelijke verbonden is met de werkelijkheid als bewustzijn en het mannelijke met de werkelijkheid als zelfbewustzijn. Deze constatering echter heeft menigeen verleid tot volkomen verkeerde uitspraken over de VROUW en over de man. Men gaat er namelijk toe over de vrouw als een manifestatie van bewustzijn te zien en de man als manifestatie van zelfbewustzijn. Zelfs grote filosofen zijn in deze val getrapt, voornamelijk doordat zij eenzijdig analytisch dachten, en tegenwoordig vinden de denkers dat de vrouwelijke en mannelijke eigenschappen, nog steeds als manifestaties van bewustzijn respectievelijk zelfbewustzijn, eigenlijk gelijkmatig over vrouw en man verdeeld zouden moeten worden.

Volslagen onzin, die bovendien onvermijdelijk leidt tot het verheffen van de een boven de ander, in de westerse cultuur de man boven de vrouw omdat hij verbonden is met zelfbewustzijn, het westerse cultuurthema. Dat geldt ook nu wij over het algemeen van opvatting zijn dat vrouwen en mannen gelijk behandeld moeten worden en dat vrouwen dus ook maatschappelijk mee moeten tellen. Je ziet daarbij echter steeds dat vrouwen zich een mannelijk gedrag gaan aanmeten en daarmee ongewild en ongeweten het mannelijke boven het vrouwelijke stellen. Het moderne thema voor het feminisme is dan ook niet langer de strijd voor gelijkheid van vrouw en man, maar het zich bevrijden van de vanzelfsprekende culturele dominantie van de man op grond van het zelfbewustzijn. Het zijn voornamelijk de godsdiensten die de naam hebben de man boven de vrouw te verheffen, maar in de filosofie en in de zogenaamde geesteswetenschappen weet men er bepaald ook goed raad mee... De begrippen ineen zijn en uiteen zijn komen voor de dag aan de levende cellen (cellen zijn de enige vorm van leven!). Voor zover die zich georganiseerd hebben tot geslachtelijke levende wezens, in laatste instantie mensen. Beide begrippen behoren onlosmakelijk bij elkaar, geen van beide is zonder de ander te denken. Dat leidt tot de conclusie dat elk mens, hetzij vrouw of man, gekenmerkt wordt door beide begrippen, die op de een of andere manier tot elkaar in verhouding staan. Het van elkaar afzonderen van die begrippen is dus fout, maar het werd in oude tijden veel gedaan, met als gevolg dat in christendom en islam nog steeds vrouwen en mannen als aparte wezens beschouwd worden, elk met een eigen oorsprong en achtergrond. In de oudheid echter betekende de genoemde splitsing niet dat men dacht dat vrouwen en mannen op afzonderlijke werkelijkheden, een vrouwelijke en een mannelijke, terug te voeren zouden zijn, maar dat men beide begrippen in hun onderlinge verhouding liet zien. In hun gebruikelijke beeldtaal stond de vrouw dan voor het begrip vrouwelijk en de man voor mannelijk. Dat was de formule voor de verhouding tussen vrouwelijke en mannelijke begrippen. Voor de westerse mens is die formule een feitelijke realiteit geworden en zelfs de filosofen, psychologen en seksuologen kunnen er maar niet van los komen... De vraag is dus niet wat bij de een hoort en wat bij de ander, maar hoe de dubbelverhouding er bij de een uitziet en hoe bij de ander.

Daarbij spreekt het vanzelf dat je bij de vrouw uit moet gaan van ineen zijn en bij de man van uiteen zijn. Zij is de dubbelverhouding vanuit ineen zijn en hij vanuit uiteen zijn. Voor beiden echter is nu de gehele figuur, ineen-uiteen, geldig gebleven. Denkende over de vrouw moet je dan noodzakelijk denken vanuit ineen zijn, zodat je terechtkomt bij uiteen zijn, en denkende over de man ga je uit van uiteen zijn en kom je noodzakelijk terecht bij ineen zijn. Bij beiden is er een beweging naar de eigen immanente (er in aanwezige) tegenstelling. Het uitzoeken van de essentie van de vrouw en van de man komt filosofisch gezien neer op het nagaan van vormen van anderszijn, ten gevolge van een tweetal bewegingen, namelijk van ineen zijn naar uiteen zijn (vrouw) en van uiteen zijn naar ineen zijn (man). Opgemerkt moet worden dat in deze gedachtegang het hele spel van begrippen in zichzelf besloten blijft. Er is nergens te spreken van een binnen of een buiten. In de filosofie echter, denk aan Bolland, komt het mannelijke (intellect) van buitenaf tot de vrouw om haar op die wijze op een hoger plan te brengen en het vrouwelijke (geborgenheid) komt ook van buitenaf tot de man om hem tot rust te brengen. Slim uitgedacht, maar door en door analytisch en zelfs seksistisch, omdat het intellect stilzwijgend verondersteld wordt van een hogere orde te zijn... In het door mij beschreven spel van bewegingen blijft de gehele zaak in zichzelf besloten. Dat moet ook wel, want eigenlijk gaat het over maar een leven, namelijk dat van het verschijnsel als levende cel.

Universele Verklaringsprincipe-1 ; Universele Verklaringsprincipe-2 ; Universele Verklaringsprincipe-3 ; Universele Verklaringsprincipe-4 ; Universele Verklaringsprincipe-5 ; Antropologie ; Antroposoof ;

No. 184

Universele Verklaringsprincipe-1 ; Universele Verklaringsprincipe-2 ; Universele Verklaringsprincipe-3 ; Universele Verklaringsprincipe-4 ; Universele Verklaringsprincipe-5 ;

Het volgen van de pragmatische weg levert in zoverre moeilijkheden op dat het steeds de vraag is hoe iemand tegen de wereld, die hij aantreft, aankijkt. Het antwoord op die vraag wordt in niet geringe mate bepaald door de heersende cultuur en de daarin geldende opvattingen en normen inzake de wijze waarop men kennis kan verwerven en hoe die kennis gewaardeerd moet worden, dat wil zeggen: waar het waarheidscriterium gelegd wordt - als het al gelegd wordt. Omdat dit een belangrijk thema is wil ik er als eerste nog het een en ander over zeggen, alvorens de cluster van verhoudingen vrouwelijk naar mannelijk, oftewel ineen zijn naar uiteen zijn en mannelijk naar vrouwelijk, oftewel uiteen zijn naar ineen zijn nader te belichten. Omdat de pragmatische weg je onmiddellijk confronteert met aanwezige, maar in wezen onbekende, verschijnselen heeft het zin als eerste na te gaan hoe te denken over de moderne gedachte dat de filosofie problemen zou oplossen, dit althans tot haar taak zou moeten rekenen. Daartoe is het noodzakelijk je te realiseren dat de aanwezige werkelijkheid, de realiteit, zich manifesteert als een trillingsverschijnsel in het zelfbewustzijn, anders gezegd: als voorstelling. Ook de vrouw en de man behoren tot onze voorstelling en het is deze voorstelling die als uitgangspunt en bron van informatie dient bij ons nadenken over de aard van het vrouwelijke en het mannelijke. Nu zijn er twee mogelijkheden en die verschillen hemelsbreed van elkaar, hoewel ze beide uitgaan van een en dezelfde voorstelling. De eerste mogelijkheid is deze dat uitsluitend de, in feite concrete, voorstelling, bestaande uit een aantal elementen en de daartussen aanwezige relaties, als de maat wordt genomen. Dan is te verwachten dat er in die voorstelling zwarte gaten zullen voorkomen, plekken die duister zijn en die niet begrepen kunnen worden omdat de kennis ervan ontbreekt. Zo'n zwart gat is dan een probleem omdat het aanleiding geeft tot het stellen van vragen die om te beginnen niet beantwoord kunnen worden. Pas bij analyse ontstaat de mogelijkheid een antwoord te vinden. Zoals ik al eerder heb laten zien hebben wij hier te doen met wetenschappelijke activiteiten.

De wetenschap zoekt de zwarte gaten in onze voorstelling op en probeert die helder te krijgen, dat wil zeggen: op causale wijze passend in de reeds bestaande voorstelling. Je kunt bijgevolg ook zeggen dat de wetenschap de zwarte gaten tot voorstelling omzet. Zij maakt het ongekende tot het gekende, tot kennis. Grondslag hiervan is dus het niet-kennen en dat wordt via de wetenschap omgezet tot kennen. Dus ten overvloede: bij het onderzoek van de concrete voorstelling ligt de essentie bij het niet-kennen, gangbaar uitgedrukt als niet-weten. Het behoeft geen verwondering te wekken dat inzake de verhouding vrouw-man bij de moderne wetenschappelijk onderzoekers elk inzicht ontbreekt. Er is wel een heleboel feitenkennis, passend gemaakt in de bestaande voorstelling, boven water gekomen, maar die heeft geen betekenis, hetgeen blijkt uit het feit dat men, zonder zelfs maar te vermoeden met waandenkbeelden bezig te zijn, de vrouw zowel als de man tot een soort van biologisch-chemische fabrieken reduceert waarvan de onderlinge verschillen slechts functioneel zijn en niet wezenlijk. Allicht, want men kent het wezen van beiden niet... Zo speelt menig feministe bijvoorbeeld met de gedachte dat het straks mogelijk moet zijn dat mannen, na een chirurgische ingreep, kinderen krijgen en dat pas dan de verhouding vrouw-man werkelijk op maat is komen te liggen. Als je filosofisch niet beter wist zou je je er over verbazen dat moderne, zich op wetenschap baserende, mensen zover van huis kunnen geraken!

De tweede mogelijkheid is de filosofische, althans de filosofische als je de filosofie als een creatieve werkzaamheid opvat en niet als het moderne academische gezever over uitspraken van wetenschappers die zich filosoof noemen omdat zij zich een verzameling uitspraken van anderen hebben eigen gemaakt. Als het gaat over de creatief filosofische mogelijkheid, dan is het uitgangspunt niet zozeer de concrete voorstelling als wel de werkelijkheid als beeld zoals die zich aan de zo helder mogelijke voorstelling afspiegelt. Het gaat dan zogezegd om de werkelijkheid achter de dingen. Het beleven van die werkelijkheid vooronderstelt geen in alle opzichten gekende (tot kennis omgezette) voorstelling, maar een zichtbare voorstelling. Alledaags gezegd: een realistische kijk op de werkelijkheid. Is die kijk aanwezig, dan is het afspiegelen van het beeld optimaal. Als het beeld zich afspiegelt is het in feite de werkelijkheid als bewustzijn die zich gelden laat. Die werkelijkheid omvat alles wat er is, op trillende en samenhangende wijze en het is een zaak die in elke mens volledig en helder aanwezig is, zonder dat er ook maar iets aan ontbreekt of als onbelangrijk op de achtergrond gedrongen is. Het is de echte werkelijkheid naar haar algemeenheid. Het zich laten gelden hiervan betekent een zich laten gelden van iets dat geweten is. We hebben nu dus niet te doen met een grondslag die onbekend is, maar met een die in principe bekend is en dat niet alleen aan die of gene uitverkorene of begenadigde, maar aan ieder mens, ongeacht ontwikkeling of cultuur. Aristoteles merkte destijds al op dat de waarheid in een ieder aanwezig is en dat je je die alleen maar behoeft te herinneren. Dat betekent dat de filosofie geen problemen kent omdat er voor haar geen zwarte gaten zijn. Wil je toch van problemen spreken, dan liggen die op het terrein van het uitdrukken, het gestalte geven aan de filosofische denkbeelden. Het duidelijk uitdrukken, in feite het gebruik van de taal, kan grote problemen geven, maar die zijn voor de filosofie zelve niet interessant. Daarom is onder andere de moderne positivistische taalfilosofie oninteressant. Het is gezeur over het gereedschap waarvan het verbeteren tot hoogste wijsheid wordt verheven. De verhouding tussen de wetenschap en de filosofie ligt dus zo dat de eerste gegrond is in het onbekend zijn van een deel van de werkelijkheid terwijl de tweede gegrond is in het in principe bekend zijn van de gehele werkelijkheid naar haar algemeenheid.

De wetenschap gaat derhalve buiten de waarheid om omdat zij zich aan de concrete voorstelling houdt en de filosofie is een en al waarheid die zich manifesteert aan de hand van een zichtbare, niet geanalyseerde, voorstelling. Wil je, zoals op het ogenblik in ons geval, filosofisch over de vrouw en de man nadenken volgens de pragmatische weg, dan draait alles om het zich aan de voorstelling manifesteren van de werkelijkheid als beeld. Dat houdt in dat de pragmatische weg stilzwijgend vooronderstelt dat het nagaan volgens het universele verklaringsprincipe, al of niet als zelfbewuste redenering (filosofie), geschied is. Het oplossen van problemen is gebonden aan de werkelijkheid als eenzijdig voorstelling en het kan op geen andere manier gebeuren dan via de analyse. Het gevolg is dat de problemen zich op een almaar kleiner terrein bevinden en tenslotte nauwelijks meer te bevatten zijn. Niet alleen echter speelt hierbij dat de werkelijkheid steeds meer versnipperd wordt, maar vooral treedt in toenemende mate op de voorgrond dat de samenhang verloren gaat, in die zin dat zij tenslotte nauwelijks meer te ervaren is. Met het toenemen van de analyse namelijk vervallen steeds meer relaties tussen de verschillende elementen zodat op den duur de voorstelling niet meer te herkennen is. Als dat het geval is kan er van het afspiegelen van de werkelijkheid als bewustzijn, en dus van het beeld, nauwelijks nog iets terechtkomen. Daarmee is de mogelijkheid komen te vervallen om de waarheid te vinden. Waar is dan nog slechts datgene dat op een bepaald moment causaal in de voorstelling ingepast kan worden.

Universele Verklaringsprincipe-1 ; Universele Verklaringsprincipe-2 ; Universele Verklaringsprincipe-3 ; Universele Verklaringsprincipe-4 ; Universele Verklaringsprincipe-5 ;

No. 185

Op het ogenblik is het in de academisch filosofische wereld mode om geen mening te hebben. Dat lijkt heel redelijk en zelfs heeft het iets nihilistisch omdat aan alles dezelfde waarde wordt toegekend. Maar in feite is het een uiting van grote intellectuele lafheid die enerzijds voortkomt uit de vrees een mening te vormen die verkeerd zou kunnen blijken te zijn en anderzijds uit het in toenemende mate onherkenbaar worden van de voorstelling, dus: niet meer weten waarover het gaat. Symptoom van dit laatste is de bijna ziekelijke behoefte aan onderzoek. Men verkeert in de waan dat de uitkomsten van onderzoek duidelijk maken waarover het gaat als het over de werkelijkheid gaat en ook hoe die werkelijkheid in elkaar steekt. In feite echter kan men er niet meer uit wijs worden, men is het spoor bijster. De ervaring het spoor bijster te zijn heeft een aantal consequenties. Als eerste is er de poging de verwarring te neutraliseren door te verklaren dat er helemaal geen spoor is en, daarmee samenhangend, ook geen waarheid. Logisch dat men het dan verkeerd vindt om een mening te hebben. Het hebben van een mening is dan kortzichtig, het is intolerant, gelijkhebberig en het getuigt van een teveel aan eigendunk, waarbij dan ook nog komt dat het in strijd is met een opvatting van deskundigen die in de mening verkeren dat zij terecht geen meningen hebben omdat zij er als enigen verstand van hebben. Zij zeggen dan dat het begrip waarheid alleen maar een woord is, net zoals dat met god het geval is. De waarheid zou slechts retoriek zijn, woordenkraam uit een vroegere primitieve periode. Door de zaak aldus te stellen vervalt elke noodzaak na te gaan hoe het zit met de werkelijkheid en deze nalatigheid is wetenschappelijk verantwoord: er is immers geen waarheid.

De oude filosofen waren uitsluitend op zoek naar de waarheid. Zij waren ervan overtuigd dat die te vinden was, maar zij konden het er niet over eens worden langs welke weg dat zou moeten gebeuren en al evenmin vonden zij een antwoord op de vraag hoe je zou kunnen controleren of je eigen idee van de waarheid of dat van iemand anders klopt of niet. Wat later, met name in de Romeinse tijd, raakten de filosofen in twijfel over de vraag of de waarheid, waarvan wel werd aangenomen dat die er is, wel door de mens gevonden kan worden. Men dacht eigenlijk van niet en men meende bijgevolg dat de waarheid alleen maar geopenbaard zou kunnen worden - door god natuurlijk: christendom. De grote westerse filosofen, voornamelijk Kant en Hegel, meenden de wel degelijk aanwezige en kenbare waarheid via streng logisch en wetenschappelijk denken boven water te krijgen. Het zich doorzetten daarvan in de academische filosofie, heeft geleid tot de huidige opvatting dat er geen waarheid is, dat wil zeggen: geen objectieve waarheid, uiteraard wel een persoonlijke, maar die wordt wetenschappelijk niet relevant gevonden vanwege zijn zogenaamde subjectiviteit. Tot voor kort meenden sommigen dat het falen van de speurtocht naar de waarheid verklaard moest worden uit het feit dat de methode niet deugde. Men is toen onder andere de taal gaan onderzoeken, nadat men eerder al had vastgesteld dat alleen de aantoonbare verschijnselen voor filosofisch onderzoek in aanmerking kunnen komen. Beide, zowel het positivistische (meetbare) onderzoek als het taalonderzoek (onder anderen door Wittgenstein), zijn filosofisch helaas van geen enkele betekenis. Het verschijnsel fungeert in de filosofie slechts als aangever van de werkelijkheid als beeld, om de beschrijving waarvan het wezenlijk gaat. Onderzoek van dat verschijnsel levert op zichzelf nog lang geen filosofie op en staat er als zodanig zelfs aan in de weg, omdat dit onderzoek tenslotte uitloopt in een onvoorstelbare, vergruisde en onherkenbare werkelijkheid waaraan zich niets meer kan afspiegelen (verval van het beeld).

En de taal op zichzelf geeft slechts uitdrukking aan datgene dat in de voorstelling ligt. Zij betekent filosofisch, en ook kunstzinnig, pas dan iets als zij gedragen wordt door het bewustzijn en op die manier het verhaal van de werkelijkheid als beeld poogt te vertellen. Het is natuurlijk mogelijk de waarheid, die door iemand naar voren gebracht wordt, te betwisten. Dat echter is niet waar het op dit moment om gaat. Het gaat om de vraag of er een waarheid is, of die door de mens achterhaald kan worden, hoe je dat dan zou moeten doen en tenslotte wat je ter beschikking hebt om de zaak te controleren. De vraag of er een waarheid is wordt door de academische filosofen onder allerlei voorwendsels met nee beantwoord omdat men, zelfs zonder het te weten, het spoor bijster is geraakt en daardoor inderdaad niets meer aan de weet kan komen. Het gestelde niet-bestaan van de waarheid dient nu als excuus om de fout niet bij zichzelf te zoeken en niet naar de juiste inzichten op zoek behoeven te gaan. Zodoende is de moderne filosofie het tijdperk van de grote onwetendheid binnengetreden! Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat er op het ogenblik filosofisch heel wat af geklungeld wordt en dat het daaruit voortkomende knoeiwerk geheel verstoken is van inzicht in de werkelijkheid. Omdat men van mening is dat er geen waarheid bestaat vindt men ook dat het onmogelijk is ergens een mening over te hebben en er een stellige uitspraak over te doen. Als iemand zich dan toch aan een stellige uitspraak bezondigt kan dit niet anders dan onzinnig zijn en dus behoeft men niet de moeite te nemen zo'n uitspraak inhoudelijk te bestrijden. Voldoende is het er een waardeoordeel over te geven en vast te stellen dat dergelijke uitspraken alleen maar gedaan worden door mensen die per se gelijk willen hebben. Terug naar het thema. Ik heb laten zien dat je bij de vrouw als basissituatie aantreft de werkelijkheid als ineen zijn en bij de man als de werkelijkheid als uiteen zijn. Vanuit die basissituatie loopt het bij de eerste uit in uiteen zijn en bij de tweede in ineen zijn. Je ziet dus dat voor beiden alle twee de begrippen gelden, en dan in die zin dat zij een rol spelen in een beweging die voortdurend van het een naar het ander gaat. Dat is geen beweging die ooit eens begint en tenslotte ergens eindigt, bijvoorbeeld in de loop van iemands leven.

Het is een voortdurend bewegen; almaar is daar de beweging van het een naar het ander, en dat telkens opnieuw. Alles wordt steeds maar weer van het een naar het ander bewogen, van het een in het ander veranderd. Bovendien: omdat het een bewegende zaak is kun je niet stellen dat de een voor een deel de ander inhoudt en de ander voor een deel de een. De bewering van psychologen en seksuologen dat de man eigenlijk een beetje vrouw is en de vrouw eigenlijk een beetje man, is dus fout. Er is geen verdeling van vrouwelijke elementen en mannelijke, het is geen kwantitatieve zaak. Het gaat niet om een beetje van dit en een beetje van dat. Voor beiden, de vrouw zowel als de man, gelden de begrippen ineen zijn en uiteen zijn volledig en zonder beperking. En als zodanig zijn zij factoren (actieve grootheden) in dynamische processen. Zo is het leven van de man een immer voortdurende beweging van uiteen zijn naar ineen zijn en het leven van de vrouw van ineen zijn naar uiteen zijn. Deze formulering is in andere woorden te geven en als volgt te vertalen; het leven van de man wordt gekenmerkt door het almaar bewegen van zelfbewustzijn naar bewustzijn en dat van de vrouw door het almaar bewegen van bewustzijn naar zelfbewustzijn. Aldus geformuleerd liggen deze verhoudingen stellig beter in het denken dan bij het gebruik van de wat meer abstracte begrippen uiteen zijn en ineen zijn het geval is. Bij de vrouw wordt een innerlijke wereld met een vanzelfsprekende waarheid (=bewustzijn) getransformeerd tot een uitgesproken (=zelfbewustzijn) waarheid.

Bladwijzers: KANT- nrs. 01 , 02 , 03 , 04 , ;

No. 186

Gnosis ; Gnostiek ;

Het voor de vrouw geldende transformeren van een innerlijke vanzelfsprekende waarheid in een, letterlijk, uitgesproken waarheid komt in een bepaalde periode van de cultuurgeschiedenis op een heel diepzinnige manier tot uiting. Dat is namelijk het geval in het zogenaamde hermetische denken en in de, daarbij behorende, gnostiek. Beide lijken mannelijk van aard te zijn, onder andere omdat het steeds over de geest gaat en het een worden daarmee, maar als je let op de basis en bron van het hermetische en gnostische denken, dan blijkt dat het nadrukkelijk gaat over het onder woorden brengen van vanzelfsprekende innerlijke waarheden. Precies het proces derhalve dat bij de vrouw zijn praktische uitdrukking vindt: de nimmer aflatende beweging van ineen zijn naar uiteen zijn, van bewustzijn naar zelfbewustzijn. Modern historisch onderzoek heeft een grote hoeveelheid oude geschriften opgeleverd. Uit die geschriften blijkt dat er qua zien en denken heel wat meer en heel wat anders aan de hand is geweest dan voorheen, zelfs nog in het recente verleden, gedacht werd. Om dit evenwel enigszins verantwoord uiteen te zetten moet je een uiterst gespecialiseerde studie van deze materie gemaakt hebben. Als filosoof kun je je dat niet veroorloven en dus moet het nu bij enkele opmerkingen blijven. Hopelijk zijn die echter tekenend genoeg... Het hermetische denken en het gnostische denken waren gebaseerd op het zien van de werkelijkheid. Men probeerde dat zien, oftewel aanschouwen, effectief en helder te krijgen en wel om een antwoord te vinden op de vraag hoe de werkelijkheid is - niet te verwarren met wat de werkelijkheid is. Dit zien leidde tot een beschrijving van de werkelijkheid, logisch en samenhangend, maar uiteraard wel in de bewoordingen (formules) van de periode van omstreeks het begin van onze jaartelling. Die bewoordingen komen ons godsdienstig voor, maar dat is niet terecht. De christelijke kerk heeft ze voor haar machtsstreven misbruikt door er valselijk godsdienstige uitspraken van te maken. In feite beschrijven zij de werkelijkheid zoals die gezien kan worden en dat is in mijn bewoordingen de werkelijkheid als beeld zoals die zich afspiegelt aan de voorstelling.

Duidelijk zal zijn dat er hierbij niet van analyse als instrument om de waarheid te vinden gesproken kan worden. Wel echter gebruik je soms het analyseren om de voorstelling, die voor het zien van het beeld onontbeerlijk is, zo gedetailleerd mogelijk te maken. Dat leidt er overigens toe dat het de moderne mens in principe mogelijk zou zijn zeer genuanceerd te filosoferen, maar helaas belet zijn overtuiging dat analyse op zichzelf de waarheid oplevert hem de werkelijkheid als beeld te zien, te vertrouwen en te beschrijven. De analyse levert natuurlijk wel de feiten op, de zo'n bijvoorbeeld is volgens de natuurkundigen een soort van vuurbal waarin zich processen van kernfusie afspelen en hoewel men daarvan nog lang niet alles af weet kun je toch zeggen dat die feiten juist zijn. De zaak klopt. Maar geeft dat nu een beeld van de werkelijkheid? Als je last hebt van teveel cholesterol in je bloedvaten, verkrijg je dan inzicht in het levende geheel van je lichaam? Daar tegenover staat bijvoorbeeld het verhaal in de Ilias van Homerus dat de zon de god Apollo zou zijn, de treffer van verre die met zijn dodelijk trefzekere pijlen de aarde splijt en doodt om haar daarmee tot nieuw leven te wekken. Zo'n verhaal is feitelijk onjuist, maar het beeldt wel uit hoe de werkelijkheid is en hoe daarin de verhoudingen liggen. Als de feiten juist zijn kan de waarheid nog altijd ver te zoeken zijn. De vraag is dus: wat beeldt de werkelijkheid uit en is als zodanig veelzeggend en dus waarachtig en hoe verhoudt dat zich tot de feiten die op zichzelf wel juist, maar helemaal niet waar behoeven te zijn.

De hermetische denkers en gnostische denkers vonden elkaar in geheime genootschappen. Geheim, niet omdat de zaak occult en onnavolgbaar moest zijn en blijven, maar omdat de verworven inzichten in de werkelijkheid voor die denkers zelf levensgevaarlijk waren. Zij waren volkomen in strijd met het in de toenmalige maatschappij gebruikelijke gedoe, in strijd met de heersende machten en met de heersende ideologieŽn. Uiting geven daaraan betekende een wisse dood, zeker toen ook nog eens de Romeinen het voor het zeggen kregen. Thans loop je zo'n risico niet meer, maar in strijd met het gangbare gedoe is de op het zien gebaseerde creatieve filosofie nog steeds. Eigenlijk geldt nog steeds dat je beter geen paarlen voor de zwijnen kunt werpen. Boven de in het hermetische denken en gnostische denken beschreven werkelijkheid is qua waarheid niet uit te denken. Men was tot het inzicht gekomen dat de werkelijkheid een in zichzelf samenhangend geheel is en dat daarin alles ineen moest zijn. Men beschreef dat doormiddel van het begrip liefde. Inderdaad kun je niet verder gaan dan alles ineen te denken. Uiteraard is daarvan wel een genuanceerder beschrijving te geven die veel verder en dieper gaat dan die van de toenmalige hermetische denkers en gnostische denkers, maar er bovenuit kom je niet. De westerse filosofen is dat dan ook nooit gelukt en de modernen onder hen zal het, op grond van hun analytische gesteldheid, al helemaal nooit gelukken. De kans dat er iemand tussendoor loopt die de aanleg heeft om louter op het zien af te gaan is uiterst gering. De fixatie op de voorstelling en de analyse staat nu eenmaal in de weg. Daarom is te zeggen dat er in de westerse wereld van de filosofie niet veel terecht is gekomen, ondanks de ijver waarmee zij beoefend is. Praktisch gesproken kun je het betrekkelijke mislukken van de westerse filosofie toeschrijven aan het gemis van een visie oftewel inzicht. Daardoor treedt het verschijnsel op dat men telkens weer vertrouwen stelt in de werkelijkheid als voorstelling en daardoor geloof hecht aan allerlei bedenksels van, doorgaans op macht beluste, lieden. Men ziet niet, men voelt niet aan dat er iets niet klopt bij al die op de voorstelling berustende uitspraken, zoals bijvoorbeeld deze dat overheden de burgers besturen en dat dit voor een goede gang van zaken noodzakelijk is. Of de reeds door mij aangehaalde uitspraak dat de vrouw gedeeltelijk mannelijk is en de man gedeeltelijk vrouwelijk.

Het betwisten van deze en dergelijke uitspraken begint bij het zien hoe de werkelijkheid is. Dat nu is in de westerse cultuur vrijwel geheel verdrongen en voor zover het er nog is wordt het ernstig gewantrouwd. Steeds duidelijker is het culturele resultaat dat het denken gaat zwalken en tenslotte niets meer met de waarheid te maken wil hebben, nota bene op grond van wetenschappelijke kennistheorieŽn. Behalve dat het logisch onmogelijk is boven ineen zijn uit te denken is het ook op natuurlijke wijze onmogelijk; de mens is het laatste en volmaaktste waartoe de kosmos komt, de vrouwelijke variant daarvan als manifestatie van ineen zijn dat in uiteen zijn uitloopt kan nimmer overtroffen worden omdat erna immers niets meer kan ontstaan. Ten derde is ook nog op te merken dat je niet meer kunt beschrijven dan datgene dat te zien is, maar dat dit wel steeds genuanceerder en helderder kan. Er is over het hermetische denken en gnostische denken nog veel meer te zeggen, maar waarom het gaat is dit, dat het een uiting is van vrouwelijke processen en dat het op die manier steeds over de waarheid en het ware gaat. Dat betekent helemaal niet dat uiteindelijk noodzakelijk de waarheid op tafel komt en het betekent ook niet dat elke vrouw dat doet, maar het betekent wel dat de poging gedaan wordt en dat de bron en inspiratie bij de waarheid ligt. Voor de rest is het maar de vraag wat er van het uitspreken en waarmaken van die zaak terechtkomt. De waarheid moet namelijk een feit worden!

Gnosis ; Gnostiek ;

No. 187

Je kunt natuurlijk zeggen dat dat denken van vroeger, bijvoorbeeld het hermetische denken en het gnostische denken, het resultaat is van voorbije culturen en dat je er dus eigenlijk niets mee te maken hebt, net zomin trouwens als met het denken van eigentijdse mensen. Gaat het om het creatieve denken, dan moet alles dat op welke manier dan ook van buiten jezelf komt buiten beschouwing gelaten worden. Het kan slechts dienen als illustratie bij het autonome eigen denken en soms is het nuttig omdat het je op een idee kan brengen, op een spoor kan zetten. Maar je weet nooit van tevoren of dat het geval zal zijn. Voor het zuivere creatieve filosoferen is alleen de eigen voorstelling van de werkelijkheid interessant omdat daaraan, en uitsluitend daaraan, de echte werkelijkheid zich afspiegelt. Dat laatste is, zoals al zo vaak betoogd, de werkelijkheid als bewustzijn die bij wijze van beeld en als algemeenheid in elk levend wezen aanwezig is. Gezien in dat licht is het hermetische denken en gnostische denken op zichzelf niet interessant (behalve natuurlijk voor deskundigen), maar als illustratie bij de beschrijving van de verhoudingen die voor de vrouw gelden is het wel goed te gebruiken. De denkers van genoemde stromingen hielden het namelijk ook uitsluitend op datgene dat zij in zichzelf aanschouwden, om dat vervolgens zo helder mogelijk uit te werken. Zij vertonen dus de beweging van ineen zijn naar uiteen zijn, het uitspreekbaar maken van de innerlijke werkelijkheid, het omzetten van bewustzijn in zelfbewustzijn. Deze voortdurende beweging werd voor hen echter een in formules uitgedrukt stelsel dat maakt dat de, op zichzelf in feite onuitspreekbare, waarheid op een min of meer wetenschappelijke wijze uitgesproken wordt. Dit uitspreken kan zich namelijk verfijnen tot filosoferen, als op een gegeven moment het uitspreken zelf tot een soort van wetenschap verheven wordt. Dan gaat ook de taal een eigen en belangrijke rol spelen, overigens zonder dat staande gehouden kan worden - zoals veel moderne denkers proberen - dat filosofie wezenlijk taal is. Het uitspreken kan ook een soort van theosofie worden, zoals het geval is bij de meeste hermetische denkers en gnostische denkers. Voor zover je met zo'n filosofie en theosofie van doen hebt, komt het intellectuele resultaat van het zich in haar representanten afspelende proces (ineen zijn naar uiteen zijn) per se niet overeen met dat wat zich in de mens als vrouw afspeelt.

Dat blijkt ook wel, want de ideeŽn van deze en dergelijke denkers, en ook die van de filosofen, zijn niet bepaald vrouwvriendelijk. Bij voorbaat al wordt de vrouw gezien als onderworpen aan de man en vaak is zij zelfs manifestatie van het kwade. De intellectuele verwerking is derhalve wat anders dan het uitspreken zelve, zoals dat bij de vrouw het geval is. Die verwerking, namelijk het op wetenschappelijke wijze uitspreken van datgene dat als waarheid gezien wordt, heeft in de westerse cultuur evenwel geen genade gevonden. Zowel filosofie als theosofie zijn al ras ondergronds gegaan, terwijl het academische, verstandelijke en positivistische denken oppermachtig werd. De filosoof Hegel was eigenlijk ook in strijd met het gebruikelijke verstandelijke denken, ondanks het feit dat hij een tijdlang het filosofische klimaat in Duitsland bepaald heeft. Al spoedig ging men hem dan ook verketteren. De theosofische wijze van denken heeft bij bepaalde mensen ook veel weerklank gevonden, maar is toch gaandeweg naar het occulte afgegleden. Hoe dan ook, het uitspreken van de waarheid op grond van de zelfaanschouwing is in de ogen van de westerling solipsisme, en dat vindt men verwerpelijk omdat het subjectief zou zijn.

