Brieven aan belangstellenden-1968
Auteur: Jan Vis, creatief filosoof
Te plaatsen brieven: de nummers 4
, 5 , 6 , 7 , 12 , 14 , 15 , 16 , 17 , 18 , en 19.(allen geplaatst tussen 17 en 22 oktober
2009)
Naar bladwijzers:
Naar andere artikelen: Conditionering ; Robot denken ; Op de vlucht voor je eigen denken ; De
ontwikkeling van het denken ; Het gelijk en de dialoog
; Eenzaamheid en onvrijheid ; Het toenemend belang van het Atheïsme
; Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof
; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst
; God bestaat niet ; Bedreiging van het
vrijdenken en het atheïsme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse
Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ; Ongewenst atheïsme- zie afl. 32 ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21
; Revolutie – (De moderne mens) ; Hoe zit het nou
met god ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie
aflevering 60 / 61 ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse
Wereld ..? zie no. 27 ; De Islam ; Het staat in
de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjari’a ; Burqa, volg bladwijzer
; Nihilisme ; De ontwikkeling van het denken ; De
Vrede ; Conditionering en De ontwikkeling van de West Europese Cultuur(zie links: te erg/te veel
en dubbelhartigheid )
; Behoort Israël tot de Westerse Cultuur- zie aflevering 60…-onderdrukking van de Palestijnen, ; Kunnen Moslims zich invoegen in de Moderne cultuur..? – aflevering no. 37, ; Terrorisme / Taliban ; Hoe zit het nou
met Jahweh, God en Allah ; Een
korte schets van de menselijke sexualiteit ; Het seksuele
misbruik ; Het zelfbeschikkingsrecht ; Op de vlucht voor je eigen denken ; Artikelen
betreffende o.a. Moslims / ISLAM ; Proces v/d Eeuw tegen alle
ingezetenen van Nederland.!.? ; Veiligheid ; PRIVACY en VRIJHEID - zie bladw. ; Oorzaak SEXUEEL
misbruik - zie bladw. ; Het
HUWELIJK is een belediging voor de LIEFDE - zie bladw. ; Overspel/Huwelijkswet-zie
bladw. ; Houden
van...Liefde...Trouw ; De MENS als Liefde, Sexueel en Maatschappelijk-zie
bladw. ; Democratie-1-zie afl.25 ; Buitenechtelijke
relatie - Overspel - Liefde - zie bladwijzers ; Overspel -
De sexualiteit is geen huwelijks-aangelegenheid - zie bladw. ; De
ISLAM rukt op ;
Onder MACHT versta ik (gescand en geplaatst op 13 november 2009)
Lezing
; Overleven, een zaak van weten en
kunnen (gescand en
geplaatst op 12 november 2009)
Briefnummer 4: Het ongedierte vreet
het andere op-Iwan Karamazow-(DE MODERNE MENS)
Briefnummer 5: De moderne mens en
de sport
Briefnummer 6: De vrede in deze
wereld
Briefnummer 7: Het arbeidsevenwicht
Briefnummer 12: Rassenvraagstuk
Briefnummer 14: De brandstapel
is mij te heet
Briefnummer 15: De papieren
waarheid
Briefnummer 16: Pornografie
Briefnummer 17: Iets over de liefde en de verveling
+ TOEVOEGINGEN:
VROUW en MAN(1969)
– bladwijzers PRIKKELING/homosexualteit,
De structuur van de mens(1975) en klik
aldaar onder bladwijzers op HOMOSEKSUALITEIT
Beweging en Verschijnsel – deel 2 - zie bladwijzers HOMOSEKSUALITEIT -
(‘88/’89)-DEEL 2
Briefnummer 18: De vrijheid van
spreken
Briefnummer 19: Het luchtledige
CENTRUM VOOR
FILOSOFIE - ROTTERDAM (1968)
Aangezien de filosofie er niet is voor enkele
bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit de artikelen zonder
meer toegestaan. Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld. (Jan Vis,
creatief filosoof)
Terug naar: STARTPAGINA
BRIEF No. 4 , september
1968
Naar bladwijzers: 2 minuten stilte ;
vrijheid ;
Kiesstelsel
; STEMMEN zie nrs. 4(kiesstelsel) - 15 - 18 en 19(kiesstelsel)
HET ENE ONGEDIERTE VREET HET ANDERE
OP - Iwan Karamazow
De West-Europese cultuur levert de volwassen MODERNE MENS
op; zèlf behoort West-Europa tot de JEUGD van deze volwassen moderne
mens. Dat wil zeggen: hij komt in West-Europa tot ontwikkeling - dat is de specifiek West-Europese
cultuur. Naarmate hij echter meer VOLWASSEN wordt, die MODERNE MENS, is hij minder SPECIFIEK West-Europees.
Hij kan dan OVERAL vandaan komen: uit de Verenigde Staten, uit Rusland, uit
Nigeria, uit Japan, enzovoort. Maar waar hij ook vandaan komt, altijd
heeft hij zijn verworvenheden direct of indirect te danken aan West-Europa. De
MODERNE MENS heeft zijn JEUGD doorgebracht in West-Europa. De West-Europese
CULTUUR begint bij de VOLWASSEN mens uit de OUDHEID en hij eindigt bij de
VOLWASSEN MODERNE MENS; het gedoe van deze laatste is weer een zaak apart, die
wij als volgt kunnen benoemen: “de mens verovert de wereld”. Deze
verovering is niet meer in de eerste plaats een MILITAIRE - dat is al zo vaak
geprobeerd en altijd weer mislukt, omdat MACHT altijd op een CULTUUR, d.w.z.
een àndere cultuur,
te pletter loopt. De militaire veroveringszucht is bijvoorbeeld altijd in het OOSTEN op niets uitgelopen;
dat was al bij ALEXANDER DE GROTE zo (zie bladwijzers Alexander de Grote uit De
filosofie van de geschiedenis) en het is nu weer zo bij de
AMERIKANEN in VIETNAM. Tussen het OOSTEN en het WESTEN is een groot CULTUREEL
verschil en daarom valt de onmogelijkheid van wederzijdse verovering
direct op. Minder opvallend echter is het als de culturele verschillen
kleiner zijn: de DUITSE OVERHEERSING van West-Europa tijdens de tweede
wereldoorlog was al bij voorbaat tot mislukken gedoemd omdat er een cultureel
verschil is tussen Duitsland en de rest van europa. Het is een niet OPVALLEND,
maar wèl essentieel verschil. En dit verschil is er de oorzaak van
dat de zaak in MOEST storten, OOK ZONDER DE HULP VAN AMERIKA. Dit laatste zeg
ik er maar even bij, omdat er nog altijd mensen zijn die menen dat wij onze VRIJHEID aan de
Amerikanen te danken hebben.
Al is het een feit dat het grootste aandeel in de strijd
door Amerika geleverd is, dan nòg blijft gelden dat wij het zèlf
ook gered hadden omdat het nu eenmaal de onmogelijke zaak was die het was.
Maar goed, hierover gaat het nu niet; het gaat er nu om
dat de MODERNE MENS de wereld verovert, en dat dit geen MILITAIRE
verovering is, maar een CULTURELE. De door het westen uit gewikkelde CULTUUR
heeft een zodanige gesteldheid dat zij zich van de gehele wereld meester maakt.
Het is dan niet - let wel - West-Europa dat de wereld verovert, maar het is de
MODERNE MENS, die het doet. Deze moderne mens is de wetenschappelijke mens en
het is de mens van het RECHT; het is de mens die de wereld BEWOONBAAR
maakt voor ALLE mensen. Hij weet hoe je het land moet bewerken, hoe je ziekten
terug moet dringen, hoe je een staatsapparaat moet organiseren. Kortom: hij
weet ALLES en hij laat dan ook ALLES gelden. Hij stelt ORDE op de zaken.
De MODERNE MENS (zie ook: SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN ) is de mens voor
wie het TOTAAL geldt; hij heeft zich gerealiseerd als de werkelijkheid waarin
elk ONDERDEEL gekènd is en èrkend is. Op grond van het feit, dat
het over ALLES gaat, gaat het over de gehele wereld, inclusief het tot nu toe
onbenaderbare OOSTEN. De gehele wereld behoort tot het TOTAAL, en dus behoort
de GEHELE WERELD aan de MODERNE MENS. Aangezien deze MODERNE MENS voortgekomen
is uit WEST-EUROPA, lijkt het er wel eens op, en dat zéker in het BEGIN,
dat het veroveren van de wereld een West-Europese aangelegenheid is, maar niets
is minder waar. De tegenwoordige ontwikkelingen wijzen daar dan ook
duidelijk op: elke specifiek westerse zaak wordt er vroeg of laat uitgegooid.
Maar die zaak zèlf blijft in stand: de fabrieken blijven draaien,
de universiteiten blijven geopend, de ziekenhuizen worden verbeterd,
enzovoort. Met andere woorden: de MODERNE MENS zet zich door, maar de
westerling vliegt eruit. Voor het geval U het niet begrepen hebt: die moderne
mens is iemand uit het land zèlf, of iemand uit een ander en verder
gevorderd land, die echter NIET ZIJN EIGEN LAND vertegenwoordigt. Hij
vertegenwoordigt de MODERNE CULTUUR.
Zoals gezegd geldt voor de volwassen moderne mens het
begrip HET TOTAAL. Dit feit heeft velerlei gevolgen; nu is echter voor ons van
belang dat in het totaal ELK ELEMENT MEETELT als een aparte en zelfstandige
eenheid, die zijn eigen functie heeft in het grote apparaat, dat de
samenleving voor de moderne mens is. Die
FUNCTIE staat in het teken van de OPTELLING, want het TOTAAL
wordt door OPTELLING van de EENHEDEN verkregen. Dat dit zo is blijkt bijvoorbeeld uit het KIESSTELSEL waarbij
het alleen maar om het optellen van stemmen, dus van EENHEDEN gaat. Wie het
grootste totaal heeft is de man voor een bepaalde functie. Ook blijkt het bij
de toepassing van bepaalde RECHTEN: men moet ervoor IN DE TERMEN VALLEN,
d.w.z. het TOTAAL van de voorwaarden waaraan men moet voldoen moet een zekere
waarde hebben. Onder of boven deze waarde geldt het betreffende recht niet. In
alles is het totaal van de factoren de maat. De STAATSVORM, die hierop aansluit,
is natuurlijk die van de DEMOCRATIE, want in de democratie telt IEDEREEN
mee en hij doet dat bijwijze van STEM, en die STEMMEN worden geteld; Het AANTAL,
het totaal, is de maat. Bij de
moderne mens staat ook de VRIJHEID hoog aangeschreven. De vorige keer wees
ik er al op, dat die vrijheid een FUNCTIE is, en dus geen wèrkelijke
vrijheid genoemd kan worden. Niettemin is dat functionele begrip VRIJHEID van
het allergrootste belang voor de moderne mens; zonder die vrijheid kan hij zich namelijk
niet als ZELFSTANDIGE en APARTE EENHEID laten gelden. Zonder die vrijheid is
hij ONZELFSTANDIG en GEBONDEN.
Deze MODERNE MENS wordt door West-Europa opgeleverd en
hij waaiert uit over de gehele wereld. Hij is de VOORWAARDE voor een
wèrkelijk MENSELIJKE WERELD. Zèlf schept hij die wereld niet: hij
realiseert alleen maar de VOORWAARDE. Hij realiseert HET TOTAAL, en dat is
VOORWAARDE voor HET GEHEEL. Het is duidelijk dat de MODERNE MENS, naarmate hij
meer zijn eigen VOLWASSENHEID nadert, tevens HET GEHEEL nadert. Dit laat zich gelden in hem en
komt voor de dag als COMMUNISME, d.w.z. de idee MET ZIJN ALLEN te zijn. De mens
voor wie dit laatste geldt, is de WERKELIJK VOLWASSEN MENS en daar gaat het
natuurlijk op de lange duur naar toe.
Indachtig het bovenstaande kunnen wij in de huidige
wereld een drietal situaties onderscheiden: ten eerste is daar het OUDE EUROPA,
dat de JEUGD van de MODERNE MENS vertegenwoordigt. Hier wordt het begrip
HET TOTAAL wáárgemaakt. Ten tweede onderscheiden wij de landen in
OPKOMST; dat betreft in grote lijnen de continenten AFRIKA en LATIJNS-AMERIKA.
De remmende werking van de oude westerse cultuur is hier niet aanwezig, zodat
wij enerzijds een snelle groei naar het MODERNE zien en anderzijds tevens een
opkomen van het COMMUNISME. Dit laatste komt dus onmiddellijk mee aan het
feit, dat die mensen zich niet bezig houden met de JEUGDFASE maar met de
VOLWASSENHEID van het onder de mensen geldende begrip HET TOTAAL. Het
COMMUNISME is dus een meekomende zaak, een soort IDEAAL: daar moet het
uiteindelijk naar toe.
De derde situatie is geheel anders; was het bij de eerste
twee nog zo, dat alles draaide om HET TOTAAL, bij de derde is het totaal
voorlopig van geen belang, zelfs uit den boze. Het uitgangspunt is hier HET
GEHEEL. Deze situatie treffen wij aan in het OOSTEN en daartoe reken ik nu ook
RUSLAND, hoewel het Russische volk een speciaal geval is.
Als het uitgangspunt HET GEHEEL is, kan er in principe
van geen ONTWIKKELING sprake zijn. De afzonderlijke elementen immers, waaruit
dat geheel opgebouwd is, komen niet tot gelding. Van daaruit kan het
TOTAAL niet waargemaakt worden, zodat ook de MODERNE MENS niet ontstaat.
Hiervan is CHINA een duidelijk voorbeeld: de CHINESE
CULTUUR houdt het alleen maar op het GEHEEL en sluit elke nuance IN dat geheel
uit. Die CULTUUR is dan ook duizenden jaren blijven LIGGEN, zonder een
noemenswaardige ONTWIKKELING.
De Russische CULTUUR is in zoverre ànders, dat zij
niet in de EENZIJDIGHEID van ALLEEN MAAR HET GEHEEL opgaat; de Russische
cultuur erkent de MODERNE MENS als inhoud van het geheel, dus als VOORWAARDE
voor het geheel. Daarom kon het dan ook gebeuren dat het in Rusland tot
een REVOLUTIE kwam. Toen brak de MODERNE MENS met geweld door in Rusland.
Natuurlijk was deze moderne Russische mens om te beginnen eigenlijk meer een
westers mens, maar de ONTKENNING van het westers-zijn lag er toch meteen
al duidelijk in. Deze ONTKENNING heeft dus twee aspecten: ten eerste wordt de
westerse mens ontkend omdat hij niet van HET GEHEEL uitgaat, dus omdat hij
NIET-COMMUNISTISCH is, en ten tweede wordt hij ontkend omdat het niet om de westerse,
maar om de MODERNE MENS gaat. Deze vijandigheid van de Rus ten opzichte van het
westen heeft een tweeslachtig karakter: enerzijds is er de bovengenoemde
AFWIJZING en anderzijds is er een volledig accepteren van de westerse mens. Dit
vindt zijn grond in het feit, dat de MODERNE MENS natuurlijk om te beginnen de
WESTERSE MENS is. Deze beiden lopen door elkaar, en dat is zelfs thans nog in
sterke mate het geval. Dit blijkt duidelijk uit het huidige optreden van de Rus
in Tsjecho-Slowakije: hij is doodsbang voor WESTERSE invloeden in dat land,
terwijl hij tevens de MODERNE invloeden en ontwikkelingen accepteert. De
hele gang van zaken is TWEESLACHTIG; er wordt met geweld opgetreden dat geen
geweld is en het bleek betrekkelijk gemakkelijk om de Russische soldaat te
demoraliseren. Dat is voor een soldaat een merkwaardig verschijnsel: het
behoort tot de meest opvallende eigenschappen van een soldaat om niet naar
gepraat te luisteren, doch over te gaan tot SCHIETEN ..... ! De Russische
soldaat van onze tijd blijkt echter gevoelig voor argumenten - dan moeten die
argumenten hem iets zèggen. En dat gaat natuurlijk niet alleen maar over
het feit dat je een ànder land niet binnen màg vallen; aan
dàt argument heeft een soldaat zich nog nooit gestoord en dat zal wel
nooit gebeuren ook. Nee, de Rus is ontvankelijk voor het MODERNE en hij
vreest (terecht) het WESTERSE.
En dan is de moeilijkheid dat beide om te beginnen en nog
steeds uit DEZELFDE HOEK komen.
Voor de Chinees ligt de zaak iets anders: hij wil NOCH
het westen, NOCH het MODERNE. De ontwikkeling zet zich in hem door ONDANKS
HEMZELF. Te stuiten is die ontwikkeling niet omdat de MODERNE CULTUUR voor ELKE
mens, waar ook ter wereld, geldt. Maar de Chinese CULTUUR verzet zich er tegen
zolang als het gaat.
Zoals gezegd is de MODERNE MENS om te beginnen de
WESTERSE MENS. Voorzover deze MODERNE mens derhalve tot nu toe doorgedrongen
is in de wereld, is hij behalve MODERN ook nog in sterke mate WESTERS. Dat
geldt dus ook voor de MODERNE RUS en voor de MODERNE CHINEES. Zij willen dat
wel niet, maar er is niet aan te ontkomen; het MODERNE is nog niet VOLWASSEN
en dus is het nog ONZELFSTANDIG ten opzichte van datgene dat het
voortgebracht heeft, namelijk West-Europa. Het is er nog van AFHANKELIJK. Dat
geeft anderzijds het westen weer de gelegenheid zich als WESTERSE zaak in te
dringen. Langs allerlei sluikwegen heeft dit plaats want openlijk kan het niet
meer. De GEHEIME DIENSTEN met op de eerste plaats de Amerikaanse CIA spelen
hierbij een belangrijke rol. Het is duidelijk dat deze rol een MISDADIGE is
want het is de bedoeling de rest van de wereld onder WESTERS GEZAG te
krijgen en te houden. Dat betekent natuurlijk een principiële ONTKENNING
van het RECHT VAN BESTAAN van de rest van de wereld en het ONTKKENNEN van HET
ANDERE is MISDAAD. Aan deze misdaad maakt de rest van de wereld zich ook
schuldig, als zij de kans krijgt, maar zij ligt in het NADEEL ten opzichte van
het WESTEN, omdat deze misdadigheid SPECIFIEK WESTERS is en dus geheel en
al bij het westen behoort. Het westerse aspect is echter voor de rest van de
wereld een MEEKOMENDE aangelegenheid omdat het eigenlijk om het MODERNE gaat.
Dank zij dit feit zet het intrigeren van de geheime diensten van de rest van de
wereld veel minder zoden aan de dijk. Maar het is natuurlijk net zo goed
MISDADIG.
"Het éne ongedierte vreet het andere
op", heb ik boven deze brief gezet. De MODERNE MENS, voorzover hij nog
ONVOLWASSEN is en dus nog WESTERS is, is een stuk ONGEDIERTE. Hij is namelijk
HET TOTAAL, maar die zaak is nog niet àf, en dus is er altijd een
TEKORT. De moderne westerse mens wil ALLES hebben en hij wil ALLES onder
zijn controle hebben; dat hij daarbij de mond vol heeft van kreten als DE
RECHTEN VAN DE MENS, doet aan de zaak niets af. Dat hij die kreten kàn
slaken komt voort uit het feit dat hij uitloopt in wèrkelijk de MODERNE
MENS, maar vooralsnog is hij in feite toch nog een WESTERLING. Hij is dus een
ALLES OPVRETEND ONGEDIERTE. Alweer geldt ditzelfde ook voor de
niet-westerse moderne mens, al is het bij hem een MEEKOMENDE aangelegenheid. Zo
staan daar dan de westerse en de niet-westerse mens tegenover elkaar en
beiden gedragen zich POLITIEK als ROOFDIEREN. Dit komt het sterkst voor de
dag tussen AMERIKA en RUSLAND, maar ook CHINA weet er geducht raad mee.
LATIJNS-AMERIKA is nog te ver ACHTER om volop mee op roof te gaan; het is
mogelijk dat het WESTERSE ASPECT daar in bescheiden mate op zal treden zodat
zich t.z.t. ineens de MODERNE MENS doorzet. Hetzelfde geldt voor AFRIKA,
uitgezonderd het "beschaafde " ZUID-AFRIKA. Dat deze
mogelijkheid er is, moge blijken uit het feit, dan Latijns-amerika en Afrika
een sterk COMMUNISTISCHE inslag hebben, terwijl toch dat communisme geheel
ànders is dan het oude communisme, zoals wij dat van RUSLAND kennen. In
veel opzichten is het er zelfs VIJANDIG aan. Denkt U bijvoorbeeld aan CUBA. En
denkt U aan het gedonder in Tsjecho-Slowakije. In dat land is een nieuw
communisme opgekomen, een communisme dat VRIJHEID erkent en RECHT en ook
DEMOCRATIE. Dat is het communisme - in principe - van de MODERNE MENS;
hierbij is de AFZONDERLIJKE MENS erkend. Hij is ZELFSTANDIG en vormt
mèt de andere mensen de INHOUD van het geheel. En de ontwikkeling
MOET deze weg volgen, omdat een geheel zònder GELDENDE INHOUD geen
GEHEEL is. Het kan dus niet anders: ook het Russische communisme zal de
aanwezigheid van de AFZONDERLIJKE MENS mòeten erkennen. Nu kàn de
Rus dit eigenlijk ook wel, op grond van zijn AANLEG. Wat hem in wezen
dwars zit is zijn haat tegen het WESTERSE, maar ondanks die haat is zijn
GEDRAG, zeker waar het de POLITIEK betreft, zuiver WESTERS, d.w.z. hij
bewandelt precies dezelfde wegen en streeft dezelfde belangen na. Zijn
REVOLUTIE was ook WESTERS al ging het eigenlijk om het MODERNE.
Wij kunnen de zaak in het kort aldus
stellen: alles wat in de huidige wereld tot AANZIEN komt is de ONVOLWASSEN
MODERNE MENS - en dan moet de klemtoon nog steeds op ònvolwassen liggen.
En dit houdt AFHANKELIJKHEID in, en tevens IMPERIALISME en NOOIT GENOEG HEBBEN.
Kortom: dit is het ROOFDIER.
Om nog even op Tsjecho-Slowakije terug te komen:
opvallend is dat HET VOLK, dus de GEWONE mensen, een grote EENHEID vormen. Het
volk wil het moderne communisme en het legt die wil aan zijn leiders op. Dat is
een ongewone gang van zaken: nèrgens, ook niet bij ons, gebeurt dat.
Wij hebben het er wel over en prijzen dan onze DEMOCRATIE,
maar wij DOEN het niet. En ook in de communistische landen gebeurt het niet.
Er is dus voor òns geen enkele aanleiding de
Tsjechen te prijzen om hun democratische gezindheid als zouden zij onze
GEESTVERWANTEN zijn. Want dat zijn zij niet; hun "democratie" is een
stap verder dan onze vastgelopen en schijnheilige democratie. Wij zouden
ons er helemaal niet in thuis voelen.
In 1940 hebben wij ons toch ook niet als
één man tegen de DUITSERS verzet! Wij kunnen geen EENHEID zijn
omdat wij WESTERLINGEN zijn. Ons medeleven met de Tsjechen is derhalve
SCHIJNHEILIG en het grootste RAPALJE zijn de hoogst-geplaatsten in onze
wereld. Met hun TWEE MINUTEN STILTE…! Natuurlijk is de RUS helemaal FOUT
en zijn vrindjes stinken evenzo, niet omdat zij POLITIEKE FIGUREN trachten uit
te schakelen (dat is immers allemaal ONGEDIERTE), maar omdat zij met hun
vervloekte TANKS aan GEWONE MENSEN hun CULTUUR trachten te ontnemen. Zij
gedragen zich als WESTERLINGEN, als ROME en als AMERIKA en als die fijne BOEREN
in ZUID-AFRIKA. Dàt is hun SCHANDE. En dat is tevens ONZE
SCHANDE…!
STEMMEN zie nrs. 4(kiesstelsel) - 15 - 18 en 19(kiesstelsel)
++++++++++
Enkele mededelingen:
Dinsdag 3 september a.s. begint het nieuwe seizoen. Dan
ga ik weer wekelijkse stencils maken. Als onderwerp voor de komende serie
voordrachten heb ik gekozen: "De vrouwen de
Man". Het gaat dan over de werkelijkheid als DE GEWONE MENS.
Zoals gewoonlijk: dinsdagsavonds van 8 tot 9 uur.
Enkele mensen hebben geld gestuurd om de porto-kosten van
deze brieven te dekken. Daarvoor natuurlijk mijn hartelijke dank! Het bewijst
dat sommige mensen vinden dat het geld goed besteed wordt. Dat vind ik
zèlf ook…
Tenslotte nog dit: U màg over deze brieven
correspondentie voeren.
Hartelijke groeten, Jan Vis
Briefnummer 4: Het ongedierte
vreet het andere op-Iwan Karamazow
Briefnummer 5: De moderne mens en
de sport
Briefnummer 6: De vrede in deze
wereld
Briefnummer 7: Het
arbeidsevenwicht
Briefnummer 12: Rassenvraagstuk
Briefnummer 14: De brandstapel
is mij te heet
Briefnummer 15: De papieren
waarheid
Briefnummer 16: Pornografie
Briefnummer 17: Iets over de
liefde en de verveling
Briefnummer 18: De vrijheid van
spreken
Briefnummer 19: Het luchtledige
Terug naar: STARTPAGINA
CENTRUM VOOR
FILOSOFIE - ROTTERDAM (1968)
Terug naar: STARTPAGINA
BRIEF No. 5, oktober 1968
DE MODERNE MENS EN DE SPORT
Binnenkort beginnen de Olympische spelen
weer; dan kan de hele wereld weer ademloos toezien hoe haar goden vechten om de
gouden plakken, om de eer van hun land en ook kan de wereld zien hoe
naarstig er gezwoegd wordt om de verbroedering tot stand te brengen, waarop
iedereen al zo lang zit te wachten.
De kranten zullen nu niet voor de helft
gewijd zijn aan de gelukkigste aller muzen, de SPORT, maar zij zullen er
helemaal door in beslag worden genomen; in interviews voor de televisie zullen
goddank alleen nog maar sportmensen verschijnen. Eindelijk niet meer die
saaie politiek, weg met BIAFRA en weg met VIETNAM, geen filmbeelden meer van de
voor hun vrijheid vechtende MEXICAANSE STUDENTEN, maar filmbeelden van de
OLYMPUS die overigens vandaag óók in Mexico ligt.
Misschien dat BIAFRA alleen nog in de
advertentie-kolommen van de krant voorkomt, zo in de geest van: "TER OVERNAME
AANGEBODEN: 40.000.00 uitgehongerde kinderen, licht beschadigd, uitstekend
geschikt om Uw lieve hond te vervangen. Grijp Uw kans nu het nog kan en bel het
CIA secretariaat in Uw woonplaats."
Het kan ook dat er een kleine
overlijdens-advertentie in de krant staat, betreffende een paar Tsjechen die
dachten dat het leven bij hèn ook een SPELLETJE was…
Maar het meest waarschijnlijk zijn
advertenties als de volgende: "Voetbalschoenen ter overname gevraagd
om ons volkseer te verdedigen, daar wij geen subsidie kregen - Kobus
Hersenloos". En weet U wat ook zo mooi is: het zijn allemaal AMATEURS. Die laten het niet door de
VAKMAN doen, neen, die doen het zèlf, die mensen hèbben wat in hun
vrije tijd. Iets CREATIEFS dat de mogelijkheid geeft ZICH TE UITEN. Dat zijn de
ware DOE HET ZELVERS! Die mensen hebben gezegd: voor je boterham kan je altijd
nog gaan sporten. Wij doen het zuiver als ONTSPANNING.
U voelt wel dat die mensen natuurlijk nooit
tegen de VAKMAN op kunnen, maar dat geeft immers niets!
Het gaat om de NOBELE GEDACHTE en ook
gaat het om het BELANGELOZE, zoals trouwens met èlke HOBBY het geval is
en met alle mogelijke andere CREATIEVE bezigheden.
Je kunt immers niet altijd VOOR JE BROOD
WERKEN, je kunt het ook wel eens GEWOON ZOMAAR doen omdat je het FIJN vindt. En
als je het dan GEWOON ERG GOED doet dan mag je - wat een geluk naar de
OLYMPISCHE SPELEN. Dan huilen je ouders en je broers en je zusters en je hele
familie, en je sportvrienden zijn vreselijk JALOERS en proberen je zwart
te maken, maar ondanks dat vindt iedereen het toch eigenlijk prachtig. En dat
is het ook: de heilige Olympische grond te mógen betreden omdat je
uitverkoren bent de goden te dienen, de GODEN van de MODERNE MENS.
De goden die gespeend zijn van èlke
INTELLIGENTIE en die jou op je nederige schouders getikt hebben omdat jij,
KWAL, wezenloos genoeg bent om naar hun pijpen te dansen.
De GOD van de MODERNE MENS is de SPORT; niet alleen dat de sport als een zelfstandige
bezigheid naast de andere bezigheden van de mens geplaatst wordt, hij wordt er ook BOVEN verheven en dat
geldt voor het gehele terrein van de sport, of het nu amateur- of
beroepssport is. Het is voor de mensen geen ONTSPANNING en het is voor de
mensen geen beleven van de WEDSTRIJD, maar het is voor de mensen een
LEVENSFUNCTIE, die belangrijker is dan welke andere FUNCTIE ook. Het behoort
tegenwoordig tot de zeldzaamheden een mens aan te treffen die geen belangstelling
heeft voor de sport en een mens die er geen waarde aan hecht is al helemaal een
unicum. Zo'n mens wordt door iedereen voor gek en conservatief versleten. Hij
telt eigenlijk niet mee want zijn STATUS is niet veel. Het behoort tot de
STATUS van een MODERN mens om naar het voetballen in de "eredivisie"
te gaan kijken, om de uitslagen 's maandags op kantoor te bespreken en om
vrij-af te nemen voor een belangrijke wedstrijd. Het werk wordt stilgelegd als
er voetballen op de televisie is en om die zaak op de televisie te krijgen worden kosten noch moeiten
gespaard. Voor elke vorm van behoorlijke voorlichting ontbreekt het aan
geld, maar voor de sport worden zelfs SATELIETEN het heelal ingeschoten om
iedereen getuige te kunnen laten zijn van dit belangrijke gebeuren.
Mexico is een ARM land, zoals alle Zuid- en
Midden-Amerikaanse landen, maar de miljoenen voor een Olympische stad kunnen er
af. Terwille van de glorie van het land en van de sport. Voor de meeste mensen
is er nauwelijks te eten en zij leven in krotten. Voor de verbetering van
het onderwijs zouden de Mexicanen best een paar miljoen kunnen gebruiken. Maar
het geld is er niet en àls er wat losgepeuterd kan worden, dan gaat het
naar een sportstadion voor de "spelen".
ZIJN WIJ ZO LANGZAMERHAND IMBECIEL GEWORDEN?
Frankrijk heeft er laatst ook zo'n drukte van
gemaakt. U heeft de gigantische bouwwerken op de televisie kunnen zien. De
GAULLE probeerde met de EER te gaan strijken; die spelen moesten de
geschiedenis ingaan als ZIJN Olympische spelen. Alsof je aan een partijtje
hardlopen wat bent! De hele Franse economie lag op sterven, in de
universiteiten was het een bende, een volslagen achtergebleven gebied, maar de
spelen… die moesten grootser dan ooit!
WAAR HOUDT DE MENS ZICH MEE BEZIG?
Tegenwoordig is sporten een BEROEP. Het wordt
gerekend tot het WERK en je kunt er je brood mee verdienen. Als je je vak goed
verstaat worden er TONNEN uitgegeven om je te kopen; je wordt verzorgd en getraind als een renpaard en 's zondags komen de mensen
bij duizenden naar je kijken. Je moet voldoen aan hun verwachtingen en een goed
stuk werk afleveren. Tienduizenden mensen zien vol kinderlijke verwachting op
naar de heren van de televisie die de uitslagen bekend zullen maken. Dan weten
zij of ze de pot gewonnen hebben en àls dat zo is… dan ben je ineens RIJK. Behoef je nooit meer te
werken!
De gemeenten leggen sportvelden aan omdat
iedereen vindt dat de mensen daar recht op hebben: ze moeten zich uit kunnen leven.
Het spreekt vanzelf dat de hele zaak gesubsidieerd wordt. Want hier hebben wij daar wel geld
voor… tenslotte zijn wij niet arm. En een dure voetballer kunnen wij
gemakkelijk betalen, dus waarom niet?
De sport werkt VERHEFFEND, vinden de mensen;
het kweekt teamgeest, saamhorigheidsgevoel en discipline. Het leert de
mens om eigen verlies te accepteren en de overwinnaar royaal te erkennen. Het
bevordert de volksgezondheid en de veerkracht van een volk. En het geeft de
mensen ONTSPANNING zodat zij niet eenzijdig ten onder gaan in en aan het
gedruis van de maatschappij. Allemaal positieve FUNCTIES van de sport. Die zaak
moet natuurlijk kunnen functioneren en daarvoor moeten de mogelijkheden
geschapen worden. Dat moet geregeld worden zodat iedereen uit de voeten kan en
niemand iets tekort komt.
De mensen moeten de "gelegenheid"
hebben zich uit te kunnen leven, wordt er dan gewoonlijk gezegd. Maar bij dit
alles wordt één ding vergeten: voorzover er bij de mens een zaak
naar voren komt die wij ONTSPANNING of
SPORT of SPEL kunnen noemen, is dit iets dat bij de mens PERSOONLIJK
behoort. Het is een PRIVE-kwestie, een INDIVIDUELE gesteldheid van de
één of andere BEPAALDE mens.
Die individuele zaak kan het karakter van
GEMEENSCHAPPELIJKHEID hebben, zodat er meer mensen bij betrokken zijn, maar ook
dan is het uitgangspunt de INDIVIDU. Deze kan zich INSTELLEN op de anderen
om met hen samen te werken en hij kan zich instellen op de anderen om met
hen te WEDSTRIJDEN. In het eerste geval ontstaat er dan uit de bundeling van de
individuen een TEAM en in het tweede geval blijft het ook in feite individueel.
Een TEAM is en blijft in àlle gevallen
een SAMENBUNDELING; het kenmerk van een samenbundeling is het feit, dat de
aanwezigheid van OP ZICHZELF STAANDE ELEMENTEN voorwaarde is. Ook hierbij
is het dus eigenlijk de INDIVIDU waarom alles draait.
De SPORT e.d. is een aan de mens meekomende
zaak, die aan de mens meekomt VOORZOVER HIJ INDIVIDU is. Dit staat in lijnrechte
tegenstelling tot het begrip ARBEID, want de arbeid komt aan de mens mee
VOORZOVER HIJ HET GEHEEL is. Deze laatste gedachte is weliswaar zo
langzamerhand voor iedereen VREEMD geworden, maar dat doet aan de
juistheid ervan niets af. Het werk immers komt DE GEHELE WERELD ten goede, ook
al menen de mensen dat zij het voor zichzelf doen. Om namelijk hun brood te
verdienen. Aan het feit, dat de ARBEID voortkomt uit de mens als HET GEHEEL,
komt mee, dat de arbeid eigenlijk NAAMLOOS is: niemand vraagt ernaar wie
een bepaald ding gemaakt heeft - als het geen kunstvoorwerp is. En ook telt in
het arbeidsproces de PERSOONLIJKHEID niet mee. Het is een ALGEMENE zaak.
Maar voor de SPORT geldt dit niet: de sport is een PERSOONLIJKE zaak.
Iemand maakt voor ZICHZELF uit of hij zin heeft in hardlopen, of boksen, of
voetballen of wat dan ook. Dan gaat hij dat doen als hij daar zin in heeft en,
indien nodig, zoekt hij er anderen bij, die er ook zin in hebben. Een
ieder zoekt het zèlf maar uit. Dit ligt dan ook in het KARAKTER van
de sport, en van de ONTSPANNING in het algemeen, besloten: het is een
LICHAMELIJKE aangelegenheid, die dus aan DIT of DAT lichaam BEPAALD is. Dit is
in geen enkel opzicht een diskwalificatie want de mens is LICHAAM; het IN STAND
HOUDEN daarvan en ook het ONTSPANNEN daarvan is een volkomen normale en
redelijke zaak.
Maar ten enen male NIET REDELIJK is het als
de mensen deze PERSOONLIJKE zaak verheffen tot een ALGEMENE en
daarvoor dan ook bepaalde EISEN stellen. Als zou het gaan om iets van werkelijk
gewicht. Een PERSOONLIJKE zaak heeft ten opzichte van iets ALGEMEENS nooit enig
gewicht. Belangrijk is dat de wereld LEEFBAAR wordt en dus is het belangrijk
dat er GEWERKT wordt - dit is te zeggen àls we van belang willen
spreken. Eigenlijk is er in de werkelijkheid geen BELANG aan te wijzen. Maar
dat is een andere zaak.
Het ligt in het karakter van de MODERNE MENS
de sport tot iets algemeens te verheffen. Dat komt mee aan het wezen van het MODERNE: de mens ,
zichzelf kennend als het TOT AAL van de werkelijkheid. Het totaal van alle
factoren, die bijwijze van FUNCTIE gelden. Die factoren gelden als waren
het RADEREN van een MACHINE; de éne grijpt in de àndere en zo
bouwen ze allemaal mee aan een FUNCTIONERENDE MACHINE. Dit is geen
functionerend GEHEEL, want een machine is géén ORGANISME. Een
organisme bestaat ook wel uit allerlei onderdelen, maar die onderdelen
zijn VOOR ZICHZELF niet aanwezig. Zij zijn er alleen voorzover het GEHELE
ORGANISME er is en zij gedragen zich ALS dat gehele organisme. Deze zaak is
voor de MODERNE MENS nauwelijks te begrijpen; voor hem zijn er alleen maar
FACTOREN en de FUNCTIES daarvan. Hij begrijpt dan ook niet dat iemand TEGEN de
sport kan zijn en hij vindt het volkomen NORMAAL en zelfs PRIJZENSWAARD
dat er steeds meer belangstelling voor de
sport ontstaat. Hij wil dan zelfs graag van VERBROEDERING spreken en
van OPVOEDENDE WAARDEN en daarbij heeft hij niet in de gaten dat die
verbroedering alleen maar BUNDELING is en dat de opvoedende waarde
géén andere inhoud heeft dan deze: de mensen te leren zich als
een FUNCTIE te gaan gedragen.
