Brieven aan belangstellenden-1968

Auteur: Jan Vis, creatief filosoof

 

Te plaatsen brieven: de nummers 4 , 5 , 6 , 7 , 12 , 14 , 15 , 16 , 17 , 18 , en 19.(allen geplaatst tussen 17 en 22 oktober 2009)

 

Naar bladwijzers: Met elkaar omgaan ; TEAM/TEAMGEEST ; SPORT een BROODWINNING ; Mishandeling ;

 

Naar andere artikelen: Conditionering ; Robot denken ; Op de vlucht voor je eigen denken ; De ontwikkeling van het denken ; Het gelijk en de dialoog ; Eenzaamheid en onvrijheid ; Het toenemend belang van het Atheïsme ; Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheïsme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ;  Ongewenst atheïsme- zie afl. 32 ;  Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Revolutie – (De moderne mens) ; Hoe zit het nou met god ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld ..? zie no. 27 ;  De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjari’a ; Burqa, volg bladwijzer ; Nihilisme ; De ontwikkeling van het denken ; De Vrede ; Conditionering en De ontwikkeling van de West Europese Cultuur(zie links: te erg/te veel en dubbelhartigheid  ) ; Behoort Israël tot de Westerse Cultuur- zie aflevering 60…-onderdrukking van de Palestijnen, ; Kunnen Moslims zich invoegen in de Moderne cultuur..? – aflevering no. 37, ; Terrorisme / Taliban ; Hoe zit het nou met Jahweh, God en Allah ; Een korte schets van de menselijke sexualiteit ; Het seksuele misbruik ; Het zelfbeschikkingsrecht ; Op de vlucht voor je eigen denken ; Artikelen betreffende o.a. Moslims / ISLAM ; Proces v/d Eeuw tegen alle ingezetenen van Nederland.!.?   ;  Veiligheid ; PRIVACY en VRIJHEID - zie bladw. ; Oorzaak SEXUEEL misbruik - zie bladw. ; Het HUWELIJK is een belediging voor de LIEFDE - zie bladw. ; Overspel/Huwelijkswet-zie bladw. ; Houden van...Liefde...Trouw ; De MENS als Liefde, Sexueel en Maatschappelijk-zie bladw. ; Democratie-1-zie afl.25 ; Buitenechtelijke relatie - Overspel - Liefde - zie bladwijzers ; Overspel - De sexualiteit is geen huwelijks-aangelegenheid - zie bladw. ; De ISLAM rukt op ; Lezing ; Overleven, een zaak van weten en kunnen (gescand en geplaatst op 12 november 2009) ;

 

 

 

 

Onder MACHT versta ik (gescand en geplaatst op 13 november 2009)    

 

Lezing ; Overleven, een zaak van weten en kunnen (gescand en geplaatst op 12 november 2009)

 

Briefnummer 4: Het ongedierte vreet het andere op-Iwan Karamazow-(DE MODERNE MENS)

 

Briefnummer 5: De moderne mens en de sport

 

Briefnummer 6: De vrede in deze wereld

 

Briefnummer 7: Het arbeidsevenwicht

 

Briefnummer 12: Rassenvraagstuk

 

Briefnummer 14: De brandstapel is mij te heet

 

Briefnummer 15: De papieren waarheid

 

Briefnummer 16: Pornografie

 

Briefnummer 17: Iets over de liefde en de verveling

 

+ TOEVOEGINGEN:

De structuur van de mens(1975) en klik aldaar onder bladwijzers op HOMOSEKSUALITEIT

Een korte schets van de menselijke seksualiteit –Wat is SEKSUALITEIT nu eigenlijk..?- zie o.a. bladwijzers: prikkeling, homoseksualiteit en Wat is SEKSUALITEIT nu eigenlijk..? (1985/’86),

Beweging en Verschijnsel – deel 2  - zie bladwijzers HOMOSEKSUALITEIT - (‘88/’89)-DEEL 2

LIEFDE IS géén RELATIE – KLIK OP NR.32 – (1999)

HOMOSEKSUALITEIT/ER IS MAAR ÉÉN LEVEN/GRONDSTRUCTUUR bij elk LEVEN is hetzelfde(1977)..!

DE VROUW EN DE MAN – DEEL 1 en 2 - Klik op bladwijzer PRIKKELING / HOMOSEXUALITEIT(1968/’70)

Briefnummer 18: De vrijheid van spreken

 

Briefnummer 19: Het luchtledige

 

CENTRUM VOOR FILOSOFIE - ROTTERDAM (1968)

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit de artikelen zonder meer toegestaan. Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld. (Jan Vis, creatief filosoof)

 

Terug naar: STARTPAGINA

 

BRIEF No. 4 , september 1968

 

Naar bladwijzers: 2 minuten stilte  ;  vrijheid  ;  Kiesstelsel  ;  STEMMEN zie nrs. 4(kiesstelsel) -  15 - 18 en 19(kiesstelsel)

 

HET ENE ONGEDIERTE VREET HET ANDERE OP - Iwan Karamazow

 

De West-Europese cultuur levert de volwassen MODERNE MENS op; zèlf behoort West-Europa tot de JEUGD van deze volwassen mo­derne mens. Dat wil zeggen: hij komt in West-Europa tot ont­wikkeling - dat is de specifiek West-Europese cultuur. Naar­mate hij echter meer VOLWASSEN wordt, die MODERNE MENS, is hij minder SPECIFIEK West-Europees. Hij kan dan OVERAL van­daan komen: uit de Verenigde Staten, uit Rusland, uit Nige­ria, uit Japan, enzovoort. Maar waar hij ook vandaan komt, altijd heeft hij zijn verworvenheden direct of indirect te danken aan West-Europa. De MODERNE MENS heeft zijn JEUGD doorgebracht in West-Europa. De West-Europese CULTUUR begint bij de VOLWASSEN mens uit de OUDHEID en hij eindigt bij de VOLWASSEN MODERNE MENS; het gedoe van deze laatste is weer een zaak apart, die wij als volgt kunnen benoemen: “de mens verovert de wereld”. Deze verovering is niet meer in de eerste plaats een MILITAIRE - dat is al zo vaak geprobeerd en altijd weer mislukt, omdat MACHT altijd op een CULTUUR, d.w.z. een àndere cultuur, te pletter loopt. De militaire veroverings­zucht is bijvoorbeeld altijd in het OOSTEN op niets uitgelo­pen; dat was al bij ALEXANDER DE GROTE zo (zie bladwijzers Alexander de Grote uit De filosofie van de geschiedenis) en het is nu weer zo bij de AMERIKANEN in VIETNAM. Tussen het OOSTEN en het WESTEN is een groot CULTUREEL verschil en daarom valt de on­mogelijkheid van wederzijdse verovering direct op. Minder op­vallend echter is het als de culturele verschillen kleiner zijn: de DUITSE OVERHEERSING van West-Europa tijdens de twee­de wereldoorlog was al bij voorbaat tot mislukken gedoemd omdat er een cultureel verschil is tussen Duitsland en de rest van europa. Het is een niet OPVALLEND, maar wèl essen­tieel verschil. En dit verschil is er de oorzaak van dat de zaak in MOEST storten, OOK ZONDER DE HULP VAN AMERIKA. Dit laatste zeg ik er maar even bij, omdat er nog altijd mensen zijn die menen dat wij onze VRIJHEID aan de Amerikanen te dan­ken hebben.

Al is het een feit dat het grootste aandeel in de strijd door Amerika geleverd is, dan nòg blijft gelden dat wij het zèlf ook gered hadden omdat het nu eenmaal de onmoge­lijke zaak was die het was.

Maar goed, hierover gaat het nu niet; het gaat er nu om dat de MODERNE MENS de wereld ver­overt, en dat dit geen MILITAIRE verovering is, maar een CULTURELE. De door het westen uit gewikkelde CULTUUR heeft een zodanige gesteldheid dat zij zich van de gehele wereld meester maakt. Het is dan niet - let wel - West-Europa dat de wereld verovert, maar het is de MODERNE MENS, die het doet. Deze moderne mens is de wetenschappelijke mens en het is de mens van het RECHT; het is de mens die de wereld BE­WOONBAAR maakt voor ALLE mensen. Hij weet hoe je het land moet bewerken, hoe je ziekten terug moet dringen, hoe je een staatsapparaat moet organiseren. Kortom: hij weet ALLES en hij laat dan ook ALLES gelden. Hij stelt ORDE op de zaken.

De MODERNE MENS (zie ook: SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN ) is de mens voor wie het TOTAAL geldt; hij heeft zich gerealiseerd als de werkelijkheid waarin elk ONDERDEEL gekènd is en èrkend is. Op grond van het feit, dat het over ALLES gaat, gaat het over de gehele wereld, inclusief het tot nu toe onbenaderbare OOSTEN. De gehele wereld behoort tot het TOTAAL, en dus behoort de GEHELE WE­RELD aan de MODERNE MENS. Aangezien deze MODERNE MENS voort­gekomen is uit WEST-EUROPA, lijkt het er wel eens op, en dat zéker in het BEGIN, dat het veroveren van de wereld een West-Europese aangelegenheid is, maar niets is minder waar. De te­genwoordige ontwikkelingen wijzen daar dan ook duidelijk op: elke specifiek westerse zaak wordt er vroeg of laat uitge­gooid. Maar die zaak zèlf blijft in stand: de fabrieken blij­ven draaien, de universiteiten blijven geopend, de ziekenhui­zen worden verbeterd, enzovoort. Met andere woorden: de MO­DERNE MENS zet zich door, maar de westerling vliegt eruit. Voor het geval U het niet begrepen hebt: die moderne mens is iemand uit het land zèlf, of iemand uit een ander en verder gevorderd land, die echter NIET ZIJN EIGEN LAND vertegenwoor­digt. Hij vertegenwoordigt de MODERNE CULTUUR.

Zoals gezegd geldt voor de volwassen moderne mens het begrip HET TOTAAL. Dit feit heeft velerlei gevolgen; nu is echter voor ons van belang dat in het totaal ELK ELEMENT MEETELT als een aparte en zelfstandige eenheid, die zijn eigen func­tie heeft in het grote apparaat, dat de samenleving voor de moderne mens is. Die FUNCTIE staat in het teken van de OPTEL­LING, want het TOTAAL wordt door OPTELLING van de EENHEDEN verkregen. Dat dit zo is blijkt bijvoorbeeld uit het KIES­STELSEL waarbij het alleen maar om het optellen van stemmen, dus van EENHEDEN gaat. Wie het grootste totaal heeft is de man voor een bepaalde functie. Ook blijkt het bij de toepas­sing van bepaalde RECHTEN: men moet ervoor IN DE TERMEN VAL­LEN, d.w.z. het TOTAAL van de voorwaarden waaraan men moet voldoen moet een zekere waarde hebben. Onder of boven deze waarde geldt het betreffende recht niet. In alles is het to­taal van de factoren de maat. De STAATSVORM, die hierop aan­sluit, is natuurlijk die van de DEMOCRATIE, want in de demo­cratie telt IEDEREEN mee en hij doet dat bijwijze van STEM, en die STEMMEN worden geteld; Het AANTAL, het totaal, is de maat. Bij de moderne mens staat ook de VRIJHEID hoog aange­schreven. De vorige keer wees ik er al op, dat die vrijheid een FUNCTIE is, en dus geen wèrkelijke vrijheid genoemd kan worden. Niettemin is dat functionele begrip VRIJHEID van het allergrootste belang voor de moderne mens; zonder die vrij­heid kan hij zich namelijk niet als ZELFSTANDIGE en APARTE EENHEID laten gelden. Zonder die vrijheid is hij ONZELFSTAN­DIG en GEBONDEN.

Deze MODERNE MENS wordt door West-Europa opgeleverd en hij waaiert uit over de gehele wereld. Hij is de VOORWAARDE voor een wèrkelijk MENSELIJKE WERELD. Zèlf schept hij die wereld niet: hij realiseert alleen maar de VOORWAARDE. Hij reali­seert HET TOTAAL, en dat is VOORWAARDE voor HET GEHEEL. Het is duidelijk dat de MODERNE MENS, naarmate hij meer zijn eigen VOLWASSENHEID nadert, tevens HET GEHEEL nadert. Dit laat zich gelden in hem en komt voor de dag als COMMUNISME, d.w.z. de idee MET ZIJN ALLEN te zijn. De mens voor wie dit laatste geldt, is de WERKELIJK VOLWASSEN MENS en daar gaat het natuurlijk op de lange duur naar toe.

Indachtig het bovenstaande kunnen wij in de huidige wereld een drietal situaties onderscheiden: ten eerste is daar het OUDE EUROPA, dat de JEUGD van de MODERNE MENS vertegenwoor­digt. Hier wordt het begrip HET TOTAAL wáárgemaakt. Ten tweede onderscheiden wij de landen in OPKOMST; dat betreft in grote lijnen de continenten AFRIKA en LATIJNS-AMERIKA. De remmende werking van de oude westerse cultuur is hier niet aanwezig, zodat wij enerzijds een snelle groei naar het MODERNE zien en anderzijds tevens een opkomen van het COM­MUNISME. Dit laatste komt dus onmiddellijk mee aan het feit, dat die mensen zich niet bezig houden met de JEUGDFASE maar met de VOLWASSENHEID van het onder de mensen geldende begrip HET TOTAAL. Het COMMUNISME is dus een meekomende zaak, een soort IDEAAL: daar moet het uiteindelijk naar toe.

De derde situatie is geheel anders; was het bij de eerste twee nog zo, dat alles draaide om HET TOTAAL, bij de derde is het totaal voorlopig van geen belang, zelfs uit den boze. Het uitgangspunt is hier HET GEHEEL. Deze situatie treffen wij aan in het OOSTEN en daartoe reken ik nu ook RUSLAND, hoewel het Russische volk een speciaal geval is.

Als het uitgangspunt HET GEHEEL is, kan er in principe van geen ONTWIKKELING sprake zijn. De afzonderlijke elementen immers, waaruit dat geheel opgebouwd is, komen niet tot gel­ding. Van daaruit kan het TOTAAL niet waargemaakt worden, zodat ook de MODERNE MENS niet ontstaat.

Hiervan is CHINA een duidelijk voorbeeld: de CHINESE CULTUUR houdt het alleen maar op het GEHEEL en sluit elke nuance IN dat geheel uit. Die CULTUUR is dan ook duizenden jaren blijven LIGGEN, zonder een noemenswaardige ONTWIKKELING.

De Russische CULTUUR is in zoverre ànders, dat zij niet in de EENZIJDIGHEID van ALLEEN MAAR HET GEHEEL opgaat; de Russische cultuur erkent de MODERNE MENS als inhoud van het geheel, dus als VOORWAARDE voor het geheel. Daarom kon het dan ook gebeu­ren dat het in Rusland tot een REVOLUTIE kwam. Toen brak de MODERNE MENS met geweld door in Rusland. Natuurlijk was deze moderne Russische mens om te beginnen eigenlijk meer een wes­ters mens, maar de ONTKENNING van het westers-zijn lag er toch meteen al duidelijk in. Deze ONTKENNING heeft dus twee aspecten: ten eerste wordt de westerse mens ontkend omdat hij niet van HET GEHEEL uitgaat, dus omdat hij NIET-COMMUNISTISCH is, en ten tweede wordt hij ontkend omdat het niet om de wes­terse, maar om de MODERNE MENS gaat. Deze vijandigheid van de Rus ten opzichte van het westen heeft een tweeslachtig karak­ter: enerzijds is er de bovengenoemde AFWIJZING en anderzijds is er een volledig accepteren van de westerse mens. Dit vindt zijn grond in het feit, dat de MODERNE MENS natuurlijk om te beginnen de WESTERSE MENS is. Deze beiden lopen door elkaar, en dat is zelfs thans nog in sterke mate het geval. Dit blijkt duidelijk uit het huidige optreden van de Rus in Tsjecho-Slowakije: hij is doodsbang voor WESTERSE invloeden in dat land, terwijl hij tevens de MODERNE invloeden en ontwikkelin­gen accepteert. De hele gang van zaken is TWEESLACHTIG; er wordt met geweld opgetreden dat geen geweld is en het bleek betrekkelijk gemakkelijk om de Russische soldaat te demora­liseren. Dat is voor een soldaat een merkwaardig verschijnsel: het behoort tot de meest opvallende eigenschappen van een soldaat om niet naar gepraat te luisteren, doch over te gaan tot SCHIETEN ..... ! De Russische soldaat van onze tijd blijkt echter gevoelig voor argumenten - dan moeten die argumenten hem iets zèggen. En dat gaat natuurlijk niet alleen maar over het feit dat je een ànder land niet binnen màg vallen; aan dàt argument heeft een soldaat zich nog nooit gestoord en dat zal wel nooit gebeuren ook. Nee, de Rus is ontvanke­lijk voor het MODERNE en hij vreest (terecht) het WESTERSE.

En dan is de moeilijkheid dat beide om te beginnen en nog steeds uit DEZELFDE HOEK komen.

Voor de Chinees ligt de zaak iets anders: hij wil NOCH het westen, NOCH het MODERNE. De ontwikkeling zet zich in hem door ONDANKS HEMZELF. Te stuiten is die ontwikkeling niet omdat de MODERNE CULTUUR voor ELKE mens, waar ook ter wereld, geldt. Maar de Chinese CULTUUR verzet zich er tegen zolang als het gaat.

Zoals gezegd is de MODERNE MENS om te beginnen de WESTERSE MENS. Voorzover deze MODERNE mens derhalve tot nu toe door­gedrongen is in de wereld, is hij behalve MODERN ook nog in sterke mate WESTERS. Dat geldt dus ook voor de MODERNE RUS en voor de MODERNE CHINEES. Zij willen dat wel niet, maar er is niet aan te ontkomen; het MODERNE is nog niet VOLWAS­SEN en dus is het nog ONZELFSTANDIG ten opzichte van datge­ne dat het voortgebracht heeft, namelijk West-Europa. Het is er nog van AFHANKELIJK. Dat geeft anderzijds het westen weer de gelegenheid zich als WESTERSE zaak in te dringen. Langs allerlei sluikwegen heeft dit plaats want openlijk kan het niet meer. De GEHEIME DIENSTEN met op de eerste plaats de Amerikaanse CIA spelen hierbij een belangrijke rol. Het is duidelijk dat deze rol een MISDADIGE is want het is de bedoe­ling de rest van de wereld onder WESTERS GEZAG te krijgen en te houden. Dat betekent natuurlijk een principiële ONTKENNING van het RECHT VAN BESTAAN van de rest van de wereld en het ONTKKENNEN van HET ANDERE is MISDAAD. Aan deze misdaad maakt de rest van de wereld zich ook schuldig, als zij de kans krijgt, maar zij ligt in het NADEEL ten opzichte van het WES­TEN, omdat deze misdadigheid SPECIFIEK WESTERS is en dus geheel en al bij het westen behoort. Het westerse aspect is echter voor de rest van de wereld een MEEKOMENDE aangelegenheid omdat het eigenlijk om het MODERNE gaat. Dank zij dit feit zet het intrigeren van de geheime diensten van de rest van de wereld veel minder zoden aan de dijk. Maar het is natuurlijk net zo goed MISDADIG.

"Het éne ongedierte vreet het andere op", heb ik boven deze brief gezet. De MODERNE MENS, voorzover hij nog ONVOLWASSEN is en dus nog WESTERS is, is een stuk ONGEDIERTE. Hij is na­melijk HET TOTAAL, maar die zaak is nog niet àf, en dus is er altijd een TEKORT. De moderne westerse mens wil ALLES heb­ben en hij wil ALLES onder zijn controle hebben; dat hij daar­bij de mond vol heeft van kreten als DE RECHTEN VAN DE MENS, doet aan de zaak niets af. Dat hij die kreten kàn slaken komt voort uit het feit dat hij uitloopt in wèrkelijk de MODERNE MENS, maar vooralsnog is hij in feite toch nog een WESTERLING. Hij is dus een ALLES OPVRETEND ONGEDIERTE. Alweer geldt dit­zelfde ook voor de niet-westerse moderne mens, al is het bij hem een MEEKOMENDE aangelegenheid. Zo staan daar dan de wes­terse en de niet-westerse mens tegenover elkaar en beiden ge­dragen zich POLITIEK als ROOFDIEREN. Dit komt het sterkst voor de dag tussen AMERIKA en RUSLAND, maar ook CHINA weet er ge­ducht raad mee. LATIJNS-AMERIKA is nog te ver ACHTER om volop mee op roof te gaan; het is mogelijk dat het WESTERSE ASPECT daar in bescheiden mate op zal treden zodat zich t.z.t. ineens de MODERNE MENS doorzet. Hetzelfde geldt voor AFRIKA, uitgezon­derd het "beschaafde " ZUID-AFRIKA. Dat deze mogelijkheid er is, moge blijken uit het feit, dan Latijns-amerika en Afrika een sterk COMMUNISTISCHE inslag hebben, terwijl toch dat communisme geheel ànders is dan het oude communisme, zoals wij dat van RUSLAND kennen. In veel opzichten is het er zelfs VIJANDIG aan. Denkt U bijvoorbeeld aan CUBA. En denkt U aan het gedonder in Tsjecho-Slowakije. In dat land is een nieuw communisme opgeko­men, een communisme dat VRIJHEID erkent en RECHT en ook DEMO­CRATIE. Dat is het communisme - in principe - van de MODERNE MENS; hierbij is de AFZONDERLIJKE MENS erkend. Hij is ZELF­STANDIG en vormt mèt de andere mensen de INHOUD van het ge­heel. En de ontwikkeling MOET deze weg volgen, omdat een ge­heel zònder GELDENDE INHOUD geen GEHEEL is. Het kan dus niet anders: ook het Russische communisme zal de aanwezigheid van de AFZONDERLIJKE MENS mòeten erkennen. Nu kàn de Rus dit ei­genlijk ook wel, op grond van zijn AANLEG. Wat hem in wezen dwars zit is zijn haat tegen het WESTERSE, maar ondanks die haat is zijn GEDRAG, zeker waar het de POLITIEK betreft, zuiver WESTERS, d.w.z. hij bewandelt precies dezelfde wegen en streeft dezelfde belangen na. Zijn REVOLUTIE was ook WESTERS al ging het eigenlijk om het MODERNE.

Wij kunnen de zaak in het kort aldus stellen: alles wat in de huidige wereld tot AANZIEN komt is de ONVOLWASSEN MODERNE MENS - en dan moet de klemtoon nog steeds op ònvolwassen lig­gen. En dit houdt AFHANKELIJKHEID in, en tevens IMPERIALISME en NOOIT GENOEG HEBBEN. Kortom: dit is het ROOFDIER.

Om nog even op Tsjecho-Slowakije terug te komen: opvallend is dat HET VOLK, dus de GEWONE mensen, een grote EENHEID vormen. Het volk wil het moderne communisme en het legt die wil aan zijn leiders op. Dat is een ongewone gang van zaken: nèrgens, ook niet bij ons, gebeurt dat.

Wij hebben het er wel over en prijzen dan onze DEMOCRATIE, maar wij DOEN het niet. En ook in de communistische landen gebeurt het niet.

Er is dus voor òns geen enkele aanleiding de Tsjechen te prijzen om hun democratische gezindheid als zouden zij onze GEESTVERWANTEN zijn. Want dat zijn zij niet; hun "democratie" is een stap verder dan onze vastgelopen en schijnheilige de­mocratie. Wij zouden ons er helemaal niet in thuis voelen.

In 1940 hebben wij ons toch ook niet als één man tegen de DUITSERS verzet! Wij kunnen geen EENHEID zijn omdat wij WES­TERLINGEN zijn. Ons medeleven met de Tsjechen is derhalve SCHIJNHEILIG en het grootste RAPALJE zijn de hoogst-geplaat­sten in onze wereld. Met hun TWEE MINUTEN STILTE…! Natuurlijk is de RUS helemaal FOUT en zijn vrindjes stinken evenzo, niet omdat zij POLITIEKE FIGUREN trachten uit te schakelen (dat is immers allemaal ONGEDIERTE), maar omdat zij met hun vervloekte TANKS aan GEWONE MENSEN hun CULTUUR trachten te ontnemen. Zij gedragen zich als WESTERLINGEN, als ROME en als AMERIKA en als die fijne BOEREN in ZUID-AFRIKA. Dàt is hun SCHANDE. En dat is tevens ONZE SCHANDE…!

 

STEMMEN zie nrs. 4(kiesstelsel) -  15 - 18 en 19(kiesstelsel)

 

++++++++++

 

Enkele mededelingen:

Dinsdag 3 september a.s. begint het nieuwe seizoen. Dan ga ik weer wekelijkse stencils maken. Als onderwerp voor de ko­mende serie voordrachten heb ik gekozen: "De vrouwen de Man". Het gaat dan over de werkelijkheid als DE GEWONE MENS.

 

Zoals gewoonlijk: dinsdagsavonds van 8 tot 9 uur.

Enkele mensen hebben geld gestuurd om de porto-kosten van deze brieven te dekken. Daarvoor natuurlijk mijn hartelijke dank! Het bewijst dat sommige mensen vinden dat het geld goed besteed wordt. Dat vind ik zèlf ook…

Tenslotte nog dit: U màg over deze brieven correspondentie voeren.

Hartelijke groeten, Jan Vis

 

Briefnummer 4: Het ongedierte vreet het andere op-Iwan Karamazow

 

Briefnummer 5: De moderne mens en de sport

 

Briefnummer 6: De vrede in deze wereld

 

Briefnummer 7: Het arbeidsevenwicht

 

Briefnummer 12: Rassenvraagstuk

 

Briefnummer 14: De brandstapel is mij te heet

 

Briefnummer 15: De papieren waarheid

 

Briefnummer 16: Pornografie

 

Briefnummer 17: Iets over de liefde en de verveling

 

Briefnummer 18: De vrijheid van spreken

 

Briefnummer 19: Het luchtledige

 

 

 

 

 Terug naar: STARTPAGINA

 

 

 

CENTRUM VOOR FILOSOFIE - ROTTERDAM (1968)

 

Terug naar: STARTPAGINA

 

Naar bladwijzers: TEAM/TEAMGEEST ; SPORT een BROODWINNING..? ;

 

 

BRIEF No. 5, oktober 1968

 

DE MODERNE MENS EN DE SPORT

 

Binnenkort beginnen de Olympische spelen weer; dan kan de hele wereld weer ademloos toezien hoe haar goden vechten om de gou­den plakken, om de eer van hun land en ook kan de wereld zien hoe naarstig er gezwoegd wordt om de verbroedering tot stand te brengen, waarop iedereen al zo lang zit te wachten.

De kranten zullen nu niet voor de helft gewijd zijn aan de gelukkigste aller muzen, de SPORT, maar zij zullen er helemaal door in beslag worden genomen; in interviews voor de televisie zullen goddank alleen nog maar sportmensen verschijnen. Einde­lijk niet meer die saaie politiek, weg met BIAFRA en weg met VIETNAM, geen filmbeelden meer van de voor hun vrijheid vech­tende MEXICAANSE STUDENTEN, maar filmbeelden van de OLYMPUS ­die overigens vandaag óók in Mexico ligt.

Misschien dat BIAFRA alleen nog in de advertentie-kolommen van de krant voorkomt, zo in de geest van: "TER OVERNAME AANGEBODEN: 40.000.00 uitgehongerde kinderen, licht beschadigd, uitstekend geschikt om Uw lieve hond te vervangen. Grijp Uw kans nu het nog kan en bel het CIA secretariaat in Uw woonplaats."

Het kan ook dat er een kleine overlijdens-advertentie in de krant staat, betreffende een paar Tsjechen die dachten dat het leven bij hèn ook een SPELLETJE was…

Maar het meest waarschijnlijk zijn advertenties als de volgen­de: "Voetbalschoenen ter overname gevraagd om ons volkseer te verdedigen, daar wij geen subsidie kregen - Kobus Hersenloos". En weet U wat ook zo mooi is: het zijn allemaal AMATEURS. Die laten het niet door de VAKMAN doen, neen, die doen het zèlf, die mensen hèbben wat in hun vrije tijd. Iets CREATIEFS dat de mogelijkheid geeft ZICH TE UITEN. Dat zijn de ware DOE HET ZELVERS! Die mensen hebben gezegd: voor je boterham kan je al­tijd nog gaan sporten. Wij doen het zuiver als ONTSPANNING.

U voelt wel dat die mensen natuurlijk nooit tegen de VAKMAN op kunnen, maar dat geeft immers niets! 


Het gaat om de NOBELE GE­DACHTE en ook gaat het om het BELANGELOZE, zoals trouwens met èlke HOBBY het geval is en met alle mogelijke andere CREATIEVE bezigheden.

Je kunt immers niet altijd VOOR JE BROOD WERKEN, je kunt het ook wel eens GEWOON ZOMAAR doen omdat je het FIJN vindt. En als je het dan GEWOON ERG GOED doet dan mag je met wat  geluk ­naar de OLYMPISCHE SPELEN. Dan huilen je ouders en je broers en je zusters en je hele familie, en je sportvrienden zijn vre­selijk JALOERS en proberen je zwart te maken, maar ondanks dat vindt iedereen het toch eigenlijk prachtig. En dat is het ook: de heilige Olympische grond te mógen betreden omdat je uitver­koren bent de goden te dienen, de GODEN van de MODERNE MENS.

De goden die gespeend zijn van èlke INTELLIGENTIE en die jou op je nederige schouders getikt hebben omdat jij, KWAL, wezen­loos genoeg bent om naar hun pijpen te dansen.

De GOD van de MODERNE MENS is de SPORT; niet alleen dat de sport als een zelfstandige bezigheid naast de andere bezigheden van de mens geplaatst wordt, hij wordt er ook BOVEN verheven en dat geldt voor het gehele terrein van de sport, of het nu ama­teur- of beroepssport is. Het is voor de mensen geen ONTSPAN­NING en het is voor de mensen geen beleven van de WEDSTRIJD, maar het is voor de mensen een LEVENSFUNCTIE, die belangrijker is dan welke andere FUNCTIE ook. Het behoort tegenwoordig tot de zeldzaamheden een mens aan te treffen die geen belangstel­ling heeft voor de sport en een mens die er geen waarde aan hecht is al helemaal een unicum. Zo'n mens wordt door iedereen voor gek en conservatief versleten. Hij telt eigenlijk niet mee want zijn STATUS is niet veel. Het behoort tot de STATUS van een MODERN mens om naar het voetballen in de "eredivisie" te gaan kijken, om de uitslagen 's maandags op kantoor te be­spreken en om vrij-af te nemen voor een belangrijke wedstrijd. Het werk wordt stilgelegd als er voetballen op de televisie is en om die zaak op de televisie te krijgen worden kosten noch moeiten gespaard. Voor elke vorm van behoorlijke voor­lichting ontbreekt het aan geld, maar voor de sport worden zelfs SATELIETEN het heelal ingeschoten om iedereen getuige te kunnen laten zijn van dit belangrijke gebeuren.

Mexico is een ARM land, zoals alle Zuid- en Midden-Amerikaanse landen, maar de miljoenen voor een Olympische stad kunnen er af. Terwille van de glorie van het land en van de sport. Voor de meeste mensen is er nauwelijks te eten en zij leven in krot­ten. Voor de verbetering van het onderwijs zouden de Mexicanen best een paar miljoen kunnen gebruiken. Maar het geld is er niet en àls er wat losgepeuterd kan worden, dan gaat het naar een sportstadion voor de "spelen".

ZIJN WIJ ZO LANGZAMERHAND IMBECIEL GEWORDEN?

Frankrijk heeft er laatst ook zo'n drukte van gemaakt. U heeft de gigantische bouwwerken op de televisie kunnen zien. De GAULLE probeerde met de EER te gaan strijken; die spelen moes­ten de geschiedenis ingaan als ZIJN Olympische spelen. Alsof je aan een partijtje hardlopen wat bent! De hele Franse econo­mie lag op sterven, in de universiteiten was het een bende, een volslagen achtergebleven gebied, maar de spelen… die moesten grootser dan ooit!

WAAR HOUDT DE MENS ZICH MEE BEZIG?

Tegenwoordig is sporten een BEROEP. Het wordt gerekend tot het WERK en je kunt er je brood mee verdienen. Als je je vak goed verstaat worden er TONNEN uitgegeven om je te kopen; je wordt verzorgd en getraind als een renpaard en 's zondags komen de mensen bij duizenden naar je kijken. Je moet voldoen aan hun verwachtingen en een goed stuk werk afleveren. Tienduizenden mensen zien vol kinderlijke verwachting op naar de heren van de televisie die de uitslagen bekend zullen maken. Dan weten zij of ze de pot gewonnen hebben en àls dat zo isdan ben je ineens RIJK. Behoef je nooit meer te werken!

De gemeenten leggen sportvelden aan omdat iedereen vindt dat de mensen daar recht op hebben: ze moeten zich uit kunnen le­ven. Het spreekt vanzelf dat de hele zaak gesubsidieerd wordt. Want hier hebben wij daar wel geld voor… tenslotte zijn wij niet arm. En een dure voetballer kunnen wij gemakkelijk betalen, dus waarom niet?

De sport werkt VERHEFFEND, vinden de mensen; het kweekt team­geest, saamhorigheidsgevoel en discipline. Het leert de mens om eigen verlies te accepteren en de overwinnaar royaal te erkennen. Het bevordert de volksgezondheid en de veerkracht van een volk. En het geeft de mensen ONTSPANNING zodat zij niet eenzijdig ten onder gaan in en aan het gedruis van de maatschappij. Allemaal positieve FUNCTIES van de sport. Die zaak moet natuurlijk kunnen functioneren en daarvoor moeten de mogelijkheden geschapen worden. Dat moet geregeld worden zodat iedereen uit de voeten kan en niemand iets tekort komt.

 


De mensen moeten de "gelegenheid" hebben zich uit te kunnen leven, wordt er dan gewoonlijk gezegd. Maar bij dit alles wordt één ding vergeten: voorzover er bij de mens een zaak naar voren komt die wij ONTSPANNING of  SPORT of SPEL kunnen noemen, is dit iets dat bij de mens PERSOONLIJK behoort. Het is een PRIVE-kwestie, een INDIVIDUELE gesteldheid van de één of andere BEPAALDE mens.

Die individuele zaak kan het karakter van GEMEENSCHAPPELIJKHEID hebben, zodat er meer mensen bij betrokken zijn, maar ook dan is het uit­gangspunt de INDIVIDU. Deze kan zich INSTELLEN op de anderen om met hen samen te werken en hij kan zich instellen op de an­deren om met hen te WEDSTRIJDEN. In het eerste geval ontstaat er dan uit de bundeling van de individuen een TEAM en in het tweede geval blijft het ook in feite individueel.

Een TEAM is en blijft in àlle gevallen een SAMENBUNDELING; het kenmerk van een samenbundeling is het feit, dat de aanwezigheid van OP ZICHZELF STAANDE ELEMENTEN voorwaarde is. Ook hier­bij is het dus eigenlijk de INDIVIDU waarom alles draait.

De SPORT e.d. is een aan de mens meekomende zaak, die aan de mens meekomt VOORZOVER HIJ INDIVIDU is. Dit staat in lijn­rechte tegenstelling tot het begrip ARBEID, want de arbeid komt aan de mens mee VOORZOVER HIJ HET GEHEEL is. Deze laatste gedachte is weliswaar zo langzamerhand voor iedereen VREEMD ge­worden, maar dat doet aan de juistheid ervan niets af. Het werk immers komt DE GEHELE WERELD ten goede, ook al menen de mensen dat zij het voor zichzelf doen. Om namelijk hun brood te verdienen. Aan het feit, dat de ARBEID voortkomt uit de mens als HET GEHEEL, komt mee, dat de arbeid eigenlijk NAAM­LOOS is: niemand vraagt ernaar wie een bepaald ding gemaakt heeft - als het geen kunstvoorwerp is. En ook telt in het ar­beidsproces de PERSOONLIJKHEID niet mee. Het is een ALGEMENE zaak. Maar voor de SPORT geldt dit niet: de sport is een PER­SOONLIJKE zaak. Iemand maakt voor ZICHZELF uit of hij zin heeft in hardlopen, of boksen, of voetballen of wat dan ook. Dan gaat hij dat doen als hij daar zin in heeft en, indien no­dig, zoekt hij er anderen bij, die er ook zin in hebben. Een ieder zoekt het zèlf maar uit. Dit ligt dan ook in het KARAK­TER van de sport, en van de ONTSPANNING in het algemeen, be­sloten: het is een LICHAMELIJKE aangelegenheid, die dus aan DIT of DAT lichaam BEPAALD is. Dit is in geen enkel opzicht een diskwalificatie want de mens is LICHAAM; het IN STAND HOUDEN daarvan en ook het ONTSPANNEN daarvan is een volkomen normale en redelijke zaak.

 


Maar ten enen male NIET REDELIJK is het als de mensen deze PERSOONLIJKE zaak verheffen tot een AL­GEMENE en daarvoor dan ook bepaalde EISEN stellen. Als zou het gaan om iets van werkelijk gewicht. Een PERSOONLIJKE zaak heeft ten opzichte van iets ALGEMEENS nooit enig gewicht. Belangrijk is dat de wereld LEEFBAAR wordt en dus is het belangrijk dat er GEWERKT wordt - dit is te zeggen àls we van belang willen spreken. Eigenlijk is er in de werkelijkheid geen BELANG aan te wijzen. Maar dat is een andere zaak.

Het ligt in het karakter van de MODERNE MENS de sport tot iets algemeens te verheffen. Dat komt mee aan het wezen van het MO­DERNE: de mens , zichzelf kennend als het TOTAAL van de werke­lijkheid. Het totaal van alle factoren, die bijwijze van FUNC­TIE gelden. Die factoren gelden als waren het RADEREN van een MACHINE; de éne grijpt in de àndere en zo bouwen ze allemaal mee aan een FUNCTIONERENDE MACHINE. Dit is geen functionerend GEHEEL, want een machine is géén ORGANISME. Een organisme be­staat ook wel uit allerlei onderdelen, maar die onderdelen zijn VOOR ZICHZELF niet aanwezig. Zij zijn er alleen voorzover het GEHELE ORGANISME er is en zij gedragen zich ALS dat gehele organisme. Deze zaak is voor de MODERNE MENS nauwelijks te be­grijpen; voor hem zijn er alleen maar FACTOREN en de FUNCTIES daarvan. Hij begrijpt dan ook niet dat iemand TEGEN de sport kan zijn en hij vindt het volkomen NORMAAL en zelfs PRIJZENS­WAARD dat er steeds meer belangstelling voor de sport ontstaat. Hij wil dan zelfs graag van VERBROEDERING spreken en van OPVOE­DENDE WAARDEN en daarbij heeft hij niet in de gaten dat die verbroedering alleen maar BUNDELING is en dat de opvoedende waarde géén andere inhoud heeft dan deze: de mensen te leren zich als een FUNCTIE te gaan gedragen.

