DE ONTWIKKELING VAN DE WEST-EUROPESE CULTUUR
Almachtige God, Analyseren,Anarchie,Anarchisme, Antisemitisme,Armoede, atheïsme, Basisinkomen, Beheersen, Bemoeien, Bemoeien, Bemoeienis van de samenleving, Bemoeizucht, Beschaving, Chantagerecht, Civilisatie, Communisme, Conditionering, Concurrentie, Cultuur ; de ongelovige West Europese cultuur, Cultuur ; godsdienstige cultuur, Cultuur ; het fictieve karakter van onze cultuur, Cultuurmoment ; het laatste cultuurmoment, Cultuurspanning, Cultuuruiting, Doen alsof ; de medici doen alsof zij de mensen genezen, Doen alsof, Drugs, Elitaire ; de zuiging van het elitaire, Elite, Elites ; de nieuwe elites, Euthanasie, Euthanasiediscussie, Fascisme, Fictie ; is de moderne mens een wandelende fictie..?, Filosofie, Fraude, Germaanse cultuur, Germaanse wereld, Germanen, God is liefde, God, Gods Zoon, Grens, Haat, Ieder het zijne, ideologie, Integreren = Volwassen worden, Joodse cultuur, Kennis vergaren, Kernenergie, Kernraketten, Kosmos ; de geneesheer van de kosmos, Krijgsgevangene, Leider, Leiderschap, Leven en laten leven, Liberalisme, Lijfeigene, Macht, Meeleven, Mens ; de moderne mens is een wandelende fictie, Mensen ; gewone mensen, Mensen ; gewone mensen-middelmaat, Mohammedaans, Mystiek, Nationaal socialisme, Nationaal socialistische beweging, Nationaal socialisten, nihilisme, Noodzakelijk Kwaad, Oerchristendom, Onverschillig zijn, Onvolwassen mensen, Onvolwassen mensheid, Onvolwassen zijn, Opstanding, Overtuigen ; hoe te overtuigen, Politici, Politieke elite, Politieke streven, Psychische verwarring, Recht en Wet zijn steeds instrumenten, Rechten en Plichten, Rechtsgevoel, Rechtsstaat, Rechtvaardigheidsgevoel, Reïncarnatie, Rijkdom en macht, Romeinen, Romeinse cultuur, Romeinse rijk, Sociaal Democratie, Socialisme, Staat ; de Staat, Staatsorganisatie, Strafbaarheid of rechtmatigheid ; De beoordeling van strafbaarheid of rechtmatigheid ligt wel in handen van de rechter, maar de formulering van het recht niet, Terrorisme, Tiran, Vandalisme / vernielzucht, Verkiezingen, Vervreemding, Verzorgingsstaat, Volwassen worden, Vrije tijd, Vrijheid ; er is een grote angst voor vrijheid, Vrijheid, Werkgelegenheid, West Europa ; het begin van West Europa, Wreedheid, Zelf beslissen en meeleven, Zelfbeschikkingsrecht, Zoon van de mens (voor ons Jezus of Christus), Zwarte pedagogie,,
( Hoorcolleges 1985 – 1987 te
Gouda )
Onderstaande
tekst is geschreven: door Jan Vis, creatief filosoof.
Help mee om deze site te
promoten. Vertel het uw…!
(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes
)
Naar
: het begin
van het artikel Naar : Bladwijzers Naar : LINKS van óók andere artikelen met als bladw.
VERZORGINGSSTAAT
Terug naar, de
Startpagina
NIET WETEN IS BETER DAN VERKEERD WETEN ! Er wordt al
genoeg gekletst !
Bladwijzers: o.a dat een politicus zich voor het volk inspant
; Dictator ; NAVO ; Colijn(voormalig Premier)
; dubbelhartigheid
; het voorspel
; het begin van West
Europa ; Eigen
Rechter ; Meditatie ; Hindoeïsme ; Tweede Wereldoorlog een
politieke oorlog ; (Hitler ging zelf militaire organisaties vormen, zoals de
SS) ; de
verantwoordelijke leiders straffen voor hun misdaden ; Antisemitisme ; de God van de
Economie en de Politiek ; Anarchie-1 ; Anarchie-2 ; Ideologie-Slavische
ideologie-nrs.51/52 ; Hitler
; Concurrentie-1
; Concurrentie-2
; Werkgelegenheid
; Raszuiver ; Hitlers agressie
tegen het Westen… ; Nationaal
Socialisme ; De
medici doen alsof zij de mensen genezen,… ; Welvaart ;
Doen alsof – zie A , B
, C-67/68 ;
Het Russische volk
; Het kan niet uitblijven(1) ; Drugs(t/m
pag.39) ; De
Germanen ; Leiderschap-1 ; Leiderschap-2 ; Elite-1 nrs 1 t/m 6 ; de politieke elites
(15 t/m 17) ; politieke streven ; De zuiging van
het elitaire ; De
Ratio / Rede-1 ; De
Ratio / Rede-2 ; De
Romeinen(nos. 9 t/m 21) Romeinse cultuur (het
voorspel) ; Gods
Zoon ; Gratis
Openbaar Vervoer - Energie nota bij huur optellen ; zwarte pedagogie
; Er
is een grote angst voor vrijheid ; Jodenhaat,
Oorzaak..?. ; Wir
haben es nicht gewusst… hoe zit dat? Lees o.a. de nrs 17, 18, 19; Rechten en Plichten-1 ; Rechten en Plichten-2 Rechten en Plichten-3 ; Rechten en Plichten-4
; Integreren =
Volwassen worden ; Het beheersen ; Het socialisme
; Jodenvervolging
; Sociaal Democratie-1 ; Sociaal
Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal
Democratie-4 ; Sociaal Democratie-5 ; God is liefde ; Te erg / te veel ; Leider of Tiran..?
; Fascisme/Klassiek
; Fascisme
; Socialisme,
Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ; KENNIS VERGAREN –
zie de nummers 61 t/m 66
De
beoordeling van strafbaarheid of rechtmatigheid ligt wel in handen van de
rechter, maar de formulering van het recht niet ; Verzorgingsstaat-1
; Verzorgingsstaat-2
; Lijfeigene,
de Staat, Vrijheid ; De
verantwoordelijke leiders straffen voor hun misdaden ; een heel concrete macht, in de vorm van de een of
andere vorst die… ; ficties
; Algemeen belang-1
; Algemeen belang-2
; Algemeen belang-3
; Algemeen belang-4
; De moderne mens is een
wandelende fictie ; het
fictieve karakter van onze cultuur ; Is de moderne mens een wandelende fictie..?
; terrorisme-1
; terrorisme-2
; terrorisme-3
; kernraketten ; Gewone MENSEN-middelmaat-pag.55/56
; Big Bang – vanaf 62
; liberalisme-1 liberalisme-2 liberalisme-3 gewone mensen ; filosofie ; godsdienstige
cultuur ; Bandeloosheid ; Rechten van de Mens-1
; Rechten van de
Mens-2 ; Tweede Wereldoorlog
- het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m18, 20
en 21, 37,
44, 48 en 68 ; Derde Rijk-1 ; Het Derde Rijk ; negatief/positief
moment ; cultuuruiting ;
cultuuruitingen
; Mussolini
; Churchill ; Hitler / Mussolini ; Mystiek-1
Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
Onze
voorouders gezien vanuit Rome ; kernenergie-1 ; kernenergie-4; kernenergie-5; kernenergie-6 ; de burgers worden een factor in het oorlogsbedrijf ( lees 16 / 17 ) ; Rechtvaardigheidsgevoel lees 22 t/m 27
; Recht en Wet zijn steeds instrumenten…(lees 22t/m27)
; Het laatste
cultuurmoment ; psychische verwarring ; onvolwassen zijn
; onvolwassen
mensheid ; onvolwassen
mensen ; Almachtige
God ; Haat tegen…de
Russen en Joden ; Het
regiment is het thuis voor praktisch elke man, de soldatentijd is de mooiste
tijd en de kameraadschap van mannen is het mooiste dat er is. Die groepsvorming
was er dus vanuit de individu zelf ; haat
; de haat en de
wreedheid ; iets
over de opvoeding ; Vandalisme
/ Vernielzucht ; Germaanse wereld
; De term
Nationaal Socialisme ; Nationaal
Socialisme ; De misdadigheid van het Nationaal Socialisme
; Het
Nationaal Socialisme ; De
Nederlandse N.S.B. ; het probleem van het Nationaal Socialisme ;
rijkdom en macht
nos.15 en 16 ; Joodse cultuur ; Joodse cultuur-1
; Germaanse cultuur
; cultuurspanning
; Ze
hebben 6 miljoen joden vermoord ; De Rechtsstaat(lees
22t/m27); Waarom nu
juist in Duitsland ; iets over de Duitse cultuur ; de zuiging van
het elitaire ; de ongelovige West Europese cultuur ; Hoe te overtuigen
; Communisme ; Noodzakelijk Kwaad
; Onze
voorouders gezien vanuit Rome ; bloed en bodem/Blut
und Boden ; Waarom juist in
Duitsland ; Volksliederen
; Russische
revolutie-1 ; de Russische revolutie-2 ; hoe te overtuigen-godsdienst-wetenschap ; Beschaving oftewel civilisatie Vrije tijd-1 Vrije tijd-2 ; meeleven ; bemoeien en meeleven
; Meeleven en Vrijheid ; het
zelfbeschikkingsrecht ; zelf beslissen en meeleven ; bemoeienis
van de samenleving ; Onverschillig
zijn , IEDER HET ZIJNE en Leven en
laten leven ; mohammedaans-1 ; bemoeizucht ; het je met elkaar bemoeien ; de Geneesheer
van de KOSMOS ; grens-1
; grens-2 ; grens-3
; grens-4
; chantagerecht
; Toch
worden de mensen volwassen ; rechtsgevoel; analyseren binnen het samenhangende geheel fraude
; Opstanding ; reïncarnatie
; Basisinkomen Armoede ; Zoon van de
mens (voor ons Jezus of Christus)
Vervreemding-1(nr.
3)
en vervreemding-2(nrs.
40, 43 en 44) Verkiezingen Krijgsgevangene ; Misdadigheid ; Gesundes Volksempfinden ; Het karakter
van onze kennis ; New
Age ; dubbelhartigheid
; Politie-
Geweldsmiddelen : leger en vloot, politie ; Loyaal ; Er moet dus als het ware iets aan de mensen toegevoegd
worden. ; Mensenzoon
Jezus ; Wereldbank
; God is mens
geworden ; Het
aspect van de macht ; Wangedrag
; Hersencel-1 ;
Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Onverdraagzaam
; Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Economische Groei
; Eenzijdigheid-1
; Eenzijdigheid-2
; Parlementaire
Democratie ; De
Eigen ( Germaanse ) Identiteit
; Caesar ; In een onvolwassen wereld
bemoeien de mensen zich met elkaar ; China ; Ik kan geen redelijkheid, rechtvaardigheid,
liefde, solidariteit, niets van dit alles verlangen. Als er al iets te
verlangen valt zou dit…(zie bladwijzers)
; Gekwetst worden
; Vernederd en
gekwetst ; Gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel ; Rechters-1-nr. 5 ; Rechters-2-nrs. 23 en 24
; het
afschaffen van het slechte ; Oostbloklanden-51 en 52 ; De
West-Europese godsdienst ;
Naar artikelen: Loyaal: zie bladwijzers in Filosofische invallen 1 t/m
26, ; Loyaal: zie bladwijzers in De Kunst van het Filosoferen,
; Loyaal: zie bladwijzers in De Grote Vierslag, ; Loyaal: zie
bladwijzers in Alledaags Commentaar 1
t/m 40, ; Economisch Denken–zie bladwijzers in “De ontwikkeling
van het Denken”, ; Economische denken ; het is het economische denken dat
als vanzelfsprekend bepalend is geworden voor het beoordelen van het welzijn
van de mensen en dus de kwaliteit van de samenleving-zie afl. 21, ; Economische
groei, zie bladwijzers in Beweging en Verschijnsel deel 3, ; Economische
groei, zie Identiteitscrises vrijdenken, ; Economische groei, zie Nihilisme en Anarchisme als
basis van het Atheisme, ; Economische machthebbers-zie nr. 57 ; Economische
slavernij-zie nr. 18, ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60
/ 61 ; Vrijheid
;
Naar artiekelen met o.a. Verzorgingsstaat als bladwijzer
Verzorgingsstaat-2-zie bladwijzers in Waar gaat het in de mensheid nu wezenlijk om,
Verzorgingsstaat-3-zie bladwijzers in De Grote Vierslag,
Verzorgingsstaat-4-zie bladwijzers in “De ontwikkeling van het Denken”,
NIET
WETEN IS BETER DAN VERKEERD WETEN ! Er wordt al genoeg gekletst !
Terug naar, de Startpagina
Terug naar:
Beweging en
Verschijnsel (deel 1)
Beweging
en Verschijnsel (deel 2)
Beweging
en Verschijnsel (deel 3)
Gedachten
over Ontstaan en Bestaan
de Grote Vierslag (nihilisme, anarchisme, socialisme
en communisme)
De
ontwikkeling van de West Europese Cultuur
No.
1 Elite-1 nrs 1 t/m 6 ; de politieke elites(15
t/m 17)
Het historische onderzoek
Als wij willen filosoferen over de ontwikkeling
van de West-Europese cultuur, moeten onze bevindingen uiteraard parallel lopen met
die van de moderne historische wetenschappen. Daarom is het goed ons eerst, bij
wijze van inleiding, op de hoogte te stellen van betrekkelijk recente
ontwikkelingen binnen dat vakgebied. Tot voor kort baseerde de
geschiedeniswetenschap zich op de officiële gegevens, zoals die te vinden waren
in de archieven van de verschillende overheidsinstanties. Het is te begrijpen
dat het beeld van de werkelijkheid, dat daardoor ontstond, in zoverre vertekend
was dat het gezien werd vanuit de top van de maatschappij. Het was een beeld
vanuit de hoogte en dat is dan ook goed te merken als wij de gebruikelijke
geschiedenisboeken bestuderen. Eigenlijk gaat het alleen maar over de
staatkundige geschiedenis van Europa, terwijl die van de overgrote meerderheid
van de mensen buiten beschouwing bleef. Voor zover die geschiedenis wel ter
sprake kwam beperkte zich dat tot de economische geschiedenis en in enkele
gevallen tot de zeden- en godsdienstgeschiedenis. En ook daarbij was het
blikveld van bovenaf. Bovendien waren de historici zich nauwelijks bewust van
het feit dat zij als vanzelfsprekend hun eigen normen en waarden bij de
beoordeling van vroeger tijden handhaafden. Een voorbeeld: men kan
deernis hebben met de moeders uit de Middeleeuwen omdat meer dan de helft van
hun kinderen in de eerste levensjaren stierf. Tegenwoordig spreken wij dan van
een hoge kindersterfte. Maar, wij moeten wel bedenken dat voor ons het sterven
van een jong kind een uitzondering is, terwijl het voor die moeders van toen
regel was. Zij wisten niets van hoge of lage kindersterftecijfers en waren
vertrouwd met het sterven. Dat betekent niet dat die moeders geen verdriet
gehad zullen hebben, maar het was als het ware een vanzelfsprekend verdriet,
behorende bij het leven. Zij hadden er geen flauw vermoeden van dat het ooit
nog eens anders zou zijn. Tegenwoordig zijn er meer historici die het
dagelijkse leven van de mensen proberen te achterhalen. Het spreekt vanzelf dat
zij daarbij weinig hebben aan de officiële documenten en meer aangewezen zijn
op bewaard gebleven brieven, rekeningen van dokters, kerkelijke analen en
dergelijke. In een aantal gevallen zijn ook de processtukken van rechtbanken en
de inquisitie van belang. Maar, waar het, zeker voor ons, vooral om gaat is dat
wij er voortdurend op letten dat wij onze eigen, doorgaans niet zelfbewuste,
opvattingen en ideeën niet inplanten in de mensen van toen. Het herkennen van
de eigen conditioneringen is trouwens toch bij het filosoferen noodzakelijk, of
het nu over de geschiedenis gaat of over andere thema’s, de werkelijkheid
betreffende. Filosoferen is niet mogelijk zonder alles in jezelf los te maken,
de zaken in twijfel te trekken en jezelf vertrouwd te maken met een wereld vol
onzekerheden.
De
onechte cultuurontwikkeling
Volgens de filosoof Schopenhauer (1788-1860)
berust de cultuur op minderheden. Deze uitspraak is fout, ten eerste omdat hij
gedaan is vanuit een cultuurdrager, die kennelijk een bepaalde vorm van
cultuuruiting, namelijk die van een elite, aanzag voor dé
cultuur. Een vergissing, die herhaaldelijk bij de culturele elite voorkomt.
Ten tweede is deze uitspraak fout omdat hij geen
blijk geeft van het inzicht dat de werkelijke cultuurontwikkeling zich niet
afspeelt in de zogenaamde cultuurdragers - de minderheden, waarover
Schopenhauer spreekt - maar juist bij de gewone mensen. Waarom dat zo is zullen
wij nog bespreken. In ieder geval is nu reeds van de cultuuruitingen der
minderheden, de elites dus, te zeggen dat die uitingen steeds
verschijnen in het licht van de MACHT, zoals die door de éne mens over de
andere uitgeoefend wordt. Beschouwen wij dus de ontwikkeling van de cultuur
vanuit het gezichtspunt van de culturele elites - en doorgaans doet men
dat - dan ontstaat er een geheel vertekend beeld. Je kunt zelfs stellen dat dit
beeld tegengesteld is aan de werkelijke ontwikkeling, omdat elites,
minderheden met macht, op hun wijze de ONTKENNING zijn van de mensheid als
zodanig. De elites hebben zich buiten en boven het volk gesteld en zijn
daardoor geen representant van datgene dat er werkelijk gaande is. De tot voor
kort geschreven geschiedenis behelst de geschiedenis der mensheid ZOALS ZE NIET
IS, hoewel er natuurlijk ook niet gesteld kan worden dat ze geheel vreemd is
aan de werkelijke ontwikkeling. Er is natuurlijk wel een samenhang, maar dat is
een heel andere verhouding dan gewoonlijk gedacht wordt. Als je die verhouding
kent, is het mogelijk uit de denkinhouden van de culturele elites gegevens te
distilleren die de gedachtegang over de werkelijke ontwikkeling kunnen
ondersteunen. Voorbeelden hiervan zullen wij telkens tegenkomen.
Een bepaalde cultuurontwikkeling is niet denkbaar
zonder een voorspel, een aantal ontwikkelingen dat samenkomt in en een voedingsbodem
vindt in een volgende fase. Voor West-Europa zijn dat ontwikkelingen uit de
oudheid, die in de Romeinse cultuur zijn samengekomen. Maar ook zijn het
ontwikkelingen die helemaal niets met de Romeinse cultuur te maken hebben,
namelijk Moorse, die dus uit het cultuurgebied van de Islam stammen. Deze
worden graag verdoezeld omdat christendom en islam vanouds elkaars
doodsvijanden zijn - al doet men tegenwoordig over en weer erg vriendelijk. Wij
zullen ons dus enige tijd bezig moeten houden met dit voorspel en er daarna de
voedingsbodem in moeten betrekken. Pas dan weten wij wat er in zit en kunnen
wij nagaan hoe dat er uit komt.
Er is ook in west-Europa een tijd geweest dat het
gros van de mensen op de een of andere manier de lijfeigene was van feodale
heren en kerkelijke vorsten. Nu kijken wij daarop terug en vinden dan dat dit
toch erg mensonwaardige toestanden waren. Een mens behoort geen lijfeigene
te zijn. Maar dan verkijken wij ons op die feodale heer en die kerkvorst
en menen, omdat wij daaraan niet meer ondergeschikt zijn, dat wij de tijd van
de lijfeigenschap ver achter ons gelaten hebben. Dat nu is een voorbeeld van
een misleidende associatie In feite zijn wij namelijk méér lijfeigene dan die
mensen van toen, met alleen dit verschil dat wij niet meer onderhorig zijn aan
een bepaald heerschap, maar aan de STAAT. Als je de voor ons geldende
dwingende voorschriften eens op een rijtje zet, zonder daarbij acht te slaan op
het al of niet positieve karakter ervan, dan blijkt dat wij zo ongeveer geen
kant uitkunnen, qua vrijheid. Er is nauwelijks een levensterrein dat
niet door de staat, als maatschappelijke belichaming van de cultuur,
gereglementeerd wordt. Omdat wij er - zeker in ons land - niet zoveel LAST van
hebben, realiseren wij ons dat feit niet zo vlug, maar bijvoorbeeld de mensen
in de derde wereld, of de mensen die zuchten onder een dictatuur, realiseren
zich dat wel degelijk. En zo’n dictatuur behoort tot onze wereld; het is
precies dezelfde macht als die over ons heerst, maar dan in een andere, meer
brute, vorm. De onvrijheden, die ons in een enigszins redelijke vorm opgelegd
worden verschillen niet wezenlijk van die van een dictatuur. Het is daarom nog
maar de vraag wie er meer een lijfeigene was, die mens van vroeger of de mens
van nu...
Bladwijzers: Algemeen belang-1 ; Algemeen belang-2 ; Algemeen belang-3
; Algemeen belang-4
;
Het filosoferen over de geschiedenis
De filosofie bewandelt, als zij nadenkt over de
geschiedenis, een andere weg dan de geschiedenis- wetenschap. De opgave van de wetenschapper
is de gebeurtenissen op een bepaalde plaats en in een bepaald tijdsbestek zo
volledig en betrouwbaar mogelijk te achterhalen om ze vervolgens in een zo
waarschijnlijk mogelijke samenhang te plaatsen. De aard van die samenhang wordt
bepaald door de opvattingen van de onderzoeker en dus ook door de
cultuurprogrammering, waaraan zij of hij onderworpen is. Die programmering
schrijft allerlei voor met betrekking tot de wetenschappelijkheid, maar ook met
betrekking tot datgene dat mensen tot een bepaald gedrag beweegt. Van veel van
deze voorschriften is men zich gewoonlijk niet of nauwelijks bewust zodat men
eventuele vertekeningen van het beeld niet opmerkt. Daarom is van de
geschiedeniswetenschap te zeggen dat zij ons inzicht verschaft in zowel vervlogen
tijden als in de tijd en de geestesgesteldheid van de onderzoeker. Filosoferen
echter houdt in dat men op de eerste plaats zichzelf bevrijdt van de
cultuurprogrammeringen teneinde er achter te komen hoe het nu werkelijk met de
mens zit. Naarmate dit steeds beter gelukt blijkt het mogelijk te worden
inzicht te krijgen in het ontwikkelingsproces van de mensheid. Je kunt dan
leren begrijpen welke verschijnselen de mensheid achtereenvolgens vertonen moet
en dat kan je toetsen aan de resultaten van het geschiedkundige onderzoek. Van
deze methode is te zeggen dat hij in principe ZUIVER is: vertekeningen op grond
van eigen conditioneringen zijn uitgesloten. Als je op deze wijze de mensheid
en haar ontwikkeling benadert sta je er vaak zelf verbaasd van hoezeer het
nieuwe beeld van de ontwikkeling afwijkt van de gangbare opvattingen. Maar ook
dat dit nieuwe beeld veel logischer is.
De cultuurelites als ontkenning van de
cultuur
In samenlevingen vormen zich steeds elites
die zich beroepen op iets hogers. Iets goddelijks of iets koninklijks of op
hogere geestelijke vermogens die maatgevend zouden zijn. Op grond daarvan
zonderen de elites zich af van de overige mensen, zij staan erboven en oefenen
MACHT uit. In de praktijk blijkt dat zij doorgaans niet tussen de gewone mensen
willen leven, maar zich liever terugtrekken in hun kastelen, landgoederen en,
tegenwoordig, in hun dure buitenwijken. Zodra men tot een elite gaat
behoren gaat men als eerste verhuizen omdat men niet meer tot de gewone mensen
wil behoren. Tegelijk echter met het zich afzonderen treedt er een nieuwe
verhouding tot de gewone mensen op: men gaat hen de wet voorschrijven. Het
leven met de andere mensen wordt omgezet tot heersen over de andere mensen - op
welke manier dan ook. En daarbij pretenderen de elites dat zij de
exponenten, de vertegenwoordigers, zijn van de cultuur, in tegenstelling tot de
gewone mensen, het volk, het onontwikkelde gepeupel. De elites zouden
dus dat, wat zich in de mensheid ontwikkelt, afspiegelen. Maar het is zeer de
vraag of dat werkelijk zo is! De hedendaagse muzikale cultuurelite
bijvoorbeeld, gevormd door de moderne componisten van zogenaamde serieuze
muziek, vertegenwoordigt in geen enkel opzicht de voor ons geldende
cultuurfase. Zij is wel een GEVOLG van die fase, maar niet de UITDRUKKING
ervan. Dit laatste geldt echter wel voor de monotone, harde en agressieve
disco- muziek waaraan vrijwel alle jongere mensen uitgeleverd zijn. Of wij die
muziek mooi vinden of niet, feit blijft dat zij over de gehele wereld aanspreekt.
Zij is echt een, desnoods verontrustend, teken van deze tijd in tegenstelling
tot het elitaire maakwerk van de zogenaamd serieuze componisten. De
tegenstelling tussen de idealen van de vredesbeweging en de opvattingen van de politieke
elites is ook een goed voorbeeld bij onze gedachtegang. De politieke
elites willen bewapenen en op grond daarvan zou men kunnen menen dat
bewapenen een element is van de huidige cultuurfase. Dat is echter niet het
geval: het welhaast ongemotiveerde hunkeren naar vrede behoort wezenlijk tot
onze cultuurfase. De elites zijn op vernietiging uit, maar in de mensen
ontluiken de eerste kiemen van het léven!
De gewone mensen
Het is een opvallend feit dat de gewone mensen er
tot op de dag van vandaag maar een beetje bij hangen: zij zijn goed om een door
de economische en politieke elite veroorzaakte crisis op te vangen, goed
om door hun arbeid de welstand van de elites te vergroten, goed om op de
slagvelden hun bloed te vergieten ter wille van de machtsconflicten van de
elites en net goed genoeg om doormiddel van misleidende verkiezingsprocedures
hun eigen onderdrukkers te kiezen. De elites hebben de manifestaties van
hun cultuur steeds voorgesteld als VERHEVEN zaken - ook thans nog doen
bijvoorbeeld politici het voorkomen alsof zij volkomen onbaatzuchtig en integer
bezig zijn hun leven in dienst te stellen van het algemeen belang. Zij zijn de dragers en de
beschermers van de cultuur. En het volk moet geleid worden, het moet onderwezen
worden en op een hoger en edeler plan gebracht. De filosofen hebben nagedacht
over de mensheid en zij hebben daarbij schitterende waarden ontdekt van
humaniteit. Tegelijk hebben zij ontdekt dat het volk niet beantwoordde aan die
waarden. En nu komt het: het volk moest opgeheven worden tot die waarden, met
andere woorden, de mensen, jij en ik, mochten niet blijven wie zij waren, zij
moesten zich voegen naar HET DENKEN van de (filosofische) elites. Sinds
de 19e eeuw hebben de grote socialistische denkers gestreden voor de verheffing
van het proletariaat en zij hadden daarbij doorgaans goede bedoelingen. Maar
intussen is het toch een feit dat dit proletariaat moest gaan beantwoorden aan
de normen van die denkers. Er is nauwelijks een denker te vinden die vanuit de
gewone mensen en hun ontwikkelingsweg gedacht heeft. Steeds moesten die gewone
mensen iets, huis en haard verlaten voor de heilige oorlog, tegen het fascisme
en het communisme, voor de revolutie - stuk voor stuk zaken die door de elites
zelf verzonnen zijn! Het is dan ook geen wonder dat het moeite kost de mensen
zover te krijgen dat zij in beweging komen en hun onwil daartoe heet dan:
apathie. In de gewone mensen ligt een heel andere wereld dan in de elites,
een wereld waarin de cultuur niet MISBRUIKT kan worden. Niet dat die wereld nu
zo mooi is of zo redelijk of zo rechtvaardig. Die begrippen zijn in wezen niet
van toepassing omdat ook dit elitebegrippen zijn. Zij liggen wel in de
rede en kunnen dus niet afgewezen worden, maar tot op heden hebben zij een
elitaire inhoud, die AFGEDWONGEN moet worden en die dus in het teken van MOETEN
staat. In een dergelijk denken van bovenaf komen jij en ik niet voor. Sterker
nog: MEN KENT ONS HELEMAAL NIET en men spreekt niet onze taal...
De elites eigenen zich alles toe
De waarlijk grote kunstenaars zijn in hun kunst
niet élitair geweest, ondanks het feit dat zij zich met de mooie dingen bezig
hebben gehouden. Maar zonder mankeren is hun kunst door de elites in
beslag genomen en heeft men de indruk gewekt dat de kunst het werk zou zijn van
de dragers van de cultuur. Beethoven, Rembrandt en Dostojewski echter waren
geen CULTUURDRAGERS, zij waren kunstenaars, d.w.z. mensen die in staat waren
een BEELD VAN DE WERKELIJKHEID te geven. Zo ook hebben de grote revolutionaire
leiders beslag gelegd op bewegingen in de menselijke ontwikkeling om hun eigen
ideeën over maatschappij en samenleving te concretiseren. Lenin is daarvan een
voorbeeld.
Bladwijzers: Elite-1
nrs 1 t/m 6 ; de
nieuwe elites ; Algemeen
belang-1 ; Algemeen belang-2
; Algemeen belang-3
; Algemeen belang-4
;
Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2
; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
;
Vladimir
Iljitsj Oeljanov
Oeljanov (1870 - 1924) is de geschiedenis ingegaan
onder de naam LENIN en hij was het die in 1917 de macht greep in het
revolutionaire Rusland. Hij is een van de weinige voorbeelden van denkers die,
denkend vanuit de elite tot een theorie over de gewone mensen kwam, die
nog bleek te werken ook! Hij was de inspirator en de motor van de Russische revolutie.
Maar er is toch iets merkwaardigs: in 1902 schreef Lenin de brochure: Wat te
doen? En daarin stond hij een elite van beroepsrevolutionairen voor die
het proletariaat zou moeten bevoogden. Maar in 1917, toen bleek dat de
arbeiders de fabrieken overnamen en de boeren het grootgrondbezit, ging het hem
plotseling om de massa die het lot in eigen hand nam en daardoor een begin
maakte met het afsterven van de staat. Dit blijkt uit zijn geschrift Staat en
revolutie van 1917. Blijkbaar speelde hij in op de gevoelens van de gewone
mensen, die er geen trek in hadden wéér allerlei te moeten. Toch greep hij nog
in datzelfde jaar de macht en hij stelde in 1920 een autoritaire partij-
organisatie in - na de opstand van de matrozen in Leningrad. Uiteindelijk ging
het hem er dus toch om de gewone mensen te dwingen zich te voegen naar zijn
denkbeelden en was zijn suggestie, dat het andersom zou moeten, slechts een
handige tactiek om de mensen mee te krijgen. Gaandeweg werden experimenten met
nieuwe leefvormen, met nieuwe onderwijsmethoden en een eerlijker verdeling van
de beschikbare goederen stopgezet en ontstonden weer de gebruikelijke elites.
Toch was Lenin geen bedrieger. Hij heeft al zijn krachten voor Rusland ingezet,
maar ook hij ontkwam niet aan het denken-van-bovenaf, zodat zijn opvattingen
over het volk niet zo erg realistisch waren. Zijn politieke conceptie
daarentegen was uitermate realistisch, hij had dan ook succes.
Een nadere beschouwing over de elites
Als men een week het nieuws op de TV volgt is het
gehele functioneren van de elites, in alle mogelijke vormen, in kaart
gebracht. Men heeft, vaak geheime, beslissingen over bewapening genomen; men
heeft besloten dat de armen het niet beter zullen krijgen; men zal de boeren
straffen als zij teveel voedsel produceren; men is overeen gekomen dat de door
de bevolking niet gewenste kerncentrales er toch zullen komen, enzovoort. Je
behoeft bepaald geen radicale revolutionair te zijn om deze dingen op te merken
en er lering uit te trekken. Maar slechts weinigen doen dat, want het is
vanzelfsprekend geworden dat de elites het wereldbeeld bepalen. De
bevolking onderwerpt zich aan de elites en vindt het vanzelfsprekend dat
die bepalen wat te doen en wat te laten en voorlopig peinzen de mensen er niet
over dat te veranderen, sterker nog: zij menen dat het zo goed is omdat zij
denken dat zij die elites (althans een deel ervan) zelf gekozen hebben.
Dat het voorlopig niet verandert ligt vooral aan de gewone mensen zelf, die in
hun denken meegezogen worden. Het is, bij het leren begrijpen van de
West-Europese cultuurontwikkeling, van groot belang dat wij het verschil inzien
tussen de cultuur als bovendrijvende elitaire macht en de cultuur zoals zij
zich, doorgaans nauwelijks bewust, heeft ontwikkeld in de grote massa van
gewone mensen. Vanuit de elitaire macht MOETEN de gewone mensen altijd een
heleboel dingen en is te zeggen dat zij onvermijdelijk gezien worden als mensen
die zo maar vanuit zichzelf niet deugen. Zij moeten dan ook geregeerd worden en
bestuurd, zij zouden er, zonder leiding een rommeltje van maken. En de gewone
mensen, op hun beurt, verzetten zich daartegen zonder dat het hun gelukt het
juk van zich af te schudden, omdat hun denken met de elitaire macht van de
cultuur méégezogen wordt. Bijgevolg vinden zij zelf dat hun eigen verzet
eigenlijk asociaal en ondemocratisch is en daardoor leggen zij zich maar bij de
gang van zaken neer...
De
zuiging van de elitaire cultuur
Als de gewone mensen denken over hun cultuur in
die zin dat zij er zo hun gedachten over hebben en er zich dus niet werkelijk
in verdiepen, hebben die gedachten dezelfde inhoud als die van de elites.
Dat is niet verwonderlijk als wij bedenken dat zij met die gedachte inhoud
opgevoed zijn, vanuit die gedachte inhoud onderwijs hebben genoten en vertrouwd
zijn gemaakt met de bij die inhoud behorende rechten en plichten. Het
kan dan niet uitblijven dat die zaak hen meezuigt: op de een of andere manier
willen zij graag ook tot een elite behoren en dat betekent dat zij zich
zullen beijveren om zich van hun medemensen af te zonderen en zich boven die
medemensen te stellen. Zij zullen proberen een pet op te zetten om daarmee
blijk te geven van hun hogere status. En zo ontstaat er ook tussen de gewone
mensen een machtsstrijd die de samenleving verdeelt en rijp maakt voor
onderdrukking van bovenaf. Maar wij moeten bij dit alles wel begrijpen dat het
is een zoeken van de elitaire cultuurinhoud, op grond van de ZUIGING daarvan, en
dat het niet om een wezenlijk GEGEVEN cultuurinhoud gaat. Het gaat eigenlijk om
een vreemde inhoud, een zaak die niet bij de gewone mensen behoort. Daarom
mislukt gewoonlijk dat zoeken van een hogere status, er ontstaat een MISLUKTE elite.
En juist op grond van die mislukking, die er fundamenteel in zit, hechten de
gewone mensen zich zo aan hun status en zijn zij soms bereid hun medemensen op
te offeren. Het gewoon-zijn van die mensen heeft in de praktijk dus minder
betrekking op hun GEDOE, dan op hun werkelijke culturele geaardheid. Vanuit die
geaardheid zonderen zij zich niet af van hun medemensen en verheffen zij zich
niet boven hen. Die geaardheid is gemoedelijk en dat wil zeggen dat de
cultuurinhouden verzonken zijn in het geheel van hun PSYCHISCHE werkelijkheid.
Het is voornamelijk een gevoelszaak. En vanuit dat gevoel is er geen behoefte
aan oorlog, geweld en vernietiging, geen behoefte aan het geestdrijven van de
godsdiensten en de ideologieën, geen behoefte aan grootschalige
bedrijvigheid... en wel behoefte aan rust, aan veiligheid, aan vrede en
gezelligheid. Binnen de psychische werkelijkheid springen er geen speciale
dingen-die-moeten naar voren, is er geen status en geen machtsbegeerte. Het zou
echter niet goed zijn als wij uit het bovenstaande zouden afleiden dat de
gewone mensen zo’n edele inborst hebben. In feite zijn zij op gemoedelijke
wijze precies dezelfde cultuur, zoals die bij de elites op een bepaalde
manier zelfbewust is. Bij de elites echter is die zaak afgezonderd, als
de maat gesteld en geldend als een hoger en dwingend principe. Romantisch
gepraat over de nobele proletariër, de goede landman en de liefdevolle
eenvoudige moeder vertekent alleen maar het beeld dat wij ons van de mens
maken. Vooral vanuit de socialistische traditie verschijnen veel van die
romantische voorstellingen. Maar twee wereldoorlogen, waarin de proletariërs
aller landen zonder veel tegenstribbelen elkaar uitmoordden, hebben wel laten
zien dat er nog wel iets anders speelt. Al is de cultuur op gemoedelijke wijze aanwezig,
het is toch een manifestatie van de cultuurfase van dit moment, met alle erbij
behorende misvattingen, vervreemdingen en ficties.
Je kunt zonder overdrijven stellen dat het Duitse
volk het voorbeeld was en is van de zuiging van het elitaire. Het is bijna
traumatisch te noemen, zoals vrijwel iedere Duitser naar een officiële status
hunkerde, en dat tegenwoordig, zij het op democratische wijze, nog steeds doet.
Er is niets mooiers dan het behoren tot de overheid, bij voorkeur in posities
die praktische machtsuitoefening mogelijk maken: bij de politie en het leger. Dit trauma wordt
bevorderd door de bijkans absolute autoriteit die de elites zichzelf
toekennen, mogelijk gemaakt door de patriarchale onderdrukking van het
gemoedelijke psychische...
Naar bladwijzers: Rechten en Plichten-1 Rechten en
Plichten-2 Rechten en Plichten-3 Rechten en Plichten-4 ;
Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2
; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
;
Naar bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1
; Opvoeden-2
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2
; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
;
Grondprincipe van de ontwikkeling
De ontwikkeling vindt plaats langs de weg van de
voortplanting, en niet, zoals gewoonlijk gedacht wordt, doormiddel van het
doorgeven van informatie. Het ontwikkelingsproces is er alsof het een BIOLOGISCH
proces was en dat wil zeggen dat het als het ware domweg gebeurt. Het is dus
geen intellectueel proces, maar INHOUDELIJK is de zaak wel intellectueel en dat
verklaart het feit dat men gewoonlijk aan het doorgeven van informatie denkt.
Informatie behoort tot de inhoud van het zelfbewustzijn; je kunt het een
geestesinhoud noemen. Toch is het wezenlijk ook geen biologisch proces; zou het
dat wel zijn, dan zouden zich LEVENS-PROGGRAMMA’S herhalen, telkens opnieuw en
telkens volkomen vastgelegd. Van ontwikkeling zou geen sprake zijn, hetzelfde
zou telkens opnieuw gesteld worden. Nu echter komt hetzelfde telkens ANDERS
voor de dag en hebben we niet te doen met een programma. Wat zich steeds
opnieuw stelt is juist géén programma, ontwikkeling is: zichzelf blijven en
tegelijk veranderen. Dat behoort niet thuis in het wordingsproces, noch in de
evolutie van het leven. Pas als de evolutie achter de rug is gaat de
ontwikkeling optreden: iedere volgende generatie is hetzelfde, namelijk mens,
om tegelijk een beetje anders te zijn. Dit komt, uiteraard, door het feit dat
de mens ook nog zelfbewustzijn is. Als er namelijk een nieuw mens ontstaat komt
er een nieuw zelfbewustzijn voor de dag en daarvan is het kenmerkende dat het
volkomen vrij is, d.w.z. het is niet geprogrammeerd, niet vastgelegd, niet
beperkt - het is iets dat NIET-MATERIEEL is (geest). Dat komt er voor de dag en
pas daarna ontstaan er programmeringen, via inprentingen in de eerste
kindertijd, via opvoeding en onderwijs en via eigen ervaringen. Dat gehele
programma wordt opgelegd aan een VRIJ zelfbewustzijn en dat kan alleen maar
juist omdat het vrij is; was het dat niet, men zou totaal niets bereiken met
inprentingen, opvoeding, onderwijs en het verwerken van eigen ervaringen. Het
ingeboren programma zou zich gewoon doorzetten! Naarmate iemand wijzer wordt
lossen de programma’s zich in meerdere of mindere mate op (de fundamentele
vrijheid blijft doorwerken! ) en worden als zodanig op hun beurt opgelegd aan
de volgende generatie, die ze vanuit eigen fundamentele vrijheid ook weer
enigszins oplost, enzovoort... Langzaam maar zeker voltrekt zich dus een
bevrijdingsproces. En dat is het wezenlijke van de ontwikkeling. Hoewel er dus
voortdurend moraal, waarden, denkwijzen, levenshoudingen en informatie doorgegeven
worden, die alle het leven conditioneren, is het ontwikkelingsproces juist het
tegendeel daarvan: het is een gestaag voortgaand BEVRIJDINGSPROCES dat zich
voordoet als een biologische zaak en tegelijk als een intellectuele zaak,
zonder in feite een van beide te zijn.
Het vanzelfsprekend-zijn van het zelfbewuste
In de vroege kindertijd, voordat het kind ik kan
gaan zeggen en voordat het in staat is dingen te leren, wordt het kind allerlei
INGEPRENT - het woord kenden wij al lang voordat het een technische betekenis
kreeg in de elektronica, waar men met prints werkt die overeenkomst vertonen
met gedwongen denkwegen in ons zelfbewustzijn! De ingeprente gedwongen
denkwegen bepalen om te beginnen alles wat er in het kind omgaat: zij bepalen
wat het kind normaal zal vinden, wat het zal afkeuren of bestreven, wat het
logisch zal vinden, enzovoort. In dat licht zal het om te beginnen alles
bekijken en het zal dat VANZELFSPREKEND vinden. Het wéét eenvoudig niet beter!
Het zal het normaal vinden dat god bestaat, dat mensen met elkaar trouwen, dat
kinderen de naam van hun vader dragen, dat de wereld getiranniseerd wordt door elites
en noem verder maar op. En voor diegenen die wat wijzer zijn geworden zal het
steeds verbijsterend zijn om te moeten constateren dat de mensen de meest
simpele waarheden eenvoudigweg niet kunnen begrijpen. Het is dat de
ontwikkeling nu eenmaal zo is, anders zou je kunnen zeggen dat de inprentingen
dé grote handicap voor het realiseren van een menswaardige wereld zijn. Dat de
denkontwikkeling in de mensheid betrekkelijk traag verloopt komt niet doordat
de mensen dom zouden zijn, maar door de inprentingen. Die, en niets anders,
vormen de BLOKKADE, die in de loop van zeer lange tijd door de mensheid
opgeheven moet en zal worden. Die blokkade is dus een complex van
vanzelfsprekendheden, die ongemerkt geldig zijn, maar die in feite tot de
bedenksels gerekend moeten worden, en het is maar de vraag of die bedenksels
houdbaar zijn. Verreweg de meeste zijn dat in ieder geval niet!
Een eigen inbreng?
Omdat de inprentingen terechtkomen in een volkomen
vrij zelfbewustzijn is het steeds nog maar de vraag HOE zij er op INWERKEN bij
de éne of bij de andere mens. Omdat het vrije zelfbewustzijn een verhouding is
in een verschijnsel, in samengestelde materie, speelt de biologische
erfelijkheid wel degelijk een rol. Die bepaalt niet de MATE van vrijheid: vrij
is vrij, er zijn daarin geen graduaties denkbaar, maar die erfelijkheid speelt
wel een rol als het gaat om de vraag IN HOEVERRE die vrije zaak in dat verschijnsel
uit de voeten kan. En behalve die biologische kwaliteit van het verschijnsel is
er ook nog het complex van omstandigheden: is er voldoende voedsel, is de
omringende natuur niet al te ruw, zijn er veel gevaarlijke ziekten, enzovoort.
In hoeverre kan het vrije zelfbewustzijn uit de voeten als een mens
bijvoorbeeld in de moederbuik reeds ondervoed was? Toch doen wij er goed aan
als wij aan de aanleg van een mens geen absolute waarde toekennen. Hoe
ingrijpend de werking daarvan ook is, het vrije, zelfbewustzijn heeft altijd de
mogelijkheid de aanleg te neutraliseren. De mens is niet gepredestineerd -
zoals de calvinisten staande willen houden. Voor de mens geldt er niets dat
onontkoombaar is, behalve de dood. Al met al is te zeggen dat de programmeringen
de geestelijke en de erfelijkheid en de omstandigheden de lichamelijke kant van
de zaak zijn.
Nogmaals de gewone mensen
Hoewel het een feit is dat het
vanzelfsprekend-zijn van het zelfbewuste op zichzelf als een blokkade werkt, is
er tegelijk nog iets anders aan op te merken dat we positief zouden kunnen
beoordelen. Door de vanzelfsprekendheid namelijk blijft de hele zaak besloten
binnen een geheel, zodat er een betrekkelijk onverbrekelijke samenhang is
tussen alle elementen. Voor zover nu die samenhang gehandhaafd blijft, of
beter: dominant blijft, hebben we te doen met gewone mensen. Deze mensen raken
gewoonlijk uit hun doen door de al eerder besproken zuiging van het elitaire,
maar desondanks wordt hun grondgesteldheid gekenmerkt door het geheel. Anders
is het bij de elites: deze halen enkele elementen uit het geheel naar
voren, ontdoen die van de samenhang met de rest, en stellen ze vervolgens als
de maat. Zij doen het voorkomen alsof het in het leven en in de wereld daarom
zou gaan! Het gaat dan om een allesoverheersende en vooral ook DWINGENDE
gedachte, een elitaire cultuurgedachte. Deze komt wel voor in de
algemene voedingsbodem der cultuur, is er bijgevolg niet vreemd aan, maar hij
is er wel UITGELICHT en absoluut gesteld. Dat is in alle culturen het geval en
het zal duidelijk zijn dat hierin het TIRANNIEKE en het VERVREEMDENDE van elke
cultuur geworteld is. Bovendien ligt hier de grond voor de kilheid, de
meedogenloosheid en de hardheid waarmee cultuurwaarden door de elites
bij de gewone mensen afgedwongen worden, gewoonlijk doormiddel van wetten, die
met geweld gehandhaafd worden. De gemoedelijkheid en dat is het verzonken-zijn
in het psychische, is hier ver te zoeken, zoals de geschiedenis en de huidige
praktijk leert.
Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2
; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
;
No. 5 Concurrentie-1 ; Concurrentie-2
De gemoedelijkheid
Het leven van de gewone mensen wordt gekenmerkt
door de gemoedelijkheid. Dat wil niet zeggen dat zij altijd even gemoedelijk
zijn, want zij kunnen elkaar het leven danig zuur maken doordat zij zich mee
laten zuigen door elitaire waarden die voor hen begerenswaardig zijn. Vaak ook
wordt er van die waarden gebruik gemaakt om hen op te hitsen tegen zogenaamde
vijanden, die - de geschiedenis bewijst dat - door de elites tot vijand
verklaard zijn. Gemoedelijkheid echter wil zeggen dat men van zichzelf uit niet
de drang heeft bepaalde inhouden van het zelfbewustzijn uit het geheel te
lichten om ze als de maat te stellen voor zichzelf en vooral voor de
medemensen. Het bestreven van deze normen en waarden loopt zo’n vaart niet en
over het algemeen is men er zich van bewust dat de soep niet zo heet gegeten
wordt als ze wordt opgediend. Bovendien zijn de gewone mensen vaak van mening
dat ze de kans niet krijgen om hogerop te komen, zodat zij het daaraan
meekomende concurrentiegedoe ook maar laten voor wat het is. Zij zeggen
tegen elkaar. Doe maar gewoon! Zoals gezegd komt het er dus op neer dat er
niets uitspringt uit het geheel van de zelfbewuste inhoud, van het weten van de
mensen. Maar bij de elites is dat niet het geval: hele landstreken zijn
uitgemoord omdat mensen weigerden te beantwoorden aan normen, die de elites
als de maat hadden gesteld. De zogenaamde overheden zijn nog nooit gemoedelijk
geweest, het is nooit voorgekomen dat het zo’n vaart niet liep. Zozeer zijn de
dienaren der overheid vervuld van plichtsbetrachting (want zo heet dat!), dat
het de gewone mensen verbaast als er eens een enkele keer wat soepeler
opgetreden wordt. Een geschikte kerel, een menselijke ambtenaar en iemand met
begrip, wordt er dan gezegd. Het viel gelukkig een beetje mee! Blijkbaar
verwachten ook de gewone mensen dat de elites niet zo erg gemoedelijk
zijn en dat is terecht: elites zijn keihard als het gaat om de essentie
van hun élitair-zijn - waag het niet om oneerbiedig te zijn of ongehoorzaam,
tast hun status niet aan want er zwaait wat... Als er door een regering een
beslissing genomen moet worden terwijl er verschillende alternatieven
voorhanden zijn, wordt onveranderlijk de harde oplossing gekozen: toch kernraketten,
toch kerncentrales, toch een abortuswet, toch euthanasie verbieden, toch
dienstweigeraars in de gevangenis, enzovoort. En men heeft het dan over zijn
plicht doen en over het recht, dat zijn loop zou moeten hebben en bovendien
zijn de elites ervan overtuigd dat het een rommeltje zou worden als er niet
regelend, d.w.z. DWINGEND, opgetreden wordt. Geen gemoedelijkheid dus!
Verzonken zijn in het
psychische
Hoe is nu de situatie als de inhouden van het
zelfbewustzijn binnen het geheel blijven, d.w.z. binnen het gehele pakket van
inhouden? De situatie wordt dan deze dat het de mens onmogelijk wordt de dingen
te doen die hij KAN doen, maar die, als hij ze doet, het geheel van de
werkelijkheid VERBREKEN. We moeten wel beseffen dat er NIEMAND is die ons kan beletten
een ander te vermoorden, te bestelen, te vernederen; dat er niemand is die de
mens kan beletten met een atoombom zijn medemensen te vernietigen of doormiddel
van vernuftige technieken de natuur te veranderen. Wij menen dat rechters, politie,
veiligheidscommissies en ethische normstelsels al die dingen verhinderen, maar
dat is slechts in schijn waar: voor elke schanddaad hebben de mensen altijd
argumenten gevonden en nooit heeft men zich iets aangetrokken van het feit dat
zoiets verboden was. Bovendien: van waaruit kwam men op het idee dergelijke
dingen te verbieden? Ligt daaraan een waterdichte en overtuigende redenering
ten grondslag? Zijn de normen van de ethiek logisch berekenbaar? Neen, dat zijn
zij niet! Uiteindelijk is alle ethiek een GEVOELSKWESTIE, en dat komt doordat
het gevoel is: de ervaring van het PSYCHISCHE in jezelf. Het psychische is er
op grond van het feit dat een mens, voor zover hij lichamelijk en dus materieel
is, meetrilt met zijn eigen BEWUSTZIJN, d.w.z. het trillende beeld van de
werkelijkheid in hemzelf. Het gevoel, als ervaring van het psychische in
jezelf, belemmert het uitvoeren van vernietigende handelingen. De mens is in
staat die handelingen te verrichten omdat hij letterlijk alles kan, maar als
het goed is doet hij het niet omdat zijn eigen psyche hem dit belet.
Zijn gevoel zegt hem dat je die dingen hebt te laten. Dat gevoel, op haar
beurt, wordt ook een zelfbewuste zaak (het is immers een ervaring!) en daardoor
kan een mens er over nadenken, zodat hij zelfs wel kan gaan menen dat hij zijn
eigen ethiek BEDACHT heeft, dat die ethiek een gevolg is van een logische
redenering. Maar geen enkele ethicus kan LOUTER REDENEREND aantonen dat
bijvoorbeeld het vermoorden van een medemens niet te pas komt. Altijd wordt er
een soort van geweten of een ingeboren redelijkheid of Gods wil in gefrommeld
en dat doet men omdat men geen weet heeft van het bewustzijn en het psychische.
Had men dat wel, men zou op de vraag waarom je de werkelijkheid niet mag verbreken,
antwoorden: mijn gevoel zegt het me en dat zou precies het goede antwoord zijn.
Het is echter een antwoord dat de moderne mens niet wenst te aanvaarden omdat
hij van mening is dat de werkelijkheid te BEREKENEN is en dat het gevoel daar
bijgevolg buiten valt. Dus hangt hij liever een verhaal op over het geweten en
dergelijke. De mens voelt de werkelijkheid aan, of, anders gezegd: als mens
voelt de werkelijkheid ZICHZELF aan. Overigens komt van dit aanvoelen in de
praktijk niet zo erg veel terecht omdat de meeste conditioneringen er op
gericht zijn dit aanvoelen te neutraliseren of in geheel andere banen te
leiden. Het is immers een uitermate gevaarlijke zaak! Bijna niemand is gediend
bij inzicht in de werkelijkheid, want het zou dan wel eens kunnen blijken dat
de door de mensen ingerichte wereld helemaal niet deugt! De INHOUD van het
zelfbewustzijn is op zichzelf een versnipperde zaak. Het is een HOEVEELHEID
kennis en dus is het een kwantitatieve aangelegenheid. In het zelfbewustzijn is
geen factor aanwezig die ervoor zou kunnen zorgen dat die hoeveelheid
versnipperde kennis tot één geheel wordt. Het zelfbewustzijn zelf is alleen
maar vrije beweeglijkheid, zodat de kennis alleen maar kan VERVLUCHTIGEN,
oplossen tot niets, opgaan in helderheid. Het zelfbewustzijn als helderheid
heeft niets met het geheel te maken, het begrip het geheel geldt alleen dan als
er samenstellingen, en dus verschijnselen, zijn. En die zaak vinden wij in ons
BEWUSTZIJN en hij wordt via de psyche voelbaar. Hij kan ook, in de
zelfaanschouwing, zichtbaar gemaakt worden, maar daarover gaat het nu niet
omdat dit op het terrein van het inzicht ligt en dat is in onze cultuur
taboe... Willen wij nu dat de INHOUD van het zelfbewustzijn een samenhangende
is die een onverbrekelijk geheel vormt, dan zal die hele zaak overeen moeten
komen met ons BEWUSTZIJN (de werkelijkheid als beeld in onszelf), en dat kan
alleen maar als het een gevoelszaak geworden is. Dat is de betekenis van de
uitspraak verzonken-zijn in het psychische. Dit verzonken zijn geldt in sterke
mate voor de gewone mensen, maar dat wil niet zeggen dat dit uit wijsheid
voortkomt. Zoals gezegd laten zij zich maar al te graag wegzuigen. Vooral in de
moderne westerse wereld zijn het de door de elites geschapen omstandigheden die
een belangrijke blokkade vormen voor het toetreden tot de elite door de
gewone mensen. Hierop komen wij uiteraard nog terug. Van belang is het om het
volgende in te zien: zo er al sprake kan zijn van een mogelijke redding van de
mensheid is die gelegen in het psychische; het zelfbewustzijn vervluchtigt
alleen maar tot nirwana...
Concurrentie-1
; Concurrentie-2 Rechters-1-nr. 5 ; Rechters-2-nrs. 23 en 24
No.
6 Concurrentie-1
; Concurrentie-2
De zuiging van het elitaire
Over het algemeen kan men zeggen dat de meeste
gewone mensen voorkomen onder de lagere maatschappelijke niveaus, maar de term
verwijst niet alleen maar naar die niveaus. Gewone mensen komen ook voor in de
zogenaamde hogere lagen van de bevolking, maar dan is meestal wel te zeggen dat
die mensen op de een of andere manier een BEWUSTE keuze gemaakt hebben. Zij
hebben zich afgewend van hun eigen milieu. Dus: de gewone mensen komen in alle
milieus voor, maar de milieus zelf zijn resultaat en afspiegeling van het
streven naar het elitaire. Zoals gezegd is het kenmerk van de gewone mensen dat
zij, vanuit zichzelf, niet de drang hebben zich te onderscheiden als iets
beters en iets hogers. Maar de zuiging van dat betere en hogere is er wel: in
belangrijke mate is de reclame toegesneden op die zuiging voor zover die de
mensen suggereert dat het drinken van bepaalde dranken, het nuttigen van
bepaald voedsel, het bezitten van een zeker merk automobiel, enzovoort, een
beter leven verzekert. Dat betere leven wordt onveranderlijk voorgesteld als
dat van de happy few, met alle daarbij behorende attributen, zoals mooie
vrouwen, motorboten, grasgazons en bepaalde sporten. Was genoemde zuiging er
niet, de reclame zou veel meer zijn wat ze behoort te zijn, namelijk
voorlichting. Nu echter wekt zij begeerte op en dat is nodig om de omzet van de
producenten te vergroten. De grote, dure auto wekt begeerte op en zuigt de
mensen weg uit hun gewone doen: zij hebben hem helemaal niet nodig en de elites
hebben hem ook niet nodig, maar deze laatsten bezitten hem wel als symbool voor
hun hogere status. We moeten de zaak vooral niet omkeren en denken dat de
gewone mensen die dure auto (als voorbeeld bedoeld) hebben opgeleverd. Hij is
opgeleverd door de elites, die blijk willen geven van hun status en
VERVOLGENS heeft hij de begeerte opgewekt van een groot aantal gewone mensen.
Wat wij tot nu toe hebben vastgesteld omtrent de elites is niet bedoeld
als een soort van linkse scheldpartij. Het gaat om het herkennen ervan en het
bepalen van de erbij behorende kenmerken. En dat is nodig omdat een en ander zo
essentieel is voor het begrijpen van de West-Europese cultuur waarin almaar de
werkelijke ontwikkeling onder de oppervlakte blijft en dientengevolge
voortdurend grote spanningen in de maatschappij en de samenleving oproept.
Spanningen omdat de elites telkens weer blijken niet zo VOORBEELDIG te
zijn als zij zich voordoen. Er is meer reden om op de gewone mensen te mopperen
dan op de elites omdat die gewone mensen nog steeds niet door hebben hoe
het zit, zich blindelings laten meezuigen en mede daardoor de elites in stand
houden! Als er gemopperd zou moeten worden zou het daarop moeten zijn...
Het West-Europese machtsstreven
Elitair is het uitlichten van een bepaald gedeelte
uit het geheel van de cultuurinhoud en het vervolgens als de maat stellen van
dat bepaalde, er uit gelichte gedeelte. Het als de maat gestelde is een HOGER
principe waaraan een mens en zijn medemensen moet beantwoorden, waarnaar zij
zich moeten voegen. Zij moeten zich veranderen en zich aanpassen aan dat
principe. En hier ligt het begrip macht. Het jezelf en anderen dwingen anders
te worden, zich aan te passen aan het hogere. Voor zover een mens deze dwang
laat gelden oefent hij macht uit. Dit uitoefenen van macht is kenmerkend voor
de West-Europese cultuur, en dus zijn ook de macht uitoefenende elites
voor die cultuur typerend, reden waarom het nodig was er zo uitvoerig bij stil
te staan. En nu is de vraag aan de orde waarom men dat in de West-Europese
cultuur doet. Hierin spelen verschillende factoren een rol.
Het goddelijke individu
In de West-Europese cultuurontwikkeling maakt zich
het feit waar dat elke afzonderlijke mens er is als individu. Elke mens is een
ondeelbare eenheid, die er is ZOALS HIJ ER IS en die als zodanig recht van
bestaan heeft. Nu zou je denken dat die individu tevreden zou zijn met zichzelf
en met de anderen en iedereen in zijn waarde zou laten. Maar dat is niet het
geval omdat er voor die individu nog iets is gaan gelden dat er de oorzaak van
is geworden dat hij voor zichzelf wel het individu-zijn opeist, maar het
tegelijk aan de anderen ontzegt. Wat er is gaan gelden is het goddelijke. Aan
het begin van West-Europa was er voor de mensen gaan gelden dat zij zelf, als
bestaande mensen, al datgene zijn, dat zij voordien als het hogere, het
verhevene, het bovenaardse - kortom het GODDELIJKE hadden ervaren. Zoals wij
nog zullen zien kwam dat besef tot uiting in het christendom, en dan speciaal
het christendom in haar oorspronkelijke gedaante. Voor dat oerchristendom(zie ook
badwijzer Oerchristendom in De
ontwikkeling v/h Denken) was immers het goddelijke mens geworden,
zinnebeeldig uitgedrukt in de Christus. Aan het begin van West-Europa krijgen
we dus te doen met een mens, voor wie geldt dat hij kan zeggen Ik ben er en
voor wie bovendien geldt dat hij kan zeggen Ik ben het goddelijke. Dit tezamen
leidt er toe dat elke West-Europese individu ZICHZELF als de maat kan stellen
voor de overige mensen en op grond daarvan een begin kan maken met de poging
over de anderen macht uit te oefenen. Dit is het begin van één voortdurende
machtsstrijd van ALLEN TEGEN ALLEN, alweer: bij de gewone mensen op een
gemoedelijke wijze en bij de elites zelfbewust. Niemand is dan ook
onverschillig voor de machtsstrijd en daardoor kan het elitaire dan ook zuigkracht
uitoefenen op de gewone mensen. Die machtsstrijd komt niet alleen voor de dag
in de politiek, maar op alle terreinen van het dagelijkse leven: tussen vrouw
en man, tussen de kinderen op school, op de werkvloer, overal is er concurrentie
en wij vinden dat al zo vanzelfsprekend dat wij zijn gaan denken dat het bij de
MENS behoort, hetgeen niet juist is.
Meestal heeft men niet in de gaten dat de
godsdienst een West-Europees fenomeen is. In andere culturen, de Islam even
uitgezonderd, kwam de godsdienst niet voor, wel echter het GELOOF in allerlei
goddelijke machten. Waarom het gaat is het woord dienst, dat wijst op een
stelsel van dienstbaarheden aan hoger gestelde machten. En als zodanig is het
typisch West-Europees. Het behoeft dan ook niet te verbazen dat het goddelijke
zelf er niet zoveel toe doet: tegenwoordig is het meer de god van de
economie en de politiek dan de oude god van de Joodse cultuur. Elke
als de maat gestelde norm kan goddelijk zijn, het goddelijke is
volledig uitwisselbaar, als het maar om een maatgevend principe gaat. Een ideologie
behoort daar ook toe. Dus: de West-Europese cultuur is een GODSDIENSTIGE
cultuur, met de nadruk op het woord dienst. Het draait om de dienstbaarheid en
dat is ook heel goed te zien bij de kerken, die gehoorzaamheid
als feitelijk eerste en enige eis stellen. In hun zogenaamde theologie wordt
niet over god nagedacht, maar over de gehoorzaamheid van de mensen en die wordt
dan zo logisch mogelijk onderbouwd om overtuigend te zijn. Andersdenkenden
werden en worden niet zozeer verketterd om hun denkbeelden, maar om de
ongehoorzaamheid daarvan. De godsdienst moet BELEDEN worden! In de
West-Europese cultuur wordt steeds over geloven gesproken, maar in
werkelijkheid is die cultuur ONGELOVIG. Het woord geloven
betekent voor de West-Europeaan dat men iets aanneemt op gezag van, dat men
bereid is iets voor waar te houden, dat men gehoorzaam gelooft wat er gezegd
wordt door pastoor of dominee. Dit geloven is dus ook door en door verweven met
gezag en derhalve ook met macht.
De kerkgeschiedenis geeft daarvan dan ook ruimschoots blijk, het is eigenlijk
de geschiedenis van een meedogenloos machtsstreven - tot op de dag van vandaag.
Elite-1 nrs 1 t/m 6 ; de politieke elites(15
t/m 17) Concurrentie-1 ; Concurrentie-2
Mystiek-1(nrs7
t/m8) Mystiek-2
Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
De
ongelovige West-Europese cultuur
Het is typerend voor de West-Europese cultuur dat
er niet uitgegaan wordt van een INZICHT in de werkelijkheid als GEHEEL en
daarom kunnen wij van die cultuur zeggen dat zij ongelovig is. De maat ligt
niet bij het ZIEN van het geheel, het besef daarvan ligt niet meer op de
voorgrond. Het heeft plaats gemaakt voor het besef dat de werkelijkheid uit allerlei
dingen en mensen bestaat. In feite gaat het nu over de INHOUD van het geheel.
De afzonderlijke mensen en dingen komen in de belangstelling te staan. Het
individuele breekt door: JIJ en IK zijn nu de realiteiten geworden. Als het
gaat over inzicht in het geheel hebben wij te doen met een beschouwingswijze
die als het ware naar binnen gericht is. Daarbij worden de mensen en de dingen
wel van elkaar onderscheiden, maar dat gebeurt binnen de samenhang van het
geheel. Zij komen niet LOS van elkaar. Gaat het echter over de inhoud van het
geheel, dan beschouwt men de mensen en de dingen vanuit één grootheid van die
inhoud: men bekijkt de zaak van het één naar het ander, men gaat het één met
het ander vergelijken en het ander is voor het één een OBJECT geworden. Je zou
hier kunnen spreken van een onderzoekende gesteldheid, terwijl de gesteldheid
die gegrond is in het inzicht in het geheel een beschouwende genoemd zou kunnen
worden. Van deze beschouwende gesteldheid is de basis dat de mens zelf de
werkelijkheid is (of hij dit nu weet of niet!), terwijl de basis van de
onderzoekende gesteldheid daarentegen gelegen is in de opvatting dat de mens
zelf IETS ANDERS IS dan de overige mensen en dingen. Die overige mensen en
dingen ben jij zelf niet, zij zijn iets anders dat buiten jou staat, dat om je
heen is. Het is voor jou de BUITENWERELD, maar voor de beschouwende mens is het
de BINNENWERELD. Over het algemeen weten de beschouwende mensen natuurlijk geen
raad met hun binnenwereld, zij zien die werkelijkheid wel maar weten niet hoe
het daarmee zit en daardoor komen zij met allerlei vormen van
MYSTIEK. Dat zijn verhalen over de binnenwereld, verhalen die zij als de
waarheid beleven. Het zijn voor hen realiteiten. En dit realiteit-zijn van een
verhaal, een mystiek verhaal, dat
gebaseerd is op inzicht in de werkelijkheid als geheel, is, wat ik zou willen
noemen: geloof. Een voorbeeld daarvan vindt men in de Russische cultuur
en dan speciaal zoals die getekend is door Dostojewski. Christus was voor die
mensen een realiteit, hoewel het natuurlijk een verhaal is over, een
verbeelding is van een verhouding binnen de werkelijkheid. Voor zover de
Russische mens dit verhaal, deze verbeelding, leert BEGRIJPEN, treedt er
atheïsme op, zoals bij Iwan Karamazow het geval was. Dit atheïsme heeft
dezelfde inhoud als het geloof, maar het is nu een begrepen inhoud. Doordat de
inhoud dezelfde is, liggen in de Russische cultuur geloof en atheïsme zo dicht
bij elkaar dat het in iemand een conflict kan opleveren. Dat was bij Iwan
Karamazow het geval. Van belang is dit: het geloof is geworteld in inzichten in
de werkelijkheid zelf als een vrouwelijk geheel, verbeeld in mystieke verhalen. En deze worden als de
Waarheid gezien en gevoeld, zonder dat er ook maar één mogelijkheid is die
waarheid aan te tonen zoals het ook onmogelijk is de waarheid van een kunstwerk
aan te tonen. Het gaat hier om wetenschap, het weten van een Ongrijpbare
werkelijkheid. Voor een West-Europees mens, beschouwd vanuit zijn cultuur,
geldt dit zien en voelen van de waarheid niet. Hij weet niet hoe de
werkelijkheid is, zoals inmiddels dan ook wel duidelijk is geworden! Het gaat
hem om de AANTOONBARE werkelijkheid, die als een onderzoekbaar geval om hem
heen staat. Dat heeft niets meer met geloven te maken: de West-Europeaan is
door en door ongelovig en hij is aangewezen op het aantoonbare. Hij moet van
een waarheid overtuigd worden door haar aan te tonen en als dat inderdaad
gelukt spreekt hij van geloven. De betekenis hiervan is derhalve dat hij
AANNEEMT dat iets waar is. Daarvoor is nodig dat men met argumenten komt die
voor hem steekhoudend zijn. Argumenten die ontleend zijn - uiteraard - aan de
hem omringende werkelijkheid van dingen en mensen. Je ziet dat in de gehele
West-Europese cultuur: steeds maar weer zijn de mensen bezig zichzelf en elkaar
van allerlei waarheden te overtuigen, zowel godsdienstige als humanistische,
zowel gefantaseerde als wetenschappelijke, zowel redelijke als onredelijke...
Gekwetst worden ; Vernederd en gekwetst
; Gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel ;
Je kunt een niet gelovig mens alleen maar overtuigen
met argumenten. Vandaar dat bijvoorbeeld de christelijke godsdienst beschikt
over een uitgebreid arsenaal van theorieën om de mensen zover te krijgen dat
zij aannemen dat het waar is wat er door de vertegenwoordigers van die
godsdienst gezegd wordt. Die theorieën draaien allemaal om concrete
zaken (de wereld der dingen) omdat daarin voor de ongelovige de bewijskracht
ligt: Christus moet echt bestaan hebben, de wonderen moeten echt gebeurd zijn
en god moet als een bestaand mens van allerlei wensen, door allerlei zaken gekwetst worden, wraak nemen en hulp bieden, enzovoort. De
overtuigingskracht van de West-Europese godsdienst ligt in het als echt
bestaand voorstellen van de godsdienstige inhouden. Voor zover dit gelukt is de
West Europeaan bereid aan te nemen dat het allemaal waar is: hij gelooft
het. Hetzelfde geldt voor de wetenschap, maar er is één belangrijk verschil:
de argumentatie voor wetenschappelijke waarheden is anders. Deze berust
namelijk op ONDERZOEK en is daarom typisch West-Europees. Deze cultuur heeft
immers een onderzoekend karakter! Terwijl de godsdienst een stellend
karakter heeft. Op grond van dit onderzoek wordt telkens datgene dat men
gelooft (= aanneemt) ontzenuwd ten gunste van een nieuw geloof, enzovoort
totdat de waarheid aan het licht komt. Voor de West-Europese mens moet alles
aangetoond worden. Dat betekent dat hij de aangevoerde argumenten werkelijk als
ARGUMENTEN moet zien. Om hem zover te krijgen moet hij geconditioneerd worden;
er moet bij hem een programma ingebracht worden dat er voor zorgt dat het als
logisch voorgestelde voor hem ook inderdaad logisch is. Dat programma is een
gehoorzaamheidsprogramma. Als iemand gehoorzaam is, zijn lesje geleerd heeft,
is hij al bij voorbaat bereid alles aan te nemen wat er gezegd wordt. Reden
waarom men juist in de godsdienst zo’n behoefte aan conditionering heeft. Je
behoeft dan niets echt aan te tonen. Je beroept je op je gezag. Het
conditioneren is dus essentieel voor de West-Europese cultuur omdat de mensen
overtuigd moeten worden. Het gaat echter niet alleen om het gehoorzaam maken,
het gaat ook om het aanleren van een bepaalde wijze van denken die een zeker
soort logica voor de mensen inderdaad logisch maakt. Wetenschapsmensen
bijvoorbeeld zijn fundamenteel ongehoorzaam, zij willen de zaken zelf
onderzoeken. Maar zij hebben wel een bepaalde wijze van denken aangeleerd en
daarin schuilt voor een belangrijk deel de oorzaak voor de moeilijkheid om
nieuwe denkbeelden ingang te doen vinden. Men heeft eenvoudig niet geleerd om
anders te denken zodat het nieuwe onzinnig gevonden wordt. In de politieke en
economische werkelijkheid wordt ook maar voortgeborduurd op het oude stramien
en elke nieuwe mogelijkheid wordt als onhaalbaar en onrealistisch van de hand
gewezen. Het zo noodzakelijke aantonen van waarheden verloopt dus niet zo
objectief als je zou verwachten en dat vindt zijn oorzaak in het feit dat het
in West-Europa ook nog om de MACHT gaat, op grond van het goddelijke individu.
