DE KUNST VAN HET FILOSOFEREN

1987-1989

Bijlage: enkele raadgevingen

 

DE KUNST VAN HET FILOSOFEREN

abortus, academische filosofie, academische vak filosofen, alfred ayer, also sprach zarathustra, analytische filosofie,anarchisme, apollinische beginsel, apollo, aristoteles, arthur Schopenhauer, atheisme, bertrand russell, blut und boden, bolland, confucius, creatieve filosofie, cursus filosofie, cursus filosoferen, de evangelien, de gnostici, de kunst van het filosoferen, de moderne filosofie, de wiener kreis, descartes, du sollst, ecologie, ethica, existentialisme, fascisme, filosoferen, filosofie, friedrich engels, genetische manipulatie, hegel,

heilige geest, heracleitos, het arbeidsproces, het brein, het ontstaansproces, hoe zit het, holisten, humanisme, immanuel kant,

jacob bohme, jan borger, jan vis, jean paul sartre, joden, kant, karl marx, karl raimund popper, kernenergie, leo polak,

ludwig wittgenstein, martin heidegger, mensenrechten,meister eckhart, michael bakoenin, mystici, mysticus,

nationaal socialisme, nationaal-socialisme, newton, nietzsche, nirwana, oerchristendom, plato, saamhorigheid, socrates, spinoza,

the survival of the fittest, veiligheid, wereldbouwer, wie ben ik, zelfbewustzijn, zelfontkenning.

 

 

Naar het begin van de cursus

 

Naar bladwijzers en andere artikelen

 

 

Help mee om deze site te promoten. Vertel het uw…!

(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )

 

Bladwijzer(s): NAVO(tot nummer 116) ; Structurele Discriminatie ; Yoga ; Depressies/Neurosen-Individu vs Persoonlijkheid. Lees o.a. nrs 126 t/m 130 ; Zelfmoord ; existentialisme-1 ; existentialisme-2 ; je denkt dan van: beneden naar boven  ; Tot op de dag van vandaag wordt er, al of niet binnen een godsdienstige context, precies andersom gedacht, namelijk van boven naar beneden ; Sociaal worden.! Hoe zó ; Mystiek-1 ; Mystiek/het goddelijke-2(28t/m33) ; Mystiek-3 ; Mystiek-4 ; Mystiek-5 ; Mystiek-6 ;  Mystiek-7 ; Darwin(isme) ; Depressies / neurosen e.d. hoe zit dat.? Lees o.a. nrs. 129/130 ; Demagogie, demagoog, demagogisch-Zie o.a. nrs. 14 t/m 18 ; Natuurrampen / Oorlogen / Revoluties ; Gnostici-Jezus-Socrates ; onzekerheid ; BELONING ; Zalig zijn de armen van geest ; Ecologie ; terrorisme ; Kernenergie ;  Verantwoordelijkheid ; vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; vervreemding-3 en vervreemding-4 ; Rodin ; leerproces-1 ; leerproces-2 ; leerproces-3 ; Loyaal ; creatieve filosofen ; Deugt je brein voor het gereglementeerde… ; Mijn levensvervulling..? ; Archimedisch punt-(t/m 114) ; Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Overgang-1 ; Onverdraagzaam ; Opvoeding/Opvoeden-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Verlies aan houvast-1 ; Verlies aan houvast-2 ; Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ; Mensenrechten ; Leerling ; Politionele acties ; Oude Testament-1 ; Oude Testament-2 ; China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ; Beleving-nrs.. 32 en33 ; Raskolnikov Confrontatie-1 ; Confrontatie-2 ; Confrontatie-3 ; Confrontatie-4 ; Voorstelling van de werkelijkheid zie: - A- ; B- ; C- ; D- ; E- ; F- ; G- ; H- ;  I- ; Boeddhisme ; (Zen)-boeddhisme(nrs.96, 97 en 98) ;

 

 

 

Naar artikelen: Het toenemend belang van het Atheïsme ; Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheïsme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ;  Ongewenst atheïsme- zie afl. 32 ;  Een grens te ver (Israël) ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 ; Kunnen moslims zich invoegen in de Moderne cultuur..? – aflevering no. 37 ; De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjari’a ; Burqa, volg bladwijzer ; Is er dan toch een GOD..? Hoe zit dat..?  Briewisseling- Geweld- Godsdienst- Geloof ;  Loyaal: zie bladwijzers in Filosofische invallen 1 t/m 26, ; Loyaal: zie bladwijzers in De ontwikkeling van de West Europese Cultuur, ; Loyaal: zie bladwijzers  in De Grote Vierslag, ; Loyaal: zie bladwijzers  in Alledaags Commentaar 1 t/m 40, ; Kan alles maar..!-zie bladwijzers ;

 

Terug naar de Startpagina

 

Bijlage: enkele raadgevingen

 

 

 

 

( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)

DE KUNST VAN HET FILOSOFEREN

 

Het ligt voor mensen van onze cultuur voor de hand om bij het nadenken over “De kunst van het filosoferen” als eerste te grijpen naar enige boekwerken op het gebied van de filosofie. Dat echter leidt tot een bittere teleurstelling. Die moderne verhandelingen zijn namelijk niet te begrijpen. Enerzijds word je geconfronteerd met vraagstellingen waarvan je het belang helemaal niet in kunt zien en die sterk doen denken aan het spitsvondige gezever dat in de Middeleeuwen bij de scholastici (geleerden die zich in hun filosofie uitsluitend op geschriften van anderen baseerden) in zwang was en anderzijds vormt het gebruik van bepaalde vaktermen, die bijna nooit behoorlijk uitgelegd worden, een onoverkomelijke barrière. Ten aanzien van die beide aspecten dringt zich het wanhopige gevoel bij je op dat je blijkbaar “te dom” bent voor de filosofie. Als je een overzicht wilt hebben van de moderne westerse filosofie word je door kenners aangeraden de “Geschiedenis van de westerse filosofie” van Bertrand Russell, of de “Filosofie in de twintigste eeuw” van Alfred Ayer door te nemen, maar dat is onbegonnen werk, beide boeken zijn niet te lezen en, zeker dat van Ayer, mislukt in de opzet een overzicht te geven. Het verkrijgen van een helderder inzicht in de werkelijkheid is al helemaal onmogelijk, voornamelijk omdat het almaar niet over de werkelijkheid gaat. In belangrijke mate houdt men zich in de moderne filosofie bezig met het analyseren van... elkaars beweringen! Ook wat dat betreft is een herinnering aan de scholastiek niet misplaatst.


Het is en blijft moeilijk een zo helder mogelijke beschrijving van de werkelijkheid te geven. Net als in de kunst probeer je er zo dicht mogelijk bij te komen, maar helemaal gelukken doet het niet. Misverstanden zijn en blijven niet te vermijden. Maar, als je dit probleem tracht op te lossen door gebruik te gaan maken van een vaktaal, waarvan je beweert de betekenis van de woorden ondubbelzinnig afgesproken te hebben, kies je al helemaal de verkeerde weg. Je gaat voorbij aan het feit dat ook zo'n afspraak onherroepelijk voor een ieder een andere betekenis heeft. Maar bovendien isoleer je de filosofie van de mensen, je plaatst haar buiten hun gedachtewereld. Voor een specialistische wetenschap, zoals bijvoorbeeld de natuurkunde, is dat niet erg, want qua wijsheid mis je niets aan de natuurkunde of aan welke wetenschap dan ook. Maar voor de filosofie ligt dat geheel anders: filosoferen en genieten van filosofie behoort net zo bij een mens als het beoefenen en het genieten van kunst.

3.

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Deugt je brein voor het gereglementeerde…

 

De moderne kunst is, evenals de filosofie, van de mensen vervreemd en dat manifesteert zich in een (vak)taal, die slechts voor insiders te verstaan is. Wie daarin niet is opgeleid, is letterlijk “te dom” om er iets van te begrijpen. Gelukkig echter treft de “dommeriken” geen blaam: beide, zowel de kunst als de filosofie, behoren een zo eenvoudig mogelijke taal te spreken, die op zichzelf geen moeilijkheden oplevert. Dat is voor ons uiteraard het gangbare taalgebruik. Dat houdt in ieder geval de mogelijkheid in door iedereen begrepen te kunnen worden. Daarmee is de kans op misverstanden minimaal.

 Een kind, dat op school niet goed meekan, wordt gewoonlijk “dom” genoemd. Het begrijpt de dingen niet die door de leraar verteld worden. Maar misschien is dat kind helemaal niet dom en doorziet het het dubieuze karakter van de kennis die het aangeboden - en zelfs opgedrongen - krijgt. Die kennis wordt voorgesteld als een vaststaande waarheid, onbetwijfelbaar juist en onmisbaar voor het verdere leven. Je kunt echter met recht betwijfelen of dat wel waar is. En omgekeerd, al die kinderen die het dan wel zo goed begrepen en niet de kwalificatie “dom” kregen, bleken die dan later, toen zij tot “hoge posities” in de maatschappij opgeklommen waren, zo intelligent bezig te zijn? Afgaande op de toestand in de wereld, bestuurd door diegenen die als kind “zo goed meekonden”, zou je moeten concluderen dat het tegendeel eerder waar is: die “uitblinkers” blijken niet bepaald veel van de werkelijkheid te begrijpen. De vraag of iemand al dan niet “dom” is, is dan ook geen goede vraag. Waarom het gaat is: deugt je brein voor het gereglementeerde, het geconditioneerde, denken of deugt het er niet voor. Als dat laatste het geval is blijf je voortdurend vragen stellen en juist dan ben je “intelligent” - ook als iedereen je een domkop vindt.

Voor de kunst is elke formele uitingsvorm fnuikend. Als zij qua uiting volledig gebonden is aan reglementen en formules en daaraan niet kan en mag ontkomen, is het voor haar onmogelijk om “kunst” te zijn. Alle kunsten doorbreken voortdurend hun eigen regels, formules en wetten. Niet dat dit hun “taak” is, zoals de moderne kunstenaars menen, maar het is iets dat noodzakelijk aan de creatieve activiteit meekomt. De kunst als activiteit van de kunstenaar is gebonden aan regels en wetten, maar zij gaat als resultaat van creativiteit, dus als kunstwerk, boven dat stelsel van regels en wetten uit, is niet in een formule te vatten. Mozart heeft in zijn muziek de muzikale formules niet terzijde geschoven. Zijn muziek zou dan alleen maar herrie geweest zijn. Neen, hij heeft ze boven zichzelf uitgetild, achter zich gelaten. Als je probeert de kunst te reglementeren, help je de kunst om zeep. Dat is bijvoorbeeld gebeurd in de beeldende kunst van de Sovjet-Unie. Marxistisch Leninistische kunst is geen kunst! Maar anderzijds: als je probeert de regels en wetten over boord te gooien krijg je chaos. Hetzelfde geldt voor de filosofie. Als zij de werkelijkheid moet beschrijven binnen een keurslijf van formules en zich dus van een vaktaal moet bedienen is elke mogelijkheid tot verdieping van inzicht uitgesloten.

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Deugt je brein voor het gereglementeerde…

4.


Het is dan uitgesloten dat je iets nieuws ontdekt, want alles wat niet aan de formules beantwoordt valt buiten het terrein van het denken. Maar anderzijds kan je ook niet stellen dat er geen regels zijn! Die regels echter hebben een heel ander karakter dan de formules waarvan men zich in de moderne filosofie bedient. Als je in staat bent je op de juiste wijze aan de regels te houden is het evenwel bijna onmogelijk geworden de “formele” filosofie te genieten omdat deze over een werkelijkheid blijkt te gaan, die de jouwe niet is.

 

Opmerkelijk is dat de filosofie, aan het begin van haar ontwikkeling enkele eeuwen voor onze jaartelling, met bijzonder heldere inzichten kwam. Het was natuurlijk nog niet erg uitgewerkt en er werden heel wat feitelijke onjuistheden beweerd, maar het inzicht was helder. Heracleitos bijvoorbeeld wist al te melden dat alles in voortdurende beweging is en hij poogde van daaruit stelselmatig te denken. Hetzelfde geldt voor de oude oosterse denkers. Maar hierop is vrijwel niemand daadwerkelijk doorgegaan en bijgevolg is er weinig verdieping van inzicht voor de dag gekomen. Wel echter is het opstellen van formules doorgegaan, waardoor het filosoferen steeds meer een exclusief vak werd voor enkelingen. Het werd een “wetenschap”.

 

Naarmate je meer inzicht krijgt in het reilen en zeilen van onze wereld, hoe meer je de neiging krijgt het hele gedoe één gigantische verlakkerij te noemen. Daarbij gaat het er niet in de eerste plaats om dat veel mensen de boel verlakken, maar het gaat er om dat wij met z'n allen onszelf een rad voor ogen draaien en daardoor in een illusie leven. Die illusie is alles omvattend. Het gaat dus niet om een aantal bepaalde illusies, zoals die van het militarisme, die van de godsdienst, die van de democratie, enz. Zou dat het geval zijn, dan zou je er reële zaken naast en tegenover kunnen stellen. Nee, onze gehele wereldbeschouwing berust op een illusie.

 

Je kunt dat constateren aan de resultaten van al het gedoe: in toenemende mate mislukt alles, men verliest de greep op het bestaan en er is een grote toename van allerlei bedreigingen. Je ziet duidelijk dat men zich bezig houdt met een wereld die in feite helemaal niet bestaat. De democratie bijvoorbeeld, zoals vooral de politici die aanwezig achten, is er helemaal niet; de vredesonderhandelingen zijn niet wat men meent dat zij zijn, de gezondheidszorg, het recht en alle andere zaken, zij zijn niet wat men zichzelf en anderen wijsmaakt dat zij zijn. Deze “zelfverlakkerij” is ook aan de orde als het over de westerse en vooral als het over de moderne filosofie gaat.

 

Enige eeuwen voor onze jaartelling begon over de gehele wereld de filosofie uit te botten. Dat was niet alleen het geval in het oude Griekenland (waarop wij meestal onze aandacht richten), maar ook in het oosten (China, India) en op het Amerikaanse continent. Over dit laatste weten wij niet zo bar veel, maar als je eens let op de verhalen van de

Noord-Amerikaanse indianen, die tegenwoordig meer en meer bekend worden, bemerk je dat ook daar het inzicht in de werkelijkheid begon door te breken.

China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ;

5.


Het feit dat men die inzichten verwoordde op een beeldende wijze en daarbij zijn toevlucht nam tot voorstellingen die op zichzelf niet met de feitelijke werkelijkheid stroken (regengoden, als geest aanwezige voorouders e.d.) is in dit verband niet van belang. Men wist nog niet wat aan te vangen met het doorbrekende inzicht. Je kunt het die mensen nauwelijks kwalijk nemen - wij weten het tegenwoordig nog niet. ! Er kwam wat “licht in de duisternis”. Dat leverde praktisch geen beter leven op, maar het alles overheersende gevoel onderworpen te zijn aan de natuur begon te wijken voor het vermoeden er op de een of andere manier boven te staan. Wat er met de mensen aan de hand was is dit. De werkelijkheid als “beeld” was zichtbaar geworden, zoals je in een kamer alle voorwerpen kunt zien als je het licht ontstoken hebt, maar nog niet bent overgegaan tot het onderzoeken van die voorwerpen. In de praktijk zie je dan ook dat er een toenemende neiging is tot onderzoek, en daar begint de filosofie.

 

Het spreekt vanzelf dat het begon met het beschrijven van de werkelijkheid in ruwe onderscheidingen, die afgeleid werden uit de werkelijkheid als “beeld”. De basisinzichten waren bijgevolg juist (de beschrijvingen), maar de feitelijke invulling niet. De wereld bestaat in de grond van de zaak niet uit lucht, water, aarde, vuur, en zij bestaat ook niet uit kleine, ondeelbare dingen, enzovoort. Maar ook kan je niet stellen dat het onjuiste beweringen zijn. Vooral in het oosten ontdekte men heel wat essentiële zaken, zoals de beweeglijkheid als grond van de werkelijkheid. In ieder geval is het zoeken naar het elementaire wel een gevolg van een juist inzicht. En dat geldt ook voor bijvoorbeeld het zoeken naar “de deugd”, wat in feite de vraag is naar het samenvallen van de mensen met de werkelijkheid, een vraag die tot de diepste behoort die je kunt stellen, omdat de werkelijkheid als mens nu eenmaal dubbel is, met als gevolg dat een mens de werkelijkheid kan ontkennen. Omdat een mens “nee” kan zeggen op de werkelijkheid komt de vraag naar de “deugd” - de vraag naar het samenvallen - op. Maar ook was er veel aandacht voor de schoonheid en het schone, de allesomvattende liefde en de weg, die de mensen zouden moeten gaan om tenslotte “volmaakt” te worden.

 

Toen de werkelijkheid als “beeld” eenmaal zichtbaar geworden was kon het niet uitblijven dat het onderzoek een aanvang zou nemen. Eigenlijk begint daar Onze tijd: men gaat de dingen uit elkaar halen en de werkelijkheid wetenschappelijk opdelen in vakgebieden, steeds meer en steeds verfijnder. Nu zou je verwachten dat met het toenemen van de kennis, als gevolg van het steeds nauwkeuriger onderzoek, het inzicht in de werkelijkheid dieper zou worden. Maar dat is nu precies niet waar! Dat wil zeggen: het wereldbeeld geeft geen verdieping van inzicht te zien, maar juist een verlies daarvan. Slechts bij enkele individuele mensen gaat het verdiepingsproces door. De sporen daarvan kan je zien bij kunstenaars.

6.


Ook in de filosofie tref je genoemde sporen aan, maar dan wel net bij die filosofen wier denkbeelden, al werden die destijds hooglijk geprezen, inmiddels algemeen verworpen worden. Het “ filosofische wereldbeeld” is er meer en meer een geworden van onderzoek en de discussie over de bij dat onderzoek toe te passen methodieken. Bijgevolg zijn de feitelijke uitspraken houdbaarder geworden. Geen zinnig mens zal meer beweren dat de werkelijkheid uit aarde, water, enz. bestaat, of dat de aarde plat is. Maar zulke uitspraken zijn eigenlijk voor de filosofie niet zo erg van belang. Het gaat om verdieping van inzicht in de werkelijkheid. Daarvan is nauwelijks iets terechtgekomen en op het ogenblik kan je ook bij de filosofie constateren dat men het heeft over een werkelijkheid die zo niet bestaat. Als je de verschillende filosofen leest (voor zover dat te doen is!) bemerk je dat men zelfs niet in staat is te vertellen wat filosofie nu eigenlijk is. Heel vaak wordt ze voorgesteld als een soort van “superwetenschap”, die vanuit een zekere hoogte de andere wetenschappen overziet en beoordeelt. Dat houdt automatisch in dat je als filosoof thuis zou moeten zijn in al die wetenschappen en dat is dan ook een eis die doorgaans gesteld wordt. Vooral de wetenschap van de wiskunde staat in hoog aanzien, maar tegenwoordig geldt dat ook voor de wetenschap van de taal en haar betekenissen. In ieder geval gaat het om zaken die 1) élitair (een opleiding vereisend), 2) tijdgebonden (de huidige stand van de kennis) en 3) empirisch (gericht op de meetbare dingen) zijn. Uitgerekend zaken die de betekenis van de filosofie teniet doen. Je geeft een overzicht van de intellectuele stand van zaken in de wereld in plaats van een zo genuanceerd mogelijke beschrijving van de werkelijkheid als “beeld”. Als filosoof vertel je over die werkelijkheid en alles wat daaraan meekomt voor de mens. Je beantwoordt dan tevens aan de voor alle mensen geldende noodzaak om gericht te zijn op de werkelijkheid zelf. Als dat inderdaad het geval is, qua filosofie, kan er geen sprake meer van zijn dat “de mensen” er geen boodschap aan hebben. Voor iedereen geldt dat “vertellen over de werkelijkheid” - alleen:

lang niet iedereen brengt er iets van terecht en dat geldt des te meer voor de mensen uit onze hedendaagse cultuur.

 

Het filosoferen, in de zin van “beschrijven van de werkelijkheid als beeld”, is een activiteit die voor ieder mens geldt. Je kunt dan ook zeggen dat ieder mens het kan omdat iedereen het doet. Het met elkaar spreken, van gedachten wisselen, is eigenlijk al dat bedoelde “beschrijven”. Het gaat dan wel niet over onderwerpen die wij gewoonlijk als “filosofisch” beschouwen, maar toch zijn het beschrijvingen van de werkelijkheid. Dat betekent echter niet dat iedereen in staat is zich de kunst van het filosoferen eigen te maken. Die kunst is wat anders dan het gewone beschrijven dat je doet als je praat over de dingen van alledag en daaraan het een en ander bedenkt. Om van die kunst iets terecht te brengen moet je een speciale creatieve aanleg hebben en zo'n aanleg komt betrekkelijk weinig voor. Wat vaker zie je de aanleg om van de filosofie te kunnen genieten, dat wil zeggen: van de filosofie die door anderen uitgedacht en naar voren gebracht wordt.

7.

Dit “genieten” mag in geen geval verward worden met leren of studeren, want dat is een overdraagbare, schoolse zaak. Als je goed mee kunt op school kan je van alles leren, wiskunde, geneeskunde, enzovoort, en ook filosofie. Je leert dan de verzameling kennis, die Over de filosofie, als wetenschappelijk vak bekend is. Diegenen die tegenwoordig “filosoof” genoemd worden zijn vrijwel zonder uitzondering “academische vak filosofen”. Het resultaat van hun werkzaamheden noem ik in het vervolg “vak filosofie”, ter onderscheiding van het resultaat van het creatieve proces. Dat noem ik “creatieve filosofie”, in overeenstemming met de oorspronkelijke betekenis van het woord filosofie. Het bovenstaande leidt tot de constatering dat er tegenwoordig tamelijk veel vak filosofie bedreven wordt omdat tamelijk veel mensen in staat zijn te studeren en er bovendien veel literatuur voorhanden is. Maar ook moet je vaststellen dat het creatieve filosoferen nog net zo zeldzaam is als vroeger, maar veel minder gewaardeerd wordt omdat men de vak filosofie voor de enige echte houdt en van daaruit het creatieve filosoferen wantrouwt.

 


Het is tegenwoordig gebruikelijk om te ontkennen dat er voor bepaalde activiteiten een aanleg nodig is. Vanuit het moderne denken heeft de foute mening postgevat dat iedereen alles zou kunnen leren als aan een aantal uitwendige voorwaarden is voldaan: in de gelegenheid zijn onderwijs te volgen, in staat zijn dingen systematisch in zich op te nemen en het vermogen het geleerde toe te passen. Die voorwaarden zijn betrekkelijk, dat wil zeggen dat zij bevorderd kunnen worden door respectievelijk scholen op te richten, leerprocessen te oefenen (leren hoe te leren) en door praktisch bezig te zijn. Helemaal onbegrijpelijk is het niet dat men meent dat alles te leren is. Men richt zich namelijk niet meer op een activiteit zelf, maar op de methodieken ervan en denkt dan dat alles in orde is als je die beheerst. Zo wordt ons voorgehouden dat iedereen kan leren schilderen, muziek maken, schrijven, en dat eigenlijk iedereen een kunstenaar is. Men verwart dan de methodiek, die te leren is en eigenlijk uit een verzameling trucs bestaat, met het creatieve proces. Dit laatste is echter niet te leren, je moet er aanleg voor hebben. Daar komt nog iets bij, speciaal als het over de kunst en het filosoferen gaat. Die hebben namelijk rechtstreeks betrekking op aspecten van de werkelijkheid als beeld, zoals die in ieder mens aanwezig is. Je kunt namelijk dat beeld zelf beschrijven en dat doe je in de creatieve filosofie; je kunt ook facetten van dat beeld beschrijven: vorm, kleur en lijn (beeldende kunst), trilling (muziek), beweging (dans) en de samenhangende opeenvolging van gebeurtenissen (literatuur). Wat je ook doet, steeds gaat het om de werkelijkheid als beeld in jezelf en die werkelijkheid leg je voor een moment vast. Je maakt haar voor een moment “ervaarbaar”, je geeft haar gestalte. Omdat het beeld in feite echter beweeglijk (trillend) is, voldoet zo'n “momentopname” nooit, zodat je letterlijk aan de gang kunt blijven. Steeds weer leg je het beeld vast om het tevens onmiddellijk weer los te maken.

leerproces-1 ; leerproces-2 ; leerproces-3

8.

Maar dat “beeld” is iets algemeens, het is aanwezig in alle mensen en het is in alle mensen precies dezelfde werkelijkheid. De creatieve filosofie en de kunst verwijzen steeds naar dat beeld, zodat ze in principe voor iedereen verstaanbaar zijn. En nu komt het misverstand doordat de zaak voor iedereen geldt en doordat de erbij behorende methodieken overdraagbaar zijn (een ieder kan dat leren) meent men dat de creatieve filosofie en de kunst een vak zijn dat je bij een goede opleiding onder de knie kunt krijgen. Daarbij wordt de aanleg om naar dat beeld te kunnen verwijzen en dus een kunst te beoefenen over het hoofd gezien. Dat is echter wel precies datgene waarom het gaat...

Doordat de kunst en de filosofie verwijzen naar het beeld van de werkelijkheid in onszelf is het mogelijk ervan te genieten. Dat is voor moderne mensen niet goed te plaatsen omdat beide, door de toespitsing op de methodieken, élitair zijn geworden, van de mensen vervreemd zijn. Je moet er “verstand” van hebben, in opgeleid zijn. Maar in de oudheid genoot iedereen van de schone dingen en niemand was er in opgeleid. De Atheense Akropolis bijvoorbeeld had niet alleen maar een religieuze betekenis. Het was een oord van schoonheid waarvan iedereen genoot. Dat was mogelijk omdat de mensen nog in het teken van de werkelijkheid als beeld stonden en zich bijgevolg met de schone kunsten en de schoonheid verwant voelden. Het was zogezegd hun werkelijkheid. Zelf waren zij ook voortdurend bezig hun gebruiksvoorwerpen en dergelijke te verfraaien en daarin waren zij zo bedreven dat wij die voorwerpen nu in de musea als iets bijzonders tentoonstellen. Zelfs in het westen is de ontvankelijkheid voor het kunstzinnige nog lang blijven bestaan, ongeveer tot het begin van de 19e eeuw. Wij verbazen ons bijvoorbeeld nog steeds over de fraaie bouwwerken in oude steden en begrijpen niet waar de mensen toentertijd die zuivere kijk vandaan haalden. Het zit hem echter in het zich verwant voelen met het beeld.


Het is opmerkelijk dat men zich in de moderne filosofie richt op onderzoek en zelfs van mening is dat het de taak van de filosofie zou zijn de werkelijkheid te onderzoeken. Dit is een misvatting. Het gaat in de creatieve filosofie, de echte dus, alleen maar om het beschrijven van het beeld. Om dat genuanceerd te kunnen doen lijkt het noodzakelijk om onderzoek te plegen, maar bij nadere beschouwing blijkt dat het er alleen maar om gaat de fijnste nuances in het beeld te onderscheiden. Soms kan onderzoek daarbij helpen, zoals dat ook het geval is met het maken van analyses, maar meer dan hulpmiddelen zijn het niet. De fixatie op onderzoek en analyse leidt onherroepelijk tot vak filosofie waarin het verband met de werkelijkheid, het beeld, verloren moet gaan. Op zijn best kan je die vak filosofie dan nog rekenen tot de wetenschappen, want die moeten het wel van onderzoek en analyse hebben.

 

We hebben al gezien dat iedereen kan filosoferen, maar dat lang niet iedereen in staat in de kunst van het filosoferen te beoefenen.

9.

Hetzelfde geldt voor de andere kunsten: iedereen kan wel zo'n beetje tekenen of schilderen en wat muziek maken, enzovoort. In feite echter zijn er maar een paar enkelingen die het echt kunnen. We hebben te doen met een speciale aanleg en nu is het de vraag hoe dat zit met zo'n aanleg. Vaak hoor je de mening verkondigen dat er geen speciale aanleg bestaat, maar dat het allemaal een kwestie van graduatie zou zijn, van een glijdende schaal van niveaus. Dat zou dan lopen van, zeg maar, klungelig naar geniaal. Dat zou dus betekenen dat bijvoorbeeld de creatieve filosoof het gewoon wat beter kan dan de rest. Tot op zekere hoogte is dit inderdaad een feit, want de ene creatieve filosoof filosofeert wat helderder dan de andere. Wat dit betreft zijn er dus graduaties.

Maar als het over de essentie van de zaak gaat blijkt de gedachte dat het uitsluitend om niveauverschillen zou gaan onhoudbaar te zijn. Die gedachte zou namelijk betekenen dat de klungelige denkers en kunstenaars met precies dezelfde werkelijkheid bezig zouden zijn, op een klungelige manier net zo mooi als bijvoorbeeld Rembrandt of net zo helder als Hegel. Maar als je dat nader gaat onderzoeken, dan blijkt dat helemaal het geval niet te zijn. Bijna iedereen, op de “groten” na, houdt zich met iets heel anders bezig, zeg maar: de tijdelijke, concrete en alledaagse werkelijkheid.

Volkomen gevangen in de voorstellingen van de eigen tijd en gebonden aan de dan geldende normen en regels. Daarbij is de een wat vaardiger dan de ander, mede afhankelijk van de op dat moment geldende opvattingen over vakkundigheid, maar toch duidelijk van hetzelfde karakter. En dan plotseling is er iemand wiens kunst of filosofie een heel andere aard heeft. Je zou kunnen spreken van een “omslag”, een “revolutie”. Je wordt geconfronteerd met een volledig andere werkelijkheid. Datzelfde geldt ook voor de filosofie, maar omdat die niet in de musea hangt, niet in de concertzaal klinkt en doorgaans nogal ontoegankelijk is, weten we daarvan gewoonlijk weinig af.

Bij nadere bestudering blijkt echter wel degelijk dat verreweg de meeste filosofen bevangen blijven in de methoden en regels van hun vak en niet aan de heersende opvattingen en voorstellingen ontkomen. Dat is in sterke mate het geval bij de moderne vak filosofie, waarin men zelden verder komt dan een wetenschappelijke, vaak uiterst knappe, analyse van die opvattingen en voorstellingen. En wat er dan vervolgens gebeurt, is het met elkaar ruzie maken over het al of niet juiste gebruik van een bepaalde methode bij het komen tot een uitspraak over de werkelijkheid. Men zoekt naarstig naar omstandigheden (“condities”) waaronder zo'n uitspraak wel eens Onwaar zou kunnen zijn. Plotseling is er dan zo iemand als Spinoza (1632 - 1677) die, hoewel ook moeilijk leesbaar omdat hij zijn betoog, bijvoorbeeld de “Ethica”, op natuurwetenschappelijke wijze wilde opbouwen, met een geheel andere visie komt.


Bij de uitwerking daarvan haalt hij zo ongeveer alle gangbare voorstellingen omver en steeds grijpt hij terug op, wat ik genoemd heb, de “werkelijkheid als beeld”. Tegenwoordig wordt Immanuel Kant (1724 - 1804) sterk naar voren gehaald, maar strikt genomen is zijn werk niets anders dan een geniale analyse van de in zijn tijd gangbare voorstellingen, wat

10.

overigens nu juist de verklaring is voor zijn populariteit bij de hedendaagse vak filosofen. Maar de vandaag algemeen afgewezen Hegel (1770 - 1831), die zich inderdaad meermalen aan vreemde beweringen bezondigde, was ook weer zo iemand, die zijn filosofie baseerde op het zien van “het beeld” van de werkelijkheid. Er is dus ook in de filosofie wezenlijk geen sprake van een “glijdende schaal”. Enkelingen hadden de aanleg om de filosofie als een kunst te beoefenen. Daarbij zijn er natuurlijk ook die, hoewel werkend vanuit “het beeld”, toch niet zo'n grote hoogte bereiken. In alle kunsten en de filosofie ontmoet je ook “kleine meesters”, die ondanks hun mindere helderheid en zeggingskracht toch creatief filosoferen. Als voorbeeld zou je kunnen denken aan Arthur Schopenhauer (1788 - 1860). Vergeleken met het gezever van de toenmalige vak filosofen is het lezen van zijn werk een verademing. En zo zijn er natuurlijk nog meer voorbeelden te noemen.

 

Wat is er nu aan de hand met die aanleg, die als het ware een omslag, een revolutie in het gangbare denken is? Welnu, in iemand met zo'n aanleg ligt de zaak nooit vast. Zo iemand heeft nog niet een heel bouwwerk opgericht, voorzien van vele nuances en uiteenzettingen en daarover een schitterend verhaal verteld, of hij is het onmiddellijk al weer vergeten! En bij een volgende gelegenheid kijkt hij weer naar dat “beeld” in hemzelf en richt opnieuw een schitterend bouwwerk op, als het ware alsof hij het pas dan voor het eerst doet. In feite legt hij dus niets in zijn geest vast om dat een volgende keer precies zo te reconstrueren en eventueel uit te breiden. Elke volgende bewering is geen voortzetting of uitbreiding van een vorige, maar een geheel nieuwe, een oorspronkelijke. Getuigt zo'n volgende bewering van meer begrip dan de voorgaande, dan komt dat niet door een uitbreiding van de kennis of ervaring, maar door een verdieping van het “inzicht”. De anderen doen dat niet of nauwelijks. Vaak richten zij zich aanvankelijk wel op het “beeld”, maar daarna laten zij het voor wat het is, gaan over tot het verzamelen van kennis en bouwen daarmee een “opvatting”, een “filosofische overtuiging” op, die nooit meer onderuit gehaald mag worden. Gebeurt dat een enkele keer toch, dan zijn zij hevig ontdaan, in verwarring, om daarna naarstig een nieuwe overtuiging te gaan construeren, ook weer met behulp van voorhanden kennis. En die kennis is natuurlijk ook weer een vastgelegde zaak! De daarbij te gebruiken methodieken beantwoorden uiteraard ook aan de regels en normen. Dan krijg Je het merkwaardige verschijnsel dat sommige filosofen plotseling van gedachten veranderen en een heel andere “filosofische school” gaan aanhangen. Maar bij blijvende gerichtheid op het “beeld” is zoiets onmogelijk. Je vertelt steeds opnieuw over het “beeld”. Die vertelling op zichzelf is uiteraard vastgelegd, maar dat geldt slechts voor het moment van vertellen: dat is als het ware een “momentopname”. Dat voortdurend beweeglijk blijven van iemands geest is de aanleg waarom het in de kunst en de filosofie gaat. Hoe die of gene aan die aanleg komt is een niet te beantwoorden vraag. Het valt gewoon zo! Maar dat in de breedte van het menselijk leven die aanleg niet uit kan blijven is ook een feit. De geest is in principe beweeglijk, maar bij de meesten legt hij zich vast en bij enkelen niet.

11.


Iedereen geeft toe dat je van de kunst kunt genieten, maar dat dit ook bij de filosofie het geval is wordt gewoonlijk ontkend. Het is echter zo dat je, genietende, méétrilt met datgene dat je “voorgetoverd” wordt. Als dat echt een “momentopname” een “verwoording” van het beweeglijke “beeld” is, maakt dat in jezelf het vastgelegde voor een poosje los. Je zelfbewustzijn wordt eventjes in zijn wezenlijke toestand gebracht. Daardoor ben je in staat ook zelf die werkelijkheid als beeld te zien. Uiteraard is niet iedereen daarvoor even ontvankelijk, ook dat is een kwestie van aanleg...

 

Wat gebeurt er nu eigenlijk als je van kunst en filosofie geniet? Je kunt steeds opmerken dat het bij het genieten van een filosofisch betoog niet alleen gaat om de vraag of dat verhaal je intellectueel aanspreekt, maar vooral om de vraag of degene die je dat verhaal - in woord of geschrift - vertelt je op de een of andere manier ligt. In het geval van een geschrift behoef je de verteller niet persoonlijk te kennen want zijn of haar sfeer is uit het geschrevene te proeven. Het lijkt er echter op dat de intellectuele inhoud van het filosofische verhaal bepalend is voor het “loskomen” van datgene dat in de geest van de genieter om te beginnen vastgelegd was. Dat stemt evenwel niet overeen met de feiten. Deze blijken namelijk te zijn dat de verteller in eerste instantie kans ziet om de toehoorder of lezer psychisch, qua gevoel, mee te laten trillen. Pas daarna komt het inhoudelijke aan bod. Laten we eens even veronderstellen dat de zaak begint met het intellectuele en niet met het psychische. Je kunt dan reageren door het er al of niet mee eens te zijn, er geen fout in te kunnen vinden of het hele verhaal te negeren. Dat is de normale reactie bij het mechanisme van de kennisoverdracht. De nieuwe kennis kan zich dan bij de kennis voegen die de toehoorder reeds bezat, omdat het door die toehoorder geaccepteerde kennis wordt, of afgewezen kennis (wat ook kennis is!). Met die toehoorder zelf gebeurt er verder niets, het is alsof hij of zij de krant heeft gelezen. In het beste geval begrijp je nu iets wat je eerst niet begreep. Dat is in grote lijnen het in onze cultuur gebruikelijke mechanisme en wij noemen dat, eigenlijk ten onrechte, “leren”. Filosofie kan op die manier werken. Ook uit de creatieve filosofie zijn natuurlijk tal van feiten te halen, die als kennis overgedragen en opgenomen kunnen worden. Je kunt “er iets van opsteken”. Je kunt de zaak ook bestuderen, de fouten aan het daglicht brengen, argumenten bedenken waarom je de zaak al of niet afwijst en zo'n filosofie een plaats geven in het systeem dat de ontwikkeling van de filosofie beschrijft. Je weet dan tenslotte een heleboel Over de filosofie. Een dergelijke gang van zaken doet zich voor bij de overdracht van vak filosofische kennis. Daarover gaat het nu evenwel niet. Als de filosofie een kunst is gebeurt er heel iets anders. Door de persoon die het verhaal vertelt, de zaak overbrengt, wordt een psychische reactie teweeggebracht.

12.


Het filosoferen veroorzaakt méétrillen bij een aantal mensen, maar niet bij iedereen. Waarom dat bij de een wel gebeurt en bij de ander niet is niet te verklaren, wel echter dat het bij sommige mensen moet gebeuren. Het is een kwestie van “aanleg” en het optreden daarvan berust op het “onvermijdelijke toeval”. Opgemerkt moet worden dat die mensen, die de aanleg hebben om mee te trillen niet eenzijdig van dat meetrillen afhankelijk zijn. Tot op zekere hoogte kunnen zij ook zelf het in hen vastgelegde beweeglijk maken. Maar het gaat nu over de werking van de creatieve filosofie. Pas wanneer, door het psychische meetrillen, het vastgelegde in de toehoorder of de lezer beweeglijk is geworden is er de mogelijkheid voor de inhoud van het verhaal open te staan. Letterlijk: open te staan! Als dat verhaal een echt creatief filosofisch verhaal is en zich dus betrekt op de werkelijkheid als “beeld”, dan is het betrekkelijk gemakkelijk te “volgen”. Het is zelfs zo dat de “psychische weg” de enige mogelijkheid is om elkaar in filosofische zin te verstaan. Een gevolg van dit alles is wel dat in onze cultuur, waarin het nooit om deze manier van begrijpen gaat (dat is: allebei, zowel de verteller als de toehoorder of lezer, het “beeld” zien), een dergelijke wijze van filosoferen taboe is. Men wenst dat niet als filosofie te beschouwen, voornamelijk omdat ze niet rationeel overdraagbaar, en in zekere zin aan “begaafden” voorbehouden is. Dat beantwoordt meteen de vraag waarom men Hegel niet pruimt, anderen zelfs de kans niet geeft om iets te zeggen, de Nederlandse filosoof Jan Borger (1888 - 1965) volkomen doodzwijgt en in het algemeen de creatieve filosofie gedwongen heeft om “ondergronds” te gaan. De toegang tot de officiële, academische filosofie is haar ontzegd.

In de filosofie bedien je je van de taal en je tracht die zo helder mogelijk te gebruiken. In zoverre heeft de filosofie bemoeienis met de taal, maar dat wil niet zeggen dat de filosofie opgaat in het bestuderen van de taal en dat op zijn beurt het begrijpen daarvan tot een verantwoorde filosofie leidt. Dat was de misvatting van de mensen van “de Wiener Kreis”, die, in de jaren '20 en '30, de gangbare filosofische begrippen gingen doorlichten en onzuiver woordgebruik aan de kaak stelden. Op zichzelf een nuttige bezigheid, die echter niet rechtvaardigt dat men hen op grond daarvan tot de “filosofen” ging rekenen. Het waren trouwens allemaal academische wetenschappers en hun taalstudie heeft niet geleid tot meer begrijpelijke betogen! Als het voertuig, waarmee de overdracht van het filosofische verhaal geschiedt, het psychische meetrillen is, dan moet ook de creatieve filosoof logischerwijze iemand zijn die psychisch in orde is. Dat behoeft niet te betekenen dat je met een “heilige” te doen hebt, zoals men dat in onze cultuur doorgaans opvat als er sprake is van iemand die “in orde” oftewel “goed” is, maar het betekent dat de creatieve filosoof zichzelf psychisch vrijlaat. Dat doet hij of zij vanuit de “geest”, die door beweeglijkheid gekenmerkt wordt. Er is een samenhang tussen de kwaliteit van de persoon van de filosoof en zijn of haar filosoferen. Zonder een gave psyche kan het overdragen van het verhaal niet plaatsvinden.

13.

De moderne vak filosofen daarentegen proberen hun “vak” zo onpersoonlijk mogelijk te brengen, in de mening dat “objectiviteit” vereist wordt. Dat dit nu juist hun filosoferen bloedeloos maakt en doet mislukken wordt gewoonlijk niet opgemerkt.

 


Wat ook een rol speelt is de zeggingskracht. Dat is het vermogen van de filosoof om het meetrillen van de toehoorder zo hoog mogelijk op te voeren. De sterkte van dat meetrillen en het daarmee samenhangende zichtbaar geworden “beeld” bepaalt de mate waarin iemand van het filosofische verhaal geniet. Hoe zoiets in zijn werk gaat heb ik in een ander verband nagegaan, maar te zeggen is wel dat het verhaal, behalve dat er van genoten wordt, ook nog aan de toehoorder of lezer duidelijk wordt. De vroegere filosofen, bijvoorbeeld in het oude Griekenland, hadden een veel grotere invloed op de mensen dan in onze cultuur het geval is. Zij maakten veel meer gebruik van het psychische voertuig voor de overdracht van hun denkbeelden. En de mensen genoten ervan naar hun betogen te luisteren. Een belangrijk gevolg van het psychisch vrijmaken van het “beeld” is ook dat men werkelijk in staat wordt essentiële dingen aan de werkelijkheid op te merken. De ontdekking bijvoorbeeld dat de mens een “dubbelzinnig” wezen is zou in dat geval geen opzien baren. Tegenwoordig echter geeft zo’n ontdekking aanleiding tot uitvoerige studies, discussies en meningsverschillen omdat men, door vervreemding van het “beeld”, de uitspraak dat de mens “dubbelzinnig” is als heel gewaagd ervaart.

Het is in geen geval vanzelfsprekend dat de toehoorder of lezer, de genieter, hetzelfde aan het “beeld” van de werkelijkheid in hemzelf ziet als de filosoof die het verhaal van de werkelijkheid vertelt. Weliswaar wordt via het meetrillen, het psychische, de zaak vrijgemaakt zodat het “beeld” bij beiden zichtbaar wordt, maar het blijft mogelijk dat de filosoof een fout maakt waardoor er geen overeenstemming tussen de filosoof en de genieter is. En ook is het mogelijk dat de genieter hetzelfde ziet, maar in een andere kleur. Wij hebben allemaal een tik van onze cultuur meegekregen. We moeten er steeds op attent zijn daarvan niet het slachtoffer te worden. Zo betekent, vanuit die cultuur, dat dingen, die voor ons “hetzelfde” zijn, met elkaar verwisseld kunnen worden zonder dat dit verschil maakt; identieke dingen dus die in maat, vorm, gewicht en dergelijke precies eender zijn. Wij zien de werkelijkheid als een verzameling afzonderlijke dingen en daarop is ons gehele begrippenstelsel gebaseerd. Als vanzelfsprekend interpreteren we dan de uitspraak dat de filosoof en de genieter “hetzelfde zien” zodanig dat het zou gaan om verwisselbare, identieke zaken. Maar dat is een foute interpretatie. In feite zien beiden, de filosoof en de genieter, inderdaad dezelfde werkelijkheid, maar wel ieder in zijn eigen persoonlijke kleur, sfeer en warmte. Die “kleur” is niet alleen verschillend bij de een en de ander, maar ook is hij in één persoon voortdurend aan verandering onderhevig. Dat komt door het beweeglijk-zijn van dat beeld. Het is steeds hetzelfde, om tegelijk en voortdurend anders te zijn. Precies zoals dat met levende organismen ook het geval is.

vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; vervreemding-3 en vervreemding-4 ;

14.

Ieder moment is “een nieuw zijn”, het is een “zichzelf variërende” zaak. Vanuit onze cultuur denken wij het “in zichzelf veranderlijk zijn” op een lineaire wijze: als een “naar iets toe veranderen”, zich wijzigen van een beginpunt naar een eindpunt. Maar dit is niet van toepassing op het “beeld” van de werkelijkheid in onszelf.

 


Alle ideologieën, godsdiensten en overige indoctrinerende dwaasheden in de wereld worden overgedragen via het psychische. De gezaghebbende bovenlaag van deze wereld maakt daarvan een uiterst geraffineerd gebruik bij zijn ideologische demagogie. Je zou dus zeggen: wij verkeren met onze filosofie in goed gezelschap! Het gezelschap van diegenen die rituelen opvoeren, zich uitdossen met merkwaardige gewaden, kaarsen opsteken en mystieke woorden spreken, kortom de volksverlakkers aan de toppen van onze maatschappij. Het blijkt dus dat zaken die niets met de waarheid te maken hebben ook en vooral via het psychische overgedragen worden. Toch is er onderscheid tussen de “demagogische” en de “filosofische” overdracht. In de creatieve filosofie maak je, via het psychische, de voorstelling in de mensen “los” om ze in staat te stellen het “beeld” te zien. Dat gebeurt zonder bijbedoelingen: als filosoof win je er niets mee, je verkrijgt er geen macht door en je beoogt zelfs niet “de wereld te veranderen”. Vaak wordt het je niet eens in dank afgenomen! Maar diegenen die “demagogisch” bezig zijn hebben wel de bedoeling macht te verwerven en daartoe proberen zij een bij de mensen “losgemaakte” voorstelling te vervangen door een vastgelegde andere. Bij de filosoof gaat het dus om het beeld en dat zonder bijbedoeling en bij de demagoog om een andere voorstelling met een bijbedoeling. Deze laatste bewerkt de mensen, maar de filosoof kan ze tot zichzelf terugbrengen. Dit laatste geldt overigens ook voor de kunst. Men zegt dan ook dat bijvoorbeeld mooie muziek "het beste in ons wakker roept". Demagogie echter wekt nooit het beste in de mensen op. Hysterie, massapsychose en collectieve haat vallen nu niet bepaald onder de rubriek “het beste”! Het “beeld”, dat voor een moment de kans krijgt door te breken, moet onmiddellijk weer weggedrongen worden anders wordt het te riskant. De demagoog moet dan ook precies weten hoever hij gaan kan, wil de zaak niet in zijn tegendeel omslaan en zich tegen hem keren. Maar doorgaans hebben de mensen dat niet in de gaten: zij denken echt dat die demagoog vertelt hoe het werkelijk zit. Zij bemerken niet dat de demagoog precies die zaken in hun voorstelling losmaakt die hij voor zijn bedoelingen nodig heeft. En omdat zijn publiek nooit helemaal suf is kiest hij dingen die het inderdaad verdienen om opgeruimd te worden. Of hij kiest dingen die bij iedereen ingeprent zijn, zoals "de Joden zijn de schuld van alles, die verpesten de wereld". De truc is dat de wereld inderdaad verpest is (losmaken) en dat "wij dat wel eens even zullen veranderen" (nieuwe voorstelling). De filosofie daarentegen komt niet met een nieuwe voorstelling; zij vraagt zich af hoe het zou zitten door een bepaalde zaak te spiegelen aan het “beeld”.

15.

Niet inhoudelijk, maar in zijn praktische, zeg “psychologische”, werking ligt de demagogie helaas vlak bij de filosofie. Het is dan ook niet ongewoon dat een creatief filosoof het verwijt krijgt “de mensen te bespelen”. Qua inhoud en betekenis echter zijn de demagogie en de filosofie elkaars doodsvijanden. Ook de filosoof loopt het risico dat zijn verhaal zich tegen hem keert. Er zijn in de geschiedenis legio voorbeelden van denkers die de hele samenleving over zich heen kregen, denk maar aan Socrates die tenslotte de gifbeker moest ledigen. En degene, over wie wij nu nog spreken als Jezus, of Christus, moest toch ook het "kruisigt hem" over zich af horen roepen toen hij de mensen het waardeloze van “eerst je vader begraven”, eerbied voor de keizer van Rome en het gezag van de priesters liet zien. De beginnende Roomse kerk heeft daarop handig ingespeeld door de mensen een nieuwe voorstelling te presenteren: het “koninkrijk Gods”. De Gnostici (zij die tot weten gekomen zijn) hielden niet zonder reden hun weten geheim omdat het bekendmaken ervan levensgevaarlijk was.

 

Hoe gebrekkig we desnoods aan het filosoferen zijn, het levert in alle gevallen de waarheid op. Dit wordt een heel boude en arrogante uitspraak gevonden. Dat Hegel destijds zei: "Ik ben de waarheid en ik spreek de waarheid" wordt hem nog steeds verweten. Bijna niemand heeft die uitspraak begrepen, uiteraard omdat bijna niemand in de gaten had wat filosoferen voor Hegel betekende, namelijk het creatieve beschrijven van de werkelijkheid als beeld. Die beschrijving kan aan alle kanten rammelen, stamelend uitgesproken zijn en voor de mensen nauwelijks enige betekenis hebben, maar het is en blijft de waarheid. Hegels uitspraak duidt dan ook niet op zelfoverschatting, maar juist op zelfbewustzijn als gevolg van het zich losmaken van alles en het zich richten op het “beeld”. Dat is heel iets anders dan de hoogmoedige zelfverzekerdheid van allen die tot “gezag” gekomen zijn op grond van allerlei cultuurvoorstellingen.


In de creatieve filosofie stel je jezelf de vraag hoe het zit en naarmate je daarop antwoorden weet te vinden vervat je die in een beschrijving van de werkelijkheid. Je kunt dat alleen maar voor elkaar krijgen als je voor jezelf in staat bent het “beeld” vrij te maken, d.w.z. je zelfbewustzijn te ontdoen van de belemmeringen die het zien van het “beeld” in de weg staan. Essentieel is dus die “vrije kijk” op dat beeld, zonder dat is er géén filosofie in de zin van creatieve filosofie. Je kunt natuurlijk wel allerlei zaken “filosofie” noemen, zoals je ook allerlei artistiek gedoe “kunst” kunt noemen - en dat gebeurt tegenwoordig maar al te vaak - maar streng genomen verdienen die zaken zo'n naam niet. Dat wil niet zeggen dat die zaken geen betekenis en verdiensten zouden hebben. Natuurlijk hebben zij dat meestal wel. Maar het gaat om de vraag welke werkelijkheid aan de orde is, die van het “beeld” Of die van de “voorstelling”.

16.

De 'voorstelling' is iets geheel anders dan het 'beeld'. Je maakt de 'voorstelling' zelf en wel vanuit je 'geest'. Dat levert een soort van 'landkaart' van de werkelijkheid op en die 'landkaart' laat aan jou zien hoe je meent dat de werkelijkheid is.

Die zaak wordt opgebouwd uit kennis, die je op alle mogelijke manieren bijeengegaard hebt en dat is uiteraard kennis waarin je vertrouwen stelt, omdat je haar niet zelf hebt kunnen controleren - wat meestal het geval is. De wetenschap bijvoorbeeld is niet gebaseerd op het 'beeld', maar op de 'voorstelling' van de werkelijkheid. Let op: dat is geen diskwalificatie van die wetenschap.

Zij kan niet anders dan zich daarop richten en je kunt met recht stellen dat het de grote 'verdienste' van het westerse wetenschappelijke denken is zich steeds meer uitsluitend daarop te richten. Het beroerde is echter dat men doorgaans niet in de gaten heeft dat het over de 'voorstelling' gaat. Daardoor heeft men de neiging de zaak absoluut te maken en samenhangend daarmee andere denkmogelijkheden - zoals de creatieve filosofie - bij voorbaat te verwerpen en zelfs vaak op irrationele wijze te verketteren.

De werkelijkheid van de 'voorstelling' wordt beschouwd als de werkelijkheid en dus is alles wat niet daarop betrekking heeft automatisch 'oncontroleerbare, zweverige en speculatieve onzin'. Zo'n veroordeling heeft een dermate vanzelfsprekend karakter dat hij gewoonlijk niet eens opvalt, zelfs niet als zo'n veroordeling gepaard gaat met oneigenlijke en soms zelfs oneerlijke argumenten.

In het verzet van wetenschappelijk geschoolde mensen tegen 'andersdenkenden' komen Onwetenschappelijke argumentaties, zoals verdachtmakingen, verdraaiingen van uitspraken en bewust verkeerd getrokken conclusies veelvuldig voor. Dan is men plotseling niet meer zo 'wetenschappelijk'... Zolang de moderne wetenschapper niet ontdekt heeft of niet toe wil geven zich op de werkelijkheid als 'voorstelling' te richten, zolang zullen de creatieve filosofie en de wetenschap met elkaar overhoop liggen.

Tenslotte echter zal men in de wetenschap die ontdekking doen en dan ligt de wetenschap, als menselijk instrument om kennis over de werkelijkheid te vergaren, op maat. Als je bijvoorbeeld een hypothese opstelt over het ontstaan van ons zonnestelsel en je meent dan dat je nu de werkelijkheid te pakken hebt, dan laat je daarmee blijken er niets van begrepen te hebben en nog het minst van je eigen positie als mens in het heelal. Misschien is je hypothese, je voorstelling, buitengewoon helder, waarheidsgetrouw en wetenschappelijk bruikbaar, toch moet je in de gaten hebben dat het een 'voorstelling' is.


