DE
ONTWIKKELING VAN HET DENKEN (
hoorcolleges 1984/1985 )
atheisme,bewustzijn,big
bang,christendom,cultuur,cyclisch denken,de menselijke zelfontkenning,de
ontwikkeling van het denken,denken,denkwegen,de ware mens,ecologie,erfzonde,euthanasie,evangelien,gedachtegangen,geest,geven
en nemen,gods zoon, heilige geest,het atheistische denken,het godsdienstige
denken,het menselijk denken,hitler,holistisch denken,humanisme,
ideologieen,joden,joodse denken,lineair denken,mensenrechten,oerchristendom,oerchristenen,ontwikkeling,paradijsverhaal,
veiligheid,wat is eigenlijk het
denken,zelfbewustzijn,zelfdoding,zelfontkenning,zien.
Naar bladwijzers: Niels Bohr ; Volksleiders ; Atheļsme ; EUTHANASIE is een VANZELFSREKENDHEID..! ; Wat is de waarde van een mens..!
Zie: waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2 ; waardeoordelen-3 ; waardeoordelen-4 ; waardeoordelen-5 ; waardeoordelen-6 ; Visie
; Zenboeddhisme-1 ; Zenboeddhisme-2 ; het menselijk
Gedrag begrijpen ; Economisch Denken ;
Vrijheid (nrs. 5,
7, 11tm14, 16, 22, 23, 32) en veiligheid-1(t/m
23) ;
veiligheid-2 ; Arbeid-1 ; Arbeid-2 ; Werken
; Profeten; De
historiciteit van Jezus/Christus ; De Heilige Geest ; De derde wereld zal nog
verder verarmen ; praten over de dingen ; De betekenis van het
Paradijsverhaal / De Zonde
; De betekenis van een uitspraak ; Denkt de
moderne mens eigenlijk wel ną..? (het op
een rijtje zetten / een goed onderzoek ) ; Op een
rijtje zetten paginas 25 en 26 ; mohammedaanse-1 ; Hoe te Overtuigen ; staken
; honger-1
; honger-2 en mensenrechten ; met rust laten ; de
wereldveroveraars ; Wat is eigenlijk het denken ; Het verzamelaars
denken ; het op een rijtje zetten
; Inburgeren ; Geboren in een
Islamitisch land ; De wording van het Roomse
Christendom, Oerchristendom en De
Oerchristelijke Gedachte
; Het
Kruis ; Yoga ; De
ondergang van het oerchristendom
; Gods Zoon
; De Zoon van de Mens ; Wat
verschijnt er op de planeet?
; Het denken en de waarheid ; Overtuiging
; Het
zogenaamde logische denken
; Zich verhelderen ; Kwalitatieve en
kwantitatieve denkontwikkeling
; Waar is De Oermens ; Omdat <ik>
het <zeg>..! ; Geweld ; Geven en Nemen ; hoer-1 ; hoer-2 ; Zelfdoding ; religieuze
prostitutie ; Materialistisch ; Bestrijd de vijand- het
eenzijdige denken- in Uzelf ;
Wetenschapsfilosofie ; mystiek-1 ; mystiek-2 ; fouten ; fouten-2 ; Zalig zijn de armen van
geest ; Vervreemding ; Maar
als je echt over de dingen wilt nądenken,
filosoferen, zal je dat met je gehele
Persoonlijkheid moeten doen en niet alleen met het rationele gedeelte
van je zelfbewustzijn. ; Gewone mensen-1 (nrs. 22 t/m 24 ) ; Gewone mensen-2
( no.33) ; Vertrouwen ; Er is maar één leven..!