Die macht is geen méékomend verschijnsel, het is de essentie van onze cultuur.
Vandaar dat alle onderzoek, hoe voortreffelijk op zichzelf ook, op directe of
indirecte wijze aan de macht onderworpen is en daardoor voorlopig niet in staat
is werkelijk succes te boeken...
Mystiek-1(nrs.7t/m7) Mystiek-2
Mystiek-3 Mystiek-4
Mystiek-5 Mystiek-6 ; Gekwetst worden ; Vernederd
en gekwetst ; Gekwetst in hun
rechtvaardigheidsgevoel ;
Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2
; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
;
Een nadere toelichting
Als iemand inzicht heeft in de werkelijkheid als
geheel, en dat wil zeggen dat hij ziet en voelt HOE de werkelijkheid is, is het
nog helemaal niet zeker dat hij die werkelijkheid ook begrijpt. Er is zelfs te
zeggen dat de mensen aanvankelijk helemaal niets van de werkelijkheid begrepen.
Het gevolg daarvan is dat zij doormiddel van allerlei verhalen met symbolische
figuren en dergelijke probeerden een BEELD van de werkelijkheid en de daarin
aanwezige verhoudingen te geven. Voor zover voor die mensen dat beeld een
realiteit is, een onontkoombare levende werkelijkheid, spreek ik van geloof.
Dergelijke gelovige mensen zijn verhalenvertellers, de cultuur van de oudheid,
van het oosten, van de negers en van de indianen wemelt dan ook van de
verhalen. En dat is ook het geval in het Russische cultuurgebied. Voor de
West-Europese mens ligt er niet meer de vraag hoe de werkelijkheid IS, voor hem
gaat het om de vraag hoe die werkelijkheid IN ELKAAR ZIT. Met het voor de dag
komen van deze zaak vervalt het vermogen om verhalen te vertellen (ook in de
literatuur) totdat het ook in de kunst alleen nog maar Om analyses gaat.
Analyses die als een verhaal verpakt worden doormiddel van een opeenvolgende
reeks van gebeurtenissen. Ook het zogenaamde geloof van de West-Europese mens
baseert zich op een opeenvolging van gebeurtenissen, waarvan men aan moet nemen
dat zij echt plaatsgevonden hebben. Meer inhoud heeft dat zogenaamde geloof
niet en dat blijkt duidelijk uit het gedrag van de West-Europese gelovigen:
nimmer laten zij hun zogenaamde waarheden gelden in de praktijk van het leven,
altijd kiezen zij de harde oplossingen, zijn zij uit op eigen voordeel en het
eigen gelijk. Het zijn juist de zogenaamde gelovigen die steeds weer
onverzoenlijk bleken te zijn en zo de mensen tot oorlogen dreven. De inhoud van
het zogenaamde westerse geloof is uitermate banaal. Als je aannemelijk kunt
maken dat god echt zijn zoon naar de aarde gestuurd heeft en dat hij echt ten
hemel gevaren is, echt wonderen heeft verricht en uit de dood is opgestaan, dan
gelooft de westerling. Het is een AANNEMEN dat iets feitelijk waar is. En
vervolgens worden die zogenaamde feitelijkheden in een causaal verband
geplaatst in en door de theologie en zo ontstaat datgene dat voor West-Europa
typerend is: de GODSDIENST. In die godsdienst gaat het om de dienstbaarheid,
het zich onderwerpen aan zaken die als hoger voorgesteld worden. Het gaat niet
om de inhoud van het godsdienstige verhaal, het gaat niet om een reële
werkelijkheid en niet om inzicht - het gaat om de dienstbaarheid aan het
hogere. En het bestaan van dat hogere wordt aangetoond met een beroep op de
bijbel zonder dat daarbij argumenten worden aangevoerd. De bijbel is het
argument en dat is zelfs nog het geval in de moderne en inderdaad zeer
menselijke bevrijdingstheologieën. Die bijbel is de geschreven manifestatie van
het hogere en als zodanig is die natuurlijk niet kritisch te benaderen. Er is
daarvoor geen argumentatie nodig en dat vind je dan ook niet in de gehele
westerse theologie. Zodra dat wel zou gebeuren, bijvoorbeeld in de filosofie
van Nietzsche, gaat god onmiddellijk dood. Hetgeen niet als een belemmering
wordt gezien om dan een nieuwe god te verzinnen De westerse mens moet met
argumenten overtuigd worden omdat hij in wezen ongelovig is: hij ziet niet hoe
de werkelijkheid is. Maar om te kunnen overtuigen moet de ongelovige vertrouwen
hebben in die argumenten en om dat tot stand te brengen zijn er de
conditionerings-mechanismen. En die spelen juist in de West-Europese cultuur de
hoofdrol. Dat betekent dat al datgene dat men de mensen, van ouder op kind,
wijsmaakt inzake de hogere werkelijkheid, er als een vanzelfsprekendheid
ingebakken zit. Het is letterlijk ingeprent. Met als gevolg dat de wijsgemaakte
inhouden het karakter van een realiteit krijgen. Men behoeft daarvan niet meer
overtuigd te worden: men is bij voorbaat al overtuigd. Het gaat om een
vanzelfsprekende waarheid. Daardoor gaan de overtuigde mensen denken dat zij
het allemaal echt geloven, zoals bij een inzicht het geval is. Dat is de reden
dat men hetzelfde woord gebruikt: geloof. Maar, wel degelijk met een andere
betekenis omdat het geloof van de westerling geconditioneerd is. Dat
geconditioneerde geloof brengt natuurlijk op zijn wijze allerlei gevoeligheden
teweeg, zoals ontroering, begeestering en solidariteit. Men voelt zich veilig
bij Jezus en opgenomen in het huis van de Vader, men voelt zich in moeilijke
omstandigheden getroost en beschermd. Maar nogmaals (het is van het
allergrootste belang dit niet uit het oog te verliezen): alles is het gevolg
van een conditionering en niet van een reëel inzicht. Bijgevolg wordt diezelfde
Jezus gemakkelijk de laan uitgestuurd als alles een beetje tegenzit en men
daardoor tot bepaalde andere inzichten is gekomen, wat in feite betekent dat
men (onbewust) zijn conditionering bijgesteld heeft. Overigens: dit
verschijnsel kwam al voor bij de oude Germanen, die bij wanprestatie ook een
godheid afschaften. In ieder geval wordt het geconditioneerde geloof gekenmerkt
door KINDERLIJKHEID: het zich overgeven aan de beschermende vader, die tegelijk
een strenge vader is en die de normen stelt en het gedrag van het kind
oordeelt. Het feit dat de westerse gelovige zijn relatie tot god als een
kind-vader verhouding ervaart wijst onmiskenbaar op een conditionering in de
vroege kindertijd. Er is geen sprake van dat deze kinderlijke gelovige zijn god
beleeft als het grootse, het oneindige, het niet-meer-bepaalde. En hij beleeft
hem ook niet als het voorbeeldige, hetgeen blijkt uit de eigenschappen die de
westerling zijn god toekent: jaloers, wrekend, gauw beledigd, egocentrisch,
enzovoort. Behoudens bij enkele mystici
is voor de westerling zijn god een benepen, arrogante en tirannieke OPPERHEER,
die voortdurend tevreden gesteld moet worden. Het zijn allemaal voorstellingen
uit de kinderwereld... Van deze voorstellingen is bijna niet af te komen, zoals
iedereen weet die afstand heeft genomen van zijn godsdienstige opvoeding. Veel
humanisten en vrijdenkers denken exact op dezelfde wijze als de godsdienstigen,
alleen met een ander object. Van de conditioneringen kom je niet gemakkelijk
af, en dat is zeker geen zaak van verstandelijk denken alleen! De godsdienst is
een MACHTSSTELSEL, omdat het de mensen gedienstig maakt aan een hogere macht.
De mensen moeten zich voegen naar die macht, zij moeten anders worden dan zij
zijn. Waar zo’n machtsstelsel opereert kan geen geloof (in de zin van inzicht
in het geheel) aanwezig zijn; de West-Europese cultuurmens is ONGELOVIG. Een
illustratie hiervan vinden we bij het Hindoeïsme, dat, zij het enigszins
verwaterd, nog steeds leeft. Het gaat in het Hindoeïsme om het één
worden met de werkelijkheid als heldere, vluchtige, dansende zaak. Dat betekent
dus: geloof. Maar binnen dat geloof moet een ieder maar zien hoe hij dat
klaarspeelt. Er is dus een vrijwel onbeperkte tolerantie. Ieder moet maar zien
hoe hij zichzelf als het goddelijke waarmaakt en het zou juist fout zijn
zichzelf te moeten veranderen. Resultaat: een godsdienstig machtsstelsel is in
principe onmogelijk - wat natuurlijk niet wil zeggen dat individuele priesters
geen macht uitoefenen als zij de kans krijgen! Maar voor zover de Hindoe
gelooft ziet hij hoe de werkelijkheid is, en die werkelijkheid is hijzelf. Er
is dus geen dwang tot veranderen, d.w.z. géén macht. Aan datgene dat je zelf
bent kan je niet dienstbaar zijn. Aan werkelijkheid die boven je staat en die
hoger is kan dat wel, moet dat zelfs. Behalve het Hindoeïsme zijn er
natuurlijk meer voorbeelden die laten zien dat geloof en godsdienst elkaar in
principe uitsluiten: de cultuur van het Russische volk is doordrenkt van geloof
en dat is in niet onbelangrijke mate de oorzaak van de wrijvingen met het
Westen...
Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2
; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
; Mystiek-1(nrs7t/m8) Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
De godsdienstige voorstellingen
Opmerkelijk is dat de voorstellingen, waarvan het
christendom zich bedient, allemaal uit de oudheid stammen. Sommige daarvan gaan
zelfs terug tot in het grijze verleden, zoals bijvoorbeeld de maagd met het
kind en de opstanding uit de dood. En dan is er ook nog het beeld van de
heelmeester, die het vermogen zou hebben de gehele werkelijkheid weer gezond te
maken. Wat er in dit verband over de Westerse Christus verteld wordt komt
nauwkeurig overeen met de oude verhalen over Dionysos en Asklepios. De cultus
van Maria is eigenlijk die van de Egyptische godin Isis, enzovoort. Behalve die
voorstellingen zijn het ook de rituelen en sacramenten, die al lang in zwang
waren voordat de christelijke kerk ze voor zich opeiste met de pretentie dat
het iets nieuws zou zijn: het rinkelen van een belletje tijdens de mis, het
symbool van het kruis en van het bloed, het symbool van de goede herder met het
lam. Ook was de hostie al lang bekend als symbool van het brood, dat op zijn
beurt weer een vervanger was van het lichaam. Hoe dan ook, al die
voorstellingen, symbolen en rituelen, die in de eerste eeuwen van onze
jaartelling door de kerk van Rome tot goddelijke zaken werden verklaard,
behoorden tot het erfgoed van de Oudheid zoals dat in Rome bijeengekomen was,
nadat het zijn spirituele inhoud feitelijk al verloren had. Het was al lang
geen GELOOFSZAAK meer, in de zin van een op inzicht berustende realiteit. Geen
wonder dus, dat men niet of nauwelijks begreep waarover het ging en dat was
zelfs al het geval met de Evangelische verhalen, die eigenlijk toch nog
betrekkelijk jong waren. Men greep terug op tradities, op intellectuele
inhouden en allerlei uiterlijkheden, en niet op oude INZICHTEN. Het is van
groot belang dit laatste goed in de gaten te houden.
Het aspect van de macht
Aan het begin van Europa krijgen we te doen met
een mens die er als individu is, zij het in principe en dus nog niet
uitgewerkt. Dat is een heel andere mens als die van de Oudheid, voor wie de werkelijkheid
in de eerste plaats één in zichzelf besloten geheel was dat zich afspiegelde in
elke afzonderlijke mens: de mens als microkosmos. Als nu macht betekent: de wil
om vanuit een hoger principe jezelf en anderen te dwingen aan dat principe te
beantwoorden, is de vraag te stellen hoe die microkosmische mens dit beleefde.
Welnu, die mens beleefde dat helemaal niet, omdat er nog geen scheiding bestond
tussen de afzonderlijke mens en het geheel, het goddelijke. Die mens was nog
niet BUITEN het goddelijke gaan staan, het gold voor hem als zijn eigen
vervolmaking en als zodanig was het wel begerenswaardig, de moeite waard om er
in terecht te komen, maar het was geen hogere, boven en buiten de mens staande
oppermacht. Dus ontbrak de wil om aan hogere normen te beantwoorden. Die
ontbrak ook ten aanzien van de medemens, men oefende over elkaar geen macht
uit. Als er echter van macht sprake was, gold dit een machtsstrijd tussen
vorsten, die ieder voor zich de eer opeisten de enige werkelijke
vertegenwoordiger te zijn van het geheel. In feite eisten zij dus de gehele
wereld op: zij spanden zich voortdurend in de wereld te veroveren. Macht berust
op een tweeledige SCHEIDING: de scheiding tussen het hogere en de rest en de
scheiding tussen de afzonderlijke mensen, die uit HET GEHEEL getreden zijn. Als
de inhoud van het geheel zich gaat laten gelden wordt het goddelijke een
UITWENDIGE zaak, terwijl de inhoud een verzameling van losstaande elementen
(mensen en dingen) wordt. De mensen gaan dan IK zeggen en zich onderscheiden
van NIET-IK. Bovendien ontstaat de verbinding: ik en het goddelijke. Ieder
claimt voor zichzelf het hogere. Nu was dat hogere inmiddels ontwikkeld tot de
volslagen abstractie. Die volslagen abstractie vinden wij in de Joodse cultuur
als Jahwe, die geen naam had, geen vorm en geen bestaan. Hij was een verterend
vuur. In Jahwe is al het bestaande ontkend. En dat gebeurt in de vorm van de
ontkenning: er wordt gezegd wat hij allemaal NIET is. Later echter gaat men
zeggen wat die abstractie wel is: hij is het ineen-zijn van alles wat er is,
mits alles van zijn bestaan ontdaan is, d.w.z. teruggebracht is tot nietigheid,
geen eigen vorm of persoonlijkheid meer bezit en niet meer stoffelijk is. Deze
niet-stoffelijke liefde (=ineen-zijn) wordt nu de god van de afzonderlijke
mens, die uit het geheel getreden is. De volgende stap is deze dat die
afzonderlijke mens zijn god tot mens laat worden en daarmee god in zichzelf
opneemt. Gebeurd is in feite het volgende: 1. de mens is zelf het geheel; 2. de
mens treedt uit het inmiddels abstract geworden geheel (ik en god) en 3. de
mens neemt het geheel in zich op ( God is mens geworden). Het onder 3. vermelde
komt voor de dag in het Oerchristendom.
Hierbij ligt de nadruk op god: ik ben het goddelijke. Maar er is ook nog een
andere mogelijkheid, namelijk: IK ben het goddelijke. Dit komt voor de dag in
het ROOMSE christendom. En hier begint de macht van individuele mensen over
elkaar, want ieder acht zich hoger dan de ander op grond van eigen
goddelijkheid. Die in de mens opgenomen god is namelijk nog steeds het hogere
omdat hij van buitenaf komt: uit hoge hemel daal ik neer.. Het gaat er nu niet
meer om het goddelijke deelachtig te worden, mezelf te vervolmaken, maar het
gaat om de macht. Ik ben de dienstknecht des Heren en als zodanig ben ik
machtig en eis ik gehoorzaamheid. Ik ben het hoogste wat er is.
Als Europa begint zet de ontwikkeling in van de
mens als IK en die IK is een machtsfiguur omdat hij een dienstknecht des Heren
is. Hij heeft het niet over het feit dat WIJ in dienst van god staan - dan zou
het wellicht wat gemoedelijker zijn toegegaan in Europa. Maar de individu is
zich aan het ontwikkelen en dus gaat het steeds om MIJ. En IK ben altijd de maat
voor alle anderen. Het gaat mij om MIJ. En iedereen zal zich daarnaar schikken.
Voor het uitoefenen van macht zijn machtsmiddelen noodzakelijk en dat gelukt
alleen maar als men de beschikking heeft over een maatschappelijk instituut dat
door het aantal deelnemers geweld kan gebruiken. Zo’n instituut was in het
beginnende Europa voorhanden in de vorm van het Romeinse rijk. Dit rijk was een
geweldsinstituut, het berustte eenzijdig op wapengeweld en in geen geval op een
hoger principe. De Romeinen dwongen de onderworpenen niet zich te voegen naar
iets hogers (= machtsuitoefening), maar naar het geweld van de wapenen. Voor
het hogere waren zij onverschillig, reden waarom allerlei vormen van geloof
vrijelijk uitgeoefend konden worden. Ook de republikeinse staatsvorm wijst op
het ontbreken van een maatgevend hogere. Pas bij de vergoddelijkte keizers
begint het maatgevend hogere zich te manifesteren en dat loopt al spoedig uit
in het tot staatsgodsdienst verklaren van het christendom. De Romeinen waren er
niet op uit de onderworpenen tot dienstbaarheid aan een god te dwingen. Zij
lieten elke cultuur in haar eigen waarde, mits zij boog voor de wapenen. Het
ging om bezit, de Romeinen waren rovers die alles wilden inpikken en daartoe
geweld gebruikten, maar zij waren (aanvankelijk) geen MACHTHEBBERS. Zij drongen
geen ideologie noch een godsdienst op. Zij probeerden alles te verzamelen. En
dat laat zich niet rijmen met macht die het bestaande vernietigt om het naar
zijn hand te zetten. Een verzameling vooronderstelt de erkenning van de
verschillen tussen de samenstellende delen en niet het opheffen van die
verschillen. Daarom was er ook de senaat, een verzameling verschillende
bestuurders, die later machthebbers werden en zich omzetten tot de Roomse kerk.
Buiten het geheel treden (het noodzakelijke
kwaad; rob van es)
Aan het einde van de Oudheid treedt er in de
ontwikkeling van de mensen een omwenteling op. In de cultuuruitingen van de elites
is daarvan voorlopig nauwelijks iets te merken omdat zij, zoals gebruikelijk,
vasthouden aan datgene dat als maatgevend uitgelicht is uit het volledige
cultuurgoed van de mensheid. Dit cultuurgoed zelf echter, dat verzonken ligt in
het psychische, verandert ingrijpend. De essentie van die omwenteling in de
ontwikkeling is de volgende: de individualiteit van de mensen, die eerst
verzonken lag in het geheel van de werkelijkheid en daarin als het ware
naamloos aanwezig was, wordt nu datgene waarom het gaat. Dat betekent dat de
inhoud naar voren gaat komen, en dat is de werkelijkheid die bestaat uit ditten
en datten, de werkelijkheid als het één en het ander. Hiervoor geldt dat het
één BUITEN het ander ervaren wordt, er is nu een uiteen-zijn gaan
optreden. Voorheen waren beide in-een in het geheel. In deze
situatie waren de mensen niet los van het geheel, zelfs als zij van zichzelf
vonden dat zij aan het grootse en goddelijke van dat geheel niet volledig
beantwoordden. In laatste instantie beleefden zij dat goddelijke als een zaak
die zij zelf waren, een zaak waarin zij tenslotte zouden uitlopen. Een zaak
waartoe zij zich zouden vervolmaken. Als het één buiten het ander ervaren gaat
worden komt ook het geheel buiten de individuele mens te staan. Voor deze mens
gaat nu gelden: ik en het goddelijke en die twee grootheden zijn van elkaar
gescheiden. Het goddelijke is nu niet meer mijn werkelijkheid, maar een andere
die mij te boven gaat. En in deze verhouding gaat het allemaal om MIJ, omdat IK
degene ben die uit het geheel naar voren is getreden. Ik kan nu dus gaan
spreken van mijn god, als zou het om iets gaan dat mijn bezit is, iets
wat bestaat ter wille van mij. Gods zoon is naar de aarde gekomen ter
wille van mij, hij is in mij neergedaald. Dit betekent voor mij dat ik nu méér
ben dan de ander; ik ben in zekere zin uitverkoren omdat god met mij is.
Intussen is het een feit dat ditzelfde ook voor de ander geldt, maar daarmee
heb ik niets te maken omdat het allemaal is gaan draaien om mij als individu.
En nu is het op deze gesteldheid dat het westerse christendom als godsdienst is
gebaseerd. Hoewel deze godsdienst het voorstelt alsof god er voor iedereen zou
zijn, zodat iedereen wat dit betreft gelijk is, ligt de zaak in feite zo dat
iedereen die god voor zichzelf claimt, er een particuliere zaak van maakt. En
deze particuliere zaak is er een van MACHT. De individu kan zich op zijn god
gaan beroepen en daarmee macht gaan uitoefenen over de ander, waarmee hij niet
meer ineen is binnen het geheel, maar waar hij nu buiten staat, volledig
gescheiden en zonder samenhang. Vergeleken bij de gesteldheid van de Oudheid is
die van de nieuwe tijd zo anders, dat je van een omwenteling kunt spreken. Dat
heeft men in het Westen altijd al aangevoeld, vandaar dat men aan de Oudheid een
duidelijk eindpunt toekent en de historische tijd met dat eindpunt laat
beginnen.
Het
Romeinse rijk, Europa en de godsdienst
We hebben al gezien dat het Romeinse rijk
eigenlijk geen machtsinstituut was, maar een geweldsinstituut. Het ging de
Romeinen om het TOTAAL van de werkelijkheid. Dat wil zeggen dat de eerste stap
gezet is om uit het geheel te treden: de inhoud van het geheel is een
totaliteit, een verzameling. Die komt als eerste tot gelding - in het willen
bijeengaren van alles wat er is - en pas daarna gaat die totaliteit zich
differentiëren, zodat de samenstellende delen voor de dag komen: het één en het
ander. In de periode van het verval van het Romeinse rijk kwamen die
samenstellende delen steeds meer naar voren en ontkrachtten daarmee de grondslagen
van de Romeinse cultuur. Hetgeen op zijn beurt weer de basis werd voor de
Roomse kerk. Bij die basis behoort dat men ZICHZELF ging stellen als god. In de
Oudheid waren de heersers goddelijk omdat zij het goddelijke
vertegenwoordigden, maar de Romeinse keizers waren van mening dat zij zelf god
waren en dat zij dan ook aanbeden moesten worden. Uiteraard riep dat de
behoefte aan een staatsgodsdienst op en daarvoor bleek, na enig geharrewar, het
christendom uitermate geschikt te zijn. Het is dan nog maar een kleine stap
naar de paus van Rome. Weliswaar heeft deze paus zijn god weer buiten zichzelf
geplaatst (Ik en mijn god), maar hij is toch de hoogste dienstknecht, de
plaatsvervanger! Deze wereldbeschouwing gaat nu verbreid worden over het gehele
Romeinse rijk, maar hij vindt slechts echt een voedingsbodem bij de Germaanse
culturen van West-Europa. Bij alle andere Romeinse bezittingen gelukt het
beduidend slechter. De Griekse wereld scheidt zich na verloop van tijd af
terwijl de rest al spoedig mohammedaans wordt. De heersers over de
Germanen (hier als verzamelnaam bedoeld) veranderden geleidelijk van soldaten
in monniken, die de mensen kwamen onderwerpen aan hun god, d.w.z. de god van
zo’n monnik, vanuit de gedachte: MIJN god is de god van ons allen.
En jij hebt je aan mijn god te onderwerpen. Jij
hebt je te voegen naar de normen van mijn god en ik zal, met een beroep op hem,
macht over jou uitoefenen. Daartoe zal ik het geweld niet schuwen.. . Het
geweld is nu machtsmiddel geworden en dat is een zaak die nu, voor Ons, nog
steeds geldt. Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat dit machtsmiddel een
monopolie van het hogere is, in ons geval van de boven ons allen uitgaande
STAAT. Zonder die verbinding met het hogere is voor ons besef het geweld uit
den boze (= uit de duivel!). Ook de staat past liever geen geweld toe, hij
geeft de voorkeur aan de vrijwillige onderwerping aan de macht. Maar: niet
goedschiks, dan kwaadschiks. .. Voor de Germanen was het christelijke
godsdienstige verhaal best aanvaardbaar; zij boden meer weerstand tegen het
geweld dat er aan meekwam dan tegen de godsdienstige voorstellingen. Zij
accepteerden echter deze voorstellingen niet vanwege hun geestelijke inhoud,
maar vanwege de gesteldheid, die er uit sprak. Deze gesteldheid is een machtsgesteldheid,
geldend tussen de individuele mensen. En juist dat kwam met het karakter van
hun eigen cultuur overeen. Zij reageerden dus precies op datgene dat door het
christendom niet uitgesproken werd, maar dat er wel de essentie van was: de
menselijke werkelijkheid als een tussen de mensen wederzijds bestaand
dienstenstelsel. God verricht diensten aan de mensen en de mensen verrichten
diensten aan god. Net zoals het thans nog altijd is, zowel op het terrein van
de godsdienst als op dat van de maatschappelijke betrekkingen. Het is al dienst
en wederdienst wat de klok slaat en als de wederdienst niet voldoende is worden
de betrekkingen verbroken want op zo’n manier kan je geen zaken doen! . De
Germanen waren voortdurend met elkaar in strijd gewikkeld, de Germanen stuurden
hun goden bij wanprestatie de laan uit, allebei verschijnselen die behoren bij
een in aanleg individuele mens voor wie de onderlinge betrekkingen op dienst en
wederdienst berusten. Precies datgene dat wezenlijk voor de christelijke godsdienst
geldt. Maar het verhaal van die godsdienst ging over liefde en redding voor de
mensen en jezelf tot een beter mens maken.
Kortom: het stichten van het koninkrijk Gods.
Ook hier zien wij weer het onderscheid tussen de elites
en de zogenaamde gewone mensen: de christelijke elites kwamen met het
verhaal van het Koninkrijk Gods, gebrouwen uit de verhalen van de klassieke elites
en voor een deel ook die van de Romeinse denkers, terwijl de gewone mensen
reageerden - uiteraard zonder het bewust te weten - op de onder de schone
schijn van het verhaal liggende realiteit. .
Onze voorouders, gezien vanuit Rome
Op de Romeinse geschiedschrijvers,
legeraanvoerders, handelslieden en later ook de Roomse geestelijken maakten
onze voorouders nu niet bepaald een beschaafde indruk. Men wist te vertellen
dat het drinkebroers waren en gokkers die op primitieve wijze in de bossen
leefden. Bovendien waren het vechtersbazen, die voortdurend onderling oorlog
voerden. Hun relatie tot de goden was uiterst merkwaardig en op kunstzinnig
gebied was er al helemaal niets aan de hand: geen bouwkunst, geen
beeldhouwkunst en geen literatuur. De landbouw, die naast de jacht beoefend
werd was eigenlijk meer een soort van roofbouw en de schepen van de Germanen
waren, volgens onze betrouwbare geschiedenisboekjes niet veel meer dan
uitgeholde boomstammen. Hun kleding bestond uit dierenvellen! Vervelend was ook
dat zij zich niet aan plechtig gesloten overeenkomsten hielden en blijk gaven
van weinig eerbied voor het gezag. Kortom: onze voorouders waren onbeschaafde
wilden. Vermeld moet ook nog worden dat het onmogelijk was voor die Germanen om
tot een staatkundige eenheid te komen; de verbrokkeling was groot en eigenlijk
wilde iedereen zijn eigen baas zijn om vervolgens ook de baas over anderen te
spelen. Wij moeten echter het volgende bedenken: al die berichten over de
Germanen komen van mensen, die stevig in de klassieke cultuur geworteld waren.
Voor hen betekende beschaving architectuur, kunst, literatuur, filosofie
en een daarmee overeenstemmende verfijnde levenswijze. Zo gezien waren de
Germanen nergens! Maar de berichten over de Germanen berustten op een
waardeoordeel en ze zeggen eigenlijk meer over de Romeinen dan over de
Germanen. Ze maken duidelijk dat er totaal geen oog was voor die andere
leefwijze, voor die andere beschaving...
Wat aan het licht gekomen is
Het moderne historische onderzoek werpt een heel
ander licht op onze voorouders. Kunstzinnig waren zij bijvoorbeeld wel
degelijk: zij maakten prachtige sieraden, gebruiksvoorwerpen en wapens en ook
kenden zij heel mooie (helden)sagen en andere verhalen. De religieuze
voorstellingen van de Germanen behelsden zowel moederlijke als vrouwelijke en
mannelijke verhoudingen. Er was dan wel geen bouwkunst volgens de klassieke
normen, maar de boerenhoeven waren degelijk gebouwd en praktisch ingericht en
dat verhaal van die uitgeholde boomstammen sloeg al helemaal nergens op, want
de Germanen kenden een hoog ontwikkelde scheepsbouw, zoals gebleken is uit
vondsten in moerassen en drooggelegde meren. In de plaats van staten waren er
eedgenootschappen, waarin de mensen zich tot een bepaald doel verenigden,
zonder daarbij de eigen zelfstandigheid prijs te geven en zich te onderwerpen.
En, de Germanen waren ook handelaars; zij brachten bijvoorbeeld barnsteen uit
de Oostzee gebieden naar Griekenland en zij voerden veel brons en, later, ijzer
in. Er zijn tegenwoordig heel wat publicaties beschikbaar over onze
West-Europese voorouders en dus volsta ik met deze algemene opmerkingen. Zij
geven voldoende informatie om het karakter van die Germaanse cultuur bloot te
leggen en om te begrijpen dat dit karakter fundamenteel verschilde van dat van
de klassieke wereld die zich er over uitspreidde. Het is dan ook niet
verwonderlijk dat de klassieke elites vol afschuw die woestelingen
bekeken, maar er tegelijk wel dankbaar gebruik van probeerden te maken voor hun
geweldsinstituut: voor de weergaloze dapperheid van de Germanen en hun
doodsverachting hadden zij, ondanks hun eigen verfijnde beschaving, het
grootste respect. De Germaanse gewelddadigheid paste goed in het straatje van
de Romeinse legeraanvoerders en al spoedig waren de Germaanse legioenen alom
gevreesd. Het ontwikkelingsmoment, waarin de Romeinse wereld samenviel met de
Germaanse, had dus het geweld tot inhoud, terwijl het, wat betreft de Roomse
kerk en de Germanen om de macht zal blijken te gaan.
Het Germaanse karakter
Alle verschijnselen, die ik genoemd heb, wijzen er
op dat wij wat betreft de West-Europese bevolking te doen hebben met mensen in
wie de ontwikkeling tot individu een aanvang heeft genomen. Nemen wij als
voorbeeld de (ontbrekende) bouwkunst. Vanuit de klassieke wereld stond deze in
het teken van HET GEHEEL: de schoonheid en harmonie van “de werkelijkheid als geheel”
kwam er in tot uitdrukking. Het ging niet om een bouwsel voor de individuele
mens, zoals dat met een Germaanse boerenhoeve wel het geval was, maar om de
werkelijkheid, gecomprimeerd tot een teken. Voor de Germaan ging het evenwel om
een praktische voorziening voor hemzelf. En hetzelfde is te zeggen van de
eedgenootschappen, van de sieraden en al die andere dingen. Nooit is het
uitdrukking van het geheel en steeds verwijst het naar de individuele persoon,
ook al komt dat nog zo kinderlijk voor de dag. En kinderlijk kan je het wel
noemen: de verhalen waren niet of nauwelijks opgeschreven, laat staan dat er
dichtkunst was zoals bij de klassieken, of een filosofie met een prachtig
taalgebruik. Dus vonden de klassieke mensen het niet veel zaaks. En eigenlijk
is men dat blijven vinden tot in de 20ste eeuw. Een behoorlijke opleiding was
een klassieke opleiding, de filosofie steunde op de oude Grieken en de
wetenschap bediende zich van klassieke formuleringen. Pas in deze 20ste eeuw
kwam er waardering voor de inhoud van de Germaanse heldensagen, terwijl tot op
de dag van vandaag een musicus met enig zelfrespect een klassieke opleiding en
opvatting moet hebben. Op volksmuziek wordt laatdunkend neergekeken, muziek
maken voor je plezier is amateuristisch getob en de huidige westerse
volksmuziek (beatmuziek en dergelijke) is zonder meer onartistiek lawaai.
Waarom het gaat is dit: uiteraard was de Germaanse wereld kinderlijk (alles
moest nog beginnen!), maar hij was niet minderwaardig aan de klassieke die
zichzelf élitair als de maat stelde en in feite de Germaanse gesteldheid
afwees. Daarmee werd de individuele persoonlijkheid afgewezen en in de grond
van de zaak betekent dit dat datgene dat wij inmiddels hebben leren herkennen
als een humane zaak, geldend voor alle mensen, vanuit de klassieke optiek geen
recht van bestaan had. Onze individuele rechten en bestaanswaarborgen danken
wij niet aan het klassieke erfgoed, maar aan het West-Europese. Voor het
klassieke bestonden jij en ik in feite niet.
De aansluiting met de Germaanse wereld
Het christelijke verhaal van de elites
sloot niet aan op dat van de Germanen; zij geloofden er niets van en moesten
bijgevolg OVERTUIGD worden om bereid te zijn de zaak voor waar aan te nemen.
Daartoe diende onder andere het boek, de bijbel, waarin god hoogstpersoonlijk
had uiteengezet hoe de vork in de steel stak. Na wat aanpassingen door Rome was
dat verhaal best aanvaardbaar. Daarvan behoefde je je verder niet veel aan te
trekken - wat men dan ook nooit gedaan heeft! Maar het verborgen
ontwikkelingsmoment, verzonken in het psychische, lag wel goed bij de
West-Europese bevolking omdat het ging over de individuele macht van de éne
mens over de andere mens, gefundeerd op IK en MIJN god. Op kinderlijke wijze
waren de Germanen daarmee ook bezig. Alleen ontbrak het hun nog aan een
almachtige god om zich, ter wille van de macht, op te beroepen. Maar het
christendom leverde die supermacht zodat de Germaanse machtsgesteldheid zich
verder kon ontwikkelen. En dat gebeurde in een voortdurende wisselwerking: de
één die de ander de macht betwist. Dat was dan ook door alle eeuwen heen het
beeld van het zich ontwikkelende Europa.
No. 12
(Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3) Mystiek-1 Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
Fascisme/Klassiek
; fascisme : Socialisme,
Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ;
Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m18, 20 en 21, 37, 44, 48
en 68
De voortgang van de ontwikkeling
Aan het begin van de West-Europese ontwikkeling
treffen wij een periode van betrekkelijke duisternis aan; het cultuurgoed van
de klassieken zet zich niet zonder meer door in Europa. Wat er wel gebeurt is
het volgende: het Romeinse geweldsinstituut zet zich om in een machtsinstituut,
namelijk de Roomse kerk, en dat machtsinstituut legt zich over West-Europa uit.
Dat kon een succes worden omdat er in de West-Europese bevolking een
voedingsbodem klaar lag voor het zich ontwikkelen van de macht van de éne
individu over de andere. Voor deze ontwikkeling is nodig dat de éne mens zich
inderdaad onderscheidt van de andere mens, dat voor mij de ander BUITEN MIJ
staat, terwijl bovendien nodig is dat ik mij met argumenten kan beroepen op
iets hogers, op een absolute heerser. Een heerser die, erkend of niet, ook over
de andere mensen heerst. Ik moet er dus van overtuigd zijn dat mijn opperheer tevens
de opperheer van de andere mensen is, ongeacht de vraag of die andere mensen
dat nu erkennen of niet. Het hogere is essentieel voor de macht. Zonder dat
hogere kunnen de mensen zichzelf ook als buiten elkaar ervaren terwijl zij toch
geen macht over elkaar willen uitoefenen. Zij kunnen onverschillig voor elkaar
zijn en zeggen: ieder het zijne of leven en laten leven - een
soort van liberalisme dus. Dit liberalisme komt
later dan ook voor de dag in Europa als god voor een aantal mensen is komen te
vervallen, maar, het ontkomt toch niet aan het machtsbewustzijn van de Europese
mens, zodat er uit naam van de zelfstandigheid en vrijheid van de
mens een zelfs wel meedogenloze uitbuiting kon ontstaan.
Aan de Germanen
ontbrak om te beginnen het voor iedereen geldende hogere principe: de absolute
god hadden zij nog niet ontdekt. Zij kenden wel hogere beginselen, allerlei
goden en godinnen, maar die waren niet absoluut. Zij waren in alle opzichten
beperkt, zoals blijkt uit het feit dat zij dienden voor bepaalde doelen: voor
de oorlog, voor de oogst, voor de vruchtbaarheid, enzovoort. En de
verschillende stammen hadden ook andere goddelijke helpers, doorgaans
afhankelijk van de materiële omstandigheden waaronder zo’n stam of groep leefde.
De goden hadden een particulier karakter en geen absoluut. Via de Roomse elites
ging het verhaal van de Oudheid, het verhaal van god is liefde, van de
mensenzoon Jezus, van het koninkrijk en van de Bergrede naar West-Europa. Let
wel: het verhaal van de OUDHEID - en dat was voor de Germaan eigenlijk een
nietszeggend verhaal. En op grond van zijn fundamentele ongelovigheid ontstond
de noodzaak hem van de waarheid van dat verhaal te overtuigen. Ongelovigheid en
overtuigen behoren bij elkaar. Een echte gelovige, die ziet hoe de
werkelijkheid is en daarover desnoods de meest onwaarschijnlijke mystieke verhalen vertelt, kan nooit
overtuigd worden dat het anders zit. Argumenten en bewijzen helpen hier niet,
want de zaak steunt daarop nu eenmaal niet. Maar een ongelovige, die niet in
het teken van het zien staat, kan wel overtuigd worden - als je maar de goede
argumenten gebruikt en als die argumenten maar aansluiten bij zijn
conditionering. Voor zover dit het geval was bij de Roomse elites kostte
het niet al te veel moeite de Germanen ervan te overtuigen dat het christelijke
verhaal waar was: je behoefde er maar op te wijzen dat het allemaal echt
gebeurd was en dat er van die gebeurtenis getuigenissen waren, verzameld in
Gods eigen boek! Het echt gebeurd zijn is het argument en dat argument is zelfs
nog voor de moderne mens overtuigend. Ook van de moderne christen is de
geloofszekerheid gebaseerd op de feitelijke historische waarheid. Precies dat
maakt de banaliteit van de christelijke geloofsinhouden uit. Zoals al eerder
gezegd: het onuitgesproken verhaal van het christendom, in feite dus het
machtsverhaal, kwam wel degelijk goed terecht in de Germaanse wereld en deed
een cultuur
ontstaan die op alle niveaus, van de slaapkamer tot en met de Verenigde Naties,
doortrokken is van en gebaseerd is op machtsverhoudingen. Zelfs als de absolute
god terrein verloren heeft blijven de machtsverhoudingen gelden, gebaseerd op
nieuwe absolute waarden: een ideologie, de economie, de technologie,
een oosterse goeroe, enzovoort. En die waarden worden niet aanvaard op grond
van mogelijkheden tot verheldering van ons begrip van de werkelijkheid, maar op
grond van mogelijkheden tot het uitoefenen van macht. De ideologie bijvoorbeeld
van het Leninisme-Marxisme is wezenlijk niet aanvaard vanwege zijn humane
inhoud, zoals inmiddels ook gebleken is, maar vanwege zijn mogelijkheden tot
machtsuitoefening. Frappant is dan ook dat deze ideologie precies dezelfde
maatschappelijke werking heeft als de christelijke godsdienst: onverdraagzaam
naar alternatieve ideeën, een wantrouwende fatsoenlijke burgermansmentaliteit,
heilige gezagsgetrouwheid en de voortdurende angst om onderuit gehaald te
worden. Het Russische arbeidersparadijs is in wezen de Europees christelijke
wereld, toegesneden op de Russische mensen. Het gaat dus niet om het
Leninisme-Marxisme, maar louter om de MACHT. De ontwikkelingsvoortgang van Rome
naar West-Europa is dus de overgang van geweld naar macht.
(Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3)
Het
zich doorzetten van de Germaanse wereld
Je kunt zeggen dat de Germaanse wereld pas echt
voor de dag is gekomen sinds de tweede wereldoorlog. Dat begon uitermate
gruwelijk met Hitler en zijn nationaal socialisme (niet het fascisme,
want dat is eigenlijk klassiek te noemen). Het draaide er op uit dat de
culturele elites meer en meer hun klassieke waarden vervingen door
Angelsaksische. De wetenschappelijke taal is het Engels geworden en de wijze
van denken is definitief in het teken komen te staan van het positivisme,
d.w.z. afwijzend tegenover niet-materiële
werkelijkheidsverhoudingen (metafysica) en zich richtend op het meetbare en
aantoonbare concrete. De denkprincipes van Aristoteles werden gaandeweg
losgelaten en de filosofie verloor haar idealistische trekjes. Ook de sterk
toegenomen westerse frustratie ten aanzien van de Russische cultuur van zowel
voor als na de revolutie wijst op een verschuiving van het klassieke naar het
Angelsaksische. De individueel ingestelde Germaan staat vijandig tegenover de mystieke, op het geheel gerichte
Russische mens en deze, diep in het psychische verzonken, vijandigheid staat
vandaag de dag ten voeten uit...
Het opnemen van het klassieke erfgoed
Het klassieke erfgoed bestond natuurlijk niet
alleen uit het christelijke verhaal. Het stelde eigenlijk niet veel voor: veel
Roomse priesters en monniken konden hun eigen (Latijnse) bijbel niet eens
lezen! Maar de mooie dingen van de Oudheid, de kunst, de wetenschap en de
religieuze inzichten werden niet door Rome naar West-Europa gebracht. Dat
erfgoed bereikte ons via de Moren vanuit Klein-Azië, Noord-Afrika en Spanje. De
Moren zijn het geweest die werkelijk de culturele ontwikkelingslijn van de
Oudheid naar de nieuwe tijd doorgetrokken hebben. En dat werd pas echt
effectief aan het einde van de Middeleeuwen. De renaissance zou niet mogelijk
zijn geweest zonder de kennisoverdracht door de Moren, die in feite geheel
buiten de Roomse kerk Omging.
Nog iets over het geweld
De Romeinen wilden alles bezitten en bijgevolg
waren zij gewelddadig en dat wil zeggen dat het over een culturele karaktertrek
ging. Maar de Roomse kerk is niet gewelddadig; zij is op macht uit en om dat te
realiseren PAST ZIJ GEWELD TOE als overreding geen succes heeft.
(Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3) Mystiek-1 Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m18, 20 en 21, 37, 44, 48
en 68
Fascisme/Klassiek
; fascisme : Socialisme,
Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ;
No. 13
De Germaanse heldenverhalen
Het kenmerkende van een held is dat hij uitsteekt
boven de gewone mensen, door de voortreffelijkheid van zijn daden, de adel van
zijn geest, zijn moed, kracht en intelligentie. Je kunt je echter afvragen
waaraan zo’n held zijn hogere status ontleent: komt dat doordat hij afstamt van
een hogere werkelijkheid, het goddelijke, of komt het door zijn verheffing
boven de gewone mensen. Anders gezegd: is het goddelijke zijn oorsprong of is
het zijn doel? In de Germaanse heldensagen is het laatste het geval: de held
stijgt uit boven de gewone mensen. In het Nibelungenlied had de held Siegfried
sterfelijke mensen als ouders. Het waren slechts zijn begaafdheid en zijn daden
die hem buitengewoon maakten en we kunnen hier dus spreken van een lijn van
beneden naar boven. Een lijn die je ook vindt in de Germaanse opvattingen over
de goden, die eigenlijk gedacht werden als een soort van uitvergrotingen van de
mens. Niet dat die goden van menselijke oorsprong waren, maar de hen
toegeschreven kwaliteiten waren dat wel degelijk. En het is niet ondenkbaar dat
die goden in het grijze verleden toch een menselijke komaf hadden.
De Griekse helden
Hoewel de Griekse helden ongeveer hetzelfde gedrag
vertoonden als de Germaanse, is er toch een wezenlijk verschil: zij werden
namelijk van boven naar beneden gedacht. Hun oorsprong is in meerdere of
mindere mate goddelijk: de held Achilles bijvoorbeeld was de zoon van de godin
Thetis, terwijl zijn vader Peleus een sterfelijke man was. In principe is de
held Achilles onsterfelijk, maar toch is er één mogelijkheid om hem te doden en
dat gebeurt dan ook.
De Germaanse goden en helden waren vergrotingen
van sterfelijke mensen. Dat sloot aardig aan bij het christelijke verhaal dat
Christus op aarde geboren was en zich door zijn gedrag en zijn wijsheid van de
gewone mensen onderscheidde. Ook dit maakte het gemakkelijk de Germanen van de
waarheid van het christelijke verhaal te overtuigen. Het gaat echter om het
volgende: de godenwereld van de Germanen was een PROJECTIE van de mens zelf
tegen de hemel. De bestaande individuele mens werd uitvergroot tegen de hemel
geprojecteerd. Als voor die bestaande mens het begrip macht gold werd deze
kwaliteit tot almacht uitvergroot, als voor de bestaande mens zoiets als een
persoonlijkheid gold werd dit uitvergroot tot een superpersoonlijkheid. Alle
menselijke kwaliteiten en eigenschappen werden van hun beperktheid ontdaan en
absoluut gemaakt. Deze gang van zaken nu is typisch Germaans en het is beslist
niet zo dat dit bij alle godsdiensten het geval is, zoals doorgaans wordt
aangenomen. De verschillende godsdiensten zijn uiteraard wel menselijke
voorstellingen, maar het zijn lang niet altijd projecties, uitvergrotingen
tegen de hemel. Wat bijvoorbeeld in het Westen almacht wordt genoemd heeft in
het klassieke denken een geheel andere inhoud. Het is daar de alles
doordringende grondslag van de werkelijkheid, een grondslag waarin alle
mogelijkheden aanwezig zijn zodat je kunt zeggen dat hij allesbepalend is. In
de Oudheid en in het Oosten wordt er eigenlijk niet gesproken over de macht van
het goddelijke, maar over het alles doordringende zijn ervan. In het Westen
echter ging het al onmiddellijk over de macht. Men redetwistte dadelijk over de
vraag of bijvoorbeeld de almachtige god een steen kon maken, zo groot dat hij
hem zelf niet zou kunnen optillen! Het centrale punt in de christelijke
godsdienst is steeds de goddelijke almacht geweest. En verder ging het over
menselijke miezerigheden zoals beledigd zijn en wraaklustig, vergevingsgezind
zijn en tegelijk tot in het zoveelste geslacht straffen, in alles de dienst
uitmaken en toch vinden dat de mensen alles verkeerd doen, enzovoort. De
klassieke geloofsinhouden bestonden uit menselijke VOORSTELLINGEN, die in feite
uitdrukking gaven aan een min of meer vaag besef van de mensen omtrent hun
eigen wezen, hun eigen verhouding in de kosmos en ook een vermoeden van eigen toekomstige
mogelijkheden. Men zag het goddelijke immers als de werkelijkheid waarin men
zelf zou uitlopen! Niet alleen was die werkelijkheid de grondslag van het
bestaande, maar ook was zij daarvan het slotakkoord. Zij was de alpha en de
omega. En daarvan sprak men het VERMOEDEN uit in allerlei voorstellingen. In de
projectie evenwel speelt het slotakkoord geen enkele rol: men vergroot
eenvoudig zichzelf, als individuele sterfelijke zaak, tegen het oneindige en
men spreekt geen enkel vermoeden uit over het eigen wezen. Integendeel:
welbeschouwd gaat het over eigen WENSEN, de wens om almachtig te zijn en alles
te kunnen overheersen. Het gaat dus over de eigen kleinheid, die vergroot
wordt, maar die al met al toch kleinheid is en blijft. De westerse god is de kleine,
benepen mens, tot in het oneindige vergroot. Geen wonder dat het een
onmogelijke tiran is. En dat dit een feit is moge blijken uit de gruwelen die
de dominees iedere zondag opnieuw namens god voor de mensen in petto hebben.
Zelfs de vernietiging van de Joden diende een goddelijk doel! En als je kind
sterft heeft god een plan met dat kind en eigenlijk zou je daar blij om moeten
zijn! Kortom: het is allemaal uitvergrote menselijke schurkachtigheid. Er is
nog een verschil tussen de godsdienstige projectie en de geloofsvoorstellingen:
de geprojecteerde godheid bestaat uit een complex van meer of minder aangename
menselijke eigenschappen en vermogens, terwijl hem feitelijk geen leven
toegedicht wordt; er gebeurt niets met hem en er spelen zich om hem heen geen
gebeurtenissen af. Maar de voorgestelde godheden leven wel degelijk en zij
maken van alles mee, zoals de godin Afrodite, die op het slagveld voor Troye
zelfs een verwonding opliep en de god Zeus, die met zijn vrouw Hera ruzie
heeft. In de voorstellingswereld gebeurt allerlei, maar de projectie is
wezenlijk statisch, ondanks het feit dat hij de oorzaak van verschillende
krachten en machten is. In zekere zin is de projectie abstract te noemen.
De moderne Science fiction
Het is opvallend dat men in sciencefiction films
een heel stereotiep mensbeeld gebruikt. Ook dat is een projectie. Men
projecteert zichzelf in de toekomst en in de ruimte en men voorziet zichzelf
van technologische en wetenschappelijke almacht. Maar ondanks dat heb je toch
te doen met een vergrote kleinheid. Er komt nooit een echt ruimtelijk mens in
voor, begiftigd met wijsheid, vredelievend en redelijk, en er is als maar een
Star War aan de gang met de daarbij behorende totale vernietigingscapaciteit.
Er is een totale gewelddadigheid en het is veelzeggend dat de huidige droom van
Star Wars leeft in het brein van mensen die met hun gehele geestesgesteldheid
staan in de traditie van de christelijke Angelsaksische projectie. De
banbliksem van god is vervangen door de trefzekere en allesvernietigende
laserstraal, de mensen zijn materieel en niet-materieel tegelijk en in staat om
overal tegenwoordig te zijn. Bovendien zijn die mensen tot alles in staat, of
beter: hun technologie is almachtig. Het is het verhaal van de Germaanse goden,
dat via de almachtige christelijke god en technologie, tot nieuw leven is
gekomen en dat nog net zo begeesterend werkt als vroeger. En dat op grond van
zijn kleinheid ook weer levensgevaarlijk zal blijken te zijn.
No. 14 verzorgingsstaat-1 ; verzorgingsstaat-2 Mystiek-1 Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m18, 20 en 21, 37, 44, 48
en 68
Nogmaals: de projectie
0mdat ik hier en daar de begrippen geloof en
godsdienst door elkaar heen gebruikt heb en dit aanleiding kan geven tot
onduidelijkheid, nog even dit: als wij echt te doen hebben met een godsdienst,
waarbij dus de mens als het lagere gescheiden is van een hogere godheid, treedt
het verschijnsel van de projectie op, het verschijnsel van het zichzelf uitvergroten.
Gaat het echter om een geloof, dan hebben wij te doen met voorstellingen, die
uiteraard wel een menselijke inhoud hebben, maar dat betreft dan juist gewone
eigenschappen, zwakheden zelfs. De goden is niets menselijks vreemd en van
uitvergrotingen is geen sprake. Het deelnemen aan de strijd bij Troye door
Afrodite kan je moeilijk een uitvergroting noemen - eerder is het een
verkleining, een verlevendiging van het goddelijke.
Angelsaksische cultuurverschijnselen
Hoewel het wetenschappelijk misschien niet
helemaal juist is, wil ik toch een onderscheid maken tussen het Angelsaksische
en het Germaanse. Dan bedoel ik met dit laatste de kinderlijke basiscultuur van
al die stammen in Europa, die ik met de verzamelnaam de Germanen heb aangeduid,
terwijl ik al datgene Angelsaksisch noem dat als doorwerking van dat
oorspronkelijke Germaanse voor de dag is gekomen. Bij die doorwerking heeft
uiteraard de klassieke cultuur een letterlijk overheersende rol gespeeld, maar
ondanks dat was het resultaat toch dat het kinderlijke Germaanse niet ten onder
ging, maar zich juist na verloop van tijd ontwikkelde tot een Angelsaksische
cultuur, die zich op een zeker moment zelfs op een afschuwelijke wijze ging
wreken op alles wat op de een of andere manier klassiek genoemd kan worden. Die
haat tegen het klassieke vormde de (onbewuste) drijfveer van de zogenaamde
nationaal-socialisten tot de gewelddadigheden van de tweede wereldoorlog.
Het Angelsaksische heeft zich sinds die tweede wereldoorlog in geheel de
moderne wereld doorgezet. Ook bij mensen van een niet-Germaanse afkomst, zoals
het merendeel van de Amerikanen en de elites van de 3e wereld. Die
veranderde mentaliteit is niet door deze wereldoorlog ontstaan, maar hij is er
sinds die oorlog. En er is een samenhang tussen een aantal opvattingen
van de nationaal-socialisten en de ideeën die na 1945 onder de moderne mensen
gemeengoed zijn geworden. Genoemd heb ik al de bijna hysterische haat tegen
de Russen, maar ook die tegen de Joden is er een voorbeeld van. Die
haat berust op een cultuurspanning en zoiets uit zich op niet-rationele wijze:
men kletst maar wat zonder te weten waarover het gaat, als die ander maar als
slecht en onmenselijk afgeschilderd kan worden. En er is een duidelijke
psychische blokkade tégen elke redelijke argumentatie waaruit zou kunnen
blijken dat die ander helemaal niet slecht is. Welnu, die cultuurspanning is
sinds de nationaal-socialisten algemeen manifest geworden. Niet voor niets
sprak men van de koude oorlog. Hoewel men dit tegenwoordig niet graag toe zal
willen geven is de idee van de verzorgingsstaat
in wezen ook nationaal-socialistisch, d.w.z. dat het bedoeling van het
Duizendjarig Rijk was het leven van alle daartoe behorende mensen te omvatten
en te verzorgen - uiteraard volgens militaire normen, patriarchaal en
gewelddadig. En deze verzorgingsstaat
is er gekomen, zij het anders uitgewerkt, maar even allesomvattend als de
nationaal-socialisten voor ogen stond. Het zich realiseren van zo’n staat is
een Angelsaksisch cultuurverschijnsel. Het is de uiterste uitwerking van het
dienstenstelsel waarover ik al eerder sprak. Wat ook sinds de tweede
wereldoorlog normaal is geworden is het denken in vernietiging. Men verwijt
de Duitsers dat zij hun militaire geweld op weerloze burgers richtten en
inderdaad zijn zij daarmee op grote schaal begonnen, maar intussen denkt de
gehele moderne wereld in termen van vernietiging: het gaat niet meer om zaken
(hoe kwalijk desnoods ook), maar het gaat om individuele mensen die vernietigd
moeten worden. En ook dat ligt in de Angelsaksische gesteldheid. Hoe men het
tegenwoordig ook belieft te noemen, het strategische denken is een denken dat
op vernietiging is gericht en dat was voor 1933 niet het geval: de burgers
moesten ontzien worden want de oorlog diende niet tot het uitroeien van mensen,
maar tot het opleggen van je wil aan die mensen. Op zichzelf natuurlijk ook
krankzinnig, maar toch geheel iets anders dan vernietiging.
Iets
over het nationaal socialisme
De afwijzing door de westerse wereld van het
nationaal socialisme lag meer op het terrein van de wijze waarop die zaak
gerealiseerd werd, de gebruikte methoden, dan op het inhoudelijke terrein. En
in Hitlers agressie tegen het Westen lag geen wezenlijke haat tegen het
Angelsaksische Westen, voor zover zich dat begon af te tekenen, mààr tegen
het klassieke Westen. Zijn agressie richtte zich tegen de klassieke
Westerse elites, die hij niet handelingsbekwaam, karakterloos en uit de
tijd vond, geschoold als zij waren in de idealistische klassieke traditie,
waarin er voor de bestaande individuele mens geen plaats was. Die mens immers
moest wijken voor allerlei gemeenschappelijke idealen en de daaraan meekomende
normen en waarden.
Hitler
schoffeerde dan ook de staatslieden uit het Westen en de met hen gesloten overeenkomsten
hadden voor hem geen morele waarde, hoogstens een incidentele politieke. Het
verbranden van boeken, het afwijzen van ontaarde kunst, het diskwalificeren van
Joodse kunstuitingen, het zijn allemaal reacties op het élitair klassieke. En
daar tegenover staat het ophemelen van het zogenaamde volkse. Men had het
steeds over het volkse karakter, over bloed en bodem en over de oude
Germaanse verhalen, die door Wagner zo typisch Duits verklankt waren in zijn
opera’s. En de nationaal-socialistische elites waren volkse elites,
doorgaans afkomstig uit de meest onontwikkelde sociale milieus, geprogrammeerd
op Vaderlandsliefde, gehoorzaamheid en eer. We moeten ons echter wel realiseren
dat in de gehele westerse wereld een hang naar het volkse aanwezig was. Er was
een overal toenemende belangstelling voor volksliederen, voor volkskunst, voor de eigen
(Germaanse) identiteit. In alle
mogelijke verhandelingen, krantenartikelen en ook filosofische beschouwingen
treft men steevast verwijzingen aan naar het volkskarakter, ook in kringen die
traditioneel afwijzend stonden tegenover Duitsland en het nationaal socialisme.
Ook de echte socialisten hielden zich, vooral in de jeugdbewegingen, met het
volkse bezig: men danste om de meiboom, men zong volksliedjes bij de blokfluit
en men wees de traditionele statussymbolen af, bijvoorbeeld in de kleding.
Over het algemeen kunnen wij zeggen dat sinds de tweede
wereldoorlog het democratische
socialisme (= het macht zoekende socialisme) overal wortel geschoten
heeft. Ook als men zich in partij- politieke zin niet socialistisch noemt denkt
men in socialistische termen. Daarbij is de verbinding met het volkse
duidelijk: de hedendaagse politieke en wetenschappelijke elites
zijn uit het volk gevormd. Hun status berust niet langer op hun afkomst. Dat
was voor de oorlog nog wel het geval: allerlei adellijk onbenul zat in de
regering, het parlement en op de leerstoelen van de universiteit. Dat is met de
tweede wereldoorlog verdwenen.
verzorgingsstaat-1 ; verzorgingsstaat-2
Elite-1 nrs 1 t/m 6 ; de politieke elites(15
t/m 17) ; (Sociaal Democratie-1
;
Sociaal
Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ;
Kinderlijk en primitief
Je kunt van de oude Germanen zeggen dat zij
Kinderlijk waren, maar het is fout om in dit verband te zeggen dat zij
primitief geweest zouden zijn. Van primitief kan je spreken als en voor zover
er op allerlei gebieden van het leven betere praktische methoden en helderder
denkbeelden voorhanden zijn en men desondanks daarvan geen gebruik maakt,
doorgaans omdat bepaalde conventies dat verbieden. Primitieve mensen en
culturen blijven beneden hun mogelijkheden. Als het echter om kinderlijkheid
gaat hebben wij te doen met een situatie waarbij de mogelijkheden zich nog
moeten uit wikkelen en dus op een nog eenvoudige wijze voortdurend benut
worden. Het kan zijn dat anderen op bepaalde gebieden verder zijn, zoals dat
met de Romeinen het geval was, en dan is dat voor die Romeinen reden om de
Germanen Primitief te vinden, maar het ontging hen daarbij dat de Germanen met
iets heel anders bezig waren en daardoor geen belangstelling hadden voor de
Romeinse verworvenheden. Maar op hun eigen gebied waren zij bepaald niet
primitief. Een goed voorbeeld van primitiviteit levert de moderne westerse
mensheid, vooral in haar politieke, economische en militaire denken. De
verhalen van de generaals van de NAVO blinken uit door het negeren van
voorhanden mogelijkheden, van ervaringen uit de geschiedenis en van
verantwoorde politieke alternatieven. Die mogelijkheden, ervaringen en
alternatieven zijn wel degelijk voorhanden, maar zij worden toch afgewezen
omdat men vast wil houden aan eenmaal ingenomen standpunten en denkbeelden. In
onze moderne wereld is nagenoeg alle kennis en technologie aanwezig om er op
zeer korte termijn een gezellige wereld van te kunnen maken, maar men blijft
maar doormodderen met volledig achterhaalde denkmodellen. Dat kan je zonder
meer primitief noemen!
De nieuwe elites
Aan de
basis van de Angelsaksische wereld treffen wij een drietal elites aan, die
elk op hun eigen wijze een rol gaan spelen. Het spreekt vanzelf dat we als
eerste te doen hebben met de traditionele elites, bestaande uit de adel en de
afstammelingen van de vroegere regenten. De leden van deze groeperingen
behoorden automatisch tot de bovenlaag van de maatschappij, louter op grond van
hun afkomst. Aanvankelijk werden er aan deze mensen nauwelijks intellectuele
eisen gesteld, maar met het zich doorzetten in de 19e eeuw van het
wetenschappelijke denken werd enige ontwikkeling op intellectueel gebied toch
wel wenselijk geacht: men ging de universiteiten bezoeken en men eiste de
universitaire vorming voor zichzelf op. Het werd een voorrecht van de
bovenlaag, in tegenstelling tot voordien, toen er veel begaafde mensen uit het
volk tot de universiteit doordrongen. Tot aan de tweede wereldoorlog
echter waren het die geschoolde klassieke elites die de dienst uitmaakten.
Echte politieke figuren waren zij niet, het waren geboren machthebbers, die, in
het beste geval, tamelijk liberale opvattingen hadden. Zij waren tegen een
allesoverheersende staat en zij juichten een zo groot mogelijke persoonlijke
vrijheid toe, ook de vrijheid om in het gedrang vertrapt te worden. Een ieder
moest zijn eigen bonen maar doppen. De staat was eigenlijk hun bezit, zoals zij
in het verleden de wereld bezaten als feodale heren. Maar na de tweede
wereldoorlog verdwijnen deze elites gaandeweg van het staatkundige toneel:
zij zijn hoogstens nog goed voor ambassadeursposten en decorum bij vorstelijke
vertoningen. Als representanten van de klassieke wereld hebben zij afgedaan; op
grond van hun afkomst is er voor hen geen plaats meer in de Angelsaksische
wereld, zoals die zich sinds 1945 doorgezet heeft. Wie echter wel bij die
nieuwe Angelsaksische wereld behoren zijn de zogenaamde nieuwe rijken. Dat zijn
mensen die op de een of andere manier rijk geworden zijn, doorgaans ten gevolge
van activiteiten in de koloniën. Zij hadden ook een belangrijk aandeel in de
geldhandel. Deze nieuwe rijken kwamen voor het merendeel voort uit de burgerij;
zij konden zich in geen enkel opzicht op een deftige afkomst beroepen. De
beruchte Colijn bijvoorbeeld (1869 - 1944) was ook als koloniaal begonnen en
rijk geworden door de olie. Maar hij bracht het wel tot premier en
verschillende ministersfuncties. Toch is er ook bij deze soort van elite een
verandering opgetreden: de wijze waarop je rijk geworden bent is een rol gaan
spelen. Tegenwoordig is wetenschappelijke vorming vereist en bovendien hecht
men waarde aan een economische carrière. Je moet concerns achter je hebben en
dat tekende zich ook al af bij een figuur als Colijn. Van belang is evenwel dat
dergelijke elites min of meer uit het volk voortgekomen zijn. Een echte
politieke gesteldheid hadden zij echter niet; hun machtsbewustzijn was in wezen
tiranniek, gericht op de sterke man. Een duidelijke calvinistische inslag was
kenmerkend. Tot nu toe heeft deze elite zich weten te handhaven, zij het met
enige wetenschappelijke aanpassingen. De belangrijkste Angelsaksische bovenlaag
wordt tegenwoordig gevormd door de nieuwe politieke elite. Het gaat deze mensen
louter om de politiek en dat komt in de praktijk natuurlijk neer op macht. De
basis van deze machtsgroep is gelegd door het politieke socialisme, zoals dat
zich in de sociaal democratie doorgezet heeft. Of men nu tot een
socialistische politieke partij behoort of niet, toch komt men uit die basis
voort. En die elite is de maat voor alles wat de staat betreft. Afkomst en
rijkdom spelen geen rol, een concern als achtergrond is zelfs ongewenst,
terwijl wetenschappelijke vorming vereist is. Met recht kunnen wij zeggen dat
in deze elite de Angelsaksische gesteldheid zich effectief heeft waargemaakt.
En dat is een feit geworden na de tweede wereldoorlog. In dit verband is
het opmerkelijk dat heel veel mensen niet in de gaten hebben dat deze
verandering van gesteldheid heeft plaatsgevonden. Nog minder wil men inzien dat
er een verband bestaat tussen deze veranderingen en het nationaal socialisme:
beide zijn manifestaties van de Germaanse cultuurwereld, de één op
democratische wijze, de ander op dictatoriale. Maar het verschil tussen die
twee is niet zo groot als gewoonlijk gesuggereerd wordt.
Enkele belangrijke punten
Van de klassieke bovenlaag en van de nieuwe rijken
kan gezegd worden dat beide opereerden ten koste van de bevolking. Wat hen van
elkaar onderscheidt is vooral de wijze waarop zij hun macht verworven hadden:
in het eerste geval door de afkomst en in het tweede door het zich uitwerken
boven de gewone mensen. Maar de politieke elites was het om de gewone mensen te
doen; zij gingen aan de slag ter wille van het volk en als gevolg daarvan
werden zij elites.
Tegenwoordig vindt iedereen het normaal dat een
politicus zich voor het volk inspant en dat is niet eens een loze kreet: men is
inderdaad bezig voor het volk, maar het is wel de vraag wat men onder het volk
verstaat en welke waardeoordelen men daaraan hecht. Als je de macht
wilt hebben om het volk te regeren, gaat het je dan om het volk? Het je
inzetten voor je medemensen met als gevolg dat je je boven hen verheft en
élitair wordt, is typisch voor het Germaanse en het huidige Angelsaksische
denken. Het gaat uit van de individu en het wordt tot een zaak en van die zaak
wordt een bepaalde individu de representant, hij wordt de leider van een aantal
andere individuen met de bedoeling die zaak te realiseren. Wij zien dit, in het
groot en in het klein, overal om ons heen en wij steunen die grote en kleine
leiders vanuit ons eigen individu-zijn: wij wijzen hen als leider aan!
(Sociaal Democratie-1
;
Sociaal
Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ;
(Sociaal
Democratie-1 ; Sociaal Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ;
De Angelsaksische staat
Sinds de tweede wereldoorlog zijn de
elites, die de staat in handen hebben, van karakter veranderd. Het zijn geen
mensen meer die op hun afkomst of hun rijkdom kunnen bogen, maar het zijn
mensen uit het volk, die op de een of andere manier een politieke carrière
hebben gemaakt. Voor hen is de politiek niet meer een bezigheid, die
vanzelfsprekend aan hun status meekomt, maar een vak dat beoefend moet worden
en dat dus ook door bepaalde bekwaamheden gedragen wordt. Daarbij ligt de
verhouding zo, dat die bekwaamheden meer benut worden voor het versterken van
de eigen positie en dus ook de eigen macht, dan voor het efficiënt besturen van
de staat - wat dit ook mag betekenen. Het staatsbelang heet het doel te zijn,
maar in werkelijkheid gaat het om de persoonlijke macht en dus om het eigen
leiderschap, de dictatuur. Doordat men in dat streven niet alleen staat en het
iedereen vrij staat aan het machtsspel deel te nemen, is een echte dictatuur
vrijwel onmogelijk. Maar die onmogelijkheid betekent niet dat de mentaliteit
van het politieke streven niet dictatoriaal zou zijn, zelfs als men het
doet voorkomen alsof de wil van het volk de maat zou zijn. In feite gaat het
niet om de wil van het volk, maar om het aantal kiezers waarop men meent te
kunnen steunen. Om die kiezers zover te krijgen moet men hen ervan overtuigen
dat zij iets willen en als dat gelukt betekent dat MACHT voor de gekozene. Die
gekozene kan dan deel gaan nemen aan de politieke strijd en zoveel mogelijk
macht verwerven. Dat verwerven, die strijd om de macht, dat nu is typisch
Angelsaksisch en dus modern Germaans. De vroegere toestand, ruwweg die van voor
de tweede wereldoorlog, was in zoverre anders dat de toenmalige elites
vanzelfsprekend de macht hadden. Zij behoefden die niet of nauwelijks op het
volk te baseren en daarmee samenhangend was er dan ook weinig enthousiasme voor
het algemeen kiesrecht. Pas in 1917 kwam er in Nederland algemeen kiesrecht
voor mannen en in 1922 voor vrouwen! . Daar begon dus de nieuwe ontwikkeling en
die werd pas na 1945 echt een feit. En thans moet men de macht veroveren.
Daarbij gaat het niet meer om iemands afkomst of rijkdom, hoewel die natuurlijk
in de praktijk wel meespelen: het maakt de studie gemakkelijker en er staan wat
meer invloedrijke kruiwagens ter beschikking. Maar, je kunt wel staande houden
dat we te doen hebben met een soort van democratie, omdat de steun van het volk
onontbeerlijk is voor de strijd om de macht. Het verwerven van die steun behoort
tot het politieke vak en te zeggen is dat dit een moeilijk vak is: hoe krijg je
het voor elkaar om zoveel duizenden mensen louter met beloften en verhaaltjes
achter je te krijgen? Mensen bovendien, die zo langzamerhand goed in de gaten
hebben gekregen dat je toch niet doet wat je beloofd hebt - want over die leugenachtigheid
zijn vrijwel alle kiezers het eens.
De aanloop tot de Angelsaksische democratie
Het spreekt vanzelf dat er in de geschiedenis een
aanloop tot de moderne toestand is geweest. Op betrekkelijk korte termijn zie
je de idealistische socialisten die sinds het einde van de vorige eeuw een rol
zijn gaan spelen in de westerse politiek en er daarbij onveranderlijk op uit
waren de macht te veroveren. Zij spraken zelfs wel van de wenselijkheid van een
dictatuur van het proletariaat. In ieder geval was de staatsmacht een
noodzakelijk middel om de macht aan het volk te doen toevallen. En dan komen er
ook nog andere partijen op, die zich niet graag socialistisch noemen maar zich
liever op de bijbel of de godsdienst beroepen, om in feite net zo socialistisch
te zijn in hun streven het volk te verheffen en de, inderdaad erbarmelijke,
toestand van de mensen te verbeteren. Deze vormen van socialisme hebben
nauwelijks iets gemeen met datgene dat je echt onder socialisme zou kunnen
verstaan en dat geldt ook voor de zich socialistisch noemende politieke
partijen. Wat er eigenlijk doorbreekt is de moderne, Angelsaksische vorm van de
oude Germaanse cultuur, waarin de individuele mens en zijn individuele macht centraal
staan, met daarbij ook het zich boven het volk uit verheffen van de helden, die
als leiders van dat volk gaan fungeren. Omdat dit het is wat er werkelijk
gaande is heeft het zin wat uitvoeriger bij de feitelijke ontwikkeling stil te
staan. Er ligt achter deze historische veranderingen een belangrijk filosofisch
thema verscholen, zoals inmiddels hopelijk duidelijk is geworden. En: aan
werkelijk socialisme is het Westen nog lang niet toe. Over een langere termijn
beschouwd zie je het ontstaan van het Britse parlementaire stelsel. Al bij de
Magna Charta in 1215 kregen de edelen zeggenschap; later voegde zich de
geestelijkheid daarbij en al spoedig ook de vertegenwoordigers van de burgerij.
