De Grote Vierslag

(nihilisme, anarchisme, socialisme, communisme)

Rotterdam, 15 juni 1994

Naar het begin en bladwijzersÖ

abortus,anarchisme,arbeid,atheisme,atheist,bestaan,bewustzijn,blut und boden,communisme,conditionering,democratie,de ware mens,ecologie,evolutie,evolutieproces,fascisme,filosofie,fundamentele verhoudingen,geest,geloof,god,het brein,het ontstaansproces,het strafrecht,hitler, holisme,humanisme,ideaal,idealist,ideologie,ieder het zijne,individualiseringsproces,individualisme,joden,jodenhaat,ken u zelve,nationaal socialisme,nationaal-socialisme,nihilisme,psyche,relatie,saamhorigheid,socialisme,veiligheid,vrijheid,waarde,wordingsproces,zelfbewustzijn.

Help mee om deze site te promoten. Vertel het uwÖ!

(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )

 

Nihilisme Ė Anarchisme Ė Socialisme - Communisme ÖWat betekenen deze levensbegrippen?

De vier levensbegrippen: A) nihilisme††† B) anarchisme††† C) socialisme††† D) communisme

nihilisme - anarchisme - socialisme en communisme

nihilisme1 ;  anarchie1††† anarchie-2 (en nrs. 37, 55 en 66)

( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)

Naar :Startpagina

Naar het begin van dit verslag en bladwijzersÖ

Naar andere artikelen: gedachten over ontstaan en bestaan ; beweging en verschijnsel (deel 1) ( hoofdwerk ) ; beweging en verschijnsel (deel 2) ( hoofdwerk ) ; beweging en verschijnsel (deel 3) ( hoofdwerk ) ; de ontwikkeling van de West Europese cultuur ; vrouw en wereld  ; Nihilisme ; Dat verrekte nihilisme ; Nihilisme- zie nr. 01 ; Nihilisme en Anarchisme als basis van het AtheÔsme ; Loyaal: zie bladwijzers in Filosofische invallen 1 t/m 26, ; Loyaal: zie bladwijzers in De ontwikkeling van de West Europese Cultuur, ; Loyaal: zie bladwijzers in De Kunst van het Filosoferen, ; Loyaal: zie bladwijzersin Alledaags Commentaar 1 t/m 40, ;

 

Naar artikelen met Verzorgingsstaat als bladwijzer

Verzorgingsstaat-1-zie bladwijzers van ontwikkeling West Europese Cultuur-2x,

Verzorgingsstaat-2-zie bladwijzers in Waar gaat het in de mensheid nu wezenlijk om,

Verzorgingsstaat-4-zie bladwijzers in ďDe ontwikkeling van het DenkenĒ,

 

 

 

De Grote Vierslag

Bladwijzers: Opeisen- Als je namelijk iets opeist stel je je afhankelijk van degene aan wie je de eisen stelt en je levert je uit aan diens goedwillendheid. vrije tijd ;kuddedieren ; democratie ; verhoudingen ; idealisme / idealen / ; idealisme/ideaal ; idealisme ; Ken u zelve ; fraude ; ieder het zijne-1 ; ieder het zijne-2 ; Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L ; existentialisme ; Verzorgen ; bandeloosheid ;juridische gelijkwaardigheid ; [ Gezondheidszorg ; Openbaar vervoer ; Media ; privatiseren ; in goede banen-1 ; in goede banen-2 ; in goede banen-3] ; Partijpolitiek-1 ; partijpolitiek-2 ; partijpolitiek-3 ; verkiezingen-1 ; verkiezingen-2 ; verkiezingen-3 ; Een veilige wereld(pag.47) ; Paradigma(0) Ė lees nr. 24 ; Paradigma(1) Ė lees o.a. de nrs. 29 t/m 31 ; een calculerende burger-1 ; een calculerende burger-2 ;Democratie / Griekse cultuur-nrs.29/30 ; Solidariteit/Verantwoordelijkheid-1 ;verantwoordelijkheid-2 ; Verantwoordelijkheid-3 - Leiding - De Zaak - Macht ; diefstal ; Inspiratiebron ; Halsstarrige slavenhouders ; emancipatie-1 ; emancipatie-2 ; emancipatie-3 ; Materialistisch ; Fukuyama1 ; Beweeglijkheden ; Fukuyama2 ; Hulpacties ontwikkelingshulp(lees de nos 14 en 15) ; Verenigd Europa ; vervreemding- 1†† vervreemding- 2 ; Privacy ; verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ; Burgeroorlog-1 ; Burgeroorlog-2 ; Volwassen worden ; concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; concurrentie-5 ; concurrentie-6 ; Werkgelegenheid ; Welvaart en Welzijn ; nummer 52 ; Met rust laten ; Wat is de mens en wie is de mens? ; Ziel ; Verzorgingsstaat(-3) ; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld(orde)-2 ; Betere Wereld-3 ; leerproces-1 ; leerproces-2 ; Monarchie / Regeren ; Verhullend taalgebruik-1 ; Verhullend taalgebruik-2 ; Loyaal ; Slechte mensen ; Nihilisme ; Anarchisme ; Socialisme ; Communisme ; Brein ; Overgang-1 ; Onverdraagzaam ; Slavernij ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1 ; Hulpbehoevend..? en Definitie Zorg..! Ė pag. 13, 14 en 15 ; Eenzijdigheid-1 ; Zelfmoord ; Sociaal Democratie ; Liberale Democratie ; Parlementaire Democratie ; Houvast nrs. 24 t/m 26 ; Caesar ; Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ; Rechten van de Mens-3 ; zoals leraren, geestelijken, journalisten en andere betweters ; Gemeenschapszin-1 ; Gemeenschapszin-2 ; Gemeenschapszin-3 ; Doodstraf ; China-1 ; China-2 ; Beleving ; Horigheid ; Fouten maken ; Rechters ; Vakbekwaamheid - leiding geven..! - Deskundige ; Overtuiging/overtuigingen/levensovertuiging-zie A1 , B2 , C3 , D4 , E5 , F6 , G7 , H8 , Oostblok(landen) nrs. 36 , 37 , 41 , 44 , 47 , 60 ; Definitie ZORG..! ; Antroposofie ; Waanvoorstellingen-1 ; Waanvoorstellingen-2 ; Discriminatie zie nrs. 15 en 77 ; Racisme Ė Hoezů racistisch..! ; Racistische taal ; Slavernij ;

 

Naar andere artikelen: gedachten over ontstaan en bestaan ; beweging en verschijnsel (deel 1) ( hoofdwerk ) ; beweging en verschijnsel (deel 2) ( hoofdwerk ) ; beweging en verschijnsel (deel 3) ( hoofdwerk ) ; de ontwikkeling van de West Europese cultuur ; vrouw en wereld  ; Nihilisme ; Dat verrekte nihilisme ; Nihilisme- zie nr. 01 ; Nihilisme en Anarchisme als basis van het AtheÔsme ; Loyaal: zie bladwijzers in Filosofische invallen 1 t/m 26, ; Loyaal: zie bladwijzers in De ontwikkeling van de West Europese Cultuur, ; Loyaal: zie bladwijzers in De Kunst van het Filosoferen, ; Loyaal: zie bladwijzersin Alledaags Commentaar 1 t/m 40, ;

 

Naar artiekelen met Verzorgingsstaat als bladwijzer

Verzorgingsstaat-1-zie bladwijzers van ontwikkeling West Europese Cultuur-2x,

Verzorgingsstaat-2-zie bladwijzers in Waar gaat het in de mensheid nu wezenlijk om,

Verzorgingsstaat-4-zie bladwijzers in ďDe ontwikkeling van het DenkenĒ,

 

 

No. 1

verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

Afgezien van het feit dat sommige mensen de pech hebben door een ongeval of ziekte misvormd te zijn kun je stellen dat de mens een verschijnsel is met onder andere twee armen en twee benen. Zo is hij (= zij) lang geleden uit de evolutie voortgekomen en zo wordt hij nog steeds geboren. Behalve dat hij twee armen en benen heeft is er nog een groot aantal bijzonderheden aan de mens te bedenken, bijzonderheden die onmiddellijk bij het verschijnsel mens behoren en die volstrekt niet in de loop der tijden, langs de weg der cultuur, aan hem toegevoegd zijn. Tot die onmiddellijke bijzonderheden behoort een viertal verhoudingen, door ons uitgedrukt in begrippen, die essentieel zijn voor het gehele menselijke leven op aarde. Het gaat dan, in deze volgorde, over de begrippen nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme. Tegenwoordig zijn deze begrippen algemeen bekend, hetgeen evenwel niet wil zeggen dat iedereen in de gaten heeft wat de betekenis van die begrippen is. In de loop van mijn verhaal zal blijken dat men er van alles van gemaakt heeft en dat doorgaans de resultaten van die bedenksels en experimenten nauwelijks iets met bedoelde begrippen gemeen hebben.

Er zijn mensen geweest die zich nihilist noemden. Zij waren vooral actief in het oude Rusland aan het eind van de 19e eeuw. Hun activiteiten bestonden voornamelijk uit het meedogenloos vermoorden van hooggeplaatste tegenstanders, zoals de Tsaar en zijn handlangers. Verder is op te merken dat de term nihilisme vooral door Friedrich Nietzsche (1844-1900) bekendheid heeft gekregen en zelfs een tijdlang het denken van een aantal Westerse en Russische intellectuelen heeft beheerst. Tot een echte politieke stroming is het echter nooit gekomen zodat je kunt stellen dat dat nihilisme geen enkele praktische rol gespeeld heeft in het maatschappelijk leven. Daartoe heeft ongetwijfeld bijgedragen dat vooral de westerse mens intuÔtief een uiterst negatief waardeoordeel over het nihilisme geveld heeft.

Ook het anarchisme heeft als politieke stroming nauwelijks een rol gespeeld. Inderdaad zijn er tijdens de Spaanse Burgeroorlog, in de dertiger jaren van deze eeuw, wat anarchistische experimenten geweest, maar die waren al vanaf het begin tot mislukken gedoemd, niet in het minst door het vijandige gedrag van de toenmalige Sociaal-democraten en vooral de Communisten. Toch is er nog steeds een betrekkelijk levendige anarchistische beweging en met grote regelmaat kom je vooraanstaande denkers tegen die zich op de ideeŽn van het anarchisme baseren. Over het algemeen zijn zij van mening dat er in onze wereld nog nooit een echt anarchistische maatschappij is geweest en dat die voorlopig ook wel niet tot stand zal komen.

Het socialisme en het communisme hebben wel tot maatschappelijke stromingen en stelsels geleid, zelfs wel tot zeer machtige, maar op het ogenblik zijn die overal in de wereld volop bezig in te storten, vooral omdat de binnen die stelsels ontworpen politieke en economische systemen totaal inefficiŽnt en in zeker opzicht zelfs misdadig zijn gebleken.

De Levensbegrippen uit De Grote Vierslag zijn eigenlijk pas sinds de tijd van de Verlichting, aan het eind van de 18e eeuw, in zwang gekomen. Ze zullen al wel door die en gene voor die tijd gebruikt zijn, maar een rol in het cultuur denken gingen zij pas spelen in de moderne tijd, dat wil zeggen: nu het tot de mensen doordringt dat hun wereld er een is die gemaakt moet worden.

In samenhang met dat besef van maakbaarheid zijn de begrippen uit De Grote Vierslag, los van elkaar of in verscheidene combinaties, geworden tot het ideaal van een aantal mensen. Dezen meenden, en er zijn er die nog steeds die mening toegedaan zijn, dat de toekomstige wereld op een zodanige manier opgebouwd zou moeten worden dat die begrippen er de grondslag van zouden vormen. Ten gevolge van die mening ontstond er in die mensen een voorstelling van de toekomstige wereld en met dat model voor ogen zijn zij zich gaan beijveren om de zaak te realiseren. Onveranderlijk echter zijn hun, doorgaans goedbedoelde, pogingen op niets uit gelopen. Niet alleen dat hun idealisme praktisch stukliep, maar ook dat het almaar niet gelukte hun eigen voorstelling van het ideaal duidelijk te krijgen. De zogenaamde theorievorming wilde maar niet vlotten.

Het kenmerkende van idealen is de volgende vooronderstelling: er ontbreekt iets aan de mens van nu dat er in de toekomst wel zal zijn; er zal in de toekomst een menselijke werkelijkheid zijn die er nu nog niet is. Dat houdt, in samenhang met de gedachte dat de wereld gemaakt zal moeten worden, in dat de mens op weg zal moeten gaan om die werkelijkheid op te bouwen en dat komt er op neer dat hij zichzelf zal moeten veranderen. Er moet iets voor hem gaan gelden dat nu nog niet geldt. Je kunt zeggen dat er iets aan de mens toegevoegd zal moeten worden, iets dat hem van nature ontbreekt. En je kunt ook zeggen dat de mens iets zal moeten leren, in de zin van toevoegen aan zijn kennis en capaciteiten. Op zichzelf is het bovenstaande niet vreemd. Er zijn tal van zaken waarvan een mens kan vinden dat ze voor hem een ideaal zijn dat via leerprocessen en oefeningen bereikt kan worden. Je kunt daarbij bijvoorbeeld denken aan pianospelen: het is mijn ideaal ooit nog eens redelijk Mozart te kunnen spelen. Op het moment dat ik dat straks inderdaad kan is er iets aan mij toegevoegd, iets dat er eerst niet was en dat door zelfbewust aan de slag te gaan werkelijkheid geworden is. Over het algemeen is te zeggen dat alle leerprocessen en oefeningen iets nieuws opleveren. Het is dus te begrijpen dat men, zeker in onze op verstand en kennis gerichte cultuur, de tot ideaal gemaakte begrippen uit De Grote Vierslag denkt te verwerkelijken via het aan de mens toevoegen van kennis en capaciteiten, waarvan als vanzelfsprekend verondersteld wordt dat die om te beginnen, van nature, niet aanwezig zijn. Dat echter is een tragische denkfout...

In de loop van mijn filosofische verhaal zal hopelijk duidelijk worden dat de begrippen nihilisme anarchisme, socialisme en communisme wel degelijk van nature bij de mens behoren en dat hij dus helemaal niet behoeft te leren ze voor zichzelf en zijn wereld te laten gelden als zouden ze iets geheel nieuws zijn dat er aanvankelijk niet was en er zelfs nu nog niet is. Dat betekent dat de mensen een fundamentele fout maken als zij die begrippen als een in de verte liggend ideaal zien. Als zij dit wel doen stellen zij iets buiten zichzelf dat in feite binnen henzelf gezocht moet worden. Hun zoektocht gaat dan precies de verkeerde kant uit en dat heeft verschillende consequenties. Een belangrijke is deze dat zij hun streven richten op de buitenwereld en daarbij zichzelf buiten beschouwing laten. Bovendien ontstaat er een levensprogramma van wensen en verlangens dat op zichzelf het hier en nu degradeert tot iets dat niet deugt en dat minderwaardig is. Maar er is ook nog een ernstige logische fout, die overigens door de moderne mens voortdurend gemaakt wordt: men stelt iets dat vanzelfsprekend is als eis die ingewilligd moet worden. Je kunt zo'n eis echter niet stellen zonder de zaak waarom het gaat volkomen fout te interpreteren. Als je van mening bent dat een mens twee armen en twee benen moet hebben doe je de werkelijkheid geweld aan want de mens heeft twee armen en benen. Dat is geen norm maar dat is een feit.

leerproces-1 ; leerproces-2 ; verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

No. 2

Betere Wereld-1 ; Betere Wereld(orde)-2 ; Betere Wereld-3 ; verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

Over het algemeen wordt idealisme positief beoordeeld. Men vindt dat het te waarderen is als iemand een bepaald ideaal nastreeft. Tegelijkertijd echter heeft men ook een zekere reserve met betrekking tot idealisten, omdat men ze ervan verdenkt niet helemaal met de benen op de grond te staan. Die betrekkelijk positieve waardering wordt overigens ook veroorzaakt door het feit dat idealisme een uiting is van doelgericht, lineair en principieel denken, een denken dat kenmerkend is voor onze westerse cultuur. Vooral sinds de Verlichting heeft dat denken zich doorgezet en daarmee in verband staat de opvatting dat de mensen zelf hun wereld moeten opbouwen. Elementen van die opvatting zijn inderdaad socialisme en communisme zoals die zich in de praktijk hebben doorgezet, en in mindere mate anarchisme en nihilisme. Deze laatste twee zijn voornamelijk een intellectuele aangelegenheid gebleven.

Het opbouwen van de wereld is in technisch opzicht heel goed mogelijk gebleken, maar doordat de mensen doelgericht bezig willen zijn loopt de zaak toch voortdurend vast in de planmatigheid, het systematische en gereglementeerde, met als gevolg dat het leven met haar beweeglijke en onvoorspelbare karakter meer en meer in de verdrukking komt. De verlichte moderne mens toetst zijn realiteit aan zijn toekomstgerichte plannen, blauwdrukken en modellen, kortom aan zijn eigen voorstelling. Maar eigenlijk zou er op elk moment getoetst moeten worden aan de werkelijkheid als beeld. Omdat dit beeld echter betrekking heeft op het bewustzijn en zich bijgevolg niet in vaststaande formules en modellen uit laat drukken, wordt het niet als een betrouwbare toetssteen gezien. Hoewel je dus moet constateren dat de moderne mensen het begrip opbouwen niet begrijpen, moet tevens toegegeven worden dat zij wel in de gaten hebben dat alles om genoemd begrip draait.

Logisch gedacht kan een ideaal nooit verwerkelijkt worden omdat het onvermijdelijk gebaseerd is op inzichten en theorieŽn die op een bepaald moment voor geldig worden gehouden maar die absoluut zeker na verloop van tijd zullen veranderen en dus ongeldig worden. De voorstelling van het ideaal is al bij voorbaat gedateerd, maar dat zou niet zo erg zijn als hij niet vastgelegd was, zodat er halsstarrig aan vastgehouden moet worden. De voorstelling van het ideaal wordt onmiddellijk tot een ideologie, die eigenlijk gaat functioneren als een godsdienst. We hebben dat in de praktijk bij socialistische en communistische staten gezien. Ik heb er al op gewezen dat je iets dat vanzelfsprekend is, iets dat evident is, niet als eis of norm of voorwaarde mag stellen. Je doet daarmee namelijk de werkelijkheid geweld aan, in die zin dat je het doet voorkomen alsof iets dat er al is er in feite helemaal niet zou zijn en nog in de toekomst tot stand gebracht zou moeten worden. Iemand die een dergelijke eis stelt, bijvoorbeeld dat de mensen anarchistisch zouden moeten worden, heeft de werkelijkheid en zichzelf niet begrepen. Op grond van dit onbegrip zoekt zo iemand de betere wereld buiten zichzelf en daarmee beweegt hij zich precies de verkeerde kant uit: in plaats van naar binnen is zijn streven naar buiten gericht. In plaats van te beseffen dat hij zelf het begrip anarchisme moet leren begrijpen en laten gelden, richt hij zich op de buitenwereld en geeft haar de schuld van alle wantoestanden. De mens is een zelfbewust wezen, hij is de werkelijkheid als mens, als laatste verschijnsel en dat verschijnsel is tot kennen van zichzelf gekomen.

Zodra de mens op de planeet verschijnt, is er dat kennen van zichzelf, dat zelfbewustzijn. Het geldt onmiddellijk, niemand behoeft het te verwerven, het behoeft niet aangekweekt te worden, het is er! Toch ligt het over het algemeen voor het (filosofische) denken zo dat de mensen zelfbewust zouden moeten worden. Dat is een ernstige denkfout: de mens is al zelfbewust en hij kan het helemaal niet niet zijn. De vraag is dus niet wanneer de mensen ooit eens zelfbewust zullen worden, maar wanneer de mensen zich eens als zelfbewustzijn zullen laten gelden. De vierslag van begrippen bevat verhoudingen die uit het zelfbewustzijn voortvloeien en ook hierbij gaat het om de vraag wanneer zij eindelijk eens zullen gelden. Dat begrip gelden heeft betrekking op de inhoud van de begrippen, dus: wanneer krijgt het zelfbewustzijn, wanneer krijgt De Grote Vierslag haar werkelijke inhoud? Zolang en voor zover zij idealen zijn hebben zij geen inhoud, zij hebben dan slechts een vorm.

Er is in de loop der tijd heel wat getheoretiseerd en geschreven over nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme. Steeds echter gaat het over de vorm waarin deze begrippen in de toekomst gegoten moeten worden. Kenmerkend voor dit alles is het voortdurende gebruik van het woord moeten. De mensen moeten dit en de mensen moeten dat. Goed is het nooit, steeds moet alles anders en beter en de miskenning van het nu neemt zelfs traumatische vormen aan. In al die theorieŽn is het woord moeten de achilleshiel en dat betekent dat de vrijheid en de zelfstandigheid van de mens voortdurend ontkend worden. Deze ontkenning is de wezenlijke fout en hij komt voort uit het als eis stellen van een evidentie. De gehele literatuur over de begrippen uit De Grote Vierslag is doortrokken van het moeten, zelfs de anarchistische waarin toch het niet aan een macht onderworpen zijn van de mens centraal staat en dus helemaal niet van moeten in de zin van dwang sprake zou mogen zijn.

Ook over het nihilisme is menig verhandeling geschreven omdat het, vooral nadat Nietzsche het aan de orde had gesteld, de gemoederen danig in beroering bracht. Er is een enorme verscheidenheid aan theorieŽn ontwikkeld, maar, in tegenstelling tot het voor grote groepen van mensen aantrekkelijke perspectief van een anarchistische, socialistische of communistische toekomst werd het perspectief van het nihilisme ervaren als iets bijzonder kwalijks. Volgens Nietzsche zou het nihilisme in de westerse cultuur steeds meer van invloed worden en tenslotte tot de ondergang leiden. Hij herkende het nihilisme wel, zij het als toekomstbeeld, maar hij vond dat vooruitzicht beangstigend. En zijn navolgers dachten er net zo over, tot op de dag van vandaag, want vanuit levensbeschouwelijke organisaties als de kerken en het Humanistisch Verbond klinken regelmatig waarschuwende geluiden met betrekking tot datgene dat zij nihilisme noemen. Alweer dezelfde figuur: men heeft niet in de gaten dat voor de mens het begrip nihilisme geldt en verplaatst het naar de toekomst, om vervolgens met alle mogelijke middelen te proberen die toekomst af te wenden, in het geval van het nihilisme, of die toekomst te verwerkelijken in de drie andere gevallen. En het gevolg is een enorme hoeveelheid onzin, zowel in de kijk op de individuele mens als op de mensheid als geheel. De Spaanse cultuurfilosoof en socioloog Josť Ortega y Gasset (1883-1955) wees in zijn in 1930 verschenen Opstand der horden op het ontstaan van steeds grotere massa's onverschillige mensen die de culturele waarden van het westen op den duur zouden vertrappen. Op zichzelf is zijn visie op de veel te velen wel te onderschrijven, maar de beoordeling van de zaak wordt ook bij hem volledig verduisterd door het naar de toekomst verplaatsen van de evidentie dat de mens nihilist is.

Betere Wereld-1 ; Betere Wereld(orde)-2 ; Betere Wereld-3 ; verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

No. 3

Tijdens hun onvolwassenheid hebben de mensen niet in de gaten dat de begrippen uit De Grote Vierslag gelden. Zij verklaren hun gedrag dan ook doormiddel van allerlei denkbeelden, begrippen en normen die in feite helemaal niets met de zaak te maken hebben, maar intussen zijn het toch steeds nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme die vanaf het eerste moment van het leven van de mensheid de grondslag vormen voor het gedrag. Die begrippen werken, in de hoedanigheid van levensbegrippen, almaar door, zonder dat zij als zodanig herkend en benoemd worden. Als je je bijvoorbeeld de oermens voorstelt blijkt dat je hem niet anders kunt denken dan zo dat hij alsnog geen waarde toekent aan de dingen om hem heen, dat hij niet onderworpen is aan de wil van andere mensen, dat hij de gelijke is van de anderen en tenslotte dat hij met die anderen samenleeft, een geheel vormt. Hij begint dus wel degelijk te leven in overeenstemming met de begrippen uit De Grote Vierslag, maar hij weet daarvan niets af en al spoedig gaat hij normen laten gelden die een verminking van De Grote Vierslag zijn. Als verminkte begrippen blijven zij door de gehele geschiedenis heen hun rol spelen. Zij komen voor de dag als het instellen en handhaven van waarden en normen, het opleggen van gezag door overheden, het voorschrijven van sociale verhoudingen en samenlevingsvormen. Anderzijds is de voortdurende rebellie daartegen een uiting van het vage besef hoe het eigenlijk zit met die begrippen. En ook blijkt dat uit die rebellie alle verdere ontwikkelingen voortkomen. Op allerlei manieren ontduiken de mensen tot op de dag van vandaag hun eigen normen en regels. Dat wordt, gezien vanuit het gelden van de verminkte vierslag, als negatief gekwalificeerd, maar eigenlijk is het een positieve zaak.

Er wordt vaak beweerd dat de primitieve mens zich aan een hogere macht onderworpen zou hebben, maar dat is onmogelijk: er is geen hogere macht en dat laat zich ongeweten gelden. Een ogenschijnlijke onderwerping aan een hogere macht is in feite een onderwerping aan andere mensen die beweren namens iets hogers op te treden. De praktijk laat dit dan ook onmiskenbaar zien en het is daarbij een duidelijke zaak dat het die vertegenwoordigers van dat hogere gewoon om de naakte macht te doen is. In geen enkel religieus of godsdienstig systeem is het ooit om de inhoud gegaan, maar steeds draait alles om het verwerven van macht over andere mensen.

Als de mensen een van de begrippen uit De Grote Vierslag als ideaal stellen is ook dat een zaak die gegrond is op een vaag besef omtrent die begrippen. In het ideaal echter worden die begrippen naar de toekomst verplaatst en een onvermijdelijk gevolg daarvan is dat men zich eenzijdig gaat richten op de vorm waarin die ideale toestand gegoten zal moeten worden. Wat betreft het gangbare socialisme bijvoorbeeld heeft er in het verleden een uitgebreide theorievorming plaatsgevonden en het centrale thema daarbij was de vraag hoe je een socialistische maatschappij zou moeten inrichten. Die vraag heeft dus betrekking op een organisatie-probleem en niet op de inhoud van het begrip socialisme. Behalve als het gaat over het nihilisme draait het daar ook bij de andere idealen om. Overigens: de theorievorming inzake socialisme en communisme is al geruime tijd stopgezet. Wat men daarover thans nog te berde brengt is in feite het 19e eeuwse idee omtrent een goede wereld: men beroept zich nog steeds op Marx en Lenin en hun leerstellingen worden als dogma's gesteld! Er is nauwelijks nog iets nieuws aan toegevoegd, afgezien van een aantal pragmatische aanpassingen. En thans is men aan de laatste aanpassing bezig, waarmee die 19e eeuwse idee definitief van de baan is, zonder dat er iets nieuws aan toegevoegd is.

Wat betreft het anarchisme is het zoeken en ontwikkelen van een goede theorie evenwel nog in volle gang. Dat gaat zelfs zo ver dat bepaalde ondernemers pogingen aanwenden hun bedrijven op anarchistische leest te schoeien, uiteraard in de hoop nog meer te verdienen.

Dat het uitsluitend gaat over de vorm laat zich verklaren door het feit dat de bedoelde idealen noodzakelijkerwijs bevangen moeten blijven in het zelfbewustzijn als voorstelling. Daardoor kan er niet meer tot stand komen dan een model, een blauwdruk. Men vormt zich een voorstelling. De inhoud daarvan kan niet voor de dag komen omdat de inhoud het beweeglijke als kenmerk heeft terwijl de voorstelling vastgelegd is. De inhoud van die begrippen is immers een zaak die onmiddellijk voor het menselijke leven geldt en die dus op geen enkele manier vast te leggen noch te voorspellen is. Het enige wat je ermee kunt doen is het te laten gelden, het nu te laten gelden als inhoud van je leven.

Je hoort vaak als tegenwerping dat het laten gelden van De Grote Vierslag in deze wereld onmogelijk is. Tot op zekere hoogte is dat waar, maar eigenlijk liggen de zaken zo dat je die vierslag in een onvolwassen wereld niet volledig tot zijn recht kunt laten komen. Je kunt hem echter wel degelijk laten gelden en daarbij gaat het louter om dat feit en niet om de vraag in hoeverre je er succes mee hebt. Het maken van fouten en het ondervinden van weerstand behoeven geen beletsel te zijn voor het laten gelden van de zaak. Wellicht ten overvloede: het laten gelden is iets anders als het uitdragen van je denkbeelden en idealen. Iets uitdragen kan alleen maar dan als het over een voorstelling gaat, iets dus dat zich aan anderen laat mededelen.

Je kunt niet nadenken over het menselijk leven en over de begrippen waarmee de mensen komen als je niet eerst de positie van de mens in de kosmos kent. De eerste vraag is derhalve die naar de mens: wat is de mens en wie is de mens? Zonder om te beginnen over die vraag klaarheid te krijgen is het onmogelijk zinvol over de vierslag en zijn begrippen na te denken. Rampzalig voor dat nadenken is bijvoorbeeld onze onwillekeurige behoefte om aan allerlei zaken waarde toe te kennen zodat ze meteen al uit hun samenhang met de werkelijkheid gelicht worden. Dat betreft dan het nihilisme en de moeilijkheid daarbij is dat je nihilistisch over het nihilisme na moet denken. Sterker nog: je moet zelfs nihilistisch over alle vier begrippen uit de vierslag denken. Zo zijn ook anarchistisch, socialistisch en communistisch denken een vereiste om inzicht in de vierslag te krijgen. Om dat enigszins voor elkaar te krijgen is het noodzakelijk de mens in zijn juiste kosmische context te leren begrijpen. Je begrijpt dan ook dat het nu over levensbegrippen gaat en dat die zich slechts laten beschrijven in beweeglijke verhoudingen zonder dat er een mogelijkheid is van tevoren vast te stellen hoe de zaak er uiteindelijk uit zal zien. Dat is precies zo als met een kunstwerk: van tevoren is nooit te bepalen hoe een kunstwerk er uit zal moeten zien om een zaak van schoonheid te zijn. Pas als het kunstwerk er eenmaal is kun je daaromtrent een oordeel geven. Dat geldt dus ook voor De Grote Vierslag en wel omdat het beweeglijke verhoudingen zijn.

In ieder geval, we moeten de mens kennen om zijn essentiŽle begrippen te kunnen bevatten. Als eerste moet het ons dan duidelijk worden dat de mens absoluut van niets en niemand afhankelijk is, in die zin dat voor hem geldt dat hij nergens bij behoort. Niets is aan de mens ondergeschikt en hijzelf is aan niets ondergeschikt. De mens is absoluut vrij van alles wat er is.

No. 4

Overtuiging/overtuigingen/levensovertuiging-zie A1 , B2 , C3 , D4 , E5 , F6 , G7 , H8 ,

De mens vertoont tal van eigenaardigheden die niet onmiddellijk voor hem gelden, maar die meekomen aan zijn ontwikkeling en die dus eigenlijk uitingen zijn van de cultuur waarvan hij op een bepaald moment deelgenoot is. Je kunt wat dit betreft bijvoorbeeld denken aan het rechtsbesef, aan het hedendaagse economische en politieke denken, aan de overtuiging zelf de wereld te moeten opbouwen, enzovoort. Ook het godsdienstige denken behoort tot deze eigenaardigheden. Je kunt trouwens wel stellen dat alle cultuurverworvenheden, hoe positief desnoods ook beoordeeld, vertekeningen zijn van de natuurlijke mens, dat wil zeggen: de mens zoals hij is op grond van de onmiddellijk voor hem geldende verhoudingen, begrippen.

Het is in het algemeen voor de filosofie van het grootste belang de natuurlijke mens te leren kennen, maar als het gaat over de vier begrippen uit De Grote Vierslag is dat temeer noodzakelijk omdat die begrippen de essentie blijken uit te maken van die natuurlijke mens en bijgevolg voortdurend bepalend zijn voor het leven van de mensen, zij het dan op een met de cultuur strijdige manier. Het is dus de vraag wie en wat de mens eigenlijk is. Welnu, de mens is het laatste verschijnsel, het gehele proces van het ontstaan loopt uit in de mens en gaat dan niet verder. Dit is wat de mens is: hij is de uiterste mogelijkheid van dat proces en die mogelijkheid heeft zich op onze planeet gerealiseerd. Elders in het heelal vinden dezelfde processen plaats en ook die gaan niet verder dan de aldaar aanwezige mens.

Uit het feit dat de mens het laatste verschijnsel is volgt als eerste consequentie dat er niets is dat hem opvolgt, dat er na hem niets meer ontstaat. Deze consequentie is lang niet voor iedereen vanzelfsprekend: menig denker is van mening dat de mens voorlopig de laatste is en dat de evolutie straks een nog hoger wezen op zal leveren. Waarom deze gedachte fout is laat ik nu even buiten beschouwing, maar wel wijs ik er op dat het feit dat wij in staat zijn over een nog hoger wezen te fantaseren aantoont dat wij een dergelijk, eventueel in de toekomst bestaand, hoger wezen op de een of andere manier zelf moeten zijn. Anders zouden wij zoiets onmogelijk kunnen bedenken. De fantasie over een hoger wezen gaat dus mank aan een innerlijke inconsequentie. In de gangbare wetenschap heeft men geen oog voor deze inconsequentie; gericht als men is op de eigen voorstelling van de werkelijkheid ziet men geen reden om de veronderstelling dat het proces nog verder gaat van de hand te wijzen. Daarbij speelt een rol dat men geen onderscheid weet te maken tussen de begrippen aanpassing en evolutie.

Na de mens komt er niets meer en dus is hij nergens aan onderworpen. Deze gedachte wordt doorgaans nog wel door sommigen geaccepteerd, maar veel moeilijker ligt de zaak als ik stel dat er ook voor de mens helemaal niets is. De moeilijkheid is hierin gelegen dat de mens onmiskenbaar uit het evolutieproces is voortgekomen. Hij is een zoogdier zoals er zoveel zoogdieren zijn, en als zodanig is hij gebonden aan en afhankelijk van de aan hem vooraf gaande natuur. Deze gebondenheid aan en afhankelijkheid van is echter een biologische kwestie die slaat op het feit dat de mens een verschijnsel is temidden van alle andere verschijnselen, zij het dan dat hij als laatste te voorschijn is gekomen. Het biologische aspect van het verschijnsel mens heeft betrekking op de vraag wat de mens is. Er is evenwel ook nog te vragen wie hij is (eigenlijk moet je de mens vrouwelijk benoemen: zij.) en dan komt de nadruk te liggen op het feit dat hij de laatste is. Je moet je afvragen wat je zegt als je het over de laatste hebt. Dan blijkt dat het over een grensgeval gaat.

Als zodanig is de mens de ontkenning van zijn eigen ontstaansproces, zodat je kunt stellen dat er niets aan hem vooraf gegaan is en hij dus ongebonden en onafhankelijk ten opzichte van de natuur staat. De natuurlijke mens, de mens dus zoals hij ter wereld gekomen is, is een ontkenning van de natuur.

De mens bevindt zich op de uiterste grens van de werkelijkheid. Het begrip grens houdt in dat het een opgehouden is en het ander nog beginnen moet. We hebben dus te doen met het begrip noch het een noch het ander. Voor het verschijnsel mens betekent dit dat hij noch de natuur is, noch het andere daarvan, namelijk de werkelijkheid als louter beweeglijkheden. Als hij dit laatste wel was zou dat overigens betekenen dat hij er helemaal niet was, maar het staat nu juist vast dat hij er wel is, dat is zelfs zijn enige absolute zekerheid. Je kunt niet iets ontkennen dat er niet is, de ontkenning van iets vooronderstelt het bestaan van dat iets. Zo kun je van de mens als ontkenning zeggen dat in hem de bestaande verschijnselenwereld ontkend is en ook de werkelijkheid als louter beweeglijkheden. Hij is dan ook niet denkbaar zonder die verschijnselenwereld en ook niet zonder de werkelijkheid als beweeglijkheden, maar op zichzelf behoort hij noch tot het een noch tot het ander. De mens op zichzelf is de mens als zelfbewustzijn en deze is, in het licht van de vraag wie hij is, in de werkelijkheid aanwezig als iets volslagen unieks, als een volstrekte eenling die nergens iets mee te maken heeft. Hij heeft inderdaad geen verleden en ook geen toekomst...

Aan de praktijk van het leven is te zien dat de mens volstrekt op zichzelf staat. Daar is bijvoorbeeld zijn technologie. Daarin stelt de mens zich op tegenover de werkelijkheid, hij doet er van alles mee. Het gaat nu niet om de vraag of hij dit allemaal even goed doet. Vooral tegenwoordig deugt er niets van: de mensen verbeelden zich de werkelijkheid te kunnen overheersen, naar hun hand te zetten. Het gaat er nu echter om dat de mens altijd en overal ingrijpt, en dat zoiets alleen maar kan als hij er eigenlijk niet bij behoort. De andere levende wezens grijpen niet in de natuur in, zij zijn daartoe niet in staat. Zij leven in de natuur en niet tegenover de natuur. Een ander voorbeeld: uit de gehele cultuurgeschiedenis blijkt dat de mensen zich altijd als iets geestelijks en niet als iets natuurlijks hebben beschouwd. Hun hele cultuur is een afspiegeling van het ontkend zijn van hun natuurlijkheid, vaak zelfs in een ziekelijke vorm: onderdrukking van het lichamelijke, afschuw van het vrouwelijke en dergelijke. Op zichzelf beschouwd zijn dit inderdaad kwalijke verschijnselen, voortkomend uit onbegrip omtrent zichzelf en de werkelijkheid, maar om dat kwalijke gaat het nu niet. Het gaat er om dat de mens dit alles kan.

De mens als volstrekte zelfstandigheid is niet de biologische mens, maar de zelfbewuste mens. In een ander verband heb ik al eens uiteengezet dat voor de mens als zelfbewustzijn een drie-eenheid van verhoudingen van kracht is, namelijk de materie, de materie als niet-materie en niet-materie. In deze drie-eenheid vormen de begrippen materie en niet-materie de polen die beide op ontkende wijze in het begrip materie als niet-materie verenigd zijn: het is geen materie, maar ook geen niet-materie. Vertaald naar het bovenstaande kun je nu zeggen dat het inzake de mens gaat om het niet-verschijnsel zijn en tegelijkertijd om het niet-beweeglijkheid zijn. Of nog anders: de mens is geen pure natuur, maar ook geen pure geest. Hij is een geestelijk wezen.

Overtuiging/overtuigingen/levensovertuiging-zie A1 , B2 , C3 , D4 , E5 , F6 , G7 , H8 ,

No. 5

De vraag wie de mens is slaat op de mens als zelfbewustzijn. Dat begrip zelfbewustzijn komt voor de dag als je, te beginnen met de volkomen onbepaalde beweeglijkheden, nagaat welke processen zich in de werkelijkheid afspelen. Je komt dan vanzelf bij het eindpunt van die processen en je kunt dan bedenken welke begrippen er voor dat eindpunt gelden. Het verschijnsel waarop die begrippen betrekking hebben herken je vervolgens als de mens. De gedachtegang van het onbepaalde begin naar de mens is de wezenlijke grondslag voor de filosofie. Het is als het ware het basispatroon van de werkelijkheid. Alle filosofische thema's zijn daar omheen opgebouwd. Dat basispatroon is alleen maar denkend te achterhalen, met behulp van de van nature aan de mens gegeven kenvermogens. Dat betekent dat je alle, doormiddel van allerlei in de loop der tijden ontwikkelde technieken opgedane, informatie als Onzeker terzijde moet laten. Die informatie is immers het resultaat van onderzoekingen die nog in volle gang zijn, zodat het niet uitgesloten is dat straks blijkt dat de zaak anders zit. Je bent dus aangewezen op je eigen denken, op je eigen kenvermogen, en op de resultaten daarvan. Die resultaten monden uit in dat basispatroon, dat noodzakelijk achter alle filosofische gedachtegangen steekt. De mens is niet zomaar door de een of andere schepper op de aarde gezet.

Hij is daarentegen het laatste verschijnsel dat de werkelijkheid via allerlei processen oplevert. Als je die processen nagaat blijkt dat hij een kenvermogen bezit dat onmiddellijk aan hem meekomt. Hij is namelijk in feite de werkelijkheid die zichzelf kent. Hij kan dus de werkelijkheid kennen, geheel vanuit zichzelf, zonder dat hij daarbij externe hulpmiddelen of informatie nodig heeft.

Bij het beantwoorden van de vraag wie de mens is moet je je realiseren dat de mens geen verleden en geen toekomst heeft. Als geestelijk wezen staat hij los van de materiŽle werkelijkheid, maar ook staat hij los van datgene dat je geest kunt noemen, namelijk de werkelijkheid als niet-materie, oftewel de beweeglijkheden op zichzelf weer terug. Je moet hierbij wel in de gaten houden dat beide ontkenningen, namelijk ontkende materie of natuur en ontkende niet-materie of geest, vooronderstellen dat datgene dat ontkend wordt wel aanwezig is en als zodanig zijn rol speelt. Je mag die ontkenning dus niet opvatten in een vernietigende zin, als zouden beide ontkende grootheden er helemaal niet zijn. Zou je uit het gelden van de bedoelde ontkenning afleiden dat de mens bijvoorbeeld met de natuur niets te maken zou hebben, dan wordt daarmee die ontkenning Ongeldig. De mens moet dus de natuur, juist omdat hij haar als ontkenning moet laten gelden, volledig tot haar recht laten komen.

Het tot haar recht laten komen van de natuur, inclusief de menselijke natuur, is in feite voor het moderne denken iets onbekends. Men houdt zich wel met de natuur bezig, maar dat gebeurt vanuit de gedachte dat zij in ons belang veranderd zou moeten worden. De mens moet verbeterd worden door ingrepen in het DNA opdat hij minder gevoelig voor ziekten wordt en een hogere intelligentie verkrijgt, kortom opdat hij bruikbaarder en nuttiger wordt. Hetzelfde geldt voor allerlei gewassen. In feite is de moderne mens er op uit de natuur te overheersen, op grond van het besef boven haar uit te gaan. Dit besef is op zichzelf juist, maar van het laten gelden van de ontkenning komt niets terecht omdat de natuur verminkt en ziek gemaakt wordt, zodat zij juist niet tot haar recht kan komen. De bevestiging, die aan de ontkenning voorondersteld is en er de voorwaarde toe is, kan niet tot zijn recht komen en daardoor wordt het met die ontkenning ook niets.

Die ontkenning verwordt tot een machtsbegrip, vandaar dat de moderne mens naar eigen willekeur over het aan hem vooronderstelde, de natuur in haar algemeenheid en de menselijke natuur in het bijzonder, denkt te kunnen beschikken. Die natuurvijandigheid is een typisch westers verschijnsel. De geschiedenis wemelt van de voorbeelden van mensen die wilden vergeestelijken en daartoe hun eigen lichamelijkheid teniet wilden doen: kluizenaars, monniken, maar ook geleerden en rein leven idealisten. De vrouw en het vrouwelijke worden tot op de dag van vandaag, ondanks alle schijnbare erkenning, met argwaan bekeken en vaak zelfs, al of niet bewust, gehaat. Het ten volle laten gelden van de ontkenning, dus het niet natuur zijn, komt tot uiting in het verzorgen van de natuur. In het begrip verzorgen ligt besloten dat je haar met rust laat teneinde haar zo goed mogelijk zichzelf te laten zijn. Dat sluit niet uit dat je waar nodig ingrijpt, maar dat doe je dan niet met de bedoeling haar naar je hand te zetten, maar juist om haar tot haar recht te laten komen. Als je dat doet stel je haar niet als een zaak ter wille van jou, maar als een zaak die er ter wille van zichzelf is. De natuur dient dan niet ergens toe, zij is er gewoon en zij moet als zodanig verzorgd worden.

Ten aanzien van de ontkenning van de geest lijkt de zaak wat gemakkelijker te liggen omdat iedereen begrijpt dat je geen geest kunt zijn zonder jezelf als lichaam op te heffen. Dat leidt er overigens wel toe dat heel wat mensen menen dat geesten op zichzelf kunnen bestaan. Eigenlijk is deze mening gegrond op het besef dat het begrip geest voor de mens geldt, maar men heeft er niets van begrepen: de geest moet immers ook ontkend worden, hij kan niet op zichzelf bestaan. Slechts als ontkenning geldt hij voor het laatste verschijnsel. Anderzijds is het ook fout om bijvoorbeeld het denken, voor zover dat bij de mens functioneert binnen het kader van het leren kennen van de werkelijkheid en dus een factor is van het kenvermogen, te beschouwen als een bepaalde werkzaamheid van de materie. Zou dit inderdaad het geval zijn, dan zou het denken noodzakelijk gebonden zijn aan de wetten die voor de materie gelden. Het zou dan als kenproces aan tijd en plaats gebonden zijn en beantwoorden aan strenge wetten van oorzaak en gevolg; het zou een strikt causaal proces zijn dat bovendien meetbaar en kwantificeerbaar is. Dat echter is geenszins het geval. Je denken kost in feite helemaal geen tijd en is niet gebonden aan een plaats. Verder is er geen enkele noodzakelijkheid om in causale verbanden te denken - het is, bijvoorbeeld in de wetenschap bij het uitzoeken van de causale verbanden tussen de verschijnselen, juist de kunst om je denken tot causaliteit te dwingen omdat het blijkbaar van nature daartoe niet bereid is. Uiteraard is er wel vast te stellen dat iemand denkt, men kan de hersenactiviteit meten. Maar, men kan niet bepalen wat iemand denkt. Dat is evenwel nu juist datgene waarom het gaat als je het over het denken hebt. Dat is een zaak die zich laat gelden op de wijze van niet-materie zijn. Hij is dus voorbij de materie en haar dynamiek, vandaar dat de gedachten van de mensen alleen maar dan te voorschijn kunnen komen als iemand er mededeling van doet. Op geen enkele andere wijze is het mogelijk iemands denken te leren kennen. Daarom is het onjuist en misleidend om het denken als een werking van de materie te beschouwen. Het is dus wel degelijk van belang voor ogen te houden dat het begrip geest een rol speelt in het menselijk leven, niet echter als geest op zichzelf, maar als geest op ontkende wijze. Om deze ontkenning ten volle te laten gelden is het noodzakelijk het begrip geest, oftewel het begrip niet-materie, tot zijn recht te laten komen.

No. 6

Voor de mens als zelfbewustzijn zijn er eigenlijk twee werkelijkheden, namelijk de werkelijkheid als een verzameling reŽle verschijnselen en de werkelijkheid die als voorstelling in je brein aanwezig is. Het was de wijsgeer Immanuel Kant (1724-1804) die zich indertijd afvroeg wat het onderscheid is tussen de reŽle werkelijkheid (Das Ding an sich) en de voorstelling. Was voor Kant de reŽle werkelijkheid inderdaad een bestaande, door de denkers uit de oude Indische traditie werd zelfs dat bestaan ontkend. De realiteit was slechts een droom die in alle individuele mensen min of meer gelijk is. Zo zijn er in de loop der tijd tal van uitvluchten verzonnen om het probleem van de verhouding tussen de realiteit en de voorstelling te omzeilen. Ook in de moderne natuurkunde vragen sommigen zich af of de werkelijkheid wel bestaat buiten de menselijke waarneming om. Dergelijke vragen hebben wel enige grond omdat wij, voor zover het over ons zelfbewustzijn gaat, de realiteit inderdaad alleen maar ervaren en onmogelijk onderzoek kunnen plegen buiten die ervaring om.

Als je er, uitsluitend met je eigen vermogens, filosofisch achter wilt komen hoe het zit met de werkelijkheid blijkt bovenstaand dilemma van grote betekenis te zijn. Je moet namelijk om te beginnen een absolute zekerheid vinden van waaruit je kunt gaan redeneren. Die zekerheid ligt in dat dilemma besloten: hoe of wat die realiteit ook is, steeds is er een onloochenbaar feit en dat is het feit dat je zelf bestaat. Het bestaan van een ik is onloochenbaar, zelfs als je laat gelden dat je noch van dat ik, noch van de rest, ook maar iets af weet. Hoe je het ook plooit, het ik is in alle Socratische uitspraken, gebaseerd op het uitgangspunt ik weet niets, een volstrekte constante die nimmer ontkend kan worden. En het is nu juist deze constante die de deur opent naar filosofisch onderzoek van de werkelijkheid. Het blijkt dan dat er wel degelijk een realiteit is die te kennen is. Je behoeft daarvoor geen ingewikkelde Kantiaanse denkmethodieken toe te passen: die realiteit is na te gaan vanuit de absolute zekerheid van het bestaan van een verschijnsel dat ik kan zeggen.

De verhouding tussen de realiteit en de werkelijkheid in je hoofd is deze dat de realiteit inhoud van het zelfbewustzijn is, het is de realiteit bij wijze van voorstelling en het is daarbij volkomen oninteressant of die realiteit nu al of niet een droom is en al of niet buiten ons om bestaat. In ieder geval geldt voor dat zelfbewustzijn dat het op ontkende wijze het begrip geest is. Die ontkenning komt voor de dag als voorstelling: het doet zich voor als materie (de dingen), maar het is eigenlijk niet-materie, namelijk de werkelijkheid als beweeglijkheden weer terug. Om die ontkenning tot zijn recht te laten komen is het noodzakelijk datgene dat ontkend wordt, namelijk de geest, in de juiste verhouding te laten gelden. De juiste verhouding is deze dat de voorstelling niet vastgelegd wordt, maar beweeglijk blijft. Beweeglijk wil in dit verband zeggen dat de voorstelling voortdurend verandert, niet alleen in die zin dat er steeds andere voorstellingen in het brein verschijnen, maar ook dat dezelfde voorstellingen almaar in zichzelf veranderlijk zijn. Dat veranderlijke kun je in jezelf waarnemen als je er eens goed op je eigen concentratievermogen let. Wat bedoel ik nu als ik zeg dat je jezelf als geest met rust moet laten? Deze uitspraak betekent dat je het beweeglijk-zijn niet moet verstoren. Je kunt bij jezelf opmerken dat je een voorstelling slechts enkele ogenblikken vast kunt houden. Vrijwel onmiddellijk komt er een andere voorstelling in je op. Zelfs als dezelfde voorstelling weer terug komt is hij toch weer anders dan de vorige keer.

De werkelijkheid als voorstelling is aan voortdurende verandering onderhevig en komt eigenlijk nooit tot rust. Het is geen vaststaande zaak die, eenmaal vastgesteld, voor altijd dezelfde blijft. Het gaat nu over dat wat zomaar in jezelf gebeurt als je zonder enige bedoeling maar wat zit te mijmeren. Dan blijkt dat de voorstelling van nature een beweeglijke zaak is. Hij ligt niet vast als een foto. Maar, wij vinden dat niet zo prettig omdat wij vinden dat je iets moet leren en dus gaan wij ons er in oefenen ons te concentreren. Dat wil zeggen dat wij gaan proberen dat beweeglijk-zijn op te heffen, er een vaststaande voorstelling van te maken. Al op de scholen beginnen de oefeningen tot concentratie, vergezeld van pasklare voorstellingen die de kinderen zich zonder meer eigen moeten maken. Alles is er op gericht het beweeglijke, het speelse, uit te bannen en er een vast patroon van te maken. Daarbij is opmerkelijk dat dit streven altijd tot een mislukking leidt: op een gegeven moment, als de aandacht enigszins verslapt, stort dat vaste patroon in en treedt de natuurlijke toestand weer op. Aan de kinderen op school is goed te merken dat hun wezenlijke toestand die van beweeglijkheid, veranderlijkheid en niet geconcentreerd zijn is. Dat nu is het zich laten gelden van datgene dat ontkend wordt.

Als je er achter wilt komen wie de mens is zul je om te beginnen alles buiten beschouwing moeten laten wat een mens moet. Al het moeten heeft betrekking op de een of andere vorm van overheersing van de mens over zichzelf, en doorgaans ook over anderen. Die overheersing is vaak kwalijk, maar dat behoeft niet altijd zo te zijn. Hoe je haar echter beoordeelt, het blijft een feit dat zij het zicht op de natuurlijke mens verduistert en daarom, bij het zoeken naar een antwoord op de vraag wie de mens is, buiten beschouwing gelaten moet worden. Dat betekent in feite dat je in dit geval alle verworvenheden van de cultuur, alle wereldbeschouwingen en opvattingen moet laten voor wat ze zijn. Men is immers in elke cultuur bezig bepaalde voorstellingen vast te houden! Binnen een bepaalde cultuur moeten (! ) de mensen zich houden aan de uit zo'n voorstelling afgeleide normen en regels, zij moeten zich als het ware op die zaken concentreren. Zij moeten zichzelf en de anderen daartoe dwingen want anders stort zo'n hele cultuur in. Nogmaals: kennelijk is de mens niet ingesteld op dat vasthouden van een voorstelling.

Een voorstelling wordt langer vastgehouden naarmate de mensen meer onder druk worden gezet, maar zelfs in dat geval komt er onvermijdelijk een moment dat de zaak instort. Je hebt dat onlangs in Oost-Europa en in de Sovjet-Unie gezien. Het Marxistisch leninistische stelsel heeft het begeven doordat de mensen zo langzamerhand een andere voorstelling van de werkelijkheid hadden ontwikkeld. Let wel: in de mensen is dat gebeurd, de zogenaamde leiders waren nog lang zover niet en zij hebben dan ook geprobeerd de mensen weer de oude voorstelling op te dringen, hetgeen volledig mislukt is. Een krampachtig vastgehouden voorstelling blijkt na verloop van tijd onhoudbaar te zijn, juist omdat beweeglijkheid de essentie is en niet het vaststaande, het statische. Ook de westerse democratieŽn zijn in beweging gekomen: omdat de ideologieŽn, dat zijn voorstellingen inzake een op te bouwen wereld, steeds meer uitgehold zijn verliezen de politieke partijen hun identiteit. Straks komen er wel weer nieuwe voorstellingen voor in de plaats, maar ook die zullen te zijner tijd zeker instorten. De werkelijkheid als voorstelling laat zich niet vastleggen, juist omdat zij verwant is aan absolute beweeglijkheid.

Bladwijzer: Brein ;

No. 7

Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ; Rechten van de Mens-3 ; Overtuiging/overtuigingen/levensovertuiging-zie A1 , B2 , C3 , D4 , E5 , F6 , G7 , H8 ,

De voorstelling, als inhoud van het zelfbewustzijn, wordt gekenmerkt door een dubbel aspect: enerzijds is het een zaak die zich voordoet als materieel, namelijk als een verzameling op zichzelf staande, bepaalde, reŽle verschijnselen, die in ons zelfbewustzijn vastgelegd zijn (ons huis, onze vrienden en dergelijke), en anderzijds is het een almaar beweeglijke zaak waarbij de materie zich voordoet alsof ze niet-materie (geest) was. Op grond van deze twee aan elkaar tegengestelde aspecten storten de voorstellingen voortdurend in om zich tegelijkertijd weer, enigszins anders, op te bouwen. Er is dus een afwisseling van voorstellingen in de mens aanwezig. Deze afwisseling bevalt de mensen niet zolang en voor zover zij nog niet vertrouwd zijn met het feit dat zij een eenzame in de kosmos zijn, een wezen zonder verleden en zonder toekomst. Zij klampen zich dan vast aan hun materiŽle oorsprong, hun verkeerd begrepen natuurlijkheid, en proberen de afwisseling van voorstellingen op te heffen door alles vast te leggen. Daarmee doen zij nu juist hun werkelijke natuurlijkheid tekort. Die kan niet tot haar recht komen...

Het ligt in de logica dat mensen hun voorstellingen en hun gedachten niet vast kunnen houden, maar zij beoordelen dat feit negatief: zij vinden dat het zo niet zou moeten zijn. Ten gevolge daarvan verwaarlozen zij ook zichzelf als geest, terwijl zij abusievelijk in de mening verkeren met het vastleggen van hun voorstellingen uitermate geestelijk bezig te zijn. Onze gehele westerse cultuur staat in het teken van dat vastleggen. Dat komt vooral tot uiting in de wetenschap, hoewel die het nu juist moet hebben van de afwisseling van voorstellingen om vooruitgang te kunnen boeken. Elke nieuwe ontwikkeling immers vooronderstelt het vervallen van eerdere opvattingen. Ondanks deze noodzakelijke afwisseling echter is het wetenschappelijke streven gericht op zo deugdelijk mogelijk vastgestelde feiten. Daar werkt men steeds naar toe. Weliswaar wordt het afwisselende karakter van de werkelijkheid als voorstelling beschouwd als een bron van inspiratie, maar het wordt niet als de essentie van het zelfbewustzijn gezien. De Onzekerheid vanwege de afwisseling moet tenslotte tot zekerheid leiden, daar is het in de wetenschap om te doen, en dat is feitelijk niet alleen het geval in de westerse wetenschap, maar in de gehele cultuur.

De vier levensbegrippen, waar het ons nu om te doen is, zijn nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme. Deze begrippen kunnen, zoals ik heb laten zien, tot idealen en zelfs ideologieŽn worden en daarmee onmiddellijk hun ware betekenis verliezen, een betekenis die dan vervangen wordt door een bepaalde waarde. Daarmee is meteen al het eerste begrip uit de vierslag, namelijk nihilisme buiten werking gesteld. Dit begrip kun je beschrijven als: er is niets dat enige waarde heeft. Bij het overdenken van deze uitspraak ligt de nadruk uiteraard bij het begrip waarde. Pas als we de rol, die dit begrip speelt, hebben begrepen kunnen we nagaan wat de betekenis is van genoemde uitspraak. Maar eerst nog iets over het begrip nihilisme zelf.

Het begrip nihilisme heeft in de loop der tijd verschillende betekenissen gehad. Deze betekenissen hadden steeds een negatief karakter, er werd iets mee ontkend. Die ontkenning sloeg onveranderlijk op een levensovertuiging, in de praktijk doorgaans een geloof. Een atheÔst werd dan ook zonder meer tot de nihilisten gerekend. Als bijvoorbeeld van een denker gezegd werd dat hij een nihilist was, werd daarmee bedoeld dat hij de heersende levensovertuiging niet toegedaan was.

Zo waren de zogenaamde ketters in de ogen van de Roomse geestelijken nihilisten, want voor die geestelijken stond vast dat je helemaal geen overtuiging of geloof bezat als je niet Rooms was. Naast het Roomse geloof was er geen andere overtuiging mogelijk. Het woord nihilist werd dan ook gebruikt als een scheldwoord.

Tegenwoordig wordt het nihilisme met een zekere regelmaat ter sprake gebracht en ook dan weer betekent het dat iemand van een ander vindt dat zij of hij geen enkele levensovertuiging heeft. Of die ander er eventueel toch een heeft doet helemaal niet ter zake: hij belijdt niet een van de algemeen erkende overtuigingen en dus belijdt hij helemaal niets! Nu de gangbare overtuigingen en ideologieŽn aan het aftakelen zijn en de mensen er almaar onverschilliger voor worden klagen politici, geestelijken en humanisten over het oprukkende nihilisme, dat volgens hen een vruchtbare voedingsbodem voor dictatoriale machtssystemen zou zijn. Alweer: zij vinden dat anderen niets in hun hoofd hebben. Er wordt zelfs door de humanisten gesproken van een levensbeschouwelijke leegte, die samen met de kerken bestreden zou moeten worden. Aan het feit dat elk mens een levensovertuiging heeft, omdat er in elk mens een voorstelling van de werkelijkheid aanwezig is, wordt gemakshalve voorbij gegaan. De betekenis van bovengenoemd nihilisme komt dus hier op neer dat er iets ontbreekt dat er eigenlijk wel zou moeten zijn. In die betekenis wordt het begrip nihilisme voortdurend gebruikt. Maar, het begrip nihilisme heeft niet te maken met het al of niet aanwezig zijn van een levensovertuiging. Het heeft te maken met de waarde die mensen aan dingen of ideeŽn toekennen.

Het toekennen van waarde aan dingen of ideeŽn is niet los te denken van de omstandigheid dat die dingen of ideeŽn moeilijk te verwerven of te realiseren zijn. Voor een liefhebber van auto's heeft bijvoorbeeld een Rolls-Royce grote waarde en voor een idealist is dat met zijn ideaal het geval. Het moeilijk te verwerven of te realiseren zijn van een ding of een idee is samen te vatten onder het begrip schaarste. Dat betekent dat het waardebegrip verbonden is met schaarste. Aan datgene dat overvloedig aanwezig is en moeiteloos te verwerven wordt weinig waarde gehecht, maar juist schaarse en moeilijke zaken staan hoog in waarde aangeschreven. Het begrip waarde heeft dus betrekking op iets bijzonders, iets dat begerenswaardig is omdat het om de een of andere reden uitspringt uit het gemiddelde, het algemene en vanzelfsprekende, kortom: omdat het schaars is.

Volgens ons taalgebruik hechten de mensen waarde aan iets. Kennelijk is er vroeger een besef geweest dat de verschijnselen en verhoudingen in de werkelijkheid wezenlijk geen waarde hebben en dat het de mensen zijn die er waarde aan toekennen. Dat besef is echter goeddeels verloren gegaan en het is zelfs zover gekomen dat men in de filosofie de vraag aan de orde heeft gesteld of de dingen misschien een eigen intrinsieke waarde hebben, een waarde dus die onafhankelijk is van ons oordeel en tot het wezen van de dingen behoort. Die vraag is vooral belangrijk in het licht van de menselijke waarde. Bij het formuleren van de Rechten van de mens is men er bijvoorbeeld stilzwijgend van uitgegaan dat elke mens een eigen intrinsieke waarde heeft, en op grond van het vermeende bestaan van die waarde is men onder andere tot de conclusie gekomen dat niemand het recht heeft een ander hoe dan ook aan te tasten. Zonder dat waardebesef kon men die rechten niet overtuigend formuleren. Toch heeft ook de mens geen enkele waarde, maar, als je op grond daarvan wilt aantonen dat de mens onaantastbaar is, moet je terug gaan naar het gegeven dat de mens een unieke eenling in de kosmos is, onafhankelijk van wat dan ook.

Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ; Rechten van de Mens-3 ; Overtuiging/overtuigingen/levensovertuiging-zie A1 , B2 , C3 , D4 , E5 , F6 , G7 , H8 ,

No. 8††† Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L

Het is een feit dat mensen een aantal dingen nodig hebben en dat er aan een aantal voorwaarden voldaan moet zijn, willen zij kunnen leven. Er is bijvoorbeeld gezond voedsel nodig en een behoorlijk onderdak, goede kleding en dergelijke. Maar ook zijn juridische bescherming en communicatie onontbeerlijk. Al die zaken vallen onder het begrip veiligheid en het gelden daarvan leidt tot de betrekkelijke zekerheid dat je de avond haalt. Nu kun je zeggen dat je van al die zaken, die de inhoud vormen van het begrip veiligheid, afhankelijk bent en dat er dus alleen al vanuit de menselijke natuur geen sprake van kan zijn dat je als mens volstrekt Onafhankelijk bent. Toch is die volstrekte onafhankelijkheid, die volstrekte zelfstandigheid, een onvermijdelijke conclusie, die getrokken moet worden uit de eerder beschreven gedachtegang.

We moeten er goed op letten dat het nu over het wezen van de mens gaat.

We hebben dan te doen met een verschijnsel waarvoor het begrip zelfbewustzijn geldt. Dat is de materie als niet-materie. Uit dat wezen vloeien Onmiddellijk de vier levensbegrippen voort die met elkaar De Grote Vierslag vormen. Het feit dat de mensen aanvankelijk en lange tijd met die begrippen geen raad weten en er, omdat ze desondanks toch gelden, een rommeltje van maken laten we nu even buiten beschouwing. Verderop in het verhaal zal blijken dat dit rommeltje alleen maar dan begrepen kan worden als je eerst en vooral hebt uitgezocht hoe het zit met dat wezen van de mens. Je moet weten wat er gedeformeerd wordt, waardoor dat het geval is en hoe dat in zijn werk gaat. Wat betreft de ogenschijnlijke afhankelijkheid van zaken van veiligheid wijs ik er nogmaals op dat die vallen onder de rubriek van datgene dat ontkend aanwezig is. Veiligheid is juist de ontkenning van het afhankelijk-zijn van voedsel, kleding, onderdak, rechtszekerheid en dergelijke. In de veiligheid wordt de Onzekerheid van het leven zoveel als mogelijk opgeheven. Daarmee kan het wezen van de mens tot zijn recht komen. Dat houdt dan tevens in dat datgene dat ontkend wordt in orde is.

Al die voorwaarden, waaraan voldaan moet zijn om veilig te kunnen bestaan, behoren tot de werkelijkheid van de verschijnselen, de geworden dingen - in feite de werkelijkheid als materie en het is juist dat materiŽle aspect van het menselijk leven dat je, door er zorg voor te dragen, opheft en dus in feite ontkent. In de praktijk komt dat er op neer dat de mens er voor zorgt dat al datgene beschikbaar is dat nodig is om qua leven tot ontplooiing te kunnen komen. Als en voor zover dat nodige beschikbaar is vervalt onmiddellijk de afhankelijkheid, maar, als het niet beschikbaar is doordat een onverlaat er beslag op heeft gelegd of doordat de productie de vraag nog niet aankan ben je er wel van afhankelijk. Een ieder voelt als vanzelfsprekend aan dat je dan in een situatie verkeert die eigenlijk zo niet zou moeten zijn. Schaarste kan veroorzaakt zijn door onvoldoende productie en distributie, maar het kan ook - en dat is vaak het geval veroorzaakt worden vanuit zogenaamd economische motieven, met de bedoeling de waarde in stand te houden of op te drijven.

Schaarste kan een instrument zijn in handen van diegenen die de mensen afhankelijk willen maken of houden. De schaarse goederen worden dan waardevol gemaakt zodat het moeite kost ze te verwerven. Daarmee wordt het mens-zijn aangetast. Welbeschouwd is dat laatste, vanuit het wezen van de mens gesproken, nog kwalijker dan het concrete feit dat er gebrek is.

Tot op zekere hoogte is gebrek nog wel te verdragen, maar het feit dat dit gebrek vanuit machtsbegeerte welbewust tot stand gebracht wordt is onverdraaglijk.

Het wijst op een volslagen onverschilligheid voor het wezen van de mens, een onverschilligheid die enerzijds voortkomt uit domheid, dat wil zeggen: niet laten gelden dat je beter weet, en anderzijds uit het verkeerd laten gelden van het begrip geest, waardoor bepaalde voorstellingen vastgehouden worden. Op grond daarvan komt een groot deel van de mensheid nog steeds niet in verzet tegen de aantasting van het menselijke wezen.

In de moderne wereld houden overheden de mensen voor dat zij recht op arbeid hebben. Doormiddel van die arbeid kunnen de mensen hun leven veilig stellen zodat zij kunnen overleven. Dat overleven wordt dus afhankelijk gesteld van arbeid en ook daarmee wordt het wezen van de mens aangetast. Arbeid behoort iets vanzelfsprekends te zijn en niet iets waardevols dat bovendien ook nog schaars is. De meeste arbeid wordt trouwens helemaal niet als zodanig gewaardeerd, zoals daar bijvoorbeeld de arbeid is van huisvrouwen en een aantal kunstenaars. De arbeid is eigenlijk een proces waarin de mensen hun wereld omzetten tot een menselijke wereld en dus hun Onafhankelijkheid bevestigen. Nu echter worden zij er afhankelijk van gemaakt. De arbeid geldt niet als een van de wegen tot zelfontplooiing, maar als een schaars goed dat waardevol is. Daarmee hangt samen dat niet alles wat de mensen doen onder het gangbare begrip arbeid valt.

De geschiedenis laat zien dat de mensen voortdurend bezig zijn geweest hun afhankelijkheid op te heffen. Zij probeerden almaar bezittingen te verwerven, in verschillende vormen, zoals land, sieraden, goud, geld en zelfs medemensen. In zijn algemeenheid kun je zeggen dat de voor dat verwerven noodzakelijke handelingen misdadig waren, omdat daarmee onvermijdelijk de aarde en haar bewoners aangetast werden. Maar wat zich in feite, zij het op misdadige wijze, liet gelden was het realiseren van de menselijke zelfstandigheid, het niet afhankelijk zijn van de materiŽle werkelijkheid. Deze onafhankelijkheid houdt niet in dat men zoveel als mogelijk afziet van natuurlijke behoeften, maar dat men het zo probeert in te kleden dat die behoeften geen probleem meer zijn. Wat aan dit streven verwerpelijk is, is niet het feit dat mensen proberen het probleem van de levensbehoeften op te heffen, maar de wijze waarop dit in een onvolwassen wereld gebeurt.

Ieder mens heeft een zeker aantal behoeften. Daaraan moet op de een of andere manier voldaan worden om qua wezen tot zijn recht te kunnen komen. Die behoeften zijn individueel bepaald, niet voor een ieder is hetzelfde nodig: de een heeft behoefte aan bijvoorbeeld boeken, maar de ander zal een muziekinstrument nodig vinden; de een wil graag buiten wonen en de ander in de stad; de een eet graag zilvervliesrijst en de ander aardappelen of brood. Datgene dat voor iemand nodig is kan nimmer door anderen uitgemaakt worden omdat het, zoals gezegd, een persoonlijke zaak is. Wanneer op den duur aan al die verschillende behoeften voldaan zal kunnen worden vervalt het streven om zoveel mogelijk in bezit te nemen, want alles wat men teveel heeft is alleen maar een bron van zorg - nog afgezien van het feit dat het in de grond van de zaak diefstal is. Dit alles gaat echter pas dan een realiteit worden als de mensheid zich tot een volwassen zaak ontwikkeld heeft, hetgeen thans nog bij lange na niet het geval is.

Voorlopig halen de mensen zoveel mogelijk binnen om hun zelfstandigheid te bevestigen. Dat heeft enerzijds te maken met al of niet welbewust in stand gehouden schaarste en een daarmee samenhangend waardebesef, en anderzijds met een nog niet zichzelf kennen als zelfstandigheid.

Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L

No. 9

concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; concurrentie-5 ; concurrentie-6 ; Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ; Rechten van de Mens-3 ; Overtuiging/overtuigingen/levensovertuiging-zie A1 , B2 , C3 , D4 , E5 , F6 , G7 , H8 ,

 

Het niet afhankelijk zijn van de dingen laat zich bij de mensen gelden op de manier van het beschikbaar zijn van de dingen. Dat heeft dus niets te maken met afschaffen. Toch is het niet afhankelijk zijn niet helemaal zonder het aspect van het afschaffen. Mensen kunnen namelijk teveel dingen hebben, zij kunnen meer hebben dan, in het licht van hun eigen persoonlijkheid, nodig is. Dat teveel is mogelijk voor zover er aan bepaalde, niet direct noodzakelijke, dingen waarde gehecht wordt, alleen maar omdat het bezit ervan als iets bijzonders beschouwd wordt en de bezitter ervan er een zekere status aan kan ontlenen. Het bezit van die dingen berust dan niet op de persoonlijkheid van de bezitter en dus op het nodig-zijn, maar op de indruk die de bezitter op anderen wil maken. De dingen komen in die situatie niet tot hun recht en daarom zou de bezitter ze moeten afschaffen. Met dat afschaffen heft hij eveneens zijn afhankelijkheid op.

Tot nu toe hebben de mensen, ieder voor zich, op zoveel mogelijk dingen beslag gelegd, vanuit het onbewuste streven zelfstandig te worden. Het zoveel mogelijk echter gaat vanzelf over in het teveel en daarmee wordt de beoogde zelfstandigheid weer tenietgedaan. Juist dat wat men teveel heeft is in die situatie een bron van zorgen. Het lijkt er op dat dergelijke zorgen minder afhankelijk maken dan de zorgen die men heeft als er te weinig is, maar dat is niet het geval. Het almaar meer willen hebben leidt tot een onderlinge strijd van de een tegen de ander, die meer moeite en energie kost dan het verwerven van alleen maar de noodzakelijke dingen. Dit laatste immers vooronderstelt samenwerking tussen de mensen, met veiligheid als uiteindelijke doel, terwijl het streven naar zoveel mogelijk tot concurrentie en strijd leidt, en dus tot een grote mate van onveiligheid.

Tot op de dag van vandaag manifesteert de menselijke behoefte aan onafhankelijkheid, voor zover die zich in die en gene laat gelden, zich op de wijze van afschaffen. In de Middeleeuwen waren er godsdienstige mensen die zich zogenaamd aan god wilden wijden. Zij voelden zichzelf aan als geestelijk wezen en zij wilden zichzelf als zodanig waar maken. Dat betekende voor hen een rigoureus afschaffen van alles wat met het materiŽle en dus ook met het natuurlijke te maken had. Zonder te begrijpen hoe de zaak werkelijk zit waren zij op zoek naar onafhankelijkheid. Door dit onbegrip kwamen zij tot de overtuiging dat er van alles afgeschaft moest worden om tot geestelijke gelukzaligheid te geraken. In feite leidde dit ascetisme echter tot een steeds grotere afhankelijkheid omdat het afschaffen een voortdurende strijd tegen zichzelf noodzakelijk maakte, een strijd die vooral met betrekking tot de seksualiteit uiterst perverse vormen aannam. Het afschaffen van datgene dat, juist vanwege het feit dat de eerder door mij besproken ontkenning tot zijn recht moet komen, bij het leven behoort, heeft een steeds grote Onvrede tot gevolg. Tegenwoordig schuilt er een dergelijk gevaar in de zogenaamde ecologische beweging. Men is tot de terechte conclusie gekomen dat er in onze huidige maatschappij gigantisch veel verspild wordt en dat er op grond daarvan allerlei afgeschaft zou moeten worden. Men gaat daarbij echter zover dat men het onderscheid tussen dat wat de mensen nodig hebben en dat wat er teveel is uit het oog verliest.

Dat leidt er toe dat men, uiteraard weer van bovenaf denkend, gaat bepalen wat anderen zouden moeten afschaffen en daarbij behoort dan een groot aantal dingen die juist de onafhankelijkheid van de mensen bevorderen!

Wat er bijvoorbeeld ten nadele van de automobiel gezegd kan worden, het blijft een feit dat hij voor de mensen een grote mate van individuele onafhankelijkheid betekent en dat de mensen daar gelijk in hebben. Datzelfde geldt voor een groot aantal artikelen. Het gaat er dan ook niet om die zaken af te schaffen, maar het gaat er om ze zo verantwoord mogelijk te maken, waartoe overigens ook behoort dat men het onmogelijk maakt aan het bezit ervan een zekere status te verbinden. Het zit met het afschaffen precies zo als met de kennis: je kunt eenmaal ontwikkelde producten, waarvan gebleken is dat zij, in het licht van de door mij bedoelde onafhankelijkheid, voor de mensen nuttig zijn niet meer weg denken uit de samenleving, net zo min als je eenmaal verworven kennis teniet kunt doen. Het gaat dus niet aan dingen te willen afschaffen. Die gedachte berust op een verkeerd begrepen ontkenning van het materiŽle.

Zodra de mens op de planeet verschijnt, gaat zich een aantal begrippen verwerkelijken. Daartoe behoren ook de begrippen uit De Grote Vierslag. Aanvankelijk echter weten de mensen van die begrippen niets af, de zaak laat zich bijna instinctmatig gelden als een soort van oerdrift. Doordat lange tijd, namelijk tot het moment van volwassenheid van de mensheid, het begrip schaarste dominant is komen die oerdriften voor de dag als geheel iets anders dan datgene waarop zij wezenlijk betrekking hebben. Wil je de mensen begrijpen zul je, zoals al eerder gezegd, die oerdriften moeten kennen, tezamen met de factoren die er iets geheel anders van maken. Het is het langzaam maar zeker elimineren van de wijze waarop die factoren op het leven inwerken dat de weg vrij maakt voor het zuivere zich realiseren van genoemde wezenlijke begrippen. Filosofische kritiek is dus te leveren op de wijze waarop, maar niet op de zaak zelf. Zo laat zich in de moderne mens gelden dat hij zelf zijn wereld op moet bouwen. De politici zijn dan ook volop daarmee bezig, maar: de wijze waarop dat geschiedt en de doelstellingen die daarbij gelden deugen, filosofisch gezien, niet. De mensen zijn op de verkeerde manier met het goede bezigÖ

Hoe begrijpelijk en logisch verklaarbaar het ook is, de mensen zouden eigenlijk nergens waarde aan moeten toekennen, omdat zij wezenlijk nihilistisch zijn. Een argument voor deze gedachte heb ik al gegeven: het toekennen van waarde doet de absolute onafhankelijkheid van de mens teniet. Je zou dat het persoonlijke argument kunnen noemen. Er is echter ook nog een universeel argument, een argument dat dus betrekking heeft op de werkelijkheid zelf. Als je namelijk aan iets waarde toekent maak je dat iets tot een bijzonderheid, een zaak die uitgelicht is uit het onderlinge verband der verschijnselen in de werkelijkheid. Je stelt die waardevolle zaak als iets dat belangrijker is dan de rest. Daarmee heb je de werkelijkheid verbroken. Dat geldt ook als je van mening bent dat de mens waardevol zou zijn, dat hij een intrinsieke waarde zou hebben. Het mag dan ook geen verwondering wekken dat het idee van intrinsieke waarde van de mens voortdurend als argument gebruikt wordt om de aarde uit te buiten en haar naar eigen goeddunken te veranderen: de mens als heerser over de kosmos! Anderzijds leidt diezelfde idee er toe dat men op een gegeven moment de Rechten van de mens is gaan formuleren. Echter, hoe nuttig zo'n verklaring van de rechten van de mens in de praktijk ook is, zij berust op een verkeerde voorstelling van de werkelijkheid. In feite heeft ook de mens geen enkele waarde en nu is het de vraag hoe hij vanuit dit gegeven tot een zinvol leven kan komen.

Op het eerste gezicht lijkt dat een moeilijke opgave te zijn, maar ik zal nog duidelijk proberen te maken dat juist het leven met een waardebesef moeilijk is...

concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; concurrentie-5 ; concurrentie-6 ; Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ; Rechten van de Mens-3 ; Overtuiging/overtuigingen/levensovertuiging-zie A1 , B2 , C3 , D4 , E5 , F6 , G7 , H8 ,

 

No. 10

verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

Zoals gezegd zijn er minstens twee gedachtegangen die tot de conclusie leiden dat voor de mens het waardebegrip zou moeten vervallen. De eerste is persoonlijk van aard: omdat voor ieder mens geldt dat hij of zij het laatste verschijnsel is, geldt voor hem dat hij noch natuur (materie), noch geest (niet-materie) is. De mens is een absolute zelfstandigheid en als zodanig geldt er voor hem dat hij nergens bij behoort; bijgevolg is de mens wezenlijk volkomen onafhankelijk; het waarde toekennen aan iets maakt hem afhankelijk; een afhankelijk mens is een mens die qua zelfbewustzijn niet tot zijn recht komt en beneden zijn mogelijkheden blijft. Hij zou dus op moeten houden met het toekennen van waarde aan de dingen. Het is van belang deze gedachtegang droog te volgen zonder aan persoonlijke consequenties te denken. Onwillekeurig ga je namelijk denken in termen van afschaffen, van ongeÔnteresseerdheid en dergelijke, maar dat is nu net niet datgene dat aan het laten vervallen van het waardebegrip meekomt. Het gaat in dit verband puur om de waarde, denk eventueel aan de waarde in geld die bijvoorbeeld je boeken of je piano vertegenwoordigen. Als je geen waarde hecht aan deze dingen betekent dat niet dat je je ervan zou moeten ontdoen of je er niets aan gelegen moet laten liggen!

