INLEIDING TOT DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS

Door Jan Vis, creatief filosoof

Rotterdam

1964-1965

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten maar juist voor alle mensen, is het citeren uit  mijn werk zonder meer toegestaan. Wel echter zou ik het op prijs stellen dat het citeren vergezeld gaat van een duidelijke bronvermelding! (Jan Vis, creatief filosoof)

 

Naar het BEGIN van deze bundel

 

Terug naar: de Startpagina

Afleveringen: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 9a,  10, 11, 12, 12a, 13, 14, 15, 16(Rechters), 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36,

Naar bladwijzers: Samenwerken-met z’n allen zijn-communisme - hoe zit dat..?  ;  De Mensheid als GEHEEL ; Het KRUIS ; BIJSTANDS(wet) ;  Het buitenechtelijke  ;  Overspel - De sexualiteit is geen huwelijks-aangelegenheid  ;  De MENS als Liefde, sexueel en maatschappelijk  ;  De ZONDE: zie de nrs. 5 en 6 , 12a t/m 16 en 21  ;  Justitie afl.16 en 17  ;  Moordenaar  ;  Alexander de Grote, zie 3A en 6B ; Gezag-1  ;  Gezag-2  ;  Gezag-3 ; Het Hiernamaals(1)  ;  Het Hiernamaals(2) ; Misdaad, hoe zit dat..?- zie nrs. 6 , 7 en 12 t/m 16  ;  Het Evangelie – t/m 16 ; Rechtspraak-4- zie afl.16/17 ; Judas ; Verraad en Zonde-nrs19t/m21 ; Beweeglijkheden/beweeglijkheid en Ondeelbaarheden – zie .nrs 1 t/m 4  en 28 ;

 

 

Naar andere artikelen: Het toenemend belang van het Atheïsme ; Veiligheid ; PRIVACY en VRIJHEID - zie bladw. ; Oorzaak SEXUEEL misbruik - zie bladw. ; Het HUWELIJK is een belediging voor de LIEFDE - zie bladw. ; Overspel/Huwelijkswet ; Houden van...Liefde...Trouw ; Democratie-1-zie afl.25     Democratie-2-zie afl.01 en 22     Democratie-3-zie afl. 22     Voor welke vrijheid kiest U..?  Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheïsme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ;  Conditionering ; Analytisch Denken ; Ongewenst atheïsme- zie afl. 32 ;  Een grens te ver (Israël) ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 ; Kunnen moslims zich invoegen in de Moderne cultuur..? – aflevering no. 37 ; De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjari’a ; Burqa, volg bladwijzer ; Is er dan toch een GOD..? Hoe zit dat..?  Briewisseling- Geweld- Godsdienst- Geloof ; Vrijheid van Godsdienst ; Kan alles maar..!-zie bladwijzers Cultuurfilosofische Opmerkingen-o.a. Verveling, verlies van houvast, Islam’s succes ; de kunst; het schone verschijnsel ; Samenleving, Maatschappij en Gezin ; Filosofie van de kunst ; Hoe zit het nou met god ; Beschouwingen over de KUNST ; De werkelijkheid als “het geheel” is iets anders dan de som der delen. Hoe zit dat..? ; De ISLAM rukt op…

 

 

 

 

 

DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS

Dinsdag, 5 januari 1965

No. 1. Inleiding

We zullen ons in deze cursus bezig houden met de filosofie van de geschiedenis. Alvorens ons echter in het thema te verdiepen, is het goed stil te staan bij de vraag, wat het zeggen wil: “De filosofie van de geschiedenis”. Als wij spreken van de filosofie, met de nadruk op DE, dan wekt dit de indruk, dat het over een wetenschap gaat, die voor ons al bij voorbaat vaststaat, en die we nu alleen maar in ons behoeven op te nemen, zoals we vroeger op school het aap-noot-mies in ons opgenomen hebben. Het wekt de indruk, dat het gaat over een vastgelegd stelsel, dat in de loop der wetenschappelijke ontwikkeling voor de dag is gekomen en uitgewerkt is; waartoe ieder zijn steentje heeft bijgedragen en nog bijdraagt, maar waar verder alle leven en alle beweeglijkheid uit is, zoals dat met alle vakken, die wij op de scholen en universiteiten gedoceerd krijgen, het geval is. We spreken dan van DE wiskunde en DE natuurkunde en ook DE geschiedenis, zelfs DE filosofie. Deze stelsels zijn zoals ze zijn voor ons besef; het zijn vaststaande zaken en daarom benoemen we ze met DE.
Nu laten we even in het midden of en in hoeverre de zogenaamde wetenschappen ooit vastgelegde stelsels kunnen zijn, die met DE benoemd kunnen worden en bepalen ons tot hetgeen wij hier in dit verband onder de filosofie willen verstaan. Het gaat hier dan over het DENKEND NAGAAN van de werkelijkheid, en dan in die zin, dat wij de werkelijkheid al denkende wèl uiteenleggen in haar factoren, want dat is het kenmerkende van het denken, maar dat wij dit analyseren niet als de maat nemen. Dat wil zeggen, dat wij altijd het geheel, dat de werkelijkheid is, in stand houden, en in dat geheel zo scherp mogelijk detailleren, zoals het de kunstenaar in zijn schilderij om het geheel te doen is, waarin hij de details zo helder mogelijk naar voren doet komen, echter niet terwille van die details zèlf, maar terwille van een zo helder mogelijk geheel. Het denkend nagaan van de werkelijkheid, dat wij in deze cursus zullen doen, is dus te vergelijken met het maken van een kunstwerk, en ons gaat het ook om een zo helder mogelijk geheel. Zoals echter een kunstwerk niet te maken is zonder de factoren haarscherp en volledig in onderlinge logische verhouding neer te zetten, zo is ons filosoferen enerzijds een NAGAAN van de werkelijkheid en anderzijds een OPBOUWEN van de werkelijkheid, en dat opbouwen kan slechts dàn plaatsvinden, als wij door het nagaan de factoren gevonden hebben. Die factoren zijn dan de gegevens, die wij voor het denken nodig hebben.
In deze cursus zullen wij ons dus aan geen enkel stelsel houden en wij zullen niets als vaststaand aannemen; wij zullen zelf denkend de zaak nagaan en opbouwen en zo wordt het geen levenloze vastgelegde kennis, maar een min of meer gedetailleerd beeld van de werkelijkheid, voorzover die werkelijkheid de weg is, die de mensheid heeft gegaan tot nu toe. De weg van de mensheid is datgene, dat wij de geschiedenis noemen. Het spreekt vanzelf, dat wij de mens zèlf moeten kennen, om die weg te begrijpen, want als we de mens kennen., weten we, waarom hij vertoont wat hij vertoont. Daarom zullen we als eerste nagaan, welke positie de mens in de werkelijkheid inneemt, en wat we dan vinden is DE GROTE LIJN van de geschiedenis, welke lijn we, als we aan het werkelijke onderwerp van deze cursus zijn toegekomen, nader uit zullen werken.

De mensheid als geheel
Het ligt in de aard van het westerse denken de mensheid als een verzameling, een optelsom van mensen te zien, die leven en geleefd hebben, die het hunne op tafel hebben gelegd en weer zijn verdwenen. Zo genomen is de ene mens een heel andere dan de ander, en zo genomen hebben ze eigenlijk niets met elkaar te maken; ieder mens is een wereldje apart, dat los is van de andere wereldjes en dat ook los is van verleden en toekomst. Dat elke mens echter een variatie is van één zaak, die DE MENS is, dus een variatie van één zaak, zodat voor elke mens op zijn wijze hetzelfde geldt, is een gedachte, die het westerse denken niet ligt. Toch is de mensheid één geheel, en dat geldt zowel voor de mensheid op een bepaald moment als voor de mensheid als geschiedenis. De mensheid vormt dus op dit moment een geheel - al lijkt het er niet erg op, ogenschijnlijk - en de mensheid vanaf de oudste tijden tot en met nu en tot en met de toekomst vormt een geheel. Zo genomen zijn wij het dus zèlf, die in Afrika moorden en plunderen, het zij neger of blanke, en wij zijn het zelf, die in het jaar 64 deelnamen aan de christenvervolgingen onder NERO - het zij als vervolger, het zij als slachtoffer. Wij zijn het natuurlijk niet zelf als particuliere mensen, maar wij zijn het zelf als variatie van de ene zaak DE MENS.

De weg van de mens
De geschiedenis kunnen we dus noemen de weg, die DE MENS gegaan is, en het is duidelijk, dat het nu niet alleen over de kopstukken uit de geschiedenis gaat. Zij zijn het, wier namen en daden in de herinnering zijn blijven voortleven, en zij zijn het dus ook, die voor het westerse denken eigenlijk de geschiedenis uitmaken, een denkfout, die haar grond vindt in de analyse. De geschiedenis is niet door de kopstukken gemaakt, maar door DE MENS; in een bepaalde periode, waren het de kopstukken, waarin de geest van die periode het duidelijkst naar voren kwam. Van geschiedenis maken is echter geen sprake.
Van Domela Nieuwenhuis (1846 - 1919) bijvoorbeeld wordt gezegd, dat hij in Nederland het socialisme gebracht heeft. Als was het iets, dat volkomen vreemd was aan de Nederlanders, en dat er nooit gekomen zou zijn, als hij er niet mee was gekomen. Hij was dus de man, die dat socialisme verzonnen heeft en die het gelukt is de mensen mee te krijgen. Deze gedachtengang is natuurlijk volkomen fout.

De geest van die tijd was zo, dat de mens aan het SOCIALISME toe was; ook Domela Nieuwenhuis en hij is de voorganger geworden van al die mensen, die met hetzelfde probleem rondliepen als hij. Hij was, door zijn aanleg, voorbestemd om het tijdsprobleem voor die mensen helder op tafel te leggen. Maar hij heeft geen geschiedenis gemaakt; hij heeft gewoon vanzelf zijn weg afgelopen. Geschiedenis is niet te maken - hierover later meer.
De mensheid loopt haar weg af en tijdens het aflopen van die weg, komen er allerlei aspecten van het mens-zijn te voorschijn, maar aangezien het ontwikkelings-stadia van DE MENS zijn, kennen wij die stadia in ons eigen leven ook, zij het dan in particuliere vorm, want wij zijn stuk voor stuk een bepaald mens, waarbij de stadia op een bepaalde wijze voor de dag komen. Het zijn evenwel toch de stadia, en die gelden voor de mens als mensheid ook. De pubertijd bijvoorbeeld is voor elk zich ontwikkelend mens een bepaalde periode; een periode, waarbij het geslachtelijke op de voorgrond staat, omdat het geslachtelijke dan qua ontwikkeling aan de beurt is. De mensheid echter heeft ook een dergelijke periode gekend - en gekend is eigenlijk het juiste woord niet, maar dat komt nog ter sprake.

Het tijdsaspect en het geheel
We hebben gezegd, dat de mensheid op een bepaald moment wel degelijk ook een geheel vormt. In de praktijk lijkt het daar niet erg op, want intellectueel genomen laat de mensheid zich niet bepaald als een geheel zien: dat vecht er maar op los en dat loopt elkaar maar te treiteren en de hersens in te slaan. Natuurlijk genomen is er toch wel een groot verschil aan te wijzen tussen de Papoea, die nog zo ongeveer in het steentijdperk leeft, en de westerse mens, die van “beschaving” bijna letterlijk uit elkaar valt.
Toch vormt ook deze mensheid een geheel, en dus vertoont zowel die onbeschaafde mens als die beschaafde hetzelfde tijdsaspect. Diezelfde Papoea is namelijk in zeer korte tijd aan de beschaving aangepast, zodra er een intensief contact tot stand is gekomen. Hij is dus wel degelijk aan die beschaving toe, al heeft hij het uit zichzelf niet op tafel weten te leggen. We zullen in de loop van deze cursus wel precies nagaan welk element van onze beschaving door de onbeschaafde volkeren wordt opgenomen, maar voorlopig is het voldoende in te zien, dat de gehele mensheid op een bepaald moment van de ontwikkeling met dat tijdsaspect bezig is, het zij bewust, het zij onbewust.
Anderzijds zijn mensen of volkeren van verschillende tijdsaspecten niet samen te denken; de Germaan die de Romeinen in 58 voor Chr. bij hun verovering van Gallië tegenkwamen, was wèl aan een bepaald element van de Romeinse beschaving toe, maar hogescholen en atoomcentrales waren bij hem niet denkbaar. Ze waren er dan ook niet, niet alleen niet bij hem in zijn wouden, maar nergens op deze planeet. Denken wij deze Germaan op onze hogeschool, dan zou de man volslagen gek worden en zich met knotsgeweld een weg naar zijn wereld, de wouden en de dierenvellen en de dobbelpartijen en de drinkgelagen vechten.

De opeenvolging der tijdsaspecten
De mensheid is een geheel, en dat geheel legt een weg af. Of het bij een bepaald volk of cultuurgebied voor de dag komt of niet, toch legt de mensheid die weg af. Het is dus niet zo, dat de mensheid iets leert, want dan zouden de achtergebleven volkeren die gehele leerschool nog moeten doorlopen, die de vluggers al achter de rug hebben, zoals dat op de scholen gebeurt. Zodra de achterblijvers onder de volkeren contact krijgen met de vluggers, die dus eigenlijk diegenen zijn, waarin het tijdsaspect volledig naar voren komt, dan werken zij zich automatisch in korte tijd tot dat niveau op, omdat het in de grond van de zaak een niveau is, dat zij dan op hun eigen manier verwerken, uiteraard.
De weg van de mensheid gaat dus niet langs datgene, dat geleerd is, dus langs de ervaring, maar de weg van de mensheid gaat langs een andere weg, namelijk domweg langs die van de geslachten, want de opeenvolgende geslachten zijn opeenvolgende tijdsaspecten, en die tijdsaspecten zijn verhelderingmomenten. De mensheid verheldert zich dus DOMWEG; daaraan kan niemand iets doen en niemand kan het tegenhouden, het komt automatisch aan het voortplanten mee. We zullen nagaan hoe dat zit, en we denken daarbij aan een uitspraak van de Zwitserse psycholoog JUNG (geb. 1875), die opmerkt: “De geschiedenis staat in werkelijkheid niet in dikke boeken, maar zij leeft in ons bloed”. Het verleden is dus geen ervaringskwestie voor de levende mens, maar een onbewust levende zaak.

Dinsdag, 12 januari 1965

No. 2.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS

Inleiding

De dubbele situatie mens
De mens is het einde van de werkelijkheid, voorzover het proces voor haar geldt, dus de mens is het einde van de reeks kosmische verschijnselen. Het einde van elk proces echter is een bijzonder geval, want bij het einde gaat het proces niet verder, dus daar is het geen proces meer. We kunnen dus van het einde van een proces zeggen, dat er twee aan elkaar tegengestelde begrippen tegelijk gelden, namelijk proces en geen proces. Om dit te kunnen denken is het voorwaarde, dat wij ons werkelijk het allerlaatste moment indenken, want elk moment voor dit allerlaatste moment vertoont die dubbele gesteldheid nog niet. Voorbeelden zijn er genoeg om deze zaak duidelijk te maken, maar ondanks dat schijnt het voor ons denken toch niet zo gemakkelijk te zijn. Een voorbeeld is de overgang van een levend mens naar de dood; op het allerlaatste moment leeft die mens nog, terwijl tevens de dood inzet, dus het laatste moment leven is tevens het eerste moment dood; er ligt niets tussen die twee momenten; zij zijn ineen.
Zo ook voor de mens; hij is het laatste moment proces en het eerste moment geen-proces, maar dit is niet goed gezegd, want de momenten gelden voor het proces, maar als het proces achter de rug is, en dat is het geval bij geen-proces, gelden de momenten ook niet meer. Beter is dus te zeggen: de mens is het einde van het proces èn geen-proces, en die twee zijn ineen. Het proces is het tegengestelde, of de ontkenning, van geen-proces, en omgekeerd. De mens is dus wezenlijk een volledige tegenspraak in zichzelf; de consequenties hiervan zullen nog wel blijken.

Verschijnsel en geest
De werkelijkheid, voorzover het proces voor haar geldt, noemen wij het verschijnsel; het is datgene, dat verschijnt, dus dat zichtbaar is. Slechts dat is zichtbaar, waar we tegen aan kijken en niet doorheen kunnen kijken, en het al of niet zichtbaar zijn van een voorwerp is, in het kort gezegd, afhankelijk van het al of niet beweeglijk zijn van dat voorwerp; het is bekend, dat een snel bewegend voorwerp, bijvoorbeeld de kogel uit een geweer, niet zichtbaar is. De gangbare verklaring hiervoor is, dat ons oog die snelheid niet kan registreren, en dat is ook wel zo, maar ook voor de fijnste en gevoeligste observatie instrumenten blijven er niet registreerbare beweeglijkheden, dus het principe blijft gelden, dat het de beweeglijkheid is, die een zaak niet waarneembaar maakt.
Het verschijnsel echter is hoe dan ook waarneembaar, dus de beweeglijkheid is blijkbaar niet groot genoeg om het niet waarneembaar te laten zijn. Slechts dat, wat geen verschijnsel is, dus wat geen-proces is, is niet waarneembaar; dat klopt ook, want voor geen-proces geldt absolute beweeglijkheid, dus helderheid. Al het andere is proces, dus verschijnsel, en hiervoor geldt geremde beweeglijkheid, dus vastgelegdheid en dus geen helderheid, dus duisternis. Slechts het donkere is zichtbaar, aantoonbaar.
Voor de mens gelden deze twee werkelijkheden, de duisternis en het heldere, ofwel het verschijnsel en de geest, en deze twee zijn één zaak; ze zijn ineen. In deze eenheid is het duistere het concrete, het tastbare, en het heldere is niet concreet.

Helderheid als proces
Voorzover de mens helderheid is, is dit één met het proces, want het is één met het verschijnsel, het vastgelegde, het bepaalde. De mens is dus een bepaalde helderheid, en voor die bepaalde helderheid geldt het proces; die bepaalde helderheid komt dus voor als een opeenvolging van momenten, en voor die opeenvolging geldt, dat elk volgend moment het vorige inhoudt als iets dat geweest is, en het daarop volgende inhoudt als iets dat komen moet. Het moment X houdt dus zowel zijn vorige als zijn volgende in; dat vindt zijn grond in het feit, dat bij een proces het één uit het ander voortvloeit. Het moment “vorige” is één met het moment “X” en het moment “X” is één met het moment “volgende”.
Deze zaak geldt dus voor de mens, voorzover van hem te zeggen is, dat hij een bepaalde helderheid is; iedere bepaalde helderheid, dus ieder mens, houdt de voorgaande helderheid in en tevens de volgende, dus ieder mens houdt zijn OUDERS in en zijn KINDEREN. Dit is niet zo moeilijk te verstaan; de mens is op andere wijze zijn ouders, want hij is uit hen voortgekomen, en uit hem komen weer zijn kinderen voort.
Voor de mensheid geldt dus, dat zij een steeds grotere bepaalde heldere inhoud krijgt, en die bepaalde helderheid ligt in het verschijnsel, dus in het donkere; de helderheid ligt donker in het verschijnsel en dit is geen zaak van bewust weten; de culturele voortgang in de de mensheid gaat ongeweten en slechts in enkelen wordt zich deze zaak van zichzelf bewust. Hierop doelt JUNG als hij zegt, dat de geschiedenis in ons bloed leeft. Aangezien het al met al toch over helderheid gaat, gaat het over beweeglijkheid, dus niet over ervaring, want ervaring is het vastgelegde verleden. We houden een gebeurtenis vast en daaraan weten we, hoe een volgende keer te handelen als de zaak net zo ligt, dus als het net zo’n bepaalde zaak is, maar de heldere inhoud is niet vastgelegd, maar beweeglijk, levend.

Het proces als helderheid
Voorzover de mens verschijnsel is, dus voorzover de mens het laatste moment van het proces is, geldt er voor hem, dat het qua proces niet verder kan, en dat het dus onmiddellijk geen-proces is. De mens als verschijnsel, dus de mens als duisternis is dus onmiddellijk helderheid, en dat geldt voor elke mens, dus ook de mens, die nog pas kort geleden op de planeet verschenen is, dus de oermens, of hoe hij heten mag. Ook voor de oermens geldt onmiddellijk helderheid, en dit verklaart waarom ook deze mens een besef heeft gehad van een hogere macht, die boven hem uitging, en waaraan hij onderworpen was. De helderheid is immers voor het verschijnsel het volgende, want het is datgene, dat na het einde ligt, dus dat na het verschijnsel ligt en er dus bovenuit gaat. Geen enkel mens, ook de meest primitieve, is van god los, want geen enkel mens ontbreekt het besef van dat hogere, dat boven hem uitgaat. Deze helderheid ligt dus niet donker in het verschijnsel, maar het ligt helder boven het verschijnsel. Langs de weg van de helderheid als proces, dus langs de weg van de verhelderingmomenten komt de mens tot bewustzijn omtrent die hogere werkelijkheid, totdat hij zich tenslotte bewust is van het feit, dat hij die hogere werkelijkheid zèlf is. Zover is het echter nog niet met de mensheid, maar het begint te komen, bijvoorbeeld bij de negers in Afrika, waarover straks.

De verhelderingmomenten
Op grond van het feit, dat het kind op andere wijze zijn ouders is, terwijl het zelf weer op andere wijze zijn kinderen is, verheldert de mensheid zo langzamerhand. Het is dus niets anders dan de voortplanting, die de mens zich doet verhelderen; als we het van de mens zelf als bewust wezen te verwachten hadden, kwam er niet veel van terecht. We moeten het echter niet zo opvatten, dat de mens een steeds grotere helderheid krijgt omdat er telkens wat bij komt; er komt niets bij en de mens blijft precies zoals hij was; het enige dat er met hem gebeurt is het feit, dat zijn kijk op zichzelf gaandeweg meer helder wordt, en aan deze zaak zijn natuurlijk consequenties verbonden, die wij aanzien voor veranderingen. Wezenlijk verandert er dus niets, “er is niets nieuws onder de zon”. Het meer helder worden van de mens heeft telkens andere consequenties, en het zijn deze consequenties, die het beeld van de geschiedenis vormen.
Dit is dus de GROTE LIJN, die wij in onze cursussen altijd maar weer tegen zullen komen:
de mens als helderheid, donker in het verschijnsel, en de mens als helderheid helder boven het verschijnsel, en deze twee aspecten hebben met elkaar te maken. De helderheid, donker in het verschijnsel komt in het gedrag van de mensen te voorschijn, en de helderheid, die helder boven het verschijnsel ligt, komt voor de dag in de godsdienst, de kunst, de wetgeving, de filosofie, kortom in de cultuur van de mens. Beide aspecten behoren tot de geschiedenis van de mensheid; het meest tekenende aspect is echter het gedrag, want dat geeft de werkelijke stand van het proces aan; de cultuur doet dat uiteraard ook wel, maar voor ons, westerlingen, lijkt de cultuur nou eenmaal mooier dan ze is, zodat wij geneigd zijn aan bepaalde cultuurperioden een hogere betekenis toe te schrijven dan ze toekomt.

Een opmerking over godsdienst
De godsdienst behoort dus tot het terrein van de helderheid, die helder boven het verschijnsel ligt, en de kijk van de mens op deze zaak is afhankelijk van het verhelderingsmoment dat voor hem geldt. Al met al ligt het boven het verschijnsel, en is het dus een absolute macht, die geen verantwoording verschuldigd is, voor het besef van de mensen. De vertegenwoordigers van die absolute macht zijn dus in principe ook geen verantwoording verschuldigd en bovendien gaan zij als macht boven de mensen uit, zodat zij de mensen onder druk zetten, en dat volledig naar willekeur, ondanks het culturele, dat zij in hun leer naar voren brengen. We zien dan ook in de loop van de geschiedenis, dat de geestelijkheid, welke dat ook is, het zij medicijnman, tovenaar, priester of wat dan ook, met niets anders dan tyrannie komt en uitbuiting en bedrog, met rechtsverkrachting, zoals in de late Middeleeuwen tijdens de heksenprocessen in Europa. Nooit vertegenwoordigt die geestelijke macht werkelijk die helderheid, pas wanneer de mens zich ervan bewust is zèlf die helderheid te zijn, wordt ze vertegenwoordigd, maar dan door elke mens. De geestelijke macht is dan vervallen, want die is net zolang mogelijk als de mens zichzelf nog geen helderheid weet.

Een opmerking over Afrika
Over het huidige gedrag van de negers in Afrika is, menselijk gesproken, niet veel goeds te zeggen, maar toch tekenen zich twee dingen af, die in verband met het door ons behandelde typerend zijn. Ten eerste dit: bij de onlusten hebben de negers het ook gemunt op de geestelijkheid, en dan vooral de Rooms Katholieke. Deze mensen worden merendeels, zoals alle blanken afgeslacht, maar zij worden niet zonder meer vermoord, maar eerst voor schut gezet, waaruit blijkt, dat het in de mensen levende besef van een hogere macht al aardig aan het tanen is. Ten tweede is er het verwerpen van de Europese geest, en aanvaarden van europa’s wezen, namelijk het denken, terwijl er is een neiging tot communisme, dat ze echter als Russisch communisme - terecht - niet vertrouwen.
Op primitieve manier vertonen deze negers het verhelderingsmoment van de mensheid.

Dinsdag, 19 januari 1965

No. 3.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS

Inleiding

Bladwijzers: Alexander de Grote, zie 3A en 6B ; Het begrip ANARCHIE. Hoe zit dat..? Zie o.a. afleveringen 3, 4 en 10

 

De helderheid
De mens als geest is hetzelfde als wat wij genoemd hebben de helderheid, die helder boven het verschijnsel ligt, zonder evenwel wèrkelijk boven het verschijnsel mens te liggen. Wèl gaat die helderheid kwalitatief boven de mens uit, voorzover hij is, wat hij zo zonder meer is. Van deze helderheid hebben wij gezegd, dat ze voor de dag komt in datgene, wat wij gewend zijn cultuur te noemen; in dit verband verstaan wij er dus onder: datgene, dat de mens van zichzelf zegt. Veelal meent hij het dan over iets hogers te hebben, maar hoe het ook zij, nooit is het onzin; hoogstens is van de vorm, waarin het gezegde gegoten is, te zeggen, dat die ouderwets is, omdat latere generaties, door hun grotere verheldering , tot een duidelijker uitdrukken in staat zijn. De begrippen, die voor de helderheid op zichzelf gelden, zijn absolute begrippen, die over de gehele mensheid en door alle tijden heen precies hetzelfde voor de dag komen. Als voorbeeld een gesprek tussen TOENG KWO en TSJWANG-TZE over de TAO, het oude Chinese begrip voor de geest. Meester Tsjwang zegt daar o.a. “Gij moet de TAO niet op een bepaalde plaats zoeken of in een bepaalde richting: er bestaat niets zonder de TAO. Het is met de TAO gesteld als met de drie uitdrukkingen ‘compleet’, ‘volkomen’ en ‘geheel’. De namen ervoor zijn verschillend, maar wat ermee bedoeld wordt, is hetzelfde. Tracht liever samen met mij te dwalen in het paleis van het niets, waar alle dingen één zijn. Daar kunnen wij samen over oneindigheid spreken! Of trek met mij naar het land, dat niet-handelen heet, maar ook genoemd wordt stille eenvoud, verzonken zuiverheid, harmonische vrede. Daar zijn alle verschillen opgeheven. Het gaat hier over de helderheid op zichzelf, en de begrippen, waarvan Tsjwang spreekt, zijn absolute begrippen. Eveneens ongeveer 600 v. Chr. zei de oude HERACLITUS: “Deze wereld-orde, die dezelfde is voor alle dingen, is noch door één der goden, noch door één der mensen geschapen, maar ze was altijd, en is en zal zijn: altijd- levend-vuur, dat op maat opvlamt en uitdooft”. Voor hem was de geest het begrip vuur.
Zo zijn er vele voorbeelden te geven; altijd echter gaat het over in één of andere vorm gegoten absolute begrippen; als we de woorden verstaan, blijkt het altijd to the point te zijn, wat er door de mens over het hogere gezegd is. Maatgevend voor het werkelijke zijn van de mens, dus voor zijn gedrag, is deze culturele werkelijkheid zo zonder meer echter nooit.

De helderheid, donker in het verschijnsel
Vanuit ons westerse denken verkeren wij in de veronderstelling, dat de mens handelt vanuit het weten, zodat het gewenst is het leven met zoveel mogelijk kennis in te gaan. Voorzover het handelen van de mens theoretisch is, dus met zijn werk te maken heeft, klopt dit inderdaad, maar voorzover het handelen praktisch is, en dus het leven van de mens betreft, dus voorzover het gaat over een ontmoeting, een omgang, een gebaar, een liefkozing, een ruzie, een glimlach enzovoort, is het geen handelen vanuit weten, maar vanuit ZIJN. Hier gaat het erom: wat IS de mens, en dan is de mens een brok helderheid, die donker in het verschijnsel ligt, en deze helderheid komt in zijn gedrag tot uitdrukking, want de mens als ontmoeting enzovoort is de mens, voorzover hij zich gedraagt, en deze zaak gaat niet vanuit weten, maar dit gaat allemaal vanzelf; het is de innerlijke helderheid, die de impuls is voor het menselijk gedrag.
Alle organismen, dus de gehele planten- en dierenwereld, bewegen zich en dat gaat vanuit zichzelf en het gaat automatisch, en dit geldt voor de mens ook, want ook hij is een beweeglijk verschijnsel; deze beweeglijkheid, die op zichzelf genomen voor de dag komt in bijvoorbeeld het kloppen van het hart, is voor de mens tevens een beweeglijkheid, die vanuit de helderheid, die donker in de mens ligt, wordt tot een heldere of intellectuele beweeglijkheid, en dit is de handeling van de mens. Het geheel van de handelingen noemen wij het gedrag, en het is duidelijk, dat dit de kwaliteit van de innerlijke helderheid afspiegelt, want het gedrag is door die helderheid geïnspireerd. Het gedrag is dus de enige werkelijke waardemeter voor het ZIJN van een mens; de voorschriften, waaraan een mens zich houdt zijn dit niet.

Gij zult niet
De mens heef zichzelf aan velerlei voorschriften gebonden, die niet weg hadden kunnen blijven, zodat ze wel noodwendig genoemd kunnen worden, maar die al met al toch niet meer zijn dan “hoe hoort het eigenlijk” een uitdrukking, waaraan onmiddellijk al uitkomt, dat het zo blijkbaar niet gebeurt. Dit geldt voor alle voorschriften: wetten, ethische beginselen, fatsoensnormen, zeden en gebruiken, enzovoort. Deze voorschriften zijn op de een of andere wijze geïnspireerd door de helderheid boven het verschijnsel, en als zodanig hebben zij met het gedrag van de mens niets te maken, terwijl die voorschriften er toch gekomen zijn, om het menselijke gedrag hoe dan ook in rechte banen te leiden.

Het zijn dus correcties, die de mens op zichzelf aanbrengt vanuit een of andere bovenliggende idee.
Als een dergelijk voorschrift echter wegvalt, blijkt de ware aard van het beestje, want dan blijkt het werkelijke gedrag, dus de werkelijke kwaliteit van de innerlijke helderheid. Toen de Duitse soldaten in 1941 Rusland binnenvielen hadden zij van hun “Führer” blanco volmacht gekregen, wat betreft de vijandelijke soldaten en bevolking en ook speciaal wat betreft de Joden. Voor hen waren dus de voorschriften weggevallen, en het resultaat was er dan ook naar, want niets en niemand was veilig voor deze horde beesten. Wie van al deze “Übermenschen” was qua innerlijke helderheid van zo’n kwaliteit om zich ook onder deze abnormale omstandigheden behoorlijk te gedragen? En nu nog afgezien van het feit, dat een behoorlijk mens niet en nooit aan een front staat, welk front dit ook is en door welke leuze dan ook gerechtvaardigd. En wie van ons weet van zichzelf zeker, dat hij, als hij eventueel niet meer onder toezicht staat van de politie, geen auto zal stelen en geen vrouw zal aanranden? Het kan dan toch straffeloos!
Er is dus een hemelsbreed verschil tussen het gedrag en de voorschriften, en het is slechts het gedrag, dat de stand van het verhelderingsproces weergeeft. Als de mens straks zichzelf helderheid is geworden, liggen de voorschriften niet meer boven de mens, maar in de mens; het is dan een innerlijke vanzelfsprekendheid geworden; een zedelijke wet. En dan is de mens in de ware zin van het woord anarchist, want hij regeert zichzelf.

De grote wereldhistorische figuren
De filosoof HEGEL (1770 — 1831) heeft in zijn ‘Philosofie der Geschichte” gezegd: “Große Menschen haben gewollt, um sich, nicht um andere zu befriedigen”; hij legt uit, dat grote figuren, zoals ALEXANDER DE GROTE, vanuit niets anders gehandeld hebben dan vanuit datgene, dat zich in hen liet gelden. Alexander WAS dus wereldverovering en daarom ging het ook onweerstaanbaar door, totdat deze zaak zijn eigen grens bereikt had en toen niet meer door ging.
Dit alles gaat echter niet op bewust weten; het laat zich automatisch gelden, want het is de helderheid, donker in het verschijnsel, die voor de dag komt. Alexander tobde niet over de soldaten van DARIUS, die op het slagveld sneuvelden en hij zat niet over de vrouwen en kinderen in, die bij het verwoesten van steden mee ten onder gingen, en daarover kunnen wij nu wel moraliseren, maar dan moeten we niet vergeten, dat ook wij vanuit de innerlijke helderheid handelen en dus op onze manier ook een Alexandertje zijn.
De innerlijke helderheid laat zich in elk mens gelden als de levensdrang, of als de hartstocht, die een ieders leven laat verlopen, zoals het verlopen moet. HEGEL zegt dan ook terecht, dat de grote daden in de geschiedenis voortkomen uit grote “Leidenschaften”.

De idee van een tijd
Voor elk mens in een bepaalde tijd geldt een bepaald verhelderingsmoment, en dit moment laat zich ongeweten voor de mensen gelden, want het ligt donker in de mens. Evenwel komt het in sommige mensen sterk naar voren en in nog minder mensen tot een grote mate van bewustzijn. Deze mensen zijn dus tekenend voor hun tijd en zij vertegenwoordigen elk op hun wijze alle aspecten van de idee van die tijd. Toch is datgene, dat ze zeggen en als verklaring voor hun doen en laten aanvoeren, meestal heel wat anders dan wat zich in hen laat gelden en dat komt door het buiten het weten omgaan van de verheldering.
De soldaten van Alexander de Grote dorsten niet verder toen ze een eindje voorbij de Indus waren gekomen. De vraag blijft liggen: WAAROM dorsten ze niet verder. De een zal deze verklaring hebben gegeven en de ander weer een andere, maar voordien dorsten ze wèl verder, dus wat liet zich in hen gelden?
De mannen en vrouwen van de vrije wereld sloten zich in 1940 aaneen om Hitlers benden te bevechten; een ieder had wel een verklaring voor zijn strijd. De een wilde zijn vrouw en kinderen wreken, de ander zijn spullen terug hebben, een derde zijn vrijheid of althans wat hij daarvoor aanzag. Maar wat liet zich gelden? De verklaringen zijn bij al die mensen verschillend, maar hun gedrag is in dit geval hetzelfde: zij gaan vechten tegen dezelfde vijand. In hen liet zich hetzelfde gelden, en dat wat zich gelden liet was een aspect van de idee van hun tijd, we kunnen ook zeggen een aspect van het geldende helderheidsmoment.

Bladwijzers: Alexander de Grote, zie 3A en 6B ; Het begrip ANARCHIE. Hoe zit dat..? Zie o.a. afleveringen 3, 4 en 10

Dinsdag, 26 januari 1965

No. 4.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Bladwijzers: Gezag-1 ; Gezag-2 ; Gezag-3 ; Het begrip ANARCHIE. Hoe zit dat..? Zie o.a. afleveringen 3, 4 en 10

Anarchie

Het begrip anarchie staat in West-Europa slecht bekend; de oorzaak hiervan moet in hoofdzaak gezocht worden in een aantal typisch West-Europese begripsverwarringen, en bovenal het feit, waarop wij al eerder in ander verband gewezen hebben, van het tot een bepaalde gebeurtenis maken van een begrip. Zo is voor het westerse denken het begrip anarchie ook een bepaalde toestand, een gebeurtenis, waarbij voor de mens het begrip regering is vervallen, zodat er een maatschappelijke wanorde is ontstaan. Anarchie betekent dan ook: niet regeren, en het is afgeleid van het Grieks : an - archein. Voor het westerse besef gaat het dus over het vervallen van de regering en van het gezag; het gaat dus over een bepaalde gebeurtenis, over een bepaalde situatie.
In wezen echter betekent anarchie heel wat anders, en dit slaat niet op een bepaalde toestand, waarin de mens verkeert of wenst te verkeren, maar dit slaat op een gesteldheid van de mens. Een gesteldheid, welke dit ook is, geldt voor de mens altijd en is niet afhankelijk van omstandigheden. Liefde bijvoorbeeld is ook een gesteldheid van de mens en zo ook sexualiteit. Het zijn verhoudingen, die onmiddellijk gelden, waar van een mens sprake is, en derhalve zijn het wezenlijke verhoudingen voor de mens, en geen bepaalde gebeurtenissen.
Wij verstaan onder het begrip anarchie het volgende: de mens regeert zichzelf, omdat hij niets boven zich heeft. Hiertegen komt natuurlijk iedereen in verzet, ten eerste omdat vrijwel iedereen westers denkt, en ten tweede omdat vrijwel iedereen gelovig is en gelovig is de mens, die wèl iets hogers boven zich beseft, en die dus automatisch zichzelf aan dat hogere onderwerpt.
Als wij dus zeggen, dat voor de mens uiteindelijk het begrip anarchie geldt, wil daarmee gezegd zijn, dat de mens tenslotte niets hogers meer boven zich weet, zodat de norm voor zijn gedrag in hemzelf ligt, en derhalve niets anders kan zijn dan het weefsel van begrippen, dat voor de helderheid, of zo men wil: voor de geest, geldt. Hij gedraagt zich dan naar zijn innerlijke helderheid, en dan gedraagt hij zich redelijk. Dit gaat dan, zoals wij reeds eerder gezien hebben, automatisch, zodat de normen, die nu alsnog boven de mens liggen, dan innerlijke normen geworden zijn.
Omdat voor het westerse denken elk begrip tot een gebeurtenis wordt, mag iets, bijvoorbeeld DODEN, in het ene geval wèl, en in het andere geval niet. In het dagelijkse leven is het de mens verboden iemand dood te slaan, maar aan het front wordt het zelfs van de mens verwacht, en, natuurlijk……. DAT IS HEEL WAT ANDERS !! Inderdaad, voor ons denken is het heel wat anders, want de ene situatie of de andere situatie, dat maakt veel verschil. Maar het feit blijft, dat er GEDOOD wordt, en daarom gaat het.
De mens houdt zich dus niet zonder meer aan de voorschriften, die hij zichzelf gesteld heeft; hij laat het afhankelijk zijn van bepaalde omstandigheden, de zaak is voorwaardelijk. De vraag rijst dus, hoe het zit met die voorschriften, die de mens zichzelf oplegt, en waaraan hij zich evenwel niet als wel houdt. Om op deze vraag een antwoord te krijgen zullen wij de mens nog eens opnieuw benaderen en zien welk een onmogelijk geval hij is.

Het kosmische proces

In grote trekken kunnen wij van het kosmische proces het volgende zeggen: de elementen, waaruit de werkelijkheid bestaat, gaan, omdat zij beweeglijk zijn, ineen. Het proces is dus een ineen-gaan van de elementen (= ondeelbaarheden). Op elk moment van het proces zelf echter geldt, dat de elementen alsnog uiteen zijn, zodat voor het proces zelf geldt: het ineen-gaan en het uiteen-zijn. Voor de verschijnselen geldt dus dat zij uiteen zijn, en tevens dat zij bevangen zijn in het ineen-gaan.
Voor het laatste verschijnsel, dat de mens is, is het ineen-gaan echter afgelopen, want het proces is afgelopen. Het verschijnsel mens is dus een uiteen-zijn, dat niet meer bevangen is in het ineen-gaan, en derhalve is het een verschijnsel, waarvoor onbelemmerd uiteen-zijn geldt. Dus is de mens het verschijnsel, dat zich ongehinderd en grenzeloos als de ontkenning van het andere laat gelden, want als het één en het ander uiteen zijn, is het ander er voor het één niet en het één is er voor het ander niet. Voorzover dit voor de mensen onderling van toepassing is, is elke mens er dus alleen maar zèlf; de anderen zijn voor hem ontkend. Hier zien wij dus het zich eenzijdig doorzetten van de mens, met verdringing van alle anderen, en dit is de basis van elke mens: “Ieder voor zich en god voor ons allen”, is een bekende kreet, die hierop slaat. De zogenaamde “vrije concurrentie” is hierop geworteld. Het ontkennen van de ander is de MOORD, en zo is de mens dus in principe een moordenaar, voor wie niets veilig is, echter hij kent en erkent, behalve zichzelf, niets en niemand. Deze moordbasis van de mens, is de basis van de maatschappij, zoals we zien zullen, maar om dit werkelijk goed te begrijpen is het nodig geen enkele kwalificatie te laten gelden, en niet te moraliseren, want anders maken we van de mens zonder maar een schoft.

 

Het uitlopen in bijeenzijn

Het kosmische proces is dus het ineen gaan van de elementen, waaruit de werkelijkheid bestaat; het proces levert op elk moment resultaten op, en die resultaten zijn DAT WAT ER IS, en dat wat er is, is een zaak van buitenzijn. Dit geldt ook voor het laatste resultaat, namelijk de mens. Evenwel geldt er voor het laatste resultaat ook nog iets anders, want met het laatste resultaat sluit het proces àf, zodat dat, wat ineen ging nu ineen IS. Voor de mens als laatste resultaat geldt derhalve ook nog het ineen-zijn en dit ineen-zijn is werkelijk het laatste, dat de werkelijkheid op kan leveren, want als het een zaak van ineen gaan is, ligt het voor de hand, dat het klaar is, als het ineen-zijn is bereikt. Omdat het voor de werkelijkheid het laatste is, is het dit voor de mens ook, want de mens is natuurlijk ook de werkelijkheid. Het wezen van de mens is dus het ineen-zijn, omdat de mens daarin uitloopt; hij is dus bezig zich wezenlijk te verwerkelijken, dus alles, dat voor hem geldt, komt steeds meer als ineen-zijn voor de dag.
Voorzover voor hem geldt, dat hij als verschijnsel een onbelemmerd uiteen-zijn is, treedt het volgende op: het blijft uiteen-zijn, want dat IS het verschijnsel, dus dat IS hij ook zelf. Evenwel laat het zich steeds meer als ineen-zijn gelden en dat is dus tegengesteld aan datgene, dat het is. Het uiteen-zijn komt dus steeds meer in het teken van zijn tegengestelde te staan, zodat het niet meer uit de voeten kan, tenslotte. Dus is het het ineenzijn, dat een rem legt op het onbelemmerde uiteen-zijn en omdat het ineen-zijn onmiddellijk voor het verschijnsel mens geldt, ligt er dus onmiddellijk een rem op het eenzijdige ontkennen van de ander, dus op het moorden.
Het ineen-zijn, dat onmiddellijk voor het verschijnsel geldt, is hetzelfde als de helderheid boven het verschijnsel, waarvan wij gezegd hebben, dat het een wereld van absolute begrippen is, die echter geenszins een waardemeter is voor de stand van het verhelderingsproces van de mens. De helderheid boven het verschijnsel is de rem op het gedrag van de mens; het zijn de voorschriften, die de mens boven zichzelf heeft gesteld, en het besef is juist, dat de wetten van god komen, want, zoals we gezien hebben, stelt de mens ze vanuit het ineen-zijn, en dat is voor de mens, die nog niet aan zelfkennis toe is gekomen, hetzelfde als het begrip god.

De maatschappij

Het begrip maatschappij wil dus zeggen: het door de mens, vanuit het ineen-zijn, vastleggen van het onbelemmerde uiteen-zijn. Deze zaak maakt een ontwikkeling door, want de kijk van de mens op zichzelf, dus ook de kijk van de mens op zichzelf als ineen-zijn, of als helderheid boven het verschijnsel, is afhankelijk van de kwaliteit van de helderheid, donker in het verschijnsel. De ontwikkeling van de maatschappij is dus het steeds meer vastleggen van het uiteen-zijn, zodat we zien, dat er qua negativiteiten steeds minder doorgaat enerzijds en dat er qua gemeenschap steeds meer uit de verf komt, alles echter met als basis de moord, zoals we gezegd hebben, want het zich steeds meer regelen van de maatschappij is niets anders dan het steeds meer onmogelijk maken van de wederzijdse ontkenning van de één en de ander. Het maatschappelijke is dus een reactie op het negatieve.
We hebben gezegd, dat het karakter van de mens als verschijnsel het uiteen-zijn is, en dat dit karakter blijft gelden, omdat het nu eenmaal voor het verschijnsel geldt. Derhalve is het regelen, dat de mens doet, voorzover hij maatschappij is, een tegennatuurlijke aangelegenheid, want het gaat tegen het eigenlijke karakter van de zaak in. Dus is het een zaak van dwang en deze zaak van dwang roept bij de mensen persoonlijk bij gelegenheid een verzet op, hoewel zij zich dan verzetten tegen hetgeen zij zelf boven zich gesteld hebben.
Vanuit hun gedrag, dus vanuit de helderheid, donker in het verschijnsel, verzetten zij zich tegen de voorschriften; de mensen voelen zich onvrij in de maatschappij, want het is allemaal dwang. Het gerecht, de politie, het zijn instellingen om de mensen in toom te houden; echter ook de kerken werken daartoe mee en andere maatschappelijke instellingen.