Het gaat bij de vrouw louter om de beweging van binnen naar buiten, van bewustzijn naar zelfbewustzijn, en niet om de wetenschappelijke verwerking ervan. Zo'n verwerking is eigenlijk een onmogelijkheid: je probeert met gebruikmaking van het denken iets uit te drukken, gestalte te geven, dat zich wezenlijk niet uitspreken laat. Wat bijvoorbeeld liefde is kan niet onder woorden gebracht worden evenmin als datgene dat de kunstenaar beweegt, namelijk de schoonheid. Beide begrippen zijn wel filosofisch te definiŽren, maar je kunt het voelen van liefde en schoonheid niet onder woorden brengen. De bedoelde verwerking is dus eigenlijk onmogelijk, reden waarom het creatieve filosofische denken en het kunstzinnige proces zichzelf almaar en blijvend vernieuwend herhalen: het onmogelijke nagenoeg mogelijk maken. Voor de vrouw geldt dat allemaal niet, want het gaat bij haar niet om het verwerken. Haar kenmerkende situatie is het onmiddellijk tonen, het manifesteren van de waarheid, namelijk laten zien, afspiegelen hoe de werkelijkheid is. Je kunt ook zeggen dat voor de vrouw geldt dat zij in principe de waarheid is. Hierop is de mening gegrond dat er zoiets als vrouwelijke intuitie bestaat. Die eigenaardigheid geldt altijd voor de vrouw, maar of dat altijd, door haarzelf of door anderen, begrepen wordt en of die waarheid altijd waar is, valt nog te bezien! Dat is afhankelijk van de heersende cultuur en haar persoonlijke aanleg. Maar ook dan is het toch de werkelijkheid als waarheid, namelijk bewustzijn dat de vrouw vanzelf en vanuit zichzelf vertoont. Zij doet dat altijd en nooit niet, net zo vanzelfsprekend als zij altijd biologisch vrouw is. Het feit dat de waarheid niet denkend vast te leggen is, is er de oorzaak van dat mannen vinden dat de vrouw niet te doorgronden is. Zij is voor hen een gesloten boek, een raadsel, een mysterie, duistere natuurlijkheid. Uiteraard is dat onzin: de mens kan de gehele werkelijkheid doorgronden en daartoe behoort ook de vrouw. Maar anderzijds klopt het toch wel, als je namelijk bedenkt dat het de westerse man is die de vrouw niet begrijpt. Hij wil alles denkend vast leggen (in altijd geldige formules) en dat gaat niet bij de vrouw. Dus valt zij buiten zijn intellectuele wereld. En welbeschouwd valt zij dan geheel en al buiten zijn wereld, althans voor zover zij werkelijk vrouw is... Niet alleen echter speelt het denkend vastleggen de westerse man parten, hij is ook nog ingesteld op het uiteen zijn, het zelfbewustzijn met zijn voorstelling. Op grond hiervan is het hem onmogelijk vat te krijgen op de beweging van bewustzijn naar zelfbewustzijn: die is immers tegengesteld aan datgene wat in hemzelf plaatsvindt en is daardoor voor hem onbegrijpelijk. Voor de onvolwassen westerse man is het onmogelijk de vrouw als geliefde te zien en te beleven. Hij kan haar niet liefhebben.

Hij komt hoogstens tot een enigszins aangename vorm van houden van, maar die verschilt niet wezenlijk van zijn houden van zijn auto en dergelijke. Het is niet bevreemdend dat in onze cultuur de vrouw eigenlijk bezit van de man is en dat deze vorm van bezitten min of meer de vorm van houden van aanneemt. Geruime tijd geleden was zelfs dat laatste niet gebruikelijk. Van vrouwen hield je niet (behalve als lustobject), vrouwen moest je onder de duim houden, gehoorzaamheid afdwingen en tot je slavin maken. Een eventueel houden van kwam doorgaans niet verder dan het besef die slavin niet te kunnen missen: ik zou geen raad weten zonder jou! . Ook de filosofen deelden deze meningen. Er kon in de filosofie nooit een goed woord voor de vrouw af en zelfs heden ten dage blinkt de filosofie nog niet uit door begrip van het vrouwelijke en de vrouw. Behalve het feit dat dit niet als filosofisch thema beschouwd wordt kan men het vrouwelijke ook niet van het mannelijke onderscheiden, enerzijds doordat men met de verschillen geen raad weet en anderzijds doordat men meent dat er helemaal geen verschillen tussen de vrouw en de man zijn. Het denken over de vrouw en het vrouwelijke staat op een treurig laag peil.

No. 188

existentialisme-2 ; Existentialistische filosofie ; verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; Betrokkenheid-1 ; Betrokkenheid-2 ; Betrokkenheid-3 ; Waanvoorstellingen-1 ; Waanvoorstellingen-2 ; Waanvoorstellingen-3 ; Waanvoorstellingen-4 ;

In de filosofie en de kunst zijn je persoonlijke ervaringen, gevoelens, inzichten en dergelijke van essentiŽle betekenis. Zij hebben te maken met datgene dat zich bij het doorstralen van het bewustzijn op de wijze van een beeld afspiegelt aan de voorstelling. Omdat het om de algemeen geldige waarheid gaat moet dat beeld zo onpersoonlijk mogelijk worden, maar dat is wat anders dan de zogenaamde objectiviteit die de wetenschapper noodzakelijk nastreeft: hij ontleedt immers de voorstelling en meent zodoende de waarheid te vinden, terwijl hij het doorstralen (van het bewustzijn) en het afspiegelen (van het beeld) helemaal niet opmerkt, laat voor wat zij zijn of zelfs pertinent afwijst. Op grond hiervan kent voor hem noch de kunst, noch de (creatieve of speculatieve) filosofie enige waarheid. In het verlengde hiervan vindt hij dat je niet persoonlijk betrokken mag zijn bij het zoeken en uitspreken van de waarheid. Voor hem moet alles overdraagbaar zijn, dat wil zeggen: doormiddel van al of niet taalkundige formules aan anderen voor te rekenen en te bewijzen. Daarbij behoeft die ander totaal geen inzicht te hebben - hij behoeft slechts het werken met genoemde formules te beheersen. De filosofie echter vereist, evenals de kunst, betrokkenheid. Je moet er zelf in meedoen, je in het thema inleven en het helderste in jezelf naar voren halen. Door er zelf in betrokken te zijn ontdek je zaken die bij wetenschappelijk denken verborgen blijven. Zo blijkt onder andere dat de vrouw en het vrouwelijke in het westerse denken niet voorkomen, ook niet in de filosofie. Wetenschappelijk kun je wijzen op een gigantische bibliotheek over het onderwerp ďDe vrouw en het vrouwelijkeĒ, maar filosofisch constateer je dat beide er in geen geval in voorkomen. Aan de orde zijn de man en het mannelijke denken waarin het bij gelegenheid, op zogenaamd objectieve wijze, over de vrouw en het vrouwelijke kan gaan. Zelf is hij er niet in betrokken; hij vertelt zijn waarneming daaromtrent en formuleert vervolgens wat hij daaraan bedenkt, precies zoals hij het over willekeurig welk verschijnsel zou hebben. Helaas, maar wel verklaarbaar, is dat ook het geval met de filosofen, of zij hebben het helemaal niet over de vrouw of zij kankeren op haar omdat zij volgens hen natuurlijk, zinnelijk, twistziek, irrationeel en dergelijke zou zijn. Zo zou je verwachten dat een filosoof als Jean Paul Sartre (1905-1980) wel op een redelijke wijze over de vrouw zou denken. Zijn existentialisme zou daarvoor toch borg moeten staan, handelende als dat is over het bestaan van de mens, zijn dagelijkse leven en zijn vrijheid. Niets daarvan!

Hij denkt over de vrouw als ware hij een bezitter: zij is er slechts ter wille van hem en dan meestal ook nog uitsluitend in seksueel opzicht. Zeker achteraf kun je vaststellen dat iemand die zich vereenzelvigt met een totalitair systeem als dat van de Sovjets en dat ook nog tegen alle redelijkheid in volhoudt, geen heldere kijk kan hebben op het leven, en dus zeker niet op de vrouw en het vrouwelijke. Over het algemeen kun je zeggen dat het in de westerse filosofie almaar over de geest gaat, niet die van de levende mens, maar die geest die boven de mens en het aardse verheven is en die vanuit die hoogverheven positie inwerkt op de mens, natuurlijk in de eerste plaats op de man die verondersteld wordt het hogere te vertegenwoordigen. Dat is natuurlijk onzin, maar die onzin laat zich verklaren uit het feit dat bij de man het zelfbewustzijn uitgangspunt is. Dat zelfbewustzijn is verbonden met het begrip niet-materie, oftewel geest. Voor de vrouw geldt dat niet: zij is als bewustzijn verbonden met de materie. Het aanvoelen maar niet begrijpen van de door mij genoemde verhoudingen van ineen zijn en uiteen zijn, bewustzijn en zelfbewustzijn, leidt tot de onzinnige en kwalijke opvatting dat de man als geestelijk wezen boven de vrouw staat.

Dat was ook al het geval in het denken van de gnostische denkers en hermetische denkers uit het verleden. Zo legde Filo van AlexandriŽ omstreeks het begin van onze jaartelling uit dat de mens weliswaar van oorsprong androgyn (vrouw en man ineen) is, maar dat hij daarna in twee mensen uiteen gevallen is en dat daarbij de man de hoogste geworden is. Op grond van allerlei schijnargumenten heeft men gedurende de gehele westerse cultuur de mannelijke superioriteit staande proberen te houden. Vanuit deze waanvoorstelling is het verklaarbaar dat de vrouw en het vrouwelijke niet voorkomen in het westerse denken. In de beroemde troubadours-poŽzie wordt de vrouw almaar op een voetstuk geplaatst. Maar steeds is het de man die haar verheft: zij is voor hem een ideaal van schoonheid en reinheid. Dat ideaal moest verdedigd en beschermd worden, vandaar dat zij, voorzien van kuisheidsgordel, in het beruchte torenkamertje op zijn terugkeer kon gaan zitten wachten. Ook in de Islam is de vrouw zozeer een mannelijk ideaal dat zij zich voor de blikken van een ieder moet verbergen en geen contact met de buitenwereld mag hebben. Waarom het gaat is evenwel de vraag wat zij zelf is en hoe zij als zodanig in de verhouding vrouw-man aanwezig is. Op die vragen wordt bijvoorbeeld in het verhaal van Tristan en Isolde (van lang voor het jaar 1100), het verhaal van Don Quichotte (Miguel de Cervantes Saavedra, geschreven ca. 1610) en Tijl Uilenspiegel (Charles de Coster, geschreven in 1867) een aanvaardbaar antwoord gegeven. Slechts zelden komen de vrouw en het vrouwelijke behoorlijk voor de dag. Naast golven van ongeremde, psychisch ziekelijke, verheerlijking was en is er ontzettend veel vrouwenhaat in de westerse cultuur. Deze haat is slechts voor een deel terug te brengen tot de geestelijke minderwaardigheid van de vrouw. De werkelijke oorzaak is gelegen in het feit dat de vrouw qua zelfbewustzijn met een veel betere en mooiere wereld komt dan de man, een wereld ook die veel meer ruimte kent en lichtvoetiger is. Op de een of andere manier heeft deze mooiere wereld, naast extatische verering, de afgunst en de haat van de mannen opgewekt, een haat die onvoorstelbaar heftig in onze cultuur aanwezig is. Het duidelijkst kwam, voor mannelijk besef, het vrouwelijke tot uiting in de heksen. Of beter: een vrouwelijke vrouw was per definitie een heks. Zo iemand moest terstond opgeruimd worden en daarbij ontzagen de mannen zich niet om in zogenaamde godsoordelen quasi objectief de schuld van heksen aan te tonen. Het resultaat was altijd de dood... Zoals gezegd heeft het vrouwelijke bij de vrouw dit karakter dat het bewustzijn voortdurend als zelfbewustzijn voor de dag komt. Het onuitspreekbare wordt uitgesproken. Inmiddels zal duidelijk geworden zijn dat ik het niet heb over een intellectueel proces.

Zodra door onvolwassen mensen wordt nagedacht over dat proces ontstaat er godsdienstig gefilosofeer over de almachtige geest, over de opgave die de mens gesteld is om geestelijk wezen te worden en over de praktische zondigheid van de mens. Eerst volwassen mensen zullen dat proces denkend kunnen volgen. Waarom het nu gaat is het feit dat de vrouw zonder meer, en dus zeg maar van nature, met een zelfbewust bewustzijn voor de dag komt. Zij verwijst zonder er over na te behoeven denken in haar gedoe, haar reacties, haar uitspraken, naar de werkelijkheid als bewustzijn. Als het denken dat niet verstikt, zoals in onze cultuur, functioneert dat gedoe van vrouwen als een correctie op het gedoe van de mannen. Dat heeft zich vaak in de geschiedenis vertoond. Maar in de moderne tijd, na de Verlichting, wordt die corrigerende rol nauwelijks nog gespeeld: de vrouwen beoefenen meer en meer het onvolwassen mannelijke systeem: analyse van de werkelijkheid op grond van eenzijdig zelfbewustzijn en verwaarlozing van het bewustzijn.

existentialisme-2 ; Existentialistische filosofie ; verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; Betrokkenheid-1 ; Betrokkenheid-2 ; Betrokkenheid-3 ; Waanvoorstellingen-1 ; Waanvoorstellingen-2 ; Waanvoorstellingen-3 ; Waanvoorstellingen-4 ;

 

No. 189

In onze cultuur wordt alles wat niet echt intellectueel is minderwaardig gevonden, het wordt niet voor vol aangezien. Dat is niet zo verwonderlijk, want aan de cultuur van het zelfbewustzijn komt mee dat alles wetenschappelijk gekwalificeerd moet zijn. Het moet een wetenschappelijke ondergrond hebben en mensen die mee willen tellen en het willen maken, moeten wetenschappelijk opgeleid zijn, bij voorkeur op een gerenommeerde universiteit. Die universiteiten zijn allang geen centra van wetenschappelijke ontwikkeling meer, maar opleidingsinstituten op betrekkelijk hoog niveau, hetgeen onder andere betekent dat iemand die alleen maar goed kan leren en die aan geld weet te komen eraan deel kan nemen. Een wetenschappelijke instelling is nauwelijks meer vereist en mensen die wel zo'n instelling hebben komen nog maar zelden voor en als zij voor komen kunnen zij bijna nergens behoorlijk terecht. Het is dan ook een feit dat onze huidige wereld, ondanks haar wetenschappelijke status en de gigantische hoeveelheid kennis die haar ter beschikking staat, zich niet kan beroemen op wetenschappelijkheid. Die was er vroeger veel meer, dat wil zeggen: de intellectuelen van destijds beschikten wel over veel minder kennis en methodieken, maar stonden veel meer open voor de werkelijkheid, hadden een veel meer onderzoekende geest die veel minder bevooroordeeld was. Thans bestaat wetenschappelijkheid voornamelijk uit meer van hetzelfde en de bekwaamheid om dat meerdere op tafel te krijgen. Dat komt natuurlijk door de vergevorderde omzetting van de werkelijkheid als voorstelling in formules. Levende in zo'n quasi wetenschappelijke wereld is het moeilijk om duidelijk te maken dat het vrouwelijke proces van het zich tot zelfbewustzijn omzettende bewustzijn per se geen intellectueel proces is, maar desondanks het mooiste waartoe de werkelijkheid kan komen. Als dat proces niet intellectueel is dan gaat het buiten het denken, de rede en het begrijpelijke om. Dan kom je naar westers besef al gauw terecht bij de instincten, de driften, de gevoelens en de aandoeningen, en die staan niet bepaald hoog aangeschreven. Dat is moeilijk te rijmen met iets dat het mooist mogelijke is, iets dat bovendien geheel vanzelf geschiedt, zo ongeveer zoals een plant uitloopt in een schitterende bloem, oftewel uitloopt in schoonheid. Deze zaak geldt voor de vrouw in de hoedanigheid van het verschijnsel waarin het vrouwelijke, uitgedrukt in het begrip ineen zijn, zich omzet tot het mannelijke, uitgedrukt in uiteen zijn. Anders gezegd: de vrouw als verschijnsel waarin het bewustzijn zelfbewust wordt. Dat je deze apotheose uitgerekend bij de vrouw aantreft houdt verband met het feit dat het levende verschijnsel eigenlijk vrouwelijk gedefinieerd moet worden.

Het leven loopt niet uit in de man, maar in de vrouw, en dat betekent dat de mens, in strijd met de westerse gewoonte, vrouwelijk gedacht moet worden. Als het over de mens gaat moet je in feite over ďzijĒ spreken in plaats van ďhijĒ. Gezien in dit licht is het logisch dat de vrouw inderdaad, in schoonheid uitloopt, schoonheid wel te verstaan als verschijnsel dat schoon is en waarbij die schoonheid ervaarbaar en dus ook voorstelling is geworden. Het in de vrouw zelfbewust worden van het bewustzijn wordt in onze cultuur nauwelijks opgemerkt, tenminste niet als iets van bijzondere betekenis. Meer als iets lastigs. De vrouw vertoont van allerlei dat vanuit het mannen denken flauwekul wordt gevonden. Zelfs als alle vrouwen de uitingen van zelfbewust geworden bewustzijn glashelder zouden vertonen, dan nog zou dat in de westerse wereld als lastig, als niet ter zake doende, worden ervaren.

Maar, de vrouwen komen er niet allemaal even duidelijk mee voor de dag. Het is er dus wel, maar het is verminkt. De oorzaak hiervan zijn natuurlijk de vele en diepgaande conditioneringen vanuit de mannelijke cultuur, met zijn schijnwetenschappelijkheid waarin de materiele analyse hoogtij viert. Toch zijn er wel enkele situaties te schetsen die enigszins duidelijk maken hoe de zaak in de praktijk voor de dag komt. Zo is er bijvoorbeeld een generaal en die staat zich Ďs morgens op te doffen, met al zijn onderscheidingen en versierselen. Zijn vrouw slaat dat schouwspel voor de zoveelste keer gade en merkt dan op: wanneer hou je nu eens op met die onzin? De generaal zal later tegen zijn collega's zeggen dat zijn vrouw weer zo lastig was. In feite echter heeft zij een zeer wezenlijke opmerking gemaakt en daarbij uitdrukking gegeven aan datgene dat uit haar bewustzijn opwelt. Natuurlijk is iedereen, ook de vrouw in kwestie, het voorval onmiddellijk vergeten. Er wordt geen aandacht aan besteed, behalve dan dat de generaal zijn vrouw maar knap vervelend vindt. Een ander voorbeeld. Magnus Hirschfeld (1868-1935), de Duitse seksuoloog, heeft een verzuchting geslaakt met betrekking tot de Duitse, engelse en Franse soldaten die aan het begin van de eerste wereldoorlog naar het front in Vlaanderen en Noord-Frankrijk vertrokken om daar te moorden en vervolgens te sneuvelen. Zo'n vertrek ging met parades en dergelijke gepaard en volgens Hirschfeld wemelde dat van de verborgen seksuele symbolieken. De vrouwen staken bloemen in de lopen van de geweren, zij waren verschrikkelijk opgewonden. Dan vraagt Hirschfeld zich af hoe het zou zijn als de vrouwen hun ware aard lieten gelden en die mannen niet langer als hun geliefden zouden erkennen omdat zij nu moordenaars waren geworden. De wereld zou er heel anders uitzien. !

Derde voorbeeld. De Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung (1875-1961) merkt in zijn boek Ein moderner Mythus (1958) op dat vrouwen, in tegenstelling tot mannen, bij diepgaande psychoanalyse blijk geven van een veel ruimer en indringender besef van de werkelijkheid dan mannen en dat onveranderlijk het gevolg is dat die vrouwen de mannen en hun wereld kinderachtig, dom, onpraktisch en zelfs misdadig vinden. Die vrouwen, die overigens volop deel uitmaakten van die wereld, stonden eigenlijk, doorgaans nauwelijks bewust, ver boven de mannen. Jung was er de man niet naar om dat merkwaardige verschijnsel te veroordelen en als een ziekelijke afwijking te duiden, zoals Sigmund Freud nogal eens deed met resultaten die hem niet bevielen. Jung daarentegen zag de verstrekkende reŽle betekenis ervan in. Als het gaat om het werkelijk eigenaardige van de vrouw kun je ook denken aan de bijzondere sfeer direct na de geboorte van haar kind. Er is dan iets tussen die vrouw en haar kind dat van alle tijden is, niet beÔnvloed door welke cultuur dan ook. De conditioneringen gelden even niet. Uiteraard moet je ervoor ontvankelijk zijn om die sfeer aan de kraamvrouw en haar kindje te proeven, maar die ontvankelijkheid is ook enigszins te herkennen aan de reactie van vrouwen op alles wat jong en klein is: jonge hondjes en poesjes en dergelijke dieren met een hoge aaibaarheidsfactor, De reacties van de vrouwen gaan zonder twijfel terug op het meest wezenlijke proces dat zich in hen afspeelt. Dat is voor mannenbesef al of niet aandoenlijke flauwekul, maar voor vrouwen ligt dat precies andersom, en terecht! Hoe dan ook, voor vrouwelijk besef is de mannenwereld er een vol kinderachtigheden vol uiterlijkheden en bijzaken, volkomen in strijd met datgene waarom het eigenlijk zou moeten gaan. Dat vrouwen hierin gelijk hebben kun je ook constateren bij het gadeslaan van gepensioneerde mannen. Heel vaak is er naast hun werkzame leven geen ander leven mogelijk geweest. Hun hele leven blijkt tenslotte infantiel te zijn, het blijkt dat het geen inhoud gehad heeft. Dat blijkt nu er niets overgebleven is en ze alleen nog maar terug kunnen denken aan hoe het vroeger was toen zij nog leefden.

No. 190

Ter verklaring van het verbazingwekkende verschijnsel van de afwezigheid van de vrouw en het vrouwelijke in het westerse denken, inclusief de filosofie, wordt gewoonlijk aangevoerd dat a) het christelijke denken en vooral roomse denken, op grond van zijn gerichtheid op macht, nu eenmaal eenzijdig mannelijk is en zelfs wel vrouwvijandig genoemd kan worden, en b) dat de mannelijke dominantie, op grond van het feit dat de mannen het sterke geslacht zouden zijn, de vrouw in een ondergeschikte positie heeft gedrongen en c) dat biologisch gezien de man de meest essentiŽle factor van de evolutie en ontwikkeling zou zijn omdat hij het is die door zijn gesteldheid van uit zwervende jager steeds nieuw bloed inbrengt, kortom dat de verwekker hoger staat dan de voortbrengster, die eigenlijk niet meer kan doen dan als een soort van draagmoeder fungeren. Als je deze verklaringen goed doordenkt blijken zij niet alleen banaal, maar zelfs buitengewoon dom te zijn. En het meest treurige is nog wel het feit dat ze typerend zijn voor het moderne denken. Veel moderne denkers echter menen dat zij op een objectieve wijze en onbaatzuchtig over de vrouw en het vrouwelijke nadenken terwijl zij zich ongeweten toch aan bovengenoemde banaliteiten bezondigen. Dat heeft tot gevolg dat zij heel moeilijk te bestrijden zijn. Veel mannelijke feministen zijn voorbeelden hiervan. Over het algemeen wordt niet opgemerkt dat de westerse wijze van kijken naar en ondergaan van de werkelijkheid een groot gedeelte ervan totaal negeert. De meest essentiŽle verhoudingen, situaties en processen vallen buiten het blikveld of worden volkomen verkeerd beoordeeld. Daartoe behoren de uitingen van de vrouwen die duiden op de beweging van bewustzijn naar zelfbewustzijn. Vaak wordt beweerd dat de gebrekkigheid van het westerse denken alleen maar tot uiting komt bij het denken van de straat, van Jan Rap en dergelijke, hetgeen uiteraard inhoudt dat meer intellectuele lieden een helderder kijk op de zaak zouden hebben. Doorgaans echter ligt het precies andersom! Juist het meest ontwikkelde en maatgevende denken van onze cultuur vertoont het duidelijkst het door mij bedoelde gebrek. Voor de filosofie vormt dit alles een schier onoverkomelijke barriŤre... Nogmaals: de westerse cultuur is het moment in de menselijke ontwikkeling waarin het zelfbewustzijn zich met zichzelf gaat bezig houden. Anders gezegd: het zelfbewustzijn wordt onderwerp van cultuur. Gevolg is dat de werkelijkheid als niet-materie, als geest, maatgevend wordt en dat de werkelijkheid als voorstelling de bron van alle informatie wordt.

Alles gaat uit van het zelfbewustzijn, de geest en het rationele denken, maar dat is nu precies de richting waarin de voor de man geldende beweeglijke verhouding gaat: van zelfbewustzijn naar bewustzijn, van uiterlijk naar innerlijk, enzovoort. Er is nauwelijks iemand die hiervan weet heeft, maar intussen wordt er wel naar gehandeld en gedacht zodat de vrouw uit het beeld verdwijnt: voor haar geldt het geestelijke niet, zij kan niet tot begrip komen; zij zal eeuwig de mindere van de man blijven en dan mag ze nog dankbaar zijn als zij zo af en toe ook nog een beetje mee mag doe! Aldus ziet een ruwe schets van de cultuur van de westerse wereld er uit. Over het vrouwelijke op zichzelf zijn hier en daar wel behartigenswaardige dingen gezegd, vooral door cultuurvorsers uit de sfeer van de 19e eeuw, zoals bijvoorbeeld Johann Jacob Bachofen (1815-1887) die het indrukwekkende Das Mutterrecht in 1861 schreef. Daarin liet hij zien dat aan het huidige patriarchaat (vaderrecht) een lange periode van matriarchaat (moederrecht) vooraf ging, een stelling die de huidige wetenschappers uiteraard niet onderschrijven, maar die wel heel goed overeen komt met datgene dat je filosofisch over de ontwikkeling van de mensheid aan de weet kunt komen en waarover ik eerder al gesproken heb. Ook Carl Gustav Jung en de seksuologen Magnus Hirschfeld en Wilhelm Reich (1897-1957) moeten in dit verband genoemd worden.

In de feministische literatuur is uiteraard ook wel het een en ander te vinden hoewel de in die beweging heersende behoefte om maatschappelijk en dus op mannelijke wijze mee te tellen in menig opzicht verduisterend werkt ten aanzien van het denken over het begrip vrouwelijk. Tenslotte zijn daar nog de mensen van de New Age beweging. Zij geven vaak blijk van sterke vermoedens omtrent de werkelijke situatie van de vrouw en de voor haar geldende vrouwelijke verhoudingen, maar hun denken daarover verzandt doorgaans in onhoudbare fantastische bedenksels. Al met al moet toch in de gaten worden gehouden dat het min of meer vrijblijvend denken over het vrouwelijke voor het mannelijke denken gemakkelijker is dan het onbevooroordeeld denken over de vrouw. De vrouwelijke begrippen lenen zich er gemakkelijk toe geromantiseerd te worden, hetgeen dan ook bij herhaling geschiedt. Daarmee zit de zaak toch weer opgesloten in het mannelijke denken van de westerse cultuur. Filosofisch is het echter de opgave over de werkelijkheid van de vrouw onbevangen en zonder vooroordelen na te denken en dat gelukt maar zelden. Toch is er een goed verhaal in de westerse literatuur waarin de vrouw glashelder getekend wordt, niet alleen op zichzelf, maar ook in relatie tot de man, de echte volwassen man wel te verstaan. Dat is het al eerder door mij genoemde verhaal van Tijl Uilenspiegel. Daarin is vooral van belang wat zich tussen Tijl en zijn geliefde Nele niet afspeelt. Dat wordt duidelijk aan de pendant van die twee, te weten Lamme Goedzak en zijn vrouw Kalleken die in feite een beeld geven van het gebruikelijke onvolwassen gedrag van de mensen. Lamme loopt voortdurend naar zijn vrouw te verlangen en dat doet hij op dezelfde manier als hij verlangt naar lekker eten. En Kalleken ontwijkt hem omdat zij niet in zonde wil vervallen, hetgeen zo ver gaat dat zij op een gegeven moment met een geslepen, geile, dikke monnik vertrokken is en Lamme haar overal vertwijfeld gaat lopen zoeken. Hij is geheel in haar ban, wil haar slaaf, haar kok, haar echtgenoot zijn. De omgang van Lamme Goedzak - inderdaad een goedzak, de beste mogelijkheid van onvolwassen mensen - en zijn vrouw is er typisch een die in het teken van de relatie staat. Dat veronderstelt beider aanwezigheid en de overeenkomst van beider interesses en opvattingen. Maar tegelijkertijd veronderstelt dat de afstand tussen die twee en het vervallen in excessen: de relatie omvat immers maar een gedeelte van de persoonlijkheid van een mens!

Tijl en Nele daarentegen zijn er voor zichzelf en voor elkaar. De relatie tussen beiden speelt daarin geen rol zodat er enerzijds geen wederzijdse afhankelijkheid is en anderzijds geen afstand. Het houden van zoals dat in een relatie essentieel is, is overgegaan in liefde Tijl en Nele zijn elkaars geliefden Daarmee realiseren zij het begrip ineen zijn en dat is een zaak die in de westerse cultuur vrijwel ondenkbaar is en die bijgevolg slechts bij hoge uitzondering door kunstenaars getekend of door denkers beschreven is. Het is Charles de Coster gelukt twee geliefden te tekenen en hij geeft er blijk van begrepen te hebben dat daarover weinig te vertellen valt qua gebeurtenissen en bijzonderheden omtrent de relatie. Dit in tegenstelling tot de relatie van Lamme en Kalleken waarin voortdurend van allerlei gebeurt. De westerse denkers weten geen raad met de liefde van Tijl en Nele, evenmin trouwens met Tijl zelf. Zij houden het dan ook maar op Tijl als vrijheidsheld, hoewel hij feitelijk helemaal geen held is: in tegenstelling tot een echte held heeft hij er geen zin in aan de onzin te sneuvelen! Maar vrijheid komt inderdaad onmiddellijk aan hem mee omdat Tijl staat voor het zelfbewuste dat zich tot bewustzijn omzet en dat daarmee in alle samenhang vrij gemaakt wordt. Omdat het zelfbewuste bij Tijl bewust wordt, zet zijn analyse zich om in humor...

No. 191

Universele Verklaringsprincipe-1 ; Universele Verklaringsprincipe-2 ; Universele Verklaringsprincipe-3 ; Universele Verklaringsprincipe-4 ; Universele Verklaringsprincipe-5 ;

De thema's die ik op het ogenblik behandel hebben ogenschijnlijk niets met de gedachtegang over Beweging en verschijnsel te maken. Het gaat nu immers almaar over bestaande verschijnselen, zoals de vrouw en de man. Toch is dit inderdaad maar schijn: datgene dat zogezegd in directe zin te bedenken valt aan de primaire verhoudingen van de beweeglijkheden en dat leidt tot inzicht in de bestaanswijze van de materie, van de bouwstenen, de levende wezens en tenslotte de mens, is in elke filosofische gedachtegang aanwezig als een soort van inwendig skelet, zonder hetwelk niets werkelijk begrepen kan worden omdat dan een hechte argumentatie volstrekt onmogelijk is. Het thema vrouw-man als spel van verhoudingen tussen ineen zijn en uiteen zijn, bewustzijn en zelfbewustzijn, is niet werkelijk helder te krijgen zonder inzicht in de werkelijkheid als beweeglijkheid. Het is echter lang niet altijd nodig deze werkelijkheid er uitdrukkelijk bij te halen, doorgaans geldt zij stilzwijgend als aan de zaak voorondersteld. Dit geldt voor elk filosofisch thema. Maar, voor de goede orde: het geldt niet voor de thema's van de moderne academische filosofie... Dat inwendige skelet berust op een universeel verklaringsprincipe. Je begint met te zoeken naar datgene waartoe alles terug is te brengen (de beweeglijkheden) en vervolgens naar dat wat je ermee kunt doen. Vind je dat, dan heb je een universeel verklaringsprincipe in handen, een principe dat aan elke gedachtegang ten grondslag moet liggen. In feite komt dat principe hier op neer dat je iets gaat zeggen over iets waarvan (qua eigenschappen) absoluut niets te zeggen valt. Het eerste resultaat is de ontdekking dat twee beweeglijkheden, waarvan niets te zeggen valt en die dus niets met elkaar te maken hebben, ten opzichte van elkaar stil kunnen komen te staan. Het tweede resultaat is dat je deze situatie op kwantitatieve wijze kunt uitbreiden en daarbij tot een aantal systemen komt die uitlopen in materie, leven en zelfbewustzijn. Je begrijpt dan de werkelijkheid als een toeval dat niet uit kan blijven. Bij het overdenken van de situaties waarin de beweeglijkheden komen te verkeren kom je het ineen zijn tegen en ook het uiteen zijn; het eerste geldt als twee systemen van acht beweeglijkheden (brandpunten) met elkaar versmelten via een enkele gemeenschappelijke vrije beweeglijkheid. Het tweede geldt als twee bouwstenen zich met elkaar combineren via het aan elkaar neutraliseren van twee energieŽn.

In het eerste geval is er te spreken van in elkaar overgaan en in het tweede van het aan elkaar vastleggen, hetgeen neerkomt op het overbruggen van een kloof. Welnu, beide situaties kom je tegen bij de mensen. In het voorbeeld van Tijl en Nele gaat het om in elkaar overgaan en in het voorbeeld van Lamme Goedzak en Kalleken om aan elkaar vastleggen op grond van iets gemeenschappelijks, in feite is dit dus een relatie. Tot zo'n relatie behoort het huwelijk, het voortdurend beslag op elkaar leggen en tegelijkertijd het vreemd gaan dat tot zondebesef leidt, of men nu werkelijk overspel pleegt of niet. Bij Kalleken is er dan ook nog de vlucht in de godsdienst die uitloopt in een morbide verhouding tot een geile dikke monnik. Bij Lamme is voornamelijk opvallend dat hij op precies dezelfde manier van zijn vrouw houdt als van lekker eten. Het hele verhaal van Lamme Goedzak en zijn vrouw tekent een voortdurende strijd om een kloof te overbruggen, het met elkaar eens te worden en aan elkaar bevrediging te vinden. Dat is typisch de relatie: overbrugging kan alleen daar waar er overeenkomsten zijn en bevrediging betekent dat de zaak tot rust gekomen, geneutraliseerd, is. Van een vanzelfsprekend in elkaar overgaan met volledig behoud van eigen identiteit en persoonlijkheid is bij die twee geen sprake, wel echter bij Tijl en Nele. Bij deze laatsten moet je van liefde spreken, maar bij Lamme en Kalleken van houden van.

Tijl en Nele zijn bij zichzelf terechtgekomen en als zodanig gaan zij in elkaar over. Dat is het begrip liefde en het begrip elkaars geliefden zijn. In deze verhouding is natuurlijk wel de relatie aanwezig, maar daarom gaat het niet meer, zodat die relatie kan zijn zo hij is zonder de voortdurende behoefte er iets van te maken. Dit wordt treffend getekend door het feit dat Tijl en Nele zich niets aan elkaar gelegen laten liggen. Ze laten elkaar volledig met rust. Ze leveren niets voor elkaar in, hebben niets voor elkaar over. Bij onvolwassen mensen, zoals Lamme en zijn vrouw, zie je daarentegen dat men in meerdere of mindere mate waarde aan elkaar hecht, maar nauwelijks iets voor elkaar betekent. Men levert van allerlei aan elkaar in (ruilen van waarden) en kan, doordat men niet meer compleet is, geen teken meer zijn. Teken is de werkelijkheid, betekenis heeft zij, voor zover zij als geheel gecomprimeerd is in een detail. Zo is de volwassen mens de werkelijkheid als geheel, gecomprimeerd in een individu en zo heeft hij betekenis. Vanuit het genoemde verklaringsprincipe kun je het gedrag van Lamme en zijn vrouw verklaren en er de logische noodzakelijkheid van aantonen, maar tegelijkertijd kun je aantonen dat dit gedrag onvolwassen is en dus niet samenvalt met de werkelijkheid. In dit laatste geval is het verklaringsprincipe tevens een beoordelingsprincipe. Er is dan de vergelijking tussen wat er is (realiteit) en hoe het is (werkelijkheid). Volgens een aantal moderne denkers zijn er over de werkelijkheid (hoe) geen houdbare uitspraken te doen omdat zij niet empirisch, doormiddel van metingen en proeven, te onderzoeken is. Uitspraken over het hoe van de werkelijkheid zijn dan noodzakelijk subjectief, gebonden aan een bepaalde persoon. Men is van oordeel dat daardoor zulke uitspraken onbetrouwbaar zijn en dat zij zelfs per definitie onjuist moeten zijn omdat het steeds over de werkelijkheid (lees: de voorstelling) van die bepaalde persoon zou gaan en daar niet los van kan komen. Uitspraken over de realiteit (wat) echter worden beschouwd als toetsbaar omdat zij betrekking hebben op bestaande verschijnselen. De waarheid van die uitspraken echter is niet op een absolute manier na te gaan omdat de cultuur van een bepaald tijdperk er in verdisconteerd moet worden. Bovendien ontbreekt - nog steeds volgens bedoelde denkers - de mogelijkheid de werkelijkheid ter vergelijking te onderzoeken. Men vindt het dan ook maar beter zich aan relativisme over te geven om zodoende elk standpunt te vermijden. Intussen hebben diezelfde denkers toch hele reeksen oordelen over allerlei reŽle verschijnselen.