Tijdens Edward 1 (1272 - 1307) was de politieke invloed van die laatste groep
niet meer te verwaarlozen, hoewel die groep uiteraard nog lang niet de basis
was van het staatsbestel. Dat gebeurde pas met de geleidelijke uitbreiding van
het kiesrecht. Tekenend is dat de aanzet tot de parlementaire democratie nu juist in een land plaatsvond met sterke
Germaanse tradities en een weinig ontwikkelde klassieke bovenlaag. Daar kon de
Angelsaksische mentaliteit zijn eerste groei doormaken en de kracht opdoen om
later, in onze tijd, de nieuwe cultuurgesteldheid te worden. Die aanzet
vertoonde zich dus niet, en zeker niet levensvatbaar, in de cultuurgebieden met
een klassieke bovenlaag. Pogingen van het volk om het fundament van de
staatsmacht te worden zijn er in die gebieden natuurlijk wel geweest en te
zeggen valt dat de Franse revoluties van 1789 en 1848 als min of meer geslaagde
pogingen kunnen worden beschouwd. Maar, de Engelsen waren al 500 jaar eerder
begonnen!
Wat is er van het Angelsaksische te verwachten?
Hoewel het zeker een feit is dat sinds 1945 de
bevolking een rol is gaan spelen bij het vormen van de staatsmacht en je dit
bijgevolg een stap vooruit kunt noemen, is het evenzeer een feit dat hiervan
voorlopig, menselijk gesproken, nog bitter weinig te verwachten valt. De rol
van de bevolking is beperkt tot de machtsvorming en heeft niets te maken met
het besturen van de staat, want dat is een relatief dictatoriale aangelegenheid
in de huidige omstandigheden. Het gaat daarbij om MIJN macht; macht is
egocentrisch, ik moet daarvan het middelpunt zijn want aan de macht van een ander
heb ik niets. Was vroeger voor een aantal mensen die egocentrische macht
vanzelfsprekend, thans moet ik voor die macht vechten met alle fraaie en vooral
minder fraaie middelen die mij ten dienste staan. En deze strijd is de strijd
van de individu voor wie voorlopig het zichzelf-zijn beperkt blijft tot de
meest simpele mogelijkheid, namelijk MIJN individuele macht. Het doorbreken van
de individu, de afzonderlijke en persoonlijke mens is uiteraard een stap
voorwaarts, vergeleken bij de klassieke wereld, maar er is in geen geval van te
zeggen dat het nu goed is. Wij moeten oppassen dat wij een stap verder niet
zonder meer associëren met kwalitatief beter. Voor het denken kan de zaak
desnoods wel als beter gelden, maar voor de praktijk van het leven van de
mensen is dat geenszins het geval. Elk nieuw moment voegt er iets aan toe en
verandert tegelijk het traditionele (= datgene dat al naar voren is gekomen),
maar pas als alle verhoudingen er zijn kan het echt beter gaan worden.
Sociaal Democratie-1 ; Sociaal Democratie-2 ; Sociaal
Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal
Democratie-5 ; Parlementaire
Democratie
Nog iets over het beter worden
Het valt niet te ontkennen dat de situatie van de
mensen, sinds het begin van deze eeuw en vooral sinds de tweede wereldoorlog,
aanzienlijk verbeterd is, als je althans let op een aantal deelterreinen van
het maatschappelijk leven. Dat geldt vooral in Noordwest-Europa, een gebied
waarvan je kunt zeggen dat daar de Angelsaksische mentaliteit het duidelijkst
en het redelijkst aan de dag treedt. Toch heeft de bevolking van dat gebied
niet bepaald het gevoel dat het leven zoveel verbeterd is. En dat gevoel is
terecht: het OVERLEVEN is er wat gemakkelijker op geworden. Maar al met al
heeft dat nauwelijks iets met leven te maken. Leven doe je vanuit een geheel en
dat is alleen maar mogelijk als de inhoud van dat geheel aanwezig is en tot
zijn recht kan komen. Pas als dat het geval is kan het leven zich gaan uit
wikkelen en pas dan kan je zeggen dat het beter wordt. Dat is een kwalitatieve
zaak, terwijl de zogenaamde verbeteringen van kwantitatieve aard zijn: meer
geld, meer voorzieningen, meer inspraak, meer recht, enzovoort. In het
algemeen: meer veiligheid,
al is het desnoods doormiddel van de dreiging met vernietigingswapens. Je kunt
de ogen niet sluiten voor deze kwantitatieve vooruitgang, de inhoud van
het geheel moet zich realiseren en daartoe draagt de Angelsaksische mentaliteit
in niet geringe mate bij - omdat de basis daarvan de individu is. Het zijn
vooral socialistische partijen en vakbonden die de eer daarvan plegen op te
eisen, maar dat is natuurlijk onterecht. De nieuwe mentaliteit was toch wel
doorgebroken, met de daarbij behorende kwantitatieve maatschappelijke
vooruitgang. Overigens, dat die vooruitgang kwantitatief is blijkt uit de
tegenwoordig beschikbare producten: er is van alles een overvloed, maar de
kwaliteit is, ondanks de technologische ontwikkeling, slechter dan ooit. Dat is
bepaald niet toevallig!
Je kunt relativerend denken over het geweld en de
misdadigheid, die de mensen in oorlogen aan de dag leggen. Dat kan je ook doen
ten aanzien van de tweede wereldoorlog, maar zelfs dan blijft het een
feit dat de gewelddadigheid van de nationaal socialisten alle perken te buiten
gaat. Daarbij moeten we echter letten op gewelddadigheid die méér is dan alleen
maar die van een oorlog. De zaken zijn evenwel moeilijk van elkaar te
onderscheiden, omdat veel aspecten van de tweede wereldoorlog niet
specifiek Duits waren, maar Angelsaksisch en dus, voor het Westen, algemeen
geldend. Eerst maar eens wat opmerkingen om de gedachten te bepalen: de eerste
wereldoorlog was eigenlijk een soldatenoorlog, een oorlog die typerend was voor
het militarisme. Die oorlog werd gevoerd door militairen, hoge generaals en
dergelijke. Die maakten de dienst uit, stelden de doelen vast en bepaalden de
strategie. Hoewel de zaak uiteraard niet zonder politiek gedoe was, hadden de
politici toch nauwelijks wat in de melk te brokken.
In de tweede
wereldoorlog lag dat anders: de leiders van die oorlog waren politici,
zoals Churchill, Mussolini en Hitler en deze figuren legden de militairen hun
wil op, ook waar het de militaire strategie betreft. De geallieerde generaal
Eisenhower was niet zozeer een briljant generaal als wel een politicus, hetgeen
later ook bleek. En Hitler wist zelfs de ongenaakbare Pruisische generaals op
de knieën te krijgen, hetgeen bepaald geen kleinigheid was! De eerste leden van
de nationaal-socialistische beweging waren soldaten uit de le. WO Zij hadden
zich georganiseerd tot de zogenaamde Freikorpsen en zij vochten al vrij kort na
die eerste wereldoorlog in het oosten, bijv. de Baltische staten, tegen het
communisme. Toen al was er de behoefte om Europa tegen de rode vloedgolf te
beschermen. Maar naarmate Hitler sterker werd ging hij zelf militaire
organisaties vormen, zoals de SS, en dat waren politieke eenheden, die na verloop van tijd de
veteranen uit de le w.o. met geweld uitschakelden. Aan de macht kwamen de
politieke soldaten; zij gingen op den duur zelfs de dienst uitmaken voor het
gewone leger, de Wehrmacht. Al met al is te zeggen dat de tweede
wereldoorlog een politieke oorlog was, een oorlog tussen politieke
ideologieën. Een ander opmerkelijk feit heb ik al eerder genoemd: de
burgerbevolking wordt inzet van de strategie. De oorlogshandelingen
beperken zich niet meer tot militaire doelen. De nadruk komt zelfs te liggen op
de vernietiging van de bevolkingscentra; de burgers worden een factor in het
oorlogsbedrijf. Dat was tot aan de tweede wereldoorlog ongewoon, nog in
Genève hadden de Westerse landen vastgesteld dat oorlogen zuiver militair
moesten zijn en dat het misdadig was de burgers als doelwit te gebruiken. En
kort daarna begonnen de vernietigings-bombardementen: Warschau, Rotterdam,
Coventry en daarna de Duitse steden en Hiroshima , Nagasaki. Sinds die
tijd vindt men het heel gewoon dat de steden van het Westen en oosten
voortdurend bedreigd worden met vernietiging. De burgers, als zelfstandige
individuen, komen nu naar voren en worden strategisch van belang.
Als het
nationaal socialisme opkomt is er als het ware een renaissance van het oude
Germanendom. Die renaissance is het eerste moment van de nieuwe tijd in die zin
dat hij het negatieve aspect van dat eerste moment vertegenwoordigt. In dat
nationaal socialisme wordt de gehele klassieke cultuurmentaliteit vernietigd.
Dat alles deugt niet, is leugen en bedrog, is decadentie, en wat goed is, dat
zijn de oude Germaanse waarden. Die waarden moeten herleven, zij zijn
karakteristiek voor de Germaanse volkeren, zij zijn volkseigen. En bij dat
herleven behoort ook dat die Germaanse volkeren raszuiver zijn en het juiste bloed door de aderen
heeft stromen. Dat is het bloed van de helden, de leiders, de Übermenschen! Het
spreekt vanzelf dat men geen notie had van de werkelijke waarden en mentaliteit
van de oude Germanen. Men stelde een aantal stereotiepen als de maat, ingegeven
door een bepaald soort van romantiek, zoals men die proefde uit de verhalen.
Wagner heeft die romantiek in zijn opera’s ten top gevoerd. En die romantiek
sprak de mensen aan omdat de cultuurontwikkeling het punt had bereikt dat het
modern Germaanse, het Angelsaksische door zou gaan breken. Daarvan dus is het
nationaal socialisme het negatieve aspect. Je kunt dus niet zonder meer stellen
dat het Duitse volk misleid is geworden: het sprak wel degelijk aan! De mensen
waren er ontvankelijk voor. Hopelijk wordt de term nationaal socialisme nu wat duidelijker:
het nationale is het (vermeend) authentieke Germaanse en het socialisme is
gebaseerd op het besef dat de individuen tot gelding moeten komen, een besef
dat voor de gehele Westerse wereld gold. Misschien is het moeilijk de opkomende
waardering voor de individu te rijmen met het militaristische karakter van het
nationaal socialisme, maar dan moet je bedenken dat het formeren van groepen
vooronderstelt dat er elementen, eenheden zijn die elkaar in een ideaal vinden
en zo een groep kunnen vormen. In verband met dat ideaal wordt het begrijpelijk
dat de politieke vorming zo belangrijk was. De niets ontziende gewelddadigheid
van het nationaal socialisme vindt zijn grond in het feit dat het om de totale
ontkenning ging van de toenmalige Westerse wereld, voor zover die klassiek was.
Die wereld moest vernietigd worden ter wille van de nieuwe mens, levende in een
nieuwe tijd en burger van een duizendjarig rijk dat de gehele Germaanse wereld
zou omspannen. Voor dat nieuwe moest het oude uitgeroeid worden!
Elite-1 nrs 1 t/m 6 ; de politieke elites(15
t/m 17) ; (Sociaal Democratie-1
;
Sociaal
Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ;
No. 18
Het probleem van het nationaal socialisme
Het is opvallend dat het nationaal socialisme,
zoveel jaren nadat het aan de macht was, nog steeds voor een heleboel mensen
een probleem is, een probleem dat niet in de eerste plaats veroorzaakt wordt
door het vele leed, dat de mensen is aangedaan - dat was in andere oorlogen ook
het geval - maar door het onbegrijpelijke karakter er van. Het massaal sterven
van soldaten aan de fronten is voor de mensen geen onbegrijpelijk verschijnsel
en zelfs het bombarderen van bevolkingscentra is nog wel te vatten, maar het systematisch
uitroeien van mensen is dat niet. Achteraf is iedereen er van overtuigd dat de
hele zaak misdadig was: ze hebben 6 miljoen Joden vermoord, maar de
vraag is en blijft of die misdadigheid ook herkend zou zijn geworden als die
feiten niet bekend waren. Met andere
woorden: herkende men de misdadigheid louter en alleen aan de nationaal
socialistische mentaliteit en eventueel aan de ideologie?
Het antwoord moet zijn nee, behoudens natuurlijk heel
enkele uitzonderingen, waarvan de meeste dan ook nog steunden op bekend
geworden feiten. De Nederlandse communisten bijvoorbeeld komt de eer toe
vanaf het begin tegen het nationaal socialisme gekant te zijn geweest, maar ook
dat is nauwelijks een verdienste te noemen omdat zij tegen waren op grond van
hun eigen ideologie, die toevallig op een ander principe berustte dan de
nationaal socialistische. Dat was dus een partijpolitiek oordeel en van daar
uit schroomde men niet de ander een misdadiger te noemen! Een kwalificatie
waarmee de communisten altijd al erg vlug klaar hebben gestaan. (We hebben het
niet geweten ) Het probleem voor de mensen is dat zij niet in staat bleken de
misdadigheid te herkennen, ze hebben het inderdaad niet geweten, zelfs niet als
de feiten bekend waren, en dat komt doordat zij, enigszins op andere wijze,
zelf die zaak waren. De opkomst van de Angelsaksische wereld houdt nu eenmaal
het teruggrijpen naar de oorsprong in. Dat negatieve moment is er niet uit te
denken. De Duitse jeugdbeweging van voor 1933 was sterk op de natuur gericht,
het woud met eventueel de heilige eik speelde een bijna mystieke rol, maar het ging niet om de natuur zelf, maar om de
associatie met de “oerbodem”, de grond waarop de Germaanse cultuur geboren was.
Bovendien waren die jeugdbewegingen er op gericht een gehoorzaamheidscultus aan
te kweken: het zelfbewust geworden individu moest zich willens en wetens
onderwerpen aan de totaliteit van de groep, de partij en de staat,
vertegenwoordigd door de almachtige leider.
Let op dat het om een leider
ging en niet om een tiran, het begrip leider vooronderstelt de
aanwezigheid van een zelfbewust individu, dat naar het verheven doel geleid
moet worden. Absolute gehoorzaamheid is dan vereist en precies dat is de
inbreng van onderaf van die Germaanse mens.
Sommige mensen
betwijfelen of het nationaal socialisme specifiek een Duits verschijnsel
genoemd kan worden. Ik denk dat hieraan geen twijfel mogelijk is. In geen enkel
ander land heeft het wortel geschoten en als het desondanks enig succes boekte
berustte dit vooral op politieke doelstellingen, gericht tegen de overheersing
door de klassieke elites. Maar in Duitsland ging het doorbreken van de
nationaal socialistische gedachte onmiddellijk gepaard met terreur, een terreur
die merkwaardig genoeg als vanzelfsprekend straffeloos kon plaats vinden en die
dan ook gaandeweg omvangrijker werd. Totdat daar tenslotte miljoenen mensen
vermoord werden, gelegaliseerd door wat men de staat beliefde te noemen.
Blijkbaar is er een verbinding tussen de bewust geworden Germaanse ideeën en
waarden en de automatisch optredende terreur. En, inderdaad, die betrekking is
er en hij zal duidelijk worden als we ons realiseren dat het uiteindelijk allemaal
om de individu draaide. Voor die individu is ik de enige realiteit, naast mij
kan er niemand zijn en als er toch iemand is moet die vernederd worden. Dat is
het eerste en dus ook vanzelfsprekend concrete moment van het individu-zijn:
het enig bestaande ding dat alles en iedereen in de schaduw stelt. Het eerste
moment van het individu-zijn is negatief omdat het zijn hele omgeving ontkent
en, in concreto gesproken, uitroeit. Psychologisch werd dat bij de Duitsers
versterkt door de streng patriarchale cultuurgesteldheid. In de gezinnen
bestond er maar één echt: de vader en in de maatschappij: de overheid. Geen
wonder dat gezag en orde, gehoorzaamheid en plichtsbetrachting juist als
kenmerken van de zelfbewuste individu werden gezien. De paradox is dat de
gehoorzame en plichtsgetrouwe gezagsdrager de enig bestaande concrete individu
is. Hij hoort er echt bij, bij de clan van waardige mensen, de groep van
gelijken is zijn thuis, vandaar zijn voorliefde voor leger en overheid, want
daarin behoeft de gelijkheid niet bevochten te worden: die is (van god) gegeven
en die staat onwrikbaar vast. Groepsvorming op basis van (relatieve) gelijkheid
is voor zo’n autoritair patriarchale cultuur kenmerkend. Het regiment is het
thuis voor praktisch elke man, de soldatentijd is de mooiste tijd en de
kameraadschap van mannen is het mooiste dat er is. Die groepsvorming was er dus
vanuit de individu zelf, hij zocht zelf zijn thuis in die groep - dit in
tegenstelling tot de fascistische gedachte van de bundeling, die in principe
van bovenaf geschiedt en dus wezenlijk bij de klassieke wereld behoort. De
nationaal-socialistische mens denkt inderdaad van onderaf en maakt vervolgens
van zichzelf iets unieks, een held en uiteindelijk een Übermensch. Heldendom
was in die wereld de mooiste domheid. Wie zover niet kwam was een lafaard, die
niet verdiende te overleven. Zo vond Hitler dat het Duitse volk als geheel ten
onder moest gaan als het zich niet als heerser waar kon maken en de oorlog zou
verliezen. Tenslotte probeerde hij dan ook het Duitse volk ten onder te laten
gaan.
Je kunt nu wel tot een groep van unieke individuen
behoren, maar de gehoorzaamheid behoort toch tot de deugden. Eigen
voortreffelijkheid gaat samen met eigen slaafsheid, met eigen waardeloosheid.
De aanwezigheid van deze verhouding leidt tot een allesoverheersende haat en
een niets ontziende wreedheid ten aanzien van diegenen die als minderwaardig
worden beschouwd. Haat zowel als wreedheid vragen om een object en dat object
is voorhanden in de mensen die niet in het teken van het unieke en het
gehoorzame staan. Die mensen kunnen eenvoudig niet met rust gelaten worden, men
moet hen vernietigen. En dat deed men dan ook. Op de staatsburelen werden
bijvoorbeeld de Joden ter dood veroordeeld en dat was een administratieve
kwestie, maar de haat en de wreedheid werden in de lagere regionen uitgeleefd
omdat ze daar het sterkste aanwezig waren. En ook hier is weer opvallend dat
het straffeloos kon gebeuren.
De meeste mensen denken, dat het zogenaamde Derde
Rijk hecht georganiseerd was volgens bepaalde staatsopvattingen. Maar dat
was niet het geval. De clans van unieke individuen laat geen organisatie toe,
wel echter een terreur-apparaat waarin eigenlijk iedereen bezig is de ander te
bestrijden om macht te krijgen, om echt uniek te worden. Zelfs het streven naar
een hechte organisatie van de maatschappij ontbrak.
Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m18, 20 en 21, 37, 44, 48
en 68
No. 19 ( zie ook het voorgaande)
Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2
; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
;
De misdadigheid van het nationaal socialisme
Er zijn
in de geschiedenis allerlei voorbeelden aan te wijzen van grootscheepse
gewelddadigheden, die achteraf toch niet onmiddellijk als misdadig beoordeeld
worden. De wereldverovering door de Romeinen en die van Napoleon hebben heel
wat ellende teweeggebracht en de geschiedenis ervan wemelt van de misdaden,
maar toch worden die toestanden als zodanig niet als misdadig beoordeeld - maar
natuurlijk ook niet als humaan. Het nationaal socialisme echter, zelfs ongeacht
het feit dat het een oorlog begon, wordt wel degelijk als misdadig ervaren.
Enkelen hebben dat destijds al meteen uit de ideologie afgeleid, maar nadat
alles achter de rug was en de feiten bekend geworden waren, twijfelde niemand:
het nationaal socialisme is misdadig. Men heeft dan ook getracht de zaak
aan het geldende recht te toetsen en, hoewel dat juridisch niet zo erg goed in
elkaar zat, de poging gewaagd de verantwoordelijke leiders voor hun misdaden te
straffen. Daarmee is men trouwens nu nog bezig... We zetten de
belangrijke punten op een rijtje: de kern van de zaak ligt natuurlijk bij de
individu, die ontwaakt en daarbij zijn eerste negatieve moment
realiseert, te weten de alles buiten zichzelf uitsluitende ik. Ten
tweede ligt daar de vraag naar de hoedanigheid en de inhoud van die ik.
Dat blijkt dan een ik te zijn, die zichzelf voortdurend naar boven
projecteert en dus niet als gelijke onder de andere ikken vertoeft, maar
almaar boven die anderen uit wil gaan. Een held wil zijn. Het derde punt
is dat die zogenaamde held de andere ikken als minderwaardig gaat
beschouwen en daaraan het recht ontleent die anderen te vernederen en tenslotte
zelfs te vernietigen. In het moderne Angelsaksische besef komt dat niet voor.
Vanuit het ik beschouwt men de anderen in ieder geval als medemensen en
men is ervan overtuigd die medemensen niet te discrimineren, terwijl men onder
die overtuiging door zijn medemensen onbewust vernedert. Bij de
nationaal-socialisten echter behoorde het tot de overtuiging en de ideologie
dat de anderen tot de ondermensen gerekend moesten worden. Er was dan ook geen
ideologische rem op het moorden en op de terreur, het ongedierte moest vertrapt
worden, meedogenloos en machinaal. Het waren immers geen mensen! Vooral dit
laatste, het als minderwaardig zien van de anderen, is specifiek Duits, zoals
wij nog bespreken zullen. De combinatie van de drie genoemde punten levert de
misdaad op. Misdaad is het verbreken van het geheel, het ontkennen van datgene
dat er nog meer is (dat geldt ook ten aanzien van de overige verschijnselen, de
bodem, de planten en de dieren).
Overigens moet opgemerkt worden dat men in de
Westerse wereld vooral onder de indruk kwam van de omvang van het
moorden. Eigenlijk schrok men niet zozeer van de feiten zelf (men weet er
immers zelf ook best raad mee) als wel van het aantal ( te
veel )vermoorde mensen. Men zou eventueel wel willen aanvaarden dat het erg
was, maar dit was duidelijk te erg, dit ging alle perken te buiten. We
hebben dus met een kwantitatieve norm te doen, die als een kwalitatieve gesteld
wordt, voornamelijk om het eigen geweten te sussen. Het is zeer de vraag of men
net zo overtuigd gereageerd zou hebben als het over enkele duizenden mensen was
gegaan en als die ordelijk en beschaafd weggewerkt waren, zoals men dat
bijvoorbeeld in de Ver. Staten met de Indianen probeert te doen en in
Zuid-Afrika met de zwarte mensen. Voor de Westerse denktraditie is de omvang
van een misdaad meer doorslaggevend dan die misdaad zelf. Het aantal gruwelijke
details schokt de Westerse mens het meest. Hierop berusten dan ook steeds de
argumenten om het nationaal socialisme als misdadig te kwalificeren,
maar eigenlijk is dat niet de kern van de zaak
Het samengaan van een aantal factoren heeft er toe
geleid dat juist in Duitsland het nationaal socialisme zo verschrikkelijk kon
toeslaan. Het merkwaardige is namelijk dat in bepaalde streken van Engeland
(Wales) en in Ierland de Germaanse geesteswereld veel sterker is blijven leven
dan in het door de Klassieke wereld overspoelde Duitsland. In de eerstgenoemde
gebieden bleef vooral de sfeer bewaard, zich uitend in sprookjes, dichtkunst en
liederen - een beetje een magische wereld. Maar in Duitsland was het meer een
herinnering, een soort van nostalgie, die vooral met de macht te maken had. Duitsland
was, tot in de 20ste eeuw, verdeeld in een groot aantal vorstendommen en ook
thans nog spreekt men van een Bondsrepubliek. Van een echte staatkundige
eenheid was geen sprake, ondanks herhaalde pogingen om dit wel te realiseren.
De bevolking is dus almaar geconfronteerd geweest met een heel concrete macht,
in de vorm van de een of andere vorst die zij vaak persoonlijk kenden en met
wie zij dagelijks praktisch te maken hadden. Er was dus nauwelijks een
abstracte macht, zoals in een democratie. Men was gehoorzaamheid verschuldigd
aan een niet te miskennen persoon, die een absoluut heerser was. Hij beschikte
over alles en zijn wil was wet. En in de gezinnen werd die verhouding
afgespiegeld door de vader, die als een vorst heerste en met buitengewone hardheid
de kinderen opvoedde tot gehoorzame staatsburgers van wie de eigen wil moest
samenvallen met die van de patriarchale vader. Diezelfde hardheid vinden wij
terug ten aanzien van ten dode opgeschreven ondermensen, die in de vrieskou
naakt op het appel moesten staan, doodgeranseld werden en van hun menszijn beroofd. De harde opvoeding door de vader
reproduceerde zich in de wreedheden. De vele Duitse vorstendommen waren een
voortzetting van de Germaanse stammen en clans, met daar overheen gelegd de
klassieke machtsverhouding van bovenaf. Het zogenaamde culturele leven speelde
zich dan ook aan de hoven van die vorsten af. Daarbuiten was iedereen, in de
meest letterlijke zin, gehoorzaam onderdaan. Ook de Reformatie heeft aan het
ontstaan van het nationaal socialisme bijgedragen. Het ging immers om de
individuele ondergeschiktheid van de mensen aan god, die beschikte over leven
en dood! Als vooral de boeren ook hun staatkundige vrijheid opeisten en als
individu gewaardeerd wilden worden werden zij genadeloos onderworpen tijdens de
Boerenoorlog in 1525. Luther koos de zijde van de vorsten, hoewel hij toch ook
voorstander was van de nationale éénwording van Duitsland. Tijdens de 30 jarige
oorlog (1618 - 1648) werd de macht van de vorsten praktisch absoluut. De nationale
eenheid was daarmee voorlopig van de baan, maar tegelijk werd daardoor toch ook
de voedingsbodem voor het latere extreme nationalisme gelegd.
Gekwetst worden ; Vernederd en gekwetst
; Gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel ;
Zoals gezegd was (en is?) de Duitse opvoeding van
de kinderen gericht op absolute gehoorzaamheid. En tot in wetenschappelijke
kringen was men er van overtuigd dat een dergelijke opvoeding al bij de wieg
moest beginnen. De eigen wil van het kind moest gebroken worden en dat kon het
meest effectief gebeuren door het kind met geweld te deformeren voordat het
zich van zichzelf bewust zou worden. De eerste levensjaren waren dus van
groot belang omdat in die periode de basis voor een fatsoenlijk mens gelegd kon
worden. Het kind zou zich zijn leven lang niet meer kunnen herinneren hoe het vernederd en gekwetst was en het zou als
vanzelfsprekend voldoen aan de gestelde eisen van fatsoen en eer. De gevolgen
van deze zwarte pedagogie zijn: een lage drempel voor collectieve misdadigheid,
meedogenloosheid en wreedheid en een behoefte aan gezag, militaire organisatie,
vaderlandsliefde en eer.
Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2
; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
; Gekwetst
worden ; Vernederd en gekwetst ; Gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel ;
Tweede Wereldoorlog
- het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m18, 20
en 21, 37,
44, 48 en 68
Fascisme/Klassiek
; fascisme : Socialisme,
Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ;
Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m18, 20 en 21, 37, 44, 48
en 68
Het verdelen in vakken
Het is gebruikelijk om de geschiedenis in vakken
te verdelen. Dat is op zichzelf wel te verdedigen, maar toch schuilt er het gevaar
in dat je voorbij gaat zien aan de ontwikkeling, die er ook nog plaats heeft.
Als voorbeeld de tweede wereldoorlog: die is inderdaad in mei 1945
opgehouden, wat betreft Europa, met het staken van de gevechten. Maar, er
speelde natuurlijk veel meer dan alleen maar dat vechten. Genoemd heb ik al het
systematisch vernietigen van mensen en ook het ingetreden vernietigingsdenken
op politiek-militair gebied. Ook zou je moeten denken aan de inmiddels normaal
geworden communistenhaat en natuurlijk aan het zich doorzetten van de
Angelsaksische wereld. De ontwikkeling van deze zaken is gewoon doorgegaan en,
hoewel de oorlog zelf er nauw mee samen hing, is die oorlog daarvoor toch niet
bepalend. Die oorlog echter had een duidelijk begin- en eindpunt, het was een tijdperk.
Als je alleen daarop zou letten zou je geen ontwikkelingen zien, maar min of
meer toevallige gebeurtenissen, die eventueel wel zakelijk verklaard zouden
kunnen worden als je de achtergronden bestudeert, maar die je toch niet echt
leert begrijpen. Dat laatste is pas mogelijk als je oog krijgt voor datgene dat
zich in de mensen ontwikkelt. Moeilijk is het echter om er achter te komen
waarop je dan zou moeten letten. Als voorbeeld het nihilisme. Zo ongeveer
iedereen is daartegen fel gekant en dat is vaak zo emotioneel, dat men er niet
eens toe komt er over na te denken. Nihilisme is een ramp, en daarmee uit! Toch
zie je overal om je heen dat de zaken geleidelijk ontwaarden. Dat geldt ten
aanzien van dingen, maar ook van ideeën. Die ontwaarding brengt onverschilligheid
met zich en daardoor vervallen veel gronden voor onenigheid onder de mensen.
Nog niet zo lang geleden was de arbeid de enige bron van rechtvaardiging van je
bestaan. Arbeid betekende leven. Maar nu speelt men steeds meer met de gedachte
aan een basisinkomen, een inkomen dus dat geheel en al waardevrij is. Er
behoeft niets tegenover te staan, het is vrij van verplichtingen. Het nihilisme
zet zich door ondanks de ertegen ondernomen kruistocht van de zijde van idealistische
humanisten. Let je alleen op die kruistocht aan de oppervlakte dan zie je niet
wat er werkelijk gaande is: je zou denken dat men idealistisch is, terwijl men
in feite meer en meer nihilistisch is - zonder die term te willen accepteren.
In het licht van het bovenstaande zeg ik: in 1945 hielden de gevechten
inderdaad op, maar het broeien van nieuwe inzichten in de mensen is gewoon
doorgegaan.
De begrippen fascisme en nationaal socialisme
worden tegenwoordig almaar door elkaar gehaald. Dat is wel enigszins te
begrijpen als je bedenkt dat de verschijnselen, die aan beide concreet
meekomen, veel op elkaar lijken en vaak naast elkaar bestaan, terwijl het
tevens de gewoonte is die concrete verschijnselen als basis voor een analyse
van de situatie te benutten. Er lopen zoveel dingen door elkaar heen dat men er
niet goed in slaagt het fascisme van het nationaal socialisme te onderscheiden.
Maar er komt nog iets bij: de herinnering aan de door beide bewegingen
teweeggebrachte ellende blokkeert het nadenken daarover. Men wil de vele
overeenkomsten met het moderne Angelsaksische denken, en dus met het eigen
denken, zover mogelijk wegdringen in het zelfbewustzijn. Er mag eigenlijk niet
goed over nagedacht worden. Het gevolg is dus een tamelijk verwarde en
emotionele toestand. Vanuit onze gedachtegang echter is het verschil tussen die
twee rampen niet zo erg moeilijk. Het fascisme behelst de bundelings-gedachte,
d.w.z. het gaat er om de mensen bijeen te brengen, te bundelen tot één
totaliteit. Die totaliteit is een groep en in laatste instantie: de
staat. Dat bundelen geschiedt van buiten- en van bovenaf, door een elite, een
aristocratie. Iemand of iets moet de mensen bundelen; zij zijn dus lijdend
voorwerp. Zij zijn niet meer dan een element van die bundel en als zodanig
gelden zij als volwaardig. Dit is niet denkbaar zonder dat de mensen er zijn.
Zij moeten dus als individuen herkend en erkend zijn. Dit nu zagen wij al
eerder, namelijk in het Angelsaksische denken en wij zagen het als cultuurmoment
bij de Germanen. Het zijn nu echter niet de mensen zelf, die zich aaneensluiten
tot een groep om zich vervolgens omhoog te projecteren (nationaal socialisme),
maar het is een elite die hen samenbundelt. In het fascisme geschiedt de
groepsvorming van bovenaf, en dat betekent dat wij te doen hebben met de
klassieke variant van het individualisme. De zaak is van boven naar beneden
gedacht.
De
fascisten spraken niet voor niets van de wedergeboorte van het Romeinse rijk!
Mussolini zag zichzelf als een caesar en hij studeerde zelfs de daarbij
behorende houdingen en gebaren in. Tekenend is ook dat de Roomse kerk als
machtsinstituut zeer gewaardeerd werd en qua organisatie zelfs ten voorbeeld
gesteld werd. Men had ook uitgesproken ideeën over de staatsinrichting.
Weliswaar varieerden die ideeën over geheel West-Europa, maar gemeenschappelijk
was toch een of andere vorm van de corporatieve staat, een soort van
standenmaatschappij. De West-Europese elites waren wel gevoelig voor het
fascisme en niet zo erg voor het nationaal socialisme, omdat het de KLASSIEKE
variant was. Het traditionele van-bovenaf-denken kon er mee uit de voeten. Het
nationaal socialisme daarentegen was gegrond op het tuig van de straat, dat
zich ten aanzien van de Weimar-republiek anarchistisch opstelde - uiteraard tot
het zelf macht kreeg. Maar de fascisten kwamen met elites en een absoluut
heersende aristocratie. Dat was een bekend geluid voor de West-Europese
bovenlaag! Het omhoog projecteren van de Germaanse nationaal-socialist had,
zoals reeds besproken, als consequentie het niet als mens beschouwen van grote
groepen van andersdenkenden. Van bovenaf gezien echter telde ieder element mee
en dus was er geen ontkenning van het menszijn . Er waren in feite slechts
politieke tegenstanders en inderdaad zag het er voor die mensen niet zo best
uit: zij werden uit de weg geruimd, maar niet omdat zij Untermenschen zouden
zijn. De agressie tegen bijvoorbeeld de Joden was in principe nauwelijks
aanwezig; de toch wel overal aanwijsbare vormen van antisemitisme hadden vooral een
politiek en economisch karakter. De basis voor vanzelfsprekende misdadigheid
was niet aanwezig. Maar gemoord werd er natuurlijk volop. Echter niet op grond
van rassen onderscheid of de overtuiging dat andere mensen geen mensen zouden
zijn. Deze verschillen moeten wij goed in de gaten hebben, temeer omdat
gaandeweg fascistische en nationaal-socialistische ideeën door elkaar heen
gingen lopen: veel nazi’s waren van oorsprong fascisten en buiten Duitsland was
er voor het nationaal socialisme bij vele fascisten nauwelijks waardering en
dat werd erger toen de Duitsers steeds meer imperialistisch werden en geen
visie op de staat bleken te hebben. Het Derde Rijk wilde de veroverde
staten niet samenbundelen tot een soort van statenbond, maar het wilde ze
inlijven - vernietigen dus. Dat stuitte overal op verzet, zelfs bij bewegingen
die zichzelf nationaal-socialistisch noemden, zoals de Nederlandse N.S.B. Deze
laatste was trouwens ook niet zo gecharmeerd van de jodenvervolging; pas
na de bezetting in 1940 werd dat programma geaccepteerd. Na de oorlog werd het
woord fascisme uitgebannen, maar op tal van gebieden heeft de
bundelingsgedachte zich doorgezet.
Fascisme/Klassiek
; fascisme : Socialisme,
Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ;
Fascisme/Klassiek
; fascisme : Socialisme,
Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ;
(Sociaal
Democratie-1 ; Sociaal Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ;
Negatief en positief moment (Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3)
Zoals altijd het geval is als er een nieuwe geest
in de mensheid gaat waaien, treedt er ook bij het doorbreken van het besef van
het individuele een negatief moment op, naast een positief. Maar beide zijn
toch tekenen van dat doorbreken. Zo zijn fascisme en nationaal socialisme
allebei negatieve momenten, terwijl van diezelfde zaak het socialisme,
communisme en het sociaal-democratische positieve momenten zijn. Hieruit volgt
dat het fascisme en het nationaal socialisme zowel vijandig staan ten opzichte
van de klassieke elites als ten opzichte van socialisme, communisme en de sociaal
democratie. Zij wijzen de bestaande toestand af. Desondanks zijn zij ook
weer verschillend: het nationaal socialisme gaat uit van het volk, maar het
fascisme van de staat. Dat laatste is op zichzelf ook autoritair, maar men
dacht niet aan de bestaande staat; Het ging om de voor-Europese-staatsvorm,
bijvoorbeeld die van de Romeinen. Ga je uit van de staat, dan kom je terecht
bij het volk; ga je uit van het volk, dan kom je bij de staat terecht. In het
negatieve moment is de staat absoluut en autoritair en het volk moet zichzelf
bundelen of het moet gebundeld worden. Resultaat: blinde gehoorzaamheid, een
militaristische gesteldheid, mannelijke hardheid en absolute intolerantie.
Bovendien is er de liefde voor het uniform en het marcheren, terwijl allerlei
vaandels en vlaggen als heilige symbolen worden beschouwd. De
vertegenwoordigers van het negatieve moment zijn als machtsfactor tijdens de tweede
wereldoorlog uitgeschakeld, maar veel van hun opvattingen zijn nog overal
waar te nemen, vaak ondergedoken in de sociaal democratie. Zo zijn er in
het zogenaamde alternatieve denken, waarin (terecht) de moderne denkmodellen
bekritiseerd worden, vele aspecten die bij dat negatieve moment behoren, voor
zover men probeert de zaak politiek te vertalen. Denk maar aan sommige ideeën
van groene partijen. De romantische hang naar de natuur, het landleven en oude mystieke voorstellingen is hiervan een
uiting. Kenmerkend is de afkeer van het denken: of men gaat over tot mystiek gedroom, of men wenst handelend
op te treden, maar in beide gevallen blijft het denken onderontwikkeld.
Socialisme (Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3)
Eigenlijk is het socialisme de essentiële
uitdrukking van het positieve moment. Ik leg nogmaals de nadruk op het feit,
dat het gaat om het individuele wakker worden van de gewone mensen, het volk.
We hebben dus te doen met een beweging van onderaf. Bij de elites was
het individuele al lang doorgebroken; het liberalisme is hiervan een uiting. Maar
als socialisme zet de zaak zich van onderaf door en hij houdt in: IK ben er, en
als IK er ben, ben JIJ er vanzelfsprekend ook. Uiteraard is dit een positieve,
bevestigende gesteldheid. In de praktijk vertoont zich dit in de vorm van de sociaal
democratie en niet, zoals veelal gemeend wordt, in antikapitalisme. Het
kapitalisme is nergens door de socialisten feitelijk bestreden, zij hebben het
aan zichzelf aangepast zodat het een kapitalisme van onderaf is geworden. Het
is namelijk niet mogelijk, in dit stadium van de individuele ontwikkeling,
niet-kapitalistisch te zijn. Dat blijkt zelfs uit de huidige ontwikkelingen in
Oost-Europa en in de Sovjet-Unie. Socialisme is het er zijn van IK en JIJ, als
positief moment van het individuele. Het is hierbij de vraag welke inhoud men
vervolgens geeft aan die IK en die JIJ. Fascisten en nationaal-socialisten
staan hier negatief tegenover, kunnen het echter niet ongedaan maken en nemen
dus hun toevlucht tot het letterlijk en figuurlijk uniformeren van IK en JIJ.
Maar anderen kijken er positief tegenaan.
Communisme
De inhoud van de communistische gedachte is deze,
dat IK en JIJ zouden moeten opgaan in het geheel, als zouden beiden cellen zijn
van één levend organisme. Daarbij gaat het natuurlijk om dat organisme, dat
levende geheel. Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat er een elite
ontstaat, die dat geheel vertegenwoordigt en dat de cellen (ik en jij) daaraan
ondergeschikt gemaakt worden, zodat het praktische resultaat is dat wij niet
zozeer opgaan in het geheel, als wel er in Ondergaan. In zoverre speelt het
negatieve moment wel degelijk mee, maar het is niet de basis van de
communistische ideologie. Door dit meespelen echter vertoont bijvoorbeeld de
Sovjet-Unie duidelijke fascistische en nationaal socialistische trekjes -
hetgeen natuurlijk hartstochtelijk ontkend wordt en zelfs als beledigend wordt
beschouwd! Welbeschouwd echter is de gedachte van het opgaan in het geheel een
juiste gedachte, mits men inziet dat alleen maar volledig tot hun recht komende
individuen kunnen opgaan in het geheel. Maar daarvan is voorlopig nog geen
sprake: men vreest een dergelijke individu als de pest, met een afschuwelijke,
benauwde burgerlijkheid. Maar, toegegeven moet worden dat dit slechts (!) het
mééspelen van het negatieve moment is en daarom is er van het zogenaamde
communisme best wel wat te verwachten op den duur. Ook in het communisme is het
kapitalisme aangepast; het geldt ook van onderaf, om vervolgens toegeëigend te
zijn door de elites van de partij. Wij komen hierop nog terug.
(Sociaal
Democratie-1 ; Sociaal Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ;
De
sociaal democratie
Sociaal Democratie-1 ; Sociaal Democratie-2 ; Sociaal
Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal
Democratie-5 ; Parlementaire Democratie ;
Het mééspelen van het negatieve moment is ook in
de sociaal democratie te herkennen, echter niet als een belemmeren van
de individualiteit (een ieder mag zich vrijelijk ontplooien), maar als een
verengen van IK en JIJ tot alleen maar machtsfactoren. Wij maken zelf een keuze
uit het aanbod van machtzoekers, maar dat wij zouden méé besturen is een
fictie, die het gevolg is van een laag denkniveau van de Westerse mens. Vanuit
de Angelsaksische gesteldheid wordt bestuur vereenzelvigd met macht en daardoor
wordt de individu tot een machtsfactor in plaats van een medewerker. Een ander
voorbeeld is het meerderheids denken, waarin het niet gaat om de inbreng van
elk individu, op grond van zijn inzichten en bekwaamheden, maar om het aantal
individuen dat bereid is een plan of een programma te ondersteunen. In de
Nederlandse politiek zien wij tegenwoordig duidelijk dat er blokvorming plaats
heeft en andere meningen in een politieke groep geweerd worden: de individu als
machtsfactor!
Een
verwarrende zaak ( lees ook het voorgaande)
Alles bij elkaar hebben wij dus te doen met een
vijftal grondpatronen, te weten: 1. socialisme, 2. communisme, 3. fascisme, 4.
nationaal socialisme en 5. sociaal democratie. Het 3e en het 4e patroon
zijn negatief, maar de andere drie zijn hiervan ook niet geheel vrij, omdat het
allemaal tot één zaak behoort. De verwarring op dit terrein is dan ook erg
groot en meestal weet men geen raad met al die verschillende verschijnselen.
Duidelijk zal echter zijn dat fascisme en nationaal socialisme pas dan
effectief konden worden toen er eenmaal sterke socialistische en communistische
stromingen ontstaan waren. Hierin immers manifesteerde de individu concreet
zichzelf. Maar veel van deze individuen vonden geen houvast in hun nog nieuwe
en kinderlijke besef, zodat zij zich maar al te graag bij de vertegenwoordigers
van het negatieve lieten inlijven. Zelfs veel anarchisten en nihilisten sloten
zich daarbij aan; Hitler noemde zichzelf aanvankelijk anarchist en Mussolini
was een overtuigde en actieve socialist en voor beiden gold dat zij de
weg van de absolute macht en van het imperialisme opgingen en
dus het negatieve kozen.
Sociaal Democratie-1 ; Sociaal Democratie-2 ; Sociaal
Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal
Democratie-5 ; Parlementaire
Democratie ;
(Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3) ;
Fascisme/Klassiek
; fascisme : Socialisme,
Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ;
Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m18, 20 en 21, 37, 44, 48
en 68
no.
22 (Rechtvaardigheidsgevoel / de
Rechtsstaat / Recht en Wet zijn steeds instrumenten / lees nrs. 22 t/m 27)
(Sociaal
Democratie-1 ; Sociaal Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ; Rechten van de Mens-1
; Rechten van de
Mens-2 ;
De rechtsstaat
Je zou je kunnen afvragen of de term sociaal
democratie wel de juiste benaming is voor de moderne Angelsaksische staat.
Misschien is het beter van een rechtsstaat te spreken. Het bezwaar van deze
laatste benaming is echter dat het begrip rechtsstaat eigenlijk voor elke staat
van elke tijd geldt. De overheden van alle staten beroepen zich op het recht;
het is zelfs één van de gronden voor de rechtvaardiging van de eigen macht. Je
kunt zeggen: recht en wet zijn steeds instrumenten, die de
machthebbende elites gebruiken om de samenleving te overheersen. Dus is de term
rechtsstaat in wezen een loze term, die altijd weer de vraag oproept: over welk
recht heb je het en in hoeverre geldt dat recht? Ik heb de moderne staat een sociaal
democratie genoemd omdat in zo’n staat de sociale en zelfs wel
socialistische beginselen de maat der dingen zijn, ongeacht de vraag of men
zich socialist wenst te noemen of niet en ongeacht de vraag wat er van
terechtkomt. Zoals al eerder gezegd: alle politieke partijen zijn min of meer
socialistisch bezig. Men kan daar niet meer omheen omdat de gedachte als IK er
ben, ben JIJ er ook tot het zelfbewustzijn van de mensen doorgedrongen is. Het
woord sociaal democratie wordt gewoonlijk opgeëist door de socialistische
partijen, maar dat is, volgens bovenstaande gedachtegang, niet terecht. De
staatsopvatting van de socialisten verschilt niet wezenlijk van die van de
liberalen of confessionelen. In hoofdzaak beperken de verschillen zich tot de
economische opvattingen, althans, in de praktische uitwerking daarvan. Want het
basisprincipe, namelijk dat van de noodzakelijk geachte groei van de markt,
wordt door allen onderschreven. Bij vergelijking van de verschillende
verkiezingsprogramma’s valt de overeenkomst meer op dan het verschil en als er
al een partij is, die op een belangrijk punt echt een ander standpunt inneemt,
bijvoorbeeld ten aanzien van de bewapening, is dat steevast een kleine partij.
Het stemgedrag van de bevolking moet volgens mij dan ook eerder verklaard
worden uit ingeprente (geconditioneerde) tradities, dan uit politieke
standpunten - om van een visie op maatschappij en samenleving maar helemaal te
zwijgen!
Het officiële recht
Gewoonlijk wordt de geschiedenis van het recht
beschreven vanuit dat recht zelf. Als vanzelfsprekend gaat men er van uit dat
er in de mensen een soort rechtsbesef zou leven en dat dit besef almaar
helderder wordt. Ter ondersteuning van deze gedachte laat men dan zien hoe de
zaak zich ontwikkeld heeft van de Oudheid, via het Romeinse recht naar de
moderne inzichten, en men wijst er op dat in het moderne recht een principiële
gelijkheid aanvaard wordt van alle individuen. Het is inderdaad een feit dat
wij zo langzamerhand tot dat inzicht zijn gekomen. Dat blijkt onder andere uit
de formulering van de rechten van de mens,
door de Verenigde Naties in 1948. Door de beschrijving vanuit het recht zelf
ontstaat de indruk dat we te doen zouden hebben met een ideële zaak, die in
zekere zin vooruitloopt op de praktische ontwikkelingen in de samenleving, een
zaak die zelfs bij de mensen afgedwongen zou moeten worden ter wille van de
humaniteit. Die indruk wordt versterkt door het feit dat aan de rechts-
instituten de macht wordt toegekend om zaken te kunnen afdwingen, bijvoorbeeld
via de justitie. We spreken dan ook van de rechterlijke macht. Men ziet blijkbaar het recht
als een hogere norm waaraan de mensen onderworpen moeten zijn. Een norm, die al
denkend tot bewustzijn wordt gebracht en die als een geestelijke waarde
uitgewerkt, geformuleerd en afgedwongen moet worden. Al met al blijken wij weer
met een denken-van-bovenaf van doen te hebben en ook hier is het de vraag of de
gegeven voorstelling de juiste is.
Recht en ethiek
Je kunt je afvragen waarom het recht en de ethiek
inhoudelijk zijn zoals ze zijn. Dat betekent dat hier de vraag ligt: waardoor
worden beide qua inhoud gerechtvaardigd. Als gesteld wordt dat je een ander
mens niet mag aantasten kan je vragen: waarom niet? Meestal wordt op deze vraag
een causaal antwoord gegeven en dat komt er bijvoorbeeld op neer dat anders het
eind zoek zou zijn, of dat je anders van je eigen leven ook niet zeker kunt
zijn, of dat wij geen dieren zijn. De geleerden in de ethiek en in het recht
houden het liever op een soort van ingeboren hogere redelijkheid of op de door
god aan de mens geopenbaarde wetten. Hoe dan ook, noch het recht, noch de ethiek kunnen zichzelf rechtvaardigen,
omdat ze geen van tweeën een onbetwistbaar uitgangspunt hebben. Ze nemen hun
toevlucht tot een of andere grootheid, waarvan ze aannemen dat die bestaat en
dat die, zonder uitzondering, geldt voor alle mensen. Gedachteloos wordt die
grootheid gezocht in de menselijke geest en bijgevolg wordt er zonder meer van
uitgegaan dat intellectueel ontwikkelde mensen hiermee het best vertrouwd
zullen zijn en er steekhoudende dingen over kunnen zeggen. Dit nu is in strijd
met de feiten, ook in historisch opzicht. Het door de mensen aanvoelen van wat
recht en ethisch is komt niet voort uit de menselijke geest, noch is
het een resultaat van voortschrijdend denken(ontwikkeling
v/h), maar ligt besloten in het
bewustzijn dat via de psyche
voelbaar is. Wat recht is en wat ethisch wordt door de mensen gevoeld en de
inhoud van dat gevoel is dat je het hebt te laten de werkelijkheid te
verbreken. Als bewustzijn is die werkelijkheid één geheel waarin alles tot zijn
recht (!) moet komen. Omdat het bewustzijn zich laat aanvoelen is het geen
intellectuele zaak, maar een psychische en alleen van daaruit kunnen er zinnige
dingen over gezegd worden.
De mensen hebben goed en kwaad, recht en onrecht
steeds aangevoeld. Omdat dit een aanvoelen is, een zaak van de psyche,
heeft het steeds los gestaan van de geldende cultuurmodellen. Die immers zijn
een geestelijk goed, een inhoud van het zelfbewustzijn. Tot die inhoud kan best
een heldere en redelijke formulering en toepassing van recht en ethiek behoren,
maar dan nog blijven beide een psychische zaak. Dit verklaart waarom de gewone
mensen hun recht altijd weer hebben moeten bevechten, moeten afdwingen van de
heersende elites. Ook het taalgebruik wijst daarop: je moet je recht halen, je
kunt je recht krijgen en recht hebben op... . Blijkbaar beseffen de mensen dat
er geen recht IS als je het niet op de een of andere manier afdwingt. Uit de
geschiedenis blijkt dat alle recht chantagerecht is: de gewone mensen hebben de
elites met het een of ander gechanteerd zodat zij stap voor stap moesten
toegeven. Bekend is het afdwingen van privileges door de opkomende burgerij en
tekenend is dat je het woord privilege moet vertalen met voorrecht. Er werden
GUNSTEN afgedwongen. In een grijs verleden zijn er machthebbers ontstaan, die
de mensen, doorgaans met geweld, hebben duidelijk gemaakt dat zij de baas
waren. Steeds weer blijkt dat die mensen dat niet begrepen en dat zij voelden
zich te moeten verzetten. Daar ligt de werkelijke grond voor het recht en niet
bij datgene dat die machthebbers decreteerden. Door het voortdurend aanvoelen
van wat recht is door de gewone mensen is er enigszins recht gekomen in de
wereld en de intellectuele elites hebben dit recht pas erkend toen zij er mee
gechanteerd konden worden. En dat is ook thans nog het geval: het recht op
abortus en euthanasie, op dienstweigeren en op bestaansmogelijkheden, op vrije
ontplooiing en op kennis, het is allemaal bevochten op o zo ethische en
rechtvaardige elites, die recht en ethiek volgens hun denkmodellen formuleerden
en als de maat stelden.
(Sociaal
Democratie-1 ; Sociaal Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ; Rechten van de Mens-1
; Rechten van de Mens-2
;
Het recht als een psychische zaak
De werkelijkheid als bewustzijn is de
werkelijkheid, die als een trillende verhouding zichzelf kenbaar maakt doordat
zij zichzelf als samengestelde materie (= het verschijnsel) laat meetrillen.
Dat meetrillen op zichzelf is het psychische, dat in de mens voor de dag komt
als een allesomvattende zaak, maar dat in de overige levende natuur in relatief
beperkte mate aanwezig is. Het bewustzijn, die trillende werkelijkheid dus, kan
door de mensen vanuit het zelfbewustzijn aanschouwd worden en is dan een
geestelijke zaak, en het wordt door de mensen gevoeld omdat zij als
verschijnsel tot meetrillen geraken. Dit laatste is onvermijdelijk, d.w.z. het
is er altijd, maar de interpretatie van dat voelen verschilt van tijd tot tijd,
van cultuur tot cultuur, omdat het interpreteren van het gevoel weer een zaak
van het zelfbewustzijn is. Omdat dit laatste het geval is, kan je in het
algemeen zeggen: hoe minder een mens onder de macht van het eigen
zelfbewustzijn staat, hoe zuiverder het interpreteren van het gevoel is. Beter
is wellicht nog om te zeggen: hoe meer de mensen het gevoel laten gelden als
iets vanzelfsprekends. Hoewel het recht als geestelijk goed een stelsel is van
door de mensen uitgedachte normen, zodat het op het terrein van het zelfbewuste
ligt, is het rechtsgevoel een psychische zaak. En dat rechtsgevoel komt steeds
het sterkst naar voren bij de gewone mensen. Dus bij de mensen die weinig onder
de druk van de zelfbewuste cultuur staan. Hier ligt de verklaring voor het feit
dat de zogenaamde rechten steeds van onderaf door de mensen afgedwongen zijn
van de cultuurelites. Die elites hebben, bij wijze van spreken, de rechten
nooit voor de mensen voor geleefd, al hebben zij wel vaak geprobeerd die indruk
te wekken. Talloos zijn de historische voorbeelden waaruit blijkt dat die
elites, als het er op aan kwam, voor zichzelf toch een ander recht lieten
gelden, gebaseerd op het voor hen vanzelfsprekende feit de macht in handen te
hebben. Van die macht is langzamerhand steeds meer afgeknabbeld en die
prijsgegeven elitaire rechten zijn daarna geformuleerd, in wezen meer om
zichzelf tegen een nog groter verlies van rechten te beschermen, dan om
rechtvaardig te zijn tegenover het volk. Het is dan ook niet verwonderlijk dat
het geldende recht meer bescherming biedt aan de gevestigde machten en de
daarbij behorende belangen (bezit onder andere) dan aan de gewone mensen.
Het
samengaan van recht en macht
In de moderne democratie wordt als principe
gesteld dat het recht onafhankelijk zou zijn. Zelfs de zogenaamde overheid moet
voor dat recht bukken. Tegelijk echter wordt het geldende recht door diezelfde
overheid geformuleerd, in de vorm van wetten en in de vorm van interne
voorschriften die een minister van justitie aan de recht handhavers doet
uitgaan. Die recht handhavers staan weliswaar tegenover de rechters, maar zij
zijn het toch wel die in eerste instantie bepalen of er al dan niet inbreuk op
de rechtsregels is gepleegd. Daarom: de beoordeling van strafbaarheid of
rechtmatigheid ligt wel in handen van de rechter, maar de formulering van het
recht niet. Als wij nogmaals bedenken dat alle zogenaamde recht afgedwongen
is van machthebbers, en dat dit tot en met vandaag het geval is, dan zal het
duidelijk zijn dat macht en recht bij elkaar behoren en dat wij het recht
zouden kunnen omschrijven als geformuleerde en vastgelegde prijsgegeven macht.
Dat houdt echter in dat wij het recht moeten zien als een tijdelijk verschijnsel,
slechts geldend voor zover en zolang de mensen nog onvolwassen zijn en
als gevolg daarvan machten en machthebbers boven zich dulden.
Hiermee vervalt bijgevolg ook de verheven status van het recht, als zou het in
principe absoluut zijn.
De waardering van het recht
Uit het voorgaande zou je kunnen afleiden dat het
geldende recht op geen enkele waardering aanspraak zou kunnen maken. Dat zou
echter een grote vergissing zijn. Er is namelijk een samengaan van macht en
recht en in dat samengaan fungeert het recht als tegenpool, als een
voortdurende weerstand tegen de macht. Het recht beknot wezenlijk de macht, ook
die van de mensen onderling. De macht, die je bijvoorbeeld hebt om je medemens
te doden, wordt vrijwel geheel geneutraliseerd door het geldende recht. Dat
betekent dat het recht de verhoudingen tussen de mensen onderling
reglementeert. Die mensen leven allemaal in een onvolwassen wereld, die op alle
mogelijke manieren bedreigend is. Tegen die bedreigingen biedt het geldende
recht een zekere mate van bescherming; het stelt, althans in de moderne
democratie, het leven van de individuele mensen tot op grote hoogte veilig.
Juist omdat wij in een onvolwassen wereld leven, en recht dus onlosmakelijk
verbonden is met macht, is het bestaan van het recht te waarderen als een goede
zaak. Omdat een onvolwassen wereld onvermijdelijk een machtswereld is, is het
goed dat het tegelijk een rechtswereld is. We hebben in het recente verleden
gezien - en we zien op allerlei plekken op de wereld nog steeds - dat er van de
betrekkelijke veiligheid van het individu niets over blijft als het recht
verkracht wordt. Denken wij eens aan de slaven in het Romeinse Rijk: voor die
mensen was het een zegen dat er in het Romeinse recht aan hen ook rechten
werden toegekend. Dat die rechten tot stand gekomen waren vanuit politieke en
economische motieven van de heersende elites, doet in de praktijk niet af aan
het feit dat die slaven in ieder geval enige rechten hadden. Hetzelfde geldt
voor de negerslaven in Amerika. De motieven voor hun bevrijding waren
zelfzuchtige: een (honger)loon betalen aan een zwarte arbeider werd gaandeweg
goedkoper dan een slaaf met eventueel diens gezin in leven houden en onderdak
verlenen! De economische en politieke argumenten gaven en geven bij de machthebbers
de doorslag bij het toekennen van rechten, maar het tot bewustzijn komen van
die rechten en het opeisen daarvan gebeurt vanuit de onderliggende en
onderworpen groepen van gewone mensen.
Waarom is het recht een psychische zaak?
Hopelijk heb ik duidelijk kunnen maken dat een
mens, voor zover die psychisch is, de werkelijkheid als bewustzijn aanvoelt.
Wat voel je dan aan? Je voelt aan dat de werkelijkheid bestaat uit een groot
aantal verschijnselen, waarvoor geldt dat die allemaal tot hun recht moeten
komen, en dat al die verschijnselen onlosmakelijk met elkaar samenhangen. Tot
hun recht komen houdt in: getrouw zichzelf zijn. Dat laatste, met het onderling
samenhangen, is de meest essentiële karakteristiek van de werkelijkheid, voor
zover het gaat om het bestaande en dus de werkelijkheid als het begrip inhoud.
Psychisch zijnde voelt een mens dus deze karakteristiek aan als het wezenlijk
rechtvaardige milieu om in te leven. Dat milieu behoeft niet geregeld te worden
in de vorm van een recht, het behoeft er alleen maar te zijn en in alles tot
gelding te komen. De samenhang tussen de afzonderlijke verschijnselen is niet
een gevolg van iets - het recht bijvoorbeeld - maar het is een gegéven dat
almaar in alles blijft doorwerken en steeds weer de kop opsteekt in de vorm van
een rechtsgevoel en een behoefte aan rechtvaardigheid. Ontwikkeling van
rechtsgevoel en rechtvaardigheid is onmogelijk omdat beide een gegéven
karakteristiek van de werkelijkheid zijn. Wat wij ontwikkeling plegen te noemen
is het steeds weer de kop opsteken van dat gegeven, met als gevolg dat het
pakket van afgedwongen rechten zich almaar uitbreidt. Het gaat over steeds méér
rechten en dat is op zichzelf dus een kwantitatieve aangelegenheid.
Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2
; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
; Gekwetst
worden ; Vernederd en gekwetst ; Gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel ;
In ons land valt het mee
Ik heb er op gewezen dat het recht in deze wereld
nog steeds voorkomt in de sfeer van de gunst. Je mag blij zijn dat je een groot
aantal rechten hebt. Bovendien wordt de inhoud van het recht bepaald door de
overheden en niet door onafhankelijke rechters. Deze laatsten zijn er slechts
om het gelden van het recht, de toepassing daarvan, te toetsen en, waar nodig,
correcties aan te brengen. Die toetsing dient onafhankelijk te zijn, en het is
een feit dat in een land als het onze daaraan redelijk goed de hand wordt
gehouden. Je zou het zo kunnen zeggen: in ons land heb je er betrekkelijk
weinig last van dat recht en macht samengaan, maar dit feit mag niet verhullen
dat wij toch met een complex van gunsten van doen hebben als het over ons recht
gaat. Dat recht wordt toegekend; je mag er aanspraak op maken. Wat die onafhankelijkheid
van de rechters betreft kunnen wij stellen dat die bij ons behoorlijk groot is,
maar het is toch tekenend dat er zo bij tijd en wijle gevallen in het nieuws
komen, die blijk geven van een belangenverstrengeling tussen bedrijfsleven,
overheid en confessie enerzijds en de onafhankelijke rechter anderzijds. Ook
gaan er toch steeds weer stemmen op over klassenjustitie, maar ook wat dat
betreft valt het allemaal wel mee, zeker als je een vergelijking met het
buitenland maakt. Wat men klassenjustitie noemt is doorgaans een aanvoelen van
de sfeer van het recht, de sfeer van de gunst van bovenaf. Dat die sfeer
voelbaar is moge blijken uit het feit dat rechters en daaromheen actieve
figuren, zich tooien met bepaalde tekenen der waardigheid, hun toga en
dergelijke. Als mogelijk symbool van rechtvaardigheid heeft zoiets geen
betekenis, maar als symbool van verhevenheid des te meer. Dat is een zaak die
menselijk niet deugt, niet omdat men in die verhevenheid (uiteraard) tekort
schiet, maar omdat verhevenheid op zich onzinnig is en niets met
rechtvaardigheid te maken heeft.
Rechtvaardigheid
Zoals gezegd is het rechtsgevoel een psychische
kwestie. De mensen voelen het, zij het gewoonlijk uiterst flauwtjes, aan. Omdat
die zaak psychisch is komt daarin de werkelijkheid zelf voor de dag, terwijl
het ons zelfbewustzijn is dat die werkelijkheid vertekent, wegdrukt en daarna
verstandelijk interpreteert. Geen wonder dus, dat het resultaat een ratjetoe
is! Maar, ratjetoe of niet, voor die werkelijkheid gelden twee essentiële
begrippen: ten eerste tot zijn recht komen en ten tweede onderling samenhangen.
Voor zover nu de mensen geïnspireerd worden door deze twee begrippen, die
tegelijk en met elkaar verweven op moeten treden, spreek ik van
rechtvaardigheid. Dit sluit aan bij de praktijk: mensen zijn gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel
als zij, of een ander, niet tot zijn recht kunnen komen en hetzelfde is het
geval als zij, of anderen, buitengesloten worden. Vooral bij kinderen is waar
te nemen dat het steeds om deze zaken gaat. Dat het rechtvaardigheidsgevoel
juist bij kinderen zo opmerkelijk is, is op zichzelf ook een aanwijzing voor
het feit, dat wij te doen hebben met voor de werkelijkheid zelf geldende
verhoudingen, die zich niet lenen voor beïnvloeding of ontwikkeling. Zij kunnen
alleen maar bevrijd worden van, door het cultuur denken ingegeven, frustraties.
Dus: juist omdat de rechtvaardigheid een gegeven verhouding is, steekt zij
steeds weer de kop op, en wel precies daar waar de onderdrukking ondraaglijk geworden
is. Helaas betekent dit ook dat er in een redelijk functionerende rechtsstaat,
waarin men van de onderdrukking weinig last heeft, nauwelijks inspiratie geput
wordt uit het rechtvaardigheidsgevoel.
Het heeft zin om er, in verband met het in de
mensen aanwezige Rechtvaardigheidsgevoel,
op te wijzen dat dit gevoel niet alleen weggedrukt kan worden, maar ook
gemanipuleerd. Dit manipuleren geschiedt natuurlijk vanuit het zelfbewustzijn.
Je doet het voorkomen alsof je de belemmeringen wegneemt en vervolgens richt je
het rechtvaardigheidsgevoel, dat min of meer vrijgekomen is, op een bepaald
doel. Je wijst bijvoorbeeld schuldigen aan, of vijanden of tegenstellingen. De
Joden zijn de schuld van de misère, de Russen willen ons vernietigen en de
Albigensen (ketters) zijn volgelingen van de duivel! Inderdaad heb je dan het
gevoel van de mensen wakker geroepen, je hebt ze rechtvaardigheid gesuggereerd.
Maar in feite heb je de mensen hysterisch gemaakt, zodat ze je blindelings, als
in een roes, zijn gaan volgen. Het behoeft geen betoog dat dit zogenaamde
Gesundes Volksempfinden in plaats van gezond griezelig ongezond is. Het heeft
dan ook niets te maken met het rechtvaardigheidsgevoel waarover wij op dit
moment nadenken. Dit immers moet geheel en al vrij zijn, wil het voor de
mensheid betekenis hebben. Deze vrijheid is slechts mogelijk bij volwassen
mensen. Voor dat het zover is kunnen wij niet anders dan het recht respecteren
en uitbreiden. Uiteraard legden de nationaal-socialisten de nadruk op het
gevoel vanuit het volk, dus het gevoel van onderaf, als zou dat iets nieuws
zijn. Maar het aardige van het recht is, dat dit altijd al van onderaf
gerealiseerd is! Daarvoor hebben wij geen ontwakend Germaans besef nodig.
Rechtvaardigheidsgevoel
en misdadigheid
Een moeilijk punt is altijd het vraagstuk van de
misdadigheid. Als rechtvaardigheid in de mensheid is gaan gelden, en het recht
geen functie meer heeft, komt er dan nog misdaad voor en wat moet je er dan
mee? Welnu, het is niet denkbaar dat er dan geen misdaad zal zijn. Je moet dan
ook de vraag stellen: hoe groot zou de kans op het zich doorzetten van de
misdaad zijn. En dan moet het antwoord zijn: uiterst klein. Om dit in te zien,
moet je je goed indenken waarom het gaat. We spreken over een wereld waarin
beide, het tot zijn recht komen en het onderling samenhangen van kracht zijn.
In zo’n wereld is al onmiddellijk één essentiële voorwaarde tot het zich
ontwikkelen van misdadigheid komen te vervallen, namelijk het individuele
isolement. Het niet, of in geringe mate bij elkaar behoren van de individuen is
voor misdadigheid een basisvoorwaarde. Misdaad immers is het verbreken van het
geheel en dat herkennen wij nog in de Duitse taal: das Verbrechen. Gezien
vanuit de samenleving, als die volwassen is, behoort misdaad tot de
onmogelijkheden, maar gezien vanuit de individuele mens ligt het anders. Het
kan in iemand fout zitten. Maar vanuit het tot zijn recht komen komt dit al in
een vroeg stadium voor de dag, terwijl vanuit de onderlinge samenhang een
voortdurende bijsturing plaats vindt. In een dergelijke situatie vervalt het
onverwachte en verborgen karakter van de misdaad. Men heeft zoiets al lang zien
aankomen en er ook voortdurend rekening mee gehouden. Een misdadige gesteldheid
heeft nauwelijks kans zich te ontwikkelen, en dat is precies het tegengestelde
van de situatie waarin wij thans leven: vrijwel iedereen is van de andere
mensen geïsoleerd, vrijwel niemand leeft met de anderen méé en ook kan vrijwel
niemand tot zijn recht komen. Dit laatste betekent in dit verband, dat een
misdadige aanleg verborgen blijft, in de opvoeding weggedrukt wordt zodat hij
niet aanwezig schijnt te zijn, om dan plotseling, onverwacht en in het geniep,
los te breken. En dan weten wij niets anders te doen dan de misdadiger nog meer
te isoleren: de gevangenis. Consequent gedacht vanuit de rechtvaardigheid is
zoiets in een volwassen wereld onmogelijk.
Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Gekwetst worden ; Vernederd en gekwetst ; Gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel ;
Rechters-1-nr. 5 ; Rechters-2-nrs. 23 en 24
Bladwijzers: Algemeen belang-1
; Algemeen belang-2
; Algemeen belang-3
; Algemeen belang-4
;
Het vooruitgangsgeloof
De meeste denkers uit de 19e eeuw waren van mening
dat de mensheid langzaam maar zeker op weg zou zijn naar een betere wereld.
Uiteraard zou die betere wereld het gevolg zijn van een grotere ontwikkeling
van de individuele mensen en dus was het zaak die ontwikkeling te stimuleren.
Daarbij verwachtte men alles van de zogenaamde redelijkheid, en men stelde zich
daarbij voor dat de mensen hun zaken meer en meer objectief zouden gaan
benaderen en beoordelen. Als maatstaf voor die objectiviteit zou dan de wetenschappelijke
denkmethode moeten dienen, omdat men in de mening verkeerde dat de formule 2 x
2 = 4 een algemene geldigheid bezat, zodat die formule, namelijk die van de
onloochenbare waarheid, de maat zou kunnen zijn voor het denken van de mensen.
Afgewezen werden dus zaken als intuïtie, gevoel, inzicht en inspiratie, ze
zouden te persoonlijk te subjectief zijn, en dus niet voor de waarheid deugen.