De wetten

In principe kunnen wij de wetten, die de mens in de loop van zijn geschiedenis uitgevaardigd heeft, redelijk, noemen, want ze zijn geïnspireerd door de helderheid boven het verschijnsel, of met andere woorden: door de geest, het ineen-zijn.
Voorzover de rechtbank deze wetten handhaaft, vertegenwoordigt zij dus een redelijke zaak, en voorzover een mens tekort is geschoten inzake het maatschappelijke, is het dus redelijk, dat hij daarvoor ter verantwoording wordt geroepen bij het gerecht. Niet redelijk is het echter, als voor het gerecht getracht wordt de tekortkoming te verkleinen met de bedoeling de straf daardoor te verminderen. Het begrip schuld ( = tekortkoming) komt in onze hedendaagse maatschappij steeds meer te vervallen, om redenen, die wij nog behandelen zullen, maar het begrip schuld is niet aan tasten, wèl echter de straf.

Bladwijzers: Gezag-1 ; Gezag-2 ; Gezag-3 ;  Beweeglijkheden/beweeglijkheid en Ondeelbaarheden – zie .nrs 1 t/m 4  en 28 ; Het begrip ANARCHIE. Hoe zit dat..? Zie o.a. afleveringen 3, 4 en 10

 

 

Dinsdag, 2 februari 1965

No. 5.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Bladwijzers: De ZONDE: zie de nrs. 5 en 6 , 12a t/m 16 en 21

Het regelen van het natuurlijke

We komen nog even op de maatschappij terug. De mensen vormen een maatschappij, zo hebben we gezien, omdat voor de mens geldt, dat hij vanuit het ineen-zijn, dat onmiddellijk voor hem geldt als helderheid, boven het verschijnsel, het onbelemmerde uiteen-zijn, dat voor hem als verschijnsel geldt, vastlegt. De als los zand aan elkaar hangende elementen, die de mensen ieder voor zich zijn, laten zich dus als een geheel gelden. Dat geheel zèlf, dat is het wat wij maatschappij noemen, voorzover wij het over de maatschappij hebben als over een lichaam, een instelling. Een andere náám voor dat geheel is dus het woord maatschappij, en in die maatschappij vertonen zich dan weer verschillende groeperingen, die zich, om welke reden dan ook, voor zichzelf ook weer als een geheel laten gelden.
Nu behoort het begrip uiteen-zijn bij het verschijnsel, en het verschijnsel is het resultaat, dat op elk moment van het ineen-gaan-proces voor de dag komt. Het verschijnsel is dus het natuurlijke, de wereld van de dingen; het is dus over deze zaak, dat de maatschappij als het vastleggen van het uiteen-zijn gaat. Dus niet alleen, dat de mens zichzelf als uiteen-zijn vastlegt, maar hij bemoeit zich met de ganse verschijnselen-wereld, want het is niet van hem af te denken, dat hij het ineen-zijn laat gelden voor het uiteen-zijnde. Hij is immers zèlf deze situatie: het uiteen-zijn in het teken van het ineen- zijn.
De mens als maatschappij, en dus ook de maatschappij als het geheel van de mensen, die daar bij behoren, kan zich dus uitsluitend betrekken op het natuurlijke en de vele aspecten daarvan; nooit echter kan en mag de maatschappij zich met het leven, dat voor de mensen zèlf geldt, bemoeien; met hun privé leven dus.
Aan de andere kant heeft de maatschappij de plicht elke poging van een mens of een groep van mensen om zich voor zich, ongeacht de rest, dus ongeacht het grote geheel, te laten gelden alsof zij er alleen maar waren, en dit met betrekking tot het natuurlijke, te beletten. Als het gaat over het natuurlijke, dus in het kort over de spullen, dan mag het onbelemmerde uiteen-zijn niet gelden, zoals we gezien hebben, en het is de maatschappij, die de rem op dat eenzijdig voor zich zijn van de mens is.
Het regelen van de natuurlijke zaken is dus een maatschappij-kwestie, waarin elk voor zich zijn van de mens afzonderlijk, niet aan de orde is.
Wij, in onze moderne, westerse maatschappij, hebben nog steeds de neiging het hooggeprezen particuliere initiatief met welgevallen gade te slaan; het is voor ons nog steeds een teken van geslaagd zijn in het leven. En het feit, dat de mens voor zichzelf zo langzamerhand niets meer kan beginnen, zakelijk gesproken, bevalt ons helemaal niet, we voelen ons aan handen en voeten gebonden. Toch gaat het er naar toe, dat tenslotte niemand meer iets voor zichzelf onderneemt enerzijds omdat het in de maatschappij niet meer mogelijk is en anderzijds omdat de mens zich naar het communisme heeft toegewerkt. Hierover later meer - het gaat echter niet over Russisch communisme, want dat is geen communisme.
Tenslotte is straks iedereen in het grote geheel, dat de maatschappij is, werkzaam, en dan is ook iedereen - wèrkelijk iedereen - terecht. Het onbehagen, dat wij bij het zich steeds meer vastleggen van de maatschappij gevoelen, vindt zijn grond in het voor ons geldende uiteen-zijn, dat door de aard van ons westerse denken, maatgevend is onder ons; bovendien echter, maar hiervan merken de meeste mensen niet zo veel, omdat onze huidige maatschappij wèl in sterke mate het privé leven van de mensen beïnvloedt - het hieruit voortvloeiende onbehagen is dus wèl terecht.

De levende mens zèlf

We hebben nu gesproken over de mens als maatschappij.
De mens gaat echter in de maatschappij niet òp; behalve dat hij dat grote geheel vormt, is hij er zelf ook nog als levend mens, en behalve dat hij er is als levend mens, heeft hij ook recht op zijn eigen leven en dus heeft hij ook recht op vrijheid, zodat hij zijn eigen leven kan leven zoals hij dat zelf wenst, ongeacht wat een ander meent, dat hij van zijn leven maken moet. Qua LEVEN is hij er dus voor zichzelf wèl, zelfs is het niet denkbaar je eigen leven anders dan voor jezelf te leven. Deze gedachte is niet populair, want wij menen nog steeds dat het hoogste goed is: voor de ander te leven, voor je naaste, of voor god-mag-weten-wat. Toch, populair of niet, het is geen enkele mens mogelijk een ander leven te leven, dan hij leeft, en hij leeft noodwendig zijn eigen leven, dus met die zaak moet de mens het doen. Als dus het leven van de ene mens niet dat van de ander is, dan zijn die levens dus buiten elkaar, m.a.w. hier geldt het uiteen-zijn.
Voor het particuliere leven van de mens geldt dus het uiteen-zijn wel, zodat we kunnen vragen, hoe dit dan wel zit.

Voor elke mens gelden drie aspecten, die, omdat de mens een onverbrekelijk geheel is, niet zonder meer op zichzelf zijn te denken, en die dus ook niet zonder meer op zichzelf voorkomen. Het geheel, dat de mens is, is de volledige eenheid van het uiteen-zijn en het ineen-zijn, omdat het proces (uiteen-zijn),waarvan hij precies het einde is, aan dat einde zijn eigen eindresultaat is (ineen-zijn), want het is een proces van ineen-gaan.
Dus voor elk mens gelden tegelijk uiteen-zijn en ineen-zijn.
Echter in een zodanige verhouding, dat het voor de mens gaat om het allerlaatste, dus om het ineen-zijn. De mens is dus een ineen-zijn, of, wat hetzelfde is, een brok helderheid.
Het geheel uiteen-zijn – ineen-zijn laat echter toch het volgende aan zich bedenken: het accent kan liggen op het uiteen-zijn, en dan hebben wij te doen met de mens als maatschappij; het accent kan liggen op het ineen-zijn, en dat is de mens als idee (helderheid boven het verschijnsel) en het accent kan liggen op het geheel, wat de mens als gedrag laat zien (helderheid, donker in het verschijnsel).
Voor de term: “de mens als gedrag” kunnen we ook een ander woord zoeken, bijv. : de mens als dagelijks leven, de mens psychisch, de mens als “Leidenschaft”, de mens als gedoe, enzovoort. Het gaat echter niet om een naam, maar om een begrip.
De drie door ons genoemde accenten: maatschappij, idee en gedrag gelden - en dat moeten we vooral niet vergeten - voor het brok helderheid, dat de mens is. En als het dan over zijn privé leven gaat, dus over zijn leven voorzover hij niet het begrip maatschappij is, en ook niet het begrip idee, dan gaat het dus over een geheel, dat een brok helderheid is, welke helderheid donker in het verschijnsel ligt, en waar het tevens toch om gaat, omdat het om helderheid, want ineen-zijn gaat.
Derhalve kunnen we het volgende zeggen: in het verschijnsel, dus in het uiteen-zijnde, ligt de helderheid, dus ligt het ineen-zijn. Het ineen-zijn echter is het vrije, het onafhankelijke, het levende. Dus het uiteen-zijn is beweeglijk, vrij en onafhankelijk, en dit alles op grond van het feit, dat het leven er in ligt, want het ineen-zijn, of de helderheid ligt er in als levend beginsel.
Voor de mens geldt dus, dat het uiteen-zijn, op voorwaarde dat het over het leven van de mens gaat, een levend, dus beweeglijk en vrij uiteen-zijn is. Dit wil in de praktijk niets anders zeggen, dan dat de mensen elkaar met rust hebben te laten, en dat zij elkaar niet met hun hebbelijkheden en onhebbelijkheden voor de voeten hebben te lopen; zij hebben elkaar niet met hun gedrag te storen, want de ene mens is de andere niet en ieder vertoont op zijn wijze wat hij vertoont.
Voor de mens zèlf, in zijn gedoe en gescharrel, afgezien hiervan voorzover het maatschappelijk is, geldt dus het vrije uiteen-zijn: kom niet op elkaars terrein, tast iemands leven niet aan.

Huwelijk en maatschappij

Het grondprincipe van de maatschappij, of beter gezegd het wezen van de maatschappij is het vastgelegde uiteen-zijn; het wezen van de omgang van de mensen onder elkaar buiten het maatschappelijke, is het vrije uiteen-zijn.
Als echter de omgang tussen man en vrouw bevangen is in het begrip huwelijk, dan geldt het vrije uiteen-zijn helemaal niet, wat een ieder aan den lijve ondervonden heeft, die het huwelijk kent. Het huwelijk naar de letter, uiteraard. Hier geldt het vastgelegde uiteen-zijn; het vastleggende is het huwelijks-contract.
Wie de westerse maatschappij in het verleden en ook tegenwoordig nader bekijkt ziet, dat het er in principe nog steeds over het ongebonden uiteen-zijn gaat, hoewel er vooruitgang aan te wijzen is.
Hieruit valt dus te concluderen, dat het beeld van de mens nog steeds op zijn kop staat, want de omgang tussen de mensen als man en vrouw is vastgelegd (=huwelijk), en wat vastgelegd behoort te zijn, is nog steeds vrij, min of meer (=maatschappij). Beide menselijke aspecten komen dus verkeerd voor de dag; er deugt niets van de hele zaak.
Bovendien geldt voor de omgang tussen de mensen het ineen-zijn, want het gaat over het accent: het geheel. Als die omgang echter gezien wordt in het licht van het uiteen-zijn, dat al of niet contractueel vastgelegd moet worden, dan gaat het zeker niet over ineen- zijn. Voor het ineen-zijn geldt o.a. het onverbrekelijke, dus hier behoeft niets vastgelegd te worden.
Het huwelijks-contract is een belediging voor de liefde en dus voor de mens, die uiteindelijk liefde is, want het onverbrekelijke wordt in twijfel getrokken. Van de liefde heeft de hedendaagse (westerse) mens zelfs geen flauw vermoeden.

Dinsdag, 9 Februari 1965

No. 6.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Bladwijzers: Alexander de Grote, zie 3A en 6B ; Misdaad, hoe zit dat..?- zie nrs. 6 , 7 en 12 t/m 16 ;

De omgang man-vrouw
Ogenschijnlijk heeft het in verband met ons onderwerp geen zin speciale aandacht aan de omgang man-vrouw te besteden, want als wij terugzien op de geschiedenis der mensheid is dit nou niet het meest spectaculaire, d.w.z. de geschiedenis is een aaneenschakeling van feiten, gebeurtenissen, rampen, misdaden en er komen een aantal grote figuren naar voren, die elk op eigen wijze het hunne op tafel hebben gelegd. Evenwel is er van het werkelijke leven, dat voor al deze mensen een realiteit is geweest, qua geschiedenis niets overgebleven; we weten dan wel HOE de mensen geleefd hebben en wat hun opvattingen waren omtrent allerlei, dat aan het leven meekomt; we kennen ook de correcties, die de mens uit alle tijdperken op zichzelf heeft toegepast in de vorm van voorschriften, wetten, en die correcties geven op hun manier wel een beeld van het dagelijkse leven van de mensen, maar van dat leven zelf blijft niets over; geen opvallende gebeurtenissen, geen “wapenfeiten”, geen gedenkstenen of standbeelden met lauwerkransen.
Van het dagelijkse leven, waaraan niemand kan ontkomen, ook ALEXANDER DE GROTE niet en ook NAPOLEON niet en ook REMBRANDT niet, van dat dagelijkse leven blijft niets over en toch is het er geweest en toch is het, welbeschouwd, het enige, dat er werkelijk geweest is. Maar het dagelijkse leven is geen zaak van heldendom en geen zaak van wetenschap en geen zaak van kunst. Het is een vluchtige aangelegenheid; het verglijden van de ondeelbare momenten, en die zaak op zich laat niets na: terwijl U dit nu hier leest vraag ik U: waar is het vorige moment gebleven, en wat is er van blijven liggen?
Toch moeten we dit dagelijkse leven bekijken, en hoewel ook het HOE, en daaraan meekomende het WAAROM voor ons uitvoerig ter sprake zal komen, gaat het ons hier om het WAT, n.l. wat is dat dagelijkse leven, dat geen spoor heeft nagelaten. En wat geldt er voor.

We hebben gesproken over de drie aspecten, die elke mens vertoont. Daar was de mens als gemeenschap; daar was de mens als gedrag of als dagelijks leven en daar was de mens als idee. Geen van deze drie aspecten zijn wèg te denken; zij zijn verhoudingen, die voor het geheel, dat de mens is, gelden.
Voorzover het gaat over de mens als dagelijks leven, ligt het accent op het geheel en dat geheel heeft als inhoud het uiteen-zijn en het ineen-zijn, dus als we over de mens spreken in verband met het feit, dat hij in het teken van het geheel staat, kunnen we hem uiteen denken in twee mensen, namelijk de mens, vertegenwoordigende ineen-zijn - en dat is de vrouw - en de mens, vertegenwoordigende uiteen-zijn - dat is de man. Het dagelijkse leven is dus altijd een zaak van vrouwen en mannen, en die twee mensen zijn niet en nooit los van elkaar te denken, zodat we kunnen zeggen, dat het in het dagelijkse leven gaat over de omgang vrouw-man. Van deze omgang hebben we reeds gezegd, dat het uiteen-zijn zelf, dat er voor geldt, VRIJ heeft te zijn, omdat in de eenheid (= geheel) uiteen-zijn – ineen-zijn het ineen-zijn maatgevend is en dus het karakter van het begrip omgang bepaalt.
Dit heeft de volgende consequentie: de man, die het begrip uiteen-zijn vertegenwoordigt, spiegelt in zijn uiteen-zijn VRIJHEID af, dus hij vliegt uit. Terwijl de vrouw, die het begrip ineen-zijn vertegenwoordigt, haar inhoud vrij stelt, dus niet vastlegt. De man is namelijk INHOUD van de vrouw, want:

Een rekensommetje
Als ik twee knikkers in mijn hand neem, dan kan ik onderscheid maken tussen de ene knikker en de andere; neem ik de ene knikker, dan kan ik die niet zonder de anders denken - het is toch DE ENE. Zo ook als ik de andere knikker neem: die is niet zonder de ene. Aan die twee knikkers in mijn hand kan ik dus het volgende bedenken: er is de ene èn er is de andere, maar tevens is er het feit, dat het er TWEE zijn en twee is het ineen-zijn van de ene en de andere. TWEE heeft dus als inhoud de ene en de andere. Dus het ineen-zijn heeft het ene en het andere tot inhoud, dus het ineen-zijn heeft het uiteen-zijn (de ene is toch de andere NIET) tot inhoud. Dus het vrouwelijke heeft het mannelijke tot inhoud; de concrete mens, derhalve, spiegelt deze verhouding af.

Het menselijk tekort
Als de man en de vrouw verhoudingen vertegenwoordigen, die zodanig zijn, dat de ene verhouding inhoud is van de andere, terwijl voor elke verhouding op zich het begrip vrijheid geldt, dan heeft de ene dus voor zichzelf een VRIJE INHOUD te zijn en de ander heeft voor zichzelf een VRIJE ONTVANKELIJKHEID te zijn. Dit geldt dus in de grond van de zaak voor de mensen als dagelijks leven; hieraan ontkomen zij dus eigenlijk niet, maar ondanks dat stellen zij zich niet als deze zaak: zij stellen het dagelijkse leven ook als vastgelegd.

Als de mens nog in een stadium verkeert, dat hij nog een sterk besef heeft omtrent zichzelf, dan beseft hij dus ook sterk, dat het tegen zijn wezen in ligt, als hij zichzelf als dagelijks leven vastlegt, terwijl hij WEET vanuit zijn denken, dat het uiteen-zijnde vastgelegd moet worden. Dus naast zijn WETEN hoe het moet, ligt zijn BESEFFEN hoe het is, en dat laatste is niet meer als een VOELEN, als een GEVOEL, zonder dat dit te verklaren is voor die mens.
Zodra het vastleggen voor de mensen van belang gaat worden, komt er dus een gevoel van tekort of schuld of zonde voor de dag, waarvoor geen verklaring is te geven vanuit het denken. Dit gevoel van zonde krijgt echter wel gestalte, d.w.z. het manifesteert zich en wel in een religieuze vorm, want het heeft met de idee te maken, die de mens aan zichzelf ziet.
Voor de mens als dagelijks leven geldt, dat het uiteen-zijn VRIJ heeft te zijn, omdat het karakter van het ineen-zijn er voor moet blijven gelden. De zaak moet dus in het teken van de IDEE blijven staan, want het ineen-zijn, op zich genomen, is de mens als idee. Als de mensheid nog niet verder is dan zijn begin, weet hij nog niet, dat hij de idee zèlf is; de idee is dus HET HOGERE, wat in de een of andere RELIGIE tot uitdrukking komt.
Het zichzelf vastleggen als uiteen-zijn, en dat betrokken op de mens als dagelijks leven, is dus een religieuze misdaad, en dat vertoont zich als: religieuze prostitutie.

Religieuze prostitutie
Wij gebruiken voor deze zaak het woord prostitutie, maar dit is een westers begrip, dat dus ook een westerse kleur heeft, en die kleur is NEGATIEF. Dat negatieve is wel terecht aan de prostitutie bedacht, echter alleen voorzover het westers is. Wij hebben daarom ook geen WOORD, om deze oude zaak te benoemen, dus we moeten het wel hiermee doen; voor ons in dit bestek echter in de betekenis: het zich als VRIJ ONTVANKELIJK stellen van de vrouw en het zich als VRIJE INHOUD stellen van de man.
Als de mens zichzelf als uiteen-zijn gaat vastleggen is hij in die zaak bevangen dat is hij net zolang, totdat het vastgelegd is. Hij is dus bevangen in het vastleggen van het uiteen-zijnde en dus is hij ook bevangen in het vastleggen van zichzelf. Bij dit laatste voelt hij iets van misdaad ten opzichte van de idee, en die idee is het ineen-zijn en dit is hetzelfde als het begrip LIEFDE. Ten opzichte van de liefde schiet hij te kort als het huwelijk - want dat is het vastleggen van zichzelf - door gaat zetten, en dat tekort schieten moet verzoend worden. Hij verzoent zich dus met de GODIN DER LIEFDE en dat doet de vrouw door zich bij een bepaalde gelegenheid (meestal vlak voor het huwelijk) als vrije ontvankelijkheid te stellen in of bij de tempel van de godin der liefde. De religieuze prostitutie is dus een verzoening met de godin der liefde vanwege het misdadige van het huwelijk. In het huwelijk legt de vrouw zich als ontvankelijkheid vast (aan die man) en de man legt zich als inhoud vast (aan die vrouw).
Het gaat dus niet, zoals de westerse opvatting wil, over een oud vruchtbaarheids-ritueel en het is ook geen zwakheid van de menselijke natuur, die door bepaalde mensen uitgebuit wordt; het is een besef omtrent het wezen van de mens, dat, als de mens zich nog niet helemaal gereglementeerd heeft het sterkst naar voren komt, omdat de mens zich als geheel nog niet versnipperd heeft.
We zullen deze zaak natuurlijk nog uitvoerig behandelen; voorlopig gaat het er om de grote lijn in de mens als dagelijks leven aan te wijzen.

De grote lijn van het dagelijkse leven
Op het volgende heb ik willen wijzen: tegelijk met het beginnen van de mens als maatschappij treedt het huwelijk op; daaraan komt mee het besef van misdaad als de mens zich als huwelijk laat gelden. Tevens komt er aan mee de echtbreuk, maar echtbreuk is niet te denken zonder het aanvaarden van het huwelijk; de echtbreuk is dan ook, evenals het huwelijk, als een maatschappelijke kwestie opgevat. Huwelijk en echtbreuk staan in alle wetboeken, die de mensheid in de loop der tijden gemaakt heeft, nauwkeurig opschreven.
De religieuze prostitutie valt niet onder de echtbreuk; evenmin als onze moderne prostitutie dat doet.
Met de maatschappij en haar ontwikkeling loopt altijd en overal de prostitutie mee, en hoe deze zaak ook verworden is en wat het besef van de mens hieromtrent ook geweest moge zijn en nog is; de zaak is buiten-maatschappelijk en dat blijkt ook wel uit de feiten, want nog nooit en in geen enkele maatschappij is het gelukt de prostitutie uit te bannen; het is in de moderne maatschappij hoogstens te reglementeren.
Op de duur verdwijnt het besef van het misdadige van het huwelijk; het neemt andere vormen aan en het zakt steeds verder in het onbewuste, totdat het geheel weg is, samen met het huwelijk zèlf, maar daarover later.

Bladwijzers: Alexander de Grote, zie 3A en 6B ; De ZONDE: zie de nrs. 5 en 6 , 12a t/m 16 en 21 ;

 

 

Dinsdag, 16 februari 1965

No. 7.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Een nadere toelichting
Het heeft zin om op enkele punten uit de vorige cursus terug te komen. We hebben gesproken over het misdadige, dat de mens in een bepaalde periode van de oudheid besefte aan het huwelijk, dat zich toen, samen met het zich vormen van de maatschappij, begon door te zetten.
Het woord misdaad moet hier letterlijk opgevat worden, n.l. in de betekenis van een daad, die mis is; een daad dus, die menselijk gesproken, eigenlijk niet gesteld behoorde te worden, op grond van het feit, dat het tegen het wezen van de mens in ligt zich qua LEVEN te binden, dus zich qua leven vast te leggen. De oudheid WIST niet, waarom het zich vastleggen in de vorm van het huwelijk in strijd met het wezenlijk menselijke was, maar dat het op de een of andere manier niet deugde, liet zich bijwijze van gevoel gelden, zonder dat de mensen er zich verder veel van aantrokken. Er werd boete gedaan en daarmee was de kous af; de schuld was vereffend.
Vandaag de dag weten de mensen het onwezenlijke van het huwelijk ook nog niet, want de mensheid is nog steeds niet volwassen, dus de mensheid is, net als toentertijd, nog met haar JEUGD bezig, maar toch begint er tegenwoordig iets te dagen in de mensen waardoor het hun wel ligt te vernemen, dat het huwelijk niet deugt en waarom dat zo is. Wat er door gaat breken in de mensheid komt later wel te sprake; een feit is het dat de mensen steeds meer geneigd zijn BRAVO te roepen als het huwelijk veroordeeld wordt. Om deze reden past het ons hier een WAARSCHUWING ter harte te nemen, want als wij filosoferen gaat het er ons niet om stemming voor of tegen het een of ander te maken en het is helemaal niet de bedoeling DE VLAG UIT TE STEKEN VOOR HET “BUITENECHTELIJKE”. De gedachtengang: als het huwelijk niet deugt, dan moet het dus buiten het huwelijk, is net zo kortzichtig als de gedachtengang, die op het “heilig huwelijk” uitkomt. Het gaat niet om het huwelijk, en ook niet om de driehoeks-verhouding en de god-mag-weten-wat verhouding; het gaat om het feit, dat de mens zich op een gegeven moment noodwendig qua leven vast gaat leggen EN DAT DIT, HOEWEL HET NIET UIT KON BLIJVEN, TOCH TEGEN HET WEZEN VAN DE MENS INLIGT. Bekeken vanuit het wezenlijke van de mens blijkt elke vorm van vastleggen, dus ook het huwelijk, onhoudbaar te zijn. Aangezien het dus over een niet vast te leggen zaak gaat, maken we ook geen reclame voor het een of ander; het gaat nergens om! We stellen de bovengenoemde feiten vast en verklaren daaruit een aantal verschijnselen en meer doen we niet en laat nou niemand iets gaan PROBEREN, want er valt niets te proberen - er valt slechts iets te ZIJN.
En wat ZIJN wij, d.w.z. de mensheid, op het ogenblik nog steeds? EEN ONVOLWASSEN MENSHEID, die derhalve aan het vastgelegde leven niet ontkomen kan, want die periode is cultureel nog niet achter de rug; omdat het einde van die periode evenwel in het zicht begint te komen, is er de poging er wel aan te ontkomen. Het resultaat is echter een TOENEMENDE ONZINNIGHEID EN BANDELOOSHEID, die alleen maar het bewijs van onmacht is.

Over de vrije ontvankelijkheid
De vrouw vertegenwoordigt, zoals we gezien hebben, de verhouding ineen-zijn en daarom is van haar te zeggen, dat zij ontvankelijk is, d.w.z. zij neemt haar inhoud in zich op.
Nu geldt er echter voor die inhoud, dat het bepaaldheid is, want: de inhoud van het ineen-zijn is het uiteen-zijn. Het uiteen-zijn wil zeggen: het EEN, dat het ANDER niet is. Dus het EEN, dat van het ANDER onderscheiden is, want het EEN is buiten het ANDER. Dit is de wereld van de bepaaldheden: het EEN is iets bepaalds en het ANDER is iets bepaalds en voorzover dit onder de mensen naar voren komt, is dit het feit, dat Piet een ander dan Klaas is en dat er geen twee mannen dezelfde zijn. Op zichzelf genomen is het uiteen-zijnde dus een wereld van verscheidenheid, van verschil en deze zaak is inhoud van de vrouw, want deze zaak is inhoud van het ineen-zijn. Evenwel niet zomaar, zonder meer.
De inhoud van het ineen-zijn is het uiteen-zijnde, dus de werkelijkheid als verscheidenheid. Echter voorzover we die inhoud OP ZICHZELF denken, dus afgezien van het feit, dat het INHOUD is van het ineen-zijn. Bij ons knikker voorbeeld zouden we het nu hebben over het feit, dat er de ene en de andere knikker was. En dat de ENE beslist de ANDERE niet was. Dat zijn dus de knikkers op zichzelf genomen, afgezien van het feit dat het er TWEE zijn.
Spreken we echter wèl over TWEE knikkers, dan is de bepaaldheid opgeheven, want we hebben het nu toch niet neer over de ene en de andere knikker; we hebben het over TWEE knikkers, en hoewel we weten, dat die TWEE knikkers bestaan uit de ene en de andere knikker, GAAT HET DAAR NU NIET OM: het gaat over TWEE knikkers.
Zo ook met de werkelijkheid als verscheidenheid, die inhoud is van het ineen-zijn. Het gaat dan over het ineen-zijn en dat die inhoud bestaat uit het uiteen-zijnde, dus uit het EEN en het ANDER, is wel zo, maar dat kan ons nu niet schelen.

Daarom, voorzover het uiteen-zijnde INHOUD is, is de bepaaldheid niet geldend; hij is OPGEHEVEN.
Voor de vrouw is de man inhoud; d.w.z. hij, de vertegenwoordiger van de wereld van de bepaaldheden, is, als het gaat over het feit, dat hij INHOUD is, als bepaaldheid opgeheven. Hij is dus als INHOUD niet meer Piet of Klaas.
Als hij zo door de vrouw ontvangen wordt, is hij bij de vrouw als VRIJE ONTVANKELIJKHEID terecht; het GAAT dan niet meer om zijn naam, dus het gaat niet meer om wat hij als bepaaldheid is. De vrouw als vrije ontvankelijkheid wil dus zeggen: de vrouw, die de man als DE MAN ontvangt, namelijk al VERHEVEN BEPAALDHEID.

Alle bepaaldheden en verheven bepaaldheid
We moeten goed opletten ons niet te vergissen, want het begrip VRIJE ONTVANKELIJKHEID wil niet zeggen, dat de vrouw, voor wie dit begrip geldt, IEDEREEN maar heeft te ontvangen.
Wij, met ons westerse denken, kunnen er bijna niet aan ontkomen, alles in stukjes te denken en als gevolg daarvan in dit verband aan IEDEREEN te denken als we zeggen, dat de vrouw de man niet als Piet of Klaas ontvangt. Als het niet om Piet of Klaas GAAT, dan gaat het voor ons dus om iedereen - MAAR DIT IS FOUT GEDACHT.

Iedereen wil zeggen alle bepaaldheden, dus een optelsom van bepaaldheden; een optelsom van mannen, in dit verband, die echter gewoon, zonder meer als bepaaldheden gelden en daar niet boven uit gesteld worden. Het zijn er wat veel, die iedereen, maar hun HOEDANIGHEID is bepaaldheid.
Anders is het echter met de verheven bepaaldheid, dus de bepaaldheid, die in het teken van het feit staat, dat hij inhoud van het bijeenzijn is. Voor deze bepaaldheid is de HOEDANIGHEID verheven, dus hij geldt niet als bepaaldheid HOEWEL HIJ DESONDANKS TOCH BEPAALDHEID IS. Het is dus wel degelijk Piet of Klaas, of desnoods allebei, maar niet iedereen, al zijn het er desnoods VEEL.
Met andere woorden: de vrouw, die zich als vrije ontvankelijkheid stelt, ontvangt wel Piet of Klaas, of allebei, of desnoods velen, maar niet iedereen, want het gaat niet over een OPTELSOM, maar over een HOEDANIGHEID. Het gaat er dus om: HOE ontvangt zij, die zij ontvangt. En dan ontvangt zij de bepaaldheid niet als bepaaldheid, maar als verheven bepaaldheid.

Nogmaals de religieuze prostitutie
In de religieuze prostitutie is de vrije ontvankelijkheid als een natuurlijke zaak opgevat; de mens was ook nog in het natuurlijke bevangen - wat voor ons trouwens ook nog geldt.
De vrije ontvankelijkheid was dus een ongebonden ontvankelijkheid, waarvoor het begrip IEDEREEN van kracht is. Dit blijkt ook uit het feit, dat iedereen vertegenwoordigd werd door de VREEMDELING.
Enerzijds betekende de vreemdeling, dat het om iemand ging, DIE ZIJ NIET KENDE, en die dus niet als bepaaldheid gold, maar anderzijds ging het om DE EERSTE DE BESTE VREEMDELING, dus om iemand, die alle vreemdelingen vertegenwoordigde: dus iedereen.
Hetzelfde geldt als grondslag voor het GASTRECHT, dat bij sommige Eskimo stammen nog voor schijnt te komen.

 Bladwijzers: Misdaad, hoe zit dat..?- zie nrs. 6 , 7 en 12 t/m 16 ; Het buitenechtelijke ; Overspel - De sexualiteit is geen huwelijks-aangelegenheid ; De mens als Liefde, sexueel en maatschappelijk

Dinsdag, 23 februari 1965

No. 8.

DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Over het begrip iedereen
In de vorige cursus hebben wij gesproken over de vrije ontvankelijkheid, welk begrip eigenlijk voor de vrouw geldt, omdat zij haar hoogtepunt in het ineen-zijn vindt. Het begrip ineen-zijn is datgene, waarin het voor de vrouw uitloopt. Het ineen-zijn maakt dus haar wezen uit, want dit begrip vertegenwoordigt zij uiteindelijk.
Aangezien dit wezenlijk voor de vrouw geldt, laat het zich ook gelden, ongeacht het feit, of ze dit zelf weet of niet; hoe dichter de mens in de geschiedenis bij zijn eigen oorsprong ligt, hoe completer hij zich VERTOONT, omdat de ontwikkeling de verschillende facetten nog niet op zichzelf naar voren heeft laten komen. Hoe dichter de mens bij zijn oorsprong ligt, qua ontwikkeling, hoe meer hij zichzelf wezenlijk vertoont, d.w.z. als een geheel waar niets uit springt.
We kunnen hierbij als voorbeeld aan een baby denken, want een baby is een mens, die nog weer net begonnen is; er is nog geen sprake van rekenen en schrijven, van puberteit, van zakelijkheid. Het kan nog, niet lopen, het spreekt geen talen, het denkt nog niets uit, het heeft zich nog niet ONTWIKKELD. Toch ligt alles, dat het kind later zal gaan vertonen, alles, dat het kind later zal kunnen en het speciale, unieke, geval, dat het later zijn zal, dat alles ligt in volledige harmonie in het kind klaar. Geen enkel facet heeft nog speciale aandacht gekregen: niets is er nog uitgesprongen.
Aangezien dit geval, dat deze baby is, een zaak is van volledige harmonie in zichzelf, vertoont het ook deze harmonie, OP ONONTWIKKELDE WIJZE, en dat wil zeggen op een wijze, die volledig in het natuurlijke bevangen is. Maar GAAF is het wel; de versnippering, die aan de ontwikkeling meekomt, heeft zich hier nog niet doorgezet.
Zo kunnen we van de mensen uit de oudheid zeggen, dat ze meer GAAF waren dan wij, maar het is een in het natuurlijke bevangen gaafheid, waaraan nauwelijks WETEN meekwam, en waaraan, op grond van die natuurlijkheid, vele GROFHEDEN kleefden.

De vrouw vertoonde derhalve op grove, natuurlijke wijze het feit, dat zij vrije ontvankelijkheid is en ook, dat haar inhoud de verheven bepaaldheid is. Doordat de hele zaak in het natuurlijke bevangen was, werd er op natuurlijke wijze over gedacht, en aangezien de mens nooit zonder denken leeft, drukte het denken ook hier zijn stempel op het leven. Het gevoel van schuld ten opzichte van de liefde moest dus volgens de mensen opgeheven worden; het feit liet zich gelden, dat het over de VERHEVEN BEPAALDHEID als inhoud van de vrouw ging; de mens DACHT er het zijne van en dat denken was een natuurlijk denken, zodat de verheven bepaaldheid werd tot alle bepaaldheden, dus tot iedereen, en daar staat de prostitutie voor ons.
De reactie van de mens op zichzelf, voorzover hij door zich vast te leggen TEKORT schiet ten opzichte van zichzelf als liefde, die reactie is prostitutie, omdat het denken om te beginnen geen ander antwoord kan geven, dan een natuurlijk antwoord, want het denken is zelf nog in het natuurlijke bevangen; de verheven bepaaldheid als natuurlijkheid is het begrip iedereen.
Daarom zien we bij de toenmalige religieuze prostitutie, en ook bij de toenmalige en hedendaagse profane prostitutie, op natuurlijke wijze de begrippen: VRIJHEID, ONTVANKELIJKHEID, ANONIMITEIT, ONGEBONDENHEID, zonder aanzien des persoons, dus IEDEREEN KAN TERECHT.
”De HOEREN zullen U voorgaan in het paradijs” - voorzover de genoemde begrippen de GRONDSLAG vormen van de prostitutie, is dit voor het moderne denken onverstaanbare woord hiermede dus verklaard.

De voorwaardelijkheid
Bij het natuurlijke is alles voorwaardelijk, d.w.z. het een heeft het ander NODIG om er te kunnen zijn. De prostitutie, ook de religieuze, was dus in de praktijk wel degelijk een allerlei voorwaarden gebonden, want al gelden er als grondslag wel menselijke begrippen, wil dit nog lang niet zeggen, dat het ook als zodanig naar voren kwam.
Je moest er bij de dames heus wel wat tegenover stellen, en als zij dat eventueel niet eisten, waren er wel anderen, die dat voor haar deden, zoals de priesters en priesteressen van de tempels, die uit het sluimerende religieuze besef van schuld, trouw aan het karakter, dat door alle eeuwen heen KENMERKEND voor dit soort van lieden was, munt wisten te slaan. En zo heeft de prostitutie dezelfde kleur gekregen als het gehele leven van de alsnog in het natuurlijke bevangen mens: HET IS ALLEMAAL GEKOCHT EN BETAALD.
Het dagelijkse leven van de mensen, dus de omgang van de mensen met elkaar, welke omgang wezenlijk vrij is, die omgang is door de mens zèlf vastgelegd, omdat de mens om te beginnen in zijn eigen natuurlijkheid bevangen is.

Voorzover die omgang als huwelijk voorkomt, zien we ook de voorwaardelijkheid; we zien dat de een de ander nodig heeft en we zien, dat dit nodig hebben de hele zaak bepaalt. De vrouw heeft het LOONZAKJE nodig en de man haar LICHAAM; hij koopt haar, en zij laat zich kopen.
In zekere zin kunnen we dit leven van de mensen onder elkaar, zolang het nog een natuurlijk leven is, typeren met het woord HOERERIJ, en dit woord moeten we nu wèl in westerse zin opvatten, namelijk in de zin van zichzelf verkopen. Het zichzelf verkopen is het gangbare beeld in onze samenleving en juist daarom heeft dit begrip voor ons een negatieve klank, terwijl vrijwel iedereen het doet. Als de mens zichzelf als voorwaardelijk stelt, dus als hij het elkaar nodig hebben in het LEVEN als maatgevend stelt, dan stelt hij zichzelf als HOER, in de moderne zin van het woord.

Tweeërlei betekenis van het begrip “hoer”
Van onze maatschappij, voorzover het over het leven gaat, kunnen we zeggen, dat het allemaal HOERERIJ is, omdat het allemaal koop en verkoop is van zichzelf, omdat de voorwaardelijkheid van het natuurlijke de GRONDSLAG van de hele zaak is.
De grondslag van de prostitutie echter wordt in de werkelijk menselijke begrippen gevonden, zoals we gezien hebben, en daarom is de prostitutie in de grond van de zaak niet maatschappelijk, hoewel het, door de natuurlijkheid waarin het ook bevangen is, de kleur van het maatschappelijke krijgt en de kleur van de hoererij, in de westerse zin van het woord.
Dit is de reden, waarom in de westerse literatuur het hoofdstuk van de religieuze prostitutie niet of heel stilletjes behandeld wordt, want het onderscheid tussen onze hoererij en die van de oudheid, wordt niet gezien. Die van de oudheid gaat straks, als de mens zichzelf heeft leren kennen, op ONTWIKKELDE WIJZE, dus op geestelijke wijze, en dus niet meer als prostitutie in engere zin, voor de mensen gelden, want het zijn LEVENSBEGRIPPEN.

Strikt genomen moeten we dus van de burgerman en -vrouw, als de vertegenwoordigers van het vastgelegde leven, zeggen, dat zij de werkelijke hoeren zijn, op grond van hun voorwaardelijkheid, afhankelijkheid, hun koop en verkoop. Hun leven staat niet in het teken van de liefde, maar van de haat, want de haat is het zich laten gelden van het uiteen-zijn.
Van de prostitutie moeten we zeggen, dat het MISLUKTE LIEFDE is; het is liefde, die volledig aan de voorwaardelijkheid is ondergegaan, maar ondergegaan of niet, de grondslag is de begrippenwereld, die aan het voor de mens maatgevende ineen-zijn meekomt.

De ongeschreven geschiedenis
De vraag kan gesteld worden, waarom we in deze inleiding zo lang stil staan bij een zaak, die later bij de behandeling van de geschiedenis zèlf, wel ter sprake komt als een verschijnsel, dat in in een bepaalde periode van de mensheid optrad.
Als antwoord hierop wijs ik op het volgende: de eigenlijke geschiedenis van de mens is niet de collectie gebeurtenissen, die wij achteraf kennen als de min of meer uitgewerkte lijst jaartallen, die wij in onze geschiedenisboeken aantreffen. Dat, wat er werkelijk gepasseerd is, is het dagelijks leven van de mensen geweest, en aan het leven, dat, zoals al eerder gezegd, verglijdt van het ene moment in het volgende moment, zijn de feiten, de gebeurtenissen MEEGEKOMEN.
Willen we die meekomende feiten in hun ware gedaante leren verstaan, moeten we dus het leven van de mens leren kennen, en dus ook de aspecten die dit leven vertoont. Een van die aspecten is de prostitutie in welke vorm dan ook, en wel omdat het mislukte liefde is. Gegevens over deze zaak zijn uit de geschiedenis in overvloed tot ons gekomen, omdat het altijd, door zijn buiten-maatschappelijkheid, een intrigerende aangelegenheid is geweest, waarover velen hun gedachten op schrift hebben gesteld. Aan deze zaak IS dus wel het een en ander te bedenken, in tegenstelling tot het leven zèlf, waarvan geen geschiedenis is opgeschreven, behalve de uitwendige vormen er van, dus de zeden en gewoonten van de mensen.
Wij willen in deze cursus geen systematisch overzicht van de geschiedenis geven; daarvoor zijn boeken genoeg verschenen; wij willen over het LEVEN en zijn voortgang denken en dit gaat dan noodwendig over de geschiedenis van de mensheid.

Dinsdag, 2 maart 1965

No. 9.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Enkele vragen over het maatschappelijke
We hebben gezien, dat we onder het maatschappelijke, of de maatschappij moeten verstaan het feit, dat de mensen hun onderlinge verhouding, voorzover voor hen het uiteen-zijn van kracht is, regelen. Dit regelen geschiedt vanuit het ineen-zijn, dat onmiddellijk voor de mens als verschijnsel geldt; dus juist aan het uiteen-zijn, op grond waarvan de ene mens de andere beslist NIET is, zodat de andere eigenlijk ONTKEND aanwezig is, aan dat uiteen-zijn komt onmiddellijk het ineen-zijn mee, zonder dat we hier echter van kunnen zeggen, dat dit zich meteen, bij het verschijnen van de mens op de planeet, manifesteerde. Want dit laatste is afhankelijk van de voortgang van het verhelderingsproces in de levende mensheid.
Als het REGELEN zich echter doorgezet heeft, zoals tegenwoordig in ieder geval in de westerse wereld een feit is, treden er zo langzamerhand bepaalde verschijnselen op, die in de grond van de zaak onder één begrip vallen, namelijk communisme.
We zullen nog zien, welke betekenis dit communisme heeft; voor wie mocht menen dat voor de zogenaamde “vrije, westerse wereld” het communisme een vloek is, waartegen mèt alle middelen gevochten moet worden, wijs ik op het feit, dat de westerse ANGST VOOR HET COMMUNISME onder andere zijn grond vindt in het feit, dat het westen tenslotte zelf het communisme op zal leveren. Daarom zien we zich steeds duidelijker aftekenen, dat het communisme HET THEMA van het westerse maatschappelijke denken is. Voorlopig wordt dit thema nog negatief gesteld, maar het wòrdt gesteld, dus het westen houdt zich met het communisme bezig. Als het niet in de aard van de westerse cultuur had gelegen tenslotte het communisme op te leveren, dan was het westen ONVERSCHILLIG ervoor geweest, zoals het in de grond van de zaak ook altijd voor de kerk onverschillig is geweest omdat dit een aan het westen vreemde gesteldheid was. Dit komt echter nog wel ter sprake; om te beginnen stellen we enkele vragen:
Is er aan het REGELEN van de onderlinge verhoudingen in de mensheid een eind te denken, of blijft dit tot in lengte van dagen doorgaan? D.w.z.: is de boel tenslotte GEREGELD, zodat dit klaar is en verder blijft zoals het is, of niet?
En als het regelen wèl door blijft gaan, behoudt het dan het KARAKTER, dat het bijvoorbeeld vandaag de dag heeft, of treedt er langzamerhand een wijziging op, òf treedt die eventuele wijziging plotseling op in de vorm van REVOLUTIE?

