oftewel tolerantie als dissident gedrag
Naar het
begin van het artikel en bladwijzers
atheisme,atheist,de fundamentele intolerantie van de
godsdienst,geloof,god,godsdienst,
ieder het zijne,intolerantie,macht,tolerant,tolerantie.
Terug naar: de Startpagina
Help mee om deze site te
promoten. Vertel het uw…!
(Adres
luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )
Bladwijzer: Hindoeïsme
Godsdienst
als misbruikt geloof de grondslag
van een godsdienst
Terug naar: de Startpagina
Als het gaat om de vraag of godsdiensten wel of niet tolerantie bevorderend zijn, worden mijns inziens de verhoudingen steeds omgedraaid. Dat leidt tot een voor het atheïsme noodlottige vertekening van de godsdiensten in kwestie. Je vraagt je af hoe dat komt; verlangt het moderne denken van ons dat wij de godsdiensten zonder meer positief benaderen, of zijn wij blind voor enkele onderscheidingen die, bij het nadenken over het fenomeen godsdienst, beslist gemaakt moeten worden? Ik denk het laatste !
Een poging tot verduidelijking...
Lang geleden heb ik eens in een artikel in dit
blad gesteld dat er een verschil is tussen het begrip godsdienst en het begrip geloof.
Ik herinner mij nog levendig dat er toen nogal wat geestverwanten waren die een
dergelijk onderscheid niet wensten te maken, voornamelijk omdat de inhoud van
dat begrip geloof hen niet beviel. Het is niet uitgesloten dat dit nog steeds
bij een aantal vrijdenkers het geval is, zodat zij het hierna volgende betoog
ook zullen willen bestrijden. Het zij zo. Jammer is alleen dat hierdoor het
vraagstuk van het al of niet tolerantie bevorderende karakter van godsdiensten
niet behoorlijk opgelost kan worden.
Elke godsdienst is voortgekomen uit de een of
andere vorm van een geloof. Zo'n geloof is een op intuïtie berustend complex
van voorstellingen. In de mensen ontstonden, zomaar vanzelf, bepaalde
vermoedens omtrent de aard van de werkelijkheid en die vermoedens, waarvan de
herkomst geenszins rationeel verklaarbaar was, kregen gaandeweg een steeds meer
overtuigend karakter. Het werd voor de mensen almaar meer aannemelijk dat het
bij die vermoedens inderdaad over de ware werkelijkheid ging. De mensen gingen
geloven in hun eigen voorstelling van de werkelijkheid. Het begrip geloof heeft
op die zaak betrekking.
Het zal
duidelijk zijn dat de waarheid van zo'n voorstelling voor de individuele mensen
in principe niet het gevolg was van indoctrinatie en andere vormen van
inprenting maar van wat je zou kunnen noemen collectieve intuïtie. Een
intuïtie dus die de overgrote meerderheid van de leden van een collectief met
elkaar gemeen hebben. Natuurlijk spraken de mensen daarover met elkaar en het
kan niet uitblijven dat zij elkaar van allerlei duidelijk probeerden te maken
inzake hun waarheid. Aanvankelijk drukten de mensen zich nog niet uit in
formules, zoals dat bij de moderne mensen het geval is. Hun manier van
uitdrukken was die van het verhaal en bij zo' n verhaal ging het erom de
medemens een beeld van de werkelijkheid voor te toveren. Langs de weg van dit
'toveren' - in zekere zin een artistieke en in ieder geval een uiterst
creatieve bezigheid kwam men met elkaar tot overeenstemming inzake de
werkelijkheid en haar waarheid. Dat oproepen in de medemens van een beeld van
de werkelijkheid is volstrekt geen zaak van indoctrinatie. Het is een kwestie
van meebeleven, van het ondergaan van iets groots en schoons. Min of meer
kennen wij dat nog als het ondergaan van de schoonheid van een kunstwerk.
