DE ONTWIKKELING VAN DE WEST-EUROPESE CULTUUR

Almachtige God, Analyseren,Anarchie,Anarchisme, Antisemitisme,Armoede, atheïsme, Basisinkomen, Beheersen, Bemoeien, Bemoeien, Bemoeienis van de samenleving, Bemoeizucht, Beschaving, Chantagerecht, Civilisatie, Communisme, Conditionering, Concurrentie, Cultuur ; de ongelovige West Europese cultuur, Cultuur ; godsdienstige cultuur, Cultuur ; het fictieve karakter van onze cultuur, Cultuurmoment ; het laatste cultuurmoment, Cultuurspanning, Cultuuruiting, Doen alsof ; de medici doen alsof zij de mensen genezen, Doen alsof, Drugs, Elitaire ; de zuiging van het elitaire, Elite, Elites ; de nieuwe elites, Euthanasie, Euthanasiediscussie, Fascisme, Fictie ; is de moderne mens een wandelende fictie..?, Filosofie, Fraude, Germaanse cultuur, Germaanse wereld, Germanen, God is liefde, God, Gods Zoon, Grens, Haat, Ieder het zijne, ideologie, Integreren = Volwassen worden, Joodse cultuur, Kennis vergaren, Kernenergie, Kernraketten, Kosmos ; de geneesheer van de kosmos, Krijgsgevangene, Leider, Leiderschap, Leven en laten leven, Liberalisme, Lijfeigene, Macht, Meeleven, Mens ; de moderne mens is een wandelende fictie, Mensen ; gewone mensen, Mensen ; gewone mensen-middelmaat, Mohammedaans, Mystiek, Nationaal socialisme, Nationaal socialistische beweging, Nationaal socialisten, nihilisme, Noodzakelijk Kwaad, Oerchristendom, Onverschillig zijn, Onvolwassen mensen, Onvolwassen mensheid, Onvolwassen zijn, Opstanding, Overtuigen ; hoe te overtuigen, Politici, Politieke elite, Politieke streven, Psychische verwarring, Recht en Wet zijn steeds instrumenten, Rechten en Plichten, Rechtsgevoel, Rechtsstaat, Rechtvaardigheidsgevoel, Reïncarnatie, Rijkdom en macht, Romeinen, Romeinse cultuur, Romeinse rijk, Sociaal Democratie, Socialisme, Staat ; de Staat, Staatsorganisatie, Strafbaarheid of rechtmatigheid ; De beoordeling van strafbaarheid of rechtmatigheid ligt wel in handen van de rechter, maar de formulering van het recht niet, Terrorisme, Tiran, Vandalisme / vernielzucht, Verkiezingen, Vervreemding, Verzorgingsstaat, Volwassen worden, Vrije tijd, Vrijheid ; er is een grote angst voor vrijheid, Vrijheid, Werkgelegenheid, West Europa ; het begin van West Europa, Wreedheid, Zelf beslissen en meeleven, Zelfbeschikkingsrecht, Zoon van de mens (voor ons Jezus of Christus), Zwarte pedagogie,,

 ( Hoorcolleges 1985 1987 te Gouda )

Onderstaande tekst is geschreven: door Jan Vis, creatief filosoof.

Help mee om deze site te promoten. Vertel het uw…!

(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )

Naar : het begin van het artikel  Naar : Bladwijzers     Naar : LINKS van óók ANDERE artikelen met als bladw. VERZORGINGSSTAAT

Terug naar, de Startpagina

 

Definities over: Cultuur , Ideologie en gewone mensen

 

 

NIET WETEN IS BETER DAN VERKEERD WETEN ! Er wordt al genoeg gekletst !

Bladwijzers: o.a dat een politicus zich voor het volk inspant ; De Eigen ( Germaanse ) Identiteit-(lees o.a nrs. 14 t/m16) ; Het KRUIS ; Elite(1) De onechte cultuurontwikkeling nrs.1 t/m 6 ; Slavische ideologie o.a. pag. 51 en 52 ; DICTATOR / organisatie(vorm) /fictie / DICTATOR zie nrs. 39 t/m 42 ; NAVO ; Colijn(voormalig Premier) ; dubbelhartigheid ; het voorspel ; het begin van West Europa ; Eigen Rechter o.a. pagina’s 59 en 60 ; Meditatie ; Hindoeïsme ; Tweede Wereldoorlog een politieke oorlog ; (Hitler ging zelf militaire organisaties vormen, zoals de SS) ; de verantwoordelijke leiders straffen voor hun misdaden ; de Geneesheer van de KOSMOS o.a. pagina’s 59 en 60 ; VORSTENDOMMEN/MACHT/REFORMATIE/DUITSLAND ; Ideologische machthebbers ; de God van de Economie en de Politiek ; Anarchie-1 ; Anarchie-2 ; Hitler ; Antisemitisme ; Concurrentie-1 ; Concurrentie-2 ; Werkgelegenheid ; Germaanse cultuur ; Raszuiver ; Hitlers agressie tegen het klassieke Westen… ; Nationaal Socialisme ; Socialisme, Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ; De term Nationaal Socialisme ; Het probleem van het Nationaal Socialisme nrs 17 t/m 19 ; De misdadigheid van het Nationaal Socialisme ; Het Nationaal Socialisme ; De medici doen alsof zij de mensen genezen,… ; Welvaart ;  Doen alsof – zie A , B , C-67/68 ; Het Russische volk o.a. pag. 56 t/m 58 ; Het kan niet uitblijven(1) ; Vernietigingsdenken ; Drugs(t/m pag.39) ; De Germanen ; Leiderschap-1  ; Leiderschap-2 ; Elite-1 nrs 1 t/m 6 ; de politieke elites(2) – 15 t/m 17(SS) ;  politieke streven ; De West-Europese godsdienst ; De zuiging van het elitaire ; Privacy ; De Ratio / Rede-1 ; De Ratio / Rede-2 ; De Romeinen(nos. 9 t/m 21)  ; Romeinse cultuur (het voorspel) ; Gods Zoon ; DE HAAT en de wreedheid ; HAAT tegende Russen en Joden – JodenHAAT, OORZAAK..! - HAAT ; Gratis Openbaar Vervoer - Energie nota bij huur optellen ; zwarte pedagogie ; Er is een grote ANGST voor VRIJHEID ; Wir haben es nicht gewussthoe zit dat? Lees o.a. de nrs 17, 18, 19;  Rechten en Plichten-1 ;  Rechten en Plichten-2   Rechten en Plichten-3  ;  Rechten en Plichten-4 ; Integreren = Volwassen worden ;  Het beheersen ; Het socialisme ; Jodenvervolging ; Sociaal Democratie-1 ;  Sociaal Democratie-2 ;  Sociaal Democratie-3 ;  Sociaal Democratie-4 ;  Sociaal Democratie-5 ;  God is liefde  ;  Te erg / te veel ; Leider of Tiran..? ; Fascisme/Klassiek ; Fascisme ; Klassieke westerse Elites ; KENNIS VERGAREN – zie de nummers 61 t/m 66  ; De beoordeling van strafbaarheid of rechtmatigheid ligt wel in handen van de rechter, maar de formulering van het recht niet ;  Verzorgingsstaat-1 ; Verzorgingsstaat-2 ; Lijfeigene, de Staat, Vrijheid ;  De verantwoordelijke leiders straffen voor hun misdaden ;  een heel concrete macht, in de vorm van de een of andere vorst die… ; ficties ; Algemeen belang-1 ; Algemeen belang-2 ; Algemeen belang-3 ; Algemeen belang-4 ; De Rechtsstaat-(lees 22t/m27) ; De moderne mens is een wandelende fictie ; het fictieve karakter van onze cultuur ; Is de moderne mens een wandelende fictie..? ; Terrorisme-1(36 t/m 40) ; kernraketten ; Gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel ; Gewone mensen-MIDDELMAAT-pag.55/56 ; Big Bang – vanaf 62 ; liberalisme-1  ; liberalisme-2 ; liberalisme-3 ; gewone mensen ; filosofie ; godsdienstige cultuur ; Bandeloosheid ; Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ; De Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14 t/m 19 ; 20 en 21, 37, 44, 48 en 68 ; Derde Rijk-1 ; Het Derde Rijk ; negatief/positief moment ;  cultuuruiting ; cultuuruitingen ; Mussolini ; Churchill / Eisenhower / Hitler / Mussolini ; Hitler / Mussolini ; Mystiek-1 ; Mystiek-2 ; Mystiek-3  Mystiek-4  Mystiek-5  Mystiek-6  Onze voorouders gezien vanuit Rome ; ”Onze voorouders waren onbeschaafde WILDEN” ;  kernenergie-1 ; kernenergie-4; kernenergie-5; kernenergie-6 ;  Rechters-1 -nr. 5 ; Rechters-2 -nrs. 23 en 24 ; de burgers worden een factor in het oorlogsbedrijf  ( lees 16 / 17 )  ; Recht en Wet zijn steeds instrumenten…(lees 22t/m27) ; Rechtvaardigheidsgevoel lees 22 t/m 27 ;  Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2 ; onvolwassen zijn ; onvolwassen mensheid ; onvolwassen mensen ; Almachtige God ; Het regiment is het thuis voor praktisch elke man, de soldatentijd is de mooiste tijd en de kameraadschap van mannen is het mooiste dat er is. Die groepsvorming was er dus vanuit de individu zelf ; De Nederlandse N.S.B. ; Nationaal Socialisten-nrs.17 en 18 ; De laatste kaart nrs. 46 en 47 - ( met o.a. Het (onvolwassen)zelfbewustzijn heeft geen schuld ) ; Iets over de opvoeding ; Vandalisme / Vernielzucht ; Germaanse wereld ; rijkdom en macht nos.15 en 16 ; Joodse cultuur ; Joodse cultuur-1 ; cultuurspanning ; Ze hebben 6 miljoen joden vermoord ; Waarom nu juist in Duitsland ; iets over de Duitse cultuur ; de ongelovige West Europese cultuur ; Communisme ; Noodzakelijk Kwaad ;  Onze voorouders gezien vanuit Rome ; Hoe te overtuigen ; Bloed en Bodem/Blut und Boden ; Waarom juist in Duitsland ; Volksliederen ; Russische revolutie-1 ; de Russische revolutie-2 ;  hoe te overtuigen-godsdienst-wetenschap ; Beschaving oftewel civilisatie ; Vrije tijd-1 ; Vrije tijd-2 ; Meeleven ; bemoeien en meeleven ; Meeleven en Vrijheid ; het zelfbeschikkingsrecht ; zelf beslissen en meeleven ; bemoeienis van de samenleving ; Onverschillig zijn , IEDER HET ZIJNE en Leven en laten leven ; mohammedaans-1 ; bemoeizucht ; het je met elkaar bemoeien ; Oostbloklanden-51 en 52 ; het afschaffen van het slechte ; grens-1 ; grens-2 ; grens-3 ; grens-4 ; chantagerecht ; Het laatste cultuurmoment ; psychische verwarring ; Toch worden de mensen volwassen ; rechtsgevoel; analyseren binnen het samenhangende geheel  fraude ; Opstanding ; reïncarnatie ;  Basisinkomen  Armoede  ;  Zoon van de mens (voor ons Jezus of Christus)  Vervreemding-1(nr. 3) en vervreemding-2(nrs. 40, 43 en 44) ; Verkiezingen ; Krijgsgevangene ; Misdadigheid ; Gesundes Volksempfinden ; Het karakter van onze kennis ; New Age ; dubbelhartigheid ; Politie- Geweldsmiddelen : leger en vloot, politie ; Loyaal ; Er moet dus als het ware iets aan de mensen toegevoegd worden. ; Mensenzoon Jezus ; Wereldbank ; God is mens geworden ; Het aspect van de macht ; Wangedrag ; Hersencel-1 ; Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Onverdraagzaam ; Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Economische Groei ; Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ; Parlementaire Democratie ; Caesar ; In een onvolwassen wereld bemoeien de mensen zich met elkaar ; China ; Ik kan geen redelijkheid, rechtvaardigheid, liefde, solidariteit, niets van dit alles verlangen. Als er al iets te verlangen valt zou dit…(zie bladwijzers) ; Gekwetst worden ; Vernederd en gekwetst ; Gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel ;

 

 

 

 

 

 

 

Naar artikelen:  Loyaal: zie bladwijzers in Filosofische invallen 1 t/m 26, ; Loyaal: zie bladwijzers in De Kunst van het Filosoferen, ; Loyaal: zie bladwijzers  in De Grote Vierslag, ; Loyaal: zie bladwijzers  in Alledaags Commentaar 1 t/m 40, ; Economisch Denken–zie bladwijzers in “De ontwikkeling van het Denken”, ; Economische denken ; het is het economische denken dat als vanzelfsprekend bepalend is geworden voor het beoordelen van het welzijn van de mensen en dus de kwaliteit van de samenleving-zie afl. 21, ; Economische groei, zie bladwijzers in Beweging en Verschijnsel deel 3, ; Economische groei, zie Identiteitscrises vrijdenken, ; Economische groei, zie Nihilisme en Anarchisme als basis van het Atheisme, ; Economische machthebbers-zie nr. 57 ; Economische slavernij-zie nr. 18, ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 ; Vrijheid ;

 

Naar artiekelen met o.a. Verzorgingsstaat als bladwijzer

Verzorgingsstaat-2-zie bladwijzers in Waar gaat het in de mensheid nu wezenlijk om,

Verzorgingsstaat-3-zie bladwijzers in De Grote Vierslag,

Verzorgingsstaat-4-zie bladwijzers in “De ontwikkeling van het Denken”,

 

 

 

 

 

 

 

NIET WETEN IS BETER DAN VERKEERD WETEN ! Er wordt al genoeg gekletst !

 

 

Terug naar, de Startpagina

 

Terug naar:

Beweging en Verschijnsel (deel 1)

Beweging en Verschijnsel (deel 2)

Beweging en Verschijnsel (deel 3)

Gedachten over Ontstaan en Bestaan

de Grote Vierslag (nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme

 

De ontwikkeling van de West Europese Cultuur

No. 1    

Bladwijzers: Elite(1) De onechte cultuurontwikkeling nrs.1 t/m 6  ; de politieke elites(2) – 15 t/m 17(SS)

Het historische onderzoek

Als wij willen filosoferen over de ontwikkeling van de West-Europese cultuur, moeten onze bevindingen uiteraard parallel lopen met die van de moderne historische wetenschappen. Daarom is het goed ons eerst, bij wijze van inleiding, op de hoogte te stellen van betrekkelijk recente ontwikkelingen binnen dat vakgebied. Tot voor kort baseerde de geschiedeniswetenschap zich op de officiële gegevens, zoals die te vinden waren in de archieven van de verschillende overheidsinstanties. Het is te begrijpen dat het beeld van de werkelijkheid, dat daardoor ontstond, in zoverre vertekend was dat het gezien werd vanuit de top van de maatschappij. Het was een beeld vanuit de hoogte en dat is dan ook goed te merken als wij de gebruikelijke geschiedenisboeken bestuderen. Eigenlijk gaat het alleen maar over de staatkundige geschiedenis van Europa, terwijl die van de overgrote meerderheid van de mensen buiten beschouwing bleef. Voor zover die geschiedenis wel ter sprake kwam beperkte zich dat tot de economische geschiedenis en in enkele gevallen tot de zeden- en godsdienstgeschiedenis. En ook daarbij was het blikveld van bovenaf. Bovendien waren de historici zich nauwelijks bewust van het feit dat zij als vanzelfsprekend hun eigen normen en waarden bij de beoordeling van vroeger tijden handhaafden. Een voorbeeld: men kan deernis hebben met de moeders uit de Middeleeuwen omdat meer dan de helft van hun kinderen in de eerste levensjaren stierf. Tegenwoordig spreken wij dan van een hoge kindersterfte. Maar, wij moeten wel bedenken dat voor ons het sterven van een jong kind een uitzondering is, terwijl het voor die moeders van toen regel was. Zij wisten niets van hoge of lage kindersterftecijfers en waren vertrouwd met het sterven. Dat betekent niet dat die moeders geen verdriet gehad zullen hebben, maar het was als het ware een vanzelfsprekend verdriet, behorende bij het leven. Zij hadden er geen flauw vermoeden van dat het ooit nog eens anders zou zijn. Tegenwoordig zijn er meer historici die het dagelijkse leven van de mensen proberen te achterhalen. Het spreekt vanzelf dat zij daarbij weinig hebben aan de officiële documenten en meer aangewezen zijn op bewaard gebleven brieven, rekeningen van dokters, kerkelijke analen en dergelijke. In een aantal gevallen zijn ook de processtukken van rechtbanken en de inquisitie van belang. Maar, waar het, zeker voor ons, vooral om gaat is dat wij er voortdurend op letten dat wij onze eigen, doorgaans niet zelfbewuste, opvattingen en ideeën niet inplanten in de mensen van toen. Het herkennen van de eigen conditioneringen is trouwens toch bij het filosoferen noodzakelijk, of het nu over de geschiedenis gaat of over andere thema’s, de werkelijkheid betreffende. Filosoferen is niet mogelijk zonder alles in jezelf los te maken, de zaken in twijfel te trekken en jezelf vertrouwd te maken met een wereld vol onzekerheden.

De onechte cultuurontwikkeling   

Volgens de filosoof Schopenhauer (1788-1860) berust de cultuur op minderheden. Deze uitspraak is fout, ten eerste omdat hij gedaan is vanuit een cultuurdrager, die kennelijk een bepaalde vorm van cultuuruiting, namelijk die van een elite, aanzag voor cultuur. Een vergissing, die herhaaldelijk bij de culturele elite voorkomt.

Ten tweede is deze uitspraak fout omdat hij geen blijk geeft van het inzicht dat de werkelijke cultuurontwikkeling zich niet afspeelt in de zogenaamde cultuurdragers - de minderheden, waarover Schopenhauer spreekt - maar juist bij de gewone mensen. Waarom dat zo is zullen wij nog bespreken. In ieder geval is nu reeds van de cultuuruitingen der minderheden, de elites dus, te zeggen dat die uitingen steeds verschijnen in het licht van de MACHT, zoals die door de éne mens over de andere uitgeoefend wordt. Beschouwen wij dus de ontwikkeling van de cultuur vanuit het gezichtspunt van de culturele elites - en doorgaans doet men dat - dan ontstaat er een geheel vertekend beeld. Je kunt zelfs stellen dat dit beeld tegengesteld is aan de werkelijke ontwikkeling, omdat elites, minderheden met macht, op hun wijze de ONTKENNING zijn van de mensheid als zodanig. De elites hebben zich buiten en boven het volk gesteld en zijn daardoor geen representant van datgene dat er werkelijk gaande is. De tot voor kort geschreven geschiedenis behelst de geschiedenis der mensheid ZOALS ZE NIET IS, hoewel er natuurlijk ook niet gesteld kan worden dat ze geheel vreemd is aan de werkelijke ontwikkeling. Er is natuurlijk wel een samenhang, maar dat is een heel andere verhouding dan gewoonlijk gedacht wordt. Als je die verhouding kent, is het mogelijk uit de denkinhouden van de culturele elites gegevens te distilleren die de gedachtegang over de werkelijke ontwikkeling kunnen ondersteunen. Voorbeelden hiervan zullen wij telkens tegenkomen.

Het voorspel 

Een bepaalde cultuurontwikkeling is niet denkbaar zonder een voorspel, een aantal ontwikkelingen dat samenkomt in en een voedingsbodem vindt in een volgende fase. Voor West-Europa zijn dat ontwikkelingen uit de oudheid, die in de Romeinse cultuur zijn samengekomen. Maar ook zijn het ontwikkelingen die helemaal niets met de Romeinse cultuur te maken hebben, namelijk Moorse, die dus uit het cultuurgebied van de Islam stammen. Deze worden graag verdoezeld omdat christendom en islam vanouds elkaars doodsvijanden zijn - al doet men tegenwoordig over en weer erg vriendelijk. Wij zullen ons dus enige tijd bezig moeten houden met dit voorspel en er daarna de voedingsbodem in moeten betrekken. Pas dan weten wij wat er in zit en kunnen wij nagaan hoe dat er uit komt.

 Misleidende associaties.

Er is ook in west-Europa een tijd geweest dat het gros van de mensen op de een of andere manier de lijfeigene was van feodale heren en kerkelijke vorsten. Nu kijken wij daarop terug en vinden dan dat dit toch erg mensonwaardige toestanden waren. Een mens behoort geen lijfeigene te zijn. Maar dan verkijken wij ons op die feodale heer en die kerkvorst en menen, omdat wij daaraan niet meer ondergeschikt zijn, dat wij de tijd van de lijfeigenschap ver achter ons gelaten hebben. Dat nu is een voorbeeld van een misleidende associatie In feite zijn wij namelijk méér lijfeigene dan die mensen van toen, met alleen dit verschil dat wij niet meer onderhorig zijn aan een bepaald heerschap, maar aan de STAAT. Als je de voor ons geldende dwingende voorschriften eens op een rijtje zet, zonder daarbij acht te slaan op het al of niet positieve karakter ervan, dan blijkt dat wij zo ongeveer geen kant uitkunnen, qua vrijheid. Er is nauwelijks een levensterrein dat niet door de staat, als maatschappelijke belichaming van de cultuur, gereglementeerd wordt. Omdat wij er - zeker in ons land - niet zoveel LAST van hebben, realiseren wij ons dat feit niet zo vlug, maar bijvoorbeeld de mensen in de derde wereld, of de mensen die zuchten onder een dictatuur, realiseren zich dat wel degelijk. En zo’n dictatuur behoort tot onze wereld; het is precies dezelfde macht als die over ons heerst, maar dan in een andere, meer brute, vorm. De onvrijheden, die ons in een enigszins redelijke vorm opgelegd worden verschillen niet wezenlijk van die van een dictatuur. Het is daarom nog maar de vraag wie er meer een lijfeigene was, die mens van vroeger of de mens van nu...

No. 2

Bladwijzers:    Algemeen belang-1 ; Algemeen belang-2 ; Algemeen belang-3 ; Algemeen belang-4 ;

Het filosoferen over de geschiedenis

De filosofie bewandelt, als zij nadenkt over de geschiedenis, een andere weg dan de geschiedenis- wetenschap. De opgave van de wetenschapper is de gebeurtenissen op een bepaalde plaats en in een bepaald tijdsbestek zo volledig en betrouwbaar mogelijk te achterhalen om ze vervolgens in een zo waarschijnlijk mogelijke samenhang te plaatsen. De aard van die samenhang wordt bepaald door de opvattingen van de onderzoeker en dus ook door de cultuurprogrammering, waaraan zij of hij onderworpen is. Die programmering schrijft allerlei voor met betrekking tot de wetenschappelijkheid, maar ook met betrekking tot datgene dat mensen tot een bepaald gedrag beweegt. Van veel van deze voorschriften is men zich gewoonlijk niet of nauwelijks bewust zodat men eventuele vertekeningen van het beeld niet opmerkt. Daarom is van de geschiedeniswetenschap te zeggen dat zij ons inzicht verschaft in zowel vervlogen tijden als in de tijd en de geestesgesteldheid van de onderzoeker. Filosoferen echter houdt in dat men op de eerste plaats zichzelf bevrijdt van de cultuurprogrammeringen teneinde er achter te komen hoe het nu werkelijk met de mens zit. Naarmate dit steeds beter gelukt blijkt het mogelijk te worden inzicht te krijgen in het ontwikkelingsproces van de mensheid. Je kunt dan leren begrijpen welke verschijnselen de mensheid achtereenvolgens vertonen moet en dat kan je toetsen aan de resultaten van het geschiedkundige onderzoek. Van deze methode is te zeggen dat hij in principe ZUIVER is: vertekeningen op grond van eigen conditioneringen zijn uitgesloten. Als je op deze wijze de mensheid en haar ontwikkeling benadert sta je er vaak zelf verbaasd van hoezeer het nieuwe beeld van de ontwikkeling afwijkt van de gangbare opvattingen. Maar ook dat dit nieuwe beeld veel logischer is.

De cultuurelites als ontkenning van de cultuur  

In samenlevingen vormen zich steeds elites die zich beroepen op iets hogers. Iets goddelijks of iets koninklijks of op hogere geestelijke vermogens die maatgevend zouden zijn. Op grond daarvan zonderen de elites zich af van de overige mensen, zij staan erboven en oefenen MACHT uit. In de praktijk blijkt dat zij doorgaans niet tussen de gewone mensen willen leven, maar zich liever terugtrekken in hun kastelen, landgoederen en, tegenwoordig, in hun dure buitenwijken. Zodra men tot een elite gaat behoren gaat men als eerste verhuizen omdat men niet meer tot de gewone mensen wil behoren. Tegelijk echter met het zich afzonderen treedt er een nieuwe verhouding tot de gewone mensen op: men gaat hen de wet voorschrijven. Het leven met de andere mensen wordt omgezet tot heersen over de andere mensen - op welke manier dan ook. En daarbij pretenderen de elites dat zij de exponenten, de vertegenwoordigers, zijn van de cultuur, in tegenstelling tot de gewone mensen, het volk, het onontwikkelde gepeupel. De elites zouden dus dat, wat zich in de mensheid ontwikkelt, afspiegelen. Maar het is zeer de vraag of dat werkelijk zo is! De hedendaagse muzikale cultuurelite bijvoorbeeld, gevormd door de moderne componisten van zogenaamde serieuze muziek, vertegenwoordigt in geen enkel opzicht de voor ons geldende cultuurfase. Zij is wel een GEVOLG van die fase, maar niet de UITDRUKKING ervan. Dit laatste geldt echter wel voor de monotone, harde en agressieve disco- muziek waaraan vrijwel alle jongere mensen uitgeleverd zijn. Of wij die muziek mooi vinden of niet, feit blijft dat zij over de gehele wereld aanspreekt. Zij is echt een, desnoods verontrustend, teken van deze tijd in tegenstelling tot het elitaire maakwerk van de zogenaamd serieuze componisten. De tegenstelling tussen de idealen van de vredesbeweging en de opvattingen van de politieke elites is ook een goed voorbeeld bij onze gedachtegang. De politieke elites willen bewapenen en op grond daarvan zou men kunnen menen dat bewapenen een element is van de huidige cultuurfase. Dat is echter niet het geval: het welhaast ongemotiveerde hunkeren naar vrede behoort wezenlijk tot onze cultuurfase. De elites zijn op vernietiging uit, maar in de mensen ontluiken de eerste kiemen van het léven!

De gewone mensen

Het is een opvallend feit dat de gewone mensen er tot op de dag van vandaag maar een beetje bij hangen: zij zijn goed om een door de economische en politieke elite veroorzaakte crisis op te vangen, goed om door hun arbeid de welstand van de elites te vergroten, goed om op de slagvelden hun bloed te vergieten ter wille van de machtsconflicten van de elites en net goed genoeg om doormiddel van misleidende verkiezingsprocedures hun eigen onderdrukkers te kiezen. De elites hebben de manifestaties van hun cultuur steeds voorgesteld als VERHEVEN zaken - ook thans nog doen bijvoorbeeld politici het voorkomen alsof zij volkomen onbaatzuchtig en integer bezig zijn hun leven in dienst te stellen van het algemeen belang. Zij zijn de dragers en de beschermers van de cultuur. En het volk moet geleid worden, het moet onderwezen worden en op een hoger en edeler plan gebracht. De filosofen hebben nagedacht over de mensheid en zij hebben daarbij schitterende waarden ontdekt van humaniteit. Tegelijk hebben zij ontdekt dat het volk niet beantwoordde aan die waarden. En nu komt het: het volk moest opgeheven worden tot die waarden, met andere woorden, de mensen, jij en ik, mochten niet blijven wie zij waren, zij moesten zich voegen naar HET DENKEN van de (filosofische) elites. Sinds de 19e eeuw hebben de grote socialistische denkers gestreden voor de verheffing van het proletariaat en zij hadden daarbij doorgaans goede bedoelingen. Maar intussen is het toch een feit dat dit proletariaat moest gaan beantwoorden aan de normen van die denkers. Er is nauwelijks een denker te vinden die vanuit de gewone mensen en hun ontwikkelingsweg gedacht heeft. Steeds moesten die gewone mensen iets, huis en haard verlaten voor de heilige oorlog, tegen het fascisme en het communisme, voor de revolutie - stuk voor stuk zaken die door de elites zelf verzonnen zijn! Het is dan ook geen wonder dat het moeite kost de mensen zover te krijgen dat zij in beweging komen en hun onwil daartoe heet dan: apathie. In de gewone mensen ligt een heel andere wereld dan in de elites, een wereld waarin de cultuur niet MISBRUIKT kan worden. Niet dat die wereld nu zo mooi is of zo redelijk of zo rechtvaardig. Die begrippen zijn in wezen niet van toepassing omdat ook dit elitebegrippen zijn. Zij liggen wel in de rede en kunnen dus niet afgewezen worden, maar tot op heden hebben zij een elitaire inhoud, die AFGEDWONGEN moet worden en die dus in het teken van MOETEN staat. In een dergelijk denken van bovenaf komen jij en ik niet voor. Sterker nog: MEN KENT ONS HELEMAAL NIET en men spreekt niet onze taal...

De elites eigenen zich alles toe

De waarlijk grote kunstenaars zijn in hun kunst niet élitair geweest, ondanks het feit dat zij zich met de mooie dingen bezig hebben gehouden. Maar zonder mankeren is hun kunst door de elites in beslag genomen en heeft men de indruk gewekt dat de kunst het werk zou zijn van de dragers van de cultuur. Beethoven, Rembrandt en Dostojewski echter waren geen CULTUURDRAGERS, zij waren kunstenaars, d.w.z. mensen die in staat waren een BEELD VAN DE WERKELIJKHEID te geven. Zo ook hebben de grote revolutionaire leiders beslag gelegd op bewegingen in de menselijke ontwikkeling om hun eigen ideeën over maatschappij en samenleving te concretiseren. Lenin is daarvan een voorbeeld.

Bladwijzers: Elite-1 nrs 1 t/m 6 ; de nieuwe elites ; Algemeen belang-1 ; Algemeen belang-2 ; Algemeen belang-3 ; Algemeen belang-4 ;

 

No 3

Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Russische revolutie-1 ; de Russische revolutie-2 ; 

Vladimir Iljitsj Oeljanov

Oeljanov (1870 - 1924) is de geschiedenis ingegaan onder de naam LENIN en hij was het die in 1917 de macht greep in het revolutionaire Rusland. Hij is een van de weinige voorbeelden van denkers die, denkend vanuit de elite tot een theorie over de gewone mensen kwam, die nog bleek te werken ook! Hij was de inspirator en de motor van de Russische revolutie. Maar er is toch iets merkwaardigs: in 1902 schreef Lenin de brochure: Wat te doen? En daarin stond hij een elite van beroepsrevolutionairen voor die het proletariaat zou moeten bevoogden. Maar in 1917, toen bleek dat de arbeiders de fabrieken overnamen en de boeren het grootgrondbezit, ging het hem plotseling om de massa die het lot in eigen hand nam en daardoor een begin maakte met het afsterven van de staat. Dit blijkt uit zijn geschrift Staat en revolutie van 1917. Blijkbaar speelde hij in op de gevoelens van de gewone mensen, die er geen trek in hadden wéér allerlei te moeten. Toch greep hij nog in datzelfde jaar de macht en hij stelde in 1920 een autoritaire partij- organisatie in - na de opstand van de matrozen in Leningrad. Uiteindelijk ging het hem er dus toch om de gewone mensen te dwingen zich te voegen naar zijn denkbeelden en was zijn suggestie, dat het andersom zou moeten, slechts een handige tactiek om de mensen mee te krijgen. Gaandeweg werden experimenten met nieuwe leefvormen, met nieuwe onderwijsmethoden en een eerlijker verdeling van de beschikbare goederen stopgezet en ontstonden weer de gebruikelijke elites. Toch was Lenin geen bedrieger. Hij heeft al zijn krachten voor Rusland ingezet, maar ook hij ontkwam niet aan het denken-van-bovenaf, zodat zijn opvattingen over het volk niet zo erg realistisch waren. Zijn politieke conceptie daarentegen was uitermate realistisch, hij had dan ook succes.

Een nadere beschouwing over de elites

Als men een week het nieuws op de TV volgt is het gehele functioneren van de elites, in alle mogelijke vormen, in kaart gebracht. Men heeft, vaak geheime, beslissingen over bewapening genomen; men heeft besloten dat de armen het niet beter zullen krijgen; men zal de boeren straffen als zij teveel voedsel produceren; men is overeen gekomen dat de door de bevolking niet gewenste kerncentrales er toch zullen komen, enzovoort. Je behoeft bepaald geen radicale revolutionair te zijn om deze dingen op te merken en er lering uit te trekken. Maar slechts weinigen doen dat, want het is vanzelfsprekend geworden dat de elites het wereldbeeld bepalen. De bevolking onderwerpt zich aan de elites en vindt het vanzelfsprekend dat die bepalen wat te doen en wat te laten en voorlopig peinzen de mensen er niet over dat te veranderen, sterker nog: zij menen dat het zo goed is omdat zij denken dat zij die elites (althans een deel ervan) zelf gekozen hebben. Dat het voorlopig niet verandert ligt vooral aan de gewone mensen zelf, die in hun denken meegezogen worden. Het is, bij het leren begrijpen van de West-Europese cultuurontwikkeling, van groot belang dat wij het verschil inzien tussen de cultuur als bovendrijvende elitaire macht en de cultuur zoals zij zich, doorgaans nauwelijks bewust, heeft ontwikkeld in de grote massa van gewone mensen. Vanuit de elitaire macht MOETEN de gewone mensen altijd een heleboel dingen en is te zeggen dat zij onvermijdelijk gezien worden als mensen die zo maar vanuit zichzelf niet deugen. Zij moeten dan ook geregeerd worden en bestuurd, zij zouden er, zonder leiding een rommeltje van maken. En de gewone mensen, op hun beurt, verzetten zich daartegen zonder dat het hun gelukt het juk van zich af te schudden, omdat hun denken met de elitaire macht van de cultuur méégezogen wordt. Bijgevolg vinden zij zelf dat hun eigen verzet eigenlijk asociaal en ondemocratisch is en daardoor leggen zij zich maar bij de gang van zaken neer...

De zuiging van de elitaire cultuur

Als de gewone mensen denken over hun cultuur in die zin dat zij er zo hun gedachten over hebben en er zich dus niet werkelijk in verdiepen, hebben die gedachten dezelfde inhoud als die van de elites. Dat is niet verwonderlijk als wij bedenken dat zij met die gedachte inhoud opgevoed zijn, vanuit die gedachte inhoud onderwijs hebben genoten en vertrouwd zijn gemaakt met de bij die inhoud behorende rechten en plichten. Het kan dan niet uitblijven dat die zaak hen meezuigt: op de een of andere manier willen zij graag ook tot een elite behoren en dat betekent dat zij zich zullen beijveren om zich van hun medemensen af te zonderen en zich boven die medemensen te stellen. Zij zullen proberen een pet op te zetten om daarmee blijk te geven van hun hogere status. En zo ontstaat er ook tussen de gewone mensen een machtsstrijd die de samenleving verdeelt en rijp maakt voor onderdrukking van bovenaf. Maar wij moeten bij dit alles wel begrijpen dat het is een zoeken van de elitaire cultuurinhoud, op grond van de ZUIGING daarvan, en dat het niet om een wezenlijk GEGEVEN cultuurinhoud gaat. Het gaat eigenlijk om een vreemde inhoud, een zaak die niet bij de gewone mensen behoort. Daarom mislukt gewoonlijk dat zoeken van een hogere status, er ontstaat een MISLUKTE elite. En juist op grond van die mislukking, die er fundamenteel in zit, hechten de gewone mensen zich zo aan hun status en zijn zij soms bereid hun medemensen op te offeren. Het gewoon-zijn van die mensen heeft in de praktijk dus minder betrekking op hun GEDOE, dan op hun werkelijke culturele geaardheid. Vanuit die geaardheid zonderen zij zich niet af van hun medemensen en verheffen zij zich niet boven hen. Die geaardheid is gemoedelijk en dat wil zeggen dat de cultuurinhouden verzonken zijn in het geheel van hun PSYCHISCHE werkelijkheid. Het is voornamelijk een gevoelszaak. En vanuit dat gevoel is er geen behoefte aan oorlog, geweld en vernietiging, geen behoefte aan het geestdrijven van de godsdiensten en de ideologieën, geen behoefte aan grootschalige bedrijvigheid... en wel behoefte aan rust, aan veiligheid, aan vrede en gezelligheid. Binnen de psychische werkelijkheid springen er geen speciale dingen-die-moeten naar voren, is er geen status en geen machtsbegeerte. Het zou echter niet goed zijn als wij uit het bovenstaande zouden afleiden dat de gewone mensen zo’n edele inborst hebben. In feite zijn zij op gemoedelijke wijze precies dezelfde cultuur, zoals die bij de elites op een bepaalde manier zelfbewust is. Bij de elites echter is die zaak afgezonderd, als de maat gesteld en geldend als een hoger en dwingend principe. Romantisch gepraat over de nobele proletariër, de goede landman en de liefdevolle eenvoudige moeder vertekent alleen maar het beeld dat wij ons van de mens maken. Vooral vanuit de socialistische traditie verschijnen veel van die romantische voorstellingen. Maar twee wereldoorlogen, waarin de proletariërs aller landen zonder veel tegenstribbelen elkaar uitmoordden, hebben wel laten zien dat er nog wel iets anders speelt. Al is de cultuur op gemoedelijke wijze aanwezig, het is toch een manifestatie van de cultuurfase van dit moment, met alle erbij behorende misvattingen, vervreemdingen en ficties.

Iets over de Duitse cultuur

Je kunt zonder overdrijven stellen dat het Duitse volk het voorbeeld was en is van de zuiging van het elitaire. Het is bijna traumatisch te noemen, zoals vrijwel iedere Duitser naar een officiële status hunkerde, en dat tegenwoordig, zij het op democratische wijze, nog steeds doet. Er is niets mooiers dan het behoren tot de overheid, bij voorkeur in posities die praktische machtsuitoefening mogelijk maken: bij de politie en het leger. Dit trauma wordt bevorderd door de bijkans absolute autoriteit die de elites zichzelf toekennen, mogelijk gemaakt door de patriarchale onderdrukking van het gemoedelijke psychische...

Naar bladwijzers: Rechten en Plichten-1    Rechten en Plichten-2   Rechten en Plichten-3     Rechten en Plichten-4 ; Russische revolutie-1 ; de Russische revolutie-2

Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;

No. 4

Naar bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;

Grondprincipe van de ontwikkeling

De ontwikkeling vindt plaats langs de weg van de voortplanting, en niet, zoals gewoonlijk gedacht wordt, doormiddel van het doorgeven van informatie. Het ontwikkelingsproces is er alsof het een BIOLOGISCH proces was en dat wil zeggen dat het als het ware domweg gebeurt. Het is dus geen intellectueel proces, maar INHOUDELIJK is de zaak wel intellectueel en dat verklaart het feit dat men gewoonlijk aan het doorgeven van informatie denkt. Informatie behoort tot de inhoud van het zelfbewustzijn; je kunt het een geestesinhoud noemen. Toch is het wezenlijk ook geen biologisch proces; zou het dat wel zijn, dan zouden zich LEVENS-PROGGRAMMA’S herhalen, telkens opnieuw en telkens volkomen vastgelegd. Van ontwikkeling zou geen sprake zijn, hetzelfde zou telkens opnieuw gesteld worden. Nu echter komt hetzelfde telkens ANDERS voor de dag en hebben we niet te doen met een programma. Wat zich steeds opnieuw stelt is juist géén programma, ontwikkeling is: zichzelf blijven en tegelijk veranderen. Dat behoort niet thuis in het wordingsproces, noch in de evolutie van het leven. Pas als de evolutie achter de rug is gaat de ontwikkeling optreden: iedere volgende generatie is hetzelfde, namelijk mens, om tegelijk een beetje anders te zijn. Dit komt, uiteraard, door het feit dat de mens ook nog zelfbewustzijn is. Als er namelijk een nieuw mens ontstaat komt er een nieuw zelfbewustzijn voor de dag en daarvan is het kenmerkende dat het volkomen vrij is, d.w.z. het is niet geprogrammeerd, niet vastgelegd, niet beperkt - het is iets dat NIET-MATERIEEL is (geest). Dat komt er voor de dag en pas daarna ontstaan er programmeringen, via inprentingen in de eerste kindertijd, via opvoeding en onderwijs en via eigen ervaringen. Dat gehele programma wordt opgelegd aan een VRIJ zelfbewustzijn en dat kan alleen maar juist omdat het vrij is; was het dat niet, men zou totaal niets bereiken met inprentingen, opvoeding, onderwijs en het verwerken van eigen ervaringen. Het ingeboren programma zou zich gewoon doorzetten! Naarmate iemand wijzer wordt lossen de programma’s zich in meerdere of mindere mate op (de fundamentele vrijheid blijft doorwerken! ) en worden als zodanig op hun beurt opgelegd aan de volgende generatie, die ze vanuit eigen fundamentele vrijheid ook weer enigszins oplost, enzovoort... Langzaam maar zeker voltrekt zich dus een bevrijdingsproces. En dat is het wezenlijke van de ontwikkeling. Hoewel er dus voortdurend moraal, waarden, denkwijzen, levenshoudingen en informatie doorgegeven worden, die alle het leven conditioneren, is het ontwikkelingsproces juist het tegendeel daarvan: het is een gestaag voortgaand BEVRIJDINGSPROCES dat zich voordoet als een biologische zaak en tegelijk als een intellectuele zaak, zonder in feite een van beide te zijn.

Het vanzelfsprekend-zijn van het zelfbewuste

In de vroege kindertijd, voordat het kind ik kan gaan zeggen en voordat het in staat is dingen te leren, wordt het kind allerlei INGEPRENT - het woord kenden wij al lang voordat het een technische betekenis kreeg in de elektronica, waar men met prints werkt die overeenkomst vertonen met gedwongen denkwegen in ons zelfbewustzijn! De ingeprente gedwongen denkwegen bepalen om te beginnen alles wat er in het kind omgaat: zij bepalen wat het kind normaal zal vinden, wat het zal afkeuren of bestreven, wat het logisch zal vinden, enzovoort. In dat licht zal het om te beginnen alles bekijken en het zal dat VANZELFSPREKEND vinden. Het wéét eenvoudig niet beter! Het zal het normaal vinden dat god bestaat, dat mensen met elkaar trouwen, dat kinderen de naam van hun vader dragen, dat de wereld getiranniseerd wordt door elites en noem verder maar op. En voor diegenen die wat wijzer zijn geworden zal het steeds verbijsterend zijn om te moeten constateren dat de mensen de meest simpele waarheden eenvoudigweg niet kunnen begrijpen. Het is dat de ontwikkeling nu eenmaal zo is, anders zou je kunnen zeggen dat de inprentingen dé grote handicap voor het realiseren van een menswaardige wereld zijn. Dat de denkontwikkeling in de mensheid betrekkelijk traag verloopt komt niet doordat de mensen dom zouden zijn, maar door de inprentingen. Die, en niets anders, vormen de BLOKKADE, die in de loop van zeer lange tijd door de mensheid opgeheven moet en zal worden. Die blokkade is dus een complex van vanzelfsprekendheden, die ongemerkt geldig zijn, maar die in feite tot de bedenksels gerekend moeten worden, en het is maar de vraag of die bedenksels houdbaar zijn. Verreweg de meeste zijn dat in ieder geval niet!

Een eigen inbreng?

Omdat de inprentingen terechtkomen in een volkomen vrij zelfbewustzijn is het steeds nog maar de vraag HOE zij er op INWERKEN bij de éne of bij de andere mens. Omdat het vrije zelfbewustzijn een verhouding is in een verschijnsel, in samengestelde materie, speelt de biologische erfelijkheid wel degelijk een rol. Die bepaalt niet de MATE van vrijheid: vrij is vrij, er zijn daarin geen graduaties denkbaar, maar die erfelijkheid speelt wel een rol als het gaat om de vraag IN HOEVERRE die vrije zaak in dat verschijnsel uit de voeten kan. En behalve die biologische kwaliteit van het verschijnsel is er ook nog het complex van omstandigheden: is er voldoende voedsel, is de omringende natuur niet al te ruw, zijn er veel gevaarlijke ziekten, enzovoort. In hoeverre kan het vrije zelfbewustzijn uit de voeten als een mens bijvoorbeeld in de moederbuik reeds ondervoed was? Toch doen wij er goed aan als wij aan de aanleg van een mens geen absolute waarde toekennen. Hoe ingrijpend de werking daarvan ook is, het vrije, zelfbewustzijn heeft altijd de mogelijkheid de aanleg te neutraliseren. De mens is niet gepredestineerd - zoals de calvinisten staande willen houden. Voor de mens geldt er niets dat onontkoombaar is, behalve de dood. Al met al is te zeggen dat de programmeringen de geestelijke en de erfelijkheid en de omstandigheden de lichamelijke kant van de zaak zijn.

Nogmaals de gewone mensen

Hoewel het een feit is dat het vanzelfsprekend-zijn van het zelfbewuste op zichzelf als een blokkade werkt, is er tegelijk nog iets anders aan op te merken dat we positief zouden kunnen beoordelen. Door de vanzelfsprekendheid namelijk blijft de hele zaak besloten binnen een geheel, zodat er een betrekkelijk onverbrekelijke samenhang is tussen alle elementen. Voor zover nu die samenhang gehandhaafd blijft, of beter: dominant blijft, hebben we te doen met gewone mensen. Deze mensen raken gewoonlijk uit hun doen door de al eerder besproken zuiging van het elitaire, maar desondanks wordt hun grondgesteldheid gekenmerkt door het geheel. Anders is het bij de elites: deze halen enkele elementen uit het geheel naar voren, ontdoen die van de samenhang met de rest, en stellen ze vervolgens als de maat. Zij doen het voorkomen alsof het in het leven en in de wereld daarom zou gaan! Het gaat dan om een allesoverheersende en vooral ook DWINGENDE gedachte, een elitaire cultuurgedachte. Deze komt wel voor in de algemene voedingsbodem der cultuur, is er bijgevolg niet vreemd aan, maar hij is er wel UITGELICHT en absoluut gesteld. Dat is in alle culturen het geval en het zal duidelijk zijn dat hierin het TIRANNIEKE en het VERVREEMDENDE van elke cultuur geworteld is. Bovendien ligt hier de grond voor de kilheid, de meedogenloosheid en de hardheid waarmee cultuurwaarden door de elites bij de gewone mensen afgedwongen worden, gewoonlijk doormiddel van wetten, die met geweld gehandhaafd worden. De gemoedelijkheid en dat is het verzonken-zijn in het psychische, is hier ver te zoeken, zoals de geschiedenis en de huidige praktijk leert.

Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;

No. 5     

Bladwijzers: Concurrentie-1 ; Concurrentie-2

De gemoedelijkheid

Het leven van de gewone mensen wordt gekenmerkt door de gemoedelijkheid. Dat wil niet zeggen dat zij altijd even gemoedelijk zijn, want zij kunnen elkaar het leven danig zuur maken doordat zij zich mee laten zuigen door elitaire waarden die voor hen begerenswaardig zijn. Vaak ook wordt er van die waarden gebruik gemaakt om hen op te hitsen tegen zogenaamde vijanden, die - de geschiedenis bewijst dat - door de elites tot vijand verklaard zijn. Gemoedelijkheid echter wil zeggen dat men van zichzelf uit niet de drang heeft bepaalde inhouden van het zelfbewustzijn uit het geheel te lichten om ze als de maat te stellen voor zichzelf en vooral voor de medemensen. Het bestreven van deze normen en waarden loopt zo’n vaart niet en over het algemeen is men er zich van bewust dat de soep niet zo heet gegeten wordt als ze wordt opgediend. Bovendien zijn de gewone mensen vaak van mening dat ze de kans niet krijgen om hogerop te komen, zodat zij het daaraan meekomende concurrentiegedoe ook maar laten voor wat het is. Zij zeggen tegen elkaar. Doe maar gewoon! Zoals gezegd komt het er dus op neer dat er niets uitspringt uit het geheel van de zelfbewuste inhoud, van het weten van de mensen. Maar bij de elites is dat niet het geval: hele landstreken zijn uitgemoord omdat mensen weigerden te beantwoorden aan normen, die de elites als de maat hadden gesteld. De zogenaamde overheden zijn nog nooit gemoedelijk geweest, het is nooit voorgekomen dat het zo’n vaart niet liep. Zozeer zijn de dienaren der overheid vervuld van plichtsbetrachting (want zo heet dat!), dat het de gewone mensen verbaast als er eens een enkele keer wat soepeler opgetreden wordt. Een geschikte kerel, een menselijke ambtenaar en iemand met begrip, wordt er dan gezegd. Het viel gelukkig een beetje mee! Blijkbaar verwachten ook de gewone mensen dat de elites niet zo erg gemoedelijk zijn en dat is terecht: elites zijn keihard als het gaat om de essentie van hun élitair-zijn - waag het niet om oneerbiedig te zijn of ongehoorzaam, tast hun status niet aan want er zwaait wat... Als er door een regering een beslissing genomen moet worden terwijl er verschillende alternatieven voorhanden zijn, wordt onveranderlijk de harde oplossing gekozen: toch kernraketten, toch kerncentrales, toch een abortuswet, toch euthanasie verbieden, toch dienstweigeraars in de gevangenis, enzovoort. En men heeft het dan over zijn plicht doen en over het recht, dat zijn loop zou moeten hebben en bovendien zijn de elites ervan overtuigd dat het een rommeltje zou worden als er niet regelend, d.w.z. DWINGEND, opgetreden wordt. Geen gemoedelijkheid dus!

Verzonken zijn in het psychische

Hoe is nu de situatie als de inhouden van het zelfbewustzijn binnen het geheel blijven, d.w.z. binnen het gehele pakket van inhouden? De situatie wordt dan deze dat het de mens onmogelijk wordt de dingen te doen die hij KAN doen, maar die, als hij ze doet, het geheel van de werkelijkheid VERBREKEN. We moeten wel beseffen dat er NIEMAND is die ons kan beletten een ander te vermoorden, te bestelen, te vernederen; dat er niemand is die de mens kan beletten met een atoombom zijn medemensen te vernietigen of doormiddel van vernuftige technieken de natuur te veranderen. Wij menen dat rechters, politie, veiligheidscommissies en ethische normstelsels al die dingen verhinderen, maar dat is slechts in schijn waar: voor elke schanddaad hebben de mensen altijd argumenten gevonden en nooit heeft men zich iets aangetrokken van het feit dat zoiets verboden was. Bovendien: van waaruit kwam men op het idee dergelijke dingen te verbieden? Ligt daaraan een waterdichte en overtuigende redenering ten grondslag? Zijn de normen van de ethiek logisch berekenbaar? Neen, dat zijn zij niet! Uiteindelijk is alle ethiek een GEVOELSKWESTIE, en dat komt doordat het gevoel is: de ervaring van het PSYCHISCHE in jezelf. Het psychische is er op grond van het feit dat een mens, voor zover hij lichamelijk en dus materieel is, meetrilt met zijn eigen BEWUSTZIJN, d.w.z. het trillende beeld van de werkelijkheid in hemzelf. Het gevoel, als ervaring van het psychische in jezelf, belemmert het uitvoeren van vernietigende handelingen. De mens is in staat die handelingen te verrichten omdat hij letterlijk alles kan, maar als het goed is doet hij het niet omdat zijn eigen psyche hem dit belet. Zijn gevoel zegt hem dat je die dingen hebt te laten. Dat gevoel, op haar beurt, wordt ook een zelfbewuste zaak (het is immers een ervaring!) en daardoor kan een mens er over nadenken, zodat hij zelfs wel kan gaan menen dat hij zijn eigen ethiek BEDACHT heeft, dat die ethiek een gevolg is van een logische redenering. Maar geen enkele ethicus kan LOUTER REDENEREND aantonen dat bijvoorbeeld het vermoorden van een medemens niet te pas komt. Altijd wordt er een soort van geweten of een ingeboren redelijkheid of Gods wil in gefrommeld en dat doet men omdat men geen weet heeft van het bewustzijn en het psychische. Had men dat wel, men zou op de vraag waarom je de werkelijkheid niet mag verbreken, antwoorden: mijn gevoel zegt het me en dat zou precies het goede antwoord zijn. Het is echter een antwoord dat de moderne mens niet wenst te aanvaarden omdat hij van mening is dat de werkelijkheid te BEREKENEN is en dat het gevoel daar bijgevolg buiten valt. Dus hangt hij liever een verhaal op over het geweten en dergelijke. De mens voelt de werkelijkheid aan, of, anders gezegd: als mens voelt de werkelijkheid ZICHZELF aan. Overigens komt van dit aanvoelen in de praktijk niet zo erg veel terecht omdat de meeste conditioneringen er op gericht zijn dit aanvoelen te neutraliseren of in geheel andere banen te leiden. Het is immers een uitermate gevaarlijke zaak! Bijna niemand is gediend bij inzicht in de werkelijkheid, want het zou dan wel eens kunnen blijken dat de door de mensen ingerichte wereld helemaal niet deugt! De INHOUD van het zelfbewustzijn is op zichzelf een versnipperde zaak. Het is een HOEVEELHEID kennis en dus is het een kwantitatieve aangelegenheid. In het zelfbewustzijn is geen factor aanwezig die ervoor zou kunnen zorgen dat die hoeveelheid versnipperde kennis tot één geheel wordt. Het zelfbewustzijn zelf is alleen maar vrije beweeglijkheid, zodat de kennis alleen maar kan VERVLUCHTIGEN, oplossen tot niets, opgaan in helderheid. Het zelfbewustzijn als helderheid heeft niets met het geheel te maken, het begrip het geheel geldt alleen dan als er samenstellingen, en dus verschijnselen, zijn. En die zaak vinden wij in ons BEWUSTZIJN en hij wordt via de psyche voelbaar. Hij kan ook, in de zelfaanschouwing, zichtbaar gemaakt worden, maar daarover gaat het nu niet omdat dit op het terrein van het inzicht ligt en dat is in onze cultuur taboe... Willen wij nu dat de INHOUD van het zelfbewustzijn een samenhangende is die een onverbrekelijk geheel vormt, dan zal die hele zaak overeen moeten komen met ons BEWUSTZIJN (de werkelijkheid als beeld in onszelf), en dat kan alleen maar als het een gevoelszaak geworden is. Dat is de betekenis van de uitspraak verzonken-zijn in het psychische. Dit verzonken zijn geldt in sterke mate voor de gewone mensen, maar dat wil niet zeggen dat dit uit wijsheid voortkomt. Zoals gezegd laten zij zich maar al te graag wegzuigen. Vooral in de moderne westerse wereld zijn het de door de elites geschapen omstandigheden die een belangrijke blokkade vormen voor het toetreden tot de elite door de gewone mensen. Hierop komen wij uiteraard nog terug. Van belang is het om het volgende in te zien: zo er al sprake kan zijn van een mogelijke redding van de mensheid is die gelegen in het psychische; het zelfbewustzijn vervluchtigt alleen maar tot nirwana...

Bladwijzers: Concurrentie-1 ; Concurrentie-2    Rechters-1-nr. 5 ; Rechters-2-nrs. 23 en 24

No. 6     

Bladwijzers: Concurrentie-1 ; Concurrentie-2

De zuiging van het elitaire

Over het algemeen kan men zeggen dat de meeste gewone mensen voorkomen onder de lagere maatschappelijke niveaus, maar de term verwijst niet alleen maar naar die niveaus. Gewone mensen komen ook voor in de zogenaamde hogere lagen van de bevolking, maar dan is meestal wel te zeggen dat die mensen op de een of andere manier een BEWUSTE keuze gemaakt hebben. Zij hebben zich afgewend van hun eigen milieu. Dus: de gewone mensen komen in alle milieus voor, maar de milieus zelf zijn resultaat en afspiegeling van het streven naar het elitaire. Zoals gezegd is het kenmerk van de gewone mensen dat zij, vanuit zichzelf, niet de drang hebben zich te onderscheiden als iets beters en iets hogers. Maar de zuiging van dat betere en hogere is er wel: in belangrijke mate is de reclame toegesneden op die zuiging voor zover die de mensen suggereert dat het drinken van bepaalde dranken, het nuttigen van bepaald voedsel, het bezitten van een zeker merk automobiel, enzovoort, een beter leven verzekert. Dat betere leven wordt onveranderlijk voorgesteld als dat van de happy few, met alle daarbij behorende attributen, zoals mooie vrouwen, motorboten, grasgazons en bepaalde sporten. Was genoemde zuiging er niet, de reclame zou veel meer zijn wat ze behoort te zijn, namelijk voorlichting. Nu echter wekt zij begeerte op en dat is nodig om de omzet van de producenten te vergroten. De grote, dure auto wekt begeerte op en zuigt de mensen weg uit hun gewone doen: zij hebben hem helemaal niet nodig en de elites hebben hem ook niet nodig, maar deze laatsten bezitten hem wel als symbool voor hun hogere status. We moeten de zaak vooral niet omkeren en denken dat de gewone mensen die dure auto (als voorbeeld bedoeld) hebben opgeleverd. Hij is opgeleverd door de elites, die blijk willen geven van hun status en VERVOLGENS heeft hij de begeerte opgewekt van een groot aantal gewone mensen. Wat wij tot nu toe hebben vastgesteld omtrent de elites is niet bedoeld als een soort van linkse scheldpartij. Het gaat om het herkennen ervan en het bepalen van de erbij behorende kenmerken. En dat is nodig omdat een en ander zo essentieel is voor het begrijpen van de West-Europese cultuur waarin almaar de werkelijke ontwikkeling onder de oppervlakte blijft en dientengevolge voortdurend grote spanningen in de maatschappij en de samenleving oproept. Spanningen omdat de elites telkens weer blijken niet zo VOORBEELDIG te zijn als zij zich voordoen. Er is meer reden om op de gewone mensen te mopperen dan op de elites omdat die gewone mensen nog steeds niet door hebben hoe het zit, zich blindelings laten meezuigen en mede daardoor de elites in stand houden! Als er gemopperd zou moeten worden zou het daarop moeten zijn...

Het West-Europese machtsstreven

Elitair is het uitlichten van een bepaald gedeelte uit het geheel van de cultuurinhoud en het vervolgens als de maat stellen van dat bepaalde, er uit gelichte gedeelte. Het als de maat gestelde is een HOGER principe waaraan een mens en zijn medemensen moet beantwoorden, waarnaar zij zich moeten voegen. Zij moeten zich veranderen en zich aanpassen aan dat principe. En hier ligt het begrip macht. Het jezelf en anderen dwingen anders te worden, zich aan te passen aan het hogere. Voor zover een mens deze dwang laat gelden oefent hij macht uit. Dit uitoefenen van macht is kenmerkend voor de West-Europese cultuur, en dus zijn ook de macht uitoefenende elites voor die cultuur typerend, reden waarom het nodig was er zo uitvoerig bij stil te staan. En nu is de vraag aan de orde waarom men dat in de West-Europese cultuur doet. Hierin spelen verschillende factoren een rol.

Het goddelijke individu

In de West-Europese cultuurontwikkeling maakt zich het feit waar dat elke afzonderlijke mens er is als individu. Elke mens is een ondeelbare eenheid, die er is ZOALS HIJ ER IS en die als zodanig recht van bestaan heeft. Nu zou je denken dat die individu tevreden zou zijn met zichzelf en met de anderen en iedereen in zijn waarde zou laten. Maar dat is niet het geval omdat er voor die individu nog iets is gaan gelden dat er de oorzaak van is geworden dat hij voor zichzelf wel het individu-zijn opeist, maar het tegelijk aan de anderen ontzegt. Wat er is gaan gelden is het goddelijke. Aan het begin van West-Europa was er voor de mensen gaan gelden dat zij zelf, als bestaande mensen, al datgene zijn, dat zij voordien als het hogere, het verhevene, het bovenaardse - kortom het GODDELIJKE hadden ervaren. Zoals wij nog zullen zien kwam dat besef tot uiting in het christendom, en dan speciaal het christendom in haar oorspronkelijke gedaante. Voor dat oerchristendom(zie ook badwijzer Oerchristendom in De ontwikkeling v/h Denken) was immers het goddelijke mens geworden, zinnebeeldig uitgedrukt in de Christus. Aan het begin van West-Europa krijgen we dus te doen met een mens, voor wie geldt dat hij kan zeggen Ik ben er en voor wie bovendien geldt dat hij kan zeggen Ik ben het goddelijke. Dit tezamen leidt er toe dat elke West-Europese individu ZICHZELF als de maat kan stellen voor de overige mensen en op grond daarvan een begin kan maken met de poging over de anderen macht uit te oefenen. Dit is het begin van één voortdurende machtsstrijd van ALLEN TEGEN ALLEN, alweer: bij de gewone mensen op een gemoedelijke wijze en bij de elites zelfbewust. Niemand is dan ook onverschillig voor de machtsstrijd en daardoor kan het elitaire dan ook zuigkracht uitoefenen op de gewone mensen. Die machtsstrijd komt niet alleen voor de dag in de politiek, maar op alle terreinen van het dagelijkse leven: tussen vrouw en man, tussen de kinderen op school, op de werkvloer, overal is er concurrentie en wij vinden dat al zo vanzelfsprekend dat wij zijn gaan denken dat het bij de MENS behoort, hetgeen niet juist is.

De West-Europese godsdienst

Meestal heeft men niet in de gaten dat de godsdienst een West-Europees fenomeen is. In andere culturen, de Islam even uitgezonderd, kwam de godsdienst niet voor, wel echter het GELOOF in allerlei goddelijke machten. Waarom het gaat is het woord dienst, dat wijst op een stelsel van dienstbaarheden aan hoger gestelde machten. En als zodanig is het typisch West-Europees. Het behoeft dan ook niet te verbazen dat het goddelijke zelf er niet zoveel toe doet: tegenwoordig is het meer de god van de economie en de politiek dan de oude god van de Joodse cultuur. Elke als de maat gestelde norm kan goddelijk zijn, het goddelijke is volledig uitwisselbaar, als het maar om een maatgevend principe gaat. Een ideologie behoort daar ook toe. Dus: de West-Europese cultuur is een GODSDIENSTIGE cultuur, met de nadruk op het woord dienst. Het draait om de dienstbaarheid en dat is ook heel goed te zien bij de kerken, die gehoorzaamheid als feitelijk eerste en enige eis stellen. In hun zogenaamde theologie wordt niet over god nagedacht, maar over de gehoorzaamheid van de mensen en die wordt dan zo logisch mogelijk onderbouwd om overtuigend te zijn. Andersdenkenden werden en worden niet zozeer verketterd om hun denkbeelden, maar om de ongehoorzaamheid daarvan. De godsdienst moet BELEDEN worden! In de West-Europese cultuur wordt steeds over geloven gesproken, maar in werkelijkheid is die cultuur ONGELOVIG. Het woord geloven betekent voor de West-Europeaan dat men iets aanneemt op gezag van, dat men bereid is iets voor waar te houden, dat men gehoorzaam gelooft wat er gezegd wordt door pastoor of dominee. Dit geloven is dus ook door en door verweven met gezag en derhalve ook met macht. De kerkgeschiedenis geeft daarvan dan ook ruimschoots blijk, het is eigenlijk de geschiedenis van een meedogenloos machtsstreven - tot op de dag van vandaag.

Bladwijzers: Elite(1) De onechte cultuurontwikkeling nrs.1 t/m 6  ; de politieke elites(2) – 15 t/m 17(SS)   Concurrentie-1 ; Concurrentie-2

No. 7

Bladwijzers: Mystiek-1(nrs7 t/m8)  Mystiek-2  Mystiek-3  Mystiek-4  Mystiek-5  Mystiek-6

De ongelovige West-Europese cultuur

Het is typerend voor de West-Europese cultuur dat er niet uitgegaan wordt van een INZICHT in de werkelijkheid als GEHEEL en daarom kunnen wij van die cultuur zeggen dat zij ongelovig is. De maat ligt niet bij het ZIEN van het geheel, het besef daarvan ligt niet meer op de voorgrond. Het heeft plaats gemaakt voor het besef dat de werkelijkheid uit allerlei dingen en mensen bestaat. In feite gaat het nu over de INHOUD van het geheel. De afzonderlijke mensen en dingen komen in de belangstelling te staan. Het individuele breekt door: JIJ en IK zijn nu de realiteiten geworden. Als het gaat over inzicht in het geheel hebben wij te doen met een beschouwingswijze die als het ware naar binnen gericht is. Daarbij worden de mensen en de dingen wel van elkaar onderscheiden, maar dat gebeurt binnen de samenhang van het geheel. Zij komen niet LOS van elkaar. Gaat het echter over de inhoud van het geheel, dan beschouwt men de mensen en de dingen vanuit één grootheid van die inhoud: men bekijkt de zaak van het één naar het ander, men gaat het één met het ander vergelijken en het ander is voor het één een OBJECT geworden. Je zou hier kunnen spreken van een onderzoekende gesteldheid, terwijl de gesteldheid die gegrond is in het inzicht in het geheel een beschouwende genoemd zou kunnen worden. Van deze beschouwende gesteldheid is de basis dat de mens zelf de werkelijkheid is (of hij dit nu weet of niet!), terwijl de basis van de onderzoekende gesteldheid daarentegen gelegen is in de opvatting dat de mens zelf IETS ANDERS IS dan de overige mensen en dingen. Die overige mensen en dingen ben jij zelf niet, zij zijn iets anders dat buiten jou staat, dat om je heen is. Het is voor jou de BUITENWERELD, maar voor de beschouwende mens is het de BINNENWERELD. Over het algemeen weten de beschouwende mensen natuurlijk geen raad met hun binnenwereld, zij zien die werkelijkheid wel maar weten niet hoe het daarmee zit en daardoor komen zij met allerlei vormen van MYSTIEK. Dat zijn verhalen over de binnenwereld, verhalen die zij als de waarheid beleven. Het zijn voor hen realiteiten. En dit realiteit-zijn van een verhaal, een mystiek verhaal, dat gebaseerd is op inzicht in de werkelijkheid als geheel, is, wat ik zou willen noemen: geloof. Een voorbeeld daarvan vindt men in de Russische cultuur en dan speciaal zoals die getekend is door Dostojewski. Christus was voor die mensen een realiteit, hoewel het natuurlijk een verhaal is over, een verbeelding is van een verhouding binnen de werkelijkheid. Voor zover de Russische mens dit verhaal, deze verbeelding, leert BEGRIJPEN, treedt er atheïsme op, zoals bij Iwan Karamazow het geval was. Dit atheïsme heeft dezelfde inhoud als het geloof, maar het is nu een begrepen inhoud. Doordat de inhoud dezelfde is, liggen in de Russische cultuur geloof en atheïsme zo dicht bij elkaar dat het in iemand een conflict kan opleveren. Dat was bij Iwan Karamazow het geval. Van belang is dit: het geloof is geworteld in inzichten in de werkelijkheid zelf als een vrouwelijk geheel, verbeeld in mystieke verhalen. En deze worden als de Waarheid gezien en gevoeld, zonder dat er ook maar één mogelijkheid is die waarheid aan te tonen zoals het ook onmogelijk is de waarheid van een kunstwerk aan te tonen. Het gaat hier om wetenschap, het weten van een Ongrijpbare werkelijkheid. Voor een West-Europees mens, beschouwd vanuit zijn cultuur, geldt dit zien en voelen van de waarheid niet. Hij weet niet hoe de werkelijkheid is, zoals inmiddels dan ook wel duidelijk is geworden! Het gaat hem om de AANTOONBARE werkelijkheid, die als een onderzoekbaar geval om hem heen staat. Dat heeft niets meer met geloven te maken: de West-Europeaan is door en door ongelovig en hij is aangewezen op het aantoonbare. Hij moet van een waarheid overtuigd worden door haar aan te tonen en als dat inderdaad gelukt spreekt hij van geloven. De betekenis hiervan is derhalve dat hij AANNEEMT dat iets waar is. Daarvoor is nodig dat men met argumenten komt die voor hem steekhoudend zijn. Argumenten die ontleend zijn - uiteraard - aan de hem omringende werkelijkheid van dingen en mensen. Je ziet dat in de gehele West-Europese cultuur: steeds maar weer zijn de mensen bezig zichzelf en elkaar van allerlei waarheden te overtuigen, zowel godsdienstige als humanistische, zowel gefantaseerde als wetenschappelijke, zowel redelijke als onredelijke...

Hoe te overtuigen ?

Bladwijzers: Gekwetst worden ; Vernederd en gekwetst ; Gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel ;

Je kunt een niet gelovig mens alleen maar overtuigen met argumenten. Vandaar dat bijvoorbeeld de christelijke godsdienst beschikt over een uitgebreid arsenaal van theorieën om de mensen zover te krijgen dat zij aannemen dat het waar is wat er door de vertegenwoordigers van die godsdienst gezegd wordt. Die theorieën draaien allemaal om concrete zaken (de wereld der dingen) omdat daarin voor de ongelovige de bewijskracht ligt: Christus moet echt bestaan hebben, de wonderen moeten echt gebeurd zijn en god moet als een bestaand mens van allerlei wensen, door allerlei zaken gekwetst worden, wraak nemen en hulp bieden, enzovoort. De overtuigingskracht van de West-Europese godsdienst ligt in het als echt bestaand voorstellen van de godsdienstige inhouden. Voor zover dit gelukt is de West Europeaan bereid aan te nemen dat het allemaal waar is: hij gelooft het. Hetzelfde geldt voor de wetenschap, maar er is één belangrijk verschil: de argumentatie voor wetenschappelijke waarheden is anders. Deze berust namelijk op ONDERZOEK en is daarom typisch West-Europees. Deze cultuur heeft immers een onderzoekend karakter! Terwijl de godsdienst een stellend karakter heeft. Op grond van dit onderzoek wordt telkens datgene dat men gelooft (= aanneemt) ontzenuwd ten gunste van een nieuw geloof, enzovoort totdat de waarheid aan het licht komt. Voor de West-Europese mens moet alles aangetoond worden. Dat betekent dat hij de aangevoerde argumenten werkelijk als ARGUMENTEN moet zien. Om hem zover te krijgen moet hij geconditioneerd worden; er moet bij hem een programma ingebracht worden dat er voor zorgt dat het als logisch voorgestelde voor hem ook inderdaad logisch is. Dat programma is een gehoorzaamheidsprogramma. Als iemand gehoorzaam is, zijn lesje geleerd heeft, is hij al bij voorbaat bereid alles aan te nemen wat er gezegd wordt. Reden waarom men juist in de godsdienst zo’n behoefte aan conditionering heeft. Je behoeft dan niets echt aan te tonen. Je beroept je op je gezag. Het conditioneren is dus essentieel voor de West-Europese cultuur omdat de mensen overtuigd moeten worden. Het gaat echter niet alleen om het gehoorzaam maken, het gaat ook om het aanleren van een bepaalde wijze van denken die een zeker soort logica voor de mensen inderdaad logisch maakt. Wetenschapsmensen bijvoorbeeld zijn fundamenteel ongehoorzaam, zij willen de zaken zelf onderzoeken. Maar zij hebben wel een bepaalde wijze van denken aangeleerd en daarin schuilt voor een belangrijk deel de oorzaak voor de moeilijkheid om nieuwe denkbeelden ingang te doen vinden. Men heeft eenvoudig niet geleerd om anders te denken zodat het nieuwe onzinnig gevonden wordt. In de politieke en economische werkelijkheid wordt ook maar voortgeborduurd op het oude stramien en elke nieuwe mogelijkheid wordt als onhaalbaar en onrealistisch van de hand gewezen. Het zo noodzakelijke aantonen van waarheden verloopt dus niet zo objectief als je zou verwachten en dat vindt zijn oorzaak in het feit dat het in West-Europa ook nog om de MACHT gaat, op grond van het goddelijke individu. Die macht is geen méékomend verschijnsel, het is de essentie van onze cultuur. Vandaar dat alle onderzoek, hoe voortreffelijk op zichzelf ook, op directe of indirecte wijze aan de macht onderworpen is en daardoor voorlopig niet in staat is werkelijk succes te boeken...