De helderheid, bòven het verschijnsel
Om tot beantwoording van bovengenoemde vragen te komen, moeten we het volgende nog even in onze herinnering terugroepen:
De mens is het verschijnsel, dat, omdat het werkelijk het LAATSTE verschijnsel is, tevens geen verschijnsel is. De werkelijkheid der verschijnselen, is de werkelijkheid, die in het ineen-gaan betrokken is en waarvoor dus feitelijk geldt: uiteen-zijn. Het laatste uiteen-zijnde is het laatste resultaat van de ineen-gaande werkelijkheid en als zodanig is het laatste uiteen-zijnde dus tevens de werkelijkheid, voorzover ze ineen gegaan is, dus de werkelijkheid als ineen-zijn.
Dit dubbele aspect geldt voor de mens. En welke mens we nu ook tegenkomen, hetzij een beschaafde westerling of een inboorling uit het Amazone gebied; hetzij een oermens, die alle kenmerken van het begin vertoont, of een mens van duizenden jaren voorbij onze beschaving, altijd geldt het genoemde dubbele aspect: uiteen-zijn – ineen-zijn.
HET UITEEN-ZIJN IS DUS NIET VAN DE MENS AF TE DENKEN. Dit als eerste.
Het ineen-zijn is het voor de mens maatgevende, want het is het laatste, waartoe de werkelijkheid komt, maar dat maatgevend zijn van het ineen-zijn kan om te beginnen op geen enkele wijze uit de voeten, want de levende mens handelt vanuit de helderheid, DONKER in zichzelf als verschijnsel (zie stencil No. 3), terwijl hij het ineen-zijn als een heldere werkelijkheid BOVEN zichzelf beschouwt. Een werkelijkheid die hij zèlf NIET is, en van hieruit zijn de voorschriften. DE WETTEN ZIJN VAN GOD AFKOMSTIG, denkt de mens om te beginnen.
In de winter van 1901 - 1902 ontdekte een Franse expeditie in de puinhopen van de oude Elamitische residentie SUSA een zuil van zwart dioriet, die voorzien was van de complete CODEX VAN HAMMURABI, in spijkerschrift. Op deze, meer dan manshoge zuil staat ook een reliëf, en dat reliëf brengt het moment in beeld, dat HAMMURABI de wet uit handen van de ZONNEGOD SJAMASJ ontvangt.
Ook de zogenaamde wetten van MOZES kwamen van god, zoals in het oude testament te lezen is. De twee “stenen tafelen”.
Omdat de mens zichzelf als ineen-zijn, dus zichzelf als helderheid, aanvankelijk als een goddelijke werkelijkheid BOVEN EN BUITEN ZICHZELF begreep, dacht hij dus ook, dat de voorschriften inzake het regelen van de onderlinge verhouding van god kwamen. In elk geval van een werkelijkheid boven hem, waarmee hij eigenlijk niets gemeen had. Wat blijkt echter het geval te zijn?

Het ineen-zijn, dus de helderheid boven het verschijnsel, blijkt de mens zèlf te zijn, zodat de voorschriften geen goddelijke voorschriften blijken, maar menselijke, die de mens vanuit zijn eigen helderheid, als op zichzelf genomen, absolute werkelijkheid, over zichzelf als verschijnsel gesteld heeft.
Tenslotte, in de loop der ontwikkeling, daalt het goddelijke als het ware vanuit zijn onaantastbare hoogte àf in de mens om zo tot een ZEDELIJKE werkelijkheid te worden, die voor de mens vanzelfsprekend is en daarmee ook voor het LEVEN maatgevend, dus werkelijk maatgevend.
Steeds meer vindt de mens de norm voor zijn gedrag IN ZICHZELF, en dit is in de menselijke geschiedenis duidelijk aan te wijzen, totdat deze zaak inderdaad begint door te breken met als gevolg dat er allerlei verschijnselen op gaan treden, die aan deze zaak meekomen.
De helderheid BOVEN het verschijnsel blijkt dus een absolute werkelijkheid IN de mens te zijn.

Het antwoord op de gestelde vragen
We hebben gezien dat het uiteen-zijn niet van de mens af te denken is, en ook dat het ineen-zijn blijft gelden, met dien verstande echter, dat dit ineen-zijn in die zin voor de mens van karakter verandert, dat het steeds meer IN de mens zèlf geweten wordt.
De door ons genoemde verhouding tussen het uiteen-zijn en het ineen-zijn, namelijk het REGELEN van de onderlinge verhoudingen tussen de mensen, BLIJFT DUS VAN KRACHT, alleen het karakter verandert zodanig, dàt in deze zaak, met het bewust worden van ZICHZELF ALS HELDERHEID, de helderheid steeds meer maatgevend wordt - uiteraard vanuit de mens zèlf, want hij begrijpt zichzelf als helderheid.
Zolang de mens echter nog GELOVIG is, op welke MODERNE manier dan ook, en dus zolang de mens nog ONZELFSTANDIG is, blijft de maatgevende helderheid nog afhankelijk van het uiteen- zijn, want het uiteen-zijn is voor de onzelfstandige mens de REALITEIT. De helderheid met haar wetten kan zolang nog niet werkelijk uit de voeten.

Het REGELEN blijft dus tot het einde van de mensheid doorgaan; het verandert in zoverre van karakter dat de wetten van de heldere, absolute werkelijkheid, mèt het verzakken van de gelovigheid, langzamerhand realiteiten worden, en aan die zaak, waarmee het westen tenslotte te voorschijn zal komen, komt een begrippenwereld mee, waartoe het begrip communisme ook behoort.

Communisme
Onder communisme verstaan we het BESEF IN DE MENS, DAT WE MET Z’N ALLEN ZIJN.
Natuurlijk is deze gedachte in het westen tot een bepaalde aangelegenheid gemaakt, dus tot een bepaalde staatsinrichting, en dan denken we aan Rusland. En dan weten we, dat we het zó NIET willen, en daarin hebben we, zonder te weten wat we zeggen, nog gelijk ook, want communisme als een bepaald communisme IS GEEN COMMUNISME, maar wat anders; het geeft niet wat.
Het begrip MET Z’N ALLEN moeten wij niet verwarren met het begrip OP ELKAAR AANGEWEZEN ZIJN, want dit laatste begrip wil niets anders zeggen, dat de mensen elkaar hebben en zich als natuurlijkheid, dus als uiteen-zijn, in stand te houden. Ook in onze moderne maatschappij hebben de mensen elkaar nodig, en dit blijft gelden; evenwel maakt het een heel verschil of de mensen met elkaar samenwerken vanuit het besef dat zij elkaar nodig hebben, of dat zij samenwerken vanuit het besef, dat zij met z’n allen zijn.
Het maakt een heel verschil of zoveel duizend mensen in bijvoorbeeld India honger lijden; terwijl iedereen gegeven heeft wat hij kon geven, omdat wij met z’n allen zijn, òf dat er geen graan gestuurd is, OMDAT HET NIET BETAALD KON WORDEN. Niet dat daarmee de honger minder erg is, maar het uitgangspunt van de zaak is anders.
Het elkaar nodig hebben, dus het op elkaar aangewezen zijn is de wereld van KOOP EN VERKOOP, want omdat we er niet buiten kunnen, zijn we verplicht er wat tegenover te stellen, en daarvan maken we over en weer GEBRUIK.
In de wereld, waarin de mensen met z’n allen zijn, IS NIETS TE KOOP.

Dinsdag, 9 maart 1965

No. 10.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Over het begrip “met z’n allen”
Op het eerste gezicht lijkt het begrip “met z’n allen” gemakkelijk te begrijpen, zodat het overbodig schijnt hier nog even bij stil te staan. Zoals met alle menselijke begrippen het geval is, zo is het ook hiermee: het klinkt ons bekend in de oren en we menen dat we het onmiddellijk verstaan, maar als we de zaak eens op de keper gaan beschouwen, blijkt er van dat begrijpen niet zo erg veel over te blijven.
Het westerse denken is zo langzamerhand in een stadium gekomen, dat het ook de menselijke begrippen op tafel legt en er zich mee bezig houdt. We zien dan ook dat er gedacht wordt over de liefde, over het recht, over god, over de eenheid der wereld, over nooit meer oorlog, over de doodstraf, over de sexualiteit, enz. Echter is en blijft het een WESTERS, dus analytisch, denken, zodat de begrippen wel BEKEND zijn, maar niet BEGREPEN worden.

Zo ook Het begrip “met z’n allen”: voor ons betekent dit, dat we er allemaal zijn, dus voor ons is het een OPTELSOM van alle mensen, en als er nou niemand ontbreekt, dan zijn we er dus met z’n allen. In deze zin echter is het bedoelde begrip FOUT opgevat, d.w.z. het is EENZIJDIG opgevat, want de eenheden zijn bij een optelsom als buiten elkaar gedacht behalve dat ze allemaal van dezelfde SOORT zijn, bijv. koeien of stenen of mensen, hebben ze zèlf niets met elkaar te maken. De ene koe is de andere NIET. Het gaat hier dus over de werkelijkheid, voorzover eenzijdig het UITEEN-ZIJN van kracht is, dus het gaat over de vastgelegde, de bepaalde werkelijkheid. De eenheden, die opgeteld zijn, zijn niet meer dan bepaaldheden, die elk voor zich niet uitkomen boven wat ze zo zonder meer zijn, n.l. bepaaldheden.
Anders liggen de kaarten echter, als het er over gaat, dat de eenheden EEN GEHEEL vormen, want behalve dat de eenheden er ook dan als bepaaldheden zijn, dus opgeteld kunnen worden, zijn ze er ook voorzover ELK van die eenheden OP ZIJN WIJZE HET GEHEEL IS, dus voorzover ELK van die eenheden boven zijn eigen bepaaldheid uitgaat en zich als HET GEHEEL laat gelden.
Als de mens zich van deze verhouding bewust is, dan is hij zich het begrip “met z’n allen” bewust, want dan is hij zich het geheel bewust, en dan is de ene mens de andere WEL, terwijl er toch die kant niet àf te denken is, dat de mens ook nog bepaaldheid is. Het is dus een vergissing om te denken, dat, als het geheel geldt, de bepaaldheid er dan niet meer is: de bepaaldheid laat zich in het geheel niet meer als zodanig gelden, maar al met al is het nog wel een bepaaldheid, EN DAT BLIJFT HET.
Het zich als geheel laten gelden is een IDEËLE kwestie, die slechts VOOR DE MENS, omdat hij IDEE is, geldt, en niet voor de bepaaldheid zèlf.

Elke mens volledig aanwezig
Als uit het bovenstaande duidelijk is, dat voor de mensheid, als ze zich bewust is van het feit, dat we met z’n allen zijn, zich het geheel laat gelden, dan moet ook duidelijk zijn, dat in dit geheel NIETS EN NIEMAND UITGESLOTEN is, want zodra er ook maar iets niet meedoet, is het geheel verbroken.
De mens is in het geheel dus volledig aanwezig, en de volledig aanwezige mens is de mens, die VOLWASSEN, en dus ZELFSTANDIG, is; de mens, die volledig ZICHZELF is. In deze zaak kàn hij dus niet anders zijn, dan hij wezenlijk is, en hij kan zich ook niet voor een DEEL, of naar een bepaald FACET laten gelden. Dit laatste doet hij wèl, als hij nog niet volwassen is en dus doet hij dit laatste ook vandaag de dag nog: elke mens doet zich anders voor dan hij is en dat noemen we dan FATSOENLIJK en WELOPGEVOED en GOEDE MANIEREN en EEN GOEIE INDRUK MAKEN en STANDING, enz. Het zijn echter allemaal, menselijk beschouwd, LEUGENS, want het wijkt af van het geheel, dat de mens zichzelf heeft te zijn.
Afgezien van de vraag, of iedereen maar kan doen waar hij zin in heeft, is dit feit niet te ontkennen, dat het geheel er pas dàn kan zijn, als ALLES er is, want ALLES is vóórondersteld aan het geheel. Dit is ook de reden, waarom het geheel, en dus voor de mensheid het communisme, pas TENSLOTTE voor de dag komt, want ALLES is er pas aan het eind van de van de mensheid, en dit punt NADEREN we nu.

De angst voor communisme
In het vorige stencil hebben wij opgemerkt, dat de angst voor het communisme een in west-europa opvallend verschijnsel is. We moeten deze angst niet verwarren met de angst voor Rusland, want dit is een andere zaak, die er wel mee te maken heeft en die overigens zo langzamerhand begint af te zakken nu in de praktijk gaat blijken, dat Rusland het westen eerder NODIG heeft, dan NAAR HET LEVEN STAAT.

De angst voor communisme vindt haar grond in het feit, dat communisme, evenals anarchisme en nihilisme begrippen zijn, die voor de mens gelden als hij zich weet te behoren tot de werkelijkheid, die HELDERHEID is, of, wat hetzelfde is :INEEN-ZIJN of LIEFDE of GEEST.
Voor deze werkelijkheid is de bepaaldheid namelijk opgeheven, in de zin van NIET MEER GELDEND, en als de bepaaldheid opgeheven is, is de waarde opgeheven, want de waarde is de verhouding tussen de bepaaldheden.
Het één is meer waard dan het ander, en hoe groter de hoeveelheid waardevolle bepaaldheden is, hoe groter de waarde is, die vertegenwoordigd wordt.
Dit is de westerse wereld en vanuit dit principe heeft zij zich een wereld gebouwd, die, nu hij zo’n beetje voltooid begint te raken, een door en door WAARDEVOLLE wereld is. Dit is het, waar het westen altijd achteraan heeft gejaagd en waarvoor zij de rest van de wereld GEPLUNDERD heeft, zonder te merken, dat de mens zichzelf plundert, als hij de wereld plundert.
Deze WAARDEVOLLE wereld komt echter voor de helderheid te vervallen, want als helderheid zijn de bepaaldheden opgeheven, dus alles wat de mens zich tot nu toe verworven heeft blijkt steeds meer WAARDELOOS te zijn naarmate het meer tot de mens begint door te dringen, dat hij uiteindelijk een bepaaldheid is, die tot de werkelijkheid als HELDERHEID behoort. Hoe verder de mens komt, hoe meer het duidelijk voor hem wordt, dat hij NIETS IN HANDEN HEEFT. Deze gang van zaken boezemt de westerling ANGST in, want alles, waarvoor hij geploeterd heeft en dat zijn enige werkelijke interesse was, smelt als sneeuw voor de zon weg en wordt waardeloos en wat moet hij met die zaak nou aanvangen? Zijn hele wereld en dus ook zijn hele bestaan - en dat was voor hem zijn LEVEN - zakt weg en er blijft helemaal niets over, waaraan hij zich vast kan klampen. Ook god blijft niet over, want wat hij vroeger god noemde was nou net de werkelijkheid, die hij zèlf als HELDERHEID is gebleken te zijn en van waaruit alles waardeloos is geworden. Dus hij houdt werkelijk niets over.
Het zich ongeweten laten gelden van deze zaak is het, dat de huidige westerling, die juist zo waardevol is geworden, met angst vervult, en deze angst neemt voorlopig alleen nog maar toe en dit brengt dan weer allerlei verschijnselen met zich mee, waarbij we onderscheid kunnen maken tussen positieve en negatieve reacties.
Hoe dit er echter in de praktijk allemaal uitziet, doet nu niet ter zake dat bespreken we later wel; hoofdzaak is, dat we begrijpen vanwaar de angst voor het communisme en het anarchisme en nihilisme er is, en dat het LEVENSANGSTEN zijn, omdat de genoemde begrippen levensbegrippen zijn.

Een opmerking over de verhouding Rusland - West europa
We hebben eerder in dit stencil gesproken over de mensheid als HET GEHEEL, dus het besef in de mensen, dat zij met z’n allen zijn.
Uit het daar gestelde kunnen we twee aspecten lichten, die elk op zichzelf in de mensheid voorkomen, voorzover die mensheid CULTUREEL in het teken staat van de ontwikkeling van het laatste stadium, voordat de werkelijke volwassenheid inzet, in dit stadium begint zich het uiteindelijke patroon af te tekenen en zo zien we dan ook in de realiteit de twee aspecten, die aan de mens als het geheel te bedenken zijn.
We hebben immers gezegd: iedere mens is er voor zich volledig, om er met zijn allen te kunnen zijn, dus we hebben de begrippen VOOR ZICH VOLLEDIG en MET ZIJN ALLEN.
Voor zich volledig is de ontwikkeling, die WEST europa vertoont en met zijn allen is de ontwikkeling, die OOST europa vertoont. Het eerste is aan het tweede vóórondersteld, dus heeft oost europa, praktisch genomen, gewacht op west-europa, om zich tevens ZELFSTANDIG te ontwikkelen, qua cultuur. Men denke, wat dit laatste betreft, aan de volledig zelfstandige, Russische literatuur.
De twee genoemde facetten zijn niet los van elkaar te denken; zij hebben volledig met elkaar te maken, om tevens, voorzover ze ieder op hun bepaalde wijze in de ontwikkeling der mensheid naar voren komen, elkaar voortdurend in de haren te zitten en alsmaar met elkaar te harrewarren. De een kan de ander niet overheersen en de ander de een niet, want die twee facetten zijn GELIJKWAARDIG. Daarom is het westen altijd op het oosten stukgelopen en omgekeerd en daarom is de christelijke kerk in twee kerken gesplitst, namelijk BYZANTIUM en ROME.
Maar daarom zien we ook het westen en Rusland naar elkaar toe groeien op de lange duur.

Bladwijzers: Het begrip ANARCHIE. Hoe zit dat..? Zie o.a. afleveringen 3, 4 en 10

Dinsdag, 16 maart 1965

No. 11.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Het geheel en de delen
De mensheid op de planeet vormt een geheel, en de INHOUD van dat geheel is een verzameling of optelsom van de delen, waaruit dat geheel bestaat. Voorzover voor die delen geldt, dat ze, bij elkaar genomen, een verzameling of optelsom vormen, zijn die delen niet meer dan bepaaldheden, en is derhalve het ENE DEEL beslist het ANDERE DEEL niet. Daarom kunnen ze ook opgeteld worden: Jan, Piet, Klaas, Gerrit, enz.
In verband met de mensheid spreken we dus hier over een verzameling verschillende mensen, welke verzameling, als we niemand vergeten hebben er bij te tellen, het TOTAAL aan mensen oplevert. Het TOTAAL, ofwel ALLE MENSEN.
Deze zaak is dus de INHOUD van het geheel; hieruit BESTAAT het. In deze situatie is elk mens een DEEL van het geheel; hij is dat bepaalde deel, en als zodanig laat hij zich ook gelden; zijn weten omtrent DE ANDER komt niet verder dan het weten, dat er nog meer delen zijn behalve hijzelf, maar die andere delen zijn buiten hem, dus hij heeft er voor zichzelf niets mee te maken.
In deze verhouding is elke mens voor zich niet meer dan een RADERTJE in de grote machine, die de mensheid heet; desnoods grijpen tenslotte die radertjes op uiterst verfijnde manier in elkaar en is de hele zaak zo ongeveer feilloos, maar de mens is niet meer dan een al of niet FUNCTIONEREND ONDERDEEL.
De mens echter, is méér dan een bepaald onderdeel, want hij is meer dan bepaaldheid. Hij is het einde van de werkelijkheid der bepaaldheden, en omdat hij dat is, geldt er onmiddellijk voor hem, dat hij geen bepaaldheid is. Van daaruit is hij een RADERTJE, dat niet ophoudt, waar zijn FUNCTIE ophoudt, maar dat zèlf het geheel IS, want dat zèlf INEEN-ZIJN is. Zo is dus elke mens voor zich wèl een radertje, een onderdeel van het totaal, maar als zodanig is hij INHOUD van het geheel, en als inhoud van het geheel is hij zèlf OP ZIJN WIJZE HET GEHEEL.
Als dit echter zo voor hem is, dan is de ander niet BUITEN hem, maar IN hem, zodat hij zelf ook op zijn wijze de ander is, en daarmee is het begrip MET ZIJN ALLEN geldend geworden.

Het totaal van de delen
Uit het voorgaande moet duidelijk zijn, dat het totaal voorondersteld is aan het geheel, d.w.z. een geheel, waarin niet ALLES aanwezig is, IS GEEN GEHEEL. Anders gezegd als de INHOUD van het geheel niet VOLLEDIG aanwezig is, is het geheel er zelf ook niet.
Bij voorbeeld: WATER bestaat uit atomen waterstof en atomen zuurstof, en die twee in een bepaalde onderlinge verhouding. Nu kunnen we het hebben over datgene, waaruit het water BESTAAT, èn we kunnen het hebben over het water ZELF.
In het eerste geval hebben we het over WATERSTOF en ZUURSTOF, dus over het EEN en het ANDER; waterstof is geen zuurstof en zuurstof geen waterstof, maar in een bepaalde verhouding SAMENGEVOEGD, wordt de zaak tot WAT ANDERS.
Dat andere is dan het WATER, en hoe klein de hoeveelheid dan ook is, die we hiervan nemen, ALTIJD IS HET WATER. Dus de kleinste hoeveelheid WATER, een EENHEID water (in de scheikunde een MOLECUUL) is altijd en nooit niet: WATER. Dus op zijn wijze, namelijk ALS MOLECUUL, het geheel.
Water is echter geen water meer, als er atomen van het zuurstof of van het waterstof ONTBREKEN, dus als het totaal van de atomen niet compleet is, d.w.z. als de inhoud niet is een hoeveelheid zuurstof en een hoeveelheid waterstof in een bepaalde onderlinge verhouding, is er geen geheel, namelijk geen WATER, maar wat anders.
Voorondersteld aan WATER is dus ZUURSTOF en WATERSTOF en als die elementen er niet zijn, is er geen water.

Zo moet ook de INHOUD van de mensheid als geheel, namelijk het TOTAAL werkelijk aanwezig zijn, wil het geheel er kunnen zijn. Dus alle bepaaldheden, d.w.z. ALLE afzonderlijke mensen, moeten er WERKELIJK ZIJN, wil het geheel kunnen gelden.

Wanneer is de mens er werkelijk?
Als een mens dag in dag uit door de hongerdood bedreigd wordt, is er dan van hem te zeggen, dat hij er is?
Als een mens voortdurend het risico loopt door een dictator uit de weg geruimd te worden, al naar gelang het die dictator in de zin komt, is er dan van die mens te zeggen, dat hij er is?

Elke mens moet vroeg of laat sterven, maar is dàt een beletsel om van hem te zeggen, dat hij er is?
De mens, voorzover hij CONCREET, daadwerkelijk en tastbaar AANWEZIG is op deze planeet, is een afhankelijk geval, dat er welbeschouwd eerder NIET dan WEL is. Het is met hem gebeurd: “één nachtvorstje”!
Zijn afhankelijkheid is echter deels te REGELEN, deels niet. Dat hij steeds meer verzekerd kan zijn van voedsel, onderdak, kleding, warmte, enz., is een kwestie, die hij zelf in de hand heeft, en die daarom ook in de loop der ontwikkeling steeds meer is uitgegroeid en steeds meer is VERZEKERD. Wij behoeven maar om ons heen te kijken in onze huidige wereld om te zien, dat dit zo is; als tegenstelling leert ons een boek over de oudheid of nog vroeger, dat er om te beginnen NIETS verzekerd was. Van de natuur zèlf, waaruit de mens toch ook is opgekomen, is er bepaald geen zekerheid te verwachten.
Er is dus allerlei voor de mens te regelen, en al dat geregel heft zijn natuurlijke afhankelijkheid steeds meer op, d.w.z. hij blijft wel afhankelijk, want dit zit in het karakter van het natuurlijke, maar die afhankelijkheid kan hem steeds minder parten spelen; intellectueel gaat de mens boven het natuurlijke uit, hij BEHEERST tenslotte het natuurlijke, dus hij beheerst tenslotte het UITEEN-ZIJNDE, dus het feit, dat hij qua NATUUR ontkend aanwezig is: hij is zó vertrokken. Het ONTKEND AANWEZIG ZIJN, dat de mens vanuit de natuur is, leert hij langzamerhand steeds meer BEHEERSEN, zonder dat hij het kan laten VERVALLEN, want dan zou hij zijn eigen natuurlijkheid moeten kunnen laten vervallen, en dat gaat niet.

Nu kunnen we dus, praktisch genomen van de mens zeggen, “dat hij er is”, als het hem gelukt is qua natuurlijkheid, zijn ONTKEND AANWEZIG ZIJN te BEHEERSEN, zodat hij, wat dat betreft VERZEKERD kan zijn van zijn leven. Hij sluit m.a.w. de WILLEKEUR - en dat geldt op elk terrein van de uiteen-zijnde werkelijkheid - zoveel mogelijk uit.
Als dit hem begint te lukken, gaat zich het feit laten gelden, dat de mens er is, want hij heeft wat hij NODIG heeft om in leven te blijven, en pas als hij in leven blijft, kàn hij gaan leven.
Het natuurlijke leven is voorondersteld aan het volledige leven, d.w.z., aan het leven van de mens als GEESTELIJKE aangelegenheid. Want het verschijnsel is voorondersteld aan géén verschijnsel, en dit geldt voor de mens.

De mensheid laat zich derhalve niet eerder als het GEHEEL gelden, dan WANNEER ELK MENS VERZEKERD IS VAN ZIJN NATUURLIJKE LEVEN.

Elk zijn eigen leven
Voor elke afzonderlijke mens geldt, dat hij een bepaaldheid is, en dat hij als zodanig boven zichzelf uit kan komen, als hij zich niet als bepaaldheid, maar als GEEN BEPAALDHEID laat gelden.
Al met al geldt dit geval voor de bepaaldheid, die de mens is, dus de zaak blijft voor elke afzonderlijke mens ZIJN ZAAK, d.w.z. het is zijn eigen leven, dat hij leeft, en nooit kan hij dat van een ander leven. Het GAAT hem derhalve ook om zichzelf.
Zolang hij nog bezig is met datgene, dat wij hierboven uiteen hebben gezet, gaat het hem om zichzelf als natuurlijkheid, dus om zichzelf als bepaaldheid, en daarmee is de mogelijkheid van MET ZIJN ALLEN ZIJN uitgesloten, want daarvoor is nodig, dat het de mens om zichzelf als MEER DAN BEPAALDHEID gaat. Ook in dit laatste geval gaat het de mens om zichzelf, zodat het ook hier zijn eigen leven in, dat hij terecht tracht te brengen; zijn eigen leven als zijnde HET GEHEEL. Daarmee zijn de anderen INGESLOTEN, dus de anderen zijn aan hem ook terecht. Meer dan ZICHZELF HET GEHEEL ZIJN, kan de mens niet doen, ook niet VOOR DE ANDER.
De ander is automatisch aan MIJ terecht, als IK MEZELF HET GEHEEL BEN; het mooie sprookje van “alles voor de ander zijn” is inderdaad niet meer dan een sprookje, want het is helemaal niet mogelijk iets voor een ander te zijn; HET IS SLECHTS MOGELIJK ZELF WAT TE ZIJN, namelijk HET LAATSTE MOGELIJKE voor de mens: zichzelf het geheel zijn en daarmee MET ZIJN ALLEN ZIJN.

Dinsdag, 23 maart 1965

No. 12.

DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Bladwijzers: Misdaad, hoe zit dat..?- zie nrs. 6 , 7 en 12 t/m 16 ;

De laatste bepaaldheid
In het vorige stencil hebben we als laatste opgemerkt, dat het de mens niet mogelijk is, het LEVEN van een ander te leven, en dat het dus altijd ZIJN EIGEN LEVEN is, dat hij, gewild of niet, in orde tracht te krijgen.
Hierover is nog wel het een en ander op te merken, ook in verband met het begrip COMMUNISME, in de betekenis van “met zijn allen”.
Ook de mens behoort tot de werkelijkheid der bepaaldheden en daarom noemen we hem een verschijnsel. Voor de verschijnselen geldt het UITEEN-ZIJN, zoals wij al eerder hebben laten zien, dus voor de verschijnselen geldt, dat het één het ander NIET is, d.w.z. elke bepaaldheid voor zich houdt op, waar WAT ANDERS, dus een andere bepaaldheid begint. Het RAAKPUNT van de ene en de andere bepaaldheid is dus tevens de GRENS tussen de een en de andere bepaaldheid, en die GRENS is aan beiden VASTGELEGD.
Daar, waar de ene begint en de andere ophoudt, en omgekeerd, dáár ligt de grens tussen beiden EN DIE GRENS KAN NIET OVERSCHREDEN WORDEN, want als dat wel zou kunnen, dan zouden zowel de ene bepaaldheid als de andere bepaaldheid eigenlijk NERGENS ophouden, en daarmee zou de bepaaldheid vervallen zijn.
Voor de MENS geldt dus ook, dat hij BEGRENSD is, en dat hij nooit of te nimmer die grens kan overschrijden. Elke mens is binnen zijn eigen grens gevangen en hij komt er nooit uit; hij kan de ander slechts BENADEREN, door namelijk zo dicht mogelijk naar zijn eigen RAAKPUNT met de ander te gaan, maar ondanks dat, blijft hij altijd BUITEN de ander.
Zijn GRENS ligt daar, waar de ander begint; die grens is aan beiden VASTGELEGD.

Het hiergezegde BLIJFT voor elke mens gelden, omdat de mens een bepaaldheid is en blijft, een bepaaldheid, die bovendien niet en nooit op te heffen is; in de zin van “laten vervallen”. Hoe goed het tenslotte, ook met de mensheid gesteld is, we behoeven niets te verwachten van “iets voor elkaar zijn” en “alles voor elkaar over hebben”, “niet aan jezelf denken” en “de ander op de eerste plaats stellen”.
Langs deze weg komt de mensheid niet terecht, want dit zou alleen dàn mogelijk zijn, als de mens uit zijn eigen bepaaldheid kon stappen en zodoende zichzelf door kon schrappen.
Aangezien het niet mogelijk is zichzelf door te schrappen - en dit is, let wel, geen TEKORT van de mens - moeten we, àls er een mogelijkheid zou zijn voor de mensheid om terecht te komen, die mogelijkheid zoeken binnen de grens van de bepaaldheid, die elke mens voor zich is. Binnen de grens van iedere EIGEN LEVEN dus.
Die mogelijkheid is er inderdaad, want de bepaaldheid, die de mens is, is een bijzondere bepaaldheid, namelijk DE LAATSTE BEPAALDHEID, en dit feit heeft verschillende consequenties.

We houden dus goed voor ogen, dat geen enkele mens BUITEN ZIJN EIGEN LEVEN komt, dus we laten alle ZONDAGSCHOOLVERHAALTJES maar meteen zakken en we houden op met ons “op te offeren” en “onszelf wèg te cijferen”, want dit zijn allemaal GELOVIGE LEUGENS.

We gaan nu REKENEN, en daarbij letten we op de volgende gegevens: de mens is LAATSTE BEPAALDHEID, en voor hem geldt het begrip GRENS.

Het begrip grens
Waar het EEN ophoudt, daar begint het ANDER, dus het EEN vindt aan het ANDER zijn einde, en omgekeerd. Dat EINDE van het een, dat het BEGIN is van het ander, is de GRENS tussen beiden, en het is duidelijk, dat die grens aan zowel het EEN als het ANDER vastgelegd , of bepaald, is.
Dit geldt voor de mens als BEPAALDHEID, maar we herinneren ons, dat de mens geen gewone bepaaldheid is, maar DE LAATSTE BEPAALDHEID, en dat hij op grond daarvan een bepaaldheid is, die géén bepaaldheid is; een bepaaldheid, waarvoor INEEN-ZIJN geldt.
Naar deze laatste situatie genomen, zijn het een en het ander dus INEEN, dus de GRENS, die aan het een en het ander bepaald is, is in deze situatie bepaald aan het een en het ander, DIE INEEN ZIJN; die dus HET GEHEEL zijn. De grens is dus nu niet aan het een en het ander als bepaaldheden vastgelegd, maar de grens valt samen met het geheel. HIJ IS ECHTER NIET VERVALLEN, dus de mens is niet BUITEN zijn eigen leven gekomen; zijn eigen leven IS het geheel, en dat leven houdt op, daar waar het geheel ophoudt.

Ieder op zijn wijze
We hebben dus nu het volgende vastgesteld:
a) Iedere afzonderlijke mens is en BLIJFT een bepaald geval, dat BEGRENSD is en dat nooit buiten zijn eigen grens uitkomt.
Geen enkele afzonderlijke mens kan buiten zijn eigen leven treden, dus ieder LEEFT ZIJN EIGEN LEVEN binnen zijn eigen begrenzing.
b) Voor iedere mens geldt, dat hij als bovengenoemd geval behoort tot de werkelijkheid, die INEEN-ZIJN is, op grond waarvan de grens, die ook nu niet wèg te denken is, niet bepaald wordt door bepaaldheden (het een en het ander), maar door het geheel, en het geheel, op zich genomen, is geen bepaaldheid, slechts de INHOUD van het geheel is bepaaldheid. Zie het vorige stencil.
c) Deze beide verhoudingen gelden tegelijk voor de mens.
Om nu een beeld te geven van de hele zaak, kunnen we van de mens zeggen, dat het hem ALTIJD om zijn eigen leven te doen is en dat het hierbij de vraag is, HOE HET MET HEM ALS GRENS GESTELD IS.
Als hij zichzelf als bepaaldheid op het oog heeft, is hij een totaal andere mens dan als hij zichzelf als geheel bedoelt. In het eerste geval is in de grond van de zaak iedereen buiten hem ONTKEND en in het tweede geval is hij iedereen zelf, ondanks het feit, dat hij toch is, die HIJ is.

Aangezien niemand er aan kan ontkomen zijn eigen leven te leven, komt deze laatstgenoemde gesteldheid op alle mogelijke manieren voor; ieder naar eigen AANLEG, want ieder naar eigen BEPAALDHEID.
Een behoorlijk mens, die maar een zwakke aanleg heeft, vertoont op zwakke wijze een behoorlijke zaak, maar die zaak VERTOONT hij dan ook. Een langzaam draaiend wiel DRAAIT toch in elk geval en een zwakke behoorlijke zaak is toch in elk geval een behoorlijke zaak. In dit geval dus een mens, die zich, zij het zwak, het geheel weet.

De redding voor iedereen
Het moet nu duidelijk zijn, dat het bovengezegde de enige mogelijkheid is voor alle mensen. Het zijn niet alleen de genialen, die “het koninkrijk zullen zien”, want de aanleg, die wel voor iedereen van kracht blijft, is niet meer datgene, waarom het gaat. Het gaat om de gesteldheid; het gaat om de grens, namelijk HOE is die grens en niet WAAR is die grens.
Zolang de mensheid nog niet volwassen is, weet iedereen HOEVER HIJ GAAN KAN, en sommigen weten dat niet, en DIE GAAN TE VER, je moet JE GRENS weten. Het zijn allemaal vastgelegde begrenzingen, waaraan de mens zich heeft te houden.
Dit alles krijgt op den duur een heel andere betekenis, want JE GRENS ligt dan bij het GEHEEL, en voorzover je buiten het geheel komt, ga je te ver, want daarmee wordt het geheel, ontkend, en dit is WERKELIJK MISDAAD.

Het Evangelie ( lees vanaf hier t/m 16 )
Het Evangelie heeft het door ons behandelde bedoeld, want het stelt als voorwaarde voor het eeuwige leven: “dat Gij allen één zijt”. Dus, dat Gij ALLEN Het Geheel zijt.
Verder sluit het Evangelie NIEMAND uit: “Ik zal ze allen tot mij trekken”.
Het Evangelie is GEEN GELOVIG geschrift; hierover zullen wij de volgende keer een opmerking maken.

Dinsdag, 30 maart 1965

No. 13.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Bladwijzers: De ZONDE: zie de nrs. 5 en 6 , 12a t/m 16 en 21 ;  


Een opmerking over het Evangelie

Naar aanleiding van het feit, dat wij een uitspraak uit het Evangelie geciteerd hebben, is er bij enkele cursisten een vraag gerezen: hoe kunnen wij uitspraken uit een gelovig geschrift aanhalen, voorzover we het hebben over de VOLWASSEN mensheid, waarvoor het geloof is komen te vervallen?
Als eerste dit: in het Evangelie is sprake van LIEFDE en het gaat over de OP AARDE LEVENDE MENS, voorzover hij persoonlijk dit begrip liefde IS. Dit alles wordt verteld in talloze BEELDEN, die ons echter niets VOORREKENEN, maar die ons een werkelijkheid laten ZIEN, die wezenlijk een MENSELIJKE WERKELIJKHEID is, en die eigenlijk DE menselijke werkelijkheid is, omdat het de voor de mens laatste mogelijkheid is. De LAATSTE mogelijkheid is tevens de ENIGE mogelijkheid, want het is datgene, waarin het tenslotte uitloopt, dus het is datgene, WAAROM HET GAAT.
Deze werkelijkheid wordt in het Evangelie getekend - we zullen dit t.z.t. uitvoerig behandelen - en het is op grond van dit feit, dat we het Evangelie kunnen citeren, want het is helemaal geen gelovig geschrift.
Het Evangelie spreekt op haar wijze over de mens, die zichzelf INEEN-ZIJN weet, en die dus weet, dat hij het GODDELIJKE zèlf is: “Ik en de Vader zijn één”. Deze mens weet dus het INEEN-ZIJN niet meer BOVEN zich als een onbereikbare, almachtige werkelijkheid, waaraan hij ondergeschikt is en waaraan hij eer heeft te bewijzen. Hij is dus niet gelovig, want er is geen werkelijkheid BOVEN hem; hij is het allemaal zèlf.
Dat wij het Evangelie met “het geloof” in verband brengen, komt doordat er door de mens om te beginnen een GELOOFSZAAK van gemaakt is, in de vorm van de Roomse Kerk; het Evangelie is dus alleen maar gebruikt ter verwezelijking van een ZAAK in de wereld, en omdat dit zo is, moeten we eigenlijk zeggen, dat het Evangelie MISBRUIKT is; een feit, dat door de geschiedenis in voldoende mate bevestigd wordt: de MISDADEN, die overal in de wereld IN NAAM VAN HET EVANGELIE bedreven zijn, overtreffen elk voorstellingsvermogen. HET WORDT TIJD, DAT DE MENSEN DIT FEIT EENS ONDER OGEN GAAN ZIEN, zodat zij de mooie praatjes van de geestelijken - van welke confessie dan ook - nemen voor wat ze zijn: LEUGENS.
Voorzover wij dus uit het Evangelie citeren, citeren wij uit een werkelijk menselijk geschrift, dat niets met kerk en geloof te maken heeft en dat voorlopig alleen nog maar misbruikt is.

Nog een opmerking in verband met de ontwikkeling
Het door ons tot nu toe behandelde, over de mens als “het geheel”, over de mens en zijn “begrensdheid”, het “regelen” van het natuurlijke, het zich “veilig” stellen als afhankelijke natuurlijkheid, enz., is een zaak, die ALTIJD voor de mens geldt, d.w.z. de BEGRIPPEN, waarover we gesproken hebben, komen niet pas op een gegeven MOMENT voor de dag, zodat er vanaf dat moment een GEHEEL ANDERE MENSHEID zou zijn, waarin het allemaal LIEFELIJK toegaat. De genoemde begrippen gelden, zodra er van de mens sprake is en dus ook zodra hij op de planeet verschijnt.
Aanvankelijk KENT de mens deze zaak, die hij zèlf is, nog niet, zodat het voor hem nog geen REALITEIT is. De ontwikkeling van de mensheid is niets anders, dan dat de mens langzaam langs de GESLACHTEN zich van deze zaak BEWUST wordt, totdat hij het zich bewust IS, en dan is hij pas werkelijk ZICHZELF geworden, wat voordien niet het geval is.
Zolang de mens qua ONTWIKKELING nog met het natuurlijke bezig is, is zijn BEWUSTZIJN omtrent zichzelf nog niet boven het natuurlijke uitgekomen, dus zijn REALITEIT is een alsnog NATUURLIJKE REALITEIT, en daar GEDRAAGT hij zich naar. Hij IS dus het door ons omschreven geval en voor hem gelden de genoemde begrippen, maar het komt voor de dag als was het iets NATUURLIJKS. De begrippen komen dan op BEPAALDE, BEGRENSDE, wijze voor de dag, en daarmee op een wijze, die er niet bij past, zodat de zaak een geheel ander karakter krijgt en de indruk wekt er helemaal niet te zijn.
Zo is bijvoorbeeld “het geheel” er wel en het laat zich ook gelden, maar in het bewustzijn van de mens laat het zich voorlopig gelden als een BEPAALD geheel, dat dus in de praktijk geen geheel is, maar een bepaalde groep of VERZAMELING. Buiten die groep valt allerlei; er is allerlei BUITENGESLOTEN, en dus geldt er geen INEEN-ZIJN. LIEFDE bijvoorbeeld is er ook, maar voor de mens als BEPAALDE LIEFDE, dus een liefde, waarin die of die opgenomen is, maar DE REST NIET, de rest is buitengesloten. Het gaat dus alleen maar om de vraag: HOE KOMT DE ZAAK VOOR DE DAG.

Over de misdaad
Het zal voor de afzonderlijke mens altijd mogelijk blijven zich BUITEN het geheel te stellen, want de mens is nooit zonder het BEPAALDE.
Er is in letterlijke zin niets buiten het geheel te denken, want het TOTAAL, dus ALLES, is inhoud van het geheel. Zo genomen kan de mens in feite dus nooit buiten het geheel komen. Wij bedoelen dan ook met “buiten het geheel” het volgende:
Als een mens zich eenzijdig als bepaald geval laat gelden, waarvoor de grens dus ook bepaald is, dan is hij voor zichzelf NIET HET GEHEEL, maar DIT BEGRENSDE GEVAL. Als hij voor zichzelf niet het geheel is, dan valt hij dus buiten het geheel, d.w.z. hij doet er niet aan mee, hij behoort er niet bij. Hij ONTKENT het geheel en daarmee ontkent hij alles, wat er is, behalve zichzelf als bepaald geval. Dit laatste heeft hij alleen maar op het oog, en dit is wat wij, strikt genomen, MISDAAD noemen.
MISDAAD is dus het feit, dat de mens voor zichzelf het geheel ontkent, om daarmee ook ZICHZELF ALS MENS TE ONTKENNEN, want het geheel geldt IN FEITE tòch.
Aangezien de misdaad met het geheel te maken heeft, namelijk het ONTKENNEN daarvan, is het een intellectuele kwestie. Het geheel is immers zuiver INTELLECTUEEL, want het is het INEEN-ZIJN, dus het is, met andere woorden: GEEST.
Een dier kan niet misdadig zijn, want voor een dier geldt de geest niet; slechts aan de mens is het privilege van de misdadigheid voorbehouden.
Het ontkennen van het geheel is het ontkennen van HET LAATSTE, namelijk het ontkennen van het INEEN-ZIJN, dus van de geest.

“Voorwaar, ik zeg U, dat alle zonden de kinderen der mensen zullen vergeven worden, ook de godslasteringen, welke zij gesproken mogen hebben; MAAR WIE GELASTERD HEEFT TEGEN DE HEILIGE GEEST, heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar staat schuldig aan eeuwige zonde”. (Marcus 3 : 28—30)

Voor het Evangelie ligt het begrip MISDAAD dus ook bij het ontkennen van het geheel, en het stelt het zelfs als onvergeeflijk. Bovendien moge het geciteerde nog eens te meer duidelijk maken, over welke werkelijkheid het Evangelie het heeft: OVER DE LAATSTE WERKELIJKHEID. - Dit in verband met onze eerste opmerking in dit stencil.

Over de misdadigheid van deze wereld
Zolang de mensheid zich nog niet als het geheel bewust is geworden, WEET zij dus nog niets van het geheel, hoewel zij het desondanks tòch IS.
Zij gedraagt zich nog niet naar dat geheel, dus zij gedraagt zich MISDADIG, maar die misdadigheid is haar niet aan te rekenen, want zij WEET nog niet van misdaad. Om van misdaad te weten, moet zij van het geheel weten.
Anderzijds ontkomt de mensheid niet aan een besef van misdaad, omdat zij niet aan een besef omtrent het voor haar geldende geheel ontkomt. Zo is het begrip misdaad dus wel bekend onder de mensen, maar zij komen voor hun bewustzijn niet verder dan tot EEN BEPAALDE MISDAAD, en zo wordt het ene geval zwaarder aangeslagen dan het andere geval, en in het ene land is een bepaald vergrijp ernstiger dan in het andere land, en aangezien het over een bepaalde misdaad gaat, worden er ook bepaalde omstandigheden in aanmerking genomen, die dan de ernst van het feit al of niet verzachten, enzovoort.
Het begrip MISDAAD is echter een ABSOLUUT BEGRIP, want het is een geestelijke aangelegenheid - zij het een negatieve - en dus valt er niets te verzachten en hebben we niets met omstandigheden te maken.
Het begrip STRAF heeft met omstandigheden te maken, want de straf is aan de individu bepaald; hoe echter de verhoudingen hierbij liggen, komt nog wel ter sprake.