Zij houden er wel degelijk een zekere moraal op na, vinden dat bepaalde dingen niet kunnen en andere moeten, enzovoort. Ook schijnen zij niet in te zien dat hun zogenaamde objectieve onderzoek van de realiteit niet mogelijk zou zijn als er niet een of ander besef van een waarheid, een absolute norm is. Zonder enigerlei intuitie van de werkelijkheid (hoe) is elk onderzoek van de realiteit (wat) ondenkbaar. De mens zou zelfs niet op het idee kunnen komen dat er iets te onderzoeken valt! Zoals gezegd kan de werkelijkheid alleen maar effectief achterhaald worden doormiddel van een filosofie die werkt met een universeel verklaringsprincipe. Men heeft dat vooral in het verleden goed aangevoeld en dan ook steeds naar zo'n principe gezocht. Er zijn er dan ook verschillende, maar logisch doordenkend blijkt dat er maar ťťn kan zijn, namelijk het bovengenoemde. Bewijs hiervoor is het feit dat de essentie ervan is dat de werkelijkheid in laatste (beter: eerste) instantie volstrekt zonder eigenschappen is, zodat er niets over te zeggen valt. Juist zoiets kan universeel zijn, want als er wel eigenschappen waren was er tevens onmiddellijk een relatie met iets anders en daarmee was universaliteit prompt uitgesloten.

Universele Verklaringsprincipe-1 ; Universele Verklaringsprincipe-2 ; Universele Verklaringsprincipe-3 ; Universele Verklaringsprincipe-4 ; Universele Verklaringsprincipe-5 ;

No. 192

Universele Verklaringsprincipe-1 ; Universele Verklaringsprincipe-2 ; Universele Verklaringsprincipe-3 ; Universele Verklaringsprincipe-4 ; Universele Verklaringsprincipe-5 ;

concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ;

Het is niet alleen in de filosofie dat een universeel verklaringsprincipe vereist is. In tegenstelling tot de filosofen, die tegenwoordig hun onkunde maskeren met de uitvlucht dat er geen waarheid bestaat en dat dus ook het zoeken naar een universele verklaringsgrond zinloos is, zoeken de moderne natuurkundigen wel degelijk naar een soort van eenheidstheorie die het mogelijk moet maken de gehele materiele werkelijkheid vanuit een enkel grondbeginsel te verklaren. Men denkt daarbij aan een bepaalde theorie waarin de onverenigbaarheid van enkele tot nu toe gevonden oerkrachten opgeheven wordt zodat er tenslotte maar ťťn fundamentele kracht overblijft. Hoe men zich dat voorstelt weet ik niet, maar wel weet ik dat men de oplossing niet in het begrip kracht zou moeten zoeken. Een kracht manifesteert zich namelijk als reactie op een handeling van de onderzoeker: als hij een situatie van ten opzichte van elkaar stilstaan (aan elkaar vastzitten) verandert bemerkt hij dat hij daarvoor krachten moet inzetten; zijn conclusie is nu dat de aan elkaar vastzittende elementen door krachten bijeengehouden worden, maar dat is een foute conclusie. In feite bestaan er geen krachten. Er bestaat alleen maar beweging en datgene dat wij als een kracht ervaren is een gezamenlijk spel van bewegingen. Denkende vanuit het begrip beweging is de werkelijkheid, ook de natuurkundige, veel gemakkelijker te begrijpen. Dat komt uiteraard doordat de werkelijkheid beweging is en doordat, ten gevolge daarvan, de vraag hoe is de zaak in beweging gekomen? - de klassieke vraag van onder andere Newton en Descartes - een verkeerde vraag is. De juiste luidt, zoals ik al eerder heb gezegd; hoe is de zaak hier en daar tot stilstand gekomen? Je kunt een zich op een goed moment in beweging zettend heelal niet denken zonder een uitwendige oorzaak van dat in beweging komen. Men heeft er dan ook van alles bijgehaald, uiteraard vooral goddelijk ingrijpen. God is de grote beweger en dat wat hij in beweging brengt is ťťn groot uurwerk, een uiterst verfijnde machine. En je behoeft slechts de wetten van de dynamica te kennen om het gedrag van dat uurwerk te kunnen voorspellen - zo dacht men! Het werkelijk universele grondprincipe is de beweeglijkheid. Het is te begrijpen dat de onderzoekers daarmee niet zo vlug aan de gang gaan want het is iets waarmee niets gedaan kan worden. Je kunt er niet mee meten, in tegenstelling tot de reactie op beweeglijkheid, de kracht. Deze is materieel te verwerken en in een theorie op te nemen. Hetzelfde geldt voor de gedachte dat het grond principe een deeltje zou zijn. Ook hiermee is van alles aan te vangen.

De clou is evenwel dat je uit moet gaan van iets waarmee absoluut niets aan te vangen is! Dat leidt onder andere tot de conclusie dat de kennis op de een of andere manier gelegen is op het terrein van het onware omdat het bij de kennis behorende universele grondprincipe juist wel iets bruikbaars is. Tot de moderne denkers die, zij het op enigszins andere gronden, afstand hebben genomen van de op (door onderzoek verkregen) kennis gegronde waarheid, behoort de Amerikaan Richard Rorty (1931-.. ) die in zijn hoofdwerk Philosophy and the mirror of nature (1980) het zoeken naar een grondprincipe (absolute fundering) verwerpt, maar dit kennelijk, net als de andere moderne denkers, doet omdat hij meent dat zo'n grondprincipe iets aantoonbaars, iets meetbaars, kortom iets materieels zou moeten zijn. Als ik hem goed heb begrepen ontgaat hem dat het juist om iets onbruikbaars moet gaan. Zou hij dit ingezien hebben dan zou hij het bestaan van een grondprincipe hebben moeten aanvaarden.. Om inzicht te krijgen in het proces wat zich in de man afspeelt, namelijk het zich bewegen van uiteen zijn naar ineen zijn is het leerzaam eens te kijken naar de resultaten van een uiteen zijn dat die beweging niet maakt.

Model voor die gang van zaken staat de moderne (westerse) cultuur van de 20ste eeuw. Deze eeuw heeft, vergeleken met de eraan voorafgaande eeuwen, een onvoorstelbaar grote schat aan kennis en theorieŽn opgeleverd. Die is intussen al zo groot geworden, dat zelfs vaklui niet eens meer volledig van de ontwikkelingen binnen hun eigen vak op de hoogte kunnen blijven. Productief in materiŽle zin is die eeuw dus in hoge mate. In feite is er echter almaar meer van hetzelfde opgeleverd. Maar, als je kijkt naar de ideeŽn, dan wordt het beeld plotseling bedroevend. De 20ste eeuw heeft nauwelijks enige idee opgeleverd. TheorieŽn te over, maar geen ideeŽn. Alle ideeŽn die in de 20ste eeuw nader uitgewerkt zijn en eventueel een toepassing gevonden hebben, zijn ontstaan in de 19e eeuw. De uitwerking van de 19e eeuwse ideeŽn heeft er echter niet toe geleid dat zij in de 20ste eeuw helderder en efficiŽnter gerealiseerd worden, maar juist dat zij gaandeweg hun betekenis verliezen.

Dat komt doordat het analytische denken zich ervan meester heeft gemaakt. Dat denken detailleert de zaak wel steeds verfijnder, maar haalt er daardoor onvermijdelijk meteen de ziel uit. Kenmerkend voor een idee is datgene dat je de ziel kunt noemen. Dat is de manifestatie, de verwoording, van dat wat zich aan de voorstelling afspiegelt, in feite dus de werkelijkheid als beeld. Met andere woorden: de essentie van een idee is de werkelijkheid als bewustzijn, maar deze zaak gaat verloren als de analyse toeslaat. Zo ontstaat er langzaam maar zeker onbegrip inzake de ware betekenis van ideeŽn en zo worden de ideeŽn van de 19e eeuw stelselmatig ongedaan gemaakt. Dat al die denkbeelden toentertijd opkwamen laat zich verklaren uit het feit dat het vertrouwen stellen in het menselijk zelfbewustzijn toen nog pril en onbevangen was en daardoor op intuitieve wijze de weg vrij maakte voor alsnog ruwe, maar toch heldere inzichten in de werkelijkheid als zodanig en in de maatschappij in het bijzonder. Het is niet voor niets dat begrippen zoals ik die in een ander verband samengevat heb als zijnde te behoren tot de grote vierslag juist in die 19e eeuw boven water gekomen zijn... Aan het einde van de 18e eeuw leverde de Verlichting een groot aantal ideeŽn op over de inrichting van een op rede en redelijkheid gebaseerde staat. Die denkbeelden waren niet slechts dagdromen of utopieŽn van idealisten, maar praktische normen voor de mensheid. Zo berustte de Amerikaanse Constitutie van 1787 reeds op de vier essentiŽle vrijheden, te weten: van godsdienst, vergadering, meningsuiting en drukpers. Die Constitutie was zo modern dat hij een aantal Europese staten ten voorbeeld diende.

Voorts wil ik er op wijzen dat menig juridisch artikel uit grondwet of burgerlijk wetboek, dat diende ter bescherming van de burger tegen de overheid en dergelijke machten, in de 19e eeuw geformuleerd werd. Onder andere werd toen begrepen en vastgesteld dat de politie nimmer het recht heeft iemands woning binnen te dringen en ook dat niemand verplicht kan worden mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Men was er helder van doordrongen dat niet onschuld, maar schuld bewezen moet worden. Tenslotte moet ik er nog op wijzen dat men, zij het wat later, kwam tot een oorlogsreglement waarin het bijvoorbeeld verboden werd burgers in de oorlog te betrekken of onverdedigde steden te beschieten of te bombarderen. In de 20ste eeuw gaan al deze ideeŽn langzaam maar zeker verloren; bijna niemand begrijpt meer waarom zij ooit werden uitgedacht. Men beseft er geen wezenlijke betekenis meer aan. De enige maat die nog overblijft is die van het management. Ter wille van dat management worden alle verhoudingen die uit ideeŽn voortvloeien stelselmatig vernietigd om plaats te maken voor verhoudingen die in het teken van nuttigheid, voordeel en concurrentie staan. Dat alles nu is voortvloeisel van zelfbewustzijn dat statisch is en dat geen of nauwelijks beweging kent in de richting van het bewustzijn.

concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; Universele Verklaringsprincipe-1 ; Universele Verklaringsprincipe-2 ; Universele Verklaringsprincipe-3 ; Universele Verklaringsprincipe-4 ; Universele Verklaringsprincipe-5 ;

No. 193

concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; vervreemding-3 ; vervreemding-4 en vervreemding-5 ; Universele Verklaringsprincipe-1 ; Universele Verklaringsprincipe-2 ; Universele Verklaringsprincipe-3 ; Universele Verklaringsprincipe-4 ; Universele Verklaringsprincipe-5 ; Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ;

Er zijn inzake de ideeŽn van de 19e eeuw eigenlijk twee vragen te stellen, namelijk de vraag wat ervan terechtgekomen is gedurende de 20ste eeuw en de vraag of en in hoeverre die ideeŽn tegenwoordig nog begrepen worden. Welnu, in het kader van onze op het zelfbewustzijn gerichte cultuur is het op het eerste gezicht verbazingwekkend dat bepaalde ideeŽn, die in de aanvang van die cultuur op tafel zijn gelegd, gaandeweg niet meer begrepen worden, ondanks hun hoge mate van redelijkheid en ruimhartigheid. Dat onbegrip echter komt voort uit de analyse die tenslotte alleen nog maar een min of meer geordende verzameling van feiten oplevert. Dan treedt het verschijnsel op dat de orde van de verzameling de plaats gaat innemen van de oorspronkelijke innerlijke samenhang. Dat begrip orde berust op iets geheel anders dan het begrip samenhang. Het is een door en door statisch managementbegrip dat functioneert volgens normen van belangen, concurrentie, efficiŽntie, superioriteit en dergelijke. Naast deze verschuiving van begrippen in het voortgaande zelfbewuste denken is er ook nog de culturele praktijk van onze tijd. Die praktijk is er een van toenemende bandeloosheid vanwege het zich doorzetten van de mens als individu, als autonome ik. Aan deze ontwikkeling komt mee dat de aanvankelijke redelijkheid en ruimhartigheid zich tegen de maatschappij gaan keren doordat zij ruimte gaan scheppen voor bandeloosheid. De redelijke en ruimhartige opstelling bijvoorbeeld van justitie en politie bevordert de mogelijkheden van (kleine) criminelen, lieden dus die juist door de toenemende bandeloosheid tot criminaliteit vervallen. Die mensen plegen vanuit hun normvervaging handelingen die de veiligheid van hun medemensen bedreigen, maar om daaraan paal en perk te stellen moeten juist redelijkheid en ruimhartigheid ingeperkt worden. Dat zou als maatregel op zichzelf niet zo erg zijn, ware het niet dat door boven geschetste analytische ontwikkeling steeds meer ontkend wordt dat het in de maatschappelijke werkelijkheid juist om redelijkheid en ruimhartigheid gaat. De rede is er immers om de relaties tussen de individuen tot hun recht te laten komen en ruimhartigheid is voorwaarde tot het kunnen erkennen dat ieder individu uniek is en daartoe logischerwijs het volste recht heeft.

Dat zoiets door en de analyse en de individualisering teloor gaat in het denken van de maatschappelijke bovenlaag is kwalijk en typerend tegelijk, typerend namelijk voor de intellectuele kwaliteit van die steeds machtiger wordende bovenlaag. Werkelijk intellectueel ontwikkelde mensen zouden bij het nemen van tijdelijke beperkende maatregelen de juiste verhouding voor ogen blijven houden. De richting waarin het zelfbewustzijn zich bij de man, zoals die alledag zijn leven leidt, beweegt is die van zelfbewustzijn naar bewustzijn. Dat betekent in geen geval dat hij eerst zelfbewustzijn zou zijn om daarna als bewustzijn te gaan gelden, maar dat alles wat hij via de analyse aan de weet komt steeds weer teruggeplaatst wordt in het zinvolle geheel van het bewustzijn. Langs een andere weg dan de analyse is er qua kennis niets aan de weet te komen. Zo is nagenoeg alle zogenaamde wetenschap uit vroeger dagen waardeloos gebleken voor zover zij niet via analyse verkregen was. Dit mag je niet verwarren met het weten dat op inzicht in de werkelijkheid gestoeld is en was. Het gaat nu niet om de vraag hoe de werkelijkheid is (inzicht), maar om de vraag wat zij is (kennis). Hoe dan ook, de door analyse verkregen kennis komt in het licht van het bewustzijn te staan. Dan lost deze situatie zich op dat men, met alle gigantische hoeveelheden beschikbare kennis, toch niet meer weet wat men weet als men omtrent iets kennis ter beschikking heeft. En er ontstaat een nieuwe situatie waarin men juist wel weet wat kennis betekent.

Het terugbrengen, terug projecteren, in het geheel van het bewustzijn en daarmee het zinvol maken van de kennis is niet een eenmalige beweging, maar een die voortdurend met alles plaats vindt. Naar aanleiding hiervan zou je kunnen zeggen dat de man qua zelfbewuste gesteldheid nu dynamisch geworden is en dat hij zijn statische periode achter zich gelaten heeft. Deze statische periode is met alle recht tragisch te noemen omdat een buitengewoon grote mate van kennis omtrent de werkelijkheid gepaard gaat met een evenzo grote mate van vervreemding van diezelfde werkelijkheid. Het niet weten wat men weet als men iets weet is het toppunt van zinsbegoocheling. Dat is tragisch omdat het in een bepaalde fase onvermijdelijk is, de mens heeft hierin geen keuze terwijl hij toch in principe de mogelijkheid heeft aan die waan te ontsnappen en de vervreemding op te heffen. Het weten dat ontstaat als de verzameling kennis komt te liggen binnen de context van het bewustzijn en het daaruit voortspruitende beeld van de werkelijkheid, is een weten van een in alle opzichten samenhangende wereld waarvan niet alleen te zeggen is hoe zij is (haar hoedanigheid), maar ook wat zij is (haar samenstelling en haar structuur). Een dergelijk weten, met als inhoud een dergelijke schitterende verzameling kennis, is de vervolmaking van de mens als het verschijnsel man. Tezamen met datgene waarmee de vrouw komt, namelijk het gestalte geven aan, het uitspreekbaar maken van, het bewustzijn, hetgeen de vervolmaking van de mens als vrouw is, komt de mens tot zichzelf. Beide mogelijkheden zijn dan voor de dag gekomen en in ťťn zaak verenigd. Als en voor zover dat het geval is wordt de werkelijkheid een open boek. Haar raadsels lossen zich op en er ontstaat vanzelf een ethiek met betrekking tot de ons omringende natuur en ook met betrekking tot onszelf. Het is zelfs zo dat bepaalde voorspellingen gedaan kunnen worden. Als voorbeeld: er wordt op het ogenblik nog steeds gedacht aan de mogelijkheid om energie op te wekken doormiddel van kernsplijting. Technisch gezien is die mogelijkheid er inderdaad, want het blijft denkbaar dat men straks het afval zal kunnen neutraliseren en wellicht ook bescherming zal vinden tegen de ziekmakende straling. Niemand kan voorspellen dat dit niet of wel het geval zal zijn.

Toch kun je, vanuit in een samenhangend geheel geprojecteerde kennis voorspellen dat de mensen straks af zullen zien van zulke technologieŽn omdat onmiddellijk duidelijk is dat je er meer energie in moet stoppen dan eruit komt. Het doordringen in de materie kost altijd meer energie dan er uitkomt. Men zal dan ook de energie gaan halen waar zij voor het grijpen is, voornamelijk uit het zonlicht. Deze voorspelling, die eigenlijk filosofisch uiterst riskant is, kun je doen vanuit de werkelijkheid als beeld zonder dat er gespecialiseerde studie of onderzoek voor nodig is. Zo kun je ook voorspellen dat het gefantaseer over tot vrouwen omgebouwde mannen, teneinde zogenaamde gelijkwaardigheid der seksen te verkrijgen, volslagen onzin is. Dergelijke ingrepen leiden alleen maar tot verslechtering van het verschijnsel mens. Te voorspellen is dat juist de rol van de vrouw en die van de man helder en ter zake gespeeld zal gaan worden, zonder dat er kunstmatige ingrepen gedaan worden. Van dergelijke technologische dromen zullen de mensen zich afwenden, uiteraard na de nodige nauwelijks omkeerbare rampen. Een laatste voorbeeld hangt samen met het universele verklaringsprincipe: een aantal in de westerse cultuur tot bewustzijn gekomen begrippen heeft betekenis en geldig voor de gehele mensheid zodat het geen bevoogding is die begrippen iedereen voor te houden, zoals dat onder andere met de ď rechten van de mens Ē het geval is. Op het ogenblik is er een discussie gaande over die universele geldigheid. Men durft andere opvattingen niet meer te beoordelen omdat men geen universeel principe meer erkent.

concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; vervreemding-3 ; vervreemding-4 en vervreemding-5 ; Universele Verklaringsprincipe-1 ; Universele Verklaringsprincipe-2 ; Universele Verklaringsprincipe-3 ; Universele Verklaringsprincipe-4 ; Universele Verklaringsprincipe-5 en verder ; Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ;

No. 194

Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ;

Het spreekt vanzelf dat universele begrippen in de diverse cultuurvariaties verschillend voor de dag komen, vooral in een onvolwassen mensheid. Er kan dan ook discussie over ontstaan en harde confrontaties zijn niet uitgesloten. Maar dat alles mag geen aanleiding zijn om het zoeken naar zulke universele begrippen te staken. Helaas is het dat in het moderne westerse denken wel. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat men geen universeel principe meer wenst te erkennen. Dat men dat niet meer wenst wordt voor een belangrijk deel verklaard door het gebruikelijke denken in waarden. Men meent dat het gaat over westerse waardeoordelen en omdat men eigenlijk geen waarden wil erkennen, ze althans verdacht en gevaarlijk vindt, verwerpt men de algemene geldigheid van een aantal (westerse) verworvenheden, zoals die bijvoorbeeld in de verklaring van de rechten van de mens zijn verwoord. Dit gaat echter niet over waardeoordelen, maar over verhoudingen in de werkelijkheid. Die zijn zoals ze zijn en die gelden overal, altijd en voor iedereen. Terug naar het vrouwelijke en het mannelijke. Zo staat de vrouw voor het verschijnsel mens waarin het onzegbare - het bewustzijn - tot uitdrukking wordt gebracht, zegbaar en bespreekbaar wordt gemaakt. Het gaat daarbij niet om het vertalen in formules, want dat is een zaak van vastleggen, maar het gaat om een voortdurend en nimmer aflatend beschrijven. Dat leidt tot een steeds helderder inzicht. En bij de man gaat het uiteraard ook over het verschijnsel mens en wel op zodanige wijze dat er de beweging is van zelfbewustzijn naar bewustzijn, of, dichterlijker gezegd; van kennis naar weten. Als de mens de verschijnselen, zoals die zich voor zijn zelfbewustzijn vertonen, wil begrijpen is hij genoodzaakt die te ontleden. Zoals hij ook zijn voedsel fijn moet maken bij het proces van het tot menselijke inhoud maken van de verschijnselen, zo zet hij ook in zijn zelfbewustzijn de verschijnselen om tot verwerkbare brokstukken. De verzameling van die brokstukken is zijn kennis en kennis is dus het tot inhoud gemaakte, qua zelfbewustzijn (voorstelling) aanwezige, verschijnsel. Het verwerven van kennis is dus in feite een in bezit nemen en dat is dan ook de inhoud en betekenis van het begrip begrijpen.

Niet voor niets hebben de ouden de woordstam grijpen hierin verwerkt! De natuurlijke manier om de planeet tot inhoud van het leven te maken is haar op te eten, in feite om te zetten tot energie. Dit proces is buitengewoon efficiŽnt, maar dat is niet verwonderlijk omdat het een resultaat is van het wordingsproces waarin van alle mogelijkheden steeds de beste overblijven. De intellectuele manier komt overeen met de natuurlijke, alleen gaat het nu niet over opeten maar over ontleden, analyseren. Dat analyseren is een intellectueel proces en als zodanig is het efficiŽnt. Als, uit het denken voortkomend, technologisch proces is het echter nauwelijks efficiŽnt. Zo is de winning van energie doormiddel van splijting van de atoomkern buitengewoon inefficiŽnt, niet alleen vanwege het probleem van het nucleaire afval, maar vooral vanwege het feit dat er meer energie ingestoken moet worden dan er uitkomt, iets dat door de moderne economen en techneuten maar liever in de doofpot gehouden wordt. Hoe dan ook, het resultaat van het kennis verwerven en dus ook van de analyse is een gigantische verzameling zo klein mogelijke brokstukken van de werkelijkheid. Het is inderdaad een verzameling; men heeft alles netjes ingedeeld en geordend volgens een heel verfijnde theorie. Nu heeft men de gewoonte om alleen kennis die betrouwbaar is gebleken in de verzameling op te nemen. Maar dat is in feite heel kortzichtig, want alle kennis, ook de onbetrouwbare, is kennis en behoort tot de bedoelde verzameling.

Die hele zaak als mengelmoes van betrouwbare en onbetrouwbare kennis wordt ten onrechte door de mensen aangezien voor de werkelijkheid, terwijl het in feite slechts de brokstukken van de werkelijkheid zijn, een werkelijkheid die op zichzelf en in het echt als een hecht systeem in elkaar steekt. Hoe kleiner de brokstukken worden, hoe minder dat hechte systeem nog zichtbaar en herkenbaar is. Men krijgt er steeds minder vat op. Dat dit inderdaad het geval is blijkt uit de moderne politiek waarin de door de politici verdedigde denkbeelden nauwelijks nog enige verwantschap vertonen met de echte werkelijkheid. En ook menig wetenschapper verdiept zich in een zaak die alle realiteit mist, zoals het proberen apen aan het spreken te brengen of mannen van een baarmoeder te voorzien! Ook de bevolking weet zo langzamerhand niet meer waarover het gaat, de verwarring neemt hand over hand toe en de frustraties worden steeds ernstiger. Dat komt dus doordat men de geordende verzameling brokstukken voor de werkelijkheid houdt en het zicht op de echte werkelijkheid vrijwel geheel verloren heeft. En, let wel, dat geldt ongeacht de vraag of die brokstukken als betrouwbare of onbetrouwbare kennis aangemerkt moeten worden. Het is dus niet speciaal de onzin van het Vaticaan of de Gereformeerde kerk die tot verwarring leidt: alle kennis leidt, op zichzelf beschouwd, daartoe. Je kunt daaraan niet ontkomen en het is eigenlijk ook helemaal niet kwalijk. De verhoudingen liggen werkelijk zo! Vanuit zichzelf corrigeert bovengenoemde ontwikkeling zich niet. De analyse is niet van de mens af te denken en de brokstukken worden steeds kleiner en er komen er steeds meer. Toch leidt dit alles tot rampen en dus is het de vraag of de zaak toch nog terechtkomt en zo ja, hoe dan. Welnu, uiteraard komt de zaak terecht als de mensen tijd van leven hebben. De oplossing echter is op zichzelf niet analytisch en dus ook niet wetenschappelijk. Dat is overigens altijd het geval als het over vooruitgang in de wetenschap (de kennis) gaat. Omdat de wetenschap als stelsel van kennis steeds en terecht zoekt naar en gebaseerd is op geverifieerde betrouwbare kennis komt zij logischerwijs op elk moment met zaken die niet meer aan twijfel onderhevig zijn. Omdat dit het geval is worden die zaken niet meer aangevochten. Zij zouden tot in lengte van dagen zo blijven als er niet van buitenaf gaten in vielen. Iets bepaalds blijkt onhoudbaar doordat iets anders niet blijkt te kloppen of in het honderd loopt.

En naar aanleiding van dit andere gaat men opnieuw die aanvankelijke waarheden onderzoeken en waar nodig bijstellen. Het is dus niet de analyse en het daarbij behorende al of niet wetenschappelijke denken waarvan de oplossing verwacht kan worden. Wel kan hij verwacht worden van het verschijnsel mens als man - niet te verwarren met eenzijdig de man. In dit verschijnsel laat zich gelden dat de in het zelfbewustzijn aanwezige werkelijkheid als verzameling van brokstukken voortdurend en steeds opnieuw gespiegeld wordt aan de werkelijkheid als bewustzijn. Of, anders gezegd: de kennis wordt gesteld in het licht van de waarheid. Zij wordt niet langer eenzijdig getoetst aan haar eigen criteria, maar ook en vooral aan de waarheid. Dit laatste heft dus de toetsing aan wetenschappelijke (eigen) criteria niet op, integendeel: je moet toch weten of je kennis klopt, of het geen godsdienstige of politieke onzin is! Maar die getoetste zaak wordt nu almaar in het licht van de waarheid gesteld en dan is daarmee tegelijkertijd de verwarring opgeheven omdat alles op zijn plaats valt. Wetenschappelijke waarheid en dus de juistheid van geverifieerde kennis is op zichzelf nog lang geen waarheid. Als bepaalde chemici een middel uitvinden ter bestrijding van onkruid is dat een wetenschappelijke waarheid. Het middel werkt en inderdaad gaan bepaalde ongewenste gewassen dood. Maar waarheid is het niet want ecologisch gaat alles naar de bliksem en zelfs de mensen worden er op den duur ziek van...

Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ;

No. 195

Maagd-1 nr. 170 en 171 ; Maagd-2 nr. 195 ; Gnosis ; Gnostiek ;

Het is nog maar de vraag of er ook maar ťťn mens te vinden is in wie de kennis helemaal op zichzelf staat, dus louter en alleen die verzameling data is die ze bijvoorbeeld in de wetenschappelijke boeken is. Anders gesteld; niet goed denkbaar is een mens in wie zijn kennis niet enigszins in een groter, samenhangend geheel is opgenomen. Zo'n mens is eigenlijk niet mogelijk, want het proces van kennis naar weten, dus van zelfbewustzijn naar bewustzijn, is essentieel voor het verschijnsel dat de mens als man is. Zelfs in de westerse cultuur, gericht als ze is op het zelfbewustzijn, is in principe niemand te vinden in wie bedoeld proces ontbreekt, want in dat geval zou er een essentiŽle functie van het verschijnsel mens afwezig zijn. Heel misschien komt het voor bij die enkelen die, hoewel geestelijk gestoord, een fantastisch vermogen hebben om uit het hoofd berekeningen te maken, gegevens te onthouden en dergelijke. Kennis op zichzelf is volstrekt destructief. De werkelijkheid volgens de kennis is een verzameling van op zichzelf staande gegevens, gegevens die er aanleiding toe zijn om de destructie steeds verder door te zetten. Deze destructie geschiedt niet in het wilden weg, zij gaat daarentegen gepaard met een nauwkeurige toetsing en bestrijding: verificatie en falsificatie. De kennis die de mens verwerft moet juist zijn, de zaak moet kloppen en dat geldt ondanks het feit dat kennis eigenlijk nooit klopt omdat alles altijd nog weer verder onderzocht kan worden. In een op kennis gerichte cultuur zoals de westerse is de vraag naar de juistheid allesoverheersend en, zoals ik al zo vaak heb beklemtoond: een qua kennis juiste voorstelling van zaken wordt zonder argwaan aangezien voor de werkelijkheid! In feite is er dus een verwarring tussen de begrippen juist en waar. Een bepaalde uitspraak of voorstelling van zaken kan volslagen Onjuist zijn, de feiten en gebeurtenissen kunnen volstrekt onmogelijk zijn en toch kan zoiets echt waar zijn. Zoiets kan de hoedanigheid van de werkelijkheid aangeven: zo is de werkelijkheid. Dat is bijvoorbeeld het geval bij oude sprookjes, maar ook in de literatuur waarin schrijvers fictieve gebeurtenissen beschrijven die absoluut Onjuist zijn terwijl zij toch een beeld geven van hoe de werkelijkheid is. Hun verhaal is onjuist, maar toch waar. Zo heb je bijvoorbeeld ook het verhaal van de maagd Maria die een kindje krijgt. Onjuist! Dat kan niet!

Maar het verhaal op zichzelf is wel degelijk waar, het geeft een helder beeld van de (vrouwelijke) werkelijkheid. Het ware en het juiste wordt voortdurend geweld aangedaan. Zo kun je constateren dat een ieder van bepaalde feiten zijn eigen waarheid maakt, zozeer zelfs dat die waarheden bij de een en bij de ander hemelsbreed verschillen. Hierbij echter speelt het volgende: zolang de mens, op grond van zijn cultuur, zichzelf als bewustzijn wantrouwt en verwerpt kan zijn kennis niet goed opgenomen worden in een samenhangend geheel. De beweging van zelfbewustzijn naar bewustzijn is er wel (en kan wezenlijk niet uitblijven), maar het bewustzijn is verduisterd doordat het afgeschermd wordt vanuit het zelfbewustzijn. Het beeld wordt overwoekerd door de voorstelling. Door deze stand van zaken wordt het met de spiegeling van de feiten aan de waarheid niet veel en de eigen werkelijkheid (zelfbewuste individuele voorstelling) verwringt de zaak tot een eigen waarheid. Hier is dus de vraag te stellen hoe sterk de waarheid (bewustzijn) in iemand is opdat de feiten terechtkunnen komen. Als die waarheid in de mensen, op grond van hun onvolwassenheid, nog niet zo erg sterk is zet de zaak zich vaak als een taboe vast. Dat is kennis die niet (goed) terechtgekomen is en daardoor slechts in schijn waar is, maar die toch vastgehouden wordt, en wel door haar onbespreekbaar te maken.

Dat is wat anders dan het persoonlijk gekleurd zijn. Dit is namelijk een psychische zaak waarbij in principe een ieder, doordat het bewustzijn (het beeld) niet meer geblokkeerd is, dezelfde waarheid ziet en beleeft, maar toch ieder met zijn eigen intensiteit, met zijn eigen sterkte van meetrillen, met zijn eigen kleur. Dat echter doet aan die waarheid geen geweld aan. De vraag naar de waarheid van de kennis is een andere vraag dan de vraag naar de juistheid van de kennis. Dat speelt vooral bij het beoordelen van godsdienstige ideeŽn. Toegegeven moet namelijk worden dat in veel oude religieuze gedachten veel waarheid steekt terwijl de juistheid van de vermelde feiten veel, zo niet alles, te wensen overlaat. Zo werd er in het oerchristendom verteld dat Gods zoon op aarde neergedaald was om de mensen te redden van de zonde, namelijk het verkeerd zijn. Maar er is natuurlijk nooit een godenzoon naar de aarde afgedaald en een mens kan het verkeerd-zijn van alle mensen niet opheffen, dus, de feiten kloppen niet! Toch is het verhaal waar want de mensen waren tot het inzicht gekomen dat datgene dat voorheen goddelijk was op een andere wijze (de zoon is het andere van de vader) op aarde voor de mensen gold. Dat wil zeggen dat de mens zichzelf als geest oftewel zelfbewustzijn ontdekt had. Aan dit voorbeeld komt hopelijk ook goed uit dat er een verschil is tussen de begrippen juistheid en waarheid. Wij leven op het ogenblik in een wereld waarin de juistheid van de kennis en de ideeŽn verward worden met de waarheid. Daardoor is die wereld in toenemende mate een schouwtoneel waarin gedaan wordt alsof men leeft, werkt en dergelijke. Zelfs met de beste bedoelingen en in alle ernst houdt zo langzamerhand iedereen zich met een fake, een zinsbegoocheling, bezig. Dat wordt vrijwel niet doorzien, want de samenstellende elementen van die valse voorstelling zijn uiterst betrouwbaar, getoetst als zij zijn en ingepast in consistente theorieŽn. Natuurlijk moet de juistheid van kennis en theorie voortdurend getoetst worden. Aan onjuiste kennis heb je niets, want niet alleen dat je er niets mee kunt doen maar vooral ook dat je daarmee nimmer tot bruikbaar weten kunt komen. Het weten van een godsdienstige waarheid zoals hierboven genoemd kan wel waar zijn, maar je hebt er niets aan. Pas een weten dat samengaat met juiste kennis is zinvol en bruikbaar voor het leven. Eigenlijk kan de verhouding ook niet anders liggen, want beide elementen van de menselijke werkelijkheid zijn nu aanwezig: bewustzijn en zelfbewustzijn, beeld en voorstelling.

Sprookjes, religieuze en andere verhalen kunnen wel waarheid bevatten, maar die is doorgaans niet te begrijpen zonder vertaling en duiding (exegese) of, zoals dat vooral in de oudheid het geval was, zonder inwijding. Van voor een ieder geldende duidelijkheid en verstaanbaarheid was geen sprake, alles was geheim, denk maar aan de gnosis. Waarin wij leven is een wereld waarin de hoeveelheid wetenschappelijke kennis steeds sneller toeneemt en bovendien steeds meer als de absolute maat wordt genomen. Dat laatste berust op het feit dat de ontwikkeling als zelfbewustzijn het huidige cultuurthema is. Door de toenemende onaantastbaarheid van de kennis vervreemdt de mens van zijn andere mogelijkheid: zijn kijk op en inzicht in de werkelijkheid als bewustzijn en beeld. Bijgevolg is een beroep op wetenschappelijkheid al voldoende om de mensen van iets te overtuigen. Welbeschouwd is er geen goedgeloviger mens dan de moderne (westerse) mens! Hij is bereid alles voor waar aan te nemen als het hem maar op wetenschappelijke wijze verkocht wordt. Dat betekent tevens dat hij uitermate manipuleerbaar is met als gevolg dat hij zelden meer in verzet komt tegen diegenen die hem het leven almaar meer zuur maken door hem stelselmatig zijn in de 19e eeuw vanzelfsprekend geldende verworvenheden af te nemen, uiteraard met een beroep op efficiency en management.