Daarom spreekt hij ook graag van DISCIPLINE
en ZELFBEHEERSING.
Het riekt zelfs een beetje GERMAANS, vindt U
niet? Samenhangend met het bovenstaande is er nóg een aspect te vermelden:
het WEDSTRIJDELEMENT. Om een wedstrijd te kunnen houden moet er een
TEGENSTANDER zijn en een tegenstander is een GELIJKE. Het is iemand, die ook
iets kan, en nu gaat het er om deze vermogens te vergelijken. De gedachte van
DE GELIJKE is natuurlijk MODERN; het is bovendien een JUISTE gedachte, maar
NIET JUIST is de VERHOUDING die de MODERNE MENS tùssen de GELIJKEN
beseft.
De moderne mens
namelijk beseft de gelijke als een APARTE ZAAK, die helemaal BUITEN hem staat
en waarmee hij zich hoogstens kan METEN.
Vandaar dat het alleen maar om SECONDEN en
delen van seconden gaat; het gaat om DOELPUNTEN en àndere MEETBAARHEDEN.
Om de STRIJD zèlf gaat het niet, van belang is alleen HET VERSCHIL
tussen de vermogens van de één en die van de ànder. Dat
dit verschil alleen IN DE STRIJD te bepalen is, is een MEEKOMENDE kwestie. Het
is daarom heel normaal die strijd zèlf zo gemakkelijk mogelijk te
maken. Het mag vreemd klinken, maar de OVERDREVEN TRAINING is hiervan het
gevolg en ook het feit, dat eigenlijk iedereen het gebruik van DOPINGS normaal
vindt. Dat men het afkeurt is immers niet vanuit sportieve overwegingen, maar
vanuit MEDISCHE overwegingen. Het is slecht voor de GEZONDHEID. Het wordt
niet verantwoord geacht om terwille van één seconde het
lichaam schade toe te brengen. Maar het wezen van de zaak blijft toch dezelfde:
het gaat om het VERSCHIL in vermogens en niet om de strijd.
Dat alles komt voort uit het besef met een
GELIJKE te doen te hebben, die in alle gelijkheid toch VREEMD is. Alleen in dit
geval kan de nadruk op het VERSCHIL vallen en niet op de strijd. De
tegenstanders zijn voor elkaar APARTHEDEN. En apartheden kunnen nu eenmaal niet
met elkaar STRIJDEN; zij kunnen alleen maar OVERWINNEN en dus ook VERLIEZEN.
Geheel ànders ligt de zaak als de
tegenstanders elkaar beschouwen als TEGENPOLEN van een EENHEID; alles
lijkt dan op het bovenomschreven geval - omdat alle elementen er ook in
voorkomen-MAAR HET IS HET JUIST NIET. Het gaat om de STRIJD, want hierin uit zich de
EENHEID van de tegenstanders, en de OVERWINNING is een noodzakelijk GEVOLG van
de strijd, evenals de NEDERLAAG.
Wie er overwint is eigenlijk niet in de
eerste plaats van belang want het VERSCHIL tussen de twee polen van de
EENHEID is nooit van belang. Het gaat om het BEWEEGLIJK-ZIJN van die twee polen
TEN OPZICHTE VAN ELKAAR. Uiteraard zijn ook deze twee polen GELIJKEN, maar niet
omdat zij DEZELFDE WAARDE hebben, maar omdat zij polen van de EENHEID
zijn.
Homerus geeft hiervan een goed voorbeeld in
zijn ILIAS als daar wedstrijden gehouden worden ter ere van de gesneuvelde held
PATROKLUS. Zachtzinnig zijn deze wedstrijden
niet, maar daar gaat het niet om; het gaat er om dat de tegenstanders zich EEN
weten. De EER van de verslagene is tevens de EER van de winnaar en
andersom. Een lafaard vecht niet tegen een held, maar een held wel.
Te verliezen van een LEEUW is groter eer dan
te winnen van een HAAS.
Homerus tekent ons deze sfeer prachtig - ik
raad U aan hiervan nota te nemen.
Mogelijk zal het U dan ook opvallen dat er
aan deze gevechten geen TRAINING voorondersteld is; ieder legt op tafel wat hij
NORMAAL kan. Ik geef toe dat het bij de vrinden van Homerus geen geringe
vermogens zijn en ik geef ook toe dat de heren nogal vaak aan het vechten
waren, zodat zij eigenlijk geen training nodig hadden, maar dat neemt allemaal
niet weg, dat de training zoals wij die kennen hen niet alleen qua TECHNIEK,
maar in de eerste plaats qua GESTELDHEID volkomen vreemd was. Het is een geheel
andere wereld die elke VERDWAZING mist en die ook niet tot ALGEMEENHEID
verheven wordt.
Dit alles heeft niets met de latere Griekse
OLYMPISCHE SPELEN te maken. Die spelen waren net zo wezenloos als de onze, de
verdwazing steeg daar ook al spoedig ten top: de overwinnaars werden als goden
vereerd. Dat waren plotseling belangrijke figuren geworden! Alsof een
sportprestatie, menselijk gesproken, van enige betekenis is. Die vermeende
betekenis ontleent de mens aan het VERSCHIL: dat verschil, hoe onnozel ook, onderscheidt
de éne mens van de andere; het maakt hem waardevoller of
waardelozer. Maar het gaat wezenlijk NERGENS om.
Zo is deze zaak, die eigenlijk al in
Griekenland begonnen is, via allerlei tussenstations in ònze wereld tot
volle wasdom gekomen. De kranten hebben hele sport-edities, de televisie weet
al helemaal niet van ophouden en verveelt ons dag-in dag-uit met de botte
conversatie van sportlui van wie het oordeel over allerlei zaken zo
langzamerhand maatgevend is geworden. De mensen zeuren om hun sportvelden en om
subsidies… en
ga zo maar door.
Maar ik zeg U: als je zin hebt in roeien,
zeilen, zwemmen, in voetballen of pistoolschieten, in worstelen of in het
altijd weer vermakelijke “bonken op ribben”, ga gerust je
gang! Zoek je tegenstanders en kameraden en vooral: ZOEK HET ZELF MAAR UIT. Val
de andere mensen, en dus de GEMEENSCHAP, niet lastig met je flauwekul –
want dat is het ALTIJD, vergeleken bij de gemeenschap. Het is immers een zuiver
PARTICULIER gedoe! En bovendien DEUGT HET NIET om de gemeenschap ermee te
vervelen, want het zijn KINDERACHTIGHEDEN en die zijn nog altijd de mens
ONWAARDIG. Als je het dan ook
nog zo bont maakt om in de sport een BROODWINNING te zien, dan zijn we met
recht “in de aap gelogeerd”. Dat is de kinderachtigheid ten top !
Want verdienen kan je alleen maar aan ARBEID, welke arbeid dit ook is. Aan WERK
komt BROOD mee en verder nergens aan. Elke verdere verdienste is DIEFSTAL
– behalve als het gaat over het inkomen van een VROUW, maar daarover gaat
het nu niet. Elke verdienste die niet voortkomt uit ARBEID is diefstal, en dat
geldt ook voor de sport. Sport is GEEN ARBEID, hoe moe je er desnoods ook van
wordt – van televisie kijken word je trouwens ook bekaf. Arbeid komt ten
goede aan het GEHEEL, het is een ALGEMEENHEID.
Verdienen aan de sport is een GEMEENHEID, het
is, menselijk gesproken, MISDADIG.
++++++++++
Behalve een dankwoord voor diverse bijdragen
in de portokosten, heb ik verder niets te zeggen, dus:
Vriendelijke groeten,
Jan Vis.
Briefnummer 4: Het ongedierte vreet
het andere op-Iwan Karamazow
Briefnummer 5: De moderne mens en
de sport
Briefnummer 6: De vrede in deze
wereld
Briefnummer 7: Het
arbeidsevenwicht
Briefnummer 12: Rassenvraagstuk
Briefnummer 14: De brandstapel
is mij te heet
Briefnummer 15: De papieren
waarheid
Briefnummer 16: Pornografie
Briefnummer 17: Iets over de
liefde en de verveling
Briefnummer 18: De vrijheid van
spreken
Briefnummer 19: Het luchtledige
CENTRUM VOOR FILOSOFIE – ROTTERDAM (1968 )
Terug naar: STARTPAGINA
BRIEF No. 6, november 1966
DE VREDE IN DEZE WERELD
Johnson heeft de bombardementen op
Noord-Vietnam stop laten zetten; hij heeft eerst maandenlang elke avond tot god
gebeden dat er maar schot mocht komen in de Parijse vredesonderhandelingen,
en toen dat niet hielp heeft hij de zaak maar in eigen hand genomen en zijn
cowboys bevolen het vernietigen van een ander land in dit speciale geval
voortaan achterwege te laten. Want die goeie Johnson wil met alle geweld -
letterlijk en figuurlijk - vrede hebben in de wereld. Die vrede is hem
zoveel waard dat hij desnoods het bijna onverdraaglijke feit accepteert dat er
mensen op deze wereld leven die er wat betreft de maatschappij en de moraal
heel àndere opvattingen op na houden dan de Amerikaanse. Dank zij
Johnson's moedige besluit is er nu althans een mogelijkheid geschapen tot de
VREDE te komen, want één van de partijen heeft zich gemoedelijk
getoond, heeft blijk gegeven van "goede wil" en is opgehouden met
uitroeien van weerloze burgers. Nu is het wachten op de andere partij om ook
vervuld van verheven gevoelens van broederschap en naastenliefde op te
krabbelen uit de rokende puinhopen van zijn verwoest land en de vete aan de conferentie-tafel
bij te leggen. Maar helaas is deze andere partij niet zo heel erg DANKBAAR van
aanleg; van tevredenheid over het feit dat hij voortaan niet meer met NAPALM (dat
overigens óók in NEDERLAND gemaakt wordt, uiteraard buiten
medeweten van LUNS) en met scheepsgeschut en met raketten bestookt wordt is
niet veel te merken: hij gaat godbetert nog door met het stellen van eisen ook!
Hij wil notabene dat de Amerikanen, die zich toch al zo goedmoedig betoond
hebben en die tenslotte toch de BESCHAVING vertegenwoordigen de
ándere helft van zijn land verlaten, zodat hij zelf op zijn eigen manier
zijn zaken kan regelen.
En dat laatste komt er dan op
neer dat hij iedereen VERPLICHT te werken tegen een karig
loon, zonder enige INSPRAAK in de gang van zaken, en dus ook zonder DEMOCRATIE,
kortom: ZONDER ENIGE VRIJHEID.
En dan gaat hij daarna eens kijken of
hij nog meer volken zo gek kan krijgen hetzelfde te doen, desnoods met zijn
hulp. Totdat hij tenslotte aan de grenzen van EUROPA staat en machtiger is
geworden dan de verdedigers van de beschaving: de Amerikaanse COWBOYS. Dat is
toch al te gek!
De PAUS heeft zijn dierbare zoon
Johnson geprezen. Hij vond dat deze man een grote daad had verricht. Dat heeft
hij goed gezien, die paus, want als een van zijn voorgangers eertijds HITLER
heeft geprezen omdat hij ná Tsjecho-Slowakije van verdere AGRESSIE
àf zou zien, is het toch zeker geboden Johnson een pluim op zijn hoed te
zetten nu hij een beetje inbindt, terwijl hij, Johnson, zelfs nog voor een
rechtvaardige zaak streed, hetgeen van Hitler niet zonder meer te zeggen viel.
De AGRESSIE van de Amerikanen is een
door en door RECHTVAARDIGE AGRESSIE, want het is het verzet tegen het
SPOOK van het communisme. Zoals indertijd het verzet van ROME tegen de KETTERS
en tegen de HEKSEN ook rechtvaardig was. Het zou derhalve REDELIJK geweest zijn
half europa uit te roeien… maar ook de ROOMSE KERK heeft blijk gegeven van vergevingsgezindheid en het
maar gelaten bij EEN TIENDE van de Europese bevolking!
Zo staan nu de Amerikanen volkomen in
hun recht, strijders als zij zijn voor VRIJHEID en WELVAART, maar ook zij
willen het niet al te veel op de spits drijven en zien ervan àf het
gehele oosten met NAPALM (ook die uit de NEDERLANDSE FABRIEKEN) uit te roeien.
Overigens zijn niet alleen de
COMMUNISTEN ondankbare sujetten, maar ook in de SCHOOT VAN DE HEILIGE
BESCHAVING, in het westen zèlf, bevinden zich KETTERSE ELEMENTEN. Daar
zijn zelfs mensen die willen beweren dat de heer Johnson een vuige bijbedoeling
heeft met zijn gemoedelijkheid. Zij zeggen dat hij het gedaan heeft om de
VERKIEZINGEN een bepaalde richting uit te sturen! Hoe kunnen de mensen toch zó
slecht van elkaar denken. Mensen die zoiets durven denken zijn net zo verdorven
als die mensen die beweren dat de HEILIGE VADER ooit BIJBEDOELINGEN gehad heeft
met zijn EVANGELISCHE LEER. Zo zijn er mensen die staande houden dat de
ROOMSE KERK de halve wereld UITGEPLUNDERD heeft, en dat AMERIKA tegenwoordig
hetzelfde doet, ja zelfs min of meer in samenwerking met de PAUS. Zó ver
is de KETTERSE BOOSHEID al gegaan in onze wereld!
Gelukkig hebben wij juist dezer dagen
de heer NIXON tot president van de Verenigde Staten gekozen; die zal de
zaken wel wat strenger aanpakken, hoewel ook hij natuurlijk de menselijkheid
niet uit het oog zal verliezen. In alle menselijke strengheid zal hij het
negerprobleem aanvatten, o.a. door de verbetering van de levensomstandigheden van de neger over te laten
aan PARTICULIER INITIATIEF, terwijl hij de uitvoering van dit programma zaI
beveiligen door de POLITIE drastisch te versterken en te trainen in het
neerslaan van ONLUSTEN. Zodat straks de ongeregeldheden ook tot het verleden
behoren en een ieder zich volgens de SPELREGELS gedraagt.
De communisten dringen op, vooral in
het oosten; zij doen dat in alle stilte buiten elke plechtige CONVENTIE om en
zonder zich te storen aan NATIONALITEITEN. Zij overschrijden landsgrenzen
en opereren in àndere landen alsof het hun eigen land was; zij
ondermijnen WETTIGE REGERINGEN zonder acht te slaan op die wettigheid en zij
plegen zomaar gewelddaden tegen de BESCHAAFDE inwoners van die landen. Zij
houden zich helemaal niet aan de SPELREGELS, die toch de vrucht zijn van een
eeuwenlange ontwikkeling van de beschaving. In Latijns Amerika zien wij
hetzelfde gebeuren: avonturiers als een QUEVARA gaan rustig in een ander land
lopen schieten zonder daarvoor ordelijk toestemming te vragen. Dat zou nog
te begrijpen zijn als het in die landen zo moeilijk was om toestemming tot schieten te krijgen… maar je
krijgt daar zó een vergunning; je
behoeft je
alleen maar in te laten schrijven
als lid van de CIA. Dan word je er nog voor
betaald ook! Maar nee, stiekum de mensen gaan ophitsen en in het geniep moorden
plegen op bestuurders en notabelen, dus juist mensen die zo begaan zijn met het
lot van de mensheid en die er hun beroep van gemaakt hebben in de samenleving
RECHT EN ORDE te vestigen. De NEGERS in de Verenigde Staten willen
óók al gaan schieten, maar mensen, waar blijven we dan toch?
We kunnen het toch ook UITPRATEN. Beschaafd het woord vragen aan MENEER DE
VOORZITTER. En het is toch niet NODIG om iemand te
beledigen? Of om Robert Kennedy neer te schieten? Die
man had juist het beste met de wereld voor!
De BESCHAAFDE mens houdt zich aan de
spelregels, nooit zal hij daarvan afwijken.
Hij praat alles uit, hij streeft met
hart en ziel naar de WERELDVREDE en hij is er op uit alle problemen naar
ieders tevredenheid op te lossen.
Hij is bereid tot GEVEN EN NEMEN, die
beschaafde mens, en het gebruik van geweld BETREURT hij, ook als het WETTIG
GEWELD is. Het is een fijne meneer, die beschaafde mens… als we er
tenminste zijn VOLLEDIGE ONBETROUBAARHEID àfrekenen. Want immers : als je alle onderlinge betrekkingen tussen de mensen
denkt te kunnen regelen met behulp van SPELREGELS, dan moet je toch wel
goed doordrongen zijn van het feit dat eigenlijk de betrekking tussen de
éne en de àndere mens de MOORD en de DOODSLAG is. En als je je
die betrekking aldus bewust bent, dan ken je jezelf alleen maar als ROOFDIER en
nog erger. Niet dat je dan van jezelf WEET dat je je als een roofdier gedraagt,
want als je dàt van jezelf wist hield je er meteen mee op, maar je WETEN omtrent jezelf is een weten omtrent een zaak die als HET
ROOFDIER te kwalificeren is. De mens stelt zijn weten omtrent zichzelf altijd
INTELLECTUEEL, en dus vindt hij zichzelf intellectueel in orde, maar als we die
zaak die dan intellectueel in orde heet te zijn op de keper beschouwen
blijkt het onveranderlijk een en al VERRAAD, LEUGEN, OPLICHTERIJ,
ONVERDRAAGZAAMHEID en ZELFZUCHT te zijn. De beschaafde mens zit netjes aan
de conferentietafel en vraagt keurig het woord
aan "meneer de voorzitter", hij verschilt
keurig van mening met zijn tegenstanders en hij weerlegt keurig netjes
èlke tegen hem ingebrachte beschuldiging. In feite is hij dan ook niet
te beschuldigen, want hij houdt zich volledig aan het spel en dus is er
van daaruit niets tegen hem in te brengen. Dacht U dat een Johnson illegaal aan
zijn geld gekomen was? Welnee, hij heeft dat volledig volgens de spelregels
BIJ ELKAAR GESTOLEN - dit laatste echter weten en zeggen alleen de
ONBESCHAAFDE MENSEN, de anderen vinden hem een TALENT, een BRILJANT man,
enzovoort. Dus: intellectueel, d.w.z.
voor het THANS geldende denken, is de zaak volkomen in orde; de
SPELREGELS zijn in acht genomen. Het is alleen maar MENSELIJK niet in
orde, maar MENSELIJKHEID IS GEEN NORM.
Als de beschaafde mens over zichzelf denkt
is het volkomen in orde wat hij doet, maar IN FEITE deugt er niets van. In
feite is hij zichzelf niets anders dan een roofdier dat samen met de andere
roofdieren spelregels opgesteld heeft, juist om zich nog zoveel mogelijk te
kùnnen laten gelden. En aangezien het spelregels van een roofdier zijn,
zijn die spelregels eigenlijk al bij voorbaat ONTKEND; gedaan wordt namelijk
wat NIET in de spelregels vermeld staat, en WAT DUS MAG.
Bijvoorbeeld: een land mag zich niet
bemoeicn met de aangelegenheden van een ànder land. Best, maar je
mag ze wel een handje HELPEN, als zij daar
zèlf om vragen. Dus moet je zorgen dat ze je om HULP vragen en dan kan
je de zaak tòch naar eigen genoegen regelen. Zo heeft de U.S.A. zijn
zaakjes in de Dominicaanse Republiek geregeld, en in Zuid Vietnam, en zo
heeft Rusland het gedaan in Hongarije - alleen laatst in Tsjecho-Slowakije is
de zaak wat uit de hand gelopen, maar nu hebben de Russen toch zo langzamerhand
het lek boven. Wie heeft zich nu niet aan de spelregels gehouden? En als er een
conferentie over komt, of er worden vragen gesteld in de kamer, dan zeg je
gewoon dat wat in overeenstemming met de regels is en èlke onbeschaafde
beschuldiging van een beginneling in de politiek wijs je verontwaardigd van de
hand. Zo doe je dat. Vrijheid van meningsuiting is in het westen gegarandeerd,
wel, dan arresteer je demonstranten omdat ze de orde verstoren! Heel gewoon en
volkomen correct.
Het spreekt vanzelf dat mensen die
zich zó gedragen NAAR VREDE STREVEN. Het INTELLECT staat TEGENOVER het
geweld; het zet zich door AAN DE ANDERE ZIJDE van het geweld en omdat er niets
tegen het intellect opgewassen is, is het effectiever dan wàt ook. Maar
dat intellect is toch nog steeds dat van het ROOFDIER, dus nu vraag ik U: WAT ZET ZICH DOOR? Natuurlijk het roofdier. Dus is de VREDE, die het intellect voorstaat geen
vrede, maar LETTERLIJK WAPENSTILSTAND en deze wapenstilstand is het meest gunstige
klimaat voor dat roofdier.
In dat klimaat kan hij het beste uit
de voeten; kan hij intrigeren, liegen, verdraaien, uitplunderen,
enzovoort. Omdat het allemaal zo verduiveld ABSTRACT is en daardoor geen HARTSTOCHTEN
wakker schudt. We zien het nu in Tsjecho-Slowakije: al pratende veroveren de
Russen het terrein, zij REDENEREN de tegenstanders gewoon weg, en ziet…
de hartstochtelijke reactie van de verdrukten blijft uit. Het gaat nu allemaal
vanzelf. Daarom willen de machthebbers VREDE; ze willen geen GEWELD, want
VECHTEN IS HARTSTOCHT en deze hartstocht kan het
intellect op de achtergrond dringen, zonder het overigens te OVERWINNEN, want
het laat zich niet overwinnen. We zien dan
ook, dat het na verloop van tijd weer naar boven komt en dan is de zaak
verloren.
De gehele beschaafde wereld is BANG
voor het geweld; als de BLACK-POWER beweging in Amerika aankondigt met wapens
te gaan vechten, is vrijwel iedereen ertegen, zelfs de mensen die het met de
negers volkomen eens zijn. Toch - hoe wreed het ook klinkt - is het GEWELD de
enige methode die tot verlichting leidt, gesteld dat de toestand onhoudbaar is
geworden. En het gefemel over VREDE en GEWELDLOOSHEID wordt alleen maar
ingegeven door het INTELLECT. Het is daarom zwak, onbetrouwbaar,
verraderlijk en vals. En dat geldt voor IEDEREEN, die in deze wereld LANGS DE
WEG VAN DIE WERELD streeft naar VREDE, of het nu MARTIN LUTHER KING, ROBERT
KENNEDY, OE THANT of een of andere verdwaasde PACIFIST is.
De beschaafde vrede is een
WAPENSTILSTAND, het is het afzien van het gebruik van wapens, zodat ook de
LAFAARD zich door kan zetten met zijn geraffineerd intellect. Want MOED en VORSTELIJKHEID
is voor het intellect niet vereist, dat bewijzen de Amerikaanse
presidents-verkiezingen overduidelijk. En nu maar huichelen over het
"sparen van mensenlevens", want dat is een van de redenen om vrede te
sluiten. Maar ik zeg U: EEN BEHOORLIJK MENS SPAART GEEN MENSENLEVENS WANT HIJ
STELT GEEN ENKEL MENSENLEVEN IN DE WAAGSCHAAL. Een behoorlijk mens behoeft niet
GEMOEDELIJK te zijn als Johnson en de vrede te BEVELEN, een behoorlijk mens is nog
nooit in OORLOG geweest. Zo liggen de kaarten, heren vredestichters!
Het INTELLECT is het meest MODERNE
WAPEN, gevaarlijker en vernietigender dan de zwaarste atoombom en recht
evenredig met de KRACHT van dit wapen is de dosis LAFHEID die van de gebruiker
ervan verlangd wordt. De GESCHIEDENIS van het wapen laat aan duidelijkheid
niets te wensen over. Aanvankelijk ging het gebruik van een wapen gepaard met
MOED en dus ook met KARAKTER. Want het wapen was een RECHTSTREEKS verlengstuk
van - in het kort - de menselijke ARM. De AFSTAND tot de tegenstander werd
ONMIDDELLIJK overbrugd; het aldus ontstane onmiddellijke CONTACT vereiste MOED
en KARAKTER. Het gevecht tussen de éne en de àndere mens was een
ROYALE aangelegenheid, waarbij beide tegenstanders EERVOL, d.w.z. ZONDER
KLEINHEID, waren. Zij kònden ook moeilijk ànders zijn, over het
algemeen gesproken, omdat zij nog niet door het INTELLECT verburgerlijkt waren.
Intellect was hier nog
niet doorgedrongen, de HARTSTOCHT gold alleen. Later echter komt het
VUURWAPEN, en nu komen de kaarten gans ànders te liggen, want het
RECHTSTREEKSE CONTACT met de tegenstander is nu àfgelopen. Je gaat maar
achter een bosje liggen en je legt de grootste en dapperste kerel zonder enige
moeite om. Met MOED heeft dit niets te maken en met KARAKTER al evenmin;
het is een EERLOZE en dus KLEINE zaak. Het behoeft ons dan ook niet te verbazen
dat het VUURWAPEN met de opkomst van het BURGERDOM eerst goed in gebruik
kwam. Het vuurwapen heeft iets ABSTRACTS, zij het op "natuurlijke wijze": het overbrugt een AFSTAND zonder
dat je er zèlf, persoonlijk, bij betrokken bent. En verder dringt het in
principe in àlles door; het kan dus ook vrijwel àlles aan.
Het vuurwapen ligt ongeveer aan het
BEGIN van de westerse beschaving, en deze beschaving is, om verschillende
redenen, een "burgerlijke" beschaving. De ontwikkeling van de
burgerlijkheid en van het vuurwapen gaan dan ook prachtig samen. Overigens
betekent dit niet, dat het vuurwapen zèlf een miezerige aangelegenheid
is, maar daarover gaat het nu niet; het gaat nu over het gebruik ervan.
Het vuurwapen heeft dus al een
duidelijk ABSTRACTE kant aan zich. Naarmate dit wapen zich verder ontwikkelde
is dit aspect duidelijker uit de verf gekomen - denk maar aan de atoombom.
Tenslotte komt er voor de MODERNE CULTUUR noodzakelijk het moment, dat de
ABSTRACTIE ZELF als wapen gekozen wordt. Dan is er het volmaakte WAPEN en de
mens bedient dit volkomen INTELLECTUEEL. Karakter is niet meer nodig en
moed is niet meer nodig, alleen het INTELLECT doet het werk. Maar dit kan
alleen BUITEN HARTSTOCHT OM; het intellect heeft ORDE nodig en geen GEVOELENS.
Dus moet er GEEN OORLOG zijn, geen verhitte gemoederen en geen gescheld.
De SPELREGELS moeten in acht genomen worden. Dat is ONZE VREDE! Sinds de vrede
uitbrak na de tweede wereldoorlog is de macht van de groten dezer wereld meer
toegenomen dan ten gevolge van enige oorlog. Het middel is de VREDE. Het
UITPLUNDEREN van twee-derde van de wereld gebeurt efficiënter dan ooit, en
het middel is de VREDE. Er is de mensen méér zand in de ogen
gestrooid dan ooit, en alweer is het middel: DE VREDE. Gaat U zelf maar verder
met dit lijstje.
Wil dit alles nu zeggen dat wij de
vlag moeten uitsteken voor oorlog en geweld?
Is de mensheid dan beter terecht als
zij zich de godganse dag met vechten bezig houdt?
Neen, natuurlijk niet. Laten de heren
maar proberen hun fraaie vrede te handhaven, dan verbranden er tenminste geen
vrouwen en kinderen. Waar het hier om gaat is U duidelijk te maken dat de vrede
van deze, onze wereld GEEN VREDE is, maar de ABSTRACTE VOORTZETTING van datgene
dat de mensheid tot nu toe nog altijd gedaan heeft: vechten. Dat het derhalve
geen enkele zin heeft één prijzend woord over onze vrede te spreken
en nog minder er iets voor te doen. En dat het, gezien déze situatie in
menig opzicht een OPLUCHTING zou zijn als de kaarten eens DUIDELIJK kwamen
te liggen: voor de mensen in Afrika, voor de mensen in Latijns-Amerika en voor
de mensen in het Oosten. En toch ook voor de beschaafde mensen in het westen
omdat dan het ondier weer eens éven zijn ware gezicht laat zien: het
gezicht van deze ONVOLWASSEN SCHOOIER, de mèns.
+++++++++++++
De VOORDRACHTEN zijn nog steeds op de
DINSDAGAVONDEN, van 8 tot 9 uur. Het onderwerp
is: "De vrouw en de man". Verder is
er op dit moment geen nieuws te melden, dus tot de volgende keer!
Vriendelijke groeten,
Jan Vis, creatief filosoof
Overleven,
een zaak van weten en kunnen
Briefnummer 4: Het ongedierte
vreet het andere op-Iwan Karamazow
Briefnummer 5: De moderne mens en
de sport
Briefnummer 6: De vrede in deze
wereld
Briefnummer 7: Het
arbeidsevenwicht
Briefnummer 12: Rassenvraagstuk
Briefnummer 14: De brandstapel
is mij te heet
Briefnummer 15: De papieren
waarheid
Briefnummer 16: Pornografie
Briefnummer 17: Iets over de
liefde en de verveling
Briefnummer 18: De vrijheid van
spreken
Briefnummer 19: Het luchtledige
CENTRUM VOOR FILOSOFIE – ROTTERDAM (1968)
Terug naar: STARTPAGINA
BRIEF No. 7, december 1968
HET ARBEIDSEVENWICHT
Er wordt tegenwoordig druk gesproken over
de arbeidstijdverkorting, zoals die in de toekomst verwacht wordt. In
nauwe samenhang daarmee staat het vraagstuk van de vrije-tijdsbesteding en
ook dat van de werkloosheid. Verder wordt er algemeen geroepen om
loonsverhoging en dat heeft weer verhogingen van de prijzen ten gevolge, zodat
er in de meeste gevallen nauwelijks van enige wèrkelijke verbetering van
de positie van diegenen die om meer loon vragen gesproken kan worden.
Intussen is het wèl zo, dat de
levensstandaard in zijn geheel tamelijk snel stijgt in de ontwikkelde landen,
terwijl de zogeheten ARME LANDEN steeds meer klagen over de toenemende armoede,
ondanks het feit dat ook hun levenspeil stijgende is - zij het langzaam.
In de moderne landen neemt de MACHINE
het werk over van de arbeiders; volgens de economen is dat er de oorzaak
van dat er telkens grote groepen mensen zonder werk lopen in een maatschappij
waarin ruim voldoende werk is. Bovendien is het voordeliger om machines te
laten draaien: zij zijn betrouwbaar, gaan 24 uur per dag door in een hoog tempo
en werken vele malen nauwkeuriger dan welke vakman ook, tegen geringere kosten
want de arbeidslonen zijn tegenwoordig bijna niet meer te betalen. De mensen
staan dus nu niet meer op straat omdat er geen werk voor ze is, maar omdat ze
te duur zijn. We kunnen ons afvragen of de mens soms bezig is zijn eigen arbeid
onmogelijk te maken, en beter nog doen wij eraan ons af te vragen welk
evenwicht wij bezig zijn te verstoren als de situatie al zo is komen te liggen
dat wij ONZE EIGEN ARBEID niet meer kunnen betalen.
Er zijn natuurlijk een aantal mensen,
die deze situatie toejuichen want eindelijk is het dan zover gekomen dat
ze niet meer MOGEN werken terwijl ze toch in een zekere welstand kunnen
leven. Eerst was dat alleen maar mogelijk via de STEUN, en dan werd je
betrekkelijk karig bedeeld en ook kon je altijd door het onheil getroffen
worden weer te moeten gaan werken.
Maar straks is dat allemaal anders:
dan màg je niet meer werken, want dat is te duur. Eindelijk een
volledig aanvaardbaar argument voor die mensen die de ARBEID als een
INKOMSTENBRON zien en die van daaruit best te porren zijn voor een inkomstenbron
ZONDER arbeid.
Andere mensen zien in de huidige
situatie het bewijs van onvermogen van de moderne aanpak en de moderne
ideeën. Zij vinden dat het maar weer moet worden zoals het vroeger
was: goedkope arbeidskrachten die je naar believen kunt aannemen en ontslaan,
geen "inspraak", heren en knechten en een rotsvast gezag dat
geworteld is in god en geschraagd door de heren politieagenten en
kolonels. Dat alles dan bijeengehouden door een ons dierbaar vorstenhuis. Want
de socialisten brengen er toch niets van terecht omdat een samenleving zonder
god en gezag nu eenmaal niet kan.
De meeste mensen echter houden het op
de toekomst, d.w.z. de toekomst zoals die voorgespiegeld wordt door de mensen van de
wetenschap. Deze toekomst belooft een zeer korte arbeidstijd en dat slechts
gedurende een gering aantal jaren. De arbeid bestaat dan in hoofdzaak uit
controle-werkzaamheden, om namelijk de machines, die àlles doen,
draaiende te houden. De mensen behoeven dus alleen op klokken te kijken en
een enkele keer aan een knop te draaien - verder gaat alles vanzelf. Het stelt
aan de arbeider geen hoge eisen, en dit feit, gevoegd bij het feit dat er
eigenlijk alleen nog maar VRIJE TIJD is, roept een heel nieuw probleem voor de
mensheid op: hoe kan de mens zichzelf bezig houden op een terrein, dat
niet het terrein der DINGEN is. Dus: hoe kan de mens zichzelf CREATIEF bezig
houden? Deze vraag staat steeds meer in het centrum der belangstelling. Want
straks zijn er hele drommen mensen die met zichzelf geen raad weten omdat er niets meer te doen is; die
mensen VERVELEN zich omdat zij er nooit toe OPGEVOED zijn zich met iets bezig
te houden. Daarom moeten we nu reeds beginnen met die opvoeding, zodat de mensen straks
iets hebben om hun leven mee te vullen. Zo ongeveer is de gebruikelijke
redenering van de moderne jonge mens en dat verhaal wordt wetenschappelijk
gesteund door zogenaamde "toekomstdenkers", sociologen,
filosofen en economen.
De artistiekelingen onder de moderne
mensen zijn druk bezig de theorie in praktijk om te zetten en de voorlopige
resultaten daarvan zijn al duidelijk in
overeenstemming met het karakter van de zaak zèlf: het is namelijk
allemaal even WEZENLOOS.
We zullen eens even bij een paar
punten stilstaan.
Als eerste de CREATIVITEIT; de moderne
mens heeft dit begrip bedacht op grond van het vermoeden dat de mens meer
is dan een DING. De mens heeft een SCHEPPEND vermogen, wordt er dan gezegd.
Niemand weet precies hoe het zit met dat scheppende, maar in elk geval kan de
mens zèlf iets maken. Dit onderscheidt hem van de rest van de natuur -
althans, dat nemen wij voorlopig maar even aan. Dat ZELFGEMAAKTE, wat is dat
eigenlijk? Wat wordt door de mens zèlf gemaakt en wat niet? De mens
maakt zich een gehele WERELD waarin alle oorspronkelijke factoren OPGEHEVEN
worden: AFSTAND bijvoorbeeld geldt nauwelijks meer, een natuurlijk
ISOLEMENT is opgeheven, KLIMAAT heeft geen invloed meer, enzovoort. De mens
maakt dus een NIEUWE WERELD; de mens maakt ALLES zelf. Maar dit zijn allemaal
CONCRETE dingen en als dat in principe klaar is komt er wat ànders, iets
dat NIET CONCREET is. Naar aanleiding hiervan spreekt de moderne mens van
CREATIVITEIT. Hij wil namelijk dat niet concrete iets gaan MAKEN; hij wil voor
zich een werkelijkheid geldend maken die VOORBIJ DE DINGEN is.
Deze werkelijkheid gèldt
inderdaad voor de mens; laten wij terwille van de eenvoud zeggen dat deze
werkelijkheid CULTUUR genoemd kan worden. De cultuur ontbloeit NA het
LEVENSONDERHOUD. Want de mens moet eerst kunnen BESTAAN om te kunnen LEVEN
en dit "kunnen bestaan" moeten wij in zijn VOLLE OMVANG bezien; het
is niet voldoende dat er een hap brood is en een meer of minder waterdichte
plaggenhut. In een dergelijke situatie is de LEVENSZEKERHEID veel te klein, d.w.z. er IS dan geen levenszekerheid.
Het begrip LEVENSZEKERHEID begint pas dan ècht door te zetten als de
mens enig benul krijgt van RECHT, en ook dan nog is het gedurende een heel
lange tijd een zeer LABIELE levenszekerheid omdat het dan geldende RECHT
een AFGEDWONGEN recht is. Deze situatie geldt ook nu nog over vrijwel de gehele
wereld. Hierbij doet het niet terzake VAN WIE dat recht afgedwongen is;
het gaat om het feit, dat de mensen het RECHT aanvoelen als een
VERWORVENHEID. Als iets dat door STRIJD verkregen is, en nog niet als IETS
VANZELFSPREKENDS. De levens zekerheid is daarom ook nog niet
vanzelfsprekend in de wereld, óók niet in vergevorderde landen
als ZWEDEN - hoewel het er daar al aardig op
begint te lijken.
Hoewel onze LEVENSZEKERHEID een
LABIELE aangelegenheid is, is het toch wel degelijk levenszekerheid; daarom
gaat het zich vanzelf laten gelden als dat wat het eigenlijk heeft te zijn: de
BASIS van en voor het menselijke LEVEN. Dit gaat VANZELF, want de VOORGAANDE
zaak is AUTOMATISCH VOORWAARDE voor het volgende. Zo is ons (betrekkelijk)
GEREGELDE BESTAAN vanzèlf als VOORWAARDE voor iets ànders gaan
fungeren; als voorwaarde namelijk voor - zeg maar - CULTUUR.
Evenwel hebben wij, moderne mensen,
van CULTUUR geen flauwe notie; wij kennen in het beste geval ONZE CULTUUR, maar
het begrip CULTUUR op ZICHZELF is voor ons onbekend gebied. De normen die
daarvoor gelden zijn ons dus ook onbekend; wij passen heel gemoedereerd ONZE
NORMEN toe en gaan er dan toe over de zaak te MAKEN. Wij gaan cultuur MAKEN op
precies dezelfde wijze als wij nog volop bezig zijn de WERELD TE MAKEN.
Dàt is onze CREATIVITEIT: het is het LEREN MAKEN VAN CULTUUR.
Wij gaan er aan staan als gold het het
maken van DINGEN, terwijl wij tevens WETEN, dat het NIET over dingen gaat!