De tweede gedachtegang is universeel van karakter. Het gaat daarbij om het feit dat mensen aan bepaalde verschijnselen een bepaalde waarde toekennen en aan andere verschijnselen niet. Zij verkeren daarbij in de mening dat de dingen een intrinsieke waarde bevatten en dat die waarde niet bij alle dingen gelijk is. Voor godsdienstige mensen is dat gemakkelijk te begrijpen: god heeft de hele boel geschapen en daarbij het een waardevoller gemaakt dan het ander. Het meest waardevol is dan de mens en dat betekent dat alle dingen er niet zomaar op zichzelf zijn, maar ten dienste staan aan iets anders, namelijk de mens. De grootte van de intrinsieke waarde wordt dan bepaald door het belang dat bepaalde dingen voor de mens hebben. Een dergelijke mening ligt bij godsdienstige mensen voor de hand, maar geheel anders ligt de zaak als je inziet dat de dingen door zelforganisatie van de materie ontstaan zijn. Als het waar is dat je de intrinsieke waarde van de dingen zou moeten zoeken in het wezen van de dingen, dan is het zaak naar dat wezen op zoek te gaan. Het blijkt dan dat alles terug te brengen is tot beweeglijkheden die allemaal aan elkaar gelijk zijn. Het wezen van de dingen blijken de beweeglijkheden te zijn, maar het opmerkelijke daarvan is dat ertussen de ene beweeglijkheid en de andere geen onderscheid bestaat. Als er geen onderscheid is kan er ook geen waardeverschil zijn en dus moet je tot de conclusie komen dat, als er al een intrinsieke waarde bestaat, deze voor ieder ding precies dezelfde moet zijn. Daarmee vervalt echter het waardebegrip. Dit vooronderstelt immers een verschil tussen het een en het ander! Wat dit betreft is het aardig om op te merken dat de wijsgeer Spinoza destijds al stelde dat de dingen niet echt van elkaar verschillen en dat het slechts de verschijningsvorm, de bestaanswijze, is die onderscheid tussen het een en het ander mogelijk maakt. Spinoza had dan ook niets op met de waardeoordelen van de mensen. Inmiddels hebben de natuurkundigen ontdekt dat alle verschijnselen tot een universeel gegeven zijn terug te brengen en dat is voor hen aanleiding om te zoeken naar een theorie van waaruit alle verschijnselen verklaard kunnen worden. Dat alles houdt in dat er geen enkel argument is om aan de dingen een intrinsieke waarde toe te kennen.

Het spreekt vanzelf dat de mens ook een ding is, zij het dan een enigszins merkwaardig ding. Van intrinsieke waarde kan bijgevolg bij hem ook geen sprake zijn. Stel ik nu de mens als een verschijnsel met intrinsieke waarde, dan beschouw ik hem als losstaand van het verband in de werkelijkheid. Daarmee verbreek je de werkelijkheid en wel precies op het moment dat je de mens zo waardevol vindt. Dat positieve waardeoordeel is sinds de 18e eeuwse Verlichting gemeengoed geworden. Maar, het centraal stellen van de mens (bijvoorbeeld in het Humanisme) mag dan wel zinvol zijn als tegenwicht tegen godsdienstige ideeŽn van ondergeschiktheid, in het licht van het bovenstaande kan het daarentegen niet anders beoordeeld worden dan als een misvatting, die onvermijdelijk aanleiding geeft tot een zekere mate van hoogmoedigheid. Dat zou op zichzelf zo erg niet zijn, ware het niet dat de zaak enerzijds uitloopt in het onverantwoord gebruik maken van alles wat de planeet aan nuttige grondstoffen oplevert en anderzijds in het streven de werkelijkheid naar eigen goeddunken te veranderen in de mening haar daarmee te verbeteren... In feite echter komt het neer op het verwoesten van de werkelijkheid.

Als je goed bij jezelf te rade gaat bemerk je dat je bijvoorbeeld je boeken en je piano niet zou willen missen. Je maakt dat kenbaar door te zeggen dat voor jou je boeken en je piano waardevol zijn. In feite echter gaat het je niet om de waarde (geldswaarde), maar om de rol die die dingen in je leven spelen. Omdat wij, in onze cultuur, alles in waarden uitdrukken doe je dat in dit geval ook - het ligt in ons taalgebruik! Zo kunnen ouders zeggen dat de kinderen hun alles waard zijn. Vraag je dan hoeveel dat alles is, dan antwoorden zij dat dit niet in geld uit te drukken is. Kennelijk komt dan het besef boven dat enerzijds het begrip waarde samenhangt met geld en anderzijds dat dit niet op hun kinderen van toepassing is. Zonder het zich te realiseren zeggen zij eigenlijk dat de kinderen buiten het waardebegrip vallen. Geld is namelijk de idealiteit van de waar; het is de uitdrukking van de mate waarin iets waardevol gevonden wordt. De waar is waardevol. Op een gegeven moment hebben de mensen bedacht dat het buitengewoon onpraktisch is dingen tegen dingen te ruilen. Met het langzaam aan vergroten van de markt ging men de dingen niet meer tegen andere dingen ruilen, maar tegen bepaalde symbolische voorwerpen (goudstukken, waardepapieren) die uitdrukking gaven aan de waarde van de dingen. Thans wordt de waarde van de dingen al grotendeels uitgedrukt in bepaalde getallen op bank- of giroafschriften. Zo hebben alle dingen hun waarde en die wordt uitgedrukt doormiddel van een abstractie. Die abstractie is de idealiteit van de waar, van datgene dat waarde heeft. Als men dan zegt dat de waarde van iets niet in geld uit te drukken is, dan zegt men eigenlijk dat iets buiten het waardebegrip valt.

Je hebt bijvoorbeeld een poes, een gewone alledaagse huiskat. Je zegt dat die kat je veel waard is, je houdt van dat beest. In feite echter is zo'n kat, die geen zeldzame ras kat is, nauwelijks een dubbeltje waard! Wat je dan eigenlijk wilt zeggen is dat je die poes niet zou willen missen en dat hij heel veel voor je betekent. Hetzelfde geldt voor al die andere dingen, je boeken, je piano. Het gaat om de betekenis van de dingen. Het begrip waarde en het begrip betekenis lopen in de praktijk door elkaar en zij geven dan ook aanleiding tot veel verwarring. Iets van betekenis kan als betrekkelijk waardeloos of enorm waardevol beschouwd worden en anderzijds kan iets betrekkelijk weinig betekenis hebben, ongeacht de waarde die het vertegenwoordigt.

Is het zo dat de waardeoordelen op den duur verdwijnen, de betekenis van de dingen zal steeds meer duidelijk worden als, daarmee samenhangend, de schaarste minder wordt.

verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

No. 11

Je kunt niet zonder meer stellen dat alle waarden in geld uitgedrukt worden. Maar in onze cultuur is dat toch meestal wel het geval, vaak op indirecte wijze. Als er bijvoorbeeld veel maatschappelijke waarde gehecht wordt aan een wetenschappelijke status, betekent dat indirect een behoorlijk salaris, er komt een flinke waardering in geld aan mee. Dat is een aanduiding voor de mate waarin men waarde hecht aan zo'n status. Soms is iemand een eminent wetenschapper zonder dat er een groot salaris aan mee komt. Die matige financiŽle vergoeding geeft in zo'n geval aan dat het gaat over een tak van wetenschap die voor de maatschappij niet bijzonder relevant gevonden wordt. De waarde van die wetenschap is dan minder groot. Tegenwoordig wordt de wetenschappelijke en technologische kennis almaar meer waard. Vooral de laatste is hard op weg het voornaamste uitvoerproduct van de westerse wereld te worden. Men hecht grote waarde aan die kennis en dus is zij veel geld waard. Ook een (maatschappelijk) ideaal kan iemand veel waard zijn. Dan echter lijkt het niet voor de hand te liggen aan geld te denken, maar als je je realiseert dat geld wezenlijk ook vrijheid betekent, althans voor het onvolwassen denken, dan blijkt de vrijheid, waarnaar gestreefd wordt, op de een of andere manier ook in geld of in goederen uit te drukken. Zoals gezegd is geld eigenlijk een vervanger voor de waar, in wezen dekken de begrippen geld en waar elkaar. De aanwezigheid van de waar, namelijk de benodigde goederen, behoort onlosmakelijk bij elk maatschappelijk ideaal, omdat die aanwezigheid de wezenlijke onafhankelijkheid van de mens bevordert.

De gedachtegang is deze dat de mensen eigenlijk op zouden moeten houden aan de dingen waarde toe te kennen, een waarde die in feite een fictie is en die daardoor niet veel goeds oplevert. Als eerste argument hiervoor geldt dat iets waardevols niet denkbaar is zonder iets minderwaardigs. Dat leidt tot een schandelijke verwaarlozing van een groot deel van onze planeet, mensen incluis. Gevolg van die verwaarlozing is ook de rampzalige vervuiling die de moderne mens teweeggebracht heeft. Het tweede argument is van meer mentale aard: als je aan iets waarde toekent verbreek je het verband van de werkelijkheid. Dat komt vooral tot uiting ten aanzien van de medemens die niet meer beschouwd wordt in zijn samenhang met alle andere mensen. De samenhang in de mensheid wordt door de waardeoordelen verbroken: de minister-president is belangrijker dan de vuilnisman, hetgeen ook weer uit zijn salaris blijkt (geld!). De reden van deze breuk in de mensheid is gelegen in het verschil in omvang van het maatschappelijk terrein dat iemand lijkt te kunnen overzien en beÔnvloeden. Hoe groter dat terrein, hoe belangrijker en dus waardevoller iemand gevonden wordt. Tenslotte het derde en meer formeel-filosofische argument: beschouwd naar haar wezen kent de werkelijkheid geen verschillen. De beweeglijkheden zijn allemaal eender vanwege de afwezigheid van alle eigenschappen. Hun ware aard is louter beweeglijk-zijn. Er bestaat in ons moderne denken een koppeling tussen de begrippen waarde en zorg. De dingen van waarde worden door ons goed verzorgd en aan de waardeloze dingen laten wij ons niets gelegen liggen. Wordt ons dan voorgehouden dat we eigenlijk geen waarde aan de dingen zouden moeten hechten, dan menen wij als vanzelfsprekend dat dit inhoudt dat wij de dingen niet langer behoeven te verzorgen.

Op zichzelf zou dit een logische conclusie zijn, ware het niet dat het begrip zorg in werkelijkheid op een ander begrip betrekking heeft, namelijk het begrip betekenis.

Het begrip betekenis komt van het begrip teken. Om de inhoud van dit begrip duidelijk te krijgen kun je denken aan het tekenen zoals dat door de kunstenaar beoefend wordt. Als hij aan het tekenen is, is hij bezig uit te drukken wat zich aan een bepaald mens, voorwerp of landschap qua wezenlijke werkelijkheid afspiegelt. Hij probeert aan dat onderwerp de werkelijkheid als beeld uit te laten komen en daarmee is hij in feite doende zichzelf als bewustzijn gestalte te geven. Dat is wat gewoonlijk genoemd wordt de werkelijkheid achter de dingen. Die werkelijkheid is een samenhangend geheel dat de totale werkelijkheid naar haar algemeenheid omvat. Het is dus geen bepaald stukje van de werkelijkheid, maar de werkelijkheid zelf. Let wel: ik heb het nu over datgene dat uitgedrukt, afgespiegeld wordt en niet over het door de kunstenaar gekozen Onderwerp. Het begrip teken houdt dus verband met de werkelijkheid zelf. Het onderwerp van de tekenaar is noodzakelijk maar een onderdeel, een detail, van de werkelijkheid. In feite laat het niets anders zien dan een bepaaldheid, iets dat alleen maar dit is en volstrekt niet dat. Rembrandts portret van Hendrikje Stoffels laat uitsluitend die vrouw zien. Echter, in dat zeer bepaalde detail wordt uitdrukking gegeven aan de gehele algemene werkelijkheid zoals die zich als beeld, vanuit het bewustzijn (niet het zelfbewustzijn!), aan de kunstenaar voordoet. Het onderwerp, dat slechts een detail van de werkelijkheid is, fungeert als de gecomprimeerde gehele werkelijkheid zelve, en als en voor zover dat het geval is fungeert de door de kunstenaar gemaakte tekening als het begrip teken. Je kunt het begrip teken derhalve als volgt definiŽren: een verschijnsel geldt voor de mens als teken als het fungeert als een verwijzing naar de werkelijkheid als geheel. In verband met de kunst is te zeggen dat haar bijzondere karakter is gelegen in het feit dat haar voorstellingen, in beelden, melodieŽn, verhalen en dergelijke, als het Nare boven zichzelf uitstijgen en daardoor universeel worden.

In verband met het leven van alledag is te zeggen dat het laten gelden van de afzonderlijke mensen en dingen als de werkelijkheid als teken deze opheft uit hun reŽle bepaaldheid, hun in tijd en ruimte toevallige verschijningsvorm, en ze laat verschijnen in samenhang met alle andere mensen en dingen. Als een mens dat laat gelden hebben de mensen en de dingen voor haar of hem betekenis. Zij staan dan in het teken van de werkelijkheid en dat houdt noodzakelijk in dat de mensen en de dingen, ondanks hun feitelijke afzonderlijkheid, binnen het geheel van de werkelijkheid gesteld worden en als zodanig allemaal met elkaar samenhangen. Er is nu dus geen sprake van verbreken, zoals dat bij het gelden van het waardebegrip het geval was, en er is ook geen sprake van verwaarlozing, uitbuiting, vervuiling enzovoort. Er is niets dat uit het geheel gelicht wordt met als argument dat het zo belangrijk is. Het begrip zorg kan in volle omvang gelden, niet langer gefixeerd op de belangrijke en waardevolle mensen en dingen, maar Onvoorwaardelijk van kracht voor alles wat er is. Terzijde : in het Evangelie wordt de mensen voorgehouden hun vijanden lief te hebben. Bijna iedereen denkt dan dat het de bedoeling is lief te zijn voor je vijand, als het even kan hem zelfs aardig te vinden. Die mening is natuurlijk fout! Het gaat er om dat je je vijand in het teken van het geheel moet zien en bijgevolg zijn bestaan niet kunt ontkennen. In de praktijk komt dat er op neer dat je hem uit de weg zou moeten gaan om hem op die manier met rust te laten.

Voor onvolwassen mensen ligt de zaak echter zodanig dat zij als vijanden elkaar juist niet met rust laten, elkaar almaar opzoeken en proberen elkaar uit te roeien of op zijn minst een loer te draaien...

No. 12

Voor zover de dingen en de mensen voor jou en voor mij uitsluitend afzonderlijke voorwerpen zijn, gaat het over de werkelijkheid als voorstelling; voor zover zich iets aan de dingen en de mensen afspiegelt gaat het over de werkelijkheid als beeld; voor zover de mens de werkelijkheid als beeld ervaart laat hij zich gelden naar zijn bewustzijn, en dat is de materie voor zover die in zichzelf een totaaltrilling is die zich als een geheel laat gelden. Als voor een mens de realiteit verschijnt in het licht van de werkelijkheid als beeld, en het dus gaat om datgene dat zich afspiegelt aan de dingen en de mensen, hebben voor die mens de dingen en de mensen betekenis. Wat zijn daarvan de consequenties? Als eerste valt op dat de dingen en de mensen niet langer los van elkaar staan, geen afgesloten, op zichzelf staande, begrensde voorwerpen meer zijn. Er bestaat niet langer een scheiding tussen het een en het ander. Weliswaar zijn en blijven het een en het ander van elkaar te onderscheiden - het een is het ander niet - maar ze zijn niet te scheiden. Er is samenhang tussen de dingen en de mensen. Die samenhang is niet zichtbaar, in tegenstelling tot de relaties tussen de dingen en de mensen, die op de een of andere manier wel zichtbaar zijn, althans zichtbaar en formuleerbaar te maken zijn.

De moderne natuurkunde heeft sinds de eerste decennia van deze eeuw een merkwaardige ontwikkeling doorgemaakt. Men meende namelijk aanvankelijk dat in principe alles bekend was en dat nader onderzoek alleen maar meer van hetzelfde op zou leveren. Studie in de natuurkunde werd dan ook afgeraden: er was geen eer meer mee te behalen! Intussen is, sinds de splijting van de atoomkern, in 1919 door Rutherford, de hele wetenschappelijke wereld in verwarring geraakt, niet alleen doordat er wel degelijk nog van alles uit te zoeken bleek, maar vooral doordat de bestaande theorieŽn volslagen ondeugdelijk bleken te zijn om die subatomaire werkelijkheid te begrijpen. De sinds Newton en Descartes algemeen aanvaarde gedachte, dat de werkelijkheid te berekenen zou zijn als je maar over voldoende informatie beschikte, stortte op pijnlijke wijze in: er bleek niets te berekenen en niets te voorspellen. In het beste geval kon je voorspellingen doen over de waarschijnlijkheid van het optreden van bepaalde gebeurtenissen. Zelfs Einstein had daar moeite mee en hij sprak dan ook de gevleugelde woorden ďGod dobbelt niet..Ē Inmiddels wordt de natuurkundigen ook duidelijk dat geen enkel verschijnsel volstrekt op zichzelf onderzocht kan worden, steeds is er op zijn minst een verband tussen de onderzoeker en het te onderzoeken object. Dat verband is enerzijds te begrijpen als het begrip relatie en anderzijds als het begrip samenhang, en wat dit laatste betreft: men stuit tegenwoordig op onverklaarbare wisselwerkingen (interacties) die wijzen op niet voor onderzoek toegankelijke samenhangen, samenhangen die alleen maar denkend te doorgronden zijn. Men begint dus, gewoon langs de weg van het exacte onderzoek, een besef te krijgen van de werkelijkheid als beeld. Om in die werkelijkheid inzicht te krijgen moet men op creatieve, niet academische, wijze gaan filosoferen.

Ten tweede moet opgemerkt worden dat het een niet alleen niet los is van het ander (negatieve definitie), maar dat het een helemaal niet denkbaar en mogelijk is zonder het ander. Je kunt jezelf bijvoorbeeld niet denken zonder de andere mensen. Dat betekent dat je de werkelijkheid alleen maar als een geheel kunt beschouwen. Een geheel waar absoluut niets buiten gesloten kan worden.

Ten derde: als het een niet los van het ander gedacht kan worden en als het denken aan het (de) een onmiddellijk het denken aan het (de) ander inhoudt, heb je te maken met een werkelijkheid die in zichzelf in harmonie is. Het begrip harmonie mag je niet romantisch interpreteren, in de zin van een en al liefelijkheid en overeenstemming. Zou je dat wel doen dan schakel je de tegenstellingen uit, maar juist het bestaan van tegenstellingen is voorwaarde voor harmonie. Zonder tegenstellingen kan er geen harmonie zijn. Dat is heel duidelijk te constateren in bijvoorbeeld de muziek, waarin het kunstzinnig gebruik van zogenaamde dissonanten aan de harmonie van het geheel inhoud geeft. Voor ons, moderne mensen die deel uitmaken van een vooralsnog onvolwassen mensheid, lijkt het moeilijk de werkelijkheid als een harmonieuze zaak te zien. Die moeilijkheid evenwel komt voort uit de onwillekeurige neiging de zaak als een opgave te stellen, als iets wat wij voor onszelf zouden moeten zien te bereiken. We maken er weer een ideaal van en daarmee vertekenen wij de werkelijkheid, zoals ik aan het begin al betoogd heb. De werkelijkheid echter is voor ons harmonieus en je kunt je alleen maar afvragen of en in hoeverre je dat in de gaten hebt. Voor zover dat laatste het geval is levert dat een andere kijk op de dingen en de mensen op en, ten gevolge daarvan, ga je er anders mee om.

De gehele werkelijkheid is doortrokken van tegenstellingen. Die moeten niet opgeheven worden, maar juist tot hun recht komen. Bij de uitspraak hebt uw vijanden lief verliest het begrip liefhebben zijn betekenis als er geen vijanden, en dus tegenstellingen, zouden zijn. Het liefhebben vooronderstelt vijanden. Het gaat er dus niet om de vijandschap op te heffen en uit te bannen, maar het gaat er om de vijand, de tegenstelling, te zien in het licht van het harmonieuze geheel: hij is er ook, hij is ook een manifestatie van de werkelijkheid en als zodanig zal ik hem met rust moeten laten, en dat geldt uiteraard wederzijds. Het begrip met rust laten betekent eigenlijk dat je de werkelijkheid laat zijn zoals ze is en dat houdt onmiddellijk harmonie in. Als je, zoals met de huidige mensheid het geval is, de werkelijkheid ziet als een verzameling afzonderlijke voorwerpen ben je niet in staat haar met rust te laten. Je bent niet in staat het bestaansrecht te erkennen van datgene dat je tegenstelling is en bijgevolg wil je die tegenstelling opheffen, hetgeen in de praktijk betekent: uitroeien. Daartoe moet je elkaar, als het over het onderlinge gedoe van de mensen gaat, voortdurend opzoeken en dat leidt telkens tot oorlogen, moord en doodslag. Uiteraard zijn het de leidende figuren die tot een oorlog aanzetten, want uit hun behoefte om macht uit te oefenen komt voort dat zij in principe niet dulden dat sommige mensen hun tegenstander zijn. Wat bij het gros van de mensen min of meer latent aanwezig is, is voor die leidende figuren een levensbehoefte en van daar uit jutten zij de mensen op ten oorlog.

Ten vierde is daar het begrip zorg. Dit begrip is hier op gebaseerd dat mijn welzijn niet mogelijk is zonder het welzijn van de andere dingen en mensen. De inhoud van het begrip zorg is dan ook dat ik er op let dat de andere dingen en mensen in hun algemeenheid niet verkommeren, in het bijzonder niet door mijn gedoe. In feite gaat het er dus om dat je verhindert dat dingen en mensen niet tot hun recht kunnen komen.

Je kunt dit begrip niet anders dan negatief definiŽren (verhinderen) omdat je, als je het welzijn van anderen wilt bevorderen (positief bevorderen), je eigen normen voor welzijn niet buiten beschouwing kunt laten en bijgevolg in aanvaring komt met het begrip met rust laten.

No. 13

Hulpbehoevend..? en Definitie Zorg..! Ė pag. 13, 14 en 15; Overtuiging/overtuigingen/levensovertuiging-zie A1 , B2 , C3 , D4 , E5 , F6 , G7 , H8 ,

Zoals gezegd moet je het begrip zorg negatief definiŽren, en wel aldus: ik zie er op toe dat het welzijn van de werkelijkheid buiten mij niet aangetast wordt, speciaal niet door mijn eigen gedoe, maar, voor zover mogelijk, ook niet door dat van anderen. Anders gezegd: het begrip zorg houdt in dat ik verhinder dat de werkelijkheid verwaarloosd wordt en daardoor niet tot haar recht kan komen. Het is mijn zorg dit te verhinderen omdat mijn welzijn niet mogelijk is zonder het welzijn van al het andere. Als eerste moet hierbij opgemerkt worden dat je te doen hebt met een zaak die individueel bepaald is, die dus gedacht moet worden vanuit het individu dat je zelf bent. Je moet hem denken vanuit ik. Hierop kom ik nog terug. Ten tweede het negatieve aspect: je moet ervoor zorgen dat iets niet gebeurt. Wat niet moet gebeuren is het gedoe, namelijk het aan intellectuele normen onderwerpen van de werkelijkheid, zoals dat vooral door de moderne mens gedaan wordt. Hij doet dat vanuit de idee dat de werkelijkheid gemaakt moet worden en dat de mens daartoe bij machte is omdat hij de werkelijkheid overheerst. Die overheersingsidee is gegrond in het onbewuste besef dat het verschijnsel mens de materiŽle werkelijkheid voorbij is, wat op zichzelf juist is, gecombineerd met de onjuiste overtuiging dat de werkelijkheid als geest (niet-materie) boven alles uitgaat en als zodanig de maat is. Hieraan ontleent de mens de rechtvaardiging voor zijn gedoe. Steeds vraagt hij zich af wat hij moet doen, hoe hij in zal grijpen en hoe hij de werkelijkheid zal veranderen, kortom hoe zijn beleid zal moeten zijn. Om een antwoord op die vragen te krijgen doet hij almaar meer onderzoek, in de dwaze veronderstelling dat daaruit zal blijken wat hem te doen staat.

Het gedoe van de moderne mensen resulteert in een voortdurende aantasting van de werkelijkheid. Men verkeert daarbij in de mening voor de werkelijkheid te zorgen, maar in feite verwaarloost men haar. Dat is onvermijdelijk doordat de moderne mensen geen zicht hebben op de werkelijkheid op zichzelf, maar eenzijdig op hun eigen voorstelling van de werkelijkheid. Die voorstelling echter is aan alle kanten vastgelegd en daardoor ook rijkelijk voorzien van onbewuste vooroordelen. Zo is er bijvoorbeeld ten aanzien van de derde wereld het vooroordeel dat de mensen aldaar hulpbehoevend zijn. Zij zijn dat echter helemaal niet, ondanks het feit dat er op het ogenblik bijna overal hulp geboden moet worden. Het besef dat iemand hulpbehoevend zou zijn berust op een waardeoordeel, het waardeoordeel namelijk dat er een meerdere en een mindere zou zijn. Treurig genoeg is dat hetzelfde waardeoordeel op grond waarvan de derde wereld verkommerd is. Een ander voorbeeld: in de westerse cultuur vindt men dat kinderen onderwijs moeten hebben. Er wordt hen dan ook onderwijs gegeven zonder dat zij er om gevraagd hebben en de ouderen bepalen wat de inhoud van dat onderwijs moet zijn. Welk waardeoordeel ligt hieraan ten grondslag? Geen ander dan dit dat kinderen minder zijn. Zij zijn hulpbehoevend! Zelden wordt overwogen de kinderen eens met rust te laten en af te wachten tot zij zelf met vragen komen. Vrijwel iedereen meent dat kinderen dan helemaal niets zullen leren, maar die mening ligt volstrekt niet in de logica en is bovendien in strijd met de feiten: kinderen zijn buitengewoon leergierig, maar elk kind wil het zijne weten en niet van allerlei opgedrongen krijgen waaraan het op dat moment nog geen behoefte heeft.

Wij zouden die dwang achterwege moeten laten.., hetgeen uiteraard op het ogenblik niet mogelijk is en zelfs ten nadele van het kind zou kunnen uitpakken.

Het gaat er bij het begrip zorg niet om dat je dit of dat gaat doen, maar dat je van allerlei moet laten. Ik heb het uiteraard niet over incidentele hulp, iedereen heeft wel eens hulp nodig, maar ik heb het over het achterwege laten van gedoe ten opzichte van de ander. De mens moet ophouden de ander te beschouwen vanuit zijn eigen vastgelegde voorstelling, hij moet het laten met betrekking tot de ander van alles te willen doen. Dat slaat zowel op gedoe vanuit eigenbelang als op het als zorg voorgestelde gedoe. De werkelijkheid, de andere mensen, moeten met rust gelaten worden zodat ze zo goed als mogelijk zichzelf kunnen zijn. Dit laatste sluit natuurlijk uit dat je ze laat verrekken: juist het met rust laten houdt in dat je verhindert dat ze op welke manier dan ook misbruikt worden. Ook wat dit betreft is de derde wereld een goed voorbeeld: het is het niet met rust laten, het is het gedoe ten opzichte van de mensen, de natuur en de grondstoffen aldaar dat geleid heeft tot de ellende en het is het als zorg voorgestelde gedoe dat eveneens uit den boze is.

De vraag is nu waarom het bij het gelden van het begrip zorg gaat om het achterwege laten van iets en niet om het doen van iets. Laten we eens zien wat er gebeurt als we een positieve definitie hanteren en er dus voor een moment van uitgaan dat er van alles gedaan moet worden. In dat geval is het onvermijdelijk dat je je een doel stelt, een voorstelling maakt van hoe het worden moet. Die nieuwe voorstelling is gebaseerd op de oude: juist omdat daaraan het een en ander mankeert stel je als doel de zaak te veranderen en te verbeteren. De nieuwe voorstelling is dus de gewijzigde oude en dat betekent dat hij gebonden is aan het moment waarop je hem bedenkt. Hij staat in het teken van je denken van nu en hij is dus bij voorbaat al gedateerd, in feite achterhaald. Je kunt nu niet weten hoe het leven zich zal ontwikkelen en ook niet welke kennis je straks ter beschikking zult hebben. De daaruit voortvloeiende ontwikkelingen zijn bijgevolg niet te verrekenen in je beleid. Het resultaat kan niet anders dan een constructie zijn. Het leven wordt tot een constructie verengd. Bovendien is zo'n constructie gebonden aan de persoonlijke voorstelling van de plannenmaker. Er is meteen al te stellen dat het vaststaat dat je beleidsplan niet efficiŽnt is, enerzijds omdat het gerelateerd is aan je voorstelling van nu en anderzijds omdat het gedateerd is. Het op dat beleidsplan gebaseerde gedoe moet dan wel een aantastend karakter hebben, het kan logisch niet- samenvallen met de ontwikkelingen die in gang zijn. Voor zover het toch, min of meer met geweld, gelukt zo'n plan uit te voeren ontstaat er een geforceerde situatie, die na enige tijd niet houdbaar zal blijken te zijn. Slechts met grote moeite kan zoiets een tijdje in stand gehouden worden. Onze huidige wereld, die vol is van doeners, is hiervan een duidelijk bewijs: vanuit allerlei gedateerde en individuele voorstellingen, doorgaans stevig wetenschappelijk gefundeerd, wordt ingegrepen in het leven en de natuur met als gevolg dat alles steeds slechter gaat en steeds sneller instort. Als je veronderstelt dat je iets moet doen aan de wereld kan het resultaat, als je de macht en de gelegenheid hebt je plannen uit te voeren, niet anders zijn dan een geforceerde aangelegenheid, gedateerd door en gerelateerd aan je eigen, in feite achterhaalde, voorstelling. Het gedoe, hoe goed ook bedoeld, leidt derhalve tot verminking van de werkelijkheid. Het is daarom dat je tot de conclusie moet komen dat het achterwege gelaten moet worden en dat leidt tot de negatieve definitie van het begrip zorg. Bovendien heeft het begrip zorg geen betrekking op iets collectiefs, maar daarentegen op iets individueels: ik moet zorgen dat alles tot zijn recht kan komen...

Overtuiging/overtuigingen/levensovertuiging-zie A1 , B2 , C3 , D4 , E5 , F6 , G7 , H8 ,

No. 14†††† Racisme ; Racistische taal ; Slavernij ; Discriminatie zie nrs. 15 en 77 ; Verhullend taalgebruik-1 ; Verhullend taalgebruik-2 ;

 

Al het gedoe van de moderne westerse mensen is doortrokken van wat je het overheersingsbesef zou kunnen noemen. Daaruit komt voort dat men de natuur naar zijn hand wil zetten en dat men datzelfde wil met mensen die als achtergebleven worden beschouwd. Bedoeld overheersingsbesef houdt natuurlijk noodzakelijk in dat alles wat overheerst wordt, of wat op de nominatie staat om onderworpen te worden, van minder waarde wordt geacht dan de moderne westerse mens en zijn wereld. Voor zover er waarde aan gehecht wordt is dat er een waarin het particuliere eigenbelang op de voorgrond staat. Juist op grond van die minderwaardigheid kan dat op de voorgrond staan en min of meer ongehinderd doorgezet worden. Onder gelijkwaardigen is er uiteraard ook dat eigenbelang, voorkomend uit het reeds besproken algemene verschijnsel van het toekennen van waarde aan dingen en mensen door de onvolwassen mens, maar het eigenbelang van de een houdt dat van de ander min of meer in evenwicht, op grond van juridische gelijkwaardigheid. Ten aanzien van minderwaardige mensen en dingen is dat evenwicht er niet.

De moderne westerse mensen zullen nooit toegeven dat zij anderen als minderwaardig beseffen. Hun denken schrijft hen voor dat zoiets niet mag. Zij spreken dus in verhullende termen over die anderen, in het beste geval hebben zij het over hulpbehoevende mensen en in het slechtste slaan zij racistische taal uit. Daartussenin hoor je dan dat die buitenlanders maar in hun eigen land moeten blijven en dergelijke. En steeds bepaalt het overheersingsbesef de grondtoon van hun denken en handelen. Dat is geen nieuw verschijnsel: elke cultuur die op een gegeven moment de voorhoede van de ontwikkeling vormt wordt door superioriteitsgevoel gekenmerkt. De Grieken en Romeinen vertoonden het ten aanzien van de barbaren, de Christenen ten aanzien van de heidenen, enzovoort. Bij de westerse mens ligt het echter in zoverre anders dat het ook nog een wetenschappelijk aspect heeft vanwege het feit dat je de wetenschappen inderdaad kunt misbruiken om alles te overheersen.

De hulpacties voor de derde wereld hebben, in de grond van de zaak, niets met zorg en hulp te maken, uiteraard omdat genoemd overheersingsbesef er aan ten grondslag ligt. De zogenaamde zorg en hulp dienen, doorgaans onbewust, het doel die mensen de gelegenheid te geven om volgens de moderne westerse normen te gaan leven. Als dat zou gelukken houdt het najagen van eigenbelang niet op: op zijn best komt de zaak in evenwicht. Het is natuurlijk een feit dat het voor die mensen een hele vooruitgang zou betekenen, althans waar het het dagelijkse leven betreft, maar intussen zijn zij dan toch ingepast in een wereld die zij niet, geheel vanuit zichzelf, ontwikkeld hebben. Er is hen, desnoods met goede bedoelingen, iets Opgelegd. De begrippen zorg en hulp zijn in werkelijkheid niet te denken zonder het vervallen van het waarde en overheersingsbesef. Pas als het gaat over mensen die elkaar wederzijds geen waarde toekennen - hetgeen een stap verder ligt dan gelijkwaardigheid - kunnen beide begrippen tot hun recht komen. Het is dan een zaak van volstrekte belangenloosheid, zoals je bijvoorbeeld een vriend helpt bij het verven van zijn huis. Dat doe je immers ook niet om er zelf beter van te worden en je schrijft hem ook niet voor hoe hij zijn huis in moet richten! Je doet het omdat hij moet kunnen leven, zichzelf moet kunnen zijn en zich wel gevoelen. In onze huidige wereld is van zorg en hulp geen sprake, behalve uiteraard bij de individuele mensen onderling.

Ondanks alle mededogen met de derde wereld houdt men zorgvuldig in de gaten dat de eigen economie niet lijdt onder de ontwikkelingshulp. Overtollige goederen worden niet zomaar naar de derde wereld gestuurd, geleende gelden moeten met een flinke rente worden terugbetaald en men steunt bij voorkeur stabiele regiems, dictatoriaal of niet. Men gaat Rusland niet helpen als er niet met zekerheid iets tegenover staat, al was het maar politieke steun. Kortom, het gaat er niet om dat het weinige dat er nog gedaan wordt, achterwege moet blijven, maar het gaat er om dat een groot deel van de wereld verpaupert en verkommert doordat de mensen nog niet in staat zijn elkaar met rust te laten en als gevolg daarvan werkelijk zorgzaam en hulpvaardig te zijn. Je kunt zeggen: de mentaliteit deugt niet...

In de oude Oosterse filosofie werd gesteld dat alle zijn lijden veroorzaakt omdat de aanwezigheid van het (de) een de afwezigheid en zelfs wel het verdringen van het (de) ander inhoudt: waar ik ben kan jij niet tegelijkertijd zijn. Deze gedachte komt hier op neer dat alle zijn ingrijpt in de werkelijkheid. Inderdaad moeten alle levende wezens eten om te kunnen leven en daarmee grijpen zij onvermijdelijk in in de natuur en veroorzaken lijden. Dit geeft aanleiding tot de vraag hoe het dan zit met het door mij genoemde met rust laten. Je zou namelijk kunnen veronderstellen dat je geen enkele handeling zou mogen verrichten en sterker nog, dat je er eigenlijk helemaal niet zou mogen zijn! Alleen al de praktijk wijst uit dat de gedachte van zo'n onthouding niet juist kan zijn. Alle levende wezens moeten het van de planeet hebben om te kunnen leven. Zij zetten daarbij de materie om tot hun eigen inhoud, en wel in de vorm van energie. Dat ligt in de structuur van de werkelijkheid besloten. Voor de planten en de dieren beperkt dit omzettingsproces zich tot het opnemen van voedsel, al of niet in de vorm van andere levende wezens. Maar bij de mensen gaat het verder: zij moeten ook voor onderdak en dergelijke zorgen willen zij veilig zijn. De daarbij behorende handelingen liggen eigenlijk binnen het samenhangende geheel van de werkelijkheid, zodat je kunt zeggen dat dit in orde is en dat het niet in strijd kan zijn met het met rust laten. In strijd met het met rust laten is het gedoe van vooral de moderne mens. Dat gedoe geschiedt niet vanuit het inzicht dat het leven van de mensen binnen het geheel van de werkelijkheid veilig gesteld moet worden, maar vanuit de gedachte dat de werkelijkheid verbeterd moet worden en ontwikkeld tot een hoogwaardiger product. Uiteraard komt die hogere waarde dan ten goede aan enkelen die nog meer willen bezitten. Ook hier is het weer het waardebesef dat de drijfveer is. Je kunt het begrip gedoe dan ook definiŽren als superieur handelen op grond van waardebesef. Een dergelijk handelen, verbreekt de werkelijkheid, zoals ik al eerder heb laten zien.

Als het gaat om het veilig stellen van het leven is er geen sprake van verbreken van de werkelijkheid, maar juist van het harmoniseren ervan. Het is moeilijk om je zoiets in de praktijk voor te stellen, vooral omdat wij gewend zijn aan een wetenschap en technologie die precies het tegenovergestelde vertonen. De filosofie kan daarbij ook niet helpen. Gelukkig echter worden hier en daar praktische pogingen gewaagd en dan zie je steeds dezelfde reactie daarop: de wetenschappers en technologen beginnen onmiddellijk voor te rekenen dat zulke experimenten wel moeten mislukken omdat zij economisch niet haalbaar zijn. Dat wil zeggen dat het waardebesef aan de zaak in de weg staat. Het gedoe verhindert de moderne mens de goede handelingen te verrichten. Er zijn tegenwoordig heel wat theorieŽn over goede handelingen, maar geen enkele tast het waardebesef aan en dus is er wezenlijk niets van te verwachten.

Racisme ; Racistische taal ; Slavernij ; Discriminatie zie nrs. 15 en 77 ; Verhullend taalgebruik-1 ; Verhullend taalgebruik-2 ;

 

 

No. 15†††† Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L ; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld(orde)-2 ; Betere Wereld-3 ; verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ; Racisme ; Racistische taal ; Halsstarrige slavenhouders ; Discriminatie zie nrs. 15 en 77 ; Verhullend taalgebruik-1 ; Verhullend taalgebruik-2 ;

Uit allerlei rapporten wordt steeds meer duidelijk dat onze ontwikkelingshulp, tegenwoordig versluierend samenwerking geheten, nauwelijks effect heeft en in een aantal gevallen zelfs nadelig voor de betrokkenen is. Hoewel het hartstochtelijk ontkend wordt is de diepere oorzaak van deze mislukking toch gelegen in het feit dat de moderne westerse mens niet anders kan denken dan in waardeoordelen en ten gevolge daarvan een groot deel van de wereld als minderwaardig beseft. Deze minderwaardigheid behoeft niet zonder meer het karakter van discriminatie te hebben: het besef dat andere culturen van minder waarde zijn kan zich ook op humane wijze uiten. Je krijgt dan te doen met een soort van Leger des Heils mentaliteit waarbij de medemens als een stumper die de boot gemist heeft gezien wordt, maar die desondanks liefdevol in de armen gesloten moet worden. Uiteraard is zoiets altijd beter dan onverschilligheid en discriminatie, maar het beantwoordt toch niet aan de inhoud van de begrippen hulp en zorg, namelijk de volstrekte belangenloosheid. Het niet gelden van die inhoud is de wezenlijke oorzaak van de ellende in deze wereld en het onvermogen er een einde aan te maken.

Het meest essentiŽle belang van de moderne mens is gelegen in het overheersen van de werkelijkheid. Wetenschap en technologie staan, zeker in de laatste drie decennia, vrijwel geheel in het teken van dat overheersen. Het lijkt alsof de wetenschap, vooral de natuurwetenschap, bezig is uit te zoeken waaruit de materie bestaat en hoe die materie in zichzelf werkzaam is, en het lijkt alsof men zich in de technologie beijvert de voorhanden werkelijkheid, de planeet, om te zetten in een voor de mensen nuttige. Maar, bij nauwkeuriger beschouwing blijkt dat het ergens anders om te doen is: het wetenschappelijk onderzoek en de productie worden beschouwd en toegepast als middel tot verwerving van macht over de werkelijkheid. Men wil haar overheersen en naar eigen hand zetten. Het maken van winst bijvoorbeeld is de manifestatie van de, doorgaans onbewuste, cultuurwil om zoveel als mogelijk van de wereld in bezit te nemen om er macht over uit te oefenen. Op grond van dit zoveel mogelijk is er ook de steeds meer verafgode groei-economie: groei betekent dat men nog meer in de wacht sleept. Het eindpunt is natuurlijk dat iemand alles in bezit gekregen heeft, maar dat gelukt niet omdat anderen, die hetzelfde van plan zijn, daaraan in de weg staan. De mens van de westerse cultuur is wezenlijk uit op verovering van de werkelijkheid om haar tenslotte zijn wil op te leggen...

De westerse mens is een wereldveroveraar, maar hij is dat niet zonder meer.

Er zijn namelijk verschillende mogelijkheden: 1e ) je verovert de wereld om er een samenhangend geheel van te maken (Alexander de Grote); 2e ) je verovert de wereld om de verzameling compleet te maken: de Romeinen wilden alles in bezit nemen, maar de onderworpen volken konden gewoon zichzelf blijven, mits zij maar belasting betaalden en niet probeerden zich te bevrijden. De Romeinen leerden dan ook van alles van de in bezit genomen culturen en zo schiepen zij een Romeinse cultuur die een mengsel van alle mogelijke verschillende culturen was. Rome was letterlijk de smeltkroes van de toenmalige beschaafde wereld; 3e) je verovert de wereld om macht over haar uit te oefenen, in de zin van: haar naar je hand zetten, haar zodanig veranderen dat ze aan je wil, je voorstelling van het goede, voldoet. Dit laatste is wat je onder het begrip overheersen kunt verstaan en dat begrip, dat er uiteraard vanaf het begin in heeft gezeten, manifesteert zich steeds duidelijker in de moderne westerse cultuur.

Overheersen houdt niet alleen het eenvoudige bezitten in, maar vooral ook het veranderen van het bezit in een zaak die beantwoordt aan de wil van de bezitter. Dat leidt er toe dat al het aanwezige vernietigd wordt en dat er iets anders voor in de plaats komt. Deze gang van zaken, die uiteraard vergezeld gaat van verschillende vormen van nietsontziend geweld, is kenmerkend voor de wereldverovering door de westerse mens. De daartoe dienende middelen zijn, sinds zo ongeveer de 2e wereldoorlog, niet meer de wapens, maar de wetenschap, de technologie en de economie, terwijl de universiteiten tegenwoordig dienen om de veroveraars op te leiden.

De culturele overheersingsdrang is niet denkbaar zonder de mening dat een gedeelte van de werkelijkheid minderwaardig is. Dat minderwaardige gedeelte van de werkelijkheid moet, vanuit die drang, op een hoger plan gebracht worden. Het moet verbeterd! De sinds de Verlichting gangbare gedachte dat de wereld gemaakt kan en moet worden is hieraan natuurlijk ook niet vreemd, evenals de opvatting dat de werkelijkheid te berekenen is als je voldoende kennis ter beschikking hebt. Vanuit dit complex van opvattingen gaat de (moderne) westerse mens de wereld te lijf. Hij kweekt betere aardappelrassen, granen, soorten sla en kool, enzovoort. Bij dit alles worden allerlei gifstoffen gevoegd die het groeiproces moeten verbeteren. Ook de mens zelf wordt genetisch verbeterd - niets is eigenlijk goed genoeg, zo vanuit zichzelf... Dan kun je het ook nog hebben over samenlevingsvormen in het groot en in het klein, over een nieuwe en betere wereldorde, kortom: zo ongeveer alles kan en moet verbeterd worden. Dat betekent dat het onderworpen moet worden en volgens ons inzicht veranderd. Het moet overheerst worden.

De overheersingsdwang, die zo langzamerhand een cultuurtrauma is geworden, verziekt het gehele leven van de moderne mens. Hij denkt dat het om het verbeteren van het leven gaat en hij is bereid er vertrouwen in te hebben omdat de zaak wetenschappelijk gefundeerd is: hoe je moet overheersen wordt analytisch wetenschappelijk uitgezocht en de talrijke adviseurs zijn allemaal ordelijk afgestudeerde lieden.. . Inderdaad lijkt het net of alles goed gaat, maar telkens blijkt na een tijdje dat de moderne mens nog verder van huis is. Steeds meer lopen de zaken vast. Het is eigenlijk een soort van paradox, je zou zeggen dat de zaken beter gaan als je er meer vanaf weet, maar het blijkt dat juist het tegendeel het geval is: de almaar grotere hoeveelheid wetenschappelijk verkregen kennis leidt tot verwarring, tot niet meer weten waarover het gaat, tot wanhoop en vertwijfeling. En dat alles geheel in strijd met de verwachting die sinds de Verlichting, eind 18 e eeuw, gekoesterd werd!

De wereld, zoals die ontstaat als resultaat van het maakwerk van de moderne wetenschappelijk ingestelde mens, is een geforceerde werkelijkheid die niet meer zichzelf kan zijn omdat letterlijk alles gereorganiseerd is overeenkomstig de theorieŽn die kille analytici uitgebroed hebben. Maar bovendien is het een wereld waaruit alle samenhang verdwenen is. Zij is samengesteld, geconstrueerd, uit een veelheid aan losse elementen die het resultaat zijn van het uit elkaar halen (analyse) van de werkelijkheid. In feite misbruikt de moderne mens in alle opzichten zijn kennis. Hij misbruikt haar door de werkelijkheid te willen overheersen met als resultaat dat hij haar misvormt, terwijl wetenschappelijke kennis wezenlijk maar een doel kan dienen, namelijk het verzorgen van de planeet vanuit het heldere besef dat de planeet nooit mooier en beter kan zijn dan wanneer zij met rust gelaten wordt en naar beste weten verzorgd.

Beter dan de werkelijkheid vanuit zichzelf geworden is kan zij, door geen enkel menselijk ingrijpen, gemaakt worden...

Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L ; Hulpbehoevend..? en Definitie Zorg..! Ė pag. 13, 14 en 15 ; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld(orde)-2 ; Betere Wereld-3 ; verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ; Racisme ; Racistische taal ; Halsstarrige slavenhouders ; Discriminatie zie nrs. 15 en 77 ; Verhullend taalgebruik-1 ; Verhullend taalgebruik-2 ;

 

 

No. 16

Het toekennen van meerwaarde aan een bepaald iets, wat tegelijkertijd inhoudt minderwaardigheid van een ander iets, hangt ten nauwste samen met het besef de werkelijkheid te moeten overheersen. Men wil dat doen omdat men in de mening verkeert via dat overheersen tot een hoogwaardiger werkelijkheid te komen. Het gaat dus niet om het voltooien van de werkelijkheid door het omzetten van het voorhandene tot iets menselijks binnen het geheel van de werkelijkheid, maar het gaat om het op een hoger plan brengen van de werkelijkheid zelf. Dat blijkt onder andere uit het feit dat men nu bezig is datgene waarin de werkelijkheid culmineert, de mens, te verbeteren. Sinds men de geheimen van de erfelijkheid enigszins ontsluierd heeft is die oude droom weer actueel geworden. Maar die droom is in strijd met het nihilisme, dat wil zeggen: met het inzicht dat er in d werkelijkheid niets is van enige waarde. Telkens weer blijkt na enige tijd dat de door de mensen bedachte verbeteringen helemaal geen verbeteringen zijn. Kenmerkend voor die zogenaamde verbeteringen is namelijk ten eerste dat zij gebaseerd zijn op heel beperkte stukjes van de werkelijkheid en ten tweede dat er geen verband is tussen die verbeteringen onderling en tussen die verbeteringen en de rest van de werkelijkheid. Bovendien moet je bedenken dat het verbeteringen zijn in de ogen van de moderne westerse mens.

Bijvoorbeeld: het moderne idee van in cultuur brengen van het land strookt helemaal niet met dat van natuurvolken. Zij vinden dat het land niet verbeterd maar verwoest wordt, en zo langzamerhand wordt duidelijk dat zij daarin nog gelijk hebben ook! Sprekende over zogenaamde verbeteringen doel ik thans dus uitsluitend op zaken waarvan men vanuit het moderne wetenschappelijke denken meent dat die verbeterd kunnen en moeten worden. Bij dat soort zaken blijkt de verbetering steeds een verslechtering. Er zijn natuurlijk ook echte verbeteringen mogelijk, maar die staan in het teken van de zorg en als zodanig vervolmaken zij het geheel.

Het vervolmaken van het geheel van de werkelijkheid is een noodzakelijke werkzaamheid die zich in de mens afspeelt. De werkelijkheid moet inhoud van de mens worden, zij moet een menselijke werkelijkheid worden en als zij dat tenslotte is, is de planeet voor de mens leefbaar geworden. De mens heeft geen overlevingsprogramma, zoals dat bij alle andere levende wezens voorkomt. Op geen enkele natuurlijke wijze is hij toegerust op het overleven op de planeet. Dat vindt zijn oorzaak in het feit dat hij, als laatste verschijnsel, nergens bij behoort, zoals wij reeds besproken hebben. Hij treft bij zijn verschijnen dan ook een wereld aan waarin hij niet kan leven. Als hij niet ingrijpt wordt het niets, haalt hij de avond niet. Maar tegelijkertijd kan zijn ingrijpen alleen maar zinvol resultaat hebben als het binnen het samenhangende geheel van de werkelijkheid blijft. Zodra het er buiten komt, zoals op grond van de overheersingsbehoefte inderdaad het geval is, is het gevolg geen leefbaarheid, maar het tegendeel daarvan. Het grote sterven neemt dan hand over hand toe, zoals wij tegenwoordig helaas moeten constateren.

De fout in de overheersingsgedachte is deze dat de modern denkende mens het vanzelfsprekende stelt als een bij voorbaat geldende maat voor toekomstige processen. Bij analyse van het bestaande kom je een aantal elementen tegen en ook de onderlinge relaties tussen die elementen. Nu kun je met behulp van die drie grootheden, twee elementen en een relatie, de zaak die je geanalyseerd hebt reconstrueren.

Deze reconstructie wordt dan uitgewerkt tot een theorie die aangeeft waaruit iets bepaalds bestaat en hoe dat werkt. Die theorie bevat een aantal formules en als je die zorgvuldig toepast staat het resultaat vast: de werkelijkheid is voorspelbaar geworden! Dat betekent natuurlijk ook dat zij nu maakbaar is volgens van tevoren opgestelde plannen en beantwoordt aan van tevoren gestelde eisen. Zij is maakbaar volgens een bij voorbaat geldende maat.

Er is echter iets merkwaardigs aan de hand. De bij voorbaat geldend gestelde maat blijkt na verloop van tijd helemaal niet te voldoen. Hij blijkt zelfs tot negatieve resultaten geleid te hebben! Toch was hij afgeleid uit de bestaande werkelijkheid en omgezet tot een theorie die bij herhaling steeds betrouwbaar was gebleken. Vanwaar dan die mislukking?

Als je iets construeert volgens een bepaalde theorie en de daarbij behorende formules, volg je een heel andere weg dan de werkelijkheid zelf bij haar ontstaansprocessen. Bij het construeren staat bij voorbaat vast hoe het proces moet verlopen, wat wel mag en wat niet en welke mogelijkheden uitgesloten zullen zijn. Bij het ontstaansproces in de werkelijkheid echter staat er niets bij voorbaat vast, alle mogelijkheden blijven open en worden uitgewikkeld. In menselijke termen gesproken: de werkelijkheid probeert elke mogelijkheid uit zover als het kan. De situatie aan het einde daarvan is ontstaan uit talloze vastgelopen ontwikkelingen en enkele die doorgang konden vinden. Zo is er een vanzelfsprekend samenstel van elementen en relaties ontstaan dat in geen enkel opzicht beter kan omdat alles ingecalculeerd is.

Het vanzelfsprekende is gelegen in het feit dat het niet anders en niet beter kan. Bij analyse heb ik daarmee te maken en dan denk ik dat die werkelijkheid het resultaat is van een proces dat overeenkomt met datgene dat ik bij analyse gevonden heb. Ik denk dus ten onrechte dat de door mij gevonden theorieŽn, formules en wetten van kracht zijn voor de opbouw van de werkelijkheid. Daarmee ga ik dan aan de gang. Dat wat aan het eind van een lang en ingewikkeld proces van proberen en vergissen voor de dag is gekomen als een vanzelfsprekende zaak wordt nu de maat voor datgene dat ik ga doen en ik ga zeggen, zo moet het. Ik stel bijvoorbeeld als eis dat een mens twee armen en benen moet hebben, maar zo'n eis is idioot want een mens heeft twee armen en twee benen. Of ik stel dat je dialectisch behoort te denken terwijl het in feite zo is dat een mens dialectisch denkt, zo vanzelf al! Zoals bekend is mede daardoor de filosofie van Hegel verkeerd terechtgekomen.

Het overheersingsbesef heeft zich geconcretiseerd in een groot aantal theorieŽn die voorschrijven hoe het allemaal moet en die dus in feite datgene als eis stellen wat eigenlijk vanzelfsprekend is. Daardoor wordt er van alles georganiseerd dat overeenkomt met de theorie, maar dat na enige tijd blijkt niet te werken. Zo wil men thans in Rusland een vrije markt economie instellen. Men weet precies hoe zo'n economie in elkaar steekt en dus moet het lukken. Wat men daarbij echter overslaat is het proces waarlangs een dergelijke economie ontstaat, een proces dat je in de westerse geschiedenis na kunt gaan. Men gaat iets namaken dat in werkelijkheid met vallen en opstaan ontstaan is. En dat is iets dat niet op grond van de theorie te maken is. Doe je dat toch dan mislukt het.

Het is immers ook mislukt met het invoeren van de industriŽle cultuur in Rusland, louter en alleen omdat het een theorie was, een als eis gestelde vanzelfsprekendheid! Die eis verklaart ook waarom het noodzakelijk een dwangsysteem moest worden: voor de vanzelfsprekende ontwikkeling werd door het zo moet het van de theorie de weg afgesloten.

No. 17†††† Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L

Wat ik tot nu toe over het nihilisme heb gezegd betreft eigenlijk een aantal algemeenheden waarbij centraal staat dat het begrip waarde niet geldig is voor de werkelijkheid als zodanig. Er is niets dat van zich uit enige waarde heeft. Van waardeverschillen is dus al helemaal niet te spreken. Verder heb ik enkele algemene verhoudingen besproken die voor de mens, als laatste verschijnsel dat in de kosmos opkomt, gelden. Bij deze verhoudingen is het centrale thema dat de mens wezenlijk nergens bij behoort en ten gevolge daarvan genoodzaakt is alles wat nodig is om te overleven zelf uit te zoeken en te verwerkelijken. Zo is hij ook genoodzaakt zich als nihilist waar te maken. Dat waarmaken staat geheel los van het streven de werkelijkheid te overheersen, op grond van het bij voorbaat als maat en als kwalitatieve eis stellen van dat wat in feite vanzelfsprekend is. Ik heb er op gewezen dat de begrippen van De Grote Vierslag vanzelf voor de mens gelden en dat hij derhalve alleen maar moet leren zich als zodanig te begrijpen en vervolgens te gedragen. Bij voorbaat van zichzelf een of ander gedrag eisen, in de mening daarmee nihilist, anarchist, socialist of communist te zijn, is in feite een poging zichzelf te overheersen. Daarmee zijn de begrippen van De Grote Vierslag stukgemaakt en tot iets anders geworden.

Het is opmerkelijk dat de westerse mens individueel bezig is zich te verwerkelijken als laatste verschijnsel en dus ook uiteindelijk als bezitter en overheerser van de wereld. Het is echter niet moeilijk om tegen deze uitspraak tegenwerpingen te maken, want ook de westerse geschiedenis is vol van collectieve ondernemingen waarbij de mensen als een groep zijn opgetreden en dat thans nog doen. Toch is staande te houden dat het in het westen de individuele mens is waarom alles draait. Dat blijkt onder andere uit het feit dat tegenwoordig het groeps- handelen vrijwel verdwenen is. De politieke partijen ondervinden daarvan de gevolgen en het is, ten eerste, duidelijk te zien dat de politici krampachtig proberen het collectief (= de partijleden en de kiezers) bij elkaar te houden en bovendien blijkt, ten tweede, uit alles dat men niet meer in staat is onder woorden te brengen waarom het gaat omdat de oude ideologie haar betekenis heeft verloren. Groepsdenken en -handelen hebben plaats gemaakt voor allerlei individueel gedoe, dat overigens lang niet altijd aangenaam is voor de samenleving.

Het collectieve gedrag berust op een bepaald besef, namelijk dat we de zaken met zijn allen moeten regelen. Dat met zijn allen houdt volgens dat besef in dat er door de groep of het collectief als een individu gehandeld moet worden. Hoewel zal blijken dat het niet zo moeilijk te begrijpen is, is het toch merkwaardig dat de mensen van oudsher het idee hebben gehad dat zij als enkeling wezenlijk op de een of andere manier in een groep thuis horen. In de westerse filosofie heerst de mening dat de mens (=het verschijnsel mens) een gemeenschapswezen is dat derhalve alleen al van nature tot een groep behoort en daaraan ondergeschikt is. Het gaat er dus niet om dat iemand zelfstandig kan besluiten tot een bepaald gezelschap toe te treden om daaraan geheel vrijwillig zijn beste krachten te geven, maar het gaat er om dat iedere individu in wezen en a priori tot een groep behoort, of hij dit nu laat gelden of niet. Anders en wat onaangenamer gezegd: de mens zou van nature een kuddedier zijn.

Dit besef is in de geschiedenis voortdurend aanwezig. Het heeft overigens wel aanleiding gegeven tot discussies, namelijk over de vraag hoe een oplossing te vinden voor het probleem dat de begrippen enkeling (individu) en gemeenschap (Staat) elkaar uitsluiten. Beter is het echter om je af te vragen in welke richting je zou moeten denken: a) vanuit de gemeenschap naar het individu, of b) vanuit het individu naar de gemeenschap.

Er is over het anarchisme, dat nu zo langzamerhand in eerste aanleg aan de orde gaat komen, niet zinvol na te denken zonder het begrip groep. Als de mens van nature een groepswezen is betekent dit dat hij geen anarchist kan zijn, maar onvermijdelijk onderworpen is aan een groep met de daarbij behorende ideologie ter rechtvaardiging van de groepsbelangen, normen en waarden. Het hangt daarbij van de kwaliteit van de groep af of een individu nog met zichzelf uit de voeten zal kunnen. De groep kan op zijn best zo soepel mogelijk handelen ten opzichte van het individu en een zo groot mogelijke pluriformiteit toestaan. Tot nu toe liet de praktijk, bijvoorbeeld in de Sovjet-Unie, evenwel zien dat er van souplesse nauwelijks sprake kan zijn. Het ligt veel meer voor de hand in termen van een totalitaire Staat te denken. Maar men heeft steeds beweerd dat dit op den duur wel zal verbeteren. Hoezeer de zaak echter verbetert, onveranderlijk zal de enkeling zich zonder pardon aan moeten passen aan de normen, waarden en doelstellingen van de groep, het collectief...

Hoe komen de mensen er echter bij om almaar als vanzelfsprekend te veronderstellen dat de mens van nature een groepswezen is, een kuddedier. Nog een stap verder: hoe komen we er in het algemeen bij te veronderstellen dat er in de werkelijkheid zoiets als groepen bestaan? Voor de hand ligt te denken aan bijvoorbeeld de biologische groepen: soorten, rassen, families en dergelijke. Inderdaad behoren alle exemplaren noodzakelijk tot bepaalde soorten, enzovoort. En dat is zelfs van de mensen te zeggen. Maar daarom gaat het nu niet, het gaat er om dat alle verschijnselen in de kosmos ontstaan als unieke exemplaren, als dit ding of dit levende wezen. Het is dit en per se niet dat. Geen groep dus maar een exemplaar. De werkelijkheid levert exemplaren op. Die exemplaren komen doorgaans in bepaalde hoeveelheden voor zodat je kunt stellen dat er verzamelingen van bepaalde exemplaren zijn. Van een geheel, zoals sommige filosofen dat zo graag willen zien, is geen sprake, net zomin als er principieel van een collectief gesproken kan worden.

Zo'n verzameling kan zo gegroeid zijn dat er een bepaalde verstandhouding tussen de exemplaren is. Zelfs kan de verzameling als een individu optreden, maar wat ter wereld komt is steeds een bepaald exemplaar! Voor het onvolwassen denken van de mensen echter gaat dan de wet van de maatgevende vanzelfsprekendheid gelden: men stelt dat het enkele exemplaar tot de groep moet behoren. Daarmee wordt de groep gesteld als de maat en als iets dat boven de enkeling uitgaat, als zou de werkelijkheid in een aantal groepen uitlopen! Zo heeft een aantal ťlites lang geleden al bedacht dat de gemeenschap van de mensen boven de enkelingen uitgaat en dat die enkelingen zich dus van hun verantwoordelijkheden bewust moeten zijn en het algemene belang boven het eigen belang moeten stellen. In de loop van de 19e eeuw heeft dat zich ontwikkeld tot de zogenaamde democratie, gebaseerd op bepaalde politieke collectieven. Die collectieven bedienden zich van bepaalde ideologieŽn, bovenliggende maatgevende wereldbeschouwingen die voorgesteld werden als zouden zij voor iedereen gelden. Op het ogenblik echter gaan die ideologieŽn de mensen steeds minder zeggen en daarmee vervalt ook de praktische voorwaarde voor het collectief. De meeste politici, die hun macht immers aan het collectief te danken hebben, betreuren deze gang van zaken en verwijten de mensen onverschilligheid en egoÔsme. Zij proberen de mensen er opnieuw van te doordringen dat de mens een sociaal wezen zou zijn.

Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L

No. 18

Al eerder heb ik er op gewezen dat de begrippen uit De Grote Vierslag alle vier met elkaar samenhangen en dus ook van elkaar afhankelijk zijn. Zo is anarchisme niet te begrijpen zonder het begrip nihilisme, want er mag niets van waarde zijn dat als een uitwendige zaak van buitenaf en bij voorbaat het leven van een mens in een bepaalde richting dwingt. Die uitwendige zaak bestuurt in dat geval een mens, maar volgens het begrip anarchisme bestuurt de mens zichzelf. De begrippen socialisme en communisme echter spelen ook hun rol als het over anarchisme gaat. Elk van de vier begrippen, namelijk nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme hangt op zichzelf onlosmakelijk samen met de andere drie. Dat blijkt ook al enigszins uit hun definities: nihilisme betekent de werkelijkheid is zonder waarde, anarchisme betekent de mens bestuurt zichzelf, socialisme betekent als ik er ben, ben jij er ook en tenslotte betekent communisme wij zijn met zijn allen.

Tot nu toe steekt in de mensheid steeds de gedachte de kop op dat het individu wezenlijk en van nature tot een gemeenschap behoort. De mens zou fundamenteel een groepswezen zijn en alleen vanuit dit gegeven zou hij begrepen kunnen worden. Zijn werkelijke zijn en dus ook zijn vervolmaking zou gelegen zijn in de absolute dienstbaarheid aan de groep, zonder hoe dan ook zijn eigen belang te dienen. Uiteraard behoort deze gedachte ook tot de maatgevende ideeŽn van onze moderne cultuur. Consequent doorredenerend op deze gedachte zou dus vastgesteld moeten worden dat het wordingsproces niet uitloopt in een variŽteit van bepaalde exemplaren, maar in een aantal alles omvattende gehelen, die wij wat de mensen betreft kennen als collectieven, gemeenschappen, groepen, staten en dergelijke. Helaas kunnen wij dan geen verklaring vinden voor het verschijnsel dat ieder mens, min of meer bewust, erop uit is zoveel mogelijk zichzelf te zijn en eigen talenten te ontwikkelen, waarbij hij steevast probeert te ontkomen aan dwang of invloed van anderen. Als het voor de mens van nature zou gaan om het collectief zou hij die behoefte aan zichzelf zijn en zelfstandigheid niet kennen. Hij kent die behoefte echter wel degelijk, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het feit dat alle machthebbers, door alle tijden heen, juist met die zelfstandigheid van de mensen de grootste problemen hebben. Het begrip macht berust juist op het ontkennen van de aanwezige zelfstandigheid van een mens. Was die zelfstandigheid er niet, het vestigen en uitoefenen van macht zou geen problemen geven. En over anarchisme zouden we het dan al helemaal niet kunnen hebben...

Hoezeer het blijkbaar tegen de logica in ligt, de mensen vinden dat aanpassing aan en zich inzetten voor het geheel noodzakelijk is. Je moet daarbij op de eerste plaats rekening houden met de ander en je mag pas op de laatste plaats aan jezelf denken. Dat rekening houden met de ander heeft doorgaans deze inhoud dat iemands eigen grens daar ligt waar die van een ander begint. Het overschrijden van die grens betekent dat je te ver gaat - blijkbaar mag je wel ver gaan, heel ver desnoods, maar beslist niet te ver.

Wat men zich bij dat stellen van grenzen in het belang van het collectief zelden realiseert is dat het in zo'n geval steeds de ander is die voor iemand de dienst uitmaakt, want voor iemand de grenzen bepaalt. En nu hangt het maar van de macht van zo iemand af of hij voor de ander veel ruimte over laat of weinig. Ik geef toe dat dit proces bij moderne mensen redelijk evenwichtig verloopt, maar waarom het gaat is dat het tot op heden ten grondslag ligt aan het samenleven van de mensen en dat het welbeschouwd iedereen onvrij en onzelfstandig maakt.

De vraag is nu hoe het komt dat de mensen van mening zijn dat zij van nature in een groep thuishoren, terwijl dat bij nader onderzoek volgens het filosofische denken helemaal niet het geval kan zijn. Om een antwoord op die vraag te vinden moet je je herinneren dat voor alle levende wezens de werkelijkheid als bewustzijn geldt, dat wil zeggen: de werkelijkheid naar haar algemeenheid op de wijze van een allesomvattende trilling. Voor de mens omvat die trilling inderdaad de gehele werkelijkheid. Al vaak heb ik er op gewezen dat je hierbij te doen hebt met de universele, de echte objectieve, werkelijkheid, hoewel deze zich binnen het verschijnsel mens bevindt en dus schijnbaar subjectief is. Daarnaast geldt, uitsluitend voor de mens, het begrip zelfbewustzijn dat als inhoud heeft de aan een individu gebonden werkelijkheid als een verzameling van bepaalde dingen. Als zelfbewustzijn kent de mens de wereld en dat is dan uitsluitend zijn eigen particuliere wereld. Dat is de werkelijkheid als tijdelijke, individuele en feitelijk subjectieve voorstelling. In tegenstelling tot wat doorgaans gemeend wordt is deze zaak helemaal niet universeel. Men komt op zijn best tot een zekere consensus, een overeenstemming waarvoor het aantal gelijkgestemden op een zeker moment bepalend is. Het is uiteraard wel deze werkelijkheid die door de mensen (wetenschappelijk) onderzocht wordt en waarop het eerder door mij besproken thema van de overheersing en ook dat van de als eis gestelde vanzelfsprekendheid betrekking heeft.

Bepalend voor de levenswijze van een mens is niet datgene dat hij van zichzelf meent te weten, wat zijn mening over zichzelf is en welke voorstelling hij omtrent zichzelf heeft, maar bepalend is de werkelijkheid als bewustzijn voor zover die hem op de een of andere manier duidelijk is. Daarmee is duidelijk een werkelijkheid waarvoor geldt dat het een geheel is waarin alles met alles samenhangt, waarin het een niet door een grens van het ander gescheiden is en bijgevolg niet als een bepaaldheid kan gelden. Over die werkelijkheid, waarin wezenlijk alle afzonderlijke dingen, met verlies van de eigen bepaaldheid (identiteit, individualiteit), ondergegaan zijn gaat het bij de vraag wat bepalend is voor de levenswijze van een mens. Bepalend is dus, in het kort gezegd, het geheel. Dat schijnt te betekenen dat de mens inderdaad thuishoort in een werkelijkheid die een geheel is. Het lijkt er inderdaad op dat de mensen aldoor gelijk gehad hebben met hun opvatting dat de mens van nature in een groep thuishoort. Het is echter schijn! Ook hier hebben we weer te maken met een geval dat iets vanzelfsprekends als eis gesteld wordt: dat wat vanzelfsprekend voor het bewustzijn geldt wordt bij voorbaat als eis gesteld. De mens is vanuit het bewustzijn vanzelf een gemeenschapswezen. Dat behoeft dus niet geŽist te worden. Hij moet slechts zijn bewustzijn tot haar recht laten komen om geheel vanzelf sociaal te zijn. Dat echter vereist geen aanpassing aan een groep, maar daarentegen een zo getrouw mogelijk zichzelf zijn.

De werkelijkheid loopt uit in afzonderlijke, individuele, mensen die zelfbewust zijn. Je hebt te doen met zelfbewuste exemplaren. Het werkelijk zelfbewust zijn van zo'n exemplaar betekent noodzakelijk dat het bewustzijn volledig tot haar recht komt. Het gelden van het geheel gaat dan samen met een effectief zelfbewustzijn, of, anders gezegd: wanneer de mens zich werkelijk uitgewikkeld heeft tot een zelfbewust individu, een individu dus die zonder mankeren zichzelf is, gaat vanzelf gelden dat hij sociaal is. Hij moet zichzelf dus niet overheersen en dwingen tot een bepaald, als sociaal gewaardeerd, gedrag, maar hij behoeft slechts zichzelf te zijn. Dan hoort hij niet in een groep thuis, maar dan is hij in een groep thuis. Hoe ziet die groep er dan echter uit?

No. 19

anarchie1††† anarchie-2 (en nrs. 37, 55 en 66)

Als je de vraag stelt waarom de mensen van mening zijn dat zij van nature tot een groep behoren en dat het er dus eigenlijk om zou gaan zich als een gemeenschapswezen te laten gelden, dan krijg je onder andere dit argument te horen dat het in de maatschappij een grote anarchie zou worden als iedereen zijn eigen zin ging doen. Het begrip anarchie wordt hier onmiskenbaar negatief opgevat en het duidt dan op een stuurloze maatschappij waarin geen orde meer is en geen regels meer gelden. Stilzwijgend gaat men er daarbij van uit dat Onze maatschappij ordelijk is, dat men zich aan de regels houdt en dat men niet zijn eigen zin doet. Los daarvan echter bevestigt dit argument dat er inderdaad in termen van een groep gedacht wordt. En we weten nog steeds niet waarom dat het geval is. Uitleggen wat er zou gebeuren als alles anders was is, evenals de tegenwoordig gebruikelijke historische manier van verklaren van verschijnselen, volstrekt geen antwoord op bovengenoemde vraag. Je moet daarbij bedenken dat het niet de bedoeling is de evidentie te ontkennen dat mensen zich voortdurend aaneensluiten tot groepen. Het gaat om de vraag waarom de mensen denken dat zij van nature een groepswezen en zelfs een kuddedier zijn, terwijl alles er op wijst dat zij dat niet zijn.

De evolutie levert een aantal hoeveelheden van exemplaren op, maar er komen geen groepen ter wereld. De mens verschijnt niet als een groep, maar als een hoeveelheid exemplaren. Daarna blijkt dat die exemplaren, in tegenstelling tot andersoortige exemplaren, met elkaar groepen, collectieven, gemeenschappen en dergelijke gaan vormen, zoals zij ook netwerken van ecologische betrekkingen vormen. Waarom het gaat is dat het geheel niet van zichzelf uit bestaat, maar gevormd wordt, zodat je kunt zeggen dat mensen een geheel vormen, namelijk door, ieder voor zich, zichzelf als een geheel te laten gelden. Door dat te doen laten zij overigens ook gelden dat zij biologisch een samenhangend en ondeelbaar geheel zijn. Nu gaat het er om dat biologische geheel, dat als een bepaald exemplaar te voorschijn is gekomen, te begrijpen. Vanuit dat begrip wordt dan duidelijk hoe het met groepen, collectieven, gehelen, enzovoort zit. Gewoonlijk echter probeert men het exemplaar te begrijpen door hem te zien als het laatste element waartoe een groep bij analyse terug te brengen is. Hij is dan een element van een groep, maar in feite is daarentegen de groep een mogelijkheid van het exemplaar. Voor mensen: de enkeling (individu) is wezenlijk geen onderdeel van een groep, maar de groep is een mogelijkheid van de enkeling. Die mogelijkheid komt voor de dag bij de begrippen socialisme en communisme en in mismaakte vorm komt hij voor de dag in het fascisme en nationaal-socialisme, zoals ik nog zal laten zien. Bepalend voor iemands gedrag en dus ook voor de wijze waarop iemand zichzelf beleeft, is het bewustzijn. Bij nadenken over het begrip bewustzijn blijkt dat daarvoor de begrippen samenhang en geheel gelden, zodat je kunt stellen dat er niets uitspringt, dat het een niet door een grens van het ander gescheiden is maar dat zij in elkaar overgaan en dat de bepaaldheid niet geldt.

Bepalend is dus een samenhangend geheel en dit gaat als richtsnoer gelden voor het gedrag. Het is het samenhangende geheel waar het naar toe moet, een geheel waarin je tenslotte thuis bent en waarin je kunt leven. Dat geheel is niet iets waaruit je voortkomt, maar het is iets waarin je uitloopt. Al uitlopende daarin vorm je een geheel. Dat doe je niet omdat je dat zo wilt, maar je doet het omdat je meegaat met de werkelijkheid die zich in die richting beweegt.

 

Als het er om gaat dat de mens terecht zal komen bij de werkelijkheid als geheel, gaat het er logischerwijs om dat hij zich zo getrouw mogelijk als bewustzijn laat gelden. Dat betekent dat hij zo getrouw mogelijk de werkelijkheid zelve is. Je komt er dan op uit dat de mens geen groepswezen kan zijn maar daarentegen als verschijnsel (in dit geval: exemplaar) zo getrouw mogelijk zichzelf moet zijn, hetgeen uitgedrukt wordt door het begrip de individu, dat is de mens als individu. Deze individu loopt vanzelf, niet door zichzelf aan te passen of te dwingen, maar juist door getrouw zichzelf te zijn, uit in een geheel oftewel een gemeenschap of samenleving. Hij verenigt zich met de anderen en vormt op die wijze een vereniging. Het begrip vereniging houdt in dat zelfstandige mensen, individuen, vanzelf in het geheel uitlopen en daarvoor niets speciaals behoeven te doen, noch zichzelf of anderen te dwingen.

Uiteraard doen de mensen ervaringen op omtrent genoemde beweging van de werkelijkheid zoals die zich in de mens afspeelt. Die ervaringen worden door de onvolwassen mensen aldus vertaald dat zij gaan stellen: je moet in een gemeenschap, een collectief, een groep uitlopen. De vanzelfsprekende, natuurlijke beweging van de werkelijkheid wordt nu verminkt tot iets dat voor de mens als een plicht, een vereiste, gaat gelden. De mens is verplicht op de een of andere manier solidair te zijn, zich niet op zichzelf te laten gelden, maar daarentegen als iemand die onlosmakelijk aan anderen gebonden is. Vanuit dat vereiste, dus de een of andere soort van gemeenschap, wordt nu de enkeling beoordeeld en veroordeeld. Dat betekent dat men het bestaan van zo'n gemeenschap, van zo'n Staat, niet ter discussie stelt maar als vanzelfsprekend aanvaardt. Men vraagt zich niet af waarom er staten en andere collectieven zijn: die zijn er nu eenmaal, zo is de werkelijkheid. Zo is de werkelijkheid echter helemaal niet!

Opmerkelijk is dat het juist altijd de machtzoekers en machthebbers zijn die er op aandringen dat je solidair moet zijn, je niet op jezelf mag laten gelden en geen egoÔst mag zijn. En steeds blijkt dat je solidair moet zijn met het collectief waarvan zij de baas zijn en dat solidariteit met een ander collectief geheel en al uit den boze is. Het zijn de politici die manifestaties zijn van de als eis gestelde vanzelfsprekendheid: zij willen je dwingen je als onderdeel van een collectief te gedragen, hetgeen onmiddellijk ook betekent dat je je moet onderwerpen aan hun macht. Het zal duidelijk zijn dat deze hele zaak strijdig is met het begrip anarchisme, in de zin van het zichzelf besturen van de mens. Hoewel dat duidelijk is, wordt het toch niet door de moderne politici toegegeven. Zij zullen je er juist op wijzen dat het aan een ieder vrij staat tot welk collectief dan ook toe te treden. Daarom gaat het evenwel juist. Je moet wel ergens bij behoren!

Het feit dat de mens in de eerste plaats individu, in de hierboven beschreven betekenis, moet worden om zich met de anderen te kunnen verenigen leidt tot de conclusie dat het anarchisme een begrip is dat wezenlijk voor de mens geldt, en wel voor de mens zoals hij als verschijnsel, als exemplaar, op de planeet verschenen is. Dus: anarchisme houdt individu-zijn in, zonder enige ondergeschiktheid aan welke groep dan ook. De anarchist kan dan ook zonder schroom van zichzelf zeggen dat het hem alleen maar om hemzelf gaat. Hij kan zichzelf egoÔst noemen omdat het hem om zelfverwerkelijking gaat, wetende dat alleen dit tot de vereniging met andere mensen leidt. Dat is overigens hetgeen ook Max Stirner (Kaspar Schmidt, 1806-1856) duidelijk gesteld heeft, vooral in zijn bekende werk Der Einzige und sein Eigentum (1845).

anarchie1††† anarchie-2 (en nrs. 37, 55 en 66)

No. 20

De mens als individu is de mens die van zichzelf zegt: het gaat mij alleen maar om mezelf. Als vandaag de dag iemand zonder meer die uitspraak doet kan hij er op rekenen flinke weerstand te ontmoeten. Men beschuldigt hem prompt van egoÔsme en dat is dan bedoeld als een negatief waardeoordeel. Je mag immers geen egoÔst zijn. Je moet in de eerste plaats aan de ander denken en steeds met hem rekening houden, in die zin dat je je beheerst, je inhoudt en dat je je grenzen weet. Opmerkelijk is echter bij nadere beschouwing dat in onze cultuur vrijwel iedereen egoÔst is en daarbij in menig geval de ander niet in het minst ontziet, maar hem daarentegen zoveel als mogelijk vrijheid en goed afhandig maakt. Eigenlijk geldt juist voor die westerse moderne mensen dat zij egoÔst zijn, maar dan in de particuliere betekenis, namelijk die van het in bezit nemen van zoveel mogelijk. Is van deze egoÔst te zeggen dat hij in het teken staat van het in bezit nemen, van de echte egoÔst, namelijk de mens als individu, is te zeggen dat hij in het teken staat van het bezitter zijn.

Hoewel dat in de christelijke godsdienst wel steeds zo gesteld wordt gaat het er in de westerse cultuur niet om dat de mens zichzelf heeft te verloochenen om sociaal te kunnen zijn, maar gaat het er in die cultuur om dat de mensen zich voor zichzelf en als zichzelf ontplooien, oftewel zich ontwikkelen tot een verschijnsel waarvoor het begrip individu van kracht is. Dat dit inderdaad het geval is blijkt ook uit de geschiedenis, alleen moet je wel in de gaten hebben hoe deze zelfontplooiing voor de dag komt. De zaak manifesteert zich namelijk als een tomeloos in bezit nemen van een zo groot mogelijk deel van de werkelijkheid. De tomeloosheid hiervan wordt in de praktijk afgeremd door anderen die evenzeer tomeloos bezig zijn. Het resultaat daarvan is een min of meer evenwichtige situatie, maar de grondtoon van de zelfontplooiing is desondanks een tomeloos in bezit nemen. In een ander verband heb ik er op gewezen dat de alsnog infantiele individu een rover in optima forma is: niets is voor hem veilig. !

Filosofisch nadenkend over het verschijnsel mens blijkt dat het wezenlijk niet om het in bezit nemen gaat maar om het bezitter-zijn. Het eerste is gegrond in het zelfbewustzijn waarvoor immers geldt dat het de werkelijkheid als een verzameling afzonderlijke dingen tot inhoud heeft (de voorstelling). Als de mens zichzelf ontplooit gaat hij, op grond hiervan, proberen alles binnen te halen, maar dat kan hem nooit gelukken: het is onmogelijk alles te bezitten omdat voor de werkelijkheid als kwantitatieve zaak het begrip eindeloos veel geldt. De onvolwassen mens blijft dus eeuwig aan de gang met het in bezit nemen. Het tweede echter is gegrond in het bewustzijn. Daarvoor geldt de werkelijkheid als geheel en dat betekent dat er niets in bezit genomen behoeft te worden omdat de gehele werkelijkheid - waar alles inbegrepen is en niets aan ontbreekt reeds op algemene wijze inhoud van de mens is. Gezien vanuit de werkelijkheid als bewustzijn is de mens van nature al bezitter van de gehele werkelijkheid.