Bladwijzers: Mystiek-1(nrs.7t/m7)  Mystiek-2  Mystiek-3  Mystiek-4  Mystiek-5  Mystiek-6 ; Gekwetst worden ; Vernederd en gekwetst ; Gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel ;

 

No. 8

Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;

Een nadere toelichting

Als iemand inzicht heeft in de werkelijkheid als geheel, en dat wil zeggen dat hij ziet en voelt HOE de werkelijkheid is, is het nog helemaal niet zeker dat hij die werkelijkheid ook begrijpt. Er is zelfs te zeggen dat de mensen aanvankelijk helemaal niets van de werkelijkheid begrepen. Het gevolg daarvan is dat zij doormiddel van allerlei verhalen met symbolische figuren en dergelijke probeerden een BEELD van de werkelijkheid en de daarin aanwezige verhoudingen te geven. Voor zover voor die mensen dat beeld een realiteit is, een onontkoombare levende werkelijkheid, spreek ik van geloof. Dergelijke gelovige mensen zijn verhalenvertellers, de cultuur van de oudheid, van het oosten, van de negers en van de indianen wemelt dan ook van de verhalen. En dat is ook het geval in het Russische cultuurgebied. Voor de West-Europese mens ligt er niet meer de vraag hoe de werkelijkheid IS, voor hem gaat het om de vraag hoe die werkelijkheid IN ELKAAR ZIT. Met het voor de dag komen van deze zaak vervalt het vermogen om verhalen te vertellen (ook in de literatuur) totdat het ook in de kunst alleen nog maar Om analyses gaat. Analyses die als een verhaal verpakt worden doormiddel van een opeenvolgende reeks van gebeurtenissen. Ook het zogenaamde geloof van de West-Europese mens baseert zich op een opeenvolging van gebeurtenissen, waarvan men aan moet nemen dat zij echt plaatsgevonden hebben. Meer inhoud heeft dat zogenaamde geloof niet en dat blijkt duidelijk uit het gedrag van de West-Europese gelovigen: nimmer laten zij hun zogenaamde waarheden gelden in de praktijk van het leven, altijd kiezen zij de harde oplossingen, zijn zij uit op eigen voordeel en het eigen gelijk. Het zijn juist de zogenaamde gelovigen die steeds weer onverzoenlijk bleken te zijn en zo de mensen tot oorlogen dreven. De inhoud van het zogenaamde westerse geloof is uitermate banaal. Als je aannemelijk kunt maken dat god echt zijn zoon naar de aarde gestuurd heeft en dat hij echt ten hemel gevaren is, echt wonderen heeft verricht en uit de dood is opgestaan, dan gelooft de westerling. Het is een AANNEMEN dat iets feitelijk waar is. En vervolgens worden die zogenaamde feitelijkheden in een causaal verband geplaatst in en door de theologie en zo ontstaat datgene dat voor West-Europa typerend is: de GODSDIENST. In die godsdienst gaat het om de dienstbaarheid, het zich onderwerpen aan zaken die als hoger voorgesteld worden. Het gaat niet om de inhoud van het godsdienstige verhaal, het gaat niet om een reële werkelijkheid en niet om inzicht - het gaat om de dienstbaarheid aan het hogere. En het bestaan van dat hogere wordt aangetoond met een beroep op de bijbel zonder dat daarbij argumenten worden aangevoerd. De bijbel is het argument en dat is zelfs nog het geval in de moderne en inderdaad zeer menselijke bevrijdingstheologieën. Die bijbel is de geschreven manifestatie van het hogere en als zodanig is die natuurlijk niet kritisch te benaderen. Er is daarvoor geen argumentatie nodig en dat vind je dan ook niet in de gehele westerse theologie. Zodra dat wel zou gebeuren, bijvoorbeeld in de filosofie van Nietzsche, gaat god onmiddellijk dood. Hetgeen niet als een belemmering wordt gezien om dan een nieuwe god te verzinnen De westerse mens moet met argumenten overtuigd worden omdat hij in wezen ongelovig is: hij ziet niet hoe de werkelijkheid is. Maar om te kunnen overtuigen moet de ongelovige vertrouwen hebben in die argumenten en om dat tot stand te brengen zijn er de conditionerings-mechanismen. En die spelen juist in de West-Europese cultuur de hoofdrol. Dat betekent dat al datgene dat men de mensen, van ouder op kind, wijsmaakt inzake de hogere werkelijkheid, er als een vanzelfsprekendheid ingebakken zit. Het is letterlijk ingeprent. Met als gevolg dat de wijsgemaakte inhouden het karakter van een realiteit krijgen. Men behoeft daarvan niet meer overtuigd te worden: men is bij voorbaat al overtuigd. Het gaat om een vanzelfsprekende waarheid. Daardoor gaan de overtuigde mensen denken dat zij het allemaal echt geloven, zoals bij een inzicht het geval is. Dat is de reden dat men hetzelfde woord gebruikt: geloof. Maar, wel degelijk met een andere betekenis omdat het geloof van de westerling geconditioneerd is. Dat geconditioneerde geloof brengt natuurlijk op zijn wijze allerlei gevoeligheden teweeg, zoals ontroering, begeestering en solidariteit. Men voelt zich veilig bij Jezus en opgenomen in het huis van de Vader, men voelt zich in moeilijke omstandigheden getroost en beschermd. Maar nogmaals (het is van het allergrootste belang dit niet uit het oog te verliezen): alles is het gevolg van een conditionering en niet van een reëel inzicht. Bijgevolg wordt diezelfde Jezus gemakkelijk de laan uitgestuurd als alles een beetje tegenzit en men daardoor tot bepaalde andere inzichten is gekomen, wat in feite betekent dat men (onbewust) zijn conditionering bijgesteld heeft. Overigens: dit verschijnsel kwam al voor bij de oude Germanen, die bij wanprestatie ook een godheid afschaften. In ieder geval wordt het geconditioneerde geloof gekenmerkt door KINDERLIJKHEID: het zich overgeven aan de beschermende vader, die tegelijk een strenge vader is en die de normen stelt en het gedrag van het kind oordeelt. Het feit dat de westerse gelovige zijn relatie tot god als een kind-vader verhouding ervaart wijst onmiskenbaar op een conditionering in de vroege kindertijd. Er is geen sprake van dat deze kinderlijke gelovige zijn god beleeft als het grootse, het oneindige, het niet-meer-bepaalde. En hij beleeft hem ook niet als het voorbeeldige, hetgeen blijkt uit de eigenschappen die de westerling zijn god toekent: jaloers, wrekend, gauw beledigd, egocentrisch, enzovoort. Behoudens bij enkele mystici is voor de westerling zijn god een benepen, arrogante en tirannieke OPPERHEER, die voortdurend tevreden gesteld moet worden. Het zijn allemaal voorstellingen uit de kinderwereld... Van deze voorstellingen is bijna niet af te komen, zoals iedereen weet die afstand heeft genomen van zijn godsdienstige opvoeding. Veel humanisten en vrijdenkers denken exact op dezelfde wijze als de godsdienstigen, alleen met een ander object. Van de conditioneringen kom je niet gemakkelijk af, en dat is zeker geen zaak van verstandelijk denken alleen! De godsdienst is een MACHTSSTELSEL, omdat het de mensen gedienstig maakt aan een hogere macht. De mensen moeten zich voegen naar die macht, zij moeten anders worden dan zij zijn. Waar zo’n machtsstelsel opereert kan geen geloof (in de zin van inzicht in het geheel) aanwezig zijn; de West-Europese cultuurmens is ONGELOVIG. Een illustratie hiervan vinden we bij het Hindoeïsme, dat, zij het enigszins verwaterd, nog steeds leeft. Het gaat in het Hindoeïsme om het één worden met de werkelijkheid als heldere, vluchtige, dansende zaak. Dat betekent dus: geloof. Maar binnen dat geloof moet een ieder maar zien hoe hij dat klaarspeelt. Er is dus een vrijwel onbeperkte tolerantie. Ieder moet maar zien hoe hij zichzelf als het goddelijke waarmaakt en het zou juist fout zijn zichzelf te moeten veranderen. Resultaat: een godsdienstig machtsstelsel is in principe onmogelijk - wat natuurlijk niet wil zeggen dat individuele priesters geen macht uitoefenen als zij de kans krijgen! Maar voor zover de Hindoe gelooft ziet hij hoe de werkelijkheid is, en die werkelijkheid is hijzelf. Er is dus geen dwang tot veranderen, d.w.z. géén macht. Aan datgene dat je zelf bent kan je niet dienstbaar zijn. Aan werkelijkheid die boven je staat en die hoger is kan dat wel, moet dat zelfs. Behalve het Hindoeïsme zijn er natuurlijk meer voorbeelden die laten zien dat geloof en godsdienst elkaar in principe uitsluiten: de cultuur van het Russische volk is doordrenkt van geloof en dat is in niet onbelangrijke mate de oorzaak van de wrijvingen met het Westen...

Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Mystiek-1(nrs7t/m8)  Mystiek-2  Mystiek-3  Mystiek-4  Mystiek-5  Mystiek-6

No. 9

De godsdienstige voorstellingen

Opmerkelijk is dat de voorstellingen, waarvan het christendom zich bedient, allemaal uit de oudheid stammen. Sommige daarvan gaan zelfs terug tot in het grijze verleden, zoals bijvoorbeeld de maagd met het kind en de opstanding uit de dood. En dan is er ook nog het beeld van de heelmeester, die het vermogen zou hebben de gehele werkelijkheid weer gezond te maken. Wat er in dit verband over de Westerse Christus verteld wordt komt nauwkeurig overeen met de oude verhalen over Dionysos en Asklepios. De cultus van Maria is eigenlijk die van de Egyptische godin Isis, enzovoort. Behalve die voorstellingen zijn het ook de rituelen en sacramenten, die al lang in zwang waren voordat de christelijke kerk ze voor zich opeiste met de pretentie dat het iets nieuws zou zijn: het rinkelen van een belletje tijdens de mis, het symbool van het kruis en van het bloed, het symbool van de goede herder met het lam. Ook was de hostie al lang bekend als symbool van het brood, dat op zijn beurt weer een vervanger was van het lichaam. Hoe dan ook, al die voorstellingen, symbolen en rituelen, die in de eerste eeuwen van onze jaartelling door de kerk van Rome tot goddelijke zaken werden verklaard, behoorden tot het erfgoed van de Oudheid zoals dat in Rome bijeengekomen was, nadat het zijn spirituele inhoud feitelijk al verloren had. Het was al lang geen GELOOFSZAAK meer, in de zin van een op inzicht berustende realiteit. Geen wonder dus, dat men niet of nauwelijks begreep waarover het ging en dat was zelfs al het geval met de Evangelische verhalen, die eigenlijk toch nog betrekkelijk jong waren. Men greep terug op tradities, op intellectuele inhouden en allerlei uiterlijkheden, en niet op oude INZICHTEN. Het is van groot belang dit laatste goed in de gaten te houden.

Het aspect van de macht

Aan het begin van Europa krijgen we te doen met een mens die er als individu is, zij het in principe en dus nog niet uitgewerkt. Dat is een heel andere mens als die van de Oudheid, voor wie de werkelijkheid in de eerste plaats één in zichzelf besloten geheel was dat zich afspiegelde in elke afzonderlijke mens: de mens als microkosmos. Als nu macht betekent: de wil om vanuit een hoger principe jezelf en anderen te dwingen aan dat principe te beantwoorden, is de vraag te stellen hoe die microkosmische mens dit beleefde. Welnu, die mens beleefde dat helemaal niet, omdat er nog geen scheiding bestond tussen de afzonderlijke mens en het geheel, het goddelijke. Die mens was nog niet BUITEN het goddelijke gaan staan, het gold voor hem als zijn eigen vervolmaking en als zodanig was het wel begerenswaardig, de moeite waard om er in terecht te komen, maar het was geen hogere, boven en buiten de mens staande oppermacht. Dus ontbrak de wil om aan hogere normen te beantwoorden. Die ontbrak ook ten aanzien van de medemens, men oefende over elkaar geen macht uit. Als er echter van macht sprake was, gold dit een machtsstrijd tussen vorsten, die ieder voor zich de eer opeisten de enige werkelijke vertegenwoordiger te zijn van het geheel. In feite eisten zij dus de gehele wereld op: zij spanden zich voortdurend in de wereld te veroveren. Macht berust op een tweeledige SCHEIDING: de scheiding tussen het hogere en de rest en de scheiding tussen de afzonderlijke mensen, die uit HET GEHEEL getreden zijn. Als de inhoud van het geheel zich gaat laten gelden wordt het goddelijke een UITWENDIGE zaak, terwijl de inhoud een verzameling van losstaande elementen (mensen en dingen) wordt. De mensen gaan dan IK zeggen en zich onderscheiden van NIET-IK. Bovendien ontstaat de verbinding: ik en het goddelijke. Ieder claimt voor zichzelf het hogere. Nu was dat hogere inmiddels ontwikkeld tot de volslagen abstractie. Die volslagen abstractie vinden wij in de Joodse cultuur als Jahwe, die geen naam had, geen vorm en geen bestaan. Hij was een verterend vuur. In Jahwe is al het bestaande ontkend. En dat gebeurt in de vorm van de ontkenning: er wordt gezegd wat hij allemaal NIET is. Later echter gaat men zeggen wat die abstractie wel is: hij is het ineen-zijn van alles wat er is, mits alles van zijn bestaan ontdaan is, d.w.z. teruggebracht is tot nietigheid, geen eigen vorm of persoonlijkheid meer bezit en niet meer stoffelijk is. Deze niet-stoffelijke liefde (=ineen-zijn) wordt nu de god van de afzonderlijke mens, die uit het geheel getreden is. De volgende stap is deze dat die afzonderlijke mens zijn god tot mens laat worden en daarmee god in zichzelf opneemt. Gebeurd is in feite het volgende: 1. de mens is zelf het geheel; 2. de mens treedt uit het inmiddels abstract geworden geheel (ik en god) en 3. de mens neemt het geheel in zich op ( God is mens geworden). Het onder 3. vermelde komt voor de dag in het Oerchristendom. Hierbij ligt de nadruk op god: ik ben het goddelijke. Maar er is ook nog een andere mogelijkheid, namelijk: IK ben het goddelijke. Dit komt voor de dag in het ROOMSE christendom. En hier begint de macht van individuele mensen over elkaar, want ieder acht zich hoger dan de ander op grond van eigen goddelijkheid. Die in de mens opgenomen god is namelijk nog steeds het hogere omdat hij van buitenaf komt: uit hoge hemel daal ik neer.. Het gaat er nu niet meer om het goddelijke deelachtig te worden, mezelf te vervolmaken, maar het gaat om de macht. Ik ben de dienstknecht des Heren en als zodanig ben ik machtig en eis ik gehoorzaamheid. Ik ben het hoogste wat er is.

Het begin van West-Europa  

Als Europa begint zet de ontwikkeling in van de mens als IK en die IK is een machtsfiguur omdat hij een dienstknecht des Heren is. Hij heeft het niet over het feit dat WIJ in dienst van god staan - dan zou het wellicht wat gemoedelijker zijn toegegaan in Europa. Maar de individu is zich aan het ontwikkelen en dus gaat het steeds om MIJ. En IK ben altijd de maat voor alle anderen. Het gaat mij om MIJ. En iedereen zal zich daarnaar schikken. Voor het uitoefenen van macht zijn machtsmiddelen noodzakelijk en dat gelukt alleen maar als men de beschikking heeft over een maatschappelijk instituut dat door het aantal deelnemers geweld kan gebruiken. Zo’n instituut was in het beginnende Europa voorhanden in de vorm van het Romeinse rijk. Dit rijk was een geweldsinstituut, het berustte eenzijdig op wapengeweld en in geen geval op een hoger principe. De Romeinen dwongen de onderworpenen niet zich te voegen naar iets hogers (= machtsuitoefening), maar naar het geweld van de wapenen. Voor het hogere waren zij onverschillig, reden waarom allerlei vormen van geloof vrijelijk uitgeoefend konden worden. Ook de republikeinse staatsvorm wijst op het ontbreken van een maatgevend hogere. Pas bij de vergoddelijkte keizers begint het maatgevend hogere zich te manifesteren en dat loopt al spoedig uit in het tot staatsgodsdienst verklaren van het christendom. De Romeinen waren er niet op uit de onderworpenen tot dienstbaarheid aan een god te dwingen. Zij lieten elke cultuur in haar eigen waarde, mits zij boog voor de wapenen. Het ging om bezit, de Romeinen waren rovers die alles wilden inpikken en daartoe geweld gebruikten, maar zij waren (aanvankelijk) geen MACHTHEBBERS. Zij drongen geen ideologie noch een godsdienst op. Zij probeerden alles te verzamelen. En dat laat zich niet rijmen met macht die het bestaande vernietigt om het naar zijn hand te zetten. Een verzameling vooronderstelt de erkenning van de verschillen tussen de samenstellende delen en niet het opheffen van die verschillen. Daarom was er ook de senaat, een verzameling verschillende bestuurders, die later machthebbers werden en zich omzetten tot de Roomse kerk.

No. 10

Buiten het geheel treden  (het noodzakelijke kwaad; rob van es)

Aan het einde van de Oudheid treedt er in de ontwikkeling van de mensen een omwenteling op. In de cultuuruitingen van de elites is daarvan voorlopig nauwelijks iets te merken omdat zij, zoals gebruikelijk, vasthouden aan datgene dat als maatgevend uitgelicht is uit het volledige cultuurgoed van de mensheid. Dit cultuurgoed zelf echter, dat verzonken ligt in het psychische, verandert ingrijpend. De essentie van die omwenteling in de ontwikkeling is de volgende: de individualiteit van de mensen, die eerst verzonken lag in het geheel van de werkelijkheid en daarin als het ware naamloos aanwezig was, wordt nu datgene waarom het gaat. Dat betekent dat de inhoud naar voren gaat komen, en dat is de werkelijkheid die bestaat uit ditten en datten, de werkelijkheid als het één en het ander. Hiervoor geldt dat het één BUITEN het ander ervaren wordt, er is nu een uiteen-zijn gaan optreden. Voorheen waren beide in-een in het geheel. In deze situatie waren de mensen niet los van het geheel, zelfs als zij van zichzelf vonden dat zij aan het grootse en goddelijke van dat geheel niet volledig beantwoordden. In laatste instantie beleefden zij dat goddelijke als een zaak die zij zelf waren, een zaak waarin zij tenslotte zouden uitlopen. Een zaak waartoe zij zich zouden vervolmaken. Als het één buiten het ander ervaren gaat worden komt ook het geheel buiten de individuele mens te staan. Voor deze mens gaat nu gelden: ik en het goddelijke en die twee grootheden zijn van elkaar gescheiden. Het goddelijke is nu niet meer mijn werkelijkheid, maar een andere die mij te boven gaat. En in deze verhouding gaat het allemaal om MIJ, omdat IK degene ben die uit het geheel naar voren is getreden. Ik kan nu dus gaan spreken van mijn god, als zou het om iets gaan dat mijn bezit is, iets wat bestaat ter wille van mij. Gods zoon is naar de aarde gekomen ter wille van mij, hij is in mij neergedaald. Dit betekent voor mij dat ik nu méér ben dan de ander; ik ben in zekere zin uitverkoren omdat god met mij is. Intussen is het een feit dat ditzelfde ook voor de ander geldt, maar daarmee heb ik niets te maken omdat het allemaal is gaan draaien om mij als individu. En nu is het op deze gesteldheid dat het westerse christendom als godsdienst is gebaseerd. Hoewel deze godsdienst het voorstelt alsof god er voor iedereen zou zijn, zodat iedereen wat dit betreft gelijk is, ligt de zaak in feite zo dat iedereen die god voor zichzelf claimt, er een particuliere zaak van maakt. En deze particuliere zaak is er een van MACHT. De individu kan zich op zijn god gaan beroepen en daarmee macht gaan uitoefenen over de ander, waarmee hij niet meer ineen is binnen het geheel, maar waar hij nu buiten staat, volledig gescheiden en zonder samenhang. Vergeleken bij de gesteldheid van de Oudheid is die van de nieuwe tijd zo anders, dat je van een omwenteling kunt spreken. Dat heeft men in het Westen altijd al aangevoeld, vandaar dat men aan de Oudheid een duidelijk eindpunt toekent en de historische tijd met dat eindpunt laat beginnen.

Het Romeinse rijk, Europa en de godsdienst

We hebben al gezien dat het Romeinse rijk eigenlijk geen machtsinstituut was, maar een geweldsinstituut. Het ging de Romeinen om het TOTAAL van de werkelijkheid. Dat wil zeggen dat de eerste stap gezet is om uit het geheel te treden: de inhoud van het geheel is een totaliteit, een verzameling. Die komt als eerste tot gelding - in het willen bijeengaren van alles wat er is - en pas daarna gaat die totaliteit zich differentiëren, zodat de samenstellende delen voor de dag komen: het één en het ander. In de periode van het verval van het Romeinse rijk kwamen die samenstellende delen steeds meer naar voren en ontkrachtten daarmee de grondslagen van de Romeinse cultuur. Hetgeen op zijn beurt weer de basis werd voor de Roomse kerk. Bij die basis behoort dat men ZICHZELF ging stellen als god. In de Oudheid waren de heersers goddelijk omdat zij het goddelijke vertegenwoordigden, maar de Romeinse keizers waren van mening dat zij zelf god waren en dat zij dan ook aanbeden moesten worden. Uiteraard riep dat de behoefte aan een staatsgodsdienst op en daarvoor bleek, na enig geharrewar, het christendom uitermate geschikt te zijn. Het is dan nog maar een kleine stap naar de paus van Rome. Weliswaar heeft deze paus zijn god weer buiten zichzelf geplaatst (Ik en mijn god), maar hij is toch de hoogste dienstknecht, de plaatsvervanger! Deze wereldbeschouwing gaat nu verbreid worden over het gehele Romeinse rijk, maar hij vindt slechts echt een voedingsbodem bij de Germaanse culturen van West-Europa. Bij alle andere Romeinse bezittingen gelukt het beduidend slechter. De Griekse wereld scheidt zich na verloop van tijd af terwijl de rest al spoedig mohammedaans wordt. De heersers over de Germanen (hier als verzamelnaam bedoeld) veranderden geleidelijk van soldaten in monniken, die de mensen kwamen onderwerpen aan hun god, d.w.z. de god van zo’n monnik, vanuit de gedachte: MIJN god is de god van ons allen.

 

En jij hebt je aan mijn god te onderwerpen. Jij hebt je te voegen naar de normen van mijn god en ik zal, met een beroep op hem, macht over jou uitoefenen. Daartoe zal ik het geweld niet schuwen.. . Het geweld is nu machtsmiddel geworden en dat is een zaak die nu, voor Ons, nog steeds geldt. Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat dit machtsmiddel een monopolie van het hogere is, in ons geval van de boven ons allen uitgaande STAAT. Zonder die verbinding met het hogere is voor ons besef het geweld uit den boze (= uit de duivel!). Ook de staat past liever geen geweld toe, hij geeft de voorkeur aan de vrijwillige onderwerping aan de macht. Maar: niet goedschiks, dan kwaadschiks. .. Voor de Germanen was het christelijke godsdienstige verhaal best aanvaardbaar; zij boden meer weerstand tegen het geweld dat er aan meekwam dan tegen de godsdienstige voorstellingen. Zij accepteerden echter deze voorstellingen niet vanwege hun geestelijke inhoud, maar vanwege de gesteldheid, die er uit sprak. Deze gesteldheid is een machtsgesteldheid, geldend tussen de individuele mensen. En juist dat kwam met het karakter van hun eigen cultuur overeen. Zij reageerden dus precies op datgene dat door het christendom niet uitgesproken werd, maar dat er wel de essentie van was: de menselijke werkelijkheid als een tussen de mensen wederzijds bestaand dienstenstelsel. God verricht diensten aan de mensen en de mensen verrichten diensten aan god. Net zoals het thans nog altijd is, zowel op het terrein van de godsdienst als op dat van de maatschappelijke betrekkingen. Het is al dienst en wederdienst wat de klok slaat en als de wederdienst niet voldoende is worden de betrekkingen verbroken want op zo’n manier kan je geen zaken doen! . De Germanen waren voortdurend met elkaar in strijd gewikkeld, de Germanen stuurden hun goden bij wanprestatie de laan uit, allebei verschijnselen die behoren bij een in aanleg individuele mens voor wie de onderlinge betrekkingen op dienst en wederdienst berusten. Precies datgene dat wezenlijk voor de christelijke godsdienst geldt. Maar het verhaal van die godsdienst ging over liefde en redding voor de mensen en jezelf tot een beter mens maken.

 

Kortom: het stichten van het koninkrijk Gods.

Ook hier zien wij weer het onderscheid tussen de elites en de zogenaamde gewone mensen: de christelijke elites kwamen met het verhaal van het Koninkrijk Gods, gebrouwen uit de verhalen van de klassieke elites en voor een deel ook die van de Romeinse denkers, terwijl de gewone mensen reageerden - uiteraard zonder het bewust te weten - op de onder de schone schijn van het verhaal liggende realiteit. .

No. 11

Onze voorouders, gezien vanuit Rome

 

Op de Romeinse geschiedschrijvers, legeraanvoerders, handelslieden en later ook de Roomse geestelijken maakten onze voorouders nu niet bepaald een beschaafde indruk. Men wist te vertellen dat het drinkebroers waren en gokkers die op primitieve wijze in de bossen leefden. Bovendien waren het vechtersbazen, die voortdurend onderling oorlog voerden. Hun relatie tot de goden was uiterst merkwaardig en op kunstzinnig gebied was er al helemaal niets aan de hand: geen bouwkunst, geen beeldhouwkunst en geen literatuur. De landbouw, die naast de jacht beoefend werd was eigenlijk meer een soort van roofbouw en de schepen van de Germanen waren, volgens onze betrouwbare geschiedenisboekjes niet veel meer dan uitgeholde boomstammen. Hun kleding bestond uit dierenvellen! Vervelend was ook dat zij zich niet aan plechtig gesloten overeenkomsten hielden en blijk gaven van weinig eerbied voor het gezag. Kortom: onze voorouders waren onbeschaafde wilden. Vermeld moet ook nog worden dat het onmogelijk was voor die Germanen om tot een staatkundige eenheid te komen; de verbrokkeling was groot en eigenlijk wilde iedereen zijn eigen baas zijn om vervolgens ook de baas over anderen te spelen. Wij moeten echter het volgende bedenken: al die berichten over de Germanen komen van mensen, die stevig in de klassieke cultuur geworteld waren. Voor hen betekende beschaving architectuur, kunst, literatuur, filosofie en een daarmee overeenstemmende verfijnde levenswijze. Zo gezien waren de Germanen nergens! Maar de berichten over de Germanen berustten op een waardeoordeel en ze zeggen eigenlijk meer over de Romeinen dan over de Germanen. Ze maken duidelijk dat er totaal geen oog was voor die andere leefwijze, voor die andere beschaving...

Wat aan het licht gekomen is

Het moderne historische onderzoek werpt een heel ander licht op onze voorouders. Kunstzinnig waren zij bijvoorbeeld wel degelijk: zij maakten prachtige sieraden, gebruiksvoorwerpen en wapens en ook kenden zij heel mooie (helden)sagen en andere verhalen. De religieuze voorstellingen van de Germanen behelsden zowel moederlijke als vrouwelijke en mannelijke verhoudingen. Er was dan wel geen bouwkunst volgens de klassieke normen, maar de boerenhoeven waren degelijk gebouwd en praktisch ingericht en dat verhaal van die uitgeholde boomstammen sloeg al helemaal nergens op, want de Germanen kenden een hoog ontwikkelde scheepsbouw, zoals gebleken is uit vondsten in moerassen en drooggelegde meren. In de plaats van staten waren er eedgenootschappen, waarin de mensen zich tot een bepaald doel verenigden, zonder daarbij de eigen zelfstandigheid prijs te geven en zich te onderwerpen. En, de Germanen waren ook handelaars; zij brachten bijvoorbeeld barnsteen uit de Oostzee gebieden naar Griekenland en zij voerden veel brons en, later, ijzer in. Er zijn tegenwoordig heel wat publicaties beschikbaar over onze West-Europese voorouders en dus volsta ik met deze algemene opmerkingen. Zij geven voldoende informatie om het karakter van die Germaanse cultuur bloot te leggen en om te begrijpen dat dit karakter fundamenteel verschilde van dat van de klassieke wereld die zich er over uitspreidde. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de klassieke elites vol afschuw die woestelingen bekeken, maar er tegelijk wel dankbaar gebruik van probeerden te maken voor hun geweldsinstituut: voor de weergaloze dapperheid van de Germanen en hun doodsverachting hadden zij, ondanks hun eigen verfijnde beschaving, het grootste respect. De Germaanse gewelddadigheid paste goed in het straatje van de Romeinse legeraanvoerders en al spoedig waren de Germaanse legioenen alom gevreesd. Het ontwikkelingsmoment, waarin de Romeinse wereld samenviel met de Germaanse, had dus het geweld tot inhoud, terwijl het, wat betreft de Roomse kerk en de Germanen om de macht zal blijken te gaan.

Het Germaanse karakter

Alle verschijnselen, die ik genoemd heb, wijzen er op dat wij wat betreft de West-Europese bevolking te doen hebben met mensen in wie de ontwikkeling tot individu een aanvang heeft genomen. Nemen wij als voorbeeld de (ontbrekende) bouwkunst. Vanuit de klassieke wereld stond deze in het teken van HET GEHEEL: de schoonheid en harmonie van “de werkelijkheid als geheel” kwam er in tot uitdrukking. Het ging niet om een bouwsel voor de individuele mens, zoals dat met een Germaanse boerenhoeve wel het geval was, maar om de werkelijkheid, gecomprimeerd tot een teken. Voor de Germaan ging het evenwel om een praktische voorziening voor hemzelf. En hetzelfde is te zeggen van de eedgenootschappen, van de sieraden en al die andere dingen. Nooit is het uitdrukking van het geheel en steeds verwijst het naar de individuele persoon, ook al komt dat nog zo kinderlijk voor de dag. En kinderlijk kan je het wel noemen: de verhalen waren niet of nauwelijks opgeschreven, laat staan dat er dichtkunst was zoals bij de klassieken, of een filosofie met een prachtig taalgebruik. Dus vonden de klassieke mensen het niet veel zaaks. En eigenlijk is men dat blijven vinden tot in de 20ste eeuw. Een behoorlijke opleiding was een klassieke opleiding, de filosofie steunde op de oude Grieken en de wetenschap bediende zich van klassieke formuleringen. Pas in deze 20ste eeuw kwam er waardering voor de inhoud van de Germaanse heldensagen, terwijl tot op de dag van vandaag een musicus met enig zelfrespect een klassieke opleiding en opvatting moet hebben. Op volksmuziek wordt laatdunkend neergekeken, muziek maken voor je plezier is amateuristisch getob en de huidige westerse volksmuziek (beatmuziek en dergelijke) is zonder meer onartistiek lawaai. Waarom het gaat is dit: uiteraard was de Germaanse wereld kinderlijk (alles moest nog beginnen!), maar hij was niet minderwaardig aan de klassieke die zichzelf élitair als de maat stelde en in feite de Germaanse gesteldheid afwees. Daarmee werd de individuele persoonlijkheid afgewezen en in de grond van de zaak betekent dit dat datgene dat wij inmiddels hebben leren herkennen als een humane zaak, geldend voor alle mensen, vanuit de klassieke optiek geen recht van bestaan had. Onze individuele rechten en bestaanswaarborgen danken wij niet aan het klassieke erfgoed, maar aan het West-Europese. Voor het klassieke bestonden jij en ik in feite niet.

De aansluiting met de Germaanse wereld

Het christelijke verhaal van de elites sloot niet aan op dat van de Germanen; zij geloofden er niets van en moesten bijgevolg OVERTUIGD worden om bereid te zijn de zaak voor waar aan te nemen. Daartoe diende onder andere het boek, de bijbel, waarin god hoogstpersoonlijk had uiteengezet hoe de vork in de steel stak. Na wat aanpassingen door Rome was dat verhaal best aanvaardbaar. Daarvan behoefde je je verder niet veel aan te trekken - wat men dan ook nooit gedaan heeft! Maar het verborgen ontwikkelingsmoment, verzonken in het psychische, lag wel goed bij de West-Europese bevolking omdat het ging over de individuele macht van de éne mens over de andere mens, gefundeerd op IK en MIJN god. Op kinderlijke wijze waren de Germanen daarmee ook bezig. Alleen ontbrak het hun nog aan een almachtige god om zich, ter wille van de macht, op te beroepen. Maar het christendom leverde die supermacht zodat de Germaanse machtsgesteldheid zich verder kon ontwikkelen. En dat gebeurde in een voortdurende wisselwerking: de één die de ander de macht betwist. Dat was dan ook door alle eeuwen heen het beeld van het zich ontwikkelende Europa.

 

No. 12   

Bladwijzers: (Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3)  Mystiek-1  Mystiek-2  Mystiek-3  Mystiek-4  Mystiek-5  Mystiek-6

Fascisme/Klassiek ; fascisme : Socialisme, Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ;

Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m18, 20 en 21, 37, 44, 48 en 68

De voortgang van de ontwikkeling

Aan het begin van de West-Europese ontwikkeling treffen wij een periode van betrekkelijke duisternis aan; het cultuurgoed van de klassieken zet zich niet zonder meer door in Europa. Wat er wel gebeurt is het volgende: het Romeinse geweldsinstituut zet zich om in een machtsinstituut, namelijk de Roomse kerk, en dat machtsinstituut legt zich over West-Europa uit. Dat kon een succes worden omdat er in de West-Europese bevolking een voedingsbodem klaar lag voor het zich ontwikkelen van de macht van de éne individu over de andere. Voor deze ontwikkeling is nodig dat de éne mens zich inderdaad onderscheidt van de andere mens, dat voor mij de ander BUITEN MIJ staat, terwijl bovendien nodig is dat ik mij met argumenten kan beroepen op iets hogers, op een absolute heerser. Een heerser die, erkend of niet, ook over de andere mensen heerst. Ik moet er dus van overtuigd zijn dat mijn opperheer tevens de opperheer van de andere mensen is, ongeacht de vraag of die andere mensen dat nu erkennen of niet. Het hogere is essentieel voor de macht. Zonder dat hogere kunnen de mensen zichzelf ook als buiten elkaar ervaren terwijl zij toch geen macht over elkaar willen uitoefenen. Zij kunnen onverschillig voor elkaar zijn en zeggen: ieder het zijne of leven en laten leven - een soort van liberalisme dus. Dit liberalisme komt later dan ook voor de dag in Europa als god voor een aantal mensen is komen te vervallen, maar, het ontkomt toch niet aan het machtsbewustzijn van de Europese mens, zodat er uit naam van de zelfstandigheid en vrijheid van de mens een zelfs wel meedogenloze uitbuiting kon ontstaan.

Aan de Germanen ontbrak om te beginnen het voor iedereen geldende hogere principe: de absolute god hadden zij nog niet ontdekt. Zij kenden wel hogere beginselen, allerlei goden en godinnen, maar die waren niet absoluut. Zij waren in alle opzichten beperkt, zoals blijkt uit het feit dat zij dienden voor bepaalde doelen: voor de oorlog, voor de oogst, voor de vruchtbaarheid, enzovoort. En de verschillende stammen hadden ook andere goddelijke helpers, doorgaans afhankelijk van de materiële omstandigheden waaronder zo’n stam of groep leefde. De goden hadden een particulier karakter en geen absoluut. Via de Roomse elites ging het verhaal van de Oudheid, het verhaal van god is liefde, van de mensenzoon Jezus, van het koninkrijk en van de Bergrede naar West-Europa. Let wel: het verhaal van de OUDHEID - en dat was voor de Germaan eigenlijk een nietszeggend verhaal. En op grond van zijn fundamentele ongelovigheid ontstond de noodzaak hem van de waarheid van dat verhaal te overtuigen. Ongelovigheid en overtuigen behoren bij elkaar. Een echte gelovige, die ziet hoe de werkelijkheid is en daarover desnoods de meest onwaarschijnlijke mystieke verhalen vertelt, kan nooit overtuigd worden dat het anders zit. Argumenten en bewijzen helpen hier niet, want de zaak steunt daarop nu eenmaal niet. Maar een ongelovige, die niet in het teken van het zien staat, kan wel overtuigd worden - als je maar de goede argumenten gebruikt en als die argumenten maar aansluiten bij zijn conditionering. Voor zover dit het geval was bij de Roomse elites kostte het niet al te veel moeite de Germanen ervan te overtuigen dat het christelijke verhaal waar was: je behoefde er maar op te wijzen dat het allemaal echt gebeurd was en dat er van die gebeurtenis getuigenissen waren, verzameld in Gods eigen boek! Het echt gebeurd zijn is het argument en dat argument is zelfs nog voor de moderne mens overtuigend. Ook van de moderne christen is de geloofszekerheid gebaseerd op de feitelijke historische waarheid. Precies dat maakt de banaliteit van de christelijke geloofsinhouden uit. Zoals al eerder gezegd: het onuitgesproken verhaal van het christendom, in feite dus het machtsverhaal, kwam wel degelijk goed terecht in de Germaanse wereld en deed een cultuur ontstaan die op alle niveaus, van de slaapkamer tot en met de Verenigde Naties, doortrokken is van en gebaseerd is op machtsverhoudingen. Zelfs als de absolute god terrein verloren heeft blijven de machtsverhoudingen gelden, gebaseerd op nieuwe absolute waarden: een ideologie, de economie, de technologie, een oosterse goeroe, enzovoort. En die waarden worden niet aanvaard op grond van mogelijkheden tot verheldering van ons begrip van de werkelijkheid, maar op grond van mogelijkheden tot het uitoefenen van macht. De ideologie bijvoorbeeld van het Leninisme-Marxisme is wezenlijk niet aanvaard vanwege zijn humane inhoud, zoals inmiddels ook gebleken is, maar vanwege zijn mogelijkheden tot machtsuitoefening. Frappant is dan ook dat deze ideologie precies dezelfde maatschappelijke werking heeft als de christelijke godsdienst: onverdraagzaam naar alternatieve ideeën, een wantrouwende fatsoenlijke burgermansmentaliteit, heilige gezagsgetrouwheid en de voortdurende angst om onderuit gehaald te worden. Het Russische arbeidersparadijs is in wezen de Europees christelijke wereld, toegesneden op de Russische mensen. Het gaat dus niet om het Leninisme-Marxisme, maar louter om de MACHT. De ontwikkelingsvoortgang van Rome naar West-Europa is dus de overgang van geweld naar macht.

Bladwijzers: (Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3) 

Het zich doorzetten van de Germaanse wereld

Je kunt zeggen dat de Germaanse wereld pas echt voor de dag is gekomen sinds de tweede wereldoorlog. Dat begon uitermate gruwelijk met Hitler en zijn nationaal socialisme (niet het fascisme, want dat is eigenlijk klassiek te noemen). Het draaide er op uit dat de culturele elites meer en meer hun klassieke waarden vervingen door Angelsaksische. De wetenschappelijke taal is het Engels geworden en de wijze van denken is definitief in het teken komen te staan van het positivisme, d.w.z. afwijzend tegenover niet-materiële werkelijkheidsverhoudingen (metafysica) en zich richtend op het meetbare en aantoonbare concrete. De denkprincipes van Aristoteles werden gaandeweg losgelaten en de filosofie verloor haar idealistische trekjes. Ook de sterk toegenomen westerse frustratie ten aanzien van de Russische cultuur van zowel voor als na de revolutie wijst op een verschuiving van het klassieke naar het Angelsaksische. De individueel ingestelde Germaan staat vijandig tegenover de mystieke, op het geheel gerichte Russische mens en deze, diep in het psychische verzonken, vijandigheid staat vandaag de dag ten voeten uit...

Het opnemen van het klassieke erfgoed

Het klassieke erfgoed bestond natuurlijk niet alleen uit het christelijke verhaal. Het stelde eigenlijk niet veel voor: veel Roomse priesters en monniken konden hun eigen (Latijnse) bijbel niet eens lezen! Maar de mooie dingen van de Oudheid, de kunst, de wetenschap en de religieuze inzichten werden niet door Rome naar West-Europa gebracht. Dat erfgoed bereikte ons via de Moren vanuit Klein-Azië, Noord-Afrika en Spanje. De Moren zijn het geweest die werkelijk de culturele ontwikkelingslijn van de Oudheid naar de nieuwe tijd doorgetrokken hebben. En dat werd pas echt effectief aan het einde van de Middeleeuwen. De renaissance zou niet mogelijk zijn geweest zonder de kennisoverdracht door de Moren, die in feite geheel buiten de Roomse kerk Omging.

Nog iets over het geweld

De Romeinen wilden alles bezitten en bijgevolg waren zij gewelddadig en dat wil zeggen dat het over een culturele karaktertrek ging. Maar de Roomse kerk is niet gewelddadig; zij is op macht uit en om dat te realiseren PAST ZIJ GEWELD TOE als overreding geen succes heeft.

Bladwijzers: (Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3)   Mystiek-1  Mystiek-2  Mystiek-3  Mystiek-4  Mystiek-5  Mystiek-6

Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m18, 20 en 21, 37, 44, 48 en 68

Fascisme/Klassiek ; fascisme : Socialisme, Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ;

 

No. 13

De Germaanse heldenverhalen

Het kenmerkende van een held is dat hij uitsteekt boven de gewone mensen, door de voortreffelijkheid van zijn daden, de adel van zijn geest, zijn moed, kracht en intelligentie. Je kunt je echter afvragen waaraan zo’n held zijn hogere status ontleent: komt dat doordat hij afstamt van een hogere werkelijkheid, het goddelijke, of komt het door zijn verheffing boven de gewone mensen. Anders gezegd: is het goddelijke zijn oorsprong of is het zijn doel? In de Germaanse heldensagen is het laatste het geval: de held stijgt uit boven de gewone mensen. In het Nibelungenlied had de held Siegfried sterfelijke mensen als ouders. Het waren slechts zijn begaafdheid en zijn daden die hem buitengewoon maakten en we kunnen hier dus spreken van een lijn van beneden naar boven. Een lijn die je ook vindt in de Germaanse opvattingen over de goden, die eigenlijk gedacht werden als een soort van uitvergrotingen van de mens. Niet dat die goden van menselijke oorsprong waren, maar de hen toegeschreven kwaliteiten waren dat wel degelijk. En het is niet ondenkbaar dat die goden in het grijze verleden toch een menselijke komaf hadden.

De Griekse helden

Hoewel de Griekse helden ongeveer hetzelfde gedrag vertoonden als de Germaanse, is er toch een wezenlijk verschil: zij werden namelijk van boven naar beneden gedacht. Hun oorsprong is in meerdere of mindere mate goddelijk: de held Achilles bijvoorbeeld was de zoon van de godin Thetis, terwijl zijn vader Peleus een sterfelijke man was. In principe is de held Achilles onsterfelijk, maar toch is er één mogelijkheid om hem te doden en dat gebeurt dan ook.

Projectie en voorstelling

De Germaanse goden en helden waren vergrotingen van sterfelijke mensen. Dat sloot aardig aan bij het christelijke verhaal dat Christus op aarde geboren was en zich door zijn gedrag en zijn wijsheid van de gewone mensen onderscheidde. Ook dit maakte het gemakkelijk de Germanen van de waarheid van het christelijke verhaal te overtuigen. Het gaat echter om het volgende: de godenwereld van de Germanen was een PROJECTIE van de mens zelf tegen de hemel. De bestaande individuele mens werd uitvergroot tegen de hemel geprojecteerd. Als voor die bestaande mens het begrip macht gold werd deze kwaliteit tot almacht uitvergroot, als voor de bestaande mens zoiets als een persoonlijkheid gold werd dit uitvergroot tot een superpersoonlijkheid. Alle menselijke kwaliteiten en eigenschappen werden van hun beperktheid ontdaan en absoluut gemaakt. Deze gang van zaken nu is typisch Germaans en het is beslist niet zo dat dit bij alle godsdiensten het geval is, zoals doorgaans wordt aangenomen. De verschillende godsdiensten zijn uiteraard wel menselijke voorstellingen, maar het zijn lang niet altijd projecties, uitvergrotingen tegen de hemel. Wat bijvoorbeeld in het Westen almacht wordt genoemd heeft in het klassieke denken een geheel andere inhoud. Het is daar de alles doordringende grondslag van de werkelijkheid, een grondslag waarin alle mogelijkheden aanwezig zijn zodat je kunt zeggen dat hij allesbepalend is. In de Oudheid en in het Oosten wordt er eigenlijk niet gesproken over de macht van het goddelijke, maar over het alles doordringende zijn ervan. In het Westen echter ging het al onmiddellijk over de macht. Men redetwistte dadelijk over de vraag of bijvoorbeeld de almachtige god een steen kon maken, zo groot dat hij hem zelf niet zou kunnen optillen! Het centrale punt in de christelijke godsdienst is steeds de goddelijke almacht geweest. En verder ging het over menselijke miezerigheden zoals beledigd zijn en wraaklustig, vergevingsgezind zijn en tegelijk tot in het zoveelste geslacht straffen, in alles de dienst uitmaken en toch vinden dat de mensen alles verkeerd doen, enzovoort. De klassieke geloofsinhouden bestonden uit menselijke VOORSTELLINGEN, die in feite uitdrukking gaven aan een min of meer vaag besef van de mensen omtrent hun eigen wezen, hun eigen verhouding in de kosmos en ook een vermoeden van eigen toekomstige mogelijkheden. Men zag het goddelijke immers als de werkelijkheid waarin men zelf zou uitlopen! Niet alleen was die werkelijkheid de grondslag van het bestaande, maar ook was zij daarvan het slotakkoord. Zij was de alpha en de omega. En daarvan sprak men het VERMOEDEN uit in allerlei voorstellingen. In de projectie evenwel speelt het slotakkoord geen enkele rol: men vergroot eenvoudig zichzelf, als individuele sterfelijke zaak, tegen het oneindige en men spreekt geen enkel vermoeden uit over het eigen wezen. Integendeel: welbeschouwd gaat het over eigen WENSEN, de wens om almachtig te zijn en alles te kunnen overheersen. Het gaat dus over de eigen kleinheid, die vergroot wordt, maar die al met al toch kleinheid is en blijft. De westerse god is de kleine, benepen mens, tot in het oneindige vergroot. Geen wonder dat het een onmogelijke tiran is. En dat dit een feit is moge blijken uit de gruwelen die de dominees iedere zondag opnieuw namens god voor de mensen in petto hebben. Zelfs de vernietiging van de Joden diende een goddelijk doel! En als je kind sterft heeft god een plan met dat kind en eigenlijk zou je daar blij om moeten zijn! Kortom: het is allemaal uitvergrote menselijke schurkachtigheid. Er is nog een verschil tussen de godsdienstige projectie en de geloofsvoorstellingen: de geprojecteerde godheid bestaat uit een complex van meer of minder aangename menselijke eigenschappen en vermogens, terwijl hem feitelijk geen leven toegedicht wordt; er gebeurt niets met hem en er spelen zich om hem heen geen gebeurtenissen af. Maar de voorgestelde godheden leven wel degelijk en zij maken van alles mee, zoals de godin Afrodite, die op het slagveld voor Troye zelfs een verwonding opliep en de god Zeus, die met zijn vrouw Hera ruzie heeft. In de voorstellingswereld gebeurt allerlei, maar de projectie is wezenlijk statisch, ondanks het feit dat hij de oorzaak van verschillende krachten en machten is. In zekere zin is de projectie abstract te noemen.

De moderne Science fiction

Het is opvallend dat men in sciencefiction films een heel stereotiep mensbeeld gebruikt. Ook dat is een projectie. Men projecteert zichzelf in de toekomst en in de ruimte en men voorziet zichzelf van technologische en wetenschappelijke almacht. Maar ondanks dat heb je toch te doen met een vergrote kleinheid. Er komt nooit een echt ruimtelijk mens in voor, begiftigd met wijsheid, vredelievend en redelijk, en er is als maar een Star War aan de gang met de daarbij behorende totale vernietigingscapaciteit. Er is een totale gewelddadigheid en het is veelzeggend dat de huidige droom van Star Wars leeft in het brein van mensen die met hun gehele geestesgesteldheid staan in de traditie van de christelijke Angelsaksische projectie. De banbliksem van god is vervangen door de trefzekere en allesvernietigende laserstraal, de mensen zijn materieel en niet-materieel tegelijk en in staat om overal tegenwoordig te zijn. Bovendien zijn die mensen tot alles in staat, of beter: hun technologie is almachtig. Het is het verhaal van de Germaanse goden, dat via de almachtige christelijke god en technologie, tot nieuw leven is gekomen en dat nog net zo begeesterend werkt als vroeger. En dat op grond van zijn kleinheid ook weer levensgevaarlijk zal blijken te zijn.

No. 14    

Bladwijzers: verzorgingsstaat-1 ; verzorgingsstaat-2   Mystiek-1  Mystiek-2  Mystiek-3  Mystiek-4  Mystiek-5  Mystiek-6  Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14 t/m 19, 20 en 21, 37, 44, 48 en 68 ; Nationaal Socialisme ; Socialisme, Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ; De term Nationaal Socialisme ; Het probleem van het Nationaal Socialisme nrs 17 t/m 19 ; De misdadigheid van het Nationaal Socialisme ; Het Nationaal Socialisme ; Klassieke westerse Elites ;

 

Nogmaals: de projectie

0mdat ik hier en daar de begrippen geloof en godsdienst door elkaar heen gebruikt heb en dit aanleiding kan geven tot onduidelijkheid, nog even dit: als wij echt te doen hebben met een godsdienst, waarbij dus de mens als het lagere gescheiden is van een hogere godheid, treedt het verschijnsel van de projectie op, het verschijnsel van het zichzelf uitvergroten. Gaat het echter om een geloof, dan hebben wij te doen met voorstellingen, die uiteraard wel een menselijke inhoud hebben, maar dat betreft dan juist gewone eigenschappen, zwakheden zelfs. De goden is niets menselijks vreemd en van uitvergrotingen is geen sprake. Het deelnemen aan de strijd bij Troye door Afrodite kan je moeilijk een uitvergroting noemen - eerder is het een verkleining, een verlevendiging van het goddelijke.

Angelsaksische cultuurverschijnselen

Hoewel het wetenschappelijk misschien niet helemaal juist is, wil ik toch een onderscheid maken tussen het Angelsaksische en het Germaanse. Dan bedoel ik met dit laatste de kinderlijke basiscultuur van al die stammen in Europa, die ik met de verzamelnaam de Germanen heb aangeduid, terwijl ik al datgene Angelsaksisch noem dat als doorwerking van dat oorspronkelijke Germaanse voor de dag is gekomen. Bij die doorwerking heeft uiteraard de klassieke cultuur een letterlijk overheersende rol gespeeld, maar ondanks dat was het resultaat toch dat het kinderlijke Germaanse niet ten onder ging, maar zich juist na verloop van tijd ontwikkelde tot een Angelsaksische cultuur, die zich op een zeker moment zelfs op een afschuwelijke wijze ging wreken op alles wat op de een of andere manier klassiek genoemd kan worden. Die haat tegen het klassieke vormde de (onbewuste) drijfveer van de zogenaamde nationaal-socialisten tot de gewelddadigheden van de tweede wereldoorlog. Het Angelsaksische heeft zich sinds die tweede wereldoorlog in geheel de moderne wereld doorgezet. Ook bij mensen van een niet-Germaanse afkomst, zoals het merendeel van de Amerikanen en de elites van de 3e wereld. Die veranderde mentaliteit is niet door deze wereldoorlog ontstaan, maar hij is er sinds die oorlog. En er is een samenhang tussen een aantal opvattingen van de nationaal-socialisten en de ideeën die na 1945 onder de moderne mensen gemeengoed zijn geworden. Genoemd heb ik al de bijna hysterische haat tegen de Russen, maar ook die tegen de Joden is er een voorbeeld van. Die haat berust op een cultuurspanning en zoiets uit zich op niet-rationele wijze: men kletst maar wat zonder te weten waarover het gaat, als die ander maar als slecht en onmenselijk afgeschilderd kan worden. En er is een duidelijke psychische blokkade tégen elke redelijke argumentatie waaruit zou kunnen blijken dat die ander helemaal niet slecht is. Welnu, die cultuurspanning is sinds de nationaal-socialisten algemeen manifest geworden. Niet voor niets sprak men van de koude oorlog. Hoewel men dit tegenwoordig niet graag toe zal willen geven is de idee van de verzorgingsstaat in wezen ook nationaal-socialistisch, d.w.z. dat het bedoeling van het Duizendjarig Rijk was het leven van alle daartoe behorende mensen te omvatten en te verzorgen - uiteraard volgens militaire normen, patriarchaal en gewelddadig. En deze verzorgingsstaat is er gekomen, zij het anders uitgewerkt, maar even allesomvattend als de nationaal-socialisten voor ogen stond. Het zich realiseren van zo’n staat is een Angelsaksisch cultuurverschijnsel. Het is de uiterste uitwerking van het dienstenstelsel waarover ik al eerder sprak. Wat ook sinds de tweede wereldoorlog normaal is geworden is het denken in vernietiging. Men verwijt de Duitsers dat zij hun militaire geweld op weerloze burgers richtten en inderdaad zijn zij daarmee op grote schaal begonnen, maar intussen denkt de gehele moderne wereld in termen van vernietiging: het gaat niet meer om zaken (hoe kwalijk desnoods ook), maar het gaat om individuele mensen die vernietigd moeten worden. En ook dat ligt in de Angelsaksische gesteldheid. Hoe men het tegenwoordig ook belieft te noemen, het strategische denken is een denken dat op vernietiging is gericht en dat was voor 1933 niet het geval: de burgers moesten ontzien worden want de oorlog diende niet tot het uitroeien van mensen, maar tot het opleggen van je wil aan die mensen. Op zichzelf natuurlijk ook krankzinnig, maar toch geheel iets anders dan vernietiging.

Iets over het nationaal socialisme

De afwijzing door de westerse wereld van het nationaal socialisme lag meer op het terrein van de wijze waarop die zaak gerealiseerd werd, de gebruikte methoden, dan op het inhoudelijke terrein. En in Hitlers agressie tegen het Westen lag geen wezenlijke haat tegen het Angelsaksische Westen, voor zover zich dat begon af te tekenen, mààr tegen het klassieke Westen. Zijn agressie richtte zich tegen de klassieke Westerse elites, die hij niet handelingsbekwaam, karakterloos en uit de tijd vond, geschoold als zij waren in de idealistische klassieke traditie, waarin er voor de bestaande individuele mens geen plaats was. Die mens immers moest wijken voor allerlei gemeenschappelijke idealen en de daaraan meekomende normen en waarden.

Hitler schoffeerde dan ook de staatslieden uit het Westen en de met hen gesloten overeenkomsten hadden voor hem geen morele waarde, hoogstens een incidentele politieke. Het verbranden van boeken, het afwijzen van ontaarde kunst, het diskwalificeren van Joodse kunstuitingen, het zijn allemaal reacties op het élitair klassieke. En daar tegenover staat het ophemelen van het zogenaamde volkse. Men had het steeds over het volkse karakter, over bloed en bodem en over de oude Germaanse verhalen, die door Wagner zo typisch Duits verklankt waren in zijn opera’s. En de nationaal-socialistische elites waren volkse elites, doorgaans afkomstig uit de meest onontwikkelde sociale milieus, geprogrammeerd op Vaderlandsliefde, gehoorzaamheid en eer. We moeten ons echter wel realiseren dat in de gehele westerse wereld een hang naar het volkse aanwezig was. Er was een overal toenemende belangstelling voor volksliederen, voor volkskunst, voor de eigen (Germaanse) identiteit. In alle mogelijke verhandelingen, krantenartikelen en ook filosofische beschouwingen treft men steevast verwijzingen aan naar het volkskarakter, ook in kringen die traditioneel afwijzend stonden tegenover Duitsland en het nationaal socialisme. Ook de echte socialisten hielden zich, vooral in de jeugdbewegingen, met het volkse bezig: men danste om de meiboom, men zong volksliedjes bij de blokfluit en men wees de traditionele statussymbolen af, bijvoorbeeld in de kleding.

Het socialisme en het volkse

Over het algemeen kunnen wij zeggen dat sinds de tweede wereldoorlog het democratische socialisme (= het macht zoekende socialisme) overal wortel geschoten heeft. Ook als men zich in partij- politieke zin niet socialistisch noemt denkt men in socialistische termen. Daarbij is de verbinding met het volkse duidelijk: de hedendaagse politieke en wetenschappelijke elites zijn uit het volk gevormd. Hun status berust niet langer op hun afkomst. Dat was voor de oorlog nog wel het geval: allerlei adellijk onbenul zat in de regering, het parlement en op de leerstoelen van de universiteit. Dat is met de tweede wereldoorlog verdwenen.

Bladwijzers: verzorgingsstaat-1 ; verzorgingsstaat-2 ; Nationaal Socialisme ; Socialisme, Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ; De term Nationaal Socialisme ; Het probleem van het Nationaal Socialisme nrs 17 t/m 19 ; De misdadigheid van het Nationaal Socialisme ; Het Nationaal Socialisme ; Klassieke westerse Elites ;

No. 15    

Bladwijzers: Elite(1) De onechte cultuurontwikkeling nrs.1 t/m 6  ; de politieke elites(2) – 15 t/m 17(SS) ;  (Sociaal Democratie-1 ;  Sociaal Democratie-2 ;  Sociaal Democratie-3 ;  Sociaal Democratie-4;  Sociaal Democratie-5 ) ; Parlementaire Democratie ; Klassieke westerse Elites ;

Kinderlijk en primitief

Je kunt van de oude Germanen zeggen dat zij Kinderlijk waren, maar het is fout om in dit verband te zeggen dat zij primitief geweest zouden zijn. Van primitief kan je spreken als en voor zover er op allerlei gebieden van het leven betere praktische methoden en helderder denkbeelden voorhanden zijn en men desondanks daarvan geen gebruik maakt, doorgaans omdat bepaalde conventies dat verbieden. Primitieve mensen en culturen blijven beneden hun mogelijkheden. Als het echter om kinderlijkheid gaat hebben wij te doen met een situatie waarbij de mogelijkheden zich nog moeten uit wikkelen en dus op een nog eenvoudige wijze voortdurend benut worden. Het kan zijn dat anderen op bepaalde gebieden verder zijn, zoals dat met de Romeinen het geval was, en dan is dat voor die Romeinen reden om de Germanen Primitief te vinden, maar het ontging hen daarbij dat de Germanen met iets heel anders bezig waren en daardoor geen belangstelling hadden voor de Romeinse verworvenheden. Maar op hun eigen gebied waren zij bepaald niet primitief. Een goed voorbeeld van primitiviteit levert de moderne westerse mensheid, vooral in haar politieke, economische en militaire denken. De verhalen van de generaals van de NAVO blinken uit door het negeren van voorhanden mogelijkheden, van ervaringen uit de geschiedenis en van verantwoorde politieke alternatieven. Die mogelijkheden, ervaringen en alternatieven zijn wel degelijk voorhanden, maar zij worden toch afgewezen omdat men vast wil houden aan eenmaal ingenomen standpunten en denkbeelden. In onze moderne wereld is nagenoeg alle kennis en technologie aanwezig om er op zeer korte termijn een gezellige wereld van te kunnen maken, maar men blijft maar doormodderen met volledig achterhaalde denkmodellen. Dat kan je zonder meer primitief noemen!

De nieuwe elites

Aan de basis van de Angelsaksische wereld treffen wij een drietal elites aan, die elk op hun eigen wijze een rol gaan spelen. Het spreekt vanzelf dat we als eerste te doen hebben met de traditionele elites, bestaande uit de adel en de afstammelingen van de vroegere regenten. De leden van deze groeperingen behoorden automatisch tot de bovenlaag van de maatschappij, louter op grond van hun afkomst. Aanvankelijk werden er aan deze mensen nauwelijks intellectuele eisen gesteld, maar met het zich doorzetten in de 19e eeuw van het wetenschappelijke denken werd enige ontwikkeling op intellectueel gebied toch wel wenselijk geacht: men ging de universiteiten bezoeken en men eiste de universitaire vorming voor zichzelf op. Het werd een voorrecht van de bovenlaag, in tegenstelling tot voordien, toen er veel begaafde mensen uit het volk tot de universiteit doordrongen. Tot aan de tweede wereldoorlog echter waren het die geschoolde klassieke elites die de dienst uitmaakten. Echte politieke figuren waren zij niet, het waren geboren machthebbers, die, in het beste geval, tamelijk liberale opvattingen hadden. Zij waren tegen een allesoverheersende staat en zij juichten een zo groot mogelijke persoonlijke vrijheid toe, ook de vrijheid om in het gedrang vertrapt te worden. Een ieder moest zijn eigen bonen maar doppen. De staat was eigenlijk hun bezit, zoals zij in het verleden de wereld bezaten als feodale heren. Maar na de tweede wereldoorlog verdwijnen deze elites gaandeweg van het staatkundige toneel: zij zijn hoogstens nog goed voor ambassadeursposten en decorum bij vorstelijke vertoningen. Als representanten van de klassieke wereld hebben zij afgedaan; op grond van hun afkomst is er voor hen geen plaats meer in de Angelsaksische wereld, zoals die zich sinds 1945 doorgezet heeft. Wie echter wel bij die nieuwe Angelsaksische wereld behoren zijn de zogenaamde nieuwe rijken. Dat zijn mensen die op de een of andere manier rijk geworden zijn, doorgaans ten gevolge van activiteiten in de koloniën. Zij hadden ook een belangrijk aandeel in de geldhandel. Deze nieuwe rijken kwamen voor het merendeel voort uit de burgerij; zij konden zich in geen enkel opzicht op een deftige afkomst beroepen. De beruchte Colijn bijvoorbeeld (1869 - 1944) was ook als koloniaal begonnen en rijk geworden door de olie. Maar hij bracht het wel tot premier en verschillende ministersfuncties. Toch is er ook bij deze soort van elite een verandering opgetreden: de wijze waarop je rijk geworden bent is een rol gaan spelen. Tegenwoordig is wetenschappelijke vorming vereist en bovendien hecht men waarde aan een economische carrière. Je moet concerns achter je hebben en dat tekende zich ook al af bij een figuur als Colijn. Van belang is evenwel dat dergelijke elites min of meer uit het volk voortgekomen zijn. Een echte politieke gesteldheid hadden zij echter niet; hun machtsbewustzijn was in wezen tiranniek, gericht op de sterke man. Een duidelijke calvinistische inslag was kenmerkend. Tot nu toe heeft deze elite zich weten te handhaven, zij het met enige wetenschappelijke aanpassingen. De belangrijkste Angelsaksische bovenlaag wordt tegenwoordig gevormd door de nieuwe politieke elite. Het gaat deze mensen louter om de politiek en dat komt in de praktijk natuurlijk neer op macht. De basis van deze machtsgroep is gelegd door het politieke socialisme, zoals dat zich in de sociaal democratie doorgezet heeft. Of men nu tot een socialistische politieke partij behoort of niet, toch komt men uit die basis voort. En die elite is de maat voor alles wat de staat betreft. Afkomst en rijkdom spelen geen rol, een concern als achtergrond is zelfs ongewenst, terwijl wetenschappelijke vorming vereist is. Met recht kunnen wij zeggen dat in deze elite de Angelsaksische gesteldheid zich effectief heeft waargemaakt. En dat is een feit geworden na de tweede wereldoorlog. In dit verband is het opmerkelijk dat heel veel mensen niet in de gaten hebben dat deze verandering van gesteldheid heeft plaatsgevonden. Nog minder wil men inzien dat er een verband bestaat tussen deze veranderingen en het nationaal socialisme: beide zijn manifestaties van de Germaanse cultuurwereld, de één op democratische wijze, de ander op dictatoriale. Maar het verschil tussen die twee is niet zo groot als gewoonlijk gesuggereerd wordt.

Enkele belangrijke punten

Van de klassieke bovenlaag en van de nieuwe rijken kan gezegd worden dat beide opereerden ten koste van de bevolking. Wat hen van elkaar onderscheidt is vooral de wijze waarop zij hun macht verworven hadden: in het eerste geval door de afkomst en in het tweede door het zich uitwerken boven de gewone mensen. Maar de politieke elites was het om de gewone mensen te doen; zij gingen aan de slag ter wille van het volk en als gevolg daarvan werden zij elites.

Tegenwoordig vindt iedereen het normaal dat een politicus zich voor het volk inspant en dat is niet eens een loze kreet: men is inderdaad bezig voor het volk, maar het is wel de vraag wat men onder het volk verstaat en welke waardeoordelen men daaraan hecht. Als je de macht wilt hebben om het volk te regeren, gaat het je dan om het volk? Het je inzetten voor je medemensen met als gevolg dat je je boven hen verheft en élitair wordt, is typisch voor het Germaanse en het huidige Angelsaksische denken. Het gaat uit van de individu en het wordt tot een zaak en van die zaak wordt een bepaalde individu de representant, hij wordt de leider van een aantal andere individuen met de bedoeling die zaak te realiseren. Wij zien dit, in het groot en in het klein, overal om ons heen en wij steunen die grote en kleine leiders vanuit ons eigen individu-zijn: wij wijzen hen als leider aan!

 Bladwijzers: (Sociaal Democratie-1 ;  Sociaal Democratie-2 ;  Sociaal Democratie-3 ;  Sociaal Democratie-4;  Sociaal Democratie-5 ) ; Parlementaire Democratie ; Klassieke westerse Elites ;

 

No. 16

Bladwijzers: (Sociaal Democratie-1 ;  Sociaal Democratie-2 ;  Sociaal Democratie-3 ;  Sociaal Democratie-4;  Sociaal Democratie-5 ) ; Parlementaire Democratie ; Leiderschap-1  ; Leiderschap-2 ; Klassieke westerse Elites ;

De Angelsaksische staat

Sinds de tweede wereldoorlog zijn de elites, die de staat in handen hebben, van karakter veranderd. Het zijn geen mensen meer die op hun afkomst of hun rijkdom kunnen bogen, maar het zijn mensen uit het volk, die op de een of andere manier een politieke carrière hebben gemaakt. Voor hen is de politiek niet meer een bezigheid, die vanzelfsprekend aan hun status meekomt, maar een vak dat beoefend moet worden en dat dus ook door bepaalde bekwaamheden gedragen wordt. Daarbij ligt de verhouding zo, dat die bekwaamheden meer benut worden voor het versterken van de eigen positie en dus ook de eigen macht, dan voor het efficiënt besturen van de staat - wat dit ook mag betekenen. Het staatsbelang heet het doel te zijn, maar in werkelijkheid gaat het om de persoonlijke macht en dus om het eigen leiderschap, de dictatuur. Doordat men in dat streven niet alleen staat en het iedereen vrij staat aan het machtsspel deel te nemen, is een echte dictatuur vrijwel onmogelijk. Maar die onmogelijkheid betekent niet dat de mentaliteit van het politieke streven niet dictatoriaal zou zijn, zelfs als men het doet voorkomen alsof de wil van het volk de maat zou zijn. In feite gaat het niet om de wil van het volk, maar om het aantal kiezers waarop men meent te kunnen steunen. Om die kiezers zover te krijgen moet men hen ervan overtuigen dat zij iets willen en als dat gelukt betekent dat MACHT voor de gekozene. Die gekozene kan dan deel gaan nemen aan de politieke strijd en zoveel mogelijk macht verwerven. Dat verwerven, die strijd om de macht, dat nu is typisch Angelsaksisch en dus modern Germaans. De vroegere toestand, ruwweg die van voor de tweede wereldoorlog, was in zoverre anders dat de toenmalige elites vanzelfsprekend de macht hadden. Zij behoefden die niet of nauwelijks op het volk te baseren en daarmee samenhangend was er dan ook weinig enthousiasme voor het algemeen kiesrecht. Pas in 1917 kwam er in Nederland algemeen kiesrecht voor mannen en in 1922 voor vrouwen! . Daar begon dus de nieuwe ontwikkeling en die werd pas na 1945 echt een feit. En thans moet men de macht veroveren. Daarbij gaat het niet meer om iemands afkomst of rijkdom, hoewel die natuurlijk in de praktijk wel meespelen: het maakt de studie gemakkelijker en er staan wat meer invloedrijke kruiwagens ter beschikking. Maar, je kunt wel staande houden dat we te doen hebben met een soort van democratie, omdat de steun van het volk onontbeerlijk is voor de strijd om de macht. Het verwerven van die steun behoort tot het politieke vak en te zeggen is dat dit een moeilijk vak is: hoe krijg je het voor elkaar om zoveel duizenden mensen louter met beloften en verhaaltjes achter je te krijgen? Mensen bovendien, die zo langzamerhand goed in de gaten hebben gekregen dat je toch niet doet wat je beloofd hebt - want over die leugenachtigheid zijn vrijwel alle kiezers het eens.