Daarom spreekt hij ook graag van DISCIPLINE en ZELFBEHEERSING.

Het riekt zelfs een beetje GERMAANS, vindt U niet? Samenhangend met het bovenstaande is er nóg een aspect te ver­melden: het WEDSTRIJDELEMENT. Om een wedstrijd te kunnen hou­den moet er een TEGENSTANDER zijn en een tegenstander is een GELIJKE. Het is iemand, die ook iets kan, en nu gaat het er om deze vermogens te vergelijken. De gedachte van DE GELIJKE is natuurlijk MODERN; het is bovendien een JUISTE gedachte, maar NIET JUIST is de VERHOUDING die de MODERNE MENS tùssen de GELIJKEN beseft.

 

De moderne mens namelijk beseft de gelijke als een APARTE ZAAK, die helemaal BUITEN hem staat en waarmee hij zich hoogstens kan METEN.


Vandaar dat het alleen maar om SECONDEN en delen van seconden gaat; het gaat om DOELPUNTEN en àndere MEETBAARHEDEN. Om de STRIJD zèlf gaat het niet, van belang is alleen HET VERSCHIL tussen de vermogens van de één en die van de ànder. Dat dit verschil alleen IN DE STRIJD te bepalen is, is een MEEKOMENDE kwestie. Het is daarom heel nor­maal die strijd zèlf zo gemakkelijk mogelijk te maken. Het mag vreemd klinken, maar de OVERDREVEN TRAINING is hiervan het gevolg en ook het feit, dat eigenlijk iedereen het gebruik van DOPINGS normaal vindt. Dat men het afkeurt is immers niet vanuit sportieve overwegingen, maar vanuit MEDISCHE overwe­gingen. Het is slecht voor de GEZONDHEID. Het wordt niet ver­antwoord geacht om terwille van één seconde het lichaam schade toe te brengen. Maar het wezen van de zaak blijft toch dezelfde: het gaat om het VERSCHIL in vermogens en niet om de strijd.

Dat alles komt voort uit het besef met een GELIJKE te doen te hebben, die in alle gelijkheid toch VREEMD is. Alleen in dit geval kan de nadruk op het VERSCHIL vallen en niet op de strijd. De tegenstanders zijn voor elkaar APARTHEDEN. En apartheden kunnen nu eenmaal niet met elkaar STRIJDEN; zij kunnen alleen maar OVERWINNEN en dus ook VERLIEZEN.

Geheel ànders ligt de zaak als de tegenstanders elkaar beschou­wen als TEGENPOLEN van een EENHEID; alles lijkt dan op het bo­venomschreven geval - omdat alle elementen er ook in voorkomen­-MAAR HET IS HET JUIST NIET. Het gaat om de STRIJD, want hierin uit zich de EENHEID van de tegenstanders, en de OVERWINNING is een noodzakelijk GEVOLG van de strijd, evenals de NEDERLAAG.

Wie er overwint is eigenlijk niet in de eerste plaats van be­lang want het VERSCHIL tussen de twee polen van de EENHEID is nooit van belang. Het gaat om het BEWEEGLIJK-ZIJN van die twee polen TEN OPZICHTE VAN ELKAAR. Uiteraard zijn ook deze twee polen GELIJKEN, maar niet omdat zij DEZELFDE WAARDE heb­ben, maar omdat zij polen van de EENHEID zijn.

Homerus geeft hiervan een goed voorbeeld in zijn ILIAS als daar wedstrijden gehouden worden ter ere van de gesneuvelde held PATROKLUS. Zachtzinnig zijn deze wedstrijden niet, maar daar gaat het niet om; het gaat er om dat de tegenstanders zich EEN weten. De EER van de verslagene is tevens de EER van de win­naar en andersom. Een lafaard vecht niet tegen een held, maar een held wel.

 

Te verliezen van een LEEUW is groter eer dan te  winnen van een HAAS.


Homerus tekent ons deze sfeer prachtig - ik raad U aan hiervan nota te nemen.

Mogelijk zal het U dan ook opvallen dat er aan deze gevechten geen TRAINING voorondersteld is; ieder legt op tafel wat hij NORMAAL kan. Ik geef toe dat het bij de vrinden van Homerus geen geringe vermogens zijn en ik geef ook toe dat de heren nogal vaak aan het vechten waren, zodat zij eigenlijk geen training nodig hadden, maar dat neemt allemaal niet weg, dat de training zoals wij die kennen hen niet alleen qua TECHNIEK, maar in de eerste plaats qua GESTELDHEID volkomen vreemd was. Het is een geheel andere wereld die elke VERDWAZING mist en die ook niet tot ALGEMEENHEID verheven wordt.

Dit alles heeft niets met de latere Griekse OLYMPISCHE SPELEN te maken. Die spelen waren net zo wezenloos als de onze, de verdwazing steeg daar ook al spoedig ten top: de overwinnaars werden als goden vereerd. Dat waren plotseling belangrijke figuren geworden! Alsof een sportprestatie, menselijk gespro­ken, van enige betekenis is. Die vermeende betekenis ontleent de mens aan het VERSCHIL: dat verschil, hoe onnozel ook, on­derscheidt de éne mens van de andere; het maakt hem waarde­voller of waardelozer. Maar het gaat wezenlijk NERGENS om.

Zo is deze zaak, die eigenlijk al in Griekenland begonnen is, via allerlei tussenstations in ònze wereld tot volle wasdom gekomen. De kranten hebben hele sport-edities, de televisie weet al helemaal niet van ophouden en verveelt ons dag-in dag-uit met de botte conversatie van sportlui van wie het oordeel over allerlei zaken zo langzamerhand maatgevend is geworden. De mensen zeuren om hun sportvelden en om subsi­diesen ga zo maar door.

Maar ik zeg U: als je zin hebt in roeien, zeilen, zwemmen, in voetballen of pistoolschieten, in worstelen of in het altijd­ weer vermakelijke “bonken op ribben”, ga gerust je gang! Zoek je tegenstanders en kameraden en vooral: ZOEK HET ZELF MAAR UIT. Val de andere mensen, en dus de GEMEENSCHAP, niet lastig met je flauwekul – want dat is het ALTIJD, vergeleken bij de gemeenschap. Het is immers een zuiver PARTICULIER gedoe! En bovendien DEUGT HET NIET om de gemeenschap ermee te vervelen, want het zijn KINDERACHTIGHEDEN en die zijn nog altijd de mens ONWAARDIG. Als je het dan ook nog zo bont maakt om in de sport een BROODWINNING te zien, dan zijn we met recht “in de aap gelogeerd”. Dat is de kinderachtigheid ten top ! Want verdienen kan je alleen maar aan ARBEID, welke arbeid dit ook is. Aan WERK komt BROOD mee en verder nergens aan. Elke ver­dere verdienste is DIEFSTAL – behalve als het gaat over het inkomen van een VROUW, maar daarover gaat het nu niet. Elke verdienste die niet voortkomt uit ARBEID is diefstal, en dat geldt ook voor de sport. Sport is GEEN ARBEID, hoe moe je er desnoods ook van wordt – van televisie kijken word je trouwens ook bekaf. Arbeid komt ten goede aan het GEHEEL, het is een ALGEMEENHEID.

Verdienen aan de sport is een GEMEENHEID, het is, menselijk gesproken, MISDADIG.

 

++++++++++

Behalve een dankwoord voor diverse bijdragen in de porto­kosten, heb ik verder niets te zeggen, dus:

Vriendelijke groeten,

Jan Vis.

Briefnummer 4: Het ongedierte vreet het andere op-Iwan Karamazow

 

Briefnummer 5: De moderne mens en de sport

 

Briefnummer 6: De vrede in deze wereld

 

Briefnummer 7: Het arbeidsevenwicht

 

Briefnummer 12: Rassenvraagstuk

 

Briefnummer 14: De brandstapel is mij te heet

 

Briefnummer 15: De papieren waarheid

 

Briefnummer 16: Pornografie

 

Briefnummer 17: Iets over de liefde en de verveling

 

Briefnummer 18: De vrijheid van spreken

 

Briefnummer 19: Het luchtledige

 

 

 

 

CENTRUM VOOR FILOSOFIE – ROTTERDAM (1968 )

 

Terug naar: STARTPAGINA

 

BRIEF No. 6, november 1966

 

DE VREDE IN DEZE WERELD

 

Johnson heeft de bombardementen op Noord-Vietnam stop laten zetten; hij heeft eerst maandenlang elke avond tot god gebe­den dat er maar schot mocht komen in de Parijse vredesonderhan­delingen, en toen dat niet hielp heeft hij de zaak maar in eigen hand genomen en zijn cowboys bevolen het vernietigen van een ander land in dit speciale geval voortaan achterwege te laten. Want die goeie Johnson wil met alle geweld - letter­lijk en figuurlijk - vrede hebben in de wereld. Die vrede is hem zoveel waard dat hij desnoods het bijna onverdraaglijke feit accepteert dat er mensen op deze wereld leven die er wat betreft de maatschappij en de moraal heel àndere opvat­tingen op na houden dan de Amerikaanse. Dank zij Johnson's moedige besluit is er nu althans een mogelijkheid geschapen tot de VREDE te komen, want één van de partijen heeft zich gemoedelijk getoond, heeft blijk gegeven van "goede wil" en is opgehouden met uitroeien van weerloze burgers. Nu is het wachten op de andere partij om ook vervuld van verheven ge­voelens van broederschap en naastenliefde op te krabbelen uit de rokende puinhopen van zijn verwoest land en de vete aan de conferentie-tafel bij te leggen. Maar helaas is deze andere partij niet zo heel erg DANKBAAR van aanleg; van te­vredenheid over het feit dat hij voortaan niet meer met NAPALM (dat overigens óók in NEDERLAND gemaakt wordt, uiter­aard buiten medeweten van LUNS) en met scheepsgeschut en met raketten bestookt wordt is niet veel te merken: hij gaat godbetert nog door met het stellen van eisen ook! Hij wil notabene dat de Amerikanen, die zich toch al zo goedmoedig betoond hebben en die tenslotte toch de BESCHAVING vertegen­woordigen de ándere helft van zijn land verlaten, zodat hij zelf op zijn eigen manier zijn zaken kan regelen.

En dat laat­ste komt er dan op neer dat hij iedereen VERPLICHT te werken tegen een karig loon, zonder enige INSPRAAK in de gang van zaken, en dus ook zonder DEMOCRATIE, kortom: ZONDER ENIGE VRIJHEID.


En dan gaat hij daarna eens kijken of hij nog meer volken zo gek kan krijgen hetzelfde te doen, desnoods met zijn hulp. Totdat hij tenslotte aan de grenzen van EUROPA staat en machtiger is geworden dan de verdedigers van de beschaving: de Amerikaanse COWBOYS. Dat is toch al te gek!

De PAUS heeft zijn dierbare zoon Johnson geprezen. Hij vond dat deze man een grote daad had verricht. Dat heeft hij goed gezien, die paus, want als een van zijn voorgangers eertijds HITLER heeft geprezen omdat hij ná Tsjecho-Slowakije van ver­dere AGRESSIE àf zou zien, is het toch zeker geboden Johnson een pluim op zijn hoed te zetten nu hij een beetje inbindt, terwijl hij, Johnson, zelfs nog voor een rechtvaardige zaak streed, hetgeen van Hitler niet zonder meer te zeggen viel.

De AGRESSIE van de Amerikanen is een door en door RECHTVAAR­DIGE AGRESSIE, want het is het verzet tegen het SPOOK van het communisme. Zoals indertijd het verzet van ROME tegen de KET­TERS en tegen de HEKSEN ook rechtvaardig was. Het zou derhalve REDELIJK geweest zijn half europa uit te roeienmaar ook de ROOMSE KERK heeft blijk gegeven van vergevingsgezindheid en het maar gelaten bij EEN TIENDE van de Europese bevolking!

Zo staan nu de Amerikanen volkomen in hun recht, strijders als zij zijn voor VRIJHEID en WELVAART, maar ook zij willen het niet al te veel op de spits drijven en zien ervan àf het gehele oosten met NAPALM (ook die uit de NEDERLANDSE FABRIEKEN) uit te roeien.

Overigens zijn niet alleen de COMMUNISTEN ondankbare sujetten, maar ook in de SCHOOT VAN DE HEILIGE BESCHAVING, in het westen zèlf, bevinden zich KETTERSE ELEMENTEN. Daar zijn zelfs mensen die willen beweren dat de heer Johnson een vuige bijbedoeling heeft met zijn gemoedelijkheid. Zij zeggen dat hij het gedaan heeft om de VERKIEZINGEN een bepaalde richting uit te sturen! Hoe kunnen de mensen toch zó slecht van elkaar denken. Mensen die zoiets durven denken zijn net zo verdorven als die mensen die beweren dat de HEILIGE VADER ooit BIJBEDOELINGEN gehad heeft met zijn EVANGELISCHE LEER. Zo zijn er mensen die staan­de houden dat de ROOMSE KERK de halve wereld UITGEPLUNDERD heeft, en dat AMERIKA tegenwoordig hetzelfde doet, ja zelfs min of meer in samenwerking met de PAUS. Zó ver is de KETTERSE BOOSHEID al gegaan in onze wereld!

 


Gelukkig hebben wij juist dezer dagen de heer NIXON tot presi­dent van de Verenigde Staten gekozen; die zal de zaken wel wat strenger aanpakken, hoewel ook hij natuurlijk de menselijk­heid niet uit het oog zal verliezen. In alle menselijke strengheid zal hij het negerprobleem aanvatten, o.a. door de verbetering van de levensomstandigheden van de neger over te laten aan PARTICULIER INITIATIEF, terwijl hij de uitvoering van dit programma zaI beveiligen door de POLITIE drastisch te versterken en te trainen in het neerslaan van ONLUSTEN. Zodat straks de ongeregeldheden ook tot het verleden behoren en een ieder zich volgens de SPELREGELS gedraagt.

De communisten dringen op, vooral in het oosten; zij doen dat in alle stilte buiten elke plechtige CONVENTIE om en zonder zich te storen aan NATIONALITEITEN. Zij overschrijden lands­grenzen en opereren in àndere landen alsof het hun eigen land was; zij ondermijnen WETTIGE REGERINGEN zonder acht te slaan op die wettigheid en zij plegen zomaar gewelddaden tegen de BESCHAAFDE inwoners van die landen. Zij houden zich helemaal niet aan de SPELREGELS, die toch de vrucht zijn van een eeuwenlange ontwikkeling van de beschaving. In Latijns Amerika zien wij hetzelfde gebeuren: avonturiers als een QUEVARA gaan rustig in een ander land lopen schieten zonder daarvoor orde­lijk toestemming te vragen. Dat zou nog te begrijpen zijn als het in die landen zo moeilijk was om toestemming tot schie­ten te krijgen… maar je krijgt daar zó een vergunning; je behoeft je alleen maar in te laten schrijven als lid van de CIA. Dan word je er nog voor betaald ook! Maar nee, stiekum de mensen gaan ophitsen en in het geniep moorden plegen op bestuurders en notabelen, dus juist mensen die zo begaan zijn met het lot van de mensheid en die er hun beroep van gemaakt hebben in de samenleving RECHT EN ORDE te vestigen. De NEGERS in de Verenigde Staten willen óók al gaan schieten, maar men­sen, waar blijven we dan toch? We kunnen het toch ook UITPRA­TEN. Beschaafd het woord vragen aan MENEER DE VOORZITTER. En het is toch niet NODIG om iemand te beledigen? Of om Robert Kennedy neer te schieten? Die man had juist het beste met de wereld voor!

De BESCHAAFDE mens houdt zich aan de spelregels, nooit zal hij daarvan afwijken.

Hij praat alles uit, hij streeft met hart en ziel naar de WERELDVREDE en hij is er op uit alle proble­men naar ieders tevredenheid op te lossen.

 


Hij is bereid tot GEVEN EN NEMEN, die beschaafde mens, en het gebruik van geweld BETREURT hij, ook als het WETTIG GEWELD is. Het is een fijne meneer, die beschaafde mens… als we er tenminste zijn VOLLEDIGE ONBETROUBAARHEID àfrekenen. Want immers : als je alle onderlinge betrekkingen tussen de mensen denkt te kun­nen regelen met behulp van SPELREGELS, dan moet je toch wel goed doordrongen zijn van het feit dat eigenlijk de betrek­king tussen de éne en de àndere mens de MOORD en de DOODSLAG is. En als je je die betrekking aldus bewust bent, dan ken je jezelf alleen maar als ROOFDIER en nog erger. Niet dat je dan van jezelf WEET dat je je als een roofdier gedraagt, want als je dàt van jezelf wist hield je er meteen mee op, maar je WETEN omtrent jezelf is een weten omtrent een zaak die als HET ROOFDIER te kwalificeren is. De mens stelt zijn weten omtrent zichzelf altijd INTELLECTUEEL, en dus vindt hij zichzelf intellectueel in orde, maar als we die zaak die dan intellectueel in orde heet te zijn op de keper beschou­wen blijkt het onveranderlijk een en al VERRAAD, LEUGEN, OPLICHTERIJ, ONVERDRAAGZAAMHEID en ZELFZUCHT te zijn. De be­schaafde mens zit netjes aan de conferentietafel en vraagt keurig het woord aan "meneer de voorzitter", hij verschilt keurig van mening met zijn tegenstanders en hij weerlegt keu­rig netjes èlke tegen hem ingebrachte beschuldiging. In feite is hij dan ook niet te beschuldigen, want hij houdt zich vol­ledig aan het spel en dus is er van daaruit niets tegen hem in te brengen. Dacht U dat een Johnson illegaal aan zijn geld gekomen was? Welnee, hij heeft dat volledig volgens de spel­regels BIJ ELKAAR GESTOLEN - dit laatste echter weten en zeg­gen alleen de ONBESCHAAFDE MENSEN, de anderen vinden hem een TALENT, een BRILJANT man, enzovoort. Dus: intellectueel, d.w.z. voor het THANS geldende denken, is de zaak volkomen in orde; de SPELREGELS zijn in acht genomen. Het is alleen maar MENSE­LIJK niet in orde, maar MENSELIJKHEID IS GEEN NORM.

Als de beschaafde mens over zichzelf denkt is het volkomen in orde wat hij doet, maar IN FEITE deugt er niets van. In feite is hij zichzelf niets anders dan een roofdier dat samen met de andere roofdieren spelregels opgesteld heeft, juist om zich nog zoveel mogelijk te kùnnen laten gelden. En aangezien het spelregels van een roofdier zijn, zijn die spelregels eigenlijk al bij voorbaat ONTKEND; gedaan wordt namelijk wat NIET in de spelregels vermeld staat, en WAT DUS MAG.


Bijvoorbeeld: een land mag zich niet bemoeicn met de aangele­genheden van een ànder land. Best, maar je mag ze wel een handje HELPEN, als zij daar zèlf om vragen. Dus moet je zorgen dat ze je om HULP vragen en dan kan je de zaak tòch naar eigen genoegen regelen. Zo heeft de U.S.A. zijn zaakjes in de Domini­caanse Republiek geregeld, en in Zuid Vietnam, en zo heeft Rusland het gedaan in Hongarije - alleen laatst in Tsjecho-Slowakije is de zaak wat uit de hand gelopen, maar nu hebben de Russen toch zo langzamerhand het lek boven. Wie heeft zich nu niet aan de spelregels gehouden? En als er een conferentie over komt, of er worden vragen gesteld in de kamer, dan zeg je gewoon dat wat in overeenstemming met de regels is en èlke onbeschaafde beschuldiging van een beginneling in de politiek wijs je verontwaardigd van de hand. Zo doe je dat. Vrijheid van meningsuiting is in het westen gegarandeerd, wel, dan arresteer je demonstranten omdat ze de orde verstoren! Heel gewoon en volkomen correct.

Het spreekt vanzelf dat mensen die zich zó gedragen NAAR VREDE STREVEN. Het INTELLECT staat TEGENOVER het geweld; het zet zich door AAN DE ANDERE ZIJDE van het geweld en omdat er niets tegen het intellect opgewassen is, is het effectiever dan wàt ook. Maar dat intellect is toch nog steeds dat van het ROOFDIER, dus nu vraag ik U: WAT ZET ZICH DOOR? Natuurlijk het roofdier. Dus is de VREDE, die het intellect voorstaat geen vrede, maar LETTERLIJK WAPENSTILSTAND en deze wapen­stilstand is het meest gunstige klimaat voor dat roofdier.

In dat klimaat kan hij het beste uit de voeten; kan hij in­trigeren, liegen, verdraaien, uitplunderen, enzovoort. Omdat het allemaal zo verduiveld ABSTRACT is en daardoor geen HARTS­TOCHTEN wakker schudt. We zien het nu in Tsjecho-Slowakije: al pratende veroveren de Russen het terrein, zij REDENEREN de tegenstanders gewoon weg, en ziet… de hartstochtelijke reactie van de verdrukten blijft uit. Het gaat nu allemaal vanzelf. Daarom willen de machthebbers VREDE; ze willen geen GEWELD, want VECHTEN IS HARTSTOCHT en deze hartstocht kan het intellect op de achtergrond dringen, zonder het overigens te OVERWINNEN, want het laat zich niet overwinnen. We zien dan ook, dat het na verloop van tijd weer naar boven komt en dan is de zaak verloren.

 


De gehele beschaafde wereld is BANG voor het geweld; als de BLACK-POWER beweging in Amerika aankondigt met wapens te gaan vechten, is vrijwel iedereen ertegen, zelfs de mensen die het met de negers volkomen eens zijn. Toch - hoe wreed het ook klinkt - is het GEWELD de enige methode die tot verlichting leidt, gesteld dat de toestand onhoudbaar is geworden. En het gefemel over VREDE en GEWELDLOOSHEID wordt alleen maar ingegeven door het INTELLECT. Het is daarom zwak, onbetrouw­baar, verraderlijk en vals. En dat geldt voor IEDEREEN, die in deze wereld LANGS DE WEG VAN DIE WERELD streeft naar VREDE, of het nu MARTIN LUTHER KING, ROBERT KENNEDY, OE THANT of een of andere verdwaasde PACIFIST is.

De beschaafde vrede is een WAPENSTILSTAND, het is het afzien van het gebruik van wapens, zodat ook de LAFAARD zich door kan zetten met zijn geraffineerd intellect. Want MOED en VOR­STELIJKHEID is voor het intellect niet vereist, dat bewijzen de Amerikaanse presidents-verkiezingen overduidelijk. En nu maar huichelen over het "sparen van mensenlevens", want dat is een van de redenen om vrede te sluiten. Maar ik zeg U: EEN BEHOORLIJK MENS SPAART GEEN MENSENLEVENS WANT HIJ STELT GEEN ENKEL MENSENLEVEN IN DE WAAGSCHAAL. Een behoorlijk mens behoeft niet GEMOEDELIJK te zijn als Johnson en de vrede te BEVELEN, een behoorlijk mens is nog nooit in OORLOG geweest. Zo liggen de kaarten, heren vredestichters!

Het INTELLECT is het meest MODERNE WAPEN, gevaarlijker en vernietigender dan de zwaarste atoombom en recht evenredig met de KRACHT van dit wapen is de dosis LAFHEID die van de gebruiker ervan verlangd wordt. De GESCHIEDENIS van het wapen laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Aanvankelijk ging het gebruik van een wapen gepaard met MOED en dus ook met KARAKTER. Want het wapen was een RECHTSTREEKS verlengstuk van - in het kort - de menselijke ARM. De AFSTAND tot de te­genstander werd ONMIDDELLIJK overbrugd; het aldus ontstane onmiddellijke CONTACT vereiste MOED en KARAKTER. Het gevecht tussen de éne en de àndere mens was een ROYALE aangelegenheid, waarbij beide tegenstanders EERVOL, d.w.z. ZONDER KLEINHEID, waren. Zij kònden ook moeilijk ànders zijn, over het algemeen gesproken, omdat zij nog niet door het INTELLECT verburgerlijkt waren.


 

Intellect was hier nog niet doorgedrongen, de HARTS­TOCHT gold alleen. Later echter komt het VUURWAPEN, en nu ko­men de kaarten gans ànders te liggen, want het RECHTSTREEKSE CONTACT met de tegenstander is nu àfgelopen. Je gaat maar achter een bosje liggen en je legt de grootste en dapperste kerel zonder enige moeite om. Met MOED heeft dit niets te ma­ken en met KARAKTER al evenmin; het is een EERLOZE en dus KLEINE zaak. Het behoeft ons dan ook niet te verbazen dat het VUURWAPEN met de opkomst van het BURGERDOM eerst goed in ge­bruik kwam. Het vuurwapen heeft iets ABSTRACTS, zij het op "natuurlijke wijze": het overbrugt een AFSTAND zonder dat je er zèlf, persoonlijk, bij betrokken bent. En verder dringt het in principe in àlles door; het kan dus ook vrijwel àlles aan.

Het vuurwapen ligt ongeveer aan het BEGIN van de westerse be­schaving, en deze beschaving is, om verschillende redenen, een "burgerlijke" beschaving. De ontwikkeling van de burgerlijk­heid en van het vuurwapen gaan dan ook prachtig samen. Overi­gens betekent dit niet, dat het vuurwapen zèlf een miezerige aangelegenheid is, maar daarover gaat het nu niet; het gaat nu over het gebruik ervan.

Het vuurwapen heeft dus al een duidelijk ABSTRACTE kant aan zich. Naarmate dit wapen zich verder ontwikkelde is dit aspect duidelijker uit de verf gekomen - denk maar aan de atoombom. Tenslotte komt er voor de MODERNE CULTUUR noodzakelijk het mo­ment, dat de ABSTRACTIE ZELF als wapen gekozen wordt. Dan is er het volmaakte WAPEN en de mens bedient dit volkomen INTEL­LECTUEEL. Karakter is niet meer nodig en moed is niet meer nodig, alleen het INTELLECT doet het werk. Maar dit kan alleen BUITEN HARTSTOCHT OM; het intellect heeft ORDE nodig en geen GEVOELENS. Dus moet er GEEN OORLOG zijn, geen verhitte gemoe­deren en geen gescheld. De SPELREGELS moeten in acht genomen worden. Dat is ONZE VREDE! Sinds de vrede uitbrak na de tweede wereldoorlog is de macht van de groten dezer wereld meer toe­genomen dan ten gevolge van enige oorlog. Het middel is de VREDE. Het UITPLUNDEREN van twee-derde van de wereld gebeurt efficiënter dan ooit, en het middel is de VREDE. Er is de mensen méér zand in de ogen gestrooid dan ooit, en alweer is het middel: DE VREDE. Gaat U zelf maar verder met dit lijstje.

 

Wil dit alles nu zeggen dat wij de vlag moeten uitsteken voor oorlog en geweld?


Is de mensheid dan beter terecht als zij zich de godganse dag met vechten bezig houdt?

Neen, natuurlijk niet. Laten de heren maar proberen hun fraaie vrede te handhaven, dan verbranden er tenminste geen vrouwen en kinderen. Waar het hier om gaat is U duidelijk te maken dat de vrede van deze, onze wereld GEEN VREDE is, maar de ABSTRACTE VOORTZETTING van datgene dat de mensheid tot nu toe nog altijd gedaan heeft: vechten. Dat het derhalve geen enkele zin heeft één prijzend woord over onze vrede te spreken en nog minder er iets voor te doen. En dat het, gezien déze situatie in me­nig opzicht een OPLUCHTING zou zijn als de kaarten eens DUIDELIJK kwamen te liggen: voor de mensen in Afrika, voor de mensen in Latijns-Amerika en voor de mensen in het Oosten. En toch ook voor de beschaafde mensen in het westen omdat dan het ondier weer eens éven zijn ware gezicht laat zien: het gezicht van deze ONVOLWASSEN SCHOOIER, de mèns.

 

+++++++++++++

De VOORDRACHTEN zijn nog steeds op de DINSDAGAVONDEN, van 8 tot 9 uur. Het onderwerp is: "De vrouw en de man". Verder is er op dit moment geen nieuws te melden, dus tot de volgende keer!

Vriendelijke groeten,

Jan Vis, creatief filosoof

Overleven, een zaak van weten en kunnen

 

Briefnummer 4: Het ongedierte vreet het andere op-Iwan Karamazow

 

Briefnummer 5: De moderne mens en de sport

 

Briefnummer 6: De vrede in deze wereld

 

Briefnummer 7: Het arbeidsevenwicht

 

Briefnummer 12: Rassenvraagstuk

 

Briefnummer 14: De brandstapel is mij te heet

 

Briefnummer 15: De papieren waarheid

 

Briefnummer 16: Pornografie

 

Briefnummer 17: Iets over de liefde en de verveling

 

Briefnummer 18: De vrijheid van spreken

 

Briefnummer 19: Het luchtledige

 

 

 

 

 

CENTRUM VOOR FILOSOFIE – ROTTERDAM (1968)

 

Terug naar: STARTPAGINA

 

 

BRIEF No. 7, december 1968

 

HET ARBEIDSEVENWICHT

Er wordt tegenwoordig druk gesproken over de arbeidstijdverkor­ting, zoals die in de toekomst verwacht wordt. In nauwe samen­hang daarmee staat het vraagstuk van de vrije-tijdsbesteding en ook dat van de werkloosheid. Verder wordt er algemeen geroepen om loonsverhoging en dat heeft weer verhogingen van de prijzen ten gevolge, zodat er in de meeste gevallen nauwelijks van enige wèrkelijke verbetering van de positie van diegenen die om meer loon vragen gesproken kan worden.

Intussen is het wèl zo, dat de levensstandaard in zijn geheel tamelijk snel stijgt in de ontwikkelde landen, terwijl de zogeheten ARME LANDEN steeds meer klagen over de toenemende armoede, ondanks het feit dat ook hun levenspeil stijgende is - zij het langzaam.

In de moderne landen neemt de MACHINE het werk over van de ar­beiders; volgens de economen is dat er de oorzaak van dat er telkens grote groepen mensen zonder werk lopen in een maat­schappij waarin ruim voldoende werk is. Bovendien is het voor­deliger om machines te laten draaien: zij zijn betrouwbaar, gaan 24 uur per dag door in een hoog tempo en werken vele malen nauwkeuriger dan welke vakman ook, tegen geringere kosten want de arbeidslonen zijn tegenwoordig bijna niet meer te betalen. De mensen staan dus nu niet meer op straat omdat er geen werk voor ze is, maar omdat ze te duur zijn. We kunnen ons afvragen of de mens soms bezig is zijn eigen arbeid onmogelijk te maken, en beter nog doen wij eraan ons af te vragen welk evenwicht wij bezig zijn te verstoren als de situatie al zo is komen te liggen dat wij ONZE EIGEN ARBEID niet meer kunnen betalen.

Er zijn natuurlijk een aantal mensen, die deze situatie toe­juichen want eindelijk is het dan zover gekomen dat ze niet meer MOGEN werken terwijl ze toch in een zekere welstand kun­nen leven. Eerst was dat alleen maar mogelijk via de STEUN, en dan werd je betrekkelijk karig bedeeld en ook kon je altijd door het onheil getroffen worden weer te moeten gaan werken.

 


Maar straks is dat allemaal anders: dan màg je niet meer wer­ken, want dat is te duur. Eindelijk een volledig aanvaardbaar argument voor die mensen die de ARBEID als een INKOMSTENBRON zien en die van daaruit best te porren zijn voor een inkomsten­bron ZONDER arbeid.

Andere mensen zien in de huidige situatie het bewijs van on­vermogen van de moderne aanpak en de moderne ideeën. Zij vin­den dat het maar weer moet worden zoals het vroeger was: goed­kope arbeidskrachten die je naar believen kunt aannemen en ont­slaan, geen "inspraak", heren en knechten en een rotsvast gezag dat geworteld is in god en geschraagd door de heren politie­agenten en kolonels. Dat alles dan bijeengehouden door een ons dierbaar vorstenhuis. Want de socialisten brengen er toch niets van terecht omdat een samenleving zonder god en gezag nu een­maal niet kan.

De meeste mensen echter houden het op de toekomst, d.w.z. de toekomst zoals die voorgespiegeld wordt door de mensen van de wetenschap. Deze toekomst belooft een zeer korte arbeidstijd en dat slechts gedurende een gering aantal jaren. De arbeid bestaat dan in hoofdzaak uit controle-werkzaamheden, om name­lijk de machines, die àlles doen, draaiende te houden. De men­sen behoeven dus alleen op klokken te kijken en een enkele keer aan een knop te draaien - verder gaat alles vanzelf. Het stelt aan de arbeider geen hoge eisen, en dit feit, gevoegd bij het feit dat er eigenlijk alleen nog maar VRIJE TIJD is, roept een heel nieuw probleem voor de mensheid op: hoe kan de mens zich­zelf bezig houden op een terrein, dat niet het terrein der DINGEN is. Dus: hoe kan de mens zichzelf CREATIEF bezig houden? Deze vraag staat steeds meer in het centrum der belangstelling. Want straks zijn er hele drommen mensen die met zichzelf geen raad weten omdat er niets meer te doen is; die mensen VERVELEN zich omdat zij er nooit toe OPGEVOED zijn zich met iets bezig te houden. Daarom moeten we nu reeds beginnen met die opvoeding, zodat de mensen straks iets hebben om hun leven mee te vullen. Zo ongeveer is de gebruikelijke redenering van de moderne jonge mens en dat verhaal wordt wetenschappelijk gesteund door zoge­naamde "toekomstdenkers", sociologen, filosofen en economen.

De artistiekelingen onder de moderne mensen zijn druk bezig de theorie in praktijk om te zetten en de voorlopige resultaten daarvan zijn al duidelijk in overeenstemming met het karakter van de zaak zèlf: het is namelijk allemaal even WEZENLOOS.


We zullen eens even bij een paar punten stilstaan.

 

Als eerste de CREATIVITEIT; de moderne mens heeft dit begrip be­dacht op grond van het vermoeden dat de mens meer is dan een DING. De mens heeft een SCHEPPEND vermogen, wordt er dan gezegd. Niemand weet precies hoe het zit met dat scheppende, maar in elk geval kan de mens zèlf iets maken. Dit onderscheidt hem van de rest van de natuur - althans, dat nemen wij voorlopig maar even aan. Dat ZELFGEMAAKTE, wat is dat eigenlijk? Wat wordt door de mens zèlf gemaakt en wat niet? De mens maakt zich een gehele WERELD waarin alle oorspronkelijke factoren OPGEHEVEN worden: AFSTAND bijvoorbeeld geldt nauwelijks meer, een natuur­lijk ISOLEMENT is opgeheven, KLIMAAT heeft geen invloed meer, enzovoort. De mens maakt dus een NIEUWE WERELD; de mens maakt ALLES zelf. Maar dit zijn allemaal CONCRETE dingen en als dat in principe klaar is komt er wat ànders, iets dat NIET CON­CREET is. Naar aanleiding hiervan spreekt de moderne mens van CREATIVITEIT. Hij wil namelijk dat niet concrete iets gaan MAKEN; hij wil voor zich een werkelijkheid geldend maken die VOORBIJ DE DINGEN is.

Deze werkelijkheid gèldt inderdaad voor de mens; laten wij terwille van de eenvoud zeggen dat deze werkelijkheid CULTUUR genoemd kan worden. De cultuur ontbloeit NA het LEVENSONDER­HOUD. Want de mens moet eerst kunnen BESTAAN om te kunnen LEVEN en dit "kunnen bestaan" moeten wij in zijn VOLLE OMVANG bezien; het is niet voldoende dat er een hap brood is en een meer of minder waterdichte plaggenhut. In een dergelijke situatie is de LEVENSZEKERHEID veel te klein, d.w.z. er IS dan geen levens­zekerheid. Het begrip LEVENSZEKERHEID begint pas dan ècht door te zetten als de mens enig benul krijgt van RECHT, en ook dan nog is het gedurende een heel lange tijd een zeer LABIELE le­venszekerheid omdat het dan geldende RECHT een AFGEDWONGEN recht is. Deze situatie geldt ook nu nog over vrijwel de gehele wereld. Hierbij doet het niet terzake VAN WIE dat recht afge­dwongen is; het gaat om het feit, dat de mensen het RECHT aan­voelen als een VERWORVENHEID. Als iets dat door STRIJD verkre­gen is, en nog niet als IETS VANZELFSPREKENDS. De levens zeker­heid is daarom ook nog niet vanzelfsprekend in de wereld, óók niet in vergevorderde landen als ZWEDEN - hoewel het er daar al aardig op begint te lijken.

 


Hoewel onze LEVENSZEKERHEID een LABIELE aangelegenheid is, is het toch wel degelijk levenszekerheid; daarom gaat het zich vanzelf laten gelden als dat wat het eigenlijk heeft te zijn: de BASIS van en voor het menselijke LEVEN. Dit gaat VANZELF, want de VOORGAANDE zaak is AUTOMATISCH VOORWAARDE voor het vol­gende. Zo is ons (betrekkelijk) GEREGELDE BESTAAN vanzèlf als VOORWAARDE voor iets ànders gaan fungeren; als voorwaarde name­lijk voor - zeg maar - CULTUUR.

Evenwel hebben wij, moderne mensen, van CULTUUR geen flauwe notie; wij kennen in het beste geval ONZE CULTUUR, maar het begrip CULTUUR op ZICHZELF is voor ons onbekend gebied. De nor­men die daarvoor gelden zijn ons dus ook onbekend; wij passen heel gemoedereerd ONZE NORMEN toe en gaan er dan toe over de zaak te MAKEN. Wij gaan cultuur MAKEN op precies dezelfde wij­ze als wij nog volop bezig zijn de WERELD TE MAKEN. Dàt is on­ze CREATIVITEIT: het is het LEREN MAKEN VAN CULTUUR.