Het filosofisch nagaan van de werkelijkheid leert dat voor de volwassen mens geldt dat hij zich weer als bewustzijn laat gelden. Tengevolge hiervan is alles in hem inbegrepen, waaronder uiteraard ook de medemens. Vanuit zichzelf als zelfbewustzijn daarentegen kan hij hiervan geen weet hebben omdat er dan steeds wat ontbreekt en omdat het almaar over afzonderlijke dingen gaat die door een grens van elkaar gescheiden zijn.

Er blijft dan steeds een buitenwereld aanwezig waarmede geen rekening gehouden behoeft te worden omdat die Of onbekend is Of van geen belang wordt gevonden. Die onvolwassen mens derhalve is nog volop bezig alles te leren kennen, hetgeen op zijn wijze hetzelfde is als in bezit nemen. Deze mens staat bijgevolg in het teken van het Onvolledige en door zijn qua zelfbewustzijn gefixeerd zijn hierop kan hij zich niet als bewustzijn laten gelden zodat het hem, voor zover het hem om zichzelf gaat, te doen is om zoveel mogelijk binnen te halen. Dat is dan ook het beeld dat de wereld tot nu toe te zien geeft.

Als voor de volwassen mens geldt dat hij zichzelf weer als bewustzijn laat gelden is van hem ook te zeggen dat hij vanzelf met de andere mensen een geheel vormt en zich in de praktijk dus met de anderen verenigt. Nu echter zonder ook maar het geringste deel van zijn persoonlijkheid in te leveren. Zijn gehele persoonlijkheid staat in het teken van het geheel zodat er niets afgeremd of ontkend behoeft te worden. Ook is het onmogelijk bepaalde anderen buiten te sluiten en het is al helemaal onmogelijk het individu-zijn van de anderen te ontkennen. Hierop kom ik nog uitvoerig terug bij het bespreken van het socialisme en het communisme. Nu echter gaat het er om dat de egoÔst, de mens wie het werkelijk alleen maar om zichzelf gaat, in feite de mens is die zich getrouw als de werkelijkheid zelve laat gelden: het geheel waarin alle verschijnselen inbegrepen zijn. Juist door zichzelf consequent te laten gelden, komt dat geheel tot haar recht en daarmee alle andere al of niet levende verschijnselen. Dat is dus de betekenis van de mens als egoÔst zoals hij inhoud is van de mens als anarchist.

Het zich verenigen van de afzonderlijke mensen, op grond van het feit dat zij ieder voor zich individu zijn en dus de werkelijkheid als geheel laten gelden, levert een gemeenschap of een samenleving op. Daarbij duidt het eerste woord op het een- geheel-zijn en het tweede woord op het feit dat het bewustzijn als levensbeginsel de maat is. Je moet er overigens wat dit betreft op letten dat de cluster individu-gemeenschap in deze volwassen situatie niet bestaat uit wezenlijk Onverzoenlijke tegenstellingen, zoals hij tot nu toe door bijna iedereen opgevat wordt, maar daarentegen bestaat uit onlosmakelijk met elkaar verbonden begrippen: zonder individu geen gemeenschap en geen gemeenschap zonder individu. Wat wij tot nu toe in de wereld tegenkomen zijn geen samenlevingen, geen gemeenschappen, maar collectieven. Het woord collectief duidt een bijeengebrachte verzameling aan, bijeengebracht op grond van een gezamenlijk idee of belang. De mensen binnen zo'n collectief zijn niet bijeen op grond van hun individualiteit (ontplooid zichzelf-zijn), maar op grond van iets uitwendigs dat van buitenaf als een bindend element werkt. Teneinde dat bindmiddel effectief te laten zijn is het nodig dat de mensen zich op die binding instellen en zichzelf dus anders laten gelden dan als mensen die zichzelf zijn. Dit leidt ertoe dat een collectief, elk collectief, ver beneden de menselijke mogelijkheden blijft. Bovendien is zo'n collectief afhankelijk van op een bepaald moment geldende opvattingen bij ťlites, die in principe niets anders kunnen bedoelen dat nog meer binnen te halen. De onvolwassen mensheid is almaar bezig particulier zoveel als mogelijk binnen te halen.

Daarmee wordt de wereld steeds meer versnipperd. Het gemeenschappelijke, voor zover dat aanvankelijk aanwezig was, kan nauwelijks meer tot haar recht komen, zodat het uitzicht op een vredelievende, saamhorige wereld almaar meer verduisterd wordt. Toch is het langs deze weg dat tenslotte de individu te voorschijn kan komen en de mensheid een gemeenschap kan vormen.

No. 21

verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

Zoals ik geprobeerd heb duidelijk te maken komt de mens als een enkeling ter wereld: hij verschijnt als manifestatie van het begrip absolute ik en niet als de een of andere vorm van het begrip wij. Tijdens zijn ontwikkeling tot volwassenheid gaat het dan ook in het geheel niet om het zich transformeren tot een sociaal lid van een samenhangend geheel, zoals denkers van de Verlichting ons zo graag willen doen geloven, maar daarentegen gaat het om het vinden, zelfbewust maken en uitwikkelen van het begrip absolute ik, hetgeen neerkomt op het getrouw laten gelden van de eigen, met de werkelijkheid overeenstemmende, identiteit. Dit houdt overigens niet per se in dat de mensen zelf weten wat er met henzelf en met de anderen gaande is. Dit proces van verzelfstandiging is te benoemen als een egoÔstisch proces, maar het merkwaardige is dat vrijwel niemand wil erkennen dat hij zich als een egoÔst laat gelden. Voor een deel is dat te verklaren uit het feit dat men egoÔsme negatief vindt, vanuit een vaag besef van het geheel, dat behoort bij de mens als bewustzijn. Naar zijn huidige inhoud is het egoÔsme inderdaad negatief.

In onze tijd is die egoÔstische ontwikkeling centraal komen te staan, uiteraard zonder dat het gros van de mensen dat in de gaten heeft. Men beweert nog steeds dat egoÔsme geen pas heeft en dat het om de gemeenschap gaat, maar er is nauwelijks iemand te vinden die dit in zijn gedrag tot uitdrukking laat komen. En eigenlijk moet je zelfs zeggen: tot uitdrukking kan laten komen. Wat je wel om je heen ziet is in toenemende mate asociaal (=niet-collectief) gedrag, en wel in alle lagen van de bevolking. De mens als absolute ik begint onverbloemd te voorschijn te komen. Het is gemakkelijk in te zien dat dit om te beginnen en voorlopig geen aangename aangelegenheid is: allerlei vanuit de mensheid als collectief ingestelde gemeenschappelijke voorzieningen raken uitgehold, enerzijds omdat geen enkele overheid er meer inhoud aan kan geven en anderzijds omdat niemand er meer dankbaar voor kan zijn. Ook bij de zogenaamde overheden was het collectieve besef in het begin van deze eeuw wel degelijk sterker dan thans. In die tijd werden er dan ook, uiteraard onder druk van de omstandigheden en van de wakker wordende bevolking, allerlei sociale maatregelen genomen. Het collectief, dat een machts- en geweldssysteem is, bond de mensen onvrijwillig samen - niemand heeft bijvoorbeeld destijds gevraagd tot Het Koninkrijk der Nederlanden te mogen behoren - en meer of minder tegen hun zin moesten zij offers brengen (het begrip plicht) om die collectie in stand te houden. Maar bij het centraal komen te staan van de mens als absolute ik sneuvelt dat collectief met alles wat daarbij behoort. Een tijdlang wordt het dan nog met kunst en vliegwerk in stand gehouden, maar duidelijk merkbaar is dat de betekenis van de zaak verloren gaat. Bezien vanuit de eerder genoemde voorzieningen, die op hun Onvolkomen wijze toch wel degelijk in het licht (maar niet meer dan dat!) van de werkelijkheid als geheel stonden, is deze tijd van letterlijke ontbinding een slechte tijd, hoewel het tegelijkertijd een grote stap voorwaarts is.

Met dit soort van zaken moet je er op letten dat vooruitgang zich lang niet altijd op een aangename wijze verwerkelijkt. Het is de vergissing van menig cultuurfilosoof dat hij ongewild slechts op die verschijnselen acht slaat die hij, vanuit zijn eigen conditioneringen, als positief beoordeelt. Daardoor ontgaat hem wat er werkelijk aan de hand is en dat leidt dan weer tot onzinnige voorspellingen en vaak ook slechte maatregelen van overheidswege...

Het begin van het verval van het collectieve zelfbewustzijn wordt gekenmerkt door een enorme leeghoofdigheid, die veroorzaakt wordt door de alsnog onwetende en zelfs wantrouwende houding tegenover de eigen ontluikende identiteit. Zozeer verkeert men in het ongewisse dat er bij veel mensen een verlangen ontstaat naar nieuwe, in feite natuurlijk ouderwetse, zekerheden, welk verlangen aanleiding geeft tot enerzijds het tarten van de nog bestaande machten en anderzijds tot het aanvaarden van nieuwe machthebbers. Het spreekt vanzelf dat dergelijke verschijnselen gevaarlijk zijn, maar juist omdat je te doen hebt met het begin van individuele zelfverwerkelijking neemt het gevaar van autoritaire en dictatoriale ontwikkelingen relatief snel af. Het is zelfs zo dat de ontvankelijkheid van mensen voor dictatoriale systemen heel rap afneemt, tegelijk namelijk met het collectieve denken. Dergelijke systemen kunnen gelukkig alleen maar floreren binnen een collectivistische cultuur.

Gaandeweg ontbindt de moderne mens zijn op collectieven gebaseerde maatschappij omdat zich het besef versterkt enkeling, individu te zijn met de daarbij behorende zelfbewuste identiteit. Naarmate dat echter het geval is komt er een verschijnsel te voorschijn dat zichzelf naar waarheid kent en zich laat gelden naar beide aspecten, namelijk de werkelijkheid als bewustzijn en de werkelijkheid als zelfbewustzijn. Gevolg hiervan is dat de enkeling zich, individu zijnde, gaat laten gelden als het geheel. Hij is dan om zo te zeggen op zijn wijze het geheel. Omdat hij dat dan is kan hij zich als een vrij mens laten gelden en als zodanig met de andere vrije mensen besluiten nemen en regelingen treffen ter wille van het welzijn van het geheel. De volwassen vrije mens, de individu, die op zijn eigen unieke wijze het geheel is, is het volstrekte tegendeel van het kuddedier. Hij heeft met zichzelf de gehele werkelijkheid terechtgebracht. Hij vormt en vervult dat geheel en zodoende kan van onderwerping aan dat geheel geen sprake zijn. De enkeling is niet langer iets verplicht aan het geheel, sterker nog: de enkeling is nu niet meer afhankelijk van en ondergeschikt aan het geheel, maar andersom is het geheel afhankelijk van de (kwaliteit van de) enkelingen. Een betere kwaliteit van het geheel, dus de samenleving of de gemeenschap, is niet mogelijk.

Men hoort vaak de mening verkondigen dat de oermensen in kudden geleefd zouden hebben en dat er van een eigen individualiteit geen sprake geweest zou zijn. Die mening is in strijd met de logica: de oermensen hebben niet in kudden maar in gemeenschappen geleefd. Door de nog geringe ontwikkeling van het zelfbewustzijn was er nog geen verwaarlozing van het bewustzijn en vanwege dit laatste lag het besef van het geheel op de voorgrond. Dat de individualiteit ontbroken zou hebben is evenzeer een misvatting. Die individualiteit was ten volle aanwezig, alleen ontbrak de inhoud er voorlopig nog aan. Je kunt spreken van een lege of inhoudsloze individualiteit. Dat echter is wel degelijk individualiteit. Je moet namelijk opletten de zaak niet met zijn inhoud te verwarren. De oermens is wezenlijk gelijk aan de volwassen mens zoals die tenslotte op zal treden, alleen met dit verschil dat hij zich qua zelfbewustzijn nog een inhoud zal moeten verwerven.

 

Dat betekent ook dat hij nog een bepaald individu met een eigen identiteit zal moeten worden, een egoÔst die het alleen maar om zichzelf te doen is. Dat moet gerealiseerd worden via het inhoud geven aan zichzelf als ik. Daarmee gaan alle verhoudingen in en van de werkelijkheid gelden. Naarmate dat het geval is vormt zich iemands identiteit, dit begrip betekent namelijk: individualiteit met geconcretiseerde inhoud. Maar individu als zodanig is de (oer)mens onmiddellijk bij zijn verschijnen.

verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

 

No. 22

 

Vooral sinds de tweede wereldoorlog is aan de oppervlakte gekomen dat de westerse cultuur draait om de ontwikkeling van de mens tot individu. Het gaat daarbij niet alleen om de rechten van de enkeling, zijn erkende aanwezigheid temidden van de andere mensen, maar vooral ook om de persoonlijke ontwikkeling tot dat merkwaardige laatste verschijnsel dat in de kosmos te voorschijn komt. In beginsel is bedoelde individu er thans, maar uiteraard is hij om te beginnen nog volkomen losgeslagen ten gevolge van zijn eigen activiteiten om het collectief te ontbinden. Die losgeslagen individu is niet bepaald prettig in de omgang: alles wat maar even naar een collectiviteit riekt wekt zijn agressie op en zelfs de drang om de zaak te vernietigen. Wij kunnen dat betreuren en vinden dat er weer een collectieve ideologie zou moeten komen zodat die losgeslagen individu zich weer ergens bij thuis kan gaan voelen, maar in feite is dat een teruggrijpen op voorbije wereld- en levensbeschouwingen. Het getuigt van meer begrip van de werkelijkheid als je die nieuwe ontbindende ontwikkeling ondanks alle er aan meekomende ellende probeert te begrijpen als weer een stap verder op de weg naar de volwassenheid. Een volwassen mensheid in een leefbare wereld is volstrekt niet denkbaar en mogelijk zonder vrije, zelfstandige en geŽmancipeerde enkelingen, en dus moet er aan die gezellige wereld een periode van asociaal vandalisme voorafgaan...

 

Bij de toekomstige volwassen mens is de gehele werkelijkheid inbegrepen, niet in de zin van het begrip bezit (= er op zitten in de betekenis van in beslag nemen) maar in de betekenis van eigendom (= weten dat het je eigen onvervreemdbare werkelijkheid is). Die volwassen mens sluit noodzakelijk niets buiten en dus verwaarloost hij niets, noch beschouwt hij iets als minder- of meerwaardig. Volgens het westerse analytische denken evenwel kan de tot het einde uitgewikkelde individu alleen maar afstoten, dat wil zeggen: alles buiten zich sluiten, zich van alles vervreemden. Dit denken echter kan niet tot klaarheid brengen dat in de uitgewikkelde individu de werkelijkheid zelve, zij het niet op de wijze van een verzameling verschijnselen, maar op de wijze van een samenhangend. Het kan slechts datgene dat het aantreft geheel, voor de dag is gekomen extrapoleren, dat wil zeggen: uitrekenen hoe een bepaalde situatie er in de toekomst uit zal zien. De toekomst is dan niet meer dan het tot in het extreme doorgerekende heden. Dat heden betreft de losgeslagen onvolwassen mens en dus levert de berekening van de toekomst een volslagen asociale idioot op, hetgeen een onmogelijkheid is. Immers: al datgene dat de hedendaagse mens nog niet vertonen kan (alsnog latent is) blijft in de berekening buiten beschouwing, terwijl juist het onvolkomene, het gebrekkige en het armoedige naar de toekomst worden doorgerekend. In feite evenwel moet alles inbegrepen worden en dan komt er op den duur een alles omvattend mens te voorschijn, een mens bij wie alles en iedereen terechtkan en thuis is. Voor die mens is immers de werkelijkheid als bewustzijn gaan gelden!

 

Al eerder, in verband met het begrip nihilisme, heb ik er op gewezen dat de mens een verschijnsel is dat nergens bij behoort. Hij heeft geen verleden en hij heeft geen toekomst, in die zin dat hij enerzijds de onontkoombare gedragswetten van de werkelijkheid als natuur achter zich heeft gelaten en anderzijds niet is overgegaan in wat anders. Dat andere zou dan de werkelijkheid als niet-materie, oftewel het begrip geest, zijn. Zoals gezegd hangt de mens als het ware tussen de materie en de geest in.

 

En ik heb er ook op gewezen dat je dit moet opvatten als een op ontkende wijze aanwezig zijn van genoemde natuurlijke en geestelijke werkelijkheden. En dat ontkend aanwezig zijn is hetzelfde als het begrip onafhankelijkheid. Die onafhankelijke tussen figuur is niet onderworpen aan iets dat na hem zou kunnen komen en tegelijkertijd kan hij datgene dat aan hem vooraf ging niet aan zich onderwerpen - wat hij maar al te vaak vergeet. Aan dat voorafgaande is hij bovendien niet meer via natuurwetten gebonden, behalve uiteraard een aantal puur biologische wetten die voor hem gelden voor zover hij ook nog zonder meer organisme is. De mens staat dus qua handelend verschijnsel volkomen vrij van de geworden werkelijkheid en de beweeglijkheden als voorbije werkelijkheid (het begrip geest) dat houdt in dat hij zonder enige uitzondering alles zelf moet doen. Hierop berust de uitspraak: de mens bestuurt zichzelf, hetgeen voor onze filosofie betekent dat de mens doormiddel van het begrip anarchist gedefinieerd kan worden.

 

Als conclusie van onze gedachtegang over de begrippen groep, individu, egoÔst en dergelijke moet logischerwijs ook meegerekend worden dat het steeds gaat om de mens als enkeling, die zich ontwikkelt tot een volwassen mens: de individu, een ontwikkeling die manifest wordt in de cultuurgeschiedenis. Het is deze individu om wie alles draait en dat komt ook bij het anarchisme voor de dag als iets essentieels. Als je aan iemand die politiek denkt, zoals de meeste moderne mensen doen zonder dat dit overigens behoeft te betekenen dat zij zich in de praktijk bezig houden met de concrete partijpolitiek, vraagt of het waar is dat de mens zichzelf bestuurt, zal hij onmiddellijk een bevestigend antwoord geven. Hij zal daarbij wijzen op gangbare democratie waarin volgens hem de mensen, via verkiezingen, de gang van zaken en het beleid bepalen. Die worden volgens hem niet bepaald door marsmannetjes of andere buitenaardse wezens, terwijl een god, als hij inderdaad de wereld zou regeren, dat toch doormiddel van de mens zou moeten doen. Kortom, volgens het gebruikelijke denken is het wel degelijk de mens zelf die de wereld, en dus zichzelf, bestuurt en hij doet dat doormiddel van allerlei instellingen. Terechte vragen zoals de vraag of een dergelijke voorstelling van zaken wel overeenkomt met de realiteit, of de vraag of de mensen inderdaad medezeggenschap hebben, laat ik nu buiten beschouwing omdat het in ieder geval waar is dat we te doen hebben met puur mensenwerk.

 

Aan de gedachte de mens bestuurt zichzelf moet dus nog iets toegevoegd worden en dat is nu juist het gegeven dat het over de mens als individu gaat. De verhouding ligt dus zo dat jij jezelf bestuurt en dat ik dat ook doe, en pas wanneer dat het geval is kun je spreken van anarchisme. Als dit anarchisme op den duur tot een zelfbewuste zaak is uitgegroeid is het noodzakelijk onmogelijk geworden dat de ene mens over de andere macht uitoefent. Ook ons huidige democratische systeem kan dan niet langer in stand gehouden worden omdat het door en door een machtssysteem is. Ons begrip democratie slaat immers alleen maar op het legitimeren van de macht en niet op de macht zelf. Tot op heden richt het (theoretische) anarchisme zich vrijwel uitsluitend op het laatstgenoemde aspect van de maatschappij.

Men pretendeert wel zonder macht te denken, maar intussen houdt men blijmoedig staande dat de afzonderlijke mensen, die de basis vormen, vertegenwoordigd moeten worden door afgevaardigden, die weliswaar een beperkte en tijdelijke macht hebben, maar die toch via hun volmachten macht hebben en uitoefenen. Hoewel een dergelijk systeem verre te verkiezen is boven ons huidige is het toch een machtssysteem, in feite geen absoluut maar een relatief. En ook in dat systeem komt onvermijdelijk de mens als individu in de verdrukking.

 

No. 23

Sociaal Democratie ; Liberale Democratie ; Parlementaire Democratie ; verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ; Fukuyama1 ; Fukuyama2 ;

 

 

In feite kan anarchisme, net als de andere drie begrippen uit De Grote Vierslag, geen ideologie zijn. In de aanvang van deze gedachtegang over de begrippen nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme heb ik er al op gewezen dat het zelfs uitermate misleidend is als je deze begrippen als een ideaal, uiteraard voor in de toekomst, stelt. Een ideologie ervan maken is natuurlijk helemaal verkeerd, alleen al vanwege het feit dat daarbij het collectief, de eenheidsgroep, een essentiŽle (maar uiterst kwalijke) rol speelt. In zo'n groep kan geen enkel mens overeenkomstig het begrip individu gelden en, daarmee samenhangend, zichzelf besturen. Ondanks het feit dat het onmogelijk is van het anarchisme een ideaal of een ideologie te maken, blijkt het in de praktijk heel vaak voor te komen dat goedwillende, vooruitstrevende mensen dat toch doen. Daarmee wordt het uitgesloten dat er nog zinvol over anarchisme nagedacht kan worden. Zelfs de op een dergelijk anarchisme gegronde maatschappij visie, die inderdaad heel wat beter is dan de tegenwoordig gangbare zogenaamd democratische, wordt dan inconsistent, oftewel in zichzelf strijdig.

Als je in je filosofie zoveel mogelijk in overeenstemming wilt blijven met het taalgebruik en de daarin voorkomende termen en begrippen, loop je in discussies voortdurend het risico dat men op trefwoorden reageert. Men laat dan zonder meer de eigen persoonlijke inhoud van een woord gelden, zonder zelfs maar te overwegen of je wellicht een andere, meer algemene, inhoud bedoelt. Als gevolg daarvan ontstaat niet alleen een gigantische spraakverwarring, maar vaak ook een onnodige vijandigheid omdat men vindt dat men het volkomen met je Oneens is. Op het ogenblik is dat aan de gang bij de discussie over de vraag of de liberale democratie van de (Japanse) Amerikaan Francis Fukuyama al of niet de overwinning over alle andere stelsels heeft behaald. Doordat Fukuyama de term liberaal gebruikt, als kwalificatie voor een democratie waarin de afzonderlijke mensen als individu gelden en dus volledig erkend en vrij zijn, valt zo ongeveer iedereen over hem heen en haast zich uit te leggen dat het liberalisme allang afgedaan heeft, namelijk met het doorzetten van de sociaal-democratie. Men heeft daarbij aan de term liberaal zonder meer zijn eigen persoonlijke inhoud toegekend en niet overwogen dat hij in het betoog van Fukuyama wel eens zijn oorspronkelijke betekenis zou kunnen hebben. Dergelijke problemen kom je ook tegen als het gaat over de begrippen van De Grote Vierslag. Toch is het goed de betreffende termen te blijven gebruiken, want aan een filosofisch verhaal met ongewone termen heeft niemand iets - of juist iedereen, maar dan op de verkeerde manier. !

 

De gedachte dat de mens zichzelf zou moeten besturen hangt ten nauwste samen met het sinds de Verlichting (18 e eeuw) doorgebroken besef dat de wereld opgebouwd moet worden, en wel, uiteraard, door de mensen. Zoals ook met de andere begrippen uit De Grote Vierslag het geval is, komt ook het begrip anarchisme herkenbaar te voorschijn sinds de Verlichting.

 

Vrijwel ieder modern mens zal dan ook beamen dat de mens zichzelf bestuurt alleen wordt die mens dan wel automatisch opgevat als een onderdeel van een collectief. De mens als onderdeel van een collectief kan allerlei vormen aannemen: van leider via vertegenwoordiger tot en met volledig aan het collectief ondergeschikte. Als je als vanzelfsprekend aanneemt dat een zichzelf besturend mens alleen maar in zo'n collectieve situatie kan bestaan, dan is het inderdaad geen probleem om te bevestigen dat de mens zichzelf bestuurt. Op heel grote problemen stuit je echter als je het over de mens als individu, als eenling wenst te hebben.

 

Vrijwel niemand ziet dan nog een mogelijkheid voor de wereld. Toch ligt hier het (mijn) filosofische begrip anarchisme.

 

Om duidelijkheid te verkrijgen omtrent het begrip anarchisme, in de zin van het zichzelf besturend individu, is het dienstig het begrip besturen nader te overdenken. Bij onderzoek blijkt dat dit begrip doorgaans gebezigd wordt in de betekenis van regeren. Te zeggen is dat dit de ouderwetse betekenis is, stammend uit een tijd waarin het besef van de mens als individu nog niet voor de dag gekomen was. Regeren heeft dan ook deze inhoud dat de wil van iemand (die daartoe bij machte is) onvoorwaardelijk omgezet wordt tot een door die machtige bedoelde handeling. Essentieel hierbij is de doelgerichte wil van die machtige en tegelijkertijd het werktuig-zijn van diegene die de bedoelde handeling verricht. Vroeger noemde men het mechaniek van een pijporgel het regeerwerk, en dat is tekenend voor het begrip regeren: de wil van de organist wordt, via diens vinger en vervolgens via een stelsel van draden, stangen, tuimelaars en kleppen, nauwkeurig omgezet tot een bepaalde toon die uit een bepaalde pijp komt. Het orgel zelf heeft niets in te brengen, het is er ten dienste van de wil van de kunstenaar. Deze weet van tevoren wat er moet en zal gebeuren. Op overeenkomstige wijze geschiedt het regeren van mensen, die daarbij uiteraard ook niets te vertellen hebben. Zij hebben slechts te gehoorzamen.

 

Het begrip besturen heeft een geheel andere betekenis. Weliswaar moet er iets gebeuren, maar dat is niet een voorspelbare handeling! Hetgeen gebeuren moet is dat de richting van een bestaand proces zodanig wordt dat een bepaald doel bereikt wordt. Het duidelijkst is dat bij het besturen van een auto: er moet een zeker doel bereikt worden; daartoe moet de zich voortbewegende automobiel almaar bijgestuurd worden opdat hij niet van de weg afraakt. Het ergens naar toe gaan bestaat dus uit een zich voortbewegen, de voortdurende controle daarop en het corrigeren naar aanleiding daarvan. Van een rechtstreekse overbrenging van iemands wil is geen sprake. Om het gestelde doel te bereiken moeten geheel andere dingen gedaan en gelaten worden.

 

Het begrip regeren houdt in dat er deterministisch over de werkelijkheid gedacht wordt. Uitgaande van een bepaald punt (de wil van de organist) is het nauwkeurig voorspelbaar wat er te gebeuren staat. Gaat het over een regerende machthebber, dan is het de bedoeling dat ook zijn wil voorspelbare gevolgen heeft. Het begrip besturen echter is totaal niet deterministisch: het is absoluut niet te voorspellen wat er gebeuren gaat, zelfs niet of het doel ooit bereikt zal worden. De zichzelf besturende mens mag dus onder geen voorwaarde deterministisch gedacht worden. Het leven laat zich geenszins voorspellen en dat is ook het geval in de door de mensen gevormde maatschappij waarin de individuen zichzelf besturen.

 

Deze individuen beseffen wel waar het naar toe moet, maar wat zij in de praktijk doen is zichzelf en waar nodig en mogelijk anderen, voortdurend bijsturen teneinde niet van de weg af te geraken. Het is dus geen zaak van zijn wil opleggen aan het leven, maar daarentegen een zaak van het vrij laten ervan, het in de gaten houden en waar nodig bijsturen. Zoiets is niet mogelijk van buitenaf, bijvoorbeeld door iemand anders of vanuit een of andere theorie, het is een activiteit van het levende verschijnsel zelf. Elke vorm van macht is derhalve uitgesloten, maar ook een collectief handelen. De zaak kan niet anders dan individueel zijn...

Sociaal Democratie ; Liberale Democratie ; Parlementaire Democratie ; verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ; Fukuyama1 ; Fukuyama2 ;

 

No. 24

Houvast nrs. 24 t/m 26 ;

De term regeren wordt tegenwoordig niet meer zoveel gebruikt en voor zover dat nog wel het geval is bedoelt men eigenlijk besturen. Men haalt de woorden min of meer door elkaar, maar als het gaat over de een of andere vorst, dan voelt men wel aan dat het woord regeren gebruikt moet worden, zelfs als deze persoon absoluut niets te vertellen heeft. Men verbindt met zo iemand intuÔtief het onvoorwaardelijk ten uitvoer leggen van zijn wil (gehoorzamen aan het bevel) zonder dat daarover enige discussie mogelijk is. Inderdaad stamt een dergelijke gang van zaken uit een vroegere tijd van absolute heersers. In de praktijk komt dit nog voor bij dictators, waarvan overigens het aantal tegenwoordig aanzienlijk afgenomen is. Het begrip regeren is, in maatschappelijke zin, zo langzamerhand geheel uit de tijd geraakt en het wordt terecht nog slechts gebezigd in verband met bijvoorbeeld een archaÔsche instelling als de monarchie of de godsdienst.

Het begrip regeren geldt voor een mechanistische zaak: als ergens een impuls wordt gegeven treedt er een mechanisch systeem, een mechanisme, in werking dat tot een resultaat leidt dat al bij voorbaat, bij het geven van die impuls, met zekerheid voorspeld kon worden. Een mechanisch systeem kan niet vanuit zichzelf in werking treden maar wordt van buitenaf door een impuls in werking gesteld, het is beheersbaar en het is voorspelbaar. Hierop is van toepassing het begrip gedetermineerd zijn en dit is een begrip dat in de moderne wereld een buitengewoon essentiŽle rol speelt. Het begon al van invloed te worden in de 17 e eeuw, onder andere door Renť Descartes (1596-1650), Isaac Newton (1643-1727) en een aantal denkers uit de Angelsaksische traditie, welke traditie thans uitgelopen is in het positivisme dat alleen maar het empirisch (proefondervindelijk) kenbare als informatie voor het denken aanvaardt. Volgens deze opvattingen is de werkelijkheid te kennen en haar werkzaamheid te voorspellen zodra de mens de beschikking heeft over deugdelijke theorieŽn en voldoende gegevens. In de loop der tijd heeft men weliswaar zijn mening over de betrouwbaarheid van theorieŽn en de juistheid van gegevens wel behoorlijk bijgesteld, maar in de grond van de zaak gelooft bijna iedereen nog steeds (ten onrechte) in de berekenbaarheid en voorspelbaarheid van de werkelijkheid. Er is wel degelijk nog te spreken van een mechanistisch wereldbeeld...

Voor zover het over maatschappelijke zaken gaat is het mechanistische wereldbeeld uit de tijd, hoewel het, min of meer onbewust, nog steeds als paradigma (model) voor de politiek en de economie fungeert. Geen wonder dat die steeds meer falen, buiten de realiteit komen te staan en zelfs remmend werken. En op het terrein van de levende werkelijkheid is het mechanistische denken altijd al funest geweest. Dat is echter niet het geval in de technologie: daarin moeten bepaalde impulsen nog steeds tot voorspelbare resultaten leiden en dat is natuurlijk volkomen terecht.

Het uit de tijd zijn van mechanistische denkbeelden houdt dan ook niet in dat de zaak ongeldig is geworden; het betekent alleen maar dat het terrein waarop dat denken geldig is nauwkeuriger afgebakend wordt: het terrein van de technologie. Maar de wetenschap, en dan vooral de natuurkunde, heeft het mechanistische denken noodgedwongen moeten verlaten toen bleek dat er op subatomair niveau niets van deugde, althans niets mee te beginnen was. De quantum mechanica is een sprekend voorbeeld van een niet-mechanistische wijze van denken. Voor een groot deel is de moderne filosofie, met haar gericht zijn op de analyse van de menselijke voorstelling en kennis, nog steeds mechanistisch bezig. Toch heeft bijvoorbeeld Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831) al onmiskenbaar een organisch dynamische wijze van denken.

Hij verzette zich destijds al heftig tegen het verstandelijke denken als het gaat om inzicht in de werkelijkheid. Het denken van deze filosoof komt tegenwoordig, met het definitief onbruikbaar worden van het mechanistische denken, gaandeweg wat meer in de belangstelling.

Voor de mens als anarchist is het mechanistische denken helemaal uit den boze: hij laat immers gelden dat hij als individu zichzelf bestuurt en dat er van regeren - in alle betekenissen van het woord - geen sprake kan zijn. Toch is die anarchist op weg ergens naar toe. Er is een doel waarheen hij al levend op weg is, en dat doel is er ook als hij er zich helemaal niet van bewust is. Zeg maar: hij is op weg naar een goede wereld. Zijn leven begint ergens en het eindigt ergens bij het goede. De weg echter naar dit doel is niet van tevoren uit te stippelen en evenmin is het doel concreet te modelleren. Je kunt niet bepalen wat de weg is en wat het doel. Maar wel kun je nagaan welke verhoudingen er voor de weg en het doel gelden. Het begrip besturen betekent dan ook in feite dat je ervoor zorgt dat die verhoudingen zo helder mogelijk worden en bijgevolg voortdurend tot hun recht komen om tenslotte ten voeten uit te staan. In die zin is te zeggen dat het einddoel vaststaat, namelijk als complex van werkelijke verhoudingen. Niet echter als een onwrikbaar, van tevoren concreet uitgewerkt plan. Dit laatste is uiteraard nogal onverteerbaar voor de stiekem mechanistisch denkende moderne mensen en dus maken zij onder elkaar ruzie over de vraag Of er wel een einddoel is!

Alles wat leeft is in beweging en is als zodanig de uitdrukking van een doelgericht proces, waarbij het doel niet concreet is, maar een complex van dynamische verhoudingen. Er is echter, zoals steeds, een onderscheid tussen het karakter van dat proces bij de levende wezens in het algemeen en bij de mens. De niet-menselijke levende wezens behoeven zelf het levensproces niet te besturen (bij te sturen) omdat het besturingssysteem in die wezens zelf aanwezig is. Er is een natuurlijk bijsturingsprogramma dat in het bewustzijn van het natuurlijke leven ingebed ligt. Leven binnen het eigen milieu is leven in samenhang met en reagerend op de werkelijkheid, uiteraard de werkelijkheid naar haar algemene waarheid (de echte werkelijkheid) zoals die zich als bewustzijn manifesteert en laat gelden. Het natuurlijke bijsturen is dus een aspect van het leven zelf.

Bij de mens ligt dat echter anders omdat hij, zoals ik al eerder uitgelegd heb, het proces van de werkelijkheid ten einde is en bijgevolg een manifestatie is van de ontkende natuurlijke werkelijkheid. In hem is dus het vanuit zichzelf werkzame bijsturingsprogramma op ontkende wijze aanwezig en dat betekent voor hem dat hij er persoonlijk zorg voor moet dragen het spoor niet bijster te raken.

Dat betekent niet dat hij voor hem uitgestippelde paden zou moeten bewandelen (zoals de moraal en de ethiek doorgaans willen), maar het betekent daarentegen dat hij de verhoudingen niet uit het oog moet verliezen. In zekere zin is het dus een programma van zichzelf voortdurend herzien. De behoefte van de mensen om zichzelf houvast te verschaffen doormiddel van moraal en ethiek en doormiddel van het geloof in het bestaan van een geweten en een intrinsieke norm voor goed en kwaad is terug te voeren tot de noodzaak zichzelf op het rechte pad te houden. Genoemde behoefte is in principe best in orde, maar wat ermee gedaan wordt deugt doorgaans van geen kanten, juist omdat de zaak ontaardt in een stelsel van concrete voorschriften in de zin van dit mag wel en dat mag niet. Maar het gaat juist om iets dat helemaal niet concreet is: zowel de weg als het doel zijn immers slechts te begrijpen als een complex van beweeglijke verhoudingen! Ieder voorschrift en iedere concrete voorstelling van een zogenaamd doel zijn dan ook funest voor het zichzelf besturen.

Bladwijzers: Paradigma(0) Ė lees nr. 24 ; Paradigma(1) Ė lees o.a. de nrs. 29 t/m 31 ;  Een veilige wereld(pag.47) ;

No. 25†††† Solidariteit/Verantwoordelijkheid-1 ;verantwoordelijkheid-2 ; verantwoordelijkheid-3

Het is noodzakelijk dat de mens de verhoudingen niet uit het oog verliest en dat hij zichzelf voortdurend herziet. Hij is daarmee dan ook almaar bezig, maar tot op de dag van vandaag weet hij nauwelijks waarom hij dat doet en welke normen hij aan moet leggen. Tengevolge van deze onwetendheid maakt hij er een stelsel van voorschriften, geboden en verboden, zonde, schuld en boete van. Dat ethische stelsel heeft als complex van wetten niets te maken met de zaak waarop het, zonder dat de mensen dat weten, gegrond is: de vierslag van begrippen zoals die voor de mens met betrekking tot zijn existentie, zijn dagelijks leven, gelden. Hij is evenwel niet zonder een vaag vermoeden van de verhoudingen die voor hem gelden en op grond daarvan vindt hij dat hij moreel tot van alles verplicht is, zaken die hij zo streng mogelijk vastlegt. Zoals steeds: het vanzelfsprekend geldende wordt, doordat het niet begrepen wordt, tot een gestelde eis en dat leidt onvermijdelijk tot een mens die van zichzelf vervreemd is. Die vervreemding speelt de mens ook parten als het gaat over het ontwikkelingsproces van de mensen tot vertegenwoordigers van het begrip individu. Oppervlakkig beschouwd lijkt het namelijk alsof het worden tot individu een negatieve zaak is, vanwege het steeds meer vervallen van het saamhorige en collectieve. Eerst waren de mensen met elkaar een saamhorige verzameling, maar vooral tegenwoordig wordt duidelijk dat dit geheel uiteenvalt in steeds kleinere groepen, totdat tenslotte het kleinste element voor de dag komt: de mens als enkeling, die eigenlijk gedefinieerd zou moeten worden als de mens als opgesplitste of ontbonden groep. Uiteraard is die enkeling zijn thuis, in de vorm van de gemeenschap, kwijt.

Je zou dus geneigd zijn hem asociaal te noemen en op grond daarvan gaan zoeken naar een mogelijkheid om hem opnieuw solidariteit en verantwoordelijkheid bij te brengen. En dat is inderdaad het streven van een ieder die zich verkijkt op de oppervlakkige symptomen van het groeiproces in de mensheid. Tegenwoordig is de roep om een nieuwe samenbindende ideologie dan ook overal te horen, niet in het minst bij diegenen die voor hun machtshonger afhankelijk zijn van groepen van mensen, de door mij genoemde collectieven.

De bovenstaande gedachtegang is ergens blijven steken, namelijk bij de enkeling als opgesplitste groep. Omdat het uitgangspunt hierbij de groep is, namelijk de opvatting dat de mensen om te kunnen overleven noodzakelijkerwijs in een groep thuishoren, loopt die gedachtegang vanzelf vast als die groep tot in zijn kleinste element opgesplitst is.

En men kan dan niet veel meer doen dan terugverlangen naar vroeger toen de mensen (schijnbaar) nog sociaal waren. Gelukkig echter is deze gedachtegang in zoverre fout dat de mensen helemaal geen kuddedieren zijn. Dat betekent dat het zich verwerkelijken als enkeling en tenslotte als individu geen negatieve zaak is en dat je de gedachtegang wel degelijk door kunt zetten nadat de enkeling als opgesplitste groep voor de dag is gekomen. Wat er namelijk voor de dag gekomen is, is de mens die in begin en beginsel het begrip individu vertegenwoordigt. Voor deze mens gelden de begrippen uit de vierslag en deze gelden op een zodanige wijze dat zij op zichzelf zijn, dat wil zeggen: volstrekt Onafhankelijk functioneren. Voordat deze individu er is en zelfs nog in het stadium van enkeling als opgesplitste groep functioneert de vierslag in genen dele als een onafhankelijke zaak. Het is dan immers nog de groep die bepalend en maatgevend is voor de afzonderlijke mens. Die groep, vertegenwoordigd door machthebbers zoals priesters, vorsten, democratisch gekozen bestuurders en dergelijke, is eigenlijk een soort van gevangenis voor de afzonderlijke mensen en hij maakt het onmogelijk dat de vierslag kan functioneren.

 Het is overigens een kwestie van wisselwerking want het bestaan van een maat- gevende groep (=collectief) is op zijn beurt weer een gevolg van het gelden van de vierslag als een onbegrepen drijfveer voor het gedrag van de mensen.

 De moderne mens als enkeling, die zich uit de groep heeft losgemaakt, heeft zich bevrijd van de kluisters van het collectief. Zo is hij de basis voor de mens als individu voor wie de begrippen uit de vierslag vrijelijk gelden. Deze individu lag al klaar in de mens die nog maar net op de planeet verschenen was, maar die er nog niets van kon begrijpen en laten gelden. Waaraan deze mens noodgedwongen was uitgeleverd waren de in een maatgevend collectief geperste begrippen van De Grote Vierslag, begrippen bijgevolg die geen begrippen meer waren maar regels en wetten, zich vertonend als moraal, zeden en ethiek. De moderne mens is een asociale boef. Hij heeft zich losgemaakt van de regels en wetten door zich uit het collectief te bevrijden, maar hij is nog niet verder gekomen dan het stadium van opgesplitste groep. In zekere zin vindt hij het jammer er niet meer bij te horen en daarom zoekt hij een nieuw tehuis, voornamelijk door alles wat zich als gemeenschappelijk voordoet te tarten. Daarmee veroorzaakt hij een onveilige, verwaarloosde, hysterische en vooral liefdeloze wereld: de wereld van de optimale losbandigheid.

De losbandige enkeling, die zichzelf niet meer beheerst omdat de daartoe gestelde normen met de ondergang van het collectief zijn vervallen, is niet het eindpunt van een betreurenswaardige versnippering, maar het beginpunt van een ontwikkeling die op den duur de mens als werkelijk individu op zal leveren. Maar er moet nog heel wat gebeuren alvorens die mens echt individu is en de vierslag op onafhankelijke wijze kan laten gelden. Het is onvermijdelijk dat dit proces van werkelijke mens- wording op een uiterst gebrekkige wijze aanvangt. Ik gebruik hier het begrip gebrekkig omdat het gaat over een goede zaak die nog helemaal aan het begin van zijn ontwikkeling staat en die daardoor voorlopig nog vaker mislukt dan gelukt. Dit mislukken echter is een mislukken van iets dat in wezen in orde is. Als je zou kunnen kiezen is de keuze daarvoor nog altijd te verkiezen boven het schijnbaar ordelijke en rustgevende stelsel van het ouderwetse collectief waarin de enkeling in geen enkel opzicht uit de voeten kon.

 Die enkeling zag het zich manifesteren van de vierslag voor wat anders aan en dus is er in dat verband niet te spreken van gebrekkigheid. Je zou kunnen denken aan de term vervreemd zijn, maar ook aan verkeerd zijn omdat de zaak het omgekeerde is van de feitelijke verhoudingen. In ieder geval gaat het over de gehele linie om iets anders, om een bijzaak en die bijzaak heeft telkens enigszins succes om uiteindelijk steeds weer in te storten. Menselijk leven zonder het gelden van De Grote Vierslag is een onpraktisch primitief getob dat onveranderlijk op een fiasco uitloopt.

De mens voor wie de vierslag op onafhankelijke, maar voorlopig nog gebrekkige, wijze is gaan gelden is iemand voor wie het vanzelfsprekend is dat hij met de andere mensen een gemeenschap vormt. Het gaat daarbij evenwel om het vormen van een gemeenschap en daarvoor is de volwaardige individu het uitgangspunt. Ieder voor zich vormt met de anderen een geheel. De kwaliteit daarvan wordt bepaald door de onderlinge werkzaamheid van alle individuen en dat is daarom steeds een optimale kwaliteit, in tegenstelling tot de kwaliteit van een collectief dat op zichzelf de maat is en van de enkelingen volledige aanpassing vraagt, waardoor alles beneden de maat blijft.

Solidariteit/Verantwoordelijkheid-1 ;verantwoordelijkheid-2 ; verantwoordelijkheid-3

 

No. 26Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L ; Solidariteit/Verantwoordelijkheid-1 ;verantwoordelijkheid-2 ; verantwoordelijkheid-3 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1 ; China-1 ; China-2 ;

Iedereen zal het er over eens zijn dat het verheugend is dat een aantal collectieven in de laatste decennia, tezamen met de erbij behorende ideologieŽn, ten onder is gegaan, zoals het collectief van het fascisme, van het nationaal-socialisme, van het communisme oftewel marxisme-leninisme en binnenkort ook dat van het MaoÔsme in China. Deze collectivistische maatschappijvormen hebben hun eigen onmogelijkheid en dus misdadigheid zonneklaar duidelijk gemaakt. Zelden echter tref je iemand die begrijpt dat die misdadigheid geen specialiteit van alleen maar genoemde collectieven is, maar van alle collectieven. Het enige verschil is dat bij het merendeel van de collectieven de misdadigheid onder een laag van democratische, verstandige, wetenschappelijke en humane grote verhalen verborgen is. In zijn algemeenheid betreft de misdadigheid het feit dat in de verhoudingen van een collectief de mensen onmogelijk zichzelf kunnen zijn en dus in hun mens-zijn aangetast worden, hetgeen tot mentale en sociale verminking leidt.

Het instorten van de democratische collectieven van de moderne wereld wordt door vrijwel niemand toegejuicht. Inderdaad is het niet zo prettig: er is een toenemende onverschilligheid voor de medemens en alle collectieve en gemeenschappelijke voorzieningen. Deze onverschilligheid tref je niet alleen aan bij grote groepen aan de basis, maar ook - dat wordt nogal eens vergeten - bij de bovenlaag en niet in het minst bij de overheden en regeringen. Het lukt steeds minder om sociaal te denken en dat is er de reden van dat een groot aantal sociale voorzieningen tegenwoordig afgebroken worden. Men weet niet goed meer waartoe ze eigenlijk dienden en daardoor zijn het onbeheersbare mechanismen geworden, die een eigen leven zijn gaan leiden. Daardoor zijn ze natuurlijk buitensporig duur geworden... zo gaat dat altijd in een onvolwassen maatschappij! Het is nog slechts enkele tientallen jaren geleden dat de mensen voortdurend gezegd werd dat de maatschappij door de overheid vanuit collectief sociale doelstellingen bestuurd werd en dat zij dus recht konden laten gelden op allerlei voorzieningen. Het collectief (de Staat) liet zich toen nog iets gelegen liggen aan de eigen essentiŽle principes, zoals onderlinge solidariteit tussen de leden van het collectief. Deze solidariteit is langzaam aan het verdwijnen, omdat de beweging van de cultuurontwikkeling gericht is op definitieve realisering van de mens als individu.

In de overgangsperiode die wij thans beleven, waarin de collectief geaccentueerde mens plaats maakt voor de individueel geaccentueerde, is een drietal typen van cultuurmensen aan te wijzen. Het uiterlijke verschil daartussen is doorgaans niet zo groot (reden waarom het bestaan van die drie typen vaak over het hoofd gezien wordt!), maar het culturele en dus ook mentale inwendige onderscheid betekent een hele wereld van verschil. 1. Als eerste is daar de ouderwetse mens. Deze is geheel en al geworteld in de oude zaak. Zijn denken heeft dan ook een door en door collectief karakter, reden waarom hij steeds vraagt naar de mening van anderen, beducht is voor onenigheid en behoorlijk getrouw is aan het gezag. Dat gezag moet overigens wel democratisch gerechtvaardigd zijn, met een absoluut of dictatoriaal gezag heeft die collectieve mens wezenlijk niets op. Voor zover hij geconfronteerd wordt met de symptomen van de overgang (de opgesplitste groep) ervaart hij dat als verwording, als een gemis aan verantwoordelijkheid; ook als een bewijs van slechte opvoeding en onderwijs en dergelijke. Hij verlangt uiteraard terug naar de oude en betere tijden: Nederland is Nederland niet meer...

Bovendien ziet hij als enige oplossing uit de verwarring het ontwerpen van een nieuwe ideologie waarbij de mensen zich thuis zouden kunnen voelen... hetgeen om meer dan een reden onmogelijk is! 2. Ten tweede is daar de losgeslagene. Deze mens heeft de stap uit het collectief gezet (uiteraard zonder dat zelf te weten), maar hij is daar geenszins gelukkig mee. Hij voelt zich van alles verlaten en hij zoekt op grond daarvan een nieuw en krachtig collectief, liefst met een leider waar hij tegenop kan zien (de voorbeeldige individu), een collectief dus waarin hij zich geborgen zou kunnen weten en waaraan hij op gehoorzame wijze houvast zou kunnen hebben. Zijn zoeken is derhalve in niet geringe mate een machts zoeken, vandaar dat hij zichzelf vaak met machtssymbolen uitdost: lederen kleding, motorfietsen, stalen helmen, runentekens en hakenkruisen.

Tegelijk echter haat hij de wereld waaruit hij is voortgekomen en die hij uiterlijk nog steeds om zich heen aantreft, want die heeft hem in alle opzichten in de kou laten staan. In feite wordt zijn gedrag dus bepaald door elementen uit de oude collectieve wereld, maar dan op negatieve wijze: zij roepen agressie in hem op. Deze vandalistische mens maakt de overgangsperiode tot een hel voor zichzelf en voor de gemeenschap, wat nog verergerd wordt door het feit dat er niets tegen hem te doen is. In hem moet immers de oude wereld zichzelf overwinnen. 3. Dan tref je ten derde de nieuwe mens aan. Deze is bezig op eigen kracht en als enkeling, dus op individuele wijze, zijn wereld in orde te brengen. Dat zou hij eigenlijk in vrijwillige samenwerking met anderen moeten doen, maar voor zijn besef zijn die anderen er niet of nauwelijks, vandaar dat hij betrekkelijk asociaal zijn eigen weg gaat, zelfs min of meer onverantwoordelijk. Het opbouwen en inrichten van zijn eigen wereld is voorlopig een louter materiŽle zaak waarbij hij gebruik maakt van alle mogelijke kennis waar hij beslag op kan leggen. In feite slaat hij (veel) geld uit kennis. Hij is niet meer de vandaal van de genoemde 2e mogelijkheid, maar, gezien vanuit het begrip samenhang zoals dat voor de werkelijkheid als mens geldt, is hij toch een schurk omdat hij met zijn onverbiddelijke zelfverwerkelijking anderen opzij stoot. Evenals de bij 2) genoemde vandalistische mens vertoont deze nieuwe mens sterk nihilistische trekken.

Dat kan niet uitblijven omdat zij betrekkelijk dicht bij het volwassen gelden van de vierslag zijn komen te staan. Het is echter een gewetenloos nihilisme omdat het zonder het bewuste gelden van socialisme en communisme te voorschijn komt.

Natuurlijk loopt er hier en daar wel een mens rond die je een echte individu zou kunnen noemen, maar deze bepaalt het algemene beeld van de maatschappij niet zodat hij in ons overzicht achterwege kan blijven. Deze individuen zijn niet typerend voor de tijd waarin wij thans leven, zij komen in alle tijden voor. Steeds echter zijn het mensen die op individualistische wijze een rol voor anderen spelen terwijl zij daarbij steunen op het collectief en vaak ook, zoals de oude socialistische voormannen en -vrouwen, een collectief proberen te vormen. Van de overgangstijd naar individu kun je echter zeggen dat het een bijzonder onaangename periode is. Het is te verklaren en te begrijpen dat de er in betrokken mensen het gevoel hebben dat hun gehele wereld op instorten staat. Dat gevoel is juist, maar in tegenstelling tot wat velen menen vindt de geschiedenis daarbij niet haar einde, maar juist haar begin: het wordt nu de geschiedenis van zelfstandige mensen en hun aanvankelijk vertwijfelde pogingen om een echte samenhangende wereld op te bouwen. Bovendien hebben wij niet te doen met de laatste mens, zoals onder anderen Fukuyama wil doen geloven, maar juist met de eerste mens, die overigens aan het begin staat van een veel zwaardere weg dan die hij in het verleden gegaan is.

 Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L††† Solidariteit/Verantwoordelijkheid-1 ;verantwoordelijkheid-2 ; verantwoordelijkheid-3 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1 ; China-1 ; China-2 ; Fukuyama1 ; Fukuyama2 ;

 

No. 27

 

De mens begint zich als volwassene te ontwikkelen op het moment dat hij zich gaat laten gelden als individu. Hoezeer dat begin ook verwarrend, asociaal, losbandig en chaotisch is, het is toch daar dat de mensen echt beginnen zichzelf te besturen. Gaandeweg laten zij dat minder aan anderen over, die pretenderen namens het collectief, de gemeenschap, de Staat, de partij en dergelijke, de zaken te regelen. Die omschakeling gaat niet vanzelf en zeker niet zonder conflicten, want de ontwakende individu komt enerzijds met de volstrekte afwijzing van alle vroegere regerings-, bestuurs- en organisatievormen, om anderzijds zijn persoonlijke leven eenzijdig in eigen hand te nemen. Dat is reden genoeg voor de ouderwets denkende bovenlaag om zich met hand en tand te verzetten. Uiteraard is dat verzet machteloos, maar juist een machteloos verzet kan vreselijk agressieve vormen aannemen, waarbij het gebruik van grof geweld niet uitgesloten is. De ontwikkeling van de individu tot effectieve volwassenheid belooft een spannende periode te worden. Eigenlijk kun je nu pas met recht van geschiedenis spreken omdat het nu inderdaad de mens zelf is waarom alles draait, terwijl het voordien meer om zijn ideologieŽn, zijn maatgevende bedenksels, ging. In die mythen zijn de mensen niet zelf aanwezig, maar slechts datgene waarvoor zij zichzelf houden, anders gezegd de mens als manifestatie van zijn eigen voorstelling, voor zover die onderworpen wordt gedacht aan een hogere (spirituele) werkelijkheid.

 

Het besturen heeft niets met regeren te maken. Regeren is mechanistisch: vanuit een bepaalde impuls treedt er een nauwkeurig te voorspellen reeks van gebeurtenissen op die tot een even nauwkeurig te voorspellen resultaat leiden. Komt de voorspelling niet uit, dan is er iets fout- met het systeem, precies zoals dat met een machine het geval is. Is absolute voorspelbaarheid voor het mechanistische denken een noodzakelijk iets, voor het besturen is het begrip voorspelling slechts van algemene betekenis.

 

Je kunt namelijk wel voorspellen naar welke verhoudingen het toegaat, maar niet naar welke concrete situaties. Zo zijn de bewegingen van mensen in zoverre voorspelbaar als zij iets bedoelen, ergens op gericht zijn. Dergelijke bewegingen zijn handelingen die weliswaar doelgericht zijn, maar waarvan je nooit van tevoren weet hoe ze zullen verlopen, of het doel bereikt zal worden en op welke situatie die handelingen moeten inspelen. De voorspelbaarheid bij het begrip besturen gaat niet verder dan het voorspellen van algemeenheden. De werkelijkheid als een samenhangend geheel van algemeenheden is in feite het bewustzijn en zo kunnen we nu constateren dat er een verband is tussen het begrip besturen en het begrip bewustzijn. Bij beide begrippen gaat het niet om details, om afgegrensde verschijnselen die op zichzelf staan, maar om in elkaar overgaande samenhangende verhoudingen, nuances. Zo stuurt de individu zichzelf naar zekere verhoudingen toe en die laten zich op genuanceerde wijze gelden. Het zijn nuances in een proces. Deze algemeenheid is met zekerheid te voorspellen. Maar van een vastgelegde zaak is in dit geval qua voorspelling niet te spreken.

 

Al eerder en in een ander verband heb ik er op gewezen dat het toekomstige, op volwassen wijze, opbouwen van de wereld niet op plannen- maken berusten, zal omdat er qua leven en zichzelf besturen geen voorspelling te doen is en je dus geen model van de toekomst kunt maken. Het opbouwen van de wereld geschiedt dan ook incidenteel, al toetsend met de werkelijkheid als beeld zoals die er op een bepaald moment vanuit het bewustzijn is.

 

Die werkelijkheid is als enige altijd waar en dus ook betrouwbaar als toetssteen voor het opbouwen van een leefbare wereld. Daarvoor geldt echter geen concrete voorspelbaarheid. Omdat dit onmogelijk is wil een volwassen mens dan ook niet voorspellen: hij zal wel zien als het zover is... Uit die onvoorspelbaarheid volgt ook als conclusie dat de mensen op den duur de reglementen, de ethiek, de moraal, de wetten enzovoort terzijde zullen schuiven omdat het als vooropgezette plannen aantastingen van het bewuste leven zijn. De volwassen mens bestuurt zichzelf, niet in de zin van het stellen van concrete doelen, maar in de zin van voortdurende toetsing aan zichzelf als bewustzijn. En er valt alleen maar te voorspellen dat het zal gaan om het zich realiseren van een complex van verhoudingen die met elkaar de inhoud zijn van wat ik De Grote Vierslag genoemd heb. Hoe dat er concreet uit zal zien is niet te zeggen. Je moet dat dan ook niet willen zeggen zodat wat dit betreft anarchistische modellen en theorieŽn een onmogelijkheid zijn.

 

Het zichzelf besturen is, zoals gezegd, een zichzelf voortdurend herzien oftewel bijsturen. Dat gebeurt volgens zogenaamde feedback-processen waarin almaar terug gekoppeld wordt. Zo'n proces speelt zich bijvoorbeeld af in een thermostaat: hij wordt er op ingesteld om een bepaalde ruimte op een zekere temperatuur te houden. Het is echter niet mogelijk om dat op een actieve manier te doen, dat wil zeggen: met maar een enkel gegeven, namelijk de te handhaven temperatuur. Hij kan het alleen maar als hij een tweetal gegevens heeft, namelijk hoe hoog de temperatuur mag gaan en hoe laag. Met die gegevens kan hij afslaan als de temperatuur te hoog wordt en hij kan aanslaan als zij te laag is. Het handhaven van een bepaalde situatie komt er dus op neer dat er een voortdurende schommeling is tussen te hoog en te laag.

 

Beide uitersten, namelijk hoog en laag, spelen hierbij een essentiŽle rol, die zij slechts dan spelen kunnen als de schommeling zelve in geen enkel opzicht belemmerd wordt. Als er dus vrijheid is. Dat is in feite een zichzelf almaar herzien, bijsturen, besturen.

 

Met het feedback-proces moet je goed opletten. De Grieken bijvoorbeeld hadden het over de Gulden middenweg en zij vonden dat er in alles maat gehouden moest worden. Hoe zij dat precies bedoelden weet ik niet, maar als er gedacht werd aan een nauwkeurig te voorspellen route, op statische wijze precies tussen twee uitersten gesitueerd, dan komt dit niet overeen met het dynamische feedback-proces. Evenmin omdat een dergelijk midden een niet laten gelden van de uitersten en dus inperking en onvrijheid vooronderstelt. Het is een situatie die je tegenwoordig met het begrip compromis zou aanduiden. Het feedback-proces echter houdt volledige vrijheid in, die op dynamische wijze voortdurend vanuit zichzelf, aan eigen uitersten, eigen grenzen bepaalt. Als het gaat over een middenweg worden de grenzen van buitenaf bepaald: de maatgevende uitersten doen zelf in het proces niet mee. Daardoor wordt de zaak nauwkeurig vastgelegd en dus voorspelbaar. Het feedback-proces echter is slechts in zijn algemeenheid te voorspellen, in de geest van zo ongeveer verloopt het. Voor de zichzelf besturende mens gelden de Gulden middenweg en het alles bij mate dus in geen geval. Evenmin geldt het begrip evenwicht en dat is gemakkelijk te begrijpen als je aan de balans denkt. Deze levert een evenwicht op als beide schalen even zwaar belast zijn. Het evenwicht dat daarvan het gevolg is, is een statische toestand: de arm van de balans is tot stilstand gekomen, de wijzer staat stil! Noch de Gulden middenweg, noch de matigheid, noch de evenwichtigheid komen overeen met een, uiteraard dynamische, feedback situatie en dus is het beter dergelijke statische typeringen niet te gebruiken als het over de zichzelf besturende mens gaat.

 

No. 28

 anarchie1††† anarchie-2 (en nrs. 37, 55 en 66)

De mens die zichzelf voortdurend herziet omdat hij niet buiten de verhoudingen van de werkelijkheid wil vallen kan niet anders gedacht worden dan als een individualist. Hij kan alleen maar zicht hebben en invloed uitoefenen op zijn eigen leven en omdat hij zich op grond daarvan uitsluitend met zichzelf bezig houdt is hij een individualist. Omgekeerd kan individualisme alleen maar dan waarachtig zijn als het niet gaat om het doorzetten van particuliere belangen, maar om het getrouw-zijn aan de werkelijkheid. Een dergelijk individualisme omvat de gehele werkelijkheid zodat het uitgesloten is dat er iemand anders aan tekort komt. Bovendien moet je bedenken dat elke regelgeving van buitenaf geen effect sorteert, omdat de normen voor het zichzelf herzien, de informatie voor het zichzelf besturen, uitsluitend binnen de context van de individu zelf, namelijk binnen zijn bewustzijn, gelegen zijn. Omdat dit het geval is moet de anarchist, en dat is de mens naar het begrip individu die zichzelf bestuurt, zonder welk gezag dan ook leven. Hij heeft geen keuze, hij is nu eenmaal niet te regeren en voor het gehoorzamen aan een hogere macht is hij volstrekt ongeschikt. Zou hij zich wel laten regeren en zou hij wel gehoorzaam zijn, hij zou ergens terechtkomen waar hij niet wil en kan zijn...

In de anarchistische theorie wordt steeds de nadruk gelegd op het afwijzen van een regering, een gezag, een hogere macht. Men wil gezagsloosheid. Dit echter is slechts een van de gevolgen van anarchisme, zoals de onmogelijkheid om in een collectief op te gaan ook een gevolg is.

Zoals ik heb laten zien is de essentie van het anarchisme gelegen in het zichzelf besturen van de mens als individu. Dat is dus een positieve definitie van het begrip anarchisme. Niet alleen binnen het bestaande anarchisme, maar ook in het gangbare politieke en maatschappelijke taalgebruik gaat het over gezagsloosheid, derhalve om de negatieve inhoud van het begrip. In de anarchistische theorie wordt gezagsloosheid als een schoon ideaal van een toekomstige wereld gezien, maar voor het politieke en maatschappelijke denken is het een verschrikkelijk kwaad. Gebruikelijk is het dan ook om een toestand van gezagsloosheid aan te duiden met het begrip anarchie. Het spreekt daarbij vanzelf dat dit ontbreken van gezag vereenzelvigd wordt met wanorde, chaos en rechteloosheid. Op zichzelf heeft men daarin overigens niet eens ongelijk: zeker de onvolwassen mens, die zichzelf als individu nog niet echt gevonden heeft, verdraagt geen gezagsloosheid; hij weet dan niets beters te doen dan zich te misdragen tegenover de medemens en diens eigendommen.

Het gaat bij het anarchisme om de mens als individu die zichzelf bestuurt.

Het feit dat het altijd de mensen en geen marsmannetjes zijn die zichzelf als mensheid besturen, of beter gezegd: die zichzelf en elkaar regeren, mag geen aanleiding zijn om te beweren dat het anarchisme al lang een feit- is. Het gaat immers om jou en mij als individu. De mens, gezien in het licht van het individu-zijn, is in de moderne wereld nog niet dominant aanwezig. In de democratie bijvoorbeeld telt hij slechts mee voor zover hij in een collectief ondergebracht kan worden: een politieke partij, een vakbond of iets dergelijks. Als eenling mag hij er wel zijn en zijn bestaan wordt zelfs min of meer gewaarborgd, maar meetellen doet hij als zodanig niet en hij heeft te gehoorzamen aan datgene dat hem door het collectief, zogenaamd met zijn eigen democratische instemming, opgelegd wordt. Dit is de democratische variant van niet-individueel zichzelf besturen.

Er is echter nog een variant en die heeft de westerse democratische wereld heel wat ellende bezorgd: de fascistische variant. Deze variant, waartoe ook het nationaal-socialisme te rekenen is, vertoonde om te beginnen sterke anarchistische trekken. Het ging dan ook om de individu die zichzelf zou besturen en die er bijgevolg op uit was het over hem gestelde gezag uit de weg te ruimen - hetgeen hij dan ook gedaan heeft. Maar toch voldeed hij niet aan de positieve definitie van anarchisme, niet omdat hij eventueel van mening was dat hij geen individu zou mogen zijn (zoals in de Sovjet-Unie het geval was bij het Marxisme-Leninisme), en ook niet omdat hij vond dat hij zichzelf niet zou mogen besturen (zoals in de westerse democratie), maar omdat hij de norm en de maat voor het zichzelf besturen niet in zichzelf maar in de leider situeerde. De mens van de fascistische variant was van mening dat hij een heel zelfstandig individu was en als zodanig sloot hij zich aan bij en werd volgeling van diegene die hem voor het zichzelf herzien de maat was. Je kunt zeggen dat de fascist zijn geweten uit handen gaf: de leider was zijn geweten! .

Met het uit handen geven van de norm voor het zichzelf besturen leverde de fascist zich uit aan een uniform marcherend collectief, de militair ingerichte organisatie. De leider, het uniform en het marcheren zijn in deze fascistische variant essentieel. De leider is de boven het alledaagse verheven maat voor het leven (substituut voor het bewustzijn, het geweten), het uniform duidt op het feit dat er voor iedereen een overeenkomstige maat is voor het zichzelf besturen en het marcheren roept associaties op met het op weg zijn naar een doel. De gehele Duitse cultuur sinds de Frans-Duitse oorlog van 1870 bijvoorbeeld was doortrokken van genoemde drie aspecten.

Dat kon zozeer het geval zijn omdat die cultuur in wezen en qua oorsprong in sterke mate individualistisch was, een individualisme echter dat steeds maar weer eigen normen uit handen gaf aan de bovenaardse patriarch: in het huisgezin de vader, in de maatschappij de (hoger geplaatste) dienaar van de Staat en in laatste instantie de leider. Dat uit handen geven van de normen voor het zichzelf besturen geschiedde vrijwillig. De individu deed dat omdat de vader de beste leidsman was. Uiteraard was dat vrijwillige uit handen geven in geprogrammeerd. Men dacht dat het zo hoorde...

De leider dankte zijn alles overheersende invloed en macht niet aan zijn daden en bekwaamheden. Noch de Italiaanse Duce, noch de Duitse FŁhrer kwamen met iets bijzonders. Eigenlijk waren hun gebral en hun aanstellerij hun beste prestaties en daarvan is het merkwaardige dat dit door hun volgelingen voor de hoogste wijsheid werd gehouden. Je zou zeggen dat men toch gemakkelijk de onzin had kunnen doorzien, maar dat is niet het geval omdat het daarom niet ging: het ging er om dat die leiders de norm voor het leven van hun volgelingen waren. Dat is wat je hun charisma kunt noemen. Ongeacht hun gemakkelijk vast te stellen leegheid, hun onbekwaamheid (denk aan Hitler als legeraanvoerder) en hun zelfoverschatting (Mussolini als caesar) golden zij als het geweten van hun volgelingen. En dat uiteraard met verschrikkelijke gevolgen. Je moet er dus op letten dat bij de democratische variant de mens nog steeds in de situatie is dat hij het zichzelf besturen uit handen geeft aan het een of andere collectief. Dat collectief heeft de pretentie namens hem op te treden. Wat er aan ontbreekt, is dus het individu-zijn van de mens. Dat behoeft overigens niet te betekenen dat de mens het individu-zijn al niet dicht genaderd is, zoals je in de westerse democratische wereld kunt zien. In de fascistische variant echter is er wel een besef van individu-zijn, en zelfs enigszins van het erbij behorende zichzelf besturen en dus anarchisme, maar de norm voor het zichzelf besturen ligt alsnog buiten het individu bij een als hoger en edeler beschouwde leider.

anarchie1††† anarchie-2 (en nrs. 37, 55 en 66)

No. 29

Overtuiging/overtuigingen/levensovertuiging-zie A1 , B2 , C3 , D4 , E5 , F6 , G7 , H8 , †††††††††††††

De democratie is gebaseerd op de gedachte dat de mensen het zichzelf besturen uit handen geven aan een collectief, of beter aan legale vertegenwoordigers van een aantal collectieven, de erkende politieke partijen. Genoemde vertegenwoordigers hebben absolute macht over de mensen. Weliswaar is die macht aan strenge rechtsnormen onderworpen, maar zodra en voor zover aan die normen voldaan is, is de macht van die vertegenwoordigers volstrekt onafhankelijk, oftewel absoluut. En de burgers hebben zonder meer te gehoorzamen. Aan protesten of verzet daartegen wordt in een gezonde democratie wel aandacht besteed, maar dat gaat niet zover dat de gehoorzaamheid als zodanig ter discussie gesteld mag worden. Gehoorzaamheid valt onder de rubriek plichten, zoals het kiezen van je eigen overheden onder de rechten valt... In tegenstelling tot wat veelal gemeend wordt - en wat men de mensen maar al te graag voorhoudt. - nemen de burgers in de moderne democratie op geen enkele wijze deel aan het bestuur. Burgers kunnen wel tot bestuursfuncties geroepen worden, maar vanaf het moment dat zij tot het bestuur toetreden zijn zij overheden, bekleed met macht.

De rol van de burgers is slechts beperkt tot het legitimeren van die macht doormiddel van het kiezen van genoemde overheden en zelfs dat geschiedt nog op buitengewoon oneigenlijke manieren, namelijk via allerlei vormen van wetenschappelijk psychologisch uitgedokterde mannetjes- makerij.

Alles overziende kun je dus in geen geval stellen dat a) in een democratie de mensen zichzelf besturen, want de overheden, hoewel ook mensen, besturen de burgers; en b) de mensen hebben het zelfbestuur uit handen gegeven, zodat zij niet in staat zijn om zich via de eerder genoemde feedback processen almaar te herzien.

Het begrip democratie komt, zoals bekend, uit de Griekse cultuur. Voor zover ik heb kunnen nagaan werd daar echter wel degelijk bedoeld dat het zichzelf besturen een kwestie van de individu moet zijn. Dat het over collectieven zou gaan is mij niet gebleken, maar wel moet je de vraag stellen: over welke individu gaat het eigenlijk? Dan blijkt dat men terecht van mening was dat het over vrije mensen zou moeten gaan. Tot zover is alles in orde, maar.. . helaas was alleen de bovenlaag maar vrij. De werkende onderlaag, die uiteraard het talrijkst (en het belangrijkst) was, bestond niet uit vrije mensen. Die werden als onvrij beschouwd omdat zij werkten, in de zin van arbeid verrichten, hetgeen wil zeggen: de natuur omzetten tot wat menselijks. Die arbeid behoorde voor antiek besef niet bij de vrije mens. Op grond van deze uitsluiting van en een groot aantal mensen en een essentiŽle menselijke activiteit komt het begrip individu voor die zogenaamd vrije Grieken te vervallen en daarmee is ook het anarchisme en zelfs De Grote Vierslag onmogelijk.

Zowel bij het begrip tirannie als bij het begrip democratie gaat het over mensen die het zichzelf besturen uit handen hebben laten nemen en het dus, al of niet onder dwang, uit handen hebben gegeven. De nadruk ligt in deze gevallen bij het besturen als zodanig, dus bij de activiteit van het besturen. Er zijn echter ook nog mogelijkheden dat de mensen wel het besef hebben zichzelf te besturen, maar dat zij daarbij iets uitwendigs als richtsnoer van node hebben. Dat uitwendige kan een drietal gedaanten aannemen en dan gaat het in die drie gevallen over een paradigma (voorbeeld, model) dat van buitenaf de mensen dwingt tot een bepaald gedrag. Als eerste mogelijkheid is daar dan de leider die voor zijn volgelingen geldt als de maat voor het leven. Ik heb er al op gewezen dat het fascisme en het nationaal-socialisme tot deze categorie behoren.

Ten tweede is daar de ideologie zoals die als een dwingende en maatgevende idee van een toekomstige wereld het zichzelf besturen van de mensen beheerst. Je kunt hierbij denken aan het Marxisme-Leninisme. En ten derde kun je te maken krijgen met een visie op de realiteit, waarbij de mens van mening is te weten hoe het zit en hoe het moet met hemzelf en de werkelijkheid. Tot dit laatste behoren de godsdiensten en bepaalde vormen van filosofie.

Het is gebruikelijk om bij het fascisme en het nationaal-socialisme van een ideologie te spreken. Dat is te begrijpen: in beide gevallen speelt de ideologie een belangrijke rol. Maar toch is die niet de hoofdzaak. Waarom het gaat is de leider en zijn macht en daaraan komt mee dat deze zich bedient van een aantal denkbeelden en voorstellingen die bij de mensen gemeengoed zijn. De Jodenhaat bijvoorbeeld leefde al heel lang in Duitsland en in grote delen van Oost-Europa en hetzelfde geldt voor het waanidee dat de Germaanse mens superieur zou zijn.

Daarom kun je eigenlijk niet goed van een ideologie spreken want er was nauwelijks een voorstelling van een toekomstige goede wereld. Het ging in de praktijk vrijwel uitsluitend om het uitbuiten en leegplunderen van de wereld.

Wat begrijpelijkerwijs veel meer naar voren kwam was de anarchie van alle volgelingen, die naar willekeur met hun medemensen omsprongen.

Beide genoemde bewegingen zijn dan ook voortgekomen uit en geworteld in de anarchie, uiteraard in de betekenis van bandeloosheid en misdadigheid. Ik kom hier nog op terug...

Bij een ideologie gaat het wezenlijk om een idee, en wel zoals gezegd een idee van een toekomstige goede wereld. Het gaat om het toekomstig heil, zoals men zich dat, uitgaande van de actuele situatie, voorstelt. De aanhangers van zo'n ideologie zijn in principe geen slaafse lakeien, zoals veelal ten onrechte gemeend wordt, maar juist uiterst zelfstandige mensen die bovendien doorgaans veel over hebben voor de verwerkelijking van hun ideologie. Je kunt daarbij denken aan de ideologie van het socialisme, het communisme en dergelijke. Hierbij is duidelijk te constateren dat de essentie ligt bij het paradigma dat bepalend is voor de wijze waarop de volgelingen van zo'n ideologie, zichzelf besturen. Het paradigma fungeert als het complex van verhoudingen dat in alle opzichten bepalend is voor hun moraal. Overigens valt ook op dat het paradigma ontstaan is als resultaat van een denkweg: de idee van de goede wereld is een bedenksel, het is zelfbewust uitgedacht.

Als derde mogelijkheid is er de maatgevende visie. Hierbij heb je niet te doen met een bedenksel waarbij het heden, met in achtneming van een aantal wetenschappelijke factoren, naar de toekomst verschoven wordt, maar je hebt te doen met een bepaalde kijk op de werkelijkheid in haar algemeenheid. Er is niet of nauwelijks sprake van een heilsverwachting, maar meer van een beoordeling van de actuele toestand, waarbij natuurlijk lijnen naar de toekomst niet ontbreken. Een belangrijke rol speelt het morele oordeel over de natuur en het gedrag van de mensen, gebaseerd op de overtuiging te weten hoe het zit met de werkelijkheid. De informatie voor zo'n overtuiging ontlenen deze mensen als regel aan de godsdienst of aan de filosofie. Natuurlijk is filosofie iets anders dan godsdienst, maar beide pretenderen wel te weten hoe het zit. Daarbij is het functioneren van de godsdienst altijd moralistisch, in de zin van weten hoe het moet, terwijl de filosofie dat slechts is bij diegenen die tot de groep behoren waar ik nu op doel.

De groep namelijk voor wie de filosofie het paradigma levert voor het zichzelf besturen. Bij deze mensen is de filosofie niet een voortdurende zelfbewuste activiteit, maar daarentegen een soort van evangelie, een troostrijke en verblijdende boodschap.

Overtuiging/overtuigingen/levensovertuiging-zie A1 , B2 , C3 , D4 , E5 , F6 , G7 , H8 ,

No. 30

Mensen die werkelijk zichzelf besturen hebben een paradigma nodig. Het begrip besturen vooronderstelt terecht dat er een richting aangehouden moet worden, hetgeen evenwel iets anders is dan het op weg zijn naar een vastgesteld doel.

Speciaal de volwassen mens, heeft het bepalen van en zich houden aan een richting nodig, niet omdat hem het vermogen zou ontbreken om koers te houden, zoals maar al te vaak gedacht wordt, maar omdat hij niet onderworpen is aan levensprogramma's die hem automatisch in de juiste richting drijven. Hij heeft dus wel degelijk het vermogen om koers te houden, maar de richting moet hij zelf bepalen, juist omdat hij als laatste verschijnsel alle kanten op kan. Nu zijn er wat betreft onvolwassen mensen drie mogelijkheden te bedenken dat die mensen het paradigma aan iets uitwendigs hebben ontleend. In intellectuele zin opklimmend in waarde, zoals die er in het algemeen aan gehecht wordt, zijn dat achtereenvolgens: de leider, de ideologie en de visie. Zoals duidelijk zal zijn hebben deze paradigma's de plaats ingenomen van het paradigma dat in feite de richting van het menselijk leven bepaalt, namelijk het complex van verhoudingen dat voortkomt uit en duidelijk wordt aan de werkelijkheid als Bewustzijn. Dit laatste paradigma is niet alleen inwendig, maar ook nog individueel, om juist als zodanig universeel te zijn omdat de innerlijke werkelijkheid als bewustzijn de enige waarachtige werkelijkheid is.

Als het gaat over de visie als paradigma heb je te doen met een bepaalde kijk op een als hoger besefte werkelijkheid, zeg maar een metafysische werkelijkheid. Je kunt beter niet van een inzicht spreken, want het gaat nu niet over een zaak die in de diepte gaat. Het gaat meer over een, in feite bevooroordeelde, waardering van een verheven werkelijkheid. Zo'n kijk op de werkelijkheid tref je aan in de godsdienst en in bepaalde vormen van filosofie. Deze twee, hoezeer ook wezenlijk verschillend, komen in zoverre overeen dat zij zeggen hoe het zit. Ook komen zij overeen in het feit dat zij geen van beide in empirische, positivistische zin hun gelijk kunnen bewijzen. Hun eventuele gelijk of ongelijk is niet te bewijzen door proeven te nemen en metingen te verrichten. Natuurlijk is de godsdienst, vergeleken met de filosofie, pure flauwekul: in de godsdienst beroept men zich immers op heilige geschriften uit lang vervlogen tijden, terwijl men zich daarentegen in de filosofie verlaat op zo helder mogelijke consistente redeneringen. Maar, het gaat nu om het functioneren van godsdienst en filosofie als paradigma voor het gedrag. Dat blijkt bij beide hetzelfde te zijn, althans voor zover het in een aantal vormen van filosofie niet alleen gaat om de vraag hoe zit het, maar ook om de zedelijke vraag hoe hoort het.

De oude filosofie uit de Grieks-Romeinse tijd had een sterk zedelijk en moreel karakter, hetgeen betekent dat de vraag hoe hoort het op de voorgrond stond. Het spreekt vanzelf dat deze vraag niet te beantwoorden is zonder je af te vragen hoe zit het, maar om dit laatste ging het dus niet per se. De filosoof en dichter Lucius Annaeus Seneca, die in het jaar 65 te Rome zelfmoord pleegde omdat hij vond dat zijn ziel (anima) zich in zijn lichaam (corpus) als in een kerker bevond en dat dit de mens onwaardig was, is van deze op zedelijkheid gerichte filosofie een duidelijk voorbeeld. Echter ook bij tegenwoordige filosofen is de vraag hoe hoort het doorgaans niet achterwege gebleven, zij het dat hij tussen de regels gezocht moet worden, omdat de vraag hoe zit het op de voorgrond staat.

Zo is bij de al vaker door mij genoemde filosoof Jan Borger achter de op de voorgrond staande vraag hoe zit het steeds de zedelijke vraag hoe hoort het hoorbaar. Deze filosofie is dus, net als die van vroeger tijden, moralistisch gekleurd. In zekere zin is het een domineesfilosofie. Dat behoeft op zichzelf bepaald niet verwerpelijk te zijn omdat de normen voor deze moraal steeds gezocht worden binnen de werkelijkheid zelve.