De zakelijke werkwijze van de toenmalige wetenschap, die er op neer kwam dat
het denken zijn eigen weg zou kunnen volgen ONGEACHT de denker zelf, werd als
ideaal gezien en men dacht dat het geleidelijk aanleren daarvan door de
volgende generaties de weg zou openen naar een betere wereld. Van die betere
wereld maakte men zich uiteraard allerlei voorstellingen, die in het beste
geval, namelijk bij de sociaal bewogen denkers, een grote mate van vrijheid en
gelijkheid voor de mensen inhielden. Men ging zelfs zover, dat men de staat en
de overheid wegdacht en deze verving door associaties, op alle mogelijke
grondslagen, van vrije mensen, die allemaal in staat waren zichzelf weg te
cijferen ter wille van het algemeen
belang. Er bestaat over deze utopieën een hele massa literatuur. Ook
tegenwoordig nog beweegt het weer opgeleefde anarchistische denken zich
voornamelijk op het terrein van de mogelijke organisaties, waartoe vrije mensen
in de toekomst zouden kunnen komen. Voor ons is echter van belang dat er
onveranderlijk iets van de mensen verwacht wordt, iets dat de mensen op den
duur zouden kunnen léren en dat je hen dan ook zou moeten aanleren. Er moet dus
als het ware iets aan de mensen toegevoegd worden, iets dat tot nu toe nog niet
aanwezig zou zijn. Intussen is dat vooruitgangsgeloof door de meeste moderne
denkers te water gelaten. De mode is thans het denkbeeld dat er absoluut geen
vooruitgang te bespeuren valt, dat men nooit iets leert van de geschiedenis
(wat inderdaad zo lijkt te zijn!) en dat wezenlijk almaar dezelfde patronen
zich herhalen. Nadenken over vooruitgang vindt men dan ook zinloos, en het zou
gebaseerd zijn op geloof in plaats van feiten. Opmerkelijk is daarbij dat men,
om aan te tonen dat er geen vooruitgang zou zijn, met feiten aan komt dragen
die met het al of niet aanwezig zijn van een positieve ontwikkeling niets te
maken hebben: economische en politieke feiten, waarvan gezegd kan worden dat
die nu juist het gevolg zijn van een volkomen vastgelopen denken. Hierbij zijn
dus niet de feiten maatgevend (die zijn inderdaad afschuwelijk), maar het
vastgelopen-zijn. En dat wil men doorgaans nu juist niet zien! Anderzijds meent
men dan weer dat wetenschap en technologie wel vooruitgang boeken en alweer,
men somt dan de feiten op en wijst tevreden op het vermeerderen van onze
kennis. Juist dat vermeerderen echter heeft niets met een al of niet optredende
vooruitgang te maken! Of men nu al of niet de vooruitgang afwijst, steeds zijn
die opvattingen gebaseerd op een foutieve beoordeling van onze werkelijkheid en
daarmee hangt samen dat men voortdurend van bovenaf denkt, eisen stelt naar
beneden toe en steevast de ervaring opdoet dat aan die eisen niet voldaan
wordt, ondanks het feit dat de redelijke ontwikkeling van de (moderne) mensen
op een veel hoger plan is gekomen sinds de vorige eeuw. De vervulling van de
droom der rede heeft dus in feite een gigantische teleurstelling opgeleverd.
Blijkbaar red je het niet met het leren werken met de rede en heeft er in de
mensen een ander proces plaats.
Toch
worden de mensen volwassen
Als ik nu beweer, dat op den duur de mensen
volwassen zullen worden en dat je dat proces overal en voortdurend in de
mensheid kunt waarnemen, dan baseer ik die bewering op geen enkele EIS aan de
mensen. Ze moeten dus niets leren inzien, nergens toe opgeleid worden en zich
geen enkele denkwijze eigen maken. Al die eisen komen vanuit de hogere sferen;
van het zelfbewuste, cultuurgebonden, intellect. Inhoudelijk kunnen die eisen
soms wel houdbaar zijn, maar de fout zit hem dus hierin dat zij als eisen
gesteld worden. Je moet dus uitgaan van de gegeven structuur van de mensen en
dan ook nog bij voorkeur van de - al eerder besproken - gewone mensen,
ongeacht de vraag of je datgene dat die mensen vertonen nu zo aangenaam vindt
of niet. Het volwassen
worden van de mensheid is derhalve geen wens van mij, of iets
waarnaar ik verlangend uitzie, maar een proces dat je zakelijk kunt ontdekken -
als je weet waar je op moet letten. In de filosofie is men nooit van die gewone
mensen uitgegaan; wat valt er nu aan de slager op de hoek te bedenken, behalve
dat je er een lapje vlees kunt gaan halen? Economisch is die slager desnoods
interessant en eventueel sociologisch ook nog wel, maar daarmee houdt het op.
De door de socialisten zo beminde proletariërs bijvoorbeeld moesten wel aan een
aantal eisen voldoen om van belang te worden gevonden. Als gewoon mens moet je
steeds wat om mee te kunnen tellen en dus word je zelf niet beschouwd als een
zinvol uitgangspunt voor het denken over de ontwikkeling van de mensheid. Vanuit
dat wat in de gewone mensen aanwezig is, en dat zich uit in het
rechtvaardigheidsgevoel en in de gemoedelijkheid, kan je bedenken dat de
mensheid inderdaad volwassen wordt. En daarmee is dan bedoeld te zeggen dat de
essentiële verhoudingen van de werkelijkheid, aanwezig in het bewustzijn van de
mensen, namelijk tot zijn recht komen en tegelijk onderling samenhangen,
langzaam maar zeker een realiteit worden, al of niet zelfbewust in het denken,
maar zeker onbelemmerd qua psyche. Verder is er niets aan de hand. Je
kunt dan ook met geen mogelijkheid zeggen hoe die volwassen wereld er dan uit
zal zien in de praktijk, maar wel kan je een aantal dingen (verhoudingen)
afleiden uit dit gegeven.
De onderlinge samenhang
Het is interessant om op te merken dat de sociaal
gerichte denkers uit de 19e eeuw vooral de nadruk legden op de onderlinge
samenhang tussen de mensen. Het gevolg hiervan was, dat de individu gaandeweg
meer in de verdrukking kwam en men zag geen kans dit probleem op te lossen. Max
Stirner (1806 - 1856) bijvoorbeeld kwam er toe de individu dan maar als
absoluut te stellen; het IK als de maat van Alles en de wereld (- dat waarmee
je samenhangt) als het min of meer bruikbare terrein waarop dat IK
opereert. Maar meestal bleef men zitten op de samenhang en dat is zelfs vandaag
nog het geval - en het probleem - bij anarchistische denkers. Als het beste
compromis beschouwt men de theorie van het vrijwillig samenwerken en het
wederzijds dienstbetoon. In enkele gevallen, bijvoorbeeld in het
Marxistisch-Leninistisch denken, heeft de individu het onderspit gedolven,
hoewel hij thans weer - schoorvoetend - van stal gehaald wordt. In het moderne
Westerse denken echter was hij niet te elimineren, zodat men er toe over is
gegaan hem zo redelijk mogelijke beperkingen op te leggen, beperkingen die
intussen het redelijke al verre overschreden hebben!
Bladwijzers: Algemeen belang-1
; Algemeen belang-2
; Algemeen belang-3
; Algemeen belang-4
;
Opvoeden-1 ; Opgevoed-1 ; Opvoeden-2
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2
; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
;
Toekomstvoorstellingen
Er zijn natuurlijk in de loop der tijden nogal wat
ideeën geweest over een mogelijke toekomstige wereld. Dergelijke utopieën zijn
steeds van bovenaf gedacht, d.w.z. vanuit een of ander hoger standpunt, en
onveranderlijk zijn er aan de gewone mensen eisen gesteld, die er op neer
kwamen dat zij zich zouden moeten verbeteren. Die hogere standpunten geven er
aanleiding toe stelsels te verzinnen waarin de macht een centrale plaats
inneemt. In de meeste gevallen heeft men geprobeerd aan die macht een redelijk
tintje te geven, door hem namelijk eerlijk te verdelen, maar uiteraard zijn er
ook utopieën waarin de macht als een onaantastbare zaak boven de mensen gesteld
wordt. Alleen al op grond van het feit dat men, in het denken over een verre
toekomst, de macht handhaaft kunnen dergelijke utopieën zonder meer als onzin
worden afgewezen. De enige utopieën, waarin men pertinent geen macht inbouwt,
zijn de anarchistische en het valt dan ook onmiddellijk op dat deze een veel
vriendelijker karakter hebben en aanzienlijk minder benauwend zijn voor een
mens met nog enig rechtvaardigheidsgevoel. Maar het euvel van het
van-bovenaf-denken treedt ook hier op en waarschijnlijk zal dit er de oorzaak
van zijn dat het anarchistische denken, vooral tegenwoordig, beperkt blijft tot
organisatorische vraagstukken die mee zouden komen aan een anarchistische
maatschappij. Bovendien speelt een rol dat men gewoonlijk de begrippen
maatschappij en samenleving verwart en ook dat men het begrip nihilisme niet
betrekt in het anarchistische denken. Er kan niet genoeg de nadruk op gelegd
worden, dat het de kunst is werkelijk van onderaf te denken, uit te zoeken wat
er voor een mens geldt ongeacht zijn wensen, verlangens en zijn wil, om
vervolgens op grond van die gegevens tot een conceptie over de toekomst te
komen. De weg naar volwassenheid blijkt dan een niet zelfbewuste te zijn, zodat
er geen concrete doelstellingen mogelijk zijn. Bovendien wordt die weg
gekenmerkt door een GEVOEL (het rechtvaardigheidsgevoel) en niet door een
berekening. Dat betekent in de praktijk dat een en ander domweg tot
werkelijkheid wordt. Het is dan ook dat domme dat de intellectueel ingestelde
mensen steeds weer stoort en teleurstelt. Men betreurt het dan dat er
nauwelijks een anarchistische beweging (meer) is, met de daarbij behorende
begrippenkaders en geestelijke bagage, terwijl men er tegelijk geen oog voor
heeft dat de gewone mensen veel minder respect hebben voor de macht en er zelfs
al tamelijk onverschillig tegenover staan. Doordat deze ontwaarding van de
macht buiten het patroon van de leer omgaat en daarvan dus geen navolging is,
zien veel anarchisten het zich verbreiden van het anarchisme niet. Het is met
dat van bovenaf denken altijd hetzelfde: de ideeën kristalliseren zich uit tot
een leer en die leer verdient navolging; de mensen volgen de leer niet na,
zodat men ontgoocheld vaststelt dat de mensen dom zijn en het goede niet
willen. Maar in feite hebben de ontwerpers van de leer een fout gemaakt.
Wat te zeggen van een volwassen mensheid
Als je je voorstelt dat volwassen mensen
bijvoorbeeld redelijk zouden moeten zijn, dan is dat een eis, die je aan de
mensheid stelt. Maar, als je daarop doordenkt kom je tot de conclusie dat je
een groot gebied van het menselijk leven uitsluit: het individuele karakter van
mensen, de meerdere of mindere hartstochtelijkheid, het vermogen om fouten te
maken, in het algemeen het psychische, enzovoort. Tenslotte houd je een
standaardmens over en bovendien: wie bepaalt wat redelijk is? De norm van
redelijkheid wordt bepaald in en door het denken en hij wordt door de mensen
dwingend opgelegd aan zichzelf en aan de anderen. Als dus tenslotte iedereen
redelijk geworden zou zijn, kan niemand meer uit de voeten. Dat geldt voor elke
eis die je aan de mensheid stelt; denk je daarop door, dan ontdek je aan het
einde van je gedachtegang een totale onvrijheid en dus een
onmogelijkheid. Simpel omdat er niets de maat kan zijn. Met het vrijheidsbegrip
is het net zo. Men zegt: mijn vrijheid wordt begrensd door de vrijheid van de
ander. Als je hierop doordenkt kom je niet bij vrijheid uit, maar bij totale onvrijheid.
Iedereen staat dan om je heen en naar alle richtingen geldt begrenzing. Dus ook
die vrijheid, als doel voor de mensen, is tenslotte onhoudbaar. Over een
volwassen mensheid is eigenlijk niets te zeggen, behalve dit éne: de
verhoudingen tot zijn recht komen en onderling samenhangen zijn dan in de
mensen vrijgekomen. En daarmee ook een cluster van verhoudingen, die uit die
twee zijn af te leiden. Als we die verhoudingen samen vatten onder het begrip
rechtvaardigheid dan hebben wij wat dat betreft niet te doen met een eis aan de
mensen, maar met iets wat zich ontplooien zal, zoals een plant zich zal
ontplooien tot een bloem als wij die plant daarin niet belemmeren. Van de plant
te eisen dat hij gaat bloeien zou onzin zijn: hij gaat zéker bloeien als ik hem
dat niet belet. Een volwassen mensheid is een mensheid die rechtvaardig is
geworden, zodat iedereen tot zijn recht komt en allen met allen samenhangen.
Dat heeft niets te maken met intelligentie, met wijsheid, met organisatie of
met grootse ideeën; het is gewoon een zichzelf aanvoelen als de werkelijkheid.
En het is in de grond van de zaak psychisch, zeg maar: een levensgevoel. Dat
levensgevoel wordt in een onvolwassen mensheid steeds onderdrukt en
gekanaliseerd en steeds steekt het weer de kop op, totdat het tenslotte vrij
komt. Meer is er werkelijk niet aan de hand. En dat zien we dan ook gebeuren
als de mensen hun rechten steeds meer opeisen en de machten almaar meer
onmogelijk maken. Het is een bevrijdingsproces. Wat dan onder andere ook weer
vrij komt is de creativiteit, die bepalend is voor het begrip arbeid - wij
zullen dit nog bespreken. Maar voorlopig is te zeggen dat in een volwassen
wereld alles mogelijk is omdat elke menselijke variatie tot zijn recht
kan komen. Het eisen van het betere komt voort uit het denken, dat zich
zelfbewust een voorstelling maakt van de werkelijkheid. Die werkelijkheid zelf
echter kent geen beter of slechter, zodat gezegd kan worden dat het willen
opvoeden van de mensen tot iets beters een hersenschim is. Bovendien: wie is de
opvoeder, wat staat hem voor ogen, en waar haalt hij het recht vandaan? Het is
allemaal verbeelding als gevolg van van-bovenaf-denken.
In een onvolwassen wereld bemoeien de
mensen zich met elkaar. Ze vinden namelijk dat ze elkaar nodig hebben en dat ze
dus elkaar van nut kunnen zijn. Ze verwachten dat nuttige dan ook van
elkaar. Maar dat kan alleen maar als de één denkt dat hij buiten de ander is,
dat is voorondersteld aan het elkaar gebruiken. Om dit gebruik mogelijk te
maken probeert de één de ander tot iets te dwingen en dat is de bemoeizucht
die door de onvolwassen wereld heenloopt. Altijd bemoeien de mensen zich
met elkaar, maar dat is heel iets anders dan het meeleven, dat voor volwassen
mensen geldt. Meeleven houdt in laten leven, het leven niet belemmeren of
dwingen anders te zijn dan het is. Bemoeien betekent gebruik maken van
de ander en uitbuiting van de zwakke; meeleven daarentegen de ander met
rust laten en de zwakke ondersteunen. Meeleven betekent ook dat er geen
grenzen zijn tussen jou en mij, zodat mijn vrijheid niet ophoudt bij jou, en de
jouwe niet bij mij: mijn leven is op andere wijze het jouwe...
Opvoeden-1 ; Opgevoed-1 ; Opvoeden-2
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2
; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
;
Bemoeien en meeleven
Volgens de Westerse levensbeschouwing staan de
mensen buiten elkaar als aparte, van elkaar gescheiden, gevallen. Tussen deze
aparte gevallen kunnen gedachtewisselingen plaats hebben, er is communicatie.
Deze communicatie wordt gezien als een soort van verbinding tussen twee of meer
mensen. Bij deze verbinding spelen allerlei zaken een rol, maar in hoofdzaak
komt het er op neer dat de mensen elkaar nodig hebben. Omdat de één de ander
nodig heeft verwachten en verlangen de mensen almaar iets van elkaar en van
zichzelf. Die verlangens en verwachtingen worden bepaald door het nut dat de
ander VOOR MIJ heeft en voor zover die ander daaraan wil voldoen past hij zich
aan mij aan, terwijl ik me op mijn beurt weer aan anderen aanpas. Tegenwoordig
is men het er over eens dat in dit aanpassingsprogramma de zogenaamde redelijkheid
als maat genomen moet worden, maar desondanks kun je constateren dat die
redelijkheid een ander karakter aanneemt naarmate er meer macht uitgeoefend kan
worden. De redelijkheid van een overheidsdienaar ten opzichte van een
onderdaan is van een ander gehalte dan die van twee onderdanen onderling. De
ongelijkwaardigheid van overheid en onderdaan bepaalt de kwaliteit van de
redelijkheid, van de verbinding tussen twee aparte mensen en dus ook van de
mate van aanpassing van de één en de ander. Voor zover de éne mens van de
andere qua aanpassing allerlei verlangt, spreek ik van zich met elkaar
bemoeien. Bij dit ge bemoei gaat het nooit werkelijk om die ander, maar om
datgene dat die ander VOOR MIJ waard is. Bijgevolg kan die ander, wat mij
betreft, nimmer tot zijn recht komen; in feite komt die ander tot MIJN recht.
Dit alles is een gevolg van de opvatting dat mensen van elkaar gescheiden
zouden zijn door een wel te overbruggen, maar niet op te heffen kloof. Wanneer
je echter inziet dat de mensheid één levend organisme is, zich manifesterend in
een groot aantal variaties (Spinoza: bestaanswijzen), komt de zaak heel anders
te liggen. Dan is er geen kloof tussen de mensen, er behoeft dan dus ook geen
verbinding gelegd te worden en daarmee vervalt het gehele aanpassingsprogramma.
Het één-zijn gaat dan gelden en om dat te verwerkelijken moeten alle variaties
optimaal tot hun recht komen. Voor mij wordt het dan van levensbelang dat de
andere mensen zo getrouw mogelijk zichzelf zijn en dat ik dat voor mijzelf ook
zo goed mogelijk waar maak. De andere mens moet dan niet meer tot MIJN recht
komen, maar tot haar of zijn eigen recht. Als deze situatie voor mij, en voor
de anderen, is gaan gelden spreek ik van meeleven. Omdat in deze situatie de
ander voor mij niet meer nuttig is kan ik die ander niet meer gebruiken en dus
misbruiken. In plaats van de zwakke uit te buiten op grond van het feit dat ik
hem gemakkelijk tot aanpassen kan dwingen, zal ik hem in alles steunen opdat
hij zo getrouw mogelijk tot zijn recht kan komen. Je kunt zelfs wel zeggen dat
ik daar Alle belang bij heb. Overigens betekent het bovenstaande ook dat ik
nooit van tevoren zal kunnen (en willen) zeggen hoe een ander mens zijn moet;
elke idealistische eis ten aanzien van een ander mens, hoe nobel ook, is een
aantasting van het werkelijke leven. Ik kan geen redelijkheid verlangen, geen
rechtvaardigheid, geen liefde, geen solidariteit, niets van dit alles. Als er
al iets te verlangen valt zou dit leven moeten zijn.
De opvatting dat mensen van elkaar gescheiden
zouden zijn brengt logischer wijs met zich mee, dat de inhoud van het begrip
vrijheid ook alles met die scheiding te maken heeft. Ik heb er al op gewezen
dat bijna iedereen van mening is dat iemands vrijheid daar ophoudt waar die van
een ander begint en dat dit uiteindelijk betekent dat wij allemaal omringd
zullen zijn door anderen, die Onze vrijheid bepalen. In een dergelijke situatie
kan er van het tot mijn recht komen niet verwacht worden dat dit ooit zal
gelukken. Mijn eigen zijn is in alle opzichten begrensd. De grens, die
er op deze manier, aan dat eigen zijn gesteld is, blijkt weer een afscheiding
te zijn. En ook hier kan je weer proberen het probleem op te lossen door de een
of andere redelijkheid ten tonele te voeren, maar hoe je het ook plooit, je
ontkomt niet aan reglementering van de vrijheid en het leven, in die zin dat de
mensen zich zullen moeten aanpassen aan de normen, door anderen gesteld. Ook dit
vervalt als je niet meer in apartheden denkt. Je vrijheid wordt dan nergens
meer door bepaald, zodat zij zich tot in het oneindige uitstrekt. En dat geldt
dan voor iedereen, zodat je kunt zeggen dat die vrijheden elkaar overlappen en
versterken, zoals het licht van de éne kaars niet belemmerd wordt door dat van
de andere, maar wel het geheel lichter maakt. Vanuit het voor ons gangbare
denken is een dergelijke idee over de vrijheid uiteraard moeilijk te begrijpen,
maar wellicht wordt het iets duidelijker als wij ons afvragen of de mensen
elkaar niet voortdurend zullen storen als zij allemaal in het teken van een
oneindige vrijheid zullen staan. Welnu, zij zullen elkaar niet storen. Wij
moeten namelijk, bij het nadenken hierover, niet vergeten dat het gaat over
rechtvaardige mensen. Het tot zijn recht komen- in dit geval wat betreft de
persoonlijke vrijheid - is TEGELIJK onderling samenhangen, zodat er altijd te
vragen is of iemand met zijn gedoe het geheel niet verbreekt. Op het niet
verbreken van het geheel, het éne gevarieerde organisme, kom je onvermijdelijk
altijd weer uit bij het nadenken over een volwassen mensheid. Je zou dus kunnen
zeggen dat de maat ligt bij het geheel van de werkelijkheid; bij de vraag of
iemand de andere mensen stoort is alleen het al of niet verbreken van dat
geheel bepalend. Als je daarop doordenkt bemerk je dat je nu niet meer aan
bepaalde andere individuen verantwoording verschuldigd bent, maar als het ware
aan het geheel. Omdat elk individu zelf op eigen wijze dat geheel is, ben je
ook zelf degene die er voor oppast de anderen niet te storen. In dat geval
lever je niets in en je past je ook niet aan, je bent zelf die niet-storende
individu. En omdat dat zo is heb je ook niet de voortdurende behoefte om je
eigen grenzen te verleggen, zoals dat bij onvolwassen, aan de begrensdheid
gelovende mensen, wel het geval is. Niet voor niets kun je overal opmerken dat
de mensen uit onze cultuur almaar proberen voor zichzelf de grenzen van hun
vrijheid naar buiten toe te verleggen. Zij proberen hun eigen terrein zo groot
mogelijk te maken, zij maken zich zoveel mogelijk breed. Dit kan niet plaats
vinden zonder daarbij macht uit te oefenen en macht kan je op allerlei manieren
verwerven, bijvoorbeeld doormiddel van geld. De mensen proberen dan ook met hun
geld vrijheid (d.w.z. wat er voor door moet gaan) te kopen en juist
omdat wij in grenzen denken gelukt dat nog ook, tot op zekere hoogte. Maar
tegelijk voelen veel anderen aan dat zoiets toch niet helemaal in orde is, dat
een dergelijke vrijheid ten koste gaat van medemensen.
Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3
;
Het zal inmiddels duidelijk zijn dat in onze,
analytische, splitsende, cultuur het begrip grens een eenzijdige betekenis
heeft. De betekenis namelijk van afscheiding. Het is een muur tussen het één en
het ander. Het begrip grens betekent echter ook overgang van het één naar het
ander en als zodanig reikt het tot in de oneindigheid.
No. 28
Fictieve grenzen
Als je over de grens nadenkt, dan blijkt er een
drietal onderscheidingen te maken te zijn, die alle drie een geheel ander licht
op dit begrip werpen. Voor ons ligt het het meest voor de hand om het begrip
grens op te vatten als de afscheiding tussen twee grootheden. Je benoemt de
grens dan vanuit die grootheden: waar het één eindigt begint het ánder. We
hebben dan te doen met een statisch begrip; de grenslijn ligt daar en nergens
anders - althans, zo lijkt het. Je kunt de grens ook beschouwen als een
overgang van het één naar het ánder en dan heb je met een dynamische zaak te
maken. Het woord overgang is weliswaar een statisch woord, maar dat woord heeft
inhoudelijk geen betekenis als er niet daadwerkelijk van het één naar het ander
overgegaan wordt. Beter is het wellicht om van het overgaan te spreken. In
ieder geval is het zo bedoeld, in dit verband. Maar ook in dit geval wordt de
grens benoemd vanuit de twee eerder genoemde grootheden. Ten derde kan je je
aandacht op die grens zelf richten, maar dan kom je tot de ontdekking dat je
het niet over iets bestaands hebt. Je kunt alleen maar spreken van noch het
één, noch het ánder. Met de ontkenning van die twee laat je al het bestaande
vervallen, je spreekt eigenlijk over niet iets, en dus over niets. Je kunt nu
ook niet meer over dynamisch of statisch spreken, maar wel over een synthese
van die twee en dan kom je terecht bij het begrip trilling. Als je statisch
over de grens denkt ben je bezig met iets fictiefs. De werkelijkheid is
namelijk door en door beweeglijk, zoals men inmiddels ook bij het natuurkundige
onderzoek ontdekt heeft. De rand van een tafel bijvoorbeeld is qua zintuiglijke
ervaring wel precies te bepalen, maar in de subatomaire werkelijkheid blijkt hij
een heen en weer gaan van deeltjes te zijn, een uitstoten en opnemen van
beweeglijkheden, zodat niet te zeggen valt waar de grens nu precies is. De rand
van de tafel blijkt, hoe zintuiglijk concreet ook, in feite fictief te zijn.
Hij laat zich niet bepalen. Door alle tijden heen hebben de mensen geprobeerd
grenzen te trekken en altijd weer hebben diezelfde mensen die grenzen
overschreden; zij waren het nimmer eens over de vraag waar zo’n grens lag en
bestreden elkaar op leven en dood ter wille van deze fictie. Als iets fictief
is, dan moet je iets vaststellen en die vaststelling blijkt nooit te kloppen.
Een landsgrens is een fictieve scheidingslijn tussen het éne en het andere
land. Hij moet door een grenspaal en prikkeldraad aangegeven worden, anders zou
je hem niet zien. Dat klopt, want in feite is hij er niet, het is een
bedenksel, een fictie. Anders ligt de zaak als je dynamisch over de grens
denkt. Je weet dan dat zijn plaats niet te bepalen is zodat je dat achterwege
laat, maar dat je overgaat van het één in het ánder weet je wel. De rand van de
tafel gaat ook over in de omringende lucht, dat is iets wat je zeker weet. Je
hebt hier dus niet met een fictie te doen, maar met een realiteit en het
aardige daarvan is dat hij niet te bepalen is. Dit is aardig om op te merken
omdat wij thans in een wereld leven waarin juist het vastgestelde, maar
wezenlijk fictieve, als een realiteit wordt gezien, terwijl dat wat niet
vastgesteld kan worden als een fictie wordt beschouwd. De omgekeerde wereld
dus. Maar, deze omkering van de verhouding fictie-realiteit is helaas wel de
oorzaak van een heleboel misvattingen op velerlei gebieden, die vandaag de dag
opgeld doen. Een hele filosofie is hierop gebaseerd, namelijk de zogenaamd
positivistische - althans in haar extreme vormen. Aangezien de grens niet te
bepalen is als je denkt in termen van in elkaar overgaan, kan je deze beweging
doordenken tot in het oneindige. Je kunt dan spreken van een voortdurend in
elkaar overgaan. Als je inzicht krijgt in deze verhoudingen ontstaat er vanzelf
een geheel ander beeld wat betreft het begrip vrijheid. Je houdt op met je met
de andere mensen te bemoeien en je komt er toe met de anderen mee te leven.
Bovendien wordt dan het begrip onderling samenhangen duidelijk. In dit begrip
gaat de grens gelden als een ontkenning, als noch het één, noch het ander en je
kunt staande houden dat je de grens pas dan echt gedefinieerd hebt.
Beweeglijke verhoudingen
De oer situatie van de werkelijkheid is deze, dat
ze niet is dan beweeglijkheids-verhoudingen van de beweeglijkheden. Die
verhoudingen zijn dus ook beweeglijk. Toch kan je wel, in je denken, het begrip
afscheiding gebruiken. Je kunt namelijk staande houden, dat de éne
beweeglijkheid de ándere NIET is, en ook dat op de plaats van de één de Ander niet
kan zijn. Maar, je denkt dan in begrippen. Het begrip afscheiding is te denken,
maar het bestaat niet. Dit laatste, het niet bestaan van iets dat als begrip
denkbaar is, is vaak te weinig in de filosofie ingecalculeerd. Je hebt dan te
doen met een soort van metafysica die, vertaald naar de realiteit, tot heel
vreemde zaken kan leiden. God is daarvan een voorbeeld. Je kunt zoiets best
denken, maar een realiteit is het niet. Het is een fictie, en dat is iets dat
denkbaar is, maar niet reëel is. Maar zoiets als het begrip liefde is wel een
realiteit en hij hangt ten nauwste samen met de grens als overgang.
Het zelfbewustzijn en de
grens
Het zelfbewustzijn van een mens is die situatie
van de werkelijkheid waarin de samengestelde materie in een zodanige innerlijke
verhouding is komen te verkeren dat zij zich gaat gedragen alsof ze géén
materie was. Dat betekent dat de zaak in principe weer volkomen beweeglijk is
geworden en het betekent dus ook dat de grens als afscheiding is komen te
vervallen, voor zover die in het voor- menselijke leven (planten en dieren) wel
voortdurend gesteld werd, denk aan het territoriumgedrag van de dieren. Omdat
de mensen zichzelf en elkaar conditioneren onderwerpen zij zichzelf ook aan een
dergelijk gedrag. Zij dwingen hun denken te gaan langs bepaalde wegen,
begrenzen hun gedachtegangen en stellen zichzelf daardoor in het teken van de
afscheiding, de statische grens. Maar het dynamische, de overgang is hun
eigenlijke gesteldheid. Voor hun denken kan eigenlijk het één ook het ander zijn,
in het denken gaat het steeds van het één over naar het ander. Is dat, door de
ingeprente denkprogramma’s onmogelijk geworden, dan ervaren wij aan de mensen
benauwdheid, bekrompenheid en ook een onvermogen om iets te begrijpen. Verboden
en geboden, moraal en ethiek, recht en onrecht, zij beheersen allemaal het
leven. Maar wezenlijk is een mens onbegrensd. En het is belachelijk dat mensen
zich uitdossen met tekenen van hun waardigheid, die in feite inhouden dat de
mensen hun grenzen aangeven: tot hiertoe en niet verder, terwijl ze vanuit die
waardigheid tevens proberen hun eigen grenzen in de richting van de anderen te
verleggen. Maar, zoals gezegd, een dergelijke grens bestaat niet, hij moet dus
almaar gesteld worden en dat is een fictieve en dus belachelijke bezigheid.
Onze wereld is nog steeds belachelijk. En daarmee is zij levensgevaarlijk.
Overigens is het opmerkelijk dat het in de tegenwoordige mensheid steeds
moeilijker wordt om de grenzen van allerlei zaken te bepalen. Het dynamische
karakter van de verhouding tussen het één en het ander begint zich te laten
gelden. Voorlopig echter wordt dat nog negatief beoordeeld omdat men nog niet
in staat is dynamisch te denken.
Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3
;
De grenzen, die in onze cultuur door vrijwel alle
mensen om zich heen getrokken worden, zijn eigenlijk ficties. Maar intussen
bepalen die ficties wel het hele gedoe in het dagelijkse leven, terwijl zij
bovendien een discussie als die over de euthanasie in een gigantische
spraakverwarring doen uitlopen. Als mensen grenzen trekken belemmeren zij ten
eerste hun eigen en andermans ontplooiing, omdat het maar tot hier toe en niet
verder mag, en ten tweede maken zij de onderlinge vrijheid onmogelijk, omdat er
altijd een (al of niet overbrugde) kloof tussen de éne mens en de andere blijft
gapen. Daarbij komt dan ook nog dat de twee onlosmakelijk met elkaar verbonden
begrippen tot je recht komen en onderling samenhangen tot van elkaar gescheiden
grootheden worden teruggebracht, met als gevolg dat er een eindeloos gescharrel
aan de gang is om het individuele met het sociale in evenwicht te brengen. Als
ik zou zeggen: ik beslis uitsluitend zelf over mijn leven en mijn sterven, dan
laat ik buiten beschouwing dat ik ook nog samenhang met de andere mensen. Ik
zie mezelf dan als een geïsoleerd wezen. Dit ligt in de lijn van ons cultuur
denken. Maar evenzeer ligt het in de lijn van dit denken om te stellen: neen,
de samenleving beslist mede. Vooral deze laatste uitspraak wordt sterk
benadrukt omdat de gedachte dat de mensen een collectiviteit moeten vormen, in
de staat bijvoorbeeld, een vrijwel onaantastbaar dogma is geworden. Hierop namelijk
steunt de gehele staatsmacht, met zijn regels en voorschriften, zijn plichten waaraan de
mensen zich te houden zouden hebben. De nadruk op ik beslis zelf zou de
fundamenten onder de staatsmacht wegslaan. Dit is natuurlijk niet de bedoeling
en daarom wordt er naarstig gezocht naar, alweer, de grenzen waarbinnen de
burgers zelfbeschikkingsrecht zouden kunnen hebben. Maar de vraag blijft
liggen: beslis ik nu zelf of niet? Een beetje zelf beslissen staat gelijk aan
NIET zelf beslissen. Dat is dan ook de reden waarom machthebbers er tegen zijn
om aan de mensen het recht op abortus en euthanasie toe te staan. Het gedweep
met bescherming van het leven is ten eerste een hypocriet argument, omdat die
bescherming staat of valt met de gestelde doelen (volksgezondheid of oorlog) en
dus relatief is, en ten tweede is het een argument dat op een geheel andere
zaak slaat, namelijk het AANWEZIGE leven. Zowel abortus als euthanasie slaan
echter op de polen van het leven, namelijk begin en einde en daarin ligt het
accent op de begrippen nog niet leven en niet meer leven. In het kort gezegd
geldt voor de menselijke werkelijkheid de dubbelslag ik en mijn samenhang met
de anderen. Dat moet ik laten gelden, niet omdat iets of iemand mij dat
voorschrijft, maar omdat zo de werkelijkheid is. Daarom besluit IK altijd in
samenhang met andere mensen en geen enkel mens kan dat NIET doen. Als ik niet
in begrensdheden denk zal ik niets doen zonder die samenhang, zodat mijn
beslissing altijd ook de beslissing en de verantwoordelijkheid van de anderen
is. Zo ben ik dus ook betrokken in en verantwoordelijk voor het leven en de
beslissingen van de andere mensen. Bedenk echter wel, dat dit alles alleen maar
geldt als ik GEEN grenzen trek en de anderen dit ten opzichte van mij ook niet
doen. Dus als het begrip meeleven van kracht is. Het is dus nooit zonder die
andere mensen.
Naar bladwijzers: Rechten en Plichten-1 Rechten en Plichten-2 Rechten en
Plichten-3 Rechten en Plichten-4
;
We hebben al gezien dat in onze cultuur de mensen
zich met elkaar bemoeien; ze wrikken en duwen aan elkaars (fictieve) grenzen om
zichzelf en elkaar aan te passen aan elkaars wensen, behoeften en normen. Zo
zijn zij ook bezig wat betreft de zelfbeschikking over abortus en euthanasie.
Men tracht regels op te stellen om te bepalen hoever IK gaan mag met mijn
autonomie (niet zo erg ver natuurlijk!) en regels om te bepalen hoever de
ANDEREN gaan mogen ten opzichte van mij (liefst zo ver mogelijk!). Die anderen
moeten evenwel het recht daartoe krijgen en dus ga je van tevoren vastleggen
wie dat zijn zullen. Uiteraard worden dat dan de deskundigen en ook diegenen,
die FORMEEL met mij in verbinding staan: de familie. Wij denken nog steeds in
BLOEDverwantschappen (aanwijsbaar! ) en nog nauwelijks in GEESTVERWANTSCHAPPEN
(ongrijpbaar!). Het zijn dus de deskundigen en de familie die zich rechtens met
mij mogen bemoeien en dat zijn nu precies de mensen voor wie ik op de een of
andere manier een belang vertegenwoordig, welk belang dan ook. Uitgerekend de
mensen met wie ik NIET (mee)geleefd heb krijgen rechten inzake mijn leven en
sterven.
Als het gaat over grenzenloos leven en meeleven
vervalt elke van tevoren opgestelde norm. Als ik wil sterven spelen noch
medische, noch psychologische, noch juridische normen een rol: als ik dat wil,
wil ik dat. Met de mensen met wie ik LEEF zal ik daarover van gedachten
wisselen, zoals ik dat met alles doe. Indien nodig zullen zij mij helpen om
toch verder te leven of om menswaardig te sterven en dat is een zaak waarmee
niemand zich heeft te bemoeien. Eisen, die men op het ogenblik wil stellen,
zoals Uitzichtloos en ondraaglijk lijden en het verkeren in een stervensfase,
zijn menselijk gesproken idioot; zij komen voort uit het denken in grenzen en
dus wederzijdse belangen. Juist het vaststellen van dergelijke normen werkt het
misbruik in de hand, terwijl men juist beweert dat men dit tegen wil gaan!
Welbeschouwd is juist het beslissingsrecht van deskundigen en familie misdadig.
Dat voelt men in de verte wel aan en daarom probeert men steeds de
verantwoording, die men zelf genomen heeft, te ontlopen. Zo meent een arts de
zaak te ontlopen door te beweren dat het staken van een medische behandeling
niet als een ingrijpen aangemerkt mag worden. Dat mag dan misschien technisch
juist zijn, maar hij heeft wel een beslissing genomen over een ander mens, een
mens over wie hij niet te beslissen had. Waarop het in feite neerkomt is dit:
mijn onvervreemdbare recht om zelf te beslissen houdt in dat het onmogelijk is
om dat zonder de mensen te doen met wie ik lééf en het houdt ook in dat verder
niemand zich er mee te bemoeien heeft. Als de zaken zo liggen doet het er ook
weinig meer toe of ik, op het kritieke moment, mijn wil nog kenbaar kan maken
of niet, omdat die wil onverbrekelijk samenhangt met die andere mensen die met
mij meeleven. Zij kunnen voor mij beslissen.
De euthanasiediscussie
Voor het huidige euthanasie probleem zal men nooit
een echt bevredigende oplossing vinden omdat men niet weet wat zelfbeschikking
inhoudt. In feite wordt het verzet tegen het recht op euthanasie ingegeven door
de onwil om aan de mensen VRIJHEID toe te kennen. Het is geen ethisch probleem,
geen juridisch probleem en nog minder een politiek probleem; het is het niet
willen laten gelden van de menselijke vrijheid. Dat verklaart waarom juist
godsdienstige mensen zo tégen zijn: god is immers degene die over ons lot
beslist! En als het god niet is, is het de overheid wel. Als jij je, met je
méélevende vriendinnen en vrienden, maar niet verbeeldt dat je zelf iets te
beslissen hebt. Je mag daartoe niet de vrijheid hebben, aan je vrijheid zijn
grenzen gesteld.
Toen we spraken over het begrip rechtvaardigheid
hebben we als inhoud daarvan ontdekt de begrippen tot zijn recht komen en
onderlinge samenhang. Deze begrippen behoren onlosmakelijk bij elkaar, maar zij
zijn voor het Westerse analytische denken nauwelijks als zodanig te bevatten.
We zien dan ook dat zij wel voor de dag gekomen zijn en vooral maatschappelijk
voortdurend een rol spelen, maar dan niet binnen het geheel van het begrip
rechtvaardigheid, maar daarentegen als tégenstellingen, die elkaar eigenlijk
uitsluiten. Het onderling samenhangen sluit dan op zichzelf het tot zijn recht
komen, het zichzelf zijn, uit en dat zou dan ook omgekeerd gelden. Omdat die
twee begrippen met elkaar in strijd worden gezien, vanuit de analyse en dus het
trekken van grenzen, komt men er op zijn best toe een evenwicht te zoeken. Waar
ligt de grens van het zichzelf zijn en waar die van het samenhangende?
Waar begint de éne zaak de andere aan te tasten? Er is een voortdurend gedrang
op de denkbeeldige grens tussen dat wat tot de privacy en dat wat tot het
sociale zou behoren. Zoals gezegd is het vanuit deze wijze van denken niet
mogelijk om zelfs maar in de verte in te zien dat ik alleen maar dan tot mijn
recht kan komen als ik zo volledig mogelijk met de anderen samenhang, en dat
die samenhang alleen maar dan optimaal kan zijn als alle individuen zo volledig
mogelijk tot hun recht komen. Je eigen lichaam functioneert het beste, d.w.z.
is gezond, als alle cellen van je lichaam optimaal functioneren en de samenhang
daarvan door niets verstoord wordt. Dan houdt de samenhang de cellen in leven
en de cellen de samenhang. Een strijd tussen de samenhang en de afzonderlijke
cellen zou beide tot een lager niveau van functioneren dwingen. Op het ogenblik
kunnen wij constateren dat er in de maatschappij een verharding gaande is.
Regerende machthebbers zijn, in de gehele Westerse wereld, van mening dat de
burgers meer doordrongen moeten worden van hun plichten. Typisch is dat er daarbij niet van
rechten besproken wordt, maar dat die rechten wel stelselmatig ingeperkt
worden. Wie kan er dan nog ontkennen dat die zogenaamde rechten eigenlijk
alleen maar gunsten zijn? En die verharding houdt in dat het evenwicht tussen
individu en maatschappij verschoven wordt ten nadele van die individu. Dat
heeft alles met macht te maken, want macht is het inklemmen van het individu
door van buitenaf werkende maatgevende krachten, die beogen het individu anders
te laten zijn dan het vanuit zichzelf is. Denk je de begrippen zichzelf zijn en
onderling samenhangen als verhoudingen binnen één zaak, dan is het onmogelijk dat
er zoiets als macht bestaat. Je komt dan uit bij het anarchisme, dat als enige
utopie elke vorm van macht uitgebannen heeft. Helaas hebben de anarchisten tot
nu toe de betekenis van het begrip samenhangen niet goed doordacht of zelfs
helemaal niet doordacht en daardoor zitten zij almaar te zeuren over
toekomstige mogelijke organisatie vormen van een anarchistische maatschappij,
terwijl er vanuit het samenhangen van de mensen maar één proces mogelijk is: de
zelforganisatie van de op een bepaald moment en op een bepaalde plaats
samenlevende mensen. Daarvoor zijn geen regels te geven en daarvan is geen
analyse te maken omdat het een levend iets is waarin vanzelf, zoals bij alles
wat leeft, een efficiënte zelforganisatie Gaat optreden. Zelforganisatie is een
zichzelf niet verbrekende samenhang. In feite IS die zaak georganiseerd zodra
er rechtvaardigheid is en hij behoeft dus niet geregeld te worden. Ons begrip
organisatie is geworteld in het in grenzen denken en het is dus niet van
toepassing op een anarchistische maatschappij.
Naar bladwijzers: Rechten en Plichten-1 Rechten en Plichten-2 Rechten en Plichten-3 Rechten en
Plichten-4 ;
Nog iets over het begrip samenhang
De overheid zegt dat alle Nederlanders samenhangen
in de Nederlandse Staat. Zij bedoelt daarmee dat alle burgers zich moeten
invoegen in het geheel van de staat. Al naar gelang de zwaarte van het begrip
staat heeft dat invoegen een veelomvattender betekenis: in de Sovjet-Unie
betekent het een vrijwel volledig prijsgeven van de geestelijke individualiteit
(het onderdrukken van eigen meningen), terwijl het bij ons nauwelijks iets meer
betekent dan een zich economisch en politiek invoegen. Als je aan dat laatste
niet voldoet word je geïsoleerd en men gaat daarbij zo ver dat men je wil doen
geloven dat je jezelf geïsoleerd hebt. Invoegen en meedoen wil dan ook zeggen
dat je je vereenzelvigt met datgene wat je met recht de massa zou kunnen
noemen. Of dat nu betekent dat je je mond moet houden, of dat het betekent dat
je je moet houden aan de spelregels van het economisch politieke stelsel, maakt
niet zo erg veel uit, want in beide gevallen moet je je aanpassen en dus iets
van jezelf NIET laten gelden. Je moet jezelf omvormen tot een standaardproduct,
tot een genormaliseerd artikel. Het is altijd weer de vraag hoe iemand met
volwassen inzichten zou kunnen functioneren in een onvolwassen maatschappij.
Ook hier, op het terrein van het trekken van grenzen, het terrein van de
rechtvaardigheid, ligt deze vraag. Het antwoord op deze vraag moet luiden dat
je in zo’n maatschappij niet uit de voeten kan, zodat je zou moeten proberen
het te overleven, in feite door slim te zijn. Je kunt dat zijn doordat je in de
gaten hebt hoe de zaken in elkaar zitten, terwijl je in het dagelijkse leven
aangewezen bent op die enkele mensen voor wie dat ook geldt. Verder is het zaak
om goed op te letten dat je niet binnen de vangarmen van de macht komt, want
daar helpt ook je slimheid niet. Je kunt onder die zaak gebukt gaan, je
voortdurend benauwd voelen, maar beter is het te erkennen dat die wereld nou
eenmaal nog onvolwassen is en er maar het beste van maken, d.w.z. zo
rechtvaardig mogelijk zijn.
Een werkelijk samenhangende wereld, dus een
organisch samenhangende wereld, is niet toegankelijk voor analyse. Maar de
cultuuropvatting van samenhang is die van een door VERBINDINGEN aaneen
geklonterde samenstelling. Zoiets is natuurlijk wel voor analyse toegankelijk
en dat levert dan het (onverwachte en onbedoelde) resultaat op dat die
samenstelling tenslotte uiteen gevallen blijkt te zijn. Wij zijn dus almaar
bezig ons als samenstellingen te gedragen, terwijl wij tegelijk diezelfde zaak
ontleden en versnipperen. Aan de behoefte om tot samenstellingen te komen wordt
dus steeds minder voldaan, het mislukt steeds meer. Dat verschijnsel vertoont
zich in onze moderne wereld in toenemende mate. Of het nu gaat over technische
constructies of politieke of economische, men ziet er steeds minder kans toe om
tot een oplossing te komen. Dat wijt men aan de onoverzichtelijk wordende
informatiestroom en men heeft niet in de gaten dat die stroom er juist is door
de analyse. Juist daardoor mislukken de constructies, het opbouwen van
samenstellingen. Niet alleen dat er politiek nauwelijks meer iets te
construeren valt, maar ook wetenschappelijk is dit het geval. Is kernenergie
nu te gebruiken of niet? Sommige deskundigen bevestigen dit (inderdaad is er
energie uit de atoomkern te halen), terwijl anderen het ontkennen (het kost
teveel moeite). Maar een werkelijk gefundeerd antwoord ontbreekt.
En dat geldt voor zowel voor- als tégenstanders! In feite ligt de zaak echter
dan als volgt: hoe dieper je doordringt in de materie, hoe ongrijpbaarder alles
wordt, dus ook minder beheersbaar, dus minder nuttig, maar daar tegenover:
gevaarlijker en duurder.
Even een uitstapje naar
de gevolgen van de analyse (Rob van Es)
No. 31
Het energieprobleem
De gehele kosmos is een beweeglijk netwerk van
energetische processen en dat is in geconcentreerde mate het geval bij de
levende wezens. Die hebben, om te leven, energie nodig. Maar ook zetten zij
energie om van latente tot actieve energie. In de haver, die het paard te eten
krijgt zit een massa (zonne)energie opgeslagen, maar die latente energie is zo
zonder meer niet bruikbaar. Is die energie echter actief geworden, doordat het
paard de haver opgegeten heeft en daardoor krachten heeft opgedaan, dan is die
energie via het paard wel bruikbaar geworden. Dat wil zeggen: bruikbaar voor de
mensen, voor zover die in hun arbeidsproces de voorhanden (natuurlijke) werkelijkheid
Omzetten tot hun eigen (menselijke) werkelijkheid. Zo’n natuurlijk
omzettingsproces, dat de latente energie voor de mensen tot actieve en
bruikbare energie omzet, houdt zichzelf in stand. Zolang er leven is vinden die
omzettingen plaats. Er zijn nog andere voorbeelden van natuurlijke
omzettingsprocessen; je kunt gebruik maken van de energie van de wind, van het
water en tegenwoordig ook rechtstreeks van de zon via zonnecellen. Hoe dan ook,
er zijn tal van mogelijkheden om de energie te halen waar ze is. Het draaien
van de aarde bijvoorbeeld kan ook als een enorme krachtbron beschouwd worden.
Maar steeds gaat het over ONUITPUTTELIJKE krachtbronnen. Met het doorbreken van
het industriële tijdperk zijn de mensen gebruik gaan maken van krachtbronnen, die
niet meer onuitputtelijk zijn: de steenkolenvoorraden raken op, die van de
aardolie eveneens en zo ook met de voorraad uraan, dat voor de kerncentrales
gebruikt wordt. Behalve het uitputten van die voorraden speelt er nog iets een
rol. Als je namelijk je energie uit de materie haalt, moet je die materie op de
een of andere manier splijten, kapotmaken om zo de latente energie te
activeren. Dat levert onvermijdelijk een grote hoeveelheid meer of minder
gevaarlijke afvalproducten op, die de planeet steeds meer vervuilen. Je kunt
natuurlijk proberen die vervuilende afvalstoffen te neutraliseren en eventueel
nuttig aanwenden, maar daarvoor heb je een belangrijk deel van de energie
nodig, die je zojuist opgewekt hebt. Op de een of andere manier loop je met die
splijtingsenergie op den duur vast en in de grond van de zaak komt dat doordat
de hedendaagse mensen de zaak eenzijdig analytisch benaderen. Eenzijdige
analyse loopt onafwendbaar in vernietiging uit.
De energie balans
Om de latente energie in de materie te activeren
heb je energie nodig omdat de samengestelde materie zich verzet tegen
splijting. Je moet als het ware de bindende krachten opheffen. Bij het
verbranden van een stuk hout of steenkool is het splijtingsproces betrekkelijk
gemakkelijk, maar bij het splijten van atoomkernen heb je een heel ingewikkelde
installatie nodig, niet in het minst door de uitgebreide voorzieningen ten
behoeve van de veiligheid. Als je nu eens alle energie, die je nodig
hebt om met zo’n installatie wat elektriciteit op te wekken, bij elkaar voegt,
dan blijkt dat je er veel meer energie in moet stoppen dan je er uit krijgt. En
dat is allemaal energie, die al voor de mensen bruikbaar was en die dus
eigenlijk niet nog eens omgezet behoefde te worden. Voorwaarde is echter wel,
dat je alles incalculeert. Gebruikelijk is het om dat niet te doen omdat
er een aantal energievormen is waaraan men weinig waarde hecht, zoals
bijvoorbeeld denkenergie, maar ook het energetisch opname vermogen
van het water, dat voor de koeling van die installaties gebruikt wordt.
Alles bij elkaar genomen is bij splijtingsprocessen, ook verbranding en
dergelijke, de energie- balans voor de mensen nadelig.
Als we ons even bepalen tot de meest extreme
splijtingsmethode, die van de kernenergie, dan kunnen wij ons
afvragen waarom de mensen dan toch van mening zijn met een goede krachtbron te
doen te hebben. De verklaring hiervoor ligt bij het economische denken en wel
speciaal bij het egocentrische karakter daarvan. Dat karakter drukt zich uit in
de winst in die zin, dat het om MIJN voordeel gaat. Dat voordeel kan ik
binnenhalen door reeds aanwezige bruikbare energie (arbeidskracht bijv.)
goedkoop in te kopen en ze vervolgens om te zetten in duurdere energie.
Bovendien moet ik het zo spelen dat een zo groot mogelijk deel van mijn
(installatie)kosten door anderen betaald worden: de gemeenschap. Als ik dat
voor elkaar krijg kan ik mijn winsten binnenhalen terwijl ik in feite niet voor
nieuwe energie gezorgd heb. Ik heb slechts goedkope BRUIKBARE energie in dure
BRUIKBARE energie omgezet. Omdat de hoogwaardige technologische nucleaire
industrie in belangrijke mate een staatsaangelegenheid is, is ze economisch
voor een bepaalde elite zo aantrekkelijk: veel gemeenschapsgeld vloeit naar de
kassen van die elite. Zouden ze werkelijk alles zelf moeten betalen, zij zouden
zich wel wachten om aan een dergelijke industrie te beginnen. Het is
opmerkelijk dat in de gehele wereld de kernenergie in een waas
van geheimzinnigheid gehuld is. In oost en west liegt en bedriegt men naar
hartelust over de gevaren, maar vooral ook over de economische balans, omdat
men wel weet dat deze laatste slechts positief gemaakt kan worden door de
gemeenschap te laten betalen. Dat is overigens ook het geval met de
bewapeningsindustrie, die al lang niets meer met het verdedigen van vrijheid en
andere waarden te maken heeft. Beide, kerntechnologie en
bewapeningstechnologie, zijn uiterst geraffineerde economische methoden om de
burgers uit te plunderen en natuurlijk moeten die methoden geheim gehouden
worden. Niemand mag ontdekken dat er in feite niets aan het welzijn van de
mensen bijgedragen wordt. De mensen leveren energie (geld) in om er niets,
behalve een gigantisch levensgevaar, voor terug te krijgen. In feite is alle
analytische economie bedrog, maar over het algemeen krijgen de mensen er nog
iets voor terug omdat de aarde inderdaad omgezet wordt in bruikbare goederen.
Maar met bovengenoemde industrieën is dat niet het geval.
Toegankelijk zijn voor analyse
Eigenlijk is alles wat samengesteld is, en dus elk
verschijnsel, uit elkaar te halen. Je kunt laten gelden dat de werkelijkheid
bestaat uit ditten en datten. Laat je dit echter EENZIJDIG gelden, dan
vernietig je alles. De ditten en datten in de werkelijkheid hangen echter ook
nog met elkaar samen, en juist dat maakt die werkelijkheid tot wat ze is. Dat
betekent in de praktijk dat je met je analyse altijd de werkelijkheid opheft en
in een fictie terechtkomt. Maar, het is ook mogelijk om niet-eenzijdig te
analyseren door alle ditten en datten blijvend in hun samenhang te zien.
Wellicht is de term nuanceren hier te gebruiken, in die zin dat je de ditten en
datten zo verfijnd mogelijk opvat als nuances in en van het samenhangende
geheel. Om dat te kunnen doen moet je wel in staat zijn om te analyseren, maar
je moet tegelijk in kunnen zien dat deze analyse slechts een MIDDEL is om de
nuances te zien, en niet een DOEL. Als het gaat om het leren kennen van de
werkelijkheid heeft een zo verfijnd mogelijke nuancering zin, terwijl een
geanalyseerde werkelijkheid geen enkel begrip oplevert, maar slechts een grote
hoeveelheid uiteindelijk zinloze kennis. Gaan we diezelfde kennis echter
beschouwen als nuances van het geheel, dan heeft de aanvankelijke analyse zin
gehad.
No. 32
Analyse
Bij het denken over de werkelijkheid komen steeds
twee begrippen naar voren die onafscheidelijk zijn, maar wel van elkaar te
onderscheiden, namelijk de begrippen totaal en geheel. Het begrip totaal heeft
een aantal verschillende aspecten, die evenwel ook weer alle bij elkaar behoren
en samenhangen. Als eerste is er de verzameling waaruit het totaal bestaat.
Vervolgens is te zeggen dat die verzameling is opgebouwd uit samenstellingen en
dat die samenstellingen tenslotte zijn terug te brengen tot de oermaterie. De
Oermaterie kan op zichzelf ook weer als een verzameling van oneindig veel
ietsen opgevat worden, maar uiteraard ook kan je een Iets op zichzelf bekijken.
Dan kom je tot de conclusie dat zo’n iets een samenspel is van een vijftal
beweeglijkheden, die op zichzelf volledig onbepaalbaar zijn. Er is evenwel
tussen die vijf een samenhang en wel in die zin dat zij samengaan en dat wil
zeggen dat zij ten opzichte van elkaar dezelfde beweging maken, zodat zij TEN
OPZICHTE VAN ELKAAR stil staan, zonder dat zij voor zichzelf stil staan, want
dat is niet denkbaar. Als het gaat over de werkelijkheid als totaal, dus als
verzameling, is er de mogelijkheid de zaak uit elkaar te halen. De verzameling
is toegankelijk voor analyse. Dat geldt uiteraard voor Alle verschijnselen, maar
er is toch een verschil tussen het uit elkaar halen van een levend verschijnsel
en de zogenaamde dode materie. Deze laatste blijft bij het splitsen lange tijd
zichzelf en wordt slechts kwantitatief kleiner (een steeds kleiner wordende
steen), totdat wij toegekomen zijn aan het splitsen van de atoomkernen (soms
eerder: bij het splitsen van de moleculen, maar dat maakt voor de gedachtegang
geen verschil). Het splitsen van een levend wezen echter levert al onmiddellijk
het vervallen van een kwaliteit op, namelijk het zich opheffen van het leven,
het doodgaan dus. Vervolgens echter kun je naar hartelust verder splitsen. Elke
analyse is er op gericht de samenhang van de samenstellende delen te verbreken.
Voor zover bij die analyse blijkt dat er oorspronkelijk toch een samenhang
geweest is, wordt vertaald in relaties, d.w.z. onderlinge betrekkingen,
wederzijds op elkaar inwerkende krachten. Er wordt dus iets bij verzonnen, een
buiten de uit elkaar gehaalde elementen staande derde grootheid, die op beide
inwerkt: de een of andere kracht. Zo levert de analyse op: ten eerste delen en
ten tweede betrekkingen. Een betrekking echter vooronderstelt een uit elkaar
zijn, zodat je kunt zeggen dat een betrekking iets geheel anders is dan een
samenhang. Hij wordt er wel vaak voor aangezien, maar dat is fout.
Je houdt niets over
We kunnen het nu niet aantonen, maar het is een
feit dat de materie tenslotte bij voortgezette analyse verdwijnt. Zodra je je
verdiept in de oermaterie op zichzelf krijg je te doen met de al eerder genoemde
beweeglijkheden en deze zijn volledig onbepaald. Ze onttrekken zich aan elke
categorie van het bestaande. Zij bestaan - letterlijk - niet, hoewel ze er toch
zijn. Dat betekent dat wij bij analyse tenslotte NIETS overhouden, dat alles
uit onze handen glipt, zelfs de kennis over de werkelijkheid. Deze bestaat dan
ook dank zij de SAMENHANG en niet dank zij de beweeglijkheden. Met deze
laatsten gebeurt niets; zij zijn en blijven ongrijpbare beweeglijkheden en dat
wordt niet tenietgedaan door het feit dat zij met andere beweeglijkheden
gelijkop bewegen, maar dit gelijkop bewegen doet op den duur wel een
verschijnselenwereld ontstaan, een wereld die er is dank zij dat gelijkop
bewegen en dus dank zij de samenhang. Als je inziet dat het zo zit, begrijp je
ook dat er geen sprake kan zijn van een derde grootheid, iets dat zich als iets
verbindends tussen de ietsen bevindt. De materie wordt niet bijeengehouden door
krachten of iets dergelijks; het lijkt voor Ons zo omdat wij krachten nodig
hebben om haar uit elkaar te halen. De samenhang heeft op zichzelf niets met
relaties te maken: relaties komen voor Ons voor de dag als wij de samenhang
opheffen door de zaak te analyseren. Het begrijpen hiervan - maar dit is voor
onze wijze van denken niet gemakkelijk - opent ook geheel nieuwe perspectieven
bij het nadenken over de mensen en de mensheid, vooral waar het betreft het
begrip rechtvaardigheid, dat immers ook niet te vatten is zonder inzicht in de
samenhang. Je zou kunnen menen dat het je verdiepen in de wezenlijke situatie
van de materie een abstracte bezigheid is, die voor het dagelijkse leven niet
van belang is, maar zo’n mening is dom, want bij verder nadenken blijkt dat de
verhoudingen in de materie nauwkeurig door alle vormen van leven (dus ook de
menselijke) afgespiegeld worden. Omgekeerd opent het leren kennen van het
wezenlijke van de menselijke levensvorm de deur voor het leren kennen van de
gehele werkelijkheid! De opvatting van de oude denkers, dat je de werkelijkheid
kunt leren kennen door jezelf te leren kennen, is dan ook een juiste opvatting,
maar toegegeven moet worden dat je met een dergelijke wetenschap geen bruggen
en raketten kunt bouwen, wel echter kan je berekenen dat zoiets als
bijvoorbeeld nucleaire technologie op den duur iets rampzaligs zal blijken te
zijn...
Hoe dieper je analytisch in de materie doordringt,
hoe meer het daartoe benodigde systeem (je apparatuur) méé gaat doen met de
analyse. Het reactorvat, waarin je een kernsplitsing laat plaatsvinden, wordt
zelf een onderdeel van die splitsing. Tot op zekere hoogte kan je dat voorkomen
door speciale materialen te kiezen, maar tenslotte, bij een nog diepere
splitsing, zal je dat niet meer gelukken. Op grond hiervan kan je zeggen dat de
nucleaire technologie in feite een onmogelijke technologie is en dat wij
waarschijnlijk thans al op de grens van het onmogelijke zitten. Niet
alleen echter gaat je materiële systeem meedoen, je eigen denken doet dat ook.
Dacht men aanvankelijk dat je eigen denken vrij zou kunnen blijven van zijn
eigen werkzaamheid (het analyseren), thans gaat men meer en meer inzien dat je
er qua denken niet aan kunt ontkomen onderdeel te worden van het analytische
proces. Je eigen denken lost zich dus ook op! Tenslotte kan je er niets meer
mee doen zonder krankzinnig te worden. In plaats van duidelijker en
begrijpelijker wordt alles steeds verwarrender en minder te bevatten door je
denken. Verder van waar
u het uitstapje maakte (Rob van Es)
Betekenis van de analyse
Omdat de verschijnend: werkelijkheid samengesteld
is, en omdat het menselijk zelfbewustzijn zich als niet materieel laat gelden
behoort het analyseren bij de mensen. Er is dus op zichzelf geen kwaad woord
van te zeggen. Analytisch onderzoek kan en mag niet wegblijven, maar het gaat
wel om de vraag hoe je daar tegenaan kijkt. De analytisch verworven kennis kan
in feite slechts het MATERIAAL zijn om de samenhangende werkelijkheid
genuanceerd te begrijpen en de analyse is het gereedschap. Fout is het om dat
materiaal voor DE werkelijkheid aan te zien en de analyse als DE methode tot
begrip te waarderen. De werkelijkheid IS samenhang en het nagaan daarvan leidt
tot begrijpen. Daarbij gebruik je onder andere de analyse en je voegt de
daardoor verkregen kennis IN het geheel in, maar elke andere wijze van doen,
bijvoorbeeld het samenstellen van een werkelijkheid uit elementen en relaties
(zoals men in de wereldpolitiek probeert) is bij voorbaat tot mislukken gedoemd
omdat op deze wijze geen samenhang tot stand gebracht kan worden, slechts een
constructie.
No. 33
Samenhang en betrekking
Als je de werkelijkheid gaat analyseren haal je er
de samenhang uit, maar als je dat laatste doet houd je tenslotte niets over,
omdat de werkelijkheid in feite niets anders dan samenhang is. Weliswaar is
deze samenhang niet te denken zonder datgene dat samenhangt, namelijk de
beweeglijkheden, maar deze zijn en blijven volledig onbepaald. En dat is ook
het geval voor zover ze deel uitmaken van het een of andere verschijnsel. In
welke situatie ze ook verkeren, zelf blijven ze onbepaald; voor hen geldt dus
geen enkele verandering, noch in situatie, noch in beweeglijk-zijn. Door hun
onbepaald zijn hebben ze geen enkel belang, waar het om gaat is het feit dat er
onvermijdelijk een ten opzichte van elkaar stilstaan op gaat treden omdat
gelijk op bewegen niet uit kan blijven. Hierdoor ontstaat een
verschijnselenwereld. Er bestaat dus geen kracht en geen middenstof die de
beweeglijkheden aan elkaar bindt; zij zijn niet aan elkaar geplakt door wat dan
ook. Trouwens: waar zou dat plaksel vandaan moeten komen? Behalve de
beweeglijkheden IS ER NIETS. De beweeglijkheden zijn volledig onbepaald, geheel
en al onaantastbaar, nergens in betrokken, en zo blijft dat! Door dat nergens
in betrokken zijn behoeven zij ons dan ook niet te interesseren. Het gaat om de
samenhang. En dat is het wat ik ophef als ik tot analyse overga: ik ben
begonnen de werkelijkheid op te heffen. De werkelijkheid verzet zich tegen de
analyse, hoe dieper ik met die analyse ga, hoe meer moeite het mij kost. Het
verzet, vanuit de samenhang, wordt steeds groter. Hoe komt dit nu op mij over?
Ik constateer dat er blijkbaar krachten zijn, betrekkingen, die de boel bij
elkaar houden. Ze zitten blijkbaar aan elkaar vast geplakt, die moleculen en die
atomen en nog kleinere deeltjes. En ik concludeer dat er blijkbaar een soort
van bindende factor aanwezig is, een relatie, een betrekking tussen het één en
het Ander. Maar wat ik licht vergeet is dit, dat ik die zogenaamde bindende
factor gevonden heb bij ANALYSE van de werkelijkheid, zodat ik mij af kan
vragen: is die bindende factor nu een element van de werkelijkheid, Of is het
een element van de analyse? Inderdaad blijkt dat de bindende factor bij de
analyse behoort; dat ik hem meen te ontdekken komt juist doordat ik aan het
analyseren ben. Bij de analyse doe ik twee soorten van fundamentele kennis op:
de kennis omtrent de materie, die overigens in niets uitloopt, en de kennis
omtrent betrekkingen tussen de materiele dingen, en die kennis berust op een
fictie omdat hij voortgekomen is uit mijn DENKEN, mijn analyse, en niet uit de
werkelijkheid zelf. Wat is er nu gebeurd? Je hebt de samenhang opgeheven; bij
het opheffen daarvan ontdekte je dat er samenhang was (door de weerstand tégen
het opheffen); nadat je de zaak toch uit elkaar gehaald hebt is datgene dat
eerst samenhang was nu een betrekking geworden. Dat betekent dat je, in je
denken, iets aan de werkelijkheid toegevoegd hebt, iets dat er eigenlijk niet
is, een fictieve bindende factor. Een factor dus, die zich TUSSEN het één en
het Ander zou bevinden. Je hebt de samenhang vertaald in betrekkingen, die je
in allerlei wetenschappelijke formules uitdrukt. Dit neemt evenwel niet weg dat
het toch allemaal fictief is; er zijn geen betrekkingen tussen de dingen. Het
begrijpen hiervan heeft, vooral maatschappelijk, verstrekkende gevolgen, met
name waar het gaat over het begrip organisatie. Wat er wel is, is de samenhang
en dat betekent dat het één en het Ander samen bewegen en daardoor ten opzichte
van elkaar stil staan. Tussen die twee is er NIETS: er zit geen lijm, geen
kracht of wat dan ook tussen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat men in de
natuurkunde almaar tevergeefs zoekt naar de bindende krachten; telkens als men
meent die gevonden te hebben blijkt het toch weer niet te kloppen. En, op grond
van die fictieve betrekkingen hebben wij intussen een gehele wereld opgebouwd
van wolkenkrabbers en raketten, een wereld die heel ondoelmatig blijkt te zijn
en die steeds minder mogelijkheden biedt om in te leven, terwijl hij tegelijk
op een steeds grondiger kennis berust. Dit is een tegenspraak die gaandeweg
duidelijker aan het licht treedt, allicht, want met het verdiepen van de
analyse neemt ook het aantal fictieve betrekkingen toe, terwijl de samenhang tussen
al het bestaande afneemt. Daarmee nemen de levensmogelijkheden af.
Een sociologische levensbeschouwing
Tegenwoordig worden beweringen over de samenleving
niet meer serieus genomen als je geen socioloog bent. Dat betekent dus dat de
samenhang van de samenleving vertaald wordt in betrekkingen die te formuleren
en eventueel te berekenen zouden zijn. Vervolgens wordt het stelsel van
geformuleerde betrekkingen aangezien voor dé samenleving. Groot is dan de
verbazing als de praktijk van het samenleven iets geheel anders laat zien dan
op grond van het sociologisch stelsel van betrekkingen te verwachten was. De
mensen houden zich niet aan de sociologische theorieën. Je kunt hen dat kwalijk
nemen en hen van allerlei beschuldigen, maar in feite ligt de fout in het
sociologisch denken zelf. Vanuit dat denken, wetenschappelijk verantwoord op
grond van onderzoek, bouwt men de organisatie van bijvoorbeeld de staat op en
men dwingt de mensen, door geweld en door overtuiging, zich naar dat stelsel te
voegen, met uiteindelijk steeds weer als resultaat: de mensen gehoorzamen niet,
zelfs niet als zij grondig op dat gehoorzamen geconditioneerd zijn. De oorzaak
ligt in het niet-reële, het fictieve karakter van de betrekkingen die men tot
een stelsel georganiseerd heeft. Dat de mensen zich hierbij niet laten inlijven
is volkomen terecht, maar de sociologisch geschoolde organisatoren houden de
mensen voor dat zij zich aan de spelregels zouden moeten houden. En als zij dat
niet doen zijn zij onredelijk.
De organisatie
Als je, in welk verband dan ook, de mensen
organiseert ben je bezig met met afdwingen van onderlinge betrekkingen, die er
eigenlijk niet (kunnen) zijn. Zo’n stelsel van onderlinge betrekkingen noemt
men tegenwoordig een scenario. De moderne militaire strategen bijvoorbeeld
maken met behulp van computers hele oorlogsscenario’s. Zij organiseren al bij
voorbaat een komende oorlog. Anderen hebben modellen voor conflicten
bestudeerd, menende dat dit kan helpen de problemen op te lossen. Overal is men
bezig de samenhang van de werkelijkheid door een stelsel van betrekkingen te
vervangen. En dit nu is organiseren! Het is het onderbrengen van het leven, dat
alles met samenhang te maken heeft, in scenario’s die wetenschappelijk
uitgedokterd worden. Een dergelijk organiseren loopt op chaos uit en dat begint
zich in onze moderne wereld al aardig te realiseren. Langzamerhand gaat het
leven van de mensen aan scenario’s beantwoorden, veel verschillende scenario’s
desnoods, uitermate pluriform, maar toch: scenario’s. Het gaan en staan van de
mensen wordt van tevoren uitgerekend en het wordt van bovenaf aan de mensen
opgelegd, voornamelijk met behulp van het inprenten van zogenaamd sociaal
gedrag. Het moderne begrip organisatie heeft dus niets met een samenhangende
menselijke werkelijkheid te maken, maar met een verzonnen stelsel van
onderlinge betrekkingen, afhankelijkheden en belangen waarin niemand zich thuis
kan voelen en dat, naarmate het beter georganiseerd wordt, steeds minder
functioneert...
No. 34
Een opmerking over het kunnen
Te zeggen is: ik kan de werkelijkheid analyseren,
maar tegelijk is ook het tegendeel staande te houden: ik kan de werkelijkheid
NIET analyseren. De uitdrukking ik kan heeft in beide gevallen een andere
betekenis; in het eerste geval duidt het op een in staat zijn tot en in het
tweede geval, in combinatie met het woordje niet gaat het over iets dat ik, om
welke reden dan ook, heb te 1aten. Dat iets laten vooronderstelt dat ik wel tot
iets in staat ben, dat iets binnen mijn macht, mijn vermogen ligt. Zo ben ik in
staat de werkelijkheid te analyseren, maar ik heb dat te laten omdat ik daarmee
alles vernietig en, vanaf het eerste moment, het leven aantast. Op grond van
die analyse en de daarmee opgedane kennis zijn wij bijvoorbeeld in staat om bij
een mens het erfelijk materiaal te veranderen, maar toch zullen de mensen eens
ontdekken dat je zoiets maar hebt te laten omdat zo n verandering de
oorspronkelijke samenhang verbreekt. De mensheid nadert het punt dat zij tot
alles in staat zal zijn om tegelijk tot het inzicht te komen dat je het
allemaal achterwege hebt te laten. Dat achterwege laten is een zelfbewuste
aangelegenheid, je doet dat op grond van je inzichten in de werkelijkheid zelf
en niet op grond van je, door analyse verkregen, kennis van de delen en de
betrekkingen.