Heb je dat eenmaal in de gaten en zie je dus ook in dat er nog een andere weg is, een weg die compromisloos streng logisch is, dan weet je meteen dat er geen wetenschappelijke 'waarheid' bestaat. Dat is dan de waarheid, die je tenslotte op wetenschappelijke wijze boven water hebt gekregen. De ontdekking daarvan is buitengewoon belangrijk omdat de mensen er dan vanzelf toe genoodzaakt zijn hun 'voorstelling' te toetsen aan het 'beeld' van de werkelijkheid. Die toetsing is de enige die aan de wetenschap zin kan geven. Bovendien maakt die toetsing het onmogelijk om onverantwoorde toepassingen door te zetten, die uiteindelijk het welzijn van de mensen niet bevorderen of beschermen, maar haar juist bedreigen.

17.

De enige manier om te weten te komen of een toepassing verantwoord is, is niet te vinden binnen de wetenschap, maar juist daarbuiten, namelijk bij de creatieve filosofie. Het schijnt dat Albert Einstein daarvan een vermoeden heeft gehad, want hij wees er op dat de filosofie de wetenschap te hulp zou moeten schieten omdat er anders van haar toepassingen niets terecht zou komen.

In de wetenschap wordt de zaak onvermijdelijk in de 'voorstelling' vastgelegd en die vastgelegde 'landkaart' wordt net zolang gehandhaafd tot hij, doorgaans op onderdelen, bijgesteld moet worden. Dat gebeurt omdat er steeds nieuwe kennis aan toegevoegd wordt. Maar ook die bijgestelde 'landkaart' wordt weer vastgelegd, net zo lang tot ook die weer onhoudbaar is geworden. Kenmerkend is dus het steeds weer vastleggen en dat is een procedure die om zo te zeggen precies andersom werkt als de creatief filosofische. Daarbij gaat het immers om het almaar 'losmaken' van de voorstelling teneinde de belemmeringen in het 'zien' van het beeld op te ruimen. Door het steeds weer vastleggen van en vasthouden aan de 'voorstelling' is het niet te vermijden dat nieuwe theorieën slechts met de grootste moeite ingang vinden. Vaak heb je te kampen met een onverzoenlijk dogmatisme en je bemerkt dat zo'n nieuwe theorie, ondanks onmiskenbare feiten en sterke argumenten, in veel gevallen eenvoudig niet waar mag zijn. Tenslotte evenwel overwinnen de nieuwe inzichten toch en dan wordt er een nieuwe wetenschappelijke waarheid 'vastgesteld'. De bonafide wetenschapper zal die 'waarheid' altijd getrouw naar voren brengen. Als achteraf blijkt dat het een onhoudbare 'waarheid' is geweest, dan is die wetenschapper niets te verwijten: hij heeft de 'waarheid' verteld, maar hij wist toen nog niet dat de zaak niet klopte. Dat kon hij ook niet weten juist omdat hij zich met de ‘voorstelling' bezig houdt.

Nogmaals: het bovenstaande houdt geen enkele diskwalificatie van de wetenschap als zodanig in. Zij is in de moderne wereld uiterst getrouw bezig en zij zit precies op de weg, die zij als wetenschap te gaan heeft. Zij moet de werkelijkheid als 'voorstelling' onderzoeken en wel op analytische wijze. Er is geen andere mogelijkheid. Iets anders is de vraag of de 'wetenschappelijke functionarissen', namelijk zij die de wetenschappelijke kennis gebruiken om in de maatschappij te functioneren, nu wel zo verantwoord bezig zijn. Doorgaans is hun beroep op wetenschappelijkheid geheel ten onrechte en slechts een middel om het zoeken van macht te rechtvaardigen. Sprekende over 'de wetenschap' laten we die functionarissen maar liever buiten beschouwing. Zij vallen onder het hoofdstuk 'élitaire macht' en niet onder het hoofdstuk 'wetenschap'.

De wetenschap, zoals wij die tegenwoordig kennen, richt zich op de werkelijkheid als voorstelling in onszelf. Zij onderscheidt zich dus wat dit betreft duidelijk van de creatieve filosofie, want deze beoogt juist die voorstelling 'los te maken' teneinde de werkelijkheid als beeld te kunnen nagaan en beschrijven.

18.


Dit is een argument om de filosofie niet tot de wetenschappen te rekenen, althans niet tot de wetenschappen in moderne, westerse zin. Voor zover men in de wetenschap tot andere voorstellingen komt wordt de volgende procedure gevolgd: men ontdekt dat (een gedeelte van) de bestaande voorstelling onhoudbaar is geworden en men gaat dan, na uitvoerig onderzoek en een hernieuwde theorievorming, dat onhoudbare gedeelte vervangen door een betere voorstelling. Hierover zijn twee dingen op te merken. Ten eerste: of de oude voorstelling al of niet 'losgemaakt' oftewel 'opgelost' wordt is wetenschappelijk van geen belang. Het gaat er om dat de oude vervangen wordt door een nieuwe, een betere. En ten tweede: zo'n 'betere' voorstelling behoeft niet noodzakelijk, om zo te zeggen, 'dichter bij de waarheid' te liggen. Het is vaak al voldoende als hij berekeningen en toepassingen gemakkelijker maakt. Daaruit blijkt dat de wetenschap belang heeft bij verbeterde voorstellingen. Dat belang kan onder omstandigheden best van maatschappelijke aard zijn, bijvoorbeeld als men er op uit is een bepaalde technologie door te drukken. Denk maar aan de kernenergie. Het kan echter ook een wetenschappelijk belang zijn, als je de baan van een ruimtevaartuig wilt berekenen. Je gebruikt dan o.a. formules die steunen op de voorstelling dat de ruimte 'gekromd' zou zijn. In ieder geval staat de vraag naar 'de waarheid' niet op het eerste plan - hetgeen natuurlijk niet wil zeggen dat de wetenschap zich niet om 'de waarheid' zou bekommeren. In de creatieve filosofie noch in de kunst kun je welbeschouwd van 'beter' spreken. Het 'mooi-zijn', dus de schoonheid, van een beeld van de beeldhouwer Auguste Rodin (1840 - 1917) is niet 'beter' dan dat van bijvoorbeeld Praxiteles (4e eeuw voor onze jaartelling). Ontwikkeling en dus, ‘beter worden’ geldt niet voor kunst en filosofie. Wel is het uiteraard zo dat de ene kunstenaar of filosoof zijn vak beter verstaat, een grotere aanleg heeft om de zaak tot uitdrukking te brengen. Maar die zaak zelf kent geen 'beter' of 'slechter', ook niet als je het levenswerk van één bepaalde kunstenaar beschouwt. De schoonheid 'verbetert' zich niet, maar natuurlijk wel het vermogen tot uitdrukken. En zo is ook de moderne creatieve filosofie niet 'beter' dan die van Plato, wel anders: genuanceerder, veelomvattender en onafhankelijker.

 

We kunnen nu een vergelijking maken tussen de (creatieve) filosofie, de demagogie en de wetenschap. Dat levert het volgende op: 1. In de filosofie maak je, langs de weg van het psychische, elke voorstelling los zodat je je op de werkelijkheid als 'beeld' kunt richten en daarvan een beschrijving geven. Voorzover die beschrijving ook een voorstelling oplevert moet je die beschouwen als een “momentopname', die in geen geval blijvend geldig is en die je dus niet mag vastleggen. 2. In de demagogie maak je, eveneens via de psyche, een voorstelling (gedeeltelijk) los om hem onmiddellijk door een andere te vervangen, een andere die je in staat stelt over de mensen macht uit te oefenen. Omdat het juist om die macht gaat is de nieuwe voorstelling als regel een 'slechtere' die een culturele terugval tot gevolg heeft. 3. In de wetenschap vervang je een gedeelte van de voorstelling door iets ‘beters’, niet via het psychische, maar via argumentatie op grond van nieuw verworven kennis.

19.

Om die argumentatie effectief te laten zijn is het noodzakelijk de beschikking te hebben over van tevoren aangeleerde 'denkprogramma's.

 


Het ligt voor de hand om te menen dat de wetenschap zich richt op de concrete verschijnselen. Die is men immers voortdurend aan het onderzoeken! Inderdaad is dat een feit, maar het is evenzeer een feit dat je dat doet juist omdat je er een voorstelling van hebt. Voor zover die voorstelling vragen oproept, omdat hij 'blinde vlekken' vertoont, ga je de zaak onderzoeken met de bedoeling die 'blinde vlekken' in te vullen. Je wilt er het ontbrekende aan toevoegen. Als je boft, leidt dat tot een nieuwe theorie. Dat is in feite een nieuwe voorstelling, die op zijn beurt weer tot hernieuwd onderzoek kan leiden. Anderzijds kun je herhaaldelijk constateren dat bepaalde onderzoeken helemaal niet gedaan worden omdat de zaak min of meer buiten de bestaande voorstelling valt, of omdat de zaak niet als een 'blinde vlek' gezien wordt en daardoor geen vragen oproept. De werkelijkheid van 'de concrete dingen om ons heen' is een onmiddellijk gegeven. Dat roept op zichzelf nooit vragen op. Het is het ontbreken van overeenkomst tussen dat 'onmiddellijk gegevene' en onze voorstelling die de behoefte tot onderzoek oproept. Er 'valt je dan iets op' en dat ga je vervolgens uitzoeken, uitsluitend omdat je je voorstelling wilt verbeteren. Overigens moet je je die voorstelling niet alleen-maar concreet denken, bij wijze van spreken 'als een plaatje'. De wetenschappelijke voorstelling is doorgaans uiterst gedetailleerd en bovendien betrokken op een heel klein gebied, ten gevolge van de toenemende specialisatie. Ook de abstracte wiskunde richt zich op de voorstelling, maar daarbij gaat het om de voorstelling als formule. Inderdaad kun je je daarbij, in de gewone zin van het woord, niets meer 'voorstellen', d.w.z. je kunt er geen plaatje meer bij bedenken, maar intussen gaat het nog steeds over de werkelijkheid als voorstelling - zeg maar: als ontlede voorstelling. Die ontlede voorstelling is iets geheel anders dan de werkelijkheid als 'beweeglijkheden’ voor zover die als 'nog geen materie' te denken is. Voor die werkelijkheid geldt het begrip ‘voorstelling' helemaal niet omdat er niets is dat zich als 'het één' onderscheidt van 'het ander'. Er valt daar echt niets te zien en dus voor te stellen, wat overigens geen beletsel behoeft te zijn om je, bij het nadenken er over, af en toe wat voor te stellen. Dat helpt vaak om er vat op te krijgen.

 

De filosofen hebben uiteraard ook opgemerkt dat er in de mens zoiets als een 'voorstelling' is. Het valt op dat die voorstelling over het algemeen gediskwalificeerd wordt. Tot op zekere hoogte is dat begrijpelijk, vooral als je bedenkt dat het in de filosofie nodig is die zaak op te lossen en dat niet alleen omdat hij een heleboel onzin bevat. Ook de 'goede' en ‘juiste’ dingen binnen de voorstelling moeten opgelost worden.

20.

Dat wil evenwel niet zeggen dat een mens er naar zou moeten streven zijn voorstellingen af te schaffen, zoals sommige, vooral 'idealistische' filosofen, willen. De voorstelling is niet af te schaffen en hij is op zichzelf ook niet negatief, zelfs niet als er fouten in zitten. Het je eraan vasthouden, dat is het negatieve dat voor het filosoferen en het leven een belemmering vormt.

In de grond van de zaak leent de creatieve filosofie zich niet voor analyses. Het gaat immers om de beschrijving van de werkelijkheid aan de hand van het beeld, en wel een zo genuanceerd mogelijke beschrijving. Zou ik van dat beeld een analyse moeten maken, dan zou ik het als het ware in stukjes moeten hakken, met de bedoeling die stukjes op zichzelf te gaan bekijken. Daarmee echter ben ik dat beeld kwijt en dus ook de mogelijkheid om het te beschrijven. Ik help dus mijn eigen filosofie om zeep. Het maken van analyses behoort echter wel tot het terrein van de wetenschap. Die richt zich op de voorstelling, want die bestaat immers uit een verzameling informatie, die wij allemaal persoonlijk opgedaan en vastgelegd hebben. Zo'n verzameling bevat afzonderlijke elementen en is daarom toegankelijk voor analyse. Omdat de mensen niet denkbaar zijn zonder voorstellingen zullen zij altijd analyses maken en daarbij wordt hun werkelijkheid steeds meer in stukjes gehakt.


De analyse heeft betrekking op de voorstelling, die op zijn beurt het antwoord is op de vraag: wat is voor jou de werkelijkheid voor zover die concreet aanwezig is als verschijnsel - het verschijnsel dat je zelf bent, samen met de verschijnselen om je heen (de 'buitenwereld'). Die concreet aanwezige werkelijkheid bestaat voor een mens uit een groot aantal afzonderlijke dingen, waartussen onderscheid is te maken en die dus te analyseren zijn. Ieder mens doet dat dan ook en dat is niet te veroordelen noch af te schaffen, de analyse is het instrument dat nodig is om de voorstelling te construeren en het materiaal is de wereld der verschijnselen. De analyse heeft een negatief aspect, namelijk het uitlopen in vernietiging. Tenslotte heb je alleen nog maar een grote hoeveelheid 'gruis' als voorstelling en is het onmogelijk daaruit nog wijs te worden. Het positieve aspect echter is dat die voorstelling zelf daardoor zijn vastheid verliest, met als gevolg dat de werkelijkheid als beeld voor de mensen gaat gelden. Wanneer dat eenmaal het geval is zijn de mensen als het ware 'weer thuis gekomen' en weten met al dat 'gruis' weer raad omdat het 'in het beeld blijkt te passen'. In onze westerse cultuur gaat het eenzijdig om die analyse. Het 'uit elkaar halen' op zichzelf is het thema van die cultuur. Dus is voor Ons de vernietiging datgene dat ons te wachten staat. Dat betekent verlies van alles wat wij 'menselijkheid' plegen te noemen en een toename van verwarring. De mensheid als geheel gaat echter niet op in een cultuur, die overigens altijd eenzijdig is. De mensheid gaat dus ook niet op in de analytische cultuur, hoewel zij wel in haar geheel die cultuur navolgt.

21.

De cultuur van de analyse is de eerste die voor alle mensen over de gehele wereld van betekenis is omdat de analyse alles doordringt, ook de andere culturen die vanuit zichzelf niet in het teken van de analyse staan. Het is een 'wereldfenomeen'. Voor die andere culturen is de analyse iets dat verworven moet worden, eigen gemaakt moet worden. Een probleem is dat niet want iedereen is er naar toe en weet er bijgevolg raad mee.

Er vindt in de gehele mensheid een ontwikkelingsproces plaats. Dat is echter een 'ondergrondse' zaak. Bovengronds vertonen zich bepaalde culturen waarvan de meeste een geïsoleerd bestaan leiden, maar een aantal opgenomen is in de weg van de 'beschaving'. Die is in het Oosten begonnen en via Klein-Azië, Griekenland en het Romeinse Rijk in West-Europa terechtgekomen, waar het analyseren het centrale thema werd. Dit thema blijkt het eerste te zijn dat méér dan 'plaatselijke' betekenis heeft: het is voor de hele wereld van belang. Die 'hele wereld' is er, als gevolg van genoemde ondergrondse ontwikkeling, rijp voor. De schoonheid, als Grieks cultuurfenomeen bleef plaatselijk en werkte slechts door in de op Griekenland volgende beschavingen. Maar de analyse, die natuurlijk wel plaatselijk begint en uitgewerkt wordt, blijkt een wereldfenomeen te zijn, legt zich uit over de gehele wereld. Echter niet als een eenzijdig cultuurthema, maar als een verworvenheid, een nieuwe mogelijkheid. Zowel in de Griekse als in de Romeinse cultuur beoogde men de gehele wereld, de Grieken (Alexander de Grote) in de zin van het te verwerkelijken geheel en de Romeinen in de zin van het totaal. Maar de zaak mislukte omdat het geheel geen inhoud kon krijgen vanwege het alsnog onbekend zijn van het totaal. Door die onbekendheid ging het ook bij de Romeinen mis. Pas de analyse heft deze onbekendheid op en dan omvat deze zaak inderdaad de gehele wereld.

 


Op het ogenblik kunnen wij waarnemen dat de haard van de technologie zich naar het gebied van de Pacific verplaatst. De wetenschappers uit dat gebied beginnen tot de beste en meest fijnzinnige van de wereld te behoren. Dat geldt ook voor de kunstenaars, vooral de uitvoerende musici. Er komt in dat Oosten een geheel nieuwe fase van de analyse op en daarbij gaat het niet meer uitsluitend om het ‘uit elkaar halen' van de verschijnselen. Het 'uit elkaar zijn' van de verschijnselen is niet meer het enige doel dat ten koste van alles bereikt moet worden. In de westerse cultuur gaat daardoor alles verloren en loopt in vernietiging uit, vernietiging van de voorstelling, maar in de Pacific blijft de oorspronkelijke voorstelling een rol spelen. Men blijft zich herinneren wat men uit elkaar gehaald heeft. Dat verklaart onder andere waarom men bij het onderzoek van de levende organismen zo'n succes boekt. Het samenhangende geheel, waarvan men bij het onderzoek uitging, blijft meedoen bij de analyse. Dat geheel komt voort uit de culturele achtergrond van het oosten. Het ging daar oorspronkelijk immers om het geheel, zij het een geheel waarvan de inhoud niet mocht gelden. Thans is het steeds meer zo dat die inhoud wel mag gelden en onderzocht mag worden.

22.

China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ; Voorstelling van de werkelijkheid - A- ; B- ; C- ; D- ; E- ; F- ; G- ; H- ;  I- ;

De voorstelling van de oosterse mensen kan je benoemen met 'het voorgestelde geheel'. Dat is uiteraard een bepaald, een vastgelegd, geheel, vandaar dat bijvoorbeeld China en Japan zo lange tijd afgesloten en in zichzelf besloten waren. Maar bij analyse van de verschijnselen blijft meespelen dat het geheel eigenlijk niet geanalyseerd kan worden en dus blijft de voorstelling gehandhaafd, dat wil zeggen: die voorstelling van het geheel. Daarbij voegt zich dan de nieuwe voorstelling van het geanalyseerde totaal. Je krijgt dus te doen met een dubbele voorstelling: die van het geheel en die van het geanalyseerde totaal. Die voorstelling van het geheel is nog lang niet het 'gelden van de werkelijkheid als beeld'. Het is namelijk evengoed een vastgelegde zaak, die als zodanig het 'zien' van het beeld belemmert. Maar deze voorstelling laat zich niet zonder meer door analyse opheffen. Het opheffen ervan vooronderstelt wel analyse maar is daarvan geen direct gevolg. Iets dergelijks speelt ook bij de bestrijding van een godsdienst. Zo'n voorstelling is niet toegankelijk voor analytische argumenten; hij verdwijnt pas als tenslotte de werkelijkheid als beeld zichtbaar wordt.

 


Oorspronkelijk stond de cultuur van het Oosten in het teken van 'het geheel'. Omdat dit geheel ook in de creatieve filosofie een belangrijke rol speelt zou je geneigd kunnen zijn die Oosterse culturen een hoge waarde toe te kennen. Het begrip van een vluchtige werkelijkheid, van eeuwige verandering en wederkeer, van vrouwelijke kwaliteiten en van schoonheid kan daar inderdaad aanleiding toe geven. Maar dan zien wij toch over het hoofd dat 'het geheel' voor die Oosterlingen in feite ook een voorstelling was, die zich in hun zelfbewustzijn in toenemende mate vastgelegd had: de voorstelling namelijk van de 'alledaagse' werkelijkheid en die gezien als een samenhangend geheel. In alle culturen maken de mensen zich een voorstelling van de werkelijkheid en leggen die onwrikbaar vast. Zo legde men in het Oosten de voorstelling vast dat de werkelijkheid niet een totaliteit van allerhande dingen was, maar een geheel, met een grote hoeveelheid dingen als inhoud. Om die inhoud bekommerde men zich echter niet zo erg omdat tenslotte alles oploste in de vluchtige nevelen van de wezenlijke werkelijkheid. Maar dat belette die mensen niet om, net als wij tegenwoordig op Onze manier, rationeel, d.w.z. wetenschappelijk, over de werkelijkheid na te denken, haar te onderzoeken en te beschrijven. Uiteraard 'gericht op hun voorstelling' van die werkelijkheid. De Oosterse creatieve filosofie was, net als de moderne creatieve filosofie, natuurlijk niet gericht op die voorstelling. Ook zij was er op uit die voorstelling beweeglijk te maken om het beeld te kunnen zien en van daaruit de werkelijkheid te beschrijven. De filosofie is, net als de kunst, iets universeels; men gaat daarbij, behoudens kleine nuances, steeds op dezelfde wijze te werk. En steeds is de voorstelling alleen maar interessant voor zover die opgelost is. De filosofie gaat dus almaar door de voorstellingen heen. Daardoor fungeert zij vaak als een moreel en zedelijk 'baken' voor een aantal mensen.

China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ; Voorstelling van de werkelijkheid - A- ; B- ; C- ; D- ; E- ; F- ; G- ; H- ;  I- ;

23.

China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ; Confrontatie-1 ; Confrontatie-2 ; Confrontatie-3 ; Confrontatie-4 ;

Omdat 'het geheel als voorstelling' toch gedragen wordt door het begrip 'het geheel', gebeurden er in het Oosten twee dingen: 1) men wilde niet analyseren, hetgeen o.a. bleek uit het afwijzen van de individu en in sommige gevallen ook van de kennis, en 2) door het afwijzen van de analyse is de cultuursfeer van het Oosten, namelijk die van het samenhangende geheel, blijven bestaan. Dit in tegenstelling tot latere culturen, waarin de analyse zich wel doorzette en tenslotte in het Westen als maatgevend cultuurthema voor de dag kwam. Met het resultaat van dat Westerse denken krijgt het Oosten thans te maken.

Op grond van de 'ondergrondse' ontwikkeling is men ook in het Oosten toe aan het analytische denken. Men neemt dat over van het Westen en de zaak zet zich onweerstaanbaar door. Nu ontstaat er in de Oosterse mensen een voorstelling met een dubbel karakter: enerzijds de traditionele voorstelling en anderzijds de moderne analytische. Dat heeft zelfs een hele strijd opgeleverd in bijv. China, waar het Marxisme aanvankelijk begrepen werd als gelijkheid binnen een gesloten en ongedifferentieerd geheel en daartegenover op het ogenblik meer in westerse zin: het toestaan van differentiatie, individualiteit, persoonlijke belangen en keuzes. In Japan heeft men zich al lang voor de eerste wereldoorlog rechtstreeks tot het kapitalistische westerse denken bekeerd, maar ook daar zijn de traditionele voorstellingen tot op de dag van vandaag blijven liggen. De tweede wereldoorlog had zelfs nog een sterke traditionele achtergrond, met de 'goddelijke' keizer, de rituelen van de 'kamikaze', de 'samoerai' en dergelijke.

Voorstellingen worden in de loop van de cultuurontwikkelingen afgebroken, geheel of gedeeltelijk vervangen door andere, al naar gelang het betere begrip dat men krijgt van de werkelijkheid. Dat begrip verkrijgt men door analyse, door het uit elkaar halen en het uitzoeken hoe het zit met de dingen. Als tenslotte alles in principe uit elkaar gehaald is kan de werkelijkheid als beeld weer voor de mensen gaan gelden. Zolang het nog niet zover is dringt het beeld slechts bij flarden tot de mensen door, brengt hen eventueel op nieuwe ideeën, maar blijft steeds 'gefilterd' door het vastgelegde netwerk van de voorstelling. Er zijn echter voorstellingen die wel door individuele mensen afgezworen kunnen worden, maar niet door de mensen als een cultureel collectief. Die voorstellingen verdwijnen in zo'n collectief pas bij 'confrontatie' met de werkelijkheid als beeld. Het gaat namelijk om voorstellingen die direct of indirect gebaseerd zijn op de traditie van het zien van de werkelijkheid als één samenhangend geheel, en die op grond daarvan als niet ontvankelijk voor analyse worden beschouwd. Dus: die uit het oude Oosten, Klein-Azië, de Evangelische cultuur. Dat zijn in hoofdzaak godsdienstige voorstellingen.

China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ; Confrontatie-1 ; Confrontatie-2 ; Confrontatie-3 ; Confrontatie-4 ;

24.


Het is niet uitgesloten dat in het huidige Oosten, waar de traditionele voorstelling direct op 'het geheel' betrekking heeft, de traditie zoveel kracht heeft dat zij zal gaan fungeren als een rem op het zich doorzetten van de vernietigende werking van het westerse analytische denken. Een remmende werking vanuit de traditie kan ook wel eens positief zijn! Ook in ons cultuurgebied werkt de godsdienst enigszins als een rem, maar nu echter niet in positieve zin (behalve in enkele uitzonderingsgevallen), omdat het daarbij niet meer om 'het geheel' gaat, maar om behoud van de godsdienstige voorstellingen ter rechtvaardiging van macht. Intussen zijn die misbruikte voorstellingen wel terug te voeren tot 'het geheel', al is het een feit dat niemand de betekenis daarvan meer begrijpt - zeker niet de theologen. En die voorstellingen zijn niet ontvankelijk voor analyse. Zij gaan langzaam maar zeker het karakter van een waan aannemen, een waan die pas ophoudt te bestaan als de werkelijkheid als beeld er tegenover komt te staan. Dan zien de mensen hoe het werkelijk zit en pas dan is het mogelijk hun waan als zodanig te herkennen. Voordien stuit elk redelijk argument af op de waan. En dat zelfs in een rigoureus analytische cultuur als de onze.

 

Op zichzelf levert de analyse niet 'het beeld' op. De analyse levert alleen maar vernietiging op, dat is het laatste station. Als dat laatste station bereikt is en de werkelijkheid voor de westerse mensen vernietigd is, kan 'het beeld' vrijelijk gaan gelden. Het weer zichtbaar worden van 'het beeld' is dus een indirect gevolg van de tot het einde toe doorgevoerde analyse. Het vervallen van de traditionele godsdienstige voorstellingen is niet het gevolg van analyse en dus wetenschap, maar van het zichtbaar geworden zijn van 'het beeld'. Dat moet er dus eerst zijn wil de godsdienst vervallen. Ten overvloede: het rijtje is dus analyse, vernietiging, beeld, vervallen van de godsdienstige voorstelling. Dat vervallen houdt niet in dat de zaak verdwenen zou zijn, maar het houdt in dat hij begrepen wordt. Dat is het ware atheïsme, zoals dat ook door Dostojewski bij herhaling getekend is. Hij laat zien dat de inhoud van de godsdienstige voorstelling volledig te begrijpen is en dus Ongelovig geïnterpreteerd kan worden.

 

De werkelijkheid is een systeem van beweeglijkheids verhoudingen. Dat systeem vormt zich via een proces en aan het einde van dat proces, als de mens voor de dag gekomen is, treedt er een verhouding op die alle voorgaande verhoudingen tot inhoud heeft. Die laatste verhouding houdt op 'trillende' wijze de gehele werkelijkheid in. Daarover gaat het als wij het over de werkelijkheid als bewustzijn hebben. Het is het 'ineen-zijn' van alle 'in beweging zijn' in de materie. Dit 'ineen-zijn' kennen wij dus als ons bewustzijn en het is dat bewustzijn dat zich in de mens laat gelden als de werkelijkheid als beeld. Het bewustzijn laat zich kennen, ervaren, als 'een beeld van de werkelijkheid'. Hierop is de creatieve filosofie gericht. In de mens is de gehele werkelijkheid zich van zichzelf bewust geworden. Dat bewustzijn geldt niet als een optelsom van alle dingen, maar als een ineen-zijn van alle voor die dingen geldende verhoudingen. Het is zogezegd de werkelijkheid als algemeenheid. In de kunst en de creatieve filosofie druk je je dan ook in algemeenheden uit, d.w.z. in (beweeglijkheids)verhoudingen.

25.

Voorstelling van de werkelijkheid - A- ; B- ; C- ; D- ; E- ; F- ; G- ; H- ;  I- ;

 


Als wij spreken van bewustzijn gaat het over de werkelijkheid die zich van zichzelf bewust is geworden (weet van zichzelf), maar als wij het over zelfbewustzijn hebben is het de werkelijkheid als mens die zich van zichzelf bewust is geworden (zichzelf kent). In het eerste geval ligt de nadruk op de werkelijkheid en doet het er helemaal niet toe als hoedanig die werkelijkheid bestaat: als plant, dier of de een of andere variatie van de mens. Of jij het nu bent of ik, of je nu 'beschaafd' bent of niet, blank of bruin, primitief of ontwikkeld, steeds is het de werkelijkheid zelf die zich 'in de mens' van zichzelf bewust is en zich als beeld doet gelden. In het tweede geval echter ligt de nadruk op de mens zelf en dan doen jouw en mijn bijzondere gesteldheid er wel toe. Daarom is de inhoud van dat zelfbewustzijn steeds een persoonlijke voorstelling van de werkelijkheid. Bij het nadenken over deze zaken maak je onderscheidingen, in dit geval tussen het bewustzijn en het zelfbewustzijn, en je constateert zelfs dat beide, als in de mens aanwezig verschijnsel, niets met elkaar te maken hebben. Maar dat betekent niet dat in de praktijk een scheiding aan te leggen zou zijn. Het gaat immers over één samenhangend systeem van beweeglijkheids-verhoudingen, een systeem dat helemaal niet uit elkaar te halen is. Verder is het van belang je te realiseren dat ik het nu heb over het functioneren van het zelfbewustzijn en niet over de vraag wat het is.

Als eerste moet beklemtoond worden dat het bewustzijn, zich gelden latend als 'beeld', volkomen Onafhankelijk is van de persoon die wij zijn, van onze particuliere 'bestaanswijze’. Dat betekent welbeschouwd dat wij hier, in tegenstelling tot wat altijd beweerd wordt, geconfronteerd worden met de enige werkelijkheid die echt objectief is, in de zin van een ‘altijd geldende waarheid'. Bij dat beeld ligt de objectieve toetssteen voor al je weten, onafhankelijk van cultuur en persoonlijke geaardheid. Het is de vraag of men in bijvoorbeeld de oudheid geweten heeft dat het zo met dat bewustzijn zit, maar men wist wel dat je in jezelf de ‘waarheid' zoeken moest. Dat blijkt uit talloze verhalen, sprookjes, mythen en legenden.

 

Daarin zoekt men steeds iets dat verborgen is en dat na het uitvoeren van moeilijke opgaven gevonden kan worden. Als men het dan tenslotte gevonden heeft blijkt onveranderlijk dat men die 'waarheid' zelf is. In de westerse cultuur heeft men de objectiviteit naar buiten verplaatst, naar de werkelijkheid van de concrete, meetbare dingen, omgezet tot een hoeveelheid uitwendig getoetste kennis. Men heeft het bewustzijn als iets onbetrouwbaars verworpen. Men weigert dan ook te erkennen dat het mogelijk is logisch, rationeel denkend dat bewustzijn te benaderen. Men vindt dat allemaal maar mystiek - zonder overigens te weten wat mystiek nu eigenlijk is. Een ander aspect van het bewustzijn is het feit dat zij universeel is. Zij geldt voor iedereen in gelijke mate. Het is een universeel weten.

Mystiek-1 ; Mystiek/het goddelijke-2(28t/m33) ; Mystiek-3 ; Mystiek-4 ; Mystiek-5 ; Mystiek-6 ;  Mystiek-7 ; Voorstelling van de werkelijkheid - A- ; B- ; C- ; D- ; E- ; F- ; G- ; H- ;  I- ;

 

26.

Maar voor dat weten vluchten de zogenaamde rationalisten weg, terwijl diegenen die er een vermoeden van hebben en proberen er over na te denken, er heel irrationeel mee om gaan en bijgevolg nauwelijks iets anders dan romantische onzin te berde brengen. Die onzin is een gevolg van het feit dat men rationeel denken associeert met meten en analyseren. Maar als je dat doet kan je niet anders dan met onzin komen, omdat de zaak niet te meten en te analyseren ('niet-lineair') is. Je kunt haar alleen maar zo genuanceerd mogelijk nagaan. Een samenhangende zaak, zoals het bewustzijn als beeld, leent zich niet voor analyse. Doe je het toch, dan verbreek je die samenhang en daarmee is het beeld verdwenen.

 

Het is al analyse wat de klok slaat in de moderne filosofie.

Verwonderlijk is dat eigenlijk niet, want de analyse is onze cultuur.


Omdat de werkelijkheid als beeld, waarom het in feite zou moeten gaan, niet voor analyse vatbaar is ontbreekt het die moderne filosofie wezenlijk aan een onderwerp van studie. Noodgedwongen heeft men zijn toevlucht genomen tot de collectie filosofische kennis en die tot object van studie gemaakt. Men heeft het filosoferen te water gelaten en is overgegaan tot het analyseren van de filosofie. Al die moderne filosofen houden zich bezig met wat anderen gezegd hebben; zij analyseren hun uitspraken, toetsen die aan andere uitspraken en zijn het er vervolgens al of niet mee eens. Daarin hebben zij een onvoorstelbaar hoog niveau bereikt; zij zijn nauwkeurig op de hoogte van alle stromingen, controverses en methodieken, want dat is het materiaal waarmee zij werken moeten, bij gebrek aan eigen creatief denken. Als men bijvoorbeeld het denken van Spinoza wil begrijpen gaat men naspeuren waar Spinoza zijn denkbeelden mogelijk vandaan gehaald heeft, in de waan hem daarmee te leren kennen. Dat heeft bovendien nog het voordeel dat men kan nivelleren, zichzelf gelijkstellen met Spinoza. Men haalt zelf alles weg bij anderen en dus heeft Spinoza dat ook gedaan. Nu zijn we gezellig als collega's onder elkaar... Met creatieve filosofie heeft dit alles niets te maken. Je kunt niet anders dan constateren dat de filosofie ter ziele is, evenals dat met de kunst het geval is. Uiteraard bemerkt men dat zelf niet. De moderne mens is zo langzamerhand zelf analyse geworden en dus vindt hij die vermoorde kunst en filosofie iets geweldigs. Hij vindt zelfs dat kunst en filosofie eindelijk terecht zijn gekomen en dat het vroegere gedoe slechts een primitieve aanloop was!

Het ontstaan van de verschijnselen is te danken aan een plaatselijk kosmisch proces waarin zich gaandeweg alle beweeglijkheidsverhoudingen concretiseren. Met het verschijnen van de mens is dat proces beëindigd en daarom geldt voor hem dat zijn bewustzijn de gehele werkelijkheid omvat, op de wijze van het ineen-zijn van alle mogelijke verhoudingen van beweeglijkheid. Een praktisch voorbeeld zal dat misschien verduidelijken. Je kunt met een bepaald elektronisch apparaat de geluidsgolven bij het klinken van een symfonie in beeld brengen. Je ziet dan een bepaalde, tamelijk grillige, golvende lijn op een beeldscherm. In die lijn zijn alle verschillende klanken en toonhoogten van de instrumenten opgenomen, zij zijn in die lijn ineen.

27.

Maar bij het beluisteren van die symfonie hoor je al die nuances wel degelijk. De alles omvattende 'lijn' kun je vergelijken met ons bewustzijn en het horen van dat genuanceerde geheel met het beeld van de werkelijkheid. Als beeld is de werkelijkheid als bewustzijn voor ons ervaarbaar.

 

Het 'beeld', als hoedanig je jezelf als bewustzijn ervaart is de enige betrouwbare toetssteen die we hebben en dat is zo, juist omdat wij er als bepaald verschijnsel, als persoon, niet in betrokken zijn: het is de werkelijkheid zelf. Ook als wij niets van het bestaan van dat beeld afweten geldt het toch voor ons, precies zoals bij een dier het (onvolledige) beeld onvermijdelijk bepalend is voor zijn leven. Het dier weet van niets, maar gaat toch heel trefzeker zijn gang in zijn wereldje. Dat laatste is van de mens nauwelijks te zeggen, maar dat komt doordat hij er vanuit zijn zelfbewustzijn, en dus vanwege zijn voorstelling, een rommeltje van maakt. Dat is in versterkte mate het geval in onze cultuur, waarin bewustzijn en beeld als toetssteen voor de 'waarheid' vrijwel volledig vervallen zijn en men de mening toegedaan is met een onbetrouwbare subjectiviteit van doen te hebben, terwijl de voorstelling als objectieve en in zichzelf waarheid bevattende realiteit beschouwd wordt. Evenwel, hoe minder vastgelegd en dus maatgevend die voorstelling is, hoe meer 'natuurlijk' ons gedrag, d.w.z. hoe meer overeenkomend met de werkelijkheid. Een dier heeft geen last van deze dingen omdat voor hem nog geen zelfbewustzijn geldt. Het dier is dan ook vanzelfsprekend zichzelf, heeft geen identiteitsproblemen!

 


Het is de opgave van de creatieve filosofie om de werkelijkheid aan de hand van het beeld te beschrijven. Daartoe moet je de voorstelling beweeglijk maken, oplossen. Dit is de 'intellectuele' benadering, die rationeel denkend plaatsvindt. Je denkt je als het ware door de voorstelling heen, je maakt onderscheidingen en zoekt uit hoe het zit. Dit laatste doe je door toetsing aan het beeld. Dat beeld zelf leent zich niet voor onderscheidingen in de zin van 'uit elkaar leggen', wel echter voor het onderscheiden, d.w.z. opmerken, van nuances. Dat heb ik het 'nagaan' van het beeld genoemd. Het rationele filosofische denken beantwoordt aan zekere wetten van logica, maar dat wil niet zeggen dat dit denken zich zou onderwerpen aan datgene dat men in een bepaalde cultuur voor logisch houdt. De logica van onze moderne cultuur bijvoorbeeld is een zeer onlogische, die je eerder in verwarring brengt dan dat hij iets verheldert. Dat komt doordat de toetsing aan het beeld vervallen is en heeft plaatsgemaakt voor toetsing aan de eigen voorstelling. Men toetst in feite zichzelf, de eigen al of niet wetenschappelijke normen en opvattingen. De waarheid moet beantwoorden aan door de moderne mensen zelf gestelde normen, in plaats van andersom. Dan moet alles wel in het honderd lopen! De economische en politieke verklaringen bijvoorbeeld van de honger in Afrika berusten niet op objectieve (dit is: aan het beeld getoetste) logica, maar op verzinsels aan de hand van de eigen voorstelling.

28.

Mystiek-1 ; Mystiek/het goddelijke-2(28t/m33) ; Mystiek-3 ; Mystiek-4 ; Mystiek-5 ; Mystiek-6 ;  Mystiek-7 ;

Het toetsen aan het beeld gebeurt in de creatieve filosofie op rationele wijze: alles moet correct uitgedacht worden. Maar buiten die filosofie om kan die rationaliteit bij iemand best gebrekkig zijn terwijl er toch een voortdurende toetsing met het beeld plaatsvindt. Zo iemand geeft dan blijk van een zekere 'wijsheid'. Die 'wijsheid' is zelfs tamelijk onafhankelijk van de rationaliteit. Maar bij de filosoof moet de zaak natuurlijk wel rationeel verantwoord zijn, hoewel enkele fouten zijn beschrijving van de werkelijkheid nog niet ongeldig behoeven te maken. Alle filosofen maken fouten, alle kunstenaars ook. Maar de waarheid en de schoonheid worden daardoor niet wezenlijk aangetast.

 

Je kunt van de mystieke manier om het beeld te benaderen zeggen dat deze niet rationeel is, maar je kunt niet zeggen dat het dus onzin is. De mysticus gaat niet rationeel-denkend de voorstelling te lijf, maar hij brengt zichzelf in een zekere psychische toestand. Daarbij vernevelt hij de voorstelling zonder er denkend doorheen te gaan en zonder hem beweeglijk te maken. Vaak 'benevelt' hij zich letterlijk, doormiddel van bepaalde drugs, drank of oefeningen zoals meditatie, yoga of fixatie op iets bepaalds, bijvoorbeeld een bepaald woord. Ook de zelfhypnose kan een rol spelen. Van nagaan van het beeld, zoals in de creatieve filosofie, is geen sprake. De mysticus ondergaat tijdelijk het bewustzijn, hij wordt er door 'overspoeld', er door 'bevangen'. Hij wordt er als het ware in opgenomen en is er zelf tijdelijk niet. Voor zover hij niet beter weet spreekt hij dan van 'éénwording met het goddelijke', maar beter zou je kunnen spreken van éénwording met de werkelijkheid als bewustzijn. De uitspraken van zo'n mysticus hebben niet ten doel van dat bewustzijn een beschrijving te geven, noch dat bewustzijn als toetssteen te laten fungeren bij een beschrijving van de werkelijkheid, maar louter en alleen de 'goddelijke ervaring' te beschrijven. Die ervaring is er een van helderheid, ruimte, schoonheid, liefde en goedheid. Met zo'n ervaring is natuurlijk in de praktijk wel wat te doen, vooral in morele zin, maar je kunt er de werkelijkheid niet filosofisch mee beschrijven. Voor zover men dat toch probeert wordt het doorgaans onzin en wel doordat men niets met de voorstelling gedaan heeft, behalve die tijdelijk te vernevelen. Daarna komt die immers ongewijzigd terug!

 


Bijna elk mens heeft wel eens momenten van een 'mystieke ervaring' en die leiden soms tot een bepaalde 'inval', een bepaalde intuïtie die een opening biedt tot het oplossen van een probleem. Maar voor zover de creatieve filosoof die heeft gebruikt hij die voor een nieuwe rationele gedachtegang, zonder verder bij die ervaring stil te staan. Bij de mysticus gaat het echter om die ervaring. Hij brengt zichzelf terug tot louter bewustzijn, bijna tot een toestand die voor het dier geldt De weg van de mysticus is niet rationeel, maar het gaat niet aan om, zoals tegenwoordig meer en meer gebruikelijk wordt, alle irrationaliteit en alle onbegrepen rationaliteit (zoals die van de creatieve filosoof) te diskwalificeren met als argument dat het 'allemaal mystiek' zou zijn.

 

29.

De echte mysticus is heel integer bezig met het zoeken van de waarheid, precies daar waar ze zit: in de mens zelf en wel in de situatie van de werkelijkheid als bewustzijn.

 

De meeste moderne wetenschappers zijn positivistisch ingesteld, en dat betekent dat zij zich verlaten op het onderzoek van de buitenwereld, in de veronderstelling dat op die manier zekerheid verkregen kan worden omtrent de aard en de opbouw van de werkelijkheid. Vanuit die opvatting verwerpen zij, doorgaans al bij voorbaat, de creatieve filosofie en ook de bonafide mystiek omdat beide de objectieve waarheid, ieder op eigen wijze, zoeken binnen het verschijnsel, dat een mens is. Zij verwerpen beide omdat zij vinden dat die mystici en filosofen subjectief bezig zijn. Daarbij verwarren zij de bezigheid, namelijk het zich naar binnen keren, met het object, de werkelijkheid als bewustzijn.

 

Op grond van die verwarring noemen die wetenschappers dan alles maar 'mystiek' en wel in afkeurende zin. Dat het object, namelijk het bewustzijn, nu precies de énige werkelijke objectiviteit is komt niet in hen op, zodat dit ook niet eens serieus onderzocht wordt. De bezigheid zou je inderdaad 'subjectief' kunnen noemen, maar daaraan valt wezenlijk niets te diskwalificeren, alleen al op grond van het feit dat de wetenschappers zelf ook 'subjectief' bezig zijn, zij het dan binnen het kader van door henzelf opgestelde regels en normen. Maar, diegenen die tegenwoordig op de een of andere manier reclame maken voor de mystiek, een aantal zogenaamde 'holisten' bijvoorbeeld, blijken er vaak nog minder van te begrijpen. Zij zien bepaalde persoonlijke gevoelens op zichzelf aan voor mystiek en als zodanig zijn zij nu niet bepaald goede pleitbezorgers voor een broodnodige andere wijze van denken. Hun gedoe heeft nauwelijks iets met denken te maken en blijft zelfs ruimschoots beneden het peil van het gebruikelijke analytische denken.

 


Het kenmerkende van de mysticus is dat hij zijn voorstelling vernevelt. Dat betekent dat er met die voorstelling eigenlijk niets gebeurt. Die verdwijnt in zijn geheel in die nevel en hij komt daarna weer ongewijzigd terug. De mysticus heeft zich even verlost van zijn voorstelling, hij is even weggeweest uit 'de wereld' en hij komt terug in precies diezelfde 'wereld'. Dat betekent: hij treft in zichzelf dezelfde voorstelling aan. Pas daarna kan het voorkomen dat hij toch enigszins anders tegen die voorstelling aan gaat kijken en bepaalde morele en ethische conclusies trekt. Maar nog steeds weet hij niet 'hoe het zit’, in de zin van 'begrijpen'. Zijn onmiskenbare wijsheid berust op de sfeer, die voor hem de werkelijkheid heeft, en dat is een sfeer van goedheid, liefde, schoonheid, enzovoort. Bovendien kan hij vertellen wat er met een mens zou moeten gebeuren om in het 'goddelijke' opgenomen te worden: een toenemende onverschilligheid voor zichzelf en de wereld, een verdergaande ontwaarding en een persoonlijke 'onthechting'. Hij wijst dus de 'morele' en 'ethische' weg, zonder antwoord te kunnen geven op de vraag naar het 'waarom'. De mysticus is wezenlijk niet geïnteresseerd in zijn voorstelling, hij is er onverschillig voor.

30.

Hem gaat het uitsluitend om het opgenomen-zijn in het bewustzijn door hem begrepen als 'god'. Maar hoe dan ook, hij zoekt het in de goede richting en hij heeft in de gaten dat de vastgelegde voorstellingen voor dat zoeken een belemmering vormen. Een nadeel, gezien vanuit de filosofie, voor de mysticus is dat hij eigenlijk niets 'aan de weet' komt omtrent de werkelijkheid. Hij blijft een gelovig mens, óók als hij het godsbegrip al lang heeft laten vallen. Verzonken-zijn in het bewustzijn levert geloof op, geloof in de ware zin van het woord. Daarin onderscheidt de mysticus zich van de gangbare theoloog, want die is juist almaar met zijn voorstelling (van god) bezig, welbeschouwd precies zoals de wetenschapper bezig is met zijn voorstelling van de verschijnselen.

 

In de creatieve filosofie ga je 'door de voorstelling heen' om daarna en tegelijk de zaak aan het 'beeld' te toetsen. Dat toetsen gebeurt bij voortduring: de gehele werkelijkheid als voorstelling voegt zich steeds naar het beeld. De mysticus ondergaat zijn bewustzijn bij vlagen, maar de creatieve filosoof ziet het beeld nooit niet. Alles wordt daaraan gespiegeld, ook de dingen van het dagelijkse leven. Bij hem is de voorstelling dus wel in beweging, een beweging die tot een almaar grotere helderheid leidt. En dat betekent voor de voorstelling dat die steeds realistischer wordt. Naarmate dat het geval is komt de creatieve filosoof aan de weet 'hoe het zit' met de werkelijkheid, en dat 'weten' is een beweeglijk weten, d.w.z. een niet-vastgelegde zaak. Het 'door de voorstelling heengaan' geschiedt langs de weg van de twijfel en dat betekent 'blijvend losmaken'. In tegenstelling tot wat veelal gemeend wordt is de twijfel een uitermate zinvolle kwaliteit van de menselijke 'geest'. Zonder die kwaliteit wordt het niets met welke ontwikkeling dan ook. Twijfelen wil zeggen: "voor mij staat het nog lang niet vast dat...". Overigens: Hegel heeft gelijk als hij voor de filosofie groot belang hecht aan de westerse mystici, zoals daar o.a. zijn: Meister Eckhart (ca. 1260 - ca. 1328) en Jacob Bohme (1575 - 1624). Hegels gelijk ligt in de erkenning en waardering van het naar binnen gerichte zoeken van deze mensen.

 

Bij het analyseren haal je de dingen uit elkaar. Ze komen ook dan eventjes 'los' te liggen, maar daarna leg je ze onmiddellijk weer vast, zo nodig in een geheel of gedeeltelijk nieuwe voorstelling. De aanzet tot het analyseren van de dingen wordt gegeven door onduidelijkheden in de bestaande voorstelling, zaken die men nog niet wetenschappelijk begrepen heeft. 'Begrepen hebben' betekent wetenschappelijk: ondergebracht hebben in een logisch kennissysteem. Daarvoor is analytisch onderzoek nodig. Dit onderzoek levert soms onverwacht een 'kijkje' op het beeld op, maar dat wordt niet herkend. Men spreekt dan van 'vermoedens', 'onbewezen ideeën' en 'speculaties'. Zo af en toe laat men zich echter toch op een gedachte brengen. Dergelijke 'invallen' hebben steeds de wetenschap een stuk verder gebracht, maar men blijft almaar ontkennen dat dit het geval is en volhouden dat het wetenschappelijk denken zelf nieuwe inzichten oplevert.

31.


Oude Testament-1 ; Oude Testament-2 ;

Het analytische onderzoek leidt niet tot nieuwe inzichten maar tot specialisatie. Men is steeds beter op de hoogte van een heel klein deel van zijn eigen voorstelling, verzamelt daarover meer kennis. Maar dit wijkt wezenlijk in niets af van de totale, in een bepaalde cultuur gebruikelijke, voorstelling. Geen nieuw inzicht dus! Maar: de verdienste van de wetenschap is dat zij de voorstellingen een logische basis geeft, dat zij de mogelijkheid schept om zinvol met de natuur om te gaan en dat zij tenslotte, zij het ongewild, de voorstellingen diffuus maakt, waardoor het beeld zichtbaar wordt. Evenwel niet voor de wetenschappers als zodanig. Zij blijven als wetenschapper op de voorstelling toegespitst en dus op de verzameling almaar gedetailleerder kennis.

 

Het geloof, waartoe de bonafide mysticus komt, is iets geheel anders dan datgene dat wij gewoonlijk onder, godsdienst, verstaan. Het onderscheid tussen godsdienst en geloof is te vergelijken met het onderscheid tussen de tegenwoordige academische filosofie en de creatieve. Dat betekent niet dat de creatieve filosofie een geloofszaak zou zijn, maar het betekent wel dat er een parallel is. In feite draait het om de begrippenparen 'zelfbewustzijn- bewustzijn', en dus ook om 'voorstelling - beeld'. Omdat dit voor de kunst van het filosoferen van belang is loont het de moeite er even bij stil te staan. In de christelijke godsdienst is het, vooral na de Reformatie, voornamelijk gegaan over het zogenaamde Oude Testament. Dat betekent dat de christelijke god overeenkomt met de Joodse. Weliswaar heeft het christendom er, op grond van het Evangelie (Nieuwe Testament), een begrip aan toegevoegd in de vorm van het liefdesbegrip, maar die zogenaamde 'liefde' van god wordt op een zodanige manier geïnterpreteerd dat het toch weer over de oude Joodse Jahwe gaat. Hetzelfde is ook gebeurd met de andere Evangelische begrippen. Het karakter van de Joodse Jahwe is de volslagen abstractie, in die zin dat het gaat over 'het natuurlijke niet'. Al het bestaande, inclusief de mens, wordt kwalitatief afgewezen, moet eigen bestaan opheffen, wil het goddelijke gelden. Dit houdt dus ook in dat de mens, elke mens, onvermijdelijk niet deugt, voor zover hij als een bestaande natuurlijke zaak concreet aanwezig is. Pas na zijn sterven kan het goddelijke eventueel voor hem gaan gelden. Dit diskwalificeren van de mensen geldt in het christendom tot op de dag van vandaag. Het lijkt soms alsof dat niet meer het geval is, doordat men zich meer op de 'medemens' is gaan richten, maar welbeschouwd blijkt die belangstelling er een van medelijdende aard te zijn: wij 'zondige' mensen moeten elkaar helpen bij de beproevingen van het leven. Ondanks dat helpen blijven wij echter niet deugen in de 'ogen' van god. Dat is overigens niet een opvatting die alleen bij de Joodse en Christelijke godsdienst voorkomt. Plato laat Socrates in een heel betoog duidelijk maken dat de deugd te leren zou zijn, kennelijk met als uitgangspunt van de gedachtegang dat je als mens in principe in het geheel niet wil deugen. Maar, hij laat in ieder geval nog de mogelijkheid open de zaak recht te zetten en dat is voor Joods en Christelijk besef wezenlijk uitgesloten.

32.

Beleving-nrs.. 32 en33 ;


De joods-christelijke opvatting is dat het goddelijke alleen maar dan kan gelden als en voor zover het bestaande ontkend is. Als je hier op doordenkt blijkt dat het eigenlijk gaat over de menselijke geest zoals die, aan het einde van het wordingsproces van de verschijnselen voor de dag komt als materie, die zichzelf laat gelden als niet-materie. Op grond van dit niet-materiële aspect verkeren de meeste mensen tot op heden in de mening dat zij, als het over de 'geest' gaat, te doen hebben met iets buiten en boven henzelf. Dat benoemen zij dan met 'god'. Als zodanig is de werkelijkheid als mens zich van zichzelf bewust, en dus draait de hele zaak om het zelfbewustzijn. Het gehele complex van gedachten over 'god' is een inhoud van het zelfbewustzijn en dat wil zeggen dat dit complex behoort tot de werkelijkheid als voorstelling. Dat moet ook wel, want wij weten uit de praktijk dat het complex van godsdienstige opvattingen gewoon aan de kinderen geléérd wordt, en ook dat het een, nog altijd zeer serieus genomen, onderwerp van wetenschappelijke studie vormt. Dat zou niet mogelijk zijn als wij niet met de voorstelling van doen hadden. Het 'goddelijke' mag dan als iets hogers beschouwd worden, het is net zo afhankelijk van de cultuur en net zozeer een bedenksel als alle inhouden van onze zelfbewuste voorstelling - of het nu gaat over geldige of Ongeldige denkbeelden. Die denkbeelden zelf bestaan uit grootheden, die ontleend zijn aan de 'buitenwereld' en ook dat blijkt bij het godsdienstige denken op te gaan: alles wat over god gezegd wordt behoort tot het terrein van de verschijnselen: god neemt wraak als hij beledigd is, hij bestuurt de wereld als een (slechte) manager, hij vergeeft wandaden of bestraft die, hij houdt van de mensen maar wil er wel iets tegenover gesteld zien, hij wil gehoorzaamd worden omdat hij machtig is, hetgeen wil zeggen dat hij het andere verdringt. Kortom, gewoon een 'alledaagse' zaak - en niet eens een al te beste! Maar het merendeel van de mensen begrijpt niets hiervan, ziet niet in dat hun 'god' een voorstelling van hun eigen geest is en onderwerpen zich klakkeloos, zoals altijd, aan die voorstelling.