 Van de wereld is derhalve te zeggen, dat zij SCHULDELOOS MISDADIG is; omdat zij nog niet aan het geheel toe is, is zij misdadig, maar omdat zij - zoals een kind - nog niet van MISDAAD WEET, is het haar niet aan te rekenen, wat echter niet zeggen wil dat de mensen, voorzover ze die misdadigheid ervaren, het maar voor zoete koek moeten slikken. Elke mens heeft BLIJVEND TE PROTESTEREN tegen alles, wat niet deugt.

Dinsdag, 6 april 1965

No. 14.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

De mens zonder misdadigheid?

We hebben het feit, dat de mens zich BUITEN het geheel stelt, MISDAAD genoemd, en we hebben gezien, dat een dergelijke mens zich als BEPAALDHEID laat gelden, d.w.z. als het begrensde geval, dat tot hiertoe gaat en niet verder, en dat al het andere BUITEN zich heeft, zodat dat andere, van DEZE BEPAALDHEID uitgenomen, er eigenlijk NIET is.
Doordat de grens van deze mens vastgelegd is, weet deze mens zich voor zichzelf niet het geheel, zodat hij zich ook niet als zodanig gedraagt; wat er aan hem voor de dag komt is louter MISDADIG GEDOE, omdat het niet op het geheel gericht is, maar op de bepaaldheid, die die mens is.
Aangezien de mens echter nooit aan zichzelf als bepaaldheid ontkomt, omdat hij als laatste van de verschijnselen, zèlf ook een verschijnsel is, blijft er voor de mensheid een mogelijkheid liggen, dat er misdadigers zijn; voor de volwassen mensheid kan dit variëren van EEN DUBBELTJE WINST tot en met de moord. Welke misdaad er ook op tafel gelegd wordt, het gaat er om, dat het geheel verbroken wordt; aangezien het geheel een geestelijke zaak is, valt de misdaad hier ook onder; d.w.z. de misdadiger is een GEESTELIJK GESTOORDE, die eerder genezen, dan gestraft dient te worden, Als er tenminste te genezen valt. Dit besef begint vandaag de dag al een aardig woordje mee te spreken in de rechtspleging.
De mensheid zal dus nooit zonder misdadigers zijn, want de wereld zal nooit zonder mensen zijn, in wie het weten van het geheel gestoord is, zodat daarmee VOOR DIE MISDADIGER het geheel verbroken is.

Laster tegen de Heilige geest
Het verbreken van het geheel, dus de misdaad, is het ontkennen van het laatste, dat voor de werkelijkheid geldt, want vanuit dit laatste, namelijk het INEEN-ZIJN of de GEEST, geldt voor de mens, dat hij het geheel is.
De geest is HEILIG, d.w.z. ABSOLUUT, want het is de werkelijkheid, die van niets afhankelijk is, die onveranderlijk is en die niet vergaat. De werkelijkheid dus, die EEUWIG is.
Dus is elk verbreken van het geheel eigenlijk een laster tegen de heilige geest, zodat we, evangelisch gesproken, voor geen enkele misdaad vergeving kunnen laten gelden.
Toch wordt er gezegd (zie het vorige stencil), dat alle zonden de kinderen der mensen vergeven zullen worden. Hier is derhalve een vraag te stellen: wat is er bedoeld met “zonden”, die vergeven zullen worden, als elk verbreken van het geheel een verbreken van het absolute is, zodat elke misdaad ABSOLUUT is, en dus niet ONGEDAAN te maken.
Met “zonde” is bedoeld “niet deugen” en de mens deugt niet, voorzover hij een bepaaldheid is, en aangezien elke mens een bepaaldheid is, is er van elke mens te zeggen, dat hij niet deugt.
Dit feit echter, is volgens het Evangelie VERGEEFLIJK.

De zonde, ofwel het “niet deugen”
We hebben in stencil 12 uitgelegd, dat elke mens zijn eigen leven lijdt, op grond van het feit, dat elke mens een bepaaldheid is, zij het dan een BIJZONDERE BEPAALDHEID.
Voor elke mens blijft dus gelden, dat het ZIJN LEVEN is, waarmee hij voor de dag komt; het zijn dus zijn eigen MOGELIJKHEDEN, die hij realiseert en in hoeverre hij zichzelf als MENS terechtbrengt, hangt af van zijn persoonlijke AANLEG en hij kan er nooit meer en ook niet minder van maken, dan er qua aanleg in hem aanwezig is.
Dat wil zeggen, dat het meer of minder lukken van zijn LEVEN slechts van één ding afhankelijk is: van zijn aanleg.
Afhankelijk van de aanleg LUKT het leven dus meer of minder, en hieraan kan hij zelf niets toe of af doen: zo is hij nu eenmaal. Voorzover zijn leven dus, tenopzichte van het absolute, meer of minder MISLUKT, kunnen we van de mens zeggen, dat hij NIET DEUGT.
Hieraan kan hij niets doen, en dus geeft het niet. Dit “niet deugen”, deze is hem vergeven - en dit geldt voor elke mens.
De “zonde” slaat dus op het feit, dat elke mens zijn eigen leven leeft, en dat het hem niet mogelijk is het anders te doen.
Voor elke afzonderlijke mens geldt echter wèl, dat hij het geheel is, en al kan hij dat nog zo zwak realiseren, hij is het tòch en hij heeft het maar te laten gelden, want het is het laatste mogelijke.

Ter verduidelijking
De mens is dus “zondig”, want hij leeft zijn EIGEN leven, en dat leven LUKT min of meer, afhankelijk van het feit, of de mens een ZWAKKE of een STERKE aanleg heeft.
Het min of meer MISLUKKEN van het leven is het “niet deugen” van de mens; dit is zijn “zonde” en hieraan kan hij niets doen, dus het is hem VERGEVEN.

Het min of meer LUKKEN van zijn leven is het min of meer realiseren van het feit, dat hij HET GEHEEL is, en op grond hiervan DEUGT de mens. Voorzover hij deze zaak echter niet realiseert, omdat hij zichzelf als BEPAALDHEID op het oog heeft, ontkent hij het geheel, en daarmee LASTERT hij tegen de heilige geest en dit is hem NIET vergeven, want elke mens is de heilige geest zèlf.
In dit verband geldt dus MISDAAD, SCHULD en STRAF.

Voorzover de mensheid nog niet volwassen is, gaat het haar nog niet om het geheel, zodat van die mensheid te zeggen is, dat zij MISDADIG is. Deze misdadigheid is niet en nooit wèg te redeneren, maar er is wèl van te zeggen, dat het een ONGEWETEN misdadigheid is, omdat het geheel nog ongeweten is.
Pas als de mensheid van HET GEHEEL weet, weet zij van haar misdaad, en als zij van haar misdaad weet, probeert zij haar misdadigheid achterwege te laten. Voorzover haar dit om te beginnen NIET LUKT, weet zij dan ook wèrkelijk van SCHULD en STRAF.

Genoemde begrippen als bepaaldheden
In onze hedendaagse (westerse) maatschappij zijn de door ons behandelde begrippen wel bekend; omdat de mensheid echter nog onvolwassen is, zijn genoemde begrippen in het vastgelegde bevangen, zodat de hele zaak door en door als bepaaldheid naar voren komt.
Er is dus een bepaalde misdaad en een bepaalde schuld en een bepaalde straf.
Er zijn bepaalde zonden en slechts bepaalde mensen deugen niet - uiteraard deugen wij wèl. In bepaalde gevallen wordt vergeven en in bepaalde gevallen niet, enzovoort.

Dit vastgelegde karakter echter, waaraan alle ABSOLUTE begrippen onderworpen zijn, doet de hele zaak OP ZIJN KOP STAAN; het komt voor de dag op een wijze, TEGENGESTELD aan hoe het zou moeten zijn.

Beantwoording van een vraag
Naar aanleiding van het door ons gezegde over het “eigen leven” van elke mens, is het voorbeeld aangehaald van een man, die onder HYPNOSE een moord pleegde, die hij vanuit ZICHZELF niet gepleegd zou hebben; dit om te bewijzen, dat een mens wel degelijk het leven van een ander kan leven.

Een gehypnotiseerd mens echter, is een mens, die zichzelf (tijdelijk) KWIJT is; zijn BEWUSTZIJN is op de een of andere wijze uitgeschakeld en een ander heeft hem zijn WIL opgelegd.
Dit is dus geen NORMALE levensomstandigheid, want het EIGEN BEWUSTZIJN van de betreffende mens is uitgeschakeld, zodat we ook niet kunnen zeggen, dat deze mens het leven van een ander leeft; hij leeft helemaal geen leven, want zonder bewustzijn is van geen leven te spreken.

Dinsdag, 13 april 1965

No. 15.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Het begrip “zonde”, negatief gesteld

We hebben de vorige keer laten zien, dat de zonde het feit is, dat de mens niet deugt, d.w.z. dat hij nooit VOLMAAKT is, in de zin van FOUTLOOS, omdat voor elke mens BLIJFT gelden, dat hij een bepaaldheid is. Voor die bepaaldheid kan dan wel gelden, dat hij het geheel is, maar dan is hij dat geheel toch altijd OP ZIJN BEPAALDE WIJZE: er zullen nooit twee mensen hetzelfde zijn.
Iedere afzonderlijke mens is een VARIATIE van DE MENS, en die variatie kan, wat betreft het zichzelf het geheel weten, zwak zijn en hij kan sterk zijn en alles wat daartussen ligt, maar helemaal foutloos kan het niet zijn, want het blijft een VARIATIE.
De ene mens vertoont het geheel dus zwakker dan de ander, en zo genomen kunnen we zeggen, dat de ene mens “zondiger” is dan de ander, maar niemand is zonder “zonde”, want niemand is foutloos.
Deze zaak is een NOODWENDIGHEID, d.w.z. het KAN niet anders zijn dan zó, en daarom stelt het Evangelie dit ook als vergeeflijk. Geen enkele mens, al is hij nog zo’n sterke variatie, kan foutloos zijn, dus hij kan niet leven zonder fouten te maken, en omdat het niet anders kan, DAAROM is het bij voorbaat vergeven, dat hij FOUTEN maakt.
Echter zijn het wèl FOUTEN, al zijn ze VANZELFSPREKEND, d.w.z. automatisch aan de mens meekomen, maar het feit, dat de mens fouten maakt, is niet NEGATIEF.
Negatief zou het zijn, als de mens het kon LATEN om fouten te maken, en in dat geval zou het een VERDIENSTE van hem zijn als het het lukte geen fouten te maken. En voorzover hij ze wèl maakte, konden wij hem dat KWALIJK nemen; in bepaalde gevallen zouden wij dan besluiten het hem maar te vergeven, in andere gevallen verlangen wij van hem het weer goed te maken door een extra prestatie en tenslotte kunnen we het ook nog zo doen, dat we de fout als fout in stand houden en helemaal niets vergeven, zodat de fout niet ongedaan gemaakt kan worden.
Dit alles geldt, als wij de zondigheid van de mens als een negatieve aangelegenheid beseffen, die slechts door iets positiefs opgeheven kan worden.
Van dit besef is het gehele westerse GELOOF doortrokken en daarvan heeft de kerk gebruik gemaakt.

De roomse kerk en het zonde-besef
Als wij het “zondig” zijn van de mens als een negatieve aangelegenheid beseffen, dan beseffen wij het als iets, dat de mens eigenlijk niet PAST en dat hij derhalve maar achterwege heeft te laten. Voorzover hij dan toch telkens weer tot “zonde” vervalt - en dat doet hij, omdat de fouten er niet àf zijn te denken - is hij telkens weer met iets negatiefs bezig geweest en dat moet hij telkens weer goedmaken.
De roomse kerk heeft zich in de loop der eeuwen beijverd om uit deze gesteldheid van de westerse mens munt te slaan, want door zich op te werpen als de plaatsvervanger van het goddelijke, dus van het absolute, stelde ze zich als gerechtigd de negativiteiten van de mensen te vergeven, d.w.z. door het verlangen van een of andere boetedoening weer ongedaan te maken. Dan was de negativiteit weer (tijdelijk) opgeheven, en dan was alles weer in orde.
In dit stelsel past de BlECHT en ook de AFLAAT.
Voor bepaalde geldsommen of ook wel voor bepaalde daden in het belang der kerk (kruistocht bijv.) was het mogelijk de negativiteit op te heffen. Voor een bepaalde tijd, die kon variëren van een uur tot en met levenslang en langer, waren dan alle zonden vergeven, men had AFLAAT van zonde.
Duidelijk is, dat we hier te doen hebben met een geraffineerde OPLICHTERIJ, want we hebben gezien, dat de “zonde” de mens al hij voorbaat vergeven is, omdat de zonde voor de mens vanzelfsprekend is, zodat hij er geen enkele WAARDE aan behoeft te hechten. Voor de westerse mens had om te beginnen de “zonde” wel WAARDE, n.l. een negatieve, en nu was Rome zo geslepen om de TEGENWAARDE voor zich op te eisen. Dat dit in de loop der eeuwen aardig in de papieren is gelopen, behoeft wel geen betoog. De kerkelijke staat is relatief de rijkste staat ter wereld.

Het is niet overbodig ook nog even hier op te wijzen, dat de “zonde” geen MISDAAD is, want de “zonde” is niet het verbreken van het geheel.
De “zonde” is het feit, dat elke mens noodwendig het geheel meer of minder ZWAK stelt, maar al is het zwak, het is daarmee toch wèl gesteld.
Het is dus geen MISDAAD, en daarmee gelden ook de begrippen SCHULD en STRAF niet.

Een tekening van ons besef van schuld en straf
In onze samenleving is het begrip MISDAAD bekend: iemand stelt een daad TEGEN de geldende regels. Dit kan en mag niet, dus wordt hij schuldig bevonden en gestraft.
De schuld wordt door de RECHTBANK vastgesteld en de rechtbank bepaalt ook de straf, die de schuldige daarvoor moet ondergaan, om de zaak weer goed te maken.
Hebben we dan onze straf “uitgezeten”, dan is alles in principe weer in orde, MAAR NIEMAND VRAAGT ERNAAR, OF WIJ ONS OOK ALS SCHULDIG BESEFT HEBBEN EN DAT FEIT ALS STRAF HEBBEN LATEN GELDEN.
Bij gelegenheid verklaren wij dan wel, dat wij “schuldig” zijn, maar dat komt dan beter uit in verband met de straf, die ons te wachten staat; in andere gevallen houden wij onze “onschuld” vol, al naar gelang het uitkomt.
Welk besef wij zèlf omtrent onze misdaad hebben, is voor niemand interessant, ook voor onszelf niet; daar stappen we gewoon overheen. Ons GEWETEN rommelt wel zo’n beetje in ons, maar daarvan hebben wij ons nooit veel aangetrokken; dat frommelen we wel weg in ons hart. In de meeste gevallen proberen we het een volgende keer wat handiger te doen, zodat we òf niet meer tegen de lamp lopen, òf het maar achterwege laten vanwege het risico, dat er aan vast zit. Maar krijgen we weer een kans, dan pakken we die.
De gehele zaak gaat dus eigenlijk BUITEN ONSZELF om, en dat blijkt ook wel hieruit, dat we gewoonlijk nauwelijks LAST hebben van onze schuld als we eens een keer niet tegen de lamp gelopen zijn; we vinden het eigenlijk wel een VERDIENSTELIJK stukje werk, dat we geleverd hebben en tegen onze vertrouwde kennissen scheppen we er over op.
Van BUITEN af wordt onze daad als MISDAAD aangemerkt, van BUITEN af worden wij SCHULDIG bevonden en van BUITEN af worden wij gestraft, d.w.z. wij KENNEN ONSZELF niet als misdaad, schuld en straf en daarom proberen we er ook altijd onderuit te komen.

De bedoeling is aan het hierboven getekende uit te laten komen, dat de begrippen misdaad, schuld en straf ons weliswaar bekend zijn, maar dat wij ze niet KENNEN, want als dit laatste wèl het geval was, dan zouden wij ONSZELF moeten kennen en daarmee weten, dat de genoemde begrippen voor de mens WEZENLIJK gelden, want het zijn begrippen, die consequenties zijn van het feit, dat de mens HET GEHEEL is.

Misdaad, schuld, straf
De MISDAAD is, zoals gezegd, het feit, dat de mens het geheel verbreekt. Hier gaat het dus over HET GEHEEL, DAT VERBROKEN WORDT.
De SCHULD is het feit, dat IK het ben, die het geheel verbroken heeft. IK ben dus, ten opzichte van het geheel, dat ik zèlf ben en dat ik verbroken heb, SCHULDIG, d.w.z. ik ben tekort geschoten.
De STRAF komt aan het feit mee, dat ik mezelf als schuldig stel. Als ik mezelf als schuldig stel aan het verbreken van het geheel, dan ligt er voor mij tevens de opgave het geheel weer te herstellen. De straf derhalve is dus het ZICHZELF ALS GEHEEL HERSTELLEN van de mens.

Het begrip MISDAAD geldt dus voor mij, voorzover ik mezelf als GEHEEL ontken; SCHULDIG ben ik, voorzover IK ZELF dit gesteld heb; STRAF geldt voor mij voorzover ik het geheel HERSTEL.
En dan geldt hier ook nog het begrip VERGEVING, maar daarover later.

We moeten er op letten, dat het eigenlijk HET GEHEEL is, dat mij als misdadig stelt; dat ik MEZELF als schuldig stel en dat ik voor mezelf straf laat gelden.
Het principe, voorzover het in de SAMENLEVING voor de dag komt, is dus, dat de RECHTBANK, vertegenwoordigende het geheel, mij als misdadig stelt, naar mijn schuld vraagt en mij strafbaar stelt.
Aangezien de mens tot nu toe ZICHZELF niet kent, gaat het hiergezegde BUITEN HEM OM, zoals hij ook HET GEHEEL (het ineen-zijn, de liefde, god) BUITEN zich denkt. Het raakt hem dus wezenlijk niet, reden waarom hij niet werkelijk verbeterd in de samenleving terugkomt enerzijds en anderzijds reden waarom hij eigenlijk nooit door de mensen vergeven wordt. De vergeving immers, geldt ook pas dàn, als de mens zichzelf het geheel is, en dat is alsnog niet het geval.

Dinsdag, 20 april 1965

No. 16.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Bladwijzers: Gezag-1 ; Gezag-2 ; Gezag-3 ; Justitie afl.16 en 17   Rechtspraak-4- zie afleveringen 16 en 17 ; RECHTERS-Men denke aan Duitsland ;

 

Nog een opmerking over het zonde besef
Door de gehele geschiedenis heen komen we uitlatingen van de mens tegen, die er op wijzen, dat hij een besef heeft gehad van zijn eigen “zondigheid”, of hoe het bij gelegenheid ook door hem genoemd werd.
Dit spreekt voor zichzelf, want de mens is, die hij is, en voor hem geldt het aspect van het “niet deugen”, zodat dit zich bij tijd en wijle aan hem opdringt; nimmer echter heeft een GEHELE CULTUUR in het licht van de “zonde” gestaan en dus is het ook nimmer mogelijk geweest, dat hiervan MISBRUIK werd gemaakt, zoals dat in Europa wèl gebeurd is door de vertegenwoordigers van het GELOOF.
Hoewel wij t.z.t. uitvoerig de gesteldheid van Europa zullen bespreken en dus ook de houding van de Europese mens tegenover zichzelf als “zondig”, wijzen wij nu reeds even op het feit, dat in de loop van de ontwikkeling van europa ALLE MENSELIJKE BEGRIPPEN voor de dag zijn gekomen. Alle LAATSTE begrippen dus, zoals daar zijn: de liefde, het recht, de vrijheid, de onaantastbaarheid van de mens, enz. AFGEZIEN van het feit, HOE deze begrippen voorlopig terecht zijn gekomen, is het niet te ontkennen, dat Europa zich alleen maar met het INTELLECTUELE bezig heeft gehouden.
Het intellectuele is de mens zèlf, dus ook de andere kant van het geval MENS, n.l. de kant van zijn BEPAALDHEID, met daaraan meekomende het “niet deugen” behoorde tot de KERN van europa’s CULTUUR. Op deze KERN, die om te beginnen voor de Europese mens een ongeweten sluimerende vraag was, is het biecht- en aflaatstelsel gebaseerd. Men zal het ermee eens zijn dat de INTELLECTUELE TOP van het beginnende Europa, namelijk de KERK, met een uiterst geraffineerd PSYCHOLOGISCH systeem werkte, een systeem, dat eerst vandaag de dag minder uitwerking gaat krijgen, omdat de kerk de intellectuele top niet meer is.
Aan het feit dus, dat Europa de uitwikkeling is van de LAATSTE CULTURELE FASE van het ontwikkelingsproces van de mensheid tot volwassenheid, komt mee, dat de mens zich met zichzelf als intellect èn met zichzelf als het andere van intellect, namelijk bepaaldheid, dus “niet deugen”, bezig houdt. Daarom is de “zonde” voor de Europese mens HET THEMA.

Het geheel en de enkeling
We hebben gezien, dat elke afzonderlijke mens, dus elke enkeling, voor zichzelf - en op zijn eigen, bepaalde wijze - het geheel is, en dat hij dat ALTIJD is, ongeacht het feit, of hij zich van dit feit BEWUST is, of niet. Het zich al of niet BEWUST zijn van het geheel bepaalt slechts zijn GEDRAG, maar verder IS hij toch, die hij IS.
De mens IS dus op zijn wijze het geheel, en het geheel op andere wijze is de afzonderlijke mens, dus de ENKELING.
Nu moeten wij, in verband met de MISDAAD, dus in verband met het VERBREKEN VAN HET GEHEEL, letten op het volgende: 
Als een mens MISDAAD stelt, verbreekt hij het geheel, dat hij zelf is, zodat we kunnen zeggen, dat zijn misdaad een PARTICULIERE KWESTIE is, die alleen hemzelf aangaat. Hij is dat geheel immers zèlf, en omdat hij dat zelf is, kan hij elke VERANTWOORDING afwijzen, voorzover hij van buiten af, dus bijvoorbeeld: door de JUSTITIE, aansprakelijk wordt gesteld. Hij kan zich beroepen op zijn ONAANTASTBAARHEID en zo het recht van de justitie ontkennen, hem te straffen. Het is zijn eigen persoonlijke zaak.
Deze redenering is niet FOUT, maar wèl INCOMPLEET, want wij moeten de zaak ook nog van het geheel uit bekijken, want behalve dat ik het geheel zèlf ben, BESTAAT het geheel ook in feite nog, namelijk de GEMEENSCHAP. En de gemeenschap bemoeit zich met me, want ze bemoeit zich met ZICHZELF, voorzover ze zich met mij bemoeit, en van hieruit heeft ze het RECHT mij verantwoordelijk te stellen voor mijn misdaad. Bovendien wordt er niemand aangetast, want ik ben het zèlf, die gemeenschap, die mij verantwoordelijk stelt voor mijn misdaad.
De justitie, als vertegenwoordiger van het geheel, voorzover dat geheel werkelijk bestaat en dus de GEMEENSCHAP is, heeft dus het RECHT mij verantwoordelijk te stellen met alle consequenties van dien, maar toch valt er aan deze verhouding nog wel iets te overwegen, want als wij het bovenbedoelde recht van de justitie erkennen, zouden wij VERPLICHT zijn alles te slikken, waarmee de justitie, of welk GEZAG dan ook, bij gelegenheid op de proppen kwam. Uit de praktijk is echter genoegzaam bekend, dat de mensen bij herhaling in verzet komen tegen het zogenaamde wettige gezag, en dat dit ook, menselijk gesproken, hun PLICHT is.
We kunnen ons derhalve het volgende afvragen:

1. Wat geldt er voor de justitie of het gezag, om inderdaad het recht te hebben een mens ter verantwoording te roepen?
2. Hoe is het in de huidige samenleving gesteld met dat recht?

Het gaat dus over het recht van de samenleving om de enkeling aansprakelijk te stellen voor zijn misdaad, en maatregelen te nemen tegen hem.

 
De eerste vraag
In de moderne samenleving is het de bedoeling, dat de justitie onafhankelijk is van de regering van de staat, waartoe zij behoort. Zodoende is de justitie niet gebonden aan de opvattingen, die in de politiek gehuldigd worden en kan zij, onafhankelijk van wat dan ook, de rechtspraak uitoefenen. Voorzover de justitie de samenleving vertegenwoordigt, als zijnde het concrete geheel, onafhankelijk van politieke stromingen en belangen, heeft zij het recht de enkeling aansprakelijk te stellen, terwijl de enkeling op zijn beurt dit recht heeft te erkennen. Het gaat dan werkelijk over het geheel, zonder een bepaalde politieke kleur en zonder dat bepaalde belangen beschermd worden; het gaat dan alleen maar over het verbreken van het geheel en verder niets.
In de praktijk echter gebeurt het maar al te vaak, dat de rechtspraak ondergeschikt is aan een bepaalde regering, of belangen dekt. Men denke aan Duitsland tijdens het nationaal-socialisme, toen de rechters gebonden waren aan de opvattingen van de Nazi’s omtrent recht en rechtvaardigheid. Men denke ook aan de rechters in de middeleeuwen tijdens de heksen- en ketterprocessen, die de voorschriften van Rome hadden op te volgen, op straffe van ontzetting uit hun ambt. In deze gevallen vertegenwoordigt de rechtbank helemaal het geheel niet, en daarom HEEFT ZE DAN OOK NIET HET RECHT DE MENSEN AANSPRAKELIJK TE STELLEN VOOR WAT ZIJ MISDAAD ACHT.
De mensen, die zich verzet hebben tegen de nationaal-socialistische rechtspleging stonden in het volste recht, want deze rechtspleging gold niet vanuit hét geheel, maar vanuit een KLIEK, die bovendien nog een MISDADIG BELANG diende. Hetzelfde geldt voor het verzet tegen de ketterrechters.
Het bedoelde recht heeft dus als voorwaarde, dat het over het GEHEEL gaat, en omdat het geheel een consequentie is van het LAATSTE, dat voor de mens geldt, dus van het INEEN-ZIJN, heeft deze zaak ONAFHANKELIJK te zijn; het is een ZUIVER INTELLECTUELE AANGELEGENHEID.
De rechtbanken onder het nationaal-socialistische bewind moesten de daarbij behorende opvattingen dekken, en die tijdens de middeleeuwen moesten Rome dekken. Het geheel komt hierbij helemaal niet ter sprake.

De tweede vraag
Op deze vraag hebben wij met het bovenstaande reeds gedeeltelijk antwoord gegeven; ter aanvulling stellen wij nog vast, dat de huidige rechtspleging hoogstens tot een GROTE MATE VAN ONAFHANKELIJKHEID komt - wèrkelijk onafhankelijk wordt de zaak pas, als de mens zich het geheel weet, want het geheel is aan niets gebonden. Voordien, dus ook vandaag de dag, blijft er een sfeer van ONRECHT om de rechtspleging heen hangen, want een grote mate van onafhankelijkheid is in de grond van de zaak toch AFHANKELIJKHEID, en afhankelijkheid is ONRECHT.
Verder is het zo, dat waar AFHANKELIJKHEID geldt, het hoogstens tot een EVENWICHT kan komen, en dit brengt, waar het de misdaad betreft, onmiddellijk VERGELDING met zich mee. Onze huidige rechtspleging staat dus nog in het teken van afhankelijkheid, dus evenwicht, dus vergelding en vergelding wil zeggen: HET MET GELIJKE MUNT TERUG BETALEN, zodat het evenwicht weer hersteld is.
Het begrip STRAF houdt voor ons dus VERGELDING in, omdat het GEHEEL voor ons alsnog een zaak van EVENWICHT is; zo genomen kunnen wij van de huidige rechtspraak zeggen, dat het een ONRECHTVAARDIGE RECHTSPRAAK is, voorzover zij gebaseerd is in het vergelden aan de misdadiger; het STREVEN om de misdadiger als een GEESTELIJK GESTOORDE te zien, is werkelijk een streven naar een rechtvaardige rechtspraak.
Dat het voorlopig bij een STREVEN blijft doet niets ter zake en is bovendien niet anders mogelijk, gezien het ontwikkelingsstadium van de mensheid.
Van de rechtspraak tot nu toe is dus te zeggen, dat het gaat over het HERSTELLEN VAN HET EVENWICHT, en dit komt doordat wij het geheel nog niet KENNEN en er dus een BEPAALDE, dus AFHANKELIJKE zaak van maken.
Als wij het geheel kennen, gaat het niet meer over het herstellen van het evenwicht, maar over HET HERSTELLEN VAN HET GEHEEL, en dit is het werkelijke begrip STRAF. Het straffen van een misdadiger betekent dan het opheffen van de STORING in het GEHEEL; hoe dit in de praktijk gerealiseerd moet worden is een MEDISCH—PSYCHOLOGISCHE KWESTIE.

Bladwijzers: Gezag-1 ; Gezag-2 ; Gezag-3 ; Justitie afl.16 en 17 ; De ZONDE: zie de nrs. 5 en 6 , 12a t/m 16 en 21 ;  Misdaad, hoe zit dat..?- zie nrs. 6 , 7 en 12 t/m 16 ; Rechtspraak-4- zie afleveringen 16 en 17

 

 

 

Dinsdag, 27 april 1965

No. 17
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Justitie afl.16 en 17  Rechtspraak-4- zie afleveringen 16 en 17

Over de onafhankelijkheid van het geheel
We hebben in de vorige cursus opgemerkt, dat de instelling in de samenleving, die het geheel vertegenwoordigt, dus de JUSTITIE, een ONAFHANKELIJKE aangelegenheid heeft te zijn, die geen POLITIEK en geen GODSDIENST en geen BELANGEN dekt.
Verder hebben wij gezegd, dat vandaag de dag de gedachte van die onafhankelijkheid wel bekend is, en dat er derhalve naar onafhankelijkheid GESTREEFD wordt, maar dat het in de grond van de zaak toch allemaal afhankelijkheid is, en dus ONRECHT.
Nu kunnen we vragen waarin de onafhankelijkheid van de justitie gegrond is; het antwoord op deze vraag is aldus:
De justitie is de maatschappelijke instelling, die de mensheid vertegenwoordigt, voorzover HET GEHEEL geldt, d.w.z. het geheel OP ZICHZELF genomen. Nu is het geheel, om redenen, die wij al eerder genoemd hebben, de LAATSTE verhouding, die de werkelijkheid oplevert, en die verhouding komt voor de dag als DE MENS. Die laatste verhouding is het INEEN-ZIJN, en de INHOUD van die verhouding is het TOTAAL van ALLES, wat er is. Behalve dit totaal van alles, wat er is, is er niet nòg wat, want anders zou het totaal het totaal niet zijn. Buiten het GEHEEL, dat het totaal als inhoud heeft, is er dus ook niet nòg wat, en daarom geldt er voor het geheel, dat het aan niets gebonden is. Er is namelijk verder niets. Het geheel is dan ook van niets afhankelijk.
Als deze zaak door een maatschappelijke instelling vertegenwoordigd wordt, is er dus niets, dat deze instelling hoe dan ook kan en mag beïnvloeden; de enige NORM, die geldt, is de norm, die voor dat geheel zèlf geldt, en die norm is een GEESTELIJKE NORM, want het geestelijke is het laatste in en van de werkelijkheid.

Het is hier niet de vraag, hoe het hiergezegde in de PRAKTIJK verwezenlijkt moet worden; een dergelijke ontwikkelingsweg is toch niet te VOORSPELLEN. Het enige, dat er van te zeggen is, is dit, dàt het gerealiseerd wordt, want het kan niet uitblijven, omdat het uiteindelijk voor de werkelijkheid geldt.

Regering en Justitie
Al eerder in deze cursus hebben wij gesproken over het verzorgen van het natuurlijke, en we hebben hiervan gezegd, dat het de mens is, die vanuit zichzelf als INEEN-ZIJN het onbelemmerde UITEEN-ZIJN, dat voor hem als VERSCHIJNSEL geldt, aan banden legt.
Anders gezegd: de mens zet, vanuit zichzelf als het geheel, de verschijnselenwereld, inclusief zichzelf, naar zijn hand. Aangezien dit vanuit de mens als het geheel geschiedt, zien we in de praktijk dus ook, dat het regelen van het natuurlijke een GEMEENSCHAPPELIJKE zaak is. Het gaat natuurlijk niet om een naam, maar we kunnen deze verhouding de REGERING noemen.
Het verschil tussen de REGERING en de JUSTITIE is derhalve het volgende:

De REGERING is er VANUIT HET GEHEEL en zij houdt zich bezig met het NATUURLIJKE.
De JUSTITIE vertegenwoordigt HET GEHEEL zèlf en houdt zich dus ook daarmee bezig.

De regering gaat dus gewoon over de GRAANPRIJZEN (voorlopig) en straks over het verdelen van de benodigde SPULLEN, en zo genomen is het een PLATVLOERSE aangelegenheid, d.w.z. het gaat niet over een IDEE. Dit in tegenstelling tot de Justitie, die zich wèl met een IDEE bezig houdt, en met de mens, voorzover hij die idee al of niet laat gelden.
De regering is een aan alle kanten afhankelijks zaak, die met duizend en één dingen REKENING heeft te houden - als er bijvoorbeeld maar een beperkte hoeveelheid graan beschikking is, zal zij, bij de verdeling daarvan, daarmee toch rekening hebben te houden. Zo zijn er talloze voorbeelden op te noemen.

Verder moeten we ook nog hier op letten, dat de REGERING als AFHANKELIJKE aangelegenheid, NIMMER de JUSTITIE op de vingers kan en mag tikken, maar dat het OMGEKEERDE wèl geldt - dit op grond van het feit, dat het geheel het totaal te boven gaat, d.w.z. het ONAFHANKELIJKE gaat het AFHANKELIJKE te boven.
De justitie is een waarlijk INTERNATIONALE zaak, en dat is een gedachte, die al geruime tijd tot de mensheid is doorgedrongen, getuige het “Internationale Hof van Justitie” in Den Haag. Verder komt de onafhankelijkheid van de justitie ten opzichte van de regering hieraan uit, dat het mogelijk is tegen de STAAT te procederen - of er voor de “kleine man” een kans van slagen is in een dergelijke onderneming, doet hier niet terzake, hoofdzaak is, dat het kàn.

Over de sfeer van onrecht
Behalve in bepaalde overduidelijke gevallen, zoals in de door de Duitsers tijdens de tweede wereldoorlog bezette gebieden, is het in de praktijk nooit mogelijk precies aan te wijzen, waar het ONRECHT zit; men spreekt van KLASSEJUSTITIE, maar niemand kan het aantonen, men spreekt van CORRUPTIE, maar het blijkt nooit; “de hoge heren trekken altijd aan het langste eind”, maar niemand kan deze uitspraak JURIDISCH waarmaken, enz.
Daarom hebben we dan ook over een SFEER van onrecht gesproken en dat die sfeer er is, zal niemand ontkennen; de vraag is nu, waarom het bij een SFEER blijft.

We hebben gezegd, dat de justitie onafhankelijk heeft te zijn, en de reden hiervan hebben wij ook genoemd: het gaat over het geheel, dus het gaat over het laatste, het GEESTELIJKE.
Nu is onze westerse cultuur de ontwikkeling van de mens tot dat geestelijke, dus hij houdt zich met het geestelijke bezig, d.w.z. hij wil dit TOT ZIJN RECHT LATEN KOMEN, maar hij KAN het nog niet tot zijn recht laten komen, omdat hij nog slechts OP WEG is naar die zaak en het NOG NIET BEREIKT HEEFT. Hij KAN nog niet geestelijk zijn, en omdat hij dit aan het LEREN is, heeft dit zijn volledige INTERESSE, HIJ HEEFT HET EROVER.
Van hieruit beschouwt hij zijn RECHTSPRAAK en hij ziet er op toe, dat dit juridisch- wetenschappelijk verloopt en dus naar zijn idee zonder onrecht is, en de eventuele processtukken tonen ook geen onrecht aan, d.w.z. : WETENSCHAPPELIJK geen onrecht, maar MENSELIJK is het in de grond van de zaak een en al onrecht, want de mens heeft het menselijke nog niet bereikt, hij heeft ZICHZELF nog niet bereikt.
Daarom is het onrecht WETENSCHAPPELIJK niet aan te tonen, terwijl de mens, omdat hij niet aan zichzelf als GEEST, dus aan zichzelf als MENS, ontkomt, tòch het GEVOEL van onrecht niet van zich àf kan zetten. Dit is de SFEER van onrecht.

Een opmerking over de “interesse”
Het is misschien wel nuttig de verhouding toe te lichten tussen IETS LEREN, en IETS KUNNEN en INTERESSE HEBBEN BIJ IETS.
Als eerste een voorbeeld:
Iemand leert fietsen. Het begint met het NIET te kunnen en het eindigt met het WEL te kunnen; daar tussen in ligt het LEREN FIETSEN, en tijdens dat leren gaat het maar om één ding: leren fietsen. Daarnaar gaat de volledige interesse uit, daarom is het te doen. Op een bepaald moment kan iemand al zo’n beetje fietsen, en dat zo’n beetje kunnen fietsen staat in het centrum van de belangstelling, terwijl niemand stil staat bij het feit, dat het in de grond van de zaak nog steeds een NIET KUNNEN is. Zodra het niet kunnen echter tot een wèl kunnen geworden is, is de interesse vervallen, want dan spreekt het wèl kunnen vanzelf. Natuurlijk kan je fietsen, dat is heel gewoon!

Dus, zolang de mensheid met de ontwikkeling van een bepaald cultuurfacet BEZIG is, is zij volledig bij die zaak geïnteresseerd; is die ontwikkeling echter afgelopen, zodat dat bepaalde facet volledig uitgewikkeld voor ons staat, dan is de interesse verdwenen, dan spreekt het alles vanzelf. Zo is het westen geïnteresseerd bij zijn thema: de mens geestelijk waar te maken, en de interesse in dat thema blijft, zolang de geestelijke mens nog niet waargemaakt is; het gaat alsmaar over het geestelijke en iedereen is er op zijn wijze bij geïnteresseerd, maar het geestelijke IS ER NOG NIET.

INTERESSE GAAT SAMEN MET “LEREN”, DUS MET “NOG NIET KUNNEN”.

Het westen in geïnteresseerd bij het geestelijke, maar het westen IS het tegengestelde daarvan. Daarom gaat het ook alsmaar over “het leren” en iedereen moet zoveel mogelijk “leren”, want zonder “leren” kom je er niet. Zo langzamerhand is iedereen min of meer geleerd, maar er is in feite niets aan de hand, voorlopig. Het is alleen nog maar leren, en kunnen is er nog niet bij. Het komt niet verder dan GELEERDE ONKUNDE, en wij verslinden vele boeken, op welk terrein dan ook en de laatste onwetendheid willen wij ook weten, want je bent nooit te oud om te leren.

Justitie afl.16 en 17  Rechtspraak-4- zie afleveringen 16 en 17

Dinsdag, 4 mei 1965

No. 18.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Europa intellectueel
Al eerder hebben wij een opmerking gemaakt over de cultuur van europa, en dan in het bijzonder WEST-EUROPA, en ook nu weer is het nodig even de aandacht te bepalen tot een SCHIJNBARE TEGENSTELLING, die opvalland is bij de (west) Europese cultuur.
De zaak zèlf, waarover het gaat, is niet ingewikkeld; aangezien wij Europeanen echter zo langzamerhand volledig ontwend zijn op ONBEVANGEN wijze onderscheidingen te maken en dus op ONBEVANGEN wijze te denken, levert het duidelijk maken van het hierbedoelde tal van moeilijkheden op; hoe. paradoxaal het ook klinkt: ONS DENKEN STAAT ONS DENKEN IN DE WEG, want doordat wij denken, dat wij denken, komen wij niet op het idee, dat wij helemaal niet DENKEN, maar ANALYSEREN.
De TEGENSTELLING, waarover het nu gaat, is de volgende; in europa wordt alles intellectueel benaderd en er gebeurt niets, dat niet INTELLECTUEEL GEDEKT is; het INTELLECT is de maat in europa, terwijl het voor elke nog enigszins bewuste mens duidelijk is, dat de IDEELOOSHEID in europa hoogtij viert en steeds meer op de voorgrond treedt.
Wij houden ons intellectueel bezig met de VOETBALTOTO en verder is er geen spoor van een idee te ontdekken in de mensen; alle WARMTE, die aan een idee meekomt en die de mensen begeestert en ze ervoor “warm doet lopen”, al die warmte heeft plaats gemaakt voor een ijzige, doodse KILTE.
Om het intellectuele gaat het in europa, dus om het LAATSTE gaat het in europa, terwijl elk spoor van dit laatste qua LEVEN van de mensen uitgewist is. Dit is de tegenstelling, waarover het nu gaat, en de moeilijkheid bij deze kwestie is, dat wij niet weten te onderscheiden tussen “dat, waarom het gaat” en “dat, wat er in feite is”. Zodra wij dit onderscheid wèl in de gaten hebben, is het ons ook duidelijk, dat de bedoelde tegenstelling helemaal geen tegenstelling is.
We roepen ons nog even in de herinnering, wat we gezegd hebben in het vorige stencil over de “interesse” en over het begrip “leren”: zolang we LEREN fietsen, GAAT het ons er om straks te KUNNEN fietsen, maar IN FEITE kunnen we NIET fietsen, en dat niet-kunnen-fietsen is de REALITEIT, die wij ons ook BEWUST zijn, omdat we ons bewust zijn van het feit, dat we willen LEREN fietsen.
Dus tegen de BEDOELING van ons streven (geweten of niet geweten) contrasteert de REALITEIT: “NU is het zover nog niet, maar de BEDOELING ”.
In het licht, derhalve, van europa’s uiteindelijke resultaat, verschijnt steeds duidelijker europa’s realiteit voor het bewustzijn van de mensen, en die realiteit is dat wij er intellectueel, dus MENSELIJK, nog steeds NIETS VAN TERECHTBRENGEN.
De IDEELOOSHEID van europa en het MAATGEVENDE INTELLECT zijn dus twee zaken, die ONVERBREKELIJK MET ELKAAR VERBONDEN zijn en die in geen enkel opzicht een tegenstelling vormen; het LIJKT slechts een tegenstelling voor het westerse, dus analytische denken.

We moeten goed verstaan dat
we NIET gezegd hebben, dat de Europese mens, vergeleken met die uit vroeger tijden, erop ACHTERUIT gegaan is, omdat hij IDEELOOS is geworden, en we NIET gezegd hebben, dat het DROEVIG met hem gesteld is omdat hij zich alleen nog maar met de voetbaltoto bezig houdt, en we anderzijds ook niet gezegd hebben, dat het zo geweldig met hem is, omdat hij bij alles het INTELLECT als de maat neemt, MAAR DAT WE GEZEGD HEBBEN: de Europese mens is de mens, in wie zich de bewustwording voltrekt van het feit, dat de mens uiteindelijk een intellectueel geval is, zodat zich tevens de bewustwording voltrekt van het feit, dat hij OP WEG NAAR DAT DOEL, in feite GEEN intellectueel geval is, VOORLOPIG. Hij bemerkt dus zijn eigen ideeloosheid, en dat is het, wat hem onderscheidt van de vorige generaties en de vorige culturen, en met deze ontdekking is hij wel degelijk een stap verder gekomen op de weg, die de cultuur gaan moet.
De Europese mens is geen AFKNAPPER, vergeleken met de Grieken of de Chinezen; hij ziet ZICHZELF als een afknapper in het licht van zijn eigen uiteindelijke mens-zijn, en hij KAN zichzelf zo zien, omdat deze zaak CULTUREEL in hem bewust is geworden.
De “grote massa” - om dat woord maar eens even te gebruiken - is zich CULTUREEL weinig bewust, zodat het bovengezegde nauwelijks naar voren komt; het zijn de cultureel bewuste mensen, die de ideeloosheid van europa opvalt.

Hokusai
De bekende Japanse tekenaar en graficus HOKUSAI (1760 - 1849) schijnt herhaaldelijk op zijn eigen onkunde gewezen te hebben; naarmate met het klimmen der jaren zijn vaardigheden groter werden, werd hij zich ook meer bewust van zijn niet-kunnen. Op zijn 85ste jaar liet hij zich in deze geest uit: “Ik ben nu 85 jaar geworden en ik heb mijn gehele leven getekend, alles heb ik getekend en alles heb ik bestudeerd, een grote vaardigheid heb ik bereikt, maar toch zeg ik: geef mij nog vijf jaren de tijd, misschien zal ik dan kùnnen tekenen”.
Hokusai geeft hier blijk van een duidelijk besef omtrent het samengaan van het KUNNEN en het NIET-KUNNEN; een ieder, die wel eens wèrkelijk iets geoefend heeft, kan hiervan meepraten.