Maagd-1 nr. 170 en 171 ; Maagd-2 nr. 195 ; Gnosis ; Gnostiek ;

No. 196

De moderne, wetenschappelijk ingestelde, mensen zijn, in strijd met wat je zou verwachten, heel erg manipuleerbaar. Je kunt hen bovendien van alles op de mouw spelden. Dat is vreemd want het zijn uiterst exact ingestelde mensen die bij alles naar bewijs en argumentatie vragen en die helemaal niet bereid zijn om zomaar iets voor waar aan te nemen. Die moderne mens is eigenlijk een ongelovige Thomas. Hij neemt niet gemakkelijk iets aan. Het ligt dus voor de hand om te menen dat zo'n mens moeilijk te indoctrineren en te manipuleren zou zijn. Paradoxaal genoeg is hij dat echter wel..! Het euvel schuilt hem in het feit dat de moderne westerse mens overal een bewijs voor wil hebben. Hij laat namelijk alles wat hij voor waar houdt afhangen van wat hem van buitenaf aangereikt wordt aan feiten, theorieŽn en argumentaties. Hij kan die feiten, theorieŽn en argumentaties zelf onderzoeken, duiden en beredeneren, maar hij kan ook het verhaal van anderen betrouwbaar vinden en aannemen als waarheid. Dit laatste is meestal het geval. Die moderne mens is niet in staat vanuit zijn eigen feeling, zijn eigen intuÔtie en kijk op de werkelijkheid waar van onwaar te onderscheiden. Hij ontleent zijn waarheid aan iets uitwendigs: gezaghebbende personen of toepasbare, door anderen uitgedachte, bewijsbare theorieŽn. Kom je daarmee aan en weet je je ook nog in de rug gedekt door algemeen gewaardeerde wetenschappers, dan gaat de moderne mens vrijwel zonder weerstand voor de bijl en laat zich jouw verhaal op de mouw spelden. Dat geldt ongeacht de vraag of jouw verhaal juist is of niet: juiste verhalen worden zo over gedragen, maar eveneens onjuiste verhalen. Noodzaak is natuurlijk dat die goedgelovige westerse mens van oordeel moet zijn dat de aangedragen bewijzen en argumentaties geldig zijn. Voor hem moeten het bewijzen en argumentaties zijn, zo niet, dan wijst hij het verhaal subiet af! Het beroerde hierbij is echter dat de criteria voor de beantwoording van de vraag of iets een bewijs of een geldige argumentatie is, aangereikt zijn door diezelfde uitwendige instanties: de wetenschappers die al bij voorbaat via het onderwijs hun oordelen bij de mensen ingeprent hebben. Dus nogmaals, of een bewering nu juist is of onjuist, op waarheid berust of niet, de moderne mens laat zich die bewering wijs maken op grond van criteria die hem eveneens wijsgemaakt zijn.

En hij zoekt naar die criteria en normen juist omdat hij ongelovig is en tegelijkertijd niet kan ontkomen aan de noodzaak om bepaalde beweringen feiten, verklaringen en voorstellingen als juist te aanvaarden. In het (Oude) Oosten dacht men niet aan kennis die van buitenaf komt. Het weten omtrent de werkelijkheid en de waarheid lagen voor oosters besef al in elk mens klaar en die behoefden slechts ontdekt te worden. Men zocht het dus binnen zichzelf. Daarvoor zijn al die criteria van betrouwbaarheid overbodig, want het weten en de kennis kwamen niet van buitenaf. De eigen inzichten bepaalden de betekenis van beweringen, ervaringen en kennis. Niet voor niets adviseerden de Grieken het Ken U zelve, niet als een psychologisch medicijn tegen allerlei frustraties, maar als een betrouwbaar criterium voor waarheid. Doordat de moderne westerse mens gericht is op zichzelf als zelfbewustzijn is hij niet in staat de criteria voor betrouwbaarheid in zichzelf te zoeken en te vinden. Hij zou daartoe zichzelf als bewustzijn moeten ontdekken, aanvaarden en respecteren, maar dat is nu juist vanuit zijn cultuur onmogelijk! Het gevolg is dat hij niet alleen onbekwaam is tot zelfreflectie, maar er ook nog vijandig tegenover staat: in jezelf kan geen waarheid schuilen, want in jezelf is alles subjectief en afhankelijk van de eigen persoonlijke luimen, verlangens en bedoelingen. Gevolg is een situatie waarin het niet meer om de waarheid van een bewering gaat, maar om de vraag of zo'n bewering op de juiste wijze bewezen en beargumenteerd wordt. Is dit laatste inderdaad het geval, dan is de zaak in orde, zelfs als een leek kan zien dat er niets van deugt... Op het terrein van de westerse godsdienst zien we een frappant staaltje van ongeloof. Die godsdienst berust niet op een aantal inzichten, de onzichtbare en onaanwijsbare aspecten van de werkelijkheid betreffende, maar op de aanname dat iets waar is. Men neemt aan dat datgene dat beweerd wordt op waarheid berust en wat is daarbij het criterium? Dat men zich ervan laat overtuigen dat alles waarover binnen zo'n godsdienst gesproken wordt echt gebeurd is. Het echt gebeurd zijn is voor de moderne ongelovige mens een van de sterkste argumenten voor waarheid. Dat kun je duidelijk constateren bij de beoordeling van een televisie programma. De waardering stijgt aanzienlijk als erbij vermeld wordt dat het over een ware gebeurtenis gaat. Het is niet te ontkennen dat de westerse godsdienstige zijn godsdienst vasthoudt omdat hij er baat bij heeft. Het geeft hem rust, vertrouwen en vrede met zijn lot. Maar hij begint ermee bewijs te vragen - meestal nauwelijks bewust - dat het allemaal waar is en dan is het echt gebeurd zijn voldoende bewijs... Bijna alle godsdienstige verhalen in het westen zijn gebeurtenis verhalen waaraan door de geestelijken een moraal verbonden wordt. Zelden verdiept men zich in echte ware verhalen zoals de befaamde Bergrede en de Apocalyps. Daardoor zijn de westerse godsdiensten het toppunt van banaliteit..Je ziet dus dat de moderne mensen de meest absurde verhalen voor waar houden. Daar is bijvoorbeeld het economische groei verhaal dat aan alle kanten rammelt, dat nimmer zijn eigen waarheid bevestigt - eerder het tegendeel! - maar dat als een soort boven alles verheven goddelijke theorie zonder morren aanvaard wordt. Dan zijn er de verhalen over machtsevenwichten, over medische mogelijkheden, over manipulatie met DNA en het ontwikkelen van een kunstmatige intelligentie. Allemaal verhalen die kant noch wal raken, maar die, omdat zij voldoen aan de criteria voor bewijsvoering en argumentatie, schier onuitroeibaar blijken te zijn. Argumenten die er tegenin gaan en bewijzen van het tegendeel worden zonder meer terzijde geschoven en dat kan gemakkelijk omdat men ze ervaart als niet overeenkomende met de via het onderwijs ingeprente criteria. Het blijkt dat onze wetenschappelijke wereld wemelt van de onwaarschijnlijke verhalen die men elkaar zonder veel moeite op de mouw gespeld heeft.

Soms geeft men na verloop van tijd toe dat er niets van deugde, maar dat vormt geen beletsel om prompt weer een ander verhaal te gaan geloven. Het resultaat is een moderne wereld die vrijwel over de gehele linie in een zinsbegoocheling ondergegaan is. Zoals gezegd kan die zinsbegoocheling standhouden doordat er geen noemenswaardige beweging van zelfbewustzijn naar bewustzijn is. Dat wat men heeft leren kennen blijft steken in een netwerk van criteria volgens welke het juiste kennis is. Maar de zo noodzakelijke toetsing aan de werkelijkheid als beeld ontbreekt, zodat er feitelijk geen rem op de ongebreidelde fantasie is. Men beweert maar van allerlei, vaak met de bedoeling de zakken te vullen, en men beijvert zich daarbij bewijzen te leveren: professor zus-en-zo heeft het onderzocht en het bleek te kloppen. In feite heeft niemand ooit van die professor gehoord, maar het klinkt heel overtuigend. Vooral in de alternatieve geneeskunde komt men vaak met zulke verhalen, gegrond op onwaarschijnlijk onderzoek door geleerden uit landstreken waar nauwelijks geleerden zijn, zoals bijvoorbeeld AlbaniŽ. Het verwijzen naar wetenschappelijke bewijzen en theorieŽn is voldoende om die zogenaamd ongelovige moderne mens alles op de mouw te spelden... Maar gelukkig zijn er steeds momenten dat dat hele kaartenhuis instort en eventjes die boze droom doorbroken wordt en er een bevrijdend licht valt op de werkelijkheid als beeld.

No. 197

Terugkoppeling zie paginaís 197-1, 198-2, 199-3, 200-4, 210-5, 212-6, 214-7, 215-8

In een analytische cultuur zoals de onze worden de verschijnselen niet zomaar lukraak uit elkaar gehaald; men doet dat systematisch op grond van de voorstelling die men van de samenstelling van het te analyseren verschijnsel heeft. Eigenlijk haalt men dus zijn eigen voorstelling uit elkaar. Een cultuur waarin dit uit elkaar halen dominant is, is een wetenschappelijke cultuur, hetgeen echter beslist niet betekent dat alles binnen zo'n cultuur nu zo wetenschappelijk is - het tegendeel is eerder waar! Analyse behoort bij de mens. Hij onderzoekt de samenstelling die zijn voorstelling is. Dat is in geen enkel opzicht kwalijk, integendeel; het zou niet best zijn als de mens zijn voorstelling van de werkelijkheid niet analyseerde. Maar in de moderne cultuur is de analyse, en dus de wetenschap voor zover die uitsluitend daarop berust, in ernstige mate dominant. Een dominantie die nog versterkt wordt door de (voorlopige) successen van het moderne analytische denken. Daardoor worden ook zaken die zich niet voor analyse lenen, althans niet via analyse begrepen kunnen worden, ijverig geanalyseerd zonder dat men in de gaten heeft waarom de daaruit voortvloeiende conclusies telkens onwaar en in de praktijk onbruikbaar blijken te zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het denken over de samenleving. Er is een onderscheid tussen de begrippen maatschappij en samenleving. De maatschappij is het samenstel van mensen die op redelijke wijze met elkaar samen (willen) werken teneinde ieders bestaan mogelijk te maken. De maatschappij is een netwerk van relaties en het is de (levens)kunst de criteria van die relaties maatgevend te laten zijn - en niet allerlei gevoelens, vooroordelen, sympathieŽn, tradities en dergelijke. De maatschappij is ook object van wetenschap omdat het gaat over een samenstel, namelijk van relaties. Omdat dit het geval is is de maatschappij, op zichzelf genomen, berekenbaar en dus maakbaar. Dat er van deze mechanische zaak nauwelijks iets terechtkomt zit in iets anders, maar op zichzelf geldt hier voorspelbaarheid en maakbaarheid. Dat er niets van terechtkomt wordt veroorzaakt door het feit dat er ook nog, tegelijkertijd, het begrip samenleving is.

De samenleving is niet berekenbaar omdat zij, gegrond zijnde op de werkelijkheid als bewustzijn, een en al beweeglijkheid is en dus ook een en al onbepaaldheid. Het gaat over een beweeglijke samenhang en tegelijkertijd een samenhangende beweeglijkheid. Daarin valt niets te voorspellen en er is niets dat berekenbaar is. Op grond hiervan valt de samenleving als object van analyse buiten de wetenschap en dus eigenlijk ook buiten de moderne cultuur: er is dan ook nauwelijks van enige vorm van samenleving te spreken. Centraal in het begrip samenleving staat het begrip leven en daarvoor is weer essentieel het begrip ineen-zijn. Hoe dan ook, in ieder geval gelden beide begrippen, maatschappij en samenleving, tegelijkertijd, ook als een van die twee onderdrukt is door de dominantie van de ander. Op onderdrukte wijze zal zo'n begrip zich laten gelden. Dat is: als een frustratie. Van een frustratie heb je last. In feite laat zich gevoelen dat er iets essentieels weggedrukt (weggeredeneerd) is. Zo is het leven in de moderne mens weggedrukt om zich tegelijkertijd als een frustratie te laten gelden, hetgeen wil zeggen dat de mensen er last van hebben - doorgaans zonder te weten waarvan zij dan last hebben. Treurig is dat de moderne psychologie en psychiatrie er ook geen idee van hebben dat de oorzaak van genoemde last gelegen is in iets essentieels dat eruit wil. Zij beschouwen het daarentegen als iets dat niet goed is en dat overwonnen moet worden.

Inderdaad is de frustratie niet goed, maar dat iemand daar last van heeft wijst juist op iets wezenlijks dat nog enigszins aanwezig is. Dat is dus eigenlijk positief: wees blij dat je nog iets voelt..! Dat je nog niet helemaal van god verlaten bent. De eerder door mij genoemde zinsbegoocheling waarin de moderne mens terechtgekomen is, doordat de terugkoppeling van zijn zelfbewust gekende werkelijkheid naar het bewustzijn nauwelijks plaatsvindt, is niet alleen op wetenschappelijk, maatschappelijk en samenlevingsgebied waar te nemen.

Er is ook nog het begrip liefde, zoals dat eveneens behoort tot de werkelijkheid als bewustzijn. Het is goed te vertalen met het begrip ineen-zijn. Dat begrip zijn we al veel eerder tegengekomen, namelijk toen het er over ging dat twee achtledige systemen van beweeglijkheden via een gemeenschappelijke beweeglijkheid versmelten tot een eenheid van twee. In zo'n eenheid zijn er twee vercalculeerd, maar tezamen vormen zij ťťn systeem waarin de ruimte van de een overvloeit in de ruimte van de ander. Die twee, in die eenheid betrokken, systemen behouden geheel en al hun eigen identiteit. Juist op grond daarvan kunnen zij tot ineen-zijn komen! Dat begrip komen wij gedurende onze gehele gang door de wording in allerlei varianten tegen. Het begrip liefde is iets anders dan houden van. Dit laatste heeft betrekking op een vorm van een relatie: het houden van drukt uit hoe het tussen twee mensen gesteld is, of tussen een mens en iets anders. Iemand houdt bijvoorbeeld van fietsen, of van rode kool. Het begrip liefde echter betekent iets anders, iets dat in onze cultuur nagenoeg geheel onbekend is. Aan het einde van de oudheid was die betekenis wel bekend, zoals onder andere blijkt uit allerlei opmerkingen uit de Griekse cultuur en ook uit de EvangeliŽn. Het gaat daarin over het eenmaken van de twee, het verzoenen van wat gescheiden is, het verlangen naar eenwording. Allemaal uitdrukkingen die verwijzen naar het oude begrip Eros, dat liefdesverlangen beduidt. De Romeinse en westerse interpretatie van het verliefd makende principe (Cupido, Amor) heeft betrekking op de relatie tussen mensen en niet op het ineen-zijn. Maar Eros en dergelijke begrippen hebben wel degelijk betrekking op liefde of ineen-zijn. Men heeft in die dagen en in die cultuur van de liefde geweten. In onze cultuur heeft men het almaar over de liefde, althans waar het gaat over bepaalde vormen van kunst en amusement. Bijna alle songs gaan over de liefde en bijna allemaal getuigen zij ervan dat de mensen last van een teleurstellende liefde hebben. De liefde is de moderne mens een probleem, een last.

Opmerkelijk is dat er steeds de een is die wil dat de ander zich met hem of haar versmelt en die wil is wederzijds: beiden voelen die wil. Men spreekt dan over met elkaar versmelten maar het begrip elkaar komt er helemaal niet in voor. De ďikĒ wil de ander in zich opnemen en dat geldt voor beiden. Het resultaat is onvermijdelijk dat er vroeg of laat een botsing optreedt. Ook het moderne getob met de liefde is gevolg van het onvermogen om de zelfbewuste werkelijkheid als voorstelling terug te koppelen naar het bewustzijn. Men ziet geen kans om de geliefde in het licht van het bewustzijn te zien en haar of hem dus te beschouwen als een authentiek geheel dat nimmer gehinderd mag worden zich als zodanig te laten gelden. Een geheel dat niet vast te leggen is en dat niet in bezit te nemen is, zoals dat met de werkelijkheid als voorstelling wel het geval is. De voorstelling, teruggebracht tot kennis, is iemands persoonlijke bezit en dat voldoet uiteraard aan iemands persoonlijke eisen en normen. Geen wonder dat in de westerse wereld de zogenaamde liefde bestaat uit het immer voortdurende geharrewar om in bezit te nemen of in bezit genomen te worden. Omdat het over de voorstelling gaat is er ook het gemis van die terugkoppeling en ten gevolge daarvan het zich laten gelden van de echte liefde op de wijze van een frustratie.

Terugkoppeling zie paginaís 197-1, 198-2, 199-3, 200-4, 210-5, 212-6, 214-7, 215-8

No. 198

Terugkoppeling zie paginaís 197-1, 198-2, 199-3, 200-4, 210-5, 212-6, 214-7, 215-8

Alles waar je al of niet juiste uitspraken over kunt doen valt in de hoedanigheid van kennis onder het begrip zelfbewustzijn. Wanneer er geen terugkoppeling (ik houd die term maar aan, want hij tekent behoorlijk het proces waarom het gaat) plaats vindt van dat zelfbewuste naar datgene dat ik de werkelijkheid als bewustzijn heb genoemd, blijft alles in de lucht hangen en wordt onderdeel van een zinsbegoocheling, een fictie. Het begrip terugkoppeling is verwant met het begrip geweten. Het laten spreken van het geweten kan identiek zijn met het stellen van de kennis in het licht der waarheid, maar oppassen is hierbij wel geboden want heel vaak doelt men in dit verband op in geprogrammeerde moraal en niet op bewustzijn. De kwaliteit van de terugkoppeling wordt door de volgende factoren bepaald; ten eerste is daar de vraag naar de mate waarin de geldende cultuur het proces hindert of zelfs blokkeert. Ten tweede is er dan de vraag in hoeverre de persoonlijke aanleg van een individu toelaat dat er geblokkeerd of gehinderd wordt. Anders gezegd: de een is ontvankelijker voor het hinderen dan de ander, laat zich gemakkelijker van de wijs brengen. Ten derde is er de vraag naar de persoonlijke kleur van het terugkoppelen. Een ieder zal dat op eigen wijze doen, meer of minder hartstochtelijk, meer of minder rationeel, artistiek, genuanceerd en dergelijke, en dat dan op onvolwassen wijze of op volwassen wijze. Maar, altijd als er sprake is van een mens heb je te doen met bedoelde terugkoppeling. Dat behoort bij een mens, of hij nu volwassen is of niet. Bij een volwassen mens heeft die terugkoppeling ongehinderd plaats, terwijl bij onvolwassen mensen, onder de druk van de culturen, de terugkoppeling onvermijdelijk gehinderd of geblokkeerd wordt. Een mens moet dus niet terugkoppelen, neen, hij koppelt terug. De vraag is alleen wat daarvan terechtkomt. Bij onvolwassen moderne mensen is het bewustzijn uitermate zwak zodat aan de terugkoppeling geen goed paradigma (model ter toetsing) ter beschikking staat. Omdat terugkoppeling desondanks niet achterwege kan blijven wordt er een paradigma gezocht, en wel in een, op onderlinge overeenstemming (de meeste stemmen ! ) berustende, wetenschappelijke voorstelling van de werkelijkheid. Omdat het moderne wetenschappelijke paradigma door de mensen zelf verzonnen is bevindt het hedendaagse zelfbewustzijn zich in een vicieuze cirkel: het kan zichzelf niet controleren en corrigeren. Het toetst zichzelf aan criteria die het zelf bedacht heeft!

De wetenschappelijke waarheid is een geconstrueerde waarheid. Dat behoeft niet te betekenen dat hij daarom minder betrouwbaar of bruikbaar is, het betekent dat de zaak, waar of onwaar, juist of onjuist, verloren gaat in een zinsbegoocheling. Inderdaad stelt men het paradigma en zijn criteria waar nodig na verloop van tijd bij en corrigeert men zijn kennis, maar intussen baseert men zijn waarheid toch op onderling afgesproken, eventueel steeds bijgestelde, bedachte normen. Normen die gelden zolang zij gelden en dan absoluut geldige normen zijn. De term wetenschappelijke waarheid slaat niet uitsluitend op de waarheid van wetenschappers: als in een cultuur, zoals de onze, de wetenschap de basis van alle kennis, handelen en bedoelen is, dan staat iedereen, niemand uitgezonderd, in het teken van de wetenschap. In een godsdienstige cultuur, bijvoorbeeld de hedendaagse islam, staat iedereen in het teken van de dogmatiek, in casu de islamitische. In het westen zijn zelfs de kunsten en de filosofie wetenschappelijk van karakter geworden, in beide gevallen met desastreuze gevolgen. Bij de volwassen mens wordt de terugkoppeling niet meer gehinderd. Maar ook de tijd kan de hindernissen geheel of gedeeltelijk opheffen.

Zo zie je bij de beoordeling van kunstwerken bijvoorbeeld dat na verloop van tijd als vanzelf de werkelijk schone kunstwerken in en door de mensheid uitgeselecteerd worden. Steeds blijkt dat de tijd een onbewuste terugkoppeling bevordert, hetgeen te begrijpen is als je bedenkt dat de hinderende cultuur zijn greep op de mens onvermijdelijk verliest en zijn invloed telkens naar een ander terrein verplaatst. Daardoor komen terugkoppelingen enigszins vrij en ontstaat er een soort van algemene waarheid - niet te verwarren met het collectieve bewustzijn van de psychoanalyticus C.G.Jung (1875-1961). Het kenmerk van een volwassen wereld is niet dat er (eindelijk) terug gekoppeld wordt, maar het kenmerk is dat er op de juiste wijze terug gekoppeld wordt. De eenzijdige terugkoppeling naar een wetenschappelijk paradigma is niet juist; hij moet wel plaatsvinden om de mogelijkheid met onzin bezig te zijn zo goed mogelijk uit te sluiten, maar hij is niet bevredigend omdat hij geen zekerheid verschaft - hetgeen in de moderne wetenschap gelukkig hier en daar begint door te dringen. Voor zekerheid, voor waarheid is de terugkoppeling naar het bewustzijn nodig. Dat is dus de beweging waardoor de mens als man geaccentueerd wordt. Is die beweging (tenslotte) ongehinderd aanwezig, dan is er te spreken van een terugkoppeling op de juiste wijze. In zekere zin is dat een socratische zaak te noemen, ook Socrates koppelde voortdurend terug, hetgeen blijkt uit zijn gewoonte zich steeds als onwetend op te stellen en voortdurend te vragen is dat wel zo? Die terugkoppeling is hem, zoals bekend, niet in dank afgenomen, zoals het ook thans nog steeds niet toegejuicht wordt.. .

De vraag of mensen zelfstandig kunnen denken staat eigenlijk los van de vraag of er op de juiste wijze terug gekoppeld wordt. Er zijn mensen die behoorlijk zelfstandig denken en mensen bij wie dat niet zo erg gelukt, maar voor beiden geldt dat er op de juiste wijze, namelijk naar het bewustzijn toe, terug gekoppeld moet worden. Los daarvan staat dan weer de vraag of mensen onzelfstandig kunnen denken, dat wil zeggen; anderen voor zich laten denken. Het antwoord op deze laatste vraag moet ontkennend luiden, ook als men de gedachten en kennis van anderen zonder meer overneemt is men wezenlijk zelfstandig in het nemen van de beslissing dat te doen. Men kan het ook laten! Dan is er ook nog het feit dat tegenwoordig niemand meer uitsluitend op eigen kracht kennis kan verwerven. Je bent aangewezen op dat wat anderen voor je boven water gebracht hebben. Het vertrouwen hebben in maakt dan uit wat je voor waar aanneemt (je wijs laat maken en wat niet. Het bovenstaande geldt niet voor het filosoferen: dat kan alleen maar op eigen kracht en met zo zuiver mogelijke Terugkoppeling.

Welbeschouwd kun je niemand niet verhinderen te denken, maar wel kun je het waarachtige terugkoppelen blokkeren Je kunt dan ook vaststellen dat in ernstige mate geblokkeerde mensen, zoals bijvoorbeeld fanatieke fundamentalistische godsdienstigen, wel degelijk een heel arsenaal gedachten ter beschikking hebben om hun dwaasheden te onderbouwen en te beargumenteren en soms hebben zij ook wel originele persoonlijke standpunten. Maar waaraan het mankeert is de terugkoppeling; er mag niet naar de waarheid gezocht worden, de voorgeschreven waarheid moet men aanvaarden, zonder meer aannemen. En dat aannemen van zo'n waarheid is een foute terugkoppeling, fout omdat er niet naar het bewustzijn terug gekoppeld wordt (zeg maar: je geweten laten spreken), maar naar een andere voorstelling, namelijk die van de godsdienst. Terugkoppelen naar de bijbel wordt dus aanbevolen, en onlangs ook nog naar Mein Kampf, en de onzin die Mussolini en Stalin uitkramen. Tegenwoordig komen zelfs de wetenschappers graag met voorstellingen van een nieuwe wereld, op Mars bijvoorbeeld met via het DNA gemanipuleerde mensen . . . Het wemelt van de bedrieglijke paradigma's, maar de werkelijkheid als bewustzijn is meer dan ooit taboe.( Wat is BEWUSTZIJN? GeÔnteresseerd? Lees de bundels Beweging en Verschijnsel deel 1, 2en 3 )

Terugkoppeling zie paginaís 197-1, 198-2, 199-3, 200-4, 210-5, 212-6, 214-7, 215-8

No. 199

Terugkoppeling zie paginaís 197-1, 198-2, 199-3, 200-4, 210-5, 212-6, 214-7, 215-8

Het klinkt paradoxaal, maar de vroegere verhoudingen tussen vrouw en man lagen beter op maat dan de tegenwoordige. Men was van mening dat het leven van de vrouw getypeerd moest worden door het begrip huis, uiteraard met de volledige daarbij behorende inhoud zoals de kinderen en de verzorging, en dat het leven van de man te vatten was onder het begrip wereld, in de zin van onder andere exploitatie van de aarde en de productie van goederen. Je kunt ook spreken van het naar binnen gerichte waar het de vrouw betreft en het naar buiten gerichte wat betreft de man. Ook begrippenparen als samenleving en maatschappij, verwekken en voortbrengen en dergelijke zijn van toepassing. In het verleden werden genoemde verhoudingen streng van elkaar gescheiden en er was nadrukkelijk sprake van moeten: de man moest op zijn terrein blijven en de vrouw op het hare. Dat is natuurlijk fout want het gaat slechts om de accenten waarin het verschijnsel staat. De man is geaccentueerd als zelfbewustzijn dat zich naar binnen keert (terugkoppeling) en de vrouw als bewustzijn dat zich naar buiten beweegt (het onzegbare zegbaar maken). Bij beiden gaat het om verhoudingen tussen twee dezelfde begrippen, namelijk bewustzijn en zelfbewustzijn, en die accenten komen voort uit de omstandigheid dat de werkelijkheid zich beweegt van het een naar het ander en tegelijkertijd van het ander naar het een. De beweging a-b valt onmiddellijk samen met de beweging b-a. Noch de vrouw, noch de man is te typeren met ťťn van beide begrippen. Steeds moet de beweeglijke verhouding als typerend gesteld worden. De scheiding van het terrein van de vrouw en dat van de man is dus onwerkelijk en kan daardoor geen stand houden. Toch is ervan te zeggen dat in dť grond van de zaak een juist aanvoelen van de werkelijke situatie aanwezig is geweest in het verleden. In het oude Griekenland en op het ogenblik ook nog wel enigszins in de Islam zijn de vrouwen de spil waarom alles draait, althans voor zover het gaat om huishouding en verzorging. Beide hebben een veel grotere en vooral mentaal diepere betekenis dan er in het westen, vanuit het banale en verfoeilijke arbeidsdenken, aan gegeven wordt. En in het voeren van filosofische gesprekken over de werkelijkheid kwam in Griekenland, zij het op een armoedige manier, het terugkoppelen tot uiting. Overigens gold dat alleen maar voor de zogenaamd vrije man.

De werkende man was niet vrij en bij hem behoefde dan ook niet teruggekoppeld te worden. Je vindt dat terugkoppelen nog wel een beetje terug in de dagelijkse gebedsoefeningen van de Moslims. Dus: hoewel de ouderwetse toestand niet deugde is er toch van waarachtiger verhoudingen te spreken. Voor zover een ieder nu maar op zijn terrein bleef voelden de mensen zich nog enigszins rustig, in tegenstelling tot de moderne geŽmancipeerde mens die van de verhouding vrouw-man een rommeltje gemaakt heeft. Omdat het op zijn wijze toch vooruitgang betekent valt er niets te klagen, maar het is wel degelijk een feit dat ook hier de zinsbegoocheling toegeslagen heeft. De moderne mening is dat vrouwen en mannen precies eender zijn en dat hun biologische verschillen slechts op toeval berusten. Men vindt dan ook dat je die verschillen best over beiden, de vrouw en de man, zou kunnen of zelfs moeten verdelen. De man moet een deel van het leven van de vrouw overnemen en omgekeerd. Van het realiseren van de juiste verhoudingen is geen sprake als je denkt alles te kunnen verdelen. Dat men inderdaad dat soort voorstellingen huldigt blijkt uit het feit dat zo ongeveer iedereen ervan overtuigd is dat het samenleven van vrouw en man (of dienovereenkomstig ingestelde homoseksuelen) pas een succes kan worden als beiden een reeks van afspraken met elkaar maken en zich daar getrouw aan houden: over de werktijden, het verzorgen van de kinderen, het huishouden...

Kortom, alles wordt erin betrokken en moet afgesproken worden. Men vindt dat de taken verdeeld moeten worden! Het zijn echter juist deze waanideeŽn die de laatste, nog enigszins waarachtige, verhoudingen teniet doen. Bovendien bevorderen zij het zich afsluiten van de mensen voor de werkelijkheid. Voor zover dat het geval is kan voorlopig de werkelijke verhouding niet tot de mensen doordringen. Dat betekent onder andere dat er wat betreft hun vrouwelijk-mannelijke omgang een toenemende onvrede bij de mensen is, dat er een diepe psychische verwaarlozing van de kinderen ontstaat en dat bovendien de mogelijkheid van een oplossing verdwenen is. Net zo goed als de wetenschappen zichzelf niet uit de vicieuze cirkel van de waarheidscriteria kunnen bevrijden, gelukt het de mensen in hun vrouw-man verhouding niet de juiste overeenstemming met de werkelijkheid te bereiken. Een oplossing zal dus ook wat dit betreft van buitenaf moeten komen. Eindeloos met elkaar praten helpt niet, ondanks het feit dat praten beter is dan vechten en dat deskundigheid te verkiezen is boven onbenul. De redding uit de ellende is alleen maar te verwachten van de strikt individuele ontwikkeling van beiden, de vrouw en de man, op zichzelf. De vrouw en de man zijn ten enenmale niet hetzelfde. Hun biologische verschillen zijn geen toeval maar zijn uitdrukking van de specifieke verhoudingen die voor beiden gelden. Het levende verschijnsel is uiteengegaan in twee verschijnselen omdat er twee mogelijkheden zijn; enerzijds de werkelijkheid als het inhoudende en anderzijds als de inhoud; enerzijds het geheel en anderzijds het totaal; enerzijds de kwaliteit en anderzijds de kwantiteit. Ik heb hierover al eerder uitgeweid. Maar, wellicht ten overvloede en in ieder geval ter verduidelijking, moet nog gezegd worden dat bij de vrouw alles in principe een innerlijke (introverte) zaak is die op haar wijze naar buiten wil treden (geboorte van het kind), hetgeen in zijn geheel het begrip moederschap is, en dat bij de man alles in principe een uitwendige (extraverte) zaak is die op de een of andere manier zijn eigendom moet worden (via de terugkoppeling). Deze principes zijn niet meer dan accenten, maar ook als zodanig moeten zij tot hun recht komen. Die accenten zijn immers bepalend voor het al of niet vrede vinden met het eigen leven en dat van anderen! Betekent een en ander nu dat de vrouw thuis moet blijven zitten, volgens sommigen zelfs in de keuken, en dat de man de wereld in moet trekken? Neen, dat betekent het niet!

Omdat voor ieder voor zich geldt dat zij en hij het verschijnsel mens is gelden genoemde verhoudingen voor beiden, echter bij de een met het ene accent en bij de ander met het andere accent. Bij alles wat zij ondernemen blijven die accenten hun rol spelen, niet op de wijze van een plaatsbepaling, zoals in het verleden het geval was, maar bij wijze van kleur en sfeer, rationaliteit en intuitie, naar binnen en naar buiten gekeerd zijn. Juist wanneer deze accenten vrijelijk tot gelding kunnen komen is ook ťťn volledige omgang tussen twee partners mogelijk. Bij plaatsbepalingťn en afspraken moet een ieder altijd wat inleveren. Ontplooiing kan dan nooit optimaal zijn... Bij de hedťndaagse vrouw wordt het niet veel met het zegbaar maken van het onzegbare, het tot duidťlijkheid brengťn van het verborgen bewustzijn. Toch heeft zij het voordeel dat haar basis nog altijd het bewustzijn is. Dat is op zichzelf een onaantastbare zaak, een universele en onvergankelijke, een die zich niťt door cultuur-modes laat verzieken. De man evenwel moet het wat dit betreft doen met zijn zelfbewustzijn, een door en door vergankelijke en particuliťre zaak die volkomen vreemd is aan de waarheid, ondanks alle wetenschappelijke juistheid. Zijn deel is dan de banaliteit, hťt geklets en steeds meer het in alles falen.