Vooral bij muziek is het beleven van schoonheid vaak het geval. Het intuïtief
aanvoelen van het karakter van de werkelijkheid, of anders gezegd: het bij
intuïtie weten hoe de werkelijkheid is (ik zeg niet: weten wat de werkelijkheid
is, want daarvoor heb je analytisch onderzoek nodig), houdt onvermijdelijk ook
in dat de mensen vertrouwd zijn met het feit dat er binnen het geheel van de
werkelijkheid een schier oneindige verscheidenheid aan bestaansvormen aanwezig
is. En men weet dat er daarvan geen enkele uitgesloten kan worden, althans niet
zonder de werkelijkheid en de waarheid geweld aan te doen. Zo was daar het
verhaal van de Grote Moeder die de voortbrengster was van al het bestaande en
die als een oneindig grote baarmoeder het totale heelal omvatte. Natuurlijk
bestond die 'Grote Moeder' niet echt.
Het
ging slechts over een verhaal dat de mensen elkaar vertelden. Maar, hoewel dat
verhaal niet feitelijk juist was, was het wel degelijk waar. Dat nu is de essentie
van een echt en oorspronkelijk geloof... het is niet juist, maar het is wel
waar! Hoewel het eigenlijk overbodig is wil ik er toch nog met klem op wijzen
dat dit begrip geloof niet samenvalt met wat men in de westerse denktraditie
onder 'geloof' is gaan verstaan. In die traditie betekent het begrip geloof
niets meer dan dat je aanneemt dat een bepaalde bewering juist is. Je neemt
bijvoorbeeld aan dat de bewering dat god bestaat een juiste bewering is.
Uiteraard gaat het hierbij om een godsdienst en niet om een geloof.
Uit het
feit dat al het bestaande vanzelfsprekend opgenomen is in één alomvattend
(oermoederlijk) geheel is gemakkelijk af te leiden dat de oorspronkelijk
gelovige mensen uit het grijze verleden qua geloof uiterst tolerant waren. Dat
wil zeggen dat zij in hun voorstellingen van de werkelijkheid en dus ook in hun
denken een grote ruimhartigheid aan de dag legden. Omdat die voorstellingen en
dat denken op de wijze van verhalen tot uitdrukking werden gebracht tref je
daarin een vaak tot op de dag van vandaag verbazing wekkende edelmoedigheid en
ruimhartigheid aan. Het is zelfs zo sterk dat je eigenlijk niet eens van
tolerantie kunt spreken, want feitelijk vooronderstelt het gelden van dit
begrip dat er een wezenlijk onderscheid tussen het een en het ander, de een en
de ander, gemaakt wordt. Maar zelfs dat onderscheid lag in de oudheid ver op de
achtergrond omdat het 'oermoederlijk' besef van het alles voortbrengende en
alles omvattende nagenoeg volledig dominant was. In de geloofsvoorstellingen
die in de vorige eeuw door toedoen van westerse onderzoekers Hindoeïsme
zijn gaan heten vind je nog veel van het bovenstaande terug. Men was destijds
in de Hindoeïstische wereldbeschouwing van mening dat de grondslag en de
uiteindelijke 'waarheid' van ieder individueel mens dezelfde was, zodat het
niet van belang gevonden werd hoe iemand tegen de dingen aankeek en welke weg
iemand volgde om zich als 'mens' te verwerkelijken. Nadrukkelijk gold: ieder het zijne. Ook in het geloof
dat aan het Christendom ten grondslag ligt is het begrip tolerantie naar zijn
uiterste inhoud terug te vinden. In de zogenaamde Evangeliën komt als
grondgedachte naar voren dat de werkelijkheid in laatste instantie in het teken
van de liefde staat en dat betekent niets anders dan dat alles ineen is en er
dus geen onderscheid en scheiding tussen het een en het ander, de een en de
ander, geldt. Zo kun je steeds vaststellen dat oorspronkelijk elk geloof zonder
meer tolerantie inhield.