Met het hierboven geschetste onderwerpen aan voorstellingen heeft het geloof van de mysticus niets te maken, dat is te zeggen: als zelfbewust denkend mens zal hij moeilijk aan die onderwerping kunnen ontkomen (conditionering!) en bijgevolg ook de gebruikelijke denkbeelden op tafel leggen, maar voor zover hij gelooft is het een heel andere zaak. We hebben al gesproken over het 'vernevelen' van de voorstelling, maar nu kunnen wij constateren dat de mysticus in de mystieke beleving ook zijn eigen godsvoorstelling vernevelt. In feite komt hij tot een ontkenning van het bestaan van god. Uit zelfbehoud of onwetendheid handhaaft hij echter doorgaans de term 'god'. De machthebbers in de kerken ontgaat dit niet, al begrijpen ook zij gewoonlijk niet wat er werkelijk gaande is. Zij voelen aan dat de mystiek een levensgevaarlijke bedreiging vormt voor hun godsdienstig stelsel. Als de mystieke beleving echter leidde tot het, op de een of andere manier, ondergaan van de geest, dan zou er geen gevaar dreigen.

Mystiek-1 ; Mystiek/het goddelijke-2(28t/m33) ; Mystiek-3 ; Mystiek-4 ; Mystiek-5 ; Mystiek-6 ;  Mystiek-7 ; Oude Testament-1 ; Oude Testament-2 ;

33.

Het zou juist toegejuicht worden omdat het als een bewijs van Gods bestaan zou kunnen worden uitgelegd. Maar, de bonafide mystieke beleving leidt tot het bewustzijn en dus tot de 'waarheid' omtrent de werkelijkheid. En die, waarheid' houdt dan schoonheid, liefde en dergelijke in - allemaal begrippen die algemeen geldig zijn. De mysticus beleeft dus niet de abstractie (door de mensen 'god' genoemd), maar juist de werkelijkheid zelf naar haar algemeenheid. Voor zover dat inderdaad het geval is bij die mensen gaat het niet over godsdienst, maar over geloof. Dat is een onberedeneerd, een niet uitgedacht en niet gemotiveerd weten hoe de werkelijkheid is, hoe haar karakter is. Dit 'mystieke weten' gold (geldt?) in sterke mate voor de cultuur van Rusland, en dat staat in tegenstelling tot de cultuur van de West-Europese mensen. Uiteraard hebben de Russen er wel een godsdienst van gemaakt, maar de basis blijft: geloof. Van daaruit is er toch in de Russische godsdienst, en vooral ook in de literatuur, zoveel warmte. Die gaat gepaard met opofferingsgezindheid, goedmoedigheid, gastvrijheid en saamhorigheid, maar ook met een fundamenteel Onvermogen tot een analytische wereldbeschouwing.


Je kunt waarnemen dat in de gehele westerse filosofie het zelfbewustzijn als maatgevend wordt beschouwd, tenminste als het gaat over de vraag: hoe zit het met de mens. Het blijkt dat deze wordt gedacht als een 'geestelijk wezen' dat zichzelf vanuit het zelfbewustzijn heeft te besturen, corrigeren en beheersen en dat daarin zijn vervolmaking vindt. Dit is een, zelfs wel tragisch te noemen, vergissing. De leidraad voor het leven bestaat dan immers uit voorstellingen die onvermijdelijk, zelfs als zij redelijk helder zijn, een beperkt en bepaald karakter hebben en bovendien de onuitroeibare neiging zich zo lang mogelijk te handhaven, vaak dwars tegen beter weten in...

De voorstellingen, die in de loop der eeuwen binnen het zelfbewustzijn ontwikkeld en in stand gehouden zijn, blijken bij nadere beschouwing helemaal niet zo fraai te zijn als gewoonlijk wordt beweerd. Je kunt natuurlijk wijzen op het vele moois dat de kunst opgeleverd heeft, en eigenlijk ook de godsdienst en de wetenschap, en je kunt wijzen op het recht en de ontwikkeling daarvan; je kunt wijzen op de filosofie, enzovoort. Maar bij al die voortbrengselen van het zelfbewustzijn is er een relatie tussen het wezenlijke, namelijk dat wat uitdrukking geeft aan de werkelijkheid als 'beeld', en het verschijnende, en dus datgene dat in het teken staat van en bevangen is in de op een bepaald moment overheersende 'voorstelling'. Als je die relatie nagaat blijkt dat de voorstelling onveranderlijk een bepalende rol speelt, met als resultaat datgene dat wij 'beschaving' noemen. Bekijk je nu de filosofie, dan blijkt dat de filosofen, van wie je toch verwacht dat zij in volle intellectuele vrijheid uit zullen zoeken 'hoe het zit', nauwelijks in staat waren om onder de druk van die alles bepalende voorstelling uit te komen. Anders gezegd: niet werkelijk aan hun cultuur konden ontsnappen.

Mystiek-1 ; Mystiek/het goddelijke-2(28t/m33) ; Mystiek-3 ; Mystiek-4 ; Mystiek-5 ; Mystiek-6 ;  Mystiek-7 ; Beleving-nrs.. 32 en33 ;

34.

Vanuit deze optiek is te stellen dat er van de filosofie eigenlijk weinig terecht is gekomen. Men heeft niet in de gaten gehad dat het zelfbewustzijn, hoewel terecht beschouwd als de zaak waarom alles draait, uitermate onbetrouwbaar functioneerde en voortdurend illusies opriep en in stand hield. En dat tot op de dag van vandaag. Waarom verveelt het lezen van de werken van al die filosofen zo vlug?

Niet omdat ze eventueel 'uit de tijd' zijn, want de filosofie is, net als de kunst, nooit 'uit de tijd'. Zij heeft voor alle tijden iets te zeggen en dat zijn over het algemeen nog steeds dingen waar de mensheid de grootste moeite mee heeft. Wat desondanks toch verveelt is het nimmer aflatende in stand houden van maatgevende voorstellingen, het niet herkennen van de illusies, die door het zelfbewustzijn opgeroepen worden. En als er wel van enige herkenning gesproken kan worden, wat natuurlijk toch zo af en toe het geval is, gelukt het maar zelden die herkenning als leidraad te nemen bij de verdere uitwerking van een filosofische gedachtegang. Als bijvoorbeeld Plato nadenkt over de staat leidt dat tot allerlei behartenswaardige ideeën, maar intussen gaat hij er toch als vanzelfsprekend van uit dat de mensen geregeerd moeten worden volgens hem door filosofen of althans filosofisch geschoolde machthebbers.


En later denkt Hegel in diezelfde richting. Trouwens, wie eigenlijk niet? Men komt dan uit op 'de macht ten goede' en trapt, Hegel zelfs met open ogen, in de valkuil van de illusie dat de mensheid een hoger geplaatste leiding nodig zou hebben, een illusie die door het zelfbewustzijn via de voorstelling voorgespiegeld wordt. In die optiek is het natuurlijk wel mooi om de staat, zoals Hegel doet, als een 'idealiteit' van de maatschappij te beschouwen en er op die manier een 'redelijke' inhoud aan te geven. Maar de gehele gedachtegang is er toch een die op een fout begrip van de werkelijkheid berust en die voedsel geeft aan de opvatting dat de menselijke werkelijkheid in een van tevoren bedacht stelsel te vatten zou zijn. Een opvatting overigens die nog steeds opgeld doet en die zelfs steeds meer versterkt wordt, o.a. in het moderne 'organisatie denken’. Opmerkelijk is dat een wijsgeer als Spinoza er anders over denkt, althans veel meer door de illusie heen prikt. Dat blijkt uit zijn 'Staatkundig Vertoog' dat kort voor 1677 geschreven is, en eigenlijk ook uit zijn 'Ethica'. Spinoza benadert de maatschappij vanuit de mensen zelf en hij gaat na wat er nodig zou zijn om de zaak in orde te krijgen. Dan komt hij tot de conclusie dat de mensen 'hun verstand zouden moeten zuiveren' om daardoor zichzelf te kunnen begrijpen. Voor hem is de staat met zijn onvermijdelijke machtsstructuren dus geen vanzelfsprekendheid, maar zijn het de mensen zelf die goed bij hun hoofd moeten worden om op redelijke wijze met elkaar op te kunnen schieten. Hier ontbreekt dus de van bovenaf opgelegde dwang, de 'Categorische Imperatief' waarmee Kant later kwam. Het 'welbegrepen eigenbelang' van de zichzelf kennende mensen zal als leidraad voor hun maatschappelijk gedrag fungeren.

Als je de gedachten van Spinoza vergelijkt met die van vrijwel alle andere filosofen, dan val je op dat hij het over ons heeft.

35.

Hij heeft het over 'jou en mij', maar bij die anderen vraag je je vertwijfeld af wanneer je nou eindelijk eens in hun verhaal voor zal komen! Dat wil zeggen: als een volwaardig lid van de mensheid, vrij en zelfbeschikkend, zonder van bovenaf voorgeschreven en afgedwongen, zogenaamd 'hogere', normen. Maar het hele werk van Spinoza gaat wezenlijk over 'jou en mij', is direct op jezelf van toepassing en opent het uitzicht op onze plaats in een samenhangende werkelijkheid, zonder dat je in een netwerk van rechten en vooral plichten gevangen bent. Het mag dan ook geen wonder heten dat een denker als Spinoza niet de behoefte had om als professor aan de universiteit filosofie te doceren. Hij zou het hele stelsel onderuit gehaald hebben! Bij Nietzsche (1844 - 1900) bijvoorbeeld tref je een bijna unieke aanleg aan om door het zelfbewustzijn met zijn voorstellingen heen te gaan. Maar als hij de zaak gaat uitwerken, dus er over gaat nadenken, wordt het een rommeltje waarin 'jij en ik' er weer bekaaid af komen. Zijn 'Also sprach Zarathustra' (1891) begint inderdaad 'menselijk’, maar wordt al gauw dermate arrogant van bovenaf gedacht dat het nauwelijks meer te verteren is. Er zijn alleen nog maar verwijten dat de mensen, dus 'jij en ik’, niet willen deugen. De filosoof Jan Borger (1888 - 1965) is gelukkig weer een uitzondering. Bij hem gaat het ook voortdurend over 'jou en mij' en hij heeft dan ook in de gaten hoe funest de werking van het 'voorhanden’ zelfbewustzijn is. Ik zal bij een andere gelegenheid bespreken hoe hij dit inzicht verder heeft uitgewerkt.

 


De vraag waarom alles draait is deze: bij welke denker wordt het zelfbewustzijn zelf gerelativeerd en niet meer als de absolute maat genomen, dat wil zeggen in twijfel getrokken? Als je dat uitzoekt bemerk je dat dit bij bijna geen van de denkers het geval is. Zij raden wel aan iets met je denken te doen, maar dat komt er op neer dat je het moet trainen om het doeltreffend te kunnen gebruiken. Van de constatering dat ons denken vol met vuiligheid zit en dat er dus gezuiverd zou moeten worden is eigenlijk geen sprake. Wij weten inmiddels dat 'zuiveren’ slaat op het je ontdoen van ingeprente vastgelegde voorstellingen, en dat 'trainen' daarentegen betekent dat je de zaak moet verfijnen. Dat zijn twee geheel verschillende opgaven. Een denken dat vol zit met vuiligheden kan heel goed verfijnd worden. Je krijgt dan een 'verfijnd (geraffineerd) vuil denken'. Daarvan zijn voorbeelden te over, zeker in onze moderne tijd. Maar als het je er om te doen is er achter te komen 'hoe het zit' moet je in de eerste plaats je denken gaan zuiveren. Daarna kun je altijd nog proberen het te verfijnen. Een ‘gezuiverd' denken komt automatisch bij 'jou en mij' terecht en dus bij mensen die echt bestaan, terwijl het in voorstellingen bevangen denken het steeds heeft over 'de mens' en dan doelt op een abstractie (afgetrokkenheid, iets dat van al het andere afgezonderd is) die geen echte filosofische 'algemeenheid' is en die bijgevolg met geen mogelijkheid naar 'gewone' levende mensen te vertalen is. Om die ‘gewone' mensen, jij en ik, gaat het echter, dat is het werkelijke laatste verschijnsel!

36.

Je ziet door alle tijden heen dat de mensen zich de dienst voor laten schrijven door hun eigen zelfbewustzijn, overeenkomstig de daarin aanwezige voorstelling. Het ligt dus voor de hand om te zeggen 'dat doen de mensen nu eenmaal', maar van de filosofen, als 'minnaars van de wijsheid', zou je verwachten dat zij daar doorheen zouden zien. Zij worden immers geacht zich de vraag te stellen: 'hoe zit het met de werkelijkheid?'. Toch blijken slechts weinigen echt daartoe in staat te zijn geweest, zeker als het gaat om de uitwerking van hun ideeën. Voor die uitwerking ben je als filosoof aangewezen op de gebruikelijke voorstellingen, omdat je, als je je daaraan niet zou houden, voor je medemensen onverstaanbaar bent. Met andere woorden: je bent gebonden aan de gangbare taal, het complex van de in jouw tijd geldende begrippen, betekenissen, woorden. Dat is vaak een handicap omdat, zeker in onze cultuur, de woorden voor bepaalde verhoudingen in de werkelijkheid ontbreken. Dat ontslaat de filosoof echter niet van de 'plicht' om, met gebruik van de gangbare taal, een beschrijving te geven van de werkelijkheid vanuit het beeld en daartoe volstrekt ‘door de voorstelling heen' te denken. Het feit dat 'jij en ik' nauwelijks in de filosofie voorkomen wijst er op dat er niet echt 'vanuit het beeld' gedacht is, althans dat dit niet consequent is gebeurd.

De antwoorden, die de filosoof geeft op de vraag 'hoe zit het', zijn algemeenheden. Het gaat bijvoorbeeld niet over een bepaalde stoel, maar over 'de' stoel in zijn algemeenheid. Je verdiept je niet in de plaats- en tijdbepaalde eigenaardigheden van de verschijnselen. Als het gaat over mensen houd je je inderdaad bezig met 'de' mens. Nu is er op te merken dat 'de' mens eigenlijk niet bestaat en dat er feitelijk alleen maar 'bepaalde mensen’ zijn. Die ‘bepaalde mensen' vallen min of meer met 'de' mens samen, maar nooit helemaal. Zij zijn variaties van de algemeenheid 'de’ mens. Maar het is natuurlijk wel zo dat die algemeenheid een 'echte' moet zijn, dat wil zeggen dat het er een moet zijn die volledig samenvalt met en gevolg is van het 'wordingsproces' in de werkelijkheid. Als dat inderdaad het geval is, is het mogelijk om de 'bepaalde mensen' te vergelijken met 'de' mens en er daarna geldige uitspraken over te doen. Die uitspraken kunnen verklaren waarom de mensen doen zoals zij doen en ook waarom zij voortdurend afwijken van de algemeenheid 'de' mens. Zo'n verklaring zal dan vanzelf waardevrij zijn. Niet waardevrij echter zijn uitspraken en verklaringen inzake de mensen, die het gevolg zijn van een vergelijking met een algemeenheid, die niet uit het 'beeld', maar uit de 'voorstelling' is afgeleid. Een dergelijke algemeenheid is geen 'echte', maar een 'fictieve'. Ik heb hem eerder een 'abstractie' genoemd. Je kunt dan niet meer zeggen dat de 'bepaalde mensen’ er min of meer aan beantwoorden, maar, je moet vaststellen dat zij er nooit aan voldoen, zelfs niet kunnen voldoen. Intussen wordt dat onmogelijke wel van de mensen verlangd en hen wordt verweten het 'goede' niet te bestreven. Een filosofie die zo over de mensen denkt is in geen geval waardevrij en is bovendien niet in staat iets zinvols over mens en wereld te zeggen.

37.


Bijna de gehele academische filosofie is afgeladen met onzinnige uitspraken en denkbeelden over de mensen. 'Jij en ik' komen er niet in voor'. Van belang is dus de 'echte' algemeenheden van de 'fictieve', de 'abstracties', te leren onderscheiden.

 

De hedendaagse filosofen zijn in sterke mate wetenschappelijk ingesteld, in die zin dat de wetenschap enerzijds als de voornaamste bron van informatie fungeert en anderzijds de norm is voor de wijze waarop filosofische problemen benaderd en behandeld moeten worden. Als je teruggaat in de geschiedenis blijkt die rol van de wetenschap wat minder te zijn, voornamelijk omdat die wetenschap zelf slechter uit de voeten kon. Maar steeds was er een streven naar wetenschappelijkheid. Op zichzelf is dit streven toe te juichen - wat moet je met een filosofie die onlogisch, inconsequent en irreëel bezig is? Maar als het zo is dat de wetenschappelijke kennis en methodiek de basis vormen van het filosofische denken, dan zit er iets helemaal fout! Ook hier weer is de fout dat men niet in staat is aan de voorstelling te ontkomen: in de wetenschap draait immers alles om de voorstelling. Voor die wetenschap is dat geen fictie omdat het verwerven van kennis samenhangt met analyse van de voorstelling, maar voor de filosofie is het wel degelijk een fictie. In de wetenschap behoeft iets 'morgen' niet meer waar te zijn, het is zelfs de bedoeling dat het 'morgen’ niet meer waar is, want dat betekent vooruitgang. Maar voor de filosofie moet iets blijvend waar zijn en dan zijn de tijdgebonden wetenschappelijke kennis en methodieken geen goede basis voor het creatieve filosoferen. Toch wordt die basis halsstarrig en in toenemende mate vastgehouden, met als gevolg een steeds grotere vervreemding van 'jou en mij' en een zich almaar uitbreidende verzameling nauwelijks meer te begrijpen 'abstracties'.

Je kunt dus vaststellen dat ook de filosofen niet heen prikken door een bepaald basisprincipe van het zelfbewustzijn, het principe namelijk dat alles wat als inhoud in dat zelfbewustzijn voorkomt, verschijnt in het licht van de gangbare voorstelling. Er wordt zogezegd niets in toegelaten dat niet met die voorstelling strookt. De voorstelling is dus zichzelf de maat.

Bijvoorbeeld: als nu voorgesteld wordt dat er een 'hogere werkelijkheid' bestaat (god), dan verschijnt letterlijk alles in het licht van die voorstelling. Er zal dan door alles een element van 'iets hogers' heenlopen en alles zal gewaardeerd worden in termen van 'hoger en lager'. En de mens wordt gedacht in relatie tot een hogere werkelijkheid. Er zal dan onvermijdelijk een element van 'ondergeschiktheid' door zijn denken heenlopen, zodat hij niet op het idee zal komen - of een dergelijke idee onmiddellijk zal verwerpen dat er niemand is die iets over hem te zeggen heeft. Bijgevolg zal hij steeds begrippen als 'staat', 'overheid', 'plicht' handhaven en van zichzelf vinden dat hij 'tekort schiet', zodat hij 'deugdzaam' zal willen zijn. Het basisprincipe van de 'maatgevende voorstelling' leidt in de eerste plaats tot het denken in termen van hoger en lager en daar gaat bijna geen enkele filosoof doorheen.

vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; vervreemding-3 en vervreemding-4 ;

38.

Steeds blijven zij steken in een 'van bovenaf denken'.


De verklaring voor het verbeten handhaven van dat basisprincipe is de volgende: als je de menselijke 'geest' op zichzelf beschouwt blijkt dat je te doen hebt met een werkelijkheid die 'de materie voorbij' is. Het is de materie, die zich gelden laat als niet-materie en die op de mens overkomt als iets buiten en boven hemzelf, als een werkelijkheid dus die hem overstijgt en die voor hem letterlijk hoger is. In feite echter bestaat die 'geest' helemaal niet op zichzelf, maar als zelfbewustzijn. Dit heeft tot gevolg dat de mensen dat zelfbewustzijn, in de mening met die hogere geestelijke werkelijkheid van doen te hebben, als de maat gaan beschouwen. Zij gaan hun leven daarnaar richten en dat is sterker het geval naarmate dat zelfbewustzijn van meer betekenis is, dus bij zogenaamd beschaafde cultuurmensen.

 

De gangbare gedachte, niet alleen bij de filosofen, is dat de mensen zichzelf aan een aantal regels zullen moeten onderwerpen om te voorkomen dat het een 'rommeltje' wordt. Hoe komt het nu dat deze gedachte algemeen aanvaard wordt, terwijl het toch, wat dat onderwerpen betreft, een foute gedachte is. Komt dat doordat ook de filosofen alsnog onvolwassen zijn en du s niet beter kunnen weten? Maar dan zou niemand het kunnen weten, ook wij niet! Dan zou onze uitspraak dat het om een foute gedachte gaat even ongefundeerd zijn als de gangbare, dat het om een juiste gedachte zou gaan. Om hier achter te komen moet je je afvragen wat er met het zelfbewustzijn aan de hand is, waardoor het de zaak zo vertekent. Bij het laatste verschijnsel, de mens, liggen de verhoudingen zo dat de materie zich gaat laten gelden als niet-materie. Voor zover ik nu nadenk over dit laatste op zichzelf, hoewel het niet op zichzelf bestaat, houd ik me bezig met de werkelijkheid als geest. Het gaat dan over een niet verschijnende, vluchtige ('spiritus'),  noch in tijd noch in ruimte bepaalde heldere werkelijkheid. Die heldere werkelijkheid is voor de mens inderdaad het 'laatste station', hij loopt er in uit. Dat betekent dat hij zichzelf in het licht van die geest ziet en zichzelf daarnaar waardeert. Maar, vanuit zijn voorlopige onvolwassenheid situeert de mens die geest boven en buiten hemzelf, met als gevolg dat hij de geest als een goddelijke, hogere en machthebbende instantie beschouwt. Over die instantie weet hij dan allerlei te vertellen en het opmerkelijke daarvan is dat die vertelsels inhoudelijk allemaal materieel van aard zijn, d.w.z. overeenkomen met dingen uit het dagelijkse bestaan. Wat is er nu feitelijk aan de hand?

Je kunt de werkelijkheid als niet-materie wel beschouwen als een werkelijkheid op zichzelf, en dus als 'geest', maar de verhoudingen liggen toch altijd zo dat wij in feite met een dubbelsituatie van doen hebben en dat je de zaak dus noodzakelijk samen met de materie moet denken. Als je dat doet begrijp je waarom die zogenaamde geest de materie tot inhoud gekregen heeft. Hij is namelijk eigenlijk het zelfbewustzijn!

39.

Bij dat zogenaamde geestelijke gaat het derhalve over de materie die bezien wordt als inhoud van de geest en die als zodanig tot een kwalitatief 'hogere werkelijkheid' gerekend wordt: de geestelijke goederen van de mensen! Die vermeende inhoud van de geest, die dus in werkelijkheid de inhoud van het zelfbewustzijn is, is niets anders dan de werkelijkheid als voorstelling. Als de mens de geest als iets maatgevends ziet (al of niet voorzien van een godsidee) onderwerpt hij zichzelf onvermijdelijk aan zijn eigen voorstelling. Hij roept over zichzelf wetten, regels en normen af die hij zelf bedacht heeft. Voor zover hij over zichzelf, al of niet filosofisch, nadenkt met handhaving van dat maatgevende plaatst hij zichzelf in een situatie die niet reëel is. Daardoor gelukt het hem niet het echt over zichzelf te hebben, maar spreekt hij daarentegen voortdurend over een mens die helemaal niet bestaat. Reëel over zichzelf spreken is spreken over materie als niet-materie. Dat is werkelijk zelf bewustzijn. Dat echter ziet er heel anders uit dan de bij bepaalde culturen behorende zelfbewuste voorstelling, die altijd dwingend, overheersend en hiërarchiek is en die bovendien de noodzaak oproept om, als het kan voor eeuwig, in stand gehouden te worden.

 


Op zichzelf is het juist dat de verhouding ‘materie geldend als niet-materie', dus het zelfbewustzijn, er toe leidt dat de stoffelijke dingen in het licht van het niet-materiële, en dus de geest, verschijnen. Maar niet juist is het als de mensen er dan een besef van 'iets hogers' aan verbinden, het vervolgens voor 'eeuwige waarheid' aan gaan zien om het daarna voor iedereen geldend te verklaren. Zij ontkennen daarmee het werkelijke karakter van de geest als het eeuwig beweeglijke, datgene waarvoor geldt dat alles losgemaakt, vervluchtigd, is. Als de mensen tenslotte volwassen geworden zijn, zullen zij de juiste verhouding inzien, namelijk dat het zelfbewustzijn (de dubbelverhouding 'materie - niet-materie') altijd de voorstelling als resultaat heeft en dat die voorstelling zijn vastgelegde karakter verliest voor zover hij in het licht van de geest wordt beschouwd. Het gevolg is juist het tegenover gestelde van de onvolwassen procedure waarin de voorstelling zelf als ‘geestelijk' wordt gesteld en zonder meer als maatgevend ervaren wordt. Een als 'geestelijk' geldende voorstelling wordt voor de onvolwassen mens automatisch een hoger principe, juist omdat die mens de geest boven en buiten zichzelf situeert. Aan dat hogere principe moet de mens beantwoorden, hij moet zichzelf bewerken, 'beschaven' en op een 'hoger plan' brengen - allicht, want vanuit zijn wezen voldoet hij niet aan die eisen.

 

Die beschavingsgedachte wordt door vrijwel iedereen onderschreven, ook door de filosofen. Weliswaar benadert de een de zaak wat anders dan de ander, en zelfs gaan sommigen zo ver dat zij het zwaartepunt van hun ideeën bij de 'gewone mensen' leggen, maar nooit zonder van hen te verwachten dat zij zich aan de hogere principes (uiteraard die van de filosofen!) zullen aanpassen. De praktijk schijnt deze verwachting te rechtvaardigen: de regels en normen beletten de mensen inderdaad enigszins om elkaar kwaad te doen.

40.

Maar die kwaadaardigheid is er niet vanuit het wezen van de mensen; hij is er vanuit de maatgevende voorstelling, die beide, 'kwaad' en 'goed' oproept. Helaas is dat bij alsnog onvolwassen mensen onvermijdelijk, zodat je het opstellen van regels en het je onderwerpen daaraan ook als iets noodzakelijks kunt beschouwen. Maar, daarom gaat het nu niet. Het gaat er om dat je als filosoof over de mensen geen zinnige uitspraken kunt doen als je niet inziet dat die hele 'beschavingsgedachte' gezien moet worden in het licht van de Onvolwassenheid en dat het dus over iets tijdelijks gaat.

 

Dat de filosofen bijna niet in staat zijn over 'jou en mij' na te denken - uiteraard als algemeenheid - is hen natuurlijk niet kwalijk te nemen. Ook zij behoren tot de onvolwassen mensheid. Tevens echter is het te rechtvaardigen dat je van hen een beter inzicht verwacht. Als het gaat over de filosofie kan de culturele onvolwassenheid nimmer als excuus dienen, omdat het ten allen tijde mogelijk is door die zaak heen te denken. In feite alleen maar dankzij een speciale 'aanleg', maar dan toch: het kan. De mensheid kan niet eenzijdig in haar eigen tijdelijke onvolwassenheid opgaan; je hebt van het begin tot het einde der tijden met 'de mens' te doen, zodat er steeds (enkele) mensen zullen zijn die de werkelijkheid echt herkennen. Zij voorzien dan een mensheid waarin de mensen zich helemaal niet aan hun eigen voorstelling onderwerpen, maar daarentegen samenvallen met de werkelijkheid die zij wezenlijk zijn, namelijk 'de materie als niet-materie in het licht van de geest'. Deze 'natuurlijke' mensen behoef je het 'kwade' niet te beletten, noch het 'goede' voor te houden: zij zijn die zij zijn, namelijk echt zichzelf.


 

Als je de verhoudingen, die voor de mens gelden, op een rijtje zet ziet dat er als volgt uit: materie, materie als niet-materie en niet-materie. De eerste twee, materie en niet-materie vormen, als je ze samen denkt, het begrip 'zelfbewustzijn'. Het begrip 'niet-materie' is, op zichzelf gedacht, het begrip geest en als zodanig is het een werkelijkheid die alles te boven en te buiten gaat. Daarop is onder andere het godsbegrip gebaseerd, maar ook al datgene dat in de mensheid voor rechtvaardig, machtig en maatgevend geldt. Echter, je kunt de geest, als het echt over de werkelijkheid gaat, wel op zichzelf denken, maar niet op zichzelf laten gelden. Hij geldt altijd en noodzakelijk als verhouding binnen het zelfbewustzijn, hij is daarvan dus de inhoud en die inhoud is de werkelijkheid als gedachte, als idee. Dit verklaart overigens ook het feit dat je over jezelf 'als geest' kunt nadenken en dat je dus ook de 'laatste dingen' kunt leren begrijpen. Bovendien wordt hieraan duidelijk dat diegenen, die de 'geest' als een zelfstandige realiteit zien, er onvermijdelijk een concrete inhoud aan geven - omdat het in wezen materie is die geldt als niet-materie. Zij zien het zelfbewustzijn als geest echter aan voor iets zelfstandigs.

Je kunt zeggen dat de 'geest', als uiterste grens van het wordingsproces, de 'maat' is voor alle dingen. Maar wat zeg je dan eigenlijk?

41.

Uiteraard niet dat alle verhalen van de mensen, in feite alle voorstellingen, als maatgevend beschouwd moeten worden, zoals gebruikelijk is in een onvolwassen mensheid. Je zegt eigenlijk alleen maar dat de onbelemmerde beweeglijkheid de maat is. Maar, deze kent geen 'maat', omdat het een zaak van volkomen onbepaaldheid is. Hierbij behoort niet het absolute, in de zin van 'zo is het', maar juist het veranderlijke. Vanuit die onbelemmerde beweeglijkheid kan de voorstelling losgemaakt worden en de werkelijkheid als beeld zichtbaar gemaakt. De voorstelling kan dan niet meer als een filter voor het beeld geschoven worden en op die manier bepalen wat je van de werkelijkheid wenst te herkennen en erkennen en wat niet. Als dat niet meer kan ben je een 'realist'.

 


Indien het mogelijk zou zijn om van iets te zeggen dat het 'daarom draait', dan zou je dat van de werkelijkheid als beeld moeten zeggen. Dus van jezelf als bewustzijn. Het gaat daarbij immers over de werkelijkheid zelf! . Om wat voor iets zou het anders kunnen gaan? Je leeft om te leven, en niets anders. Dat komt allemaal vrij als de mensen werkelijk zelfbewust zijn, als hun voorstelling, hoewel bepaald zijnde, steeds weer onmiddellijk als zodanig wordt opgeheven, doordat deze bij spiegeling aan de onbelemmerde beweeglijkheid voortdurend opgelost wordt. Dit alles betekent in de praktijk van het leven dat het zelfbewustzijn, hoewel als 'geest' inderdaad de allerlaatste verhouding, toch niet het laatste is, maar opgevolgd wordt door het weten van de werkelijkheid als bewustzijn, oftewel het zien van het beeld. En dat geldt 'voor jou en voor mij'. De al eerder genoemde filosoof Jan Borger heeft er destijds in "De geest van Rusland" blijk van gegeven (waarschijnlijk als eerste) het bovenstaande ook ingezien te hebben. In navolging van de Duitse 'idealistische' filosofen uit het begin van de vorige eeuw (Kant, Hegel) en de Nederlandse filosoof Bolland (1854 - 1922) benoemt hij het werkelijke zelfbewustzijn met de term 'zuiver begrip', maar hij voegt er aan toe dat dit op den duur (na de Westerse cultuur) zal 'verlevendigen': in zal groeien in het (dagelijkse) leven van de mensen. Hij ziet dat om te beginnen gebeuren in de cultuur van de Russische mens. Deze gedachtegang is volstrekt in strijd met de gangbare, waarin de 'geest', de 'rede' en dergelijke als laatste, en dus als hoogste, instantie gewaardeerd worden. Vrijwel iedereen, ook de moderne filosoof, doet hieraan mee en houdt zodoende een fictieve wereld in stand. Hieruit komen alle élites en alle machten, maar ook alle dwaasheden en misdaden voort. In feite echter lopen 'jij en ik' niet uit in de geest, maar in het zelfbewust gelden van het bewustzijn of, in de termen van Borger: in "verlevendigd zuiver begrip". Als het waar was dat de mens in geest uit zou lopen, is het onlogisch dat hij tijdens zijn leven op aarde een ontwikkeling door moet maken. Hij zou volwassen op de planeet verschenen zijn met alle daarbij behorende kennis. Dat echter is niet het geval. De 'geest' (niet-materie) kent namelijk geen ontwikkeling, die 'is die hij is en zal zijn die hij zijn zal' - om maar eens een uitspraak uit de oudheid te citeren!

42.      existentialisme-1 ; existentialisme-2

Natuurlijk zijn er binnen de westerse denkcultuur ook wel denkers geweest die in de gaten hadden dat het om 'jou en mij' gaat. Maar, in de uitwerking van die inzichten kwamen zij toch niet los van de grondprincipes van het westerse denken. De aard van dat denken kwam steeds om de hoek kijken. Daardoor bleven zij maar werken met 'hoger en lager', vanuit de absolute norm van de geest. Jean Paul Sartre (1905 - 1980) bijvoorbeeld komt in zijn “Existentialisme” wel degelijk bij 'jou en mij' uit. Het gaat hem, vooral na de 2e wereldoorlog, om de bestaande mens. Maar het zichzelf waarmaken van die mens verwacht hij van politieke activiteiten, een tijdlang zelfs van het politieke communisme. Kennelijk ontbrak hem het filosofische 'instinct' om in te zien dat hij daarmee de bestaande mens vaarwel had gezegd en vervangen door een fictieve, die in stelsels ingepast kon worden. Deze politieke mens is degene die te beschouwen is als behorend tot een groep, tot de staat. Het denken over zo'n mens is automatisch een 'van bovenaf denken': de mensen moeten dit en de mensen moeten dat, alles ter wille van datgene dat boven hen uitgaat en voor hen bepalend is, namelijk de groep, het collectief. Op die manier komt er weer niets van terecht. Met Karl Marx (1818 - 1883) en Friedrich Engels (1820 - 1895) was het al niet veel beter gesteld: bij hen werd de bestaande mens ook verpolitiekt en wel vanuit economische uitgangspunten. Weliswaar moesten de 'proletariërs' de staat omverwerpen, maar er moest toch een andere 'dictatuur' voor in de plaats komen. Zelfs de extreem vrijheidlievende Rus Michael Bakoenin (1814 - 1876) ontkwam niet helemaal aan de fictie en dat blijkt onder andere uit het feit dat hij het heil van de revolutie verwachtte, zich voortdurend letterlijk op de barricaden wierp en daarmee uiteindelijk een goed deel van zijn leven in handen speelde van de élites die hij bestreed: hij zat steeds in de een of andere gevangenis.

In de westerse cultuur is het individu tot wasdom gekomen, maar 'jij en ik' zijn er nog steeds niet. Dat komt doordat die individu er niet is op grond van zijn alledaagse 'menszijn', maar er is op grond van het feit dat hij geldt als een onderdeel van een organisatie, zelfs wel een onderdeel van een machine. Het is dus een van bovenaf gedachte individu en dat is er een die te voldoen heeft aan een van tevoren opgesteld eisenpakket. Natuurlijk is er maatschappelijk wel iets te bereiken met die van bovenaf opgelegde normen en eisen zeker als het over de onvolwassen mensheid gaat. Maar de resultaten daarvan zijn toch alleen maar dan goed te beoordelen als je precies weet hoe het eigenlijk zit met de mens.


Wordt in de westerse wereld de bestaande mens, voor zover hij voorkomt in het denken, als individu ingepast in het een of andere collectieve stelsel, in de oosterse wereld moet de individualiteit zoveel mogelijk verzinken in het niet in zichzelf onderscheiden geheel. De individualiteit moet 'vernevelen'. Dat betekent niet dat men ontkent dat ieder mens een uniek individu is, maar het wil zeggen dat men daarvan uiteindelijk niets verwacht en dat men van mening is dat het individuele ingebed moet blijven in het ongedifferentieerde grote geheel.

existentialisme-1 ; existentialisme-2

43.

China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ; Voorstelling van de werkelijkheid - A- ; B- ; C- ; D- ; E- ; F- ; G- ; H- ;  I- ;

Dat grote geheel is voor de oosterse mens uiteraard ook een voorstelling, en wel een maatgevende. Het waren onder anderen Confucius (waarschijnlijk 500 v.o. j.) en een hele reeks denkers na hem, die de voorstelling van de werkelijkheid als geheel uitwerkten tot een maatgevend stelsel. Dat maatgevende stelsel was pas omstreeks de 12e eeuw tot een echt machtsstelsel uitgegroeid. Inhoudelijk kwam de zaak hierop neer dat het geheel geen differentiatie mocht kennen, dat het iets onpersoonlijks was en dat bijgevolg de mensen zich niet als individu mochten laten gelden, geen blijk mochten geven van persoonlijke, en dus innerlijke, aandoeningen. Je moest onbewogen zijn, onaandoenlijk en in feite dus niet afwijkend van de anderen. Qua macht mocht de ene mens ook niet van de andere afwijken, maar daarvan kwam natuurlijk niets terecht: een dergelijke dwingende voorstelling leidt onvermijdelijk tot een onverbiddelijk machtssysteem. Dat systeem heeft zich wel tot in de 20ste eeuw gehandhaafd. Het 'Confucianisme' heeft zijn regelgeving gebaseerd op oude inzichten omtrent de werkelijkheid, die aanvankelijk leefden onder de mensen en dus automatisch tot gelding kwamen. Pas toen die inzichten verstierven verzon men de dwingende voorschriften als inhoud van een maatgevende voorstelling. Steeds echter hebben zowel die inzichten als die voorschriften betrekking op de bestaande mensen, dus op 'jou en mij'. Dat was in China geen uitzondering, zoals in het westen, maar regel. Echter, hoewel men in de gaten had dat het om de bestaande mensen gaat, werden ook dezen weer in een bepaald licht gesteld en werd er van bovenaf over hen gedacht.

Je ziet dus dat er op twee manieren met de individualiteit van de mensen wordt omgesprongen: de eerste mogelijkheid is dat je de zaak vernevelt en dat is het geval in het oosten, en de tweede mogelijkheid is deze dat je de zaak, als die eenmaal toch te voorschijn is gekomen en je er niet meer omheen kunt, inpast in een stelsel. Dat laatste is in het westen het geval. Bij wijze van 'formule' kan je spreken van de mens als 'niet-individu' als het over het oosten gaat, en de mens als 'aangepaste individu' als het over het westen gaat. Steeds echter heb je te maken met het van bovenaf denken en steeds word je geconfronteerd met een opvatting over 'de mens', die niet strookt met de werkelijkheid. Het is onveranderlijk een fictie, een illusie die zich onvermijdelijk almaar wreekt in de praktijk van de samenleving en de maatschappij - en natuurlijk ook in de filosofie. De 'vernevelde' mens en de 'aangepaste, verpolitiekte' mens zijn beiden gevolgen van een als absoluut gesteld zelfbewustzijn dat zijn maatgevende voorstelling aan de mensen opdringt. In beide culturen, de oosterse en de westerse, springt men niet bepaald zachtzinnig met elkaar om. Maar er is wel een verschil: je zou in het oosten kunnen spreken van het 'elkaar uitroeien' van de mensen en in het westen van het ‘elkaar vermoorden'. Het 'elkaar uitroeien' heeft iets onpersoonlijks. Je doodt eigenlijk niemand in het bijzonder. Je snijdt een woekering weg die zich in het niet in zichzelf onderscheiden geheel als iets aparts voordoet. De maatschappij in het oude China was een keiharde die met een zekere regelmaat aan duizenden mensen het leven kostte, uiteraard zonder enige vorm van proces.

China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ; Voorstelling van de werkelijkheid - A- ; B- ; C- ; D- ; E- ; F- ; G- ; H- ;  I- ;

 

44.


Iemand die er als individu eigenlijk niet mag zijn ga je niet in een proces veroordelen. Je ruimt zo iemand eenvoudig op! In het westen daarentegen vermoordt men elkaar. Het gaat, behalve in de oorlog, om de ene individu tégen de andere. Deze 'andere' wordt, op welke gronden dan ook, beschouwd als niet aangepast, niet aanvaardbaar in het collectief. Voor elke westerse moord bestaat dan ook een motief en dat moet in een proces duidelijk gemaakt en beoordeeld worden. Zo'n procesmatige motivering geldt zowel vanuit de zogenaamde 'rechterlijke macht' als vanuit de moordenaar zelf en de rechtsgeldigheid daarvan hangt slechts af van de uitgangspositie: sta je aan de kant van de 'goeden' of van de 'slechten'. Ook de slechte moordenaar motiveert (voor zichzelf, voor zijn vrienden en dergelijke) zijn gedrag en dat komt doordat het besef dat ook het slachtoffer een individu is blijft meespelen. Wij zeggen dan: het slachtoffer is toch ook een mens! Maar, een dergelijke gedachte kwam in de oosterse cultuur helemaal niet op, althans niet als een morele waardering. Natuurlijk wel als de constatering van een feit: het slachtoffer is immers geen hond of kat.

 

In de Indische cultuur gaat het niet om de bestaande mens, maar om datgene dat als de 'wezenlijke' mens gezien wordt, namelijk de mens die opgenomen is in het Nirwana of iets dergelijks, in ieder geval de werkelijkheid naar haar essentie. Diegenen die op de weg naar dat doel het verst gekomen zijn beginnen enigszins mee te tellen, maar dan wel als niet meer mens, derhalve als min of meer goddelijk, als de befaamde Indische 'heilige'. Voor de 'gewone' mensen is, tot op de dag van vandaag, geen enkele belangstelling in de Indische cultuur: een koe wordt nog met meer respect behandeld. De vele religieuze sekten beogen uitsluitend het verwerven van heiligheid en van enige neiging tot het helpen en respecteren van de medemens is geen sprake. De leden van de lagere 'kasten', en zeker die van de laagste, kunnen zonder meer verrekken. Zelfs in een ogenschijnlijk verlichte beweging als die van Bhagwan, waarin op grond van het wezenlijk westerse karakter van de gehuldigde ideeën toch enige waardering voor de mens als individu verwacht mag worden, beijvert men zich meer om de automobielen van de heilige 'leider' dan om de verpauperde medemens. De westerse waardering voor het Indische denken, dat op zichzelf inderdaad uiterst verfijnd en diepzinnig is, komt voort uit het idealistische en élitaire karakter ervan. Dat karakter is wel oorzaak van een uitzonderlijk heldere abstracte beschouwing van de werkelijkheid als zodanig, maar tegelijk ook van een grote miskenning van de alledaagse mens.

In de creatieve filosofie gaat het, net als in de kunst, om de werkelijkheid als beeld, dus, voor ons persoonlijk: om de werkelijkheid als bewustzijn. Om dat te bereiken denkt de filosoof door de voorstelling heen. Dat echter is geheel iets anders dan het analyseren van de voorstelling, zoals dat in de wetenschap gebeurt. Daarbij is het de bedoeling de elementen, waaruit de voorstelling opgebouwd is, op tafel te krijgen en in een logisch systeem te rangschikken.

45.

Maar de filosoof bedoelt dat niet, enerzijds omdat niemand tot een dergelijke analyse volledig in staat is (het terrein is te groot om door één mens beheerst te kunnen worden) en anderzijds omdat hij geen inventarisatie van de voorstelling beoogt, maar het zoeken van de weg naar de werkelijkheid als beeld. Zoals ik al eerder opgemerkt heb zijn de moderne filosofen wel analytisch ingesteld: zij gaan wetenschappelijk te werk en vinden het daarbij geen bezwaar de werkelijkheid als een verzameling deelgebieden te beschouwen. Gebieden namelijk waarop zij wel en gebieden waarop zij niet thuis zijn. Voor de creatieve filosoof ligt dat heel anders: je trekt 'lijnen', door de voorstelling heen, naar het beeld, gedachtegangen. Vervolgens geef je, vanuit het beeld, een nieuwe voorstelling.

 


Als creatief filosoof geef je een nieuwe voorstelling. Tot een voorstelling ben je wel genoodzaakt, alleen al vanwege het feit dat je op de taal van je eigen cultuur aangewezen bent om verstaan te worden. Maar, alles verschijnt wel in een nieuwe samenhang die en verklaart hoe het eigenlijk zit en hoe het komt dat de gangbare cultuurvoorstelling onvermijdelijk een verkeerde is. Bovendien is zo'n nieuwe voorstelling een 'ad hoc' voorstelling, d.w.z. een momentopname en in geen geval een eeuwig maatgevend model van de werkelijkheid. Je begint noodzakelijk met een verkeerde voorstelling; daarmee ga je iets doen. In het kort kun je de gang van zaken als volgt beschrijven: 1) het je zo helder mogelijk maken van je meegekregen en zelf verworven vaststaande cultuurvoorstelling, 2) het aanleggen van een pad, een gedachtegang, door die vaststaande voorstelling heen, 3) het herkennen van en vertrouwd worden met je bewustzijn (het beeld), 4) het, vanuit het beeld, geven van een nieuwe ('ad hoc') voorstelling en het verklaren van de samenhangen daarin. Met het geven van die nieuwe voorstelling heb je de wereld veranderd.

Sinds het doorbreken van de cultuur van de moderne mens is er in de wereld een toenemende behoefte om de wereld te veranderen. Volgens Karl Marx wordt het tijd dat ook de filosofen zich daarmee bezig gaan houden - hij heeft dus niets van de filosofie begrepen! Maar, hij verwoordde wel de ontluikende drang in de mensen om de wereld te veranderen. Verandering, niet alleen in sociaal opzicht, maar ook in praktisch opzicht: de wetenschap en de techniek streven naar niets anders. Men is thans zover dat men verwacht spoedig zelfs de mens te kunnen veranderen. Opmerkelijk bij dit alles is dat niemand het over zichzelf heeft en wel steeds over de anderen, de buitenwereld. Op zichzelf is het natuurlijk juist dat onze wereld hoognodig moet veranderen; het kan eenvoudig niet zo doorgaan. Maar, wat moet je dan gaan doen? Moet die 'slechte' kapitalistische wereld een socialistische worden, met de schoenen op de bon, censuur op het gesproken en geschreven woord, een ondoordringbare bureaucratie? En moet het socialisme de persoonlijke vrijheid om je wereld en je medemensen uit te plunderen gaan bevorderen als alternatief voor een mislukte socialistische economie?

46.

Confrontatie-1 ; Confrontatie-2 ; Confrontatie-3 ; Confrontatie-4 ;

Je verandert de wereld niet. De wereld is veranderd zodra je, denkende vanuit het beeld, tot een nieuwe voorstelling gekomen bent niet een andere, maar een nieuwe. Vanaf dat moment zie je een nieuwe wereld omdat je samenhang bent gaan zien, ook samenhang in de nog steeds voortgaande misdadigheid. Verwachtte je eerst dat bijvoorbeeld Philips goede radio's zou maken en was je woedend als bleek dat hij dat niet deed, met een nieuwe voorstelling begrijp je dat Philips helemaal geen radio's kan maken. Hij maakt slechts één ding: winst! En dit gaat op voor de gehele moderne wereld. Dacht je eerst dat onze wereld wel goed was en slechts 'bijgesteld' zou moeten worden, dan begrijp je dat er niets van deugt en dat 'bijstellen' vergeefse moeite en ergernis is. En je begrijpt ook het ‘waarom' daarvan. Dat stelt je in staat met de wereld raad te weten, op een volwassen wijze je weg te gaan temidden van de onzin, zonder met die onzin en die misdaad méé te doen als je ook maar even kans ziet er aan te ontkomen. Dat is het beeld van Tijl Uilenspiegel. Het gebruikelijke 'veranderen' gaat niet verder dan het opbouwen van een andere organisatie, maar als zo'n organisatie morgen ingevoerd zou worden (wat natuurlijk niet gebeurt!), zou alles binnen de kortste keren weer net als voorheen zijn, uiteraard omdat er niets in de hoofden van de mensen gebeurd is: er is, via de werkelijkheid als beeld, geen nieuwe voorstelling ontwikkeld. Alleen IK kan de wereld veranderen - en dat geldt voor ons allemaal...


Wat je als eerste ontdekt als je door de voorstelling heen denkt en terechtkomt bij jezelf als bewustzijn is dit, dat onmiddellijk je wereld verandert. Meestal is dat in de praktijk een langdurig proces, maar het begint wel onmiddellijk. Je gaat de wereld zien in het licht van haar eigen ontwikkeling; je ziet haar duidelijk en onmiskenbaar als een onvolwassen en tobberige wereld, tobbend met haar eigen 'wezen' en tobbend met haar ficties. En vanuit dat getob vertoont zij wat zij vertoont. En ook verwacht je niet langer dat zij met iets goeds zal komen: het spreekt vanzelf dat iedereen maar wat kletst, de huidige wereld is immers één grote illusie. Door de confrontatie met je bewustzijn, het beeld, wordt je voorstelling doorzichtig, je gaat de samenhangen zien en daarmee leer je hem begrijpen.

 

Meestal is men van mening dat begrijpen een soort van activiteit is, maar in feite is het een toestand waarin je kunt verkeren. Activiteit bij het filosoferen is het zoeken van de weg door de voorstelling, daartoe kennis opdoen en dergelijke. Maar het resultaat is een toestand: het begrijpen. Dat heeft niets te maken met 'iets kunnen', tot iets in staat zijn, want dat is het gevolg van een leerproces. Het komt neer op iets zijn. Misschien gelukt het je niet om de zaak onder woorden te brengen, laat staan er een filosofie mee op te bouwen, maar toch geldt die toestand voor je als je 'staat in het licht van het beeld'. Voordien begreep je de wereld niet, maar nu wel. Die 'veranderde wereld' is een begrepen wereld.

leerproces-1 ; leerproces-2 ; leerproces-3 ; Confrontatie-1 ; Confrontatie-2 ; Confrontatie-3 ; Confrontatie-4 ;

47.

Je begrijpt dan ook waarom de cultureel ontwikkelde, wetenschappelijk gevormde, godsdienstig geconditioneerde en op een ideaal gerichte mensen maar niet kunnen begrijpen dat zij de wereld niet begrijpen. Je houdt dan op het hen uit te leggen; het is het kenmerk van een waan, een fictie, dat deze zichzelf niet als zodanig kan herkennen.

De wereld is zoals ze is. De kosmos is zoals ze is, met al haar hemellichamen, nevelvlekken en dergelijke. Volgens sommige moderne natuurkundigen echter zijn de dingen er alleen maar voor zover ze op de een of andere manier waargenomen worden, zodat ze buiten die waarneming om helemaal niet bestaan. Ze zijn op dit idee gekomen door de ontdekking dat de werkelijkheid zich altijd manifesteert in overeenstemming met de wijze waarop je waarnemingen doet. Ze voldoet dus op de een of andere manier aan je eigen verwachtingen. Voor ons is dat gemakkelijk te begrijpen: wetenschappelijk onderzoek richt zich in feite op je eigen voorstelling. De resultaten van zo'n onderzoek zullen dus altijd in die voorstelling passen, ook als het resultaten zijn die je niet verwacht had. Omdat de wetenschappers over het algemeen niet begrijpen met de eigen voorstelling bezig te zijn weten zij met de echt bestaande werkelijkheid geen raad en verzinnen dan maar dat die slechts bestaat dankzij hun waarneming. Vanuit hun denken is dat, paradoxaal genoeg, nog juist ook omdat de werkelijkheid als voorstelling inderdaad alleen maar bij de gratie van het zelfbewuste ervaren bestaat. Buiten die ervaring om is er geen voorstelling en dus ook geen concrete verschijnselenwereld. Maar als het goed is blijft het voor een mens niet bij de voorstelling. Er is ook nog het beleven van het bewustzijn. Dat manifesteert zich als beeld en het is dat beeld dat afspiegeling is van de gehele, echt bestaande werkelijkheid. Dat is een werkelijkheid die onafhankelijk van mijn tijd- en plaats bepaalde waarneming bestaat.

 


Juist omdat het steeds gaat over onze werkelijkheid kan je stellen dat zij onmiddellijk van karakter verandert als je haar gaat begrijpen door de spiegeling met het beeld. Dat betekent niet dat voor jou bijvoorbeeld de wereld plotseling niet meer misdadig zou zijn en zich gewijzigd zou hebben overeenkomstig jouw voorstelling van een een 'goede' wereld, maar het betekent daarentegen dat je ineens duidelijk ziet dat zij misdadig is. De 'dames en heren' van deze wereld vinden haar echter helemaal niet misdadig, maar in het gunstigste geval geven zij toe dat er veel misdadigheid is! En die willen zij dan, 'tot heil van de mensheid', best 'zo goed mogelijk' bestrijden. De élites van deze wereld vinden ook zichzelf helemaal niet misdadig, anders zouden zij wel ophouden met hun gesjoemel. Eigenlijk heeft de moderne mensheid iets 'nobels' voor zover zij er zeker van is dat je een ander geen leed mag berokkenen. Voor die moderne mensen is het misdadige dan ook een van buiten komend onheil, een soort van natuurverschijnsel, iets dat buiten haar wil om gebeurt en dat ‘te betreuren' is. En uiteraard ligt de schuld altijd bij anderen!