De aanloop tot de Angelsaksische democratie

Het spreekt vanzelf dat er in de geschiedenis een aanloop tot de moderne toestand is geweest. Op betrekkelijk korte termijn zie je de idealistische socialisten die sinds het einde van de vorige eeuw een rol zijn gaan spelen in de westerse politiek en er daarbij onveranderlijk op uit waren de macht te veroveren. Zij spraken zelfs wel van de wenselijkheid van een dictatuur van het proletariaat. In ieder geval was de staatsmacht een noodzakelijk middel om de macht aan het volk te doen toevallen. En dan komen er ook nog andere partijen op, die zich niet graag socialistisch noemen maar zich liever op de bijbel of de godsdienst beroepen, om in feite net zo socialistisch te zijn in hun streven het volk te verheffen en de, inderdaad erbarmelijke, toestand van de mensen te verbeteren. Deze vormen van socialisme hebben nauwelijks iets gemeen met datgene dat je echt onder socialisme zou kunnen verstaan en dat geldt ook voor de zich socialistisch noemende politieke partijen. Wat er eigenlijk doorbreekt is de moderne, Angelsaksische vorm van de oude Germaanse cultuur, waarin de individuele mens en zijn individuele macht centraal staan, met daarbij ook het zich boven het volk uit verheffen van de helden, die als leiders van dat volk gaan fungeren. Omdat dit het is wat er werkelijk gaande is heeft het zin wat uitvoeriger bij de feitelijke ontwikkeling stil te staan. Er ligt achter deze historische veranderingen een belangrijk filosofisch thema verscholen, zoals inmiddels hopelijk duidelijk is geworden. En: aan werkelijk socialisme is het Westen nog lang niet toe. Over een langere termijn beschouwd zie je het ontstaan van het Britse parlementaire stelsel. Al bij de Magna Charta in 1215 kregen de edelen zeggenschap; later voegde zich de geestelijkheid daarbij en al spoedig ook de vertegenwoordigers van de burgerij. Tijdens Edward 1 (1272 - 1307) was de politieke invloed van die laatste groep niet meer te verwaarlozen, hoewel die groep uiteraard nog lang niet de basis was van het staatsbestel. Dat gebeurde pas met de geleidelijke uitbreiding van het kiesrecht. Tekenend is dat de aanzet tot de parlementaire democratie nu juist in een land plaatsvond met sterke Germaanse tradities en een weinig ontwikkelde klassieke bovenlaag. Daar kon de Angelsaksische mentaliteit zijn eerste groei doormaken en de kracht opdoen om later, in onze tijd, de nieuwe cultuurgesteldheid te worden. Die aanzet vertoonde zich dus niet, en zeker niet levensvatbaar, in de cultuurgebieden met een klassieke bovenlaag. Pogingen van het volk om het fundament van de staatsmacht te worden zijn er in die gebieden natuurlijk wel geweest en te zeggen valt dat de Franse revoluties van 1789 en 1848 als min of meer geslaagde pogingen kunnen worden beschouwd. Maar, de Engelsen waren al 500 jaar eerder begonnen!

Wat is er van het Angelsaksische te verwachten?

Hoewel het zeker een feit is dat sinds 1945 de bevolking een rol is gaan spelen bij het vormen van de staatsmacht en je dit bijgevolg een stap vooruit kunt noemen, is het evenzeer een feit dat hiervan voorlopig, menselijk gesproken, nog bitter weinig te verwachten valt. De rol van de bevolking is beperkt tot de machtsvorming en heeft niets te maken met het besturen van de staat, want dat is een relatief dictatoriale aangelegenheid in de huidige omstandigheden. Het gaat daarbij om MIJN macht; macht is egocentrisch, ik moet daarvan het middelpunt zijn want aan de macht van een ander heb ik niets. Was vroeger voor een aantal mensen die egocentrische macht vanzelfsprekend, thans moet ik voor die macht vechten met alle fraaie en vooral minder fraaie middelen die mij ten dienste staan. En deze strijd is de strijd van de individu voor wie voorlopig het zichzelf-zijn beperkt blijft tot de meest simpele mogelijkheid, namelijk MIJN individuele macht. Het doorbreken van de individu, de afzonderlijke en persoonlijke mens is uiteraard een stap voorwaarts, vergeleken bij de klassieke wereld, maar er is in geen geval van te zeggen dat het nu goed is. Wij moeten oppassen dat wij een stap verder niet zonder meer associëren met kwalitatief beter. Voor het denken kan de zaak desnoods wel als beter gelden, maar voor de praktijk van het leven van de mensen is dat geenszins het geval. Elk nieuw moment voegt er iets aan toe en verandert tegelijk het traditionele (= datgene dat al naar voren is gekomen), maar pas als alle verhoudingen er zijn kan het echt beter gaan worden.

Bladwijzers: Leiderschap-1  ; Leiderschap-2 ; Sociaal Democratie-1 ;  Sociaal Democratie-2 ;  Sociaal Democratie-3 ;  Sociaal Democratie-4;  Sociaal Democratie-5 ; Parlementaire Democratie

No. 17

Bladwijzers: Nationaal Socialisme ; Socialisme, Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ; De term Nationaal Socialisme ; Het probleem van het Nationaal Socialisme nrs 17 t/m 19 ; De misdadigheid van het Nationaal Socialisme ; Het Nationaal Socialisme ; Klassieke westerse Elites ; De Nederlandse N.S.B. ; Nationaal Socialisten-nrs.17 en 18 ;

Nog iets over het beter worden

Het valt niet te ontkennen dat de situatie van de mensen, sinds het begin van deze eeuw en vooral sinds de tweede wereldoorlog, aanzienlijk verbeterd is, als je althans let op een aantal deelterreinen van het maatschappelijk leven. Dat geldt vooral in Noordwest-Europa, een gebied waarvan je kunt zeggen dat daar de Angelsaksische mentaliteit het duidelijkst en het redelijkst aan de dag treedt. Toch heeft de bevolking van dat gebied niet bepaald het gevoel dat het leven zoveel verbeterd is. En dat gevoel is terecht: het OVERLEVEN is er wat gemakkelijker op geworden. Maar al met al heeft dat nauwelijks iets met leven te maken. Leven doe je vanuit een geheel en dat is alleen maar mogelijk als de inhoud van dat geheel aanwezig is en tot zijn recht kan komen. Pas als dat het geval is kan het leven zich gaan uit wikkelen en pas dan kan je zeggen dat het beter wordt. Dat is een kwalitatieve zaak, terwijl de zogenaamde verbeteringen van kwantitatieve aard zijn: meer geld, meer voorzieningen, meer inspraak, meer recht, enzovoort. In het algemeen: meer veiligheid, al is het desnoods doormiddel van de dreiging met vernietigingswapens. Je kunt de ogen niet sluiten voor deze kwantitatieve vooruitgang, de inhoud van het geheel moet zich realiseren en daartoe draagt de Angelsaksische mentaliteit in niet geringe mate bij - omdat de basis daarvan de individu is. Het zijn vooral socialistische partijen en vakbonden die de eer daarvan plegen op te eisen, maar dat is natuurlijk onterecht. De nieuwe mentaliteit was toch wel doorgebroken, met de daarbij behorende kwantitatieve maatschappelijke vooruitgang. Overigens, dat die vooruitgang kwantitatief is blijkt uit de tegenwoordig beschikbare producten: er is van alles een overvloed, maar de kwaliteit is, ondanks de technologische ontwikkeling, slechter dan ooit. Dat is bepaald niet toevallig!

Het nationaal socialisme

Je kunt relativerend denken over het geweld en de misdadigheid, die de mensen in oorlogen aan de dag leggen. Dat kan je ook doen ten aanzien van de tweede wereldoorlog, maar zelfs dan blijft het een feit dat de gewelddadigheid van de nationaal socialisten alle perken te buiten gaat. Daarbij moeten we echter letten op gewelddadigheid die méér is dan alleen maar die van een oorlog. De zaken zijn evenwel moeilijk van elkaar te onderscheiden, omdat veel aspecten van de tweede wereldoorlog niet specifiek Duits waren, maar Angelsaksisch en dus, voor het Westen, algemeen geldend. Eerst maar eens wat opmerkingen om de gedachten te bepalen: de eerste wereldoorlog was eigenlijk een soldatenoorlog, een oorlog die typerend was voor het militarisme. Die oorlog werd gevoerd door militairen, hoge generaals en dergelijke. Die maakten de dienst uit, stelden de doelen vast en bepaalden de strategie. Hoewel de zaak uiteraard niet zonder politiek gedoe was, hadden de politici toch nauwelijks wat in de melk te brokken.

In de tweede wereldoorlog lag dat anders: de leiders van die oorlog waren politici, zoals Churchill, Mussolini en Hitler en deze figuren legden de militairen hun wil op, ook waar het de militaire strategie betreft. De geallieerde generaal Eisenhower was niet zozeer een briljant generaal als wel een politicus, hetgeen later ook bleek. En Hitler wist zelfs de ongenaakbare Pruisische generaals op de knieën te krijgen, hetgeen bepaald geen kleinigheid was! De eerste leden van de nationaal-socialistische beweging waren soldaten uit de le. WO Zij hadden zich georganiseerd tot de zogenaamde Freikorpsen en zij vochten al vrij kort na die eerste wereldoorlog in het oosten, bijv. de Baltische staten, tegen het communisme. Toen al was er de behoefte om Europa tegen de rode vloedgolf te beschermen. Maar naarmate Hitler sterker werd ging hij zelf militaire organisaties vormen, zoals de SS, en dat waren politieke eenheden, die na verloop van tijd de veteranen uit de le w.o. met geweld uitschakelden. Aan de macht kwamen de politieke soldaten; zij gingen op den duur zelfs de dienst uitmaken voor het gewone leger, de Wehrmacht. Al met al is te zeggen dat de tweede wereldoorlog een politieke oorlog was, een oorlog tussen politieke ideologieën. Een ander opmerkelijk feit heb ik al eerder genoemd: de burgerbevolking wordt inzet van de strategie. De oorlogshandelingen beperken zich niet meer tot militaire doelen. De nadruk komt zelfs te liggen op de vernietiging van de bevolkingscentra; de burgers worden een factor in het oorlogsbedrijf. Dat was tot aan de tweede wereldoorlog ongewoon, nog in Genève hadden de Westerse landen vastgesteld dat oorlogen zuiver militair moesten zijn en dat het misdadig was de burgers als doelwit te gebruiken. En kort daarna begonnen de vernietigings-bombardementen: Warschau, Rotterdam, Coventry en daarna de Duitse steden en Hiroshima , Nagasaki. Sinds die tijd vindt men het heel gewoon dat de steden van het Westen en oosten voortdurend bedreigd worden met vernietiging. De burgers, als zelfstandige individuen, komen nu naar voren en worden strategisch van belang.

Als het nationaal socialisme opkomt is er als het ware een renaissance van het oude Germanendom. Die renaissance is het eerste moment van de nieuwe tijd in die zin dat hij het negatieve aspect van dat eerste moment vertegenwoordigt. In dat nationaal socialisme wordt de gehele klassieke cultuurmentaliteit vernietigd. Dat alles deugt niet, is leugen en bedrog, is decadentie, en wat goed is, dat zijn de oude Germaanse waarden. Die waarden moeten herleven, zij zijn karakteristiek voor de Germaanse volkeren, zij zijn volkseigen. En bij dat herleven behoort ook dat die Germaanse volkeren raszuiver zijn en het juiste bloed door de aderen heeft stromen. Dat is het bloed van de helden, de leiders, de Übermenschen! Het spreekt vanzelf dat men geen notie had van de werkelijke waarden en mentaliteit van de oude Germanen. Men stelde een aantal stereotiepen als de maat, ingegeven door een bepaald soort van romantiek, zoals men die proefde uit de verhalen. Wagner heeft die romantiek in zijn opera’s ten top gevoerd. En die romantiek sprak de mensen aan omdat de cultuurontwikkeling het punt had bereikt dat het modern Germaanse, het Angelsaksische door zou gaan breken. Daarvan dus is het nationaal socialisme het negatieve aspect. Je kunt dus niet zonder meer stellen dat het Duitse volk misleid is geworden: het sprak wel degelijk aan! De mensen waren er ontvankelijk voor. Hopelijk wordt de term nationaal socialisme nu wat duidelijker: het nationale is het (vermeend) authentieke Germaanse en het socialisme is gebaseerd op het besef dat de individuen tot gelding moeten komen, een besef dat voor de gehele Westerse wereld gold. Misschien is het moeilijk de opkomende waardering voor de individu te rijmen met het militaristische karakter van het nationaal socialisme, maar dan moet je bedenken dat het formeren van groepen vooronderstelt dat er elementen, eenheden zijn die elkaar in een ideaal vinden en zo een groep kunnen vormen. In verband met dat ideaal wordt het begrijpelijk dat de politieke vorming zo belangrijk was. De niets ontziende gewelddadigheid van het nationaal socialisme vindt zijn grond in het feit dat het om de totale ontkenning ging van de toenmalige Westerse wereld, voor zover die klassiek was. Die wereld moest vernietigd worden ter wille van de nieuwe mens, levende in een nieuwe tijd en burger van een duizendjarig rijk dat de gehele Germaanse wereld zou omspannen. Voor dat nieuwe moest het oude uitgeroeid worden!

Bladwijzers: Elite(1) De onechte cultuurontwikkeling nrs.1 t/m 6  ; de politieke elites(2) – 15 t/m 17(SS)  ;  (Sociaal Democratie-1 ;  Sociaal Democratie-2 ;  Sociaal Democratie-3 ;  Sociaal Democratie-4;  Sociaal Democratie-5 ) ; Parlementaire Democratie ; Mussolini ; Churchill / Mussolini ; Hitler / Mussolini ; De laatste kaart nr. 47 ; Nationaal Socialisme ; Socialisme, Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ; De term Nationaal Socialisme ; Het probleem van het Nationaal Socialisme nrs 17 t/m 19 ; De misdadigheid van het Nationaal Socialisme ; Het Nationaal Socialisme ; Klassieke westerse Elites ;

No. 18

Het probleem van het nationaal socialisme

Het is opvallend dat het nationaal socialisme, zoveel jaren nadat het aan de macht was, nog steeds voor een heleboel mensen een probleem is, een probleem dat niet in de eerste plaats veroorzaakt wordt door het vele leed, dat de mensen is aangedaan - dat was in andere oorlogen ook het geval - maar door het onbegrijpelijke karakter er van. Het massaal sterven van soldaten aan de fronten is voor de mensen geen onbegrijpelijk verschijnsel en zelfs het bombarderen van bevolkingscentra is nog wel te vatten, maar het systematisch uitroeien van mensen is dat niet. Achteraf is iedereen er van overtuigd dat de hele zaak misdadig was: ze hebben 6 miljoen Joden vermoord, maar de vraag is en blijft of die misdadigheid ook herkend zou zijn geworden als die feiten niet bekend waren. Met andere woorden: herkende men de misdadigheid louter en alleen aan de nationaal socialistische mentaliteit en eventueel aan de ideologie? Het antwoord moet zijn nee, behoudens natuurlijk heel enkele uitzonderingen, waarvan de meeste dan ook nog steunden op bekend geworden feiten. De Nederlandse communisten bijvoorbeeld komt de eer toe vanaf het begin tegen het nationaal socialisme gekant te zijn geweest, maar ook dat is nauwelijks een verdienste te noemen omdat zij tegen waren op grond van hun eigen ideologie, die toevallig op een ander principe berustte dan de nationaal socialistische. Dat was dus een partijpolitiek oordeel en van daar uit schroomde men niet de ander een misdadiger te noemen! Een kwalificatie waarmee de communisten altijd al erg vlug klaar hebben gestaan. (We hebben het niet geweten ) Het probleem voor de mensen is dat zij niet in staat bleken de misdadigheid te herkennen, ze hebben het inderdaad niet geweten, zelfs niet als de feiten bekend waren, en dat komt doordat zij, enigszins op andere wijze, zelf die zaak waren. De opkomst van de Angelsaksische wereld houdt nu eenmaal het teruggrijpen naar de oorsprong in. Dat negatieve moment is er niet uit te denken. De Duitse jeugdbeweging van voor 1933 was sterk op de natuur gericht, het woud met eventueel de heilige eik speelde een bijna mystieke rol, maar het ging niet om de natuur zelf, maar om de associatie met de “oerbodem”, de grond waarop de Germaanse cultuur geboren was. Bovendien waren die jeugdbewegingen er op gericht een gehoorzaamheidscultus aan te kweken: het zelfbewust geworden individu moest zich willens en wetens onderwerpen aan de totaliteit van de groep, de partij en de staat, vertegenwoordigd door de almachtige leider.

Let op dat het om een leider ging en niet om een tiran, het begrip leider vooronderstelt de aanwezigheid van een zelfbewust individu, dat naar het verheven doel geleid moet worden. Absolute gehoorzaamheid is dan vereist en precies dat is de inbreng van onderaf van die Germaanse mens.

Waarom nu juist in Duitsland?   

Sommige mensen betwijfelen of het nationaal socialisme specifiek een Duits verschijnsel genoemd kan worden. Ik denk dat hieraan geen twijfel mogelijk is. In geen enkel ander land heeft het wortel geschoten en als het desondanks enig succes boekte berustte dit vooral op politieke doelstellingen, gericht tegen de overheersing door de klassieke elites. Maar in Duitsland ging het doorbreken van de nationaal socialistische gedachte onmiddellijk gepaard met terreur, een terreur die merkwaardig genoeg als vanzelfsprekend straffeloos kon plaats vinden en die dan ook gaandeweg omvangrijker werd. Totdat daar tenslotte miljoenen mensen vermoord werden, gelegaliseerd door wat men de staat beliefde te noemen. Blijkbaar is er een verbinding tussen de bewust geworden Germaanse ideeën en waarden en de automatisch optredende terreur. En, inderdaad, die betrekking is er en hij zal duidelijk worden als we ons realiseren dat het uiteindelijk allemaal om de individu draaide. Voor die individu is ik de enige realiteit, naast mij kan er niemand zijn en als er toch iemand is moet die vernederd worden. Dat is het eerste en dus ook vanzelfsprekend concrete moment van het individu-zijn: het enig bestaande ding dat alles en iedereen in de schaduw stelt. Het eerste moment van het individu-zijn is negatief omdat het zijn hele omgeving ontkent en, in concreto gesproken, uitroeit. Psychologisch werd dat bij de Duitsers versterkt door de streng patriarchale cultuurgesteldheid. In de gezinnen bestond er maar één echt: de vader en in de maatschappij: de overheid. Geen wonder dat gezag en orde, gehoorzaamheid en plichtsbetrachting juist als kenmerken van de zelfbewuste individu werden gezien. De paradox is dat de gehoorzame en plichtsgetrouwe gezagsdrager de enig bestaande concrete individu is. Hij hoort er echt bij, bij de clan van waardige mensen, de groep van gelijken is zijn thuis, vandaar zijn voorliefde voor leger en overheid, want daarin behoeft de gelijkheid niet bevochten te worden: die is (van god) gegeven en die staat onwrikbaar vast. Groepsvorming op basis van (relatieve) gelijkheid is voor zo’n autoritair patriarchale cultuur kenmerkend. Het regiment is het thuis voor praktisch elke man, de soldatentijd is de mooiste tijd en de kameraadschap van mannen is het mooiste dat er is. Die groepsvorming was er dus vanuit de individu zelf, hij zocht zelf zijn thuis in die groep - dit in tegenstelling tot de fascistische gedachte van de bundeling, die in principe van bovenaf geschiedt en dus wezenlijk bij de klassieke wereld behoort. De nationaal-socialistische mens denkt inderdaad van onderaf en maakt vervolgens van zichzelf iets unieks, een held en uiteindelijk een Übermensch. Heldendom was in die wereld de mooiste domheid. Wie zover niet kwam was een lafaard, die niet verdiende te overleven. Zo vond Hitler dat het Duitse volk als geheel ten onder moest gaan als het zich niet als heerser waar kon maken en de oorlog zou verliezen. Tenslotte probeerde hij dan ook het Duitse volk ten onder te laten gaan.

De haat en de wreedheid

Je kunt nu wel tot een groep van unieke individuen behoren, maar de gehoorzaamheid behoort toch tot de deugden. Eigen voortreffelijkheid gaat samen met eigen slaafsheid, met eigen waardeloosheid. De aanwezigheid van deze verhouding leidt tot een allesoverheersende haat en een niets ontziende wreedheid ten aanzien van diegenen die als minderwaardig worden beschouwd. Haat zowel als wreedheid vragen om een object en dat object is voorhanden in de mensen die niet in het teken van het unieke en het gehoorzame staan. Die mensen kunnen eenvoudig niet met rust gelaten worden, men moet hen vernietigen. En dat deed men dan ook. Op de staatsburelen werden bijvoorbeeld de Joden ter dood veroordeeld en dat was een administratieve kwestie, maar de haat en de wreedheid werden in de lagere regionen uitgeleefd omdat ze daar het sterkste aanwezig waren. En ook hier is weer opvallend dat het straffeloos kon gebeuren.

De organisatie

De meeste mensen denken, dat het zogenaamde Derde Rijk hecht georganiseerd was volgens bepaalde staatsopvattingen. Maar dat was niet het geval. De clans van unieke individuen laat geen organisatie toe, wel echter een terreur-apparaat waarin eigenlijk iedereen bezig is de ander te bestrijden om macht te krijgen, om echt uniek te worden. Zelfs het streven naar een hechte organisatie van de maatschappij ontbrak.

Bladwijzers: Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14 t/m 19, 20 en 21, 37, 44, 48 en 68 ; De laatste kaart nr. 47 ; De Nederlandse N.S.B. ; Nationaal Socialisten-nrs.17 en 18 ;

 

No. 19 ( zie ook het voorgaande)

Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Nationaal Socialisme ; Socialisme, Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ; De term Nationaal Socialisme ; Het probleem van het Nationaal Socialisme nrs 17 t/m 19 ; De misdadigheid van het Nationaal Socialisme ; Het Nationaal Socialisme ;

 

De misdadigheid van het nationaal socialisme

Er zijn in de geschiedenis allerlei voorbeelden aan te wijzen van grootscheepse gewelddadigheden, die achteraf toch niet onmiddellijk als misdadig beoordeeld worden. De wereldverovering door de Romeinen en die van Napoleon hebben heel wat ellende teweeggebracht en de geschiedenis ervan wemelt van de misdaden, maar toch worden die toestanden als zodanig niet als misdadig beoordeeld - maar natuurlijk ook niet als humaan. Het nationaal socialisme echter, zelfs ongeacht het feit dat het een oorlog begon, wordt wel degelijk als misdadig ervaren. Enkelen hebben dat destijds al meteen uit de ideologie afgeleid, maar nadat alles achter de rug was en de feiten bekend geworden waren, twijfelde niemand: het nationaal socialisme is misdadig. Men heeft dan ook getracht de zaak aan het geldende recht te toetsen en, hoewel dat juridisch niet zo erg goed in elkaar zat, de poging gewaagd de verantwoordelijke leiders voor hun misdaden te straffen. Daarmee is men trouwens nu nog bezig... We zetten de belangrijke punten op een rijtje: de kern van de zaak ligt natuurlijk bij de individu, die ontwaakt en daarbij zijn eerste negatieve moment realiseert, te weten de alles buiten zichzelf uitsluitende ik. Ten tweede ligt daar de vraag naar de hoedanigheid en de inhoud van die ik. Dat blijkt dan een ik te zijn, die zichzelf voortdurend naar boven projecteert en dus niet als gelijke onder de andere ikken vertoeft, maar almaar boven die anderen uit wil gaan. Een held wil zijn. Het derde punt is dat die zogenaamde held de andere ikken als minderwaardig gaat beschouwen en daaraan het recht ontleent die anderen te vernederen en tenslotte zelfs te vernietigen. In het moderne Angelsaksische besef komt dat niet voor. Vanuit het ik beschouwt men de anderen in ieder geval als medemensen en men is ervan overtuigd die medemensen niet te discrimineren, terwijl men onder die overtuiging door zijn medemensen onbewust vernedert. Bij de nationaal-socialisten echter behoorde het tot de overtuiging en de ideologie dat de anderen tot de ondermensen gerekend moesten worden. Er was dan ook geen ideologische rem op het moorden en op de terreur, het ongedierte moest vertrapt worden, meedogenloos en machinaal. Het waren immers geen mensen! Vooral dit laatste, het als minderwaardig zien van de anderen, is specifiek Duits, zoals wij nog bespreken zullen. De combinatie van de drie genoemde punten levert de misdaad op. Misdaad is het verbreken van het geheel, het ontkennen van datgene dat er nog meer is (dat geldt ook ten aanzien van de overige verschijnselen, de bodem, de planten en de dieren).

Overigens moet opgemerkt worden dat men in de Westerse wereld vooral onder de indruk kwam van de omvang van het moorden. Eigenlijk schrok men niet zozeer van de feiten zelf (men weet er immers zelf ook best raad mee) als wel van het aantal ( te veel )vermoorde mensen. Men zou eventueel wel willen aanvaarden dat het erg was, maar dit was duidelijk te erg, dit ging alle perken te buiten. We hebben dus met een kwantitatieve norm te doen, die als een kwalitatieve gesteld wordt, voornamelijk om het eigen geweten te sussen. Het is zeer de vraag of men net zo overtuigd gereageerd zou hebben als het over enkele duizenden mensen was gegaan en als die ordelijk en beschaafd weggewerkt waren, zoals men dat bijvoorbeeld in de Ver. Staten met de Indianen probeert te doen en in Zuid-Afrika met de zwarte mensen. Voor de Westerse denktraditie is de omvang van een misdaad meer doorslaggevend dan die misdaad zelf. Het aantal gruwelijke details schokt de Westerse mens het meest. Hierop berusten dan ook steeds de argumenten om het nationaal socialisme als misdadig te kwalificeren, maar eigenlijk is dat niet de kern van de zaak

Waarom juist in Duitsland?

Het samengaan van een aantal factoren heeft er toe geleid dat juist in Duitsland het nationaal socialisme zo verschrikkelijk kon toeslaan. Het merkwaardige is namelijk dat in bepaalde streken van Engeland (Wales) en in Ierland de Germaanse geesteswereld veel sterker is blijven leven dan in het door de Klassieke wereld overspoelde Duitsland. In de eerstgenoemde gebieden bleef vooral de sfeer bewaard, zich uitend in sprookjes, dichtkunst en liederen - een beetje een magische wereld. Maar in Duitsland was het meer een herinnering, een soort van nostalgie, die vooral met de macht te maken had. Duitsland was, tot in de 20ste eeuw, verdeeld in een groot aantal vorstendommen en ook thans nog spreekt men van een Bondsrepubliek. Van een echte staatkundige eenheid was geen sprake, ondanks herhaalde pogingen om dit wel te realiseren. De bevolking is dus almaar geconfronteerd geweest met een heel concrete macht, in de vorm van de een of andere vorst die zij vaak persoonlijk kenden en met wie zij dagelijks praktisch te maken hadden. Er was dus nauwelijks een abstracte macht, zoals in een democratie. Men was gehoorzaamheid verschuldigd aan een niet te miskennen persoon, die een absoluut heerser was. Hij beschikte over alles en zijn wil was wet. En in de gezinnen werd die verhouding afgespiegeld door de vader, die als een vorst heerste en met buitengewone hardheid de kinderen opvoedde tot gehoorzame staatsburgers van wie de eigen wil moest samenvallen met die van de patriarchale vader. Diezelfde hardheid vinden wij terug ten aanzien van ten dode opgeschreven ondermensen, die in de vrieskou naakt op het appel moesten staan, doodgeranseld werden en van hun menszijn  beroofd. De harde opvoeding door de vader reproduceerde zich in de wreedheden. De vele Duitse vorstendommen waren een voortzetting van de Germaanse stammen en clans, met daar overheen gelegd de klassieke machtsverhouding van bovenaf. Het zogenaamde culturele leven speelde zich dan ook aan de hoven van die vorsten af. Daarbuiten was iedereen, in de meest letterlijke zin, gehoorzaam onderdaan. Ook de Reformatie heeft aan het ontstaan van het nationaal socialisme bijgedragen. Het ging immers om de individuele ondergeschiktheid van de mensen aan god, die beschikte over leven en dood! Als vooral de boeren ook hun staatkundige vrijheid opeisten en als individu gewaardeerd wilden worden werden zij genadeloos onderworpen tijdens de Boerenoorlog in 1525. Luther koos de zijde van de vorsten, hoewel hij toch ook voorstander was van de nationale éénwording van Duitsland. Tijdens de 30 jarige oorlog (1618 - 1648) werd de macht van de vorsten praktisch absoluut. De nationale eenheid was daarmee voorlopig van de baan, maar tegelijk werd daardoor toch ook de voedingsbodem voor het latere extreme nationalisme gelegd.

Iets over de opvoeding

Zoals gezegd was (en is?) de Duitse opvoeding van de kinderen gericht op absolute gehoorzaamheid. En tot in wetenschappelijke kringen was men er van overtuigd dat een dergelijke opvoeding al bij de wieg moest beginnen. De eigen wil van het kind moest gebroken worden en dat kon het meest effectief gebeuren door het kind met geweld te deformeren voordat het zich van zichzelf bewust zou worden. De eerste levensjaren waren dus van groot belang omdat in die periode de basis voor een fatsoenlijk mens gelegd kon worden. Het kind zou zich zijn leven lang niet meer kunnen herinneren hoe het vernederd en gekwetst was en het zou als vanzelfsprekend voldoen aan de gestelde eisen van fatsoen en eer. De gevolgen van deze zwarte pedagogie zijn: een lage drempel voor collectieve misdadigheid, meedogenloosheid en wreedheid en een behoefte aan gezag, militaire organisatie, vaderlandsliefde en eer.

Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Gekwetst worden ; Vernederd en gekwetst ; Gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel ; Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m19, 20 en 21, 37, 44, 48 en 68  ; De laatste kaart nr. 47 ; Nationaal Socialisme ; Socialisme, Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ; De term Nationaal Socialisme ; Het probleem van het Nationaal Socialisme nrs 17 t/m 19 ; De misdadigheid van het Nationaal Socialisme ; Het Nationaal Socialisme ;

No. 20

Bladwijzers: Fascisme/Klassiek ; fascisme : Socialisme, Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ; Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m19, 20 en 21, 37, 44, 48 en 68 ; De Nederlandse N.S.B. ; Nationaal Socialisten-nrs.17 en 18 ;

Het verdelen in vakken

Het is gebruikelijk om de geschiedenis in vakken te verdelen. Dat is op zichzelf wel te verdedigen, maar toch schuilt er het gevaar in dat je voorbij gaat zien aan de ontwikkeling, die er ook nog plaats heeft. Als voorbeeld de tweede wereldoorlog: die is inderdaad in mei 1945 opgehouden, wat betreft Europa, met het staken van de gevechten. Maar, er speelde natuurlijk veel meer dan alleen maar dat vechten. Genoemd heb ik al het systematisch vernietigen van mensen en ook het ingetreden vernietigingsdenken op politiek-militair gebied. Ook zou je moeten denken aan de inmiddels normaal geworden communistenhaat en natuurlijk aan het zich doorzetten van de Angelsaksische wereld. De ontwikkeling van deze zaken is gewoon doorgegaan en, hoewel de oorlog zelf er nauw mee samen hing, is die oorlog daarvoor toch niet bepalend. Die oorlog echter had een duidelijk begin- en eindpunt, het was een tijdperk. Als je alleen daarop zou letten zou je geen ontwikkelingen zien, maar min of meer toevallige gebeurtenissen, die eventueel wel zakelijk verklaard zouden kunnen worden als je de achtergronden bestudeert, maar die je toch niet echt leert begrijpen. Dat laatste is pas mogelijk als je oog krijgt voor datgene dat zich in de mensen ontwikkelt. Moeilijk is het echter om er achter te komen waarop je dan zou moeten letten. Als voorbeeld het nihilisme. Zo ongeveer iedereen is daartegen fel gekant en dat is vaak zo emotioneel, dat men er niet eens toe komt er over na te denken. Nihilisme is een ramp, en daarmee uit! Toch zie je overal om je heen dat de zaken geleidelijk ontwaarden. Dat geldt ten aanzien van dingen, maar ook van ideeën. Die ontwaarding brengt onverschilligheid met zich en daardoor vervallen veel gronden voor onenigheid onder de mensen. Nog niet zo lang geleden was de arbeid de enige bron van rechtvaardiging van je bestaan. Arbeid betekende leven. Maar nu speelt men steeds meer met de gedachte aan een basisinkomen, een inkomen dus dat geheel en al waardevrij is. Er behoeft niets tegenover te staan, het is vrij van verplichtingen. Het nihilisme zet zich door ondanks de ertegen ondernomen kruistocht van de zijde van idealistische humanisten. Let je alleen op die kruistocht aan de oppervlakte dan zie je niet wat er werkelijk gaande is: je zou denken dat men idealistisch is, terwijl men in feite meer en meer nihilistisch is - zonder die term te willen accepteren. In het licht van het bovenstaande zeg ik: in 1945 hielden de gevechten inderdaad op, maar het broeien van nieuwe inzichten in de mensen is gewoon doorgegaan.

Het fascisme

De begrippen fascisme en nationaal socialisme worden tegenwoordig almaar door elkaar gehaald. Dat is wel enigszins te begrijpen als je bedenkt dat de verschijnselen, die aan beide concreet meekomen, veel op elkaar lijken en vaak naast elkaar bestaan, terwijl het tevens de gewoonte is die concrete verschijnselen als basis voor een analyse van de situatie te benutten. Er lopen zoveel dingen door elkaar heen dat men er niet goed in slaagt het fascisme van het nationaal socialisme te onderscheiden. Maar er komt nog iets bij: de herinnering aan de door beide bewegingen teweeggebrachte ellende blokkeert het nadenken daarover. Men wil de vele overeenkomsten met het moderne Angelsaksische denken, en dus met het eigen denken, zover mogelijk wegdringen in het zelfbewustzijn. Er mag eigenlijk niet goed over nagedacht worden. Het gevolg is dus een tamelijk verwarde en emotionele toestand. Vanuit onze gedachtegang echter is het verschil tussen die twee rampen niet zo erg moeilijk. Het fascisme behelst de bundelings-gedachte, d.w.z. het gaat er om de mensen bijeen te brengen, te bundelen tot één totaliteit. Die totaliteit is een groep en in laatste instantie: de staat. Dat bundelen geschiedt van buiten- en van bovenaf, door een elite, een aristocratie. Iemand of iets moet de mensen bundelen; zij zijn dus lijdend voorwerp. Zij zijn niet meer dan een element van die bundel en als zodanig gelden zij als volwaardig. Dit is niet denkbaar zonder dat de mensen er zijn. Zij moeten dus als individuen herkend en erkend zijn. Dit nu zagen wij al eerder, namelijk in het Angelsaksische denken en wij zagen het als cultuurmoment bij de Germanen. Het zijn nu echter niet de mensen zelf, die zich aaneensluiten tot een groep om zich vervolgens omhoog te projecteren (nationaal socialisme), maar het is een elite die hen samenbundelt. In het fascisme geschiedt de groepsvorming van bovenaf, en dat betekent dat wij te doen hebben met de klassieke variant van het individualisme. De zaak is van boven naar beneden gedacht.

De fascisten spraken niet voor niets van de wedergeboorte van het Romeinse rijk! Mussolini zag zichzelf als een caesar en hij studeerde zelfs de daarbij behorende houdingen en gebaren in. Tekenend is ook dat de Roomse kerk als machtsinstituut zeer gewaardeerd werd en qua organisatie zelfs ten voorbeeld gesteld werd. Men had ook uitgesproken ideeën over de staatsinrichting. Weliswaar varieerden die ideeën over geheel West-Europa, maar gemeenschappelijk was toch een of andere vorm van de corporatieve staat, een soort van standenmaatschappij. De West-Europese elites waren wel gevoelig voor het fascisme en niet zo erg voor het nationaal socialisme, omdat het de KLASSIEKE variant was. Het traditionele van-bovenaf-denken kon er mee uit de voeten. Het nationaal socialisme daarentegen was gegrond op het tuig van de straat, dat zich ten aanzien van de Weimar-republiek anarchistisch opstelde - uiteraard tot het zelf macht kreeg. Maar de fascisten kwamen met elites en een absoluut heersende aristocratie. Dat was een bekend geluid voor de West-Europese bovenlaag! Het omhoog projecteren van de Germaanse nationaal-socialist had, zoals reeds besproken, als consequentie het niet als mens beschouwen van grote groepen van andersdenkenden. Van bovenaf gezien echter telde ieder element mee en dus was er geen ontkenning van het menszijn . Er waren in feite slechts politieke tegenstanders en inderdaad zag het er voor die mensen niet zo best uit: zij werden uit de weg geruimd, maar niet omdat zij Untermenschen zouden zijn. De agressie tegen bijvoorbeeld de Joden was in principe nauwelijks aanwezig; de toch wel overal aanwijsbare vormen van antisemitisme hadden vooral een politiek en economisch karakter. De basis voor vanzelfsprekende misdadigheid was niet aanwezig. Maar gemoord werd er natuurlijk volop. Echter niet op grond van rassen onderscheid of de overtuiging dat andere mensen geen mensen zouden zijn. Deze verschillen moeten wij goed in de gaten hebben, temeer omdat gaandeweg fascistische en nationaal-socialistische ideeën door elkaar heen gingen lopen: veel nazi’s waren van oorsprong fascisten en buiten Duitsland was er voor het nationaal socialisme bij vele fascisten nauwelijks waardering en dat werd erger toen de Duitsers steeds meer imperialistisch werden en geen visie op de staat bleken te hebben. Het Derde Rijk wilde de veroverde staten niet samenbundelen tot een soort van statenbond, maar het wilde ze inlijven - vernietigen dus. Dat stuitte overal op verzet, zelfs bij bewegingen die zichzelf nationaal-socialistisch noemden, zoals de Nederlandse N.S.B. Deze laatste was trouwens ook niet zo gecharmeerd van de jodenvervolging; pas na de bezetting in 1940 werd dat programma geaccepteerd. Na de oorlog werd het woord fascisme uitgebannen, maar op tal van gebieden heeft de bundelingsgedachte zich doorgezet.

Bladwijzers: Fascisme/Klassiek ; fascisme : Socialisme, Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ; Mussolini ; Churchill / Mussolini ; Hitler / Mussolini ; De Nederlandse N.S.B. ; Nationaal Socialisten-nrs.17 en 18 ;

No. 21

Bladwijzers: Fascisme/Klassiek ; fascisme : Socialisme, Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ;(Sociaal Democratie-1 ;  Sociaal Democratie-2 ;  Sociaal Democratie-3 ;  Sociaal Democratie-4;  Sociaal Democratie-5 ) ; Parlementaire Democratie ; Klassieke westerse Elites ;

Negatief en positief moment    

Bladwijzers: (Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3) ; Nationaal Socialisme ; Socialisme, Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ; De term Nationaal Socialisme ; Nationaal Socialisme ; Het probleem van het Nationaal Socialisme nrs 17 t/m 19 ; De misdadigheid van het Nationaal Socialisme ; Het Nationaal Socialisme ; Klassieke westerse Elites ;

Zoals altijd het geval is als er een nieuwe geest in de mensheid gaat waaien, treedt er ook bij het doorbreken van het besef van het individuele een negatief moment op, naast een positief. Maar beide zijn toch tekenen van dat doorbreken. Zo zijn fascisme en nationaal socialisme allebei negatieve momenten, terwijl van diezelfde zaak het socialisme, communisme en het sociaal-democratische positieve momenten zijn. Hieruit volgt dat het fascisme en het nationaal socialisme zowel vijandig staan ten opzichte van de klassieke elites als ten opzichte van socialisme, communisme en de sociaal democratie. Zij wijzen de bestaande toestand af. Desondanks zijn zij ook weer verschillend: het nationaal socialisme gaat uit van het volk, maar het fascisme van de staat. Dat laatste is op zichzelf ook autoritair, maar men dacht niet aan de bestaande staat; Het ging om de voor-Europese-staatsvorm, bijvoorbeeld die van de Romeinen. Ga je uit van de staat, dan kom je terecht bij het volk; ga je uit van het volk, dan kom je bij de staat terecht. In het negatieve moment is de staat absoluut en autoritair en het volk moet zichzelf bundelen of het moet gebundeld worden. Resultaat: blinde gehoorzaamheid, een militaristische gesteldheid, mannelijke hardheid en absolute intolerantie. Bovendien is er de liefde voor het uniform en het marcheren, terwijl allerlei vaandels en vlaggen als heilige symbolen worden beschouwd. De vertegenwoordigers van het negatieve moment zijn als machtsfactor tijdens de tweede wereldoorlog uitgeschakeld, maar veel van hun opvattingen zijn nog overal waar te nemen, vaak ondergedoken in de sociaal democratie. Zo zijn er in het zogenaamde alternatieve denken, waarin (terecht) de moderne denkmodellen bekritiseerd worden, vele aspecten die bij dat negatieve moment behoren, voor zover men probeert de zaak politiek te vertalen. Denk maar aan sommige ideeën van groene partijen. De romantische hang naar de natuur, het landleven en oude mystieke voorstellingen is hiervan een uiting. Kenmerkend is de afkeer van het denken: of men gaat over tot mystiek gedroom, of men wenst handelend op te treden, maar in beide gevallen blijft het denken onderontwikkeld.

Socialisme     

Bladwijzers: (Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3)

Eigenlijk is het socialisme de essentiële uitdrukking van het positieve moment. Ik leg nogmaals de nadruk op het feit, dat het gaat om het individuele wakker worden van de gewone mensen, het volk. We hebben dus te doen met een beweging van onderaf. Bij de elites was het individuele al lang doorgebroken; het liberalisme is hiervan een uiting. Maar als socialisme zet de zaak zich van onderaf door en hij houdt in: IK ben er, en als IK er ben, ben JIJ er vanzelfsprekend ook. Uiteraard is dit een positieve, bevestigende gesteldheid. In de praktijk vertoont zich dit in de vorm van de sociaal democratie en niet, zoals veelal gemeend wordt, in antikapitalisme. Het kapitalisme is nergens door de socialisten feitelijk bestreden, zij hebben het aan zichzelf aangepast zodat het een kapitalisme van onderaf is geworden. Het is namelijk niet mogelijk, in dit stadium van de individuele ontwikkeling, niet-kapitalistisch te zijn. Dat blijkt zelfs uit de huidige ontwikkelingen in Oost-Europa en in de Sovjet-Unie. Socialisme is het er zijn van IK en JIJ, als positief moment van het individuele. Het is hierbij de vraag welke inhoud men vervolgens geeft aan die IK en die JIJ. Fascisten en nationaal-socialisten staan hier negatief tegenover, kunnen het echter niet ongedaan maken en nemen dus hun toevlucht tot het letterlijk en figuurlijk uniformeren van IK en JIJ. Maar anderen kijken er positief tegenaan.

Communisme

De inhoud van de communistische gedachte is deze, dat IK en JIJ zouden moeten opgaan in het geheel, als zouden beiden cellen zijn van één levend organisme. Daarbij gaat het natuurlijk om dat organisme, dat levende geheel. Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat er een elite ontstaat, die dat geheel vertegenwoordigt en dat de cellen (ik en jij) daaraan ondergeschikt gemaakt worden, zodat het praktische resultaat is dat wij niet zozeer opgaan in het geheel, als wel er in Ondergaan. In zoverre speelt het negatieve moment wel degelijk mee, maar het is niet de basis van de communistische ideologie. Door dit meespelen echter vertoont bijvoorbeeld de Sovjet-Unie duidelijke fascistische en nationaal socialistische trekjes - hetgeen natuurlijk hartstochtelijk ontkend wordt en zelfs als beledigend wordt beschouwd! Welbeschouwd echter is de gedachte van het opgaan in het geheel een juiste gedachte, mits men inziet dat alleen maar volledig tot hun recht komende individuen kunnen opgaan in het geheel. Maar daarvan is voorlopig nog geen sprake: men vreest een dergelijke individu als de pest, met een afschuwelijke, benauwde burgerlijkheid. Maar, toegegeven moet worden dat dit slechts (!) het mééspelen van het negatieve moment is en daarom is er van het zogenaamde communisme best wel wat te verwachten op den duur. Ook in het communisme is het kapitalisme aangepast; het geldt ook van onderaf, om vervolgens toegeëigend te zijn door de elites van de partij. Wij komen hierop nog terug.

Bladwijzers: (Sociaal Democratie-1 ;  Sociaal Democratie-2 ;  Sociaal Democratie-3 ;  Sociaal Democratie-4;  Sociaal Democratie-5 ) ; Parlementaire Democratie ; Klassieke westerse Elites ;

 

De sociaal democratie

Bladwijzers: Sociaal Democratie-1 ;  Sociaal Democratie-2 ;  Sociaal Democratie-3 ;  Sociaal Democratie-4;  Sociaal Democratie-5 ; Parlementaire Democratie ;

Het mééspelen van het negatieve moment is ook in de sociaal democratie te herkennen, echter niet als een belemmeren van de individualiteit (een ieder mag zich vrijelijk ontplooien), maar als een verengen van IK en JIJ tot alleen maar machtsfactoren. Wij maken zelf een keuze uit het aanbod van machtzoekers, maar dat wij zouden méé besturen is een fictie, die het gevolg is van een laag denkniveau van de Westerse mens. Vanuit de Angelsaksische gesteldheid wordt bestuur vereenzelvigd met macht en daardoor wordt de individu tot een machtsfactor in plaats van een medewerker. Een ander voorbeeld is het meerderheids denken, waarin het niet gaat om de inbreng van elk individu, op grond van zijn inzichten en bekwaamheden, maar om het aantal individuen dat bereid is een plan of een programma te ondersteunen. In de Nederlandse politiek zien wij tegenwoordig duidelijk dat er blokvorming plaats heeft en andere meningen in een politieke groep geweerd worden: de individu als machtsfactor!

Een verwarrende zaak ( lees ook het voorgaande)

Alles bij elkaar hebben wij dus te doen met een vijftal grondpatronen, te weten: 1. socialisme, 2. communisme, 3. fascisme, 4. nationaal socialisme en 5. sociaal democratie. Het 3e en het 4e patroon zijn negatief, maar de andere drie zijn hiervan ook niet geheel vrij, omdat het allemaal tot één zaak behoort. De verwarring op dit terrein is dan ook erg groot en meestal weet men geen raad met al die verschillende verschijnselen. Duidelijk zal echter zijn dat fascisme en nationaal socialisme pas dan effectief konden worden toen er eenmaal sterke socialistische en communistische stromingen ontstaan waren. Hierin immers manifesteerde de individu concreet zichzelf. Maar veel van deze individuen vonden geen houvast in hun nog nieuwe en kinderlijke besef, zodat zij zich maar al te graag bij de vertegenwoordigers van het negatieve lieten inlijven. Zelfs veel anarchisten en nihilisten sloten zich daarbij aan; Hitler noemde zichzelf aanvankelijk anarchist en Mussolini was een overtuigde en actieve socialist en voor beiden gold dat zij de weg van de absolute macht en van het imperialisme opgingen en dus het negatieve kozen.

Naar bladwijzers: Sociaal Democratie-1 ;  Sociaal Democratie-2 ;  Sociaal Democratie-3 ;  Sociaal Democratie-4;  Sociaal Democratie-5 ; Parlementaire Democratie ; (Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3) ; Fascisme/Klassiek ; fascisme : Socialisme, Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ; Mussolini ; Churchill / Mussolini ; Hitler / Mussolini ; Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m19, 20 en 21, 37, 44, 48 en 68 ; Nationaal Socialisme ; Socialisme, Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ; De term Nationaal Socialisme ; Nationaal Socialisme ; Het probleem van het Nationaal Socialisme nrs 17 t/m 19 ; De misdadigheid van het Nationaal Socialisme ; Het Nationaal Socialisme ;

 

no. 22   (Rechtvaardigheidsgevoel / de Rechtsstaat / Recht en Wet zijn steeds instrumenten / lees nrs. 22 t/m 27)

Bladwijzers: (Sociaal Democratie-1 ;  Sociaal Democratie-2 ;  Sociaal Democratie-3 ;  Sociaal Democratie-4;  Sociaal Democratie-5 ) ; Parlementaire Democratie ; Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ;

De rechtsstaat

Je zou je kunnen afvragen of de term sociaal democratie wel de juiste benaming is voor de moderne Angelsaksische staat. Misschien is het beter van een rechtsstaat te spreken. Het bezwaar van deze laatste benaming is echter dat het begrip rechtsstaat eigenlijk voor elke staat van elke tijd geldt. De overheden van alle staten beroepen zich op het recht; het is zelfs één van de gronden voor de rechtvaardiging van de eigen macht. Je kunt zeggen: recht en wet zijn steeds instrumenten, die de machthebbende elites gebruiken om de samenleving te overheersen. Dus is de term rechtsstaat in wezen een loze term, die altijd weer de vraag oproept: over welk recht heb je het en in hoeverre geldt dat recht? Ik heb de moderne staat een sociaal democratie genoemd omdat in zo’n staat de sociale en zelfs wel socialistische beginselen de maat der dingen zijn, ongeacht de vraag of men zich socialist wenst te noemen of niet en ongeacht de vraag wat er van terechtkomt. Zoals al eerder gezegd: alle politieke partijen zijn min of meer socialistisch bezig. Men kan daar niet meer omheen omdat de gedachte als IK er ben, ben JIJ er ook tot het zelfbewustzijn van de mensen doorgedrongen is. Het woord sociaal democratie wordt gewoonlijk opgeëist door de socialistische partijen, maar dat is, volgens bovenstaande gedachtegang, niet terecht. De staatsopvatting van de socialisten verschilt niet wezenlijk van die van de liberalen of confessionelen. In hoofdzaak beperken de verschillen zich tot de economische opvattingen, althans, in de praktische uitwerking daarvan. Want het basisprincipe, namelijk dat van de noodzakelijk geachte groei van de markt, wordt door allen onderschreven. Bij vergelijking van de verschillende verkiezingsprogramma’s valt de overeenkomst meer op dan het verschil en als er al een partij is, die op een belangrijk punt echt een ander standpunt inneemt, bijvoorbeeld ten aanzien van de bewapening, is dat steevast een kleine partij. Het stemgedrag van de bevolking moet volgens mij dan ook eerder verklaard worden uit ingeprente (geconditioneerde) tradities, dan uit politieke standpunten - om van een visie op maatschappij en samenleving maar helemaal te zwijgen!

Het officiële recht

Gewoonlijk wordt de geschiedenis van het recht beschreven vanuit dat recht zelf. Als vanzelfsprekend gaat men er van uit dat er in de mensen een soort rechtsbesef zou leven en dat dit besef almaar helderder wordt. Ter ondersteuning van deze gedachte laat men dan zien hoe de zaak zich ontwikkeld heeft van de Oudheid, via het Romeinse recht naar de moderne inzichten, en men wijst er op dat in het moderne recht een principiële gelijkheid aanvaard wordt van alle individuen. Het is inderdaad een feit dat wij zo langzamerhand tot dat inzicht zijn gekomen. Dat blijkt onder andere uit de formulering van de rechten van de mens, door de Verenigde Naties in 1948. Door de beschrijving vanuit het recht zelf ontstaat de indruk dat we te doen zouden hebben met een ideële zaak, die in zekere zin vooruitloopt op de praktische ontwikkelingen in de samenleving, een zaak die zelfs bij de mensen afgedwongen zou moeten worden ter wille van de humaniteit. Die indruk wordt versterkt door het feit dat aan de rechts- instituten de macht wordt toegekend om zaken te kunnen afdwingen, bijvoorbeeld via de justitie. We spreken dan ook van de rechterlijke macht. Men ziet blijkbaar het recht als een hogere norm waaraan de mensen onderworpen moeten zijn. Een norm, die al denkend tot bewustzijn wordt gebracht en die als een geestelijke waarde uitgewerkt, geformuleerd en afgedwongen moet worden. Al met al blijken wij weer met een denken-van-bovenaf van doen te hebben en ook hier is het de vraag of de gegeven voorstelling de juiste is.

Recht en ethiek

Je kunt je afvragen waarom het recht en de ethiek inhoudelijk zijn zoals ze zijn. Dat betekent dat hier de vraag ligt: waardoor worden beide qua inhoud gerechtvaardigd. Als gesteld wordt dat je een ander mens niet mag aantasten kan je vragen: waarom niet? Meestal wordt op deze vraag een causaal antwoord gegeven en dat komt er bijvoorbeeld op neer dat anders het eind zoek zou zijn, of dat je anders van je eigen leven ook niet zeker kunt zijn, of dat wij geen dieren zijn. De geleerden in de ethiek en in het recht houden het liever op een soort van ingeboren hogere redelijkheid of op de door god aan de mens geopenbaarde wetten. Hoe dan ook, noch het recht, noch de ethiek kunnen zichzelf rechtvaardigen, omdat ze geen van tweeën een onbetwistbaar uitgangspunt hebben. Ze nemen hun toevlucht tot een of andere grootheid, waarvan ze aannemen dat die bestaat en dat die, zonder uitzondering, geldt voor alle mensen. Gedachteloos wordt die grootheid gezocht in de menselijke geest en bijgevolg wordt er zonder meer van uitgegaan dat intellectueel ontwikkelde mensen hiermee het best vertrouwd zullen zijn en er steekhoudende dingen over kunnen zeggen. Dit nu is in strijd met de feiten, ook in historisch opzicht. Het door de mensen aanvoelen van wat recht en ethisch is komt niet voort uit de menselijke Geest, noch is het een resultaat van voortschrijdend Denken(ontwikkeling v/h), maar ligt besloten in Het Bewustzijn dat via de Psyche voelbaar is. Wat recht is en wat ethisch wordt door de mensen gevoeld en de inhoud van dat gevoel is dat je het hebt te laten de werkelijkheid te verbreken. Als bewustzijn is die werkelijkheid één geheel waarin alles tot zijn recht (!) moet komen. Omdat het bewustzijn zich laat aanvoelen is het geen intellectuele zaak, maar een psychische en alleen van daaruit kunnen er zinnige dingen over gezegd worden.

De historische gang van zaken

De mensen hebben goed en kwaad, recht en onrecht steeds aangevoeld. Omdat dit een aanvoelen is, een zaak van de psyche, heeft het steeds los gestaan van de geldende cultuurmodellen. Die immers zijn een geestelijk goed, een inhoud van het zelfbewustzijn. Tot die inhoud kan best een heldere en redelijke formulering en toepassing van recht en ethiek behoren, maar dan nog blijven beide een psychische zaak. Dit verklaart waarom de gewone mensen hun recht altijd weer hebben moeten bevechten, moeten afdwingen van de heersende elites. Ook het taalgebruik wijst daarop: je moet je recht halen, je kunt je recht krijgen en recht hebben op... . Blijkbaar beseffen de mensen dat er geen recht IS als je het niet op de een of andere manier afdwingt. Uit de geschiedenis blijkt dat alle recht chantagerecht is: de gewone mensen hebben de elites met het een of ander gechanteerd zodat zij stap voor stap moesten toegeven. Bekend is het afdwingen van privileges door de opkomende burgerij en tekenend is dat je het woord privilege moet vertalen met voorrecht. Er werden GUNSTEN afgedwongen. In een grijs verleden zijn er machthebbers ontstaan, die de mensen, doorgaans met geweld, hebben duidelijk gemaakt dat zij de baas waren. Steeds weer blijkt dat die mensen dat niet begrepen en dat zij voelden zich te moeten verzetten. Daar ligt de werkelijke grond voor het recht en niet bij datgene dat die machthebbers decreteerden. Door het voortdurend aanvoelen van wat recht is door de gewone mensen is er enigszins recht gekomen in de wereld en de intellectuele elites hebben dit recht pas erkend toen zij er mee gechanteerd konden worden. En dat is ook thans nog het geval: het recht op abortus en euthanasie, op dienstweigeren en op bestaansmogelijkheden, op vrije ontplooiing en op kennis, het is allemaal bevochten op o zo ethische en rechtvaardige elites, die recht en ethiek volgens hun denkmodellen formuleerden en als de maat stelden.

Bladwijzers: (Sociaal Democratie-1 ;  Sociaal Democratie-2 ;  Sociaal Democratie-3 ;  Sociaal Democratie-4;  Sociaal Democratie-5 ) ; Parlementaire Democratie ; Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ;

 

No. 23

Het recht als een psychische zaak

De werkelijkheid als bewustzijn is de werkelijkheid, die als een trillende verhouding zichzelf kenbaar maakt doordat zij zichzelf als samengestelde materie (= het verschijnsel) laat meetrillen. Dat meetrillen op zichzelf is het psychische, dat in de mens voor de dag komt als een allesomvattende zaak, maar dat in de overige levende natuur in relatief beperkte mate aanwezig is. Het bewustzijn, die trillende werkelijkheid dus, kan door de mensen vanuit het zelfbewustzijn aanschouwd worden en is dan een geestelijke zaak, en het wordt door de mensen gevoeld omdat zij als verschijnsel tot meetrillen geraken. Dit laatste is onvermijdelijk, d.w.z. het is er altijd, maar de interpretatie van dat voelen verschilt van tijd tot tijd, van cultuur tot cultuur, omdat het interpreteren van het gevoel weer een zaak van het zelfbewustzijn is. Omdat dit laatste het geval is, kan je in het algemeen zeggen: hoe minder een mens onder de macht van het eigen zelfbewustzijn staat, hoe zuiverder het interpreteren van het gevoel is. Beter is wellicht nog om te zeggen: hoe meer de mensen het gevoel laten gelden als iets vanzelfsprekends. Hoewel het recht als geestelijk goed een stelsel is van door de mensen uitgedachte normen, zodat het op het terrein van het zelfbewuste ligt, is het rechtsgevoel een psychische zaak. En dat rechtsgevoel komt steeds het sterkst naar voren bij de gewone mensen. Dus bij de mensen die weinig onder de druk van de zelfbewuste cultuur staan. Hier ligt de verklaring voor het feit dat de zogenaamde rechten steeds van onderaf door de mensen afgedwongen zijn van de cultuurelites. Die elites hebben, bij wijze van spreken, de rechten nooit voor de mensen voor geleefd, al hebben zij wel vaak geprobeerd die indruk te wekken. Talloos zijn de historische voorbeelden waaruit blijkt dat die elites, als het er op aan kwam, voor zichzelf toch een ander recht lieten gelden, gebaseerd op het voor hen vanzelfsprekende feit de macht in handen te hebben. Van die macht is langzamerhand steeds meer afgeknabbeld en die prijsgegeven elitaire rechten zijn daarna geformuleerd, in wezen meer om zichzelf tegen een nog groter verlies van rechten te beschermen, dan om rechtvaardig te zijn tegenover het volk. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het geldende recht meer bescherming biedt aan de gevestigde machten en de daarbij behorende belangen (bezit onder andere) dan aan de gewone mensen.

Het samengaan van recht en macht

In de moderne democratie wordt als principe gesteld dat het recht onafhankelijk zou zijn. Zelfs de zogenaamde overheid moet voor dat recht bukken. Tegelijk echter wordt het geldende recht door diezelfde overheid geformuleerd, in de vorm van wetten en in de vorm van interne voorschriften die een minister van justitie aan de recht handhavers doet uitgaan. Die recht handhavers staan weliswaar tegenover de rechters, maar zij zijn het toch wel die in eerste instantie bepalen of er al dan niet inbreuk op de rechtsregels is gepleegd. Daarom: de beoordeling van strafbaarheid of rechtmatigheid ligt wel in handen van de rechter, maar de formulering van het recht niet. Als wij nogmaals bedenken dat alle zogenaamde recht afgedwongen is van machthebbers, en dat dit tot en met vandaag het geval is, dan zal het duidelijk zijn dat macht en recht bij elkaar behoren en dat wij het recht zouden kunnen omschrijven als geformuleerde en vastgelegde prijsgegeven macht. Dat houdt echter in dat wij het recht moeten zien als een tijdelijk verschijnsel, slechts geldend voor zover en zolang de mensen nog onvolwassen zijn en als gevolg daarvan machten en machthebbers boven zich dulden. Hiermee vervalt bijgevolg ook de verheven status van het recht, als zou het in principe absoluut zijn.

De waardering van het recht

Uit het voorgaande zou je kunnen afleiden dat het geldende recht op geen enkele waardering aanspraak zou kunnen maken. Dat zou echter een grote vergissing zijn. Er is namelijk een samengaan van macht en recht en in dat samengaan fungeert het recht als tegenpool, als een voortdurende weerstand tegen de macht. Het recht beknot wezenlijk de macht, ook die van de mensen onderling. De macht, die je bijvoorbeeld hebt om je medemens te doden, wordt vrijwel geheel geneutraliseerd door het geldende recht. Dat betekent dat het recht de verhoudingen tussen de mensen onderling reglementeert. Die mensen leven allemaal in een onvolwassen wereld, die op alle mogelijke manieren bedreigend is. Tegen die bedreigingen biedt het geldende recht een zekere mate van bescherming; het stelt, althans in de moderne democratie, het leven van de individuele mensen tot op grote hoogte veilig. Juist omdat wij in een onvolwassen wereld leven, en recht dus onlosmakelijk verbonden is met macht, is het bestaan van het recht te waarderen als een goede zaak. Omdat een onvolwassen wereld onvermijdelijk een machtswereld is, is het goed dat het tegelijk een rechtswereld is. We hebben in het recente verleden gezien - en we zien op allerlei plekken op de wereld nog steeds - dat er van de betrekkelijke veiligheid van het individu niets over blijft als het recht verkracht wordt. Denken wij eens aan de slaven in het Romeinse Rijk: voor die mensen was het een zegen dat er in het Romeinse recht aan hen ook rechten werden toegekend. Dat die rechten tot stand gekomen waren vanuit politieke en economische motieven van de heersende elites, doet in de praktijk niet af aan het feit dat die slaven in ieder geval enige rechten hadden. Hetzelfde geldt voor de negerslaven in Amerika. De motieven voor hun bevrijding waren zelfzuchtige: een (honger)loon betalen aan een zwarte arbeider werd gaandeweg goedkoper dan een slaaf met eventueel diens gezin in leven houden en onderdak verlenen! De economische en politieke argumenten gaven en geven bij de machthebbers de doorslag bij het toekennen van rechten, maar het tot bewustzijn komen van die rechten en het opeisen daarvan gebeurt vanuit de onderliggende en onderworpen groepen van gewone mensen.

Waarom is het recht een psychische zaak?

Hopelijk heb ik duidelijk kunnen maken dat een mens, voor zover die psychisch is, de werkelijkheid als bewustzijn aanvoelt. Wat voel je dan aan? Je voelt aan dat de werkelijkheid bestaat uit een groot aantal verschijnselen, waarvoor geldt dat die allemaal tot hun recht moeten komen, en dat al die verschijnselen onlosmakelijk met elkaar samenhangen. Tot hun recht komen houdt in: getrouw zichzelf zijn. Dat laatste, met het onderling samenhangen, is de meest essentiële karakteristiek van de werkelijkheid, voor zover het gaat om het bestaande en dus de werkelijkheid als het begrip inhoud. Psychisch zijnde voelt een mens dus deze karakteristiek aan als het wezenlijk rechtvaardige milieu om in te leven. Dat milieu behoeft niet geregeld te worden in de vorm van een recht, het behoeft er alleen maar te zijn en in alles tot gelding te komen. De samenhang tussen de afzonderlijke verschijnselen is niet een gevolg van iets - het recht bijvoorbeeld - maar het is een gegéven dat almaar in alles blijft doorwerken en steeds weer de kop opsteekt in de vorm van een rechtsgevoel en een behoefte aan rechtvaardigheid. Ontwikkeling van rechtsgevoel en rechtvaardigheid is onmogelijk omdat beide een gegéven karakteristiek van de werkelijkheid zijn. Wat wij ontwikkeling plegen te noemen is het steeds weer de kop opsteken van dat gegeven, met als gevolg dat het pakket van afgedwongen rechten zich almaar uitbreidt. Het gaat over steeds méér rechten en dat is op zichzelf dus een kwantitatieve aangelegenheid.

No.24

Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Gekwetst worden ; Vernederd en gekwetst ; Gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel ;

In ons land valt het mee

Ik heb er op gewezen dat het recht in deze wereld nog steeds voorkomt in de sfeer van de gunst. Je mag blij zijn dat je een groot aantal rechten hebt. Bovendien wordt de inhoud van het recht bepaald door de overheden en niet door onafhankelijke rechters. Deze laatsten zijn er slechts om het gelden van het recht, de toepassing daarvan, te toetsen en, waar nodig, correcties aan te brengen. Die toetsing dient onafhankelijk te zijn, en het is een feit dat in een land als het onze daaraan redelijk goed de hand wordt gehouden. Je zou het zo kunnen zeggen: in ons land heb je er betrekkelijk weinig last van dat recht en macht samengaan, maar dit feit mag niet verhullen dat wij toch met een complex van gunsten van doen hebben als het over ons recht gaat. Dat recht wordt toegekend; je mag er aanspraak op maken. Wat die onafhankelijkheid van de rechters betreft kunnen wij stellen dat die bij ons behoorlijk groot is, maar het is toch tekenend dat er zo bij tijd en wijle gevallen in het nieuws komen, die blijk geven van een belangenverstrengeling tussen bedrijfsleven, overheid en confessie enerzijds en de onafhankelijke rechter anderzijds. Ook gaan er toch steeds weer stemmen op over klassenjustitie, maar ook wat dat betreft valt het allemaal wel mee, zeker als je een vergelijking met het buitenland maakt. Wat men klassenjustitie noemt is doorgaans een aanvoelen van de sfeer van het recht, de sfeer van de gunst van bovenaf. Dat die sfeer voelbaar is moge blijken uit het feit dat rechters en daaromheen actieve figuren, zich tooien met bepaalde tekenen der waardigheid, hun toga en dergelijke. Als mogelijk symbool van rechtvaardigheid heeft zoiets geen betekenis, maar als symbool van verhevenheid des te meer. Dat is een zaak die menselijk niet deugt, niet omdat men in die verhevenheid (uiteraard) tekort schiet, maar omdat verhevenheid op zich onzinnig is en niets met rechtvaardigheid te maken heeft.

Rechtvaardigheid

Zoals gezegd is het rechtsgevoel een psychische kwestie. De mensen voelen het, zij het gewoonlijk uiterst flauwtjes, aan. Omdat die zaak psychisch is komt daarin de werkelijkheid zelf voor de dag, terwijl het ons zelfbewustzijn is dat die werkelijkheid vertekent, wegdrukt en daarna verstandelijk interpreteert. Geen wonder dus, dat het resultaat een ratjetoe is! Maar, ratjetoe of niet, voor die werkelijkheid gelden twee essentiële begrippen: ten eerste tot zijn recht komen en ten tweede onderling samenhangen. Voor zover nu de mensen geïnspireerd worden door deze twee begrippen, die tegelijk en met elkaar verweven op moeten treden, spreek ik van rechtvaardigheid. Dit sluit aan bij de praktijk: mensen zijn gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel als zij, of een ander, niet tot zijn recht kunnen komen en hetzelfde is het geval als zij, of anderen, buitengesloten worden. Vooral bij kinderen is waar te nemen dat het steeds om deze zaken gaat. Dat het rechtvaardigheidsgevoel juist bij kinderen zo opmerkelijk is, is op zichzelf ook een aanwijzing voor het feit, dat wij te doen hebben met voor de werkelijkheid zelf geldende verhoudingen, die zich niet lenen voor beïnvloeding of ontwikkeling. Zij kunnen alleen maar bevrijd worden van, door het cultuur denken ingegeven, frustraties. Dus: juist omdat de rechtvaardigheid een gegeven verhouding is, steekt zij steeds weer de kop op, en wel precies daar waar de onderdrukking ondraaglijk geworden is. Helaas betekent dit ook dat er in een redelijk functionerende rechtsstaat, waarin men van de onderdrukking weinig last heeft, nauwelijks inspiratie geput wordt uit het rechtvaardigheidsgevoel.

Gesundes Volksempfinden

Het heeft zin om er, in verband met het in de mensen aanwezige Rechtvaardigheidsgevoel, op te wijzen dat dit gevoel niet alleen weggedrukt kan worden, maar ook gemanipuleerd. Dit manipuleren geschiedt natuurlijk vanuit het zelfbewustzijn. Je doet het voorkomen alsof je de belemmeringen wegneemt en vervolgens richt je het rechtvaardigheidsgevoel, dat min of meer vrijgekomen is, op een bepaald doel. Je wijst bijvoorbeeld schuldigen aan, of vijanden of tegenstellingen. De Joden zijn de schuld van de misère, de Russen willen ons vernietigen en de Albigensen (ketters) zijn volgelingen van de duivel! Inderdaad heb je dan het gevoel van de mensen wakker geroepen, je hebt ze rechtvaardigheid gesuggereerd. Maar in feite heb je de mensen hysterisch gemaakt, zodat ze je blindelings, als in een roes, zijn gaan volgen. Het behoeft geen betoog dat dit zogenaamde Gesundes Volksempfinden in plaats van gezond griezelig ongezond is. Het heeft dan ook niets te maken met het rechtvaardigheidsgevoel waarover wij op dit moment nadenken. Dit immers moet geheel en al vrij zijn, wil het voor de mensheid betekenis hebben. Deze vrijheid is slechts mogelijk bij volwassen mensen. Voor dat het zover is kunnen wij niet anders dan het recht respecteren en uitbreiden. Uiteraard legden de nationaal-socialisten de nadruk op het gevoel vanuit het volk, dus het gevoel van onderaf, als zou dat iets nieuws zijn. Maar het aardige van het recht is, dat dit altijd al van onderaf gerealiseerd is! Daarvoor hebben wij geen ontwakend Germaans besef nodig.

 

Rechtvaardigheidsgevoel en misdadigheid

Een moeilijk punt is altijd het vraagstuk van de misdadigheid. Als rechtvaardigheid in de mensheid is gaan gelden, en het recht geen functie meer heeft, komt er dan nog misdaad voor en wat moet je er dan mee? Welnu, het is niet denkbaar dat er dan geen misdaad zal zijn. Je moet dan ook de vraag stellen: hoe groot zou de kans op het zich doorzetten van de misdaad zijn. En dan moet het antwoord zijn: uiterst klein. Om dit in te zien, moet je je goed indenken waarom het gaat. We spreken over een wereld waarin beide, het tot zijn recht komen en het onderling samenhangen van kracht zijn. In zo’n wereld is al onmiddellijk één essentiële voorwaarde tot het zich ontwikkelen van misdadigheid komen te vervallen, namelijk het individuele isolement. Het niet, of in geringe mate bij elkaar behoren van de individuen is voor misdadigheid een basisvoorwaarde. Misdaad immers is het verbreken van het geheel en dat herkennen wij nog in de Duitse taal: das Verbrechen. Gezien vanuit de samenleving, als die volwassen is, behoort misdaad tot de onmogelijkheden, maar gezien vanuit de individuele mens ligt het anders. Het kan in iemand fout zitten. Maar vanuit het tot zijn recht komen komt dit al in een vroeg stadium voor de dag, terwijl vanuit de onderlinge samenhang een voortdurende bijsturing plaats vindt. In een dergelijke situatie vervalt het onverwachte en verborgen karakter van de misdaad. Men heeft zoiets al lang zien aankomen en er ook voortdurend rekening mee gehouden. Een misdadige gesteldheid heeft nauwelijks kans zich te ontwikkelen, en dat is precies het tegengestelde van de situatie waarin wij thans leven: vrijwel iedereen is van de andere mensen geïsoleerd, vrijwel niemand leeft met de anderen méé en ook kan vrijwel niemand tot zijn recht komen. Dit laatste betekent in dit verband, dat een misdadige aanleg verborgen blijft, in de opvoeding weggedrukt wordt zodat hij niet aanwezig schijnt te zijn, om dan plotseling, onverwacht en in het geniep, los te breken. En dan weten wij niets anders te doen dan de misdadiger nog meer te isoleren: de gevangenis. Consequent gedacht vanuit de rechtvaardigheid is zoiets in een volwassen wereld onmogelijk.

Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Gekwetst worden ; Vernederd en gekwetst ; Gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel ;

Rechters-1-nr. 5 ; Rechters-2-nrs. 23 en 24

 

No.25

Bladwijzers:    Algemeen belang-1 ; Algemeen belang-2 ; Algemeen belang-3 ; Algemeen belang-4 ; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2

 

Het vooruitgangsgeloof

De meeste denkers uit de 19e eeuw waren van mening dat de mensheid langzaam maar zeker op weg zou zijn naar een betere wereld. Uiteraard zou die betere wereld het gevolg zijn van een grotere ontwikkeling van de individuele mensen en dus was het zaak die ontwikkeling te stimuleren. Daarbij verwachtte men alles van de zogenaamde redelijkheid, en men stelde zich daarbij voor dat de mensen hun zaken meer en meer objectief zouden gaan benaderen en beoordelen. Als maatstaf voor die objectiviteit zou dan de wetenschappelijke denkmethode moeten dienen, omdat men in de mening verkeerde dat de formule 2 x 2 = 4 een algemene geldigheid bezat, zodat die formule, namelijk die van de onloochenbare waarheid, de maat zou kunnen zijn voor het denken van de mensen. Afgewezen werden dus zaken als intuïtie, gevoel, inzicht en inspiratie, ze zouden te persoonlijk te subjectief zijn, en dus niet voor de waarheid deugen. De zakelijke werkwijze van de toenmalige wetenschap, die er op neer kwam dat het denken zijn eigen weg zou kunnen volgen ONGEACHT de denker zelf, werd als ideaal gezien en men dacht dat het geleidelijk aanleren daarvan door de volgende generaties de weg zou openen naar een betere wereld. Van die betere wereld maakte men zich uiteraard allerlei voorstellingen, die in het beste geval, namelijk bij de sociaal bewogen denkers, een grote mate van vrijheid en gelijkheid voor de mensen inhielden. Men ging zelfs zover, dat men de staat en de overheid wegdacht en deze verving door associaties, op alle mogelijke grondslagen, van vrije mensen, die allemaal in staat waren zichzelf weg te cijferen ter wille van het algemeen belang. Er bestaat over deze utopieën een hele massa literatuur. Ook tegenwoordig nog beweegt het weer opgeleefde anarchistische denken zich voornamelijk op het terrein van de mogelijke organisaties, waartoe vrije mensen in de toekomst zouden kunnen komen. Voor ons is echter van belang dat er onveranderlijk iets van de mensen verwacht wordt, iets dat de mensen op den duur zouden kunnen léren en dat je hen dan ook zou moeten aanleren. Er moet dus als het ware iets aan de mensen toegevoegd worden, iets dat tot nu toe nog niet aanwezig zou zijn. Intussen is dat vooruitgangsgeloof door de meeste moderne denkers te water gelaten. De mode is thans het denkbeeld dat er absoluut geen vooruitgang te bespeuren valt, dat men nooit iets leert van de geschiedenis (wat inderdaad zo lijkt te zijn!) en dat wezenlijk almaar dezelfde patronen zich herhalen. Nadenken over vooruitgang vindt men dan ook zinloos, en het zou gebaseerd zijn op geloof in plaats van feiten. Opmerkelijk is daarbij dat men, om aan te tonen dat er geen vooruitgang zou zijn, met feiten aan komt dragen die met het al of niet aanwezig zijn van een positieve ontwikkeling niets te maken hebben: economische en politieke feiten, waarvan gezegd kan worden dat die nu juist het gevolg zijn van een volkomen vastgelopen denken. Hierbij zijn dus niet de feiten maatgevend (die zijn inderdaad afschuwelijk), maar het vastgelopen-zijn. En dat wil men doorgaans nu juist niet zien! Anderzijds meent men dan weer dat wetenschap en technologie wel vooruitgang boeken en alweer, men somt dan de feiten op en wijst tevreden op het vermeerderen van onze kennis. Juist dat vermeerderen echter heeft niets met een al of niet optredende vooruitgang te maken! Of men nu al of niet de vooruitgang afwijst, steeds zijn die opvattingen gebaseerd op een foutieve beoordeling van onze werkelijkheid en daarmee hangt samen dat men voortdurend van bovenaf denkt, eisen stelt naar beneden toe en steevast de ervaring opdoet dat aan die eisen niet voldaan wordt, ondanks het feit dat de redelijke ontwikkeling van de (moderne) mensen op een veel hoger plan is gekomen sinds de vorige eeuw. De vervulling van de droom der rede heeft dus in feite een gigantische teleurstelling opgeleverd. Blijkbaar red je het niet met het leren werken met de rede en heeft er in de mensen een ander proces plaats.

Toch worden de mensen volwassen   

 

Als ik nu beweer, dat op den duur de mensen volwassen zullen worden en dat je dat proces overal en voortdurend in de mensheid kunt waarnemen, dan baseer ik die bewering op geen enkele EIS aan de mensen. Ze moeten dus niets leren inzien, nergens toe opgeleid worden en zich geen enkele denkwijze eigen maken. Al die eisen komen vanuit de hogere sferen; van het zelfbewuste, cultuurgebonden, intellect. Inhoudelijk kunnen die eisen soms wel houdbaar zijn, maar de fout zit hem dus hierin dat zij als eisen gesteld worden. Je moet dus uitgaan van de gegeven structuur van de mensen en dan ook nog bij voorkeur van de - al eerder besproken - gewone mensen, ongeacht de vraag of je datgene dat die mensen vertonen nu zo aangenaam vindt of niet. Het volwassen worden van de mensheid is derhalve geen wens van mij, of iets waarnaar ik verlangend uitzie, maar een proces dat je zakelijk kunt ontdekken - als je weet waar je op moet letten. In de filosofie is men nooit van die gewone mensen uitgegaan; wat valt er nu aan de slager op de hoek te bedenken, behalve dat je er een lapje vlees kunt gaan halen? Economisch is die slager desnoods interessant en eventueel sociologisch ook nog wel, maar daarmee houdt het op. De door de socialisten zo beminde proletariërs bijvoorbeeld moesten wel aan een aantal eisen voldoen om van belang te worden gevonden. Als gewoon mens moet je steeds wat om mee te kunnen tellen en dus word je zelf niet beschouwd als een zinvol uitgangspunt voor het denken over de ontwikkeling van de mensheid. Vanuit dat wat in de gewone mensen aanwezig is, en dat zich uit in het rechtvaardigheidsgevoel en in de gemoedelijkheid, kan je bedenken dat de mensheid inderdaad volwassen wordt. En daarmee is dan bedoeld te zeggen dat de essentiële verhoudingen van de werkelijkheid, aanwezig in het bewustzijn van de mensen, namelijk tot zijn recht komen en tegelijk onderling samenhangen, langzaam maar zeker een realiteit worden, al of niet zelfbewust in het denken, maar zeker onbelemmerd qua psyche. Verder is er niets aan de hand. Je kunt dan ook met geen mogelijkheid zeggen hoe die volwassen wereld er dan uit zal zien in de praktijk, maar wel kan je een aantal dingen (verhoudingen) afleiden uit dit gegeven.

De onderlinge samenhang

Het is interessant om op te merken dat de sociaal gerichte denkers uit de 19e eeuw vooral de nadruk legden op de onderlinge samenhang tussen de mensen. Het gevolg hiervan was, dat de individu gaandeweg meer in de verdrukking kwam en men zag geen kans dit probleem op te lossen. Max Stirner (1806 - 1856) bijvoorbeeld kwam er toe de individu dan maar als absoluut te stellen; het IK als de maat van Alles en de wereld (- dat waarmee je samenhangt) als het min of meer bruikbare terrein waarop dat IK opereert. Maar meestal bleef men zitten op de samenhang en dat is zelfs vandaag nog het geval - en het probleem - bij anarchistische denkers. Als het beste compromis beschouwt men de theorie van het vrijwillig samenwerken en het wederzijds dienstbetoon. In enkele gevallen, bijvoorbeeld in het Marxistisch-Leninistisch denken, heeft de individu het onderspit gedolven, hoewel hij thans weer - schoorvoetend - van stal gehaald wordt. In het moderne Westerse denken echter was hij niet te elimineren, zodat men er toe over is gegaan hem zo redelijk mogelijke beperkingen op te leggen, beperkingen die intussen het redelijke al verre overschreden hebben!

Bladwijzers:    Algemeen belang-1 ; Algemeen belang-2 ; Algemeen belang-3 ; Algemeen belang-4 ; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2

 

 

 No. 26

Bladwijzers: Opvoeden-1 ; Opgevoed-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;

Toekomstvoorstellingen

Er zijn natuurlijk in de loop der tijden nogal wat ideeën geweest over een mogelijke toekomstige wereld. Dergelijke utopieën zijn steeds van bovenaf gedacht, d.w.z. vanuit een of ander hoger standpunt, en onveranderlijk zijn er aan de gewone mensen eisen gesteld, die er op neer kwamen dat zij zich zouden moeten verbeteren. Die hogere standpunten geven er aanleiding toe stelsels te verzinnen waarin de macht een centrale plaats inneemt. In de meeste gevallen heeft men geprobeerd aan die macht een redelijk tintje te geven, door hem namelijk eerlijk te verdelen, maar uiteraard zijn er ook utopieën waarin de macht als een onaantastbare zaak boven de mensen gesteld wordt. Alleen al op grond van het feit dat men, in het denken over een verre toekomst, de macht handhaaft kunnen dergelijke utopieën zonder meer als onzin worden afgewezen. De enige utopieën, waarin men pertinent geen macht inbouwt, zijn de anarchistische en het valt dan ook onmiddellijk op dat deze een veel vriendelijker karakter hebben en aanzienlijk minder benauwend zijn voor een mens met nog enig rechtvaardigheidsgevoel. Maar het euvel van het van-bovenaf-denken treedt ook hier op en waarschijnlijk zal dit er de oorzaak van zijn dat het anarchistische denken, vooral tegenwoordig, beperkt blijft tot organisatorische vraagstukken die mee zouden komen aan een anarchistische maatschappij. Bovendien speelt een rol dat men gewoonlijk de begrippen maatschappij en samenleving verwart en ook dat men het begrip nihilisme niet betrekt in het anarchistische denken. Er kan niet genoeg de nadruk op gelegd worden, dat het de kunst is werkelijk van onderaf te denken, uit te zoeken wat er voor een mens geldt ongeacht zijn wensen, verlangens en zijn wil, om vervolgens op grond van die gegevens tot een conceptie over de toekomst te komen. De weg naar volwassenheid blijkt dan een niet zelfbewuste te zijn, zodat er geen concrete doelstellingen mogelijk zijn. Bovendien wordt die weg gekenmerkt door een GEVOEL (het rechtvaardigheidsgevoel) en niet door een berekening. Dat betekent in de praktijk dat een en ander domweg tot werkelijkheid wordt. Het is dan ook dat domme dat de intellectueel ingestelde mensen steeds weer stoort en teleurstelt. Men betreurt het dan dat er nauwelijks een anarchistische beweging (meer) is, met de daarbij behorende begrippenkaders en geestelijke bagage, terwijl men er tegelijk geen oog voor heeft dat de gewone mensen veel minder respect hebben voor de macht en er zelfs al tamelijk onverschillig tegenover staan. Doordat deze ontwaarding van de macht buiten het patroon van de leer omgaat en daarvan dus geen navolging is, zien veel anarchisten het zich verbreiden van het anarchisme niet. Het is met dat van bovenaf denken altijd hetzelfde: de ideeën kristalliseren zich uit tot een leer en die leer verdient navolging; de mensen volgen de leer niet na, zodat men ontgoocheld vaststelt dat de mensen dom zijn en het goede niet willen. Maar in feite hebben de ontwerpers van de leer een fout gemaakt.

Wat te zeggen van een volwassen mensheid

Als je je voorstelt dat volwassen mensen bijvoorbeeld redelijk zouden moeten zijn, dan is dat een eis, die je aan de mensheid stelt. Maar, als je daarop doordenkt kom je tot de conclusie dat je een groot gebied van het menselijk leven uitsluit: het individuele karakter van mensen, de meerdere of mindere hartstochtelijkheid, het vermogen om fouten te maken, in het algemeen het psychische, enzovoort. Tenslotte houd je een standaardmens over en bovendien: wie bepaalt wat redelijk is? De norm van redelijkheid wordt bepaald in en door het denken en hij wordt door de mensen dwingend opgelegd aan zichzelf en aan de anderen. Als dus tenslotte iedereen redelijk geworden zou zijn, kan niemand meer uit de voeten. Dat geldt voor elke eis die je aan de mensheid stelt; denk je daarop door, dan ontdek je aan het einde van je gedachtegang een totale onvrijheid en dus een onmogelijkheid. Simpel omdat er niets de maat kan zijn. Met het vrijheidsbegrip is het net zo. Men zegt: mijn vrijheid wordt begrensd door de vrijheid van de ander. Als je hierop doordenkt kom je niet bij vrijheid uit, maar bij totale onvrijheid. Iedereen staat dan om je heen en naar alle richtingen geldt begrenzing. Dus ook die vrijheid, als doel voor de mensen, is tenslotte onhoudbaar. Over een volwassen mensheid is eigenlijk niets te zeggen, behalve dit éne: de verhoudingen tot zijn recht komen en onderling samenhangen zijn dan in de mensen vrijgekomen. En daarmee ook een cluster van verhoudingen, die uit die twee zijn af te leiden. Als we die verhoudingen samen vatten onder het begrip rechtvaardigheid dan hebben wij wat dat betreft niet te doen met een eis aan de mensen, maar met iets wat zich ontplooien zal, zoals een plant zich zal ontplooien tot een bloem als wij die plant daarin niet belemmeren. Van de plant te eisen dat hij gaat bloeien zou onzin zijn: hij gaat zéker bloeien als ik hem dat niet belet. Een volwassen mensheid is een mensheid die rechtvaardig is geworden, zodat iedereen tot zijn recht komt en allen met allen samenhangen. Dat heeft niets te maken met intelligentie, met wijsheid, met organisatie of met grootse ideeën; het is gewoon een zichzelf aanvoelen als de werkelijkheid. En het is in de grond van de zaak psychisch, zeg maar: een levensgevoel. Dat levensgevoel wordt in een onvolwassen mensheid steeds onderdrukt en gekanaliseerd en steeds steekt het weer de kop op, totdat het tenslotte vrij komt. Meer is er werkelijk niet aan de hand. En dat zien we dan ook gebeuren als de mensen hun rechten steeds meer opeisen en de machten almaar meer onmogelijk maken. Het is een bevrijdingsproces. Wat dan onder andere ook weer vrij komt is de creativiteit, die bepalend is voor het begrip arbeid - wij zullen dit nog bespreken. Maar voorlopig is te zeggen dat in een volwassen wereld alles mogelijk is omdat elke menselijke variatie tot zijn recht kan komen. Het eisen van het betere komt voort uit het denken, dat zich zelfbewust een voorstelling maakt van de werkelijkheid. Die werkelijkheid zelf echter kent geen beter of slechter, zodat gezegd kan worden dat het willen opvoeden van de mensen tot iets beters een hersenschim is. Bovendien: wie is de opvoeder, wat staat hem voor ogen, en waar haalt hij het recht vandaan? Het is allemaal verbeelding als gevolg van van-bovenaf-denken.

Het je met elkaar bemoeien 

In een onvolwassen wereld bemoeien de mensen zich met elkaar. Ze vinden namelijk dat ze elkaar nodig hebben en dat ze dus elkaar van nut kunnen zijn. Ze verwachten dat nuttige dan ook van elkaar. Maar dat kan alleen maar als de één denkt dat hij buiten de ander is, dat is voorondersteld aan het elkaar gebruiken. Om dit gebruik mogelijk te maken probeert de één de ander tot iets te dwingen en dat is de bemoeizucht die door de onvolwassen wereld heenloopt. Altijd bemoeien de mensen zich met elkaar, maar dat is heel iets anders dan het meeleven, dat voor volwassen mensen geldt. Meeleven houdt in laten leven, het leven niet belemmeren of dwingen anders te zijn dan het is. Bemoeien betekent gebruik maken van de ander en uitbuiting van de zwakke; meeleven daarentegen de ander met rust laten en de zwakke ondersteunen. Meeleven betekent ook dat er geen grenzen zijn tussen jou en mij, zodat mijn vrijheid niet ophoudt bij jou, en de jouwe niet bij mij: mijn leven is op andere wijze het jouwe...

Opvoeden-1 ; Opgevoed-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;

 

No. 27

Bemoeien en meeleven

Volgens de Westerse levensbeschouwing staan de mensen buiten elkaar als aparte, van elkaar gescheiden, gevallen. Tussen deze aparte gevallen kunnen gedachtewisselingen plaats hebben, er is communicatie. Deze communicatie wordt gezien als een soort van verbinding tussen twee of meer mensen. Bij deze verbinding spelen allerlei zaken een rol, maar in hoofdzaak komt het er op neer dat de mensen elkaar nodig hebben. Omdat de één de ander nodig heeft verwachten en verlangen de mensen almaar iets van elkaar en van zichzelf. Die verlangens en verwachtingen worden bepaald door het nut dat de ander VOOR MIJ heeft en voor zover die ander daaraan wil voldoen past hij zich aan mij aan, terwijl ik me op mijn beurt weer aan anderen aanpas. Tegenwoordig is men het er over eens dat in dit aanpassingsprogramma de zogenaamde redelijkheid als maat genomen moet worden, maar desondanks kun je constateren dat die redelijkheid een ander karakter aanneemt naarmate er meer macht uitgeoefend kan worden. De redelijkheid van een overheidsdienaar ten opzichte van een onderdaan is van een ander gehalte dan die van twee onderdanen onderling. De ongelijkwaardigheid van overheid en onderdaan bepaalt de kwaliteit van de redelijkheid, van de verbinding tussen twee aparte mensen en dus ook van de mate van aanpassing van de één en de ander. Voor zover de éne mens van de andere qua aanpassing allerlei verlangt, spreek ik van zich met elkaar bemoeien. Bij dit ge bemoei gaat het nooit werkelijk om die ander, maar om datgene dat die ander VOOR MIJ waard is. Bijgevolg kan die ander, wat mij betreft, nimmer tot zijn recht komen; in feite komt die ander tot MIJN recht. Dit alles is een gevolg van de opvatting dat mensen van elkaar gescheiden zouden zijn door een wel te overbruggen, maar niet op te heffen kloof. Wanneer je echter inziet dat de mensheid één levend organisme is, zich manifesterend in een groot aantal variaties (Spinoza: bestaanswijzen), komt de zaak heel anders te liggen. Dan is er geen kloof tussen de mensen, er behoeft dan dus ook geen verbinding gelegd te worden en daarmee vervalt het gehele aanpassingsprogramma. Het één-zijn gaat dan gelden en om dat te verwerkelijken moeten alle variaties optimaal tot hun recht komen. Voor mij wordt het dan van levensbelang dat de andere mensen zo getrouw mogelijk zichzelf zijn en dat ik dat voor mijzelf ook zo goed mogelijk waar maak. De andere mens moet dan niet meer tot MIJN recht komen, maar tot haar of zijn eigen recht. Als deze situatie voor mij, en voor de anderen, is gaan gelden spreek ik van meeleven. Omdat in deze situatie de ander voor mij niet meer nuttig is kan ik die ander niet meer gebruiken en dus misbruiken. In plaats van de zwakke uit te buiten op grond van het feit dat ik hem gemakkelijk tot aanpassen kan dwingen, zal ik hem in alles steunen opdat hij zo getrouw mogelijk tot zijn recht kan komen. Je kunt zelfs wel zeggen dat ik daar Alle belang bij heb. Overigens betekent het bovenstaande ook dat ik nooit van tevoren zal kunnen (en willen) zeggen hoe een ander mens zijn moet; elke idealistische eis ten aanzien van een ander mens, hoe nobel ook, is een aantasting van het werkelijke leven. Ik kan geen redelijkheid verlangen, geen rechtvaardigheid, geen liefde, geen solidariteit, niets van dit alles. Als er al iets te verlangen valt zou dit leven moeten zijn.

 

Meeleven en Vrijheid

 

De opvatting dat mensen van elkaar gescheiden zouden zijn brengt logischer wijs met zich mee, dat de inhoud van het begrip vrijheid ook alles met die scheiding te maken heeft. Ik heb er al op gewezen dat bijna iedereen van mening is dat iemands vrijheid daar ophoudt waar die van een ander begint en dat dit uiteindelijk betekent dat wij allemaal omringd zullen zijn door anderen, die Onze vrijheid bepalen. In een dergelijke situatie kan er van het tot mijn recht komen niet verwacht worden dat dit ooit zal gelukken. Mijn eigen zijn is in alle opzichten begrensd. De grens, die er op deze manier, aan dat eigen zijn gesteld is, blijkt weer een afscheiding te zijn. En ook hier kan je weer proberen het probleem op te lossen door de een of andere redelijkheid ten tonele te voeren, maar hoe je het ook plooit, je ontkomt niet aan reglementering van de vrijheid en het leven, in die zin dat de mensen zich zullen moeten aanpassen aan de normen, door anderen gesteld. Ook dit vervalt als je niet meer in apartheden denkt. Je vrijheid wordt dan nergens meer door bepaald, zodat zij zich tot in het oneindige uitstrekt. En dat geldt dan voor iedereen, zodat je kunt zeggen dat die vrijheden elkaar overlappen en versterken, zoals het licht van de éne kaars niet belemmerd wordt door dat van de andere, maar wel het geheel lichter maakt. Vanuit het voor ons gangbare denken is een dergelijke idee over de vrijheid uiteraard moeilijk te begrijpen, maar wellicht wordt het iets duidelijker als wij ons afvragen of de mensen elkaar niet voortdurend zullen storen als zij allemaal in het teken van een oneindige vrijheid zullen staan. Welnu, zij zullen elkaar niet storen. Wij moeten namelijk, bij het nadenken hierover, niet vergeten dat het gaat over rechtvaardige mensen. Het tot zijn recht komen- in dit geval wat betreft de persoonlijke vrijheid - is TEGELIJK onderling samenhangen, zodat er altijd te vragen is of iemand met zijn gedoe het geheel niet verbreekt. Op het niet verbreken van het geheel, het éne gevarieerde organisme, kom je onvermijdelijk altijd weer uit bij het nadenken over een volwassen mensheid. Je zou dus kunnen zeggen dat de maat ligt bij het geheel van de werkelijkheid; bij de vraag of iemand de andere mensen stoort is alleen het al of niet verbreken van dat geheel bepalend. Als je daarop doordenkt bemerk je dat je nu niet meer aan bepaalde andere individuen verantwoording verschuldigd bent, maar als het ware aan het geheel. Omdat elk individu zelf op eigen wijze dat geheel is, ben je ook zelf degene die er voor oppast de anderen niet te storen. In dat geval lever je niets in en je past je ook niet aan, je bent zelf die niet-storende individu. En omdat dat zo is heb je ook niet de voortdurende behoefte om je eigen grenzen te verleggen, zoals dat bij onvolwassen, aan de begrensdheid gelovende mensen, wel het geval is. Niet voor niets kun je overal opmerken dat de mensen uit onze cultuur almaar proberen voor zichzelf de grenzen van hun vrijheid naar buiten toe te verleggen. Zij proberen hun eigen terrein zo groot mogelijk te maken, zij maken zich zoveel mogelijk breed. Dit kan niet plaats vinden zonder daarbij macht uit te oefenen en macht kan je op allerlei manieren verwerven, bijvoorbeeld doormiddel van geld. De mensen proberen dan ook met hun geld vrijheid (d.w.z. wat er voor door moet gaan) te kopen en juist omdat wij in grenzen denken gelukt dat nog ook, tot op zekere hoogte. Maar tegelijk voelen veel anderen aan dat zoiets toch niet helemaal in orde is, dat een dergelijke vrijheid ten koste gaat van medemensen.

 

Het begrip grens

Bladwijzers: Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ;

 

Het zal inmiddels duidelijk zijn dat in onze, analytische, splitsende, cultuur het begrip grens een eenzijdige betekenis heeft. De betekenis namelijk van afscheiding. Het is een muur tussen het één en het ander. Het begrip grens betekent echter ook overgang van het één naar het ander en als zodanig reikt het tot in de oneindigheid.

 No. 28

Fictieve grenzen

Als je over de grens nadenkt, dan blijkt er een drietal onderscheidingen te maken te zijn, die alle drie een geheel ander licht op dit begrip werpen. Voor ons ligt het het meest voor de hand om het begrip grens op te vatten als de afscheiding tussen twee grootheden. Je benoemt de grens dan vanuit die grootheden: waar het één eindigt begint het ánder. We hebben dan te doen met een statisch begrip; de grenslijn ligt daar en nergens anders - althans, zo lijkt het. Je kunt de grens ook beschouwen als een overgang van het één naar het ánder en dan heb je met een dynamische zaak te maken. Het woord overgang is weliswaar een statisch woord, maar dat woord heeft inhoudelijk geen betekenis als er niet daadwerkelijk van het één naar het ander overgegaan wordt. Beter is het wellicht om van het overgaan te spreken. In ieder geval is het zo bedoeld, in dit verband. Maar ook in dit geval wordt de grens benoemd vanuit de twee eerder genoemde grootheden. Ten derde kan je je aandacht op die grens zelf richten, maar dan kom je tot de ontdekking dat je het niet over iets bestaands hebt. Je kunt alleen maar spreken van noch het één, noch het ánder. Met de ontkenning van die twee laat je al het bestaande vervallen, je spreekt eigenlijk over niet iets, en dus over niets. Je kunt nu ook niet meer over dynamisch of statisch spreken, maar wel over een synthese van die twee en dan kom je terecht bij het begrip trilling. Als je statisch over de grens denkt ben je bezig met iets fictiefs. De werkelijkheid is namelijk door en door beweeglijk, zoals men inmiddels ook bij het natuurkundige onderzoek ontdekt heeft. De rand van een tafel bijvoorbeeld is qua zintuiglijke ervaring wel precies te bepalen, maar in de subatomaire werkelijkheid blijkt hij een heen en weer gaan van deeltjes te zijn, een uitstoten en opnemen van beweeglijkheden, zodat niet te zeggen valt waar de grens nu precies is. De rand van de tafel blijkt, hoe zintuiglijk concreet ook, in feite fictief te zijn. Hij laat zich niet bepalen. Door alle tijden heen hebben de mensen geprobeerd grenzen te trekken en altijd weer hebben diezelfde mensen die grenzen overschreden; zij waren het nimmer eens over de vraag waar zo’n grens lag en bestreden elkaar op leven en dood ter wille van deze fictie. Als iets fictief is, dan moet je iets vaststellen en die vaststelling blijkt nooit te kloppen. Een landsgrens is een fictieve scheidingslijn tussen het éne en het andere land. Hij moet door een grenspaal en prikkeldraad aangegeven worden, anders zou je hem niet zien. Dat klopt, want in feite is hij er niet, het is een bedenksel, een fictie. Anders ligt de zaak als je dynamisch over de grens denkt. Je weet dan dat zijn plaats niet te bepalen is zodat je dat achterwege laat, maar dat je overgaat van het één in het ánder weet je wel. De rand van de tafel gaat ook over in de omringende lucht, dat is iets wat je zeker weet. Je hebt hier dus niet met een fictie te doen, maar met een realiteit en het aardige daarvan is dat hij niet te bepalen is. Dit is aardig om op te merken omdat wij thans in een wereld leven waarin juist het vastgestelde, maar wezenlijk fictieve, als een realiteit wordt gezien, terwijl dat wat niet vastgesteld kan worden als een fictie wordt beschouwd. De omgekeerde wereld dus. Maar, deze omkering van de verhouding fictie-realiteit is helaas wel de oorzaak van een heleboel misvattingen op velerlei gebieden, die vandaag de dag opgeld doen. Een hele filosofie is hierop gebaseerd, namelijk de zogenaamd positivistische - althans in haar extreme vormen. Aangezien de grens niet te bepalen is als je denkt in termen van in elkaar overgaan, kan je deze beweging doordenken tot in het oneindige. Je kunt dan spreken van een voortdurend in elkaar overgaan. Als je inzicht krijgt in deze verhoudingen ontstaat er vanzelf een geheel ander beeld wat betreft het begrip vrijheid. Je houdt op met je met de andere mensen te bemoeien en je komt er toe met de anderen mee te leven. Bovendien wordt dan het begrip onderling samenhangen duidelijk. In dit begrip gaat de grens gelden als een ontkenning, als noch het één, noch het ander en je kunt staande houden dat je de grens pas dan echt gedefinieerd hebt.

Beweeglijke verhoudingen

De oer situatie van de werkelijkheid is deze, dat ze niet is dan beweeglijkheids-verhoudingen van de beweeglijkheden. Die verhoudingen zijn dus ook beweeglijk. Toch kan je wel, in je denken, het begrip afscheiding gebruiken. Je kunt namelijk staande houden, dat de éne beweeglijkheid de ándere NIET is, en ook dat op de plaats van de één de Ander niet kan zijn. Maar, je denkt dan in begrippen. Het begrip afscheiding is te denken, maar het bestaat niet. Dit laatste, het niet bestaan van iets dat als begrip denkbaar is, is vaak te weinig in de filosofie ingecalculeerd. Je hebt dan te doen met een soort van metafysica die, vertaald naar de realiteit, tot heel vreemde zaken kan leiden. God is daarvan een voorbeeld. Je kunt zoiets best denken, maar een realiteit is het niet. Het is een fictie, en dat is iets dat denkbaar is, maar niet reëel is. Maar zoiets als het begrip liefde is wel een realiteit en hij hangt ten nauwste samen met de grens als overgang.

Het zelfbewustzijn en de grens

 

Het zelfbewustzijn van een mens is die situatie van de werkelijkheid waarin de samengestelde materie in een zodanige innerlijke verhouding is komen te verkeren dat zij zich gaat gedragen alsof ze géén materie was. Dat betekent dat de zaak in principe weer volkomen beweeglijk is geworden en het betekent dus ook dat de grens als afscheiding is komen te vervallen, voor zover die in het voor- menselijke leven (planten en dieren) wel voortdurend gesteld werd, denk aan het territoriumgedrag van de dieren. Omdat de mensen zichzelf en elkaar conditioneren onderwerpen zij zichzelf ook aan een dergelijk gedrag. Zij dwingen hun denken te gaan langs bepaalde wegen, begrenzen hun gedachtegangen en stellen zichzelf daardoor in het teken van de afscheiding, de statische grens. Maar het dynamische, de overgang is hun eigenlijke gesteldheid. Voor hun denken kan eigenlijk het één ook het ander zijn, in het denken gaat het steeds van het één over naar het ander. Is dat, door de ingeprente denkprogramma’s onmogelijk geworden, dan ervaren wij aan de mensen benauwdheid, bekrompenheid en ook een onvermogen om iets te begrijpen. Verboden en geboden, moraal en ethiek, recht en onrecht, zij beheersen allemaal het leven. Maar wezenlijk is een mens onbegrensd. En het is belachelijk dat mensen zich uitdossen met tekenen van hun waardigheid, die in feite inhouden dat de mensen hun grenzen aangeven: tot hiertoe en niet verder, terwijl ze vanuit die waardigheid tevens proberen hun eigen grenzen in de richting van de anderen te verleggen. Maar, zoals gezegd, een dergelijke grens bestaat niet, hij moet dus almaar gesteld worden en dat is een fictieve en dus belachelijke bezigheid. Onze wereld is nog steeds belachelijk. En daarmee is zij levensgevaarlijk. Overigens is het opmerkelijk dat het in de tegenwoordige mensheid steeds moeilijker wordt om de grenzen van allerlei zaken te bepalen. Het dynamische karakter van de verhouding tussen het één en het ander begint zich te laten gelden. Voorlopig echter wordt dat nog negatief beoordeeld omdat men nog niet in staat is dynamisch te denken.

Bladwijzers: Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ;

No. 29

Het zelfbeschikkingsrecht

De grenzen, die in onze cultuur door vrijwel alle mensen om zich heen getrokken worden, zijn eigenlijk ficties. Maar intussen bepalen die ficties wel het hele gedoe in het dagelijkse leven, terwijl zij bovendien een discussie als die over de euthanasie in een gigantische spraakverwarring doen uitlopen. Als mensen grenzen trekken belemmeren zij ten eerste hun eigen en andermans ontplooiing, omdat het maar tot hier toe en niet verder mag, en ten tweede maken zij de onderlinge vrijheid onmogelijk, omdat er altijd een (al of niet overbrugde) kloof tussen de éne mens en de andere blijft gapen. Daarbij komt dan ook nog dat de twee onlosmakelijk met elkaar verbonden begrippen tot je recht komen en onderling samenhangen tot van elkaar gescheiden grootheden worden teruggebracht, met als gevolg dat er een eindeloos gescharrel aan de gang is om het individuele met het sociale in evenwicht te brengen. Als ik zou zeggen: ik beslis uitsluitend zelf over mijn leven en mijn sterven, dan laat ik buiten beschouwing dat ik ook nog samenhang met de andere mensen. Ik zie mezelf dan als een geïsoleerd wezen. Dit ligt in de lijn van ons cultuur denken. Maar evenzeer ligt het in de lijn van dit denken om te stellen: neen, de samenleving beslist mede. Vooral deze laatste uitspraak wordt sterk benadrukt omdat de gedachte dat de mensen een collectiviteit moeten vormen, in de staat bijvoorbeeld, een vrijwel onaantastbaar dogma is geworden. Hierop namelijk steunt de gehele staatsmacht, met zijn regels en voorschriften, zijn plichten waaraan de mensen zich te houden zouden hebben. De nadruk op ik beslis zelf zou de fundamenten onder de staatsmacht wegslaan. Dit is natuurlijk niet de bedoeling en daarom wordt er naarstig gezocht naar, alweer, de grenzen waarbinnen de burgers zelfbeschikkingsrecht zouden kunnen hebben. Maar de vraag blijft liggen: beslis ik nu zelf of niet? Een beetje zelf beslissen staat gelijk aan NIET zelf beslissen. Dat is dan ook de reden waarom machthebbers er tegen zijn om aan de mensen het recht op abortus en euthanasie toe te staan. Het gedweep met bescherming van het leven is ten eerste een hypocriet argument, omdat die bescherming staat of valt met de gestelde doelen (volksgezondheid of oorlog) en dus relatief is, en ten tweede is het een argument dat op een geheel andere zaak slaat, namelijk het AANWEZIGE leven. Zowel abortus als euthanasie slaan echter op de polen van het leven, namelijk begin en einde en daarin ligt het accent op de begrippen nog niet leven en niet meer leven. In het kort gezegd geldt voor de menselijke werkelijkheid de dubbelslag ik en mijn samenhang met de anderen. Dat moet ik laten gelden, niet omdat iets of iemand mij dat voorschrijft, maar omdat zo de werkelijkheid is. Daarom besluit IK altijd in samenhang met andere mensen en geen enkel mens kan dat NIET doen. Als ik niet in begrensdheden denk zal ik niets doen zonder die samenhang, zodat mijn beslissing altijd ook de beslissing en de verantwoordelijkheid van de anderen is. Zo ben ik dus ook betrokken in en verantwoordelijk voor het leven en de beslissingen van de andere mensen. Bedenk echter wel, dat dit alles alleen maar geldt als ik GEEN grenzen trek en de anderen dit ten opzichte van mij ook niet doen. Dus als het begrip meeleven van kracht is. Het is dus nooit zonder die andere mensen.

Naar bladwijzers: Rechten en Plichten-1    Rechten en Plichten-2   Rechten en Plichten-3     Rechten en Plichten-4 ;

Bemoeienis van de samenleving

We hebben al gezien dat in onze cultuur de mensen zich met elkaar bemoeien; ze wrikken en duwen aan elkaars (fictieve) grenzen om zichzelf en elkaar aan te passen aan elkaars wensen, behoeften en normen. Zo zijn zij ook bezig wat betreft de zelfbeschikking over abortus en euthanasie. Men tracht regels op te stellen om te bepalen hoever IK gaan mag met mijn autonomie (niet zo erg ver natuurlijk!) en regels om te bepalen hoever de ANDEREN gaan mogen ten opzichte van mij (liefst zo ver mogelijk!). Die anderen moeten evenwel het recht daartoe krijgen en dus ga je van tevoren vastleggen wie dat zijn zullen. Uiteraard worden dat dan de deskundigen en ook diegenen, die FORMEEL met mij in verbinding staan: de familie. Wij denken nog steeds in BLOEDverwantschappen (aanwijsbaar! ) en nog nauwelijks in GEESTVERWANTSCHAPPEN (ongrijpbaar!). Het zijn dus de deskundigen en de familie die zich rechtens met mij mogen bemoeien en dat zijn nu precies de mensen voor wie ik op de een of andere manier een belang vertegenwoordig, welk belang dan ook. Uitgerekend de mensen met wie ik NIET (mee)geleefd heb krijgen rechten inzake mijn leven en sterven.

 

Zelf beslissen en meeleven

Als het gaat over grenzenloos leven en meeleven vervalt elke van tevoren opgestelde norm. Als ik wil sterven spelen noch medische, noch psychologische, noch juridische normen een rol: als ik dat wil, wil ik dat. Met de mensen met wie ik LEEF zal ik daarover van gedachten wisselen, zoals ik dat met alles doe. Indien nodig zullen zij mij helpen om toch verder te leven of om menswaardig te sterven en dat is een zaak waarmee niemand zich heeft te bemoeien. Eisen, die men op het ogenblik wil stellen, zoals Uitzichtloos en ondraaglijk lijden en het verkeren in een stervensfase, zijn menselijk gesproken idioot; zij komen voort uit het denken in grenzen en dus wederzijdse belangen. Juist het vaststellen van dergelijke normen werkt het misbruik in de hand, terwijl men juist beweert dat men dit tegen wil gaan! Welbeschouwd is juist het beslissingsrecht van deskundigen en familie misdadig. Dat voelt men in de verte wel aan en daarom probeert men steeds de verantwoording, die men zelf genomen heeft, te ontlopen. Zo meent een arts de zaak te ontlopen door te beweren dat het staken van een medische behandeling niet als een ingrijpen aangemerkt mag worden. Dat mag dan misschien technisch juist zijn, maar hij heeft wel een beslissing genomen over een ander mens, een mens over wie hij niet te beslissen had. Waarop het in feite neerkomt is dit: mijn onvervreemdbare recht om zelf te beslissen houdt in dat het onmogelijk is om dat zonder de mensen te doen met wie ik lééf en het houdt ook in dat verder niemand zich er mee te bemoeien heeft. Als de zaken zo liggen doet het er ook weinig meer toe of ik, op het kritieke moment, mijn wil nog kenbaar kan maken of niet, omdat die wil onverbrekelijk samenhangt met die andere mensen die met mij meeleven. Zij kunnen voor mij beslissen.

 

De euthanasiediscussie

Voor het huidige euthanasie probleem zal men nooit een echt bevredigende oplossing vinden omdat men niet weet wat zelfbeschikking inhoudt. In feite wordt het verzet tegen het recht op euthanasie ingegeven door de onwil om aan de mensen VRIJHEID toe te kennen. Het is geen ethisch probleem, geen juridisch probleem en nog minder een politiek probleem; het is het niet willen laten gelden van de menselijke vrijheid. Dat verklaart waarom juist godsdienstige mensen zo tégen zijn: god is immers degene die over ons lot beslist! En als het god niet is, is het de overheid wel. Als jij je, met je méélevende vriendinnen en vrienden, maar niet verbeeldt dat je zelf iets te beslissen hebt. Je mag daartoe niet de vrijheid hebben, aan je vrijheid zijn grenzen gesteld.

No. 30

Zichzelf zijn en samenhangen

 

Toen we spraken over het begrip rechtvaardigheid hebben we als inhoud daarvan ontdekt de begrippen tot zijn recht komen en onderlinge samenhang. Deze begrippen behoren onlosmakelijk bij elkaar, maar zij zijn voor het Westerse analytische denken nauwelijks als zodanig te bevatten. We zien dan ook dat zij wel voor de dag gekomen zijn en vooral maatschappelijk voortdurend een rol spelen, maar dan niet binnen het geheel van het begrip rechtvaardigheid, maar daarentegen als tégenstellingen, die elkaar eigenlijk uitsluiten. Het onderling samenhangen sluit dan op zichzelf het tot zijn recht komen, het zichzelf zijn, uit en dat zou dan ook omgekeerd gelden. Omdat die twee begrippen met elkaar in strijd worden gezien, vanuit de analyse en dus het trekken van grenzen, komt men er op zijn best toe een evenwicht te zoeken. Waar ligt de grens van het zichzelf zijn en waar die van het samenhangende? Waar begint de éne zaak de andere aan te tasten? Er is een voortdurend gedrang op de denkbeeldige grens tussen dat wat tot de privacy en dat wat tot het sociale zou behoren. Zoals gezegd is het vanuit deze wijze van denken niet mogelijk om zelfs maar in de verte in te zien dat ik alleen maar dan tot mijn recht kan komen als ik zo volledig mogelijk met de anderen samenhang, en dat die samenhang alleen maar dan optimaal kan zijn als alle individuen zo volledig mogelijk tot hun recht komen. Je eigen lichaam functioneert het beste, d.w.z. is gezond, als alle cellen van je lichaam optimaal functioneren en de samenhang daarvan door niets verstoord wordt. Dan houdt de samenhang de cellen in leven en de cellen de samenhang. Een strijd tussen de samenhang en de afzonderlijke cellen zou beide tot een lager niveau van functioneren dwingen. Op het ogenblik kunnen wij constateren dat er in de maatschappij een verharding gaande is. Regerende machthebbers zijn, in de gehele Westerse wereld, van mening dat de burgers meer doordrongen moeten worden van hun plichten. Typisch is dat er daarbij niet van rechten besproken wordt, maar dat die rechten wel stelselmatig ingeperkt worden. Wie kan er dan nog ontkennen dat die zogenaamde rechten eigenlijk alleen maar gunsten zijn? En die verharding houdt in dat het evenwicht tussen individu en maatschappij verschoven wordt ten nadele van die individu. Dat heeft alles met macht te maken, want macht is het inklemmen van het individu door van buitenaf werkende maatgevende krachten, die beogen het individu anders te laten zijn dan het vanuit zichzelf is. Denk je de begrippen zichzelf zijn en onderling samenhangen als verhoudingen binnen één zaak, dan is het onmogelijk dat er zoiets als macht bestaat. Je komt dan uit bij het anarchisme, dat als enige utopie elke vorm van macht uitgebannen heeft. Helaas hebben de anarchisten tot nu toe de betekenis van het begrip samenhangen niet goed doordacht of zelfs helemaal niet doordacht en daardoor zitten zij almaar te zeuren over toekomstige mogelijke organisatie vormen van een anarchistische maatschappij, terwijl er vanuit het samenhangen van de mensen maar één proces mogelijk is: de zelforganisatie van de op een bepaald moment en op een bepaalde plaats samenlevende mensen. Daarvoor zijn geen regels te geven en daarvan is geen analyse te maken omdat het een levend iets is waarin vanzelf, zoals bij alles wat leeft, een efficiënte zelforganisatie Gaat optreden. Zelforganisatie is een zichzelf niet verbrekende samenhang. In feite IS die zaak georganiseerd zodra er rechtvaardigheid is en hij behoeft dus niet geregeld te worden. Ons begrip organisatie is geworteld in het in grenzen denken en het is dus niet van toepassing op een anarchistische maatschappij.

Naar bladwijzers: Rechten en Plichten-1    Rechten en Plichten-2   Rechten en Plichten-3     Rechten en Plichten-4 ;

Nog iets over het begrip samenhang

De overheid zegt dat alle Nederlanders samenhangen in de Nederlandse Staat. Zij bedoelt daarmee dat alle burgers zich moeten invoegen in het geheel van de staat. Al naar gelang de zwaarte van het begrip staat heeft dat invoegen een veelomvattender betekenis: in de Sovjet-Unie betekent het een vrijwel volledig prijsgeven van de geestelijke individualiteit (het onderdrukken van eigen meningen), terwijl het bij ons nauwelijks iets meer betekent dan een zich economisch en politiek invoegen. Als je aan dat laatste niet voldoet word je geïsoleerd en men gaat daarbij zo ver dat men je wil doen geloven dat je jezelf geïsoleerd hebt. Invoegen en meedoen wil dan ook zeggen dat je je vereenzelvigt met datgene wat je met recht de massa zou kunnen noemen. Of dat nu betekent dat je je mond moet houden, of dat het betekent dat je je moet houden aan de spelregels van het economisch politieke stelsel, maakt niet zo erg veel uit, want in beide gevallen moet je je aanpassen en dus iets van jezelf NIET laten gelden. Je moet jezelf omvormen tot een standaardproduct, tot een genormaliseerd artikel. Het is altijd weer de vraag hoe iemand met volwassen inzichten zou kunnen functioneren in een onvolwassen maatschappij. Ook hier, op het terrein van het trekken van grenzen, het terrein van de rechtvaardigheid, ligt deze vraag. Het antwoord op deze vraag moet luiden dat je in zo’n maatschappij niet uit de voeten kan, zodat je zou moeten proberen het te overleven, in feite door slim te zijn. Je kunt dat zijn doordat je in de gaten hebt hoe de zaken in elkaar zitten, terwijl je in het dagelijkse leven aangewezen bent op die enkele mensen voor wie dat ook geldt. Verder is het zaak om goed op te letten dat je niet binnen de vangarmen van de macht komt, want daar helpt ook je slimheid niet. Je kunt onder die zaak gebukt gaan, je voortdurend benauwd voelen, maar beter is het te erkennen dat die wereld nou eenmaal nog onvolwassen is en er maar het beste van maken, d.w.z. zo rechtvaardig mogelijk zijn.

Analyse en samenhang

Een werkelijk samenhangende wereld, dus een organisch samenhangende wereld, is niet toegankelijk voor analyse. Maar de cultuuropvatting van samenhang is die van een door VERBINDINGEN aaneen geklonterde samenstelling. Zoiets is natuurlijk wel voor analyse toegankelijk en dat levert dan het (onverwachte en onbedoelde) resultaat op dat die samenstelling tenslotte uiteen gevallen blijkt te zijn. Wij zijn dus almaar bezig ons als samenstellingen te gedragen, terwijl wij tegelijk diezelfde zaak ontleden en versnipperen. Aan de behoefte om tot samenstellingen te komen wordt dus steeds minder voldaan, het mislukt steeds meer. Dat verschijnsel vertoont zich in onze moderne wereld in toenemende mate. Of het nu gaat over technische constructies of politieke of economische, men ziet er steeds minder kans toe om tot een oplossing te komen. Dat wijt men aan de onoverzichtelijk wordende informatiestroom en men heeft niet in de gaten dat die stroom er juist is door de analyse. Juist daardoor mislukken de constructies, het opbouwen van samenstellingen. Niet alleen dat er politiek nauwelijks meer iets te construeren valt, maar ook wetenschappelijk is dit het geval. Is kernenergie nu te gebruiken of niet? Sommige deskundigen bevestigen dit (inderdaad is er energie uit de atoomkern te halen), terwijl anderen het ontkennen (het kost teveel moeite). Maar een werkelijk gefundeerd antwoord ontbreekt. En dat geldt voor zowel voor- als tégenstanders! In feite ligt de zaak echter dan als volgt: hoe dieper je doordringt in de materie, hoe ongrijpbaarder alles wordt, dus ook minder beheersbaar, dus minder nuttig, maar daar tegenover: gevaarlijker en duurder.

Even een uitstapje naar de gevolgen van de analyse (Rob van Es)

No. 31

Het energieprobleem

De gehele kosmos is een beweeglijk netwerk van energetische processen en dat is in geconcentreerde mate het geval bij de levende wezens. Die hebben, om te leven, energie nodig. Maar ook zetten zij energie om van latente tot actieve energie. In de haver, die het paard te eten krijgt zit een massa (zonne)energie opgeslagen, maar die latente energie is zo zonder meer niet bruikbaar. Is die energie echter actief geworden, doordat het paard de haver opgegeten heeft en daardoor krachten heeft opgedaan, dan is die energie via het paard wel bruikbaar geworden. Dat wil zeggen: bruikbaar voor de mensen, voor zover die in hun arbeidsproces de voorhanden (natuurlijke) werkelijkheid Omzetten tot hun eigen (menselijke) werkelijkheid. Zo’n natuurlijk omzettingsproces, dat de latente energie voor de mensen tot actieve en bruikbare energie omzet, houdt zichzelf in stand. Zolang er leven is vinden die omzettingen plaats. Er zijn nog andere voorbeelden van natuurlijke omzettingsprocessen; je kunt gebruik maken van de energie van de wind, van het water en tegenwoordig ook rechtstreeks van de zon via zonnecellen. Hoe dan ook, er zijn tal van mogelijkheden om de energie te halen waar ze is. Het draaien van de aarde bijvoorbeeld kan ook als een enorme krachtbron beschouwd worden. Maar steeds gaat het over ONUITPUTTELIJKE krachtbronnen. Met het doorbreken van het industriële tijdperk zijn de mensen gebruik gaan maken van krachtbronnen, die niet meer onuitputtelijk zijn: de steenkolenvoorraden raken op, die van de aardolie eveneens en zo ook met de voorraad uraan, dat voor de kerncentrales gebruikt wordt. Behalve het uitputten van die voorraden speelt er nog iets een rol. Als je namelijk je energie uit de materie haalt, moet je die materie op de een of andere manier splijten, kapotmaken om zo de latente energie te activeren. Dat levert onvermijdelijk een grote hoeveelheid meer of minder gevaarlijke afvalproducten op, die de planeet steeds meer vervuilen. Je kunt natuurlijk proberen die vervuilende afvalstoffen te neutraliseren en eventueel nuttig aanwenden, maar daarvoor heb je een belangrijk deel van de energie nodig, die je zojuist opgewekt hebt. Op de een of andere manier loop je met die splijtingsenergie op den duur vast en in de grond van de zaak komt dat doordat de hedendaagse mensen de zaak eenzijdig analytisch benaderen. Eenzijdige analyse loopt onafwendbaar in vernietiging uit.

De energie balans

Om de latente energie in de materie te activeren heb je energie nodig omdat de samengestelde materie zich verzet tegen splijting. Je moet als het ware de bindende krachten opheffen. Bij het verbranden van een stuk hout of steenkool is het splijtingsproces betrekkelijk gemakkelijk, maar bij het splijten van atoomkernen heb je een heel ingewikkelde installatie nodig, niet in het minst door de uitgebreide voorzieningen ten behoeve van de veiligheid. Als je nu eens alle energie, die je nodig hebt om met zo’n installatie wat elektriciteit op te wekken, bij elkaar voegt, dan blijkt dat je er veel meer energie in moet stoppen dan je er uit krijgt. En dat is allemaal energie, die al voor de mensen bruikbaar was en die dus eigenlijk niet nog eens omgezet behoefde te worden. Voorwaarde is echter wel, dat je alles incalculeert. Gebruikelijk is het om dat niet te doen omdat er een aantal energievormen is waaraan men weinig waarde hecht, zoals bijvoorbeeld denkenergie, maar ook het energetisch opname vermogen van het water, dat voor de koeling van die installaties gebruikt wordt. Alles bij elkaar genomen is bij splijtingsprocessen, ook verbranding en dergelijke, de energie- balans voor de mensen nadelig.

De economische balans

Als we ons even bepalen tot de meest extreme splijtingsmethode, die van de kernenergie, dan kunnen wij ons afvragen waarom de mensen dan toch van mening zijn met een goede krachtbron te doen te hebben. De verklaring hiervoor ligt bij het economische denken en wel speciaal bij het egocentrische karakter daarvan. Dat karakter drukt zich uit in de winst in die zin, dat het om MIJN voordeel gaat. Dat voordeel kan ik binnenhalen door reeds aanwezige bruikbare energie (arbeidskracht bijv.) goedkoop in te kopen en ze vervolgens om te zetten in duurdere energie. Bovendien moet ik het zo spelen dat een zo groot mogelijk deel van mijn (installatie)kosten door anderen betaald worden: de gemeenschap. Als ik dat voor elkaar krijg kan ik mijn winsten binnenhalen terwijl ik in feite niet voor nieuwe energie gezorgd heb. Ik heb slechts goedkope BRUIKBARE energie in dure BRUIKBARE energie omgezet. Omdat de hoogwaardige technologische nucleaire industrie in belangrijke mate een staatsaangelegenheid is, is ze economisch voor een bepaalde elite zo aantrekkelijk: veel gemeenschapsgeld vloeit naar de kassen van die elite. Zouden ze werkelijk alles zelf moeten betalen, zij zouden zich wel wachten om aan een dergelijke industrie te beginnen. Het is opmerkelijk dat in de gehele wereld de kernenergie in een waas van geheimzinnigheid gehuld is. In oost en west liegt en bedriegt men naar hartelust over de gevaren, maar vooral ook over de economische balans, omdat men wel weet dat deze laatste slechts positief gemaakt kan worden door de gemeenschap te laten betalen. Dat is overigens ook het geval met de bewapeningsindustrie, die al lang niets meer met het verdedigen van vrijheid en andere waarden te maken heeft. Beide, kerntechnologie en bewapeningstechnologie, zijn uiterst geraffineerde economische methoden om de burgers uit te plunderen en natuurlijk moeten die methoden geheim gehouden worden. Niemand mag ontdekken dat er in feite niets aan het welzijn van de mensen bijgedragen wordt. De mensen leveren energie (geld) in om er niets, behalve een gigantisch levensgevaar, voor terug te krijgen. In feite is alle analytische economie bedrog, maar over het algemeen krijgen de mensen er nog iets voor terug omdat de aarde inderdaad omgezet wordt in bruikbare goederen. Maar met bovengenoemde industrieën is dat niet het geval.

Toegankelijk zijn voor analyse

Eigenlijk is alles wat samengesteld is, en dus elk verschijnsel, uit elkaar te halen. Je kunt laten gelden dat de werkelijkheid bestaat uit ditten en datten. Laat je dit echter EENZIJDIG gelden, dan vernietig je alles. De ditten en datten in de werkelijkheid hangen echter ook nog met elkaar samen, en juist dat maakt die werkelijkheid tot wat ze is. Dat betekent in de praktijk dat je met je analyse altijd de werkelijkheid opheft en in een fictie terechtkomt. Maar, het is ook mogelijk om niet-eenzijdig te analyseren door alle ditten en datten blijvend in hun samenhang te zien. Wellicht is de term nuanceren hier te gebruiken, in die zin dat je de ditten en datten zo verfijnd mogelijk opvat als nuances in en van het samenhangende geheel. Om dat te kunnen doen moet je wel in staat zijn om te analyseren, maar je moet tegelijk in kunnen zien dat deze analyse slechts een MIDDEL is om de nuances te zien, en niet een DOEL. Als het gaat om het leren kennen van de werkelijkheid heeft een zo verfijnd mogelijke nuancering zin, terwijl een geanalyseerde werkelijkheid geen enkel begrip oplevert, maar slechts een grote hoeveelheid uiteindelijk zinloze kennis. Gaan we diezelfde kennis echter beschouwen als nuances van het geheel, dan heeft de aanvankelijke analyse zin gehad.

No. 32

Analyse

Bij het denken over de werkelijkheid komen steeds twee begrippen naar voren die onafscheidelijk zijn, maar wel van elkaar te onderscheiden, namelijk de begrippen totaal en geheel. Het begrip totaal heeft een aantal verschillende aspecten, die evenwel ook weer alle bij elkaar behoren en samenhangen. Als eerste is er de verzameling waaruit het totaal bestaat. Vervolgens is te zeggen dat die verzameling is opgebouwd uit samenstellingen en dat die samenstellingen tenslotte zijn terug te brengen tot de oermaterie. De Oermaterie kan op zichzelf ook weer als een verzameling van oneindig veel ietsen opgevat worden, maar uiteraard ook kan je een Iets op zichzelf bekijken. Dan kom je tot de conclusie dat zo’n iets een samenspel is van een vijftal beweeglijkheden, die op zichzelf volledig onbepaalbaar zijn. Er is evenwel tussen die vijf een samenhang en wel in die zin dat zij samengaan en dat wil zeggen dat zij ten opzichte van elkaar dezelfde beweging maken, zodat zij TEN OPZICHTE VAN ELKAAR stil staan, zonder dat zij voor zichzelf stil staan, want dat is niet denkbaar. Als het gaat over de werkelijkheid als totaal, dus als verzameling, is er de mogelijkheid de zaak uit elkaar te halen. De verzameling is toegankelijk voor analyse. Dat geldt uiteraard voor Alle verschijnselen, maar er is toch een verschil tussen het uit elkaar halen van een levend verschijnsel en de zogenaamde dode materie. Deze laatste blijft bij het splitsen lange tijd zichzelf en wordt slechts kwantitatief kleiner (een steeds kleiner wordende steen), totdat wij toegekomen zijn aan het splitsen van de atoomkernen (soms eerder: bij het splitsen van de moleculen, maar dat maakt voor de gedachtegang geen verschil). Het splitsen van een levend wezen echter levert al onmiddellijk het vervallen van een kwaliteit op, namelijk het zich opheffen van het leven, het doodgaan dus. Vervolgens echter kun je naar hartelust verder splitsen. Elke analyse is er op gericht de samenhang van de samenstellende delen te verbreken. Voor zover bij die analyse blijkt dat er oorspronkelijk toch een samenhang geweest is, wordt vertaald in relaties, d.w.z. onderlinge betrekkingen, wederzijds op elkaar inwerkende krachten. Er wordt dus iets bij verzonnen, een buiten de uit elkaar gehaalde elementen staande derde grootheid, die op beide inwerkt: de een of andere kracht. Zo levert de analyse op: ten eerste delen en ten tweede betrekkingen. Een betrekking echter vooronderstelt een uit elkaar zijn, zodat je kunt zeggen dat een betrekking iets geheel anders is dan een samenhang. Hij wordt er wel vaak voor aangezien, maar dat is fout.

Je houdt niets over

We kunnen het nu niet aantonen, maar het is een feit dat de materie tenslotte bij voortgezette analyse verdwijnt. Zodra je je verdiept in de oermaterie op zichzelf krijg je te doen met de al eerder genoemde beweeglijkheden en deze zijn volledig onbepaald. Ze onttrekken zich aan elke categorie van het bestaande. Zij bestaan - letterlijk - niet, hoewel ze er toch zijn. Dat betekent dat wij bij analyse tenslotte NIETS overhouden, dat alles uit onze handen glipt, zelfs de kennis over de werkelijkheid. Deze bestaat dan ook dank zij de SAMENHANG en niet dank zij de beweeglijkheden. Met deze laatsten gebeurt niets; zij zijn en blijven ongrijpbare beweeglijkheden en dat wordt niet tenietgedaan door het feit dat zij met andere beweeglijkheden gelijkop bewegen, maar dit gelijkop bewegen doet op den duur wel een verschijnselenwereld ontstaan, een wereld die er is dank zij dat gelijkop bewegen en dus dank zij de samenhang. Als je inziet dat het zo zit, begrijp je ook dat er geen sprake kan zijn van een derde grootheid, iets dat zich als iets verbindends tussen de ietsen bevindt. De materie wordt niet bijeengehouden door krachten of iets dergelijks; het lijkt voor Ons zo omdat wij krachten nodig hebben om haar uit elkaar te halen. De samenhang heeft op zichzelf niets met relaties te maken: relaties komen voor Ons voor de dag als wij de samenhang opheffen door de zaak te analyseren. Het begrijpen hiervan - maar dit is voor onze wijze van denken niet gemakkelijk - opent ook geheel nieuwe perspectieven bij het nadenken over de mensen en de mensheid, vooral waar het betreft het begrip rechtvaardigheid, dat immers ook niet te vatten is zonder inzicht in de samenhang. Je zou kunnen menen dat het je verdiepen in de wezenlijke situatie van de materie een abstracte bezigheid is, die voor het dagelijkse leven niet van belang is, maar zo’n mening is dom, want bij verder nadenken blijkt dat de verhoudingen in de materie nauwkeurig door alle vormen van leven (dus ook de menselijke) afgespiegeld worden. Omgekeerd opent het leren kennen van het wezenlijke van de menselijke levensvorm de deur voor het leren kennen van de gehele werkelijkheid! De opvatting van de oude denkers, dat je de werkelijkheid kunt leren kennen door jezelf te leren kennen, is dan ook een juiste opvatting, maar toegegeven moet worden dat je met een dergelijke wetenschap geen bruggen en raketten kunt bouwen, wel echter kan je berekenen dat zoiets als bijvoorbeeld nucleaire technologie op den duur iets rampzaligs zal blijken te zijn...

Oplossen van het systeem

Hoe dieper je analytisch in de materie doordringt, hoe meer het daartoe benodigde systeem (je apparatuur) méé gaat doen met de analyse. Het reactorvat, waarin je een kernsplitsing laat plaatsvinden, wordt zelf een onderdeel van die splitsing. Tot op zekere hoogte kan je dat voorkomen door speciale materialen te kiezen, maar tenslotte, bij een nog diepere splitsing, zal je dat niet meer gelukken. Op grond hiervan kan je zeggen dat de nucleaire technologie in feite een onmogelijke technologie is en dat wij waarschijnlijk thans al op de grens van het onmogelijke zitten. Niet alleen echter gaat je materiële systeem meedoen, je eigen denken doet dat ook. Dacht men aanvankelijk dat je eigen denken vrij zou kunnen blijven van zijn eigen werkzaamheid (het analyseren), thans gaat men meer en meer inzien dat je er qua denken niet aan kunt ontkomen onderdeel te worden van het analytische proces. Je eigen denken lost zich dus ook op! Tenslotte kan je er niets meer mee doen zonder krankzinnig te worden. In plaats van duidelijker en begrijpelijker wordt alles steeds verwarrender en minder te bevatten door je denken. Verder van waar u het uitstapje maakte (Rob van Es)

Betekenis van de analyse

Omdat de verschijnend: werkelijkheid samengesteld is, en omdat het menselijk zelfbewustzijn zich als niet materieel laat gelden behoort het analyseren bij de mensen. Er is dus op zichzelf geen kwaad woord van te zeggen. Analytisch onderzoek kan en mag niet wegblijven, maar het gaat wel om de vraag hoe je daar tegenaan kijkt. De analytisch verworven kennis kan in feite slechts het MATERIAAL zijn om de samenhangende werkelijkheid genuanceerd te begrijpen en de analyse is het gereedschap. Fout is het om dat materiaal voor DE werkelijkheid aan te zien en de analyse als DE methode tot begrip te waarderen. De werkelijkheid IS samenhang en het nagaan daarvan leidt tot begrijpen. Daarbij gebruik je onder andere de analyse en je voegt de daardoor verkregen kennis IN het geheel in, maar elke andere wijze van doen, bijvoorbeeld het samenstellen van een werkelijkheid uit elementen en relaties (zoals men in de wereldpolitiek probeert) is bij voorbaat tot mislukken gedoemd omdat op deze wijze geen samenhang tot stand gebracht kan worden, slechts een constructie.

No. 33

Samenhang en betrekking

Als je de werkelijkheid gaat analyseren haal je er de samenhang uit, maar als je dat laatste doet houd je tenslotte niets over, omdat de werkelijkheid in feite niets anders dan samenhang is. Weliswaar is deze samenhang niet te denken zonder datgene dat samenhangt, namelijk de beweeglijkheden, maar deze zijn en blijven volledig onbepaald. En dat is ook het geval voor zover ze deel uitmaken van het een of andere verschijnsel. In welke situatie ze ook verkeren, zelf blijven ze onbepaald; voor hen geldt dus geen enkele verandering, noch in situatie, noch in beweeglijk-zijn. Door hun onbepaald zijn hebben ze geen enkel belang, waar het om gaat is het feit dat er onvermijdelijk een ten opzichte van elkaar stilstaan op gaat treden omdat gelijk op bewegen niet uit kan blijven. Hierdoor ontstaat een verschijnselenwereld. Er bestaat dus geen kracht en geen middenstof die de beweeglijkheden aan elkaar bindt; zij zijn niet aan elkaar geplakt door wat dan ook. Trouwens: waar zou dat plaksel vandaan moeten komen? Behalve de beweeglijkheden IS ER NIETS. De beweeglijkheden zijn volledig onbepaald, geheel en al onaantastbaar, nergens in betrokken, en zo blijft dat! Door dat nergens in betrokken zijn behoeven zij ons dan ook niet te interesseren. Het gaat om de samenhang. En dat is het wat ik ophef als ik tot analyse overga: ik ben begonnen de werkelijkheid op te heffen. De werkelijkheid verzet zich tegen de analyse, hoe dieper ik met die analyse ga, hoe meer moeite het mij kost. Het verzet, vanuit de samenhang, wordt steeds groter. Hoe komt dit nu op mij over? Ik constateer dat er blijkbaar krachten zijn, betrekkingen, die de boel bij elkaar houden. Ze zitten blijkbaar aan elkaar vast geplakt, die moleculen en die atomen en nog kleinere deeltjes. En ik concludeer dat er blijkbaar een soort van bindende factor aanwezig is, een relatie, een betrekking tussen het één en het Ander. Maar wat ik licht vergeet is dit, dat ik die zogenaamde bindende factor gevonden heb bij ANALYSE van de werkelijkheid, zodat ik mij af kan vragen: is die bindende factor nu een element van de werkelijkheid, Of is het een element van de analyse? Inderdaad blijkt dat de bindende factor bij de analyse behoort; dat ik hem meen te ontdekken komt juist doordat ik aan het analyseren ben. Bij de analyse doe ik twee soorten van fundamentele kennis op: de kennis omtrent de materie, die overigens in niets uitloopt, en de kennis omtrent betrekkingen tussen de materiele dingen, en die kennis berust op een fictie omdat hij voortgekomen is uit mijn DENKEN, mijn analyse, en niet uit de werkelijkheid zelf. Wat is er nu gebeurd? Je hebt de samenhang opgeheven; bij het opheffen daarvan ontdekte je dat er samenhang was (door de weerstand tégen het opheffen); nadat je de zaak toch uit elkaar gehaald hebt is datgene dat eerst samenhang was nu een betrekking geworden. Dat betekent dat je, in je denken, iets aan de werkelijkheid toegevoegd hebt, iets dat er eigenlijk niet is, een fictieve bindende factor. Een factor dus, die zich TUSSEN het één en het Ander zou bevinden. Je hebt de samenhang vertaald in betrekkingen, die je in allerlei wetenschappelijke formules uitdrukt. Dit neemt evenwel niet weg dat het toch allemaal fictief is; er zijn geen betrekkingen tussen de dingen. Het begrijpen hiervan heeft, vooral maatschappelijk, verstrekkende gevolgen, met name waar het gaat over het begrip organisatie. Wat er wel is, is de samenhang en dat betekent dat het één en het Ander samen bewegen en daardoor ten opzichte van elkaar stil staan. Tussen die twee is er NIETS: er zit geen lijm, geen kracht of wat dan ook tussen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat men in de natuurkunde almaar tevergeefs zoekt naar de bindende krachten; telkens als men meent die gevonden te hebben blijkt het toch weer niet te kloppen. En, op grond van die fictieve betrekkingen hebben wij intussen een gehele wereld opgebouwd van wolkenkrabbers en raketten, een wereld die heel ondoelmatig blijkt te zijn en die steeds minder mogelijkheden biedt om in te leven, terwijl hij tegelijk op een steeds grondiger kennis berust. Dit is een tegenspraak die gaandeweg duidelijker aan het licht treedt, allicht, want met het verdiepen van de analyse neemt ook het aantal fictieve betrekkingen toe, terwijl de samenhang tussen al het bestaande afneemt. Daarmee nemen de levensmogelijkheden af.

Een sociologische levensbeschouwing

Tegenwoordig worden beweringen over de samenleving niet meer serieus genomen als je geen socioloog bent. Dat betekent dus dat de samenhang van de samenleving vertaald wordt in betrekkingen die te formuleren en eventueel te berekenen zouden zijn. Vervolgens wordt het stelsel van geformuleerde betrekkingen aangezien voor dé samenleving. Groot is dan de verbazing als de praktijk van het samenleven iets geheel anders laat zien dan op grond van het sociologisch stelsel van betrekkingen te verwachten was. De mensen houden zich niet aan de sociologische theorieën. Je kunt hen dat kwalijk nemen en hen van allerlei beschuldigen, maar in feite ligt de fout in het sociologisch denken zelf. Vanuit dat denken, wetenschappelijk verantwoord op grond van onderzoek, bouwt men de organisatie van bijvoorbeeld de staat op en men dwingt de mensen, door geweld en door overtuiging, zich naar dat stelsel te voegen, met uiteindelijk steeds weer als resultaat: de mensen gehoorzamen niet, zelfs niet als zij grondig op dat gehoorzamen geconditioneerd zijn. De oorzaak ligt in het niet-reële, het fictieve karakter van de betrekkingen die men tot een stelsel georganiseerd heeft. Dat de mensen zich hierbij niet laten inlijven is volkomen terecht, maar de sociologisch geschoolde organisatoren houden de mensen voor dat zij zich aan de spelregels zouden moeten houden. En als zij dat niet doen zijn zij onredelijk.

De organisatie

Als je, in welk verband dan ook, de mensen organiseert ben je bezig met met afdwingen van onderlinge betrekkingen, die er eigenlijk niet (kunnen) zijn. Zo’n stelsel van onderlinge betrekkingen noemt men tegenwoordig een scenario. De moderne militaire strategen bijvoorbeeld maken met behulp van computers hele oorlogsscenario’s. Zij organiseren al bij voorbaat een komende oorlog. Anderen hebben modellen voor conflicten bestudeerd, menende dat dit kan helpen de problemen op te lossen. Overal is men bezig de samenhang van de werkelijkheid door een stelsel van betrekkingen te vervangen. En dit nu is organiseren! Het is het onderbrengen van het leven, dat alles met samenhang te maken heeft, in scenario’s die wetenschappelijk uitgedokterd worden. Een dergelijk organiseren loopt op chaos uit en dat begint zich in onze moderne wereld al aardig te realiseren. Langzamerhand gaat het leven van de mensen aan scenario’s beantwoorden, veel verschillende scenario’s desnoods, uitermate pluriform, maar toch: scenario’s. Het gaan en staan van de mensen wordt van tevoren uitgerekend en het wordt van bovenaf aan de mensen opgelegd, voornamelijk met behulp van het inprenten van zogenaamd sociaal gedrag. Het moderne begrip organisatie heeft dus niets met een samenhangende menselijke werkelijkheid te maken, maar met een verzonnen stelsel van onderlinge betrekkingen, afhankelijkheden en belangen waarin niemand zich thuis kan voelen en dat, naarmate het beter georganiseerd wordt, steeds minder functioneert...