De verschuiving naar functioneel denken
Aanvankelijk was het analytische denken gericht op
het ontdekken van de delen. Je constateert immers als eerste dat alles
samengesteld is en dus ga je dat uit elkaar halen om te zien waaruit het
bestaat. Pas daarna ga je je in de betrekkingen verdiepen; je gaat je afvragen
hoe die gevonden delen ten opzichte van elkaar functioneren. Je gaat daarover
dan theorieën opstellen. De volgorde is dus: eerst de delen en daarna de
betrekkingen. Deze volgorde is in de geschiedenis van de moderne wetenschappen
terug te vinden. Een tekenend voorbeeld daarvan vinden wij in de natuurkunde
waarin de rol van de relativiteit steeds belangrijker is geworden. Maar het is
niet alleen daar dat men aan de betrekkingen aandacht is gaan besteden, ook in
het maatschappelijke en politieke denken is een verschuiving naar het
functionele aan te wijzen. In een modern bedrijf bijvoorbeeld gaat het niet
meer in de eerste plaats om de posities van de afzonderlijke werknemers, maar
om hun functioneren in de gehele organisatie. In de hedendaagse technologie is
het bestuurscentrum het belangrijkste gedeelte en dat is ook het geval bij
overheden die binnen het kader van een staat de betrekkingen tussen de mensen
proberen te regelen. Dat was vroeger nauwelijks het geval: die betrekkingen
lagen al bij voorbaat vast en iedereen behoorde zijn plaats te weten. Thans
echter ligt de nadruk op het meewerken, op het zijn rol spelen en dus op het
functioneren. In de moderne wetenschap der bestuurskunde houdt men zich met dit
soort van zaken bezig. Sommigen zijn van mening, dat met het verschuiven van
het denken naar het functionele het analytische terrein verliest, maar dat is
niet juist. We hebben juist met een verdergaande analyse te doen omdat het niet
om samenhang gaat, maar om betrekkingen die door de analyse te voorschijn zijn
gekomen. Betrekkingen die steunen op de mening dat de delen van de
werkelijkheid op de een of andere manier aan elkaar geplakt zijn. Zo lijkt het
immers als je de samenhang vernietigt! Inderdaad is het functionele een stap
vooruit in het denken van de mensen, maar het is wel een stap vooruit in het
analytische denken. Door het fictieve karakter van het functionele denken kan
er geen samenhangende mensheid uit ontstaan, zoals sommige holistische denkers
verwachten.
De moderne organisaties
Als gevolg van het voortgaande analytische denken
en dus ook op grond van een steeds groter aantal betrekkingen worden er in de
moderne wereld almaar ingewikkelder organisaties tot stand gebracht. Dat
gebeurt met een grotere kennis van zaken zodat je zou verwachten dat dit betere
resultaten zou opleveren. Maar dat is niet het geval; opvallend is daarentegen
juist dat de resultaten van de ingewikkelder organisaties zienderogen minder worden.
Dit komt doordat de fictie zo langzamerhand allesoverheersend wordt. Van
hieruit beweren de organisatoren, de regelaars, dat zij grote successen boeken,
dat zij bijvoorbeeld de economie weer gezond gemaakt hebben, terwijl
gemakkelijk geconstateerd kan worden dat dit maar praatjes zijn, ten eerste
omdat er niets gezond is geworden en ten tweede omdat eventuele veranderingen
of verbeteringen niet aan die regelaars te danken zijn, maar aan betrekkelijk
ongrijpbare werkingen binnen het geheel van de mensheid. Dus: men doet alsof
men de zaken goed geregeld heeft terwijl in feite de verwarring alleen maar
groter is geworden. De idee, dat bij het kennen van de delen en de betrekkingen
een goed functionerende maatschappij op te bouwen zou zijn, is een waanidee.
Het gehele moderne organisatiebegrip is op de delen en de betrekkingen
georganiseerd, maar op die manier wordt een organisatie geen echte organisatie;
de zaak blijft steken in een dwangsysteem waarin alles en iedereen beneden zijn
niveau blijft en niets tot zijn recht komt. Voor zover er dan toch nog een
tijdje iets van terechtkomt gelukt dit niet dankzij de organisatie, maar
ONDANKS de organisatie. Telkens weer blijkt dat het slagen van een project het
gevolg is van persoonlijk initiatief dat het organisatorische netwerk
doorbreekt. De ontkenning van de organisatie kan welslagen tot gevolg hebben.
De oorzaak hiervan is gelegen in het aanvoelen, meer of minder duidelijk, van
SAMENHANGEN.
Wat is chaos
Het opsplitsen in steeds kleinere delen loopt
tenslotte in niets uit en het laten gelden van almaar meer betrekkingen loopt
in een alles overheersende fictie uit. Dat levert chaos op. Ik versta dus onder
chaos een uiteengevallen gefingeerde werkelijkheid, die voortgekomen is uit een
volledig samenhangende. De chaos is dus een resultaat van menselijke
activiteit, in tegenstelling tot het Griekse begrip chaos dat betrekking heeft
op een vermeende beginsituatie van de werkelijkheid: voor dat er iets was, was
er chaos. Ik zeg: door het analytische menselijke denken ontstaat er chaos.
Chaos betekent dus een uit elkaar gehaalde werkelijkheid, een vernietigde
samenhang.
Het nut van de dingen.
Al het voorgaande is bedoeld om duidelijk te maken
waarin ons analytische denken OP ZICHZELF uitloopt. Maar aan dat denken komt wel
een aantal dingen mee waarvan te zeggen is dat zij nuttig zijn. Dit betekent
dat het gaat over dingen die voor de gebruikers een rol zijn gaan spelen in de
samenhang van hun leven. Dat heeft niets meer met chaos te maken. De fabricage
echter van die spullen stond wel in het teken van de fictie, want daarbij ging
het om de winst, het zichzelf bevestigen buiten de samenhang om: het zichzelf
verrijken. Winst maken houdt ook vernietiging van de samenhang in en daarom
behoort dit begrip tot de analytische denkwereld. Er wordt niets gefabriceerd
als het niet de belofte van winst inhoudt, maar anderzijds is op te merken dat
het fabriceren van spullen vereist dat zij te gebruiken zijn, in te passen zijn
in de samenhang van het leven. Veelal echter wordt dat nut alleen maar
gesuggereerd, maar zelfs de wapenfabrikanten moeten het doen voorkomen alsof
hun producten nuttig zijn, bijvoorbeeld voor de verdediging van de cultuur en
de zogenaamde democratische vrijheden van de mensen.
Mystiek-1 Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
De teruggang van de analyse
Sommige moderne denkers zijn van mening dat de
mensen zich gaandeweg af zullen wenden van het analytische denken, omdat dit
geen praktische resultaten kan opleveren en feitelijk alleen maar in
vernietiging uit kan lopen. Zij menen dat wij holistisch zouden moeten gaan
denken. Op zichzelf is dit juist gezien: als je onder holisme verstaat, in het
kort gezegd, het denken in samenhangen, is het zeker een feit dat wij daar naar
toe zouden moeten. Maar vanuit de analyse kan je niet tot een samenhang komen:
in het beste geval gelukt het je om zo verfijnd mogelijke, betrekkingen tot
stand te brengen. Je kunt dan een uitermate geraffineerde constructie maken
waarin alle onderdelen nauwkeurig in elkaar grijpen, terwijl je doormiddel van
een meet- en regelsysteem de hele zaak kunt controleren en, waar nodig,
corrigeren. Het is zelfs zo sterk dat de voortdurende controle, die zelfs de
kleinste betrekkingen in de gaten moet houden, een nog belangrijker plaats gaat
innemen dan de constructie zelf. In de moderne technologie is dit al waar te
nemen en er zijn al ontwikkelingen gaande die er toe moeten leiden dat ook het
controle systeem efficiënt gecontroleerd kan worden. Een dergelijke
ontwikkeling heeft ook in de moderne maatschappij plaats en er is zelfs wel te
zeggen dat wij toegaan naar een wereld, vol van elkaar controlerende systemen.
In het holistische denken verkijkt men zich hierop nogal eens doordat men over
het hoofd ziet dat de zogenaamde feedback processen, waarbij bepaalde
betrekkingen gecorrigeerd worden op grond van informatie uit een verder stadium
van een bepaald proces, evenzeer tot de fictieve werkelijkheid van de
betrekkingen tussen de dingen behoren. Vanuit de analyse zelf is geen holisme
mogelijk, als je daaronder althans het denken in samenhangen wilt verstaan.
Bedoel je echter het toewerken naar een alomvattend systeem, waarin alle
onderdelen hun functie hebben, dan kan je wel spreken van een zich naar het
holisme ontwikkelend denken. In deze laatste betekenis echter behoort het
holisme wel degelijk tot het analytische denken; het is daarvan de meest
verfijnde uitwerking. Dan is er nog iets: de mensen kunnen zich niet van het
analytische denken afwenden omdat het hun cultuur is en ook omdat er geen rust
zal zijn voordat men de werkelijkheid effectief uit elkaar gehaald heeft. Met
andere woorden: een cultuur proces gaat door totdat het alles heeft waargemaakt
wat er in verborgen was en zo gaat de analyse door totdat er echt niets meer is
overgebleven. Er valt dan ook op te merken dat diegenen, die zich bewust gaan
worden van andere denkmogelijkheden, vrijwel zonder uitzondering bevangen
blijven in de analyse. Daardoor weten zij met die andere mogelijkheden niet
goed raad zodat het gevolg is dat er een romantisch mystiek denken ontstaat dat nauwelijks verder komt dan een min of
meer religieuze bewondering voor en verbondenheid met de kosmos, het heelal,
het vrouwelijke, het oosten en dergelijke. En dat gaat dan gepaard aan een
aversie tegen het denken, en het wetenschappelijk denken in het bijzonder. Men
heeft doorgaans niet in de gaten dat men zelf het denken en de wetenschap
verengd heeft tot eenzijdige analyse en dat het zaak is deze verenging te boven
te komen.
Het nuttig zijn en het nodig zijn
Bij het leven van de mensen op de planeet behoort
dat zij de natuur omzetten tot zichzelf. Zij maken de aarde tot inhoud van hun
geest, van hun zelfbewustzijn, en het proces waarlangs dit gebeurt is het
arbeidsproces. Genoemde omzetting levert een grote verscheidenheid aan spullen
op en van die spullen is te zeggen dat zij tot mens geworden natuur zijn.
Duidelijk zal zijn dat de KWALITEIT van die spullen afhankelijk is van de
visie, die de mensen omtrent zichzelf hebben. Vinden zij van zichzelf dat zij
heersers moeten zijn, dan vinden ze tot wapentuig omgezette natuur nuttige
spullen en zij vinden ook dat zij die beslist nodig hebben. Anderen zullen
landbouwwerktuigen nuttig en nodig vinden. Hier ligt dus de vraag: wanneer gaat
het werkelijk over de kwaliteit van de spullen? Als de werkelijkheid en dus ook
de menselijke werkelijkheid analytisch benaderd wordt, dan zal daarin de norm
voor de kwaliteit liggen. Dat betekent dat het zal gaan om zoveel mogelijk
spullen en om de betrekking tussen het ene ding en het andere. Het eerste uit
zich in de voortdurende behoefte aan groei en het tweede in een waarden systeem
dat door alles heengaat en dat alles beheerst. Beide verschijnselen zijn voor
onze moderne wereld typerend. We verdrinken zo langzamerhand in de spullen en
de waarde daarvan wordt steeds meer fictief, d.w.z. almaar minder uit te
drukken in een eenheid van waarde, geld bijvoorbeeld. Bovendien regelt de
hoeveelheid spullen de betrekking tussen de ene mens en de andere: wie het
meeste heeft is de machtigste. Over de werkelijke kwaliteit van de spullen gaat
het niet; voor zover er toch een norm gesteld wordt voor kwaliteit wordt die
bepaald door de verkoopbaarheid, die immers alleen maar bevorderd kan worden
door de producten niet al te slecht te maken. Meer dan eens is gebleken dat
bepaalde producten slechter worden naarmate de producenten een groter aandeel
in de markt verworven hebben. Men gaat er dan heel voorzichtig toe over
goedkopere en minder goede onderdelen en grondstoffen te gebruiken. Zo zijn er
tal van voorbeelden. In het algemeen kan men vaststellen dat met het ruimer
voorhanden zijn van spullen de kwaliteit daarvan afneemt. Tegenwoordig is
technisch bijna alles mogelijk, wat de productie betreft, maar de kwaliteit van
de producten is aanzienlijk minder geworden. Er is maar één mogelijkheid om de
spullen tot hun recht te laten komen en die is gelegen in een volwassen visie
van de mensen op zichzelf. Volgens die visie hangt alles met alles samen en dat
heeft tot gevolg dat je heel anders tegen het nuttig zijn en het nodig hebben
aan gaat kijken. In de eerste plaats vervallen het zoveel mogelijk en de
waarde, zodat een groei-economie die op winsten gericht is tot de
onmogelijkheden gaat behoren. Bovendien vervalt het geschraap van iedereen, die
voor zichzelf zoveel mogelijk wil binnenhalen. Als het gaat om de samenhang der
dingen gaat het uitsluitend om datgene dat die samenhang bevordert en dat heeft
niets met zoveel mogelijk te maken. Eerder gaat het om zo weinig en zo
doelmatig mogelijk. Alles wat hierboven uit gaat is luxe die geen rol kan
spelen in de samenhang en die dus onnut en onnodig is. Met luxe besteel je
eigenlijk de anderen, want Of je pakt het echt van iemand af Of je bent er
oorzaak van dat het teveel geproduceerd is. In een volwassen economie is de
productie spaarzaam; dat betekent niet dat iedereen zich allerlei moet
ontzeggen - en dat geldt nooit voor de slimmeriken - maar dat iedereen zich
houdt bij datgene dat nodig is. Niemand kan voor een ander bepalen wat er nodig
is. Voor elk mens gelden andere behoeften en dat is van kracht voor alle mogelijke
soorten van producten. Aan die behoeften moet voldaan worden, maar dat is geen
enkel probleem: de productiviteit zal daardoor, vergeleken bij de huidige,
eerder dalen dan toenemen omdat wij er thans nog op uit zijn méér dan het
nodige in de wacht te slepen en aan die hebberigheid kan ook voldaan worden.
Niemand behoeft voor anderen te bepalen wat zij nodig hebben en niemand behoeft
dat te controleren omdat een volwassen mens nu eenmaal geen luxe wenst, d.w.z.
niet méér wil hebben dan nodig is. In deze situatie gelden de betrekkingen
tussen de dingen ook niet meer zodat het waardeoordeel is vervallen. Op basis
daarvan benijdt men elkaar de dingen niet meer en ook dat maakt luxe
onmogelijk.
Mystiek-1 Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
Bladwijzers: Algemeen belang-1 ; Algemeen belang-2
; Algemeen belang-3
; Algemeen belang-4
; Doen alsof
Een vreemde moeilijkheid
Door onze analytische denkwijze hebben wij zoveel
kennis verworven, dat het nauwelijks meer mogelijk is enige slagorde in de
dingen te krijgen. Zoals ik al eerder gezegd heb valt die kennis in zekere zin
uiteen in kennis van de materiële dingen en kennis van de niet-materiële
betrekkingen tussen die dingen. Maar die kennis van de betrekkingen bevordert
het in slagorde brengen van de kennis van de materiële dingen niet, al was dit
wel de verwachting. Het merkwaardige is evenwel dat de verwarring, die het gevolg
is van de analyse, niet in de eerste plaats voor de dag komt binnen het kader
van dat analytische denken zelf, maar in de praktijk van het leven in de
maatschappij. De deskundigen denken systemen, plannen en voorschriften uit,
geven oplossingen voor bepaalde problemen, zijn er zelfs van overtuigd de
maatschappij te besturen en zij maken daarbij gebruik van een vaak erg
ingewikkelde wetenschap, maar toch blijkt het alles in de praktijk een slag in
de lucht te zijn. In de praktijk gebeurt er of helemaal niets, of de
zaak werkt heel anders uit dan de bedoeling was, vaak zelfs geheel averechts.
Nu kan je zeggen dat het niet-uitwerken, of anders-uitwerken of verkeerd
uitwerken eigenlijk de geheime bedoeling van die deskundige bestuurders was,
maar dat is niet zo. Een leugenachtig plan, dat iets anders op moet leveren dan
gesuggereerd wordt, is immers nog altijd een plan dat moet werken, dat succes
moet hebben. Maar ook dergelijke plannen blijken telkens weer een slag in de
lucht. Daarom kunnen wij nu, bij het overdenken van dit probleem, alle
mogelijke kwade bedoelingen en valse voorspiegelingen - waarvan het natuurlijk
wemelt! - gevoeglijk buiten beschouwing laten. Ook de kwade plannen blijven
hangen in het luchtledig... Wij mogen ons niet laten misleiden door het feit
dat het altijd weer bepaalde elites zijn die door de plannen en regelingen
bevoordeeld worden. Voor zover die elites de regelingen ten eigen bate
opstellen is dat te danken aan het van bovenaf denken dat aan de onvolwassen
mensheid meekomt en als zodanig is dat het vanouds bekende gedoe. Hoe
democratisch ook, de wereld is nog steeds het bezit van de elites. Voor zover
echter de plannen en regelingen bedoeld zijn voor het zogenaamde welzijn van de
burgers, zijn het ook steeds de elites die er het meeste voordeel van hebben.
Dat echter danken zij aan hun grotere mogelijkheden om zich aan het algemeen belang te
onttrekken: een grote onderneming is ook verplicht om belasting te betalen,
doet dat dan ook, maar: dank zij allerlei juridische en fiscale trucs komt het
betaalde weer ruimschoots terug uit de schatkist. Dit soort zaken echter zijn
pragmatisch, men slaat zijn slag als de kans zich in de praktijk voordoet. Wij
kunnen dus de pragmatische activiteiten ook terzijde laten. Het gaat louter en
alleen om wetenschappelijk beredeneerde systemen met betrekking tot de
werkelijkheid, systemen die binnen het denken verantwoord zijn, maar die
daarbuiten elke realiteit missen en dat dan niet omdat er fouten in zitten (wat
natuurlijk wel vaak het geval is), maar omdat zij nergens op slaan. Zo zijn er
allerlei plannen om de werkgelegenheid te bevorderen en enkele daarvan
zijn tot maatregelen uitgewerkt. Wat het resultaat daarvan ook is, de werkgelegenheid
is er niet door toegenomen, misschien juist wel afgenomen, en de ondernemingen,
alert als altijd, hebben het geld met scheppen binnengehaald. Niemand heeft
zelfs maar gemerkt dat er een werkgelegenheidsplan was. Hetzelfde geldt
voor het bestrijden van de misdaad, het vandalisme en het terrorisme en
straks ook voor de zogenaamde sancties tegen Zuid-Afrika. Het blijft allemaal
bij theorie, bij gepraat en geschrijf en gereken terwijl het verband met de
realiteit steeds ver te zoeken is.
Het fictieve wereldbeeld Die vreemde moeilijkheid is
gelegen in het fictieve karakter van onze cultuur; het loopt door alle
verschijnselen heen en is vaak moeilijk te onderscheiden van welbewuste al of
niet kwade bedoelingen van machthebbers. President Reagan van de USA, is die nu
de verpersoonlijking van het kwaad of leeft hij voornamelijk in een fictieve
werkelijkheid, die alleen maar voor een aantal deskundigen reëel is?
Deskundigen uiteraard, die op zichzelf tot de haviken gerekend moeten worden.
Welnu, als je je verplaatst in de gedachtewereld van zo’n havik (daarvoor is
geen grote intelligentie vereist!), dan bemerk je dat ook zijn havikplannen
nergens op slaan. Zij berusten doorgaans wel op een grote kennis van militaire
en strategische zaken, maar zijn tegelijk gespeend van elk militair en
strategisch inzicht. In de praktijk zouden die plannen helemaal niet werken! Je
kunt zeggen dat er in de moderne wereld twee gescheiden ontwikkelingslijnen
waar te nemen zijn, lijnen die met elkaar nauwelijks raakpunten hebben en die
toch tegelijk optreden. De éne lijn zou je de intellectuele kunnen noemen - de
werkelijkheid van de moderne maatschappij zoals die gedacht wordt - en de
tweede lijn die de praktische is - de werkelijkheid zoals die gedaan wordt.
Wellicht kan je beter zeggen: de pragmatische lijn. Dit onderscheid wordt
gewoonlijk niet gezien, maar als je het eenmaal in de gaten hebt zie je het
overal: bij de abortus en euthanasie kwestie, in het strafrecht, het
ouderenbeleid, het onderwijs, de economie. Steeds is de gedachte werkelijkheid
een andere dan de pragmatische. De moderne mens is een wandelende
fictie, hij doet alsof hij praktisch handelt en hij gelooft daar ook in, maar
in feite slaat het absoluut nergens op. De kunstenaars bijvoorbeeld doen
alsof zij zich met de kunst bezig houden, maar in feite volgen zij een
intellectueel beredeneerd gedragspatroon dat met kunstenaarschap niets gemeen
heeft. De medici doen alsof zij de mensen genezen, ménen
dat ook werkelijk, en hebben niet in de gaten dat zij met een economisch
programma bezig zijn en wezenlijk de mensen eerder ziek maken dan genezen. De
hulpverleners doen alsof zij de mensen helpen, maar zijn in feite bezig
met hun eigen maatschappelijke rechtvaardiging. Zo kan je eindeloos doorgaan...
Let op: bedoel ik nu dat men de boel belazert? - Neen, dat bedoel ik niet;
behoudens enkele uitzonderingen is men eerlijk bezig. Men heeft gewoon niet in
de gaten dat vrijwel alle gedoe een doen alsof is. Men is vervreemd van
eigen menszijn en men bevindt zich in een fictieve werkelijkheid. Daarin heeft
men zelf geen erg, allicht niet, want zodra je het in de gaten krijgt kan je
niet anders dan er onmiddellijk mee ophouden. Geen mens kan leven in een
illusie.
Vanwaar die fictie?
Steeds hebben wij er al op gewezen dat bij de
analyse van de werkelijkheid niet alleen de elementen (materieel) voor de dag
komen, maar ook de relaties (= de betrekkingen, immaterieel). ( Zie het
hoofdwerk Beweging en Verschijnsel deel 1; 2 en 3 ). Die relaties evenwel zijn
een gevolg van de analyse, in die zin dat zij alleen maar dan optreden als wij
analyseren. Ze bestaan alleen in ons analytische denken. Zij zijn de schijnbare
samenbindende krachten die wij bij analyse tegenkomen en zij berusten op het
zich verzetten van de samenhangende werkelijkheid tegen het uit elkaar halen.
Dat verzet interpreteren wij als een samenbindende kracht, maar in feite
bestaat die kracht helemaal niet, het is een door het uit elkaar halen
opgeroepen fictie, een illusie. Voor zover dus in het moderne denken de
relaties aan belang winnen wordt de fictie sterker en krijg je een toename van
het doen alsof men zich met de samenbindende krachten bezig houdt:
sociaal zijn, solidair zijn, democratisch zijn, zorgzaam zijn, artistiek zijn,
enz., terwijl de praktijk steeds weer van het tegendeel blijk geeft.
Bladwijzers: Algemeen belang-1 ; Algemeen belang-2
; Algemeen belang-3
; Algemeen belang-4
; Doen alsof – zie A , B , C-67/68
Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m18, 20 en 21, 37, 44, 48
en 68
De medische wetenschap, een opmerking
Het is beslist een feit dat de medische wetenschap,
net als trouwens andere wetenschappen, een enorme voortgang heeft geboekt.
Maar, zoals steeds moet je je ook hierbij afvragen: wat versta je onder
voortgang, welke normen leg je daarvoor aan? Gaat het dan over het vermeerderen
van kennis, dus over de groei daarvan, dan kan je van vooruitgang in de
medische wetenschap spreken en dat geldt ook op het terrein van de medische
techniek en het stellen van diagnoses. Maar als je vindt dat het moet gaan over
het vermogen tot genezen, tot het herstellen van de gezondheid, dan is het
resultaat eigenlijk erg pover. Zelfs is te zeggen dat dit vermogen achteruit
gegaan is, althans lang geen gelijke tred heeft gehouden met de groei van de
kennis. En deze achterstand wordt nog aanzienlijk vergroot door de enorme
toename van de zogenaamde iatrogene ziekten die door de behandelingen der
medici veroorzaakt worden. Dat heeft betrekking op minstens drie
doelstellingen: ten eerste de bedoeling om de ziekten via hun symptomen te
bestrijden, gegrond op de misvatting dat het symptoom de ziekte is (het gezwel
is de kanker); ten tweede de bedoeling om biologisch zinvolle, maar voor een
modern mens lastige verschijnselen weg te werken (zwangerschap, hoofdpijn,
koorts, stress); ten derde de bedoeling om mensen onredelijk lang in leven te
houden (ouderdomskwalen). Bijna alle moderne geneesmiddelen hebben kwalijke
bijwerkingen. In feite is dat woord bijwerking misleidend, want het gaat er
heel gewoon om dat die geneesmiddelen een mens ziek maken. De toename van
kennis leidt niet tot een groter genezend vermogen. Dat vindt zijn oorzaak in
het feit, dat die kennis door analyse verkregen is en dus niet betrekking heeft
op het lichaam als geheel, maar op het lichaam als een verzameling op zichzelf
beschouwde onderdelen. Zo’n geneesmiddel werkt wel op een bepaald onderdeel
(maar heel vaak ook niet) en kan daar schijnbaar genezen, maar het herstelt de
samenhang van het geheel niet. Eigenlijk verstoort het die samenhang zelfs. De
essentie van de werkelijkheid is de samenhang. Als je die verbreekt door
bijvoorbeeld een ijzeratoom te splitsen gebeurt er niet zoveel bijzonders want
dat ijzeratoom wordt getypeerd door het begrip samenstelling, terwijl het
begrip samenhang op de achtergrond ligt. Maar als menselijk lichaam staat de
werkelijkheid wel in het teken van de samenhang (met de samenstelling op de
achtergrond) en dus moet je die leren doorgronden om te kunnen genezen. Dat
evenwel gebeurt niet in de moderne medische wetenschap. Van alle moderne
wetenschappen is de medische de meest aansprekende waarmee wij allemaal wel
eens te maken krijgen en waarin wij allemaal steeds meer teleurgesteld worden.
Wij ondervinden letterlijk aan den lijve dat de analyse wel kennis, maar geen
wéten oplevert. De onmogelijkheid van Onze cultuur staat hier ten voeten uit.
Dan is er nog iets: sinds de tweede wereldoorlog hebben de medici
gaandeweg het monopolie van de gezondheid opgeëist; het is hun product geworden
dat aan de consumenten gesleten moet worden. Bovendien hebben zij het recht
genomen om als enigen te mogen bepalen wat ziek-zijn is en wat gezondheid, en
dat op grond van normen die zij zelf opgesteld hebben. Vanuit deze
onaantastbare positie doen zij het voorkomen alsof zij het zijn die ook
inderdaad voor de gezondheid zorgen. Maar onderzoekingen hebben uitgewezen dat
het aandeel van de medici daarin maar uiterst klein is: de vooruitgang in de
volksgezondheid is vooral aan maatschappelijke en sociale factoren te danken.
De medici hebben slechts in enkele gevallen enige inbreng gehad. Ook nu er
tegenwoordig zoveel klachten zijn over de slechte kwaliteit van het voedsel
hoor je de medici niet, maar wel lopen zij rond met het air de volksgezondheid
te bevorderen!
Nog iets over de fictie
Je kunt je afvragen waarom de moderne mensen,
bijvoorbeeld de medici, niet in de gaten hebben dat het allemaal niet zo goed
zit en maar stug doorgaan met hun heilloze programma. Het antwoord op die vraag
hebben wij eigenlijk al gegeven: het is het fictieve karakter van onze cultuur.
Toch is er nog wel het een en ander aan toe te voegen. Van belang is in de
gaten te hebben waar die fictie zit. Op een gegeven moment laat een aantal
beweeglijkheden zich gelden als materie, niet omdat die beweeglijkheden aan
elkaar geplakt raken door bijv. aantrekkende krachten of iets dergelijks, maar
doordat zij in een situatie komen te verkeren dat zij ten opzichte van elkaar
stil staan. Er zijn dus geen samenbindende krachten in het spel, trouwens, waar
zouden die vandaan moeten komen, er zijn immers alleen maar beweeglijkheden!
Dat ten opzichte van elkaar stil staan ervaren WIJ als aan elkaar vast zitten,
als bijeengehouden worden door krachten. Wanneer bemerken wij dat? - Dat
bemerken wij als wij de boel uit elkaar gaan halen: de werkelijkheid verzet
zich daar tegen. Steeds moeten wij onze krachten inspannen om ons doel te
bereiken. Dat is logisch omdat wij bezig zijn de samenhang te verbreken. En die
samenhang is het, er zijn van de werkelijkheid; de werkelijkheid vertoont geen
samenhang, zij IS samenhang. Gemorrel aan die samenhang betekent in wezen
Opheffen van de werkelijkheid. Als je daarmee bezig bent ervaar je de samenhang
als een tegenkracht, als een weerstand, als een reactie en je trekt dan de
verkeerde conclusie dat de werkelijkheid door krachten bijeen gehouden wordt.
Die conclusie is fictief, die krachten bestaan niet, maar zij schijnen er te
zijn juist doordat wij de zaak uit elkaar haalden, analyseerden. Krachten zijn
relaties, betrekkingen tussen dingen. Relaties zijn dus fictief, zij bestaan
alleen maar in ons denken. Omdat dit denken kenmerkend is voor onze cultuur kan
je zeggen dat wij steeds dieper ingaan op iets dat niet bestaat, maar dat voor
ons toch dermate concreet is dat wij er zelfs berekeningen over kunnen maken en
onderzoekingen naar kunnen doen. Binnen het kader van ons denken levert dat een
aantal resultaten op en pas als die resultaten op de werkelijkheid toegepast
worden blijkt hun fictieve karakter. Er zijn dus twee werelden: die van de
gedachte werkelijkheid met haar netwerk van betrekkingen, concreet en berekenbaar,
en de echte werkelijkheid waarin al dat fraais een slag in de lucht blijkt te
zijn.
Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3
;
Als twee of meer beweeglijkheden gelijk op bewegen
staan zij ten opzichte van elkaar stil. Zij onderscheiden zich dan niet meer
van elkaar en dat betekent dat zij in elkaar overgaan. Er bevindt zich niet
iets tussen die twee (relatie, betrekking), maar de één is onmiddellijk de
ander en blijft tegelijk zichzelf. Niet-analytisch denken houdt dus in: denken
in overgangen, de werkelijkheid beschouwen als een weefsel van overgangen en
niet als een verzameling détails. Een overgang is niet te berekenen omdat hij niet
te bepalen is en dat is iets dat in het moderne natuurkundige onderzoek steeds
duidelijker blijkt. Maar in de wereld van de grovere verschijnselen ligt het
voor ons zichtbare onderscheid meer op de voorgrond en daarom kan je, wat die
wereld betreft, best wel in relaties denken, als je maar weet dat het eigenlijk
ficties zijn. Elke ingenieur weet bijvoorbeeld dat het zogenaamde in elkaar
passen van de onderdelen van een machine maar een benadering is en dat echt in
elkaar passen toch een illusie is. En elke hersenonderzoeker weet dat het niet
lukt in de hersenen, hoe materieel op zichzelf ook, onderscheidingen aan te
brengen en werkingen te bepalen en te berekenen. Met andere woorden: bij
voortgaand onderzoek blijkt steeds weer het vluchtige karakter van de
werkelijkheid.
Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3
;
Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m18, 20 en 21, 37, 44, 48
en 68
Hersencel-1 ; Overgang-1 ; Overgang-2
; Overgang-3
;
Een voorbeeld van samenhang in de fysica
Al in de dertiger jaren werden de natuurkundigen
geconfronteerd met een heel merkwaardig verschijnsel dat de geschiedenis in zou
gaan als het EPR-effect, genoemd naar Einstein, Podolsky en Rosen. Dat effect
ontstaat als volgt: je zondert twee deeltjes die bij elkaar behoren van elkaar
af zodat ze ieder als het ware een kant opgaan; vervolgens beïnvloed je,
doormiddel van magneten, het gedrag van één van die deeltjes en dan blijkt dat
het andere deeltje onmiddellijk ook zijn gedrag verandert en wel op dezelfde
manier. Omdat ertussen beide deeltjes een afstand bestaat is die reactie van
dat andere deeltje op zijn minst raadselachtig. Waar vandaan krijgt het zijn
informatie om te reageren? Volgens de gangbare opvattingen in de fysica zou er
een signaal van het éne naar het andere deeltje gegaan moeten zijn, maar het
bleek dat dit signaal dan een snelheid zou moeten hebben, veel groter dan die
van het licht (een superluminale snelheid). Men dacht dat zoiets onmogelijk
was, maar men was nu wel genoodzaakt hierover te gaan nadenken. Er werden ook
nog andere mogelijkheden overwogen maar een oplossing is er niet gekomen. In
die hele geschiedenis vallen een paar dingen op. Ten eerste natuurlijk het
merkwaardige verschijnsel zelf, maar, ten tweede, de verwarring bij de
natuurkundigen, die zelfs wel op ruzies uitliep. Voor de meesten namelijk moest
er een signaal zijn, een betrekking tussen het één en het ander; de gedachte
dat die er niet zou zijn was onverdraaglijk. Enkelen echter aanvaardden het
ontbreken van een betrekking (al begrepen zij er niets van) en waagden zich aan
de veronderstelling dat ons hele denken over de grondslagen van de
werkelijkheid fout zou zijn. Het ziet er naar uit dat dit inderdaad het geval
is; hoe het ook zij, bij nadenken over de relatie, de betrekking tussen het één
en het ander, blijkt die hele zaak fictief te zijn omdat hij een gevolg is van
de analyse en dus van een bepaalde wijze van denken. De boven beschreven
natuurkundige proef is voor ons moeilijk te beoordelen, maar het is heel goed
mogelijk dat hier het fictieve karakter van de relaties voor de dag gekomen is
en dat zich tevens het begrip, samenhang in concreto vertoond heeft. Daarbij is
dan ook duidelijk geworden dat die samenhang ten enenmale niet te bepalen is,
d.w.z. hij laat zich niet berekenen noch aantonen maar hij blijkt uit het
gedrag van die deeltjes.
Nogmaals het begrip overgang
De beste definitie van het begrip overgang is: het
één is onmiddellijk het ander terwijl beide tegelijk zichzelf blijven. Dat komt
doordat de beweeglijkheid van de één dezelfde is als die van de ander en daardoor
één beweeglijk-zijn vertonen terwijl het toch twee beweeglijkheden zijn. Dit is
alleen maar te begrijpen als je je goed realiseert dat de werkelijkheid niet
uit dingen bestaat maar beweeglijkheden IS. Als overgang is er één
beweeglijkheid van twee (of meer) beweeglijkheden. In die situatie is niet te
bepalen wat qua beweeglijkheid de één is en wat de ander. Het is niet te
bepalen, maar wel blijft denkbaar dat je te doen hebt met afzonderlijke
beweeglijkheden. Deze, wellicht wat vreemde, situatie vinden wij terug bij de
mens als zelfbewustzijn. Van hersencellen is niet te zeggen op zij nu tot de
éne combinatie behoren of tot de andere, juist omdat het begrip overgang er
voor geldt. De werkelijkheid als samenhang, met als inhoud daarvan de overgang,
komt tenslotte als menselijke hersenen voor de dag en het functioneren daarvan
ervaren wij als het zelfbewustzijn. Dit is dan ook een en al beweeglijkheid
want zonder dat is geen samenhang mogelijk. Het begrip overgang duidt dus niet
op het in elkaar overgaan van ietsen, van dingen (zoiets is ondenkbaar), maar
van beweeglijkheden - desnoods zeg je: van bewegingen. Als voorbeeld zou je
kunnen denken aan het atoom. Dat werd aanvankelijk begrepen als één ondeelbaar
ding, maar later ontdekte men dat het meer dingen waren. Dat atoom kwam als een
en ondeelbaar over omdat het totaal van alle bewegingen (de resultante) zich
als een ten opzichte van elkaar stilstaan vertoonde. Bij splijting van het
atoom komen die verschillende bewegingen weer voor de dag; splijting is dan ook
uiteen-gaan. Bij alle uit-elkaar-halen gaan er dingen uiteen, het is altijd een
zaak van bewegingen. Zonder beweging is er geen uit elkaar-halen mogelijk. Dit
laatste betekent dan ook dat je de onderdelen hun eigen beweeglijkheid
teruggeeft - bij wijze van spreken, want er valt niets terug te geven omdat er
nooit iets afgenomen was. Er was slechts een gelijk op bewegen en dat hef je op
bij splijting. De gehele verschijnende werkelijkheid is één groot systeem van
overgangen, de werkelijkheid is samenhang. Die samenhang wordt in het
analytische denken verbroken en ervoor in de plaats komen de betrekkingen. Je
kunt dus zeggen dat betrekkingen door het denken verstarde overgangen zijn. Op
grond van hun verstard-zijn vertonen ze zich ook zodat wij ze in een berekening
kunnen vangen. Maar die berekeningen kloppen nooit, ze zijn hoogstens meer of
minder waarschijnlijke benaderingen. Het in elkaar overgaan is niet te bepalen,
het is op zichzelf dus nooit aan te tonen. De werkelijkheid als samenhang
vertoont zich niet. Althans niet als een objectief waarneembare zaak.
Het
fictieve karakter van onze cultuur
Je zou je kunnen afvragen waarom juist onze
cultuur een fictief karakter heeft. Het analytische denken, het onderzoeken van
de werkelijkheid, is toch een menselijke mogelijkheid die in vroegere culturen
ook voorgekomen moet zijn. Dat is inderdaad het geval, maar het bleef bij
analytische elementen in het denken. Waar gedacht wordt is ook analyse. Het
gaat er dan ook niet om de analyse te verwerpen als iets dat onmenselijk zou
zijn, maar het gaat er om de analyse haar juiste plaats in het denken te geven.
Onze cultuur staat in het teken van de analyse en daardoor staat zij in het
teken van de fictie. In vroegere en andere culturen kan je een aantal fictieve
elementen aanwijzen. Bijvoorbeeld in wetboeken waarin men de onderlinge
betrekkingen tussen de mensen dacht te regelen. En men had een grote
hoeveelheid gedragsvoorschriften. Allemaal op grond van bepaalde analyses. Maar
de werkelijkheid zelf werd geen fictie. Bij ons is dat wel het geval en dat
neemt gaandeweg toe. Wij kunnen wetenschappelijk en technisch zo ongeveer
alles, maar de wereld is nog nooit zo hopeloos verward geweest als nu, zo
wanhopig uitzichtloos. Men praat uitvoerig over veranderingen en er gebeurt
absoluut niets. Men stelt een jaar van de vrede in en doet niets dan praten en
zich bewapenen met steeds gruwelijker wapens. Talloze mensen verzetten zich
tegen die gang van zaken, maar alles gaat gewoon door alsof de werkelijkheid
buiten de mensen omgaat. Daarom: de vrede, een schoon milieu, het uitbannen van
de honger, verdeling van de welvaart,
het zijn allemaal dingen die eenvoudig niet bestaan. Het zijn ficties in de
hoofden van van zichzelf vervreemde mensen die in oplossingen geloven die
helemaal geen oplossingen zijn. De economische groei is geen oplossing voor een
economie die in een crisis verkeert; ontwapeningsbesprekingen zijn geen
oplossing voor de oorlogsdreiging en ook vredesdemonstraties zijn dat niet.
Terrorisme is niet met een versterkte politie te bestrijden en het gebruik van drugs
verdwijnt niet als je het strafbaar stelt en de handelaren grijpt. Producten
worden niet goedkoper als je ze grootschalig produceert en kerncentrales
leveren geen energiewinst op.
Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3
;
Bladwijzers: Hersencel-1 ; Doen alsof – zie A , B , C-67/68
Ficties vroeger en nu
In de Oudheid en in niet Westerse culturen, voor
zover die nog bestaan, komen tal van fictieve elementen voor, overal namelijk
waar men betrekkingen tussen bepaalde verschijnselen dacht te herkennen. Voor
Indianen in Amerika was er een betrekking tussen het uitvoeren van rituelen en
de komst van de regen. Dat was uiteraard een fictie, duidelijk herkenbaar en
aantoonbaar. En dat geldt in het algemeen voor alle vroegere en niet-Westerse religies.
Maar al die ficties tastten het wereldbeeld als één samenhangend, doorgaans als
moederlijk beleefd, geheel niet aan. Het waren interpretaties van dat
samenhangende geheel. Men gaf, zo nauwkeurig en zo helder mogelijk, een
verklaring van datgene dat men als werkelijkheid zag en het gaat niet aan
zoiets vanuit onze opvattingen belachelijk te maken en zeker niet als wij ons
realiseren hoe door en door fictief wij zelf bezig zijn. De werkelijkheid zelf,
als objectief gegeven, gaat niet kapot door onze analyse, hoogstens bij een
noodlottige ontwikkeling gaat onze planeet er aan. Maar daarom gaat het nu
niet, het gaat om de cultuur, om de wijze waarop mensen hun wereld beleven en
wat zij daarover denken. En dan is te zeggen dat de moderne cultuur geen interpretatie
van de werkelijkheid als een samenhangend geheel oplevert, maar een
interpretatie van een steeds meer niet-samenhangende zaak, waardoor die
interpretatie fictief wordt. Dus : in de moderne cultuur is de werkelijkheid
qua denken zelf fictief geworden, maar in de andere culturen zijn alleen maar
de interpretaties fictief. Dat laatste komt natuurlijk in de moderne cultuur
ook voor, maar dat doet er niet zoveel toe omdat alles een slag in de lucht is.
Er zijn foutieve denkbeelden en redelijk goede, men is in staat een groot
aantal afgrijselijke ontwikkelingen te herkennen en te vrezen en zelfs af te
wijzen, maar men is niet in staat er achter te komen waar dat allemaal vandaan
komt, zodat men bijgevolg ook met onmogelijke oplossingen aan komt zetten.
Enkele voorbeelden
Het is treurig om te zien hoe verward men reageert
op het gebruik van drugs. Die middelen zijn altijd en overal gebruikt,
denk maar aan de opiumkitten van het vroegere China. Maar in het Westen zijn de
drugs, vooral in de vorige eeuw en het begin van deze eeuw, een
voorrecht van bepaalde elites geworden. Kunstenaars, artsen, staatslieden en
rijkelui hebben er ontzaglijk veel gebruik van gemaakt. Ik denk dat dit
meespeelt in de reactie van tegenwoordige elites op het drugsgebruik en
dat er daardoor een schijnheilig gedrag ontstaan is. Ten aanzien van de drank
is men veel minder schijnheilig, maar dat is dan ook nooit als een élitair
privilege beschouwd. Die elitaire schijnheiligheid is er de oorzaak van dat men
de drugs moet verbieden en niet wil erkennen dat het vrijgeven ervan
vrijwel het gehele probleem terugbrengt tot wat het werkelijk is: een
individueel probleem van bepaalde mensen, die geen raad weten met de
verwarrende, bedreigende, onsamenhangende wereld waarmee zij geconfronteerd worden.
Die bepaalde personen lopen een groot risico door hun vlucht in de drugs,
vanwege de enorm verslavende werking ervan, maar het is en blijft hun zaak, hoe
ellendig wij het ook vinden. Maar men heeft er een criminele zaak van gemaakt
met alle gevolgen van dien. Er zou geen misdadige handel zijn als de zaak zelf
niet als misdadig gesteld zou zijn door elites die eigenlijk vinden dat het hun
privilege is om drugs te gebruiken. Vaak gebruiken ze zelf wel! Maar
intussen doet men toch alsof men de bevolking wil beschermen tegen dit gevaar,
en neemt de éne inefficiënte maatregel na de andere. Er is ook een voorbeeld
van hypocrisie te geven wat betreft het drankmisbruik. In de twintiger en
dertiger jaren werd er verschrikkelijk gedronken, overigens ook in samenhang
met de armoede en uitzichtloosheid van de bevolking. Toen is men allerlei
campagnes gestart, maar niet om het welzijn van de mensen te bevorderen: zij
verschenen s maandags niet op het werk omdat zij hun roes lagen uit te slapen.
De economie leed schade! En op het ogenblik dreigt de hulpverlening te duur te
worden. Maar let op: het gaat er niet om drugs en drank als iets
onschuldigs voor te stellen, het gaat er om dat persoonlijke zaken, hoe
ellendig ook, voorgesteld worden als maatschappelijke en dat men de goede zaak
zou dienen door strafmaatregelen te nemen.
Een ander voorbeeld
vinden wij in het terrorisme. De moderne terrorist vertoont zich als een
soldaat, tot de tanden bewapend, doorgaans grondig getraind, gehoorzaam aan
zijn superieuren en voorzien van een ideologie. Hij wil, als hij gepakt wordt,
als een krijgsgevangene of in ieder geval als een politiek gevangene
beschouwd worden want dan kan men hem zijn misdaden niet aanrekenen, zoals dat
bij alle soldaten het geval is. Uiteraard heeft zo’n soldaat een vijand en die
moet bestreden worden. Tot zover zou het allemaal nog kunnen; het is waanzin
die tot nu toe nog steeds heel gebruikelijk is in deze wereld. Maar nu komt
het: onze dappere strijder trekt vervolgens ten strijde tegen mensen die helemaal
zijn vijanden niet zijn, vakantiegangers in een vliegtuig, ongewapend en
vredelievend, biddende Joden in een synagoge, mensen die op een terras een
biertje drinken. De held DOET ALSOF hij vijanden heeft zonder het zelf in de
gaten te hebben; zijn hele gedoe is fictief, mist in feite elke realiteit. De
confrontatie met echte vijandelijke soldaten wordt zorgvuldig vermeden, neen,
een bus met schoolkinderen opblazen, dat is nog eens een heldendaad! Men doet
alsof men oorlog voert. Je kunt het begrip doen alsof in de praktijk
heel goed hanteren als je naar onze wereld kijkt. Overal zie je het doen
alsof: doen alsof je geneesmiddelen ter genezing van zieke mensen
maakt, doen alsof je de derde wereld wilt helpen, doen alsof je
tegen de apartheid bent, doen alsof je het land bestuurt, doen alsof
je je kiezers vertegenwoordigt, doen alsof je een kunstenaar bent,
enzovoort, en dan in de stellige overtuiging verkeren werkelijk met de zaak
zelf bezig te zijn. Maar dat bezig zijn gaat in feite niet verder dan er over
praten, vergaderen, nota’s schrijven en modellen opstellen. Het is natuurlijk
een feit dat het willekeurig doodschieten van mensen moet ophouden. Je moet dus
iets (gewelddadigs) doen tegen het terrorisme. Maar je moet je niet verbeelden
dat je daarmee de zaak zelf uit de wereld kunt helpen. Je bent bezig met
symptoombestrijding en, hoe nodig dat onder omstandigheden ook is, het is geen
genezing. Het terrorisme is één van de symptomen van een fictieve
cultuurgesteldheid, het is een vorm van het doen alsof. Dat betekent dat
allerlei vormen van terreur gaandeweg in hevigheid toe zullen nemen, zoals zich
ook al af begint te tekenen. Ook de officiële militairen treden steeds meer
terroristisch op: wat is het dreigen met en eventueel het gebruik maken van nucleaire
vernietigingswapens anders dan terreur? Men doet alsof men op militaire wijze
oorlog voert, maar in feite terroriseert men.
Wij leven allemaal nu op
deze wereld en wij hebben geen keus. We zullen dus tegen allerlei zaken
concreet weerstand moeten bieden. Maar de grond van de ellende ligt in de
fictie en de genezing daarvan moet in het denken
gezocht worden, niet door het eenzijdige analytische denken af te schaffen (wat
onmogelijk is), maar door het echte denken te gaan beoefenen, hetgeen neerkomt
op analyseren BINNEN het samenhangende geheel en niet analyseren VAN het
geheel.
Bladwijzers: Doen alsof
– zie A , B , C-67/68
Fictie en organisatie
In verband met het feit dat de zogenaamde
betrekkingen bij nadere beschouwing fictief blijken te zijn, en het feit dat
wij in onze moderne cultuur in toenemende mate in termen van betrekkingen zijn
gaan denken, is het goed om de gangbare opvattingen over het begrip organisatie
eens nader te bekijken. Daartoe wil ik op voorhand de volgende drie punten
onder de aandacht brengen: 1e men denkt wat betreft de organisatie steeds van bovenaf,
2e men stelt als norm dat men de organisatie moet kunnen beheersen, met behulp
van bepaalde berekeningen, en 3e het voortdurende mislukken van Opgezette
organisaties op grond van de fictie, die overigens niet als zodanig herkend
wordt. Deze drie aspecten van het organisatiebegrip hangen uiteraard ten
nauwste met elkaar samen, maar ik wil toch proberen ze enigszins los van elkaar
te bespreken.
Het beheersen
Het woord beheersen ligt in het spraakgebruik. Het
is echter een beetje versluierend, evenals het woord besturen In feite gaat het
namelijk over het uitoefenen van absolute macht over een organisatie en die
macht wordt mogelijk gemaakt door het nauwkeurig berekenen van de betrekkingen
tussen de elementen van een organisatie. Die absolute macht heeft een geheel
ander karakter dan die van een tiran of een dictator. Zo iemand organiseert ook wel allerlei,
maar die organisatie gebruikt hij als middel om de elementen, in feite dus de
mensen, in zijn macht te krijgen. Doorgaans organiseren dictators dan ook alleen maar
terreurprogramma’s, terwijl van het organiseren van een functionerende
maatschappij (vanuit welke doelstelling dan ook) niet of nauwelijks sprake is.
Alle dictaturen, van zowel links als rechts, helpen het maatschappelijk leven
zonder mankeren naar de knoppen. Ik bedoel: het mislukt in het licht van hun
eigen doelstellingen. De oorzaak ligt dus bij het zoeken van macht over de
individuele mensen. Overal waar men er sinds het begin van de 20ste eeuw toe
overgegaan is de organisatie van de maatschappij primair te stellen kan je zien
dat het wel gelukt is en alweer: ongeacht de vraag of je het met een bepaalde
organisatievorm eens kunt zijn of niet. Gelukt is het in de Westerse landen.
Natuurlijk moet je dat zien vanuit de optiek van de elites die het management
in handen hebben; zie je het vanuit de gewone mensen, dan blijkt de zaak
volkomen onhoudbaar te zijn omdat het de verkeerde organisatie is die
zich doorgezet heeft. Maar die verkeerde organisatie heeft (voorlopig) wel
succes. Het lukt zelfs om er bij verkiezingen een meerderheid van
stemmen mee binnen te halen. De door mij bedoelde vorm van absolute macht is
dus die van de managers en niet die van de dictators. Voor die managers gaat het om de
organisatie en niet in de eerste plaats om de mensen; zij houden dan ook
staande dat er in de Westerse staten vrijheid heerst, d.w.z. individuele
vrijheid, maar iedereen kan aan den lijve voelen dat je, wat betreft de door de
staatkundige organisatie gestelde eisen en verplichtingen, geen enkele kant uit
kunt. Je behoeft de baas niet meer met de pet in de hand te groeten, je bent
niet meer verplicht een bepaalde godsdienst aan de hangen en dergelijke, maar
je bent wel verplicht een groot aantal organisatorische verplichtingen na te
komen, meestal in de vorm van formulieren die je almaar in moet vullen. Je bent
een administratief nummer geworden en de tijd van de persoonlijke, lijfelijke
onderworpenheid is voorbij. Het is tekenend dat steeds meer mensen het
regeringsapparaat benoemen met het woord administratie, een organisatorische
term. Hoewel het de moderne managers om het beheersen van de organisatie gaat
en ook te constateren is dat de moderne organisatie redelijk functioneert, kan
en moet je je wel afvragen ter wille van wie zo’n systeem opgezet is en dan
moet natuurlijk het antwoord luiden: ter wille van de moderne elites en zeker
niet ter wille van de bevolking. Dit feit wordt uiteraard zoveel mogelijk
versluierd, hoewel op te merken valt dat men sinds enige tijd openlijker en
cynischer van het elitaire eigenbelang blijk geeft. Vooral in de Verenigde
Staten komt dat schaamteloos voor de dag. Als je aan het hoofd staat van een
organisatie kan je alleen maar absolute macht daarover hebben als je hem door
en door kent en als je er voor zorgt dat die organisatie optimaal draait. Men
is dus steeds bezig het functioneren te verbeteren en men probeert angstvallig
te vermijden dat maatregelen de zaak kunnen stagneren. Het hoofd van zo’n
organisatie kan dus niet naar willekeur (zoals een dictator) handelen; hij moet zelfs
wetenschappelijk exact te werk gaan. Daarbij moet hij bovendien de
verschillende elementen zo goed mogelijk tot hun recht laten komen en dat
betekent voor die elementen: kennis van zaken. Nogmaals :dit alles versluiert
in hoge mate het feit dat de hele zaak er toch is voor de elites en niet voor
de mensen. Door die versluiering verlenen verreweg de meeste mensen
betrekkelijk veel medewerking aan het systeem en zij voelen zich gevleid
medewerker genoemd te worden. Dat die medewerkers welbeschouwd niet meer zijn
dan brandstof voor de organisatie en dat zij na vele jaren medewerking vrijwel
geheel opgebrand zijn is ook iets dat nauwelijks meer opgemerkt wordt. In
zekere zin kan je zeggen dat de machtsuitoefening van een dictator menselijker is
dan die van een manager omdat die dictator altijd nog met mensen bezig is, zij het op een
uitermate negatieve manier. Dat is dan ook de reden dat op de misdadigheid van
zo’n dictator veel
hartstochtelijker gereageerd wordt door de mensen, terwijl zij tegen de macht
van de manager amper bezwaar hebben. Die macht is immers abstract geworden en
heel ongrijpbaar omdat hij op de betrekkingen tussen de mensen stoelt en zelfs
onbewust als fictief ervaren wordt. De vervreemding is derhalve in een
moderne organisatiestaat groter dan onder dictatoriale omstandigheden. Vervreemdend is
overigens ook dat de talenten van de mensen nauwelijks meer in tel zijn:
verlangd worden opleiding, kennis en een bepaald gedrag en in principe uit den
boze zijn zaken als creativiteit, vindingrijkheid, fantasie en eigen
initiatief. Je behoeft voor een bepaalde functie geen talent meer te hebben
maar een opleiding en een dergelijke opleiding is helemaal verzopen in de
overdraagbare kennis zonder ook maar het geringste beroep te doen op de feeling,
het aangeboren inzicht van de student. Je behoeft nergens meer aanleg voor te
hebben, hoogstens de aanleg om veel dingen in je op te kunnen nemen. Overigens
kan een computer zoiets veel beter... In het moderne organisatiebegrip gaat het
dus niet over de mensen zelf, maar over de betrekkingen tussen de mensen. De
zaak moet zo soepel mogelijk draaien en het welzijn van de afzonderlijke mensen
komt pas daarna aan de orde. Zelfs de vakbonden, die er toch eigenlijk heten te
zijn voor het welzijn van de mensen, onderschrijven de stelling dat eerst de
industriële organisatie in orde moet zijn wil het de mensen beter gaan en dus
zijn zij het ermee eens dat die zogenaamde economie, ten koste van de burgers,
met enorme bedragen gesteund wordt. De vraag waar de voorheen verdiende
gigantische kapitalen gebleven zijn wordt niet gesteld en zelfs bijna
onzedelijk gevonden. En men ziet er gemakshalve langsheen dat de verbetering
van de economische organisatie op geen enkele wijze het welzijn van de mensen
bevorderd heeft, integendeel! Anderzijds geldt dat je de mensen niet al te zeer
kunt laten verpauperen...
Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2
; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
;
Verstarring
Het fictieve karakter van de betrekkingen tussen
de mensen komt, wat betreft de organisaties, voor de dag in de verstarring, die
onvermijdelijk na enige tijd binnen het systeem gaat optreden. Vooral de
economen putten zich uit in het zoeken van verklaringen. Dat zijn doorgaans
uitwendige verklaringen: men zoekt het bij de wereldmarkt, bij de waarde van de
verschillende muntstelsels, bij oorlogsdreigingen etc. Eventueel gaat men ook
na of binnen de organisatie alles nog wel volgens de regels gaat, maar zo’n
interne reorganisatie komt meestal neer op het ontslaan van een betrekkelijk
willekeurig aantal medewerkers. Daardoor dalen de kosten, maar de
overblijvenden worden overbelast. Toch constateert men dan tevreden dat de
organisatie weer gezond is. In feite echter moet die verstarring wel optreden;
er komt gewoon uit wat er in zit, het systeem legt zijn wezenlijke karakter
bloot, namelijk zijn onmogelijkheid op grond van de fictie. Zo efficiënt
kan een organisatie niet zijn of na verloop van tijd komt het onmogelijke er
uit en dat is eigenlijk helemaal geen treurig feit: het is de werkelijkheid
zelf die zich niet laat vervormen en die zichzelf altijd weer corrigeert. Je
moet voor dit soort van ontwikkelingen wel oog hebben. Heb je dat niet, dan
word je almaar meer pessimistisch wat betreft de toekomst van de mensheid. Je
ziet dan steeds meer dingen mislukken.
Karakterverandering van de macht
In zijn naakte gedaante komt de macht voor de dag
als de concreet gewelddadige dwang om andere mensen te laten zijn zoals IK wil
dat zij zijn. Een voorbeeld van een dergelijke machtsuitoefening vinden wij bij
de Opvoeding van kinderen: zij moeten worden zoals de ouders zich voorstellen
dat zij zouden moeten zijn. Weliswaar gebeurt die opvoeding tegenwoordig niet
meer zo wreed als dat vroeger het geval was, maar het grondprincipe bestaat nog
steeds, het kind moet gevormd worden. Deze gesteldheid, namelijk het vormen van
mensen, is typerend voor onze cultuur, tenminste voor zover dat met
machtsmiddelen gebeurt. Echter, de macht zoals die in een organisatie werkzaam
is, is een versluierde macht, er wordt bewust of onbewust gedaan of hij er niet
is. Dat is mogelijk doordat het niet meer om de mensen gaat, maar om de betrekkingen
tussen de mensen. Het persoonlijke leven van de mensen blijft buiten
beschouwing maar vereist wordt een efficiënt functioneren in het
betrekkingennetwerk van de organisatie. Die organisatie evenwel wordt door
managers beheerst en die rekenen, ter wille van zichzelf, uit hoe jij hebt te
functioneren. Die machtsuitoefening zou je abstract gewelddadig kunnen noemen:
direct (lichamelijk) geweld is afwezig.
Toch is de persoonlijkheid in het geding
De abstract-gewelddadige machtsuitoefening lijkt
langs de persoonlijkheid heen te gaan: talent, creativiteit en overtuigingen
zijn niet meer van belang en een ieder wordt daarin vrij gelaten. Je bent een
organisatorisch, een administratief nummer. Hier ligt de vraag: hoe ben je zo
geworden, wat is er met je gebeurd dat je dat nummer zijn kan? Hoe ben je
daarvoor geschikt geworden, hoe ben je geconditioneerd? Feit is dat je, voordat
je ging functioneren, omgevormd bent. Je bent voor de maatschappij
klaargestoomd, je bent er op voorbereid, er voor opgeleid. Als dat achter de
rug is ga je automatisch meer of minder goed functioneren en dan behoeft er
nauwelijks meer een concreet gewelddadige macht over je uitgeoefend te worden.
Je bent al tot een braaf mens gevormd. Van een braaf mens, in de zin die ik
bedoel, is te zeggen dat hij niet of nauwelijks tot verzet in staat is en
tevens dat hij bijkans overgevoelig is voor zogenaamde redelijke argumenten.
Elke hartstocht, elke emotie, elk gevoelsargument is verdacht en ongepast.
Vrijwillig legt men zich neer bij de gang van zaken. Dat gebeurt doormiddel van
het compromis. Is dat eenmaal tot stand gekomen, dan werkt men verder braaf
mee. Men schaamt zich om dwars te gaan liggen, om voet bij stuk te houden, om
onredelijk gevonden te worden. Vanuit het geconditioneerde denken voegen de
mensen zich vanzelfsprekend in het netwerk van de organisatie. En zij verzetten
zich alleen nog maar als hun meedoen op de een of andere manier niet naar
behoren gewaardeerd wordt. Vroeger was dat anders. In het begin van de 20ste
eeuw waren bijvoorbeeld de socialisten hartstochtelijk in verzet tegen de
maatschappij en zijn elites en het kwam niet in hen op mee te gaan doen. Als je
vandaag de dag hun uitspraken over die maatschappij leest sta je verbaasd over
hun scherpe en radicale inzichten. Zij wisten precies te vertellen ter wille
van wie hun maatschappij ingericht was. Logisch, want de organisatie cultuur
moest zich nog doorzetten en de machtsuitoefening was nog concreet en
gewelddadig aanwezig. Er was van braafheid geen sprake, revolutie moest er
komen, niks geen compromissen, weg met de staat en zijn instituten! Let wel:
het gaat nu niet om de vraag of je het al of niet eens kunt zijn met die oude
socialisten, maar om het feit dat zij niet in het organisatiesysteem
ingekapseld waren en dat gold uiteraard ook voor diegenen die een andere
politieke opvatting toegedaan waren.
Bij de discussies over burgerlijke
ongehoorzaamheid is gebleken dat bijna geen enkele politieke figuur zoiets
aanvaardbaar vindt en dat is te begrijpen, want ongehoorzaamheid houdt in dat
je je buiten de organisatie plaatst en dat is zo ongeveer het ergste wat je
kunt doen. Daarom raadt men dan ook steeds aan om langs de daartoe geëigende
democratische wegen (lees: organisatorische wegen) van zijn opvattingen blijk
te geven. Zo wordt het demonstreren, mits ordelijk en geweldloos, gezien als
een democratisch recht. Ook vindt men dat mensen kritisch moeten zijn, maar ook
daarbij gaat het om redelijke, d.w.z. brave, kritiek binnen het systeem - niet
kritiek op het systeem. De gehoorzaamheid, als resultaat van een uiterst
geraffineerde conditionering, is zo langzamerhand iets zo vanzelfsprekends
geworden dat bijna niemand zelfs nog begrijpt dat juist Ongehoorzaamheid
wezenlijk menselijk is, op grond van de begrippen vrijheid en rechtvaardigheid.
Toen de mensen nog niet of nauwelijks ingekapseld waren in de organisatie, toen
zijn nog geen medewerkers waren, was ongehoorzaamheid veel duidelijker
aanwezig, evenals trouwens het geweld om die ongehoorzaamheid de kop in te
drukken. Maar nu zijn wij deel van het systeem geworden, mopperend soms, maar
toch loyaal.
Leger en kerk
Zowel het leger als de kerk zijn instituten die
nog weinig in het teken van de organisatie staan. Beide instituten functioneren
dan ook nauwelijks maar voor zover er mensen zijn die mee willen gaan werken
gaat het plotseling beter. Vanuit hun wezen echter verzetten leger en kerk zich
tegen die medewerking; beide zijn gefundeerd op macht ten aanzien van de mensen
persoonlijk. Vooral bij de Roomse kerk is de strijd tussen het medewerken en de
blote macht een interessant verschijnsel; je kunt daarbij duidelijk zien dat de
organisatie een ander machtsobject heeft dan de hiërarchie. Bij de eerste gaat
het om medewerking en bij de tweede om ondergeschikte mensen. Bij de eerste
gaat het over versluierde macht en bij de tweede om rechtstreekse concreet
gewelddadige macht.
Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2
; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
;
No. 42
Het geweld
In een op de organisatie gerichte maatschappij-
opvatting is het geweld behoorlijk op de achtergrond gedrongen, maar toch mogen
we zeker niet stellen dat het verdwenen zou zijn. Omdat het in zo’n organisatie
niet meer in de eerste plaats om de macht over concrete individuen gaat is het
directe lichamelijke geweld, de concrete gewelddadige dwang, een zaak geworden
die men afwijst. Maar toch zijn de geweldsmiddelen ruimschoots voorhanden in de
vorm van mobiele eenheden, bewakingskorpsen en het leger. Die middelen worden
achter de hand gehouden voor ongehoorzame mensen, die zich buiten de
organisatie geplaatst hebben door, met betrekking tot bepaalde doelstellingen,
geen democratische wegen te bewandelen. Het op die mensen toegepaste geweld is
gewoonlijk erg hard. Het niet concreet lichamelijke geweld dat bij de abstracte
machtsuitoefening behoort is echter volop aanwezig in de vorm van allerlei
manipulatie en conditionerings-technieken. Doorgaans kunnen we spreken van
verbaal en intellectueel geweld. Het wordt vanaf jonge leeftijd op de kinderen
toegepast in het onderwijs. De opvatting is te verdedigen dat jonge mensen een
zekere hoeveelheid kennis moeten opdoen, al was het alleen maar om met anderen
te communiceren (lezen en schrijven). Maar toch zou je de vraag moeten stellen:
waarom eigenlijk doormiddel van een dwangsysteem dat eigenlijk al begint als de
kinderen nog niet of nauwelijks blijk geven van de behoefte om iets te willen
weten. Bovendien worden de kinderen als gelijkvormig beschouwd, met als gevolg
dat diegenen die aan dat eenheidsmodel niet beantwoorden gediskwalificeerd
worden. Zij kunnen niet goed mee. Dat oordeel echter wordt uitgesproken in het
licht van een bepaalde kijk op de maatschappij, een kijk die bij een voorgaande
generatie behoort en dus in principe achterhaald is. Het nieuwe moment, dat in
de kinderen besloten ligt, kan zich dan al bij voorbaat niet ontplooien. Op
zo’n manier maak je de ontwikkeling van de maatschappij en de samenleving in
principe onmogelijk. Je bent bezig de gevestigde opvattingen door te zetten.
Het gaat nu niet om de vraag of die gevestigde opvattingen juist of onjuist
zijn, het gaat er om dat er zo’n proces in het onderwijs gaande is. In de
praktijk zie je dan ook dat er telkens momenten zijn dat men bemerkt dat het
onderwijs achtergebleven is bij nieuwe ontwikkelingen. Doorgaans geeft men dan
de schuld aan de verouderde leerstof, en niet geheel ten onrechte, maar in
werkelijkheid komt het dus door het bij voorbaat afgrendelen van de weg naar
nieuwe ontwikkelingen in de geest van de kinderen. Vanuit de gangbare
opvattingen zal men er voorlopig zeker niet voor open staan, maar eigenlijk zou
je de kinderen geen onderwijs moeten opdringen en rustig af moeten wachten tot
zij zelf de kennis willen opdoen waaraan zij behoefte gevoelen. Voor
volwassenen vinden wij dat normaal, maar waarom dan niet voor de kinderen? Het
antwoord ligt bij het machtsbewustzijn dat de kinderen aangepast wil zien aan
eigen voorstellingen. Zo worden ze gevormd tot bruikbare elementen in de
organisatie. Van het scheppen van voorwaarden om tot ontplooiing te komen is
dan ook over het algemeen geen sprake. Een ander punt is dat men doorgaans van
mening is dat de kinderen nooit iets zullen willen leren als zij daarin
vrijgelaten zouden worden. Dat is een misvatting die voortkomt uit het
ontbreken van samenhang binnen de huidige wereldbeschouwing. Zag men die
samenhang wel, dan zou men onmiddellijk begrijpen dat kinderen zich niet eens
zouden kunnen onttrekken aan het opdoen van kennis. Ze kunnen zich immers niet
onttrekken aan de wereld waarin zij geboren zijn en waarin zij opgroeien! Dat
is hun wereld en het geheel van de daarin voorkomende verworvenheden is een voor
hen onmiskenbare realiteit. Het blijkt dan ook telkens dat de kinderen zich
opmerkelijk goed vertrouwd voelen met hun wereld: zij bewegen zich met een voor
de volwassenen onbegrijpelijk gemak door het verkeer, zij zijn heel snel
vertrouwd met moderne apparatuur en het spreken van vreemde talen is ook al
nauwelijks een probleem dank zij de media. Met computers kunnen zij vaak beter
overweg dan de volwassenen. De vrees dat zij intellectueel achter zullen
blijven bij niet opgedrongen onderwijs is ongegrond; je zou je zelfs af moeten
vragen of de kinderen met ons huidige systeem nu wel zo’n goede intellectuele
vorming krijgen. Veel van de leerstof zegt hen niets zolang zij zelf nog geen
behoefte aan die kennis hebben en op het moment dat zij zo’n behoefte wel gaan
voelen is het vaak te laat. Het resultaat kan niet anders dan ver beneden de
maat zijn.
Filosofisch denken
Allerlei gedachtegangen worden tegenwoordig
filosofieën genoemd: de filosofie achter de aanschaf van een bankstel, achter
een politiek besluit, achter een godsdienstige overtuiging. Dat alles heeft
echter niets met filosofie te maken, evenmin trouwens datgene dat in
academische zin filosofie genoemd wordt. Men vraagt zich nog nauwelijks af hoe
het zit met de werkelijkheid en bepaalt zich vrijwel uitsluitend tot het in
kaart brengen van de gedachten van anderen. Daarbij hanteert men een
analytische denkmethode en een taalgebruik dat zo langzamerhand onbegrijpelijk
is geworden. Voor zover er oorspronkelijk gedacht wordt levert dat meestal een
nieuwe kijk op de bestaande filosofie op, vandaar dat de publicaties wemelen
van de citaten en bedolven worden door een notenapparaat waarvan de omvang
omgekeerd evenredig is met de kwaliteit van de publicatie. Ik zie de filosofie
als het beschrijven van de werkelijkheid doormiddel van gedachtegangen die op
elk moment moeten samenhangen met het geheel van de werkelijkheid. Dat betekent
dat andere gedachtegangen, vanuit een ander uitgangspunt en handelend over een
ander thema nooit met elkaar strijdig mogen zijn. Zijn ze dat wel, dan zit er
ergens een fout en moet het hele denkproces opnieuw beginnen. Van waaruit je de
werkelijkheid ook beschrijft, steeds moet alles met elkaar in samenhang
blijken. Dat is de controle op dat denken. Doordat die controle er is kan je
voortdurend jezelf corrigeren, want fouten maak je onvermijdelijk. Het
analytische denken kan zichzelf nimmer corrigeren, d.w.z. het kan niet op zijn
schreden terugkeren en opnieuw beginnen. Binnen zijn eigen systeem is er
uiteraard wel correctie mogelijk en dat gebeurt dan ook: vaak is men er meer op
uit elkaar fouten aan te wrijven dan kennis te nemen van de resultaten van een
studie. Zo erg redelijk gaan de analytische wetenschappers niet met elkaar om!
. Maar, dat denken zelf kan van zichzelf geen oordeel vormen omdat het niet
toegaat naar een samenhangend helder doorzichtig geheel, maar naar een steeds
grotere hoeveelheid los van elkaar staande elementen. Bovendien is de weg
waarlangs het analytische denken gaat een onontkoombare: je kunt niet anders
dan de uit een splitsing verkregen brokstukken op hun beurt ook weer te
splitsen en steeds neemt de samenhang met de rest van de werkelijkheid af. De
onverbiddelijke noodzaak om een splitsing door een volgende te laten opvolgen
houdt het denken geketend. Men moet een eenmaal ingeslagen weg voortzetten.
Dat verklaart het op
zichzelf vreemde verschijnsel dat men in onze cultuur niet in staat blijkt,
ondanks de enorm toegenomen kennis, een andere weg in te slaan. Ondanks de
steeds klemmender wordende waarschuwingen en ernstiger rampen gaat men voort
met nog verder splitsen van de werkelijkheid en dat betekent op zichzelf
voortgaan op de weg van de vernietiging. Men kan niet van die weg af, die weg
ligt bij voorbaat vast. De redding kan alleen maar van buiten dat denken komen,
niet door allerlei mystieke onzin,
maar door het hierboven beschreven -filosofische denken.