Wij maken dus DINGEN, die GEEN DINGEN mogen zijn; het worden dan noodzakelijk
ONTKENDE DINGEN, en verder dan het ONTKEND-ZIJN van de zaak komt het niet.
We krijgen nu als resultaat DINGEN,
die volledig het KARAKTER en dus het WEZEN van de dingen MISSEN; het zijn
WEZENLOZE DINGEN. Dat komt voor de dag aan de CREATIVITEIT, aan de HOBBY, aan
SPORT EN SPEL, aan de VRIJETIJDSBESTEDING, enzovoorts. Het is een CULTURELE
wereld, die gemaakt wordt door NIET-CULTURELE MENSEN, namelijk door BOUWERS,
door CONSTRUCTEURS.
Want dàt is het wat wij
WERKELIJK zijn. Hierop is OP ZICHZELF niets aan te merken; het wordt pas
dàn wezenloos als de constructeur zijn terrein verlaat - omdat de zaken
daar nu wel zo'n beetje marcheren - en zich bezig gaat houden met wat hij aanvoelt
als cultuur. Maar als CULTUUR niet helemaal VANZELF ontstaat dáár
waar de DINGEN geregeld ZIJN en waar het leven dus ZEKER is, dan IS het GEEN
CULTUUR; dan kan het alleen maar WEZENLOOS zijn omdat het dan noodzakelijk
blijft steken in de ONTKENNING der DINGEN. Voor ons is het misschien niet
zonder meer duidelijk dat het genoemde ONTKENNEN der dingen een wezenloze
zaak is; het behoort tot onze culturele erfenis de dingen eigenlijk NIET HET
WARE te vinden en van hieruit iets TEGEN de dingen te hebben.
Niet dat dit ons belet van de dingen
te profiteren, maar als wij er over nadenken, of ons "bezinnen op ons
leven" zoals wij dat in de kerstdagen zo innig weten te doen, dan vinden
wij de dingen toch eigenlijk niets en wij zouden ze op de een of andere manier
uit willen bannen. Tegenwoordig blijft dit bij een WENS, maar vroeger, toen de
ROOMSE KERK nog volop in bloei stond, toen waren er mensen die de daad bij het
woord voegden. Zij gingen de dingen ontkennen, en ook hun eigen lichaam, en
werden zo tot heilige mannen die tot op de dag van vandaag in ethisch opzicht
onaantastbaar zijn. Nuchter beschouwd echter was het gedoe van die mannen een
en al wezenloosheid: zij sloegen zichzelf met zwepen en zij hongerden
zichzelf genadeloos uit en in hun hoofden leefde maar één ding,
namelijk nèt datgene dat zij uit wilden roeien. Deze gesteldheid
ligt in ons ook nog verscholen; daarom is in ons HET DING niet zodanig gesitueerd
dat het BASIS kan zijn voor CULTUUR want als zodanig moet het DING niet ONTKEND
zijn, maar BEVESTIGD. Dàn komt de cultuur vanzèlf, maar dan wordt
die cultuur NIET GEMAAKT want als het DING erkend is, is het ook als MAAKWERK
erkend en dit houdt dan weer noodzakelijk in dat het NIET-MAAKWERK
óók erkend is - en dat is de CULTUUR.
Tot zover - in het kort - over de
CREATIVITEIT en wat daarmee samenhangt. Een ànder thema is dat van de ARBEIDSTIJDVERMINDERING. Het blijkt
dat ook op dit terrein de in het denken bekwame moderne mens de plank
volkomen mis slaat. Ten eerste denkt hij dat het werk door MACHINES overgenomen
wordt zodat hij er zèlf niet meer aan te pas komt.
Maar vanwaar deze ONZIN? Want waar komen die machines dan vandaan? Komen die
uit de lucht vallen, worden die door de KABOUTERS gemaakt - of moeten wij die
zèlf maken? Dit laatste is natuurlijk het geval, maar toch juist de
moderne technische mens moet in staat worden geacht te kunnen beseffen
welk een enorme, vooral INTELLECTUELE ARBEID er aan één machine
voorondersteld is! En hoeveel verschillende machines zijn er niet nodig in
een gehele mensheid! Dus er moet véél gewerkt worden; bovendien
moet dat allemaal draaiend gehouden worden, er moeten verbeteringen worden uitgedacht,
enzovoort enzovoort. En wij maar
denken dat wij straks niets meer te doen hebben. In feite is er namelijk dit
gaande: naarmate de mensheid zich intellectueel ontwikkelt, ontwikkelt haar
ARBEID zich óók intellectueel, d.w.z.
de arbeid verschuift van
HANDARBEID naar steeds meer INTELLECTUELE ARBEID.
Bij dit proces zijn er natuurlijk
telkens mensen die qua HANDARBEID niet meer uit de voeten kunnen en die dus
buiten het arbeidsproces komen te vallen. Maar dit is slechts een
GENERATIEKWESTIE; bij een volgende, op het nieuwe intellectuele pijl
ingestelde generatie is DEZE groep van mensen verdwenen. Dan zijn er weliswaar
weer nieuwe achterblijvers, maar dat BLIJFT gelden. De VOORUITGANG brengt dit
noodzakelijk aan zich mee.
Op grond van dit feit echter te
constateren dat de mensen steeds minder te doen krijgen is DWAASHEID;
àls wij hieromtrent een uitspraak moeten doen is het beter te zeggen dat
er MEER WERK komt voor de mensen…
Door dit alles loopt nog een aspect
heen, dat bijna altijd over het hoofd gezien wordt, o.a. door het feit
dat het de mens van een bepaalde cultuur nu eenmaal altijd moeilijk valt het
OVERHEERSINGS-ELEMENT van zijn eigen cultuur te herkennen. Hiermee bedoel
ik dit: op een zeker moment in de wereldgeschiedenis is een bepaalde cultuur
het LAATSTE MOMENT. Die cultuur is dus het verst gevorderd en omdat dit zo is,
is die cultuur MAATGEVEND voor de GEHELE MENSHEID. Dus ook voor culturen die
eventueel helemaal geen CONTACT hebben met de cultuur van dat laatste moment.
De maatgevendheid blijkt zodra er wèl contact is gelegd. In deze
MAATGEVENDHEID is het OVERHEERSINGS-ELEMENT gelegen, want àlle andere
culturen volgen niet alleen die cultuur, maar zij achten zichzelf tevens
ONDERGESCHIKT. Cultuur MANIFESTEERT zich in de volle breedte van de
samenleving; zij manifesteert zich dus ook als MACHT, en deze macht ligt op
ALLE terreinen. Wij zullen in dit bestek maar ineens zeggen, dat het LAATSTE
cultuurmoment alle andere momenten UITPLUNDERT om daarmee ook de
BESTAANSMOGELIJKHEID VAN ZICHZELF te bevestigen. Als voorbeeld dit: de
GRIEKSE FILOSOFIE en KUNST bloeiden indertijd en ook deze cultuur was, zakelijk
gesproken, mogelijk omdat ANDEREN ervoor WERKTEN. Dat waren in Griekenland de
SLAVEN en de ARME MENSEN. En daar waren de aangesleepte RIJKDOMMEN uit de overzeese
gebieden waar de arme tobbers er ook hard voor moesten werken. De bestaansvoorwaarde voor de
Griekse CULTUUR is de NIET ZUIVER GRIEKSE WERELD, dus dat wat BENEDEN de
Griekse cultuur als zodanig blijft. Deze verhouding geldt voor ELKE cultuur;
nooit kan een CULTUURVOLK zichzèlf als BESTAANDE groep mensen in stand
houden. Ditzelfde nu geldt ook voor de MODERNE CULTUUR.
Wel te verstaan: voorzover die moderne
cultuur nog in ONTWIKKELING is. Dan dienen ALLE MENSEN over de gehele wereld er
toe de bestaansmogelijkheid te realiseren. Daarom hebben wij tot nu toe de
gehele wereld naar onze hand gezet en wij hebben OVERAL vandaan gesleept wat
wij nodig hadden voor onze cultuur. En natuurlijk is dat niet VRIENDELIJK
gegaan: wij waren toch de OVERHEERSERS en die anderen de ONDERGESCHIKTEN. En
daarmee waren BEIDEN het eens, zowel overheersers als ondergeschikten. Anders
had het natuurlijk nooit gekund!
Nu moet U begrijpen dat op grond van deze verhouding het
PLUNDEREN door is gegaan. Wij hebben àlles BIJNA GRATIS verkregen!
De eerste fasen van het PRODUCTIE-PROCES hebben ons vrijwel NIETS gekost, en
dat is ook thans nog zo. En aldus heeft zich onze zaak vrijelijk verder kunnen
ontwikkelen, zonder dat het eigenlijk iets kostte. Logisch dat de moderne
landen SCHATRIJK zijn en dat hun ontwikkeling ongeremd door kan gaan, zó
zelfs dat er steeds meer een ARBEIDSLEEGTE ontstaat bij de EENVOUDIGSTE
ARBEID. Deze LEEGTE zou er evenwel niet zijn als alles in EVENWICHT lag, d.w.z.
als wij de grondstoffen niet VOOR BIJNA NIETS konden verkrijgen. Dan zou
namelijk blijken dat het toenemend INTELLECTUEEL worden van de arbeid NIET
betekent dat er geen HANDARBEID meer verricht zou behoeven te worden. Er blijft
ALTIJD handarbeid - alleen NU is de westerling zover dat HIJ dat niet meer
kàn doen. Hij is daarvoor te ontwikkeld geworden; het kan in zijn
maatschappij niet meer.
Dat wij de boel voer een goed deel
VOOR NIETS krijgen - hoewel dit al minder is dan vroeger - moge uit het
volgende blijken: als HIER iemand werkt in een bepaald vak, dan verdient hij
daarmee een bepaald LOON, en dat loon is over het algemeen tegenwoordig
BEHOORLIJK. Gaat hij echter precies datzelfde vak uitoefenen in bijvoorbeeld
een ONTWIKKELINGSLAND, dan gelukt het hem om met een zeker kapitaal terug te
keren na betrekkelijk korte tijd. Een kapitaal dat HIER in geen geval te
verdienen was geweest. En nu mag de econoom zeggen dat er DAAR behoefte
bestaat aan vakmensen, zodat er DAAR meer betaald wordt, maar dan zeg ik: het
komt doordat de verhouding nog steeds SCHEEF ligt. Het komt door de
PLUNDER-VERHOUDING en nèrgens ànders door. Wat HIER een zeker
loon waard is, moet DAAR hetzelfde loon waard zijn, eerst dàn ligt de
zaak RECHT. Elk argument om dit te weerleggen is een NEVENARGUMENT, dat de zaak zèlf niet raakt.
Elk economisch argument mag OP ZICHZELF
juist schijnen, maar het neemt dan de plunder-verhouding als GEGEVEN aan,
zònder dit gegeven zèlf aan een nader onderzoek te
onderwerpen.
Bezien we deze materie in het licht
van de eigenlijke verhouding, dan moet alles in EVENWICHT zijn, maar dan
hebben WIJ geen arbeidskrachten over en het zal dan met onze VRIJE TIJD ook
niet zo erg ruim gesteld zijn.
Niet alleen dat er over de gehele
wereld eigenlijk een evenwicht ligt inzake LONEN (zolang die nog gangbaar
blijven) en inzake het aantal bij het productieproces ingeschakelde personen,
maar ook ligt er een evenwicht in het aantal UREN dat elke man aan zijn arbeid
besteedt. Wij denken dat dit aantal UREN economisch bepaald is, maar in feite
is het bepaald aan geheel iets ànders, namelijk aan DE MENS ZELF.
Bekijken we de mens zèlf, dan
blijkt dat hij - voorzover hij MANNELIJK bepaald is - ARBEID IS, en zich
daarmee dan ook ZIJN LEVEN LANG bezig houdt. Het gaat nu niet om de vraag of
wij in de meeste gevallen tot nu toe van ARBEID of beter van GESJOUW moeten
spreken. Een ieder moet als hij dit leest zich maar een beeld trachten te
vormen van het begrip ARBEID. Maar dàt doet de mens mannelijk zijn
gehele leven, zònder dat ik hiermee wil zeggen dat hij IN ARBEID OPGAAT. Want dat gaat de mens niet… maar
ook dit begrijpen wij gewoonlijk niet want dan denken wij onmiddellijk dat NIET
WERKEN béter is.
Als ik zeg dat de mens niet IN ARBEID
OPGAAT, vooronderstelt dit ARBEID… dus: al arbeidende gaat de mens niet
in arbeid op. Dat is àlles.
Tot de volgende keer,
Jan Vis, creatief filosoof
Briefnummer 4: Het ongedierte
vreet het andere op-Iwan Karamazow
Briefnummer 5: De moderne mens en
de sport
Briefnummer 6: De vrede in deze
wereld
Briefnummer 7: Het
arbeidsevenwicht
Briefnummer 12: Rassenvraagstuk
Briefnummer 14: De brandstapel
is mij te heet
Briefnummer 15: De papieren
waarheid
Briefnummer 16: Pornografie
Briefnummer 17: Iets over de
liefde en de verveling
Briefnummer 18: De vrijheid van
spreken
Briefnummer 19: Het luchtledige
CENTRUM VOOR FILOSOFIE – ROTTERDAM(1969)
Terug naar: STARTPAGINA
Zie
ook: Vrijheid van meningsuiting-zie bladwijzers ; Proces
v/d Eeuw tegen alle
ingezetenen van Nederland..! ;
Bladwijzers: Ontwikkelingshulp ; Met
rust laten ; Met elkaar omgaan
; Onwaardigen
; Achtergebleven
gebied/Discriminatie
BRIEF no. 12 - mei 1969
Het rassenvraagstuk
De gehele moderne westerse wereld
is geconfronteerd met het rassenvraagstuk; een groot aantal mensen hebben geen
LAST van het probleem en kunnen bijgevolg gemakkelijk hun standpunt bepalen
ten aanzien van de praktische menswaardigheid van de mensen met een
àndere huidskleur en een andere cultuur. Dit standpunt is dan - zoals
altijd met standpunten het geval is òf volkomen zwart òf
volkomen wit, zonder dat er de mogelijkheid is tot een wat genuanceerder
beeld. De "rechts" georiënteerde mensen neigen naar het
afwijzende zwarte standpunt en de "links" georiënteerden naar
het witte bevestigende. De één wil niets goeds van de gekleurden
horen en de ànder niets slechts en zo blijft het geharrewar aan de gang
zonder dat er ooit eens een oplossing komt voor het probleem - noch in morele
zin, noch in praktische zin. De zwart-wit mensen kunnen nooit een oplossing
vinden, want beiden hebben ONGELIJK, de voorstander en de tegenstander, en dat
komt niet doordat ze er beiden te weinig van àfweten - wat overigens ook
vaak het geval is - maar doordat ze niet in de gaten hebben hoe de zaak zit.
Hadden ze dit wèl, dan was er geen rassenprobleem! Dit betekent niet,
dat dan bijvoorbeeld de Amerikaanse negers als "god in Frankrijk"
leefden en het betekent ook niet het tegendeel hiervan; het sluit de mogelijkheid
van eventuele misstanden helemaal niet uit, omdat de praktische uitwerking van
een zaak nu eenmaal tijd vergt - vaak zelfs een kwestie van verschillende
generaties is. Als men in de gaten heeft hoe het zit vervallen om te beginnen
àlle pogingen om de mensen van een ànder ras hun plaats te
wijzen, of die pogingen nu negatief of positief bedoeld zijn. Het blijkt dan
dat er geen plaats te wijzen vàlt, omdat iedere mens persoonlijk en ook
ieder volk ZICHZELF naar de plaats toe ONTWIKKELT waar hij behoort, geheel
overeenkomstig de gang van zaken zoals die voor
het ORGANISME van kracht is.
In dat
LEVENDE GEHEEL is èlk onderdeel levend op zijn plaats, anders kon het
niet LEVEN. Deze gedachte komt ons misschien vreemd voor, maar dan moeten wij
maar eens denken aan het GEZIN waarin èlk kind op zijn PLAATS is zonder
dat het daar gezèt behoeft te worden. Zelfs als de kinderen te
lijden hebben onder een ouderwetse opvoeding, die een soort van
DWANGARBEID voorstaat, dàn nog groeien zij naar hun eigen
plaats…zó sterk
is het leven in een organisme. Onder de volkeren is het nèt zo: er
vàlt geen plaats te wijzen, ook al doen wij dat met een gesteldheid
die nòg onzelfzuchtiger is dan die het LEGER DES HEILS kenmerkt. De
GOEDE BEDOELING haalt hier niets uit en ook met de SLECHTE BEDOELING wordt het
niets; het gaat nòch op positieve, nòch op negatieve wijze.
De standpunten van de voorstanders en de standpunten van de
tegenstanders slaan nèrgens op, omdat bij zowel de één als
bij de ànder het INZICHT ontbreekt. Onder "inzicht" moet U
niet verstaan KENNIS VAN ZAKEN, zoals van een rechter verwacht wordt die
te hebben als hij een zaak tot een OPLOSSING moet brengen, want kennis van
zaken beslaat het terrein der OMSTANDIGHEDEN zoals die op een gegeven moment
zijn.
INZICHT echter betreft het WEZEN
van de zaak en kan van daaruit de omstandigheden VERKLAREN, hetgeen
onmiddellijk inhoudt dat er geen enkele poging ondernomen wordt om de omstandigheden
te veranderen, WANT HET WEZEN VAN EEN ZAAK LAAT ZICH NIET VERANDEREN… het
enige dat voor het WEZEN van een zaak geldt is dit, dat de zaak ZICH
ONTWIKKELT. En dat gaat van die zaak zèlf uit. Redelijk is het derhalve
de zaak MET RUST TE LATEN zodat de ontwikkeling ongestoord zijn gang kan gaan.
Maar helaas weten wij ook niet wat “Met rust laten-zie bladwijzers“ is, want vanuit onze cultuur
laten wij niemand met rust: wij dringen ons overal in en pluizen alles uit elkaar
zodat niets op de plaats blijft waar het behoort en alles geheel losgeslagen
wordt. Dit kunnen wij niet nalaten te doen en daarom weten wij niet wat het
zeggen wil iemand met rust te laten. Wij verstaan er onder dat wij aan
iemand verder GEEN AANDACHT SCHENKEN, dat wij hem links laten liggen bij
wijze van uitzondering. Wij passen dan onze indringerigheid niet op hem
toe, maar wij vinden wèl dat wij het eigenlijk wel moesten doen. Dit is
onze opvatting van iemand met rust laten, maar met deze gesteldheid komen wij
niet ver als het erom gaat een
ontwikkeling ONGESTOORD zijn gang te
laten gaan.
Dit betekent namelijk in genen
dele dat de zich ontwikkelende zaak in een ISOLEMENT gedrongen moet worden,
maar het betekent dat de zaak IN AL ZIJN SAMENHANGEN met àl het
àndere ER MOET ZIJN. En dan kan het zijn dat de zaak nog niet veel is en
zelfs betrekkelijker wijze in een samenleving als de onze ONMOGELIJK is,
maar dat heeft dan alle kans terecht te komen omdat er niets aan in de weg staat.
Dat ons begrip "met rust
laten" identiek is met het begrip ISOLEREN bewijzen de GHETTO'S. Overal in
de moderne wereld leven mensen in ghetto's; binnen zo'n ghetto kunnen zij hun
gang gaan maar in de wereld daarbuiten krijgen zij geen voet aan de grond. Met
als noodzakelijk gevolg dat de zaak VERPAUPERT. De mens kan niet zonder
RUIMTE, moet hij het toch daar zonder stellen dan wordt hij letterlijk en
figuurlijk KORTZICHTIG en dan gaat -de boel naar de bliksem. Mensen verpauperen
altijd aan de BENAUWDHEID en dit gaat hand in hand met de ARMOEDE - hoewel
armoede OP ZICHZELF nog niet met verpaupering te maken behoeft te hebben.
Want mensen kunnen arm zijn terwijl er toch ruimte om hen heen is; dan blijkt
de armoede veel stijlvoller te zijn dan de vieze modderige en zelfs misdadige
armoede van een ghetto waar alles even uitzichtloos en troosteloos is.
De mensen die MODERNE
OPVATTINGEN huldigen zijn het erover eens dat het met de ghetto's afgelopen
moet zijn en zij vinden ook dat de DISCRIMINATIE niet deugt. Uiteraard hebben zij
hierin gelijk, maar wij moeten toch wel terdege beseffen dat deze opvattingen
het ISOLEMENT niet opheffen omdat hier niet werkelijk van MET RUST LATEN te
spreken is. De moderne opvattingen doen het karakter van de zaak verschuiven
van een GROEPSISOLEMENT naar een PERSOONLIJK ISOLEMENT, en daarin zijn
àlle mensen betrokken. Het gaat in de moderne cultuur om het
persoonlijke en dit zet zich dus ook op dit terrein door. Zo komt de moderne
mens ertoe iedereen links te laten liggen, d.w.z.
hij bemoeit zich er niet mee, en dit noemt hij de
VRIJHEID die hij voor zichzelf opeist en die hij ook de anderen gunt. Van
hieruit wijst hij het ghetto àf en ook voor de discriminatie vindt hij geen grond; zoals de moderne mens, naar wij
in de vorige brief schreven, geen vijanden meer kent omdat de vijandschap
voor IEDEREEN geldt, zo duldt hij ook geen discriminatie
omdat iedereen hem EVEN ONVERSCHILLIG is.
Hij ziet niet in waarom er
verschil gemaakt moet worden tussen het éne isolement en het
àndere isolement; hij beschouwt ieder ander volledig als een
mèns. Dat hij niet in staat is met de anderen OM TE GAAN blijkt
dagelijks als wij om ons heen zien en ook blijkt het hieruit dat overal waar we
werkelijk te màken krijgen met mensen van een ander ras of een
andere beschaving de discriminatie
toch op de één of andere manier de kop op steekt. Daarom is het
geen fair play als wij EENZIJDIG de Amerikanen en de Zuid-Afrikanen van
misdadigheid ten aanzien van de neger beschuldigen; ook wij denken en leven
in en vanuit het ISOLEMENT en dus zou het zeer wel mogelijk zijn dat ook
hier ghetto's ontstonden als er grote groepen vreemden waren. Trouwens, hier en
daar gebeurt het al, maar hierbij moeten wij toch nog een aantekening maken,
want het lijkt erop dat de vreemdelingen zich zèlf in een ghetto
terugtrekken. Dit is echter SCHIJN, in zoverre, dat er natuurlijk een
wisselwerking is: de één isoleert en de ànder, de
tegenpool, wenst geïsoleerd te worden. Beiden werken dus toe naar
hetzelfde resultaat. Dit resultaat echter komt voor de VREEMDELINGEN, de
negers bijvoorbeeld, neer op een GROEPSISOLEMENT en dat wordt verklaard door
het feit dat wij bij de vreemdelingen doorgaans met MINDER MODERNE mensen te
doen hebben. Hierdoor lijkt het alsof de vreemdelingen zichzelf isoleren, maar
het proces verloopt in feite van twee kanten.
Dit dan wat betreft het elkaar
met rust laten op zichzelf, iets anders is de kwestie van de ONTWIKKELING. Naar
de buitenkant genomen zijn het de ontwikkelingsverschillen, die de grond
vormen van de discriminatie. De moderne mens wil deze verschillen
wègpraten en daarbij doet hij het voorkomen alsof die verschillen
niet belangrijk zijn. Hij zegt dat het om het "menselijke" gaat en
dat daarbij de huidskleur niet belangrijk is.
Hierin heeft hij natuurlijk
gelijk, maar één ding wordt daarbij angstvallig op de achtergrond
gehouden: het gáát helemaal niet om de huidskleur! Het gaat om de
ONTWIKKELING van de betreffende mensen, maar dat is iets dat nooit gezegd
mag worden, want je mag een ander niet ronduit tot "achtergebleven gebied"
verklaren. Een ander moet onze GELIJKE zijn, ook al pleegt hij poedelnaakt met
een stenen bijl op koppensnellen uit te gaan en heeft hij zelfs nog geen
SCHRIFT uitgedacht om zijn gedachten vast te leggen.
En
weer anderen - in Afrika bijvoorbeeld - hebben nog niet eens het begrip KIND
ontdekt want de moeders kijken er niet naar om en bewenen nauwelijks een
verongelukt kind.
Maar wij weten
geen ONWAARDIGEN aan te wijzen want buiten ONS is IEDEREEN onwaardig - al
zèggen wij dat niet. Zo zeggen wij ook niet dat BUITEN HET WESTEN de
gehele wereld één groot ACHTERGEBLEVEN GEBIED is -
letterlijk - waar nog vele generaties elkaar moeten opvolgen voordat het
westerse moderne peil bereikt is. En wij willen niet openlijk bekennen dat
de NEGERS in Amerika inderdaad PAUPERS zijn met
- over het algemeen gesproken -
een zeer GEVAARLIJK en AGRESSIEF karakter. Nu wil ik het niet hebben over onze
OPVATTINGEN over die achtergebleven gebieden. Die opvattingen slaan in
wezen toch nergens op; het gaat gewoon om de FEITEN, zonder sympathie of antipathie.
De feiten zijn dat in INDIA de mensen op de HONGERDOOD zitten te
wàchten ZONDER EEN VIN TE VERROEREN; dat in AFRIKA de mensen elkaar met
een gemak doden en martelen alsof het ZIELLOZE objecten waren en dat de
AMERIKAANSE NEGER duidelijk de ARROGANTIE heeft van iemand die ZWELGT in eigen
ellende. Zo zijn er talloze voorbeelden te
noemen en uit al die voorbeelden blijkt dat twee derde van de wereld niet op
het niveau staat van het westen.
Beste lezer, nu denkt U
misschien dat ik op fascistische wijze de loftrompet ga steken voor het BLANKE RAS, maar als U
dat denkt heeft U mij niet begrepen en dat komt vaker voor! Er is VOOR NIEMAND
de loftrompet te steken; het gaat hier eenvoudig om verschillende STADIA VAN
ONTWIKKELING en die verschillen zijn er zonder dat iemand er iets aan kan doen
en zonder enige VERDIENSTE voor de verst gevorderden. Die verschillen in
ontwikkeling komen voort uit verschillende cultuurgesteldheden. Soms is zo'n cultuur
bijzonder HOOG - denken wij bijvoorbeeld aan INDIA, dat zo ongeveer de
BAKERMAT van alle beschaving is. Maar de HOOGTE van een CULTUUR betekent
nog geen REDELIJK BESTAAN voor de mensen. Uit een cultuur als de BOEDHISTISCHE
komt geen enkele praktische DAAD
voort. Dan kunnen wij ons wel de LUXE permitteren door die cultuur tot tranen
toe bewogen te zijn, maar die mensen dáár zitten met hun suffe
hoofden in de ellende en ze zijn nog niet eens ontwikkeld genoeg om in te zien dat het zó erg allemaal niet hoeft. Er gebeurt
dus NIETS… Wat hebben zij aan hun mooie CULTUUR? Waar leidt die toe?
Alleen maar tot letterlijke
MINDERWAARDIGHEID. Ja, ik weet het wel: geen enkel mens is minderwaardig,
maar zó is de mens toch ook niet, zo'n PASSIEVE, WILLOZE en van
èlk INITIATIEF verstoken geval dat op geen enkele wijze blijk geeft van het
feit dat hij HERSENS heeft.
Maar wat kunnen die mensen er
aan doen, zult U vragen. Ik moet dan het antwoord schuldig blijven: ik weet
niet wat mensen kùnnen, maar dat de mens ALLES KAN staat in elk geval
vast. Dat zal blijken - voorzover het al niet gebleken
is - aan en in de MODERNE
CULTUUR, want denkt U er wèl om: die is ook ontwikkeld uit PRIMITIEVE
MENSEN met stenen bijlen en geen enkel uitzicht op hun wereld. Goed, cultureel
lag in het westen de mogelijkheid tot ontwikkeling en voor de overgrote
meerderheid van de mensheid lag die mogelijkheid er niet, maar het GELDT
wèl voor àlle mensen en daarom mogen wij de FEITEN niet
verdoezelen. Die mensen hebben er niets aan kunnen doen, maar ACHTERGEBLEVEN
zijn ze. Dat behoeven we niet met leger-des-heils smoesjes weg te poetsen
zoals we ook niet weg mogen poetsen het feit dat een misdadiger
tòch een misdadiger is al begrijpen wij hoe het in hem tot misdadigheid
gekomen is.
Als mensen met elkaar OMGAAN dan
zeggen zij elkaar waar het op staat, want het begrip OMGANG houdt in dat de
verhoudingen liggen zoàls ze liggen. Vanuit dit begrip kunnen wij,
moderne westerlingen, gerust tegen de rest van de wereld zeggen: jullie kunt er
niets aan doen dat je suf geboren bent, maar het wordt wel tijd dat je eens wakker
wordt, en als je dan wat weten wilt kom je maar langs, want zo langzamerhand
wéét ik wel het één en ánder. En als je nog
een tijdje wilt blijven slapen is het ook best; ik zal niet proberen je
wakker te maken want dat lukt tòch niet…
Maar wij doen
dat niet want wij gaan niet met elkaar om; wij vinden dat je de ander moet
respecteren en dat je zijn stenen bijl serieus moet nemen. Zo'n Afrikaans
"staatshoofd" trekt een paradepakje aan met veel goud en rood, en dan
lispelen wij heel ordelijk MAJESTEIT, terwijl wij dènken:
BUFFEL…Maar dàt geven wij nooit toe dat wij dat denken. Want dat
druist in tegen onze erecode, tegen onze fatsoenlijke omgangsVORMEN.
Intussen hebben wij wèl gelijk als wij vinden dat hij een buffel is - en
dat geldt natuurlijk ook voor zover wij zèlf ook nog met majesteiten aan
het stoeien zijn.
Ook in de moderne wereld zijn
vele voorbeelden te noemen van achtergebleven gebieden.
Wij hebben ons erop ingesteld de
achtergebleven gebieden nu maar eens niet met rust te laten en zo zijn wij
overgegaan tot ONTWIKKELINGSHULP. En wij vinden dat het een schandaal is zoals
de negers behandeld worden. Prachtig! Maar over wie hebben wij het eigenlijk?
Over mensen met wie wij OMGAAN?
Neen, beslist niet, want dan zou dat SCHANDAAL er namelijk niet zijn. Als je
met iemand OMGAAT is het uitgesloten dat die ander ten opzichte van jou in een
schandalige toestand is. Dat iemand van jou kan LEREN en dus je HULP nodig
heeft is geen schandaal; dat is heel normaal en dat geldt op alle terreinen van
het leven. Zo
is het ook normaal dat mensen in de
ontwikkelingslanden bij ons ten achter staan, maar dat komt vanzelf terecht. De hele kwestie is gelegen in het feit dat wij de ander
blijvend als een VREEMDE beschouwen, als een geïsoleerd, op zichzelf
staand, geval, en dat aparte geval gaan wij nu eens onder handen nemen. Of
hij er al dan niet ZIN in heeft is van geen belang. WIJ hebben er zin in en
daarom gaat het. Bovendien is het voor ons VOORDELIG, maar daarover wil ik het
nu niet eens hebben.
Een omgang is altijd TOEVALLIG,
in deze zin: je ontmoet wie je ontmoet, en wie je niet ontmoet, die ontmoet je
niet. Er is hierbij dus van geen enkel INITIATIEF sprake. Maar de ontmoetingen
van de MODERNE MENS zijn nooit toevallig: hij gaat er op àf en hij gaat zichzelf door lopen zetten. De moderne
mens is stomverbaasd als hij ervaart dat sommigen die ontmoeting helemaal
niet op prijs stellen. Dat wil er bij hem niet in en daarom zet hij zichzelf
desnoods met GEWELD door; allemaal in het bestwil van de ander natuurlijk.
Hier is geen mogelijkheid tot
een omgang en dus wordt de ander niet rust gelaten, òf hij wordt
wèl met rust gelaten en dan gaat de zaak niet verder dan een ISOLEMENT. Als er een OMGANG is
tussen de één en de ànder, dan hebben de mensen elkaar TOEVALLIG
ontmoet, zonder enige BEDOELING, en dan hebben de mensen het vermogen
gehad de zaak te laten lopen zoals die liep en dat kan niet anders betekenen
dan dat àlles TOT ZIJN RECHT komt. Dan komt natuurlijk ook tot zijn
recht het eventuele feit dat de ander nog wel het één en
ànder te leren heeft.
En dat spijkert hij dan
vanzèlf wel bij.
Wij proberen een oplossing te
vinden voor het rassenvraagstuk, maar er is
helemaal geen rassenvraagstuk.
Dat blijkt ook, want niemand
vindt er een oplossing voor; de enige factor die de zaak terecht doet
komen is de TIJD, die het PROCES is dat wij ONTWIKKELING noemen en dat in wezen
een VERHELDERINGSPROCES is. Door dat proces ontwaakt vanzelf in de mensen
het ZELFBEWUSTZIJN en als het eenmaal zover is gelukt àlles wat de mens
onderneemt. Als wij voor de televisie een aantal Amerikaanse negers zien die
voor de rechten van hun volk zeggen te strijden, maar die hun vastbeslotenheid
alleen maar op HYSTERISCHE WIJZE weten te uiten, dan kunnen wij redelijkerwijs
alleen maar zeggen dat daarvan NIETS te verwachten is omdat de hysterie nu net
het tegendeel van ZELFBEWUSTZIJN is, en het zelfbewustzijn is blijvend voor de
mens de enige basis waarop zijn PRAKTISCHE LEVEN kan gelukken.
Zie
ook: Vrijheid van meningsuiting-zie bladwijzers ; Proces
v/d Eeuw tegen alle
ingezetenen van Nederland..! ;
+++++++++
Beste lezer, tot de volgende
keer!
Vriendelijke groeten Jan Vis,
creatief filosoof
Briefnummer 4: Het ongedierte
vreet het andere op-Iwan Karamazow
Briefnummer 5: De moderne mens en
de sport
Briefnummer 6: De vrede in deze
wereld
Briefnummer 7: Het
arbeidsevenwicht
Briefnummer 12: Rassenvraagstuk
Briefnummer 14: De brandstapel
is mij te heet
Briefnummer 15: De papieren
waarheid
Briefnummer 16: Pornografie
Briefnummer 17: Iets over de
liefde en de verveling
Briefnummer 18: De vrijheid van
spreken
Briefnummer 19: Het luchtledige
CENTRUM VOOR FILOSOFIE –
ROTTERDAM(19690
Terug naar: STARTPAGINA
BRIEF No. 14 juli 1969
De
brandstapel is mij te heet
De
tentoonstelling die op het ogenblik in Rotterdam ingericht is ter nagedachtenis
van ERASMUS deed mij weer denken aan de merkwaardige rol die Erasmus indertijd
in europa gespeeld heeft, een rol die volkomen afweek van datgene dat bij grote
mannen gebruikelijk was. Want Erasmus oefende een grote invloed uit op de
mensen van zijn tijd; hij maakte bij menige gelegenheid hun doen en laten
belachelijk en hij waagde het telkens weer de alles beheersende macht van de
kerk aan te tasten en te hekelen, terwijl hij tevens volkomen VRIJ was van die
macht, zodat het nooit gelukt is hem op de brandstapel te krijgen.
Hierover moeten wij niet te gering denken; als wij ons realiseren dat honderden
mensen in de kerkers van de inquisitie zuchtten en weerloos overgeleverd waren
aan de beul
en zijn folterknechten en als wij daarbij niet vergeten dat er onder die
ellendigen ook vele mensen van gewicht en aanzien waren , als wij bedenken dat
letterlijk àlles sidderde onder de dwingelandij van een aantal armzalige
monniken die van de paus opdracht hadden gekregen iedereen te testen op
zijn geloofszuiverheid en die daarbij de meest onbenullige opmerkingen,
die iemand eens hier of daar gemaakt had, als de maat namen voor de
DOODSTRAF… dan gaan wij enigzins beseffen wat het zeggen wil als daar een
man als ERASMUS onbekommerd "het
achterste van zijn tong laat zien”.
En dan was
het nog een tong als van een slang die listig het goede moment afwacht om zijn
dodelijk gif te kunnen spuien. Niets was er veilig voor het gif van
Erasmus en hij wist van geen wijken. "Cedo nulli" stond er op zijn
briefstempel, en dat betekent: “Ik
wijk voor niemand”.
Nu zijn er
in de geschiedenis wel meer mensen die vonden dat zij voor niemand wijken
moesten, en er zijn er ook wel
meer geweest die geen blad voor de mond namen, maar meestal waren dat mensen
die iets betekenden in de wereld, mensen die een veilig bolwerk om zich heen
hadden gebouwd en die door MACHT tot op zekere hoogte niet aan te tasten waren.
Zij waren machtig en konden het zich veroorloven tekeer te gaan tegen de wereld
en dat ging net zo lang goed als het goed ging totdat het gedaan was met de
flinkheid doordat een ander intussen sterker was gebleken. Dan verloor zo'n
held zijn kop - letterlijk!
En anderen
lieten zich er later toe verleiden MACHTIG te worden en waren dan meteen
in handen van de wereld. Thomas More is daarvan een voorbeeld - en U weet hoe
het met zijn kop afgelopen is…
Maar bij Erasmus
niets van dit alles, een POSITIE heeft hij nooit bekleed, tot AANZIEN is hij
nooit gekomen en een bolwerk van MACHT was er niet om hem heen. Niemand
beschermde hem en niemand betaalde hem; hij was een GEWOON MENS die geheel
zelfstandig zijn weg ging en daarbij geen enkele behoefte had aan
FLINKIGHEDEN. Hij was een GENIAAL man, dat is een feit, maar zijn literaire
genialiteit is geen waarborg voor een lang leven in vrijheid; daarvan weten
vandaag de dag heel wat schrijvers mee te praten! De genialiteit van Erasmus betreft
zijn VAK, maar dat hij zijn kop op de romp heeft weten te houden is te danken
aan een ànder trekje van de man: hij was een GEWOON mens, die zijn
PRAKTISCHE VRIJHEID stelde boven de labiele schijn-vrijheid die aan het navolgen van een
IDEE meekomt. Want deze laatste vrijheid vervalt onmiddellijk als die idee niet blijkt te gaan - en het is een kwalijke
eigenschap van ideeën dat zij NOOIT gaan. Altijd is de gehele
werkelijkheid TEGEN een idee omdat het een FICTIE is; een droomwereld die
verder is dan de bestaande wereld is een onmogelijke wereld -
hoe schoon bij gelegenheid ook - en die onmogelijkheid blijkt in DE PRAKTIJK. Dus in de eerste
plaats waar het de PRAKTISCHE VRIJHEID van de mens betreft. Deze vrijheid
bestaat eigenlijk alleen maar hierin dat men met rust gelaten wordt; dat er
niet voortdurend politie agenten met arrestatie-bevelen voor de deur staan en
dat men er niet alsmaar op bedacht moet zijn het vege lijf met wapengeweld te
verdedigen. De praktische vrijheid is het naakte LEVEN zonder enige deftigheid,
dus zonder enig ideaal. Deze vrijheid
is voor de mens àlles waard, maar het ligt in de aard van ons,
onvolwassen mensen, om er telkens weer mee te spelen. Om telkens weer
VANUIT EEN GEDACHTE de zaak in de waagschaal te stellen - en dat dan nog
geweldig te vinden ook!