No. 200

Naar bladwijzers: Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ;

 

concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ;

Terugkoppeling zie paginaís 197-1, 198-2, 199-3, 200-4, 210-5, 212-6, 214-7, 215-8

Je kunt een vergelijking maken tussen de cultuurgebonden man waarin het terugkoppelen gehinderd is en de eveneens cultuurgebonden vrouw die gehinderd is in het tot uitdrukking brengen van de waarheid. Anders gezegd: hoe zit het met de blokkade bij de cultuurmens als man en als vrouw. Daarbij moet er nogmaals op gewezen worden dat het verschijnsel man er is op grond van een bepaald accent dat in de werkelijkheid als zodanig gelegd kan worden en dat het verschijnsel vrouw ook berust op een dergelijk accent. De levende werkelijkheid moet nu eenmaal naar twee begrippen begrepen worden, namelijk het vrouwelijke begrip het inhoudende (het geheel) en het mannelijke begrip de inhoud (het totaal). Dat levert noodzakelijk een essentieel onderscheid op en nu gaat het om de vraag hoe dat voor de dag komt bij de geblokkeerde cultuurmens. Om te beginnen is te bedenken dat bij een blokkade beiden, zowel de vrouw als de man, in hun eigen uitgangspunt blijven steken; de vrouw in de werkelijkheid als bewustzijn en de man in zelfbewustzijn. Die twee werkelijkheden zijn, op zichzelf gedacht, onverzoenbaar. Wordt de eerste gekenmerkt door eenheid, samenhang, harmonie en ondeelbaarheid, de tweede is daarvan het tegendeel, namelijk veelheid, relaties, concurrentie en deelbaarheid. Bovendien berust de eerste op een lichamelijke zaak (trilling in de materie) terwijl de tweede berust op een ontkenning daarvan (niet-materie). In de praktijk betekent dit dat vanuit de cultuur geblokkeerde vrouwen en mannen als vreemden tegenover elkaar zullen staan. De door - eveneens geblokkeerde - denkers opgemerkte ondoorgrondelijkheid van de een zowel als de ander en het door hen gestelde vooruitzicht dat die kloof nimmer te overbruggen zal zijn is dus juist, maar dan alleen voor zover het over geblokkeerde mensen gaat. Denk je evenwel na over de volwassen mens, dan blijken de verhoudingen heel anders te liggen. Van een onoverbrugbare kloof en een eeuwig voortdurend onbegrip is dan geen sprake. Alvorens na te gaan waarom er geen kloof gaapt tussen de vrouw en de man is het goed je te realiseren dat we nu theoretisch bezig zijn. Door namelijk te stellen dat een vrouw en een man geblokkeerd zijn roep je een eenzijdigheid op en dat kan en mag filosofisch niet. Niemand kan eenzijdig en absoluut geblokkeerd zijn.

Altijd blijven alle verhoudingen meespelen, maar bij een blokkade worden de gevolgen van dat meespelen ontkend, weggewerkt, bewust verkeerd geÔnterpreteerd, als een taboe beschouwd en dergelijke. Op deze verwrongen wijze spelen die verhoudingen mee, enerzijds, en anderzijds sijpelen zij als het ware door en bezorgen de geblokkeerde mens last. Op dit moment echter moeten wij even de zaken op een rijtje zetten en dus theoretisch aan de gang gaan... Als het goed is verloopt het proces bij de (volwassen) man als volgt: hij maakt de gehele verschijnende werkelijkheid tot inhoud van zijn zelfbewustzijn, waarbij de drijvende kracht het vermogen tot analyseren is. Deze inhoud echter is niet meer dan hij is, namelijk een min of meer ordelijke verzameling die weliswaar aan een groot aantal criteria beantwoordt, maar die geen garantie kan bieden op waarheid te berusten. Deze verzameling nu wordt teruggekoppeld naar Ďs mans bewustzijn en dat leidt ertoe dat alles betekenis krijgt en harmonieus in een geheel tot zijn recht komt. Er ontstaat dan een waarachtig weten omtrent de gehele werkelijkheid, een weten waarin ook op waarachtige wijze het niet-weten tot zijn recht- komt. Dit betekenisvolle bewustzijn kan zich vervolgens in de mens als man tot een zelfbewuste zaak maken. Daarmee is de cirkel rond en zijn we terug bij het uitgangspunt.

In deze cirkelbeweging treden dus achtereenvolgens terugkoppeling op en afspiegeling, welke laatste beweging de vrouwelijke kant van de zaak is, namelijk het zegbaar maken van het onzegbare. Als het goed is vind je bij de vrouw een geheel ander proces, dat evenwel betrekking heeft op precies dezelfde grootheden als bij de man. Bij de vrouw begint het bij het bewustzijn dat zichzelf als bewustzijn zegbaar maakt doormiddel van het zich afspiegelen aan de concreet verschijnende werkelijkheid. Dat bewustzijn heeft om te beginnen geen inhoud. Het zijn de voor het bewustzijn geldende verhoudingen die zich aan de alledaagse verschijnselen manifesteren. Dat komt voor de dag als bijvoorbeeld hier en daar een bloemetje, het scheppen van gezelligheid, het reageren op het jonge leven van mens en dier en zo nog meer. In ieder geval worden de verhoudingen van het bewustzijn bepalend voor het zelfbewustzijn. Vervolgens wordt natuurlijk ook dat zelfbewustzijn weer teruggekoppeld naar het bewustzijn om zo de vrouwelijke cyclus vol te maken. Die cyclus sluit dus af met een mannelijke beweging. Als je beide cyclische processen naast elkaar beschouwt kom je vanzelf tot de conclusie dat de richtingen verschillen, maar dat het in beide gevallen over dezelfde zaak gaat. Als er geen blokkade is gaat bij beiden het zelfbewustzijn naar het bewustzijn toe om daarna weer naar zichzelf terug te keren en ook gaat bij beiden het bewustzijn naar het zelfbewuste en keert weer terug. Dat zijn natuurlijk geen eenmalige bewegingen, maar zichzelf almaar herhalende. Omdat in beide gevallen dezelfde situaties en verhoudingen doorlopen worden ligt hier uiteraard ook de basis voor wederzijds begrip. De volwassen vrouw noch de volwassen man zijn elkaar een raadsel, afgezien natuurlijk van het feit dat de ene mens de andere nooit helemaal zal kennen, maar het gaat nu niet om het elkaar kennen maar om het elkaar begrijpen. Vanuit de hierboven uiteen gezette volwassen situaties is het mogelijk om zinvol na te gaan hoe bepaalde afwijkingen er uit moeten zien. Vooraf echter moet opgemerkt worden dat bepaalde zaken als afwijkingen herkend kunnen worden. De alsnog onvolwassen mens denkt dat de huidige vrouwen en mannen zijn zoals ze nu eenmaal behoren te zijn, maar als je het bovenstaande begrepen hebt weet je dat de vrouwen en de mannen helemaal niet zo behoren te zijn, maar dat zij afwijken van de eigenlijke, volwassen, mens. Hun onvolwassenheid is een alsnog afwijken van de eigenlijke verhoudingen.

De afwijking van de moderne man is deze dat bij hem alles in de lucht blijft hangen en dat daardoor zijn leven gekenmerkt wordt door banaliteiten; dingen die geen betekenis hebben en die nimmer terechtkomen. Het maakt daarbij niets uit dat genoemde dingen op een uiterst intelligente manier uitgezocht en gewaardeerd zijn en aan alle wetenschappelijke criteria voldoen. Waarom het gaat is dat de hedendaagse man niet weet waarom het gaat en dat hij dit vanuit zijn cultuur nooit aan de weet zal komen. Integendeel, hij raakt steeds verder van huis en daarbij wordt hij steeds banaler, verzandt almaar meer in oeverloos gepraat en voortdurend wisselend beleid. Tenslotte zal hem niets meer gelukken... Bij de moderne vrouw ligt de zaak anders. Ten eerste moet opgemerkt worden dat zij nog altijd het bewustzijn als uitgangspunt heeft en daardoor dus enigszins blijk kan geven van warmte en schoonheid. Maar alles is bedoeld als middel om de dingen in bezit te kunnen nemen. Zij maakt gebruik van de wereld. Dat komt doordat het bewustzijn op zichzelf leeg is als er niet naar toe teruggekoppeld wordt. Omdat dit laatste niet gebeurt kan de vrouw vanuit zichzelf als bewustzijn niets anders doen dan zoveel als mogelijk alles in zich opzuigen, zodat dat in haar een naamloos einde vindt. Blijft bij de moderne man alles in de lucht hangen zonder betekenis te krijgen, bij de moderne vrouw verzinkt letterlijk alles in het niet. Tegelijkertijd is zij verlokkend, hetgeen betekent dat zij loze schoonheid uitstraalt zonder rust, harmonie en liefde te bieden.

Naar bladwijzers: Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ;

concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4

Terugkoppeling zie paginaís 197-1, 198-2, 199-3, 200-4, 210-5, 212-6, 214-7, 215-8

No. 201

Waanvoorstellingen-1 ; Waanvoorstellingen-2 ; Waanvoorstellingen-3 ; Waanvoorstellingen-4 ;

Elke cultuur belemmert op de een of andere manier de processen in de mens als vrouw en de mens als man, zoals die zich afspelen tussen de verhoudingen bewustzijn en zelfbewustzijn. Zoals al eerder gezegd zijn dat cyclische processen en dat betekent dat het processen zijn die steeds weer bij hun eigen uitgangspunt terugkomen, zonder dat overigens de heenweg samenvalt met de terugweg. Als je bijvoorbeeld de beweging van A naar B omkeert en dus van B naar A laat gaan, dan valt de heenweg samen met de terugweg. Daarbij valt het onderscheid tussen heen en terug niet weg. Maar als het gaat over een cyclische beweging verloopt deze van A naar B als het ware langs de omtrek van een cirkel. De weg van A naar B is dan een andere aan die terug van B naar A. De richting van de beweging keert evenwel niet om, zoals bij een lineaire beweging van A naar B en terug het geval is. Hij gaat daarentegen langs de cirkel op dezelfde weg voort totdat hij weer in A terug is. Van een onderscheid tussen twee bewegingen is dan geen sprake: het is ťťn voortgaande beweging, waarbij bovendien het oorspronkelijke uitgangspunt gaandeweg zijn betekenis verliest... Het cyclische proces bij de vrouw is zodanig dat er een ontwikkeling gaande is vanuit het bewustzijn naar het zelfbewustzijn en vandaar verder om weer bij het bewustzijn uit te komen, enzovoort. Bij de man gaat het uit van het zelfbewustzijn naar het bewustzijn en zo verder wederom naar het zelfbewustzijn. Bij beiden is dat geen eenmalig proces, maar een immer voortgaand. Het is goed om in dit verband het begrip ontwikkeling te gebruiken want inderdaad berust de menselijke ontwikkeling op deze processen. Zouden die er niet zijn, dan zou geen enkel mens de kans krijgen ooit wijzer te worden, ondanks alle ervaringen. Nogmaals wijs ik er op dat het nu steeds gaat over de concreet aanwezige vrouw en man. Daarvoor gelden wel begrippen, maar zij zijn geen begrippen. Zij zijn concreet aanwezige verschijnselen. Helaas worden die verschijnselen in de filosofie - en eigenlijk in het algemeen in het (alsnog onvolwassen)denken - nauwelijks doordacht. Iedereen kan dan ook constateren dat het nooit over hemzelf, noch haarzelf noch de buren gaat. Steeds beschouwt men de mens als een cluster van begrippen, maar dat is niet juist.

Gevolg hiervan is dat er almaar verkeerd over de mensen gedacht wordt. Dat komt vooral uit aan het merkwaardige feit dat men voortdurend probeert de mensen aan te passen aan de begripsmatige denkbeelden die men over hen gevormd heeft, in plaats van andersom uit te zoeken hoe over het concreet aanwezige verschijnsel te denken valt en de vraag te stellen: waarom is het verschijnsel dat ik aantref zoals het is en niet anders? Het gaat nu over bovengenoemde vraag en dan is te wijzen op die cyclische processen. En deze processen worden door elke cultuur op zijn wijze belemmerd. Misleidend in dit verband is dat men bij cultuur onwillekeurig denkt aan iets moois: de cultuurmens is de gecultiveerde (beschaafde) mens. Nu is dat op zichzelf wel juist, maar mooi is dat helemaal niet. Het is niet de mens op zijn best, maar juist de mens die bewerkt is om aan een bepaalde maatgevende voorstelling te voldoen. Zo'n mens is geblokkeerd, gefrustreerd zelfs, en blijft in ernstige mate beneden zijn mogelijkhťden, ondanks het feit dat hij tot veel schoons en intelligents in staat is. Zo was de antieke Griekse mens een uitblinker op het gebied van de kunsten en filosofie. Dat doet gemakkelijk vergeten dat dit slechts voor enkele bevoorrechten gold en dat dezen toch ook een waanvoorstelling huldigden, namelijk deze dat zij zichzelf het recht toekenden bevoorrecht te zijn. En er waren natuurlijk nog meer van die waanideeŽn. Kortom; zowel het schone als het intelligente als de dagelijkse praktijk zijn vervormd door belemmerende voorstellingen.

De cultuur berust op een bepaalde voorstelling van de werkelijkheid. Zoals al bij eerdere gelegenheden aangetoond ontstaat zo'n voorstelling aan de hand van ervaringen. Daaronder versta ik letterlijk alles wat op het menselijk zelfbewustzijn inwerkt, dus zowel het min of meer onaangedaan opdoen van juiste en onjuiste kennis als alle mogelijke enigszins lichamelijke confrontaties met de realiteit van alle dag. Het totaal aan ervaringen wordt natuurlijk aanzienlijk beÔnvloed door de contacten die mensen hebben met anderen en daarbij speelt de topografie van onze planeet een belangrijke rol. Waterwegen bevorderen contacten, bergpassen eveneens, maar oceanen en hoge bergketens belemmeren de zaak. De cultuur, als resultaat van het totaal aan opgedane ervaringen, gaat bijgevolg via de gemakkelijkste weg, hetgeen op onze planeet goed na te gaan is. Waarom het evenwel gaat is dat er gesproken kan worden van een opeenvolging van voorstellingen van de mensen omtrent zichzelf. Die voorstellingen bepalen steeds niet alleen het gedrag van de mensen (zie wat dit betreft De Grote Vierslag), maar ook hun identiteit als mannen en vrouwen. Zij belemmeren immers de cyclische bewegingen vanwege hun neiging zichzelf ongewijzigd te handhaven. De voorstelling die een onvolwassen mens van de werkelijkheid heeft mag niet veranderen omdat zijn behoefte aan waarheid en dus zekerheid niet verstoord mag worden. De mensen willen dus ook hun cultuur voorstellingen niet prijsgeven, zelfs niet betwijfelen. Hoewel zij daarin op zichzelf gelijk hebben werkt dat, in een onvolwassen situatie, vervreemdend. Er ontstaan een heleboel taboes. Dat zijn aspecten van de werkelijkheid die niet tot gelding mogen komen, juist omdat zij de vastgelegde voorstelling, de zogenaamde waarheid, verstoren. In de westerse cultuur heeft de mens dubbel last van het vastleggende karakter van het onvolwassen zelfbewustzijn. Dat vindt zijn oorzaak in het feit dat in die cultuur de aandacht gericht is op de werkelijkheid als zelfbewustzijn. De westerse cultuur is de uitwerking van de mens als zelfbewustzijn. Het is dus de uitwerking van de vastgelegde voorstelling, uitwerking in de vorm van analyse en rubricering ( theorievorming). Het vastleggen geschiedt in de westerse cultuur niet automatisch, omdat dit in een onvolwassen situatie nu eenmaal gebeurt, maar het gebeurt welbewust omdat de voorstelling, als inhoud van het zelfbewustzijn, object van onderzoek is.

Onnodig te zeggen dat die westerse mens steeds meer in een doolhof terechtkomt en al spoedig helemaal van zichzelf vervreemd geraakt. De cultuur berust dus op de voorstelling terwijl deze laatste ook het vrouw-zijn en het man-zijn belemmert. Je kunt dus ook zeggen dat de cultuur blokkeert en aangezien alle culturen op de voorstelling berusten blokkeren alle culturen het vrouw-zijn en het man-zijn. Dat is bepaald geen nieuws! Overal komen juist op dat gebied, en in het verlengde daarvan het terrein van de seksualiteit en de voortplanting, de meest vreemdsoortige zeden voor. Vaak zijn die helemaal niet zo onschuldig en in ieder geval zijn zij onveranderlijk een ernstige aantasting van het individu. Van een ontspannen zichzelf-zijn is nooit te spreken, zelfs niet in die spaarzame gevallen dat de seksualiteit behoorlijk vrij is. Maar in feite spant de westerse cultuur de kroon als het er om gaat de identiteit van de vrouw zowel als die van de man te vernietigen. Weliswaar wordt het individu als een onaantastbare grootheid gesteld, maar wat onder die grootheid verstaan moet worden is in alle opzichten irreŽel. Dat moge onder andere blijken uit het al eerder door mij genoemde feit dat men, ondanks alle psychologie, filosofie en geesteswetenschappen, geen raad weet met het feit dat vrouw en man wezenlijk van elkaar verschillen, ondanks het feit dat zij in hun cyclische processen precies dezelfde verhoudingen van de werkelijkheid doorlopen.

Waanvoorstellingen-1 ; Waanvoorstellingen-2 ; Waanvoorstellingen-3 ; Waanvoorstellingen-4 ;

No. 202

verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ;

De gedachte dat het de cultuur is die de door mij genoemde cyclische processen blokkeert is in feite een heel ongewone. Gangbaar wordt er gedacht dat juist de cultuur, oftewel de beschaving, de mensen dichter bij zichzelf brengt. Immers, zij veredelt de mensen! Deze gedachte stamt, ruwweg gesproken, uit de Griekse tijd, eigenlijk de tijd van de zogenaamde Klassieke cultuur. Men begon toen ervan overtuigd te raken dat de mens zichzelf als natuur achter zich zou moeten laten. De mens zou moeten uitstijgen boven zijn natuurlijkheid. Wij begrijpen inmiddels dat de mensen op die idee kwamen op grond van een vaag vermoeden dat voor de mens het begrip niet-materie als apotheose van de wording geldt. Dat dit juist een volledig tot haar recht komen van het natuurlijke vooronderstelt begrijpen zelfs vandaag de dag de meeste mensen nog niet... De gedachte is dus dat de mens cultureel moet zijn, niet in die zin dat hij aan cultuur doet, maar in de bovengenoemde zin. Deze mens zou zich niet met het materiŽle bezig houden in de poging om zo goed mogelijk het ware mens-zijn te benaderen. Deze mentaliteit vind je in de gehele westerse wereld, bijvoorbeeld ook bij Freud (1856-1939) die weliswaar de rol en het belang van de seksualiteit ontdekte, maar die tegelijkertijd vond dat die seksualiteit zich zou moeten vergeestelijken tot iets verhevens. Het natuurlijke werd afgewezen. Denk eens aan de Germaanse sagen, zoals daar is die van het Nibelungenlied waarin de held Siegfried de beperkingen van het aardse leven ontstijgt en onkwetsbaar wordt. Dit naar boven projecteren begon zoals gezegd in de Klassieke periode van de Griekse cultuur. Maar, die cultuur kende ook nog het voorgaande, dat eigenlijk uit het oude oosten voortkwam. Daar evenwel projecteerde men de mens niet naar boven, maar naar beneden; hij was afkomstig van de geestelijke wereld, van de niet-materiele werkelijkheid, van de goden. In het Oosten vind je dat terug in de overtuiging dat de mens zich in zichzelf zou moeten keren om terecht te komen. In feite moest hij afdalen in de diepten van zichzelf. De latere Griekse helden kwamen ook van bovenaf. Achilles, door Homeros in de Ilias bezongen, was de zoon van een godin, Thetis. En de godin Afrodite daalde voor Troye zelfs naar de aarde af om aan de strijd deel te nemen! Zelfs de ware mens Christus werd ook van bovenaf gedacht als zoon van god. In de westerse cultuur werd dus alles van veredeling, van beschaving verwacht.

Dat culmineerde aan het eind van de 18e eeuw in de Verlichting. Toen wist men zeker dat het ontwikkelen van de ratio, de rede, en dus het niet-materiele principe, tot een beter mens zou leiden en ten gevolge daarvan ook tot een betere wereld. Hoewel het een feit is dat de ratio een menselijk fenomeen is dat vanzelfsprekend tot ontwikkeling moet komen, is het evenzeer een feit dat het wederom over iets niet-materieels gaat, namelijk het zich afwenden van het zogenaamde natuurlijke, het stoffelijke en het aardse, dat overigens ook verbonden wordt met vrouwelijke begrippen. Het is juist in zo'n situatie dat de mensen alle heil van het bovenaardse verwachten. Dat een eventueel heil bij het aardse zou kunnen liggen is ondenkbaar en in samenhang daarmee wordt de cultuur zonder meer als het reddende principe beschouwd. Dan is de uitspraak dat de culturen juist uitermate blokkerend zijn een ongewone uitspraak die op een regelrecht ketterse gedachte stoelt. Intussen is het toch een feit dat het mooiste en het beste wat de mensen opleveren onmiskenbaar tot de cultuur behoort. En het is ook een feit dat de mens op de cultuur aangewezen is, want juist daarin brengt hij, doorgaans onbewust, tot uitdrukking dat hij het laatste verschijnsel is, dat met hem de wording afsluit en dat daarmee het niet- gewordene op enigerlei wijze tot manifestatie komt.

Op zichzelf zou je de cultuur dus moeten beoordelen als het menselijke bij uitstek en dat zou dan weer betekenen dat de westerse overtuiging juist is. Toch is dat niet zo: de fatale fout in het westerse denken is gelegen in het feit dat de cultuur niet begrepen wordt als iets dat onvermijdelijk meekomt aan de bestaande mens, maar als iets dat moet, iets dat bestreefd moet worden en dat als de absolute maat moet gelden. Als het culturele, wat daaronder ook verstaan kan worden, tot een maatgevende noodzaak verheven wordt is het onderworpen aan de wetten van de werkelijkheid als voorstelling. Het culturele is dan vastgelegd, berekenbaar, voorspelbaar en, op grond daarvan, dwingend van aard. De voorstelling laat dan de werkelijkheid zien, tastbaar, meetbaar en onmiskenbaar. Omdat er geen beweeglijkheid in zit is de verandering geen geldige grootheid, ondanks het feit dat alles steeds anders wordt, ontstaat en vergaat en zich qua omstandigheden wijzigt. Dit steeds anders worden wordt dan niet als iets essentieels gezien van waaruit noodzakelijkerwijs beoordeeld en gedacht moet worden, maar als een reeks van helaas onvermijdelijke tussenfasen die tussen de belangrijke fasen van stilstand in liggen. Het gaat daarbij dus om die fasen van stilstand, precies zoals het in de mechanica van Newton ook om de momenten van stilstand gaat: een beweging wordt opgevat als een snelle opeenvolging van momenten van stilstand! In feite moet de voorstelling, hoewel op zichzelf een aaneenschakeling van vastgelegde grootheden, beweeglijk blijven. Dat wil zeggen dat hij in het teken van de verandering blijft staan. Wanneer dat het geval is kunnen de cyclische processen zich ongehinderd voltrekken. Het zelfbewuste kan letterlijk terechtkomen in en zijn betekenis krijgen aan de werkelijkheid als bewustzijn, en het bewustzijn kan zichzelf als een zelfbewuste zaak concretiseren. Zoals besproken staat het verschijnsel man in het teken van het eerste en het verschijnsel vrouw in het teken van het tweede. Als dat alles inderdaad tenslotte het geval is kun je stellen dat het met de mensen in orde is. De wereld is dan goed geworden en: dat wil zeggen dat hij is zoals hij eigenlijk is. Je kunt ook zeggen; zoals hij behoort te zijn. Doordat de voorstelling, die de mensen zich van de werkelijkheid maken, steeds verandert treedt dit verschijnsel op dat de opeenvolgende culturen, hoewel op zichzelf steeds en onvermijdelijk blokkerend, langzaam maar zeker een beetje verbeteren. Het is onloochenbaar dat wij het op het ogenblik beter hebben dan de middeleeuwse mensen, ondanks het feit dat de stoffelijke inhoud van deze betere wereld vrijwel geheel van anderen gestolen is.

En onze ideeŽn van menselijkheid, redelijkheid en rechtvaardigheid zijn een heel stuk verhelderd, vergeleken bij die van vroeger tijden. Toch is onze wereld niet in orde. Er is beslist niet van een goede wereld te spreken. Sterker nog: op de een of andere manier komt de slechtheid steeds onverbloemder, wreder en cynischer naar voren. Hoe triest dat ook is, het kan niet anders omdat met het verbeteren van de voorstelling ook het karakter ervan, namelijk het maatgevend vastgelegde, meer gerealiseerd wordt. Het is dus logisch dat, zeg maar, het verkeerde almaar duidelijker wordt. Zolang en voor zover de momenten van vastgelegd zijn als de maat worden beschouwd kan de voorstelling, en dus ook de cultuur, wel beter worden, maar nimmer goed. Een verbeterde wereld is nog lang geen goede en kan ook onmogelijk ooit goed worden. Om goed te zijn moeten de mensen ertoe komen niet het vastgelegde, maar juist het veranderlijke, als de maat te nemen. Zij komen daartoe niet door een besluit te nemen of door zich te laten dwingen, maar juist door zich, via de analyse van de eigen voorstelling, te realiseren als individu, dat wil zeggen: de werkelijkheid als individu.

verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ;

No. 203

Waanvoorstellingen-1 ; Waanvoorstellingen-2 ; Waanvoorstellingen-3 ; Waanvoorstellingen-4 ;

 

De voorstellingen die door de mensen collectief vastgelegd worden zijn bepalend voor de cultuur die in die mensen ontwikkeld wordt. Zo'n cultuur wordt gerechtvaardigd door de beoordeling van de voorstelling als zou dat een onbetwijfelbare waarheid zijn. Die waarheid is voor een ieder weer wat anders, maar binnen een bepaalde groep mensen bestaat er op een gegeven moment overeenstemming over een aantal waarnemingen, ervaringen en verklaringen. Zo is er dan een collectieve waarheid. Het eigenaardige van een dergelijke waarheid is dat deze op haar beurt op de mensen gaat inwerken en hen als het ware naar die waarheid vormt. Dan ontstaat genoemde blokkerende werking. De cultuur gaat de mensen verhinderen zichzelf te zijn, de cyclische processen die gegrond zijn op het vrouwelijke en het mannelijke en die in de verschijnselen vrouw en man optreden kunnen niet goed meer voortgang vinden en het ganse dagelijkse leven verwordt tot een aaneenschakeling van voorgeschreven en afgedwongen opvattingen, zeden en gewoonten. Je kunt opmerken dat nieuwe cultuurontwikkelingen telkens blijk geven van frisse en reŽle inzichten in en opvattingen over de werkelijkheid. Zo'n beginnende nieuwe cultuur(fase) kent nog betrekkelijk weinig blokkerende werking zodat er een poosje sprake kan zijn van een relatief behoorlijke uitwerking van de vrouwelijke en mannelijke cyclische processen. Je kunt rustig stellen dat er dan een redelijk behoorlijke toetsing aan de werkelijkheid als bewustzijn is. Men is dicht bij de waarheid! Gaandeweg echter wordt alles vastgelegd, in regels en voorschriften geperst en als de absolute maat gesteld. Daarmee wordt de blokkade effectief en gaat de zogenaamde cultuur oftewel beschaving haar remmende werking uitoefenen. Die remming is veel funester dan gewoonlijk gemeend wordt: hij is oorzaak van alle collectieve wanen en de daaruit voortkomende agressie, afgunst, haat en nijd. Maar ook is hij oorzaak van een heleboel wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. De vastgelegde voorstelling brengt zo zijn eigen vraagstukken mee, maar ook zijn eigen fantasieŽn over een te veranderen en noodzakelijk als beter gewaardeerde werkelijkheid. De mensen zijn aangewezen op de waarheid. De werkelijkheid als bewustzijn is, hoewel dat in onze cultuur zelden begrepen wordt, de echte werkelijkheid en uiteraard is die echte werkelijkheid algemeen van karakter. Een bijzondere werkelijkheid, zoals die wij voortdurend om ons heen ervaren, kan geen echte werkelijkheid zijn, maar moet noodzakelijk een bepaalde situatie op een bepaald moment in een bepaalde ruimte zijn en blijven.

Dat een dergelijke werkelijkheid niet echt genoemd kan worden houdt natuurlijk niet in dat zij dus onecht zou zijn, in de zin van een leugen, een waan, een luchtspiegeling. Dat het slechts een Gleichnis zou zijn, zoals Goethe beweerde, is maar ten dele waar; het is wel een bijzondere afspiegeling van de ware werkelijkheid, maar geen bedrieglijke. Elke bijzondere werkelijkheid, dus elke werkelijkheid van jou en mij, is geen echte werkelijkheid, maar ook geen leugen. Het is slechts een bepaalde werkelijkheid en daardoor is het er een die los is gekomen van de grote verbanden, samenhangen en harmonieŽn. Tijdens hun onvolwassenheid leven de mensen wel temidden van leugens, wanen en zinsbegoochelingen, maar telkens blijkt dat zij dit niet uit kunnen houden. Zolang en voor zover zij hun waan voor waar houden zijn zij wel enigszins tevreden, maar zodra de twijfel door gaat breken neemt de onrust bezit van hen zodat van alles in de war gaat lopen. Daarom kun je in psychologische zin vaststellen dat zij er behoefte aan hebben hun waarheden vast te houden. Dat geeft hen rust en vrede. Maar dat vasthouden gelukt niet voor lange tijd en dan treedt de onrust op. Dat noodzaakt hen een nieuwe waarheid te gaan zoeken...

Elke aan de voorstelling ontleende waarheid is onhoudbaar, slechts die van de werkelijkheid als bewustzijn is onveranderlijk, eeuwig en betrouwbaar. De mensen hebben daarvan telkens wel een vermoeden gehad, vandaar dat zij in hun voorstellingen goden geprojecteerd hebben, goden die ongeveer datgene vertoonden dat in grote lijnen aan de werkelijkheid als bewustzijn toegeschreven moet worden. De waanvoorstellingen van een onvolwassen mensheid zijn niet te bestrijden. Zij verdwijnen op een gegeven moment wel en geregeld wijzigen zij, maar dat geschiedt noodzakelijk van buitenaf. Op zichzelf zijn zij echter zelfbevestigend, precies zoals dat ook het geval is met de zogenaamde zekerheden in de wetenschap. Ook die worden door ervaringen, ongerijmdheden en toevalligheden van buitenaf aangetast. Als sommige idealisten dan ook van mening zijn dat de mentaliteit van de mensen veranderd moet worden teneinde voor de wereld het tij te keren, geven zij blijk van onnozelheid enerzijds en hoogmoed anderzijds. Onnozel omdat zij niet inzien dat de mentaliteit van de mensen niet op een keuze berust maar op een stelsel van wanen (de cultuur) en hoogmoed omdat zij menen dat hun eigen waan de maat is voor anderen. Omdat de mensen hun waan voor waarheid houden laten zij zich er niet van afbrengen. Zij zijn immers niet van zins om te aanvaarden datgene dat voor hen een leugen is! Toch verandert hun mentaliteit en wat dat betreft is te wijzen op een tweetal processen. Ten eerste is te constateren dat bij een aantal individuele mensen de van huis-uit meegekregen mentaliteit verandert. Zij wenden zich af van de hen omringende cultuur. Van deze mensen evenwel is te zeggen dat in hen de genoemde blokkade in mindere mate effectief is. Uiteraard gaat dat bij de vrouw anders dan bij de man, maar in beiden deugt de blokkade niet zodat in hen de cyclische processen leiden tot toetsing met de waarheid. Waardoor de werkzaamheid van de blokkade onvoldoende is, is niet te zeggen. Het is een kwestie van persoonlijke aanleg. Ten tweede is daar het algemene ontwikkelingsproces van de mensheid. Zoals ik al eerder uitgelegd heb vindt dat via de geboorten plaats. Iedere conceptie levert een kort moment van vrijheid op, vrijheid van voorstellingen en inprentingen. Daardoor wijken de nieuwe voorstellingen en inprentingen onvermijdelijk iets af van die van de vorige generatie. Het is nu langs deze, buiten het zelfbewustzijn en dus de kennis en het denken gelegen weg dat de wanen van inhoud veranderen. Daarmee veranderen de culturen en dus ook de aard van de blokkade. Maar deze beide factoren der verandering gaan voor de mens dus vanzelf en in zekere zin buiten hem om.

Van het bewust veranderen van een mentaliteit is dus volstrekt geen sprake. Ook de groei naar volwassenheid heeft niets met het veranderen van mentaliteit te maken. De mentaliteit is gevolg van de voor waar gehouden werkelijkheid als voorstelling. Op grond van die schijnbare waarheid is daar dat vasthouden, met als gevolg dat de mens zichzelf verhindert de ware werkelijkheid te kennen en te beleven. Mocht hij ooit tot volwassenheid komen, dan geschiedt dat niet doordat hij zich een andere mentaliteit eigen maakt. Waar moet hij die trouwens vandaan halen? Zijn gehele zelfbewustzijn is toch bevangen in onvolwassenheid en dus is de door hem bedachte nieuwe mentaliteit dat ook. Zijn groei naar volwassenheid echter verloopt langs de weg van de geboorten, doordat de blokkade almaar minder effectief wordt. Dat is op zijn beurt het gevolg van een almaar doorzichtiger worden van de voorstelling, vanwege in het laatste stadium van de ontwikkeling zich doorzettende analyse van... uitgerekend de voorstelling! Door die analyse geraakt de mens steeds meer in twijfel over zijn waarheid en door die twijfel is het streven om de voorstelling vast te leggen als de waarheid steeds minder effectief. Men gaat, met andere woorden, de relativiteit van de waarheid inzien. Uiteraard leidt dat aanvankelijk ook weer tot excessen zoals op het ogenblik de intellectuele lafheid van het filosofische postmodernisme.

Waanvoorstellingen-1 ; Waanvoorstellingen-2 ; Waanvoorstellingen-3 ; Waanvoorstellingen-4 ;

No. 204

lees ook vanaf 200†††† Loutering-1Louteringsproces-2

Het kan geen kwaad nog eens even na te gaan hoe het proces tussen de polen zelfbewustzijn en bewustzijn verloopt. Ik heb al gezegd dat je dat als een almaar voortdurend proces moet zien en dat er in dat proces als het ware een cirkelbeweging gemaakt wordt. Eigenlijk is het beter om van een spiraalbeweging te spreken omdat de zaak tijdens zijn voortgang nooit meer terugkomt op een eenmaal doorlopen situatie. Als bijvoorbeeld bij de man het beeld teruggebogen wordt naar het zelfbewustzijn en zo tot wijsheid wordt, is de oude voorstelling overwonnen. Het door mij bedoelde proces is dus niet alleen maar cyclisch (rondgaande) maar tegelijkertijd lineair (voortgaande). Dat nu is zichtbaar te maken aan de spiraal. Als het nogmaals over de mens als man gaat speelt zich het volgende af: door de werking van de werkelijkheid als zelfbewustzijn doet hij via een heel scala van ervaringen en de daarbij behorende analytische verwerking een zekere hoeveelheid kennis op, kennis die zich samenvoegt tot een voorstelling; deze tot een voorstelling opgebouwde kennis wordt vervolgens gespiegeld aan de werkelijkheid als bewustzijn en op die manier getransformeerd tot een samenhangend, in zichzelf genuanceerd, beeld van de werkelijkheid; de werkelijkheid als bewustzijn die nu als het ware gestalte heeft gekregen en die nu, doordat zij tot een beeld geworden is, een inhoud heeft gekregen, beweegt zich op haar beurt naar het zelfbewustzijn en wordt daar tot wat je zou kunnen noemen wijsheid of weten. Van de fase van de alsnog in het bewustzijn als beeld aanwezige oorspronkelijke kennis is te zeggen dat het een zien geworden is. De volgorde is dan; kennis, zien en tenslotte weten of wijsheid. Deze hele gang van zaken zou je ook kunnen benoemen als een louteringsproces. Ik heb er ook al uitvoerig over gesproken dat de weg van zelfbewustzijn naar bewustzijn, zoals die door de kennis afgelegd wordt, in elke cultuur geblokkeerd is. Maar ook heb ik laten zien dat de vrouwelijke weg, namelijk die van bewustzijn naar zelfbewustzijn eveneens door een blokkade gehinderd wordt. In de bovengenoemde verduidelijking van het proces bij de man komt dit er dus op neer dat er bij hem nog een blokkade is, namelijk in de bij hem optredende vrouwelijke beweging van zien naar wijsheid of weten. Over de aard van die blokkade zal ik het nog hebben.