No. 34

Een opmerking over het kunnen

Te zeggen is: ik kan de werkelijkheid analyseren, maar tegelijk is ook het tegendeel staande te houden: ik kan de werkelijkheid NIET analyseren. De uitdrukking ik kan heeft in beide gevallen een andere betekenis; in het eerste geval duidt het op een in staat zijn tot en in het tweede geval, in combinatie met het woordje niet gaat het over iets dat ik, om welke reden dan ook, heb te 1aten. Dat iets laten vooronderstelt dat ik wel tot iets in staat ben, dat iets binnen mijn macht, mijn vermogen ligt. Zo ben ik in staat de werkelijkheid te analyseren, maar ik heb dat te laten omdat ik daarmee alles vernietig en, vanaf het eerste moment, het leven aantast. Op grond van die analyse en de daarmee opgedane kennis zijn wij bijvoorbeeld in staat om bij een mens het erfelijk materiaal te veranderen, maar toch zullen de mensen eens ontdekken dat je zoiets maar hebt te laten omdat zo n verandering de oorspronkelijke samenhang verbreekt. De mensheid nadert het punt dat zij tot alles in staat zal zijn om tegelijk tot het inzicht te komen dat je het allemaal achterwege hebt te laten. Dat achterwege laten is een zelfbewuste aangelegenheid, je doet dat op grond van je inzichten in de werkelijkheid zelf en niet op grond van je, door analyse verkregen, kennis van de delen en de betrekkingen.

De verschuiving naar functioneel denken

Aanvankelijk was het analytische denken gericht op het ontdekken van de delen. Je constateert immers als eerste dat alles samengesteld is en dus ga je dat uit elkaar halen om te zien waaruit het bestaat. Pas daarna ga je je in de betrekkingen verdiepen; je gaat je afvragen hoe die gevonden delen ten opzichte van elkaar functioneren. Je gaat daarover dan theorieën opstellen. De volgorde is dus: eerst de delen en daarna de betrekkingen. Deze volgorde is in de geschiedenis van de moderne wetenschappen terug te vinden. Een tekenend voorbeeld daarvan vinden wij in de natuurkunde waarin de rol van de relativiteit steeds belangrijker is geworden. Maar het is niet alleen daar dat men aan de betrekkingen aandacht is gaan besteden, ook in het maatschappelijke en politieke denken is een verschuiving naar het functionele aan te wijzen. In een modern bedrijf bijvoorbeeld gaat het niet meer in de eerste plaats om de posities van de afzonderlijke werknemers, maar om hun functioneren in de gehele organisatie. In de hedendaagse technologie is het bestuurscentrum het belangrijkste gedeelte en dat is ook het geval bij overheden die binnen het kader van een staat de betrekkingen tussen de mensen proberen te regelen. Dat was vroeger nauwelijks het geval: die betrekkingen lagen al bij voorbaat vast en iedereen behoorde zijn plaats te weten. Thans echter ligt de nadruk op het meewerken, op het zijn rol spelen en dus op het functioneren. In de moderne wetenschap der bestuurskunde houdt men zich met dit soort van zaken bezig. Sommigen zijn van mening, dat met het verschuiven van het denken naar het functionele het analytische terrein verliest, maar dat is niet juist. We hebben juist met een verdergaande analyse te doen omdat het niet om samenhang gaat, maar om betrekkingen die door de analyse te voorschijn zijn gekomen. Betrekkingen die steunen op de mening dat de delen van de werkelijkheid op de een of andere manier aan elkaar geplakt zijn. Zo lijkt het immers als je de samenhang vernietigt! Inderdaad is het functionele een stap vooruit in het denken van de mensen, maar het is wel een stap vooruit in het analytische denken. Door het fictieve karakter van het functionele denken kan er geen samenhangende mensheid uit ontstaan, zoals sommige holistische denkers verwachten.

De moderne organisaties

Als gevolg van het voortgaande analytische denken en dus ook op grond van een steeds groter aantal betrekkingen worden er in de moderne wereld almaar ingewikkelder organisaties tot stand gebracht. Dat gebeurt met een grotere kennis van zaken zodat je zou verwachten dat dit betere resultaten zou opleveren. Maar dat is niet het geval; opvallend is daarentegen juist dat de resultaten van de ingewikkelder organisaties zienderogen minder worden. Dit komt doordat de fictie zo langzamerhand allesoverheersend wordt. Van hieruit beweren de organisatoren, de regelaars, dat zij grote successen boeken, dat zij bijvoorbeeld de economie weer gezond gemaakt hebben, terwijl gemakkelijk geconstateerd kan worden dat dit maar praatjes zijn, ten eerste omdat er niets gezond is geworden en ten tweede omdat eventuele veranderingen of verbeteringen niet aan die regelaars te danken zijn, maar aan betrekkelijk ongrijpbare werkingen binnen het geheel van de mensheid. Dus: men doet alsof men de zaken goed geregeld heeft terwijl in feite de verwarring alleen maar groter is geworden. De idee, dat bij het kennen van de delen en de betrekkingen een goed functionerende maatschappij op te bouwen zou zijn, is een waanidee. Het gehele moderne organisatiebegrip is op de delen en de betrekkingen georganiseerd, maar op die manier wordt een organisatie geen echte organisatie; de zaak blijft steken in een dwangsysteem waarin alles en iedereen beneden zijn niveau blijft en niets tot zijn recht komt. Voor zover er dan toch nog een tijdje iets van terechtkomt gelukt dit niet dankzij de organisatie, maar ONDANKS de organisatie. Telkens weer blijkt dat het slagen van een project het gevolg is van persoonlijk initiatief dat het organisatorische netwerk doorbreekt. De ontkenning van de organisatie kan welslagen tot gevolg hebben. De oorzaak hiervan is gelegen in het aanvoelen, meer of minder duidelijk, van SAMENHANGEN.

Wat is chaos

Het opsplitsen in steeds kleinere delen loopt tenslotte in niets uit en het laten gelden van almaar meer betrekkingen loopt in een alles overheersende fictie uit. Dat levert chaos op. Ik versta dus onder chaos een uiteengevallen gefingeerde werkelijkheid, die voortgekomen is uit een volledig samenhangende. De chaos is dus een resultaat van menselijke activiteit, in tegenstelling tot het Griekse begrip chaos dat betrekking heeft op een vermeende beginsituatie van de werkelijkheid: voor dat er iets was, was er chaos. Ik zeg: door het analytische menselijke denken ontstaat er chaos. Chaos betekent dus een uit elkaar gehaalde werkelijkheid, een vernietigde samenhang.

Het nut van de dingen.

Al het voorgaande is bedoeld om duidelijk te maken waarin ons analytische denken OP ZICHZELF uitloopt. Maar aan dat denken komt wel een aantal dingen mee waarvan te zeggen is dat zij nuttig zijn. Dit betekent dat het gaat over dingen die voor de gebruikers een rol zijn gaan spelen in de samenhang van hun leven. Dat heeft niets meer met chaos te maken. De fabricage echter van die spullen stond wel in het teken van de fictie, want daarbij ging het om de winst, het zichzelf bevestigen buiten de samenhang om: het zichzelf verrijken. Winst maken houdt ook vernietiging van de samenhang in en daarom behoort dit begrip tot de analytische denkwereld. Er wordt niets gefabriceerd als het niet de belofte van winst inhoudt, maar anderzijds is op te merken dat het fabriceren van spullen vereist dat zij te gebruiken zijn, in te passen zijn in de samenhang van het leven. Veelal echter wordt dat nut alleen maar gesuggereerd, maar zelfs de wapenfabrikanten moeten het doen voorkomen alsof hun producten nuttig zijn, bijvoorbeeld voor de verdediging van de cultuur en de zogenaamde democratische vrijheden van de mensen.

No. 35

Bladwijzers: Mystiek-1  Mystiek-2  Mystiek-3  Mystiek-4  Mystiek-5  Mystiek-6

De teruggang van de analyse

Sommige moderne denkers zijn van mening dat de mensen zich gaandeweg af zullen wenden van het analytische denken, omdat dit geen praktische resultaten kan opleveren en feitelijk alleen maar in vernietiging uit kan lopen. Zij menen dat wij holistisch zouden moeten gaan denken. Op zichzelf is dit juist gezien: als je onder holisme verstaat, in het kort gezegd, het denken in samenhangen, is het zeker een feit dat wij daar naar toe zouden moeten. Maar vanuit de analyse kan je niet tot een samenhang komen: in het beste geval gelukt het je om zo verfijnd mogelijke, betrekkingen tot stand te brengen. Je kunt dan een uitermate geraffineerde constructie maken waarin alle onderdelen nauwkeurig in elkaar grijpen, terwijl je doormiddel van een meet- en regelsysteem de hele zaak kunt controleren en, waar nodig, corrigeren. Het is zelfs zo sterk dat de voortdurende controle, die zelfs de kleinste betrekkingen in de gaten moet houden, een nog belangrijker plaats gaat innemen dan de constructie zelf. In de moderne technologie is dit al waar te nemen en er zijn al ontwikkelingen gaande die er toe moeten leiden dat ook het controle systeem efficiënt gecontroleerd kan worden. Een dergelijke ontwikkeling heeft ook in de moderne maatschappij plaats en er is zelfs wel te zeggen dat wij toegaan naar een wereld, vol van elkaar controlerende systemen. In het holistische denken verkijkt men zich hierop nogal eens doordat men over het hoofd ziet dat de zogenaamde feedback processen, waarbij bepaalde betrekkingen gecorrigeerd worden op grond van informatie uit een verder stadium van een bepaald proces, evenzeer tot de fictieve werkelijkheid van de betrekkingen tussen de dingen behoren. Vanuit de analyse zelf is geen holisme mogelijk, als je daaronder althans het denken in samenhangen wilt verstaan. Bedoel je echter het toewerken naar een alomvattend systeem, waarin alle onderdelen hun functie hebben, dan kan je wel spreken van een zich naar het holisme ontwikkelend denken. In deze laatste betekenis echter behoort het holisme wel degelijk tot het analytische denken; het is daarvan de meest verfijnde uitwerking. Dan is er nog iets: de mensen kunnen zich niet van het analytische denken afwenden omdat het hun cultuur is en ook omdat er geen rust zal zijn voordat men de werkelijkheid effectief uit elkaar gehaald heeft. Met andere woorden: een cultuur proces gaat door totdat het alles heeft waargemaakt wat er in verborgen was en zo gaat de analyse door totdat er echt niets meer is overgebleven. Er valt dan ook op te merken dat diegenen, die zich bewust gaan worden van andere denkmogelijkheden, vrijwel zonder uitzondering bevangen blijven in de analyse. Daardoor weten zij met die andere mogelijkheden niet goed raad zodat het gevolg is dat er een romantisch mystiek denken ontstaat dat nauwelijks verder komt dan een min of meer religieuze bewondering voor en verbondenheid met de kosmos, het heelal, het vrouwelijke, het oosten en dergelijke. En dat gaat dan gepaard aan een aversie tegen het denken, en het wetenschappelijk denken in het bijzonder. Men heeft doorgaans niet in de gaten dat men zelf het denken en de wetenschap verengd heeft tot eenzijdige analyse en dat het zaak is deze verenging te boven te komen.

Het nuttig zijn en het nodig zijn

Bij het leven van de mensen op de planeet behoort dat zij de natuur omzetten tot zichzelf. Zij maken de aarde tot inhoud van hun geest, van hun zelfbewustzijn, en het proces waarlangs dit gebeurt is het arbeidsproces. Genoemde omzetting levert een grote verscheidenheid aan spullen op en van die spullen is te zeggen dat zij tot mens geworden natuur zijn. Duidelijk zal zijn dat de KWALITEIT van die spullen afhankelijk is van de visie, die de mensen omtrent zichzelf hebben. Vinden zij van zichzelf dat zij heersers moeten zijn, dan vinden ze tot wapentuig omgezette natuur nuttige spullen en zij vinden ook dat zij die beslist nodig hebben. Anderen zullen landbouwwerktuigen nuttig en nodig vinden. Hier ligt dus de vraag: wanneer gaat het werkelijk over de kwaliteit van de spullen? Als de werkelijkheid en dus ook de menselijke werkelijkheid analytisch benaderd wordt, dan zal daarin de norm voor de kwaliteit liggen. Dat betekent dat het zal gaan om zoveel mogelijk spullen en om de betrekking tussen het ene ding en het andere. Het eerste uit zich in de voortdurende behoefte aan groei en het tweede in een waarden systeem dat door alles heengaat en dat alles beheerst. Beide verschijnselen zijn voor onze moderne wereld typerend. We verdrinken zo langzamerhand in de spullen en de waarde daarvan wordt steeds meer fictief, d.w.z. almaar minder uit te drukken in een eenheid van waarde, geld bijvoorbeeld. Bovendien regelt de hoeveelheid spullen de betrekking tussen de ene mens en de andere: wie het meeste heeft is de machtigste. Over de werkelijke kwaliteit van de spullen gaat het niet; voor zover er toch een norm gesteld wordt voor kwaliteit wordt die bepaald door de verkoopbaarheid, die immers alleen maar bevorderd kan worden door de producten niet al te slecht te maken. Meer dan eens is gebleken dat bepaalde producten slechter worden naarmate de producenten een groter aandeel in de markt verworven hebben. Men gaat er dan heel voorzichtig toe over goedkopere en minder goede onderdelen en grondstoffen te gebruiken. Zo zijn er tal van voorbeelden. In het algemeen kan men vaststellen dat met het ruimer voorhanden zijn van spullen de kwaliteit daarvan afneemt. Tegenwoordig is technisch bijna alles mogelijk, wat de productie betreft, maar de kwaliteit van de producten is aanzienlijk minder geworden. Er is maar één mogelijkheid om de spullen tot hun recht te laten komen en die is gelegen in een volwassen visie van de mensen op zichzelf. Volgens die visie hangt alles met alles samen en dat heeft tot gevolg dat je heel anders tegen het nuttig zijn en het nodig hebben aan gaat kijken. In de eerste plaats vervallen het zoveel mogelijk en de waarde, zodat een groei-economie die op winsten gericht is tot de onmogelijkheden gaat behoren. Bovendien vervalt het geschraap van iedereen, die voor zichzelf zoveel mogelijk wil binnenhalen. Als het gaat om de samenhang der dingen gaat het uitsluitend om datgene dat die samenhang bevordert en dat heeft niets met zoveel mogelijk te maken. Eerder gaat het om zo weinig en zo doelmatig mogelijk. Alles wat hierboven uit gaat is luxe die geen rol kan spelen in de samenhang en die dus onnut en onnodig is. Met luxe besteel je eigenlijk de anderen, want Of je pakt het echt van iemand af Of je bent er oorzaak van dat het teveel geproduceerd is. In een volwassen economie is de productie spaarzaam; dat betekent niet dat iedereen zich allerlei moet ontzeggen - en dat geldt nooit voor de slimmeriken - maar dat iedereen zich houdt bij datgene dat nodig is. Niemand kan voor een ander bepalen wat er nodig is. Voor elk mens gelden andere behoeften en dat is van kracht voor alle mogelijke soorten van producten. Aan die behoeften moet voldaan worden, maar dat is geen enkel probleem: de productiviteit zal daardoor, vergeleken bij de huidige, eerder dalen dan toenemen omdat wij er thans nog op uit zijn méér dan het nodige in de wacht te slepen en aan die hebberigheid kan ook voldaan worden. Niemand behoeft voor anderen te bepalen wat zij nodig hebben en niemand behoeft dat te controleren omdat een volwassen mens nu eenmaal geen luxe wenst, d.w.z. niet méér wil hebben dan nodig is. In deze situatie gelden de betrekkingen tussen de dingen ook niet meer zodat het waardeoordeel is vervallen. Op basis daarvan benijdt men elkaar de dingen niet meer en ook dat maakt luxe onmogelijk.

 Bladwijzers: Mystiek-1  Mystiek-2  Mystiek-3  Mystiek-4  Mystiek-5  Mystiek-6

No. 36

Bladwijzers:    Algemeen belang-1 ; Algemeen belang-2 ; Algemeen belang-3 ; Algemeen belang-4 ; Doen alsof ; Terrorisme-1(36 t/m 40) ;

 

Een vreemde moeilijkheid    

Door onze analytische denkwijze hebben wij zoveel kennis verworven, dat het nauwelijks meer mogelijk is enige slagorde in de dingen te krijgen. Zoals ik al eerder gezegd heb valt die kennis in zekere zin uiteen in kennis van de materiële dingen en kennis van de niet-materiële betrekkingen tussen die dingen. Maar die kennis van de betrekkingen bevordert het in slagorde brengen van de kennis van de materiële dingen niet, al was dit wel de verwachting. Het merkwaardige is evenwel dat de verwarring, die het gevolg is van de analyse, niet in de eerste plaats voor de dag komt binnen het kader van dat analytische denken zelf, maar in de praktijk van het leven in de maatschappij. De deskundigen denken systemen, plannen en voorschriften uit, geven oplossingen voor bepaalde problemen, zijn er zelfs van overtuigd de maatschappij te besturen en zij maken daarbij gebruik van een vaak erg ingewikkelde wetenschap, maar toch blijkt het alles in de praktijk een slag in de lucht te zijn. In de praktijk gebeurt er of helemaal niets, of de zaak werkt heel anders uit dan de bedoeling was, vaak zelfs geheel averechts. Nu kan je zeggen dat het niet-uitwerken, of anders-uitwerken of verkeerd uitwerken eigenlijk de geheime bedoeling van die deskundige bestuurders was, maar dat is niet zo. Een leugenachtig plan, dat iets anders op moet leveren dan gesuggereerd wordt, is immers nog altijd een plan dat moet werken, dat succes moet hebben. Maar ook dergelijke plannen blijken telkens weer een slag in de lucht. Daarom kunnen wij nu, bij het overdenken van dit probleem, alle mogelijke kwade bedoelingen en valse voorspiegelingen - waarvan het natuurlijk wemelt! - gevoeglijk buiten beschouwing laten. Ook de kwade plannen blijven hangen in het luchtledig... Wij mogen ons niet laten misleiden door het feit dat het altijd weer bepaalde elites zijn die door de plannen en regelingen bevoordeeld worden. Voor zover die elites de regelingen ten eigen bate opstellen is dat te danken aan het van bovenaf denken dat aan de onvolwassen mensheid meekomt en als zodanig is dat het vanouds bekende gedoe. Hoe democratisch ook, de wereld is nog steeds het bezit van de elites. Voor zover echter de plannen en regelingen bedoeld zijn voor het zogenaamde welzijn van de burgers, zijn het ook steeds de elites die er het meeste voordeel van hebben. Dat echter danken zij aan hun grotere mogelijkheden om zich aan het algemeen belang te onttrekken: een grote onderneming is ook verplicht om belasting te betalen, doet dat dan ook, maar: dank zij allerlei juridische en fiscale trucs komt het betaalde weer ruimschoots terug uit de schatkist. Dit soort zaken echter zijn pragmatisch, men slaat zijn slag als de kans zich in de praktijk voordoet. Wij kunnen dus de pragmatische activiteiten ook terzijde laten. Het gaat louter en alleen om wetenschappelijk beredeneerde systemen met betrekking tot de werkelijkheid, systemen die binnen het denken verantwoord zijn, maar die daarbuiten elke realiteit missen en dat dan niet omdat er fouten in zitten (wat natuurlijk wel vaak het geval is), maar omdat zij nergens op slaan. Zo zijn er allerlei plannen om de werkgelegenheid te bevorderen en enkele daarvan zijn tot maatregelen uitgewerkt. Wat het resultaat daarvan ook is, de werkgelegenheid is er niet door toegenomen, misschien juist wel afgenomen, en de ondernemingen, alert als altijd, hebben het geld met scheppen binnengehaald. Niemand heeft zelfs maar gemerkt dat er een werkgelegenheidsplan was. Hetzelfde geldt voor het bestrijden van de misdaad, het vandalisme en het terrorisme en straks ook voor de zogenaamde sancties tegen Zuid-Afrika. Het blijft allemaal bij theorie, bij gepraat en geschrijf en gereken terwijl het verband met de realiteit steeds ver te zoeken is.

Het fictieve wereldbeeld   Die vreemde moeilijkheid is gelegen in het fictieve karakter van onze cultuur; het loopt door alle verschijnselen heen en is vaak moeilijk te onderscheiden van welbewuste al of niet kwade bedoelingen van machthebbers. President Reagan van de USA, is die nu de verpersoonlijking van het kwaad of leeft hij voornamelijk in een fictieve werkelijkheid, die alleen maar voor een aantal deskundigen reëel is? Deskundigen uiteraard, die op zichzelf tot de haviken gerekend moeten worden. Welnu, als je je verplaatst in de gedachtewereld van zo’n havik (daarvoor is geen grote intelligentie vereist!), dan bemerk je dat ook zijn havikplannen nergens op slaan. Zij berusten doorgaans wel op een grote kennis van militaire en strategische zaken, maar zijn tegelijk gespeend van elk militair en strategisch inzicht. In de praktijk zouden die plannen helemaal niet werken! Je kunt zeggen dat er in de moderne wereld twee gescheiden ontwikkelingslijnen waar te nemen zijn, lijnen die met elkaar nauwelijks raakpunten hebben en die toch tegelijk optreden. De éne lijn zou je de intellectuele kunnen noemen - de werkelijkheid van de moderne maatschappij zoals die gedacht wordt - en de tweede lijn die de praktische is - de werkelijkheid zoals die gedaan wordt. Wellicht kan je beter zeggen: de pragmatische lijn. Dit onderscheid wordt gewoonlijk niet gezien, maar als je het eenmaal in de gaten hebt zie je het overal: bij de abortus en euthanasie kwestie, in het strafrecht, het ouderenbeleid, het onderwijs, de economie. Steeds is de gedachte werkelijkheid een andere dan de pragmatische. De moderne mens is een wandelende fictie, hij doet alsof hij praktisch handelt en hij gelooft daar ook in, maar in feite slaat het absoluut nergens op. De kunstenaars bijvoorbeeld doen alsof zij zich met de kunst bezig houden, maar in feite volgen zij een intellectueel beredeneerd gedragspatroon dat met kunstenaarschap niets gemeen heeft. De medici doen alsof zij de mensen genezen, ménen dat ook werkelijk, en hebben niet in de gaten dat zij met een economisch programma bezig zijn en wezenlijk de mensen eerder ziek maken dan genezen. De hulpverleners doen alsof zij de mensen helpen, maar zijn in feite bezig met hun eigen maatschappelijke rechtvaardiging. Zo kan je eindeloos doorgaan... Let op: bedoel ik nu dat men de boel belazert? - Neen, dat bedoel ik niet; behoudens enkele uitzonderingen is men eerlijk bezig. Men heeft gewoon niet in de gaten dat vrijwel alle gedoe een doen alsof is. Men is vervreemd van eigen menszijn en men bevindt zich in een fictieve werkelijkheid. Daarin heeft men zelf geen erg, allicht niet, want zodra je het in de gaten krijgt kan je niet anders dan er onmiddellijk mee ophouden. Geen mens kan leven in een illusie.

Vanwaar die fictie? 

Steeds hebben wij er al op gewezen dat bij de analyse van de werkelijkheid niet alleen de elementen (materieel) voor de dag komen, maar ook de relaties (= de betrekkingen, immaterieel). ( Zie het hoofdwerk Beweging en Verschijnsel deel 1; 2 en 3 ). Die relaties evenwel zijn een gevolg van de analyse, in die zin dat zij alleen maar dan optreden als wij analyseren. Ze bestaan alleen in ons analytische denken. Zij zijn de schijnbare samenbindende krachten die wij bij analyse tegenkomen en zij berusten op het zich verzetten van de samenhangende werkelijkheid tegen het uit elkaar halen. Dat verzet interpreteren wij als een samenbindende kracht, maar in feite bestaat die kracht helemaal niet, het is een door het uit elkaar halen opgeroepen fictie, een illusie. Voor zover dus in het moderne denken de relaties aan belang winnen wordt de fictie sterker en krijg je een toename van het doen alsof men zich met de samenbindende krachten bezig houdt: sociaal zijn, solidair zijn, democratisch zijn, zorgzaam zijn, artistiek zijn, enz., terwijl de praktijk steeds weer van het tegendeel blijk geeft.

Bladwijzers:    Algemeen belang-1 ; Algemeen belang-2 ; Algemeen belang-3 ; Algemeen belang-4 ; Doen alsof – zie A , B , C-67/68 ;

 

No. 37

Bladwijzers: Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m19, 20 en 21, 37, 44, 48 en 68

 

De medische wetenschap, een opmerking

 

Het is beslist een feit dat de medische wetenschap, net als trouwens andere wetenschappen, een enorme voortgang heeft geboekt. Maar, zoals steeds moet je je ook hierbij afvragen: wat versta je onder voortgang, welke normen leg je daarvoor aan? Gaat het dan over het vermeerderen van kennis, dus over de groei daarvan, dan kan je van vooruitgang in de medische wetenschap spreken en dat geldt ook op het terrein van de medische techniek en het stellen van diagnoses. Maar als je vindt dat het moet gaan over het vermogen tot genezen, tot het herstellen van de gezondheid, dan is het resultaat eigenlijk erg pover. Zelfs is te zeggen dat dit vermogen achteruit gegaan is, althans lang geen gelijke tred heeft gehouden met de groei van de kennis. En deze achterstand wordt nog aanzienlijk vergroot door de enorme toename van de zogenaamde iatrogene ziekten die door de behandelingen der medici veroorzaakt worden. Dat heeft betrekking op minstens drie doelstellingen: ten eerste de bedoeling om de ziekten via hun symptomen te bestrijden, gegrond op de misvatting dat het symptoom de ziekte is (het gezwel is de kanker); ten tweede de bedoeling om biologisch zinvolle, maar voor een modern mens lastige verschijnselen weg te werken (zwangerschap, hoofdpijn, koorts, stress); ten derde de bedoeling om mensen onredelijk lang in leven te houden (ouderdomskwalen). Bijna alle moderne geneesmiddelen hebben kwalijke bijwerkingen. In feite is dat woord bijwerking misleidend, want het gaat er heel gewoon om dat die geneesmiddelen een mens ziek maken. De toename van kennis leidt niet tot een groter genezend vermogen. Dat vindt zijn oorzaak in het feit, dat die kennis door analyse verkregen is en dus niet betrekking heeft op het lichaam als geheel, maar op het lichaam als een verzameling op zichzelf beschouwde onderdelen. Zo’n geneesmiddel werkt wel op een bepaald onderdeel (maar heel vaak ook niet) en kan daar schijnbaar genezen, maar het herstelt de samenhang van het geheel niet. Eigenlijk verstoort het die samenhang zelfs. De essentie van de werkelijkheid is de samenhang. Als je die verbreekt door bijvoorbeeld een ijzeratoom te splitsen gebeurt er niet zoveel bijzonders want dat ijzeratoom wordt getypeerd door het begrip samenstelling, terwijl het begrip samenhang op de achtergrond ligt. Maar als menselijk lichaam staat de werkelijkheid wel in het teken van de samenhang (met de samenstelling op de achtergrond) en dus moet je die leren doorgronden om te kunnen genezen. Dat evenwel gebeurt niet in de moderne medische wetenschap. Van alle moderne wetenschappen is de medische de meest aansprekende waarmee wij allemaal wel eens te maken krijgen en waarin wij allemaal steeds meer teleurgesteld worden. Wij ondervinden letterlijk aan den lijve dat de analyse wel kennis, maar geen wéten oplevert. De onmogelijkheid van Onze cultuur staat hier ten voeten uit. Dan is er nog iets: sinds de tweede wereldoorlog hebben de medici gaandeweg het monopolie van de gezondheid opgeëist; het is hun product geworden dat aan de consumenten gesleten moet worden. Bovendien hebben zij het recht genomen om als enigen te mogen bepalen wat ziek-zijn is en wat gezondheid, en dat op grond van normen die zij zelf opgesteld hebben. Vanuit deze onaantastbare positie doen zij het voorkomen alsof zij het zijn die ook inderdaad voor de gezondheid zorgen. Maar onderzoekingen hebben uitgewezen dat het aandeel van de medici daarin maar uiterst klein is: de vooruitgang in de volksgezondheid is vooral aan maatschappelijke en sociale factoren te danken. De medici hebben slechts in enkele gevallen enige inbreng gehad. Ook nu er tegenwoordig zoveel klachten zijn over de slechte kwaliteit van het voedsel hoor je de medici niet, maar wel lopen zij rond met het air de volksgezondheid te bevorderen!

Nog iets over de fictie

Je kunt je afvragen waarom de moderne mensen, bijvoorbeeld de medici, niet in de gaten hebben dat het allemaal niet zo goed zit en maar stug doorgaan met hun heilloze programma. Het antwoord op die vraag hebben wij eigenlijk al gegeven: het is het fictieve karakter van onze cultuur. Toch is er nog wel het een en ander aan toe te voegen. Van belang is in de gaten te hebben waar die fictie zit. Op een gegeven moment laat een aantal beweeglijkheden zich gelden als materie, niet omdat die beweeglijkheden aan elkaar geplakt raken door bijv. aantrekkende krachten of iets dergelijks, maar doordat zij in een situatie komen te verkeren dat zij ten opzichte van elkaar stil staan. Er zijn dus geen samenbindende krachten in het spel, trouwens, waar zouden die vandaan moeten komen, er zijn immers alleen maar beweeglijkheden! Dat ten opzichte van elkaar stil staan ervaren WIJ als aan elkaar vast zitten, als bijeengehouden worden door krachten. Wanneer bemerken wij dat? - Dat bemerken wij als wij de boel uit elkaar gaan halen: de werkelijkheid verzet zich daar tegen. Steeds moeten wij onze krachten inspannen om ons doel te bereiken. Dat is logisch omdat wij bezig zijn de samenhang te verbreken. En die samenhang is het, er zijn van de werkelijkheid; de werkelijkheid vertoont geen samenhang, zij IS samenhang. Gemorrel aan die samenhang betekent in wezen Opheffen van de werkelijkheid. Als je daarmee bezig bent ervaar je de samenhang als een tegenkracht, als een weerstand, als een reactie en je trekt dan de verkeerde conclusie dat de werkelijkheid door krachten bijeen gehouden wordt. Die conclusie is fictief, die krachten bestaan niet, maar zij schijnen er te zijn juist doordat wij de zaak uit elkaar haalden, analyseerden. Krachten zijn relaties, betrekkingen tussen dingen. Relaties zijn dus fictief, zij bestaan alleen maar in ons denken. Omdat dit denken kenmerkend is voor onze cultuur kan je zeggen dat wij steeds dieper ingaan op iets dat niet bestaat, maar dat voor ons toch dermate concreet is dat wij er zelfs berekeningen over kunnen maken en onderzoekingen naar kunnen doen. Binnen het kader van ons denken levert dat een aantal resultaten op en pas als die resultaten op de werkelijkheid toegepast worden blijkt hun fictieve karakter. Er zijn dus twee werelden: die van de gedachte werkelijkheid met haar netwerk van betrekkingen, concreet en berekenbaar, en de echte werkelijkheid waarin al dat fraais een slag in de lucht blijkt te zijn.

Wat is nu die samenhang?

Bladwijzers: Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ;

Als twee of meer beweeglijkheden gelijk op bewegen staan zij ten opzichte van elkaar stil. Zij onderscheiden zich dan niet meer van elkaar en dat betekent dat zij in elkaar overgaan. Er bevindt zich niet iets tussen die twee (relatie, betrekking), maar de één is onmiddellijk de ander en blijft tegelijk zichzelf. Niet-analytisch denken houdt dus in: denken in overgangen, de werkelijkheid beschouwen als een weefsel van overgangen en niet als een verzameling détails. Een overgang is niet te berekenen omdat hij niet te bepalen is en dat is iets dat in het moderne natuurkundige onderzoek steeds duidelijker blijkt. Maar in de wereld van de grovere verschijnselen ligt het voor ons zichtbare onderscheid meer op de voorgrond en daarom kan je, wat die wereld betreft, best wel in relaties denken, als je maar weet dat het eigenlijk ficties zijn. Elke ingenieur weet bijvoorbeeld dat het zogenaamde in elkaar passen van de onderdelen van een machine maar een benadering is en dat echt in elkaar passen toch een illusie is. En elke hersenonderzoeker weet dat het niet lukt in de hersenen, hoe materieel op zichzelf ook, onderscheidingen aan te brengen en werkingen te bepalen en te berekenen. Met andere woorden: bij voortgaand onderzoek blijkt steeds weer het vluchtige karakter van de werkelijkheid.

Bladwijzers: Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m19, 20 en 21, 37, 44, 48 en 68

 

 No. 38

Bladwijzers: Hersencel-1 ; Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ;

 

Een voorbeeld van samenhang in de fysica

Al in de dertiger jaren werden de natuurkundigen geconfronteerd met een heel merkwaardig verschijnsel dat de geschiedenis in zou gaan als het EPR-effect, genoemd naar Einstein, Podolsky en Rosen. Dat effect ontstaat als volgt: je zondert twee deeltjes die bij elkaar behoren van elkaar af zodat ze ieder als het ware een kant opgaan; vervolgens beïnvloed je, doormiddel van magneten, het gedrag van één van die deeltjes en dan blijkt dat het andere deeltje onmiddellijk ook zijn gedrag verandert en wel op dezelfde manier. Omdat ertussen beide deeltjes een afstand bestaat is die reactie van dat andere deeltje op zijn minst raadselachtig. Waar vandaan krijgt het zijn informatie om te reageren? Volgens de gangbare opvattingen in de fysica zou er een signaal van het éne naar het andere deeltje gegaan moeten zijn, maar het bleek dat dit signaal dan een snelheid zou moeten hebben, veel groter dan die van het licht (een superluminale snelheid). Men dacht dat zoiets onmogelijk was, maar men was nu wel genoodzaakt hierover te gaan nadenken. Er werden ook nog andere mogelijkheden overwogen maar een oplossing is er niet gekomen. In die hele geschiedenis vallen een paar dingen op. Ten eerste natuurlijk het merkwaardige verschijnsel zelf, maar, ten tweede, de verwarring bij de natuurkundigen, die zelfs wel op ruzies uitliep. Voor de meesten namelijk moest er een signaal zijn, een betrekking tussen het één en het ander; de gedachte dat die er niet zou zijn was onverdraaglijk. Enkelen echter aanvaardden het ontbreken van een betrekking (al begrepen zij er niets van) en waagden zich aan de veronderstelling dat ons hele denken over de grondslagen van de werkelijkheid fout zou zijn. Het ziet er naar uit dat dit inderdaad het geval is; hoe het ook zij, bij nadenken over de relatie, de betrekking tussen het één en het ander, blijkt die hele zaak fictief te zijn omdat hij een gevolg is van de analyse en dus van een bepaalde wijze van denken. De boven beschreven natuurkundige proef is voor ons moeilijk te beoordelen, maar het is heel goed mogelijk dat hier het fictieve karakter van de relaties voor de dag gekomen is en dat zich tevens het begrip, samenhang in concreto vertoond heeft. Daarbij is dan ook duidelijk geworden dat die samenhang ten enenmale niet te bepalen is, d.w.z. hij laat zich niet berekenen noch aantonen maar hij blijkt uit het gedrag van die deeltjes.

Nogmaals het begrip overgang

De beste definitie van het begrip overgang is: het één is onmiddellijk het ander terwijl beide tegelijk zichzelf blijven. Dat komt doordat de beweeglijkheid van de één dezelfde is als die van de ander en daardoor één beweeglijk-zijn vertonen terwijl het toch twee beweeglijkheden zijn. Dit is alleen maar te begrijpen als je je goed realiseert dat de werkelijkheid niet uit dingen bestaat maar beweeglijkheden IS. Als overgang is er één beweeglijkheid van twee (of meer) beweeglijkheden. In die situatie is niet te bepalen wat qua beweeglijkheid de één is en wat de ander. Het is niet te bepalen, maar wel blijft denkbaar dat je te doen hebt met afzonderlijke beweeglijkheden. Deze, wellicht wat vreemde, situatie vinden wij terug bij de mens als zelfbewustzijn. Van hersencellen is niet te zeggen of zij nu tot de éne combinatie behoren of tot de andere, juist omdat het begrip overgang er voor geldt. De werkelijkheid als samenhang, met als inhoud daarvan de overgang, komt tenslotte als menselijke hersenen voor de dag en het functioneren daarvan ervaren wij als het zelfbewustzijn. Dit is dan ook een en al beweeglijkheid want zonder dat is geen samenhang mogelijk. Het begrip overgang duidt dus niet op het in elkaar overgaan van ietsen, van dingen (zoiets is ondenkbaar), maar van beweeglijkheden - desnoods zeg je: van bewegingen. Als voorbeeld zou je kunnen denken aan het atoom. Dat werd aanvankelijk begrepen als één ondeelbaar ding, maar later ontdekte men dat het meer dingen waren. Dat atoom kwam als een en ondeelbaar over omdat het totaal van alle bewegingen (de resultante) zich als een ten opzichte van elkaar stilstaan vertoonde. Bij splijting van het atoom komen die verschillende bewegingen weer voor de dag; splijting is dan ook uiteen-gaan. Bij alle uit-elkaar-halen gaan er dingen uiteen, het is altijd een zaak van bewegingen. Zonder beweging is er geen uit elkaar-halen mogelijk. Dit laatste betekent dan ook dat je de onderdelen hun eigen beweeglijkheid teruggeeft - bij wijze van spreken, want er valt niets terug te geven omdat er nooit iets afgenomen was. Er was slechts een gelijk op bewegen en dat hef je op bij splijting. De gehele verschijnende werkelijkheid is één groot systeem van overgangen, de werkelijkheid is samenhang. Die samenhang wordt in het analytische denken verbroken en ervoor in de plaats komen de betrekkingen. Je kunt dus zeggen dat betrekkingen door het denken verstarde overgangen zijn. Op grond van hun verstard-zijn vertonen ze zich ook zodat wij ze in een berekening kunnen vangen. Maar die berekeningen kloppen nooit, ze zijn hoogstens meer of minder waarschijnlijke benaderingen. Het in elkaar overgaan is niet te bepalen, het is op zichzelf dus nooit aan te tonen. De werkelijkheid als samenhang vertoont zich niet. Althans niet als een objectief waarneembare zaak.

Het fictieve karakter van onze cultuur

Je zou je kunnen afvragen waarom juist onze cultuur een fictief karakter heeft. Het analytische denken, het onderzoeken van de werkelijkheid, is toch een menselijke mogelijkheid die in vroegere culturen ook voorgekomen moet zijn. Dat is inderdaad het geval, maar het bleef bij analytische elementen in het denken. Waar gedacht wordt is ook analyse. Het gaat er dan ook niet om de analyse te verwerpen als iets dat onmenselijk zou zijn, maar het gaat er om de analyse haar juiste plaats in het denken te geven. Onze cultuur staat in het teken van de analyse en daardoor staat zij in het teken van de fictie. In vroegere en andere culturen kan je een aantal fictieve elementen aanwijzen. Bijvoorbeeld in wetboeken waarin men de onderlinge betrekkingen tussen de mensen dacht te regelen. En men had een grote hoeveelheid gedragsvoorschriften. Allemaal op grond van bepaalde analyses. Maar de werkelijkheid zelf werd geen fictie. Bij ons is dat wel het geval en dat neemt gaandeweg toe. Wij kunnen wetenschappelijk en technisch zo ongeveer alles, maar de wereld is nog nooit zo hopeloos verward geweest als nu, zo wanhopig uitzichtloos. Men praat uitvoerig over veranderingen en er gebeurt absoluut niets. Men stelt een jaar van de vrede in en doet niets dan praten en zich bewapenen met steeds gruwelijker wapens. Talloze mensen verzetten zich tegen die gang van zaken, maar alles gaat gewoon door alsof de werkelijkheid buiten de mensen omgaat. Daarom: de vrede, een schoon milieu, het uitbannen van de honger, verdeling van de welvaart, het zijn allemaal dingen die eenvoudig niet bestaan. Het zijn ficties in de hoofden van van zichzelf vervreemde mensen die in oplossingen geloven die helemaal geen oplossingen zijn. De economische groei is geen oplossing voor een economie die in een crisis verkeert; ontwapeningsbesprekingen zijn geen oplossing voor de oorlogsdreiging en ook vredesdemonstraties zijn dat niet. Terrorisme is niet met een versterkte politie te bestrijden en het gebruik van drugs verdwijnt niet als je het strafbaar stelt en de handelaren grijpt. Producten worden niet goedkoper als je ze grootschalig produceert en kerncentrales leveren geen energiewinst op.

Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ;

No. 39

Bladwijzers: Hersencel-1 ; Doen alsof – zie A , B , C-67/68 ;

 

Ficties vroeger en nu

In de Oudheid en in niet Westerse culturen, voor zover die nog bestaan, komen tal van fictieve elementen voor, overal namelijk waar men betrekkingen tussen bepaalde verschijnselen dacht te herkennen. Voor Indianen in Amerika was er een betrekking tussen het uitvoeren van rituelen en de komst van de regen. Dat was uiteraard een fictie, duidelijk herkenbaar en aantoonbaar. En dat geldt in het algemeen voor alle vroegere en niet-Westerse religies. Maar al die ficties tastten het wereldbeeld als één samenhangend, doorgaans als moederlijk beleefd, geheel niet aan. Het waren interpretaties van dat samenhangende geheel. Men gaf, zo nauwkeurig en zo helder mogelijk, een verklaring van datgene dat men als werkelijkheid zag en het gaat niet aan zoiets vanuit onze opvattingen belachelijk te maken en zeker niet als wij ons realiseren hoe door en door fictief wij zelf bezig zijn. De werkelijkheid zelf, als objectief gegeven, gaat niet kapot door onze analyse, hoogstens bij een noodlottige ontwikkeling gaat onze planeet er aan. Maar daarom gaat het nu niet, het gaat om de cultuur, om de wijze waarop mensen hun wereld beleven en wat zij daarover denken. En dan is te zeggen dat de moderne cultuur geen interpretatie van de werkelijkheid als een samenhangend geheel oplevert, maar een interpretatie van een steeds meer niet-samenhangende zaak, waardoor die interpretatie fictief wordt. Dus : in de moderne cultuur is de werkelijkheid qua denken zelf fictief geworden, maar in de andere culturen zijn alleen maar de interpretaties fictief. Dat laatste komt natuurlijk in de moderne cultuur ook voor, maar dat doet er niet zoveel toe omdat alles een slag in de lucht is. Er zijn foutieve denkbeelden en redelijk goede, men is in staat een groot aantal afgrijselijke ontwikkelingen te herkennen en te vrezen en zelfs af te wijzen, maar men is niet in staat er achter te komen waar dat allemaal vandaan komt, zodat men bijgevolg ook met onmogelijke oplossingen aan komt zetten.

Enkele voorbeelden

Het is treurig om te zien hoe verward men reageert op het gebruik van drugs. Die middelen zijn altijd en overal gebruikt, denk maar aan de opiumkitten van het vroegere China. Maar in het Westen zijn de drugs, vooral in de vorige eeuw en het begin van deze eeuw, een voorrecht van bepaalde elites geworden. Kunstenaars, artsen, staatslieden en rijkelui hebben er ontzaglijk veel gebruik van gemaakt. Ik denk dat dit meespeelt in de reactie van tegenwoordige elites op het drugsgebruik en dat er daardoor een schijnheilig gedrag ontstaan is. Ten aanzien van de drank is men veel minder schijnheilig, maar dat is dan ook nooit als een élitair privilege beschouwd. Die elitaire schijnheiligheid is er de oorzaak van dat men de drugs moet verbieden en niet wil erkennen dat het vrijgeven ervan vrijwel het gehele probleem terugbrengt tot wat het werkelijk is: een individueel probleem van bepaalde mensen, die geen raad weten met de verwarrende, bedreigende, onsamenhangende wereld waarmee zij geconfronteerd worden. Die bepaalde personen lopen een groot risico door hun vlucht in de drugs, vanwege de enorm verslavende werking ervan, maar het is en blijft hun zaak, hoe ellendig wij het ook vinden. Maar men heeft er een criminele zaak van gemaakt met alle gevolgen van dien. Er zou geen misdadige handel zijn als de zaak zelf niet als misdadig gesteld zou zijn door elites die eigenlijk vinden dat het hun privilege is om drugs te gebruiken. Vaak gebruiken ze zelf wel! Maar intussen doet men toch alsof men de bevolking wil beschermen tegen dit gevaar, en neemt de éne inefficiënte maatregel na de andere. Er is ook een voorbeeld van hypocrisie te geven wat betreft het drankmisbruik. In de twintiger en dertiger jaren werd er verschrikkelijk gedronken, overigens ook in samenhang met de armoede en uitzichtloosheid van de bevolking. Toen is men allerlei campagnes gestart, maar niet om het welzijn van de mensen te bevorderen: zij verschenen s maandags niet op het werk omdat zij hun roes lagen uit te slapen. De economie leed schade! En op het ogenblik dreigt de hulpverlening te duur te worden. Maar let op: het gaat er niet om drugs en drank als iets onschuldigs voor te stellen, het gaat er om dat persoonlijke zaken, hoe ellendig ook, voorgesteld worden als maatschappelijke en dat men de goede zaak zou dienen door strafmaatregelen te nemen.

Een ander voorbeeld vinden wij in het terrorisme. De moderne terrorist vertoont zich als een soldaat, tot de tanden bewapend, doorgaans grondig getraind, gehoorzaam aan zijn superieuren en voorzien van een ideologie. Hij wil, als hij gepakt wordt, als een krijgsgevangene of in ieder geval als een politiek gevangene beschouwd worden want dan kan men hem zijn misdaden niet aanrekenen, zoals dat bij alle soldaten het geval is. Uiteraard heeft zo’n soldaat een vijand en die moet bestreden worden. Tot zover zou het allemaal nog kunnen; het is waanzin die tot nu toe nog steeds heel gebruikelijk is in deze wereld. Maar nu komt het: onze dappere strijder trekt vervolgens ten strijde tegen mensen die helemaal zijn vijanden niet zijn, vakantiegangers in een vliegtuig, ongewapend en vredelievend, biddende Joden in een synagoge, mensen die op een terras een biertje drinken. De held DOET ALSOF hij vijanden heeft zonder het zelf in de gaten te hebben; zijn hele gedoe is fictief, mist in feite elke realiteit. De confrontatie met echte vijandelijke soldaten wordt zorgvuldig vermeden, neen, een bus met schoolkinderen opblazen, dat is nog eens een heldendaad! Men doet alsof men oorlog voert. Je kunt het begrip doen alsof in de praktijk heel goed hanteren als je naar onze wereld kijkt. Overal zie je het doen alsof: doen alsof je geneesmiddelen ter genezing van zieke mensen maakt, doen alsof je de derde wereld wilt helpen, doen alsof je tegen de apartheid bent, doen alsof je het land bestuurt, doen alsof je je kiezers vertegenwoordigt, doen alsof je een kunstenaar bent, enzovoort, en dan in de stellige overtuiging verkeren werkelijk met de zaak zelf bezig te zijn. Maar dat bezig zijn gaat in feite niet verder dan er over praten, vergaderen, nota’s schrijven en modellen opstellen. Het is natuurlijk een feit dat het willekeurig doodschieten van mensen moet ophouden. Je moet dus iets (gewelddadigs) doen tegen het terrorisme. Maar je moet je niet verbeelden dat je daarmee de zaak zelf uit de wereld kunt helpen. Je bent bezig met symptoombestrijding en, hoe nodig dat onder omstandigheden ook is, het is geen genezing. Het terrorisme is één van de symptomen van een fictieve cultuurgesteldheid, het is een vorm van het doen alsof. Dat betekent dat allerlei vormen van terreur gaandeweg in hevigheid toe zullen nemen, zoals zich ook al af begint te tekenen. Ook de officiële militairen treden steeds meer terroristisch op: wat is het dreigen met en eventueel het gebruik maken van nucleaire vernietigingswapens anders dan terreur? Men doet alsof men op militaire wijze oorlog voert, maar in feite terroriseert men.

Wij leven allemaal nu op deze wereld en wij hebben geen keus. We zullen dus tegen allerlei zaken concreet weerstand moeten bieden. Maar de grond van de ellende ligt in de fictie en de genezing daarvan moet in het denken gezocht worden, niet door het eenzijdige analytische denken af te schaffen (wat onmogelijk is), maar door het echte denken te gaan beoefenen, hetgeen neerkomt op analyseren BINNEN het samenhangende geheel en niet analyseren VAN het geheel.

Bladwijzers: Doen alsof – zie A , B , C-67/68 ;

 

No. 40

Fictie en organisatie

In verband met het feit dat de zogenaamde betrekkingen bij nadere beschouwing fictief blijken te zijn, en het feit dat wij in onze moderne cultuur in toenemende mate in termen van betrekkingen zijn gaan denken, is het goed om de gangbare opvattingen over het begrip organisatie eens nader te bekijken. Daartoe wil ik op voorhand de volgende drie punten onder de aandacht brengen: 1e men denkt wat betreft de organisatie steeds van bovenaf, 2e men stelt als norm dat men de organisatie moet kunnen beheersen, met behulp van bepaalde berekeningen, en 3e het voortdurende mislukken van Opgezette organisaties op grond van de fictie, die overigens niet als zodanig herkend wordt. Deze drie aspecten van het organisatiebegrip hangen uiteraard ten nauwste met elkaar samen, maar ik wil toch proberen ze enigszins los van elkaar te bespreken.

Het beheersen

Het woord beheersen ligt in het spraakgebruik. Het is echter een beetje versluierend, evenals het woord besturen In feite gaat het namelijk over het uitoefenen van absolute macht over een organisatie en die macht wordt mogelijk gemaakt door het nauwkeurig berekenen van de betrekkingen tussen de elementen van een organisatie. Die absolute macht heeft een geheel ander karakter dan die van een tiran of een dictator. Zo iemand organiseert ook wel allerlei, maar die organisatie gebruikt hij als middel om de elementen, in feite dus de mensen, in zijn macht te krijgen. Doorgaans organiseren dictators dan ook alleen maar terreurprogramma’s, terwijl van het organiseren van een functionerende maatschappij (vanuit welke doelstelling dan ook) niet of nauwelijks sprake is. Alle dictaturen, van zowel links als rechts, helpen het maatschappelijk leven zonder mankeren naar de knoppen. Ik bedoel: het mislukt in het licht van hun eigen doelstellingen. De oorzaak ligt dus bij het zoeken van macht over de individuele mensen. Overal waar men er sinds het begin van de 20ste eeuw toe overgegaan is de organisatie van de maatschappij primair te stellen kan je zien dat het wel gelukt is en alweer: ongeacht de vraag of je het met een bepaalde organisatievorm eens kunt zijn of niet. Gelukt is het in de Westerse landen. Natuurlijk moet je dat zien vanuit de optiek van de elites die het management in handen hebben; zie je het vanuit de gewone mensen, dan blijkt de zaak volkomen onhoudbaar te zijn omdat het de verkeerde organisatie is die zich doorgezet heeft. Maar die verkeerde organisatie heeft (voorlopig) wel succes. Het lukt zelfs om er bij verkiezingen een meerderheid van stemmen mee binnen te halen. De door mij bedoelde vorm van absolute macht is dus die van de managers en niet die van de dictators. Voor die managers gaat het om de organisatie en niet in de eerste plaats om de mensen; zij houden dan ook staande dat er in de Westerse staten vrijheid heerst, d.w.z. individuele vrijheid, maar iedereen kan aan den lijve voelen dat je, wat betreft de door de staatkundige organisatie gestelde eisen en verplichtingen, geen enkele kant uit kunt. Je behoeft de baas niet meer met de pet in de hand te groeten, je bent niet meer verplicht een bepaalde godsdienst aan de hangen en dergelijke, maar je bent wel verplicht een groot aantal organisatorische verplichtingen na te komen, meestal in de vorm van formulieren die je almaar in moet vullen. Je bent een administratief nummer geworden en de tijd van de persoonlijke, lijfelijke onderworpenheid is voorbij. Het is tekenend dat steeds meer mensen het regeringsapparaat benoemen met het woord administratie, een organisatorische term. Hoewel het de moderne managers om het beheersen van de organisatie gaat en ook te constateren is dat de moderne organisatie redelijk functioneert, kan en moet je je wel afvragen ter wille van wie zo’n systeem opgezet is en dan moet natuurlijk het antwoord luiden: ter wille van de moderne elites en zeker niet ter wille van de bevolking. Dit feit wordt uiteraard zoveel mogelijk versluierd, hoewel op te merken valt dat men sinds enige tijd openlijker en cynischer van het elitaire eigenbelang blijk geeft. Vooral in de Verenigde Staten komt dat schaamteloos voor de dag. Als je aan het hoofd staat van een organisatie kan je alleen maar absolute macht daarover hebben als je hem door en door kent en als je er voor zorgt dat die organisatie optimaal draait. Men is dus steeds bezig het functioneren te verbeteren en men probeert angstvallig te vermijden dat maatregelen de zaak kunnen stagneren. Het hoofd van zo’n organisatie kan dus niet naar willekeur (zoals een dictator) handelen; hij moet zelfs wetenschappelijk exact te werk gaan. Daarbij moet hij bovendien de verschillende elementen zo goed mogelijk tot hun recht laten komen en dat betekent voor die elementen: kennis van zaken. Nogmaals :dit alles versluiert in hoge mate het feit dat de hele zaak er toch is voor de elites en niet voor de mensen. Door die versluiering verlenen verreweg de meeste mensen betrekkelijk veel medewerking aan het systeem en zij voelen zich gevleid medewerker genoemd te worden. Dat die medewerkers welbeschouwd niet meer zijn dan brandstof voor de organisatie en dat zij na vele jaren medewerking vrijwel geheel opgebrand zijn is ook iets dat nauwelijks meer opgemerkt wordt. In zekere zin kan je zeggen dat de machtsuitoefening van een dictator menselijker is dan die van een manager omdat die dictator altijd nog met mensen bezig is, zij het op een uitermate negatieve manier. Dat is dan ook de reden dat op de misdadigheid van zo’n dictator veel hartstochtelijker gereageerd wordt door de mensen, terwijl zij tegen de macht van de manager amper bezwaar hebben. Die macht is immers abstract geworden en heel ongrijpbaar omdat hij op de betrekkingen tussen de mensen stoelt en zelfs onbewust als fictief ervaren wordt. De vervreemding is derhalve in een moderne organisatiestaat groter dan onder dictatoriale omstandigheden. Vervreemdend is overigens ook dat de talenten van de mensen nauwelijks meer in tel zijn: verlangd worden opleiding, kennis en een bepaald gedrag en in principe uit den boze zijn zaken als creativiteit, vindingrijkheid, fantasie en eigen initiatief. Je behoeft voor een bepaalde functie geen talent meer te hebben maar een opleiding en een dergelijke opleiding is helemaal verzopen in de overdraagbare kennis zonder ook maar het geringste beroep te doen op de feeling, het aangeboren inzicht van de student. Je behoeft nergens meer aanleg voor te hebben, hoogstens de aanleg om veel dingen in je op te kunnen nemen. Overigens kan een computer zoiets veel beter... In het moderne organisatiebegrip gaat het dus niet over de mensen zelf, maar over de betrekkingen tussen de mensen. De zaak moet zo soepel mogelijk draaien en het welzijn van de afzonderlijke mensen komt pas daarna aan de orde. Zelfs de vakbonden, die er toch eigenlijk heten te zijn voor het welzijn van de mensen, onderschrijven de stelling dat eerst de industriële organisatie in orde moet zijn wil het de mensen beter gaan en dus zijn zij het ermee eens dat die zogenaamde economie, ten koste van de burgers, met enorme bedragen gesteund wordt. De vraag waar de voorheen verdiende gigantische kapitalen gebleven zijn wordt niet gesteld en zelfs bijna onzedelijk gevonden. En men ziet er gemakshalve langsheen dat de verbetering van de economische organisatie op geen enkele wijze het welzijn van de mensen bevorderd heeft, integendeel! Anderzijds geldt dat je de mensen niet al te zeer kunt laten verpauperen...

Bladwijzers: Terrorisme-1(36 t/m 40) ;

 

No. 41

Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;

Verstarring

Het fictieve karakter van de betrekkingen tussen de mensen komt, wat betreft de organisaties, voor de dag in de verstarring, die onvermijdelijk na enige tijd binnen het systeem gaat optreden. Vooral de economen putten zich uit in het zoeken van verklaringen. Dat zijn doorgaans uitwendige verklaringen: men zoekt het bij de wereldmarkt, bij de waarde van de verschillende muntstelsels, bij oorlogsdreigingen etc. Eventueel gaat men ook na of binnen de organisatie alles nog wel volgens de regels gaat, maar zo’n interne reorganisatie komt meestal neer op het ontslaan van een betrekkelijk willekeurig aantal medewerkers. Daardoor dalen de kosten, maar de overblijvenden worden overbelast. Toch constateert men dan tevreden dat de organisatie weer gezond is. In feite echter moet die verstarring wel optreden; er komt gewoon uit wat er in zit, het systeem legt zijn wezenlijke karakter bloot, namelijk zijn onmogelijkheid op grond van de fictie. Zo efficiënt kan een organisatie niet zijn of na verloop van tijd komt het onmogelijke er uit en dat is eigenlijk helemaal geen treurig feit: het is de werkelijkheid zelf die zich niet laat vervormen en die zichzelf altijd weer corrigeert. Je moet voor dit soort van ontwikkelingen wel oog hebben. Heb je dat niet, dan word je almaar meer pessimistisch wat betreft de toekomst van de mensheid. Je ziet dan steeds meer dingen mislukken.

Karakterverandering van de macht

In zijn naakte gedaante komt de macht voor de dag als de concreet gewelddadige dwang om andere mensen te laten zijn zoals IK wil dat zij zijn. Een voorbeeld van een dergelijke machtsuitoefening vinden wij bij de Opvoeding van kinderen: zij moeten worden zoals de ouders zich voorstellen dat zij zouden moeten zijn. Weliswaar gebeurt die opvoeding tegenwoordig niet meer zo wreed als dat vroeger het geval was, maar het grondprincipe bestaat nog steeds, het kind moet gevormd worden. Deze gesteldheid, namelijk het vormen van mensen, is typerend voor onze cultuur, tenminste voor zover dat met machtsmiddelen gebeurt. Echter, de macht zoals die in een organisatie werkzaam is, is een versluierde macht, er wordt bewust of onbewust gedaan of hij er niet is. Dat is mogelijk doordat het niet meer om de mensen gaat, maar om de betrekkingen tussen de mensen. Het persoonlijke leven van de mensen blijft buiten beschouwing maar vereist wordt een efficiënt functioneren in het betrekkingennetwerk van de organisatie. Die organisatie evenwel wordt door managers beheerst en die rekenen, ter wille van zichzelf, uit hoe jij hebt te functioneren. Die machtsuitoefening zou je abstract gewelddadig kunnen noemen: direct (lichamelijk) geweld is afwezig.

Toch is de persoonlijkheid in het geding

De abstract-gewelddadige machtsuitoefening lijkt langs de persoonlijkheid heen te gaan: talent, creativiteit en overtuigingen zijn niet meer van belang en een ieder wordt daarin vrij gelaten. Je bent een organisatorisch, een administratief nummer. Hier ligt de vraag: hoe ben je zo geworden, wat is er met je gebeurd dat je dat nummer zijn kan? Hoe ben je daarvoor geschikt geworden, hoe ben je geconditioneerd? Feit is dat je, voordat je ging functioneren, omgevormd bent. Je bent voor de maatschappij klaargestoomd, je bent er op voorbereid, er voor opgeleid. Als dat achter de rug is ga je automatisch meer of minder goed functioneren en dan behoeft er nauwelijks meer een concreet gewelddadige macht over je uitgeoefend te worden. Je bent al tot een braaf mens gevormd. Van een braaf mens, in de zin die ik bedoel, is te zeggen dat hij niet of nauwelijks tot verzet in staat is en tevens dat hij bijkans overgevoelig is voor zogenaamde redelijke argumenten. Elke hartstocht, elke emotie, elk gevoelsargument is verdacht en ongepast. Vrijwillig legt men zich neer bij de gang van zaken. Dat gebeurt doormiddel van het compromis. Is dat eenmaal tot stand gekomen, dan werkt men verder braaf mee. Men schaamt zich om dwars te gaan liggen, om voet bij stuk te houden, om onredelijk gevonden te worden. Vanuit het geconditioneerde denken voegen de mensen zich vanzelfsprekend in het netwerk van de organisatie. En zij verzetten zich alleen nog maar als hun meedoen op de een of andere manier niet naar behoren gewaardeerd wordt. Vroeger was dat anders. In het begin van de 20ste eeuw waren bijvoorbeeld de socialisten hartstochtelijk in verzet tegen de maatschappij en zijn elites en het kwam niet in hen op mee te gaan doen. Als je vandaag de dag hun uitspraken over die maatschappij leest sta je verbaasd over hun scherpe en radicale inzichten. Zij wisten precies te vertellen ter wille van wie hun maatschappij ingericht was. Logisch, want de organisatie cultuur moest zich nog doorzetten en de machtsuitoefening was nog concreet en gewelddadig aanwezig. Er was van braafheid geen sprake, revolutie moest er komen, niks geen compromissen, weg met de staat en zijn instituten! Let wel: het gaat nu niet om de vraag of je het al of niet eens kunt zijn met die oude socialisten, maar om het feit dat zij niet in het organisatiesysteem ingekapseld waren en dat gold uiteraard ook voor diegenen die een andere politieke opvatting toegedaan waren.

Gehoorzaamheid

Bij de discussies over burgerlijke ongehoorzaamheid is gebleken dat bijna geen enkele politieke figuur zoiets aanvaardbaar vindt en dat is te begrijpen, want ongehoorzaamheid houdt in dat je je buiten de organisatie plaatst en dat is zo ongeveer het ergste wat je kunt doen. Daarom raadt men dan ook steeds aan om langs de daartoe geëigende democratische wegen (lees: organisatorische wegen) van zijn opvattingen blijk te geven. Zo wordt het demonstreren, mits ordelijk en geweldloos, gezien als een democratisch recht. Ook vindt men dat mensen kritisch moeten zijn, maar ook daarbij gaat het om redelijke, d.w.z. brave, kritiek binnen het systeem - niet kritiek op het systeem. De gehoorzaamheid, als resultaat van een uiterst geraffineerde conditionering, is zo langzamerhand iets zo vanzelfsprekends geworden dat bijna niemand zelfs nog begrijpt dat juist Ongehoorzaamheid wezenlijk menselijk is, op grond van de begrippen vrijheid en rechtvaardigheid. Toen de mensen nog niet of nauwelijks ingekapseld waren in de organisatie, toen zijn nog geen medewerkers waren, was ongehoorzaamheid veel duidelijker aanwezig, evenals trouwens het geweld om die ongehoorzaamheid de kop in te drukken. Maar nu zijn wij deel van het systeem geworden, mopperend soms, maar toch loyaal.

Leger en kerk

Zowel het leger als de kerk zijn instituten die nog weinig in het teken van de organisatie staan. Beide instituten functioneren dan ook nauwelijks maar voor zover er mensen zijn die mee willen gaan werken gaat het plotseling beter. Vanuit hun wezen echter verzetten leger en kerk zich tegen die medewerking; beide zijn gefundeerd op macht ten aanzien van de mensen persoonlijk. Vooral bij de Roomse kerk is de strijd tussen het medewerken en de blote macht een interessant verschijnsel; je kunt daarbij duidelijk zien dat de organisatie een ander machtsobject heeft dan de hiërarchie. Bij de eerste gaat het om medewerking en bij de tweede om ondergeschikte mensen. Bij de eerste gaat het over versluierde macht en bij de tweede om rechtstreekse concreet gewelddadige macht.

Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;

No. 42

Het geweld

In een op de organisatie gerichte maatschappij- opvatting is het geweld behoorlijk op de achtergrond gedrongen, maar toch mogen we zeker niet stellen dat het verdwenen zou zijn. Omdat het in zo’n organisatie niet meer in de eerste plaats om de macht over concrete individuen gaat is het directe lichamelijke geweld, de concrete gewelddadige dwang, een zaak geworden die men afwijst. Maar toch zijn de geweldsmiddelen ruimschoots voorhanden in de vorm van mobiele eenheden, bewakingskorpsen en het leger. Die middelen worden achter de hand gehouden voor ongehoorzame mensen, die zich buiten de organisatie geplaatst hebben door, met betrekking tot bepaalde doelstellingen, geen democratische wegen te bewandelen. Het op die mensen toegepaste geweld is gewoonlijk erg hard. Het niet concreet lichamelijke geweld dat bij de abstracte machtsuitoefening behoort is echter volop aanwezig in de vorm van allerlei manipulatie en conditionerings-technieken. Doorgaans kunnen we spreken van verbaal en intellectueel geweld. Het wordt vanaf jonge leeftijd op de kinderen toegepast in het onderwijs. De opvatting is te verdedigen dat jonge mensen een zekere hoeveelheid kennis moeten opdoen, al was het alleen maar om met anderen te communiceren (lezen en schrijven). Maar toch zou je de vraag moeten stellen: waarom eigenlijk doormiddel van een dwangsysteem dat eigenlijk al begint als de kinderen nog niet of nauwelijks blijk geven van de behoefte om iets te willen weten. Bovendien worden de kinderen als gelijkvormig beschouwd, met als gevolg dat diegenen die aan dat eenheidsmodel niet beantwoorden gediskwalificeerd worden. Zij kunnen niet goed mee. Dat oordeel echter wordt uitgesproken in het licht van een bepaalde kijk op de maatschappij, een kijk die bij een voorgaande generatie behoort en dus in principe achterhaald is. Het nieuwe moment, dat in de kinderen besloten ligt, kan zich dan al bij voorbaat niet ontplooien. Op zo’n manier maak je de ontwikkeling van de maatschappij en de samenleving in principe onmogelijk. Je bent bezig de gevestigde opvattingen door te zetten. Het gaat nu niet om de vraag of die gevestigde opvattingen juist of onjuist zijn, het gaat er om dat er zo’n proces in het onderwijs gaande is. In de praktijk zie je dan ook dat er telkens momenten zijn dat men bemerkt dat het onderwijs achtergebleven is bij nieuwe ontwikkelingen. Doorgaans geeft men dan de schuld aan de verouderde leerstof, en niet geheel ten onrechte, maar in werkelijkheid komt het dus door het bij voorbaat afgrendelen van de weg naar nieuwe ontwikkelingen in de geest van de kinderen. Vanuit de gangbare opvattingen zal men er voorlopig zeker niet voor open staan, maar eigenlijk zou je de kinderen geen onderwijs moeten opdringen en rustig af moeten wachten tot zij zelf de kennis willen opdoen waaraan zij behoefte gevoelen. Voor volwassenen vinden wij dat normaal, maar waarom dan niet voor de kinderen? Het antwoord ligt bij het machtsbewustzijn dat de kinderen aangepast wil zien aan eigen voorstellingen. Zo worden ze gevormd tot bruikbare elementen in de organisatie. Van het scheppen van voorwaarden om tot ontplooiing te komen is dan ook over het algemeen geen sprake. Een ander punt is dat men doorgaans van mening is dat de kinderen nooit iets zullen willen leren als zij daarin vrijgelaten zouden worden. Dat is een misvatting die voortkomt uit het ontbreken van samenhang binnen de huidige wereldbeschouwing. Zag men die samenhang wel, dan zou men onmiddellijk begrijpen dat kinderen zich niet eens zouden kunnen onttrekken aan het opdoen van kennis. Ze kunnen zich immers niet onttrekken aan de wereld waarin zij geboren zijn en waarin zij opgroeien! Dat is hun wereld en het geheel van de daarin voorkomende verworvenheden is een voor hen onmiskenbare realiteit. Het blijkt dan ook telkens dat de kinderen zich opmerkelijk goed vertrouwd voelen met hun wereld: zij bewegen zich met een voor de volwassenen onbegrijpelijk gemak door het verkeer, zij zijn heel snel vertrouwd met moderne apparatuur en het spreken van vreemde talen is ook al nauwelijks een probleem dank zij de media. Met computers kunnen zij vaak beter overweg dan de volwassenen. De vrees dat zij intellectueel achter zullen blijven bij niet opgedrongen onderwijs is ongegrond; je zou je zelfs af moeten vragen of de kinderen met ons huidige systeem nu wel zo’n goede intellectuele vorming krijgen. Veel van de leerstof zegt hen niets zolang zij zelf nog geen behoefte aan die kennis hebben en op het moment dat zij zo’n behoefte wel gaan voelen is het vaak te laat. Het resultaat kan niet anders dan ver beneden de maat zijn.

Filosofisch denken

Allerlei gedachtegangen worden tegenwoordig filosofieën genoemd: de filosofie achter de aanschaf van een bankstel, achter een politiek besluit, achter een godsdienstige overtuiging. Dat alles heeft echter niets met filosofie te maken, evenmin trouwens datgene dat in academische zin filosofie genoemd wordt. Men vraagt zich nog nauwelijks af hoe het zit met de werkelijkheid en bepaalt zich vrijwel uitsluitend tot het in kaart brengen van de gedachten van anderen. Daarbij hanteert men een analytische denkmethode en een taalgebruik dat zo langzamerhand onbegrijpelijk is geworden. Voor zover er oorspronkelijk gedacht wordt levert dat meestal een nieuwe kijk op de bestaande filosofie op, vandaar dat de publicaties wemelen van de citaten en bedolven worden door een notenapparaat waarvan de omvang omgekeerd evenredig is met de kwaliteit van de publicatie. Ik zie de filosofie als het beschrijven van de werkelijkheid doormiddel van gedachtegangen die op elk moment moeten samenhangen met het geheel van de werkelijkheid. Dat betekent dat andere gedachtegangen, vanuit een ander uitgangspunt en handelend over een ander thema nooit met elkaar strijdig mogen zijn. Zijn ze dat wel, dan zit er ergens een fout en moet het hele denkproces opnieuw beginnen. Van waaruit je de werkelijkheid ook beschrijft, steeds moet alles met elkaar in samenhang blijken. Dat is de controle op dat denken. Doordat die controle er is kan je voortdurend jezelf corrigeren, want fouten maak je onvermijdelijk. Het analytische denken kan zichzelf nimmer corrigeren, d.w.z. het kan niet op zijn schreden terugkeren en opnieuw beginnen. Binnen zijn eigen systeem is er uiteraard wel correctie mogelijk en dat gebeurt dan ook: vaak is men er meer op uit elkaar fouten aan te wrijven dan kennis te nemen van de resultaten van een studie. Zo erg redelijk gaan de analytische wetenschappers niet met elkaar om! . Maar, dat denken zelf kan van zichzelf geen oordeel vormen omdat het niet toegaat naar een samenhangend helder doorzichtig geheel, maar naar een steeds grotere hoeveelheid los van elkaar staande elementen. Bovendien is de weg waarlangs het analytische denken gaat een onontkoombare: je kunt niet anders dan de uit een splitsing verkregen brokstukken op hun beurt ook weer te splitsen en steeds neemt de samenhang met de rest van de werkelijkheid af. De onverbiddelijke noodzaak om een splitsing door een volgende te laten opvolgen houdt het denken geketend. Men moet een eenmaal ingeslagen weg voortzetten.