In zeker opzicht zou het mooi zijn geweest als de mensen
'gelovig' gebleven zouden zijn. Hoewel zo'n gelovigheid geen enkele garantie
voor de juistheid van de voorstellingen omtrent de werkelijkheid en dus ook wat
betreft de juistheid van de verworven kennis biedt, vervult zij toch wel
degelijk een uiterst belangrijke functie, namelijk die van een spiegel die de
mensheid zich voorhoudt om de eigen cultuur, de samenhang tussen en de
betekenis van de verworven kennis, kortom de realiteit van alle dag, te
beoordelen. Anders gezegd: een toetssteen om niet voortdurend in het duister te
tasten en als een blinde rond te dolen. Het geloof fungeert zogezegd als een spiegel
der waarheid. Daarvoor is het helemaal niet noodzakelijk dat alle
voorstellingen een wetenschappelijke toetsing op juistheid hebben doorstaan.
Net als in de kunst heeft de waarheid in dit verband nauwelijks iets met de
juistheid te maken. En net als in de kunst gaat er - als het goed is! - een louterende
en inspirerende werking van een dergelijke waarheid uit. Het ligt echter in de
logica dat de mensheid haar aanvankelijke fase van geloof ('het gouden
tijdperk') achter zich laat en op zoek gaat naar de juiste kennis omtrent de
verschijnselen. Het zoeken naar juiste kennis en het ontwikkelen van criteria
van betrouwbaarheid
gaat onvermijdelijk ook zijn invloed doen gelden op de intuïtieve
voorstellingen, het geloof dus. Omdat er daarbij echter niets onderzocht noch
gecontroleerd kan worden en er tegelijkertijd geen twijfel aan de aangevoelde
waarheid bestaat komt het geleidelijk tot een machtsstelsel. Bepaalde figuren
gaan zich opwerpen als kenners der 'waarheid', en die 'waarheid' is natuurlijk
van een hogere orde dan de alledaagse realiteit van het menselijk leven. Dat
hogere is uiteraard niet alleen Ontoegankelijk voor onderzoek en kritiek, maar
het is vooral dwingend. De zogenaamde 'waarheid' geldt voor iedereen en dus zal
iedereen zich eraan onderwerpen, zonder er over na te denken en zonder er
vragen over te stellén. Deze dwingende en onaantastbare waarheid vormt het
materiaal waaruit de godsdiensten zijn opgebouwd. En wat eerst intuïtief werd
aangevoeld is binnen het kader van de godsdienst geworden tot een complex van
voorstellingen dat stelselmatig wordt ingeprent en dat geen twijfel meer
toelaat. Zo worden de mensen het slachtoffer van misbruik en paradoxaal genoeg
hebben zij dat te danken aan hun eigen hang naar juiste en dus onbetwijfelbare
kennis. Zodra het intuïtieve voor de mensen de status van kennis krijgt wordt
het voor uitgeslapen enkelingen een buitengewoon efficiënt middel om macht uit
te oefenen.
Binnen de sfeer van het geloof - in de zin zoals
ik dit begrip hanteer - worden er van allerlei verhalen verteld over de
werkelijkheid en de daarin voorkomende processen en toestanden. Al die
processen en toestanden zijn van een de mensen overstijgend karakter: het is
een werkelijkheid die groter en grootser is dan de individuele mens. Dat is
voor de gelovige echter volstrekt geen uitwendige en hogere zaak. Het is iets
waaraan geen speciale waarde gehecht wordt en wat dus ook niet als een zaak van
macht kan worden beschouwd. Dat zou overigens ook niet kunnen, want voor die
gelovige behoort immers alles, ook de mens, tot diezelfde werkelijkheid en dus
is dat allemaal om zo te zeggen 'gelijkwaardig'. Als men dan ook verhaalde van
goden en godinnen, licht en donker, goed en kwaad, machtig en onmachtig,
plaatselijk en universeel, dan ging het er om een beeld te schetsen van wat er
in de werkelijkheid gaande is, zonder dat men daarmee zeggen wilde dat al die
goden, godinnen en dergelijken feitelijk zouden bestaan. En een onderscheid qua
macht lag ook volledig buiten het denken.