Mystiek-1 Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4(nrs.42t/m43) Mystiek-5 Mystiek-6
No. 43
De New Age Movement (lees nrs. 43, 44, 45)
Volgens de mensen van de New Age Movement staat de
Westerse cultuur voor een nieuwe revolutie, die je zou kunnen noemen de
intellectuele revolutie. Eerder al waren er de agrarische revolutie en de
industriële. Er zou een nieuw tijdperk aanbreken, door sommigen genoemd het
Aquarius tijdperk, in analogie met het gelijknamige sterrenbeeld. Gezegd moet
worden dat men binnen die New Age beweging met een groot aantal voortreffelijke
denkbeelden komt, gebaseerd op gloednieuwe resultaten van het fundamentele
onderzoek van de werkelijkheid en het kennis nemen van oeroude denkbeelden en
filosofieën. Centraal stelt men het zogenaamde holistische denken en dat houdt
in dat men de onderdelen van de werkelijkheid, te voorschijn gekomen door de
analyse, in hun samenhang wil begrijpen. En men wijst de eenzijdige analyse af voor
zover die de samenhang juist verbreekt en daardoor tenslotte in vernietiging
uitloopt. Er is veel psychische onrust in de mensheid en een toenemend aantal
mensen voelt aan dat er iets fout zit met ons traditionele denken. Dat is ook
het geval met de New Age mensen. Bovendien voelen zij aan in welke richting de
oplossing gezocht moet worden, vandaar dat zij zich in sterke mate richten op
het cultuurgoed van het oosten. Daar immers was een andere wijze van denken in
zwang, die precies het tegengestelde was van onze Westerse: men probeerde in de
Oudheid en in het oosten de werkelijkheid te begrijpen vanuit het samenhangende
geheel. Je kunt zeggen dat dat denken gebaseerd was op het zien, op de intuïtie
en dat het vrouwelijk van karakter was, allemaal kwalificaties die voor Ons
denken niet of nauwelijks gelden. Het gevolg is dat mensen uit de New Age
Movement het oude oosterse denken gaan bestuderen en de daaruit voortkomende
kennis voegen bij de reeds aanwezige analytische kennis. Dat schijnt een
verruiming van het blikveld te geven, maar in belangrijke mate is dat maar
schijn, hetgeen onder andere blijkt uit het feit dat men met die kennis van het
oude oosten net zo omgaat als men met de Westerse kennis pleegt te doen: men
bouwt er overtuigingen mee op die in laatste instantie als een machtsinstrument
fungeren.
De fout in het holisme
Als je probeert kennis te nemen van de denkbeelden
van het oosten doe je dat automatisch vanuit de Westerse denktraditie.
Aangezien die denkbeelden niet of nauwelijks voor analyse toegankelijk zijn -
het zijn letterlijk denkbeelden - kan je er in feite niet veel anders
mee doen dan je er, vanuit je gevoel, aan overgeven. Wat je er dan inhoudelijk
van zegt wordt dan mystiek; je ziet
het wel, je voelt het wel aan, maar je kunt het niet verklaren, niet
uitéénzetten. Eigenlijk gaat de zaak functioneren als een geloof. De New Age
Movement drijft dan ook steeds meer weg in religieuze mystificaties. En dat komt doordat men vergeten heeft iets met zijn
eigen denken te doen. Men heeft er wel kennis, inhoud, aan toegevoegd, maar men
heeft het eigen denken niet verder ontwikkeld. Een goed aangevoelde
noodzakelijke nieuwe ontwikkeling wordt op de ouderwetse wijze benaderd,
namelijk de analytische, en wordt daardoor zweverig en nauwelijks helder. De
samenhang, waarnaar men terecht streeft, kan niet anders dan een min of meer
verfijnd netwerk van relaties worden, relaties die, zoals we al gezien hebben,
ficties zijn. Hoewel het holisme zeker een stap vooruit is en als zodanig
ongetwijfeld een intellectuele revolutie teweeg zal brengen, is het nog steeds
een vorm van analytisch denken. In feite is het van dat denken de laatste
mogelijkheid. Op zichzelf is het doorbreken daarvan toe te juichen. Maar het is
niet datgene dat ik onder filosofisch denken versta.
Noch het éne denken, noch het andere
De begripsmatige analytische denkwijze en de
beeldmatige samenhangende denkwijze zijn beide momenten in de denkontwikkeling
van de mensen. In de stroom van de cultuur komen zij na elkaar en eenzijdig
voor de dag en beide brengen zij na verloop van tijd hun onmogelijkheden aan
het licht. Dat is thans het geval met het analytische denken voor zover dat
zuiver splitsend is. Het moet echter nog wel zijn holistische ontwikkeling
doormaken. Daarna ontwikkelt zich een denken waarin voor de eenzijdigheden van
en het analytische en het beeldmatige geen plaats meer is, maar waarin die twee
toch opgenomen zijn als instrumenten voor het denken. Met behulp van die
instrumenten kan je vanuit elk uitgangspunt in elke richting de werkelijkheid
samenhangend beschrijven, want je bent in staat het beeld te laten gelden
(samenhang) en alle er in voorkomende onderdelen (analyse). Het gaat dus nu om
instrumenten van en voor het denken en niet meer om alleenzaligmakende
levensbeschouwingen. Zou ik niet in staat zijn om vanuit elk uitgangspunt te
denken, dan zou de werkelijkheid in belangrijke mate buiten mijn zelfbewustzijn
blijven liggen. Mijn denken zou niet universeel kunnen zijn en niet verder
komen dan een particuliere mening. Om echter in alle richtingen te kunnen
denken moet ik informatie hebben, er is kennis vereist. Bovendien moet ik
begrip hebben van richtingen en daarvoor heb ik het beeld nodig. De samenhang
binnen dat beeld wijst en corrigeert de richting van mijn gedachtegangen.
De betekenis van de analyse
Binnen de genoemde New Age Movement valt een
toenemende neiging op om het analytische denken als een foutief denken te
verwerpen. Maar ook andere bewegingen getuigen daarvan: het godsdienstig
fundamentalisme dwingt tot stopzetten van het denken, in de drugs zoekt
men vergetelheid en in het oosten verneveling. Dat zijn derhalve allemaal
kwalijke schijnalternatieven. Men ziet (terecht) de analyse in vernietiging
uitlopen en beoordeelt het nu als verkeerd. Vanuit het door mij filosofisch
genoemde denken echter kan je begrijpen dat het uitlopen in vernietiging
precies is wat de analyse moet doen; zij kan niets anders opleveren dan een
volkomen doorzichtig geworden onhandelbare werkelijkheid. Dat denken kan niet
uit de ontwikkeling gemist worden en zonder de daaruit voortkomende kennis kan
je geen betrouwbare gedachtegangen ontwikkelen. Hoe bedreigend het maatgevende
analytische denken ook is, diegenen die een - overigens vruchteloze - poging
wagen om het af te schaffen of althans ineffectief te maken hebben ongelijk.
Uiteraard is het wel een voorbijgaand moment: als het eenmaal holistisch is
geworden en zijn eigen uiterste grens heeft bereikt komt vanzelf de
werkelijkheid als beeld weer terug. Maar dan kan het denken er een concrete
inhoud aan geven. Waarom het beeld weer terug komt zullen wij nog bespreken.
Het is een feit dat tijdens het zich uitwerken van de analyse een grote vervreemding
op gaat treden. Ook dat kan je betreuren, maar beter is het je af te vragen wat
er van de menselijke ontplooiing terecht zou komen als zij niet een periode van
vervreemding zouden doormaken. Welbeschouwd zouden zij dan besloten
blijven binnen hun eigen voorhanden wereldje. En zij zouden hun eigen denken
niet leren begrijpen. Bovendien is vervreemding een noodzakelijke
voorwaarde voor het samenhangend denken vanuit alle mogelijke optieken in alle
richtingen; hij is voorwaarde voor het kunnen doordenken van het andere,
datgene dat jijzelf in eerste instantie niet bent. Sociaal psychologisch echter
is de ontwikkelingsfase van de analyse een ellendige periode voor de mensen,
niet in de laatste plaats door het gaandeweg vervallen van alle houvast, normen
en waarden.
Mystiek-1 Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4(nrs.42t/m43) Mystiek-5 Mystiek-6
Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m18, 20 en 21, 37, 44, 48
en 68
Het roer moet om.
Steeds meer mensen krijgen tegenwoordig het gevoel
dat er iets mis is met onze wereld en dat het tijd wordt het roer om te gooien.
Op zichzelf is daar wel wat voor te zeggen, maar het beroerde is dat tot nu toe
geen enkele maatschappij in staat is gebleken het roer om te gooien. In onze
democratie zou je daarvoor een parlementaire meerderheid moeten hebben, maar
als je bedenkt dat het aan progressieve partijen, die een verantwoordelijker en
rechtvaardiger en gezonder maatschappij voorstaan, nauwelijks gelukt een paar
zetels in de volksvertegenwoordiging te krijgen en dat die zetels ook nog met
het grootste gemak weggestemd kunnen worden als de een of andere dwaas zijn
karwei af wil maken, dan kan je er redelijkerwijs toch niet op hopen dat zo’n
roer ooit om zal gaan. De verheldering van de inzichten van de mensen volgt
andere wegen. Voor onze cultuur is dat de immer verdergaande analyse. Dat is
niet alleen maar een theoretische zaak. De moderne industrie bijvoorbeeld is in
belangrijke mate chemisch en fysisch en dat berust op een diepe analyse van de
materie. Voorwaarde daartoe is natuurlijk een hoge wetenschappelijke en
technologische ontwikkeling. De knowhow is een waardevol artikel geworden. Tot
aan de tweede wereldoorlog echter draaide alles om de zware industrie:
staalfabrieken, kolenmijnen en scheepswerven. Je kunt opmerken dat deze zware
industrie zich verplaatst heeft naar het Verre Oosten. Rond de Pacific treedt
nu de ontwikkeling in die bij ons 100 jaar geleden een aanvang nam. De
verdieping van de analyse is nu de opgave van het Westen, terwijl een
belangrijk deel van de daaruit voortkomende productie door de gebieden rond de
Pacific verzorgd wordt. De weg die wij, tot op zekere hoogte tegen wil en dank,
hebben te gaan is de weg van de verdieping van de analyse. Daaraan valt niets
te veranderen, niets om te buigen en niets tegen te houden. We moeten de
werkelijkheid als een gigantische verzameling van dingen nu eenmaal leren
kennen. En daaraan komen verwarring, wanhoop en vervreemding mee.
De betekenis van het holisme
Het woord holisme duidt op het geheel. Er wordt
een denkwijze onder verstaan waarin men de werkelijkheid als een in zichzelf
samenhangend geheel beschouwt en waarin men bijgevolg de analyse als onmogelijk
afwijst terwijl men begrijpt dat het geheel niet te verklaren is vanuit de
onderdelen en hun onderlinge betrekkingen. De bovengenoemde opvatting van het
holisme is een juiste opvatting, maar wat men er mee doet is strikt genomen
niet holistisch, maar analytisch, zij het op een bijzondere wijze. Het
bijzondere is namelijk dit dat men, omdat men de werkelijkheid als een geheel
beschouwt, probeert de door de analyse verkregen onderdelen en hun betrekkingen
samen te brengen in een systeem, een heel verfijnd netwerk, dat zo
veelomvattend mogelijk is. Dat is op zichzelf iets nieuws: tot nu toe haalden
we alles uit elkaar en we probeerden iets te doen met de verkregen onderdelen,
Ongeacht de betrekking tot andere onderdelen. Als we tussen het koren het
onkruid wilden verwijderen gingen we dat met chemicaliën te lijf zonder acht te
slaan op de rest van het milieu. Holistisch is dat je alles bekijkt in zijn
samenhang met het overige, je bekijkt een geheel ecosysteem en niet een
gedeelte. Het als de maat nemen van die samenhang is voor het Westerse denken
een heel nieuw geluid, waarvan je kunt constateren dat het langzaam maar zeker
aanvaard gaat worden. De intellectuele revolutie is zich aan het doorzetten,
maar in tegenstelling tot wat men gewoonlijk meent gebeurt dat binnen de
analytische denkwijze.
Wat betekent holistische samenhang
Als men in het holistische denken over samenhang
spreekt bedoelt men het verbrokene weer te herstellen. Men wil er weer verband
in brengen zodat er een netwerk, een weefsel, ontstaat. Daartoe richt men zich
op de betrekkingen tussen de dingen. Niet voor niets staat het relativistische
natuurkundige denken zo in de belangstelling. Wij hebben evenwel al eerder
ontdekt dat betrekkingen (relaties) verbroken samenhangen zijn die als zodanig
bij de analyse voor de dag kwamen. Als je dus binnen het holisme poogt de
onderdelen in een zinvol samenhangend netwerk op te nemen richt je je
noodzakelijk op de betrekkingen. Maar eigenlijk bestaan die niet en het gevolg
daarvan is dat je netwerk een fictie wordt. Het wordt een voorstelling, een in
kaart gebrachte werkelijkheid. Weliswaar hebben wij te doen met een fictie,
maar wij mogen dat niet negatief beoordelen. Het is net zo’n soort fictie als
een landkaart van een bepaald gebied een fictie is. De in kaart gebrachte
werkelijkheid is de laatste mogelijkheid van het analytische denken. Wat men
echter samenhang noemt is géén samenhang maar een weefsel van betrekkingen. Om
dit duidelijk te maken geef ik het volgende voorbeeld. Stel, je gaat het
lichaam van een mens volledig ontleden, je rubriceert nauwkeurig alle
onderdelen en hun onderlinge betrekkingen en als je dat allemaal gedaan hebt ga
je de hele zaak weer opbouwen, uiterst verfijnd en met behulp van alle
beschikbare kennis van zaken. In principe moet het mogelijk zijn dat lichaam
exact te reconstrueren, in ieder geval gaan wij er nu van uit dat dit gelukt.
Heb je nu weer een mens teruggekregen? Neen, want één ding is er niet gelukt:
hem weer levend te maken! Datzelfde geldt ook ten aanzien van de werkelijkheid
zelf. Je kunt haar wel reconstrueren, maar je krijgt haar nooit echt terug
omdat je de samenhang niet kunt herstellen als zij eenmaal verbroken is. Je
kunt niet meer doen dan de zaak in kaart brengen. Van een tot planken gezaagde
boom kan je nooit meer een boom maken, het wordt hoogstens een fictieve boom,
iets dat zich voordoet als een boom, maar het niet is. De werkelijkheid is, na
analyse, nooit meer tot zichzelf terug te brengen. Het holisme levert het
laatste moment van de analyse op, namelijk de in de menselijke geest in kaart
gebrachte werkelijkheid. Dat is in feite de naar het samenhangende geheel
toegedachte werkelijkheid qua verzameling. Deze totaliteit is onmiddellijk
inhoud van het geheel, maar nooit meer dan dat. Evenwel is het er zijn van die
totale inhoud voorwaarde voor de terugkeer van het geheel.
Wij moeten goed in de gaten houden dat alles zich
afspeelt in de geest van de mensen. Daarbinnen bevindt zich tenslotte een
nauwkeurig getekende kaart van de werkelijkheid en deze past precies op het
beeld van de werkelijkheid, zoals dat als bewustzijn
in elk mens aanwezig is. Er is geen vertekening meer als gevolg van slechts
gedeeltelijk in kaart gebrachte werkelijkheden, alles is op de juiste wijze
ingetekend. Daardoor kan het beeld weer een realiteit worden en het is vanuit
het zien daarvan dat de mensen de samenhang van de werkelijkheid weer gaan
laten gelden. De in kaart gebrachte werkelijkheid en de werkelijkheid als beeld
zijn dan niet meer met elkaar strijdig. Dat betekent dat het geheel er kan zijn
en de totaliteit, twee begrippen die wel van elkaar te onderscheiden zijn, maar niet te scheiden. In de cultuurontwikkeling
betekent dit dat de mensen eerst het geheel zijn gaan kennen, vervolgens de
totaliteit en daarna beide aspecten van de werkelijkheid. In dit laatste geval
zijn de mensen volwassen te noemen;
zij zijn dan echt werkelijkheid geworden omdat zij zichzelf niet meer als een eenzijdigheid (of geheel, of totaal)
beschouwen.
Naar
bladwijzers : Eenzijdigheid-1
; Eenzijdigheid-2
;
Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m18, 20 en 21, 37, 44, 48
en 68
Naar
bladwijzers : Eenzijdigheid-1
; Eenzijdigheid-2
; Mystiek-1
Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5(nrs.
45t/m47) Mystiek-6
Het in kaart brengen
De ontwikkelingsfase waaraan de moderne mensheid
op het ogenblik toe is is die van het in kaart brengen van de werkelijkheid, voor
zover die als een grote hoeveelheid kennis door de analyse te voorschijn is
gekomen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de opgang die een jonge wetenschap als de
ecologie maakt. Maar ook op andere wetenschapsgebieden kan je constateren dat
men meer en meer in netwerken gaat denken. Organisatorisch zijn die netwerken
geheel anders van opzet dan de gebruikelijke organisaties; deze laatste zijn
vanuit een model, een schema, opgezet, terwijl netwerken eigenlijk helemaal
niet opgezet zijn, maar als vanzelf zijn ontstaan vanuit overeenkomstige
opvattingen van groepen mensen. Ook in de biologie gaat men het sterke
analytische accent wat achterwege laten in de theorie- vorming, terwijl het
relatieve meer op de voorgrond treedt. Zelfs de tegenwoordig gebruikelijke sociologische
onderzoeken vertonen een toenemende belangstelling voor de relaties tussen
groepen van mensen. Het zijn inderdaad de holisten die wijzen op het belang van
denken in samenhangen - vanuit hun idee van het geheel - maar in de praktijk
wordt er op vele terreinen al naar toe gewerkt. Wat die holisten betreft:
doordat zij van mening zijn vanuit het geheel te moeten denken en doordat zij
in feite hun denken zelf niet of nauwelijks ontwikkeld hebben, kunnen zij niet
goed uit de voeten met dat geheel wat betreft de inhoud daarvan. Daardoor
vertoont het holisme een bedenkelijke neiging tot mystiek. Mystiek is het
zien en beleven van het geheel zonder in staat te zijn te bedenken hoe de zaak
in elkaar zit. Het gevolg is een wazige en zweverige eerbiedige benadering van
de kosmos, vergezeld van een huilerige verbondenheid met het al. Op
deelgebieden is de geanalyseerde werkelijkheid natuurlijk steeds al in kaart
gebracht. Men bestudeerde het een of andere infuusdiertje en dat resulteerde in
een nauwkeurige beschrijving van dat leven. Maar nu begint het van belang te
worden hele ecosystemen in kaart te brengen. Dat kan je niet zonder alle
onderlinge betrekkingen tot hun recht te laten komen. Naarmate dit alles
enigszins vorm begint te krijgen en er een soort van kaart ontstaat kan de
werkelijkheid als beeld, die in de mensen aanwezig is, meer herkenbaar worden.
Dat manifesteert zich echter niet als een grotere wijsheid, maar juist als
metafysische kletspraatjes. Men heeft het over religieus zijn en innerlijke groei
terwijl men met graagte instemt met de verhalen die goeroes, nieuwe christenen
en een menigte therapeuten vertellen. De New Age vertoont zich om te beginnen
geheel in het licht van het oude denkmodel: omdat de zaak er intellectueel
buiten valt en er als zodanig toch bij behoort kan je rustig met de meest
onwaarschijnlijke beweringen komen, als zij maar verwijzen naar gene zijde van
de werkelijkheid. Hoewel dit alles onzinnig is laat het toch zien dat de
ontwikkeling niet in een eenzijdigheid
opgaat: al die malligheden duiden op een, voorlopig nog heel vaag, helder
worden van het beeld van de werkelijkheid, als gevolg van het steeds meer in
kaart brengen daarvan. Tenslotte is de werkelijkheid, dank zij het analytische
onderzoek, zo nauwkeurig in kaart gebracht dat er geen tegenstrijdigheid meer
is tussen datgene dat die kaart vertoont en datgene dat het beeld laat zien.
Maar voor het zover is zullen er heel wat belangen in de vorm van ideologieën
vervallen zijn.
Verschillende kaarten
In de loop der cultuurgeschiedenis hebben de
mensen zich verschillende kaarten van de werkelijkheid getekend. En iedere
individuele mens heeft de zijne daar weer in aangebracht. Die individuele
kaarten worden voornamelijk bepaald door de eigen belangen en dus ook door die
dingen waaraan een bepaald persoon waarde hecht. In feite kan je zeggen dat
iedereen zijn eigen waarden in kaart heeft gebracht, in die zin dat die waarden
de tekening van de kaart bepaalden. Een kaart op grond van de levensbeschouwing
van een politicus ziet er heel anders uit dan die van een huisvrouw, de paus
heeft een andere dan de natuurkundige, enzovoort. Al die kaarten geven een
vertekende voorstelling van de werkelijkheid. Dat heeft tot gevolg dat van het
beeld, het bewustzijn, alleen datgene geaccepteerd wordt dat overeen komt met
zo’n vertekende voorstelling. Het bewustzijn wordt dus geheel vertekend en
fragmentarisch ervaren. Flarden van het beeld die daarmee niet overeenstemmen
of daar helemaal buiten vallen worden weggedrukt als onbetrouwbaar, onrealistisch
en vaak zelfs als iets slechts. In ieder geval heeft iedereen zo zijn eigen
kaart en slechts in grote lijnen stemmen al die kaarten overeen voor zover zij
ingetekend zijn in het grondpatroon van een overheersende cultuurbeschouwing.
De analyse zet zich door
Ik heb er al eerder op gewezen dat de analyse van
de werkelijkheid almaar door gaat en nergens halt voor houdt. Hij houdt dus ook
geen halt bij de individuele kaarten van de mensen. Gaandeweg worden ook die
uit elkaar gerafeld totdat er tenslotte daarvan ook niets meer over is. De
persoonlijke belangen en waarden verdwijnen op den duur ook in het niets en van
dat proces is tegenwoordig al iets te merken in de vorm van verlies van
vroegere zekerheden, houvast en zogenaamde normen en waarden. Dat is het proces
van de, ontwaarding, het nihilistische proces. Dit proces zet zich in ieders
zelfbewustzijn door, of men daarvan nu iets bemerkt of niet. Analyse is niet
alleen maar een zaak van het laboratorium, het is een proces dat zich in alle
mensen afspeelt. Als dit zich tenslotte doorgezet heeft is de ontwikkeling rijp
voor het op de juiste wijze in kaart brengen. Hoewel je in die periode zeker
van een gemis aan houvast kunt spreken is er toch ook van te zeggen dat er een
zekere bevrijding heeft plaatsgevonden. De bemoeizucht en de dwingelandij
vanuit allerlei hogere principes, idealen, godsdiensten, ethische normen en
tradities zijn dan komen te vervallen en dat is op zichzelf al een hele
opluchting!
Het geheel en de kaart
Als de werkelijkheid echt in kaart gebracht is
komt die kaart overeen met het beeld van de werkelijkheid als geheel, het
bewustzijn. Dan vertekent die kaart het beeld niet meer, er is niets meer dat
niet mag gelden omdat het onbetrouwbaar gevonden wordt. Het beeld kan dan dus
vrijelijk voor de dag komen. Zoals al eerder opgemerkt kan in die situatie de
werkelijkheid naar haar beide aspecten tot, haar recht komen: het geheel en het
totaal, de eenheid en de verzameling, de oneindigheid en de eindigheid. Dan
wordt de dubbele werking van het denken mogelijk, want vanuit de totaliteit
denk je naar het geheel en vanuit het geheel denk je naar de totaliteit. Meer
is er niet mogelijk. We moeten er overigens wel op letten dat het beeld pas tot
haar recht kan komen als de kaart van de werkelijkheid juist is. Met het beeld
zelf is niets aan te vangen in de zin van het in jezelf naar voren halen. Dat
probeert men in allerlei moderne therapieën, maar je kunt van tevoren zeggen
dat dit mislukt omdat het beeld onaantastbaar, ongrijpbaar is.
Naar bladwijzers
: Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ; Mystiek-1
Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
De werkelijkheid als beeld
Als je nauwkeurig nagaat hoe het proces is dat de
verschillende verschijnselen oplevert, met als laatste de mens, dan kom je tot
de ontdekking dat er in de mens een trillingssituatie aanwezig is die alle
voorgaande situaties inhoudt. Dat betekent dat de gehele werkelijkheid bij
wijze van trillingsverhoudingen in de mensen leeft. Die werkelijkheid is niet
alleen te ondergaan als een lijfelijke zaak, maar zij is ook te zien vanuit
onze geest, als een trillend beeld van de werkelijkheid als geheel. Dit zien is
geen ongewoon iets dat aan enkelingen voorbehouden zou zijn, het is voor
iedereen van kracht. Maar wel is het zo dat, onder invloed van cultuur- en
andere programmeringen, het zien van dat beeld vertekend en vervormd is. Dat
beeld zelf echter is niet aan te vatten: die
trillingssituatie
is er onvermijdelijk als er een mens is; hij komt gewoon voort uit het
ontstaansproces van de verschijnselen in de werkelijkheid. Hij is net zo
onvermijdelijk als het hebben van een hart, armen en benen, etc. Deze laatste
organen evenwel zijn wel aan te vatten, het beeld echter niet. Die
onaantastbaarheid betekent ook dat de zaak empirisch niet aan te tonen is,
vandaar dat de meeste westers geschoolde mensen er niets van moeten hebben en
zelfs weigeren de gedachtegang te volgen waarlangs je tot die trillingssituatie
kunt komen. Er is hier geen positivistisch bewijs te leveren en dus is het
flauwekul... Anderzijds is die situatie ook niet te vinden als je meent
metafysisch te moeten gaan denken. Er is niets bovennatuurlijks aan, maar wel
is het een feit dat je met iets niet-materieels te doen hebt. Het is in feite
een verhouding. Deze verhouding is steeds door de mensen, vooral in de
oudheid, aangevoeld. Het zien daarvan benoemde men met: zelfaanschouwing,
verinnerlijking en dergelijke en de methode om dat zien te
bevorderen noemde men meditatie. Het zich laten gelden van die
trillingssituatie en dus van dat beeld noemen wij het bewustzijn - niet te
verwarren met dezelfde term die in allerlei betekenissen in de psychologie
gebruikt wordt.
De kaart als filter
Het beeld in onszelf van de werkelijkheid als
geheel is er onder alle omstandigheden. Je kunt het niet naar voren halen en je
kunt het niet wegdrukken, er valt ook niets aan te ontwikkelen of te
verhelderen. Maar er is wel iets aan de hand met het zien ervan. Dit zien
geschiedt vanuit het zelfbewustzijn, dat de concrete manifestatie van onze
geest is. In dit zelfbewustzijn hebben alle mensen een kaart van de
werkelijkheid aangelegd, voor een groot deel door anderen ingeprent en voor de
rest op grond van eigen ervaringen. Nu bekijken wij, als het ware, door die
kaart heen onze werkelijkheid als beeld, ons bewustzijn. Die kaart fungeert als
een filter dat bepalend is voor die aspecten van het beeld die doorgelaten
mogen worden en voor de ongewenste aspecten. Alles wat niet te interpreteren is
in het model van de kaart wordt als ongewenst beschouwd en bovendien als iets
waaraan je niets hebt of iets dat zelfs bedreigend kan zijn - omdat het iets
anders is dan wat de kaart laat zien. De kaart hangt als een filterend scherm
tussen de geest en het beeld, tussen het zelfbewustzijn en het bewustzijn.
Alleen dat mag door wat overeenkomt met de kaart of wat daarin in te passen is.
Dit gehele patroon van doorgelaten flarden van het beeld vormt ons stelsel van
zekerheden waaraan wij ons gehele leven zouden willen ophangen. Dat dit stelsel
van zekerheden onsamenhangend is en in bijna alle gevallen ook nog inconsequent
spreekt vanzelf. Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat het gedoe van de
mensheid tot nu toe een onbetrouwbaar rommeltje is, vol van tegenstrijdigheden,
dubbelhartigheid en het meten met meerdere maten.
Het filter wordt rafelig ( Zie ook het voorgaande )
Gelukkig is niemand in staat zijn filterende
wereldkaart intact te houden! Altijd weer vertoont de kaart rafels, zodat er
allerlei ongewenste flarden van het beeld doorheen komen. Dit levert psychische
verwarring op. Als wij ons herinneren dat wij onder de psyche moeten
verstaan het meetrillen van onszelf als materie (het lijf) met het trillende
beeld (ons bewustzijn), dan kunnen wij begrijpen dat die (trillende)
flarden van het beeld de mensen psychisch in de war brengen. Dat is wat er als
eerste gebeurt en daarna gaat ook het zelfbewustzijn aan het tobben. Het denken
weet met de zaak geen raad meer... Het is onvermijdelijk dat het filter rafelig
wordt, gaten vertoont. Het is namelijk een zelfbewust model van de
werkelijkheid en dus is het inhoud van onze geest. Deze geest echter is
fundamenteel Ongebonden, hij is in wezen absoluut vrij, d.w.z. beweeglijk. Deze
grondsituatie laat zich steeds weer gelden en tast voortdurend de starheid van
het model aan. Eigenlijk is dat model een onmogelijkheid, daardoor zijn
bijvoorbeeld principiële mensen gedwongen hun standpunten met geweld te
handhaven. Zij moeten vooral zichzelf steeds dwingen zich aan hun principes te
houden. Zo vanzelf gaat het niet, er komt zelfdiscipline aan te pas. Je kunt
zeggen dat de geest almaar bezig is het filter op te ruimen. Als reactie daarop
wordt een aantal mensen steeds meer verhard terwijl anderen hun houvast
verliezen en wanhopig worden. Het rafelig worden van het filter is overigens
ook de oorzaak van de cultuurontwikkeling van de mensheid. Al zijn de
doorgelaten flarden van het beeld ongewenst, zij zijn ook verontrustend en
daardoor aanleiding tot het enigszins veranderen van denkmodellen. Maar in onze
cultuur komt er nog iets bij. De wereldkaarten, de denkmodellen, zijn zelf
object van analyse geworden zodat de verwarring niet alleen nog groter wordt,
maar ook steeds minder oplosbaar. Voor sommigen is dat niet het geval, zij
stellen vertrouwen in de doorgebroken flarden, maar raad weten zij er al
evenmin mee. Bijgevolg worden zij opnieuw religieus en zij zijn bereid de meest
malle verhalen over reincarnatie, het voortbestaan van geesten en het
uittreden daarvan, het “meesterbrein achter de kosmos” en astrologische
voorspellingen voor waar te houden. Het gaat steeds over onbegrepen
samenhangen, die dan ook nog opgeklopt worden met onbenullig denkwerk. Toch
moet erkend worden dat wij te doen hebben met een zaak die in wezen goed is,
namelijk het doorbreken van het beeld.
Het naar voren halen van het beeld
Door de tweeledige aantasting van de filterende
kaarten worden het bestaan en de werking van het bewustzijn, het beeld, steeds
sterker aangevoeld. Er is dan ook een toenemende behoefte om daarmee vertrouwd
te worden. Men wil het beeld naar voren halen, maar dat is iets dat je wel kunt
vergeten: net zomin als het gelukt het blijvend af te schermen door de
filterende wereldkaart laat het zich naar voren halen. Maar er zijn
tegenwoordig allerlei therapieën in de mode die suggereren dit wel te kunnen.
Wat er dan echter gebeurt is eigenlijk alleen maar het activeren van het
psychische en hoewel dit enigszins bevrijdend kan werken moet je toch
vaststellen dat hierdoor het beeld niet naar voren kan komen. Het psychische is
immers al gefilterd! De psyche is door je eigen zelfbewustzijn
verschrompeld. Daarom hebben die therapieën vaak zulke gevaarlijke gevolgen. Waarom
het allemaal draait is het zelfbewustzijn en daarin speciaal het denken. Dat
kan en moet wel aangepakt worden. Je moet je eigen wereldkaart stuk denken door
de tekening daarvan almaar in twijfel te trekken. In feite loop je dan vooruit
op de ontwikkeling die de mensheid in haar geheel zal doormaken: via het
vernietigen van de kaarten, het leren begrijpen van de werkelijkheid als een
netwerk van betrekkingen, het realiseren van de werkelijkheid als totaliteit.
Dan is er het geheel.
Mystiek-1 Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
No. 47
De laatste kaart
We hebben gezien dat de werkelijkheid als beeld
voor geen enkele zelfbewuste inwerking ontvankelijk is. Het is er gewoon. Toch
gaat deze werkelijkheid op den duur weer gelden voor de mensen, doordat de
zelfbewuste, in kaart gebrachte, voorstelling niet meer in strijd zal zijn met
het beeld van de werkelijkheid. Dat wordt veroorzaakt door de steeds verder
gaande analyse. Deze levert enerzijds een steeds grotere hoeveelheid kennis op
om anderzijds de op die kennis gebaseerde kaarten (voorstellingen) eveneens te
analyseren. Het almaar meer verwarrend en onsamenhangend worden van de
wereldbeschouwingen van de mensen berust op deze ontwikkeling. Je kunt je
indenken dat de voorstellingen steeds meer vernevelen, meer ijl worden en dan
voortdurend een meer Onhoudbaar karakter krijgen; men kan er niet meer zo lang
aan vasthouden omdat het met een groter wordende frequentie verandert. Met
andere woorden: het vastgelegde karakter van de kaarten, de voorstellingen,
verdwijnt gaandeweg. Tenslotte staan alle voorstellingen van de mensen in het
teken van de veranderlijkheid, in feite dus van het in beweging zijn. Wanneer
dat eenmaal het geval is, is de weg vrij voor het doorstralen van de
werkelijkheid als beeld. Dat heeft onder andere tot gevolg dat de samenhang der
dingen, die in een vastgelegde voorstelling niet zichtbaar is, zich weer
manifesteert. Die samenhang is een wezenlijk aspect van het beeld in onszelf;
om ons heen kijkende naar de realiteit zien wij alleen maar afzonderlijke
dingen en de daarbij behorende betrekkingen, maar de beschouwing van het beeld,
d.w.z. het laten gelden van onszelf als bewustzijn, levert het herkennen van de
samenhang op. Alleen in ons bewustzijn vormen de dingen met elkaar een
samenhangend geheel. Men heeft dat vroeger heel goed aangevoeld. Oude wijzen
hebben voortdurend de aandacht op het bewustzijn gevestigd (zij noemden
het uiteraard anders!) en zij voelden aan dat er iets met je denken zou moeten
gebeuren om met je bewustzijn kennis te maken. Omdat zij er geen idee van
hadden welk proces er in het denken moest plaatsvinden adviseerden zij, in
allerlei varianten, van het denken af te komen: je moest versterven,
onthechten, je gevoelsleven ontwikkelen, het aardse vaarwel zeggen, enzovoort.
Maar met dat al bleef dat denken liggen zoals het was, zodat men op den duur
stevig vastliep met zijn programma van innerlijke groei...
Het zelfbewustzijn heeft geen schuld
Als wij constateren dat het zelfbewustzijn er de
oorzaak van is dat het zicht op het beeld vertekend is, dan mogen wij dit niet
aldus verstaan dat het zelfbewustzijn dit, om zo te zeggen, expres doet.
Integendeel: wij zijn qua zelfbewustzijn voortdurend bezig de werkelijkheid
waarheidsgetrouw te leren kennen. Iedereen zoekt waarheid, ook al viert in
bijna alle opzichten de leugen hoogtij. Als dit niet zo was zou de mensheid al
in haar begin vastgelopen zijn. De geschiedenis bewijst dat het steeds om de
waarheid gegaan is, maar die waarheid bleek onveranderlijk een leugen te zijn,
juist omdat het zelfbewustzijn zich vastlegt in een voorstelling. Dat is geen
fout, maar een onvermijdelijkheid - het zelfbewustzijn moet dat doen en het
doet dat ook op het allerlaatst als de mensen volwassen geworden zijn. Alleen
is dan de voorstelling ijl en beweeglijk, terwijl het vastleggen niet meer
plaats vindt voor een zo lang mogelijke periode (eeuwigheidswaarden, absolute
normen, onomstotelijke waarheden, enz.), maar juist voor een zo kort mogelijke
(alleen voor het moment dat je een uitspraak doet). Precies zoals de kunstenaar
heel even het beeld (= bewustzijn) vastlegt. Als filosoof leg je de zaak ook
een moment vast om dat daarna onmiddellijk weer op te heffen. Het onvolwassen
zelfbewustzijn is er dus niet op uit om de waarheid te verdoezelen, maar
juist om die boven water te krijgen. Maar telkens als er een waarheid gevonden
wordt gaat men die zaak verabsoluteren en houdt er zo lang mogelijk aan vast.
De geschiedenis echter leert dat dit steeds onmogelijk blijkt en dat de
houdbaarheid van een waarheid almaar korter en dubieuzer wordt. Dat geldt niet
alleen voor de idealen en levensovertuigingen, maar ook voor de wetenschap. Wat
wij als het gejaagde karakter van Onze tijd ervaren is het snelle onhoudbaar
worden van wetenschappelijke, technische en maatschappelijke, waarheden dat zijn
oorzaak vindt in het feit dat met onze cultuur het laatste stadium van dat
denkproces is aangebroken. Sterker nog: wij zijn eigenlijk al aangekomen bij
het moment dat wij aan het Onhoudbare een grote betekenis gaan toekennen. In de
wetenschap bijvoorbeeld zijn wij pas dan bereid iets te aanvaarden als het op
geen enkele manier te bestrijden blijkt, een houding die zich in de laatste
decennia pas echt doorgezet heeft, maar die bijvoorbeeld in de politiek en de
daarmee verbonden economie nog lang niet waar te nemen valt. Het is inderdaad
een feit dat men op deze terreinen minstens 50 jaar achter loopt, om van de
orthodoxe godsdiensten maar helemaal te zwijgen! Voor zover het iemand gelukt
om te denken en te spreken vanuit een snelle afwisseling van vastgelegde en
niet- vastgelegde waarheden en daarbij dus tegelijk een beschrijving geeft van
de werkelijkheid als beeld, is de aandacht daarvoor bij de intellectueel
ontwikkelde (= geprogrammeerde) mensen niet groot. Vooral de beschrijving
vanuit het beeld wekt hun wantrouwen op omdat de denktraditie het, beeld als
onbetrouwbaar en subjectief verwerpt: het is immers niet toegankelijk voor de
analyse! Maar tegelijk zie je, bij de minder intellectueel geconditioneerde
mensen, een stijgende interesse voor een dergelijk denken en spreken. Er
vertrouwen in hebben en zich er op toeleggen echter wordt nog nauwelijks
aangedurfd. Men voelt zich beter thuis bij de wetenschappelijke benaderingen en
ontkent de wetenschappelijke betekenis van dat andere denken.
Terug naar de organisatie
Na de uitweiding over de in kaart gebrachte
werkelijkheid zal het wat duidelijker zijn geworden dat de gebruikelijke
organisaties op vastgelegde voorstellingen berusten. Omdat dit zelfbewuste
voorstellingen zijn is het denken over organisaties een denken van bovenaf. Men
construeert een organisatie om vervolgens de functionarissen voor te schrijven
hoe er gehandeld dient te worden. Omdat een dergelijke constructie een voor een
zo lang mogelijke tijd vastgelegde waarheid is blijkt na verloop van tijd dat
het een mislukking is en ook dat blijkt steeds sneller. In feite behelst een
organisatie het maatschappelijk handelen van de mensen. Maar dat is een
handelen dat op voortdurend wisselende situaties is gericht. Zoiets is niet van
bovenaf in een model vast te leggen. Voor zover voor de mensen het begrip
organisatie geldt, is dat van kracht voor die mensen zelf en om die zaak te
laten functioneren is het nodig dat men inzicht heeft in de samenhang. Alleen
op grond daarvan kan een ieder weten wat hem te doen staat. Zo’n organisatie is
dus noodzakelijk horizontaal van karakter. De op het ogenblik nog gebruikelijke
lijnen van boven naar beneden en omgekeerd zijn dan ondenkbaar. Het daarvoor
steeds weer naar voren gebrachte argument dat er toch iemand moet zijn die het
geheel kan overzien en die op grond daarvan leiding zou moeten geven is een
onhoudbaar argument. In een levende werkelijkheid als die van de mensen is het
organisatie-zijn ingecalculeerd. Richtsnoer daarvoor is het zien van de
samenhang en niet het ondergeschikt zijn aan de een of andere leider die
eenzijdig zijn eigen (zo lang mogelijk houdbare) voorstelling van de
werkelijkheid als de maat stelt.
Mystiek-1 Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5(nrs.45t/m47) Mystiek-6
Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m18, 20 en 21, 37, 44, 48
en 68
(Sociaal
Democratie-1 ; Sociaal Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ;
Zelforganisatie
De werkelijkheid in het algemeen en zeker de
menselijke werkelijkheid is niet geconstrueerd. Een constructie ontstaat als je
iets in elkaar zet met behulp van door analyse gevonden elementen en hun
onderlinge betrekkingen. Zo’n constructie kan wel in beweging zijn, zoals een
machine dat is, maar niet beweeglijk, in de zin van in en uit zichzelf
beweeglijk. Een constructie leeft niet. Een moderne organisatie is gedacht als
een geconstrueerde machine. Dat is iets dat wel een tijdlang kan functioneren,
maar niet blijvend: na enige tijd komt er uit dat het menselijk leven, voor
zover dat een complex van handelingen tot inhoud heeft (de maatschappij), niet
geregeld kan worden als een machine. De oorzaak hiervan is het ontbreken van de
samenhang van de totaliteit van de organisatie. Er is wel een totaal, maar geen
geheel. De mensen maken zich een eigen wereld. Als zij dat niet zouden doen
konden zij helemaal niet overleven omdat zij biologisch helemaal niet op het
leven in de natuur geprogrammeerd zijn. Zij staan immers aan het eind van het
evolutie- proces. Zodoende is de natuur wel de wereld waaruit de mensen
opkomen, zodat die natuur niet gemist zou kunnen worden en zelfs de voorwaarde
voor hun leven is. Maar tegelijk zijn de mensen aan de natuur voorbij, voor hen
is de natuur ontkend aanwezig en dat betekent dat de mensen op een andere
manier de natuur zijn. Deze situatie houdt in dat de mensen handelingen
verrichten, ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de hen omringende
natuur. Zo bouwen zij zich een geheel eigen wereld en het is in het gehele
complex van deze activiteiten dat het begrip organisatie gevonden wordt.
Evenwel is dit begrip organisatie, het onderling regelen van het handelen van
de mensen, inhoud van het léven van de mensen en omdat dit zo is geldt het
begrip beweeglijkheid er voor. We hebben dus te doen met een beweeglijk
regelen. Dat is wat ik noem de zelforganisatie. De zelforganisatie geschiedt
niet vanuit de een of andere top waaraan de elementen ondergeschikt gemaakt
zijn, maar vanuit de elementen zelf. Het zijn de mensen zelf die zichzelf en
elkaar organiseren, d.w.z. hun handelen regelen. In een levend organisme, zoals
je lichaam, zijn het de cellen die de organisatie van dat organisme regelen en
in stand houden; er is geen commandopost van waaruit bevelen gegeven worden.
Meestal stelt men het wel zo voor, waarbij men wijst op de centrale functie van
zenuwstelsel en hersenen, maar in feite zijn ook die organen opgenomen in de
zelforganisatie van het lichaam. Slechts in volledige samenhang met de overige
cellen van het lichaam kunnen zij functioneren. Als je over bevelen wilt
spreken (beter is impulsen) moet je bedenken dat die bedoelde organen evenzeer
bevelen ontvangen als geven. Van een eenzijdige bevelsstructuur is in geen
geval sprake. De gehele werkelijkheid is trouwens door en door zelforganisatie.
Maar, dat begrip ligt voor de huidige mensen moeilijk. Zelfs wetenschappers
kunnen het vaak niet laten de organisatie van het heelal aan een goddelijke
super-intelligentie toe te schrijven. Alleen dan zou de ragfijne samenhang
tussen de verschijnselen te verklaren zijn! Een buitengewoon domme redenering
die ons er nog weer eens op attent maakt dat het ondanks alle wetenschappelijkheid
met het denken van de mensen nog droevig gesteld is. Iets eenvoudigs als
zelforganisatie te denken gaat hen blijkbaar nog ver boven de pet!
Mystiek-1 Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
In onze moderne wereld zijn wij qua ontwikkeling
aan het begrip organisatie toe. Vooral sinds de tweede wereldoorlog is
het denken in organisaties op de voorgrond gekomen. Uiteraard waren er voor die
tijd ook organisaties en er waren ook mensen die zich met de problemen daarvan
bezig hielden, maar dat speelde geen alles overheersende rol in het
maatschappelijk denken. Men was eigenlijk nog bezig met het verzamelen, het
bijeengaren van elementen voor de organisatie: het vormen van grote concerns,
het veroveren van gebieden en markten en het uitbreiden van de staatsapparaten.
Het grootschalige maatschappelijke denken vierde hoogtij. Thans echter is men
die grote totaliteiten aan het organiseren, maar daarbij is van enig begrip
voor zelforganisatie nog geen sprake. Men regelt de zaak vanuit een bepaald
model, vanuit de in kaart gebrachte werkelijkheid, op grond van de analyse.
Daarbij wordt zowel van bovenaf gedacht (het opzetten van een model) als van
bovenaf geregeld (het functioneren van de macht). Bij dat van bovenaf regelen
doet men aan de zogenaamde spreiding van macht en men suggereert daarmee dat
het niet meer om de macht zou gaan omdat men bereid zou zijn die eerlijk te
verdelen. Niets is echter minder waar: het geven van macht aan lagere niveaus
doet de macht van de top niet verminderen maar eerder uitbreiden. De top blijft
de dienst uitmaken over de organisatie. Het van bovenaf denken leidt er toe dat
de mensen zich moeten onderwerpen aan de organisatie en zijn regels. Er moet
orde zijn en de voorschriften moeten opgevolgd worden; er is een heel systeem
van plichten.
De moderne staten, die allemaal een socialistische inslag hebben en dus
eigenlijk sociaal democratieën zijn (ook als zij door confessionelen of
liberalen bestuurd worden), ontleenden voor de oorlog hun kracht aan hun
potentieel van geweldsmiddelen: leger,
vloot en politie. Maar na de oorlog ontleenden
zij steeds meer hun kracht aan de omvang van hun organisatie qua staat. Overal
waar zogenaamde socialisten een vinger in de pap kregen werd de oorspronkelijke
bedoeling, namelijk om via het veroveren van de staatsmacht een begin te maken
met het afsterven van de staat, snel terzijde geschoven om plaats te maken voor
het vergroten van het staatsapparaat. In wezen is dit het ombouwen van de staat
tot één grote organisatie waaraan iedereen ondergeschikt heeft te zijn en
waarin iedereen geacht wordt opgenomen te zijn. Staatsverzorging van de wieg
tot het graf. In bijvoorbeeld anarchistische kringen wordt het begrip
zelforganisatie wel gebruikt en dat is ook het geval bij de mensen van de New
Wave Movement, maar men weet er nauwelijks raad mee. De laatsten zitten te
rommelen met mystieke krachten,
terwijl de eersten niet verder komen dan theorieën over het verstrekken van
bevoegdheden aan bepaalde mensen onder bepaalde omstandigheden. Verstrekkingen
van onderaf, dat is waar, maar die zijn wel naar boven toe. Resultaat: alweer
een top! Hoewel de moderne organisatie op geen enkele manier een eind maakt aan
de machtsstructuren van onze maatschappij, is er toch van te zeggen dat er een
aantal verschuivingen in de goede richting plaatsgevonden heeft. Ten eerste
natuurlijk het organisatie- denken zelf dat toch de mensen van slaven tot
medewerkers gepromoveerd heeft; ten tweede de verschuiving van macht over de
persoon naar macht over diens maatschappelijk handelen; ten derde de
betrekkelijke veiligheid die de medewerkers geboden wordt in de vorm van
allerlei sociale voorzieningen; ten vierde het afwijzen van het brute geweld,
zowel in de vorm van staatsterreur als in de vorm van oorlogen; ten vijfde het
gelden van rechtsregels zonder aanzien des persoons, enzovoort. Het feit dat er
van al deze dingen in de praktijk niet zoveel terecht blijkt te komen (door het
handhaven van het machtsdenken) mag ons er niet blind voor maken dat de
genoemde zaken toch eindelijk in het denken van de mensen zijn komen te
liggen...
Naar bladwijzers: Rechten en Plichten-1 Rechten en Plichten-2 Rechten en Plichten-3 Rechten en Plichten-4 ;
(Sociaal
Democratie-1 ; Sociaal Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ; Mystiek-1 Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m18, 20 en 21, 37, 44, 48
en 68
Anarchie-1 ; Anarchie-2 ; Leiderschap-1 ; Leiderschap-2
Leven en zelforganisatie
Het zichzelf organiseren behoort tot de inhoud van
het leven. Het is iets dat zich binnen het samengestelde organisme afspeelt.
Omdat de inhoud niet van het geheel te scheiden is, is ook de zelforganisatie
geen op zichzelf staande zaak, die eventueel achterwege zou kunnen blijven. De
zelforganisatie van je lichaam kan niet los gedacht worden van dat lichaam en
dus ook niet van je leven. En ook de dingen die je dagelijks moet of wilt doen
vallen niet buiten het leven, d.w.z. je doet ze als vanzelfsprekend. Als je
trek hebt in thee ga je thee zetten en dat kan je niet zonder bijvoorbeeld de
waterketel te vullen of het gas aan te steken. Tot die handelingen behoef je
jezelf niet te dwingen als je eenmaal besloten hebt thee te gaan zetten. Het
organiseren van het thee zetten gaat vanzelf, het is een vanzelfsprekende
cyclus van handelingen. De mensen, voor zover zij maatschappelijk zijn en dus
bezig zijn met een aantal handelingen ten opzichte van elkaar, doen die
handelingen als vanzelfsprekend. Zij stellen zich bij die handelingen op elkaar
in, niet omdat zij zichzelf en elkaar gedwongen hebben dat te doen, maar omdat
voor hen het begrip zelforganisatie geldt. Dit realiseert zich van binnen uit
omdat het gaat over de inhoud van het leven. Een bestuur van buitenaf is
hierbij niet nodig, evenmin als een hoger leiderschap, omdat het zinvol zijn
van de ten opzichte van elkaar verrichte handelingen blijkt uit het resultaat
ervan: de kwaliteit van het leven. Er is niet van tevoren te zeggen hoe onder
bepaalde omstandigheden de mensen de zaken aan zullen pakken, maar zeker is dat
het bij de zelforganisatie steeds om de samenhang gaat. Om die samenhang te
realiseren moet men uiteraard alle menselijke vermogens inschakelen en er is
wat dit betreft niets menselijks denkbaar dat niet op de een of andere manier
nuttig zou zijn. En hogere of lagere waardering van de handelingen (de arbeid)
is al helemaal onmogelijk, juist omdat in de samenhang geen enkele handeling,
kennis van zaken of denkbeeld gemist kan worden. Juist het vanzelfsprekende
karakter van de zelforganisatie is voor de huidige mensen niet of nauwelijks te
bevatten. Vanuit hun denkcultuur moet er een besturende kracht van buitenaf
aanwezig zijn: het heelal moet door een hogere intelligentie bestuurd worden,
het leven moet door de geest geleid worden, een organisatie moet door een
leidinggevende top draaiende gehouden worden. Als dat niet het geval zou zijn,
dan zou er een chaos ontstaan; in maatschappelijk verband spreekt men dan graag
van anarchie. Maar al die meningen steunen op een denken zonder
samenhang, een wereldbeschouwing waarin alle dingen als aparte onderdelen van
een soort grote machine worden gezien. Het is mechanistisch denken...
De onvolwassen organisatie is geen inhoud
van het leven. Eigenlijk is het precies andersom: het leven is ondergeschikt
aan en afhankelijk van de organisatie. Deze is het die bepalend is voor de
kwaliteit van het leven: de economie bepaalt wat de welstand van de mensen zijn
zal en bepaalt ook hoeveel tijd (vrije tijd) de mensen aan hun
leven mogen besteden. Maatschappelijk worden de mensen gedwongen zich in de
economische organisaties in te passen zonder dat zij zelf mogen en kunnen
uitmaken hoe hun handelingen ten opzichte van elkaar gecoördineerd moeten
worden. De mensen zijn onderworpen aan de onvolwassen organisatie; hun
gehele leven wordt er door bepaald en dat gaat zo ver dat zelfs het
spraakgebruik er aan ontleend is: werkeloos zijn, arbeidsongeschikt zijn,
uitkeringstrekker zijn, enzovoort. Als je er op gaat letten zal, vaak tot je
verbazing, blijken hoeveel uitdrukkingen op die onderworpenheid wijzen.
Doel en doelstelling
Het bestaan van het heelal, inclusief de mens,
heeft geen enkel doel en dat wil zeggen dat de zaak nergens toe dient. Zou dat
wel het geval zijn, de verschijnselenwereld zou afhankelijk zijn van een
doelstelling. Dat ligt wel in het straatje van de godsdienstige mensen, die
menen dat het heelal er zou zijn tot meerdere glorie van god en dat zeker de
mensen voor dat doel geschapen zouden zijn. Men staat er gewoonlijk niet bij
stil, maar juist de gedachte dat de wereld geschapen zou zijn betekent dat er
ook een bedoeling achter zou steken. Zoiets is evenwel niet denkbaar. Wel
denkbaar is de doelloosheid van alles en dus ook van het leven van de mensen.
Het leven is er gewoon. Als je al van een doel wilt spreken zou je kunnen
zeggen: het leven vindt haar doel in zichzelf. Als het leven doelloos is
en er dus niet is ter wille van iets anders, geldt dat ook voor de inhoud
daarvan, de zelforganisatie. Ook die is er gewoon zomaar! Hij is er zelfs niet
om het leven in stand te houden en dat blijkt uit het feit dat deze opgave in
laatste instantie niet gelukt: het leven is niet in stand te houden. Zou dat
toch het doel van de zelforganisatie zijn, dan zouden we moeten spreken van een
tegenstrijdigheid: de werkelijkheid ontwikkelt in zichzelf een systeem dat tot
mislukken gedoemd is. Dat evenwel is onmogelijk. De zelforganisatie is alleen
maar te begrijpen als je de zaak samen denkt met het leven. Waar leven is is
organisatie en waar organisatie is is leven... Let wel op: ik spreek nu over de
zelforganisatie als verschijnsel in de werkelijkheid. Binnen die
zelforganisatie stellen de mensen natuurlijk wel doelen: een bepaalde brug
bouwen, brood bakken, enzovoort. Maar omdat het dus eigenlijk nergens om gaat
wordt die brug gebouwd, dat brood gebakken, omdat dit nodig blijkt. Met andere
woorden: het gaat dan om die brug en om dat brood en niet om wat anders. Binnen
het kader van een onvolwassen organisatie (= de huidige) gaat het
onvermijdelijk wel om iets anders: de brug is eigenlijk niet belangrijk, maar
het belang van een aantal mensen; het brood wordt niet om zichzelf gebakken,
maar om er rijk van te worden. Dat geldt voor alles wat wij in onze onvolwassen
wereld ondernemen. Steeds ligt er een bedoeling, een doel, achter de
organisatie. Hij dient ergens voor en dat doel valt niet samen met het product
van zo’n organisatie. Het gaat niet om het brood maar om de winst en dus de
macht... De doelstellingen, die behoren bij onvolwassen organisaties,
zijn uiteraard allemaal ficties, enerzijds omdat er geen doel te stellen valt,
anderzijds omdat het zogenaamde doel niet het werkelijke doel is. Het mag dan
ook geen wonder heten dat al die organisaties het leven van de mensen niet
verbeterd hebben In tegendeel: de levensmogelijkheden zijn er relatief op
achteruit gegaan. In verhouding tot onze moderne wetenschappelijke en
technische mogelijkheden is de realiteit armzaliger geworden. De mensheid
profiteert veel minder dan vroeger van de verworvenheden van de cultuur. Bijvoorbeeld:
de verhouding tussen de honger op de wereld en het aanwezige voedsel ligt veel
ongunstiger. Er is verschrikkelijk veel honger en tegelijk veel voedsel. Die
honger is dus niet nodig, maar vroeger was er vaak niet aan te ontkomen door
een veel lagere productie. Dus: ondanks de grotere welstand in de westerse
wereld is die van de mensheid ver achter gebleven bij de mogelijkheden. De
maatschappelijke doelstellingen houden de maatschappij als zodanig af van zijn
werkelijke mogelijkheden en functie. Zij worden voorgesteld als bevorderend van
het welzijn van de mensen, maar in feite is dit welzijn van secundair belang.
Voor zover daarvan toch nog iets terechtkomt is dit te danken aan het
rechtvaardigheidsgevoel van de gewone mensen, die steeds weer opnieuw hun
aandeel opeisen, al of niet voorzien van even fictieve maatschappelijke
doelstellingen.
Anarchie-1 ; Anarchie-2 ; Leiderschap-1 ; Leiderschap-2
(Sociaal
Democratie-1 ; Sociaal Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ;
Het verzwegen doel
De begrippen doel en doelstelling moeten nader
toegelicht worden, omdat ik die min of meer door elkaar heen gebruikt heb. De
betekenis van beide begrippen kan aan het volgende duidelijk worden: een
volwassen organisatie, een zelforganisatie, heeft geen doel omdat het leven
geen doel heeft. Zo’n organisatie is er gewoon. Maar binnen die zelforganisatie
worden door de mensen wel doelen gesteld, zoals het bakken van brood en
dergelijke. De organisatie zelf echter gaat niet in dat doel op omdat er nu
eenmaal geen doel is. Zo kan je dus zeggen dat het bakken van brood een doel in
zichzelf is. Als je het zo bekijkt ligt het in de logica dat er dan ook
inderdaad brood gebakken wordt, kwalitatief zo goed mogelijk en in de benodigde
hoeveelheden. De onvolwassen organisatie, die dus waaraan de mensen
onderworpen zijn, heeft wel een doel. Dat doel valt niet samen met de doelstelling;
het zijn geheel verschillende zaken. Het doel van zo’n organisatie is het maken
van winst, dus het zich verrijken van een aantal mensen. De doelstelling is
niet het bakken van brood, maar het bakken en verkopen van ZOVEEL MOGELIJK
brood. Dat is de doelstelling die gehaald moet worden. In deze situatie is het
brood een bijkomende zaak. Men probeert het dan ook zo te regelen dat het brood
van een nog net aanvaardbare kwaliteit is (het moet te verkopen zijn!), maar
toch zo weinig mogelijk gekost heeft en zoveel mogelijk oplevert. Dit alles
uiteraard in samenspel met het zogenaamde marktmechanisme. De grens van de
kwaliteitseisen wordt dus niet benaderd naar boven toe, dit is zo goed
mogelijk, maar naar beneden toe en dat betekent: maar net voldoen aan de eisen.
Dat geldt voor alles wat wij vanuit de onvolwassen organisatie-idee
ondernemen, steeds gaat het om iets anders dan datgene dat gezegd wordt het
doel te zijn. Logisch gevolg is dat alle producten ver beneden de mogelijke
kwaliteit blijven, dat zij veel te duur worden en dat een heleboel menselijke
energie in de vorm van geld wegvloeit naar enkele mensen, die bij een redelijke
maatschappij geen enkel belang hebben.
Het zoveel mogelijk
Uit het bovenstaande blijkt dat de onvolwassen
organisatie er een is waarvoor het zoveel mogelijk geldt. Is het een
productieorganisatie dan schrikt men er niet voor terug om behoeften te kweken
bij de mensen, nieuwe markten aan te boren en de prijzen, door afspraken met
andere producenten, zo hoog mogelijk op te drijven. De vraag naar wat er in een
samenleving nodig is wordt niet gesteld. Men probeert zelf te bepalen wat er
nodig is door met behulp van allerlei reclamemanipulaties de consumenten de
idee te geven dat hun leven niet volwaardig is als zij de betreffende producten
niet kopen. Doordat men zelf de vraag bepaalt zijn er steeds overschotten; er
wordt onvermijdelijk almaar TEVEEL geproduceerd. Dat teveel echter gaat niet
naar de veel te velen die arm zijn, het wordt vernietigd omdat de consumenten
bereid moeten blijven zo hoog mogelijke prijzen te betalen. De zelforganisatie,
met in zichzelf de doelstelling om een bepaald product te maken, richt zich
daarentegen op datgene dat NODIG is - niet meer dan dat en, als het even kan,
ook niet minder. Het kunstmatig opvoeren van de behoeften van de consumenten
zou dan buitengewoon dom zijn, men berokkent hiermede schade aan zichzelf:
teveel arbeid, onnodig gebruik van grondstoffen en productie- middelen. De
kunst is het om binnen de zelforganisatie precies de juiste doelen te stellen,
maar gelukkig worden die doelen bepaald door de samenhang van de mensen
onderling.
De staatsorganisatie verzorgingsstaat-1 ; verzorgingsstaat-2
Je kunt constateren dat de ontwikkeling van de
West-Europese cultuur met zich mee heeft gebracht dat gaandeweg vrijwel alle
vormen van zelforganisatie, die om te beginnen in de maatschappij aanwezig
waren, zijn verdrongen door organisatorische lichamen die de taken hebben
overgenomen - zogenaamd voor het gemak van de mensen, voor het scheppen van
orde en voor het drukken van de prijzen. Een frappant maar weinig bekend
voorbeeld vormt de huizenbouw. Nog niet zo erg lang geleden bouwden de mensen
zelf hun huizen en zij maakten zelf uit aan welke eisen zo’n huis moest
voldoen. Maar thans is de gehele huizenbouw in handen van grote ondernemingen,
in samenwerking met de staat, en de mensen worden in grote complexen
weggefrommeld. Is een huis nu goedkoper geworden? Neen het is volkomen
onbetaalbaar. Reden : de loodzware top van die ondernemingen en de winsten van
de financiers. Die winsten zijn intussen zo hoog geworden dat men de huurders
een subsidie moet geven. Zo vloeit gemeenschapsgeld in de beurzen van ondernemers
en financiers! Aanvankelijk had ook in Europa de zelforganisatie de overhand.
Thans heeft de staat het zo geregeld dat er vrijwel niets meer zelf
georganiseerd kan worden. Alles is Of aan vergunningen en reglementen gebonden
Of volledig in staatshanden. Het argument daarvoor is het zogenaamde scheppen
van orde. Welke orde? Die van de alles overheersende organisatie die de staat
is! Volgens sommigen was er vroeger geen orde, ieder deed maar wat hem goed
dacht. Maar zij vergeten dat hun begrip van orde pas in de 19e eeuw ontstond,
gelijk met de grootschalige organisaties. Het vroegere begrip orde werd veel
meer vanuit het leven en haar behoeften gedacht. De markt bijvoorbeeld was een
trefpunt voor ruilhandel en niet een op winst gericht afzetgebied. Zo’n markt
was dan ook een treffend voorbeeld van zelforganisatie. Met het opkomen van de sociaal
democratie (= naar macht vertaald socialisme) ontstaat ook de
organisatiegedachte. De mensheid moest georganiseerd worden en dat bleek te
zijn de organisatie van de staat. Deze staat heeft alle touwtjes in handen en
dat geldt zowel voor de zogenaamde kapitalistische staat als voor de
marxistische. Wij zijn allemaal staat geworden: onze salarissen worden door de
overheid bepaald, hij bepaalt wanneer en op welk moment wij ziek zijn, naar
school moeten, kinderen mogen krijgen of niet, mogen sterven of niet, onze
mening mogen geven, enzovoort. De staatsorganisatie is doorgedrongen tot in de
slaapkamers van de mensen en elk initiatief is strafbaar gesteld: wat proberen
te verdienen mag niet, gezamenlijk eten om de armoede te
verlichten is strafbaar. Men pleegt dan FRAUDE en er worden rechercheurs
opgeleid om de mensen op heterdaad te kunnen betrappen, waarbij men zich niet
geneert om het recht te verkrachten door de bewijslast om te keren! Alles wordt
door de staatsorganisatie overheerst en elke zelforganisatie is onmogelijk
gemaakt. Zozeer is de organisatiegedachte in de cultuur doorgedrongen dat de
mensen zelf zijn gaan vinden dat de staat alles maar moet regelen: de zogenaamde
verzorgingsstaat -
die overigens beter voor zichzelf zorgt als staatsapparaat dan voor de mensen.
Het terugdringen van de zelforganisatie is in de eerste plaats voordelig voor
het bedrijfsleven en voor de staat. Dat bedrijfsleven heeft meer voordeel
gehaald uit onze sociale voorzieningen dan de mensen voor wie ze zogenaamd
ontworpen zijn. De bedrijfsrisico’s zijn door allerlei faciliteiten vrijwel tot
niets teruggebracht: de grote bedrijven betalen in feite geen cent belasting en
verdienen zelfs op de steunregelingen. Dat is niet verwonderlijk omdat zij als
machtige organisaties met de organisatie van de staat overeenkomsten kunnen
sluiten. Denk aan het herenakkoord inzake de winsten op ons aardgas. De
georganiseerde staat is het meest verstikkende maatschappelijke instituut dat
denkbaar is.
(Sociaal
Democratie-1 ; Sociaal Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ; verzorgingsstaat-1 ; verzorgingsstaat-2
De piramidale organisatie
De moderne organisaties hebben over de gehele
wereld een piramidaal karakter, d.w.z. zij bezitten een brede basis en een
enkelvoudige top, waarbij de verhouding zo ligt dat de top de dienst uitmaakt.
De besluiten worden van boven naar beneden genomen terwijl de informatiestromen
in beide richtingen gaan. Die informatiestromen zijn niet vrij: van boven naar
beneden hebben zij een beschermd karakter (slechts het noodzakelijke wordt
doorgegeven en inzicht in het doen en laten van de organisatietop wordt
onmogelijk gemaakt), en van beneden naar boven een gefilterd karakter (op weg
naar boven wordt steeds meer als niet relevant beschouwd). Aan de basis heb je
dus te maken met onsamenhangende opdrachten en informatie, terwijl je berichten
naar boven vroeg of laat doodlopen. Hoe strenger, hoe bureaucratischer de
organisatie hoe duidelijker deze klachten van de basis naar voren komen.
De individu in oost en west
Het grondprincipe van de moderne organisatie is,
zoals al duidelijk gemaakt, dat het handelen van de mensen gecoördineerd wordt.
De individu wordt hierbij vrijgelaten, althans voor zover hij buiten het
systeem van op elkaar betrokken handelen valt. Met rust wordt dus gelaten die
mens, die je de vrijetijdsmens zou kunnen noemen. Voor zover hij echter in de
organisatie functioneert wordt hij helemaal niet met rust gelaten, maar
gewoonlijk merkt hij daarvan niet zoveel omdat hij vrijwel geheel op het
functioneren in de organisatie geprogrammeerd is. Hij denkt dat hij
zelfstandig, volgens eigen normen van redelijkheid, zijn eigen beslissingen
neemt en dat hij zich door niemand laat bevelen. Dat is inderdaad het geval,
maar het beroerde is dat de bevelen hem al in zijn kindertijd ingeprent zijn.
Hij heeft ze al op voorhand gekregen en ze behoeven later niet herhaald te
worden. In de westerse cultuur is de bovenstaande situatie in principe
gerealiseerd. We hebben al gezien dat ook de staat zich in een vergevorderd
stadium van organisatie bevindt. Gezien vanuit datgene dat voor de mensen op den
duur mogelijk is, kunnen wij vaststellen dat zij in een zeer onvrije wereld
terechtgekomen zijn. Bovendien een wereld waarin de schijn hoogtij viert,
waarin alles anders lijkt dan het is zonder dat dit veel kans heeft om aan de
mensen op te vallen. Het valt alleen maar op als je de drang hebt om zelf over
je leven en de wereld na te denken, een denken dat begint met en gegrond blijft
in een voortdurend in twijfel trekken van alles wat in eerste instantie zo
vanzelfsprekend lijkt. Maar een goede kant van deze zelfde zaak is gelegen in
het feit dat de individu en het individuele naar voren zijn gekomen en dat men
vindt dat die beschermd moeten worden. Het mag dan een beklemde individualiteit
zijn, hij is er tenminste en hij kan gelden. De situatie in de Oostbloklanden
is enigszins anders. Maar het is van belang goed in de gaten te houden dat het
organisatie-denken op zichzelf niet verschilt van dat in het Westen. Vooral
westerse politici willen ons nogal eens doen geloven dat er in het Oostblok een
geheel andere organisatie zou zijn, in die zin dat de staat alles regelt en
alles voor het zeggen heeft, maar deze beweringen zijn onjuist. De westerse
staat verschilt niet wezenlijk van de Oostblok staat: zowel in oost als in west
heeft de staat alles voor het zeggen, omdat hij alles in zijn organisatie
opslokt, en in beide cultuursferen hangt de politiek innig samen met de
economie en de organisatie. De uit deze drieslag voortkomende standpunten,
belangen en gedragingen vertonen in oost en west geen verschillen. Toch is er
een wezenlijk verschil, maar dat betreft niet het denken over organisaties als
zodanig. Het verschil is gelegen in de kijk die men heeft op de mens als
individu.
Men probeert in het
Oostblok niet alleen, net als in het Westen, het handelen van de mensen te
coördineren, maar de gehele individu. Men staat dus zelfs niet toe dat een mens
ook nog een vrijetijdsmens is, d.w.z. men geeft die mens uiteraard wel vrije
tijd in concreto, maar hij mag zich niet manifesteren als een vrij
individu. Ook dat aspect van het menszijn wil men in de organisatie opnemen en
beheersen. Buiten het gecoördineerd maatschappelijke regelt men ook de
ontspanning van de mensen in collectief beoefende sporten en hobby’s en men is
er op uit ook het denken in te perken binnen vanuit de top vastgestelde kaders.
Je mag niet denken wat je wil, althans niet denken buiten de officiële kaders.
Dit zijn wij in de geschiedenis van west-Europa ook tegengekomen, namelijk in
de tijd dat de Roomse kerk de feitelijke macht in handen had. Er werd macht
uitgeoefend over de gehele persoon en dat hield natuurlijk ook in dat er
lijfelijk geweld werd toegepast. In het Oostblok treffen we precies dezelfde
situatie aan: andersdenkenden worden geïnterneerd op grond van ondermijnende
activiteiten en een dergelijk optreden wordt zelfs door de wet gedekt. Er is
een uitgebreide praktijk van elkaar bespioneren en het doen van aangiften.
Zelfs afwijkende gedragingen worden nauwlettend gadegeslagen en beroddeld.
Kortom: een uitgesproken benauwde, burgermansmentaliteit. De vergelijking met
de tijd van de Roomse overheersing is niet ongegrond. Je hebt namelijk in beide
gevallen te doen met een maatgevende ideologie die onvermijdelijk de gehele
individu onderdrukt. Dat behoort bij een ideologie. Maar bovendien behoort
erbij dat men er naar streeft om letterlijk alles wat er is - en dus zeker de
mensen - in één gesloten en in zichzelf eenvormig geheel onder te brengen. In
de Roomse kerk was dat streven er vanuit het denken van de Oudhed en in het
Oostblok is het er vanuit de communistische wezensgesteldheid van de
(voornamelijk) Slavische mensen. Op grond van dit laatste is er van het oosten
op de lange duur wel iets te verwachten, maar dat komt een andere keer ter
sprake. Voorlopig kunnen wij stellen dat de westerse situatie, met betrekking
tot de mens als individu, de meest ontwikkelde is. Maar toegegeven moet ook
worden dat de Oostblokopvatting een groot aantal westerse misstanden onmogelijk
maakt.