Dat verklaart het op zichzelf vreemde verschijnsel dat men in onze cultuur niet in staat blijkt, ondanks de enorm toegenomen kennis, een andere weg in te slaan. Ondanks de steeds klemmender wordende waarschuwingen en ernstiger rampen gaat men voort met nog verder splitsen van de werkelijkheid en dat betekent op zichzelf voortgaan op de weg van de vernietiging. Men kan niet van die weg af, die weg ligt bij voorbaat vast. De redding kan alleen maar van buiten dat denken komen, niet door allerlei mystieke onzin, maar door het hierboven beschreven -filosofische denken.

Bladwijzers: Mystiek-1  Mystiek-2  Mystiek-3  Mystiek-4(nrs.42t/m43)  Mystiek-5  Mystiek-6

No. 43

De New Age Movement (lees nrs. 43, 44, 45)

Volgens de mensen van de New Age Movement staat de Westerse cultuur voor een nieuwe revolutie, die je zou kunnen noemen de intellectuele revolutie. Eerder al waren er de agrarische revolutie en de industriële. Er zou een nieuw tijdperk aanbreken, door sommigen genoemd het Aquarius tijdperk, in analogie met het gelijknamige sterrenbeeld. Gezegd moet worden dat men binnen die New Age beweging met een groot aantal voortreffelijke denkbeelden komt, gebaseerd op gloednieuwe resultaten van het fundamentele onderzoek van de werkelijkheid en het kennis nemen van oeroude denkbeelden en filosofieën. Centraal stelt men het zogenaamde holistische denken en dat houdt in dat men de onderdelen van de werkelijkheid, te voorschijn gekomen door de analyse, in hun samenhang wil begrijpen. En men wijst de eenzijdige analyse af voor zover die de samenhang juist verbreekt en daardoor tenslotte in vernietiging uitloopt. Er is veel psychische onrust in de mensheid en een toenemend aantal mensen voelt aan dat er iets fout zit met ons traditionele denken. Dat is ook het geval met de New Age mensen. Bovendien voelen zij aan in welke richting de oplossing gezocht moet worden, vandaar dat zij zich in sterke mate richten op het cultuurgoed van het oosten. Daar immers was een andere wijze van denken in zwang, die precies het tegengestelde was van onze Westerse: men probeerde in de Oudheid en in het oosten de werkelijkheid te begrijpen vanuit het samenhangende geheel. Je kunt zeggen dat dat denken gebaseerd was op het zien, op de intuïtie en dat het vrouwelijk van karakter was, allemaal kwalificaties die voor Ons denken niet of nauwelijks gelden. Het gevolg is dat mensen uit de New Age Movement het oude oosterse denken gaan bestuderen en de daaruit voortkomende kennis voegen bij de reeds aanwezige analytische kennis. Dat schijnt een verruiming van het blikveld te geven, maar in belangrijke mate is dat maar schijn, hetgeen onder andere blijkt uit het feit dat men met die kennis van het oude oosten net zo omgaat als men met de Westerse kennis pleegt te doen: men bouwt er overtuigingen mee op die in laatste instantie als een machtsinstrument fungeren.

De fout in het holisme

Als je probeert kennis te nemen van de denkbeelden van het oosten doe je dat automatisch vanuit de Westerse denktraditie. Aangezien die denkbeelden niet of nauwelijks voor analyse toegankelijk zijn - het zijn letterlijk denkbeelden - kan je er in feite niet veel anders mee doen dan je er, vanuit je gevoel, aan overgeven. Wat je er dan inhoudelijk van zegt wordt dan mystiek; je ziet het wel, je voelt het wel aan, maar je kunt het niet verklaren, niet uitéénzetten. Eigenlijk gaat de zaak functioneren als een geloof. De New Age Movement drijft dan ook steeds meer weg in religieuze mystificaties. En dat komt doordat men vergeten heeft iets met zijn eigen denken te doen. Men heeft er wel kennis, inhoud, aan toegevoegd, maar men heeft het eigen denken niet verder ontwikkeld. Een goed aangevoelde noodzakelijke nieuwe ontwikkeling wordt op de ouderwetse wijze benaderd, namelijk de analytische, en wordt daardoor zweverig en nauwelijks helder. De samenhang, waarnaar men terecht streeft, kan niet anders dan een min of meer verfijnd netwerk van relaties worden, relaties die, zoals we al gezien hebben, ficties zijn. Hoewel het holisme zeker een stap vooruit is en als zodanig ongetwijfeld een intellectuele revolutie teweeg zal brengen, is het nog steeds een vorm van analytisch denken. In feite is het van dat denken de laatste mogelijkheid. Op zichzelf is het doorbreken daarvan toe te juichen. Maar het is niet datgene dat ik onder filosofisch denken versta.

Noch het éne denken, noch het andere

De begripsmatige analytische denkwijze en de beeldmatige samenhangende denkwijze zijn beide momenten in de denkontwikkeling van de mensen. In de stroom van de cultuur komen zij na elkaar en eenzijdig voor de dag en beide brengen zij na verloop van tijd hun onmogelijkheden aan het licht. Dat is thans het geval met het analytische denken voor zover dat zuiver splitsend is. Het moet echter nog wel zijn holistische ontwikkeling doormaken. Daarna ontwikkelt zich een denken waarin voor de eenzijdigheden van en het analytische en het beeldmatige geen plaats meer is, maar waarin die twee toch opgenomen zijn als instrumenten voor het denken. Met behulp van die instrumenten kan je vanuit elk uitgangspunt in elke richting de werkelijkheid samenhangend beschrijven, want je bent in staat het beeld te laten gelden (samenhang) en alle er in voorkomende onderdelen (analyse). Het gaat dus nu om instrumenten van en voor het denken en niet meer om alleenzaligmakende levensbeschouwingen. Zou ik niet in staat zijn om vanuit elk uitgangspunt te denken, dan zou de werkelijkheid in belangrijke mate buiten mijn zelfbewustzijn blijven liggen. Mijn denken zou niet universeel kunnen zijn en niet verder komen dan een particuliere mening. Om echter in alle richtingen te kunnen denken moet ik informatie hebben, er is kennis vereist. Bovendien moet ik begrip hebben van richtingen en daarvoor heb ik het beeld nodig. De samenhang binnen dat beeld wijst en corrigeert de richting van mijn gedachtegangen.

De betekenis van de analyse

Binnen de genoemde New Age Movement valt een toenemende neiging op om het analytische denken als een foutief denken te verwerpen. Maar ook andere bewegingen getuigen daarvan: het godsdienstig fundamentalisme dwingt tot stopzetten van het denken, in de drugs zoekt men vergetelheid en in het oosten verneveling. Dat zijn derhalve allemaal kwalijke schijnalternatieven. Men ziet (terecht) de analyse in vernietiging uitlopen en beoordeelt het nu als verkeerd. Vanuit het door mij filosofisch genoemde denken echter kan je begrijpen dat het uitlopen in vernietiging precies is wat de analyse moet doen; zij kan niets anders opleveren dan een volkomen doorzichtig geworden onhandelbare werkelijkheid. Dat denken kan niet uit de ontwikkeling gemist worden en zonder de daaruit voortkomende kennis kan je geen betrouwbare gedachtegangen ontwikkelen. Hoe bedreigend het maatgevende analytische denken ook is, diegenen die een - overigens vruchteloze - poging wagen om het af te schaffen of althans ineffectief te maken hebben ongelijk. Uiteraard is het wel een voorbijgaand moment: als het eenmaal holistisch is geworden en zijn eigen uiterste grens heeft bereikt komt vanzelf de werkelijkheid als beeld weer terug. Maar dan kan het denken er een concrete inhoud aan geven. Waarom het beeld weer terug komt zullen wij nog bespreken. Het is een feit dat tijdens het zich uitwerken van de analyse een grote vervreemding op gaat treden. Ook dat kan je betreuren, maar beter is het je af te vragen wat er van de menselijke ontplooiing terecht zou komen als zij niet een periode van vervreemding zouden doormaken. Welbeschouwd zouden zij dan besloten blijven binnen hun eigen voorhanden wereldje. En zij zouden hun eigen denken niet leren begrijpen. Bovendien is vervreemding een noodzakelijke voorwaarde voor het samenhangend denken vanuit alle mogelijke optieken in alle richtingen; hij is voorwaarde voor het kunnen doordenken van het andere, datgene dat jijzelf in eerste instantie niet bent. Sociaal psychologisch echter is de ontwikkelingsfase van de analyse een ellendige periode voor de mensen, niet in de laatste plaats door het gaandeweg vervallen van alle houvast, normen en waarden.

Bladwijzers: Mystiek-1  Mystiek-2  Mystiek-3  Mystiek-4(nrs.42t/m43)  Mystiek-5  Mystiek-6

No. 44

Bladwijzers: Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m19, 20 en 21, 37, 44, 48 en 68

 

Het roer moet om.

Steeds meer mensen krijgen tegenwoordig het gevoel dat er iets mis is met onze wereld en dat het tijd wordt het roer om te gooien. Op zichzelf is daar wel wat voor te zeggen, maar het beroerde is dat tot nu toe geen enkele maatschappij in staat is gebleken het roer om te gooien. In onze democratie zou je daarvoor een parlementaire meerderheid moeten hebben, maar als je bedenkt dat het aan progressieve partijen, die een verantwoordelijker en rechtvaardiger en gezonder maatschappij voorstaan, nauwelijks gelukt een paar zetels in de volksvertegenwoordiging te krijgen en dat die zetels ook nog met het grootste gemak weggestemd kunnen worden als de een of andere dwaas zijn karwei af wil maken, dan kan je er redelijkerwijs toch niet op hopen dat zo’n roer ooit om zal gaan. De verheldering van de inzichten van de mensen volgt andere wegen. Voor onze cultuur is dat de immer verdergaande analyse. Dat is niet alleen maar een theoretische zaak. De moderne industrie bijvoorbeeld is in belangrijke mate chemisch en fysisch en dat berust op een diepe analyse van de materie. Voorwaarde daartoe is natuurlijk een hoge wetenschappelijke en technologische ontwikkeling. De knowhow is een waardevol artikel geworden. Tot aan de tweede wereldoorlog echter draaide alles om de zware industrie: staalfabrieken, kolenmijnen en scheepswerven. Je kunt opmerken dat deze zware industrie zich verplaatst heeft naar het Verre Oosten. Rond de Pacific treedt nu de ontwikkeling in die bij ons 100 jaar geleden een aanvang nam. De verdieping van de analyse is nu de opgave van het Westen, terwijl een belangrijk deel van de daaruit voortkomende productie door de gebieden rond de Pacific verzorgd wordt. De weg die wij, tot op zekere hoogte tegen wil en dank, hebben te gaan is de weg van de verdieping van de analyse. Daaraan valt niets te veranderen, niets om te buigen en niets tegen te houden. We moeten de werkelijkheid als een gigantische verzameling van dingen nu eenmaal leren kennen. En daaraan komen verwarring, wanhoop en vervreemding mee.

De betekenis van het holisme

Het woord holisme duidt op het geheel. Er wordt een denkwijze onder verstaan waarin men de werkelijkheid als een in zichzelf samenhangend geheel beschouwt en waarin men bijgevolg de analyse als onmogelijk afwijst terwijl men begrijpt dat het geheel niet te verklaren is vanuit de onderdelen en hun onderlinge betrekkingen. De bovengenoemde opvatting van het holisme is een juiste opvatting, maar wat men er mee doet is strikt genomen niet holistisch, maar analytisch, zij het op een bijzondere wijze. Het bijzondere is namelijk dit dat men, omdat men de werkelijkheid als een geheel beschouwt, probeert de door de analyse verkregen onderdelen en hun betrekkingen samen te brengen in een systeem, een heel verfijnd netwerk, dat zo veelomvattend mogelijk is. Dat is op zichzelf iets nieuws: tot nu toe haalden we alles uit elkaar en we probeerden iets te doen met de verkregen onderdelen, Ongeacht de betrekking tot andere onderdelen. Als we tussen het koren het onkruid wilden verwijderen gingen we dat met chemicaliën te lijf zonder acht te slaan op de rest van het milieu. Holistisch is dat je alles bekijkt in zijn samenhang met het overige, je bekijkt een geheel ecosysteem en niet een gedeelte. Het als de maat nemen van die samenhang is voor het Westerse denken een heel nieuw geluid, waarvan je kunt constateren dat het langzaam maar zeker aanvaard gaat worden. De intellectuele revolutie is zich aan het doorzetten, maar in tegenstelling tot wat men gewoonlijk meent gebeurt dat binnen de analytische denkwijze.

Wat betekent holistische samenhang

Als men in het holistische denken over samenhang spreekt bedoelt men het verbrokene weer te herstellen. Men wil er weer verband in brengen zodat er een netwerk, een weefsel, ontstaat. Daartoe richt men zich op de betrekkingen tussen de dingen. Niet voor niets staat het relativistische natuurkundige denken zo in de belangstelling. Wij hebben evenwel al eerder ontdekt dat betrekkingen (relaties) verbroken samenhangen zijn die als zodanig bij de analyse voor de dag kwamen. Als je dus binnen het holisme poogt de onderdelen in een zinvol samenhangend netwerk op te nemen richt je je noodzakelijk op de betrekkingen. Maar eigenlijk bestaan die niet en het gevolg daarvan is dat je netwerk een fictie wordt. Het wordt een voorstelling, een in kaart gebrachte werkelijkheid. Weliswaar hebben wij te doen met een fictie, maar wij mogen dat niet negatief beoordelen. Het is net zo’n soort fictie als een landkaart van een bepaald gebied een fictie is. De in kaart gebrachte werkelijkheid is de laatste mogelijkheid van het analytische denken. Wat men echter samenhang noemt is géén samenhang maar een weefsel van betrekkingen. Om dit duidelijk te maken geef ik het volgende voorbeeld. Stel, je gaat het lichaam van een mens volledig ontleden, je rubriceert nauwkeurig alle onderdelen en hun onderlinge betrekkingen en als je dat allemaal gedaan hebt ga je de hele zaak weer opbouwen, uiterst verfijnd en met behulp van alle beschikbare kennis van zaken. In principe moet het mogelijk zijn dat lichaam exact te reconstrueren, in ieder geval gaan wij er nu van uit dat dit gelukt. Heb je nu weer een mens teruggekregen? Neen, want één ding is er niet gelukt: hem weer levend te maken! Datzelfde geldt ook ten aanzien van de werkelijkheid zelf. Je kunt haar wel reconstrueren, maar je krijgt haar nooit echt terug omdat je de samenhang niet kunt herstellen als zij eenmaal verbroken is. Je kunt niet meer doen dan de zaak in kaart brengen. Van een tot planken gezaagde boom kan je nooit meer een boom maken, het wordt hoogstens een fictieve boom, iets dat zich voordoet als een boom, maar het niet is. De werkelijkheid is, na analyse, nooit meer tot zichzelf terug te brengen. Het holisme levert het laatste moment van de analyse op, namelijk de in de menselijke geest in kaart gebrachte werkelijkheid. Dat is in feite de naar het samenhangende geheel toegedachte werkelijkheid qua verzameling. Deze totaliteit is onmiddellijk inhoud van het geheel, maar nooit meer dan dat. Evenwel is het er zijn van die totale inhoud voorwaarde voor de terugkeer van het geheel.

De terugkeer van het geheel

Wij moeten goed in de gaten houden dat alles zich afspeelt in de geest van de mensen. Daarbinnen bevindt zich tenslotte een nauwkeurig getekende kaart van de werkelijkheid en deze past precies op het beeld van de werkelijkheid, zoals dat als bewustzijn in elk mens aanwezig is. Er is geen vertekening meer als gevolg van slechts gedeeltelijk in kaart gebrachte werkelijkheden, alles is op de juiste wijze ingetekend. Daardoor kan het beeld weer een realiteit worden en het is vanuit het zien daarvan dat de mensen de samenhang van de werkelijkheid weer gaan laten gelden. De in kaart gebrachte werkelijkheid en de werkelijkheid als beeld zijn dan niet meer met elkaar strijdig. Dat betekent dat het geheel er kan zijn en de totaliteit, twee begrippen die wel van elkaar te onderscheiden zijn, maar niet te scheiden. In de cultuurontwikkeling betekent dit dat de mensen eerst het geheel zijn gaan kennen, vervolgens de totaliteit en daarna beide aspecten van de werkelijkheid. In dit laatste geval zijn de mensen volwassen te noemen; zij zijn dan echt werkelijkheid geworden omdat zij zichzelf niet meer als een eenzijdigheid (of geheel, of totaal) beschouwen.

Bladwijzers: Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ; Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m19, 20 en 21, 37, 44, 48 en 68

 

No. 45

Bladwijzers: Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ;  Mystiek-1  Mystiek-2  Mystiek-3  Mystiek-4  Mystiek-5(nrs. 45t/m47)  Mystiek-6

Het in kaart brengen

De ontwikkelingsfase waaraan de moderne mensheid op het ogenblik toe is is die van het in kaart brengen van de werkelijkheid, voor zover die als een grote hoeveelheid kennis door de analyse te voorschijn is gekomen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de opgang die een jonge wetenschap als de ecologie maakt. Maar ook op andere wetenschapsgebieden kan je constateren dat men meer en meer in netwerken gaat denken. Organisatorisch zijn die netwerken geheel anders van opzet dan de gebruikelijke organisaties; deze laatste zijn vanuit een model, een schema, opgezet, terwijl netwerken eigenlijk helemaal niet opgezet zijn, maar als vanzelf zijn ontstaan vanuit overeenkomstige opvattingen van groepen mensen. Ook in de biologie gaat men het sterke analytische accent wat achterwege laten in de theorie- vorming, terwijl het relatieve meer op de voorgrond treedt. Zelfs de tegenwoordig gebruikelijke sociologische onderzoeken vertonen een toenemende belangstelling voor de relaties tussen groepen van mensen. Het zijn inderdaad de holisten die wijzen op het belang van denken in samenhangen - vanuit hun idee van het geheel - maar in de praktijk wordt er op vele terreinen al naar toe gewerkt. Wat die holisten betreft: doordat zij van mening zijn vanuit het geheel te moeten denken en doordat zij in feite hun denken zelf niet of nauwelijks ontwikkeld hebben, kunnen zij niet goed uit de voeten met dat geheel wat betreft de inhoud daarvan. Daardoor vertoont het holisme een bedenkelijke neiging tot mystiek. Mystiek is het zien en beleven van het geheel zonder in staat te zijn te bedenken hoe de zaak in elkaar zit. Het gevolg is een wazige en zweverige eerbiedige benadering van de kosmos, vergezeld van een huilerige verbondenheid met het al. Op deelgebieden is de geanalyseerde werkelijkheid natuurlijk steeds al in kaart gebracht. Men bestudeerde het een of andere infuusdiertje en dat resulteerde in een nauwkeurige beschrijving van dat leven. Maar nu begint het van belang te worden hele ecosystemen in kaart te brengen. Dat kan je niet zonder alle onderlinge betrekkingen tot hun recht te laten komen. Naarmate dit alles enigszins vorm begint te krijgen en er een soort van kaart ontstaat kan de werkelijkheid als beeld, die in de mensen aanwezig is, meer herkenbaar worden. Dat manifesteert zich echter niet als een grotere wijsheid, maar juist als metafysische kletspraatjes. Men heeft het over religieus zijn en innerlijke groei terwijl men met graagte instemt met de verhalen die goeroes, nieuwe christenen en een menigte therapeuten vertellen. De New Age vertoont zich om te beginnen geheel in het licht van het oude denkmodel: omdat de zaak er intellectueel buiten valt en er als zodanig toch bij behoort kan je rustig met de meest onwaarschijnlijke beweringen komen, als zij maar verwijzen naar gene zijde van de werkelijkheid. Hoewel dit alles onzinnig is laat het toch zien dat de ontwikkeling niet in een eenzijdigheid opgaat: al die malligheden duiden op een, voorlopig nog heel vaag, helder worden van het beeld van de werkelijkheid, als gevolg van het steeds meer in kaart brengen daarvan. Tenslotte is de werkelijkheid, dank zij het analytische onderzoek, zo nauwkeurig in kaart gebracht dat er geen tegenstrijdigheid meer is tussen datgene dat die kaart vertoont en datgene dat het beeld laat zien. Maar voor het zover is zullen er heel wat belangen in de vorm van ideologieën vervallen zijn.

Verschillende kaarten

In de loop der cultuurgeschiedenis hebben de mensen zich verschillende kaarten van de werkelijkheid getekend. En iedere individuele mens heeft de zijne daar weer in aangebracht. Die individuele kaarten worden voornamelijk bepaald door de eigen belangen en dus ook door die dingen waaraan een bepaald persoon waarde hecht. In feite kan je zeggen dat iedereen zijn eigen waarden in kaart heeft gebracht, in die zin dat die waarden de tekening van de kaart bepaalden. Een kaart op grond van de levensbeschouwing van een politicus ziet er heel anders uit dan die van een huisvrouw, de paus heeft een andere dan de natuurkundige, enzovoort. Al die kaarten geven een vertekende voorstelling van de werkelijkheid. Dat heeft tot gevolg dat van het beeld, het bewustzijn, alleen datgene geaccepteerd wordt dat overeen komt met zo’n vertekende voorstelling. Het bewustzijn wordt dus geheel vertekend en fragmentarisch ervaren. Flarden van het beeld die daarmee niet overeenstemmen of daar helemaal buiten vallen worden weggedrukt als onbetrouwbaar, onrealistisch en vaak zelfs als iets slechts. In ieder geval heeft iedereen zo zijn eigen kaart en slechts in grote lijnen stemmen al die kaarten overeen voor zover zij ingetekend zijn in het grondpatroon van een overheersende cultuurbeschouwing.

De analyse zet zich door

Ik heb er al eerder op gewezen dat de analyse van de werkelijkheid almaar door gaat en nergens halt voor houdt. Hij houdt dus ook geen halt bij de individuele kaarten van de mensen. Gaandeweg worden ook die uit elkaar gerafeld totdat er tenslotte daarvan ook niets meer over is. De persoonlijke belangen en waarden verdwijnen op den duur ook in het niets en van dat proces is tegenwoordig al iets te merken in de vorm van verlies van vroegere zekerheden, houvast en zogenaamde normen en waarden. Dat is het proces van de, ontwaarding, het nihilistische proces. Dit proces zet zich in ieders zelfbewustzijn door, of men daarvan nu iets bemerkt of niet. Analyse is niet alleen maar een zaak van het laboratorium, het is een proces dat zich in alle mensen afspeelt. Als dit zich tenslotte doorgezet heeft is de ontwikkeling rijp voor het op de juiste wijze in kaart brengen. Hoewel je in die periode zeker van een gemis aan houvast kunt spreken is er toch ook van te zeggen dat er een zekere bevrijding heeft plaatsgevonden. De bemoeizucht en de dwingelandij vanuit allerlei hogere principes, idealen, godsdiensten, ethische normen en tradities zijn dan komen te vervallen en dat is op zichzelf al een hele opluchting!

Het geheel en de kaart

Als de werkelijkheid echt in kaart gebracht is komt die kaart overeen met het beeld van de werkelijkheid als geheel, het bewustzijn. Dan vertekent die kaart het beeld niet meer, er is niets meer dat niet mag gelden omdat het onbetrouwbaar gevonden wordt. Het beeld kan dan dus vrijelijk voor de dag komen. Zoals al eerder opgemerkt kan in die situatie de werkelijkheid naar haar beide aspecten tot, haar recht komen: het geheel en het totaal, de eenheid en de verzameling, de oneindigheid en de eindigheid. Dan wordt de dubbele werking van het denken mogelijk, want vanuit de totaliteit denk je naar het geheel en vanuit het geheel denk je naar de totaliteit. Meer is er niet mogelijk. We moeten er overigens wel op letten dat het beeld pas tot haar recht kan komen als de kaart van de werkelijkheid juist is. Met het beeld zelf is niets aan te vangen in de zin van het in jezelf naar voren halen. Dat probeert men in allerlei moderne therapieën, maar je kunt van tevoren zeggen dat dit mislukt omdat het beeld onaantastbaar, ongrijpbaar is.

Bladwijzers: Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ; Mystiek-1  Mystiek-2  Mystiek-3  Mystiek-4  Mystiek-5  Mystiek-6

No. 46

De werkelijkheid als beeld

Als je nauwkeurig nagaat hoe het proces is dat de verschillende verschijnselen oplevert, met als laatste de mens, dan kom je tot de ontdekking dat er in de mens een trillingssituatie aanwezig is die alle voorgaande situaties inhoudt. Dat betekent dat de gehele werkelijkheid bij wijze van trillingsverhoudingen in de mensen leeft. Die werkelijkheid is niet alleen te ondergaan als een lijfelijke zaak, maar zij is ook te zien vanuit onze geest, als een trillend beeld van de werkelijkheid als geheel. Dit zien is geen ongewoon iets dat aan enkelingen voorbehouden zou zijn, het is voor iedereen van kracht. Maar wel is het zo dat, onder invloed van cultuur- en andere programmeringen, het zien van dat beeld vertekend en vervormd is. Dat beeld zelf echter is niet aan te vatten: die trillingssituatie is er onvermijdelijk als er een mens is; hij komt gewoon voort uit het ontstaansproces van de verschijnselen in de werkelijkheid. Hij is net zo onvermijdelijk als het hebben van een hart, armen en benen, etc. Deze laatste organen evenwel zijn wel aan te vatten, het beeld echter niet. Die onaantastbaarheid betekent ook dat de zaak empirisch niet aan te tonen is, vandaar dat de meeste westers geschoolde mensen er niets van moeten hebben en zelfs weigeren de gedachtegang te volgen waarlangs je tot die trillingssituatie kunt komen. Er is hier geen positivistisch bewijs te leveren en dus is het flauwekul... Anderzijds is die situatie ook niet te vinden als je meent metafysisch te moeten gaan denken. Er is niets bovennatuurlijks aan, maar wel is het een feit dat je met iets niet-materieels te doen hebt. Het is in feite een verhouding. Deze verhouding is steeds door de mensen, vooral in de oudheid, aangevoeld. Het zien daarvan benoemde men met: zelfaanschouwing, verinnerlijking en dergelijke en de methode om dat zien te bevorderen noemde men meditatie. Het zich laten gelden van die trillingssituatie en dus van dat beeld noemen wij het bewustzijn - niet te verwarren met dezelfde term die in allerlei betekenissen in de psychologie gebruikt wordt.

De kaart als filter

Het beeld in onszelf van de werkelijkheid als geheel is er onder alle omstandigheden. Je kunt het niet naar voren halen en je kunt het niet wegdrukken, er valt ook niets aan te ontwikkelen of te verhelderen. Maar er is wel iets aan de hand met het zien ervan. Dit zien geschiedt vanuit het zelfbewustzijn, dat de concrete manifestatie van onze geest is. In dit zelfbewustzijn hebben alle mensen een kaart van de werkelijkheid aangelegd, voor een groot deel door anderen ingeprent en voor de rest op grond van eigen ervaringen. Nu bekijken wij, als het ware, door die kaart heen onze werkelijkheid als beeld, ons bewustzijn. Die kaart fungeert als een filter dat bepalend is voor die aspecten van het beeld die doorgelaten mogen worden en voor de ongewenste aspecten. Alles wat niet te interpreteren is in het model van de kaart wordt als ongewenst beschouwd en bovendien als iets waaraan je niets hebt of iets dat zelfs bedreigend kan zijn - omdat het iets anders is dan wat de kaart laat zien. De kaart hangt als een filterend scherm tussen de geest en het beeld, tussen het zelfbewustzijn en het bewustzijn. Alleen dat mag door wat overeenkomt met de kaart of wat daarin in te passen is. Dit gehele patroon van doorgelaten flarden van het beeld vormt ons stelsel van zekerheden waaraan wij ons gehele leven zouden willen ophangen. Dat dit stelsel van zekerheden onsamenhangend is en in bijna alle gevallen ook nog inconsequent spreekt vanzelf. Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat het gedoe van de mensheid tot nu toe een onbetrouwbaar rommeltje is, vol van tegenstrijdigheden, dubbelhartigheid en het meten met meerdere maten.

Het filter wordt rafelig  ( Zie ook het voorgaande )

Gelukkig is niemand in staat zijn filterende wereldkaart intact te houden! Altijd weer vertoont de kaart rafels, zodat er allerlei ongewenste flarden van het beeld doorheen komen. Dit levert psychische verwarring op. Als wij ons herinneren dat wij onder de psyche moeten verstaan het meetrillen van onszelf als materie (het lijf) met het trillende beeld (ons bewustzijn), dan kunnen wij begrijpen dat die (trillende) flarden van het beeld de mensen psychisch in de war brengen. Dat is wat er als eerste gebeurt en daarna gaat ook het zelfbewustzijn aan het tobben. Het denken weet met de zaak geen raad meer... Het is onvermijdelijk dat het filter rafelig wordt, gaten vertoont. Het is namelijk een zelfbewust model van de werkelijkheid en dus is het inhoud van onze geest. Deze geest echter is fundamenteel Ongebonden, hij is in wezen absoluut vrij, d.w.z. beweeglijk. Deze grondsituatie laat zich steeds weer gelden en tast voortdurend de starheid van het model aan. Eigenlijk is dat model een onmogelijkheid, daardoor zijn bijvoorbeeld principiële mensen gedwongen hun standpunten met geweld te handhaven. Zij moeten vooral zichzelf steeds dwingen zich aan hun principes te houden. Zo vanzelf gaat het niet, er komt zelfdiscipline aan te pas. Je kunt zeggen dat de geest almaar bezig is het filter op te ruimen. Als reactie daarop wordt een aantal mensen steeds meer verhard terwijl anderen hun houvast verliezen en wanhopig worden. Het rafelig worden van het filter is overigens ook de oorzaak van de cultuurontwikkeling van de mensheid. Al zijn de doorgelaten flarden van het beeld ongewenst, zij zijn ook verontrustend en daardoor aanleiding tot het enigszins veranderen van denkmodellen. Maar in onze cultuur komt er nog iets bij. De wereldkaarten, de denkmodellen, zijn zelf object van analyse geworden zodat de verwarring niet alleen nog groter wordt, maar ook steeds minder oplosbaar. Voor sommigen is dat niet het geval, zij stellen vertrouwen in de doorgebroken flarden, maar raad weten zij er al evenmin mee. Bijgevolg worden zij opnieuw religieus en zij zijn bereid de meest malle verhalen over reincarnatie, het voortbestaan van geesten en het uittreden daarvan, het “meesterbrein achter de kosmos” en astrologische voorspellingen voor waar te houden. Het gaat steeds over onbegrepen samenhangen, die dan ook nog opgeklopt worden met onbenullig denkwerk. Toch moet erkend worden dat wij te doen hebben met een zaak die in wezen goed is, namelijk het doorbreken van het beeld.

 

Het naar voren halen van het beeld

Door de tweeledige aantasting van de filterende kaarten worden het bestaan en de werking van het bewustzijn, het beeld, steeds sterker aangevoeld. Er is dan ook een toenemende behoefte om daarmee vertrouwd te worden. Men wil het beeld naar voren halen, maar dat is iets dat je wel kunt vergeten: net zomin als het gelukt het blijvend af te schermen door de filterende wereldkaart laat het zich naar voren halen. Maar er zijn tegenwoordig allerlei therapieën in de mode die suggereren dit wel te kunnen. Wat er dan echter gebeurt is eigenlijk alleen maar het activeren van het psychische en hoewel dit enigszins bevrijdend kan werken moet je toch vaststellen dat hierdoor het beeld niet naar voren kan komen. Het psychische is immers al gefilterd! De psyche is door je eigen zelfbewustzijn verschrompeld. Daarom hebben die therapieën vaak zulke gevaarlijke gevolgen. Waarom het allemaal draait is het zelfbewustzijn en daarin speciaal het denken. Dat kan en moet wel aangepakt worden. Je moet je eigen wereldkaart stuk denken door de tekening daarvan almaar in twijfel te trekken. In feite loop je dan vooruit op de ontwikkeling die de mensheid in haar geheel zal doormaken: via het vernietigen van de kaarten, het leren begrijpen van de werkelijkheid als een netwerk van betrekkingen, het realiseren van de werkelijkheid als totaliteit. Dan is er het geheel.

Bladwijzers: Mystiek-1  Mystiek-2  Mystiek-3  Mystiek-4  Mystiek-5  Mystiek-6

 

 No. 47

De laatste kaart

We hebben gezien dat de werkelijkheid als beeld voor geen enkele zelfbewuste inwerking ontvankelijk is. Het is er gewoon. Toch gaat deze werkelijkheid op den duur weer gelden voor de mensen, doordat de zelfbewuste, in kaart gebrachte, voorstelling niet meer in strijd zal zijn met het beeld van de werkelijkheid. Dat wordt veroorzaakt door de steeds verder gaande analyse. Deze levert enerzijds een steeds grotere hoeveelheid kennis op om anderzijds de op die kennis gebaseerde kaarten (voorstellingen) eveneens te analyseren. Het almaar meer verwarrend en onsamenhangend worden van de wereldbeschouwingen van de mensen berust op deze ontwikkeling. Je kunt je indenken dat de voorstellingen steeds meer vernevelen, meer ijl worden en dan voortdurend een meer Onhoudbaar karakter krijgen; men kan er niet meer zo lang aan vasthouden omdat het met een groter wordende frequentie verandert. Met andere woorden: het vastgelegde karakter van de kaarten, de voorstellingen, verdwijnt gaandeweg. Tenslotte staan alle voorstellingen van de mensen in het teken van de veranderlijkheid, in feite dus van het in beweging zijn. Wanneer dat eenmaal het geval is, is de weg vrij voor het doorstralen van de werkelijkheid als beeld. Dat heeft onder andere tot gevolg dat de samenhang der dingen, die in een vastgelegde voorstelling niet zichtbaar is, zich weer manifesteert. Die samenhang is een wezenlijk aspect van het beeld in onszelf; om ons heen kijkende naar de realiteit zien wij alleen maar afzonderlijke dingen en de daarbij behorende betrekkingen, maar de beschouwing van het beeld, d.w.z. het laten gelden van onszelf als bewustzijn, levert het herkennen van de samenhang op. Alleen in ons bewustzijn vormen de dingen met elkaar een samenhangend geheel. Men heeft dat vroeger heel goed aangevoeld. Oude wijzen hebben voortdurend de aandacht op het bewustzijn gevestigd (zij noemden het uiteraard anders!) en zij voelden aan dat er iets met je denken zou moeten gebeuren om met je bewustzijn kennis te maken. Omdat zij er geen idee van hadden welk proces er in het denken moest plaatsvinden adviseerden zij, in allerlei varianten, van het denken af te komen: je moest versterven, onthechten, je gevoelsleven ontwikkelen, het aardse vaarwel zeggen, enzovoort. Maar met dat al bleef dat denken liggen zoals het was, zodat men op den duur stevig vastliep met zijn programma van innerlijke groei...

Het zelfbewustzijn heeft geen schuld

Als wij constateren dat het zelfbewustzijn er de oorzaak van is dat het zicht op het beeld vertekend is, dan mogen wij dit niet aldus verstaan dat het zelfbewustzijn dit, om zo te zeggen, expres doet. Integendeel: wij zijn qua zelfbewustzijn voortdurend bezig de werkelijkheid waarheidsgetrouw te leren kennen. Iedereen zoekt waarheid, ook al viert in bijna alle opzichten de leugen hoogtij. Als dit niet zo was zou de mensheid al in haar begin vastgelopen zijn. De geschiedenis bewijst dat het steeds om de waarheid gegaan is, maar die waarheid bleek onveranderlijk een leugen te zijn, juist omdat het zelfbewustzijn zich vastlegt in een voorstelling. Dat is geen fout, maar een onvermijdelijkheid - het zelfbewustzijn moet dat doen en het doet dat ook op het allerlaatst als de mensen volwassen geworden zijn. Alleen is dan de voorstelling ijl en beweeglijk, terwijl het vastleggen niet meer plaats vindt voor een zo lang mogelijke periode (eeuwigheidswaarden, absolute normen, onomstotelijke waarheden, enz.), maar juist voor een zo kort mogelijke (alleen voor het moment dat je een uitspraak doet). Precies zoals de kunstenaar heel even het beeld (= bewustzijn) vastlegt. Als filosoof leg je de zaak ook een moment vast om dat daarna onmiddellijk weer op te heffen. Het onvolwassen zelfbewustzijn is er dus niet op uit om de waarheid te verdoezelen, maar juist om die boven water te krijgen. Maar telkens als er een waarheid gevonden wordt gaat men die zaak verabsoluteren en houdt er zo lang mogelijk aan vast. De geschiedenis echter leert dat dit steeds onmogelijk blijkt en dat de houdbaarheid van een waarheid almaar korter en dubieuzer wordt. Dat geldt niet alleen voor de idealen en levensovertuigingen, maar ook voor de wetenschap. Wat wij als het gejaagde karakter van Onze tijd ervaren is het snelle onhoudbaar worden van wetenschappelijke, technische en maatschappelijke, waarheden dat zijn oorzaak vindt in het feit dat met onze cultuur het laatste stadium van dat denkproces is aangebroken. Sterker nog: wij zijn eigenlijk al aangekomen bij het moment dat wij aan het Onhoudbare een grote betekenis gaan toekennen. In de wetenschap bijvoorbeeld zijn wij pas dan bereid iets te aanvaarden als het op geen enkele manier te bestrijden blijkt, een houding die zich in de laatste decennia pas echt doorgezet heeft, maar die bijvoorbeeld in de politiek en de daarmee verbonden economie nog lang niet waar te nemen valt. Het is inderdaad een feit dat men op deze terreinen minstens 50 jaar achter loopt, om van de orthodoxe godsdiensten maar helemaal te zwijgen! Voor zover het iemand gelukt om te denken en te spreken vanuit een snelle afwisseling van vastgelegde en niet- vastgelegde waarheden en daarbij dus tegelijk een beschrijving geeft van de werkelijkheid als beeld, is de aandacht daarvoor bij de intellectueel ontwikkelde (= geprogrammeerde) mensen niet groot. Vooral de beschrijving vanuit het beeld wekt hun wantrouwen op omdat de denktraditie het, beeld als onbetrouwbaar en subjectief verwerpt: het is immers niet toegankelijk voor de analyse! Maar tegelijk zie je, bij de minder intellectueel geconditioneerde mensen, een stijgende interesse voor een dergelijk denken en spreken. Er vertrouwen in hebben en zich er op toeleggen echter wordt nog nauwelijks aangedurfd. Men voelt zich beter thuis bij de wetenschappelijke benaderingen en ontkent de wetenschappelijke betekenis van dat andere denken.

Terug naar de organisatie

Na de uitweiding over de in kaart gebrachte werkelijkheid zal het wat duidelijker zijn geworden dat de gebruikelijke organisaties op vastgelegde voorstellingen berusten. Omdat dit zelfbewuste voorstellingen zijn is het denken over organisaties een denken van bovenaf. Men construeert een organisatie om vervolgens de functionarissen voor te schrijven hoe er gehandeld dient te worden. Omdat een dergelijke constructie een voor een zo lang mogelijke tijd vastgelegde waarheid is blijkt na verloop van tijd dat het een mislukking is en ook dat blijkt steeds sneller. In feite behelst een organisatie het maatschappelijk handelen van de mensen. Maar dat is een handelen dat op voortdurend wisselende situaties is gericht. Zoiets is niet van bovenaf in een model vast te leggen. Voor zover voor de mensen het begrip organisatie geldt, is dat van kracht voor die mensen zelf en om die zaak te laten functioneren is het nodig dat men inzicht heeft in de samenhang. Alleen op grond daarvan kan een ieder weten wat hem te doen staat. Zo’n organisatie is dus noodzakelijk horizontaal van karakter. De op het ogenblik nog gebruikelijke lijnen van boven naar beneden en omgekeerd zijn dan ondenkbaar. Het daarvoor steeds weer naar voren gebrachte argument dat er toch iemand moet zijn die het geheel kan overzien en die op grond daarvan leiding zou moeten geven is een onhoudbaar argument. In een levende werkelijkheid als die van de mensen is het organisatie-zijn ingecalculeerd. Richtsnoer daarvoor is het zien van de samenhang en niet het ondergeschikt zijn aan de een of andere leider die eenzijdig zijn eigen (zo lang mogelijk houdbare) voorstelling van de werkelijkheid als de maat stelt.

Bladwijzers: Mystiek-1  Mystiek-2  Mystiek-3  Mystiek-4  Mystiek-5(nrs.45t/m47)  Mystiek-6  ; het probleem van het Nationaal Socialisme nrs 17/18 ;

No. 48

Bladwijzers: Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m19, 20 en 21, 37, 44, 48 en 68 ; het probleem van het Nationaal Socialisme nrs 17/18 ; (Sociaal Democratie-1 ;  Sociaal Democratie-2 ;  Sociaal Democratie-3 ;  Sociaal Democratie-4;  Sociaal Democratie-5 ) ; Parlementaire Democratie ;

 

Zelforganisatie

De werkelijkheid in het algemeen en zeker de menselijke werkelijkheid is niet geconstrueerd. Een constructie ontstaat als je iets in elkaar zet met behulp van door analyse gevonden elementen en hun onderlinge betrekkingen. Zo’n constructie kan wel in beweging zijn, zoals een machine dat is, maar niet beweeglijk, in de zin van in en uit zichzelf beweeglijk. Een constructie leeft niet. Een moderne organisatie is gedacht als een geconstrueerde machine. Dat is iets dat wel een tijdlang kan functioneren, maar niet blijvend: na enige tijd komt er uit dat het menselijk leven, voor zover dat een complex van handelingen tot inhoud heeft (de maatschappij), niet geregeld kan worden als een machine. De oorzaak hiervan is het ontbreken van de samenhang van de totaliteit van de organisatie. Er is wel een totaal, maar geen geheel. De mensen maken zich een eigen wereld. Als zij dat niet zouden doen konden zij helemaal niet overleven omdat zij biologisch helemaal niet op het leven in de natuur geprogrammeerd zijn. Zij staan immers aan het eind van het evolutie- proces. Zodoende is de natuur wel de wereld waaruit de mensen opkomen, zodat die natuur niet gemist zou kunnen worden en zelfs de voorwaarde voor hun leven is. Maar tegelijk zijn de mensen aan de natuur voorbij, voor hen is de natuur ontkend aanwezig en dat betekent dat de mensen op een andere manier de natuur zijn. Deze situatie houdt in dat de mensen handelingen verrichten, ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de hen omringende natuur. Zo bouwen zij zich een geheel eigen wereld en het is in het gehele complex van deze activiteiten dat het begrip organisatie gevonden wordt. Evenwel is dit begrip organisatie, het onderling regelen van het handelen van de mensen, inhoud van het léven van de mensen en omdat dit zo is geldt het begrip beweeglijkheid er voor. We hebben dus te doen met een beweeglijk regelen. Dat is wat ik noem de zelforganisatie. De zelforganisatie geschiedt niet vanuit de een of andere top waaraan de elementen ondergeschikt gemaakt zijn, maar vanuit de elementen zelf. Het zijn de mensen zelf die zichzelf en elkaar organiseren, d.w.z. hun handelen regelen. In een levend organisme, zoals je lichaam, zijn het de cellen die de organisatie van dat organisme regelen en in stand houden; er is geen commandopost van waaruit bevelen gegeven worden. Meestal stelt men het wel zo voor, waarbij men wijst op de centrale functie van zenuwstelsel en hersenen, maar in feite zijn ook die organen opgenomen in de zelforganisatie van het lichaam. Slechts in volledige samenhang met de overige cellen van het lichaam kunnen zij functioneren. Als je over bevelen wilt spreken (beter is impulsen) moet je bedenken dat die bedoelde organen evenzeer bevelen ontvangen als geven. Van een eenzijdige bevelsstructuur is in geen geval sprake. De gehele werkelijkheid is trouwens door en door zelforganisatie. Maar, dat begrip ligt voor de huidige mensen moeilijk. Zelfs wetenschappers kunnen het vaak niet laten de organisatie van het heelal aan een goddelijke super-intelligentie toe te schrijven. Alleen dan zou de ragfijne samenhang tussen de verschijnselen te verklaren zijn! Een buitengewoon domme redenering die ons er nog weer eens op attent maakt dat het ondanks alle wetenschappelijkheid met het denken van de mensen nog droevig gesteld is. Iets eenvoudigs als zelforganisatie te denken gaat hen blijkbaar nog ver boven de pet!

De stand van de ontwikkeling

Bladwijzers: Mystiek-1  Mystiek-2  Mystiek-3  Mystiek-4  Mystiek-5  Mystiek-6

In onze moderne wereld zijn wij qua ontwikkeling aan het begrip organisatie toe. Vooral sinds de tweede wereldoorlog is het denken in organisaties op de voorgrond gekomen. Uiteraard waren er voor die tijd ook organisaties en er waren ook mensen die zich met de problemen daarvan bezig hielden, maar dat speelde geen alles overheersende rol in het maatschappelijk denken. Men was eigenlijk nog bezig met het verzamelen, het bijeengaren van elementen voor de organisatie: het vormen van grote concerns, het veroveren van gebieden en markten en het uitbreiden van de staatsapparaten. Het grootschalige maatschappelijke denken vierde hoogtij. Thans echter is men die grote totaliteiten aan het organiseren, maar daarbij is van enig begrip voor zelforganisatie nog geen sprake. Men regelt de zaak vanuit een bepaald model, vanuit de in kaart gebrachte werkelijkheid, op grond van de analyse. Daarbij wordt zowel van bovenaf gedacht (het opzetten van een model) als van bovenaf geregeld (het functioneren van de macht). Bij dat van bovenaf regelen doet men aan de zogenaamde spreiding van macht en men suggereert daarmee dat het niet meer om de macht zou gaan omdat men bereid zou zijn die eerlijk te verdelen. Niets is echter minder waar: het geven van macht aan lagere niveaus doet de macht van de top niet verminderen maar eerder uitbreiden. De top blijft de dienst uitmaken over de organisatie. Het van bovenaf denken leidt er toe dat de mensen zich moeten onderwerpen aan de organisatie en zijn regels. Er moet orde zijn en de voorschriften moeten opgevolgd worden; er is een heel systeem van plichten. De moderne staten, die allemaal een socialistische inslag hebben en dus eigenlijk sociaal democratieën zijn (ook als zij door confessionelen of liberalen bestuurd worden), ontleenden voor de oorlog hun kracht aan hun potentieel van geweldsmiddelen: leger, vloot en politie. Maar na de oorlog ontleenden zij steeds meer hun kracht aan de omvang van hun organisatie qua staat. Overal waar zogenaamde socialisten een vinger in de pap kregen werd de oorspronkelijke bedoeling, namelijk om via het veroveren van de staatsmacht een begin te maken met het afsterven van de staat, snel terzijde geschoven om plaats te maken voor het vergroten van het staatsapparaat. In wezen is dit het ombouwen van de staat tot één grote organisatie waaraan iedereen ondergeschikt heeft te zijn en waarin iedereen geacht wordt opgenomen te zijn. Staatsverzorging van de wieg tot het graf. In bijvoorbeeld anarchistische kringen wordt het begrip zelforganisatie wel gebruikt en dat is ook het geval bij de mensen van de New Wave Movement, maar men weet er nauwelijks raad mee. De laatsten zitten te rommelen met mystieke krachten, terwijl de eersten niet verder komen dan theorieën over het verstrekken van bevoegdheden aan bepaalde mensen onder bepaalde omstandigheden. Verstrekkingen van onderaf, dat is waar, maar die zijn wel naar boven toe. Resultaat: alweer een top! Hoewel de moderne organisatie op geen enkele manier een eind maakt aan de machtsstructuren van onze maatschappij, is er toch van te zeggen dat er een aantal verschuivingen in de goede richting plaatsgevonden heeft. Ten eerste natuurlijk het organisatie- denken zelf dat toch de mensen van slaven tot medewerkers gepromoveerd heeft; ten tweede de verschuiving van macht over de persoon naar macht over diens maatschappelijk handelen; ten derde de betrekkelijke veiligheid die de medewerkers geboden wordt in de vorm van allerlei sociale voorzieningen; ten vierde het afwijzen van het brute geweld, zowel in de vorm van staatsterreur als in de vorm van oorlogen; ten vijfde het gelden van rechtsregels zonder aanzien des persoons, enzovoort. Het feit dat er van al deze dingen in de praktijk niet zoveel terecht blijkt te komen (door het handhaven van het machtsdenken) mag ons er niet blind voor maken dat de genoemde zaken toch eindelijk in het denken van de mensen zijn komen te liggen...

Naar bladwijzers: Rechten en Plichten-1    Rechten en Plichten-2   Rechten en Plichten-3     Rechten en Plichten-4 ; (Sociaal Democratie-1 ;  Sociaal Democratie-2 ;  Sociaal Democratie-3 ;  Sociaal Democratie-4;  Sociaal Democratie-5 ) ; Parlementaire Democratie ; Mystiek-1  Mystiek-2  Mystiek-3  Mystiek-4  Mystiek-5  Mystiek-6  ; Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m19, 20 en 21, 37, 44, 48 en 68

 

No. 49

Bladwijzers: Anarchie-1 ; Anarchie-2 ; Leiderschap-1  ; Leiderschap-2

Leven en zelforganisatie

Het zichzelf organiseren behoort tot de inhoud van het leven. Het is iets dat zich binnen het samengestelde organisme afspeelt. Omdat de inhoud niet van het geheel te scheiden is, is ook de zelforganisatie geen op zichzelf staande zaak, die eventueel achterwege zou kunnen blijven. De zelforganisatie van je lichaam kan niet los gedacht worden van dat lichaam en dus ook niet van je leven. En ook de dingen die je dagelijks moet of wilt doen vallen niet buiten het leven, d.w.z. je doet ze als vanzelfsprekend. Als je trek hebt in thee ga je thee zetten en dat kan je niet zonder bijvoorbeeld de waterketel te vullen of het gas aan te steken. Tot die handelingen behoef je jezelf niet te dwingen als je eenmaal besloten hebt thee te gaan zetten. Het organiseren van het thee zetten gaat vanzelf, het is een vanzelfsprekende cyclus van handelingen. De mensen, voor zover zij maatschappelijk zijn en dus bezig zijn met een aantal handelingen ten opzichte van elkaar, doen die handelingen als vanzelfsprekend. Zij stellen zich bij die handelingen op elkaar in, niet omdat zij zichzelf en elkaar gedwongen hebben dat te doen, maar omdat voor hen het begrip zelforganisatie geldt. Dit realiseert zich van binnen uit omdat het gaat over de inhoud van het leven. Een bestuur van buitenaf is hierbij niet nodig, evenmin als een hoger leiderschap, omdat het zinvol zijn van de ten opzichte van elkaar verrichte handelingen blijkt uit het resultaat ervan: de kwaliteit van het leven. Er is niet van tevoren te zeggen hoe onder bepaalde omstandigheden de mensen de zaken aan zullen pakken, maar zeker is dat het bij de zelforganisatie steeds om de samenhang gaat. Om die samenhang te realiseren moet men uiteraard alle menselijke vermogens inschakelen en er is wat dit betreft niets menselijks denkbaar dat niet op de een of andere manier nuttig zou zijn. En hogere of lagere waardering van de handelingen (de arbeid) is al helemaal onmogelijk, juist omdat in de samenhang geen enkele handeling, kennis van zaken of denkbeeld gemist kan worden. Juist het vanzelfsprekende karakter van de zelforganisatie is voor de huidige mensen niet of nauwelijks te bevatten. Vanuit hun denkcultuur moet er een besturende kracht van buitenaf aanwezig zijn: het heelal moet door een hogere intelligentie bestuurd worden, het leven moet door de geest geleid worden, een organisatie moet door een leidinggevende top draaiende gehouden worden. Als dat niet het geval zou zijn, dan zou er een chaos ontstaan; in maatschappelijk verband spreekt men dan graag van anarchie. Maar al die meningen steunen op een denken zonder samenhang, een wereldbeschouwing waarin alle dingen als aparte onderdelen van een soort grote machine worden gezien. Het is mechanistisch denken...

Ondergeschiktheid

De onvolwassen organisatie is geen inhoud van het leven. Eigenlijk is het precies andersom: het leven is ondergeschikt aan en afhankelijk van de organisatie. Deze is het die bepalend is voor de kwaliteit van het leven: de economie bepaalt wat de welstand van de mensen zijn zal en bepaalt ook hoeveel tijd (vrije tijd) de mensen aan hun leven mogen besteden. Maatschappelijk worden de mensen gedwongen zich in de economische organisaties in te passen zonder dat zij zelf mogen en kunnen uitmaken hoe hun handelingen ten opzichte van elkaar gecoördineerd moeten worden. De mensen zijn onderworpen aan de onvolwassen organisatie; hun gehele leven wordt er door bepaald en dat gaat zo ver dat zelfs het spraakgebruik er aan ontleend is: werkeloos zijn, arbeidsongeschikt zijn, uitkeringstrekker zijn, enzovoort. Als je er op gaat letten zal, vaak tot je verbazing, blijken hoeveel uitdrukkingen op die onderworpenheid wijzen.

Doel en doelstelling

Het bestaan van het heelal, inclusief de mens, heeft geen enkel doel en dat wil zeggen dat de zaak nergens toe dient. Zou dat wel het geval zijn, de verschijnselenwereld zou afhankelijk zijn van een doelstelling. Dat ligt wel in het straatje van de godsdienstige mensen, die menen dat het heelal er zou zijn tot meerdere glorie van god en dat zeker de mensen voor dat doel geschapen zouden zijn. Men staat er gewoonlijk niet bij stil, maar juist de gedachte dat de wereld geschapen zou zijn betekent dat er ook een bedoeling achter zou steken. Zoiets is evenwel niet denkbaar. Wel denkbaar is de doelloosheid van alles en dus ook van het leven van de mensen. Het leven is er gewoon. Als je al van een doel wilt spreken zou je kunnen zeggen: het leven vindt haar doel in zichzelf. Als het leven doelloos is en er dus niet is ter wille van iets anders, geldt dat ook voor de inhoud daarvan, de zelforganisatie. Ook die is er gewoon zomaar! Hij is er zelfs niet om het leven in stand te houden en dat blijkt uit het feit dat deze opgave in laatste instantie niet gelukt: het leven is niet in stand te houden. Zou dat toch het doel van de zelforganisatie zijn, dan zouden we moeten spreken van een tegenstrijdigheid: de werkelijkheid ontwikkelt in zichzelf een systeem dat tot mislukken gedoemd is. Dat evenwel is onmogelijk. De zelforganisatie is alleen maar te begrijpen als je de zaak samen denkt met het leven. Waar leven is is organisatie en waar organisatie is is leven... Let wel op: ik spreek nu over de zelforganisatie als verschijnsel in de werkelijkheid. Binnen die zelforganisatie stellen de mensen natuurlijk wel doelen: een bepaalde brug bouwen, brood bakken, enzovoort. Maar omdat het dus eigenlijk nergens om gaat wordt die brug gebouwd, dat brood gebakken, omdat dit nodig blijkt. Met andere woorden: het gaat dan om die brug en om dat brood en niet om wat anders. Binnen het kader van een onvolwassen organisatie (= de huidige) gaat het onvermijdelijk wel om iets anders: de brug is eigenlijk niet belangrijk, maar het belang van een aantal mensen; het brood wordt niet om zichzelf gebakken, maar om er rijk van te worden. Dat geldt voor alles wat wij in onze onvolwassen wereld ondernemen. Steeds ligt er een bedoeling, een doel, achter de organisatie. Hij dient ergens voor en dat doel valt niet samen met het product van zo’n organisatie. Het gaat niet om het brood maar om de winst en dus de macht... De doelstellingen, die behoren bij onvolwassen organisaties, zijn uiteraard allemaal ficties, enerzijds omdat er geen doel te stellen valt, anderzijds omdat het zogenaamde doel niet het werkelijke doel is. Het mag dan ook geen wonder heten dat al die organisaties het leven van de mensen niet verbeterd hebben In tegendeel: de levensmogelijkheden zijn er relatief op achteruit gegaan. In verhouding tot onze moderne wetenschappelijke en technische mogelijkheden is de realiteit armzaliger geworden. De mensheid profiteert veel minder dan vroeger van de verworvenheden van de cultuur. Bijvoorbeeld: de verhouding tussen de honger op de wereld en het aanwezige voedsel ligt veel ongunstiger. Er is verschrikkelijk veel honger en tegelijk veel voedsel. Die honger is dus niet nodig, maar vroeger was er vaak niet aan te ontkomen door een veel lagere productie. Dus: ondanks de grotere welstand in de westerse wereld is die van de mensheid ver achter gebleven bij de mogelijkheden. De maatschappelijke doelstellingen houden de maatschappij als zodanig af van zijn werkelijke mogelijkheden en functie. Zij worden voorgesteld als bevorderend van het welzijn van de mensen, maar in feite is dit welzijn van secundair belang. Voor zover daarvan toch nog iets terechtkomt is dit te danken aan het rechtvaardigheidsgevoel van de gewone mensen, die steeds weer opnieuw hun aandeel opeisen, al of niet voorzien van even fictieve maatschappelijke doelstellingen.

Bladwijzers: Anarchie-1 ; Anarchie-2 ; Leiderschap-1  ; Leiderschap-2

No. 50

Bladwijzers: (Sociaal Democratie-1 ;  Sociaal Democratie-2 ;  Sociaal Democratie-3 ;  Sociaal Democratie-4;  Sociaal Democratie-5 ) ; Parlementaire Democratie ;

Het verzwegen doel

De begrippen doel en doelstelling moeten nader toegelicht worden, omdat ik die min of meer door elkaar heen gebruikt heb. De betekenis van beide begrippen kan aan het volgende duidelijk worden: een volwassen organisatie, een zelforganisatie, heeft geen doel omdat het leven geen doel heeft. Zo’n organisatie is er gewoon. Maar binnen die zelforganisatie worden door de mensen wel doelen gesteld, zoals het bakken van brood en dergelijke. De organisatie zelf echter gaat niet in dat doel op omdat er nu eenmaal geen doel is. Zo kan je dus zeggen dat het bakken van brood een doel in zichzelf is. Als je het zo bekijkt ligt het in de logica dat er dan ook inderdaad brood gebakken wordt, kwalitatief zo goed mogelijk en in de benodigde hoeveelheden. De onvolwassen organisatie, die dus waaraan de mensen onderworpen zijn, heeft wel een doel. Dat doel valt niet samen met de doelstelling; het zijn geheel verschillende zaken. Het doel van zo’n organisatie is het maken van winst, dus het zich verrijken van een aantal mensen. De doelstelling is niet het bakken van brood, maar het bakken en verkopen van ZOVEEL MOGELIJK brood. Dat is de doelstelling die gehaald moet worden. In deze situatie is het brood een bijkomende zaak. Men probeert het dan ook zo te regelen dat het brood van een nog net aanvaardbare kwaliteit is (het moet te verkopen zijn!), maar toch zo weinig mogelijk gekost heeft en zoveel mogelijk oplevert. Dit alles uiteraard in samenspel met het zogenaamde marktmechanisme. De grens van de kwaliteitseisen wordt dus niet benaderd naar boven toe, dit is zo goed mogelijk, maar naar beneden toe en dat betekent: maar net voldoen aan de eisen. Dat geldt voor alles wat wij vanuit de onvolwassen organisatie-idee ondernemen, steeds gaat het om iets anders dan datgene dat gezegd wordt het doel te zijn. Logisch gevolg is dat alle producten ver beneden de mogelijke kwaliteit blijven, dat zij veel te duur worden en dat een heleboel menselijke energie in de vorm van geld wegvloeit naar enkele mensen, die bij een redelijke maatschappij geen enkel belang hebben.

Het zoveel mogelijk

Uit het bovenstaande blijkt dat de onvolwassen organisatie er een is waarvoor het zoveel mogelijk geldt. Is het een productieorganisatie dan schrikt men er niet voor terug om behoeften te kweken bij de mensen, nieuwe markten aan te boren en de prijzen, door afspraken met andere producenten, zo hoog mogelijk op te drijven. De vraag naar wat er in een samenleving nodig is wordt niet gesteld. Men probeert zelf te bepalen wat er nodig is door met behulp van allerlei reclamemanipulaties de consumenten de idee te geven dat hun leven niet volwaardig is als zij de betreffende producten niet kopen. Doordat men zelf de vraag bepaalt zijn er steeds overschotten; er wordt onvermijdelijk almaar TEVEEL geproduceerd. Dat teveel echter gaat niet naar de veel te velen die arm zijn, het wordt vernietigd omdat de consumenten bereid moeten blijven zo hoog mogelijke prijzen te betalen. De zelforganisatie, met in zichzelf de doelstelling om een bepaald product te maken, richt zich daarentegen op datgene dat NODIG is - niet meer dan dat en, als het even kan, ook niet minder. Het kunstmatig opvoeren van de behoeften van de consumenten zou dan buitengewoon dom zijn, men berokkent hiermede schade aan zichzelf: teveel arbeid, onnodig gebruik van grondstoffen en productie- middelen. De kunst is het om binnen de zelforganisatie precies de juiste doelen te stellen, maar gelukkig worden die doelen bepaald door de samenhang van de mensen onderling.

De staatsorganisatie   

Bladwijzers: verzorgingsstaat-1 ; verzorgingsstaat-2  

Je kunt constateren dat de ontwikkeling van de West-Europese cultuur met zich mee heeft gebracht dat gaandeweg vrijwel alle vormen van zelforganisatie, die om te beginnen in de maatschappij aanwezig waren, zijn verdrongen door organisatorische lichamen die de taken hebben overgenomen - zogenaamd voor het gemak van de mensen, voor het scheppen van orde en voor het drukken van de prijzen. Een frappant maar weinig bekend voorbeeld vormt de huizenbouw. Nog niet zo erg lang geleden bouwden de mensen zelf hun huizen en zij maakten zelf uit aan welke eisen zo’n huis moest voldoen. Maar thans is de gehele huizenbouw in handen van grote ondernemingen, in samenwerking met de staat, en de mensen worden in grote complexen weggefrommeld. Is een huis nu goedkoper geworden? Neen het is volkomen onbetaalbaar. Reden : de loodzware top van die ondernemingen en de winsten van de financiers. Die winsten zijn intussen zo hoog geworden dat men de huurders een subsidie moet geven. Zo vloeit gemeenschapsgeld in de beurzen van ondernemers en financiers! Aanvankelijk had ook in Europa de zelforganisatie de overhand. Thans heeft de staat het zo geregeld dat er vrijwel niets meer zelf georganiseerd kan worden. Alles is Of aan vergunningen en reglementen gebonden Of volledig in staatshanden. Het argument daarvoor is het zogenaamde scheppen van orde. Welke orde? Die van de alles overheersende organisatie die de staat is! Volgens sommigen was er vroeger geen orde, ieder deed maar wat hem goed dacht. Maar zij vergeten dat hun begrip van orde pas in de 19e eeuw ontstond, gelijk met de grootschalige organisaties. Het vroegere begrip orde werd veel meer vanuit het leven en haar behoeften gedacht. De markt bijvoorbeeld was een trefpunt voor ruilhandel en niet een op winst gericht afzetgebied. Zo’n markt was dan ook een treffend voorbeeld van zelforganisatie. Met het opkomen van de sociaal democratie (= naar macht vertaald socialisme) ontstaat ook de organisatiegedachte. De mensheid moest georganiseerd worden en dat bleek te zijn de organisatie van de staat. Deze staat heeft alle touwtjes in handen en dat geldt zowel voor de zogenaamde kapitalistische staat als voor de marxistische. Wij zijn allemaal staat geworden: onze salarissen worden door de overheid bepaald, hij bepaalt wanneer en op welk moment wij ziek zijn, naar school moeten, kinderen mogen krijgen of niet, mogen sterven of niet, onze mening mogen geven, enzovoort. De staatsorganisatie is doorgedrongen tot in de slaapkamers van de mensen en elk initiatief is strafbaar gesteld: wat proberen te verdienen mag niet, gezamenlijk eten om de armoede te verlichten is strafbaar. Men pleegt dan FRAUDE en er worden rechercheurs opgeleid om de mensen op heterdaad te kunnen betrappen, waarbij men zich niet geneert om het recht te verkrachten door de bewijslast om te keren! Alles wordt door de staatsorganisatie overheerst en elke zelforganisatie is onmogelijk gemaakt. Zozeer is de organisatiegedachte in de cultuur doorgedrongen dat de mensen zelf zijn gaan vinden dat de staat alles maar moet regelen: de zogenaamde verzorgingsstaat - die overigens beter voor zichzelf zorgt als staatsapparaat dan voor de mensen. Het terugdringen van de zelforganisatie is in de eerste plaats voordelig voor het bedrijfsleven en voor de staat. Dat bedrijfsleven heeft meer voordeel gehaald uit onze sociale voorzieningen dan de mensen voor wie ze zogenaamd ontworpen zijn. De bedrijfsrisico’s zijn door allerlei faciliteiten vrijwel tot niets teruggebracht: de grote bedrijven betalen in feite geen cent belasting en verdienen zelfs op de steunregelingen. Dat is niet verwonderlijk omdat zij als machtige organisaties met de organisatie van de staat overeenkomsten kunnen sluiten. Denk aan het herenakkoord inzake de winsten op ons aardgas. De georganiseerde staat is het meest verstikkende maatschappelijke instituut dat denkbaar is.

Bladwijzers: (Sociaal Democratie-1 ;  Sociaal Democratie-2 ;  Sociaal Democratie-3 ;  Sociaal Democratie-4;  Sociaal Democratie-5 ) ; Parlementaire Democratie ; verzorgingsstaat-1 ; verzorgingsstaat-2  

No. 51

Bladwijzers: Het Russische volk o.a pag. 56 t/m 58 ; Ideologie-Slavische ideologie o.a. pag. 51 en 52 ;

De piramidale organisatie

De moderne organisaties hebben over de gehele wereld een piramidaal karakter, d.w.z. zij bezitten een brede basis en een enkelvoudige top, waarbij de verhouding zo ligt dat de top de dienst uitmaakt. De besluiten worden van boven naar beneden genomen terwijl de informatiestromen in beide richtingen gaan. Die informatiestromen zijn niet vrij: van boven naar beneden hebben zij een beschermd karakter (slechts het noodzakelijke wordt doorgegeven en inzicht in het doen en laten van de organisatietop wordt onmogelijk gemaakt), en van beneden naar boven een gefilterd karakter (op weg naar boven wordt steeds meer als niet relevant beschouwd). Aan de basis heb je dus te maken met onsamenhangende opdrachten en informatie, terwijl je berichten naar boven vroeg of laat doodlopen. Hoe strenger, hoe bureaucratischer de organisatie hoe duidelijker deze klachten van de basis naar voren komen.

De individu in oost en west

Het grondprincipe van de moderne organisatie is, zoals al duidelijk gemaakt, dat het handelen van de mensen gecoördineerd wordt. De individu wordt hierbij vrijgelaten, althans voor zover hij buiten het systeem van op elkaar betrokken handelen valt. Met rust wordt dus gelaten die mens, die je de vrijetijdsmens zou kunnen noemen. Voor zover hij echter in de organisatie functioneert wordt hij helemaal niet met rust gelaten, maar gewoonlijk merkt hij daarvan niet zoveel omdat hij vrijwel geheel op het functioneren in de organisatie geprogrammeerd is. Hij denkt dat hij zelfstandig, volgens eigen normen van redelijkheid, zijn eigen beslissingen neemt en dat hij zich door niemand laat bevelen. Dat is inderdaad het geval, maar het beroerde is dat de bevelen hem al in zijn kindertijd ingeprent zijn. Hij heeft ze al op voorhand gekregen en ze behoeven later niet herhaald te worden. In de westerse cultuur is de bovenstaande situatie in principe gerealiseerd. We hebben al gezien dat ook de staat zich in een vergevorderd stadium van organisatie bevindt. Gezien vanuit datgene dat voor de mensen op den duur mogelijk is, kunnen wij vaststellen dat zij in een zeer onvrije wereld terechtgekomen zijn. Bovendien een wereld waarin de schijn hoogtij viert, waarin alles anders lijkt dan het is zonder dat dit veel kans heeft om aan de mensen op te vallen. Het valt alleen maar op als je de drang hebt om zelf over je leven en de wereld na te denken, een denken dat begint met en gegrond blijft in een voortdurend in twijfel trekken van alles wat in eerste instantie zo vanzelfsprekend lijkt. Maar een goede kant van deze zelfde zaak is gelegen in het feit dat de individu en het individuele naar voren zijn gekomen en dat men vindt dat die beschermd moeten worden. Het mag dan een beklemde individualiteit zijn, hij is er tenminste en hij kan gelden. De situatie in de Oostbloklanden is enigszins anders. Maar het is van belang goed in de gaten te houden dat het organisatie-denken op zichzelf niet verschilt van dat in het Westen. Vooral westerse politici willen ons nogal eens doen geloven dat er in het Oostblok een geheel andere organisatie zou zijn, in die zin dat de staat alles regelt en alles voor het zeggen heeft, maar deze beweringen zijn onjuist. De westerse staat verschilt niet wezenlijk van de Oostblok staat: zowel in oost als in west heeft de staat alles voor het zeggen, omdat hij alles in zijn organisatie opslokt, en in beide cultuursferen hangt de politiek innig samen met de economie en de organisatie. De uit deze drieslag voortkomende standpunten, belangen en gedragingen vertonen in oost en west geen verschillen. Toch is er een wezenlijk verschil, maar dat betreft niet het denken over organisaties als zodanig. Het verschil is gelegen in de kijk die men heeft op de mens als individu.