; Staan
de mensen "hoger" dan dieren en planten? ; Intuļtie
; Verwensingen2
; het conflict tussen gemeenschappelijkheid en
individualiteit ; verzorgingsstaat(-4) ; onthouden ; Verhullend taalgebruik ; Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1 ; Polarisatie-3 ; Voedselketens ; De menselijke
zelfontkenning ; De ondergang van cultuurstelsels ; De
grondslagen van de westerse cultuur ; De voedingsbodem is
bepalend nrs.14/15-Klassieke/Germaanse Cultuur ; Afhankelijkheidsrelatie ; Zelfkastijding ; China ; Rechters ; Onderzoeksdoel
/ Onderzoeksmethode ; Onderzoeksdoel / Objectief onderzoek ; Vooroordelen ; Socrates-nrs.27 en 28
; Aanpassen-1 ; aanpassen-2
; aanpassen-3 ;
Neem
ook eens kennis van: Manipuleren / op de mouw spelden
Naar artikelen met als bladwijzer Polarisatie en/of Verzorgingsstaat:
Polarisatie-1
; Zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr 2,
Polarisatie-2
; Zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr 3,
Polarisatie-4 ; Zie bladwijzers uit Nihilism en
Anarchisme als basis van het Atheisme,
Polarisatie-5 ; Zie bladwijzers uit De Universiteit
voor humanistiek en het Atheisme,
Verzorgingsstaat-1-zie bladwijzers van ontwikkeling West Europese
Cultuur-2x,
Verzorgingsstaat-2-zie bladwijzers in Waar
gaat het in de mensheid nu wezenlijk om,
Verzorgingsstaat-3-zie bladwijzers in De Grote
Vierslag,
Help mee om deze site te
promoten. Vertel het uw
!
(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes
)
Terug naar: De Startpagina
De
thans voor u liggende bundel bevat de samenvattingen van een serie wekelijkse
voordrachten over het thema: "De ontwikkeling van het denken",
gehouden in het seizoen 1984/1985 in het Trefcentrum te Rotterdam. De
voordrachten werden elke week op de band opgenomen en verwerkt tot een aantal
korte teksten. Deze bundel is niet bedoeld als een volledige filosofische
uitwerking van het gestelde thema. Allerlei belangrijke zaken zijn blijven
liggen of niet voldoende tot hun recht gekomen. Als men de bedoeling heeft een
boek te schrijven over een bepaald onderwerp begint men met het sorteren van de
voorhanden materie en het opbouwen van een bepaalde gedachtegang waarbij de
onderwerpen logisch uit elkaar voortvloeien. Maar bij het houden van
voordrachten treedt er een heel ander verschijnsel op waarbij het uit elkaar
voortvloeien van de onderwerpen niet bepaald wordt door een vooropgezet schema,
maar door de creativiteit van het moment. Men zou kunnen spreken van
"hardop denken" en daarvan is het kenmerk dat het zich niet aan het
keurslijf van een schema houdt. In tegenstelling tot wat vele filosofen menen
is het creatieve filosofische denken niet schematisch, het is zelfs wel grillig
te noemen. Deze grilligheid is bewaard gebleven in deze bundel. Men kan dat
toejuichen, men kan het afwijzen, de lezer moet zelf maar uitmaken of hij al
dan niet de wetenschappelijke systematiek verkiest boven de creatieve
grilligheid. De samenvattingen zijn gemaakt om de toehoorders van de
voordrachten behulpzaam te zijn bij het zelf overdenken van het thema. Ze zijn
niet bedoeld voor een grootscheepse verspreiding. Toch heeft de
vrijdenkersuitgeverij De Vrije Gedachte gemeend er goed aan te doen een
grotere bekendheid aan deze samenvattingen te geven. Omdat ze met een
ouderwetse schrijfmachine getypt zijn is het resultaat druktechnisch niet
optimaal, maar daar staat tegenover dat de kosten laag gehouden konden worden.
Uitgave:
DE VRIJE GEDACHTE Postbus 1087 3000 BB Rotterdam
DE ONTWIKKELING VAN HET
DENKEN
No.
1.