Uiteraard zijn er bij de vrouw ook twee blokkades, dat wil zeggen; de blokkade laat zich zowel bij de man als bij de vrouw op twee manieren gelden. Het proces van bewustzijn naar zelfbewustzijn is bij de mens als vrouw onderhevig aan de eerste manifestatie van de blokkade en de (mannelijke) teruggang aan de tweede. Ook hier kom ik nog op terug. Trouwens, het hele proces bij de vrouw verlangt nog wat nadere toelichting. Het kenmerkende van de volwassen mens, zoals die in het verre verschiet ligt, is dit dat hij (en natuurlijk ook zij) geen last meer heeft van blokkades. Dat komt doordat hij niet langer bezig is zijn voorstelling van de werkelijkheid vast te houden, wat hij tijdens zijn aanvankelijke onvolwassenheid almaar deed omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat die voorstelling de waarheid zou laten zien. Naast de waarheid is er niet nog een andere waarheid, dus alles wat aan de geldende waarheid in de weg zou kunnen staan en wat er twijfel aan zou kunnen zaaien wordt met, grote stelligheid afgewezen, en dat al bij voorbaat! Dit bij voorbaat en zonder pardon verwerpen van een mogelijke andere en nieuwe waarheid blokkeert de hiervoor besproken cyclische, of beter: spiraalvormige beweging tussen de polen zelfbewustzijn en bewustzijn. In elke cultuur, hoe mooi, verstandig, redelijk, wetenschappelijk of religieus ook, treden die blokkades op, juist doordat culturen per definitie uitwerkingen zijn van als waarheid geformuleerde, onbetwijfelbare, ideeŽn omtrent de werkelijkheid.

Overigens, een cultuur zou zich niet kunnen ontwikkelen als er niet dat dogmatisch vasthouden aan een idee was. Als er in een alsnog onvolwassen wereld een mens is met een volwassen aanleg (want dat is een kwestie van aanleg) dan heeft zo'n mens het moeilijk temidden van zijn geblokkeerde tijdgenoten. Niet dat hij of zij almaar loopt te tobben, maar wel dat er sprake is van een voortdurend gemis van aansluiting met de geest van de tijd en de medemensen. Die in aanleg volwassen mens werkt zich door de vanuit de conditionering gegeven blokkades heen en dat kan onder omstandigheden een hevige strijd zijn, namelijk als en voor zover hij meent de andere mensen aan zijn zijde te moeten krijgen. Dat is dan een strijd met datgene dat vanuit de culturele buitenwereld als de waarheid, en dus als de maat, gesteld wordt. Die strijd met de cultureel gegeven uitwendige werkelijkheid kennen wij uit de literatuur als het drama, waaraan de held overigens onafwendbaar ten gronde gaat. Het door de blokkade heengaan is een persoonlijke zaak. Je moet het zelf doen! Het gaat er hierbij dan niet om dat de man zich meer vertrouwd maakt met zijn bewustzijn en het gaat er al helemaal niet om zijn bewustzijn te ontwikkelen of te verruimen, zoals men in het New-Age-denken wil. Het bewustzijn laat niets met zich doen, het is onaantastbaar. Maar de blokkade laat zich wel doorbreken, zij het vaak met grote moeite en veel verdriet... De drijvende motor daarbij is de twijfel. Als de wereld tenslotte volwassen geworden is hebben de blokkades zich opgeheven. Ze zijn weggesmolten. Dat komt doordat de mensen dan zichzelf zijn geworden. Als zodanig vinden de genoemde spiraalsgewijze processen onbelemmerd doorgang en dan wordt de voorstelling ook niet langer vastgehouden vanuit de mening dat hij de waarheid zou tonen. De echte waarheid vertoont zich dan vanzelf. De werkelijkheid als beeld spiegelt zich vanzelf af aan de voorstelling. Dat gaat inderdaad vanzelf omdat de werkelijkheid als beeld wezenlijk bij de mens behoort. Op het moment dat de mens dus straks de waarheid vindt wordt er niet iets aan zijn leven toegevoegd, iets wat er eerst niet was, maar wordt er daarentegen iets ontdekt, namelijk van zijn bedekking (de blokkade) ontdaan. Bovendien spreekt het voor zich dat aan het laatste verschijnsel, dat de mens is, niets meer toe te voegen is. Alles is volledig aanwezig, maar het kan er tijdens de onvolwassenheid niet of slechts met grote moeite uit.

De blokkade, zowel bij de man als bij de vrouw, verhindert als het ware de loutering. Dat wil zeggen dat verhinderd wordt dan alles wat de mens aan de weet is gekomen getransformeerd wordt tot wijsheid en als zodanig niet langer in het teken staat van het begrip overleven, en dus in het teken van het particuliere eigenbelang, maar in het teken van het begrip leven waarin het eigenbelang niet langer particulier is maar sociaal. Omdat voor de mens het begrip individu geldt moet er noodzakelijk van eigenbelang gesproken worden, want ieders leven is steeds mijn leven. Wat echter in het licht van de volwassenheid essentieel is, is het feit dat dit eigenbelang tenslotte sociaal is, namelijk in het teken komt te staan van het met zijn allen zijn. Dat is dus heel wat anders dan het opgaan in het collectief (de zogenaamde gemeenschap) zoals de onvolwassen mens, de particuliere individu, nastreeft. Doorzetten van een, onvermijdelijk daarop gegronde, ideologie levert een mens op die in belangrijke mate verstoken is van een autonome, zelfstandige menselijkheid. Het is iemand die zijn normen en waarden aan geÔndoctrineerde theorieŽn ontleent. Vallen dergelijke ideologische dwangsystemen weg, dan breekt vaak letterlijk het beest los. Dat beest is de mens in het licht van het begrip particulier individu en dat dan op de meest primitieve wijze. Zo'n mens staat in principe niemand toe ook te leven; voor hem is de ander op zijn best een enigszins bruikbaar werktuig...

Loutering-1Louteringsproces-2

No. 205

Hoer-1 ; hoer-2

We moeten er goed op letten dat het steeds het zelfbewustzijn is dat zich als het ware afschermt. De telkens door mij genoemde blokkade is er dus vanuit dat zelfbewustzijn. Dat is het geval bij de man en het is het geval bij de vrouw. Dit heeft tot gevolg dat er een asymmetrische verhouding tussen man en vrouw bestaat. De een is niet het tegengestelde van de ander, maar beiden zijn, hoewel gegrond in dezelfde cluster van verhoudingen, volstrekt verschillend. Door die overeenkomende cluster van verhoudingen geldt voor beiden de werkelijkheid als zelfbewustzijn, met de daarbij behorende eigen persoonlijke voorstelling van de realiteit en uiteraard geldt ook voor beiden de werkelijkheid als bewustzijn. Deze laatste werkelijkheid is natuurlijk voor een ieder dezelfde omdat het de werkelijkheid als in de materie trillend geheel is dat een beeld geeft van de waarheid, oftewel de echte werkelijkheid. Er is dus een asymmetrische verhouding. Bij de man belet het zelfbewustzijn in eerste instantie dat de voorstelling, met de zo goed mogelijk verantwoorde wetenschappelijke kennis, zich gaat spiegelen aan het bewustzijn, en in tweede instantie houdt het zelfbewustzijn, fungerend als blokkade, het zich opdringende bewustzijn, met als inhoud de gelouterde (tot wijsheid geworden) kennis, tťgen. Dat dringt zich op, want waar een mens is is uiteraard ook bewustzijn. Maar het mannelijke zelfbewustzijn verhindert dat het zich kan laten gelden. Anders gezegd: de toetsing van de kennis aan de waarheid wordt verhinderd en de transformatie van waarheid tot wijsheid kan ook geen doorgang vinden. Gevolg is dat de man altijd met het verhaal komt dat het goede niet kan en dat de waarheid niet kan bestaan. Hij beweert steevast dat het allemaal wel mooi is en dat het prachtig zou zijn als de realiteit zo was, maar dat het helaas zo niet kan. Hij heeft dan de smoes dat het alles zo eenvoudig niet is en dat je de zaak van alle kanten moet bekijken, iets wat hij in feite zelden doet, juist omdat hij dan de kans loopt inderdaad op een vleugje waarachtige waarheid te stuiten. Bij de moderne man ligt het bovenstaande extra scherp omdat hij, vanuit de moderne cultuur, gericht is op en bevangen is in zichzelf als zelfbewustzijn. Maar dat zelfbewustzijn is nu juist de blokkerende factor die niet alleen in de moderne westerse cultuur, maar in alle culturen zijn werk doet. De moderne man blokkeert zichzelf dus dubbelop.

Deze blokkade is er dan ook de oorzaak van dat onze moderne westerse cultuur volstrekt mannelijk van aard is en dat het bovendien een absolute mannencultuur is. Het begrip macho is hier wel degelijk op zijn plaats. Dat alles versterkt enerzijds in de man de overtuiging dat het begrip waarheid alleen, en dan onder strenge voorwaarden, van toepassing is op de vanuit zijn eigen voorstelling onderzochte en geanalyseerde wetenschappelijke werkelijkheid, om zich anderzijds op bijna agressieve wijze te keren tegen alles wat zijn waarheid dreigt aan te tasten, in feite dus intuÔties, invallen, vermoedens en dergelijke. Dat er zelfs maar enige betrouwbaarheid zou schuilen in zulke gewaarwordingen wordt door de moderne man bij voorbaat en met grote stelligheid bestreden. Dat wat met het bewustzijn samenhangt kan niet waar zijn, kan geen toepassing vinden, kan geen leidraad zijn voor beleid, kan nimmer... enzovoort! Bij de vrouw liggen de zaken volstrekt anders. Ik heb er al vaak op gewezen dat dit tegenwoordig niet waar mag zijn en dat er een streven is vrouw en man als identieke wezens te beschouwen, maar ondanks alle drukte die hierover gemaakt wordt blijft toch het feit overeind dat beiden, vrouw en man helemaal niet gelijksoortig zijn, en ook dat zij zelfs niet elkaars gespiegelde zijn. Bij de vrouw gaat alles uit van het bewustzijn.

Dat is op zichzelf om te beginnen een leeg bewustzijn, hetgeen wil zeggen dat er nog geen concrete inhoud is. Intussen dringt dit bewustzijn zich wel op, en wel in de richting van het zelfbewustzijn. Dat is de instantie die aan het aanvankelijk inhoudsloze bewustzijn inhoud zal moeten geven: het omzetten tot een zaak van kennis, oftewel het eerder door mij genoemde onzegbare zegbaar maken. Maar, datzelfde zelfbewustzijn houdt het proces tegen. Dat is dus niet alleen de man die het tegen houdt, maar vooral ook de vrouw zelf die, als kind van haar tijd, ook zichzelf als zelfbewustzijn gebruikt als blokkade tegen het eigen bewustzijn.

De ervaring die de vrouw doorgaans hiervan opdoet is deze dat zij het alles overheersende gevoel heeft dat haar wezen niet gelden mag... Enerzijds mag de vrouw haar bewustzijn niet laten gelden en anderzijds- in de (mannelijke) teruggaande beweging van zelfbewustzijn naar bewustzijn - is het haar verboden haar voorstelling te spiegelen aan de vrouwelijke werkelijkheid van het bewustzijn, die er een is van innerlijke samenhang, harmonie, schoonheid en ontvankelijkheid (omdat alles in haar aanwezig is en als zodanig tot zijn recht komt). Aan de vrouw is letterlijk alles verboden. Haar eigen wezen mag er alleen maar zijn voor zover het door de man toegestaan wordt, maar ook voor zover het door de man in haarzelf goedgevonden wordt. Het mag dan ook geen wonder heten dat in de westerse beschaving de vrouw geheel en al onderdrukt is en dat is ook het geval als en voor zover zij tegenwoordig deel mag nemen aan het (bezit van de man zijnde) maatschappelijke leven. Al ziet het leven van de moderne vrouw er nog zo geŽmancipeerd uit, nog steeds geldt zij als de aan de man meekomende. Vroeger, bijvoorbeeld in de Europese Middeleeuwen, manifesteerde het verboden vrouw-zijn zich tamelijk onverbloemd. Er was onmiskenbaar sprake van een schaamteloze vrouwenhaat. Die haat uitte zich voornamelijk met betrekking tot vrouwen die heksen genoemd werden. Het typerende van deze vrouwen is nu juist dat zij een uitgesproken vrouw-zijn aan de dag legden: op hun, uiteraard vaak onbegrepen manier stelden zij zichzelf als het organisch natuurlijke. In hun relatie tot de zogenaamde duivel kwam tot uiting dat zij het natuurlijk mannelijke, dat ongrijpbaar, vluchtig en naamloos is, tot inhoud hadden. Het spreekt vanzelf dat dit alles uiterst vijandig is aan het op zichzelf gerichte eenzijdig zelfbewuste mannelijke van de westerse man. Niet alleen de heksen waren het kind van de rekening. Ten aanzien van de hoeren lagen de zaken nog agressiever. Door de gehele westerse geschiedenis heen loopt het verbeten streven de hoeren te verjagen en de hoererij te verbieden. Tegelijkertijd werd het bedrijf van de prostitutie almaar in stand gehouden, enerzijds omdat de hoeren zich niet uit lieten roeien, maar vooral ook omdat nu juist die mannen hun bestaan van node hadden. Verteld wordt doorgaans dat dit was om aan hun behoeften te voldoen en om hun seksuele verveling enigszins in goede banen te leiden - en dat verhaal klopt praktisch wel - maar waarom het werkelijk gaat is natuurlijk dat het wezenlijk ontvankelijke vrouwelijke niet ontkend kan worden. Het kan weliswaar niet gelden en voor de westerse vrouw zelf mocht het niet gelden, maar het was er tochÖ!

Aan de, over het algemeen diep treurige, geschiedenis van de heksen en de hoeren kun je zien hoezeer de vrouw er niet mag zijn en volgens de man er niet kan zijn. Die geschiedenis ving al aan het begin van Europa aan. De roomse geestdrijver Paulus schold al op de hoererij, maar daarmee bedoelde hij geen echte hoeren, zoals ons doorgaans voorgehouden wordt, maar de vrouw als hoer, namelijk de vrouw als het ontvankelijke, schone en vredige beginsel! Die vrouw was uit de, vrouwelijk ingestelde, oudheid overgewaaid. Zij moest tegen elke prijs bestreden worden omdat zij een gevaar is voor het zich in zichzelf afsluitende dictatoriale zelfbewustzijn.

Hoer-1 ; hoer-2

No. 206

Een opmerking over het begrip de menselijke natuur is thans op zijn plaats omdat het bij de bespreking van de wisselwerking tussen zelfbewustzijn en bewustzijn bij de vrouw en bij de man juist over die natuur gaat. Gewoonlijk wordt er onder natuur verstaan het gehele complex van levende wezens voor zover het begrip levend-zijn ervoor geldt. De natuur van de mens is dan zijn evolutionaire biologische grondslag, en met betrekking tot die grondslag wordt tot op de dag van vandaag door geestelijken en denkers beweerd dat die overwonnen moet worden. De mens zou zich tot een cultuurwezen moeten ontwikkelen en het zogenaamde dierlijke achter zich moeten laten. Hij zou zich moeten omhoogwerken van natuur tot cultuur. Maar in deze gedachtegang wordt voorbij gegaan aan het feit dat datgene wat het dierlijke, de natuur genoemd wordt, nu juist inhoudt dat er voor de mens zoiets als zelfbewustzijn geldt en dat hij onder andere daardoor weet kan hebben van zichzelf als bewustzijn. Je kunt ook zeggen dat de mens natuur en cultuur ineen is en dat er van hem helemaal geen omhoogwerken verwacht mag worden. Hij zal zichzelf langzaam maar zeker vinden en waarmaken en dat is alles! Als ik het heb over de natuur van de mens doel ik op zijn wezenlijke aard, doel ik op dat verschijnsel dat als laatste mogelijkheid voor de dag komt en dan houdt dat alles in dat, op welke manier dan ook, voor dat verschijnsel geldt. Voor zover het vervolgens gaat over de genoemde spiraalvormige beweging tussen zelfbewustzijn en bewustzijn gaat het over niet-materie (zelfbewustzijn) en materie (bewustzijn) en dat is samen te vatten onder het begrip materie als niet-materie. Die beweging laat zich in het verschijnsel vrouw gelden en hij laat zich in het verschijnsel man gelden, en dat is een zaak die op zichzelf niets met willen of kunnen of moeten te maken heeft. Hij vindt plaats buiten alle menselijke ingrijpen om, maar de blokkade (die er is vanuit het zelfbewustzijn en dan speciaal het denken) is wel van willen, kunnen en moeten afhankelijk. Het is immers het door de mensen voor waar houden van de voorstelling die die afhankelijkheid oproept. Daarmee wordt die spiraalvormige beweging een illegale, een die volgens de man niet kan en die volgens de vrouw niet mag. De vrouwen mogen zo ongeveer niets, althans waar het gaat over wezenlijk vrouwelijke eigenschappen, zoals saamhorigheid, huiselijkheid (in de zin van voor alles een tehuis zijn), ontvankelijkheid, moederlijkheid, zorgzaamheid en de daarbij behorende begrippen, liefde en schoonheid.

Die eigenschappen mogen alleen maar dan als zij gericht zijn op de man en het mannelijke en er dus voor iets - iemand - anders zijn. Op zichzelf, als wezenlijke vrouwelijkheid, wordt het laten gelden ervan niet toegestaan, tenzij oogluikend in de prostitutie, maar ook dan is de zaak dienstig aan de man! De mannen daarentegen mogen alles was des mans is. Zij mogen vrouwen verleiden, liegen en bedriegen (dat is politiek en dat is zakendoen en dergelijke), elkaar naar hartelust doodslaan, enzovoort. Zij behoeven zich van het bewustzijn niets aan te trekken omdat je daarmee toch niets aan kunt vangen; hun geweten is alleen maar lastig en moet tot zwijgen gebracht worden. Inderdaad, ten opzichte van elkaar zijn er bepaalde beperkingen, maar er is in feite niets verboden. Wel echter is er het soms frustrerende besef dat er van de goede dingen niets kan, dat een goede wereld onmogelijk is en slechts een schone droom kan en moet blijven. De vrouwelijke beweging binnen de spiraalvormige wisselwerking tussen bewustzijn en zelfbewustzijn kan niet volvoerd worden. Hij zou de wereld op zijn kop zetten, volgens typisch mannelijk denken!

Hoe dichter de mens bij zichzelf komt gedurende zijn ontwikkeling, hoe meer genoemde blokkade gaat slinken. Dat geschiedt doordat datgene dat voor waar gehouden wordt, namelijk de wetenschappelijk verantwoorde werkelijkheid als voorstelling, steeds meer diffuus wordt. Men weet steeds minder waarover het nu werkelijk gaat! Een veelzeggend voorbeeld daarvan is het post- modernistische denken dat alles kwalitatief over ťťn kam scheert en volstrekt niet in staat is ergens een waarachtig oordeel over te geven. Overigens, met het slinken van de blokkade komt er niet een particulier individu te voorschijn, maar een universeel individu die in zichzelf alles en iedereen insluit en die dus op zijn eigen specifieke wijze de werkelijkheid als geheel (bewustzijn) is. Die particuliere individu, die alleen maar alles wil hebben om het te overheersen, die individu heft tegelijkertijd met het bovenstaande zichzelf op. Of beter: zet zichzelf om tot universeel individu. Zolang en voor zover dat nog niet in orde gekomen is staart de particuliere individu zich blind op de door hem voor waar gehouden wetenschappelijk verantwoorde voorstelling. Die verblindt hem zodat hij, om met Hegel te spreken, van zichzelf en de werkelijkheid vervreemd raakt. Tot op de dag van vandaag projecteert de mens zich in zijn denken naar boven. Dat wil zeggen dat hij vindt dat hij zijn natuurlijkheid af moet leggen en een geestelijk wezen zou moeten worden. Als je inziet hoe het met de mens werkelijk zit herken je in het bovenstaande onmiddellijk weer een als eis stellen van een evidentie. Uiteraard is dat een denkfout, maar helaas wel een bijzonder hardnekkige. De mens namelijk, als laatste verschijnsel, is reeds van nature een ontkenning van het natuurlijke. Hij behoeft dat niet te worden! Maar, die ontkenning is van een zodanige aard dat hij het natuurlijke wel op een volledige en volkomen wijze inhoudt. Een ander opmerkelijk feit is dit dat het naar boven projecteren ertoe leidt dat de mens er naar op zoek is zichzelf en de gehele werkelijkheid te kunnen overheersen. Daarin speelt de misvatting een rol dat het geestelijke boven alles uitgaat en daardoor alles aan zich onderwerpt. Het overheersingsdenken behoort tot de cultuur van het zich ontwikkelen van het zelfbewustzijn. Het is dan ook een denken dat nog steeds hand over hand aan invloed en toepassing toeneemt. Je kunt bijvoorbeeld opmerken dat de technologie, die er eigenlijk is om de mensen een geriefelijk leven te bereiden, steeds meer in het teken van heersen en overheersen komt te staan. Het geriefelijke leven krijgt daardoor het karakter van een kasplant, geheel en al afhankelijk van de computer en het management. Men wil ruimtestations bouwen, planten en dieren genetisch veranderen opdat ze zich naar de wensen van de mens zullen voegen, en natuurlijk wil men ook de mens tot een willig werktuig in handen van de machthebbers maken.

Die machthebbers zelf zijn daarvan uiteraard vrijgesteld, zodat zij naar hartelust teveel van alles kunnen binnenhalen, met als gevolg dat verder iedereen voortdurend te weinig heeft. De cultuur van het zelfbewustzijn levert een heleboel kennis op en een bijna almachtige technologie, maar tegelijkertijd leidt zij ertoe dat iedereen te weinig heeft omdat iedereen teveel heeft. De droom van een Brave New World is nog in volle sterkte levend. Het verhaal van Machiavelli (1469-1527) over Il Principe (de vorst) wordt door de moderne technologie steeds meer realiteit. Het bedrieglijke daarbij is dat het er op lijkt alsof de hedendaagse democratie het overheersen door machthebbers terugdringt of zelfs onmogelijk maakt, maar in feite is de macht van de bovenlaag gigantisch toegenomen, niet in het minst door de gewillige en arrogante medewerking van het voetvolk van de media. Dat wordt in niet geringe mate bevorderd door het feit dat genoemd overheersingsdenken zich in bijna alle, tot de moderne cultuur behorende, mensen laat gelden.

No. 207

Het zogenaamde overheersingsdenken behoort bij de culturele ontwikkeling van de werkelijkheid als zelfbewustzijn. Als dit zelfbewustzijn zichzelf als object en dus als de maat stelt laat zich eenzijdig gelden dat het begrip niet-materie er deel van uitmaakt. In de opeenvolging van begrippen - die er is omdat in wezen alles beweeglijk is - komt het begrip niet-materie als laatste. Dat betekent voor het onvolwassen denken dat er van het hoogste gesproken moet worden, dat boven alles uitgaat en dus ook alles overheerst. De factor van het overheersen is er logisch niet uit te denken, maar het is wel zo dat ook hij in een volwassen situatie zijn rol zal moeten spelen binnen het eerder genoemde spiraalvormige proces. Hij zal zogezegd gerelativeerd moeten worden, dat wil zeggen: bekeken moeten worden in het licht van het (vrouwelijke) bewustzijn. Het bewustzijn dwingt het besef van overheersing zich als het begrip zorg te gaan laten gelden. Dat betekent dat het in onze macht hebben, wat het overheersen in feite is, niet langer leidt tot het naar onze wil en voorstelling veranderen van de werkelijkheid omdat wij vinden dat zij verbeterd moet worden, maar tot een voortdurende zorg om haar zo goed mogelijk tot haar recht te laten komen. Een voorbeeld daarvan zou de ecologische wetenschap kunnen zijn. Op het ogenblik is deze nog noodgedwongen bezig met de poging de natuur te redden, maar er zijn al tekenen die erop wijzen dat de ecologie gaandeweg over zal gaan naar het op wetenschappelijke wijze verzorgen van de natuur. Deze verzorging is, zoals duidelijk zal zijn, niet mogelijk zonder de spiegeling aan de werkelijkheid als bewustzijn, een spiegeling die de mens tot de overtuiging brengt dat hij qua werkelijkheid te doen heeft met ťťn groot, in zichzelf samenhangend, geheel. Naar aanleiding van mijn bespreking van de in de vrouw en in de man plaats vindende spiraalvormige processen moet opgemerkt worden dat je onderscheid kunt maken tussen een tweetal wijzen van denken. De eerste is de statische te noemen en die is de in de moderne cultuur gebruikelijke. Dat is zozeer het geval dat het maar uiterst zelden voorkomt dat je de andere wijze van denken, namelijk de dynamische of procesmatige tegenkomt. Het statische denken is een verzamelaars denken waarin het een naast en tegenover het ander gesteld wordt. Beide grootheden hebben eigenlijk niets met elkaar te maken, maar worden op een zodanige wijze opgevoerd dat zij op elkaar invloed uitoefenen. In feite wordt er dan een betrekking of relatie tussen beide verondersteld. Daarna wordt nagegaan tot welke resultaten zo'n relatie kan leiden en daarbij gaat het er om tot een evenwicht te komen. Dan is de zaak tot rust gebracht totdat er onvermijdelijk een verstoring optreedt en het hele gedoe opnieuw begint, wederom met als doel tot een evenwicht te komen.

Een voorbeeld is het al sinds de Griekse filosofie voortslepende geschil tussen diegenen die bij het denken over de maatschappij het individu als maat stellen en anderen die dat met de gemeenschap doen. Steeds zoekt men de oplossing van dit schier onoplosbare probleem in een of ander evenwicht; het individu zal wat moeten inleveren ter wille van de gemeenschap en de gemeenschap zal tolerant moeten zijn ten aanzien van het individu. Resultaat is dat geen van tweeŽn behoorlijk tot zijn recht kan komen, zij blijven allebei (ver) beneden hun mogelijkheden. Het almaar zoeken van een evenwicht is niets anders dan het zoeken van iets dat vaststaat. De werkelijkheid wordt beschouwd als een vaststaande zaak, die weliswaar telkens verstoord wordt, maar die uiteindelijk toch gekenmerkt wordt door het, vaststaande, het statische. Zo bekeek ook Newton de mechanica. Voor hem was een beweging een snelle opeenvolging van momenten van stilstand.

Hoewel toegegeven moet worden dat hij met die opvatting in staat was bijvoorbeeld een kogelbaan te berekenen, en dat dat denken dus onmiskenbaar tot bruikbare resultaten leidt, is het toch een feit dat het op een verkeerde vooronderstelling berust. De werkelijkheid is niet statisch, maar dynamisch. Het statische denken behoort bij en is gevolg van de blokkade die door de moderne onvolwassen mens tussen zichzelf als zelfbewustzijn en zichzelf als bewustzijn is aangebracht, op zijn beurt tengevolge van het als absolute waarheid stellen van de werkelijkheid als voorstelling. Beweegt het denken zich echter tussen bewustzijn en zelfbewustzijn en is die blokkade dus opgeheven, dan blijkt het probleem van de onverzoenlijke tegenstelling tussen individu en gemeenschap een schijnprobleem te zijn. Noodzakelijkerwijs uitgaande van de mens als individu, die na geruime tijd van culturele ontwikkeling zichzelf vindt, kom je onvermijdelijk uit bij de mens als gemeenschap. Dat wil zeggen dat je dan een mens aantreft voor wie het zichzelf-zijn (de individu) onmiddellijk gemeenschap-zijn is. Zoals ik al vaker heb laten zien is in die volwassen mens te voorschijn gekomen dat de grondslag van zijn leven het bewustzijn is, het bewustzijn dat, samen met het zelfbewustzijn, het gelden van De Grote Vierslag veroorzaakt (zie de gelijknamige verhandeling). Er zijn dus geen twee van elkaar gescheiden begrippen die eventueel op elkaar inwerken en als zodanig mogelijk tot een evenwicht komen, zonder ooit qua betekenis op een hoger plan te komen, maar er is ťťn proces dat zich, wat dit voorbeeld betreft, beweegt van het individu (de enkeling) naar de gemeenschap. Het begrip gemeenschap houdt de ontwikkelde individu in en het begrip individu betekent onmiddellijk gemeenschap. Deze procesmatige gedachtegang echter komt bij de moderne mens maar uiterst zelden voor en als hij voor de dag komt wordt hij niet begrepen en afgewezen... Onlangs voerden filosofen een discussie over de tegenstelling tussen relativisme en absolutisme. Deze discussie is actueel door toedoen van het post- moderne denken, dat de filosofie beheerst, maar niet alleen de filosofie; het gehele denken is er door besmet. Men stelt dan het relativisme en het absolutisme als twee van elkaar gescheiden grootheden en gaat vervolgens na welke relaties er mogelijk zijn. Zo kun je spreken van een absoluut relativisme waarin als waarheid geldt dat letterlijk alles relatief is. Uiteraard loopt dat uit in de gesteldheid van ieder het zijne, een gesteldheid waarin men het beoordelen van een zaak expres achterwege laat. Typisch post- modernistisch dus. Men vindt dat het toppunt van wijsheid! Maar, je kunt ook spreken van relatief absolutisme waarin het gaat om een bepaalde groep van mensen die claimen het absolute in de zak te hebben. Dat is het geval bij elke godsdienst, en vooral de orthodoxe varianten daarvan.

Het relatieve is dan gelegen in het feit dat er ook nog mensen zijn die dat absolute in het geheel niet herkennen en erkennen. Wat is nu het geval? Er komt wel een aantal varianten van evenwichten te voorschijn, maar nooit komt er een oplossing, laat staan een oordeel. Het gedoe leidt niet tot de waarheid. Bedoelde filosofen kwamen dan ook geen stap verder, behalve dat zij een aardige, maar volkomen zinloze, analyse van het geval gaven. Zouden zij niet statisch maar dynamisch gedacht hebben, dan zouden zij hebben begrepen dat elke denkweg begint met zoveel mogelijk informatie (data) die onbevooroordeeld verzameld en ingedeeld wordt. Dat is het relativistische begin van de zaak. Gaandeweg ontstaat er dan een beeld van het gehele thema en dat leidt ertoe dat je in absolutistische zin gaat zoeken naar de waarheid. Je wilt weten hoe het zit! Dit laatste is zoveel mogelijk ontdaan van relativistische tendensen. Je kunt tot een foute conclusie (waarheid) komen, maar een waarheid is het...

No. 208

Het jachtige leven (nummers 208t/m 210) ; Beleving-zie pag. 208 t/m 210 ;

Genoemde spiraalvormige processen, die essentieel zijn voor het leven van de mensen, spelen zich niet uitsluitend af in het denken van de mens. Je zou kunnen zeggen dat zij gelden voor de gehele belevingswereld van de mens. Of hij nu wel of niet over een bepaalde zaak of over een bepaald thema nadenkt, ja zelfs of dat denken nu robotachtig is (actief bij het dagelijkse gedoe inclusief het uitoefenen van een vak en dergelijke), wetenschappelijk (actief bij het onderzoeken van de werkelijkheid als voorstelling) of filosofisch (actief bij het nagaan van wat zich aan de voorstelling afspiegelt), steeds volgt het denken de weg van bedoelde processen. Het is niet mogelijk die gang van zaken uit te schakelen of te reguleren. Maar wel is het mogelijk de weg van zelfbewustzijn naar bewustzijn (en omgekeerd) af te sluiten, er een blokkade in aan te leggen. Zo'n blokkade tast het proces op zichzelf niet aan, maar het verhindert het gelden ervan. Zowel het alledaagse denken als het wetenschappelijke denken als het filosofische denken verloopt dus volgens het besproken proces en alle drie worden zij vanuit de normen en waarden van een bepaalde cultuur geblokkeerd. Gemakkelijk is dat te begrijpen als het over het alledaagse denken en het wetenschappelijke denken gaat, maar onwaarschijnlijker is het wat betreft de filosofie. Als je evenwel de huidige academische filosofie als filosofie beschouwt, dan is er wel degelijk en in ernstige mate van een blokkade te spreken. Een dergelijke blokkade is waar te nemen bij alle vormen van filosofie, of die nu oosters of westers is, uit de oudheid of uit de moderne tijd. Steeds is er de overgrote meerderheid van geblokkeerde filosofie. Die speelt zich als regel af in de intellectuele bovenlagen van de maatschappijen. Het zijn de zogenaamde filosofische scholen. Verscholen onder die bovenlagen echter wroeten de creatieve filosofieŽn. Wil je alleen die als een filosofie waarderen, dan is te zeggen dat bij dat filosofische denken de bedoelde spiraalvormige processen per definitie niet geblokkeerd kunnen zijn. De menselijke belevingswereld is niet alleen een kwestie van denken. Ook het zien van de werkelijkheid, als een onmiddellijk ervaren ervan, behoort ertoe en is zelfs een uiterst belangrijke factor. Op zichzelf betrekt het zien zich natuurlijk op de werkelijkheid als voorstelling, maar omdat het steeds begint bij de alsnog niet onderzochte, ongerepte, voorstelling speelt ook de werkelijkheid als beeld mee. Deze straalt door, spiegelt zich af. Pas bij het zich inzetten van nader onderzoek wordt het zien vervangen door het denken en dan kan de blokkade zich weer doen gelden. Zo kun je constateren dat de godsdiensten begonnen zijn met een zien van de werkelijkheid naar haar waarheid - uiteraard verwoord in de termen van de dan heersende cultuur.

Je ziet bijvoorbeeld bij het christendom dat er aanvankelijk het inzicht was dat datgene dat voorheen altijd als een buiten en boven de mensen gesitueerde goddelijke werkelijkheid was beschouwd, nu binnen de mens bleek te liggen als een voor hem geldende geestelijke werkelijkheid. Dat inzicht werd uitgedrukt in de beeldspraak dat Gods Zoon (het goddelijke op andere wijze) naar de aarde afgedaald was om onder de mensen te verkeren. Op zichzelf is dat een juist inzicht en eigenlijk ook een juiste verwoording. Dit inzicht echter werd steeds meer elke mogelijkheid tot verdere ontwikkeling ontnomen door het opwerpen van een blokkade vanuit het zelfbewustzijn en dus ook vanuit het denken. Zo ontstond er een dogmatisch vastgelegde voorstelling en dat is natuurlijk die van de christelijke godsdienst. Omdat de belevingswereld van de mens zich aan hem voordoet als een ervaring wordt deze werkelijkheid automatisch en onvermijdelijk object van het denken.

Het is moeilijk om na te gaan waar het onbevangen zien overgaat in een voorstelling die denkend benaderd kan gaan worden. Maar, dat dit gebeurt is een vaststaand feit. En dan wordt de vraag urgent of er vanuit het zelfbewustzijn een blokkade opgeworpen wordt of niet. Dat wil zeggen: sprekend over een cultuurmens is die blokkade er altijd, maar sprekend over de een of andere concrete mens kan de blokkade er zijn, maar ook niet. Dat is een kwestie van persoonlijke aanleg.