De volkomen
ONNUTTE flinkheid van de mensen die voor òns helden zijn geworden
strekt ons tot voorbeeld; het dwingt ons respect af ook al is onveranderlijk
het einde van die helden gewelddadig geweest. Ja, het is zelfs zo dat juist dat
gewelddadige einde voor ons het BEWIJS is van de dapperheid van onze held: hij
had er immers zelfs de dood voor over.
Toch gaat
het over een ONNUTTE zaak, maar wij plegen dat gewoonlijk verkeerd te verstaan.
Wij vinden het verzet juist bijzonder nuttig omdat het aan de TEGENSTANDER laat
zien dat het allemaal niet zomaar gaat. Ook al kost het je je kop, je hebt het
vaderland of de goede zaak een dienst bewezen en die is voor ons van
"onschatbare" waarde. Maar wij hebben niet in de gaten dat wij HET
EEN TEGENOVER HET ANDER gezet hebben en daarbij delft het IDEAAL altijd het
onderspit en de REALITEIT - hoe rot die bij gelegenheid ook is wint
het glansrijk. Elk mens leeft in zijn eigen realiteit en daarin moet hij zijn
eigen vrijheid zoeken; terwille van een ideaal tégen die realiteit te
gaan vechten is NUTTELOOS want mèt het SNEUVELEN vervalt elke
mogelijkheid tot een beter leven. Het is dus zaak GEEN PARTIJ TE KIEZEN en dit
is precies datgene dat Erasmus beseft heeft in de levensgevaarlijke tijd waarin
hij leefde. Toen lag de noodzaak van een dergelijke houding vlak voor de hand.
Tegen het eind van zijn leven uit Erasmus zijn tevredenheid over het feit dat
hij nooit partij gekozen heeft. Bij een andere gelegenheid zegt hij dat de
brandstapel hem te heet is; dat was naar aanleiding van het conflict van LUTHER
met de ROOMSE KERK. Beide partijen wilden een bindende uitspraak van Erasmus ,
of hij al dan niet vóór Luther was. Maar Erasmus omzeilde de zaak en dat was niet alleen maar slimmigheid
van hem. Met slimheid redt je het niet je leven lang, zeker niet in die tijd, toen elke rechtszekerheid ver te zoeken
was, mede door het feit dat de Roomse kerk in PANIEK was door het snelle
afbrokkelen van haar macht.
Erasmus
kón geen uitspraak doen; enerzijds beviel het hem dat Luther de misstanden
in de Roomse wereld te lijf ging en dat via de hervormers de weg geopend
werd voor het vrije denken en de persoonlijke verhouding van de mens tot
datgene dat hij voor behoorlijk hield, maar anderzijds stuitte het POLITIEKE gekonkel
van LUTHER en diens boerse zwart-wit denken Erasmus tegen de borst. Bovendien
trachtte Luther vaak met unfaire middelen Erasmus klem te rijden, met de
bedoeling hem te dwingen voor Luther partij te kiezen. Maar dat is allemaal
niet gelukt hoewel het Erasmus toch vaak in een moeilijk parket gebracht heeft.
Erasmus schreef aan de paus dat hij de hervorming met grote belangstelling
volgde en dat zijn bemoeienissen ermee louter vanuit een oogpunt van
STUDIE bekeken moesten worden. De zaak was van belang voor zijn "schone
letteren” waarom het hem uitsluitend te doen was. Alles viel onder de
schone letteren, d.w.z. hij bracht àlles onder in zijn VAK en hij
liet zijn PRAKTISCHE LEVEN angstvallig buiten de sfeer van zijn DENKEN.
Het is hem vaak verweten dat hij geen partij gekozen heeft; dat verwijt
komt natuurlijk van de mensen van het VOOR EN TEGEN. De mensen die vinden dat
IDEALEN er zijn
om ervoor te sterven. Erasmus had daar geen zin in, een LEVENDE Erasmus kon
NUTTIGER zijn voor de mensheid dan een dode. En daarbij komt natuurlijk dit
belangrijke feit, dat Erasmus het allemaal te STOM vond om er achter te gaan
staan. In dat geval heb je maar met één
ding rekening te houden: met de
OVERMACHT. Tegen iemand met een geweer richt je niets uit; de mensen die de
macht hebben over leven en dood van andere mensen moet je altijd gelijk geven
want er is NIETS te stellen tegenover hun gewelddadigheid,
terwijl je voor jezelf zeker weet, dat ZIJ idioot zijn, want anders loop je niet met een geweer je
wil door te zetten. Het geeft dus niets om ze gelijk te geven, maar het is wel van levensbelang dat ze je
MET RUST laten. En dan bewijst je PRAKTISCHE leven wel dat je deugt - daarvoor
behoef je niet met idealen te schermen. De ONVOLWASSEN MENS heeft een AFKEER
van het dagelijks leven, en die afkeer wordt er naarmate de ontwikkeling verder
gevorderd is. Hoe meer iemand PERSOONLIJK in zijn eigen ontwikkeling, en dus in
zijn eigen CULTUUR, betrokken is, hoe meer hij met IDEALEN loopt.
Vanuit deze gesteldheid ziet hij geen vreugde in het gewone leven, want
LEVEN is voor hem LEVEN IN EEN IDEAAL en het dagelijkse leven is BANAAL en
STOFFIG en het wordt gevuld met beroerde dingen zoals werken, je brood
verdienen, achter je kinderen aansjouwen, doen wat de baas of de politie-agent
zegt, enzovoort. Zonder een glimp van VERHEVENHEID, zonder zelfs enige
rechtvaardiging. Begrijpelijk dat een dergelijk leven niet als de maat genomen
wordt voor het al of niet deugen van een mens. Zijn WOORDEN zijn de maat, zijn
DENKEN is de maat. En eventueel ook zijn DADEN, maar de daden van een mens zijn
heel wat anders dan datgene dat je in het dagelijkse leven DOET. Het GEDOE van èlke
dag gaat VANZELF; het ligt helemaal ingekapseld in de werkelijkheid die ieders
leven is. Een DAAD – in de gangbare opvatting van het woord – wordt
door de mens GESTELD en het is een handeling die het gevolg is van een
GEDACHTE.
Die Tsjechische student, die zich onlangs verbrandde, stelde een DAAD: het
kwam voort uit een GEDACHTE. In het dagelijkse leven komt de GEDACHTE niet
voor; er is daar slechts HET DENKEN (het geeft niet op welk niveau) en dat
dènken is een organisch PROCES waar nooit een GEDACHTE uitspringt. Dat
is goed en het is de bron van het GEDOE van de mens, hoe banaal het hem bij
gelegenheid ook voorkomt. Het is altijd overeenkomstig de REALITEIT omdat het
ORGANISCH is. Hij is UITGELICHT uit het voorgaande proces, is op zichzelf
gesteld en hij kan als gevolg hebben dat er een DAAD gesteld wordt. Zo’n
daad ligt de ONVOLWASSEN mens, waarin vindt hij de maat voor zijn
menselijkheid. Maar het heeft niets om het lijf, voorzover het een DAAD is; het
had beter een GEDACHTE kunnen blijven, want een gedachte is voor de mensheid
NUTTIG. Zodra echter die gedachte aanleiding is tot DADEN is de zaak tot een
IDEAAL geworden en dan is tevens het dagelijkse leven een BANALITEIT, in plaats
van de BASIS voor alle mogelijkheden van de levende mens. Zonder die BASIS is
alles een FICTIE, hoe groots soms ook een DAAD schijnt. Gewone mensen zien
doorgaans van alle daden af; wij plegen daar meesmuilend op neer te zien…
wij vinden dan dat er “niks bij zit”. Maar ook ERASMUS zag van zij daden àf, en hij was geniaal en
een man van groot geestelijk gezag voor de toenmalige mensen. Maar zijn
genialiteit maakte van hem geen idealist; hij leefde HIER EN NU.
Zijn denbeelden lijken
VOOR ONS idealen, maar wij kùnnen het niet anders denken. De
“gewone" mensen geven Erasmus gelijk, zij vinden het heel normaal
dat iemand probeert uit de klauwen van de roofdieren te blijven. Het zijn
vooral de intellectuelen die met kritiek komen - juist de mensen dus, die
gewoonlijk in hun GEDOE van alle dag niet zo bijzonder rechtlijnig zijn en die
ook niet zó precies weten waar de grenzen liggen van het PRAKTISCHE
LEVEN. De intellectuelen zijn de mensen aan wie de REGELING van de
samenleving te danken hebben, en het zijn de lui die ons vertellen dat je
om één uur uit de kroeg moet - ook al is het er gezellig. En zij
vinden ook dat je OPGEVOED moet worden en dat je POLITIEK BEWUST moet
zijn. Zij begrijpen niet hoe de Russen het in hun land uithouden onder het
communistische bewind en zij begrijpen niet hoe de negers in Rhodesie kalm
kunnen blijven nu er ook daar apartheid komt. Want zij hebben geen kijk op het
dagelijkse leven; zij kennen dit hoogstens uit de STATISTIEKEN. En daarom
tasten zij vaak het praktische leven aan als zij iets te
zeggen hebben over anderen. Zij
houden b v. een LEGER op de been om het vaderland te beschermen. En nu nemen wij even aan
dat deze bescherming nodig is.
Dan
is het LEGER, d.w.z. een DIENSTPLICHTIG leger een
regelrechte AANTASTING van de praktische VRIJHEID van de mens. De dienstplichtigen
zijn gedwongen hun dagelijks GEDOE in de steek te laten en te gaan
marcheren… in een leger dat bovendien nauwelijks die naam verdient omdat
niemand er wèrkelijk achter staat.
Als
de intellectueel wist wat de betekenis van het dagelijkse leven was, dan
begreep hij dat dàt het enige is dat te VERDEDIGEN valt en dan zorgde
hij ervoor dat een ieder in staat was zijn VOORDEUR te verdedigen. Hij zorgde
ervoor dat iedereen de GRENS van zijn PRAKTISCHE LEVEN verdedigen kon.
Overigens is dàt de ENIGE effectieve manier van verdediging, en dat is
niet voor niets zo.
En er wordt op deze wijze
niemand aangetast.
Op
zijn wijze had ERASMUS ook zo'n verdediging: hij was namelijk nooit thuis,
want hij hàd doodeenvoudig geen thuis en dat is in een wereld vol van rechtsonzekerheid
en verraad nog niet eens zo gek bekeken. Het is dan ook wel gebeurd dat hij
voor de een of andere lastige pauselijke gezant de benen nam om hem dan later
onverwachts en goed voorbereid met een bezoek te vereren.
Op zijn eigen tijd en op zijn eigen
manier…! In die wereld van toen kòn je geen “VOORDEUR” hebben
want je kon nergens thuis zijn. Tegenwoordig gaat
dat wel in het westen en is er wat dit betreft wel degelijk wat te verdedigen.
Vaak is die "voordeur", dat thuis, maar een schamel geval. Als wij denken aan de negers in ZUID AFRIKA, en in RHODESIE,
met die apartheid dan is het duidelijk dat daar een héél povere
praktische vrijheid ligt. Toch heeft een IAN SMITH gelijk als hij zegt dat de mensen daarmee blij zijn, want het is in elk geval
wàt en dat is al meer dan menig ànder zeggen kan. Er is wat werk
voor de mensen en er is wat zekerheid en dan gaat voor
IEDEREEN het dagelijkse leven betekenis krijgen. Bij de CHINEZEN is het
zo gegaan, bij de RUSSEN, zelfs bij de SPANJAARDEN onder FRANCO. Wat
ànders is of de heren bewindhebbers DEUGEN, maar zeker is het dat zij
nooit helemaal met lege handen kunnen komen, want in dat geval zou er voor hun aanwezigheid geen BASIS zijn. Dat misdadige
lieden in die landen aan de top kunnen komen is alleen maar ònze
SCHULD, maar die mensen dáár hebben volkomen gelijk als zij het
kleine beetje DAGELIJKS LEVEN pakken als de kans geboden wordt. En natuurlijk
houden zij dan hun mond want KLETSPRAATJES leveren alleen maar onvrijheid op.
Wij willen dan die mensen OPSTOKEN:
zij moeten dit en zij moeten dat, en “snap
je nou dat die mensen dat nemen..?”,
maar als wij werkelijk zo doortastend waren moesten wij eens beginnen een
einde te maken aan de algehele plundering
door er allemaal zelf mee op te houden. Dan is op den duur Zuid-Afrika, en
Rhodesie, en Spanje en Angola en…, en…niet meer mogelijk. Het zijn
de westerse BELANGEN die vandaag de misdaad van de wereld uitmaken, maar het is heel gewoon als onder die mantel van
misdaad de gewone mensen blij zijn met een klein beetje LEVEN. Als die BASIS
eenmaal gelegd is komt de rest vanzèlf.
De wereld komt niet
terecht langs de IDEALEN - hoewel die er niet uit wèg kunnen - maar via het
DAGELIJKSE LEVEN van de mensen en daarom pakken zij dit ook direct, al is het nog zo pover. Wij vinden dit laf en slap, maar een
weldenkend mens zegt mèt ERASMUS:
MIJ IS DE BRANDSTAPEL TE HEET
++++++
Beste
lezer,
Wij
moeten dit jaar ook maar eens aan VACANTIE doen; de meeste mensen zijn op het
ogenblik weg en het is wellicht toch wel goed om straks met frisse moed weer
aan de slag te gaan.
Als
deze brief U bereikt is de laatste voordracht van dit seizoen al achter de rug,
namelijk die van dinsdag 15 juli.
De eerste voordracht in het nieuwe seizoen valt op DINSDAG 19 AUGUSTUS 1969
en
het onderwerp is wéér: "DE VROUW EN DE MAN”.
Een
prettige vacantie toewensend,
Jan Vis.
Briefnummer 4: Het ongedierte
vreet het andere op-Iwan Karamazow
Briefnummer 5: De moderne mens en
de sport
Briefnummer 6: De vrede in deze
wereld
Briefnummer 7: Het
arbeidsevenwicht
Briefnummer 12: Rassenvraagstuk
Briefnummer 14: De brandstapel
is mij te heet
Briefnummer 15: De papieren
waarheid
Briefnummer 16: Pornografie
Briefnummer 17: Iets over de
liefde en de verveling
Briefnummer 18: De vrijheid van
spreken
Briefnummer 19: Het luchtledige
CENTRUM VOOR FILOSOFIE – ROTTERDAM(1969)
Terug naar: STARTPAGINA
BRIEF No.15 - augustus 1969
De papieren waarheid
De laatste tijd is er weer deining geweest
rond de figuur van WEINREB; in de kranten hebt U allerlei publicaties kunnen lezen,
sommige van een positieve strekking en de meeste negatief. Het spreekt
welhaast vanzelf dat er in de negatieve publicaties beschuldigingen geuit
worden inzake sexuele praktijken, die WEINREB er op na schijnt te houden,
en ook inzake MEDISCHE praktijken. Het "ongeoorloofd uitoefenen van de geneeskunde",
heet dat dan.
Nu gaat het mij er niet om U uit te
leggen dat die beschuldigingen niet wáár zijn; ik weet niet wat
er FEITELIJK waar is, maar zóveel is er toch wel met recht van te zeggen
dat zowel de beschuldigingen als de loftuitingen een sfeer hebben die aan
de HEKSERIJ doen denken. De beschuldigingen aan het adres van de heksen en
heksenmeesters bewogen zich ook altijd op het terrein der sexualiteit en der
geneeskunde, en zij waren ook gericht tegen lieden die INTUITÏEF de
bestaande en geordende maatschappij niet au sérieux konden nemen, hoewel
zij wel ècht in die maatschappij leefden. Zij leefden dus niet in een
IDEE, die de bestaande orde àfwees, maar zij leefden gewoon met iedereen mee, om tevens toch aan
het zogeheten LEGALE geen enkele waarde toe te kennen. En nogmaals: dit
niet vanuit een IDEE, maar vanuit een bijna VROUWELIJKE INTUITÏE, een
vrouwelijke culturele gesteldheid.
Het vrouwelijke namelijk kènt
geen LEGALITEIT, netzomin als het het RECHT kent, en de WET en de REGELS. Dit
wil niet zeggen dat het DUS illegaal moet zijn, maar het betekent
wèl dat het onmiddellijk illegaal kàn zodra daartoe de noodzaak
aanwezig is en dan heeft dit illegale gedoe een zodanige VANZELFSPREKENDHEID
dat de aanbidders van het officiële er om te beginnen stevig
invliegen…
Dat ik U hierop wijs komt doordat ik
intussen het eerste deel van "Collaboratie en verzet " heb gelezen.
Dit boek heeft WEINREB geschreven om ons te vertellen hoe hij in de oorlog de
Duitsers bij de neus genomen heeft en zodoende een groot aantal JODEN uit de
vernietigingskampen heeft weten te houden. Dit verhaal is buitengewoon
boeiend en bovendien is het uitstekend geschreven - hier en daar lijkt het wel
of onze goede Dostojewski aan het woord is - maar als het meest belangwekkende
wil ik thans iets anders naar voren halen: het hele betoog is één
voortdurende AANTASTING van de PAPIEREN MENS, de mens voor wie HET DOKUMENT de
enige realiteit is en blijft, ook al staat de dood levensgroot voor de deur.
Het frappante van WEINREB is, dat hij
van deze gedachte niet UITGEGAAN is - in dat geval had hij de zaak nooit vol
kunnen houden, want die GEDACHTE sneuvelt altijd wel ergens aan de
praktijk. De gedachte zelf is later bij WEINREB opgekomen, maar het eerste was
de PRAKTIJK. Dus weer het INTUÏTIEVE gedoe. Vandaar dat alles zich
VANZELF ontwikkelde en tenslotte een aantal gewichtige Duitsers in zijn ban gevangen
hield.
En niet alleen de Duitsers! Zelfs na
de oorlog zette de zaak zich ongewild voort en bracht WEINREB op gevoelige
wijze in aanraking met de rechter. Zelfs mensen van wie WEINREB het leven gered
had maakten hem later de heftigste verwijten omdat hij illegale wegen
bewandeld had.
Dit nu is VOOR ONS het belangrijke van
dit boek dat wij de mens zien als SLAAF van datgene waarin zijn eigen cultuur
culmineert. De mens is slaaf van de BEREKENING; hij buigt zich voor HET PAPIER
waarop de berekening concreet gestalte krijgt en de waardeloosheid en ook de
MISDADIGHEID ervan dringt niet tot hem door. Kan ook niet tot hem doordringen omdat hij helemaal zelf dat PAPIER is.
WEINREB wijst erop dat de overgrote
meerderheid van de mensen GEZAGSGETROUW is en het schijnt dat dit bij de toenmalige
JODEN zelfs in sterke mate het geval was. En de zogenaamde OOSTJODEN, die dus uit de
Oost-Europese staten kwamen, maakten het al helemaal bont met de onderdanigheid
ten aanzien van het gezag. Het
kwam dan
ook niet in de mensen op iets anders te doen dan
voorgeschreven was. Zo namen zij alle ADMINISTRATIEVE maatregelen zonder meer
serieus en zij deden alles precies zoals het moest; ook als het zo
langzamerhand al wel duidelijk was geworden dat het naleven van de bepalingen
een wisse dood betekende. Wij hebben hier dus niet alleen maar te doen met de zogenaamde "lijdzaamheid" van de
Joden. Het gaat over een gesteldheid in de mens die voortkomt uit de verhouding
tussen de ENKELING en de OVERHEID, en deze gesteldheid is niet alleen maar
Joods. Wij treffen hem bij alle mensen aan, hoewel hij niet bij alle mensen
even zwart-wit naar voren komt. Hierbij moeten wij natuurlijk ook de
omstandigheden in aanmerking nemen: een Nederlandse VERZETSSTRIJDER werd ook ILLEGAAL genoemd, maar hij zag ZICHZELF als
eigenlijk de enige LEGALE. Hij gehoorzaamde dan ook aan die mensen die voor hem
het werkelijke GEZAG vertegenwoordigden en
ten opzichte van die mensen dacht hij er niet aan de dingen anders te doen dan
voorgeschreven. Voor de Joden was er
eigenlijk geen EIGEN gezag; zij hadden nooit een eigen staat, want dat aspect
lag nu eenmaal niet in hun CULTUUR besloten. Zij gehoorzaamden het (toevallige)
gezag van de staat waarin zij gastvrijheid genoten. Voor hen was derhalve het DUITSE GEZAG, toen het er
eenmaal was, werkelijk GEZAGHEBBEND en dat temeer toen de UITOEFENING ervan in
handen kwam
van hun eigen mensen: de JOODSE RAAD. Een ander
gezag wàs er voor hen niet en dus was er geen keus: òf zij
moesten gehoorzamen, òf werkelijk ILLEGAAL worden. En voor dit laatste voelt
vrijwel niemand iets. Je valt dan ook in een volkomen LEEGTE. Elk houvast en
elke zekerheid zijn prompt verdwenen en er is niets meer waarop je je in
geval van nood beroepen kunt. Het leven heeft voor de mensen dan iets van de
DOOD; er is niets meer werkelijk belangrijk en elk moment kan het laatste zijn.
Dat dit einde met zekerheid komt en niet zo lang op zich zal laten wachten
staat ook al voorbaat vast. Wie kan er leven onder zulke omstandigheden? Alleen een volkomen LOSGESLAGEN mens,
of een mens die een sterke feeling heeft op het feit dat al het gevestigde en
het vaststaande “nur ein Gleichnis” is zoals GOETHE reeds wist op
te merken. Het is een SYMBOOL, een SCHIM, die grote SCHIJN van zekerheid heeft,
maar die niet ècht zeker is. Dit te WETEN heeft geen zin; een eenvoudig
rekensommetje leert ons dat het klopt wat GOETHE zei, maar deze gedachte te
ZIJN is een heel àndere zaak, en deze zaak wortelt in een besef van
menselijkheid dat boven èlke CULTUUR uitgaat, maar dat door de dragers
zèlf van die cultuur ervaren wordt als iets MINDERWAARDIGS en iets
GEVAARLIJKS. Tot die "dragers" behoren vrijwel alle mensen - het
geeft niet tot welk kamp zij behoren. In het geval van WEINREB was dat ook
bijzonder duidelijk: voor de Duitsers deugde hij niet, maar voor de
Nederlanders, toen die weer terug waren, deugde hij zonodig nog minder. Want
die waren voor Nederland het wèrkelijke GEZAG en stonden dus nog
negatiever tegenover een figuur als WEINREB.
Als
ik spreek over MENSELIJKHEID bedoel ik daar niets "fijns" mee; de
LEGER DES HEILS MENSELIJKHEID, die wij kennen, heeft met dit alles niets te
maken. Het gaat eenvoudig om het feit dat iemand beseft wie de mens eigenlijk
is - en dat behoeft hem in principe helemaal niet te beletten bij gelegenheid
een schurk te zijn. Dit laatste is een kwestie van AANLEG en dit is dus maar
“zoals het valt”, maar het eerste GELDT voor IEDEREEN - al moet je
er wèl weer aanleg voor hebben om dit te bemerken. De menselijkheid is
de verhouding zoals die voor de mens ligt - dat is àlles. Beseft iemand
die verhouding, dan heb je grote kans dat hij ILLEGAAL is in zijn gedoe.
Voor ons, twintigste eeuwse westerlingen, is hij dan een mens die lak heeft aan
de PAPIEREN AFGOD. Het is dan dus ook iemand, die met die afgod kan SPELEN en
hem nèt zo kan laten doen als hij zèlf wil.
Dat
gold ook voor de vroegere MAGIERS en TOVENAARS, en daarom is het niet voor
niets dat ik deze brief begonnen ben met een opmerking over HEKSERIJ. Die hele
wereld van het bijgeloof komt neer op enerzijds de AFGOD waarvoor iedereen als
vanzelf buigt, en anderzijds een paar mensen die met die afgod weten te spelen
omdat ze er lak aan hebben. Omdat ze er doorheen zien zoals ze door àlle
afgoden heen zien. Nogmaals: dit heeft niets met VERHEVENHEID of GENIALITEIT te
maken. Ik weet niet of WEINREB geniaal is of
dat hij alleen maar een schurk is; maar wat doet het ertoe? De werkelijkheid
van mensen, zoals die in dat boek getekend wordt, is een werkelijkheid van AFGODENDIENAARS
en één enkele afgod: HET DOKUMENT. En die tekening in
dàt boek is helder en indringend.
Het
ging dus over de PAPIEREN AFGOD. Terecht wijst WEINREB erop dat het hele proces
van uitroeiing van de Joden een ADMINISTRATIEF proces was. De mensen kregen een
briefje in de bus waarin hun trein vermeld stond, en dan gingen zij, zonder
zich zelfs maar te realiseren dat de administratie van een dergelijk groot project wel een rotzooi MOEST zijn; laat staan dat
het in ze opkwam er lak aan te hebben… Het stukje papier in de brievenbus,
zoals het voorzien was van officiële stempels, was zonder meer een BEVEL
van hogerhand dat opgevolgd moest worden. Het stukje papier, het "zwart op wit" is de zekerheid van deze
moderne wereld. Al eerder heb ik erop gewezen dat de moderne cultuur een BEREKENING
is; de uitkomsten van die berekening zijn de onaantastbare WAARHEDEN van
die cultuur en die waarheden staan genoteerd op het papier. Zo wordt dit papier
tot een DOKUMENT: het is de waarheid waaraan iedereen zich te houden
heeft. Het GEZAG, de AUTORITEIT, blijkt uit de dokumenten en het is op zichzelf
alleen maar een enorme hoeveelheid dokumenten. Bij niets is de mens persoonlijk
betrokken; hij rekent en noteert en het resultaat daarvan gaat weer naar
anderen die ook rekenen en noteren, en zo ontstaat er een papieren samenleving,
WAARIN NIEMAND PERSOONLIJK BETROKKEN IS. En niemand is in staat zich erin te
betrekken, want aan het grote samenstel van BEREKENINGEN is niets te veranderen.
Het één volgt logisch uit het ànder en het eindresultaat
is een gehele samenleving.
Een BEREKENING zèlf is niets;
hij is vluchtig als de gedachte en hij sorteert op zichzelf geen enkel
effect. Het wordt pas wat als het de mens om die berekening te doen is. En dat
is het geval bij de MODERNE MENS. Die heeft ontdekt dat de werkelijkheid een
samenstel van afzonderlijke elementen is en dat je de verhoudingen daartussen
kunt uitrekenen. En zoals de uitkomst van die berekening is, zó zit het
en dus heeft men zich ook daaraan te houden. De berekening wordt dus plechtig
VASTGELEGD en daarmee wordt er AUTORITEIT aan verleend. Alle moderne mensen
buigen voor die autoriteit; voor een onderdrukker buigen zij niet en zij laten
zich niets opleggen dat in strijd met hun RECHTEN is, maar voor een LEGAAL
DOKUMENT knielen zij. Als de papieren uitwijzen dat iets overeenkomstig de
redelijke berekening is, dàn is het goed. Let U maar eens op: alle
schanddaden in de wereld gaan tegenwoordig ADMINISTRATIEF. Als de zaak WETTIG
is, dan valt er niet aan te tornen. Maar wie bepaalt de wettigheid? Volgens
welke norm is onze regering WETTIG?
Wie zegt dat LUNS en DE JONG en die
vele anderen op LEGALE wijze in een
positie gekomen zijn om de lakens te kunnen uitdelen?
Volgens welke berekening is het
optreden van de politie wettig en waarom kunnen grote hoeveelheden kostelijk
voedsel vernietigd worden op volkomen legale wijze?
Er gaat binnenkort nog een extra
oorlogsschip naar CURACAO omdat ze dan beter kunnen oefenen. Natuurlijk: dat is
allemaal wettig. Maar alweer: volgens welke berekening?
Deze vragen echter stellen wij ons
niet, en àls wij ons die wèl stellen komen wij er toch niet ver
mee want de papiermolen draait toch zoals-ie draait. Het dokument is onze
afgod; wij reageren op èlk officieel briefje in onze brievenbus. Dan is
het weer doorlichten, dàn een oproep voor herhalingsoefeningen, een
volgende keer roept de inspecteur van de belasting ons op - en ga zo maar
door. En wij blijven er alsmaar op reageren, want je MOET wel, het is het
GEZAG. Een schreeuwlelijk aan de deur kan doodvallen, maar een officieel
briefje is HEILIG.
De regering wordt volgens een bepaalde
BEREKENING gekozen; aan die berekening MOETEN wij meewerken, en dan komt er een
groepje EERBIEDWAARDIGE MANNEN uit de bus… dat zijn
WETTIGE figuren; zij zijn voor ons onaantastbaar omdat ze strikt volgens
de berekening uitgekozen zijn. Die berekening is ook onze berekening en dus
doen wij er graag aan mee en brengen zoetjes onze stem uit. Niet meer te mogen stemmen is voor de
meesten van ons een ramp. Bijna niemand van ons komt op het idee niet eens te
WILLEN stemmen, want wij vindèn allemaal dat dan de berekening niet meer
klopt. Dan is de boel niet meer LEGAAL. Dat er in FEITE helemaal niets legaal
gebeurt ontgaat ons in onze papieren verblinding; dat er in feite GEEN ENKELE
WETTIGE REGERING BESTAAT, ontgaat ons; dat legaliteit en wettigheid
FICTIES zijn, bemerken wij niet. Dat het dus eigenlijk helemaal zo gek niet is
dat wij prompt met onze eigen berekeningen GAAN ROMMELEN, dringt niet tot
ons door! De levende werkelijkheid is niet in een berekening te vangen en
daarom kàn de mens het gerommel niet laten. Hij vindt natuurlijk
wèl dat dit allemaal eigenlijk niet te pas komt, want het liefst zag hij
alles volgens een glasharde berekening, zoals de COMPUTER dat doet. Maar ja, de mens is nou eenmaal ZWAK.
Alles wat in deze wereld tot een
succes wordt - en dat kan van àlles zijn: een technische
prestatie, een samenleving, een bouwwerk, enzovoort - dankt dit succes niet in
de eerste plaats aan de BEREKENING, maar aan de INTUÏTIE.
De berekeningen komen zo goed en
zo kwaad als het gaat later, maar vaak krijgen we ze niet eens sluitend. De
INTUÏTIE, d.w.z. de NIET TE BEREKENEN WAARHEID, is de enige norm waarlangs alles gaat in de
wereld. Het ontduiken van de reglementen is volgens ons denken ILLEGAAL, maar
het is lang niet altijd NEGATIEF - alleen dit laatste willen wij niet zo graag
toegeven omdat wij ons toch maar lekker veilig voelen bij de reglementen.
De mens die LEEFT is altijd een ILLEGALE, zolang de mensheid nog
ONVOLWASSEN is; dat dit leven ook een MOGELIJKHEID tot misdadigheid inhoudt
doet nu niet terzake. Maar natuurlijk wordt de ILLEGALE MENS door zijn broeders
van allerlei beschuldigd. ZAKELIJKE KWESTIES leggen hierbij nauwelijks gewicht
in de schaal: die laat je immers door de RECHTER uitzoeken. De zakelijkheid is
door en door een berekening, dus op dat punt wekt de illegale mens geen
wrevel bij ons op. Hij doet dit alleen PARTICULIER, en dan kàn het over
niets anders gaan dan over het SEXUELE, want dat is het LEVEN voorzover twee
mensen EEN zijn, en over het ZUIVER LICHAMELIJKE, want dat is het LEVEN
voorzover dat in je lichaam wèrkelijk aanwezig is. Hier komen we dus op
het terrein van het MEDISCHE en wat daarmee samenhangt.
Ik wees U er al op dat de heksen en
tovenaars altijd op twee terreinen werkzaam werden geacht: ten eerste dat der
sexualiteit en ten tweede dat wat met het leven in het lichaam te maken
heeft. De GEZONDHEID dus. Dit laatste is in de moderne tijd op de
achtergrond geraakt omdat “het leven in het lichaam” een té
duidelijk VROUWELIJKE aangelegenheid is, maar het geroddel op het gebied van de
sexualiteit is er des te erger om. Ieder ongewoon mens wordt verdacht van
sexuele uitspattingen, want in die vorm uiten wij het vermoeden met een mens te
doen te hebben die ILLEGAAL is, een mens die de brutaliteit heeft te LEVEN. En
nu denkt U misschien dat er toch wel iets waar kan zijn van die verdachtmakingen
want U bent van mening dat geen enkel gerucht helemaal zonder grond is, en
dan kunnen we maar één ding zeggen: láát het waar
zijn, want zeker is dat illegale mensen anders leven dan de meeste mensen. Voor
hen ligt de WAARDE anders en zij kijken niet als een
koe aan tegen alle loodzware gewichtigheden van deze wereld.
Zij binden er de strijd niet mee aan,
niet omdat zij dat niet zouden durven, maar omdat de zaak ze te onbenullig is;
en als de druk van de gewichtigheden onder omstandigheden té zwaar
wordt, dan spelen zij mee met het gewichtige, zoals een bokser meeveert met de
stoot die hij te incasseren krijgt.
Deze àndere gesteldheid heeft
natuurlijk een ander levensbeeld tot resultaat, en in dat levensbeeld
komen gegarandeerd dingen voor die wij schandalig vinden, maar wat heeft
òns NORMBESEF voor waarde? Wij hebben al zoveel schandalig gevonden
dat bij nadere beschouwing menselijk heel wat meer waard bleek te zijn dan ons
fatsoenlijke gedoe. Ons normbesef, van de eenvoudigste mens tot en met de
hoogste rechter die de zaak beoordelen moet, is een normbesef van nul en
generlei waarde, want voor ons is alleen maar "twee maal twee is vier" de maat, en dat
heeft niets met een BESEF en àlles met een dorre, levenloze en dus
ONMENSELIJKE BEREKENING te maken.
De wereld waarin WIJ leven, d.w.z. ONZE WERELD, die wij allemaal
TEZAMEN maken, is niet zo'n erg fraaie wereld, en onze waarheden zijn niet
zulke erg fraaie waarheden, dus wat doet het ertoe of wij van bepaalde feiten
menen dat zij WAAR zijn?
Zie ook: Het
luchtledige - WEINREB - BRIEFNR.19
STEMMEN zie nrs. 4(kiesstelsel) - 15 - 18 en 19(kiesstelsel)
+++++++++++++++
Beste lezer, tot de volgende keer,
Jan Vis, creatief filosoof.
Briefnummer 4: Het ongedierte
vreet het andere op-Iwan Karamazow
Briefnummer 5: De moderne mens en
de sport
Briefnummer 6: De vrede in deze
wereld
Briefnummer 7: Het
arbeidsevenwicht
Briefnummer 12: Rassenvraagstuk
Briefnummer 14: De brandstapel
is mij te heet
Briefnummer 15: De papieren
waarheid
Briefnummer 16: Pornografie
Briefnummer 17: Iets over de
liefde en de verveling
Briefnummer 18: De vrijheid van
spreken
Briefnummer 19: Het luchtledige
CENTRUM VOOR
FILOSOFIE – ROTTERDAM(1969)
Terug naar: STARTPAGINA
BRIEF No. 16 – December 1969
De pornografie
Deze keer, beste lezer, ga ik U een brief schrijven over
een onderwerp, dat er helemaal niet is… ik weet niet
hoe het U vergaat, maar mij wil het nog wel eens overkomen dat ik plotseling
tot de verpletterende ontdekking kom over iets nagedacht te hebben dat helemaal
niet bestáát! Wellicht is dit dan toch een nuttig aspect van het
denken dat je erachter komt dat er een groot aantal dingen zijn die je
zómaar te water kunt laten!
Nu spreek ik niet over VOOROORDELEN, die je eventueel kwijt
raakt door het denken. Het is trouwens nog maar de vraag of je niet al denkende
het éne vooroordeel inruilt tegen het andere; tenslotte is het immers
toch zo dat je aan het oordelen bent en om dit te kunnen doen moet er IETS
VASTSTAAN. Dat komt er meestal op neer dat je zèlf iets VASTSTELT - en
dan vraag ik onmiddellijk welke reden er is dit geen vooroordeel te
noemen. Dus, als het over vooroordelen gaat heb ik er niet zo erg veel
vertrouwen in. Bovendien, en dat is veel belangrijker, blijft in dit geval de
zaak waarom het gaat gehandhaafd. Hij wordt slechts opnieuw BEOORDEELD. Maar wat
ik nu bedoel is geheel iets anders: de zaak zèlf verdwijnt als sneeuw
voor de zon! En er blijft niets over waaraan je enig houvast hebt. Laten we
maar eens zien hoe het met het begrip PORNOGRAFIE gesteld is.
Wij hebben dit woord geconstrueerd uit een paar Griekse
woorden: HO PORNOS, en dat betekent "hij die zich aan ontucht
overgeeft", en GRAFEIN dat "schrijven" betekent. Aangezien
ik geen Grieks ken, en als ik het wèl zou kennen nog sterk zou
betwijfelen of ik het kènde, durf ik niet te zeggen of we, behalve met
Griekse WOORDEN, ook nog met Griekse BEGRIPPEN te doen hebben.
Maar deze vraag is nu niet belangrijk - dat zou hij
zijn als we ons met de Griekse CULTUUR bezig hielden.
In ieder geval gaat het over schrijverij over ONTUCHT. Dat
weten we dan.