Terzijde: men zou hier van ‘atheïsme' kunnen
spreken, ware het niet dat dit begrip, als zijnde een ontkenning, een erkenning
van bestaande hogere en machtige goden vooronderstelt, hetgeen bij de door mij
geschetste alsnog 'gelovige' mens niet aan de orde is. Maar alles werd al
spoedig anders. De zaak gaat zich omzetten tot een godsdienst: vanaf dit moment
treden er lui op de voorgrond die de waarheid bezitten en die elke
afwijking daarvan als ketterij beschouwen. Bovendien beweren die lui dat er wel
degelijk goden en godinnen bestaan en dat die beslist veel machtiger zijn dan
de mensen. In feite gebruiken die lui dezelfde ingrediënten die binnen de sfeer
van het geloof voorkwamen, alleen met dit verschil dat a) de oorspronkelijke
beelden van goden en dergelijken nu als feitelijkheden voorgesteld worden, b)
er aan de juistheid van de voorstelling niet getwijfeld kan worden en c) dat
het gaat over hogere machten. Deze drie grootheden bij elkaar zijn essentieel
voor de godsdienst. Dat heeft verscheidene consequenties...
Als we eenmaal te doen hebben met een godsdienst
doet de intolerantie zijn intrede. Dat kan niet anders ! Zelfs al zouden de
godsdienstigen het zo niet willen, bijvoorbeeld doordat zij herinneringen
bewaren aan de fase van geloof toen voor hen alles harmonieus 'ineen' was in
een 'oermoederlijke' werkelijkheid, zonder dat er ook maar iets buitengesloten
of minderwaardig was, dan nog zouden zij niet kunnen ontkomen aan de
intolerantie. Dat komt doordat het nu om iets absoluuts gaat: het bestaan van
god is absoluut (niet tijdelijk en plaatselijk), de kennis omtrent god is
absoluut (laat geen twijfel en geen tegenspraak toe) en zijn macht is absoluut
(de zogenaamde almacht). Er valt dus voor goedmoedige godsdienstigen niets te
willen. Een ieder die afwijkt van de absolute waarden deugt niet en moet
bekeerd worden. Wordt dat niet geaccepteerd, dan verliest zo'n afwijkend iemand
zijn of haar bestaansrecht. Dat is heel simpel en inderdaad ijzig consequent!
De intolerantie is overigens niet alleen maar het gevolg van het absolute
karakter van de godsdienst. Er is namelijk, samenhangend met dat absolute, ook
nog het machtsaspect. De, de mensen overstijgende, grotere en grootsere
kosmische werkelijkheid wordt er een van een hoger niveau. Zij komt niet alleen
buiten, maar ook letterlijk boven de mens te staan en wordt als zodanig
een macht waaraan alle mensen onderworpen zijn. Vandaar dat wij indertijd van
godsdienst zijn gaan spreken. Het gaat inderdaad om een dienstbaarheid aan een
hogere macht, aan een god. Men heeft destijds heel goed begrepen hoe de vork in
de steel steekt! Ook dienstbaarheid laat geen tolerantie toe. De dingen moeten
gebeuren zoals ze verordonneerd worden. Het gedrag van de dienstbare moet voor
de regeerder absoluut voorspelbaar zijn. Logisch, want anders heeft regeren
helemaal geen zin. Als niemand zich iets van de bevelen aantrok - wat inderdaad
een opluchting zou zijn! - bleef er van de begrippen macht, regeren en
dienstbaarheid niets over. Dat zou ook wat betreft de tolerantie een grote
vooruitgang betekenen omdat dan in ieder geval in de praktijk het geringeloor
onmogelijk zou zijn geworden. Maar zover is het nog lang niet! Indachtig het
bovenstaande blijkt het dus onmogelijk de intolerantie anders dan als
fundamenteel te beschouwen. Omdat menigeen met deze conclusie geen vrede zal
hebben wijs ik er voor de aardigheid op dat het niet zonder grond is als
atheïsten en humanisten opgetogen zijn als zij godsdienstigen ontmoeten die
tolerant blijken te zijn. Zij komen dan met enthousiaste verhalen en leggen
gretig uit dat 'moderne' godsdienstigen eigenlijk net zo denken als zijzelf. Ik
denk dan: kennelijk hadden die atheïsten en humanisten onbewust iets anders
verwacht van godsdienstigen. En dat is nu precies wat ik bedoel…!