Ik heb het gehad over het dynamische karakter van het denken, maar het gaat dus eigenlijk over het dynamische karakter van de menselijke belevingswereld. Op zichzelf heeft dit niets te maken met de wereld waarin iemand leeft en de wijze waarop hij dat leven leidt. De hedendaagse wereld is er een van een uiterst ver doorgevoerde dynamiek; het jachtige leven van de bovenlaag is er een afspiegeling van. Hoe waardevoller men is in deze wereld, hoe jachtiger en hectischer het leven is dat men leidt. Dynamiek en waarde behoren in de moderne wereld bij elkaar. Maar het is de dynamiek van de onrust en dat onrustige wordt veroorzaakt door het steeds meer versnipperd raken van de werkelijkheid. Niet alleen dat de samenhang er vrijwel geheel uit verdwenen is, maar ook dat het netwerk van relaties, de onderlinge betrekkingen tussen de verschijnselen, vernietigd wordt. Daardoor ontstaat een almaar meer zoeken naar nieuwe constructies, in de hoop dat die zullen functioneren en houdbaar zullen blijken. Maar helaas: door de versnippering die eraan ten grondslag ligt stort elke onderneming, op welk gebied dan ook, steeds sneller in... Je kunt dus spreken van een dynamische wereld, maar dat is niet de dynamiek van de processen die zich tussen het zelfbewustzijn en het bewustzijn afspelen. De filosoof Immanuel Kant (1724-1804) stak volgens de verhalen elke middag om 12 uur een plein in Koningsbergen over om zich naar zijn stamcafť te begeven en daar de maaltijd te nuttigen. Een uitermate regelmatig en rustig leven dus. Men zegt dat er nauwelijks iets bijzonders in het leven van Kant gebeurd is, behalve dat hij met vrienden een glas wijn placht te drinken! Je zou dus denken dat er weinig dynamiek in Kant zat, maar het kennis nemen van zijn filosofie leert wel beter: het denken van Kant was uitermate beweeglijk en van een blokkade was nauwelijks te spreken. De regelmaat van zijn leven was voor Kant de praktische basis om vrij in zijn denken te zijn. Begrippen als regelmaat, degelijkheid, betrouwbaarheid en dergelijke lijken de moderne mens saai en ouderwets toe, maar voor iemand met een dynamische belevingswereld zijn juist dergelijke begrippen van levensbelang. Overigens, je kunt die begrippen niet opvatten als te stellen eisen, in de zin van een dynamisch mens moet degelijk zijn. Bedoelde begrippen blijken bij beschouwing achteraf te gelden. Zo kun je ook stellen dat een begrip als regelmaat ook in de muziek een belangrijke artistieke rol speelt. Maar ook hier kun je niet van tevoren regelmaat gaan eisen.

Bovendien blijkt ook hier dat het niet gaat om verhoudingen tussen verschijnselen, die dynamisch zouden moeten zijn, maar om verhoudingen tussen zelfbewustzijn en bewustzijn, tussen voorstelling en beeld, tussen schijn en wezen (waarheid). Een filosofisch denken waarin deze verhoudingen voortdurend bepalend zijn, zodat er geen scheiding is tussen tegenstellingen, maar juist op de een of andere manier een in elkaar overgaan van tegenstellingen, een dergelijk filosofisch denken is creatief. In dat denken beweegt de gedachtegang, in ons voorbeeld van relativisme versus absolutisme, zich van de ene grootheid naar de andere en andersom. Zo leidt het begrip absolutisme bij eigen vrije ontwikkeling, vanzelf naar relativisme. De mens als individu bijvoorbeeld stelt zich als een absolute zaak voor zichzelf, om juist dan tot gelding te laten komen dat de ander en het andere er ook zijn. En omgekeerd leidt relativisme, mits consequent doorgedacht, tot absolutisme.

Bladwijzers: KANT- nrs. 01 , 02 , 03 , 04 , ;

No. 209

De aanwezigheid van een blokkade, die verhindert dat er een voortdurende spiegeling is tussen het bewustzijn en het zelfbewustzijn, belet de mens om dynamisch zijn belevingswereld te verwerken. De zaak blijft bij de man vastzitten in het zelfbewuste zoals dat gestalte heeft gekregen als een vastgelegde voorstelling met als inhoud alle opgedane en ordelijk gerubriceerde kennis, en bij de vrouw blijft het vastzitten in het bewuste, met als gevolg dat er een innerlijke wereld en een innerlijk beleven in haar aanwezig is dat niet uit de voeten kan. Ook als die vrouw, een moderne geŽmancipeerde vrouw zijnde, zich in de maatschappij is gaan bewegen en zich daarin is gaan laten gelden, kan je zeggen dat haar innerlijke werkelijkheid niet uit de voeten kan. Zij heeft zich dan namelijk aan de man en het mannelijke geconformeerd en, hoewel zij zich daarmee min of meer bevrijd heeft uit de kluisters van de conventionele huwelijksmoraal, is er toch van te zeggen dat zij nog verder van huis is geraakt dan voordien het geval was. Het is eigenlijk altijd nog beter de werkelijkheid en het eigen zijn te beleven op een in zichzelf besloten, verstilde wijze dan op de manier van de man met zijn, door de blokkade, vrijwel volledig afgesloten zijn van de waarheid, de schoonheid en de liefde, die als de meest essentiŽle begrippen van de werkelijkheid als bewustzijn gelden. Ik heb gezegd dat de blokkade er oorzaak van is dat de belevingswereld van de moderne mensen een uitermate statisch karakter heeft. Het dynamische, dat kenmerkend is voor een leven waarin de bedoelde blokkade opgeheven is, ontbreekt geheel en al, met als tragisch gevolg dat de mensen steeds meer vervreemd raken van zichzelf en daarmee ook van de werkelijkheid. Hun leven wordt steeds meer een slag in de lucht een vertwijfeld tasten in het duister. Niet alleen echter dat dit het geval is, maar het opbouwen van een leefbare wereld, die een veilige en gerieflijke plaats zou moeten bieden aan alle mensen, wordt ook almaar meer een fictieve aangelegenheid, een zich te buiten gaan aan allerlei vormen van Spielerei, zoals dat in de kunst en in sterke mate in de architectuur voortdurend ernstiger vormen (letterlijk!) aanneemt. Je kunt waarnemen dat kunstenaars met grote ernst, bekwaamheid en toewijding bezig zijn met volslagen onzinnige projecten: ondernemingen waarin in toenemende mate onderwerpen aan de orde worden gesteld die betrekking hebben op die zogenaamde kunst zelve. Toneelspelers spelen dat zij toneelspelers zijn en een stuk moeten opvoeren en daarbij van allerlei moeilijkheden ondervinden; musici doen alsof zij moeilijke en schone muziek ten gehore brengen, enzovoort. En juist dat doen alsof wordt gaandeweg opgevat als de zaak van de kunst zelf. Het doen alsof wordt tot kunst verheven.

Het een versterkt het ander: de mensen raken door de blokkade, die in de moderne mens een dubbele werking heeft, steeds meer in de war omtrent zichzelf en de eigen identiteit en tegelijkertijd verwordt de zo broodnodige uitwendige wereld, de wereld van de maatschappelijke voorzieningen, tot Spielerei, tot doorgaans peperdure quasi-zinvolle flauwekul. Dat is geen vriendelijke analyse van de moderne tijd, maar het kan niet anders; als in toenemende mate de werkelijkheid als zelfbewustzijn maatgevend wordt gaat de voorstelling een steeds grotere rol spelen, en dan leidt de werkelijkheid als voorstelling tot een voorgestelde werkelijkheid. Dat is de werkelijkheid naar het begrip waan en daarvan is filosofisch met de beste wil van de wereld geen positieve beoordeling te geven, behalve eventueel deze dat de zaak zo langzamerhand echt rijp wordt voor het opkomen en wakker worden van - in de juiste zin van het woord, zie mijn verhaal over De Grote Vierslag - een nihilistisch besef in de mensen.

Dat besef opent na verloop van tijd inderdaad nieuwe perspectieven voor de mens. Qua belevingswereld is de moderne mens dus een uitermate statisch geval. Dat echter is wat anders dan het feit dat er binnen het kader van het zelfbewustzijn heel wat gaande is. Er is welhaast geen tijd geweest die, naar de ervaring van de mensen, zo snel en jachtig is als de tegenwoordige. En de nieuwe ontwikkelingen zijn bijna niet meer bij te houden voor een gewoon mens: binnen zo'n tachtig jaar zijn de meest onverwachte dingen ter beschikking gekomen en die hebben als vanzelfsprekend hun plaats in het leven ingenomen. Dat proces gaat steeds sneller, de technologie en de wetenschap worden steeds efficiŽnter. Wat dit betreft kun je niet bepaald van een statische wereld spreken. Het is juist een en al verandering en vernieuwing wat de klok slaat! Het ene is nog niet ingeburgerd of het andere verschijnt alweer. Nauwkeuriger waarneming leert echter dat al die nieuwigheden berusten op het principe van meer van hetzelfde. Zij zijn onmiskenbaar het gevolg van een toenemende bekwaamheid in het analyseren van de verschijnselen en het construeren van nieuwe dingen. Welk onderzoek je ook neemt, onveranderlijk blijkt dat er nimmer een nieuwe zienswijze, een nieuw en fris doordenken van de werkelijkheid aan ten grondslag ligt. Ook het zichzelf corrigeren van de wetenschap en het almaar dieper doordringen in de materie berust niet op een zich in de mens louterend inzicht in en begrip van de werkelijkheid en een zich spiegelen aan de waarheid (aan de werkelijkheid als bewustzijn), maar op eenmaal verkregen zekerheden en het min of meer krampachtig vasthouden daaraan. Hoewel er dus gesproken kan worden van een onvoorstelbaar grote activiteit, zo groot dat de moderne mensen het al lang niet meer bij kunnen houden, moet toch filosofisch vastgesteld worden dat er nauwelijks enige voortgang in zit. De hele zaak zit muurvast en de desondanks aanwezige activiteiten spelen zich uitsluitend af binnen dat vaste kader. Het is bijvoorbeeld volslagen ondoenlijk de economen ervan te overtuigen dat hun theorie over de noodzakelijke groei van de economie op een onwrikbaar dogma berust dat als een soort van geloofsartikel absolute onaantastbaarheid geniet. Het is volstrekt onmogelijk hen tot enig afstand nemen van eigen theorieŽn te bewegen. De economen houden stijf en strak vol dat hun gedoe op glasharde wetenschap berust, dat ondanks het onweerlegbare feit dat de voorspellende waarde van die wetenschap nihil is. Daar komt dan nog bij dat je zonder al teveel moeite na kunt gaan dat een economie als de moderne tot niets anders kan leiden dan een geweldige algemene verarming, ondanks het feit dat die economie drijft op het creŽren van een zo groot mogelijke omzet, hetgeen betekent dat er een grote hoeveelheid spullen aan meekomt.

Over het algemeen is te zeggen dat die spullen, op zichzelf beschouwd, wel degelijk nodig zijn - even afgezien van nutteloze luxe rommel die alleen maar geproduceerd wordt om de afzetmarkten te vergroten en in stand te houden. Dat die spullen gemaakt worden is dus in orde (onder genoemd voorbehoud), maar de wijze waarop daarover economisch gedacht wordt en de wijze waarop bijgevolg met die spullen omgegaan wordt deugt van geen kanten.. Op bijna alle gebieden van het praktische leven en intellectuele leven is waar te nemen dat er een grote activiteit aan de dag gelegd wordt, maar dat de dynamische beleving van de werkelijkheid alles te wensen overlaat. Wat betreft de innerlijke ontwikkeling, zeg maar de vrouwelijke kant van de zaak, is zelfs te spreken van een doodse en bloedeloze wereld. De vrouwen weten zich over het algemeen geen raad en vluchten dan maar in het feminisme of in de mannelijke variant van het eveneens geblokkeerde proces van spiegeling tussen het zelfbewustzijn en het bewustzijn.

No. 210

Brein-1 ; Terugkoppeling zie paginaís 197-1, 198-2, 199-3, 200-4, 210-5, 212-6, 214-7, 215-8

Het jachtige karakter van de moderne tijd wordt veroorzaakt door de almaar verdergaande analyse van de werkelijkheid, enerzijds, en door het ontbreken van de terugkoppeling naar het bewustzijn anderzijds. Hoe kleiner de onderdelen worden waarin de werkelijkheid uiteenvalt, hoe minder zij door relaties in een toestand van stilstand gehouden worden. De natuurkunde werkt al vrijwel uitsluitend met de kleinste deeltjes materie die men vinden kan en die zijn allemaal buitengewoon energetisch en beweeglijk. Hoe meer men de verschijnselen uit elkaar haalt, hoe losser de verbanden worden en dat levert beweging op. Het vaste karakter van de verschijnselen, omgekeerd, is immers gevolg van het in bedwang gehouden worden door netwerken van relaties. Ontbinding daarvan leidt logischerwijs tot een steeds meer in beweging zijn. Ook in de cultuur leidt het uiteenvallen in steeds kleinere segmenten tot een snellere opeenvolging van veranderingen. Het is op het ogenblik al zo dat zelfs dingen die niet veranderd behoeven te worden toch onder het mes gaan en gereorganiseerd worden! Terecht merkt men op dat onze tijd jachtig en hectisch is. De aanwezigheid van hectische activiteiten evenwel is heel wat anders dan de door mij bedoelde dynamische belevingswereld. Deze wereld is ook uitermate beweeglijk en veranderlijk, evenwel niet ten gevolge van uiteenvallen, maar daarentegen juist door zich verdiepende inzichten, door een zich voortdurend richten op de ware werkelijkheid zoals die zich bij spiegeling van zelfbewustzijn in bewustzijn laat herkennen en kennen. In feite levert juist het zien en laten gelden van het geheel een in zichzelf beweeglijke, levende werkelijkheid op. Uiteraard is deze werkelijkheid op den duur uiterst verfijnd in zichzelf: de vele details die door de analyse te voorschijn gekomen zijn worden ten gevolge van de spiegeling met het bewustzijn en dus ook door het zien van de werkelijkheid als beeld, tot een verfijnd in elkaar overgaan van nuances. Dit in elkaar overgaan is nu net de beweeglijkheid van die dynamische belevingswereld. Heb je in het geval van een statische belevingswereld (de moderne) te doen met beweging ten opzichte van elkaar van de elementen (details) waaruit de voorgestelde werkelijkheid bestaat, bij een dynamische belevingswereld is het het in elkaar overgaan van de elementen (nuances). Deze bewegen niet als zelfstandige verschijnselen ten opzichte van elkaar, waarbij zij eigenlijk niets met elkaar te maken hebben, maar hun beweeglijkheid is het voortdurend over eigen grenzen gaan. Juist dit overgaan van het een in het ander (en omgekeerd) is de grondslag voor de onverbrekelijke samenhang van de werkelijkheid voor zover die op volwassen wijze voor het menselijk zelfbewustzijn geldt.

Het is zelfs zo dat de werkelijkheid als beeld, zoals die zich afspiegelt aan de verschijnselen, onmogelijk zou kunnen bestaan en onmogelijk door de mens ervaren zou kunnen worden als daar niet dat in elkaar overgaan was. Losse elementen die ten opzichte van elkaar in beweging zijn kunnen nooit een beeld van iets geven. Zij zijn zelfs in principe onzichtbaar. Je kunt dat bijvoorbeeld opmerken aan een gas of een damp; die bestaat uit een groot aantal losse elementen (moleculen) die ten opzichte van elkaar bewegen. Dat levert geen beeld op maar hoogstens een mist of een waas. Er wordt beweerd, onder andere door een aantal gedragswetenschappers en psychologen, dat de ontwikkeling van de mens op de een of andere manier fout gelopen is. Zij menen dat er ergens een achterstand ontstaan is doordat een bepaald gedeelte van de hersenen de ontwikkeling van het gehele brein niet heeft kunnen bijhouden. Zo houden die wetenschappers staande dat de menselijk ontwikkeling is achtergebleven bij de technologische en wetenschappelijke.

En die achterstand zou er de oorzaak van zijn dat de moderne mens geen raad weet met zijn eigen wereld en in toenemende mate in het duister tast over zijn toekomst. Op zichzelf zijn die waarnemingen juist; zij komen overeen met wat ik gezegd heb over de gevolgen van de aanwezigheid van een blokkade tussen zelfbewustzijn en bewustzijn. Maar de verklaring, zoals die gegeven wordt, als zou een gedeelte van de hersenen achterblijven, is volstrekt onhoudbaar. De mens is, net als alle andere organismen, een levend geheel waarin het een overgaat in het ander. Op grond van dit overgaan is het uitgesloten dat er iets achterblijft in ontwikkeling. Zo is ons bewustzijn in geen enkel opzicht inferieur aan ons zelfbewustzijn en er is dan ook geen sprake van dat het speciale aandacht vraagt in de zin van ontwikkeling en ontplooiing. Maar, het functioneren van die zaak, dat is een andere kwestie! Daarover handelen een heleboel voorgaande bladen van deze verhandeling. Het bewustzijn en haar manifestatie bij wijze van beeld is nergens door aangetast en is nergens achtergebleven of onderontwikkeld, maar het is wel degelijk (zogezegd van buitenaf) in haar werkzaamheid geblokkeerd. Daar komt nog iets belangrijks bij: de werkelijkheid als bewustzijn valt helemaal niet onder de categorie van verschijnselen die aan ontwikkeling onderhevig zijn. Bij het eerdere bespreken van die zaak is naar voren gekomen dat het bewustzijn de gehele werkelijkheid omvat op de wijze van een uiterst verfijnde trilling die alle mogelijke deeltrillingen inhoudt. Als de gehele werkelijkheid er in betrokken is ontbreekt er niets en valt er dus ook niets aan te verbeteren, te ontplooien of te ontwikkelen. Het bewustzijn is een gegeven werkelijkheid en die is er als het levende wezen - in dit geval de mens - er is. Het naakte er-zijn van het levende verschijnsel is voldoende grond voor de aanwezigheid en het gelden van het bewustzijn. Je hebt dus te doen met een universeel en tijdloos gegeven. Op grond hiervan is met stelligheid te zeggen dat er wat dit betreft niets onderontwikkeld kan zijn, want het begrip ontwikkeling geldt hier niet... Het is overigens nog maar de vraag of genoemde psychologen en andere wetenschappers niet bedoelen dat er iets met het denken aan de hand is. Dat is namelijk heel waarschijnlijk, voornamelijk vanwege het feit dat nagenoeg niemand enige notie heeft van de werkelijkheid als bewustzijn. Het is dus niet te verwachten dat zij het daarover hebben! Dit feit, gevoegd bij het feit dat het in onze cultuur om de uitwerking van het zelfbewustzijn gaat, rechtvaardigt de overtuiging dat men het over het denken heeft. Daaruit is af te leiden dat men een oplossing van het probleem zoekt in de richting van een eventuele verandering van het denken. Ook dat echter is vergeefse moeite want het gaat er niet om het denken te veranderen, enerzijds omdat het zich niet veranderen laat doormiddel van een besluit en een beleid, en anderzijds omdat het niet veranderd behoeft te worden.

Het denken als zodanig is prima in orde - hetgeen onder andere blijkt uit de enorme effectiviteit ervan. Hoewel voor het zelfbewustzijn in zijn algemeenheid en voor het denken in het bijzonder geldt dat er zich iets ontwikkelt, namelijk het bevattingsvermogen, zodat een mens een steeds grotere hoeveelheid informatie kan verwerken, is van het denken op zichzelf te zeggen dat ook daaraan niets te rommelen valt. Het zal altijd en noodzakelijk bezig zijn zich qua bevattingsvermogen uit te breiden, hetgeen overigens een kwantitatief proces is. Dat daarin een gedeeltelijke achterstand kan ontstaan is eveneens in principe uitgesloten. Let op: wel achterstand in hoeveelheid kennis, maar geen achterstand in genoemd vermogen! Als de wetenschappers dan ook tot de terechte conclusie komen dat er iets niet klopt in de verhouding tussen wijsheid en kennis, dan blijkt dat zij kennelijk op de werking van de blokkade gestoten zijn.

Brein-1 ; Het jachtige leven (nummers 208t/m 210) ; Terugkoppeling zie paginaís 197-1, 198-2, 199-3, 200-4, 210-5, 212-6, 214-7, 215-8 ; Beleving-zie pag. 208 t/m 210 ;

No. 211

verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ;

Als je zou willen spreken van bepaalde terreinen waarop de moderne mensen achtergebleven zijn in hun ontwikkeling, dan zou je moeten wijzen op het feit dat de zelfbewuste werkelijkheid verstoken is van haar eigen mogelijkheid tot toetsing. De blokkade zorgt ervoor dat het tot op grote hoogte onmogelijk is geworden alle inmiddels verworven kennis naar zijn kwaliteit te beoordelen. Er is immers geen spiegeling met de werkelijkheid als bewustzijn! Als je veronderstelt dat die toetsing in alle cultuurfasen op volle sterkte aanwezig moet zijn, dan kun je inderdaad van een achterstand of een gebrek bij de moderne mens spreken. Maar die toetsing is pas dan op volle sterkte als de mens volwassen geworden is. Tot op dat moment gaat het op een min of meer primitieve wijze: intuities, vermoedens en beseffen getuigen van het feit dat er ongeweten en voor de mensen zelf nauwelijks merkbaar getoetst wordt. Beseffen, intuÔties en vermoedens hebben altijd een grote rol gespeeld. Zij hebben zich doorgaans gemanifesteerd als iets religieus, als een metafysische waarheid die gewaardeerd werd als een hogere instantie. Zo kon het gebeuren dat godsdiensten en religies de normen stelden voor de kennis en het verwerven ervan. Daardoor ontstonden dogma's en taboes, want bepaalde aspecten van de werkelijkheid mochten niet onderzocht worden. Zo mocht er in de Roomse godsdienst niet over het godsbegrip nagedacht worden - uiteraard omdat de clerus maar al te goed begreep dat dit onafwendbaar tot atheÔsme zou leiden. Als het gaat over het (na)denken stonden de dogma's daaraan in de weg en als het gaat over het zien, het beleven en het ondergaan waren daar de taboes die de zaak verhinderden. In de westerse cultuur komt daar nog bij dat de werkelijkheid als voorstelling, die inhoud is van het zelfbewustzijn, zichzelf laat gelden als een absolute waarheid, juist doordat de voorstelling in het verloop van de westerse cultuur ontwikkeling steeds efficiŽnter gecontroleerd werd. Vanaf de Verlichting is die controle wetenschappelijk geworden en uiteraard leidt dat ertoe dat voor de aan die voorstelling ten grondslag liggende kennis nagenoeg absolute betrouwbaarheid en juistheid gelden. Hoewel dat op zichzelf prima in orde is - je hebt immers niets aan loze beweringen en lukrake fantasieŽn - heeft toch de overtuiging postgevat dat men met de waarheid van doen had. Zoals al eerder gezegd leidde juist dat tot een vrijwel onneembare blokkade die spiegeling en toetsing aan het bewustzijn vrijwel geheel onmogelijk maakte. Er is ook nog het bevattingsvermogen. Hoewel dat ten nauwste samenhangt met het denken is het toch iets anders dan het denken. Het ligt er als het ware aan ten grondslag, in die zin dat het denken slechts resultaat kan hebben binnen het kader van datgene dat bevat kan worden. Het bevattingsvermogen zelf is een gegeven dat voor iedereen geldt. Qua vermogen kan het zich niet ontwikkelen: het is er gewoon.

Maar de effectiviteit ervan maakt wel een ontwikkeling door, dat wil zeggen dat- genoemd vermogen een steeds grotere werkelijkheid omvat, groter in de zin van hoeveelheid onderdelen van de werkelijkheid. In feite gaat het om een steeds grotere hoeveelheid (deel)verschijnselen. Zo weten hedendaagse natuurkundigen veel meer dan vroeger van de verschijnselen en zij kunnen dat bevatten. Dat wil in feite zeggen dat zij er in hun zelfbewustzijn een ordelijke voorstelling van gemaakt hebben. Dat is een voorstelling waarin de onderlinge betrekkingen zo helder en zo logisch (causaal) mogelijk gesteld zijn. Daardoor kunnen zij er zinvol over nadenken en er mee werken. Maar ook kunnen zij nieuwe ontdekkingen doen omdat die causale voorstelling ook op logisch heldere wijze de zwarte gaten, de onbekende gedeelten, laat zien. Ook die zwarte gaten vallen binnen het bevattingsvermogen. Je weet immers ook wat je niet weet!

Dat zou niet mogelijk zijn als de voorstelling niet ook het onbekende aangaf. Iets wat, net als het bevattingsvermogen ook onafhankelijk van cultuur of persoonlijke ontwikkeling gegeven is, is het denken. In tegenstelling tot wat veelal gemeend wordt is het denken geen specifieke menselijke zaak. Ook de dieren en zelfs de planten denken. In alles wat leeft onderscheidt zich de werkelijkheid. Het een is namelijk niet het ander, ondanks het feit dat alles in ťťn samenhangend geheel is opgenomen omdat voor alle levende wezens het begrip bewustzijn geldt. In dat samenhangende geheel onderscheidt het een zich van het ander, overigens zonder zich er van af te scheiden. Pas de mens is in staat het een van het ander te scheiden, afscheidingen te maken. Je kunt dus zeggen dat voor alle levende wezens de werkelijkheid in zichzelf onderscheiden is, maar dat alleen de mens onderscheid maakt. Het denken van de mens vertoont dus twee aspecten, namelijk ten eerste dat alles onderscheiden is (als bewustzijn) en ten tweede dat ertussen alles onderscheidingen gemaakt worden (zelfbewuste analyse). Van dit laatste heeft de mens uiteraard weet, maar waar hij doorgaans geen erg in heeft is dat zijn zelfbewuste analyse niet mogelijk zou zijn als de werkelijkheid zich in zijn bewustzijn niet als een in zichzelf onderscheiden werkelijkheid liet gelden. Het maken van onderscheidingen, het denken van de mens dus (ik noem dit voorlopig gewoon het denken), vertoont een ontwikkeling. Maar ook wat dit betreft is het zaak om goed uit te zoeken wat er zich nu in feite ontwikkelt. Zelfs is te vragen of het begrip zich ontwikkelen hier wel van toepassing is. Het maken van onderscheid is een gegeven. Het vindt zijn basis in het wordingsproces en geldt dus ongeacht elk menselijk ingrijpen. Je ziet dan ook dat er in de geschiedenis geen verschil is in de kwaliteit van het denken (behalve persoonlijke kwaliteitsverschillen). Het denken van bijvoorbeeld Plato deed niet onder voor dat van Hegel en dat van Galilei mag zich meten met dat van Einstein. Toch is het denken van Hegel effectiever dan dat van Plato en Einstein komt heel wat verder dan Galilei. Dat echter zit niet in beter denken in de zin van hoger ontwikkeld denken, maar in de hoeveelheid en de aard van de informatie die ter beschikking staat. Hierdoor wordt het mogelijk veel dieper in de verschijnselen door te dringen. Dat is een cumulatief proces. Telkens komt er een stukje bij en die geleidelijke vergroting vermeerdert niet alleen de hoeveelheid in een bepaalde slagorde gebrachte kennis, maar maakt ook het bevattingsvermogen effectiever. Zo kun je bijvoorbeeld constateren dat de huidige studenten nauwelijks nog moeite hebben met de relativiteitstheorie van Einstein, terwijl een vorige generatie er vrijwel niets van begreep. Opmerkelijk is ook dat kinderen spelenderwijs met computers omgaan, hetgeen voor ouderen op bijna onoverkomelijke bezwaren stuit. Er zijn vele van deze voorbeelden. Alle wijzen zij er op dat niet het denken als zodanig zich ontwikkelt, zodat je ook niet kunt stellen dat de intelligentie geleidelijk aan toeneemt, maar dat het bevattingsvermogen effectiever wordt.

Wij staan er gewoonlijk niet bij stil dat bijvoorbeeld iemand uit de Middeleeuwen absoluut niet in staat was zelfs maar te vermoeden dat er atomen zijn met een kern die gesplitst kan worden. Anders gezegd: wij realiseren ons doorgaans niet dat elke ontdekking op het juiste moment gedaan wordt en beslist niet eerder mogelijk was geweest. Al was die middeleeuwer onvoorstelbaar geniaal en had hij alle informatie gehad, dan nog kon hij niet uitvorsen hoe het met die atoomkern zit. De effectiviteit van zijn bevattingsvermogen was nog te gering. Zo kon Leonardo da Vinci niets aanvangen met de door hem uitgevonden luchtschroef, die in onze tijd als propeller de vliegtuigen vooruit trekt. Het veelgehoorde argument dat hij geen motor ter beschikking had is in zoverre onjuist dat een motor nog volledig buiten de te bevatten werkelijkheid lag.

verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ;

No. 212

Terugkoppeling zie paginaís 197-1, 198-2, 199-3, 200-4, 210-5, 212-6, 214-7, 215-8

De werkelijkheid als bewustzijn is een in zichzelf onderscheiden zaak. Dat kan natuurlijk niet anders, want het gaat over de totale werkelijkheid met al haar verschillende verschijnselen, en die op de wijze van ťťn samenhangende trilling. In zichzelf is die trilling dus bijna oneindig gevarieerd. Dit in zichzelf onderscheiden zijn laat zich zonder meer gelden in alles wat leeft en daardoor kun je stellen dat alle levende wezens, van de oercel tot en met de hoogst ingewikkelde mens, denken. Het onderscheid is voor al dat leven een absoluut gegeven: het is er zonder dat er verschillen in sterkte of in omvang mogelijk zijn. Het is niet mogelijk dat de in zichzelf onderscheiden werkelijkheid van het bewustzijn in het ene levende verschijnsel anders is dan in het andere levende verschijnsel. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat alle levende wezens op dezelfde wijze op die gegeven onderscheiden werkelijkheid reageren; de reacties zijn, afhankelijk van de aard van de levende wezens, totaal verschillend, hoewel je anderzijds toch ook weer kunt stellen dat al die reacties te maken hebben met het concretiseren van de inhoud. Dat is het opeten van de planeet en het voortbrengen van nageslacht. Het eerste is het tot inhoud maken en het tweede is het als inhoud te voorschijn brengen. Het spreekt vanzelf dat bovenbedoeld denken, in de zin dus van laten gelden dat de werkelijkheid als bewustzijn in zichzelf onderscheiden is, ook in volle omvang voor de mens geldt. Maar, op grond van het eveneens voor hem geldende zelfbewustzijn, maakt hij zelf ook nog onderscheidingen. Dat doet hij omdat het zelfbewustzijn manifestatie is van de werkelijkheid die zich wederom laat gelden als een homogene verzameling op zichzelf zijnde beweeglijkheden: de in de aanvang van onze gedachtegang over de opbouw van de werkelijkheid aangetroffen zee van beweeglijkheden. Voor het zelfbewustzijn is eigenlijk de bestaande werkelijkheid van de verschijnselen uiteengevallen in beweeglijkheden. Omdat dit het geval is kan de mens overgaan tot het maken van onderscheidingen. Het ligt voor de hand dat het maken van onderscheidingen om te beginnen betrekking heeft op en beperkt blijft tot de reeds in het bewustzijn aanwezige onderscheidingen. Om te beginnen onderscheidt de mens de hem zonder meer gegeven realiteit en gaat daarmee aan de gang. Voor zover hij dat doet en zolang hij dat (in hoofdzaak) doet kun je spreken van het opdoen van ervaringen omtrent de werkelijkheid. De daaraan meekomende kennis is dan ervaringskennis die rechtstreeks betrekking heeft op de realiteit van de dingen om de mens heen. Maar vanaf een zeker moment gaat men de dingen op zodanige wijze onderscheiden dat men die dingen uit elkaar gaat halen om er achter te komen waaruit ze bestaan en hoe ze in elkaar steken. Natuurlijk levert ook dat een schat aan ervaringen op, maar de daaruit voortkomende kennis (of wetenschap) is niet het resultaat van ervaringen op zich, maar van uit elkaar halen, van analyse.

Juist met die analyse verwerkelijkt de mens zich als zelfbewustzijn, dat wil zeggen als de beweeglijkheden weer terug. In de moderne, van oorsprong westerse, cultuur gaat het om het zich waarmaken als zelfbewustzijn. Dat betekent, zoals al eerder door mij betoogd, dat het analyseren op de voorgrond staat en bijna absolute prioriteit geniet. Daarmee gaat het verband met de werkelijkheid als bewustzijn vrijwel geheel verloren zodat je met recht kunt stellen dat de waarheid teloor gaat: de blokkade! De nieuwe waarheid, die voortkomt uit de analyse, krijgt vervolgens steeds meer het karakter van een waan, een zinsbegoocheling die gaandeweg alles in zijn ban krijgt. Dat gaat zover dat ideeŽn die met een zekere regelmaat de kop opsteken, namelijk over een andere wijze van denken en over betere voorstellingen van de werkelijkheid, in het geheel geen zoden aan de dijk zetten omdat ook die verzuipen in de algemene zinsbegoocheling.

Zo is daar bijvoorbeeld het holisme. Deze theorie houdt in dat in een biologisch systeem het samenstel van onderdelen niet verklaart waarom het geheel is zoals het is. Men gaat daarbij eigenlijk nog verder, door namelijk te stellen dat die theorie niet alleen voor biologische systemen geldt, maar voor de gehele werkelijkheid. In feite benadert men daarbij de visie van Hegel, die met betrekking tot de werkelijkheid over das Ganze spreekt en daarvan ook nog beweert dat dit niet ontvankelijk is voor analyse. Op zichzelf is dit zo gek nog niet, als je tenminste het geheel van de werkelijkheid beschouwt vanuit de waarheid, dat wil zeggen: vanuit het bewustzijn. Hegel deed dat dan ook, net als Spinoza overigens. Een dergelijk geheel, een dergelijk Ganze, is concreet voor de dag gekomen in het levende wezen en inderdaad is de essentiŽle eigenaardigheid daarvan dat splitsing onherroepelijk de ondergang van dat levende wezen betekent. Je kunt met recht staande houden dat het holisme een heel reŽle gedachte over de werkelijkheid is, maar ook die gedachte is niet ontkomen aan de algehele waan ten gevolge van de analytische cultuur. Dat geldt ook voor een aantal basisdenkbeelden van het zogenaamde New Age denken. Men heeft gelijk als men afwijzend staat tegenover en bevreesd is voor het moderne denken. Op zichzelf leidt dit inderdaad naar de ondergang. Maar, zowel holistische denkers als New Age denkers gaan vervolgens hun eigen denkbeelden te lijf met precies hetzelfde analytische denken. Van terugkoppeling naar de werkelijkheid als bewustzijn is geen sprake, hoewel men in de mening verkeert dit wel degelijk te doen. Je kunt echter constateren dat men het bewustzijn als een aparte grootheid naast en zelfs boven het zelfbewustzijn stelt - zonder overigens die begrippen naar behoren herkend en gedefinieerd te hebben. Je krijgt dan een afwijzen van de analyse en occult gerommel met het bewustzijn. Beide kunnen natuurlijk niet! De analyse is niet af te wijzen, net zomin als je af kunt wijzen dat je twee armen en benen hebt. En het bewustzijn laat niet met zich rommelen: het is een volslagen onaantastbaar gegeven. Als men rommelt is men dan ook onvermijdelijk bezig zichzelf als zelfbewustzijn nog verder in de put te helpen! Een funeste fout in het bovengenoemde denken is gelegen in de misvatting dat de werkelijkheid een samenhangende zaak is. Men gaat daarbij vaak zover dat men de gehele kosmos als een organisme wenst te zien en dan als vanzelfsprekend de holistische wet van toepassing acht dat het geheel (organisme) meer en hoger is dan het totaal van de delen. Dat leidt noodzakelijk tot de opvatting dat er op de een of andere manier een hogere macht zou zijn, een macht die bepalend is voor de gehele werkelijkheid. Vervolgens wordt de mens als een ondergeschikte gesteld, iemand dus met een opdracht en een doel. Het eind van het liedje is dat er wederom puur godsdienstig gedacht wordt, rijkelijk voorzien van de latente zelfhaat van de mens.