Ons wetboek van strafrecht is gelukkig bijzonder duidelijk:
het gaat daar over een "geschrift", een “afbeelding”
of
een “voorwerp” dat voor DE EERBAARHEID AANSTOTETELIJK is. Zaten
we daarstraks met het verhelderende woord ONTUCHT, nu hebben we er in
één klap twee bij: EERBAARHEID en AANSTOTELIJK. Dit is op
zichzelf nog niet genoeg, want voor de JEUGD zit het nog weer even anders: daar
kan iets geschikt zijn om de ZINNELIJKHEID VAN DE JEUGD TE PRIKKELEN. Weer twee
erbij: zinnelijkheid en prikkelen. Bovendien is de zinnelijkheid blijkbaar iets
dat bij de jeugd behoort.
In België, tenslotte, moet de zaak strijdig zijn met
DE GOEDE ZEDEN .
Vatten we het geheel samen, dan komen we tot de volgende
stelling: het schrijven over ONTUCHT is in strijd met de GOEDE ZEDEN, het is
voor de EERBAARHEID AANSTOTELIJK en het is geschikt om de ZINNELIJKHEID van de
jeugd te PRIKKELEN. Daar staat het hele verhaal; er is geen woord Frans bij,
alles is klaar en helder Nederlands. Elk woord wordt dagelijks gebruikt in
onze taal en er is niemand die vraagt: "wat bedoel je?". De woorden
worden gehanteerd zoals televisies en auto's gehanteerd worden, zonder dat
het noodzakelijk is iets van de zaak te weten of te begrijpen. Weet U wat
een "verticale beeldcorrectie" is? Ja, U weet het; dat is de derde
knop van links. En U gebruikt hem als het beeld… (vult U dit zelf
maar in want ik weet zelfs dit niet). Maar goed, wij HANTEREN allerlei dingen,
en onder die dingen nemen de WOORDEN een grote plaats in. Eigenlijk is een
woord géén ding, het is een GEDACHTE en daarom is het iets dat
VLUCHTIG is en ongrijpbaar. Het is op zijn wijze het LEVEN zèlf en het
heeft nèt als het leven niets VASTSTAANDS aan zich. Maar de dingen staan
vast, zij zijn BEPAALD en zij bestaan niet verder dan tot aan hun eigen grens.
De dingen hebben een FUNCTIE zoals alles wat de mens gemaakt heeft een functie
heeft. En zo zijn onze woorden ook steeds meer MAAKWERK met
een zekere functie; al waren zij dat oorspronkelijk niet.
Daarom rommelen wij tegenwoordig zo met onze woorden
en daarom buigen zich taalkundigen over de taal en komen zij met plannen allerlei te wijzigen. Zij vinden het normaal dat je aan een
taal sleutelt en wij vinden het,
op onze lekenmanier, evenzo normaal . Wij gebruiken woorden die wij niet
kènnen, maar die wij wèl weten toe te passen; wij kennen dus de
FUNCTIE van die woorden.
Maar als je een woord niet kènt, dan ZEG JE MAAR WAT.
Zodra je de woorden wel kent zijn er een heleboel die je niet meer gebruikt,
omdat die woorden geen INHOUD hebben. Een woord zonder inhoud IS GEEN WOORD,
het is holle wind; het gebruik van die inhoudsloze woorden kenmerkt de
gebruiker als een KLETSKOUS, die net zo oppervlakkig is als de handleiding van
de televisie. Die handleiding vervult een functie en die kletskous ook, maar
het is niet méér dan dat. Een handleiding kàn niet
anders doen dan een functie vervullen, maar met het woord van een mens is dat
anders: dat HEEFT een functie maar daarom gáát het niet, het gaat
om de gedachte zelf. Nemen wij bijvoorbeeld het woord
EERBAARHEID. Wat is dat eigenlijk? Het betekent zoiets als KUISHEID, maar wat
is nou kuisheid? Voor sommige mensen houdt het in dat je je onthoudt van
vrijen, voor anderen dat je het vrijen beperkt en voor weer anderen dat je als
vrouw niet al te duidelijk je vormen laat zien, hetgeen ook een beperking is.
En in die behoefte je niet teveel te laten zien en niet te vrijen of slechts
onder zekere voorwaarden te vrijen kan je dan ook nog GEKWETST worden doordat
anderen er blijk van geven een geheel àndere opvatting te huldigen.
Zo is het ook met de andere woorden die ik genoemd heb; zij
duiden op een BEPERKING inzake het lichamelijke, en als iemand zich niet aan
die beperking houdt dan kwetst hij de anderen. Want die zijn op dat punt
zó gevoelig dat de geringste aanleiding ze uit het evenwicht
brengt. Op de een of andere manier slaat dat lichamelijke zo sterk aan dat je
wel een muur van beton om je heen moet optrekken om niet het slachtoffer ervan
te worden. Zelfs het STRAFRECHT heeft zich ermee bemoeid en het heeft het niet
laten gelden van de beperking gesteld als een AANTASTING van de mens zoals roof
of moord of mishandeling een aantasting van de mens is. Voorwaar geen
kleinigheid voor een "recht" dat in principe het LEVEN van
de mensen ongemoeid laat.
Dat voor het leven van de mensen - terecht - geen enkele
NORM stelt en pas dan in het geweer komt als er een leven AANGETAST wordt.
Kennelijk is dus de beperking inzake het lichamelijke geen kwestie van het
LEVEN, maar van de maatschappij. Er wordt dus niet aan de mensen zèlf
overgelaten zich al of niet beperkingen op te leggen, neen, het is een
dwingende zaak… en dat kan alleen maar vanuit een CULTUURBESEF voortkomen
want alles wat DWINGEND voor de mensen is
en te maken heeft met het LEVEN van de mensen komt uit die hoek.
En dan komen er prompt een paar dingen voor de dag die voor
een cultuur - het geeft niet wèlke - karakteristiek zijn: het GELOOF, de
MORAAL en de WET. Deze drie dingen komen dan voor de dag en
zij zijn alle drie FICTIES; zij hebben geen enkele realiteit en je kunt ze dan
ook niet terugvinden bij de verhoudingen die voor DE MENS gelden. Juist daarom
komt niemand er achter wat de INHOUD van die zaken is; iedereen geeft zijn
eigen lezing van het geval en bepaalt zijn eigen grens en niemand weet waarover
hij het heeft omdat het over een fictie gaat. Weet U wat dat is: ZINNELIJKHEID?
En wat zijn DE GOEDE ZEDEN? Nu moet U niet uit gaan leggen wat erover GEZEGD
wordt door uzelf en anderen want dat is allemaal vanuit diezelfde fictie.
U moet zeggen wat het IS. Wat IS moraal, wat IS de wet? En dan zult U bemerken dat U het niet weet;
alles wat U er over zegt slaat op een BESTAANDE TOESTAND, maar niet op iets wezenlijks.
Legt U eens uit wat ONTUCHT is zonder op te sommen wat er
onder VERSTAAN wordt en vertelt U dan ook maar meteen wat PORNOGRAFIE is…
Al deze woorden bestaan bij de gratie van de
DISKWALIFICATIE; het is het afkeurenswaardige dat aan de woorden een schijn van
realiteit geeft. Maar het is een SCHIJN, want in werkelijkheid bestaan die
begrippen niet. Gaat U maar na: wat wij bijv. ONTUCHT noemen is iets heel
gewoons; er zijn bijvoorbeeld twee mensen aan het vrijen en daarvan zien
wij een afbeelding of wij lezen erover, of er zijn bij een feest een heleboel
mensen aan het vrijen en iedereen vrijt met wie hij of zij zin heeft zonder
eerst de sanctie van het stadhuis aangevraagd te hebben, of wij zien
afbeeldingen van een religieuze processie uit de Griekse tijd waarbij op
het hoogtepunt van het feest en van de roes de mensen kris kras door elkaar
heen gemeenschap met elkaar hebben…
Dan zeggen wij: ONTUCHT, maar wat is er nu eigenlijk voor
verkeerds aan als iedereen zich er wel bij voelt en niemand de ander er kwaad mee
doet?
Tegenwoordig zijn er veel afbeeldingen in de handel van mensen
die aan het vrijen zijn op alle mogelijke manieren. Pornografie, roepen
wij dan en vinden het slecht en niet te pas komen. Waarom? Doen die mensen
elkaar of een ander kwaad? Of doen zij iets dat niet tot het NORMALE GEDOE van
de mens behoort? Het enige uitzonderlijke is dat wij, als BUITENSTAANDERS,
het schouwspel gadeslaan en dat wij aan het spel zèlf geen deel hebben.
En dit nu is het punt waar alles om draait. Elke reactie van de mensen op de
sexualiteit of op iets wat daarmee te maken heeft - het naakt bijvoorbeeld - is
de reactie van een BUITENSTAANDER. En deze reactie wordt opgeroepen
door de PRIKKELING die van het gebeuren uitgaat. Deze prikkeling is er altijd,
ook bij de mensen die met veel drukte beweren AANSTOOT aan het geval te nemen.
Vanuit een of ander DENKEN stoort het hen dàt zij geprikkeld worden en
omdat dit BUITEN HEN OMGAAT voelen zij zich eraan beledigd. Dat dit wel een
bijzonder kinderachtige, want ONVOLWASSEN gesteldheid is, behoeft dunkt me
nauwelijks betoogd te worden. En het beroep van die mensen op de KUISHEID
en op de GOEDE ZEDEN is al even belachelijk, temeer omdat beide begrippen
helemaal niet bestaan.
Tegenwoordig is het streven erop gericht alle TABOES te
doorbreken. Dat is een loffelijk streven want aan FICTIES hebben we niets.
En inderdaad heeft de westerse mens al lang genoeg om de feiten heen
gehuicheld… en dat hij nu eens wat schokken te incasseren krijgt is
alleen maar heilzaam. En we kunnen alleen maar hopen dat hij zo
langzamerhand wat vrijer datgene gaat doen waarin hij zin heeft.
Als wij echter over de zaak nadenken komen er toch een paar
dingen naar voren die de moeite lonen er even bij stil te staan. Wij zeggen dat
de huidige westerse mens met zijn neus op de FEITEN gedrukt wordt. Dit echter
staat nog te bezien omdat wij ons met recht af kunnen vragen of de GEPUBLICEERDE feiten wel de
"feiten" zijn.
Ik bedoel dit: als wij nu een foto
zien (denk aan het boek "Variaties") van vrijende mensen, dan zien
wij feitelijkheden, die gepubliceerd zlJn; het zijn feitelijkheden WAARIN WIJ
NIET BETROKKEN ZIJN. Wij zijn BUITENSTAANDERS.
U zult zeggen: dat is altijd zo met foto's en verslagen, en
dan heeft U gelijk, maar alleen SEXUELE FEITEN hebben een andere WERKING
en dat komt omdat de sexualiteit een SPANNINGSKWESTIE is. Tussen de vrouw en de
man is altijd SPANNING omdàt zij TWEE POLEN zijn van EEN ZAAK. Deze spanning
nu wordt door zowel de vrouw als de man ONDERGAAN en dat is de PRIKKEL. Men
VOELT de spanning. Als die spanning voor beiden een zekere sterkte heeft komen
die twee ertoe zich te VERENIGEN; de prikkel die beiden ondergaan hebben komt
tot zijn recht en komt in beiden tot bevrediging. Waarom de zaak echter draait
is de SPANNING en niet de prikkel; deze laatste komt er vanzelf aan mee. Lost
weer op, komt weer terug, enz. De spanning echter is altijd tussen TWEE POLEN;
hoe wij het ook wenden of keren, er is altijd “iets” tussen twee
mensen: de EEN en de ANDER. Ook al heeft elk van die twee nog meer
"verhoudingen", dan is het altijd een verhouding tussen de EEN en de
ANDER. Dit betekent dat de sexualiteit altijd een zaak is van TWEE mensen, met
UITSLUITING van alle anderen.
Dit moet men wel goed verstaan want licht zou men denken
dat ik het HUWELIJK verdedigde…! Ik zeg echter
alleen maar dat zich TWEE mensen verenigen en of dit morgen weer diezelfde twee
zullen zijn weet ik niet - dat is maar hoe het vàlt tussen die twee
mensen.
De genoemde spanning voelen wij ook als wij als
BUITENSTAANDER de zaak bekijken; wij worden geprikkeld, maar er komt niets tot
zijn recht. De zaak loopt dood in ons alleen-zijn op dat moment. Die prikkel is
dus voor ons WAARDELOOS, hij heeft geen betrekking op een TEGENPOOL. En dit nu
is altijd het geval bij publicaties van vrijages en daarom mijn vraag of deze
FEITEN, die in ons als een waardeloze prikkel doodlopen, wel FEITEN zijn. Het kùnnen
alleen maar zielige prikkels zijn.
Dit kan overigens helemaal geen kwaad want in een wijs mens
loopt de zaak tóch wel dood. Maar in onze moderne ijver de taboes te
doorbreken gaan wij automatisch de nadruk op dat DOORBREKEN leggen en daarmee
wordt de zaak tenslotte toch KINDERACHTIG, want alleen de prikkel komt maar
over bij de andere mensen. En daarom is het dan ook te doen bij de moderne
mens want anders zou hij niet met zo'n grote graagte zijn sexuele
ervaringen beschrijven in tijdschriften zoals die vandaag in grote
verscheidenheid te verkrijgen zijn.
Er zit nog altijd een groot verschil tussen vrijheid in de
liefde en het er onbelemmerd over spreken. Degene die er zo'n drukte over maakt
heeft toch de PRIKKEL in zijn hoofd. Dit blijkt ook wel want een ieder beijvert
zich nòg sterkere staaltjes te vertellen; men EXPERIMENTEERT met de
liefde omdat men het eigen ondergaan ervan bestreeft.
Dit is niet verwonderlijk: juist de PRIKKEL, als zich in
het lichaam manifesterende zaak was iets dat niet mocht- al het lichamelijke
was het LAGERE. En nu de boel vrij komt blijkt dat het om de prikkel ging:
daarom komt dan ook nu de prikkel vrij en niet wat anders. De SEXUALITEIT
zèlf komt nog helemaal niet vrij te liggen want het is niemand om
de SPANNING te doen. Daarom doet de PARTNER er eigenlijk niet toe - behalve
als PRIKKELOBJECT. Dit verklaart de betrekkelijk KEUZELOZE instelling van
zowel vrouwen als mannen in hun zogenaamde vrije-sex betrekkingen. Als U
de tijdschriften er op naleest zult U dit bemerken.
Als het om de spanning gaat zijn er twee mensen in
betrokken en de spanning is tussen die twee mensen en blijft tussen die twee
mensen, d.w.z. ànderen hebben met
diè spanning niets te maken. Die zaak is niet voor hen bestemd: zij zijn
UITGESLOTEN. Het meemaken daarvan komt de buitenstaander dus eigenlijk
niet toe. Dit geldt ook als méér mensen TEGELIJK aan het vrijen
zijn; noodzakelijk kàn er dan geen andere bedoeling zijn dan de
prikkel. Overigens - het zij ten overvloede nog gezegd - gééft
het niets; de mensen doen elkaar in het geheel geen kwaad en zij hebben het
gezellig. Ieder van de partners heeft er zin in en ieder krijgt zijn deel met
aller toestemming.
Er zijn ook mensen die het zich TOEEIGENEN; in dit geval
zouden wij wèl het woord ONTUCHT kunnen gebruiken. Zij dwingen door
OVERMACHT iemand tot iets. Dit is natuurlijk misdadig. Het is niet toevallig
dat zo vanzelf het woord TOESTEMMING op tafel komt. Want de prikkel is iets dat
voor JEZELF geldt; het is het persoonlijke ondergaan van de spanning. En zoals
het met alles het geval is dat vanuit JEZELF iets met de ander te maken
heeft geldt ook hier de INSTEMMING van beiden om samen tot iets te komen.
Natuurlijk ligt op dit terrein ook de
mogelijkheid van de weigering.
Het opvallende van de SEXUALITEIT, en dus van de SPANNING
tussen twee mensen, is echter dat begrippen als toestemming en weigering
helemaal niet gelden… maar dit wordt gewoonlijk over het hoofd gezien.
Wij spreken nog steeds over het JA-WOORD dat vrouw en man elkaar geven, en dat
wijst terug op de westerse opvatting dat de liefde een LICHAMELIJKE, en dus
VERWORPEN, aangelegenheid zou zijn. Het wijst dus eigenlijk terug op de
PRIKKEL, en zo bekeken is het JA-WOORD terecht van toepassing.
De SPANNING echter is TUSSEN de vrouw en de man en dat
wordt vooral beseft als de mensen zeggen dat de liefde op de een of andere
manier "buiten je omgaat". Het gaat vanzelf tussen vrouw en man en
het komt vanzelf tot het zich verenigen - of het komt daar vanzelf niet toe.
Niemand heeft hierin in strikte zin een beslissing te nemen - en als de mensen
toch beslissen is het gewoonlijk in afwijzende zin omdat allerlei
moraal-overwegingen ze ervan àfhouden. Maar zo'n beslissing is eigenlijk
ONZIN en het laat de mensen doorgaans ook niet zo vlug met rust.
De prikkel is het eerste dat in de moderne sexualiteit naar
voren komt, maar hoewel we hiermee het laatste woord over de sexualiteit nog
lang niet gezegd hebben is het toch wel een verheugend feit dat tegenwoordig de
huichelachtige afkeuring van het lichamelijke geducht terrein begint te
verliezen en dat de eenzijdige opdringerige dwingelandij van de fatsoensridders
paal en perk gesteld wordt…!
+++++++++++++++
Tot de volgende keer,
Jan Vis, creatief filosoof
Terug naar: STARTPAGINA
Briefnummer 4: Het ongedierte
vreet het andere op-Iwan Karamazow
Briefnummer 5: De moderne mens en
de sport
Briefnummer 6: De vrede in deze
wereld
Briefnummer 7: Het
arbeidsevenwicht
Briefnummer 12: Rassenvraagstuk
Briefnummer 14: De brandstapel
is mij te heet
Briefnummer 15: De papieren
waarheid
Briefnummer 16: Pornografie
Briefnummer 17: Iets over de
liefde en de verveling
Briefnummer 18: De vrijheid van
spreken
Briefnummer 19: Het luchtledige
CENTRUM VOOR FILOSOFIE - ROTTERDAM (1970)
Terug naar: STARTPAGINA
Naar bladwijzers:
BRIEF No.17 - januari 1970
Iets over de liefde en de verveling
De vorige keer heb ik U het een en
ander geschreven over de pornografie. Daarbij ging het mij vooral
om de prikkel, zoals die bij elk mens aanwezig is. Maar de mogelijkheid is niet
uitgesloten dat verschillende dingen niet goed overgekomen zijn. Het zou
bijvoorbeeld kunnen zijn dat U uit mijn brief opgemaakt hebt dat de PRIKKEL
iets kinderachtigs is, waaraan door een volwassen mens geen waarde gehecht
dient te worden, en U zou ook kunnen denken dat ik toch een soort van
"reine liefde" bedoelde waaraan alle "geneugten" ontzegd
zijn…
Het ligt ons wel om bij het begrip
LIEFDE aan bloemetjes te denken en de dichters te citeren, ons te ontdoen van
wulpse gedachten en ons te onthouden van dito handelingen. Dat komt omdat wij
in het liefdesspel als zodanig en in de liefde voorzover die een
LICHAMELIJK verenigen is, toch langs een omweg nog een zaak zien die alleen
maar PRIKKEL is. Ik zei U de vorige keer al dat dit blijkt uit het feit
dat de moderne "taboeloze" sexualiteit vrijwel geheel juist in
het teken van de prikkel staat. En helemaal niet in het teken van de sexualiteit.
De zaak staat namelijk eigenlijk OP ZIJN KOP: wat in de sexualiteit gebeurt
wordt als sexualiteit gezien en daarop wordt alle aandacht gericht en de
werkelijke sexualiteit wordt als een HINDERLIJKE BIJZAAK terzijde
geschoven als iets dat OUDERWETS en GEFRUSTREERD is.
De PRIKKEL geldt voor IEDEREEN en voor
iedereen geldt ook dat er zònder prikkel GEEN sexualiteit is, in die zin
dat het vrijen zonder prikkel hopeloos en onmogelijk is. Hiervan weten
vele echtelieden mee te spreken. Te zeggen dat de prikkel kinderachtig is,
is dus ONZIN; het is de BASIS van de FEITELIJKE sexualiteit.
Dat kan ook niet anders want het is het persoonlijke ONDERGAAN van de SPANNING die er is tussen de vrouw en de
man.
Dat de prikkel AANLEIDING kan geven
tot een heleboel kinderachtigheden is een niet te ontkennen feit, maar dat
geldt voor meer dingen. Geld kan ook aanleiding geven tot kinderachtigheden en
macht is er bepaald ook niet vreemd aan.
En omdat wij mensen tot op heden nog
niet zo heel erg wijs zijn komen wij vrijwel alleen maar die kinderachtigheden
tegen - en in zo’n overstelpende mate dat wij die flauwekul zo
langzamerhand voor de zaak zèlf zijn gaan houden!
De prikkel wordt tot een
kinderachtigheid als het alleen maar OM DIE PRIKKEL TE DOEN IS. En aangezien
het een PERSOONLIJKE zaak is komt deze gesteldheid voor bij mensen die het om
ZICHZELF te doen is. Deze gedachte is minder eenvoudig dan op het eerste
gezicht lijkt; men zou licht gaan denken dat de paus en de dominee en de
heilssoldaat toch gelijk heeft en dat het de bedoeling is je OM DE ANDER te
bekommeren. Niets is echter minder waar: het is de mens ALTIJD om zichzelf te
doen; de vraag is alleen maar: hoe ziet hij zichzelf. Is het hem er om begonnen
dat begrensde geval dat zijn naam draagt op te poetsen en te vertroetelen, of
bedoelt hij zichzelf als méér dan dat? In het laatste geval zit
er de ONTKENNING van zichzelf in en iemand in wie zich dàt waarmaakt
noem ik in dit verband een mens die het niet om zichzelf te doen is. Een
dergelijke mens is in ons cultuurstadium niet gangbaar; wij zoeken allemaal nog
onze naam, onze identiteit en als wij die gevonden menen te hebben gaan wij er
opuit de anderen daarmee te overtroeven en te verpletteren. Het is voor ons
niet zo belangrijk of wij - op welk terrein dan ook - werkelijk met iets komen,
maar het is voor ons van belang of onze NAAM op aller lippen is. Wij beginnen
bij voorbaat al boven ons leven en werk een groot BRIEFHOOFD te plaatsen en de
handtekening staat er ook al spoedig onder; wat daar tussenin staat is van geen
belang. Deze mens nu is
het om zichzelf te doen, en deze mens is het in de sexualiteit om de prikkel te
doen. Daaraan kan hij niets veranderen en dus doet hij er wijs aan het ook maar
te laten gelden en wellicht is dit hem tot troost dat hij in zoverre de “fatsoenlijken”
een stukje vóór is dat dezen in precies hetzelfde schuitje zitten
maar het zelfs niet durven laten gèlden.
Ons hele westerse liefdesleven is
nooit anders geweest dan prikkeling - maar het
héétte zo natuurlijk niet.
Wij gewaagden eerbiedig van het
HEILIGE HUWELIJK en vooral de laatste eeuw plachten wij hierbij ook nog het
woord LIEFDE te gebruiken - in het besef dat het anders àl te gek
zou zijn. En natuurlijk hebben wij EEUWIGE TROUW gezworen want onze liefde
was zoals zij behoorde te zijn: onwankelbaar en niet aan te tasten. Maar hoe
bitter bleek de "pil" te zijn: na een poosje kwam daar de VERVELING
en mèt die verveling de
BENAUWDHEID omdat er geen mogelijkheid was om het ANDERS te doen… Die
bittere pil is intussen VERGULD en in de handel gebracht, de mensen hebben er
wonderwat van verwacht. Hier was de mogelijkheid om voor de sexualiteit
vrij baan te maken want nu kon men tenminste zijn gang gaan…! En het oplossen
van de TABOES was ook een gunstige factor.
Maar de VERVELING gaat niet weg en ook
de vrije-sex feestjes blijken te vervelen als wij niet bijtijds iets anders
verzinnen, en ook dan, na een tijdje…ga zo maar door!
Alles wat wij intussen verzonnen
hebben neemt dit éne feit niet weg: het ging ons om de prikkel en het
gáát ons om de prikkel. Maar een prikkel moet GEVOED worden; het
is een HOOGTEPUNT dat, zoals met àlle hoogtepunten het geval is,
vervelend wordt zodra er teveel hoogtepunten naast staan. Dan doet zich de
behoefte gevoelen de zaak naar een nieuw hoogtepunt op te stuwen totdat ook
dàt weer verveelt. Zo zwalken wij van de ene liefde naar de andere
liefde en van het ene sex-feestje naar het andere. En om te beginnen
zègt het ons wat en wij vinden het geweldig; het is dè OPLOSSING.
Wij zijn tot alles in staat, ons liefdesleven bloeit op als nooit tevoren; onze
COMPLEXEN versmelten als sneeuw voor de zon en wij voelen ons doorlopend HIGH.
Wat een roes, wat een liefde…!
Het is ook de redding van ons HUWELIJK
want de verveling is verdreven; de BENAUWDHEID is verdwenen want wij hebben ook onze JALOEZIE graag laten schieten voor
het véél betere aanbod dat ons ten deel valt als wij niet
"kleinzielig" zijn. Tenslotte is de prikkel niet meer te voeden; het
"veranderen van spijs" doet ons niet meer eten en de hele zaak blijkt
te zijn zoals hij aanvankelijk was: vervelend.
Maar als wij de zaak nu eens niet op
zijn kop zetten en ons toch ook niet met fatsoen bezig houden, hoe liggen de
kaarten dan? Is er dan een mogelijkheid het bij elkaar uit te houden?
Die mogelijkheid is er inderdaad, maar
men moet er wèl wat voor doen en nu is het juist dit laatste, dit DOEN
waarover de moderne mens vrijwel altijd struikelt. Op de eerste plaats weten
wij niet wat het betekent: er iets voor doen. Wij denken dat het betekent:
"er iets van maken". Die gedachte hoor je altijd, bijvoorbeeld in
verband met het huwelijk, waarin natuurlijk de VERVELING de rijkste
voedingsbodem vindt. Maar hij geldt evenzeer voor verhoudingen die géén
huwelijk zijn en waarbij toch de kaarten zó liggen dat mensen het
bij elkaar uit moeten houden. “Er iets van maken” vooronderstelt GEBREKKIGHElD; die
gedachte gaat ervan uit dat de zaak zo vanuit ZICHZELF niet veel is en
misschien na veel moeite en getob nog iets kan worden. Daarbij is het nodig dat
men "geeft en neemt", dat men zichzelf wègcijfert en meestal
véél, TEVEEL, achterwege laat. Het vergt een INZET die
gericht is op de ANDER en die daarmee op de duur tracht samen te vallen. De
bedoeling is uiteraard dat dit WEDERZIJDS gebeurt, maar enig nadenken leert ons
dat dit NOOIT kan; altijd is de één meer geneigd zichzelf op die
manier prijs te geven dan de ánder en altijd NEEMT er een van de twee
meer dan hem of haar toekomt. Het "er iets van maken" is een
DOODLOPENDE WEG; het uitgangspunt is verkeerd, de uitwerking is verkeerd en het
einde is ellendig.
Als een mens er iets voor DOET hebben
wij met geheel iets anders te maken. Natuurlijk, dat "doen" is
maar een WOORD, maar het is toch in zoverre juist dat het een zekere ACTIVITEIT
inhoudt. Het is namelijk met de sexualiteit zo gesteld dat alles waarmee
we in het dagelijkse leven te maken hebben er lijnrecht TEGENIN ligt. Het
werk van de man, het gesloof van de vrouw in huis, het DENKEN in het algemeen
en vooral ook het feit dat we doorgaans met ONSZELF bezig zijn. Aan al deze BEPAALDHEDEN
is de sexualiteit vreemd; de sexualiteit is volledig VLUCHTIG en
ONGRIJPBAAR indien het werkelijk over sexualiteit gaat: de SPANNING
namelijk die er is tussen de vrouw en de man. Die spanning heeft met niets te
maken omdat hij voortkomt uit het één-zijn van die twee
bepaaldheden, die vrouw en die man. Dus: wil die spanning tot zijn recht komen
dan moet het noch bij de éne bepaaldheid, de vrouw, noch bij de andere
bepaaldheid, de man, ergens om gaan. Het "iets doen" nu betekent dit dat zowel vrouw als
man in de sexualiteit ALLES uitschakelen, omdat ALLES - die optelsom van
dingen, beslommeringen, gebeurtenissen, gedachten - de sexualiteit verstoort.
Dit is wel min of meer bekend bij de
mensen; gewoonlijk zijn het de mannen die aan de vrouw en haar liefdeleven tot
hun schrik bemerken hoe vlug het verstoord is. Zij weten er dan natuurlijk geen
raad mee, en de vrouwen weten dat zèlf al evenmin. Voorzover zij er toe
komen een antwoord op hun probleem te zoeken raken zij meestal steeds
verder in de put omdat de oplossing nimmer van het DENKEN en de ANALYSE te verwachten
is. Dat gaat immers lijnrecht in tégen de sexualiteit! De enige oplossing
is altijd weer deze dat men moet zien van het dagelijkse leven àf te
komen, en dus ook van de GEDACHTEN. Dit geldt ook voor mensen die straks tot
een VOLWASSEN MENSHEID zullen behoren, al zij het toegegeven dat het voor die
mensen veel meer vanzelf spreekt dat zij ALLES moeten uitschakelen. Zij
zullen dat dus VANZELF al doen.
Maar voor de mensen die tot een
BEPAALDE CULTUUR behoren is het in zekere zin een OPGAVE. Maar al te
gemakkelijk bepaalt die cultuur hun gedrag en dan zit er voor de mensen niets
anders in dan de uiteindelijke VERVELING.
Er zijn culturen geweest, vooral in de
OUDHEID, waarin de mensen wel aanvoelden dat alles uitgeschakeld moest
worden. Dat was voor die mensen net zo goed een OPGAVE als voor ons, maar zij wisten tenminste wáár zij het zoeken
moesten. Zij namen dan de WIJN, de MUZIEK en de DANS te baat; die dienden ertoe
de mensen in de gewenste stemming te brengen. Dit is natuurlijk ook maar een HULPMIDDEL dat
slechts bij bepaalde gelegenheden te pas komt; in het leven van alle dag
hebben wij daar niets aan. Dan moet het allemaal uit onszelf komen, dan moeten
wij het zelf doen. Als ons dat lukt zijn we meteen onze AFHANKELIJKHEID kwijt,
we behoeven niet te wachten op een gunstige gelegenheid, de omstandigheden
spelen voor ons geen rol.
Als wij nu een vergelijking maken
tussen de mensen uit de oudheid en de moderne mensen, ook de aanhangers van de
moderne "vrije sex", dan slaat de balans door ten gunste van de
oudheid, omdat daar in ieder geval nog aangevoeld werd dat de sexualiteit het
uitschakelen van alles vereist. En de moderne mens is zelfs dàt
kwijt; hij probeert juist alles IN TE SCHAKELEN, ten dienste van de
sexualiteit.
Alles wat de zaak naar zijn idee op kan
voeren en kan stimuleren wendt hij aan en daartoe behoren niet in de laatste
plaats zijn GEDACHTEN.
Dit alles gaat dan als PRIKKEL werken
en de persoonlijke bevrediging van die prikkel is alles wat de sexualiteit
betekent. Dat geldt in de eerste plaats voor de mensen van de “vrije
sex”, maar het geldt ook voor de ouderwetse mensen - de basis van hun
liefde is precies dezelfde. Zij beginnen met hun VERLIEFDHEID en van daaruit
kunnen zij niet anders dan samen verder gaan. Tijdens die verliefdheid lukt
alles; het vrijen is goddelijk en het kan niet lang genoeg duren; de overgave
is volledig en de bevrediging zoet…! Maar welbeschouwd is dat geen kunst;
de mensen verliezen zich IN ELKAAR en er is geen plaats voor allerlei beslommeringen
die de zaak kunnen verstoren. Dit wordt door de mensen terecht als een
heerlijke toestand aangevoeld en zij vinden het jammer dat het zo niet blijft.
Het zich IN ELKAAR VERLIEZEN kan alleen als de PRIKKEL over en weer
àlles overschaduwt terwijl het toch bij ieder een zaak van ZICHZELF
is. Dat dit zo is blijkt duidelijk uit het feit dat de verliefdheid
ZELFZUCHTIG is en JALOERS en volkomen BLIND. Zolang dit in elkaar verliezen uit
de voeten kan is er niets aan de hand, maar het kan niet lang uit de voeten
omdat het zich in elkaar verliezen ONMOGELIJK is en die onmogelijkheid komt
duidelijker naar voren naarmate een mens ouder wordt. Verliefdheid is iets
van de JEUGD.
De LIEFDE kan dus op de verliefdheid
niet bouwen; het zich in elkaar verliezen heft zich op en ziedaar de BARRIERE
die de VERVELING als nasleep heeft; ALLES dringt zich op en nu moeten de vrouw
en de man er zèlf wat aan gaan doen.
De vraag of twee mensen al of niet bij
elkaar moeten blijven is helemaal niet aan de orde. Vast staat in elk geval dat
er NIETS MOET en vast staat ook dat juist als de mensen tot het besef zijn gekomen dat
het nergens om gaat, de zaak VRIJ ligt om zich te ontwikkelen zoals ze zich
ontwikkelt. Nu is ieder weer zichzelf en nu blijkt wel wat er mogelijk is. Vaak
blijkt het allemaal een vergissing te zijn geweest, maar eigenlijk mogen wij
het zo niet stellen: waarom zou de verliefdheid een vergissing zijn, want
het ontstaat niet voor niets tussen twee mensen…maar men moet er geen
LIEFDE van VERWACHTEN. Misschien is die er wel, misschien niet.
Het woord "liefde" moeten
wij niet overschatten; in de praktijk komt de zaak hierop neer dat men elkaar,
voorzover men alles uitgeschakeld heeft, HERKENT en dat men elkaar qua
DAGELIJKS GEDOE ligt.
Hierover is natuurlijk nog veel meer
te zeggen, maar het gaat mij er nu alleen maar om te beklemtonen dat wij
ons niet op de dichters moeten verlaten en de zaak nuchter moeten bekijken.
Overigens mogen wij uit het
bovenstaande niet afleiden dat in de volwassen sexualiteit de PRIKKEL verdwenen
is. Het is nog steeds het ONDERGAAN van de SPANNING tussen de vrouw en de man.
En hoe dit ONDERGAAN bij de één ligt of bij de ànder ligt
is niet te zeggen; dit is een PERSOONLIJKE kwestie. En ook de aard van het
liefdesspel is bij ieder mens weer anders. Hierin geldt geen enkele norm of
regel en ook de MORAAL en de WET staan hier buiten. Zodra die er toch op de een
of andere manier mee te maken krijgen, in die zin dat de vrouw en de man zich
er iets van aantrekken en zich bijgevolg min of meer GEREMD voelen, is het met
de sexualiteit gedaan. Dan is de SPANNING tussen de vrouw en de man niet
meer het enige waardevolle, maar dan wordt het weer de PRIKKEL die de maat is.
De prikkel, die alleen maar voort komt uit de SPANNING, en die dus op niets
BEPAALDS gericht is, is niet van voorbijgaande aard. Er behoeft hier niets
gevoed te worden; de spanning zèlf is het die de zaak gaande houdt.
Zoals gezegd is die spanning er ALTIJD - dus ook als twee mensen niet aan het
vrijen zijn, en deze situatie komt in het dagelijkse leven het meeste voor. Ook
dan, in de dagelijkse omgang moet het zowel de vrouw als de man er om te doen
zijn die spanning LEVEND te houden, en aangezien voor die spanning ALLES
uitgeschakeld moet zijn blijft er voor de vrouw èn de man maar
één ding over om in de praktijk van het leven te doen:
ZICHZELF ZIJN.
Het is in het kader van deze brief
niet goed doenlijk over dat ZICHZELF ZIJN van vrouw en man uitvoerig te
schrijven, en daarom laat ik het voorlopig maar voor wat het is. In ieder geval
is in het ZICHZELF zijn van de man de verhouding ten opzichte van de vrouw
en het vrouwelijke begrepen en in het zichzelf zijn van de vrouw is het
mannelijke begrepen. Wij hebben dit thema uitputtend behandeld in onze
dinsdagavondvoordrachten.
Alleen één opmerking
nog: de wèrkelijk sexuele PRIKKEL is op niets BEPAALDS
gericht.
Dit betekent dat
verschijnselen als SADISME en MASOCHISME en ook verschijnselen als LESBISCHE
LIEFDE en HOMOSEXUALITEIT vergeleken met de werkelijke sexualiteit
AFWIJKINGEN zijn, en wel, in de grond van de zaak, ZIEKELIJKE afwijkingen. Hier
heeft het gericht-zijn op het bepaalde, dus op een ONDERDEEL van het geheel dat
elke mens is, een ziekelijke vorm aangenomen. Ziekelijk omdat alleen maar
dàt bepaalde ONDERDEEL bij machte is de betreffende mens te prikkelen.
Ik ben mij ervan bewust dat ik vandaag de dag "mijn kop riskeer" door
zo te spreken, maar het is nu eenmaal een logische conclusie… dus
moet het maar gezegd worden. Natuurlijk is het wèl zo, dat NIEMAND zich
met die afwijkingen heeft te bemoeien, zolang er geen misdadigheid aan te pas
komt - wat helaas vaak wèl het geval is. De gehele sexualiteit gaat buiten het zelfbewustzijn van de mens
om en dus kan een mens er niets aan doen als hij “anders” is. Laat
zo iemand dus met rust…maar laten wij er niet toe over gaan die AFWIJKINGEN te rangschikken
onder de sexuele mogelijkheden. Onder die rubriek behoren zij niet thuis…
+TOEVOEGINGEN:
VROUW en MAN(1969)
– bladwijzers PRIKKELING/homosexualteit,
De structuur van de mens(1975) en klik
aldaar onder bladwijzers op HOMOSEKSUALITEIT
Beweging en Verschijnsel – deel 2 - zie bladwijzers HOMOSEKSUALITEIT -
(‘88/’89)-DEEL 2
++++++++++++++
Beste lezer,
natuurlijk een voorspoedig 1970
toegewenst; ik hoop dat ik dit jaar naast de "vaste ploeg"
toehoorders ook nog wat nieuwe gezichten mag begroeten op de dinsdagavonden.