Wij gaan er aan staan als gold het het maken van DINGEN, ter­wijl wij tevens WETEN, dat het NIET over dingen gaat! Wij maken dus DINGEN, die GEEN DINGEN mogen zijn; het worden dan nood­zakelijk ONTKENDE DINGEN, en verder dan het ONTKEND-ZIJN van de zaak komt het niet.

We krijgen nu als resultaat DINGEN, die volledig het KARAKTER en dus het WEZEN van de dingen MISSEN; het zijn WEZENLOZE DINGEN. Dat komt voor de dag aan de CREATIVITEIT, aan de HOBBY, aan SPORT EN SPEL, aan de VRIJETIJDSBESTEDING, enzovoorts. Het is een CULTURELE wereld, die gemaakt wordt door NIET-CULTURELE MENSEN, namelijk door BOUWERS, door CONSTRUCTEURS.

Want dàt is het wat wij WERKELIJK zijn. Hierop is OP ZICHZELF niets aan te merken; het wordt pas dàn wezenloos als de constructeur zijn terrein verlaat - omdat de zaken daar nu wel zo'n beetje marcheren - en zich bezig gaat houden met wat hij aanvoelt als cultuur. Maar als CULTUUR niet helemaal VANZELF ontstaat dáár waar de DINGEN geregeld ZIJN en waar het leven dus ZEKER is, dan IS het GEEN CULTUUR; dan kan het alleen maar WEZENLOOS zijn omdat het dan noodzakelijk blijft steken in de ONTKENNING der DINGEN. Voor ons is het misschien niet zonder meer duide­lijk dat het genoemde ONTKENNEN der dingen een wezenloze zaak is; het behoort tot onze culturele erfenis de dingen eigenlijk NIET HET WARE te vinden en van hieruit iets TEGEN de dingen te hebben.

 


Niet dat dit ons belet van de dingen te profiteren, maar als wij er over nadenken, of ons "bezinnen op ons leven" zoals wij dat in de kerstdagen zo innig weten te doen, dan vinden wij de dingen toch eigenlijk niets en wij zouden ze op de een of andere manier uit willen bannen. Tegenwoordig blijft dit bij een WENS, maar vroeger, toen de ROOMSE KERK nog volop in bloei stond, toen waren er mensen die de daad bij het woord voegden. Zij gingen de dingen ontkennen, en ook hun eigen lichaam, en werden zo tot heilige mannen die tot op de dag van vandaag in ethisch opzicht onaantastbaar zijn. Nuchter beschouwd echter was het gedoe van die mannen een en al wezenloosheid: zij sloe­gen zichzelf met zwepen en zij hongerden zichzelf genadeloos uit en in hun hoofden leefde maar één ding, namelijk nèt dat­gene dat zij uit wilden roeien. Deze gesteldheid ligt in ons ook nog verscholen; daarom is in ons HET DING niet zodanig ge­situeerd dat het BASIS kan zijn voor CULTUUR want als zodanig moet het DING niet ONTKEND zijn, maar BEVESTIGD. Dàn komt de cultuur vanzèlf, maar dan wordt die cultuur NIET GEMAAKT want als het DING erkend is, is het ook als MAAKWERK erkend en dit houdt dan weer noodzakelijk in dat het NIET-MAAKWERK óók erkend is - en dat is de CULTUUR.

Tot zover - in het kort - over de CREATIVITEIT en wat daarmee samenhangt. Een ànder thema is dat van de ARBEIDSTIJDVERMINDE­RING. Het blijkt dat ook op dit terrein de in het denken be­kwame moderne mens de plank volkomen mis slaat. Ten eerste denkt hij dat het werk door MACHINES overgenomen wordt zodat hij er zèlf niet meer aan te pas komt. Maar vanwaar deze ONZIN? Want waar komen die machines dan vandaan? Komen die uit de lucht vallen, worden die door de KABOUTERS gemaakt - of moeten wij die zèlf maken? Dit laatste is natuurlijk het geval, maar toch juist de moderne technische mens moet in staat worden ge­acht te kunnen beseffen welk een enorme, vooral INTELLECTUELE ARBEID er aan één machine voorondersteld is! En hoeveel ver­schillende machines zijn er niet nodig in een gehele mensheid! Dus er moet véél gewerkt worden; bovendien moet dat allemaal draaiend gehouden worden, er moeten verbeteringen worden uit­gedacht, enzovoort enzovoort. En wij maar denken dat wij straks niets meer te doen hebben. In feite is er namelijk dit gaande: naarmate de mensheid zich intellectueel ontwikkelt, ontwikkelt haar ARBEID zich óók intellectueel, d.w.z. de arbeid verschuift van HANDARBEID naar steeds meer INTELLECTUELE ARBEID.

 


Bij dit proces zijn er natuurlijk telkens mensen die qua HANDARBEID niet meer uit de voeten kunnen en die dus buiten het arbeids­proces komen te vallen. Maar dit is slechts een GENERATIE­KWESTIE; bij een volgende, op het nieuwe intellectuele pijl ingestelde generatie is DEZE groep van mensen verdwenen. Dan zijn er weliswaar weer nieuwe achterblijvers, maar dat BLIJFT gelden. De VOORUITGANG brengt dit noodzakelijk aan zich mee.

Op grond van dit feit echter te constateren dat de mensen steeds minder te doen krijgen is DWAASHEID; àls wij hieromtrent een uitspraak moeten doen is het beter te zeggen dat er MEER WERK komt voor de mensen

Door dit alles loopt nog een aspect heen, dat bijna altijd over het hoofd gezien wordt, o.a. door het feit dat het de mens van een bepaalde cultuur nu eenmaal altijd moeilijk valt het OVER­HEERSINGS-ELEMENT van zijn eigen cultuur te herkennen. Hiermee bedoel ik dit: op een zeker moment in de wereldgeschiedenis is een bepaalde cultuur het LAATSTE MOMENT. Die cultuur is dus het verst gevorderd en omdat dit zo is, is die cultuur MAATGEVEND voor de GEHELE MENSHEID. Dus ook voor culturen die eventueel helemaal geen CONTACT hebben met de cultuur van dat laatste mo­ment. De maatgevendheid blijkt zodra er wèl contact is gelegd. In deze MAATGEVENDHEID is het OVERHEERSINGS-ELEMENT gelegen, want àlle andere culturen volgen niet alleen die cultuur, maar zij achten zichzelf tevens ONDERGESCHIKT. Cultuur MANIFESTEERT zich in de volle breedte van de samenleving; zij manifesteert zich dus ook als MACHT, en deze macht ligt op ALLE terreinen. Wij zullen in dit bestek maar ineens zeggen, dat het LAATSTE cultuurmoment alle andere momenten UITPLUNDERT om daarmee ook de BESTAANSMOGELIJKHEID VAN ZICHZELF te bevestigen. Als voor­beeld dit: de GRIEKSE FILOSOFIE en KUNST bloeiden indertijd en ook deze cultuur was, zakelijk gesproken, mogelijk omdat ANDEREN ervoor WERKTEN. Dat waren in Griekenland de SLAVEN en de ARME MENSEN. En daar waren de aangesleepte RIJKDOMMEN uit de over­zeese gebieden waar de arme tobbers er ook hard voor moesten werken. De bestaansvoorwaarde voor de Griekse CULTUUR is de NIET ZUIVER GRIEKSE WERELD, dus dat wat BENEDEN de Griekse cul­tuur als zodanig blijft. Deze verhouding geldt voor ELKE cul­tuur; nooit kan een CULTUURVOLK zichzèlf als BESTAANDE groep mensen in stand houden. Ditzelfde nu geldt ook voor de MODERNE CULTUUR.

 


Wel te verstaan: voorzover die moderne cultuur nog in ONTWIKKELING is. Dan dienen ALLE MENSEN over de gehele wereld er toe de bestaansmogelijkheid te realiseren. Daarom hebben wij tot nu toe de gehele wereld naar onze hand gezet en wij hebben OVERAL vandaan gesleept wat wij nodig hadden voor onze cultuur. En natuurlijk is dat niet VRIENDELIJK gegaan: wij waren toch de OVERHEERSERS en die anderen de ONDERGESCHIKTEN. En daarmee wa­ren BEIDEN het eens, zowel overheersers als ondergeschikten. An­ders had het natuurlijk nooit gekund!

Nu moet U begrijpen dat op grond van deze verhouding het PLUN­DEREN door is gegaan. Wij hebben àlles BIJNA GRATIS verkregen! De eerste fasen van het PRODUCTIE-PROCES hebben ons vrijwel NIETS gekost, en dat is ook thans nog zo. En aldus heeft zich onze zaak vrijelijk verder kunnen ontwikkelen, zonder dat het eigenlijk iets kostte. Logisch dat de moderne landen SCHATRIJK zijn en dat hun ontwikkeling ongeremd door kan gaan, zó zelfs dat er steeds meer een ARBEIDSLEEGTE ontstaat bij de EENVOU­DIGSTE ARBEID. Deze LEEGTE zou er evenwel niet zijn als alles in EVENWICHT lag, d.w.z. als wij de grondstoffen niet VOOR BIJNA NIETS konden verkrijgen. Dan zou namelijk blijken dat het toenemend INTELLECTUEEL worden van de arbeid NIET betekent dat er geen HANDARBEID meer verricht zou behoeven te worden. Er blijft ALTIJD handarbeid - alleen NU is de westerling zover dat HIJ dat niet meer kàn doen. Hij is daarvoor te ontwikkeld geworden; het kan in zijn maatschappij niet meer.

Dat wij de boel voer een goed deel VOOR NIETS krijgen - hoewel dit al minder is dan vroeger - moge uit het volgende blijken: als HIER iemand werkt in een bepaald vak, dan verdient hij daarmee een bepaald LOON, en dat loon is over het algemeen te­genwoordig BEHOORLIJK. Gaat hij echter precies datzelfde vak uitoefenen in bijvoorbeeld een ONTWIKKELINGSLAND, dan gelukt het hem om met een zeker kapitaal terug te keren na betrekke­lijk korte tijd. Een kapitaal dat HIER in geen geval te ver­dienen was geweest. En nu mag de econoom zeggen dat er DAAR behoefte bestaat aan vakmensen, zodat er DAAR meer betaald wordt, maar dan zeg ik: het komt doordat de verhouding nog steeds SCHEEF ligt. Het komt door de PLUNDER-VERHOUDING en nèrgens ànders door. Wat HIER een zeker loon waard is, moet DAAR hetzelfde loon waard zijn, eerst dàn ligt de zaak RECHT. Elk argument om dit te weerleggen is een NEVENARGUMENT, dat de zaak zèlf niet raakt.

 


Elk economisch argument mag OP ZICH­ZELF juist schijnen, maar het neemt dan de plunder-verhouding als GEGEVEN aan, zònder dit gegeven zèlf aan een nader onder­zoek te onderwerpen.

Bezien we deze materie in het licht van de eigenlijke verhou­ding, dan moet alles in EVENWICHT zijn, maar dan hebben WIJ geen arbeidskrachten over en het zal dan met onze VRIJE TIJD ook niet zo erg ruim gesteld zijn.

Niet alleen dat er over de gehele wereld eigenlijk een even­wicht ligt inzake LONEN (zolang die nog gangbaar blijven) en inzake het aantal bij het productieproces ingeschakelde per­sonen, maar ook ligt er een evenwicht in het aantal UREN dat elke man aan zijn arbeid besteedt. Wij denken dat dit aantal UREN economisch bepaald is, maar in feite is het bepaald aan geheel iets ànders, namelijk aan DE MENS ZELF.

Bekijken we de mens zèlf, dan blijkt dat hij - voorzover hij MANNELIJK bepaald is - ARBEID IS, en zich daarmee dan ook ZIJN LEVEN LANG bezig houdt. Het gaat nu niet om de vraag of wij in de meeste gevallen tot nu toe van ARBEID of beter van GESJOUW moeten spreken. Een ieder moet als hij dit leest zich maar een beeld trachten te vormen van het begrip ARBEID. Maar dàt doet de mens mannelijk zijn gehele leven, zònder dat ik hiermee wil zeggen dat hij IN ARBEID OPGAAT. Want dat gaat de mens niet… maar ook dit begrijpen wij gewoonlijk niet want dan denken wij onmiddellijk dat NIET WERKEN béter is.

Als ik zeg dat de mens niet IN ARBEID OPGAAT, vooronderstelt dit ARBEID… dus: al arbeidende gaat de mens niet in arbeid op. Dat is àlles.

 

Tot de volgende keer,

 

Jan Vis, creatief filosoof

 

 

Briefnummer 4: Het ongedierte vreet het andere op-Iwan Karamazow

 

Briefnummer 5: De moderne mens en de sport

 

Briefnummer 6: De vrede in deze wereld

 

Briefnummer 7: Het arbeidsevenwicht

 

Briefnummer 12: Rassenvraagstuk

 

Briefnummer 14: De brandstapel is mij te heet

 

Briefnummer 15: De papieren waarheid

 

Briefnummer 16: Pornografie

 

Briefnummer 17: Iets over de liefde en de verveling

 

Briefnummer 18: De vrijheid van spreken

 

Briefnummer 19: Het luchtledige

 

 

 

 

 

 

CENTRUM VOOR FILOSOFIE – ROTTERDAM(1969)

 

Terug naar: STARTPAGINA

 

Zie ook:  Vrijheid van meningsuiting-zie bladwijzers ; Proces v/d Eeuw tegen alle ingezetenen van Nederland..! ;

 

Bladwijzers: Ontwikkelingshulp ;  Rassenprobleem, Ontwikkeling, Inzicht, Kennis van zaken..?, Met rust laten, Isoleren..?, Ghetto’s, Discriminatie ;  Met elkaar omgaan ; Onwaardigen ; Achtergebleven gebied/Discriminatie ;

 

BRIEF no. 12 - mei 1969

 

Het rassenvraagstuk

De gehele moderne westerse wereld is geconfronteerd met het rassenvraagstuk; een groot aantal mensen hebben geen LAST van het probleem en kunnen bijgevolg gemakkelijk hun standpunt be­palen ten aanzien van de praktische menswaardigheid van de mensen met een àndere huidskleur en een andere cultuur. Dit standpunt is dan - zoals altijd met standpunten het geval is ­òf volkomen zwart òf volkomen wit, zonder dat er de mogelijk­heid is tot een wat genuanceerder beeld. De "rechts" georiënteerde mensen neigen naar het afwijzende zwarte standpunt en de "links" georiënteerden naar het witte bevestigende. De één wil niets goeds van de gekleurden horen en de ànder niets slechts en zo blijft het geharrewar aan de gang zonder dat er ooit eens een oplossing komt voor het probleem - noch in more­le zin, noch in praktische zin. De zwart-wit mensen kunnen nooit een oplossing vinden, want beiden hebben ONGELIJK, de voorstander en de tegenstander, en dat komt niet doordat ze er beiden te weinig van àfweten - wat overigens ook vaak het geval is - maar doordat ze niet in de gaten hebben hoe de zaak zit. Hadden ze dit wèl, dan was er geen rassenprobleem..! Dit betekent niet, dat dan bijvoorbeeld de Amerikaanse negers als "god in Frankrijk" leefden en het betekent ook niet het tegendeel hiervan; het sluit de mogelijkheid van eventuele misstanden helemaal niet uit, omdat de praktische uitwerking van een zaak nu eenmaal tijd vergt - vaak zelfs een kwestie van verschillende generaties is. Als men in de gaten heeft hoe het zit vervallen om te beginnen àlle pogingen om de men­sen van een ànder ras hun plaats te wijzen, of die pogingen nu negatief of positief bedoeld zijn. Het blijkt dan dat er geen plaats te wijzen vàlt, omdat iedere mens persoonlijk en ook ieder volk ZICHZELF naar de plaats toe ONTWIKKELT waar hij behoort, geheel overeenkomstig de gang van zaken zoals die voor het ORGANISME van kracht is.

 


In dat LEVENDE GEHEEL is èlk onderdeel levend op zijn plaats, anders kon het niet LEVEN. Deze gedachte komt ons misschien vreemd voor, maar dan moeten wij maar eens denken aan het GEZIN waarin èlk kind op zijn PLAATS is zonder dat het daar gezèt behoeft te wor­den. Zelfs als de kinderen te lijden hebben onder een ouder­wetse opvoeding, die een soort van DWANGARBEID voorstaat, dàn nog groeien zij naar hun eigen plaats…zó sterk is het le­ven in een organisme. Onder de volkeren is het nèt zo: er vàlt geen plaats te wijzen, ook al doen wij dat met een ge­steldheid die nòg onzelfzuchtiger is dan die het LEGER DES HEILS kenmerkt. De GOEDE BEDOELING haalt hier niets uit en ook met de SLECHTE BEDOELING wordt het niets; het gaat nòch op positieve, nòch op negatieve wijze.

De standpunten van de voorstanders en de standpunten van de tegenstanders slaan nèrgens op, omdat bij zowel de één als bij de ànder het INZICHT ontbreekt. Onder "inzicht" moet U niet verstaan KENNIS VAN ZAKEN, zoals van een rechter ver­wacht wordt die te hebben als hij een zaak tot een OPLOSSING moet brengen, want kennis van zaken beslaat het terrein der OMSTANDIGHEDEN zoals die op een gegeven moment zijn.

INZICHT echter betreft het WEZEN van de zaak en kan van daaruit de omstandigheden VERKLAREN, hetgeen onmiddellijk inhoudt dat er geen enkele poging ondernomen wordt om de omstandigheden te veranderen, WANT HET WEZEN VAN EEN ZAAK LAAT ZICH NIET VERANDEREN… het enige dat voor het WEZEN van een zaak geldt is dit, dat de zaak ZICH ONTWIKKELT. En dat gaat van die zaak zèlf uit. Redelijk is het derhalve de zaak MET RUST TE LATEN zodat de ontwikkeling ongestoord zijn gang kan gaan. Maar helaas weten wij ook niet wat Met rust laten- (zie bladwijzer) is, want vanuit onze cultuur laten wij niemand met rust: wij dringen ons overal in en pluizen alles uit elkaar zodat niets op de plaats blijft waar het behoort en alles geheel losgeslagen wordt. Dit kunnen wij niet nalaten te doen en daarom weten wij niet wat het zeggen wil iemand met rust te laten. Wij ver­staan er onder dat wij aan iemand verder GEEN AANDACHT SCHEN­KEN, dat wij hem links laten liggen bij wijze van uitzonde­ring. Wij passen dan onze indringerigheid niet op hem toe, maar wij vinden wèl dat wij het eigenlijk wel moesten doen. Dit is onze opvatting van iemand met rust laten, maar met deze gesteldheid komen wij niet ver als het erom gaat een  ontwikkeling ONGESTOORD zijn gang te laten gaan.

 


Dit betekent namelijk in genen dele dat de zich ontwikkelende zaak in een ISOLEMENT gedrongen moet worden, maar het betekent dat de zaak IN AL ZIJN SAMENHANGEN met àl het àndere ER MOET ZIJN. En dan kan het zijn dat de zaak nog niet veel is en zelfs betrekke­lijker wijze in een samenleving als de onze ONMOGELIJK is, maar dat heeft dan alle kans terecht te komen omdat er niets aan in de weg staat.

Dat ons begrip "met rust laten" identiek is met het begrip ISOLEREN bewijzen de GHETTO'S. Overal in de moderne wereld leven mensen in ghetto's; binnen zo'n ghetto kunnen zij hun gang gaan maar in de wereld daarbuiten krijgen zij geen voet aan de grond. Met als noodzakelijk gevolg dat de zaak VERPAU­PERT. De mens kan niet zonder RUIMTE, moet hij het toch daar­ zonder stellen dan wordt hij letterlijk en figuurlijk KORT­ZICHTIG en dan gaat -de boel naar de bliksem. Mensen verpau­peren altijd aan de BENAUWDHEID en dit gaat hand in hand met de ARMOEDE - hoewel armoede OP ZICHZELF nog niet met verpau­pering te maken behoeft te hebben. Want mensen kunnen arm zijn terwijl er toch ruimte om hen heen is; dan blijkt de armoede veel stijlvoller te zijn dan de vieze modderige en zelfs misdadige armoede van een ghetto waar alles even uit­zichtloos en troosteloos is.

De mensen die MODERNE OPVATTINGEN huldigen zijn het erover eens dat het met de ghetto's afgelopen moet zijn en zij vin­den ook dat de DISCRIMINATIE niet deugt. Uiteraard hebben zij hierin gelijk, maar wij moeten toch wel terdege beseffen dat deze opvattingen het ISOLEMENT niet opheffen omdat hier niet werkelijk van MET RUST LATEN te spreken is. De moderne op­vattingen doen het karakter van de zaak verschuiven van een GROEPSISOLEMENT naar een PERSOONLIJK ISOLEMENT, en daarin zijn àlle mensen betrokken. Het gaat in de moderne cultuur om het persoonlijke en dit zet zich dus ook op dit terrein door. Zo komt de moderne mens ertoe iedereen links te laten liggen, d.w.z. hij bemoeit zich er niet mee, en dit noemt hij de VRIJHEID die hij voor zichzelf opeist en die hij ook de anderen gunt. Van hieruit wijst hij het ghetto àf en ook voor de discriminatie vindt hij geen grond; zoals de moderne mens, naar wij in de vorige brief schreven, geen vijanden meer kent omdat de vijandschap voor IEDEREEN geldt, zo duldt hij ook geen discriminatie omdat iedereen hem EVEN ONVERSCHILLIG is.

 


Hij ziet niet in waarom er verschil gemaakt moet worden tus­sen het éne isolement en het àndere isolement; hij beschouwt ieder ander volledig als een mèns. Dat hij niet in staat is met de anderen OM TE GAAN blijkt dagelijks als wij om ons heen zien en ook blijkt het hieruit dat overal waar we wer­kelijk te màken krijgen met mensen van een ander ras of een andere beschaving de discriminatie toch op de één of andere manier de kop op steekt. Daarom is het geen fair play als wij EENZIJDIG de Amerikanen en de Zuid-Afrikanen van misdadigheid ten aanzien van de neger beschuldigen; ook wij denken en le­ven in en vanuit het ISOLEMENT en dus zou het zeer wel moge­lijk zijn dat ook hier ghetto's ontstonden als er grote groepen vreemden waren. Trouwens, hier en daar gebeurt het al, maar hierbij moeten wij toch nog een aantekening maken, want het lijkt erop dat de vreemdelingen zich zèlf in een ghetto terugtrekken. Dit is echter SCHIJN, in zoverre, dat er natuurlijk een wisselwerking is: de één isoleert en de ànder, de tegenpool, wenst geïsoleerd te worden. Beiden werken dus toe naar hetzelfde resultaat. Dit resultaat ech­ter komt voor de VREEMDELINGEN, de negers bijvoorbeeld, neer op een GROEPSISOLEMENT en dat wordt verklaard door het feit dat wij bij de vreemdelingen doorgaans met MINDER MODERNE mensen te doen hebben. Hierdoor lijkt het alsof de vreemdelingen zichzelf isoleren, maar het proces verloopt in feite van twee kanten.

Dit dan wat betreft het elkaar met rust laten op zichzelf, iets anders is de kwestie van de ONTWIKKELING. Naar de buiten­kant genomen zijn het de ontwikkelingsverschillen, die de grond vormen van de discriminatie. De moderne mens wil deze verschillen wègpraten en daarbij doet hij het voorkomen als­of die verschillen niet belangrijk zijn. Hij zegt dat het om het "menselijke" gaat en dat daarbij de huidskleur niet be­langrijk is.

Hierin heeft hij natuurlijk gelijk, maar één ding wordt daarbij angstvallig op de achtergrond gehouden: het gáát helemaal niet om de huidskleur! Het gaat om de ONT­WIKKELING van de betreffende mensen, maar dat is iets dat nooit gezegd mag worden, want je mag een ander niet ronduit tot "achtergebleven gebied" verklaren. Een ander moet onze GELIJKE zijn, ook al pleegt hij poedelnaakt met een stenen bijl op koppensnellen uit te gaan en heeft hij zelfs nog geen SCHRIFT uitgedacht om zijn gedachten vast te leggen.

 

En weer anderen - in Afrika bijvoorbeeld - hebben nog niet eens het begrip KIND ontdekt want de moeders kijken er niet naar om en bewenen nauwelijks een verongelukt kind.


Maar wij we­ten geen ONWAARDIGEN aan te wijzen want buiten ONS is IEDER­EEN onwaardig - al zèggen wij dat niet. Zo zeggen wij ook niet dat BUITEN HET WESTEN de gehele wereld één groot ACHTER­GEBLEVEN GEBIED is - letterlijk - waar nog vele generaties elkaar moeten opvolgen voordat het westerse moderne peil be­reikt is. En wij willen niet openlijk bekennen dat de NEGERS in Amerika inderdaad PAUPERS zijn met - over het algemeen ge­sproken - een zeer GEVAARLIJK en AGRESSIEF karakter. Nu wil ik het niet hebben over onze OPVATTINGEN over die achterge­bleven gebieden. Die opvattingen slaan in wezen toch nergens op; het gaat gewoon om de FEITEN, zonder sympathie of anti­pathie. De feiten zijn dat in INDIA de mensen op de HONGER­DOOD zitten te wàchten ZONDER EEN VIN TE VERROEREN; dat in AFRIKA de mensen elkaar met een gemak doden en martelen als­of het ZIELLOZE objecten waren en dat de AMERIKAANSE NEGER duidelijk de ARROGANTIE heeft van iemand die ZWELGT in eigen ellende. Zo zijn er talloze voorbeelden te noemen en uit al die voorbeelden blijkt dat twee derde van de wereld niet op het niveau staat van het westen.

Beste lezer, nu denkt U misschien dat ik op fascistische wij­ze de loftrompet ga steken voor het BLANKE RAS, maar als U dat denkt heeft U mij niet begrepen en dat komt vaker voor! Er is VOOR NIEMAND de loftrompet te steken; het gaat hier eenvoudig om verschillende STADIA VAN ONTWIKKELING en die verschillen zijn er zonder dat iemand er iets aan kan doen en zonder enige VERDIENSTE voor de verst gevorderden. Die verschillen in ontwikkeling komen voort uit verschillende cultuurgesteldheden. Soms is zo'n cultuur bijzonder HOOG - ­denken wij bijvoorbeeld aan INDIA, dat zo ongeveer de BAKER­MAT van alle beschaving is. Maar de HOOGTE van een CULTUUR betekent nog geen REDELIJK BESTAAN voor de mensen. Uit een cultuur als de BOEDHISTISCHE komt geen enkele praktische DAAD voort. Dan kunnen wij ons wel de LUXE permitteren door die cultuur tot tranen toe bewogen te zijn, maar die mensen dáár zitten met hun suffe hoofden in de ellende en ze zijn nog niet eens ontwikkeld genoeg om in te zien dat het zó erg allemaal niet hoeft. Er gebeurt dus NIETS… Wat hebben zij aan hun mooie CULTUUR? Waar leidt die toe?

 

Alleen maar tot letterlijke MINDERWAARDIGHEID. Ja, ik weet het wel: geen en­kel mens is minderwaardig, maar zó is de mens toch ook niet, zo'n PASSIEVE, WILLOZE en van èlk INITIATIEF verstoken geval dat op geen enkele wijze blijk geeft van het feit dat hij HERSENS heeft.

Maar wat kunnen die mensen er aan doen, zult U vragen. Ik moet dan het antwoord schuldig blijven: ik weet niet wat mensen kùnnen, maar dat de mens ALLES KAN staat in elk ge­val vast.

Dat zal blijken - voorzover het al niet gebleken is - aan en in de MODERNE CULTUUR, want denkt U er wèl om: die is ook ontwikkeld uit PRIMITIEVE MENSEN met stenen bijlen en geen enkel uitzicht op hun wereld. Goed, cultureel lag in het westen de mogelijkheid tot ontwikkeling en voor de overgrote meerderheid van de mensheid lag die mogelijkheid er niet, maar het GELDT wèl voor àlle mensen en daarom mo­gen wij de FEITEN niet verdoezelen. Die mensen hebben er niets aan kunnen doen, maar ACHTERGEBLEVEN zijn ze. Dat be­hoeven we niet met leger-des-heils smoesjes weg te poetsen zoals we ook niet weg mogen poetsen het feit dat een misda­diger tòch een misdadiger is al begrijpen wij hoe het in hem tot misdadigheid gekomen is.

Als mensen met elkaar OMGAAN dan zeggen zij elkaar waar het op staat, want het begrip OMGANG houdt in dat de verhoudin­gen liggen zoàls ze liggen. Vanuit dit begrip kunnen wij, moderne westerlingen, gerust tegen de rest van de wereld zeggen: jullie kunt er niets aan doen dat je suf geboren bent, maar het wordt wel tijd dat je eens wakker wordt, en als je dan wat weten wilt kom je maar langs, want zo lang­zamerhand wéét ik wel het één en ánder. En als je nog een tijdje wilt blijven slapen is het ook best; ik zal niet pro­beren je wakker te maken want dat lukt tòch niet…

Maar wij doen dat niet want wij gaan niet met elkaar om; wij vinden dat je de ander moet respecteren en dat je zijn stenen bijl serieus moet nemen. Zo'n Afrikaans "staatshoofd" trekt een paradepakje aan met veel goud en rood, en dan lis­pelen wij heel ordelijk MAJESTEIT, terwijl wij dènken: BUFFEL…Maar dàt geven wij nooit toe dat wij dat denken. Want dat druist in tegen onze erecode, tegen onze fatsoen­lijke omgangsVORMEN. Intussen hebben wij wèl gelijk als wij vinden dat hij een buffel is - en dat geldt natuurlijk ook voor zover wij zèlf ook nog met majesteiten aan het stoeien zijn.

 


Ook in de moderne wereld zijn vele voorbeelden te noe­men van achtergebleven gebieden.

Wij hebben ons erop ingesteld de achtergebleven gebieden nu maar eens niet met rust te laten en zo zijn wij overgegaan tot ONTWIKKELINGSHULP. En wij vinden dat het een schandaal is zoals de negers behandeld worden. Prachtig! Maar over wie hebben wij het eigenlijk? Over mensen met wie wij OMGAAN? Neen, beslist niet, want dan zou dat SCHANDAAL er namelijk niet zijn. Als je met iemand OMGAAT is het uitgesloten dat die ander ten opzichte van jou in een schandalige toestand is. Dat iemand van jou kan LEREN en dus je HULP nodig heeft is geen schandaal; dat is heel normaal en dat geldt op alle terreinen van het leven. Zo is het ook normaal dat mensen in de ontwikkelingslanden bij ons ten achter staan, maar dat komt vanzelf terecht. De hele kwestie is gelegen in het feit dat wij de ander blijvend als een VREEMDE beschouwen, als een geïsoleerd, op zichzelf staand, geval, en dat aparte ge­val gaan wij nu eens onder handen nemen. Of hij er al dan niet ZIN in heeft is van geen belang. WIJ hebben er zin in en daarom gaat het. Bovendien is het voor ons VOORDELIG, maar daarover wil ik het nu niet eens hebben.

Een omgang is altijd TOEVALLIG, in deze zin: je ontmoet wie je ontmoet, en wie je niet ontmoet, die ontmoet je niet. Er is hierbij dus van geen enkel INITIATIEF sprake. Maar de ont­moetingen van de MODERNE MENS zijn nooit toevallig: hij gaat er op àf en hij gaat zichzelf door lopen zetten. De moderne mens is stomverbaasd als hij ervaart dat sommigen die ont­moeting helemaal niet op prijs stellen. Dat wil er bij hem niet in en daarom zet hij zichzelf desnoods met GEWELD door; allemaal in het bestwil van de ander natuurlijk.

Hier is geen mogelijkheid tot een omgang en dus wordt de ander niet met rust gelaten, òf hij wordt wèl met rust gelaten en dan gaat de zaak niet verder dan een ISOLEMENT. Als er een OMGANG is tussen de één en de ànder, dan hebben de mensen elkaar TOE­VALLIG ontmoet, zonder enige BEDOELING, en dan hebben de men­sen het vermogen gehad de zaak te laten lopen zoals die liep en dat kan niet anders betekenen dan dat àlles TOT ZIJN RECHT komt. Dan komt natuurlijk ook tot zijn recht het eventuele feit dat de ander nog wel het één en ànder te leren heeft.

En dat spijkert hij dan vanzèlf wel bij.

 

Wij proberen een oplossing te vinden voor het rassenvraagstuk, maar er is helemaal geen rassenvraagstuk.  


Dat blijkt ook, want niemand vindt er een oplossing voor; de enige fac­tor die de zaak terecht doet komen is de TIJD, die het PROCES is dat wij ONTWIKKELING noemen en dat in wezen een VERHEL­DERINGSPROCES is. Door dat proces ontwaakt vanzelf in de men­sen het ZELFBEWUSTZIJN en als het eenmaal zover is gelukt àlles wat de mens onderneemt. Als wij voor de televisie een aantal Amerikaanse negers zien die voor de rechten van hun volk zeggen te strijden, maar die hun vastbeslotenheid alleen maar op HYSTERISCHE WIJZE weten te uiten, dan kunnen wij rede­lijkerwijs alleen maar zeggen dat daarvan NIETS te verwachten is omdat de hysterie nu net het tegendeel van ZELFBEWUSTZIJN is, en het zelfbewustzijn is blijvend voor de mens de enige basis waarop zijn PRAKTISCHE LEVEN kan gelukken.

 

Zie ook:  Vrijheid van meningsuiting-zie bladwijzers ; Proces v/d Eeuw tegen alle ingezetenen van Nederland..! ; 

 

+++++++++

 

Beste lezer, tot de volgende keer!

Vriendelijke groeten Jan Vis, creatief filosoof

 

Briefnummer 4: Het ongedierte vreet het andere op-Iwan Karamazow

 

Briefnummer 5: De moderne mens en de sport

 

Briefnummer 6: De vrede in deze wereld

 

Briefnummer 7: Het arbeidsevenwicht

 

Briefnummer 12: Rassenvraagstuk

 

Briefnummer 14: De brandstapel is mij te heet

 

Briefnummer 15: De papieren waarheid

 

Briefnummer 16: Pornografie

 

Briefnummer 17: Iets over de liefde en de verveling

 

Briefnummer 18: De vrijheid van spreken

 

Briefnummer 19: Het luchtledige

 

 

 

CENTRUM VOOR FILOSOFIE – ROTTERDAM(1969)

 

Terug naar: STARTPAGINA

 


BRIEF No. 14  juli 1969


 


De brandstapel is mij te heet

De tentoonstelling die op het ogenblik in Rotterdam ingericht is ter nagedachtenis van ERASMUS deed mij weer denken aan de merkwaardige rol die Erasmus indertijd in europa gespeeld heeft, een rol die volkomen afweek van datgene dat bij grote mannen gebruikelijk was. Want Erasmus oefende een grote in­vloed uit op de mensen van zijn tijd; hij maakte bij menige gelegenheid hun doen en laten belachelijk en hij waagde het telkens weer de alles beheersende macht van de kerk aan te tasten en te hekelen, terwijl hij tevens volkomen VRIJ was van die macht, zodat het nooit gelukt is hem op de brandsta­pel te krijgen. Hierover moeten wij niet te gering denken; als wij ons realiseren dat honderden mensen in de kerkers van de inquisitie zuchtten en weerloos overgeleverd waren aan de beul en zijn folterknechten en als wij daarbij niet vergeten dat er onder die ellendigen ook vele mensen van gewicht en aanzien waren , als wij bedenken dat letterlijk àlles sidderde onder de dwingelandij van een aantal armzalige mon­niken die van de paus opdracht hadden gekregen iedereen te testen op zijn geloofszuiverheid en die daarbij de meest on­benullige opmerkingen, die iemand eens hier of daar gemaakt had, als de maat namen voor de DOODSTRAF… dan gaan wij enigzins beseffen wat het zeggen wil als daar een man als ERASMUS onbekommerd "het achterste van zijn tong laat zien.

En dan was het nog een tong als van een slang die listig het goede moment afwacht om zijn dodelijk gif te kunnen spui­en. Niets was er veilig voor het gif van Erasmus en hij wist van geen wijken. "Cedo nulli" stond er op zijn briefstempel, en dat betekent: Ik wijk voor niemand.

 

Nu zijn er in de geschiedenis wel meer mensen die vonden dat zij voor niemand wijken moesten, en er zijn er ook wel meer geweest die geen blad voor de mond namen, maar meestal waren dat mensen die iets betekenden in de wereld, mensen die een veilig bolwerk om zich heen hadden gebouwd en die door MACHT tot op zekere hoogte niet aan te tasten waren. Zij waren machtig en konden het zich veroorloven tekeer te gaan tegen de wereld en dat ging net zo lang goed als het goed ging totdat het gedaan was met de flinkheid doordat een ander intussen sterker was gebleken. Dan verloor zo'n held zijn kop - letterlijk!