In zekere zin is dit alles nog kwalijker dan de traditionele godsdienst, en wel juist door de wetenschappelijke en filosofische sfeer en pretentie ervan, hetgeen betrouwbaarheid suggereert. Maar, de werkelijkheid is niet samenhangend, ondanks het feit dat alle materie in zichzelf samenhang kent. De werkelijkheid is een netwerk van relaties! Hetgeen wat anders is dan samenhang. Een op zichzelf goede gedachte kan in de moderne cultuur geen wortel schieten, althans niet in algemene zin. Uiteraard kan een enkeling zo'n gedachte wel ontwikkelen en onder woorden brengen, maar noodzakelijkerwijs wordt hij verkeerd begrepen, als er al kennis van genomen wordt. Het verkeerde begrip uit zich in een aaneenschakeling van occulte denkbeelden. Het is dan ook verklaarbaar dat juist in onze rationele en nuchtere tijd zo'n hang naar een ander denken voorkomt.

Terugkoppeling zie paginaís 197-1, 198-2, 199-3, 200-4, 210-5, 212-6, 214-7, 215-8

No. 213

Astrologie-1,hoe zit dat? ; Astrologie-2 ;

De verschijnselen zijn systemen die in het teken van de relatie staan. Zij zijn gebaseerd op de aan elkaar geneutraliseerde energieŽn van twee ten opzichte van elkaar stilstaande vrije beweeglijkheden van een tweetal oerdeeltjes, namelijk achtvoudige brandpunten. Er zijn buiten die verschijnselen geen krachten die de verzameling verschijnselen bij elkaar houden. Als er op de een of andere manier iets bij elkaar gehouden wordt (bijvoorbeeld een gaswolk) dan geschiedt dat doormiddel van krachten die de materiedeeltjes op elkaar uitoefenen. Die zogenaamde krachten zijn in feite op elkaar inwerkende energieŽn, dus bewegingen. Er komt een moment dat de verschijnselen in het teken van de samenhang komen te staan. Je hebt dan van doen met de levende wezens, van het ťťncellige wezen tot en met de mens. Die samenhang is aanwezig volgens een tweetal principes: ten eerste is daar de samenhang van het bewustzijn en ten tweede is daar de biologische samenhang. De werkelijkheid als bewustzijn is, zoals ik al zo vaak heb laten zien, een samenhangende. Volgens het bewustzijn is de gehele werkelijkheid samenhangend. De biologische samenhang manifesteert zich in het bekende feit dat een levend wezen geen splitsing, splijting of analyse verdraagt. Het is een geheel dat niet verbroken kan worden. Hoewel volgens het bewustzijn de totale werkelijkheid (de kosmos) samenhangend is, is het toch een feit dat er slechts gesproken kan worden van een netwerk van relaties. Dat netwerk kan op alle mogelijke manieren verbroken worden omdat relaties zich laten verbreken. Wat anders is echter de vraag of een dergelijk verbreken de eenmaal tijdens het wordingsproces ontstane verhoudingen niet tenietdoet, zodat uiteindelijk het leven op de planeet onmogelijk gemaakt worden zou.

De mens ervaart zichzelf als bewustzijn en dus heeft hij weet van die samenhangende, alles omvattende werkelijkheid die het bewustzijn is. Voor hem is dat de echte waarheid - al moet hij er als lid van de moderne cultuur niets van hebben! Heeft hij er echter wel oren naar, dan is de kans groot dat hij denkt dat in de kosmos alles met alles samenhangt. Dat heeft een aantal ideeŽn tot gevolg die misleidend zijn en hem op het verkeerde been zetten. Zo is daar de gedachte van het geheel waarbinnen alles zich afspeelt. Die gedachte leidt tot de conclusie: a) dat het geheel boven de inhoud uitgaat en dus hoger is, iets goddelijks en b) dat er binnen dat geheel een eeuwige wederkeer is, een wirwar van cyclische processen, zodat ook de gedachte van reÔncarnatie houdbaar gaat lijken en c) dat de mensen eigenlijk binnen de natuurlijke processen moeten blijven en zich moeten onthouden van technologie en de daaraan ten grondslag liggende analyse. Zo zijn er stellig meer consequenties, die evenwel allemaal in strijd zijn met de waarlijke positie van de mens in de kosmos. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het waanidee dat uit de incidentele constellatie van hemellichamen voorspellingen zijn af te leiden inzake iemands toekomstige persoonlijke leven: de astrologie.

De verschijnselen staan altijd los van elkaar, ook als het levende verschijnselen zijn. Er is echter wel een uiterst verfijnd netwerk van relaties waarvan alle verschijnselen onderdeel zijn. Zoals gezegd kan het verbreken of wijzigen van dat netwerk funeste gevolgen voor de levende wezens hebben. Zou er geen sprake zijn van een netwerk, maar van een weefsel van samenhangen- zoals Holisten en New Agers beweren - dan zou verbreken of wijzigen onmogelijk zijn, ten eerste doordat dergelijke handelingen geen effect zouden sorteren en ten tweede doordat zij, als zij wel effectief waren, de gehele kosmos zouden doen instorten. Verbreken van een geheel betekent, immers vernietigen, opheffen van dat geheel! Een toenemend aantal mensen bevroedt terecht dat het met ons denken verkeerd af zal lopen.

Zij hebben er kennelijk last van dat de door mij besproken blokkade het zicht op de werkelijkheid als bewustzijn belemmert. Maar, wat zij over deze zaak beweren is volkomen onhoudbaar en dat geldt uiteraard ook voor de oplossingen die zij aandragen. Zij verzuipen namelijk zonder mankeren in allerlei occulte toestanden, en dat komt doordat zij, doorgaans ongeweten, vastzitten aan het eenzijdig analytische denken, dat zij nota bene juist denken te bestrijden! Dat analytische denken, als uitwerking van de mens als zelfbewustzijn, is namelijk nauw verbonden met het occulte. . de ene kant van de analyse is het rationele en de andere kant van diezelfde analyse is het occulte. Het eerste heeft betrekking op de voorstelling voor zover die zich op allerlei manieren laat berekenen, in formules en dergelijke uitdrukken, en het tweede heeft betrekking op die aspecten van de werkelijkheid die niet ontvankelijk zijn voor berekening, meting, toetsing en voorspelling. Komt de moderne, analytisch ingestelde, mens in aanraking met iets onberekenbaars, zoals bijvoorbeeld de schoonheid of de liefde of manifestaties van de samenhang, zoals het biologische leven, dan gaat hij er toch zijn analyse op loslaten, met als treurig gevolg dat er een volstrekt uit de lucht gegrepen verhaal op tafel komt. Een verhaal over kosmische krachten, geesten van gene zijde, astrale lichamen en dergelijke. Die verhalen pretenderen logische verklaringen te zijn, maar het zijn, net als de theologische kletskoek van de geestelijken, in alle opzichten occulte beweringen. De oorzaak hiervan is dat de werkelijkheid als bewustzijn, die de enige werkelijke toetssteen is, door de analyse geblokkeerd is. Men moet er niets van hebben en bijgevolg kunnen occulte beweringen vrijelijk gedaan en staande gehouden worden. Er is namelijk geen toetsing mogelijk. Anderzijds slaat de botte afwijzing van de rationalisten ook nergens op omdat de werkelijkheid nu eenmaal voor een aanzienlijk deel onberekenbaar is. Doordat de moderne mens van mening is dat de door analyse verkregen voorstelling van de werkelijkheid de enig juiste is (waarheid is) kan hij zichzelf alles wijs laten maken. De enige voorwaarde daartoe is dat men met de juiste redenering, informatie en methodieken komt. Als dat het geval is moeten de gedane beweringen wel waar zijn. Zowel feitelijk juiste beweringen als onjuiste beweringen worden, mits op de juiste wijze gebracht (verkocht!), aanvaard. Zo kan het gebeuren dat een westers mens naast allerlei droge rationele wijsheden ook een flinke dosis occulte onzin koestert. Toetsing aan de echte toetssteen, namelijk de werkelijkheid als bewustzijn, ontbreekt, zodat voor iemand de waarheid gebaseerd is op uitwendige factoren: wie doet bepaalde beweringen, welke redeneringen en theorieŽn liggen er aan ten grondslag en hoeveel deskundigen bevestigen de juistheid van iemands beweringen? Aan innerlijke en onafhankelijke controles ontbreekt het ten enenmale. Men zegt dat de mensen uit de oudheid veel aan occultisme deden. Dat echter is nu precies een moderne westerse interpretatie.

In feite was er aan de wetenschap van de oudheid niets occults - hoewel er uiteraard individuen waren die zich met occulte zaken bezig hielden! Wat voor de rationalistische westerling occult is aan de oudheid is het feit dat men destijds in beelden dacht. Wilde men elkaar of zichzelf iets duidelijk maken, dan deed men dat via allerlei rituelen die bedoeld waren om bepaalde beelden op te roepen. Dergelijke methodes spreken de moderne mens niet aan omdat zij - alweer! - onberekenbaar zijn. En als zij eventueel wel aanspreken, dan wordt de hele zaak uiteraard weer wel occult, omdat de moderne mens, zoals ik heb laten zien, niet anders kan dan tot occultisme vervallen. In feite is occultisme de tegenpool van rationalisme en beide behoren zij tot de mens die zich fixeert op zijn eigen voorstelling omdat hij bezig is zichzelf als zelfbewustzijn waar te maken.

Astrologie-1,hoe zit dat?Astrologie-2

No. 214

Naar bladwijzers: Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ;

Mystiek zie: nos. 151 en 152en Mystiek en Metafysica de nos. 214 en 215 ; Terugkoppeling zie paginaís 197-1, 198-2, 199-3, 200-4, 210-5, 212-6, 214-7, 215-8

Het occulte denken heeft gedurende de gehele ontwikkeling van het westerse zelfbewustzijn meegelopen met het rationele denken. Steeds als men zich op de een of andere manier bezig ging houden met de werkelijkheid voor zover zij onberekenbaar, niet-analyseerbaar en onvoorspelbaar is ontaardde het rationele denken in occulte hersenspinsels. De oorzaak daarvan is, zoals bijvoorbeeld door de latere positivisten beweerd werd, niet gelegen in de onbestaanbaarheid van die onberekenbare werkelijkheid, maar in de eenzijdigheid en dus ontoereikendheid van dat rationele denken. Het wekt bij de alsnog onvolwassen mens, als die zich op een gegeven moment gaat ontwikkelen als zelfbewustzijn, de indruk dat het alles aankan, dat het alle duistere verschijnselen kan doorgronden en tenslotte alles kan voorspellen. Met die misvatting in het achterhoofd gaat men dan ook alles te lijf. Het resultaat is een ogenschijnlijk logisch verhaal dat echter kant noch wal raakt. Het opmerkelijke van het zelfbewuste denken is dat het zich uitsluitend en onvermijdelijk richt op de werkelijkheid voor zover die als voorstelling in de mens aanwezig is. Binnen het kader van die voorstelling zijn er natuurlijk tal van donkere vlekken: verschijnselen waaromtrent men wel ervaringen opgedaan heeft, maar waar men totaal niets van snapt. Zo heeft men zo af en toe wel ervaren dat het heelal in feite een netwerk van relaties is. Men heeft zogenaamde samenhangen (die dus eigenlijk geen samenhangen, maar relaties zijn!) ontdekt die zich op alle mogelijke manieren voordoen. Men heeft bijvoorbeeld ervaren dat sommige mensen de magnetische velden binnen het lichaam van de mens kunnen manipuleren (magnetiseren) en dat anderen invloed kunnen uitoefenen op materieel (nog) niet aantoonbare energiestromen (acupunctuur). Aanvankelijk aanvaardden de mensen dergelijke onverklaarbare fenomenen en gingen er mee aan het werk, maar in de analytische moderne cultuur moet de zaak verklaard worden. Omdat dit zo zonder meer via de analyse niet gelukt ontstaat er een occult verhaal over kosmische energieen en dergelijke. Er is ook nog zoiets als metafysica en ook in die rubriek van het denken is menig occult verhaal uitgedacht. Toch is de metafysica wat anders dan het door mij bedoelde occulte verhaal. Dit laatste slaat zoals gezegd op donkere vlekken, zwarte gaten, binnen de voorstelling. Die zwarte gaten kunnen puur materiŽle, maar alsnog onverklaarbare, verschijnselen zijn, maar het kunnen ook afspiegelingen zijn van de werkelijkheid als bewustzijn, die zich als een beeld doen ervaren. In beide gevallen levert de analyse een occulte verklaring op. Gaat het evenwel over de metafysica, dan hebben wij wel degelijk te doen met de poging de aan de werkelijkheid ervaren fenomenen te verklaren doormiddel van voortdurend naar het bewustzijn teruggekoppelde gedachten.

Het feit dat er ook in het metafysische denken menig volstrekt onwaarschijnlijk verhaal op tafel wordt gelegd mag er geen aanleiding toe zijn ook die metafysica tot het occulte denken te gaan rekenen. De metafysica is een alsnog primitief denken, echter zonder de blokkade tussen bewustzijn en zelfbewustzijn. Dat die metafysica in het verleden tot zo onwaarschijnlijke gedachten en beweringen kwam ligt niet in de aard van dat denken zelve, maar in het alsnog ongeordende en onbetrouwbare zelfbewustzijn. Daardoor is datgene wat zich afspiegelt - dit is de op het bewustzijn gebaseerde werkelijkheid als beeld - alsnog onduidelijk, rommelig en in principe onlogisch. Dat neemt niet weg dat je dit metafysische denken gerust de voorloper van het creatieve (perse niet academische) filosofische denken kunt noemen. Het draait dus steeds om hetzelfde, er is een blokkade in het denken en die is gelegen tussen het zelfbewustzijn en het bewustzijn. Anders gezegd: het maken van onderscheidingen correspondeert niet met het er zijn van onderscheidingen. De qua bewustzijn in zichzelf onderscheiden werkelijkheid is voor de moderne mens vreemd aan de geanalyseerde werkelijkheid, terwijl de essentiŽle mogelijkheid tot verificatie en correctie afgesloten is. Omdat het in de moderne cultuur om het zelfbewustzijn en de daarbij behorende voorstelling gaat wordt de geanalyseerde werkelijkheid voor de ware gehouden en de in zichzelf onderscheiden werkelijkheid van het bewustzijn voor de bedrieglijke, subjectieve en... occulte! Precies de omgekeerde wereld dus. Tegelijkertijd is het evenwel te begrijpen dat men met allerlei ervaringen van die in zichzelf onderscheiden bewustzijnswereld geen raad weet en er juist dan een occulte zaak van maakt, maar nu echt occult. Voordat de mensen overgingen tot de ontwikkeling van zichzelf als zelfbewustzijn was er natuurlijk ook zelfbewustzijn. En er was ook ontwikkeling daarvan gaande. Maar, het ging de mensen daar niet om. Zij accumuleerden in hun zelfbewustzijn de opgedane ervaringen, die enerzijds directe ervaringen van fenomenen waren (iets ontdekken) en anderzijds ervaringen van experimenten met die fenomenen (iets toepassen). Dat leidde tot een schat aan wetenschap en een zeer groot ambachtelijk kunnen. Het moderne geschiedkundige en archeologische onderzoek wijst steeds duidelijker uit dat dit kunnen veel volmaakter was dan tot nu toe werd aangenomen. In menig opzicht overtreft het de via de analyse verkregen kundigheden, vooral waar het gaat over de omgang met de direct voorhanden werkelijkheid. Deze werkelijkheid werd in feite niet of nauwelijks aangetast, ondanks velerlei ingrepen. Ingrepen immers veranderen niets aan de essentie van de voorhanden werkelijkheid, zij leiden de zaak in voor de mens gunstige banen. De analyse echter leidt eigenlijk niets in goede banen, maar verandert de essentie van de dingen, en wel op zodanige wijze dat zij zich overeenkomstig de voorstelling en de wil van de mens gaan laten gelden. Op zichzelf behoeft dat natuurlijk niet kwalijk te zijn, maar het ontbreken van de terugkoppeling naar de werkelijkheid als bewustzijn, oftewel de in zichzelf onderscheiden werkelijkheid, leidt juist wel tot rampen. Zoals gezegd was over het algemeen het denken in de oudheid niet occult, althans niet waar het over uitspraken inzake de werkelijkheid ging. Maar, die uitspraken hadden wel de vorm van beelden en verbeeldingen. Op zichzelf klopt er dan natuurlijk niets van: er zijn geen goden die de tijden aan elkaar rijgen, of die het lot der mensen bepalen of die in een strijd om licht en duister gewikkeld zijn. Maar qua betekenis kloppen de verhalen uit de oudheid doorgaans wel degelijk en daarom zijn zij niet occult. Occult denken is een uitgesproken verkeerd denken, maar denken in denkbeelden is dat beslist niet, net zomin als artistiek denken verkeerd is.

Zo kun je in de verhalen uit de oudheid een grote wijsheid aantreffen, een wijsheid echter die nauwelijks praktisch toe te passen is omdat de werkelijkheid als zelfbewustzijn en dus ook de voorstelling nog geen rol van betekenis speelde als bron van kennis. Bron van kennis was de directe of indirecte ervaring. De moderne mensen die het Holisme of het New Age denken toegedaan zijn hebben aanvankelijk wel het juiste besef dat er iets niet klopt met het moderne denken en ook voelen zij aan in welke richting de oorzaak gezocht moet worden. Maar in hun denken is de blokkade niet opgeheven. Die hef je namelijk niet op met allerlei therapieŽn, mystieke experimenten, afschaffen van analytisch denken of ander vreemdsoortig gedoe. Hij verdwijnt namelijk alleen maar door de nihilistische ontwaarding ten aanzien van alles wat er is. Dat is dus een proces dat op zichzelf niets met het denken en zijn methodieken te maken heeft, maar met de kijk die men heeft op de werkelijkheid.

Naar bladwijzers: Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ;

Terugkoppeling zie paginaís 197-1, 198-2, 199-3, 200-4, 210-5, 212-6, 214-7, 215-8

No. 215

vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; vervreemding-3 ; vervreemding-4 en vervreemding-5 ; Terugkoppeling zie paginaís 197-1, 198-2, 199-3, 200-4, 210-5, 212-6, 214-7, 215-8 ; Waanvoorstellingen-1 ; Waanvoorstellingen-2 ; Waanvoorstellingen-3 ; Waanvoorstellingen-4 ;

Het ligt in de logica dat er heel wat mensen zijn voor wie het zelfbewustzijn niet zo maatgevend is als bij de westerse cultuurmens. Deze laatste is door en door analytisch ingesteld en ziet bijgevolg de resultaten van de analyse zonder meer aan voor de waarheid. Dat doet hij ook als hij, quasi ruimdenkend, toegeeft dat die waarheid slechts een voorlopige is die ongetwijfeld straks door een betere vervangen zal worden. Deze relativerende houding heeft geen enkele wezenlijke betekenis omdat hij slechts betrekking heeft op de momenten tussen een voorgaande waarheid en de daarop volgende. Die tussenfasen worden, overigens terecht, als relatief beschouwd. Zij zijn inderdaad tot op zekere hoogte veranderlijk en zelfs wel onberekenbaar. Maar waarom het die cultuurmens wezenlijk gaat zijn niet die relatieve tussenmomenten, maar de momenten van zekerheid. Die zekerheid berust op de analyse. En het is het complex van deze en dergelijke zekerheden dat als een onoverwinnelijke blokkade tussen de werkelijkheid als bewustzijn en de werkelijkheid als zelfbewustzijn komt te liggen, zodat de cyclische bewustzijnsprocessen geen of nauwelijks doorgang kunnen vinden en de mensen onvermijdelijk in een waan gaan leven. Zoals gezegd zijn er steeds meer mensen die onvrede gevoelen met die eenzijdig op het zelfbewustzijn en dus ook de analyse gerichte cultuur. Tal van stromingen getuigen daarvan en bijna steeds zijn die religieus van karakter. Die religiositeit laat zich verklaren uit het ongeweten en onbegrepen ondergaan van invloeden vanuit het bewustzijn. Bewustzijn dat niet uit de voeten kan (omdat het vastloopt op genoemde blokkade) laat zich meestal op religieuze wijze gevoelen, omdat het samenhangende geheel van het bewustzijn ervaren wordt als een hogere, alles omvattende, eeuwige en onveranderlijke werkelijkheid. Hoewel dit alles een heel wat menselijker sfeer met zich meebrengt dan bij de op het zelfbewustzijn (en dus ook op de voorstelling) gerichte mens, wijst die religiositeit toch onmiskenbaar op de werkzame aanwezigheid van de blokkade. Zou die er namelijk niet zijn, dan hadden wij met werkelijke volwassenheid te doen die gekenmerkt wordt door een op levende wijze samenvallen met de echte werkelijkheid... Wanneer genoemd samenvallen er is komt het bewustzijn niet meer te voorschijn als een mysterieuze hogere werkelijkheid, maar als een bekende en begrepen realiteit. Een realiteit overigens die alles wat op de een of andere zelfbewuste manier door de mens gekend wordt omvat en tegelijkertijd naar waarheid zijn plaats geeft. Dit laatste is het doorbreken of overwinnen van de waan en zijn voor het menselijk leven funeste waanvoorstellingen. Je kunt dan met recht stellen dat de hele zaak, en de werkelijkheid als beeld en de werkelijkheid als voorstelling tot leven is gekomen.

Men leeft zich dan niet langer uit op ingewikkelde theoretische problemen en men geeft zich niet over aan levenloze beleidsplannen. En het gedoe met pogingen om op de een of andere manier een beter mens te worden is dan ook achter de rug. Om een beter mens, namelijk een volwassen mens te worden moet de mens genoemde blokkade opheffen. Nu ligt het in de logica van het moderne denken dat er dan een plan gemaakt zal worden en vervolgens een beleid ontwikkeld, opdat te zijner tijd de blokkade overwonnen zal kunnen worden. Dat is de moderne betekenis van het woordje ďmoetĒ en het begrip moeten. Maar filosofisch gaat het hierom dat er zal gebeuren wat gebeuren moet, niet omdat er op gezag van die of gene machthebber enigerlei vorm van uitwendige dwang op dat gebeuren uitgeoefend wordt, maar omdat het in de logica van de loop der dingen ligt. De mensen zullen gaandeweg de blokkade overwinnen, zonder dat zij er hoe dan ook, al of niet via een plan of een beleid, toe gedwongen zijn.

Het filosofische begrip ďmoetenĒ wordt dus bepaald door de logica en niet door de wil of het verlangen van die of gene. Zo ligt het in de logica dat het doorbreken van de blokkade zal geschieden vanuit een tweetal richtingen. Ten eerste is daar de voortgaande analytische ontwikkeling van het zelfbewustzijn en ten tweede is daar de steeds sterker wordende invloed van het bewustzijn. Beide processen vallen geheel buiten de wil van de mensen. Komen dus holisten of New age adepten, traditionele godsdienstigen of moderne oosterse religieuzen, met therapieŽn om jezelf tot een beter mens te maken, dan is op voorhand al te zeggen dat de zaak tot mislukken gedoemd is. Als argumenten voor dit oordeel gelden: 1) het feit dat noch het door analyseren ontwikkelen van het zelfbewustzijn zich manipuleren laat (als zelfbewustzijn is de werkelijkheid er alsof zij louter beweeglijkheden is, zonder dat er systemen zijn ontstaan), noch het bewustzijn op enigerlei wijze te beÔnvloeden, verhelderen of te versterken is. En 2) dat alles wat bedacht wordt met de bedoeling deze of gene verandering teweeg te brengen onvermijdelijk binnen het kader van het, door de werkzaamheid van de blokkade, ondeugdelijke denken valt. Alle goedbedoelde bedenksels zijn nutteloos omdat het eraan ten grondslag liggende denken in de blokkade vastloopt. Het bedenken van methodieken, systemen en therapieŽn om van de onbevredigende cultuur af te komen is zelfs niet zonder gevaar: door het pogen het zelfbewustzijn of het bewustzijn te manipuleren gaat men nu juist inwerken op datgene dat op zichzelf in orde is. Zo is er bij sommige stromingen de neiging om radicaal te ontkennen dat er ook maar enige juistheid schuilt in datgene dat wij hebben leren kennen. Er wordt dan dus gesteld dat onze kennis niet waar zou zijn. Op zichzelf is dat een vreemde houding, want je kunt gemakkelijk vaststellen dat bijna al onze kennis op een efficiŽnte wijze toegepast kan worden. Dat zou niet mogelijk zijn als die kennis onjuist was. De stelling dat onze kennis onwaar, in de zin van fout, is leidt tot ernstige vormen van waanzin. Men raakt er elke vorm van oriŽntatie door kwijt. Diegenen die stellen dat men het van andersoortige kennis moet hebben vertonen dan ook alle kenmerken van bedoelde waanzin. Let echter wel op: het gaat nu over het geheel en al afwijzen van onze kennis onder het argument dat het al leugen is wat de klok slaat. Onze kennis echter is, zoals gezegd, niet leugenachtig en over het geheel genomen wordt zij met grote zorgvuldigheid verworven en getest. Wat er evenwel niet goed aan is, is de terugkoppeling naar het bewustzijn, zoals ik besproken heb. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat die kennis op zichzelf niet deugt! Het zelfbewustzijn kent geen ander denken dan het analytische en het bewustzijn kan niet anders dan door de voorstelling heen stralen. De poging dit te veranderen in de mening het te verbeteren maakt de vervreemding alleen maar nog groter. Doordat beide berusten op van onze wil onafhankelijke processen zijn zij in orde zoals zij zijn.

Toch moet (in filosofische zin!) er iets gebeuren en zal er - in de loop der toekomstige tijden - iets gebeuren. Waartoe de mensheid moet komen is dat zij de inhoud van haar zelfbewustzijn, haar voorstelling dus, op de juiste wijze in twijfel gaat trekken. Dat is heel wat anders dan de waarheid van de kennis bestrijden. Je trekt je voorstelling op de juiste wijze in twijfel als je het voor mogelijk houdt dat al je kennis ook wel eens op een andere wijze in de totaliteit van de verschijnselen ingepast zou moeten worden. Anders gezegd: als je het voor mogelijk houdt dat de werkelijkheid als beeld je tot een andere voorstelling zou kunnen brengen. Indien die mogelijkheid niet uitgesloten wordt - en dat wordt hij niet als je op deze wijze twijfelt - verliest de blokkade gaandeweg zijn kracht om tenslotte geheel op te lossen.

Mystiek zie: nos. 151 en 152en Mystiek en Metafysica de nos. 214 en 215 ; vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; vervreemding-3 ; vervreemding-4 en vervreemding-5 ; Terugkoppeling zie paginaís 197-1, 198-2, 199-3, 200-4, 210-5, 212-6, 214-7, 215-8 ; Waanvoorstellingen-1 ; Waanvoorstellingen-2 ; Waanvoorstellingen-3 ; Waanvoorstellingen-4 ;

 

No. 216

In de grond van de zaak is alle onvrede met onze maatschappij gevolg van een diepgeworteld wantrouwen dat de moderne mens koestert ten aanzien van zijn denken. Immers, op de een of andere manier is alles wat de mensen tot stand brengen resultaat van hun denken, dat wil zeggen van het analytisch vermogen en construerend vermogen van ons zelfbewustzijn. Zoals ik al zo vaak heb duidelijk gemaakt slaat het begrip zelfbewustzijn op de zich in de mens manifesterende werkelijkheid als zuiver beweeglijkheden. Dat wil zeggen: de materie is er alsof er alleen nog maar beweeglijkheden waren. Dus : in de mens is de werkelijkheid er als was zij weer uitsluitend beweeglijkheden. Omdat dit het geval is kun je het zelfbewustzijn het analyseren als werkzaamheid toekennen. Dat is dus het maken van onderscheidingen, hetgeen hetzelfde is als het aanleggen van scheidingen. En er is eveneens de werkzaamheid van het construeren. Dit laatste is het opnieuw opbouwen van een voorstelling. De gehele voorstelling van de huidige mens is een geconstrueerde: hij berust op een verzameling door analyse, door van elkaar scheiden, verkregen gegevens. Als je ziet dat er tegenwoordig heel veel mensen zijn die in meer of minder sterke mate onvrede gevoelen met hun wereld, dan slaat die onvrede dus op de wereld zoals die als neerslag van hun denken door de mensen zelf opgebouwd is. Aangezien er binnen dat analytische denken en constructieve denken een blokkade is die voortkomt uit het onvoorwaardelijk voor waar houden van de inhoud van het zelfbewustzijn - de kennis en de relaties en dus de voorstelling - is de diepere oorzaak van genoemde onvrede dus bij die blokkade gelegen. Dan is het onvermijdelijk de vraag wat er aan gedaan kan worden om de zaak in het reine te brengen. Maar, zoveel is inmiddels al wel duidelijk dat het geen zin heeft en zelfs misleidend is op jezelf enigerlei vorm van een therapie toe te passen; zo'n therapie, al is hij nog zo slim uitgedacht, is onherroepelijk al bij voorbaat mislukt omdat ook hij met geen mogelijkheid aan de werking van de blokkade kan ontkomen. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat sommige mensen geen baat bij een dergelijke therapie kunnen hebben. Als je dat echter wat nauwkeuriger bekijkt blijkt er iets in de voorstelling teweeggebracht te zijn, doorgaans slechts een vervangen van de ene voorstelling door de andere, en vaak is men dan nog verder van huis omdat het nieuwe geloof voor nog waarachtiger gehouden wordt... De werkelijke uitkomst is gelegen bij het begrip twijfel. Deze twijfel leidt ertoe dat de mens zich af gaat vragen of de voorstelling, die hij heeft van de werkelijkheid, ook anders mogelijk is. Zoiets kan alleen maar in de mens opkomen als hij niet langer onvoorwaardelijk in de waarheid van zijn eigen voorstelling gelooft.

Dat een dergelijk ongeloof zich van hem meester maakt ligt niet aan een door hem genomen besluit om voortaan ongelovig te zijn, gewoonlijk naar aanleiding van bepaalde onaangename ervaringen en teleurstellingen omdat bepaalde verwachtingen niet vervuld werden, maar het ligt aan een steeds meer benaderen van de (culturele) volwassenheid, zoals die eenmaal voor de mensen een feit zal zijn. Die volwassenheid brengt als essentieel kenmerk het onvoorwaardelijk gelden van de werkelijkheid als bewustzijn met zich mee. Op grond daarvan wordt de waarheid van de dan bestaande voorstellingen in twijfel getrokken. De vraag wordt dan gesteld of het eventueel niet anders zit. Met de gedachte dat het met de voorstelling wel eens anders zou kunnen zitten moet je erg oppassen. Het moderne denken - en daarin vooral het zogenaamde postmoderne filosofische denken - wil graag een zo onbeperkt mogelijk aantal alternatieven aanwezig zien. Dit vanuit de gedachte dat zoveel mensen zoveel zinnen hebben. Men neemt de verscheidenheid, de zogenaamde pluriformiteit, van de mensen als de maat. Dat is op zichzelf wel juist want die verscheidenheid is er inderdaad. Maar het is niet juist om daaruit de conclusie te trekken dat alles kan bogen op een zelfde waarheidsgehalte. Dat betekent dat de twijfel, die een herkennen en erkennen van de verscheidenheid tot gevolg heeft, slechts een tussenstation op de weg van het proces van het waarheid zoeken kan zijn. Tenslotte gaat het er om uit die veelheid aan mogelijkheden de waarachtige te lichten. Om de waarachtige voorstelling te bereiken zal er dus na de twijfel een onderzoeken, afwegen en toetsen plaats vinden. Dit alles nu echter niet doormiddel van de analyse (die is er al ruimschoots aan vooraf gegaan!) maar door spiegeling aan de werkelijkheid als beeld. Dat leidt niet tot een eenheidsvoorstelling van de werkelijkheid, zoals die doorheen de gehele menselijke geschiedenis door machthebbers en idealisten geprobeerd is de mensen op te dringen. Juist deze spiegeling bevestigt een ieders eigen voorstelling van de werkelijkheid, maar dan wel een voorstelling die door een ieder in zichzelf aan de werkelijkheid als beeld gespiegeld is. Dus gespiegeld is aan de werkelijkheid als algemeenheid. Dat leidt ertoe dat al die van elkaar verschillende voorstellingen toch afbeeldingen zijn van dezelfde ware werkelijkheid. Dan geldt voor een ieder dat zijn voorstelling, hoe anders ook dan die van een ander, op waarheid berust. Nu echter niet een vermeende waarheid die door een blokkade in stand gehouden wordt, maar een waarheid die in en aan zichzelf waarachtig is. Die dus in feite niets anders nodig heeft om waar te zijn.

Er zijn in de alsnog onvolwassen wereld toch mensen die tot volwassenheid komen, of die althans in het licht daarvan komen te staan. Dat is niet het gevolg van een leerproces, een therapie of eenvoudigweg een besluit, maar het is een gevolg van een bepaalde aanleg. Door een speling van het lot komen zij ertoe almaar de gegeven voorstellingen in twijfel te trekken. Wanneer deze twijfel niet tot onzekerheid of occultisme leidt - wat heel vaak wel het geval is, zeker bij de moderne mens - ontstaat er bij die mensen een min of meer volwassen levenshouding. Vaak zijn zij daar helemaal niet zo erg gelukkig mee omdat zij door de alsnog onvolwassen mensen om hen heen niet of nauwelijks geaccepteerd worden. Hun levenshouding lijkt van de buitenkant beschouwd in menig opzicht op die van de onvolwassen mensen, maar blijkt in wezen toch totaal anders te zijn. Daarvan is te zeggen dat er een sterke hang is naar nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme - nu niet bepaald eigenschappen waarnaar de onvolwassen mens zit uit te kijken! Is het in een vooralsnog onvolwassen wereld vooral hetqua levenshouding dat opvalt, in een volwassen wereld liggen de zaken geheel anders.

In zo'n mensheid berust volwassenheid niet langer op een speciale aanleg van enkelingen, maar op de culturele ontwikkeling die de mensheid als geheel heeft doorgemaakt. Er is dan ook niemand die aan die culturele sfeer ontkomt, maar uiteraard zijn er ook dan enkelingen die uit de toon vallen. Dezen zijn echter niet opvallend door hun humaniteit, maar juist door het ontbreken daarvan. Doordat de volwassenheid geen persoonlijke aanleg is maar een universeel zelfbewustzijn van de mensheid ontgaat het logischerwijs aan de meeste mensen dat zij inmiddels volwassen geworden zijn. Deze nieuwe levenshouding is voor hen net zo vanzelfsprekend als de onvolwassenheid uit de voorgaande tijdperken. Wel echter kun je verwachten dat die volwassen mensen van straks met verbazing terug zullen zien op het vroegere leven van de mensheid! Zij zullen nauwelijks nog kunnen begrijpen van waaruit de mensen in het verleden zo volstrekt in strijd met hun eigen menselijke belangen hebben kunnen handelen en leven...(einde)

Naar: Beweging en Verschijnsel (deel 1)

Naar: Beweging en Verschijnsel (deel 2)

Bovenstaande tekst is geschreven:

Door Jan Vis, filosoof.

Naar de Startpagina

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit deze bundel zonder meer toegestaan.

Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld.

Pagina's zijn door mij uit de studie cyclus beweging en verschijnsel deel1 , 2 en 3 (jaargangen 1987/88- 1988/89 -1989/90-1990/91-1991/92-1992/93 en1993/94)overgenomen.

 

 

 

 

website analysis
website analysis

website analysis
online hit counter