Het mechanistische denken
In het organisatie-denken worden de elementen van
die organisatie, de mensen dus, beschouwd als raderen in een machine. De
belangrijkste kwaliteit van die raderen moet zijn dat zij in elkaar grijpen en
dat dit van buiten en boven af bestuurd kan worden. Bij een machine is dat niet
anders denkbaar, maar bij mensen natuurlijk wel: zij kunnen het in elkaar
grijpen ook zelf regelen, in samenhang met de realiteit die zij om zich heen
aantreffen. Dat is de zelforganisatie en bezien in dat licht is de mens
helemaal geen machine. Dit betekent ook dat er wat betreft een toekomstige zelf
organiserende mensheid niets te voorspellen valt. Je kunt slechts enkele
kenmerken noemen: 1) alles draait om de samenhang, 2) iedereen kan zich
vrijelijk ontplooien, 3) er is een optimale kwaliteit van de maatschappij, 4) er
gelden geen waarderings-verschillen (wie is belangrijker, de vuilnisman of de
wiskundige), 5) de organisatie is inhoud van het leven en niet andersom, 6) er
is geen bedoeling, 7) de doelstellingen zijn incidenteel en gericht op
kwaliteit, 8) er wordt geproduceerd wat nodig is en niet wat winst oplevert, 9)
de goederen staan ter beschikking van een ieder die ze nodig heeft. En zo zijn
er nog wel meer dingen te bedenken, maar te voorspellen is er niets.
Over de ideologie
Onder een ideologie versta ik: een overheersend
cultuurdenkbeeld dat gebaseerd is op de voorstelling hoe de werkelijkheid zou
moeten zijn. Je kunt beter niet zeggen zou kunnen zijn, want er kan in het
gangbare denken van de mensen zoveel, zonder dat dit noodzakelijk als een zaak
gezien wordt, die afgedwongen zou moeten worden. Het moeten drukt uit dat men
het cultuurdenkbeeld dwingend als de maat stelt. Uiteraard is dat een
cultuurdenkbeeld van mensen die macht zoeken. Het kan dan ook niet uitblijven
dat andersdenkenden veroordeeld worden als domkoppen, onwilligen en misdadigers
- in die volgorde. Een ideologie betrekt zich op heel de werkelijkheid. Alles
is er in betrokken en wordt gedwongen zich ernaar te voegen. Maar bovendien
richt zich de ideologie op de werkelijkheid als geheel, dat als de hoogste,
boven alles en iedereen uitstijgende, realiteit wordt gesteld. Die hoogste
realiteit is de absolute waarde van waaruit het uitoefenen van macht wordt
gelegitimeerd en die macht drukt op de gehele mens omdat er niets is dat er
buiten kan vallen. Aan de voet van elke ideologie ligt een ideaal en zo’n
ideaal is op zijn beurt weer gegrond op een gedachte, een theorie. Het ideaal
en zijn grondslag, de theorie, zijn persoonlijk: een bepaald iemand heeft een
ideaal en er zijn nog meer bepaalde personen die ook dat ideaal hebben. Maar
het ideaal wordt tot een ideologie als men de conclusie getrokken heeft dat
alle mensen er aan moeten voldoen omdat het ideaal zou samenvallen met de
werkelijkheid als geheel. Bij de ideologie gaat het dus om de massa, bij
idealen om personen. Het Marxisme bijvoorbeeld was bij Marx geen ideologie,
maar een theorie met het daaruit voortkomende ideaal. Pas zijn volgelingen
waren het die met dat ideaal gingen werken. Daarbij tekenden zich al spoedig
twee stromingen af, bij de éne stroming kwam de nadruk te liggen op het
organisatorische en bij de andere op het ideologische. Vooral in de westelijke
Europese landen zette de organisatorische door, al spoedig uitlopend in het
democratisch socialisme. Het ideologische bleef beperkt tot enkelingen, zoals
Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg, socialisten die eigenlijk meer Oost-Europese
trekken vertoonden. Daartoe kan je ook Lenin rekenen. De controverse tussen
Karl Marx en Michael Bakoenin ging echter over de macht en was dus een andere
kwestie, hoewel je ook hierin aspecten van het organisatie probleem kunt
herkennen. Het anarchisme legt namelijk de nadruk op de zelforganisatie en
wijst zowel de organisatie van de staat als de onderwerping aan een ideologie
af.
Staatsorganisatie
Het organisatie-denken heeft niets met een
ideologie te maken, maar met een denkmodel. Weliswaar moet alles aan dat model
aangepast worden, maar dat gebeurt niet vanuit het geheel, en dus niet vanuit
een absolute hogere waarde, maar vanuit het onderzoek en de kennis van de
betrekkingen tussen de mensen. Het is dus zelfs wel een wetenschappelijke zaak,
die op grond van zijn analytische karakter niets met het geheel te maken heeft.
Er wordt wel iets hogers gesteld, maar dat is het denkmodel dat maatgevend is.
Dat is evenwel geen absolute hogere werkelijkheid die boven alles en iedereen
uitstijgt. Voor een ideologie en voor het willen beheersen van de gehele mens
is er dan ook geen plaats. Dat geldt natuurlijk niet alleen voor de
staatsorganisatie, het geldt voor het gehele systeem van maatschappelijke
structuren. Daarin komen wel idealen voor en uiteraard zijn er ook ideologisch
ingestelde mensen, maar deze laatsten vertonen doorgaans restanten van een oude
westerse ideologie, namelijk die van de godsdiensten.
Ideologie als godsdienst
In de westerse godsdiensten wordt een absolute
hogere werkelijkheid voorgesteld. Er is dus alle ruimte voor een ideologie.
Maar, die hogere werkelijkheid berust eigenlijk op een herinnering, namelijk
die van de oudheid, die door de godsdienst levend is gehouden, zij het dan in
de vorm van een concreet bestaande plaats, ergens in het heelal. Die
herinnering kalft langzaam af en we kunnen tegenwoordig zelfs wel zeggen dat er
niets meer van over is. Maar de voorstelling en de daaraan meekomende
denkbeelden worden halsstarrig gehandhaafd in de poging de oude ideologie in
stand te houden ter wille van de macht. Die poging is echter al bij voorbaat
mislukt.
De Slavische ideologie
De mensen die in Rusland in 1917 de revolutie
doorgezet hebben waren de ideologische richting van het socialisme toegedaan.
Dat gold natuurlijk in de eerste plaats voor Lenin, maar ook voor de andere
Russen. Zij zouden echter nooit een kans gekregen hebben als er in de Slavische
mensen niet een intuïtief besef van een absolute werkelijkheid aanwezig was
geweest. Dat besef berust, in tegenstelling tot West-Europa, niet op een
herinnering, maar op een vermoeden. Het vermoeden namelijk dat de werkelijkheid
inderdaad één geheel is. Je kunt dus zeggen dat het een vermoeden van de
toekomst is. Op grond van dit vermoeden fungeert dat geheel als een absolute
hogere waarde en dus is het argument genoeg voor het legitimeren van macht. Het
behoeft dan ook niet te verwonderen dat de Russische mensen aanvankelijk de
partij en zijn leiders als een heilige zaak beschouwden. Dat was vooral ten
aanzien van Stalin het geval. Deze werd, ondanks zijn gruwelijke tirannie, net
zo vereerd als voordien de Tsaar. Dat men de tirannie accepteerde is te
begrijpen als je bedenkt dat dit onvermijdelijk meekomt aan de ideologie: de
gehele mens moet er voor buigen omdat het zowel over de totale werkelijkheid
gaat als over de werkelijkheid als het geheel. Gevoeligheid voor een ideologie
houdt automatisch tolerantie ten aanzien van tirannie in, zowel bij de
machthebbers als bij de onderdrukten. We hebben dat vroeger in West-Europa
gezien en we zien het in het Oostblok. De tirannie wordt uiteraard niet
toegejuicht en ook is er kritiek op, maar toch blijft hij mogelijk als een
onderdeel van het bestel. Omdat de Leninistische ideologie gegrond is op het
socialisme ontbreekt de organisatiegedachte niet. Het onderling handelen van de
mensen wordt dus wel degelijk georganiseerd, al ligt het niet op de voorgrond.
Zo’n organisatie is betrekkelijk willekeurig, juist omdat de absolute macht
voorop staat, de macht vanuit de ideologie. Erg goed functioneert die
organisatie dan ook niet. Er is veel machtsmisbruik, weinig interesse en weinig
inzet. De glorie van de partij gaat boven het functioneren. In het Roomse Europa
was er in principe helemaal geen belangstelling voor het handelen van de
mensen, behalve als het ging om het naleven van de godsdienstige voorschriften,
zoals de biecht en het betalen van allerlei kerkelijke belastingen. Hoe de
maatschappij verder functioneerde was niet de zorg van Rome en het duurde tot
de Franse Revolutie tot hierin enige verandering kwam. Als er van het
maatschappelijk gedoe van de mensen te plukken viel was het goed. Het was zelfs
niet van belang dat door dat uitplunderen hele takken van nijverheid ten gronde
werden gericht. De situatie in het Oostblok is dus in zoverre anders dat het
functioneren van de maatschappij wel van belang is, maar dat belang wordt
overstegen door het belang van de heilige partij en de daarbij behorende autoritaire
machthebbers.
No. 53 (Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3)
Proletariërs, verenigt u
Het socialisme was voor Karl Marx (1818 - 1883)
geen ideologie, maar een theorie, die voortgekomen was uit de analyse van
vooral de economische situatie van zijn tijd. Met behulp van die theorie zou
het mogelijk zijn de maatschappelijke werkelijkheid te begrijpen en ook te
veranderen omdat het mogelijk zou zijn bepaalde voorspellingen te doen. Marx
kwam tot de conclusie dat de maatschappij niet deugde en dat de mensen, die het
werk doen, daarvan de dupe zijn. Om in die situatie verbetering te brengen
moesten de mensen socialistisch gaan denken. Nu was de cultuur ontwikkeling
inmiddels al zover gekomen dat het socialisme op doorbreken stond. De mensen
gingen zichzelf als individu herkennen, in die zin dat ook de ander als
individu gezien werd. Dat socialisme is te omschrijven als: indien IK er ben,
ben JIJ er ook. Er zijn, wat betreft het gelden van de mens als individu, een
drietal fasen te onderscheiden. Ten eerste: IK ben er als enige (absolutisme,
het er zijn van een elitaire enkeling, een vorst); ten tweede: IK ben er en JIJ
zoekt het maar uit (liberalisme, de ander heeft het recht om zich ook te
laten gelden, maar ook om te creperen); ten derde: IK ben er en vanzelfsprekend
ben JIJ er ook (socialisme, met elkaar kunnen wij onszelf als individu
waarmaken). Dit laatste besef was dus, halverwege de 19e eeuw, doorgebroken en
op die bodem groeide de socialistische gedachte van Karl Marx en zijn
geestverwanten. Michael Bakoenin (1814 - 1876) bijvoorbeeld stelde: IK ben vrij
als de anderen ook vrij zijn; als er ook maar één mens onvrij is, ben ik ook
onvrij. Ook bij hem dus het tegelijk gelden van JIJ en IK. Het tegelijk gelden
van JIJ en IK was ingecalculeerd in de kijk van Marx op de werkelijkheid, maar
de gedachte, waarmee hij kwam, was deze dat de mensen zich zouden moeten
verenigen - en dat betrof vooral de zogenaamde proletariërs. Die gedachte vond
een willig oor omdat hij een duidelijke consequentie was van het doorgebroken
cultuurmoment jij en ik tegelijk. Men ging zich dan ook verenigen en dat was
niet alleen maar het geval bij diegenen die zich socialisten noemden; overal en
op alle gebieden ontstonden verenigingen en allemaal wilden zij een
democratische structuur hebben. Er zijn evenwel twee mogelijkheden. Ten eerste
kan je er toe overgaan een organisatie in het leven te roepen en daarop de
nadruk te leggen, maar ten tweede kan je de mensen verenigen in een bepaald
geheel, als het ware onder een paraplu, waarbij de vertegenwoordigers van dat
geheel het voor het zeggen hebben: de leidende kaders. Van de twee
mogelijkheden, de organisatorische en de ideologische, heeft de eerste zich,
zoals al eerder opgemerkt, in het Westen doorgezet. Dit socialisme is de motor
gebleken van het organisatie- denken. Te begrijpen is dat de macht, die men
aanvankelijk wilde doen oplossen, van karakter veranderde: van macht over de
persoon naar macht over het handelen van de persoon. En van oplossen was geen
sprake, uiteraard omdat voor oplossen nodig is dat de waardenstelsels
verdwijnen en daaraan was en is de mensheid nog lang niet toe.
Het arbeidersproletariaat
Marx verwachtte een betere wereld van het
arbeidersproletariaat. Allicht, want deze mensen waren al het meest
individueel. Inderdaad leek het daar helemaal niet op: het was een massa
verpauperde, onontwikkelde, afgesloofde en ongezonde mensen waar letterlijk
niets bij zat. Dat is evenwel niet het punt. Het gaat hierom dat deze mensen
losgemaakt waren van, zeg maar, natuurlijke bindingen met bepaalde groepen,
zoals dorpsgemeenschappen, gildes, ambachtsgroepen, tradities, enz. De
proletarische arbeider staat op zichzelf; hij levert en verkoopt geen product
dat het resultaat is van zijn arbeid. Hij verkoopt zichzelf, in de vorm van
energie, namelijk zijn arbeidskracht. En nu is het dit op zichzelf staan dat de
basis is van het individu-zijn en tevens van de mogelijkheid om zich te
verenigen. Je kunt alleen elementen verenigen, maar mensen die, vanuit de een
of andere traditie, al bij elkaar behoren zijn niet te verenigen. Een boer
bijvoorbeeld is ingebed in een bepaald natuurgebeuren en in een daarop gegronde
gemeenschap. Hij zal dan ook veel later met zijn individualiteit voor de dag
komen. Een geïndustrialiseerde maatschappij is gebaseerd op de analyse; het
gaat om het in elkaar grijpen van op zichzelf staande onderdelen. Dat was het
dat zich toentertijd aan het realiseren was. De proletarische arbeiders
behoorden tot die onderdelen. Zij waren dus al individu, maar het had uiteraard
nauwelijks enige inhoud. Die inhoud kwam er evenwel al spoedig: de hele zaak
ging zich betrekkelijk snel emanciperen. De ontstane verenigingen waren
eigenlijk allemaal emancipatieverenigingen, zelfs als het ging over het fokken
van geiten of het verzamelen van postzegels. Hoewel de mensen thans nog lang
niet echt geëmancipeerd zijn is hun graad van ontwikkeling onvergelijkbaar veel
hoger dan een eeuw geleden.
Het is een feit dat in Rusland een
arbeidersproletariaat aanwezig was en dat het zich al vroeg geroerd heeft. Maar
de revolutie van 1917 was toch eigenlijk een boerenrevolutie, geheel in strijd
met de Marxistische theorieën. Lenin was dan ook gedwongen aan de boeren
toezeggingen te doen om de macht van de partij te vestigen. Maar bij die boeren
lag het individualisme bepaald niet in het denken. De revolutie ging dus op
iets anders door. In het Westen, waar volgens Marx en geestverwanten de zaak
rijp was voor de revolutie, ging het niet door. Allicht, want het ging daar om
de organisatie. Die verandert structuren, gaat dus binnen de maatschappij aan
het werk. De revolutie echter WENTELT OM en grijpt dus van buitenaf aan. Dat nu
vereist een ideologie! Er werd wel iets wakker in de mensen, maar dat was het
weten bij elkaar te behoren en dat grondde zich op het besef een geheel te
zijn. Vandaar dat de, overigens westerse, term communisme ingang vond.
De moderne dissidenten
Voor zover de zogenaamde dissidenten geen westers
wereldbeeld voor ogen staat, blijken het steeds heel geïnspireerde communisten
te zijn. Zij komen als individu op uit het door de ideologie samengevoegde
geheel en laten zich gelden als op hun wijze dat geheel. Het ziet er op het
ogenblik naar uit dat men die individu gaat herkennen en erkennen, maar ook als
dat niet het geval is zal blijken dat deze zelfbewust- wording niet tegen te
houden is. Maar, het gaat om een andere individu dan de westerse: hij is niet
gebaseerd in isolement (IK ben JIJ niet) maar juist in samenhang en dat
betekent dat IK, op mijn wijze, het geheel ben. De westerse individu is vanaf
de aanvang gegrond geweest op de afzondering, de splitsing, de analyse. Deze
analyse heeft in Rusland nooit een voedingsbodem gevonden. De westers
georiënteerde intelligentsia is nimmer met de bevolking verbonden geweest en
sprak vaak niet eens hun taal. De Russische dissident verlangt niet, zoals de
westerling, méé te tellen, maar hij wenst, in samenhang met de anderen,
zichzelf te zijn. En vaak wordt de verbanning naar bijvoorbeeld Siberië,
ondanks alle ellende, ervaren als een soort van loutering van dat
zichzelf-zijn. Dat is voor de westerse mens moeilijk te verstaan, maar wij
kennen de psychische realiteit van het met zijn allen zijn dan ook niet. De Rus
echter kent het wel en verlangt ernaar aan die zaak inhoud te geven.
(Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3)
Wat is een revolutie
Je kunt in de West-Europese geschiedenis een
aantal revolutionaire toestanden aanwijzen, bijvoorbeeld in het Duitsland van
vlak na de eerste wereldoorlog, maar, behalve de Franse revolutie van 1789 is
er niet echt een revolutie geweest. In Rusland en China daarentegen wel.
Revolutie betekent omwenteling. Het is het vervangen van de heersende
staatsstructuur door een andere, en dat vanuit een ideologie. Wat doet een
groep mensen als zij de maatschappij omwentelen? Zij tasten de bestaande
maatschappij aan van buitenaf. Zij beschouwen zichzelf, hoewel uiteraard
behorend tot die maatschappij (je kunt er nooit buiten gaan staan), als niet
tot die maatschappij behorend. Zij willen daarmee niets te maken hebben omdat
die maatschappij hen als uitgeworpenen beschouwt, als mensen die niet meetellen
en die geen rechten hebben. Als dergelijke groepen mensen voldoende krachtig
zijn geworden kunnen zij de zaak omwentelen zodat zij niet langer de
buitengeslotenen zijn, maar nu juist de kern van de nieuwe maatschappij vormen.
Belangrijk bij het begrip revolutie is dus het van buitenaf aangrijpen, wat
gebeurt vanuit volledig miskende groepen van de bevolking. De gewone bevolking
van Frankrijk was volledig miskend toen de revolutie in 1789 uitbrak. Eigenlijk
behoorde zij niet eens tot de derde stand, maar zij behoorde zeker niet tot de
adel en de geestelijkheid. Deze laatsten wisten zelfs te vertellen dat de mens
wezenlijk pas bij de baron begon. Allen daar beneden waren geen mensen maar
vuilnis, gepeupel. Deze niet-mensen grepen de maatschappij van buitenaf aan.
vrijheid, gelijkheid en broederschap
Hierbij is een ideologie nodig: de nieuwe waarden
moeten voor IEDEREEN van kracht zijn, althans zo worden beschouwd. En dat op
grond van het feit dat het over alles en allen gaat (het totaal) en tegelijk
over het geheel. Dit kwam tot uiting in de leuze vrijheid, gelijkheid en
broederschap. Deze leuze heeft korte tijd als een ideologie gefunctioneerd,
namelijk tijdens de woelingen van de revolutie, maar al spoedig bleek het geen
echt houdbare ideologie te zijn. Niemand liet zich er iets aan gelegen liggen.
Behalve het van buitenaf aangrijpen en het begeesterd zijn door een al of niet
houdbare ideologie moet het ook nog ergens om gaan. Het gaat louter om de
macht. Men is weliswaar van plan om met die macht redelijk om te gaan zodat het
allemaal heel mooi lijkt, maar men ontkomt er niet aan dat er zich weer nieuwe
elites vormen die niets anders gaan doen dan macht uitoefenen. Bij voorbaat zijn
alle mooie plannen mislukt. Er kan geen macht ten goede ingesteld worden. Na de
revolutie worden de echte revolutionairen schielijk om zeep geholpen. Er mag
maar één omwenteling zijn en het proces mag niet doorgaan; de macht moet door
de nieuwe elite behouden worden. Zo vermoordt de revolutie haar eigen
kinderen...
Omdat het bij ons ook om de macht gaat zou van
daaruit revolutie mogelijk zijn, maar de beide andere kenmerken, de
aanwezigheid van een ideologie en het bestaan van buitengesloten grote groepen
van de bevolking, gelden niet. We hebben al gezien dat het organisatie- denken
kenmerkend is voor de West-Europese mens. Vanuit dat denken is niemand
buitengesloten, zelfs niet de laagst gewaardeerde mensen. Je bent deel van het
totaal. Je telt mee, al is het nog zo weinig. Daardoor kan je de staat niet
omwentelen, ook al ben je met nog zo velen. Dat bemerkte bijvoorbeeld Troelstra
(1860 1930) toen hij in november 1918 meende de socialistische revolutie te
kunnen ontketenen. De zaak bloedde in eigen gelederen dood! Als er in het
organisatorisch denkende Westen dingen veranderd en verbeterd worden kan dit
noodzakelijk niet anders dan langs de organisatorische weg gaan. De recente
geschiedenis heeft dit dan ook laten zien. Ook van een ideologie is niets te
verwachten omdat de West-Europese mensen niet meer ontvankelijk daarvoor zijn.
De laatste ideologie, namelijk die van de Franse revolutie, had al geen inhoud
meer die voor de mensen een hogere betekenis zou kunnen hebben. Het was slechts
een leuze! Als in het Westen alles blijft gaan zoals het gaat en er geen grote
rampen met kernenergie en vergiftigingen optreden, dus als er
geen grote ontreddering optreedt, zullen er hier geen revoluties plaatsvinden.
Tijdens de Franse revolutie werd de eerste fase van het individualisme (IK
alleen ben er) vervangen door de tweede (IK ben er en jij hebt het recht dat
ook voor elkaar te krijgen). Dat sloeg aan bij het calvinistische werk uzelf
zaligheid. Het behaagde god als iemand zich nijver boven het er niet zijn
uitwerkte. Als je het over oproer hebt gaat het over iets anders. Oproerige
mensen willen misstanden rechtzetten, in feite dus de organisatie verbeteren.
Zij vinden dat zij niet voldoende functioneren en komen dan in verzet. Een omwenteling
ligt nooit in de bedoeling. Stakingen zijn in zekere zin ook oproeren en
daarbij is het, vooral tegenwoordig, al helemaal duidelijk dat het om
organisatorische zaken gaat.
Rusland en de revolutie
In het Rusland van 1917 waren de genoemde
voorwaarden vervuld. Het ging om afwenteling van de onmogelijk geworden macht
van de tsaar en zijn bureaucratie, een tirannieke, feodale en willekeurige
macht over de bevolking. Een ideologie was er ook op grond van het Russische
cultuurmoment: het zich realiserende geheel. Dat moment werd in de
Grieks-orthodoxe godsdienst verwoord met het koninkrijk Gods op aarde en de
levende Christus. In de revolutie hebben deze begrippen naar buiten toe geen
rol gespeeld, maar naar binnen toe des te meer. Zij maakten het communisme voor
de mensen psychisch aanvaardbaar. Er was in Rusland een buitengewoon grote
buitengesloten groep en dat was de boerenbevolking. Nagenoeg geheel verstoken
van onderwijs en vrijwel nog in de staat van lijfeigene hadden de boeren geen
deel aan de cultuur van de elites die, westers geschoold en westers denkend, op
hun beurt ook volkomen vreemd waren aan de Russische bevolking. Toch was juist
deze bevolking inhoudelijk het meest essentiële deel van de cultuur. Daarom kon
Lenin (1870 - 1924) niet om de boeren heen zolang de revolutie woedde, maar hij
heeft hen daarna snel verraden. Later werden zij zelfs opgeofferd aan de
grootschalige industriële economie zodat zij als ratten stierven. Lenin immers,
als westers denkend marxist, was toch van mening dat het om de industrie en
haar arbeiders ging, hoewel de boeren hem bij zijn revolutie hielpen. Het ging
Lenin om een westers model van een arbeidersstaat. Ideologische machthebbers
zijn altijd willekeurige tirannen en zij vinden het heel gewoon om hun burgers
op te offeren, denk aan wat de Roomse kerk heeft gedaan en zie wat er
tegenwoordig onder de ideologie van de Islam in Iran gebeurt. En net als overal
en altijd onder de druk van een ideologie lieten ook de Russische boerenmensen
met zich sollen, juist omdat voor hen de ideologie een psychische realiteit
was. Die psychische realiteit heeft natuurlijk nog een lange weg te gaan
voordat zij als een cultuurmoment zelfbewust voor de dag kan komen en daarbij
dan ook alle eigenschappen van een ideologie heeft afgelegd. Wat er dan uit
komt is het eerste moment van de volwassen mens. Om dit echter te begrijpen
moeten wij er achter komen hoe het zit met de middelmatigheid van de mensheid.
Anders zouden wij wellicht aan een mensheid vol van nobele en heilige lieden
gaan denken en dan zouden wij helemaal fout zitten.
Bladwijzers: Algemeen belang-1 ; Algemeen belang-2
; Algemeen belang-3
; Algemeen belang-4
; Rechten van de Mens-1
; Rechten van de Mens-2
;
Geen waardeoordeel
De filosoof Hegel (1770 - 1831) heeft destijds gezegd:
de middelmaat maakt zich breed, regeert tenslotte de wereld en zo blijft het.
Deze uitspraak bevat veel waarheid. Inderdaad leven wij nu in een wereld waarin
de middelmaat hoogtij viert en dankzij de macht van de grote aantallen de
wereld regeert. Welbeschouwd betekent dit dat letterlijk alles beneden zijn
niveau blijft en in veel gevallen zelfs verkeerd is. De diskwalificerende
ondertoon van Hegels uitspraak is dan ook, wat onze hedendaagse werkelijkheid
betreft, terecht. Maar over het algemeen is een dergelijk waardeoordeel uit den
boze, vooral omdat het een heldere kijk op de situatie belemmert. Hegel stond
nog in de traditie van de individu als enkeling en daarom verwachtte hij de
goede dingen van uitzonderlijke enkelingen. Het volk kon zichzelf niet
besturen, dat moest de taak zijn van absolute machthebbers die, in de toekomst,
nu eens niet hun eigen belang op het oog zouden hebben, maar het algemeen belang. Het volk
zou altijd de weg gewezen moeten worden en met machtsmiddelen gedwongen die weg
te gaan. Van daaruit is de zich breed makende middelmaat, de massa’s van het
volk dus, een gruwel die niet tot iets goeds zou kunnen leiden. Eigenlijk had
Hegel, die toch een uitzonderlijk diepzinnig filosoof was, beter moeten weten.
Hij was bijvoorbeeld zeer ingenomen met de filosofie van Spinoza (1632 - 1677),
maar deze was het nu juist die een politieke filosofie ontwierp waarin de
dwingende macht van heersers afgewezen werd omdat zij voortdurend de mensen
willen veranderen, in plaats van te proberen te begrijpen waarom de mensen zijn
zoals ze zijn. Spinoza wees dus, zowel filosofisch als politiek, het van
bovenaf denken af. Geen enkele van de grote filosofen heeft die gedachtegang
doorgetrokken of zelfs maar voor mogelijk gehouden. Ze bleven allemaal de begaafde,
nobele, enkeling als de maat stellen en van de gewone
mensen eisen dat zij zich daarnaar zouden voegen. En Spinoza
heeft het goed voorzien: zij begrepen niets van datgene dat zich in de gewone
mensen ontwikkelde. Het is onvermijdelijk dat men, vanuit het van bovenaf
denken, de middelmaat als iets minderwaardigs ziet. Als die zich dan ook
nog breed gaat maken (uiteraard omdat de mensen eindelijk eens mee gaan
tellen), is er weinig hoop meer voor de toekomst. Het is echter de vraag of
deze opvattingen reëel zijn.
Het begrip middelmaat
Het ligt in de logica dat het algemene beeld van
de mensheid bepaald wordt door de algemeenheid van de mensen. Behalve als hij
macht heeft over de mensen kan een enkeling dat beeld niet bepalen. Je kunt
dus, met Hegel, zeggen dat het gemiddelde en dus ook de middelmaat bepalend is
voor het wereldbeeld. Als je deze zaak zonder waardeoordeel bekijkt kan je
jezelf de vraag stellen of zo’n middelmaat beslist, minderwaardig moet zijn.
Ten eerste is dan op te merken dat het stellen van een maat een cultuurkwestie
is, een zaak dus die veranderlijk is en die bovendien samenhangt met de
belangen van diegenen die de maat stellen. Dat betekent dat het allemaal erg dubieus
is. Ligt bijvoorbeeld de maat bij de arbeid of ligt hij bij het recht? In wiens
voordeel is de arbeid en wie of wat wordt in de eerste plaats door het recht
beschermd? Moeten de mensen boeken lezen om niet middelmatig te zijn of een
universitaire opleiding hebben genoten? Of is een naar boven gemanipuleerde
politieke elite boven de middelmaat verheven, of voetballers, toneelspelers en
musici? Eigenlijk is er helemaal geen maat te stellen zodat de daaruit
voortkomende waardeoordelen ook afgewezen moeten worden. Wat wij middelmaat
plegen te noemen is in feite het algemene wereldbeeld. Dat is met geen ander
wereldbeeld te vergelijken (elders in de kosmos) en moet dus noodgedwongen OP
ZICHZELF beschouwd worden.
Volwassen en onvolwassen
middelmaat ( lees eventueel vanaf nr. 55 hierboven)
Op elk moment van haar leven kent de mensheid
uitschieters naar boven en naar beneden en het overgrote deel van de mensheid
zit er ergens tussenin. Dat noem ik - zonder enig waardeoordeel - de middelmaat.
Wij leven nog steeds in een onvolwassen wereld en dus hebben wij te doen
met een middelmatige onvolwassenheid en ook een onvolwassen
middelmatigheid. Zo’n middelmatigheid tendeert naar zijn oorsprong en dat
is de onvolwassenheid. We zullen dus steeds de neiging zien terug te
grijpen, te herstellen zoals het vroeger was en te houden zo het is. De onvolwassen
middelmaat is behoudend. Er is een grote angst voor vrijheid,
voor het gaan van nieuwe en onbekende wegen en er is behoefte aan infantiele geborgenheid.
Dat betekent dat zo’n mensheid voortdurend beneden haar stand leeft, d.w.z. de
mogelijkheden, die zij zelf al ontdekt heeft, onbenut laat.
De Rechten
van de mens
Al in 1948 was men in staat de Rechten van de mens te formuleren en te aanvaarden als
algemeen geldende normen. Maar niemand heeft er iets mee gedaan. Het is bij
loos gepraat gebleven. Wij zijn in staat de gehele mensheid te voeden, maar
niemand is van plan dat ook te doen. Ons denken is al zover dat wij oorlogen
afwijzen, maar iedereen wapent zich ten oorlog. En dat allemaal op grond van
verouderde denkmodellen. Men houdt vast aan het oude en waagt het niet te
handelen naar de uiterste grens van zijn mogelijkheden. Het behoudende,
het terug willen gaan, komt voort uit de zuiging van de oorsprong, de nog niet
ontwikkelde onvolwassene. De angst voor vrijheid en het steeds maar beneden
zijn mogelijkheden blijven zijn kenmerkend voor de onvolwassen middelmaat.
Op den duur echter worden de mensen volwassen en ook dan is het de middelmaat
die bepalend is voor het wereldbeeld. Dan echter tendeert die middelmaat naar
de toekomst, het volwassen zijn. Dit oefent dan zuigkracht uit en dat betekent
dat er een voortdurend zoeken naar nieuwe mogelijkheden zal zijn en een
waarlijk progressieve mentaliteit. De angstige behoefte om het oude vast te
houden is dan verdwenen. Dat betekent niet dat het oude dan telkens afgeschaft
wordt, maar dat het telkens opnieuw gesteld zal worden. Men leeft dan almaar op
de grens van eigen mogelijkheden. In die zin is het met de middelmaat best in
orde en men heeft dan wel degelijk gelijk als men niet onmiddellijk achter de
ideeën van de hoogvliegers aanloopt. Maar de afstand tussen de mogelijkheden
van de middelmaat en de praktijk is dan komen te vervallen: de mogelijkheden
worden als vanzelfsprekend gerealiseerd, en wel zo dat zij voor zoveel mogelijk
mensen zinvol zijn. Als je dus vaststelt dat de middelmaat tenslotte de wereld
zal regeren moet je je wel afvragen wat dit in het éne geval (onvolwassenheid)
en in het andere geval (volwassenheid) betekent. Je kunt je de zaak als volgt
voorstellen: de ontwikkeling van de mensheid gaat in één richting, namelijk van
onvolwassenheid, via een soort van evenwichtssituatie, naar
volwassenheid. Voordat dit evenwicht bereikt is staat de zaak in het teken van
de onvolwassen oorsprong, maar de zuigkracht daarvan neemt gaandeweg af.
Tijdens het evenwicht is er grote verwarring en een verlies aan houvast,
gecombineerd met speculaties over een nieuwe tijd. Daarna gaat steeds meer de
volwassenheid zuigen, om te beginnen stikvol met fouten en mislukkingen, maar
langzaam aan beter. Een mensheid die, al tobbende, haar eigen uiterste grens
zoekt is altijd goed bezig, maar een onvolwassen mensheid, die behoudend
is, altijd slecht. Er zijn tekenen die er op wijzen dat wij thans de
evenwichtssituatie naderen. De uitingen van een nieuw zelfbewustzijn worden
veelvuldiger en sterker. We zullen eens zien waar dat effectief door zal gaan
breken...
Bladwijzers: Algemeen belang-1 ; Algemeen belang-2 ; Algemeen belang-3
; Algemeen belang-4
; Rechten
van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2
;
No. 56 ( lees minimaal s.v.p. nrs. 56 t/m 58 )
De blik op de toekomst
Zoals we al gezien hebben staat bij een onvolwassen
mensheid alles in het teken van de oorsprong en bij een volwassen mensheid
in het teken van het einde, in feite dus de toekomst. Qua wereldbeeld vertoont
dit alles zich op de wijze van de middelmaat. Er is dus geen sprake van
dat alles plotseling ideaal geworden is, dat iedereen een toonbeeld van
goedheid wordt en dat er niets meer fout kan gaan. Alles is om te beginnen
precies zoals het altijd al was, maar het heeft wel een andere betekenis
gekregen voor de mensen. In die andere betekenis zit het opmerkelijke van de
volwassen mensen. Die andere betekenis is er dank zij de dominant geworden
zuiging van de toekomst. Toekomst in de zin van het gaan realiseren van
uiterste mogelijkheden. Dit zoeken van deze mogelijkheden kan je omschrijven
door te zeggen: men probeert de dingen zo goed mogelijk te doen, en dat dan
vanuit de kwaliteit van die dingen zelf. In de praktijk zal die veranderende
betekenis zich geleidelijk en zelfs wel ongemerkt gaan vertonen. Het is een
kwestie van een balans die steeds meer naar de andere kant gaat doorslaan.
Hoewel de mensen vast wel bepaalde dingen zullen afschaffen, zal dat toch niet
het karakter van de ontwikkeling zijn. Er valt in feite niets af te schaffen.
Alleen de betekenis verandert en wel omdat alles met alles moet gaan
samenhangen. Nemen we als voorbeeld de luchtverontreiniging: op het ogenblik is
het uitgangspunt dat er zo weinig mogelijk vervuild mag worden. Zo weinig
mogelijk houdt in dat er vervuild mag worden, maar binnen zekere grenzen. Men
stelt dan een minimum- norm vast met als gevolg dat iedere vervuiler zo dicht
mogelijk tegen die norm gaat zitten en er net nog onder blijft. Resultaat: er
wordt ZOVEEL MOGELIJK vervuild, zoveel als net nog kan zonder al te grote
rampen op de korte termijn. De volwassen benadering van de zaak is dat er in
het geheel niet vervuild mag worden, maar dat er, afhankelijk van de stand van
wetenschap en techniek, onder omstandigheden uitzonderingen kunnen worden
gemaakt. Resultaat: er wordt ZO WEINIG MOGELIJK vervuild. De norm is dan niet
meer hoever kan ik gaan, maar wat is helaas voorlopig onvermijdelijk. Dit
laatste leidt tot een heel andere technologie. Daarbij worden alle resultaten
meegerekend en niet alleen het winstgevende gedeelte. Het overgaan van de
mensheid naar volwassenheid is geen spectaculaire zaak. Langzaam gaat de balans
naar de andere kant doorslaan en je kunt er van verzekerd zijn dat de meeste
mensen, die dan leven, het niet eens in de gaten hebben. Om dat te begrijpen is
ons verhaal over de
middelmaat zo belangrijk. Als wij ons echter afvragen hoe die vernieuwing
van de betekenis der dingen voor de mensen zich af zal spelen, moeten wij ook
het cultuurverloop gaan bekijken.
Een cultuur is de gestolde neerslag van een
bepaalde fase van de ontwikkeling van het zelfbewustzijn. Er worden allerlei dingen
vastgelegd, als norm gesteld, die tijdens die fase duidelijk zijn geworden. De
neerslag van zo’n fase stolt tot cultuur. Dat geeft een opeenvolging van
culturen te zien, die zich in opeenvolgende tijden en op verschillende plaatsen
realiseren. Omdat de ontwikkeling procesmatig verloopt komt er ook een eind aan
en, zoals altijd met processen het geval is, vertoont dat eind een dubbel
karakter. Enerzijds is het dus nog een cultuurmoment met al zijn vaste normen
en waarden, maar anderzijds is het daarvan ook de ontkenning, dat wil zeggen:
het geldende cultuurmoment op andere wijze. Dat betekent dat we een aantal
verschijnselen zullen waarnemen, die zich als tegenstrijdigheden voordoen, als
uitersten die tegelijk aanwezig zijn. Zo is te zeggen dat de zaak zich op een
bepaalde plaats zal manifesteren, maar het karakter van iets universeels zal
hebben. Naast het samenkomen van alle cultuurverworvenheden zal er tegelijk een
grote onverschilligheid voor die verworvenheden moeten bestaan. Men wil niet
opgaan in die vastgelegd heden. Er is de sfeer van een andere werkelijkheid.
Het doorbreken van dit alles realiseert zich op een bepaalde plaats, in een
bepaald volk, maar als het doorgebroken is beperkt het zich niet daartoe. Dat
volk vertegenwoordigt slechts dat doorbreken.
Het Russische volk
Wetenschappelijk is er niet van een Russisch volk
te spreken. Er zijn in Rusland vele volkeren. Toch wil ik dit wel doen en wel
in de betekenis van, cultuurvolk, d.w.z. een grote groep van mensen in wie zich
iets algemeens vertoont. Het doorbreken van de volwassenheid speelt zich af
in het Russische volk. Een eigenaardigheid van dat volk is het feit dat het
zich aan niets gelegen laat liggen. Het heeft zich nog nooit ergens op
vastgelegd, het is nimmer bevangen geweest in enigerlei cultuur. Het is wel
overheerst geweest door culturen met als laatste de westerse cultuur, maar het
is er steeds vreemd aan gebleven. In één geval lijkt er een uitzondering te
zijn, namelijk waar het gaat over de Grieks-orthodoxe godsdienst. Dit evenwel
is, in verband met de Russische mensen, eigenlijk geen cultuur omdat er geen
nadruk ligt op het uitwendige: het van buiten en boven af dwingen om zich aan
cultuurnormen en waarden te onderwerpen. De Russische kerk vertoonde uiteraard
wel machtstrekken, maar voor het volk ging het daarom niet. Het volk beleefde
de godsdienstige inhoud als een innerlijke realiteit. Men voelde en onderging
het christendom als een waarheid, die levend in de mensen aanwezig was. In het
Russische volk leefde dat heel sterk, maar dat is dus iets anders dan het
onderworpen zijn aan de macht van een cultuur. Voor de Russen functioneerde het
christendom niet (in de eerste plaats) als een cultuur, maar als een innerlijke
waarheid. Die godsdienst werd dan ook geen ideologie, wat het christendom in
het Westen wel geweest is, met als gevolg dat iedereen, als hij maar even de
kans kreeg, probeerde er onderuit te komen. Voor zover er wel eens een Rus was
die iets dergelijks probeerde, had hij het gevoel zichzelf verraden te hebben.
De godsdienst was geen vernis, maar een realiteit. Overheersing is er meer dan
genoeg geweest. De eigen intelligentsia van de Russen overheerste en
onderdrukte het volk, vaak op beestachtige wijze, maar het was ondenkbaar dat
iemand uit het volk er zelf op uit was ook tot die intelligentsia te gaan
behoren. Het leven van de elites had geen zuigende werking, zoals in het
Westen, maar een afstotende werking. Het denken van het volk was geheel anders
dan dat van de intelligentsia; het volk begreep de intelligentsia wel, maar de
intelligentsia het volk niet. Alle Russische schrijvers getuigen hiervan. Voor
de analytische westerse cultuur is het Russische volk niet ontvankelijk.
Weliswaar heeft het er, sinds de revolutie van 1917, alles mee te maken, maar
het gaat nog steeds niet van harte. Daarom gaat het onder andere technologisch
en economisch slecht - dat komt heus niet alleen door de ambtenarij van
partijbonzen. Dit soort lieden kan per definitie geen maatschappij besturen,
maar het is ook een feit dat het Russische volk zich niet besturen laat vanuit
welk cultuur- denken dan ook. Het niet ontvankelijk zijn voor welke cultuur dan
ook wijst niet op domheid (zoals vaak beweerd is), maar op de ontkenning, die
aan het einde van de cultuurlijn optreedt. Men heeft niets tegen de cultuur
verworvenheden op zichzelf, maar men wenst zich er niet aan te onderwerpen als
aan iets van grote waarde. Men wil die verworvenheden tot hun recht laten komen
binnen het samenhangende geheel; men wil een allesomvattend denken en niet een
specifiek denken uit een bepaalde cultuur.
No. 57
De laatste fase
Je kunt bedenken wat er voor de laatste fase van
de cultuurontwikkeling moet gelden. Die laatste fase is tegelijk het begin van
iets nieuws. Als zodanig houdt die laatste fase een ontkenning in. Dit betekent
niet dat het laatste er is en er tegelijk niet is, maar het betekent dat het
laatste er op een andere manier is. Voor die laatste cultuurfase geldt dat de
analyse voltooid is. De werkelijkheid is voor de mens geanalyseerd: er heeft
niets stand gehouden, alles is uiteengevallen en beweeglijk geworden. Maar ook
is de situatie zo geworden, dat de mensen aan niets meer waarde hechten. Men
heeft de werkelijkheid leren begrijpen als een totaliteit, waarin alles
meetelt. De moderne cultuur, waarin wij ons bevinden, is het zich realiseren
van de voorlaatste fase. Het gaat dan om het analyseren, het vernietigen van de
werkelijkheid. We zijn dan ook volop bezig alles uit elkaar te halen,
bijvoorbeeld in het wetenschappelijk onderzoek, maar ook de dreiging van
concrete algehele vernietiging, met atoomwapens, behoort hiertoe. Je
constateert bovendien dat er een voortdurend verval van waarden is, terwijl men
tegelijk almaar nieuwe waarden stelt, telkens als er weer wat nieuws mogelijk
is geworden. Deze wisseling van waarden gaat steeds sneller omdat het
uiteenvallen van de samengestelde werkelijkheid, eenmaal begonnen, met een
toenemende snelheid plaatsvindt. Je ziet dan, enerzijds, een grote
verwaarlozing van de dingen en daarmee samenhangend een grote vervuiling, en,
anderzijds een bijna religieuze aanbidding van bepaalde nieuwe dingen, zoals de
computer, de compactdisc en dergelijke. Het laatste cultuurmoment, het moment
dus waarvoor geldt dat de werkelijkheid GEANALYSEERD IS, is in zichzelf
onmiddellijk anders en als zodanig krijgen wij te doen met het begin van volwassenheid.
Dat betekent dat het vernietigde er op andere wijze zal zijn, het totaal op
andere wijze en het waardeloze op andere wijze. Je krijgt dan achtereenvolgens
het gelden van de begrippen samenhang, betekenis en het geheel. Deze begrippen
gelden, tijdens het laatste cultuurmoment, tegelijk met en naast de begrippen
waarvan zij het andere zijn. Dus waardeloosheid naast betekenis, totaal naast
geheel en vernietigd naast samenhangend. Bijvoorbeeld: een ander mens heeft
voor mij geen enkele waarde; die mens is er niet voor mij of iemand anders,
maar voor zichzelf. Als zodanig, namelijk zichzelf-zijnde betekent die mens
iets voor mij. Zodra ik waarde zou hechten aan die mens stel ik hem of haar als
zijnde voor mij, d.w.z. als zou die mens er voor mijn plezier of nut zijn.
Hebben we het over de betekenis van een ander mens, dan gaat het over die mens
zelf en over het onbelemmerd zichzelf-zijn van die mens. Ik zal dat
zichzelf-zijn dan ook niet onderdrukken, ter wille van mijn belang, maar,
indien nodig, zoveel mogelijk bevorderen, ongeacht mijn eventuele belangen. En
wat het totaal betreft: als alles meetelt is er niets meer dat NIET meetelt,
zodat ik niets meer als overbodig beschouw en in de Rijn dump, of als
schadelijk voor het gewas uitroei, enzovoort. Dan geldt dus het andere van het
totaal van al die afzonderlijke dingen en dat is het geheel. Vernietiging op
andere wijze levert samenhang op. Dit is wat moeilijker te begrijpen omdat we
hier gemakkelijk in de val lopen en het begrip op andere wijze als het begrip
tegenstelling gaan opvatten. De tegenstelling tot vernietigd is samengesteld:
als de zaak vernietigd is is de samengesteldheid er niet meer en omgekeerd.
Onze cultuur begon destijds met de samengesteldheid en is bezig te eindigen in
vernietigd zijn. Maar het andere van dit laatste is samenhang. Deze komt dan
ook, zoals wij al eerder besproken hebben, voor de dag bij een uiteengelegde
werkelijkheid. Zolang de werkelijkheid nog niet uiteengelegd is heb ik te doen
met de samenstellingen en de onderlinge relaties zodat het herkennen van de
samenhang belemmerd wordt door het vastgelegde, de kaart die ik in en voor
mezelf van de werkelijkheid getekend heb. Bij het uiteenvallen van dat
vastgelegde wordt het samenhangende beeld zichtbaar. Bovenstaande ruwe uiteenzetting
van de laatste cultuurfase is bedoeld om te laten zien dat je uit kunt rekenen
wat je op een gegeven moment in de mensheid aan kunt treffen. Vervolgens ga je
zoeken of je de gevonden verschijnselen ergens aantreft, als een kiem die in
een bepaald cultuurvolk ontwaakt, en dan zie je dat dit bij het Russische volk
het geval is.
Het op andere wijze zijn
Het Russische volk is in de loop der tijden met
alle plaatselijke en tijdelijke cultuurmomenten in aanraking geweest. Maar
steeds zijn die momenten op andere wijze verwerkt. De Russen hebben er steeds
het andere van gemaakt. Zij maakten er cultuur op andere wijze van. Wij hebben
al iets gezegd over het Grieks-orthodoxe christendom. Dat was een speciale tak
van het christendom, maar desondanks in de praktijk toch een godsdienst, met
zijn machtsuitoefening en zijn hiërarchie. Als zodanig vestigde die godsdienst
zich ook in Rusland, maar voor de Russische mensen werd het tot het andere: een
innerlijke realiteit die niets van theologie, dogmatiek en macht vertoonde. Er
werd dus niet iets eigens aan toegevoegd, maar er werd iets anders van gemaakt.
Steeds zie je dat de Russen van de culturen, waarmee ze kennismaken, iets
levends, iets innerlijks maken, zodat de zaak betekenis krijgt in plaats van de
een of andere (maatschappelijke) waarde. De zaak verlevendigt steeds en wordt
tot een psychische realiteit. Het nihilisme bijvoorbeeld houdt in de westerse
cultuur het vernietigen in, het stukmaken van het bestaande, maar in de ogen
van de Rus vertoont het nihilisme zich als het zoeken naar betekenissen. Het
atheïsme is voor de westerling het ontkennen van het bestaan van god, maar voor
de Rus het zoeken naar waarheid, het zoeken dus van de betekenis. Dostojewski
heeft dit zoeken naar de betekenis op alle mogelijke manieren getekend en voor
zover hij dit zoeken laat mislukken verbindt hij dit steeds met de westerse
cultuur en dus met het analyseren, dat op zichzelf niet in staat is de
betekenis van de werkelijkheid te ontdekken en te laten gelden. Het is onmiskenbaar
dat het op andere wijze laten gelden van de cultuur een typisch Russisch
verschijnsel is. Min of meer zijn alle culturen om Rusland heen gegaan en zij
zijn als bij een draaikolk naar binnen gezogen en, naar hun uiterlijke vorm
beschouwd, spoorloos verdwenen. Innerlijk echter zijn zij verwerkt in het licht
van, vooralsnog intuïtieve, volwassenheid. In de praktijk, bijvoorbeeld
maatschappelijk, is er uiteraard niets van terechtgekomen en dat zal voorlopig
niet gebeuren ook.
Ontwikkeling van de gehele mensheid
Datgene dat aan de in de praktijk zich
realiserende cultuurmomenten ten grondslag ligt, de werkelijke ontwikkeling
dus, speelt zich af in alle mensen, waar ook ter wereld. Die praktijk echter is
plaatselijk en tijdelijk. Wat voor de Russen geldt, geldt voor alle mensen,
alleen zijn zij het in wie het laatste moment en zijn anderszijn in de praktijk
voor de dag zal komen, om zich vervolgens over heel de mensheid uit te leggen.
In die zin zal het communisme tenslotte de wereld veroveren, d.w.z. voor alle
mensen gaan gelden. Het is dan natuurlijk niet het ons bekende communisme, want
dat is eigenlijk een westers begrip, dat alleen maar betrekking heeft op de
vraag hoe je het geanalyseerde zult kunnen organiseren tot één allesomvattende
onderneming.
No. 58
Ontwikkeling en resultaten
Wat betreft de resultaten van de ontwikkeling
spelen nogal wat zaken een rol, zaken die voornamelijk te maken hebben met de
communicatie mogelijkheden van de mensen. Het gaat dan om waterwegen,
bergpassen en landwegen. Maar ook van belang zijn het klimaat en de gesteldheid
van de bodem. Wanneer de communicatie ontbreekt, doordat de mensen bijvoorbeeld
op verafgelegen eilanden wonen, blijven de resultaten van de ontwikkeling
beperkt wat de praktische toepassingen betreft (techniek), en de psychische
resultaten leiden gaandeweg tot verpaupering. Die verpaupering zet zich eerst
goed door als de mensheid qua ontwikkeling aan de analyse toe is. Bij
geïsoleerd levende mensen richt die analyse zich uiteraard op hun voorhanden
werkelijkheid en dat is een werkelijkheid die door het traditionele gekenmerkt
wordt. De tradities gaan ongemerkt ten gronde en daarmee de vanouds met elkaar
samenhangende bestaansvormen. Dat alles gebeurt dus Ongeacht contacten met de
buitenwereld. De mensen maken als het ware hun eigen cultuur kapot. Gewoonlijk
is men van mening dat het de westerse invloeden zijn die de geïsoleerde
traditionele culturen ten gronde richten, maar in feite versnellen die het
verpauperingsproces alleen maar. Die verpaupering is er evenwel ook als er geen
of heel weinig contact is met het Westen. Al zijn mensen in bepaalde
afgezonderde culturen nog zo hecht geworteld in hun tradities, het
ontwikkelingsproces gaat ook voor hen door. Dit proces realiseert zich via de
opeenvolging van de generaties. Elke nieuwe generatie begint met een volkomen
vrij zijn van het zelfbewustzijn. In dat vrije zelfbewustzijn vinden de
conditioneringen plaats, die leiden tot een bepaald levensprogramma, maar zo’n
programma is telkens enigszins anders, juist omdat het in geprogrammeerd wordt
in een vrij zelfbewustzijn. De momenten van telkens opnieuw optredende
vrijheid, bij het ontstaan van een nieuwe generatie, rijgen zich aaneen tot een
keten van kleine stapjes voorwaarts. Dat is het ontwikkelingsproces. Doordat
niemand op dat proces enige invloed kan uitoefenen gaat het onder alle
omstandigheden door, communicatie of niet, traditie of niet. Als er contacten
tussen de verschillende groepen van mensen zijn kan de ontwikkeling ook een
concrete inhoud krijgen. Omdat het een kwantitatieve zaak is speelt het
bijeenkomen van zoveel mogelijk kennis een grote rol. Men wisselt die kennis
uit, men leert van elkaar en men levert elkaar de materialen en grondstoffen om
vooruit te kunnen. In hoeverre men resultaten boekt hangt ook weer af van de
mate waarin de ontwikkeling voortgeschreden is. Voordat de mensen aan de
analyse toe waren werd het bijvoorbeeld technisch niet veel, maar toen het
analyseren inderdaad effectief werd bloeide over de gehele bekende wereld de
wetenschap en techniek op. Bij het opbloeien van een cultuur loopt er altijd
één voorop, waarin alle beschikbare kennis samengekomen is. Voor de analytische
fase is dat West-Europa. De resultaten van dit cultuurgebied verspreiden zich
enerzijds over de gehele wereld en verzinken anderzijds in de volgende fase,
namelijk die van het geanalyseerd-zijn, dat tegelijk onmiddellijk anderszijn
is. De zaak verzinkt dus in de Russische cultuur.
Het verzinken van de cultuur
Het Russische volk heeft in de loop der tijden kennis
gemaakt met alle cultuurmomenten, die in feite in een boog om Rusland zijn
heengegaan. Die cultuurmomenten zijn echter in een bodemloze put
terechtgekomen, doordat het Russische volk er steeds wat anders van gemaakt
heeft. Alle culturen verzinken in de Russische mens, zij verzinken in het
psychische, en dat wil zeggen: zij worden letterlijk lévend. Daarmee verliezen
zij hun dominerende karakter. De cultuur staat niet meer (dwingend) boven de
mensen, maar hij wordt één met hun leven. In zekere zin wordt het zelfs een
gevoelskwestie. Dat letterlijk alles in het Russische volk verzinkt hebben in
de loop der geschiedenis alle veroveraars gemerkt. Aziatische stammen, maar ook
het Westen hebben zich voortdurend doodgelopen op Rusland en dat komt niet door
de uitgestrektheid. Het komt door de geaardheid van de Russische mensen. Zij
zijn niet ontvankelijk voor welke cultuur dan ook. Met de revolutie is het
westerse analytische denken definitief in Rusland doorgedrongen. Doordat dit
denken met geweld is doorgevoerd en er een gehele staat op is gebaseerd, zou je
kunnen menen dat het nu wel gelukt is aan de Russen een cultuur op te leggen.
Nadere beschouwing leert echter dat het ook nu mislukt is. Het analytische
denken schiet geen wortel, al zijn er natuurlijk nogal wat mensen die hierin
inmiddels uitermate bedreven zijn. Het is bijvoorbeeld opmerkelijk dat het de
Russen nog steeds niet gelukt een hoogwaardige technologie van de grond te
krijgen. Als je dat eens vergelijkt met de stand van zaken in de landen rond de
Pacific, dan blijft Rusland hopeloos achter. Dat is des te vreemder omdat de
landen rond de Pacific tot voor kort echt achtergebleven waren en het voor een
groot deel nog zijn. Weliswaar stamt die technologie uit het Westen, maar dat
geldt voor de Russische ook. Maar in Rusland wil het niet. Het zal duidelijk
zijn dat bovengenoemd mislukken niet veroorzaakt wordt door domheid van de
Russen. Het Russische volk is, volgens een ieder die het weten kan, uitermate
intelligent, en dat blijkt ook uit de Russische literatuur. De oorzaak is
gelegen in de geaardheid, die er een is van een volgende ontwikkelingsfase. De
Russen deugen niet voor het analyseren. Het ontbreekt hen helemaal niet aan
kennis en de intelligentsia doet qua ontwikkeling en kwaliteit niet voor de
westerse onder, maar toch deugt het Russische VOLK niet voor die zaken. Het
gaat dus om het algemene beeld van Rusland en het heeft derhalve geen zin om
voorbeelden aan te dragen van projecten die wetenschappelijk of technisch
gelukt zijn. We moeten letten op de technologie als maatschappelijk
geïntegreerd verschijnsel, zoals in het Westen en dan zien we dat een
dergelijke integratie ontbreekt. Nog steeds is alle analytische
wetenschappelijke activiteit een zaak van een afgezonderde intelligentsia, die
in principe los van het volk staat. Het is dan ook niet verwonderlijk dat die
intelligentsia, hoewel op zichzelf de essentie van de revolutie, tegelijk als
verdacht wordt beschouwd en het doelwit is van menige zuiveringsactie. Vanuit
de (westerse) ideeën van de revolutie is de intelligentsia de spil waar omheen
alles draait, maar vanuit de Russische geaardheid is hij vreemd, gevaarlijk en
vijandig. Een echte Rus als Stalin moest er dan ook niets van hebben... Wij
moeten ons goed realiseren dat Rusland door niemand overheerst is geweest,
zoals dat met bijvoorbeeld de landen in Afrika wel het geval was. Dat waren
louter wingewesten voor Europa en bovendien hoofdzakelijk culturen die buiten
de weg van de geschiedenis lagen. Die mensen hebben tot voor kort geen keuze
gehad, maar de Russen zijn altijd in contact geweest met de toppen van alle
culturen: die van het oude oosten, die van Voor-Indië en Klein-Azië, die van
het Grieks-Romeinse rijk en die van West-Europa. Juist het wegzinken van die
contacten is zo typerend. De mens, voor wie alles tot wat anders wordt, is geen
intellectueel mens, al is hij desnoods nog zo intelligent. Het is ook geen mens
die zichzelf los ziet van de andere mensen; zijn individualiteit is er een die
in de gemeenschap geworteld is. De individu is niet een element in het totaal,
maar een bestaanswijze van het geheel. In dat geheel is alles wat geanalyseerd
IS verzonken en de aparte waarde van alle dingen is veranderd in de betekenis
binnen het geheel.
De Ratio / Rede-1 ; De Ratio / Rede-2 ; Opvoeden-2 ; Opgevoed-1
; Opvoeden-1
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2
; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
;
Volwassenheid, niet als utopie
Als je je een voorstelling wilt vormen van de
toekomstige volwassen mens moet je dat zo doen dat je er geen enkele menselijke
eigenschap, of je die nu positief of negatief beoordeelt, uitdenkt. Zou je dat
wel doen, dan verval je weer in de een of andere utopie, waarin mensen
voorkomen die in werkelijkheid helemaal niet kunnen bestaan. Mensen dus in wie
allerlei dingen afgeschaft zijn en voor wie normen zijn gaan gelden die nimmer
als norm gesteld kunnen worden. Een volwassen mensheid kan uiteraard alleen
maar bestaan uit mensen zoals wij zelf zijn, met alleen dit verschil dat er
andere inzichten zijn gaan gelden. Die andere inzichten mogen niet zomaar uit
de lucht komen vallen; zij moeten een logisch gevolg zijn van een verdergaande
ontwikkeling. Die ontwikkeling is in ons ook gaande. Alle utopische ideeën over
volwassenheid berusten op WENSEN van denkers, die graag zouden willen dat de
wereld er op een bepaalde, door henzelf uitgedachte, manier, uit zou gaan zien.
Met dergelijke wensen in het hoofd is het onmogelijk zich volwassen mensen voor
te stellen. Het gaat er om de ontwikkeling van het zelfbewustzijn te begrijpen
en dan is duidelijk het moment te herkennen dat volwassen inzichten door gaan
breken. In onze denktraditie speelt het beheersen van de werkelijkheid een
enorme rol. Die zaak gaat terug op het denken van Descartes (1596 - 1650) en
het komt hier op neer dat men de kosmos als één grote, uiterst verfijnde en
ingewikkelde, maar toch berekenbare, machine is gaan zien. Bij een machine
behoren de begrippen beheersen en besturen. Op grond van deze begrippen lag het
voor de hand te verwachten dat mensen zichzelf en anderen zouden leren
beheersen en besturen. Dat moest dan gebeuren via het redelijke denken. De
rede, de ratio, werd als het reddende principe gezien en met het
doorbrekende succes van dat denken in de 19e eeuw ontstond de verwachting dat
de mensen zichzelf zouden veranderen in redelijke wezens en dat daarmee de wereld
goed zou worden. In feite behelsde die verwachting de machinemens, de mens als
robot. Het behoeft dan ook niet te verbazen dat er juist in die tijd allerlei
uitvinders bezig waren zo’n mens te ontwerpen en de verhalen in de literatuur
over robots zijn legio. Ook in onze tijd, bijvoorbeeld in de Science fiction,
komen die robots veelvuldig voor en zelfs is het opmerkelijk dat men
industriële robots vaak nog het uiterlijk en de constructie van het menselijk
lichaam wil geven. Het ging, doorgaans onbewust, om de mens als machine. Het
volwassen inzicht, dat in de mensen zal ontstaan, moet dus een inzicht zijn
waaraan niet valt te ontkomen en waarin geen enkel aspect van het menszijn is
weggewerkt. Er mogen geen eisen aan de mensen worden gesteld omdat het volwassen-zijn
geen kwestie is van doen en laten, maar van zijn. Dat zijn wordt bepaald door
het zelfbewustzijn. Er is dus ook geen sprake van een keuze. Je kunt het niet
laten om volwassen te zijn. Het is iets waartegen je geen nee kunt zeggen.
Datgene dat je eenmaal ontdekt hebt en voortaan wéét is nooit meer te negeren.
Alle tot nu toe uitgedachte utopieën houden een keuze in: de mensen zouden
moeten kiezen voor de vrede, voor samenwerking, voor democratie, voor
redelijkheid, enzovoort. Maar op een keuze kan je nee zeggen, maar op inzicht
en dus op weten, kan je geen nee zeggen. Het is onmiskenbaar. De volwassen mens
is dus geen nieuwe mens die er voordien niet was, maar het is de oude mens die
zich verder ontwikkeld heeft. In die ontwikkeling speelt alles een rol wat ook
nu een rol speelt, ook de dingen die wij thans geneigd zijn negatief, slecht en
onredelijk te noemen. Er is niets dat er uitgelaten kan worden. Zou je dat wel
doen, dan sluit je een deel van het leven uit.
Het doorzien van de werkelijkheid
Zoals gezegd volgt de fase van het geanalyseerd
zijn op die van het analyseren, die in onze cultuur aan de orde is. Als de
werkelijkheid voor de mens geanalyseerd is, kijkt hij niet meer tegen een muur:
de zaak is voor hem doorzichtig geworden. Het is dus niet zo dat hij op zal
houden te analyseren, zoals veel holisten hopen en verwachten, maar omdat de
werkelijkheid in principe geanalyseerd is komt de samenhang op de voorgrond te
liggen. Voor zover men dan onderzoek pleegt is dat op die samenhang gericht en
een van de methodes voor dat onderzoek is natuurlijk de analyse. Zolang de
mensen nog tegen de werkelijkheid aankijken als tegen een muur, kunnen zij de
samenhang niet herkennen. Je weet immers niet wat er achter die muur is. Zodra
je dat wel weet (door de analyse) is het ook niet meer van belang of je de
dingen begrijpt in wetenschappelijke zin, zoals dat tijdens de analyse nog wel
van belang is. Je weet nu immers dat ze er zijn en hoe ze er zijn. Het
intellectueel zijn is dan dus helemaal niet meer maatgevend. Als er al iets
maatgevend zou zijn is dat het inzicht in de werkelijkheid en dus in het leven.
De wetenschap krijgt dan ook de status die zij verdient: gewoon een vak dat
geen hogere intelligentie vereist als alle andere vakken. Een intellectueel is
iemand die zich aan het analytische denken uitgeleverd heeft en er als het ware
in opgaat. Een volwassen mens gaat maar in één ding op: het leven. Kernpunt bij
het doordenken van de volwassen mens is het gegeven dat de dingen doorzichtig
zijn geworden. Als gevolg daarvan zijn de dingen ook waardeloos en dat opent op
zijn beurt weer de weg tot verzorging. Verzorgen kan je de dingen eigenlijk
alleen maar dan als je ze in hun eigen betekenis ziet en niet meer in het licht
van een of ander belang. Als je er dus geen waarde meer aan hecht.
Het gedoe met de werkelijkheid
De periode van het analyseren is een periode van
activiteit, men is voortdurend bezig iets met de werkelijkheid te doen.
Naarmate dat zich doorzet blijkt dat het een grotere puinhoop wordt. De
werkelijkheid laat niets met zich doen. Na verloop van tijd blijkt elke ingreep
vanuit de beheersingsgedachte een misgreep te zijn: op het gebied van de
landbouw, de energiehuishouding, de medische wetenschap. Die misgreep komt niet
door een mogelijke slechtheid van de mensen, maar door het toenemende gedoe met
de werkelijkheid. Er is dan ook geen rust in de wereld van de analytische
cultuur. En die zal er ook niet zijn totdat alles geanalyseerd is. Dan breekt
er een periode van rust aan omdat het gedoe dan afgelopen is. Wat dan te
voorschijn komt is het begrip verzorging. De werkelijkheid is dan gebleken niet
te beheersen en zelfs niet te besturen te zijn - je kunt haar alleen maar
verzorgen zodat alles tot zijn recht kan komen. Doordat je er geen waarde aan
hecht is dat mogelijk. Datzelfde geldt voor de mensen onderling. Als zij
zichzelf en elkaar gaan verzorgen laten zij alles gaan zoals het gaat. Want
iedereen moet tot zijn recht komen. Als wij zeggen: je moet het kind niet
opvoeden denkt bijna iedereen dat je bedoelt dat je het aan zijn lot over zou
moeten laten. Maar dat moet je juist niet. Je moet het met de grootste zorg
omringen, niet omdat het moet worden wat JIJ wilt dat het wordt, maar omdat het
ZICHZELF moet worden. Een dergelijke verzorging is veel moeilijker en vereist
veel meer wijsheid dat het zogenaamde opvoeden, dat in feite geworteld is in
het beheersen. Analyserende willen wij beheersen, maar het andere daarvan is
het verzorgen. En uiteraard niet het aan zijn lot overlaten. Verzorgen kan je
alleen maar dan als je weet wat zichzelf zijn is en van daaruit maar één
behoefte hebt: alles zo te verzorgen dat het tot zijn recht komt. Dat is
precies het andere van onze huidige wereld waarin zo ongeveer alles schromelijk
verwaarloosd wordt.
De Ratio / Rede-1 ; De Ratio / Rede-2 ; Opvoeden-2 ; Opgevoed-1
; Opvoeden-1
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2
; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
;
Het
afschaffen van het slechte
Het toe groeien naar volwassenheid, waaraan de
mensheid onderhevig is, betekent niet het afschaffen van steeds meer zaken, die
als negatief en onmenselijk gewaardeerd worden. Zoals gezegd is dat de
gedachtegang in bijna alle utopieën. Toch vertoont de mensheid heel wat
slechtheid waarvan men terecht, door alle eeuwen heen, gevonden heeft dat die
op de een of andere manier zou hebben te verdwijnen. Daartoe hebben de mensen
zichzelf en de anderen regels gesteld, met de bedoeling de zaak zoveel mogelijk
binnen de perken te houden: omdat er dwang nodig is om die regels te handhaven
heeft men zich aan machten onderworpen, steeds in de ijdele hoop dat die machten uitsluitend ten goede aangewend zouden
worden. Uitsluitend dus ter beteugeling van het slechte. Maar
dat is onveranderlijk een illusie gebleken: macht wordt voornamelijk gebruikt
om bepaalde elites te bevoordelen en de bevolking in een ondergeschikte positie
te brengen en te houden. Ondanks dat echter moet erkend worden dat het
doormiddel van macht afdwingen van regels een zekere mate van veiligheid biedt
voor de mensen en dat derhalve zaken als het recht en dergelijke van grote
betekenis zijn. Zij komen echter alle mee aan een alsnog onvolwassen
mensheid. Als de mensheid nog onvolwassen is komt een aantal menselijke
essenties voor de dag op de wijze van Onmenselijkheden. Het afschaffen van die
onmenselijkheden - als dat mogelijk zou zijn - betekent onvermijdelijk het
afschaffen van menselijke kwaliteiten die voor de toekomstige volwassen mensen
juist kenmerkend zijn en zelfs wel beschouwd kunnen worden als de basis van hun
levenshouding. Het willen afschaffen is dus een foutief streven van idealisten.
Waarom het gaat is dat de voorlopige Onmenselijkheden zich ontwikkelen tot, het
andere, namelijk tot datgene wat het werkelijk is: de mens als slotakkoord van
de kosmos. Enkele voorbeelden kunnen dat wellicht verduidelijken. De gehele
menselijke geschiedenis laat zien dat de mensen er steeds op uit zijn zoveel
mogelijk binnen te halen. Eigenlijk willen zij in hun eentje alles bezitten.
Omdat iedereen dat, meer of minder bewust, wil houdt de zaak zichzelf enigszins
in evenwicht en gelukt het aan niemand om de bezitter en beheerser van alles en
allen te worden. De moderne democratie is een voorbeeld van een stelsel dat het
individuele gedrang om de alleenheerschappij min of meer binnen redelijke
grenzen houdt. Zo’n democratie is voortdurend in gevaar, juist omdat wezenlijk
iedereen er op uit is zich alles toe te eigenen. Dit gevaar is het kleinste als
er zoveel mogelijk individuen en groepen mee kunnen doen. Het nadeel van de
trage besluitvorming weegt ruimschoots op tegen het voordeel van een
betrekkelijk stabiel evenwicht. Maar toch gaat het de (onvolwassen) mensen om
de alleenheerschappij en dat is op zichzelf een slechte zaak. Het kan de mensen
om die alleenheerschappij gaan omdat de mens, en dus elke mens, het slotakkoord
van de werkelijkheid is, zodat al het bestaande de inhoud is van elke mens. In
zekere zin is het ieders bezit. Elke mens is heerser over de kosmos, maar het
is wel de vraag wat dat betekent. Voor onvolwassen mensen betekent het
de baas zijn zodat je de zaak naar eigen goeddunken kunt gebruiken. Maar voor
volwassen mensen betekent het de werkelijkheid verzorgen. In het eerste geval
is de kosmos er voor de mens, maar in het tweede is de mens er voor de kosmos,
d.w.z. voor een zo harmonieus mogelijke kosmos. De mens heeft die taak juist
omdat hij ook in staat is hier nee op te zeggen en de kosmos - althans zijn
eigen plekje in het heelal - naar de bliksem te helpen. De taak is het
VERZORGEN van de kosmos. Verzorgen wil zeggen: optimaal laten ontplooien. Dat
kan je alleen maar als je er, als het ware, boven staat. Wat dus in onvolwassen
mensen naar voren komt als de wil tot alleenheerschappij is in feite het
zich laten gelden van het feit dat het tot de natuur van de mens behoort de
kosmos te verzorgen. Het laat zich onvolwassen en dus verkeerd gelden net
zolang tot het de mensen duidelijk is geworden en dan blijkt het aanvankelijk
verkeerde zich te ontpoppen als een menselijke essentie. De alleenheerschappij
houdt in: veranderen volgens MIJN wil. Verzorgen houdt in: de belemmeringen
voor een volledige ontplooiing wegnemen. Treffend is dat de evangelische mensen
van destijds de Zoon van de mens (voor ons Jezus of Christus) de
Geneesheer van de kosmos noemden... Een ander voorbeeld: steeds meer heeft
de maatschappij te lijden onder vernielzucht en vandalisme. Normen en waarden verliezen hun
functie, het respect voor de overheid en voor de regels verdwijnt. Gezien
vanuit de zichzelf beschermende onvolwassen mensheid is dat verval een
kwalijke ontwikkeling die de betrekkelijke veiligheid
en het welzijn aantast. Toch komt er hier iets (op uitermate negatieve wijze)
voor de dag dat voor de mensen essentieel is: nihilisme.