Bijna altijd wordt de zaak zo voorgesteld dat het
helemaal niet vanzelfsprekend is dat godsdiensten aanleiding zijn tot
intolerantie. Sterker nog: men wijst er met graagte op dat de godsdiensten
eigenlijk buitengewoon tolerant zijn.
De geestdrijvers, de vaak moordlustige fanatici en
de zogenaamde fundamentalisten zouden dan uitzonderingen zijn, minderheden die
bepaalde machtsdoelen voor ogen hebben. Nu is het verwarrende dat dit inderdaad
een feit is. Het zijn minderheden die doorgaans ook door de meeste leden van
hun eigen godsdienst afgewezen worden. Maar dat is niet doordat zo'n godsdienst
in wezen tolerant zou zijn, maar daarentegen juist doordat zo'n godsdienst
allang door zijn eigen (intolerante) fundamenten heen gezakt is. Men is niet
meer zo erg overtuigd van de juistheid van de godsdienstige dogma's, stellingen
en theorieën. Bij alle wereldgodsdiensten zie je het verschijnsel dat de meeste
leden een ernstige mate van twijfel en een zekere mate van redelijkheid en
tolerantie ontwikkeld hebben. Maar die mensen zijn beslist geen afspiegeling
van het wezen van hun godsdienst.Zij zijn juist de dissidenten binnen hun
godsdienst en zij worden voortdurend bestraffend toegesproken! Nergens kun je
dit beter waarnemen dan bij het katholicisme. Een vergelijking tussen het gedoe
van de prelaten van de Roomse Kerk en dat van de gewone godsdienstigen leert
dat juist die gewone mensen, die de meeste geloofswaarheden allang in de
praktijk afgezworen hebben, bij voortduring terechtgewezen worden:zij zijn
dissidenten, mensen die van de ware leer afwijken. Begrip voor andere
godsdiensten en overtuigingen, ruimhartigheid ten aanzien van ander gedrag zijn
symptomen van ontrouw aan de rechte leer. Ontmoet je dus 'aardige' godsdienstigen
- en dat is in onze moderne westerse wereld meer regel dan uitzondering - dan
heb je te maken met tolerantie die als dissidente godsdienstigheid getypeerd
moet worden. Dus zijn niet de geestdrijvers, fanaten en fundamentalisten de
uitzonderingen, maar de ruimhartige en tolerante godsdienstigen, die in
belangrijke mate door hun eigen godsdienst heen gezakt zijn. De verwarring
inzake het al of niet tolerant zijn is zonder twijfel ontstaan vanuit het in de
moderne cultuur gebruikelijke kwantitatieve denken. Dat is een denken dat
alleen maar uit de voeten kan met datgene dat in getallen, hoeveelheden en
waarden uit te drukken is. Omdat er van de tolerante godsdienstigen
tegenwoordig de meeste zijn wordt dat voor het kwantitatieve denken
vanzelfsprekend de regel, terwijl de minderheid, die dus uit die intoleranten
bestaat, als uitzondering gezien wordt. Kwantitatief gezien is dit dus juist,
maar door deze eenzijdige benadering ontstaat er toch een geheel vertekend
beeld: de godsdienst bevordert plotseling tolerantie ! Daar klopt natuurlijk,
ook historisch gezien, niets van. Wie tolerantie bevorderen zijn de dissidente
godsdienstigen...
Terug naar: de Startpagina
Bovenstaande
tekst is geschreven: door Jan Vis, filosoof.
Pagina's
zijn door mij uit het tijdschrift van De Vrije Gedachte No. 249 oktober 1994
overgenomen.
Aangezien
de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten maar juist voor alle mensen,
is het citeren uit mijn werk zonder meer
toegestaan. Wel echter zou ik het op prijs stellen dat het citeren vergezeld
gaat van een duidelijke bronvermelding! (Jan Vis)
|
|