En anderen lieten zich er later toe verleiden MACHTIG te wor­den en waren dan meteen in handen van de wereld. Thomas More is daarvan een voorbeeld - en U weet hoe het met zijn kop afgelopen is…

Maar bij Erasmus niets van dit alles, een POSITIE heeft hij nooit bekleed, tot AANZIEN is hij nooit gekomen en een bol­werk van MACHT was er niet om hem heen. Niemand beschermde hem en niemand betaalde hem; hij was een GEWOON MENS die ge­heel zelfstandig zijn weg ging en daarbij geen enkele behoef­te had aan FLINKIGHEDEN. Hij was een GENIAAL man, dat is een feit, maar zijn literaire genialiteit is geen waarborg voor een lang leven in vrijheid; daarvan weten vandaag de dag heel wat schrijvers mee te praten! De genialiteit van Erasmus be­treft zijn VAK, maar dat hij zijn kop op de romp heeft weten te houden is te danken aan een ànder trekje van de man: hij was een GEWOON mens, die zijn PRAKTISCHE VRIJHEID stelde bo­ven de labiele schijn-vrijheid die aan het navolgen van een IDEE meekomt. Want deze laatste vrijheid vervalt onmiddellijk als die idee niet blijkt te gaan - en het is een kwalijke eigenschap van ideeën dat zij NOOIT gaan. Altijd is de gehele werkelijkheid TEGEN een idee omdat het een FICTIE is; een droomwereld die verder is dan de bestaande wereld is een on­mogelijke wereld - hoe schoon bij gelegenheid ook - en die onmogelijkheid blijkt in DE PRAKTIJK. Dus in de eerste plaats waar het de PRAKTISCHE VRIJHEID van de mens betreft. Deze vrijheid bestaat eigenlijk alleen maar hierin dat men met rust gelaten wordt; dat er niet voortdurend politie agenten met arrestatie-bevelen voor de deur staan en dat men er niet alsmaar op bedacht moet zijn het vege lijf met wapengeweld te verdedigen. De praktische vrijheid is het naakte LEVEN zonder enige deftigheid, dus zonder enig ideaal. Deze vrijheid is voor de mens àlles waard, maar het ligt in de aard van ons, onvolwassen mensen, om er telkens weer mee te spe­len. Om telkens weer VANUIT EEN GEDACHTE de zaak in de waagschaal te stellen - en dat dan nog geweldig te vinden ook!

De volkomen ONNUTTE flinkheid van de mensen die voor òns hel­den zijn geworden strekt ons tot voorbeeld; het dwingt ons respect af ook al is onveranderlijk het einde van die helden gewelddadig geweest. Ja, het is zelfs zo dat juist dat gewelddadige einde voor ons het BEWIJS is van de dapperheid van onze held: hij had er immers zelfs de dood voor over.

Toch gaat het over een ONNUTTE zaak, maar wij plegen dat gewoonlijk verkeerd te verstaan. Wij vinden het verzet juist bijzonder nuttig omdat het aan de TEGENSTANDER laat zien dat het allemaal niet zomaar gaat. Ook al kost het je je kop, je hebt het vaderland of de goede zaak een dienst be­wezen en die is voor ons van "onschatbare" waarde. Maar wij hebben niet in de gaten dat wij HET EEN TEGENOVER HET ANDER gezet hebben en daarbij delft het IDEAAL altijd het onder­spit en de REALITEIT - hoe rot die bij gelegenheid ook is ­wint het glansrijk. Elk mens leeft in zijn eigen realiteit en daarin moet hij zijn eigen vrijheid zoeken; terwille van een ideaal tégen die realiteit te gaan vechten is NUTTELOOS want mèt het SNEUVELEN vervalt elke mogelijkheid tot een beter leven. Het is dus zaak GEEN PARTIJ TE KIEZEN en dit is precies datgene dat Erasmus beseft heeft in de levensgevaarlijke tijd waarin hij leefde. Toen lag de noodzaak van een dergelijke houding vlak voor de hand. Tegen het eind van zijn leven uit Erasmus zijn tevredenheid over het feit dat hij nooit partij gekozen heeft. Bij een andere gelegen­heid zegt hij dat de brandstapel hem te heet is; dat was naar aanleiding van het conflict van LUTHER met de ROOMSE KERK. Beide partijen wilden een bindende uitspraak van Erasmus , of hij al dan niet vóór Luther was. Maar Erasmus omzeilde de zaak en dat was niet alleen maar slimmigheid van hem. Met slimheid redt je het niet je leven lang, zeker niet in die tijd, toen elke rechtszekerheid ver te zoeken was, mede door het feit dat de Roomse kerk in PANIEK was door het snelle afbrokkelen van haar macht.

 

Erasmus kón geen uitspraak doen; enerzijds beviel het hem dat Luther de mis­standen in de Roomse wereld te lijf ging en dat via de hervormers de weg geopend werd voor het vrije denken en de per­soonlijke verhouding van de mens tot datgene dat hij voor behoorlijk hield, maar anderzijds stuitte het POLITIEKE ge­konkel van LUTHER en diens boerse zwart-wit denken Erasmus tegen de borst. Bovendien trachtte Luther vaak met unfaire middelen Erasmus klem te rijden, met de bedoeling hem te dwingen voor Luther partij te kiezen. Maar dat is allemaal niet gelukt hoewel het Erasmus toch vaak in een moeilijk parket gebracht heeft.

Erasmus schreef aan de paus dat hij de hervorming met grote belangstelling volgde en dat zijn bemoeienissen ermee lou­ter vanuit een oogpunt van STUDIE bekeken moesten worden. De zaak was van belang voor zijn "schone letteren” waarom het hem uitsluitend te doen was. Alles viel onder de schone let­teren, d.w.z. hij bracht àlles onder in zijn VAK en hij liet zijn PRAKTISCHE LEVEN angstvallig buiten de sfeer van zijn DENKEN.

Het is hem vaak verweten dat hij geen partij gekozen heeft; dat verwijt komt natuurlijk van de mensen van het VOOR EN TE­GEN. De mensen die vinden dat IDEALEN er zijn om ervoor te sterven. Erasmus had daar geen zin in, een LEVENDE Erasmus kon NUTTIGER zijn voor de mensheid dan een dode. En daarbij komt natuurlijk dit belangrijke feit, dat Erasmus het allemaal te STOM vond om er achter te gaan staan. In dat geval heb je maar met één ding rekening te houden: met de OVERMACHT. Tegen iemand met een geweer richt je niets uit; de mensen die de macht hebben over leven en dood van andere mensen moet je altijd gelijk geven want er is NIETS te stellen tegenover hun gewelddadigheid, terwijl je voor jezelf zeker weet, dat ZIJ idioot zijn, want anders loop je niet met een geweer je wil door te zetten. Het geeft dus niets om ze gelijk te geven, maar het is wel van levensbelang dat ze je MET RUST laten. En dan bewijst je PRAKTISCHE leven wel dat je deugt - daarvoor behoef je niet met idealen te schermen. De ONVOLWASSEN MENS heeft een AFKEER van het dagelijks leven, en die afkeer wordt er naarmate de ontwikkeling verder gevorderd is. Hoe meer iemand PERSOONLIJK in zijn eigen ontwikkeling, en dus in zijn eigen CULTUUR, betrokken is, hoe meer hij met IDEALEN loopt.

 

Vanuit deze gesteldheid ziet hij geen vreugde in het gewone leven, want LEVEN is voor hem LEVEN IN EEN IDEAAL en het dagelijkse leven is BANAAL en STOFFIG en het wordt gevuld met beroerde dingen zoals werken, je brood verdienen, achter je kinderen aansjouwen, doen wat de baas of de politie-agent zegt, enzovoort. Zonder een glimp van VERHEVENHEID, zonder zelfs enige rechtvaardiging. Begrijpelijk dat een dergelijk leven niet als de maat genomen wordt voor het al of niet deugen van een mens. Zijn WOORDEN zijn de maat, zijn DENKEN is de maat. En eventueel ook zijn DADEN, maar de daden van een mens zijn heel wat anders dan datgene dat je in het dagelijkse leven DOET. Het GEDOE van èlke dag gaat VANZELF; het ligt helemaal ingekapseld in de werkelijkheid die ieders leven is. Een DAAD – in de gangbare opvatting van het woord – wordt door de mens GESTELD en het is een handeling die het gevolg is van een GEDACHTE.

Die Tsjechische student, die zich onlangs verbrandde, stelde een DAAD: het kwam voort uit een GEDACHTE. In het dagelijkse leven komt de GEDACHTE niet voor; er is daar slechts HET DENKEN (het geeft niet op welk niveau) en dat dènken is een organisch PROCES waar nooit een GEDACHTE uitspringt. Dat is goed en het is de bron van het GEDOE van de mens, hoe banaal het hem bij gelegenheid ook voorkomt. Het is altijd overeenkomstig de REALITEIT omdat het ORGANISCH is. Hij is UITGELICHT uit het voorgaande proces, is op zichzelf gesteld en hij kan als gevolg hebben dat er een DAAD gesteld wordt. Zo’n daad ligt de ONVOLWASSEN mens, waarin vindt hij de maat voor zijn menselijkheid. Maar het heeft niets om het lijf, voorzover het een DAAD is; het had beter een GEDACHTE kunnen blijven, want een gedachte is voor de mensheid NUTTIG. Zodra echter die gedachte aanleiding is tot DADEN is de zaak tot een IDEAAL geworden en dan is tevens het dagelijkse leven een BANALITEIT, in plaats van de BASIS voor alle mogelijkheden van de levende mens. Zonder die BASIS is alles een FICTIE, hoe groots soms ook een DAAD schijnt. Gewone mensen zien doorgaans van alle daden af; wij plegen daar meesmuilend op neer te zien… wij vinden dan dat er “niks bij zit”. Maar ook ERASMUS zag van zij  daden àf, en hij was geniaal en een man van groot geestelijk gezag voor de toenmalige mensen. Maar zijn genialiteit maakte van hem geen idealist; hij leefde HIER EN NU.

 

Zijn denbeelden lijken VOOR ONS idealen, maar wij kùnnen het niet anders denken. De “gewone" mensen geven Erasmus gelijk, zij vinden het heel normaal dat iemand probeert uit de klauwen van de roofdieren te blijven. Het zijn vooral de intellectuelen die met kritiek komen - juist de mensen dus, die gewoonlijk in hun GEDOE van alle dag niet zo bijzonder rechtlijnig zijn en die ook niet zó precies weten waar de grenzen lig­gen van het PRAKTISCHE LEVEN. De intellectuelen zijn de men­sen aan wie de REGELING van de samenleving te danken heb­ben, en het zijn de lui die ons vertellen dat je om één uur uit de kroeg moet - ook al is het er gezellig. En zij vin­den ook dat je OPGEVOED moet worden en dat je POLITIEK BE­WUST moet zijn. Zij begrijpen niet hoe de Russen het in hun land uithouden onder het communistische bewind en zij be­grijpen niet hoe de negers in Rhodesie kalm kunnen blijven nu er ook daar apartheid komt. Want zij hebben geen kijk op het dagelijkse leven; zij kennen dit hoogstens uit de STATIS­TIEKEN. En daarom tasten zij vaak het praktische leven aan als zij iets te zeggen hebben over anderen. Zij houden b v. een LEGER op de been om het vaderland te beschermen. En nu nemen wij even aan dat deze bescherming nodig is.

Dan is het LEGER, d.w.z. een DIENSTPLICHTIG leger een regelrechte AANTASTING van de praktische VRIJHEID van de mens. De dienstplichtigen zijn gedwongen hun dagelijks GEDOE in de steek te laten en te gaan marcheren… in een leger dat bovendien nauwelijks die naam verdient omdat niemand er wèrkelijk ach­ter staat.

Als de intellectueel wist wat de betekenis van het dagelijkse leven was, dan begreep hij dat dàt het enige is dat te VERDEDIGEN valt en dan zorgde hij ervoor dat een ieder in staat was zijn VOORDEUR te verdedigen. Hij zorgde ervoor dat iedereen de GRENS van zijn PRAKTISCHE LEVEN verdedigen kon. Overigens is dàt de ENIGE effectieve manier van verdediging, en dat is niet voor niets zo.

En er wordt op deze wijze niemand aangetast.

Op zijn wijze had ERASMUS ook zo'n verdediging: hij was na­melijk nooit thuis, want hij hàd doodeenvoudig geen thuis en dat is in een wereld vol van rechtsonzekerheid en verraad nog niet eens zo gek bekeken. Het is dan ook wel gebeurd dat hij voor de een of andere lastige pauselijke gezant de benen nam om hem dan later onverwachts en goed voorbereid met een bezoek te vereren.

 

Op zijn eigen tijd en op zijn eigen manier…! In die wereld van toen kòn je geen “VOORDEUR” hebben want je kon nergens thuis zijn.  Tegenwoordig gaat dat wel in het westen en is er wat dit betreft wel degelijk wat te verdedigen. Vaak is die "voordeur", dat thuis, maar een schamel geval. Als wij denken aan de negers in ZUID AFRIKA, en in RHODESIE, met die apartheid dan is het duidelijk dat daar een héél povere praktische vrijheid ligt. Toch heeft een IAN SMITH gelijk als hij zegt dat de mensen daarmee blij zijn, want het is in elk geval wàt en dat is al meer dan menig ànder zeggen kan. Er is wat werk voor de mensen en er is wat ze­kerheid en dan gaat voor  IEDEREEN het dagelijkse leven betekenis krijgen. Bij de CHINEZEN is het zo gegaan, bij de RUS­SEN, zelfs bij de SPANJAARDEN onder FRANCO. Wat ànders is of de heren bewindhebbers DEUGEN, maar zeker is het dat zij nooit helemaal met lege handen kunnen komen, want in dat geval zou er voor hun aanwezigheid geen BASIS zijn. Dat mis­dadige lieden in die landen aan de top kunnen komen is al­leen maar ònze SCHULD, maar die mensen dáár hebben volkomen gelijk als zij het kleine beetje DAGELIJKS LEVEN pakken als de kans geboden wordt. En natuurlijk houden zij dan hun mond want KLETSPRAATJES leveren alleen maar onvrijheid op.

Wij willen dan die mensen OPSTOKEN: zij moeten dit en zij moeten dat, en snap je nou dat die mensen dat nemen..?”, maar als wij werkelijk zo doortastend waren moesten wij eens beginnen een einde te maken aan de algehele plundering door er allemaal zelf mee op te houden. Dan is op den duur Zuid-Afrika, en Rhodesie, en Spanje en Angola en…, en…niet meer mogelijk. Het zijn de westerse BELANGEN die van­daag de misdaad van de wereld uitmaken, maar het is heel ge­woon als onder die mantel van misdaad de gewone mensen blij zijn met een klein beetje LEVEN. Als die BASIS eenmaal gelegd is komt de rest vanzèlf.

De wereld komt niet terecht langs de IDEALEN - hoewel die er niet uit wèg kunnen - maar via het DAGELIJKSE LEVEN van de mensen en daarom pakken zij dit ook direct, al is het nog zo pover. Wij vinden dit laf en slap, maar een weldenkend mens zegt mèt ERASMUS:

 

MIJ IS DE BRANDSTAPEL TE HEET

++++++

 

Beste lezer,

Wij moeten dit jaar ook maar eens aan VACANTIE doen; de meeste mensen zijn op het ogenblik weg en het is wellicht toch wel goed om straks met frisse moed weer aan de slag te gaan.

Als deze brief U bereikt is de laatste voordracht van dit seizoen al achter de rug, namelijk die van dinsdag 15 juli. De eerste voordracht in het nieuwe seizoen valt op DINSDAG 19 AUGUSTUS 1969

en het onderwerp is wéér: "DE VROUW EN DE MAN”.

 

Een prettige vacantie toewensend,

Jan Vis.

 

Briefnummer 4: Het ongedierte vreet het andere op-Iwan Karamazow

 

Briefnummer 5: De moderne mens en de sport

 

Briefnummer 6: De vrede in deze wereld

 

Briefnummer 7: Het arbeidsevenwicht

 

Briefnummer 12: Rassenvraagstuk

 

Briefnummer 14: De brandstapel is mij te heet

 

Briefnummer 15: De papieren waarheid

 

Briefnummer 16: Pornografie

 

Briefnummer 17: Iets over de liefde en de verveling

 

Briefnummer 18: De vrijheid van spreken

 

Briefnummer 19: Het luchtledige

 

 

 

CENTRUM VOOR FILOSOFIE – ROTTERDAM(1969)

Terug naar: STARTPAGINA

 

BRIEF No.15 - augustus 1969

 

 

De papieren waarheid

De laatste tijd is er weer deining geweest rond de figuur van WEINREB; in de kranten hebt U allerlei publicaties kunnen le­zen, sommige van een positieve strekking en de meeste nega­tief. Het spreekt welhaast vanzelf dat er in de negatieve publicaties beschuldigingen geuit worden inzake sexuele prak­tijken, die WEINREB er op na schijnt te houden, en ook inzake MEDISCHE praktijken. Het "ongeoorloofd uitoefenen van de ge­neeskunde", heet dat dan.

Nu gaat het mij er niet om U uit te leggen dat die beschul­digingen niet wáár zijn; ik weet niet wat er FEITELIJK waar is, maar zóveel is er toch wel met recht van te zeggen dat zowel de beschuldigingen als de loftuitingen een sfeer heb­ben die aan de HEKSERIJ doen denken. De beschuldigingen aan het adres van de heksen en heksenmeesters bewogen zich ook altijd op het terrein der sexualiteit en der geneeskunde, en zij waren ook gericht tegen lieden die INTUITÏEF de bestaande en geordende maatschappij niet au sérieux konden nemen, hoe­wel zij wel ècht in die maatschappij leefden. Zij leefden dus niet in een IDEE, die de bestaande orde àfwees, maar zij leefden gewoon met iedereen mee, om tevens toch aan het zo­geheten LEGALE geen enkele waarde toe te kennen. En nogmaals: dit niet vanuit een IDEE, maar vanuit een bijna VROUWELIJKE INTUITÏE, een vrouwelijke culturele gesteldheid.

Het vrouwelijke namelijk kènt geen LEGALITEIT, netzomin als het het RECHT kent, en de WET en de REGELS. Dit wil niet zeg­gen dat het DUS illegaal moet zijn, maar het betekent wèl dat het onmiddellijk illegaal kàn zodra daartoe de noodzaak aanwezig is en dan heeft dit illegale gedoe een zodanige VANZELFSPREKENDHEID dat de aanbidders van het officiële er om te beginnen stevig invliegen…

Dat ik U hierop wijs komt doordat ik intussen het eerste deel van "Collaboratie en verzet " heb gelezen. Dit boek heeft WEINREB geschreven om ons te vertellen hoe hij in de oorlog de Duitsers bij de neus genomen heeft en zodoende een groot aantal JODEN uit de vernietigingskampen heeft weten te hou­den. Dit verhaal is buitengewoon boeiend en bovendien is het uitstekend geschreven - hier en daar lijkt het wel of onze goede Dostojewski aan het woord is - maar als het meest be­langwekkende wil ik thans iets anders naar voren halen: het hele betoog is één voortdurende AANTASTING van de PAPIEREN MENS, de mens voor wie HET DOKUMENT de enige realiteit is en blijft, ook al staat de dood levensgroot voor de deur.

 

Het frappante van WEINREB is, dat hij van deze gedachte niet UITGEGAAN is - in dat geval had hij de zaak nooit vol kun­nen houden, want die GEDACHTE sneuvelt altijd wel ergens aan de praktijk. De gedachte zelf is later bij WEINREB opgekomen, maar het eerste was de PRAKTIJK. Dus weer het INTUÏTIEVE ge­doe. Vandaar dat alles zich VANZELF ontwikkelde en tenslotte een aantal gewichtige Duitsers in zijn ban gevangen hield.

En niet alleen de Duitsers! Zelfs na de oorlog zette de zaak zich ongewild voort en bracht WEINREB op gevoelige wijze in aanraking met de rechter. Zelfs mensen van wie WEINREB het leven gered had maakten hem later de heftigste verwijten om­dat hij illegale wegen bewandeld had.

Dit nu is VOOR ONS het belangrijke van dit boek dat wij de mens zien als SLAAF van datgene waarin zijn eigen cultuur culmineert. De mens is slaaf van de BEREKENING; hij buigt zich voor HET PAPIER waarop de berekening concreet gestalte krijgt en de waardeloosheid en ook de MISDADIGHEID ervan dringt niet tot hem door. Kan ook niet tot hem doordringen omdat hij helemaal zelf dat PAPIER is.

WEINREB wijst erop dat de overgrote meerderheid van de men­sen GEZAGSGETROUW is en het schijnt dat dit bij de toenma­lige JODEN zelfs in sterke mate het geval was. En de zoge­naamde OOSTJODEN, die dus uit de Oost-Europese staten kwamen, maakten het al helemaal bont met de onderdanigheid ten aanzien van het gezag. Het kwam dan ook niet in de mensen op iets anders te doen dan voorgeschreven was. Zo namen zij alle ADMINISTRATIEVE maatregelen zonder meer serieus en zij deden alles precies zoals het moest; ook als het zo langzamerhand al wel duidelijk was geworden dat het naleven van de bepalingen een wisse dood betekende. Wij hebben hier dus niet alleen maar te doen met de zogenaamde "lijdzaamheid" van de Joden. Het gaat over een gesteldheid in de mens die voortkomt uit de verhouding tussen de ENKELING en de OVERHEID, en deze gesteldheid is niet alleen maar Joods. Wij treffen hem bij alle mensen aan, hoewel hij niet bij alle mensen even zwart-wit naar voren komt. Hierbij moeten wij natuurlijk ook de omstandigheden in aanmerking nemen: een Nederlandse VER­ZETSSTRIJDER werd ook ILLEGAAL genoemd, maar hij zag ZICH­ZELF als eigenlijk de enige LEGALE. Hij gehoorzaamde dan ook aan die mensen die voor hem het werkelijke GEZAG vertegenwoordigden en ten opzichte van die mensen dacht hij er niet aan de dingen anders te doen dan voorgeschreven. Voor de Joden was er eigenlijk geen EIGEN gezag; zij hadden nooit een eigen staat, want dat aspect lag nu eenmaal niet in hun CULTUUR besloten. Zij gehoorzaamden het (toevallige) gezag van de staat waarin zij gastvrijheid genoten. Voor hen was derhalve het DUITSE GEZAG, toen het er eenmaal was, werkelijk GEZAGHEBBEND en dat temeer toen de UITOEFENING ervan in handen kwam van hun eigen mensen: de JOODSE RAAD. Een ander gezag wàs er voor hen niet en dus was er geen keus: òf zij moesten gehoorzamen, òf werkelijk ILLEGAAL worden. En voor dit laatste voelt vrijwel niemand iets. Je valt dan ook in een volkomen LEEGTE. Elk houvast en elke zekerheid zijn prompt verdwenen en er is niets meer waarop je je in geval van nood beroepen kunt. Het leven heeft voor de mensen dan iets van de DOOD; er is niets meer werkelijk belangrijk en elk moment kan het laatste zijn. Dat dit einde met zekerheid komt en niet zo lang op zich zal laten wachten staat ook al voorbaat vast. Wie kan er leven onder zulke omstandigheden? Alleen een volkomen LOSGESLAGEN mens, of een mens die een sterke feeling heeft op het feit dat al het gevestigde en het vaststaande “nur ein Gleichnis” is zoals GOETHE reeds wist op te merken. Het is een SYMBOOL, een SCHIM, die grote SCHIJN van zekerheid heeft, maar die niet ècht zeker is. Dit te WETEN heeft geen zin; een eenvoudig rekensommetje leert ons dat het klopt wat GOETHE zei, maar deze gedachte te ZIJN is een heel àndere zaak, en deze zaak wortelt in een besef van menselijkheid dat boven èlke CULTUUR uitgaat, maar dat door de dragers zèlf van die cultuur ervaren wordt als iets MINDERWAARDIGS en iets GEVAARLIJKS. Tot die "dragers" behoren vrijwel alle mensen - het geeft niet tot welk kamp zij behoren. In het geval van WEINREB was dat ook bijzonder duidelijk: voor de Duitsers deugde hij niet, maar voor de Nederlanders, toen die weer terug waren, deugde hij zonodig nog minder. Want die wa­ren voor Nederland het wèrkelijke GEZAG en stonden dus nog negatiever tegenover een figuur als WEINREB.

Als ik spreek over MENSELIJKHEID bedoel ik daar niets "fijns" mee; de LEGER DES HEILS MENSELIJKHEID, die wij kennen, heeft met dit alles niets te maken. Het gaat eenvoudig om het feit dat iemand beseft wie de mens eigenlijk is - en dat behoeft hem in principe helemaal niet te beletten bij gelegenheid een schurk te zijn. Dit laatste is een kwestie van AANLEG en dit is dus maar “zoals het valt”, maar het eerste GELDT voor IEDEREEN - al moet je er wèl weer aanleg voor hebben om dit te bemerken. De menselijkheid is de verhouding zoals die voor de mens ligt - dat is àlles. Beseft iemand die verhou­ding, dan heb je grote kans dat hij ILLEGAAL is in zijn ge­doe. Voor ons, twintigste eeuwse westerlingen, is hij dan een mens die lak heeft aan de PAPIEREN AFGOD. Het is dan dus ook iemand, die met die afgod kan SPELEN en hem nèt zo kan laten doen als hij zèlf wil.

Dat gold ook voor de vroegere MAGIERS en TOVENAARS, en daarom is het niet voor niets dat ik deze brief begonnen ben met een opmerking over HEKSERIJ. Die hele wereld van het bijgeloof komt neer op enerzijds de AFGOD waarvoor iedereen als vanzelf buigt, en anderzijds een paar mensen die met die afgod weten te spelen omdat ze er lak aan hebben. Omdat ze er doorheen zien zoals ze door àlle afgoden heen zien. Nogmaals: dit heeft niets met VERHEVENHEID of GENIALITEIT te maken. Ik weet niet of WEINREB geniaal is of dat hij alleen maar een schurk is; maar wat doet het ertoe? De werkelijkheid van mensen, zoals die in dat boek getekend wordt, is een werkelijkheid van AF­GODENDIENAARS en één enkele afgod: HET DOKUMENT. En die te­kening in dàt boek is helder en indringend.

Het ging dus over de PAPIEREN AFGOD. Terecht wijst WEINREB erop dat het hele proces van uitroeiing van de Joden een ADMINISTRATIEF proces was. De mensen kregen een briefje in de bus waarin hun trein vermeld stond, en dan gingen zij, zonder zich zelfs maar te realiseren dat de administratie van een dergelijk groot project wel een rotzooi MOEST zijn; laat staan dat het in ze opkwam er lak aan te hebben… Het stukje papier in de brievenbus, zoals het voorzien was van officiële stempels, was zonder meer een BEVEL van hoger­hand dat opgevolgd moest worden. Het stukje papier, het "zwart op wit" is de zekerheid van deze moderne wereld. Al eerder heb ik erop gewezen dat de moderne cultuur een BERE­KENING is; de uitkomsten van die berekening zijn de onaan­tastbare WAARHEDEN van die cultuur en die waarheden staan genoteerd op het papier. Zo wordt dit papier tot een DOKU­MENT: het is de waarheid waaraan iedereen zich te houden heeft. Het GEZAG, de AUTORITEIT, blijkt uit de dokumenten en het is op zichzelf alleen maar een enorme hoeveelheid dokumenten. Bij niets is de mens persoonlijk betrokken; hij rekent en noteert en het resultaat daarvan gaat weer naar anderen die ook rekenen en noteren, en zo ontstaat er een papieren samenleving, WAARIN NIEMAND PERSOONLIJK BETROKKEN IS. En niemand is in staat zich erin te betrekken, want aan het grote samenstel van BEREKENINGEN is niets te veranderen. Het één volgt logisch uit het ànder en het eindresultaat is een gehele samenleving.

Een BEREKENING zèlf is niets; hij is vluchtig als de gedach­te en hij sorteert op zichzelf geen enkel effect. Het wordt pas wat als het de mens om die berekening te doen is. En dat is het geval bij de MODERNE MENS. Die heeft ontdekt dat de werkelijkheid een samenstel van afzonderlijke elementen is en dat je de verhoudingen daartussen kunt uitrekenen. En zoals de uitkomst van die berekening is, zó zit het en dus heeft men zich ook daaraan te houden. De berekening wordt dus plechtig VASTGELEGD en daarmee wordt er AUTORITEIT aan verleend. Alle moderne mensen buigen voor die autoriteit; voor een onderdrukker buigen zij niet en zij laten zich niets opleggen dat in strijd met hun RECHTEN is, maar voor een LEGAAL DOKUMENT knielen zij. Als de papieren uitwijzen dat iets overeenkomstig de redelijke berekening is, dàn is het goed. Let U maar eens op: alle schanddaden in de wereld gaan tegenwoordig ADMINISTRATIEF. Als de zaak WETTIG is, dan valt er niet aan te tornen. Maar wie bepaalt de wettigheid? Volgens welke norm is onze regering WETTIG?

Wie zegt dat LUNS en DE JONG en die vele anderen op LEGALE wijze in een  positie gekomen zijn om de lakens te kunnen uitdelen?


Volgens welke berekening is het optreden van de politie wettig en waarom kunnen grote hoeveelheden kostelijk voedsel vernietigd worden op volkomen legale wijze?

Er gaat binnenkort nog een extra oorlogsschip naar CURACAO omdat ze dan beter kunnen oefenen. Natuurlijk: dat is allemaal wettig. Maar alweer: volgens welke berekening?

Deze vragen echter stellen wij ons niet, en àls wij ons die wèl stellen komen wij er toch niet ver mee want de papiermo­len draait toch zoals-ie draait. Het dokument is onze afgod; wij reageren op èlk officieel briefje in onze brievenbus. Dan is het weer doorlichten, dàn een oproep voor herhalingsoefe­ningen, een volgende keer roept de inspecteur van de belas­ting ons op - en ga zo maar door. En wij blijven er alsmaar op reageren, want je MOET wel, het is het GEZAG. Een schreeuw­lelijk aan de deur kan doodvallen, maar een officieel briefje is HEILIG.

De regering wordt volgens een bepaalde BEREKENING gekozen; aan die berekening MOETEN wij meewerken, en dan komt er een groepje EERBIEDWAARDIGE MANNEN uit de bus… dat zijn WET­TIGE figuren; zij zijn voor ons onaantastbaar omdat ze strikt volgens de berekening uitgekozen zijn. Die berekening is ook onze berekening en dus doen wij er graag aan mee en brengen zoetjes onze stem uit. Niet meer te mogen stemmen is voor de meesten van ons een ramp. Bijna niemand van ons komt op het idee niet eens te WILLEN stemmen, want wij vindèn allemaal dat dan de berekening niet meer klopt. Dan is de boel niet meer LEGAAL. Dat er in FEITE helemaal niets legaal gebeurt ontgaat ons in onze papieren verblinding; dat er in feite GEEN ENKELE WETTIGE REGERING BESTAAT, ontgaat ons; dat lega­liteit en wettigheid FICTIES zijn, bemerken wij niet. Dat het dus eigenlijk helemaal zo gek niet is dat wij prompt met on­ze eigen berekeningen GAAN ROMMELEN, dringt niet tot ons door! De levende werkelijkheid is niet in een berekening te vangen en daarom kàn de mens het gerommel niet laten. Hij vindt natuurlijk wèl dat dit allemaal eigenlijk niet te pas komt, want het liefst zag hij alles volgens een glasharde be­rekening, zoals de COMPUTER dat doet. Maar ja, de mens is nou eenmaal ZWAK.

 

Alles wat in deze wereld tot een succes wordt - en dat kan van àlles zijn: een technische prestatie, een samenleving, een bouwwerk, enzovoort - dankt dit succes niet in de eer­ste plaats aan de BEREKENING, maar aan de INTUÏTIE.  


De bere­keningen komen zo goed en zo kwaad als het gaat later, maar vaak krijgen we ze niet eens sluitend. De INTUÏTIE, d.w.z. de NIET TE BEREKENEN WAARHEID, is de enige norm waarlangs alles gaat in de wereld. Het ontduiken van de reglementen is volgens ons denken ILLEGAAL, maar het is lang niet altijd NEGATIEF - alleen dit laatste willen wij niet zo graag toe­geven omdat wij ons toch maar lekker veilig voelen bij de reglementen. De mens die LEEFT is altijd een ILLEGALE, zo­lang de mensheid nog ONVOLWASSEN is; dat dit leven ook een MOGELIJKHEID tot misdadigheid inhoudt doet nu niet terzake. Maar natuurlijk wordt de ILLEGALE MENS door zijn broeders van allerlei beschuldigd. ZAKELIJKE KWESTIES leggen hierbij nauwelijks gewicht in de schaal: die laat je immers door de RECHTER uitzoeken. De zakelijkheid is door en door een bere­kening, dus op dat punt wekt de illegale mens geen wrevel bij ons op. Hij doet dit alleen PARTICULIER, en dan kàn het over niets anders gaan dan over het SEXUELE, want dat is het LEVEN voorzover twee mensen EEN zijn, en over het ZUIVER LICHAMELIJKE, want dat is het LEVEN voorzover dat in je lichaam wèrkelijk aanwezig is. Hier komen we dus op het terrein van het MEDISCHE en wat daarmee samenhangt.

Ik wees U er al op dat de heksen en tovenaars altijd op twee terreinen werkzaam werden geacht: ten eerste dat der sexuali­teit en ten tweede dat wat met het leven in het lichaam te maken heeft. De GEZONDHEID dus. Dit laatste is in de moder­ne tijd op de achtergrond geraakt omdat “het leven in het lichaam” een té duidelijk VROUWELIJKE aangelegenheid is, maar het geroddel op het gebied van de sexualiteit is er des te erger om. Ieder ongewoon mens wordt verdacht van sexuele uitspattingen, want in die vorm uiten wij het ver­moeden met een mens te doen te hebben die ILLEGAAL is, een mens die de brutaliteit heeft te LEVEN. En nu denkt U mis­schien dat er toch wel iets waar kan zijn van die verdacht­makingen want U bent van mening dat geen enkel gerucht hele­maal zonder grond is, en dan kunnen we maar één ding zeggen: láát het waar zijn, want zeker is dat illegale mensen anders leven dan de meeste mensen. Voor hen ligt de WAARDE anders en zij kijken niet als een koe aan tegen alle loodzware ge­wichtigheden van deze wereld.


Zij binden er de strijd niet mee aan, niet omdat zij dat niet zouden durven, maar omdat de zaak ze te onbenullig is; en als de druk van de gewichtig­heden onder omstandigheden té zwaar wordt, dan spelen zij mee met het gewichtige, zoals een bokser meeveert met de stoot die hij te incasseren krijgt.

Deze àndere gesteldheid heeft natuurlijk een ander levens­beeld tot resultaat, en in dat levensbeeld komen gegarandeerd dingen voor die wij schandalig vinden, maar wat heeft òns NORMBESEF voor waarde? Wij hebben al zoveel schandalig gevon­den dat bij nadere beschouwing menselijk heel wat meer waard bleek te zijn dan ons fatsoenlijke gedoe. Ons normbesef, van de eenvoudigste mens tot en met de hoogste rechter die de zaak beoordelen moet, is een normbesef van nul en generlei waarde, want voor ons is alleen maar "twee maal twee is vier" de maat, en dat heeft niets met een BESEF en àlles met een dorre, levenloze en dus ONMENSELIJKE BEREKENING te maken.

De wereld waarin WIJ leven, d.w.z. ONZE WERELD, die wij alle­maal TEZAMEN maken, is niet zo'n erg fraaie wereld, en onze waarheden zijn niet zulke erg fraaie waarheden, dus wat doet het ertoe of wij van bepaalde feiten menen dat zij WAAR zijn?

 

Zie ook: Het luchtledige - WEINREB - BRIEFNR.19

 

STEMMEN zie nrs. 4(kiesstelsel) -  15 - 18 en 19(kiesstelsel)

 

+++++++++++++++

Beste lezer, tot de volgende keer,

Jan Vis, creatief filosoof.


 

 

 

Briefnummer 4: Het ongedierte vreet het andere op-Iwan Karamazow

 

Briefnummer 5: De moderne mens en de sport

 

Briefnummer 6: De vrede in deze wereld

 

Briefnummer 7: Het arbeidsevenwicht

 

Briefnummer 12: Rassenvraagstuk

 

Briefnummer 14: De brandstapel is mij te heet

 

Briefnummer 15: De papieren waarheid

 

Briefnummer 16: Pornografie

 

Briefnummer 17: Iets over de liefde en de verveling

 

Briefnummer 18: De vrijheid van spreken

 

Briefnummer 19: Het luchtledige

 

 

 

 

 

CENTRUM VOOR FILOSOFIE – ROTTERDAM(1969)

 

Terug naar: STARTPAGINA

 

BRIEF No. 16December 1969

 

De pornografie

Deze keer, beste lezer, ga ik U een brief schrijven over een onderwerp, dat er helemaal niet is… ik weet niet hoe het U vergaat, maar mij wil het nog wel eens overkomen dat ik plotseling tot de verpletterende ontdekking kom over iets nagedacht te hebben dat helemaal niet bestáát! Wellicht is dit dan toch een nuttig aspect van het denken dat je erachter komt dat er een groot aantal dingen zijn die je zómaar te­ water kunt laten!

Nu spreek ik niet over VOOROORDELEN, die je eventueel kwijt raakt door het denken. Het is trouwens nog maar de vraag of je niet al denkende het éne vooroordeel inruilt tegen het andere; tenslotte is het immers toch zo dat je aan het oor­delen bent en om dit te kunnen doen moet er IETS VASTSTAAN. Dat komt er meestal op neer dat je zèlf iets VASTSTELT - en dan vraag ik onmiddellijk welke reden er is dit geen voor­oordeel te noemen. Dus, als het over vooroordelen gaat heb ik er niet zo erg veel vertrouwen in. Bovendien, en dat is veel belangrijker, blijft in dit geval de zaak waarom het gaat gehandhaafd. Hij wordt slechts opnieuw BEOORDEELD. Maar wat ik nu bedoel is geheel iets anders: de zaak zèlf verdwijnt als sneeuw voor de zon! En er blijft niets over waaraan je enig houvast hebt. Laten we maar eens zien hoe het met het begrip PORNOGRAFIE gesteld is.

Wij hebben dit woord geconstrueerd uit een paar Griekse woorden: HO PORNOS, en dat betekent "hij die zich aan on­tucht overgeeft", en GRAFEIN dat "schrijven" betekent. Aan­gezien ik geen Grieks ken, en als ik het wèl zou kennen nog sterk zou betwijfelen of ik het kènde, durf ik niet te zeggen of we, behalve met Griekse WOORDEN, ook nog met Griekse BEGRIPPEN te doen hebben.

 


Maar deze vraag is nu niet belang­rijk - dat zou hij zijn als we ons met de Griekse CULTUUR bezig hielden.

In ieder geval gaat het over schrijverij over ONTUCHT. Dat weten we dan.