Men probeert in het Oostblok niet alleen, net als in het Westen, het handelen van de mensen te coördineren, maar de gehele individu. Men staat dus zelfs niet toe dat een mens ook nog een vrijetijdsmens is, d.w.z. men geeft die mens uiteraard wel vrije tijd in concreto, maar hij mag zich niet manifesteren als een vrij individu. Ook dat aspect van het menszijn wil men in de organisatie opnemen en beheersen. Buiten het gecoördineerd maatschappelijke regelt men ook de ontspanning van de mensen in collectief beoefende sporten en hobby’s en men is er op uit ook het denken in te perken binnen vanuit de top vastgestelde kaders. Je mag niet denken wat je wil, althans niet denken buiten de officiële kaders. Dit zijn wij in de geschiedenis van West-Europa ook tegengekomen, namelijk in de tijd dat de Roomse kerk de feitelijke macht in handen had. Er werd macht uitgeoefend over de gehele persoon en dat hield natuurlijk ook in dat er lijfelijk geweld werd toegepast. In het Oostblok treffen we precies dezelfde situatie aan: andersdenkenden worden geïnterneerd op grond van ondermijnende activiteiten en een dergelijk optreden wordt zelfs door de wet gedekt. Er is een uitgebreide praktijk van elkaar bespioneren en het doen van aangiften. Zelfs afwijkende gedragingen worden nauwlettend gadegeslagen en beroddeld. Kortom: een uitgesproken benauwde, burgermansmentaliteit. De vergelijking met de tijd van de Roomse overheersing is niet ongegrond. Je hebt namelijk in beide gevallen te doen met een maatgevende ideologie die onvermijdelijk de gehele individu onderdrukt. Dat behoort bij een ideologie. Maar bovendien behoort erbij dat men er naar streeft om letterlijk alles wat er is - en dus zeker de mensen - in één gesloten en in zichzelf eenvormig geheel onder te brengen. In de Roomse kerk was dat streven er vanuit het denken van de Oudheid en in het Oostblok is het er vanuit de communistische wezensgesteldheid van de (voornamelijk) Slavische mensen. Op grond van dit laatste is er van het oosten op de lange duur wel iets te verwachten, maar dat komt een andere keer ter sprake. Voorlopig kunnen wij stellen dat de westerse situatie, met betrekking tot de mens als individu, de meest ontwikkelde is. Maar toegegeven moet ook worden dat de Oostblokopvatting een groot aantal westerse misstanden onmogelijk maakt.

Het mechanistische denken

In het organisatie-denken worden de elementen van die organisatie, de mensen dus, beschouwd als raderen in een machine. De belangrijkste kwaliteit van die raderen moet zijn dat zij in elkaar grijpen en dat dit van buiten en boven af bestuurd kan worden. Bij een machine is dat niet anders denkbaar, maar bij mensen natuurlijk wel: zij kunnen het in elkaar grijpen ook zelf regelen, in samenhang met de realiteit die zij om zich heen aantreffen. Dat is de zelforganisatie en bezien in dat licht is de mens helemaal geen machine. Dit betekent ook dat er wat betreft een toekomstige zelf organiserende mensheid niets te voorspellen valt. Je kunt slechts enkele kenmerken noemen: 1) alles draait om de samenhang, 2) iedereen kan zich vrijelijk ontplooien, 3) er is een optimale kwaliteit van de maatschappij, 4) er gelden geen waarderings-verschillen (wie is belangrijker, de vuilnisman of de wiskundige), 5) de organisatie is inhoud van het leven en niet andersom, 6) er is geen bedoeling, 7) de doelstellingen zijn incidenteel en gericht op kwaliteit, 8) er wordt geproduceerd wat nodig is en niet wat winst oplevert, 9) de goederen staan ter beschikking van een ieder die ze nodig heeft. En zo zijn er nog wel meer dingen te bedenken, maar te voorspellen is er niets.

No. 52

Over de ideologie

Onder een ideologie versta ik: een overheersend cultuurdenkbeeld dat gebaseerd is op de voorstelling hoe de werkelijkheid zou moeten zijn. Je kunt beter niet zeggen zou kunnen zijn, want er kan in het gangbare denken van de mensen zoveel, zonder dat dit noodzakelijk als een zaak gezien wordt, die afgedwongen zou moeten worden. Het moeten drukt uit dat men het cultuurdenkbeeld dwingend als de maat stelt. Uiteraard is dat een cultuurdenkbeeld van mensen die macht zoeken. Het kan dan ook niet uitblijven dat andersdenkenden veroordeeld worden als domkoppen, onwilligen en misdadigers - in die volgorde. Een ideologie betrekt zich op heel de werkelijkheid. Alles is er in betrokken en wordt gedwongen zich ernaar te voegen. Maar bovendien richt zich de ideologie op de werkelijkheid als geheel, dat als de hoogste, boven alles en iedereen uitstijgende, realiteit wordt gesteld. Die hoogste realiteit is de absolute waarde van waaruit het uitoefenen van macht wordt gelegitimeerd en die macht drukt op de gehele mens omdat er niets is dat er buiten kan vallen. Aan de voet van elke ideologie ligt een ideaal en zo’n ideaal is op zijn beurt weer gegrond op een gedachte, een theorie. Het ideaal en zijn grondslag, de theorie, zijn persoonlijk: een bepaald iemand heeft een ideaal en er zijn nog meer bepaalde personen die ook dat ideaal hebben. Maar het ideaal wordt tot een ideologie als men de conclusie getrokken heeft dat alle mensen er aan moeten voldoen omdat het ideaal zou samenvallen met de werkelijkheid als geheel. Bij de ideologie gaat het dus om de massa, bij idealen om personen. Het Marxisme bijvoorbeeld was bij Marx geen ideologie, maar een theorie met het daaruit voortkomende ideaal. Pas zijn volgelingen waren het die met dat ideaal gingen werken. Daarbij tekenden zich al spoedig twee stromingen af, bij de éne stroming kwam de nadruk te liggen op het organisatorische en bij de andere op het ideologische. Vooral in de westelijke Europese landen zette de organisatorische door, al spoedig uitlopend in het democratisch socialisme. Het ideologische bleef beperkt tot enkelingen, zoals Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg, socialisten die eigenlijk meer Oost-Europese trekken vertoonden. Daartoe kan je ook Lenin rekenen. De controverse tussen Karl Marx en Michael Bakoenin ging echter over de macht en was dus een andere kwestie, hoewel je ook hierin aspecten van het organisatie probleem kunt herkennen. Het anarchisme legt namelijk de nadruk op de zelforganisatie en wijst zowel de organisatie van de staat als de onderwerping aan een ideologie af.

Staatsorganisatie

Het organisatie-denken heeft niets met een ideologie te maken, maar met een denkmodel. Weliswaar moet alles aan dat model aangepast worden, maar dat gebeurt niet vanuit het geheel, en dus niet vanuit een absolute hogere waarde, maar vanuit het onderzoek en de kennis van de betrekkingen tussen de mensen. Het is dus zelfs wel een wetenschappelijke zaak, die op grond van zijn analytische karakter niets met het geheel te maken heeft. Er wordt wel iets hogers gesteld, maar dat is het denkmodel dat maatgevend is. Dat is evenwel geen absolute hogere werkelijkheid die boven alles en iedereen uitstijgt. Voor een ideologie en voor het willen beheersen van de gehele mens is er dan ook geen plaats. Dat geldt natuurlijk niet alleen voor de staatsorganisatie, het geldt voor het gehele systeem van maatschappelijke structuren. Daarin komen wel idealen voor en uiteraard zijn er ook ideologisch ingestelde mensen, maar deze laatsten vertonen doorgaans restanten van een oude westerse ideologie, namelijk die van de godsdiensten.

Ideologie als godsdienst

In de westerse godsdiensten wordt een absolute hogere werkelijkheid voorgesteld. Er is dus alle ruimte voor een ideologie. Maar, die hogere werkelijkheid berust eigenlijk op een herinnering, namelijk die van de oudheid, die door de godsdienst levend is gehouden, zij het dan in de vorm van een concreet bestaande plaats, ergens in het heelal. Die herinnering kalft langzaam af en we kunnen tegenwoordig zelfs wel zeggen dat er niets meer van over is. Maar de voorstelling en de daaraan meekomende denkbeelden worden halsstarrig gehandhaafd in de poging de oude ideologie in stand te houden ter wille van de macht. Die poging is echter al bij voorbaat mislukt.

De Slavische ideologie

De mensen die in Rusland in 1917 de revolutie doorgezet hebben waren de ideologische richting van het socialisme toegedaan. Dat gold natuurlijk in de eerste plaats voor Lenin, maar ook voor de andere Russen. Zij zouden echter nooit een kans gekregen hebben als er in de Slavische mensen niet een intuïtief besef van een absolute werkelijkheid aanwezig was geweest. Dat besef berust, in tegenstelling tot West-Europa, niet op een herinnering, maar op een vermoeden. Het vermoeden namelijk dat de werkelijkheid inderdaad één geheel is. Je kunt dus zeggen dat het een vermoeden van de toekomst is. Op grond van dit vermoeden fungeert dat geheel als een absolute hogere waarde en dus is het argument genoeg voor het legitimeren van macht. Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat de Russische mensen aanvankelijk de partij en zijn leiders als een heilige zaak beschouwden. Dat was vooral ten aanzien van Stalin het geval. Deze werd, ondanks zijn gruwelijke tirannie, net zo vereerd als voordien de Tsaar. Dat men de tirannie accepteerde is te begrijpen als je bedenkt dat dit onvermijdelijk meekomt aan de ideologie: de gehele mens moet er voor buigen omdat het zowel over de totale werkelijkheid gaat als over de werkelijkheid als het geheel. Gevoeligheid voor een ideologie houdt automatisch tolerantie ten aanzien van tirannie in, zowel bij de machthebbers als bij de onderdrukten. We hebben dat vroeger in West-Europa gezien en we zien het in het Oostblok. De tirannie wordt uiteraard niet toegejuicht en ook is er kritiek op, maar toch blijft hij mogelijk als een onderdeel van het bestel. Omdat de Leninistische ideologie gegrond is op het socialisme ontbreekt de organisatiegedachte niet. Het onderling handelen van de mensen wordt dus wel degelijk georganiseerd, al ligt het niet op de voorgrond. Zo’n organisatie is betrekkelijk willekeurig, juist omdat de absolute macht voorop staat, de macht vanuit de ideologie. Erg goed functioneert die organisatie dan ook niet. Er is veel machtsmisbruik, weinig interesse en weinig inzet. De glorie van de partij gaat boven het functioneren. In het Roomse Europa was er in principe helemaal geen belangstelling voor het handelen van de mensen, behalve als het ging om het naleven van de godsdienstige voorschriften, zoals de biecht en het betalen van allerlei kerkelijke belastingen. Hoe de maatschappij verder functioneerde was niet de zorg van Rome en het duurde tot de Franse Revolutie tot hierin enige verandering kwam. Als er van het maatschappelijk gedoe van de mensen te plukken viel was het goed. Het was zelfs niet van belang dat door dat uitplunderen hele takken van nijverheid ten gronde werden gericht. De situatie in het Oostblok is dus in zoverre anders dat het functioneren van de maatschappij wel van belang is, maar dat belang wordt overstegen door het belang van de heilige partij en de daarbij behorende autoritaire machthebbers.

Bladwijzers: Het Russische volk o.a pag. 56 t/m 58 ; Ideologie-Slavische ideologie o.a. pag. 51 en 52 ;

No. 53  

Bladwijzers: (Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3) Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2

Proletariërs, verenigt u

Het socialisme was voor Karl Marx (1818 - 1883) geen ideologie, maar een theorie, die voortgekomen was uit de analyse van vooral de economische situatie van zijn tijd. Met behulp van die theorie zou het mogelijk zijn de maatschappelijke werkelijkheid te begrijpen en ook te veranderen omdat het mogelijk zou zijn bepaalde voorspellingen te doen. Marx kwam tot de conclusie dat de maatschappij niet deugde en dat de mensen, die het werk doen, daarvan de dupe zijn. Om in die situatie verbetering te brengen moesten de mensen socialistisch gaan denken. Nu was de cultuur ontwikkeling inmiddels al zover gekomen dat het socialisme op doorbreken stond. De mensen gingen zichzelf als individu herkennen, in die zin dat ook de ander als individu gezien werd. Dat socialisme is te omschrijven als: indien IK er ben, ben JIJ er ook. Er zijn, wat betreft het gelden van de mens als individu, een drietal fasen te onderscheiden. Ten eerste: IK ben er als enige (absolutisme, het er zijn van een elitaire enkeling, een vorst); ten tweede: IK ben er en JIJ zoekt het maar uit (liberalisme, de ander heeft het recht om zich ook te laten gelden, maar ook om te creperen); ten derde: IK ben er en vanzelfsprekend ben JIJ er ook (socialisme, met elkaar kunnen wij onszelf als individu waarmaken). Dit laatste besef was dus, halverwege de 19e eeuw, doorgebroken en op die bodem groeide de socialistische gedachte van Karl Marx en zijn geestverwanten. Michael Bakoenin (1814 - 1876) bijvoorbeeld stelde: IK ben vrij als de anderen ook vrij zijn; als er ook maar één mens onvrij is, ben ik ook onvrij. Ook bij hem dus het tegelijk gelden van JIJ en IK. Het tegelijk gelden van JIJ en IK was ingecalculeerd in de kijk van Marx op de werkelijkheid, maar de gedachte, waarmee hij kwam, was deze dat de mensen zich zouden moeten verenigen - en dat betrof vooral de zogenaamde proletariërs. Die gedachte vond een willig oor omdat hij een duidelijke consequentie was van het doorgebroken cultuurmoment jij en ik tegelijk. Men ging zich dan ook verenigen en dat was niet alleen maar het geval bij diegenen die zich socialisten noemden; overal en op alle gebieden ontstonden verenigingen en allemaal wilden zij een democratische structuur hebben. Er zijn evenwel twee mogelijkheden. Ten eerste kan je er toe overgaan een organisatie in het leven te roepen en daarop de nadruk te leggen, maar ten tweede kan je de mensen verenigen in een bepaald geheel, als het ware onder een paraplu, waarbij de vertegenwoordigers van dat geheel het voor het zeggen hebben: de leidende kaders. Van de twee mogelijkheden, de organisatorische en de ideologische, heeft de eerste zich, zoals al eerder opgemerkt, in het Westen doorgezet. Dit socialisme is de motor gebleken van het organisatie- denken. Te begrijpen is dat de macht, die men aanvankelijk wilde doen oplossen, van karakter veranderde: van macht over de persoon naar macht over het handelen van de persoon. En van oplossen was geen sprake, uiteraard omdat voor oplossen nodig is dat de waardenstelsels verdwijnen en daaraan was en is de mensheid nog lang niet toe.

Het arbeidersproletariaat

Marx verwachtte een betere wereld van het arbeidersproletariaat. Allicht, want deze mensen waren al het meest individueel. Inderdaad leek het daar helemaal niet op: het was een massa verpauperde, onontwikkelde, afgesloofde en ongezonde mensen waar letterlijk niets bij zat. Dat is evenwel niet het punt. Het gaat hierom dat deze mensen losgemaakt waren van, zeg maar, natuurlijke bindingen met bepaalde groepen, zoals dorpsgemeenschappen, gildes, ambachtsgroepen, tradities, enz. De proletarische arbeider staat op zichzelf; hij levert en verkoopt geen product dat het resultaat is van zijn arbeid. Hij verkoopt zichzelf, in de vorm van energie, namelijk zijn arbeidskracht. En nu is het dit op zichzelf staan dat de basis is van het individu-zijn en tevens van de mogelijkheid om zich te verenigen. Je kunt alleen elementen verenigen, maar mensen die, vanuit de een of andere traditie, al bij elkaar behoren zijn niet te verenigen. Een boer bijvoorbeeld is ingebed in een bepaald natuurgebeuren en in een daarop gegronde gemeenschap. Hij zal dan ook veel later met zijn individualiteit voor de dag komen. Een geïndustrialiseerde maatschappij is gebaseerd op de analyse; het gaat om het in elkaar grijpen van op zichzelf staande onderdelen. Dat was het dat zich toentertijd aan het realiseren was. De proletarische arbeiders behoorden tot die onderdelen. Zij waren dus al individu, maar het had uiteraard nauwelijks enige inhoud. Die inhoud kwam er evenwel al spoedig: de hele zaak ging zich betrekkelijk snel emanciperen. De ontstane verenigingen waren eigenlijk allemaal emancipatieverenigingen, zelfs als het ging over het fokken van geiten of het verzamelen van postzegels. Hoewel de mensen thans nog lang niet echt geëmancipeerd zijn is hun graad van ontwikkeling onvergelijkbaar veel hoger dan een eeuw geleden.

De Russische revolutie

Het is een feit dat in Rusland een arbeidersproletariaat aanwezig was en dat het zich al vroeg geroerd heeft. Maar de revolutie van 1917 was toch eigenlijk een boerenrevolutie, geheel in strijd met de Marxistische theorieën. Lenin was dan ook gedwongen aan de boeren toezeggingen te doen om de macht van de partij te vestigen. Maar bij die boeren lag het individualisme bepaald niet in het denken. De revolutie ging dus op iets anders door. In het Westen, waar volgens Marx en geestverwanten de zaak rijp was voor de revolutie, ging het niet door. Allicht, want het ging daar om de organisatie. Die verandert structuren, gaat dus binnen de maatschappij aan het werk. De revolutie echter WENTELT OM en grijpt dus van buitenaf aan. Dat nu vereist een ideologie! Er werd wel iets wakker in de mensen, maar dat was het weten bij elkaar te behoren en dat grondde zich op het besef een geheel te zijn. Vandaar dat de, overigens westerse, term communisme ingang vond.

De moderne dissidenten

Voor zover de zogenaamde dissidenten geen westers wereldbeeld voor ogen staat, blijken het steeds heel geïnspireerde communisten te zijn. Zij komen als individu op uit het door de ideologie samengevoegde geheel en laten zich gelden als op hun wijze dat geheel. Het ziet er op het ogenblik naar uit dat men die individu gaat herkennen en erkennen, maar ook als dat niet het geval is zal blijken dat deze zelfbewust- wording niet tegen te houden is. Maar, het gaat om een andere individu dan de westerse: hij is niet gebaseerd in isolement (IK ben JIJ niet) maar juist in samenhang en dat betekent dat IK, op mijn wijze, het geheel ben. De westerse individu is vanaf de aanvang gegrond geweest op de afzondering, de splitsing, de analyse. Deze analyse heeft in Rusland nooit een voedingsbodem gevonden. De westers georiënteerde intelligentsia is nimmer met de bevolking verbonden geweest en sprak vaak niet eens hun taal. De Russische dissident verlangt niet, zoals de westerling, méé te tellen, maar hij wenst, in samenhang met de anderen, zichzelf te zijn. En vaak wordt de verbanning naar bijvoorbeeld Siberië, ondanks alle ellende, ervaren als een soort van loutering van dat zichzelf-zijn. Dat is voor de westerse mens moeilijk te verstaan, maar wij kennen de psychische realiteit van het met zijn allen zijn dan ook niet. De Rus echter kent het wel en verlangt ernaar aan die zaak inhoud te geven.

Bladwijzers: (Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3) ; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2

No. 54

Wat is een revolutie

Je kunt in de West-Europese geschiedenis een aantal revolutionaire toestanden aanwijzen, bijvoorbeeld in het Duitsland van vlak na de eerste wereldoorlog, maar, behalve de Franse revolutie van 1789 is er niet echt een revolutie geweest. In Rusland en China daarentegen wel. Revolutie betekent omwenteling. Het is het vervangen van de heersende staatsstructuur door een andere, en dat vanuit een ideologie. Wat doet een groep mensen als zij de maatschappij omwentelen? Zij tasten de bestaande maatschappij aan van buitenaf. Zij beschouwen zichzelf, hoewel uiteraard behorend tot die maatschappij (je kunt er nooit buiten gaan staan), als niet tot die maatschappij behorend. Zij willen daarmee niets te maken hebben omdat die maatschappij hen als uitgeworpenen beschouwt, als mensen die niet meetellen en die geen rechten hebben. Als dergelijke groepen mensen voldoende krachtig zijn geworden kunnen zij de zaak omwentelen zodat zij niet langer de buitengeslotenen zijn, maar nu juist de kern van de nieuwe maatschappij vormen. Belangrijk bij het begrip revolutie is dus het van buitenaf aangrijpen, wat gebeurt vanuit volledig miskende groepen van de bevolking. De gewone bevolking van Frankrijk was volledig miskend toen de revolutie in 1789 uitbrak. Eigenlijk behoorde zij niet eens tot de derde stand, maar zij behoorde zeker niet tot de adel en de geestelijkheid. Deze laatsten wisten zelfs te vertellen dat de mens wezenlijk pas bij de baron begon. Allen daar beneden waren geen mensen maar vuilnis, gepeupel. Deze niet-mensen grepen de maatschappij van buitenaf aan.

vrijheid, gelijkheid en broederschap

Hierbij is een ideologie nodig: de nieuwe waarden moeten voor IEDEREEN van kracht zijn, althans zo worden beschouwd. En dat op grond van het feit dat het over alles en allen gaat (het totaal) en tegelijk over het geheel. Dit kwam tot uiting in de leuze vrijheid, gelijkheid en broederschap. Deze leuze heeft korte tijd als een ideologie gefunctioneerd, namelijk tijdens de woelingen van de revolutie, maar al spoedig bleek het geen echt houdbare ideologie te zijn. Niemand liet zich er iets aan gelegen liggen. Behalve het van buitenaf aangrijpen en het begeesterd zijn door een al of niet houdbare ideologie moet het ook nog ergens om gaan. Het gaat louter om de macht. Men is weliswaar van plan om met die macht redelijk om te gaan zodat het allemaal heel mooi lijkt, maar men ontkomt er niet aan dat er zich weer nieuwe elites vormen die niets anders gaan doen dan macht uitoefenen. Bij voorbaat zijn alle mooie plannen mislukt. Er kan geen macht ten goede ingesteld worden. Na de revolutie worden de echte revolutionairen schielijk om zeep geholpen. Er mag maar één omwenteling zijn en het proces mag niet doorgaan; de macht moet door de nieuwe elite behouden worden. Zo vermoordt de revolutie haar eigen kinderen...

West-Europa en de revolutie

Omdat het bij ons ook om de macht gaat zou van daaruit revolutie mogelijk zijn, maar de beide andere kenmerken, de aanwezigheid van een ideologie en het bestaan van buitengesloten grote groepen van de bevolking, gelden niet. We hebben al gezien dat het organisatie- denken kenmerkend is voor de West-Europese mens. Vanuit dat denken is niemand buitengesloten, zelfs niet de laagst gewaardeerde mensen. Je bent deel van het totaal. Je telt mee, al is het nog zo weinig. Daardoor kan je de staat niet omwentelen, ook al ben je met nog zo velen. Dat bemerkte bijvoorbeeld Troelstra (1860 1930) toen hij in november 1918 meende de socialistische revolutie te kunnen ontketenen. De zaak bloedde in eigen gelederen dood! Als er in het organisatorisch denkende Westen dingen veranderd en verbeterd worden kan dit noodzakelijk niet anders dan langs de organisatorische weg gaan. De recente geschiedenis heeft dit dan ook laten zien. Ook van een ideologie is niets te verwachten omdat de West-Europese mensen niet meer ontvankelijk daarvoor zijn. De laatste ideologie, namelijk die van de Franse revolutie, had al geen inhoud meer die voor de mensen een hogere betekenis zou kunnen hebben. Het was slechts een leuze! Als in het Westen alles blijft gaan zoals het gaat en er geen grote rampen met kernenergie en vergiftigingen optreden, dus als er geen grote ontreddering optreedt, zullen er hier geen revoluties plaatsvinden. Tijdens de Franse revolutie werd de eerste fase van het individualisme (IK alleen ben er) vervangen door de tweede (IK ben er en jij hebt het recht dat ook voor elkaar te krijgen). Dat sloeg aan bij het calvinistische werk uzelf zaligheid. Het behaagde god als iemand zich nijver boven het er niet zijn uitwerkte. Als je het over oproer hebt gaat het over iets anders. Oproerige mensen willen misstanden rechtzetten, in feite dus de organisatie verbeteren. Zij vinden dat zij niet voldoende functioneren en komen dan in verzet. Een omwenteling ligt nooit in de bedoeling. Stakingen zijn in zekere zin ook oproeren en daarbij is het, vooral tegenwoordig, al helemaal duidelijk dat het om organisatorische zaken gaat.

Rusland en de revolutie

In het Rusland van 1917 waren de genoemde voorwaarden vervuld. Het ging om afwenteling van de onmogelijk geworden macht van de tsaar en zijn bureaucratie, een tirannieke, feodale en willekeurige macht over de bevolking. Een ideologie was er ook op grond van het Russische cultuurmoment: het zich realiserende geheel. Dat moment werd in de Grieks-orthodoxe godsdienst verwoord met het koninkrijk Gods op aarde en de levende Christus. In de revolutie hebben deze begrippen naar buiten toe geen rol gespeeld, maar naar binnen toe des te meer. Zij maakten het communisme voor de mensen psychisch aanvaardbaar. Er was in Rusland een buitengewoon grote buitengesloten groep en dat was de boerenbevolking. Nagenoeg geheel verstoken van onderwijs en vrijwel nog in de staat van lijfeigene hadden de boeren geen deel aan de cultuur van de elites die, westers geschoold en westers denkend, op hun beurt ook volkomen vreemd waren aan de Russische bevolking. Toch was juist deze bevolking inhoudelijk het meest essentiële deel van de cultuur. Daarom kon Lenin (1870 - 1924) niet om de boeren heen zolang de revolutie woedde, maar hij heeft hen daarna snel verraden. Later werden zij zelfs opgeofferd aan de grootschalige industriële economie zodat zij als ratten stierven. Lenin immers, als westers denkend marxist, was toch van mening dat het om de industrie en haar arbeiders ging, hoewel de boeren hem bij zijn revolutie hielpen. Het ging Lenin om een westers model van een arbeidersstaat. Ideologische machthebbers zijn altijd willekeurige tirannen en zij vinden het heel gewoon om hun burgers op te offeren, denk aan wat de Roomse kerk heeft gedaan en zie wat er tegenwoordig onder de ideologie van de Islam in Iran gebeurt. En net als overal en altijd onder de druk van een ideologie lieten ook de Russische boerenmensen met zich sollen, juist omdat voor hen de ideologie een psychische realiteit was. Die psychische realiteit heeft natuurlijk nog een lange weg te gaan voordat zij als een cultuurmoment zelfbewust voor de dag kan komen en daarbij dan ook alle eigenschappen van een ideologie heeft afgelegd. Wat er dan uit komt is het eerste moment van de volwassen mens. Om dit echter te begrijpen moeten wij er achter komen hoe het zit met de middelmatigheid van de mensheid. Anders zouden wij wellicht aan een mensheid vol van nobele en heilige lieden gaan denken en dan zouden wij helemaal fout zitten.

Bladwijzers:    Russische revolutie-1 ; de Russische revolutie-2

No. 55

Bladwijzers:    Algemeen belang-1 ; Algemeen belang-2 ; Algemeen belang-3 ; Algemeen belang-4 ; Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ;

Geen waardeoordeel

De filosoof Hegel (1770 - 1831) heeft destijds gezegd: de middelmaat maakt zich breed, regeert tenslotte de wereld en zo blijft het. Deze uitspraak bevat veel waarheid. Inderdaad leven wij nu in een wereld waarin de middelmaat hoogtij viert en dankzij de macht van de grote aantallen de wereld regeert. Welbeschouwd betekent dit dat letterlijk alles beneden zijn niveau blijft en in veel gevallen zelfs verkeerd is. De diskwalificerende ondertoon van Hegels uitspraak is dan ook, wat onze hedendaagse werkelijkheid betreft, terecht. Maar over het algemeen is een dergelijk waardeoordeel uit den boze, vooral omdat het een heldere kijk op de situatie belemmert. Hegel stond nog in de traditie van de individu als enkeling en daarom verwachtte hij de goede dingen van uitzonderlijke enkelingen. Het volk kon zichzelf niet besturen, dat moest de taak zijn van absolute machthebbers die, in de toekomst, nu eens niet hun eigen belang op het oog zouden hebben, maar het algemeen belang. Het volk zou altijd de weg gewezen moeten worden en met machtsmiddelen gedwongen die weg te gaan. Van daaruit is de zich breed makende middelmaat, de massa’s van het volk dus, een gruwel die niet tot iets goeds zou kunnen leiden. Eigenlijk had Hegel, die toch een uitzonderlijk diepzinnig filosoof was, beter moeten weten. Hij was bijvoorbeeld zeer ingenomen met de filosofie van Spinoza (1632 - 1677), maar deze was het nu juist die een politieke filosofie ontwierp waarin de dwingende macht van heersers afgewezen werd omdat zij voortdurend de mensen willen veranderen, in plaats van te proberen te begrijpen waarom de mensen zijn zoals ze zijn. Spinoza wees dus, zowel filosofisch als politiek, het van bovenaf denken af. Geen enkele van de grote filosofen heeft die gedachtegang doorgetrokken of zelfs maar voor mogelijk gehouden. Ze bleven allemaal de begaafde, nobele, enkeling als de maat stellen en van de gewone mensen eisen dat zij zich daarnaar zouden voegen. En Spinoza heeft het goed voorzien: zij begrepen niets van datgene dat zich in de gewone mensen ontwikkelde. Het is onvermijdelijk dat men, vanuit het van bovenaf denken, de middelmaat als iets minderwaardigs ziet. Als die zich dan ook nog breed gaat maken (uiteraard omdat de mensen eindelijk eens mee gaan tellen), is er weinig hoop meer voor de toekomst. Het is echter de vraag of deze opvattingen reëel zijn.

Het begrip middelmaat

Het ligt in de logica dat het algemene beeld van de mensheid bepaald wordt door de algemeenheid van de mensen. Behalve als hij macht heeft over de mensen kan een enkeling dat beeld niet bepalen. Je kunt dus, met Hegel, zeggen dat het gemiddelde en dus ook de middelmaat bepalend is voor het wereldbeeld. Als je deze zaak zonder waardeoordeel bekijkt kan je jezelf de vraag stellen of zo’n middelmaat beslist, minderwaardig moet zijn. Ten eerste is dan op te merken dat het stellen van een maat een cultuurkwestie is, een zaak dus die veranderlijk is en die bovendien samenhangt met de belangen van diegenen die de maat stellen. Dat betekent dat het allemaal erg dubieus is. Ligt bijvoorbeeld de maat bij de arbeid of ligt hij bij het recht? In wiens voordeel is de arbeid en wie of wat wordt in de eerste plaats door het recht beschermd? Moeten de mensen boeken lezen om niet middelmatig te zijn of een universitaire opleiding hebben genoten? Of is een naar boven gemanipuleerde politieke elite boven de middelmaat verheven, of voetballers, toneelspelers en musici? Eigenlijk is er helemaal geen maat te stellen zodat de daaruit voortkomende waardeoordelen ook afgewezen moeten worden. Wat wij middelmaat plegen te noemen is in feite het algemene wereldbeeld. Dat is met geen ander wereldbeeld te vergelijken (elders in de kosmos) en moet dus noodgedwongen OP ZICHZELF beschouwd worden.

Volwassen en onvolwassen middelmaat ( lees eventueel vanaf nr. 55 hierboven)

Op elk moment van haar leven kent de mensheid uitschieters naar boven en naar beneden en het overgrote deel van de mensheid zit er ergens tussenin. Dat noem ik - zonder enig waardeoordeel - de middelmaat. Wij leven nog steeds in een onvolwassen wereld en dus hebben wij te doen met een middelmatige onvolwassenheid en ook een onvolwassen middelmatigheid. Zo’n middelmatigheid tendeert naar zijn oorsprong en dat is de onvolwassenheid. We zullen dus steeds de neiging zien terug te grijpen, te herstellen zoals het vroeger was en te houden zo het is. De onvolwassen middelmaat is behoudend. Er is een grote angst voor vrijheid, voor het gaan van nieuwe en onbekende wegen en er is behoefte aan infantiele geborgenheid. Dat betekent dat zo’n mensheid voortdurend beneden haar stand leeft, d.w.z. de mogelijkheden, die zij zelf al ontdekt heeft, onbenut laat.

De Rechten van de mens

Al in 1948 was men in staat de Rechten van de mens te formuleren en te aanvaarden als algemeen geldende normen. Maar niemand heeft er iets mee gedaan. Het is bij loos gepraat gebleven. Wij zijn in staat de gehele mensheid te voeden, maar niemand is van plan dat ook te doen. Ons denken is al zover dat wij oorlogen afwijzen, maar iedereen wapent zich ten oorlog. En dat allemaal op grond van verouderde denkmodellen. Men houdt vast aan het oude en waagt het niet te handelen naar de uiterste grens van zijn mogelijkheden. Het behoudende, het terug willen gaan, komt voort uit de zuiging van de oorsprong, de nog niet ontwikkelde onvolwassene. De angst voor vrijheid en het steeds maar beneden zijn mogelijkheden blijven zijn kenmerkend voor de onvolwassen middelmaat. Op den duur echter worden de mensen volwassen en ook dan is het de middelmaat die bepalend is voor het wereldbeeld. Dan echter tendeert die middelmaat naar de toekomst, het volwassen zijn. Dit oefent dan zuigkracht uit en dat betekent dat er een voortdurend zoeken naar nieuwe mogelijkheden zal zijn en een waarlijk progressieve mentaliteit. De angstige behoefte om het oude vast te houden is dan verdwenen. Dat betekent niet dat het oude dan telkens afgeschaft wordt, maar dat het telkens opnieuw gesteld zal worden. Men leeft dan almaar op de grens van eigen mogelijkheden. In die zin is het met de middelmaat best in orde en men heeft dan wel degelijk gelijk als men niet onmiddellijk achter de ideeën van de hoogvliegers aanloopt. Maar de afstand tussen de mogelijkheden van de middelmaat en de praktijk is dan komen te vervallen: de mogelijkheden worden als vanzelfsprekend gerealiseerd, en wel zo dat zij voor zoveel mogelijk mensen zinvol zijn. Als je dus vaststelt dat de middelmaat tenslotte de wereld zal regeren moet je je wel afvragen wat dit in het éne geval (onvolwassenheid) en in het andere geval (volwassenheid) betekent. Je kunt je de zaak als volgt voorstellen: de ontwikkeling van de mensheid gaat in één richting, namelijk van onvolwassenheid, via een soort van evenwichtssituatie, naar volwassenheid. Voordat dit evenwicht bereikt is staat de zaak in het teken van de onvolwassen oorsprong, maar de zuigkracht daarvan neemt gaandeweg af. Tijdens het evenwicht is er grote verwarring en een verlies aan houvast, gecombineerd met speculaties over een nieuwe tijd. Daarna gaat steeds meer de volwassenheid zuigen, om te beginnen stikvol met fouten en mislukkingen, maar langzaam aan beter. Een mensheid die, al tobbende, haar eigen uiterste grens zoekt is altijd goed bezig, maar een onvolwassen mensheid, die behoudend is, altijd slecht. Er zijn tekenen die er op wijzen dat wij thans de evenwichtssituatie naderen. De uitingen van een nieuw zelfbewustzijn worden veelvuldiger en sterker. We zullen eens zien waar dat effectief door zal gaan breken...

Bladwijzers:    Algemeen belang-1 ; Algemeen belang-2 ; Algemeen belang-3 ; Algemeen belang-4 ; Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ;

No. 56 ( lees s.v.p. nrs. 56 t/m 58 )

Bladwijzers: Het Russische volk o.a pag. 56 t/m 58 ; Ideologie-Slavische ideologie o.a. pag. 51 en 52 ;

De blik op de toekomst

Zoals we al gezien hebben staat bij een onvolwassen mensheid alles in het teken van de oorsprong en bij een volwassen mensheid in het teken van het einde, in feite dus de toekomst. Qua wereldbeeld vertoont dit alles zich op de wijze van de middelmaat. Er is dus geen sprake van dat alles plotseling ideaal geworden is, dat iedereen een toonbeeld van goedheid wordt en dat er niets meer fout kan gaan. Alles is om te beginnen precies zoals het altijd al was, maar het heeft wel een andere betekenis gekregen voor de mensen. In die andere betekenis zit het opmerkelijke van de volwassen mensen. Die andere betekenis is er dank zij de dominant geworden zuiging van de toekomst. Toekomst in de zin van het gaan realiseren van uiterste mogelijkheden. Dit zoeken van deze mogelijkheden kan je omschrijven door te zeggen: men probeert de dingen zo goed mogelijk te doen, en dat dan vanuit de kwaliteit van die dingen zelf. In de praktijk zal die veranderende betekenis zich geleidelijk en zelfs wel ongemerkt gaan vertonen. Het is een kwestie van een balans die steeds meer naar de andere kant gaat doorslaan. Hoewel de mensen vast wel bepaalde dingen zullen afschaffen, zal dat toch niet het karakter van de ontwikkeling zijn. Er valt in feite niets af te schaffen. Alleen de betekenis verandert en wel omdat alles met alles moet gaan samenhangen. Nemen we als voorbeeld de luchtverontreiniging: op het ogenblik is het uitgangspunt dat er zo weinig mogelijk vervuild mag worden. Zo weinig mogelijk houdt in dat er vervuild mag worden, maar binnen zekere grenzen. Men stelt dan een minimum- norm vast met als gevolg dat iedere vervuiler zo dicht mogelijk tegen die norm gaat zitten en er net nog onder blijft. Resultaat: er wordt ZOVEEL MOGELIJK vervuild, zoveel als net nog kan zonder al te grote rampen op de korte termijn. De volwassen benadering van de zaak is dat er in het geheel niet vervuild mag worden, maar dat er, afhankelijk van de stand van wetenschap en techniek, onder omstandigheden uitzonderingen kunnen worden gemaakt. Resultaat: er wordt ZO WEINIG MOGELIJK vervuild. De norm is dan niet meer hoever kan ik gaan, maar wat is helaas voorlopig onvermijdelijk. Dit laatste leidt tot een heel andere technologie. Daarbij worden alle resultaten meegerekend en niet alleen het winstgevende gedeelte. Het overgaan van de mensheid naar volwassenheid is geen spectaculaire zaak. Langzaam gaat de balans naar de andere kant doorslaan en je kunt er van verzekerd zijn dat de meeste mensen, die dan leven, het niet eens in de gaten hebben. Om dat te begrijpen is ons verhaal over de middelmaat zo belangrijk. Als wij ons echter afvragen hoe die vernieuwing van de betekenis der dingen voor de mensen zich af zal spelen, moeten wij ook het cultuurverloop gaan bekijken.

Het laatste cultuurmoment

Een cultuur is de gestolde neerslag van een bepaalde fase van de ontwikkeling van het zelfbewustzijn. Er worden allerlei dingen vastgelegd, als norm gesteld, die tijdens die fase duidelijk zijn geworden. De neerslag van zo’n fase stolt tot cultuur. Dat geeft een opeenvolging van culturen te zien, die zich in opeenvolgende tijden en op verschillende plaatsen realiseren. Omdat de ontwikkeling procesmatig verloopt komt er ook een eind aan en, zoals altijd met processen het geval is, vertoont dat eind een dubbel karakter. Enerzijds is het dus nog een cultuurmoment met al zijn vaste normen en waarden, maar anderzijds is het daarvan ook de ontkenning, dat wil zeggen: het geldende cultuurmoment op andere wijze. Dat betekent dat we een aantal verschijnselen zullen waarnemen, die zich als tegenstrijdigheden voordoen, als uitersten die tegelijk aanwezig zijn. Zo is te zeggen dat de zaak zich op een bepaalde plaats zal manifesteren, maar het karakter van iets universeels zal hebben. Naast het samenkomen van alle cultuurverworvenheden zal er tegelijk een grote onverschilligheid voor die verworvenheden moeten bestaan. Men wil niet opgaan in die vastgelegd heden. Er is de sfeer van een andere werkelijkheid. Het doorbreken van dit alles realiseert zich op een bepaalde plaats, in een bepaald volk, maar als het doorgebroken is beperkt het zich niet daartoe. Dat volk vertegenwoordigt slechts dat doorbreken.

Het Russische volk

Wetenschappelijk is er niet van een Russisch volk te spreken. Er zijn in Rusland vele volkeren. Toch wil ik dit wel doen en wel in de betekenis van, cultuurvolk, d.w.z. een grote groep van mensen in wie zich iets algemeens vertoont. Het doorbreken van de volwassenheid speelt zich af in het Russische volk. Een eigenaardigheid van dat volk is het feit dat het zich aan niets gelegen laat liggen. Het heeft zich nog nooit ergens op vastgelegd, het is nimmer bevangen geweest in enigerlei cultuur. Het is wel overheerst geweest door culturen met als laatste de westerse cultuur, maar het is er steeds vreemd aan gebleven. In één geval lijkt er een uitzondering te zijn, namelijk waar het gaat over de Grieks-orthodoxe godsdienst. Dit evenwel is, in verband met de Russische mensen, eigenlijk geen cultuur omdat er geen nadruk ligt op het uitwendige: het van buiten en boven af dwingen om zich aan cultuurnormen en waarden te onderwerpen. De Russische kerk vertoonde uiteraard wel machtstrekken, maar voor het volk ging het daarom niet. Het volk beleefde de godsdienstige inhoud als een innerlijke realiteit. Men voelde en onderging het christendom als een waarheid, die levend in de mensen aanwezig was. In het Russische volk leefde dat heel sterk, maar dat is dus iets anders dan het onderworpen zijn aan de macht van een cultuur. Voor de Russen functioneerde het christendom niet (in de eerste plaats) als een cultuur, maar als een innerlijke waarheid. Die godsdienst werd dan ook geen ideologie, wat het christendom in het Westen wel geweest is, met als gevolg dat iedereen, als hij maar even de kans kreeg, probeerde er onderuit te komen. Voor zover er wel eens een Rus was die iets dergelijks probeerde, had hij het gevoel zichzelf verraden te hebben. De godsdienst was geen vernis, maar een realiteit. Overheersing is er meer dan genoeg geweest. De eigen intelligentsia van de Russen overheerste en onderdrukte het volk, vaak op beestachtige wijze, maar het was ondenkbaar dat iemand uit het volk er zelf op uit was ook tot die intelligentsia te gaan behoren. Het leven van de elites had geen zuigende werking, zoals in het Westen, maar een afstotende werking. Het denken van het volk was geheel anders dan dat van de intelligentsia; het volk begreep de intelligentsia wel, maar de intelligentsia het volk niet. Alle Russische schrijvers getuigen hiervan. Voor de analytische westerse cultuur is het Russische volk niet ontvankelijk. Weliswaar heeft het er, sinds de revolutie van 1917, alles mee te maken, maar het gaat nog steeds niet van harte. Daarom gaat het onder andere technologisch en economisch slecht - dat komt heus niet alleen door de ambtenarij van partijbonzen. Dit soort lieden kan per definitie geen maatschappij besturen, maar het is ook een feit dat het Russische volk zich niet besturen laat vanuit welk cultuur- denken dan ook. Het niet ontvankelijk zijn voor welke cultuur dan ook wijst niet op domheid (zoals vaak beweerd is), maar op de ontkenning, die aan het einde van de cultuurlijn optreedt. Men heeft niets tegen de cultuur verworvenheden op zichzelf, maar men wenst zich er niet aan te onderwerpen als aan iets van grote waarde. Men wil die verworvenheden tot hun recht laten komen binnen het samenhangende geheel; men wil een allesomvattend denken en niet een specifiek denken uit een bepaalde cultuur.

No. 57

De laatste fase

Je kunt bedenken wat er voor de laatste fase van de cultuurontwikkeling moet gelden. Die laatste fase is tegelijk het begin van iets nieuws. Als zodanig houdt die laatste fase een ontkenning in. Dit betekent niet dat het laatste er is en er tegelijk niet is, maar het betekent dat het laatste er op een andere manier is. Voor die laatste cultuurfase geldt dat de analyse voltooid is. De werkelijkheid is voor de mens geanalyseerd: er heeft niets stand gehouden, alles is uiteengevallen en beweeglijk geworden. Maar ook is de situatie zo geworden, dat de mensen aan niets meer waarde hechten. Men heeft de werkelijkheid leren begrijpen als een totaliteit, waarin alles meetelt. De moderne cultuur, waarin wij ons bevinden, is het zich realiseren van de voorlaatste fase. Het gaat dan om het analyseren, het vernietigen van de werkelijkheid. We zijn dan ook volop bezig alles uit elkaar te halen, bijvoorbeeld in het wetenschappelijk onderzoek, maar ook de dreiging van concrete algehele vernietiging, met atoomwapens, behoort hiertoe. Je constateert bovendien dat er een voortdurend verval van waarden is, terwijl men tegelijk almaar nieuwe waarden stelt, telkens als er weer wat nieuws mogelijk is geworden. Deze wisseling van waarden gaat steeds sneller omdat het uiteenvallen van de samengestelde werkelijkheid, eenmaal begonnen, met een toenemende snelheid plaatsvindt. Je ziet dan, enerzijds, een grote verwaarlozing van de dingen en daarmee samenhangend een grote vervuiling, en, anderzijds een bijna religieuze aanbidding van bepaalde nieuwe dingen, zoals de computer, de compactdisc en dergelijke. Het laatste cultuurmoment, het moment dus waarvoor geldt dat de werkelijkheid GEANALYSEERD IS, is in zichzelf onmiddellijk anders en als zodanig krijgen wij te doen met het begin van volwassenheid. Dat betekent dat het vernietigde er op andere wijze zal zijn, het totaal op andere wijze en het waardeloze op andere wijze. Je krijgt dan achtereenvolgens het gelden van de begrippen samenhang, betekenis en het geheel. Deze begrippen gelden, tijdens het laatste cultuurmoment, tegelijk met en naast de begrippen waarvan zij het andere zijn. Dus waardeloosheid naast betekenis, totaal naast geheel en vernietigd naast samenhangend. Bijvoorbeeld: een ander mens heeft voor mij geen enkele waarde; die mens is er niet voor mij of iemand anders, maar voor zichzelf. Als zodanig, namelijk zichzelf-zijnde betekent die mens iets voor mij. Zodra ik waarde zou hechten aan die mens stel ik hem of haar als zijnde voor mij, d.w.z. als zou die mens er voor mijn plezier of nut zijn. Hebben we het over de betekenis van een ander mens, dan gaat het over die mens zelf en over het onbelemmerd zichzelf-zijn van die mens. Ik zal dat zichzelf-zijn dan ook niet onderdrukken, ter wille van mijn belang, maar, indien nodig, zoveel mogelijk bevorderen, ongeacht mijn eventuele belangen. En wat het totaal betreft: als alles meetelt is er niets meer dat NIET meetelt, zodat ik niets meer als overbodig beschouw en in de Rijn dump, of als schadelijk voor het gewas uitroei, enzovoort. Dan geldt dus het andere van het totaal van al die afzonderlijke dingen en dat is het geheel. Vernietiging op andere wijze levert samenhang op. Dit is wat moeilijker te begrijpen omdat we hier gemakkelijk in de val lopen en het begrip op andere wijze als het begrip tegenstelling gaan opvatten. De tegenstelling tot vernietigd is samengesteld: als de zaak vernietigd is is de samengesteldheid er niet meer en omgekeerd. Onze cultuur begon destijds met de samengesteldheid en is bezig te eindigen in vernietigd zijn. Maar het andere van dit laatste is samenhang. Deze komt dan ook, zoals wij al eerder besproken hebben, voor de dag bij een uiteengelegde werkelijkheid. Zolang de werkelijkheid nog niet uiteengelegd is heb ik te doen met de samenstellingen en de onderlinge relaties zodat het herkennen van de samenhang belemmerd wordt door het vastgelegde, de kaart die ik in en voor mezelf van de werkelijkheid getekend heb. Bij het uiteenvallen van dat vastgelegde wordt het samenhangende beeld zichtbaar. Bovenstaande ruwe uiteenzetting van de laatste cultuurfase is bedoeld om te laten zien dat je uit kunt rekenen wat je op een gegeven moment in de mensheid aan kunt treffen. Vervolgens ga je zoeken of je de gevonden verschijnselen ergens aantreft, als een kiem die in een bepaald cultuurvolk ontwaakt, en dan zie je dat dit bij het Russische volk het geval is.

 

Het op andere wijze zijn

Het Russische volk is in de loop der tijden met alle plaatselijke en tijdelijke cultuurmomenten in aanraking geweest. Maar steeds zijn die momenten op andere wijze verwerkt. De Russen hebben er steeds het andere van gemaakt. Zij maakten er cultuur op andere wijze van. Wij hebben al iets gezegd over het Grieks-orthodoxe christendom. Dat was een speciale tak van het christendom, maar desondanks in de praktijk toch een godsdienst, met zijn machtsuitoefening en zijn hiërarchie. Als zodanig vestigde die godsdienst zich ook in Rusland, maar voor de Russische mensen werd het tot het andere: een innerlijke realiteit die niets van theologie, dogmatiek en macht vertoonde. Er werd dus niet iets eigens aan toegevoegd, maar er werd iets anders van gemaakt. Steeds zie je dat de Russen van de culturen, waarmee ze kennismaken, iets levends, iets innerlijks maken, zodat de zaak betekenis krijgt in plaats van de een of andere (maatschappelijke) waarde. De zaak verlevendigt steeds en wordt tot een psychische realiteit. Het nihilisme bijvoorbeeld houdt in de westerse cultuur het vernietigen in, het stukmaken van het bestaande, maar in de ogen van de Rus vertoont het nihilisme zich als het zoeken naar betekenissen. Het atheïsme is voor de westerling het ontkennen van het bestaan van god, maar voor de Rus het zoeken naar waarheid, het zoeken dus van de betekenis. Dostojewski heeft dit zoeken naar de betekenis op alle mogelijke manieren getekend en voor zover hij dit zoeken laat mislukken verbindt hij dit steeds met de westerse cultuur en dus met het analyseren, dat op zichzelf niet in staat is de betekenis van de werkelijkheid te ontdekken en te laten gelden. Het is onmiskenbaar dat het op andere wijze laten gelden van de cultuur een typisch Russisch verschijnsel is. Min of meer zijn alle culturen om Rusland heen gegaan en zij zijn als bij een draaikolk naar binnen gezogen en, naar hun uiterlijke vorm beschouwd, spoorloos verdwenen. Innerlijk echter zijn zij verwerkt in het licht van, vooralsnog intuïtieve, volwassenheid. In de praktijk, bijvoorbeeld maatschappelijk, is er uiteraard niets van terechtgekomen en dat zal voorlopig niet gebeuren ook.

 

Ontwikkeling van de gehele mensheid

Datgene dat aan de in de praktijk zich realiserende cultuurmomenten ten grondslag ligt, de werkelijke ontwikkeling dus, speelt zich af in alle mensen, waar ook ter wereld. Die praktijk echter is plaatselijk en tijdelijk. Wat voor de Russen geldt, geldt voor alle mensen, alleen zijn zij het in wie het laatste moment en zijn anderszijn in de praktijk voor de dag zal komen, om zich vervolgens over heel de mensheid uit te leggen. In die zin zal het communisme tenslotte de wereld veroveren, d.w.z. voor alle mensen gaan gelden. Het is dan natuurlijk niet het ons bekende communisme, want dat is eigenlijk een westers begrip, dat alleen maar betrekking heeft op de vraag hoe je het geanalyseerde zult kunnen organiseren tot één allesomvattende onderneming.

No. 58

Ontwikkeling en resultaten

Wat betreft de resultaten van de ontwikkeling spelen nogal wat zaken een rol, zaken die voornamelijk te maken hebben met de communicatie mogelijkheden van de mensen. Het gaat dan om waterwegen, bergpassen en landwegen. Maar ook van belang zijn het klimaat en de gesteldheid van de bodem. Wanneer de communicatie ontbreekt, doordat de mensen bijvoorbeeld op verafgelegen eilanden wonen, blijven de resultaten van de ontwikkeling beperkt wat de praktische toepassingen betreft (techniek), en de psychische resultaten leiden gaandeweg tot verpaupering. Die verpaupering zet zich eerst goed door als de mensheid qua ontwikkeling aan de analyse toe is. Bij geïsoleerd levende mensen richt die analyse zich uiteraard op hun voorhanden werkelijkheid en dat is een werkelijkheid die door het traditionele gekenmerkt wordt. De tradities gaan ongemerkt ten gronde en daarmee de vanouds met elkaar samenhangende bestaansvormen. Dat alles gebeurt dus Ongeacht contacten met de buitenwereld. De mensen maken als het ware hun eigen cultuur kapot. Gewoonlijk is men van mening dat het de westerse invloeden zijn die de geïsoleerde traditionele culturen ten gronde richten, maar in feite versnellen die het verpauperingsproces alleen maar. Die verpaupering is er evenwel ook als er geen of heel weinig contact is met het Westen. Al zijn mensen in bepaalde afgezonderde culturen nog zo hecht geworteld in hun tradities, het ontwikkelingsproces gaat ook voor hen door. Dit proces realiseert zich via de opeenvolging van de generaties. Elke nieuwe generatie begint met een volkomen vrij zijn van het zelfbewustzijn. In dat vrije zelfbewustzijn vinden de conditioneringen plaats, die leiden tot een bepaald levensprogramma, maar zo’n programma is telkens enigszins anders, juist omdat het in geprogrammeerd wordt in een vrij zelfbewustzijn. De momenten van telkens opnieuw optredende vrijheid, bij het ontstaan van een nieuwe generatie, rijgen zich aaneen tot een keten van kleine stapjes voorwaarts. Dat is het ontwikkelingsproces. Doordat niemand op dat proces enige invloed kan uitoefenen gaat het onder alle omstandigheden door, communicatie of niet, traditie of niet. Als er contacten tussen de verschillende groepen van mensen zijn kan de ontwikkeling ook een concrete inhoud krijgen. Omdat het een kwantitatieve zaak is speelt het bijeenkomen van zoveel mogelijk kennis een grote rol. Men wisselt die kennis uit, men leert van elkaar en men levert elkaar de materialen en grondstoffen om vooruit te kunnen. In hoeverre men resultaten boekt hangt ook weer af van de mate waarin de ontwikkeling voortgeschreden is. Voordat de mensen aan de analyse toe waren werd het bijvoorbeeld technisch niet veel, maar toen het analyseren inderdaad effectief werd bloeide over de gehele bekende wereld de wetenschap en techniek op. Bij het opbloeien van een cultuur loopt er altijd één voorop, waarin alle beschikbare kennis samengekomen is. Voor de analytische fase is dat West-Europa. De resultaten van dit cultuurgebied verspreiden zich enerzijds over de gehele wereld en verzinken anderzijds in de volgende fase, namelijk die van het geanalyseerd-zijn, dat tegelijk onmiddellijk anderszijn is. De zaak verzinkt dus in de Russische cultuur.

Het verzinken van de cultuur

Het Russische volk heeft in de loop der tijden kennis gemaakt met alle cultuurmomenten, die in feite in een boog om Rusland zijn heengegaan. Die cultuurmomenten zijn echter in een bodemloze put terechtgekomen, doordat het Russische volk er steeds wat anders van gemaakt heeft. Alle culturen verzinken in de Russische mens, zij verzinken in het psychische, en dat wil zeggen: zij worden letterlijk lévend. Daarmee verliezen zij hun dominerende karakter. De cultuur staat niet meer (dwingend) boven de mensen, maar hij wordt één met hun leven. In zekere zin wordt het zelfs een gevoelskwestie. Dat letterlijk alles in het Russische volk verzinkt hebben in de loop der geschiedenis alle veroveraars gemerkt. Aziatische stammen, maar ook het Westen hebben zich voortdurend doodgelopen op Rusland en dat komt niet door de uitgestrektheid. Het komt door de geaardheid van de Russische mensen. Zij zijn niet ontvankelijk voor welke cultuur dan ook. Met de revolutie is het westerse analytische denken definitief in Rusland doorgedrongen. Doordat dit denken met geweld is doorgevoerd en er een gehele staat op is gebaseerd, zou je kunnen menen dat het nu wel gelukt is aan de Russen een cultuur op te leggen. Nadere beschouwing leert echter dat het ook nu mislukt is. Het analytische denken schiet geen wortel, al zijn er natuurlijk nogal wat mensen die hierin inmiddels uitermate bedreven zijn. Het is bijvoorbeeld opmerkelijk dat het de Russen nog steeds niet gelukt een hoogwaardige technologie van de grond te krijgen. Als je dat eens vergelijkt met de stand van zaken in de landen rond de Pacific, dan blijft Rusland hopeloos achter. Dat is des te vreemder omdat de landen rond de Pacific tot voor kort echt achtergebleven waren en het voor een groot deel nog zijn. Weliswaar stamt die technologie uit het Westen, maar dat geldt voor de Russische ook. Maar in Rusland wil het niet. Het zal duidelijk zijn dat bovengenoemd mislukken niet veroorzaakt wordt door domheid van de Russen. Het Russische volk is, volgens een ieder die het weten kan, uitermate intelligent, en dat blijkt ook uit de Russische literatuur. De oorzaak is gelegen in de geaardheid, die er een is van een volgende ontwikkelingsfase. De Russen deugen niet voor het analyseren. Het ontbreekt hen helemaal niet aan kennis en de intelligentsia doet qua ontwikkeling en kwaliteit niet voor de westerse onder, maar toch deugt het Russische VOLK niet voor die zaken. Het gaat dus om het algemene beeld van Rusland en het heeft derhalve geen zin om voorbeelden aan te dragen van projecten die wetenschappelijk of technisch gelukt zijn. We moeten letten op de technologie als maatschappelijk geïntegreerd verschijnsel, zoals in het Westen en dan zien we dat een dergelijke integratie ontbreekt. Nog steeds is alle analytische wetenschappelijke activiteit een zaak van een afgezonderde intelligentsia, die in principe los van het volk staat. Het is dan ook niet verwonderlijk dat die intelligentsia, hoewel op zichzelf de essentie van de revolutie, tegelijk als verdacht wordt beschouwd en het doelwit is van menige zuiveringsactie. Vanuit de (westerse) ideeën van de revolutie is de intelligentsia de spil waar omheen alles draait, maar vanuit de Russische geaardheid is hij vreemd, gevaarlijk en vijandig. Een echte Rus als Stalin moest er dan ook niets van hebben... Wij moeten ons goed realiseren dat Rusland door niemand overheerst is geweest, zoals dat met bijvoorbeeld de landen in Afrika wel het geval was. Dat waren louter wingewesten voor Europa en bovendien hoofdzakelijk culturen die buiten de weg van de geschiedenis lagen. Die mensen hebben tot voor kort geen keuze gehad, maar de Russen zijn altijd in contact geweest met de toppen van alle culturen: die van het oude oosten, die van Voor-Indië en Klein-Azië, die van het Grieks-Romeinse rijk en die van West-Europa. Juist het wegzinken van die contacten is zo typerend. De mens, voor wie alles tot wat anders wordt, is geen intellectueel mens, al is hij desnoods nog zo intelligent. Het is ook geen mens die zichzelf los ziet van de andere mensen; zijn individualiteit is er een die in de gemeenschap geworteld is. De individu is niet een element in het totaal, maar een bestaanswijze van het geheel. In dat geheel is alles wat geanalyseerd IS verzonken en de aparte waarde van alle dingen is veranderd in de betekenis binnen het geheel.

Bladwijzers: Het Russische volk o.a pag. 56 t/m 58 ; Ideologie-Slavische ideologie o.a. pag. 51 en 52 ;

No. 59     

Bladwijzers: De Ratio / Rede-1 ; De Ratio / Rede-2 ; Opvoeden-2 ; Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;

Volwassenheid, niet als utopie

Als je je een voorstelling wilt vormen van de toekomstige volwassen mens moet je dat zo doen dat je er geen enkele menselijke eigenschap, of je die nu positief of negatief beoordeelt, uitdenkt. Zou je dat wel doen, dan verval je weer in de een of andere utopie, waarin mensen voorkomen die in werkelijkheid helemaal niet kunnen bestaan. Mensen dus in wie allerlei dingen afgeschaft zijn en voor wie normen zijn gaan gelden die nimmer als norm gesteld kunnen worden. Een volwassen mensheid kan uiteraard alleen maar bestaan uit mensen zoals wij zelf zijn, met alleen dit verschil dat er andere inzichten zijn gaan gelden. Die andere inzichten mogen niet zomaar uit de lucht komen vallen; zij moeten een logisch gevolg zijn van een verdergaande ontwikkeling. Die ontwikkeling is in ons ook gaande. Alle utopische ideeën over volwassenheid berusten op WENSEN van denkers, die graag zouden willen dat de wereld er op een bepaalde, door henzelf uitgedachte, manier, uit zou gaan zien. Met dergelijke wensen in het hoofd is het onmogelijk zich volwassen mensen voor te stellen. Het gaat er om de ontwikkeling van het zelfbewustzijn te begrijpen en dan is duidelijk het moment te herkennen dat volwassen inzichten door gaan breken. In onze denktraditie speelt het beheersen van de werkelijkheid een enorme rol. Die zaak gaat terug op het denken van Descartes (1596 - 1650) en het komt hier op neer dat men de kosmos als één grote, uiterst verfijnde en ingewikkelde, maar toch berekenbare, machine is gaan zien. Bij een machine behoren de begrippen beheersen en besturen. Op grond van deze begrippen lag het voor de hand te verwachten dat mensen zichzelf en anderen zouden leren beheersen en besturen. Dat moest dan gebeuren via het redelijke denken. De rede, de ratio, werd als het reddende principe gezien en met het doorbrekende succes van dat denken in de 19e eeuw ontstond de verwachting dat de mensen zichzelf zouden veranderen in redelijke wezens en dat daarmee de wereld goed zou worden. In feite behelsde die verwachting de machinemens, de mens als robot. Het behoeft dan ook niet te verbazen dat er juist in die tijd allerlei uitvinders bezig waren zo’n mens te ontwerpen en de verhalen in de literatuur over robots zijn legio. Ook in onze tijd, bijvoorbeeld in de Science fiction, komen die robots veelvuldig voor en zelfs is het opmerkelijk dat men industriële robots vaak nog het uiterlijk en de constructie van het menselijk lichaam wil geven. Het ging, doorgaans onbewust, om de mens als machine. Het volwassen inzicht, dat in de mensen zal ontstaan, moet dus een inzicht zijn waaraan niet valt te ontkomen en waarin geen enkel aspect van het menszijn is weggewerkt. Er mogen geen eisen aan de mensen worden gesteld omdat het volwassen-zijn geen kwestie is van doen en laten, maar van zijn. Dat zijn wordt bepaald door het zelfbewustzijn. Er is dus ook geen sprake van een keuze. Je kunt het niet laten om volwassen te zijn. Het is iets waartegen je geen nee kunt zeggen. Datgene dat je eenmaal ontdekt hebt en voortaan wéét is nooit meer te negeren. Alle tot nu toe uitgedachte utopieën houden een keuze in: de mensen zouden moeten kiezen voor de vrede, voor samenwerking, voor democratie, voor redelijkheid, enzovoort. Maar op een keuze kan je nee zeggen, maar op inzicht en dus op weten, kan je geen nee zeggen. Het is onmiskenbaar. De volwassen mens is dus geen nieuwe mens die er voordien niet was, maar het is de oude mens die zich verder ontwikkeld heeft. In die ontwikkeling speelt alles een rol wat ook nu een rol speelt, ook de dingen die wij thans geneigd zijn negatief, slecht en onredelijk te noemen. Er is niets dat er uitgelaten kan worden. Zou je dat wel doen, dan sluit je een deel van het leven uit.

Het doorzien van de werkelijkheid

Zoals gezegd volgt de fase van het geanalyseerd zijn op die van het analyseren, die in onze cultuur aan de orde is. Als de werkelijkheid voor de mens geanalyseerd is, kijkt hij niet meer tegen een muur: de zaak is voor hem doorzichtig geworden. Het is dus niet zo dat hij op zal houden te analyseren, zoals veel holisten hopen en verwachten, maar omdat de werkelijkheid in principe geanalyseerd is komt de samenhang op de voorgrond te liggen. Voor zover men dan onderzoek pleegt is dat op die samenhang gericht en een van de methodes voor dat onderzoek is natuurlijk de analyse. Zolang de mensen nog tegen de werkelijkheid aankijken als tegen een muur, kunnen zij de samenhang niet herkennen. Je weet immers niet wat er achter die muur is. Zodra je dat wel weet (door de analyse) is het ook niet meer van belang of je de dingen begrijpt in wetenschappelijke zin, zoals dat tijdens de analyse nog wel van belang is. Je weet nu immers dat ze er zijn en hoe ze er zijn. Het intellectueel zijn is dan dus helemaal niet meer maatgevend. Als er al iets maatgevend zou zijn is dat het inzicht in de werkelijkheid en dus in het leven. De wetenschap krijgt dan ook de status die zij verdient: gewoon een vak dat geen hogere intelligentie vereist als alle andere vakken. Een intellectueel is iemand die zich aan het analytische denken uitgeleverd heeft en er als het ware in opgaat. Een volwassen mens gaat maar in één ding op: het leven. Kernpunt bij het doordenken van de volwassen mens is het gegeven dat de dingen doorzichtig zijn geworden. Als gevolg daarvan zijn de dingen ook waardeloos en dat opent op zijn beurt weer de weg tot verzorging. Verzorgen kan je de dingen eigenlijk alleen maar dan als je ze in hun eigen betekenis ziet en niet meer in het licht van een of ander belang. Als je er dus geen waarde meer aan hecht.

Het gedoe met de werkelijkheid

De periode van het analyseren is een periode van activiteit, men is voortdurend bezig iets met de werkelijkheid te doen. Naarmate dat zich doorzet blijkt dat het een grotere puinhoop wordt. De werkelijkheid laat niets met zich doen. Na verloop van tijd blijkt elke ingreep vanuit de beheersingsgedachte een misgreep te zijn: op het gebied van de landbouw, de energiehuishouding, de medische wetenschap. Die misgreep komt niet door een mogelijke slechtheid van de mensen, maar door het toenemende gedoe met de werkelijkheid. Er is dan ook geen rust in de wereld van de analytische cultuur. En die zal er ook niet zijn totdat alles geanalyseerd is. Dan breekt er een periode van rust aan omdat het gedoe dan afgelopen is. Wat dan te voorschijn komt is het begrip verzorging. De werkelijkheid is dan gebleken niet te beheersen en zelfs niet te besturen te zijn - je kunt haar alleen maar verzorgen zodat alles tot zijn recht kan komen. Doordat je er geen waarde aan hecht is dat mogelijk. Datzelfde geldt voor de mensen onderling. Als zij zichzelf en elkaar gaan verzorgen laten zij alles gaan zoals het gaat. Want iedereen moet tot zijn recht komen. Als wij zeggen: je moet het kind niet opvoeden denkt bijna iedereen dat je bedoelt dat je het aan zijn lot over zou moeten laten. Maar dat moet je juist niet. Je moet het met de grootste zorg omringen, niet omdat het moet worden wat JIJ wilt dat het wordt, maar omdat het ZICHZELF moet worden. Een dergelijke verzorging is veel moeilijker en vereist veel meer wijsheid dat het zogenaamde opvoeden, dat in feite geworteld is in het beheersen. Analyserende willen wij beheersen, maar het andere daarvan is het verzorgen. En uiteraard niet het aan zijn lot overlaten. Verzorgen kan je alleen maar dan als je weet wat zichzelf zijn is en van daaruit maar één behoefte hebt: alles zo te verzorgen dat het tot zijn recht komt. Dat is precies het andere van onze huidige wereld waarin zo ongeveer alles schromelijk verwaarloosd wordt.