De boekenkast
We hebben gezegd: de Europese mens benadert alles intellectueel, en dit betekent natuurlijk ook, dat hij ZICHZELF intellectueel benadert, d.w.z. hij denkt over zichzelf na en komt zodoende allerlei omtrent zichzelf te weten, en datgene, dat hij te weten komt is voor hem maatgevend, want het is hem om het intellectuele te doen.
Evenwel IS hij zèlf nog niet intellectueel, het is slechts zijn INTERESSE en het heeft slechts zijn BELANGSTELLING, zodat de mens, die hij intellectueel ontdekt heeft, voor hem nog lang de mens niet is, die hij zèlf is.
Hij kent op intellectuele wijze een mens, hij weet hoe hij in elkaar zit en hoe hij te repareren is, en ook hoe hij te verwoesten is, kortom, hij weet een heleboel omtrent de mens, MAAR DIE MENS IS HIJ ZELF NIET, in feite , en die mens is ook zijn BUURMAN niet, die mens is een WETENSCHAPPELIJK GEVAL, DAT HIJ IN ZIJN BOEKENKAST HEEFT GEPLAATST, en in die boekenkast zoekt hij onder de betreffende rubriek het boek uit, dat hem over het één of ander inlichtingen kan geven. Maar al met al zijn die wetenschappelijke inlichtingen wèl maatgevend, zodat de mens voor hem dus een WETENSCHAPPELIJKE CONSTRUCTIE is, die hij ZELF niet is, feitelijk, maar waarvan hij DENKT, dat hij het wèl is.
DE WESTERSE MENS IS DE MENS, DIE ZICHZELF IN DE BOEKENKAST HEEFT GEPLAATST.
In die boekenkast is hij helemaal terug te vinden, keurig verdeeld naar alle onderdelen, waarin hij uiteenvalt: geloof, liefde, seksualiteit, werk, kinderen, maatschappelijke status, psychische toestanden en afwijkingen: hij staat er als medische encyclopedie, als filosofische, letterkundige, geschiedkundige, technische en antieke encyclopedie, als “hoe voed ik mijn kinderen op” en als “hoe hoort het eigenlijk”, als “het volmaakte huwelijk” en ‘liefde zonder vrees”, enz. enz. Zelfs wordt hem voorgerekend hoe hij zich, voorzover hij gelovig is, intellectueel kan dekken tegenover de nuchtere feiten van de wetenschap.
Deze mens in de boekenkast is natuurlijk niet de mens zèlf, hoewel we aan de andere kant ook weer niet kunnen zeggen, dat het de mens NIET is. Het gaat wel degelijk OVER de mens, maar daarmee IS hij die zaak niet, waar hij het OVER heeft.

Zo heeft de westerse mens het over RECHT en hij IS onrecht; hij heeft het over seksualiteit en hij IS geen seksualiteit, enz. Hij heeft het overal over, want hij heeft zo ongeveer alles ontdekt, maar dat alles IS hij zichzelf niet.
Dit is de KILTE van de westerse wereld; een wereld, waarin je het overal over kunt hebben, en waarin je niets kunt ZIJN, en dit alles wordt veroorzaakt door het feit, dat europa GEÏNTERESSEERD is bij de mens intellectueel, omdat dit het einddoel van europa is.
We zullen hierover nog uitvoerig komen te spreken, voorlopig zij aan het hiergezegde duidelijk gemaakt, waarom er een schijnbare tegenstelling is tussen het GEDOE van de Europese mens, en datgene, dat hij van zichzelf ZEGT.
Het GEDOE wordt niet beredeneerd, het geschiedt vanuit de helderheid, DONKER in het verschijnsel (zie stencil No. 3 en volgende), en dus is het gedoe de SFEER, terwijl het intellectuele als maat genomen wordt voorzover er GEREDENEERD wordt.

Dinsdag, 11 mei 1965

No. 19.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Ter verduidelijking van het voorgaande
In het moderne europa wordt alles INTELLECTUEEL benaderd, en dat iets, wat het dan ook is, intellectueel benaderd wordt, is voor de Europeaan een VEREISTE; als aan die voorwaarde niet voldaan is, neemt hij het niet serieus.
Ondanks deze intellectuele gesteldheid echter, is er intellectueel in europa niets aan de hand, zoals we gezegd hebben. Hoewel we deze gedachte uitvoerig besproken hebben in de voorgaande cursussen, willen we toch nog het volgende voorbeeld ter verduidelijking aanvoeren:
Er is de verhouding MOEDER-KIND, en deze verhouding is een NATUURLIJKE VERHOUDING, op grond van het feit, dat het kind uit de moeder GEBOREN is. Het gaat er in deze verhouding dus NIET om, dat moeder en kind zich INTELLECTUEEL op elkaar betrekken; in tegendeel: we kunnen de verhouding moeder-kind een zuivere GEVOELSVERHOUDING noemen. Waarom dit zo is, doet hier bij dit voorbeeld niet ter zake.
Nu is het gemakkelijk te begrijpen, dat het met een mens IN ORDE is, als hij of zij zich laat gelden OVEREENKOMSTIG HET WEZENLIJKE, dus overeenkomstig datgene, dat voor hem of haar geldt. Dus is het met de MOEDER in orde als zij de verhouding tussen haar en het kind de genoemde GEVOELSVERHOUDING laat zijn. De mens, die IN ORDE is, is als GEHEEL in orde, d.w.z. voorzover van de mens te zeggen is, dat hij VERSCHIJNSEL is èn voorzover van de mens te zeggen is, dat hij GEEST of INTELLECT is, geldt dit in orde zijn.
Als de MOEDER dus met de gevoelsverhouding voor de dag komt ten opzichte van het kind, is zij VOLLEDIG, of als GEHEEL, in orde; in verband met het intellectuele, waarover wij het nu hebben, moeten we dus nu constateren, dat de moeder ook intellectueel in orde is. Zij is in de genoemde verhouding dus WERKELIJK INTELLECT.

De situatie bij de EUROPESE moeder is echter als volgt: op grond van haar CULTUUR neemt zij alles INTELLECTUEEL, dus òòk haar eigen verhouding ten opzichte van het kind, zodat zij dan de GEVOELSVERHOUDING een INTELLECTUELE verhouding doet zijn.
Dan is van haar te zeggen, dat zij wèl intellectueel bezig is - zij houdt zich namelijk op intellectuele wijze met het kind bezig - maar dat zij “intellectueel”, ofwel “geestelijk” NIETS WAARD IS, want zij legt een FOUTE ZAAK op tafel.

De moeder, die er de boeken op naslaat om te weten te komen hoe zij haar kind op moet voeden; de moeder die, vervuld van alle INTELLECTUELE ONZIN van deze moderne wereld, een lang VERHAAL over het kind kan vertellen, terwijl het haar niet gelukt het kind OP TE VANGEN, en dus ook OP TE VOEDEN. De kinder-psychiater, die op knappe wijze elk kind intellectueel kan benaderen, maar faalt als het over haar eigen kind gaat -  allicht, want hier laat zich de gevoelsverhouding gelden, dus met al dat intellectuele GESCHARREL wordt het een FIASCO.
Dit beeld kunnen we DAGELIJKS en vrijwel overal om ons heen zien; ook de grote collectie meer of minder “wetenschappelijke” boeken, die in de boekwinkels te verkrijgen zijn en die allemaal neerkomen op het thema “Hoe voed ik mijn kind op”, wijst op het hiergezegde. Het is allemaal intellectueel GETOB, dat intellectueel NIETS WAARD IS.

Hopenlijk is de betekenis van het door ons gezegde nu volkomen duidelijk geworden; wat zich in ons voorbeeld bij de verhouding moeder-kind aftekent, is op ALLE terreinen van het Europese leven aan te wijzen.

De Griekse mens en de schoonheid
Wij hebben de Europese en de Griekse mens met elkaar vergeleken en daarbij de vraag gesteld, of de Europese mens misschien een AFKNAPPER was, vergeleken bij de oude Griek, die immers voor ons denken zo gemakkelijk een “edele held” is, “schoon van lichaam en ziel”, vol van verheven, schone gedachten, enz., kortom een mens uit een wereld, die voor ons helemaal verloren is gegaan.
Inderdaad is dit laatste waar: de Griekse cultuur is voor ons verloren gegaan, maar niet alleen de Griekse: ALLE voorgaande culturen zijn voor ons verloren gegaan. Bovendien gaat er VOOR ONS, westerse mensen, nog veel meer verloren, maar daarover gaat het nu niet.
De Griekse mens was de mens, in wie zich de ontwikkeling voltrok van de mens als het begrip SCHOONHEID, dus was het de Griekse mens om schoonheid te doen, daar lag zijn interesse, want dat moest hij TENSLOTTE opleveren.

Dus benaderde de Griek alles vanuit deze interesse, zoals wij, westerlingen, alles vanuit het intellectuele benaderen. Dit wil echter niet zeggen, dat ELKE Griek persoonlijk zich met deze zaak van schoonheid BEZIG hield; integendeel, in de ENKELING; kwam het tot bewustzijn en voor de rest was er het gewone dagelijkse leven met zijn gesjouw, getob, en het uitzichtloze dag-in- dag-uit gedoe. Gewoon het PLATVLOERSE dagelijkse leven, zonder verhevenheden.
Ook voor de Europese mens geldt dit platvloerse, dagelijkse leven, en het zal altijd voor de mens gelden; de Europeaan acht zich echter een AFKNAPPER, omdat en voorzover hij tot bewustzijn komt omtrent zichzelf, op grond van zijn CULTUUR, en dan ZIET hij, dat het dagelijkse leven, OP ZICHZELF GENOMEN, een VERVELENDE aangelegenheid is.
Maar dat was het voor de Griek ook, ALLEEN HIJ WIST HET NOG NIET, want hij wist nog niet van ZICHZELF als intellect, als GEEST.
Voor hem lag het intellect nog BOVEN hem, zodat hij, voorzover hij SCHOONHEID stelde, dit deed in de vorm van GODEN en GODINNEN. De grote Griekse beeldhouwkunst heeft GODEN tot onderwerp.
Verder stond de “gewone” Griek ‘kringetjes te spuwen in de haven van Piraeus”.

De Europese mens is dus CULTUREEL verder dan de Griekse mens, en bovendien vertegenwoordigt de Europese mens de LAATSTE CULTURELE FASE in de ontwikkelingsgeschiedenis der mensheid, en in die laatste fase ONTDEKT DE MENS ZICHZELF.

Naar aanleiding van een vraag
In verband met ons onderwerp wijst één der cursisten er op, dat op grond van het feit, dat wij in europa allemaal zo ontwikkeld waren, niemand een wereldoorlog voor mogelijk had gehouden, en dat het tòch door ging.
Dit is een goed voorbeeld en het demonstreert duidelijk het door ons gezegde: iedereen nam het INTELLECT als de maat, terwijl niemand er aan dacht, dat er “intellectueel’ niets aan de hand was.
En dus gingen we, onder de vlag van een maatgevend intellect, en met het einddiploma van de H.B.S. in onze zak, elkaar voor de kop schieten, en elk schot was intellectueel gedekt, en elke MOORD ook, en elke DODE JOOD ook en verwoeste steden, enzovoort. DAT GING ALLEMAAL DOOR in een europa op H.B.S. niveau, DAT was de REALITEIT.
Verder wijs ik er op, dàt de hele zaak VAN TWEE KANTEN door GEZWETS was aangestookt en aan de gang werd gehouden. Zo vanuit mezelf vermoord ik geen rus, maar als mij nou glashelder is aangetoond, dat die rus een communist is en dat het communisme de ondergang van de wereld betekent, zodat de russen noodwendig uitgeroeid moeten worden, dàn schiet ik hem natuurlijk neer en luister ‘s avonds na de “dienst’ met een gerust geweten naar de negende symfonie van Beethoven.

Enkele vragen
Hoewel we misschien gevaar lopen te ver buiten ons onderwerp te geraken, moeten we toch een antwoord zien te vinden op enkele vragen, die overigens bij nader inzien wel degelijk bij ons onderwerp behoren, want het gaat over verschijnselen, die wij de gehele geschiedenis door tegenkomen.
Als eerste evenwel nog dit: de Europese mens, voorzover hij NIET BOVEN ZIJN EIGEN CULTUUR UITKOMT, dus voorzover het hem om het intellectuele gaat, is de mens van het VERRAAD; de sfeer van verraad ligt over de gehele westerse wereld en ook aan wat wij hierboven gezegd hebben over de wereldoorlog komt uit: door zijn INTELLECTUELE INTERESSE VERRAADT DE MENS ZICHZELF.
De vraag, die we nu als eerste zullen behandelen is deze: hoe komt het, dat de mens tenopzichte van zijn BEDOELING altijd een verrader is.
Anders gezegd: hoe ligt de verhouding tussen de BEDOELING van de mens en DE MENS ZELF.
In de twee voorgaande stencils hebben we reeds het een en ander opgemerkt over het “leren” en het “kunnen” en de ‘interesse”.
Hierop gaan we nu wat verder in.

Dinsdag, 25 mei 1965

No. 20.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

De mens en zijn idee
In de vorige cursus hebben we onszelf een vraag gesteld inzake het begrip VERRAAD.
Om duidelijk te krijgen in welke zin we dit op moeten vatten, is het zaak, dat wij ons het volgende realiseren:
De CULTUUR van een BEPAALD volk, of een BEPAALDE GROEP VAN VOLKEREN, is een FACET van het MENSELIJKE; het is één van de verhoudingen, die voor de MENS gelden, en die verhouding is dan CENTRAAL gesteld, d.w.z. alles richt zich naar die verhouding, alles draait om die verhouding.
Deze VERHOUDING, die CENTRAAL gesteld is, is voor dat bepaalde volk zijn CULTUUR; het is de IDEE, die door alles heen gaat.
De GESCHIEDENIS van dat bepaalde volk is het voor de dag komen van die verhouding, van die IDEE, en die geschiedenis gaat net zo lang door, totdat die IDEE gerealiseerd is, d.w.z. ten voeten uit staat.
Voor de MENS geldt echter niet alleen maar DIE verhouding, die CENTRAAL gesteld is, maar voor de MENS geldt een GEHEEL van verhoudingen, een KRISTALLIJNEN NET VAN BEGRIPPEN, zoals HEGEL zegt, en uit dat NET VAN BEGRIPPEN springt er niet één uit, d.w.z. er staat geen enkele verhouding eenzijdig CENTRAAL. Zodat dus, tijdens de ontwikkeling in een bepaald cultuurvolk van een bepaalde centrale verhouding, het GEHEEL van verhoudingen zich mee ontwikkelt, en dat alles in het LICHT van die ene, centrale verhouding.
Staat deze zaak eenmaal tén voeten uit, dus, staat het GEHEEL van verhoudingen, in het LICHT van een bepaald FACET van datzelfde geheel, eenmaal ten voeten uit, dan is daarmee tevens WAT ANDERS voor de dag gekomen, en dat andere kan zijn òf een VOLGEND FACET, waarvoor dan weer op zijn beurt het bovengezegde geldt, òf het is het GEHEEL van verhoudingen zèlf, dat dan uiteraard geen FACET meer is. Het zich uitwikkelen van de verschillende facetten is dan achter de rug, de CULTUURGESCHIEDENIS is afgelopen, voorzover we onder “cultuurgeschiedenis” verstaan: DE WEG VAN DE MENSHEID TOT CULTUUR.

Nogmaals West europa
Meerdere malen hebben we al gezegd: West-europa is de ontwikkeling van de mens naar zijn LAATSTE FACET, zodat we dus nu het volgende begrijpen:
1. De LAATSTE VERHOUDING, die voor de mens, naast alle andere verhoudingen, die aan hen te bedenken zijn, geldt, is het feit, DAT HIJ INTELLECT IS. Want het intellectuele, het geestelijke, het ineen-zijn, is het laatste, dat voor de werkelijkheid geldt. Als laatste culturele FACET wordt dus HET INTELLECT CENTRAAL GESTELD, en dat is West- europa.
2. Na dit laatste FACET komt er uiteraard geen FACET meer, want daarvoor was het nou net het LAATSTE; met de eenzijdig centraal gestelde verhoudingen, met de facetten, is het dan afgelopen.
3. Als het met de facetten afgelopen is, rest er nog maar één mogelijkheid, n.l. het GEHEEL van verhoudingen zèlf, dus DE MENS ZELF, want dat is dàt geheel van verhoudingen. En dan zet zich het tijdperk in, waarin de mens VOLWASSEN is, en dat tijdperk heeft straks waar zijn eigen GESCHIEDENIS, en die geschiedenis geeft dan te zien de WEG van de mens, beginnend bij een ONONTWIKKELDE VOLWASSENHEID tot en met een ONTWIKKELDE VOLWASSENHEID. En verder gaat het niet.
4. Deze laatste, in punt 3 genoemde zaak, komt in West-europa VOOR DE DAG, omdat het laatste FACET in West-europa uitgewikkeld wordt, totdat het uitgewikkeld IS, en daarmee het NIEUWE naar voren heeft geroepen: de mens zèlf.
5. Het GAAT in West-europa om de mens, voorzover hij INTELLECTUEEL is, en het realiseren van deze zaak doet AUTOMATISCH, d.w.z. ongeweten en ongewild en zonder dat het de BEDOELING was, de mens zèlf te voorschijn komen, d.w.z. als KIEM, als BEGINPUNT.
6. Voor ELKE cultuur in het verleden heeft gegolden, dat hij opgevolgd werd door “het nieuwe”, namelijk het VOLGENDE FACET, dat echter toch niet meer dan een FACET was; voor “Het nieuwe”, dat op West-europa volgt, geldt echter, dat het werkelijk NIEUW is, want voor het eerst is dit GEEN FACET meer.
“Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde “, staat er in de OPENBARINGEN te lezen, en: “De eerste dingen zijn voorbij gegaan”.

Aan deze zaak zitten heel wat consequenties vast, en er zijn mogelijkheden tot MISVERSTAAN te over, maar we moeten voorlopig dit risico maar nemen en verder gaan met ons thema; t.z.t. komt West-europa nog uitvoerig ter sprake.

De bedoeling en de realiteit
Voor elk cultuurvolk gaat het dus om de verwerkelijking van een bepaald FACET van de mens; dat FACET is de BEDOELING van dat cultuurvolk en alles spitst zich er op toe, die zaak te realiseren.
Dit gaat allemaal VANZELF, d.w.z. die zaak laat zich gelden, ongeacht of de betreffende mensen het WETEN of niet; er neemt niemand Het BESLUIT dit cultuurfacet waar te maken, maar iedereen is er op zijn wijze mee bezig, en iedereen neemt het ook, meer of minder BEWUST, als de MAAT, als datgene, waarom het gaat.
Tevens echter, blijft iedereen er BENEDEN, want voor iedereen geldt, dat de ontwikkeling naar dat DOEL nog aan de gang is.
Dus het GEDOE van de mensen, wat het dan ook is, heeft wel als GRONDTOON de bedoeling die er CULTUREEL in die mensen ligt, maar het DOEL zèlf is nog niet bereikt, en niet alleen dat het nog niet bereikt is, maar het GEDOE van de mensen ONTKENT datgene, waar het voor hen toch EIGENLIJK om gaat.
De IDEE, namelijk de BEPAALDE VERHOUDING, die voor de mensen van een bepaald cultuur- tijdperk geldt, wordt dus in het GEDOE voortdurend VERRADEN, d.w.z. de REALITEIT pleegt verraad ten opzichte van de BEDOELING.
We kunnen dit met recht VERRAAD noemen, want niemand ontkomt aan het feit, dat voor hem zijn eigen idee, meer of minder bewust, geldt, dus op de een of andere manier weet iedereen wel, waarom het eigenlijk gaat, en dat dit in de praktijk alsmaar verraden wordt, door namelijk te doen, ALSOF HET NIET GELDT.
VERRAAD wil immers zeggen doen alsof iets anders is dan het is, qua BEDOELING.
Dus als ik doe alsof ik een andere bedoeling heb, dan ik WERKELIJK heb, dan ben ik een VERRADER; als JUDAS de zoon des mensen verraadt, dan DOET hij alsof de zoon des mensen zijn eindpunt, zijn doel, NIET is, terwijl hij WEET, dat de zoon des mensen zijn doel wèl is. Toen dit WETEN zich dan ook aan hem op ging dringen, hing hij zich op, want JUDAS HAD ZIJN EIGEN EINDPUNT VERRADEN. Hij had ZICHZELF verraden, en hij was zichzelf een verrader.

Het verraad in Europa
De IDEE van europa, de CENTRALE VERHOUDING van europa, is, zoals gezegd, het INTELLECT, en dus is het VERRAAD, dat we in europa tegenkomen HET AAN HET DAGELIJKSE GEDOE SNEUVELEN VAN HET INTELLECTUELE.
Het Griekse besef was het sneuvelen van de schoonheid, en alles, wat daaraan meekomt; nog verder terug in de geschiedenis lag het besef van het sneuvelen van het VROUWELIJKE, enz. Hierop komen we nog uitvoerig terug als we de geschiedenis gaan behandelen.
In allen gevallen sneuvelt voor europees besef het INTELLECTUELE aan het GEDOE van de mens; van dit besef is de gehele westerse kunst doortrokken, bijv. de ROMANKUNST:
- in “TRISTAN EN ISOLDE” gaat de LIEFDE (het intellectuele) ten onder aan het verraad; het verraad is hier het alledaagse HUWELIJKSGEDOE en de daaraan meekomende moraal.
- in “HAMLET” gaat de INTELLECTUELE MENS, mannelijk gedacht, ten onder aan het verraad en het verraad is hier het KONINGSGEDOE, dus de MAATSCHAPPIJ OP HOOG NIVEAU met de daaraan meekomende DUISTERE PRAKTIJKEN.
- in “DON QUICHOTTE” verschijnt de mens, die NIET VAN DEZE WERELD IS, als een DROEVIGE en TRAGISCHE figuur temidden van het rumoer en banale gekrakeel van deze wereld.

Onveranderlijk sneuvelt in de Europese LITERATUUR de BEHOORLIJKE MENS aan het gedoe en gescharrel en gesjacher en gekonkel en aan de LAFHEID van de alledaagse mens; nooit wordt er een menselijke verhouding getekend, die werkelijk LUKT; steevast wordt elke behoorlijke zaak VERRADEN.
Als we ons nu herinneren, dat het intellectuele voor europa de centrale verhouding is, dus het FACET, in welke licht alles verschijnt en dat IN FEITE voor de MENS geen enkele verhouding eenzijdig CENTRAAL is, dan begrijpen we hoe het mogelijk is, dat een zaak, die eigenlijk ABSOLUUT en dus ONAANTASTBAAR is, tòch sneuvelt. Die onaantastbare zaak namelijk komt in europa niet als zodanig voor de dag, maar het komt voor de dag als iets, waarbij we BELANG hebben en die we dus kunnen VERKWANSELEN en alle mogelijke VUILIGHEDEN uithalen.
Wat is er al niet in het belang van het CHRISTENDOM gemoord en geplunderd en hoe hebben wij onze VRIJHEID niet gebruikt om er anderen mee te onderdrukken.
Het INTELLECTUELE, als EUROPESE CULTUUR, is geen ABSOLUTE zaak, maar een AFHANKELIJKE zaak, die als zodanig overal voor te GEBRUIKEN is. Het Europese intellect is een BRUIKBAAR INTELLECT.

Dingdag, 1 juni 1965

No. 21.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Bladwijzers: De ZONDE: zie de nrs. 5 en 6 , 12a t/m 16 en 21 ;  

De begrippen zonde en verraad
Eerder in deze cursus hebben wij gesproken over het begrip ZONDE, en daarbij is gebleken, dat het bij de zonde gaat over een NIET VOLDOEN aan een bepaalde eis, die voor de mens geldt. Nu wij het over het VERRAAD hebben, gaat het weer over een niet voldoen aan iets, dàt voor de mens geldt.
Gebleken is, dat over het begrip ZONDE en het begrip VERRAAD enige verwarring is ontstaan, wat overigens niet verwonderlijk is, want het is moeilijk om slagorde te krijgen in deze wirwar van verhoudingen, die allemaal in elkaar grijpen.

Het begrip ZONDE heeft te maken met het GEHEEL, d.w.z. ten opzichte van het GEHEEL weet de mens zichzelf ZONDIG; voorzover het over het GEHEEL gaat, DEUGT de mens niet, want hij is het geheel wel, en dat is dus in orde, maar hij is het geheel op zijn eigen BEPAALDE WIJZE en hoewel ook dat in orde is, omdat het niet anders kàn, beseft de mens toch, dat hij hieraan NIET DEUGT. En hij beseft, dat de OORZAAK van dit NIET DEUGEN gelegen is in zijn eigen BEPAALDHEID, die hij niet van zich af kan schudden, en die hij toch, gezien vanuit HET GEHEEL, vaarwel heet te zeggen.
Het ZONDEBESEF komt dus aan de mens op in verband met het geheel, en het gaat over de BEPAALDHEID, die de mens is. Deze bepaaldheid OP ZICHZELF GENOMEN, staat het geheel in de weg en vandaaruit is er het zoeken naar een OPLOSSING, want de mens moet toch bij het geheel terechtkomen.
Voor de hand ligt, dat de mens om te beginnen de oplossing gezocht heeft in het ONTKENNEN van het bepaalde, dus het ONTKENNEN van zichzelf als BEPAALDHEID. Dus het ontkennen van zichzelf als LICHAAM en het ontkennen van zichzelf als WERELD. Dit alles geldt, zoals gezegd, ten opzichte van het GEHEEL, welk geheel om te beginnen voor de mens als GOD gedacht wordt, zodat we het beeld al voor ons zien verschijnen: de mens, die zichzelf als LICHAAM en zichzelf als WERELD vervloekt en probeert AF TE SCHAFFEN, met de bedoeling zichzelf als GOD te realiseren, d.w.z. bij GOD terecht te komen.
Dit beeld is bekend in europa: het kloosterleven, de onthouding, het kastijden van het lichaam, de afschuw voor het lichamelijke, het afwijzen van de sexualiteit, de ascese en verder alle psychische verschijnselen, die als REACTIE op een dergelijke gesteldheid voor de dag komen.

Het ZONDEBESEF slaat dus op het GEHEEL, en de mens vindt dat hij NIET DEUGT, omdat hij een BEPAALDHEID is.

Bij het VERRAAD evenwel ligt de zaak anders. Daar gaat het niet over het GEHEEL, maar over de voor een bepaalde cultuur geldende CENTRALE VERHOUDING, dus de CULTUURIDEE. En deze IDEE sneuvelt aan het DAGELIJKSE LEVEN, dus aan de PRAKTIJK, en hij kan niet anders dan sneuvelen, want voor het LEVEN geldt niet dat er één verhouding, welke dat ook is, eenzijdig UITSPRINGT als zou het daarom gaan, bijvoorbeeld:
In de cultuur van EUROPA gaat het om het INTELLECT en dus streven we er naar, alles intellectueel op te lossen en te benaderen. De centrale verhouding is het INTELLECT, CULTUREEL GESPROKEN, maar in het dagelijkse leven, DUS IN HET LEVEN, komt er van deze zaak niet veel terecht en dat merken wij ook wel en dan verzinnen we wel een excuus, terwijl we het tevens niet zo erg zwaar opnemen. Al met al hebben we toch het intellectuele, dat voor ons de maat was, verraden.

Het VERRAAD is dus het aan het DAGELIJKSE LEVEN sneuvelen van de CULTUURIDEE.

Een waarschuwing
Wij behoren allen tot de Europese cultuur; dat feit laat zich door alles heen gelden. Niet alleen dat wij alle mogelijke problemen met ons Europese denken benaderen, maar ook dat wij, voorzover wij hier bovenuit weten te komen, belast zijn met een ERFENIS van begrippen, die bij nader inzien ook door en door europees blijken te zijn. Daarom is het moeilijk met de ons ter beschikking staande woorden (= begrippen) een zaak te typeren en dan zodanig, dat de zaak niet bevangen is in het Europese denken.
De cultuuridee bijvoorbeeld wordt door de mens ALTIJD verraden, want hoewel het maatgevend voor hem geldt, DOET hij alsof er niets aan de hand is, d.w.z. hij GEDRAAGT er zich eigenlijk niet naar.

Dit is dus het VERRADEN van de IDEE, maar dat de idee verraden wordt, wil nog niet zeggen, dat wij dit JAMMER moeten vinden en dat wij moeten gaan WEEKLAGEN de IDEE, d.w.z. de CENTRAAL gestelde verhouding, KAN niet anders dan verraden worden omdat het een verhouding is, die als zodanig, namelijk als CENTRALE verhouding, niet kan bestaan, geen REALITEIT is. Het is slechts een IDEE, een bij de mens als DOEL en BEDOELING voor ogen zwevend IDEAAL, dat hij in de grond van de zaak BUITEN en BOVEN zich weet en waarnaar hij opziet met ONTZAG en waarnaar hij in de beste gevallen tracht te leven, zonder dat het hem feitelijk lukt. De IDEE, het IDEAAL, is dus ALTIJD verraden, juist omdat het een IDEE is.
Het past ons dus niet te gaan DISQUALIFICEREN en het past ons niet te gaan OORDELEN, d.w.z. VEROORDELEN, want het KAN niet anders dan zó, terwijl het anderzijds niet aangaat om op grond van dit niet-anders-kunnen het verraad goed te praten. Het is en blijft verraad, ook al kan het niet uitblijven.
Het is europees denken om direct een QUALIFICATIE te laten gelden, dus om een WAARDEOORDEEL te geven. Voor ons heeft alles WAARDE, negatief of positief, en dan is het verraad negatief en de idee positief en daarmee is voor het Europese denken de kous af. Dit moet je doen en dat moet je laten, dit is goed en dat is slecht, en daarover kunnen we dan eindeloos discussiëren, we kunnen er dikke boeken over schrijven en er een LEER over opstellen en die leer noemen we dan ETHIEK en ETHISCHE FILOSOFIE of we geven het een nog duurdere naam, maar al met al zijn we toch aan het WAARDEREN, d.w.z. de WAARDEN tegen elkaar af te wegen. Dit WAARDEREN staat het DENKEN in de weg en zo kunnen we ook niet begrijpen wat er hier met VERRAAD bedoeld wordt als we al bij voorbaat (op grond van onze Europese ERFENIS) een negatieve waarde aan de zaak toekennen.
Noch een positieve, noch een negatieve, geen enkele WAARDE mag in ons bewustzijn liggen als we werkelijk willen DENKEN.

Het sneuvelen van de idee, het geen realiteit zijn van de idee voorzover het gaat over het LEVEN van de mensen, hebben wij het VERRADEN van de idee genoemd; het woord “verraad” evenwel is ook weer een europees woord met de daarbij behorende inhoud en SFEER en WAARDE en daar moeten we bovenuit zien te komen, terwijl we tòch het begrip “verraad” aanhouden.

 
Een opmerking over de idee
De franse dichter LAMARTINE (1790 - 1869) heeft in zijn werk “Histoire des Girondins” gezegd: “Het ideaal is niets anders dan de waarheid op een afstand” en deze opmerking brengen wij in verband met het door ons hierboven gezegde over het niet lukken van de IDEE: “ het is SLECHTS een idee”.
Nu moeten we er ook hier weer voor oppassen, dat we dit niet als een disqualificatie gaan opvatten, want al is het een FEIT, dat de mens altijd zijn idee verraadt, zo wil dit nog niet zeggen, dat de ideeën dan maar beter achterwege hadden kunnen blijven, of dat het zomaar zonder meer flauwekul is. De gehele geschiedenis van de mensheid is op niets anders gebaseerd dan op de ideeën, die in de mensen geleefd hebben.
Totdat de mens VOLWASSEN is komt zijn GEEST voor de dag als IDEE en zo genomen zijn de ideeën het BESTE, dat de mensheid opgeleverd heeft, ook al is het dan ook inderdaad een “waarheid op een afstand”, d.w.z. een waarheid BUITEN de mens zèlf, waar hij zich NAAR TOE tracht te werken.
GOD is voor de Europese mens een IDEE geweest en zo was er nog wel meer een IDEE voor hem; voor de oudere culturen waren er weer andere ideeën en van allemaal is te zeggen, dat het geen REALITEITEN waren en dat ze dus noodwendig verraden werden, maar daarmee is de zaak bepaald nog geen flauwekul.
De VRIJHEIDS IDEE van west-europa werd en wordt voortdurend verraden; er is van onze “vrijheid” weinig te merken en waar er wel iets van te merken is, daar is het nog op het gebied van de HANDEL, dus op het gebied van een zaak, die LOGISCH NIET HOUDBAAR is.
Toch is de vrijheidsidee geworteld in een van de allerlaatste begrippen, die voor de mens gelden; het is een GROTE IDEE, die, op zichzelf genomen, bepaald niet van de tafel is te vegen. Het gaat hier dus niet over het MINACHTEN van iets, maar het gaat er om de zaak te zien zoals ze is en elk HOOGACHTEN of MINACHTEN achterwege te laten.

Bladwijzers: De ZONDE: zie de nrs. 5 en 6 , 12a t/m 16 en 21 ;  

Dinsdag, 8 juni 1965

No. 22.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

De helderheid, donker in het verschijnsel
In het stencil No. 3 van deze cursus hebben wij het een en ander uiteengezet over de helderheid, die de mens is. We hebben gezegd dat deze HELDERHEID, voorzover ze de IMPULS voor het GEDRAG van de mens is, DONKER in het verschijnsel ligt, of, om de woorden van JUNG te gebruiken, in ons bloed leeft.
Deze zaak is dus geen kwestie van WETEN of BEREDENEREN of UITREKENEN maar het is iets, dat VANZELF zich laat gelden, en het HOE en WAAROM van ons GEDRAG ontgaat ons bewust-zijn, d.w.z. desnoods kan een in grote mate bewust levend mens wel in zichzelf NAGAAN waarom hij zich gedraagt zoals hij zich gedraagt maar van een zich gedragen overeenkomstig een van te voren beredeneerd patroon is geen sprake.
Hiermede willen wij niet zeggen, dat het GEDRAG van de mens niets met intelligentie te maken heeft en dat het niet met de GEEST te maken heeft; integendeel, het GEDRAG van de mens spiegelt zijn GEEST af. Wij willen alleen maar zeggen, dat het allemaal niet volgens een BEREKENING gaat, maar, zoals dat gewoonlijk genoemd wordt, ONBEWUST.

Op deze werkelijkheid, die als het ware in de mens leeft, heeft het ANALYTISCHE west- Europese denken GEEN VAT, want die werkelijkheid is HELDERHEID, GEEST, die weliswaar IN HET DONKERE VERSCHIJNSEL ligt, maar die tòch helderheid is, dus INEEN-ZIJN, dus NIET TE ONTLEDEN. In de duisternis van het verschijnsel ligt voor europees besef, een onvatbare werkelijkheid, waarvoor allerlei schijnt te gelden waaraan geen touw vast te knopen is. Maar niet alleen, dat er niets mee aan te vangen is; het is ook een afkeurenswaardige zaak, omdat ze zich niet loont voor de west-europese cultuur, de BEREKENING, èn omdat ze IN HET DONKERE VERSCHIJNSEL LIGT - het ‘verschijnsel’, dat AFGESCHAFT dient te worden.
Daarom staken wij de vlag uit voor ZELFBEHEERSING, voor GOEDE MANIEREN, voor MET OVERLEG TE WERK GAAN, enzovoort. Het IMPULSIEVE heeft voor ons bij gelegenheid wel zijn BEKORING, maar het is ONZIN om daarop te LEVEN, want je moet toch ook nog eens aan je toekomst denken, en aan je medemens en je moet REKENING houden met allerlei. Je bent tenslotte geen KIND meer… !
Zo is het dus voor de Europeaan geen prettige gedachte te weten van waaruit het LEVEN zijn IMPULS krijgt; hij zou willen dat het anders was en hij PROBEERT het ook anders, met alle FATALE gevolgen van dien. Niet voor niets lopen de mensen steeds meer naar de PSYCHIATER om genezing te zoeken voor hun ziekte, de ZIEKTE VAN DE BEREKENING. In een land als AMERIKA, waar deze ziekte reeds in grote mate is ingekankerd, is het regelmatig bezoeken van de psychiater even vanzelfsprekend als boodschappen doen.
De mens kan niet LEVEN op een berekening en als hij dat toch steeds meer gaat doen, gaat dit ten koste van zijn leven en alles, wat daaraan meekomt.

De filosofie
De filosofie pretendeert een BEREKENING te geven van de werkelijkheid, en zij wil een WETENSCHAP worden en tenslotte, zoals alle wetenschappen in en voor europa, GEMEENGOED worden, zodat de mensen WETEN hoe de werkelijkheid in elkaar zit en dus ook hoe zij zèlf in elkaar zitten en wat er voor hen geldt, zodat alle ONZIN, die de mens tot nu toe over zichzelf heeft verteld en in stand gehouden, komt te vervallen.
Echter, de filosofie geeft geen berekening, maar, net als de KUNST, een BEELD, terwijl er van het WETEN van de mensen, voorzover het hun LEVEN betreft, niets te verwachten is en dat niet omdat de mens DOM en SUF is, maar omdat het voor de mens niet om deze zaken gaat.
Het enige, dat in de mens plaats vindt, is de VERHELDERING, en dat proces gaat automatisch zijn gang via de opeenvolgende GESLACHTEN, zoals wij al eerder gezien hebben.
Deze VERHELDERING is niet te beïnvloeden, niet te verhaasten, niet in een richting te sturen; het is gewoon een KOSMISCH PROCES, dat in de mens plaats heeft.
Dat er in west-europa het verlangen was en nog wel is, om de filosofie wetenschappelijk te doen zijn, vindt zijn grond in de ontdekking, dat de gehele zaak op basis van de LOGICA heeft te gaan, zoals trouwens alle wetenschappen; het VERSCHIL met de wetenschap is echter, dat de filosofie niet met een logische BEREKENING komt, maar met een BEELD, dat, wil het een helder beeld zijn, BEANTWOORDEN moet aan de wetten van de logica.
Uiteraard wordt er in west-europa van de filosofie een WETENSCHAP gemaakt, zoals er ook van de kunst en van het leven een wetenschap gemaakt wordt, maar dat wil nog niet zeggen, dat er daarom van FILOSOFIE en KUNST gesproken kan en mag worden.

Naar aanleiding van een vraag
Er is de vraag gesteld naar de betekenis van het KRUIS, dat voor europa toch eeuwenlang een SYMBOOL geweest is, maar dat bovendien in de oudheid overal in de een of andere vorm opduikt, al of niet gecombineerd met de CIRKEL, of de RONDHEID.
Alvorens de specifiek Europese betekenis van dit symbool na te gaan - wat overigens een thema is, dat later ter sprake komt - moeten we eens op het volgende letten:
Voor de MENS geldt, dat hij GEEST is, en GEEST is de werkelijkheid, die INEEN-ZIJN is, of, met andere woorden: HET GEHEEL.
Nu hebben we al eerder over het GEHEEL gesproken en daarbij getracht duidelijk te maken, dat de INHOUD van het geheel de werkelijkheid der BEPAALDHEDEN is; het geheel BESTAAT uit de bepaaldheden en dit laatste komt neer op het begrip HET EEN EN HET ANDER.
Dus daar is het GEHEEL, en daar is datgene, waaruit dat geheel BESTAAT, dus daar is, om het precies te zeggen, het INEEN-ZIJN (van het één en het ander) en daar is HET EEN EN HET ANDER (die ineen zijn).
In het INEEN-ZIJN (van het één en het ander) geldt de bepaaldheid NIET als bepaaldheid en dit is te symboliseren met de RONDHEID. Aan de OMTREK van een cirkel is geen enkel PUNT aan te wijzen, dat in vergelijking met de andere punten van de omtrek ANDERS is; het ANDERS-ZIJN geldt hier niet; het VERSCHIL geldt hier niet; de BEPAALDHEID geldt hier niet; het INEEN-ZIJN geldt hier.
Het EEN EN HET ANDER (die ineen zijn) wordt gesymboliseerd door het KRUIS; daar is de ENE balk en de ANDERE balk, en in het SNIJPUNT zijn ze ineen.

Het KRUIS en de CIRKEL zijn SYMBOLEN, die de twee verhoudingen, die voor de werkelijkheid IN LAATSTE INSTANTIE gelden, typeren : het KRUIS gaat over het EEN EN HET ANDER en de verhouding waarin zij tot elkaar staan; de CIRKEL gaat over het INEEN-ZIJN en datgene, waaruit dat ineen-zijn BESTAAT.

Om redenen, die wij later uitvoerig zullen bespreken, staat europa in het teken van het KRUIS, d.w.z. het gaat over HET EEN EN HET ANDER, dus over de BEPAALDHEDEN.
Voorzover het gaat over het één en het ander, ONGEACHT het snijpunt, is het kruis het TEKEN VAN DE DOOD, want het één en het ander ligt hier UITEEN. Het kruis, met INBEGRIP van het snijpunt is het teken van het LEVEN, met dien verstande, dat het hier over het EEUWIGE LEVEN zonder meer gaat. Dus niet over het reële leven HIER OP AARDE voor de LEVENDE MENS, want daarvoor moet ook het begrip CIRKEL gelden.

Het KRUIS als het SYMBOOL van het EEUWIGE LEVEN is het teken van het oorspronkelijke CHRISTENDOM en als symbool van de DOOD is het het teken van de ROOMSE KERK.

Het oorspronkelijke christendom
Het oer-christendom was gericht op een IDEE en hoewel er het streven was deze idee tot PRAKTIJK om te zetten, was het toch, zoals met alle ideeën het geval is, een ONHOUDBARE aangelegenheid - een feit, dat door de GESCHIEDENIS genoegzaam bewezen wordt.
De gehele zaak is namelijk UITGEROEID, en wel door zijn TEGENDEEL, dus het kruis als DOOD, dus ROME als KERK.
De eerste christenen hebben geprobeerd een IDEE in de praktijk te brengen, en ook later zijn er vele pogingen ondernomen iets dergelijks waar te maken. Een idee is echter niet in de praktijk te brengen, want dit moet noodwendig MISLUKKEN; we hebben in het voorgaande getracht dit duidelijk te maken.

 Over de ontwikkeling van deze zaak en over het VERGAAN van de ideeën komen wij nog te spreken; voorlopig is het voldoende in te zien, dat elke IDEE een BOVEN EN BUITEN zich weten van de GEEST vooronderstelt; we kunnen ook zeggen: ELKE IDEE VOORONDERSTELT GELOVIGHEID. In welke VORM en onder welke NAAM dan ook.
Voor de VOLWASSEN mensheid komt de GEEST niet meer als IDEE naar voren, maar als de geest zèlf, en dan zodanig, dat het daarom NIET MEER GAAT. Hierover later meer.

Dinsdag, 15 juni 1965

No. 23.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Bladwijzers: Gezag-1 ; Gezag-2 ; Gezag-3 ;

 

Over het vergaan van de idee
Wij hebben het vorige stencil afgesloten met de opmerking: elke idee vooronderstelt GELOVIGHEID - en naar aanleiding hiervan het volgende:
Met “gelovigheid’ is niet uitsluitend bedoeld dat de mensen een bepaald GELOOF aanhangen of bij een gelovige SEKTE behoren of bij een KERK; Het wil ook niet zeggen, dat het gaat over het geloven aan een GOD of aan een HOGERE MACHT. Deze zaken vallen wel onder het begrip “gelovigheid”, maar dit begrip zèlf is veel groter en het kan in talloze variaties naar voren komen onder de mensen, o.a. zelfs als ONGELOOF, bijv.: de communisten geloofden in het communisme, want zij verwachtten er allerlei van en zij werkten daar ook naar toe. Het was hun IDEAAL waar zij uiteindelijk terecht moesten komen, en waar zij NU nog niet waren, en zo was het communisme de IDEE, de CENTRALE VERHOUDING, waarom het ging. Evenwel waren deze communisten geen GELOOF toegedaan, d.w.z. zij geloofden niet in GOD dat beweerden ze tenminste.
Ook deze zaak valt onder het begrip “gelovigheid”, want het ging om een IDEE, die in de praktijk GEBRACHT moest worden en die vanuit zichzelf genomen nog geen praktijk was; het lag niet alleen BUITEN, maar ook BOVEN de mens. Het was een stuk HELDERHEID, BOVEN HET VERSCHIJNSEL.

De GELOVIGHEID, die aan een IDEE voorondersteld is, slaat dus op het feit, dat een IDEE een stuk helderheid BOVEN het verschijnsel is, en deze zaak komt op alle mogelijke manieren voor. De LAATSTE GELOVIGHEID voor de mens is de GEEST, of het INTELLECT, en de cultuurperiode, waarin deze gelovigheid uitgewikkeld wordt is de cultuurperiode van West-Europa - we hebben al eerder gezegd: de IDEE van West-Europa is het INTELLECT.
Deze LAATSTE IDEE echter, die in haar ontwikkeling alle laatste BEGRIPPEN bloot legt, is ook gedoemd ten onder te gaan, want met het naderen van het punt, dat de zaak ontwikkeld is, VERLIEST HET ZIJN WAARDE en wordt het tot iets vanzelfsprekends, dat voor de LEVENDE mens AUTOMATISCH geldt. Dat dus niet meer als een onbereikbare HELDERHEID BOVEN de mens ligt, maar dat als een WERKELIJKE HELDERHEID de impuls is voor het menselijke leven.