Men zoekt dus het paradigma wel waar het gezocht moet worden, maar men maakt de fout de eigen filosofische opvatting al bij voorbaat voor anderen geldig te verklaren. Als voorbeeld kun je denken aan de door Borger ontwikkelde gedachtegang over de verhouding tussen het stoffelijke en het geestelijke. Deze komt hier op neer dat de mens een geestelijk wezen zou moeten zijn en dat hij daartoe het stoffelijke achter zich zou moeten laten. Hij zou het te buiten en te boven moeten gaan. In deze verhouding zit onmiskenbaar een moraal verborgen en er klinkt het zedelijk gebod in door de stoffelijke wereld vaarwel te zeggen. Dat echter is onmogelijk en ook niet wenselijk omdat het welbeschouwd zo ligt dat het stoffelijke (natuurlijke) zo goed mogelijk tot zijn recht moet komen teneinde er aldus onafhankelijk van te worden. Als je inziet dat de verhouding zo ligt vervalt de morele en zedelijke eis, om plaats te maken voor een waardevrije constatering van feiten. Overigens was bijna de gehele eind- negentiende eeuwse filosofie doortrokken van morele en zedelijke eisen, zodat die filosofie gemakkelijk als paradigma voor het zichzelf besturen van betrekkelijk zelfstandige mensen, voornamelijk intellectuelen, kon gaan functioneren. Filosofisch gezien gaat het er echter om dat je uitzoekt hoe het zit en daarbij onder andere tot de ontdekking komt dat het trekken van consequenties uit het gevondene noodzakelijk aan een ieder persoonlijk overgelaten moet worden. Dat is logisch want de vraag hoe hoort het is niet te beantwoorden, enerzijds omdat een ieder steeds in een andere situatie verkeert, in een eigen wereld leeft, en anderzijds omdat de op het moment nu volgende momenten (de toekomst) niet te voorspellen zijn. Het is slechts mogelijk te vertellen hoe de verhoudingen liggen, uiteraard als antwoord op de vraag hoe zit het. Maar hoe die zaak zich in de volgende momenten nu zal voordoen is onmogelijk te voorspellen, niet voor wat betreft je eigen leven en al helemaal niet voor wat betreft de levens van anderen. De werkelijkheid is voor de mens een levende, een beweeglijke wereld en daardoor is het mogelijk en noodzakelijk dat de mens zich blijvend herziet. Dit begrip houdt trouwens op zichzelf al in dat het over een almaar veranderende werkelijkheid gaat die zich niet van tevoren bepalen laat, maar waarvoor wel onveranderlijke verhoudingen gelden.

Bij de godsdienst ligt de nadruk altijd op hoe hoort het. Dat moet ook wel want elke godsdienst is een machtsinstituut dat volgens zijn eigen aard voorschrijft hoe anderen hebben te zijn. Voor de legitimiteit van zo'n instituut is het voldoende dat de normen voor de moraal in het een of andere van een god afkomstige boek geopenbaard worden. In de moralistische filosofie zoekt men die normen inderdaad zelf uit, maar verder functioneert de zaak precies hetzelfde. Er ontstaat een paradigma voor de mensen en daarmee zijn zij, ondanks alle filosofie, mislukt wat betreft het werkelijk zichzelf besturen en dus ook wat betreft het anarchisme. Het is echter wel een feit dat diegenen die achter een leider, een ideologie of een visie aanlopen betrekkelijk zelfstandig handelende mensen zijn die echter onder omstandigheden gemakkelijk in anarchie kunnen vervallen. Dit laatste is mogelijk als voor hen het paradigma, door welke oorzaak dan ook, instort. Zo doet zich ook bij anarchisten wel eens een situatie voor dat zij tot anarchie vervallen en het is een bekend feit dat volgelingen van een leider of een ideologie, zoals communistische bonzen, zelfs als regel een onvoorstelbaar gewetenloze persoonlijke anarchie instellen.

 

No. 31

Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L

Sociaal Democratie ; Liberale Democratie ; Parlementaire Democratie ;

Voor een mens is de weg die hij in zijn leven gaan zal niet van tevoren gebaand, zoals dat bijvoorbeeld wel het geval is bij de spoorweg. Daarbij ligt de beweging onherroepelijk vast, maar bij de mens blijft de zaak beweeglijk, in die zin dat het alle kanten op kan. Juist omdat dit het geval is komt in de mens de behoefte op zichzelf richting te geven, en vervolgens koers te houden. Het begrip richting is dus alleszins essentieel, zoals dat ook al het geval bleek te zijn bij het ontstaan van materiŽle systemen. Maar het blijkt ook bij de mens wel, want mensen plannen bijvoorbeeld hun carriŤre. Dit laatste echter is, hoewel voortgevloeid uit de mogelijkheid en de noodzaak richting te bepalen, niet precies wat ik hier bedoel. Het gaat hier namelijk om de kwaliteit van het leven zelf, te beoordelen aan het antwoord op de vraag in hoeverre iemands leven overeenkomt met de voor de werkelijkheid geldende verhoudingen, kenbaar als die zijn aan de zich afspiegelende werkelijkheid als bewustzijn. Zo gezien is het over het algemeen nog maar de vraag of carriŤre planning te rijmen is met de fundamentele onvoorspelbaarheid van het leven...

Voor een aantal mensen, namelijk die een leider vereren, die een ideologie aanhangen en die een bepaalde visie toegedaan zijn, is de richting van hun leven bepaald door iets uitwendigs. Het bleek daarbij van belang ook filosofie als richtingbepalend te vermelden, al was het alleen maar omdat intellectuelen dit maar al te graag verzwijgen. Overigens geldt dit laatste ook voor een aantal therapieŽn en theorieŽn waarvan gezegd wordt dat die het bewustzijn en het denken verruimen en verhelderen. Onveranderlijk is in deze gevallen de richting uitwendig bepaald, maar voor anderen echter is die richting in principe vrij, terwijl het besturen onmogelijk gemaakt is doordat de weg van hun leven reeds bij voorbaat gebaand is. Dit is het geval bij mensen die onder een tirannie zuchten, waarbij bedacht moet worden dat ook de veel geprezen (parlementaire) democratie onder deze rubriek valt. Bij onderworpenheid aan een tirannie is het paradigma, het richtinggevende model, betrekkelijk onaangetast, hetgeen zich bijvoorbeeld onder omstandigheden kan uiten in verzet, sabotage of, op onverschilligheid voor het gezag berustende, voorgewende onderdanigheid. In de moderne Parlementaire Democratie wordt juist de betrekkelijke vrijheid van het paradigma aangegrepen om de mensen er toe te brengen vrijwillig de gebaande wegen te gaan, waarbij zij in de mening moeten verkeren geheel zelfstandig en individualistisch bezig te zijn. Het resultaat is schier onverdraaglijke braafheid! Er wordt altijd een onderscheid gemaakt tussen tirannieke systemen en democratische systemen. Men doet het daarbij voorkomen of je in beide gevallen met iets wezenlijk anders van doen hebt. Dat echter is bedrog: bij allebei de systemen is er macht en die is tiranniek, je hebt te doen wat er gezegd wordt! Wat slechts verschilt is de wijze waarop de macht tot stand komt en hoe die gelegitimeerd wordt. Wat dit laatste betreft kun je met recht van mening zijn dat een democratie verre te verkiezen is boven een tirannie, hoewelÖ sommige filosofen zoals Kant en Hegel hebben met sympathie gedacht aan een tirannie van verlichte vorsten die, in tegenstelling tot wat gebruikelijk is, nu eens werkelijk het belang en het welzijn van het volk na zouden streven. Hoe dan ook, de wegen van de mensen worden van buitenaf, van bovenaf en bij voorbaat gebaand zonder dat het toegestaan is anders te gaan. Je kunt zeggen dat het stuurwiel door de mensen uit- handen gegeven is, overigens doorgaans zo dat zij het zelf niet in de gaten hebben en het er vaak zelfs mee eens zijn.

Het merkwaardige hierbij is, zoals gezegd, dat het paradigma onaangetast is, maar welbeschouwd is dat niet helemaal waar. In feite liggen de zaken zo dat de mensen wel zelf hun levensrichting bepalen en dat zij het paradigma inderdaad in zichzelf vinden, maar dat dit paradigma op zichzelf gebrekkig is. Je hebt daarbij te doen met een mens die al wel heel dicht bij de wezenlijke verhoudingen ligt wat betreft de vrijheid van het bepalen van de levensrichting en wat betreft het besef dat het paradigma in jezelf gezocht moet worden. Alleen is er filosofisch nog van allerlei op dat paradigma aan te merken. Wanneer in de toekomst ook dat in orde gekomen is neemt die mens het stuurwiel ook in eigen handen. Dan is die mens werkelijk uitgegroeid tot anarchist en ligt de weg open naar De Grote Vierslag.

De westerse mens geeft wel het stuurwiel, maar niet het zelf bepalen van zijn levensrichting uit handen en hij maakt zelf wel uit wat voor hem het paradigma is. Hij vindt dat hij in deze zaken vrij is en daarin heeft hij volkomen gelijk. Niemand maakt voor hem de dienst uit. Wat anders echter is de vraag waar hij zijn paradigma vandaan haalt, dus op welke verhoudingen en begrippen zijn paradigma gebaseerd is. Filosofisch hierover nadenkend blijkt dat er twee fundamentele mogelijkheden zijn: a) je ontleent het paradigma aan de werkelijkheid zoals ze echt is en dus aan het beeld, of b) de werkelijkheid als voorstelling is de basis van het paradigma. Het is de mogelijkheid b) die in de moderne democratische cultuur aan de orde is. Dat hangt samen met het feit dat in de westerse cultuur de werkelijkheid als Zelfbewustzijn maatgevend is. Om die werkelijkheid, en dus om die verhouding in de mens, draait alles. Voor de westerse mens is de werkelijkheid zoals het zelfbewustzijn haar heeft leren kennen en vervolgens omgevormd heeft tot een vastliggende voorstelling. Aan die voorstelling spiegelt zich het bewustzijn af en levert zodoende het beeld op, maar dat is een zaak waarmee je bij de westerse mens niet moet aankomen. Voor hem is dat iets subjectiefs, iets oncontroleerbaars en duisters en eigenlijk ook iets vrouwelijks en dat kan in geen geval tot iets betrouwbaars leiden. Het gaat de westerse mens om het zelfbewustzijn op zichzelf met zijn inhoud van algemeen aanvaarde kennis en niet om datgene dat zich via dat zelfbewustzijn laat ervaren: het beeld.

De vastgestelde, algemeen voor waar gehouden, berekenbare en controleerbare voorstelling is in de moderne cultuur bepalend voor het paradigma bij het voor zichzelf richting geven aan het leven, zoals de westerse mens dat doet. De voorstelling echter kan geen richting geven omdat hij door zijn vastgestelde karakter geen doorzicht biedt. Een foto biedt ook geen doorzicht. Het enige wat er uit afgeleid kan worden is een blauwdruk, een formule. Dat is er de oorzaak van dat de westerse mensheid een zo oninteressante, oppervlakkige, formele en bloedeloze indruk maakt en er inderdaad van een massacultuur gesproken kan worden, dat wil zeggen een cultuur waarin iedereen geheel zelfstandig en origineel tot hetzelfde gedrag en dezelfde handelingen komt. In een bepaald opzicht kun je echter toch stellen dat de westerse mens een vrij mens is, namelijk voor zover hij individueel in zichzelf de norm vindt. Maar die norm is een blauwdruk en die blauwdruk is er ook de oorzaak van dat die mensheid - en zo langzamerhand de gehele mensheid - radeloos een uitweg zoekt uit de ellende die voortdurend erger wordt. Er is een almaar toenemende vertwijfeling omdat niemand weet waar het heen moet. De richting die de moderne mens, geheel zelfstandig en in vrijheid, bepaalt is geen richting, maar een vlucht naar een fata morgana.

Bladwijzers: Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L ; Paradigma(0) Ė lees nr. 24 ; Paradigma(1) Ė lees o.a. de nrs. 29 t/m 31 ; Sociaal Democratie ; Liberale Democratie ; Parlementaire Democratie ; Een veilige wereld(pag.47) ;

No. 32

Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ; Rechten van de Mens-3 ;

Er wordt in de westerse wereld steeds hoog opgegeven van de vrijheid die de mensen zouden genieten. Er is zelfs een tweede wereldoorlog voor gevoerd om die vrijheid te herstellen en kort na het einde van die oorlog heeft men in december 1948 de Verklaring van de rechten van de mens opgesteld, waarin de vrijheid ook centraal staat. Toch is het steeds goed je af te vragen over welke vrijheid men het heeft, want terecht zijn heel wat progressieve mensen van mening dat de westerse democratische mens helemaal niet vrij is. Het hangt blijkbaar van de vraag af of je de westerse mens al of niet vrij wilt noemen. Wat dit betreft geeft het door mij naar voren gebrachte onderscheid tussen het sturen als zodanig en het richting geven de oplossing: nvrij is bedoelde mens als het over het eerste gaat en vrij is hij met betrekking tot het tweede, ook al baseert hij dit ten onrechte op de voorstelling. Hierbij moet je er echter wel op letten dat ik het over de grondsituatie heb, de fundamentele verhoudingen. Zoals altijd zijn er voorbeelden en tegenvoorbeelden te geven die bovenstaande gedachte al of niet lijken te bevestigen. Dat de verhoudingen fundamenteel toch zo liggen blijkt onder andere ook uit de formulering van de Verklaring uit 1948. Men heeft het over de rechten van de mens. Dat wijst er op dat er in de diepte beseft wordt dat het over een soort van gunst gaat, iets dat de mensen welwillend of redelijkerwijs toegestaan wordt, ze hebben blijkbaar ergens recht op...

De onvrije situatie waarin de westerse mens qua sturen (het stuurwiel in handen hebben) verkeert is empirisch aantoonbaar. Je hebt te doen wat er gezegd wordt door een groep mensen die wetten maken en besluiten nemen. Het feit dat die mensen op een betrekkelijk redelijke manier aan hun macht gekomen zijn doet nu niet ter zake. Overigens valt het met de redelijkheid van de machtsverwerving ook best tegen, in die zin dat er welbeschouwd nauwelijks iets van medezeggenschap van de burgers te bespeuren valt. Telkens weer blijkt dat de overheden in de zogenaamd vrije wereld helemaal niet van plan zijn de vrijheid van de mensen te erkennen.

Daarbij komt men steevast met argumenten in de trant van als nou iedereen dat ging doen zou het een chaos worden... Dat echter is een drogreden, want ten eerste gaat niet iedereen dat doen (wat het ook is) en ten tweede wordt er bij voorbaat verondersteld dat vrije mensen onvermijdelijk chaos teweegbrengen, waarbij het begrip chaos dan stilzwijgend gedefinieerd wordt als ontkenning van de door overheden ingestelde orde. Zo mogen mensen in de bijstand niet zelf iets ondernemen om wat geld te verdienen (het heet dat ze zich beschikbaar moeten houden voor de arbeidsmarkt); bijstandsmoeders mogen niet gezamenlijk het eten bereiden om de kosten te drukken (ze zouden dan onterechte inkomsten hebben). Werklozen mogen hun vrije tijd niet benutten om een studie te gaan volgen (alleen zogenaamde omscholing is toegestaan, overigens steeds naar een lager niveau); vrouwen mogen niet zelfstandig beslissen over abortus (op grond van medische en ethische smoesjes) en het is al helemaal uitgesloten dat de mensen over hun eigen sterven mogen beschikken. De kern van al deze en dergelijke voorbeelden is dat er een fundamentele Onvrijheid in de democratische wereld is. De democratie valt wel degelijk onder de rubriek tirannie en daaraan doet de betrekkelijke redelijkheid van de zaak (trouwens, wat is dat eigenlijk?) niets af. Je hebt te doen wat er gezegd wordt!

In grote lijnen is de tirannie te verdelen in twee grootheden; ten eerste de tirannie die op het individu gebaseerd is en ten tweede de tirannie die steunt op een collectief.

In het eerste geval gaat het over een persoon of een groepje personen die voor zichzelf het alleenrecht op het bestaan claimen (absolutisme) en in het tweede geval gaat het om een collectief, een volk, dat op de een of andere manier bepaalt wie een tijdje de baas mag gaan spelen (democratie).

In beide gevallen is er een volstrekt maatgevende bovenlaag, maar in de democratie dankt die bovenlaag zijn bestaan aan het collectief waaruit hij noodzakelijk voortkomt, terwijl dat bij het absolutisme niet het geval is: men kent zichzelf, op grond van verheven geboorte, gewelddadige macht, rijkdom en dergelijke, exclusieve macht toe. Die gronden zijn als argument wezenlijk oneigenlijk omdat zij niets te maken hebben met de bekwaamheden die in principe voor het besturen van een collectief vereist zijn. En helaas spelen ook bij democratische verkiezingen tegenwoordig in toenemende mate oneigenlijke motieven een rol. Het wereldje van democratische politici is zo langzamerhand evenzeer een gesloten clan geworden als dat vroeger bij het absolutisme het geval was.

Het feit dat je ook in de zogenaamd vrije democratische wereld niets te vertellen hebt houdt niet zonder meer in dat je veel last van je onvrijheid zou hebben. Over het algemeen is te zeggen dat de moderne democratie de burger weinig last bezorgt, maar je moet daarbij niet over het hoofd zien dat veel lastige aanslagen op de vrijheid inmiddels zozeer ingeburgerd zijn dat bijna niemand er nog een aantasting in ziet. De moderne mensen zijn tot op grote hoogte geconditioneerd op Onvrijheid en daardoor zijn zij in de mening komen te verkeren dat zij geheel vrijwillig hun medewerking aan de overheid geven. Bijgevolg hebben zij inderdaad weinig last van hun eigen onvrijheid en komen er vaak zelfs toe te menen dat zij echt vrij zijn. Ook in een absolutistisch systeem kunnen de mensen onder omstandigheden weinig last van hun onvrijheid hebben. Nieuwe onderzoekingen schijnen aan te tonen dat bijvoorbeeld de Franse burgers van vlak voor de revolutie betrekkelijk weinig last hadden. Ik vermoed dan ook dat het uitbreken van die revolutie voornamelijk berustte op onverdraaglijk geworden wrevel over de onmogelijkheid zelf richting aan het leven te geven, onder de morele druk van adel en geestelijkheid die van zichzelf vonden dat zij echt mensen waren, in tegenstelling tot het volk. De geestelijkheid kwam natuurlijk ook nog met het absolute gezag van god aandragen!

Inzake het anarchisme is recapitulerend op te merken dat het dus gaat om de mens als individu, de mens die zichzelf bestuurt, zowel wat betreft het sturen als zodanig als het bepalen van de richting, hetgeen zijn paradigma vindt in de mens zelf en niet in welke uitwendige of hogere instantie dan ook. Het gaat er voor de mens om zich voortdurend zodanig te herzien dat er geen afwijking ontstaat met de verhoudingen zoals die voor de werkelijkheid zelve gelden. Waar liggen die verhoudingen en hoe zijn die boven water te krijgen? Die verhoudingen liggen in de werkelijkheid als bewustzijn, hetgeen iets geheel anders is dan het zelfbewustzijn en het daarop betrekking hebbende denken. Je kunt bedoelde verhoudingen niet denkend leren kennen want ze laten zich gelden in een werkelijkheid die niet voor analyse en empirisch onderzoek vatbaar is. Die werkelijkheid is in ieder individueel mens aanwezig - alleen maar daar en nergens anders!

En het is bovendien een gevoelszaak, redenen te over voor de moderne westerse mens om er van allerlei onzin over te bedenken. Dat deze dat doet is best te begrijpen, maar vervelender is dat hij niet van zins is na te denken over deze kwestie. Intussen is het toch een feit dat het paradigma voor het richtinggeven een inwendige zaak is die, zoals ik al heb laten zien, niets uitwendigs verdraagt zonder geheel en al zinloos te worden. Afgaan op uitwendige zaken ontdoet het individuele leven van haar zin...

Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ; Rechten van de Mens-3 ;

 

No. 33

 

Binnen de context van het absolutisme komen enkelingen naar voren die de pretentie hebben de baas te zijn over bepaalde volkeren. Zij beroepen zich er daarbij op dat zij afstammelingen zijn van een edel geslacht of zij komen met de bewering dat zij een hogere macht vertegenwoordigen. In het eerste geval geldt dus de geboorte als argument om zich te legitimeren als hoger schepsel en in het tweede geval gaat het om een wijding die als een zodanig argument gebruikt wordt. Vaak komen beide argumentaties tegelijkertijd voor, denk maar aan bij de gratie Gods koning zus en zo. Het essentiŽle bij dergelijk getob om voor hoger aangezien te worden is het feit dat dergelijke mensen bezig zijn voor zichzelf het alleenrecht op te eisen om individu te zijn. Zij nemen een voorschot op de volwassenheid waarbij de verhoudingen zo zijn komen te liggen dat De Grote Vierslag geldt. Uiteraard weten zij hiervan niets af, maar onbewust laat de zaak zich toch in hen gelden. En noodzakelijk gebeurt dat op een gefrustreerde wijze waardoor ze onder andere hun medemensen het individu-zijn ontzeggen. Zo vond men ten tijde van Lodewijk XIV (1643-1715) dat iedereen beneden de rang van baron niet tot de mensen gerekend kon worden. Uit zulke opvattingen blijkt dat er toch een vaag vermoeden bestaat van een toekomstig individu-zijn van de mens. Je kunt stellen dat de mensen er almaar op uit blijken te zijn, of althans sympathie hebben voor, het zich realiseren als een zichzelf besturend wezen. In het absolutisme realiseren enkelingen zich als zodanig, alleen is er dan geen ruimte voor het inzicht dat het zichzelf besturen voor alle mensen een feit behoort te zijn. Overigens moet hierbij opgemerkt worden dat de onder het absolutisme zuchtende onderdanen zelf lange tijd niet het benul hebben de tirannen het recht op een exclusief individu-zijn te betwisten. Zij zien tegen het verhevene op en hebben er ontzag voor. Dat is te begrijpen want ook zij verlangen onbewust naar anarchistische zelfstandigheid. Dat ervaren zij als het einde. Slechts heel langzaam aan gaan zij de tirannen dwingen zich in te binden, totdat het intussen thans zover is gekomen dat het geboorte-argument en het wijdings-argument nauwelijks meer serieus genomen worden.

 

Zoals gezegd richt de mens zich bij het koers bepalen en het koers houden op verhoudingen die voor de waarachtige werkelijkheid gelden. Deze verhoudingen liggen binnen de werkelijkheid die ik bewustzijn noem. Hierbij moet je er op bedacht zijn niet aan een soort van norm stelsel te denken, en ook niet aan een soort van regulerend mechanisme. Gewoonlijk gaan namelijk de gedachten van de denkers die kant uit. Men denkt dan bijvoorbeeld aan een bij de mensen ingebouwde redelijkheid die kan waarschuwen als er iets fout gaat of die in ieder geval een vorm van een geweten wakker roept. Deze gedachte fungeert dan als rechtvaardiging voor het ter verantwoording roepen van en zelfs leed berokkenen aan mensen, bijvoorbeeld in het strafrecht. Het gaat nu echter om verhoudingen binnen het bewustzijn die als een soort van beeld (paradigma) de mensen voor ogen staan. Of zij er al of niet zinvol op reageren is een kwestie van zelfbewustzijn en dus ook van cultuur. De mensen hebben daarin een keuze omdat zij als laatste verschijnsel in principe alle kanten op kunnen. Zij kunnen gaan van de allerdiepste afgrond tot en met de allerhoogste verhevenheid. Dat is het volstrekte tegengestelde van het zoeken van een middenweg, zoals men dat in het westerse denken wil. In dat denken vernauwt men bij voorbaat de Ongebondenheid van de mens, terwijl het er daarentegen juist om gaat de onbegrensde ruimte voor en in jezelf in stand te houden.

 

Alleen als je dat doet kunnen de verhoudingen van het bewustzijn als paradigma gaan fungeren. Bij onbegrensde mogelijkheden heeft het zin koers uit te zetten en koers te houden. Angstvallig op de middenweg blijven doet het paradigma vervallen, zo ook het zichzelf herzien en tenslotte het zichzelf besturen. Een trein bestuurt zichzelf ook niet...

 

Het je houden aan een middenweg betekent op de rails blijven. Daarmee vervalt het jezelf besturen en het levert een uitvoerig norm stelsel en een tot in de fijnste details uitgedachte ethiek op omdat er, zowel naar de ene als naar de andere kant, grenzen gesteld moeten worden. Dat is echt iets voor de moderne westerse mens die door het stellen van grenzen meent te weten hoever hij kan gaan, terwijl hij dat juist niet kan weten omdat hij niet van het spoor durft afwijken. Dat blijkt in de praktijk want tot op heden heeft zijn norm stelsel noch zijn ethiek eenduidige antwoorden kunnen geven op tal van levensvragen. Natuurlijk kan dat niet anders, want in feite gaat het bij het zichzelf besturen om de werkelijkheid als bewustzijn en dat is een trillende zaak die zich op geen enkele wijze vast laat leggen. Je kunt geen formules bedenken die van tevoren een oplossing geven. In de kunst bijvoorbeeld is het onmogelijk van tevoren te zeggen hoe een mooi kunstwerk er uit zal moeten zien. De eventuele schoonheid van een kunstwerk kan pas blijken als dat kunstwerk er eenmaal is. Bij voorbaat zijn er echter geen regels of formules voor te geven.

 

Alles wat beweegt heeft een richting; beweging en richting zijn niet van elkaar los te denken zoals blijkt wanneer je de werkelijkheid vanuit het begrip onbepaalde beweeglijkheid beredeneert. Omdat het bewustzijn een door en door beweeglijke werkelijkheid is kun je inzake bepaalde thema's (verhoudingen die tijdelijk centraal staan) slechts nagaan hoe de richting ervan is. Je kunt er achter komen welke kant een thema uitgaat en waarin dat tenslotte uitlopen zal. De mensen vragen zich wat betreft het leven vaak af waarom het nu eigenlijk gaat. Doorgaans menen zij dan dat er een doel aan te wijzen zou zijn, maar die mening levert steevast alleen maar verwarring op. Het leven heeft geen doel, maar wel is te zeggen dat het ergens in uitloopt. Dat echter is niet van tevoren te benoemen. Er is dus geen doel, maar wel is er een richting.

 

Het herkennen van de richting waarheen het leven zich beweegt houdt niet in dat je voorspellingen zou kunnen doen. Een voorspelling gaat over iets concreets, iets dat geformuleerd is. Zoiets te doen is uitgesloten. Maar de richting die bijvoorbeeld de mensheid gaan zal is wel degelijk aan te geven. In het kort is dan te zeggen dat het gaat in de richting van De Grote Vierslag. En dat is het geval juist omdat het daarbij gaat om een viertal begrippen die in het bewustzijn van de mensen liggen. Die zijn dus niet uit de inhoud van het zelfbewustzijn af te leiden. Met andere woorden: zij zijn niet op analytische wijze te ontdekken. Zijn zij eenmaal via de ervaring ontdekt - wat een persoonlijke zaak is - dan is er van allerlei aan te bedenken, uiteraard zonder dat er een berekening of een bij voorbaat geldige formule uit af te leiden is. Als voorbeeld: binnen de werkelijkheid als liefde gaat het er om dat alles ineen is. Dat wil zeggen dat de kant die het qua liefde uitgaat het ineenzijn is. Daarom gaat het steeds als het over liefde gaat. Vragen naar de richting van een bewustzijnszaak is dus hetzelfde als vragen waarom het gaat. Maar het is niet hetzelfde als vragen hoe het moet of vragen wat het doel is. Het bovenstaande maakt hopelijk ook onmiddellijk duidelijk dat er voor de maatschappij en zijn ontwikkeling geen norm en geen doel zijn aan te wijzen. Dan vraagt men zich af: hoe bepaal je dan wat goed en wat kwaad is?

 

No. 34††† ieder het zijne-1 ; ieder het zijne-2

 Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L

Hoewel het volgens mij vanzelf spreekt dat de verhoudingen, die met elkaar het paradigma voor het bepalen van de koers van je leven vormen, binnen het geheel van de werkelijkheid moeten liggen, wil ik hieraan toch nog enige aandacht besteden. Het is namelijk een feit dat de mens in principe alle kanten uit kan en dat het hem, omdat hij als laatste verschijnsel de gehele bestaande werkelijkheid ontkent, geen enkele moeite kost zich als het ware buiten die werkelijkheid te plaatsen. Het is zelfs zo sterk dat hij dat zich erbuiten stellen tijdens zijn culturele onvolwassenheid voortdurend doet, in de waan dat die fictieve werkelijkheid hem een complex van normen en zekerheden biedt. Welbeschouwd zoekt hij in die fictieve werkelijkheid het paradigma. Uiteraard is dit het geval bij de godsdiensten. Vanzelfsprekend is er daarbij geen enkele mogelijkheid zich consequent aan het paradigma te houden. Door zijn onwerkelijkheid roept het onvermijdelijk op dat er volstrekt niet aan te voldoen is en dat de gelovige dus altijd tekort zal schieten. Hij is bij voorbaat zondig en slecht. Dat is niet bepaald een gezonde situatie. ! Iets dergelijks is er aan de hand met de ethiek en de moraal. Die berusten dan wel niet op een ingebeelde concrete onwerkelijke werkelijkheid, maar zij spruiten intussen toch wel voort uit een denken dat vanuit dat denken zelf normen opstelt en niet vanuit verhoudingen die voor de werkelijkheid zelve gelden. Ik wees al op de veelgehoorde veronderstelling dat de mens voorzien zou zijn van een ingebouwde redelijkheid. Ethiek en moraal zijn louter bedenksels en het behoeft ook hierbij niet te verwonderen dat het onmogelijk is zich er aan te houden. Niemand doet dat dan ook. In de meeste gevallen komt een bepaald gedrag, min of meer toevallig, overeen met een ethische regel of een morele code. Dan lijkt het of men zich aan de moraal of de ethiek gehouden heeft, maar dat berust uitsluitend op een toevallige overeenkomst.

Een zichzelf besturend mens laat helemaal niet gelden dat hij alle kanten uit kan. Dat wil zeggen: hij gedraagt zich niet als zodanig, want als hij dat wel zou doen dan zou hij letterlijk stuurloos zijn. Anderzijds is te zeggen dat hij zich juist wel zodanig realiseert dat hij alle kanten uit kan, door namelijk zichzelf binnen de verhoudingen van de werkelijkheid te houden. Dit laatste doet hij juist omdat hij anders willekeurig alle kanten op zou gaan en inderdaad stuurloos zou zijn. Hij is zich dus terdege bewust van het absoluut Ongebonden karakter van zijn mens-zijn. Toegeven aan die Ongebondenheid echter zou een miskenning van de genoemde ontkenning zijn. Datgene dat ontkend wordt moet namelijk volledig tot zijn recht komen en dus moet de mens binnen de werkelijkheid blijven. Hij moet een kind van de planeet zijn en blijven. De oude TaoÔstische Chinees sprak dan van een meedrijven op de stroom en een eenworden met Tao. Dit laatste had geen betrekking op een Onwerkelijke werkelijkheid, maar op de essentie van het universum. De zichzelf besturende mens, de echte anarchist, is degene voor wie het boven gezegde een vanzelfsprekende realiteit is.

Het paradigma ligt binnen de individuele mens, en wel bij het bewustzijn.

Maar stel nu eens dat iemand zijn koers wil bepalen aan de voorstelling zoals die inhoud is van het zelfbewustzijn. De hedendaagse mens dus. Dan is daarvan als eerste te zeggen dat hij in zekere zin ook nu weer buiten de werkelijkheid is getreden omdat het zelfbewustzijn er is dank zij het feit dat het laatste verschijnsel de geworden wereld ontkent. Juist als zelfbewustzijn kun je immers alle kanten op!

Maar als tweede kun je je indenken dat het koers bepalen binnen een altijd wisselende werkelijkheid, die en voor jezelf en vergeleken bij die van anderen nooit hetzelfde is, niet kan. Er zit dus helemaal geen lijn in, maar ook geen essentie: behalve dat je kunt bedenken dat alle verschijnselen gevolg zijn van het combineren van elementaire bouwstenen is er wezenlijk geen gemeenschappelijke essentie. De vijfde essentie (kwintessens) zoals die indertijd door de alchemisten gezocht werd, bestaat niet. Aan de bouwstenen is op zichzelf niets te beleven en geen richting te bepalen.

De karakterloosheid van de voorstelling leidt tot de gedachte dat het zinloos is ergens een waarheid achter te zoeken. Men vindt dan ook dat alles mogelijk is - wat op zichzelf juist is - en dat je over de waarheid van al die verschillende mogelijkheden geen uitspraken kunt doen. Als bijvoorbeeld in een bepaalde cultuur de gewoonte bestaat jonge vrouwen te besnijden dan kun je daarover geen oordeel uitspreken. Ieder het zijne: de ene cultuur(gewoonte) bevat niet meer waarheid dan de andere! En niemand heeft het recht over een cultuur een oordeel te vellen. Een dergelijk denken heet tegenwoordig Postmodern denken en men vindt het een toppunt van redelijk en tolerant denken. In feite echter is het een stuurloos denken, het is een en al gezwalk, dat bovendien nog laf is ook... Je moet er overigens op letten dat de onverschilligheid ten opzichte van het een en het ander geen nihilistische onverschilligheid qua waarde is. Het gaat er uitsluitend om dat men geen waarheid wenst te zoeken en te laten gelden. Men is niet geÔnteresseerd in de vraag hoe zit het. Dat de westerse mens hiertoe komt is intussen best te begrijpen, want in het zelfbewustzijn en de daarbij behorende voorstelling zit geen waarheid. Dit laatste echter weet men niet en men wil het ook niet weten omdat er nu eenmaal geen waarheid is. Overigens: het begrip tolerantie wordt in dit postmoderne verband ook verkeerd gebruikt. Je spreekt van tolerantie als je weet hoe iets zit en bijgevolg in de praktijk voor de dag zou moeten komen, maar zich onvermijdelijk op diverse manieren manifesteert. Je kunt zeggen: het moet zo en daardoor is het min of meer zo. Als je spreekt van tolerantie in de zin van alles is best en ieder het zijne, dan is dat geen tolerantie maar intellectueel gezwabber.

 

Het gaat er dus om de werkelijkheid als bewustzijn te laten gelden. Die werkelijkheid is voor een ieder op eigen wijze (=tolerantie) dezelfde. Bovendien laat het bewustzijn de waarheid zien zodat ze als paradigma kan functioneren voor de levenskoers van ieder (zichzelf besturend) individu. Voor zover dat het geval is gaat het over het leven, het dagelijkse leven, van de mens. Daarbij draait alles om het gelden van De Grote Vierslag, en dus om de begrippen nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme. Al eerder heb ik er op gewezen dat dit levensbegrippen zijn en ik bedoel dan ook: geldend letterlijk voor het leven van alledag. Dat houdt onder meer ook in dat deze begrippen essentieel zijn voor de samenleving en voor de maatschappij. En wat dit laatste betreft: mensen van Onze cultuur willen graag weten hoe je kunt controleren of iedereen zich er aan houdt. Men kan zich niet voorstellen dat het goed gaat als er geen regels zijn. In onze huidige wereld verzuipen wij in de regels, voorschriften en aanbevelingen en op grond daarvan verbeelden wij ons dat goed en kwaad duidelijk gedefinieerd zijn. Toch is dat in werkelijkheid geenszins het geval. Het is maar net hoe de omstandigheden zijn. Moorden is streng verboden, behalve als iemand zegt dat het moet in een situatie die men oorlog noemt. Diefstal is toegestaan als het tot het economisch bestel behoort, maar niet als het in de sfeer van individuele betrekkingen geschiedt.

( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)

 ieder het zijne-1 ; ieder het zijne-2

Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L

No. 35

 

Het paradigma, waarover ik het nu steeds gehad heb, kent geen enkele objectieve toetsingsmogelijkheid. Het is een zaak die in de beslotenheid van het individu gelegen is (immanent) en die niet daarbuiten geplaatst kan worden opdat men hem, als inhoud van het zelfbewustzijn (voorstelling), zou kunnen toetsen doormiddel van het er op toepassen van de een of andere analyse. Elke voorstelling die men zich maakt van dat paradigma leidt tot een karikatuur ervan. Dat geldt zowel voor diegene die als buitenstaander het leven en het gedrag van een ander meent te kunnen en te mogen toetsen aan de een of andere norm, alsook voor de anarchist zelf voor zover hij in de mening mocht verkeren eigen leven en gedrag aan een norm te kunnen toetsen. Er valt niets te toetsen. Daarbij komt dat toetsing, die altijd gepaard gaat met analyse, slechts mogelijk is met betrekking tot een voorgestelde werkelijkheid. Ik heb al laten zien dat het uitzetten en aanhouden van een koers op grond van de voorstelling tot stuurloosheid leidt, tot afhankelijkheid van de omstandigheden en tot zinloos gezwalk, zowel wat het leven betreft als wat betreft het denken (postmodernisme). Juist omdat dit het geval is hebben de mensen, op grond van de ervaring die leerde dat gezwalk letterlijk doelloos is, zichzelf en elkaar normen en regels gesteld, alsmede een aantal doelstellingen: je behoort te weten waarheen je op weg bent! Overigens worden die regels, normen en doelstellingen onmiddellijk weer ontdoken, vooral als er even niemand controleert. Dat kan gebeuren omdat het stellen van regels en normen helemaal niet kan. Dat laatste merkt men natuurlijk niet op omdat men nog niet begrepen heeft dat niet normen en regels tot het uitzetten en aanhouden van een koers leiden, maar daarentegen juist het functioneren van de werkelijkheid als bewustzijn, het gelden dus van de waarheid.

 

Het is van belang in de gaten te hebben hoe de geldigheid van normen en regels bepaald wordt. Als eerste is er uiteraard het opstellen van de normen en regels. Het ligt in de logica dat daarbij een vermoeden van de waarheid een rol speelt, maar als meer dan een aanzet functioneert dat vermoeden niet. In feite stelt men zich een geordende wereld voor en analyseert daarna die voorstelling. Daaruit komen de normen en regels voort. Maar, nu moeten ze ook nog geldigheid krijgen! Die procedure komt overeen met het geldig verklaren van bepaalde wetenschappelijke kennis. Omdat beide, zowel het stelsel van normen en regels als het complex van wetenschappelijke kennis, afgeleid zijn van de werkelijkheid als voorstelling is universele geldigheid volstrekt Onmogelijk. De voorstellingen van alle mensen zijn verschillend. Maar er zijn natuurlijk wel overeenkomsten, vooral als het gaat om vanuit de cultuur ingeprente conditioneringen. Wanneer nu zoveel mogelijk mensen het op bepaalde punten eens zijn worden die voor geldig verklaard. Het is dus een kwestie van de meeste stemmen gelden. Bij wetenschappelijke kennis moet het gaan om kennis die door zoveel mogelijk onderzoekers (het forum der wetenschap) bevestigd wordt. Bij normen en regels moeten zoveel mogelijk deskundigen van hetzelfde gevoelen zijn. De geldigheid van zowel wetenschappelijke kennis als normen en regels wordt getoetst aan een voorstelling van slechts een gedeelte van de werkelijkheid. Bij experimenten bijvoorbeeld worden alle zogenaamd storende elementen bij voorbaat uitgeschakeld. Bij regels en normen is een bepaalde voorstelling van een ordelijke samenleving de maat. Hoe dan ook: het gaat nooit over de werkelijkheid, en dat kan ook niet het geval zijn.

 

Bovendien is het vergaren van de meeste stemmen eigenlijk een zaak van zieltjes winnen, alsof het betrekking heeft op een godsdienst. Het mag dan ook geen wonder heten dat je te doen hebt met hoogst betrekkelijke kennis, regels en normen en dat die al helemaal niets met de waarheid uit te staan hebben. Het zijn conventies... Het spreekt vanzelf dat een volwassen mensheid aan dergelijke regels en normen geen boodschap heeft, en hoe het met de wetenschappelijke kennis zit heb ik elders besproken.

 

Het is nu de vraag hoe in een volwassen samenleving, waarin de mensen elkaar geen regels en normen kunnen stellen noch elkaars leven en gedrag kunnen toetsen, het samenleven tot haar recht kan komen. Er moet immers van allerlei gebeuren, voorzieningen moeten worden getroffen, voedsel moet geproduceerd worden en dergelijke. Kortom: de mensen moeten voor zichzelf en voor elkaar het leven veilig stellen. Het antwoord op die vraag is eigenlijk niet moeilijk te vinden. De clou is dat het paradigma samenvalt met de waarheid omdat het een bewustzijnskwestie is. Omdat het bewustzijn de waarheid is, kan het paradigma niet anders dan universeel zijn, onafhankelijk van welke omstandigheden dan ook. Tot die universele waarheid behoort onder andere dat de werkelijkheid voor de mens volkomen samenhangend is. Dat betekent in de praktijk dat alle verschijnselen, mensen, dieren, planten en dingen, er naar eigen aard kunnen zijn en erkend worden. Dat houdt dan op zijn beurt weer in dat een ieder zich beijvert om de gehele werkelijkheid in stand te houden en te verzorgen. Door dat te doen houdt een ieder zichzelf in stand (veiligheid). Hoe dat straks allemaal in zijn werk zal gaan is voor ons niet te zeggen.

 

Je weet niet wat die mens van straks zal weten en kunnen. Maar zeker is dat wij er ons niet druk over behoeven te maken. De mensen van straks vinden in genoemde samenhang vanzelf hun weg. Bovendien: als je er nu iets van wilt zeggen (het bekende anarchistische getheoretiseer.) stel je ongewild weer een vanzelfsprekendheid als de maat - en dat kan niet!

 

Voor de volwassen mensen van straks valt het paradigma, op grond waarvan de mensen hun levenskoers bepalen en aanhouden, samen met de universele waarheid zoals die in het bewustzijn te vinden is. Dat is voor iedereen een volkomen vanzelfsprekende zaak, juist omdat zij niet aangeleerd is, niet opgedrongen of op straffe van allerlei verplicht gesteld. Het is een innerlijke zekerheid. Aangezien echter die waarheid zich noodzakelijk binnen eert bepaald individu laat gelden is zij steeds op een andere wijze gekleurd. Het individu heeft niet alleen een van ieder ander verschillend zelfbewustzijn (en voorstelling), maar het is ook nog uniek qua geaardheid: talenten, hartstochten, psychische gesteldheid en dergelijke. Daardoor is de levenskoers van een ieder anders geaard dan die van ieder ander. Maar de zaak waarom het gaat is voor een ieder dezelfde, namelijk de universele waarheid. Je kunt zeggen: als mens komt deze waarheid in alle mogelijke gedaanten voor de dag zonder ooit deze waarheid niet te zijn. Omdat dit het geval is kan niemand voor een ander normen stellen, hetgeen natuurlijk niet wil zeggen dat mensen niet onder elkaar over hun koers- houden kunnen spreken en zelfs elkaar bij gelegenheid voor een beetje afglijden behoeden. Omdat het koers- houden een kwestie van voortdurend bijsturen is zullen er ook fouten gemaakt worden. Iedereen maakt telkens fouten. Dat is geen gebrek van de mens: het kan helemaal niet anders omdat het zichzelf herzien een zogenaamd feedback-proces is. Het leven dreigt steeds een beetje teveel naar de ene kant door te slaan en na correctie een beetje teveel naar de andere kant. Dat echter is geen gezwalk.

 

De gemaakte fouten kunnen namelijk nooit de waarheid geweld aandoen en bovendien worden zij onmiddellijk hersteld, dit laatste in tegenstelling tot de gang van zaken in een onvolwassen wereld.

 

No. 36

Oostblok(landen) nrs. 36 , 37 , 41 , 44 , 47 , 60 ;

Het leven kan zich niet voortbewegen via een rechte lijn, precies volgens een bij voorbaat uitgezette richting. Steeds is er het afwijken van die lijn en steeds is er ook het corrigeren, totdat het weer naar de andere kant doorslaat en daar weer gecorrigeerd moet worden. Ik heb die procedure vergeleken met de werking van de thermostaat. Dit proces van schommeling behoort tot de essentie van het leven: in alle culturen en stadia van ontwikkeling is de mens er aan onderworpen. Wat anders is echter de vraag wat hij daarvan bemerkt, hoe hij de zaak interpreteert en welke waarde hij eraan toekent. Meestal wil hij er niets van weten. Hij vindt dat je rechtlijnig behoort te zijn en dat vindt hij omdat hij aan zichzelf bemerkt dat hij voortdurend zwalkt, uiteraard omdat hij zich ongeweten op de voorstelling richt en dan niet anders dan stuurloos kan zijn! Dat het levensproces van schommeling helemaal geen zwalken, maar juist een almaar aftasten, afwegen, beoordelen en proberen is, heeft de onvolwassen mens niet in de gaten, precies omdat hij zichzelf als bewustzijn niet laat gelden. Juist een mens voor wie het bewustzijn geldt, maakt voortdurend fouten. Die fouten zijn namelijk de genoemde afwijkingen! Nu zou je naar aanleiding daarvan kunnen menen dat die mens, hoewel blijkbaar volwassen, uitermate gebrekkig is en dat de aanhangers van de christelijke godsdienst gelijk hebben hem zondig te noemen, beladen met schuld en steevast op de verkeerde weg. Omdat de westerse cultuur doortrokken is van dit soort onzin loop je grote kans dat de vaststelling dat de volwassen mens steeds fouten maakt op een dergelijke ziekelijke manier geduid wordt en dat er bijgevolg reden zou zijn om de mens deemoed, bescheidenheid en besef van kleinheid aan te bevelen. Typisch een visie op de mens die gevolg is van het van bovenaf denken, volgens welk denken de mens te beantwoorden zou hebben aan hogere normen en waarden:

Het begrip fouten maken is onlosmakelijk verbonden met het begrip het goede. Alleen als je met het goede bezig bent kun je fouten maken. Als iemand absoluut niet piano kan spelen kun je hem niet verwijten fouten te maken: het hele gedoe slaat nergens op, het deugt niet. Maar als iemand bezig is goed piano te spelen, dan kan hij fouten maken en hij zal dat stellig hier en daar ook doen. Zo ook de zichzelf besturende mens. De onvermijdelijke afwijkingen zijn even zo vele onvermijdelijke fouten. Omdat hieraan niet te ontkomen is - en je er dus niet aan zou moeten willen ontkomen - kun je niet van gebrekkigheid spreken, of van zondigheid enzovoort. Daarentegen is juist diegene gebrekkig die probeert de fouten bij voorbaat uit te sluiten doormiddel van zekerheden, zoals normen, waarden en regelgeving. Bijvoorbeeld: als je het leven in het bos wilt leren kennen zul je van de voorgeschreven paden moeten afwijken. Doe je dat niet, dan mis je een aantal vormen van leven en het leven wat je wel aantreft heeft zich op de aanwezigheid van die paden ingesteld, zodat het ook niet meer authentiek is. Het resultaat is dat je niets aan de weet kunt komen! Het afwijken is essentieel en dat is zozeer een feit dat je kunt stellen dat het leven voor de mens Onmogelijk zou zijn als er dat afwijken niet was. Zonder dat afwijken kom je niets aan de weet en is het bijgevolg ondenkbaar dat je je koers kunt bepalen en aanhouden.

Dat geldt overigens in de wetenschap ook, al wil menig dogmatisch wetenschapper - en dat zijn er heel wat! - dat onder geen voorwaarde toegeven. Alle wetenschappelijke ontwikkelingen danken hun bestaan aan buiten de wetenschap als zodanig gelegen ongerijmdheden.

Juist deze ongerijmdheden zetten de onderzoekende mens ertoe zijn kennis opnieuw te testen op houdbaarheid, met als gevolg dat er nieuwe ideeŽn opkomen en theorieŽn ontstaan. Zonder de betekenis te erkennen van de ongerijmdheden wordt het niets met de wetenschap. Zo zijn bijvoorbeeld de theorieŽn van Newton (1643-1727) oorzaak van betrekkelijk langdurige stilstand in de natuurkunde (en daar niet alleen) geweest, namelijk tot het begin van de 20ste eeuw, want Newton vond dat je aan allerlei afwijkingen geen aandacht moest besteden. Volgens hem waren dat slechts onnauwkeurigheden...

Ik heb tot nu toe steeds gesproken over het bepalen van de koers, over het bepalen van de levensrichting en dergelijke. Al deze uitspraken hebben echter een erg welbewust karakter en zij wekken de suggestie dat er wat betreft dat bepalen van koers of richting een besluit genomen kan worden, eventueel na ampele overwegingen. Dat echter is geenszins het geval. Toch moet je ook hier weer goed opletten niet op een dwaalspoor terecht te komen, omdat het tegenwoordig weer toegestane carriŤreplanning wel degelijk op berekenende wijze geschiedt. Bij dit plannen bepaalt men van tevoren welke stappen er in de toekomst gezet zullen moeten worden teneinde het doel te bereiken. Dat begint al bij de opleiding. Die is er dan ook nooit om kennis te verwerven, maar steeds om een hogere status te bereiken. Je plant een carriŤre namelijk nooit naar beneden, altijd naar boven! Hoe dan ook, alles wat je onderneemt is op het doel gericht. Zo was men bijvoorbeeld in de voormalige Oostbloklanden en de Sovjet-Unie almaar bezig macht te vergaren. Capaciteiten waren van geen belang, slechts het asociale vermogen dwarsliggers uit de weg te ruimen telde. Het spreekt welhaast vanzelf dat het bepalen van koers of richting, zoals dat bij een zichzelf besturend mens en dus bij de mens als anarchist het geval is, absoluut niets met zo'n carriŤreplanning te maken heeft. Het gaat om de werkelijkheid als bewustzijn. Die werkelijkheid is volstrekt Onberekenbaar, omdat ze door en door beweeglijk is. Er is dus niets vast te leggen en er valt dan ook niets te bepalen. Toch is er een richting, maar deze is slechts aan te voelen en in te zien. Het bewustzijn als universele trilling brengt de materie tot meetrillen (zoals ik elders uitgelegd heb) en dat is de materie als psyche, oftewel het aanvoelen. Tegelijkertijd spiegelt het bewustzijn zich af aan de voorstelling en wordt op die wijze in te zien, dat wil zeggen dat je in kunt zien hoe de werkelijkheid is. Langs beide wegen, namelijk het aanvoelen en het inzien wordt de levensrichting duidelijk en dan blijkt dat er een gericht-zijn op de waarheid is. Dit laatste is een noodzakelijke consequentie van het feit dat een mens wezenlijk alle kanten op kan. Juist omdat hij hiertoe bij machte is richt hij zich ergens op, namelijk op de waarheid.

Het niet bij voorbaat berekenbaar zijn van de koers komt ook nog aan het volgende uit: het houden van de koers is een feedback proces. Telkens als er iets mis gaat, als men bezig is een fout te maken, treedt het corrigeren op. De volgorde is dus deze dat er als eerste fout gegaan wordt en dat er als tweede gecorrigeerd wordt. Welbeschouwd kun je zeggen dat het steeds fout gaat. Dit is op zichzelf volstrekt in strijd met de planning-gedachte, waarbij het juist voortdurend goed moet gaan. Het gaat telkens weer fout en het koers houden is daarop een reactie.

Omdat dit het geval is kun je nooit van tevoren stellen wat het goede is. Daardoor wordt het onmogelijk om inzake het goede iets te doen. Het komt er daarentegen op neer iets te laten! Het zichzelf besturen van de mens als anarchist wordt derhalve gekenmerkt door het achterwege laten van datgene dat fout is en het goede is, als het over het leven van de mensen gaat, slechts negatief te definiŽren: het roept op om iets te laten...

Oostblok(landen) nrs. 36 , 37 , 41 , 44 , 47 , 60 ;

No. 37

 anarchie1††† anarchie-2 (en nrs. 37, 55 en 66) ; Oostblok(landen) nrs. 36 , 37 , 41 , 44 , 47 , 60 ;

Het ligt in de lijn van het westerse denken overal een politieke zaak van te maken. Zo ook met het anarchisme. Men is voortdurend bezig van het zichzelf besturen een stelsel van richtlijnen te maken, die ertoe moeten dienen aan te geven hoe het anarchisme zich heeft te verwerkelijken en hoe het, eenmaal een feit geworden, zich te handhaven heeft. Men heeft- meer dan eens in de praktijk het anarchisme geprobeerd, maar steeds is van het toepassen van die richtlijnen niets terechtgekomen. Zij bleken niet tot anarchisme te leiden, maar voortdurend tot anarchie, dat wil zeggen: bandeloosheid en misdaad. Hoewel dat voor de deelnemers aan zulke anarchistische experimenten natuurlijk treurig is, moet toch erkend worden dat- het niet anders had gekund. Anarchisme laat zich niet reglementeren, en zeker niet bij voorbaat. Steeds moet achteraf blijken wat goed was en wat fout. De enige realistische houding is die van: we zullen wel zien. Dan blijkt vanzelf wat je zult moeten laten, maar ook dit is niet van tevoren te bepalen. Een ethisch stelsel is nu eenmaal niet op te stellen omdat er uit datgene dat achteraf gebleken is geen formule voor de toekomst afgeleid kan worden. Zou dat wel het geval zijn, het feedback proces zou prompt ophouden te bestaan... en daarmee zou het zichzelf besturen van de mens tot een farce verworden zijn.

Er is waarschijnlijk geen politieke theorie waarover zoveel geschreven is als de anarchistische, maar er is bitter weinig over het begrip anarchisme als een van de grootheden uit De Grote Vierslag nagedacht. Steeds heeft men van het anarchisme iets politieks gemaakt, zij het geen partijpolitiek. Men heeft inderdaad wel ingezien dat het anarchisme zich niet rijmen laat met het onderbrengen van mensen in collectieven, maar dat anarchisme in wezen en op zichzelf helemaal niets met de organisatie van maatschappijen en economieŽn te maken heeft is helaas nog steeds niet tot de theoretici van het anarchisme doorgedrongen. Almaar laten zij zich van de wijs brengen door het feit dat het anarchisme als levensbegrip natuurlijk onvermijdelijk zijn weerklank vindt in de maatschappij en de organisatie daarvan. Terwijl het juist volstrekt geen maatschappelijke of economische zaak is. Het is in eerste instantie een zaak van het individuele leven, dat is de hoofdzaak. De maatschappelijke en economische gevolgen daarvan zijn bijzaak.

Het is geen doen om alle geschriften van anarchistische denkers op te noemen. Ik zal dat dan ook niet doen, temeer omdat dit geen taak van de filosofie is. Maar er is toch wel op enkele mensen te wijzen. Wat betreft het Nederlandse taalgebied is er als eerste de historicus en taalkundige Arthur Lehning (geb.1899). Hij heeft een uitvoerige studie van het anarchisme gemaakt en zich daarbij vooral geconcentreerd op Bakoenin (1814-1876), de Russische anarchistische revolutionair. Lehning heeft de uitgave van diens volledige werk verzorgd. Een andere Nederlandse publicist is Anton Constandse (1899-1985). Deze heeft zijn gehele leven over het anarchisme gepubliceerd, maar ook bij hem heeft het anarchisme geen andere inhoud en betekenis dan die van een politieke idee. Tenslotte is vermeldenswaard het tijdschrift De As, dat uitsluitend gewijd is aan de theorie van het anarchisme als politieke idee.

Het feit dat het denken over het anarchisme beperkt blijft tot de politiek doet niets af aan de kwaliteit van de ideeŽn, die, hoewel politiek van aard, een heel wat redelijker voorstelling van de wereld geven dan bij de gebruikelijke theorieŽn het geval is. Van belang voor het anarchistische denken is voorts de wetenschapper Paul Feyerabend (1924-1994).

Hij houdt zich niet zozeer bezig met de politieke kant van het anarchisme, als wel met de consequenties die anarchisme heeft voor het wetenschappelijk denken, en dan vooral de kennistheorie. Hij stelt dan onder andere dat het dogmatisch vasthouden aan eenmaal bedachte en geteste methoden in het geheel niet tot vooruitgang in de wetenschap leidt en dat de geschiedenis laat zien dat elke wetenschapper bij herhaling van zijn eigen methodiek afwijkt om bepaalde resultaten te verkrijgen. Feyerabend gaat zelfs zover dat hij allerlei, door de erkende wetenschap als ondeugdelijk verworpen methoden, theorieŽn en vooronderstellingen erkent als bruikbaar bij het onderzoek van de werkelijkheid. Hij vindt dat het geen pas heeft ongebruikelijke of zelfs zogenaamd onwetenschappelijke methoden bij voorbaat af te wijzen. Het interessante van de opvattingen van Feyerabend is dat hij zijn afkeer van de gereglementeerde, dogmatische wetenschap streng wetenschappelijk fundeert, hoewel vaak op een bijna agressieve wijze. Vooral dat laatste heeft hem niet bepaald geliefd gemaakt bij de dienaren van de officiŽle wetenschap en het gehoorzame voetvolk daarvan. Bekend en belangwekkend is onder andere zijn boek Against Method (1975) dat in het Nederlands verschenen is onder de titel In strijd met de methode (Boom, 1977). In 1973 verscheen er een boek van de hand van de Engelse anarchistische publicist Colin Ward, getiteld Anarchy in action (Nederlandse vertaling 1975, De Nederlandse Boekhandel). In dit boek laat de schrijver zien dat er op de wereld tal van anarchistische toestanden en ondernemingen zijn, waarvan het merkwaardige is dat zij door niemand anarchistisch genoemd worden. Hetzelfde geldt voor ontwikkelingen, zoals het almaar afnemende respect voor overheden en andere autoriteiten. Overal zie je mensen die zichzelf besturen, niet alleen in de kleine kring van samenlevingsverbanden, maar ook in de grotere ruimte van het maatschappelijk veld. Maar je ziet ook hoe overheden telkens ingrijpen, vaak met de bedoeling aan voor hun besef ordeloze toestanden, aan anarchie, een eind te maken, maar soms ook om er bezit van te nemen ten eigen bate. Regelmatig zie je dat overheden het doen voorkomen alsof zij bepaalde zaken geregeld hebben terwijl het in feite de mensen zelf waren die de handen uit de mouwen gestoken hebben. Zo geeft Colin Ward tal van voorbeelden, in revolutionaire situaties, wat betreft het bouwen van huizen, het gebruik maken van gemeenschappelijk weiland, enzovoort. Ik zou daaraan toe willen voegen dat ook het instorten van het Oostblok en het verwijderen van de Muur een goed voorbeeld van het door Colin Ward beschrevene is: je kunt immers steeds vaker horen hoe autoriteiten op schaamteloze wijze beweren dat zij de val van het communisme geregeld hebben, terwijl het voor een ieder duidelijk zou kunnen zijn (de televisiebeelden logen er namelijk niet om!) dat het de bevolking was die zich uit haar kluisters bevrijdde. Op zichzelf is dat niet zo opmerkelijk, want welbeschouwd zijn het steeds de gewone mensen die ontwikkelingen in gang zetten. De gehele wereld, zowel qua samenleving als qua maatschappij is ontstaan door ongehoorzame en dus anarchistische initiatieven van individuele mensen. Zo is er veel anarchisme dat niet aldus benoemd wordt, en het is nu juist dat anarchisme dat het dichtst bij het door mij besproken levensbegrip uit De Grote Vierslag komt, hoewel het, als men het al herkent, toch als regel beschreven wordt naar zijn maatschappelijke werking en gevolgen.

We zijn nu wel op het punt aanbeland dat wij ons nader gaan verdiepen in het volgende begrip uit De Grote Vierslag, namelijk het socialisme. Daarbij zal blijken hoe belangrijk het is uitvoerig bij het individuele aspect van het anarchisme stilgestaan te hebben. Socialisme namelijk is niet te begrijpen buiten de mens als individu om.. .

 anarchie1††† anarchie-2 (en nrs. 37, 55 en 66) ; Oostblok(landen) nrs. 36 , 37 , 41 , 44 , 47 , 60 ;

No. 38

 

Al eerder heb ik er op gewezen dat het socialisme dat wij hebben leren kennen in allerlei vormen van politieke theorieŽn, ideologieŽn en morele utopieŽn niet samenvalt met het filosofische begrip socialisme. Je kunt zelfs wel staande houden dat het in vrijwel alle opzichten strijdig is met de inhoud en de betekenis van het begrip socialisme. Hoewel het bovenstaande onmiskenbaar juist is, moet je er toch voor oppassen dat dit niet als excuus gebruikt gaat worden. Je kunt namelijk regelmatig opmerken dat voormalige socialisten als hun mening te kennen geven dat dat mislukte socialisme het echte niet was, maar dat het met het socialisme wel goed zou zijn gegaan als iedereen trouw aan de beginselen was gebleven. Daarbij wordt het een of andere echte socialisme als excuus gebruikt. Ook bij de waardering van de christenen en de islamieten treedt het excuseren doormiddel van een verwijzing naar echt christendom en echte islam op. Waarmee je echter als realiteit te doen hebt is dat wat in de praktijk te voorschijn is gekomen en niet met iets dat echt zou zijn, maar dat slechts bij een enkeling min of meer in het verborgene aanwezig was en op geen enkele wijze het gehele beeld van de zaak bepaald heeft. Dat beeld was en is dat onechte en de daaraan ten grondslag liggende ideologie werd dan ook, precies tot het moment van instorten, als de enig juiste gepropageerd.

Als ik nu zeg dat het politieke socialisme niets met het begrip socialisme te maken heeft, kan ook dit als een excuus opgevat worden. Dat zou evenwel niet terecht zijn, want dat begrip is inderdaad heel wat anders dan de politieke realiteit. Het zich werkelijk laten gelden van socialisme is voorlopig nog helemaal niet mogelijk omdat de ontwikkeling nog niet voldoende gevorderd is. Een echt, filosofisch verantwoord, socialisme kan er nog niet zijn en dus kun je ook niet stellen dat het wel goed gegaan zou zijn met het socialisme als iedereen het begrip socialisme getrouw had laten gelden. In feite liggen de verhoudingen zo dat het politieke socialisme, met inbegrip van zijn destijds opgestelde beginselen, de onvolwassen manifestatie is van het begrip socialisme. Die manifestatie kan niet anders dan onmenselijk, dwangmatig, autoritair en collectivistisch zijn. Maar je hebt desondanks toch te maken met de verhoudingen uit het filosofische begrip socialisme, alleen zijn ze zo drastisch misvormd dat je ze nauwelijks kunt herkennen. Op die verminkte manier zijn die verhoudingen aanwezig bij iedereen die zich socialist noemt, of het nu gaat over een beginselvaste socialist of een politieke. Dat wil zeggen dat ook een eventueel beginselvast socialisme tengevolge van zijn verminkingen niet anders kan dan mislukken. Dat zal straks blijken het geval te zijn met onder andere die groeperingen die zich thans toeleggen op een vernieuwd zuiver socialisme.

Ik heb als definitie van het begrip socialisme gegeven als ik er ben, ben jij er vanzelfsprekend ook. Opmerkelijk bij deze definitie is dat hij uitgaat van ik, hetgeen betekent dat het een uitspraak is van iemand die ik zegt en die dus een mededeling doet over een inzicht omtrent zichzelf. Met die mededeling maakt hij de verhouding tussen hemzelf en de ander duidelijk. Hij geeft aan hoe voor hem de zaak ligt. We hebben dus te doen met een zuiver persoonlijke aangelegenheid.

Het gaat echter niet alleen over de mens persoonlijk. Het gaat daarenboven over de mens die een bepaald stadium van ontwikkeling heeft bereikt, namelijk het stadium van het individu-zijn. Dan heb je te doen met de mens die werkelijk ik kan zeggen en voor wie dat ik werkelijk inhoud heeft gekregen. Dat is dus de mens die weet wat hij zegt als hij ik zegt.

Gewoonlijk weet men helemaal niet wat het begrip ik betekent. Men heeft het over ik alsof het het middelpunt van het heelal is, het centrum dus waar alles om draait en waarnaar alles zich te schikken heeft. Ook al weet men dat zoiets praktisch onmogelijk is beschouwt men het toch als een mooi doel om naar te streven. De ik echter uit mijn definitie berust niet op dat centralistische principe, maar op een universeel principe waarvan het kenmerk is dat de gehele werkelijkheid inhoud van dat ik geworden is. Dat is overeenkomstig de situatie van de mens als laatste verschijnsel dat in het heelal opkomt. In feite gaat het nu natuurlijk over de mens als individu. Voor hem is essentieel dat al het bestaande in zijn persoonlijke wereld inbegrepen is, dat hij er een eenheid mee vormt en dat alles volledig tot zijn recht komt. Alleen wanneer dat het geval is kan hij zelf tot zijn recht komen. Dat is het tegengestelde van de centralistische ik, want bij deze moet alles zichzelf verloochenen en zich naar hem schikken. Bij hem kan niets zichzelf zijn en niets kan tot zijn recht komen. Alles is wezenlijk uit- en buitengesloten en als zodanig is dat voor die centralistische ik aanwezig. Het is aanwezig als iets anders dat van meerder of minder belang is.

Zoals ik al vaker heb laten zien wordt de westerse cultuur gekenmerkt door een denken van bovenaf. Er wordt gedacht vanuit hogere normen, ondanks het feit dat er helemaal geen hogere normen zijn. Het is dus allemaal nogal irreŽel, maar toch wordt er aan de zaak een objectieve waarde toegekend, hetgeen betekent dat je er aan te gehoorzamen hebt. Zo blijkt dat de westerse mens van oordeel is dat het collectief boven de enkeling uitgaat. De samenleving, de gemeenschap en alle mogelijke andere vormen van collectieven zijn van een hoger belang en naar dat belang hebben de mensen zich te voegen. Als je zo over de menselijke werkelijkheid denkt kun je je eigen positie in de wereld niet anders beschouwen dan als zijnde een onderdeel van een groter geheel. Het is dan onmogelijk als universeel individu voor de dag te komen en het is dan ook uitgesloten het begrip socialisme te realiseren, omdat op die manier dat begrip noodzakelijk vanuit een collectief gedacht moet worden. Daarmee is het onmogelijk geworden het begrip socialisme vanuit de individu te definiŽren: de uitspraak als ik er ben, ben jij er ook is dan niet alleen niet te verantwoorden, maar hij is ook nog in strijd met de idee van het, onder die omstandigheden politieke, socialisme. Dat is een socialisme dat macht over de individuele mens uitoefent, zozeer dat het zelfs tiranniek genoemd kan worden.. . Een op zo'n basis gestoelde gemeenschap blijft onvermijdelijk ver beneden haar mogelijkheden omdat een ieder meer of minder zwaar onder druk staat. Niemand kan uit de voeten en iedereen doet alleen datgene waaraan niet te ontkomen valt: zijn plicht!

Denk je echter niet in termen van hogere waarden en dus niet van bovenaf, dan wordt de gemeenschap jouw persoonlijke zaak. Je bent dan niet een zaak van de gemeenschap, maar de gemeenschap is een zaak van jou en in dat geval ben je in alle opzichten de individu die op grond van eigen zichzelf zijn, tezamen met volledig erkende anderen, een gemeenschap vormt. Die gemeenschap is dan zo essentieel dat je kunt zeggen dat het de inderdaad tot mens omgezette planeet is en als zodanig het milieu waarin echt te leven is. Zo'n gemeenschap kan echter voorlopig nog niet ontstaan: het van bovenaf denken viert hoogtij. Dat is niet eens jammer omdat de ontwikkeling nu eenmaal die weg moet gaan. Met Hegel is te zeggen dat het werkelijke redelijk is en het redelijke werkelijk: het ligt immers in de rede dat de laatste fase van de ontwikkeling tot individu gepaard gaat met het denken van bovenaf en dus ook het denken in collectieven die boven de enkeling uit gedacht worden.

No. 39

verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

De definitie van het begrip socialisme is er een van een mens die iets over zichzelf mededeelt, namelijk dat het voor hem vanzelfsprekend is dat de ander er ook is. Het is dus geen mededeling die gebaseerd is op de ander, de maatschappij, de Staat of welk collectief dan ook, maar een mededeling over de eigen persoonlijke beoordeling van de aanwezigheid van de ander. Je kunt in dit verband spreken van een ik-definitie. Zoals gemakkelijk te constateren is, komt er in zo'n ik-definitie geen afhankelijkheid van iets of iemand anders voor: de ik-zegger formuleert zijn inzicht onafhankelijk van wie of wat dan ook. Voor hem ligt de zaak zo en wat de ander daarvan vindt laat hem koud! Dit is in overeenstemming met het feit dat het wordingsproces in de werkelijkheid uitloopt in de mens als individu en niet in de mens als onderdeel van een groep. Socialisme moet dan ook vanuit de individu gedefinieerd worden, zoals trouwens alle begrippen uit De Grote Vierslag.

Toch moeten we oppassen met genoemde ik-definitie. Vanuit het gebruikelijke van bovenaf denken kun je namelijk stellen dat het een behoorlijk egoÔstische definitie is, waarin de ander kennelijk geen eigen status heeft, maar alleen een door die ik toegekende status. Ik maak uit dat de ander er ook is. Het is dan ook mogelijk dat de ander bedankt voor de eer van mij afhankelijk te zijn. Dit echter berust op een misvatting die typerend is voor het westerse denken. Men wijst daarin die ik-definitie af. Maar intussen zie je dat al het gedoe in de moderne wereld juist neerkomt op het laten gelden van die definitie: iedereen gaat van zichzelf uit. Elkeen die zich in die wereld waarmaakt maakt zich waar als ik en behoudt aan zichzelf het recht voor uit te maken hoe het met de ander zit. Wat dit betreft komt ook weer het feit voor de dag dat de mensen onder alle omstandigheden handelen overeenkomstig de begrippen uit De Grote Vierslag alleen uiteraard op een wijze die van die begrippen een farce maakt. Vanuit het onvolwassen van bovenaf denken wordt onze ik-definitie zwaar verminkt en bijgevolg een vrijbrief voor onderdrukking, dwingelandij en uitbuiterij. Dat denken leidt er immers toe dat de ik de hogere wordt en de ander de lagere. Het kwalijke van de zaak is echter niet gelegen in de op zichzelf als ik betrokken definitie als ik er ben, ben jij er ook, maar in de verminkte betekenis van het begrip ik. Zoals al eerder gezegd is de tendens van het van bovenaf denken dat de enkeling ondergeschikt is aan het collectief. Die enkeling staat dus in het teken van de plichten, de verplichtingen aan het collectief. Als zodanig wordt de enkeling, en dus ook de ander, gedefinieerd en dat betekent dat de mens als ik gesteld wordt als afhankelijk, niet van de ander, maar van het collectief - in feite natuurlijk diegenen die beweren dat zij namens dat collectief optreden.

Het blijkt niet mogelijk te zijn om de afhankelijkheid van de mensen onder elkaar te vermijden. Of de mensen nu volwassen zijn of niet, steeds ben ik afhankelijk van het gedrag van anderen. Mijn veiligheid hangt van die mensen af, niet in de zin dat zij mij mijn veiligheid moeten garanderen (en ik hen dankbaar zou moeten zijn. .), maar in die zin dat het altijd mogelijk blijft dat er iemand bij is die zo ernstig in de war is dat hij mij leed kan berokkenen.

Omdat de mens, zoals ik al zo vaak betoogd heb, op grond van het feit dat hij het laatste verschijnsel is, de werkelijkheid kan ontkennen, kan hij dit eventueel ook met mij doen. Sociaal gezien ben ik dus afhankelijk van het gedrag van anderen. Voor volwassen mensen zijn de zaken echter zo komen te liggen dat genoemde afhankelijkheid niet langer op zo'n manier geldt dat ik er volkomen afhankelijk van ben.

Het er voortdurend mee geconfronteerd worden is voorbij, het is niet langer zo ik er almaar rekening mee moet houden, dat mijn gedrag erdoor bepaald wordt en ik voortdurend op mijn qui-vive moet zijn.

Het is een feit dat in de definitie als ik er ben, ben jij er ook voor die jij de verhouding zo ligt dat hij of zij van mij afhankelijk is qua tot zijn recht komen. Dit echter is een afhankelijkheid die op ontkende wijze, op nihilistische wijze, geldt. Het is zogezegd een onafhankelijke afhankelijkheid. Mijn er zijn houdt immers in dat die ander juist volkomen erkend is. Voor mij is al het bestaande erkend, niet alleen in die zin dat het er van mij mag zijn, maar zelfs zodanig dat het van mij tot zijn recht moet komen. Zou ik dat namelijk verhinderen, dan zou ik mijn eigen werkelijkheid schade berokkenen door onderdelen ervan te verwaarlozen of in het ergste geval buiten te sluiten. Het is daarentegen mijn levensbelang niets te verwaarlozen of buiten te sluiten. Daardoor krijgt het van mij afhankelijk zijn van de ander niet een beperkend karakter, maar juist een levens bevorderend, een verzorgend karakter.

In een onvolwassen wereld is de ander eveneens van mij afhankelijk. Dat komt helder voor de dag als het mij gelukt voor mijzelf, zij het op onvolwassen wijze, individualiteit te bereiken. Ik ben dan degene geworden die de dienst uitmaakt. Nu echter gaat het mij niet om het tot zijn recht komen van die ander, maar om het tot mijn recht komen van hem. Dat wil zeggen dat ik hem slechts erken voor zover hij mij ten dienste staat en mijn belang bevordert. Zijn afhankelijkheid betekent voor hem dat hij door mij op allerlei gebieden beperkt wordt. Gaandeweg zal hij daar geen vrede meer mee hebben, vooral omdat ook hij graag die individualistische ik wil worden, precies als die ik die hem tot nu toe onderdruk. Die ander zal dan ook stappen gaan ondernemen om die beperkingen op te heffen. Dat gelukt hem niet door het beleefd te vragen, hij zal zijn rechten (want daarover gaat het dan) moeten afdwingen. In de gebruikelijke definities van socialisme wordt iets van de ander gevraagd, geŽist zelfs. Men eist van de zogenaamde kapitalisten dat zij de arbeiders ook wat moeten gunnen, men eist van de Staat als absolute machthebber dat hij zich opheft, enzovoort. De eisers zeggen in die definities niets over zichzelf, behalve dan dat zij stakkers (proletariŽrs) zijn aan wie aan alle kanten tekort gedaan wordt. Maar over de ander zeggen zij des temeer en dat is gewoonlijk niet veel goeds. Kortom: deze definities stellen de socialistische mens als een onderworpene, een smeker, een vrager en een eiser. Het is te begrijpen dat de zaak zo gesteld wordt, want men is nog steeds het slachtoffer van het van bovenaf denken. Dan is het niet mogelijk zichzelf anders te zien dan als underdog! Dit afdwingen van rechten is de normale gang van zaken in de westerse cultuur en dat is vooral duidelijk en zelfbewust geworden sinds de Verlichting en de grote Franse Revolutie aan het eind van de 18 e eeuw. Toen kwam al spoedig het politieke socialisme op. Dat was helemaal op dat afdwingen toegespitst en daarbij behoort de omkering van de definitie: het gaat niet om het inzicht dat jij er vanzelfsprekend ook bent als ik er ben, maar om als jij er bent wil ik er ook zijn. Vanuit die onderdrukte ander is dit een legitieme wens, maar in plaats van het Onafhankelijk worden van de afhankelijkheid blijft deze in steeds sterkere mate aanwezig.

Hoe verder men komt met het afdwingen van rechten hoe moeilijker het wordt nog meer rechten te verkrijgen. Juist onze tijd geeft hiervan duidelijk blijk. De afhankelijke bevolking kan vrijwel niets meer voor elkaar krijgen - zij wordt zelfs opnieuw ingekapseld...

verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

No. 40

De verhouding tussen de mens als ik en de ander is te benaderen vanuit het begrip afhankelijkheid, dat voor de dag komt als je in bovengenoemde verhouding je aandacht richt op de vraag hoe het met die ander gesteld is. We hebben gezien dat er vanuit die ander inderdaad van afhankelijkheid te spreken is, maar tegelijk zijn we tot de slotsom gekomen dat het een afhankelijkheid in onafhankelijke zin is. Dat is het geval doordat de mens als ik voortdurend en uitsluitend bezig is de ontplooiing van de ander te bevorderen. De mens als ik staat in het teken van het begrip verzorgen Die verzorging bestaat er niet uit aan de ander een van tevoren bedacht programma op te leggen, zogenaamd voor diens bestwil, maar daarentegen uit een zoveel mogelijk achterwege laten van programma's die de ander in zijn ontplooiing belemmeren. De ander is dus afhankelijk van de mens als ik die hem evenwel steeds als Onafhankelijk laat gelden. Daarmee is de afhankelijkheid tot zelfnegatie gekomen, precies zoals het bij de mens als laatste verschijnsel past.

Je kunt de zaak ook nog anders bekijken, namelijk niet vanuit het begrip afhankelijkheid, maar juist vanuit het begrip zelfstandigheid. Maar, over dit anders bekijken eerst nog het volgende: in de academische filosofie is het gebruikelijk te spreken over een probleem dat volgens een bepaalde methode opgelost zou kunnen worden, maar dat, als dat niet gelukt, om een andere methode vraagt. Opmerkelijk hierbij is dat er blijkbaar in de filosofie een probleem kan zijn en ook dat er methoden toegepast moeten worden om tot oplossingen te komen. Dit echter is onmogelijk. Als je werkelijk te doen hebt met filosofie zijn er geen speciale problemen omdat de werkelijkheid zich niet in deelgebieden laat opsplitsen en er zijn ook geen speciale methoden omdat elk thema binnen het samenhangende geheel van de werkelijkheid var, alle kanten benaderd kan (en moet) worden. Bovendien is deze benadering geen kwestie van methode, waarbij het immers gaat om een logische opeenvolging van formules, maar een kwestie van nagaan, zien hoe de weg naar de waarheid er uitziet. Dit laatste is in overeenstemming met de ware aard van de filosofie waarbij het louter gaat om de vraag hoe zit het.

Op het moment dat je zegt dit is een probleem isoleer je een stukje werkelijkheid en je legt het tevens vast. Daarmee is in feite onmogelijk gemaakt een oplossing te vinden. Wat je eventueel wel vindt is datgene waaruit dat probleem bestaat: analyse is dus wel mogelijk, maar begrijpen niet. Filosofisch nadenken gaat heel anders te werk. Je beschouwt een bepaald facet van de werkelijkheid en vanaf het moment dat je dat van allerlei kanten gaat benaderen ben je bezig een bepaald thema uit te werken. Dat thema leidt tot de oplossing. Deze berust niet op analyse, maar op samenhang. Trouwens, alleen in samenhang van alles met alles kan iets oplossen; is die samenhang er niet, dan lost er wezenlijk niets op: het valt uiteen en vervluchtigt...

Uit het bovenstaande volgt eigenlijk al waarom de filosofie niet met methoden kan werken. Elke benaderingsweg is immers goed! En de meest sublieme benadering is die van alle kanten tegelijkertijd, iets dat nimmer helemaal gelukken kan. Zoals gezegd behoort het begrip methode bij het moderne analytisch wetenschappelijke denken. Het betreft het uit elkaar halen van de voorhanden verschijnselen doormiddel van het uit elkaar denken van je eigen voorstelling. De analyse begint namelijk in je eigen denken, met een bepaald plan dat ingegeven wordt doordat je onderscheid ziet tussen het ene object en het andere.

Dat plan nu is de basis van het begrip methode. Een dergelijke planmatigheid is niet in de filosofie te vinden. Wel zie je dat allerlei facetten van de werkelijkheid van elkaar onderscheiden zijn, maar dat leidt niet tot het maken van een plan. Het leidt er daarentegen toe dat je als het ware op weg gaat, al kijkend naar datgene dat je tegenkomt. Je haalt echter niets uit elkaarÖ

Wat is nu die andere mogelijkheid om de verhouding ik- de ander, gezien in het licht van het waarlijke socialisme, te bekijken? Zoals gezegd gaat het er dan om dat elk mens eigenlijk individu is en als zodanig niets meer met afhankelijkheid te maken heeft. De individu is niet denkbaar zonder onvoorwaardelijke zelfstandigheid, op grond van het feit dat het verschijnsel mens ontkomen is aan de natuurwetten en evenzeer aan een hogere instantie. Dat is al bij het thema nihilisme ter sprake gekomen. Overigens moet nog wel opgemerkt worden dat zo'n zelfstandigheid niet betekent dat de mensen elkaar niet nodig zouden hebben. Juist omdat de ene mens een andere aanleg heeft als de andere en het voldoen aan zoveel mogelijk menselijke behoeften daardoor een zaak is van samenwerking tussen zoveel mogelijk afzonderlijke mensen, hebben zij elkaar nodig. De onvoorwaardelijke zelfstandigheid geldt uiteraard voor elk mens. Daardoor wordt de afhankelijkheid opgeheven. Zou je, zoals gebruikelijk is, het van elkaar en van de natuur afhankelijk zijn beklemtonen, dan kan niemand zichzelf zijn en de cultuur-beweging zou er een zijn naar de massamens toe. Zo is die beweging echter niet: hij verwijst juist naar de geboorte van de individu!