Ons wetboek van strafrecht is gelukkig bijzonder duidelijk: het gaat daar over een "geschrift", een “afbeelding” of een “voorwerp” dat voor DE EERBAARHEID AANSTOTETELIJK is. Zaten we daarstraks met het verhelderende woord ONTUCHT, nu heb­ben we er in één klap twee bij: EERBAARHEID en AANSTOTELIJK. Dit is op zichzelf nog niet genoeg, want voor de JEUGD zit het nog weer even anders: daar kan iets geschikt zijn om de ZINNELIJKHEID VAN DE JEUGD TE PRIKKELEN. Weer twee erbij: zinnelijkheid en prikkelen. Bovendien is de zinnelijkheid blijkbaar iets dat bij de jeugd behoort.

In België, tenslotte, moet de zaak strijdig zijn met DE GOEDE ZEDEN .

Vatten we het geheel samen, dan komen we tot de volgende stelling: het schrijven over ONTUCHT is in strijd met de GOEDE ZEDEN, het is voor de EERBAARHEID AANSTOTELIJK en het is geschikt om de ZINNELIJKHEID van de jeugd te PRIKKELEN. Daar staat het hele verhaal; er is geen woord Frans bij, alles is klaar en helder Nederlands. Elk woord wordt dage­lijks gebruikt in onze taal en er is niemand die vraagt: "wat bedoel je?". De woorden worden gehanteerd zoals tele­visies en auto's gehanteerd worden, zonder dat het noodza­kelijk is iets van de zaak te weten of te begrijpen. Weet U wat een "verticale beeldcorrectie" is? Ja, U weet het; dat is de derde knop van links. En U gebruikt hem als het beeld… (vult U dit zelf maar in want ik weet zelfs dit niet). Maar goed, wij HANTEREN allerlei dingen, en onder die din­gen nemen de WOORDEN een grote plaats in. Eigenlijk is een woord géén ding, het is een GEDACHTE en daarom is het iets dat VLUCHTIG is en ongrijpbaar. Het is op zijn wijze het LEVEN zèlf en het heeft nèt als het leven niets VASTSTAANDS aan zich. Maar de dingen staan vast, zij zijn BEPAALD en zij bestaan niet verder dan tot aan hun eigen grens. De dingen hebben een FUNCTIE zoals alles wat de mens gemaakt heeft een functie heeft. En zo zijn onze woorden ook steeds meer MAAKWERK met een zekere functie; al waren zij dat oorspronkelijk niet.

 


Daarom rommelen wij tegenwoordig zo met on­ze woorden en daarom buigen zich taalkundigen over de taal en komen zij met plannen allerlei te wijzigen. Zij vinden het normaal dat je aan een taal sleutelt en wij vinden het, op onze lekenmanier, evenzo normaal . Wij gebruiken woorden die wij niet kènnen, maar die wij wèl weten toe te passen; wij kennen dus de FUNCTIE van die woorden.

Maar als je een woord niet kènt, dan ZEG JE MAAR WAT. Zodra je de woorden wel kent zijn er een heleboel die je niet meer gebruikt, omdat die woorden geen INHOUD hebben. Een woord zonder inhoud IS GEEN WOORD, het is holle wind; het gebruik van die inhoudsloze woorden kenmerkt de gebruiker als een KLETSKOUS, die net zo oppervlakkig is als de handleiding van de televisie. Die handleiding vervult een functie en die kletskous ook, maar het is niet méér dan dat. Een handlei­ding kàn niet anders doen dan een functie vervullen, maar met het woord van een mens is dat anders: dat HEEFT een functie maar daarom gáát het niet, het gaat om de gedachte zelf. Nemen wij bijvoorbeeld het woord EERBAARHEID. Wat is dat eigenlijk? Het betekent zoiets als KUISHEID, maar wat is nou kuisheid? Voor sommige mensen houdt het in dat je je ont­houdt van vrijen, voor anderen dat je het vrijen beperkt en voor weer anderen dat je als vrouw niet al te duidelijk je vormen laat zien, hetgeen ook een beperking is. En in die behoefte je niet teveel te laten zien en niet te vrijen of slechts onder zekere voorwaarden te vrijen kan je dan ook nog GEKWETST worden doordat anderen er blijk van geven een geheel àndere opvatting te huldigen.

Zo is het ook met de andere woorden die ik genoemd heb; zij duiden op een BEPERKING inzake het lichamelijke, en als iemand zich niet aan die beperking houdt dan kwetst hij de anderen. Want die zijn op dat punt zó gevoelig dat de ge­ringste aanleiding ze uit het evenwicht brengt. Op de een of andere manier slaat dat lichamelijke zo sterk aan dat je wel een muur van beton om je heen moet optrekken om niet het slachtoffer ervan te worden. Zelfs het STRAFRECHT heeft zich ermee bemoeid en het heeft het niet laten gelden van de beperking gesteld als een AANTASTING van de mens zoals roof of moord of mishandeling een aantasting van de mens is. Voorwaar geen kleinigheid voor een "recht" dat in principe het LEVEN van de mensen ongemoeid laat.

 


Dat voor het leven van de mensen - terecht - geen enkele NORM stelt en pas dan in het geweer komt als er een leven AANGETAST wordt. Kenne­lijk is dus de beperking inzake het lichamelijke geen kwestie van het LEVEN, maar van de maatschappij. Er wordt dus niet aan de mensen zèlf overgelaten zich al of niet beperkingen op te leggen, neen, het is een dwingende zaak… en dat kan alleen maar vanuit een CULTUURBESEF voortkomen want alles wat DWINGEND voor de mensen is en te maken heeft met het LE­VEN van de mensen komt uit die hoek.

En dan komen er prompt een paar dingen voor de dag die voor een cultuur - het geeft niet wèlke - karakteristiek zijn: het GELOOF, de MORAAL en de WET. Deze drie dingen komen dan voor de dag en zij zijn alle drie FICTIES; zij hebben geen enkele realiteit en je kunt ze dan ook niet terugvinden bij de verhoudingen die voor DE MENS gelden. Juist daarom komt niemand er achter wat de INHOUD van die zaken is; iedereen geeft zijn eigen lezing van het geval en bepaalt zijn eigen grens en niemand weet waarover hij het heeft omdat het over een fictie gaat. Weet U wat dat is: ZINNELIJKHEID? En wat zijn DE GOEDE ZEDEN? Nu moet U niet uit gaan leggen wat erover GEZEGD wordt door uzelf en anderen want dat is allemaal vanuit diezelfde fic­tie. U moet zeggen wat het IS. Wat IS moraal, wat IS de wet? En dan zult U bemerken dat U het niet weet; alles wat U er over zegt slaat op een BESTAANDE TOESTAND, maar niet op iets wezenlijks.

Legt U eens uit wat ONTUCHT is zonder op te sommen wat er onder VERSTAAN wordt en vertelt U dan ook maar meteen wat PORNOGRAFIE is…

Al deze woorden bestaan bij de gratie van de DISKWALIFICATIE; het is het afkeurenswaardige dat aan de woorden een schijn van realiteit geeft. Maar het is een SCHIJN, want in werke­lijkheid bestaan die begrippen niet. Gaat U maar na: wat wij bijv. ONTUCHT noemen is iets heel gewoons; er zijn bijvoor­beeld twee mensen aan het vrijen en daarvan zien wij een afbeelding of wij lezen erover, of er zijn bij een feest een heleboel mensen aan het vrijen en iedereen vrijt met wie hij of zij zin heeft zonder eerst de sanctie van het stadhuis aangevraagd te hebben, of wij zien afbeeldingen van een reli­gieuze processie uit de Griekse tijd waarbij op het hoogtepunt van het feest en van de roes de mensen kris kras door elkaar heen gemeenschap met elkaar hebben…

 


Dan zeggen wij: ONTUCHT, maar wat is er nu eigenlijk voor verkeerds aan als iedereen zich er wel bij voelt en niemand de ander er kwaad mee doet?

Tegenwoordig zijn er veel afbeeldingen in de handel van men­sen die aan het vrijen zijn op alle mogelijke manieren. Por­nografie, roepen wij dan en vinden het slecht en niet te pas komen. Waarom? Doen die mensen elkaar of een ander kwaad? Of doen zij iets dat niet tot het NORMALE GEDOE van de mens be­hoort? Het enige uitzonderlijke is dat wij, als BUITENSTAAN­DERS, het schouwspel gadeslaan en dat wij aan het spel zèlf geen deel hebben. En dit nu is het punt waar alles om draait. Elke reactie van de mensen op de sexualiteit of op iets wat daarmee te maken heeft - het naakt bijvoorbeeld - is de re­actie van een BUITENSTAANDER. En deze reactie wordt opgeroe­pen door de PRIKKELING die van het gebeuren uitgaat. Deze prikkeling is er altijd, ook bij de mensen die met veel drukte beweren AANSTOOT aan het geval te nemen. Vanuit een of ander DENKEN stoort het hen dàt zij geprikkeld worden en omdat dit BUITEN HEN OMGAAT voelen zij zich eraan beledigd. Dat dit wel een bijzonder kinderachtige, want ONVOLWASSEN gesteldheid is, behoeft dunkt me nauwelijks betoogd te wor­den. En het beroep van die mensen op de KUISHEID en op de GOEDE ZEDEN is al even belachelijk, temeer omdat beide be­grippen helemaal niet bestaan.

Tegenwoordig is het streven erop gericht alle TABOES te door­breken. Dat is een loffelijk streven want aan FICTIES hebben we niets. En inderdaad heeft de westerse mens al lang genoeg om de feiten heen gehuicheld… en dat hij nu eens wat schok­ken te incasseren krijgt is alleen maar heilzaam. En we kun­nen alleen maar hopen dat hij zo langzamerhand wat vrijer datgene gaat doen waarin hij zin heeft.

Als wij echter over de zaak nadenken komen er toch een paar dingen naar voren die de moeite lonen er even bij stil te staan. Wij zeggen dat de huidige westerse mens met zijn neus op de FEITEN gedrukt wordt. Dit echter staat nog te bezien omdat wij ons met recht af kunnen vragen of de GEPUBLICEERDE feiten wel de "feiten" zijn.

 

Ik bedoel dit: als wij nu een foto zien (denk aan het boek "Variaties") van vrijende mensen, dan zien wij feitelijkheden, die gepubliceerd zlJn; het zijn feitelijkheden WAARIN WIJ NIET BETROKKEN ZIJN. Wij zijn BUITENSTAANDERS.


U zult zeggen: dat is altijd zo met foto's en verslagen, en dan heeft U gelijk, maar alleen SEXUELE FEI­TEN hebben een andere WERKING en dat komt omdat de sexualiteit een SPANNINGSKWESTIE is. Tussen de vrouw en de man is altijd SPANNING omdàt zij TWEE POLEN zijn van EEN ZAAK. Deze span­ning nu wordt door zowel de vrouw als de man ONDERGAAN en dat is de PRIKKEL. Men VOELT de spanning. Als die spanning voor beiden een zekere sterkte heeft komen die twee ertoe zich te VERENIGEN; de prikkel die beiden ondergaan hebben komt tot zijn recht en komt in beiden tot bevrediging. Waarom de zaak echter draait is de SPANNING en niet de prikkel; deze laatste komt er vanzelf aan mee. Lost weer op, komt weer terug, enz. De spanning echter is altijd tussen TWEE POLEN; hoe wij het ook wenden of keren, er is altijd “iets” tussen twee mensen: de EEN en de ANDER. Ook al heeft elk van die twee nog meer "verhoudingen", dan is het altijd een verhouding tussen de EEN en de ANDER. Dit betekent dat de sexualiteit altijd een zaak is van TWEE mensen, met UITSLUITING van alle anderen.

Dit moet men wel goed verstaan want licht zou men denken dat ik het HUWELIJK verdedigde…! Ik zeg echter alleen maar dat zich TWEE mensen verenigen en of dit morgen weer diezelfde twee zullen zijn weet ik niet - dat is maar hoe het vàlt tus­sen die twee mensen.

De genoemde spanning voelen wij ook als wij als BUITENSTAANDER de zaak bekijken; wij worden geprikkeld, maar er komt niets tot zijn recht. De zaak loopt dood in ons alleen-zijn op dat moment. Die prikkel is dus voor ons WAARDELOOS, hij heeft geen betrekking op een TEGENPOOL. En dit nu is altijd het geval bij publicaties van vrijages en daarom mijn vraag of deze FEITEN, die in ons als een waardeloze prikkel doodlopen, wel FEITEN zijn. Het kùnnen alleen maar zielige prikkels zijn.

Dit kan overigens helemaal geen kwaad want in een wijs mens loopt de zaak tóch wel dood. Maar in onze moderne ijver de taboes te doorbreken gaan wij automatisch de nadruk op dat DOORBREKEN leggen en daarmee wordt de zaak tenslotte toch KINDERACHTIG, want alleen de prikkel komt maar over bij de an­dere mensen. En daarom is het dan ook te doen bij de moderne mens want anders zou hij niet met zo'n grote graagte zijn sexuele ervaringen beschrijven in tijdschriften zoals die van­daag in grote verscheidenheid te verkrijgen zijn.

 


Er zit nog altijd een groot verschil tussen vrijheid in de liefde en het er onbelemmerd over spreken. Degene die er zo'n drukte over maakt heeft toch de PRIKKEL in zijn hoofd. Dit blijkt ook wel want een ieder beijvert zich nòg sterkere staaltjes te ver­tellen; men EXPERIMENTEERT met de liefde omdat men het eigen ondergaan ervan bestreeft.

Dit is niet verwonderlijk: juist de PRIKKEL, als zich in het lichaam manifesterende zaak was iets dat niet mocht- al het lichamelijke was het LAGERE. En nu de boel vrij komt blijkt dat het om de prikkel ging: daarom komt dan ook nu de prikkel vrij en niet wat anders. De SEXUALITEIT zèlf komt nog hele­maal niet vrij te liggen want het is niemand om de SPANNING te doen. Daarom doet de PARTNER er eigenlijk niet toe - be­halve als PRIKKELOBJECT. Dit verklaart de betrekkelijk KEUZE­LOZE instelling van zowel vrouwen als mannen in hun zogenaam­de vrije-sex betrekkingen. Als U de tijdschriften er op na­leest zult U dit bemerken.

Als het om de spanning gaat zijn er twee mensen in betrokken en de spanning is tussen die twee mensen en blijft tussen die twee mensen, d.w.z. ànderen hebben met diè spanning niets te maken. Die zaak is niet voor hen bestemd: zij zijn UITGESLO­TEN. Het meemaken daarvan komt de buitenstaander dus eigen­lijk niet toe. Dit geldt ook als méér mensen TEGELIJK aan het vrijen zijn; noodzakelijk kàn er dan geen andere bedoe­ling zijn dan de prikkel. Overigens - het zij ten overvloede nog gezegd - gééft het niets; de mensen doen elkaar in het geheel geen kwaad en zij hebben het gezellig. Ieder van de partners heeft er zin in en ieder krijgt zijn deel met aller toestemming.

Er zijn ook mensen die het zich TOEEIGENEN; in dit geval zou­den wij wèl het woord ONTUCHT kunnen gebruiken. Zij dwingen door OVERMACHT iemand tot iets. Dit is natuurlijk misdadig. Het is niet toevallig dat zo vanzelf het woord TOESTEMMING op tafel komt. Want de prikkel is iets dat voor JEZELF geldt; het is het persoonlijke ondergaan van de spanning. En zoals het met alles het geval is dat vanuit JEZELF iets met de an­der te maken heeft geldt ook hier de INSTEMMING van beiden om samen tot iets te komen.

Natuurlijk ligt op dit terrein ook de mogelijkheid van de weigering.


Het opvallende van de SEXUALITEIT, en dus van de SPANNING tussen twee mensen, is echter dat begrippen als toestemming en weigering helemaal niet gelden… maar dit wordt gewoonlijk over het hoofd ge­zien. Wij spreken nog steeds over het JA-WOORD dat vrouw en man elkaar geven, en dat wijst terug op de westerse opvatting dat de liefde een LICHAMELIJKE, en dus VERWORPEN, aangelegen­heid zou zijn. Het wijst dus eigenlijk terug op de PRIKKEL, en zo bekeken is het JA-WOORD terecht van toepassing.

De SPANNING echter is TUSSEN de vrouw en de man en dat wordt vooral beseft als de mensen zeggen dat de liefde op de een of andere manier "buiten je omgaat". Het gaat vanzelf tussen vrouw en man en het komt vanzelf tot het zich verenigen - of het komt daar vanzelf niet toe. Niemand heeft hierin in strikte zin een beslissing te nemen - en als de mensen toch beslissen is het gewoonlijk in afwijzende zin omdat allerlei moraal-overwegingen ze ervan àfhouden. Maar zo'n beslissing is eigenlijk ONZIN en het laat de mensen doorgaans ook niet zo vlug met rust.

De prikkel is het eerste dat in de moderne sexualiteit naar voren komt, maar hoewel we hiermee het laatste woord over de sexualiteit nog lang niet gezegd hebben is het toch wel een verheugend feit dat tegenwoordig de huichelachtige afkeuring van het lichamelijke geducht terrein begint te verliezen en dat de eenzijdige opdringerige dwingelandij van de fatsoens­ridders paal en perk gesteld wordt…!

 

 

 

+TOEVOEGINGEN:

De structuur van de mens(1975) en klik aldaar onder bladwijzers op HOMOSEKSUALITEIT

Een korte schets van de menselijke seksualiteit –Wat is SEKSUALITEIT nu eigenlijk..?- zie bladwijzers: prikkeling, homoseksualiteit en Wat is SEKSUALITEIT nu eigenlijk..? (1985/’86),

Beweging en Verschijnsel – deel 2  - zie bladwijzers HOMOSEKSUALITEIT - (‘88/’89)-DEEL 2

LIEFDE IS géén RELATIE – KLIK OP NR.32 – (1999)

HOMOSEKSUALITEIT/ER IS MAAR ÉÉN LEVEN/GRONDSTRUCTUUR bij elk LEVEN is hetzelfde(1977)..!

DE VROUW EN DE MAN – DEEL 1 en 2 - Klik op bladwijzer PRIKKELING / HOMOSEXUALITEIT(1968/’70)

 

 

+++++++++++++++

Tot de volgende keer,

Jan Vis, creatief filosoof

 

Terug naar: STARTPAGINA

 

Briefnummer 4: Het ongedierte vreet het andere op-Iwan Karamazow

 

Briefnummer 5: De moderne mens en de sport

 

Briefnummer 6: De vrede in deze wereld

 

Briefnummer 7: Het arbeidsevenwicht

 

Briefnummer 12: Rassenvraagstuk

 

Briefnummer 14: De brandstapel is mij te heet

 

Briefnummer 15: De papieren waarheid

 

Briefnummer 16: Pornografie

 

Briefnummer 17: Iets over de liefde en de verveling

 

Briefnummer 18: De vrijheid van spreken

 

Briefnummer 19: Het luchtledige

 

 

 

 

CENTRUM VOOR FILOSOFIE - ROTTERDAM (1970)

 

Terug naar: STARTPAGINA

 

Naar bladwijzers:

BRIEF No.17 - januari 1970

 

Iets over de liefde en de verveling

De vorige keer heb ik U het een en ander geschreven over de pornografie. Daarbij ging het mij vooral om de prikkel, zoals die bij elk mens aanwezig is. Maar de mogelijkheid is niet uitgesloten dat verschillende dingen niet goed overgekomen zijn. Het zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat U uit mijn brief opgemaakt hebt dat de PRIKKEL iets kinderachtigs is, waaraan door een volwassen mens geen waarde gehecht dient te worden, en U zou ook kunnen denken dat ik toch een soort van "reine liefde" bedoelde waaraan alle "geneugten" ontzegd zijn…

Het ligt ons wel om bij het begrip LIEFDE aan bloemetjes te denken en de dichters te citeren, ons te ontdoen van wulpse gedachten en ons te onthouden van dito handelingen. Dat komt omdat wij in het liefdesspel als zodanig en in de liefde voor­zover die een LICHAMELIJK verenigen is, toch langs een omweg nog een zaak zien die alleen maar PRIKKEL is. Ik zei U de vo­rige keer al dat dit blijkt uit het feit dat de moderne "ta­boeloze" sexualiteit vrijwel geheel juist in het teken van de prikkel staat. En helemaal niet in het teken van de sexu­aliteit. De zaak staat namelijk eigenlijk OP ZIJN KOP: wat in de sexualiteit gebeurt wordt als sexualiteit gezien en daarop wordt alle aandacht gericht en de werkelijke sexuali­teit wordt als een HINDERLIJKE BIJZAAK terzijde geschoven als iets dat OUDERWETS en GEFRUSTREERD is.

De PRIKKEL geldt voor IEDEREEN en voor iedereen geldt ook dat er zònder prikkel GEEN sexualiteit is, in die zin dat het vrijen zonder prikkel hopeloos en onmogelijk is. Hiervan we­ten vele echtelieden mee te spreken. Te zeggen dat de prik­kel kinderachtig is, is dus ONZIN; het is de BASIS van de FEITELIJKE sexualiteit.

 

Dat kan ook niet anders want het is het persoonlijke ONDERGAAN van de SPANNING die er is tussen de vrouw en de man.


Dat de prikkel AANLEIDING kan geven tot een heleboel kinderachtigheden is een niet te ontkennen feit, maar dat geldt voor meer dingen. Geld kan ook aanleiding geven tot kinderachtigheden en macht is er bepaald ook niet vreemd aan.

En omdat wij mensen tot op heden nog niet zo heel erg wijs zijn komen wij vrijwel alleen maar die kinderachtigheden tegen - en in zo’n overstelpende mate dat wij die flauwekul zo langzamerhand voor de zaak zèlf zijn gaan houden!

De prikkel wordt tot een kinderachtigheid als het alleen maar OM DIE PRIKKEL TE DOEN IS. En aangezien het een PERSOONLIJKE zaak is komt deze gesteldheid voor bij mensen die het om ZICHZELF te doen is. Deze gedachte is minder eenvoudig dan op het eerste gezicht lijkt; men zou licht gaan denken dat de paus en de dominee en de heilssoldaat toch gelijk heeft en dat het de bedoeling is je OM DE ANDER te bekommeren. Niets is echter minder waar: het is de mens ALTIJD om zichzelf te doen; de vraag is alleen maar: hoe ziet hij zichzelf. Is het hem er om begonnen dat begrensde geval dat zijn naam draagt op te poetsen en te vertroetelen, of bedoelt hij zichzelf als méér dan dat? In het laatste geval zit er de ONTKENNING van zichzelf in en iemand in wie zich dàt waarmaakt noem ik in dit verband een mens die het niet om zichzelf te doen is. Een dergelijke mens is in ons cultuurstadium niet gangbaar; wij zoeken allemaal nog onze naam, onze identiteit en als wij die gevonden menen te hebben gaan wij er opuit de anderen daarmee te overtroeven en te verpletteren. Het is voor ons niet zo belangrijk of wij - op welk terrein dan ook - werkelijk met iets komen, maar het is voor ons van belang of onze NAAM op aller lippen is. Wij beginnen bij voorbaat al boven ons leven en werk een groot BRIEFHOOFD te plaatsen en de handtekening staat er ook al spoedig onder; wat daar tussenin staat is van geen belang. Deze mens nu is het om zichzelf te doen, en deze mens is het in de sexualiteit om de prikkel te doen. Daaraan kan hij niets veranderen en dus doet hij er wijs aan het ook maar te laten gelden en wellicht is dit hem tot troost dat hij in zoverre de “fatsoenlijken” een stukje vóór is dat dezen in precies hetzelfde schuitje zitten maar het zelfs niet durven laten gèlden.

 

Ons hele westerse liefdesleven is nooit anders geweest dan prikkeling - maar het héétte zo natuurlijk niet.


Wij gewaag­den eerbiedig van het HEILIGE HUWELIJK en vooral de laatste eeuw plachten wij hierbij ook nog het woord LIEFDE te gebrui­ken - in het besef dat het anders àl te gek zou zijn. En na­tuurlijk hebben wij EEUWIGE TROUW gezworen want onze liefde was zoals zij behoorde te zijn: onwankelbaar en niet aan te tasten. Maar hoe bitter bleek de "pil" te zijn: na een poosje kwam daar de VERVELING en mèt die verveling de BENAUWDHEID omdat er geen mogelijkheid was om het ANDERS te doen… Die bittere pil is intussen VERGULD en in de handel gebracht, de mensen hebben er wonderwat van verwacht. Hier was de mogelijk­heid om voor de sexualiteit vrij baan te maken want nu kon men tenminste zijn gang gaan…! En het oplossen van de TABOES was ook een gunstige factor.

Maar de VERVELING gaat niet weg en ook de vrije-sex feestjes blijken te vervelen als wij niet bijtijds iets anders verzin­nen, en ook dan, na een tijdje…ga zo maar door!

Alles wat wij intussen verzonnen hebben neemt dit éne feit niet weg: het ging ons om de prikkel en het gáát ons om de prikkel. Maar een prikkel moet GEVOED worden; het is een HOOG­TEPUNT dat, zoals met àlle hoogtepunten het geval is, verve­lend wordt zodra er teveel hoogtepunten naast staan. Dan doet zich de behoefte gevoelen de zaak naar een nieuw hoogtepunt op te stuwen totdat ook dàt weer verveelt. Zo zwalken wij van de ene liefde naar de andere liefde en van het ene sex-feestje naar het andere. En om te beginnen zègt het ons wat en wij vinden het geweldig; het is dè OPLOSSING. Wij zijn tot alles in staat, ons liefdesleven bloeit op als nooit tevoren; onze COMPLEXEN versmelten als sneeuw voor de zon en wij voelen ons doorlopend HIGH. Wat een roes, wat een liefde…!

Het is ook de redding van ons HUWELIJK want de verveling is verdreven; de BENAUWDHEID is verdwenen want wij hebben ook onze JALOEZIE graag laten schieten voor het véél betere aan­bod dat ons ten deel valt als wij niet "kleinzielig" zijn. Tenslotte is de prikkel niet meer te voeden; het "veranderen van spijs" doet ons niet meer eten en de hele zaak blijkt te zijn zoals hij aanvankelijk was: vervelend.

Maar als wij de zaak nu eens niet op zijn kop zetten en ons toch ook niet met fatsoen bezig houden, hoe liggen de kaarten dan? Is er dan een mogelijkheid het bij elkaar uit te houden?



Die mogelijkheid is er inderdaad, maar men moet er wèl wat voor doen en nu is het juist dit laatste, dit DOEN waarover de moderne mens vrijwel altijd struikelt. Op de eerste plaats weten wij niet wat het betekent: er iets voor doen. Wij den­ken dat het betekent: "er iets van maken". Die gedachte hoor je altijd, bijvoorbeeld in verband met het huwelijk, waarin na­tuurlijk de VERVELING de rijkste voedingsbodem vindt. Maar hij geldt evenzeer voor verhoudingen die géén huwelijk zijn en waar­bij toch de kaarten zó liggen dat mensen het bij elkaar uit moeten houden. “Er iets van maken”  vooronderstelt GEBREKKIG­HElD; die gedachte gaat ervan uit dat de zaak zo vanuit ZICH­ZELF niet veel is en misschien na veel moeite en getob nog iets kan worden. Daarbij is het nodig dat men "geeft en neemt", dat men zichzelf wègcijfert en meestal véél, TEVEEL, achter­wege laat. Het vergt een INZET die gericht is op de ANDER en die daarmee op de duur tracht samen te vallen. De bedoeling is uiteraard dat dit WEDERZIJDS gebeurt, maar enig nadenken leert ons dat dit NOOIT kan; altijd is de één meer geneigd zichzelf op die manier prijs te geven dan de ánder en altijd NEEMT er een van de twee meer dan hem of haar toekomt. Het "er iets van maken" is een DOODLOPENDE WEG; het uitgangspunt is verkeerd, de uitwerking is verkeerd en het einde is ellendig.

Als een mens er iets voor DOET hebben wij met geheel iets an­ders te maken. Natuurlijk, dat "doen" is maar een WOORD, maar het is toch in zoverre juist dat het een zekere ACTIVITEIT in­houdt. Het is namelijk met de sexualiteit zo gesteld dat alles waarmee we in het dagelijkse leven te maken hebben er lijn­recht TEGENIN ligt. Het werk van de man, het gesloof van de vrouw in huis, het DENKEN in het algemeen en vooral ook het feit dat we doorgaans met ONSZELF bezig zijn. Aan al deze BE­PAALDHEDEN is de sexualiteit vreemd; de sexualiteit is volle­dig VLUCHTIG en ONGRIJPBAAR indien het werkelijk over sexua­liteit gaat: de SPANNING namelijk die er is tussen de vrouw en de man. Die spanning heeft met niets te maken omdat hij voort­komt uit het één-zijn van die twee bepaaldheden, die vrouw en die man. Dus: wil die spanning tot zijn recht komen dan moet het noch bij de éne bepaaldheid, de vrouw, noch bij de andere bepaaldheid, de man, ergens om gaan. Het "iets doen" nu bete­kent dit dat zowel vrouw als man in de sexualiteit ALLES uit­schakelen, omdat ALLES - die optelsom van dingen, beslommeringen, gebeurtenissen, gedachten - de sexualiteit verstoort.


 

Dit is wel min of meer bekend bij de mensen; gewoonlijk zijn het de mannen die aan de vrouw en haar liefdeleven tot hun schrik bemerken hoe vlug het verstoord is. Zij weten er dan natuurlijk geen raad mee, en de vrouwen weten dat zèlf al evenmin. Voorzover zij er toe komen een antwoord op hun pro­bleem te zoeken raken zij meestal steeds verder in de put omdat de oplossing nimmer van het DENKEN en de ANALYSE te ver­wachten is. Dat gaat immers lijnrecht in tégen de sexualiteit! De enige oplossing is altijd weer deze dat men moet zien van het dagelijkse leven àf te komen, en dus ook van de GEDACHTEN. Dit geldt ook voor mensen die straks tot een VOLWASSEN MENSHEID zullen behoren, al zij het toegegeven dat het voor die mensen veel meer vanzelf spreekt dat zij ALLES moeten uit­schakelen. Zij zullen dat dus VANZELF al doen.

Maar voor de mensen die tot een BEPAALDE CULTUUR behoren is het in zekere zin een OPGAVE. Maar al te gemakkelijk bepaalt die cultuur hun gedrag en dan zit er voor de mensen niets anders in dan de uiteindelijke VERVELING.

Er zijn culturen geweest, vooral in de OUDHEID, waarin de men­sen wel aanvoelden dat alles uitgeschakeld moest worden. Dat was voor die mensen net zo goed een OPGAVE als voor ons, maar zij wisten tenminste wáár zij het zoeken moesten. Zij namen dan de WIJN, de MUZIEK en de DANS te baat; die dienden ertoe de mensen in de gewenste stemming te brengen. Dit is natuur­lijk ook maar een HULPMIDDEL dat slechts bij bepaalde gele­genheden te pas komt; in het leven van alle dag hebben wij daar niets aan. Dan moet het allemaal uit onszelf komen, dan moeten wij het zelf doen. Als ons dat lukt zijn we meteen onze AFHANKELIJKHEID kwijt, we behoeven niet te wachten op een gunstige gelegenheid, de omstandigheden spelen voor ons geen rol.

Als wij nu een vergelijking maken tussen de mensen uit de oudheid en de moderne mensen, ook de aanhangers van de moder­ne "vrije sex", dan slaat de balans door ten gunste van de oudheid, omdat daar in ieder geval nog aangevoeld werd dat de sexualiteit het uitschakelen van alles vereist. En de mo­derne mens is zelfs dàt kwijt; hij probeert juist alles IN TE SCHAKELEN, ten dienste van de sexualiteit.

 

Alles wat de zaak naar zijn idee op kan voeren en kan stimuleren wendt hij aan en daartoe behoren niet in de laatste plaats zijn GE­DACHTEN. 


Dit alles gaat dan als PRIKKEL werken en de persoon­lijke bevrediging van die prikkel is alles wat de sexuali­teit betekent. Dat geldt in de eerste plaats voor de mensen van de “vrije sex”, maar het geldt ook voor de ouderwetse mensen - de basis van hun liefde is precies dezelfde. Zij beginnen met hun VERLIEFDHEID en van daaruit kunnen zij niet anders dan samen verder gaan. Tijdens die verliefdheid lukt alles; het vrijen is goddelijk en het kan niet lang genoeg duren; de overgave is volledig en de bevrediging zoet…! Maar welbeschouwd is dat geen kunst; de mensen verliezen zich IN ELKAAR en er is geen plaats voor allerlei beslommeringen die de zaak kunnen verstoren. Dit wordt door de mensen te­recht als een heerlijke toestand aangevoeld en zij vinden het jammer dat het zo niet blijft. Het zich IN ELKAAR VER­LIEZEN kan alleen als de PRIKKEL over en weer àlles over­schaduwt terwijl het toch bij ieder een zaak van ZICHZELF is. Dat dit zo is blijkt duidelijk uit het feit dat de verliefd­heid ZELFZUCHTIG is en JALOERS en volkomen BLIND. Zolang dit in elkaar verliezen uit de voeten kan is er niets aan de hand, maar het kan niet lang uit de voeten omdat het zich in elkaar verliezen ONMOGELIJK is en die onmogelijkheid komt duidelijker naar voren naarmate een mens ouder wordt. Ver­liefdheid is iets van de JEUGD.

De LIEFDE kan dus op de verliefdheid niet bouwen; het zich in elkaar verliezen heft zich op en ziedaar de BARRIERE die de VERVELING als nasleep heeft; ALLES dringt zich op en nu moeten de vrouw en de man er zèlf wat aan gaan doen.

De vraag of twee mensen al of niet bij elkaar moeten blijven is helemaal niet aan de orde. Vast staat in elk geval dat er NIETS MOET en vast staat ook dat juist als de mensen tot het besef zijn gekomen dat het nergens om gaat, de zaak VRIJ ligt om zich te ontwikkelen zoals ze zich ontwikkelt. Nu is ieder weer zichzelf en nu blijkt wel wat er mogelijk is. Vaak blijkt het allemaal een vergissing te zijn geweest, maar eigenlijk mogen wij het zo niet stellen: waarom zou de ver­liefdheid een vergissing zijn, want het ontstaat niet voor niets tussen twee mensen…maar men moet er geen LIEFDE van VERWACHTEN. Misschien is die er wel, misschien niet.

 

Het woord "liefde" moeten wij niet overschatten; in de praktijk komt de zaak hierop neer dat men elkaar, voorzover men alles uitgeschakeld heeft, HERKENT en dat men elkaar qua DAGELIJKS GEDOE ligt.


Hierover is natuurlijk nog veel meer te zeggen, maar het gaat mij er nu alleen maar om te beklem­tonen dat wij ons niet op de dichters moeten verlaten en de zaak nuchter moeten bekijken.

Overigens mogen wij uit het bovenstaande niet afleiden dat in de volwassen sexualiteit de PRIKKEL verdwenen is. Het is nog steeds het ONDERGAAN van de SPANNING tussen de vrouw en de man. En hoe dit ONDERGAAN bij de één ligt of bij de ànder ligt is niet te zeggen; dit is een PERSOONLIJKE kwes­tie. En ook de aard van het liefdesspel is bij ieder mens weer anders. Hierin geldt geen enkele norm of regel en ook de MORAAL en de WET staan hier buiten. Zodra die er toch op de een of andere manier mee te maken krijgen, in die zin dat de vrouw en de man zich er iets van aantrekken en zich bijgevolg min of meer GEREMD voelen, is het met de sexuali­teit gedaan. Dan is de SPANNING tussen de vrouw en de man niet meer het enige waardevolle, maar dan wordt het weer de PRIKKEL die de maat is. De prikkel, die alleen maar voort komt uit de SPANNING, en die dus op niets BEPAALDS gericht is, is niet van voorbijgaande aard. Er behoeft hier niets gevoed te worden; de spanning zèlf is het die de zaak gaande houdt. Zoals gezegd is die spanning er ALTIJD - dus ook als twee mensen niet aan het vrijen zijn, en deze situatie komt in het dagelijkse leven het meeste voor. Ook dan, in de dagelijkse omgang moet het zowel de vrouw als de man er om te doen zijn die spanning LEVEND te houden, en aangezien voor die spanning ALLES uitgeschakeld moet zijn blijft er voor de vrouw èn de man maar één ding over om in de prak­tijk van het leven te doen: ZICHZELF ZIJN.

Het is in het kader van deze brief niet goed doenlijk over dat ZICHZELF ZIJN van vrouw en man uitvoerig te schrijven, en daarom laat ik het voorlopig maar voor wat het is. In ieder geval is in het ZICHZELF zijn van de man de verhou­ding ten opzichte van de vrouw en het vrouwelijke begrepen en in het zichzelf zijn van de vrouw is het mannelijke be­grepen. Wij hebben dit thema uitputtend behandeld in onze dinsdagavondvoordrachten.

Alleen één opmerking nog: de wèrkelijk sexuele PRIKKEL is op niets BEPAALDS gericht.


 

Dit betekent dat verschijnselen als SADISME en MASOCHISME en ook verschijnselen als LESBISCHE LIEFDE en HOMOSEXUALITEIT vergeleken met de werkelijke sexu­aliteit AFWIJKINGEN zijn, en wel, in de grond van de zaak, ZIEKELIJKE afwijkingen. Hier heeft het gericht-zijn op het bepaalde, dus op een ONDERDEEL van het geheel dat elke mens is, een ziekelijke vorm aangenomen. Ziekelijk omdat alleen maar dàt bepaalde ONDERDEEL bij machte is de betreffende mens te prikkelen. Ik ben mij ervan bewust dat ik vandaag de dag "mijn kop riskeer" door zo te spreken, maar het is nu een­maal een logische conclusie… dus moet het maar gezegd worden. Natuurlijk is het wèl zo, dat NIEMAND zich met die afwijkingen heeft te bemoeien, zolang er geen misdadigheid aan te pas komt - wat helaas vaak wèl het geval is. De gehele sexualiteit gaat buiten het zelfbewustzijn van de mens om en dus kan een mens er niets aan doen als hij “anders” is. Laat zo iemand dus met rust…maar laten wij er niet toe over gaan die AFWIJ­KINGEN te rangschikken onder de sexuele mogelijkheden. Onder die rubriek behoren zij niet thuis…

 

 

+TOEVOEGINGEN:

De structuur van de mens(1975) en klik aldaar onder bladwijzers op HOMOSEKSUALITEIT

Een korte schets van de menselijke seksualiteit –Wat is SEKSUALITEIT nu eigenlijk..?- zie bladwijzers: prikkeling, homoseksualiteit en Wat is SEKSUALITEIT nu eigenlijk..? (1985/’86),

Beweging en Verschijnsel – deel 2  - zie bladwijzers HOMOSEKSUALITEIT - (‘88/’89)-DEEL 2

LIEFDE IS géén RELATIE – KLIK OP NR.32 – (1999)

HOMOSEKSUALITEIT/ER IS MAAR ÉÉN LEVEN/GRONDSTRUCTUUR bij elk LEVEN is hetzelfde(1977)..!