Het is voor de Europeaan moeilijk te verteren dat ook zijn ideeënwereld, die toch zijn CULTUUR is, weg zal zakken in de ONVERSCHILLIGHEID; hij reageert dan ook fel als hij hiermee geconfronteerd wordt en hij begrijpt er niets van. Een, voorbeeld hiervan is zijn machteloze houding ten opzichte van de moderne jeugd, die reeds duidelijk onverschillig is voor datgene, dat voor hem zoveel waarde had: toekomst, aanzien, een goede positie, het gezag, de goed geoliede maatschappij, de moraal, het huwelijk, de wetenschap, de staat, enz. Voor de Europeaan wil het WEGZAKKEN IN ONVERSCHILLIGHEID zeggen, dat de IDEEËN verloren gaan en hij heeft hierin in zoverre gelijk, dat ze inderdaad ALS IDEE waardeloos worden; wat hij echter niet in de gaten heeft, omdat hij zich dit niet kan denken (en het gaat hem toch om denken!), is het feit, dat de IDEE aan die WAARDELOOSHEID juist tot een REALITEIT wordt.
Voor de Europeaan is de ONVERSCHILLIGHEID negatief, want voor hem betekent het een “zich er niets aan gelegen laten liggen”, maar in feite betekent het “het VERSCHIL niet laten gelden”, dus de WAARDE niet laten gelden, dus er GEEN BELANG BIJ HEBBEN. En pas wanneer de mens dit kan, is de IDEE voor hem REALITEIT geworden.
Dit is het steeds meer IDEELOOS worden van de westerse wereld en aan deze zaak gaat de EUROPEAAN ten gronde - de MENS natuurlijk niet.
Voor de MENS moeten alle waarden komen te vervallen omdat de mens IN LAATSTE INSTANTIE geest is, d.w.z. INEEN-ZIJN, welk ineen-zijn, zoals wij al eerder hebben laten zien, geldt voor de werkelijkheid VOORBIJ de bepaaldheden, dus de werkelijkheid, die de bepaaldheid TEN EINDE is. In het INEEN-ZIJN zijn de VERSCHILLEN opgeheven, d.w.z. NIET MEER MAATGEVEND; dus in het ineen-zijn is de WAARDE opgeheven.
Dit geldt voor de mens IN LAATSTE INSTANTIE.

Over de waarde
Het begrip WAARDE wordt nog al eens misverstaan, reden waarom wij er nu een opmerking over willen maken, want het gaat over een zaak, die de KERN vormt van de menselijke ontwikkeling tot ZELFVERLOOCHENING en als resultaat daarvan: de LIEFDE.
Het WESTERSE besef omtrent deze dingen gaat niet verder dan een desnoods min of meer ONBAATZUCHTIGE RUILHANDEL, die geen enkele overeenkomst vertoont met de werkelijke stand van zaken in de werkelijkheid. Het begrip “afschaffen” ligt nog steeds in ons denken en hoewel we hieraan voorlopig niet kunnen ontkomen, is er toch wel van te zeggen, dat “afschaffen” niets met “verloochenen” te maken heeft, en omgekeerd.

Het begrip WAARDE is gebaseerd in het feit, dat de VERSCHIJNSELEN altijd BEPAALDE verschijnselen zijn: het ENE verschijnsel en het ANDERE verschijnsel. Het EEN is het ANDER niet, d.w.z. er is VERSCHIL tussen het ene en het andere.
Voorzover we deze VERHOUDING tussen het ene en het andere als uitgangspunt nemen, gaat het ons om het begrip WAARDE; we WEGEN dus het ene tegen het andere AF, en het resultaat van dat AFWEGEN is de WAARDE. De waarde is dus een EVENWICHT tussen de VERSCHILLEN, want het is de door ons bepaalde verhouding tussen het een en het ander.
Dan is het GRAAN “waardevol” en het ONKRUID “waardeloos”; het eerste wordt zorgvuldig behandeld en het tweede wordt uitgeroeid en deze verhouding ligt zo, omdat je aan het graan wat hebt, en aan het onkruid niet.
ABSOLUUT genomen geldt dit natuurlijk niet, want in de kosmos groeit graan en er groeit onkruid; KOSMISCH gesproken is het IN ORDE, dat beide er zijn, WANT ZE ZIJN ER.
VOOR DE MENS echter heeft het één WAARDE en het ander niet en het KRITERIUM daarbij is of je er wat aan hebt of niet.
De WAARDE heeft betrekking op de werkelijkheid als HET EEN EN HET ANDER, dus de werkelijkheid als VERSCHIJNSEL, en voorzover de MENS deze werkelijkheid ook is, geldt voor hem de WAARDE, en voorzover de mens qua ONTWIKKELING nog met de verschijnselen bezig is en dus ook met zichzelf als verschijnsel, geldt voor hem de WAARDE: het één heb je wat aan, dus dat is WAARDEVOL, en het ander heb je niets aan, dus dat is WAARDELOOS.
De mens, die zichzelf VERSCHIJNSEL is, is de mens, die van alles de WAARDE bepaalt; deze mens is echter niet de laatste menselijke mogelijkheid, want de mens als verschijnsel is niet de laatste mogelijkheid.
De mens als GEEST, dus de mens als INEEN-ZIJN is de laatste mogelijkheid, en hoe ligt voor die mens nu de bovenomschreven zaak?

De mens al geest
De mens als GEEST is de mens als INEEN-ZIJN, dus de mens als HET GEHEEL, en dit geheel BESTAAT wel uit de BEPAALDHEDEN, dus uit HET EEN EN HET ANDER, dus uit HET VERSCHILLENDE, maar het IS zèlf het NIET BEPAALDE, dus het één en het ander NIET, dus het VERSCHIL NIET.
Het GAAT derhalve niet om het verschil, dus het gaat niet om de waarde, hoewel het verschil er desondanks toch is, want het één en het ander is er, namelijk als INHOUD.
De mens als GEEST heeft dus HET VERSCHILLENDE als INHOUD, maar voor hemzelf geldt dat “verschillende” niet, d.w.z. het VERSCHIL heeft voor hem GEEN WAARDE.
Het VERSCHIL is er wel, maar hij hecht er geen WAARDE aan.

Hoe verder de mens qua ONTWIKKELING dus komt, dus hoe meer hij zichzelf als GEEST realiseert, hoe minder hij waarde hecht aan zijn INHOUD, maar hij kan er slechts GEEN WAARDE aan hechten, als die VERSCHILLEN er voor hem wèl ZIJN, dus de wereld van de “verschillen”, van de “bepaaldheden”, van de “dingen” moet AANWEZIG zijn voor hem, wil hij er geen WAARDE aan kunnen hechten, m.a.w. de ganse wereld van “het één en het ander”, dus de ganse wereld van de verschijnselen, moet er VOOR HEM ZIJN, wil het “geen waarde er aan hechten” zich door kunnen zetten.

De inhoud van de mens
Tot de inhoud van de mens behoren ook zijn IDEEËN, want, zoals wij al eerder gezien hebben, zijn de ideeën BEPAALDE CENTRAAL GESTELDE VERHOUDINGEN, die op grond van hun “bepaaldheid” tot de werkelijkheid als “het verschil” behoren. Ook deze zaken hebben straks voor de mens geen WAARDE meer, maar ze ZIJN ER WEL, zoals hierboven uiteengezet.
De mens hecht voorlopig wel degelijk waarde aan de IDEE; hij vergelijkt de IDEE namelijk met het ANDERE, namelijk de NATUUR, en dan vindt hij de idee POSITIEF en de natuur NEGATIEF. Ook hier geldt voor hem dus een WAARDEOORDEEL.
Als we de FILOSOFIE, ook de moderne, er op nalezen, dan blijkt, dat de boel nog boordevol WAARDEOORDELEN zit en dat terwijl de filosofie zich toch waarlijk wel met de GEEST bezig houdt. Het is toch altijd nog een “goed en kwaad” en een daaraan meekomend “Du sollst” en de natuur heet toch altijd nog “het verkeerde” en het “mindere”, in vergelijking met de “goddelijkheid” van de geest.
De zogeheten “geestelijke waarden”, die de mens zich in de loop der tijden vergaard heeft, en waarvoor hij bij gelegenheid zijn leven over heeft gehad, òòk die verliezen hun waarde tenslotte, en dat is voor de Europeaan die een “ideeën-mens” is, de vernietiging van alle menselijke leven, het is de DOOD.
Voor de Europeaan EINDIGT tenslotte alles in de dood en hij wil als “ideeën-mens” geen einde, zodat hij een VOORTLEVEN verzint, voorbij de werkelijkheid, die in de dood uitloopt.

 Bladwijzers: Gezag-1 ; Gezag-2 ; Gezag-3 ;

 

Dinsdag, 29 juni 1965

No. 24.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Naar bladwijzers: Het Hiernamaals(1)  ;  Het Hiernamaals(2) ;

 

De westerse mens en de idee
De CENTRAAL GESTELDE VERHOUDING voor de westerse mens is het INTELLECT, en onder het woord “intellect” moeten we verstaan de GEEST, die centraal gesteld is, dus de geest als het eenzijdig maatgevende principe. De geest is voor europees besef een op zichzelf staande zaak, waarvoor allerlei geldt, dat voor de mens naar voren komt in begrippen als LIEFDE, VRIJHEID, RECHT, VREDE, enzovoort. Deze op zichzelf staande zaak, die dus, op zichzelf genomen, wat ANDERS is dan de mens zèlf, is datgene, waarom het voor de mens uiteindelijk gaat, dus deze zaak moet hij uiteindelijk zèlf worden.
Voor europees besef wordt de mens zèlf dus uiteindelijk geest, en als hij dat voor elkaar heeft gekregen, dan is hij waar hij wezen moet, en daarvan wordt dan gezegd, dat hij “bij god” is, of “in de hemel”.
Er is dus de werkelijkheid, die de mens zo zonder meer is, en die werkelijkheid is niet het WARE en dan is er ook nog een ANDERE WERKELIJKHEID, die wèl het WARE is, maar waar de mens eerst TENSLOTTE belandt, namelijk NA DE DOOD, dus nadat het LICHAAM en het lichamelijke AFGEDAAN heeft.
De GEEST is voor de westerse mens een APARTE WERKELIJKHEID, boven en buiten de gewone levende mens en deze aparte werkelijkheid wordt de mens tenslotte zèlf, d.w.z. HIJ WORDT ZELF GEEST.

We laten nu even in het midden hoe het komt, dat de westerse mens zich de werkelijkheid zo denkt, en we bepalen ons er toe het volgende te overwegen:
De mens is de onverbrekelijke EENHEID van NATUUR en GEEST, d.w.z. als we “mens” zeggen, zeggen we deze eenheid en we zeggen NIET: een stuk natuur èn een stuk geest, of iets dergelijks,- de MENS IS GENOEMDE EENHEID, en waaruit die eenheid BESTAAT kunnen we later nog wel onderzoeken, en dan blijkt het de werkelijkheid als NATUUR en de werkelijkheid als GEEST te zijn.
Duidelijk is, dat de GEEST, evenmin als de NATUUR een APARTE werkelijkheid is voor de mens, en dus behoeft hij er helemaal niet terecht te komen, want hij is het al vanaf zijn geboorte op de planeet. Bovendien bestaat de GEEST helemaal niet OP ZICHZELF; de geest komt slechts als de genoemde EENHEID voor, dus de geest komt slechts voor als MENS. De mens kan dus niet en nooit terecht komen bij de APARTE ZAAK, die hij geest genoemd heeft, want die zaak IS ER HELEMAAL NIET.
Slechts voor het westerse DENKEN is die zaak er, want de geest is als CENTRALE VERHOUDING als de zaak gedacht en gesteld, die als een aparte, maatgevende werkelijkheid boven de mens ligt en waarnaar hij toe moet. Omdat het in de westerse cultuur om de geest gáát.
De mens komt dus niet ergens terecht, maar voor de mens gaat iets GELDEN.

Over het Hiernamaals
De gedachte van het Hiernamaals is typerend voor het bovengezegde, want hieraan komt uit, dat de mens denkt bij de GEEST terecht te komen, want het Hiernamaals is het LAND VAN DE GEEST. Deze werkelijkheid is echter DE NATUUR NIET; het is, zoals gezegd, een APARTE werkelijkheid, dus deze zaak is pas dan mogelijk, als het natuurlijke ONTKEND is, dus deze zaak is NA DE DOOD mogelijk. Dan stijgt de geest van de ons op naar de plaats waar hij thuis hoort.
Uit het door ons hierboven gezegde blijkt duidelijk de ONZINNIGHEID van de gedachte aan het Hiernamaals, want als de mens sterft, sterft de genoemde EENHEID en dus is er dan ook geen sprake meer van geest.
Al eerder hebben wij uiteengezet, dat voor het westerse denken de “eenheid”, of het “geheel”, of de “liefde” NIET TE DENKEN zijn; de EENHEID, die de mens is, welke eenheid BESTAAT uit de werkelijkheid als NATUUR en de werkelijkheid als GEEST, is dientengevolge ook een aangelegenheid, waarmee europa geen raad weet.
Wèl weet Europa raad met de INHOUD van die eenheid, want de INHOUD is een zaak, die te ANALYSEREN is, d.w.z. die UITEEN TE LEGGEN is. Europa weet dus van allerlei, waaruit de mens BESTAAT, maar van de mens zélf weet zij NIETS.
Wij zullen dit thema bij gelegenheid nog uitvoerig behandelen; voorlopig houden we ons nog bezig met de genoemde EENHEID, die de mens is, om uit die eenheid enkele lijnen in de GESCHIEDENIS af te leiden; lijnen, die het geharrewar tussen het mannelijke en het vrouwelijke en de ontwikkeling daarvan laten zien.

De mens man en vrouw
We
hebben gezien, dat de mens een EENHEID, of een GEHEEL is, en dat dit geval bestaat uit de NATUUR (de werkelijkheid als het bepaalde, het vastgelegde, het donkere, enz), en uit de GEEST (de werkelijkheid als het vrije, het niet-gebondene, het lichte, het vluchtige, enz.).
Deze EENHEID NATUUR-GEEST is een onverbrekelijke om redenen, die nog wel ter sprake zullen komen als wij spreken over het ORGANISME.
Er zijn dus aan de mens twee ASPECTEN te onderscheiden: het ene aspect is de natuur en het andere aspect is de geest. De mensen zijn zich hiervan wel bewust, want zij zeggen, dat de mens zich van de natuur onderscheidt doordat hij kan DENKEN, en denken is een gevolg van het feit, dat de mens geest is.
Nu kunnen we de EENHEID NATUUR-GEEST op twee manieren bekijken, namelijk uitgaande van het ene ASPECT en uitgaande van het andere dus uitgaande van NATUUR en uitgaande van GEEST en in beide gevallen bekijken we de genoemde EENHEID, dus de mens, maar toch geeft het ene geval wat anders te zien dan het andere.

De EENHEID, bekeken vanuit de GEEST levert de mens als MAN op.
De EENHEID, bekeken vanuit de NATUUR levert de mens als VROUW op.

We moeten NOOIT vergeten, dat het in beide gevallen over de MENS gaat, en dat er slechts een VERSCHIL IN UITGANGSPUNT is.
Deze opmerking is niet overbodig, want maar al te gemakkelijk gaan we WAARDEREN en vinden dan de MAN geweldig omdat het bij hem over de GEEST gaat (naar onze mening) en de VROUW is dan niet veel zaaks omdat zij NATUUR is. Het behoeft hopenlijk geen betoog, dat een dergelijke gedachtengang KANT NOCH WAL RAAKT, want de man IS geen geest en de vrouw IS geen natuur, slechts het UITGANGSPUNT bij de man is de geest en bij de vrouw de natuur. Verder is er niets aan de hand en het één is niet meer WAARD dan het ander. Beiden zijn zij MENS, want beiden zijn zij de genoemde EENHEID.

De MAN is dus de MENS, met als UITGANGSPUNT de GEEST. Dat dit zo is, blijkt in de praktijk duidelijk: de man BEREDENEERT alles, en dat doet hij dan min of meer ABSTRACT. Het TECHNISCHE DENKEN is typisch een denken van de man, enzovoort.
De VROUW is de MENS, met als UITGANGSPUNT de NATUUR. De vrouw doet alles op haar GEVOEL en het beredeneren speelt bij haar de hoofdrol niet. Zij krijgt kinderen en zij VERZORGT de heleboel; het zich als NATUUR in stand houden van de mensen, dus het eten en drinken wordt door haar verzorgd, enzovoort.
Hiermee zijn we niet klaar met de man en de vrouw, m.a.w. de man en de vrouw zijn wel meer dan het hiergezegde, maar hiermee is wel het grondpatroon gegeven en dat grondpatroon zien wij in alle beschavingen en bij alle mensen terugkeren, zij het dan in talloze variaties.

De betrekking tussen de man en de vrouw
De MENS valt dus uiteen in TWEE aspecten en hoewel die aspecten, OP ZICHZELF GENOMEN, wezenlijk verschillend zijn, hebben ze toch alles met elkaar te maken, want in de grond van de zaak zijn zij toch EEN GEVAL, namelijk het geval MENS.
De MAN en de VROUW behoren dus bij elkaar en zij zijn niet en nooit van elkaar LOS TE DENKEN; we kunnen het zelfs zó stellen, dat de man zonder de vrouw NIETS is en omgekeerd: beiden VOOR ZICH zijn zij de mens, DIE NIET AF IS, en nu kan de KERK op grond van haar AFKEER van het natuurlijke wel reclame maken voor de man en de vrouw, die zich VOOR ZICH laten gelden, om zodoende GODE WELGEVALLIG te zijn, maar dit neemt het door ons genoemde feit niet weg, dat de man niet zonder de vrouw KAN en omgekeerd. Hoewel we het hier niet over een BEHOEFTE hebben, is het in de praktijk ook wel genoegzaam bekend dat ook het menselijke LICHAAM de drang naar VERENIGING van het vrouwelijke en het mannelijke in zich heeft.

De vrouw zonder de man en de man zonder de vrouw is WESTERSE DENKONZIN. Het al of niet verklaarbaar zijn hiervan neemt de onzinnigheid niet weg, netzomin als het verklaren van de achtergronden van een misdadiger zijn misdadigheid NIET wegneemt.

Het hier gezegde over de man en de vrouw en hun onderlinge betrekking moeten wij goed voor ogen houden als wij onze gedachten laten gaan over het genoemde GEHARREWAR tussen het vrouwelijke en het mannelijke; een geharrewar dat door de gehele menselijke geschiedenis heen loopt en dat de ondertoon is van vele CULTUURverschijnselen.
Ook in europa blijkt het dagelijkse leven van de mensen slechts één grondtoon te hebben: de man en de vrouw en hun onderlinge betrekking en het BESEF, dat de Europese mens heeft omtrent deze zaken.

Naar bladwijzers: Het Hiernamaals(1)  ;  Het Hiernamaals(2) ;

Dinsdag, 6 juli 1965

No. 25.

DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

De mens naar zijn uitgangspunt
We hebben gesproken over de EENHEID NATUUR-GEEST en we hebben die eenheid bekeken vanuit de NATUUR en vanuit de GEEST.
Dit leverde de EENHEID op, die uiteenviel in TWEE verschillende situaties, die ondanks hun VERSCHIL toch eigenlijk één geval zijn: het geval MENS. Vanuit het feit, dat de man en de vrouw wezenlijk één geval zijn is er de BETREKKING tussen beiden en niet alleen dat er zonder meer van een BETREKKING te spreken is; er is ook de DRANG tussen de man en de vrouw om zich te VERENIGEN.
Deze zaak, namelijk de betrekking en de drang om zich te verenigen, kunnen we een naam geven; gebruikelijk is om van SEXUALITEIT te spreken, maar het is niet helemaal duidelijk wat onder dit woord verstaan wordt. Doorgaans wordt er onder verstaan het GEDRAG van de mensen voorzover zij zich daadwerkelijk verenigen. Wij zullen echter voorzichtig zijn het woord sexualiteit te gebruiken, want de zaak beslaat een veel groter terrein dan alleen maar het zich verenigen van de man en de vrouw.

Het UITGANGSPUNT van de vrouw is de werkelijkheid, die wij NATUUR genoemd hebben; een zaak dus, die valt onder het begrip UITEEN-ZIJN. En dit wil zeggen HET ÉÉN IS HET ANDER NIET; we hebben hier dus te maken met de werkelijkheid als het bepaalde, het VASTGELEGDE. Qua UITGANGSPUNT kunnen we dus van de vrouw zeggen, dat zij zich VASTLEGT.
Dit is in tegenstelling tot de man, want het UITGANGSPUNT bij de man is de werkelijkheid als GEEST, en dit is het begrip INEEN-ZIJN, voor welk begrip de BEPAALDHEDEN niet als zodanig gelden, zodat de éne bepaaldheid wèl de andere is. Hier gaat het dus over het VRIJE, want hier gaat het over het NIET-VASTGELEGDE.
QUA UITGANGSPUNT is de man derhalve VRIJHEID.

Nogmaals wijzen wij er met klem op, dat het hier over UITGANGSPUNTEN gaat, die in de praktijk in het leven van de man en de vrouw hun rol spelen, zonder dat wij kunnen en mogen stellen, dat de man en de vrouw in die uitgangspunten opgaan.
Voorzover de man en de vrouw op elkaar betrokken zijn en voorzover de drang in hen aanwezig is om zich te verenigen, spelen de genoemde uitgangspunten natuurlijk ook hun rol, en dit komt bij de VROUW voor de dag als de NEIGING zich aan de man vast te leggen en zich dus tot één bepaalde man te bepalen; terwijl het uitgangspunt bij de man voor de dag komt als de NEIGING zich ten opzichte van de vrouw VRIJ te houden, dus zich NIET tot één bepaalde vrouw te bepalen.
Bekend is onder de mensen het gezegde: “De man is polygaam en de vrouw is monogaam”, een gezegde, waarmee gezegd wil zijn dat de man, in tegenstelling tot de vrouw, het maar niet kan laten de andere sexe bijzondere aandacht te schenken. In feite is het genoemde gezegde FOUT, zoals we nog zien zullen, maar voorzover het een VERMOEDEN omtrent de natuurlijke mens weerspiegelt, en dus een vermoeden omtrent de door ons genoemde UITGANGSPUNTEN weerspiegelt, is het, afgezien van de gekozen WOORDEN (polygaam en monogaam) niet zonder grond van waarheid.
Verder is het ook een bekend feit, dat de POLYGAMIE, dus het samenleven van één man met meerdere vrouwen, in tal van maatschappijen gebruikslijk is, terwijl daarentegen het omgekeerde, dus de POLYANDRIE (het samenleven van één vrouw met meerdere mannen), hoogst zelden waargenomen wordt.
Zo zijn er nog meer voorbeelden te noemen, die demonstreren, dat de door ons genoemde NEIGING in man en vrouw, wel degelijk aanwezig is. De verklaringen, die hiervoor gegeven worden, slaan gewoonlijk nergens op, maar dat zijn we zo langzamerhand wel gewend; in ieder geval wijzen de FEITEN uit, dat de NEIGING van de man tot VRIJHEID in zijn omgang met de vrouw, en de NEIGING van de vrouw tot VASTLEGGEN, inderdaad in de STRUCTUUR van de mens besloten zijn.

Ter verduidelijking
Uit een vraag van één der cursisten blijkt, dat het moeilijk te verstaan is, wat we met de genoemde NEIGING van man en vrouw bedoelen. Het is mogelijk, dat er een beter woord te vinden is, maar ook dan blijft het de vraag of we weten waarover het gaat
Als voorbeeld kunnen we aan het volgende denken: de mens is de eenheid van natuur en geest, dus de mens is de eenheid van UITEEN-ZIJN en INEEN-ZIJN. Voorzover hij uiteen-zijn is, dus voorzover hij VERSCHIJNSEL is, geldt voor hem: het één is het ander NIET, zodat hij van daaruit HET ANDER, en dus ook DE ANDER ontkent. De ander is er eenvoudig voor hem niet en dit is de BASIS voor de MOORD.

De mens heeft dus de TREK in zich om de ander te VERMOORDEN, d.w.z. om het UITEEN-ZIJN te stellen. Het behoeft uiteraard niet speciaal om letterlijk een moord te gaan, het “naar zichzelf toerekenen”, de concurrentie, het elkaar verdringen, de jalouzie, enzovoort - het zijn allemaal verschijnselen, die uit dezelfde zaak voortkomen. DE MENS HEEFT DE NEIGING DE ANDER TE VERMOORDEN.
Zoals bekend legt de mens zichzelf als deze NEIGING aan banden - wij hebben dit reeds in grote lijnen uiteengezet (zie stencil No. 4 e.v.) en wij hebben ook laten zien van waaruit dit “aan banden leggen” geschiedt, maar hoe dan ook, DIE NEIGING BLIJFT LIGGEN, want zij is gegrond in de STRUCTUUR van de mens.

Zo moeten we ook de neiging tot vrijheid en de neiging tot vastleggen verstaan, en er geen VOORBARIGE conclusies uit trekken, want we hebben nog over niets gesproken, alleen over de genoemde NEIGING. Hoe zich die zaak met het VERHELDEREN van de mensheid ontwikkelt is een ander thema, maar GEEN THEMA, want ONZIN, is het om wat wij over een “neiging” of een “trek” in de mens gezegd hebben, op te vatten als een menselijke NORM, waaraan hij zich zonder meer te houden heeft, wil het goed zijn.
De mensheid blijft ook niet bij de MOORD staan, en zo is het hier ook.
Er is dus helemaal NIET gezegd, dat de man met meerdere vrouwen moet omgaan en dat de vrouw zich tot één moet bepalen. Bij het behandelen van dergelijke materie is het zaak goed te luisteren en te lezen, want het MISVERSTAND is als een SLUIPEND GIF, dat ongemerkt zijn verderfelijk werk doet. We zijn zó van de wijs

Naar aanleiding van een opmerking
Er wordt vanuit de cursus gewezen op een tegenspraak, namelijk deze, dat de vrouw de neiging vertoont zich tot één te bepalen, terwijl zij toch indertijd, zoals wij reeds behandeld hebben, haar schuld boette ten opzichte van de GODIN DER LIEFDE, omdat zij zich in het HUWELIJK tot één man bepaald had.
Dus als zij aan de genoemde neiging toegeeft, voelt zij zich schuldig.

De verklaring van deze ogenschijnlijke tegenspraak is niet moeilijk. Toentertijd begon het HUWELIJK zich te consolideren en het huwelijk is een NATUURLIJKE AANGELEGENHEID, want het huwelijk is voor de mens slechts mogelijk zolang en voorzover hij zich als een NATUURLIJK GEVAL van zichzelf bewust is. Voor de man is het een kwestie van DIT OF DAT denken, dus van een UITSLUITEND denken en voor de vrouw is het een kwestie van haar (natuurlijke) UITGANGSPUNT laten gelden.
De vrouw evenwel is inderdaad als UITGANGSPUNT natuurlijk, maar zij is WEZENLIJK, dus als VOLLEDIG VROUW geen natuur, maar INEEN-ZIJN, dus LIEFDE.
Derhalve, door het HUWELIJK te stellen voldeed zij aan haar NATUURLIJKE NEIGING, maar zij VERLOOCHENDE haar WEZEN, namelijk de LIEFDE. Dat dit laatste tot haar doordrong vindt zijn verklaring in het feit, dat er indertijd nog een sterk BESEF omtrent het geheel, dat de werkelijkheid is, levend was. Weliswaar was dit besef een NATUURLIJK BESEF, zodat de vrouw haar SCHULD wel even goed kon maken door een tegenprestatie, namelijk door zich eenmalig als niet het huwelijk te laten gelden, dus door zich te prostitueren, zodat de godin der liefde tevredengesteld was.
Naast het zich doorzetten van het huwelijk lag dus het zich doen gevoelen van de schuld ten opzichte van de liefde.

Het huwelijk voor man en vrouw
Rekening houdende met het in de laatste twee stencils besprokene kunnen we nu over de gesteldheid van de man en de vrouw in het huwelijk het volgende zeggen:
Voor de vrouw is het huwelijk een situatie, waarbij haar UITGANGSPUNT het maatgevende is, want zij geeft toe aan een NEIGING, die voor haar qua uitgangspunt geldt: de neiging om zich VAST TE LEGGEN. Voorzover zij haar WEZEN laat gelden, dus voorzover zij zich laat gelden als datgene, dat zij UITEINDELIJK is, is het huwelijk voor haar van geen enkele waarde; zij weet zich LIEFDE en, zoals JUNG heeft opgemerkt, ligt deze zaak voor haar “jenseits des Gesetzes”, dus BUITEN DE WET.
Voor de man is de situatie anders, want voor hem geldt qua uitgangspunt de VRIJHEID, die aan het begrip “geest” meekomt. Voor hem is het huwelijk dus in strijd met zijn uitgangspunt; het is voor hem iets, dat met zijn WEZEN te maken heeft en dat dus in zijn DENKEN naar voren komt, want het wezenlijke van de man is het DOORDENKEN van de werkelijkheid, met als consequentie het DOORWERKEN ervan. Het huwelijk komt in de geschiedenis dan ook op TEGELIJK met het zich gaan laten gelden van het denken en dus ook tegelijk met het zich consolideren van de maatschappij, enzovoort. Pas TENSLOTTE doordenkt hij de werkelijkheid tot LIEFDE, en pas dàn heeft voor hem het huwelijk afgedaan.
Voor BEIDEN is TENSLOTTE de genoemde neiging WAARDELOOS geworden: het gaat de vrouw niet meer om vastleggen, maar om LIEFDE en dan gaat het niet om één of meer; en voor de man gaat het niet meer om zijn vrijheid en dan gaat het voor hem niet meer om het “zich niet bij één houden” - ook hem gaat het dan om LIEFDE.

Dinsdag, 13 juli 1965

No. 26
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

De liefde
In het vorige stencil hebben wij als laatste gezegd, dat de MAN tenslotte de werkelijkheid tot LIEFDE doordacht heeft en dat de vrouw tenslotte liefde is.
Zo zonder meer is dit misschien niet duidelijk, maar als wij bedenken, dat LIEFDE een ander woord is voor INEEN-ZIJN, wordt het wellicht iets duidelijker. Verder moeten wij er op letten, dat het begrip “tot liefde doordenken” niet zonder meer wil zeggen, dat voor de MAN het leven op aarde een kwestie van DENKEN is, en dan in de betekenis, die wij er gewoonlijk aan geven. Ons begrip van “denken” is eenzijdig, omdat wij behoren tot de CULTUUR van het denken, dus de cultuur, die het denken als CENTRALE VERHOUDING maatgevend beseft. Daarom is “denken” voor ons iets, dat door de mens GESTELD wordt; iets, waarmee hij zich bezig houdt en waarin hij zich oefent, zoals hij zich ook in andere dingen kon oefenen.
Wij bedoelen echter met denken het feit, dat in de mens de werkelijkheid, voorzover ze UITEEN-ZIJN is, dus VERSCHIJNSEL is, UITEENVALT tot de ondeelbare elementen, waaruit ze bestaat. Het denken is dus geen bezigheid, waartoe de mens zich zet, maar het is een ZAAK, die zich in de mens voltrekt, of hij het wil of niet; of hij het weet of niet en of hij zich er mee bezig houdt of niet.
En nu is de MAN de mens, in wie zich deze zaak laat gelden en het is niet moeilijk te begrijpen dat tenslotte de werkelijkheid tot haar ondeelbare elementen teruggevallen IS, zodat alle verschijnselen in de grond van de zaak HETZELFDE zijn gebleken, hetgeen het vervallen van het VERSCHIL betekent en dus het vervallen van het BEPAALDE. De hele werkelijkheid is in de grond van de zaak ZONDER BEPAALDHEID, en dus INEEN.
Zo DOORDENKT DE MAN DE WERKELIJKHEID TOT LIEFDE.

De man en zijn werk
Er bestaat in onze moderne wereld de opvatting, dat de mens, en dan speciaal de MAN, werkt om GELD TE VERDIENEN en dat “geld verdienen” valt dan uiteen in twee aspecten, namelijk ten eerste “het voor zijn bestaan zorgen” en ten tweede het pogen “er beter van te worden”. Dus het IN STAND HOUDEN van het VERSCHIJNSEL en het zich BREED maken van het verschijnsel, welke laatste activiteit verbonden is met het begrip WINST; hoe groter de winst is, hoe meer men zich verworven heeft, dus hoe meer men BEZIT, en een groter BEZIT betekent een grotere MACHT.
Volgens onze begrippen werkt de mens dus om geld te verdienen, zodat de mens vanzelfsprekend ophoudt hiermee, als hij door de een of andere oorzaak VEEL in de schoot geworpen krijgt: de VOETBALPOOL is voldoende aanleiding om een lui leventje te gaan leiden; het “werken”, d.w.z. het geld verdienen behoeft dan niet meer.

Toch is het anderzijds een bekend verschijnsel, dat een mens, die met werken opgehouden is (tijdelijk: vacantie - voorgoed pensioen) het gevoel krijgt zijn doel te missen; een doelloos en nutteloos mens te zijn.
Natuurlijk zijn hierop uitzonderingen: er zijn vele mensen, die ongeacht de grootte van hun verdiensten tòch gestaag doorwerken en er zijn mensen, die hun gehele leven lang nooit iets uitvoeren en zich daarbij toch wel lekker gevoelen. Wij moeten bij het overdenken van deze materie er voor waken ons niet in bijzonderheden te verliezen; we kunnen eindeloos doorgaan met het opsommen van allerlei typen mensen, voor wie het altijd nèt weer iets anders ligt.
Het gaat om de ZAAK, en de VARIATIES in en van die zaak laten we buiten beschouwing.

De zaak is dan deze: de MAN is de werkelijkheid als de onverbrekelijke eenheid van NATUUR en GEEST, uitgaande van de GEEST.
Voor de man geldt, met andere woorden: hij is de MENS, waarbij het UITGAAT van de geest en UITLOOPT in de natuur. Wij kunnen dit gemakkelijk in de praktijk waarnemen: vanuit zijn HOOFD (denkend) houdt de man zich met de natuur in al haar vormen bezig en het eindigt met een stuk natuur, dat denkend OMGEVORMD is tot wat anders. D.w.z. van een BOOM maakt hij een STOEL, of, anders gezegd: van het verschijnsel maakt hij een DING.
Het WERKEN van de mens is het OMVORMEN van het verschijnsel tot een DING, en dit is een ACTIVITEIT, die voor elke man geldt, want van elke man is te zeggen dat het uitgaat van de geest en uitloopt in de natuur.
Elke man is dus het begrip WERKEN, want DE man is de hiergetekende situatie.

De begrippen denken en werken
Onder DENKEN verstaan wij het feit, dat voor de werkelijkheid als GEEST (ineen-zijn) de werkelijkheid als VERSCHIJNSEL (uiteen-zijn) uiteenvalt; m.a.w. de MENS (want hij is de werkelijkheid als geest) ziet dat het verschijnsel een SAMENSTELLING van elementen is, bij welke samenstelling het éne element NIET het àndere is: het zijn bepaaldheden.
Naarmate de mensheid zich ontwikkelt, ziet hij die samenstelling duidelijker en dat is wat wij doorgaans noemen: hij leert steeds beter denken.
Het denken zelf is dus GEEN ACTIVITEIT, geen werkzaamheid in en voor de mens; het is een TOESTAND in de mens.

WERKEN is echter wèl een ACTIVITEIT, want werken is de werkelijkheid als GEEST, dus de mens, die het verschijnsel (uiteen-zijn) omzet tot zichzelf, dus omzet tot ineen- zijn, d.w.z. het blijft wel een verschijnsel, maar het komt in het teken van de geest te staan. Een stoel is wèl een verschijnsel gebleven, maar het staat helemaal in het teken van de menselijke geest; dit DING is aan de mens onderworpen.
De mens DOORWERKT dus de gehele verschijnselen-wereld en maakt er een wereld van dingen van, d.w.z. een wereld van aan de mens DIENSTBARE dingen.

Overeenkomsten tussen denken en werken
Als eerste overeenkomst moeten wij noemen: zowel “denken” als “werken” behoort bij de mens NAAR HET ASPECT MAN, d.w.z. de man VERTEGENWOORDIGT de genoemde begrippen, en wel omdat in beide gevallen de GEEST het uitgangspunt is en de NATUUR het eindpunt.
De tweede overeenkomst: beide begrippen gelden ongeacht wat dan ook; ze gelden dus ONMIDDELLIJK voor de man; ze zijn niet van een VOORWAARDE afhankelijk. Er is dus ook geen REDEN te denken, waarom de man denkt en werkt; hij is de WERKELIJKHEID naar een bepaalde SITUATIE, en de werkelijkheid is er ook niet om een bepaalde reden. Zodra we het derhalve over de MAN hebben, gaat het automatisch over een denkende en werkende situatie.

Verschillen tussen denken en werken
Behalve de bovengenoemde overeenkomsten is er ook een groot VERSCHIL tussen denken en werken, namelijk: een mens zonder denken bestaat niet, maar een mens zonder werken bestaat wèl, d.w.z. de mens kan niet niet-denken, maar hij kan wèl niet-werken.
Verder is het werken een consequentie van het denken, d.w.z. er is eerst het denken en dan het werken.
Als antwoord op de vraag waarom dit zo is, moeten we het volgende overwegen:

Het DENKEN is een toestand van de mens, zoals we hierboven gezien hebben: het is het feit, dat de verschijnselen-wereld UITEEN-ZIJN is, en deze toestand is tot op zekere hoogte BEWUST in de mens. Die toestand geldt echter ALTIJD voor de mens.
Het WERKEN echter is een activiteit van de mens en deze activiteit heeft wel geen BEDOELING, maar ze kàn zich ook NIET laten gelden.
Natuurlijk heeft het werken het denken tot voorwaarde, want de mens zal toch eerst moeten weten, dat het verschijnsel uiteen-zijn is, alvorens hij dit uiteen-zijn kan gaan omzetten tot ineen-zijn.

Nog een opmerking over het werken van de mens
Om misverstanden te voorkomen wijzen wij nog op het volgende:
De mens werk niet met de een of andere BEDOELING, waarvan zijn werken afhankelijk is.
Hij werkt omdat zich in hem de bovenbedoelde activiteit laat gelden, en elke MAN is die activiteit onvoorwaardelijk; het STELLEN ervan is echter variabel.
De mens als MAN is menselijk gesproken VERPLICHT te werken, want het werken is een wezenlijk menselijke activiteit, en hij is FOUT als hij zijn werk afhankelijk stelt van verdiensten. Maar ook als hij werkt voor een of ander ideaal. Het gaat in deze gevallen niet om het werk, maar om wat anders.

We kunnen, indachtig het bovenstaande, constateren, dat de mensheid tot nu toe nog niet gewerkt heeft, want altijd is het werken onmiddellijk verbonden geweest met een bedoeling en dat vindt zijn oorzaak in het feit dat als GEVOLG van het werk de mens zichzelf als VERSCHIJNSEL, als NATUUR, VEILIG STELT. (zie stencil No. 11.)
Bij dat VEILIG STELLEN had ieder voor zich BELANG en dus had ieder voor zich belang bij het werken. Daardoor lijkt het, alsof het werken ergens om ging, maar de mensheid zou nooit van haar prilste begin af gewerkt hebben als het werken geen WEZENLIJK MENSELIJKE ACTIVITEIT geweest was.

Dinsdag, 20 juli 1965

No. 27
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Over het beoefenen van het denken
Zoals we al vaker in deze cursus hebben gezegd, is de cultuur van europa de cultuur van het DENKEN, en we weten nu wat hieronder moet worden verstaan. Toch is het van belang nog even de aandacht te vestigen op een algemeen voorkomend misverstand. De mening van de Europeaan is namelijk, dat hij het denken moet BEOEFENEN, dat hij zich moet trainen in het denken, en hierom gaat het voor zijn besef dan ook.
In feite gaat het echter niet om het BEOEFENEN van het denken, maar om het DENKEN zelf, en het denken is geen BEZIGHEID in en van de mens, maar een TOESTAND. Hieraan valt derhalve niets te oefenen; het enige, dat de mens in dezen heeft te doen is DENKEN en niet oefenen.
De oude Chinezen zeiden: “Als je boog wilt leren schieten, moet je boogschieten”, d.w.z. je moet je energie niet verspillen aan het LEREN, maar je moet je energie gebruiken voor het SCHIETEN.
Zo ook met het denken voor de Europese mens: hij leert denken, door te denken en niet door zich met denkOEFENINGEN bezig te houden.
Misschien ontgaat de meeste mensen het subtiele verschil tussen DENKEN en DENKOEFENINGEN, maar het is van belang dit verschil toch te zien om enig begrip te krijgen van de europese mens, dus de mens naar zijn laatste CENTRALE VERHOUDING; in het eerste geval gaat het om het denken zèlf, en in het tweede geval om de oefening.
Bij de OEFENING is het NIET-KUNNEN de maatgevende factor, want je gaat iets oefenen als je het (nog) niet kan. Het resultaat is dan een min of meer gelukte oefening, en dat is, genomen vanuit de zaak, waarom het gaat, een MISLUKKING, dus FOUT.
Als wij zo het denken gaan BEOEFENEN, is het resultaat een mislukking; er is dus in de grond van de zaak eigenlijk NIET GEDACHT.
Als wij echter DENKEN, dan is de kant er wel niet af te denken, dat het allemaal min of meer mislukt is, maar dan hebben wij in elk geval toch GEDACHT.

De eenheid natuur-geest als vrouw
We hebben over de mens gesproken als de eenheid natuur-geest, en omdat het hier gaat over de eenheid van twee situaties, moeten we ook aan die eenheid twee gevallen onderscheiden: de eenheid vanuit het begrip natuur, en de eenheid vanuit het begrip geest.
Het laatste geval hebben wij behandeld, toen we over de MAN spraken in de vorige cursus; we zullen het nu hebben over het eerste geval, namelijk de eenheid vanuit het begrip NATUUR, welke eenheid de VROUW is.
Bij de vrouw is het UITGANGSPUNT dus altijd de NATUUR.
We kunnen dit misschien als volgt verduidelijken met het MATERIAAL, dat zij voor haar leven nodig heeft, is een NATUURLIJK materiaal. Het gaat over het ETEN en DRINKEN, over het HUIS en de inrichting daarvan, de VERZORGING van de kinderen, de BLOEMEN water geven, aardappelen schillen, enzovoort.
Het leven van de vrouw is te benoemen met het begrip THUIS, en de inhoud van dat begrip is alles, dat met het HUIS te maken heeft.
Het begrip THUIS zèlf echter heeft een veel grotere betekenis, dan alleen maar de POTTEN EN PANNEN. De vraag is namelijk deze: welke werkelijkheid realiseert de vrouw met dat materiaal, dat uit POTTEN EN PANNEN bestaat?

De vrouw naar haar uiteindelijke werkelijkheid
Het UITGANGSPUNT van de vrouw ligt bij de potten en pannen. Dit willen wij als volgt benoemen: HET UITGANGSPUNT VAN DE VROUW IS HET HUIS. Onder “huis” verstaan wij dus het TOTAAL van de natuurlijkheden, waarvan de vrouw omringd is.
Het EINDPUNT van de vrouw echter, dus datgene waarin het voor de vrouw UITLOOPT, is het begrip LIEFDE, hetgeen hetzelfde is als het begrip INEENZIJN.
De vrouw immers, is de eenheid natuur-geest, met als uitgangspunt de natuur. Het begrip GEEST betekent hier de werkelijkheid als ineenzijn, dus de werkelijkheid als LIEFDE.
We kunnen dus nu van de vrouw zeggen, dat zij de MENS is, door wie en in wie de werkelijkheid als POTTEN EN PANNEN in LIEFDE opgenomen is; de natuurlijkheden zijn in haar tot ineenzijn verheven.
DE VROUW IS DE MENS IN WIE HET HUIS TOT TEHUIS IS VERHEVEN.
Deze gedachte is voor ons moderne denken onbegrijpelijk en bovendien neigen wij ertoe het een OUDERWETSE en BEKROMPEN gedachte te vinden. Als het leven van de vrouw niet verder gaat dan het NESTJE met alles, wat daarbij behoort, dan is zij een beklagenswaardig wezen, een HUISSLOOF, die deugt voor sokken stoppen en kinderen krijgen.

De moderne vrouw
De moderne vrouw wil geen HUISSLOOF zijn; zij wil MEETELLEN in de wereld, zoals de MAN meetelt; zij wil RESPECT afdwingen en laten zien, dat zij ook tot heel wat in staat is en helemaal niet voor de man behoeft onder te doen.
Zij ONTVLUCHT haar huis en zij gaat een belangrijke POSITIE bekleden in de maatschappij; het moet maar eens uit zijn met haar MINDERWAARDIGHEID ten opzichte van de man.
EMANCIPATIE is haar leuze. Alle vrouwen naar de UNIVERSITEIT, wiskunde studeren of rechten of letteren.

En de vrouwen, voor wie een dergelijke loopbaan niet weggelegd is, krijgen regelmatig “de zenuwen” van dat thuiszitten en nooit iemand zien; zij willen “er eens uit” om nog eens wat anders van de wereld te zien dan die vier muren.
Voor al deze vrouwen geldt het begrip TEHUIS slechts in zeer zwakke mate; door hun volledig samenvallen met de westerse cultuur laat hun intuitie hen in de steek en zodoende komen zij niet verder dan het begrip HUIS, d.w.z. letterlijk de POTTEN EN PANNEN. Zij hebben wel gelijk als zij zichzelf een HUISSLOOF vinden, maar zij hebben er niet het flauwste vermoeden van, dat zij uit deze situatie gered zijn door hun HUIS tot TEHUIS te verheffen, en dat zij VOLLEDIG FOUT zijn, als zij de oplossing menen te moeten zoeken in een aan de man overeenkomend leven.