Tot de volgende keer,
Jan Vis, creatief filosoof
Briefnummer 4: Het ongedierte
vreet het andere op-Iwan Karamazow
Briefnummer 5: De moderne mens en
de sport
Briefnummer 6: De vrede in deze
wereld
Briefnummer 7: Het
arbeidsevenwicht
Briefnummer 12: Rassenvraagstuk
Briefnummer 14: De brandstapel
is mij te heet
Briefnummer 15: De papieren
waarheid
Briefnummer 16: Pornografie
Briefnummer 17: Iets over de
liefde en de verveling
Briefnummer 18: De vrijheid van spreken
Briefnummer 19: Het luchtledige
CENTRUM VOOR FILOSOFIE – ROTTERDAM(1970)
Terug naar: STARTPAGINA
Naar bladwijzers: NIET STEMMEN roept een vacuüm op. Negeren van de SAMENLEVING, DEMOCRATIE
STEMMEN zie nrs. 4(kiesstelsel) - 15 - 18 en 19(kiesstelsel)
BRIEF No.18 - februari 1970
Zie
ook: Vrijheid van meningsuiting-zie bladwijzers ; Proces
v/d Eeuw tegen alle ingezetenen
van Nederland..! ; De ACHILLESHIEL ZIT IN
HET KIESSTELSEL-briefnummer 19 ;
De vrijheid van spreken
Hoe meer je over de mensen en hun
gedrag nadenkt hoe duidelijker het voor je wordt dat wij eigenlijk in een
volkomen waanzinnige wereld leven - en dat niet omdat er vandaag de dag
allerlei misstanden aan te wijzen zouden zijn die vergeleken bij vroegere
toestanden of toestanden ergens anders op de wereld de indruk geven met een
gekkenhuis te doen te hebben, maar omdat een heel patroon van verhoudingen
die geheel VANZELFSPREKEND voor de mensen gelden tot een NORM vervormd worden
en zo o.a. gaan fungeren als onderwerp voor het denken dat de mensen doen over
ZICHZELF. Al denkende ontdekt de bespiegelende mens die verhoudingen, maar
doordat hij ze via het denken ontdekt heeft, heeft hij ze gelijk
geïsoleerd en zijn het voor hem gegevens geworden die op de een of andere
manier een ABSOLUTE waarde gekregen hebben. Dan wordt het zaak die absolute
waarden te BESTREVEN als zouden het ideale omstandigheden zijn voor de mens van
LATER. Omstandigheden die vandaag nog lang niet gelden - en dat is inderdaad
een feit - maar die na verloop van tijd en ten koste van veel strijd en offers
wèl een realiteit zouden worden. De mensen vechten dus voor hun eigen
omstandigheden; zij hebben het gevoel de zaak te moeten AFDWINGEN, zonder
overigens precies te weten VAN WIE ze het moeten afdwingen.
Vanzelfsprekende verhoudingen worden
door het DENKEN ( en het geeft niet wèlk denken ) tot BEPAALDE NORMEN,
bepaalde FUNCTIES, en dan worden het OMSTANDIGHEDEN die bestreefd moeten worden
en als die omstandigheden eventueel bereikt zijn worden zij gerekend tot de
“hoogste menselijke goederen” zonder dat er nog iemand is die eraan
denkt dat er al die tijd gedacht en gestreden is over en voor een zaak die voor
de mensen eigenlijk VANZELFSPREKEND is.
Het waanzinnige van de mensheid is nu
dit, dat zij haar leven lang als een kat met haar eigen staart speelt: zij
poogt die staart te pakken zonder tot het inzicht te komen dat zij hem al
hééft doordat zij namelijk zèlf die staart IS.
De mensen vechten voor hun RECHT, zij
vechten voor hun VRIJHEID, hun OVERTUIGING als gold het verhoudingen die nu nog
helemaal niet van kracht zouden zijn… En omdat de mensen, VANUIT HUN
DENKEN, vinden dat die idealen vandaag nog niet gelden, gèlden ze ook
niet, terwijl ze eigenlijk, maar dan niet als IDEALEN vanzelfsprekend
wèl gelden.
Ook de FILOSOFIE, als het denken over
de werkelijkheid en dus het denken over de mens, heeft zijn steentje bijgedragen
tot het vormen van idealen. In de filosofie zijn de begrippen, zoals recht en
vrijheid, uitvoerig doordacht en zij zijn naar aanleiding daarvan gesteld als
als de wezenlijke voorwaarden voor het menselijke leven. En de filosoof
was het al heel gauw duidelijk dat er voorlopig van die voorwaarden weinig
of niets terecht kwam, reden waarom hij zo af en toe de wereld uitkreet voor
misdadig. Hij richtte zich dan automatisch tot die mensen die aan de anderen de
voorwaarden voor het leven onthielden, en aangezien dat de meeste
mensen waren schold hij zo ongeveer de gehele wereld uit. Maar, hoe
hartverwarmend dat schelden telkens weer is, het is toch niet erg WIJS. Want
het bewijst dat ook de filosoof voorbijgaat aan het feit dat hij al die dingen,
die hij zo graag gerealiseerd wil zien, in levende lijve zèlf IS. Ook vandaag, op dit moment,
nù…!
En dan maar DENKEN over de
werkelijkheid, en alsmaar nieuwe verhoudingen vinden en die ijverig ISOLEREN en
tot NORMEN maken terwijl het helemaal geen normen zijn en eigenlijk zelfs geen
verhoudingen - althans geen apàrte verhoudingen. De werkelijkheid
is voor de denkende mens een CONSTRUCTIE waaraan hij onvermoeibaar zwoegt,
alsmaar verbeterend, temperend, activerend en zoekend naar een evenwicht. En
zo, al ploeterende ontgaat hem de werkelijkheid die hij zèlf
“op dit moment” is, en dat wat hij IS zijn nu nèt de dingen
waarnaar hij STREEFT.
Zo bekeken zit er aan de filosofie een
ONZINNIGE kant en wij mogen het zelfs zó stellen dat wij het beter
konden LATEN te filosoferen. Wij zouden er beter aan doen ons bij onze leest te
houden en ons te bepalen tot het leven van NU en wat daaraan automatisch
meekomt.
De VRIJHEID VAN SPREKEN is natuurlijk
ook een voorbeeld van het hiervoor gezegde. Denken wij aan dit onderwerp dan
kàn het haast niet anders of wij gaan het hebben over iets dat met spoed
verwerkelijkt moet worden. Want het behoort tot de rechten van de mens… maar de mens HEEFT GEEN
RECHTEN en hij heeft ook geen VRIJHEDEN. De vrijheid van spreken BESTAAT NIET;
een mens spréékt en een ander mens hoort hem aan of hoort hem
niet aan. Het bevalt hem wat er gezegd wordt of het bevalt hem niet en hij
spreekt een weerwoord of hij doet dat niet. Wat valt er hierover nog meer te
zeggen? Dit alles heeft niets met een VRIJHEID te maken; het is geen RECHT
van de mens om te spreken, maar een zaak die vanzelf aan hem meekomt.
Er bestaan wel RECHTEN en VRIJHEDEN.
Als ik bijvoorbeeld iemand toesta vrijelijk over mijn kamer te beschikken verleen
ik hem een recht. De grondverhouding is deze dat hij NIET over mijn kamer mag
beschikken, maar ik geef hem het recht dat wèl te doen. Zo kan ik hem
ook de vrijheid geven naar eigen inzicht van die kamer gebruik te maken; het
staat hem dan vrij te doen en laten wat hij wil. Dit is een voorbeeld van
rechten en vrijheden. De BASIS is iets wat ONGEOORLOOFD is maar waarvan door
een GUNST afgeweken wordt. Het spreekt vanzelf dat tegenover die gunst ook
verplichtingen staan, bijvoorbeeld deze, om van mijn kamer geen bende te
maken. Dit samenspel van rechten en verplichtingen is in onze samenleving
gebruikelijk; vrijwel iedereen denkt in dit patroon en dan uitgerekend daar
waar het over dingen gaat die niet onder de rechten en verplichtingen vallen.
Zo komt men er toe het over “de rechten van de mens” te hebben en
het thema “vrijheid van spreken” komt ook zo in de wereld.
Er is wat betreft VANZELSPREKENDE
VERHOUDINGEN maar één mogelijkheid: zo’n verhouding
wordt ONTKEND. De éne mens zet de andere onder druk zodat het
vanzelfsprekende van hem àf gaat en dan krijgen wij te doen met een mens
die ONVRIJ is. En deze ONVRIJE mens gaat in àlle ònvrijheid
tenslotte proberen weer wat van zijn vrijheid terug te krijgen, terwijl hij
juist mèt dat streven ERKENT dat de druk op hem een realiteit is. Een
realiteit die er op de een of andere manier behoort te zijn. En aan die druk
kan men zich op de lange duur ontworstelen, men kan door bepaalde
MACHTSPOSITIES in te nemen een zekere vrijheid of een zeker recht AFDWINGEN.
De geschiedenis heeft nog nooit iets anders te zien gegeven; de rechten
van de gewone mensen, de “burgers” zijn al vanaf de vroegste
tijden afgedwongen van de machthebbers.
En thans is het beeld nog nèt
zo, alleen is nu iedereen ten opzichte van iedereen een machthebber geworden.
Dat ligt in de ontwikkeling van de westerse cultuur besloten. Onze DEMOCRATIE is een
samenspel van mensen, die allemaal op hun wijze een DICTATOR zijn; iedereen
legt dan ook aan iedereen de ONVRIJHEDEN op. Wij zijn het zèlf die
elkaar allerlei beletten.
Er bestaat dus eigenlijk alleen maar ONvrijheid en rechteloosheid,
d.w.z. er is alleen maar het ONDER DRUK ZETTEN van de éne mens door de
àndere. Het enige dat heeft te verdwijnen is die DRUK. En de enige
manier om dàt waar te maken is niet het leveren Van TEGENDRUK, maar het
volledig NEGEREN van die druk.
Dit betekent het negeren van de
SAMENLEVING met het daaraan meekomende GEZAG en de door het gezag opgestelde
REGLEMENTEN. Het betekent het negeren van de democratie en dus ook het negeren van de
stèmbus. Dit laatste is een buitengewoon effectieve methode, hoewel
de werking INDIRECT is. Als
U even doordenkt zult U inzien dat het niet
uitbrengen van stemmen een VACUUM oproept zodat er een regering ontstaat
die in het luchtledige geworteld is. En dan zal blijken hoe snel een
dergelijke instelling zichzelf wèggeblunderd heeft. Hierover gaat het nu
echter niet.
Wel gaat het om het feit dat het
scheppen van een VACUUM voor de mensen de DWINGELANDIJ onmogelijk maakt. Dwang
en gezag en macht kunnen alleen maar als het de onderdrukte eigenlijk iets
zegt. Deze reageert er dan ook op… zou het hem niets zeggen, dan zou hij niet
reageren. En dan zou hij ook niet te dwingen zijn. Als de mensen doordrongen
waren van het feit dat HET SPREKEN vanzelf aan hen meekwam, zouden zij niet reageren op het feit dat het ze verboden wordt
te spreken en zij zouden er nog minder op uit gaan dit verbod wat te verlichten
met een beroep op “rechten”.
Wij, westerse mensen, leven in het
land van de VRIJHEID, en dat betekent dat wij ervan uitgaan dat het een ieder
is toegestaan te doen en te laten wat hij wil. Alleen een paar dingen
mogen niet, en die dingen zijn nauwkeurig omschreven in de WET. Ook zijn er wat
dingen die wij MOETEN.
Wij vinden dat er in het OOSTBLOK geen
vrijheid heerst want daar mogen de mensen in principe niets, met uitzondering
van een aantal dingen die wel mogen. Logisch dat er
in het oosten dus een PREVENTIEVE CENSUUR is, die er op gericht is van te voren
allerlei aan de mensen te beletten.
Bij ons is dat uiteraard andersom: wij
beoordelen ACHTERAF het gedoe van de mensen. Als wij SPREKEN of SCHRIJVEN in
het openbaar is er niemand die van te voren de tekst censureert - behalve in
veel gevallen bij de RADIO en de TELEVISIE; hoe wordt dit overigens
juridisch gedekt? - maar ACHTERAF wordt nagegaan of wij:
a)de koningin niet beledigd hebben, of
b) een bevriend staatshoofd beledigd hebben, of c) opruiende woorden ten aanzien
van het gezag gesproken hebben, of d) ons aan smaadschrift hebben schuldig
gemaakt, of e) iemand persoonlijk beledigd hebben. En dan kunnen wij natuurlijk
ook nog de eerbaarheid gekwetst hebben…!
Als wij dit rijtje zo eens nagaan dan
blijkt dat wij niet zo erg veel mogen zeggen in de praktijk. De DIRECTE KRACHT
is aan ons woord ontnomen; wij kunnen niemand duidelijk de waarheid zeggen en
wij kunnen ook niemand ertoe overhalen aan bepaalde toestanden een einde te
maken. Want in dit laatste geval zijn wij bezig met OPRUIEN en in het eerste
geval is natuurlijk degene tot wie wij onze aanval richten diep BELEDIGD. En in
zijn EER en goede NAAM aangetast. Duidelijke en DIRECTE taal kan niet
gesproken worden. Maar nu is het opvallende, dat de mensen het juist hiervan
moeten hebben.
In het dagelijkse leven, als er geen
wet is die ons op de vingers kan tikken, zeggen wij elkaar ook de waarheid; de
één wat meer, de ander wat minder, maar een ieder beseft dat je
dan weet wat je aan elkaar hebt. Wij vinden dat het zo behoort te zijn en dat
het eerlijk is. Vage en abstracte woorden zijn een teken van lafheid en
huichelarij en iedereen heeft
er een hekel aan. Natuurlijk zijn er veel mensen die zich bij zo’n gelegenheid
beledigd voelen, maar wij beseffen daaraan terecht dat dat voor rekening
van de beledigde komt. Als datgene wat gezegd wordt niet waar is kan je
het weerleggen en als het wel waar is moet je je voordeel er maar mee doen. En als het gebeurt
dat iemand de waarheid zegt en die waarheid blijkt voor iedereen een
samenraapsel van leugens en laster te zijn dan keren de mensen zich vanzelf
al wel van die vuilbek af, en beledigd te zijn aan dergelijke vuilpraterij
is natuurlijk in hoge mate kinderachtig; er is geen enkele reden om iemand
tegen zoiets te beschermen.
Trouwens, de bescherming die onze wet
en ons recht biedt is er ook een van een zeer twijfelachtig gehalte; in principe komt het er toch wel op neer dat men het
GEZAG niet aan mag tasten en dus ook dragers van die gewichtigheid met rust
moet laten. Het draait dus toch allemaal om verhoudingen die de mens zich door
het DENKEN eigen gemaakt heeft, en die in werkelijkheid helemaal niet bestaan.
Velen van ons zullen zich nog herinneren
hoe voor de 2e oorlog een aantal mensen vervolgd werden door de
justitie omdat zij de waarheid over HITLER gezegd hadden. Zij hadden een
“bevriend staatshoofd” beledigd door te reppen over de schandelijke
gebeurtenissen in Duitsland. Dat mocht natuurlijk niet; bovendien bleken
die mensen ook nog COMMUNISTEN te zijn en dat was de druppel die de maat deed
overlopen. Lieden daarentegen die voor de propaganda van Duitsland zorgden
werden niet lastig gevallen, zelfs niet als bleek dat zij ook nog anderen
DWONGEN om hun fiat op Duitsland te geven. De feiten spreken voor zich: de
beledigingswetjes zijn er om de mensen de mond te snoeren en natuurlijk gelden
zij dan ten aanzien van mensen die zich geroepen voelen de waarheid te zeggen.
Evenwel: waarheid of geen waarheid,
ieder mens moet zijn mening kunnen zeggen, en natuurlijk is die mening gericht
aan bepaalde mensen PERSOONLIJK. Op een andere manier heeft het zeggen van de
waarheid GEEN ZIN, en zelfs kunnen wij zeggen dat het dan de waarheid NIET IS.
Want een waarheid is WAAR als ze nauwkeurig betrekking heeft op de FEITEN en de
PERSONEN waarover het gaat. Een algemene waarheid is geen waarheid als het over
dit soort van dingen gaat. Als de mensen zeggen dat Johnson een MOORDENAAR
is, dan gaat het voor hen om dat feit en die persoon. Geen enkele wet mag de
mensen verbieden deze mening naar voren te brengen.
En nu zeg ik niet dat de mensen de
VRIJHEID moeten hebben om te spreken, maar ik zeg dat elke DWANG op het spreken
een MISDADIGE DWANG is. Ook al staat men ons toe onze mening te zeggen,
dan nog is de zaak niet terecht. We behoeven geen dank je wel te zeggen voor
iets dat VANZELF SPREEKT. We behoeven ook niemand voor het leven te bedanken,
dat ons “geschonken” is. En we behoeven niemand te bedanken voor
het RECHT, dat voor ons schijnt te gelden, en ook behoeven wij op grond daarvan
de rechter geen EDELACHTBARE te vinden.
Het RECHT is iets dat wij in onze
cultuur hoog aanslaan, en daarvoor is wel wat te zeggen want het blijkt voor bijna
alle mensen een ZEKERHEID te zijn. In landen waar met het recht naar willekeur
omgesprongen wordt komt duidelijk voor de dag dat het RECHTSBESEF in de mensen
heel zwak ontwikkeld is; in instellingen als het MILITAIRE APPARAAT geldt in
principe helemaal geen recht en de taferelen die zich op de oorlogsterreinen
afspelen tonen ook een bedroevend besef van recht in de mensen. In die hele
wanordelijke janboel is het een verademing als men nog èrgens
tracht het recht en haar objectiviteit te handhaven. Toch moeten wij het
niet als méér zien dan als een verademing omdat het slechts
betrekking heeft op het MILIEU van de mensen. De mens zèlf komt in het
recht niet te pas. Als wij eens nagaan op welk terrein de bemoeiingen van de
moderne mensen liggen, dan zien wij dat het alsmaar gaat over de verhouding
TUSSEN DE EEN EN DE ANDER. Men zoekt die onderlinge verhouding te regelen, in
de mening dat met het geregeld zijn van die onderlinge verhouding
óók de mens zèlf terecht is. Die mening echter is volkomen
fout; de onderlinge verhoudingen, dus de mens SOCIAAL, komen eerst dàn
terecht als de mensen stuk voor stuk VOOR ZICHZELF terecht zijn. Wij vragen ons
af hoe wij tegenover de ànder staan en hoe die ander tegenover ons
staat; maar van belang is alleen maar de vraag WIE ZIJN WIJ. Het juiste
antwoord op die vraag levert meteen een goede verstandhouding tussen de mensen
op. En die verstandhouding is NIET IN HET RECHT GEGROND, dàt is alleen
maar het geval voorzover het om die verstandhouding zèlf te doen is. Dan
gunnen wij onszelf en de ander “rechten” en “vrijheden”
.
Het vervelende van àlle moderne
stromingen is het feit dat er in wezen niets aan de hand is. Wat zich door wil
zetten is de MODERNE MENS; hij heeft de strijd aangebonden met de westerse mens
omdat deze laatste de neiging heeft zoveel mogelijk ANDEREN erbuiten te
houden. De westerse mens SLUIT UIT, zoveel hij kan. De moderne mens doet dat
niet: hij vindt dat iedereen meetelt en dat iedereen zijn eigen
“inbreng”heeft. Vanuit deze gedachte vecht hij voor die
“inbreng” en hij noemt dat INSPRAAK en DEMOCRATISERING. Dat dit
hele streven, hoewel in zekere zin vijandig aan het westerse, toch helemaal
geworteld is in het westerse denken, is natuurlijk duidelijk. En omdat dit zo
is behoeven we er MENSELIJK niets van te verwachten.
Ons recht zal steeds meer uitgewerkt
worden en onze vrijheden zullen zich uitbreiden, maar in feite wordt het
steeds BENAUWDER omdat het GEREGLEMENTEER toeneemt. En een gereglementeerd
leven is géén leven. Daarom kunnen we in dit verband CICERO
aanhalen, die naar aanleiding van het ROMEINSE RECHT reeds voorzag:
“Summum ius summa iniuria”, hetgeen betekent dat het hoogste recht
vaak het grootste ONRECHT is.
Onze zichzelf reglementerende
samenleving legt zichzelf steeds meer aan banden, terwijl wij het ervaren als
recht en vrijheid. Het is evenwel een steeds groter ONRECHT en een steeds
grotere ONVRIJHEID…
Zie
ook: Vrijheid van meningsuiting-zie bladwijzers ; Proces
v/d Eeuw tegen alle
ingezetenen van Nederland..! ; De
ACHILLESHIEL ZIT IN HET KIESSTELSEL-briefnummer 19 ;
STEMMEN zie nrs. 4(kiesstelsel) - 15 - 18 en 19(kiesstelsel)
++++++++++
Tot de volgende keer,
Jan Vis, creatief filosoof
Briefnummer 4: Het ongedierte vreet
het andere op-Iwan Karamazow
Briefnummer 5: De moderne mens en
de sport
Briefnummer 6: De vrede in deze
wereld
Briefnummer 7: Het
arbeidsevenwicht
Briefnummer 12: Rassenvraagstuk
Briefnummer 14: De brandstapel
is mij te heet
Briefnummer 15: De papieren
waarheid
Briefnummer 16: Pornografie
Briefnummer 17: Iets over de
liefde en de verveling
Briefnummer 18: De vrijheid van
spreken
Briefnummer 19: Het luchtledige
CENTRUM VOOR
FILOSOFIE – ROTTERDAM(1970)
Terug naar: STARTPAGINA
Naar bladw.: De achillespees
zit in het KIESSTELSEL - STEMMEN..? ; Mijn
ernstige waarschuwing ; Omdat DE MENS uiteindelijk DEUGT ; NIET STEMMEM roept een * * * * op. ; Negeren van de
SAMENLEVING, DEMOCRATIE
STEMMEN zie nrs. 4(kiesstelsel) - 15 - 18 en 19(kiesstelsel)
Het luchtledige
Bij verschillende gelegenheden en ook in meerdere brieven
heb ik er op gewezen dat er voor een moderne democratie, gebaseerd op het KIESSTELSEL, maar
één groot gevaar bestaat, namelijk het feit dat er mensen zijn
die hun stem niet wensen uit te brengen. Welnu: na de laatste verkiezingen
is de hel losgebroken…! Een groot
aantal mensen heeft niet de moeite genomen om te stemmen, of wilde niet stemmen
- wie zal het zeggen? En prompt hebben alle partij-goden gereageerd. Men
is zich te buiten gegaan aan speculaties, men heeft getracht met vergelijkende
cijfers van andere verkiezingen aan de statistische wetenschap een
antwoord te ontlokken en men bereidt een grootscheepse enquête voor
onder alle Nederlanders. Niemand zegt het met zoveel woorden, maar de angst is
groot. Dat blijkt uit het feit dat er telkens weer publikaties in de kranten
verschijnen die inhaken op het
onverklaarbare gebeuren. Een partij heeft zelfs proefverkiezingen gehouden
en dat werd een daverende mislukking, die - gelukkig maar - te wijten was aan
een ondoelmatig opgezette reclamecampagne, volgens de
organisatoren althans!
Maar er worden ook minder onschuldige plannen gesmeed, en het is met het oog dáárop dat ik thans een ernstige waarschuwing
wil laten horen.
Deze brieven worden helaas niet door
zo èrg veel mensen gelezen zodat we niet in staat zijn iedereen te
waarschuwen. Maar het is al nuttig als er een paar mensen op hun tellen gaan
passen. Wij Nederlanders bezitten weinig opvallende eigenschappen. Dat is
in de grond van de zaak - maar dan moeten we wèl diep graven - nog niet
eens zo gek; wij zijn betrekkelijk rustige en ordelijke mensen, die de
zaken zo goed mogelijk regelen en er zorg voor dragen dat de zaak zonder
haperingen blijft marcheren. De Duitse Grundlichkeit missen wij maar toch zijn
we nogal precies. En doordat we de boel nogal precies regelen zien we van veel
dingen het gevaar niet in; een gevaar dat ontstaan kan juist omdat we het zo
precies regelen. En ook zijn wij gewoonlijk niet in staat ons in te leven in
EXCESSEN - alweer omdat die niet in het beeld van de rustige en ordelijke gang
van zaken passen.
Wij hadden bijvoorbeeld aan het begin
van de tweede oorlog lijsten met de namen van mensen die wegens hun politieke
gedrag – lees: communistische gedrag - opvielen, en onze ordelijkheid
verzette zich ertegen die lijsten bij de inval der Duitsers te vernietigen;
bovendien geloofden wij niet dat de Duitsers er gebruik van zouden maken.
Hetzelfde geval deed zich voor bij de JOODSE RAAD, die in staat
bleek de Joden op een presenteerblaadje cadeau te doen - ingedeeld in rubrieken
zoals afkomst, financiële toestand, enzovoort. Men leze hierover WEINREB, over wie ik U al geschreven
heb. De Duitsers behoefden de lijsten maar na te laten lopen door DE
NEDERLANDSE POLITIE en de zaak was rond. Dat dit lang niet in àlle
landen het geval was kunt U ook bij WEINREB lezen: in België waren er
geen registers voorhanden en in vele gevallen waren tòch aanwezige
registers bijtijds vernietigd. Nu ziet het er op het ogenblik niet naar uit dat
ons grote rampen wachten op korte termijn, maar anderzijds is het toch wel
degelijk zo dat een mens attent moet blijven op de hem omringende wereld. Er is
veel gedoe over de DEMOCRATIE
en alles wat daarmee samenhangt; er is in dat verband veel protest en
telkens laaien ook de gewelddadigheden op. Wij zijn natuurlijk weer geneigd dit
alles als INCIDENTEN te zien, en dat zijn het OPPERVLAKKIG BESCHOUWD ook, maar
wij mogen nooit vergeten dat die “incidenten” alle gericht zijn tegen een STELSEL, dat al of niet bewust wordt aangevoeld, maar dat tegenwoordig door
erg veel mensen gesignaleerd wordt.
En juist omdat dit het geval is,
verdient het aanbeveling de "incidenten" tégen dit stelsel
niet als zodanig te zien.
Dit betekent
tevens en vooral dat wij de TEGENMAATREGELEN bepaald niet moeten onderschatten;
die zijn véél meer doelbewust en georganiseerd dan wij geneigd
zijn te denken. In Amsterdam probeerde men nauwelijks de AARD van de
onlusten te achterhalen, maar wèl werd er direct een politie
brigade opgericht die speciaal getraind was in het onderdrukken van
relletjes. Geld om aan bepaalde verlangens van de mensen tegemoet te komen is
er niet, geld voor een afdeling KILLERS is er wel, en ook geld voor
pantserauto's en waterkanonnen en traangasgranaten en nog meer van dat
moois…! En het aardige is dat wij die tegenmaatregelen zèlf mogelijk maken
doordat wij zèlf dat STELSEL helpen in stand houden. Ten dele kunnen wij
daar weinig aan doen omdat wij ook ons werk doen, en niet zònder dat
zouden kunnen, en daarmee natuurlijk en noodgedwongen meewerken aan de stand
van zaken. Ons gehele leven, ons maatschappelijke leven, is noodzakelijk het
STELSEL - hierop heb ik al eerder gewezen. Maar, al is dit dan een feit waaraan
wij persoonlijk niets kunnen veranderen, dan behoeven wij nog niet onze
oplettendheid te verliezen en rustig in te slapen in het besef er
tòch niets aan te kunnen doen. Wij behoeven daarom nog geen borreltafel-anarchisten
te worden.
Zaak is het de
zwakke steen in het stelsel te vinden, en al eerder wees ik er op: de
achillespees zit in het kiesstelsel.
Dat weten de partij-bonzen ook wel en daarom proberen zij de mensen op te jagen
om toch vooral naar de stembus te gaan. Wat je daar stemt geeft niet - er zijn
toch nooit uitschieters - en het geeft ook niet dat je je stem ongeldig
maakt of blanco stemt want in beide gevallen geef je een duidelijke MENING, een
KEUZE, en dan heb je dus tòch gestemd. Thans is het stemmen door de een
of andere speling van het lot niet meer VERPLICHT, hoewel er al heel lang geen
maatregelen meer werden genomen als iemand niet ter stembus was getogen.
Maar nu kunt U ervan verzekerd zijn dat de heren er spijt van hebben en dat bleek
al uit de verwarring na de laatste verkiezingen. Want wat is er nu gebeurd: er
is, zij het nog bescheiden, een LUCHTLEDIG ontstaan.
Iedereen tast volkomen in het duister inzake die
groep mensen die niets van zich hebben laten horen. Wat zijn dat voor mensen,
zijn ze ontevreden of onverschillig of alleen maar lui, of zijn ze voor de democratie
levensgevaarlijk…? Dat laatste is hoe dan ook het meest waarschijnlijke.
Natuurlijk voelt men dit aan en ook ziet men scherp in dat het niet verschijnen
in de stemlokalen de GENADESLAG voor het stelsel betekent. Ik maak me sterk dat
de politici dat veel duidelijker inzien dan de stemmers, al was het alleen al
vanwege het feit dat zij zich FORMEEL niet meer op de opinie van het
Nederlandse volk kunnen beroepen. Iedereen zal ze kunnen wijzen op dat
grote aantal mensen dat helemaal nèrgens achter is gaan staan. Dan
is de PRAKTISCHE politieke positie niet meer zo èrg sterk.
Maar
wezenlijk aan deze zaak is dit dat een democratie zonder KEUZE een STELSEL - welk stelsel
dan ook - onmogelijk maakt. Omdat wij niet gewend zijn DOOR TE DENKEN, en ons
dùs bepalen tot de omstandigheden NU en HIER, zien het boven gezegde
niet gemakkelijk in. Wij roepen: dan komt er natuurlijk een dictatuur of
er komt wanorde en ellende. Welnu, dat dit laatste, de ellende, komt staat in
deze wereld altijd als een paal boven water, dus daarover behoeven we ons echt
niet druk te maken. Echter, een dictatuur of een dergelijke wantoestand, kan er
wel EVEN komen, maar nooit lang. Want èlke mensonwaardige toestand roept
in de mensen automatisch VERZET op. Op deze regel bestaat géén
uitzondering omdat de mens uiteindelijk DEUGT.
Vaak
duurt het naar òns idee lang en vaak zijn naar òns idee de offers
te groot, maar de zaak zet zich altijd door, ongeacht onze mening…! De dictatuur in Spanje loopt
onherroepelijk stuk, evenzo die in Griekenland. De Amerikaanse
imperialistische politiek graaft zonder mankeren zijn eigen graf en zelfs
Hitler nam de vrijheid zijn eigen ondergang voor het grootste gedeelte
zèlf te bewerkstelligen. In de gang van zaken moeten wij niet letten op
de TIJDSDUUR, maar op de RICHTING VAN DE BEWEGING. De SNELHEID ervan wordt
bepaald door de ontwikkeling van de betreffende mensen en die ontwikkeling
volgt eigen wegen.
Dus:
hoe het ook afloopt als het stelsel komt te vervallen, altijd maakt
onmenselijkheid zichzelf onmogelijk – in een land als het onze zelfs
tamelijk snel want alles wat beneden onze huidige democratie blijft, en dat is vrijwel alles, is in
oogwenk doorzien en veroordeeld.
Het is dus helemaal niet de vraag wat
er voor onze democratie
in de plaats moet komen - er valt hier trouwens niets te MOETEN. Dat er allerlei MOET is
een denkfout; dat er allerlei geregeld en georganiseerd moet worden is ook een denkfout. Als van
hieruit er toe overgaan een nieuwe staatsinrichting in te stellen, wordt
het gegarandeerd wéér een stelsel, en dat stelsel kan noodzakelijk niet veel verschillen van het
huidige. Met als gevolg dat het al even onmogelijk is…!
Een samenleving REGELT ZICHZELF, en
dat betekent o.a. dat ook vanzèlf die mensen naar boven komen die in
staat zijn het geheel te overzien zodat zij in bepaalde opzichten op
landelijk niveau de zaken kunnen coördineren. De veel gehoorde kreet dat
in een dergelijke "liberale" samenleving natuurlijk weer de
kapitalisten en de dictators de macht zouden grijpen, is een loze kreet.
Dergelijke dingen kunnen alleen maar in een samenleving die niet ZICHZELF
regelt; wat wij vroeger "liberaal " plachten te noemen betekende de vrije
ontplooiing van alles wat met HET KAPITAAL te maken had, het betekende dus ook
de vrije UITBUITING van diegenen die daarvoor hun arbeidskracht moesten
inzetten. Op geen enkele wijze gold voor déze mensen vrijheid. Een
zichzelf regelende samenleving is dus in geen enkel opzicht
"liberaal".
Wat voor zo'n samenleving wèl
WEZENLIJK is, dat er nooit een bewust gestelde KEUZE mogelijk is. Waar alles
ORGANISCH in elkaar grijpt valt niet het één boven het ander te
stellen, netzomin als in ons LICHAAM het éne orgaan boven het
ándere stellen kunnen. Toch zijn er organen die bepaalde functies
in ons GEHELE lichaam regelen, denk bijvoorbeeld aan de hersenen en het
hart. Maar een dergelijk orgaan is niet MEER dan een ander, het heeft alleen een
omvattender WERKZAAMHEID. En dat is geheel VANZELF zo.
Het is duidelijk dat de mensen die
niet gaan stemmen een direct gevaar voor de kies-democratie zijn. Het gedrag van die mensen is enorm effectief: niemand van
de gezeten heren maakte zich druk om de onlusten op de universiteiten of om de provo-beweging, maar
allemaal zitten ze vol vage angst nu er zoveel mensen niet gestemd hebben. Al
die niet-stemmers hebben schokkende daden achterwege gelaten; zij waren
geen bommengooiers, geen bezetters, geen betogers. Zij bleven LETTERLIJK thuis. En nu is
het gehele apparaat van de kook…! Dàt is pas EFFECTIEF…!
Mogelijk is dit resultaat aan Uw aandacht ontsnapt, en mogelijk
ontgaat U nog iets, en dat is nu nèt zo belangrijk.
Men
overweegt een nieuwe VOLKSTELLING te houden, maar daarbij worden niet louter de
"koppen" geteld, maar men wil van een ieder uitvoerige gegevens over
de genoten opleiding, werkkring, belangstelling, hobby's,
levensovertuiging, enzovoort. Met andere woorden: men wil inzicht krijgen in de
structuur van ons volk, in de sfeer die onder de mensen heerst. En wat is
hiervan het resultaat? Dat het LUCHTLEDIGE, waaraan we nu nèt de vooruitgang te danken hebben, opgeheven wordt.
Een spreker voor de radio merkte hieromtrent terecht op, dat dit HET BEGIN VAN
EEN POLITIE-STAAT was. In alle opzichten een GEREGISTREERDE bevolking.
Levensgevaarlijk is dat..!
Dezer dagen
stond er in de krant dat iemand in de kamer aan de minister gevraagd had de
POLITIEKE PARTIJEN inzage te geven van de lijsten van de stembureaux. Uit die
lijsten blijkt WIE ER NIET GESTEMD HEBBEN. Natuurlijk is men dan in staat die
mensen te gaan bewerken, maar ook - en dat is het gevaarlijkste - krijgt men
inzicht in de gesteldheid van die mensen, zodat men weet wàt er leeft
onder die
mensen. En dan kan men daarop
gaan spelen…! Ook dit is levensgevaarlijk…maar dat niet
alleen: het druist ten allen tijde in tegen het RECHT; het is een INBREUK OP DE
VRIJHEID.
Ook worden er
aan alle kanten ENQUETES voorbereid, alweer met dezelfde bedoeling.
En nu mijn ernstige waarschuwing: WERK AAN AL DEZE DINGEN NOOIT MEE,
weiger aan wie dan ook inlichtingen te verschaffen, en ga vanaf dit moment
nooit meer naar de stembus. Wat ik al zo lang in "theorie" heb
betoogd is nu in de praktijk waarheid gebleken. Wij moeten het van het
LUCHTLEDIGE hebben. Maak U geen zorgen om wat er dàn komt; vanwege de
ONGRIJPBAARHEID van het luchtledige sneuvelt toch alles wat niet deugt. En
het mooie VOOR IEDEREEN is dat het geen moeite kost (de bezetting van een
gebouw is altijd weer een heel gedoe, en bovendien eigenlijk niet terecht),
èn dat het in ALLE STILTE kan gebeuren. U zult zien hoe de heren zich in
bochten wringen in hun vertwijfeling…!
Onlangs
sprak ik iemand die in alle oprechtheid meende dat je op de meest
"dwarse" partij moest stemmen, want: "hoe meer stemmen die
krijgen, des te groter is de kans dat er verandering in de
toestand komt". Deze gedachtengang is ONJUIST want ten eerste geldt wat ik
hierboven uiteengezet heb, maar ten tweede: geen enkele PARTIJ ligt BUITEN het
stelsel. Dat kàn nu eenmaal niet anders omdat partij KEUZE betekent en
keuze levert onherroepelijk een stelsel op.
Bovendien, ten derde, moet het U toch
wel eens opgevallen zijn dat geen enkele verkiezing een verandering teweeg gebracht
heeft. Er zijn wel "verschuivingen " geweest, maar nog nooit veranderde er iets aan de gang van zaken
- of het moet deze verandering zijn dat elke verkiezing weer een nieuwe groep
mensen in de gelegenheid stelt COMMISSARIS van de één of andere
grote NV te worden…! Sociaal en qua menselijkheid heeft geen enkele
verkiezing ooit uitkomstgegeven.
Een massale KEUZE levert namelijk altijd een GEMIDDELDE op en het is volledig ondenkbaar dat er plotseling een grote uitschieter
optreedt. Zelfs al zijn er veel mensen ontevreden, dan nog loopt wat zij
verkiezen uiteen, en meestal is de praktijk deze dat die ontevreden mensen
zichzelf versnipperen. Dat is een van de listigheidjes van het kiesstelsel. Men behoeft
dus van stemmen op een dwarse partij niets te verwachten.
Het is trouwens in het algemeen zo,
dat de MACHT vooronderstelt dat er iets is dat er tegenover staat. Men
zegt dan dat die macht "ergens op steunt", maar dat woordje
"steunt" kunnen we beter vervangen door het woord "drukt".