De onvolwassen individu - die van deze tijd - is nog bezig zich zelfstandig te maken. Het toppunt daarvan is de zogenaamde kapitalist. Voor hem is de zelfstandigheid alsnog een doel waarvoor, zoals met doelstellingen altijd het geval is, alles moet wijken. Daardoor trekt hij alles naar zich toe zonder zich in principe van iets of iemand iets aan te trekken. De enige remmende factor bij zijn geplunder is het overeenkomstige gedoe van een aantal - en steeds meer! - anderen. Zodoende is de westerse, op de vrije markt gerichte, economie volstrekt geen ongebreidelde waarin men naar believen kan doen en laten wat men wil. Men kan zoiets bijna dagelijks horen van lieden die niet weten waarover ze het hebben, maar feit is en blijft: die markt is wel degelijk aan banden gelegd, waarschijnlijk nog wel meer dan de zogenaamde socialistische economieŽn, die de naam hebben elke kapitalistische vrijheid uit te sluiten. In de praktijk zijn deze juist ongebreideld omdat enkele topfiguren van het machtsstelsel autoritair en eenzijdig kunnen beslissen hoe of wat. De kapitalist echter vindt steeds zijn gelijken tegenover zich, en ook de collectieven van burgers en werknemers. Die houden hem zo goed mogelijk in toom, maar nooit helemaal en door dit laatste lijkt het of hij maar aan kan rommelen. De kapitalist is dus de onvolwassen individu die alleen maar zijn eigen (onbegrepen) zelfstandigheid op het oog heeft. Daardoor gedraagt hij zich als was hij het centrum van de wereld en alles moet zich daar naar richten. Omdat dit het geval is geldt kapitalisme wezenlijk voor alle mensen, voorlopig voornamelijk die van de westerse moderne cultuur. Het mag dan ook geen verwondering wekken dat de voorspelling van Karl Marx niet uit is gekomen.

Hij dacht namelijk dat er twee, aan elkaar vijandige, groepen mensen waren: de kapitalisten en de proletariŽrs. Die twee zouden elkaar te lijf gaan in de klassenstrijd en dan zouden de proletariŽrs winnen en een voorlopige dictatuur instellen. Dat is echter onjuist gebleken. De paupers zijn zich ook als kapitalisten gaan waarmaken! Er zijn dan ook geen twee groepen westerse mensen. Allen zijn onvolwassen individuen waarvan een gedeelte min of meer geslaagd is en de meesten niet of nauwelijks...

No. 41†††† Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L†† ; Oostblok(landen) nrs. 36 , 37 , 41 , 44 , 47 , 60 ;

Opmerkelijk is dat gewoonlijk de socialist in een adem genoemd wordt met de kapitalist en ook dat het daarbij als vanzelfsprekend wordt voorgesteld dat beiden als vijanden tegenover elkaar staan. Er zou een klassenstrijd gaande zijn tussen de kapitalisten en de socialisten waarbij het in het algemene besef ligt dat de kapitalisten de schuldigen zouden zijn als er iets fout gaat. Zij zouden zelfs Hitler aan de macht hebben geholpen, terwijl oorlogen uitwassen van het kapitalisme zouden zijn. Kortom, er wordt van alles onder de noemer kapitalisme geschoven. Maar tegelijkertijd is de gehele moderne mensheid bezig met zaken die onder het gangbare begrip kapitalisme vallen en helemaal niet met socialistische aangelegenheden. In feite heeft niemand zin om de normen en waarden van het socialisme voor zich persoonlijk te laten gelden. Wat ik zeggen wil is dit: in de praktijk blijkt er geen vijandschap tussen kapitalisme en socialisme te bestaan en bovendien blijkt telkens weer dat het zogenoemde kapitalisme sterkere troeven in handen heeft als het socialisme. Dit laatste is, uiteraard in zijn politieke vorm, intussen nagenoeg geheel verdwenen. Slechts de naam wordt nog gebruikt.

Uiteraard is het altijd gemakkelijk om achteraf een oordeel te geven. Toch moet gezegd worden - en ik heb het al lang geleden beweerd! - dat er in het politieke socialisme geen enkele houdbare kaart zit, en wel omdat de individuele mens gezien wordt als een elementair deel van een collectief en niet overeenkomstig het begrip individu: zelfstandig, zonder ergens in op te gaan, zonder ergens aan ondergeschikt te zijn en zonder ergens uit afgeleid te zijn. Als kleinste deel van een collectief vervalt elke mogelijkheid om zichzelf te zijn en zichzelf te besturen. Alles en iedereen wordt in het politieke socialisme gelijkgeschakeld in die zin dat er dezelfde behoeften zouden zijn en dezelfde normen voor welzijn. Het ontkennen van de individu maakt elk politiek socialisme onhoudbaar en vaak zelfs misdadig. Een veelzeggend voorbeeld: de socialisten dachten dat het gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen ertoe zou leiden dat a) de productie voortaan gericht zou zijn op de maatschappelijke behoeften en dat b) die productie zelf met meer zorg zou geschieden. Gebleken is echter dat beide juist in grote onverschilligheid verwaarloosd worden, dat niemand zich erbij betrokken voelt en bereid is zich ervoor in te zetten. Allicht, want gemeenschappelijkheid betekent in de socialistische optiek gelijkschakeling en ontkenning van de individu.

De begrippen kapitalisme en socialisme zijn in feite geen tegenstellingen op de manier zoals dat doorgaans voorgesteld wordt. Zij behoren bij elkaar als twee fasen van precies dezelfde ontwikkeling. De kapitalist- namelijk is de onvolwassen, zich ontwikkelende, individu die alsnog uitsluitend zichzelf en per se niet de ander bedoelt, terwijl de socialist de volwassen individu is die de ander als een volstrekte zelfstandigheid erkend heeft. En in de politieke praktijk van vandaag is de socialist diegene die graag ook kapitalist wil worden. Toegegeven, het klinkt cru, maar ook de feiten wijzen uit dat het de socialist daarom gaat.

Alleen de oude nog onbevangen socialisten uit vroeger dagen verfoeiden nog oprecht de kapitalist, hetgeen ze niet belette toch zoveel mogelijk spullen en voorrechten van de kapitalist af te pakken - waarin ze toen overigens groot gelijk hadden!

Politiek kapitalisme en socialisme zijn geen tegenstellingen omdat niet gezegd kan worden dat de een een zaak bevestigt en de ander hem ontkent. Althans niet wat het wezen van de zaak betreft. Bij beide gaat het immers om de wording van de individu. Daarbij is de een (de kapitalist) er enigszins in geslaagd zich te verzelfstandigen terwijl de ander (de socialist) daarmee nog bezig is en bij beiden de nadruk nog ligt op het bezit van de aardse goederen als basis voor zelfstandigheid. Daarom is onder andere de kapitalist werkgever en de socialist werknemer! Een ander verschil is dit dat de kapitalist zegt het gaat mij om mijzelf als ik en de socialist zegt het gaat ons om onszelf als ikken. De eerste is dus getypeerd als individualist en de ander als collectivist. Dat is inderdaad op zichzelf een tegenstelling, maar hij vindt zoals gezegd zijn synthese in de ontwikkeling tot individu. Het spreekt vanzelf dat de collectivist tijdens die ontwikkeling werkt met grootheden als partijen, meerder- en minderheden, verkiezingen, collectieve voorzieningen en dergelijke, kortom met democratische grootheden. De kapitalist daarentegen beroept zich wel op de democratie en probeert er voordeel uit te halen, maar is in wezen niet de democratie maar het management toegedaan.

Achteraf is het erg leerzaam te zien hoe het gedrag van de partijbonzen in de Oost-Europese communistische landen is geweest. Deze functionarissen hebben zich namelijk onveranderlijk als kapitalisten gedragen, en dan ook nog kapitalisten van het ergste soort zoals die in het westen al lang niet meer voor komen. Dat waren indertijd nog lieden die fabrieken, mijnen en arbeiders in bezit hadden en daarmee naar believen konden handelen. Al spoedig echter dwongen de socialistische of andere gelijkgezinde collectieven deze kapitalisten zich in te binden en zich aan regels te houden. Bovendien dwong de moderne industrialisatie hen de arbeiders behoorlijk te behandelen omdat dezen anders niet in staat waren hun werk naar behoren te verrichten. Hoe dan ook, in de westerse wereld is de kapitalist, zoals die door Emile Zola (1840-1902) nog zo voortreffelijk getekend is, allang onmogelijk geworden. De partijbonzen uit het Oostblok echter gedroegen zich wel degelijk zo. Binnen hun collectieven zochten zij uitsluitend macht, welstand en rijkdom en dat dan ook nog doormiddel van puur westerse methoden en producten. Zij konden onbelemmerd hun gang gaan omdat er geen individuen en collectieven waren die hen de voet dwars konden zetten. Het politieke socialisme blijkt zodoende een vruchtbare voedingsbodem voor absolutistisch kapitalisme.

De politieke socialisten kunnen niet anders dan in collectieven optreden.

Met behulp daarvan maken zij het de kapitalisten moeilijk met de gerechtvaardigde bedoeling zelf ook een deel van de koek te krijgen. Om dat te verwezenlijken moet er uiteraard wel een koek zijn! Dat is inderdaad het geval maar die koek is er niet gekomen dank zij de inspanningen van de socialisten, maar dank zij de kapitalisten. Deze waren en zijn het die almaar van allerlei ondernemen om eigen individualiteit, welstand en vrijheid te vergroten. Doordat zij dat noodzakelijk doen via het produceren van goederen, diensten en energieŽn schiet de bevolking er altijd iets mee op, zelfs als zij tot op zekere hoogte uitgebuit wordt - wat overigens in een onvolwassen wereld onvermijdelijk is.

Het is aan de uitbuiting dat de politieke socialisten steeds paal en perk stellen, maar onvermijdelijk is het iets dat achteraf plaatsvindt als er al een heleboel door de kapitalisten tot stand gebracht is. Omdat ik hierbij de term kapitalist gebruik lijkt het alsof dezen zulke humane en nuttige mensen zijn. Die kwalificatie echter is niet uitsluitend aan hen voorbehouden: voor de anderen geldt hij evenveel of even weinig omdat een ieder er in de moderne wereld op uit is individu te worden en dat op eigen wijze probeert te doen.

Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L†† ;Oostblok(landen) nrs. 36 , 37 , 41 , 44 , 47 , 60 ;

No. 42††† concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; concurrentie-5 ; concurrentie-6 ;

Het zal inmiddels duidelijk zijn dat de kapitalist in filosofische zin de mens is die zich in zijn ontwikkeling tot individu in een bepaalde periode verder ontplooid heeft dan de (meeste) andere individuen. Hij heeft zich via allerlei economische wegen boven het gemiddelde uitgewerkt, een gemiddelde overigens waarvan de daartoe behorende mensen met hetzelfde bezig zijn. Zo kun je de ouderwetse feodale grootgrondbezitter eigenlijk geen kapitalist noemen omdat hij bij het verzamelen van land met iets volstrekt anders bezig was dan zijn ondergeschikten. De kapitalist echter beweegt zich op hetzelfde terrein - alleen loopt hij harder, de zaken lukken hem beter. Het feit dat kapitalisme betrekking heeft op het kapitaal doet niet ter zake omdat letterlijk alles in geld of kapitaal uit te drukken is en, zeker tegenwoordig, iedereen indirect met zijn kapitaaltje werkt via de banken die zo langzamerhand over al het geld gaan. Waarom het gaat is dat iedereen zich aan het ontwikkelen is om individu te worden en dat je je niet moet verkijken op het feit dat dit noodzakelijk een afwijzen en tegenwerken van de ander inhoudt. De zogenaamde concurrentie is derhalve niet in de eerste plaats typerend voor het kapitalisme, maar voor de verzelfstandiging tot individu. In feite is het kapitalisme daarvan het gevolg, het voorlopige resultaat.

Het gaat in het kapitalisme om het onafhankelijk worden van de materie en als zodanig is het een primitieve zaak te noemen. Toch kan een mens er niet omheen, hij kan immers niet vrij worden zolang hij nog bezig is de avond te halen, brood op de plank te krijgen. Zoals bij het nihilisme ter sprake is gekomen: de bedoelde onafhankelijkheid bestaat niet uit het afschaffen van het brood en de spullen, maar uit het ervoor zorgen dat het brood en de spullen moeiteloos te verkrijgen zijn. Dat levert echte praktische zekerheid op om de avond te halen! Nu is de kapitalist degene die zich die zekerheid het meest verschaft heeft. Het feit dat hij dit niet heeft kunnen doen zonder anderen te benadelen doet nu even niet ter zake, vooral omdat die anderen noodzakelijk hetzelfde zouden doen als zij de kans kregen. Het (terechte) verwijt anderen tekort te doen treft niet alleen de zogenaamde kapitalist, het treft in feite en in principe iedereen tijdens bedoelde ontwikkeling!

Er is een duidelijke zuiging vanuit de kapitalistische bovenlaag. Die zuiging zou er niet zijn als de onderlaag niet met hetzelfde bezig was als de bovenlaag. Zuiging is er echter wel degelijk: je ziet hoe (bijna) iedereen probeert hogerop te komen op de maatschappelijke ladder; je ziet hoe de onderlaag probeert de zeden en gewoonten van de bovenlaag over te nemen - althans wat men denkt dat de zeden en gewoonten van de bovenlaag zijn. Er leven bepaalde voorstellingen bij de onderlaag, de arbeiders voornamelijk, over het leven en gedoe van de kapitalisten, de zogenaamde rijken, de hoger geplaatsten. Doorgaans kloppen die voorstellingen van geen kanten, maar ze zijn toch wel zo diep ingeprent dat zij zelfs de fatsoensnormen van de onderlaag in sterke mate bepalen. Het zijn juist de arbeiderskinderen die er netjes uit moeten zien, die beleefd moeten zijn en weten hoe het hoort.

Dit fatsoen berust op de bijna onweerstaanbare drang om te zijn zoals de bovenlaag. Dat nu is een symptoom van de strijd om individu te worden.

De emancipatie van de moderne mensheid, dat wil zeggen het individu worden, verloopt langs het beklimmen van de maatschappelijke ladder. Weliswaar is dat de materiŽle kant van de zaak, maar dat is toch het eerste wat gebeuren moet.

Emancipatie zonder materiŽle onafhankelijkheid, vrijheid, heeft geen betekenis omdat de zaak niet tot zijn recht kan komen. Je ziet dan ook dat overal op de wereld precies dezelfde processen gaande zijn. Er is geen andere weg mogelijk en daarom heeft het geen zin om er waardeoordelen aan te verbinden en de kapitalist te veroordelen omdat hij bezig is de ladder te beklimmen. Als er al iets te veroordelen zou zijn is dat het verwaarlozen van het bewustzijn zodat de ander hoe dan ook de dupe is. Deze kan zich dan wel troosten met de gedachte dat hij in ieder geval in zijn denken vrij is, maar meer dan een excuus om eigen teleurstelling te verbergen is dat niet. Aan gedachten die vrij zijn heb je niet veel als het om emancipatie gaat. Er is geen enkel steekhoudend argument te verzinnen om te stellen dat niet iedereen recht zou hebben op alle voorhanden spullen. Vooral de westerse mens, die zelf toch rijkelijk voorzien is van spullen, is gauw geneigd om van anderen te vinden dat die materialistisch zijn als die proberen ook een deel ervan te bemachtigen. Men doet het steeds voorkomen alsof het de mens zou sieren geen belang bij de dingen te hebben, maar in feite probeert men ze toch te krijgen. Men beseft namelijk dat de spullen de basis voor vrijheid leggen.

Tegenwoordig leeft het inzicht dat er veel teveel onnutte dingen geproduceerd worden. Dat inzicht is juist, maar de fixatie hierop heeft wel tot gevolg dat je gemakkelijk uit het oog verliest wie er nu eigenlijk voor de productie zorgen, los overigens van de vraag met welke oogmerken dat geschiedt. Het is namelijk een feit dat de zogenaamde kapitalisten degenen zijn die ervoor zorgen dat de spullen er zijn. De politieke socialisten en anderen die er ongeveer net zo over dachten hebben niet meer - maar ook niet minder - gedaan dan het bevorderen van een eerlijker verdeling doormiddel van het afdwingen van rechten en voorzieningen. Maar ook dat is maar gedeeltelijk waar omdat de kapitalisten er alle voordeel bij hadden en hebben dat de mensen een zekere mate van welstand genieten: hun productieapparaat kan anders niet goed functioneren! Ook hieraan kun je zien dat er wezenlijk maar van een en dezelfde beweging te spreken is. Beiden, zowel de kapitalisten als de socialisten, konden niet meer om een betere verdeling van de spullen, een hogere levensstandaard en goed wetenschappelijk verantwoord onderwijs heen. Hoewel zij met elkaar strijd voerden beoogden zij toch wezenlijk hetzelfde. Daarbij echter waren het de kapitalisten, in allerlei varianten, die actief bezig waren met de individualisering via het onafhankelijk worden van de materie. Maar daarvoor hadden zij wel de socialisten nodig om hun winsten te kunnen maken. Ik heb nu in termen van de tegenstelling kapitalisten-socialisten gesproken, maar eigenlijk gaat het natuurlijk om variaties binnen een enkel proces en de onderlinge wisselwerking daarvan.

Het emancipatieproces, dat op den duur leidt tot de mens als individu die als socialist kan stellen als ik er ben, ben jij er ook, is niet denkbaar zonder het begrip arbeid. Om zich als individu te kunnen laten gelden moet er Onafhankelijkheid zijn van de materie. En die wordt verwezenlijkt via het omzettingsproces van de aarde tot een menselijke werkelijkheid, via de arbeid dus. Omdat dit het geval is kun je stellen da de kapitalist als producent van de spullen het verst gevorderd is met het verwerkelijken van het begrip arbeid. Tot op zekere hoogte geldt dit ook voor de overige werkende mensen, maar in de industriŽle periode zijn dezen niet meer dan uitvoerders van de wensen van de ondernemende kapitalisten. Werkelijk deelnemen aan de arbeid is een kwestie van creativiteit, maar dat is tot op heden nog niet aan de orde.

concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; concurrentie-5 ; concurrentie-6 ;

No. 43

Vooral door links denkende mensen wordt als min of meer vanzelfsprekend aangenomen dat het zogenaamde kapitalisme eigenlijk niet deugt en dat daarentegen het socialisme goed is, mits er op de juiste wijze over gedacht wordt en men het niet verkeerd toepast. De sympathie van deze mensen ligt bij het socialisme. Voor een belangrijk deel is deze sympathie het gevolg van inprentingen die vanuit de geldende cultuur hebben plaatsgevonden. Daardoor zijn er nogal wat vooroordelen in het zelfbewustzijn van de mensen binnengeslopen die doorgaans Onbewust doorwerken en die het denken over bepaalde zaken, zoals socialisme en kapitalisme, in kwalijke zin beÔnvloeden zonder dat dit opgemerkt wordt. De wereld waarin wij leven is zonder meer krankzinnig te noemen. De aarde wordt verwaarloosd, het gros van de mensen heeft nauwelijks levenskansen terwijl kleine groepen in onvoorstelbare weelde baden en daarbij ook nog de pretentie hebben deze wereld te kunnen besturen, uiteraard in het belang van de bevolking! Dat alles houdt verband met kapitalisme en het is dan ook niet verwonderlijk dat dit kapitalisme veroordeeld wordt. Maar deze veroordeling is er wel de oorzaak van dat het denken over de moderne mens en zijn toekomst volkomen vertekend is en zelfs volstrekt de verkeerde kant uitgaat, met als tragisch gevolg dat er, juist door de goedwillende mensen, steeds verkeerde oplossingen aangedragen worden.

Het verschijnsel doet zich voor dat er twee groepen mensen zijn: zij die van alles teveel hebben en zij die van alles te weinig hebben. Wat dat aangaat is te zeggen dat de eerste groep niet deugt en de tweede wel. Zo wordt er gewoonlijk dan ook over gedacht, zij het uiteraard in allerlei nuances. In feite echter gaat het over slechts een enkele groep die gedifferentieerd is naar mensen die beter geslaagd zijn en mensen die minder geslaagd zijn, geslaagd in precies hetzelfde streven! Waren er inderdaad twee verschillende groepen, dan zou het voor de hand hebben gelegen te veronderstellen dat de groep die te weinig heeft daarvoor een welbewuste keuze had gedaan, dat het dus mensen waren die te weinig verkiezen boven teveel. Dat echter is natuurlijk niet het geval... Bijgevolg is het niet juist de groep van teveel te veroordelen en de groep van te weinig te prijzen, het is althans niet juist voor het filosofische denken.

In feite speelt zich in al die mensen, zowel die teveel hebben als die te weinig hebben, hetzelfde proces af. Wil je nu enig inzicht krijgen in de aard van dat proces, dan zul je vooral moeten letten op diegenen aan wie de zaak enigszins gelukt is. Diegenen die nauwelijks succes hebben gehad zullen daarentegen vaak beheerst worden door negatieve reacties op bedoeld proces. Zij zullen door die negatieve reacties de indruk wekken er niets mee te maken te hebben, terwijl dat geenszins het geval is. Dat werkt dus misleidend bij het filosoferen! Bovendien worden diegenen aan wie het gelukt is min of meer automatisch veroordeeld met als gevolg dat zij verder geen aandacht krijgen.

Dan zit je filosofisch al helemaal op dood spoor... je moet paradoxaal genoeg juist op de slechteriken letten, want die laten zien wat er werkelijk aan de hand is. Zo blijken de zogenaamde kapitalisten bij het filosoferen over het begrip socialisme de belangrijkste objecten voor het nadenken.

Wat zeggen nu die kapitalisten als het gaat over de vraag wat hun drijfveren zijn? Zij zeggen dat zij eigen baas willen zijn en dat zij rijk willen worden. Het eerste verwijst er onmiskenbaar naar dat de kapitalist niets en niemand boven zich wil hebben en het tweede verwijst naar onafhankelijkheid van de spullen.

Dat komt overeen met wat ik besproken heb bij de begrippen nihilisme en anarchisme. Het is in de praktijk niet hetzelfde, maar in essentie wel: onafhankelijkheid van machten en spullen behoort wezenlijk bij de begrippen van De Grote Vierslag. Maar ook voor de mens als individu en diens ontwikkeling zijn zij essentieel. Deze individu gaat het om hemzelf, dus om de mens als ik en ook gaat het hem om de inhoud van die ik, namelijk de gehele materiŽle werkelijkheid. Het gaat dus om de ik die eigenaar van de wereld is. Deze eigenaar van de wereld is de mens die niet meer behoeft te tobben over de spullen omdat die er zonder meer zijn. Voor deze mens is in feite niets meer Onmogelijk: noch de mensen, noch de spullen kunnen hem in zijn bestaan belemmeren. Als zodanig staat hij vierkant tegenover de christelijke mens, en in het algemeen de godsdienstige mens, die zich verbeeldt afstand van de spullen te moeten doen omdat het hem om het zogenaamd geestelijke zou gaan. Dat geestelijke wordt daarbij opgevat als doel en doelstelling van de ware mens. In feite is dat natuurlijk een bloedeloze heilige die helemaal niet bestaan kan, tenzij als geestelijk gestoorde...

Uiteindelijk zullen alle mensen vrije individuen zijn, niet meer afhankelijk van hoger geplaatsten en materiŽle beperkingen. In het kielzog van de westerse beschaving zijn alle volkeren daarmee al geruime tijd bezig. Eens zullen alle mensen vrij zijn, is het niet op onze planeet, dan elders in het heelal. De weg daarheen is het verste afgelegd door diegenen die wij kapitalisten noemen. Zij zijn dus in zekere zin voortrekkers. Betekent dit nu ook dat die voortrekkers zulke aangename, humane en redelijke mensen zijn? Neen, dat betekent het in geen geval en dat houdt automatisch in dat de mensen in het algemeen, en niet uitsluitend diegenen die als kapitalist aangemerkt worden, niet zo erg aangenaam zijn. Zij allen bewandelen immers precies dezelfde weg! En naarmate zij op die weg verder komen blijken zij nog onaangenamer te worden, hetgeen in de westerse wereld dagelijks in toenemende mate waar te nemen valt.

Het onaangename van de kapitalistische en individualistische mens, de mens dus van de moderne wereld, is gelegen in het worden. Dat wil zeggen: doordat die mens doende is wat te worden is hij eenzijdig op zichzelf gefixeerd. Daarbij komt dan ook nog dat hij bezig is individu te worden en dus een mens die zich waarmaakt als ik. Het is onvermijdelijk dat die wordende ik al het andere buiten zich sluit. Niet-ik heeft voor hem geen belang, tenzij het van belang is om het ik te versterken en inhoud te geven. Dus enerzijds is de kapitalistische mens onverschillig voor alles buiten hem, kunnen niets en niemand bij hem terecht en wordt letterlijk alles verwaarloosd, terwijl anderzijds alles voor hem begerenswaardig is om er gebruik, misbruik, van te maken als opvulling van zijn eigen bestaan. Hij wil alles hebben en wel als bezit, hetgeen wil zeggen dat hij die werkelijkheid als niet- ik niet zichzelf laat zijn maar daarentegen naar zijn hand zet.

Die werkelijkheid moet zijn zo hij wil dat zij is. De wordende individu is de levende ontkenning van alles wat niet- ik is.

Omdat bij hem die ontkenning op de voorgrond staat kun je hem kapitalist noemen. Het behoeft niet te verwonderen dat aan hem de wereld verloren gaat, dat hij zich gedraagt als de volslagen vernietiging. Gevolg is dat er van de wereld voorlopig niets terechtkomt, sterker nog, dat alles in toenemende mate mislukt. De topfiguren in deze wereld laten de zaak steeds meer in het honderd lopen, maar verkeren in de mening progressief te zijn en de aangewezen personen om beleid te voeren teneinde een nieuwe wereldorde te stichten.

No. 44†††††† ieder het zijne-1 ; ieder het zijne-2;Oostblok(landen) nrs. 36 , 37 , 41 , 44 , 47 , 60 ;

Bij niemand gelukt het kapitalistische streven helemaal, steeds blijft een mens beneden de uiterst denkbare mogelijkheid, namelijk het bezit van de gehele kosmos. Het kapitalisme is, gezien in dit licht, onveranderlijk en onvermijdelijk een programma van mislukkingen. In dat programma komen de meeste mensen niet erg ver, slechts een enkeling brengt er nog iets van terecht. Zoals al eerder gezegd is de kapitalist de mens die bezig is individu te worden. Daarbij speelt eigenlijk geen rol wie het verst op die weg gevorderd is, hoewel men gewoonlijk slechts de verst gevorderden kapitalist noemt, hetgeen ten onrechte de suggestie wekt dat de anderen geen kapitalist zouden zijn. De zogenaamd socialistische machthebbers uit het voormalige Oostblok waren uiteraard ook kapitalisten. Zij waren zelfs kapitalisten van het ergste soort, enerzijds omdat zij het schijnheilig deden voorkomen alsof zij vijanden van het kapitalisme waren hetgeen een misdadige leugen was en anderzijds omdat zij in hun kapitalisme volstrekt anti-liberaal waren. Omdat het kapitalisme een ontwikkelingsfase van de mens als individu is komt er een vorm van liberalisme aan mee, in de zin van ieder het zijne en ieder voor zich en een economisch laissez faire. In de westerse wereld behoort liberalisme dan ook bij het kapitalisme. Het kapitalisme echter van de Oostblok socialisten kende op geen enkele wijze rechten aan de medemens toe. Deze had zich volledig volgens de voorschriften te gedragen en het was hem niet toegestaan zelf initiatieven te ontplooien, op welk gebied dan ook. De geheime veiligheidspolitie hield dat, met behulp van een uitgebreid netwerk van verklikkers en verraders, nauwgezet in de gaten. Creativiteit en originaliteit waren zelfs uitermate verdacht! Was de oorspronkelijke westerse kapitalist onverschillig voor de activiteiten van de medemens (vrijheid-blijheid!), de Oostblok socialist verbood en verhinderde elke activiteit die niet collectivistisch en uniform was.

Al is de moderne mens als kapitalist een voortrekker op de weg naar de mens als individu, toch is hij te typeren als een buitengewoon onaangenaam mens. Dat wil zeggen dat wij allemaal, moderne mensen, onaangenaam zijn. Dat komt doordat wij nog bezig zijn iets te worden en daarbij op onszelf gericht zijn. Je kunt stellen dat de onvolwassen mens altijd en onvermijdelijk met zichzelf bezig is. Het gaat immers om het zichzelf waarmaken als individu! Een ander kun je niet als zodanig waarmaken. Pas in de moderne tijd echter is de mens niet alleen maar met zichzelf bezig, maar is hij ook op zichzelf gericht. De mens uit de oudheid bijvoorbeeld was met zichzelf bezig op de wijze van gericht-zijn op de werkelijkheid als geheel en het streven daarmee een eenheid te vormen. Die werkelijkheid is in feite die van het bewustzijn en dus is te zeggen dat de mens uit de oudheid op zichzelf als bewustzijn gericht was. De moderne mens daarentegen is gericht op zichzelf als zelfbewustzijn.

In het eerste geval overschrijdt de mens eigen grenzen, maar in het tweede geval trekt hij ze juist en hij verschuilt zich daar achter en houdt daarbij de medemens buiten de poort. In dat eerste geval hebben wij te doen met een mens die veel groter en grootser is dan die van het tweede geval: deze laatste is eng, benauwd, kortzichtig en bekrompen.

De op zichzelf gerichte, individu wordende, moderne mens maakt een buitengewoon ingrijpende fase van menselijke ontwikkeling door. Hij verwerkelijkt in zichzelf de frustrerende Omslag van volstrekte zelfzucht- (op zichzelf gericht zijn) naar socialisme, van ik ben er naar jij bent er. Tijdens de ontwikkeling naar dat punt is de moderne mens een onmens.

De onmensen kunnen elkaar met recht allerlei verwijten, maar steeds zijn dat zaken waar door de een ten opzichte van de ander wat tegenover gesteld kan worden. Als de een probeert alles in te pikken kan de ander dat ook doen en hij doet dat dan ook. Steeds staat het ene gedrag tegenover het andere en dat houdt elkaar min of meer in evenwicht. Maar er is iets wat in laatste instantie alles onmogelijk maakt en dat is de omstandigheid dat bij die individu- wordende mens niets en niemand terechtkan. Deze mens is almaar bezig grenzen te trekken en om zich heen muren op te richten: My home is my castle en ik eis mijn privacy op. Dit wordt over het algemeen positief gewaardeerd, maar eigenlijk is het onmenselijk, het berust op het verstoten van de medemens. Dat is wezenlijk erger dan het feit dat alle moderne mensen bezig zijn alles in te pikken en in bezit te nemen. Aan al dit gedoe is eventueel - hoewel ook dat niet prettig is - een mouw te passen, bijvoorbeeld door eerst hetzelfde te gaan doen en vervolgens afspraken te maken, maar het feit dat je bij niemand terechtkunt en dat niemand bij jou terechtkan is onverdraaglijk. Er bestaat daarvoor geen oplossing. Het maken van afspraken helpt zeker niet... Het niet bij elkaar terechtkunnen, maakt het onmogelijk dat er een samenleving bestaat. Een maatschappij, gebaseerd op wederzijds wantrouwen, kan wel bestaan, hoewel die bij voortduring inzinkingen vertoont vanwege ieders onbetrouwbaarheid. Maar met kunst en vliegwerk, namelijk een grote hoeveelheid contracten, regels en voorschriften, is een maatschappij wel enigszins draaiende te houden. Onze moderne wereld is daarvan een duidelijk voorbeeld. Een samenleving echter is volstrekt Onmogelijk. Het zich ontwikkelende individualisme (kapitalisme) staat er aan in de weg. Een wereld waarin geen samenleven mogelijk is, is een kille en oppervlakkige wereld. Kil omdat er geen overgang is tussen de een en de ander en oppervlakkig omdat er geen liefde tussen de mensen kan zijn. Wanneer de ene mens wel overgaat in de andere, oftewel op andere wijze dezelfde is, is de buitenkant, de oppervlakte, niet langer de maat. In dat geval kunnen de mensen als het ware in elkaar doordringen, elkaars innerlijk in principe leren kennen.

Wanneer mensen bij elkaar terechtkunnen zijn zij elkaars gezellen, dat wil zeggen: mensen die met elkaar door het leven gaan, die samen optrekken. Dat wil niet zeggen dat zij almaar bij elkaar in en uit lopen en elkaar geen rust gunnen. Het wil zeggen dat zij juist elkaars eigenheid respecteren en niet proberen over de muren van de privacy heen elkaar lastig te vallen met dingen die zij menen aan elkaar verschuldigd te zijn. In onze moderne wereld komt van het elkaar met rust laten niets terecht. Er is geen samenleving mogelijk en de samenleving die er desondanks toch nog zo'n beetje is beperkt zich tot wat sommige mensen particulier met elkaar laten gelden.

 

In die particuliere sector komt het samenleven natuurlijk wel voor, maar waarom het gaat is dat dit niet bepalend is voor het beeld van de westerse wereld. Het bepaalt het karakter ervan niet. Overigens mag ook dat particuliere samenleven niet verward worden met wat men tegenwoordig samenlevingsvormen noemt. In feite zijn ook dat maatschappelijke structuren. Het huwelijk bijvoorbeeld wordt gekenmerkt door beloften en ook een contract. Daarmee is ook dat een structuur en nog lang geen samenleving. En verder moet er op gewezen worden dat ook het Verenigd Europa, zoals dat de politici voor ogen staat, niets met een nieuwe samenleving te maken heeft, hetgeen al onverbloemd blijkt uit het feit dat het geopend zijn van de grenzen slechts geldt voor economisch verkeer en ook het feit dat er qua democratie nauwelijks iets aan de hand is in dat nieuwe Europa.

 ieder het zijne-1 ; ieder het zijne-2 ; Overgang-1 ;Oostblok(landen) nrs. 36 , 37 , 41 , 44 , 47 , 60 ;

No. 45

Het is van belang er nogmaals op te wijzen dat in mijn optiek het begrip kapitalist een ruimere betekenis heeft dan alleen maar een economische. Je kunt het begrip kapitaal dan het beste als volgt definiŽren: al datgene waarmee de mensen op welke manier dan ook iets gedaan hebben. Uiteraard is dat gedoe met de verschijnselen niet zonder het beslag erop leggen. De toenmalige landverhuizer die geheel verpauperd naar Amerika ging met de bedoeling daar rijk te worden was dus ook, zoals al eerder betoogd, een kapitalist. Hij ging op van alles beslag leggen. Deze en dergelijke kapitalisten zijn, hoe paradoxaal het ook klinken moge, de voorlopers van het socialisme. Het is dan ook in dat licht dat mijn uitweiding over het kapitalisme en de kapitalisten gezien moet worden. Het gaat mij nu om het socialisme. De typering daarvan was: als ik er ben, ben jij er ook. Deze uitspraak doet onwillekeurig vermoeden dat er een verandering van mentaliteit op zou gaan treden, ongeveer zoals politici en geestelijken dat almaar zo graag willen: men zou meer aan de ander moeten denken, minder asociaal zijn en wat voor zijn medemens over moeten hebben. Je zou denken dat het er om zou gaan dat de mensen iets van zichzelf prijs zouden moeten geven. Maar op zoiets kun je lang wachten! Het ligt niet in de natuur van de mens om iets in te leveren en dat niet doordat de mens slecht zou zijn, maar louter door het feit dat de mens bezig is zich als eigenaar van de kosmos waar te maken en doordat hij dat alleen maar als individu kan doen. Dat betekent dat hij er helemaal niet naar toe zal groeien om steeds meer voor zijn medemens over te hebben, maar juist het tegendeel: hij is almaar minder geneigd iets voor de ander te doen. Uiteraard hangt dit onmiddellijk samen met de ontwikkeling tot individu.

Die is niet mogelijk zonder een steeds sterker zichzelf isoleren van de anderen en dat juist om zichzelf als ik te vinden.

Terecht merken moderne politici op dat er in de mensheid een proces van individualisering plaats heeft. Voor hen is dat reden om de handen van de samenleving af te trekken ten gunste van een zo omvangrijk mogelijke economie. Je ziet dan ook dat alle sociale voorzieningen stelselmatig uitgehold en afgebroken worden, de mensen moeten zich voortaan maar particulier verzekeren! De overheden maken dus misbruik van de individualisering met de bedoeling nog meer gemeenschapsgeld naar de bovenlaag door te sluizen. Maar dat er individualisering is is juist. Op grond daarvan zou je verwachten dat een overheid zo'n onafwendbaar cultuurproces zou begeleiden, in goede banen zou leiden en er de voorwaarden voor scheppen. Dat echter is niet het geval: men werkt het proces tegen want men vindt het een kwalijke egoÔstische ontwikkeling.

 ( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)

Het gevolg daarvan is dat de onaangename en zelfs misdadige kanten van het individu- worden nog veel erger voor de dag komen, als reactie namelijk op het afremmen van het proces dat wezenlijk plaats vindt. Men hoopt dat ooit de mensen nog eens zo aardig zullen worden dat zij, geheel vrijwillig en blijmoedig, hun rijkdom met anderen zullen delen. Dat nu is hopen op een wonder dat nooit zal gebeuren...

Je kunt zeggen dat de individu wordende mens zich uit moet kunnen leven als de mens die het andere en de ander van zich afstoot. Als je dat zegt heb je, zeker filosofisch gezien, nog gelijk ook. De mensen moeten dit proces immers doormaken om bij zichzelf terecht te komen. Daarbij valt te bedenken dat, als iedereen er zo (anarchistisch) over dacht, er ook dan vanzelf vormen van zelforganisatie zouden ontstaan die de kwalijke kanten van zo'n ontwikkeling zoveel als mogelijk zouden terugdringen.

Het is zelfs zeer waarschijnlijk dat die ontwikkeling heel wat humaner zou zijn dan die wij op deze planeet doormaken. Op deze planeet evenwel vindt men dat er van bovenaf geregeerd moet worden en dus kan zeker zo'n proces als dat van de individualisering niet vrijelijk doorgang vinden. Het moet zoveel mogelijk tegengewerkt worden. Dan is de enige manier om de zaak nog enigszins draaglijk te maken het houden van zoveel mogelijk controles en het straffen van overtreders. Dat is in feite een gruwelijke weg, maar hij is onlosmakelijk verbonden met de machtsidee dat er geregeerd moet worden. Uiteraard is het een feit dat dit laatste een waan is zodat ook controleren en straffen onvermijdelijk tot een waanzinnige wereld zullen leiden.. .

Wat er op den duur met de individu wordende mens zal gebeuren is het volgende: langs de weg van de individualisering, waarbij de mens als ik zich steeds meer isoleert van alles wat onder de rubriek niet- ik valt, komt de moderne mens inderdaad uit bij zichzelf als individu. Hij staat dan volkomen los van de werkelijkheid, een positie die hij inderdaad als laatste verschijnsel inneemt. Op dat moment, waarin een rol speelt al datgene dat ik al bij de begrippen nihilisme en anarchisme besproken heb, gaat vanzelf gelden wat essentieel menselijk is. De mens is volwassen geworden. Dat betekent dat de mens zichzelf als bewustzijn weervindt en dat houdt dan weer in dat de werkelijkheid voor de mens een samenhangend geheel is waarin alles en iedereen inbegrepen is. Die mens als individu behoeft niets voor zijn medemens over te hebben, want die medemens is vanzelfsprekend inbegrepen. Zij of hij is dan niet langer niet- ik, maar op andere wijze ik. Deze volwassen mens, die vooral ook bij het begrip communisme ter sprake zal komen, is dus een geheel andere dan gewoonlijk gedacht wordt voor zover er over gedacht wordt. Hij verandert niet van mentaliteit in die zin dat hij een soort van bekering doormaakt, hij wordt niet plotseling aardig voor zijn medemens en hij heeft nog steeds niets voor hem over. Wat er met hem gebeurd is is het volgende: hij is bij zichzelf als mens terechtgekomen en nu zijn de voor de mens geldende begrippen voor hem realiteit geworden. Daarbij behoort het begrip het geheel, dat er onder andere toe leidt dat de medemens nu op andere wijze ikzelf is, dat de een bij de ander terechtkan en het grote elkaar verdringen achter de rug is. Om zover te komen is het noodzakelijk de weg van de individualisering te volgen want je komt niet bij jezelf terecht als je je niet bevrijdt van al het vreemde. Bekeringen en evangelisatie en via modieuze therapieŽn jezelf veranderen mogen wellicht op enkelen een heilzame uitwerking hebben, voor de mensheid als zodanig is de door mij besproken onaangename weg noodzakelijk en onvermijdelijk. Deze weg is de enige die tot het waarachtige socialistische inzicht leidt: als ik er ben, ben jij er ook.

Hoewel wezenlijk alle mensen kapitalist genoemd moeten worden, zijn er toch velen die zich, niet zonder reden, geen kapitalist wensen te noemen, maar daarentegen socialist. Ook diegenen die zich liever christen-democraat of liberaal of iets dergelijks noemen, zijn in de moderne wereld eigenlijk en wezenlijk socialist, uiteraard in de politieke zin van het woord. Deze politieke socialist houdt zich niet met ondernemen bezig, maar met de maatschappij die hij denkt te moeten veranderen en te ordenen. Deze politieke socialist heeft niet gezorgd voor het beschikbaar komen van de spullen en het tot stand brengen van een infrastructuur. Hij heeft zich bezig gehouden met het verkrijgen van een betere verdeling van de spullen, de macht en het bestuur, allemaal zaken die reeds aanwezig waren toen hij als socialist zijn activiteiten begon. Alleen, hij speelde er nauwelijks een rol in en daar ging hij terecht iets aan doen. Hij staat dan ook in het teken van als jij er bent wil ik er ook zijn.

No. 46

Vooral tegenwoordig, nu men in de maatschappij geconfronteerd wordt met tal van asociale gedragingen van individuen, klinkt de roep van diverse moraalridders die willen dat de mensen zich zullen veranderen. Zij moeten weer gaan hechten aan vroegere waarden en normen, uiteraard vooral godsdienstige. Het spreekt vanzelf dat dit waarden en normen zijn die door die moraalridders zelf bedacht zijn en die daarom in niet geringe mate hun belang dienen. Algemeen kenmerk van dergelijke waarden en normen is zonder twijfel de eis van onderdanigheid. Die klinkt in alles door wat van de burgers verlangd wordt. Daarbij is het opvallend dat er blijkbaar mensen zijn die het recht hebben aan andere mensen eisen te stellen. Je gaat je dan als eerste afvragen: hoe komen die mensen aan dat recht? Waarop is dat gegrond? Als tweede ligt er de vraag wie uit gaat maken dat er eisen gesteld mogen en moeten worden en aan wie? En tenslotte kun je je afvragen welke eisen dat dan zouden moeten zijn en hoe dat uitgemaakt wordt. De situatie is steeds dezelfde: de een maakt voor de ander de dienst uit. Tegenwoordig is men ervan overtuigd dat de mensen - wie zijn dat? - moeten veranderen. Het gaat zo niet goed met de maatschappij. Gelukkig kun je geen veranderingen bij de mensen afdwingen, maar zelfs als dat wel zou kunnen zou het toch een onbehoorlijke zaak zijn, op grond van bovengenoemde vragen. Het zou stellig een kwestie van een niet geringe tirannie zijn...

De mens moet door die onaangename periode van het individu- worden heen.

Daarin heeft hij geen keuze. Maar als hij er inderdaad doorheen is spreekt het voor hem vanzelf dat de ander er ook is. Dat weet hij dan onmiddellijk, zonder na te denken, zonder onderzoek of onderricht. Er zijn daarvoor geen wetten en voorschriften nodig, het is net zo gewoon als twee maal twee vier is. Nu is het verleidelijk te stellen dat deze beginnende volwassen mens, vergeleken bij de alsnog onvolwassen mens, een ander mens geworden is. Toch is dit wezenlijk fout gedacht. Er is op geen enkele wijze een ander mens voor de dag gekomen. In feite heb je nog steeds te doen met diezelfde mens die zich in al die eeuwen zo schandelijk misdragen heeft en die nauwelijks tekenen heeft gegeven tot iets goeds in staat te zijn, behalve bij hoge uitzondering. Het is deze mens die tenslotte onmiddellijk erkent dat de ander er vanzelfsprekend is en die dit kan doen, niet doordat hij veranderd is, zichzelf veranderd heeft of zich tot een ander gedrag heeft laten dwingen, maar doordat hij zich ontwikkeld heeft tot datgene dat hij altijd al in de kiem was, namelijk zelfbewust bewustzijn oftewel een zelfbewust samenhangend geheel van alles wat er is. Het gaat dan over een mensheid die zich gedraagt alsof ze een levend organisme was. De daartoe behorende mens, die tenslotte zichzelf geworden is, heeft, vergeleken bij vroeger, een verandering ondergaan, maar hij is geen ander mens geworden. Als je daarop moest wachten kon je bitter lang wachten, want die andere mens komt nooit, niet op onze aarde en niet elders. Telkens wanneer politici en andere geestdrijvers veranderingen eisen hebben zij het over een andere mens, een die helemaal niet bestaat en die ook niet bestaan kan. Hun geringeloor werkt dan ook onvermijdelijk averechts uit: in plaats van de mensen in moeilijke perioden te begeleiden (zij werpen zich toch op als gekwalificeerde bestuurders?), remmen zij de ontwikkeling af, frustreren haar en wekken daarmee agressie op. In feite willen zij eigen macht doorzetten, een streven dat altijd en overal op verzet stuit.

De politieke socialist die wij hebben leren kennen is eigenlijk het omgekeerde van de werkelijke socialist.

Hij gedraagt zich niet overeenkomstig de gedachte als ik er ben, ben jij er ook, maar precies andersom: als jij er bent heb ik het recht er ook te zijn. Deze gedachte behoort natuurlijk bij de eerstgenoemde, hij is er de tegenpool van. Hij is evenzeer de mens die begint zich als individu te ontwikkelen. Daarom behoort die politieke socialist bij dezelfde zaak als de zogeheten kapitalist. Hij is de onvermijdelijke tijdgenoot van de kapitalist en als zodanig de tegenpool van precies dezelfde zaak. Maar hij vindt dat hij een geheel andere en humanere ontplooiing nastreeft! Hij wil immers dat ieders rechten erkend worden en hij wil ook zijn deel hebben van de welvaart. In hetzelfde proces staat hij in het teken van de niet-erkende mens (althans niet als mens erkend) en hij wil daarin verandering brengen, iets wat welbeschouwd helemaal niet gaat. Je kunt spreken van twee typen als het gaat over de zich individualiserende mens. De een begint, louter uit de behoefte zich zo breed mogelijk te maken, de wereld om te zetten tot iets menselijks en brengt zo spullen voort, schept infrastructuur en regelt de maatschappelijke verhoudingen en gedragingen, maar de ander tast dit voortdurend aan, dwingt almaar rechten af en belemmert tot op zekere hoogte de ongeremde hebzucht van de mens als kapitalist, en dat doet hij, in strijd met wat hij gewoonlijk meent, ook alleen maar uit de behoefte zich breed te maken, uiteraard omdat ook hij deel is van het proces van het zich tot individu ontwikkelen. Het type mens dat wij kapitalist zijn gaan noemen is zogezegd een ondernemer; hij is geheel en al op productie, distributie en management ingesteld. Het type echter dat in wezen socialist is, ook al noemt hij zichzelf doorgaans anders, behoort niet tot het productieve deel van de mensheid. Let wel: productief in de zin van scheppend, de wereld menselijk makend en dergelijke. In de zin van slovend en sjouwend, namelijk als uitvoerder van het door de eerstgenoemden bedachte en beheerste productieproces, kun je het tweede type mens desnoods wel productief noemen. Maar zijn productiviteit is maar heel betrekkelijk: zodra er een machine uitgevonden is die goedkoper, sneller en betrouwbaarder werkt heeft men hem niet meer nodig en is het uit met zijn productiviteit. Hij is namelijk slechts werknemer en niet meer dan dat. De politiek socialistisch ingestelde mens vertoont slechts in schijn productiviteit en hij is volstrekt afhankelijk van de ondernemingslust van anderen, die hem overigens hard nodig hebben zolang er nog geen goede machines zijn. De werknemers zijn aldoor bezig het werk uit te voeren.

Omdat zij slechts een onkostenpost zijn ontvangen zij zo laag mogelijke lonen, waarvoor zij dan ook nog alle mogelijke moeite moeten doen om het te krijgen. Zij tellen eigenlijk niet mee in de wereld van de zich ontwikkelende individu en vanuit deze situatie en het erbij behorende besef een verworpene der aarde, een proletariŽr te zijn proberen zij een deel van de koek binnen te slepen, eigenlijk nog steeds met hun pet in de hand...

Een zogenaamd socialistische maatschappij waarin op socialistische wijze de economie geregeld wordt kan nimmer gelukken. De socialistische ideeŽn, hoezeer desnoods ook bedoeld ten dienste van de mensheid, zijn allemaal gericht op het nemen, namelijk het beslag willen leggen op een (rechtmatig) deel van de welvaart. Door deze gerichtheid krijgt de menselijke drang om de planeet om te zetten tot een menselijke wereld niet of nauwelijks een kans zich te manifesteren. Anders gezegd: het ondernemen kan niet uit de voeten. De reden daarvoor is dat ondernemen nimmer anders kan zijn dan individueel. Het is de mens als individu die zichzelf en zijn wereld veilig gaat stellen. Op een collectieve manier is zoiets onmogelijk, zoals inmiddels ook steeds duidelijker wordt in onze huidige wereld. Als de partij of de regering uitmaakt wat er geproduceerd moet worden ontbreekt het individuele aspect van de zaak. Dan kan het alleen nog maar mislukken!

No. 47

Oostblok(landen) nrs. 36 , 37 , 41 , 44 , 47 , 60 ;

Het omzetten van de planeet in een voor de mensen in alle opzichten veilige wereld kan niet gelukken vanuit politiek socialistische theorieŽn en motieven. Uiteraard kan ik met deze uitspraak niet doelen op het echte socialisme, want dat is juist, als een van de begrippen uit De Grote Vierslag, van wezenlijke betekenis voor de mens in een veilige wereld. Dat socialisme heeft in directe zin niets met productie, ondernemen en arbeid te maken. Het gaat daarbij daarentegen om de vraag hoe de mensen met elkaar omgaan. Dat is natuurlijk niet zonder productie, zonder een veilige wereld, maar productie en veiligheid zijn slechts voorwaarden voor een humane omgang tussen de mensen. Het gaat nu dus om dat historische socialisme dat gebaseerd is op als jij er bent wil ik er ook zijn. Dat is een socialisme dat zich manifesteert als een economische theorie die tot doel heeft alle individuen onder een enkel universeel machtsstelsel onder te brengen. Denk aan het politiek geaarde Marxisme en het daaruit afgeleide Marxisme-Leninisme, het MaoÔsme, het Stalinisme enzovoort. Die economische machtstheorie pretendeert lijnrecht tegenover het zogenaamde kapitalisme te staan en dat houdt onder andere in dat de partij, die het overkoepelende hogere heet te zijn, bepaalt wat er geproduceerd moet worden, hoe de verdeling zal zijn en dergelijke. Op grond daarvan meent men een goede maatschappij op te kunnen bouwen, men sprak in het verleden zelfs korte tijd van een arbeidersparadijs. Al gauw echter bond men wat in met zijn loftuitingen, want het werd voor een ieder duidelijk dat, zo er al een paradijs zou ontstaan, dit zeker niet voor de arbeiders het geval zou zijn, maar veeleer voor de machthebbers. Dit nu is niet toevallig zo, op grond van politiek socialisme is geen wereld op te bouwen. De vraag is bijgevolg: waarom niet?

Je zou kunnen denken dat het bijvoorbeeld in de Sovjet-Unie mislukt is omdat er geen capabele mensen aan het roer stonden. Hoewel dit inderdaad het geval was, ligt de oorzaak toch ergens anders en die oorzaak leidt er onder andere toe dat er zelfs geen enkele bekwaamheid aan de top mogelijk is. Werkelijk bekwame mensen, zo die al de top bereiken, worden onvermijdelijk verwijderd.

Zij worden tot Staatsvijanden bestempeld omdat zij hun waarheid niet zoeken bij de opvattingen van de partij, maar bij de wetenschappelijke en technologische eisen die hun werk aan hen stelt. Zo'n miskenning kan niet geduld worden, juist omdat het om de macht gaat en dus worden alle bekwame mensen geweerd. Daardoor zitten aan de top alleen maar kleinburgerlijke baasjes die voor geen enkel machtsspel terugschrikken zoals de geschiedenis inmiddels ook al bewezen heeft!

Het opbouwen op socialistische wijze, waarom kan dat niet gelukken? Lukt het in het westen dan wel? Inderdaad zit het mislukken er in het westen ook volop in, maar toch is daar de situatie wezenlijk anders. Wat er namelijk steeds instort zijn bepaalde bedrijven, waarvan het management, door een aanvankelijke periode van successen, in slaap gesukkeld is zodat er een bureaucratie kon ontstaan. Zo'n bureaucratie dankt zijn ontstaan aan de zogenaamde wet van de remmende voorsprong: de voorsprong en zijn succes bevordert de neiging om op de oude voet door te gaan en op zijn lauweren te gaan rusten. Het kenmerk van een bureaucratie is dat er geen creativiteit (meer) in zit. Het karakteristieke van de westerse wereld is echter dat zij zich steeds weer kan vernieuwen. Stort het ene bedrijf in, dan neemt een ander het wel over. Zo blijft de zaak niet alleen draaiend, maar kan er ook vooruitgang geboekt worden.

Telkens moet de een de ander overtreffen. Inderdaad geschiedt dit alles op grond van de behoefte winst te maken en te groeien, iets wat op den duur onhoudbaar is, maar intussen is er toch vernieuwing en verbetering.

De westerse economie kent dus wel dieptepunten, maar nimmer stort het hele stelsel in, steeds is een crisis plaatselijk en tijdelijk. De westerse wereld kan als geheel niet instorten, want zij bezit in zichzelf het vermogen zich te ontwikkelen en zo gaandeweg werkelijk socialistisch te worden. In een socialistische constellatie echter stort de gehele economie in, tezamen met alle mogelijke andere maatschappelijke instellingen. Dan blijkt zonneklaar, zoals in het Oostblok het geval is, dat men zelfs geen kans heeft gezien enige infrastructuur aan te brengen, kortom: van een veilige wereld is onder het politieke socialisme helemaal geen sprake.

De verklaring voor de tegenstelling tussen het op westerse wijze inrichten van een veilige wereld en de manier van het Oostblok is hierin gelegen dat men in het westen uitgaat van de individu en zijn activiteiten, terwijl het politieke socialisme de maat legt bij het collectief, in feite de partij. Zoals ik al eerder heb laten zien, namelijk bij het anarchisme, loopt het wordingsproces van de werkelijkheid niet uit in een groep of collectief, maar in een aantal malen een individu. En het is aan het individu dat de begrippen van De Grote Vierslag voor de dag komen. Zij zijn strikt gebonden aan de mens als individu en in het geheel niet aan welk collectief dan ook. Het is zelfs zo sterk dat die begrippen door een collectief alleen maar verstikt kunnen worden. De fout van het politieke socialisme is dat men alles beschouwt vanuit een collectief en dat men daarmee het zich laten gelden van de begrippen van De Grote Vierslag onmogelijk maakt. Hiermee vervalt ook de creativiteit die oorzaak en stuwende kracht van het inrichten van een veilige wereld is. Bovendien is die veilige wereld niet objectief aanwijsbaar. Veiligheid is een ervaring van de individu. Ieder voor zich ervaart zich als zijnde in een veilige wereld. Objectief is die wereld niet aan te wijzen en dus is zij ook niet als een collectieve zaak te verwerkelijken. De zogenaamde veiligheid in een socialistische wereld is dan ook de veiligheid van het uniforme: als je je volgens de regels gedraagt ben je veilig; wijk je echter af, dan ben je je leven niet zeker.

Collectivistisch denkend gaat men niet uit van de creativiteit van de individu, maar van de theorieŽn en regels die uit dat denken voortvloeien. Daarbij wordt als vanzelfsprekend de maat datgene dat enkele topfiguren bedacht hebben en die maat geldt zonder meer voor iedereen. Het is dus een door en door uniforme zaak, die op de verzwegen vooronderstelling berust dat het mogelijk is de mens tot een robot op te voeden. En vanuit dat collectivisme wordt er besloten welke producten er gemaakt zullen worden, of de mensen die nu nodig hebben of niet. Zo begon Lenin in 1917 de zware industrie op te bouwen in de Sovjet-Unie, ten koste van de landbouw, de kleine ondernemingen en uiteraard ook van het milieu. Want de theorie leerde dat fabrieken de weg naar het heil zouden openen, een standpunt dat overigens in het westen allang verlaten is, maar dat tot aan de recente instorting nog steeds door de Sovjet bonzen ingenomen werd. Zoals gezegd is in de westerse wereld, juist omdat daar een begin gemaakt is met de ontplooiing van de mens als individu, de persoonlijke creativiteit de maat. Eigenlijk is dat een uiting van de anarchistische inslag van de westerse mens: hij wil het wel niet weten, maar in feite laat hij zich niets gezeggen en maakt hij zelf wel uit wat hij zal doen en wat hij zal laten. Ten gevolge hiervan begint er steeds wel weer iemand opnieuw, uiteraard omdat hij geld wil verdienen, maar waarom het gaat is dat de ontwikkeling voortgaat, in een maatschappij die geen rust kent en die hectisch en chaotisch is. Leuk is dat allemaal niet, maar zo gaat het nu eenmaalÖ

Oostblok(landen) nrs. 36 , 37 , 41 , 44 , 47 , 60 ; Paradigma(0) Ė lees nr. 24 ; Paradigma(1) Ė lees o.a. de nrs. 29 t/m 31 ;

No. 48

Gemeenschapszin-1 ; Gemeenschapszin-2 ; Gemeenschapszin-3 ;

Niet alleen de ideologie van het politieke socialisme biedt voorbeelden van collectieve toestanden. Ook binnen godsdiensten is dat het geval. Denk bijvoorbeeld aan de huidige Islam waarin het ook steeds meer wordt uitgesloten dat mensen zich individueel ontwikkelen. De mens als individu wordt ontkend. Zowel binnen zo'n Islam als binnen het politieke socialisme is individualiteit verdacht. Dat betekent dat de mens in de essentie van zijn bestaan, oftewel existentie oftewel er-zijn, wordt aangetast. Gevolg daarvan is dat, al was het maar op onvolwassen wijze, de verhoudingen uit De Grote Vierslag en wat daar uit voortkomt zich niet kunnen laten gelden. Daarmee ontbreekt het de maatschappij en de samenleving aan creativiteit, aan de inspiratie om een netwerk van relaties, een infrastructuur, op te bouwen. Dat kan namelijk alleen maar vanuit het individuele in de mens en de daaruit voortkomende bekwaamheden. Onder de druk van een collectief kan er niets van terechtkomen. Je kunt in feite niet eens van mislukken spreken, want mislukken vooronderstelt de mogelijkheid van gelukken en verwijst naar gemaakte fouten, ongunstige omstandigheden en dergelijke. Maar wij hebben bij het politieke socialisme te doen met iets wat helemaal niet kan: vanuit een collectief zijn maatschappij en samenleving niet te organiseren, juist omdat die beide op individuele samenhangen en relaties berusten. Die samenhangen en relaties doen zich gelden in het dagelijkse leven, ze zijn van onmiddellijk, direct en existentieel belang. Dat geldt bijvoorbeeld niet voor de wetenschap. Die is van indirect belang: het maakt niets uit of je begrijpt hoe een magnetron werkt, als je maar weet hoe je er mee om moet gaan. Dus, slechts de resultaten van de technologie spelen een directe rol in het dagelijkse leven. Wordt met die resultaten gemanipuleerd, dan worden alweer maatschappij en samenleving onmogelijk gemaakt. Men kan dan niet optimaal functioneren. Dat is ook het geval als mensen hun ideeŽn niet mogen spuien en uitproberen. Juist die ideeŽn brengen immers vooruitgang! Verder is te vragen wie er bepaalt wat ik voor mijn ontplooiing nodig heb, als ik dat zelf niet mag uitmaken. Is er iemand die dit kan beoordelen? Nee, natuurlijk!

Hoe fraai de politieke ideoloog ook de passie preekt over communisme, socialisme, gemeenschapszin, solidariteit, rechtvaardigheid enzovoort, de enigen die werkelijk voor al die zaken kunnen (en zullen) zorgen zijn de individuen zelf, via het aangaan van relaties en het laten gelden van samenhangen. En die ideoloog kan noodzakelijk niets anders blijken te zijn dan een misleider.. .

Als binnen het kader van een collectiviteit het naar verwerkelijking strevende individuele niet uit de voeten kan en dus ook geen inspiratiebron voor de zich vormende maatschappij kan zijn, wat drijft de mensen dan op zodat zij pogingen gaan ondernemen om de top te bereiken? Wat hen opdrijft en bepalend is, is de macht, de naakte macht. Het zoeken van macht berust op een geperverteerde wil tot individuele ontplooiing. Geperverteerd, omdat men met zijn creativiteit niet uit de voeten kan en ten gevolge daarvan met ziekelijk geweld een uitweg zoekt voor de opgekropte energie. Je kunt immers wel proberen van allerlei te ontkennen, maar weg krijg je nooit iets uit de werkelijkheid. Het zal zich altijd op een ziekelijke, gewelddadige en geperverteerde manier een uitweg zoeken. Zo zal in een collectiviteit de zich ontwikkelende individu voor de dag komen als een machtzoeker. Macht namelijk geeft hem de suggestie vrij te zijn, zelf de dienst uit te maken, geen waardeobject te zijn, kortom: individu te zijn. Met macht ben je wat...

Je kunt anderen naar je hand zetten, geheel naar eigen believen.

In alle collectieve systemen tref je meedogenloze kapitalisten aan, namelijk individuen in wording, die voor niets en niemand opzij gaan en die er dus ook niet toe overgaan met anderen afspraken te maken, regelingen te treffen en relaties aan te gaan. Zij ruimen daarentegen de anderen op, gaan letterlijk over lijken totdat zij de top bereikt hebben, namelijk de opperste macht. Die partijbonzen zijn onveranderlijk benepen burgermannetjes, levensgevaarlijk omdat in hen elke werkelijke ontwikkeling gesmoord is en er slechts perversiteiten overgebleven zijn. Dat is typisch de burgerman! Hun macht is binnen het collectief schier absoluut. Je kunt dat prachtig lezen in de boeken van bijvoorbeeld de Russische schrijver Anatoli Rybakov: Kinderen van de Arbat en 1935 en volgende jaren. De burgerman als geperverteerde kapitalist is kenmerkend voor de moderne tijd omdat aan hem de mens als individu in wording ten grondslag ligt. De ontwikkeling van de individu moet al aan de gang zijn wil hij ontkend kunnen worden. De burgerman vooronderstelt dus de individualist, maar hij manifesteert zich als een levensgevaarlijke tiran die niets door de vingers ziet, alleen eigen streng begrensde standpunten voor absolute waarheden houdt en van iedereen misbruik maakt. Psychologisch gezien zit hij ook nog vol met haat, gevolg als die is van de onderdrukking van zijn eigenheid, zijn individualiteit.

De onderdrukte individualiteit forceert zich een uitweg door zich te fixeren op de macht. Een andere uitweg is er niet. Je zou bijvoorbeeld kunnen denken dat iemand in het beoefenen van wetenschap een uitlaatklep, en daarmee enig gevoel van vrijheid, zou vinden. Maar dan beoordeel je de wetenschap verkeerd. Zij is namelijk altijd en overal gebonden aan maatschappelijke voorstellingen met de daarbij behorende machtsinstellingen. Een waardevrije wetenschap bestaat niet in een onvolwassen wereld, noch in een collectivistische, noch in een individualistische... Een berucht voorbeeld van onvrije wetenschap is te vinden in de biologie, zoals die in de Sovjet-Unie bedreven werd. Je had daar Trofim Lysenko (1898-1976), bioloog en voorzitter van o.a. de Academie van wetenschappen. Vanaf 1935 voerde deze charlatan een campagne tegen de moderne erfelijkheidsleer.

Hij beweerde dat je erfelijke eigenschappen via het milieu zou kunnen veranderen, en dat probeerde hij doormiddel van het telen van wintergranen alsof dat zomergranen waren - of iets dergelijks. Dit machtswellustige burgermannetje terroriseerde al zijn wetenschappelijke collega's en maakte voor hen tot omstreeks 1956 de dienst uit. Hij ging zelfs over Goelag of niet, in feite leven of dood... Vluchten in de wetenschap kan dus niet, tenzij zo'n vlucht toch ook weer een vlucht in de naakte macht betekent zoals het geval was met die Lysenko. Terzijde: de dissidente kunstenaars die zich verzetten tegen het collectivisme zoeken geen uitlaatklep voor een gefrustreerde individualiteit zoals partijbonzen en conformistische wetenschappers, want zij hebben zich helemaal niet laten frustreren. Hun kunstenaarschap betekent werkelijke vrijheid en geen geperverteerd individualisme.

In de westerse wereld speelt de macht ook een belangrijke rol. Maar toch is de macht een bijkomende zaak: hij komt mee aan de individuele ontwikkeling, aan het zich waarmaken als kapitalist. Die macht is dus nooit mogelijk zonder de uit ontwikkeling voortkomende bekwaamheden van de machthebber. Om macht te krijgen moet je dus wat kunnen! Voor de burgerman als zodanig is geen macht weggelegd want hij is juist gesmoord in zijn individu-zijn. In de westerse wereld vooronderstelt macht individualiteit, in de politiek socialistische wereld ontkent de macht elke individualiteit.

Gemeenschapszin-1 ; Gemeenschapszin-2 ; Gemeenschapszin-3 ;

No. 49

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1 ; Waanvoorstellingen-1 ; Waanvoorstellingen-2 ;

De laatste eeuwen gaat het in de wereld om het zich ontplooien van de mens als individu, de mens als ik. Dat is een essentiŽle zaak, die los staat van incidentele, tijds- en plaatsgebonden, ontwikkelingen. Hij geldt over de gehele wereld en voor de gehele mensheid, maar dat betekent niet dat overal alle manifestaties van die zaak eender zijn. Over het algemeen is te zeggen dat de manifestaties ergens in een bepaald cultuurgebied het zuiverst de zaak weerspiegelen en dat dan de rest daar, voorlopig, beneden blijft. Zo is te stellen dat de ontplooiing tot individu in de westerse wereld, eigenlijk de Atlantische wereld, het zuiverst en het verst gevorderd is. De reden daarvoor is dat die ontplooiing het specifieke cultuurthema van de westerse wereld is. Voor de rest van de wereld is het tot op dit moment overwegend een latente ontwikkeling, die vaak geen duidelijke individualistische vormen aanneemt en daardoor vaak moeilijk te herkennen is.

Ondanks het feit dat individualisme het culturele thema van de westerse wereld is begrijpen noch de individualistische kapitalisten, noch de politieke socialisten wezenlijk ook maar iets van de mens als individu. Dat is logisch: het individu worden houdt in een nog niet individu zijn en als dat het geval is kan de zaak niet verstandelijk begrepen worden. Alles wat er over gezegd wordt betreft bijgevolg bijzaken. Door dat, overigens onvermijdelijke, onbegrip ontstaan die vreemde meningsverschillen, bijvoorbeeld over de vraag naar de suprematie van individu of gemeenschap waarbij gevoelsmatig het zwaartepunt bij de gemeenschap blijkt te liggen, wat in niet geringe mate door de christelijke kerken ingefluisterd is.

Als er nu toch een individuele ontwikkeling gaande is en tegelijkertijd een, zelfbewust uitgesproken of gevoelsmatig als de maat gestelde, suprematie van het collectivistische, dan kan onderdrukking van de individu niet uitblijven. Zo'n onderdrukking vindt plaats via conditionering, via opvoedkundige inprenting waarbij een beroep wordt gedaan op het zogenaamde redelijke denken van het slachtoffer. Dat is wat anders dan hersenspoelen waarbij iemands geest doormiddel van allerlei technieken murw gemaakt wordt. Bij conditionering wordt het zelfbewustzijn vanaf de kindertijd vals voorgelicht zodat er een waanvoorstelling van de werkelijkheid ontstaat. Het gevolg van onderdrukking van het individuele is de mens als burgerman en deze kan qua ontplooiing nog maar een enkele kant uit, die van de macht. Dat is dan ook hetgeen je onveranderlijk in totalitaire socialistische staten aantreft, namelijk een niets ontziende strijd om de naakte macht, gevoerd door uitermate burgerlijke mensen.

De burgerman is een uitermate gevaarlijk mensentype. Zijn houding tegenover mededingers bijvoorbeeld is veelzeggend: hij probeert niet het met zo'n mededinger, die hem in de weg loopt, op een akkoordje te gooien, zoals de kapitalistisch ingestelde mens doet, maar hij vindt het vanzelfsprekend dat hij zijn mededinger uit de weg ruimt, uitschakelt. Er draait dan ook steevast een programma van zuiveringen, er zijn steeds politieke processen waarin tegenstanders van de meest idiote zaken beschuldigd worden, zoals spion van het kapitalisme, verzieker van de jeugd, verrader van het marxisme en dergelijke. Het op de macht van de burgerman gebaseerde totalitaire systeem heeft aanvankelijk ongetwijfeld een grote kans van slagen, althans waar het de voorziening in een beperkt aantal primaire behoeften betreft. De onderdrukte, geconditioneerde, individu, de burgerman, wordt geconfronteerd met een nieuwe wereld die overeenkomt met zijn (waan)voorstelling. Hij werkt dan ook loyaal mee, maar intussen gaat op latente wijze zijn ontplooiing tot ik verder, vaak ongewild juist door het systeem via onderwijs en opvoeding bevorderd. Dat leidt ertoe dat de hele zaak na enige tijd gegarandeerd in elkaar dondert, niet zoals in het westen hier en daar en incidenteel, maar over de gehele linie. In het westen is de tijd voorbij dat de door mij bedoelde burgerman de kans had aan de macht te komen. Veel kans heeft hij overigens nooit gehad. Dat is gemakkelijk te begrijpen, want de burgerman is, zoals al eerder gezegd, de mens die vanuit welke ideologie dan ook als individu verstikt is. Het is de mens die zich aan een bepaalde collectieve voorstelling van de werkelijkheid geconformeerd heeft. In het westen betreft dat conformeren voornamelijk de godsdienst zoals die de mensen een bepaald gedrag voorschrijft. Maar ook het politieke socialisme had er een handje van, denk maar aan de geŁniformeerde jeugdbeweging en de uniforme inrichting van de socialistische arbeiderswoningen. Maar in principe is de burgerman niet typerend voor het westen. Typerend is de mens die zich als ik waarmaakt. En voor zover dat gelukt komt er vrijheid en macht aan mee. Uiteraard heeft ook dat nauwelijks iets met werkelijke individualiteit te maken, maar het ligt als manifestatie van een ontwikkeling wel degelijk op maat. De ontplooiing van het ik is essentieel en het sluiten van een contract met de mededinger is een eerste, desnoods uiterst primitieve, stap op de weg naar onvoorwaardelijke erkenning van de ander, naar het inzicht als ik er ben, ben jij er ook. Dit laatste ligt dus in de lijn van de westerse mens, maar het is tegelijkertijd in strijd met de burgerman.

Het sluiten van akkoorden met de mededinger is oorzaak van het ontstaan van uiterst fijnmazige infra structuren op alle mogelijke gebieden. Het niet-erkend zijn van de individu (=burgerman) en het ontkennen van de mededinger (=uit de weg ruimen) maakt het onmogelijk dat zinvolle infra structuren ontstaan.

Het feit dat dergelijke structuren te danken zijn aan de wil van enkelingen om zich breed te maken is, het zij nogmaals gezegd, geen argument om die zaak te veroordelen, terwijl het bovendien een feit is dat dit zich breed maken niets anders is dan het zich op primitieve wijze waarmaken als individu. Het is dus heel reŽel dat het gebeurt. De opmerking dat zoiets toch niet leuk is slaat nergens op, ten eerste omdat de realiteit logisch niet anders zijn kan en ten tweede omdat er geen enkel beter alternatief valt te bedenken: alles blijft er qua praktisch resultaat ver beneden.

Datgene dat in de tweede wereldoorlog gebeurd is, is niet representatief voor de westerse individuele mentaliteit. Dat bleek dan ook duidelijk: de gehele westerse wereld heeft zich ertegen verzet en zich ingespannen om er een definitief einde aan te maken. Het optreden van nationaal-socialisme en fascisme was op dat tijdstip niet vreemd aan het westen, maar de bedoeling ervan wel. Beide grepen terug op het voor-individuele, het collectieve van volkeren die nog moesten beginnen hun eigen identiteit te ontdekken: de Germanen met betrekking tot de nazi's en de Romeinen met betrekking tot de fascisten. Los van het feit dat er volstrekt verkeerde voorstellingen leefden over zowel de Germanen als de Romeinen was het een rampzalige culturele terugval in de individuele ontwikkeling. Terecht hebben de westerse mensen aangevoeld dat zij a) met de zich uitlevende burgerman te doen hadden en b) zo'n terugval geen enkele kans moesten geven. Zo hebben zij ook aangevoeld dat de Sovjetmens voor westerse individualistische begrippen onacceptabel was - afgezien van de vraag of een dergelijke mens buiten de fantasie van de westerling ooit wel bestaan heeft.

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1 ; Waanvoorstellingen-1 ; Waanvoorstellingen-2 ;

No. 50

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1 ; China-1 ; China-2 ;

Bij Multatuli (Eduard Douwes Dekker, 1820-1887) kom je de figuur van Droogstoppel tegen, in het kort gezegd het prototype van de burgerman, saai, benepen en zonder enige creativiteit. Een mens die door en door fatsoenlijk is en die eigenlijk alleen maar rustig wil leven. Van zo iemand is zo zonder meer niet te verwachten dat hij levensgevaarlijk is doordat hij zijn mededingers uit de weg pleegt te ruimen en volslagen verstoken is van ook maar een greintje tolerantie. Toch moet je hierbij oppassen. Droogstoppel is een voorbeeld van een westerse burgerman en dat betekent dat hij zijn eventuele machtshonger slechts uit zou kunnen leven via bepaalde bekwaamheden, in feite via een zekere individuele ontwikkeling. Maar die individualistische bekwaamheden heeft Droogstoppel nu juist niet, zodat hij zich niet kan onderscheiden van de anderen. En omdat hij dat niet kan verbeeldt hij zich dat hij het niet wil. Voor hem is het dus niet weggelegd om zich a) louter via de machtsstrijd omhoog te werken omdat hij in het westen leeft, en b) om zich op de westerse wijze machtig te maken via creativiteit. Die ontbreekt hem immers! Zou hij, wat betreft geval a) in een totalitaire Staat leven, hij zou zeker de poging wagen zijn mededingers uit de weg te ruimen. Droogstoppel lijkt dus Ongevaarlijk, maar als hij de kans krijgt is hij het niet. Als hij de kans krijgt is hij meedogenloos, wreed en satanisch. Dat is wel gebleken bij onder andere de Duitse Droogstoppels, doorgaans ook middenstanders, die met een blanco volmacht de Sovjet-Unie binnentrokken in 1941. Zij hebben als beesten huisgehouden...

Het is opmerkelijk dat onderscheidingen als de bovenstaande nooit gemaakt worden, noch door politici, noch door filosofen en psychologen en al helemaal niet door filosofen.

Men heeft almaar niet in de gaten hoe kleinburgerlijk en benauwd de Sovjet cultuur was, en als men dat wel ziet, dan hecht men er geen betekenis aan. Dat is des te opmerkelijker omdat juist de gesteldheid van de burgerman bepalend is voor het reilen en zeilen in de totalitaire Staat en in laatste instantie voor het ineen storten ervan. Zelfs nu de ondergang van de Sovjet-Unie een feit is, is men nog steeds bezig elkaar de macht te betwisten: er is nog niets besloten en ondernomen om de zaken te regelen, maar uitsluitend en meedogenloos gevochten om de naakte macht. Bij zo'n machtsstrijd is steeds de norm, het hogere maatgevende principe, datgene wat de ideologie voorschrijft, doorgaans in de vorm van decreten van de partij. Die zijn voor de onderdrukte burgerman de heilige maat. Historici gaan na hoe de zaken in de praktijk verlopen. Dus is voor hen een zaak verklaard als dat gehele verloop zo gedetailleerd en zo consistent mogelijk beschreven is. Zij doen dat, vooral tegenwoordig, met grote nauwgezetheid en bijna steeds kun je ervan uitgaan dat hun mededelingen betrouwbaar zijn. Maar toch ontbreekt er iets aan: men weet eigenlijk niet waarover het gaat. Zo laat men de tegenstellingen zien tussen bepaalde handelwijzen van de mensen, bijvoorbeeld wat betreft het elkaar uitsluiten van de mensen voor zover ze zich als ik laten gelden, maar men gaat niet na en weet dus niet- waarom die tegenstellingen er zijn en waarnaar zij verwijzen. Men blijft steken in het uitleggen hoe iets gekomen is zonder te weten hoe het met iets zit. Dat is een van de redenen waarom men de rol van de burgerman niet herkent.

Een totalitaire maatschappij waarin het om de naakte macht gaat slaagt gewoonlijk aanvankelijk wel in zijn opzet. Maar na enige tijd, zeg een enkele generatie, stort zo'n maatschappij onherroepelijk in.

Aanvankelijk stellen de machthebbers namelijk een zekere orde in en ten gevolge daarvan zet de zaak zich in beweging naar het gestelde doel. Is dat enigszins bereikt, dan wordt de zaak statisch, hij stagneert. Het blijkt dan namelijk dat er geen creativiteit is en dat er daardoor geen ideeŽn zijn die aangeven hoe het verder moet - zijn die ideeŽn er eventueel wel, namelijk bij die of gene enkeling, dan worden die onmiddellijk de kop ingedrukt. Overigens, in Rusland was er altijd al een eenzijdige machtssituatie. Maar de macht van de vroegere ťlites berustte op overerving en rijkdom, het was een typisch feodale macht die door de machthebbers niet veroverd behoefde te worden omdat hij er gewoon altijd al was. En, opmerkelijk genoeg: die macht was in wezen gegrond op westerse individualistische principes. De Russische intelligentsia was volledig westers georiŽnteerd, opgevoed en geschoold. Na de revolutie van 1917 echter ontbrandde de strijd om de macht. Iets dergelijks was ook in het China van na 1947 het geval. Het gaat dus niet om de vraag of er macht is, maar het gaat er om in de gaten te hebben hoe het verwerven en uitoefenen daarvan in zijn werk gaat.

De wijze waarop de westerse ontwikkeling tot de mens als individu geschiedt is de meest zuivere te noemen. Dat klinkt alsof we met iets moois van doen hebben, maar dat is in de praktijk niet het geval. Zuiver is de westerse ontwikkeling omdat het daarbij op alle mogelijke manieren steeds om de mens als individu gaat en omdat alle aspecten daarvan in volle omvang voor de dag komen. De weg waarlangs deze zaak zich ontplooit is inderdaad op zichzelf een aaneenschakeling van ellende, maar juist als zodanig is hij een zuivere afspiegeling van het eraan ten grondslag liggende proces. Zo beschouwd is de westerse weg redelijk te noemen: hij ligt in de rede en dat betekent dat het niet anders kan gaan dan zo. Het spreekt vanzelf dat hierbij de vraag of wij een en ander prettig vinden in het geheel niet ter zake doet. Maar intussen kun je toch wel vaststellen dat het allemaal zo prettig niet is...