Bladwijzers: De Ratio / Rede-1 ; De Ratio / Rede-2 ; Opvoeden-2 ; Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;

No. 60

Het afschaffen van het slechte

Het toe groeien naar volwassenheid, waaraan de mensheid onderhevig is, betekent niet het afschaffen van steeds meer zaken, die als negatief en onmenselijk gewaardeerd worden. Zoals gezegd is dat de gedachtegang in bijna alle utopieën. Toch vertoont de mensheid heel wat slechtheid waarvan men terecht, door alle eeuwen heen, gevonden heeft dat die op de een of andere manier zou hebben te verdwijnen. Daartoe hebben de mensen zichzelf en de anderen regels gesteld, met de bedoeling de zaak zoveel mogelijk binnen de perken te houden: omdat er dwang nodig is om die regels te handhaven heeft men zich aan machten onderworpen, steeds in de ijdele hoop dat die machten uitsluitend ten goede aangewend zouden worden. Uitsluitend dus ter beteugeling van het slechte. Maar dat is onveranderlijk een illusie gebleken: macht wordt voornamelijk gebruikt om bepaalde elites te bevoordelen en de bevolking in een ondergeschikte positie te brengen en te houden. Ondanks dat echter moet erkend worden dat het doormiddel van macht afdwingen van regels een zekere mate van veiligheid biedt voor de mensen en dat derhalve zaken als het recht en dergelijke van grote betekenis zijn. Zij komen echter alle mee aan een alsnog onvolwassen mensheid. Als de mensheid nog onvolwassen is komt een aantal menselijke essenties voor de dag op de wijze van Onmenselijkheden. Het afschaffen van die onmenselijkheden - als dat mogelijk zou zijn - betekent onvermijdelijk het afschaffen van menselijke kwaliteiten die voor de toekomstige volwassen mensen juist kenmerkend zijn en zelfs wel beschouwd kunnen worden als de basis van hun levenshouding. Het willen afschaffen is dus een foutief streven van idealisten. Waarom het gaat is dat de voorlopige Onmenselijkheden zich ontwikkelen tot, het andere, namelijk tot datgene wat het werkelijk is: de mens als slotakkoord van de kosmos. Enkele voorbeelden kunnen dat wellicht verduidelijken. De gehele menselijke geschiedenis laat zien dat de mensen er steeds op uit zijn zoveel mogelijk binnen te halen. Eigenlijk willen zij in hun eentje alles bezitten. Omdat iedereen dat, meer of minder bewust wil, houdt de zaak zichzelf enigszins in evenwicht en gelukt het aan niemand om de bezitter en beheerser van alles en allen te worden. De moderne democratie is een voorbeeld van een stelsel dat het individuele gedrang om de alleenheerschappij min of meer binnen redelijke grenzen houdt. Zo’n democratie is voortdurend in gevaar, juist omdat wezenlijk iedereen er op uit is zich alles toe te eigenen. Dit gevaar is het kleinste als er zoveel mogelijk individuen en groepen mee kunnen doen. Het nadeel van de trage besluitvorming weegt ruimschoots op tegen het voordeel van een betrekkelijk stabiel evenwicht. Maar toch gaat het de (onvolwassen) mensen om de alleenheerschappij en dat is op zichzelf een slechte zaak. Het kan de mensen om die alleenheerschappij gaan omdat de mens en dus elke mens, het slotakkoord van de werkelijkheid is, zodat al het bestaande de inhoud is van elke mens. In zekere zin is het ieders bezit. Elke mens is heerser over de kosmos, maar het is wel de vraag wat dat betekent. Voor onvolwassen mensen betekent het de baas zijn zodat je de zaak naar eigen goeddunken kunt gebruiken. Maar voor volwassen mensen betekent het de werkelijkheid verzorgen. In het eerste geval is de kosmos er voor de mens, maar in het tweede is de mens er voor de kosmos, d.w.z. voor een zo harmonieus mogelijke kosmos. De mens heeft die taak juist omdat hij ook in staat is hier nee op te zeggen en de kosmos - althans zijn eigen plekje in het heelal - naar de bliksem te helpen. De taak is het VERZORGEN van de kosmos. Verzorgen wil zeggen: optimaal laten ontplooien. Dat kan je alleen maar als je er, als het ware, boven staat. Wat dus in onvolwassen mensen naar voren komt als de wil tot alleenheerschappij is in feite het zich laten gelden van het feit dat het tot de natuur van de mens behoort de kosmos te verzorgen. Het laat zich onvolwassen en dus verkeerd gelden net zolang tot het de mensen duidelijk is geworden en dan blijkt het aanvankelijk verkeerde zich te ontpoppen als een menselijke essentie. De alleenheerschappij houdt in: veranderen volgens MIJN wil. Verzorgen houdt in: de belemmeringen voor een volledige ontplooiing wegnemen. Treffend is dat de evangelische mensen van destijds de Zoon van de mens (voor ons Jezus of Christus) de Geneesheer van de kosmos noemden... Een ander voorbeeld: steeds meer heeft de maatschappij te lijden onder vernielzucht en vandalisme. Normen en waarden verliezen hun functie, het respect voor de overheid en voor de regels verdwijnt. Gezien vanuit de zichzelf beschermende onvolwassen mensheid is dat verval een kwalijke ontwikkeling die de betrekkelijke veiligheid en het welzijn aantast. Toch komt er hier iets (op uitermate negatieve wijze) voor de dag dat voor de mensen essentieel is: nihilisme. Dat wil zeggen het inzicht dat er aan de afzonderlijke dingen geen waarde gehecht kan worden, ook niet aan de gestelde regels. Het nihilisme is de bodem waarop straks de volwassen mensen met elkaar kunnen leven, maar in een onvolwassen mensheid is het bedreigend en in veel opzichten zelfs misdadig. Vandalisme is eigenlijk een ziekelijke uiting van nihilisme dat in een infantiele wereld van normen en waarden niet uit de voeten kan, beklemd zit. Nog een voorbeeld: je mag geen eigen rechter spelen. We hebben in de loop der tijden de beoordeling van geschillen en de berechting van misdrijven in handen gelegd van zogenaamd onafhankelijke instanties. En we hebben dat terecht gedaan: onvolwassen mensen kunnen niet onafhankelijk oordelen en hun eigen belang buiten beschouwing laten. Toch blijkt zo ongeveer iedereen zijn eigen rechter te zijn. Alweer: het eigen rechter zijn is essentieel en zal nooit kunnen verdwijnen. Het negatieve van de zaak komt voort uit de onvolwassenheid, die oorzaak is van alle verkeerdheid. De volwassen mens kan niet anders dan eigen rechter zijn omdat er voor hem geen instantie bestaat die, met een beroep op hogere principes, bindende besluiten neemt. Hij zal alles, ook de eventuele conflicten met zijn medemensen, zelf en in onderling beraad moeten oplossen. Maar omdat hij dan in het teken van de verzorging zal staan, kan hij niet anders dan steeds weer een levensbevestigende oplossing bedenken. Welbeschouwd komt de onvolwassen mens, via zijn onafhankelijke en hogere instanties, onveranderlijk met levens ontkennende oplossingen: strafmaatregelen, vrijheidsberoving, gedwongen aangepast gedrag, enzovoort. In feite is de mens altijd eigen rechter. Alleen komt dat in de onvolwassenheid als iets gevaarlijks voor de dag en de mensen hebben gelijk als ze dat willen beteugelen. Het eind is echter niet dat straks niemand meer eigen rechter zal (willen) zijn, maar juist dat iedereen eigen rechter KAN zijn. Het utopistisch er uit denken van die zaak levert een onmogelijke en foutieve voorstelling van de mens op. Alle essentiële menselijke verhoudingen zijn ook in een onvolwassen wereld aanwezig, alleen vertonen zij dit kenmerk dat zij allemaal verkeerd uitpakken en bijgevolg als verkeerd beoordeeld worden. Op grond daarvan zegt men dan dat de mens slecht is en dat dit bij hem ingeboren zit, maar wat men doorgaans niet in de gaten heeft dat het slechte manifestaties van wezenlijke goede dingen betreft, zodat er niets afgeschaft behoeft te worden. Het is allemaal een kwestie van ontwikkeling en eigenlijk is het maar goed dat die zogenaamde slechte dingen zich niet af laten schaffen, dat de mens met recht onverbeterlijk genoemd kan worden. Degene echter die wil verbeteren wil in wezen veranderen en dus macht uitoefenen.

No. 61 

Het karakter van onze kennis

Het is noodzakelijk, bij het nadenken over een mogelijke toekomstige volwassen mens, inzicht te krijgen in het karakter van onze kennis. En dat is vooral noodzakelijk omdat in onze cultuur de neiging bestaat de toekomst uitsluitend te laten afhangen van onze kennis en de uitbreiding daarvan. Maar vervelend is dat onze kennis in zekere zin buiten onszelf staat en vrijwel geheel aangepraat is. Dat geldt zowel voor betrouwbare als onbetrouwbare kennis. Al eerder heb ik betoogd dat het godsdienstige geloof niet meer is dan het aannemen van bepaalde waarheden. De wetenschappelijke kennis evenwel zou steunen op toetsing en bewijsvoering en daardoor niets met het aannemen van waarheden te maken hebben. In onze, op wetenschap gestoelde, moderne wereld is dan ook een sfeer van kennis van zaken ontstaan die weinig ruimte voor twijfel overlaat, ondanks het feit dat telkens weer blijkt dat die kennis van zaken nauwelijks iets om het lijf heeft. De wetenschappelijke kennis wordt in orde bevonden, maar de godsdienstige wordt verworpen. Nu is dat laatste zonder twijfel terecht, maar het argument daarvoor deugt niet, omdat beide soorten van kennis aangepraat worden. Ook de wetenschappelijke kennis wordt je wijsgemaakt zonder dat je kunt toetsen en bewijzen. Er is wat dit betreft geen verschil met de godsdienst. Als je op school moet leren hoe de atoomkern in elkaar zit ga je het voorgeschreven natuurkundeboek bestuderen en je de vermelde informatie inprenten. Maar niemand van ons is in staat die zaak te controleren. Je bent gedwongen aan te nemen dat het klopt wat er in dat boek staat. De controle daarop kan slechts door enkele mensen ter wereld uitgevoerd worden. De overigen kunnen niet anders dan aannemen dat en onderzoek en controle betrouwbaar zijn geweest. Voor iedereen, zelfs voor de grootste geleerde, geldt dat verreweg het grootste deel van de kennis oncontroleerbaar is en dat die kennis in de grond van de zaak slechts voor waar wordt GEHOUDEN. En let wel: dat geldt voor elk mens en het heeft niets te maken met de vraag of die kennis, in objectieve zin, juist en betrouwbaar is of niet. Ook betrouwbare kennis wordt mij verteld en het hangt geheel van mijzelf af of ik mij laat overtuigen of niet, want in laatste instantie kan ik zo ongeveer niets controleren. Het is allemaal een kwestie van vertrouwen. In de praktijk betekent dit dat je de moderne mensen alles kunt wijsmaken, mits je maar met een vertrouwenwekkend verhaal komt. En dat is een verhaal dat overeenkomt met de conditioneringen van het zelfbewustzijn. Het moet weerklank vinden. Over het algemeen vindt het godsdienstige verhaal geen weerklank meer. De lijnen waarlangs dit denken zich voltrekt sporen niet met de denklijnen van het moderne denken. Dat is de enige reden waarom dit godsdienstige denken tegenwoordig algemeen wordt afgewezen. Het komt niet meer betrouwbaar over. En veel wetenschappelijk denken, vooral in de technologie, komt ook niet meer betrouwbaar over. De zogenaamde waarheden evenwel kunnen in feite niet of nauwelijks door ons gecontroleerd worden, zodat wij ook niet in staat zijn die waarheden te beamen of te weerleggen. Daardoor blijft die kennis buiten ons, het wordt geen deel van onszelf en wij trekken ons er niet veel van aan. Daar komt nog bij dat de meeste waarheden relatief van karakter zijn, namelijk alleen maar waar vanuit een bepaalde optiek: die van de econoom, van de politicus, van de godsdienstige of van de atheist. Juist dat relatieve karakter wijst er op dat het eigenlijk niet gaat om toetsing en bewijsvoering, maar om overtuigingen die gebouwd zijn op het vertrouwen dat bepaalde kennis al of niet oproept. Als je de wetenschap vergelijkt met de godsdienst ontdek je dat beide het moeten hebben van het OVERTUIGEN van de mensen, maar je ontdekt ook dat de wetenschap, in tegenstelling tot de godsdienst, voortdurend in beweging is. Zij is steeds op zoek naar nieuwe kennis en probeert bij dat zoeken zo betrouwbaar mogelijk te zijn. Binnen de godsdiensten probeert men echter om oude kennis met alle mogelijke middelen vast te houden. Elke godsdienst is fundamentalistisch. Onderzoeken, denken en begrijpen zijn fnuikend voor de godsdienst. Hier heb je een steekhoudend argument om het godsdienstige gedoe van de hand te wijzen, maar als het gaat om de werking naar de mensen toe van godsdienst en wetenschap is er in zoverre geen verschil dat beide de mensen wat wijs maken dat in geen geval te controleren is en dat alles draait om de vraag of het je gelukt de mensen te overtuigen.

Kennis vergaren

Het begrip kennis vergaren is in onze moderne tijd danig verwaterd. In de Middeleeuwen bijvoorbeeld gingen sommige mensen naar de universiteit omdat zij kennis wilden vergaren. Zij wilden persoonlijk betrokken zijn bij de wetenschappelijke ontwikkelingen en in staat zijn de kennis te toetsen. Daarvoor moest je op de universiteit zijn. Toentertijd viel er nog wat te toetsen omdat het terrein van de wetenschap nog maar uiterst beperkt was. Tegenwoordig is dat toetsen onmogelijk geworden door de niet meer te verwerken hoeveelheid informatie en door het ontbreken van geld. Het gaat de studenten niet meer om het vertoeven bij de bron van de kennis, maar om het leggen van een maatschappelijke basis. Het gaat niet meer om kennis, maar om opleiding. En dan is het nog steeds een feit dat de universitaire opleiding de hoogste is, d.w.z. de laatste in een rijtje dat met de kleuterschool begint. Slechts een enkeling gaat het om de wetenschap zelf, maar die enkeling krijgt nauwelijks de kans om dat streven te realiseren omdat slechts bepaalde maatschappelijk relevante studies en onderzoeken gefinancierd worden. Al met al kunnen wij stellen dat er in onze, op wetenschap drijvende, moderne wereld maar heel weinig wetenschappelijkheid bestaat en maar weinig wetenschap bedreven wordt. Waar het in hoofdzaak om gaat is het overdragen, en tegenwoordig zelfs wel VERKOPEN, van kennis, met de bedoeling daarmee je voordeel te doen. Kennis, d.w.z. algemeen aanvaarde kennis, is veel geld waard en er is de laatste jaren dan ook een levendige handel in ontstaan. Het is koopwaar geworden. De wetenschappelijke kennis zal altijd een overgedragen kennis zijn, die voor de gebruikers ervan voor waar gehouden wordt. Niemand kan VOOR ZICHZELF die waarheid controleren. Dat zegt niets ten nadele van die wetenschappelijke kennis. Zo is haar karakter nu eenmaal. Het zou goed zijn als wij ons daarvan meer bewust waren, maar voorlopig drijven de mensen, in hun onvolwassenheid, nog op de overtuigingen.

De filosofie

De moderne filosofie is vrijwel geheel gebaseerd op feitenkennis. Het is dan ook opmerkelijk dat filosofische gedachtegangen tegenwoordig ondersteund worden door de zogenaamde notenapparaten waarin men hele reeksen uitspraken van anderen opsomt in de poging zijn gelijk te bewijzen. Eigenlijk behoort de filosofie helemaal niet zo te zijn. In de filosofie gaat het er juist om de werkelijkheid te begrijpen zonder aangeprate, al of niet juiste, kennis. Je moet de werkelijkheid trachten te begrijpen, louter doormiddel van je eigen denken en dus ook met behulp van gegevens die je zelf kunt verwerven en controleren. Alles wat je meent te weten moet om te beginnen als dubieus terzijde gelaten worden, juist omdat je er in de grond van de zaak niet zeker van kunt zijn. Maar, bijna iedereen betwijfelt of je eigenlijk wel iets vanuit jezelf kunt weten...

 No. 62

Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;

De controleerbaarheid

Volgens de algemeen aanvaarde wetenschapstheorieën moeten wetenschappelijke uitspraken bestreden kunnen worden. Het gaat er daarbij niet om zo’n uitspraak koste wat het kost onderuit te halen, hoewel je je vaak niet aan de indruk kunt onttrekken dat bepaalde wetenschappers daarvan toch een soort van sport proberen te maken. Waarom het gaat is dat een uitspraak zodanig onderbouwd zou moeten zijn dat het voor anderen mogelijk is de tot die uitspraak leidende gedachtegang te reconstrueren. Het gaat dus om de controleerbaarheid. Om te kunnen controleren moet alle informatie ter beschikking staan. Op zichzelf beschouwd kan je die eis tot controleerbaarheid redelijk noemen. Hij wordt dan ook door vrijwel iedereen klakkeloos aanvaard. En het valt daarbij op dat blijkbaar niemand zich afvraagt of een dergelijke eis wel te stellen is. Bij onderzoek blijkt dat dit niet het geval is: elke poging tot controle, met de bedoeling te kunnen toetsen of een bepaalde uitspraak juist is, loopt vroeg of laat (meestal vroeg) vast op onderzoeksresultaten en daarop gegronde beweringen die niet na te gaan zijn, Of omdat de praktische, technische en financiële mogelijkheden ontbreken, Of omdat je er geen tijd voor hebt - wat meestal het geval is. Dat geldt dan nog in hoofdzaak voor controles binnen je eigen vakgebied, maar voor de meeste gewone mensen ontbreekt ook de nodige scholing. Als kennis echter controleerbaarheid vereist geldt dit ook voor die gewone mensen en niet alleen voor een hoog opgeleide elite. We zijn dus genoodzaakt, bij het nadenken over de kennis en het karakter van de kennisverwerving de Oncontroleerbaarheid als uitgangspunt te nemen en de gedachte van toetsing en bewijsvoering als een illusie van de hand te wijzen. En daarbij moeten wij ons er goed van bewust zijn dat deze illusie niet voortkomt uit een gebrekkig omgaan met onze kennis, maar uit een verkeerde en ondoordachte benadering van de wetenschap. Zou die benadering reëel zijn, dan zouden wij vanzelfsprekend aanvaarden dat alle kennis, d.w.z. wetenschappelijke kennis, OVERGEDRAGEN kennis is, die voor waar wordt gehouden (al of niet terecht) op grond van overtuigingen en gevoelens en niet door toetsing en bewijsvoering. En wij zouden aanvaarden dat dit NIET ANDERS KAN en dat dit dus op zichzelf best in orde is. Wij zijn ervan overtuigd dat er ergens een continent ligt dat wij Amerika noemen. Maar zelfs als wij er naar toe gaan om zelf te controleren of dit juist is moeten wij die controle uitvoeren met informatie die ons door anderen verstrekt is: er staan wolkenkrabbers, er is een vrijheidsbeeld, men spreekt er voornamelijk engels, enz. Zien wij een satellietfoto van dat continent, dan nemen wij aan dat het juist is als men ons mededeelt: dit is nu Amerika. Gewoonlijk is er geen reden om aan de juistheid van die mededeling te twijfelen, maar het blijft mogelijk om ons voor de gek te houden. Een ieder kan nagaan dat je, doorredenerende, steeds op die onzekerheid stuit en dat dit niet uit de kennis weg te denken is. Tenslotte blijkt het allemaal een kwestie van VERTROUWEN te zijn en dat is hetgeen de doorslag geeft. In het algemeen is te zeggen dat dit vertrouwen door de wetenschap niet beschaamd wordt, maar het is toch ook nuttig om enige reserve in acht te nemen omdat er soms wel degelijk loze beweringen gedaan worden, omdat er vanuit een of ander belang gelogen wordt, of omdat iets als zeker wordt voorgesteld zonder dat men de zaak in alle opzichten onderzocht heeft. Hoewel men dat nooit toe wil geven blijkt juist bij nieuwe ontwikkelingen en inzichten vaak duidelijk hoezeer het allemaal gegrond is op overtuigingen. Zo is het tot op heden nog nooit gelukt om glashard te bewijzen dat het heelal ontstaan is met de zogenaamde Big Bang, tengevolge van het uiteenspatten van een hoeveelheid uitermate verdichte materie. Ook de theorie dat de hemellichamen zich van ons verwijderen omdat die explosie nog steeds werkzaam zou zijn is niet bewezen. De hele voorstelling van zaken klopt dan ook van geen kant, maar hij wordt toch gretig aanvaard omdat hij overeenkomt met de overtuiging dat het heelal eens begonnen zou moeten zijn. Onze moderne wereld is gegrond op de wetenschap. Dat betekent echter niet dat de beschikbare kennis maatgevend zou zijn. Maatgevend is de vraag of de mensen bereid zijn zich van bepaalde waarheden te laten overtuigen. Die al of niet aanwezige bereidheid wordt niet bepaald door bewijsvoeringen en toetsingen, maar door conditioneringen en belangen. Het maatschappelijk mechanisme van kennisoverdracht en het gebruik van kennis is bijgevolg geen denkmechanisme, maar een psychische werking die met allerlei gevoelens te maken heeft. De vergissing, die steeds gemaakt wordt, is deze dat men denkt volgens rede en logica bezig te zijn terwijl men in feite die rede en logica niet eens gebruiken kan omdat deze in feite nergens toe te passen zijn. De kennisoverdracht is op zichzelf geen logisch proces. Het is een proces van aannemen dat iets zo is omdat degene die het vertelt betrouwbaar overkomt, doorgaans op grond van bepaalde officieel erkende kwalificaties. De doctorstitel geeft, bij het aannemelijk maken van bepaalde, waarheden, een flinke voorsprong op niet gegradueerden. Met zo n titel kan je gemakkelijk kennis aannemelijk maken, zelfs op gebieden die je eigen vakgebied niet zijn. De betrouwbaarheid van je kennis moet uit je kwalificatie blijken. Dat is logisch en onvermijdelijk voor zover het over het overdragen van kennis gaat. Als voor de mens zou gelden dat hij alles kon controleren, zou kennis niet overgedragen behoeven te worden. Maar zo is het nu eenmaal niet. Wat dus het maatschappelijk mechanisme van de kennisoverdracht betreft verschilt onze moderne wetenschappelijke wereld niet van de vroegere toen er nog allerlei godsdienstige waarheden overgedragen werden. Doordat alle kennis noodzakelijk in laatste instantie oncontroleerbaar is, blijft zij steeds buiten de mens staan. Weliswaar neemt een mens de kennis in zijn zelfbewustzijn op en maakt haar op die manier tot zijn inhoud, maar het is toch een inhoud die van jezelf onderscheiden is. Je kunt dan ook allerlei doen met die inhoud, je er niets aan gelegen laten liggen, er nog meer bij proppen, maar ook kan je haar vergeten. Als je de zaak niet steeds opnieuw opfrist vergeet je op den duur alle kennis. Er is dus een afstand tussen jezelf en je kennis. Men heeft daarvan natuurlijk al lang een besef gehad, maar pas in de loop van de 19e eeuw is men op het idee gekomen die afstand in positieve zin te interpreteren: die afstand is de basis voor de objectiviteit, het kennen van dingen zonder er zelf in betrokken te zijn. Wat waar is, is waar, of ik dit nu leuk vind of niet! Deze opvatting, namelijk dat de afstand nodig is voor een betrouwbare, objectieve benadering van de werkelijkheid, heeft het moderne denken volledig bepaald. Had men zich gerealiseerd dat die afstand voor een mens helemaal geen zekerheid opleverde, dan had men wellicht intensiever naar de werkelijke bron van zekerheid gezocht en een heleboel wetenschappelijke ficties vermeden. Want nu wemelt het van die ficties: over de zogenaamde veiligheid, over genetische manipulatie om betere mensen te maken, over een toekomstig vertoeven in de ruimte, over opvoeding van de mensen, enzovoort. Anderzijds zou het niet mogelijk zijn geweest allerlei godsdienstige voorstellingen naast de wetenschappelijke te laten voortbestaan. Bovendien zou de weg naar een werkelijk menselijke wereld veel meer open gelegen hebben. Dit evenwel is een als, want de weg van de mens is een andere...

Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;

 No. 63

Aannemen dat iets waar is

Eigenlijk staat alle kennis buiten je, je kunt je er al of niet iets aan gelegen laten liggen. Kennis is inhoud van je zelfbewustzijn geworden, je hebt haar als het ware er in gestopt. Kennis is te vergaren. Maar ook dreigt je kennis voortdurend weg te zakken, zodat je genoodzaakt bent de zaak bij te houden. De kennis wordt nooit een deel van jezelf, een deel dat onverbrekelijk bij je hoort, zoals dat bijvoorbeeld met de organen van je lichaam het geval is. Dat betekent evenwel niet dat de mens denkbaar zou zijn zonder kennis, zoals vroeger een aantal oosterse denkers meenden. De kennis hoort er bij, letterlijk. Ieder mens vergaart, gewild of ongewild, kennis; de één meer, de ander minder. Die kennis wordt van buitenaf opgenomen en tot je bezit gemaakt en daarbij is niet bepalend of er al of niet voldoende aanbod van kennis is (hoewel dit natuurlijk wel een rol kan spelen), maar bepalend is de vraag Of je en hoe je voor die aangeboden kennis ontvankelijk bent. Die ontvankelijkheid is het resultaat van genoten opleidingen, maar ook van cultuuropvattingen die je ingeprent zijn. Lang niet altijd zijn mensen in staat aangeboden kennis op te nemen omdat hun cultuurvoorstellingen er aan in de weg staan. Ontwikkelingswerkers kunnen daarvan meepraten. Als je aangeboden kennis in je opneemt wordt het inhoud van je zelfbewustzijn, maar het blijft vreemd aan je wezen. Het blijkt dan ook dat men met zijn kennis kan doen wat men verkiest. Je kunt haar met allerlei bedoelingen aanwenden: ten voordele van jezelf (meestal), of ten voordele van de mensheid (af en toe). Kernfysici bijvoorbeeld doen met een zelfde hoeveelheid kennis geheel tegengestelde dingen: zij kunnen tot de conclusie komen dat kernenergie opwekken verantwoord en nodig is, maar ook kunnen zij tot de conclusie komen dat het onverantwoord en nutteloos is. Allemaal weten zij hoe gevaarlijk het is, kennen zij de vernietigende werking van straling, enzovoort, maar toch wenden zij die kennis op verschillende manieren aan. En dat kan omdat alle kennis wezenlijk buiten je staat en het in bezit nemen ervan dat buiten je staan niet opheft. Doordat dit zo is kan men altijd onder zijn kennis uit, zich er niets aan gelegen laten liggen en de prioriteit bij allerlei andere belangen leggen. Bijgevolg leidt kennis niet tot een onontkoombaar redelijk doen en laten van de mensen. Nogmaals: daarbij speelt dus een rol de vraag 1) of je bereidt en in staat was de aangeboden kennis aan te nemen en 2) wat je verkiest met die aangenomen kennis te doen.

Vertrouwenwekkend of niet

Je kunt opmerken dat aangeboden kennis, vooral als dit ongevraagd via de media gepresenteerd wordt, door bepaalde individuen en groepen onmiddellijk als onwaar wordt bestempeld, terwijl anderen die aangeboden kennis zonder meer als waar aanvaarden. In beide gevallen kunnen we het al of niet controleerbaar zijn van het aangebodene buiten beschouwing laten. Sommigen nemen aan dat het zo is en anderen doen dat niet. Dat zou niet mogelijk zijn als er voor de kennis en de overdracht daarvan gold hetgeen er altijd, vanuit de wetenschap, van gezegd wordt. Te stellen is de vraag: is er soms iets in de mensen dat hen, meer of minder zelfbewust, in staat stelt als het ware de waarheid te herkennen, ongeacht de al of niet aanwezige kennis van zaken? Voelen de mensen (in de verte) aan hoe het eigenlijk zit, ook wat betreft de kennis? De vraag is niet: zit er, bij voorbaat, alle kennis in de mensen opgesloten, ergens in een afgelegen hoekje van de menselijke geest, zoals bijvoorbeeld Aristoteles veronderstelde, die meende dat men het zich slechts behoefde te herinneren. En ook vraag ik niet naar de door Kant bedachte a-priorische kennis. Daarnaar vraag ik niet omdat deze zaken onder de rubriek KENNIS vallen en dus onderhevig zijn aan al hetgeen al eerder over dit onderwerp gezegd is. Het gaat nu om een besef van waarheid ongeacht een grotere of kleinere hoeveelheid aanwezige kennis. Het antwoord op die vraag is niet zo moeilijk. Al eerder hebben wij het gehad over het bewustzijn, als beweeglijk beeld van de werkelijkheid in het verschijnsel mens. Het zichtbaar zijn van dat beeld is afhankelijk van de in het zelfbewustzijn (evt. het denken) aangelegde kaart van de ons omringende werkelijkheid. Die kaart echter is altijd onvolkomen, onduidelijk, rafelig en vertekend. Daardoor straalt er altijd iets van het beeld doorheen en het is op grond van dat, meer of minder vaag doorstralende beeld, dat aangeboden kennis al of niet bij de ontvanger vertrouwen wekt. De aard en kwaliteit van dat doorstralen van het beeld is afhankelijk, uiteraard, van de gesteldheid van het betreffende zelfbewustzijn. Is dat zelfbewustzijn erg geconditioneerd door cultuurvoorstellingen en vergaarde kennis, dan zal er weinig van het beeld doorstralen en dat weinige zal gekleurd zijn bovendien. Is die conditionering geringer, zoals dat bij de gewone mensen het geval is, is de doorstraling zuiverder en betrouwbaarder. Hoe dan ook, het is deze doorstraling die bepalend is voor de mate van vertrouwen dat men stelt in de kennis die aangeboden wordt. Om iets anders dan vertrouwen hebben in gaat het niet. Dat bepaalt de mate waarin aangeboden kennis voor waar gehouden wordt. Dat VERTROUWEN wordt dus bepaald door de mate en de aard van de conditioneringen, die uitmaken wat kan doorstralen en wat niet. Statistisch gezien en dus over een lange periode en over zoveel mogelijk mensen, zijn het de door mij als gewone mensen betitelden, die steeds hebben aangevoeld hoe het zit en aan betrekkelijk waarheidsgetrouwe kennis en denkbeelden hun vertrouwen hebben geschonken. Ondanks een heel verwarrend aanbod van kennis omtrent oorlog, vrede en bewapening, omtrent moderne chemische en nucleaire technologieën, omtrent honger, armoede en rechteloosheid in de derde wereld, enzovoort, voelen juist de gewone mensen aan dat het allemaal niet deugt en hechten zij weinig waarde aan de kennis van voor- en tegenstanders.

De wetenschappelijke paradox

Er is tegenwoordig veel te doen over de zogenaamde genetische manipulatie. Men vraagt zich af waartoe dit allemaal zal leiden en of het niet de hoogste tijd wordt om praktische en ethische regels op te stellen en de grens van het toelaatbare te bepalen. Toch is men er zich van bewust dat de wetenschappelijke ontwikkeling door zal gaan en dat je er zeker van kunt zijn dat men straks inderdaad aan levende wezens van tevoren bepaalde genetische programma’s kan opleggen. We hebben dus te doen met wetenschappelijk juiste kennis, d.w.z. we kunnen gevoeglijk aannemen dat die kennis juist is. Die kennis beantwoordt aan de wetenschappelijke normen. De beoordeling van die kennis echter ligt niet bij de wetenschappelijke normen, maar bij het al of niet verantwoord zijn in het licht van het BEELD van de werkelijkheid. Bij ons bewustzijn dus. En dan kan je nu al wel zeggen dat de zaak niet verantwoord is en zelfs ONJUIST genoemd moet worden. De paradox is dus het tegelijkertijd gelden van een wetenschappelijke waarheid en een werkelijke Onwaarheid. In ons voorbeeld: het leven is niet te manipuleren, te verbouwen, en tegelijkertijd kan het wetenschappelijk en technisch wel. Deze paradox speelt onvermijdelijk een rol op het hele gebied van onze kennis, maar hij wordt bijna altijd terzijde geschoven met een beroep op de zogenaamde vooruitgang in het licht van een wereld die eerst dan in orde zou zijn als letterlijk alles wetenschappelijk beheerst wordt. In feite gaat het er echter om dat de wereld wetenschappelijk gekend wordt in plaats van beheerst en met het in de gaten hebben daarvan lost de paradox zich op.

No. 64

Een waarschuwing

Het is van belang je te realiseren dat het feit dat alle kennis in de grond van de zaak oncontroleerbaar is, niet uitgelegd mag worden ten nadele van die kennis of van de wetenschap, voor zover die bezig is kennis omtrent de werkelijkheid te verwerven. Je hebt geen keuze: de aangeboden kennis moet je aannemen, of niet. Dat zit in het karakter van de kennis en dus is daarover geen oordeel uit te spreken in de zin van goed of slecht. Zo steekt het complex van de kennis en de wetenschap in elkaar en het heeft geen zin het anders te wensen. Waar het echter om gaat is de wetenschappelijke pretentie dat alles controleerbaar zou zijn en dat controleerbaarheid een essentiële eis voor wetenschappelijkheid zou zijn. Die pretentie nu is misleidend omdat hij onterecht is. In feite hangt het accepteren of afwijzen van aangeboden kennis af van OVERTUIGINGEN, die hun ontstaan aan iets buiten-wetenschappelijks te danken hebben. Zij komen voort uit voorstellingen over de werkelijkheid en die voorstellingen handhaven zich langdurig, voornamelijk door overgedragen conditioneringen. Dit in te zien is belangrijk en niet in de laatste plaats voor de wetenschap zelf, omdat het tot een grotere betekenis van de ONZEKERHEID leidt. De Onzekerheid is een veel belangrijker stimulans voor een echt wetenschappelijke benadering van de werkelijkheid dan de zogenaamde zekerheden. Je kunt zelfs wel zeggen dat het zoeken van Onzekerheden tot een heel wat betrouwbaarder wetenschappelijk onderzoek leidt dan het veel voorkomende streven om de onzekerheden bij voorbaat uit te sluiten. Juist het werken met die vreemde Onzekerheden, wat maar heel weinig beoefend wordt en wat volgens de meeste wetenschappers voor onmogelijk wordt gehouden, levert een schat aan kennis en inzichten op.

Het stiefkind, subjectiviteit

In het moderne wetenschappelijke denken wordt de subjectiviteit als iets verwerpelijks beschouwd. Het zou gaan om eigen meningen, waarmee je niet alleen alle kanten uit zou kunnen, willekeurig naar eigen believen, maar vooral zou het gaan om oncontroleerbare zaken die niet toegankelijk zouden zijn voor gedegen bewijsvoeringen. Opvallend is dat juist de enige mogelijkheid tot controle, die een mens ter beschikking staat, afgewezen wordt met behulp van argumenten die precies betrekking hebben op datgene dat als het enig betrouwbare wordt gewaardeerd. Het is de omgekeerde wereld. Maar, al is dat dan het geval, het is best te begrijpen waarom dit gebeurt en zelfs is te zeggen dat dit niet helemaal ongegrond is. Je komt daar achter als je nog eens precies nagaat hoe de verhouding is tussen het zelfbewustzijn en het bewustzijn van de mensen en wat die verhouding voor situaties oplevert. Dan blijkt er wel degelijk een Onbetrouwbaar element in de zaak te zitten en inderdaad is dit onbetrouwbare moment gelegen in iets wat je best wel subjectief zou kunnen noemen. Hoewel wij de kwestie van het ten opzichte van elkaar functioneren van zelfbewustzijn en bewustzijn al vaak besproken hebben, is het toch goed om een en ander nogmaals uiteen te zetten. Je kunt dan zien waarom en in hoeverre het subjectieve terecht onbetrouwbaar gevonden wordt, maar ook hoe het in het moderne denken ontbreekt aan inzicht in de structuur van de mens. Vrijwel altijd worden zaken als bewustzijn en zelfbewustzijn meedogenloos door elkaar gehaald en daardoor ontstaat er een gigantische verwarring, die op zichzelf nu niet bepaald bevorderlijk is voor zowel een helder begrip van de menselijke vermogens tot kennisverwerving als het willen begrijpen en eventueel accepteren van een meer plausibele gedachtegang.

Het bewustzijn

Alle verschijnselen zijn (eenvoudig gezegd) trillingsverschijnselen. Dat geldt ook voor de mens. In alle levende verschijnselen zijn in de trillingssituatie, die zij individueel zijn, de voorgaande (zeg: primitievere) trillingssituaties opgenomen. In het laatste verschijnsel zijn dus alle mogelijke trillingssituaties aanwezig en dat betekent dat de gehele werkelijkheid ALS TRILLING aanwezig is. Dat is dus bij de mens het geval. Deze, de gehele werkelijkheid omvattende, trilling doet zich in de mens gelden bij wijze van een trillend beeld. Dat beeld nu is bij een mens het bewustzijn. Uiteraard is dat beeld bij alle mensen hetzelfde: het is de werkelijkheid op de wijze van een trillingstoestand.

Het zelfbewustzijn

Omdat de mens het laatste verschijnsel is geldt voor hem ook nog zelfbewustzijn. Uitleggen waarom dat zo is, zou thans te ver voeren. Ik volsta dus met te zeggen dat het zelfbewustzijn zich manifesteert als datgene dat wij de menselijke geest plegen te noemen. Vanuit die geest beschouwt de mens zijn eigen bewustzijn, het beeld dus. En nu hangt het geheel van die geest af HOE die beschouwing uitvalt. Hierover hebben wij op blad 45 en volgende reeds gesproken. Wij leggen in onze geest een kaart aan van de werkelijkheid, een bepaalde voorstelling dus. Nu is het deze kaart, afhankelijk van de fase van ontwikkeling, op grond daarvan geprogrammeerd en in een ieder op eigen wijze tot een conditionering geworden, die bepalend is voor het meer of minder waarheidsgetrouw beschouwen van het beeld, het bewustzijn, in onszelf.

Waar zit het probleem

De kaart, aangelegd in onze geest, is altijd subjectief, ook al is hij opgebouwd uit een heleboel algemeen aanvaarde elementen. Worden van hieruit uitspraken gedaan over de werkelijkheid als beeld, dan kan je er op rekenen met een onbetrouwbare, een vertekende zaak van doen te hebben. In zoverre is het terecht de subjectiviteit te verwerpen. Talloze zogenaamd wetenschappelijke uitspraken, die de pretentie hebben niet subjectief te zijn, vallen wel degelijk onder deze rubriek. Zelfs kunnen wij stellen: hoe harder wetenschappelijk uitspraken zijn, hoe meer zij vanuit de genoemde kaart gedaan worden en dus subjectief zijn. Je kunt dat heel goed merken als de technologie ter discussie staat. De één verdedigt dit en de ander dat en het is onmogelijk eenduidige conclusies te trekken. In het algemeen: hoe harder de kaart in iemands geest, hoe meer wij te doen hebben met een verwerpelijke vorm van subjectiviteit. Logisch is dat met het leren doorzien van de kaart in je eigen geest de betrouwbaarheid van je uitspraken toeneemt. Het enige, van onze persoonlijke structuur onafhankelijke, namelijk het beeld van de werkelijkheid, kan zich dan laten gelden. Deze subjectiviteit is in wezen objectief, het gaat nu inderdaad over de werkelijkheid. Frappant is dat de wijsgeer Spinoza er destijds al op gewezen heeft dat het voor de mens noodzakelijk is zijn verstand te zuiveren, een inzicht waarop in de filosofie nauwelijks voortgeborduurd is... Vroeger maakte men wel een onderscheid tussen kennis en weten en het is helemaal zo gek nog niet dit onderscheid weer te gaan hanteren. Zicht op het bewustzijn levert namelijk weten op. Met dit weten kan je in zoverre de werkelijkheid analyseren dat je de VERSCHIJNSELEN kunt uiteenleggen en de samenstellende delen, voor zover die zelf ook verschijnselen zijn. Maar een analyse van de materie kan je er niet mee maken: uitzoeken wat de samenstelling is van keukenzout vereist wetenschappelijke analyse. De werkelijkheid uiteen leggen in keukenzout en de andere verschijnselen kan wel vanuit het beeld. Een dergelijk uiteenleggen, mits consequent volgehouden, levert een uiterst genuanceerd weten op.

No. 65

Het beeld en het zien daarvan

Het beeld in de mens, dat wij kennen als het, bewustzijn is voor iedereen precies hetzelfde beeld. Het is namelijk de (gehele) werkelijkheid, bij wijze van trilling. Die trilling is ontstaan zoals alle verschijnselen vanuit de beweeglijkheden ontstaan zijn. Het is gewoon een verhouding van beweeglijkheid, binnen het verschijnsel en het heeft op zichzelf niets met de individuele gesteldheid van een mens te maken. Wat daarmee evenwel wel te maken heeft is het zelfbewustzijn. Dat is er de oorzaak van dat elk individueel mens de zaak op een andere wijze ziet en ondergaat. Je zou dan ook kunnen zeggen: als het mogelijk zou zijn dat mensen allemaal een GLASZUIVER zelfbewustzijn zouden hebben of verkrijgen, een zelfbewustzijn dat niets aan dat beeld verandert, dan zouden de mensen allemaal hetzelfde denken. De vraag hierbij is echter Of een geheel zuiver zelfbewustzijn denkbaar en mogelijk is en ten tweede ligt hier de vraag of zo’n eventueel zuiver zelfbewustzijn toch niet op de een of andere manier individueel gekleurd is. Als wij nu eens veronderstellen dat bijvoorbeeld twee mensen qua zelfbewustzijn glashelder zijn dan zouden aan die mensen totaal geen nuances van de werkelijkheid als beeld ontgaan. Zij zouden alles, tot in de fijnste schakeringen, zien. Maar toch zou dat bij de één wat anders gekleurd zijn dan bij de ander. Precies zoals twee kunstenaars, van wie we nu even veronderstellen dat zij beiden even geniaal zijn, toch op eigen wijze de zaak zouden verbeelden en uitbeelden. Beiden zien de werkelijkheid als beeld precies zoals ze is, maar voor beiden is zij toch iets anders. De moeilijkheid zit in het feit dat wij, vanuit onze denktraditie, als vanzelfsprekend veronderstellen dat zuiverheid maar op één manier mogelijk is. Wij zijn de dupe van onze neiging om alles op een kwantitatieve manier te beoordelen. Aan een bepaald aantal normen en kwalificaties moet voldaan zijn en als iets daaraan niet voldoet blijft het beneden de maat. Maar als het gaat over zuiverheid gaat het om het overeenkomen met de werkelijkheid. Een eenvoudig stukje muziek, bijvoorbeeld, kan zuiverder zijn (overeenkomen met de werkelijkheid) dan een ingewikkeld en volgens normen en kwalificaties opgebouwd muziekstuk. In onze cultuur echter hebben wij de neiging dit laatste te prijzen en te bewonderen en aan het eerste geen aandacht te besteden: we vinden dat goed genoeg voor amateurs. In de filosofie verlangen wij ingewikkelde en wetenschappelijk verantwoorde, betogen en zien aan eenvoudige inzichten voorbij. Zuiverheid betekent dus niet voldoen aan bepaalde normen, maar het betekent samenvallen met. Een glashelder zelfbewustzijn valt samen met het beeld (het bewustzijn), maar het valt wel OP ZIJN WIJZE samen. Als zelfbewustzijn laat de materie zich gelden alsof ze geen materie zou zijn. Als geen materie is de zaak onbelemmerd beweeglijk, door niets bepaald, volkomen vrij. Maar, wat wij licht vergeten is dat het wel de materie is, die zich als niet-materie laat gelden. Het is dus een bepaalde zaak, een bepaalde verschenen verhouding van beweeglijkheden, die zichzelf ontkent. En nu is het dit bepaalde karakter van de materie, de éne keer een beetje zus, de andere keer een beetje zo, dat het niet materie zijn kleurt. Het belemmert het niet, het vertekent het niet, maar het geeft het een eigen kleur. Je kunt ook zeggen: een eigen sfeer. Veronderstellen wij nu dat bij een aantal mensen het zelfbewustzijn glashelder is, dan heeft het toch bij al die mensen een verschillende kleur, zonder dat bij een van hen het samenvallen met de werkelijkheid vervallen is. Wij kunnen spreken van variaties in kleur, in sfeer. Wij gingen nu uit van een zelfbewustzijn dat glashelder zou zijn, maar in feite is bij ieder mens het zelfbewustzijn in meerdere of mindere mate geconditioneerd. Er zijn altijd wel bepaalde programma’s ingeprent, wegen waarlangs het denken zich voortbeweegt. Vanuit deze programma’s wordt het zien van het beeld in onszelf (het bewustzijn) min of meer belemmerd. Hier zouden wij kunnen spreken van variaties in helderheid, in die zin dat het zelfbewustzijn (evt. het denken) van de één meer van het beeld doorlaat dan dat van de ander. Hierover hebben wij meer dan eens gesproken. Van belang is om in de gaten te hebben dat het altijd het zelfbewustzijn is dat het zicht op de werkelijkheid belemmert. Dit, belemmeren is essentieel. Wijs worden wil dan ook niet zeggen dat je op de een of andere manier je zelfbewustzijn, je denken, zou moeten ontwikkelen, d.w.z. oefenen om helder te worden, maar het wil daarentegen zeggen dat je je zelfbewustzijn zou moeten afwennen het zicht op de werkelijkheid te belemmeren. Je kunt zeggen: wij moeten niet iets aanleren, maar juist iets afleren. Dit ligt volkomen tegen de gebruikelijke cultuuropvattingen in. Nog steeds heeft men hoge verwachtingen van de ontwikkeling van het denken, in die zin dat het zou gaan om het vergroten van onze kennis. Volgens sommigen zou de mens zelfs zijn hersens moeten verbeteren - hoe krijgt men het verzonnen! In feite echter levert het vergroten van onze kennis alleen maar een nog grotere belemmering op, althans, zolang we niet in de gaten hebben hoe de verhoudingen wat dat betreft liggen. Spinoza echter sprak van zuiveren en dat is precies het andere van kennis vergroten.

Het afleren

Het afwennen van het belemmeren, wil dat nu zeggen dat je zou moeten proberen je conditioneringen, op grond van tradities en verworven kennis, kwijt te raken? Moet je, net als de oude Chinese Zenboeddhisten, de boeken gaan verbranden omdat kennis aan inzicht in de weg staat? Dat is uiteraard onmogelijk omdat kennis bij de mens behoort. Het opheffen van de conditioneringen wil niet zeggen afschaffen, maar het wil zeggen dat je ze leert doorzien. Je moet wéten dat ze in je zelfbewustzijn aanwezig zijn en je moet wéten hoe ze functioneren. Als je dat weet houden zij op belemmerend te werken omdat je je er dan niet meer aan uitlevert. Je kunt zeggen: de conditioneringen beheersen dan niet meer jou, maar jij beheerst je conditioneringen. En dan kan je ze echt benutten, al naar gelang de opgaven die je jezelf op een zeker moment stelt. Bij alle handelingen, ja zelfs bij het gehele overleven spelen conditioneringen een grote rol. De straat oversteken zonder op het gevaar geconditioneerd te zijn is vrijwel onmogelijk, iedere keer uitzoeken hoe je een potje thee moet zetten is idioot. Vakmanschap zonder conditionering is volslagen ondenkbaar, enzovoort. Zou je echter die inprentingen niet doorzien, je zou nooit de mogelijkheid hebben sommige dingen eens wat handiger en wat efficiënter te gaan doen. Welbeschouwd is alle werkelijke vooruitgang te danken aan het doorzien van inprentingen, die vaak eeuwenlang stand hebben gehouden. In feite heeft het zelfbewustzijn, het denken, zich niet geleidelijk verhelderd, maar heeft zich het telkens weer ingeprente kaartsysteem opgeheven en doorzichtig gemaakt. Het kan ook niet anders in elkaar steken, want het zelfbewustzijn is bij de mens materie als niet-materie, en dat was natuurlijk ook bij de oermensen het geval. Het is gewoon de verhouding van de beweeglijkheden onderling, die voor het verschijnsel mens geldt. Met het verschijnen van die mens treedt die verhouding op en dat blijft zo zolang er mensen zijn, waar ook in het heelal. Het doorzien van de conditioneringen maakt ze bruikbaar en nuttig.

No. 66

Nog wat over het denken

Hoewel de moderne wereld stoelt op een eeuwenlange denktraditie, kan je toch constateren dat de kwaliteit van het hedendaagse denken niet bijzonder groot is. Bovendien valt op dat er een onredelijk grote waarde aan het zelfbewustzijn gehecht wordt voor zover dit zich als denken vertoont en laat gelden. Dat dit denken niet veel voorstelt wordt nauwelijks door iemand ingezien, reden waarom die grote waarde die er aan gehecht wordt vrijwel nooit gerelativeerd wordt. Het zogenaamde denken wordt als de maat gesteld en het wordt beschouwd als het instrument waarmee de mens in staat zou zijn zich boven eigen natuurlijkheid uit te werken. Die verwachting, namelijk dat het denken ons op den duur tot humane mensen zou doen ontwikkelen, moeten wij zo langzamerhand eens van ons af gaan zetten. Het denken leidt niet tot humaniteit, maar tot iets geheel anders. Dat andere kan niet gemist worden, zodat we wat dat betreft de betekenis van het denken niet mogen onderschatten, maar het is niet het denken zelf dat de mens leidt op de weg naar humaniteit. Het zelfbewustzijn, en dus ook het denken, wordt voor de mens pas zinvol als het tenslotte door zichzelf heen is. Het heeft dan een BEVRIJDINGSPROCES doorlopen. Het heeft de mensen van iets bevrijd. Zij hebben niet iets aan zichzelf toegevoegd, zodat je van een verbetering zou kunnen spreken, maar zij hebben in zichzelf BELEMMERINGEN weggenomen. Die belemmeringen hebben de mensen steeds zelf opgeworpen, niet omdat zij zo dom zouden zijn, maar doordat daaraan voor hen niet te ontkomen was. Omdat zij ongeprogrammeerd op de planeet zijn verschenen hebben zij van alles moeten leren en aanleren. Dat is op zichzelf onvermijdelijk, maar evenzeer onvermijdelijk is dat dit aangeleerde een belemmering wordt voor het menszijn. Net zoals bij een volleerd pianist het aangeleerde pianospelen een belemmering kan gaan vormen voor datgene waarom het eigenlijk gaat: het ten gehore brengen van mooie muziek. En net zoals bij een aankomend wetenschapper de aangeleerde kennis een belemmering kan zijn voor het opmerken van nieuwe dingen. Het kunstenaar-zijn en het wetenschapper-zijn worden gekenmerkt (als het goed is) door het openstaan voor de werkelijkheid. De kunde en de kennis, voor zover die aangeleerd zijn, dienen slechts voor het verstaanbaar en begrijpelijk maken van de werkelijkheid. Als het gaat om het aanleren van iets komt er voor een mens iets bij, maar als het gaat om een humaan zelfbewustzijn moet er iets af, namelijk de belemmerende werking van datgene dat er bij gekomen is. Het gaat dus niet aan het aangeleerde, dat wat er bij gekomen is, te verwerpen (zoals nogal wat holisten menen te moeten doen), maar waarom het gaat is het OPHEFFEN VAN DE BELEMMERINGEN. Weten wil zeggen dat je de werkelijkheid bent die zich van zichzelf bewust is. Dat weten geldt voor de mens, voor elke mens en dus bijvoorbeeld ook voor de oermens bij zijn verschijnen op de planeet. En het geldt ook voor een mens die nauwelijks iets geleerd heeft. Maar dat weten kan zich pas laten gelden als het niet meer belemmerd wordt. In tegenstelling tot wat men altijd gedacht heeft en wat de filosofen altijd beweerd hebben staat niet het zogenaamde natuurlijk zijn aan dat weten in de weg, maar juist het AANGELEERDE, voor zover dat belemmerend werkt. De inhoud van het zelfbewustzijn, de hoeveelheid aangeleerde zaken, belemmert het weten. Bevordering van kennis, oefenen in het denken, zij brengen de mensen niet terecht. Dat wordt tegenwoordig maar al te pijnlijk duidelijk... Van je natuurlijk zijn behoef je niet af te komen: de mens is bij zijn verschijnen op de planeet onmiddellijk ontkende natuurlijkheid omdat hij nu eenmaal het laatste verschijnsel is, natuur en niet-natuur tegelijk. De mens is de natuur anders en hij zal zich dan ook nooit echt natuurlijk gedragen. Het beest in de mens is geen natuurlijk beest, overeenkomstig een (roof)dier, maar het is daarentegen een niet natuurlijk beest, niet te vergelijken in wreedheid met welk dier dan ook. Zijn beestachtigheid is een zelfbewuste, voortkomend uit kennis. De aangeleerde kennis legt in het zelfbewustzijn van de mensen een programma vast en van daaruit gaat de zaak werken als een voorschrift, als een dienstregeling voor je leven. Je levert je er aan uit. En dat geldt zowel in positieve als in negatieve zin. De zogenaamde goede dingen en de zogenaamde slechte worden door de conditioneringen bepaald; zij maken uit wat je doen zult en wat je laat. En hier doorheen moeten en zullen de mensen gaan om zich er tenslotte van te bevrijden en, als gevolg van die bevrijding, werkelijk mens te worden. De wereld waarin wij thans leven is een rampenwereld, een wereld waarmee totaal niets meer te beginnen is. En dat wordt almaar slechter. Je begrijpt dat als je de rol van de kennis door hebt. We leveren ons steeds meer uit aan de uit die toenemende kennis voortkomende conditioneringen. Het leven raakt steeds meer op de achtergrond, omdat de kijk op de werkelijkheid als beeld (= bewustzijn) steeds meer verloren gaat.

De belemmeringen

De moderne opvatting over de evolutie van het leven is deze dat het leven zelf voortdurend nieuwe situaties oplevert, in onvoorstelbaar vele varianten, en dat het zich handhaven van die nieuwe situaties afhankelijk is van hun vermogen om talloze belemmeringen te overwinnen. Er komt dus niet één nieuwe mogelijkheid van leven voor de dag, maar een grote hoeveelheid en daarvan handhaaft zich er één of enkele. Het zich doorzetten van het leven is dus niet het stap voor stap opbouwen van steeds ingewikkelder levensorganisaties, maar juist het overblijven van de meest efficiënte organisatie. Je hebt zogezegd te doen met een afvalrace. Bepalend zijn dus in feite de belemmeringen en het overwinnen daarvan. Er is niet een geraffineerd opbouwplan (het leven probeert lukraak van alles), maar er is een heel systeem van belemmeringen. Denk bijvoorbeeld aan ons afweersysteem: ons lichaam wordt voortdurend belaagd door belemmerende factoren, stoffen en organismen die wij al of niet zelf voortbrengen. Maar ons afweersysteem houdt die belagers in bedwang zodat zij geen kans krijgen de dienst uit te gaan maken. Bepalend zijn dus niet die belagers (die horen erbij), maar de belemmering, het afweersysteem is bepalend. Faalt dat, dan word je ziek. De evolutie is inderdaad niet anders denkbaar dan gebaseerd op belemmeringen. Voor zover een mens biologisch is geldt dat voor hem ook. Maar voor zover hij geest is geldt het andere daarvan, namelijk geen belemmering en dat betekent voor de zelfbewuste mens het doorzien van de belemmering. Het doorzien dus van de conditionering. Het er niet meer aan uitgeleverd zijn. Er alleen nog maar, waar nodig, gebruik van maken zoals de pianist gebruik maakt van het op het beroeren van de toetsen geconditioneerd zijn. In de natuur houden de programma’s nieuwe variaties tegen om tevens efficiënte variaties (tijdens de evolutie) te bepalen (een verder gaand programma). Bij de mens zou dat ook zo zijn als hij niet als geest volkomen vrij was en er voor hem geen programma gold. Voor hem is dus in feite alles mogelijk. En dat zal hij moeten laten gelden als hij wil léven. Voor hem is het geprogrammeerd-zijn Onnatuurlijk. Het belemmeren, dat voor de natuur essentieel is, is voor de mens levensvijandig. En zo is in wezen elke cultuur, elke moraal, elke ethiek, enz. bedreigend voor zijn leven. Het toppunt van levensbedreiging is voor de dag gekomen als voor de mensen de gehele werkelijkheid omgezet is tot kennis.

No. 67

Bladwijzers: De Ratio / Rede-1 ; De Ratio / Rede-2 ; Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Doen alsof – zie A , B , C-67/68

Het slechte gedrag van de mensen

Men schrijft het slechte gedrag van de mensen als regel toe aan de beestachtigheid van de mens, d.w.z. de in de mens aanwezige natuur die overwonnen zou moeten worden. Het zogenaamde geestelijke zou de maat moeten zijn, het zou de natuur moeten overwinnen en het zou als ratio er toe moeten leiden dat de mensen zichzelf besturen kunnen. De mens zou gelijk een beest zijn als hij over zichzelf niet dat geestelijk bestuur zou uitoefenen. Het slechte gedrag van de mensen zou dus voortkomen uit hun vooralsnog niet overwonnen, natuurlijkheid, in feite hun dierlijkheid. Merkwaardig is daarbij dat zo ongeveer iedereen wel inziet dat geen enkel dier in de natuur zich zo schaamteloos slecht gedraagt als de mensen doen. Je beledigt de natuur als je het slechte gedrag van de mensen toeschrijft aan, natuurlijkheid. Toch komt vrijwel niemand op het idee dat niet de natuur oorzaak van het slechte gedrag is, maar juist de CULTUUR, d.w.z. het gedrag dat een gevolg is van zelfbewuste denkmodellen. We zien dan ook dat juist in Onze tijd, nu letterlijk alles om die denkmodellen draait en de conditionering daarop sterker is dan ooit, het gedrag van de mensen een climax van wangedrag benadert. Het kan nauwelijks beroerder. Maar de conclusie, dat het wangedrag uit de cultuur voortspruit wordt niet getrokken. Men blijft de hoop koesteren dat een verdere uitbouw van de cultuur, een verdergaande redelijke opvoeding van de mensen, tenslotte tot een humane wereld zal leiden.

Het zichzelf vastleggen op programma’s (= conditioneren)

Het zichzelf vastleggen op programma’s (= conditioneren) doet echter wel denken aan het natuurlijke. Dat is namelijk het geval als je niet denkt aan het soort gedrag, maar aan datgene dat er met een mens gebeurt. Het (door zichzelf) geprogrammeerd-zijn gelijkt op de situatie waarin de verschijnselen in de natuur berusten: een volledig gebonden-zijn aan en dus een niet kunnen ontkomen aan onveranderlijke, vastgelegde programma’s. Zo beschouwd kun je zeggen: de mens gedraagt zich alsof hij een stuk natuur was. Maar dat gedrag VERTOONT uitsluitend zaken die niet alleen vreemd zijn aan de natuur, maar die er ook in toenemende mate mee in strijd zijn. Allicht, want voor de mens geldt dat hij reeds bij zijn verschijnen op de planeet niet meer de natuur, de natuur anders, is. Voor zover hij dus gedrag ontleent aan zijn zelfprogrammering kan dat gedrag niet anders dan onnatuurlijk en in laatste instantie tégennatuurlijk zijn. Omdat de mensen dus niet echt geprogrammeerd zijn (zij doen dat immers zelf) gedragen zij zich, doen zij zich voor, alsof zij wel onderhevig zijn aan een onontkoombaar programma. Het is dus eigenlijk een DOEN ALSOF. Het is een doen alsof je aan regels en voorschriften gebonden bent. Je doet alsof dat zo hoort, alsof dat je menszijn is. Van dat doen alsof zijn de mensen zich als regel niet bewust; zij weten doorgaans niet hoe de zaak in elkaar steekt. Op grond van dat (onbewuste) doen alsof ontduiken de mensen met het grootste gemak hun eigen voorschriften, steeds waar het gaat om dingen die zij voor zichzelf belangrijk achten. Dat ontduiken verschijnt noodzakelijk in het licht van de voorschriften: die zijn het die ontdoken worden, die zijn het die de reactie van het ontduiken teweeg brengen. Het gevolg is daarom niet VRIJHEID, maar BANDELOOSHEID. Vrijheid richt zich op niet-geprogrammeerd zijn, maar bandeloosheid op voorschriften die ontdoken moeten worden. Dit is een algemeen menselijk verschijnsel, dat overal optreedt waar mensen zijn, d.w.z. onvolwassen mensen. Het heeft niets met bijv. het westerse individualisme te maken, maar het is wel zo dat dit het verschijnsel van de bandeloosheid aanzienlijk versterkt. Er zijn natuurlijk altijd mensen geweest die in het licht van volwassenheid geleefd hebben. Die mensen hebben hun eigen moraal ontwikkeld, niet als tegenstelling tot de geldende moraal, maar als concretisering van hun vrijheid (= wezenlijk niet geprogrammeerd zijn) en die louter uit die vrijheid hun verantwoordelijkheden afgeleid hebben. Dergelijke nobele mensen zijn evenwel grote uitzonderingen. Je kunt beide, namelijk het aan (cultuur)regels gebonden en het bandeloze gedrag best wel misdadig noemen, maar dan moet je er wel bij bedenken dat men zich hiervan niet bewust is. Veel opvallender en algemeen geldend is het feit dat beide bij elkaar behorende zaken onvermijdelijk leiden tot WREEDHEID. Het navolgen van voorschriften en het ontduiken ervan levert steeds een wreed gedrag op. Het opleggen van een straf op grond van een misstap van iemand is net zozeer wreed als het plegen van die misstap, want in beide gevallen wordt de werkelijkheid verscheurd omdat er maar een gedeelte van de werkelijkheid mag gelden, namelijk dat wat in voorschriften erkend is. Bij het laten gelden daarvan doe je onvermijdelijk mensen pijn. Men weet dat ergens wel en dan excuseert men zich met een beroep op dat onvermijdelijke, het niet-anders-kunnen, en sust daarmee het geweten in slaap. Maar, in slaap of niet, het geweten zegt toch: je bent wreed bezig. De wreedheid is een onvermijdelijk verschijnsel binnen een onvolwassen mensheid. Je zult er dus mee moeten leren leven dat er (voorlopig) geen oplossing gevonden kan worden die niet-wreed is. Maar je kunt het bestaan van de wreedheid wel herkennen en erkennen en van daaruit proberen die zo weinig mogelijk een kans te geven. Je kunt bijvoorbeeld gevangenissen zo humaan mogelijk maken, ook al hebben de mensen die daar opgesloten moeten worden de meest verschrikkelijke dingen gedaan en is er een grote kans dat zij dit weer zullen doen als je ze vrij laat rondlopen. Waar je maar kunt moet je de wreedheid terugdringen: de wreedheid van het strafstelsel, het arbeidsstelsel, de opvoeding en scholing, het militarisme, het grootschalige economische denken, discriminatie, enzovoort. De behoefte om de wreedheid terug te dringen is gelukkig overal in de samenleving aanwezig. Zonder zich ervan bewust te zijn voelen de mensen wel aan dat zij wreed zijn, maar vooral tegenwoordig, nu het enigszins duidelijk wordt dat onze maatschappelijke denkmodellen onhoudbaar zijn en de verwarring alom toeslaat, is er een steeds sterkere neiging tot fundamentalisme, d.w.z. een teruggaan naar de uitgangspunten van die denkmodellen. Dat betekent VERHARDING, het is een opleving van het wrede. De natuur kan nooit wreed zijn, al staat ons een aantal dingen niet aan, omdat zij niet kan ontkomen aan haar programma’s. Mensen daarentegen behoren niet uitgeleverd te zijn aan programma’s en bijgevolg vertonen zij wreedheid als zij dit wel zijn, ongeacht de vraag of zij hun eigen voorschriften onder omstandigheden opvolgen dan wel ontduiken. Je kunt zeggen: het is de opgave van de mens om mens te zijn. Dat betekent echter niet dat je van je natuur af moet zien te komen, want daarvan ben je allang af, maar het wil zeggen dat je je eigen programmeringen moet leren doorzien, zodat je enerzijds van je ficties en illusies afkomt en anderzijds een nuttig gebruik van je conditioneringen kunt gaan maken om als een mens te kunnen overleven. Doorzien wil eigenlijk zeggen: beweeglijk maken. Een beweeglijk gemaakt programma betekent voor een mens niet een afgeschaft programma (dat is nog steeds een programma), maar een toepasbaar programma, een verworvenheid waarmee je iets kunt doen. Een niet toepasbaar gemaakt programma, in feite dus een programma dat je niet doorziet in jezelf, leidt tot overheersing van jezelf en van de werkelijkheid. Behalve dat je dit kunt bedenken zie je het ook aan de feitelijke gebeurtenissen in de mensheid vanaf haar verschijnen op de planeet. Steeds zijn de gebeurtenissen rampzalig op den duur...

Bladwijzers: De Ratio / Rede-1 ; De Ratio / Rede-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ;

 

No. 68    

Bladwijzers: Anarchie-1 ; Anarchie-2 ; Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m19, 20 en 21, 37, 44, 48 en 68

 

Denk automatisme

Er zullen weinig mensen bestaan die er welbewust op uit zijn de andere mensen leed te berokkenen of de mensheid naar de ondergang te voeren, bijvoorbeeld door het gebruiken van nucleaire vernietigingswapens. Bij navraag blijkt zo ongeveer iedereen het goede voor te hebben met zijn medemensen. Voor zover men dus bewust denkt is er geen aanleiding tot slecht gedrag ten opzichte van de medemens. Gaat men dit denken echter verbinden met bepaalde handelingen (plannen maken, zich iets voornemen), en daarna die plannen ten uitvoer leggen, dan is het resultaat vrijwel onvermijdelijk slecht gedrag. De oorzaak van dit verschijnsel is gelegen in de automatismen van het cultuur denken. Dat denken is geconditioneerd, vastgelegd in programma’s. Zonder dat de mensen het bemerken is de gang van hun gedachten van tevoren bepaald. De logica van zo’n gedachtegang is voor hen niet aan twijfel onderhevig zodat zij er voor zichzelf zeker van zijn gelijk te hebben en de goede weg te bewandelen. Als zij de kans krijgen zullen ze zelfs proberen anderen te dwingen ook die weg te gaan. Vooral de godsdiensten vertonen die behoefte; zij hebben in het verleden niet geaarzeld andersdenkenden ter dood te brengen en ook tegenwoordig verzinnen die godsdiensten allerlei reglementen om de mensen te dwingen volgens hun programma s te denken en te handelen. Maar het gehele moderne maatschappelijke gedoe is geprogrammeerd. Meer dan ooit werpen de conditioneringsystemen vruchten af: door het uitgebreide communicatie netwerk, door de wereldomspannende pers, de nagenoeg uniforme wetenschapsbeoefening en het onderwijs. Dat gehele systeem leidt tot een alles overheersend en vrijwel niet te voorkomen slecht gedrag. Het zijn vooral de politici die menen dat het zich oplossen van de automatisch verlopende denkprogramma’s tot wanorde, anarchie en misdadigheid zal leiden. Zij menen dus dat het zich bevrijden van het denken onvermijdelijk tot een ramp voor de mensheid voert. Vanuit hun optiek hebben zij daarin volkomen gelijk: hun machtswereld en hun orde stort door zo’n bevrijding onherroepelijk in. De orde van die wereld is immers die van het automatisme! Een automatisme dat zo halsstarrig is dat het zelfs procedures die overduidelijk naar de afgrond voeren (bijv. de ontwikkeling van kernenergie, het landbouw en voedsel beleid van de E.E.G., de manipulaties van de zogenaamde Wereldbank, enz.) niet staakt, maar daarentegen zelfs perfectioneert. Die politici zijn tegenwoordig allemaal wetenschappelijk gevormd, zodat een doorbraak van het denkautomatisme vanuit die hoek niet te verwachten is. De tijd dat van een politicus een visie, een idee verwacht werd is reeds lang voorbij. De moderne eis is deskundigheid, maar dat is nu juist iets dat geen ruimte voor twijfel en essentiële vragen toelaat. Deskundigheid, op zichzelf beschouwd, is een ramp voor elke ontwikkeling. Omdat de politici tegenwoordig onze gehele maatschappij in handen hebben vormen zij voor de mensheid de meest bedreigende groep die er is. Hun ijveren voor het belang van de mensen is dan ook door en door een doen alsof. Het is er stellig het meest schrijnende voorbeeld van. Het bedrijfsleven en de banken spelen ook een gevaarlijke rol, maar zij spelen tenminste nog in op nieuwe ideeën en visies en leveren in ieder geval nog materiële goederen op. Doordat zij aan dit laatste niet kunnen ontkomen (al proberen zij dit wel door oplichterij en slechte producten) blijven zij enigermate gebonden aan het geheel van het menselijk leven. Maar voor politici geldt dat niet omdat zij geen product leveren. Zij kunnen dan ook een hele maatschappij ten gronde richten en dat kan alleen maar voorkomen worden door hen weg te jagen. Vanuit hun eigen denken, bevangen als het is in het automatisme, zullen politici nooit de zaken anders gaan aanpakken en dat geldt vooral voor de moderne deskundige politici. En als zij al besluiten dat het anders moet nemen zij hun toevlucht tot fundamentalistische maatregelen: het zogenaamde terugdraaien van de klok. De geschiedenis heeft nooit iets anders laten zien, de tegenwoordige tijd ook niet.

Een beknopte recapitulatie

We hebben gezien dat het, organisatie-denken een van de belangrijkste factoren in de moderne cultuur is. Een factor die vooral sinds de tweede wereldoorlog op de voorgrond is komen te liggen. Je kunt er dagelijks over verbaasd staan hoezeer dat denken in het leven van de mensen doorgedrongen is en aanleiding geeft tot de meest absurde maatregelen, die in de praktijk alleen maar remmend werken en alles veel te duur maken. Het is bijvoorbeeld gemakkelijk uit te rekenen hoeveel energie een gemiddeld gezin per jaar gebruikt. In plaats van dat bedrag gewoon bij de huur op te tellen organiseert men een onontwarbaar systeem van metertjes en klokjes, die allemaal afgelezen, onderhouden en gecontroleerd moeten worden, om vooral maar het laatste dubbeltje van de gebruikers binnen te halen. Een systeem dat bijna onbetaalbaar is en dat ruimschoots de kosten zou dekken van mensen die maar raak zouden verbruiken. Men heeft eens uitgerekend dat de kosten voor het innen van de gelden voor bus- en treinkaartjes zo hoog zijn, dat je goedkoper het openbaar vervoer gratis zou kunnen maken. Dit zijn maar voorbeelden van een tot in het absurde doorgetrokken organisatie- denken, dat zich bezig houdt met een maatschappelijke werkelijkheid DIE HELEMAAL NIET BESTAAT! Overal waar het maatschappelijk handelen van de mensen nog echt zinvol en samenhangend is, is sprake van ZELFORGANISATIE. Maar het moderne wetenschappelijke organiseren richt zich op de fictieve relatie tussen de dingen en houdt zich dus bezig met een niet-bestaande werkelijkheid. Dat is onder andere de reden dat inzicht, visie en talent geen rol meer kunnen spelen. Het is een volkomen doodse en doodlopende bedoening. Een andere essentiële factor in de moderne cultuur is het doen alsof, zoals dat voortkomt uit de waan dat de in het zelfbewustzijn ingeprente werkelijkheid DE WERKELIJKHEID zou zijn. Het doen alsof betekent altijd dat datgene waarmee men zegt bezig te zijn een berekende gekozen zaak is, die in tegenstelling staat tot datgene dat de werkelijke bedoeling is. De bedoeling is bijvoorbeeld om geld te verdienen en beroemd te worden, terwijl men doet alsof men een voor dergelijke zaken onverschillige kunstenaar is. We hebben daarover gesproken. Als derde belangrijke factor moeten we het steeds verder uitwerken van de waardeverschillen tussen de mensen beschouwen. Uiteraard hangt dat ten nauwste samen met het organisatie- denken, dat er eigenlijk alleen maar is om die verschillen tot gelding te maken. In tegenstelling tot wat meestal gedacht wordt nemen de waardeverschillen toe op grond van het steeds verfijnder uiteenleggen van de werkelijkheid. Men doet wel alsof men aan het nivelleren is, maar dat geldt in feite alleen maar ten aanzien van de traditionele waardeverschillen, namelijk die tussen rijk en arm. Beide begrippen hebben nauwelijks meer inhoud. In de plaats is gekomen de waarde van de functie en de daaraan meekomende organisatorische macht.

Bladwijzers: Anarchie-1 ; Anarchie-2 ; Doen alsof – zie A , B , C-67/68

Tot zover onze beschouwingen over de ontwikkeling van de West-Europese cultuur.

Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m19, 20 en 21, 37, 44, 48 en 68

 

( Hoorcolleges 1985 – 1987 te Gouda )

 

Een cultuur is:

de gestolde neerslag van een bepaalde fase van de ontwikkeling van het zelfbewustzijn. Er worden allerlei dingen vastgelegd, als norm gesteld, die tijdens die fase duidelijk zijn geworden. De neerslag van zo’n fase stolt tot cultuur.

 

Onder een ideologie versta ik: een overheersend cultuurdenkbeeld dat gebaseerd is op de voorstelling hoe de werkelijkheid zou moeten zijn.

 

Gewone mensen, zijn mensen waarbij de twijfel zijn rol blijft spelen, die zich niet beroepen op iets hogers, iets goddelijks of iets koninklijks of op hogere geestelijke vermogens die maatgevend zouden zijn.

 

Bovenkant document

 

Bovenstaande tekst is geschreven:

Door Jan Vis, filosoof.

Terug naar, de Startpagina

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit deze bundel zonder meer toegestaan.

Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld.

 

website analysis
website analysis

website analysis
online hit counter