Dat wil zeggen het inzicht dat er aan de afzonderlijke dingen geen waarde
gehecht kan worden, ook niet aan de gestelde regels. Het nihilisme is de bodem
waarop straks de volwassen mensen met elkaar kunnen leven, maar in een onvolwassen
mensheid is het bedreigend en in veel opzichten zelfs misdadig. Vandalisme
is eigenlijk een ziekelijke uiting van nihilisme dat in een infantiele wereld
van normen en waarden niet uit de voeten kan, beklemd zit. Nog een voorbeeld:
je mag geen eigen rechter
spelen. We hebben in de loop der tijden de beoordeling van geschillen en de
berechting van misdrijven in handen gelegd van zogenaamd onafhankelijke
instanties. En we hebben dat terecht gedaan: onvolwassen mensen kunnen
niet onafhankelijk oordelen en hun eigen belang buiten beschouwing laten. Toch
blijkt zo ongeveer iedereen zijn eigen rechter te zijn. Alweer: het eigen rechter zijn is essentieel en zal nooit
kunnen verdwijnen. Het negatieve van de zaak komt voort uit de onvolwassenheid,
die oorzaak is van alle verkeerdheid. De volwassen mens kan niet anders dan eigen rechter zijn omdat
er voor hem geen instantie bestaat die, met een beroep op hogere principes,
bindende besluiten neemt. Hij zal alles, ook de eventuele conflicten met zijn
medemensen, zelf en in onderling beraad moeten oplossen. Maar omdat hij dan in
het teken van de verzorging zal staan, kan hij niet anders dan steeds weer een
levensbevestigende oplossing bedenken. Welbeschouwd komt de onvolwassen mens,
via zijn onafhankelijke en hogere instanties, onveranderlijk met
levensontkennende oplossingen: strafmaatregelen, vrijheidsberoving, gedwongen
aangepast gedrag, enzovoort. In feite is de mens altijd eigen rechter. Alleen komt dat in de onvolwassenheid
als iets gevaarlijks voor de dag en de mensen hebben gelijk als ze dat willen
beteugelen. Het eind is echter niet dat straks niemand meer eigen rechter zal
(willen) zijn, maar juist dat iedereen eigen rechter KAN zijn. Het utopistisch er uit
denken van die zaak levert een onmogelijke en foutieve voorstelling van de mens
op. Alle essentiële menselijke verhoudingen zijn ook in een onvolwassen
wereld aanwezig, alleen vertonen zij dit kenmerk dat zij allemaal verkeerd
uitpakken en bijgevolg als verkeerd beoordeeld worden. Op grond daarvan zegt
men dan dat de mens slecht is en dat dit bij hem ingeboren zit, maar wat men
doorgaans niet in de gaten heeft dat het slechte manifestaties van wezenlijke
goede dingen betreft, zodat er niets afgeschaft behoeft te worden. Het is
allemaal een kwestie van ontwikkeling en eigenlijk is het maar goed dat die
zogenaamde slechte dingen zich niet af laten schaffen, dat de mens met recht
onverbeterlijk genoemd kan worden. Degene echter die wil verbeteren wil in
wezen veranderen en dus macht uitoefenen.
Het karakter van onze kennis
Het is noodzakelijk, bij het nadenken over een
mogelijke toekomstige volwassen mens, inzicht te krijgen in het karakter van
onze kennis. En dat is vooral noodzakelijk omdat in onze cultuur de neiging
bestaat de toekomst uitsluitend te laten afhangen van onze kennis en de
uitbreiding daarvan. Maar vervelend is dat onze kennis in zekere zin buiten
onszelf staat en vrijwel geheel aangepraat is. Dat geldt zowel voor betrouwbare
als onbetrouwbare kennis. Al eerder heb ik betoogd dat het godsdienstige geloof
niet meer is dan het aannemen van bepaalde waarheden. De wetenschappelijke
kennis evenwel zou steunen op toetsing en bewijsvoering en daardoor niets met
het aannemen van waarheden te maken hebben. In onze, op wetenschap gestoelde,
moderne wereld is dan ook een sfeer van kennis van zaken ontstaan die weinig
ruimte voor twijfel overlaat, ondanks het feit dat telkens weer blijkt dat die
kennis van zaken nauwelijks iets om het lijf heeft. De wetenschappelijke kennis
wordt in orde bevonden, maar de godsdienstige wordt verworpen. Nu is dat
laatste zonder twijfel terecht, maar het argument daarvoor deugt niet, omdat
beide soorten van kennis aangepraat worden. Ook de wetenschappelijke kennis
wordt je wijsgemaakt zonder dat je kunt toetsen en bewijzen. Er is wat dit
betreft geen verschil met de godsdienst. Als je op school moet leren hoe de
atoomkern in elkaar zit ga je het voorgeschreven natuurkundeboek bestuderen en
je de vermelde informatie inprenten. Maar niemand van ons is in staat die zaak
te controleren. Je bent gedwongen aan te nemen dat het klopt wat er in dat boek
staat. De controle daarop kan slechts door enkele mensen ter wereld uitgevoerd
worden. De overigen kunnen niet anders dan aannemen dat en onderzoek en
controle betrouwbaar zijn geweest. Voor iedereen, zelfs voor de grootste
geleerde, geldt dat verreweg het grootste deel van de kennis oncontroleerbaar
is en dat die kennis in de grond van de zaak slechts voor waar wordt GEHOUDEN.
En let wel: dat geldt voor elk mens en het heeft niets te maken met de vraag of
die kennis, in objectieve zin, juist en betrouwbaar is of niet. Ook betrouwbare
kennis wordt mij verteld en het hangt geheel van mijzelf af of ik mij laat
overtuigen of niet, want in laatste instantie kan ik zo ongeveer niets
controleren. Het is allemaal een kwestie van vertrouwen. In de praktijk
betekent dit dat je de moderne mensen alles kunt wijsmaken, mits je maar met
een vertrouwenwekkend verhaal komt. En dat is een verhaal dat overeenkomt met
de conditioneringen van het zelfbewustzijn. Het moet weerklank vinden. Over het
algemeen vindt het godsdienstige verhaal geen weerklank meer. De lijnen
waarlangs dit denken zich voltrekt sporen niet met de denklijnen van het
moderne denken. Dat is de enige reden waarom dit godsdienstige denken tegenwoordig
algemeen wordt afgewezen. Het komt niet meer betrouwbaar over. En veel
wetenschappelijk denken, vooral in de technologie, komt ook niet meer
betrouwbaar over. De zogenaamde waarheden evenwel kunnen in feite niet of
nauwelijks door ons gecontroleerd worden, zodat wij ook niet in staat zijn die
waarheden te beamen of te weerleggen. Daardoor blijft die kennis buiten ons,
het wordt geen deel van onszelf en wij trekken ons er niet veel van aan. Daar
komt nog bij dat de meeste waarheden relatief van karakter zijn, namelijk
alleen maar waar vanuit een bepaalde optiek: die van de econoom, van de
politicus, van de godsdienstige of van de atheist. Juist dat relatieve karakter
wijst er op dat het eigenlijk niet gaat om toetsing en bewijsvoering, maar om
overtuigingen die gebouwd zijn op het vertrouwen dat bepaalde kennis al of niet
oproept. Als je de wetenschap vergelijkt met de godsdienst ontdek je dat beide
het moeten hebben van het OVERTUIGEN van de mensen, maar je ontdekt ook dat de
wetenschap, in tegenstelling tot de godsdienst, voortdurend in beweging is. Zij
is steeds op zoek naar nieuwe kennis en probeert bij dat zoeken zo betrouwbaar
mogelijk te zijn. Binnen de godsdiensten probeert men echter om oude kennis met
alle mogelijke middelen vast te houden. Elke godsdienst is fundamentalistisch.
Onderzoeken, denken en begrijpen zijn fnuikend voor de godsdienst. Hier heb je
een steekhoudend argument om het godsdienstige gedoe van de hand te wijzen,
maar als het gaat om de werking naar de mensen toe van godsdienst en wetenschap
is er in zoverre geen verschil dat beide de mensen wat wijs maken dat in geen
geval te controleren is en dat alles draait om de vraag of het je gelukt de
mensen te overtuigen.
Kennis vergaren
Het begrip kennis vergaren is in onze moderne tijd
danig verwaterd. In de Middeleeuwen bijvoorbeeld gingen sommige mensen naar de
universiteit omdat zij kennis wilden vergaren. Zij wilden persoonlijk betrokken
zijn bij de wetenschappelijke ontwikkelingen en in staat zijn de kennis te
toetsen. Daarvoor moest je op de universiteit zijn. Toentertijd viel er nog wat
te toetsen omdat het terrein van de wetenschap nog maar uiterst beperkt was.
Tegenwoordig is dat toetsen onmogelijk geworden door de niet meer te verwerken
hoeveelheid informatie en door het ontbreken van geld. Het gaat de studenten
niet meer om het vertoeven bij de bron van de kennis, maar om het leggen van
een maatschappelijke basis. Het gaat niet meer om kennis, maar om opleiding. En
dan is het nog steeds een feit dat de universitaire opleiding de hoogste is,
d.w.z. de laatste in een rijtje dat met de kleuterschool begint. Slechts een
enkeling gaat het om de wetenschap zelf, maar die enkeling krijgt nauwelijks de
kans om dat streven te realiseren omdat slechts bepaalde maatschappelijk
relevante studies en onderzoeken gefinancierd worden. Al met al kunnen wij
stellen dat er in onze, op wetenschap drijvende, moderne wereld maar heel
weinig wetenschappelijkheid bestaat en maar weinig wetenschap bedreven wordt.
Waar het in hoofdzaak om gaat is het overdragen, en tegenwoordig zelfs wel
VERKOPEN, van kennis, met de bedoeling daarmee je voordeel te doen. Kennis,
d.w.z. algemeen aanvaarde kennis, is veel geld waard en er is de laatste jaren
dan ook een levendige handel in ontstaan. Het is koopwaar geworden. De
wetenschappelijke kennis zal altijd een overgedragen kennis zijn, die voor de
gebruikers ervan voor waar gehouden wordt. Niemand kan VOOR ZICHZELF die
waarheid controleren. Dat zegt niets ten nadele van die wetenschappelijke
kennis. Zo is haar karakter nu eenmaal. Het zou goed zijn als wij ons daarvan
meer bewust waren, maar voorlopig drijven de mensen, in hun onvolwassenheid,
nog op de overtuigingen.
De moderne filosofie is vrijwel geheel gebaseerd
op feitenkennis. Het is dan ook opmerkelijk dat filosofische gedachtegangen
tegenwoordig ondersteund worden door de zogenaamde notenapparaten waarin men
hele reeksen uitspraken van anderen opsomt in de poging zijn gelijk te
bewijzen. Eigenlijk behoort de filosofie helemaal niet zo te zijn. In de
filosofie gaat het er juist om de werkelijkheid te begrijpen zonder aangeprate,
al of niet juiste, kennis. Je moet de werkelijkheid trachten te begrijpen,
louter doormiddel van je eigen denken en dus ook met behulp van gegevens die je
zelf kunt verwerven en controleren. Alles wat je meent te weten moet om te
beginnen als dubieus terzijde gelaten worden, juist omdat je er in de grond van
de zaak niet zeker van kunt zijn. Maar, bijna iedereen betwijfelt of je
eigenlijk wel iets vanuit jezelf kunt weten...
Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2
; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
;
De controleerbaarheid
Volgens de algemeen aanvaarde wetenschapstheorieën
moeten wetenschappelijke uitspraken bestreden kunnen worden. Het gaat er
daarbij niet om zo’n uitspraak koste wat het kost onderuit te halen, hoewel je je
vaak niet aan de indruk kunt onttrekken dat bepaalde wetenschappers daarvan
toch een soort van sport proberen te maken. Waarom het gaat is dat een
uitspraak zodanig onderbouwd zou moeten zijn dat het voor anderen mogelijk is
de tot die uitspraak leidende gedachtegang te reconstrueren. Het gaat dus om de
controleerbaarheid. Om te kunnen controleren moet alle informatie ter
beschikking staan. Op zichzelf beschouwd kan je die eis tot controleerbaarheid
redelijk noemen. Hij wordt dan ook door vrijwel iedereen klakkeloos aanvaard.
En het valt daarbij op dat blijkbaar niemand zich afvraagt of een dergelijke
eis wel te stellen is. Bij onderzoek blijkt dat dit niet het geval is: elke
poging tot controle, met de bedoeling te kunnen toetsen of een bepaalde uitspraak
juist is, loopt vroeg of laat (meestal vroeg) vast op onderzoeksresultaten en
daarop gegronde beweringen die niet na te gaan zijn, Of omdat de praktische,
technische en financiële mogelijkheden ontbreken, Of omdat je er geen tijd voor
hebt - wat meestal het geval is. Dat geldt dan nog in hoofdzaak voor controles
binnen je eigen vakgebied, maar voor de meeste gewone mensen ontbreekt ook de
nodige scholing. Als kennis echter controleerbaarheid vereist geldt dit ook
voor die gewone mensen en niet alleen voor een hoog opgeleide elite. We zijn
dus genoodzaakt, bij het nadenken over de kennis en het karakter van de
kennisverwerving de Oncontroleerbaarheid als uitgangspunt te nemen en de
gedachte van toetsing en bewijsvoering als een illusie van de hand te wijzen.
En daarbij moeten wij ons er goed van bewust zijn dat deze illusie niet
voortkomt uit een gebrekkig omgaan met onze kennis, maar uit een verkeerde en
ondoordachte benadering van de wetenschap. Zou die benadering reëel zijn, dan
zouden wij vanzelfsprekend aanvaarden dat alle kennis, d.w.z. wetenschappelijke
kennis, OVERGEDRAGEN kennis is, die voor waar wordt gehouden (al of niet
terecht) op grond van overtuigingen en gevoelens en niet door toetsing en
bewijsvoering. En wij zouden aanvaarden dat dit NIET ANDERS KAN en dat dit dus
op zichzelf best in orde is. Wij zijn ervan overtuigd dat er ergens een
continent ligt dat wij Amerika noemen. Maar zelfs als wij er naar toe gaan om
zelf te controleren of dit juist is moeten wij die controle uitvoeren met
informatie die ons door anderen verstrekt is: er staan wolkenkrabbers, er is
een vrijheidsbeeld, men spreekt er voornamelijk engels, enz. Zien wij een
satellietfoto van dat continent, dan nemen wij aan dat het juist is als men ons
mededeelt: dit is nu Amerika. Gewoonlijk is er geen reden om aan de juistheid
van die mededeling te twijfelen, maar het blijft mogelijk om ons voor de gek te
houden. Een ieder kan nagaan dat je, doorredenerende, steeds op die onzekerheid
stuit en dat dit niet uit de kennis weg te denken is. Tenslotte blijkt het
allemaal een kwestie van VERTROUWEN te zijn en dat is hetgeen de doorslag
geeft. In het algemeen is te zeggen dat dit vertrouwen door de wetenschap niet
beschaamd wordt, maar het is toch ook nuttig om enige reserve in acht te nemen omdat
er soms wel degelijk loze beweringen gedaan worden, omdat er vanuit een of
ander belang gelogen wordt, of omdat iets als zeker wordt voorgesteld zonder
dat men de zaak in alle opzichten onderzocht heeft. Hoewel men dat nooit toe
wil geven blijkt juist bij nieuwe ontwikkelingen en inzichten vaak duidelijk
hoezeer het allemaal gegrond is op overtuigingen. Zo is het tot op heden nog
nooit gelukt om glashard te bewijzen dat het heelal ontstaan is met de
zogenaamde Big Bang,
tengevolge van het uiteenspatten van een hoeveelheid uitermate verdichte
materie. Ook de theorie dat de hemellichamen zich van ons verwijderen omdat die
explosie nog steeds werkzaam zou zijn is niet bewezen. De hele voorstelling van
zaken klopt dan ook van geen kant, maar hij wordt toch gretig aanvaard omdat
hij overeenkomt met de overtuiging dat het heelal eens begonnen zou moeten
zijn. Onze moderne wereld is gegrond op de wetenschap. Dat betekent echter niet
dat de beschikbare kennis maatgevend zou zijn. Maatgevend is de vraag of de mensen
bereid zijn zich van bepaalde waarheden te laten overtuigen. Die al of niet
aanwezige bereidheid wordt niet bepaald door bewijsvoeringen en toetsingen,
maar door conditioneringen en belangen. Het maatschappelijk mechanisme van
kennisoverdracht en het gebruik van kennis is bijgevolg geen denkmechanisme,
maar een psychische werking die met allerlei gevoelens te maken heeft. De
vergissing, die steeds gemaakt wordt, is deze dat men denkt volgens rede en
logica bezig te zijn terwijl men in feite die rede en logica niet eens
gebruiken kan omdat deze in feite nergens toe te passen zijn. De
kennisoverdracht is op zichzelf geen logisch proces. Het is een proces van
aannemen dat iets zo is omdat degene die het vertelt betrouwbaar overkomt,
doorgaans op grond van bepaalde officieel erkende kwalificaties. De
doctorstitel geeft, bij het aannemelijk maken van bepaalde, waarheden, een
flinke voorsprong op niet gegradueerden. Met zo n titel kan je gemakkelijk
kennis aannemelijk maken, zelfs op gebieden die je eigen vakgebied niet zijn.
De betrouwbaarheid van je kennis moet uit je kwalificatie blijken. Dat is
logisch en onvermijdelijk voor zover het over het overdragen van kennis gaat.
Als voor de mens zou gelden dat hij alles kon controleren, zou kennis niet
overgedragen behoeven te worden. Maar zo is het nu eenmaal niet. Wat dus het
maatschappelijk mechanisme van de kennisoverdracht betreft verschilt onze
moderne wetenschappelijke wereld niet van de vroegere toen er nog allerlei
godsdienstige waarheden overgedragen werden. Doordat alle kennis noodzakelijk
in laatste instantie oncontroleerbaar is, blijft zij steeds buiten de mens
staan. Weliswaar neemt een mens de kennis in zijn zelfbewustzijn op en maakt
haar op die manier tot zijn inhoud, maar het is toch een inhoud die van jezelf
onderscheiden is. Je kunt dan ook allerlei doen met die inhoud, je er niets aan
gelegen laten liggen, er nog meer bij proppen, maar ook kan je haar vergeten.
Als je de zaak niet steeds opnieuw opfrist vergeet je op den duur alle kennis.
Er is dus een afstand tussen jezelf en je kennis. Men heeft daarvan natuurlijk
al lang een besef gehad, maar pas in de loop van de 19e eeuw is men op het idee
gekomen die afstand in positieve zin te interpreteren: die afstand is de basis
voor de objectiviteit, het kennen van dingen zonder er zelf in betrokken te
zijn. Wat waar is, is waar, of ik dit nu leuk vind of niet! Deze opvatting,
namelijk dat de afstand nodig is voor een betrouwbare, objectieve benadering
van de werkelijkheid, heeft het moderne denken volledig bepaald. Had men zich
gerealiseerd dat die afstand voor een mens helemaal geen zekerheid opleverde,
dan had men wellicht intensiever naar de werkelijke bron van zekerheid gezocht
en een heleboel wetenschappelijke ficties vermeden. Want nu wemelt het van die
ficties: over de zogenaamde veiligheid, over genetische manipulatie om betere
mensen te maken, over een toekomstig vertoeven in de ruimte, over opvoeding van
de mensen, enzovoort. Anderzijds zou het niet mogelijk zijn geweest allerlei
godsdienstige voorstellingen naast de wetenschappelijke te laten voortbestaan.
Bovendien zou de weg naar een werkelijk menselijke wereld veel meer open
gelegen hebben. Dit evenwel is een als, want de weg van de mens is een
andere...
Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2
; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
;
Aannemen dat iets waar is
Eigenlijk staat alle kennis buiten je, je kunt je er
al of niet iets aan gelegen laten liggen. Kennis is inhoud van je
zelfbewustzijn geworden, je hebt haar als het ware er in gestopt. Kennis is te
vergaren. Maar ook dreigt je kennis voortdurend weg te zakken, zodat je
genoodzaakt bent de zaak bij te houden. De kennis wordt nooit een deel van
jezelf, een deel dat onverbrekelijk bij je hoort, zoals dat bijvoorbeeld met de
organen van je lichaam het geval is. Dat betekent evenwel niet dat de mens
denkbaar zou zijn zonder kennis, zoals vroeger een aantal oosterse denkers
meenden. De kennis hoort er bij, letterlijk. Ieder mens vergaart, gewild of
ongewild, kennis; de één meer, de ander minder. Die kennis wordt van buitenaf
opgenomen en tot je bezit gemaakt en daarbij is niet bepalend of er al of niet
voldoende aanbod van kennis is (hoewel dit natuurlijk wel een rol kan spelen),
maar bepalend is de vraag Of je en hoe je voor die aangeboden kennis
ontvankelijk bent. Die ontvankelijkheid is het resultaat van genoten
opleidingen, maar ook van cultuuropvattingen die je ingeprent zijn. Lang niet
altijd zijn mensen in staat aangeboden kennis op te nemen omdat hun
cultuurvoorstellingen er aan in de weg staan. Ontwikkelingswerkers kunnen
daarvan meepraten. Als je aangeboden kennis in je opneemt wordt het inhoud van
je zelfbewustzijn, maar het blijft vreemd aan je wezen. Het blijkt dan ook dat
men met zijn kennis kan doen wat men verkiest. Je kunt haar met allerlei
bedoelingen aanwenden: ten voordele van jezelf (meestal), of ten voordele van
de mensheid (af en toe). Kernfysici bijvoorbeeld doen met een zelfde
hoeveelheid kennis geheel tegengestelde dingen: zij kunnen tot de conclusie
komen dat kernenergie opwekken verantwoord en nodig is, maar ook
kunnen zij tot de conclusie komen dat het onverantwoord en nutteloos is. Allemaal
weten zij hoe gevaarlijk het is, kennen zij de vernietigende werking van
straling, enzovoort, maar toch wenden zij die kennis op verschillende manieren
aan. En dat kan omdat alle kennis wezenlijk buiten je staat en het in bezit
nemen ervan dat buiten je staan niet opheft. Doordat dit zo is kan men altijd
onder zijn kennis uit, zich er niets aan gelegen laten liggen en de prioriteit
bij allerlei andere belangen leggen. Bijgevolg leidt kennis niet tot een
onontkoombaar redelijk doen en laten van de mensen. Nogmaals: daarbij speelt
dus een rol de vraag 1) of je bereidt en in staat was de aangeboden kennis aan
te nemen en 2) wat je verkiest met die aangenomen kennis te doen.
Vertrouwenwekkend of niet
Je kunt opmerken dat aangeboden kennis, vooral als
dit ongevraagd via de media gepresenteerd wordt, door bepaalde individuen en
groepen onmiddellijk als onwaar wordt bestempeld, terwijl anderen die
aangeboden kennis zonder meer als waar aanvaarden. In beide gevallen kunnen we
het al of niet controleerbaar zijn van het aangebodene buiten beschouwing
laten. Sommigen nemen aan dat het zo is en anderen doen dat niet. Dat zou niet
mogelijk zijn als er voor de kennis en de overdracht daarvan gold hetgeen er
altijd, vanuit de wetenschap, van gezegd wordt. Te stellen is de vraag: is er
soms iets in de mensen dat hen, meer of minder zelfbewust, in staat stelt als
het ware de waarheid te herkennen, ongeacht de al of niet aanwezige kennis van
zaken? Voelen de mensen (in de verte) aan hoe het eigenlijk zit, ook wat
betreft de kennis? De vraag is niet: zit er, bij voorbaat, alle kennis in de
mensen opgesloten, ergens in een afgelegen hoekje van de menselijke geest,
zoals bijvoorbeeld Aristoteles veronderstelde, die meende dat men het zich
slechts behoefde te herinneren. En ook vraag ik niet naar de door Kant bedachte
a-priorische kennis. Daarnaar vraag ik niet omdat deze zaken onder de rubriek
KENNIS vallen en dus onderhevig zijn aan al hetgeen al eerder over dit
onderwerp gezegd is. Het gaat nu om een besef van waarheid ongeacht een grotere
of kleinere hoeveelheid aanwezige kennis. Het antwoord op die vraag is niet zo
moeilijk. Al eerder hebben wij het gehad over het bewustzijn, als beweeglijk
beeld van de werkelijkheid in het verschijnsel mens. Het zichtbaar zijn van dat
beeld is afhankelijk van de in het zelfbewustzijn (evt. het denken) aangelegde
kaart van de ons omringende werkelijkheid. Die kaart echter is altijd
onvolkomen, onduidelijk, rafelig en vertekend. Daardoor straalt er altijd iets
van het beeld doorheen en het is op grond van dat, meer of minder vaag
doorstralende beeld, dat aangeboden kennis al of niet bij de ontvanger
vertrouwen wekt. De aard en kwaliteit van dat doorstralen van het beeld is
afhankelijk, uiteraard, van de gesteldheid van het betreffende zelfbewustzijn.
Is dat zelfbewustzijn erg geconditioneerd door cultuurvoorstellingen en
vergaarde kennis, dan zal er weinig van het beeld doorstralen en dat weinige
zal gekleurd zijn bovendien. Is die conditionering geringer, zoals dat bij de
gewone mensen het geval is, is de doorstraling zuiverder en betrouwbaarder. Hoe
dan ook, het is deze doorstraling die bepalend is voor de mate van vertrouwen
dat men stelt in de kennis die aangeboden wordt. Om iets anders dan vertrouwen
hebben in gaat het niet. Dat bepaalt de mate waarin aangeboden kennis voor waar
gehouden wordt. Dat VERTROUWEN wordt dus bepaald door de mate en de aard van de
conditioneringen, die uitmaken wat kan doorstralen en wat niet. Statistisch
gezien en dus over een lange periode en over zoveel mogelijk mensen, zijn het
de door mij als gewone mensen betitelden, die steeds hebben aangevoeld hoe het
zit en aan betrekkelijk waarheidsgetrouwe kennis en denkbeelden hun vertrouwen
hebben geschonken. Ondanks een heel verwarrend aanbod van kennis omtrent
oorlog, vrede en bewapening, omtrent moderne chemische en nucleaire
technologieën, omtrent honger, armoede en rechteloosheid in de derde wereld,
enzovoort, voelen juist de gewone mensen aan dat het allemaal niet deugt en
hechten zij weinig waarde aan de kennis van voor- en tegenstanders.
De wetenschappelijke paradox
Er is tegenwoordig veel te doen over de zogenaamde
genetische manipulatie. Men vraagt zich af waartoe dit allemaal zal leiden en
of het niet de hoogste tijd wordt om praktische en ethische regels op te stellen
en de grens van het toelaatbare te bepalen. Toch is men er zich van bewust dat
de wetenschappelijke ontwikkeling door zal gaan en dat je er zeker van kunt
zijn dat men straks inderdaad aan levende wezens van tevoren bepaalde
genetische programma’s kan opleggen. We hebben dus te doen met wetenschappelijk
juiste kennis, d.w.z. we kunnen gevoeglijk aannemen dat die kennis juist is.
Die kennis beantwoordt aan de wetenschappelijke normen. De beoordeling van die
kennis echter ligt niet bij de wetenschappelijke normen, maar bij het al of
niet verantwoord zijn in het licht van het BEELD van de werkelijkheid. Bij ons
bewustzijn dus. En dan kan je nu al wel zeggen dat de zaak niet verantwoord is
en zelfs ONJUIST genoemd moet worden. De paradox is dus het tegelijkertijd
gelden van een wetenschappelijke waarheid en een werkelijke Onwaarheid. In ons
voorbeeld: het leven is niet te manipuleren, te verbouwen, en tegelijkertijd
kan het wetenschappelijk en technisch wel. Deze paradox speelt onvermijdelijk
een rol op het hele gebied van onze kennis, maar hij wordt bijna altijd
terzijde geschoven met een beroep op de zogenaamde vooruitgang in het licht van
een wereld die eerst dan in orde zou zijn als letterlijk alles wetenschappelijk
beheerst wordt. In feite gaat het er echter om dat de wereld wetenschappelijk
gekend wordt in plaats van beheerst en met het in de gaten hebben daarvan lost
de paradox zich op.
No. 64
Een waarschuwing
Het is van belang je te realiseren dat het feit
dat alle kennis in de grond van de zaak oncontroleerbaar is, niet uitgelegd mag
worden ten nadele van die kennis of van de wetenschap, voor zover die bezig is
kennis omtrent de werkelijkheid te verwerven. Je hebt geen keuze: de aangeboden
kennis moet je aannemen, of niet. Dat zit in het karakter van de kennis en dus
is daarover geen oordeel uit te spreken in de zin van goed of slecht. Zo steekt
het complex van de kennis en de wetenschap in elkaar en het heeft geen zin het
anders te wensen. Waar het echter om gaat is de wetenschappelijke pretentie dat
alles controleerbaar zou zijn en dat controleerbaarheid een essentiële eis voor
wetenschappelijkheid zou zijn. Die pretentie nu is misleidend omdat hij
onterecht is. In feite hangt het accepteren of afwijzen van aangeboden kennis
af van OVERTUIGINGEN, die hun ontstaan aan iets buiten-wetenschappelijks te
danken hebben. Zij komen voort uit voorstellingen over de werkelijkheid en die
voorstellingen handhaven zich langdurig, voornamelijk door overgedragen
conditioneringen. Dit in te zien is belangrijk en niet in de laatste plaats
voor de wetenschap zelf, omdat het tot een grotere betekenis van de ONZEKERHEID
leidt. De Onzekerheid is een veel belangrijker stimulans voor een echt
wetenschappelijke benadering van de werkelijkheid dan de zogenaamde zekerheden.
Je kunt zelfs wel zeggen dat het zoeken van Onzekerheden tot een heel wat
betrouwbaarder wetenschappelijk onderzoek leidt dan het veel voorkomende
streven om de onzekerheden bij voorbaat uit te sluiten. Juist het werken met
die vreemde Onzekerheden, wat maar heel weinig beoefend wordt en wat volgens de
meeste wetenschappers voor onmogelijk wordt gehouden, levert een schat aan
kennis en inzichten op.
Het stiefkind, subjectiviteit
In het moderne wetenschappelijke denken wordt de
subjectiviteit als iets verwerpelijks beschouwd. Het zou gaan om eigen
meningen, waarmee je niet alleen alle kanten uit zou kunnen, willekeurig naar
eigen believen, maar vooral zou het gaan om oncontroleerbare zaken die niet
toegankelijk zouden zijn voor gedegen bewijsvoeringen. Opvallend is dat juist
de enige mogelijkheid tot controle, die een mens ter beschikking staat,
afgewezen wordt met behulp van argumenten die precies betrekking hebben op
datgene dat als het enig betrouwbare wordt gewaardeerd. Het is de omgekeerde
wereld. Maar, al is dat dan het geval, het is best te begrijpen waarom dit
gebeurt en zelfs is te zeggen dat dit niet helemaal ongegrond is. Je komt daar
achter als je nog eens precies nagaat hoe de verhouding is tussen het
zelfbewustzijn en het bewustzijn van de mensen en wat die verhouding voor
situaties oplevert. Dan blijkt er wel degelijk een Onbetrouwbaar element in de
zaak te zitten en inderdaad is dit onbetrouwbare moment gelegen in iets wat je
best wel subjectief zou kunnen noemen. Hoewel wij de kwestie van het ten
opzichte van elkaar functioneren van zelfbewustzijn en bewustzijn al vaak
besproken hebben, is het toch goed om een en ander nogmaals uiteen te zetten.
Je kunt dan zien waarom en in hoeverre het subjectieve terecht onbetrouwbaar
gevonden wordt, maar ook hoe het in het moderne denken ontbreekt aan inzicht in
de structuur van de mens. Vrijwel altijd worden zaken als bewustzijn en
zelfbewustzijn meedogenloos door elkaar gehaald en daardoor ontstaat er een
gigantische verwarring, die op zichzelf nu niet bepaald bevorderlijk is voor
zowel een helder begrip van de menselijke vermogens tot kennisverwerving als
het willen begrijpen en eventueel accepteren van een meer plausibele
gedachtegang.
Het bewustzijn
Alle verschijnselen zijn (eenvoudig gezegd)
trillingsverschijnselen. Dat geldt ook voor de mens. In alle levende
verschijnselen zijn in de trillingssituatie, die zij individueel zijn, de
voorgaande (zeg: primitievere) trillingssituaties opgenomen. In het laatste
verschijnsel zijn dus alle mogelijke trillingssituaties aanwezig en dat
betekent dat de gehele werkelijkheid ALS TRILLING aanwezig is. Dat is dus bij
de mens het geval. Deze, de gehele werkelijkheid omvattende, trilling doet zich
in de mens gelden bij wijze van een trillend beeld. Dat beeld nu is bij een
mens het bewustzijn. Uiteraard is dat beeld bij alle mensen hetzelfde: het is
de werkelijkheid op de wijze van een trillingstoestand.
Het zelfbewustzijn
Omdat de mens het laatste verschijnsel is geldt
voor hem ook nog zelfbewustzijn. Uitleggen waarom dat zo is, zou thans te ver
voeren. Ik volsta dus met te zeggen dat het zelfbewustzijn zich manifesteert
als datgene dat wij de menselijke geest plegen te noemen. Vanuit die geest
beschouwt de mens zijn eigen bewustzijn, het beeld dus. En nu hangt het geheel
van die geest af HOE die beschouwing uitvalt. Hierover hebben wij op blad 45 en
volgende reeds gesproken. Wij leggen in onze geest een kaart aan van de
werkelijkheid, een bepaalde voorstelling dus. Nu is het deze kaart, afhankelijk
van de fase van ontwikkeling, op grond daarvan geprogrammeerd en in een ieder
op eigen wijze tot een conditionering geworden, die bepalend is voor het meer
of minder waarheidsgetrouw beschouwen van het beeld, het bewustzijn, in
onszelf.
Waar zit het probleem
De kaart, aangelegd in onze geest, is altijd
subjectief, ook al is hij opgebouwd uit een heleboel algemeen aanvaarde
elementen. Worden van hieruit uitspraken gedaan over de werkelijkheid als
beeld, dan kan je er op rekenen met een onbetrouwbare, een vertekende zaak van
doen te hebben. In zoverre is het terecht de subjectiviteit te verwerpen.
Talloze zogenaamd wetenschappelijke uitspraken, die de pretentie hebben niet
subjectief te zijn, vallen wel degelijk onder deze rubriek. Zelfs kunnen wij
stellen: hoe harder wetenschappelijk uitspraken zijn, hoe meer zij vanuit de
genoemde kaart gedaan worden en dus subjectief zijn. Je kunt dat heel goed
merken als de technologie ter discussie staat. De één verdedigt dit en de ander
dat en het is onmogelijk eenduidige conclusies te trekken. In het algemeen: hoe
harder de kaart in iemands geest, hoe meer wij te doen hebben met een
verwerpelijke vorm van subjectiviteit. Logisch is dat met het leren doorzien
van de kaart in je eigen geest de betrouwbaarheid van je uitspraken toeneemt.
Het enige, van onze persoonlijke structuur onafhankelijke, namelijk het beeld
van de werkelijkheid, kan zich dan laten gelden. Deze subjectiviteit is in
wezen objectief, het gaat nu inderdaad over de werkelijkheid. Frappant is dat
de wijsgeer Spinoza er destijds al op gewezen heeft dat het voor de mens
noodzakelijk is zijn verstand te zuiveren, een inzicht waarop in de filosofie
nauwelijks voortgeborduurd is... Vroeger maakte men wel een onderscheid tussen
kennis en weten en het is helemaal zo gek nog niet dit onderscheid weer te gaan
hanteren. Zicht op het bewustzijn levert namelijk weten op. Met dit weten kan
je in zoverre de werkelijkheid analyseren dat je de VERSCHIJNSELEN kunt
uiteenleggen en de samenstellende delen, voor zover die zelf ook verschijnselen
zijn. Maar een analyse van de materie kan je er niet mee maken: uitzoeken wat
de samenstelling is van keukenzout vereist wetenschappelijke analyse. De
werkelijkheid uiteen leggen in keukenzout en de andere verschijnselen kan wel
vanuit het beeld. Een dergelijk uiteenleggen, mits consequent volgehouden,
levert een uiterst genuanceerd weten op.
No. 65
Het beeld en het zien daarvan
Het beeld in de mens, dat wij kennen als het,
bewustzijn is voor iedereen precies hetzelfde beeld. Het is namelijk de
(gehele) werkelijkheid, bij wijze van trilling. Die trilling is ontstaan zoals
alle verschijnselen vanuit de beweeglijkheden ontstaan zijn. Het is gewoon een
verhouding van beweeglijkheid, binnen het verschijnsel en het heeft op zichzelf
niets met de individuele gesteldheid van een mens te maken. Wat daarmee evenwel
wel te maken heeft is het zelfbewustzijn. Dat is er de oorzaak van dat elk
individueel mens de zaak op een andere wijze ziet en ondergaat. Je zou dan ook
kunnen zeggen: als het mogelijk zou zijn dat mensen allemaal een GLASZUIVER
zelfbewustzijn zouden hebben of verkrijgen, een zelfbewustzijn dat niets aan
dat beeld verandert, dan zouden de mensen allemaal hetzelfde denken. De vraag
hierbij is echter Of een geheel zuiver zelfbewustzijn denkbaar en mogelijk is
en ten tweede ligt hier de vraag of zo’n eventueel zuiver zelfbewustzijn toch
niet op de een of andere manier individueel gekleurd is. Als wij nu eens
veronderstellen dat bijvoorbeeld twee mensen qua zelfbewustzijn glashelder zijn
dan zouden aan die mensen totaal geen nuances van de werkelijkheid als beeld
ontgaan. Zij zouden alles, tot in de fijnste schakeringen, zien. Maar toch zou
dat bij de één wat anders gekleurd zijn dan bij de ander. Precies zoals twee
kunstenaars, van wie we nu even veronderstellen dat zij beiden even geniaal
zijn, toch op eigen wijze de zaak zouden verbeelden en uitbeelden. Beiden zien
de werkelijkheid als beeld precies zoals ze is, maar voor beiden is zij toch
iets anders. De moeilijkheid zit in het feit dat wij, vanuit onze denktraditie,
als vanzelfsprekend veronderstellen dat zuiverheid maar op één manier mogelijk
is. Wij zijn de dupe van onze neiging om alles op een kwantitatieve manier te
beoordelen. Aan een bepaald aantal normen en kwalificaties moet voldaan zijn en
als iets daaraan niet voldoet blijft het beneden de maat. Maar als het gaat
over zuiverheid gaat het om het overeenkomen met de werkelijkheid. Een
eenvoudig stukje muziek, bijvoorbeeld, kan zuiverder zijn (overeenkomen met de
werkelijkheid) dan een ingewikkeld en volgens normen en kwalificaties opgebouwd
muziekstuk. In onze cultuur echter hebben wij de neiging dit laatste te prijzen
en te bewonderen en aan het eerste geen aandacht te besteden: we vinden dat
goed genoeg voor amateurs. In de filosofie verlangen wij ingewikkelde en
wetenschappelijk verantwoorde, betogen en zien aan eenvoudige inzichten
voorbij. Zuiverheid betekent dus niet voldoen aan bepaalde normen, maar het
betekent samenvallen met. Een glashelder zelfbewustzijn valt samen met het
beeld (het bewustzijn), maar het valt wel OP ZIJN WIJZE samen. Als
zelfbewustzijn laat de materie zich gelden alsof ze geen materie zou zijn. Als
geen materie is de zaak onbelemmerd beweeglijk, door niets bepaald, volkomen
vrij. Maar, wat wij licht vergeten is dat het wel de materie is, die zich als
niet-materie laat gelden. Het is dus een bepaalde zaak, een bepaalde verschenen
verhouding van beweeglijkheden, die zichzelf ontkent. En nu is het dit bepaalde
karakter van de materie, de éne keer een beetje zus, de andere keer een beetje
zo, dat het niet materie zijn kleurt. Het belemmert het niet, het vertekent het
niet, maar het geeft het een eigen kleur. Je kunt ook zeggen: een eigen sfeer.
Veronderstellen wij nu dat bij een aantal mensen het zelfbewustzijn glashelder
is, dan heeft het toch bij al die mensen een verschillende kleur, zonder dat
bij een van hen het samenvallen met de werkelijkheid vervallen is. Wij kunnen
spreken van variaties in kleur, in sfeer. Wij gingen nu uit van een
zelfbewustzijn dat glashelder zou zijn, maar in feite is bij ieder mens het
zelfbewustzijn in meerdere of mindere mate geconditioneerd. Er zijn altijd wel
bepaalde programma’s ingeprent, wegen waarlangs het denken zich voortbeweegt.
Vanuit deze programma’s wordt het zien van het beeld in onszelf (het
bewustzijn) min of meer belemmerd. Hier zouden wij kunnen spreken van variaties
in helderheid, in die zin dat het zelfbewustzijn (evt. het denken) van de één
meer van het beeld doorlaat dan dat van de ander. Hierover hebben wij meer dan
eens gesproken. Van belang is om in de gaten te hebben dat het altijd het
zelfbewustzijn is dat het zicht op de werkelijkheid belemmert. Dit, belemmeren
is essentieel. Wijs worden wil dan ook niet zeggen dat je op de een of andere
manier je zelfbewustzijn, je denken, zou moeten ontwikkelen, d.w.z. oefenen om
helder te worden, maar het wil daarentegen zeggen dat je je zelfbewustzijn zou
moeten afwennen het zicht op de werkelijkheid te belemmeren. Je kunt zeggen:
wij moeten niet iets aanleren, maar juist iets afleren. Dit ligt volkomen tegen
de gebruikelijke cultuuropvattingen in. Nog steeds heeft men hoge verwachtingen
van de ontwikkeling van het denken, in die zin dat het zou gaan om het
vergroten van onze kennis. Volgens sommigen zou de mens zelfs zijn hersens
moeten verbeteren - hoe krijgt men het verzonnen! In feite echter levert het
vergroten van onze kennis alleen maar een nog grotere belemmering op, althans,
zolang we niet in de gaten hebben hoe de verhoudingen wat dat betreft liggen.
Spinoza echter sprak van zuiveren en dat is precies het andere van kennis
vergroten.
Het afleren
Het afwennen van het belemmeren, wil dat nu zeggen
dat je zou moeten proberen je conditioneringen, op grond van tradities en
verworven kennis, kwijt te raken? Moet je, net als de oude Chinese
Zenboeddhisten, de boeken gaan verbranden omdat kennis aan inzicht in de weg
staat? Dat is uiteraard onmogelijk omdat kennis bij de mens behoort. Het
opheffen van de conditioneringen wil niet zeggen afschaffen, maar het wil
zeggen dat je ze leert doorzien. Je moet wéten dat ze in je zelfbewustzijn
aanwezig zijn en je moet wéten hoe ze functioneren. Als je dat weet houden zij
op belemmerend te werken omdat je je er dan niet meer aan uitlevert. Je kunt
zeggen: de conditioneringen beheersen dan niet meer jou, maar jij beheerst je
conditioneringen. En dan kan je ze echt benutten, al naar gelang de opgaven die
je jezelf op een zeker moment stelt. Bij alle handelingen, ja zelfs bij het
gehele overleven spelen conditioneringen een grote rol. De straat oversteken
zonder op het gevaar geconditioneerd te zijn is vrijwel onmogelijk, iedere keer
uitzoeken hoe je een potje thee moet zetten is idioot. Vakmanschap zonder
conditionering is volslagen ondenkbaar, enzovoort. Zou je echter die
inprentingen niet doorzien, je zou nooit de mogelijkheid hebben sommige dingen
eens wat handiger en wat efficiënter te gaan doen. Welbeschouwd is alle
werkelijke vooruitgang te danken aan het doorzien van inprentingen, die vaak
eeuwenlang stand hebben gehouden. In feite heeft het zelfbewustzijn, het
denken, zich niet geleidelijk verhelderd, maar heeft zich het telkens weer
ingeprente kaartsysteem opgeheven en doorzichtig gemaakt. Het kan ook niet
anders in elkaar steken, want het zelfbewustzijn is bij de mens materie als
niet-materie, en dat was natuurlijk ook bij de oermensen het geval. Het is
gewoon de verhouding van de beweeglijkheden onderling, die voor het
verschijnsel mens geldt. Met het verschijnen van die mens treedt die verhouding
op en dat blijft zo zolang er mensen zijn, waar ook in het heelal. Het doorzien
van de conditioneringen maakt ze bruikbaar en nuttig.
No. 66
Nog wat over het denken
Hoewel de moderne wereld stoelt op een eeuwenlange
denktraditie, kan je toch constateren dat de kwaliteit van het hedendaagse
denken niet bijzonder groot is. Bovendien valt op dat er een onredelijk grote
waarde aan het zelfbewustzijn gehecht wordt voor zover dit zich als denken
vertoont en laat gelden. Dat dit denken niet veel voorstelt wordt nauwelijks
door iemand ingezien, reden waarom die grote waarde die er aan gehecht wordt
vrijwel nooit gerelativeerd wordt. Het zogenaamde denken wordt als de maat
gesteld en het wordt beschouwd als het instrument waarmee de mens in staat zou
zijn zich boven eigen natuurlijkheid uit te werken. Die verwachting, namelijk
dat het denken ons op den duur tot humane mensen zou doen ontwikkelen, moeten
wij zo langzamerhand eens van ons af gaan zetten. Het denken leidt niet tot
humaniteit, maar tot iets geheel anders. Dat andere kan niet gemist worden,
zodat we wat dat betreft de betekenis van het denken niet mogen onderschatten,
maar het is niet het denken zelf dat de mens leidt op de weg naar humaniteit.
Het zelfbewustzijn, en dus ook het denken, wordt voor de mens pas zinvol als
het tenslotte door zichzelf heen is. Het heeft dan een BEVRIJDINGSPROCES
doorlopen. Het heeft de mensen van iets bevrijd. Zij hebben niet iets aan
zichzelf toegevoegd, zodat je van een verbetering zou kunnen spreken, maar zij
hebben in zichzelf BELEMMERINGEN weggenomen. Die belemmeringen hebben de mensen
steeds zelf opgeworpen, niet omdat zij zo dom zouden zijn, maar doordat daaraan
voor hen niet te ontkomen was. Omdat zij ongeprogrammeerd op de planeet zijn
verschenen hebben zij van alles moeten leren en aanleren. Dat is op zichzelf
onvermijdelijk, maar evenzeer onvermijdelijk is dat dit aangeleerde een
belemmering wordt voor het menszijn. Net zoals bij een volleerd pianist het
aangeleerde pianospelen een belemmering kan gaan vormen voor datgene waarom het
eigenlijk gaat: het ten gehore brengen van mooie muziek. En net zoals bij een
aankomend wetenschapper de aangeleerde kennis een belemmering kan zijn voor het
opmerken van nieuwe dingen. Het kunstenaar-zijn en het wetenschapper-zijn
worden gekenmerkt (als het goed is) door het openstaan voor de werkelijkheid.
De kunde en de kennis, voor zover die aangeleerd zijn, dienen slechts voor het
verstaanbaar en begrijpelijk maken van de werkelijkheid. Als het gaat om het
aanleren van iets komt er voor een mens iets bij, maar als het gaat om een humaan
zelfbewustzijn moet er iets af, namelijk de belemmerende werking van datgene
dat er bij gekomen is. Het gaat dus niet aan het aangeleerde, dat wat er bij
gekomen is, te verwerpen (zoals nogal wat holisten menen te moeten doen), maar
waarom het gaat is het OPHEFFEN VAN DE BELEMMERINGEN. Weten wil zeggen dat je
de werkelijkheid bent die zich van zichzelf bewust is. Dat weten geldt voor de
mens, voor elke mens en dus bijvoorbeeld ook voor de oermens bij zijn
verschijnen op de planeet. En het geldt ook voor een mens die nauwelijks iets
geleerd heeft. Maar dat weten kan zich pas laten gelden als het niet meer
belemmerd wordt. In tegenstelling tot wat men altijd gedacht heeft en wat de
filosofen altijd beweerd hebben staat niet het zogenaamde natuurlijk zijn aan dat
weten in de weg, maar juist het AANGELEERDE, voor zover dat belemmerend werkt.
De inhoud van het zelfbewustzijn, de hoeveelheid aangeleerde zaken, belemmert
het weten. Bevordering van kennis, oefenen in het denken, zij brengen de mensen
niet terecht. Dat wordt tegenwoordig maar al te pijnlijk duidelijk... Van je
natuurlijk zijn behoef je niet af te komen: de mens is bij zijn verschijnen op
de planeet onmiddellijk ontkende natuurlijkheid omdat hij nu eenmaal het
laatste verschijnsel is, natuur en niet-natuur tegelijk. De mens is de natuur
anders en hij zal zich dan ook nooit echt natuurlijk gedragen. Het beest in de
mens is geen natuurlijk beest, overeenkomstig een (roof)dier, maar het is
daarentegen een niet natuurlijk beest, niet te vergelijken in wreedheid met
welk dier dan ook. Zijn beestachtigheid is een zelfbewuste, voortkomend uit
kennis. De aangeleerde kennis legt in het zelfbewustzijn van de mensen een
programma vast en van daaruit gaat de zaak werken als een voorschrift, als een
dienstregeling voor je leven. Je levert je er aan uit. En dat geldt zowel in
positieve als in negatieve zin. De zogenaamde goede dingen en de zogenaamde
slechte worden door de conditioneringen bepaald; zij maken uit wat je doen zult
en wat je laat. En hier doorheen moeten en zullen de mensen gaan om zich er
tenslotte van te bevrijden en, als gevolg van die bevrijding, werkelijk mens te
worden. De wereld waarin wij thans leven is een rampenwereld, een wereld
waarmee totaal niets meer te beginnen is. En dat wordt almaar slechter. Je
begrijpt dat als je de rol van de kennis door hebt. We leveren ons steeds meer
uit aan de uit die toenemende kennis voortkomende conditioneringen. Het leven
raakt steeds meer op de achtergrond, omdat de kijk op de werkelijkheid als
beeld (= bewustzijn) steeds meer verloren gaat.
De belemmeringen
De moderne opvatting over de evolutie van het
leven is deze dat het leven zelf voortdurend nieuwe situaties oplevert, in
onvoorstelbaar vele varianten, en dat het zich handhaven van die nieuwe
situaties afhankelijk is van hun vermogen om talloze belemmeringen te
overwinnen. Er komt dus niet één nieuwe mogelijkheid van leven voor de dag,
maar een grote hoeveelheid en daarvan handhaaft zich er één of enkele. Het zich
doorzetten van het leven is dus niet het stap voor stap opbouwen van steeds
ingewikkelder levensorganisaties, maar juist het overblijven van de meest
efficiënte organisatie. Je hebt zogezegd te doen met een afvalrace. Bepalend
zijn dus in feite de belemmeringen en het overwinnen daarvan. Er is niet een
geraffineerd opbouwplan (het leven probeert lukraak van alles), maar er is een
heel systeem van belemmeringen. Denk bijvoorbeeld aan ons afweersysteem: ons
lichaam wordt voortdurend belaagd door belemmerende factoren, stoffen en
organismen die wij al of niet zelf voortbrengen. Maar ons afweersysteem houdt
die belagers in bedwang zodat zij geen kans krijgen de dienst uit te gaan
maken. Bepalend zijn dus niet die belagers (die horen erbij), maar de
belemmering, het afweersysteem is bepalend. Faalt dat, dan word je ziek. De
evolutie is inderdaad niet anders denkbaar dan gebaseerd op belemmeringen. Voor
zover een mens biologisch is geldt dat voor hem ook. Maar voor zover hij geest
is geldt het andere daarvan, namelijk geen belemmering en dat betekent voor de
zelfbewuste mens het doorzien van de belemmering. Het doorzien dus van de
conditionering. Het er niet meer aan uitgeleverd zijn. Er alleen nog maar, waar
nodig, gebruik van maken zoals de pianist gebruik maakt van het op het beroeren
van de toetsen geconditioneerd zijn. In de natuur houden de programma’s nieuwe
variaties tegen om tevens efficiënte variaties (tijdens de evolutie) te bepalen
(een verder gaand programma). Bij de mens zou dat ook zo zijn als hij niet als
geest volkomen vrij was en er voor hem geen programma gold. Voor hem is dus in
feite alles mogelijk. En dat zal hij moeten laten gelden als hij wil léven.
Voor hem is het geprogrammeerd-zijn Onnatuurlijk. Het belemmeren, dat voor de
natuur essentieel is, is voor de mens levensvijandig. En zo is in wezen elke
cultuur, elke moraal, elke ethiek, enz. bedreigend voor zijn leven. Het toppunt
van levensbedreiging is voor de dag gekomen als voor de mensen de gehele
werkelijkheid omgezet is tot kennis.
Bladwijzers: De Ratio / Rede-1 ; De Ratio / Rede-2 ; Opgevoed-1 ; Opvoeden-1
; Opvoeden-2
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2
; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
; Doen
alsof – zie A , B , C-67/68
Het slechte gedrag van de mensen
Men schrijft het slechte gedrag van de mensen als
regel toe aan de beestachtigheid van de mens, d.w.z. de in de mens aanwezige
natuur die overwonnen zou moeten worden. Het zogenaamde geestelijke zou de maat
moeten zijn, het zou de natuur moeten overwinnen en het zou als ratio er
toe moeten leiden dat de mensen zichzelf besturen kunnen. De mens zou gelijk
een beest zijn als hij over zichzelf niet dat geestelijk bestuur zou
uitoefenen. Het slechte gedrag van de mensen zou dus voortkomen uit hun
vooralsnog niet overwonnen, natuurlijkheid, in feite hun dierlijkheid.
Merkwaardig is daarbij dat zo ongeveer iedereen wel inziet dat geen enkel dier
in de natuur zich zo schaamteloos slecht gedraagt als de mensen doen. Je
beledigt de natuur als je het slechte gedrag van de mensen toeschrijft aan,
natuurlijkheid. Toch komt vrijwel niemand op het idee dat niet de natuur
oorzaak van het slechte gedrag is, maar juist de CULTUUR, d.w.z. het gedrag dat
een gevolg is van zelfbewuste denkmodellen. We zien dan ook dat juist in Onze
tijd, nu letterlijk alles om die denkmodellen draait en de conditionering
daarop sterker is dan ooit, het gedrag van de mensen een climax van wangedrag
benadert. Het kan nauwelijks beroerder. Maar de conclusie, dat het wangedrag
uit de cultuur voortspruit wordt niet getrokken. Men blijft de hoop koesteren dat
een verdere uitbouw van de cultuur, een verdergaande redelijke opvoeding van de
mensen, tenslotte tot een humane wereld zal leiden.
Het zichzelf vastleggen op programma’s (=
conditioneren)
Het zichzelf vastleggen op programma’s (=
conditioneren) doet echter wel denken aan het natuurlijke. Dat is namelijk het
geval als je niet denkt aan het soort gedrag, maar aan datgene dat er met een
mens gebeurt. Het (door zichzelf) geprogrammeerd-zijn gelijkt op de situatie
waarin de verschijnselen in de natuur berusten: een volledig gebonden-zijn aan
en dus een niet kunnen ontkomen aan onveranderlijke, vastgelegde programma’s.
Zo beschouwd kun je zeggen: de mens gedraagt zich alsof hij een stuk natuur
was. Maar dat gedrag VERTOONT uitsluitend zaken die niet alleen vreemd zijn aan
de natuur, maar die er ook in toenemende mate mee in strijd zijn. Allicht, want
voor de mens geldt dat hij reeds bij zijn verschijnen op de planeet niet meer
de natuur, de natuur anders, is. Voor zover hij dus gedrag ontleent aan zijn
zelfprogrammering kan dat gedrag niet anders dan onnatuurlijk en in laatste
instantie tégennatuurlijk zijn. Omdat de mensen dus niet echt geprogrammeerd
zijn (zij doen dat immers zelf) gedragen zij zich, doen zij zich voor, alsof
zij wel onderhevig zijn aan een onontkoombaar programma. Het is dus eigenlijk
een DOEN ALSOF. Het is een doen alsof je aan regels en
voorschriften gebonden bent. Je doet alsof dat zo hoort, alsof dat je menszijn
is. Van dat doen alsof zijn de mensen zich als regel niet bewust; zij
weten doorgaans niet hoe de zaak in elkaar steekt. Op grond van dat (onbewuste)
doen alsof ontduiken de mensen met het grootste gemak hun eigen
voorschriften, steeds waar het gaat om dingen die zij voor zichzelf belangrijk
achten. Dat ontduiken verschijnt noodzakelijk in het licht van de
voorschriften: die zijn het die ontdoken worden, die zijn het die de reactie
van het ontduiken teweeg brengen. Het gevolg is daarom niet VRIJHEID, maar BANDELOOSHEID. Vrijheid
richt zich op niet-geprogrammeerd zijn, maar bandeloosheid op voorschriften die ontdoken moeten
worden. Dit is een algemeen menselijk verschijnsel, dat overal optreedt waar
mensen zijn, d.w.z. onvolwassen mensen. Het heeft niets met bijv. het
westerse individualisme te maken, maar het is wel zo dat dit het verschijnsel
van de bandeloosheid
aanzienlijk versterkt. Er zijn natuurlijk altijd mensen geweest die in het
licht van volwassenheid geleefd hebben. Die mensen hebben hun eigen moraal
ontwikkeld, niet als tegenstelling tot de geldende moraal, maar als concretisering
van hun vrijheid (= wezenlijk niet geprogrammeerd zijn) en die louter uit die
vrijheid hun verantwoordelijkheden afgeleid hebben. Dergelijke nobele mensen
zijn evenwel grote uitzonderingen. Je kunt beide, namelijk het aan
(cultuur)regels gebonden en het bandeloze gedrag best wel misdadig noemen, maar
dan moet je er wel bij bedenken dat men zich hiervan niet bewust is. Veel
opvallender en algemeen geldend is het feit dat beide bij elkaar behorende
zaken onvermijdelijk leiden tot WREEDHEID. Het navolgen van voorschriften en
het ontduiken ervan levert steeds een wreed gedrag op. Het opleggen van een
straf op grond van een misstap van iemand is net zozeer wreed als het plegen
van die misstap, want in beide gevallen wordt de werkelijkheid verscheurd omdat
er maar een gedeelte van de werkelijkheid mag gelden, namelijk dat wat in
voorschriften erkend is. Bij het laten gelden daarvan doe je onvermijdelijk
mensen pijn. Men weet dat ergens wel en dan excuseert men zich met een beroep
op dat onvermijdelijke, het niet-anders-kunnen, en sust daarmee het geweten in
slaap. Maar, in slaap of niet, het geweten zegt toch: je bent wreed bezig. De
wreedheid is een onvermijdelijk verschijnsel binnen een onvolwassen mensheid.
Je zult er dus mee moeten leren leven dat er (voorlopig) geen oplossing
gevonden kan worden die niet-wreed is. Maar je kunt het bestaan van de
wreedheid wel herkennen en erkennen en van daaruit proberen die zo weinig
mogelijk een kans te geven. Je kunt bijvoorbeeld gevangenissen zo humaan
mogelijk maken, ook al hebben de mensen die daar opgesloten moeten worden de
meest verschrikkelijke dingen gedaan en is er een grote kans dat zij dit weer
zullen doen als je ze vrij laat rondlopen. Waar je maar kunt moet je de
wreedheid terugdringen: de wreedheid van het strafstelsel, het arbeidsstelsel,
de opvoeding en scholing, het militarisme, het grootschalige economische
denken, discriminatie, enzovoort. De behoefte om de wreedheid terug te dringen
is gelukkig overal in de samenleving aanwezig. Zonder zich ervan bewust te zijn
voelen de mensen wel aan dat zij wreed zijn, maar vooral tegenwoordig, nu het
enigszins duidelijk wordt dat onze maatschappelijke denkmodellen onhoudbaar
zijn en de verwarring alom toeslaat, is er een steeds sterkere neiging tot
fundamentalisme, d.w.z. een teruggaan naar de uitgangspunten van die
denkmodellen. Dat betekent VERHARDING, het is een opleving van het wrede. De
natuur kan nooit wreed zijn, al staat ons een aantal dingen niet aan, omdat zij
niet kan ontkomen aan haar programma’s. Mensen daarentegen behoren niet
uitgeleverd te zijn aan programma’s en bijgevolg vertonen zij wreedheid als zij
dit wel zijn, ongeacht de vraag of zij hun eigen voorschriften onder
omstandigheden opvolgen dan wel ontduiken. Je kunt zeggen: het is de opgave van
de mens om mens te zijn. Dat betekent echter niet dat je van je natuur af moet
zien te komen, want daarvan ben je allang af, maar het wil zeggen dat je je
eigen programmeringen moet leren doorzien, zodat je enerzijds van je ficties en
illusies afkomt en anderzijds een nuttig gebruik van je conditioneringen kunt
gaan maken om als een mens te kunnen overleven. Doorzien wil eigenlijk zeggen:
beweeglijk maken. Een beweeglijk gemaakt programma betekent voor een mens niet
een afgeschaft programma (dat is nog steeds een programma), maar een toepasbaar
programma, een verworvenheid waarmee je iets kunt doen. Een niet toepasbaar
gemaakt programma, in feite dus een programma dat je niet doorziet in jezelf,
leidt tot overheersing van jezelf en van de werkelijkheid. Behalve dat je dit
kunt bedenken zie je het ook aan de feitelijke gebeurtenissen in de mensheid
vanaf haar verschijnen op de planeet. Steeds zijn de gebeurtenissen rampzalig
op den duur...
Bladwijzers: De Ratio /
Rede-1 ; De Ratio / Rede-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Opgevoed-1 ; Opvoeden-1
; Opvoeden-2
;
No. 68 Anarchie-1 ; Anarchie-2
Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m18, 20 en 21, 37, 44, 48
en 68
Denk automatisme
Er zullen weinig mensen bestaan die er welbewust
op uit zijn de andere mensen leed te berokkenen of de mensheid naar de
ondergang te voeren, bijvoorbeeld door het gebruiken van nucleaire
vernietigingswapens. Bij navraag blijkt zo ongeveer iedereen het goede voor te
hebben met zijn medemensen. Voor zover men dus bewust denkt is er geen
aanleiding tot slecht gedrag ten opzichte van de medemens. Gaat men dit denken
echter verbinden met bepaalde handelingen (plannen maken, zich iets voornemen),
en daarna die plannen ten uitvoer leggen, dan is het resultaat vrijwel
onvermijdelijk slecht gedrag. De oorzaak van dit verschijnsel is gelegen in de
automatismen van het cultuur denken. Dat denken is geconditioneerd, vastgelegd
in programma’s. Zonder dat de mensen het bemerken is de gang van hun gedachten
van tevoren bepaald. De logica van zo’n gedachtegang is voor hen niet aan
twijfel onderhevig zodat zij er voor zichzelf zeker van zijn gelijk te hebben
en de goede weg te bewandelen. Als zij de kans krijgen zullen ze zelfs proberen
anderen te dwingen ook die weg te gaan. Vooral de godsdiensten vertonen die
behoefte; zij hebben in het verleden niet geaarzeld andersdenkenden ter dood te
brengen en ook tegenwoordig verzinnen die godsdiensten allerlei reglementen om
de mensen te dwingen volgens hun programma s te denken en te handelen. Maar het
gehele moderne maatschappelijke gedoe is geprogrammeerd. Meer dan ooit werpen
de conditioneringsystemen vruchten af: door het uitgebreide communicatie
netwerk, door de wereldomspannende pers, de nagenoeg uniforme
wetenschapsbeoefening en het onderwijs. Dat gehele systeem leidt tot een alles
overheersend en vrijwel niet te voorkomen slecht gedrag. Het zijn vooral de
politici die menen dat het zich oplossen van de automatisch verlopende
denkprogramma’s tot wanorde, anarchie en misdadigheid zal leiden. Zij
menen dus dat het zich bevrijden van het denken onvermijdelijk tot een ramp
voor de mensheid voert. Vanuit hun optiek hebben zij daarin volkomen gelijk:
hun machtswereld en hun orde stort door zo’n bevrijding onherroepelijk in. De
orde van die wereld is immers die van het automatisme! Een automatisme dat zo
halsstarrig is dat het zelfs procedures die overduidelijk naar de afgrond
voeren (bijv. de ontwikkeling van kernenergie, het landbouw en voedsel
beleid van de E.E.G., de manipulaties van de zogenaamde Wereldbank, enz.) niet
staakt, maar daarentegen zelfs perfectioneert. Die politici zijn tegenwoordig
allemaal wetenschappelijk gevormd, zodat een doorbraak van het denkautomatisme
vanuit die hoek niet te verwachten is. De tijd dat van een politicus een visie,
een idee verwacht werd is reeds lang voorbij. De moderne eis is deskundigheid,
maar dat is nu juist iets dat geen ruimte voor twijfel en essentiële vragen
toelaat. Deskundigheid, op zichzelf beschouwd, is een ramp voor elke
ontwikkeling. Omdat de politici tegenwoordig onze gehele maatschappij in handen
hebben vormen zij voor de mensheid de meest bedreigende groep die er is. Hun
ijveren voor het belang van de mensen is dan ook door en door een doen alsof.
Het is er stellig het meest schrijnende voorbeeld van. Het bedrijfsleven en de
banken spelen ook een gevaarlijke rol, maar zij spelen tenminste nog in op
nieuwe ideeën en visies en leveren in ieder geval nog materiële goederen op.
Doordat zij aan dit laatste niet kunnen ontkomen (al proberen zij dit wel door
oplichterij en slechte producten) blijven zij enigermate gebonden aan het
geheel van het menselijk leven. Maar voor politici geldt dat niet omdat zij
geen product leveren. Zij kunnen dan ook een hele maatschappij ten gronde
richten en dat kan alleen maar voorkomen worden door hen weg te jagen. Vanuit
hun eigen denken, bevangen als het is in het automatisme, zullen politici nooit
de zaken anders gaan aanpakken en dat geldt vooral voor de moderne deskundige
politici. En als zij al besluiten dat het anders moet nemen zij hun toevlucht
tot fundamentalistische maatregelen: het zogenaamde terugdraaien van de klok.
De geschiedenis heeft nooit iets anders laten zien, de tegenwoordige tijd ook
niet.
We hebben gezien dat het, organisatie-denken
een van de belangrijkste factoren in de moderne cultuur is. Een factor die
vooral sinds de tweede wereldoorlog op de voorgrond is komen te liggen.
Je kunt er dagelijks over verbaasd staan hoezeer dat denken in het leven van de
mensen doorgedrongen is en aanleiding geeft tot de meest absurde maatregelen,
die in de praktijk alleen maar remmend werken en alles veel te duur maken. Het
is bijvoorbeeld gemakkelijk uit te rekenen hoeveel energie een gemiddeld gezin
per jaar gebruikt. In plaats van dat bedrag gewoon bij de huur op te tellen
organiseert men een onontwarbaar systeem van metertjes en klokjes, die allemaal
afgelezen, onderhouden en gecontroleerd moeten worden, om vooral maar het
laatste dubbeltje van de gebruikers binnen te halen. Een systeem dat bijna
onbetaalbaar is en dat ruimschoots de kosten zou dekken van mensen die maar
raak zouden verbruiken. Men heeft eens uitgerekend dat de kosten voor het innen
van de gelden voor bus- en treinkaartjes zo hoog zijn, dat je goedkoper het openbaar
vervoer gratis zou kunnen maken. Dit zijn maar voorbeelden van een tot in
het absurde doorgetrokken organisatie- denken, dat zich bezig houdt met een
maatschappelijke werkelijkheid DIE HELEMAAL NIET BESTAAT! Overal waar het
maatschappelijk handelen van de mensen nog echt zinvol en samenhangend is, is
sprake van ZELFORGANISATIE. Maar het moderne wetenschappelijke organiseren
richt zich op de fictieve relatie tussen de dingen en houdt zich dus bezig met
een niet-bestaande werkelijkheid. Dat is onder andere de reden dat inzicht,
visie en talent geen rol meer kunnen spelen. Het is een volkomen doodse en
doodlopende bedoening. Een andere essentiële factor in de moderne cultuur is
het doen alsof, zoals dat voortkomt uit de waan dat de in het
zelfbewustzijn ingeprente werkelijkheid DE WERKELIJKHEID zou zijn. Het doen
alsof betekent altijd dat datgene waarmee men zegt bezig te zijn een
berekende gekozen zaak is, die in tegenstelling staat tot datgene dat de
werkelijke bedoeling is. De bedoeling is bijvoorbeeld om geld te verdienen en
beroemd te worden, terwijl men doet alsof men een voor dergelijke zaken
onverschillige kunstenaar is. We hebben daarover gesproken. Als derde
belangrijke factor moeten we het steeds verder uitwerken van de
waardeverschillen tussen de mensen beschouwen. Uiteraard hangt dat ten nauwste
samen met het organisatie- denken, dat er eigenlijk alleen maar is om die
verschillen tot gelding te maken. In tegenstelling tot wat meestal gedacht
wordt nemen de waardeverschillen toe op grond van het steeds verfijnder uiteenleggen
van de werkelijkheid. Men doet wel alsof men aan het nivelleren is, maar dat
geldt in feite alleen maar ten aanzien van de traditionele waardeverschillen,
namelijk die tussen rijk en arm. Beide begrippen hebben nauwelijks meer inhoud.
In de plaats is gekomen de waarde van de functie en de daaraan meekomende
organisatorische macht.
Bladwijzers: Anarchie-1 ; Anarchie-2 ; Doen alsof – zie A , B , C-67/68
Tot zover onze beschouwingen over de ontwikkeling
van de West-Europese cultuur.
Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m18, 20 en 21, 37, 44, 48
en 68
(
Hoorcolleges 1985 – 1987 te Gouda )
de
gestolde neerslag van een bepaalde fase van de ontwikkeling van het zelfbewustzijn.
Er worden allerlei dingen vastgelegd, als norm gesteld, die tijdens die fase
duidelijk zijn geworden. De neerslag van zo’n fase stolt tot cultuur.
Onder een ideologie versta
ik: een overheersend cultuurdenkbeeld dat gebaseerd is op de voorstelling hoe
de werkelijkheid zou moeten zijn.
Gewone mensen, zijn
mensen waarbij de twijfel zijn rol blijft spelen, die zich niet beroepen op
iets hogers, iets goddelijks of iets koninklijks of op hogere geestelijke
vermogens die maatgevend zouden zijn.
Bovenstaande tekst is geschreven:
Door Jan Vis, filosoof.
Terug naar, de Startpagina
Aangezien de filosofie er niet is voor enkele
bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit deze bundel
zonder meer toegestaan.
Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld.
|
|