48.

Ga je door je eigen voorstelling heen en kom je in contact met de werkelijkheid als bewustzijn, dan kom je in een toestand van begrijpen. In die toestand heeft de bestaande werkelijkheid een andere kwaliteit gekregen, zodat je gaat zeggen: "Waar zijn we eigenlijk mee bezig”? Het lijkt wel of ik ziende blind ben geweest, want nu zie ik pas wat er werkelijk aan de hand is". Het terechtkomen in een toestand van begrijpen heeft tot gevolg dat je je 'bekeert', dat je in zekere zin 'wedergeboren' wordt. Er is in de mens een duidelijk omkeringsmoment, een moment van 'een ander mens worden'. Dat is in alle oude culturen ontdekt, ook in het oorspronkelijke christendom. Daarin ligt overigens het enige 'gelijk' van dat christendom! Tot op de dag van vandaag hanteert men in de godsdiensten het begrip 'bekering'. Tegenwoordig is er zelfs een opleving van de bekeringsdrift. Het 'getuigen' is niet van de lucht. Maar, daarbij gaat het helemaal niet om een andere kwalificatie van de voorstelling door het oplossen ervan, maar om de voorstelling zelf: die moet vervangen worden door een andere, een godsdienstige waarin je onderworpen moet zijn aan god en 'de Here Jezus' en niet meer aan die van de 'duivel'. Dat heeft natuurlijk niets met werkelijke 'bekering' te maken, want bij een werkelijke 'bekering' gaat het, zoals gezegd, om een andere kwalificatie op grond van het herkennen van jezelf als bewustzijn, het herkennen van de werkelijkheid als beeld.

 


Overeenkomen met de werkelijkheid houdt beweeglijk-zijn in. Dat betekent dat het niet langer mogelijk is je te onderwerpen aan vastgelegde voorstellingen. Met al die plannen voor het verbeteren van de wereld heb je dan niets meer op: wat moet je met het Marxisme, het Leninisme, de democratische organisatie, de medische 'verbetering' van de mens en noem maar op? Al die plannen zijn geworteld in en voortgekomen uit het niet- begrijpen. Niet voor niets komt er nooit iets van terecht. Ten aanzien van een niet meer vastgelegde, een beweeglijke, voorstelling is alleen maar te concluderen: we zullen wel zien. Op elk moment van het leven vereist de oplossing van de dan optredende problemen een kijk op de op dat moment voor jou geldende (ad hoc) voorstelling. Dat is op dat moment jouw werkelijkheid, en het is die werkelijkheid die het antwoord zal geven. Niet die van gisteren, noch die van de toekomst, maar die van nu. Bovendien geeft die werkelijkheid, op grond van de spiegeling met het beeld, het juiste antwoord. Niet in die zin dat je geen vergissing kunt maken, maar in deze zin dat een vergissing het begrijpen niet opheft. Daardoor wordt zo'n vergissing 'zelf- corrigerend' en daardoor komt de zaak toch weer goed. Voor modern denken evenwel is de houding van 'we zullen wel zien' een fatalistische, uiteraard door het ontbreken van scherp omlijnde plannen op grond van een vastgelegde, zo lang mogelijk in stand te houden, voorstelling. Zo'n voorstelling functioneert in wezen als een rem op het leven en de ontplooiing daarvan, hij werkt als een drogbeeld waarin een werkelijkheid wordt voorgetoverd die er helemaal niet is.

49.

Voorstelling van de werkelijkheid - A- ; B- ; C- ; D- ; E- ; F- ; G- ; H- ;  I- ;

Het is inderdaad een feit dat jouw 'bekering' geen einde maakt aan de misdadigheid van de 'rest' van de wereld. Je kunt je dus afvragen wat het allemaal uithaalt. Die vraag echter is zinloos. De enig juiste vraag is: 'zijn er nog meer mensen zoals ik'. Dan vraag je niet naar geestverwanten, naar partijgenoten, naar medestrijders, naar kameraden met dezelfde voorstelling van de werkelijkheid om tezamen een macht te gaan vormen. Als je vraagt naar 'nog meer mensen zoals ik' vraag je naar verschijnselen in de bestaande werkelijkheid en dan weet je dat er natuurlijk nog meer van zulke mensen zijn. Je vraagt immers naar mensen die evenals jij de werkelijkheid hebben leren begrijpen en die haar dus, behoudens wat nuances, in dezelfde kwaliteit zien - omdat ook zij 'aan het beeld spiegelen'. Van die 'begrijpende' mensen zijn er voorlopig niet genoeg, maar wel komen er steeds meer mensen die, als gevolg van de steeds verder gaande analyse, hun vastgelegde voorstelling kwijtraken en daardoor almaar meer onder de invloed van het beeld komen te staan. Zo raakt de wereld gaandeweg van haar misdadigheid af en dat gebeurt zonder dat het gros van de mensen het zelfs maar opmerkt.

 

Al verschillende keren heb ik er op gewezen dat het de creatieve filosoof om de werkelijkheid als beeld gaat. Die uitdrukking is niet fout, maar er is wel te vragen wat je daarmee nu eigenlijk bedoelt. Vertelt de filosoof inderdaad over het beeld, beschrijft hij de werkelijkheid als beeld... of beschrijft hij iets anders? In feite komt de creatieve filosoof met een andere voorstelling en die wordt gekenmerkt door het ter sprake komen van die zaken, die vanuit het geldende cultuurbesef in de belangstelling staan; voorts zaken die vanuit dat cultuurbesef juist volkomen in het duister blijven; en verder door het steeds weer in een nieuw licht stellen van die voorstelling, zodat je kunt zeggen dat die almaar in beweging is. Hij geldt niet als een eeuwige, absolute waarheid. Het is niet de werkelijkheid als vastgelegde formule, maar een werkelijkheid die je steeds opnieuw bekijkt. Daarbij gaat het er niet om dat je telkens met wat anders komt, zoals tegenwoordig in de moderne kunst de mode is vanuit de domme overtuiging dat je 'origineel' moet zijn, maar het gaat er om dat je steeds onbevangen de zaak benadert. Je handhaaft daarbij geen enkele mening en geen enkel standpunt die uit een voorgaande benadering voortgekomen zijn. Je laat je gelden als een kind, met een 'leeg hoofd' en zonder vooroordelen. Dominees, politici, zakenmensen, kortom: vrijwel alle maatschappelijk geconditioneerde mensen bekijken de werkelijkheid juist niet met een 'leeg hoofd'. Hun hoofden zitten vol met formules, oordelen en bedoelingen. Gewoonlijk worden die, zonder dat zij zich daarvan bewust zijn, op een voor ons onthullende manier gepresenteerd als 'kennis'. Inderdaad is de kennis het materiaal waarmee de vastgelegde voorstelling wordt opgebouwd. Soms voldoet zo'n voorstelling niet meer. Hij moet dan aangepast worden, op een nieuwe manier worden vastgelegd. Een 'beweeglijke' voorstelling daarentegen behoeft nooit te worden aangepast, hij is van zich uit telkens weer nieuw.

Voorstelling van de werkelijkheid - A- ; B- ; C- ; D- ; E- ; F- ; G- ; H- ;  I- ;

50.


Je kunt allerlei over de werkelijkheid als bewustzijn, zich manifesterend als 'beeld', vertellen: de begrippen die ervoor gelden en de verhoudingen die er in aanwezig zijn. Maar, die werkelijkheid als beeld op zichzelf beschrijven is onmogelijk. Van de algemeenheid 'boom' is geen beschrijving te geven, wel echter een opsomming van zijn eigenschappen. Van de door mensen gemaakte dingen kan je bovendien zeggen waartoe ze dienen. Maar daarmee zijn zij niet beschreven. De uitspraak dat de creatieve filosoof de werkelijkheid als beeld 'beschrijft' is dus, letterlijk genomen, niet goed, hoewel je die uitspraak best kunt handhaven om de tegenstelling tot de wetenschap en de moderne filosofie duidelijk te laten uitkomen. Deze immers gaat het om de voorstelling. Piet Mondriaan (1872 - 1944) heeft o.a. geprobeerd 'De Boom' te schilderen; hij is met dat soort probeersels wereldberoemd geworden. Maar intussen is het hem niet gelukt 'De Boom' gestalte te geven; op zijn best beeldde hij enkele eigenschappen van 'de voorstelling Boom' uit. Het is dat er boeken over geschreven zijn, anders zouden wij nu nog niet weten dat het uiteindelijke resultaat iets met de boom te maken heeft. Het beweeglijke beeld, dat de werkelijkheid als bewustzijn in ons doet ervaren (zien) is op zichzelf niet te beschrijven, niet te 'concretiseren'. Uiteraard vindt dat zijn oorzaak in het beweeglijke karakter ervan. Wel echter is het te concretiseren, ervaarbaar te maken, door het aan iets anders uit te laten komen en dat is dan ook hetgeen de creatieve filosoof en de kunstenaar doen. Zij beschrijven een herkenbare, een 'in de voorstelling liggende', werkelijkheid op een zodanige wijze dat het een afspiegeling van de werkelijkheid als beeld wordt. Daarmee krijgt die 'in de voorstelling liggende' werkelijkheid betekenis. Het omgekeerde geldt ook: voor de mensen uit oude culturen hadden de dingen om hen heen betekenis. Zij beleefden die dingen als bezield. Weliswaar meenden zij ten onrechte dat er geesten in die dingen huisden, maar in feite liet zich in die mensen gelden dat zij, door hun nog geringe vervreemding van zichzelf, alle dingen als een afspiegeling van het beeld zagen - uiteraard zonder dat zij dit wisten. Overigens verklaart dit hun buitengewone kunstzinnigheid!

 

Er zijn allerlei kwalificaties te geven over het beeld: je kunt de begrippen en verhoudingen, die er voor gelden, ontdekken en beoordelen. Dat is dus wat anders dan het beeld op zichzelf beschrijven. Het zoeken echter van die begrippen en verhoudingen gelukt niet door je, op de een of andere manier, op dat beeld te richten. In het Oosten hebben ze dat geprobeerd door zelfaanschouwing, meditatie en andere technieken, en o.a. in het Westen probeerden de mystici het door zichzelf in een bepaalde toestand te brengen. Niemand echter kon er, aan het einde van de rit, iets wezenlijks over zeggen in de zin van begrippen en verhoudingen. Wel ontdekte men wat eigenschappen, zoals schoonheid, ruimtelijkheid, vrede, liefde, enzovoort. Maar men kwam er niet achter hoe het zit met die werkelijkheid als bewustzijn, als beeld. Men kon het verschijnsel 'bewustzijn' niet verklaren, noch begrijpen, vandaar dat men er allerlei goddelijks aan toedichtte.

vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; vervreemding-3 en vervreemding-4 ;

51.

Het is overigens nog steeds een duistere zaak: diegenen die de aanwezigheid van het beeld bevroeden of zelfs ontdekt hebben doen er heel zweverig over en de doorgewinterde analytici wijzen de zaak af als ‘mystieke flauwekul’.

 


Welbeschouwd benaderde men het beeld op dezelfde wijze als men in zichzelf de voorstelling benaderde. Deze laatste is, bij wijze van spreken, letterlijk 'te zien' en op grond daarvan te bestuderen, te analyseren en zo meer. Zeker als men er zo onbevangen mogelijk tegenover staat. Maar, een dergelijke benadering moest, wat het beeld betreft, op een mislukking uitlopen. Juist omdat het beeld zich niet beschrijven laat! Wat je wel ontdekt zijn de 'afspiegelingen': de afspiegeling van bijvoorbeeld schoonheid - nooit het begrip 'schoonheid' zelf. Je ziet wel dat alles met elkaar samenhangt, maar je weet niet waarom dat zo is en hoe dat in elkaar zit. De enige weg om er achter te komen hoe het zit met het bewustzijn is de weg van de, fenomenologie', d.w.z. het uitzoeken wat er is en het nagaan hoe dat zich georganiseerd heeft tot de verschijnselen, in laatste instantie het verschijnsel 'mens'. Langs die weg ontdek je de werkelijkheid als bewustzijn en uiteraard ook de daarvoor geldende begrippen en verhoudingen. Je ontdekt de van niets afhankelijke samenhang van alles met alles. Je ontdekt dat het een niet los is van het ander maar er in overgaat zodat je kunt spreken van een geheel van in elkaar overgaande nuances. Over het algemeen hebben de vroegere, nog niet analytische, filosofen begrepen dat je langs de weg van het nagaan van de ontstaansgeschiedenis van de verschijnselen het antwoord kunt vinden op de vraag naar het bewustzijn. Zodoende begonnen zij de verschijnselen te onderzoeken, niet vermoedend dat dit onderzoek tenslotte, in de moderne westerse cultuur, op een eenzijdige analyse van de werkelijkheid zou uitlopen...

 

Het was o.a. Aristoteles (384 - 322 v.o. j.) die met de gedachte kwam dat alle ‘weten' op de een of andere manier in een mens voorhanden was en dat je je de zaak slechts behoefde te herinneren om tot kennis te komen. Het is heel waarschijnlijk dat Aristoteles hier verwijst naar datgene dat wij de werkelijkheid als beeld genoemd hebben, maar er is niet goed achter te komen wat de aard van die herinnerde kennis is. Gaat het over concrete kennis, zoals wij dat tegenwoordig in wetenschappelijke zin opvatten, gaat het over algemene kennis, die je 'weten' zou kunnen noemen, of gaat het over beide? Dat laatste is bepaald niet uitgesloten, want er werd in die dagen nog geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen datgene dat wij vandaag natuurwetenschap noemen, berustend op materieel onderzoek, en datgene dat als filosofie wordt beschouwd. Zeker bij Aristoteles liepen beide intellectuele activiteiten danig door elkaar heen en hij noemde alles filosofie. Wij moderne mensen zijn vertrouwd met zoiets als radioactieve straling en als je die wilt meten gebruik je bijvoorbeeld een 'Geigerteller'. Deskundigen weten min of meer hoe het zit met die radioactiviteit, maar voor het gros van de mensen is hun kennis daarover globaal, zij weten wat algemeenheden.

Mystiek-1 ; Mystiek/het goddelijke-2(28t/m33) ; Mystiek-3 ; Mystiek-4 ; Mystiek-5 ; Mystiek-6 ;  Mystiek-7 ;

52.


Dat 'algemene' weten echter heeft geen inhoud: eigenlijk weet je niets, al lijkt het er op dat je wel wat weet. Daarom behoeven wij ons niet op onze kennis voor te laten staan: wij weten niets meer dan die middeleeuwse mens die zich door de barbier liet vertellen dat er, als hij zich beroerd voelde, wel eens boze geesten in zijn bloed konden zitten. Wij horen daar tegenwoordig niets meer over, maar wel over cholesterol en dergelijke en bij het vernemen van dat soort geheimzinnige termen zijn wij net zo onder de indruk als die middeleeuwse mens bij het horen over boze geesten. De uitwerking op ons is in beide gevallen precies eender. Met andere woorden, de ons bijgebrachte wetenschappelijke algemeenheden stellen voor ons niets voor, hebben geen werkelijke inhoud. Als je zegt dat de werkelijkheid als beeld een zaak van algemeenheden is, dan betekent dit iets anders dan wat hierboven aangeduid is. In de eerste plaats betekent het dat die algemeenheden voor ons wel degelijk inhoud hebben, maar dat is dan een inhoud die zich op zichzelf niet beschrijven laat, omdat het een zaak van begrippen en verhoudingen is. Deze begrippen en verhoudingen echter herinner je je niet. Behalve de gewone dingen herinner je je niets. Wel echter gaan ze voor je gelden. Als bijvoorbeeld Kant het heeft over een 'weten bij voorbaat' (a-priori), dan is dit feitelijk niet juist: niet het weten ligt in je klaar, maar het beeld oftewel het bewustzijn en uit de spiegeling met haar kom en de begrippen en verhoudingen voort. Het 'weten a-priori' is voor de gehele filosofie een probleem geweest. Men heeft dus wel degelijk aangevoeld dat 'er iets is' in de mens, maar je kunt wel zeggen dat niemand dit probleem opgelost heeft.

 

De werkelijkheid als beeld is 'terugkijkend' niet te onderzoeken omdat ze zich niet op zichzelf vertoont, vanwege het feit dat het een systeem van begrippen en verhoudingen is. De enige weg is die van de 'fenomenologie', d.w.z. het nagaan hoe uit het oergegeven de kosmos ontstaan is. Wij willen namelijk weten hoe het zit en we kunnen daarom niets beginnen met al die, vaak wonderschone, verhalen die in de loop der tijden door de mensen over het bewustzijn verteld zijn. Wij mensen zijn gewoon verschijnselen die als resultaat van een kosmisch proces voor de dag gekomen zijn. Als er dan zoiets als een bewustzijn bestaat zal dat een verhouding zijn die bij het nagaan van dat kosmische proces vroeg of laat voor de dag moet komen. En dat is inderdaad het geval... Dan ga je pas echt goed begrijpen waarom het bewustzijn is zoals het is, waarom het werkt zoals het werkt en vooral ook waarom het de enige bron van zekerheid is - in tegenstelling tot de gangbare mening.

In het kort komt de 'fenomenologische' gedachtegang op het volgende neer: het bewustzijn treedt op in de werkelijkheid van de verschijnselen en dat is een werkelijkheid die gekenmerkt wordt door een regelmatige opbouw. Die regelmatige opbouw levert op een zeker moment ook 'de aarde' op, een planeet die om te beginnen 'woest en ledig' is. Voor die planeet geldt dat zij het eindpunt van de regelmaat realiseert en dat houdt in dat de regelmaat zichzelf gaat ontkennen.

53.

Zichzelf ontkennende regelmaat is afwijkende regelmaat.

Dat betekent dat het leven zich gaat manifesteren: leven is afwijken van regelmaat. Dat afwijken is een zaak van beweging en je moet in feite zelfs spreken van een trilling. Nu is het deze trilling die wij kennen als het bewustzijn, derhalve een zaak die voor alle leven geldt, maar die in de mensen volledig wordt en zijn voltooiing vindt. Hierin moeten wij enkele nuances aanbrengen. Het feit dat het verschijnsel in zichzelf trilt is het 'levend-zijn' ervan en het complex van trillingen is het 'bewustzijn'. Als voorbeeld het volgende: bij een Beethoven symfonie is het complex van trillingen de muziek en de trillingen zelf zijn de klanken, de harmonieën, de verschillende tonen, enzovoort. Aan die muziek komen begrippen als schoonheid, ruimte en dergelijke mee, precies zoals dat ook het geval is met het bewustzijn. Daarvan vertellen immers diegenen die op de een of andere manier contact met zichzelf als bewustzijn gezocht hebben, zoals bijvoorbeeld de mystici. Omdat de mens het laatste levende verschijnsel is dat in de kosmos opkomt, omvat hij als bewustzijn het gehele complex van trillingen en dus de gehele werkelijkheid, inclusief zichzelf als verschijnsel. Het is de werkelijkheid zelf die zich in de mensen, als bewustzijn en op de wijze van een 'beeld', doet gelden en dat gebeurt 'automatisch', d.w.z. zonder dat je er als mens enige invloed op kunt uitoefenen. Het is domweg een 'fenomenologische consequentie'.

 


Op zichzelf kun je het menselijke bewustzijn, omdat het allesomvattend geworden is, ook weer als een eindpunt beschouwen en je vervolgens af gaan vragen op welke wijze de ontkenning, die immers aan elk eindpunt bedacht moet worden, zich nu zal laten gelden. Welnu, de ontkenning is gelegen in het feit dat het bewustzijn zich noodzakelijk aan iets afspiegelt en zich dus telkens concretiseert. Het gaat zich dus manifesteren aan iets anders en verliest daarmee, telkens opnieuw, het ervoor geldende autonome karakter. Het wordt om zo te zeggen 'jouw werkelijkheid', om intussen toch ook tegelijk 'de werkelijkheid' te zijn en te blijven. Dat blijft in de ontkenning natuurlijk gehandhaafd. Je kunt het feit dat het jouw werkelijkheid wordt benoemen als 'de subjectieve kant van je bewustzijn'. Voor iedereen geldt dat het 'de' werkelijkheid als 'jouw' werkelijkheid is. Je beleeft haar steeds in je eigen kleur. Dus: de objectieve werkelijkheid als complex van trillingen ontkent tenslotte - als mens - zichzelf op de wijze van de subjectiviteit. En geldt dus als 'jouw' werkelijkheid, d.w.z. de werkelijkheid in jouw 'kleur'.

 

Over datgene dat je zou kunnen kwalificeren als 'subjectief' bestaan nogal wat misverstanden. Wij hebben gesproken over de subjectieve kant ('subjectieve moment') van het bewustzijn, naar aanleiding van het feit dat het tot een eindpunt ontwikkelde bewustzijn zichzelf gaat ontkennen en zich daarbij, in plaats van 'de' werkelijkheid, laat gelden als 'jouw' werkelijkheid. Nu zal bijna iedereen uit onze denktraditie onmiddellijk aannemen dat je 'dus' te doen hebt met iets dat voor de een geldt maar niet voor de ander, met iets dat oncontroleerbaar is en willekeurig, wat je noemt: een 'subjectieve' zaak.

54.

Dat wordt bedoeld in afkeurende zin. Men vergeet daarbij gemakshalve dat er toch duidelijk sprake is van de werkelijkheid, die zich als de jouwe, in jouw persoonlijke kleur, laat gelden. Men vergeet of begrijpt niet dat het gaat om het subjectieve moment van het bewustzijn, van de werkelijkheid zelf. Ook in onze denktraditie wijst het begrip subjectiviteit er op dat het gaat over een 'aan een bepaalde persoon gebonden' zaak. Maar, waarover men het in feite heeft is niet de werkelijkheid zelf, maar de werkelijkheid als voorstelling. Die is inderdaad uitsluitend persoonlijk aan een bepaald mens gebonden en dus voor iedereen anders. Elk mens bouwt zelf zijn voorstelling op, in overeenstemming met de wereld die hij bij zijn geboorte aantreft. In die voorstellingswereld heeft men, in de loop der tijd' onderscheid leren maken tussen datgene dat typisch tot iemands eigen wereld behoort en datgene dat algemeen aanvaard wordt. Dat laatste heet dan 'objectief' en het eerste heet 'subjectief'. Het 'objectief’ zijn van een bepaalde opvatting, overtuiging of bepaalde kennis wordt bepaald door kwantitatieve normen: de meerderheid van de mensen, binnen een cultuur, vindt dit of dat - al of niet op wetenschappelijke wijze onderbouwd.

 


Alles wat aan die normen niet voldoet wordt als 'subjectief' buiten beschouwing gelaten en in de regel als onbetrouwbaar afgewezen. Of men evenwel iets als 'subjectief' dan wel als 'objectief' beoordeelt, steeds gaat het in feite over de werkelijkheid als voorstelling. Je zou staande kunnen houden dat die eerst recht subjectief en wezenlijk onbetrouwbaar is en blijft ondanks de afspraken om sommige zaken als 'objectief' te laten gelden. Op grond van die afspraken praat men elkaar, vooral in allerlei vormen van onderwijs, onophoudelijk na en prent elkaar voorstellingen in. Het toppunt van werkelijke subjectiviteit! Desondanks blijven de mensen toch in verschillende werelden leven, een andere taal spreken en andere normen en waarden hanteren. Het sterven van een kind is voor een moeder heel iets anders dan het sterven waarover een generaal spreekt en dat hij dan ook maar rap 'sneuvelen' noemt... Het zoeken van een baan is voor een minister iets volstrekt anders dan voor een werkeloze havenarbeider. En deze veelheid van werkelijkheden laat zich door geen enkele afspraak over 'objectiviteit' tot een eenheid verenigen. Het komt op zijn best tot een gereglementeerde subjectiviteit. Ons subjectieve moment van het bewustzijn echter heeft steeds betrekking op de echte werkelijkheid, ook als die onvermijdelijk in de persoonlijke kleur gezien wordt. Als ik bijvoorbeeld aan een bepaalde knop van mijn televisie toestel draai wordt het gehele beeld groen, maar: ik zie nog steeds dezelfde gebeurtenissen op het scherm. Het gaat nog steeds over precies dezelfde werkelijkheid. De grote filosofen vertellen allemaal een ander verhaal, maar, afgezien van fouten en zaken waarover zij het oneens zijn, vertellen zij allemaal het verhaal van 'de' werkelijkheid. Hun onderling verschillend zijn berust op het subjectieve moment - uiteraard voor zover zij zich van de voorstelling hebben losgemaakt, wat lang niet altijd het geval is.

55.

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Deugt je brein voor het gereglementeerde…

 

 

Uit het nagaan van het wordingsproces blijkt dat op een gegeven moment het verschijnsel van zichzelf als regelmaat gaat afwijken en daardoor tot leven gaat komen, in die zin dat het in en uit zichzelf gaat bewegen. Die beweging is in feite een trilling en dat betekent dat we met een materiële zaak van doen hebben. Uiteraard is het begrip trilling niet-materieel, maar het gaat er om dat datgene dat trilt de materie is. Dat betekent dus dat het 'levend-zijn' en het 'bewustzijn' verhoudingen, trillingsverhoudingen, van de materie zijn, de materie die zichzelf heeft opgebouwd tot en ontkend als een verschijnsel waarvoor het uiterste van regelmaat geldt. En in dat verschijnsel treedt die trilling op. Alle levende wezens zijn bewuste wezens, die qua bewustzijn hun voltooiing vinden in het verschijnsel mens. Die voltooiing is het gevolg van het proces van zelforganisatie van het leven: steeds inniger organisatievormen totdat de mens er is. Er bestaat bij de moderne mens een aversie tegen het materiële en dus ligt de constatering, dat het bewustzijn een zaak van de materie is, de moderne mensen zwaar op de maag. Zij houden zich de hele dag met het stoffelijke bezig, denken stoffelijk en leven stoffelijk, maar zij weigeren te aanvaarden dat zij qua bewustzijn stoffelijk zijn. En dat des te heviger naarmate zij bemerken welke rol het bewustzijn in de mensen speelt... dan moet het zeker iets verhevens zijn. Op zijn minst iets goddelijks! Maar het is gewoon trillende materie en juist die materie is voor een mens het enig belangrijke, zijn enige baken en zijn onbetwijfelbare zekerheid. Het is de enige echte werkelijkheid. Voor de mens geldt evenwel nog iets, namelijk datgene dat wij geest plegen te noemen. Hoewel niet helemaal juist, kun je ook van zelfbewustzijn spreken. Uiteraard is de geest ook materieel voor zover hij een gevolg is van de wordingsprocessen in de kosmos. Maar hij is wezenlijk niet-materieel omdat hij materie is, die zich als niet-materie laat gelden. Op grond van dit niet-materie zijn geldt voor de geest niet het begrip trilling, maar het begrip beweeglijkheid. Dat is dan de onbelemmerde ('chaotische') beweeglijkheid van de 'oerwerkelijkheid', die weer terug is gekomen. Die beweeglijkheid is volkomen onbepaald, nergens aan gebonden en zonder enige structuur. De meeste denkers stellen zich de geest voor als bewustzijn dat zich op de een of andere manier tot een hoger niveau ontwikkeld heeft. Maar die zienswijze is fout: het bewustzijn is en blijft als trilling een zaak 'binnen' de materie, terwijl de geest zich juist als 'buiten' de materie laat gelden. Het mag dan ook geen wonder heten dat de mensen hun eigen geest voor iets buitenaards, iets hemels gehouden hebben: god. Alles wat in de wat meer diepzinnige godsdiensten, zoals bijvoorbeeld de orthodoxe joodse godsdienst, over 'god' gezegd werd is volledig van toepassing op de geest. Zo'n god is onzichtbaar, alomtegenwoordig, begin en einde, eeuwig zichzelf gelijk, niet in vormen uit te drukken, enzovoort. Het is de volslagen abstractie en die treedt op bij de allerlaatste levensvorm. In die levensvorm, in feite in het menselijke brein, gedraagt de werkelijkheid zich alsof ze alleen maar 'beweeglijkheden' was.

 

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Deugt je brein voor het gereglementeerde…


56.

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Deugt je brein voor het gereglementeerde… ; Sociaal worden.! Hoe zó . Lees o.a. de nrs. 56 en 57 ;

 

Alleen maar beweeglijkheden wil zeggen: de oerwerkelijkheid die alsnog niet tot materie gekomen is. Het zit in ons taalgebruik om van 'bewustzijn' en 'zelfbewustzijn' te spreken en daarom is het van groot belang om in te zien dat beide, qua verhoudingen in de kosmos, in principe niets met elkaar te maken hebben, hoewel ze alle twee in het geheel van het verschijnsel mens voorkomen.

 

Als we over leven en bewustzijn spreken gaat het over de werkelijkheid als trilling. Die trilling is gewoon het trillen van materiële samenstellingen. Dat is mogelijk omdat er tijdens het wordingsproces beweging ontstaat. Het voert te ver om dat hier nader uit te werken, maar in ieder geval is de volgorde deze: beweeglijkheid - vervallen van beweeglijkheid - beweging - evenwicht van beweging - opheffen van beweging - in beweging komen - zich aan elkaar vastleggen. Dit laatste levert de regelmatige materiële structuur op. Deze regelmaat, aan zijn uiterste gekomen, ontkent zichzelf, met als resultaat dat de regelmaat van zichzelf gaat afwijken. Dit laatste is het optreden van de werkelijkheid als trilling en die geldt voor uitermate ingewikkelde samenstellingen omdat immers het uiterste van regelmaat aanwezig moet zijn. De eerste levende cel is inderdaad onvoorstelbaar ingewikkeld opgebouwd; de raadselen daarvan zijn nog steeds niet ontsluierd. Is het bij leven en bewustzijn een kwestie van trillende materiële samenstellingen (in feite moleculen), bij de geest gaat het om hetzelfde beweeglijk zijn als die van de oorspronkelijke werkelijkheid: de beweeglijkheden. Weliswaar ontstaat die beweeglijkheid als geest aan het einde van het wordingsproces, zodat de basis een materiële is die er nooit afgedacht kan worden, maar toch: de beweeglijkheid is die van de oorspronkelijke werkelijkheid. De materie laat zich, aan het einde van haar mogelijkheden gekomen, gelden als de oorspronkelijke werkelijkheid. Dat is op zichzelf een onbepaalde, onbelemmerde, beweeglijkheid, dus: helder, vluchtig, aan niets gebonden. Ook niet aan het lichamelijke.

 

Het is eigenlijk verbazingwekkend dat de filosofen steeds zo'n moeite gehad hebben om de verhouding tussen lichaam (materie) en geest (beweeglijkheid) duidelijk te maken. Bij mijn weten heeft niemand eenvoudig geconstateerd dat de materie zich als geest laat gelden, dat er dus geen scheiding tussen lichaam en geest mogelijk is, maar daarentegen wel degelijk een onderscheiding en dat het gevolg daarvan is dat je met twee geheel verschillende werkelijkheden te maken krijgt: een aantastbare en een Onaantastbare. De eerste van die twee 'bestaat' echt, maar de tweede kan niet op zichzelf bestaan, hoewel hij de indruk wekt dat wel te doen. Aan die indruk hebben de meeste filosofen blijkbaar niet kunnen ontkomen; diegenen die dat geprobeerd hebben kwamen niet verder dan het materialisme, d.w.z. de opvatting dat de geest gewoon een werking van de materie zou zijn. Ook dat laatste evenwel is fout, want de geest is de zelfontkenning van de materie en kan er dus geen werking van zijn. Het leven is aantoonbaar, je ziet dat de levende wezens bewegen.

57.

Het bewustzijn is uit die aantoonbaarheid af te leiden. Maar de geest is in het geheel niet aantoonbaar: je treft hem nergens aan, je kunt zijn bestaan niet bewijzen, noch ergens uit afleiden. In zekere zin is het iets bedrieglijks, want hij is er niet en toch is hij er...


Om het bewustzijn als trilling enigszins te benaderen kan je aan de beweging van de slinger van een klok denken. In zijn beweging is die slinger voortdurend bezig over te gaan in een volgende situatie. Als hij op een bepaald moment ergens is, is hij daar onmiddellijk niet meer. Dat geldt ook voor de eindpunten van de beweging en voor het dode punt. Gevolg van het overgaan van het een in het ander is het van kracht worden van het begrip samenhang. Dat betekent dat de positie van de slinger op elk denkbaar moment een afspiegeling is van het geheel van de slingerbeweging oftewel de trilling. De positie van de slinger is op geen enkel moment een zaak op zichzelf. Samenhang wil zeggen dat elk moment in een systeem afspiegeling is van het gehele systeem en dat elk moment geldt als onmiddellijke overgang naar een volgend moment. Er is dus geen scheiding tussen het ene moment en het volgende moment - dit in tegenstelling tot de dingen waarbij de samenhang ver op de achtergrond staat en de scheiding op de voorgrond. Het begrijpen van de samenhang als essentie van het bewustzijn maakt het gemakkelijk een aantal grote begrippen, waarmee de mensen in de loop der tijden gekomen zijn, thuis te brengen. Zo is de schoonheid niets anders dan de manifestatie van de samenhangende werkelijkheid waar niets uitspringt, alles in harmonie is en tot zijn recht komt. En het begrip liefde duidt op het ineenzijn van alles wat er is. Het is een de gehele werkelijkheid omvattend begrip en het heeft als inhoud het in elkaar overgaan van alle verschijnende situaties. Het is duidelijk dat dit liefdesbegrip niets met de geest te maken heeft, niet iets 'geestelijks' is, zoals ten onrechte doorgaans wordt gesuggereerd. Het is een zaak van het bewustzijn. De mensheid heeft de liefde ontdekt, maar tevens heeft zij dat begrip losgemaakt uit zijn context en verheven tot iets geestelijks. Door dat te doen hebben de mensen aan die hele zaak de betekenis ontnomen en er een gebod van gemaakt, met als gevolg dat er alleen maar getob over blijft. Als de mensen de ‘grote begrippen' als zaken van het bewustzijn en niet van de geest zouden herkennen en handhaven zouden er geen geboden en wetten nodig zijn. Vanuit de samenhang, geldend voor het bewustzijn, zou men vanzelf de liefde laten gelden. Ook het nog steeds onoplosbare probleem van de tegenstelling tussen het sociale en het individuele zou er niet zijn. De meeste denkers roepen de mensen op om sociaal te zijn. Zij beschouwen dit als een gebod, juist omdat zij constateren dat de mensen niet of nauwelijks sociaal zijn. Maar, als je jezelf kent en dus ook bewustzijn bent (manifestatie van bewustzijn), ben je geheel vanzelf sociaal omdat je in het teken van de samenhang staat. Het is je dan onmogelijk om niet-sociaal te zijn: het spreekt vanzelf dat de ander er ook is als ik er ben. Het is volledig ondenkbaar dat je jezelf als de maat zou stellen en de ander van minder belang zou vinden, maar anderzijds is het ook ondenkbaar dat je jezelf zou wegcijferen op grond van het een of andere morele gebod dat de ene mens zich voor de andere zou moeten opofferen.

Overgang-1 ; Sociaal worden.! Hoe zó . Lees o.a. de nrs. 56 en 57 ;

 

58.

In een samenhangende werkelijkheid moet alles tot zijn recht komen omdat zonder dat de samenhang ondenkbaar is. Vanuit die samenhang ben ik, als individu, niet een afgesloten en begrensde zaak, maar juist een zaak die open is en die steeds naar de ander overgaat. Wij leven in een wereld waarin het recht als een van de hoogste en meest redelijke verworvenheden gezien wordt. Maar ook hiervoor geldt: wanneer de mensen zichzelf als bewustzijn realiseren is de samenleving vanzelf rechtvaardig. Zelfs als er binnen die samenleving, wat nooit helemaal uit te sluiten is, onrechtvaardigheden en zelfs misdaden voorkomen, is het nog steeds een rechtvaardige samenleving - in tegenstelling tot de onze die door onrechtvaardigheid gekenmerkt wordt maar hier en daar toch goede dingen kent. Omdat het allemaal draait om het gelden van het bewustzijn zijn alle oplossingen die gewoonlijk voorgesteld worden gedoemd te mislukken: de revolutie, Popper's 'Open Society', anti- autoritair onderwijs, het herstellen van normen en waarden, enzovoort...


De werkelijkheid als geest is te beschrijven als volslagen helderheid. Die helderheid is een kwaliteit die geldt op grond van het feit dat de beweeglijkheden als weer voor zichzelf beweeglijk gelden. Als geest kun je ze niet meer denken als deelnemers aan systemen van verhoudingen die een gevolg zijn van hun onvermijdelijke incidentele gelijk- op bewegen, en dus ten opzichte van elkaar stilstaan. Je moet ze weer op zichzelf denken. Omdat je dan te doen hebt met de beweeglijkheden zelf en niet met de verhoudingen waarin zij eventueel ten opzichte van elkaar zijn terechtgekomen, moet je stellen dat die werkelijkheid als geest van karakter volkomen ongrijpbaar is en bijgevolg onveranderlijk, eeuwig 'zichzelf gelijk', onafhankelijk, kortom: absoluut. Op grond van dit absolute karakter is er niets mee aan te vangen, je zou kunnen zeggen dat je er niets aan hebt. Dat laatste echter is maar betrekkelijk waar. Zonder de geest zouden de mensen nooit met hun ideeën, hun kunst, filosofie, wetenschap en zelfs niet met hun godsdiensten zijn gekomen. Maar, al die voortreffelijke dingen kunnen de mensen niet door de geest, ingegeven' zijn omdat de geest als absolute werkelijkheid geen enkele werking op wat dan ook kan uitoefenen. Bovendien heeft ze geen inhoud die 'geopenbaard' zou kunnen worden. Als de filosofen, vooral de 'idealistische' uit de 19e eeuw, de mooie en grootse dingen, door de mensen voortgebracht, beschouwen als een soort verdienste van de geest, dan hebben zij wel gelijk wat betreft hun besef dat dit alles zonder de geest niet mogelijk is, maar niet wat betreft hun opvatting dat dit alles uit de geest voortgekomen zou zijn, te danken zou zijn aan de 'werkzaamheid van de geest'. Er komt uit de geest niets voort en hij is ook niet werkzaam. Hij is een eeuwig zichzelf gelijk blijvende toestand, die uiteraard slechts als zodanig geldt zolang en voor zover hij als eindpunt van het wordingsproces in de vorm van een, mens' aanwezig is.

59.

Hier geldt dus ook weer de waarschuwing: laat je niet misleiden door de als zogenaamd 'geestelijke zaken' voorgestelde verplichtingen... De begrippen 'werkzaamheid', 'vormen', 'teweeg brengen' zijn allemaal materiële begrippen, die niet meer van toepassing zijn op de absoluut niet-materiële werkelijkheid die de geest is.

 

Als je het bewustzijn begrijpt als trillende materie is het noodzakelijk daarin enkele onderscheidingen aan te brengen. Het feit dat de zaak trilt, dus de trilling zelf, is natuurlijk als zodanig geen materiële zaak. Het is een abstractie die zich aan de materie bedenken laat, die als een cluster van verhoudingen van de samengeklonterde materie te isoleren is. Dat is dus niet materieel in de zin van 'grijpbaar', maar wel materieel omdat het over een verschijnsel, een ding, gaat. Dit is evenwel iets anders dan het 'niet materie zijn' van de werkelijkheid voor zover die zich tot 'geest, ontwikkeld heeft. Bij de abstractie is er de materie en haar werking, maar bij het niet-materie zijn is de materie ontkend. Bij de abstractie bevestigt het een (trilling) het ander (materie), maar bij de geest ontkent het een (geest) het ander (materie).


 De filosoof geeft, zoals al eerder gezegd, een nieuwe voorstelling van zaken. Hij baseert die nieuwe voorstelling op de werkelijkheid als bewustzijn, die zich als beeld in hem laat gelden. De creatieve filosoof analyseert zijn gegeven voorstelling niet, maar hij gaat 'er doorheen'. In zekere zin laat hij de onderdelen van die voorstelling, zijn 'wereld', voor wat ze zijn. Het gaat hem om het beeld, van waaruit hij de nieuwe voorstelling vormt en dus de wereld verandert. Maar, om die nieuwe voorstelling te kunnen vormen heeft hij gegevens nodig. Die moet hij ergens vandaan halen. Alles wat je om te beginnen weet, weet je vanuit je voorstelling, vanuit de zelfbewuste werkelijkheid die je zelf opgebouwd hebt. Met die voorstelling moet je het doen, je kunt niet kiezen voor een ander soort van kennis. Er is door de filosofen wel gedacht dat er meerdere soorten kennis zouden bestaan. Uit die soorten zou je dan kunnen kiezen. Zo spreken de moderne holisten over 'holistische' kennis en ook over 'paranormale' kennis, enzovoort, en anderen spreken over 'exacte kennis'. In feite echter zijn er geen soorten kennis, alle kennis behoort tot de voorstelling. Maar binnen de voorstellingen zijn er wel verschillen en daardoor lijkt de kennis veelsoortig te zijn. Hoe verschillend de voorstellingen ook zijn, steeds geldt dat je om te beginnen volledig daaraan gebonden bent. In de praktijk kun je dat dan ook zien: in onze moderne tijd blijven de mensen almaar vasthouden aan hun voorstelling, terwijl om hen heen de wereld op instorten staat. Ze gaan halsstarrig door op de traditionele weg, geen waarschuwing helpt, geen ramp doet hen omkeren, geen bedreiging door straling of vergiftiging doet hen aan zichzelf twijfelen. Dat alles komt door het gebonden zijn aan de voorstelling en het ontbreken van alternatieve, andersoortige kennis die in staat zou zijn die voorstelling te corrigeren. De voorstelling corrigeert zichzelf niet omdat het voor een ieder dé werkelijkheid is.

60.

Verlies aan houvast-1 (t/m 63); Verlies aan houvast-2 ;

We zitten nu met de volgende vraag: als ik voor mijn kennis op de voorstelling aangewezen ben, hoe kom ik dan bij de werkelijkheid als beeld om daaruit mijn gegevens voor de filosofie te putten? Opmerkelijk is dat de mensen soms zeggen: "de geest werd mij vaardig". En in de Evangelische cultuur sprak men van "de uitstorting van de heilige geest". Kennelijk kan er iets over de mensen komen, iets met hen gebeuren. Zij ervaren dat als iets van buitenaf, maar in feite laat zich gelden dat de werkelijkheid als zelfbewustzijn zichzelf ontkent tot geest. Daarmee wordt de inhoud van dat zelfbewustzijn, de voorstelling, en de inhoud daarvan, de kennis, in beweging gebracht alsof het de werkelijkheid als niet-materie was. Het wordt niet echt die werkelijkheid: de zaak komt in het licht van de geest te staan, dus in het licht van de helderheid. Alles komt dan 'op losse schroeven' te staan, verliest zijn zekerheid en dat verschijnsel kennen wij als de twijfel. Die twijfel komt dus voort uit de 'drang' van het zelfbewustzijn tot zelfontkenning, op grond van deze verhouding dat als zelfbewustzijn de materie tegelijk niet-materie is. Die 'drang' zou er niet zijn als voor de mens de werkelijkheid als geest niet van kracht was. Maar die geest zelf doet absoluut niets: vanuit het zelfbewustzijn is er die drang tot zelfontkenning. Dat we met een soort van 'drang' te doen hebben, iets dat op zekere hoogte buiten ons omgaat, wordt kennelijk beseft in de bovengenoemde uitspraken van de mensen. Op zichzelf levert de twijfel geen andere voorstelling op, al je kennis blijft precies hetzelfde, maar tegelijk ervaar je dat je er geen raad meer mee weet en dat je het gevoel hebt je houvast te verliezen. Dat gevoel is natuurlijk juist, maar het wordt gewoonlijk niet op prijs gesteld. Intussen is het eigenlijk toch de enige mogelijkheid om wat wijzer te worden. Het verlies van houvast opent de weg naar de werkelijkheid als beeld. Ieder mens is op zijn wijze aan twijfel onderhevig, maar bij bijna iedereen leidt de twijfel tot het zoeken van nog meer en nog sterkere bewijzen voor de juistheid van de oorspronkelijke voorstelling. De twijfel legt de zaak uiteindelijk nog meer vast. Dat kun je bijvoorbeeld waarnemen bij machthebbers die, in twijfel gebracht, vrijwel altijd met een nog grotere hardheid reageren. Hun voorstelling moet en zal in stand gehouden worden. Dat is wat zij noemen het handhaven van de 'orde'.


Het is van groot belang goed doordrongen te zijn van het probleem waarvoor je staat als je over de werkelijkheid wilt gaan nadenken. Dat is nog belangrijker als je de behoefte gevoelt over de zaak te filosoferen, vooral als je dat op creatieve wijze wilt gaan doen. Zoals gezegd heb je geen keuze, je moet het om te beginnen doen met de werkelijkheid zoals je die als voorstelling in jezelf aantreft, een voorstelling die je oprecht voor de echte werkelijkheid houdt zodat je de kennis, waaruit die voorstelling opgebouwd is, ook als betrouwbare kennis aanvaardt. Zodra je die kennis echter wilt gaan toetsen loop je vast omdat je gedwongen bent aan je eigen voorstelling te toetsen.

 

61.

Voorstelling van de werkelijkheid - A- ; B- ; C- ; D- ; E- ; F- ; G- ; H- ;  I- ;

Je hebt geen onafhankelijk 'paradigma', buiten die voorstelling, dat aanleiding kan zijn om bepaalde kennis te aanvaarden, te corrigeren of te verwerpen. Kortom: het blijkt dat je eigenlijk niets zeker weet en dus geen betrouwbaar uitgangspunt voor je filosofie hebt. Je zit vast... Dan is het de twijfel die je deze vicieuze cirkel doet doorbreken.

 

Die twijfel komt over je, min of meer buiten je wil om. Een prettige ervaring is het aanvankelijk niet: hij grijpt je ook psychisch aan. Als gevolg daarvan zijn er twee mogelijkheden. Ten eerste kun je de gebruikelijke weg volgen en je oorspronkelijke voorstelling versterken, bevestigen, en ten tweede kun je de twijfel zijn gang laten gaan en zien wat ervan terechtkomt. Daar is een zekere moed voor nodig, de moed om te laten gelden dat je liever iets niet weet dan dat je het verkeerd weet zonder het te weten. De moed om het voor mogelijk te houden dat onze werkelijkheid één grote zinsbegoocheling is, een misleidend spel van de goden, zoals de Grieken zeiden.

 


We hebben met het volgende te maken: de voorstelling is de inhoud van de werkelijkheid als zelfbewustzijn; de kennis is de inhoud van de voorstelling. Nu geldt voor de moderne cultuur deze situatie dat het zelfbewustzijn zich met zichzelf bezig houdt. Het houdt zich dus bezig met de eigen voorstelling en de daarin voorkomende kennis. Voor iets anders is er geen plaats. In alle voorgaande culturen hield de mens als zelfbewustzijn zich met de werkelijkheid bezig. Dat leidde uiteraard wel tot een bepaalde voorstelling van de werkelijkheid, vaak een mythische, geromantiseerde en feitelijk onjuiste voorstelling die in een kunstzinnige taal werd uitgedrukt, maar ondanks dat... het was toch de werkelijkheid zelf waarover het ging. Door die kunstzinnige taal heen, door die mythen heen, was de werkelijkheid te herkennen, ook al begreep men er zelf niets van. Als men zich in de Griekse cultuur, globaal gesproken, met de schoonheid bezig hield dan ging het over de werkelijkheid, althans een wezenlijk aspect daarvan. Als Alexander de Grote de wereld ging veroveren om één geheel van haar te maken, dan liet zich in hem een wezenlijk aspect van de werkelijkheid gelden, namelijk dat zij een geheel is. En voor de Romeinen was zij een totaliteit (= een volledige verzameling), die eveneens aanleiding tot wereldverovering gaf. Voor de Evangelische mensen ging het om de liefde en voor de vroeg- christelijke mensen om het zogenaamd 'goddelijke' dat een menselijke kwaliteit was gebleken te zijn. Zo had iedere voor-moderne cultuur haar eigen thema's en die hadden allemaal betrekking op een aspect van de werkelijkheid. Omdat het over aspecten van de werkelijkheid ging was er steeds een correctie vanuit het dagelijks leven mogelijk: de mythische voorstellingen verloren hun zeggingskracht en nieuwe drongen zich op, om op hun beurt ook weer aan betekenis in te boeten. Dat is de gang van de culturen. Men denkt zich als het ware naar de Onhoudbaarheid van zijn eigen cultuur toe, in tegenstelling tot de moderne mensen die almaar proberen, door nieuw onderzoek en door nieuwe reglementen, de houdbaarheid te vergroten en daardoor steeds dieper in de put komen te zitten en geen uitweg meer zien.

Voorstelling van de werkelijkheid - A- ; B- ; C- ; D- ; E- ; F- ; G- ; H- ;  I- ;

62.

In principe kun je zeggen dat ook de moderne (westerse) cultuur zich met zo'n aspect bezig houdt, namelijk het zelfbewustzijn. Maar daardoor sluit de cultuur zich in zichzelf op. Zij blijkt zich dan met zichzelf en in de praktijk met de eigen voorstelling bezig te gaan houden. Dan isoleert ze zich van de werkelijkheid zelf en blijft noodzakelijk almaar in een kringetje ronddraaien. Die moderne cultuur is een wetenschappelijke, want het gaat over de mens als zelfbewustzijn, een mens die de eigen voorstelling analyseert, zoals we al eerder gezien hebben. Het is dus ook de mens als verzamelaar van kennis en bovendien de mens als constructeur. Die verzamelaar van kennis blijft noodzakelijk binnen zijn eigen voorstelling. Als die hem om de een of andere reden niet meer helemaal bevalt, stelt hij hem, op wetenschappelijke wijze, bij. Een onbekend gebied, een 'blinde vlek' op de landkaart van zijn voorstelling wordt vroeg of laat onderzocht en in kaart gebracht, maar steeds binnen de voorstelling. Daartoe behoren ook de 'grote begrippen' zoals liefde, schoonheid, rechtvaardigheid, saamhorigheid, vrijheid, redelijkheid en dergelijke. Evenwel niet als echte 'begrippen' in de zin van begrepen werkelijkheid, maar in de zin van voorstelling en kennis.

Daardoor wordt er wel over gepraat, onderzoek naar gepleegd, maar er wordt desondanks niets van begrepen omdat de zaak niet als de werkelijkheid zelf beschouwd kan worden. Over het laten gelden van die begrippen behoef je het al helemaal niet te hebben. Allicht niet, want om ze te laten gelden moet je weet hebben van jezelf als bewustzijn en dus van jezelf als niet voor te stellen werkelijkheid. Men praat over die begrippen in het kader van de kennis omdat men ze als inhoud van het zelfbewustzijn, en dus van de voorstelling, kent. Maar de zaak waarover het gaat kent men niet omdat die tot het bewustzijn behoort. Omdat men de zaak, waarover het bij die 'grote begrippen' gaat, niet kent is er, sinds het herkennen van die begrippen ruim 2000 jaar geleden, geen ontwikkeling in het denken daarover geweest. Van enige 'verdieping' is geen sprake, er is alleen maar een heleboel kennis aan toegevoegd. Kennis overigens die voor de zaak waarom het gaat nauwelijks van enig belang is, ook filosofisch niet. Het zijn eigenlijk standaard-kreten, formules, die men elkaar tot in den treuren mededeelt.

We hebben te doen met een denken dat zich op zijn eigen kennis en theorieën betrekt. Omdat de moderne mensen niets van de zaak begrijpen vanwege het feit dat zij vreemd zijn aan hun eigen bewustzijn, verandert hun wereld dan ook niet. Dat wil zeggen: zij verandert wel, maar dan in de richting van een nog uitvoeriger onderzochte voorstelling en dus in de richting van een nog steviger gefundeerde fictie. Een zelfcorrectie in de zin van een ombuiging in de richting van de echte werkelijkheid, en dus het bewustzijn, wordt steeds minder mogelijk.

 

Dat is het noodlot van de moderne mens die niet op zijn schreden kan terugkeren en die het tenslotte zal moeten hebben van zijn eigen vertwijfeling - iets waarnaar hij bepaald niet zit uit te kijken! Want, zoals gezegd, voorlopig leidt de vertwijfeling tot bevestiging en versterking van de oorspronkelijke voorstelling, iets wat de laatste tijd in de gehele westerse wereld aan de gang is.

63.

Confrontatie-1 ; Confrontatie-2 ; Confrontatie-3 ; Confrontatie-4 ; Depressies/Neurosen e.d. o.a. nrs 126 t/m 130- Individu vs Persoonlijkheid ; Zelfmoord ;

 

 

De macht heeft zich nog dieper in het leven van de mensen ingedrongen, de organisatiedrift is tot een passie geworden.


In het begin van de zeventiger jaren leek het er op dat er een geheel nieuwe cultuur op doorbreken stond. Overal werd de bestaande orde aangetast, werden nieuwe waarden gesteld; men sprak van 'democratisering', van 'openheid' en van 'antiautoritaire' verhoudingen. De vredes- en vrouwenbeweging zetten zich versneld door, er kwam aandacht voor de ecologie, voor de kleinschaligheid en verzet tegen vervuiling en het uitroeien van allerlei levensvormen. Deze en dergelijke ontwikkelingen tastten de gevestigde stelsels danig aan en veroorzaakten een grote mate van onzekerheid: de moderne cultuur kreeg last van de twijfel. Heel duidelijk was, dat enerzijds die twijfel een aantal nieuwe of vergeten waarden opleverde die allemaal van 'buitenaf' kwamen. Niet vanuit die cultuur zelf (maar ook niet uit een andere). De twijfel werkte waan- doorbrekend.