Als de vrouw zich-gaat gedragen alsof zij een man was en zich dus uit haar eigen wereld verplaatst naar die van de man, dan MIST ZIJ EERST RECHT HAAR LEVEN.
Het is een bekend en hand over hand toenemend verschijnsel bij de amerikaanse vrouw, die zich al heel erg in de mannen-wereld ingedrongen heeft en vele belangrijke POSITIES bekleedt, dat zij met de regelmaat van de klok door “haar” psychiater behandeld moet worden om niet helemaal in de war te lopen.
Ook in europa gaat het steeds meer tot de “bon ton” behoren om als vrouw een werkkring te hebben. De kinderen worden wel door anderen opgevangen, en dat is heus wel verantwoord, want de verzorging is in handen van speciaal daartoe opgeleide nensen. Het wordt allemaal heel serieus aangepakt.

Het begrip tehuis
Het in LIEFDE verenigen van de werkelijkheid, die wij met het begrip HUIS benoemd hebben, is de werkelijkheid als TEHUIS.
Deze zaak wordt door de westerse mens als een BENAUWDE AANGELEGENHEID beseft, maar het is zijn ANALYTISCHE DENKEN, dat hem op een DWAALSPOOR brengt, want het is niet moeilijk in te zien, dat het begrip TEHUIS voor de op aarde rondwandelende mens de meest verheven PRAKTISCHE zaak is.
Immers, de ganse werkelijkheid van de natuurlijkheden, die OP ZICHZELF nooit aan het LAATSTE, namelijk de LIEFDE, toekomt, maar noodwendig blijft steken in Het UITEENZIJN met de daaraan meekomende VERSCHILLEN en GESCHILLEN, het DIT wèl en DAT niet, de onontkoombare HAAT en NIJD, die ganse werkelijkheid vindt zijn RUST in de beslotenheid, de veiligheid en de warmte van de LIEFDE, het INEENZIJN.

EN DE VROUW VERTEGENWOORDIGT DEZE WERKELIJKHEID, DIT OPHEFFEN VAN DE HAAT.

Maar wij menen, dat de vrouw OUDERWETS is als zij zich tot haar eigen wereld bepaalt en geen interesse heeft voor Frans en Duits, en rechten en wiskunde en bruggenhouw en politiek en auto’s. Een vrouw, die niet kan leren AUTORIJDEN vinden wij stom en een vrouw, die nog nooit van STENDHAL gehoord heeft ook.
En als ze DE PIL gebruikt is zij heel VERSTANDIG, want voor we aan kinderen beginnen moeten we even nagaan of onze financiele positie dit wel toelaat

Als wij vandaag de dag om ons heen kijken en ons de vraag stellen welke vrouw er nog het vermogen heeft om van haar huis een werkelijk TEHUIS te maken, waar de uiteenzijnde werkelijkheid, èn haar VERTEGENWOORDIGER, de MAN, rust en beslotenheid en veiligheid en warmte vindt, dan komen wij tot de conclusie, dat onze hedendaagse wereld een door en door ARMOEDIGE WERELD is, en dat de huizen geen TEHUIZEN, maar GEVANGENISSEN zijn, waarin beiden, zowel de man als de vrouw, stikken van de BENAUWDHEID.
Een benauwdheid, DIE ZIJ ECHTER ZELF ZIJN.

Dinsdag, 27 juli 1965

No. 28

DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS

Inleiding

Bladwijzers: Beweeglijkheden/beweeglijkheid en Ondeelbaarheden – zie .nrs 1 t/m 4  en 28 ;

 
Een vraag
Wij hebben de vorige keer geconstateerd, dat er vandaag de dag slechts weinig vrouwen zijn, die het vermogen hebben van hun HUIS werkelijk een TEHUIS te maken. Wij kunnen ons afvragen hoe het komt dat dit gemis zich steeds sterker openbaart in de huidige beschaafde wereld.
Uiteraard moeten wij het antwoord zoeken bij de westerse cultuur, want daarin moet noodwendig de KIEM liggen van alle verschijnselen, die zich in onze wereld voordoen.
We moeten eens op het volgende letten: de mens is de eenheid van de begrippen natuur en geest. Er is geen mens denkbaar, die deze eenheid niet is, maar er zijn wel hele cultuurtijdperken geweest, waarin de mens zichzelf NIET als zodanig zag; het ging in die culturen om de een of andere CENTRAAL GESTELDE VERHOUDING, en ook nu nog, in de west- Europese cultuur, gaat het om zo’n verhouding, namelijk de laatst mogelijke DE GEEST.
Wanneer de mens aan zichzelf ziet, dus wanneer de mens van zichzelf BEWUST is, dat het voor hem om de GEEST gààt, dan is hij zich tevens van zichzelf bewust, dat hij in zijn gewone doen NIET aan deze zaak beantwoordt. Hij is zich er van bewust, dat hij er naar toe moet werken.
De westerse mens is zich er dus van bewust, dat hij in zijn dagelijkse leven zich bepaald NIET naar de GEEST gedraagt en dit brengt onafwendbaar voor hem mee, dat in en voor zijn BEWUSTZIJN het ZICHZELF-ineenzijn-weten is komen te VERVALLEN en daarmee zijn alle waarlijk MENSELIJKE begrippen verloren gegaan.
Naarmate de westerse ontwikkeling voortgaat komt dit van het menselijke verlaten zijn steeds sterker naar voren, dus raakt ook het begrip TEHUIS langzamerhand op de achtergrond.
Al vervaagt het BEWUSTZIJN van de levende mens omtrent zichzelf als INEENZIJN, dan wil dit nog niet zeggen, dat daarom die begrippen niet meer voor de mens GELDEN. Het is de MENS, dus wat voor dat geval geldt, BLIJFT gelden, maar als de mens hieromtrent geen ZELFKENNIS meer bezit, gaat hij zich automatisch met andere dingen bezighouden en zich steeds minder bezig houden met zichzelf WEZENLIJK. Hij verbeeldt zich een ANDER te zijn dan die hij in de grond van de zaak is: hij VERVREEMDT VAN ZICHZELF.
Op grond hiervan hebben wij de vorige keer gesproken van een ARMOEDIGE WERELD.

Onze armoedige wereld
Het voor de mens vervallen van het begrip TEHUIS beperkt zich niet alleen tot de vrouw en haar huis, maar het beslaat het ganse terrein van het menselijk leven. Het vervallen van het TEHUIS is er slechts een ASPECT van, want in de grond van de zaak is het immers het verloren BEWUSTZIJN omtrent het INEENZIJN, dat daadwerkelijk voor de LEVENDE mens geldt, maar dat naar een andere en HOGERE werkelijkheid verschoven is als gevolg van de geldende CENTRALE VERHOUDING.
Zo is voor de MAN het WERKEN aan een “vermenselijken van het verschijnsel” (Börger) verworden tot een zich zoveel toe-eigenen als maar enigszins mogelijk is; de mens is de BEZITTER in de zin van EIGENAAR van het verschijnsel geworden, en in hem is het besef vergleden dat de vermenselijkte verschijnselen, de DINGEN, inhoud zijn van het begrip TEHUIS. Dus inhoud zijn van een VROUWELIJKE wereld, omdat de vrouw WEZENLIJK het ineen- zijn vertegenwoordigt, zoals we gezien hebben.
Voor de man in deze situatie is het werken een middel tot VERGAREN van zoveel mogelijk BEZIT; hij is niets meer dan de NATUURLIJKE mens, die, overeenkomstig het DIER, niet verder komt dan het VERZAMELEN van VOEDSEL; hij is als een KOE, die de gehele dag niets anders doet dan GRAS ETEN. Hij werkt voor zijn “boterham” en “zaken gaan voor het meisje’, terwijl er voor gezelligheid en huiselijkheid geen hand wordt uitgestoken. Als de moderne mensen het eens “leuk” willen hebben dan gaan ze buiten de deur hun vermaak zoeken in een schijn-gezelligheid, die terdege GEKOCHT EN BETAALD is.
Met deze zaak is de INTIMITEIT van het vrouwelijke niet te rijmen en de vrouw stelt zich in een dergelijke wereld als iets BEGEERLIJKS, dat op de een of andere manier wel “zu haben” is.
In dit verband is te wijzen op de typerende waardedaling van het begrip KUISHEID, welk begrip vroeger vanzelfsprekend met de vrouw verbonden was. Afgezien van de vraag of de inhoud van het begrip kuisheid beantwoordde aan het werkelijk vrouwelijke, was het toch boven alle twijfel verheven, dat de vrouw “kuis” behoorde te zijn, en voor de mensen betekende dit meer, dan alleen maar de huwelijkstrouw; zij beseffen er een grotere zaak aan.
Vandaag de dag is kuisheid belachelijk, achterlijk, saai en dom.

In de idee is de mens gered
We hebben nu gesproken over het begrip THUIS en we hebben ons daarbij met nadruk bepaald tot het PRAKTISCHE leven, namelijk gewoon alledaags de POTTEN EN PANNEN, welke werkelijkheid door de VROUW uit haar BANALITEIT verheven is, omdat in de vrouw de hele santenkraam in INEENZIJN opgenomen is.
Nu willen we eerst eens even stilstaan bij de werkelijkheid ZELF, d.w.z. we willen nagaan wat er voor dat grote geheel geldt, àfgezien van het feit dat de MENS er is en in die hele zaak een bepaalde positie inneemt.

De werkelijkheid is een zaak van INEENGAAN van enkelvoudigheden. Waarom dit zo is en waarom dit ineengaan er voor geldt, laten wij nu buiten beschouwing, want dit zou een aparte behandeling vereisen, die bepaald niet met een paar woorden - zelfs niet met een paar cursussen af te doen is.( zie Beweging en Verschijnsel deel 1, 2 en 3, toegevoegd door Rob van Es).
In ieder geval is niet denkbaar, dat de IETSEN, waaruit de werkelijkheid bestaat, uiteengaan, want dan zou er in de werkelijkheid geen enkel VERBAND gelden. Ook is niet denkbaar dat de IETSEN ten opzichte van elkaar STATISCH zijn, want voor de ietsen geldt BEWEEGLIJKHEID. De ietsen gaan dus INEEN. Van dit proces is te zeggen:
a) De ietsen GAAN INEEN, dus zolang dit proces aan de gang is, ZIJN DE IETSEN IN FEITE NOG UITEEN. Dit zijn de concrete VERSCHIJNSELEN.
b) Tenslotte komt er aan het INEENGAAN een EIND, zodat het UITEENZIJN dan afgelopen is om plaats te maken voor het INEENZIJN. Dit INEENZIJN is natuurlijk het allerlaatste station van de werkelijkheid; het hele geval loopt daarin uit.
c) Het eind van het INEENGAAN, d.w.z. PRECIES HET EINDPUNT, laat aan zich bedenken, dat er TWEE situaties TEGELIJK voorkomen, namelijk UITEENZIJN en INEENZIJN, en dit punt is de MENS.
d) Op het EINDPUNT vindt de werkelijkheid dus haar voltooiing, dus in de MENS vindt de werkelijkheid haar WAARHEID. Dit is de speciale positie van de mens.

Nu kunnen we het hiergezegde zonder meer als waarheid nemen en op grond daarvan de mening toegedaan zijn, dat de werkelijkheid dus TERECHT is, aangezien zij de mens heeft opgeleverd en daarmee haar eigen EINDE heeft gerealiseerd. Zo is dan de mens het werkelijke SLOTACCOORD van de werkelijkheid en daarmee is de keus af.
De zaak is GERED, d.w.z. de zaak is terechtgekomen waar hij behoort te zijn, want de werkelijkheid is inderdaad in INEENZIJN uitgelopen
De werkelijkheid van het UITEENZIJNDE (het verschijnsel) is tenslotte de werkelijkheid als INEENZIJN geworden, dus het UITEENZIJNDE is INHOUD van het INEENZIJN geworden.

Deze redenering is niet fout en inderdaad geldt het hiergezegde voor de werkelijkheid, maar toch hebben wij er een stukje uit overgeslagen, en wel dit: de genoemde redenering is THEORIE, d.w.z. het is alleen nog maar GEDACHT DOOR DE LEVENDE MENS, maar het is NOG NIET DOOR HEM WAARGEMAAKT. Dus IN FEITE is het UITEENZIJNDE nog niet in INEENZIJN opgenomen, want dit is pas het geval als de mens de aarde inderdaad vermenselijkt heeft en de hele zaak als het begrip TEHUIS een hogere werkelijkheid heeft gegeven. Pas dan is de mens ZELF ook terecht en pas dan heeft hij zich gesteld overeenkomstig de werkelijkheid, die hij is.

Makro- en mikrokosmos
In het denken van de oude GRIEKEN speelden de begrippen makro- en mikrokosmos een rol; er was voor hen een “grote kosmos” en een”kleine kosmos”, d.w.z. een groot en een klein heelal.
Deze gedachte sluit aan bij het door ons hierboven gezegde over de werkelijkheid zèlf als groot geheel (makrokosmos) èn over de werkelijkheid als mens, die natuurlijk ook de werkelijkheid is, maar dan als het ware GECONCENTREERD IN ÉÉN PUNT, namelijk het EINDPUNT (mikrokosmos).

We kunnen nu, indachtig het bovenstaande, zeggen, dat de MAKROKOSMOS noodwendig en onveranderlijk TERECHT is, maar dat de MIKROKOSMOS (mens) zich als de in één punt geconcentreerde werkelijkheid moet WAARMAKEN.
Het ONTWIKKELINGSPROCES, met als TASTBARE MOMENTEN de zogenaamde GESCHIEDENIS van de mensheid, is derhalve niets anders dan het zich WAARMAKEN van de mens als dat éne punt, waarin de GANSE werkelijkheid geconcentreerd is.

De mens is dus IN DE IDEE gered, maar in de praktijk moet hij dat “gered zijn” waarmaken en dat is de weg der mensheid, en die weg is een GROEI naar VOLWASSENHEID en voordat de mens zover is, geldt voor hem het begrip THUIS niet IN DE PRAKTIJK.

 Bladwijzers: Beweeglijkheden/beweeglijkheid en Ondeelbaarheden – zie .nrs 1 t/m 4  en 28 ;

Dinsdag, 3 augustus 1965

No. 29.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Over de vrouwelijke intimiteit

Het woord INTIMITEIT kunnen we in dit verband het beste vertalen met INNIGHEID. Dat dit begrip voor de vrouw geldt laat zich gemakkelijk begrijpen als wij bedenken, dat de vrouw uiteindelijk, d.w.z. wezenlijk, INEENZIJN is. In haar is het dus allemaal INEEN, dus zij heeft het alles IN ZICH.
Uit de praktijk weten we dit wel; het wordt bijvoorbeeld duidelijk gedemonstreerd aan het feit, dat de vrouw, in tegenstelling tot de man, het KIND in zich heeft. En behalve het kind, heeft zij ook de MAN, voorzover er DAADWERKELIJK van ineenzijn sprake is, in haar lichaam opgenomen.
Het INEENZIJN is een zaak van INNERLIJKHEID, dus de vrouw is een zaak van innerlijkheid en dit is heel wat anders dan de wereld van “langs de weg”, waar de moderne vrouw steeds meer haar heil gaat zoeken. “Langs de weg” is de wereld van het UITEENZIJN; het is het gaan van hier naar daar en het heeft nergens de BESLOTENHEID van het vrouwelijke.
“Langs de weg” is de wereld van de man, want hij is WEZENLIJK de uiteenzijnde werkelijkheid, welke werkelijkheid hij weliswaar vermenselijkt, maar waarin hij toch het RUSTPUNT niet kan vinden. Omdat het rustpunt daar NIET ligt; het ligt bij en in het vrouwelijke, omdat de vrouw INEENZIJN is.
Wanneer de vrouw zich dus langs de weg gaat bewegen, laat zij zich niet als RUSTPUNT gelden; de wereld van het INEENZIJN komt voor haar te vervallen en daarmee ook de BESLOTENHEID en de INNIGHEID.
Als je met je vrouw in de KROEG zit, zit je niet bij haar, want zij stelt daar geen INNIGHEID, maar UITEENZIJN. Vandaar dat in de “uitgaande” wereld de HOERERIJ hoogtij viert en vandaar dat in die wereld de vrouw er BEGEERLIJK wenst uit te zien.
Het gehele leven van vandaag de dag krijgt steeds meer het karakter van de “uitgaande wereld” en het is het zich doorzetten van het begrip KOOP EN VERKOOP.

Een waarschuwing
Wat wij hierboven over de vrouw gezegd hebben, en wat wij gezegd hebben over de MODERNE vrouw, is, zoals alles wat wij in onze cursussen ter sprake brengen, voor allerlei misverstanden vatbaar, want voor ons, westerlingen, wordt alles zo gauw tot een FORMULE, waaraan wij ons min of meer vastklampen, voorzover het ons dagelijks leven betreft. Want zo vanuit onszelf, dus INTUÏTIEF, hebben wij weinig kijk op het leven, omdat wij weinig kijk op onszelf hebben.

We hebben niet gezegd, dat een vrouw niet MAG uitgaan, en niet MAG gaan werken en dat zij dus niet DEUGT als zij er eens even uit wil en mooi aangekleed naar de schouwburg gaat, of een borreltje drinken of dansen.
Het gaat er om, dat zij het van deze wereld niet moet VERWACHTEN, als zou het voor haar om dat gedoe gaan, en niet om het huishouden en de kinderen en wat daar verder nog aan mee komt. En het is de tendens in onze moderne wereld om de huiselijkheid àf te wijzen en allemaal langs de weg te gaan slieren en hiertegen is hetgeen wij gezegd hebben gericht.

Nogmaals de theorie en de praktijk
We hebben er de vorige maal reeds op gewezen, dat de werkelijkheid zèlf niet anders dan als GERED denkbaar is, en in dit verband gebruiken wij het woord “redden”, omdat we, vanuit de MENS bekeken, om te beginnen geen hoge dunk krijgen van het hele gescharrel op deze planeet, en er zodoende de vraag kan rijzen, of dit allemaal nog wel eens op zal houden, dat gemoord en geplunder en geroof en gelieg en gedraai. De mens komt inderdaad op de gedachte, dat hij gered moet worden uit de rotzooi.
In de FILOSOFIE is het allemaal heel gemakkelijk: de werkelijkheid is zo en zo, dus treden er die en die verschijnselen op. De mens is dat verschijnsel en daarvoor geldt wat er voor geldt. In de mens komt de werkelijkheid tenslotte tot INEENZIJN en vandaaruit vertoont hij allerlei begrippen.
De filosofie vanuit haar IVOREN TOREN legt de zaak wel WETENSCHAPPELIJK uit en geeft ons wel een BEELD van de mens, maar als wij er eenvoudig over nadenken, blijft er toch een VRAAG liggen en wel deze: wie van ons beantwoordt aan die filosofische formule en komt de SCHILLEMAN nou eigenlijk ook terecht of geldt het alleen maar voor de GENIALEN?
Het is niet denkbaar, dat er één mens uitgezonderd is van het laatste en daarom kunnen wij ons afvragen hoe het gewoon in de PRAKTIJK voor de mensen ligt en langs welke praktische weg ALLE mensen uiteindelijk toch gered zijn.

Daarbij laten we datgene, dat er WETENSCHAPPELIJK aan de mens te bedenken valt maar voor wat het is, want de mens komt niet langs wetenschappelijke weg terecht, hoewel anderzijds de wetenschap er niet àf te denken is.

Nu hebben we gezien: het WERK van de man, en we hebben gezien, wat er nou eigenlijk aan de hand is als de man werkt. Verder zagen we de vrouw en haar HUIS, dat door haar als een TEHUIS gesteld wordt. We zagen, dat deze hele zaak één geval was, waarin de man het zijne stelde en de vrouw het hare.
Hierbij hebben wij het NIET gehad over, theoretische gevallen, die in de praktijk niet voorkomen, maar wij hebben duidelijk over het leven van alle dag gesproken.
Nu blijkt, als wij over het gewone leven spreken, dat daarvoor nou juist die begrippen gelden, die voor de werkelijkheid in laatste instantie van kracht zijn, en dus kunnen wij vaststellen, dat voor het dagelijkse leven van de mensen in principe helemaal geen REDDING nodig is, want in principe ligt de zaak wel in zijn verhouding.
De mannen werken en de vrouwen zijn thuis met de kinderen; aan het werk van de mannen kan de vrouw uit de voeten met haar wereld, in welke wereld de man op zijn beurt weer rust vindt. Principieel is dus alles wel in orde, en dat zou ook niet anders kunnen, want de mens ontkomt toch nooit aan zijn WEZEN, ook al vertelt en denkt hij de onmogelijkste ONZIN over zichzelf.
Zo genomen is het dus eigenlijk wel terecht, als er bij gelegenheid over het HUWELIJK gesproken wordt als over het “hoogste goed”, en hetzelfde van het GEZIN gezegd wordt - twee verschillende begrippen overigens, die nog al eens door elkaar gehaald worden.
De BASISVERHOUDING klopt wel, maar er is iets anders, waardoor de zaak toch niet ligt zoals ze liggen moet. De oorzaak van het hele GETOB onder de mensen moeten wij zoeken in hun ONVOLWASSENHEID, waardoor alles in een geheel ander licht verschijnt voor het besef van de mensen.

De onvolwassenheid en de afhankelijkheid
De mensheid is alsnog ONVOLWASSEN, d.w.z. zij heeft haar ontwikkelingsweg nog niet ten einde gelopen, en omdat dit het geval is, is de mensheid nog niet WERKELIJK aan ineenzijn toegekomen, zodat dus ook het begrip HET GEHEEL, waarover wij gesproken hebben, nog geen REALITEIT is geworden.
Als het GEHEEL nog niet werkelijk geldt, dan gelden noodwendig de DELEN, waaruit dat geheel BESTAAT, en zo is de onvolwassen mens iemand, die afhankelijk is van de DELEN, dus van DE ANDERE MENSEN, terwijl het TENSLOTTE zo moet zijn, dat de mens afhankelijk is van HET GEHEEL.
Afhankelijkheid is niet van de mens af te denken, want behalve zijn GEEST is en blijft hij tòch een verschijnsel, dus tòch een AFHANKELIJK geval.
De ONVOLWASSEN mens echter stelt zich afhankelijk van EEN ANDER, en daarin ligt de kern van zijn BENAUWDHEID en zijn GEBONDENHEID.

Zo is van het HUWELIJK het volgende te zeggen: het huwelijk is de mens naar zijn dagelijks leven, voorzover hij zichzelf AFHANKELIJK weet.
Wat wij hebben geconstateerd omtrent het dagelijkse leven van de mens, genomen naar de aspecten vrouwelijk en mannelijk, behoeven wij slechts als een afhankelijke geschiedenis te stellen om het huwelijk naar zijn KERN begrepen te hebben. De man, afhankelijk van de vrouw, en omgekeerd, en dus DIE man, afhankelijk van DIE vrouw en omgekeerd, dàt is de kern van het huwelijk en het gezin, zoals wij dat kennen.
Het is een vergissing om te menen, dat het huwelijk een kwestie van SEXUALITEIT is; er is hoogstens van te zeggen, dat de sexualiteit ook bij de door ons genoemde verhouding ondergebracht is; met fatale gevolgen overigens, want de sexualiteit laat zich niet in deze zaak beklemmen.
Ook in de geschiedenis van de mensen is duidelijk te zien, dat de sexualiteit haar eigen weg gegaan is, huwelijk of geen huwelijk.

In het huwelijk zien wij dus de wederzijdse afhankelijkheid van de man en de vrouw en het is deze afhankelijkheid, die zich in de loop der ontwikkeling oplost. Daarvan zijn nu reeds symptomen te zien, bijv. in de nieuwe BIJSTANDSWET, volgens welke wet elke vrouw met kind, die niet gehuwd is en dus niet in haar levensonderhoud voorzien is, RECHT heeft op een uitkering, en die uitkering krijgt zij niet van deze of gene, maar vanwege de GEMEENSCHAP. Zij is dus van de gemeenschap afhankelijk en hoewel er hier slechts van een pril begin sprake is, gaat zich hier toch reeds de juiste verhouding aftekenen.

Dinsdag, 10 augustus 1965

No. 30.
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS

inleiding

Het begrip “de ander”
Wij, in onze moderne westerse wereld zijn heel groots met “de ander”, en wij vinden, dat wij als mens verplicht zijn aan die ander te denken. Wij vinden dat wij REKENING met hem moeten houden, en als iemand dat bij gelegenheid dan ook doet, spreken wij er prijzende woorden over als zou het iets GEWELDIGS zijn, waaraan wij allemaal een voorbeeld kunnen nemen.
In FEITE echter stelt het NIETS voor, dat wij met DE ANDER rekening houden en er is geen enkele aanleiding om er menselijke waarde aan toe te kennen. Zoals wij in het vorige stencil reeds opgemerkt hebben, geldt onder de mensen het begrip “de ander” zolang en voorzover de mens nog niet tot VOLWASSENHEID is gekomen, zodat hij zich nog niet HET GEHEEL weet. Ter verduidelijking het volgende:

Alles in de werkelijkheid bestaat uit elementen; het is allemaal SAMENGESTELD. Die elementen vormen tezamen een TOTAAL, d.w.z. ze zijn bij elkaar op te tellen, en dit optellen is mogelijk omdat de elementen BUITEN ELKAAR zijn.
Er is dus het ENE ELEMENT en het ANDERE ELEMENT, en hoewel het éne niet zònder het andere is te denken, geldt hier toch als eerste, dat het ene element het andere NIET is.
Voor het TOTAAL van de elementen geldt echter nog een ander begrip, namelijk het begrip HET GEHEEL, want alle elementen van de werkelijkheid tezamen vormen een geheel. De werkelijkheid COMPLEET is dus HET GEHEEL.
De MENS is de werkelijkheid als zijnde HET GEHEEL, want in de mens als LAATSTE VERSCHIJNSEL is de werkelijkheid COMPLEET.
Als de mens zichzelf nog niet kent als HET GEHEEL - en dat is nog steeds het geval - dan is het noodwendig, dat hij zichzelf het EEN EN HET ANDER weet, want een andere mogelijkheid is er niet.
Zichzelf als “het één en het ander” kennen is, logisch gedacht, gevarieerd tussen “de ander ontkennen” en “de ander erkennen”, voorzover de mens van zich uit (dus van zichzelf uit als “de één”) weet, dat er ook nog de ander is.
Als ik de ander ONTKEN, weet ik, dat hij er is, maar ik erken hem niet en zal hem dus doodslaan. Ik houd REKENING met hem, want ik WEET, dat hij er is, maar mijn “rekening houden met” heeft alleen te maken met het DOODSLAAN.

Als ik de ander ERKEN weet ik natuurlijk eerst recht, dat hij er is, en ik houd dan REKENING met hem, voorzover ik hem een plaats onder de zon GUN; hij heeft RECHT op zijn leven.
Toch kom ik in dit laatste geval niet verder dan de wetenschap, dat er een TOTAAL aan mensen is, die allemaal RECHT op leven hebben. Maar verder heb ik met “die rest” niets te maken; ik kan er hoogstens mee HANDELEN, want we kunnen elkaar, op grond van onze AFHANKELIJKHEID, allemaal GEBRUIKEN.
Hoewel er te zeggen is, dat “het elkaar erkennen” op een veel hoger menselijk niveau ligt dan het elkaar “ontkennen”, moeten we toch niet uit het oog verliezen, dat beide gesteldheden tot hetzelfde terrein behoren, namelijk het terrein van “de één en de ander”, dus het terrein van de VERSCHIJNSELEN. We hebben hier dus nog steeds te maken met een LIEFDELOZE werkelijkheid.
Hoe lofwaardig het ook is, dat in onze maatschappij een ieder zijn “recht” heeft, en daar ook aanspraak op kan maken, toch is het een GUNST als wij de ander zijn recht geven en toch voelen wij het als een soort gunst, als wij ons recht krijgen.
Het is immers nog steeds zo dat wij ons, bij bepaalde gelegenheden, van de hulp van “deskundigen” en andere “invloedrijke personen” moeten verzekeren om ons recht erkend te zien. Het is in de grond van de zaak helemaal niet vanzelfsprekend, dat ons recht gedaan wordt.

Zo kunnen we dus zeggen, dat ons in positieve zin rekening houden met de ander te verkiezen is boven het ontkennen van de ander; het volledig ERKENNEN van de ander is het LAATSTE STATION van de mensheid vóór de volwassenheid, want het is het zich bewust zijn van het feit, dat er een TOTAAL aan mensen is, die allemaal MEETELLEN, en dus allemaal hun RECHT hebben. Dat besef van het TOTAAL moet er eerst zijn, wil het GEHEEL zich kunnen realiseren.
Vanuit het GEHEEL genomen echter geldt er een heel andere verhouding ten opzichte van de ander, want IK ben dan net zo goed als de ANDER zèlf het geheel.

Het begrip “de ander”vanuit het geheel
Als de mens zichzelf het begrip HET GEHEEL is, dan heeft hij maar met één ding te maken, namelijk met het geheel. Ook de ander heeft slechts met het geheel te maken.
Zo genomen kan ik van mezelf zeggen, dat ik ONVERSCHILLIG voor de ander ben, want mijn enige opgaaf is met het geheel samen te vallen, waarmee ik dan onmiddellijk met de ander samenval, want die valt op zijn wijze met het geheel samen.
Ik behoef dan dus nergens REKENING mee te houden, d.w.z. ik behoef me niet anders te gedragen of voor te doen dan ik ben terwille van de ander; ik ben slechts verplicht zo helder mogelijk MEZELF te zijn, want eerst dan val IK met het GEHEEL samen.
De ONVERSCHILLIGHEID voor de ander heeft deze betekenis, dat ik mezelf als het geheel laat gelden, ONGEACHT de aanwezigheid van de ander, dus zonder REKENING met hem te houden. Hij moet het op ZIJN WIJZE stellen, maar daardoor laat ik me niet van mezelf àfhouden.

Ons, westerse mensen, ligt dit soort zelfstandigheid niet, want voor ons is het IDEAAL zoveel mogelijk met de ander rekening te houden en voor de ander wat over te hebben, enz. Dat de ander hiermee eigenlijk BELEDIGD wordt, omdat wij voor hem iets kunnen MISSEN en hem dus heel grootmoedig ook een portie van de koek geven, ontgaat ons volledig. Het kan ook niet anders, want wij zijn net zo’n beetje bij het TOTAAL aangekomen en ook daaraan moeten wij nog wennen. Hoe zouden wij dan al in staat zijn ook deze verworvenheden te laten schieten en de laatste stap te doen, namelijk de stap van het TOTAAL naar het GEHEEL.

Hopenlijk is het nu duidelijk geworden, waarom wij voor ons gesol met de ander weinig respect kunnen opbrengen. Het is alleen maar een halfslachtig en ook volkomen ONWEZENLIJK gedoe, dat in de grond van de zaak nog SCHIJNHEILIG is ook, want onze UITEINDELIJKE gesteldheid is, dat de ander ons ONVERSCHILLIG is en hieraan kunnen wij toch niet ontkomen, want of wij het willen of niet: daarin loopt het uit. We zouden er beter aan doen ons eens niet zo druk om de ander te maken en er voor te zorgen dat we zelf behoorlijk naar voren kwamen als op onze wijze het geheel. Wie dan niet mee kon, die kon maar niet mee; je kunt echter niet op de laatste IDIOOT gaan wachten, zoals Börger terecht opmerkt.

Het gaat dus inzake DE ANDER hierom, dat wij, in onze westerse cultuur “de ander” beschouwen als “iemand anders”, dus iemand, DIE WIJ NIET ZIJN.
Het accent ligt dus op: de ander NIET zijn.
Bij het begrip HET GEHEEL gaat het niet om “de ander WEL zijn”, zoals wij gemakkelijk zouden kunnen denken, maar het gaat om ZICHZELF HET GEHEEL ZIJN.
Dit laatste impliceert dan, dat wij de ander enerzijds NIET zijn, om hem anderzijds toch WEL te zijn. Dit is het begrip “de ander KENNEN”.

De sexualiteit
We hebben in het vorige stencil opgemerkt, dat het huwelijk, voorzover we dat vanuit het MAATSCHAPPELIJKE bekijken, GEEN kwestie van sexualiteit is.
Er is de POGING geweest - en die is er nog wel - de sexualiteit in het huwelijk onder te brengen, en dit is vooral een europees streven geweest, omdat er in europa de behoefte bestond het sexuele te LEGALISEREN.
Voor europa is de sexualiteit te VERWERPEN; het is een aangelegenheid, die er voor europees besef beter NIET kon zijn, maar die zich door de ZWAKTE van de mens toch telkens weer laat gelden, zodat het de beste oplossing was de hele zaak een officiële status te geven, waardoor het nog enigszins in toom te houden was.
De sexualiteit is een DIERLIJKE aangelegenheid voor ons; het is in de grond van de zaak de mens onwaardig zich hiermede bezig te houden. De grote HEILIGEN streefden er dan ook naar de sexuali-teit in zichzelf uit te bannen, en voorzover hun dit (ogenschijnlijk) gelukte, werd het als voorbeeldig aangemerkt. Het uitbannen van de sexualiteit in zichzelf werd als een teken van VERHEVENHEID beschouwd.
Men stak de vlag uit voor “kuise liefde”, die de “bezoedeling van het vlees” niet kende; ten onrechte sprak en spreekt men ook van “platonische liefde”, en ook hier wordt de liefde ZONDER het verderfelijke sexuele bedoeld.

Dat dit allemaal ONVERGELIJKELIJKE ONZIN is, begint zo langzamerhand tot ons door te dringen, hoewel de SFEER van ZONDIGHEID nog lang niet van onze sexualiteit geweken is. In de grond van de zaak is het nog steeds NIET ZO BEST.

Dinsdag, 17 augustus 1965 

No. 31
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

De man en de vrouw zèlf
In de voorgaande cursussen hebben wij het een en ander uiteengezet over de man en de vrouw, voorzover ieder van hen een eigen werkelijkheid realiseert, welke twee werkelijkheden facetten zijn van een GEHEEL, en dat geheel is de MENS naar zijn MAATSCHAPPELIJKE kant. Het is de mens naar zijn GEDOE in dit leven.
We moeten er achter wèl op letten, dat deze genoemde werkelijkheden ONMIDDELLIJK aan de mens MEEKOMEN; het is de sfeer, die hij om zich heen heeft, het milieu, dat hij zich schept.
Er is echter ook nog te vragen naar de mens zèlf. En nu bedoelen we niet datgene, dat hij WEZENLIJK is en waarin hij uitloopt, maar we bedoelen het simpele feit van zijn LIJFELIJK AANWEZIG ZIJN.
De man heeft zijn werk en de vrouw heeft haar tehuis, maar de man ZELF is er ook nog en de vrouw evenzo. Hun WERELDEN hebben we nu als een groot GEHEEL leren zien -  nù willen we even stilstaan bij de CONCRETE mens zèlf.

Het verschijnsel man en vrouw
Als wij stencil No. 24 nog eens nalezen, vinden wij daar beschreven, hoe de onverbrekelijke EENHEID natuur-geest, welke eenheid de MENS is, uiteenvalt in twee facetten. Het ene facet is de MAN en het andere facet is de VROUW.
Beide facetten komen voor als een apart verschijnsel, d.w.z. er is het verschijnsel MAN en er is het verschijnsel VROUW.
Bij de mens spreken we van het GESLACHT, maar dit is niet alleen bij de mens zo, de gehele ORGANISCHE werkelijkheid komt de twee geslachten: mannelijk en vrouwelijk. De dieren- en de plantenwereld is geslachtelijk.
Voor het ANORGANISCHE geldt dit niet: wij kennen geen mannelijke en vrouwelijke stenen.

Het VERSCHIJNSEL mens valt uiteen in twee verschijnselen, en hoewel de verklaring hiervoor niet zo moeilijk is, willen wij er toch nog even op wijzen.
Als we ons een eenheid denken van twee gesteldheden, kunnen we logischerwijze bij het bekijken van die eenheid UITGAAN van zowel de ene als de andere gesteldheid. In beide gevallen bekijken we de eenheid, maar toch is die eenheid in het ene geval anders dan in het andere.
Dit is voor ons denken moeilijk te bevatten. Misschien kan het volgende voorbeeld dienen tot een beter begrip van de zaak, waarom het gaat:
Wij denken ons de lijn tussen de punten A en B. Deze lijn kunnen wij volgen uitgaande van het punt A naar het punt B èn wij kunnen die lijn volgen uitgaande van het punt B naar het punt A. Niemand zal ontkennen, dat het in het eerste en in het tweede geval over DEZELFDE lijn gaat, maar ook zal niemand ontkennen, dat er toch duidelijk TWEE LIJNEN zijn: de lijn A-B en de lijn B-A. De onderhavige lijn is dus kennelijk DUBBEL, hoewel het toch één en dezelfde lijn is.
Voor de mens geldt een dergelijke situatie.

Als eerste moeten we nu het volgende goed in ons opnemen: als het denkbaar was, dat de werkelijkheid als PROCES niet aan een EINDE kwam, zodat er bij dat einde geen werkelijkheid als WAT ANDERS te voorschijn kwam, dan was er in de werkelijkheid geen uiteenvallen in vrouwelijk en mannelijk geweest. Want dan was de onverbrekelijke eenheid van natuur en geest nimmer opgetreden, aangezien die eenheid er juist is omdat aan het eind van het één noodwendig het ander inzet. Dus aan het eind van het proces (de verschijnselen-wereld, de natuur) zet geen-proces (de geest, het ineenzijn) in, en precies dat ene punt is de genoemde eenheid.
Het GESLACHTELIJKE is er dus dank zij het optreden van de genoemde EENHEID, dus het geslachtelijke is er dank zij de MENS.
Omdat de werkelijkheid tot het punt MENS komt en omdat zij in dat punt haar voltooiing vindt, daarom is er in de organische wereld het MANNELIJKE en het VROUWELIJKE.

Nu reeds blijkt, dat het een ondoordachtheid is de betrekking tussen de geslachten, dus de SEXUALITEIT, een “dierlijke” aangelegenheid te vinden, want de sexualiteit komt niet op uit de verschijnselen-wereld, en dus ook niet uit de dierenwereld, maar de sexualiteit komt op aan en in het VERSCHIJNSEL, DAT HET LAATSTE IS.
Dus de sexualiteit is met recht een MENSELIJKE AANGELEGENHEID.

De sexualiteit
De twee verschijnselen, waarin de mens uiteenvalt, zijn in de grond van de zaak één verschijnsel, en dit feit laat zich in zowel de man als de vrouw gelden.
Er is in de man en de vrouw de DRANG om zich te verenigen; op grond hiervan zien wij onder de mensen het NAAR ELKAAR TOE bewegen en het ZICH VERENIGEN. Dit willen wij de SEXUALITEIT noemen.
Deze sexualiteit heeft dus te maken met het VERSCHIJNSEL man en het VERSCHIJNSEL vrouw en het is er, omdat beide VERSCHIJNSELEN de door ons genoemde EENHEID vormen. Het is helemaal niet overbodig dit laatste goed in onszelf te overdenken, want we zijn hier heel gauw de koers kwijt, temeer, daar onze westerse cultuurerfenis er niet bepaald toe meewerkt om deze dingen in een ONBEVANGEN licht te zien. We moeten bij het overdenken van deze materie er vooral voor waken geen bijkomstigheden een rol te laten spelen en we moeten ons scherp tot het THEMA bepalen. Anders wordt het een rommeltje - wat het trouwens in het westerse denken over dit onderwerp al ruimschoots is.

Het VERSCHIJNSEL MAN, dus de man LIJFELIJK en het VERSCHIJNSEL VROUW, dus de vrouw LIJFELIJK, vertonen SEXUALITEIT, omdat er de betrekking is tussen de twee verschijnselen.

Aangaande deze sexualiteit is er de door ons genoemde POGING de hele zaak in het huwelijk, dus in een MAATSCHAPPELIJKE VERHOUDING onder te brengen.
Deze poging is gedeeltelijk gelukt, want het heeft toch generaties lang als behoorlijk gegolden de sexualiteit uitsluitend in het huwelijk te laten gelden, en het behoeft wel geen betoog, dat de meeste mensen zich hieraan gehouden hebben. Er zit dus voor de mens de mogelijkheid in de sexualiteit aan banden te leggen, want als die mogelijkheid ten enen male uitgesloten was geweest, was het nooit en aan niemand gelukt.
Tevens echter is de genoemde poging altijd en overal MISLUKT: het OVERSPEL is door de mens met grote ijver gepleegd. Overspel wil zeggen, dat de mens ontkent, dat de sexualiteit een huwelijks-aangelegenheid is.

De concrete mens
Als antwoord op de door ons aan het begin van dit stencil gestelde vraag hoe het zit met de mens LIJFELIJK, voorzover die mens uiteenvalt in man en vrouw, kunnen we dus zeggen, dat voor de man en de vrouw SEXUALITEIT geldt.
Ook in deze zaak vertegenwoordigt de man het UITEENZIJN en de vrouw het INEEN ZIJN. De man komt van buitenaf IN de vrouw en de vrouw ontvangt de man; zij neemt hem in zich op.
Zo rust ook hier de man in het VROUWELIJKE, en zo zien we dus ook hier weer dezelfde GRONDVERHOUDING, die wij bij de mens maatschappelijk zagen; alleen hier heeft zich de hele zaak in de lijfelijke mens geconcentreerd. Ook hier kunnen we spreken van de LAATSTE VERHOUDING voor de LEVENDE mens en ook hier zien wij weer dat de Europese mens geen weet heeft van het laatste, zodat hij de sexualiteit als een afkeurenswaardige zaak beschouwt, die eigenlijk in de dierenwereld thuis hoort, maar die voor de mens ZONDIG is.
HELAAS KAN HIJ HET ECHTER NIET LATEN!

Bij het overdenken van het hier behandelde moeten wij oppassen het door ons zo hoog geprezen en zo weinig begrepen begrip LIEFDE er niet bij te halen. Over de liefde zullen wij de volgende keer spreken en wij zullen ook zien welk verband er is tussen LIEFDE en SEXUALITEIT.
Nu moeten wij het echter alleen houden op het hier overspel gezegde.

Naar bladwijzers:  Het buitenechtelijke ; Overspel - De sexualiteit is geen huwelijks-aangelegenheid ; De mens als Liefde, sexueel en maatschappelijk

 ;

Dinsdag, 31 augustus 1965

No. 32
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

 
Drie aspecten
Alvorens enige nadere opmerkingen over het begrip LIEFDE te maken, zullen wij eerst terwille van de overzichtelijkheid nog even recapituleren wat wij tot nu toe over de mens gezegd hebben, voorzover hij als verschijnsel uiteenvalt in twee verschijnselen, namelijk de man en de vrouw.

1. DE MENS MAATSCHAPPELIJK. Als wij moeten omschrijven welke werkelijkheid we hiermee bedoelen, dan kunnen we zeggen, dat het hier gaat over de mens zoals hij tussen de mensen verkeert. De mens dus, die deel uitmaakt van het TOTAAL. We kunnen ook zeggen: de mens als BUITENWERELD. In hem als laatste verschijnsel worden de verschijnselen (de werkelijkheid als UITEENZIJN) verheven tot ineenzijn, en dat voltrekt zich in de man als hij WERKT, en het voltrekt zich in de vrouw als zij zich als het TEHUIS laat gelden.

 
2. DE MENS SEXUEEL. Hierbij gaat het om het feit, dat de mens als MAN en de mens als VROUW op elkaar betrokken zijn en zich op grond van deze betrekking met elkaar verenigen om op deze wijze ZICHZELF tot INEENZIJN te verheffen. Ook hier gaat het dus weer om het ineenzijn - waarom het trouwens ALTIJD voor de mens gaat omdat het zijn eindstation is.

3. DE MENS ALS LIEFDE. Dit derde en laatste aspect geldt voor elke mens PERSOONLIJK, ongeacht wie of wat dan ook. In tegenstelling tot wat de mensen gewoonlijk menen, is de mens als liefde NIET afhankelijk van een partner. Bovendien is hij in de grond van de zaak ook niet afhankelijk van zichzelf, want de werkelijkheid als liefde gaat boven de werkelijkheid als VERSCHIJNSEL uit. Dus gaat het boven het VERSCHIL uit. Het is de werkelijkheid als INEENZIJN, waarvoor alle verschillen opgeheven zijn en elke BEPAALDHEID is vervallen.