Die westerse ontwikkeling is niet gebaseerd op een edeler mensenras, op uitverkiezing of hogere intelligentie, maar gewoon op het feit dat in het westen de laatste cultuurfase tot ontwikkeling komt, namelijk de mens die zichzelf als zelfbewustzijn tot thema heeft. Precies zoals bijvoorbeeld in de Griekse wereld de mens de werkelijkheid als schoonheid tot thema had, zo heeft de westerse mens de werkelijkheid als zelfbewustzijn tot thema. Er is echter een verschil: dit doorwerken van het zelfbewustzijn is het laatst mogelijke thema, meer zijn er niet. Dat betekent dat na uitwikkeling van dit thema de mens klaar is; hij is dan volwassen en kan aan zijn werkelijke ontplooiing beginnen. Voor hem is de strijd van allen tegen allen afgelopen en nu is de situatie ontstaan dat allen gaan meetellen en zelfs deel gaan worden van een alles omvattend geheel. De strijd van allen tegen allen vooronderstelt op de een of andere manier een besef van het er zijn van iedereen. Dat leidt er in de westerse wereld toe dat men met zijn mededingers akkoorden gaat sluiten, uiteraard in de poging om hen buiten spel te zetten. Het feit dat de ander er ook is ligt tijdens de ontwikkeling tot individu in het westen wel op de achtergrond, maar het is er wel. Op onmerkbare wijze speelt het voortdurend mee. Dat heeft er onder andere toe geleid dat er in het westen, zoals al eerder opgemerkt, infra structuren hebben kunnen ontstaan en daartoe moet je niet in de laatste plaats het recht rekenen. Als echter een cultuur in het teken van onderdrukking van de individu staat, en dus in een collectivistische totalitaire cultuur zoals die van het politieke socialisme, is ook het er zijn van de mededinger ontkend - vandaar het meedogenloze uit de weg ruimen.

 Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1 ; China-1 ; China-2 ;

No. 51

Nu ik het over het begrip communisme wil gaan hebben wil ik er nogmaals op wijzen dat ik het woord communisme aanhoud ondanks het feit dat het politieke verschijnsel dat die naam is gaan dragen niets gemeen heeft met het filosofische begrip communisme. Omdat echter in feite de verhouding met zijn allen zijn de grondslag is voor zowel het filosofische begrip communisme als het politieke stelsel communisme blijf ik, hoe misleidend bij gelegenheid ook, het woord communisme gebruiken, voornamelijk om tijdens het nadenken over de zaak de gevoelsassociatie tussen het politieke en het filosofische (en dus ware) niet te verliezen. Zoals ik al eerder heb gezegd geldt het bovenstaande ook voor socialisme, anarchisme en nihilisme. Het politieke systeem dat communisme heet is een collectivistische en dus corrupte manifestatie van de verhouding met zijn allen zijn. Hoewel als zodanig totaal vervreemd en ziekelijk is er als aanzet toch een juist besef van de werkelijkheid geweest. Een besef waarmee uiteraard niemand raad geweten heeft zoals dat met alle vier de begrippen uit De Grote Vierslag het geval is. Er zijn in de mensheid ook beseffen geweest die niet gecorrumpeerd zijn. Als voorbeeld diene de Griekse kunst: aan het er aan ten grondslag liggende besef (de werkelijkheid als schoonheid) is op onvolwassen wijze uitdrukking gegeven, maar die kunst is niet gecorrumpeerd; zij is integendeel tot grote bloei gekomen. Hetzelfde geldt voor de oudere filosofie, maar de moderne (academische) filosofie is volledig corrupt: er wordt niet gefilosofeerd maar geanalyseerd en bij onvermijdelijk gebrek aan objecten voor filosofische analyse doorwroet men elkaars uitspraken en werkstukken. Heel knap, maar filosofisch heel dom! Ook de zogenaamde moderne kunst is corrupt.

De begrippen uit De Grote Vierslag zijn niet zonder meer te herkennen en af te leiden uit de politieke systemen en theorieŽn die dezelfde naam dragen. Je vindt ze dan ook niet door het voorhanden communisme, socialisme, anarchisme of nihilisme nadenkend te onderzoeken en zeker niet door er wetenschappelijke analyse op toe te passen. Je vindt ze daarentegen door de aard van de werkelijkheid filosofisch na te gaan vanuit het universele beginsel dat de beweeglijkheid is.

Het begrip communisme in de zin van met zijn allen zijn komt voor de dag bij het systematisch doordenken van de levensbegrippen die voor de mens qua dagelijks leven (eventueel existentie) gelden. Dan blijkt: 1) er is niets dat van meerdere waarde is dan iets anders en dus is er niets dat enige waarde heeft. Dat is nihilisme. Op grond daarvan kun je vaststellen, 2) dat er geen principe is dat buiten de mens om voor zijn leven de maat is en er richting aan geeft. Hij bestuurt dus zichzelf en dat is anarchisme. Die anarchist kan noodzakelijk niet iets anders laten gelden dan dat 3) zijn medemens eveneens zichzelf bestuurt en dat hij dus op gelijke wijze aanwezig is: als ik er ben, ben jij er ook en dat is socialisme. Tenslotte, 4) als ik en al die anderen er op dezelfde en gelijke wijze zijn is niemand van ons buitengesloten en op grond daarvan is te constateren dat wij met zijn allen zijn: communisme! Als het begrip communisme geldt vormen alle volkomen zichzelf zijnde individuen met elkaar een geheel, een eenheid. Dat doen zij allen op volstrekt eigen wijze, ieder voor zich vormt met de anderen een eenheid.

Hoewel het begrip communisme aan de politieke praktijk niet te herkennen is, kun je toch constateren dat door een aantal denkers in de 19 e eeuw verrassend heldere uitspraken over het met zijn allen zijn op tafel zijn gelegd.

Wat dat betreft is die 19 e eeuw bijzonder vruchtbaar geweest, hetgeen niet verwonderlijk is als je bedenkt dat men aan het begin van de individuele ontwikkeling stond. Ik heb al laten zien dat de begrippen uit De Grote Vierslag bij de mens als individu behoren, bij de concrete levende mens die niet voor iets of iemand anders leeft, maar voor zichzelf en die van daaruit de aanwezigheid van de anderen ten volle tot zijn recht laat komen. Zoals steeds met een culturele beginfase speelt het aanvoelen, de intuÔtie, het zien hoe de zaken zitten, een belangrijke en overheersende rol. Dat leidt tot een aantal schone idealen, niet in overeenstemming met, maar wel gegrond op de begrippen van De Grote Vierslag. De ideeŽn van de mensen uit de 19e eeuw, voornamelijk socialisten en communisten, maar toch ook nihilisten en anarchisten, zijn nooit overtroffen. In de loop van de 20ste eeuw zijn ze tot holle frasen geworden waarop niemand meer verder kan en durft gaan. Als de ontwikkeling van het ik door zijn beginfase heen is gaat dat ik zich als iets exclusiefs laten gelden om daarmee tegelijkertijd het zich realiseren van ideeŽn als socialisme en communisme onmogelijk te maken. Hoe groots de wetenschappelijke en technologische resultaten van het 20ste eeuwse denken ook zijn, qua ideeŽn is het daarmee bijzonder droevig gesteld en met het huidige postmodernisme is het al helemaal armoe troef: je mag niet eens meer ideeŽn ontwikkelen en als leidraad gebruiken want dan ben je bezig met eenzijdigheden die op gespannen voet staan met de ideeŽn van anderen of die zelfs afwijzen. En dat mag niet meer, alles moet gelijkelijk gerespecteerd worden. Onzinnigheden en waandenkbeelden bestaan niet langer. Eigenlijk moet alles in het teken van ik weet het niet en dus weet jij het ook niet staan. Gevolg is grote en griezelige oppervlakkigheid.

In de loop van die vruchtbare 19e eeuw zijn alle vier de begrippen uit De Grote Vierslag voor de dag gekomen, zij het op vertekende, want onbegrepen, wijze.

De woorden nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme zijn algemeen bekend geworden; politieke stromingen zijn onder die vlaggen gaan varen en hebben uit naam daarvan hun doorgaans niet zo erg fraaie rol gespeeld. Hoewel het voor de dag komen van genoemde begrippen een zaak van het westerse denken is hebben zij zich vooral bij de Slavische volkeren in allerlei vormen gemanifesteerd. Uiteraard heeft dat met de geaardheid van die volkeren te maken, een geaardheid die vooral gekenmerkt wordt door het op intuÔtief psychische wijze gelden van het gehele complex van de begrippen uit de vierslag. Die begrippen leefden onder de mensen, niet als begrip, maar als sfeer. In de westerse wereld is daarvan geen sprake. Ik kom hierop nog terug...

Er zijn begrippen die af te leiden zijn uit de werkelijkheid als bewustzijn: onder andere liefde, schoonheid, harmonie en dergelijke. Dat zijn allemaal Onpersoonlijke begrippen. Zij gelden ongeacht mijn persoonlijke geaardheid en omstandigheden omdat alles ineen is. De begrippen uit De Grote Vierslag daarentegen behoren bij de mens als zelfbewustzijn. Zij veronderstellen dat er het een is en het ander en dat die van elkaar onderscheiden zijn. Zij veronderstellen de aanwezigheid van ik en jij en dat is het leven als dagelijks leven. Zij hebben betrekking op de concrete werkelijkheid als totaliteit, zoals die op trillende wijze in ons aanwezig is, namelijk als voorstelling. De voorstelling is de inhoud van het zelfbewustzijn. Het doorwerken daarvan levert voor de mens op den duur de verhoudingen op die ten grondslag liggen aan de begrippen uit De Grote Vierslag. Zo vooronderstelt nihilisme het tegen elkaar afwegen van het een en het ander en dit kan alleen als die twee van elkaar onderscheiden en dus zelfbewust zijn. Op overeenkomstige wijze geldt dit voor de andere drie begrippen.

No. 52

Overtuiging/overtuigingen/levensovertuiging-zie A1 , B2 , C3 , D4 , E5 , F6 , G7 , H8 ,

In de loop van de 19e eeuw breekt de ontwikkeling van de mens tot individu definitief door. Dat is eigenlijk het begin van het zelfbewust worden van de mens en daarbij behoort dat ook de begrippen uit De Grote Vierslag zich gaan laten gelden, op verkeerde wijze weliswaar, maar toch! Ik vestig er de aandacht op dat ik het over de mens heb. Daarmee bedoel ik de, min of meer abstracte, figuur mens zoals die aanwezig is in het algemene wereldbeeld. Ik wil volstrekt niet suggereren dat alle mensen begonnen zich tot individu te ontwikkelen. Integendeel: voorlopig was het maar een klein deel van de bevolking en daaronder zullen er stellig maar weinigen geweest zijn tot wie doordrong wat er in de westerse cultuur op dat moment gaande was. Ik wijs hier speciaal op om die historici de pas af te snijden die meteen al beginnen aan te tonen dat er nauwelijks sprake was van individualiteit en dat ik dus ongelijk heb. Uiteraard komen zij dan met het voorbeeld van het proletariaat zoals dat, met name in de Engelse textielindustrie en de mijnen, nagenoeg volkomen verpauperd gedwongen was tot slavenarbeid. Maar in feite is dat geen argument, en daarom: zij beweren maar wat zij te beweren hebben, maar intussen is het toch een feit dat in de 19e eeuw de mens als individu zich begon te roeren. Zoals bekend verscheen in 1848 het Communistisch Manifest van de hand van Karl Marx (1818-1883) en Friedrich Engels (1820-1895) waarin de proletariŽrs aller landen opgeroepen werden zich te verenigen teneinde de macht in handen te nemen. Op de een of andere manier heeft dit manifest, tezamen met het latere Das Kapital (1867), een enorme beroering in de westerse wereld teweeggebracht. Dat nu zou onmogelijk zijn geweest als er in de mensen niet iets doorgebroken was, iets waarin nog bijna niemand inzicht had (uitgezonderd misschien Hegel), maar dat toch onstuitbaar werkzaam was en vele mensen aansprak. Wat vooral in de praktijk de mensen beroerde was de al of niet uitgesproken behoefte en wil om de wereld te gaan opbouwen en inrichten. Dit en vele andere verschijnselen zijn alleen maar mogelijk als het zelfbewustzijn zich laat gelden en er dus individualistische ontwikkeling is.

Steeds als er nieuwe cultuurmomenten in de mensheid ontkiemen, doet het verschijnsel zich voor dat er ideeŽn uitgesproken worden die van een helder inzicht in de werkelijkheid en de wereld getuigen. Zij danken hun helderheid en hun radicaliteit aan hun intuÔtieve karakter: men gaat uitsluitend af op wat men ziet en ervaart; men heeft er nog niet over nagedacht zodat de zaak nog niet uit elkaar gehaald en kapotgemaakt is. Het denken, cultuurgebonden als het is, maakt van elk intuÔtief inzicht iets anders, iets dat niets meer met de oorspronkelijke zaak te maken heeft. Dat was bijvoorbeeld ook het geval met de evangelische inzichten aan het einde van de oudheid. Die inzichten blijken, wat de praktijk van het leven betreft, zonder uitzondering volledig samen te vallen met onze begrippen uit De Grote Vierslag. Het erop volgende nadenken zoals dat voornamelijk in de Roomse Kerk geschiedde, maar ook bij allerlei sekten, leidde er onvermijdelijk al spoedig toe dat de hele zaak corrumpeerde tot een stelsel van geboden, regels en sancties.

De socialistisch en communistisch ingestelde denkers uit de 19 e eeuw legden inzake de maatschappij denkbeelden op tafel die qua inzicht en radicaliteit door geen enkele hedendaagse politieke stroming meer worden aangehangen. Ze worden zelfs helemaal niet meer begrepen. Het (analytische) denken heeft ze volledig stukgemaakt.

Daarom herkent men onze wereld niet meer als een slavenmaatschappij die zijn legitimatie vindt in de godsdienst of dienovereenkomstig machtsdenken, zoals het hedendaagse wetenschappelijke denken voor zover dat bevangen is in zijn maatschappelijk functioneren: de onbetwistbare stellingen van de pastoor zijn vervangen door die van de wetenschapper - iets wat destijds door bijvoorbeeld de Russische anarchist Michael Bakoenin (1814-1876) met ongewone helderheid voorspeld werd! Hij begreep ook zonder moeite dat de mensen bij verkiezingen geen inspraak in het bestuur krijgen, maar slechts de macht van enkelen legitimeren: Slaven, gij kiest uw eigen meesters! . Daarmee is nu niemand het meer eens, het inzicht in deze materie is bijna geheel verduisterd.

Zo legde de filosoof Ludwig Feuerbach (1804-1872) uit hoe het zit met het christendom in zijn hoofdwerk Das Wesen des Christenthums uit 1841, gevolgd door nog enkele van dergelijke werken. Die zijn nog volledig actueel, product als zij zijn van een nog frisse kijk op de werkelijkheid. Volgens hem is alle godsgeloof een cultuurproduct, resultaat van menselijk denken. Wie komt daar vandaag nog mee, behoudens een voor uit de tijd uitgescholden enkeling? Die wordt beschouwd als een onverdraagzaam mens, een kwaadspreker die niet in staat is iedereen in zijn waarde te laten. Het is voor de gemiddelde hedendaagse intellectueel niet te begrijpen dat de godsdienst een groot kwaad is en dat de godsdienstigen op misdadige wijze misleid worden. Men is immers tot de, overigens volstrekt onhoudbare, overtuiging gekomen dat godsdiensten cultuur zijn en dat er bijgevolg niet over geoordeeld mag worden. Dat is namelijk niet redelijk, je oordeelt ook niet over het feit dat het gras groen is en de Rijn naar zee stroomt.

Dat een godsdienst helemaal geen onvermijdelijk verschijnsel is en daarom geen cultuur kan zijn, maar slechts onder omstandigheden aan een cultuur kan meekomen, wordt niet begrepen. Allicht! Men analyseert alles kapot en weet daardoor niet meer waarover het gaat.

Het is interessant op te merken dat de intuÔtieve frisheid van de ideeŽn inzake bijvoorbeeld het opbouwen van de wereld zich niet alleen beperkte tot het filosofische en politieke denken. Ook het commerciŽle denken was krachtig en creatief. Verreweg de meeste hedendaagse grote multinationale ondernemingen zijn rechtstreeks resultaat van 19e eeuwse ondernemingslust. Ik bedoel van de 19e eeuwse mentaliteit van opbouwen, de wereld veranderen en onderwerpen aan de menselijke wil. Daartegenover staat dat alles wat vanuit het moderne 20ste eeuwse denken opgezet wordt na korte tijd instort, en wel omdat zo'n onderneming bij voorbaat al kapot geanalyseerd is, nog voor hij een aanvang heeft genomen. Een ander voorbeeld geeft het huidige politieke denken te zien. Vanuit de gedachten van de 19 e eeuw is er een soort van verzorgingsstaat ontstaan, waarvan in ieder geval gezegd kan worden dat die een tamelijk hoge graad van veiligheid voor de burgers gerealiseerd heeft. Het is overigens nog maar de vraag of de term verzorgingsstaat niet bewust gekozen is om de burgers een zekere mate van onvolwassenheid in de schoenen te kunnen schuiven en daarna een argument te hebben om de hele zaak af te breken. Hoe dan ook, het inmiddels voor ouderwets uitgemaakte denken heeft wat veiligheid opgeleverd. Maar thans begrijpen de politieke leiders helemaal niet meer waarom dat allemaal gebeurd is. De noodzaak van sociale voorzieningen is hen niet meer duidelijk en dus moeten die afgebroken worden, onder het voorwendsel dat ze te duur geworden zijn en bovendien misbruikt worden. Nu is het best mogelijk dat het wat goedkoper moet en het is zeker dat er fraude gepleegd wordt - dat wordt er namelijk altijd en overal - maar op zichzelf ligt het niet in de logica dat de voorzieningen verslechterd worden in plaats van verbeterd. Het blijkt echter dat men niet meer begrijpt waarom het in een samenleving gaat en daardoor is de samenleving voor een bovenlaag een bron van inkomsten geworden...

Overtuiging/overtuigingen/levensovertuiging-zie A1 , B2 , C3 , D4 , E5 , F6 , G7 , H8 ,

No. 53†† concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; concurrentie-5 ; concurrentie-6 ;

Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L

Op het ogenblik wordt een heel complex van sociale voorzieningen afgebroken. Het heet dat dit noodzakelijk is omdat de zaak anders niet langer betaalbaar zou zijn. Bovendien wijst men er steeds weer op dat het met de economie slecht gaat en dat we dus moeten inbinden. Tegelijkertijd worden er tientallen miljarden in het buitenland geÔnvesteerd en verrijzen er overal nieuwe luxueuze bedrijfspanden. Een bepaald soort bovenlaag kan zich vrijwel alles veroorloven, niet doordat er nu eenmaal kapitaal in de familie is, maar doordat er zo buitensporig veel verdiend wordt. Hoe dan ook, er is een verschuiving gaande van een denken in termen van gemeenschappelijkheid naar termen van individualiteit. Natuurlijk wordt dat door politici en overheden ook opgemerkt, maar enerzijds verwijten zij de mensen dat zij steeds meer individualistisch worden en spreken zij smalend van de calculerende burger, die overigens niets anders doet dan wat de bovenlaag altijd al gedaan heeft, om anderzijds van de individualisering gebruik te maken teneinde nog meer gelden door te sluizen naar het particuliere bedrijfsleven. Zo kan de bedoelde bovenlaag aan zijn verdiensten komen. De hierboven geschetste ontwikkeling zou door zijn banaal politieke karakter van geen betekenis zijn voor de filosofie, ware het niet dat die zo typerend is voor de ontwikkeling van de mensheid naar socialisme en communisme. Het lijkt alsof dat proces zich van genoemde begrippen af beweegt, maar in feite legt het er een steeds solider basis voor.

Overheden en politici zijn afhankelijk van collectieven. De strijd tussen collectieven, in de democratie in de vorm van partijen en andere pressiegroepen, is bepalend voor de positie van overheden en politici. Die positie is natuurlijk een machtspositie - verder is er intellectueel met die overheden en politici niets aan de hand! Ter wille van het behoud van de macht is het dus noodzakelijk dat er collectieven blijven bestaan, maar de huidige ontwikkelingen vormen daarvoor een bedreiging, reden genoeg om de individualisering te verafschuwen. Omdat echter overheden en politici onvermijdelijk in termen van macht en dus in termen van kapitaal, winst, groei en concurrentie denken en daarbij elke moraal en elk begrip terzijde schuiven, maken zij naarstig misbruik van de situatie en proberen er uit te halen wat er in zit. Van in goede banen leiden van het proces is volstrekt geen sprake.

Zoals gezegd is het gelden van De Grote Vierslag in de loop van de 19e eeuw als een besef tot het zelfbewustzijn van de mensen doorgedrongen. Dat was gevolg van het actief worden van het ik-besef, de aanvang van de ontwikkeling tot individu. Een van de zaken die qua besef naar voren kwamen was communisme, in de betekenis van met zijn allen zijn. Manifestatie van dat besef is het streven om zich te verenigen, dat in de praktijk echter niet uitliep in met zijn allen zijn, maar in het vormen van en zich onderschikken aan collectieven. De essentie van die collectieven is enerzijds de wil om via het verkrijgen en uitoefenen van macht, gebaseerd op een zo groot mogelijk collectief (de macht van de meerderheid!), een nieuwe, betere en rechtvaardiger, maatschappij op te bouwen. Het vormen van die collectieven geschiedde dus niet vanuit een saamhorigheidsgevoel, een met zijn allen willen zijn, een samen willen leven, maar vanuit een zeer bepaalde doelstelling, namelijk macht te veroveren. Een doelstelling waaraan de leden van het collectief zich vanzelfsprekend geheel en al moesten onderwerpen.

Anderzijds echter was daar, eveneens vanuit hetzelfde prille besef omtrent De Grote Vierslag, toch het gevoel een gemeenschap te vormen, voornamelijk gestimuleerd door de gemeenschappelijke armoede en ellende. Dit gevoel is gaandeweg op de achtergrond geraakt, namelijk met het zich doorzetten van het zelfbewust worden van de zaak en het daaraan meekomende denken. Vandaag kennen enkel nog wat oudere socialisten en communisten dit gevoel en zij bemerken tot hun verdriet dat zij daarin vrijwel alleen staan.

Het strijden om de macht via het vormen van zo groot mogelijke collectieven heeft zich steeds meer doorgezet en is op het ogenblik nog altijd het gangbare patroon. Het begint echter almaar duidelijker te worden dat die zaak zijn langste tijd gehad heeft. Nog slechts met grote moeite weet men hem nog in stand te houden, maar en de burgers en de overheden en politici zien er steeds minder heil in. In feite is bedoeld denken over collectieven een achterhaalde 19e eeuwse aangelegenheid, maar lang niet iedereen heeft dat in de gaten. Menig idealist is nog steeds bezig mensen wakker te schudden en in beweging te krijgen teneinde alsnog de huidige ontwikkelingen te stoppen en weer terug te keren naar de oude situatie.

Dat echter kan nooit vruchten afwerpen omdat de mensen zich niet meer in een collectief willen en kunnen schikken.

We zijn het individu-zijn inmiddels een eind dichter genaderd dan in de vorige eeuw. Het individu-zijn begint zich enigszins af te tekenen. Ik heb al heel wat over de gevolgen hiervan gezegd. Dat zijn over het algemeen geen prettige dingen: bandeloosheid, vandalisme, normloosheid en agressie en dergelijke frustraties nemen toe en de saamhorigheid neemt zienderogen af. Maar daar staat tegenover dat de begrippen uit De Grote Vierslag almaar meer het moment naderen dat zij effectief gaan worden. Alle vier winnen zij aan sterkte en het ligt daarbij in de logica dat zij zich nu gaan laten gelden naar hun ware aard. Niemand echter wil ze bij hun naam genoemd hebben, hetgeen te begrijpen is omdat die begrippen geassocieerd worden met verschijnselen die tot het verleden behoren en die op zichzelf onhoudbaar zijn gebleken. Zo wil niemand nihilist heten, want men denkt daarbij aan vernietiging, afbraak, onverschilligheid, normloosheid en dergelijke. Toch is het toekennen en handhaven van waarden aanzienlijk verminderd. Heel veel waarden zijn uitgehold, zoals bijvoorbeeld die van de Staat, het gezag, de status, titels en graden enzovoort. Ook aan de zogenaamde moraal wordt veel minder waarde toegekend, evenals aan de godsdienst en het vaderland, kortom het nihilisme in de zin van ontwaarding wordt almaar sterker. Overheden, geestelijken en politici waarschuwen dan ook voortdurend, bevreesd als zij zijn voor verlies van hun macht. Bijna niemand noemt zich anarchist, afgezien van wat op het 19e eeuwse anarchisme ingestelde idealisten. Toch is het zichzelf besturen, zij het onder allerlei andere namen, sterk toegenomen. In het bedrijfsleven is het zelfs al een gewaardeerd streven geworden! Sommigen gaan al zover dat zij elke bemoeienis van de Staat en ambtenarij pertinent afwijzen, evenals belastingen en premies voor sociale voorzieningen. Men vindt dat socialisme en communisme niet langer mogelijk zijn, maar intussen is het besef dat jij er ook bent als ik er ben en het besef dat wij met zijn allen een ondeelbare wereld vormen overal waar te nemen. Bovendien vertoont dat zich vooral in die streken waar de ontwikkeling tot individu het verst gevorderd is, dus in het noord- westelijk deel van Europa. De overheden en politici echter richten zich niet in positieve zin op deze processen: zij vernieuwen de sociale voorzieningen niet in de richting van individualisme, maar breken ze af op grond van datzelfde individualisme. Zij zijn dus buitengewoon asociaal bezig...

 concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; concurrentie-5 ; concurrentie-6 ;

Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L

No. 54††††††††††† concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; concurrentie-5 ; concurrentie-6 ;

Zoals al eerder gezegd zie je in de loop van de 19e eeuw de begrippen uit De Grote Vierslag boven water komen, uiteraard op intuÔtieve wijze. Het is een besef. Het begrijpen ervan moest nog komen, wij zitten daarop trouwens nog steeds te wachten! In ieder geval werd aangevoeld dat wij mensen met zijn allen zijn, een besef dus aangaande het begrip, communisme.

De kreet Vrijheid, gelijkheid en broederschap en het Alle Menschen werden BrŁder kwam zomaar niet uit de lucht vallen maar was uiting van genoemd besef. In 1776 al drukten de Amerikanen dezelfde opvattingen uit in hun onafhankelijkheidsverklaring die zo vooruitstrevend was dat hedendaagse Amerikanen menen dat het beslist een communistisch geschrift moet zijn. De denkers uit die tijd konden nog niet begrijpen hoe de door hen intuÔtief voorziene wereld verwerkelijkt zou worden. Zij dachten aan gelijke rechten voor een ieder, wetenschappelijk verantwoord onderwijs, uitbanning van de godsdienst, optimale veiligheid en dergelijke. Maar dat alles werd min of meer van een overheid verwacht; het zou de mensen afgedwongen en opgedrongen moeten worden. Zo gaat het evenwel niet. In feite zijn de mensen pas dan veilig als zij individueel elkaars veiligheid garanderen en dat niet omdat zij daartoe gedwongen worden, maar omdat zij inzien als ik er ben, ben jij er ook. Langs de weg van de maatschappelijke ordening, van het maken van een leefbare wereld, verloopt het proces niet. Zoals inmiddels wel, duidelijk zal zijn verloopt het via de individualisering. Pas als er een werkelijk met zijn allen zijn is gegroeid kunnen alle aspecten van het begrip veiligheid in orde gemaakt worden. Dat echter konden de denkers van de 19e eeuw, hoe radicaal ook, nog niet inzien en tot een theorie uitwerken.

Op grond van het verkeerd begrijpen van het communisme ontstaan er in de westerse wereld allerlei collectieven. Binnen die collectieven, bijvoorbeeld verenigingen met velerlei doelstellingen, gedraagt men zich alsof men met zijn allen is, maar in feite is dat geenszins het geval. Een ieder moet namelijk bij voorbaat akkoord zijn met de regels en normen van zo'n collectief en zich daaraan volledig onderwerpen. Regels en normen die er al waren, evenals trouwens de structuur en de functionarissen. Dat betekent dat feitelijk niemand er werkelijk is. Bovendien moet je tot een dergelijk collectief toetreden: je vormt het niet, maar je treedt toe, je wordt lid. En de democratische bestuursvorm heeft ook niets met met zijn allen te maken, want een groot deel van de leden (maximaal 49%) heeft als minderheid niets te vertellen, terwijl alle macht in handen is van een ťlite. Het feit dat die ťlite democratisch gekozen is doet niets aan haar macht af maar versterkt die juist! Vrijwillig onderwerpen de leden zich aan het collectief en zijn macht, misschien beantwoordt dat zelfs aan hun idealen en voelen zij er zich volkomen bij thuis, misschien zijn zij het met alles eens, maar toch is er een deel van hun persoonlijkheid, van hun individualiteit, buitengesloten. Zij kunnen niet zichzelf zijn en dat breekt hen vroeg of laat op.

De vierslag kan niet gelden zonder het individu-zijn. Meent iemand bijvoorbeeld dat er een goddelijke of maatschappelijke macht boven hem uitgaat, dan kan hij onmogelijk de vierslag waarmaken. Meent iemand dat het in het leven om het collectief gaat, het geheel, de groep, de Staat of iets dergelijks, ook dan kan het niets worden met De Grote Vierslag. Het individu-zijn is essentieel. Het individualisme is op zichzelf in strijd met het besef met zijn allen te zijn.

Bewerkt het dus enerzijds socialisme en communisme, anderzijds ondergraaft het in toenemende mate elke vorm van collectiviteit. Alle collectieven hollen dus zichzelf uit; dat is geen inwerking van buitenaf maar een inwendige tegenstrijdigheid. Enerzijds ontstaat het collectief vanwege een besefte grote vierslag en anderzijds holt het zich gaandeweg verhelderen van De Grote Vierslag het collectief uit zodat het reddeloos ten onder gaat. Het herkennen en begrijpen van deze dubbele werking van het individualisme en, daarmee samenhangend, van het verhelderen van De Grote Vierslag, maakt het betrekkelijk gemakkelijk de verschillende maatschappelijke verschijnselen van elkaar te onderscheiden, te doorzien en enigszins in hun voortgang te voorspellen.

Hedendaagse machthebbers zijn niets als er geen collectief is dat hen in stand houdt. Maar tegelijkertijd zijn ook zij onderhevig aan individualisering zodat zij zich van hun eigen collectief afzonderen, zich er weinig meer aan gelegen laten liggen en hun beloften niet nakomen. Zelfs is te stellen dat dit de oorzaak is van hun grotere neiging tot corruptie en hun toenemende behoefte zich aan de samenleving te verrijken. In belangrijke mate gebeurt dit door de samenleving te individualiseren, de beschermende en verzorgende regelingen af te breken zodat de mensen gedwongen worden hun veiligheid bij particulieren te kopen die alleen maar op winst uit zijn. Uiteraard ontwikkelen de burgers zich ook tot ik zodat ook van hun kant het collectief uitgehold wordt, maar daartegen gaan de machthebbers tekeer omdat het de burgers eigenlijk niet toegestaan is ook eens na te gaan wat voor hen het voordeligste is. Het is dus allemaal heel tweeslachtig: enerzijds is het collectief nodig om de macht in stand te houden en anderzijds wordt het collectief almaar meer vernietigd. En dat vindt plaats bij iedereen, maar lang niet iedereen plukt er de onrechtmatige vruchten van: dat voorrecht is slechts voorbehouden aan diegenen die het verloren gegane tegen grof geld kunnen aanbieden in de vorm van veiligheid en de daarbij behorende diensten. De markt van diensten bloeit als nooit tevoren... En dat verschijnsel is het duidelijkst waar te nemen bij die groeperingen die het meest op het collectief gefixeerd waren: de socialistische en aanverwante.

Hoe liggen nu de verhoudingen als het werkelijk om met zijn allen zijn gaat? Dan moet als eerste opgemerkt worden dat het gaat om de mens als individu en vervolgens dat dit vooronderstelt dat a) de ander er voor mij ook is, b) ik mijzelf bestuur en c) er voor mij niets van waarde is dat voor mij richtinggevend is. Dit volledig gelden van de begrippen uit De Grote Vierslag is in strijd met alles wat voor het collectief geldt: op geen enkele wijze wordt mijn persoonlijke leven, noch dat van de ander, beknot ter wille van dat collectief. Het is daarentegen mijn streven mij zo volmaakt mogelijk te laten gelden vanwege het feit dat ik het met zijn allen zijn herken en dan vorm ik vanzelf, tezamen met de anderen, een geheel. In dat geheel is alles gerealiseerd dat de mens qua samenleven nodig heeft. Op grond hiervan zou je kunnen zeggen dat dit geheel voor de mensen aantrekkelijk is, juist omdat zij volledig zichzelf kunnen zijn. Dat- betekent onder andere dat het er in zo'n geheel volstrekt niet om gaat dat iedereen het met iedereen eens is. Dat zou immers niet kunnen omdat iedereen zichzelf is! Iedereen is dus per definitie anders en voor iedereen vertoont de werkelijkheid zich in een andere kleur. Deze veelkleurigheid bewerkt een optimaal functioneren, dan evenwel niet op grond van naijver, concurrentie en machtshonger, maar op grond van elkaar stimuleren en inspireren. Ieders eigen ideeŽn bevorderen de intellectuele rijkdom en de wijsheid van de anderen.. .

concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; concurrentie-5 ; concurrentie-6 ;

No. 55†††† Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L†††† anarchie1††† anarchie-2 (en nrs. 37, 55 en 66) ; verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

Het tegen elkaar inwerken van stromingen, zoals het geval is bij het zich ontwikkelen van het individualisme, is iets geheel anders dan de dialectiek waarmee destijds Hegel kwam en dat het denksysteem van bijvoorbeeld Karl Marx werd. Zoals gezegd komt in de intuÔtieve beginperiode van het individualisme het besef op van met zijn allen zijn, een besef dat leidt tot het organiseren van allerlei collectieven. Maar tegelijkertijd is de individuele ontwikkeling op zichzelf in strijd daarmee: de mens als ik-zegger begint met zichzelf van alle anderen af te scheiden. Deze tegenstellingen nu zijn dus niet dialectisch. Dit begrip duidt namelijk op grootheden (these en antithese) die buiten elkaar zijn, die van elkaar gescheiden zijn, die als zodanig een relatie met elkaar hebben en op grond daarvan op elkaar inwerken. Je kunt daarbij denken aan de strijd tussen kapitaal en arbeid, kapitalisten en proletariŽrs. Marx had gelijk dat hij hierin iets dialectisch zag, maar de uitwerking daarvan laat nogal iets te wensen over. De individualisering, met de bewustwording van de begrippen uit De Grote Vierslag, is geen zaak van strijd (dialectiek tweegesprek, tweestrijd) maar een zaak van groei. Zoals het groeien van een organisme tevens het sterven bevordert en naderbij brengt, zo brengt de organisatie van collectieven onmiddellijk het uiteenvallen daarvan naderbij.

Het ik worden en het waarmaken van De Grote Vierslag brengen inderdaad veel strijd met zich, in zekere zin een strijd van allen tegen allen, maar het is geen zaak van strijd doch van groei.

Het met zijn allen zijn is helemaal niet zo eenvoudig te begrijpen als het lijkt. Je loopt namelijk steeds een tweetal risico's bij het doordenken van deze materie. Het eerste risico is gelegen in het onwillekeurig idealiseren van dat toekomstige met zijn allen zijn. Als je de zaak als een ideaal denkt haal je een groot aantal wezenlijke menselijke eigenaardigheden eruit. Je maakt van de mensen heiligen, namelijk mensen minus hun zonden. Je denkt dan alleen maar aan de mooie dingen, aan dat wat liefelijk klinkt en welluid, oftewel aan een soort Koninkrijk Gods op aarde. Zo ongeveer het ideaal van alle goedwillende christenen. Op die manier is het niet moeilijk je die toekomst voor te stellen, maar er deugt niets van. Het is een droom, een utopie. Van een mens is niets af te denken en dus moet je proberen een compleet mens als een volwassene te denken. Het tweede risico ligt in het onwillekeurig gaan denken in reglementen. Dat is niet verwonderlijk want tot nu toe is de gehele wereld erop gebaseerd en vrijwel iedereen is er zeker van dat het zonder die reglementen een chaos zou worden. Er zou anarchie heersen. Dus moet de zaak gereglementeerd worden en dat zal op den duur op redelijke wijze geschieden, dat wil zeggen niet langer ten gunste van enkelingen en kleine bevoorrechte groepen, maar ten gunste van het geheel van de samenleving. De verwachting dat de rede de maat zal zijn bij het reglementeren stamt uit de tijd van de Verlichting, toen men ontdekte dat de mens een wereld moet maken. Die rede echter wordt in feite een onderdrukkingsinstrument, namelijk om alle ongewenste menselijke eigenschappen uit te schakelen. Vooral het humanisme is hier sterk in, men verwacht alles van de rede en heeft doorgaans niet in de gaten dat redelijke beheersing ook onderdrukking is, in de praktijk in hoofdzaak zelf-onderdrukking.

In het eerste idealistische geval gaat het dus om het verhogen van de mens tot een heilige, en in het tweede redelijke geval om het onderdrukken van alles wat als verkeerd beschouwd wordt. Vooral dit laatste is een complex van waanideeŽn. Denk bijvoorbeeld eens aan het zogenaamde egoÔsme. Dat wordt ervaren als buitengewoon negatief, gericht als het is op voordelen voor het ik en onverschilligheid voor de ander. Men heeft daarin geen ongelijk, maar als men het egoÔsme wil gaan afschaffen, uitbannen of onderdrukken, vernietigt men de drijfveer en bron van alle individuele ontwikkeling en dus ook van het zich waarmaken van De Grote Vierslag. EgoÔsme is het zich waarmaken als ik, maar dan zo onvolwassen dat er nog geen besef van individualiteit doorgebroken is. Er valt dus niets af te schaffen, uit te bannen of te onderdrukken. Wat mogelijk gemaakt moet worden is de vrije en ongedwongen ontwikkeling van de individuele mens, zodat die met recht kan zeggen het gaat mij uitsluitend om mijzelf - in navolging van Max Stirner (1806-1856). Zoals ik heb laten zien kan juist die mens socialistisch zijn: voor hem geldt als eerste dat de ander er ook is. De zogenaamde slechte eigenschappen, die men met behulp van de rede wil onderdrukken, zijn vrijwel allemaal onvolwassen manifestaties van verhoudingen die voor de mens essentieel zijn. In onvolwassen staat zijn zij kwalijk en is het zinvol ze te onderdrukken of te neutraliseren, maar filosoferend naar de volwassen mens toe moet je niet in dat soort termen denken maar in dynamische processen, in ontwikkelingen. Dat betekent bovendien dat je er op bedacht moet zijn dat thans geldende waardeoordelen - want dat zijn het - morgen wel eens veranderd zouden kunnen zijn. Dus: wie bepaalt wat goed is en wat kwaad als het over menselijke eigenaardigheden gaat?

In feite bepaalt het op een zeker moment geldende denken wat er in de toekomst afgeschaft of onderdrukt zal moeten worden. Dan behoef je er niet aan te twijfelen dat allerlei belangen een grote rol zullen spelen. Hoe dan ook, op zo'n manier doordenken over de volwassen mens voor wie het met zijn allen zijn geldt leidt alleen maar tot verkeerde voorstellingen.

De eerste grootheid in de vierslag is nihilisme: er is niets dat mij meer waard is dan iets anders, er is niets dat mij iets waard is. Dat geldt logischerwijze ook voor mijn eigenschappen, dus zal ik mijn persoonlijkheid door geen daarvan laten bepalen, ik ben onverschillig voor mijn eigenschappen op zichzelf. Ik versterk ze niet en ik onderdruk ze niet, ik houd ze binnen het geheel van mijn persoon. Voor mij geen gemoraliseer. De tweede grootheid: ik bestuur mezelf en dat kan ik doen omdat er voor mij geen waarden zijn. Zodoende ben ik volkomen vrij in dat besturen en vrij in het volgen van mijn eigen richting in het leven. Ik volg de stroom van mijn eigen leven en daarin ben ik anarchist. De derde grootheid, de ander is er ook, en de vierde, wij zijn met zijn allen, spreken in hun eenvoudigste vormen voor zichzelf. Het bovenstaande speelt in de mens die straks volwassen is. Maar er is nog wel het een en ander aan te bedenken. Je moet bijvoorbeeld opletten niet te denken: zoals ik er ben, ben jij er ook, hetgeen inhoudt dat de ander net zo moet zijn als ik. Dat geldt als het over een collectief gaat, maar het geldt niet voor een geheel. Daarvoor geldt dat de ander er is en het vereist dus de aanwezigheid van alle diens eigenaardigheden, bekwaamheden en eigendommen. Dus verschillen we allemaal volstrekt van elkaar. Het geheel is in zichzelf pluriform. Dat kan ook niet anders want het begrip het geheel houdt onder andere in dat alles tot zijn recht moet komen. Dat evenwel is heel iets anders dan je vanuit idealisme of vanuit redelijkheid zou verwachten! In beide gevallen wordt een deel van de menselijke persoon buiten beschouwing gelaten als iets dat niet gewenst is. Eigenlijk berusten zowel het christelijke idealisme als het humanistische redelijke op diep verborgen zondebesef: de mens deugt wezenlijk niet...

Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L†††† anarchie1††† anarchie-2 (en nrs. 37, 55 en 66) ; verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

No. 56†††† concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; concurrentie-5 ; concurrentie-6 ;

Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L

Het is nog maar de vraag of die wereld waarin de mensen met zijn allen zijn ooit komt. Dat hangt van een heleboel factoren af, waaronder de mogelijkheid dat het een of andere hemellichaam onze planeet vernietigt of ernstig beschadigt. En wellicht maken de mensen, door een ongeluk, door onverschilligheid of met opzet, een eind aan het (menselijk) leven op aarde. Niemand kan voorspellen hoe de toekomst zal zijn. Voor de filosofie is de vraag daarnaar dan ook niet interessant, maar wel is na te gaan wat de laatste denkbaarheid is, of anders gezegd: waarop je denken tenslotte uitkomt als je De Grote Vierslag consequent doordenkt. Je weet dan dat die uitkomst universeel is en dat geeft je het recht te stellen: als het hier niet lukt, dan lukt het gegarandeerd ergens anders.

Zoals gezegd moet je twee gevaren vermijden. Ten eerste dat je niet in termen van heiligheid gaat denken, dus niet allerlei menselijks er af gaat halen. Ten tweede dat je niet in termen van reglementen en onderdrukking gaat denken, uitlopend in de absolute maat van de rede en de redelijkheid. Binnenkort zal ik nog laten zien dat het leven helemaal niet in redelijkheid opgaat - dat is een 19e eeuwse opvatting, die meer op verlangens gebaseerd was dan op logisch nadenken. De oplossing voor het met zijn allen zijn is niet gelegen in het elimineren van s mensen kwade kanten, maar in het doordenken daarvan.

Dan blijkt dat alle negativiteiten die de mensen tot nu toe aan zichzelf en elkaar ervaren hebben in wezen alsnog onvolwassen en dus verkeerd functionerende essentiŽle processen zijn. Charles de Coster (1827-1879) vertelt aan het eind van zijn boek Tijl Uilenspiegel (1867) dat de slechte eigenschappen van de mens tenslotte omgezet worden in goede. . . Uilenspiegel en Nele zagen Zuinigheid komen uit Gierigheid, Levendigheid uit Gramschap, Eetlust uit Gulzigheid, Wedijver uit Nijd, Dromerij van dichters en denkers uit Traagheid. En de Onkuisheid, op hare geit, veranderde in een schone vrouw, die Liefde hiet.

De voortdurende aanwezigheid van het verkeerde leidt ertoe dat men zich af gaat vragen of de mens het recht heeft te stellen dat het hem om zichzelf gaat. Men vindt dat er alleen maar verkeerde dingen uit voortkomen als een mens dat recht wel zou hebben. Dat de mensen dat vinden is te begrijpen omdat zij slechts de onvolwassen mens voor ogen hebben. Maar toch slaat het nergens op: het kan je qua leven nooit om iets of iemand anders gaan, elk buiten jezelf gesteld doel is in feite toch een door en voor jezelf gesteld doel! De vraag is niet of een mens een bepaald recht heeft, maar de vraag is waarmee je te doen hebt als je met de mens te doen hebt en wat je te zien krijgt als die mens eindelijk volwassen is geworden en in het besef leeft met zijn allen te zijn. De vraag is dus: hoe ziet een mens eruit die zichzelf is? En dan betreft die vraag niet de mens die redelijk is geworden, of de mens die de zonde heeft afgeschaft of die tot intellectualiteit is gekomen of tot genialiteit. De vraag is gewoon: wie en wat is de volwassen mens, de eigenlijke mens dus. En dan kunnen de huidige filosofen wel beweren dat wij de mens niet kennen en nooit zullen kennen, maar dan toch ligt daar bovengenoemde vraag, die overigens wel degelijk te beantwoorden is.

Er zijn geen twee mensen gelijk, iedereen is een variatie van de laatste verhouding waartoe de werkelijkheid komt. Iedereen is dus op zijn wijze de werkelijkheid en daarvan de laatste mogelijkheid en dus is ook iedereen op zijn eigen wijze De Grote Vierslag.

Het is dan ook fout om de mensen in een collectief te gaan zitten denken, want daarin moeten zij allemaal eender zijn en hun eigenheid afleggen, oftewel zich niet langer als variatie laten gelden. Denk ik de mensen als heiligen of als redelijke wezens, dan komen zij ook automatisch in een collectief terecht waarin universele normen voor heiligheid en redelijkheid van kracht zijn. Al dit soort zaken valt onmiddellijk af, het is allemaal niet houdbaar omdat op de een of andere manier de neuzen dezelfde kant uit moeten staan en daarmee het begrip variatie tenietgedaan wordt. Het met zijn allen zijn en dus het vormen van een geheel moet noodzakelijk gedacht worden vanuit de Ongelijkheid van alle mensen. Het moet pluriform gedacht worden.

Elke individuele, en dus unieke, inbreng bevordert de kwaliteit het geheel, in plaats van het, zoals in de onvolwassen situatie, te verbreken omdat zo'n inbreng bedoeld is om zich van die van anderen te onderscheiden, namelijk via het concurrentieprincipe. Hoewel elke inbreng het geheel bevordert is het niet zo dat de mensen bezig zijn met het bevorderen van het geheel. Onwillekeurig zou je dat kunnen denken, maar als zo de verhoudingen zouden liggen zou het geheel boven de enkeling uitgaan, doel van zijn leven zijn en als zodanig het begrip zichzelf besturen (anarchisme) ontkennen. Je komt dan terecht bij de Kantiaanse en Hegelse conceptie van de Staat als idealiteit van de samenleving.

Een conceptie waarin de mens als individu volslagen onmogelijk is en dus ook De Grote Vierslag niet kan bestaan. Hier stuit je op de derde kans om de zaak fout te denken: het bevorderen van de kwaliteit van het geheel geschiedt niet doormiddel van het dienstbaar zijn aan het geheel (de Staat), maar doormiddel van het getrouw zichzelf-zijn van elke individu. Dit zichzelf-zijn is Onmiddellijk bevorderlijk voor het geheel en wel omdat het een op eigen wijze het geheel-zijn is.

Het maakt niet uit waarmee ik bezig ben, zelfs mijn simpele er-zijn, onbevangen en onschuldig, bevordert het geheel, maar dat is dus alleen maar dan een feit als ik getrouw mezelf ben. Dit alles is voor modern denken uiterst paradoxaal: je dient het geheel alleen maar door juist niet jezelf te zijn, maar je in te stellen op datgene dat het geheel van je verlangt. In de strijd tussen individu en gemeenschap is het steeds de individu die het loodje moet leggen, want het geheel is meer dan de delen en gaat dus boven de afzonderlijke delen uit. Merk op dat deze, nog steeds gangbare, gedachtegang in wezen kwantitatief is en dus volstrekt analytisch! Hoewel nagenoeg iedereen hem zal beamen is hij toch volslagen onzinnig.

De Staat, zoals wij die kennen, maar ook zoals Kant en Hegel hem dachten, is in alle opzichten aanwijsbaar. Weliswaar is het begrip Staat een abstractie, maar in de praktijk kom je de Staat overal tegen. Zeker de moderne Staat is tot in de slaapkamers van de mensen maatgevend. En er zijn grote hoeveelheden ambtenaren die ten dienste staan van de Staat en daarnaast zijn er onvoorstelbaar veel formulieren die aangeven hoe het met de individuele mensen gesteld is. En, niet te vergeten de legers die de Staten er op nahouden. Hoe dan ook, de Staat is in alle abstractie door en door concreet, aan alle kanten tastbaar. In laatste instantie blijkt dat uit het feit dat de Staat over de levens van de mensen kan beschikken, hetzij op grond van militaire argumenten, hetzij op grond van juridische. Daarvan is de laatste mogelijkheid uiteraard die van de doodstraf.

Het geheel, zoals dat voor de mensen geldt die met zijn allen zijn, het er-zijn van de ander erkennen, zichzelf besturen en geen waarden kennen is volstrekt abstract. Het is absoluut niet aanwijsbaar en het laat nergens zijn werking gevoelen. Wat er is is uitsluitend het pluriforme mensdom, de totaliteit van alle variaties en de wijze waarop die allemaal met elkaar samenleven, elkaar steunen en behoeden voor kwaad.

concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; concurrentie-5 ; concurrentie-6 ;

Onverschilligheid- zie A, B, C, D, E, F, G, H, K, L

No. 57†††††† Solidariteit/Verantwoordelijkheid-1 ;verantwoordelijkheid-2 ; verantwoordelijkheid-3 ; verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

Het ondergeschikt zijn aan het geheel kan op twee manieren gedacht worden. Je kunt het namelijk letterlijk nemen en dan gaat het over de onvolwassen mens die zichzelf helemaal niet bestuurt omdat iets hogers, in de praktijk het geheel in de vorm van de Staat of de overheid, die taak op zich genomen heeft. Er is dan dus sprake van een waarde, die erkend wordt en daarmee het begrip nihilisme doet vervallen, en er is tegelijkertijd het uitsluiten van het begrip anarchisme. Het is echter ook mogelijk om de mens die al aan het begrip communisme toegekomen is te denken als ondergeschikt aan het geheel, zelfs als dit allang niet meer als een Staat of een overheid beschouwd wordt. Je denkt je de volwassen, communistische, mens als levend voor het geheel, in feite levend voor zijn eigen met zijn allen zijn. Dan is er inderdaad niet van een hogere waarde te spreken, het begrip nihilisme geldt dus, maar het zichzelf besturen stelt op die manier niets voor. Die mens leeft ter wille van iets anders en dat is bij de volwassen mens een ondenkbaarheid.

Je moet er dus op letten het geheel weer niet per ongeluk als de maat te stellen. Eigenlijk is het geheel helemaal niets - ik kom daar nog op terug - en zijn er alleen maar mensen die nu eens echt zichzelf zijn en dat zo getrouw mogelijk volhouden.

Over de verleiding om de communistische mens als levend voor het geheel te denken is het volgende te zeggen: de moderne mensheid van thans levert een aardig voorbeeld van Onvrijheid die zich voordoet als vrijheid. In de praktijk bemerken wij namelijk niet dat wij aan alle kanten vastgelegd zijn, en wel op de wijze van informatie in uitgebreide data- bestanden. Dat is de zogenaamde administratieve horigheid. Wij kunnen letterlijk geen kant meer uit, vluchten kan niet meer, zoals het liedje zegt. Doordat wij als moderne mensen zelf deel hebben - of menen te hebben - aan het bestuur en de overheid ontgaat ons onze onvrijheid, behalve uiteraard als wij ons in afwijking van de regels gaan gedragen. Waarom het in dit verband gaat is dat wij ons leven ter wille van iets anders leven en dan niet meer iets dat ons van buitenaf en buiten onze wil om gevangen houdt, maar iets dat wij zelf ingesteld hebben (noem dat de sociaal-democratie) en in stand willen houden. Je kunt hier overigens wel aan zien dat de moderne individu de eigenlijke verhoudingen al enigszins benadert, maar juist dat brengt hem in de verleiding de zaak toch nog verkeerd te denken.. .

Ook het begrip verantwoordelijkheid wordt door ons verkeerd gedacht.

Omdat wij onbewust menen dat wij, geheel vanuit onszelf, voor iets anders leven, vinden wij ook, dat wij aan de ander verantwoording moeten kunnen afleggen voor onze opvattingen en ons handelen. Dat komt er natuurlijk op neer dat wij ons leven uit handen geven en de maat voor goed en kwaad bij de ander of de anderen leggen. Ook hierin zit een denkfout: de volwassen communistische mens is door en door verantwoordelijk, maar hij is dat uitsluitend tegenover zichzelf. Hij kan dat zijn omdat hij zelf volledig mens is en daarmee ook op zijn wijze het geheel. Verantwoordelijkheid is dus een introverte aangelegenheid. De moderne denker zal dit onzin vinden, zeker als hij ervan is dat de mens dan wel zal doen waar hij zin in heeft en dat dit dan wel niet veel goeds zal zijn. Inderdaad klopt dit voor de onvolwassen mens, maar niet voor de communistische: het introverte verantwoording afleggen gaat samen met het getrouw volgen van de eigen levensrichting en is als zodanig te benoemen als de zwaarste toets voor goed en kwaad! Omdat het met zijn allen zijn geldt, is verantwoording ten opzichte van zichzelf onmiddellijk verantwoording ten opzichte van allen.

Ook wat betreft de begrippen regering, overheid en leiding is er een veelheid aan verwarringen. Anarchisten bezigen vaak de volgende redenering: in een anarchistische wereld is er weliswaar geen regering, maar leiding moet er wel zijn. Zij leggen dan uit dat het begrip leiding iets geheel anders is dan het begrip regering. En terecht! De filosofen bijvoorbeeld zijn er bedreven in duidelijk te maken dat leiding wel goed is en een regering fout. Maar ook zij hebben zwaar ongelijk. De voetangel zit namelijk in het woordje moet waar steeds sierlijk omheen gedacht wordt. Men stelt bij voorbaat dat er leiding zal zijn en dus is leiding voorondersteld aan het gedoe in een anarchistische wereld. Leiding gaat eraan vooraf. Dat nu is wederom het als eis stellen van een evidentie, een bijzonder kwalijke denkfout! Er moet namelijk geen leiding in een volwassen wereld zijn, maar er blijkt bij al het gedoe leiding te zijn. Leiding is dus een ad hoc begrip en in geen geval iets dat bij voorbaat geldig is, zoals in een onvolwassen wereld waarin bepaalde figuren het vooropgezette doel nastreven een leidinggevende te worden. Zo iemand gaat het niet om de zaak, maar om de macht. Gaat het daarentegen wel om de zaak, dan komt de leiding vanzelf in handen van een deskundige - een echte, wel te verstaan... Al eerder heb ik er op gewezen dat het als eis stellen van een evidentie een werkelijk dramatische denkfout is die door het hele moderne denken heenloopt. Sinds de Verlichting duidelijk maakte dat wij onze wereld moeten maken is het begrip moeten van essentiŽle betekenis geworden. Het is al moeten wat de klok slaat. De hele wereld van managers is er op gebouwd. Het enige resultaat is echter een grandioze mislukking omdat bijvoorbeeld de uitspraak er moet leiding zijn refereert aan een geheel andere wereld dan de uitspraak er blijkt steeds iemand de leiding te nemen of te krijgen. De eerste uitspraak leidt tot de gedachte aan een klasse van managers, uiteraard maatschappelijke topfiguren, en de tweede tot de gedachte aan een in onderling overleg oplossen van de problemen. De eerste uitspraak verwijst naar een verticale structuur en de tweede naar een horizontale. Het is filosofisch dus van groot belang het als eis stellen van evidenties te vermijden. Doe je dat niet, dan krijg je een volstrekt verkeerd wereldbeeld voor ogen.

 Wij leven nog steeds in een onvolwassen wereld. Zo'n wereld wordt gekenmerkt door mensen die een niet-menselijk gedrag op tafel leggen en er onhoudbare opvattingen op na houden. Tussen al die mensen zijn er evenwel steeds een paar die volwassen genoemd kunnen worden. Hun gedrag en hun opvattingen wijken af van het gangbare en dat dan in positieve zin. Maar het wereldbeeld wordt bepaald door die onvolwassen mensen. In een volwassen wereld is er iets dergelijks aan de hand, alleen met dit verschil dat het wereldbeeld nu bepaald wordt door volwassen mensen. Niet dat al die mensen even volwassen zijn! Het is natuurlijk een gevarieerd geheel en daartussen lopen ook mensen die achter gebleven zijn en die je best onvolwassen kunt noemen. Er is echter een belangrijk sociaal verschil dat in de praktijk het onderscheid uitmaakt tussen een hemel en een hel, tussen een leefbare wereld en een vijandige wereld. In een onvolwassen wereld hebben afwijkende volwassen mensen letterlijk geen leven, niet in staat als zij zijn om met die wereld mee te doen. Maar in een volwassen wereld kan iedereen uit de voeten, ook diegene die qua volwassenheid niet veel voorstelt. Voor de zwakken zijn de levensmogelijkheden optimaal en het met zijn allen zijn leidt tot een grote zorg voor die zwakken. In een onvolwassen wereld is er niets van dat al: zwakken en afwijkenden kunnen vrijelijk verrekken. !

 Solidariteit/Verantwoordelijkheid-1 ;verantwoordelijkheid-2 ; verantwoordelijkheid-3 ; verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

No. 58

Dat er in een volwassen wereld geen Staat zal zijn en ook geen regering is desnoods wel in te denken, maar dat je ook het begrip leiding er af moet denken, althans het onvolwassen begrip leiding waarin als vanzelfsprekend is voorondersteld dat de leiding al bij voorbaat aanwezig is en op alle terreinen van de maatschappij werkzaam is, is voor de mensen uit onze cultuur bijna niet te doen. Dat is te begrijpen omdat wij in een wereld leven die een absolute zinsbegoocheling is, een wereld waarin de realiteit niet of nauwelijks nog enige verwantschap heeft met de werkelijkheid. De enige verwantschap is deze dat ook die zinsbegoochelde realiteit tot de werkelijkheid behoort, maar dan de onmogelijke kant ervan. Dat de werkelijkheid zichzelf ook kan brengen tot een Onmogelijkheid zit als volgt: het laatste verschijnsel, dat de mens is, ontkent de kosmos waaruit hij is voortgekomen.

Die gehele kosmos is niet alleen realiteit, maar ook werkelijkheid. Er is namelijk niets dat in strijd is met de eigen wetten van de werkelijkheid. De mens echter kan die wetten naast zich neer leggen. Hij schept zich dan een realiteit (allerlei aanwezige zaken) die niet meer overeenkomt met de hoedanigheid van de werkelijkheid, hij realiseert een onmogelijkheid. Er is maar ťťn laatste verschijnsel en dus is de mens de enige die tot zoiets in staat is en die zoiets ook prompt doet - en blijft doen gedurende zijn onvolwassen periode. Zo voert hij bijvoorbeeld oorlogen, onderwerpt zijn medemensen, rommelt met de erfelijkheid, verandert de natuur, enzovoort. Met deze en dergelijke zaken plaatst hij zichzelf in een realiteit die in wezen geen werkelijkheid is, want de werkelijkheid is anders, volgt andere wetten en is anders van karakter. Denkt hij nu, zoals de moderne mens doet, dat zijn realiteit de echte werkelijkheid is, dan heeft hij zichzelf in een zinsbegoocheling geplaatst.

In verband met het anarchisme kun je bijvoorbeeld opmerken: sinds onheuglijke tijden laat een zeer groot deel van de mensheid zich ringeloren door een zeer kleine minderheid. Daaraan zijn wij gewend en daardoor is het net of het zo hoort. Maar als je jezelf zover kunt brengen dat het is alsof je voor het eerst naar deze wereld kijkt, dan zie je iets onbegrijpelijks, iets dat in strijd is met elke logica: mensen die elkaar dwars zitten en zich dan ook nog de tirannie, de hebzucht en de moordlust van enkelen laten welgevallen. Overigens, ik heb het nu over de fundamentele werkwijze van het filosoferen, die inhoudt dat je steeds onbevangen, als een kind, naar de werkelijkheid kijkt. Alsof je haar inderdaad voor het eerst ziet! Dan hef je de gewenning op en dan wordt het onvermijdelijk dat je allerlei zaken gaan opvallen. Daar begint de filosofie! Zo val je dus de onderworpenheid van vrijwel iedereen op. Een oude onderwijzer van een volksschool in Rotterdam vertelde in de twintiger jaren aan zijn leerlingen: in de graansilo's aan de Maashaven woonden een heleboel katten om de ratten en de muizen te vangen. Daarmee waren zij de hele dag zonder ophouden bezig. Toch waren zij vel over been. Als zij namelijk een muis gevangen hadden, gingen zij daarmee naar een dikke kater die op een muurtje zat en gaven hem die. Dan at die kater de muis op. Alleen de staart gaf hij terug aan de kat die hem gevangen had. Zo'n kat was dan heel blij met die staart, want nu kon hij proberen zijn honger te stillen. Daarna ging hij onmiddellijk nog meer muizen vangen, naar de kater brengen en de staarten zelf opeten. Toen riep een pienter jongetje. Maar meester zo doen katten niet waarop de onderwijzer opmerkte. Nee, dat is goed gezien, zo doen alleen maar mensen. Aan dat verhaal komt prachtig uit dat het gedoe van de mensen in strijd is met de werkelijkheid, maar ook dat onze gewenning ons vaak belet de zaken te zien zoals zij zijn.

Nergens in de natuur kom je de situatie tegen dat individuen of groepen levende wezens zich aan soortgenoten onderwerpen. De vaak ten voorbeeld gestelde leiders van kudden en roedels zijn geen machthebbers, zoals de leiders in de mensenwereld, maar factoren in een vastgelegd natuurlijk programma. Die dieren zijn niet op macht uit maar doen gewoon wat zij qua levensprogramma te doen hebben. Dat is volstrekt niet vergelijkbaar met het gedoe van mensen. Alleen zij zoeken macht over elkaar uit te oefenen teneinde zoveel als mogelijk in bezit te nemen: de onvolwassen mens als wereldveroveraar Deze mens is een keiharde realiteit: hij is er, hij bestaat echt, maar tegelijkertijd is hij een angstige zinsbegoocheling omdat hij staat voor een tot realiteit gemaakte Onmogelijkheid. Daartoe behoort onder andere ook de misvatting dat moderne bestuurders de maatschappij regelen. Als je goed kijkt zie je dat er door hen nauwelijks iets geregeld wordt, eerder sturen zij de boel in de war. Het is de samenleving zelf die tot allerlei ontwikkelingen komt en pas daarna doen de bestuurders en de managers net alsof zij ervoor gezorgd hebben... Denkend volgens het gebruikelijke als eis stellen van een vanzelfsprekendheid kom je ertoe te zeggen dat de mensen leiding moeten hebben: er moet leiding zijn. Dat betekent dat er machtzoekers zijn die zich op voorhand opwerpen om zogenaamd leiding te geven, maar in feite de zaken naar hun hand te zetten, oftewel de leiding nťmen. Dat klinkt erg cynisch, want het gebeurt natuurlijk vaak genoeg dat er echt praktische leiding noodzakelijk is en gegeven wordt. Toch is de werkelijke bedoeling steeds macht, ook als die bedoeling in redelijkheid verpakt wordt. Dat komt doordat de onvolwassen mens in zijn proces van zelfverwerkelijking de gehele wereld tot zijn eigen inhoud wil maken. Hij wil de gehele wereld bezitten omdat deze inhoud is van het laatste verschijnsel. De drang tot en de behoefte aan macht is dus een natuurlijk gegeven bij de onvolwassen mens. Pas bij volwassenheid wordt deze bezitsdrang en machtsbehoefte tot een met zijn allen de werkelijkheid tot eigendom hebben. Ik kom daar nog op terug.

In ieder geval liggen de zaken zo dat er geen leiding moet zijn, maar dat er leiding blijkt te zijn, wisselend van geval tot geval en berustend louter op bekwaamheid. Geen bekwaamheid in pure leiding geven (management, maar die is niet nodig bij volwassen mensen!), maar vakbekwaamheid. Als de kaarten zo liggen wordt niemand vernederd als hij bij een bepaald werk de leiding van een deskundige aanvaardt, niemand boet in aan vrijheid. Sterker nog: juist dit aanvaarden van incidentele leiding bevordert de vrijheid van allen! Deze leiding wordt gegeven, in tegenstelling tot de zogenaamde leiding in een onvolwassen wereld. Daarin nemen bepaalde figuren namelijk de leiding.

Als de mensheid tenslotte volwassen geworden zal zijn gedragen de mensen zich alsof zij met elkaar een organisme vormen. Zij gedragen zich dus als een samenhangend geheel. Dat echter vereist een in verbinding staan van allen met allen want elke afzonderlijke individu moet zich kunnen laten gelden als op zijn wijze het geheel. Het met elkaar in verbinding staan kennen wij als het begrip communicatie. Op het ogenblik is de wereld al grotendeels ontsloten, met bijna alle uithoeken is verbinding te krijgen, zij het dat die nog niet voor iedereen ter beschikking staat. De ontwikkeling daarvan is een kwestie van wetenschap en technologie via welke zich op den duur verhoudingen en situaties kunnen verwerkelijken die nu eens niet in strijd zijn met de werkelijkheid, maar ermee samenvallen, zodat de realiteit identiek is met de werkelijkheid.

No. 59

Op het ogenblik ben ik bezig met het thema communisme, maar daarbij valt telkens de term volwassenheid, zodat je je af kunt vragen of beide begrippen misschien identiek zijn. Dat echter is niet het geval, er is een onderscheid: het begrip volwassenheid slaat op de situatie dat alle vier de begrippen van De Grote Vierslag tegelijkertijd en op gelijkwaardige wijze geldig zijn geworden. Het begrip communisme slaat op het geldig zijn van het vierde begrip uit De Grote Vierslag. Dat evenwel kan alleen maar het geval zijn als ook de voorgaande drie begrippen tot gelding zijn gekomen. Het begrip communisme vooronderstelt socialisme, anarchisme en nihilisme, maar dat neemt niet weg dat het een zelfstandig begrip is.

Daarbij moet ook nog bedacht worden dat er een volgorde is. Het gelden van onze vier begrippen kan alleen maar in de steeds door mij gegeven volgorde. Dat betekent dat die begrippen wel gelijkwaardig zijn, maar niet gelijksoortig. De gelijkwaardigheid is, op grond van het geldende nihilisme, ook te beschouwen als waardeloosheid oftewel het volledig ontbreken van elke waarde. Zou bijvoorbeeld een anarchist stellen dat het eigenlijk om het anarchisme gaat, dan zondigt hij tegen de gelijkwaardigheid en daarmee geeft hij er blijk van de zaak niet begrepen te hebben. De ongelijksoortigheid is gevolg van het feit dat er een volgorde is. Gezien in dit licht is communisme niet meer dan het laatste begrip in de reeks, maar volwassenheid slaat op de gehele reeks, met daarin de juiste verhoudingen van ongelijksoortigheid.

Op het moment dat de mensen werkelijk tot communisme zijn gekomen begint de volwassenheid van de mensheid. Als je het op deze manier zegt wekt het de indruk dat iedereen bewust met die beginnende volwassenheid bezig is. Die indruk echter is fout: de overgang naar volwassenheid gaat net zo Onbewust als alle voorgaande overgangen. Bovendien is de dagelijkse ervaring die je opdoet aan een bepaalde cultuurontwikkeling volkomen anders dan het proces dat je filosofisch aan diezelfde ontwikkeling herkent en beschrijft. Zo kun je bijvoorbeeld filosofisch begrijpen dat wij ons tegenwoordig tot de individu aan het ontwikkelen zijn. Ik heb daarover gesproken. Wat je echter van die ontwikkeling dagelijks ervaart is een toenemende wanorde, normloosheid, onveiligheid, bandeloosheid en een verduistering van eens heldere inzichten. Er is dus een groot verschil tussen de gang van zaken qua werkelijkheid en de ervaringen in de realiteit. Wat dit betreft kun je ook opmerken dat de volgorde waarin de begrippen van De Grote Vierslag in de praktijk te voorschijn kwamen precies tegengesteld is aan de volgorde volgens het filosofische denken. Men had het destijds als eerste over het communisme, al spoedig gevolgd door het socialisme en het anarchisme en na iets langer tijd ook het nihilisme. In de politieke praktijk hebben alleen communisme en socialisme enige macht gehad, het anarchisme is bij enkele experimenten gebleven (bijv. Spanje) en van het nihilisme heeft men tot op heden afschuw. En ook hier weer geldt dat geen van deze begrippen in zijn werkelijke betekenis verscheen: als realiteiten die je dagelijks kunt ervaren waren zij heel anders dan als begrippen. Dat is trouwens nog zo...

Als het laatste begrip, namelijk het communisme, voor de dag is gekomen weten de mensen dat zij met zijn allen zijn. Dit weten behoeft niet bewust te zijn, want, zoals zojuist gezegd, de dagelijkse ervaring verschilt van dat wat er nadenkend over gezegd kan worden. Dus, doorgaans onbewust, laten de mensen zich gelden als op hun eigen persoonlijke wijze het geheel.

Dat geheel is er omdat in het met zijn allen zijn iedereen zichzelf in samenhang beleeft met alle anderen. Als dat het geval is gedraagt de mensheid zich alsof ze een organisme was. Een organisme is als organisme ondeelbaar vanwege het feit dat in dat organisme alles met alles samenhangt. Eigenlijk is er niets meer eenzijdig op zichzelf, zodat aantasting van het een onmiddellijk aantasting van het ander betekent. Dit gaat voor de volwassen mensheid automatisch ook gelden, maar je moet er goed op letten dat het wel een gedragen alsof is - en blijft!

De mensheid als verzameling van mensen is geen organisme. Bij het bespreken van de mens als individu, in het kader van het socialisme, heb ik er al op gewezen dat elk mens als een afzonderlijk verschijnsel beschouwd moet worden en dat het zo langzamerhand tijd wordt dat ook de filosofie eens ophoudt de individu als een afgeleide van een groep te begrijpen. De mens als algemeenheid - komt niet ter wereld als een lid van een kudde, maar, onder andere omdat hij als laatste verschijnsel overal los van is komen te staan en dus ook los is van kuddegenoten, als een individu. Als een op zichzelf ondeelbare eenheid die nergens in opgaat en wiens enige en werkelijke bemoeienis het is tot zichzelf te komen en tenslotte zichzelf te zijn. Van de mens als individu is te zeggen dat hij in zichzelf een organisme is. Dat is het geval met alle levende wezens. Zo'n organisme kan niet gespleten worden zonder als organisme ten gronde te gaan. Dat echter is bij de mensheid niet het geval; zij vormt geen samenhangend geheel, maar zij is, net zoals alle andere levende en dode verschijnselen, opgenomen in een netwerk van relaties. Een uiterst verfijnd netwerk! Is het bij de natuurlijke organismen nog zo dat het verbreken van dat netwerk tot de ondergang van gedeelten van de natuur kan leiden omdat de relaties in de natuur zo strak op elkaar ingrijpen, bij de mens is zelfs dat strakke op elkaar ingrijpen niet het geval. Door zijn individu-zijn is de mens opgenomen in een netwerk dat eigenlijk geen netwerk meer is, zo los zijn de relaties. Dat wordt onder andere geÔllustreerd door het feit dat mensen naar hartenlust elkaar kunnen uitroeien, iets wat in de natuur niet voorkomt omdat zoiets ten enenmale onmogelijk is. Maar waartoe de mens tenslotte toch wel komt is samenhang! Die is er wel niet echt, maar de mens, volwassen geworden, gedraagt zich alsof die er wel degelijk is. Hij doet dit op grond van zijn bewustzijn waarvan hij op een bepaalde manier weet krijgt. Voor dat bewustzijn, zich manifesterend als een beeld van de werkelijkheid, is alles in samenhang, ineen in een harmonisch geheel. Zodra dit weer, maar nu met een volledige en concrete inhoud, realiteit voor de mens is geworden verenigt hij zich ook praktisch tot een samenhangend geheel. Dat zich gedragen als een samenhangend geheel is er de oorzaak van dat de mensen een netwerk van relaties gaan aanleggen. Dat netwerk heet communicatie. Net zo goed als een feitelijk organisme in zichzelf doortrokken is van communicatieve verbindingen om te kunnen functioneren heeft de mens, eenmaal volwassen geworden, dat ook nodig. Het levert de praktische mogelijkheid tot communisme op.

Er zijn tegenwoordig stromingen die blijk geven van een vermoeden van het bovenstaande. Maar onveranderlijk maken zij dezelfde fout door aan te nemen en ervan uit te gaan dat kosmos en mensheid wel concreet samenhangen. Daardoor kunnen zij geen begrip hebben van de mens als individu en lopen hun gedachtegangen tenslotte uit in de mensheid als groep, als collectief, met volledige onderschikking van de individu aan zo'n collectief. De verwantschap van bewegingen als New Age, Holisme, Antroposofie, Theosofie en dergelijken met de traditionele godsdiensten behoeft dan ook niet te verbazen!

No. 60

Oostblok(landen) nrs. 36 , 37 , 41 , 44 , 47 , 60 ;

De ene mens is de andere niet, de mensen zijn allemaal afzonderlijke individuen, en dat blijft natuurlijk zo. Sterker nog: juist als afzonderlijke ikken komen de mensen tenslotte tot volwassenheid. Toch gaat er samenhang gelden, doordat zij als volwassenen weer samenvallen met zichzelf als bewustzijn en van daaruit hun werkelijkheid als een in zichzelf samenhangend geheel beleven. Die beleving dankt zijn bestaan dus aan de zelfbewuste ontwikkeling tot individu en daarom kun je zeggen dat het gelden van de begrippen uit De Grote Vierslag een intellectuele zaak, een zaak van het hoofd en eventueel zelfs een zaak van het denken is.

Dat evenwel betekent geenszins dat deze zaak te lťren zou zijn. Juist omdat de werkelijkheid als bewustzijn er zo'n cruciale rol in speelt kan er niets geleerd worden, maar is het een kwestie van ontwikkeling, zeg maar van groei. Al groeiende komt de mens ertoe met zijn medemensen een samenhangend geheel te gaan vormen en zich met de anderen als een organisme te gaan gedragen. Deze gang van zaken is door alle tijden heen door de mensen aangevoeld, maar steeds hebben zij - ook de filosofen - de fout gemaakt te denken dat daarvoor het individualisme afgeschaft zou moeten worden. Dat echter is onlogisch, zoals ik heb laten zien. De mensen moeten juist individualistisch worden om van daaruit gemeenschappelijk te kunnen zijn!

Elke samenhang die geforceerd wordt vanuit een collectivistische idee, bijvoorbeeld communisme, is gedoemd niet alleen ten gronde te gaan na verloop van tijd, maar is ook nog in ernstige mate funest voor de ontwikkeling van de mensen. Zo'n collectieve maatschappij remt de samenhang tussen de mensen eerder af dan dat ze die bevordert. Dat kun je zien bij de staten van het voormalige Oostblok en de Sovjet-Unie: nu het collectivisme ingestort is blijken de burgers verre achtergebleven te zijn wat hun individuele ontwikkeling betreft en daardoor hebben zij nauwelijks benul van enige gezamenlijkheid, laat staan samenhang. Zij zien er niet tegenop elkaar op middeleeuwse gronden af te maken. Blut und Boden viert letterlijk hoogtij als idee achter de praktijk van etnische zuiveringen. In de individualistische westerse wereld komen dit soort zaken niet meer voor, slechts incidenteel vergrijpen enkelingen zich aan lijf en goed van anderen. Maar zij kunnen daarbij rekenen op de afkeuring van vrijwel een ieder. In het westen is het besef van socialisme, namelijk als ik er ben, ben jij er ook, tot nu toe het helderst voor de dag gekomen. Dat neemt niet weg dat er nog steeds waardeoordelen aan verbonden worden. Je aanwezigheid wordt dan wel erkend, maar er wordt onmiddellijk bij verteld als hoedanig je dan aanwezig mag zijn. Uiteraard vooral niet als gelijke, namelijk gelijk in bezit, in macht, in status en mogelijkheden. Die gelijkheid wordt door de individu nog altijd voor zichzelf gereserveerd. Dat blijkt onder andere uit onbezonnen uitspraken van deskundigen die zeggen dat het natuurlijk onmogelijk is dat alle mensen over de gehele wereld het ooit nog eens zo goed zullen hebben als wij in het rijke westen. Onwillekeurig geeft men een waardeoordeel!

Als het zo was dat de mensen van nature met elkaar samenhingen, zoals de cellen in je lichaam met elkaar samenhangen, dan zou er vanzelfsprekend communicatie zijn. Alle mensen zouden op de een of andere manier met elkaar in verbinding staan, zelfs over grote afstanden en zonder nadrukkelijk met elkaar te spreken. Dat echter is geenszins het geval. Je kunt zeggen dat de mensen qua verschijnsel als los zand aan elkaar hangen en helemaal geen natuurlijke groep zijn.

Steeds zie je dat ze groepen vormen en zich zo, op intuÔtieve manier, laten gelden alsof zij een organisme waren. Hun grondsituatie is dus de afzonderlijkheid, het enkeling zijn. Deze enkelingen nu zoeken verbinding met elkaar. Vanaf het vroegste begin zijn de mensen bezig met elkaar tot communicatie te komen. Vooral de toekomstige mens, voor wie helder is geworden dat we met zijn allen zijn, ontwikkelt een uiterst fijnmazig netwerk van verbindingen, een heel genuanceerde communicatie. Hoe hij dat technisch zal doen is met geen mogelijkheid te voorspellen, maar wel is met zekerheid te zeggen dat hij dat zal doen.

De meest eenvoudige en directe manier van communiceren is de spraak. Over het feit dat mensen met elkaar kunnen spreken is door de denkers en geleerden heel wat gespeculeerd, maar de zaak ligt eenvoudig: omdat mensen, in het licht van een samenhangende werkelijkheid, met elkaar in verbinding moeten treden kunnen zij hun gedachten uiten en aan anderen overbrengen, kunnen zij communiceren. De spraak en de taal zijn uitingen van het noodzakelijke zoeken van communicatie, die er van nature niet is. De overige natuur is doortrokken van samenhang omdat die natuur niet verder gaat dan de werkelijkheid als bewustzijn. Het is in die natuur dan ook niet nodig communicatie te bewerkstelligen. Op de een of andere manier is er verbinding tussen de verschillende levensvormen, zij het dat die verbinding onderdeel is van de bij die levensvormen behorende levensprogramma's en dus in de vorm van een soort van automatisme optreedt. Zo is er onder andere het verschijnsel dat ver van elkaar verwijderde en ogenschijnlijk niet met elkaar in verbinding staande dieren toch op hetzelfde moment tot overeenkomstige gedragingen komen, zoals bijvoorbeeld het in de rivier schoonspoelen van zoete aardappelen. De werkelijkheid als mens echter is tot zelfbewustzijn gekomen en daarvoor geldt om te beginnen en op zichzelf geen samenhang. Er moet dan, vanuit het gelden van het bewustzijn, communicatie tot stand gebracht worden. De activiteit derhalve van het zoeken van communicatie is bij de mens wel degelijk van nature gegeven. Hij kan dat niet laten, zodat hij vanuit het primaire gegeven van de taal dadelijk begint met zich mee te delen aan zijn medemens en daartoe in de loop der tijd allerlei technieken ontwikkelt.