Want de macht DRUKT altijd op de mensen en gesteund wordt hij in feite door
niets. Er is geen enkele menselijke verhouding die een machtsverhouding
rechtvaardigt. Wat tegenover de macht staat is de altijd aanwezige weerstand
van de onderdrukten. Maar deze weerstand is een wezenlijke voorwaarde voor
de macht. Wij zien dan ook een WISSELWERKING tussen de macht en de weerstand;
soms zien wij hoe de rollen zich om keren en dan blijken de dappere BESTRIJDERS
van de macht plotseling nu zèlf de machtigen geworden te zijn met
precies dezelfde Duitse manier van uitvaardigen van verordeningen. Zij behoren
onlosmakelijk bij elkaar, die twee. Maar wat ze alle twee opheft is het
luchtledige, en ook dit is niet zo maar een "theorie" die nauwelijks
toe te passen is. Er zijn gevallen genoeg bekend waarbij de mensen de
machthebber volkomen links lieten liggen. Ze begrepen niet wat hij
bedoelde, en ze konden hem niet verstaan en ook gewoon op straat zagen ze hem niet.
In de afgelopen oorlog is dat meer dan eens voorgekomen, bijvoorbeeld in
België, en de resultaten waren werkelijk verbluffend. Van
grootscheepse deportaties (Joden) was veel minder sprake dan bij ons in
Nederland en zelfs bleven er veel meer voedselvoorraden in het land. Ook in dit
geval is het o.a. WEINREB die op
dit verschijnsel wijst.
En ik hoorde dat ook de mensen in het oosten, en zelfs ook
wel in Rusland en Tsjecho-Slowakije zich telkenmale zo gedragen hebben. De
STILTE vervult de machthebbers altijd met angst; zij voelen zich nèrgens
meer in geworteld en dat is nu juist het gevoel dat zij MOETEN krijgen…!
Naar
bladwijzers: NIET STEMMEN roept een
* * * * op.
STEMMEN zie nrs. 4(kiesstelsel) - 15 - 18 en 19(kiesstelsel)
Ik groet U allen vriendelijk,
Jan Vis, creatief filosoof.
Macht ;
onder macht versta ik…(1985) (gescand
en geplaatst op 13 november 2009)
Lezing ; Overleven,
een zaak van weten en kunnen
(gescand en geplaatst op 12 november 2009)
Briefnummer 4: Het ongedierte
vreet het andere op-Iwan Karamazow
Briefnummer 5: De moderne mens en
de sport
Briefnummer 6: De vrede in deze
wereld
Briefnummer 7: Het
arbeidsevenwicht
Briefnummer 12: Rassenvraagstuk
Briefnummer 14: De brandstapel
is mij te heet
Briefnummer 15: De papieren
waarheid
Briefnummer 16: Pornografie
Briefnummer 17: Iets over de
liefde en de verveling
Briefnummer 18: De vrijheid van
spreken
Briefnummer 19: Het luchtledige
Te plaatsen brieven: de
nummers 4, 5, 6, 7, 12, 14, 15, 16, 17, 18, en 19.(allen geplaatst tussen 17 en
22 oktober 2009)
Aangezien de filosofie er niet is voor enkele
bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit de artikelen
zonder meer toegestaan. Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld. (Jan
Vis, creatief filosoof)
OVERLEVEN, EEN ZAAK VAN WETEN EN KUNNEN….
(1e versie)
Auteur: Jan Vis, creatief filosoof
Aangezien de filosofie er niet is voor enkele
bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit de artikelen
zonder meer toegestaan. Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld. (Jan
Vis, creatief filosoof)
Gescand en
geplaatst op 12 nov. 2009 - Verslag van 19??
Terug naar: Startpagina
Er is geen levend wezen op aarde te vinden
dat zo slecht toegerust is op overleven als de mens. Als je hem vergelijkt met de
andere schepselen legt hij het in alle opzichten af. Zijn tastzin, reuk- en
gezichtsvermogen zijn, vergeleken met de andere dieren, ronduit abominabel en
zijn prestaties zijn navenant. Zijn benen laten niet toe dat hij echt hard kan
lopen, zoals een jachtluipaard bijvoorbeeld, en bovendien hebben zij maar
één enkele functie: die van het zich voortbewegen en staan en
zelfs die functie werkt, als ik de biologen mag geloven, niet eens goed.
Grijpen met zijn voeten, zoals de aap dat kan, is er niet bij! En zijn handen,
nou ja, het is waar, hij kan daar heel verfijnde dingen mee, dingen die andere
schepselen niet voor elkaar krijgen, maar dat zijn toch geen vaardigheden die
in directe zin nuttig zijn voor het overleven. Sterke klauwen om een prooi te
grijpen heeft de mens niet. Hoe je het ook bekijkt, hij komt echt als een
stumper ter wereld, zonder van nature gegeven middelen om zich in de
buitenwereld - letterlijk en figuurlijk te kunnen handhaven.
Eigenlijk is dat heel merkwaardig! Zeker
als je aanneemt dat de mens inderdaad als laatste mogelijkheid op de planeet
verschenen is. Als hij door god geschapen zou zijn, dan kun je zonder meer
vaststellen dat er van dat scheppen niet veel terecht is gekomen. God heeft
duidelijk vergeten aan zijn kunstwerk een aantal nuttige functies toe te
kennen. Met dat te constateren zou het verhaal af kunnen zijn: je stelt vast
dat er een tragische vergissing door de onfeilbare gemaakt is en het raadsel is
opgelost. Ook als je vermoedt dat god andere, uiteraard 'ondoorgrondelijke',
verborgen, bedoelingen met zijn Adam en Eva gehad heeft, blijft het feit
overeind dat geen van beiden de mogelijkheid hadden te overleven. Nu was dat
inderdaad in het paradijs geen probleem, want daar was overleven juist een
kwestie van volslagen niets-doen! Waarom dan toch de andere schepselen voorzien
moesten worden van min of meer wrede overlevingsfuncties blijft een
raadsel. Dat is trouwens lang niet het enige raadsel waarvoor god ons gesteld
heeft….
Laten we god als schepper maar vergeten.
Maar laten we wel aannemen dat de mens het laatste verschijnsel is dat uit de
in zichzelf beweeglijke, energetische, materie te voorschijn gekomen is.
Eigenlijk behoef je dat niet aan te nemen, want je kunt dat gewoon
wéten! Ik geef toe dat de daaraan ten grondslag liggende redenering
nogal uitvoerig is, maar hij is op zichzelf toch wel zo eenvoudig dat het je
verbaast dat hij nog steeds geen gemeengoed is. De geleerden putten zich uit in
ingewikkelde wetenschappelijke hoogstandjes, waarbij zij bovendien hun uiterste
best doen elkaar te overtroeven, de eer van de meest verantwoorde theorie op te
eisen, vaak met de bedoeling er zelf beter van te worden…. Je staat er
versteld van als je ziet hoeveel - ik zeg het maar ronduit - krankzinnige
ideeën de filosofen en wetenschappers uitgebroed hebben om de aanwezigheid
van de mens in de kosmos te verklaren.
Ik heb meegemaakt dat er een tot de
conclusie was gekomen dat de mens als een soort van zaadje, je weet wel, zo'n
pluisje zoals je dat wel eens voorbij ziet zweven, overgewaaid was van de een
of andere àndere planeet.
Toen ik hem vroeg hoe daar de mens dan
ontstaan was vond hij dat ik niet moest zeuren, "er blijven nu eenmaal
altijd raadsels over" - zo voegde hij ten overvloede aan zijn ijzersterke
betoog toe….
Volgens een eenvoudige redenering,
uitgaande van energetische materie, kom je tot de conclusie dat de mens als
laatste op de planeet verschenen is, in die zin dat hij de laatste mogelijkheid
is. De laatste mogelijkheid qua innigheid van materiële samenstelling.
Inniger, verfijnder en geraffineerder kan het niet. De materie-deeltjes kunnen
niet een nòg fijner netwerk van verbindingen maken.
Daaruit zijn een paar conclusies te
trekken, en die zijn in feite nogal tegenstrijdig. Ik moet je zeggen dat ik dat
aanvankelijk knap vervelend vond, totdat ik door kreeg dat juist die
tegenstrijdigheid essentieel is. Het gaat hierom: àls de mens inderdaad
de apotheose, het slotaccoord, van het kosmische wordingsproces en van de
evolutie is, zo je wilt 'de kroon der schepping', dan ligt het voor de hand dat
hij in alle opzichten het meest sublieme schepsel is. Hij zou dan alles wat de
andere schepselen kunnen ruimschoots moeten overtreffen. De evolutie levert
immers steeds verfijndere en beter toegeruste organismen op - wat wij dan
'hogere' levensvormen plegen te noemen. Dus is de mens de hoogste levensvorm en
dat betekent onmiddellijk dat hij ook de voortreffelijkste is. Vervelend is
alleen dat daarvan totaal niets in de praktijk blijkt, zoals ik al betoogd heb.
En helaas moet hieraan toegevoegd worden dat de mens niet alleen qua
natuurlijke functies slecht bedeeld is, maar dat hij er ook geestelijk niet erg
veel van terecht brengt.
Hoe dan ook, een tweede conclusie is dat er
na de mens niets meer komt. Er is niets dat nòg 'hoger' is dan de mens.
Dat is een hoogst merkwaardige ontdekking, die nog meer bevreemding wekt als je
je realiseert dat in alle culturen de mensen zichzelf en elkaar wijs lopen te
maken dat er beslist 'iets hogers' bestaat en dat het uiteraard goed zou zijn
je daaraan te onderwerpen nou ja, je buurman zou zich eraan moeten
onderwerpen. Dat is het verhaal van de godsdienst en in het algemeen van de
ideologieën. Maar daar gaat het nu niet over….
Waar het wel over gaat is dit: de mens is
de meest sublieme levensvorm en bovendien is er niets dat boven hem uitgaat,
maar van deze beide kwaliteiten is hoegenaamd niets in de praktijk terug te
vinden. Wat je wel vindt is een hopeloos onaangepast levend wezen dat in alle
opzichten beneden de verschillende vermogens van de andere levende wezens
blijft. En dat er niets boven hem uitgaat is ook niet echt vol te houden. Niet
dat je zou moeten constateren dat er toch een hoger wezen in de vorm van de een
of andere god bestaat, maar wel dat je op kunt merken dat de mens steeds een
trapje hoger klimt, dat hij zichzelf op een steeds hoger plan brengt. Dat
zou hij niet kunnen als er voor hem, op de een of andere manier 'in hem
besloten', geen verdere mogelijkheid zou zijn. Die mogelijkheid ligt niet, als
een hoger geplaatste god buiten en boven de mens, maar hij ligt dus in de mens
zèlf besloten.
Vanwaar nu deze eigenaardigheden, die
bepaald niet toevallig zijn, bepaald niet incidenteel aan de mensen zijn waar
te nemen, maar steeds blijken een essentiële betekenis te hebben. Wel, het
antwoord is te vinden in het begrip De Laatste Zijn. Oppervlakkig
beschouwd zou je niets bijzonders achter dat begrip zoeken. Maar de filosofie
zou de filosofie niet zijn als zij niet overal wat achter zocht en…. inderdaad,
er ook nog wat achter vond ook! Dat begrip De Laatste Zijn heeft
namelijk een onnoemelijk rijke inhoud, om tegelijkertijd geen enkele inhoud te
hebben. Dat zit zo: als laatste stadium van een proces houdt een zaak al het
voorgaande in. Je hebt namelijk te doen met een proces of een voortgang en
daaraan komt op een zeker moment een einde. Als dat einde daar is kun je zeggen
dat in dat einde het gehele proces, de gehele voortgang, geconcentreerd is. Dat
geeft aan dat einde zijn speciale karakter: het is het eraan voorafgaande
proces op voltooide en dus volledige wijze. Die hele zaak is als inhoud
van dat einde aanwezig. Maar daarmee ben je niet klaar! Omdat het namelijk over
het einde gaat is ook te stellen dat er helemaal geen inhoud meer is. Bij het zich beëindigen heft het proces zich op. Dat
wil zeggen dat er een 'negatie' optreedt: de hele boel, de hele inhoud gaat
zichzelf ontkennen. Het begrip De Laatste Zijn heeft dus een dubbele
betekenis, namelijk een betekenis dat iets er tenvolle is en tegelijk dat
datzelfde iets er niet is, of beter nog: op ontkende wijze aanwezig is. Aan de
rand van de tafel is de tafel er, maar tegelijkertijd is die tafel er niet! Het
De Laatste Zijn is, om het nog weer eens anders te zeggen, voorwaarde
voor het begrip Grens en dat begrip is een zogenaamd 'dubbelbegrip' dat
volstrekt niet zonder zijn innerlijke tegenstelling is te denken. Op grond
daarvan zou ik het De Laatste Zijn met de volgende begrippen willen
benaderen: er is 'het laatste'
en tègelijkertijd is er de ontkenning
daarvan, en dat noem ik 'het einde'.
Misschien begint het nu toch een beetje
moeilijk te worden, maar dat is niet erg. Je kunt altijd nog de conclusies, die
ik straks trek, voorlopig voor lief nemen en de rest van het verhaal volgen. Aan het eind kun je dan eventueel vol
overtuiging roepen dat je het volstrekt óneens bent met mijn verhaal!
De betekenis van het begrip 'het
laatste' leidt tot de volgende situatie: ten eerste is er een procesmatig
ontstane zaak die volledig
uitgewikkeld is, zonder dat er ook maar iets aan ontbreekt en ten tweede is er
het absoluut ontbreken van iets hogers dat boven genoemde procesmatig ontstane
zaak uitgaat. En de betekenis van het begrip “het einde” ligt in de
negatie van het voorgaande, dus in feite de negatie van alles wat door het
wordingsproces en de evolutie is opgeleverd en logischerwijze ook de negatie
van genoemd ontbreken van iets hogers, zodat je, heel merkwaardig eigenlijk,
kunt zeggen dar er op de een of andere manier toch iets hogers is. Deze beide negaties,
namelijk van wordingsproces en evolutie, of in et kort gezegd van het
materiële, èn van het niet-bestaan van iets hogers – dat je
het niet-materiële zou kunnen noemen – heffen het bestaan van hun
tegenstellingen, waarop zij als het ware een “negatieve” reactie
zijn, niet op, maar geven aan die tegenstellingen een andere status.
Zo leidt de inhoud van “het
laatste”, dus de cluster van de
tegenstellingen materie en haar negatie, niet tot het verdwijnen
van de materie, maar tot materie die er op andere wijze is. En de
tot 'het einde' behorende cluster van de tegenstellingen niet-iets hogers en
haar negatie leidt niet tot de conclusie dat er wèl iets hogers
zou zijn en dus tot de door menigeen maar al te graag gewilde bevestiging van het bestaan van een god of van een
autonome geest, het 'spirituele' of een wereld 'aan gene zijde'. Daar leidt dit
dus niet toe, maar wel dat je kunt constateren dat het niet bestaande hogere
er op een bijzondere manier tóch is, namelijk op een materiële,
op een stoffelijke, wijze.
Dit hele getover met
begrippen op grond van het feit dat de mens de laatste verschijningsvorm in de
kosmos is vormt de filosofische ondergrond voor een aantal eigenaardigheden die
de mens vertoont en die wij wat nader moeten bekijken omdat zij essentieel zijn
voor de uitwerking van ons thema. Welnu, de negatie van het materiële is
er de oorzaak van dat de mens op de planeet verschijnt als een wezen dat
volstrekt niets kan, in die zin dat het nergens op toegerust is. Dat is dus
waar ik in het begin van dit verhaal op gewezen heb. Toch is er met dat 'niet
toegerust zijn' in zoverre iets eigenaardigs aan de hand dat al die
eigenschappen, die in de natuur op 'verdeelde wijze' voorkomen, allemaal in de mens
terug te vinden zijn. De klauwen bijvoorbeeld van de poes zijn bij die poes
specifiek en uitsluitend ingesteld op het grijpen van een prooi. Zij kan er in
feite niet of nauwelijks iets anders mee. De mens evenwel heeft eigenlijk ook wel die
klauwen, maar de specifieke grijp-functie is in zoverre tot iets algemeens
geworden zeg maar “verwaterd”, dat er ook àndere dingen
mee gedaan kunnen worden. Zo zijn er talloze voorbeelden te geven van
eigenaardigheden en functies die in de natuur “expliciet” voor komen,
gebonden aan dit of dat levende wezen, maar die bij de mens 'impliciet'
aanwezig zijn, dat wil zeggen: verzonken in een totaal van eigenaardigheden en
functies. Op grond daarvan heb ik geconcludeerd dat je bij de mens te doen hebt
met de materie op andere wijze. Het is er wel allemaal, maar je hebt er
op zichzelf niets aan, je kunt er op zichzelf niets mee….
Zo ook met dat zogenaamde hogere. Het is er beslist niet, want na
het laatste verschijnsel komt er logischerwijs niets meer. Dat is een onweerlegbare
waarheid, behalve natuurlijk voor diegene die toch maar liever aan het
fantaseren slaat! Dus: er bestaat niets hogers, maar dat niet-bestaan daarvan
is toch ook niet te denken zonder zijn eigen negatie. Het niet-bestaan van iets
hogers verandert door die onvermijdelijke negatie in een op andere wijze
toch bestaan van iets hogers. Ik heb er al iets over gezegd. Dat is
namelijk dat voor menigeen raadselachtige verschijnsel van het langzaam maar
zeker op een hoger plan komen van de mens en zijn werkelijkheid. De cultuur
ontwikkeling bijvoorbeeld is afspiegeling en resultaat van dat op andere wijze
gelden van iets hogers. Het leuke daarvan is dat het juist dit geleidelijke
overschrijden van eigen grenzen is dat vanaf het vroegste begin de mensen het
gevoel heeft gegeven dat er ècht iets boven hen is, een hemelse wereld
waarin allerlei geesten leven en wat de woonplaats is van een god of meerdere
goden.
En anderzijds heeft dit overschrijden van eigen grenzen er herhaaldelijk
toe geleid dat mensen zich losmaakten van bestaande machten en conventies en
zich als vrijheidslievende rebellen gingen gedragen, als vrijdenkers
bijvoorbeeld….
Je zult misschien zo
langzamerhand zeggen "Wat kan mij die materie op andere wijze en
dat hogere op andere wijze schelen, zeker in verband met de vraag hoe
het zit met het overleven en de rol die weten en kunnen daarin spelen? Je zou
daarin gelijk hebben als het nou niet juist zo was dat in die twee begrippen de
hele essentie van het overleven besloten lag. Ik heb er al op gewezen dat het bij de mens niets wordt als
hij op 'natuurlijke wijze' zou moeten overleven.
Hij is er niet op
toegerust en hij heeft er het instinctieve
programma niet voor. Maar hij kan wel overleven als en voorzover de materie er
voor hem op andere wijze is. Je hebt dan namelijk te doen met dat wat
wij onze kennis plegen te noemen. Uiteraard moet ik daar nog een beetje
over uitweiden, maar eerst wil ik alvast laten weten dat dat hogere dat er op
andere wijze is, bij ons bekend staat onder de term kunnen. Zo komt
het dat ik het in deze lezing heb over
een 'weten en kunnen' dat essentieel is voor het overleven.
Als eerste over het
weten, over de kennis. Volgens mijn gedachtengang is dat dus de materie op andere wijze. Teneinde dat wat grijpbaarder te maken kun je het wat mij
betreft ook hebben over 'de materie als abstractie' of 'de materie als zaak van
het intellect” of iets dergelijks.
In feite komt het er
op neer dat wij nu gaan nadenken
over de werkelijkheid als voorstelling.
Er zijn namelijk twee werkelijkheden, die beide van belang zijn
voor het leven van de mensen. uiteraard is de éne werkelijkheid die van
de concrete dingen, de voorwerpen om ons heen tot in de uitgestrektheid van het
oneindige. Met die voorwerpen hebben wij op de een of andere manier steeds
contact, althans met een deel daarvan. Zij vormen onze 'omgeving', ons 'milieu'
en zelfs ons 'biotoop'. Maar, hoewel wij onmiskenbaar met die dingen in contact
staan is het toch zo dat wij die voorwerpen niet kennen. Het 'contact
hebben met' is maar een uitwendige aangelegenheid, je hebt contact met de
buitenkant. Dat geldt ook als je niet uitsluitend denkt aan een tastbaar
contact, zoals voelen, grijpen en dergelijke, maar ook als je denkt aan een zichtbaar
contact. Steeds is het een zaak van de buitenkant, van het uitwendige. Iedereen
weet dat, al sta je daar niet voortdurend bij stil. Gelukkig is er voor ons ook
nog een àndere werkelijkheid! Die heeft betrekking op precies diezelfde
voorwerpen, nu echter niet tastbaar en zichtbaar om ons heen in de
buitenwereld, maar op abstracte wijze aanwezig in onze binnenwereld. Dat wil
zeggen: aanwezig in ons zelfbewustzijn. Die in ons zelfbewustzijn aanwezige
werkelijkheid is onze voorstelling. En dat is nu precies de
werkelijkheid waarvan wij zeggen dat wij er iets van afweten, dat wij er kennis
van hebben. Het is, in het kort gezegd, onze kennis. Datgene dat wij weten. Dus:
de werkelijkheid als voorstelling is dat wat wij weten en dat is iets dat typerend
is voor de mens, in tegenstelling tot het dier en de plant. Maar, omgekeerd is
het ook waar: datgene dat wij aan de weet zijn gekomen draagt bij aan de
vorming van onze voorstelling.
Wij zien de werkelijkheid op grond van ons weten, enerzijds, en
anderzijds is het onze voorstelling die bepalend is voor ons weten. Nu weet ik niet of jullie horen of aanvoelen waar hem de
schoen wringt.
We zitten nu namelijk
gevangen in een vicieuze cirkel, we zitten hopeloos klem. Want hoe wij ons
voorstellen dat de werkelijkheid is, zo is ook ons weten en tegelijkertijd is
het datzelfde weten dat onze voorstelling van de werkelijkheid bepaalt. Dat
leidt tot geen andere conclusie dan deze dat wij er nooit achter kunnen komen
of wij al dan niet gevangen zitten in een waan! Wat is de waarheid? Wij kunnen
wel zoveel weten en ons van alles voorstellen, maar of dat de waarheid is, en
in hoeverre we in een waan bevangen zijn, wie zal het zeggen? Ik kom daar
straks nog op terug en ik hoop dat ik dan duidelijk kan maken waar de uitweg
uit de misère gevonden kan worden. Wel wil ik alvast er op wijzen dat
dit dilemma, namelijk van het gevangen
zitten in een vicieuze cirkel, nu precies de ellende uitmaakt van onze moderne wereld,
een wereld waarin men onvoorstelbaar veel op wetenschappelijk verantwoorde
wijze aan de weet is gekomen en toch geen flauw benul heeft van de
werkelijkheid en haar ware aard…. Ook de filosofen, die geacht worden
althans enige wijsheid verworven te hebben, weten er geen raad mee. Zij vluchten
dan ook maar in het post-modernisme, waarin het er zijn van een
universele waarheid principieel ontkend wordt en waarin men elke
essentiële vraag ontwijkt, onder het diepzinnig slaken van de kreet
“ieder het zijne”. Dat wil zeggen: ieder zijn eigen onzin!
Je zou kunnen denken dat de tweede cruciale eigenaardigheid van de
mens, namelijk zijn op andere wijze het hogere zijn misschien de
mogelijkheid zal bieden om door die vicieuze cirkel heen te breken. Helaas is
dat niet het geval. Datgene dat ik nu steeds 'het hogere' noem is namelijk
precies de bron van waaruit we in staat zijn van allerlei aan de weet te komen.
Onze kennis is dus om zo te zeggen 'een kind' van dat 'hogere'. En als zodanig
is zij volstrekt erfelijk belast. Het is wel waar dat er steeds van een zekere
voortgang, een zekere ontwikkeling, gesproken kan worden en dat je op grond
daarvan kunt stellen dat onze kennis steeds betrouwbaarder wordt, maar ook de
betrouwbaarste kennis, die tegenwoordig en in de toekomst verworven wordt is en
blijft 'kind van het hogere', zoals dat zich in elke generatie op zijn wijze
gelden laat. De toenemende betrouwbaarheid van onze kennis brengt ons niet
dichter bij de waarheid, nee, tot op zekere hoogte maakt het het voor de mens
moeilijker om er achter te komen of en in hoeverre hij in een waan leeft, een
wetenschappelijk verantwoorde waan desnoods, maar toch een waan! Dat dat steeds
moeilijker wordt zit hem in de toenemende betrouwbaarheid van de kennis. Dat is
een leuke paradox! Juist door die betrouwbaarheid, met daaraan meekomend het
met voorspelbaar succes toepassen van onze kennis, wordt vrijwel alle twijfel
weggenomen. De juistheid van de wetenschappelijke kennis en de
succesvolle toepassingen daarvan versterken in de moderne mens de waan dat zijn
voorstelling van de werkelijkheid op waarheid berust. En dat is nu juist ten
onrechte! De 'juistheid' van zijn voorstelling, met daarbij behorend de
'juistheid' van zijn wetenschappelijke kennis en zijn technologie, is iets
geheel ànders dan de 'waarheid' ervan.
Wat die juistheid
betreft: voorzover de kennis 'juist' is kan zij voor toepassing in aanmerking
komen. Om dat te laten lukken moet de mens ook nog wat kunnen! Welnu, de combinatie van 'weten' en
'kunnen', namelijk 'op andere wijze materie' en 'op andere wijze het hogere',
levert de technologie op. Deze is voor de mens van essentiële betekenis,
wezenlijk niet op grond van wat ik 'economisch-pragmatische' verklaringen noem,
maar op grond van de essentie van de mens, bij wie zijn situatie dat hij de
laatste is leidt tot het onvermijdelijk en noodzakelijk verwerven van
kennis en tot het ermee aan de slag gaan. Weten en kunnen is de essentie van
zijn bestaan en dus ook van zijn overleven op de planeet. Dat betekent dus dat
er van de mens niets terechtkomt als hij niet op een 'technologische wijze' met
zijn werkelijkheid omgaat. Maar, hij kan dat niet niet doen! Waar de
mèns is, is er de technologie, het vanuit 'weten en kunnen' te lijf gaan
van de werkelijkheid.
In het moderne denken
draait het bijna altijd om 'economisch-pragmatische' verklaringen. Daarmee
bedoel ik te zeggen dat men het gedoe van de mens probeert te verklaren vanuit uitwendige
noodzakelijkheden. Zo'n verklaring gaat ongeveer als volgt: de in wezen
vijandige natuur dwingt de mens ertoe oplossingen te bedenken om niet meteen al
ten gronde te gaan. Door die van buitenaf komende bedreiging ontwikkelt de mens
technologie, want dat is voor hem de meest praktische manier om zich staande te
houden. Je ziet, er wordt iets uitwendigs als oorzaak gesteld van het fenomeen
dat de mens tot handelen overgaat. Nu ïqil ik niet beweren dat de
ongecultiveerde planeet niet bedreigend voor de mens zou zijn! Natuurlijk is
dat een onherbergzame wereld, maar waarom het gaat is dat niet iets van
buitenaf de mens tot handelen stimuleert, maar dat het zijn eigen
gesteldheid is die het technologische proces bij hem in gang zet en aan de
gang houdt. Was hij terechtgekomen in een 'paradijselijke' wereld, zoals dat
hier en daar het geval was, denk maar aan die heerlijke eilandjes in de Pacific
waarover onder anderen Margareth Mead spreekt, dan zou hij zich ook
onmiddellijk als 'weten en kunnen' hebben laten gelden. Hij heeft dat dan ook
gedaan!
Ik wil dus zeggen: de
technologie is er niet af te denken. En dat houdt ook onmiddellijk in dat de
toekomst van onze mensheid naar zijn essentie een technologische is. Indien er
voor óns, moderne mensen, te spreken is van de noodzaak van een redding
uit de nood, zal die toch uit de hoek van 'weten en kunnen' moeten komen.
Zo is het bijvoorbeeld voor een goed functionerende volwassen wereld
noodzakelijk dat er een goede communicatie tussen de mensen is. Precies zoals
het zenuwstelsel alle organen van ons lichaam met elkaar in samenhang brengt,
zodat elk orgaan met elk ànder orgaan verbonden is, zo vereist een goede
wereld een innige samenhang tussen de mensen. Hoe is zoiets echter anders te
denken dan doormiddel van de technologie? We kunnen nu wel met een aantal
denkers klagen over onze afhankelijkheid van allerlei hulpmiddelen, maar daar
schiet je niets mee op, juist ómdat de mens nu eenmaal hopeloos verloren
is als hij zijn weten en kunnen niet op volle sterkte kan inzetten.
Je hoort tegenwoordig
allerlei verhalen van goedwillende lieden die hun hoop gevestigd hebben op een
drastische vermindering van de technologie en die beweren dat daartoe vereist
is het afschaffen van het huidige technologische denken.
En niet alleen dat,
ook de afhankelijkheid van de mensen van de techniek zou volgens die denkers
verminderd moeten worden. Daarvoor in de plaats zou dan moeten komen….
ja, wat nu eigenlijk? Men spreekt dan van een 'eenvoudige' en 'meer
natuurlijke' levenswijze, maar dan vraag ik: "wat is dat?". Bedoelt
men dat we weer bij kaarslicht met een ganzeveer onze mystieke belevenissen
moeten gaan zitten opschrijven, of dat wij ons te voet, door weer en wind naar
onze verwanten of vrienden moeten begeven zodat een bezoek aan neef Karel in
Amsterdam ons een week heen en een week terug lopen kost? Nogmaals, wat bedoelt
men met 'terugdringen van de technologie' en met 'natuurlijk leven'? Zoals uit
het voorgaande hopelijk duidelijk is geworden bestaat er voor de mens
geen natuurlijk leven. En als je desondanks toch daarvan wil spreken, dan
moet je er blijk van geven te begrijpen dat de 'natuur' van de mens onder
andere inhoudt dat hij zich 'van nature' ontwikkelt op het vlak van weten en
kunnen en dat hij dat doet ongeacht de min of meer dwingende noodzaak
vanuit de omstandigheden waarin hij toevallig verkeert.
Hoewel het mij althans
nog nooit gelukt is bij de 'terug naar de natuur idealisten' een logisch
houdbaar en consistent verhaal te ontwaren, moet ik tegelijkertijd toch
erkennen dat er veel waars schuilt in de behoefte op de een of andere manier
bevrijd te worden van dat almaar doordenderende moderne wetenschappelijke en
technologische denken. De voortgang daarvan wordt terecht als uitermate
bedreigend en zelfs onmenselijk ervaren. Er is namelijk niet veel fantasie voor
nodig om te kunnen voorspellen dat de moderne mensheid steeds meer verstrikt
raakt in de doolhof van zijn eigen kennis en de toepassingen daarvan. Zoals ik
daarstraks al opmerkte heeft dat in de eerste plaats te maken met het feit dat
de mens onontkoombaar vast blijft zitten in zijn eigen voorstelling van de
werkelijkheid. Zoals hij zich die voorstelt, zo is zij, en niet alleen dat
dàt het geval is, neen, het is ook nog de waarheid. Zolang en voorzover
je echter meent de waarheid voor ogen te hebben wijs je alles wat daaraan
twijfel zou kunnen zaaien met klem van de hand. De waarheid is immers
eenduidig: er is niet naast de waarheid nog een àndere waarheid.
Desnoods wel een waarheid van iemand anders, maar niet qua essentie een
andere, een die niets met de qua voorstelling aanwezige waarheid van doen
heeft. Op grond hiervan is er geen behoefte om aan de eigen waarheid te
twijfelen. Sterker nog: het voortschrijdende wetenschappelijke onderzoek
bevèstigt almaar meer de bestaande voorstelling van de werkelijkheid.
Die waarheid wordt wel meer gedetailleerd zodat er op grond daarvan details
gewijzigd worden, maar op zichzelf wordt de voorgestelde waarheid steeds
onaantastbaarder. Maar in de tweede plaats komt daar nog bij dat die zichzelf
bevestigende voorstelling uit steeds meer almaar kleinere onderdelen gaat
bestaan. De voorstelling vergruist als het ware, hij valt gaandeweg uiteen in
steeds kleinere deeltjes die tenslotte helemaal niet meer te herkennen zijn als
oorspronkelijke
elementen van een
samengestelde werkelijkheid. Daarmee hangt onlosmakelijk samen dat je straks
helemaal niet meer weet wat die elementen zijn en waartoe zij oorspronkelijk
behoorden.
Dan raakt de mens ook
qua toepassing steeds meer de draad kwijt. Tenslotte weet hij helemaal niet
meer waarmee hij bezig is. Zo manipuleert hij bijvoorbeeld het DNA, louter en
alleen maar omdat hij ontdekt heeft dat er zoiets als DNA is en dat je daarmee
schijnbaar ongestraft kunt rommelen. Dat rommelen wordt dan als een
hoogwaardige technologie aangeprezen zonder dat er door de wetenschappers die
ermee bezig zijn redelijk nagedacht wordt over het doel ervan. Men neemt op
kinderlijke wijze zomaar aan dat het rommelen met DNA tot een beter organisme
leidt, bijvoorbeeld een mens met betere hersens! Hoe krijgen zij het verzonnen!
Als je betere hersens wilt maken moet je van tevoren weten wat betere hersens
zijn, maar als je werkelijk weet wat 'betere' hersens zijn behoef je niet te
manipuleren, want dan hèb je ze al. Je hebt ze dan immers zelf..!
Hoe dan ook de voorstelling wordt minder betwijfelbaar, hij wordt
steeds meer versnipperd en hij leidt in toenemende mate tot toepassingen die
nergens op slaan en die hoogstens te gebruiken zijn om er veel geld mee te
verdienen. Dat alles doet de mens belanden in een werkelijkheid die door en
door een levensgevaarlijke waan is. Een bedachte en uitgedachte
werkelijkheid die zo langzamerhand alle realiteit mist.
We komen nu voor een
eigenaardig probleem te staan: enerzijds moeten wij het hebben van de
wetenschap en de technologie, zodat wij genoodzaakt zijn de werkelijkheid
steeds dieper te analyseren en steeds nieuwere toepassingen te bedenken, maar
anderzijds leiden diezelfde activiteiten tot een almaar grotere vervreemding,
een steeds verder van huis raken. Als je dat goed tot je door laat dringen
slaat je de schrik om het hart! Er is geen uitweg. Bij nadere beschouwing
blijkt dat de wetenschap, sinds Descartes, Newton en anderen er een formele
basis, met eigen kriteria en normen, aan gegeven hebben volstrekt zelfbevestigend
is geworden. Het is namelijk zo dat er als gevolg van het, op zichzelf
natuurlijk onmisbare, uitvoerige objectieve controleren, verifiëren en
falsificeren een complex van 'juistheden' ontstaat dat op grond van eigen
kriteria en normen niet meer aangevochten kan worden. Was dat wèl
mogelijk, dan zou bepaalde kennis niet juist zijn, maar omdat dit
onmogelijk is gemaakt door eindeloos herhalen van proeven en dergelijke, is de
'juistheid' van bepaalde kennis onbetwijfelbaar….
totdat blijkt dat er wel degelijk twijfel bestaat! Nu valt er iets
eigenaardigs waar te nemen: die twijfel, die ondanks alle 'juistheid'
tóch de kop opsteekt komt niet voort uit het wetenschappelijk bolwerk
zèlf, maar van buitenaf..! Door verschijnselen die op zichzelf niet
wetenschappelijk zijn die althans buiten het
wetenschappelijk bolwerk vallen, wordt de zaak aan het wankelen gebracht en
tenslotte zelfs onderuit gehaald. En dat gaat door totdat er weer een nieuwe,
aan alle normen en kriteria voldoende, theorie uitgedacht is, en die weer het
predicaat van 'juistheid' gaat dragen. In de wetenschap gaat het zo door tot
het einde der tijden, want de wetenschappen kunnen niet anders dan zo tewerk
gaan. Zo behoren ze te werken.
Maar toch, er is
blijkbaar een aspect aan de menselijke werkelijkheid dat telkens de boel aan
het wankelen brengt.
Kennelijk bestrijken
de wetenschappen maar een gedeelte van de werkelijkheid en is er een terrein,
een cluster van verhoudingen, die de werkelijkheid op een volstrekt
àndere manier voor ons kenbaar maakt.
En dat moet dan een
zaak zijn die net zo logisch denkend begrepen kan worden als de
wetenschappelijke werkelijkheid, maar die zich toch absoluut niet leent voor
een wetenschappelijke benadering, en - begrijp me goed - zonder je toevlucht
tot occulte onzin te nemen. Ik kan dat nu niet uitputtend bespreken,
maar waarom het mij nu gaat is dat er een onderscheid is tussen je ervaring van
de werkelijkheid als je je afvraagt wat zij is en daartegenover als je
je afvraagt hoe zij is. Alles wat ik hiervoor gezegd heb over de menselijke voorstelling, over de
kennis en de juistheid daarvan heeft betrekking op de vraag wat de
werkelijkheid is. Het antwoord op die vraag valt uiteen in twee gedeelten,
die onderling tot elkaar in betrekking staan. Ten eerste geeft dat antwoord aan
waaruit de hele zaak bestaat en ten tweede geeft dat antwoord aan uit welke
verhoudingen het netwerk van onderlinge relaties bestaat. Dat alles kom je aan
de weet door de werkelijkheid te onderzoeken, er experimenten op los te laten
en er theorieën over te vormen. Alles tezamen gaat het dan over de
wetenschap.
Maar, er is ook te
vragen hoe de werkelijkheid is. Dan vraag je naar haar hoedanigheid,
haar karakter. In feite probeer je haar dan als een geheel te zien en vervolgens
te beschrijven hoe dat geheel er uitziet. Als je dat doet word je
geconfronteerd met iets volkomen ànders dan wat de wetenschap opgeleverd
heeft. Deze laatste immers komt met onderdelen, de betrekkingen daartussen; de
er op van toepassing zijnde wetten en dergelijke. Maar nu gaat het niet om de
onderdelen en de verbanden daartussen, maar om de gehele werkelijkheid als
één gesloten en alles omvattend systeem. En van dat systeem ga je
uitzoeken hoe het daarmee zit, wat haar aard is. Dat uit te zoeken behoort tot
de menselijke mogelijkheden. Waarom dat het geval is is niet een twee drie uit
te leggen, maar wellicht zegt het je iets als ik zeg dat de werkelijkheid als laatste
verschijnsel alles omvat - daarover had ik het al - en daardoor in staat is
letterlijk 'het geheel te overzien'. Welnu, dat geheel overziende kom je tot
een heel ander resultaat als wanneer je, wetenschappelijk, alles uit elkaar
gehaald hebt om te weten te komen waaruit de zaak bestaat. Hoewel je naar
dezelfde werkelijkheid kijkt zie je toch wat ànders! Als voorbeeld heb
je misschien iets aan het volgende: als je naar een schilderij van bijvoorbeeld
Breughel kijkt dan kun je op twee dingen letten. Ten eerste op de details.