Als
wij na willen gaan welke weg de ontwikkeling van het menselijk denken in de
loop der tijden gevolgd heeft, dan kunnen wij niet om enkele vragen heen, die beantwoord
moeten worden. Allereerst is er de beruchte vraag: "wat is eigenlijk het denken",
maar daarnaast moeten wij er ook achter zien te komen wat wij onder
"ontwikkeling" moeten verstaan. Bovenal echter moeten wij uitzoeken
hoe de mensen op deze planeet begonnen zijn. We moeten dus zoeken naar de
oermens" en de vraag daarbij is uiteraard "hoe doe je dat, welke
gegevens staan er ter beschikking en in hoeverre zijn die gegevens
betrouwbaar". Wat het laatste betreft zijn er twee mogelijkheden. De ter
beschikking staande wetenschappelijke gegevens zijn wat hun betrouwbaarheid
betreft afhankelijk van de stand van het wetenschappelijk onderzoek, en dus van
de vraag "hoe ver is men gevorderd", en ook van de technische
mogelijkheden om nauwkeurig onderzoek te plegen. Je zou dit kunnen noemen DE
OBJECTIEVE (ON)BETROUWBAARHEID van de gegevens. Er is echter nog een andere, en
veel gevaarlijker, dubieuze factor, namelijk die van de SUBJECTIEVE
(ON)BETROUWBAARHEID. Hierbij gaat het om de voorstellingen en vooroordelen die in
onszelf aanwezig zijn en die doorgaans onbewust het beeld van de werkelijkheid
vertekenen. Juist in de moderne, westerse cultuur wemelt het van die
voorstellingen. Gevoegd bij de arrogantie van het westerse denken levert dit
een heleboel onzin op die bijna onuitroeibaar schijnt. We komen hierop nog
terug.
Wetenschappelijke
benaderingen
De
ontwikkeling van het denken" wordt vaak verward met de geschiedenis van de
filosofie. Daarbij wordt voorbijgezien aan het feit dat de mensen eerst moeten
denken willen zij ooit toekomen aan filosofie, terwijl wij ons bovendien moeten
afvragen "wat versta je onder filosofie". Wat dit laatste betreft:
gewoonlijk gaat men er van uit dat de filosofie met de oude Griekse
"natuurfilosofen" begonnen is, enige eeuwen voor het begin van onze
jaartelling. Aan de oosterse filosofie wordt in de regel met groot gemak
voorbijgegaan omdat die filosofie nog niet werkte met de in het westen als de
maat gestelde denksystemen. Er wordt, zeker tegenwoordig, wel betrekkelijk
uitvoerig kennis genomen van de oosterse filosofieėn, maar alleen al de
betiteling "niet westerse filosofie" maakt voor de goede verstaander
duidelijk dat er al bij voorbaat een ongunstig oordeel over uitgesproken wordt.
Bij de oude Grieken begint er iets te dagen van onze westerse wijze van denken
en "dus" moet daar de filosofie beginnen. Dat deze opvatting
onhoudbaar is zal duidelijk zijn; bovendien zullen wij het nog uitvoerig
bespreken. De ontwikkeling van het denken echter heeft op zichzelf nauwelijks
iets met de geschiedenis van de filosofie te maken; de filosofie is namelijk
een van de consequenties van de denkontwikkeling en vaak niet eens de meest
diepzinnige... Gewoonlijk wordt in de geschiedeniswetenschappen het
"historische" begin van de menselijke beschaving gelegd bij het voor
het eerst verschijnen van geschreven berichten. Maar deze stellingname kan
tegenwoordig nauwelijks meer verdedigd worden omdat de moderne technieken het
toelaten een schat van betrouwbare gegevens te putten uit allerlei voorwerpen
die als restanten van menselijk leven vrijwel overal aangetroffen worden. En
vaak zegt dat veel meer over ons voorgeslacht dan meer of minder subjectieve
geschreven berichten waarvan het ook nog maar de vraag is of deze goed vertaald
en geļnterpreteerd worden. Want ook hier geldt de vraag "in hoeverre wordt
de interpretatie vertekend door de (onbewuste) invloeden van onze
cultuur".
Sommige richtingen in de moderne antropologie houden zich
bezig met de ontwikkeling van de mens, maar omdat men de mens vrijwel
uitsluitend beziet als een "natuurproduct" dat zich ontwikkelt tot
een "culturele" zaak, en dus tot iets beters dan het aanvankelijk
was, ligt er in deze tak van wetenschap een waardenstelsel verborgen. De
onuitgesproken opvatting namelijk dat de mens om te beginnen niet goed zou zijn
en dat voortdurende "beschaving" op den duur tot iets goeds zou
kunnen leiden. Het spreekt daarbij vanzelf dat de norm voor het
"goede" verder niet ter discussie staat omdat die norm bij voorbaat
door het wetenschappelijk denkmodel bepaald is. Resumerend kunnen wij zeggen
dat de vraag naar de ontwikkeling van het denken niet door de moderne
wetenschap opgelost kan worden, en dat dit onvermogen gelegen is in dat denken
zelf.