Als eindelijk de mens het stadium van het communisme bereikt heeft gaat hij aan de slag om zich als volwassene waar te maken, overigens, zoals ik al zo vaak benadrukt heb, zonder zich daarvan nu zo erg bewust te zijn. Het kenmerk van die volwassen wereld is, uiteraard naast het gelden van De Grote Vierslag, nu juist het verfijnde netwerk van communicatie. Er is natuurlijk van die zich ontwikkelende volwassen wereld veel meer te zeggen, bijvoorbeeld dat de mensen de natuur verzorgen en ook dat zij het leven veilig stellen, maar dat is eigenlijk, filosofisch gesproken, niet zo bijzonder. Wel echter die communicatie. Die wordt gerealiseerd als een zaak van het bewustzijn en dat realiseren geschiedt vanuit het zelfbewustzijn, eventueel het denken. Daarvan is opmerkelijk dat hiermee de mens zijn eigen grenzen overschrijdt. Dat is in wezen niet het geval bij het veilig stellen van het leven, want daarbij draait alles toch om het eigen leven. Ook als men het welzijn van anderen of iets anders op het oog heeft is dat nog steeds een zaak van eigen persoonlijke levensvervulling, omdat iedereen op zijn wijze de gehele werkelijkheid is. Dus: of men nu in de miezerige, onvolwassen, zin bezig is of in de ruime en volwassen zin, steeds heb je te doen met mijn wereld die de inhoud is van mij als individu. In de communicatie echter wordt er een brug geslagen naar de ander, er wordt een onoverbrugbare kloof overbrugd, een zo intiem mogelijke relatie opgebouwd. De aanwezigheid van deze brug is voorwaarde voor de samenhang tussen de afzonderlijke mensen en dus voor een volwassen wereld.

Oostblok(landen) nrs. 36 , 37 , 41 , 44 , 47 , 60 ;

No. 61

Racisme ; Racistische taal ; Slavernij ; Discriminatie zie nrs. 15 en 77 ; Verhullend taalgebruik-1 ; Verhullend taalgebruik-2 ;

Zoals ik bij de inleidende bespreking van het begrip nihilisme heb laten zien is het verschijnsel mens in zoverre onmogelijk dat alle natuurlijke wetten gelden alsof zij niet gelden: zij gelden op ontkende wijze. Een van de consequenties hiervan is dat de natuurlijke samenhang van het leven ontkend is. Dat geeft de mens aanleiding om samenhang aan te gaan brengen. Hij doet dat zelfbewust, zo je wilt denkend, maar dat hij dat doet komt voort uit zijn bewustzijn. Voor dat bewustzijn verschijnt de werkelijkheid als een beeld en dat is een door en door samenhangende zaak, een geheel. Wanneer en voor zover de mens zichzelf, langs de weg van de individualisering, herkent als bewustzijn gaat hij tot het aanbrengen van samenhang over. Dat komt voor de dag als de taal, niet als systeem om signalen over te brengen, zoals de dieren dat doen, maar als instrument om begrippen voor elkaar duidelijk te maken.

De werkelijkheid als beeld is identiek met het begrip waarheid. In en voor die werkelijkheid is alles ineen, dat wat gescheiden is, is er tot een eenheid geworden. Dat gescheiden-zijn geldt voor de werkelijkheid als zelfbewustzijn; terecht geldt daar dat het een van het ander gescheiden is, het een is het ander niet. Nu vraagt de waarheid als het ware om die scheiding op te heffen en dat is het oude begrip amor, liefdesverlangen, en het ineen zijn is het begrip liefde. Je kunt dus zeggen dat de mens zijn werkelijkheid gaat stellen in het licht van de liefde, in feite in het licht van het bewustzijn. Het proces waarin de mensen deze zaak verwerkelijken gaat vanzelf, zonder erbij stil te staan of er een beleid voor op te stellen. Trouwens, juist omdat het een kwestie van verwerkelijking van bewustzijn is kan er geen vooropgezet plan voor worden gemaakt. Een plan sluit beweeglijkheid uit. Beleid en management, hoe wetenschappelijk gegrond ook en hoezeer tegenwoordig in zwang, zijn de dood voor het realiseren van samenhang.

Ook de geschiedenis leert ons dat de ontwikkelingen in de cultuur niet te danken zijn aan gevoerd beleid en bekwaam management, maar aan langzaam onontkoombaar worden van inzichten. Beleid en management zijn er pas als die inzichten aanvaard zijn en de oude praktijken algemeen als ondeugdelijk worden gewaardeerd. Zo is de afschaffing van de slavernij niet aan beleid te danken, maar aan emancipatie van individuele mensen in de westerse cultuur. Pas veel later werd het een beleid om halsstarrige slavenhouders tot de orde te roepen. Er is zelfs een Amerikaanse burgeroorlog voor gevoerd (1861-1865).

De planten- en dierenwereld komt niet verder dan het bewustzijn. De werking hiervan is een geprogrammeerde, plant en dier kunnen er geen nee op zeggen. Voor dat bewustzijn van elk individueel levend exemplaar is de werkelijkheid samenhangend: hij ziet en ervaart zijn biotoop zo. Maar alweer: in feite hangt er niets samen. Het ene levende wezen is het andere niet, ondanks het feit dat alle leven eigenlijk ťťn leven is en alle afzonderlijke vormen in zichzelf een en al samenhang zijn. Het leven heeft zich echter in talloze vormen gedifferentieerd en die vormen staan op zichzelf. Let er echter op dat ik het nu niet over de relaties tussen de levensvormen heb, want die zijn er wel degelijk en zelfs op buitengewoon innige wijze. Het laten gelden van die samenhang geschiedt automatisch, het is dus een programma waaraan niet te ontkomen is - dit laatste in tegenstelling tot de mens. Daarom verbreekt een dier nimmer de werkelijkheid, misdaad is hem vreemd. De mens echter loopt uit in zelfbewustzijn en daardoor is letterlijk alles ontkend.

Hij kent dan ook geen automatisch geldend besef van samenhang. Vooral voor zover de mens eenzijdig op zijn denken afgaat, krijgt het besef van samenhang geen kans omdat het bewustzijn geen kans krijgt. Het is dan allemaal zelfbewustzijn wat de klok slaat en dat betekent dat het over een in zichzelf gescheiden werkelijkheid gaat. Het uiteenzijn viert dan hoogtij! Het is vaak moeilijk te aanvaarden dat het juist het denken is dat tot misdaad, verwaarlozing en uitbuiting leidt, maar toch is dat een feit. Daarmee is het denken niet afgekeurd en af te keuren want dat gaat gewoon zijn gang. Af te keuren is de eenzijdige kijk, de botte voorstelling zoals die als onaantastbare maat genomen wordt - vooral in de moderne cultuur.

Hoe dichter de mens bij zichzelf als individu komt, hoe indringender het bewustzijn zich gaat laten gelden en dus hoe sterker het besef van samenhang voor de dag gaat komen. Dit is volstrekt in strijd met de ouderwetse filosofie en de moderne politieke zedenprekerij. Daarin wordt het individualisme afgekeurd en wordt er op aangedrongen om het zogenaamde geheel boven het enkele te laten gaan. De gemeenschap staat boven het individu. Van daaruit krijgt de zich individualiserende mens de schuld van alle maatschappelijke falen - bijzonder inconsequent overigens van de filosofen en politici, want zij kunnen deze en dergelijke uitspraken ook alleen maar doen dank zij verregaande individualisering van zichzelf ! En zij dwepen toch ook met de antieke uitroep: Ken u zelve! Het is natuurlijk wel waar, zoals ik al eerder heb laten zien, dat de beginnende individu een bijzonder onaangenaam sujet is dat bitter weinig sociaal besef kent. Maar dat is geen argument om het individu-zijn te verwerpen.

Communicatie is een essentieel begrip. Het is de concretisering van het besef dat de werkelijkheid, gezien in het licht van de waarheid, een samenhangende zaak is. Wat betreft de mensheid is het de praktische basis voor een vredelievende wereld, vredelievend vanwege het feit dat alles en iedereen naar eigen aard aanwezig kan zijn en de mensen dus met zijn allen zijn. Vanaf hun verschijnen op de planeet zijn de mensen bezig geweest met elkaar in contact te komen. Omdat dit streven in de natuur van de mens ligt is hij er ook op gebouwd: zijn lichaam is zo gegroeid dat het via de stembanden betekenisvolle geluiden kan voortbrengen en de hersenen zijn zodanig van aard dat die geluiden ook tot betekenissen omgezet kunnen worden. Hoe ingewikkeld dit ook biochemisch in elkaar zit, filosofisch gezien is het een simpele zaak. Wat tot gelding moet komen moet een materiŽle basis hebben, of beter: ontwikkelt zich op natuurlijke wijze tot een instrument opdat de bedoelde verhouding zich kan realiseren. In dit geval deze verhouding dat de werkelijkheid uiteindelijk ook voor de mens tot waarheid moet en zal worden. Deze zaak is essentieel voor het gelden van het begrip communisme, het is er de praktische grondslag van. De moderne filosofen hebben ook hier een potje van gemaakt. Wat zij al niet over de taal hebben te berde gebracht! En menig bioloog heeft er evenmin iets van begrepen. Zo hebben sommigen getracht een aap tot spreken te brengen door hem een, overigens verschrikkelijke, operatie te laten ondergaan met de bedoeling hem van stembanden te voorzien. Men bedacht namelijk in zijn grenzeloze domheid dat de aap slechts stembanden nodig had om te kunnen praten. Dat hij vanuit zijn natuurlijke programma allang kon samenhangen met zijn biotoop en er dus van nature helemaal niet op ingesteld is om zelf communicatie tot stand te brengen, is voor de moderne denkers niet te vatten. Zij zijn zelfs zo onnozel dat zij veronderstellen dat de natuur zich vergist heeft door de apen en andere hogere dieren geen stembanden te geven. Maar de natuur vergist zich niet, dat wil zeggen: zij ruimt zonder pardon haar eigen onmogelijk gebleken ontwikkelingen op.

Racisme ; Racistische taal ; Slavernij ; Discriminatie zie nrs. 15 en 77 ; Verhullend taalgebruik-1 ; Verhullend taalgebruik-2 ;

No. 62

verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

Doorgaans worden ontwikkelingen die onder de rubriek cultuur vallen als vanzelfsprekend beschouwd in een idealistisch licht.

Zo ook met de gedachte dat de mens vanaf zijn verschijnen op de planeet bezig is met zijn medemens communicatie tot stand te brengen. Het lijkt dan alsof het de mens ergens om te doen is, een vooralsnog ver verwijderd doel dat wellicht ooit nog eens bereikt zal worden. Zo echter liggen de zaken niet: het ontstaan en de ontwikkeling van de communicatie gaan zomaar vanzelf, zonder dat iemand het ergens op aanstuurt. En de gevolgen zijn helemaal zo ideaal niet, want er ontstaan vaak haat en nijd, jaloezie en moordzucht. Het met elkaar in contact komen roept onvermijdelijk tegenstellingen op, en dat leidt tot vaak bloedige botsingen. Het is dus uiterst misleidend om alleen maar aan mooie dingen, nobele strevingen en redelijke ontwikkelingen te denken. Maar intussen zijn de mensen toch vanaf het begin bezig met communicatie, met het leggen van contacten.

De gangbare gedachtegang is deze dat het met elkaar in contact komen leiden zou tot een zekere verstandhouding, tot wederzijds respect en dus tot een redelijke relatie, en dat deze contacten een eind zouden maken aan wederzijdse vijandigheden. Die gedachtegang stamt uit de tijd van de Verlichting (18e-19e eeuw) toen men ten onrechte nog alles van de zelfbewuste (rationele) emancipatie verwachtte. Maar, nu die emancipatie een flink stuk op weg is blijkt het met die redelijke relaties bepaald zo'n vaart niet te lopen! Meestal zijn het de wettelijke sancties, een zekere angst voor elkaar en de wederzijdse belangen die de mensen in toom houden. Valt dat allemaal weg, zoals thans in Oost-Europa het geval is, dan blijkt de kennis die men over elkaar meent te hebben - en die voor eigen besef juist is - aanleiding tot de gruwelijkste moordpartijen. Verhalen over etnische verschillen, godsdienstige onenigheden en dergelijke zijn slechts in zoverre juist dat zij dienen als stokken om de honden te slaan, als argumenten en rechtvaardigingen voor datgene wat dieper zit en essentiŽler is, namelijk dat het elkaar leren kennen op zichzelf tot moordlust leidt: het andere mag er eigenlijk niet zijn! Dat is geen negatief trekje in de mens, maar een logisch gevolg van het feit dat het andere in strijd is met en tegengesteld is aan het eigene en daar om te beginnen wezenlijk niet bij hoort. Dit aspect van de zaak wordt helaas bijna altijd door de filosofen over het hoofd gezien en daardoor beginnen zij als regel al gauw met verwijten en veroordelingen. Met zoiets in het hoofd is het echter onmogelijk inzicht in de zaak te krijgen.

De communicatie op zichzelf levert geen aardige mensen op. Denk bijvoorbeeld ook maar eens aan de misdragingen van de Europeanen tegenover vreemde volkeren die zij op hun ontdekkingsreizen leerden kennen. Er is nooit sprake geweest van enige gelijkwaardigheid voor het besef van die Europeanen: het sprak vanzelf dat die vreemde volkeren minderwaardig waren en dat je daarmee kon doen wat je wilde: vermoorden, verkrachten, uitplunderen, tot slaaf maken, enzovoort. En hoewel de westerlingen thans van mening zijn dat al die dingen niet te pas komen is er nog steeds van geen gelijkwaardigheid sprake en dus ook van geen nihilistische niet-waarde. Toch is het een feit dat de communicatie essentieel is voor de mensen. Dat zit hem echter niet in die communicatie zelf, maar in datgene waarvan de praktische communicatie een uiting is. Ten gevolge van het steeds meer zichzelf worden van de individuele mensen, de emancipatie dus, komt de werkelijkheid als bewustzijn meer en meer tot haar recht om daarmee tegelijkertijd duidelijk te maken dat de werkelijkheid voor de individuele mens een samenhangende zaak is, waaruit niets en niemand weggedacht kunnen worden.

Op grond hiervan, en uitsluitend op grond hiervan, heft de kloof tussen het eigene en het andere zich voor de zelfbewuste mens op. Naarmate de mens dichter bij zichzelf komt, komt hij dichter bij de ander. Dat is uiteraard niet denkbaar zonder communicatie, maar het geschiedt dus niet op grond daarvan.

Het erkennen van het feit dat de ander er is en vervolgens het laten gelden van het feit dat je met zijn allen bent, zijn het gevolg van het tot haar recht komen van het bewustzijn. Maar voor het effectief worden daarvan is communicatie nodig en die, nogmaals, ontstaat omdat er genoemde samenhang is en doordat de mensen aan de gang gaan om contacten te leggen vanuit de onbewuste werking van die samenhang. Dat leggen van die contacten is een zelfbewuste aangelegenheid. Hij ligt dus in het denken van de mensen en zij zijn er welbewust mee aan de gang, uiteraard begeleid door tal van argumenten, rechtvaardigingen, rationalisaties en... leugens. Die zelfbewuste aangelegenheid, namelijk het leggen van contacten, berust op het begrip relatie en is het verwerkelijken daarvan. Maar het vrijlaten en het respecteren van de ander komt voort uit het begrip ineenzijn, beide begrippen liggen nagenoeg aan de wortel van de geworden werkelijkheid, namelijk vlak voor en vlak na het ontstaan van de oermaterie. Dat heb ik elders uitgelegd (Beweging en Verschijnsel deel 1, 2, en 3).

De begrippen van De Grote Vierslag gelden vanaf het begin, maar vanaf datzelfde begin komt er niets van terecht. Wat ervan voor de dag komt is verziekt, verwrongen en vaak zelfs uiterst misdadig. Je zou eigenlijk helemaal niet denken dat De Grote Vierslag zijn werkzaamheid doet gelden. Alles ziet er heel anders uit dan het wezenlijk is. Dat komt doordat de verhoudingen van De Grote Vierslag binnen het bewustzijn en in het duister blijven. Met het begrip communicatie echter ligt het anders: zoals ik al gezegd heb vertoont dat zich wel overeenkomstig eigen karakter. Er worden contacten met andere mensen gelegd en die contacten vertonen alle kenmerken van relaties, zoals wederzijds belang, wederzijdse waardeoordelen, het elkaar proberen te overheersen en dergelijke. Het begrip communicatie wordt vanaf de aanvang zelfbewust verwerkelijkt en daarbij spelen van allerlei overwegingen een rol. Bij het zich verwerkelijken van De Grote Vierslag is van dit alles geen sprake. Vrijwel niemand weet er iets van af en dus doet een ieder maar en het lijkt alsof hij gedreven wordt door een of ander instinct. Niemand echter vindt serieus dat nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme gerealiseerd moeten worden. Zelfs in de vorm van partijpolitiek kijkt niemand er naar uit, ook niet als men de werkelijke betekenis van die vier begrippen kent.

Ik heb er al eerder op gewezen dat de begrippen van De Grote Vierslag in een bepaalde volgorde gedacht moeten worden. Elk volgend begrip is niet denkbaar zonder het voorgaande en elk voorgaand niet zonder het volgende. De Grote Vierslag moet dus gezien worden als een soort van vier-eenheid.

Er is echter nog iets aan genoemde volgorde te bedenken. Nihilisme namelijk en anarchisme verwijzen uitsluitend naar de mens als ik, naar jezelf, naar het individu. Daarbij is te zeggen dat in het anarchisme de ander wel enigszins aanwezig is, namelijk als een afgewezen grootheid: de ander heeft over mij niets te zeggen, hij moet mij met rust laten. Socialisme en communisme evenwel geven wel een verhouding aan met de medemens en zijn dus als zodanig naar buiten gericht, volgens de beweging van ik naar de ander. Zo kun je dus zeggen dat het achtereenvolgens gaat over: ik heb nergens mee te maken, ik wijs de ander af als de maat voor mijzelf, ik erken dat de ander er is en ik vorm met de anderen een gemeenschap.

verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

No. 63.

Waanvoorstellingen-1 ; Waanvoorstellingen-2 ;

Naarmate de mensen individueler worden, dat wil zeggen dichter bij zichzelf komen, naderen zij ook meer zichzelf als bewustzijn en dat heeft tot gevolg dat de waarheid sterker gaat gelden. Als dat het geval is breekt het inzicht door dat de werkelijkheid voor de volwassen mens een samenhangend en ondeelbaar geheel is waarin alles tot zijn recht is gekomen. Dit inzicht leidt tot het tot stand brengen van communicatie. Het lijkt dan alsof die communicatie tot verbroedering heeft geleid, maar in feite behoort het tot stand brengen van communicatie tot het realiseren van die verbroedering in een vredelievende wereld waarin De Grote Vierslag ten voeten uit is komen te staan. De basis van de verbroedering is dus het krachtig worden van de waarheid ten gevolge van de individualisering van de mensen.

Pas wanneer die individualisering in principe voltooid is kan de mens sociaal zijn en dat is dan een zaak die Onvoorwaardelijk is, dat wil zeggen: geldt ongeacht wat dan ook. Tot nu toe hebben wij alleen nog maar een voorwaardelijk gelden van het sociale gekend. Onder bepaalde voorwaarden stellen bepaalde groepen zich (tot op zekere hoogte, het mag niet te ver gaan!) sociaal op ten opzichte van andere bepaalde groepen.

De individualisering is op zichzelf een zelfbewust proces. Niet dat de mensen zich ervan bewust zijn, maar het is zelfbewust in die zin dat het een proces is dat zich binnen het zelfbewustzijn afspeelt. Zo'n proces voltrekt zich in de vorm van leerprocessen. Op allerlei gebied verwerven de mensen kennis van zaken en die geven zij vervolgens aan elkaar door. Zo leert op den duur de mens zichzelf en zijn werkelijkheid kennen. Dat betekent niet dat hij dan van letterlijk alles op de hoogte is, maar het betekent dat hij de waanvoorstellingen heeft opgelost die hem voorheen steeds misleid hebben. Dat is dus een zaak van denken, onderzoeken, opstellen van theorieŽn en dergelijke. Het zich verwerkelijken van het sociale echter is geen leerproces, het is een groeiproces. Het gaat immers over het vrijkomen van het bewustzijn. Voor het sterker worden van het bewustzijn geldt geen leerproces omdat daarin geen van elkaar gescheiden onderdelen (elementen) aanwezig zijn. Er valt dan niets te analyseren, onderzoek is onmogelijk. Wat wel geschiedt, is het groeien, het zich uitwikkelen en dus ook het zich bevrijden van allerlei belemmeringen.

De grote fout van het socialisme, voor zover het ook nog verwachtingen heeft gekoesterd op sociaal gebied en niet alleen maar een absoluut en anti-individualistisch machtssysteem beoogde, is deze dat men gedacht heeft de mensen te kunnen lťren sociaal te zijn en zich een gemeenschap te voelen, namelijk met zijn allen te zijn. Zoals gezegd is dat echter een onmogelijkheid omdat het gaat over het voor de mens groeien, het, tot bloei komen, van de werkelijkheid als bewustzijn, een werkelijkheid die er uiteraard altijd al was maar waarvan het gelden aan alle kanten gehinderd was vanuit het onvolwassen zelfbewustzijn. Met het zich verhelderen van dat zelfbewustzijn heffen de hindernissen zich geleidelijk op en eerst dan wordt voor het besef van de mens de werkelijkheid een geheel waarin de mensen met zijn allen zijn. De ontwikkeling van de zekerheden jij bent er ook en wij zijn met zijn allen heeft dus niets met een leerproces te maken. Zoiets is niet te leren, net zomin als bijvoorbeeld gevoelens (aan) te leren zijn. Zoiets ontstaat, groeit. Voor het bewustzijn op zichzelf geldt het begrip het geheel, maar dat bewustzijn komt niet in een geheel voor. Het komt voor in de individuele mens, in jou en mij en niet in een collectief of de samenleving. Ook wat dit betreft is te spreken van een (fatale) vergissing van de filosofen, vooral de idealistische, maar toch ook bijvoorbeeld de existentialistische.

leerproces-1 ; leerproces-2 ; Waanvoorstellingen-1 ; Waanvoorstellingen-2 ;

 

Zij hebben namelijk wel bemerkt dat voor de mens de werkelijkheid een geheel is, maar niet begrepen dat de werkelijkheid op zichzelf helemaal geen geheel is maar een verzameling objecten. Binnen die verzameling is er wel een netwerk van relaties, verbindingen, maar dat is geen samenhang zoals die voor een geheel kenmerkend is. Omdat dit het geval is hebben zij er fout aan gedaan de individuele mens te willen laten opgaan en ondergaan in een zogenaamde samenleving. Voor Hegel bijvoorbeeld was het geheel, de samenleving, de Staat, de idealiteit van de mensheid. En dat is als het er op aankomt ook voor de moderne filosofen zo. Zij hebben geen van allen ontdekt dat zo'n ondergang in strijd is met de cluster van verhoudingen die de mens is. Die cluster wordt bij dat ondergaan ontkend: geen persoonlijke kwaliteiten, geen verschillen in talenten, geen vrijheid van handelen en denken, enzovoort. Bovendien wordt een samenleving, een met zijn allen zijn, niet bewerkstelligd door onderdrukking van het unieke, maar juist door een vrije bevordering daarvan. Voor de mensen van onze tijd is achteraf duidelijk geworden dat diegenen die een samenleving, een socialistisch geheel, tot stand wilden brengen in feite alleen maar op een zo onbeperkt mogelijke macht uit waren. Filosofisch was dat al meteen te zeggen want een geheel maken is volstrekt in strijd met een geheel zijn. En omdat dit laatste alleen maar voor de individu kan gelden, moet deze door bedoelde machtzoekers rigoureus onderdrukt worden - hetgeen dan ook steeds met overgave gebeurd is... De mensen zijn dus, nogmaals, uitsluitend in het bewustzijn ťťn en die eenheid is er alleen maar dan als de mensen zichzelf als bewustzijn beleven. Dat laatste kan slechts bij de individu het geval zijn. Maar als dat eenmaal zo is, dan is er de verbroedering waarnaar al zo lang verlangd is en waarvan menigeen gedroomd heeft. Zoals Jesaja onder anderen: dan zal de wolf bij het schaap verkeren en de panter zich nederleggen bij het bokje; het kalf, de jonge leeuw en het mestvee zullen tezamen zijn en een kleine jongen zal ze hoeden... enzovoort (Jesaja 11:6 en volgende). Maar, ook Jesaja verwachtte die vredige wereld niet van de mensen zelf. Hij dacht dat er een goddelijke verlosser zou komen, namelijk de Messias. En de bijzondere eigenschappen van ieder levend wezen werden er ook door hem af gedacht. Het door hem geschetste gedrag van de dieren is onmogelijk. Maar toch, deze droom wordt veelvuldig gedroomd en zelfs wordt hij verwerkt tot filosofieŽn. Steeds echter wordt de oplossing gezocht in het zich onderwerpen van de individuele mens aan iets gemeenschappelijks. In feite wordt daarmee steeds De Grote Vierslag de nek omgedraaid want zijn samenstellende begrippen nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme zijn precies absolute tegenstellingen tot de voor een gemeenschap geldende normen. Het zijn niet alleen menselijke eigenschappen die het veld zouden moeten ruimen volgens de dromen van de goedwillende idealistische futurologen. Ook een grote menigte aan spullen moet het ontgelden. Zo is het op het ogenblik gebruikelijk om de redding van het milieu te verwachten van het afschaffen van het vervaardigen van allerlei producten. Dat mensen geheel en al afhankelijk zijn van spullen wordt daarbij gemakkelijk over het hoofd gezien en men heeft al helemaal niet in de gaten dat je bij het doordenken op die afschaffingstheorieŽn weer in de bomen van de oertijd terechtkomt en dat je je zelfs daar moet onthouden van elke handeling omdat die onherroepelijk ingrijpt in de natuurlijke verhoudingen! Hoewel het een feit is dat er heel wat zinloos gedoe afgeschaft kan en moet worden is het afschaffen als zodanig een onbruikbare gedachte die langs een omweg ook ingegeven is door de misvatting dat de mens zich in een geheel in te voegen heeft.

Waanvoorstellingen-1 ; Waanvoorstellingen-2 ;

No. 64

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1 ; Gemeenschapszin-1 ; Gemeenschapszin-2 ; Gemeenschapszin-3 ; verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

De begrippen van De Grote Vierslag moeten eigenlijk tegelijk gelden zonder dat een ervan naar voren gehaald wordt of andere geheel en al buiten werking worden gesteld. Maar tijdens de ontwikkeling van de mensheid komt hier niet veel van terecht. Het blijkt dat telkens verschillende begrippen dominant zijn en daarmee bepalen in welke mate van verminking de andere kunnen gelden en uiteindelijk hoe een gehele cultuurperiode er uitziet. Zij zijn wel tegelijk aanwezig, want het verschijnsel mens wordt getypeerd door de begrippen van De Grote Vierslag. Waar een mens is zijn die begrippen. Zij zijn er nooit niet. Er kan dus niet gesproken worden van een eventuele afwezigheid van een of meer begrippen van De Grote Vierslag. Je kunt bijgevolg ook niet staande houden dat De Grote Vierslag pas aan het einde van de ontwikkeling van de mensheid te voorschijn zal komen. De gedachte dat hij er eerst en lange tijd niet is en dan plotseling wel, bijvoorbeeld ten gevolge van een soort bekering van de mensen, is onhoudbaar. Toch wordt deze gedachte in de idealistische filosofie en ook in de (christelijke) theologie verbeten vastgehouden. Het bekeert u klinkt nog steeds alom en niet alleen bij godsdienstige getuigenissen: mensen die allerlei vormen van goeds voor de wereld beogen zijn er ook vol van. Maar in feite biedt dit advies een gemakkelijke oplossing voor een al zeer oud filosofisch probleem: hoe komt het ooit nog eens terecht met de mensheid? Welnu, bouw in je gedachtegang maar een soort van deus ex machina in en elk gewenst fantastisch denkbeeld zal in de toekomst werkelijkheid worden. Je kunt dan alle kanten uit en bedenken wat je wilt, want met de realiteit behoef je dan geen rekening te houden, omdat je die al bij voorbaat naar je hand gezet hebt. Als de mensen zich inderdaad zouden houden aan die mooie fantasie, dan zouden ze ongetwijfeld goed terechtkomen en als zij zich er niet aan houden, dan deugen zij niet. Het mooie van zo'n redenering is dat je filosofie onaangetast blijft.. .

Enkele voorbeelden van gemakkelijke filosofische en morele oplossingen: je gaat ervan uit dat de mens aanvankelijk niet zelfbewust is, in die zin dat het zelfbewustzijn nog niet aanwezig is. Vervolgens bedenk je een omslag in de mens: hij ontdekt (nog net bijtijds) dat hij op de verkeerde weg is en hij keert op zijn schreden terug, berouwvol uiteraard! En zo komt alles toch nog in orde... Of, je neemt als uit-gangspunt dat er geen liefde onder de mensen is, totdat er iets gebeurt waardoor de liefde er plotseling wel is: de mens die zich deemoedig bekeert! Dan kun je ook nog denken aan de idealen van de Verlichting die gegrond waren op de gedachte dat de mens door opvoeding en onderwijs, door redelijkheid en wetenschap, ten goede zou veranderen. Zo zijn er tal van voorbeelden te geven van door de denkers zelf bedachte wonderlijke, maar uit de lucht gegrepen, omslagen die een verandering in de mens teweeg brengen zodat hij vanaf dat moment de goede kant uitgaat. Maar die denkers kiezen een gemakkelijke oplossing voor een heel wat moeilijker probleem. Probleem is hoe de mens en zijn gang over de aarde filosofisch te begrijpen zonder hem te willen veranderen en tot geheel iemand anders te maken. Probleem is hoe je realistisch, zonder iets te verdoezelen, buiten beschouwing te laten of zelfs te ontkennen over de mens en zijn toekomst na kunt denken. En dat dan zonder dat verfoeilijke woordje als te gebruiken.

De mens komt tot leven op de planeet zoals hij door de wording is opgeleverd. Dat spreekt vanzelf, maar bijna nooit wordt dit simpele feit consequent in de gedachtegang doorgevoerd.

Het is uitsluitend die geworden mens, en geen andere, die zich uitwikkelt tot een volwassen verschijnsel. Alles wat hij dan vertoont is vanaf het begin in hem aanwezig geweest. Er is niets van hem afgegaan, zoals bijvoorbeeld zijn zogenaamde natuurlijkheid, en er is niets aan hem toegevoegd, zoals bijvoorbeeld zelfbewustzijn, liefde, gemeenschapszin en dergelijke. Zo moet je dus denken als je je afvraagt waarom de mensen doen zoals ze doen. De vraag is waarom er van het aanwezige materiaal aanvankelijk zo weinig terechtkomt en hoe dat slechte resultaat filosofisch is te verklaren uit dat materiaal dat in feite de praktische aanwezigheid is van de begrippen uit De Grote Vierslag. Het spel tussen die begrippen levert de grondslag op van de geschiedenis van de mensheid. Verhalen als zou het om duistere natuurlijke driften gaan, om allerlei vormen van bijgeloof en misdadige bedoelingen van slechte mensen, houden geen stand, in wezen omdat de mens los staat van zowel de natuurlijke werkelijkheid als de zogenaamd geestelijke. Wat er gaande is zijn de wisselwerkingen tussen de altijd aanwezige verhoudingen die wij als de begrippen uit De Grote Vierslag kennen. Vanaf het begin is de mens nihilistisch, anarchistisch, socialistisch en communistisch. Maar, die begrippen zijn om te beginnen voor de mensen niet gelijkwaardig, enerzijds doordat zij slechts langzaam en ongelijkmatig helder worden en anderzijds doordat omstandigheden het ene begrip gaan laten domineren over het andere. Je kunt je voorstellen dat kleine afgelegen gemeenschappen, ergens in ontoegankelijke bergen, een sterkere anarchistische inslag hebben dan laaglandbewoners met contacten naar alle kanten. Juist bij deze laatsten kan de overheersing van de een over de ander gemakkelijker ontstaan. Die berust in grote trekken op a) het besef dat de ander er ook is en b) het besef dat die niets waard is. Deze twee verminkte begrippen uit De Grote Vierslag spelen een essentiŽle rol als het over overheersing gaat. Om te willen en te kunnen overheersen moet er bekend zijn dat er iets of iemand is die eventueel overheerst kan worden, maar tegelijkertijd moet men er zeker van zijn dat het over iets gaat dat op zichzelf geen waarde en dus geen recht van bestaan heeft. Zo is het ook mogelijk om te stellen ik bestuur mezelf zonder dat het de ander is er ook enige inhoud heeft, maar wel met het besef dat alles bijzonder waardevol is. Je krijgt dan bepaalde vormen van liberalisme. Daarin wordt de overheid als hogere macht zoveel als mogelijk afgewezen en de ander zoekt het maar uit, maar ik ga proberen alles binnen te halen. Je kunt ook vinden dat de ander er wel degelijk is, maar dat hij zich heeft te schikken naar een collectieve norm die vanuit het besef met zijn allen te zijn als absolute waarde gesteld wordt. Je krijgt dan te doen met een totalitaire vorm van socialisme zoals die bijvoorbeeld in Oost-Europa tot voor kort aangetroffen kon worden en zoals die nog steeds in menige theorie over een toekomstige wereldorde opgeld doet. Nihilisme, gesteld als volstrekte dominant over de andere drie begrippen (maar nooit zonder die begrippen) is zonder meer misdadig. Het ontkent wel alle waarden, hetgeen op zichzelf te verdedigen zou zijn ware het niet dat een dergelijk nihilisme zonder enige betekenis is en daardoor uitsluitend tot vernietiging leidt. Iemand in wie dit nihilisme zich laat gelden kan niets en niemand naast zich verdragen, noch onder zich of boven zich. Alles is bij voorbaat ontkend, afgewezen en object van vernietiging. Anarchisme, gesteld als dominant, leidt tot een ongebreideld egoÔsme dat ook een uitstekende voedingsbodem is voor tirannen die het zichzelf besturen uitbreiden tot dwingelandij over anderen die op de wijze van minderen en onderdanen aanwezig mogen zijn. Zover behoeft het echter niet te komen want ook democratische bestuurders eisen voor zichzelf onbewust iets van anarchisme op, uiteraard zonder dat voor de anderen ook te laten gelden.

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1 ; Gemeenschapszin-1 ; Gemeenschapszin-2 ; Gemeenschapszin-3 ; verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

No. 65

Het is een feit dat de mens niet bestaat. Voor de moderne filosofen is dat aanleiding om elke algemene uitspraak over de mens te vermijden. Zij willen alleen maar spreken over de mensen. Daarmee echter maken zij het voor zichzelf en voor de filosofie onmogelijk na te denken en uitspraken te doen over de mens als verschijnsel, dat wil zeggen: zij kunnen geen eigenaardigheden van het verschijnsel mens meer benoemen. Alles wat zij ontdekken omtrent de mens wordt een min of meer toevallige eigenschap van die of gene concrete mens, een eigenschap die bij een ander gemakkelijk weer anders zou kunnen zijn. Uiteindelijk gevolg is dat niemand meer iets essentieels over de mens weet te zeggen, iets dat uiteraard wel degelijk mogelijk is. Net zo goed als je over de kat als categorie iets kunt zeggen kan dat ook over de mens.

Voor de mens qua bestaan gelden de begrippen van De Grote Vierslag. Het zijn zogezegd existentiŽle begrippen. Die begrippen gelden als begrip voor de categorie mens, maar in hun praktische uitwerking voor de concreet bestaande mensen. Zij doen hun werking gevoelen in deze en gene mens, afhankelijk van het tijdperk waarin iemand leeft en de cultuur waarvan hij deelgenoot is. Al het gedoe van de mensen, hun getob tijdens hun leven op de planeet, hun al of niet collectieve oordelen en handelingen, dat allemaal is op de een of andere manier een variant van de onderlinge en wederzijdse werkingen van de vier begrippen nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme. De resultaten van deze wisselwerkingen, bijvoorbeeld die tussen anarchisme en nihilisme als dominanten met onderliggend de andere twee begrippen, komen in de mensen en de door hen gevormde collectieven voor de dag als zelfbewuste aangelegenheden. Dat betekent niet dat de mensen ervan op de hoogte zijn wat er precies aan de hand is, maar het betekent daarentegen wel dat de mensen welbewust een bepaalde kant uitgaan naar aanleiding van gestelde doelen die zij zelfbewust voor ogen zien. De Grote Vierslag en de daarbinnen optredende wisselwerkingen zijn hun dus niet bekend, maar wel de voor- en doelstellingen die er uit voortvloeien, als zich manifesterend resultaat van die wisselwerkingen.

De mensen weten min of meer nauwkeurig welke doelen zij willen bereiken, niet alleen als collectief maar ook als individuele personen. Dit weten is een zelfbewuste zaak waarover bij gelegenheid gesproken kan worden. De werking van de begrippen uit De Grote Vierslag is in zijn resultaten zelfbewust, maar op zichzelf zijn en de begrippen en hun onderlinge verhoudingen een zaak van het bewustzijn. Dat wil zeggen dat die begrippen uit het karakter van het bewustzijn af te leiden zijn: in de werkelijkheid als bewustzijn is er niets dat van meer of minder waarde is dan iets anders, alles volgt ongehinderd zijn eigen baan, erkent daarbij onvoorwaardelijk het andere en weet zich daarmee tegelijkertijd een. Omdat die begrippen in het bewustzijn liggen kan de mens ze laten gelden en bovendien kan hij dat niet niet doen. Maar uiteraard komt De Grote Vierslag als bewustzijnsbegrip overeen met de echte werkelijkheid, zoals dat altijd met de begrippen van het bewustzijn het geval is.

In de mensen komt concreet op de een of andere manier De Grote Vierslag voor de dag. Maar er is met de mens meer aan je hand. De werkelijkheid als bewustzijn kan zich ook aan bepaalde mensen afspiegelen en zo een beeld geven van zichzelf als ware werkelijkheid. In dat geval heb je in de praktijk van de mensheid te doen met uitingen van religie, kunst en filosofie.

Daarbij moet opgemerkt worden dat in dit verband het begrip religie begrepen moet worden als een aanvoelen van de hoedanigheid van d werkelijkheid. Dat is dus heel wat anders dan het begrip godsdienst dat de ondergeschiktheid aan een hogere macht, waarvan het bestaan op gezag aangenomen moet worden, als inhoud heeft. Godsdienst is geen afspiegeling van de ware werkelijkheid, maar een zelfbewuste constructie die de bedoeling heeft over de mensen macht te kunnen uitoefenen. En wat de kunst betreft: het moderne intellectuele gedoe in de kunst valt geheel buiten het zich afspiegelen van de werkelijkheid als bewustzijn. Slechts de kunst die gestalte geeft aan de werkelijkheid als beeld, via enigerlei wijze van voorstelling, valt onder de hier bedoelde uitingen. Ook de moderne filosofie behoort hierbij niet thuis omdat daarin niet meer de werkelijkheid in een samenhangend weefsel van gedachten gevangen wordt.

De bedoelde uitingen van religie, kunst en filosofie zijn niet en nimmer bepalend voor het concrete wereldbeeld. Hoezeer zij ook aan bepaalde tijdperken en culturen glans kunnen geven - vooral als je die achteraf bekijkt, toch zijn het de resultaten van de wisselwerkingen binnen De Grote Vierslag en de resultaten daarvan die het wereldbeeld bepalen. Als het om het bestaan ging heeft nog nooit iemand zich iets van religie, kunst of filosofie aangetrokken en dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven. Het afspiegelen van het bewustzijn in enkele bijzondere mensen zoals daar zijn mystici, kunstenaars en filosofen is en blijft uitzondering en het zelfbewust vormen van gedachten over de existentie en de toekomst daarvan is regel.

Je moet je wat betreft De Grote Vierslag afvragen wat het resultaat is als bijvoorbeeld in een cultuur de nadruk ligt op nihilisme. Zijn de mensen dan nihilistisch van aard, zodat je wellicht van een hoopvolle aanzet tot volwassenheid kunt spreken? Neen. Dominantie van het begrip nihilisme geeft in principe een grote neiging tot bandeloosheid te zien. Daarmee gaat doorgaans samen moordlust, onverantwoordelijkheid, culturele achteruitgang en clan-bewustzijn. Afhankelijk van de sterkte van de andere drie begrippen kunnen deze misdadige neigingen zich betrekken op burgers, ondergeschikten en slaven (anarchistische aspect), op andersdenkenden en individualistisch ingestelde personen (socialistische aspect) en traditionele en etnische samenhangende verbanden en minderheden (communistische aspect).

Dergelijke vergelijkingen kun je ook maken met de andere begrippen als uitgangspunt. Steeds echter weten de, menselijk gezien uit het lood geslagen, mensen heel goed wat ze doen. Natuurlijk niet in morele zin, want dat vooronderstelt het ten volle en harmonisch gelden van de gehele vierslag. Maar wel in zelfbewuste zin. Zij zullen je precies kunnen vertellen waarom ze doen wat ze doen. Onvermijdelijk daarbij is dat het eenzijdige en in wezen levensgevaarlijke argumentaties zijn, maar dat doet niets af aan het feit dat zij weten wat zij willen en doen. Wanneer bepaalde groepen weer eens bezig zijn elkaar uit te roeien, zoals bijvoorbeeld nog steeds in Afrika het geval is en ook in Zuidoost Europa, dan weten zij heel goed uit te leggen dat hun slachtoffers niet deugen, omdat zij Islamieten zijn of juist niet, of Joden of Zigeuners, omdat zij de waterbronnen vergiftigen, meer rijkdom bezitten of vruchtbaarder land bewerken. Hoe dan ook, nauwkeurig weten de mensen waarom de anderen het leven niet waard zijn. Dat is het zelfbewuste karakter van de manifestaties van de wisselwerkingen van de begrippen uit De Grote Vierslag. En het gaat niet om de vraag of al die argumenten houdbaar zijn of niet. Als regel slaan zij trouwens nergens op! .

No. 66

anarchie1††† anarchie-2 (en nrs. 37, 55 en 66) ; verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

Tussen de vier begrippen van De Grote Vierslag zijn allerlei combinaties mogelijk, gevarieerd volgens meerdere of mindere dominantie van de een over de ander. Bovendien is er bij elk van die begrippen een variatie van sterkte mogelijk. Dat alles leidt ertoe dat het, althans filosofisch, niet doenlijk is alle mogelijkheden naar voren te halen en te bespreken. In feite is dat ook niet de bedoeling, maar wel is het de bedoeling te laten zien dat het dagelijkse leven van de mensen onbewust door De Grote Vierslag gestuurd wordt. Qua bestaan gaat het niet zozeer om de bezigheden op zichzelf van de mensen, maar vooral om de mentaliteit die er achter steekt. Je moet eigenlijk zeggen dat de vierslag zich manifesteert in de mentaliteit van de mensen en natuurlijk vindt die mentaliteit zijn weerslag in het praktische gedoe. Zo kun je bijvoorbeeld de verbinding van nihilisme en anarchisme terugvinden in het atheÔsme, niet zozeer als intellectuele stroming, maar als mentaliteit die het dagelijkse leven doortrekt. Ondanks geloof in god leven de mensen alsof er geen goddelijke voorzienigheid en bestuur zijn: vertrouw op god, maar houd je kruit droog...!

De werking van De Grote Vierslag vindt plaats in het zelfbewustzijn, zonder dat iemand weet vanwaar die werking er is. Men komt dus met allerlei verhalen die als argumenten dienen om bepaalde dingen te doen of te laten. Maar dat men die dingen doet of laat komt voort uit de werking van De Grote Vierslag. Ik heb hier al op gewezen, maar het is goed dat nog eens te doen omdat dit een moeilijk punt is. De bedoelde argumentaties zijn dus op zichzelf onbetrouwbaar, het zijn doorgaans stokken om de honden te slaan. !Die werking zelf gaat buiten het gekende om, je zou kunnen zeggen dat dit in het onbewuste plaats vindt, als je daaronder tenminste wilt verstaan het zelfbewuste voor zover dat- niet- bekend of gekend is, zeg maar het duistere zelfbewustzijn. Op zijn beurt komt de werking van de vierslag weer voort uit het gelden van het bewustzijn dat zich als een beeld aan de voorstelling afspiegelt. Dat beeld wint aan zeggingskracht naarmate de mens dichter bij zichzelf komt, meer zichzelf wordt, en zoals ik al heb laten zien is dat de ontwikkeling tot individu. De mens als individu zal tenslotte een heldere manifestatie zijn van De Grote Vierslag. Maar hij zal dat zijn op net zo'n onbewuste en vanzelfsprekende wijze als bijvoorbeeld de poes zijn ingeboren programma afwerkt. Bij de mens is het dan wel geen programma, maar wel een soort van zijnstoestand. En slechts enkelen zullen de inhoud en de betekenis daarvan kennen en begrijpen.

Er zijn in allerlei armoegebieden priesters werkzaam om de plaatselijke bevolking te helpen zich te ontwikkelen en hun bestaan te verbeteren. Van veel van deze mensen is te zeggen dat zij zich in hoge mate gedragen volgens de begrippen van De Grote Vierslag, althans waar het de praktijk van hun werk betreft. Globaal kun je stellen dat deze mensen goed zijn, maar hun argumentaties betreffende hun gedrag slaan nergens op: god heeft er niets mee te maken en Christus heeft hen niet geroepen! Wat zie je nu? De mentaliteit van deze priesters deugt, maar hun verhalen niet. Zij kennen de waarheid niet, maar leven en werken in sterke mate overeenkomstig de waarheid. Het gaat er dus om dat het leven niet in strijd is met De Grote Vierslag.

Is het dat wel, dan deugt er iets niet, ongeacht de vraag of je dat iemand kunt verwijten of niet. Juist omdat De Grote Vierslag altijd geldt, kan er in principe een oordeel geveld worden, namelijk of iets of iemand deugt of niet. Daarbij doet het er niet toe of iemand in een alsnog onvolwassen wereld leeft of niet.

Het gaat immers niet om het verhaal, niet om de argumentatie of andere smoezen, maar om de mentaliteit van waaruit geleefd wordt en dat is een mentaliteit die, ondanks de verhalen niet in strijd mag zijn met De Grote Vierslag. Zo kun je constateren dat een groot aantal denkbeelden uit het christendom niet in strijd is met De Grote Vierslag, zeker niet als het over oorspronkelijke denkbeelden gaat. Het daarop gebaseerde gedrag deugt dan ook, maar wat er door de theologen van gemaakt wordt raakt kant noch wal!

Door overheidsfiguren en politici wordt bij allerlei gelegenheden gesproken van anarchie. Men doelt dan op toestanden van chaos en er is chaos als de door die figuren bedoelde orde verstoord is. In feite echter moet gesproken worden van bandeloosheid, want dat is de inhoud van het begrip anarchie. De kenmerken daarvan zijn dat aan waarden gebonden figuren zich van hun banden losgeslagen weten en nu, ongeacht het bestaan van andere mensen en samenhang tussen alle mensen, hun frustraties uitleven. Eigenlijk moeten voor hen de waarden in ere gehouden worden en de banden strak aangehaald, zij behoeven een hoger gezag en strenge regels, maar door de omstandigheden is dat in het ongerede geraakt en nu weten die figuren met zichzelf geen raad. Hun agressie, die tegelijkertijd slaafsheid en onzelfstandigheid is, moet eruit en dat leidt tot misdaad, wreedheid en confrontatie met het gezag. Ook onder zulke omstandigheden is voor de filosoof De Grote Vierslag te herkennen en wel als een voor de mentaliteit bepalende factor.

Over het algemeen is te zeggen dat er in een onvolwassen wereld qua mentaliteit van De Grote Vierslag niets terechtkomt. Steeds zijn er wel waardeverschillen tussen de vier begrippen (nihilisme, anarchisme, socialisme, communisme) waardoor er in de verste verte niet van een harmonie te spreken is. Op het ogenblik zijn we zover dat we de aarde en haar schatten als voornaamste bron van individuele rijkdom achter ons gelaten hebben. Thans is het de maatschappij die beschouwd wordt als object om je aan te verrijken. In principe speelt in de maatschappij het socialisme, in de zin van als ik er ben, ben jij er ook, een cruciale rol. Maar uiteraard is er ook het zichzelf besturen van de individu. Deze zaak nu is in het denken op de voorgrond gekomen, vooral naar aanleiding van het verlichtingsdenken dat zegt dat wij de wereld zelf moeten en kunnen maken. Zodoende wordt de maatschappij datgene waarom alles draait en dus wordt de maatschappij ook de bron van particuliere rijkdom. Iedereen probeert thans aan de maatschappij te verdienen: men heeft het over dienstverlening als men voordeel wil halen uit de betrekkingen tussen de mensen; men vindt dat openbare gemeenschappelijke voorzieningen net als bedrijven winst moeten opleveren en men verkoopt algemene kennis alsof het particulier bezit zou zijn, een schier onuitputtelijke bron van inkomsten! Het openbaar vervoer is er niet meer om de mensen vrijheid te geven om ze op die manier van dienst te zijn, maar om er aan te verdienen, en zo is het ook met de media, de gezondheidszorg, enzovoort. Er zijn steeds drie fasen in dit proces te onderscheiden: eerst vindt men dat erop toegelegd mag worden, vervolgens gaat men ernaar streven kostendekkend te werken en tenslotte besluit men dat er winst gemaakt moet worden om draaiende te blijven. Het komt geregeld voor dat mensen, vooral intellectuelen, een mooi verhaal ophangen over de een of andere zaak. Zij beijveren zich daarbij om als redelijke denkers voor de dag te komen. Maar voor diegene die begrijpt hoe het zit met De Grote Vierslag is zo'n verhaal nauwelijks interessant. Waarom het voor hem gaat zijn de volgende cruciale vragen: a) hoe zwaar wegen iemands waardeoordelen, b) hoe zit het met het zichzelf besturen, c) hoe ligt de verhouding tot de ander en tenslotte d) geldt de samenleving als een veilige haven of is zij een markt waarop flink te verdienen valt?

anarchie1††† anarchie-2 (en nrs. 37, 55 en 66) ; verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

 ( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)

No. 67

verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

Naarmate de individualistische ontwikkeling voortschrijdt, verlegt de interesse zich geleidelijk naar de begrippen maatschappij en samenleving. Vooral sinds de Verlichting is dat proces duidelijk merkbaar. Ik heb al gesproken over de gedachte van de maakbaarheid van de samenleving die sinds de vorige eeuw almaar aan populariteit won. We hebben evenwel nog steeds te doen met onvolwassen individualistische mensen die in het teken staan van het particuliere, dat wil zeggen: alsnog eenzijdig op zichzelf betrokken individualiteit. Als en voor zover nu deze mensen zich op de maatschappij gaan richten wordt deze automatisch een object om zich aan te verrijken, om zich aan breed te maken. Het gaat daarbij dan wel degelijk om de maatschappij, maar dan steeds op zo'n manier dat men naar zijn voordeel zoekt. Men wil van die maatschappij plukken. Het gaat de moderne particulier inderdaad om de maatschappij, maar niet zo dat die eerlijk geregeld moet worden, dus moet gaan beantwoorden aan criteria van sociale rechtvaardigheid, maar zo dat die voor hem zoveel mogelijk voordeel oplevert. Dat voordeel kan op alle mogelijke terreinen liggen; je kunt namelijk spreken van indirect en direct voordeel. In het laatste geval gaat het om de inmiddels al enigszins beruchte dienstverlening, die op het ogenblik al voor menigeen een goudmijn is, en in het eerste om allerlei economische activiteiten die via het machtssysteem van de maatschappij mogelijk gemaakt worden. Hoe dan ook, de tijd dat Staatslieden van diverse politieke richtingen serieus bezig waren de maatschappij in te richten en de samenleving te beschermen is voorbij. Opmerkelijk is overigens dat nauwelijks iemand deze verschuiving van mentaliteit opgemerkt heeft...

Aanvankelijk was de maatschappij dus nog geen object van winst. Voordien waren het de mensen, de bevolking, waaraan verdiend moest worden. Dat was het geval in de zwartste tijden van het kapitalisme toen alles draaide om de grote fabrieken. De arbeiders werden tot op het bot uitgezogen en mede daarom was het van belang er zoveel mogelijk in dienst te hebben. Nog verder terug in de tijd was de grond, de bodem, de aarde winstobject. Dat was tijdens het feodalisme toen het er om ging zoveel mogelijk grond in cultuur te hebben. Deze indeling is ruw, hij is uit te breiden en te nuanceren, maar waarom het gaat is dat de maatschappij pas sinds kort geŽxploiteerd wordt. Natuurlijk is dat niet eenzijdig zo: alle verschillende mogelijkheden om de werkelijkheid uit te buiten blijven min of meer van belang, maar dominant is tegenwoordig de werkelijkheid als maatschappij.

Het belang van de bevolking staat al lang niet meer voorop, maar het belang van een zodanig ingerichte maatschappij dat daaraan optimaal verdiend kan worden. Dat verdienen wordt dan voorgesteld als van belang voor de werkgelegenheid en dus voor de bevolking, maar dat is een leugen: aan werkgelegenheid is noodzakelijk voorondersteld dat er door ťlites geld, grof geld, verdiend wordt. Zit dat er niet in, dan blijkt het sociale belang van de maatschappij doorgaans nihil te zijn. De huidige afbraak van sociale voorzieningen wijst hier onmiskenbaar op en ook het feit dat men steeds meer privatiseert. Nog geen eeuw geleden, toen over het algemeen de westerse wereld nog arm was, konden er overal infra structuren ontstaan. Geheel West-Europa werd overdekt met een netwerk van spoor- en auto- en waterwegen, de telefoon en telegraaf reikten al spoedig tot in iedere uithoek. Ook op sociaal gebied volgde de ene verbetering de andere op en nooit had iemand het over betaalbaarheid, misbruik en Staatsschulden.

Nu het westen onvoorstelbaar rijk is liggen deze en dergelijke begrippen voor in de mond en het begrip openbaar, dat verwijst naar onvoorwaardelijke belangen van de bevolking, is een leeg begrip geworden. Openbare voorzieningen moeten thans ook forse winsten opleveren, anders worden zij afgeschaft. Kortom, aan alles moet verdiend worden.

Bij herhaling heb ik er al op gewezen dat De Grote Vierslag zich via allerlei vreemde en vaak onherkenbare toestanden verwerkelijkt. Zou je gaan letten op ontwikkelingen die zogezegd rechtstreeks de verhoudingen van De Grote Vierslag afspiegelen, dan zou je helemaal niet willen erkennen dat er zoiets als een grote vierslag aan de basis van het leven werkzaam zou zijn. Hij is aan de concrete praktijk niet te herkennen. Zo vind je in het huidige tijdsgewricht niets dat aan socialisme of communisme, in de door mij bedoelde filosofische zin, doet denken. De praktijk lijkt juist op de ondergang van dergelijke begrippen te wijzen! Toch, als je het advies van Hegel ter harte neemt, namelijk dat de werkelijkheid nooit en te nimmer in een eenzijdigheid opgaat, kom je wat betreft onze vierslag tot een merkwaardige ontdekking... De moderne situatie, waarbij het er meer en meer om gaat aan de maatschappij te verdienen en waarbij, met het oog daarop, steeds meer geprivatiseerd wordt, is eigenlijk een duidelijke manifestatie van het voortschrijdende proces van realisering van De Grote Vierslag. Wat er namelijk gaande is, is dat de maatschappij en zijn instellingen steeds meer in handen komt van de burgers. Dat zijn weliswaar de meest asociale particulieren die alleen maar vette winsten op het oog hebben, maar dat is op zichzelf niets bijzonders. Ik heb dat aan de hand van het individualiseringsproces meer dan eens benadrukt. De alsnog onvolwassen individu geldt als een particulier, een apartheid die alleen maar op zichzelf gericht is. Dat kun je al of niet leuk vinden, al of niet hartstochtelijk afwijzen zoals bijna alle filosofen en idealisten doen, maar toch gaat het proces langs die weg. En dus: de mens als particulier krijgt steeds meer de maatschappij in handen, dat wil zeggen de bovenlaag ervan, van waaruit van allerlei geregeld kan worden, uiteraard in een alsnog onvolwassen wereld!

De particuliere mens is steeds uitgangspunt geweest van maatschappelijke ontwikkelingen. In hem heeft zich voortdurend het begrip anarchisme laten gelden, met als gevolg een verfijnde infrastructuur en dergelijke. Maar hij had de maatschappij, die hij tot op grote hoogte zelf inrichtte, in het geheel niet in handen. In feite had hij er niets over te vertellen, want de macht en het gezag lagen bij de zogenaamde overheden die angstvallig hun voorrechten bewaakten. Die ondergeschikte particuliere mens overigens vond zelf ook dat de macht bij de overheid moest liggen, het liefst bij een overheid die door god goedgekeurd wast. Nu is het deze opvatting die aan het verdwijnen is. De overheid wordt almaar meer uitgehold en daarvoor in de plaats komen instellingen die de mensen zelf tot stand brengen en beheren. Je moet wel even zover gaan in je denken dat je buiten beschouwing laat welke ongure particulieren het heft in handen nemen. Uiteraard is dat op zichzelf in alle opzichten asociaal. Maar toch is het een onmiskenbaar feit dat de overheden moeten wijken voor de mensen zelf. Op den duur zullen die particuliere mensen door hun eigen particulier zijn heen geraken en tot de socialistische erkenning van de ander komen, om daarmee toch, zij het langs verschrikkelijke omwegen, de poort open te zetten voor communisme enerzijds en waarachtig nihilisme en anarchisme anderzijds. Moet je daarom die huidige particulieren toejuichen en aardig vinden? Nee, want een particulier, ook al bevindt hij zich vooraan op de weg naar verwezenlijking van De Grote Vierslag, is toch een op eigen belang gericht mens.. .

verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

No. 68

Racisme ; Racistische taal ; Halsstarrige slavenhouders ; Discriminatie zie nrs. 15 en 77 ; Verhullend taalgebruik-1 ; Verhullend taalgebruik-2 ;

Uiteindelijk komt de werkelijkheid bij zichzelf terecht. De weg naar dat eindstation gaat niet bepaald over rozen, op vrijwel elk moment is de gang van zaken uiterst onbevredigend, hetgeen zijn oorzaak vindt in het feit dat elk zo'n moment onontkoombaar bevangen is in de menselijke onvolwassenheid. Daardoor is er nauwelijks iets dat op zuivere wijze afspiegeling is van het werkelijke menselijke ontwikkelingsproces. En vaak lijkt het er voor tijdgenoten op dat het alleen maar slechter gaat. Van zogenaamde vooruitgang is voor hen geen spoor te bekennen, en ik heb er al op gewezen dat ook de begrippen van De Grote Vierslag vrijwel volledig in het verborgene blijven. De gang naar volwassenheid speelt zich af in de diepte, verscholen onder het puin en het afval van de pragmatische realiteit. Zo maken wij thans mee dat onze westerse wereld steeds sneller instort.

( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)

Aanvankelijk zocht men uiteraard naar schuldigen: bij Ortega Y Gasset (1883-1955) waren dat de aanstormende massa's en bij anderen de nihilisten, de fascisten en de communisten. Tegenwoordig zijn het de calculerende burgers. Maar in feite heeft niemand de schuld, hoewel niet te ontkennen valt dat die vermeende schuldigen wel degelijk hoofdrolspelers in de verwording waren en zijn. In feite toont de westerse wereld zijn eigen, om te beginnen diep verborgen, onhoudbaarheid aan. Die komt in het kort hierop neer dat een in hogere en lagere sferen verdeelde werkelijkheid geen werkelijkheid is maar een zinsbegoocheling. Anders gezegd: de westerse hiŽrarchieke stelsels gaan ten gronde en als dat eenmaal begonnen is gaat het steeds sneller.

Ik heb al vaker gewezen op het kwalijke, maar ook verhullende, van het de schuld geven. Dat mechanisme werkt als volgt: de denkers, moralisten en managers verzinnen een wereld die naar hun idee een goede is. Dan ontwerpen zij een modelmens die gladjes in die goede wereld past. Het spreekt dan vanzelf dat die modelmens allerlei dingen heeft moeten aanleren, maar vooral erg veel heeft moeten afleren! Die modelmens is er dus een die nauwelijks nog overeenkomst vertoont met zijn oorspronkelijke wezen. Frustrerend voor die denkers, moralisten en managers is nu dat de mensen er totaal geen trek in hebben zich naar dat fraaie model te voegen. Het denken heeft de gemakkelijkste denkweg gekozen door de werkelijkheid naar eigen goeddunken te veranderen. Terecht gehoorzaamt niemand daaraan! Dit echter wordt niet aanvaard door die regelaars. In plaats van de fout bij hun eigen denken te zoeken gaan zij met volle overgave de mensen de schuld geven van de mislukking. Zelf zijn zij natuurlijk niet schuldig... De juiste vragen zijn: hoe gaat het in de praktijk, waar leidt dit alles toe? Naar aanleiding daarvan kun je ontdekken dat het in de westerse wereld hierop neerkomt dat alle voorzieningen worden afgebroken. Dat is te zeggen, voorzieningen van overheidswege. Die afbraak leidt er evenwel niet toe dat die voorzieningen verdwijnen. Zij worden namelijk geprivatiseerd en dat wil zeggen dat zij in handen gespeeld worden van particulieren. De mens als particulier is de mens als alsnog onvolwassen individu, degene dus die zich nog van de ander afzondert omdat hij met die ander geen raad weet. Geprivatiseerd wordt al datgene dat eerst van overheidswege ingesteld was.

Die overheid is eigenlijk uitdrukking van de werkelijkheid naar het begrip het geheel, maar dan op onvolwassen wijze en dus als een bindend en maatgevend collectief. Hoe primitief dit evenwel ook is, de zaak berust toch op een vaag besef van met zijn allen zijn, van saamhorigheid. Dat besef nu gaat steeds sneller verloren. Voor zover het zich op onvolwassen wijze vertaalde in collectieven is het goed dat het verloren gaat, maar voor diegenen die het aangaat is het een ramp...

 Het spreekt vanzelf dat er gegadigden moeten zijn om de collectieve voorzieningen over te nemen. Maar die gegadigden zijn er altijd als er maar het vooruitzicht van winst maken is. Dat vooruitzicht is er: de maatschappij berust op een grote markt van mensen die in hun bestaan veiligheid zoeken. Als de overheid die niet biedt, dan maar naar particuliere verzekeraars.

 Nog weer de vraag waar leidt dat toe. Die vraag moet gesteld worden in het licht van de verwerkelijking van de begrippen uit De Grote Vierslag. Zoals al gezegd leidt het privatiseren ertoe dat de overheden hun macht verliezen en dat de maatschappij zogezegd in handen van de burgers komt. Natuurlijk bestaan de overheden ook uit burgers, maar zodra die in functie zijn gelden zij niet meer als burgers. Zij worden geacht hoger te staan, een ander belang dan zichzelf te dienen, gezag uit te stralen en macht te bezitten. Dit wordt anders bij privatisering. Er wordt dan niet meer een soort van hoger belang gediend, maar puur het eigenbelang. De functionarissen gehoorzamen niet meer aan een soort van collectieve wet, maar aan de bevelen van een baas en die heeft alleen maar zijn eigen belang voor ogen. Dat is voor diegenen die er mee te maken krijgen een achteruitgang, maar in het licht van De Grote Vierslag is het weer een stapje verder. Overheden moeten immers verdwijnen, want een hogere instantie kan niet bestaan. Hoe onaangenaam het ook lijkt, je kunt toch beter met een baas te doen hebben dan met een overheid. Deze laatste is namelijk in principe absoluut, niet voor tegenspraak ontvankelijk en meedogenloos. Maar de baas moet rekening houden met en inspelen op andere bazen. Hij moet nauwkeurig de ontwikkelingen in de maatschappij volgen, want anders kan hij zich niet handhaven. En de waardering van de andere burgers (gezag) verwerft hij niet op grond van in principe absolute macht, maar op grond van de kwaliteit van zijn diensten. Voorlopig echter kunnen wij er alleen maar op achteruit gaan omdat er nog nauwelijks tegenspel geboden kan worden. Pas op den duur, als er meer van die bazen komen, worden de bazen minder gevaarlijk. Ze gaan elkaar immers in de weg lopen! De huidige overheden doen het voorkomen alsof zij heel progressief zijn met hun privatiserings operaties. Maar zij weten nog wel het minst van allen wat er werkelijk aan de hand is. Dat is gebruikelijk bij politici. Wat zij willen is zoveel mogelijk gemeenschapsgeld reserveren voor (macro)economische doeleinden en verlost worden van al die instellingen die zij al lang niet meer in de hand kunnen houden. Maar eigenlijk zouden zij graag hun status van overheid willen behouden, overtuigd als zij zijn van de noodzaak van een overheid en de voortreffelijkheid van de eigen persoon. Op onnozele wijze en ongewild werken zij dus mee aan de anarchisering van de maatschappij. Wat dit betreft kun je stellen dat De Grote Vierslag komt als een dief in de nacht.

 ( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)

Hoewel ik er al vaker op heb gewezen moet ik ook nu weer beklemtonen dat er bij de mensen in geen geval van een verandering is te spreken. Gewoonlijk wordt er, mede gestimuleerd door het christendom, gedacht dat de mensen moeten en zullen veranderen, zie wat ik hierboven gezegd heb over schuld. Volgens oud Grieks denken zou er een metanoia, een omkering, op gaan treden. Dat alles evenwel is onzin. De mens keert zich op geen enkel moment van zijn ontwikkeling om teneinde een geheel ander mens te worden. Wat hij daarentegen wel doet is geheel en al zichzelf blijven, aanvankelijk onvolwassen en tenslotte volwassen. Als volwassene is hij bij zichzelf terechtgekomen en daarmee is ook de werkelijkheid terecht.

De bij zichzelf terechtgekomen mens is anders dan de onvolwassene, maar hij is geen ander mens, hij is niet iemand anders.

Racisme ; Racistische taal ; Halsstarrige slavenhouders ; Discriminatie zie nrs. 15 en 77 ; Verhullend taalgebruik-1 ; Verhullend taalgebruik-2 ;

 

No. 69

verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

Het gaat er over dat de denkers dezer wereld steevast van mening zijn dat de mensen moeten veranderen. Het kan niet missen dat het daarbij de bedoeling is dat de mensen zich zullen voegen naar de voorstelling die zij zelf, of die hun medemensen, zich maken van de werkelijkheid. Dat is in feite hun eigen persoonlijke werkelijkheid, en die eventueel gebundeld tot een algemeen geldig bevonden ideaal. Je kunt dus best aan een edel en hoogverheven ideaal denken. Zo'n ideaal evenwel kun je naast je neerleggen, je kunt het boek waarin het beschreven staat niet lezen - de Bijbel of de koran of het boek van Mormon en dergelijke - en je kunt weigeren te luisteren naar de geestdrijvers die je kond doen van al dat fraais wat je te wachten staat. Heel vaak doen de mensen dat ook, zelfs in zo sterke mate dat zij allerlei informatie, die zij eigenlijk beter wel ter harte zouden kunnen nemen, ook naast zich neer leggen. Zo is er van allerlei bekend over het misdadige stiekeme gedoe van politici, maar het gros van de mensen trekt zich niets van die informatie aan. Zijn er ook heel wat mensen die zich mee laten slepen door de verhalen van genoemde idealistische geestdrijvers. Maar, waarom het eigenlijk gaat is dit: je kunt de verhalen van die lui wel naast je neer leggen, maar je ontkomt niet aan het feit dat hun ideeŽn omgezet worden tot handelingen en uit die handelingen spreekt een uiterst kwalijke mentaliteit. Dat geldt zowel voor een mentaliteit die voortkomt uit een schoon en verheven ideaal als voor een mentaliteit die bijvoorbeeld op een fundamentalistische godsdienst berust. Je krijgt dus onontkoombaar te maken met het gedoe van idealisten die vinden dat de mensen veranderen moeten. Diegene die vindt dat de mensen moeten veranderen kan er niet aan ontkomen dat hij de mensen gaat beschuldigen, omdat en voor zover zij niet aan zijn oproep gehoor geven. Daarin zit onmiskenbaar een element van zichzelf beter achten en tegelijkertijd een minachting wat betreft de anderen. Sterker nog: die anderen mogen er eigenlijk niet zijn, zoals ze zijn zijn ze verkeerd. Dat is een manifestatie van het filosofische begrip haat. Dat begrip houdt in dat iemands bestaan vernietigd moet worden omdat het als het kwaad gezien wordt. Een dergelijke houding is niet alleen onrealistisch, maar hij is ook buitengewoon slecht voor de mensheid en haar ontwikkeling.

Het spreekt natuurlijk vanzelf dat er over het algemeen over het gedoe van de onvolwassen mensen geen goed woord te zeggen valt. Mopperaars als de filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) en tot op zekere hoogte ook Jan Borger (1888-1965) hadden wel degelijk gelijk als zij hun tijdgenoten beoordeelden als hebzuchtige schurken die nauwelijks enig redelijk recht van bestaan hadden. Je kunt dan ook best beamen dat een dergelijke mensheid weinig hoop geeft voor de toekomst en je kunt het met hen eens zijn: het moet binnenkort veranderen anders is de zaak helemaal niet meer te redden. En natuurlijk moeten de mensen dat doen, wie anders?

Doorgaans weet men nauwelijks te zeggen wat de mensen, om aan de ideale voorstelling te gaan beantwoorden, moeten aanleren. Sinds de Verlichting heeft men het over de ratio, maar nog nooit werd duidelijk wat dat dan wel zou mogen zijn! Maar, wat er afgeleerd zou moeten worden... dat is een hele waslijst. Eigenlijk kun je zo ongeveer alle menselijke eigenschappen, liefhebberijen, wensen en verlangens zonder meer op die waslijst zetten.

Wat overblijft, is een soort Zombie, een wezenloze plant die zijn rechtvaardiging alleen nog maar vindt in het feit dat hij niets slechts meer kan doen omdat hij totaal niets meer is.

Het is opvallend hoewel filosofisch heel wel begrijpelijk, dat de gehele moderne wereld in termen van onthouding denkt, als het tenminste gaat over beleid dat op de toekomst gericht is, en dus als het gaat over vanuit de hoogte bedachte normen en mogelijkheden voor een toekomstige goede wereld.

Er valt niets af te schaffen, er valt niets te veranderen, er valt niets te dwingen, leiding te geven of te sturen. Alle verschijnselen zijn ontstaan als restverschijnselen. Dat wil zeggen: verschijnselen die de evolutie overleefd hebben. Verschijnselen die overgebleven zijn uit het proces van trial and error, van alle mogelijkheden proberen en zien wat overblijft. Zo is de mens het resultaat van een schier eindeloze reeks van proefnemingen van de werkelijkheid. Dat betekent in feite dat hij volstrekt niet beter kan, hij is in levende lijve de ultieme mogelijkheid van de werkelijkheid. Wat moet je daaraan dan veranderen om de zaak te verbeteren? Alles wat beter kon heeft de werkelijkheid al geprobeerd en tenslotte is zij uitgekomen op een verschijnsel dat, hoewel uit de hele zaak voortgekomen, volkomen los staat van al het bestaande. Een verschijnsel dat beantwoordt aan de begrippen uit De Grote Vierslag. Daaruit is af te leiden dat de mens niet moet veranderen, maar dat hij zich moet ontwikkelen om tenslotte bij zichzelf terecht te komen. Als je dan van daaruit terugkijkt, blijkt er inderdaad heel wat veranderd te zijn...

Het gaat er om dat datgene dat er is op andere wijze voor de dag zal gaan komen. Welke opties zijn er dan? Wel, er zijn er twee: 1) de mens als zich ontwikkelend wezen en 2) de mens als ontwikkeld wezen dat zich als zodanig uit gaat wikkelen (realiseren). Achtereenvolgens heb je dus de periode van de onvolwassenheid en de periode van de volwassenheid. Tijdens die eerste periode is werkelijk alles onvolwassen, zelfs het schone en heldere dat de mensen af en toe opleveren. Bijgevolg zijn ook de toekomstplannen, de voorstellingen en de gestelde eisen door en door onvolwassen. Voor zover je daarover nadenkt blijk je geen keus te hebben, althans: je behoeft je niet neer te leggen bij wat die onvolwassen mens doet, maar wel bij wat hij is. Die mens is wat hij is en daaraan valt niets te doen. Maar zijn gedoe kan zo dichtbij komen en zo bedreigend worden dat de Onredelijkheid alleen nog maar hoogtij viert en er iets tegen gedaan moet worden.

Je kunt proberen te verdedigen dat ook het gedoe van de mensen onvermijdelijk is omdat het behoort bij zijn onvolwassen status. Je zou dan ook moeten erkennen dat je je bij dit gedoe hebt neer te leggen, wil je niet onrealistisch bezig zijn. Toch klopt dit niet. Weliswaar is het gedoe van de mensheid als zodanig iets onvermijdelijks en moeten de rampen bewerkstelligd worden die er nu eenmaal inzitten, maar dat alles neemt niet weg dat er voor de individuele mens altijd een soort van keuze is. Dat moet je niet in psychologische zin opvatten, want inderdaad is het een feit dat jij en ik dingen doen en laten doordat er iets in onze gesteldheid is dat ons daartoe aanzet. In psychologische zin is er dus een soort van noodzakelijkheid, van voorbeschiktheid. Maar, de mens is niet alleen maar een psychologisch verschijnsel. Er is ook nog zoiets als zijn bewustzijn en de daarbij behorende werkelijkheid als beeld. Op grond daarvan kan ook de individuele mens altijd beter weten.

Hij kan de schurkenstreken die hij uithaalt ook achterwege laten en er zijn ook altijd mensen die dat inderdaad doen. Je behoeft niet iemand te vermoorden, je kunt het ook laten; je behoeft niet naar het front te gaan, je kunt het ook laten; je behoeft je kinderen niet te misbruiken, je kunt het ook laten.. . enzovoort. Het veelgebruikte psychologische argument dat je geen keus hebt is in dit verband een loos argument dat geen hout snijdt.

verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

No. 70

In de evangeliŽn en dergelijke geschriften wordt eigenlijk voor het eerst een beeld ontworpen van een toekomstige wereld, bewoond door waarachtige mensen. Dat beeld is nauwelijks gedetailleerd: men wist er nog geen concrete inhoud aan te geven. Wel komt er een aantal begrippen naar voren, zoals het liefdesbegrip en, qua strekking, de begrippen uit De Grote Vierslag. Maar concreet is het nauwelijks en dat komt voor de dag in de onthouding, in die zin dat men datgene dat men als niet wezenlijk menselijk beschouwde eenvoudigweg van de menselijke werkelijkheid afdacht. Men deed precies wat voor het huidige denken verwerpelijk is, maar dat helaas nog al te vaak gedaan wordt. Voor die tijd echter was het iets geheel nieuws, iets revolutionairs dat een enorme indruk op de mensen maakte. Er waren er zelfs heel wat die dachten dat die nieuwe wereld, dat Koninkrijk Gods nog tijdens hun leven zou worden gevestigd. Dat er geen concrete inhoud was deerde de mensen niet, want het was toentertijd nog niet mogelijk zo'n inhoud te bedenken. Bovendien was dat vooruitzicht op de toekomst op zichzelf al iets geweldigs.

De mensen aan het einde van de oudheid leefden nog in de sfeer van het vrouwelijke, vaak zelfs nog in matriarchale omstandigheden. Dat wil zeggen dat de werkelijkheid als bewustzijn dominant was. Daaraan komt mee dat er niet op lineaire wijze naar een bepaalde toekomst gedacht werd, maar juist in termen van eeuwigheid en onveranderlijkheid. Er was dan ook niet zozeer het gevoel dat je als mens ergens terecht moest komen als wel het gevoel dat er iets zou moeten gaan gelden. Het begrip liefde bijvoorbeeld heeft geen betrekking op iets toekomstigs dat ergens waargemaakt zal worden, maar op een toestand die heden zou kunnen en moeten gelden. Verlangens en voorstellingen van een goede wereld waren dus steeds gericht op reeds voor de mens geldige verhoudingen die alleen nog maar tot gelding gebracht moesten worden. Het denken in een ver verwijderde toekomst lag niet in de lijn van een denken in termen van de werkelijkheid als bewustzijn. Ook kwam er niet aan mee dat er een concrete inhoud voor de dag moest komen, want als inhoud van het bewustzijn is de werkelijkheid een en al samenhang, zonder dat het een van het ander gescheiden is. Het een gaat over in het ander en dat leent zich niet voor concrete onderscheidingen.

Dus, toen de mensen indertijd gingen denken over een toekomst waren zij nog lang niet in staat een concrete inhoud te geven aan de voorstellingen en denkbeelden die in hen opkwamen. Hen valt dus niets te verwijten: het spreekt vanzelf dat zij alle slechtheid van de wereld en de mensen afdachten en zo tot een bevredigend beeld van een goede menselijke wereld kwamen. Maar al in het spoedig optredende christendom werden de denkbeelden van een goede wereld omgezet in voorstellingen en opvattingen over een toekomstige wereld, een werkelijkheid die niet meer in het heden lag en daarin terstond gerealiseerd zou kunnen worden, maar een werkelijkheid die nog komen moest en die een heleboel veranderingen vooronderstelde. Zo zijn wij thans in een wereld terechtgekomen waarin het begrip beleid centraal staat en voor alles als de maat genomen wordt.

Dat begrip houdt in dat men denkt in termen van een weg die afgelegd moet worden, maar ook dat de mens die weg zelf kan bepalen en zelfs aanleggen. De moderne mens denkt dat hij de toekomst kan maken en dus is hij ook van mening dat hij de toekomstige mens kan maken. Ga je echter na hoe hij zich dat laatste voorstelt, dan blijkt dat hij nog steeds bezig is alles weg te denken wat hem niet bevalt.

Het spreekt vanzelf dat de goeroes dezer wereld, de geestdrijvers en de beleidsmakers niet anders kunnen dan de mens naar hun eigen ideeŽn om te vormen en dat zij dat alleen maar kunnen doormiddel van het denken in onthoudingen. Maar het is toch wel enigszins bevreemdend dat ook de denkers, waaronder vooral de ethici, niet aan de onthouding weten te ontkomen. In plaats van uit te zoeken hoe de mogelijkheden van de mens liggen en naar aanleiding daarvan te concluderen wat de mens achterwege heeft te laten gaan deze laatsten er gemakshalve van uit dat de mens een aantal eigenschappen zal moeten afschaffen. Dat leidt tot een ethiek die noodzakelijk een wens zal blijven en nooit verwerkelijkt kan worden, precies zoals het Du sollst van Kant.

De onthouding speelde al vroeg een rol in het Roomse christendom. Bij een aantal monniken werd het streven populair zich van het wereldse te onthouden teneinde zich op het geestelijke, in feite god, te kunnen concentreren. Die monniken beoefenden de onthouding met de bedoeling een goed mens te worden, goed althans in de ogen van god. Uiteraard maakten zij zelf uit wat dat goede dan wel zijn mocht. Maar hun fixatie op de onthouding leidde ertoe dat zij juist voortdurend bezig waren met datgene dat zij zo graag kwijt wilden. De onthouding leverde slechts een fixatie op. Precies zo levert het moderne beleids denken een griezelige fixatie op op vermeende slechte eigenschappen van de mensen. Tenslotte blijven die eigenschappen, die slecht en dus onbruikbaar zijn, nog over, zodat de onthouding zich in zijn tegendeel verkeerd heeft... Ook in het boek Brave New World is de uitwerking van de onthouding funest; wat tenslotte overblijft, is alleen maar slechtheid, onmenselijkheid, kilheid en liefdeloosheid. Het denken in afschaffen en onthouden is geen christelijke specialiteit. Het behoort typisch bij het westerse analytische denken: zelfs waar er nauwelijks nog christelijk of godsdienstig gedacht wordt spelen onthouding en afschaffing een essentiŽle rol.

Telkens als iemand zich ertoe zet om over een toekomstige wereld na te denken gaat hij er prompt toe over van alles weg te denken. Door dat te doen echter verlaagt hij het verschijnsel mens: de wording en de evolutie hebben niet zomaar geleid tot alle menselijke eigenaardigheden! Die behoren er wezenlijk toe. Haal je ze dan weg, dan houd je in feite een mislukking over, en beter nog is te zeggen dat je een onmogelijkheid overhoudt, want de werkelijkheid is helemaal niet in staat zo'n wanproduct op te leveren. Zoals al eerder gezegd gaat het er om juist alles te laten gelden en vervolgens te proberen, zonder bedrieglijke waardeoordelen en vooropgezette voorstellingen, een lijn in de ontwikkeling te ontdekken. Het gaat er immers om het reŽel bestaande verschijnsel door te denken naar zijn eigen volwassenheid, en dus naar zijn eigen zichzelf-zijn.