DE VROUW EN DE MAN – DEEL 1 en 2 - Klik op bladwijzer PRIKKELING / HOMOSEXUALITEIT(1968/’70)

 

 

 

 

 

 

++++++++++++++

Beste lezer,

natuurlijk een voorspoedig 1970 toegewenst; ik hoop dat ik dit jaar naast de "vaste ploeg" toehoorders ook nog wat nieuwe gezichten mag begroeten op de dinsdagavonden.

 

Tot de volgende keer,

 

Jan Vis, creatief filosoof

 

Briefnummer 4: Het ongedierte vreet het andere op-Iwan Karamazow

 

Briefnummer 5: De moderne mens en de sport

 

Briefnummer 6: De vrede in deze wereld

 

Briefnummer 7: Het arbeidsevenwicht

 

Briefnummer 12: Rassenvraagstuk

 

Briefnummer 14: De brandstapel is mij te heet

 

Briefnummer 15: De papieren waarheid

 

Briefnummer 16: Pornografie

 

Briefnummer 17: Iets over de liefde en de verveling

 

Briefnummer 18: De vrijheid van spreken

 

Briefnummer 19: Het luchtledige

 

 

 

 

CENTRUM VOOR FILOSOFIE – ROTTERDAM(1970)

 

Terug naar: STARTPAGINA

 

Naar bladwijzers: NIET STEMMEN roept een vacuüm op.

 

 


BRIEF No.18 - februari 1970

 

De vrijheid van spreken

Hoe meer je over de mensen en hun gedrag nadenkt hoe duide­lijker het voor je wordt dat wij eigenlijk in een volkomen waanzinnige wereld leven - en dat niet omdat er vandaag de dag allerlei misstanden aan te wijzen zouden zijn die verge­leken bij vroegere toestanden of toestanden ergens anders op de wereld de indruk geven met een gekkenhuis te doen te heb­ben, maar omdat een heel patroon van verhoudingen die geheel VANZELFSPREKEND voor de mensen gelden tot een NORM vervormd worden en zo o.a. gaan fungeren als onderwerp voor het den­ken dat de mensen doen over ZICHZELF. Al denkende ontdekt de bespiegelende mens die verhoudingen, maar doordat hij ze via het denken ontdekt heeft, heeft hij ze gelijk geïsoleerd en zijn het voor hem gegevens geworden die op de een of andere manier een ABSOLUTE waarde gekregen hebben. Dan wordt het zaak die absolute waarden te BESTREVEN als zouden het ideale omstandigheden zijn voor de mens van LATER. Omstandigheden die vandaag nog lang niet gelden - en dat is inderdaad een feit - maar die na verloop van tijd en ten koste van veel strijd en offers wèl een realiteit zouden worden. De mensen vechten dus voor hun eigen omstandigheden; zij hebben het ge­voel de zaak te moeten AFDWINGEN, zonder overigens precies te weten VAN WIE ze het moeten afdwingen.

Vanzelfsprekende verhoudingen worden door het DENKEN ( en het geeft niet wèlk denken ) tot BEPAALDE NORMEN, bepaalde FUNCTIES, en dan worden het OMSTANDIGHEDEN die bestreefd moeten worden en als die omstandigheden eventueel bereikt zijn worden zij gerekend tot de “hoogste menselijke goederen” zonder dat er nog iemand is die eraan denkt dat er al die tijd gedacht en gestreden is over en voor een zaak die voor de mensen eigenlijk VANZELFSPREKEND is.

Het waanzinnige van de mensheid is nu dit, dat zij haar leven lang als een kat met haar eigen staart speelt: zij poogt die staart te pakken zonder tot het inzicht te komen dat zij hem al hééft doordat zij namelijk zèlf die staart IS.


De mensen vechten voor hun RECHT, zij vechten voor hun VRIJHEID, hun OVERTUIGING als gold het verhoudingen die nu nog helemaal niet van kracht zouden zijn… En omdat de mensen, VANUIT HUN DENKEN, vinden dat die idealen vandaag nog niet gelden, gèlden ze ook niet, terwijl ze eigenlijk, maar dan niet als IDEALEN vanzelfsprekend wèl gelden.

Ook de FILOSOFIE, als het denken over de werkelijkheid en dus het denken over de mens, heeft zijn steentje bijgedra­gen tot het vormen van idealen. In de filosofie zijn de begrippen, zoals recht en vrijheid, uitvoerig doordacht en zij zijn naar aanleiding daarvan gesteld als als de wezen­lijke voorwaarden voor het menselijke leven. En de filosoof was het al heel gauw duidelijk dat er voorlopig van die voor­waarden weinig of niets terecht kwam, reden waarom hij zo af en toe de wereld uitkreet voor misdadig. Hij richtte zich dan automatisch tot die mensen die aan de anderen de voor­waarden voor het leven onthielden, en aangezien dat de mees­te mensen waren schold hij zo ongeveer de gehele wereld uit. Maar, hoe hartverwarmend dat schelden telkens weer is, het is toch niet erg WIJS. Want het bewijst dat ook de filosoof voorbijgaat aan het feit dat hij al die dingen, die hij zo graag gerealiseerd wil zien, in levende lijve zèlf  IS. Ook vandaag, op dit moment, nù…!

En dan maar DENKEN over de werkelijkheid, en alsmaar nieuwe verhoudingen vinden en die ijverig ISOLEREN en tot NORMEN maken terwijl het helemaal geen normen zijn en eigenlijk zelfs geen verhoudingen - althans geen apàrte verhoudingen. De wer­kelijkheid is voor de denkende mens een CONSTRUCTIE waaraan hij onvermoeibaar zwoegt, alsmaar verbeterend, temperend, activerend en zoekend naar een evenwicht. En zo, al ploete­rende ontgaat hem de werkelijkheid die hij zèlf “op dit moment” is, en dat wat hij IS zijn nu nèt de dingen waarnaar hij STREEFT.

Zo bekeken zit er aan de filosofie een ONZINNIGE kant en wij mogen het zelfs zó stellen dat wij het beter konden LATEN te filosoferen. Wij zouden er beter aan doen ons bij onze leest te houden en ons te bepalen tot het leven van NU en wat daaraan automatisch meekomt.


De VRIJHEID VAN SPREKEN is natuurlijk ook een voorbeeld van het hiervoor gezegde. Denken wij aan dit onderwerp dan kàn het haast niet anders of wij gaan het hebben over iets dat met spoed verwerkelijkt moet worden. Want het behoort tot de rechten van de mensmaar de mens HEEFT GEEN RECHTEN en hij heeft ook geen VRIJHEDEN. De vrijheid van spreken BESTAAT NIET; een mens spréékt en een ander mens hoort hem aan of hoort hem niet aan. Het bevalt hem wat er gezegd wordt of het bevalt hem niet en hij spreekt een weerwoord of hij doet dat niet. Wat valt er hierover nog meer te zeg­gen? Dit alles heeft niets met een VRIJHEID te maken; het is geen RECHT van de mens om te spreken, maar een zaak die vanzelf aan hem meekomt.

Er bestaan wel RECHTEN en VRIJHEDEN. Als ik bijvoorbeeld iemand toesta vrijelijk over mijn kamer te beschikken ver­leen ik hem een recht. De grondverhouding is deze dat hij NIET over mijn kamer mag beschikken, maar ik geef hem het recht dat wèl te doen. Zo kan ik hem ook de vrijheid geven naar eigen inzicht van die kamer gebruik te maken; het staat hem dan vrij te doen en laten wat hij wil. Dit is een voorbeeld van rechten en vrijheden. De BASIS is iets wat ONGEOORLOOFD is maar waarvan door een GUNST afgeweken wordt. Het spreekt vanzelf dat tegenover die gunst ook verplichtin­gen staan, bijvoorbeeld deze, om van mijn kamer geen bende te maken. Dit samenspel van rechten en verplichtingen is in onze samenleving gebruikelijk; vrijwel iedereen denkt in dit patroon en dan uitgerekend daar waar het over dingen gaat die niet onder de rechten en verplichtingen vallen. Zo komt men er toe het over “de rechten van de mens” te hebben en het thema “vrijheid van spreken” komt ook zo in de wereld.

Er is wat betreft VANZELFSPREKENDE VERHOUDINGEN maar één moge­lijkheid: zo’n verhouding wordt ONTKEND. De éne mens zet de andere onder druk zodat het vanzelfsprekende van hem àf gaat en dan krijgen wij te doen met een mens die ONVRIJ is. En deze ONVRIJE mens gaat in àlle ònvrijheid tenslotte proberen weer wat van zijn vrijheid terug te krijgen, terwijl hij juist mèt dat streven ERKENT dat de druk op hem een realiteit is. Een realiteit die er op de een of andere manier behoort te zijn. En aan die druk kan men zich op de lange duur ont­worstelen, men kan door bepaalde MACHTSPOSITIES in te nemen een zekere vrijheid of een zeker recht AFDWINGEN.

De geschiedenis heeft nog nooit iets anders te zien gegeven; “de rech­ten” van de gewone mensen, de “burgers” zijn al vanaf de vroeg­ste tijden afgedwongen van de machthebbers.


En thans is het beeld nog nèt zo, alleen is nu iedereen ten opzichte van iedereen een machthebber geworden. Dat ligt in de ontwikke­ling van de westerse cultuur besloten. Onze DEMOCRATIE is een samenspel van mensen, die allemaal op hun wijze een DICTATOR zijn; iedereen legt dan ook aan iedereen de ONVRIJHEDEN op. Wij zijn het zèlf die elkaar allerlei beletten.

Er bestaat dus eigenlijk alleen maar ONvrijheid en rechteloos­heid, d.w.z. er is alleen maar het ONDER DRUK ZETTEN van de éne mens door de àndere. Het enige dat heeft te verdwijnen is die DRUK. En de enige manier om dàt waar te maken is niet het leveren Van TEGENDRUK, maar het volledig NEGEREN van die druk.

Dit betekent het negeren van de SAMENLEVING met het daaraan meekomende GEZAG en de door het gezag opgestelde REGLEMENTEN. Het betekent het negeren van de democratie en dus ook het negeren van de stèmbus. Dit laatste is een bui­tengewoon effectieve methode, hoewel de werking INDIRECT is. Als U even doordenkt zult U inzien dat het niet uitbrengen van stemmen een VACUUM oproept zodat er een rege­ring ontstaat die in het luchtledige geworteld is. En dan zal blijken hoe snel een dergelijke instelling zichzelf wèggeblunderd heeft. Hierover gaat het nu echter niet.

Wel gaat het om het feit dat het scheppen van een VACUUM voor de mensen de DWINGELANDIJ onmogelijk maakt. Dwang en gezag en macht kunnen alleen maar als het de onderdrukte eigenlijk iets zegt. Deze reageert er dan ook op… zou het hem niets zeggen, dan zou hij niet reageren. En dan zou hij ook niet te dwingen zijn. Als de mensen doordrongen waren van het feit dat HET SPREKEN vanzelf aan hen meekwam, zouden zij niet reageren op het feit dat het ze verboden wordt te spreken en zij zouden er nog minder op uit gaan dit verbod wat te verlichten met een beroep op “rechten”.

Wij, westerse mensen, leven in het land van de VRIJHEID, en dat betekent dat wij ervan uitgaan dat het een ieder is toe­gestaan te doen en te laten wat hij wil. Alleen een paar dingen mogen niet, en die dingen zijn nauwkeurig omschreven in de WET. Ook zijn er wat dingen die wij MOETEN.

Wij vinden dat er in het OOSTBLOK geen vrijheid heerst want daar mogen de mensen in principe niets, met uitzondering van een aantal dingen die wel mogen. Logisch dat er in het oosten dus een PREVENTIEVE CENSUUR is, die er op gericht is van te voren allerlei aan de mensen te beletten.


Bij ons is dat uiteraard andersom: wij beoordelen ACHTERAF het gedoe van de mensen. Als wij SPREKEN of SCHRIJVEN in het openbaar is er niemand die van te voren de tekst censureert - behalve in veel geval­len bij de RADIO en de TELEVISIE; hoe wordt dit overigens juridisch gedekt? - maar ACHTERAF wordt nagegaan of wij:

a)de koningin niet beledigd hebben, of b) een bevriend staatshoofd beledigd hebben, of c) opruiende woorden ten aan­zien van het gezag gesproken hebben, of d) ons aan smaadschrift hebben schuldig gemaakt, of e) iemand persoonlijk beledigd hebben. En dan kunnen wij natuurlijk ook nog de eerbaarheid gekwetst hebben…!

Als wij dit rijtje zo eens nagaan dan blijkt dat wij niet zo erg veel mogen zeggen in de praktijk. De DIRECTE KRACHT is aan ons woord ontnomen; wij kunnen niemand duidelijk de waarheid zeggen en wij kunnen ook niemand ertoe overhalen aan bepaalde toestanden een einde te maken. Want in dit laatste geval zijn wij bezig met OPRUIEN en in het eerste geval is natuurlijk degene tot wie wij onze aanval richten diep BELEDIGD. En in zijn EER en goede NAAM aangetast. Dui­delijke en DIRECTE taal kan niet gesproken worden. Maar nu is het opvallende, dat de mensen het juist hiervan moeten hebben.

In het dagelijkse leven, als er geen wet is die ons op de vingers kan tikken, zeggen wij elkaar ook de waarheid; de één wat meer, de ander wat minder, maar een ieder beseft dat je dan weet wat je aan elkaar hebt. Wij vinden dat het zo behoort te zijn en dat het eerlijk is. Vage en abstracte woorden zijn een teken van lafheid en huichelarij en ieder­een heeft er een hekel aan. Natuurlijk zijn er veel mensen die zich bij zo’n gelegenheid beledigd voelen, maar wij be­seffen daaraan terecht dat dat voor rekening van de beledig­de komt. Als datgene wat gezegd wordt niet waar is kan je het weerleggen en als het wel waar is moet je je voordeel er maar mee doen. En als het gebeurt dat iemand de waarheid zegt en die waarheid blijkt voor iedereen een samenraapsel van leugens en laster te zijn dan keren de mensen zich van­zelf al wel van die vuilbek af, en beledigd te zijn aan der­gelijke vuilpraterij is natuurlijk in hoge mate kinderachtig; er is geen enkele reden om iemand tegen zoiets te beschermen.


Trouwens, de bescherming die onze wet en ons recht biedt is er ook een van een zeer twijfelachtig gehalte; in principe komt het er toch wel op neer dat men het GEZAG niet aan mag tasten en dus ook dragers van die gewichtigheid met rust moet laten. Het draait dus toch allemaal om verhoudingen die de mens zich door het DENKEN eigen gemaakt heeft, en die in werkelijkheid helemaal niet bestaan.

Velen van ons zullen zich nog herinneren hoe voor de 2e oor­log een aantal mensen vervolgd werden door de justitie omdat zij de waarheid over HITLER gezegd hadden. Zij hadden een “bevriend staatshoofd” beledigd door te reppen over de schandelijke gebeurtenissen in Duitsland. Dat mocht natuur­lijk niet; bovendien bleken die mensen ook nog COMMUNISTEN te zijn en dat was de druppel die de maat deed overlopen. Lieden daarentegen die voor de propaganda van Duitsland zorg­den werden niet lastig gevallen, zelfs niet als bleek dat zij ook nog anderen DWONGEN om hun fiat op Duitsland te ge­ven. De feiten spreken voor zich: de beledigingswetjes zijn er om de mensen de mond te snoeren en natuurlijk gelden zij dan ten aanzien van mensen die zich geroepen voelen de waarheid te zeggen.

Evenwel: waarheid of geen waarheid, ieder mens moet zijn mening kunnen zeggen, en natuurlijk is die mening gericht aan bepaalde mensen PERSOONLIJK. Op een andere manier heeft het zeggen van de waarheid GEEN ZIN, en zelfs kunnen wij zeggen dat het dan de waarheid NIET IS. Want een waarheid is WAAR als ze nauwkeurig betrekking heeft op de FEITEN en de PERSONEN waarover het gaat. Een algemene waarheid is geen waarheid als het over dit soort van dingen gaat. Als de men­sen zeggen dat Johnson een MOORDENAAR is, dan gaat het voor hen om dat feit en die persoon. Geen enkele wet mag de men­sen verbieden deze mening naar voren te brengen.

En nu zeg ik niet dat de mensen de VRIJHEID moeten hebben om te spreken, maar ik zeg dat elke DWANG op het spreken een MISDADIGE DWANG is. Ook al staat men ons toe onze me­ning te zeggen, dan nog is de zaak niet terecht. We behoeven geen dank je wel te zeggen voor iets dat VANZELF SPREEKT. We behoeven ook niemand voor het leven te bedanken, dat ons “geschonken” is. En we behoeven niemand te bedanken voor het RECHT, dat voor ons schijnt te gelden, en ook behoeven wij op grond daarvan de rechter geen EDELACHTBARE te vinden.


Het RECHT is iets dat wij in onze cultuur hoog aanslaan, en daarvoor is wel wat te zeggen want het blijkt voor bijna alle mensen een ZEKERHEID te zijn. In landen waar met het recht naar willekeur omgesprongen wordt komt duidelijk voor de dag dat het RECHTSBESEF in de mensen heel zwak ontwikkeld is; in instellingen als het MILITAIRE APPARAAT geldt in principe he­lemaal geen recht en de taferelen die zich op de oorlogster­reinen afspelen tonen ook een bedroevend besef van recht in de mensen. In die hele wanordelijke janboel is het een ver­ademing als men nog èrgens tracht het recht en haar objectivi­teit te handhaven. Toch moeten wij het niet als méér zien dan als een verademing omdat het slechts betrekking heeft op het MILIEU van de mensen. De mens zèlf komt in het recht niet te pas. Als wij eens nagaan op welk terrein de bemoeiingen van de moderne mensen liggen, dan zien wij dat het alsmaar gaat over de verhouding TUSSEN DE EEN EN DE ANDER. Men zoekt die onderlinge verhouding te regelen, in de mening dat met het geregeld zijn van die onderlinge verhouding óók de mens zèlf terecht is. Die mening echter is volkomen fout; de onderlinge verhoudingen, dus de mens SOCIAAL, komen eerst dàn terecht als de mensen stuk voor stuk VOOR ZICHZELF terecht zijn. Wij vragen ons af hoe wij tegenover de ànder staan en hoe die ander tegenover ons staat; maar van belang is alleen maar de vraag WIE ZIJN WIJ. Het juiste antwoord op die vraag levert meteen een goede verstandhouding tussen de mensen op. En die verstandhouding is NIET IN HET RECHT GEGROND, dàt is alleen maar het geval voorzover het om die verstandhouding zèlf te doen is. Dan gunnen wij onszelf en de ander “rechten” en “vrij­heden” .

Het vervelende van àlle moderne stromingen is het feit dat er in wezen niets aan de hand is. Wat zich door wil zetten is de MODERNE MENS; hij heeft de strijd aangebonden met de westerse mens omdat deze laatste de neiging heeft zoveel mogelijk AN­DEREN erbuiten te houden. De westerse mens SLUIT UIT, zoveel hij kan. De moderne mens doet dat niet: hij vindt dat iedereen meetelt en dat iedereen zijn eigen “inbreng”heeft. Vanuit deze gedachte vecht hij voor die “inbreng” en hij noemt dat INSPRAAK en DEMOCRATISERING. Dat dit hele streven, hoewel in zekere zin vijandig aan het westerse, toch helemaal geworteld is in het westerse denken, is natuurlijk duidelijk. En omdat dit zo is behoeven we er MENSELIJK niets van te verwachten.


Ons recht zal steeds meer uitgewerkt worden en onze vrijhe­den zullen zich uitbreiden, maar in feite wordt het steeds BENAUWDER omdat het GEREGLEMENTEER toeneemt. En een gere­glementeerd leven is géén leven. Daarom kunnen we in dit verband CICERO aanhalen, die naar aanleiding van het ROMEINSE RECHT reeds voorzag: “Summum ius summa iniuria”, hetgeen betekent dat het hoogste recht vaak het grootste ONRECHT is.

Onze zichzelf reglementerende samenleving legt zichzelf steeds meer aan banden, terwijl wij het ervaren als recht en vrijheid. Het is evenwel een steeds groter ONRECHT en een steeds grotere ONVRIJHEID…

 

Zie ook:  Vrijheid van meningsuiting-zie bladwijzers ; Proces v/d Eeuw tegen alle ingezetenen van Nederland..! ; De ACHILLESHIEL ZIT IN HET KIESSTELSEL-briefnummer 19 ;

 

Naar bladwijzers: NIET STEMMEN roept een vacuüm op.    

 

STEMMEN zie nrs. 4(kiesstelsel) -  15 - 18 en 19(kiesstelsel)

 

Zie ook:  Vrijheid van meningsuiting-zie bladwijzers ; Proces v/d Eeuw tegen alle ingezetenen van Nederland..! ; De ACHILLESHIEL ZIT IN HET KIESSTELSEL-briefnummer 19 ;

 

++++++++++

Tot de volgende keer,

Jan Vis, creatief filosoof

 

Briefnummer 4: Het ongedierte vreet het andere op-Iwan Karamazow

 

Briefnummer 5: De moderne mens en de sport

 

Briefnummer 6: De vrede in deze wereld

 

Briefnummer 7: Het arbeidsevenwicht

 

Briefnummer 12: Rassenvraagstuk

 

Briefnummer 14: De brandstapel is mij te heet

 

Briefnummer 15: De papieren waarheid

 

Briefnummer 16: Pornografie

 

Briefnummer 17: Iets over de liefde en de verveling

 

Briefnummer 18: De vrijheid van spreken

 

Briefnummer 19: Het luchtledige

 

 

 

CENTRUM VOOR FILOSOFIE ROTTERDAM(1970)

 

Terug naar: STARTPAGINA

 

Naar bladw.: De achillespees zit in het KIESSTELSEL - STEMMEN..? ; Mijn ernstige waarschuwing ; Omdat DE MENS uiteindelijk DEUGT ; NIET STEMMEN roept een VACUUM op. ; Negeren van de SAMENLEVING, DEMOCRATIE

 

STEMMEN zie nrs. 4(kiesstelsel) -  15 - 18 en 19(kiesstelsel)

 

BRIEF No. 19. maart 1970

 


Het luchtledige


Bij verschillende gelegenheden en ook in meerdere brieven heb ik er op gewezen dat er voor een moderne democratie, ge­baseerd op het KIESSTELSEL, maar één groot gevaar bestaat, namelijk het feit dat er mensen zijn die hun stem niet wen­sen uit te brengen. Welnu: na de laatste verkiezingen is de hel losgebroken…! Een groot aantal mensen heeft niet de moeite genomen om te stemmen, of wilde niet stemmen - wie zal het zeggen? En prompt hebben alle partij-goden gerea­geerd. Men is zich te buiten gegaan aan speculaties, men heeft getracht met vergelijkende cijfers van andere verkie­zingen aan de statistische wetenschap een antwoord te ont­lokken en men bereidt een grootscheepse enquête voor onder alle Nederlanders. Niemand zegt het met zoveel woorden, maar de angst is groot. Dat blijkt uit het feit dat er telkens weer publikaties in de kranten verschijnen die inhaken op het onverklaarbare gebeuren. Een partij heeft zelfs proef­verkiezingen gehouden en dat werd een daverende mislukking, die - gelukkig maar - te wijten was aan een ondoelmatig op­gezette reclamecampagne, volgens de organisatoren althans!

 

Maar er worden ook minder onschuldige plannen gesmeed, en het is met het oog dáárop dat ik thans een ernstige waarschu­wing wil laten horen.

Deze brieven worden helaas niet door zo èrg veel mensen gele­zen zodat we niet in staat zijn iedereen te waarschuwen. Maar het is al nuttig als er een paar mensen op hun tellen gaan passen. Wij Nederlanders bezitten weinig opvallende eigen­schappen. Dat is in de grond van de zaak - maar dan moeten we wèl diep graven - nog niet eens zo gek; wij zijn betrek­kelijk rustige en ordelijke mensen, die de zaken zo goed mogelijk regelen en er zorg voor dragen dat de zaak zonder haperingen blijft marcheren. De Duitse Grundlichkeit missen wij maar toch zijn we nogal precies. En doordat we de boel nogal precies regelen zien we van veel dingen het gevaar niet in; een gevaar dat ontstaan kan juist omdat we het zo precies regelen. En ook zijn wij gewoonlijk niet in staat ons in te leven in EXCESSEN - alweer omdat die niet in het beeld van de rustige en ordelijke gang van zaken passen.

Wij hadden bijvoorbeeld aan het begin van de tweede oorlog lijsten met de namen van mensen die wegens hun politieke gedrag – lees: communistische gedrag - opvielen, en onze ordelijkheid verzette zich ertegen die lijsten bij de inval der Duitsers te vernietigen; bovendien geloofden wij niet dat de Duitsers er gebruik van zouden maken.

Hetzelfde geval deed zich voor bij de JOODSE RAAD, die in staat bleek de Joden op een presenteerblaadje cadeau te doen - ingedeeld in rubrieken zoals afkomst, financiële toestand, enzovoort. Men leze hierover WEINREB, over wie ik U al geschreven heb. De Duitsers behoefden de lijsten maar na te laten lopen door DE NEDERLANDSE POLITIE en de zaak was rond. Dat dit lang niet in àlle landen het geval was kunt U ook bij WEINREB le­zen: in België waren er geen registers voorhanden en in vele gevallen waren tòch aanwezige registers bijtijds vernietigd. Nu ziet het er op het ogenblik niet naar uit dat ons grote rampen wachten op korte termijn, maar anderzijds is het toch wel degelijk zo dat een mens attent moet blijven op de hem omringende wereld. Er is veel gedoe over de DEMOCRATIE en alles wat daarmee samenhangt; er is in dat verband veel pro­test en telkens laaien ook de gewelddadigheden op. Wij zijn natuurlijk weer geneigd dit alles als INCIDENTEN te zien, en dat zijn het OPPERVLAKKIG BESCHOUWD ook, maar wij mogen nooit vergeten dat die “incidenten” alle gericht zijn tegen een STELSEL, dat al of niet bewust wordt aangevoeld, maar dat tegenwoordig door erg veel mensen gesignaleerd wordt.

 

En juist omdat dit het geval is, verdient het aanbeveling de "incidenten" tégen dit stelsel niet als zodanig te zien.

Dit betekent tevens en vooral dat wij de TEGENMAATREGELEN bepaald niet moeten onderschatten; die zijn véél meer doelbewust en georganiseerd dan wij geneigd zijn te den­ken. In Amsterdam probeerde men nauwelijks de AARD van de onlusten te achterhalen, maar wèl werd er direct een poli­tie brigade opgericht die speciaal getraind was in het on­derdrukken van relletjes. Geld om aan bepaalde verlangens van de mensen tegemoet te komen is er niet, geld voor een afdeling KILLERS is er wel, en ook geld voor pantserauto's en waterkanonnen en traangasgranaten en nog meer van dat moois…! En het aardige is dat wij die tegenmaatregelen zèlf mogelijk maken doordat wij zèlf dat STELSEL helpen in stand houden. Ten dele kunnen wij daar weinig aan doen omdat wij ook ons werk doen, en niet zònder dat zouden kunnen, en daarmee natuurlijk en noodgedwongen meewerken aan de stand van zaken. Ons gehele leven, ons maatschappelijke leven, is noodzakelijk het STELSEL - hierop heb ik al eerder gewezen. Maar, al is dit dan een feit waaraan wij persoonlijk niets kunnen veranderen, dan behoeven wij nog niet onze oplettend­heid te verliezen en rustig in te slapen in het besef er tòch niets aan te kunnen doen. Wij behoeven daarom nog geen borreltafel-anarchisten te worden.

Zaak is het de zwakke steen in het stelsel te vinden, en al eerder wees ik er op: de achillespees zit in het kiesstel­sel. Dat weten de partij-bonzen ook wel en daarom proberen zij de mensen op te jagen om toch vooral naar de stembus te gaan. Wat je daar stemt geeft niet - er zijn toch nooit uit­schieters - en het geeft ook niet dat je je stem ongeldig maakt of blanco stemt want in beide gevallen geef je een duidelijke MENING, een KEUZE, en dan heb je dus tòch gestemd. Thans is het stemmen door de een of andere speling van het lot niet meer VERPLICHT, hoewel er al heel lang geen maatre­gelen meer werden genomen als iemand niet ter stembus was ge­togen. Maar nu kunt U ervan verzekerd zijn dat de heren er spijt van hebben en dat bleek al uit de verwarring na de laatste verkiezingen. Want wat is er nu gebeurd: er is, zij het nog bescheiden, een LUCHTLEDIG ontstaan.

 

Iedereen tast volkomen in het duister inzake die groep mensen die niets van zich hebben laten horen. Wat zijn dat voor mensen, zijn ze ontevreden of onverschillig of alleen maar lui, of zijn ze voor de democratie levensgevaarlijk…? Dat laatste is hoe dan ook het meest waarschijnlijke. Natuurlijk voelt men dit aan en ook ziet men scherp in dat het niet verschijnen in de stemlokalen de GENADESLAG voor het stelsel betekent. Ik maak me sterk dat de politici dat veel duidelijker inzien dan de stemmers, al was het alleen al vanwege het feit dat zij zich FORMEEL niet meer op de opinie van het Nederlandse volk kun­nen beroepen. Iedereen zal ze kunnen wijzen op dat grote aan­tal mensen dat helemaal nèrgens achter is gaan staan. Dan is de PRAKTISCHE politieke positie niet meer zo èrg sterk.

Maar wezenlijk aan deze zaak is dit dat een democratie zonder KEUZE een STELSEL - welk stelsel dan ook - onmogelijk maakt. Omdat wij niet gewend zijn DOOR TE DENKEN, en ons dùs bepa­len tot de omstandigheden NU en HIER, zien het boven ge­zegde niet gemakkelijk in. Wij roepen: dan komt er natuur­lijk een dictatuur of er komt wanorde en ellende. Welnu, dat dit laatste, de ellende, komt staat in deze wereld altijd als een paal boven water, dus daarover behoeven we ons echt niet druk te maken. Echter, een dictatuur of een dergelijke wantoestand, kan er wel EVEN komen, maar nooit lang. Want èlke mensonwaardige toestand roept in de mensen automatisch VERZET op. Op deze regel bestaat géén uitzondering omdat de mens uiteindelijk DEUGT.

Vaak duurt het naar òns idee lang en vaak zijn naar òns idee de offers te groot, maar de zaak zet zich altijd door, ongeacht onze mening! De dictatuur in Spanje loopt onherroepelijk stuk, evenzo die in Grieken­land. De Amerikaanse imperialistische politiek graaft zonder mankeren zijn eigen graf en zelfs Hitler nam de vrijheid zijn eigen ondergang voor het grootste gedeelte zèlf te bewerkstelligen. In de gang van zaken moeten wij niet letten op de TIJDSDUUR, maar op de RICHTING VAN DE BEWEGING. De SNELHEID ervan wordt bepaald door de ontwikkeling van de be­treffende mensen en die ontwikkeling volgt eigen wegen.

Dus: hoe het ook afloopt als het stelsel komt te vervallen, altijd maakt onmenselijkheid zichzelf onmogelijk – in een land als het onze zelfs tamelijk snel want alles wat beneden onze huidige democratie blijft, en dat is vrijwel alles, is in oogwenk doorzien en veroordeeld.

 

Het is dus helemaal niet de vraag wat er voor onze democratie in de plaats moet komen - er valt hier trouwens niets te MOE­TEN. Dat er allerlei MOET is een denkfout; dat er allerlei geregeld en georganiseerd moet worden is ook een denkfout. Als van hieruit er toe overgaan een nieuwe staatsinrich­ting in te stellen, wordt het gegarandeerd wéér een stelsel, en dat stelsel kan noodzakelijk niet veel verschillen van het huidige. Met als gevolg dat het al even onmogelijk is…!

Een samenleving REGELT ZICHZELF, en dat betekent o.a. dat ook vanzèlf die mensen naar boven komen die in staat zijn het ge­heel te overzien zodat zij in bepaalde opzichten op landelijk niveau de zaken kunnen coördineren. De veel gehoorde kreet dat in een dergelijke "liberale" samenleving natuurlijk weer de kapitalisten en de dictators de macht zouden grijpen, is een loze kreet. Dergelijke dingen kunnen alleen maar in een samenleving die niet ZICHZELF regelt; wat wij vroeger "libe­raal " plachten te noemen betekende de vrije ontplooiing van alles wat met HET KAPITAAL te maken had, het betekende dus ook de vrije UITBUITING van diegenen die daarvoor hun arbeidskracht moesten inzetten. Op geen enkele wijze gold voor déze mensen vrijheid. Een zichzelf regelende samenleving is dus in geen enkel opzicht "liberaal".

Wat voor zo'n samenleving wèl WEZENLIJK is, dat er nooit een bewust gestelde KEUZE mogelijk is. Waar alles ORGANISCH in elkaar grijpt valt niet het één boven het ander te stellen, netzomin als in ons LICHAAM het éne orgaan boven het ándere stellen kunnen. Toch zijn er organen die bepaal­de functies in ons GEHELE lichaam regelen, denk bijvoorbeeld aan de hersenen en het hart. Maar een dergelijk orgaan is niet MEER dan een ander, het heeft alleen een omvattender WERKZAAMHEID. En dat is geheel VANZELF zo.

Het is duidelijk dat de mensen die niet gaan stemmen een direct gevaar voor de kies-democratie zijn. Het gedrag van die  mensen is enorm effectief: niemand van de gezeten heren maakte zich druk om de onlusten op de universiteiten of om de provo-beweging, maar allemaal zitten ze vol vage angst nu er zoveel mensen niet gestemd hebben. Al die niet-stem­mers hebben schokkende daden achterwege gelaten; zij waren geen bommengooiers, geen bezetters, geen betogers. Zij bleven LETTERLIJK thuis. En nu is het gehele apparaat van de kook…! Dàt is pas EFFECTIEF…!

 

Mogelijk is dit resultaat aan Uw aandacht ontsnapt, en moge­lijk ontgaat U nog iets, en dat is nu nèt zo belangrijk.

Men overweegt een nieuwe VOLKSTELLING te houden, maar daarbij worden niet louter de "koppen" geteld, maar men wil van een ieder uitvoerige gegevens over de genoten opleiding, werk­kring, belangstelling, hobby's, levensovertuiging, enzovoort. Met andere woorden: men wil inzicht krijgen in de structuur van ons volk, in de sfeer die onder de mensen heerst. En wat is hiervan het resultaat? Dat het LUCHTLEDIGE, waaraan we nu nèt de vooruitgang te danken hebben, opgeheven wordt. Een spreker voor de radio merkte hieromtrent terecht op, dat dit HET BEGIN VAN EEN POLITIE-STAAT was. In alle opzichten een GEREGISTREERDE bevolking. Levensgevaarlijk is dat..!

Dezer dagen stond er in de krant dat iemand in de kamer aan de minister gevraagd had de POLITIEKE PARTIJEN inzage te geven van de lijsten van de stembureaux. Uit die lijsten blijkt WIE ER NIET GESTEMD HEBBEN. Natuurlijk is men dan in staat die mensen te gaan bewerken, maar ook - en dat is het gevaarlijkste - krijgt men inzicht in de gesteldheid van die mensen, zodat men weet wàt er leeft onder die mensen. En dan kan men daarop gaan spelen…! Ook dit is levensgevaarlijk…maar dat niet alleen: het druist ten allen tijde in tegen het RECHT; het is een INBREUK OP DE VRIJHEID.

Ook worden er aan alle kanten ENQUETES voorbereid, alweer met dezelfde bedoeling.

En nu mijn ernstige waarschuwing: WERK AAN AL DEZE DINGEN NOOIT MEE, weiger aan wie dan ook inlichtingen te verschaf­fen, en ga vanaf dit moment nooit meer naar de stembus. Wat ik al zo lang in "theorie" heb betoogd is nu in de praktijk waarheid gebleken. Wij moeten het van het LUCHTLEDIGE hebben. Maak U geen zorgen om wat er dàn komt; vanwege de ONGRIJP­BAARHEID van het luchtledige sneuvelt toch alles wat niet deugt. En het mooie VOOR IEDEREEN is dat het geen moeite kost (de bezetting van een gebouw is altijd weer een heel gedoe, en bovendien eigenlijk niet terecht), èn dat het in ALLE STILTE kan gebeuren. U zult zien hoe de heren zich in bochten wringen in hun vertwijfeling…!

 

Onlangs sprak ik iemand die in alle oprechtheid meende dat je op de meest "dwarse" partij moest stemmen, want: "hoe meer stemmen die krijgen, des te groter is de kans dat er verandering in de toestand komt". Deze gedachtengang is ONJUIST want ten eerste geldt wat ik hierboven uiteengezet heb, maar ten tweede: geen enkele PARTIJ ligt BUITEN het stelsel. Dat kàn nu eenmaal niet anders omdat partij KEUZE betekent en keuze levert onherroepelijk een stelsel op.

Bovendien, ten derde, moet het U toch wel eens opgevallen zijn dat geen enkele verkiezing een verandering teweeg ge­bracht heeft. Er zijn wel "verschuivingen " geweest, maar nog nooit veranderde er iets aan de gang van zaken - of het moet deze verandering zijn dat elke verkiezing weer een nieuwe groep mensen in de gelegenheid stelt COMMISSARIS van de één of andere grote NV te worden…! Sociaal en qua menselijkheid heeft geen enkele verkiezing ooit uitkomstgegeven.