Welke mensen komen er op voor, wat doen zij, hoe zijn zij gekleed, enzovoort.
Dat is de vraag waaruit bestaat de voorstelling. Maar ook - en eerlijk
gezegd 'beter' - kun je kijken naar het beeld dat het gehele schilderij voor je
oproept. Dan gaat het om de hoedanigheid ervan en in feite gaat het dan, en
uitsluitend dàn, over de waarheid. Weten
wat de hoedanigheid is, is weten wat de waarheid is.
Zoals je
waarschijnlijk al begrepen hebt versta ik onder de waarheid het ontdaan van
alle waanvoorstellingen begrijpen van de werkelijkheid. Als en voorzover de
mens zich eenzijdig richt op de voorstelling met alle daaraan te ontlenen
kennis blijft hij onvermijdelijk bevangen in een waan, ten eerste omdat het dan
altijd om een bepaald gedeelte van de totale werkelijkheid gaat, namelijk
uitsluitend dat gedeelte waarvan hij ervaring heeft opgedaan, en ten tweede
omdat het in feite toch een ontlede, een uit elkaar gehaalde, werkelijkheid is.
Die werkelijkheid is
niet meer authentiek. Om die twee redenen is de waan niet te vermijden en
bovendien is niet te vermijden dat een ieder er weer een andere voorstelling op
nahoudt. De waarheid is daar niet te vinden, ook al is de voorstelling van die
of gene, of desnoods van ons allemaal, nog zo juist!
Gaat het echter om de
waarheid, dan is de gehele werkelijkheid in het geding en dan gaat het om het
beeld dat je daarvan hebt. Hoe je dat beeld in jezelf moet oproepen weet ik
niet.
Dat zal voor een ieder
weer anders zijn. Maar zeker is dat iedereen het kan omdat in elk mens, zoals
gezegd, de werkelijkheid als geheel aanwezig is.
Wat ik ook met
zekerheid kan zeggen is dit dat in onze westerse cultuur dit beeld van de
werkelijkheid bijna volledig verloren is gegaan. Voor de westerse mens is alles
verwetenschappelijkt. Daarmee is het een formule, een theorie en een
verzameling van 'ditten en datten' geworden. Hoewel die westerse mens die zaak
uitgewerkt heeft tot een uiterst verfijnd gerubriceerde verzameling onderdelen,
is toch de waarheid ver te zoeken. Sterker nog: uit het voorgaande volgt dat de
westerse mens juist daardoor vrijwel geheel in een waan leeft, een
wetenschappelijke waan, maar toch…. een waan, ook al bestaat die waan uit
een grote hoeveelheid op zichzelf juiste kennis. Misschien heb je al wel door
hoe wij daarvan af kunnen komen. Als het ons namelijk gelukt om weer een helder
beeld van de werkelijkheid voor ogen te krijgen valt al die door ons inmiddels
verworven kennis zonder enig probleem op zijn plaats. Alles komt dan letterlijk
'terecht'. Dan weten we als vanzelf weer waarover het gaat. En voor een ieder
van ons is dat eenzelfde weten
omdat iedereen zich een beeld van de gehele werkelijkheid heeft verworven. Maar
let op, dat alles omvattende beeld is niet verkregen via een leerproces. Zou
dat wèl het geval zijn, dan zou het een zaak zijn van kennisoverdracht en
dan zou je weer zitten met de vraag of die kennis al of niet juist is. Het
verwerven en rubriceren van kennis is nu eenmaal een cumulatief proces. Het
gaat om zoveel mogelijk relevante informatie. Met de waarheid heeft het dan weer niets te maken..!
De waarheid is voor
een ieder dezelfde, nu dus eens niet omdat een bepaalde élite ons via
slinkse methoden gedwongen heeft een bepaalde waarheid te aanvaarden, zoals de
opvoeding, het onderwijs en de godsdiensten altijd gedaan hebben, maar omdat er
nu eenmaal één werkelijkheid is en er daarvan uiteraard door een
ieder van ons maar één beeld verkregen kan worden! Dat beeld ligt
als het ware in onszèlf besloten en de geldigheid daarvan valt helemaal
buiten onze wil en onze incidentele omstandigheden en vermogens. Je behoeft je
er alleen maar van bewust te worden en als je dat doet laat je gelden wat alle
volkeren in alle culturen altijd al aangevoeld en beseft hebben, namelijk dat
er in jezelf als individu een weten omtrent de werkelijkheid aanwezig is. Dit
is geen romantisch New-Age verhaaltje. Je kunt heel consequent en logisch
nagaan dat wij, als laatste verschijnsel, al het voorgaande inhouden en daarvan
op de een of andere manier weet moeten hebben. In het kort komt de hele zaak
hierop neer dat de beweeglijkheid van de materie op latente wijze in het
verschijnsel aanwezig blijft en op die manier een alle mogelijkheden omvattende
trilling vormt.
Die alles omvattende
trilling is eigenlijk de wèrkelijkheid zelf, maar dan op de wijze van
een trilling. Het is een beetje moeilijk in het kort duidelijk te maken hoe dat
in elkaar zit. Maar een goed voorbeeld is de grammofoonplaat. De groef op zo'n
plaat is eigenlijk de weergave van een trilling. Die trilling is bijvoorbeeld
op een beeldscherm zichtbaar te maken. Dan zie je één grillige
zigzaglijn, dat is denk ik wel bekend. Deze grillige lijn nu houdt alle
klankkleuren, toonhoogtes, intonaties, kortom een geheel muziekstuk in, en wel
op een zodanige wijze dat bij reproductie al die nuances weer te voorschijn
komen en zo het geheel van de muziek hoorbaar maken. Welnu, van die alles
omvattende trilling is te zeggen dat hij 'op trillende wijze' alles inhoudt. Zo
kun je je ook enigszins voorstellen dat de materie, die eigenlijk en wezenlijk
een systeem van trillende beweeglijkheden is, aan het einde van haar
wordingsproces in zichzelf op een dermate wijze trilt dat alle variaties, alle
mogelijkheden, alle toestanden er in opgenomen zijn. Die in ons aanwezige
trillende werkelijkheid noem ik ons bewustzijn. En dat bewustzijn levert
een beeld van de werkelijkheid op, een algemeen beeld dat laat zien hoe de werkelijkheid is.
Op zichzelf is wat ik
nu zeg niets nieuws, want ieder mens ervaart in zichzelf zoiets als een
'geweten' en ieder mens heeft een vaag - want onderontwikkeld - vermoeden van
de waarheid.
En nu is het deze zaak
die in ieder mens, uiteraard op precies dezelfde wijze, werkzaam is. Die
trilling is in ieder van ons hetzelfde, maar wel is het een feit dat wij er
niet allemaal even gevoelig voor zijn. En bovendien is er, in onze zogenaamd
zakelijke cultuur: nauwelijks aandacht voor. Maar op den duur zal dat wel weer
terugkomen. Dat ligt althans in de logica.
Zo kom je dus uit -op een
tweeledige werkelijkheid waarvan beide aspecten tegelijkertijd gelden. Ze zijn
zogezegd niet te scheiden. Het ene is het beeld van het geheel en het ander is
de voorstelling van de onderdelen en hun onderlinge relaties, het totale
complex van de kennis dus. Alleen bij het gelden en tot haar recht komen van
deze tweeledige werkelijkheid wordt het voor ons mogelijk op een zinvolle en
verantwoorde manier met ons weten en kunnen bezig te zijn. Ons weten en
kunnen wordt dan voortdurend gespiegeld aan genoemd beeld zodat het geen vraag
meer is in welke richting we ons met ons weten en kunnen moeten bewegen.
Tegenwoordig slaan wij er steeds meer een slag naar omdat aan die versnipperde
werkelijkheid niet meer te zien is hoe de samenhang zou moeten zijn. Wanneer
echter de mensen weer oog krijgen voor dat beeld dat het bewustzijn ons laat
zien kunnen zij hun technologie ècht verder ontwikkelen zonder dat dit
op rampen uitloopt zoals nu het geval is. En de waarheid, die wetenschappelijk
niet te vinden was, komt vanzelf voor de dag, enerzijds omdat zij altijd al in
de mensen sluimerend aanwezig was en anderzijds doordat zij nu concreet kan
worden. Die concrete waarheid speelt dan niet langer de rol van een min of meer
onduidelijk en gevoelsmatig 'geweten', dat gemakkelijk weggeredeneerd kan
worden met behulp van pragmatische wetenschappelijke en technologische
smoesjes, maar het is dan een onmiskenbare realiteit geworden waar je
onmogelijk nog omheen kan.
Dank voor jullie
aandacht..!
Zie óók
het hoofdwerk: Het
ontstaan van het Heelal / de kosmos t/m het slotakkoord “De Mens”
Macht ;
onder macht versta ik…(1985) (gescand
en geplaatst op 13 november 2009)
Lezing
; Overleven, een zaak van weten en
kunnen (gescand en
geplaatst op 12 november 2009)
Briefnummer 4: Het ongedierte
vreet het andere op-Iwan Karamazow
Briefnummer 5: De moderne mens en
de sport
Briefnummer 6: De vrede in deze
wereld
Briefnummer 7: Het
arbeidsevenwicht
Briefnummer 12: Rassenvraagstuk
Briefnummer 14: De brandstapel
is mij te heet
Briefnummer 15: De papieren
waarheid
Briefnummer 16: Pornografie
Briefnummer 17: Iets over de
liefde en de verveling
Briefnummer 18: De vrijheid van
spreken
Briefnummer 19: Het luchtledige
Macht ; onder
macht versta ik…(1985)
Auteur: Jan Vis, creatief filosoof
Origineel
Aangezien de filosofie er niet is voor enkele
bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit de artikelen
zonder meer toegestaan. Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld. (Jan
Vis, creatief filosoof)
Gescand en geplaatst op 13 nov. 2009 - Verslag van
1985
Terug naar: Startpagina
Naar
bladwijzers: Geluk Doorbreek
de vicieuze cirkel, de oplossing ; Zelfmoord ;
Onder
"macht" versta ik elke vorm van dwang die er op gericht is een ander
mens, of jezelf, of beiden op een zodanige manier te veranderen dat zij gaan
beantwoorden aan normen die voortkomen uit een fictieve, bedachte
werkelijkheid. Praktisch gezegd: "Ik wil dat jij bent zoals IK vind dat
jij zijn moet".
Om te
kunnen wensen dat ikzelf, of een medemens, ànders is dan hij is moet ik
in staat zijn onder de mensen onderscheidingen aan te brengen. Ik moet dus
ontdekt hebben dat er een verschil is tussen de mensen, dat de ene mens niet
gelijk is aan de àndere mens. De "individualiteit" van de
mensen moet dus voor mij een gegeven zijn, een vaststaand en niet te
betwijfelen feit. Zou ik dat niet in de gaten hebben, dan zou er voor mij niet
de behoefte ontstaan mijn medemensen te veranderen en wat betreft mijn eigen
individualiteit: ik zou het niet nodig vinden mijzelf te veranderen zodat ik
aan de door mijzelf gestelde normen ga voldoen. Het begrip "verschil"
is dus essentieel als het over macht gaat.
De
individualiteit kan zich op twee manieren laten gelden:
1) de
individualiteit van een (grote) groep mensen tegenover die van enkelingen, een
situatie die wij aantreffen bij een volk en zijn vorst of bij een volk en zijn
overheid. Vorst en overheid staan aan de éne kant, het volk aan de
andere. De maat ligt dan bij vorst en overheid, die individualiteiten zijn
zoals het behoort, voldoen aan de normen, terwijl de individualiteit van het
volk beheerst moet worden om aan de normen te voldoen. In de oudheid lag deze
zaak heel duidelijk: de vorst vertegenwoordigde de absolute, goddelijke normen
en hij legde die normen aan het volk op doormiddel van wetten. Bij het
opstellen en uitvaardigen en handhaven van die wetten beriep hij zich op zijn
verwantschap met het absoluut goddelijke. Hij vertegenwoordigde die zaak. Vaak
stelde de vorsten in de oudheid zichzelf zonder meer als goddelijk, denk aan de
pharao's van Egypte, aan de wijze Salomo en de latere Romeinse keizers. En in
ieder geval waren zij "edel", zij waren overeenkomstig de goddelijke
normen.
In de
moderne tijd treffen zij deze verhouding tussen volk en overheid of vorst nog
steeds aan. Weliswaar worden de vorsten en de adel niet meer echt serieus
genomen, maar men ziet er toch nog altijd tegenop, behandelt hen met eerbied en
vindt nog lang niet dat zij belachelijk zijn. Maar de overheden zijn nog
vrijwel onaantastbaar. Ook als men een bepaalde overheid weg jaagt haast men
zich een
nieuwe te installeren. Een baas moet er zijn. Voor deze baas is het volk een
grauwe massa, hij maakt geen onderscheid tussen de ene individuele mens en de
àndere en hij pleegt dit "rechtsgelijkheid" te noemen. Hij
wijst er dan ook met graagte op dat voor hem "iedereen gelijk is" en
dat hij geen verschil maakt tussen de éne en de àndere mens en
hij vindt zichzelf op grond daarvan reuze rechtvaardig en redelijk en
onbevooroordeeld. Dat hij dat in feite niet is blijkt uit onbeheerste
uitlatingen over het volk: het is te lui om te werken, het heeft geen eerbied
voor zijn gezag, het is niet loyaal, enz. Bovendien vaardigen overheden nog
steeds wetten uit. Dat die wetten tegenwoordig "democratisch" tot
stand komen doet niet ter zake. Het woord democratie slaat op de vorm van de procedure, maar
niet op de inhoud daarvan: de wetten worden eenzijdig door de overheid
uitgevaardigd, en zij dwingen het volk zich aan de normen te houden. Voor de
overheden zèlf gelden de wetten alleen maar voor de vorm; zij kunnen ze
altijd wijzigen of buiten werking stellen, bijvoorbeeld met het beroep op een
zogenaamde noodtoestand.
2) Tegen
het einde van de oudheid ontstond er onder de mensen het besef dat àlle
afzonderlijke mensen individualiteiten zijn. Een van de eerste resultaten van
dat besef was het Romeinse recht. In dat recht werd gepoogd de onderlinge
machtsverhoudingen tussen de individuen te regelen. De daarop volgende
juridische ontwikkeling van West-Europa is een verdere uitwerking van deze
zaak.
Het
westerse recht doet zich voor als de bewustmaking en formulering van
rechtvaardige verhoudingen tussen de individuen, maar het is in feite het
regelen van de machtsverhoudingen. Gaandeweg heeft dit regelen ook betrekking
gekregen op alle andere maatschappelijke verschijnselen: de staatsinrichting,
de politiek, de economie en de sociale instellingen. Je bent bepaald niet eenzijdig
als je stelt dat de gehele westerse geschiedenis één voortdurende
machtsstrijd is van iedereen tegen iedereen. In vrijwel alle liefdesrelaties
voeren de partners met elkaar een machtsstrijd, in de gezinnen vechten de
kinderen tegen de ouders en omgekeerd en op de scholen gebeurt hetzelfde.
Op het
werk wordt alles bepaald door de uitslag van de machtsstrijd en in de politiek
is het al niet anders, kortom, die strijd vindt plaats op alle levensterreinen.
Zelfs op een terrein waarop je het zo gauw niet zou verwachten, namelijk dat
van de wetenschap, die de pretentie heeft objectief te zijn, woedt de
machtsstrijd. Enerzijds tussen de wetenschappers en de natuur, waarbij het
streven om inzicht in de natuur te verkrijgen wordt bepaald door de wens om de
natuur "in je macht te krijgen", en anderzijds tussen de
wetenschappers onderling die het betrouwbaarheidsgehalte van hun theorieën
meer baseren op hun machtsposities dan op helder en onbevangen denken.
De sociale
uitdrukking van de machtsstrijd is de zogenaamde democratie. Ondanks alle verhalen over het
“welzijn” van het land, het “wegcijferen van eigen
belangen” en “dienstbaarheid aan de wil van het volk” is het
een keiharde strijd om de macht. Om het cynische hiervan enigszins te verbloemen
heeft men bedacht dat het veroveren van de macht, waarom het in wezen gaat,
verantwoord en wenselijk is om het "goede doel" te bereiken: een
menselijke en vrije samenleving. Vooral de socialisten passen deze mystificatie
graag toe en, het moet gezegd, vaak met succes. Het sprookje van de "macht ten
goede".
Een sprookje dat in onderwijs, gezin en godsdienst ook maar al te graag verteld
wordt.
De verhouding tussen de vorst of de overheid en het volk èn de
verhouding tussen de individuen onderling komen in de moderne westerse wereld
tegelijk voor. In de praktijk loopt een
en ander dan ook vaak door elkaar. De ouderwetse "liberalen"
voerden een machtsstrijd tegen de overheid omdat zij vonden dat de mensen niet
beheerst mochten worden. Zij beschouwden de mens als een vrij wezen. Maar
tegelijk voerden zij onderling een verbitterde strijd en zij vonden het
volkomen vanzelfsprekend dat hun medemensen voor hun individuele macht moesten
buigen en door hen uitgebuit werden. Een ieder was vrij om te creperen, maar
ook om zoveel mogelijk anderen tot slaaf te maken.
Bij de
socialisten was er ook een fel verzet tegen de overheid en tegelijk een niets
ontziend gekonkel en geintrigeer om tot macht in de partij te komen. Ook hier
vloeiden de individuele machtsstrijd (de mensen onderling) en de algemene
machtsstrijd (overheid en volk) in elkaar over. En dat is steeds het geval. En
altijd speelt het feit dat de éne mens verschilt van de àndere
mens de centrale rol. De vraag is nu waarom dit het geval is - je zou je immers
best kunnen voorstellen dat de mensen het juist fijn zouden vinden dat iedereen
anders is en boeiend om mee kennis
te maken, samen te leven en te werken. Maar nee, men gaat dat verschil wèg werken omdat men
het om de een of andere reden ongepast vindt. Eigen aard en persoonlijkheid
worden als een belemmering voor een goede samenleving gezien. Zij mogen niet
als uitgangspunten voor het leven gezien worden. Aanpassing is de eis. In dat
streven naar aanpassing zijn wij inmiddels al zozeer geslaagd dat de meeste
westerse mensen zich er niet eens meer van bewust zijn dàt zij aangepast
zijn. Zij denken oprecht dat zij uiterst persoonlijk bezig zijn als zij
met 10 millioen anderen met auto en caravan op weg zijn naar het zuiden om
"vacantie" te houden. En zij denken echt dat het hun persoonlijke
mening is als zij vinden dat je "redelijk" moet zijn en
"tolerant" en "sociaal". Kortom: zij vinden zichzelf
uitermate zelfbewust en hebben niet door dat dit "zelf" er op geraffineerde
wijze ingeprogrammeerd is. Zonder het te merken hebben zij zichzelf
ondergeschikt gemaakt aan een macht die zij zichzelf opleggen, maar die hen
wezenlijk vreemd is. Zij zijn hun eigen overheersers geworden. Maar dit
psychologische proces zou nooit plaats hebben kunnen vinden als zij niet een onderscheid maakten tussen
zichzelf als reëel verschijnsel, dat nu eenmaal is zoals het is, en
zichzelf als irreële wens of droom. Er is een verschil tussen "hoe je
zou willen zijn" en "hoe je bent". En dat eerste wordt vrijwel
uitsluitend bepaald door geraffineerd ingebrachte bedenksels. Dus door ficties.
Maar intussen zijn de moderne mensen wel heel gedwee en gehoorzaam geworden,
"brave burgers" zijn het die zich maar al te graag aan de "spelregels"
houden en die hysterisch reageren als iemand ze aan zijn laars lapt. Een
typisch symptoom van een psychische fixatie.
De
genoemde "brave burgers" voeren met zichzelf geen machtsstrijd. Omdat
zij hun zelfbeheersing niet als een van buitenaf opgelegde zaak ondergaan
bestaat over het moeten gelden van deze macht geen twijfel. Iemand die
verklaart dat hij "doet waar hij zin in heeft" wordt nog steeds als
een asociale zwakkeling beschouwd en het wordt iemand als een deugd
aangerekend als hij zichzelf in bedwang houdt. Je "laten gaan" in
emoties, zoals kwaad worden, is een teken van zwakte, vindt men. Maar, al staat
het voor de mensen vast dat zelfbeheersing noodzakelijk en wenselijk is en er
aan die macht dus niet getwijfeld wordt, ontkomen zij onder omstandigheden toch
niet aan een innerlijke onvrede, een vaag gevoel dat er iets niet klopt. Dat
kan soms uitgroeien tot onverdraaglijke conflicten, die zelfs wel tot zelfmoord kunnen leiden.
Maar doorgaans komt men niet zover dat men ophoudt zichzelf te tiranniseren,
niet in de laatste plaats omdat men bevreesd is zijn gehele omgeving tegen te
krijgen. Slechts enkelen zijn hiertegen opgewassen en zelfs zij hebben vaak
niet in de gaten dat hun conflict een machtsconflict was. Het verschil tussen
de mensen is dus steeds het punt waarom alles draait en daarbij neemt men dat
verschil niet voor lief, neen, men bedenkt er iets aan. Het verschil functioneert als
waardemeter. Een waardemeter waarmee bepaald wordt welke mens van
méér waarde is en welke van minder. Daarmee worden alle menselijke
verhoudingen afhankelijk van een waardeoordeel. Omdat die waardeoordelen van
plaats tot plaats en van tijd tot tijd verschillend zijn ontstaat er onvermijdelijk
vijandschap tussen volkeren en culturen, terwijl de mensen onderling elkaar
naar het leven staan. Hoe treurig het op zichzelf ook is, de vijandschap tussen
alle afzonderlijke mensen is nog steeds de grondsituatie van de menselijke
werkelijkheid. Zeden, moraal en recht proberen weliswaar het bloedbad
binnen de perken te houden, maar in alle zedelijke, morele en juridische
voorschriften wordt er, al of niet stilzwijgend, vanuit gegaan dat "de
mens de mens een wolf is". Niemand kan dus beweren dat hij het niet
geweten heeft. Op grond van de waardeoordelen hebben de mensen geen vrede met
elkaar en dus is er in deze wereld dan ook géén vrede. In dit
verband is het goed om eens aan de vredesbeweging te denken, zoals die overal
in de wereld de kop opsteekt. Het is verheugend dat de mensen naar vrede op
zoek zijn gegaan, maar het is tegelijk tragisch om te zien dat zij de vrede van
de ontwapening verwachten, terwijl de werkelijke oorzaak van de vijandschap
gelegen is in de waardeoordelen die zij op zichzelf en op elkaar
toepassen. Bewapening en vernietiging danken wij alleen maar hieraan. De
mensheid kan dit probleem dan ook alleen maar oplossen door als individuele
mensen bij zichzelf te rade te gaan, de talloze al of niet verborgen
waardeoordelen op te sporen, te begrijpen dat zij op een fictie berusten en ze
vervolgens te water te laten. Daarmee krijgen we vrede met elkaar, de
vijandschap verdwijnt en " de zwaarden worden omgesmeed tot
ploegijzers".
Waarop
berust nu de fictie van de waardeoordelen? Wel, hij berust op het volgende
bedenksel: “er bestaat een hogere macht waarin alle normen voor het
mens-zijn besloten liggen; de mensen zijn gebrekkige schepselen, door de natuur
bedeeld met allerlei tekortkomingen; de mensen moeten echter beantwoorden
aan de normen van die hogere macht en dus moeten zij zichzelf en elkaar
verbeteren om tot een volwaardig mens-zijn te komen. De één
begint beter dan de ànder, op grond van zijn afkomst, en aan de
één gelukt het beter dan aan de ander, op grond van zijn
aanleg”. De verschillen tussen de mensen worden dus gezien in samenhang
met de normen van de hogere macht. Hoe meer iemand aan die normen voldoet, hoe
waardevoller hij is. En dat betekent niet alleen dat hij hoger in aanzien
staat, maar ook en vooral dat hij, door zijn nauwere relatie tot het hogere,
ook meer gezag heeft. Er moet dus naar hem geluisterd worden. Hij is dichter
bij de norm, dus weet hij het beter. En omdat het gaat om een norm die voor
àlle mensen geldt is het een dwingende zaak. De hoger geplaatste gaat
dus vanzelfsprekend de lagere dwingen om aan de normen te voldoen. Hij is
daartoe gerechtigd door de hogere macht waarvan hij een vertegenwoordiger is.
Zo ontstaat er in de mensheid een heel systeem van hogere en lagere mensen.
Iedereen kent wel mensen waar hij boven staat en tegelijk kent iedereen mensen
die weer boven hen staan. Het is een wirwar van hoger en lager. En al die
mensen dwingen elkaar om ànders te zijn dan zij zijn. Zij oefenen op
elkaar macht uit.
Kernpunt
in het hele gedoe is dus de hogere macht. Doordat die er is kan het hele
systeem ontstaan en zich lange tijd handhaven. Maar, die hogere macht is een
fictie; het is een bedenksel van mensen die wel iets omtrent hun werkelijkheid
aangevoeld hebben, maar die er totaal niets van begrijpen. Er bestaat geen
hogere macht met eigen normen. Er bestaat geen enkele macht omdat er niets is
dat boven de mensen staat. Wat de mensen aangevoeld hebben en wat het
uitgangspunt is geworden voor hun machts-bedenksels, is datgene dat zij in
laatste instantie allemaal zèlf zijn. Een zaak die voor henzelf zal
blijken te gelden als zij eenmaal volwassen geworden zijn. Met andere woorden:
als tenslotte de mensheid volwassen geworden zal zijn, blijken haar eigen
mogelijkheden datgene te zijn dat zij in haar ònvolwassenheid voor iets
hogers gehouden heeft. Daarmee is de zaak bij de mensen zèlf
terechtgekomen en vervalt elke grond voor een machtsbesef. De verschillen
tussen de mensen worden dan niet meer gewaardeerd vanuit iets hogers, maar
vanuit de mensen zelf. En dan kan het verschillend-zijn van de afzonderlijke
mensen eindelijk tot zijn recht komen. Dan komen de mensen zelf tot hun recht,
iets wat niet het geval is zolang en voorzover het gaat om de waardebepaling
van de verschillen.
Maar de
mensheid is nog lang niet volwassen; de als hogere macht aangevoelde
mogelijkheden zullen nog lange tijd de verhoudingen tussen de mensen tot
machtsverhoudingen verschrompelen. En nog lange tijd zullen de bedenksels, de
ficties, de mensen in hun greep houden. Steeds zullen er deskundigen zijn die
de mensen zullen overreden hun bedenksels voor waar aan te nemen om vervolgens
hun macht aan die misleide mensen op te dringen.
Het is van
belang om te begrijpen hoe dit opdringen van macht in zijn werk gaat. Want in
feite bestaat dat hogere niet, zodat je zou kunnen zeggen dat je er dan ook
geen last van kan hebben. Toch is het de grondslag voor alle verhoudingen
tussen de mensen. Nu, dat komt door het bedenksel. Er zijn steeds mensen die op
grond van hun vermoedens een theorie over de werkelijkheid opstellen. Zo’n theorie zelf slaat uiteraard nergens op, maar in de
uitwerking ervan wordt er naar gestreefd met een zo logisch, en dus zo
aannemelijk mogelijk verhaal te komen. Dat logische verhaal is onontbeerlijk omdat
je de mensen anders niet kunt overtuigen. Als de mensen meer vertrouwen hadden
in hun eigen gevoel en hun eigen intuïtie, dàn zouden ze nauwelijks
van hun stuk te brengen zijn, maar het is nu eenmaal een kenmerk van
onvolwassen mensen om zich op het denken te verlaten, en dan ook nog bij
voorkeur het denken van anderen. Als je de mensen dus van iets wilt overtuigen,
dan moet je inspelen op hun zwakke plek, en dat is hun denken. Als je kans ziet
dat bevredigend te bespelen, heb je de mensen waar je ze hebben wil.
Terzijde
moet ik opmerken dat bovenstaande opvatting volkomen in strijd is met de
gebruikelijke. Volgens die opvatting is juist het denken het middel bij uitstek
om de onzin van de waarheid te leren onderscheiden. Maar ook dat is weer zo'n uitgekookte
mystificatie, die angstvallig in stand wordt gehouden om de mensen
gemakkelijker te kunnen misleiden. Immers, niet het denken brengt de mensen tot
de waarheid, maar het inzicht dat de mensen in de werkelijkheid hebben. Zonder
dat inzicht kan je logisch denken wat je wil, er is desnoods geen speld tussen
te krijgen, en het is toch onzin. Er zijn hele verhandelingen geschreven,
strikt logisch, over de drie-eenheid van "vader, zoon en heilige
geest" terwijl het van A tot Z onzin is. Hetzelfde is het geval met
economische en politieke verhandelingen, en zelfs met een groot deel van de
wetenschappelijke productie van de geleerden. Met een strikt logisch
betoog kan je alles recht praten wat krom is, en omgekeerd. En nooit kan je
zinvol gecorrigeerd worden, tenzij je met iemand te maken krijgt die inzicht in
de werkelijkheid heeft. Het gaat nu evenwel niet om een uiteenzetting over het
denken als zodanig; het gaat nu om het verschijnsel dat je met goede èn
logische bedenksels de mensen kan krijgen waar je ze hebben wil. Zo zegt men
gewoonlijk over de godsdiensten dat het niet-rationele gevoelsaangelegenheden
zijn, maar iedereen, die eens goed oplet, kan gemakkelijk vaststellen dat het
louter en alleen gaat om het manipuleren van het denken van de mensen. Het is
zuiver een zaak van denken.
Het op
zichzelf logische verhaal geeft een schijn van waarheid en dan vliegen de
mensen er in. Maar, tegenwoordig doet het traditionele godsdienstige
verhaal het zo goed niet meer. De schijn van waarheid moet nu opgeroepen worden
door een oosterse, meer mystieke logica. En die gaat er dan ook in als koek: de
bedenksels van de goeroes liggen goed in de markt.
Toch
moeten wij voor ogen houden dat ook de godsdiensten oorspronkelijk inspeelden
op een, op zichzelf juist,
vermoeden
van de mensen omtrent hun eigen uiteindelijke mogelijkheden. Dat inspelen op
die vermoedens is essentieel. Want toen, ongeveer aan het begin van de 19e
eeuw, de westerse mensen hun eigen denken als de maat gingen nemen, speelde
dàt in op het vermoeden dat het denken, als één van de
functies van de menselijke geest, wel eens de hoogste macht zou kunnen zijn. En
vanaf dat moment ontwikkelde zich een nieuwe waardemeter voor het verschil
tussen de mensen: de wetenschappelijke waardemeter. Het gevolg daarvan is dat
wij in het westen, en in toenemende mate over de gehele wereld, met een
wetenschappelijk normenstelsel zijn komen te zitten dat zo mogelijk nog
machtswellustiger is dan de traditionele stelsels. Hadden wij vroeger de
godsdienstige deskundigen, thans zijn die naar het tweede plan verdrongen door
de wetenschappelijke. Maar beide werken op precies dezelfde manier: het
bedenksel wordt zo aannemelijk mogelijk gemaakt en vervolgens ben je er geheel
en al aan uitgeleverd. De machtsverhoudingen worden nu door het
wetenschappelijke bepaald, het denken is het hoogste goed en de deskundigen van
god zijn vervangen door die van de wetenschap.
Het
gehele leven wordt tegenwoordig gemanipuleerd door de wetenschap. Levensproblemen
moeten wetenschappelijk opgelost worden, bevruchting moet wetenschappelijk
plaats vinden, het sterven en het geboren worden dienen op wetenschappelijk
verantwoorde wijze te geschieden; opvoeding moet je gestudeerd hebben, in de
liefde moet je deskundig zijn voorgelicht, de kunstenaars dienen
kunst-wetenschappelijk geschoold te worden, enzovoort. Gebrek aan opleiding,
scholing of vorming is voldoende aanleiding om je op een lage trap van de
machts-hiërarchie te plaatsen. Hoe meer scholing, hoe meer deskundig. En dan
valt je als vanzelfsprekend alle priester-eer te beurt: je mag de mensen
voorzien van fraaie bedenksels over het hoogste goed, de menselijke rede.
Machtig ben je dan, want je kunt de mensen precies vertellen hoe zij moeten
zijn. En samen met je kornuiten kan je de mensen dwingen zich naar jouw
bedenksel te voegen en van zichzelf te vervreemden.
Essentieel
in het machtsbegrip is het niet accepteren van de werkelijkheid: de mensen
mogen niet zijn zoals ze zijn en de natuur al evenmin. Alles moet zich voegen
naar het "hogere". En niets komt tot zijn recht. Bovendien is macht
niet mogelijk zonder enigerlei vorm van geweld, want noch de menselijke, noch
de natuurlijke werkelijkheid laten zich gewillig van hun stuk brengen. We zien
dan ook dat tegenwoordig aan de gehele werkelijkheid geweld wordt aangedaan.
De mensen zijn ziek, ontevreden en agressief, de natuur is vergiftigd,
uitgeroeid en van haar levenskracht ontdaan. Is het een wonder dat velen geen
uitkomst meer zien?
En
intussen gaan wij voort de kinderen vertrouwd te maken met het machtsdenken.
In plaats van de verschillen te ontwaarden, zodat er vrede komt in de wereld,
wakkeren wij ze in toenemende mate aan. De competitie-drift wordt zo hoog
mogelijk opgezweept in sport, spel en studie en de kinderen wordt voorgehouden
dat zij waardevolle mensen zullen worden als zij zich door hun prestaties van
de anderen onderscheiden. Om die gesteldheid in hen teweeg te brengen laten de
opvoeders en onderwijzers al hun macht gelden. En dat terwijl zij eigenlijk
alleen maar op enig gezag zouden kunnen bogen, gezag op grond van hun kennis en
ervaring als oudere. Gezag dat benut zou moeten worden om de kinderen bij
zichzelf te brengen in plaats van het te misbruiken terwille van de macht.
Ieder gezag en iedere invloed die aangewend worden om kinderen en ouderen naar
zichzelf toe te leiden is menselijk en goed, maar als zij aangewend worden om
eigen macht te vestigen zijn zij onmenselijk en misdadig. Onmenselijk omdat op
die manier aan de kinderen elk toekomstig geluk wordt onthouden, en misdadig omdat de grond
wordt gelegd voor de vijandschap onder de mensen. Als dan straks die kinderen
opgegroeid zullen zijn, zullen de ouderen voor de zoveelste keer in de
geschiedenis vragen: "hoe komen die jonge mensen toch zo ontevreden?
Waarom zijn ze zo agressief? Waarom schaffen zij de oorlog niet af..?" Dan
vergeten zij, net zoals zoveel geslachten vóór hen, dat zij zelf
het verschil tussen de mensen met loodzware waardeoordelen belast hebben, dat
ze zelf het machtsdenken hebben aangewakkerd. Als dat eenmaal ingeprogrammeerd
is laat het zich vrijwel nooit meer wegwerken. Het machtsbesef is dan zo
ingekankerd dat die jonge mensen nauwelijks méér kunnen dan de
hen onderdrukkende machten te tarten om te ondervinden wie de sterkste is. En
in enkele gevallen zullen zij de bestaande macht oprecht bestrijden, hem
misschien zelfs wel omverwerpen, maar hem nooit oplossen. Steeds weer zullen
zij er een nieuwe voor in de plaats stellen, zodat het hele programma opnieuw
kan beginnen. De machtsstelsels kunnen namelijk nooit verdwijnen als je ze
bestrijdt. Je hebt voor het bestrijden immers een nieuwe en
grotere macht nodig en daardoor is het eindresultaat onvermijdelijk macht. De
vicieuze cirkel is op deze wijze nooit te doorbreken. De enige mogelijkheid is
gelegen in het "oplossen" van de macht. En dat doe je door het kwaad
bij de wortel aan te vatten; de waardeoordelen over de verschillen tussen de
mensen. Die waardeoordelen verdwijnen als je de fictie, het bedenksel,
van de hogere macht doorprikt. Je behoeft daarvoor geen ingewikkelde
theorieën uit te denken. Het is al voldoende als je je niet meer laat
overtuigen door logische bedenksels van zogenaamde deskundigen en primair op je
eigen gevoel
en intuïtie afgaat. Bedenk wel: elke macht steunt op het
aannemelijk maken van een bedenksel.
Macht ; onder macht
versta ik…(1985) (gescand
en geplaatst op 13 november 2009) SPORT(gevoel, intuitie..?! ),
SPEL, STUDIE, VREDE
Lezing
; Overleven, een zaak van weten en
kunnen (gescand en
geplaatst op 12 november 2009)
Briefnummer 4: Het ongedierte
vreet het andere op-Iwan Karamazow
Briefnummer 5: De moderne mens en
de sport
Briefnummer 6: De vrede in deze
wereld
Briefnummer 7: Het
arbeidsevenwicht
Briefnummer 12: Rassenvraagstuk
Briefnummer 14: De brandstapel
is mij te heet
Briefnummer 15: De papieren
waarheid
Briefnummer 16: Pornografie
Briefnummer 17: Iets over de
liefde en de verveling
Briefnummer 18: De vrijheid van
spreken
Briefnummer 19: Het luchtledige
Aangezien de filosofie er niet is voor enkele
bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit de artikelen
zonder meer toegestaan. Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld. (Jan
Vis, creatief filosoof)
de gestolde neerslag van een
bepaalde fase van de ontwikkeling van het zelfbewustzijn. Er worden allerlei dingen
vastgelegd, als norm gesteld, die tijdens die fase duidelijk zijn geworden. De
neerslag van zo’n fase stolt tot cultuur.
Onder een ideologie versta ik: een overheersend cultuurdenkbeeld dat gebaseerd is op de
voorstelling hoe de werkelijkheid zou moeten zijn.
Terug naar: STARTPAGINA