Het blijkt dat alle aangename en niet-aangename eigenschappen verdraaiingen zijn van de werkelijke verhoudingen. De hele zaak is nog onvolwassen. En nu is het zaak uit te zoeken hoe het werkelijk zit en vervolgens hoe die waarachtige verhoudingen vervormd worden en hoe die vervormingen tenslotte leiden tot volwassen verhoudingen.

Het gaat dus om het nadenken over die vervormingen en de poging om die, in het licht van de waarheid (= bewustzijn), te begrijpen als momenten in het proces dat naar werkelijk mens-zijn leidt. Langs die weg gedacht blijken alle eigenschappen niet afgeschaft te moeten worden, maar juist ontwikkeld zodat zij ten volle tot hun recht komen. Dat levert tenslotte een filosofie over de mens op die in het geheel geen liefelijke droom van Grazige Weiden blijkt te zijn, maar een spel van tegenstellingen die zich binnen een groot samenhangend geheel afspelen.. .

No. 71†† concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; concurrentie-5 ; concurrentie-6 ;

Het is onmogelijk iets aan de mens toe te voegen. Daarvoor kun je twee redenen aanvoeren: ten eerste is datgene dat je aan de mens meent te kunnen toevoegen iets dat je op de een of andere manier zou moeten kennen, maar als dat het geval is geldt het reeds voor de mens en behoeft er niets aan toegevoegd te worden en ten tweede moet je bedenken dat de mens het laatste verschijnsel is waarop niets meer volgt en waaraan derhalve niets meer toegevoegd zou kunnen worden. Om beide redenen zijn al die, op grond van vaak uiterst dubieuze wetenschappelijke ontwikkelingen zo logisch lijkende, moderne speculaties over een toekomstige mens en zijn mogelijkheden pure hersenspinsels. Die zeggen overigens wel veel over de moderne mens! Onder andere dit dat deze bedroevend en verontrustend ver van zichzelf als verschenen werkelijkheid af is komen te staan. Het behoeft geen verwondering te wekken dat de idealistisch dagdromende mensen intuÔtief aan het afschaffen slaan. Zij keuren allerlei menselijke eigenaardigheden af (dit op zichzelf niet geheel onterecht) en gaan er vervolgens toe over theorieŽn te ontwerpen waarin die afgekeurde eigenaardigheden geen rol meer mogen spelen. Er wordt dan gezegd dat de toekomstige mens, wijs geworden, alle negatieve eigenschappen overwonnen heeft Dit alles echter is, zoals al eerder door mij besproken, onzin die alleen maar voortkomt uit de onvolwassen behoefte de werkelijkheid te verbeteren teneinde haar te kunnen overheersen. Men begrijpt niet hoe het zit met de werkelijkheid en bijgevolg begrijpt men ook niets van de mens. Die moet immers, als het over zijn dagelijks leven gaat, beschouwd worden in het licht van De Grote Vierslag. Alles wat er voor hem geldt, alles waarvan hij zich bewust wordt en wat hij aan de weet komt, al zijn wetenschappelijke kennis, enzovoort, wordt gewaardeerd, toegepast en gericht op de verhoudingen van die grote vierslag. In de onvolwassen fase van zijn bestaan gaat het dan om een veelheid van varianten van op zichzelf als de maat gestelde begrippen, zoals bijvoorbeeld nihilisme, en in de tenslotte optredende volwassen fase om het samenhangende geheel van de begrippen nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme. Pas in dit laatste geval kunnen zonder uitzondering alle menselijke eigenaardigheden vrijelijk voor de dag komen. Juist door dat samenhangende geheel kan er geen misdadige (-verbrekende) verhouding dominant worden.

Misdadigheid is geen eigenschap van de mens. Het is wel tijdelijk en incidenteel een eigenaardigheid van de mens. Daarmee bedoel ik dit: misdadigheid berust wezenlijk op eenzijdig nihilisme, want het is het ontkennen en vernietigen van het andere, in feite de ander. Dat kan in bepaalde mensen onder omstandigheden voor de dag komen. Maar, het is dan wel een ontsporing, zelfs een die letterlijk nietsontziend is. Alles waaraan waarde gehecht wordt moet vernietigd worden. Nihilisme behoort echter, evenmin als de andere begrippen uit De Grote Vierslag, eenzijdig gesteld te zijn. Zou dat in principe tot de mogelijkheden behoren, dan zou je misdadigheid tot de eigenschappen van de mens kunnen en moeten rekenen. Je zou dan ook kunnen overwegen of het misschien wel zin zou hebben zoiets te onderdrukken, precies zoals je bij sommige dieren dingen kunt onderdrukken. Ook misdadigheid als incidentele eigenaardigheid van een bepaald persoon is, mits zeer vroegtijdig ontdekt, tot op grote hoogte te onderdrukken. Dat echter lukt niet goed in een alsnog onvolwassen wereld, want die is van zich uit al een buitengewoon vruchtbare voedingsbodem voor alle mogelijke ziekelijke, eigenaardigheden: er is concurrentie, er zijn maatgevende ťlites, particulier individualisme is normaal en er is onderdrukking van de vrouw en het vrouwelijke.

In een volwassen wereld evenwel is de kans heel klein dat misdadigheid zich kan ontplooien, juist omdat een dergelijke ziekelijke eigenaardigheid binnen de sfeer van het met zijn allen zijn vroegtijdig ontdekt wordt en dan zeker geen voedingsbodem vindt.

Ik heb er al eerder op gewezen dat De Grote Vierslag(Nihilisme Ė Anarchisme Ė Socialisme Ė Communisme) geldig is voor de mens als dagelijks leven. Elke mens is een manifestatie van nog meer begrippen, zoals daar zijn het begrip liefde, het begrip creativiteit, het begrip kunst en dergelijken. Die evenwel zijn niet bepalend voor het dagelijkse leven. Dat betekent niet dat zij er af gedacht kunnen worden en ook betekent het niet dat zij geen enorm belangrijke rol zouden spelen, maar het betekent dat zij op zichzelf niet afhankelijk zijn van het dagelijkse gemodder om het bestaan te handhaven. De begrippen uit De Grote Vierslag betreffen de existentie van de mens. 0p de een of andere manier heeft men in het existentialisme getracht een zinvolle filosofie over het bestaan te ontwikkelen. Dat evenwel is een dramatische mislukking geworden. Filosofen als Kierkegaard (1813-1855), Heidegger (1889-1976) en Sartre (1905-1980) hebben zich daarin verdiept, maar in feite ontkwamen ook zij niet aan het denken in afschaffingsmodellen en daarmee samenhangend het de mensen voorhouden van een min of meer dwingende eis: gij zijt vrij en dus kunt gij kiezen. Het begrip kiezen is bij deze denkers uitermate typerend. Kennelijk gaat het in het existentialisme toch om het aanvaarden van iets en tegelijkertijd het afwijzen van iets anders. Maar, welke keuze zou er dan gemaakt moeten worden? Het antwoord ligt voor de hand: je moet datgene kiezen dat volgens de heren filosofen heilzaam is voor de mens en het leven op aarde! Hoe men met een dergelijk denken, dat overigens typisch West-Europees is, nog vol kan houden over het bestaan van de mensen te filosoferen is op zijn minst raadselachtig, maar in feite idioot! Een geconstrueerd bestaan van een naar eigen goeddunken gekortwiekte mens is geen bestaan. Het is sciencefiction waarin jij en ik niet voorkomen...

De filosofen van het existentialisme zelf blinken uit in banaliteiten. Zo was Kierkegaard iemand die met de liefde en met god tobde en die de daaruit voortkomende rampen op geraffineerde wijze omwerkte tot schijnbare diepzinnigheden, die uiteraard op het naar problemen hunkerende westerse denkersvolk grote indruk maakten. En Heidegger, hij nam zijn toevlucht tot een authentieke mens die hij gevonden dacht te hebben in de Beierse landman. Hij zag niet eens het verschil tussen een primitieve mens en een authentieke. Wil je eventueel die laatste term gebruiken, dan kan hij alleen maar van toepassing zijn op de mens voor wie De Grote Vierslag in volle omvang en als een ongebroken geheel geldig is. Maar een boer is, hoewel dicht bij de natuur staand, een slechte bron van inspiratie voor een existentiŽle filosofie. Dan was daar nog Sartre, die met al zijn intellectuele gerommel over het menselijk bestaan niet in de gaten had dat een aan een ideologie onderworpen mens niet vrij kan zijn om te kiezen. Dat is immers voor hem al lang geregeld! En een ideologie als die van de Sovjet-Unie is al helemaal geen goed paradigma.

Toch is Sartre tot op het laatst een fellow-traveller gebleven, een verblinde intellectueel die van het eerst noodzakelijke voor een goede filosofie verstoken was, namelijk mensenkennis.

Dit gemopper kan beslist niet achterwege blijven, want het wordt de hoogste tijd dat de westerse moderne filosofie eens grondig doorgelicht wordt. Zij is al sinds lange tijd het spoor bijster en de filosofen lopen achter denkers en denkstelsels aan die geen enkele logische houdbaarheid hebben. Het construeren van een toekomstige wereld met een tot zombie gereduceerde mens heeft nu genoeg ellende gebracht...

 concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; concurrentie-3 ; concurrentie-4 ; concurrentie-5 ; concurrentie-6 ;

No. 72

Het herkennen van De Grote Vierslag en het doordenken ervan is volstrekt onmogelijk als je niet begint met het achterwege laten van hoogmoedige oordelen over de mensen, oordelen die gebaseerd zijn op foutieve voorstellingen van een mens die zich als een hoger, geestelijk wezen zou moeten laten gelden. Deze fantasie betreft een mens die alle tekortkomingen achter zich gelaten heeft en die nu bevrijd is van zonden, van schuld en van een aantal zogenaamd dierlijke eigenschappen, driften en instincten. In feite gaat het over een buitengewoon kwalijke fantasie die het gros van de mensen door alle tijden heen heel wat ellende heeft bezorgd, maar die uiteraard daarentegen aan ťlites de gelegenheid heeft gegeven zich ten koste van de mensheid te verrijken om doormiddel van die rijkdom voor zichzelf een hogere vrijheid op te eisen. Het spreekt vanzelf dat bedoelde fantasie ook, en volop, in de gewone mensen leeft. Het is immers een cultuurkwestie! Pas als je dit van bovenaf denken in jezelf doorbroken hebt kun je de betekenis van De Grote Vierslag helder inzien, en dan wordt het je ook mogelijk uit de begrippen nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme de juiste afleidingen te maken teneinde het dagelijkse leven van de mensen in principe te doorgronden.

Je kunt bijvoorbeeld een beoordeling maken van de moderne wetenschap.

Natuurlijk niet in de eerste plaats die wetenschap zelf, met haar normen, theorieŽn en dergelijke, maar een beoordeling van het functioneren van de wetenschap in de moderne wereld. Over dat maatschappelijk functioneren wordt weinig nagedacht door de meeste filosofen, maar als je dat nu eens wel doet, en dan in het licht van De Grote Vierslag, kom je tot onverwachte resultaten. Gespiegeld tegen nihilisme zou de wetenschap absoluut waardevrij moeten zijn en dus geen enkel belang aan onderzoek en theorievorming moeten verbinden. Maar de praktijk is dat dit nu juist wel en in toenemende mate gebeurt. Datgene waarvan men politiek of economisch voordeel verwacht komt in aanmerking voor onderzoek en onderwijs. De rest van de werkelijkheid blijft in het duister gehuld. Het is dat sommige gekken het niet laten kunnen die rest eens nader te onderzoeken, anders kwam er al helemaal niets van de wetenschap terecht! Gespiegeld in het licht van anarchisme kom je tot de conclusie dat de wetenschap zichzelf in genen dele bestuurt. Niet alleen dat bovengenoemde belangen haar functie bepalen, maar ook allerlei godsdienstige, ethische en zelfs politieke levensbeschouwingen sturen de moderne wetenschap - althans: hebben de pretentie er zeggenschap over te hebben. Daarnaast is vast te stellen dat binnen het kader van het wetenschapsbedrijf een groot aantal regels en voorschriften een sturende werking hebben. Van zichzelf besturen is dus bij de wetenschappers, wat hun vak betreft, niet of nauwelijks te spreken. Bekijk je de zaak in het licht van socialisme, dan blijkt de toestand nog treuriger te zijn.

Het grondprincipe dat jij er ook moet zijn als ik er ben luidt in wetenschappelijke vertaling dat een andere opvatting, een andere kijk en dus ook een andere benadering evengoed recht van bestaan heeft als de gangbare, die algemeen aanvaard is. Dat betekent in de praktijk dat letterlijk alles recht op erkenning heeft en op grond daarvan recht om onderzocht te worden. Onderzocht (anarchisme!) Volgens, de door de zaak zelf vereiste methoden. Uiteraard moeten die methoden logisch houdbaar zijn. Dat is ook wat Paul Feyerabend (1924) almaar bepleit, onder andere in zijn befaamde werk Against Method uit 1975, vertaald in het Nederlands als In strijd met de methode in 1977. Vrijwel alle alternatieve inzichten worden zelfs niet eens waardig bevonden om nu eens goed (d.w.z. zonder vooropgezet oordeel over de methode van onderzoek) onderzocht te worden.

Men roept meteen verontwaardigd dat iets beslist niet kan, voor nu en altijd onmogelijk is en, zoals bijvoorbeeld bij de alternatieve geneeskunde, alleen maar bedoeld is om de mensen het geld uit de zakken te kloppen. Ongetwijfeld komt dat laatste voor, maar dan geldt zonder meer het spreekwoord: de pot verwijt de ketel dat hij zwart is. Het zou overigens bij de alternatieve geneeskunde wel eens zo kunnen zijn dat men niet in de eerste plaats onderzoek zou moeten doen naar de zogenaamde werkzame stoffen, maar daarentegen naar de werkzame heelkundige methode... In het licht van het begrip communisme kan de huidige wetenschap ook al geen stand houden. Het met zijn allen zijn zou wetenschappelijk moeten betekenen dat zonder uitzondering alle, op systematisch vergaarde kennis berustende, theorieŽn, inzichten, vermoedens en praktijken hun plaats in het geheel van de wetenschappelijke werkelijkheid, in feite de werkelijkheid als (wetenschappelijk onderzochte) voorstelling, zouden moeten hebben. Hiervan is echter volstrekt geen sprake: machtige wetenschappelijke ťlites bepalen wat er wel bij hoort en wat niet en steeds meer wordt de norm voor het ťlite-zijn in het verborgene bepaald door de politiek en de economie. Deze gang van zaken leidt ertoe dat een buitengewoon groot deel van de menselijke intelligentie en energie verloren gaat en de maatschappij en de samenleving ver beneden hun mogelijkheden blijven.

In de maatschappij speelt het recht een grote rol. Het recht is, in tegenstelling tot wat doorgaans door juristen gesuggereerd wordt, een verworvenheid van de gewone mensen, de vernederden en vertrapten die op gezette tijden tegen de tirannie rebelleren. De tirannen zelf zijn uit de aard der zaak nooit bereid iets van hun macht en welstand prijs te geven. Het is dan ook de rebellie van de onderdrukten die tot vorming van recht leidt. Maar, hoe staat het daarmee? Als het over nihilisme gaat deugt er niets van het recht: het is al toekenning, handhaving en verdediging van waarden wat de klok slaat! Ook van het zichzelf besturen komt niets terecht. Het is zelfs zo dat men vanuit het recht van mening is dat er juist van anarchisme geen sprake mag zijn. Zichzelf besturen is juridisch volkomen uit den boze. De hogere macht van het recht geeft een aantal mensen de macht over anderen te oordelen en ook de macht om hen te veroordelen. Alleen rechters en aanverwanten mogen dat, maar filosofisch is toch te vragen waarom mensen over mensen kunnen beschikken en dan blijkt dat het hogere wederom zijn kwalijke rol speelt. Het recht zou geen recht zijn als er niet erkend werd dat waar de een er is ook de ander bestaansrecht heeft. De vraag is echter wat de inhoud daarvan is. Dan blijkt dat juist het recht bepalend is wat betreft de vraag als hoedanig de ander er mag zijn. Dan blijkt dat van een onvoorwaardelijk bestaansrecht geen sprake is: als ik er ben mag jij er wel zijn, maar alleen in de hoedanigheid die ik bepaal en toesta. Dat is bepaald niet in overeenstemming met het begrip socialisme.

En van het begrip communisme, vertaald naar het recht, blijft, zoals te verwachten was, al helemaal niets over.

Zo kun je alle mogelijke verschijnselen binnen het dagelijkse leven van de mensheid beoordelen aan de hand van de begrippen uit De Grote Vierslag en hun onderlinge samenhangen en wisselwerkingen. Niet alleen dat je dan de huidige fenomenen helder kunt benaderen, maar je kunt vanzelfsprekend ook spiegelen aan De Grote Vierslag als en voor zover je je die als een volwassen zaak kunt denken en voorstellen.

No. 73

Overtuiging/overtuigingen/levensovertuiging-zie A1 , B2 , C3 , D4 , E5 , F6 , G7 , H8 ,

Dat De Grote Vierslag de mogelijkheid biedt om de verschijnselen die zich in de mensheid voordoen te begrijpen, wil niet zeggen dat je er nu mee om kunt gaan als met een formule. De Grote Vierslag is geen instrument om een soort van blauwdruk van de werkelijkheid te construeren. Dat wil zeggen dat je er geen toekomstvoorstellingen mee kunt ontwerpen en dat wil eveneens zeggen dat je er geen beleid mee kunt ontwikkelen. Nog minder leent De Grote Vierslag zich voor een ideologie, die niet alleen als voorstelling van de toekomst, maar ook nog als parameter voor het wel of niet deugen van mensen gebruikt kan worden. Begrip ervan geeft dus geen rechtvaardiging voor oordelen over of veroordelen van mensen, geen rechtvaardiging voor inquisitie, louter op grond van het feit dat bepaalde mensen zich niet (wensen te) conformeren met de aan de hand van een zogenaamde Grote Vierslag opgebouwde voorstelling van een toekomstige werkelijkheid. Plannenmakers, beleidsmakers, machtzoekers en moraalridders kunnen er dus niets mee. Gelukkig kent zo ongeveer niemand De Grote Vierslag, ondanks het feit dat aan ieders leven de begrippen nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme ten grondslag liggen. Toch is het logisch om te verwachten dat vroeg of laat De Grote Vierslag ontdekt zal worden, als een handig instrument om een maat te stellen voor de individuele mensen. 0p dat moment gaat hij toch misbruikt worden. Hij wordt dan een formule waarin men naar believen, of volgens de regels van een bepaalde logica, wat ongeveer hetzelfde is, allerlei waarden of grootheden in kan vullen. Men begint dan met een verschijnsel uit de bestaande werkelijkheid te lichten en dat in de formule in te voeren bij de factor nihilisme. Dat gedaan hebbend gaat men door tot de hele zaak ingevuld is. Het resultaat is een voorstelling van een wereld waarnaar gestreefd kan worden. Rest nog een smoes te verzinnen op grond waarvan men macht kan gaan uitoefenen en de tirannie kan beginnen met het veroordelen van mensen die niet aan de eisen voldoen, en als het even kan ook het elimineren ervan...

De paus, kennis genomen hebbend van De Grote Vierslag en zijn verklarend vermogen wat betreft de werkelijkheid, zou onmiddellijk tot de conclusie komen dat bij nihilisme ingevuld moeten worden al diegenen die er een andere godsopvatting op nahouden, of die helemaal niets van god moeten hebben: de atheÔsten. Ook een andere wijze van belijden van de godsdienst zou voldoende reden zijn om een aantal mensen bij de nihilisten in te delen. Dat is overigens geen fantasie van mij: in het verleden - en binnenskamers ook nog vandaag de dag - werden alle afwijkingen veroordeeld als zijnde nihilistische geloofsafval. In deze betekenis omvat nihilisme dus alles wat afwijkt van datgene dat voorgeschreven is. Een mens die zichzelf bestuurt zou uiteraard iemand zijn die leeft in overeenstemming met de goddelijke voorschriften, maar ook is het een kerkelijke prelaat die, zoals de paus, alle macht over andere mensen heeft.

Beweerd zou in dit geval worden dat diegene die in het licht van het goddelijke leeft de laatste en hoogste mogelijkheid van het menselijke waarmaakt. Zo kun je verder gaan met de socialistische mens die alleen waarlijk zichzelf besturende, in het licht van het goddelijke levende, medemensen toestaat er ook te zijn, mee te tellen. Het communisme wordt natuurlijk uitgedrukt in het Koninkrijk Gods, het aardse Paradijs en dergelijke. Kort en goed: het is te allen tijde mogelijk aan de hand van De Grote Vierslag een fraai systeem op te bouwen dat als rechtvaardiging kan dienen om mensen naar hartelust te knevelen. Je vult van allerlei grootheden in en dan ga je het resultaat als waarheid beschouwen, althans proberen iedereen wijs te maken dat het over de waarheid gaat.

De grootheden, die je invult, zijn aan de analyse van de werkelijkheid meegekomen. Het zijn uit de samenhang en het verband gelichte, als op zichzelf staande zaken gestelde, verschijnselen. De nihilist is dan een mens die zich, zonder meer en zonder samenhang met de andere drie factoren van De Grote Vierslag, opstelt als iemand voor wie alles letterlijk waardeloos is geworden. In feite is dat een mens die de gehele werkelijkheid wil vernietigen omdat ze voor hem, op grond van zijn idee van waardeloosheid, al bij voorbaat vernietigd is. Zo iemand schrikt nergens voor terug: niets is hem iets waard. Zo kun je de andere drie begrippen ook van een op zichzelf staande inhoud voorzien en dan krijg je tenslotte een soort van systeem dat bijeengehouden wordt door een aantal relaties tussen op zichzelf staande, aan de analyse ontleende, verschijnselen. Het is te begrijpen dat een dergelijke Grote Vierslag volkomen Onwerkelijk is en zelfs wel buitengewoon kwalijk genoemd kan worden. Hij levert pure misdadigheid op waarvoor niets heilig is.

Als je De Grote Vierslag als formule gaat gebruiken, dan ben je bezig - ik heb er al steeds op gewezen - met het als eis stellen van een evidentie. In plaats van in te zien dat het leven van de mens verloopt langs lijnen die met De Grote Vierslag waarheidsgetrouw zijn te beschrijven, ga je bij voorbaat bepalen waaraan dat leven te voldoen heeft. Dat is net zoiets onmogelijks als van tevoren uitmaken wanneer een kunstwerk uitdrukking van schoonheid zal zijn en wanneer niet. Hoewel er over de schoonheid een heleboel te zeggen is en het ook mogelijk is er op filosofische wijze een aantal begrippen aan te verbinden, is het volstrekt uit den boze die begrippen bij voorbaat als criterium te stellen. Dat komt doordat je bij een beweeglijke zaak als schoonheid nimmer kunt voorspellen welke gestalte de zaak de ene keer aanneemt en welke de andere keer. Zo is ook nooit te voorspellen hoe de begrippen uit De Grote Vierslag bij de ene mens voor de dag komen en hoe bij de andere mens. Voorspellen kun je slechts dat zij voor de dag komen. Het stellen van een evidentie als eis geeft een totaal vertekende voorstelling van de werkelijkheid. Dat zal aan het hierboven gezegde over De Grote Vierslag en zijn begrippen duidelijk zijn geworden. Daarbij zal het ook niet moeilijk meer zijn te begrijpen dat het gebruik van De Grote Vierslag als formule uit den boze is. Pas als je het geheel van de werkelijkheid in ogenschouw neemt en dan de lijnen waarlangs het leven zich beweegt gadeslaat kom je tot de ontdekking dat alles via de vierslag verloopt. En pas dan kun je in de bestaande werkelijkheid inzicht krijgen...

Ik heb er al vaak op gewezen dat het dialectische denken van Hegel danig verkeerd terechtgekomen is. Zijn navolgers, die hem uiteraard verkeerd begrepen hebben (het verstandelijke, analytische denken begon immers door te breken en efficiŽnt te worden) dachten dat Hegel bedoelde dat het denken, wilde het goed en doelmatig zijn, dialectisch moest zijn.

Daardoor misleid gingen zij van allerlei aan een geanalyseerde werkelijkheid ontleende zogenaamde tegenstellingen opnemen in een dialectisch proces om vervolgens over te gaan tot het construeren van een blauwdruk voor de toekomst. Zoals bekend was Karl Marx daarin de grote meester. Afgezien van het feit dat hij een zeer heldere analyse van het menselijk bestaan heeft gegeven en als een van de eersten met grote nadruk en overtuigingskracht de economische ellende van de mensen aan de kaak gesteld heeft, is zijn visie op een toekomstige goede wereld volslagen fout. Zijn geforceerde dialectische denken bracht hem tot verkeerde gedachtegangen en zijn uiteindelijke voorspellingen bleken ondeugdelijk...

Overtuiging/overtuigingen/levensovertuiging-zie A1 , B2 , C3 , D4 , E5 , F6 , G7 , H8 ,

No. 74

Het leidt tot grote en fatale misvattingen als men De Grote Vierslag gaat gebruiken als een formule om toekomstige ontwikkelingen te voorspellen en om er eventueel een beleid op te vestigen. Zoals gezegd is de eerste reden dat een dergelijk gebruik van De Grote Vierslag fout is deze, dat je in een formule alleen maar op zichzelf staande grootheden in kunt voeren, grootheden dus die voortgekomen zijn uit analyse van de werkelijkheid. Voor wetenschappelijke theorievorming en technologische processen is dat allemaal prima en zelfs noodzakelijk, maar als het gaat om het leven van de mensen kan er geen analyse toegepast worden en dus kunnen er dan ook geen uit analyse verkregen waarden ingevoerd worden. Dus: als eerste moet gesteld worden dat het bewerken van De Grote Vierslag met afzonderlijke waarden uit den boze is. Als tweede argument tegen het invoeren van vaste waarden in een als formule gebruikte Grote Vierslag dient het volgende: als je nagaat hoe het zit met het leven van de mensen, en dan speciaal voor zover dat leven te typeren is doormiddel van het begrip bestaan, ontkom je er niet aan de conclusie te trekken dat dat bestaan gebaseerd is op de werking van de vier essentiŽle begrippen uit De Grote Vierslag. Dit evenwel is een ontdekking, dat wil zeggen dat op een gegeven moment blijkt dat er iets speciaals aan de hand is. Het is dus een kwestie van blijken zo te zijn. Een bepaalde zaak is er en alleen dat er zijn van die zaak leidt (achteraf) tot bepaalde conclusies. In het geval van De Grote Vierslag ga je als eerste na hoe het dagelijkse leven er uitziet, om daarna tot de conclusie te komen dat het altijd een kwestie van nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme is. Het feit dat je deze begrippen al eerder uit het ontstaan van de werkelijkheid afgeleid hebt doet er in dit verband weinig toe, hoewel het een feit is dat dit het herkennen en doorzien van het dagelijkse leven aanzienlijk vergemakkelijkt. Hoe dan ook, het is volstrekt uitgesloten dat je van tevoren in de cluster De Grote Vierslag waarden invult en vervolgens voorspellingen en andere uitspraken over heden en toekomst doet. Het is daarmee als met de kunst, waarvan ook nimmer van tevoren uitgerekend kan worden wanneer zij werkelijk kunst (=gestalte van schoonheid) is en wanneer niet. Zoals ik al eerder, aan de hand van het voorbeeld van Hegel en Marx, heb uitgelegd ben je in deze gevallen bezig met het als eis stellen van evidenties, het bij voorbaat als criterium voor een zaak stellen van datgene dat nog aan die zaak, eenmaal aanwezig, blijken moet.

Behalve bovengenoemde argumenten is er nog een belangrijke reden waarom gebruik van De Grote Vierslag, als zou het een formule zijn, in feite misbruik genoemd moet worden. Als je te doen hebt met een formule staan de verschillende factoren daarvan naast elkaar. In feite geeft de formule aan hoe die factoren naast elkaar staan, dat wil zeggen, welke verhouding er is tussen die factoren.

Zo'n verhouding is niets anders dan de relatie tussen de ene factor en de andere. Het bestaan van een relatie kan allerlei vormen en waarden inhouden, maar nooit is er te spreken van een in elkaar overgaan. Zoals ik in een ander verband heb laten zien (Beweging en Verschijnsel deel 1, 2, en 3) kunnen twee brandpunten met elkaar tot een eenheid komen doordat een zogenaamde vrije beweeglijkheid van het ene brandpunt tegelijkertijd een vrije beweeglijkheid van het andere brandpunt is. Daaraan zijn allerlei zaken te bedenken, maar in ieder geval heb je te doen met zogezegd een eenheid van twee, waarbij de ruimte van de een overgaat in die van de ander. Gaat het over het begrip relatie, dan is er van in elkaar overgaan geen sprake: het een blijft buiten het ander en hoogstens is de kloof tussen beide meer of minder intensief overbrugd.

Als het gaat over De Grote Vierslag heb je te doen met een in elkaar overgaan van grootheden, begrippen. Dat geschiedt op een speciale wijze, namelijk zo dat er sprake is van een zogenaamde sequens. Dat is een opeenvolging waarbij het voorgaande het zich inzetten van het volgende inhoudt en het volgende het voorgaande, dat zich vol ontplooid heeft, inhoudt. De begrippen van De Grote Vierslag staan ook niet willekeurig naast elkaar, maar vormen zo'n sequens. Dat betekent dat elk volgend begrip uit het voorgaande volgt. Dat houdt op zijn beurt in dat het voorgaande het volgende mogelijk maakt en dat dat volgende, eenmaal tot ontwikkeling gekomen, het voorgaande volledig inhoudt. Het is niet voor niets dat de begrippenreeks van De Grote Vierslag begint met het begrip nihilisme. Dat begrip is niet zomaar het eerste, maar het is de basis van alles. Zonder de ondergrond van werkelijk tot ontplooiing gekomen nihilisme kunnen de andere drie er op volgende begrippen onmogelijk een reŽle betekenis krijgen. Anarchisme bijvoorbeeld heeft geen enkele betekenis als het besef dat de werkelijkheid volstrekt waardeloos is niet tot een onontkoombare realiteit is geworden. Is dit namelijk nog niet het geval, dan is het onvermijdelijk dat je je door iets laat leiden en dan is er niet meer te spreken van jezelf besturen. Ik heb het daar uitvoerig over gehad. Je kunt de redenering uiteraard doorzetten naar de overige begrippen: socialisme is niet mogelijk zonder de zichzelf besturende mens en het communisme kan geen menselijke inhoud krijgen als de ene mens niet onvoorwaardelijk de aanwezigheid van de andere mens herkent en erkent. Het is dus zo dat de vier begrippen uit De Grote Vierslag elkaar logisch opvolgen en helemaal niet in een wederzijdse relatie naast elkaar staan zoals dat met een formule het geval is. Het feit dat de begrippen van De Grote Vierslag een sequens vormen heeft tot gevolg dat geen ervan tot zijn recht kan komen als de voorgaande niet of nog niet in orde is. Zou je nu De Grote Vierslag als een formule willen gebruiken, dan loop je al onmiddellijk vast omdat het eerste begrip, namelijk het nihilisme, geen realiteit geworden is. Anders gezegd: omdat het begrip nihilisme nog niet voor jezelf is gaan gelden, maar nog in het stadium van een al of niet aanvaarde theorie verkeert. Omdat dit het geval is kan er van geen overgaan naar anarchisme sprake zijn en van de rest komt al helemaal niets terecht. Maar, dat is nog niet alles: ook in het geval dat iemand al door en door nihilistisch geworden is, is het nog steeds onmogelijk om de volgende stap, namelijk de overgang naar anarchisme, te zetten. Je kunt daar geen invulling aan geven omdat het anarchisme zich uit het nihilisme moet Ontwikkelen - en dat is een onvoorspelbaar proces, precies zoals je nimmer kunt voorspellen hoe het met een kind gesteld zal zijn dat zich in de moederschoot ontwikkelt.

 Je weet dat het zich ontwikkelt, maar niet hoe dat is en waartoe dat leidt.

Tenslotte moet nog opgemerkt worden dat het uit elkaar voortkomen van de opeenvolgende begrippen geen uitsluitend karakter heeft, dat wil zeggen: dat er als nihilisme nog bezig is zich te realiseren, geen sprake kan zijn van anarchisme en volgende begrippen. Doordat De Grote Vierslag een samenhangende eenheid is betekent ontwikkeling van het ene begrip automatisch ontwikkeling van het andere begrip. En het is daarbij zo dat bedoelde ontwikkeling inhoudt dat, naast het zich ontplooien van de begrippen zelf, ook de genoemde sequens zich tot een realiteit maakt. Op grond daarvan kun je stellen dat communisme pas mogelijk is vanaf het moment dat de voorgaande drie grootheden ontwikkeld zijn, en dat socialisme pas mogelijk is als nihilisme en anarchisme realiteit zijn geworden, enzovoort.

No. 75

Sociaal Democratie ; Liberale Democratie ; Parlementaire Democratie ;

De sequens die de vier begrippen uit De Grote Vierslag vormen komt in zijn geheel tot ontwikkeling. Als die achter de rug is gelden alle vier de begrippen en bij het nagaan van die vier begrippen blijkt dat er een bepaalde opeenvolging is. Heb je het over het ene begrip dan kan dat niet zonder de andere drie. Zo is te zeggen dat bijvoorbeeld nihilisme geen behoorlijke betekenis kan hebben als er niet als vanzelf anarchisme, socialisme en communisme uit voortvloeien. Een dergelijk leeg nihilisme komt niet tot een vernietigd-zijn van alle waarden, maar blijft steken in de vernietiging zelf en is als zodanig uitermate negatief. Het is dan een misdadige zaak, zoals meer dan eens in de praktijk gebleken is. En wat De Grote Vierslag zelf betreft: zolang deze nog niet ten volle voor de dag gekomen is heb je te doen met de mens als onvolwassen individu en daarvoor geldt het begrip particulier. De mens als particulier is de mens als onvolwassen individu. Deze is nog bezig zichzelf te vinden en daardoor is hij volkomen bevangen in het breed maken van zichzelf. Hij zondert zich van de anderen af omdat voor hem nog het besef actueel is dat hijzelf de ander niet is. Dit besef is uiteraard juist, maar het bevangen zijn er in levert een in principe asociaal mens op die alleen maar op zichzelf gericht is. Dat is het particuliere aan hem. Deze particulier gedraagt zich maatschappelijk als een kapitalist, die alleen maar dat onderneemt wat het op zichzelf gericht zijn bevredigt. Bezien in het licht van de samenleving blijkt hij een liberaal te zijn omdat het op zichzelf gerichte breed maken vrijheid van handelen vooronderstelt. Omdat hij toch, zij het op primitieve wijze, de mens als individu is gunt hij de ander ook die vrijheid. Dat stelt echter niet zo erg veel voor als die ander - wat meestal het geval is - de kans niet krijgt zich ook breed te maken. Omdat diegenen die als kapitalist geslaagd zijn (min of meer!) een groot aantal anderen in hun macht hebben kunnen maar weinigen slagen in hun opzet, terwijl velen de dupe zijn. Enfin, het overbekende beeld dat steeds weer aangevoerd wordt als argument tťgen de gedachte dat de mens zich tot individu zal ontwikkelen.

Het op zichzelf gerichte breed maken leidt tot een maatschappij waarin een uitermate verfijnde infrastructuur aanwezig is. Ook staat er een veelheid aan spullen ter beschikking die over het algemeen in principe nuttig zijn. Voorts is er een voortdurende vooruitgang te bespeuren omdat elke kapitalist probeert de markt te veroveren. Dit laatste leidt onvermijdelijk tot een groot aantal asociale excessen, maar die behoef ik hier niet op te sommen omdat die altijd en overal door zogenaamde bestrijders van het kapitalisme met verve naar voren gebracht worden.

Niet alleen echter - ik heb op deze zaken al eerder gewezen - leidt het gedoe van het breed maken tot het voldoen aan vele behoeften zodat het op grond daarvan zinvol genoemd moet worden, maar ook en vooral leidt het tot een uitgebreid rechtsstelsel dat niet alleen de onderlinge betrekkingen tussen de verschillende individuen reguleert, maar vooral ook een normaliserende werking heeft op het zogenaamde vrije spel der maatschappelijke krachten. Anders gezegd: de productie en de handel worden onderworpen aan allerlei soorten van reglementen. Het getuigt dan ook van weinig inzicht in de moderne wereld als men volhoudt dat er een vrije markt is waarin de kapitalisten vrijelijk en ongeremd hun eigen gang kunnen gaan. Je kunt natuurlijk ook het begrip socialisme op zichzelf, los van de andere drie begrippen, denken.

Weliswaar is het dan geen socialisme meer, maar het geeft wel inzicht in een maatschappelijk verschijnsel in de moderne mensheid dat sociaal democratie genoemd wordt en dat steunt op politieke partijen die zichzelf socialistisch noemen. Dat socialisme heeft natuurlijk ook alles te maken met De Grote Vierslag in onvolwassen vorm. Gaat het op volwassen wijze om het inzicht dat als ik er ben jij er vanzelfsprekend ook bent, op onvolwassen wijze gaat het om het omgekeerde: als jij er bent heb ik het recht er ook te willen zijn. Deze zaak heeft dus een opeisend karakter en alleen al daaruit blijkt het onvolwassene ervan. Als je namelijk iets opeist stel je je afhankelijk van degene aan wie je de eisen stelt en je levert je uit aan diens goedwillendheid. Dat geldt zelfs als je na een eventuele weigering - die natuurlijk onvermijdelijk is - met geweld je deel in bezit neemt. In feite wordt je gehele gedrag bepaald door de ander. Dat wil niet zeggen dat er geen gegronde reden zou zijn om je deel van de koek op te eisen. Twee argumenten die pleiten voor dat opeisen zijn zelfs voor de hand liggend: ten eerste het argument dat de kapitalist, dus de particuliere individu, als hij niet afgeremd wordt alles probeert in bezit te nemen en niets voor die ander over laat en ten tweede het argument dat daarbij de ander gewetenloos onderdrukt wordt. De door Marx ten tonele gevoerde proletariŽr is de mens die niets heeft en die in alle opzichten onderdrukt wordt. Dit hierboven beschreven socialisme is natuurlijk in wezen puur kapitalistisch van aard. Het is de maatschappelijke beweging van mensen die ook in de ontwikkeling naar individu-zijn willen worden opgenomen. Zoals gezegd kan die ontwikkeling niet anders beginnen dan bij de particuliere mens die in zijn gedoe kapitalistisch is. Die particuliere mens treft zichzelf bij zijn ontwaken aan als een verpauperde onderlaag van de maatschappij, overheerst door rijke en nagenoeg autonome ťlites. Het zich bevrijden daarvan is de eerste stap die gezet moet worden en naarmate dat resultaten gaat afwerpen komt, in volkomen samenhang daarmee, het particuliere karakter van die onderlaag te voorschijn. Je ziet tegenwoordig dan ook dat de gehele moderne wereld kapitalistisch geworden is en dat het enige nog bestaande onderscheid tussen de mensen dit is dat de een wat meer geslaagd is dan de ander. Dat betekent ook dat het oorspronkelijke politieke socialisme, het opeisende dus, zijn tijd gehad heeft en nog slechts wat in de marge kan knutselen. Dat is niet jammer en dat is niet negatief, het ligt in de logica en het is feitelijk een stap voorwaarts. Het zich tot individu ontwikkelen van de socialistische (opeisende) particulier, de gewezen proletariŽr, gaat thans niet meer via dat veroveren van een stukje van de koek, maar via het zo hoog mogelijk opklimmen langs de ladder van het op intellectuele wijze functioneren in de maatschappij, die overigens nauwelijks nog iets anders is dan een economie...

Als je het bovenstaande begrijpt en ook door hebt hoe het zit met de begrippen van De Grote Vierslag kun je zonder veel moeite inzien waarom nu juist de zich socialistisch noemende staten hopeloos waren achtergebleven in de maatschappelijke ontwikkeling. Dat heeft niets te maken met economisch falen of trouweloosheid van de leiders, wat overigens wel overal aan de orde was, maar met een rigoureus beletten van de individuele ontwikkeling van de mensen. Men deed dat omdat men dacht dat het kapitalisme bestreden moest worden. Velen denken dat nog en zij gaan dan met een verbazingwekkende verblinding langsheen het feit dat juist in de zogenaamde kapitalistische wereld het sociale besef van de mensen sterker ontwikkeld is dan waar ook en zeker dan in de socialistische staten. Dat besef uit zich in allerlei sociale voorzieningen, maar vooral in het feit dat geen enkele overheid er omheen kan de rechten van de individuen te erkennen en te eerbiedigen.

Sociaal Democratie ; Liberale Democratie ; Parlementaire Democratie ;

No. 76

Lang niet iedereen in de westerse wereld stelt het op prijs een socialist genoemd te worden. Uiteraard vat men deze benaming dan op in een politieke zin. Over het algemeen is te zeggen dat deze afwijzing berust op afkeer van het verstorende opeisende karakter van zo'n partij, maar ook op het collectivisme dat terecht als een beknotting van de persoonlijke vrijheid wordt opgevat. Hoe dan ook, men wil niet graag socialist genoemd worden. Maar: de mensen in de westerse wereld zijn de meest socialistische ter wereld. Nu echter in deze zin dat het erkennen van het bestaansrecht van de ander in de westerse wereld het meest Onvoorwaardelijk is. Doordat de ontwikkeling naar individu-zijn hier het verst gevorderd is, is ook het waarachtige socialisme het dichtst benaderd. Dat leidt tot allerlei ideeŽn omtrent humaniteit, die echter in veel gevallen niet verbonden worden met het begrip socialisme, en al helemaal niet met het politieke socialisme, maar die toch van essentieel belang voor de samenleving worden gehouden. Zo kan het gebeuren dat diegenen die zich onder geen voorwaarde socialist willen noemen en die er niet aan denken op een socialistische partij te stemmen, toch socialistische opvattingen huldigen. In feite is de gehele westerse wereld op die manier socialistisch, zij het natuurlijk in allerlei variaties.

In zogenaamd socialistische staten kan de ander niet erkend worden omdat dit begrip er helemaal geen rol speelt. Als er al van de ander gesproken wordt heeft dat betrekking op mensen met een andere, maar volstrekt verwerpelijke, opvatting over maatschappij en samenleving. Die ander wordt natuurlijk met alle middelen bestreden: hij is een vijand van het volk, een gevaarlijke reactionair. De medemens evenwel die in een dergelijke socialistische context erkend wordt is de ander in de zin van nog een keer hetzelfde. Hij telt dus alleen mee als en voor zover hij zich conformeert aan het door de partij voorgeschreven model. Een dergelijk erkennen van de ander heeft een aan werkelijke erkenning tegengestelde betekenis. De werkelijke erkenning immers moet Onvoorwaardelijk zijn en dus juist betrekking hebben op de ander die wezenlijk anders is. Het gaat namelijk om de individualiteit en dat is een volstrekt unieke zaak. De modelmens uit een Socialistische (communistische, marxistisch-leninistische, enz.) Staat is het tegendeel daarvan. Juist doordat het individualisme verworpen wordt kunnen er geen behoorlijke betrekkingen tussen de mensen ontstaan en dat leidt ertoe dat er in geen enkel opzicht van een infrastructuur gesproken kan worden. Gevolg daarvan is onder andere dat er van de maatschappelijke voorzieningen nauwelijks iets terechtkomt en dat er gebrek is aan de meest eenvoudige en voor de hand liggende spullen.

Het bovenstaande is een nadere toelichting op wat al eerder ter sprake is gekomen, voornamelijk bij het bespreken van het begrip individu dat essentieel is wat betreft de verwezenlijking van De Grote Vierslag. Een andere uitweiding slaat op het feit dat zo ongeveer halverwege de 19e eeuw de begrippen nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme voor de dag kwamen. Deze begrippen kwamen niet te voorschijn als eigenaardigheden binnen de geldende cultuur, maar als resultaten van de cultuurontwikkeling zelf. Die ontwikkeling betreft het zich ontplooien van de mens als zelfbewustzijn. Het gaat om de uitwerking daarvan. Dat levert allerlei begrippen op die vanaf een zeker moment wel bekend zijn, maar die in het leven van de mensen geen enkele rol spelen. Ze liggen zogezegd in het denken.

De westerse cultuur wemelt van dergelijke in het denken liggende begrippen waarover wel uitvoerig wordt nagedacht en getheoretiseerd, maar die praktisch nauwelijks enige betekenis hebben. Je kunt bijvoorbeeld denken aan begrippen als vrede, liefde, saamhorigheid, ecologie enzovoort. De vier begrippen uit De Grote Vierslag behoren hier ook toe. De begrippen die bijvoorbeeld de mensen in de oudheid ontdekt hebben zijn het gevolg van ervaringen. Op een zeker moment wordt iemand zich bewust van bepaalde verhoudingen en eigenaardigheden die zich voordoen bij praktische aangelegenheden. Zeg maar: zo iemand ontdekt bepaalde regelmatigheden, bepaalde wetten. Die komen dus voort uit gegroeid begrip omtrent de realiteit. In de moderne cultuur evenwel gaat men uit van de voorstelling en ontleedt die vervolgens. De begrippen die men dan tegen komt zijn resultaat van analyse, en niet van ervaring. Het is dan ook bijna regel te noemen dat die begrippen geheel en al buiten het leven liggen en eigenlijk alleen maar een rol spelen in bepaalde theorieŽn. De analyse van de voorstelling levert op den duur alle begrippen op, maar in het bestaan van de mensen spelen zij een volstrekt verwrongen rol die zelfs wel ziekelijk genoemd kan worden. Ik heb al laten zien (in grote lijnen) wat er van de begrippen van De Grote Vierslag terechtgekomen is! Er is op alle mogelijke manieren mee gerommeld, er zijn talloze theorieŽn uit ontwikkeld en utopieŽn op gevestigd. Maar geen van alle bezitten zij enige houdbaarheid, ondanks hun juistheid.

De begrippen die door het analytische denken van de moderne cultuur te voorschijn gebracht worden zijn abstracties. In de filosofie wordt ook wel gesproken over zuivere begrippen, zoals je onder anderen bij Kant, Hegel, Bolland en Borger kunt constateren. Deze denkers zijn tot de slotsom gekomen dat de moderne westerse cultuur uiteindelijk zuiver begrip oplevert. Dat zuivere begrip wordt door hen dermate los van alle tijdelijke, plaatselijke en persoonlijke betrekkingen beschouwd dat ik liever van abstracties spreek, maar dan wel in de letterlijke betekenis, namelijk dat die begrippen afgetrokken van alle uitwendige factoren gesteld zijn. Op zichzelf bezien heb je er eigenlijk niets aan, want de zaak staat geheel en al buiten het leven. Dat blijft echter niet zo. Juist omdat die abstracte begrippen ontsproten zijn aan het zelfbewustzijn gaan zij langzaam maar zeker van invloed worden op het leven. Men kan er namelijk gaandeweg minder omheen. Dat heeft er natuurlijk mee te maken dat de werkelijkheid als zelfbewustzijn altijd de pretentie heeft de waarheid te zijn. Ten gevolge hiervan treedt er een verlevendiging op, en dat is een concretisering van het abstracte begrip.

Je kunt dan ook stellen dat de moderne, van oorsprong westerse, cultuur een tweetal, min of meer parallel lopende processen laat zien: ten eerste het analytische proces dat de begrippen te voorschijn brengt en ten tweede het concretiseringsproces dat de begrippen tot onmiskenbare realiteiten omzet. Wat dit laatste betreft wil ik er op wijzen dat de vaker door mij genoemde filosoof Jan Borger sprak van verlevendiging van het zuiver begrip. En hij trok de conclusie dat tenslotte het zuiver begrip verlevendigd zou zijn en dat het dan aan zou sluiten bij de cultuur van de Slavische volkeren, zeg maar Rusland. Inderdaad worden de begrippen van De Grote Vierslag gaandeweg realiteiten.

De huidige moderne mensen zijn bijvoorbeeld veel anarchistischer dan die van enige decennia geleden; zij zijn nauwelijks nog onder de indruk van hogere maatschappelijke en geestelijke machten. Ook de ontwaarding is in hoge mate voortgeschreden, vaak tot afgrijzen van humanistisch getinte intellectuelen. En het politieke socialisme is ten gronde gegaan evenals het communisme.

No. 77†† Racisme ; Racistische taal ; Slavernij ; Discriminatie zie nrs. 15 en 77 ; Verhullend taalgebruik-1 ; Verhullend taalgebruik-2 ;

De mensen hebben allemaal een voorstelling van de werkelijkheid en dat is een voorstelling die opgebouwd is uit een grote hoeveelheid ervaringen die men op welke wijze dan ook opgedaan heeft. Daartoe behoren ook de indirecte, namelijk die ervaringen die als een vorm van kennis ingeprent en opgenomen zijn. Dat zijn dus ervaringen van anderen waarvan mededeling is gedaan die de mensen zich eigen gemaakt hebben. In ieder geval is het zo dat er in een ieder een voorstelling (is in feite de werkelijkheid als voorstelling) aanwezig is. Deze voorstelling nu vormt het object van onderzoek, van analyse. Al vaker heb ik er op gewezen dat de mens niet de werkelijkheid onderzoekt, maar zijn werkelijkheid, zijn eigen specifieke voorstelling dus. Het onderzoek van deze persoonlijke voorstelling levert informatie op die na rubricering en verwerking tot kennis wordt en die vervolgens zijn plaats krijgt in de een of andere theorie. Voor zover de informatie en de kennis in een theorie opgenomen zijn benoem ik ze met het begrip abstractie en dat begrip komt tot op zekere hoogte overeen met het reeds van Kant afstammende begrip reine Vernunft, oftewel zuiver begrip. Dit laatste begrip wordt doorgaans alleen van betrekking geacht op de filosofie, maar bij nadere beschouwing blijkt dat het voor alle wetenschappelijk verantwoorde kennis geldt. Het zuivere er aan is het in de moderne wetenschap gebruikelijke criterium van waardevrijheid, dat zelfs geldt als je in aanmerking neemt dat geen enkele wetenschappelijke activiteit denkbaar en mogelijk is zonder de invloed van de onderzoeker zelf. Dat de zaak tot Vernunft, tot begrip komt is voor de moderne mens ook niets bijzonders: zo langzamerhand bestaat zijn hele wereld uit een complex van zuivere begrippen - hetgeen de vervreemding, de stuurloosheid en ook de innerlijke vertwijfeling van de moderne mensen verklaart...

Er zijn natuurlijk nogal wat puur wetenschappelijke begrippen die gedoemd zijn buiten het dagelijkse leven te blijven staan. Als voorbeeld kun je denken aan begrippen uit de natuurkunde. Wat kunnen je de quarks (deeltjes binnen de atoomkern) schelen; heb je een boodschap aan de wetten van de thermodynamica of de vrije val van voorwerpen? Maar over het algemeen kun je stellen dat de begrippen langzaam maar zeker van abstracties veranderen in concrete zaken.

Dat wil in geen geval zeggen dat die begrippen als begrippen gemeengoed worden - hoewel zo'n proces ook plaatsvindt - maar het wil zeggen dat datgene dat in een begrip samengevat is tot een vanzelfsprekende realiteit wordt. Dan is de zaak concreet geworden. Je kunt er niet meer omheen en je wilt er ook niet langer omheen. Het is niet meer nodig er over na te denken en ook behoef je de zaak niet meer als een ideale, maatgevende, norm voor ogen te houden. Dus: het begrip wordt geen concrete realiteit, maar datgene dat in een begrip samengevat en uitgedrukt is. Je kunt met recht staande houden dat een groot aantal begrippen op zichzelf gemeengoed zijn geworden. Dat geldt ook voor de begrippen uit De Grote Vierslag. Wie heeft niet eens gehoord van nihilisme, anarchisme, socialisme of communisme? Als begrippen zijn zij alle vier bekend, met, uiteraard, ook de aan begrippen klevende eigenaardigheid dat ze door een ieder op een geheel eigen manier geduid worden. Ze zijn immers allemaal ontsproten aan een persoonlijke voorstelling, al of niet ingeprent door buitenstaanders, zoals leraren, geestelijken, journalisten en andere betweters. Maar geen van alle zijn die begrippen overeenkomstig de werkelijkheid, ze zijn allemaal Onwaar. De waarheid komt pas als die begrippen inhoudelijk tot concrete realiteiten geworden zijn en dus in het dagelijkse leven zijn komen te liggen.

Ook de filosofische waarheid kan alleen maar dan achterhaald worden als de zaak als een levende aangelegenheid gedacht wordt en nimmer als een theoretische probleemstelling. Het onderscheid hiertussen wil nogal eens aan de aandacht van de filosofen ontsnappen: zij denken dan de zaak begrepen te hebben als zij alle verschijningsvormen van het begrip (anarchisme bijvoorbeeld) hebben bestudeerd. Over de verschijningsvormen van het begrip nihilisme zijn ook talloze boekwerken verschenen zonder dat er in feite ook maar iets reŽels op tafel gelegd is.

Er is tegenwoordig veel te doen over het zogenaamde racisme. Daaraan zijn natuurlijk de fascisten en nazi's uit de tweede wereldoorlog in niet geringe mate debet, maar er is waarschijnlijk nog steeds heel wat racisme in de wereld. Toch is het wezenlijk niet terecht dat de moderne westerse wereld almaar racisme verweten wordt. Natuurlijk zijn er ook in het westen racisten: de niet geringe culturele voorsprong van die wereld brengt menigeen in de verleiding diegenen die er alsnog buitenvallen van een minderwaardig soort te achten. Maar, dat wil niet zeggen dat de moderne westerse wereld racistisch is, bijvoorbeeld als men niet staat te juichen bij de toevloed aan verschoppelingen die asiel en onderdak zoeken. Dit laatste is heel wat anders dan racisme waarbij mensen van een ander ras (wat is trouwens een ras?) zonder meer als inferieur worden gewaardeerd. Als het gaat over het concreet worden van de begrippen uit De Grote Vierslag, dan is daar ook het begrip socialisme dat tot een vanzelfsprekende realiteit in het dagelijkse leven wordt. Vanzelfsprekend wordt dus steeds meer dat de ander er ook is, en wel onvoorwaardelijk. Deze bewustwording speelt zich op zijn sterkst in de moderne westerse wereld af, uiteraard op grond van het feit dat het proces van individualisering al behoorlijk ver gevorderd is. Deze ontwikkeling houdt in dat veroordeling van de medemens op grond van diens anders- zijn almaar meer onmogelijk wordt - op een voor een ieder vanzelfsprekende wijze! Dus: als er ergens ter wereld nog nauwelijks een voedingsbodem is voor racisme, dan is het in die westerse wereld. Aan dit feit kunnen al die, met een zekere masochistische graagte naar voren gebrachte, voorbeelden van racisme niets af doen. Juist de felle reactie van de moderne mensen op racistische tendensen en incidenten wijst op een zich bewust worden van.. . het echte socialisme, dat wil zeggen als ik er ben, ben jij er vanzelfsprekend ook.

Anderzijds is het tekenend dat in die culturen die minder ver op de weg van het individualisme gevorderd zijn - over het algemeen niet-westerse culturen allerlei radicale vormen van racisme veelvuldig voorkomen, een feit dat vanuit de moderne vrees om van discriminatie beschuldigd te kunnen worden steeds onder tafel geschoven wordt. Zo staat het inmiddels wel vast dat bijvoorbeeld de verschillende volkeren in Afrika elkaar met uitermate racistische waardeoordelen verketteren en er zelfs niet tegenop zien tot massamoorden over te gaan. Het huidige westerse post- moderne denken echter verbiedt het om hierop in afkeurende zin de aandacht te vestigen. Overigens is het natuurlijk wel zo dat de bedoelde culturen en volkeren ook bezig zijn met een individualistische zelfverwerkelijking, maar het is thans nog niet veel...

Er is dus een dubbele werking van ťťn proces op te merken: enerzijds is er de individualisering die, nog niet voltooid zijnde, een zich van elkaar afscheiden van de mensen tot gevolg heeft, samengaande met het ondergraven en afbreken van allerlei collectieve voorzieningen, terwijl er zich tegelijkertijd een toenemende onvoorwaardelijke erkenning van de ander manifesteert. Dit laatste ten gevolge van het feit dat juist de mens die bij zichzelf terechtgekomen is vanuit zichzelf als bewustzijn tot saamhorigheid met zijn medemensen komt.

Racisme ; Racistische taal ; Slavernij ; Discriminatie zie nrs. 15 en 77 ; Verhullend taalgebruik-1 ; Verhullend taalgebruik-2 ;

No. 78

 De volwassen mens is de mens die tenslotte bij zichzelf terecht is gekomen. Dat betekent dat de werkelijkheid als bewustzijn ten volle is gaan gelden en dat leidt ertoe dat de ganse kosmos zich voor het zelfbewustzijn van de mens - zijn zien, ervaren, kennen en begrijpen - manifesteert als ťťn geheel waarin alles met alles samenhangt. Op dat moment van aanvankelijke volwassenheid is het gelden van De Grote Vierslag een feit geworden. Voordat dit het geval was verkeerde De Grote Vierslag in staat van ontwikkeling. Zoals ik heb laten zien vertoont het dagelijkse leven van de mensen tijdens die ontwikkeling een Grote Vierslag waarin de cluster van nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme, op verkeerde wijze aan de dag treedt. Zo betekenen bijvoorbeeld nihilisme in dat geval totale vernietiging en anarchisme absolute alleenheerschappij van de enkeling. Waartoe de begrippen socialisme en communisme verworden hebben wij zelfs in de praktijk gezien...

Het ligt in de aard van de moderne mens om tot de conclusie te komen dat er wat aan gedaan moet worden opdat De Grote Vierslag kan gaan gelden. Hij verkeert namelijk in de mening dat de mensheid alleen maar iets kan bereiken door er wat aan te doen. Zou het nu bijvoorbeeld gaan over het schoonmaken van het plantsoen voor de deur, dan is die mening terecht en zinvol: de taak ligt duidelijk en concreet voor je, je weet hoe je die aan moet pakken en bovenal weet je wat het resultaat zal zijn. Dat hele proces is dus voorspelbaar - althans binnen redelijke grenzen. Dat echter is niet het geval als het gaat over het terechtkomen van de mens en de mensheid. Je kunt niet voorspellen voor welke opgaven je over enige tijd zult komen te staan. Dat blijkt onder andere duidelijk bij de voorspellingen die wetenschappers doen. Zij rekenen bijvoorbeeld uit hoeveel energie er over 50 jaar nodig zal zijn en dringen er op grond daarvan op aan dat er centrales - uiteraard kerncentrales! - gebouwd moeten worden. Telkens weer blijkt dat dergelijke berekeningen, die met veel zogenaamd wetenschappelijk aplomb gepresenteerd worden, nergens op slaan.

En nog steeds hebben die wetenschappers niet in de gaten dat zij met onzin bezig zijn, die overigens nog gevaarlijk is ook omdat hij leidt tot volkomen foute ingrepen in de menselijke werkelijkheid. Hoewel er dus, met het oog op het toekomstige volwassen worden van de mens, geen taken zijn aan te wijzen, zijn de moderne geleerden toch volop bezig taken te verzinnen. Los daarvan echter is de filosofische vraag te stellen of de mensheid terechtkomt en hoe dat dan gaat. In ieder geval gaat het dus niet via de weg van het verzinnen van allerlei zaken die de mensen moeten doen of laten. Het kan geen kwaad die zaken eens nader te bekijken: a) Wanneer je denkt dat het terechtkomen van de mensheid uitsluitend een materiŽle zaak is, gelukt het niet op genoemde vragen een antwoord te vinden. De zogenaamde economische wetenschap is dus in dit verband waardeloos. b) Als je als basis voor je filosofie over een toekomstige wereld neemt een collectieve inspanning van de mensen, wordt het ook niets met het beantwoorden van genoemde vragen. Ik doel nu dus op beleid en ander geregel door overheden en andere hooggeplaatsten, zelfs als die zijn gaan functioneren als mondiale instellingen zoals de verenigde Naties en dergelijke. c) Als je je filosofische gedachtegang baseert op de fictieve verwachting dat de mensen ooit nog eens zullen veranderen - in de zin van een volstrekt ander mens worden - dan kun je er maar beter meteen mee ophouden, want dan wordt het ook niets! Trouwens, de pastoors, de dominees en de idealisten hebben dat al uit den treure geprobeerd... d) Ook de tegenwoordig populaire mening dat het mogelijk zou zijn de mensen het goede af te dwingen slaat in het licht van het ooit nog eens terechtkomen van de mensheid nergens op.

Zo kun je al bij voorbaat stellen dat het gedoe met militaire interventies om de vrede te bewaren of af te dwingen op niets uitloopt. Het opmerkelijke van bovengenoemde probeersels is dat zij allemaal een uitwendig karakter hebben. Bij geen daarvan is het voor de individuele mens mogelijk er iets aan te doen of er invloed op uit te oefenen. Steeds zijn andere mensen of andere omstandigheden vereist. Pas als die aan bepaalde voorwaarden voldoen opent zich enigszins een perspectief naar de toekomst. Maar het is dan wel een gemakkelijk verhaal: als het met de economie meezit, wordt alles nog eens goed, als de overheden nu eens niet corrupt waren en werkelijk het goede voor ogen hadden komen we in het paradijs, als de mensen eindelijk eens veranderden wordt het leven een feest en tenslotte, als je nu eens de vrede kon bewerkstelligen, dan... Het is een hele reeks van alsen die de basis vormen van die gedachtegangen over de toekomst. Maar het woordje als slaat steeds op iets onmogelijks! Je kunt dan ook al die verhalen als onwerkelijke dagdromen van de hand wijzen. Het is echter wel opvallend dat in onze moderne wereld dergelijke ficties steeds meer hoogtij vieren en dat men nauwelijks nog in staat is verder te kijken dan de eigen neuslengte...

Elk verhaal dat op een als gegrond is komt er op neer dat er van buitenaf iets moet gebeuren om de zaak terecht te brengen. De mensen zouden dan zichzelf vinden ten gevolge van allerlei gebeurtenissen die in feite buiten hen omgaan. Maar, het is niet zo moeilijk om te bedenken dat er dan nooit iets van terecht zal komen, want de buitenwereld kan niet op een zodanige wijze gemanipuleerd worden dat hij ten volle een gunstige voorwaarde schept voor het welzijn van iedere afzonderlijke individu.

Op de een of andere manier lopen er dan onvermijdelijk een heleboel individuen voor gek, net zoals dat volgens Cervantes het geval was met Don Quichotte. En anderen kunnen niet anders dan ziek zijn, zoals Dostojewskiís vorst Mysjkin in De Idioot. Dan heb ik het nog niet eens over Tijl Uilenspiegel, want bij hem in de buurt liep zo ongeveer iedereen voor gek.!

Ik heb er al steeds op gewezen dat je de menselijke werkelijkheid alleen maar kunt begrijpen door er achter te komen hoe het zit met de mens als individu. En dan moet je daarbij ook nog voor ogen houden dat die individu niet beschouwd mag worden als het kleinste element van een verzameling, collectief of groep, want dan ga je alsnog de fout in. Je hebt in feite geen keus: de processen in de werkelijkheid lopen uit in een volkomen op zichzelf staand verschijnsel, namelijk een mens. Eigenlijk moet je dan ook nog denken aan de vrouw, omdat de levende werkelijkheid een vrouwelijke is. Al het levende komt uit het vrouwelijke voort. Dit op zichzelf staande verschijnsel, deze individuele mens, is de apotheose van het wordingsproces. En dit verschijnsel is zozeer individueel dat het ook nog eens vrij is van zijn oorsprong (voorbij de materie) en vrij van iets wat er op zou kunnen volgen (niet-materie, geest of god en dergelijke). Niet de verzameling mensen bevindt zich tussen hemel en aarde, maar de individuele mens. En als hij dit tenslotte laat gelden is hij de individu. Voor de individu is, zoals al steeds gezegd, de werkelijkheid als bewustzijn een realiteit geworden en voor die werkelijkheid is alles ineen. Dat betekent dat voor de individu de werkelijkheid een inwendige is. In hemzelf speelt zich alles af.

No. 79

Gemeenschapszin-1 ; Gemeenschapszin-2 ; Gemeenschapszin-3 ; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld(orde)-2 ; Betere Wereld-3 ; verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

Er zijn twee vragen te stellen. De eerste komt er op neer dat je vraagt wat wij zouden moeten doen om De Grote Vierslag te realiseren. Eigenlijk stel je dan een vraag zoals politici, managers en beleidsmakers die stellen. Een dergelijke vraag is, zoals dat zo vaak in het moderne denken het geval is, gebaseerd op het als eis stellen van een evidentie. Ik heb daar al vaak op gewezen, maar als je er speciaal op gaat letten wanneer en hoe moderne mensen zich tot zoiets laten verleiden, dan blijkt dat het eerder regel dan uitzondering is. Alle beschouwingen over een toekomstige wereld komen neer op het als eis stellen van evidenties. Dat gaat als volgt in zijn werk: sinds de tijd van de Verlichting is er in de mensheid bij wijze van blauwdruk een idee omtrent een toekomstige wereld opgekomen. Over het algemeen is te zeggen dat die idee tamelijk goed overeenkomt met wat algemene menselijkheid genoemd zou kunnen worden. Het gaat inderdaad om een toekomstige gemeenschap van vrije mensen, dus mensen die Ongeacht de anderen zichzelf zijn. Mensen dus ook die de ander niet nodig hebben om zich te laten gelden en die dus bijvoorbeeld geen behoefte meer hebben anderen tot hun werktuig te maken. Natuurlijk gaat het hierbij, zoals steeds, om De Grote Vierslag! Vanaf het moment van het zich manifesteren van die idee gaat men, binnen het kader van het onvolwassen denken, de daarop berustende blauwdruk als doel stellen. Daarheen moeten wij op weg, op zodanige wijze moeten wij onszelf en onze maatschappij hervormen. Het gaat er nu dus om dat wij iets gaan moeten. Dat moeten denken wij zelf uit en wij bepalen zelf wat de inhoud en de betekenis ervan zijn. Dat begrip moeten treedt op als resultaat van menselijk denken, in samenhang met bepaalde voorstellingen binnen het zelfbewustzijn. De mensen leggen zichzelf en elkaar dan een bepaald programma op en dat programma is dwingend want ervan afwijken, betekent dat het doel niet bereikt zal worden. De dwang komt vanuit de mensen zelf en hij slaat op het leven en handelen van diezelfde mensen.

Het begrip moeten kan ook nog uit iets anders voortkomen. Je kunt namelijk nagaan wat de logisch onvermijdelijke gang van zaken zal zijn voor het proces dat op den duur tot volwassenheid leidt. In dit geval gaat het over de evidentie zelf, dus over datgene dat klaarblijkelijk voor de dag zal gaan komen. Het begrip moeten slaat dan niet op een eis die men afleidt uit de evidentie, maar het slaat op de evidentie zelf, namelijk datgene dat noodzakelijk zal gebeuren - of de mensen zich daarvoor nu inspannen of niet. Het komt echter hoogst zelden voor dat iemand er zo over denkt en daarnaar handelt. Vroeger, in het TaoÔsme van de Chinezen, begreep men het wel en noemde het Woe Wei, dat wil zeggen niet handelen. Onder de moderne mensen is er bijna niemand die zich onbevooroordeeld zet tot het uitzoeken van datgene dat evident is, maar daarentegen gaat nagenoeg iedereen er onmiddellijk toe over een programma op te stellen. Zo'n programma is eigenlijk een manifestatie van mechanistisch denken.

Men stelt zich een bepaald doel en men rekent uit hoe het proces moet verlopen om dat doel te bereiken. Het is als met een machine: aan het eind moeten er spijkers (of iets anders) uit komen. En gelijk bij de machine het geval is moet ook het gehele productieproces van a tot z gehoorzamen aan de sturing door de manager. Die sturing geschiedt van buitenaf en daarin heeft de machine zelf geen zeggenschap. Dat is als het over een machine gaat uiteraard volkomen logisch en gerechtvaardigd. Het kan immers niet anders! Maar als het over de mensen gaat en de weg die zij zullen afleggen om ooit nog eens volwassen te worden, dan is het mechanistische denken volstrekt uit den boze.

 ( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)

De mens dient dan niet te bepalen hoe de weg zijn zal, maar hij zal op elk moment moeten nagaan hoe het met die weg zit. Wat hij vervolgens kan doen is zorgen dat hij het afleggen van de weg zoveel als mogelijk in goede banen leidt, hetgeen in feite inhoudt dat hij voortdurend bijstuurt en daarbij zoveel als mogelijk fouten vermijdt. Sprekende over het begrip anarchisme heb ik al gesproken over dat bijsturen. De tweede vraag slaat dus niet op wat wij volgens ons moeten doen, maar hij slaat op wat logisch is en bijgevolg zoveel mogelijk bevorderd moet worden.

Er is nog iets waarop gewezen moet worden. Zolang en voor zover de mensen namelijk denken dat zij het doel en de weg zelf moeten bepalen kunnen zij logischerwijs niet anders dan in collectiviteiten denken. De door hen uitgedachte blauwdruk moet voor het collectief van alle mensen een realiteit worden. Maar, als je begrijpt dat het niet om het bepalen van de weg gaat maar om het nagaan en het volgen ervan, dan is het tegelijkertijd duidelijk voor je dat het geen collectieve zaak is maar een individuele. De weg naar volwassenheid is de weg van jou en mij. In ons persoonlijk spelen de noodzakelijke processen zich af en brengen teweeg wat zij teweeg brengen. Met collectiviteiten heeft dat niets te maken, sterker nog: collectiviteiten komen in het hele verhaal van de menselijke ontwikkeling niet voor! Weliswaar zijn de mensen steeds in collectief verband bezig, maar dat berust op bepaalde, door de alsnog onvolwassen mensen zelf ontworpen voorstellingen en niet op het feitelijke proces in de werkelijkheid. Dat proces gaat als het ware buiten de mens om, ook al is deze er volledig in betrokken. Dus: het als eis stellen van evidenties leidt noodzakelijk tot het denken in collectieven, maar het nagaan en volgen van evidenties daarentegen leidt tot individuele ontwikkeling.

Omdat het laatste overeenkomt met de werkelijke situatie van de mens mislukken na korter of langer tijd onherroepelijk alle op collectieve basis gestoelde experimenten met samenlevingsvormen, zoals daar zijn communes, kibboetsen en op zogenaamd socialisme gegronde Staatsvormen. Het mislukken hiervan ligt dus in de logica en daardoor is het dom de deelnemers aan zulke experimenten van gebrek aan gemeenschapszin te beschuldigen. Geen enkel redelijk mens houdt het uit bij een collectieve identiteit! Ook wat dit betreft is het opmerkelijk dat bijna nooit iemand zelfs maar overweegt of het mislukken van bovengenoemde experimenten wellicht aan de experimenten kan liggen en niet aan de eraan deelnemende individuen. Dit laatste wil uitdrukkelijk niet zeggen dat die individuen vrijuit gaan, want doorgaans hebben zij in hun egoÔsme flink aan die mislukking bijgedragen. Maar, hoe dan ook, er is toch geen andere mogelijkheid dan dat het mislukt!

Toen, als vervolg op de verlichting, de sluimerende individualiteit in de gehele westerse mensheid ontwaakte leidde dat tot doelstellingen die een uitgesproken collectivistisch karakter hadden. Deze doelstellingen behelsden een betere wereld waarin de verhoudingen gelijkwaardig zouden zijn. Uiteraard kwamen de onderste lagen van de maatschappij daarmee. De bovenlaag, die in feite slechts uit een volstrekte minderheid bestond, vond het natuurlijk wel goed zoals het was: men kwam niets tekort, men kon vrijwel onbelemmerd macht uitoefenen en men genoot een schier onbeperkte vrijheid van handelen. Dat waren natuurlijk de enkelen die het al ver gebracht hadden als individu en die zich als kapitalist konden en wilden laten gelden. Maar de onderlaag ontwaakte en wilde verandering. Die verandering berustte op een voorstelling van een goede, althans betere wereld en men volgde daarbij onbewust de begrippen uit De Grote Vierslag. Hierover heb ik het uitvoerig gehad. Maar, het basisgegeven van die onderlaag was het behoren tot een ongedifferentieerd collectief.

Gemeenschapszin-1 ; Gemeenschapszin-2 ; Gemeenschapszin-3 ; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld(orde)-2 ; Betere Wereld-3 ; verlichting-1, verlichting-2, verlichting-3, verlichting-4, verlichting-5, verlichting-6, verlichting-7 ; verlichting-8 ; verlichting-9 ; verlichting-10 ; verlichting-11, verlichting-12 ; verlichting-13 ; verlichting-14 ; verlichting-15 ;

No. 80lees e.e.a. ook vanaf no. 78

Overtuiging/overtuigingen/levensovertuiging-zie A1 , B2 , C3 , D4 , E5 , F6 , G7 , H8 ,

Via de macht van het collectief en de opofferingen van onvoorstelbaar moedige enkelingen is het de maatschappelijke onderlaag in de eerste helft van onze eeuw gelukt steeds meer rechten, faciliteiten en welvaart voor zichzelf op te eisen. Uiteraard ging dat vanuit de overtuiging dat die onderlaag net zoveel recht op welvaart en welzijn heeft als de aanvankelijk nog kleine bovenlaag, die overigens wel op de een of andere manier uit die onderlaag was voortgekomen. De adel had de strijd al in de vorige eeuw verloren! Genoemde overtuiging leidde ertoe dat men enerzijds de bezitters hun bezit ging kwalijk nemen en daarbij een ideologie ging ontwikkelen die in sterke mate overeenkomt met de christelijke leer van onthouding en afwijzing van het stoffelijke, om anderzijds de eigen welstand gaandeweg te vergroten. Dat bevorderen van eigen welstand heeft in wezen niet zoveel te maken met een in de onderlaag ontwaakt rechtvaardigheidsgevoel inzake het eerlijk verdelen, maar heeft daarentegen alles te maken met de ontwikkeling tot individu, die zich overal doorgezet heeft. Het is juist deze ontwikkeling die de mensen uit de ban van een onwaardige, grauwe en onpersoonlijke waardeloosheid vrijmaakt en die hen doet inzien niet de mindere van wie dan ook te zijn.

Maar, diezelfde ontwikkeling breekt de door hen om te beginnen gevormde collectieven genadeloos af en maakt hen eveneens tot bezitters van de wereld...

Het is niet de taak van de filosoof om voorspellingen te doen. Eigenlijk is dat niemands taak, want in de grond van de zaak is de werkelijkheid door en door Onvoorspelbaar. Toch zijn er wel gebieden die enigerlei voorspelling toelaten, zeker is dat het geval als het over het mechanische aspect van de werkelijkheid gaat en het daarbij behorende mechanistische denken. De filosoof echter moet zich van voorspellingen onthouden. Juist hij (zij) weet veel te goed hoe het zit met de beweeglijkheid van de werkelijkheid. Dat alles neemt echter niet weg dat het filosofisch mogelijk en verantwoord is een beeld te schetsen van toekomstige ontwikkelingen. Die mogelijkheid komt voort uit het herkennen en beschrijven van bepaalde bewegingen, ontwikkelingen dus. Deze mogen echter geen incidenteel karakter hebben, zoals bijvoorbeeld bepaalde bewegingen in de economie en bewegingen in de gangbare wetenschappelijke interesses. Ook politieke ontwikkelingen zijn bijna steeds van zeer kortstondige en betrekkelijk wezenloze aard. Wil je op deze gebieden toch een lijn naar de toekomst blootleggen, dan moet deze ver boven het incidentele uitstijgen. Het is met absolute zekerheid te stellen dat de individualistische ontwikkeling van de mensheid doorgaat. Ik behoef nu niet meer uit te leggen dat de mens uiteindelijk individu is! Dus: genoemde ontwikkeling is de grote lijn die getrokken kan en moet worden. Vervolgens zijn er enkele sub-zekerheden uit af te leiden. Zo is het eveneens zeker dat de collectieven steeds meer in zullen storten en dat daarmee een aanvankelijk onaangename bandeloosheid op zal treden. Elke poging om die afbraak een halt toe te roepen zal logischerwijs mislukken - dat zou niet het geval zijn als de mens toch een kuddedier was met de daarbij behorende behoefte in een groep op (of beter: onder) te gaan. Het instorten van de collectieven zal de Staat en de macht van de politici almaar meer ondermijnen zodat de, overigens door de Staat steeds meer verwaarloosde, infrastructuur noodzakelijk in handen van de burgers zelf kan overgaan. Uiteraard zijn het de grote ondernemingen die er om te beginnen beslag op zullen leggen, maar gaandeweg zal blijken dat juist dan de invloed van de burgers het grootst is: de ondernemingen zijn immers rechtstreeks afhankelijk van die burgers, terwijl de Staat er per definitie bovenuit gaat!

Zo is ook te voorspellen (maar dat is wezenlijk geen voorspellen) dat de zich individualistisch ontwikkelende enkelingen steeds meer individu zullen worden en, daaraan meekomend, almaar meer onvoorwaardelijk de vrije aanwezigheid van de ander zullen herkennen en bevestigen. Deze onvoorwaardelijke erkenning is de eerste praktisch maatschappelijke stap op de weg naar het alles omvattende nihilisme. Mensen die onvoorwaardelijk erkend worden zijn voor de erkennende individu niet langer van waarde: je kunt ze nergens voor gebruiken, ze geen enkel gedrag afdwingen en nergens in onder brengen. Deze eerste nihilistische stap is de moeilijkste. Vinden dat je zelf ergens recht op hebt is niet zo moeilijk, maar vinden en onvoorwaardelijk laten gelden dat de ander rechten heeft is bijna niet te doen, althans niet om te beginnen. In de ontwikkeling van de mensheid speelt echter het al of niet moeilijk zijn van een bepaalde stap geen rol. De zaak gaat toch door, maar de mensen zelf kunnen er persoonlijk af en toe een zware dobber aan hebben!

Ook de ontwikkeling van de mensheid gaat zijn eigen gang, of de mensen het nu leuk vinden of niet. De gedachte dat de mensen hun wereld kunnen maken (in de zin van ontwerpen) is een foute gedachte: in de grond van de zaak ontwerpt de werkelijkheid zelve de wereld. Maar het volgens dat ontwerp opbouwen en inrichten van de wereld is een zaak van menselijke activiteit. En die activiteit vraagt een helder inzicht in de werkelijkheid. Die vraag en behoefte liggen er omdat de mens volkomen vrij in de kosmos staat.

Zoals in de loop van dit verhaal over De Grote Vierslag aangetoond, behoort de mens nergens bij en is de mens nergens in onder te brengen. Zo kan hij overal nee op zeggen en bijvoorbeeld het opbouwen en inrichten geruime tijd verzieken. Maar uiteindelijk geldt toch dat hij in al zijn vrijheid bij het proces behoort dat de werkelijkheid in wezen is, zodat zijn nee-zeggen en zijn opbouwen en inrichten en andere activiteiten toch binnen de logische lijn van dat proces blijven. Op grond van dit laatste, namelijk het dubbele karakter van het volkomen vrij zijn en het verwerkelijken van een logische lijn is met stelligheid te zeggen dat de mens tenslotte individu zal zijn. Hij zal ermee eindigen De Grote Vierslag in al zijn nuances en betekenissen te verwerkelijken. Het is ondenkbaar dat er ergens in het heelal mensen zullen zijn die niet aan De Grote Vierslag toekomen. Zouden zij namelijk de aanleg missen zover te komen, dan zouden zij geen vrije verschijnselen zijn, en dus geen laatste verschijnselen. Dat te veronderstellen is echter onlogisch juist omdat het over mensen gaat! Dus: gaat het over mensen, dan is volwassenheid onvermijdelijk en De Grote Vierslag noodzakelijk. En dat uitsluitend door het vrije karakter van de mens. Overigens blijft het mogelijk dat de planeet zelf (voor de mensen) voortijdig ten onder gaat, door een of andere kosmische ramp.

Dan moge tot troost dienen dat ongetwijfeld mensen elders in het heelal de reis wel zullen halen!

Overtuiging/overtuigingen/levensovertuiging-zie A1 , B2 , C3 , D4 , E5 , F6 , G7 , H8 ,

Tot zover deze Goudse cursus over DE GROTE VIERSLAG

Rotterdam, 15 juni 1994

Jan Vis, filosoof

Naar :Startpagina

Bovenstaande tekst is geschreven:

Door Jan Vis, filosoof.

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit deze bundel zonder meer toegestaan.

Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld.

 

website analysis
website analysis

website analysis
online hit counter