Een massale KEUZE levert namelijk altijd een GEMIDDELDE op en het is volledig ondenkbaar dat er plotseling een grote uitschieter optreedt. Zelfs al zijn er veel mensen ontevre­den, dan nog loopt wat zij verkiezen uiteen, en meestal is de praktijk deze dat die ontevreden mensen zichzelf versnip­peren. Dat is een van de listigheidjes van het kiesstelsel. Men behoeft dus van stemmen op een dwarse partij niets te verwachten.

Het is trouwens in het algemeen zo, dat de MACHT vooronder­stelt dat er iets is dat er tegenover staat. Men zegt dan dat die macht "ergens op steunt", maar dat woordje "steunt" kunnen we beter vervangen door het woord "drukt". Want de macht DRUKT altijd op de mensen en gesteund wordt hij in feite door niets. Er is geen enkele menselijke verhouding die een machtsverhouding rechtvaardigt. Wat tegenover de macht staat is de altijd aanwezige weerstand van de onder­drukten. Maar deze weerstand is een wezenlijke voorwaarde voor de macht. Wij zien dan ook een WISSELWERKING tussen de macht en de weerstand; soms zien wij hoe de rollen zich om keren en dan blijken de dappere BESTRIJDERS van de macht plotseling nu zèlf de machtigen geworden te zijn met precies dezelfde Duitse manier van uitvaardigen van verordeningen. Zij behoren onlosmakelijk bij elkaar, die twee. Maar wat ze alle twee opheft is het luchtledige, en ook dit is niet zo maar een "theorie" die nauwelijks toe te passen is. Er zijn gevallen genoeg bekend waarbij de mensen de machthebber vol­komen links lieten liggen. Ze begrepen niet wat hij bedoelde, en ze konden hem niet verstaan en ook gewoon op straat zagen ze hem niet. In de afgelopen oorlog is dat meer dan eens voor­gekomen, bijvoorbeeld in België, en de resultaten waren wer­kelijk verbluffend. Van grootscheepse deportaties (Joden) was veel minder sprake dan bij ons in Nederland en zelfs bleven er veel meer voedselvoorraden in het land. Ook in dit geval is het o.a. WEINREB die op dit verschijnsel wijst.

En ik hoorde dat ook de mensen in het oosten, en zelfs ook wel in Rusland en Tsjecho-Slowakije zich telkenmale zo gedragen hebben. De STILTE vervult de machthebbers altijd met angst; zij voelen zich nèrgens meer in geworteld en dat is nu juist het gevoel dat zij MOETEN krijgen…!

 

Naar bladwijzers: NIET STEMMEN roept een * * * * op.

 

STEMMEN zie nrs. 4(kiesstelsel) -  15 - 18 en 19(kiesstelsel)

 

 

Ik groet U allen vriendelijk,

Jan Vis, creatief filosoof.

 

 

Macht ; onder macht versta ik…(1985) (gescand en geplaatst op 13 november 2009)

 

Lezing ; Overleven, een zaak van weten en kunnen (gescand en geplaatst op 12 november 2009)

 

Briefnummer 4: Het ongedierte vreet het andere op-Iwan Karamazow

 

Briefnummer 5: De moderne mens en de sport

 

Briefnummer 6: De vrede in deze wereld

 

Briefnummer 7: Het arbeidsevenwicht

 

Briefnummer 12: Rassenvraagstuk

 

Briefnummer 14: De brandstapel is mij te heet

 

Briefnummer 15: De papieren waarheid

 

Briefnummer 16: Pornografie

 

Briefnummer 17: Iets over de liefde en de verveling

 

Briefnummer 18: De vrijheid van spreken

 

Briefnummer 19: Het luchtledige

 

Te plaatsen brieven: de nummers 4, 5, 6, 7, 12, 14, 15, 16, 17, 18, en 19.(allen geplaatst tussen 17 en 22 oktober 2009)

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit de artikelen zonder meer toegestaan. Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld. (Jan Vis, creatief filosoof)

 

OVERLEVEN, EEN ZAAK VAN WETEN EN KUNNEN….  (1e versie)

Auteur: Jan Vis, creatief filosoof

 

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit de artikelen zonder meer toegestaan. Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld. (Jan Vis, creatief filosoof)

Gescand en geplaatst op 12 nov. 2009 - Verslag van 19??

 

Terug naar: Startpagina

 

 

Er is geen levend wezen op aarde te vinden dat zo slecht toegerust is op overleven als de mens. Als je hem vergelijkt met de andere schepselen legt hij het in alle opzichten af. Zijn tastzin, reuk- en gezichtsvermogen zijn, vergeleken met de andere dieren, ronduit abominabel en zijn prestaties zijn navenant. Zijn benen laten niet toe dat hij echt hard kan lopen, zoals een jachtluipaard bijvoorbeeld, en bovendien hebben zij maar één enkele functie: die van het zich voortbewegen en staan en zelfs die functie werkt, als ik de biologen mag geloven, niet eens goed. Grijpen met zijn voeten, zoals de aap dat kan, is er niet bij! En zijn handen, nou ja, het is waar, hij kan daar heel verfijnde dingen mee, dingen die andere schepselen niet voor elkaar krijgen, maar dat zijn toch geen vaardigheden die in directe zin nuttig zijn voor het overleven. Sterke klauwen om een prooi te grijpen heeft de mens niet. Hoe je het ook bekijkt, hij komt echt als een stumper ter wereld, zonder van nature gegeven middelen om zich in de buitenwereld - letterlijk en figuurlijk ­te kunnen handhaven.

Eigenlijk is dat heel merkwaardig! Zeker als je aanneemt dat de mens inderdaad als laatste mogelijkheid op de planeet verschenen is. Als hij door god geschapen zou zijn, dan kun je zonder meer vaststellen dat er van dat scheppen niet veel terecht is gekomen. God heeft duidelijk vergeten aan zijn kunstwerk een aantal nuttige functies toe te kennen. Met dat te constateren zou het verhaal af kunnen zijn: je stelt vast dat er een tragische vergissing door de onfeilbare gemaakt is en het raadsel is opgelost. Ook als je vermoedt dat god andere, uiteraard 'ondoorgrondelijke', verborgen, bedoelingen met zijn Adam en Eva gehad heeft, blijft het feit overeind dat geen van beiden de mogelijkheid hadden te overleven. Nu was dat inderdaad in het paradijs geen probleem, want daar was overleven juist een kwestie van volslagen niets-doen! Waarom dan toch de andere schepselen voorzien moesten worden van min of meer wrede overlevings­functies blijft een raadsel. Dat is trouwens lang niet het enige raadsel waarvoor god ons gesteld heeft….

Laten we god als schepper maar vergeten. Maar laten we wel aannemen dat de mens het laatste verschijnsel is dat uit de in zichzelf beweeglijke, energetische, materie te voorschijn gekomen is. Eigenlijk behoef je dat niet aan te nemen, want je kunt dat gewoon wéten! Ik geef toe dat de daaraan ten grondslag liggende redenering nogal uitvoerig is, maar hij is op zichzelf toch wel zo eenvoudig dat het je verbaast dat hij nog steeds geen gemeengoed is. De geleerden putten zich uit in ingewikkelde wetenschappelijke hoogstandjes, waarbij zij bovendien hun uiterste best doen elkaar te overtroeven, de eer van de meest verantwoorde theorie op te eisen, vaak met de bedoeling er zelf beter van te worden…. Je staat er versteld van als je ziet hoeveel - ik zeg het maar ronduit - krankzinnige ideeën de filosofen en wetenschappers uitgebroed hebben om de aanwezigheid van de mens in de kosmos te verklaren.

Ik heb meegemaakt dat er één tot de conclusie was gekomen dat de mens als een soort van zaadje, je weet wel, zo'n pluisje zoals je dat wel eens voorbij ziet zweven, overgewaaid was van de één of andere planeet.


Toen ik hem vroeg hoe daar de mens dan ontstaan was vond hij dat ik niet moest zeuren, "er blijven nu eenmaal altijd raadsels over" - zo voegde hij ten overvloede aan zijn ijzersterke betoog toe….

Volgens een eenvoudige redenering, uitgaande van energetische materie, kom je tot de conclusie dat de mens als laatste op de planeet verschenen is, in die zin dat hij de laatste mogelijkheid is. De laatste mogelijkheid qua innigheid van materiële samenstelling. Inniger, verfijnder en geraffineerder kan het niet. De materiedeeltjes kunnen niet een nòg fijner netwerk van verbindingen maken.

Daaruit zijn een paar conclusies te trekken, en die zijn in feite nogal tegenstrijdig. Ik moet je zeggen dat ik dat aanvankelijk knap vervelend vond, totdat ik door kreeg dat juist die tegenstrijdigheid essentieel is. Het gaat hierom: àls de mens inderdaad de apotheose, het slotaccoord, van het kosmische wordingsproces en van de evolutie is, zo je wilt 'de kroon der schepping', dan ligt het voor de hand dat hij in alle opzichten het meest sublieme schepsel is. Hij zou dan alles wat de andere schepselen kunnen ruimschoots moeten overtreffen. De evolutie levert immers steeds verfijndere en beter toegeruste organismen op - wat wij dan 'hogere' levensvormen plegen te noemen. Dus is de mens de hoogste levensvorm en dat betekent onmiddellijk dat hij ook de voortreffelijkste is. Vervelend is alleen dat daarvan totaal niets in de praktijk blijkt, zoals ik al betoogd heb. En helaas moet hieraan toegevoegd worden dat de mens niet alleen qua natuurlijke functies slecht bedeeld is, maar dat hij er ook geestelijk niet erg veel van terecht brengt.

Hoe dan ook, een tweede conclusie is dat er na de mens niets meer komt. Er is niets dat nòg 'hoger' is dan de mens. Dat is een hoogst merkwaardige ontdekking, die nog meer bevreemding wekt als je je realiseert dat in alle culturen de mensen zichzelf en elkaar wijs lopen te maken dat er beslist 'iets hogers' bestaat en dat het uiteraard goed zou zijn je daaraan te onderwerpen ­nou ja, je buurman zou zich eraan moeten onderwerpen. Dat is het verhaal van de godsdienst en in het algemeen van de ideologieën. Maar daar gaat het nu niet over….

Waar het wel over gaat is dit: de mens is de meest sublieme levensvorm en bovendien is er niets dat boven hem uitgaat, maar van deze beide kwaliteiten is hoegenaamd niets in de praktijk terug te vinden. Wat je wel vindt is een hopeloos onaangepast levend wezen dat in alle opzichten beneden de verschillende vermogens van de andere levende wezens blijft. En dat er niets boven hem uitgaat is ook niet echt vol te houden. Niet dat je zou moeten constateren dat er toch een hoger wezen in de vorm van de een of andere god bestaat, maar wel dat je op kunt merken dat de mens steeds een trapje hoger klimt, dat hij zichzelf op een steeds hoger plan brengt. Dat zou hij niet kunnen als er voor hem, op de een of andere manier 'in hem besloten', geen verdere mogelijkheid zou zijn. Die mogelijkheid ligt niet, als een hoger geplaatste god buiten en boven de mens, maar hij ligt dus in de mens zèlf besloten.


 

 

Vanwaar nu deze eigenaardigheden, die bepaald niet toevallig zijn, bepaald niet incidenteel aan de mensen zijn waar te nemen, maar steeds blijken een essentiële betekenis te hebben. Wel, het antwoord is te vinden in het begrip De Laatste Zijn. Oppervlakkig beschouwd zou je niets bijzonders achter dat begrip zoeken. Maar de filosofie zou de filosofie niet zijn als zij niet overal wat achter zocht en…. inderdaad, er ook nog wat achter vond ook! Dat begrip De Laatste Zijn heeft namelijk een onnoemelijk rijke inhoud, om tegelijkertijd geen enkele inhoud te hebben. Dat zit zo: als laatste stadium van een proces houdt een zaak al het voorgaande in. Je hebt namelijk te doen met een proces of een voortgang en daaraan komt op een zeker moment een einde. Als dat einde daar is kun je zeggen dat in dat einde het gehele proces, de gehele voortgang, geconcentreerd is. Dat geeft aan dat einde zijn speciale karakter: het is het eraan voorafgaande proces op voltooide en dus volledige wijze. Die hele zaak is als inhoud van dat einde aanwezig. Maar daarmee ben je niet klaar! Omdat het namelijk over het einde gaat is ook te stellen dat er helemaal geen inhoud meer is. Bij het zich beëindigen heft het proces zich op. Dat wil zeggen dat er een 'negatie' optreedt: de hele boel, de hele inhoud gaat zichzelf ontkennen. Het begrip De Laatste Zijn heeft dus een dubbele betekenis, namelijk een betekenis dat iets er tenvolle is en tegelijk dat datzelfde iets er niet is, of beter nog: op ontkende wijze aanwezig is. Aan de rand van de tafel is de tafel er, maar tegelijkertijd is die tafel er niet! Het De Laatste Zijn is, om het nog weer eens anders te zeggen, voorwaarde voor het begrip Grens en dat begrip is een zogenaamd 'dubbelbegrip' dat volstrekt niet zonder zijn innerlijke tegenstelling is te denken. Op grond daarvan zou ik het De Laatste Zijn met de volgende begrippen willen benaderen: er is 'het laatste' en tègelijkertijd is er de ontkenning daarvan, en dat noem ik 'het einde'.

Misschien begint het nu toch een beetje moeilijk te worden, maar dat is niet erg. Je kunt altijd nog de conclusies, die ik straks trek, voorlopig voor lief nemen en de rest van het verhaal volgen. Aan het eind kun je dan eventueel vol overtuiging roepen dat je het volstrekt óneens bent met mijn verhaal!

De betekenis van het begrip 'het laatste' leidt tot de volgende situatie: ten eerste is er een procesmatig ontstane  zaak die volledig uitgewikkeld is, zonder dat er ook maar iets aan ontbreekt en ten tweede is er het absoluut ontbreken van iets hogers dat boven genoemde procesmatig ontstane zaak uitgaat. En de betekenis van het begrip “het einde” ligt in de negatie van het voorgaande, dus in feite de negatie van alles wat door het wordingsproces en de evolutie is opgeleverd en logischerwijze ook de negatie van genoemd ontbreken van iets hogers, zodat je, heel merkwaardig eigenlijk, kunt zeggen dar er op de een of andere manier toch iets hogers is. Deze beide negaties, namelijk van wordingsproces en evolutie, of in het kort gezegd van het materiële, èn van het niet-bestaan van iets hogers – dat je het niet-materiële zou kunnen noemen – heffen het bestaan van hun tegenstellingen, waarop zij als het ware een “negatieve” reactie zijn, niet op, maar geven aan die tegenstellingen een andere status.

 

Zo leidt de inhoud van “het laatste”, dus de cluster van de tegenstellingen materie en haar negatie, niet tot het verdwijnen van de materie, maar tot materie die er op andere wijze is. En de tot 'het einde' behorende cluster van de tegenstellingen niet-iets hogers en haar negatie leidt niet tot de conclusie dat er wèl iets hogers zou zijn en dus tot de door menigeen maar al te graag gewilde bevestiging van het bestaan van een god of van een autonome geest, het 'spirituele' of een wereld 'aan gene zijde'. Daar leidt dit dus niet toe, maar wel dat je kunt constateren dat het niet bestaande hogere er op een bijzondere manier tóch is, namelijk op een materiële, op een stoffelijke, wijze.

Dit hele getover met begrippen op grond van het feit dat de mens de laatste verschijningsvorm in de kosmos is vormt de filosofische ondergrond voor een aantal eigenaardigheden die de mens vertoont en die wij wat nader moeten bekijken omdat zij essentieel zijn voor de uitwerking van ons thema. Welnu, de negatie van het materiële is er de oorzaak van dat de mens op de planeet verschijnt als een wezen dat volstrekt niets kan, in die zin dat het nergens op toegerust is. Dat is dus waar ik in het begin van dit verhaal op gewezen heb. Toch is er met dat 'niet toegerust zijn' in zoverre iets eigenaardigs aan de hand dat al die eigenschappen, die in de natuur op 'verdeelde wijze' voorkomen, allemaal in de mens terug te vinden zijn. De klauwen bijvoorbeeld van de poes zijn bij die poes specifiek en uitsluitend ingesteld op het grijpen van een prooi. Zij kan er in feite niet of nauwelijks iets anders mee. De mens evenwel heeft eigenlijk ook wel die klauwen, maar de specifieke grijp-functie is in zoverre tot iets algemeens geworden zeg maar “verwaterd”, dat er ook àndere dingen mee gedaan kunnen worden. Zo zijn er talloze voorbeelden te geven van eigenaardigheden en functies die in de natuur “expliciet” voor komen, gebonden aan dit of dat levende wezen, maar die bij de mens 'impliciet' aanwezig zijn, dat wil zeggen: verzonken in een totaal van eigenaardigheden en functies. Op grond daarvan heb ik geconcludeerd dat je bij de mens te doen hebt met de materie op andere wijze. Het is er wel allemaal, maar je hebt er op zichzelf niets aan, je kunt er op zichzelf niets mee….

Zo ook met dat zogenaamde hogere. Het is er beslist niet, want na het laatste verschijnsel komt er logischerwijs niets meer. Dat is een onweerlegbare waarheid, behalve natuurlijk voor diegene die toch maar liever aan het fantaseren slaat! Dus: er bestaat niets hogers, maar dat niet-bestaan daarvan is toch ook niet te denken zonder zijn eigen negatie. Het niet-bestaan van iets hogers verandert door die onvermijdelijke negatie in een op andere wijze toch bestaan van iets hogers. Ik heb er al iets over gezegd. Dat is namelijk dat voor menigeen raadselachtige verschijnsel van het langzaam maar zeker op een hoger plan komen van de mens en zijn werkelijkheid. De cultuur ontwikkeling bijvoorbeeld is afspiegeling en resultaat van dat op andere wijze gelden van iets hogers. Het leuke daarvan is dat het juist dit geleidelijke overschrijden van eigen grenzen is dat vanaf het vroegste begin de mensen het gevoel heeft gegeven dat er ècht iets boven hen is, een hemelse wereld waarin allerlei geesten leven en wat de woonplaats is van een god of meerdere goden.

En anderzijds heeft dit overschrijden van eigen grenzen er herhaaldelijk toe geleid dat mensen zich losmaakten van bestaande machten en conventies en zich als vrijheidslievende rebellen gingen gedragen, als vrijdenkers bijvoorbeeld….

Je zult misschien zo langzamerhand zeggen "Wat kan mij die materie op andere wijze en dat hogere op andere wijze schelen, zeker in verband met de vraag hoe het zit met het overleven en de rol die weten en kunnen daarin spelen? Je zou daarin gelijk hebben als het nou niet juist zo was dat in die twee begrippen de hele essentie van het overleven besloten lag. Ik heb er al op gewezen dat het bij de mens niets wordt als hij op 'natuurlijke wijze' zou moeten overleven.


Hij is er niet op toegerust en hij heeft er het instinctieve programma niet voor. Maar hij kan wel overleven als en voorzover de materie er voor hem op andere wijze is. Je hebt dan namelijk te doen met dat wat wij onze kennis plegen te noemen. Uiteraard moet ik daar nog een beetje over uitweiden, maar eerst wil ik alvast laten weten dat dat hogere dat er op andere wijze is, bij ons bekend staat onder de term kunnen. Zo komt het dat ik het in deze lezing heb over een 'weten en kunnen' dat essentieel is voor het overleven.

Als eerste over het weten, over de kennis. Volgens mijn gedachtengang is dat dus de materie op andere wijze. Teneinde dat wat grijpbaarder te maken kun je het wat mij betreft ook hebben over 'de materie als abstractie' of 'de materie als zaak van het intellect” of iets dergelijks.

In feite komt het er op neer  dat wij nu gaan nadenken over de werkelijkheid als voorstelling.

Er zijn namelijk twee werkelijkheden, die beide van belang zijn voor het leven van de mensen. uiteraard is de éne werkelijkheid die van de concrete dingen, de voorwerpen om ons heen tot in de uitgestrektheid van het oneindige. Met die voorwerpen hebben wij op de een of andere manier steeds contact, althans met een deel daarvan. Zij vormen onze 'omgeving', ons 'milieu' en zelfs ons 'biotoop'. Maar, hoewel wij onmiskenbaar met die dingen in contact staan is het toch zo dat wij die voorwerpen niet kennen. Het 'contact hebben met' is maar een uitwendige aangelegenheid, je hebt contact met de buitenkant. Dat geldt ook als je niet uitsluitend denkt aan een tastbaar contact, zoals voelen, grijpen en dergelijke, maar ook als je denkt aan een zichtbaar contact. Steeds is het een zaak van de buitenkant, van het uitwendige. Iedereen weet dat, al sta je daar niet voortdurend bij stil. Gelukkig is er voor ons ook nog een àndere werkelijkheid! Die heeft betrekking op precies diezelfde voorwerpen, nu echter niet tastbaar en zichtbaar om ons heen in de buitenwereld, maar op abstracte wijze aanwezig in onze binnenwereld. Dat wil zeggen: aanwezig in ons zelfbewustzijn. Die in ons zelfbewustzijn aanwezige werkelijkheid is onze voorstelling. En dat is nu precies de werkelijkheid waarvan wij zeggen dat wij er iets van afweten, dat wij er kennis van hebben. Het is, in het kort gezegd, onze kennis. Datgene dat wij weten. Dus: de werkelijkheid als voorstelling is dat wat wij weten en dat is iets dat typerend is voor de mens, in tegenstelling tot het dier en de plant. Maar, omgekeerd is het ook waar: datgene dat wij aan de weet zijn gekomen draagt bij aan de vorming van onze voorstelling.

Wij zien de werkelijkheid op grond van ons weten, enerzijds, en anderzijds is het onze voorstelling die bepalend is voor ons weten. Nu weet ik niet of jullie horen of aanvoelen waar hem de schoen wringt.


We zitten nu namelijk gevangen in een vicieuze cirkel, we zitten hopeloos klem. Want hoe wij ons voorstellen dat de werkelijkheid is, zo is ook ons weten en tegelijkertijd is het datzelfde weten dat onze voorstelling van de werkelijkheid bepaalt. Dat leidt tot geen andere conclusie dan deze dat wij er nooit achter kunnen komen of wij al dan niet gevangen zitten in een waan! Wat is de waarheid? Wij kunnen wel zoveel weten en ons van alles voorstellen, maar of dat de waarheid is, en in hoeverre we in een waan bevangen zijn, wie zal het zeggen? Ik kom daar straks nog op terug en ik hoop dat ik dan duidelijk kan maken waar de uitweg uit de misère gevonden kan worden. Wel wil ik alvast er op wijzen dat dit dilemma, namelijk van het gevangen zitten in een vicieuze cirkel, nu precies de ellende uitmaakt van onze moderne wereld, een wereld waarin men onvoorstelbaar veel op wetenschappelijk verantwoorde wijze aan de weet is gekomen en toch geen flauw benul heeft van de werkelijkheid en haar ware aard…. Ook de filosofen, die geacht worden althans enige wijsheid verworven te hebben, weten er geen raad mee. Zij vluchten dan ook maar in het post-modernisme, waarin het er zijn van een universele waarheid principieel ontkend wordt en waarin men elke essentiële vraag ontwijkt, onder het diepzinnig slaken van de kreet “ieder het zijne”. Dat wil zeggen: ieder zijn eigen onzin!

Je zou kunnen denken dat de tweede cruciale eigenaardigheid van de mens, namelijk zijn op andere wijze het hogere zijn misschien de mogelijkheid zal bieden om door die vicieuze cirkel heen te breken. Helaas is dat niet het geval. Datgene dat ik nu steeds 'het hogere' noem is namelijk precies de bron van waaruit we in staat zijn van allerlei aan de weet te komen. Onze kennis is dus om zo te zeggen 'een kind' van dat 'hogere'. En als zodanig is zij volstrekt erfelijk belast. Het is wel waar dat er steeds van een zekere voortgang, een zekere ontwikkeling, gesproken kan worden en dat je op grond daarvan kunt stellen dat onze kennis steeds betrouwbaarder wordt, maar ook de betrouwbaarste kennis, die tegenwoordig en in de toekomst verworven wordt is en blijft 'kind van het hogere', zoals dat zich in elke generatie op zijn wijze gelden laat. De toenemende betrouwbaarheid van onze kennis brengt ons niet dichter bij de waarheid, nee, tot op zekere hoogte maakt het het voor de mens moeilijker om er achter te komen of en in hoeverre hij in een waan leeft, een wetenschappelijk verantwoorde waan desnoods, maar toch een waan! Dat dat steeds moeilijker wordt zit hem in de toenemende betrouwbaarheid van de kennis. Dat is een leuke paradox! Juist door die betrouwbaarheid, met daaraan meekomend het met voorspelbaar succes toepassen van onze kennis, wordt vrijwel alle twijfel weggenomen. De juistheid van de wetenschappelijke kennis en de succesvolle toepassingen daarvan versterken in de moderne mens de waan dat zijn voorstelling van de werkelijkheid op waarheid  berust. En dat is nu juist ten onrechte! De 'juistheid' van zijn voorstelling, met daarbij behorend de 'juistheid' van zijn wetenschappelijke kennis en zijn technologie, is iets geheel ànders dan de 'waarheid' ervan.


Wat die juistheid betreft: voorzover de kennis 'juist' is kan zij voor toepassing in aanmerking komen. Om dat te laten lukken moet de mens ook nog wat kunnen!  Welnu, de combinatie van 'weten' en 'kunnen', namelijk 'op andere wijze materie' en 'op andere wijze het hogere', levert de technologie op. Deze is voor de mens van essentiële betekenis, wezenlijk niet op grond van wat ik 'economisch-pragmatische' verklaringen noem, maar op grond van de essentie van de mens, bij wie zijn situatie dat hij de laatste is leidt tot het onvermijdelijk en noodzakelijk verwerven van kennis en tot het ermee aan de slag gaan. Weten en kunnen is de essentie van zijn bestaan en dus ook van zijn overleven op de planeet. Dat betekent dus dat er van de mens niets terechtkomt als hij niet op een 'technologische wijze' met zijn werkelijkheid omgaat. Maar, hij kan dat niet niet doen! Waar de mèns is, is er de technologie, het vanuit 'weten en kunnen' te lijf gaan van de werkelijkheid.

In het moderne denken draait het bijna altijd om 'economisch-­pragmatische' verklaringen. Daarmee bedoel ik te zeggen dat men het gedoe van de mens probeert te verklaren vanuit uitwendige noodzakelijkheden. Zo'n verklaring gaat ongeveer als volgt: de in wezen vijandige natuur dwingt de mens ertoe oplossingen te bedenken om niet meteen al ten gronde te gaan. Door die van buitenaf komende bedreiging ontwikkelt de mens technologie, want dat is voor hem de meest praktische manier om zich staande te houden. Je ziet, er wordt iets uitwendigs als oorzaak gesteld van het fenomeen dat de mens tot handelen overgaat. Nu wil ik niet beweren dat de ongecultiveerde planeet niet bedreigend voor de mens zou zijn! Natuurlijk is dat een onherbergzame wereld, maar waarom het gaat is dat niet iets van buitenaf de mens tot handelen stimuleert, maar dat het zijn eigen gesteldheid is die het technologische proces bij hem in gang zet en aan de gang houdt. Was hij terechtgekomen in een 'paradijselijke' wereld, zoals dat hier en daar het geval was, denk maar aan die heerlijke eilandjes in de Pacific waarover onder anderen Margareth Mead spreekt, dan zou hij zich ook onmiddellijk als 'weten en kunnen' hebben laten gelden. Hij heeft dat dan ook gedaan!

Ik wil dus zeggen: de technologie is er niet af te denken. En dat houdt ook onmiddellijk in dat de toekomst van onze mensheid naar zijn essentie een technologische is. Indien er voor óns, moderne mensen, te spreken is van de noodzaak van een redding uit de nood, zal die toch uit de hoek van 'weten en kunnen' moeten komen. Zo is het bijvoorbeeld voor een goed functionerende volwassen wereld noodzakelijk dat er een goede communicatie tussen de mensen is. Precies zoals het zenuwstelsel alle organen van ons lichaam met elkaar in samenhang brengt, zodat elk orgaan met elk ànder orgaan verbonden is, zo vereist een goede wereld een innige samenhang tussen de mensen. Hoe is zoiets echter anders te denken dan doormiddel van de technologie? We kunnen nu wel met een aantal denkers klagen over onze afhankelijkheid van allerlei hulpmiddelen, maar daar schiet je niets mee op, juist ómdat de mens nu eenmaal hopeloos verloren is als hij zijn weten en kunnen niet op volle sterkte kan inzetten.

Je hoort tegenwoordig allerlei verhalen van goedwillende lieden die hun hoop gevestigd hebben op een drastische vermindering van de technologie en die beweren dat daartoe vereist is het afschaffen van het huidige technologische denken.

 


En niet alleen dat, ook de afhankelijkheid van de mensen van de techniek zou volgens die denkers verminderd moeten worden. Daarvoor in de plaats zou dan moeten komen…. ja, wat nu eigenlijk? Men spreekt dan van een 'eenvoudige' en 'meer natuurlijke' levenswijze, maar dan vraag ik: "wat is dat?". Bedoelt men dat we weer bij kaarslicht met een ganzeveer onze mystieke belevenissen moeten gaan zitten opschrijven, of dat wij ons te voet, door weer en wind naar onze verwanten of vrienden moeten begeven zodat een bezoek aan neef Karel in Amsterdam ons een week heen en een week terug lopen kost? Nogmaals, wat bedoelt men met 'terugdringen van de technologie' en met 'natuurlijk leven'? Zoals uit het voorgaande hopelijk duidelijk is geworden bestaat er voor de mens geen natuurlijk leven. En als je desondanks toch daarvan wil spreken, dan moet je er blijk van geven te begrijpen dat de 'natuur' van de mens onder andere inhoudt dat hij zich 'van nature' ontwikkelt op het vlak van weten en kunnen en dat hij dat doet ongeacht de min of meer dwingende noodzaak vanuit de omstandigheden waarin hij toevallig verkeert.

Hoewel het mij althans nog nooit gelukt is bij de 'terug naar de natuur idealisten' een logisch houdbaar en consistent verhaal te ontwaren, moet ik tegelijkertijd toch erkennen dat er veel waars schuilt in de behoefte op de een of andere manier bevrijd te worden van dat almaar doordenderende moderne wetenschappelijke en technologische denken. De voortgang daarvan wordt terecht als uitermate bedreigend en zelfs onmenselijk ervaren. Er is namelijk niet veel fantasie voor nodig om te kunnen voorspellen dat de moderne mensheid steeds meer verstrikt raakt in de doolhof van zijn eigen kennis en de toepassingen daarvan. Zoals ik daarstraks al opmerkte heeft dat in de eerste plaats te maken met het feit dat de mens onontkoombaar vast blijft zitten in zijn eigen voorstelling van de werkelijkheid. Zoals hij zich die voorstelt, zo is zij, en niet alleen dat dàt het geval is, neen, het is ook nog de waarheid. Zolang en voorzover je echter meent de waarheid voor ogen te hebben wijs je alles wat daaraan twijfel zou kunnen zaaien met klem van de hand. De waarheid is immers eenduidig: er is niet naast de waarheid nog een àndere waarheid. Desnoods wel een waarheid van iemand anders, maar niet qua essentie een andere, een die niets met de qua voorstelling aanwezige waarheid van doen heeft. Op grond hiervan is er geen behoefte om aan de eigen waarheid te twijfelen. Sterker nog: het voortschrijdende wetenschappelijke onderzoek bevèstigt almaar meer de bestaande voorstelling van de werkelijkheid. Die waarheid wordt wel meer gedetailleerd zodat er op grond daarvan details gewijzigd worden, maar op zichzelf wordt de voorgestelde waarheid steeds onaantastbaarder. Maar in de tweede plaats komt daar nog bij dat die zichzelf bevestigende voorstelling uit steeds meer almaar kleinere onderdelen gaat bestaan. De voorstelling vergruist als het ware, hij valt gaandeweg uiteen in steeds kleinere deeltjes die tenslotte helemaal niet meer te herkennen zijn als oorspronkelijke elementen van een samengestelde werkelijkheid. Daarmee hangt onlosmakelijk samen dat je straks helemaal niet meer weet wat die elementen zijn en waartoe zij oorspronkelijk behoorden.

 


Dan raakt de mens ook qua toepassing steeds meer de draad kwijt. Tenslotte weet hij helemaal niet meer waarmee hij bezig is. Zo manipuleert hij bijvoorbeeld het DNA, louter en alleen maar omdat hij ontdekt heeft dat er zoiets als DNA is en dat je daarmee schijnbaar ongestraft kunt rommelen. Dat rommelen wordt dan als een hoogwaardige technologie aangeprezen zonder dat er door de wetenschappers die ermee bezig zijn redelijk nagedacht wordt over het doel ervan. Men neemt op kinderlijke wijze zomaar aan dat het rommelen met DNA tot een beter organisme leidt, bijvoorbeeld een mens met betere hersens! Hoe krijgen zij het verzonnen! Als je betere hersens wilt maken moet je van tevoren weten wat betere hersens zijn, maar als je werkelijk weet wat 'betere' hersens zijn behoef je niet te manipuleren, want dan hèb je ze al. Je hebt ze dan immers zelf..!

Hoe dan ook de voorstelling wordt minder betwijfelbaar, hij wordt steeds meer versnipperd en hij leidt in toenemende mate tot toepassingen die nergens op slaan en die hoogstens te gebruiken zijn om er veel geld mee te verdienen. Dat alles doet de mens belanden in een werkelijkheid die door en door een levensgevaarlijke waan is. Een bedachte en uitgedachte werkelijkheid die zo langzamerhand alle realiteit mist.

We komen nu voor een eigenaardig probleem te staan: enerzijds moeten wij het hebben van de wetenschap en de technologie, zodat wij genoodzaakt zijn de werkelijkheid steeds dieper te analyseren en steeds nieuwere toepassingen te bedenken, maar anderzijds leiden diezelfde activiteiten tot een almaar grotere vervreemding, een steeds verder van huis raken. Als je dat goed tot je door laat dringen slaat je de schrik om het hart! Er is geen uitweg. Bij nadere beschouwing blijkt dat de wetenschap, sinds Descartes, Newton en anderen er een formele basis, met eigen kriteria en normen, aan gegeven hebben volstrekt zelfbevestigend is geworden. Het is namelijk zo dat er als gevolg van het, op zichzelf natuurlijk onmisbare, uitvoerige objectieve controleren, verifiëren en falsificeren een complex van 'juistheden' ontstaat dat op grond van eigen kriteria en normen niet meer aangevochten kan worden. Was dat wèl mogelijk, dan zou bepaalde kennis niet juist zijn, maar omdat dit onmogelijk is gemaakt door eindeloos herhalen van proeven en dergelijke, is de 'juistheid' van bepaalde kennis onbetwijfelbaar…. totdat blijkt dat er wel degelijk twijfel bestaat! Nu valt er iets eigenaardigs waar te nemen: die twijfel, die ondanks alle 'juistheid' tóch de kop opsteekt komt niet voort uit het wetenschappelijk bolwerk zèlf, maar van buitenaf..! Door verschijnselen die op zichzelf niet wetenschappelijk zijn die althans buiten het wetenschappelijk bolwerk vallen, wordt de zaak aan het wankelen gebracht en tenslotte zelfs onderuit gehaald. En dat gaat door totdat er weer een nieuwe, aan alle normen en kriteria voldoende, theorie uitgedacht is, en die weer het predicaat van 'juistheid' gaat dragen. In de wetenschap gaat het zo door tot het einde der tijden, want de wetenschappen kunnen niet anders dan zo tewerk gaan. Zo behoren ze te werken.

Maar toch, er is blijkbaar een aspect aan de menselijke werkelijkheid dat telkens de boel aan het wankelen brengt.

Kennelijk bestrijken de wetenschappen maar een gedeelte van de werkelijkheid en is er een terrein, een cluster van verhoudingen, die de werkelijkheid op een volstrekt àndere manier voor ons kenbaar maakt.


En dat moet dan een zaak zijn die net zo logisch denkend begrepen kan worden als de wetenschappelijke werkelijkheid, maar die zich toch absoluut niet leent voor een wetenschappelijke benadering, en - begrijp me goed - zonder je toevlucht tot occulte onzin te nemen. Ik kan dat nu niet uitputtend bespreken, maar waarom het mij nu gaat is dat er een onderscheid is tussen je ervaring van de werkelijkheid als je je afvraagt wat zij is en daartegenover als je je afvraagt hoe zij is. Alles wat ik hiervoor gezegd heb over de menselijke voorstelling, over de kennis en de juistheid daarvan heeft betrekking op de vraag wat de werkelijkheid is. Het antwoord op die vraag valt uiteen in twee gedeelten, die onderling tot elkaar in betrekking staan. Ten eerste geeft dat antwoord aan waaruit de hele zaak bestaat en ten tweede geeft dat antwoord aan uit welke verhoudingen het netwerk van onderlinge relaties bestaat. Dat alles kom je aan de weet door de werkelijkheid te onderzoeken, er experimenten op los te laten en er theorieën over te vormen. Alles tezamen gaat het dan over de wetenschap.

Maar, er is ook te vragen hoe de werkelijkheid is. Dan vraag je naar haar hoedanigheid, haar karakter. In feite probeer je haar dan als een geheel te zien en vervolgens te beschrijven hoe dat geheel er uitziet. Als je dat doet word je geconfronteerd met iets volkomen ànders dan wat de wetenschap opgeleverd heeft. Deze laatste immers komt met onderdelen, de betrekkingen daartussen; de er op van toepassing zijnde wetten en dergelijke. Maar nu gaat het niet om de onderdelen en de verbanden daartussen, maar om de gehele werkelijkheid als één gesloten en alles omvattend systeem. En van dat systeem ga je uitzoeken hoe het daarmee zit, wat haar aard is. Dat uit te zoeken behoort tot de menselijke mogelijkheden. Waarom dat het geval is is niet een twee drie uit te leggen, maar wellicht zegt het je iets als ik zeg dat de werkelijkheid als laatste verschijnsel alles omvat - daarover had ik het al - en daardoor in staat is letterlijk 'het geheel te overzien'. Welnu, dat geheel overziende kom je tot een heel ander resultaat als wanneer je, wetenschappelijk, alles uit elkaar gehaald hebt om te weten te komen waaruit de zaak bestaat. Hoewel je naar dezelfde werkelijkheid kijkt zie je toch wat ànders! Als voorbeeld heb je misschien iets aan het volgende: als je naar een schilderij van bijvoorbeeld Breughel kijkt dan kun je op twee dingen letten. Ten eerste op de details. Welke mensen komen er op voor, wat doen zij, hoe zijn zij gekleed, enzovoort. Dat is de vraag waaruit bestaat de voorstelling. Maar ook - en eerlijk gezegd 'beter' - kun je kijken naar het beeld dat het gehele schilderij voor je oproept. Dan gaat het om de hoedanigheid ervan en in feite gaat het dan, en uitsluitend dàn, over de waarheid. Weten wat de hoedanigheid is, is weten wat de waarheid is.