De drie aspecten staan niet op zichzelf
Wij moeten niet menen, dat de bovengenoemde drie aspecten onafhankelijk van elkaar bij de mens voorkomen. Het genoemde ONDERSCHEID is wel te maken, maar in de levende mens vertoont de gehele zaak zich als een onverbrekelijk geheel.
Als het met de mens GOED gesteld is, vertoont hij èn werkelijke maatschappelijkheid, zoals wij al eerder hebben laten zien, èn hij vertoont sexualiteit èn liefde terwijl al deze drie aspecten GAAF aan hem zijn.
Bijv.: een mens, die zich in de maatschappij MISDADIG gedraagt, kan niet als sexualiteit en liefde een juweel zijn - aangenomen dat het werkelijk over misdadigheid gaat en niet over een tijdelijk verboden levenshouding. De genoemde misdadige mens vertoont ook een verbroken sexualiteit en liefde, een feit, dat in de criminologie welbekend is. Omgekeerd houdt een ziek liefdesbewustzijn bij een bepaalde mens ook een ziekelijke sexualiteit en maatschappelijkheid in.
De drie aspecten van de mens zijn dus niet op zichzelf te stellen hoewel ze wel aan de mens te bedenken zijn.

Over de mens als liefde
Bij de mens MAATSCHAPPELIJK ging het over het VERSCHIJNSEL, dat als TOTAAL van de verschijnselen opheft tot ineenzijn.
Bij de mens SEXUEEL gaat het ook over het VERSCHIJNSEL, en we hebben er al eerder op gewezen hoe dit moet worden verstaan: de sexualiteit is niet “dierlijk”.St.31.
Bij de mens als LIEFDE gaat het echter over de liefde zèlf, over het ineenzijn, en deze werkelijkheid geldt voor ELKE mens en het is voor elke mens dezelfde werkelijkheid, want het is de werkelijkheid VOORBIJ het begrip VERSCHIL, dus voorbij het één en ander.
Hoewel deze werkelijkheid voor elke mens dezelfde werkelijkheid is, komt het niet in elke mens in gelijke mate tot BEWUSTZIJN, wat zijn verklaring vindt in het feit, dat de verschijnselenwereld VOORWAARDE is voor het laatste de werkelijkheid als ineenzijn. Afgezien echter van de vraag in welke MATE het ineenzijn in de afzonderlijke mens bewust is en afgezien van dit zich bewust-zijn van deze werkelijkheid, is er één moment voor de levende mens waarin het ineenzijn een werkelijke REALITEIT is. Dit moment is het werkelijke ineenzijn van de mens, waar hij als man en vrouw boven zichzelf verheven is - het is dus het HOOGTEPUNT, dat de mens in de sexualiteit beleeft. In dit moment ligt het INEENZIJN zèlf even VRIJ, om zich daarna onmiddellijk weer te STELLEN, dus te bepalen.

Het hoogtepunt
In het zogenaamde sexuele hoogtepunt ligt de werkelijkheid als INEENZIJN even vrij, maar dit wil niet zeggen, dat de mens zèlf voor dat ene moment INDERDAAD de werkelijkheid als ineenzijn is. Hij is dus zelf niet voor een moment GEEN VERSCHIJNSEL, dus volkomen onbepaald, volkomen vluchtig. Het is en blijft een zaak, die voor de mens geldt, dus VOOR DE MENS komt de genoemde werkelijkheid vrij, en dit vrijkomen BELEEFT hij.
Daarom is het hoogtepunt een EXTATISCHE belevenis, d.w.z. de mens beleeft zichzelf als BOVEN ZICHZELF STAANDE en dit is het zichzelf even KWIJT zijn, dat zich tijdens het hoogtepunt voordoet. Deze zaak laat zich voor de man anders gelden dan voor de vrouw en ook komt deze zaak in NATUURLIJKE vorm voor de dag als de EICEL en de ZAADCEL en hun VERSMELTING.
Maar het is hier niet de gelegenheid om dit geval uitvoerig uit te werken, en dus moeten wij het bij dit globale overzicht laten. Alleen één opmerking is hier nog wel op zijn plaats naar aanleiding van de vraag: hoe ligt deze zaak voor het west-europese besef.

Het hoogtepunt voor de westerse mens
Telkenmale hebben wij de westerse mens reeds onder de loupe genomen om te zien hoe bij hem de menselijke verhoudingen terecht zijn gekomen. We weten reeds, dat de westerse mens een bijzonder geval is in de cultuurontwikkeling van de mensheid, omdat hij als vertegenwoordiger van de LAATSTE FASE van die ontwikkeling volledig bekend is met het menselijke, zodat hij het er ook over KAN hebben, zonder er evenwel in de PRAKTIJK iets van op tafel te leggen.
Hij legt het menselijke als ABSTRACT DENKWERK neer in dikke boeken en daarbij blijft het noodwendig voor hem.
Zo kan hij ook omtrent het HOOGTEPUNT datgene bedenken, dat wij hierboven in grote trekken geschilderd hebben. Dat de meeste mensen er het bovengenoemde niet aan bedenken, doet in dit geval niet terzake; de mens KAN het bedenken en dit wordt bewezen aan het feit, dat wij het hier erover hebben. En wij behoren ook tot de westerse cultuur, al vertonen we desnoods een gesteldheid, die weinig voorkomt.

De westerse mens BEDENKT dus allerlei aan het hoogtepunt, maar desalniettemin kunnen we vragen: wat IS het hoogtepunt voor hem?
En dan komen we tot de volgende conclusie:
Als het voor de westerse mens zo is, dat de werkelijkheid als INEENZIJN als een voor elke mens PRAKTISCH geldende zaak is komen te vervallen omdat genoemde werkelijkheid voor hem een ABSTRACTIE is, die BOVEN de mens zèlf ligt, dan gaat zijn BELEVEN van het hoogtepunt ook niet verder dan het NATUURLIJKE. Derhalve is het dan een zaak van AFHANKELIJKHEID, dus van een BEHOEFTE, die al dan niet bij gelegenheid BEVREDIGD wordt, welke bevrediging dan automatisch een GENOTS-AANGELEGENHEID wordt, die DOEL en BEDOELING van het ineenzijn van man en vrouw is.

De EXTASE, die het BELEVEN is van het feit dat de werkelijkheid als INEENZIJN voor de mens VRIJ komt, wordt tot een genotsbelevenis, die noodwendig ook de bevrediging met zich meebrengt.
Het is in europa altijd om de IDEE gegaan en voor de IDEE geldt geen GENOT en alle daarmee samenhangende zaken. Dus was en is voor europa het GENOT enz. VERBODEN en verworpen als zijnde een NATUURLIJKE, dus een DE MENS ONWAARDIGE aangelegenheid.
Aangezien het HOOGTEPUNT voor de Europese mens echter een genotsaangelegenheid is, wordt deze zaak afgekeurd in de praktijk, onder verheven opzien en onder smachtend verlangen naar de voor de mens ongrijpbare IDEE, welke idee intussen ragfijn is uitgewerkt in het Europese denken.
Hier zien we dus de TEGENSTELLING tussen een vergevorderd INTELLECTUEEL WETEN omtrent het hoogtepunt en een vergevorderde ONMENSELIJKHEID in de PRAKTIJK van het menselijke leven.

Koop en verkoop
Het sexuele, en dus ook het hoogtepunt, is in de wereld ALTIJD te koop geweest, want het hierboven door ons gezegde heeft tot nu toe altijd voor de mens gegolden; het VERKOPEN en KOPEN van het hoogtepunt is echter nimmer een CULTUURKWESTIE geweest, maar in europa is het dat wèl.
Wat te VERKOPEN is, is ook te GEVEN en wat te GEVEN is, is ook te ONTVANGEN en wat gegeven wordt had ook niet gegeven kunnen worden, zodat het een GUNST is geweest, die ons tot DANKBAARHEID verplicht en zo is de éne dienst de andere waard en daar is het beeld van de “Grote Hoer”, waarover in de Openharingen (17, 18 en 19) meer te lezen is: Met wie de koningen der aarde gehoereerd hebben…”.

 Naar bladwijzers:  Het buitenechtelijke ; Overspel - De sexualiteit is geen huwelijks-aangelegenheid ; De mens als Liefde, sexueel en maatschappelijk

Dinsdag, 7 september 1965

No. 33
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

De Europese mens en de logica

Voor de Europese mens is de LOGICA het maatgevende principe; het is een vereiste dat elk probleem logisch benaderd wordt. De WETENSCHAP is ondenkbaar zonder de logica en zij staat dan ook in hoog aanzien.
Een tijdlang verwachtte de Europese mens het HEIL van de wetenschap en haar onverbiddelijke logica; ook de filosoof HEGEL zag wetenschappelijke filosofie als enige mogelijkheid tot filosoferen. Intussen zijn deze hoge verwachtingen al wel de bodem ingeslagen, want het is de wetenschap niet gelukt een andere wereld te scheppen, die voor alle mensen een BEVRIJDING betekent van de kommer en de ellende. De rotzooi is zo nodig nog GROTER geworden, ondanks het feit, dat er tal van positieve resultaten van het wetenschappelijke denken zijn aan te wijzen. Naast dat positieve is er een hele waslijst op te sommen van walglijke negativiteiten, die de moderne mens heeft weten te bedenken. Wij noemen de ATOOMBOM.

Afgezien echter van positieve en negatieve resultaten heeft geen enkele mens gemerkt, dat de wetenschap op het PERSOONLIJKE LEVEN van de mensen een verhelderende invloed heeft. De KIJK van de mensen op hun eigen wereld is wel ruimer geworden, maar de GESTELDHEID van die kijk is in geen geval ruimer: het afwijzen, het elkaar niet lusten, het elkaar niet begrijpen, enz. - het is allemaal gewoon doorgegaan.
Daarom kunnen wij vragen: waar blijft nou die hooggeprezen logica, waarvan we het moesten hebben? En wat is het belang van het wetenschappelijke, logische, denken in het dagelijkse leven van de mens?
Het antwoord is eenvoudig: de logica is ver te zoeken en het wetenschappelijke denken is voor het praktische leven HOLLE WIND, die waait zonder een spoor na te laten. En als hij toch een spoor na laat, is dit een spoor van TWIJFEL, ONZEKERHEID, WAZIGHEID, KARAKTERLOOSHEID, BLOEDELOOSHEID. Het is het spoor van een DOODSWIND.

Een bekend westers verschijnsel is de zeer geleerde professor, die ondanks zijn grote en geoefende intellect in zijn persoonlijke leven een SUL is, vol met vooroordelen, inhoudsloze fatsoenlijkheden en meer van dergelijke botheden. Een man, die in zijn wetenschap door en door logisch te werk gaat en voor wie alleen maar een wetenschappelijk verantwoord bewijs maatgevend is, en die tòch voor zich persoonlijk in god en de engelen gelooft en in het HIERNAMAALS. Dit is typisch westers en het demonstreert duidelijk hoe de ABSTRACTIE, die de geest voor hem is, van geen betekenis is als het over het LEVEN gaat.
En natuurlijk: wat moeten we ook met een abstractie? Laten we die boel nou eens eindelijk afschrijven en met realiteiten gaan leven. We hebben ons lang genoeg met abstracties bezig gehouden en we zijn helemaal vergeten, dat we er zèlf ook nog zijn. Ook de FILOSOFIE kunnen we missen als ze tot een bloedeloze wetenschap is geworden, die nergens aan het leven raakt en als een ongrijpbare FORMULE boven ons leven staat geschreven.

We moeten de betekenis van het hiergezegde niet onderschatten, want zoals we al eerder hebben gezegd, heeft het zich FIXEREN op de GEEST noodwendig tengevolge, dat alle werkelijke geestelijkheid ver te zoeken is, omdat het waarlijk MENSELIJKE van de mens àfgedacht is.

De liefde en het kind
Ook bij het bespreken van deze verhouding zullen wij ervaren hoe de westerse mens in een POEL van ONBEGRIP rondscharrelt en dat alleen omdat hij zichzelf niet werkelijk kent, doch slechts als een “populair wetenschappelijk” boek.
We hebben gesproken over de mens als LIEFDE en we hebben gezegd, dat deze werkelijkheid voor elke mens PERSOONLIJK geldt. Als zich echter in de SEXUALITEIT een man en een vrouw VERENIGEN komt deze werkelijkheid een moment vrij. Liefde is hetzelfde als INEENZIJN, dus we kunnen zeggen, dat in het HOOGTEPUNT het INEEN- ZIJN vrij komt.
Waar echter van INEENZIJN sprake is, is ook van een INHOUD van dat ineenzijn sprake. Die INHOUD is het TOTAAL, zoals we al eerder hebben laten zien, en voor het totaal kunnen we ook zeggen HET EEN EN HET ANDER. Het één en het ander is de complete VERSCHIJNENDE wereld. Ook hierover hebben wij gesproken.
Wij kunnen dus nu het volgende concluderen:

De COMPLETE VERSCHIJNENDE WERELD is de MENS, want in hem als LAATSTE verschijnsel sluit het INEENGAAN af, zodat hij alle voorgaande resultaten van dat ineengaan als inhoud heeft.
Het LAATSTE verschijnsel is het COMPLETE verschijnsel.
Derhalve moet nu duidelijk zijn, dat de INHOUD van de LIEFDE, ofwel de INHOUD van het INEENZIJN, voorzover we het nu over dat aan het HOOGTEPUNT vrijkomende ineenzijn hebben, de MENS moet zijn; de mens gewoon als concreet geval, als laatste verschijnsel. Dus is de INHOUD van de LIEFDE niets anders dan HET KIND.

De gang van zaken is dus als volgt: het laatste verschijnsel valt uiteen in twee verschijnselen, de man en de vrouw. Dan is daar de sexualiteit: de twee verschijnselen verenigen zich en hieraan komt op het hoogtepunt. Aan het hoogtepunt komt de werkelijkheid als ineenzijn vrij en de inhoud van dit ineenzijn is de complete verschijnende wereld: het kind.

Wij moeten onderscheid maken tussen twee verhoudingen: ten eerste, de LIEFDE zèlf, die vrijkomt met het ineenzijn van man en vrouw en ten tweede, de INHOUD van die liefde, welke inhoud het kind is. Ondanks het ONDERSCHEID echter zijn deze twee verhoudingen NIET LOS van elkaar te stellen, zodat we moeten zeggen: de liefde en het kind zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden.

Hoe ligt deze zaak echter voor het westen?

De liefde zonder het kind
In het vorige stencil hebben wij erover gesproken, hoe voor de westerse mens het INEENZIJN een ABSTRACTIE is geworden, zodat de SEXUALITEIT mèt het HOOGTEPUNT een GENOTSAANGELEGENHEID is.
Als de LIEFDE echter tot een abstractie is verworden, die voor de levende mens niet geldt, is dit ook het geval met de inhoud daarvan, hetgeen er dus in de praktijk op neerkomt, dat het kind als een APARTE zaak, onafhankelijk van de liefde, gezien wordt.
En de liefde zèlf komt bij de man en de vrouw voor als een boven elke realiteit verheven toestand, die echter elke inhoud mist en dus een LEEG geval is.
Zo kan het gebeuren dat een westerse man en vrouw het qua liefde goed met elkaar hebben en dat er toch een KAALHEID om de hele boel hangt omdat het kind er àfgedacht is. Die lege plaats wordt bij de moderne mens vaak ingenomen door allerlei andere dingen, bijv. een hond of een auto.

Een waarschuwing
Het is gemakkelijk om uit het hiergezegde verkeerde conclusies te trekken inzake de liefde en het kind. Men zou kunnen menen, dat wij bedoelen te zeggen, dat het in de liefde om het kind gààt en dat het derhalve geen pas heeft zwangerschap te voorkomen, door bijvoorbeeld VOORBEHOEDSMIDDELEN te gebruiken.
Hierover hebben wij het echter helemaal niet gehad en het is verre van ons om het ROOMSE STANDPUNT te verdedigen, dat in de liefde een VOORTPLANTINGSDAAD ziet.
Wat wij duidelijk hebben willen maken is, dat er in de westerse liefde eigenlijk GEEN PLAATS is voor het kind, zodat de westerse mens kan BESLUITEN eventueel een kind te “nemen” - een AANSCHAF, die hij met hetzelfde recht ook achterwege kan laten, het kind JA is voor de westerling evenveel waard als het kind NEE en dit kàn, omdat het kind er àfgedacht is.
“Wat zullen we nemen van ‘t jaar, een scooter of een baby …?“ zingt WIM KAN en hiermee typeert hij de moderne mentaliteit.

Naar bladwijzers: Het Hiernamaals(1)  ;  Het Hiernamaals(2) ;

 

Dinsdag, 14 september 1965

No. 34
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS
inleiding

Het kind als apart geval
We hebben de vorige keer laten zien, dat het KIND de inhoud Het INEENZIJN is en dat voor het westerse besef de zaak haar inhoud, dus de LIEFDE èn het KIND als TWEE APARTE aangelegenheden verschijnen. Ook dit weer dank zij de FIXATIE op de GEEST die de mens zichzelf doet begrijpen als een NIET-GEESTELIJK geval.
Het kind in europa wordt beschouwd als een VERSCHIJNSEL, dat in het kader van de VOORTPLANTING voor de dag komt, maar dat verder, net als alle andere verschijnselen, los staat van de rest. Voor de verschijnselenwereld op zichzelf genomen geldt geen VERBAND; het hangt als LOS ZAND aan elkaar en de enige verhouding, die er tussen de verschillende verschijnselen aan te wijzen is is het op elkaar BETROKKEN zijn, d.w.z. het van elkaar AFHANKELIJK zijn, het elkaar NODIG hebben. Een boom heeft water en voedingsstoffen nodig en zonlicht enz. en bij een bepaalde samenloop van omstandigheden is aan die VOORWAARDEN voldaan, zodat de boom kan groeien. Zo hangt de gehele verschijnselenwereld aan elkaar en het is niets anders, dan de BETREKKELIJKHEID, die hier heerst. Het verband tussen de verschijnselen is het “betrekkelijke”. 
Anders echter is het voor de MENS, want voor dit verschijnsel geldt behalve het bij het verschijnsel behorende “betrekkelijke” ook nog een ander VERBAND en dit verband is van NIETS afhankelijk en het kent geen enkele betrekkelijkheid. Het geldt voor de mens omdat hij als LAATSTE verschijnsel inhoud is van het INEENZIJN, d.w.z. in het ineenzijn loopt hij uit.
Als we het INTELLECT van de mens àfdenken, houden we een mensheid over, die als los zand aan elkaar hangt; een mensheid, die bestaat uit een groot aantal aparte gevallen, die van elkaar afhankelijk zijn, maar die geen GEHEEL vormen. De mens zònder intellect is de mens louter als VERSCHIJNSEL en de mensheid is dan een TOTAAL van apartheden. Zo is dus ook de situatie voor de westerse mens en het westerse kind.

Man, vrouw en kind
De LIEFDE is een zaak, die voor elk mens PERSOONLIJK geldt, omdat elke mens de situatie van de werkelijkheid is, waarin voor het verschijnsel tevens INDERDAAD het ineenzijn geldt. Voor ieder mens geldt ineenzijn.
Voorzover dit begrip CONCREET voor de dag komt, STELLEN de man en de vouw het in-eenzijn en dit komt voor in de SEXUALITEIT. Echter blijft in dit geval de man èn de vrouw VOOR ZICH ineenzijn en streng genomen, geldt het begrip LIEFDE als daadwerkelijk INEENZIJN slechts voor de versmolten zaadcel en eicel. Duidelijk is, dat de INHOUD van deze samengesmolten EENHEID het kind is en dat zowel de MAN als de VROUW het hunne tot deze eenheid hebben bijgedragen.
Dit wil evenwel NIET zeggen, dat het kind van BEIDEN is; hiervoor geldt een heel andere verhouding :

Het kind is INHOUD van het inenzijn en dat ineenzijn wordt gesteld door de versmolten zaadcel en eicel. Het begrip ineenzijn echter wordt VERTEGENWOORDIGD door de VROUW en dus vertegenwoordigt zij ook het feit, dat het kind haar inhoud is. Zodat we hieruit moeten concluderen, dat het de vrouw is, bij wie het kind BEHOORT.
We moeten er voor waken, dat we uit het feit, dat het kind inhoud van de liefde is, niet de conclusie trekken, dat het kind van de man zowel als van de vrouw is, zoals het gangbare denken wil. De fout van dit denken is, dat het de liefde als een zaak TUSSEN de man en de vrouw ziet, zodat als gevolg daarvan ook het kind TUSSEN de man en de vrouw gedacht wordt. Liefde geldt echter niet TUSSEN de man en de vrouw, maar liefde geldt voor de man zèlf en voor de vrouw zèlf en tussen die twee geldt een andere zaak, namelijk SEXUALITEIT.

Onze westerse opvatting van het GEZIN is op het hiergezegde gebaseerd, maar het westerse gezin kan nooit een “gezin” zijn, want de basis is FOUT en daarom heeft het westen ook nooit een werkelijk gezinsleven gekend; het was slechts een maatschappelijke instelling, die zich op grond van allerlei AFHANKELIJKHEDEN van de partners over en weer, min of meer in STAND wist te houden, zonder echter een GEHEEL te zijn.
Als we het begrip “gezin” aan willen houden, kan dit alleen maar gelden voor de MOEDER met de kinderen; de MAN echter - die er natuurlijk niet àf te denken is - behoort niet bij het gezin, maar bij de VROUW. 
Deze verhoudingen zullen we bij gelegenheid nog uitvoerig uitwerken; het gaat hier alleen om enkele grote lijnen.

Het moderne europa en het kind
Het westerse besef omtrent het kind gaat niet verder dan een besef omtrent een VERSCHIJNSEL, dat LOS staat van het begrip LIEFDE, voorzover dit begrip geldt voor de man en de vrouw. En ook voor het kind geldt, dat het de GEEST boven zich heeft.
Wij beseffen het grootbrengen van een kind dan ook als een natuurlijke aangelegenheid en het dringt niet tot ons door, dat het juist een waarlijk MENSELIJKE OPGAVE is, in een kind de redelijkheid te ontwikkelen. Een mens is redelijk als hij zich overeenkomstig de REDE gedraagt en dit wil zeggen “overeenkomstig” de wetten, die voor de werkelijkheid als GEEST, of als INEENZIJN gelden.
De redelijkheid ligt in elk kind op onontwikkelde wijze klaar, want elk kind is een beginnend mens. Deze redelijkheid moet ‘ONBELEMMERD’ voor de dag kunnen komen en dit is de opgave, die de volwassen mens zichzelf ten opzichte van het kind heeft te stellen. Het is te begrijpen, dat het enige, dat de mens te  doen heeft, is REDELIJK TE ZIJN en het is juist aan deze eis, dat de moderne westerse mens ten enen male niet beantwoordt.

Ten eerste spreken wij van “opvoeden” en uit dit woord reeds blijkt hoe ons besef omtrent deze zaak ligt. Wij VOEDEN een kind op, d.w.z. wij dienen het allerlei benodigd VOEDSEL toe, zodat het groeit en groot wordt. Ook GEESTELIJK VOEDSEL dienen wij het toe: wij sturen het naar school en naar catechisatie. Als het dan tenslotte voldoende gevoed is, is het kind klaar om te gaan leven; wij hebben onze plicht gedaan. Het komt “goed beslagen ten ijs”.

Ten tweede GEDRAGEN wij ons ten opzichte van een kind alsof we zelf kinderen waren; we lopen ons als DEBIELEN aan te stellen, onnozele verhaaltjes te vertellen, LEUGENS op te dissen over spoken en heksen en toveren, en feeën enzovoort. En we vertellen over een “god”, die helemaal niet bestaat en we leren het kind bidden en psalmen zingen en we leren het duidelijk onderscheid te maken tussen vrindjes met wie je wèl en vrindjes met wie je nièt mag omgaan. Dit alles en nog veel meer is de ‘‘moderne pedagogie”, die gebaseerd is op:

Ten derde, de psychologie, die het kind ONTLEED in een aantal factoren, waarmede in de opvoeding terdege rekening moet worden gehouden, wil men tenminste niet straks een schichtige en beverige tobbert afleveren. Een ONTLEED MENS is echter geen mens, maar dat weten wij niet. En dan gaan we maar weer een BOEK kopen over de “puberteit” en met die wetenschap gewapend gaan we het kind BEGRIJPEN “in deze moeilijke periode” om zodoende de MISLUKKING nog groter te maken, dan hij al is.

Er is echter in feite slechts een opgave waar het het kind betreft, en deze opgave is de weg VRIJ te maken voor de MENS, die zich hier aan het ontwikkelen is. En deze weg maken wij AUTOMATISCH vrij als wij ons als REDELIJKE mensen gedragen, op een volwassen manier en geen enkele onredelijkheid dulden.

Nog een opmerking over het begrip liefde
Al eerder hebben wij opgemerkt, dat de LIEFDE geen verhouding is TUSSEN de man en de vrouw, maar dat het een verhouding is, die voor de man op zich en voor de vrouw op zich, geldt. Liefde geldt voor de man ONGEACHT de ander en evenzo geldt het voor de vrouw. Ieder mens is INEENZIJN en dat is een volkomen ONAFHANKELIJKE aangelegenheid.
Zolang de mens echter nog ONVOLWASSEN is, dus zolang de mens de GEEST nog als BOVEN zich beschouwt, is hij voor zichzelf nog niet die onafhankelijke zaak en dus richt hij zijn liefde op een OBJECT en dat noemt hij dan HOUDEN VAN. Zo zijn man en vrouw elkaar wederzijds OBJECT en dan is er wèl allerlei tussen die twee: zij hebben elkaar nodig en zij kunnen elkaar niet missen. En dit is dan weer reden genoeg om over en weer CONCESSIES te doen; dit is het hooggeprezen “geven en nemen”.

Dus zolang de mens nog GELOVIG is, gaat zijn liefde niet boven het HOUDEN VAN uit en dan staat er allerlei tussen de man en de vrouw en dat zijn allemaal afhankelijkheden: het loonzakje, het fatsoen de verzorging, enzovoort. Hieraan verliezen de man en de vrouw hun zelfstandigheid en er is geen enkele mogelijkheid om wèl zelfstandig te blijven ondanks het naarstige zoeken van de moralisten naar een goede formule voor de omgang tussen de man en de vrouw. 
Eerst wanneer de mens zichzelf werkelijk geest weet, is hij zelfstandig en dan is hij het ook voorzover hij man en vrouw is, want dan geldt pas werkelijk het begrip liefde en deze liefde is inderdaad van een zodanige kwaliteit, dat de begrippen, die de mens er al sedert zijn geboorte aan bedacht heeft, werkelijkheid zijn geworden: dan gelden TROUW, EEUWIGHEID en VOLMAAKTHEID. 
Tussen de man en de vrouw geldt dan nog maar één verhouding: de SEXUALITEIT.

Dinsdag, 21 september 1965

No. 35
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS

inleiding

 
Nog een opmerking inzake de sexualiteit
In de stencils Nos. 30 en 31 hebben wij reeds het één en ander opgemerkt over de sexualiteit. Het is van belang, dat wij twee dingen goed voor ogen houden, teneinde de mogelijkheid van misverstanden zo klein mogelijk te houden.
Ten eerste gaat het dan om het feit, dat de sexualiteit te maken heeft met het VERSCHIJNSEL, want het is het verschijnsel, dat in twee facetten uiteenvalt, namelijk het MANNELIJKE FACET en het VROUWELIJKE FACET. Qua sexualiteit is er dus wèl iets tussen de man en de vrouw aan te wijzen, want de beide verschijnselen zijn op elkaar BETROKKEN op grond van het feit, dat zij eigenlijk ÉÉN VERSCHIJNSEL vormen en zich dus van daaruit willen verenigen. 
Ten tweede moeten wij voor ogen houden, dat de sexualiteit voor hét verschijnsel geldt, juist omdat aan het eind van het PROCES dat de verschijnselen als resultaten oplevert, het punt ligt, dat de werkelijkheid als PROCES en de werkelijkheid als GEEN PROCES in zich verenigt. Omdat er de EENHEID PROCES- GEEN PROCES is, is het noodwendig, dat die eenheid op TWEE manieren voor de dag komt, namelijk genomen vanuit de ene component van die eenheid en genomen vanuit de andere component van die eenheid. Hierover kunnen wij in stencil No. 31 meer lezen.
De sexualiteit is er dus dank zij het optreden van de werkelijkheid als GEEN PROCES, en deze werkelijkheid is dezelfde als de door ons gewoonlijk genoemde werkelijkheid als GEEST, INEENZIJN, LIEFDE, enzovoort.

De sexualiteit speelt zich dus af in en aan het VERSCHIJNSEL en daarom is de verhouding TUSSEN het mannelijke en het vrouwelijke VERSCHIJNSEL een BETREKKELIJKHEID, met alle kenmerken van dien, zoals daar is AFHANKELIJKHEID, GEBONDENHEID, OP ELKAAR AANGEWEZEN ZIJN, enzovoort. Het is een bekend feit, dat de man niet buiten de vrouw kan en omgekeerd en er wordt ook gesproken van “sexuele behoeften”. We zijn hier volledig in de sfeer van het verschijnsel en dat is ook niet anders denkbaar maar toch moeten wij hier goed op onze tellen passen om geen vergissingen te maken, want de sexualiteit gaat niet op in de hier door ons genoemd betrekkelijkheden.
Dit is slechts de BASIS van de gehele zaak, maar deze basis komt nooit op zichzelf voor, want er is geen mens denkbaar en dus bestaanbaar, die niet in meer of minder sterke mate het WEZENLIJK MENSELIJKE vertoont, en dat, wezenlijk menselijke is de werkelijkheid als INEENZIJN. En juist dit INEENZIJN is het, dat de mens hoe dan ook manifesteert als hij zich als SEXUALITEIT laat gelden. Nimmer is: INEENZIJN, dus LIEFDE, van de sexualiteit àf te denken en daarom heeft het ook geen houdbare grond, de sexualiteit als een in principe DIERLIJKE aangelegenheid te bestempelen. Dit zou alleen kunnen als het mogelijk was de mens te denken zònder de werkelijkheid als GEEST en dit is dan ook de reden, dat de westerling zo sterk ANTI SEXUEEL was en nog wel is.

De ganse werkelijkheid loopt in INEENZIJN uit en dus ook de MENS loopt in ineenzijn uit, dus het VERSCHIJNSEL MENS loopt in ineenzijn uit en dit komt voor de dag in de sexualiteit. Hier verenigen de twee LAATSTE VERSCHIJNSELEN zich tot één LAATSTE VERSCHIJNSEL om daarmee tevens het “in ineenzijn uitlopen” tot een REALITEIT te maken.
Om dit laatste wèrkelijk voor de levende mens te laten gelden, zodat het ook in zijn BEWUSTZIJN ligt, is slechts één ding nodig: de mens moet zichzelf als “in ineenzijn uitgelopen” KENNEN en als dit het geval is, STELT hij automatisch zijn SEXUELE BETREKKELIJKHEID als een WAARDELOZE BETREKKELIJKHEID, die er wèl is en die ook wèl geldt, maar die geen WAARDE heeft. Hij doet dan in deze zaak geen CONCESSIES en er valt hier dan ook niets te VERHANDELEN en niets contractueel vast te leggen, het is dan gewoon het LAATSTE, dat voor de LEVENDE mens geldt en het geldt VANZELFSPREKEND. Op grond van deze vanzelfsprekendheid heeft hij er NIETS VOOR OVER en doet hij er ook niets voor, want het geldt immers al en er behoeft dus niets ondernomen te worden.

Recapitulerende derhalve het volgende:
- In de LIEFDE staat er niets TUSSEN de man en de vrouw; zij zijn ieder voor zich zo HELDER mogelijk liefde, ONGEACHT WAT DAN OOK.
 - In de SEXUALITEIT is er een BETREKKING TUSSEN de man en de vrouw en deze betrekking blijft gelden en wel als een WAARDEVOLLE betrekking zolang de mens zichzelf nog geen INEENZIJN weet, en als een WAARDELOZE betrekking als de mens zichzelf wèl als zodanig heeft leren kennen. Als hij dus VOLWASSEN geworden is.

Het gezin

In onze beschaafde wereld staat het GEZIN centraal en het is voor ons vanzelfsprekend onder het gezin de COMBINATIE man, vrouw en kind te verstaan. Deze combinatie is een door en door AFHANKELIJKE, wat alleen al gedemonstreerd wordt door het feit, dat de vrouw en de kinderen financieel van de man afhangen. Hij zorgt dat er geld is om in het LEVENSONDERHOUD te voorzien en dit feit brengt menige vrouw ertoe een volkomen mislukt huwelijk in stand te houden. Er zijn voor haar geen mogelijkheden om èn voor het levensonderhoud van haarzelf en de kinderen te zorgen èn voor de kinderen werkelijk de MOEDER te zijn in die zin, dat zij het begrip TEHUIS laat gelden.
De gehele zaak is afhankelijk van de MAN.

Niet alleen echter geldt deze maatschappelijke afhankelijkheid, maar het kind staat ook nog tussen de man en de vrouw in. In menig mislukt huwelijk houden de kinderen de boel nog bij elkaar, want iedereen is het erover mens, dat zij “de dupe zijn”.
Bij echtscheidingen ontstaat er vaak een heel geharrewar over het bezit van de kinderen want zowel man als vrouw menen er aanspraak op te moeten maken. Hoewel vandaag de dag het streven merkbaar is de kinderen zoveel mogelijk bij de moeder te laten, is het toch officieel nog lang niet zo, dat dit REGEL is. Er is slechts een kleine concessie gedaan aan een doorbrekend besef, maar het PRINCIPE is nog onaangetast. Eigenlijk is het in de grond van de zaak zelfs nog zo, dat de kinderen bij de VADER behoren, want zij dragen zijn naam en zijn dus zijn nageslacht.

De VROUW behoort hem eigenlijk ook toe en ook dit blijkt duidelijk uit het feit, dat de vrouw zijn naam aanneemt.
Zo kunnen we dus zeggen, dat het westerse GEZIN een BEZITTING van de MAN is en dat hij alleen de dienst uitmaakt. Inderdaad wordt dit tegenwoordig - ook wettelijk - niet meer zo scherp gesteld, maar scherp gesteld of niet: de KERN van de zaak ligt toch zoals we hier gezegd hebben.

Het is duidelijk dat ook hier alles op zijn kop staat, want de kinderen behoren helemaal niet aan de man, maar zij behoren aan de vrouw. Het kind immers is INHOUD van LIEFDE en het wezen van de vrouw is LIEFDE, zodat het kind wezenlijk haar inhoud is. Er is, logisch denkend, geen enkele grond te vinden waarop de man enig recht op het kind kan laten gelden.
Menselijkerwijze moeten we hier derhalve spreken van een MISSTAND. De vrouw, en met haar het kind, heeft geen gelegenheid zich als ZELFSTANDIG VROUW te laten gelden. De moderne opvatting van de zelfstandige vrouw raakt natuurlijk kant noch wal, want deze geëmancipeerde dame stelt zich wel zelfstandig, MAAR NIET ALS VROUW. Hierover hebben wij gesproken.
Ook onze westerse opvatting van het GEZIN is geworteld in onze fixatie op de geest. De geest is het mannelijke principe en daarom is ook het gezin een mannelijke aangelegenheid. Wanneer deze fixatie achter de rug is, en dat is het geval als de mensheid VOLWASSEN is geworden, is ook het karakter van het gezin veranderd en de onmenselijke afhankelijkheid is dan achter de rug.

Dinsdag, 28 september 1965

No. 36
DE FILOSOFIE VAN DE GESCHIEDENIS

inleiding

Over de waardeloosheid
In het vorige stencil hebben wij gesproken over de WAARDELOZE BETREKKING tussen de man en de vrouw. Ook eerder in deze inleiding spraken wij over de waardeloosheid en over het begrip WAARDE. Wij willen hierover nog het een en ander zeggen.
Wij spreken van “waarde” als wij de VERHOUDING tussen twee (of meer) BEPAALDHEDEN als maatgevend beseffen. Deze verhouding is een BEPAALDE verhouding; de bepaaldheden zijn namelijk AAN ELKAAR bepaald en de ene bepaaldheid is niet en nooit zonder de andere bepaaldheid; zij zijn aan elkaar GEBONDEN en houden elkaar in EVENWICHT.
Goud bijvoorbeeld heeft ten opzichte van ijzer een bepaalde waarde, en niet alleen ten opzichte van ijzer, maar ten opzichte van alle andere verschijnselen. Op zichzelf echter is goud gewoon goud en ijzer gewoon ijzer; slechts de MENS beseft een waardeverschil tussen beide metalen, want de mens ziet dat er een verhouding tussen de verschijnselen is èn hij ziet, hoe die verhouding ten opzichte van hemzèlf is. Het goud is onder de metalen een zeldzaam metaal en deze verhouding, namelijk “dat het zeldzaam is” , is voor de mens reden om aan het goud grote “waarde” te hechten. Hier heeft de mens dus de verhouding TUSSEN de twee metalen als voor hemzelf MAATGEVEND genomen; om het goud zèlf gaat het niet, het gaat om het feit, dat het goud de meeste WAARDE heeft op grond van zijn zeldzaamheid.

Nu is het dit WAARDEBESEF dat, naarmate de mens meer VOLWASSEN wordt, komt te vervallen, maar met dit vervallen van het WAARDEbesef vervalt de VERHOUDING tussen de verschijnselen niet; integendeel, deze verhouding komt voor de mens nu pas GOED te liggen omdat het begrip WAARDE eraan vervallen is. De mens houdt ZICHZELF er nu buiten en neemt de zaak zoals ze WERKELIJK is. De verschijnselen zèlf zijn dan ook terecht, want het gaat de mens dan om die verschijnselen en niet om de waarde daarvan.
Hij zoekt dan geen goud omdat hij daaraan RIJK is, maar hij zoekt goud voorzover hij dit voor het een of andere doel NODIG heeft. In dit laatste geval gaat het hem werkelijk om goud; in het andere geval ging het hem om het RIJK zijn en dus ging het hem om de WAARDEVERHOUDING.

Toch blijft het een feit, dat goud zeldzaam is en ijzer niet en er zullen nog wel meer verschillen zijn tussen beide metalen. In ieder geval blijft de VERHOUDING tussen beide metalen wèl bestaan.
Zo ook met de verhouding tussen de man en de vrouw, welke verhouding wij SEXUALITEIT genoemd hebben. Deze verhouding zelf komt niet te vervallen - het is slechts de waarde, die de mens eraan hecht. Voorzover we die verhouding bijvoorbeeld “aantrekkingskracht” tussen de man en de vrouw kunnen noemen, gaat het er dus niet om, dat deze vervalt, maar de waarde ervan. Wij zijn dus terwille van die aantrekkingskracht niet meer bereid tot concessies en gesjacher en de HOERERIJ, die tot nu toe ons wereldbeeld beheerst heeft, is dan ook achter de rug.

Evenwel is hier toch een vraag te stellen:

een vraag
Is het TENSLOTTE zo voor de mens, dat hij tot een besef van VOLLEDIGE waardeloosheid komt’?
Het antwoord op deze vraag moet zijn: neen, want geen enkele mens komt tot volledige HELDERHEID, m.a.w. geen enkel mens wordt tenslotte volledig GEEST. Ieder mens blijft een VARIATIE van helderheid, dus in de één zal de waardeloosheid zich sterker laten gelden dan in de ander. Maar het gaat de mens er tenslotte niet om, wie het sterkst met deze zaak voor de dag komt, maar het gaat er om, dat deze zaak voor de dag komt en de sterkte daarvan is van geen wezenlijk belang.
Volledige helderheid betekent een volledig opgelost zijn, een volledig verneveld zijn van de bepaaldheden, maar de volledige helderheid is nooit denkbaar en bestaanbaar zonder de mens, d.w.z. het VERSCHIJNSEL mens en dus is de volledige helderheid nooit bestaanbaar zonder de bepaaldheid. Het komt met de een of andere sterkte in de mens naar voren en meer dan een BEPAALDE sterkte wordt het nooit.
De westerse mens is op de GEEST gefixeerd en hij weet, dat hij tenslotte daar moet terechtkomen en daarom denkt hij dat hij uiteindelijk zèlf volledig geest wordt.
Maar omdat hij toch ook wel in de gaten heeft, dat hij daarvoor het verschijnsel achter zich moet laten, is voor hem het geestelijke pas mogelijk na zijn lichamelijke dood. Maar dan is hij dan ook volledig geest en alles wat daarbij behoort voor zijn besef. De volledige waardeloosheid geldt dan ook voor hem.

Tot besluit van deze inleiding
Als INLEIDING tot ons eigenlijke thema hebben wij de bedoeling gehad verschillende ALGEMENE aspecten van de mens te belichten,teneinde ons vertrouwd te maken met ten eerste: een DENKEN, dat voor de westerse mens, in wie zich het WETENSCHAPPELIJKE denken reeds in een zo grote mate ontwikkeld heeft, om te beginnen VREEMD is; en ten tweede om enig inzicht te krijgen in het GEDOE van de mens, voorzover hij levend op deze aarde rondscharrelt.
Streng genomen is het eigenlijk geen “inleiding” geweest tot ons THEMA; de gang van zaken is heel anders geweest dan gebruikelijk is bij dat soort dingen. Toch zullen wij in de loop van de nu volgende cursus ontdekken, dat het zijn nut heeft gehad bij wijze van “inleiding” wat uitvoeriger bij de mens stilgestaan te hebben en wij zullen bij herhaling in de concrete geschiedenis van de mensheid verschijnselen tegenkomen, die op de een of andere manier tot door ons, behandelde zaken zijn terug te brengen.

De geschiedenis is door de mens gemaakt - zonder dat hij “iets aan het maken” was en dus moeten er in het beeld van de mens verhoudingen liggen, die de verschillende gebeurtenissen tijdens de ontwikkeling van de mensheid mogelijk hebben gemaakt.

Verder hebben wij alsmaar de nadruk gelegd op het DAGELIJKSE LEVEN van de mens en wij hebben ons niet met de CULTUUR als zodanig bezig gehouden. De mensheid is niet zonder zijn cultuur te denken, maar het is niet de cultuur, die de geschiedenis bepaalt; de cultuur is de TOONAARD, waarin de opeenvolgende muziekstukken van de verschillende levens-perioden geschreven staan. De muziek zèlf echter wordt door de levende mensen in eindeloze variaties en klanken ten gehore gebracht. Met deze muziek zullen wij ons nu bezig gaan houden.

 

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten maar juist voor alle mensen, is het citeren uit  mijn werk zonder meer toegestaan. Wel echter zou ik het op prijs stellen dat het citeren vergezeld gaat van een duidelijke bronvermelding! (Jan Vis, creatief filosoof)

 

Afleveringen: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 9a,  10, 11, 12, 12a, 13, 14, 15, 16(Rechters), 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36,

Naar bladwijzers: Samenwerken-met z’n allen zijn-communisme - hoe zit dat..?  ;  De Mensheid als GEHEEL ; Het KRUIS ; BIJSTANDS(wet) ;  Het buitenechtelijke  ;  Overspel - De sexualiteit is geen huwelijks-aangelegenheid  ;  De MENS als Liefde, sexueel en maatschappelijk  ;  De ZONDE: zie de nrs. 5 en 6 , 12a t/m 16 en 21  ;  Justitie afl.16 en 17  ;  Moordenaar  ;  Alexander de Grote, zie 3A en 6B ; Gezag-1  ;  Gezag-2  ;  Gezag-3 ; Het Hiernamaals(1)  ;  Het Hiernamaals(2) ; Het Evangelie – t/m 16 ; Misdaad, hoe zit dat..?- zie nrs. 6 , 7 en 12 t/m 16  ;  Rechtspraak-4- zie afleveringen 16 en 17 ; Beweeglijkheden/beweeglijkheid en Ondeelbaarheden – zie .nrs 1 t/m 4  en 28 ; Judas ; Verraad en Zonde-nrs19t/m21 ;

 

Naar andere artikelen: Het toenemend belang van het Atheïsme ; Veiligheid ; PRIVACY en VRIJHEID - zie bladw. ; Oorzaak SEXUEEL misbruik - zie bladw. ; Het HUWELIJK is een belediging voor de LIEFDE - zie bladw. ; Overspel/Huwelijkswet ; Houden van...Liefde...Trouw ; Democratie-1-zie afl.25     Democratie-2-zie afl.01 en 22     Democratie-3-zie afl. 22     Voor welke vrijheid kiest U..?  Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheïsme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ;  Conditionering ; Analytisch Denken ; Ongewenst atheïsme- zie afl. 32 ;  Een grens te ver (Israël) ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 ; Kunnen moslims zich invoegen in de Moderne cultuur..? – aflevering no. 37 ; De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjari’a ; Burqa, volg bladwijzer ; Is er dan toch een GOD..? Hoe zit dat..?  Briewisseling- Geweld- Godsdienst- Geloof ; Vrijheid van Godsdienst ; Kan alles maar..!-zie bladwijzers Cultuurfilosofische Opmerkingen-o.a. Verveling, verlies van houvast, Islam’s succes ; de kunst; het schone verschijnsel ; Samenleving, Maatschappij en Gezin ; Filosofie van de kunst ; Hoe zit het nou met god ; Beschouwingen over de KUNST ; De werkelijkheid als “het geheel” is iets anders dan de som der delen. Hoe zit dat..? ; De ISLAM rukt op…

 

Terug naar: de Startpagina

 

 

website analysis
website analysis