 

Maar niet voor lang. Al vlug begon het herstel van de moderne (waan)cultuur en dat herstel zette zich onweerstaanbaar door, met uitgekookte gebruikmaking van sommige 'nuttige' resultaten van het getwijfel. Thans beleven wij, aan het eind van de tachtiger jaren, de stelselmatige verharding, een nieuwe en nog efficiëntere organisatie van de macht. In die organisatie zijn nog meer mensen opgenomen, na geconditioneerd te zijn (via o.a. het 'gedemocratiseerde' onderwijs) op samenwerking. De onvrijheid is toegenomen, de macht is versterkt... kortom: de waan van de moderne cultuur heeft zichzelf versterkt en is een nog grotere onaantastbare zekerheid geworden. Door de 'verbeterde’ organisatie is de nieuwe onvrijheid minder lijfelijk voelbaar. Bovendien zijn de mensen er indringender op geconditioneerd. Daardoor hebben veel mensen niet in de gaten wat er in feite gebeurd is: door de optredende twijfel is het machtsstelsel opnieuw en strenger georganiseerd. De oude voorstelling heeft zichzelf nog meer versterkt. We hebben dus duidelijk te doen met de situatie die het meest voorkomt, namelijk die waarbij de twijfel een vastleggend resultaat heeft.

 

Geeft het bovenstaande een beeld van de meest voorkomende werking van de twijfel, minder vaak voorkomend is het krankzinnig worden van groepen mensen. Zij verliezen elk houvast, elke zekerheid. De slagorde verdwijnt uit hun voorstelling, en dus ook uit hun zelfbewustzijn. Dat kan in ernstige gevallen tot zelfmoord leiden, maar meestal leidt het tot vandalisme, tot een redeloze vernielzucht ten aanzien van juist die dingen die als representatief voor de oorspronkelijke voorstelling worden ondergaan: de openbare voorzieningen zoals bus, trein en tram, telefooncellen, stadions, enzovoort. Maar ook het terrorisme en bepaalde vormen van criminaliteit vallen er onder. Opmerkelijk aan het terrorisme is bijvoorbeeld dat men doet alsof men met zijn vijanden aan het vechten is, maar daarbij nimmer de confrontatie met zijn echte vijanden aangaat.

Bladwijzers:  Verlies aan houvast-1 ; Verlies aan houvast-2 ; Confrontatie-1 ; Confrontatie-2 ; Confrontatie-3 ; Confrontatie-4 ; Depressies/Neurosen e.d. o.a. nrs 126 t/m 130- Individu vs Persoonlijkheid ; Zelfmoord ;

 

64.

Men kiest slachtoffers die met de zaak niets te maken hebben en van wie verwacht mag worden dat zij niet zullen terugslaan: reizigers in een vliegtuig of trein, een bus met schoolkinderen, mensen in een café of kerk, burgers in bijvoorbeeld een bepaalde wijk van Beiroet. Zodra het echter op vechten aankomt, geeft men zich gedwee over! Het kiezen van op zichzelf ongevaarlijke 'plaatsvervangende vijanden' en het wekken van de indruk enorm gevaarlijk en dapper te zijn komt voort uit twijfel aan de eigen voorstellingen. In zoverre is dat op zichzelf gruwelijke verschijnsel van het terrorisme gebaseerd op iets goeds, namelijk het Onzeker worden van de vaste voorstellingen. In de praktijk is het gedrag van terroristen uiteraard het toppunt van criminele krankzinnigheid...

 


Er zijn dan ook nog een paar mensen in wie de twijfel nooit ophoudt en toch niet, zoals misschien bij Friedrich Nietzsche het geval was, tot krankzinnigheid leidt. Dat zijn de creatieve filosofen en diegenen die voor hun filosofie ontvankelijk zijn. Kenmerkend daarvoor is dat je je eigen twijfel begrijpt als het 'dynamische beginsel' van je eigen denken. Er zijn nogal wat filosofen in wie dit beginsel toch na enige tijd verdwijnt en dan heb je te doen met de 'stelselbouwers' die hun leven lang hetzelfde blijven beweren, meer gedetailleerd, maar niet met meer verdieping. De twijfel heeft betrekking op de voorstelling. Hij richt zich dus zowel op de buitenwereld als op jezelf. Hij is het gemakkelijkst te verwerken voor zover hij zich op de buitenwereld richt. Daarom ontmoet je regelmatig mensen die op die buitenwereld, de maatschappij waarin zij leven, hun medemensen, de meest harde en vaak terechte kritiek hebben, maar die steevast vergeten zichzelf in twijfel te trekken. Dat is geen wonder, want die twijfel is het moeilijkst te verwerken omdat je je dan niet meer kunt afzetten tegen het andere en de anderen. Je moet dan jezelf loslaten als een complex van vooroordelen, van niet voor twijfel vatbare voorstellingen. Je moet dan onbevangen worden, jezelf gaan beleven en laten gelden 'als een kind'. Naarmate je dat gelukt gaan er werkelijk allerlei dingen sneuvelen, wat nog niet het geval is zolang en voor zover je je twijfel alleen nog maar op de buitenwereld richt. Je maakt jezelf inzet van je eigen nieuwe wereld. Dat betekent het overigens ook als ik zeg dat je de filosofie, behalve begrijpen, ook 'tot in je botten moet voelen'.

Het laatste station waartoe de werkelijkheid als verschijnsel komt is het bij de mens optredende zelfbewustzijn. Dat is, zoals al vaker gezegd, de materie, die zich laat gelden als niet-materie. Daarin zitten drie aspecten, namelijk: 1) materie, 2) materie als niet-materie en 3) niet-materie. Dat derde aspect is het begrip geest als een toestand van volslagen helderheid, niet werkzaam en zonder inhoud. Nu heeft men altijd gedacht dat de geest op de een of andere manier op de mens inwerkt en hem als het ware leiding geeft. Maar dat is dus een foute gedachte. Waarop het aankomt is dit: in allerlaatste instantie laat de materie zich als geest (niet-materie) gelden, zodat er in de mens dus een werking is van de materie naar de geest toe.

65.

De geest werkt dus niet naar de materie, maar de materie 'verheft zichzelf' (= naar een volgend stadium toegaan) tot geest en dat is dus in feite de voorstelling die zichzelf tot geest verheft. Wij westerlingen willen zoiets graag lineair denken en dus zo dat de materie geest wordt en er dan op de een of andere manier niet meer is. Dat evenwel is fout gedacht. De materie verheft zichzelf steeds weer tot geest. Het gaat dus over een werking en niet over een (eenmalige) gebeurtenis. Dat 'zichzelf verheffen' is de twijfel en dat is een zelfbewuste aangelegenheid. Op grond van deze werking verdwijnt de voorstelling niet, maar de voorstelling komt los, verliest zijn vastgelegde en maatgevende karakter, wordt Onzeker. Daarbij moet je goed voor ogen houden dat de voorstelling inhoud van het zelfbewustzijn is. Het is de werkelijkheid zoals die zich in de mens uit de kennis van de dingen opgebouwd heeft. Populair gezegd: het is bijvoorbeeld een stoel, niet als een bestaande stoel in de kamer, maar als de stoel die jij in je hoofd hebt, de stoel die in je denken aanwezig is. Dat is dus materie (stoel) als niet-materie (de gedachte, oftewel voorgestelde stoel). Over het algemeen heeft men in de filosofie een sprong gemaakt van de materie naar de geest en de nadruk gelegd op de tegenstelling tussen beide. Dat heeft tot het als autoriteit stellen van de geest geleid en bijgevolg ook tot het autoritaire gedrag van diegenen die zichzelf als 'geestelijk', 'intellectueel' en 'ontwikkeld' beschouwen.


 

Bij het nadenken over de drieslag 'materie, 'materie als niet-materie' en 'niet-materie' zou het goed zijn meteen al met jezelf af te spreken dat je met de geest niets meer te maken wilt hebben. Daarmee bedoel ik niet dat je de geest, de werkelijkheid als niet-materie, buiten beschouwing moet laten. Als je dat zou doen zou je een essentiële menselijke verhouding ontkennen. Maar ik bedoel dat je je bij het nadenken moet onttrekken aan de invloed die je vanuit het cultuurbegrip 'geest' ongemerkt ondergaat. Het gaat bij dat cultuurbegrip immers om een heel complex van zogenaamd hogere waarden: de voorschriften van god, de eisen van de rede, datgene dat vanuit idealen bestreefd moet worden, enzovoort. En al die hogere waarden zijn maatgevend. Zij dringen je een bepaald gedrag op, regeren je gevoel en je denken, enerzijds van buitenaf als maatschappelijke en godsdienstige wetten, anderzijds van binnenuit als morele voorschriften waarvan je vindt dat je je daaraan te houden hebt. Deze autoritaire inwerking vertekent je werkelijkheid. Op grond van die vertekende werkelijkheid ga je jezelf verwijten maken; je gaat jezelf schuld aanpraten; je gaat jezelf diskwalificeren. Het blijkt: aan die geestelijke wetten is almaar niet te beantwoorden en omdat dat het geval is ga je je afvragen hoe je het nu toch zou moeten aanleggen om wel aan die geestelijke eisen te voldoen. Dat resulteert in de vraag naar een recept, een soort van handleiding bij 'de kunst van het leven'. De vraag om een recept komt voort uit het ongemerkt als de maat nemen van de geest en dus komt hij voort uit een nog resterende conditionering. De inhoud van die conditionering is natuurlijk in overeenstemming met de geldende voorstelling.

66.

Maar die voorstelling is het nu net die 'losgemaakt' moet worden om de werkelijke verhoudingen te kunnen zien. Dat losmaken is niet zo moeilijk als het lijkt, want het gaat er gewoon om de in jezelf werkzame twijfel tot zijn recht te laten komen. Zoals gezegd leidt dat er toe dat je gaat begrijpen dat de geest niets is, niets doet, niets van je verlangt... En dan wil je er ook niets meer mee te maken hebben.

Het enige dat er in jezelf gebeurt, is dat de materie zich voortdurend laat gelden als niet-materie, en dat dan op een zodanige manier dat die materie niet verdwijnt. Dat je dus niet probeert die af te schaffen. Het gaat om het relativeren van de dingen, d.w.z. dat je de dingen losmaakt uit hun absolute vastheid. Daarmee stel je je ontvankelijk voor andere mogelijkheden en als je dat doet open je voor jezelf de weg naar ontwikkeling, naar verdieping. Voor die weg is geen routebeschrijving te geven. Er is geen recept voor uit te schrijven, of het zou dit recept moeten zijn: probeer steeds zo onbevangen mogelijk te zijn; luister steeds naar de twijfel die je voelt ten aanzien van de algemeen gangbare voorstellingen. De vraag is niet: 'hoe moet ik zijn', maar de vraag is: 'wie ben ik'.


Die vraag heeft betrekking op datgene waarom het voor een mens werkelijk gaat, namelijk het zelfbewustzijn. De praktische resultaten daarvan vormen al die dingen die je in het dagelijks leven vertoont. Doe je mee met het zoeken van macht, met het veroordelen van vreemdelingen, met het benadelen van medemensen, met het napraten van allerlei onzin, enzovoort. En als je tot de conclusie komt dat je dat allemaal niet doet, wat wil je dan nog meer? Datgene dat je dan nog méér zou willen is precies datgene dat al die zogenaamde heiligen, kluizenaars en andere 'verstervers' op het oog hebben gehad vanuit hun behoefte zich aan de 'geest' te onderwerpen. Zij wilden van het 'stoffelijke' afkomen en de eigen, “zondigheid” opheffen. Het resultaat was een uitermate belabberd dagelijks leven, doortrokken van allerlei viezigheden op lichamelijk en psychisch gebied. Je kunt ook menen dat je geen fouten meer zou kunnen of mogen maken.

Maar, het is nooit te vermijden dat je fouten maakt. De werkelijkheid is onvoorspelbaar en dus kun je altijd voor situaties komen te staan waarmee je om te beginnen geen raad weet. Zodra je dat wel weet herstel je je fouten zo goed mogelijk, om vervolgens weer nieuwe te gaan maken. Je zult nooit alles begrijpen, ondanks het feit dat de werkelijkheid wel degelijk te begrijpen is en in genen dele als een 'ondoorgrondelijk mysterie' beschouwd moet worden.

Als voor jou de werkelijkheid niets anders is dan de voorstelling en er geen ruimte is voor de twijfel, dan zijn al die zaken die afwijken van die voorstelling bij voorbaat zaken die fout zijn en die bijgevolg bestreden moeten worden. Nimmer komt de vraag in je op waarom die afwijkingen er zijn, laat staan dat je de mogelijkheid kunt overwegen of er voor die afwijkingen misschien wel iets te zeggen zou zijn. Er mag niets afwijken, de voorstelling mag niet verstoord worden. Tegen alles dat anders is moet 'opgetreden' worden.

Uiteraard is dat symptoom- bestrijding en dat is het gebruikelijke gedoe bij mensen met vaste voorstellingen.

67.

Het behoort onlosmakelijk bij diegenen die in het bezitten van macht hun levensvervulling zien. Politici bijvoorbeeld zijn per definitie symptoombestrijders. Geestelijken, rechters, artsen, hulpverleners en dergelijke zijn dat doorgaans ook. Niet voor niets meten zij zich een status aan en geven daaraan uitdrukking door zich op een bepaalde manier uit te dossen. Het hogere is hun eigenlijke werkelijkheid. Zoals gezegd: al deze dingen zijn een gevolg van de mening dat de geest 'iets' zou zijn dat op de mensen inwerkt en als zodanig maatgevend zou moeten zijn. En ze leiden in feite alleen maar tot dwingelandij, zowel over jezelf als over anderen. Die dwingelandij over anderen wordt zo af en toe nog wel herkend, maar over het algemeen bemerken de mensen niet zo vlug dat de meest fnuikende dwingelandij die over jezelf is. Deze laatste veroorzaakt een slopende onvrede en een voortdurend diskwalificeren van jezelf.

 

Eigenlijk komt dit alles er op neer dat je zou moeten proberen 'gewoon te doen', je gevoelens te laten gelden en niets van jezelf boven zichzelf uit te tillen met de bedoeling het aan de een of andere geestelijke norm te laten voldoen. Er bestaat wezenlijk geen geestelijke norm. Het draait alles om het begrijpen van de werkelijkheid, als gevolg van het in twijfel trekken van de voorstelling. Dat begrijpen levert geen normen op maar een vanzelfsprekend doen wat je te doen en laten wat je te laten hebt. Als dat voor je geldt ben je nergens meer aan onderworpen.

Overigens komt het er vaker op neer dat je allerlei dingen laat dan dat je dingen doet. Dat komt doordat het proces van het zelfbewust worden een 'ontbindingsproces' is, d.w.z. een losmaken van datgene dat vast is. Dat houdt dus een achterwege laten van alle als norm gestelde gedragingen in. Die gedragingen immers worden vereist vanuit de voorstelling en dus vanuit de werkelijkheid zoals ze niet is: je moet een maatschappelijke positie veroveren, je dienstplicht vervullen, je aan de wet houden, je aan het gezag onderwerpen, enzovoort. Al die zaken ga je vanzelf laten... en van daar uit zie je dan wel of je, onder het geweld van de omstandigheden, voorgeeft er aan mee te doen. Wij leven nu eenmaal nog steeds in een onvolwassen wereld.

 


Het is niet mogelijk om zinvol na te denken over de filosofie als je niet eerst hebt uitgezocht welke verhoudingen voor de mens gelden. Je zult moeten weten wat geest is, wat zelfbewustzijn, wat materie, enzovoort. Bovendien moet je er achter komen waarom er in de praktijk van het menselijk leven van die verhoudingen zo weinig terechtkomt. Als je zo niet te werk gaat kun je zelfs geen goede definitie van de filosofie geven; je bemerkt dan desnoods wel dat er in een mens iets gaande kan zijn en daarvan kan je eventueel een inventarisatie maken, maar het blijft onduidelijk wat er nu eigenlijk aan de hand is. De psychologen bijvoorbeeld inventariseren datgene dat zij de 'psyche' noemen, maar zij weten zelfs niet bij benadering wat de psyche nu eigenlijk is. Zo zijn er filosofen die de filosofie beschouwen als een vorm van taalanalyse: zij ontleden uitspraken, oordelen en zinnen.

68.

Zij vinden dat zij zich met ‘analytische filosofie’ bezig houden. Ludwig Wittgenstein (1889-1951) behoorde ook tot die school.

 

Het is inderdaad een feit dat de filosoof zich bedient van de taal en dat hij er zich in moet oefenen zo duidelijk en zo ondubbelzinnig mogelijk te spreken en te schrijven. Die duidelijkheid en die ondubbelzinnigheid worden echter niet verkregen door taalanalyse, maar door het begrijpen van de werkelijkheid die je als filosoof beschrijft. Zonder dat begrip wordt het niets, al ben je nog zo vaardig in het analyseren van de taal. Volgens Martin Heidegger (1889 - 1976) is de Duitse taal het meest geschikt voor het filosoferen. De Franse taal zou er helemaal niet voor deugen; als een fransman filosofeert, zou hij dat eigenlijk in het Duits doen! Nu is voor Heidegger alles wat Duits is het betere, hij was niet voor niets een NAZI. Maar afgezien daarvan, hoe komt iemand er bij om de ene taal beter te vinden dan de andere? Het lijkt er op dat het feit dat de ene taal een genuanceerder begrippen arsenaal heeft dan de andere zo'n taal geschikter maakt voor de filosofie.

 

Maar in feite heeft het te maken met de filosofische opvattingen van bepaalde filosofen. De academische filosofen bijvoorbeeld gebruiken een academische taal omdat die een rijkere woordenschat zou hebben dan de 'volkstaal'. Heidegger bedacht zelfs nieuwe woorden en begrippen omdat zijn 'rijke' academische taal ook nog tekort schoot. Het gevolg was een ingewikkeld, onbegrijpelijk en stellig onbegrepen verhaal. Als de Duitse volkstaal werkelijk zo geschikt was voor het filosoferen was het gebruiken van een academische taal onnodig geweest, en zeker het bedenken van nieuwe woorden. Overigens: ook Immanuel Kant was zeer productief op het gebied van woorden bedenken!

 

De filosofie beschrijft de werkelijkheid en dus beschrijft zij in laatste instantie het leven. Dat is het leven van 'alledag' en omdat dit zo is moet de filosofie in de woorden van alledag uitgedrukt worden. Hoewel dan de woordenschat beperkt zou kunnen zijn is de zeggingskracht veel groter dan bij een bedachte vaktaal het geval is. De taal van 'alledag' kent alle menselijke verschijnselen en heeft er genuanceerde uitdrukkingen voor. Als je de werkelijkheid begrijpt blijkt die taal de best bruikbare te zijn en dan maakt het niet uit welke taal het is, Frans, Duits, Engels of wat dan ook.

 


Beschouw je de filosofie echter als een academische, wetenschappelijke aangelegenheid, dan is de taal van 'alledag' natuurlijk te min, zodat je je toevlucht moet nemen tot een min of meer gereglementeerde vaktaal. Die is eenduidiger en laat qua begrip minder ruimte toe. Maar in feite is zo'n taal veel te arm om er de filosofische rijkdom mee uit te drukken. Men verzuipt dan ook in de ingewikkelde, dood geanalyseerde uitdrukkingen die eigenlijk maar één ding duidelijk maken: men heeft er niets van begrepen!

We hebben gezien dat de geest op zichzelf niets is, dat je je daarnaar niet zou moeten richten en dat je niet kunt stellen dat die geest op de een of andere manier op jou inwerkt.

69.

Op grond daarvan kun je je afvragen of er dan eigenlijk wel een norm voor het leven is, of dat je naar believen aan kunt rommelen. De beruchte vraag komt hier naar voren: als god (in feite de geest) niet bestaat, is mij dan alles geoorloofd? Een vraag die Dostojewski herhaaldelijk gesteld heeft. Gebleken is dat steeds wanneer mensen de norm bij de geest leggen zij zichzelf en anderen tekort doen, juist omdat je je niet met de geest kunt vereenzelvigen. Zo gezien kun je met zekerheid zeggen: er is geen maat der dingen, alles is geoorloofd. Maar als je nu begrijpt dat de geest geen norm kent, is er dan wellicht op een andere manier een norm waaraan je je voor jezelf zou moeten houden? Uiteraard geen uitwendige norm, want die heeft betrekking op de voorstelling en is, behalve verbonden met de geest, ook nog van tijdelijke aard en plaatselijk bepaald. Het moet daarentegen gaan over een 'intrinsieke', een als het ware 'ingebouwde' norm, die domweg aan het verschijnsel mens meekomt zonder van je wil afhankelijk te zijn.

Het moet een norm zijn die niet hoger is, maar om zo te zeggen natuurlijk, voortgekomen uit de natuur zelf. Uit de praktijk van het leven kun je weten dat er, naarmate je 'wijzer' wordt, steeds meer dingen zijn waaraan je weigert mee te doen. Je stelt dus een norm, en je weet doorgaans ook nog waarom je die stelt: je vindt wel meedoen onbehoorlijk, je vindt het geen manier! Psychologisch gezien kun je volhouden dat je in dat 'nee-zeggen' geen keuze hebt; je kunt niet anders want zo ben je nu eenmaal. Maar eigenlijk heb je wel degelijk keuze. Je kunt namelijk gewoon besluiten om een bepaalde wandaad wel te doen en niets of niemand kan je daarvan weerhouden. Omdat een mens de uiterste grens van de werkelijkheid is kan hij zijn eigen natuurlijkheid ontkennen en tot elke wandaad besluiten. Bij een poes is dat niet het geval: hij heeft zijn geconditioneerde programma en dat moet hij afwerken. De mens heeft wel een keuze. Voor hem geldt tenslotte de absolute ontkenning, het helemaal aan niets gebonden zijn.

Uiteraard geldt dat omdat voor de mens in laatste instantie het begrip geest van kracht is. Voor zover die absolute ontkenning kan leiden tot het besluit een wandaad te verrichten leidt hij tot een verbreken van de werkelijkheid en dat is iets dat gezien vanuit de werkelijkheid en dus gezien vanuit je eigen natuurlijkheid niet kan. Je eigen natuurlijkheid is derhalve de norm voor het achterwege laten van wandaden, daden die in strijd zijn met de werkelijkheid en haar samenhang.

In een onvolwassen mensheid worden door de mensen bij voortduring besluiten genomen die met de werkelijkheid in strijd zijn. Dat komt doordat de vastgelegde voorstelling als norm gesteld wordt, in plaats van de natuurlijkheid, de werkelijkheid zelf. In een volwassen mensheid nemen de mensen zodanige besluiten dat het samenvallen met de werkelijkheid gehandhaafd blijft; zij laten de 'verbrekende' beslissingen achterwege. Er zijn oneindig veel van die verbrekende beslissingen mogelijk. De meest ingrijpende zijn de doodstraf, de oorlog, bijna alle economische en politieke beslissingen, enzovoort.

70.


De vraag of er voor de mens een norm is kan bijgevolg met 'ja' en 'nee' beantwoord worden. Gelooft men in een hogere, geestelijke, instantie, dan is er wezenlijk geen enkele norm - dit in tegenstelling tot datgene dat door godsdienstige mensen altijd beweerd wordt: juist zij zouden over normen beschikken. Ook de praktijk van duizenden jaren godsdienst wijst uit dat dit volstrekt niet het geval is. Kent men echter de werkelijkheid en zichzelf, dan is er de norm van het achterwege laten van wandaden, d.w.z. daden die de werkelijkheid en haar samenhang verbreken. En dat is geen hogere norm. Voor het kennen van die norm en het laten gelden ervan kom je weer terecht bij de werkelijkheid als beeld en de weg daar naar toe.

Spinoza wijst elke norm voor het deugen van een mens af, als die een beloning of een straf in het vooruitzicht stelt. Het is geen verdienste om ter wille van een beloning deugdzaam te zijn, want zo'n waardering van je gedrag komt op de een of andere manier uit de buitenwereld; er is een bepaalde instantie die de zaak beoordeelt en bijgevolg ben je aan die instantie onderworpen. Volgens Spinoza is dat onderworpen-zijn niet in overeenstemming met de vrijheid van een mens, oftewel het wezen van een mens. De norm, die Spinoza zoekt moet er een zijn binnen het natuurlijke systeem dat 'mens' heet. Het voldoen aan zo'n norm is volgens Spinoza in het belang van de mens zelf. Immanuel Kant daarentegen vindt dat de 'deugdzaamheid' juist slaat op een dergelijke onderwerping. Eigenlijk ben je niet van zins om een bepaald gedrag te doen of te laten, maar door de belofte of de dreiging van beloning of straf voeg je je gehoorzaam naar de gestelde, in feite uitwendige, normen. Je bent pas dan deugdzaam als je jezelf weet weg te cijferen ter wille van datgene dat als iets hogers over jou gesteld is. Het beroemde "Du sollst" is daarvan een logische consequentie en een andere consequentie is het beroep op verantwoordelijkheid, het verantwoording af (moeten) leggen aan iets of iemand buiten jezelf. Wel beschouwd is die Kantiaanse interpretatie van de deugd een politieke en dus een gangbare westerse, gebaseerd op een besef van 'hoger en lager'. Hij ligt in de lijn van datgene dat als modern westers denken tot ontwikkeling is gekomen en waarin begrippen als 'verantwoording verschuldigd zijn', ‘je aanpassen' en ‘je plicht doen' centraal staan. Vanuit dat besef roept men dan bij gelegenheid dat niets menselijks ons vreemd is, doelende op kleine ontsporingen die, hoewel ze eigenlijk niet met de gestelde norm overeenstemmen, toch wel te vergoelijken zouden zijn. Men excuseert het niet- voldoen aan de gestelde uitwendige norm, terwijl het er niet aan voldoen in feite juist positief beoordeeld zou moeten worden. Want je zou moeten begrijpen dat een excuus op zijn plaats zou zijn als er wel onvoorwaardelijk aan de uitwendige norm voldaan wordt!

 De enige norm die voor het menselijk leven te vinden is, is een natuurlijke norm die inhoudt, plechtig gezegd: "Gij zult de samenhang niet verbreken". Dat is een negatieve norm, d.w.z. hij is als ontkenning geformuleerd. Daarvoor is een logische verklaring te geven.

71.


Bij het nagaan van het wordingsproces kom je het begrip 'samenhang' tegen en je merkt daarbij op dat die samenhang een verhouding is van de oorspronkelijke werkelijkheid, namelijk van de beweeglijkheden zelf. Dat vind je in 'Beweging en verschijnsel deel 1, 2, en 3' uitvoerig uitgelegd. Omdat het over de beweeglijkheden zelf gaat en de bedoelde verhouding een niet-materiële is kun je vaststellen dat de samenhang in de werkelijkheid niet te maken is. Die samenhang ontstaat uitsluitend tijdens dat proces. Het is Ons dus niet mogelijk op welke manier dan ook samenhang tot stand te brengen. Wij kunnen bijvoorbeeld in de toekomst misschien wel een poes construeren, met alles er op en er aan, maar datgene dat een manifestatie van de samenhang is, namelijk het leven, is en blijft onmogelijk te realiseren. Zo is - en dat weet eigenlijk iedereen wel - de liefde tussen twee mensen met geen mogelijkheid teweeg te brengen. Aan de relatie is van alles te sleutelen, door gesprekken te voeren, afspraken te maken en elkaar inzicht te geven in de eigen persoonlijkheid. Maar aan de liefde, en dus de samenhang, is niets te doen. Die is er of die is er niet. Is de liefde er, dan kun je er een mooie inhoud aan geven, maar zo'n inhoud kan op zichzelf en vanuit zichzelf geen liefde tot gevolg hebben als die er om te beginnen niet was. Hetzelfde geldt voor de schoonheid van het kunstwerk en van de filosofie. De samenhang in de werkelijkheid is gegéven. Als het voor de mensen om het leven gaat en als dat een manifestatie van die gegeven samenhang is, dan kan het niet anders dan zo, dat de mensen die samenhang hebben te laten gelden. Maar omdat zij hem niet tot stand kunnen brengen blijft er als enige mogelijkheid over dat zij het verbréken ervan achterwege moeten laten. Dat moeten zij omdat dit verbreken wel tot de mogelijkheden behoort en wel precies op grond van het feit dat voor een mens ook nog het begrip 'geest' geldt. Dat is immers de materie die zichzelf als materie ontkent. De 'geest' kan dus ook de samenhang ontkennen, d.w.z. verbreken. En hierop slaat het innerlijke 'gebod'. "Gij zult de samenhang niet verbreken". Dat is derhalve een negatief gebod. Je hebt als mens iets te laten. Vanuit de superioriteit van de geest, zoals wij die in onze cultuur kennen, is het verbreken aan de orde van de dag. Als gevolg van de enorme vlucht die de wetenschap en de techniek genomen hebben verkeren wij bijvoorbeeld in de mening een betere wereld te kunnen en moeten opbouwen. Tegelijk echter worden wij steeds meer met het feit geconfronteerd dat desondanks die opbouw met een almaar grotere versnippering, misdadigheid, terreur, vervuiling en uitroeiing van het leven gepaard gaat. Logisch, want om een wereld te kunnen opbouwen moet je haar eerst uit elkaar halen en daarmee verbreek je de samenhang. Het uit elkaar halen, het analytisch denken, is niet mogelijk zonder het als de maat stellen en van de geest.

In feite loopt de materie in geest uit en verder niets. Dat gebeurt in de mens. Zou die mens het daarop houden, dan was alles in orde, maar doordat hij die geest als superieur en absoluut gaat stellen moet hij noodzakelijk gaan verbreken: in het denken door de analyse en in de praktijk door het willen construeren van een andere wereld en een andere mens. In de joodse en in de Christelijke godsdienst wordt de geest als een dynamisch, een actief beginsel gesteld.

72.     Boeddhisme ; (Zen)-boeddhisme(nrs.96, 97 en 98)

Een zaak die actief ingrijpt in de werkelijkheid om haar op een zogenaamd hoger plan te brengen. God is hier niet, zoals in het Boeddhisme, die verstilde “Nirwana werkelijkheid” die alleen maar rust is, neen, hij is hier een ingrijpend, een regerend beginsel. Niet voor niets is hij een 'verterend vuur'. Die visie houdt ook stand als de joodse en Christelijke godsdiensten als zodanig al lang afgedaan hebben. Dat komt natuurlijk doordat die visie bij het moderne denken behoort en er zelfs de essentie van is. De genoemde godsdiensten hebben niet, zoals veelal gemeend wordt, het moderne denken bepaald, maar door de aard van dat denken zijn die godsdiensten zo lang in stand gebleven.

 


Op het ogenblik is het zelfs zo dat het belijden van een godsdienst in de mode is. Het behoort tot de goede zeden en verhoogt iemands status! De Amerikanen nemen tegenwoordig geen afscheid van elkaar zonder de kreet 'God bless you...'. Hoewel die godsdiensten de pretentie hebben de mens en de werkelijkheid op een hoger plan te brengen en het moderne denken diezelfde pretentie heeft, moet je logischerwijze concluderen dat je in beide gevallen met een verbreken van de werkelijkheid te doen hebt. In beide gevallen voert de zaak naar de vervreemding van zichzelf bij de mensen en tenslotte naar de ondergang. En nogmaals: dat geschiedt juist doordat de mensen de geest als superieur laten gelden, terwijl hij in feite alleen maar beweeglijkheid is en op grond daarvan geen enkele samenhang kent. Zoals gezegd behoort de samenhang bij het wordingsproces en dus bij het verschijnsel en in laatste instantie bij de mens, bij jou!

 

In de oude Oosterse filosofie was het een alge meen aanvaarde gedachte dat al het menselijk handelen lijden tot gevolg had en dat het daarom van wijsheid getuigde als je ernaar streefde je van elke handeling te onthouden. Waarschijnlijk voelde men aan dat een als superieur en als actief gestelde geest onvermijdelijk vernietigend ten aanzien van de werkelijkheid zou uitwerken. Het handelen van de mensen zou de werkelijkheid 'pijn' doen en smart bezorgen, kortom doen lijden. En dat alles vanwege het verbreken van het samenhangende geheel. Weliswaar stelde men in het oude Oosten de geest ook als iets superieurs, maar men zag de geest niet als een actief maar juist als een passief beginsel. Het ging om de geest als 'het zijnde', dat onveranderlijk, in zichzelf rustend, eeuwig en volkomen helder was. Noodzakelijk volgde daaruit dat je als mens moest proberen zo passief mogelijk te zijn. De verhalen die over Boeddha verteld worden getuigen duidelijk van dit streven naar passiviteit: onder een boom zitten 'versterven'. Ook volgens onze gedachtegang, die uitkomt op de norm "Gij zult de samenhang niet verbreken", schijnt er voor een mens inderdaad weinig anders mogelijk dan passiviteit. De vraag is nu of dat wel waar is...

Ik heb er al op gewezen dat de geest en dus de werkelijkheid als niet-materie eigenlijk helemaal niets is en dat er bijgevolg ook geen activiteit van uit kan gaan. Activiteit behoort bij het verschijnsel, maar dat is als geest nu juist ontkend.

Boeddhisme ; (Zen)-boeddhisme(nrs.96, 97 en 98) ; vervreemding-1 ; vervreemding-2 ; vervreemding-3 en vervreemding-4 ;

73.

Op de een of andere manier hebben de mensen dit altijd aangevoeld, uiteraard omdat het nu eenmaal voor ze geldt, maar zij hebben er tot op de dag van vandaag nauwelijks iets van begrepen. Daardoor menen zij met een aparte, boven hen liggende werkelijkheid van doen te hebben en dan is het logisch en begrijpelijk dat zij aan die werkelijkheid macht toekennen, macht om van de mensen te eisen zich naar de normen van die werkelijkheid te gedragen. Een actief en ingrijpend beginsel dus. In de Ilias, toegeschreven aan Homerus, kun je lezen dat de god Apollo de "Treffer van verre" genoemd werd. De door hem afgeschoten pijlen troffen altijd doel en zij waren dodelijk. De oude Grieken hadden blijkbaar in de gaten hoe het met de geest, uitgedrukt in de zonnegod Apollo, zat. Dit “Apollinische beginsel” heeft de cultuurwereld vanaf de Griekse tijden beheerst. Vanuit dat beeld is de werkelijkheid in feite bij voorbaat al verbroken, gekoppeld met het pogen de zaak op een hoger plan te brengen. Maar als ik inzie dat het de materie is die zichzelf, aan haar uiterste grens, ontkent tot niet-materie, tot geest, dan kan ik de samenhang nooit verbreken.

 


De oplossing van het probleem van het al of niet verbreken en het al of niet handelen is gelegen in het begrip 'uitlopen in'. Het gaat immers over iets bestaands, over jou en mi j, en daarvoor geldt het uitlopen in geest. Ik begin dus bij mezelf en niet aan de andere kant, bij die geest. Voor mijn wereld geldt dat 'uitlopen in'. Dat kan niet betekenen dat ik naar een andere wereld toe moet, want die andere wereld zou dan een niet bestaande werkelijkheid zijn. Dan zou alles oplossen in het niets. Het kan slechts betekenen dat ik mijn wereld aan een kwaliteit ga laten voldoen. Het 'uitlopen in geest', is een kwaliteit. Als 'ik en mijn wereld' aan een kwaliteit moeten voldoen dan kan dit alleen maar betekenen dat de zaak moet overeenstemmen met de werkelijkheid en haar verhoudingen. Een door mij geproduceerde wasmachine bijvoorbeeld zal dus echt een wasmachine moeten zijn en niet, zoals tot nu toe gebruikelijk, een hulpmiddel om teveel geld te verdienen en daarmee mezelf juist niet in overeenstemming met de werkelijkheid te brengen. En mijn leven zal voor mij geen andere bedoeling hebben dan het leven zelf. Dat is mogelijk geworden omdat het uitlopen in geest de maatgevende vastheid van 'ik en mijn wereld' opheft en daardoor de weg naar het bewustzijn opent. Daarover hebben we al gesproken toen we het over, door de dingen heengaan' hadden. Maar, er komt nu nog iets bij en dat is het begrip 'ontwikkeling'.

 

Als de maatgevende vastheid van 'ik en mijn wereld' opgeheven is, dan staat de zaak open voor verdere ontwikkeling. Op grond daarvan kan ik de zaak steeds naar zijn laatste mogelijkheid laten gelden. Zo'n laatste mogelijkheid, zo'n uiterste, is er op elk moment en dat betekent dat 'ik en mijn wereld' steeds optimaal zijn. Ik zou kunnen spreken van een, progressieve gesteldheid en die gesteldheid staat in schril contrast tot de in een onvolwassen wereld gebruikelijke, die noodzakelijk steeds 'conservatief' is. Als het om kwaliteit gaat, gaat het op elk moment om het beste dat bedacht en gerealiseerd kan worden en is er voortdurend het besef dat alles beter kan.

74.

Hoewel men het, vooral in de politiek en de economie, doet voorkomen dat men er op het ogenblik ook zo over denkt, liggen de feiten zo dat 'het beste' en het 'beter kunnen' in het teken staan van een verbroken wereld: het gaat om datgene dat voor de politiek of de economie en dus uiteindelijk voor bepaalde individuen voordelig is. En de wasmachine is voor de producent de beste!

 


Zoals gezegd geldt voor, ik en mijn wereld', als die naar hun kwaliteit gelden, het voortdurende zicht op mijzelf als bewustzijn. Dat is niet alleen van betekenis als het over de filosofie gaat, maar ook met betrekking tot de praktische dingen. Om namelijk te kunnen beoordelen of ik met mijn gedoe, ook met mijn 'kwalitatieve' gedoe, niet toch de samenhangende werkelijkheid verbreek moet ik die samenhang kennen. Ik moet als het ware een 'toetssteen' ter beschikking hebben en die is gelegen in mijn zicht op de werkelijkheid als beeld en dus in mijn bewustzijn. Op het ogenblik is in onze cultuur het bewustzijn taboe en dat is goed te bemerken aan de technische ontwikkelingen. Geen enkel technisch proces wordt namelijk afgedacht: zodra men bijvoorbeeld een nieuwe grondstof kan maken gaat men daartoe over zonder de consequenties voor de gezondheid en het milieu op de juiste wijze in te calculeren. Het afval donder je maar ergens neer, als het even kan in de derde wereld en de risico's voor de gezondheid wuif je weg met een prachtig verhaal over 'veiligheidsmarges' en dergelijke. Maar het zijn juist de consequenties die essentieel zijn voor het al of niet verbreken van de samenhang. En nu is het je bewustzijn dat je hierop attent maakt en je er zogezegd toe aanspoort om het technische proces wel af te denken. Veel milieu- activisten menen dat bepaalde producten niet gemaakt zouden mogen worden. Die mening is onhoudbaar omdat het tot het wezen van de mens behoort de planeet tot 'zijn planeet' te maken. Daarentegen is die mening houdbaar voor zover het gaat over niet afgedachte technologieën. Die verbreken de samenhang. Het is dan ook geen wonder dat er een onlosmakelijke verbinding is tussen winst maken en moderne technologie. Ook het winst maken staat in het teken van het verbreken. En op grond daarvan moet je stellen: niet die producten op zichzelf zijn een gevaar voor onze planeet, maar de mensen die hun bewustzijn wegdrukken en opsluiten ter wille van snelle winsten ten koste van de andere mensen en het leven op aarde.

 

Het inhoudelijke gegeven van mijn betoog over de geest is de materie die uitloopt in, of zich gelden laat als niet-materie. Daarbij gaat het vooral om het zien van de richting: die is niet van geest (niet-materie) naar materie, maar precies andersom. Deze gedachte is op zichzelf niet zo moeilijk, maar de consequenties voor ons denken zijn wel groot. Daarom is het goed de strekking van het verhaal nog eens duidelijk te stellen: je moet in de creatieve filosofie steeds het verschijnsel, jezelf, als uitgangspunt laten gelden en van daaruit 'naar de geest toe' denken, zo je wilt van beneden naar boven. Dat is essentieel verschillend van het gebruikelijke denken.

75.         existentialisme-1 ; existentialisme-2 ; China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ;

Tot op de dag van vandaag wordt er, al of niet binnen een godsdienstige context, precies andersom gedacht, namelijk van boven naar beneden. En dat is ook het geval in de gangbare filosofie, vandaar dat, zoals ik al eerder gezegd heb, ’jij en ik' in die filosofie niet werkelijk voorkomen. Wij komen er in voor enerzijds als misbaksels die voortdurend tekort schieten en anderzijds als potentiële heiligen die in principe gode gelijk zijn. Het samengaan van die twee waarderingen levert de voorstelling op die nog steeds over de mens gekoesterd wordt. Het gevolg daarvan is dat de mensen zich almaar de les laten lezen, zich almaar gewillig laten regeren, zowel op een 'verlichte' wijze als op een despotische, zowel vanuit schitterende idealen zoals het socialisme als vanuit tirannieke ideologieën, behorend bij theocratieën (Israël, Iran) en totalitaire staten (Sovjet-Unie, Roemenië, China en dergelijke). En voor zover de mensen zich niet laten regeren, omdat regeren in wezen tegennatuurlijk is, krijgen zij de schuld van het telkens weer mislukken van allerlei maatschappelijke ondernemingen. Men gaat tegenwoordig zelfs zover dat men poogt de natuur en de mens via genetische manipulatie te verbeteren, iets wat onmiskenbaar duidt op de mening dat beide hopeloos tekort schieten. Een en ander is er de reden van dat ik er met nadruk op wijs dat het zo langzamerhand tijd wordt dat de dames en heren filosofen die gigantische misvatting, die taaie illusie, eens gaan doorzien en er, ook ten aanzien van de huidige chaotische maatschappij, hun consequenties uit trekken. Zo'n consequentie zou “existentialisme” kunnen zijn ware het niet dat ook die stroming besmet is vanwege het niet herkennen van genoemde 'taaie illusie' door de tegenwoordige existentialisten. Dat niet herkennen is van cruciaal belang; het verklaart de bijna onbegrijpelijke tegenstelling tussen het enorme intellectuele vermogen, dat wij tegenwoordig ontwikkeld hebben, en de dramatische mislukking van het leven van de mensen op aarde. Die mislukking zou zich onmiddellijk ten goede keren als de mensen de zaak herkenden en ten gevolge daarvan vanuit het verschijnsel, de existentie, gingen denken en handelen. Zoiets is evenwel maar een wensdroom: de mensen gaan een geheel andere weg...


De menselijke werkelijkheid kan alleen maar dan tot een kwalitatieve werkelijkheid worden als er vanuit 'ik en mijn wereld' gedacht wordt. Vanuit dit uitgangspunt komt de enig geldende 'norm' voor de dag, namelijk dat je de werkelijkheid niet hebt te verbreken. Voor zover je je daaraan houdt laat je onmiddellijk 'ik en mijn werkelijkheid' als een kwaliteit gelden. Daarbij kan letterlijk alles tot zijn recht komen in een wereld die door de mensen geschapen is. Uiteindelijk is namelijk de wereld een wereld van mensen die geheel anders is dan de oorspronkelijke, zogenaamd 'natuurlijke', wereld. Alles komt in het teken te staan van het 'slotakkoord', van de laatste mogelijkheid. Bijgevolg gaat het dan steeds over uitersten. Het laten gelden en het beschermen daarvan is de essentie van een kwalitatieve wereld.

existentialisme-1 ; existentialisme-2 ; China-1 ; China-2 ; China-3 ; China-4 ; China-5 ;

76.

De al eerder genoemde filosoof Jan Borger sprak in zijn 'Grote Verhandeling' (geschreven tijdens de tweede wereldoorlog) van een tweetal met elkaar samenhangende processen, namelijk enerzijds de 'vernatuurlijking van de mens' en anderzijds de 'vermenselijking van de natuur'. Vooral op dit laatste is ons begrip 'kwaliteit' van toepassing. Je zou kunnen denken aan onze wereld als één groot park, waarin het streven van de mens niet meer die van het zogenaamde 'verbeteren' is, maar die van het verzorgen en beschermen. Daarbij let je op of er geen processen uit de hand lopen en je kunt dat doen omdat je inmiddels, paradoxaal genoeg juist doormiddel van de verbrékende analyse, aan de weet bent gekomen welke wetten voor al die gebieden van kracht zijn. Zonder die wetenschap is het onmogelijk verzorgend en beschermend op te treden, onmogelijk om de natuur weer een kans te geven zich te herstellen. Die 'herstelde' planeet verraadt uiteraard de 'hand van de mens' en zelfs zou je kunnen zeggen dat de zaak 'vergeestelijkt' is, maar die 'verheffing' is niet gericht op verbetering ten dienste van de erboven verheven mens, maar op het zo goed mogelijk tot zijn recht komen, op het zichzelf zijn van de natuur en alle andere dingen, inclusief de mens.

 

Steeds meer mensen raken er op de een of andere manier van overtuigd dat het om verzorgen en beschermen gaat. De actievoerders van bijvoorbeeld Greenpeace vechten voor het behoud van de walvis en daaraan wordt duidelijk wat ik met kwaliteit bedoel: je kunt geen nieuwe en betere walvis maken, maar je kunt hem wel gemakkelijk uitroeien en dus moet je hem beschermen. Je moet de wereld zo inrichten dat de walvis, samen met al het andere, kan leven. Dergelijke doorbrekende overtuigingen wijzen er op dat er in de mensheid, ondergronds en in strijd met de dominante verbrekende cultuur, een andere ontwikkeling op gang gaat komen. Een ontwikkeling die inderdaad vanuit 'ik en mijn wereld' gevoed wordt. De vredesbeweging en, naar een bepaald aspect, ook de vrouwenbeweging zijn eveneens uitingen van diezelfde andere ontwikkeling. Steeds, in het ene geval wat duidelijker dan in het andere geval, speelt het motief van de bevrijding een rol. Voor ons is nu gemakkelijk te begrijpen waarom dat zo is: de essentie van de slavernij, de ondergeschiktheid, is het vanuit de geest gedachte normenstelsel en het daaruit voortvloeiende "Du sollst", dat de mensen almaar voorhoudt dat zij iets zouden moeten. Dat geldt niet alleen letterlijk voor 'de natuur', maar voor alle verschijnselen, zowel op de planeet als, voor zover bereikbaar, in de kosmos. Al in de oudheid daarentegen sprak Jesaja over een nieuwe wereld waarin 'de leeuw naast het lam zal verkeren' en waarin 'elke laars die dreunend stampt' vergaan zal zijn. En ook is het al een oud besef in de mensen dat wij 'wereldbouwers' zijn. Bekijk je nu de gang van de mensheid en vooral ook de moderne tijd' dan zie je die 'wereldbouwer' bezig, alleen: hij doet dat niet 'naar de geest toe', maar vanuit de geest en daardoor steeds op een verbrekende wijze. Vanuit de hoogte is het verschijnsel er ten dienste van dat hogere.

Ook de mens is er dan ter wille van iets anders, iets hogers. Daarmee is de werkelijkheid verbroken, met als gevolg dat niets en niemand tot hun recht kunnen komen.

77.


De hele gedachtegang over de 'kwaliteit' komt dus wezenlijk hierop neer dat je aan de enig mogelijke norm van "Gij zult de samenhang van de werkelijkheid niet verbreken" als praktische norm toevoegt: "Gij zult de werkelijkheid verzorgen en beschermen", d.w.z. "Bewaak de werkelijkheid opdat ze niet ten gronde ga!". Als je vanuit de verkeerde optiek denkt gaat ze echter wel degelijk ten gronde.

 

Ook aan het probleem met de seksualiteit is goed te zien wat de resultaten zijn van het denken vanuit de geest. De seksualiteit verschijnt voor de mensen als iets lichamelijks, dat als zodanig ook op een hoger plan gebracht moet worden. Dat hogere plan betekent voor godsdienstige mensen dat er een doel en een voorwaarde aan de seksualiteit verbonden wordt: zij dient voor de voortplanting en die heeft plaats te vinden in het huwelijk. Zonder de hogere rechtvaardiging van het huwelijk is de seksualiteit 'zondig' en 'slecht'. Maar ook volgens niet godsdienstige mensen, zoals Sigmund Freud (1856 - 1939) moest er met de seksualiteit iets gebeuren. Er moest namelijk een sublimatie tot stand komen, in feite dus een verheffing naar een hoger plan en daarbij is het zeer tekenend dat die verheffing gericht moest zijn op geestelijke zaken. In de praktijk van de westerse cultuur zie je dat enerzijds de seksualiteit stelselmatig doodgezwegen wordt, verdrongen naar het duister van het huwelijk en de nacht, en dat anderzijds vrijwel iedereen het er voortdurend in het geniep over heeft. Bovendien wordt er aan de erotische praktijk een overdreven kwantitatieve waarde gehecht. Het seksuele genoegen wordt niet uitgedrukt in termen van liefelijkheid, maar in termen van prestatie. Verdringing en kwantitatieve overwaardering zijn duidelijke gevolgen van de suprematie van de geest. Door die suprematie kan er qua seksualiteit niets tot zijn recht komen; alles wordt steeds maar weer aan iets anders afgemeten. De norm voor de betekenis ervan ligt buiten het terrein van de seksualiteit zelf.

 

Als ik spreek over het 'denken vanuit de geest' is de verleiding groot om dat denken uitsluitend toe te schrijven aan diegenen, die op de een of andere manier machthebbers zijn. Inderdaad zijn die figuren duidelijke representanten van dat denken omdat zij op een directe wijze naar dat denken handelen. Maar het kan ook op een indirecte wijze: je kunt namelijk de suprematie van de geest in een gedachtegang opnemen die, ogenschijnlijk heel reëel, uitgaat van het materiële, de bestaande dingen en mensen. Je denkt dan van beneden naar boven en dat lijkt overeen te stemmen met de geldende verhouding in de werkelijkheid: materie - materie als niet-materie - niet-materie. Maar, die overeenstemming lijkt er wel te zijn, maar is er in feite niet, omdat het er toch weer om gaat de zaak op een hoger plan te brengen. Vanuit dat hogere plan ontstaat er een norm stelsel en dat is nu juist waarom alles draait. Vanuit de directe opvatting tellen de materiële dingen, inclusief de mensen, niet mee. Zij zijn rechtstreeks aan de hogere normen onderworpen, kunnen daaraan echter niet voldoen en moeten dus gedwongen worden om er wel aan te beantwoorden. Naast een onoplosbaar schuldbesef zie je dat er voortdurend een rechtstreekse, directe, macht uitgeoefend wordt.

78.


Je zou kunnen zeggen: de geest trekt de mensen omhoog. Dat is de situatie waarin godsdienstige mensen verkeren, maar ook machthebbers, die niet voor niets bijna altijd een beroep op de godsdienst doen om hun macht te legitimeren. Doen ze soms geen beroep op de godsdienst, bijvoorbeeld in de Sovjet-Unie, dan hebben zij wel een ander, daarop gelijkend, hoger principe bij de hand. Vanuit de indirecte opvatting tellen de mensen wel mee. Alles draait er zelfs om. Maar zij tellen mee als datgene dat toch op een hoger plan moet komen, dat op zichzelf niet goed is, maar dat wel de mogelijkheid heeft om via een bepaalde ontwikkeling, opvoeding en scholing, goed te worden. Hier duwt de mens zichzelf op naar het niveau van de geest. Ook in dit geval is er van macht te spreken, maar dat is overwegend een macht die de mensen, doorgaans zonder dat zij er erg in hebben, in de eerste plaats over zichzelf uitoefenen en pas in de tweede plaats over de anderen. Deze situatie geldt vooral voor idealistische mensen: de vroegere socialisten

("Op naar het licht...") en tegenwoordig al die humanisten die de mensen tot 'redelijkheid' willen opvoeden. Dat is inderdaad idealisme, want een ideaal is de voorstelling van een concrete werkelijkheid, die naar boven geprojecteerd wordt... daar moet het naar toe! De truc zit steeds in dat hogere. Wanneer je werkelijk niet meer vanuit de geest denkt, maar echt overeenkomstig de werkelijkheid, dan vervalt alles wat normatief is: de eis dus om anders en beter te zijn dan je bent. Dat is heel wat anders dan Onze norm om de samenhang niet te verbreken: daarbij gaat het om het handhaven van de echte werkelijkheid, of, anders gezegd, het zichzelf laten zijn van de werkelijkheid, inclusief jezelf. En dat zonder je bij voorbaat af te vragen wat er dan voor de dag komt. Zo'n vraag houdt namelijk bij voorbaat al een oordeel in en dus een toetsing aan hogere normen. Zoals gezegd is het zichzelf-zijn van 'ik en mijn werkelijkheid' een kwestie, niet van iets doen, maar van iets laten. Om 'ik en mijn werkelijkheid' tot zijn recht te kunnen laten komen, moet de hele zaak aan zijn uiterste grens zitten en dus niet door welke normen dan ook belemmerd worden. Er kan geen sprake zijn van zelfverheffing, noch van onderwerping vanuit de vermeende suprematie van de geest.

 

Al eerder heb ik er op gewezen dat het bij het denken vanuit de geest behoort dat de voorstelling als de maat genomen wordt, in die zin dat de werkelijkheid is zoals de voorstelling die te zien geeft. Deze functioneert dan ook als een 'kaart', een 'blauwdruk' en hij bepaalt wat er in het zelfbewustzijn en het denken toegelaten wordt en wat niet. Als een filter houdt die 'kaart' alles tegen wat er niet mee in overeenstemming is. Nu kun je zeggen dat die mensen die bevangen zijn in de suprematie van de geest toch ook mensen zijn, zodat de toetssteen van het bewustzijn zich ook in hen zal laten gelden. Zij 'zien' toch ook de werkelijkheid als beeld? Natuurlijk is dat het geval, maar waarom het gaat is de vraag wat zij ermee doen, hoe zij het zelf ervaren en ermee omgaan. En dan blijkt dat zij ermee omgaan vanuit de geest en dus vanuit de voorstelling.

Opvoeding/Opvoeden-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ;  

79.