Zoals je waarschijnlijk al begrepen hebt versta ik onder de waarheid het ontdaan van alle waanvoorstellingen begrijpen van de werkelijkheid. Als en voorzover de mens zich eenzijdig richt op de voorstelling met alle daaraan te ontlenen kennis blijft hij onvermijdelijk bevangen in een waan, ten eerste omdat het dan altijd om een bepaald gedeelte van de totale werkelijkheid gaat, namelijk uitsluitend dat gedeelte waarvan hij ervaring heeft opgedaan, en ten tweede omdat het in feite toch een ontlede, een uit elkaar gehaalde, werkelijkheid is.

 


Die werkelijkheid is niet meer authentiek. Om die twee redenen is de waan niet te vermijden en bovendien is niet te vermijden dat een ieder er weer een andere voorstelling op nahoudt. De waarheid is daar niet te vinden, ook al is de voorstelling van die of gene, of desnoods van ons allemaal, nog zo juist!

Gaat het echter om de waarheid, dan is de gehele werkelijkheid in het geding en dan gaat het om het beeld dat je daarvan hebt. Hoe je dat beeld in jezelf moet oproepen weet ik niet.

Dat zal voor een ieder weer anders zijn. Maar zeker is dat iedereen het kan omdat in elk mens, zoals gezegd, de werkelijkheid als geheel aanwezig is.

Wat ik ook met zekerheid kan zeggen is dit dat in onze westerse cultuur dit beeld van de werkelijkheid bijna volledig verloren is gegaan. Voor de westerse mens is alles verwetenschappelijkt. Daarmee is het een formule, een theorie en een verzameling van 'ditten en datten' geworden. Hoewel die westerse mens die zaak uitgewerkt heeft tot een uiterst verfijnd gerubriceerde verzameling onderdelen, is toch de waarheid ver te zoeken. Sterker nog: uit het voorgaande volgt dat de westerse mens juist daardoor vrijwel geheel in een waan leeft, een wetenschappelijke waan, maar toch…. een waan, ook al bestaat die waan uit een grote hoeveelheid op zichzelf juiste kennis. Misschien heb je al wel door hoe wij daarvan af kunnen komen. Als het ons namelijk gelukt om weer een helder beeld van de werkelijkheid voor ogen te krijgen valt al die door ons inmiddels verworven kennis zonder enig probleem op zijn plaats. Alles komt dan letterlijk 'terecht'. Dan weten we als vanzelf weer waarover het gaat. En voor een ieder van ons is dat eenzelfde weten omdat iedereen zich een beeld van de gehele werkelijkheid heeft verworven. Maar let op, dat alles omvattende beeld is niet verkregen via een leerproces. Zou dat wèl het geval zijn, dan zou het een zaak zijn van kennisoverdracht en dan zou je weer zitten met de vraag of die kennis al of niet juist is. Het verwerven en rubriceren van kennis is nu eenmaal een cumulatief proces. Het gaat om zoveel mogelijk relevante informatie. Met de waarheid heeft het dan weer niets te maken..!

De waarheid is voor een ieder dezelfde, nu dus eens niet omdat een bepaalde élite ons via slinkse methoden gedwongen heeft een bepaalde waarheid te aanvaarden, zoals de opvoeding, het onderwijs en de godsdiensten altijd gedaan hebben, maar omdat er nu eenmaal één werkelijkheid is en er daarvan uiteraard door een ieder van ons maar één beeld verkregen kan worden! Dat beeld ligt als het ware in onszèlf besloten en de geldigheid daarvan valt ­helemaal buiten onze wil en onze incidentele omstandigheden en vermogens. Je behoeft je er alleen maar van bewust te worden en als je dat doet laat je gelden wat alle volkeren in alle culturen altijd al aangevoeld en beseft hebben, namelijk dat er in jezelf als individu een weten omtrent de werkelijkheid aanwezig is. Dit is geen romantisch New-Age verhaaltje. Je kunt heel consequent en logisch nagaan dat wij, als laatste verschijnsel, al het voorgaande inhouden en daarvan op de een of andere manier weet moeten hebben. In het kort komt de hele zaak hierop neer dat de beweeglijkheid van de materie op latente wijze in het verschijnsel aanwezig blijft en op die manier een alle mogelijkheden omvattende trilling vormt.


 

Die alles omvattende trilling is eigenlijk de wèrkelijkheid zelf, maar dan op de wijze van een trilling. Het is een beetje moeilijk in het kort duidelijk te maken hoe dat in elkaar zit. Maar een goed voorbeeld is de grammofoonplaat. De groef op zo'n plaat is eigenlijk de weergave van een trilling. Die trilling is bijvoorbeeld op een beeldscherm zichtbaar te maken. Dan zie je één grillige zigzaglijn, dat is denk ik wel bekend. Deze grillige lijn nu houdt alle klankkleuren, toonhoogtes, intonaties, kortom een geheel muziekstuk in, en wel op een zodanige wijze dat bij reproductie al die nuances weer te voorschijn komen en zo het geheel van de muziek hoorbaar maken. Welnu, van die alles omvattende trilling is te zeggen dat hij 'op trillende wijze' alles inhoudt. Zo kun je je ook enigszins voorstellen dat de materie, die eigenlijk en wezenlijk een systeem van trillende beweeglijkheden is, aan het einde van haar wordingsproces in zichzelf op een dermate wijze trilt dat alle variaties, alle mogelijkheden, alle toestanden er in opgenomen zijn. Die in ons aanwezige trillende werkelijkheid noem ik ons bewustzijn. En dat bewustzijn levert een beeld van de werkelijkheid op, een algemeen beeld dat laat zien hoe de werkelijkheid is.

Op zichzelf is wat ik nu zeg niets nieuws, want ieder mens ervaart in zichzelf zoiets als een 'geweten' en ieder mens heeft een vaag - want onderontwikkeld - vermoeden van de waarheid.

En nu is het deze zaak die in ieder mens, uiteraard op precies dezelfde wijze, werkzaam is. Die trilling is in ieder van ons hetzelfde, maar wel is het een feit dat wij er niet allemaal even gevoelig voor zijn. En bovendien is er, in onze zogenaamd zakelijke cultuur: nauwelijks aandacht voor. Maar op den duur zal dat wel weer terugkomen. Dat ligt althans in de logica.

Zo kom je dus uit -op een tweeledige werkelijkheid waarvan beide aspecten tegelijkertijd gelden. Ze zijn zogezegd niet te scheiden. Het ene is het beeld van het geheel en het ander is de voorstelling van de onderdelen en hun onderlinge relaties, het totale complex van de kennis dus. Alleen bij het gelden en tot haar recht komen van deze tweeledige werkelijkheid wordt het voor ons mogelijk op een zinvolle en verantwoorde manier met ons weten en kunnen bezig te zijn. Ons weten en kunnen wordt dan voortdurend gespiegeld aan genoemd beeld zodat het geen vraag meer is in welke richting we ons met ons weten en kunnen moeten bewegen. Tegenwoordig slaan wij er steeds meer een slag naar omdat aan die versnipperde werkelijkheid niet meer te zien is hoe de samenhang zou moeten zijn. Wanneer echter de mensen weer oog krijgen voor dat beeld dat het bewustzijn ons laat zien kunnen zij hun technologie ècht verder ontwikkelen zonder dat dit op rampen uitloopt zoals nu het geval is. En de waarheid, die ­wetenschappelijk niet te vinden was, komt vanzelf voor de dag, enerzijds omdat zij altijd al in de mensen sluimerend aanwezig was en anderzijds doordat zij nu concreet kan worden. Die concrete waarheid speelt dan niet langer de rol van een min of meer onduidelijk en gevoelsmatig 'geweten', dat gemakkelijk weggeredeneerd kan worden met behulp van pragmatische wetenschappelijke en technologische smoesjes, maar het is dan een onmiskenbare realiteit geworden waar je onmogelijk nog omheen kan.

 

Dank voor jullie aandacht..!

 

Zie óók het hoofdwerk: Het ontstaan van het Heelal / de kosmos t/m het slotakkoord “De Mens”

 

Macht ; onder macht versta ik…(1985) (gescand en geplaatst op 13 november 2009)

 

Lezing ; Overleven, een zaak van weten en kunnen (gescand en geplaatst op 12 november 2009)

 

Briefnummer 4: Het ongedierte vreet het andere op-Iwan Karamazow

 

Briefnummer 5: De moderne mens en de sport

 

Briefnummer 6: De vrede in deze wereld

 

Briefnummer 7: Het arbeidsevenwicht

 

Briefnummer 12: Rassenvraagstuk

 

Briefnummer 14: De brandstapel is mij te heet

 

Briefnummer 15: De papieren waarheid

 

Briefnummer 16: Pornografie

 

Briefnummer 17: Iets over de liefde en de verveling

 

Briefnummer 18: De vrijheid van spreken

 

Briefnummer 19: Het luchtledige

 

 

 

Macht; onder macht versta ik(1985)

Auteur: Jan Vis, creatief filosoof

Origineel

 

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit de artikelen zonder meer toegestaan. Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld. (Jan Vis, creatief filosoof)

Gescand en geplaatst op 13 nov. 2009 - Verslag van 1985

Terug naar: Startpagina

 

Naar bladwijzers: Democratie/Noodtoestand ; Innerlijke onvrede/Zelfmoord ; WAARDEOORDELEN ; Meer Gezag ; Misbruik, gezag, macht, misdadig ; En intussen gaan wij voort de kinderen vertrouwd te maken met het machts­denken ; Klik op de link ”ontwaarden” en vervolgens op bladw. “Idealen” ; ECHTE VREDE ;

 


Onder "macht" versta ik elke vorm van dwang die er op gericht is een ander mens, of jezelf, of beiden op een zodanige manier te veranderen dat zij gaan beantwoorden aan normen die voortkomen uit een fictieve, bedachte werkelijkheid. Praktisch gezegd: "Ik wil dat jij bent zoals IK vind dat jij zijn moet".

Om te kunnen wensen dat ikzelf, of een medemens, ànders is dan hij is moet ik in staat zijn onder de mensen onderscheidingen aan te brengen. Ik moet dus ontdekt hebben dat er een verschil is tussen de mensen, dat de ene mens niet gelijk is aan de àndere mens. De "individualiteit" van de mensen moet dus voor mij een gegeven zijn, een vaststaand en niet te betwijfelen feit. Zou ik dat niet in de gaten hebben, dan zou er voor mij niet de behoefte ontstaan mijn medemensen te veranderen en wat betreft mijn eigen individualiteit: ik zou het niet nodig vinden mijzelf te veranderen zodat ik aan de door mijzelf gestelde normen ga voldoen. Het begrip "verschil" is dus essentieel als het over macht gaat.

 

De individualiteit kan zich op twee manieren laten gelden:

 

1) de individualiteit van een (grote) groep mensen tegenover die van enkelingen, een situatie die wij aantreffen bij een volk en zijn vorst of bij een volk en zijn overheid. Vorst en overheid staan aan de éne kant, het volk aan de andere. De maat ligt dan bij vorst en overheid, die individualiteiten zijn zoals het behoort, voldoen aan de normen, terwijl de individualiteit van het volk beheerst moet worden om aan de normen te voldoen. In de oudheid lag deze zaak heel duidelijk: de vorst vertegenwoordigde de absolute, goddelijke normen en hij legde die normen aan het volk op doormiddel van wetten. Bij het opstellen en uitvaardigen en handhaven van die wetten beriep hij zich op zijn verwantschap met het absoluut goddelijke. Hij vertegenwoordigde die zaak. Vaak stelde de vorsten in de oudheid zichzelf zonder meer als goddelijk, denk aan de pharao's van Egypte, aan de wijze Salomo en de latere Romeinse keizers. En in ieder geval waren zij "edel", zij waren overeenkomstig de goddelijke normen.

In de moderne tijd treffen wij deze verhouding tussen volk en overheid of vorst nog steeds aan. Weliswaar worden de vorsten en de adel niet meer echt serieus genomen, maar men ziet er toch nog altijd tegenop, behandelt hen met eerbied en vindt nog lang niet dat zij belachelijk zijn. Maar de overheden zijn nog vrijwel onaantastbaar. Ook als men een bepaalde overheid weg jaagt haast men zich een nieuwe te installeren. Een baas moet er zijn. Voor deze baas is het volk een grauwe massa, hij maakt geen onderscheid tussen de ene individuele mens en de àndere en hij pleegt dit "rechtsgelijkheid" te noemen. Hij wijst er dan ook met graagte op dat voor hem "iedereen gelijk is" en dat hij geen verschil maakt tussen de éne en de àndere mens en hij vindt zichzelf op grond daarvan reuze rechtvaardig en redelijk en onbevooroordeeld. Dat hij dat in feite niet is blijkt uit onbeheerste uitlatingen over het volk: het is te lui om te werken, het heeft geen eerbied voor zijn gezag, het is niet loyaal, enz. Bovendien vaardigen overheden nog steeds wetten uit. Dat die wetten tegenwoordig "democratisch" tot stand komen doet niet ter zake. Het woord democratie slaat op de vorm van de procedure, maar niet op de inhoud daarvan: de wetten worden eenzijdig door de overheid uitgevaardigd, en zij dwingen het volk zich aan de normen te houden. Voor de overheden zèlf gelden de wetten alleen maar voor de vorm; zij kunnen ze altijd wijzigen of buiten werking stellen, bijvoorbeeld met het beroep op een zogenaamde noodtoestand.

 

2) Tegen het einde van de oudheid ontstond er onder de mensen het besef dat àlle afzonderlijke mensen individualiteiten zijn. Een van de eerste resultaten van dat besef was het Romeinse recht. In dat recht werd gepoogd de onderlinge machtsverhoudingen tussen de individuen te regelen. De daarop volgende juridische ontwikkeling van West-Europa is een verdere uitwerking van deze zaak.

Het westerse recht doet zich voor als de bewustmaking en formulering van rechtvaardige verhoudingen tussen de individuen, maar het is in feite het regelen van de machtsverhoudingen.

Gaandeweg heeft dit regelen ook betrekking gekregen op alle andere maatschappelijke verschijnselen: de staatsinrichting, de politiek, de economie en de sociale instellingen. Je bent bepaald niet eenzijdig als je stelt dat de gehele westerse geschiedenis één voortdurende machtsstrijd is van iedereen tegen iedereen. In vrijwel alle liefdesrelaties voeren de partners met elkaar een machtsstrijd, in de gezinnen vechten de kinderen tegen de ouders en omgekeerd en op de scholen gebeurt hetzelfde.

Op het werk wordt alles bepaald door de uitslag van de machtsstrijd en in de politiek is het al niet anders, kortom, die strijd vindt plaats op alle levens­terreinen. Zelfs op een terrein waarop je het zo gauw niet zou verwachten, namelijk dat van de wetenschap, die de pretentie heeft objectief te zijn, woedt de machtsstrijd. Enerzijds tussen de wetenschappers en de natuur, waarbij het streven om inzicht in de natuur te verkrijgen wordt bepaald door de wens om de natuur "in je macht te krijgen", en anderzijds tussen de wetenschappers onderling die het betrouwbaarheidsgehalte van hun theorieën meer baseren op hun machtsposities dan op helder en onbevangen denken.

De sociale uitdrukking van de machtsstrijd is de zogenaamde democratie. Ondanks alle verhalen over het “welzijn” van het land, het “wegcijferen van eigen belangen” en “dienstbaarheid aan de wil van het volk” is het een keiharde strijd om de macht. Om het cynische hiervan enigszins te verbloemen heeft men bedacht dat het veroveren van de macht, waarom het in wezen gaat, verantwoord en wenselijk is om het "goede doel" te bereiken: een menselijke en vrije samenleving. Vooral de socialisten passen deze mystificatie graag toe en, het moet gezegd, vaak met succes. Het sprookje van de "Macht ten goede". Een sprookje dat in onderwijs, gezin en godsdienst ook maar al te graag verteld wordt.

 


De verhouding tussen de vorst of de overheid en het volk èn de verhouding tussen de individuen onderling komen in de moderne westerse wereld tegelijk voor. In de praktijk loopt een en ander dan ook vaak door elkaar. De ouderwetse "liberalen" voerden een machtsstrijd tegen de overheid omdat zij vonden dat de mensen niet beheerst mochten worden. Zij beschouwden de mens als een vrij wezen. Maar tegelijk voerden zij onderling een verbitterde strijd en zij vonden het volkomen vanzelfsprekend dat hun medemensen voor hun individuele macht moesten buigen en door hen uitgebuit werden. Een ieder was vrij om te creperen, maar ook om zoveel mogelijk anderen tot slaaf te maken.

Bij de socialisten was er ook een fel verzet tegen de overheid en tegelijk een niets ontziend gekonkel en geïntrigeer om tot macht in de partij te komen. Ook hier vloeiden de individuele machtsstrijd (de mensen onderling) en de algemene machtsstrijd (overheid en volk) in elkaar over. En dat is steeds het geval. En altijd speelt het feit dat de éne mens verschilt van de àndere mens de centrale rol. De vraag is nu waarom dit het geval is - je zou je immers best kunnen voorstellen dat de mensen het juist fijn zouden vinden dat iedereen anders is en boeiend om mee kennis te maken, samen te leven en te werken. Maar nee, men gaat dat verschil wèg werken omdat men het om de een of andere reden ongepast vindt. Eigen aard en persoonlijkheid worden als een belemmering voor een goede samenleving gezien. Zij mogen niet als uitgangspunten voor het leven gezien worden. Aanpassing is de eis. In dat streven naar aanpassing zijn wij inmiddels al zozeer geslaagd dat de meeste westerse mensen zich er niet eens meer van bewust zijn dàt zij aangepast zijn. Zij denken oprecht dat zij uiterst per­soonlijk bezig zijn als zij met 10 miljoen anderen met auto en caravan op weg zijn naar het zuiden om "vacantie" te houden. En zij denken echt dat het hun persoonlijke mening is als zij vinden dat je "redelijk" moet zijn en "tolerant" en "sociaal". Kortom: zij vinden zichzelf uitermate zelfbewust en hebben niet door dat dit "zelf" er op geraffineerde wijze ingeprogrammeerd is. Zonder het te merken hebben zij zichzelf ondergeschikt gemaakt aan een macht die zij zichzelf opleggen, maar die hen wezenlijk vreemd is. Zij zijn hun eigen overheersers geworden. Maar dit psychologische proces zou nooit plaats hebben kunnen vinden als zij niet een onderscheid maakten tussen zichzelf als reëel verschijnsel, dat nu eenmaal is zoals het is, en zichzelf als irreële wens of droom. Er is een verschil tussen "hoe je zou willen zijn" en "hoe je bent". En dat eerste wordt vrijwel uitsluitend bepaald door geraffineerd ingebrachte bedenksels. Dus door ficties. Maar intussen zijn de moderne mensen wel heel gedwee en gehoorzaam geworden, "brave burgers" zijn het die zich maar al te graag aan de "spelregels" houden en die hysterisch reageren als iemand ze aan zijn laars lapt. Een typisch symptoom van een psychische fixatie.


De genoemde "brave burgers" voeren met zichzelf geen machtsstrijd. Omdat zij hun zelfbeheersing niet als een van buitenaf opgelegde zaak ondergaan bestaat over het moeten gelden van deze macht geen twijfel. Iemand die verklaart dat hij "doet waar hij zin in heeft" wordt nog steeds als een asociale zwak­keling beschouwd en het wordt iemand als een deugd aangerekend als hij zichzelf in bedwang houdt. Je "laten gaan" in emoties, zoals kwaad worden, is een teken van zwakte, vindt men. Maar, al staat het voor de mensen vast dat zelfbeheersing noodzakelijk en wenselijk is en er aan die macht dus niet getwijfeld wordt, ontkomen zij onder omstandigheden toch niet aan een innerlijke onvrede, een vaag gevoel dat er iets niet klopt. Dat kan soms uitgroeien tot onverdraag­lijke conflicten, die zelfs wel tot zelfmoord kunnen leiden. Maar doorgaans komt men niet zover dat men ophoudt zichzelf te tiranniseren, niet in de laatste plaats omdat men bevreesd is zijn gehele omgeving tegen te krijgen. Slechts enkelen zijn hiertegen opgewassen en zelfs zij hebben vaak niet in de gaten dat hun conflict een machtsconflict was. Het verschil tussen de mensen is dus steeds het punt waarom alles draait en daarbij neemt men dat verschil niet voor lief, neen, men bedenkt er iets aan. Het verschil functioneert als waardemeter. Een waardemeter waarmee bepaald wordt welke mens van méér waarde is en welke van minder. Daarmee worden alle mense­lijke verhoudingen afhankelijk van een waardeoordeel. Omdat die waardeoordelen van plaats tot plaats en van tijd tot tijd verschillend zijn ontstaat er onver­mijdelijk vijandschap tussen volkeren en culturen, terwijl de mensen onderling elkaar naar het leven staan. Hoe treurig het op zichzelf ook is, de vijandschap tussen alle afzonderlijke mensen is nog steeds de grondsituatie van de menselijke werkelijkheid. Zeden, moraal en recht proberen weliswaar het bloed­bad binnen de perken te houden, maar in alle zedelijke, morele en juridische voorschriften wordt er, al of niet stilzwijgend, vanuit gegaan dat "de mens de mens een wolf is". Niemand kan dus beweren dat hij het niet geweten heeft.

Op grond van de waardeoordelen hebben de mensen geen vrede met elkaar en dus is er in deze wereld dan ook géén vrede. In dit verband is het goed om eens aan de vredesbeweging te denken, zoals die overal in de wereld de kop opsteekt. Het is verheugend dat de mensen naar vrede op zoek zijn gegaan, maar het is tegelijk tragisch om te zien dat zij de vrede van de ontwapening verwachten, terwijl de werkelijke oorzaak van de vijandschap gelegen is in de waarde­oordelen die zij op zichzelf en op elkaar toepassen. Bewapening en vernietiging danken wij alleen maar hieraan. De mensheid kan dit probleem dan ook alleen maar oplossen door als individuele mensen bij zichzelf te rade te gaan, de talloze al of niet verborgen waardeoordelen op te sporen, te begrijpen dat zij op een fictie berusten en ze vervolgens te water te laten. Daarmee krijgen we vrede met elkaar, de vijandschap verdwijnt en " de zwaarden worden omgesmeed tot ploegijzers".

 


Waarop berust nu de fictie van de waardeoordelen? Wel, hij berust op het volgende bedenksel: “er bestaat een hogere macht waarin alle normen voor het mens-zijn besloten liggen; de mensen zijn gebrekkige schepselen, door de natuur bedeeld met allerlei tekortkomingen; de mensen moeten echter beant­woorden aan de normen van die hogere macht en dus moeten zij zichzelf en elkaar verbeteren om tot een volwaardig mens-zijn te komen. De één begint beter dan de ànder, op grond van zijn afkomst, en aan de één gelukt het beter dan aan de ander, op grond van zijn aanleg”. De verschillen tussen de mensen worden dus gezien in samenhang met de normen van de hogere macht. Hoe meer iemand aan die normen voldoet, hoe waardevoller hij is. En dat betekent niet alleen dat hij hoger in aanzien staat, maar ook en vooral dat hij, door zijn nauwere relatie tot het hogere, ook meer gezag heeft. Er moet dus naar hem geluisterd worden. Hij is dichter bij de norm, dus weet hij het beter. En omdat het gaat om een norm die voor àlle mensen geldt, is het een dwingende zaak. De hoger geplaatste gaat dus vanzelfsprekend de lagere dwingen om aan de normen te voldoen. Hij is daartoe gerechtigd door de hogere macht waarvan hij een vertegenwoordiger is. Zo ontstaat er in de mensheid een heel systeem van hogere en lagere mensen. Iedereen kent wel mensen waar hij boven staat en tegelijk kent iedereen mensen die weer boven hen staan. Het is een wirwar van hoger en lager. En al die mensen dwingen elkaar om ànders te zijn dan zij zijn. Zij oefenen op elkaar macht uit.

Kernpunt in het hele gedoe is dus de hogere macht. Doordat die er is kan het hele systeem ontstaan en zich lange tijd handhaven. Maar, die hogere macht is een fictie; het is een bedenksel van mensen die wel iets omtrent hun werke­lijkheid aangevoeld hebben, maar die er totaal niets van begrijpen. Er bestaat geen hogere macht met eigen normen. Er bestaat geen enkele macht omdat er niets is dat boven de mensen staat. Wat de mensen aangevoeld hebben en wat het uitgangspunt is geworden voor hun machts-bedenksels, is datgene dat zij in laatste instantie allemaal zèlf zijn. Een zaak die voor henzelf zal blijken te gelden als zij eenmaal volwassen geworden zijn. Met andere woorden: als ten­slotte de mensheid volwassen geworden zal zijn, blijken haar eigen mogelijkheden datgene te zijn dat zij in haar ònvolwassenheid voor iets hogers gehouden heeft. Daarmee is de zaak bij de mensen zèlf terechtgekomen en vervalt elke grond voor een machtsbesef. De verschillen tussen de mensen worden dan niet meer gewaardeerd vanuit iets hogers, maar vanuit de mensen zelf. En dan kan het verschillend-zijn van de afzonderlijke mensen eindelijk tot zijn recht komen. Dan komen de mensen zelf tot hun recht, iets wat niet het geval is zolang en voorzover het gaat om de waardebepaling van de verschillen.


Maar de mensheid is nog lang niet volwassen; de als hogere macht aangevoelde mogelijkheden zullen nog lange tijd de verhoudingen tussen de mensen tot machtsverhoudingen verschrompelen. En nog lange tijd zullen de bedenksels, de ficties, de mensen in hun greep houden. Steeds zullen er deskundigen zijn die de mensen zullen overreden hun bedenksels voor waar aan te nemen om vervolgens hun macht aan die misleide mensen op te dringen.

Het is van belang om te begrijpen hoe dit opdringen van macht in zijn werk gaat. Want in feite bestaat dat hogere niet, zodat je zou kunnen zeggen dat je er dan ook geen last van kan hebben. Toch is het de grondslag voor alle ver­houdingen tussen de mensen. Nu, dat komt door het bedenksel. Er zijn steeds mensen die op grond van hun vermoedens een theorie over de werkelijkheid op­stellen. Zo’n theorie zelf slaat uiteraard nergens op, maar in de uitwerking ervan wordt er naar gestreefd met een zo logisch, en dus zo aannemelijk mogelijk verhaal te komen. Dat logische verhaal is onontbeerlijk omdat je de mensen anders niet kunt overtuigen. Als de mensen meer vertrouwen hadden in hun eigen gevoel en hun eigen intuïtie, dàn zouden ze nauwelijks van hun stuk te brengen zijn, maar het is nu eenmaal een kenmerk van onvolwassen mensen om zich op het denken te verlaten, en dan ook nog bij voorkeur het denken van anderen. Als je de mensen dus van iets wilt overtuigen, dan moet je inspelen op hun zwakke plek, en dat is hun denken. Als je kans ziet dat bevredigend te bespelen, heb je de mensen waar je ze hebben wil.

 

Terzijde moet ik opmerken dat bovenstaande opvatting volkomen in strijd is met de gebruikelijke. Volgens die opvatting is juist het denken het middel bij uitstek om de onzin van de waarheid te leren onderscheiden. Maar ook dat is weer zo'n uitgekookte mystificatie, die angstvallig in stand wordt gehouden om de mensen gemakkelijker te kunnen misleiden. Immers, niet het denken brengt de mensen tot de waarheid, maar het inzicht dat de mensen in de werkelijkheid hebben. Zonder dat inzicht kan je logisch denken wat je wil, er is desnoods geen speld tussen te krijgen, en het is toch onzin. Er zijn hele verhandelingen geschreven, strikt logisch, over de drie-eenheid van "vader, zoon en heilige geest" terwijl het van A tot Z onzin is. Hetzelfde is het geval met economische en politieke verhandelingen, en zelfs met een groot deel van de wetenschappe­lijke productie van de geleerden. Met een strikt logisch betoog kan je alles recht praten wat krom is, en omgekeerd. En nooit kan je zinvol gecorrigeerd worden, tenzij je met iemand te maken krijgt die inzicht in de werkelijkheid heeft. Het gaat nu evenwel niet om een uiteenzetting over het denken als zodanig; het gaat nu om het verschijnsel dat je met goede èn logische bedenksels de mensen kan krijgen waar je ze hebben wil. Zo zegt men gewoonlijk over de godsdiensten dat het niet-rationele gevoelsaangelegenheden zijn, maar iedereen, die eens goed oplet, kan gemakkelijk vaststellen dat het louter en alleen gaat om het manipuleren van het denken van de mensen. Het is zuiver een zaak van denken.

 


Het op zichzelf logische verhaal geeft een schijn van waarheid en dan vliegen de mensen er in. Maar, tegenwoordig doet het traditio­nele godsdienstige verhaal het zo goed niet meer. De schijn van waarheid moet nu opgeroepen worden door een oosterse, meer mystieke logica. En die gaat er dan ook in als koek: de bedenksels van de goeroes liggen goed in de markt.

Toch moeten wij voor ogen houden dat ook de godsdiensten oorspronkelijk inspeelden op een, op zichzelf juist, vermoeden van de mensen omtrent hun eigen uiteindelijke mogelijkheden. Dat inspelen op die vermoedens is essentieel. Want toen, ongeveer aan het begin van de 19e eeuw, de westerse mensen hun eigen denken als de maat gingen nemen, speelde dàt in op het vermoeden dat het denken, als één van de functies van de menselijke geest, wel eens de hoogste macht zou kunnen zijn. En vanaf dat moment ontwikkelde zich een nieuwe waarde­meter voor het verschil tussen de mensen: de wetenschappelijke waardemeter. Het gevolg daarvan is dat wij in het westen, en in toenemende mate over de gehele wereld, met een wetenschappelijk normenstelsel zijn komen te zitten dat zo mogelijk nog machtswellustiger is dan de traditionele stelsels. Hadden wij vroeger de godsdienstige deskundigen, thans zijn die naar het tweede plan verdrongen door de wetenschappelijke. Maar beide werken op precies dezelfde manier: het bedenksel wordt zo aannemelijk mogelijk gemaakt en vervolgens ben je er geheel en al aan uitgeleverd. De machtsverhoudingen worden nu door het wetenschappelijke bepaald, het denken is het hoogste goed en de deskundigen van god zijn vervangen door die van de wetenschap.

Het gehele leven wordt tegenwoordig gemanipuleerd door de wetenschap. Levens­problemen moeten wetenschappelijk opgelost worden, bevruchting moet weten­schappelijk plaats vinden, het sterven en het geboren worden dienen op wetenschappelijk verantwoorde wijze te geschieden; opvoeding moet je gestudeerd hebben, in de liefde moet je deskundig zijn voorgelicht, de kunstenaars dienen kunst-wetenschappelijk geschoold te worden, enzovoort. Gebrek aan opleiding, scholing of vorming is voldoende aanleiding om je op een lage trap van de machts-hiërarchie te plaatsen. Hoe meer scholing, hoe meer deskundig. En dan valt je als vanzelfsprekend alle priester-eer te beurt: je mag de mensen voorzien van fraaie bedenksels over het hoogste goed, de menselijke rede. Machtig ben je dan, want je kunt de mensen precies vertellen hoe zij moeten zijn. En samen met je kornuiten kan je de mensen dwingen zich naar jouw bedenksel te voegen en van zichzelf te vervreemden.

Essentieel in het machtsbegrip is het niet accepteren van de werkelijkheid: de mensen mogen niet zijn zoals ze zijn en de natuur al evenmin. Alles moet zich voegen naar het "hogere". En niets komt tot zijn recht. Bovendien is macht niet mogelijk zonder enigerlei vorm van geweld, want noch de menselijke, noch de natuurlijke werkelijkheid laten zich gewillig van hun stuk brengen. We zien dan ook dat tegenwoordig aan de gehele werkelijkheid geweld wordt aangedaan.

 


De mensen zijn ziek, ontevreden en agressief, de natuur is vergiftigd, uitgeroeid en van haar levenskracht ontdaan. Is het een wonder dat velen geen uitkomst meer zien?

En intussen gaan wij voort de kinderen vertrouwd te maken met het machts­denken. In plaats van de verschillen te ontwaarden, zodat er vrede komt in de wereld, wakkeren wij ze in toenemende mate aan. De competitie-drift wordt zo hoog mogelijk opgezweept in sport, spel en studie en de kinderen wordt voorgehouden dat zij waardevolle mensen zullen worden als zij zich door hun prestaties van de anderen onderscheiden. Om die gesteldheid in hen teweeg te brengen laten de opvoeders en onderwijzers al hun macht gelden. En dat terwijl zij eigenlijk alleen maar op enig gezag zouden kunnen bogen, gezag op grond van hun kennis en ervaring als oudere. Gezag dat benut zou moeten worden om de kinderen bij zichzelf te brengen in plaats van het te misbruiken terwille van de macht. Ieder gezag en iedere invloed die aangewend worden om kinderen en ouderen naar zichzelf toe te leiden is menselijk en goed, maar als zij aangewend worden om eigen macht te vestigen zijn zij onmenselijk en misdadig. Onmenselijk omdat op die manier aan de kinderen elk toekomstig geluk wordt onthouden, en misdadig omdat de grond wordt gelegd voor de vijandschap onder de mensen. Als dan straks die kinderen opgegroeid zullen zijn, zullen de ouderen voor de zoveelste keer in de geschiedenis vragen: "hoe komen die jonge mensen toch zo ontevreden? Waarom zijn ze zo agressief? Waarom schaffen zij de oorlog niet af..?" Dan vergeten zij, net zoals zoveel geslachten vóór hen, dat zij zelf het verschil tussen de mensen met loodzware waardeoordelen belast hebben, dat ze zelf het machtsdenken hebben aangewakkerd. Als dat eenmaal ingeprogrammeerd is laat het zich vrijwel nooit meer wegwerken. Het machtsbesef is dan zo ingekankerd dat die jonge mensen nauwelijks méér kunnen dan de hen onderdrukkende machten te tarten om te ondervinden wie de sterkste is. En in enkele gevallen zullen zij de bestaande macht oprecht bestrijden, hem misschien zelfs wel omverwerpen, maar hem nooit oplossen. Steeds weer zullen zij er een nieuwe voor in de plaats stellen, zodat het hele programma opnieuw kan beginnen. De machtsstelsels kunnen namelijk nooit verdwijnen als je ze bestrijdt. Je hebt voor het bestrijden immers een nieuwe en grotere macht nodig en daardoor is het eindresultaat onvermijdelijk macht. De vicieuze cirkel is op deze wijze nooit te doorbreken. De enige mogelijkheid is gelegen in het "oplossen" van de macht. En dat doe je door het kwaad bij de wortel aan te vatten; de waardeoordelen over de verschillen tussen de mensen. Die waarde­oordelen verdwijnen als je de fictie, het bedenksel, van de hogere macht doorprikt. Je behoeft daarvoor geen ingewikkelde theorieën uit te denken. Het is al voldoende als je je niet meer laat overtuigen door logische bedenksels van zogenaamde deskundigen en primair op je eigen gevoel en intuïtie afgaat. Bedenk wel: elke macht steunt op het aannemelijk maken van een bedenksel.

 

Naar bladwijzers: Democratie/Noodtoestand ; Innerlijke onvrede/Zelfmoord ; WAARDEOORDELEN ; Meer Gezag ; Misbruik, gezag, macht, misdadig ; En intussen gaan wij voort de kinderen vertrouwd te maken met het machts­denken ; Klik op de link ”ontwaarden” en vervolgens op bladw. “Idealen” ; ECHTE VREDE ;

 

Macht; onder macht versta ik…(1985) (gescand en geplaatst op 13 november 2009)

 

 

Lezing; Overleven, een zaak van weten en kunnen (gescand en geplaatst op 12 november 2009)

 

Briefnummer 4: Het ongedierte vreet het andere op-Iwan Karamazow

 

Briefnummer 5: De moderne mens en de sport

 

Briefnummer 6: De vrede in deze wereld

 

Briefnummer 7: Het arbeidsevenwicht

 

Briefnummer 12: Rassenvraagstuk

 

Briefnummer 14: De brandstapel is mij te heet

 

Briefnummer 15: De papieren waarheid

 

Briefnummer 16: Pornografie

 

Briefnummer 17: Iets over de liefde en de verveling

 

Briefnummer 18: De vrijheid van spreken

 

Briefnummer 19: Het luchtledige

 

 

 

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit de artikelen zonder meer toegestaan. Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld. (Jan Vis, creatief filosoof)

 

 

Een cultuur is:

de gestolde neerslag van een bepaalde fase van de ontwikkeling van het zelfbewustzijn. Er worden allerlei dingen vastgelegd, als norm gesteld, die tijdens die fase duidelijk zijn geworden. De neerslag van zo’n fase stolt tot cultuur.

Onder een ideologie versta ik: een overheersend cultuurdenkbeeld dat gebaseerd is op de voorstelling hoe de werkelijkheid zou moeten zijn.

Gewone mensen, zijn mensen waarbij de twijfel zijn rol blijft spelen, die zich niet beroepen op iets hogers, iets goddelijks of iets koninklijks of op hogere geestelijke vermogens die maatgevend zouden zijn.

 

 

 

Terug naar: STARTPAGINA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

website analysis
website analysis