Het beeld 'straalt wel door', maar wat er daarbij voor de dag komt wordt of afgewezen, of aangepast aan de voorstelling. Sommigen raken er zelfs door in de war als het wegdringen of aanpassen niet gelukt. In ieder geval vertrouwt men het niet. Het contact met het bewustzijn, het beeld, is steeds bedreigend. Dat wegdrukken gebeurt niet expres, het gebeurt automatisch vanwege de inprentingen die plaatsgevonden hebben tijdens opvoeding en onderwijs. Die bepalen de voorstelling. Bij allerlei gelegenheden worden de mensen aangeraakt door het bewustzijn, bijvoorbeeld 's zondags in de kerk of bij een sterfgeval. Dan gaat hun geweten spreken en nemen zij zich voor de dingen anders te gaan doen. Maar hier valt niets 'voor te nemen’ omdat het over ingeprente vaste voorstellingen gaat. Het enige dat daarop vat heeft is de twijfel, zoals we al gezien hebben. Dat twijfelen is echter helemaal niet de bedoeling want de voorstelling, de eigen werkelijkheid, moet intact blijven. Zo geraken de mensen in een vicieuze cirkel en zo zijn zij de gevangene van een zichzelf in stand houdende voorstelling, een nauwelijks te doorbreken waan.

 

Het is een feit dat iedereen voortdurend een zin geeft aan zijn bestaan en bij allerlei gelegenheden voor zichzelf een doel stelt. Dat is logisch want de mensen weten dat er een toekomst is, dat het leven zich steeds voortzet voorbij het moment 'nu’. Maar, het zin geven en doelen stellen betekent niet dat er een zin is of dat je leven een doel heeft. Er kan dus, enerzijds niet geëist worden dat je jezelf ondergeschikt maakt aan een zin en een doel - omdat die er hele maal niet zijn - en anderzijds is het dwaas om de mensen voor te houden dat zij aan hun bestaan zin moeten geven en een doel moeten stellen omdat zij dit vanzelf al doen, op grond van het weten dat er een toekomst is. Het zin geven en doel stellen met het oog op de toekomst, nabij of veraf, is eigenlijk een betrekkelijke zaak, die voortkomt uit en gegrond is op de situatie waarin je je op het moment 'nu' bevindt. Dat is echter heel iets anders dan het geven van een zin en het stellen van een doel voor je leven als zodanig, want dan ben je bezig je aan iets absoluuts te onderwerpen. In feite gaat het dan voor jou om de suprematie van de geest en dat is het geval bij verreweg het merendeel van de mensen, uiteraard voor zover zij alsnog Onvolwassen zijn. Ook als de zingeving en doel stelling betrekking hebben op prachtige idealen en voorstellingen van een gezellige mensheid is er sprake van onderwerping aan de geest, d.w.z. de werkelijkheid als niet-materie.

 

De suprematie van de geest loopt noodzakelijk uit in de een of andere vorm van 'moeten'. Altijd moet je iets. Het merkwaardige daarbij is dat dit 'moeten' in veel gevallen betrekking heeft op zaken die eigenlijk vanzelfsprekend zijn, maar die door het feit dat ze gesteld worden als zouden ze moeten, geheel en al vervormd worden.

Opvoeding/Opvoeden-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ;  

80.

Bijvoorbeeld: als je gaat eisen dat een mens voorzien moet zijn van twee armen, omdat de theorie op grond van wetenschappelijk onderzoek zegt dat gebleken is dat mensen twee armen hebben, dan ben je bezig met een gevaarlijke Omkering van de werkelijke situatie en dat doe je vanuit de suprematie van de geest. Anders gezegd: het eisen van iets dat wezenlijk vanzelfsprekend is, is onwaarachtig en gevaarlijk. Zo is er ook het voorbeeld van Hegel en het dialectische denken. Deze filosoof ontdekte dat het denken volgens bepaalde processen verloopt, en hij noemde die dialectisch. Zijn navolgers, zoals o.a. Karl Marx, begrepen hier niets van en stelden dat het denken, wilde het waarachtig zijn, dialectisch moest verlopen. Door het stellen van deze eis maakten zij, vanuit de geestelijke superioriteit, van het denken een systeem en ontdeden het van zijn beweeglijke en levende karakter.

 

De gevolgen bleven niet uit: dat dialectische denken heeft zich intussen alleen maar belachelijk gemaakt door zijn volslagen onbruikbaarheid! In de moderne intellectuele wereld wemelt het van de vanzelfsprekendheden die, als gevolg van wetenschappelijke theorievorming, tot vereisten en voorschriften verworden zijn. Het gevolg is een volledig scheve kijk op de realiteit en een zingeving en doelstelling die ten enenmale onhoudbaar zijn. Het anarchisme volgens de theorie is onmogelijk, het socialisme dito. In het algemeen is de voorstelling van een toekomstige maatschappelijke organisatie, al of niet op wereldschaal, een onrealistische en dus onhoudbare aangelegenheid.

 


En nogmaals: de oorzaak van dit euvel ligt bij de suprematie van de geest. Hoe paradoxaal het ook klinken moge, toch is het een feit dat het gehele getob van de mensheid niet voortkomt uit vermeende wezenlijke (niet incidentele) tekortkomingen van de mensen, zoals jalousie, machtswil, vijandigheid en dergelijke, maar uit zelfverheffing op grond van een als de maat gestelde geest. De ellende van de mensen komt niet voort uit hun zogenaamde 'natuurlijkheid', maar juist uit hun onnatuurlijkheid ten gevolge van die maatgevende geest. Vanuit die geest, en niet vanuit de 'natuur' is de ene mens de vijand van de andere, de verdringende concurrent.

Voor de mens, als laatste verschijnsel dat in een wordingsproces opkomt, geldt de drieslag 'materie', 'materie als niet-materie' en 'niet-materie'. Van deze drie factoren kan en mag er niet een als de belangrijkste beschouwd worden. Een mens is alle drie tegelijk.

 

Het praktisch laten gelden van deze drieslag lijkt, omdat wij toch kinderen van onze cultuur zijn, een moeilijke opgave, maar ook dat lijkt alleen maar zo door onze kijk op onszelf als geest. In feite is het allemaal heel gemakkelijk, want wij zijn nu eenmaal die zaak, die is voor ons wezenlijk vanzelfsprekend. In de drie factoren van de drieslag zit een volgorde die voorgeschreven wordt door het wordingsproces zelf. Op haar uiterste grens is het de materie die zich als die drieslag gaat laten gelden. Dat wil niet zeggen dat die filosofen gelijk hebben die een 'materialistisch' standpunt innemen, want die ontkennen dat de werkelijkheid oorspronkelijk helemaal nog geen 'materie' is, een oneindigheid van beweeglijkheden.

81.

Voorstelling van de werkelijkheid - A- ; B- ; C- ; D- ; E- ; F- ; G- ; H- ;  I- ;

Zij zien dan ook niet in dat het denken, de geest, geen werking van de materie is, maar juist een ontkenning van de materie, in de zin van zich gedragen als géén materie. De volgorde gaat van materie naar niet-materie en niet andersom. In ons, mensen, laat zich dus ook die volgorde gelden. De materie 'verheldert' zich en dat doet zij voor zover zij tenslotte 'mens' geworden is.

 


In de filosofie richt je je op de werkelijkheid als beeld. Om dat te kunnen moeten de vastgelegde (cultuur)voorstellingen opgeheven worden, in die zin dat zij beweeglijk worden zodat je 'er doorheen kunt gaan'. Dat levert, zoals al eerder uiteengezet, steeds nieuwe incidentele voorstellingen op: momentopnamen van de werkelijkheid. Om te begrijpen hoe dat opheffen van voorstellingen in zijn werk gaat is het noodzakelijk de aanwezigheid en het zich laten gelden van de drieslag 'materie' - 'materie als niet-materie' - 'niet-materie' boven tafel te krijgen. Voor zover dat gelukt moeten wij wel bedenken dat we het, alweer, niet over een ideaaltoestand of een moeilijk te verwezenlijken doel hebben, maar over gewoon de feitelijke situatie van de werkelijkheid als mens. Hier valt dus niets te bestreven want alles is er reeds, maar er is wel een belemmering. Het is het vastleggen vanuit de superieure geest dat als een barrière functioneert, maar die barrière wordt voortdurend aangetast door de menselijke werkelijkheid zelf die immers het niet-materie zijn inhoudt. Dit aantasten echter wordt bijna altijd opgevolgd door een herstellen van de vastgelegde voorstelling: de twijfel, zijnde de ervaring van dat aantasten, moet zo vlug mogelijk uitgebannen worden. Maar voor de filosoof is die twijfel de motor voor zijn onderzoek naar de wezenlijke werkelijkheid. In principe zijn de filosoof alle vooroordelen vreemd omdat hij bij elke nieuwe situatie de voorstelling opheft, beweeglijk laat worden, en geheel Onbevangen het nieuwe en onbekende tegemoet treedt. Vooroordelen zijn het onmiddellijke gevolg van het vasthouden aan vastgelegde voorstellingen, die uiteraard ontstaan zijn in een voorgaande situatie, in het verleden dus. Vooroordelen gaan samen met conservatisme. Daarom is het goed om in de praktijk niet onverschillig tegenover de twijfel, en in laatste instantie het filosofische denken, te staan. Dat is echter een raad die vrijwel altijd aan dovemansoren gezegd is.

Als je filosofeert maak je je eigen voorstelling beweeglijk zodat de werkelijkheid als 'beeld' in jezelf zichtbaar, ervaarbaar wordt. Daarop ga je je dan richten. Dit betekent evenwel niet dat je dat beeld op zichzelf kunt gaan onderzoeken, want er vallen geen onderscheidingen te maken. Deze samenhangende zaak leent zich niet voor analyse. Het betekent wel dat je het beeld nodig hebt om een telkens nieuwe, zo waarachtig mogelijke voorstelling van de werkelijkheid te geven. Voor het filosoferen is essentieel dat het om een 'telkens nieuwe' voorstelling gaat. Het is een filosofische ramp als je je voorstelling van een bepaald moment vast wilt leggen en vasthouden.

 Voorstelling van de werkelijkheid - A- ; B- ; C- ; D- ; E- ; F- ; G- ; H- ;  I- ;

82.

Het hebben van voorstellingen is een natuurlijk menselijk verschijnsel, maar het vast willen houden aan een eenmaal gevormde voorstelling is een kwalijke behoefte van Onvolwassen mensen. Voor een volwassen mens staats niets bij voorbaat vast, zelfs niet het opgaan van de zon, morgen of volgende week. Voor de filosoof zijn het de aanleg en de oefening die het voor hem tot een tweede natuur maken elk a-priori', elke bij voorbaat vaststaande waarheid, te wantrouwen en te vermijden.

Alle filosofen, vooral de nog niet eenzijdig analytische, hebben er op gewezen dat, onbevangenheid een voorwaarde voor filosoferen is en in sommige oude religies, bijvoorbeeld het oerchristendom, raadde men de mensen aan 'als een kind' te worden. Men prees de 'eenvoudigen van geest' en doelde daarbij niet op de bewust, ten dienste van allerlei belangen, dom en onnozel gehouden massa, maar op de onbevangenheid, d.w.z. het in het teken staan van het niet- vastgelegde, niet-dogmatische, niet algemeen aanvaarde. Als je voorstelling beweeglijk is geworden zie je de werkelijkheid zo dat het 'beeld' op de achtergrond is en van daaruit onbelemmerd kan 'doorstralen'. De filterende werking van de vastgelegde voorstelling is dan opgeheven en dan kan alles zich voegen naar het beeld, dat op de achtergrond als een soort van basisprincipe aanwezig is en zich kan laten gelden. De filosoof Hegel schijnt gezegd te hebben: "als ik mijn ogen sluit zie ik de gehele werkelijkheid". Waarschijnlijk doelde hij op het zien van de werkelijkheid op basis van het beeld.

Het behandelen van de drieslag 'materie', 'materie als niet-materie' en 'niet-materie' had als doel te laten zien dat het in de structuur van de mens zit om door de vastgelegde voorstelling heen te gaan en dus dat dit een gegeven menselijke mogelijkheid is. Bijna alle mensen die omtrent de mensheid verwachtingen koesteren, een voorstelling hebben van een ideaal-wereld, gaan er van uit dat de mensen uiteraard de anderen - iets aan zichzelf moeten toevoegen om aan 'het goede' te gaan beantwoorden. Een soort ingreep van buitenaf op grond van het een of andere bedenksel. Men vindt dat de mensen een keuze zouden moeten maken. Maar er valt niets te kiezen, de drieslag geldt voor ons en is altijd werkzaam. Alles wat nodig is is aanwezig. Zou dat er niet zijn, dan waren de kunst, de filosofie en tot op zekere hoogte ook de religies onmogelijk. De mensen zouden die fenomenen nooit vertoond hebben.


We hebben er al uitvoerig over gesproken dat de werkelijkheid als beeld, als bewustzijn, voortkomt uit de materie, voor zover die, levend geworden, in zichzelf een bepaalde trilling bevat. Het aanwezig zijn van concrete trillingen is dan het 'levend-zijn' en het geheel van dat trillen is het beeld, het bewustzijn. We hebben dus te doen met een zaak die zich in de materie afspeelt en die geen reden geeft er hoogdravend over te doen, zelfs niet omdat het onze enige waarachtige toetsings mogelijkheid is. Anderzijds is het wantrouwen van de moderne, intellectueel ingestelde mensen ten aanzien van het bewustzijn geheel ten onrechte, althans voor zover het over de werkelijke betekenis ervan gaat.

83.

Voorstelling van de werkelijkheid - A- ; B- ; C- ; D- ; E- ; F- ; G- ; H- ;  I- ;

 

Gaat het daarentegen over datgene dat men tegenwoordig van het bewustzijn maakt als men meent er iets van te begrijpen, dan heeft men gelijk er geen vertrouwen in te hebben. In de genoemde drieslag behoort het bewustzijn dus thuis bij de factor 'materie'.

Het zelfbewustzijn daarentegen behoort bij de factor 'materie als niet-materie'. Die factor kan zich laten gelden omdat de werkelijkheid in laatste instantie als 'niet-materie' te beschouwen is. Zou dat niet het geval zijn, dan zou het zelfbewustzijn helemaal niet aanwezig zijn, zoals bij de planten en dieren wereld het geval is. Maar, de werkelijkheid gaat niet echt over in 'niet-materie', omdat dan logischerwijs letterlijk alles in het verdwijnen van het bestaande zou uitlopen. De factor 'niet-materie' (geest) werkt slechts als factor mee, niet als reëel bestaande werkelijkheid. En zo maakt hij het zelfbewustzijn mogelijk. Dat is het laatste waartoe de wording, praktisch gesproken, komt en dat vertoont zich als mens.

 

Als het er nu om gaat, bij de kunst van het filosoferen, om telkens een nieuwe gestalte te geven aan de werkelijkheid als beeld, welke gegevens heb ik dan nodig? Want ik ga een nieuwe voorstelling van de werkelijkheid geven. Maar daarvoor heb ik feitenkennis nodig. Ik moet kennis hebben van een tafel, een stoel, maar ook van historische feiten en bepaalde actuele gebeurtenissen, enzovoort. Ik moet mijn concrete wereld kennen om met die kennis de nieuwe voorstelling, die nieuwe wereld, 'op te bouwen'. Mijn verhaal moet een concrete inhoud hebben. Maar de vraag is wanneer die inhoud waarheidsgetrouw is.

 

Als ik gedwongen ben af te gaan op de feiten die mij door de wetenschap verteld worden kan ik het filosoferen wel achterwege laten. De wetenschappelijke feiten immers zijn per definitie voorlopige waarheden, die terecht binnenkort herzien zullen worden. Daarop kan ik dus geen filosofie gronden, althans niet voor zover het gaat om de vraag: "hoe zit het?". De filosofie is het enige denksysteem dat naar algemeen geldige waarheden vraagt, waarheden die steeds waar blijven. De wetenschappelijke feitenkennis valt dus af voor de filosoof als grondslag voor zijn filosofie. Met mijn onmiddellijke waarnemingen kom ik ook niet veel verder omdat die vaak bedrieglijk blijken te zijn, denk maar aan het voorbeeld van een stok die in het water staat en die geknakt lijkt te zijn, maar die het bij onderzoek niet is. Ik heb dus wel degelijk een wetenschappelijke benadering nodig om mijn onmiddellijke waarnemingen te toetsen.

Doe ik dat niet, dan maak ik voortdurend foute associaties. Maar anderzijds levert het wetenschappelijke onderzoek mij onvermijdelijk uit aan het tijdsgebonden complex van feitenkennis. Dan is er nog een probleem: bijna al mijn kennis komt voort uit overdracht. Ik dank die kennis aan mededelingen van anderen. Die mededelingen houd ik voor waar omdat ik vertrouwen stel in mijn zegslieden, niet omdat ik de waarheid ervan zelf kan controleren. Dat laatste is bijna nooit mogelijk, zeker niet als het over wat meer gedetailleerde kennis gaat.

 Voorstelling van de werkelijkheid - A- ; B- ; C- ; D- ; E- ; F- ; G- ; H- ;  I- ;

84.


Intussen ligt hier wel de vraag onder welke voorwaarden en omstandigheden ik bereid ben iemand op het stuk van zijn uitspraken te vertrouwen en ook moet ik mij afvragen aan welke van die uitspraken zelf ik dan vertrouwen schenk. Uiteindelijk moet ik de beschikking krijgen over kennis die voor mij absoluut zeker is en die ik dus op goede gronden kan vertrouwen.

Recapitulerende komt het kennisprobleem voor de filosofie hier op neer: 1e wetenschappelijke feitenkennis vervalt als grond voor de filosofie en wel door zijn tijdsgebonden, voorlopige karakter; 2e zelf waargenomen verschijnselen behoeven een (wetenschappelijke) toetsing om foutieve associaties te vermijden; 3e mijn kennis is steeds voor het merendeel door anderen aan mij overgedragen op grond van het vertrouwen dat ik in mijn zegslieden stel; 4e overgedragen feiten kan ik filosofisch niet als zéker beschouwen.

 

De wetenschap, zoals wij die tegenwoordig kennen, staat in het teken van het niet-weten. Ik bedoel daarmee niet dat men niets weet, maar dat het onbekende de inspiratiebron is voor alle wetenschappelijke activiteit. Dat betekent dat datgene dat men inmiddels wel aan de weet is gekomen bij een 'doorgangsstadium' behoort en daardoor een voorlopig karakter heeft. Hoezeer de wetenschappers elkaar bij gelegenheid ook dwars zitten als het om nieuwe feiten en denkbeelden gaat, na verloop van tijd worden nieuwe theorieën toch steeds algemeen aanvaard. Totdat er weer wat nieuws ontdekt wordt. Juist dit 'ontdekkende' karakter maakt haar onbruikbaar als kennisbasis voor de 'nieuwe werkelijkheid', die de filosoof steeds weer gestalte geeft. Die 'nieuwe werkelijkheid' is wezenlijk niet bedoeld als een verslag van de huidige stand van zaken, hoewel dat er wel aan mee komt, maar als een tijdelijke tekening van de 'eeuwige' werkelijkheid. Die tekening moet morgen en overmorgen ook nog waar zijn! Precies zoals dat in de kunst ook het geval is. Inderdaad kun je je daarbij afvragen in hoeverre het een individueel mens mogelijk is zo'n eeuwige waarheid gestalte te geven, maar die vraag doet niets af aan het feit dat het daarom toch gaat. In de filosofie zowel als in de kunst probeer je eigenlijk het onmogelijke mogelijk te maken (uitspraak van de filosoof Jan Borger). Dat komt er op neer dat je steeds weer opnieuw dezelfde werkelijkheid beschrijft en daarbij onverschillig bent voor de vraag in hoeverre dat mogelijk is en in hoeverre je daar persoonlijk in slaagt. Maar, al stamelen de filosofen over de werkelijkheid, dan is het altijd nog een stamelen over die zaak zoals die werkelijk is. Kenmerkend is daarbij dat de filosoof niet gedreven wordt door het niet-weten, zoals de wetenschapper, maar daarentegen juist door het wel-weten, hoe gebrekkig dat desnoods ook is.

 

De vraag voor de wetenschap is deze: waaruit bestaat de werkelijkheid en wat zijn de relaties tussen al die elementen. Daartoe haalt men alles uit elkaar, uitgaande van de bestaande verschijnselen. Vervolgens vormt men uit alle gevonden informatie een theorie en die wordt dan gehandhaafd net zolang tot ze weerlegd wordt.

85.


De filosoof Karl Raimund Popper (geb. 1902) heeft zich met de problematiek van de weerlegging bezig gehouden en beroemd is zijn betoog over de witte zwanen en de zwarte zwaan: al kom je nog zoveel zwanen tegen die wit zijn en die dus de stelling "alle zwanen zijn wit” lijken te bevestigen, kun je er toch niet zeker van zijn dat je niet eens een zwarte zwaan zult ontdekken, die dan onmiddellijk je hele stelling onderuit haalt. Slechts één geldig tegen- argument is nodig om een onbeperkte hoeveelheid voor-argumenten te ontzenuwen. Ook hieruit blijkt dat een wetenschappelijk waarheidscriterium nog lang geen filosofisch bruikbaar criterium behoeft te zijn.

 

Dan is er inzake het wetenschappelijke zoeken naar kennis nog een belangrijk punt. Bij het uit elkaar halen van de bestaande verschijnselen vinden de onderzoekers wel allerlei relaties tussen de elementen, maar tegelijk heffen zij elke samenhang op. Die proberen zij dan wel te reconstrueren en dat doen zij in de theorievorming: een theorie is de poging samenhang te brengen in een hoeveelheid kennis waarvoor geldt dat de oorspronkelijke samenhang door diezelfde wetenschappelijke aanpak (onvermijdelijk) verbroken is. Die gereconstrueerde samenhang is gebaseerd op het denken in verzamelingen en heeft dan ook een statistisch karakter: hoe meer bevestigende feiten hoe beter.

 

In de filosofie vraagt men zich af waarvan men absoluut zeker kan zijn en hoe van daaruit de werkelijkheid begrepen kan worden. Dit begrijpen komt wezenlijk neer op het volgen van de samenhang in de werkelijkheid. Daarvoor is de analytisch verkregen kennis dus per definitie Ongeschikt omdat de samenhang daarbij nu juist verbroken is. Voor zover de filosoof nu toch, bij het beschrijven van die 'zekere' werkelijkheid, gebruik moet maken van kennis om die beschrijving concreet en overdraagbaar te laten zijn, verlaat hij zich uiteraard op wetenschappelijke kennis. Daarbij vergeleken is immers alle andere kennis onbetrouwbaar als materiaal voor de 'opbouw' van de te geven voorstelling. Die kennis evenwel is inderdaad slechts het 'materiaal', want ze fungeert niet als argument en bewijs voor de filosofische gedachtegang. Ze is alleen maar 'illustratie' bij die gedachtegang. Dat is op geen enkele manier een diskwalificatie van de wetenschap, wel echter is het een plaatsbepaling van zowel de wetenschap als de filosofie. Zo'n plaatsbepaling is tegenwoordig bepaald geen luxe, want de moderne filosofen verbeelden zich wetenschappers te zijn en dienovereenkomstig te moeten denken.

 

Wanneer is de filosoof nu bereid bepaalde kennis voor zijn voorstelling te gebruiken? Dat is hij als hij bepaalde kennis vertrouwt op grond van het feit dat die kennis niet in strijd is met het netwerk van samenhangen dat hij, op grond van zijn openstaan voor de werkelijkheid als beeld, in de werkelijkheid herkent. We hebben hierbij te doen met wat men tegenwoordig een 'feedback' proces noemt: enerzijds gaat de filosoof door de kennis (voorstelling) heen om het beeld te zien en anderzijds bepaalt het zien van dat beeld het vertrouwen dat hij in die kennis stelt. Het een is dus bepalend voor het ander en tegelijk is het ander bepalend voor het een.

86.


Dat noemt men een 'feedback' proces. Dat een dergelijk proces zich voordoet is niet verwonderlijk, want alle levensprocessen, ook biologische, zijn gebleken 'feedback' processen te zijn, terwijl de filosofische grondslag hiervoor gelegen is in het feit dat je de eerder besproken 'drieslag' van de begrippen materie, materie als niet-materie en niet-materie niet kunt denken als het aanwezig zijn van drie afzonderlijke begrippen, maar juist als een 'drie-eenheid' van niet van elkaar los te denken samen hangende begrippen. Werking van de een naar de ander is onmiddellijk werking van de ander naar de een. De voor de filosoof bruikbare kennis is dus niet in strijd met de samenhang en dat leidt er in de praktijk toe dat het kennis is die om zo te zeggen een beeld van de realiteit geeft. Dat is doorgaans kennis 'in grote lijnen'. Analytisch verkregen details spelen een ondergeschikte rol. Veel wetenschappers geven niet graag toe dat ook zij de hun aangeboden kennis aanvaarden op grond van vertrouwen. Toch spreken juist zij over 'betrouwbare kennis’! Hun criterium daarvoor is echter niet het al of niet in strijd zijn met het beeld, maar de zo breed mogelijke bevestiging en de voorlopig ontbrekende weerlegging. Dat lijkt te berusten op 'toetsing en bewijsvoering', maar het is in feite ook 'vertrouwen stellen in'.

 

In de wetenschappen wordt, door het analyseren, de samenhang in de werkelijkheid vernietigd. Dat gebeurt zonder dat er vanuit de wetenschap zelf ook maar iets van blijkt: er komen geen feiten voor de dag die er op wijzen dat dit vernietigen heeft plaatsgevonden. Je treft, om zo te zeggen, geen brokstukken, geen restanten van die samenhang aan. Dat is logisch want samenhang berust niet op een materieel verschijnsel, maar op een verhouding van de beweeglijkheden zelf. Die verhouding, die overigens niet empirisch aan te tonen is, verdwijnt bij analyse volkomen, en dat zonder een spoor na te laten. Voor zover wetenschappers bij gelegenheid toch over 'samenhang' spreken bedoelen zij altijd een complex van 'relaties' en dat is een zaak die, door de toegepaste analyse, wel degelijk voor de dag komt. Het zoeken naar een consistente (= samenhangende) theorie berust derhalve niet op de constatering dat de oorspronkelijke samenhang vernietigd is, maar op het op zichzelf niet analytisch- wetenschappelijke feit dat het begrip 'samenhang' nu een maal voor de werkelijkheid van kracht is en zich bijgevolg in het zelfbewustzijn laat gelden. De behoefte om een samenhangende theorie te ontwikkelen is dus eigenlijk een 'buitenwetenschappelijke', waaraan niemand kan ontkomen. De 'buitenwetenschappelijke' oorsprong van die algemeen menselijke behoefte verklaart waarom geleerden over verzamelingen van exact dezelfde feiten vaak zulke uiteenlopende theorieën kunnen vormen en aanhangen. Maar hier ligt anderzijds ook de verklaring voor de aversie van moderne wetenschappers tegen denkwijzen zoals de 'holistische'. Zij vinden die niet wetenschappelijk en hebben daarin, vanuit hun standpunt bezien, gelijk, hoewel hun eigen theorieën ook wel degelijk een niet wetenschappelijke grondslag hebben.

87.

In de filosofie ga je altijd van de samenhang uit. Er kan dus niet de behoefte zijn er een aan te brengen. Hij is al bij voorbaat gegeven, ongeacht de vraag of je hem echt goed begrijpt, en je gebruikt de voorhanden verzameling (wetenschappelijk) betrouwbare feiten alleen maar om dat netwerk van samenhangen duidelijk te maken. Dat is in zekere zin het tegenovergestelde van datgene dat de wetenschapper doet. Voor zover men, vanaf het begin van de 19e eeuw (Kant, Hegel en anderen), probeert aan de filosofie een wetenschappelijke status te geven kan dit alleen maar betrekking hebben op het, ter illustratie van de beschrijving van het samenhangende netwerk, te gebruiken feitenmateriaal. De beschrijving zelf behoort tot de kunst en heeft als zodanig niets met een wetenschap te maken. Het denkwerk in de filosofie kun je het beste benoemen met het woord 'nadenken'. Je geeft daarmee enigszins aan dat je nagaat hoe de draden van het gegeven netwerk van samenhangen lopen.


Voor de wetenschapper is er een scheiding tussen datgene dat hij meent te weten en het onbekende. En voor de bonafide wetenschapper is dat onbekende de motor voor zijn activiteiten. Hij wil steeds naar dat onbekende toe en dat is bepalend voor datgene dat hij inmiddels wel weet. Het onbekende bepaalt het bekende, maar als dat onbekende buiten je zelfbewustzijn zou vallen zou de wetenschapper niet eens bemerken dat het onbekende er is! Voor de creatieve filosoof bestaat het onbekende eigenlijk niet. Er is voor hem geen scheiding tussen de bekende en de onbekende werkelijkheid, juist omdat het voor hem allemaal in samenhang is. Hij gaat het samenhangende 'geheel' van de werkelijkheid na en de motor voor zijn activiteit is het bekend zijn daarvan, ook als hij er voorlopig helemaal niets van begrijpt en er bijgevolg nog geen raad mee weet. Volgens de oude Griekse denkers was filosoferen niets anders dan uit je 'herinnering' opdiepen hoe het zit met de werkelijkheid. Zij gingen dus van een gegeven 'weten' uit en dat moest dan zelfbewust worden. Een dergelijk besef vind je later bij Hegel terug. Hij waagde het van zichzelf te zeggen: "Ik ben de waarheid en ik zeg de waarheid’; - een uitspraak die tot op de dag van vandaag de denkers in woede doet ontsteken, maar die in werkelijkheid verwijst naar het principiële bekend-zijn van de werkelijkheid als samenhangend geheel. Zo'n uitspraak heeft dus niets met arrogantie te maken, integendeel: hij geeft aanleiding tot grote voorzichtigheid omdat er om zo te zeggen zoveel op het spel staat. Alleen al de eerste vraag in de filosofie: "Wat kan ik zeker weten" is een vraag die, bij het zoeken naar een antwoord, elk eventueel nog aanwezig restje arrogantie doet verdwijnen...

In zekere zin zijn de filosofie en de wetenschap elkaars tegenpolen: de eerste gaat uit van de werkelijkheid als samenhang en beschrijft die met behulp van zo betrouwbaar mogelijke kennis, en de tweede zoekt naar betrouwbare kennis en probeert die doormiddel van een theorie in samenhang te brengen.

88.

 

Voorstelling van de werkelijkheid - A- ; B- ; C- ; D- ; E- ; F- ; G- ; H- ;  I- ;


Deze samenhang echter is een schijnbare. Wat te voorschijn komt is een structuur van relaties, die allemaal wortelen in het van elkaar gescheiden zijn van het een en het ander. Door deze scheiding werkt elke wetenschap op den duur naar vernietiging toe, ondanks de steeds verfijndere relatiestructuur. In onze huidige wereld zijn de gevolgen daarvan al duidelijk waarneembaar. Waarschijnlijk heeft de grote natuurkundige Albert Einstein (1879 - 1955) deze principieel vernietigende werking van de wetenschap aangevoeld, want hij schijnt op een keer gezegd te hebben dat de filosofie de (analytische) wetenschap te hulp zou moeten kom en om duidelijk te maken waarmee men nu eigenlijk bezig is. Ik weet niet welke filosofie Einstein op het oog had, de 'wetenschappelijke' of de 'creatieve', maar in feite kan het natuurlijk alleen maar om de 'creatieve' gaan. De analytische wetenschapper kan niet weten (vanuit zijn wetenschap) waarmee hij bezig is, omdat daarvoor inzicht in de samenhang noodzakelijk is. Maar die is nu juist verdwenen en de verkregen verzamelingen kennis staan allemaal los van elkaar. Aanvankelijk betrof het nog grove onderscheidingen zodat er toch nog wel van een tamelijk grote samenhang sprake was. Men kon toen bijvoorbeeld nog maatschappelijke maatregelen nemen die van enig begrip van de werkelijkheid getuigden: onaantastbaarheid van de persoon, van het privé leven en van allerlei andere essentiële menselijke vrijheden. Maar het is zeer de vraag of men tegenwoordig nog zulke, op de samenhang berustende, ' mensenrechten ' zou kunnen bedenken als men voor het eerst voor die opgave stond. De toenemende versnippering met, daaraan meekomend, de moderne organisatiedrift, maakt een samenhangende visie tegenwoordig vrijwel onmogelijk. In onze huidige wereld baseert men zich in toenemende mate op de wetenschap en dat heeft tot gevolg dat alles steeds meer een 'slag in de lucht' wordt, door het verdwijnen van de samenhang. Bovendien komt het Onbekende almaar meer op de voorgrond te staan. Met het toenemen van de hoeveelheid kennis verkleint het gebied van het onbekende zich niet, maar wordt daarentegen steeds groter en invloedrijker. Je kunt het wetenschappelijk onderzoek niet tegenhouden noch in van tevoren bepaalde banen leiden. Dat moet je dan ook niet willen. De enige oplossing voor de verwarring kan inderdaad alleen maar door de creatieve filosofie aangedragen worden, maar door het feit dat de fixatie op het wetenschappelijke nog lang niet ten einde is zal voorlopig nauwelijks iemand zich iets van de filosofie aantrekken.

 

De creatieve filosoof gebruikt de voorhanden wetenschappelijke kennis als materiaal voor de opbouw van zijn telkens nieuwe voorstelling van de werkelijkheid. Die wetenschappelijke kennis evenwel draagt een voorlopig karakter. Zou die filosoof de wetenschappelijke kennis als de gegevens voor zijn filosofie beschouwen, in die zin dat zijn filosofie pretendeert een 'superwetenschap', de 'koningin der wetenschappen', te zijn, dan kan hij zijn harp wel aan de wilgen hangen. Zijn filosofie wordt nooit geldig, zelfs niet op het moment dat zijn wetenschappelijke gegevens nog actueel zijn.

 Voorstelling van de werkelijkheid - A- ; B- ; C- ; D- ; E- ; F- ; G- ; H- ;  I- ;

89.

Is de wetenschappelijke kennis echter niet meer (maar ook niet minder) dan het materiaal van de filosoof, zoals de schilder zijn model heeft (een mens, het landschap, het stilleven), dan speelt de actualiteit van die kennis geen rol wat betreft de geldigheid van zijn filosofie. Hoogstens spreekt die filosofie soms, door het enigszins achterhaalde karakter van dat materiaal, niet zo erg aan bij de toehoorders, de 'genieters'.

Wetenschappers zijn uiteraard ook mensen en dus laat het feit dat de werkelijkheid samenhangend is zich zo af en toe gevoelen. Maar, zij hebben daarvan meer last dan gemak en schuiven daarom dat gevoel maar vlug weg, tegenwoordig met het argument dat de zaak op een 'geloof ' berust. Holisme, natuurgeneeswijzen, kosmische ecologie en dergelijke beoordeelt men als niet-wetenschappelijke uitingen van een geloof. Omdat men meent dat de criteria voor wetenschappelijkheid, die men nota bene zelf vanaf de 17e eeuw en vooral in de 19e eeuw vastgesteld heeft, algemene en objectieve geldigheid bezitten, sluit men zich af voor ervaringen, ideeën, invallen, die uit een andere functie van het zelfbewustzijn voortkomen. Dat zou allemaal zo erg nog niet zijn als er aan dat 'geloof' de juiste betekenis gehecht werd. Eigenlijk betekent het begrip 'geloof ' dat je afgaat op datgene dat als beeld in je bewustzijn gegeven is. Het begrip 'geloof ' in die betekenis gold overwegend voor de mensen uit de oudheid, maar ook voor het Russische volk, zoals dat door Dostojewski ( 1821 - 1881) zo geniaal beschreven is. Een dergelijk geloof werkt vruchtbaar in op de wetenschap omdat het betekenis geeft aan de wetenschappelijke kennis. Het leert je te begrijpen waarmee je wetenschappelijk bezig bent en daarmee heft het de uiteindelijke vernietiging op.

 


Wat bedoelt de moderne wetenschapper nu met geloof, als het gaat over ideeën en invallen die buiten zijn definitie van wetenschap, toetsing en bewijsvoering vallen? Hij bedoelt dan dat je aanneemt dat iets zo of zo is. Het woord 'aannemen' duidt er op dat je iets aangereikt krijgt, van buitenaf, en dat je dat aanpakt, in het vertrouwen dat de zaak in orde is. Die gang van zaken vooronderstelt bij jou geen enkel inzicht, zelfs geen begrijpen. Je behoeft de aangeboden kennis slechts te accepteren en in je op te nemen en hoe handiger je daarin bent, hoe 'geleerder' je wordt. Je neemt die kennis aan omdat je vertrouwen stelt in je zegslieden. Dat doe je omdat je geleerd is, in een zeer vroeg stadium van je kinderlijke ontwikkeling, dat je in die zegslieden vertrouwen moet stellen.

Je bent daartoe geconditioneerd, in onze cultuur op een uiterst geraffineerde manier. Het aanpakken, het aannemen van kennis, heeft dus niets te maken met inzicht in de werkelijkheid als beeld, met het bewustzijn. Eigenlijk sta je er volkomen buiten en op grond daarvan heeft die aangenomen kennis dan ook nauwelijks enige betekenis. Wel echter heeft die aangenomen kennis waarde voor je: vooral tegenwoordig kan je er een hoop geld mee verdienen, status aan ontlenen en macht mee uitoefenen. Ook als creatief filosoof neem je kennis aan, zoals gezegd ten dienste van het gestalte geven aan de werkelijkheid als beeld.

90.

Maar je doet dat ongeconditioneerd en alleen voor zover die kennis betekenis heeft, d.w.z. niet in strijd is met het beeld.

 

Als een westers, wetenschappelijk gevormd, iemand zegt dat een creatieve gedachtegang een geloof is, dan doelt hij dus niet op inzicht in de werkelijkheid (hij vindt zoiets onmogelijk), maar op het ongefundeerd aannemen van een bepaalde gedachte of een hoeveelheid kennis. En op grond daarvan houdt de kwalificatie 'geloof' in dat het allemaal maar onzin is. Het beantwoordt immers niet aan de gestelde criteria van de befaamde 'toetsing en bewijsvoering". Omdat er, vanuit de wetenschap, zo tegen dit soort zaken aangekeken wordt, kan die wetenschap zichzelf niet beoordelen en komen tot een begrijpen van datgene waarmee men bezig is. En omdat een dergelijk begrijpen, gezien vanuit de wetenschap, van buitenaf komt en bovendien als louche beschouwd wordt, zal er nimmer gehoor worden gegeven aan een 'geloof' als de creatieve filosofie. De wetenschappelijke criteria sluiten uit dat de wetenschappers hun eigen bezigheid kunnen begrijpen.

 

Op grond van die onmogelijkheid tot begrijpen is er geen correctie mogelijk, een feit dat wij steeds meer kunnen waarnemen. Vanuit die wetenschap gaat men onverdroten voort op de weg die naar de vernietiging leidt. Men zal de filosofie nooit te hulp roepen. Een geheel andere zaak is echter wat de invloed van de creatieve filosofie zal zijn op de mensen. Ook die invloed begint steeds meer merkbaar te worden, uiteraard zonder dat de mensen er toe overgaan filosofische verhandelingen te lezen. Je merkt het aan de toenemende weerklank die de op inzicht berustende gedachtegangen vinden, uiteraard vaak ook ideeën die nergens op slaan, behalve dan op mystieke of fundamentalistische onzin. Maar wat er in de vredesbeweging leeft, in de vrouwenbeweging, de milieubeweging, berust, hoe vaag desnoods ook, op grotere invloed van het bewustzijn. Maar de filosofen, noch de polemologen, noch de mensen van de vredesbeweging worden bij vredesbesprekingen toegelaten. Het zijn dan ook geen vredesbesprekingen en de officiële milieuconferenties gaan niet over het tot stand brengen van een ecologisch verantwoorde technologie. Natuurlijk zullen er wetenschappers zijn die, hoewel niet vanuit hun vak, tot inzicht komen. Zij zullen echter zeggen: "Ik geloof dat wij op de verkeerde weg zitten" en zij zullen daaraan voorlopig slechts indirect aandacht schenken en in het beste geval tot enig zwak protest komen.

 


Invloed van die filosofie leidt er onder andere toe dat men, in tegenstelling tot wat op heden gebruikelijk was, technologische processen helemaal af gaat denken en niet ophoudt als er winst gemaakt kan worden en ter wille daarvan het afval maar in de rivier, liefst een in de derde wereld, gedonderd wordt. Het maken van winst is echter niet de ware oorzaak van de verspilling en de vervuiling: de ware oorzaak is gelegen in het wetenschappelijke en technologische Onvermogen de zaak af te denken, juist omdat men niet weet waarmee men bezig is.

91.

Door het afwijzen van het besef van een samenhangende werkelijkheid, met als dooddoener dat het een geloof zou zijn, kunnen de wetenschappelijke en technologische doelstellingen niet verder reiken dan resultaten in de vorm van winst, groei en macht. Voor de mensheid werkelijk zinvolle resultaten kunnen pas dan beoogd worden als je begrijpt hoe het zit met de werkelijkheid. Vanuit een dergelijk begrip zijn winst, groei en macht grootheden die strijdig zijn met de samenhang. Zij zijn immers verbrekende grootheden.

 

Het is natuurlijk zo dat men in de wetenschap ook aanneemt dat bepaalde kennis of een bepaalde theorie juist zijn. Het is voor de wetenschapper onmogelijk om de absolute juistheid van zijn wetenschappelijke uitspraken aan te tonen, zelfs als hij in staat is nauwkeurig te toetsen. Hij vindt echter wel dat hij gebruikt maakt van gefundeerde kennis en dat hij dat doet op goede gronden. Zijn verwijt aan de filosofen dat zij 'maar wat aannemen' heeft dan ook betrekking op het naar zijn mening ongefundeerde karakter en het klakkeloos aanvaarden van filosofische kennis. Daarom heeft hij het over een 'geloof ', overigens zonder te weten dat je als filosoof helemaal niets 'zomaar' aanneemt en dat er zelfs van 'aannemen' volstrekt geen sprake kan zijn. Als de wetenschapper dit wel wist zou er een mogelijkheid zijn dat hij nota zou nemen van de uitspraken van de creatieve filosofen.

 

De wetenschappers blijven op de lijn zitten die zij ingezet hebben bij het effectief worden van de moderne cultuur. Die lijn versterkt zichzelf omdat er, bij de voortschrijdende wetenschappelijke ontwikkeling, steeds nauwere criteria gesteld worden en bovendien de vakgebieden kleiner en scherper omlijnd worden. De kans om zichzelf dan nog te corrigeren wordt daarmee steeds kleiner. Toch gaat de mens niet in een dergelijk wetenschappelijk denken op en dus komt er toch een correctie, maar dan als het ware van buitenaf. Om deze gang van zaken te begrijpen moet je de volgende vier punten in de gaten houden.

 

Verlies aan houvast-1 ; Verlies aan houvast-2 ;

 

 

Ten eerste, zoals al steeds naar voren gebracht: het toenemende maatschappelijke fiasco van de moderne wetenschap, met in het verlengde daarvan de technologie en al die gebieden waarop almaar meer de wetenschap de maat is: de politiek, de organisatie van de maatschappelijke activiteiten en de gemeenschappelijke instellingen. Je kunt wat dit betreft niet van 'vastlopen' spreken. Eigenlijk gaat het over een zichzelf 'ontleden', en dat gaat als het zijn eigen gang zou kunnen gaan, door totdat alles vernietigd is.

 

Ten tweede is daar, binnen de westerse wetenschappelijke wereld, de academische filosofie, zoals die zich sinds Kant ontwikkeld heeft. Van die academische filosofie is te zeggen dat zij muurvast zit, geen zinvolle antwoorden meer weet op maatschappelijke vragen en levenskwesties en niet in staat is een samenhangende visie op de realiteit te geven. Dat onvermogen wordt intussen zelfs door enkele vak filosofen gesignaleerd.

Mystiek-1 ; Mystiek/het goddelijke-2(28t/m33) ; Mystiek-3 ; Mystiek-4 ; Mystiek-5 ; Mystiek-6 ;  Mystiek-7 ;

92.


Uiteraard is de verklaring hiervoor dat analytische filosofie nu eenmaal vast moet lopen omdat zij zelf de samenhang, die de grondslag voor alle filosoferen is, verbroken heeft. Door dat vastlopen, ontstaat er een steeds grotere twijfel, die echter onmogelijk tot een 'zien van het beeld' kan leiden omdat de door deze filosofie aanvaarde wetenschappelijke criteria dat beletten. Je krijgt te doen met de twijfel, de onzekerheid en de wanhoop die bij de totale verwarring behoort. Daaraan komt mee een vertwijfeld zoeken naar nieuwe houvasten, die het ontstane zogenaamde 'nihilisme' kunnen opheffen.

 

Ten derde moet je letten op de voortgang van de creatieve filosofie.

Deze is, sinds het doorbreken van het Kantiaanse denken, tot een onderstroom geworden die gaandeweg geen enkele erkenning meer kon vinden. Deze onderstroom is een voortzetting van het denken van Hegel, de idealistische 'idioot in de filosofie'. Niet dat er net zo gedacht wordt, maar wel dat dezelfde grondslag herkend en erkend wordt, namelijk het nagaan van het netwerk van samenhangen in de werkelijkheid als beeld.

 

Ten vierde: de factor die de creatieve filosofie in de moderne cultuur vanuit de onderstroom naar de oppervlakte zal sturen is het krachtiger worden van het bewustzijn in de mensen. Dat wordt onder andere veroorzaakt door de toenemende angst van de mensen voor de toekomst. Daardoor ontstaat een nieuw besef in de mensen: dat van het verlangen naar echte vrede, naar welzijn voor iedereen, naar een leefbaar milieu en gelijkwaardigheid. Dat nieuwe besef steunt niet op wetenschappelijk gefundeerde argumenten. Er is maar één argument, namelijk het 'oma-argument': "de kleinkinderen moeten ook nog kunnen leven!".

 

In feite is dit evenwel een van de weinige echt geldige argumenten...

Maar niet alleen de angst versterkt het bewustzijn, ook het losser worden van de voorstellingen, op grond van de toenemende analyse, verhoogt de zichtbaarheid van de werkelijkheid als beeld. Daarmee stijgt het besef van een samenhangende werkelijkheid die in strijd is met de geldende realiteit. Het gevolg is dat er overal in de wereld betrekkelijk ongeorganiseerde verwantschappen, netwerken, ontstaan die fundamenteel vijandig zijn aan de bovenliggende politieke, economische en levensbeschouwelijke machtssystemen. Gezien vanuit deze laatste systemen is dat nieuwe besef Onmaatschappelijk. Het is de grondstroom van dit nieuwe besef die gaandeweg de creatieve filosofie gaat dragen en naar de oppervlakte stuwen. Niet dat die filosofie dan zo gemakkelijk door iedereen begrepen kan worden daaraan staan de zogenaamd rationele conditioneringen stevig in de weg - maar wel dat er een steeds duidelijker verwantschap wordt gevoeld.

De filosofie, straks gedragen door de brede stroming van het 'nieuwe besef', gaat langzaam maar zeker de maatschappelijke rol van de wetenschap terugdringen en in zijn juiste proporties brengen. Die filosofie ontneemt de wetenschap haar maatschappelijk dominante positie.

93.

Verlies aan houvast-1 ; Verlies aan houvast-2 ;

 

Let wel: als wétenschap gaat de zaak wel door, op grond van het menselijk kenvermogen, maar als maatschappelijk machtsfenomeen niet.


De dominante rol van de wetenschap blijkt uit het bepalende karakter ervan. In onze huidige wereld bepaalt de wetenschap - en vooral haar voetvolk dat status ontleent aan zijn 'hogere' opleiding - wat er moet gebeuren. Dat geschiedt met een volkomen negeren van de betrekkelijke en voorlopige betrouwbaarheid van de wetenschappelijke feiten en is dus eigenlijk in strijd met echte wetenschappelijkheid, die daarentegen juist uitermate bescheiden en voorzichtig is. Omdat die in het teken van het niet-weten staat.

 

De filosofie neemt de rol die de wetenschap tot op heden gespeeld heeft niet over om vervolgens zelf machtig te worden. Als het gaat om een samenhangende werkelijkheid valt er geen macht te verwerven. De filosofie beschrijft slechts en maakt duidelijk 'hoe het zit'. En dan zit het wat betreft de wetenschap zo, dat deze, maatschappelijk gezien, zich heeft te beperken tot een adviserende rol. Het zijn slechts de wetenschappers, de echte wel te verstaan, die de kennis hebben om bijvoorbeeld de 'longen van de wereld', de tropische regenwouden, te herstellen; de gevaren van de technologie te herkennen en te becijferen; de mensen medisch te verzorgen, enzovoort. Die adviserende functie kan alleen maar dan tot stand komen als er een algemeen besef van samenhang is. Vanuit zichzelf komt de wetenschap daar niet mee, juist vanwege haar analytische, en dus verbrekende, karakter.

 

We hebben nu gezien dat het voor het vertellen van het filosofische verhaal nodig is om zoveel mogelijk over betrouwbare kennis te beschikken. Uiteraard kan dat alleen maar wetenschappelijke kennis zijn omdat binnen de wetenschap een voldoende toetsing plaatsvindt. Dat blijft ook gelden als blijkt dat de criteria voor die toetsing niet altijd even juist zijn of niet altijd even zuiver worden toegepast, bijvoorbeeld onder druk van bepaalde maatschappelijke of politieke belangen. Voor de filosoof is die kennis toch maar het 'skelet' van zijn gedachtegang, en wel om die tijdelijk te concretiseren. De kennis heeft voor de filosoof dezelfde functie als het 'model', eventueel datgene dat je zijn 'onderwerp' zou kunnen noemen, voor de schilder. De verf, het doek en de penselen vormen de gereedschappen van de schilder en voor de filosoof is het gereedschap de taal waarin hij zich uitdrukt. Al eerder heb ik er op gewezen dat het in de filosofie helemaal niet om de taal gaat, in tegenstelling tot wat tegenwoordig veel (Engelse) filosofen, min of meer in navolging van Ludwig Wittgenstein (1889 - 1951), staande willen houden. Volgens Karl Popper zijn die lui te vergelijken met een timmerman, die al zijn tijd zoekbrengt met het slijpen van zijn gereedschap en die nimmer aan timmeren toekomt.

 

Waarom het voor de filosoof in feite gaat is het nagaan van het netwerk van samenhangen zoals hij dat in zichzelf als bewustzijn aantreft. Hegel sprak in dat verband over een "kristallijnen net van begrippen".

94.


Het gestalte geven daaraan was volgens hem terecht de opgave van de filosofie. Voor het nagaan van dat netwerk van samenhangen op zichzelf en in jezelf heb je die kennis, wetenschappelijk verantwoord of niet, in geen geval nodig. Sterker nog: zodra je dergelijke kennis toelaat in dat nagaan van het netwerk slaat het hele proces zonder mankeren af. Je voegt er namelijk oneigenlijke argumenten in. Die hebben betrekking op bepaalde verschijnselen, scherp gescheiden van de rest, volkomen begrensd, en dus geheel op zichzelf staand. Precies kwalificaties die voor de werkelijkheid als beeld, het netwerk van samenhangen, niet van kracht zijn. Het scherpe gescheiden-zijn, de kloof tussen het een en het ander, doet het nagaan afslaan. Je kunt dan niet verder en daar zit het 'alarmsysteem' van het filosofische denken. Derhalve is het de kunst die oneigenlijke argumenten voortdurend op te sporen, te herkennen en ze vervolgens terzijde te laten, ongeacht de vraag of ze op zichzelf juist zijn of niet.

 

Wij zijn allemaal, in de wereld van alledag, voortdurend omringd door bepaaldheden waarvoor geldt dat het een niet het ander is. Een tafel is geen stoel! Je leven heeft een begin en een eind, enzovoort. Die wereld van alledag is een belemmering voor het nagaan van de samenhang. Dat geldt voor de mensen van vroeger en ook voor ons. Maar er is wel een verschil tussen de situatie in de oudheid en die van tegenwoordig. In de oudheid stond men veel dichter bij zichzelf als bewustzijn en daardoor was het niet zo moeilijk de wereld van alledag terzijde te laten, althans te relativeren. Zij deden dat in hun religie, hun kunst en in het versieren van alle mogelijke gebruiksvoorwerpen. De versiering heft namelijk zo'n voorwerp boven zichzelf als bepaaldheid uit, het wordt iets moois, dat ook nog te gebruiken is. Bij die mensen uit de voor-analytische tijd stond er niet zo veel aan het laten gelden van het bewustzijn in de weg. Voor het gros van de tegenwoordige mensen is het allemaal veel moeilijker en vaak zelfs onmogelijk. Je kunt niet meer zo gemakkelijk in de sfeer van het bewustzijn, en dus de samenhang, vertoeven omdat de samenhang weg geanalyseerd is. Bijgevolg valt er inzake de alledaagse werkelijkheid weinig meer te relativeren, nauwelijks iets boven zichzelf uit te heffen, laat staan op creatieve wijze te filosoferen. De begrensdheden overspoelen zo ongeveer alles. De dingen worden beoordeeld naar hun waarde en niet naar hun betekenis en daardoor is alles te koop. Wij leven in een lelijke, harde wereld...

 

Intussen kun je terecht opmerken dat ook de filosoof, zoals iedereen trouwens, begint met een zekere hoeveelheid, her en der opgedane, kennis. Zo tref je je eigen werkelijkheid aan en dat is er een die in de loop der eeuwen opgebouwd is. Je kunt er niet omheen daarmee te beginnen. Je zou daaruit af kunnen leiden dat alles begint bij die kennis, ook voor de filosoof. Historisch gezien is dat inderdaad juist: gerekend in de tijd begint het daarmee, maar bezien vanuit de situatie die een mens is, dus bezien vanuit de 'fenomenologie', gaat er nog iets aan vooraf en dat is er de reden van dat je in staat blijkt vragen te gaan stellen inzake de kennis die je aantreft.

95.

Wat er aan vooraf gaat, in die zin dat het reeds zijn werking doet gevoelen voordat je Überhaupt van kennis kunt spreken is het bewustzijn dat zich in jezelf vertoont als beeld. Fenomenologisch gaat het bewustzijn aan het zelfbewustzijn vooraf. Daarom kun je vragen stellen en ook kun je daarom alles wat je aantreft terzijde laten, tenminste, voor zover het gaat over het nagaan van het netwerk.

 

Omdat je de kennis die je aantreft en die je aangeboden wordt bij het nagaan van het netwerk, terzijde laat kun je stellen dat de filosofie, net als de kunst, een zaak van alle tijden en alle streken is. De kwaliteit en de hoeveelheid ter beschikking staande kennis doen immers niet ter zake. Oude of nieuwe filosofie, de inhoud daarvan is dezelfde. Dat wordt door de westerse filosofen pas de laatste tijd, zij het schoorvoetend, toegegeven. Voordien verkeerde men in de egocentrische mening dat alleen het westen tot betrouwbare filosofie gekomen was. Ook in de praktijk van het onderzoek naar niet-westerse filosofieën blijkt steeds duidelijker dat die mening onjuist is.


Wat uiteraard wel klopt is dit dat de moderne filosofie wat betreft haar verhaal (voorstelling) van een veel betrouwbaarder kennis gebruik kan maken, maar dat is een vaststelling die de oude filosofen aangaande hun eigen filosofie ook deden. En die van de toekomst zullen dat ook doen. Het is een typisch westers trekje om, ook binnen het kader van de filosofie, alleen maar daarop te letten! Als je de beschikbare kennis en de persoonlijke begaafdheid van de verschillende filosofen er eens even afdenkt, dan kun je alleen maar uit onze gedachtegang concluderen dat alle filosofen, althans de creatieve, even mooi en waarachtig bezig zijn geweest. Wil je toch onderscheid maken, dan kan dat alleen maar wat betreft enkele bijzaken, namelijk de persoonlijke scherpte van inzicht en de kwaliteit van de beschikbare kennis. Op grond van dat laatste spreekt een filosoof die in de tijd zo dicht mogelijk bij je ligt en die het werkelijk om het nagaan van het netwerk gaat, het meeste aan. Maar als het gaat om de 'helderste' filosoof is het heel wel mogelijk dat je toch bij een vroegere uitkomt. Maar, meer of minder helder, het gaat steeds over maar één werkelijkheid, namelijk die van het beeld. Tot voor kort liet men de filosofie beginnen bij de oude Grieken.

 

Alles van daarvoor en uit andere streken werd niet als echte filosofie beschouwd. Wat betreft het Oosten had men het graag over 'mystiek' en in andere gevallen over 'religie' of 'mythologie'. Als vanzelfsprekend suggereerde men daarmee dat zoiets van de westerse, de 'echte' filosofie niet gezegd zou kunnen worden. Nader onderzoek daarvan leert echter wel iets anders!

Het ligt in het karakter van het westerse denken om zichzelf als het enig juiste te zien. Het is een egocentrisch denken, in die zin dat het de hele werkelijkheid naar zich toe trekt alsof het zijn bezit was dat alleen maar mag bestaan ten dienste van dat denken en de daarbij behorende cultuurmens. Zelfs vandaag de dag nog worden andere denkwijzen, uit andere culturen, eenzijdig beschouwd vanuit de westerse optiek. Men heeft het dan over niet-westerse filosofie en daaruit spreekt duidelijk het maatgevende westerse uitgangspunt.

Mystiek-1 ; Mystiek/het goddelijke-2(28t/m33) ; Mystiek-3 ; Mystiek-4 ; Mystiek-5 ; Mystiek-6 ;  Mystiek-7 ;

96.      Boeddhisme ; (Zen)-boeddhisme(nrs.96, 97 en 98)

Nu heeft men inderdaad een sterk argument: de maat ligt bij het systematisch wetenschappelijke en dat dan ook weer in westerse zin, wat je in het kort kunt typeren als 'onderzoek van de concrete verschijnselen', de buitenwereld dus. Ik heb al laten zien dat de door die wetenschap ontdekte feiten het best denkbare materiaal voor de filosofische voorstelling is, dus voor het te vertellen verhaal. Wat dat betreft kun je inderdaad bevestigen dat de westerse filosofie als filosofie veel sterker in de schoenen staat dan de niet-westerse, die nog nauwelijks van dergelijk materiaal gebruik kon maken, of die zelfs het gebruik van dat materiaal afwees, zoals dat bijvoorbeeld in het Zenboeddhisme het geval was. Daar verscheurde men de boeken als uitdrukking van die afwijzing - maar men had ze wel eerst bestudeerd zodat het vermoeden gerechtvaardigd is dat men wilde laten zien dat het in de filosofie eigenlijk om wat anders gaat.

 


Voor zover je nu let op het gebruik van zo zuiver mogelijk getoetst wetenschappelijk materiaal kun je met enig recht de geschiedenis van de filosofie bij bepaalde Grieken laten beginnen, zoals Plato en Aristoteles. En alle andere filosofie kun je dan als voor- wetenschappelijk beschouwen. Maar ook als je dat doet, zul je toch moeten onderzoeken of je eigenlijk niet te doen hebt met een andere wetenschappelijkheid, die bij nader inzien heel wel naast de westerse kan bestaan. Waarom zou de wetenschap zich alleen maar op de westerse manier op de concrete verschijnselen en het analytische onderzoek daarvan mogen richten om aanspraak te maken op betrouwbaarheid? Natuurlijk is dat niet zo, en daarom verwerp ik de kwalificaties 'niet-westers' en 'voor- wetenschappelijk'. Ze zeggen welbeschouwd meer over het westerse denken dan over die andere filosofieën. Je kunt veel beter stellen dat de creatieve filosofie zich van twee soorten materiaal kan bedienen, namelijk 1e. de vertelling, het sprookje of de mythe en 2e. wetenschappelijke voorstellingen. Sartre bijvoorbeeld heeft zich vaak van een vertelling, een toneelstuk of een roman bediend om zijn ideeën duidelijk te maken en ook Dostojewski kan hier als voorbeeld dienen. In grote lijnen blijkt het eerste vooral kenmerk te zijn van de filosofie van de oudheid en het tweede van de nieuwe tijd, te beginnen met de Grieken en de Romeinen. Maar vaak ook blijken beide mogelijkheden door elkaar heen te lopen.

W at je werkelijk zou moeten doen is het leggen van het criterium bij het pure nadenken over de werkelijkheid als beeld, het nagaan van het netwerk van samenhangen. Maar dan blijkt er veel meer onder de filosofie te vallen, en dat betreft vaak andere geestelijke uitingen dan gebruikelijk is onder filosofen. Onmiddellijk al gaan de religies meetellen, niet in de godsdienstige vormen zoals wij die thans nog kennen, maar in de oorspronkelijke vorm: als zo helder mogelijke beschrijving van het netwerk van samenhangen. En die kunnen dan - wat meestal het geval was - in mythische vorm gegoten zijn, maar ook in de vorm van een andere, toentertijd verantwoorde, wetenschappelijkheid zoals in de Indische filosofie het geval schijnt te zijn geweest.

97.

Oude Testament-1 ; Oude Testament-2 ;

Je moet daarbij uitsluitend denken aan oude religies, uit de tijd dat het bewustzijn nog niet door het analytische denken overwoekerd en versnipperd was. De tijd en de gesteldheid die door Friedrich Nietzsche 'Dionysisch' genoemd werd, in tegenstelling tot het 'Apollinische' van de onderzoekende analytische gesteldheid van de moderne cultuur. Op tal van plaatsen in het werk van Nietzsche blijkt dat ook hij die oude inzichten en voorstellingen serieus nam als filosofie. Denk je echter bij vergissing aan datgene dat wij thans nog als godsdienst kennen, dan blijkt dat je daarbij volstrekt niet met filosofie te doen hebt. Die godsdiensten zijn allemaal door de mensen van de nieuwe tijd bedacht, meestal met behulp van oude voorstellingen, maar soms ook niet. De Islam bijvoorbeeld is destijds volkomen nieuw bedacht. Hij spiegelt dan ook een analytisch, mannelijk denken af en zijn beroep op het joodse oude testament dient slechts als legitimatie om de geloofwaardigheid ervan te vergroten. Het christendom echter heeft geraffineerd gebruik gemaakt van de oude voorstellingen en is er zelfs op gebaseerd, maar het is ook wel degelijk een (Romeins) bedenksel. Bovendien heeft men in dat christendom een groot aantal bestaande voorstellingen opgenomen: Boeddhisme, Mythra, Griekse en Germaanse mythologie, enzovoort. In ieder geval missen al die bedenksels de basis voor filosofie, namelijk het nagaan van het netwerk van samenhang. Zij gaan daarentegen uit van een in 'hoger en lager' gebroken werkelijkheid.

 


Veel van de westerse filosofieën missen die basis overigens ook zodat je je met recht af kunt vragen waar men de arrogantie vandaan haalt om van niet westerse denkers te vinden dat zij 'maar wat zeggen' en met 'ongegronde mystieke beweringen' komen. Als zo'n verwijt al terecht zou zijn is het toch nog altijd een verwijt dat die westerse filosofen onmiddellijk ook op zichzelf van toepassing kunnen brengen. Maar meestal blijkt het zelfs onterecht te zijn. Men staart zich namelijk blind op het gebruikte materiaal, alsof de filosofie pas dan wat te betekenen zou hebben als dat materiaal wetenschappelijk was. In feite ligt de 'eerste selectie', bij het uitzoeken van wat filosofie genoemd zou kunnen worden, bij de vraag of er al dan niet nagegaan wordt hoe de samenhangen zijn en de 'tweede selectie' ligt vervolgens bij de vraag Of en in hoeverre er van betrouwbaar materiaal gebruik gemaakt wordt.

De Christelijke godsdienst valt geheel buiten de kwalificatie 'filosofie' - al willen de theologen dat graag anders doen voorkomen. Maar die fragmentarische oude geschriften die wij thans nog kennen als “de Evangeliën” vallen er volledig binnen. Zij kunnen zelfs als bijzonder helder beschouwd worden, getuigend van een diep inzicht in de samenhang. Niet voor niets staat het liefdesbegrip in die Evangeliën centraal! Maar, als je er ook nog de tweede selectie op toepast kom je met die filosofie niet zo erg ver. Het blijft beperkt tot een aantal, nergens toegelichte of uitgewerkte, uitspraken. De Bergrede is daarvan een goed voorbeeld: " Zalig zijn de armen van geest... ".

Oude Testament-1 ; Oude Testament-2 ;  

98.

Voor een filosoof die eerst de samenhang nagaat is dat een glasheldere en volkomen juiste uitspraak, maar tegenwoordig zal hij toch aan die uitspraak een heel betoog toevoegen, hem vanuit zijn kennis van de werkelijkheid als systeem van beweeglijkheden onderbouwen en hem vervolgens in het licht van zijn eigen tijd plaatsen. En uitsluitend in die zin kun je staande houden dat Onze filosofie meer te zeggen heeft. Maar dat is eigenlijk een 'kwantitatief méér' en natuurlijk in geen geval een 'kwalitatief méér'. Helder is helder, of het nu uit lang vervlogen tijden stamt of van vandaag is.

 

Je ziet heel vaak dat men zich vroeger, in de oudheid, beperkte tot korte, kernachtige filosofische uitspraken. Ik heb al gewezen op het Evangelie, en dan speciaal 'De Bergrede', maar ook de meesters van het Taoïsme, het Zenboeddhisme, de Indische filosofie en het vroege Griekse denken bedienden zich graag van de korte uitspraak. Dikwijls met de bedoeling in de leerling of genieter een soort van schokeffect teweeg te brengen, een plotselinge flits van helderheid. En men maakte zich er verder niet druk om: "Die het vatten kan, die vatte het...". De westerling komen deze uitspraken vaak duister voor omdat hij aangewezen is op iets dat concreet toetsbaar moet zijn. Wie echter geoefend is in het nagaan van het netwerk van samenhangen heeft met dergelijke uitspraken geen enkele moeite en begrijpt zelfs niet wat er nu zo duister aan is...

 

Vooral in de oude Indische cultuur tref je, naast de korte uitspraken, een schat aan uitgewerkte, onderbouwde en beargumenteerde creatieve filosofie aan en daarin maakt men wel degelijk gebruik van wetenschappelijk materiaal, streng logisch en dus 'rationeel' doordacht. Treurig is alleen dat vrijwel alle westerse denkers tot op heden niet de heldere wetenschappelijkheid van dat materiaal willen erkennen, louter en alleen omdat er andere criteria gehanteerd worden en een andere kijk op de werkelijkheid aan ten grondslag ligt. Die kijk is in zoverre anders dat men zich niet richt op een te analyseren werkelijkheid, die dus in principe gebroken, ontleed, is, maar daarentegen op een te doorschouwen en te doordenken Ongebroken werkelijkheid, een 'geheel'. En daarvan probeert men niet de details, maar juist de nuances duidelijk te maken. Gevolg is dat door die Indische filosofen van een heel andere taal en van heel andere beelden gebruik gemaakt wordt dan die wij gewend zijn.


 

Die oude Indische filosofie geeft blijk van een onvoorstelbare diepgang, maar vooral ook van een enorme zeggingskracht, die zelfs wel tot op de dag van vandaag doorwerkt, onder andere bij veel westerse mensen die geen vrede meer vinden in hun eigen analytische cultuur. Dat dankt de Indische filosofie aan haar sterke psychische werking op de mensen. Zij grijpt de mensen aan, ontroert hen, geeft hen warmte en het gevoel opgenomen te zijn in een ruimte die veel groter is dan die van louter het eigen bestaan. Wat ik het 'psychische' noem is het méétrillen van jezelf met je bewustzijn en dus ook met de werkelijkheid als beeld. Dat meetrillen i s bepalend voor de zeggingskracht van een filosofie: hoe zuiverder in zo'n filosofie het beeld als netwerk van samenhangen verwoord wordt, hoe groter de psychische werking, als meetrillen met het bewustzijn, is op de genieter.

Boeddhisme ; (Zen)-boeddhisme(nrs.96, 97 en 98)  

99.

Ik heb daarover al eerder het een en ander gezegd. Je kunt dus vaststellen dat die Indische filosofie van grote betekenis voor de mensen is. Zij is doorgedrongen tot het leven en niet, zoals onze filosofie in het westen, op de boekenplank terechtgekomen.

 

De grote zeggingskracht van de Indische filosofie is er de oorzaak van dat de zaak in de loop der tijd tot een religie (geen godsdienst) geworden is. Daarbij is het begrijpen steeds meer op de achtergrond geraakt en een complex van mythische voorstellingen en rituelen op de voorgrond. Maar zelfs die schijnen bij veel mensen nog steeds een grote psychische werking te hebben en dus voor hun dagelijkse leven veel te betekenen. Uiteraard komen er veelvuldig goden en godinnen in voor, maar de betekenis daarvan is ook een geheel andere dat die wij er aan geven. Het zijn symbolen voor bepaalde verhoudingen in de werkelijkheid, gestalten waarin die verhoudingen gegoten zijn. Met recht kun je wat dit betreft constateren dat de Indische filosofie zich van de mythe bedient, zoals al eerder gezegd: een aanvaardbare methode. Voor de westerse mens echter zijn mythen met hun goden en eventueel godinnen uitdrukking van hogere machten, die als zodanig in plaats van betekenis, uitsluitend waarde hebben, waarde waaraan je macht kunt ontlenen. .

 

Je hebt dus filosofen die zich van wetenschappelijk materiaal bedienen, maar je hebt er ook die sprookjes gebruiken. De Russische volkssprookjes bijvoorbeeld zijn beroemd om hun diepgang. In het sprookje wordt een waarheid verteld doormiddel van voorstellingen, verschijnselen en gebeurtenissen, die niet bestaan kunnen. Andere filosofen bedienen zich van vertellingen over het leven van mensen om te proberen datgene duidelijk te maken dat via het gebruik van wetenschappelijk materiaal niet goed gelukt (Sartre) en dan heb je ook nog die filosofen die een mythe gebruiken om zich uit te drukken. In het westen echter prefereert men de wetenschappelijke methode, terwijl men daarin inmiddels zo verblind is dat deze methode zelf als criterium voor filosofie wordt gehanteerd. Geheel ten onrechte, zoals we gezien hebben.

 


Als je voor je definitie van wat filosofie is het nagaan van het netwerk van samenhangen centraal stelt, wordt het terrein van de filosofie veel groter dan gewoonlijk aangenomen wordt. Maar niet alleen dat: het geheel van je filosofie wordt ook veel diepzinniger, je houdt je met essentiëler vraagstukken bezig en bovenal blijkt de psychische zeggingskracht aanzienlijk groter. Filosofie moet je niet alleen denkend begrijpen (‘cerebraal'), maar als het ware met je hele lichaam. Je moet haar tot in je botten voelen. Dan blijkt zij ook een zaak van grote schoonheid te zijn. Anderzijds evenwel wordt een belangrijk deel van de westerse filosofie volkomen oninteressant, vooral omdat zij steevast aan de oppervlakte blijft en slechts door een ingewikkelde analyse van die oppervlakte een schijn van diepzinnigheid tot stand tracht te brengen.

100.

Hoe geraffineerd die analyses vaak ook zijn, de warmte van het psychische ontbreekt en daardoor zegt zo'n filosofie ook nauwelijks iets. Zij is inderdaad alleen maar geschikt voor de boekenkast om daarin als een soort van naslagwerk voor hoog opgeleide vaklui te dienen. Het gaat steeds over analyses van het denken van anderen en dan speciaal methodologische analyses, die in feite slechts betrekking hebben op de al of niet wetenschappelijke vorm waarin iemands filosofie gegoten is. Van een beoordeling van iemands inzichten is nauwelijks sprake, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het feit dat een filosoof als Martin Heidegger (1889 - 1976) zonder al te veel moeite wereldberoemd is geworden met een bijna ondoordringbare brij van zwaarwichtige, lelijke, typisch Duitse volzinnen, die gemakkelijk als berustend op een fascistisch, patriarchaal, gewelddadig en discriminerend denken herkend kunnen worden. Een denken dat eigenlijk op niets anders berust dan op 'Blut und Boden' voorstellingen, gekoppeld aan de suprematie van het Germaanse Volk brallerig verwoord in 'Sein und Zeit' - en dat geen andere schoonheid kent dan die van de voor zijn 'vaderland' stervende soldaat, die dat ook nog als een alles overtreffende levensvervulling ziet! Zo'n 'filosofie' wordt wereldwijd geprezen als het beste dat het westerse denken ooit heeft opgeleverd. Dat zegt wel iets over de kwaliteit van het gebruikelijke westerse filosofische denken. Men herkent niet eens het oppervlakkige en zelfs banale karakter van dat filosofische denken, zoals bijvoorbeeld dat van Heidegger en zijn even beroemde collega's. En men is daarentegen enthousiast over de zogenaamd fijnzinnige manier waarop de zaak geanalyseerd en uitgewerkt is.

Je moet je filosofie niet baseren op de wetenschappelijke kennis omdat je er dan nooit zeker van kunt zijn of je gedachtegang na verloop van tijd ook nog geldig is. Die onzekerheid is dus een argument om een op de wetenschap gebaseerde filosofie als ondeugdelijk te kwalificeren. Gebruik van goed geselecteerde wetenschappelijke kennis, als materiaal voor je filosofische verhaal, is wel mogelijk, maar daarin schuilt toch ook een gevaar dat doorgaans nauwelijks herkend wordt. Eigenlijk is het helemaal niet nodig om dergelijk materiaal te gebruiken omdat een heldere, realistische, kijk op je eigen wereld voldoende is om de zaken uiteen te kunnen zetten. Het is echter wel van belang dat die kijk inderdaad realistisch is, want anders word je ongemerkt het slachtoffer van een illusie, die je gehele denken vertekent. Die illusie maakt weinig kans als je realistisch tegen je wereld aankijkt, maar hij is volstrekt niet te vermijden bij het gebruik van wetenschappelijke kennis. De onvermijdelijkheid van de illusie bij gebruik van wetenschappelijk materiaal ligt in de aard van de westerse wetenschap zelf, want niet alleen levert die wetenschap voorlopige kennis op, maar die kennis blijkt bovendien afhankelijk van onze cultuurvoorstellingen te zijn.

Als je de werkelijkheid gaat onderzoeken kan dat niet zonder dat je van tevoren een bepaald idee over de werkelijkheid hebt.

101.


Dat kan een theorie zijn, maar ook simpel een vermoeden of een hypothese. Hoe dan ook, het is een vooronderstelling en van daaruit zet je je onderzoek op en dat doe je vanzelfsprekend op zo'n manier dat je kunt verwachten bepaalde antwoorden te verkrijgen. Dat alles betekent dat je, als het ware, de werkelijkheid dwingt zich te gedragen overeenkomstig jouw eigen vooronderstelling, maar bijgevolg betekent het ook dat de gevonden antwoorden

(= wetenschappelijke kennis), hoewel op zichzelf na uitvoerige toetsing juist bevonden, in het teken van die vooronderstelling staan. De betrouwbaarheid van de verworven kennis geldt dus alleen maar binnen het kader van de vooronderstelling en als je dat niet in de gaten hebt ben je het slachtoffer van een illusie geworden: je houdt de zaak voor de waarheid, maar die waarheid is in feite een van jou afhankelijke waarheid. Jij echter bent een product van een bepaald cultuurbeeld, ontstaan door de kijk van voorgaande generaties op hun werkelijkheid. Maar als zodanig herken je jezelf niet: dat cultuurbeeld is voor jou volkomen vanzelfsprekend. En het is die vanzelfsprekendheid die je bij het filosofische gebruik van wetenschappelijk materiaal toch op het verkeerde spoor zet.

 

Het is mogelijk dat je als filosoof inderdaad op zoek gaat naar datgene dat wij het bewustzijn genoemd hebben. Dan ben je dus in principe op de juiste weg. Maar nu ga je, als goed westers filosoof, je ontdekkingen beschrijven doormiddel van wetenschappelijk materiaal waarvan je niet weet dat het geheel en al een illusie is. Dan is het gevolg dat je beschrijving ook fictief is en opgebouwd uit factoren die bedrieglijk zijn. Die opbouw kan dan nog zo logisch doordacht zijn, toch slaat het allemaal nergens op. De filosofie van de eerder genoemde Martin Heidegger is daarvan een voorbeeld. Hij zocht inderdaad een fundamentele waarheid, maar onder invloed van de denkkaders van zijn eigen, typisch Duitse, cultuur meende hij die gevonden te hebben in het 'vaderland', de bodem waarop een mens gegroeid is en het bloed dat hij van zijn voorvaderen geërfd heeft. Op die fundamenten bouwde hij zijn hele filosofie op. Hij bleek niet in staat zichzelf als bewustzijn te beschrijven in andere termen dan die door zijn eigen Duitse cultuur, bij het onderzoeken en nadenken over de werkelijkheid, opgeleverd waren. Daarmee werd zijn hele filosofie een fictie, holle praat en bovendien een warboel van duistere uitspraken en terminologieën. Volgens een van zijn, overigens eveneens nazistische, collega's was hij een "gevaarlijke gek" en een "schizofrene opportunist". De ook al eerder genoemde Popper komt heel wat beter uit de bus, maar als hij over de mogelijkheden van een betere maatschappij nadenkt, in ’The open society and its ennemies’, gelukt het hem niet om de werkelijke grondslagen van het mens-zijn en de samenleving boven water te krijgen, doordat hij niet los komt van de vooronderstelling dat een samenleving van bovenaf geleid zou moeten worden en dat die hogere leiding essentieel zou zijn voor de democratie. Gegeven die vooronderstelling werkt hij de democratische samenleving heel helder uit, onder andere door te stellen dat het juist de onenigheid, de onderlinge tegenspraak en kritiek, is die een samenleving optimaal maakt.

102.

Maar intussen klopt zijn wereld niet en is ook zijn ‘Open society’ in wezen een fictie.

Al eerder heb ik gesproken over de suprematie van de geest. Deze suprematie is de meest diepgewortelde vooronderstelling die voor de westerse cultuur geldt.

Eerste gevolg daarvan is de analytische gesteldheid. In de filosofie komt die vooral voor de dag in het 'Angelsaksische' denken waarin men meent door ontleden van de werkelijkheid de essentie daarvan te vinden en op grond daarvan zinnige uitspraken te kunnen doen. Zo erg zinnig kunnen dergelijke uitspraken echter nimmer zijn omdat de analyse helemaal niets oplevert, en dus ook geen essentie. Die filosofie is dan ook helemaal vastgelopen.


Een tweede gevolg is het denken in machtsverhoudingen. Op een uitgesproken autoritaire manier komt dat bij Heidegger voor de dag: bij hem draait het eigenlijk allemaal om de macht, een macht die welbeschouwd al bij voorbaat gegeven is vanuit de grondslag van 'Blut und Boden'. Bij Popper draait alles natuurlijk ook om de machtsverhoudingen, maar hij beschouwt die niet als gegeven: bij hem moet de macht zich ontwikkelen uit de tegenstellingen tussen de kritische burgers. Langs die weg legitimeert zich de maatschappelijke macht.

Een derde gevolg is de centrale plaats die de strijd inneemt. Sinds Darwin (1809 - 1882) de idee van 'the survival of the fittest' lanceerde is er in het denken een stroming ontstaan die 'Sociaal Darwinisme' genoemd wordt. Daarin wordt het menselijk leven voorgesteld als een strijd om het bestaan, en dat houdt logischerwijze ook in dat de overwinnaar, juist doordat hij de sterkste is gebleken, recht heeft op macht over de verliezers.

Deze gedachte heeft in het Nationaal-socialisme en in het Fascisme een grote rol gespeeld. Ook het denken van Heidegger is er van doortrokken: de overwinnaar is bij hem de 'held', die zich uit de Germaanse bodem verheft en zo de leidsman van het volk wordt.

 

Op de een of andere manier leidt het gebruik van wetenschappelijk materiaal, voor zover het als bouwsteen voor de filosofische beschrijving van de werkelijkheid fungeert, tot gigantische ficties, althans als men niet in de gaten heeft dat dit materiaal op een illusie berust. Daarom is het veel en veel beter materiaal te gebruiken dat je ontleent aan het dagelijkse leven, al of niet aangevuld met datgene dat de verschillende kunsten aan materiaal opleveren. In de wereldliteratuur bijvoorbeeld schuilt een bijna onuitputtelijke schat aan gegevens die veel realistischer zijn dan welke door wetenschappers uitgedokterde kennis ook. Niet dat die kennis op zichzelf te verwerpen zou zijn: binnen haar eigen kaders is zij voortreffelijk. Maar het gaat er nu om wat je er filosofisch mee kunt doen.

Voor het beschrijven van de werkelijkheid, op filosofische wijze, zijn de gegevens uit het dagelijkse leven verre te verkiezen boven die van de wetenschap.

Bovenkant document

103

Je kunt inderdaad instemmen met de, waarschijnlijk zelfs tot Socrates terug te voeren, uitspraak "de filosofie ligt op straat". Er moet je natuurlijk wel iets aan dat dagelijkse leven opvallen. Maar als dat inderdaad het geval is heb je tegenwoordig, vooral door de enorme uitbreiding van de communicatie, een bijna onuitputtelijke bron van informatie. De zo verkregen gegevens bieden bovendien het voordeel dat je beschrijving van de werkelijkheid veel gemakkelijker te begrijpen is. Het gedoe van alledag is aan vrijwel iedereen bekend en dat heeft als gevolg dat iedereen, behalve een erg kortzichtige botterik, je verhaal kan controleren.

Het gebruik van wetenschappelijk materiaal vooronderstelt bij de 'genieter' een tamelijk hoge vorming, en zelfs dan is het verhaal bijna niet te volgen. In feite is en blijft het een verhaal voor insiders. Dat zou prima in orde zijn als het uitsluitend over iets wetenschappelijks ging dat voor het dagelijkse leven van geen direct belang is. Hoe in je televisietoestel de radiogolven omgezet worden tot beelden is alleen maar interessant voor de ontwerper van zo'n toestel. De kennis daarvan kan uitstekend in vaktaal en formules uitgedrukt worden. Maar de gevolgen van die kennis, in het algemeen de technologie, zijn wezenlijk weer niet voor insiders maar voor de mensen.

 


De filosofie is er, net als de kunst, niet voor vaklui. Zij is er voor de mensen, niet in die zin dat je je als filosoof opstelt als een producent die uitgekookt datgene maakt wat de mensen vragen, maar daarentegen in die zin dat het filosofische verhaal aan de mensen verteld wordt omdat je het als filosoof vertellen moet, geheel en al vanuit jezelf. Je doet het omdat je het niet laten kunt. Wat de mensen ermee doen, of ze het een aangenaam verhaal vinden of er kwaad om worden, dat is voor de filosoof niet interessant. Kunst noch filosofie worden 'voor het volk' gemaakt, maar zodra het kunstwerk en het filosofische verhaal er eenmaal zijn behoren ze de mensen toe. Daarom moeten ze verstaanbaar zijn. Dan zijn er natuurlijk toch nog mensen die er niets van begrijpen, maar dat wordt dan niet door een exclusieve vaktaal veroorzaakt, maar door onbegrip bij die mensen zelf. Het is nu eenmaal zo dat, zeker in onze cultuur, een grote groep mensen in hoge mate ongevoelig voor schoonheid en filosofie is. Maar intussen gaat het toch steeds om de eerlijke poging de werkelijkheid te laten ervaren (kunst) of de werkelijkheid te beschrijven (filosofie) zoals die werkelijkheid eigenlijk is. En dat is onze werkelijkheid, niet exclusief die van een al of niet wetenschappelijke élite.

Bovenkant document

De wetenschap zelf is er voor de wetenschappers, maar de filosofie en de kunst zijn er voor de mensen. Naarmate de kunst en de filosofie echter op de een of andere manier een zaak van wetenschap worden men vindt immers dat je er 'verstand' van moet hebben! - trekken zij zich terug in een exclusief wereldje: de kunstwerken worden in de kluizen van de élites opgeborgen en de filosofieën verdwijnen in de bibliotheken van de universiteiten, uitsluitend bestemd voor de wetenschappelijke élite.

104.

Men is voor zijn eigen coterie bezig, houdt elkaar angstvallig in de gaten om elkaar de loef af te steken en vooral niet in het vergeetboek te geraken. Men moet door de collega's 'hooggeacht' worden! Het mooiste is het om dan ook nog een leerstoel op een beroemde universiteit te verwerven. En voor zover bepaalde schrijvers en uitgevers er brood in zien kan er voor het 'grote publiek' een populaire 'vertaling' van een gedachtegang, of een reproductie van een kunstwerk, gemaakt worden.

 

De kunst heeft van oudsher het beeld van de werkelijkheid, met de nadruk op de schoonheid, ervaarbaar gemaakt. Dat geldt zelfs voor de moderne kunst, ondanks het feit dat die gekenmerkt wordt door het, typisch moderne, fenomeen dat zij, qua wijze van uitdrukken, stuk geanalyseerd is. Ook die verbroken kunst gaat nog altijd over de werkelijkheid zoals zij eigenlijk is. Hoe aan die werkelijkheid ook gestalte gegeven wordt, op de een of andere manier bevat de kunst een schat aan materiaal voor de filosofie. Vooral de literatuur blinkt hierin uit. Als je bijvoorbeeld nadenkt over de cultuur van het Russische volk heeft het weinig zin om daarbij de filosofie te raadplegen. Die heeft zich er nauwelijks mee bezig gehouden. Maar de Russische literatuur is een rijke bron, uiteraard voornamelijk omdat daarin het leven van alledag, naar alle mogelijke aspecten, beschreven wordt.


Intussen zit er wel degelijk een intellectuele factor in de filosofie. Het is een kwestie van logisch, d.w.z. samenhangend, nadenken. Op grond daarvan is te stellen dat de zaak gebonden is aan argumentaties, en dat houdt dan weer in dat er in principe discussie mogelijk is. Omdat dit het geval is moet je als filosoof bereid zijn je eigen gedachten ter discussie te stellen. Maar, dat wil nog niet zeggen dat er over je filosofie wezenlijk te discussiëren valt. Geen enkele discussie kan aan je filosofie iets toe of af doen en de vraag of iemand het al of niet met je eens is heeft geen enkel belang. Als iemand de zaken anders ziet kun je alleen maar constateren dat dit het geval is en misschien kun je er ook nog achter komen waarom dit zo is. De discussie evenwel levert geen andere kijk op de werkelijkheid op. Van een schilderij van bijvoorbeeld Rembrandt kun je ook niet zeggen dat je het er al of niet mee eens bent. Het begrip 'het ergens mee eens zijn of niet' valt geheel buiten het kader van de filosofie en ook van de kunst. Het schilderij van Rembrandt kun je mooi vinden en je kunt het niet mooi vinden en discussie daarover is uitgesloten. Je kunt een filosofie 'waar' of 'geldig' vinden of niet, al naar gelang je eigen kijk op de werkelijkheid en de mate waarin je, langs de weg van de twijfel, jezelf als bewustzijn benaderd hebt. Op grond daarvan heeft een filosofie je iets te zeggen. Discussie daarover is onmogelijk en dus speelt het er al of niet, mee eens zijn' geen enkele rol. Het is een wetenschappelijke grootheid, die gaat gelden waar het overdraagbaar-zijn van kennis aan de orde is. Essentieel daarbij is dat die kennis je van buitenaf aangeboden wordt en dat je je daarmee zou moeten verenigen, dat je die kennis 'tot de jouwe' zou moeten maken. Dat is de betekenis van het 'ergens mee eens zijn'.

105.

Het filosofische verhaal echter biedt je niets van buitenaf aan, het roept daarentegen iets wakker dat al in je aanwezig is, stelt dat in het licht van je zelfbewustzijn en maakt het, waar nodig en mogelijk, duidelijk.

 

Toegegeven moet worden dat er, voor moderne westerse en vooral wetenschappelijke begrippen, iets absoluuts in de filosofie steekt, als zij wel ter discussie staat maar tegelijk niet voor discussie vatbaar is. Dat echter is dezelfde absoluutheid die de kunst kenmerkt. Die absoluutheid heeft niets met dogma's of autoriteit te maken, louter en alleen met de bezigheid van het filosoferen zelf. Dat immers is een blootleggen van de werkelijkheid zoals ze eigenlijk is en zoals ze is zo is ze. Je kunt dat aanvaarden of niet, maar er valt logischerwijze niets tegenin te brengen. Als de poes een muis vangt en opeet kun je niet stellen dat je het met de natuur niet eens bent:

 

Toen Spinoza zich, omstreeks 1662, zette tot het schrijven van zijn 'Ethica' besloot hij dat hij dit werk in een wetenschappelijke vorm moest gieten. Uiteraard verwachtte hij daarvan dat het de eenduidigheid van zijn gedachtegang ten goede zou komen. Achteraf gezien blijkt het maar zeer de vraag te zijn of hij er goed aan deed die wetenschappelijke vorm te kiezen. In ieder geval is zijn 'Ethica' moeilijk te lezen - moeilijker dan zijn andere geschriften, bijvoorbeeld de ‘Politieke verhandeling' (1676) - en bovendien is het allemaal erg ingewikkeld. Daarin staat Spinoza niet alleen: de gehele westerse filosofie, althans de wat modernere, blinkt uit door ingewikkeldheid, deels veroorzaakt door een overvloed aan erbij betrokken materiaal, deels door een bijna ziekelijke geraffineerdheid in het maken van analyses en voor een deel ook nog door het gebruik van, bekend veronderstelde, vakmatige begrippen. Er is dan ook, vooral tegenwoordig, behoefte aan 'vertalingen' van de filosofische werken. Maar daaraan kleeft dan weer het nadeel dat je er niet zeker van kunt zijn of de vertaler het zelf allemaal wel begrepen heeft. Als je je realiseert dat de moderne intellectuele cultuur niet bepaald gekenmerkt wordt door begrip van en voor de werkelijkheid, wordt die onzekerheid des te klemmender.

 


We hebben het nu over filosofen uit de westerse cultuur. Die staan, zoals al eerder besproken, in het teken van de suprematie van de 'geest' en, daarmee in samenhang, in het teken van de zogenaamde objectieve benadering van de werkelijkheid. Men richt zich op de, dingen' en stelt zich daarbij zo op dat die dingen als fundamenteel buiten henzelf beschouwd worden. Daarenboven leeft bij hen de overtuiging dat de essentie van de werkelijkheid door het uit elkaar halen van de dingen gevonden kan worden. Het gevolg van deze instelling is dat de resultaten van de filosofische activiteit slechts bij hoge uitzondering de moeite van het weten waard zijn. Het is doorgaans niet veel bijzonders.

106.

De zaak blijft voortdurend steken in een opsomming en systematisering van een grote hoeveelheid onderdelen, die een enkele keer in een verrassend daglicht gesteld worden, maar die het meestal nog ondoorzichtiger maken dan het al was. Wat je eigenlijk mist is 'diepgang'.

 

Zo zijn er boekenkasten vol geschreven over het vraagstuk van de 'geest' en de veronderstelde inwerking daarvan op het gedrag van de mensen. Maar in geen van die uitvoerige studies tref je de eenvoudige constatering aan dat de geest niets anders is dan de materie, die zich, terechtgekomen in de situatie van uiterste verdichting en innigste organisatie, doet gelden alsof ze géén materie was. Eigenlijk komt Hegel er nog het dichtste bij in zijn 'Fenomenologie des Geistes' (1806). Telkens blijkt dat de werkelijkheid eenvoudig te begrijpen is als je laat gelden dat het om het nagaan van het netwerk van samenhangen gaat. Van daaruit kun je vervolgens een heleboel nuances beschrijven, die op zichzelf ook weer eenvoudig zijn. Het is natuurlijk een feit dat dat netwerk uiterst verfijnd is. Daardoor zit je als filosoof nooit om onderwerpen verlegen en kan elk onderwerp altijd nog verfijnder uitgewerkt worden. Maar ingewikkeld wordt het - als het goed is - nooit.

 

Vanwaar nu die ingewikkeldheid van de moderne filosofie en de daaronder verborgen oppervlakkigheid van denken? De oorzaak van de ingewikkeldheid is gelegen in de veelvormigheid van de werkelijkheid als verschijnsel. Als je dat verschijnsel uit elkaar gaat halen krijg je met een steeds grotere hoeveelheid details te doen. Die details bestaan enerzijds uit, almaar kleinere en primitievere, verschijnseltjes, en anderzijds uit steeds ijlere relaties tussen die verschijnseltjes. Maar, zoals al eerder aangetoond: de samenhang tussen al die onderdelen is verdwenen. Ze staan bijgevolg los van elkaar, ze zijn als 'los zand'. En nu is het juist dat van elkaar losstaan dat de zaak zo ingewikkeld maakt, omdat er een heel arsenaal van verschillende relaties aan te pas moet komen om duidelijk te maken dat er wel degelijk een samenhang tussen al die details zou zijn. Ondanks het blootleggen van al die relaties echter wordt er geen enkele samenhang duidelijk gemaakt. Daardoor blijkt steeds dat zo'n filosofisch betoog niet veel bijzonders is. Behalve 'niets bijzonders' is de zaak ook nog oppervlakkig.


Ook dat komt doordat het steeds over verschijnselen gaat. Die zijn op zichzelf ondoorzichtig en slechts aan hun oppervlakte te kennen. Aan die oppervlakte speelt zich ook het gelden van de relaties af. Zo diep kun je niet gaan met je analyse of onvermijdelijk tref je steeds Ondoorzichtige oppervlakten en hu n relaties aan, en dat in almaar grotere hoeveelheden. Bovendien zijn die relaties per definitie 'werkingen tussen verschijnselen die zich naar buiten toe laten gelden'. Je kunt dus niet anders verwachten dan dat je voortdurend met uitwendige, oppervlakkige, zaken van doen krijgt.

Het gaat in de filosofie om het netwerk van samenhangen. De meeste filosofen omschrijven hun activiteit anders, maar bij nadere beschouwing blijkt toch dat het daarom te doen is. Het kan namelijk nergens anders om gaan.

107.

Vaak lijkt het alsof de (moderne) filosofen niet toe willen geven dat het om dit netwerk draait. Zijn zij bang om van 'speculatieve' of 'metafysische' filosofie beschuldigd te worden? Zeker is dat het netwerk van samenhangen door het moderne denken als irreëel afgewezen wordt, omdat er voor dat denken helemaal geen samenhang meer is. Als je als filosoof daarop dan toch aangewezen bent, ga je er automatisch toe over de zaak anders te benoemen, enerzijds omdat je niet voor gek wilt staan en anderzijds omdat je niet kan begrijpen waarmee je eigenlijk bezig bent. Uit deze angst om voor gek te staan en vooral het gebrek aan inzicht in de eigen filosofische activiteit komt het zich richten op de uitwendige wereld van de dingen voort, met als onvermijdelijk gevolg dat het filosofische resultaat steeds ingewikkelder wordt, steeds banaler en steeds oppervlakkiger.

Het zich richten op de uitwendige wereld betekent ook dat men zich met de filosofieën van collega's gaat bezig houden, sterker nog: dat is een uiterst vruchtbaar terrein voor het filosofische denken. De moderne filosofen zijn thans beter thuis in de filosofie van anderen dan in de werkelijkheid. Maar daarop waren hun vragen toch eigenlijk gericht! Het is dan ook niet voor niets dat de filosofen van vroeger aanzienlijk helderder in hun beschrijven van de werkelijkheid waren, afgezien van de vraag of en in hoeverre hun inzichten nu werkelijk aan de waarheid beantwoordden. Voor hen was het analytische cultuurproces nog niet zover doorgezet.

 

Natuurlijk is het bovenstaande allemaal terug te brengen tot de verborgen vooronderstellingen van de huidige cultuur. Vooronderstellingen waarvan de funeste werking zich temeer laat gelden naarmate de filosofen meer gebruik denken te moeten maken van wetenschappelijk materiaal voor hun beschrijving van de werkelijkheid. Zoals ik al eerder heb laten zien is het bij een groot aantal filosofen trouwens nog maar de vraag of zij niet alleen maar wetenschappelijk bezig zijn en zelfs niet het besef hebben dat het er bij het stellen van de vraag 'hoe het zit met de werkelijkheid' om gaat het netwerk van samenhangen na te gaan.

 

Uit alles wat wij tot nu toe besproken hebben blijkt dat het er bij het filosoferen om gaat letterlijk alles in twijfel te trekken. Dat betekent uiteraard dat je je al bij voorbaat niet gebonden acht aan welke overtuiging, opvatting, theorie dan ook. Zelfs niet aan de resultaten van je eigen (vroegere) denken. Het gaat er steeds om het beeld van de werkelijkheid te vinden op het moment 'nu' en op grond daarvan 'een nieuwe wereld' te beschrijven. Vanuit deze gesteldheid is het onmogelijk om aan je filosofie een naam te geven. Niet alleen kun je je filosofie geen naam geven vanuit de een of andere levensovertuiging, zoals Calvinistisch, Hindoeïstisch of Humanistisch, maar het is zelfs onmogelijk dat te doen vanuit het ‘vak', zoals Kantiaans, Hegeliaans, Positivistisch of post- modern. Dat dit naam- geven tegenwoordig echter gebruikelijk is komt voort uit een niet- begrijpen van datgene dat filosofie eigenlijk is.


108.

Omdat men zich op de dingen, de verschijnselen, richt blijft het zogenaamd filosofische denken beperkt tot bepaalde, van tevoren uitgedachte, methodieken, die op hun beurt weer bepaald worden door overtuigingen die op zichzelf niet in het denken betrokken worden: geen onderwerp van dat denken zijn.

Je kunt al geruime tijd opmerken dat men bepaalde gedachtegangen, die betrekking hebben op bepaalde zaken, zoals politiek, godsdienst, medische ethiek, ja zelfs het voetballen, filosofieën noemt, bijvoorbeeld 'de filosofie achter het voetballen', enzovoort.

Die gedachtegangen hebben natuurlijk niets met filosofie te maken, maar alles met opvattingen, theorieën en dergelijke. Anderzijds hebben zij weer zoveel met filosofie te maken dat je er uit kunt leren wat de moderne mensen onder ’filosofie' verstaan en dat is dan steeds een zaak die op bepaalde verschijnselen betrekking heeft. Overigens: op deze banalisering van de filosofie werd al door Hegel gewezen aan het begin van de 19e eeuw, en ook wist hij al te vertellen dat vooral de, toentertijd naar voren komende, Angelsaksische filosofie aan dit euvel mank ging...

 

In de moderne academische filosofie speelt het vraagstuk van de 'premissen' een grote rol. Dat betekent dat men ontdekt heeft dat je bij het filosofische denken noodzakelijk van bepaalde vooronderstellingen uitgaat en dat die altijd in het denken mee blijven spelen. Op grond van die vooronderstellingen en uitgangspunten zou je ook als filosoof onvermijdelijk een 'kind van je tijd' zijn, zonder ook maar de geringste mogelijkheid te hebben daar ooit los van te komen. En dan zegt men vervolgens dat het dus van belang zou zijn om uit te zoeken welke premissen logisch aanvaardbaar zijn en welke niet. Het resultaat is dat iedereen zijn eigen overtuiging als het enig mogelijke logische uitgangspunt verdedigt en in het vuur van dat gevecht vergeet over het bestaan van die premissen zelf na te denken!

 

Op zichzelf is de erkenning dat je niet om de premissen heen kunt juist. Je begint onvermijdelijk met de wereld die je aantreft en van daaruit ga je aan de gang. Het is juist die gegéven wereld die je tot denken zet en je, zoals Kant, doet vragen naar 'das Ding an sich', oftewel: hoe zou het nu eigenlijk zitten? Die aangetroffen wereld is voor iedereen anders. Omdat dit een volstrekt feit is kun je vaststellen dat het er helemaal niet toe doet met welke premissen je begint. Iedereen begint met het zijne en iedereen kan zelfs binnen die context nog kiezen van welk uitgangspunt uit te gaan. Als atheïst bijvoorbeeld kun je best beginnen met te stellen dat god bestaat. De vraag naar logisch verantwoorde premissen is dan ook, omdat je overal kunt beginnen, een zinloze vraag, althans, let wel, in verband met de filosofie, want voor de wetenschap heeft die vraag wel degelijk zin.

 

Zoals we gezien hebben ga je, filosoferende, door de dingen heen. Je maakt ze los en daarmee wordt de werkelijkheid als beeld zichtbaar. Die werkelijkheid blijkt een netwerk van samenhangen te zijn.

109.


Vanuit dat netwerk ga je de zaak bekijken en omdat het daarbij gaat om het ‘los maken' is het van geen belang waarmee je begint: het moet toch losgemaakt worden! Maar wat wel degelijk van belang is, is dit dat je je premissen uiterst serieus neemt en er ernstig mee aan de slag gaat. Alleen dan kun je er doorheen gaan en er tenslotte achter komen hoe de zaak nu echt zit. En dan komt voor de meeste mensen, ook filosofen, het moeilijkste omdat je nu bijna altijd je premissen moet laten vallen.

Omdat dit zo moeilijk is zoekt men een uitvlucht en stelt triomfantelijk vast 'dat je nu eenmaal een kind van je tijd bent'. Dat zoeken van een uitvlucht komt veelvuldig voor, speciaal bij denkers die de suprematie van de geest in stand houden.

Die denkers komen dan plotseling, als hun wereld door hun denken in dreigt te storten, met een 'Deus ex Machina' (god uit een machine, dus een 'duveltje uit een doosje') om de zaak te redden.

Leo Polak (wijsgeer en vrijdenker, 1880 - 1941) vond een soort van ingeboren hoger (zelf)bewustzijn van redelijkheid uit waaraan alle mensen onderworpen zouden zijn - voor hem een goed argument om te verdedigen dat bepaalde mensen het recht hebben aan andere mensen kwaad te vergelden. En Heidegger kwam met zijn 'Vaterland' als hoger beginsel.

In feite zijn het uitvluchten om premissen in stand te houden op het moment dat zij dreigen in te storten. Maar eigenlijk zou je als denker verheugd moeten zijn, omdat je er achter bent gekomen dat een bepaalde premisse niet houdbaar is gebleken. Desnoods weet je om te beginnen niet wat je nu met de zaak aan moet, maar dat is verre te verkiezen boven een fictie die je eerst voor waar hield. Toch is er, wat dit betreft, best van een 'wanhoopsmoment' te spreken. Als je niet ziet wat het instorten van premissen betekent word je wanhopig. In de literatuur vind je daarvan voorbeelden: Raskolnikov, Iwan en Dmitri Karamazow bij Dostojewski en eigenlijk ook bij Shakespeare in de figuur van Hamlet, enzovoort. De mensen voelen zich eenzaam, maar ook schuldig omdat zij alles en iedereen in de steek gelaten hebben. Het is op zichzelf dan ook begrijpelijk dat het 'wanhoopsmoment' leidt tot een uitvlucht, het grijpen van een reddingsboei en het bedenken van een 'Deus ex Machina'. Maar er zijn er ook die krankzinnig worden, zoals bijvoorbeeld Friedrich Nietzsche en bij Dostojewski figuren als de ingenieur Kirilow.

 

Het je toevlucht nemen tot een truc komt vooral in het westerse denken voor. In het oosten prijst Boeddha het Nirwana en Krisnamurti vindt dat je je moet 'onthechten'. Volgens het Evangelie moet je alles achter je laten. Het 'wanhoopsmoment' wordt dus positief gewaardeerd en dat staat in tegenstelling tot de westerse negatieve waardering. Dat komt door de suprematie van de geest, die zich als iets hogers opdringt, juist omdat het de 'geest' is die een rol speelt bij het door de dingen heengaan, het beweeglijk maken. Als je het netwerk van samenhangen ontdekt hebt begrijp je vanzelf waarom je een thema van alle kanten kunt benaderen. Maar je begrijpt ook dat elke benadering in volle samenhang met 'het overige' moet zijn, ook als je dat overige tijdelijk, omdat je niet alles in een keer kunt bespreken, buiten beschouwing laat.

110.

Maar, als 'buiten beschouwing gelaten zaak' zal dat overige toch mee moeten doen, de samenhang mag niet verbroken worden. Gezien in dat licht maakt het niet uit waar ik mijn reis begin.


In verband met het vraagstuk van de 'premissen' is ter sprake gekomen dat je, volgens de moderne denkers, onvermijdelijk een 'kind van je tijd' zal zijn en blijven. Hierover is nog het volgende te zeggen: het is juist de kunst van het filosoferen dat je door de premissen hééngaat. Waarom het gaat is dat je daarmee bezig bent en dat doe je, eenmaal op die weg zijnde, noodzakelijk zo goed mogelijk. Hoe goed? Dat hangt af van je aanleg, zodat je daaraan geen boodschap hebt.

Filosoferen, als persoonlijke activiteit, is heel wel te omschrijven als: "het voortdurend pogen door al het gegevene heen te gaan". Als je het filosoferen zo opvat is de veelgehoorde opmerking over de onvermijdelijkheid van premissen in feite een domme opmerking, waaruit blijkt dat men niet in de gaten heeft wat filosoferen nu eigenlijk is.

 

In zekere zin heeft men gelijk als men zegt dat je een 'kind van je tijd' bent. Maar dat kan alleen maar betrekking hebben op het materiaal dat je voor het resultaat van het filosoferen, namelijk het 'betoog', gebruiken moet.

Uit dat materiaal, zeker als het 'uit het leven gegrepen' is, blijkt in welke tijd je leeft, en op welke plaats en onder welke omstandigheden. En ook uit je taalgebruik blijkt van allerlei. Maar ook dat alles is van geen wezenlijk belang. Wat Rembrandt laat zien in 'Stoffeltje' is niet afhankelijk van de aankleding van het tafereel, de verf, het linnen en de penselen. Dat is alles maar bijzaak.

Alweer: de filosofie is het beschrijven van de werkelijkheid vanuit het netwerk van samenhangen, en het gebruikte materiaal en gereedschap zijn van ondergeschikte betekenis. Daarom gaat het de filosoof nu juist om het 'door je tijd heengaan'. De kunstenaar gaat het daar niet om; het is hem (als het goed is) om schoonheid te doen. Maar om daartoe te komen gaat ook hij 'door zijn tijd heen'. Omdat het moderne denken 'dinggericht' is zit men heel modderig te tobben met de ' premissen ' en het 'kind van je tijd zijn'. Wat er werkelijk te begrijpen en te zien valt is zo langzamerhand geheel op de achtergrond geraakt...

 

De werkelijkheid als netwerk van samenhangen(zie hoofdwerk Beweging en Verschijnsel deel 1, 2 en 3) is te beschouwen als 'het wezen' van de werkelijkheid, in die zin dat het begrijpen daarvan leidt tot het begrijpen van alle tijdelijke verschijningsvormen waartoe de beweeglijkheden komen. Die beweeglijkheden zelf zijn niet te benoemen met 'het wezen', omdat zij nergens in betrokken zijn en als zodanig geen aanleiding kunnen geven tot begrijpen. Je weet dat zij er zijn en daaruit leid je allerlei verhoudingen af en die zijn het dan die tenslotte dat netwerk blijken te vormen. Aan dat netwerk kun je allerlei namen geven in verband met de functie die het heeft voor een mens. Ik heb gesproken over de 'waarheid', over een 'toetssteen', een 'referentiekader' en dergelijke. Dit mag evenwel niet opgevat worden als een soort van formule, die, eenmaal bekend geworden, de oplossing biedt voor alle problemen.

111.

Men spreekt in dit verband van een 'Archimedisch punt', naar de Griekse wis- en natuurkundige Archimedes (287 - 212 v.o. j.). Het netwerk is daarentegen een systeem van verhoudingen dat nooit in de vorm van overdraagbare, voor een ieder te leren, kennis bekend zal kunnen worden. Het behoort immers niet tot de buitenwereld en kan dus niet, al vertel je er nog zoveel over, aantoonbaar gemaakt worden. Bijgevolg zal dat netwerk steeds, door een ieder persoonlijk, opgezocht moeten worden.

 


Onder het begrip 'Archimedisch punt' blijkt men te verstaan een vast punt in de werkelijkheid waaraan alles af te meten is. De moderne filosofen zijn van mening dat een dergelijk punt niet aanwezig is, hoewel zij tegelijk daaraan twijfelen omdat het feit dat men zo'n punt niet heeft kunnen vinden nog niet betekent dat het er niet is. Er is dus nog hoop! Als zo'n punt er namelijk wel is, kun je alles daaraan ophangen, in die zin dat je van alles de waarde kunt bepalen, omdat je dan beschikt over een meeteenheid. Daarmee is de basis gelegd voor het veroordelen, het als minderwaardig beschouwen, van bepaalde al of niet menselijke verschijnselen. Uit de discussie over het 'Archimedisch punt' kun je afleiden dat men graag zou willen dat zo'n punt bestond. Welbeschouwd berust onze gehele cultuur op de al of niet bewuste aanname van een ‘Archimedisch punt': vroeger heeft men god als zodanig gebruikt.

 

Tegenwoordig is het gebruik van god minder in zwang, maar daarvoor in de plaats zijn er 'nieuwe goden' gekomen, doorgaans van politiek economische aard. Het 'Archimedisch punt' moet een vast punt zijn, d.w.z. het moet iets absoluuts zijn. Bovendien drukt het begrip 'punt' uit dat het enkelvoudig en dus niet verder ontleedbaar moet zijn. En aan dat vaste punt moet alles afgemeten kunnen worden, uiteraard omdat je te doen hebt met de oorsprong van alle dingen.

Dat is overigens precies dezelfde functie als die men steeds aan god toekende. Deze kwalificaties geven ongewild ook weer een duidelijke karakterisering van het westerse denken in het algemeen en van de filosofie in het bijzonder. Op zichzelf is het zoeken naar een 'grondwaarheid' niet fout, maar wel het feit dat men er de kwaliteiten 'vast', 'enkelvoudig' en 'meetbaarheid' aan toekent.

Het door ons gevonden netwerk van samenhangen mist de aan het 'Archimedisch punt' toegekende kwaliteiten ten enenmale. Ten eerste is dat netwerk niet vast, maar juist volkomen beweeglijk, ten tweede is het geen punt maar een oneindigheid van punten (beweeglijkheden) en ten derde valt er niets te meten. Maar het is wel de 'grondtoon' van de werkelijkheid, van waaruit je, filosofisch gesproken, alles moet denken en beschrijven.

 

Deze 'grondtoon' echter leent zich niet tot metingen en daardoor ook niet tot waardebepalingen en, ten gevolge daarvan, tot veroordelingen. In de filosofie meet je niet af, maar je spiegelt alles aan dat netwerk. Veroordelingen spreek je dan ook niet uit in de filosofie, maar een oordeel wel. Je spiegelt je realiteit voortdurend af aan het netwerk en het resultaat daarvan is een oordeel, oftewel een beoordeling.

112.

Een beoordeling houdt, omdat het geen waardeoordeel is, geen afwijzing in: alles wat er is mag er voor jou als filosoof zijn en blijven, ook als de beoordeling negatief uitvalt. Je hebt geen behoefte aan veranderen, maar slechts aan begrijpen. Karl Marx heeft dan ook niets van de filosofie begrepen, want hij verweet de filosofen dat zij er niet toe overgingen de wereld te veranderen...

 


Elke behoefte tot veranderen is gegrond in een waardeoordeel en de daaruit voortkomende wens om iets weg te willen hebben, er niet langer te laten zijn. Uiteraard tegelijk met de wens om iets anders ervoor in de plaats te stellen. Vanuit onze cultuur zitten wij vol met dergelijke wensen, maar welbeschouwd is er nog nooit iets van terechtgekomen. Als je onze wereld nauwkeurig observeert kun je constateren dat alles wat veranderd is juist tot stand kwam bij afwezigheid van de wil tot veranderen. Het kwam tot stand door het leren begrijpen van de realiteit. Daarom: als en voor zover je de realiteit begrijpt verander je zelf en daarmee verandert je wereld. Zo er al van een 'wil' te spreken is, blijkt die gericht te zijn op dat begrijpen en niet op het veranderen. Dat alles klopt met het functioneren van het netwerk van samenhangen: oordeel zonder veroordeling, spiegeling zonder afmeten, doordenken zonder principes.

 

Het eigenaardige met dat 'Archimedisch punt' is dat men enerzijds zeker meent te weten dat het niet bestaat en dat men anderzijds gewoon doorgaat met het volgen van gedachtegangen die gebaseerd zijn op het wel-bestaan van zo'n punt. Er wordt dus geen conclusie getrokken uit de eigen bewering. Men zoekt niet naar mogelijkheden om een andere redenering op te bouwen. Zou men dat wel doen, men zou misschien ontdekken hoe het zit met het bewustzijn, het beeld en het netwerk van samenhangen. Overigens is het dan ook nog maar de vraag of men de zaak zal vertrouwen en of men de onbevangenheid heeft om er grondig op door te denken, dwars tegen het gebruikelijke cultuurdenken in.

 

Het gevolg van de stilzwijgende aanname van een vast referentiepunt, al of niet verscholen onder het een of ander redelijk ogend begrip, is dat men onvermijdelijk over gaat tot het vellen van waardeoordelen. En die leiden er dan weer toe dat men sommige zaken hemelhoog prijst en andere zonder meer veroordeelt en wil vernietigen: men wil de wereld gaan veranderen. Het slechte moet verdwijnen en het betere moet ervoor in de plaats komen. Hierbij passen twee opmerkingen. Ten eerste: het is heel goed mogelijk dat datgene dat verdwijnen moet, omdat men het slecht vindt, bij filosofische spiegeling aan het netwerk inderdaad als verkeerd beoordeeld moet worden. En ten tweede: het gevelde waardeoordeel hangt onvermijdelijk af van het referentiepunt dat men zelf, doorgaans op grond van een complex van persoonlijke conditioneringen, gekozen heeft. Filosofisch gezien is het daarom maar een toevalligheid als zo'n waardeoordeel gegrond blijkt in een houdbaar oordeel. Zo waren de waardeoordelen van de toenmalige idealistische socialisten qua betekenis in menig opzicht vanuit het netwerk van samenhangen te verdedigen.

113.

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ;Deugt je brein voor het gereglementeerde…


Maar, achteraf beschouwd, kwamen ze niet voort uit de filosofische spiegeling met dat netwerk, maar uit het karakter van de nieuwe cultuurfase die op doorbreken stond: de industriële revolutie. De moderne industrie kon niet draaien met verpauperde, uitgebuite en ontevreden arbeiders, die toentertijd bovendien in een zeer slechte lichamelijke en geestelijke conditie waren. Het was dus binnen de context van die nieuwe cultuurfase van grote waarde dat in die situatie verandering zou komen - en dat is dan ook precies wat zich doorgezet heeft! Van de socialistische idealen, zich manifesterend als de wil om de maatschappij wezenlijk te veranderen, is letterlijk niets terechtgekomen. Doorgegaan is datgene dat men niet speciaal wilde, maar dat wel als kiem klaarlag in die nieuwe cultuurfase van de op de economie gerichte, grootschalig industriële maatschappij. Dit laatste betekent dat de huidige verworvenheden er zonder de socialisten ook wel gekomen zouden zijn, maar, anderzijds, betekent het ook weer niet dat de socialisten er in de praktijk niet duchtig aan meegewerkt hebben. Die medewerking echter resulteerde uitsluitend in verworvenheden die binnen het kader van die moderne maatschappij mogelijk waren en het is juist dit laatste dat voor de echte idealisten aanleiding was (en is) om van een 'verloedering van het socialisme' en zelfs van een teloorgang te spreken. Tegenwoordig is het duidelijk dat vooral het 'democratisch socialisme' niet veel meer inhoudt dan de behoefte om de maatschappij tot in zijn kleinste elementen om te bouwen tot een alles- omvattende moderne organisatie, gebaseerd op een bepaald idee van functionaliteit. Het langzaam maar zeker duidelijk worden van dat wat er werkelijk speelde gaf natuurlijk aanleiding tot conflicten. Dat spitste zich toe tot de controverse tussen Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846 1919) en Pieter Jelles Troelstra (1860 - 1930). Deze laatste stond voor het 'democratisch socialisme', met zetels in de Kamer en zo mogelijk ook in de regering. Maar Domela zag de dingen heel anders: hij kwam tot de conclusie dat 'het brood' er vanzelf wel zou komen als de vrijheid zich in de breinen van de mensen realiseerde. Met andere woorden: de wil tot veranderen van de maatschappij heeft geen zin, je moet zorgen als mens bij jezelf terecht te komen en dan komt de rest vanzelf voor elkaar. Zo'n gedachte kan alleen maar dan in je opkomen als je de zaken vanuit het netwerk van samenhangen beziet. Er is dan geen sprake van een waardeoordeel en een daaruit voortkomende veroordeling. Maar Domela gaf natuurlijk wel een duidelijk oordeel over deze wereld: er deugt letterlijk niets van!

Dat het binnen het (aanvankelijke) socialisme om nieuwe waarden ging die in de plaats van de oude gesteld moesten worden bleek waarschijnlijk nergens duidelijker dan in de socialistische jeugdbeweging. Welbeschouwd ging het daarbij alleen maar om indoctrinatie, het inprenten van de nieuwe waarden. En dat werd dan gebracht als een soort van 'opvoeding', een op een hoger plan brengen. Ongetwijfeld zullen velen hieraan een goede herinnering bewaren, maar toch was het allemaal indoctrinatie.

Brein-1 ; Brein-2 ; Brein-3 ; Deugt je brein voor het gereglementeerde… ; Opvoeding/Opvoeden-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ;

 

114.

Als je kennis neemt van de vooroorlogse toespraken van bijvoorbeeld Koos Vorrink (1891 - 1955) voor de Arbeiders Jeugd Centrale behoef je daarvoor niet lang naar bewijzen te zoeken. Maar dat alles heeft niet kunnen bewerkstelligen dat er wezenlijk iets in idealistisch socialistische zin veranderde. De werkelijke ontwikkeling ging gewoon door: groot- industrie, maatschappelijke organisatie, uitbuiting van de derde wereld zelfs met een koloniale oorlog, politionele actie “ genaamd, enzovoort...

En dat niet ondanks de socialisten, maar tot op grote hoogte met hun medewerking. Onder het mom van 'nooit meer oorlog' werd en wordt er loyaal meegedaan met agressieve militaristische instellingen als de NAVO. Dat het daarbij eigenlijk gaat om 'nooit meer een oorlog verliezen' wordt stellig niet eens door de sociaal democraten begrepen.

 

Als je geen last hebt van de wil tot veranderen word je gewoonlijk uitgescholden voor een 'fatalist' die de dingen maar op zijn beloop laat. Uiteraard vergeet men daarbij dat men zelf al helemaal niet kan bogen op resultaten. Van de wil tot het 'verbeteren van de wereld' komt niets terecht, maar dat ligt dan natuurlijk niet aan die verbeteraars, maar aan 'de anderen' die te dom zijn om in te zien wat goed voor hen is. Zoals reeds besproken verandert de wereld door het leren begrijpen, het verhelderen, van de werkelijkheid vanuit het netwerk van samenhangen, door individuele personen, die zich overigens meestal nauwelijks bewust zijn van dit proces. Maar wel beïnvloeden zij hun omgeving, in die zin dat die omgeving met een veranderende persoonlijkheid te doen heeft en daar dus noodgedwongen anders op reageert. Daar zit de wezenlijke verandering en nogmaals: die is onbedoeld, steunt niet op een wil op grond van een waardeoordeel, manifesteert zich niet als een eis aan zichzelf en de anderen en is daarentegen gemoedelijk, begrijpend en vriendelijk...

 


Aan het handhaven van een ‘Archimedisch punt' komt onmiddellijk ook het stellen van eisen mee en die worden dan van bovenaf gesteld. Logisch, want de zaak hangt ten nauwste samen met de suprematie van de geest. Er wordt iets als 'hoger' voorgesteld. Daarom kan het niet uitblijven dat het de 'lageren' zijn, in feite 'het volk', de 'arbeiders' voor wie die eisen gelden. Je kunt dan ook opmerken dat het steeds weer de 'sloebers' zijn die voor het ideaal van het socialisme, en andere idealen, de offers brengen. Offers die in vergelijking tot die van de zogenaamde leiders in geen verhouding staan. De vroegere socialist verloor zelfs nog zijn armoedige baantje en riskeerde de gevangenis.

 

Er is zo langzamerhand niets meer dat niet op de een of andere manier in de aandacht van het denken staat. Uiteraard zijn er nog een heleboel verschijnselen en relaties tussen verschijnselen die de onderzoekers nog niet opgevallen zijn, maar dat neemt niet weg dat in principe aan de gehele werkelijkheid als verschijnsel aandacht geschonken wordt. Aandacht, bedoeld in de zin van 'object-zijn voor het onderzoekende denken'. Niet alleen geldt dat voor de verschijnselen, de dingen, maar ook voor de door het denken opgeleverde begrippen.

115.

Deze worden uitvoerig op hun betekenis onderzocht en er wordt nagegaan wanneer en in hoeverre zij geldig zijn.

Opmerkelijk is echter dat men deze begrippen wel als object van het denken beschouwt en dus als onderwerp om over na te denken, maar niet als essentiële kwaliteiten van het denken zelf. Er worden bijvoorbeeld boekenplanken vol geschreven over het begrip 'vrijheid' zonder dat er ingezien wordt dat vrijheid een wezenlijke kwaliteit van het denken zou moeten zijn. Je kunt dan opmerken dat er met een Onvrij denken nagedacht wordt over vrijheid! Nog enkele andere voorbeelden: tegenwoordig maken agressieve NAVO-generaals er een hobby van over 'de vrede' na te denken. Zij denken wel 'over' het begrip vrede, maar niet 'in' dat begrip, vandaar dat zij in feite toch met oorlog bezig zijn. En moderne componisten zijn wel thuis in het denken over muziek, maar met het denken 'in' muziek is het treurig gesteld.

Door deze naar buiten gerichte gesteldheid blijft ook het filosofische denken in de oppervlakkigheden steken. Men denkt niet vanuit de werkelijkheid en de voor haar geldende begrippen, maar men kijkt tégen de werkelijkheid aan en analyseert vervolgens die aanblik. Die analyse levert oppervlakkigheden op en die lenen zich, door hun grote mate van ingewikkeldheid, uitstekend tot omvangrijke academische studies. Maar in de grond van de zaak zijn die banaliteiten niet te begrijpen.

De moderne filosofie is fundamenteel onbegrijpelijk en een onvermijdelijk gevolg daarvan is haar bijkans volmaakte onverstaanbaarheid in zowel de terminologie als de gedachtegang. Eigenlijk gaat het die filosofie ook helemaal niet om begrijpen, maar om rubriceren van de door de analyse ontdekte elementen en relaties.

 

Filosofisch gezien heb je niets aan al die banaliteiten omdat het er om gaat alles zelf uit te zoeken, en dat in het licht van het bewustzijn oftewel het beeld. Zolang je dat niet gedaan hebt weet je niets en heb je hoogstens een grote hoeveelheid kennis opgedaan, die vanwege zijn van buitenaf komende karakter met recht een 'banaliteit' genoemd kan worden. Het 'zelf uitzoeken', dat voor het filosoferen geldt, staat in tegenstelling tot het 'leren' in de zin van 'onderwezen worden'. Leren komt er in feite op neer dat je kennis overneemt van anderen nadat je je hebt laten conditioneren om daartoe in staat te zijn. Het enige dat je dan welbeschouwd zelf gedaan hebt is het je eigen maken van het benodigde (denk)programma.

 


Zelf uitzoeken daarentegen wil zeggen dat je jezelf juist niet conditioneert en geheel je eigen weg gaat. Uiteraard blijken er dan steeds anderen te zijn die je, al of niet onzin uitkramende, op een idee brengen, je de weg wijzen of je inspireren zodat je de werkelijkheid als beeld zelf kunt ervaren. Maar dat behoort allemaal tot je eigen authentieke ontwikkeling. Je stopt jezelf niet van buitenaf vol met kennis maar verheldert jezelf van binnenuit. Een dergelijke verheldering levert in principe nooit banaliteiten op omdat de grondtoon steeds gezet wordt door het beeld als netwerk van samenhangen en dan kijk je niet langer eenzijdig tégen de werkelijkheid aan, maar er om zo te zeggen doorhéén.

116.

De werkelijkheid als beeld heeft een ongrijpbaar karakter. Dat is een logisch gevolg van het feit dat het bewustzijn, dat je als een beeld ervaart, een trillingsverschijnsel is. Maar het is ook een gevolg van iets anders, namelijk dit dat het beeld altijd het innerlijk is van een individu, en dus van jou en van mij. De 'mens' vertoont zich als een verzameling van op zichzelf staande individuen. Daarbinnen is het bewustzijn, als trillingssituatie, aanwezig - niet daarbuiten. Het bewustzijn van de ander, dus van jou, is noodzakelijk buiten mij als iets ongrijpbaars.

Wij moeten er dus goed op letten dat wij het bewustzijn niet onwillekeurig gaan beschouwen als een soort verschijnsel waaraan wij allemaal deel hebben zoals wij deel hebben aan de kosmos, de wereldruimte en dergelijke. Een verschijnsel dus dat ons als een boven ons uitgaande, verheven, werkelijkheid zou omvatten en waarin wij ingebed zouden zijn. Neen, het bewustzijn ligt in onszelf als individu besloten. Het in onszelf besloten zijn van het bewustzijn leidt niet tot 'absolute subjectiviteit', zoals door bijna alle moderne denkers gedacht wordt, want bij nadenken over het bewustzijn blijkt dat het wel bij iedereen hetzelfde bewustzijn is: de gehele werkelijkheid als trilling. Jouw bewustzijn en het mijne zijn 'eender', maar tegelijk zijn zij besloten in jou en in mij. Daarom is het ongrijpbaar.

 

Als je als filosoof gaat proberen jouw beeld van de werkelijkheid over te dragen (onderwijs) op anderen, dan zul je bemerken dat dit onmogelijk is. Anders gezegd: de filosofie is niet overdraagbaar zoals dat met kennis wel het geval is. Voor westers besef heb je er dus helemaal niets aan! Omdat men dit niet zo bevredigend vindt maakt men de filosofie overdraagbaar door uitsluitend het concrete filosofische verhaal als de maat te stellen. Dat verhaal kan natuurlijk wel onderwezen worden en als student kan je dat leren, maar je houdt je dan precies met de bijzaken bezig, zoals de zogenaamde kunstkenners menen de kunst te kennen als zij op de hoogte zijn van de gebruikte materialen, voorstellingen enzovoort. In het betoog van de filosoof zit een element van kennis die overdraagbaar is, maar de filosofie gaat zelf niet in zo'n betoog op. Daarom is zij niet overdraagbaar, zij is aan niemand te leren.

 

Al eerder heb ik er op gewezen dat de filosofie (en de kunst) wel te 'genieten' zijn. Je trilt dan mee met het bewustzijn van de filosoof (of de kunstenaar) en daardoor wordt het mogelijk dat je die werkelijkheid zelf ook gaat zien en beleven. Voor zover dat laatste het geval is kan je geen reden of verklaring geven voor dat feit. Maar je bemerkt wel dat de zaak je iets zegt en ook dat een aantal dingen zich voor je verhelderen. Je bent er dan evenwel zelf mee bezig en die bezigheid resulteert in een bepaalde mate van 'zeker weten'. Dat geldt overigens niet alleen voor de filosofie en de kunst, die toch in zekere zin specialiteiten zijn. Ook het 'weten' binnen de context van het dagelijkse leven heeft een sterk onoverdraagbaar karakter.


117.

Omdat men in onze cultuur geen aandacht en begrip heeft voor het bewustzijn en alles wat daaraan meekomt, is juist deze niet overdraagbare werkelijkheid in hoge mate onderontwikkeld. Zij staat in fel contrast tot de enorme hoeveelheid kennis die wij op ons hebben laten overdragen en daardoor is er die eigenaardige paradox dat wij leven in een wereld met veel beschikbare kennis, maar met bedroevend weinig wéten. Het 'zichzelf verhelderen' is zelfs enigszins een taboe. Het wordt voortdurend verdacht gemaakt alsof het 'zweverig', 'mystiek' en uitermate 'subjectief' zou zijn...

 

Als je, op denkende wijze, nagaat hoe de 'opbouw' van de werkelijkheid is, kom je op een gegeven moment op een punt dat gekenmerkt wordt door het begin van het leven. Dat begin is feitelijk het van karakter veranderen en dominant worden van, reeds in de materie aanwezige, trillingen. Een veelheid van trillingen wordt namelijk één enkele 'totaaltrilling' en die manifesteert zich enerzijds als het in zichzelf beweeglijk worden van het verschijnsel (= levend-zijn), en anderzijds in het gaan gelden van het samenhangen met en reageren op de buitenwereld (= bewust-zijn). Ik heb dat allemaal behandeld in "Beweging en verschijnsel deel 1, 2, en 3".

 

Die, totaaltrilling' omvat alle verschillende trillingsverhoudingen die in de werkelijkheid voorkomen. Op grond daarvan is te stellen dat het 'bewustzijn' een afspiegeling van ‘de' werkelijkheid is, en die wordt ervaren als een beeld van de werkelijkheid, d.w.z. de werkelijkheid op de wijze van een trilling, ongeveer zoals het televisiebeeld dat doet. Dat in onszelf te ervaren beeld van de werkelijkheid is voor iedereen precies hetzelfde beeld: het is immers de werkelijkheid zelf die zich afspiegelt! En zij doet dat in alle levende wezens. Alle leven is bewust leven. Maar niet alle leven heeft wéét van haar eigen bewuste leven - dat 'voorrecht' is alleen aan de mens voorbehouden.

 

Zowel de creatieve filosofie als de kunst zijn geworteld in de werkelijkheid als bewustzijn en beide richten zich op het beeld. Dat is de werkelijkheid waarover beide vertellen, met behulp van materiaal uit de voorhanden realiteit. Dat materiaal evenwel is eigenlijk maar bijzaak, want het gaat er om dat je, als filosoof of als kunstenaar, de andere mensen ook 'in trilling' krijgt. Die mensen krijgen dan een bepaald 'gevoel', zij worden geïnspireerd omdat zij letterlijk méé gaan trillen zoals de zangbodem van de piano gaat meetrillen met de snaren. Het filosofische verhaal brengt de genieter (degene die meetrilt) derhalve niet primair kennis bij, maar het oefent op de genieter een werking uit, zodanig dat deze de werkelijkheid als beeld zelf kan ervaren. En de rest moet die genieter op eigen kracht doen, eventueel met behulp van de als bijzaak verstrekte kennis.

Gewoonlijk weten de mensen wel dat de kunst, behalve de moderne verstandelijke, niet overdraagbaar is, dat er niets aan uit te leggen valt. Ook weten de mensen dat het kunstenaarschap eigenlijk niet te leren is.

Mystiek-1 ; Mystiek/het goddelijke-2(28t/m33) ; Mystiek-3 ; Mystiek-4 ; Mystiek-5 ; Mystiek-6 ;  Mystiek-7 ;

118.


Maar als het over de filosofie gaat blijkt men dat vergeten te zijn. Men is de intellectuele kant, namelijk die van het werken met concrete, overdraagbare kennis, opgegaan. Dus in feite heeft men de bijzaak tot hoofdzaak verheven. Je bemerkt dan ook dat moderne filosofen, als zij met een creatieve filosofie geconfronteerd worden, niet tot iets anders in staat zijn dan een beoordeling van het gebruikte materiaal. Zo'n beoordeling is uitermate kritisch, hetgeen op zichzelf te prijzen valt, maar hij blijft noodzakelijk steken in de banaliteiten. Men gaat bijvoorbeeld na of je niet per ongeluk formuleringen gebruikt die elkaar formeel tegenspreken, of je wel een juiste analyse van bepaalde begrippen maakt en dergelijke. De gedachtegang echter blijft vrijwel onbesproken. Voor zover men die enigszins herkent heeft men er geen boodschap aan.

 

De creatieve filosofie zegt de moderne, academische filosofen niets omdat zij, vanuit de conditioneringen door de (wetenschappelijke) cultuur, niet meer op het 'meetrillen' gericht kunnen zijn. Het ware daarom beter als zij zich van commentaar op die filosofie onthielden, maar dat is een onmogelijke opgave: de wetenschappelijke cultuur is er op gericht overal wat van te kunnen zeggen, en dus werpt men zich onvermijdelijk op de bijzaken. Daarmee geeft men een verkeerde voorstelling van zo'n filosofie. Je kunt er immers pas dan een oordeel over uitspreken als de zaak je aanspreekt, je inspireert en iets in je wakker roept, kortom als het in jou tot meetrillen komt en, tengevolge daarvan, de werkelijkheid als beeld zichtbaar wordt.

Omdat in onze cultuur de gevoeligheid voor het bewustzijn nagenoeg geheel onderdrukt is kun je als creatief filosoof niet op veel waardering rekenen, althans niet van de collega's, maar bij de minder wetenschappelijk geconditioneerde mensen is er meer begrip. Bij die mensen staat er veel minder aan het meetrillen in de weg. Nu kun je natuurlijk zielig gaan doen en de 'onbegrepene' uit gaan hangen, maar dan geef je er blijk van zelf de zaak ook niet goed begrepen te hebben. Was dat wel het geval, je zou begrijpen waarom de in onze cultuur bevangen mensen niet begrijpen dat ze je niet begrijpen. Daarmee is elke grond voor hooghartigheid en exclusiviteit vervallen, ondanks het feit dat de mensen je doorgaans inderdaad niet begrijpen, niet echt naar je verhaal kunnen luisteren en het bijgevolg tamelijk zinloos maken er een gesprek over te voeren.

De mensen herkennen de filosofie in je verhaal niet eens. Maar dat is de mensen niet te verwijten, je kunt het hoogstens jammer vinden... Het onvermogen tot meetrillen leidt niet alleen tot onbegrip, maar ook tot een zekere agressie tegen de creatieve filosofie, meer dan dat bij de kunst het geval is. De verklaring daarvoor is gelegen in het feit dat het 'gereedschap' van de filosoof, het denken, aan iedereen gegeven is en bovendien nog hierdoor versterkt wordt dat het beoefenen van het denken een hoofdkenmerk van onze cultuur is. Dat wil zeggen: het beoefenen van een bepaald, als absoluut geldig beschouwd, soort van denken waardoor andere mogelijkheden bij voorbaat verketterd worden.

In de verhouding van het luisteren van de filosoof naar de ander en het luisteren van de ander naar de filosoof ligt, bij het voeren van een gesprek, een duidelijke asymmetrie.

119.

Deze wordt door het gangbare  taalgebruik verdoezeld. Men zegt immers dat die twee mensen 'met elkaar' een gesprek voeren en dat suggereert een gelijksoortige verhouding van de een naar de ander en omgekeerd. Het doet het voorkomen dat er een 'symmetrische' begripsverhouding aanwezig zou zijn, maar in feite is dat helemaal niet het geval.


De verhoudingen liggen namelijk zo dat de bedoelde creatieve filosoof de argumenten en hun rechtvaardiging van zijn gesprekspartner wel begrijpt, maar de gesprekspartner op zijn beurt niet die van de filosoof - niet omdat de argumenten van de filosoof zo moeilijk zouden zijn, maar omdat zij hun grond vinden in een geheel andere werkelijkheid, waarvoor die partner nu juist afgesloten is. Daardoor kan deze laatste slechts komen tot een analyse van datgene dat voorhanden is terwijl die filosoof uitspraken doet over de werkelijkheid zelf met daarin opgenomen en beoordeeld het voorhandene.

 

Dat betekent dat hij in zijn filosofie de eenzijdig op het voorhandene gerichte uitspraken allang heeft leren kennen en ze uitvoerig doordacht heeft (hij is er immers doorheen gegaan!). In zo'n situatie wordt hem dus eigenlijk zelden iets nieuws verteld. In onze cultuur wordt over het algemeen veel waarde gehecht aan het voeren van gesprekken en dat is op zichzelf natuurlijk veel beter dan het elkaar met geweld te lijf gaan.

Maar wezenlijk blijven die gesprekken beperkt tot het uitwisselen van overdraagbaarheden en gaat de zaak niet dieper dan meer of minder ver doorgezette analyses. Voor een echt gesprek echter moet de 'deur naar het bewustzijn' opengezet word en. Pas dan wordt er naar elkaar geluisterd.

 

Het gericht zijn op en het denken vanuit de werkelijkheid als beeld leidt tot inzicht in de werkelijkheid zelf. Dat betekent dat je ook leert begrijpen waarom de dingen en de gebeurtenissen zijn zoals ze zijn. Als je alleen maar tégen de concrete werkelijkheid aankijkt zie je wel wat er gebeurt en wat de causale verbanden tussen die gebeurtenissen zijn, maar je komt er nooit achter waarom dat allemaal zo is en niet anders. De betekenis van de concrete werkelijkheid ontgaat je en je begrijpen van die werkelijkheid gaat niet verder dan het begrijpen van datgene dat je waargenomen hebt. Dat is eigenlijk geen echt begrijpen, het is een zo adequaat mogelijk verwerken van informatie. Zo kun je bijvoorbeeld de geschiedenis van het christendom begrijpen doordat je de informatie daarover zo goed mogelijk verwerkt hebt.

 

Maar dan weet je nog lang niet waarom het christendom zich in de wereld heeft laten gelden zoals het zich heeft laten gelden. Waarom heeft het zich vanaf het begin als een machtsstelsel, waaraan zelfs koningen en keizers onderworpen waren, laten gelden? Waarom heeft het nooit zijn eigen geestelijke inhoud, vrede, liefde, barmhartigheid en dergelijke, aan de mensheid ten voorbeeld gesteld en daarentegen bij voortduring tot strijd opgeroepen, al of niet vergezeld van het zegenen der wapenen? Om op deze en dergelijke vragen een antwoord te vinden moet je de betékenis van het christendom kennen. Maar die vind je alleen maar als je vertrouwd bent met de werkelijkheid als beeld.

120.

De betekenis vertoont zich in de concrete praktische werkelijkheid (de realiteit) uitsluitend in 'schijngestalten'. Wat je waarneemt zijn die schijngestalten en die zijn het ook die je in de vorm van informatie kunt verwerken. Intussen heb je dan nog lang niet door dat het schijngestalten zijn, maar vanuit de werkelijkheid als beeld zie je dat wel. Daarna kun je er achter komen waarvan het schijngestalten zijn. Wat dat christendom betreft leer je dan begrijpen dat het 'geestelijk goed' van die godsdienst de schijngestalte is van, in het kort gezegd, de mens die zich als individu gaat laten gelden en die daartoe begint met het zich afzetten tegen elk ander individu en tegen elk ander ding.

 


Ik heb al vaak gezegd dat je de filosofie 'tot in je botten' moet voelen. Dat laat zich begrijpen als je bedenkt dat de basis gelegen is bij het beeld en dus bij het ondergaan van jezelf als bewustzijn. Nu is het bewustzijn een zaak van de levende materie, een zaak van het lichaam zodat het logisch is dat je het lichamelijk voelt. Omdat dit voelen buiten jezelf als zelfbewustzijn (het weet hebben van) omgaat vertoont het zich automatisch in het karakter van je gedrag, zonder dat je daar zeggenschap over hebt. Dat karakter van je gedrag is afwijkend, het lijkt op dat van iedereen, maar het is net even anders. De mensen uit je omgeving merken dat min of meer op, maar zij weten het niet te duiden, juist omdat zij uitsluitend op hun waarnemingen afgaan.

De belangrijkste karaktertrek is het 'niet-meedoen' met de schijnvertoningen, in een onvolwassen wereld vaak op de wijze van 'net doen of je wel meedoet'. Dat geeft aan je gedrag iets nihilistisch omdat je aan de schijnvertoningen geen enkele waarde hecht. En op grond hiervan zul je ook niet proberen je medemensen te veranderen of de barricaden op te gaan: het zijn toch allemaal schijnvertoningen en je begrijpt waarom de mensen dat niet door hebben. Je begrijpt dus de 'asymmetrie'.

Als je, in het licht van het 'niet overdraagbaar zijn' en van de 'asymmetrie', de weg van de mensheid bekijkt, dan zie je dat er steeds mensen zijn in wie de werkelijkheid als bewustzijn dominant is. Behoudens in enkele bijzondere gevallen zijn dat onveranderlijk mensen die aan de aandacht van de geschiedenis ontsnappen. En voor zover dat niet het geval is wordt er overwegend onzin over verteld, in feite namelijk dezelfde verhalen die je over de kopstukken van deze wereld kunt horen.

Die kopstukken blinken uiteraard uit omdat en voor zover zij representanten zijn van cultuurwaarden die hoog aangeschreven staan, waarden dus die behoren tot de werkelijkheid als voorstelling. Maar het is juist die voorstelling die, via de weg van de twijfel en getoetst aan de werkelijkheid als beeld, opgelost wordt en daarna vernieuwd. Mensen in wie dit plaatsvindt, kunnen niet als 'kopstukken' in de geschiedenis genoemd worden, maar wel komen zij veelvuldig in de literatuur voor. Uiteraard hebben de kunstenaars het bijzondere van dergelijke mensen goed begrepen: zij verkeren (als het goed is) immers zelf in die wereld!

121

De mensen die verwant zijn aan zichzelf als bewustzijn blijken een veel grotere invloed op de geschiedenis van de mensheid te hebben dan je op grond van de officiële geschiedschrijving zou verwachten. Je kunt zelfs stellen dat die officiële geschiedenis het eindpunt is van een proces dat al veel langer gaande is en dat berust op een min of meer vaag, maar gestadig aan duidelijkheid winnend, besef omtrent de werkelijkheid zoals ze wezenlijk is, een besef dus dat voortkomt uit het zich doen gevoelen van het bewustzijn. Pas als dat besef, na verloop van vaak lange tijd' tot het zelfbewustzijn van de mensen doorgedrongen is, wordt het inhoud van de heersende cultuur en gaat het als cultuurwaarde gelden. Dan wordt het ook opgenomen in de 'geschiedenis': het wordt een politiek, juridisch, godsdienstig, wetenschappelijk en zedelijk thema, waarover studies verschijnen, ruzies ontstaan en waarvoor zelfs wel oorlogen gevoerd worden. Dat allemaal behoort bij het proces van 'het in de voorstelling vastleggen' van datgene dat eerst dat 'vage besef' was.

 


Eenmaal vastgelegd, is het geworden tot een algemeen erkende waarheid, die voortaan als vanzelfsprekend in het pakket van de te conditioneren normen en waarden opgenomen is. Toen bijvoorbeeld de strijd om de afschaffing van de slavernij een aanvang nam waren er al talloze, in de vergetelheid geraakte, mensen aan voorafgegaan, die op grond van hun zogenaamde geweten, via toenemende innerlijke twijfel, tot de slotsom waren gekomen dat slavernij niet deugt. Het zijn juist die anonieme mensen die feitelijk de ontwikkeling van de mensheid bevorderen. En dat komt doordat zij in geringe mate opgesloten zitten in de geldende voorstellingen, juist doordat zij verwant zijn met zichzelf als bewustzijn. Vanuit die voorstellingen zelf kan er geen ontwikkeling zijn omdat die hele zaak het

Vastgelegd zijn als kenmerk heeft. De ontwikkeling komt dan ook van buiten de voorstelling en van buiten het zelfbewustzijn. Van buitenaf wordt die zaak aangetast en in dat aantasten speelt het 'niet meedoen' een belangrijke rol.

 

Doordat de aantasting van de inhoud van het zelfbewustzijn, de voorstelling, vanuit een andere instantie, namelijk het bewustzijn, geschiedt valt het buiten het terrein van het 'objectief waarneembare' en daarmee is het voor de concreet denkende cultuurmens niet te begrijpen. Het valt buiten de voor hem herkenbare gebeurtenissen en causale verbanden. Hij weet er pas raad mee als hij het als een objectief benaderbaar thema kan behandelen. Daarbij behoeft hij totaal niets te voelen, zijn 'geweten behoeft niet te spreken', kortom: er is geen enkele noodzaak om met zichzelf als bewustzijn vertrouwd te zijn. Het gaat er slechts om dat hij 'over' de nieuwe begrippen kan nadenken.

Voor zover mensen in hun cultuur, welke dat ook is, gevangen zijn is hun werkelijkheid die van de voorstelling. Dat is een interpretatie van de werkelijkheid, maar men is ervan overtuigd dat zo de werkelijkheid is. De voorgestelde werkelijkheid wordt beschouwd als de ware werkelijkheid: het is de waarheid.

122.

Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ;

Over dit thema heb ik eerder uitvoerig gesproken.

Ook de geschiedenis, als een complex van feiten en relaties tussen feiten dat de mensen als overdraagbare kennis geleerd wordt, is een onderdeel van de voorstelling en als zodanig is van de geschiedenis te zeggen dat haar verhaal over de dingen die geweest zijn een Onwaar verhaal is. Zo is het nu net niet geweest! Hierover is nog wel iets meer te zeggen. In principe is ieder mens verwant met zichzelf als bewustzijn, maar in de praktijk wordt die verwantschap door de ingeprente cultuurwaarden en -normen verdrongen en vrijwel geheel geneutraliseerd.

Hoe sterker de conditionering, hoe meer verdrongen die verwantschap, dus: hoe 'beschaafder' iemand is, hoe verder zij of hij van zichzelf als bewustzijn af staat. Omgekeerd evenwel is diegene die minder deel heeft aan en vervormd is door zijn cultuur ontvankelijker voor zichzelf als bewustzijn. Dergelijke mensen vind je in alle lagen van de bevolking, maar vroeger bevonden zij zich hoofdzakelijk in de maatschappelijk Onderste lagen. Deze 'gewone mensen' zien de werkelijkheid net iets anders dan de beschaafde mensen. Hun voorstelling wijkt enigszins van de algemeen aanvaarde af, vooral in deze zin dat hij voor hen minder absoluut is, meer aan twijfel onderhevig.

Nu zijn het deze geringere absoluutheid en deze grotere twijfel die doorwerken en uiteraard weerklank vinden in andere gewone mensen uit hun omgeving. Zo wordt bijna onmerkbaar de gangbare voorstelling aangetast. Er worden geen conferenties belegd, er verschijnen geen koppen in de kranten en er zijn geen massabewegingen: er zijn woelingen in de onderstroom, uitingen van onvrede.

 


De zogenaamd beschaafde mensen merken die aantasting op zichzelf niet op, omdat die buiten hun begripsveld valt. Dat heb ik laten zien toen ik het thema van de asymmetrie behandelde. Voor zover zij echter toch met bepaalde, uit die aantasting voortkomende, uitingen geconfronteerd worden vinden zij die onbegrijpelijk, ongepast en zelfs afkeurenswaardig. Zij verzetten zich ertegen, maar ondanks dat verzet gaat het aantasten gestaag door en gaandeweg komt er iets nieuws boven drijven.

Dat nieuwe wordt door de beschaafde mensen niet toegejuicht. Zij vinden, vanuit hun standpunt terecht, dat er sprake is van 'verval van normen' en daarom zullen hun beschaafde regeringen er alles aan doen om de zaak tegen te houden. Elke regering, of die nu linkse of rechtse ideeën huldigt, is onvermijdelijk conservatief, is er op uit de 'waarheid' (de voorstelling) in stand te houden en te verdedigen. Maar: het is juist dat zich verzetten, dat verdedigen van de ‘waarheid', dat ertoe leidt dat 'het nieuwe' meer en meer binnen het kader van de voorstelling komt te liggen en toegelaten wordt als inhoud van het zelfbewustzijn.

 

Door het zich verzetten tegen 'het nieuwe' gaan steeds meer mensen, die van zich uit beschaafd zijn en stevig geworteld in hun cultuur, zich bezig houden met dat nieuwe. Maar: zij bekijken het wel vanuit hun voorstelling!

Daardoor wordt het nieuwe iets anders dan het oorspronkelijk was toen het nog bij de 'gewone' mensen leefde.

Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ;

123.

Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ;

Het wordt namelijk ook weer een vastgelegde zaak, keurig ingepast in de werkelijkheid als voorstelling en aan anderen overdraagbaar in de vorm van wetenschappelijk verantwoorde kennis. Omdat het nu deel van de voorstelling is geworden kan er noodzakelijk slechts tégenaan worden gekeken, met als gevolg dat er wel Over gedacht gaat worden, maar niet in die nieuwe begrippen. Zodra dat nieuwe in de voorstelling ingepast gaat worden valt het in de termen om tot de officiële geschiedenis gerekend te worden.

Allerlei beschaafde lieden eisen nu voor zichzelf de eer op die nieuwe ontwikkelingen bedacht en bevorderd te hebben en latere generaties géven hen die eer inderdaad. Maar in werkelijkheid hebben zij helemaal niets bedacht: zij hebben de zaak eigenlijk alleen maar bestreden en vervolgens tot iets anders, namelijk een schijngestalte, gemaakt! De geschiedenis maakt alleen maar melding van die schijngestalten; alles wat er gedurende lange tijd aan vooraf is gegaan blijft diep verborgen onder de oppervlakte van de stroom die 'beschaving' heet...

 

De ideeën komen, wat de ontwikkeling van de mensheid betreft, steeds voort uit de werkelijkheid als bewustzijn. Dat geschiedt bij de gewone mensen. Daarna komen de ideeën in het zelfbewustzijn te liggen en daarmee zijn zij van karakter veranderd en verworden tot schijngestalten. Je kunt dus stellen dat er in feite niets van terechtgekomen is. En inderdaad, als je naar de realiteit van het leven van de mensheid kijkt zie je die mislukking. Gelukt is het bekend worden van die ideeën, maar mislukt is het werkelijk gelden ervan. Dat geldt op alle denkbare terreinen van het leven: wij kennen de rechten van de mens, maar zij gelden niet; wij hebben de begrippen nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme leren kennen, maar zij gelden niet en hebben nog nooit gegolden; wij kennen het begrip vrede, maar er is géén vrede, enzovoort...

 


In elke cultuur verworden de inzichten in de werkelijkheid tot schijngestalten. Dat komt welbeschouwd niet doordat die inzichten, die ideeën, tot het zelfbewustzijn doordringen en deel worden van de voorstelling. Bij alle uitspraken over en beschrijvingen van de werkelijkheid is het beeld tot een voorstelling omgezet. In de filosofie doe je dat ook op het moment dat je het beeld omzet in taal. Daar ligt dus niet het verkeerde van de schijngestalte, het ligt daarentegen bij het vasthouden ervan, bij het absoluut-maken van de voorstelling van een bepaald moment, zo dat hij gewaardeerd wordt als 'voortaan en voor alle eeuwigheid geldend'.

Dit conservatisme is eigen aan alle culturen. Pas wanneer er inzake de menselijke ontwikkeling niet meer van 'een' cultuur gesproken kan worden, en dus bij het intreden van de volwassenheid, verdwijnt dit conservatisme. Dan zal een voorstelling, die natuurlijk ook voor een moment vastgelegd is, slechts een incidentele betekenis hebben, in die zin dat men zal zeggen: "onze voorstelling is op dit moment wel waar, maar wij blijven openstaan voor een eventuele nieuwe waarheid van morgen". Een dergelijke gesteldheid levert een geheel ander wereldbeeld op dan datgene dat wij tot nu toe kennen.

Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ;

124.

Het regelen en organiseren op grond van onvermijdelijk achterhaalde voorstellingen is dan onmogelijk. Daarmee is aan de macht de basis ontnomen zodat een ieder zich vrijelijk kan ontplooien.

Mensen die een sterke verwantschap met zichzelf als bewustzijn hebben kenmerken zich door gemoedelijkheid, ruimhartigheid en vriendelijkheid, maar ook door luchtigheid. Dit laatste komt door het beweeglijke karakter van het bewustzijn, waardoor de realiteit niet als zwaar en donker wordt ervaren. Bovendien hechten die mensen geen waarde aan hun wereld omdat binnen een beweeglijke werkelijkheid niets absoluut is en alles betekenis heeft. Deze dingen zijn eigenlijk gemakkelijk te begrijpen, maar bij een 'beschaafd' mens vallen zij volledig buiten zijn begripsvermogen.

Voor zover voor sommige mensen geldt dat zij zich niet op het terrein van de cultuurwaarden onderscheiden, noem ik die mensen 'gewone mensen'. Deze mensen blinken niet uit in dingen die door de 'cultuurmensen' hoog gewaardeerd worden, zoals een wetenschappelijke opleiding, een belangrijke functie, veel geld verdienen, politieke macht, enzovoort. Hierdoor zou je kunnen denken dat het over mensen gaat die slachtoffer zijn van de heersende culturele élites: de ‘verworpenen der aarde'. Een dergelijke gedachte is echter het gevolg van het 'van bovenaf denken'.

Gezien vanaf de hoogte is de 'gewone mens' inderdaad een stumper die niet mee kan komen. De gedachtewereld van de moderne politici berust volledig op deze beoordeling. Zij hebben het dan over burgers die 'uit de boot zijn gevallen' omdat zij 'niet geschoold zijn' en zij verzinnen allerlei programma's om de 'positie' (lees: beschaving) van deze mensen te verbeteren. Met andere woorden: de bedoelde mensen zijn pechvogels die door allerlei oorzaken van buitenaf verkeerd terechtgekomen zijn. Vanuit die mensen zelf wordt er niet gedacht, behalve dan in termen van schuld, tekortkomingen en dergelijke.

 

Doorgaans is de concrete kant van het 'gewoon-zijn' onvermijdelijk een slechte maatschappelijke aanpassing, in principe echter niet vanuit de maatschappij, maar vanuit het 'gewoon-zijn' zelf. Dat heeft alles te maken met het bewustzijn en het beeld van de werkelijkheid in onszelf. Dat beeld namelijk is een netwerk van algemeenheden, de bepaalde en concrete dingen en mensen komen er niet in voor. Die behoren immers bij het zelfbewustzijn, op de wijze van de voorstelling.


Maar voor het bewustzijn is de werkelijkheid een algemeenheid, en wel omdat bewustzijn en beeld een trillingsverhouding zijn. Het zichzelf ervaren in het licht van deze algemeenheid is kenmerkend voor de 'gewone mensen' en dus zijn zij er niet op uit zichzelf als een, op grond van de cultuur, gewaardeerde bijzonderheid te presenteren. Zij kunnen bijgevolg niet opvallen binnen de context van de cultuur, de beschaving. De gemoedelijkheid van de 'gewone mensen' berust op het niet-stellen van grenzen en dus ook op het afwezig zijn van zwart-wit denken.

125.

De dingen zijn voor hen niet eenzijdig dit of dat en dus gaat voor hen de wereld niet in nauwkeurig geformuleerde en begrensde bijzonderheden op. De nadruk ligt op de algemeenheid en de bijzonderheid is bijkomstig. Daarmee vervalt ook het belang van de particuliere individu zoals die in de werkelijkheid als voorstelling voorkomt. Maar ook vervalt de mogelijkheid om macht te laten gelden omdat de vastgelegde voorstelling onbelangrijk is. Ten gevolge daarvan zijn de 'gewone mensen' niet erg gevoelig voor de machtswil van overheden; zij zijn slecht te regeren en hangen weinig aan wetten, regels en voorschriften.

 

Onvolwassen cultuurmensen kunnen onmogelijk leven zonder overheden.

Op grond van hun vastgelegde voorstelling kent alles zijn welomschreven grenzen en die moeten bovendien voor eeuwig gehandhaafd worden. De overheid vervult deze taak en de beschaafde mensen - zeker de moderne - voegen zich gaarne daarnaar. Maar, als die ordenende taak van de overheid door omstandigheden zoals revoluties, oorlogen of natuurrampen, tijdelijk onmogelijk wordt vervallen diezelfde beschaafde mensen in een ongebreidelde bandeloosheid, die onvermijdelijk uitloopt in terreur. In alle genoemde omstandigheden komt die terreur voor de dag; de geschiedenis geeft hiervan legio voorbeelden. Er staan dan geen sancties meer op het gedrag van de beschaafde mens, de geordende vastgelegde voorstelling is in stukken gebroken en dus: er zijn geen grenzen meer, ga je gang maar! En die 'gang' gaat nooit vergezeld van gemoedelijkheid, maar noodzakelijk van agressie en misdadigheid.

 

Het is naïef om te verlangen dat er een revolutie komt, zoals extreem linkse mensen zo graag willen. De meerderheid van een volk immers bestaat uit beschaafde mensen die op het moment van de omwenteling, vanwege het dan optredende gezagsvacuüm, tot onbelemmerde bandeloosheid vervallen en daarbij geen enkele gemoedelijkheid kennen. Helaas behoort het gros van de revolutionairen ook tot de beschaafde mensen, zij willen immers de macht van de heersende élite overnemen en zelf élite worden!

En dus is er van hen niets dan rampspoed te verwachten. Ook dat wordt door de geschiedenis gestaafd.

De 'gewone mensen' daarentegen hebben geen behoefte aan gezag en kunnen daardoor onmogelijk bandeloos worden; zij zullen ook in tijden van omwentelingen hun gemoedelijke gedrag van altijd voortzetten. Wel zijn zij de eersten die zich tegen de bandeloosheid zullen verzetten, maar ook dat weer op niet-maatschappelijke wijze. In een onvolwassen wereld is het leven voor de 'gewone mensen' onvermijdelijk moeilijk. In de praktijk kunnen zij alleen maar overleven door te doen alsof zij beschaafde mensen zijn.


Hun eigenlijke gedrag zou alleen maar tot grote ellende en vaak zelfs de dood leiden. De beschaafde mensen hebben immers geen enkel respect voor diegenen die zij maatschappelijk waardeloos vinden. Juist het feit dat zij vinden dat die arme tobberds geholpen moeten worden wijst op het ontbreken van respect: sociale voorzieningen zijn uitermate 'beschaafd’! Er zijn steeds 'gewone mensen' geweest die geprobeerd hebben overeenkomstig hun eigen gesteldheid te leven.

126.

Bladwijzers: Depressies/Neurosen e.d. o.a. nrs 126 t/m 130- Individu vs Persoonlijkheid ; Zelfmoord ;

Vaak was er niet veel meer mogelijk dan clochard te worden, maar er waren (en zijn) er ook die geheel andere leefgemeenschappen opgezet hebben. Het is allemaal mislukt, enerzijds door de inwerking van de beschaving van buitenaf (vooral economisch en politiek) en anderzijds door de beschaafde mensen binnen zo'n gemeenschap, lieden die wel goed over een ander leven dachten, maar die niet in de daarvoor geldende begrippen dachten.

 

Je hoort vaak beweren dat men in de oudheid, en vooral in de Griekse cultuur, veel belang zou hebben gehecht aan de individu. Ik weet niet waaruit dat zou moeten blijken, maar het kan onmogelijk waar zijn. Toentertijd waren de mensen veel meer met zichzelf als bewustzijn vertrouwd en bijgevolg leefden zij in de sfeer van het algemene. De bijzondere individu kwam pas met de Romeinse cultuur opzetten. Waarschijnlijk verwart men het begrip 'individu' met het begrip 'persoonlijkheid'. Beide hebben echter een geheel andere betekenis.

De individu is de mens die zichzelf als zelfbewust wezen een nauwkeurig begrensde plaats in de werkelijkheid als voorstelling toebedacht heeft.

 

Maar de persoonlijkheid is de mens die zichzelf op zijn eigen wijze de werkelijkheid als geheel weet. Onze 'gewone mens' gaat samen met het begrip 'persoonlijkheid', en dat temeer naarmate zijn verwantschap met zichzelf als bewustzijn groter is. Binnen het kader van de persoonlijkheid moet die 'gewone mens' uiteraard ook als individu gelden, maar dan ligt de verhouding geheel anders: het afgeslotene is dan toegankelijk geworden.

Als je je afvraagt hoe er, gezien het voorgaande, ooit iets van de mensheid terecht kan komen, dan is het misschien goed om te bedenken dat het juist het ondergrondse karakter van het verhelderingsproces is dat de mogelijkheid opent om dat proces door te zetten. Juist omdat het voor de ordelijke beschaafde mens van buitenaf en 'als een dief in de nacht' komt kan het niet tegengehouden worden.

 

Voor de 'gewone mensen' geldt dat zij weinig deel hebben aan de heersende cultuur. Daardoor is de kans groter dat je ze in de zogenaamd onderste lagen van de maatschappij aantreft dan in de hogere lagen. Maar je mag de zaak niet omdraaien en zeggen dat het behoren tot zo'n onderste laag betekent dat je tot de 'gewone mensen' gerekend moet worden. Immers, het merendeel van de sociaal laagst gewaardeerde mensen hangt wel degelijk aan zijn cultuur, wil heel graag ook beschaafd zijn en probeert in de wereld een hogere status te krijgen. Alleen lukt het niet zo erg goed, enerzijds door maatschappelijke oorzaken en anderzijds door eigen onvermogen.


En juist door het voortdurend mislukken van hun pogingen om carrière te maken zijn bedoelde mensen dikwijls heel fanatiek, onverdraagzaam en kortzichtig, erger nog dan diegenen die het allemaal wat gemakkelijker afgaat. Men probeert meedogenloos om 'hogerop te komen' en voor zover dat gelukt gaat men zich steeds meer autoritair en hoogmoedig tegen de achtergeblevenen gedragen.

127.

Je ziet dat bijvoorbeeld bij een groot aantal, min of meer feministische, vrouwen, die in hun (overigens op zichzelf terechte) streven naar een betere status zelfs de door henzelf verfoeide maatschappelijke mannelijke zienswijzen in ere hersteld hebben: macht verwerven, geld verdienen en carrière maken. En dat alles onder het mom van zelfstandigheid, gelijkwaardigheid en emancipatie'. De maatschappelijk lage status is lang geen garantie voor 'gewoon-zijn', maar omgekeerd behoort bij 'gewoon-zijn' in de praktijk van de beschaafde wereld wel een lage status. Verder moet je er op letten dat het 'gewoon-zijn' niet uitsluit dat iemand een grote ontwikkeling heeft. Waarom het gaat is dit dat de 'gewone mens' in het teken van het algemene, het samenhangende en het gemoedelijke staat.

 

Als men in onze cultuur over een 'persoonlijkheid’ spreekt heeft men het onvermijdelijk over een individu die in bepaalde cultuurwaarden uitblinkt en die dat op een ongewone wijze doet en daaraan te herkennen is. Het betreft dus eig