De
"oermens", de oorspronkelijke mens, is te vinden in onszelf. Wijzelf
zijn die oorspronkelijke mens, maar hij is diep in onszelf verborgen onder een
dikke, bijna niet te doorbreken, laag van onbegrip, veroorzaakt door de
eeuwenlange inwerking van denksjablonen. Die denksjablonen hebben iets anders
van ons gemaakt. Wij zijn in de loop der tijden in een huid gekropen die de
onze niet is. Dit betekent dat de gehele culturele ontwikkeling menselijk
gezien een achteruitgang is, een toenemende vervreemding, en het
betekent ook dat ons zoeken naar de oermens langs een heel andere weg moet
geschieden dan wetenschappelijk gebruikelijk is. Het leren begrijpen van
onszelf is de weg naar de oorsprong. En vanuit die oorsprong is het niet zo
moeilijk de ontwikkeling van het denken na te gaan. Onze opgave heeft dus twee
aspecten: enerzijds is er het oplossen van een concrete vraag ("hoe is de
denkontwikkeling") en tegelijk is er anderzijds het ONTDEKKINGSPROCES (het
bedekkende, verhullende
wegnemen) in onszelf. Deze dubbele activiteit is in het westerse denken niet
gebruikelijk. Toch zijn er vroeger mensen geweest die deze activiteit als
essentieel voor de wetenschap zagen. Voor hen was de ware wetenschappelijke
houding de voortdurende bereidheid tot ZELFONTDEKKING. De werkelijkheid leren
kennen betekende jezelf leren kennen, en jezelf leren kennen hield wetenschap
omtrent de werkelijkheid in. Restanten van deze opvatting vinden wij bij de
oude alchemisten, en we vinden die ook hier en daar in de mystiek. Tegenwoordig
zijn er tekenen die er op wijzen dat deze opvatting weer veld wint.
Overheersend is echter nog steeds de mening dat je VOOR het beantwoorden van
vragen een "deskundige" moet zijn en dat het onmogelijk is iets aan
de weet te komen door in jezelf een ontdekkingsreis te beginnen. Men
kwalificeert dit als "fantasieėn", als "metafysica", als
"onbewijsbare veronderstellingen", enzovoort. Daarbij ziet men
voorbij aan het feit dat de zogenaamde bewezen of bewijsbare zaken ook alleen
maar "waar" zijn binnen een bepaald denkmodel. En nu is het boeiende van
de zelfontdekking dat het er hierbij juist om gaat van die denkmodellen af te
komen en tot zekerheden te geraken die algemene geldigheid bezitten. De
ontwikkeling van het denken is in de eerste plaats het voor de mens duidelijk
worden van algemeen geldige zekerheden; de in de opeenvolgende culturen
gebruikelijke denkmodellen zijn een gevolg hiervan, maar zij zijn niet de zaak
waarom het gaat.
No.
2.
Het
probleem van de associaties
We
hebben er al op gewezen dat we bedacht moeten zijn op de onbewuste inwerking
van onze eigen denkmodellen op onze beoordeling van de ontwikkeling van het
denken. Als een bepaald historisch verschijnsel sterke overeenkomst vertoont
met een ons bekend verschijnsel associėren we ongemerkt het historische met het
hedendaagse en concluderen dan dat we het historische verschijnsel kennen en
begrijpen. Maar, in bijna alle gevallen is dat onjuist. En daar komen wij
achter als wij ons eigen denken vrij maken door het te ontdoen van allerlei
meningen, d.w.z. dingen die wij menen te weten omdat zij ons van jongs af aan
als vanzelfsprekendheden zijn gepresenteerd.
Stel,
wij ontdekken dat de mensen uit de oertijd op bepaalde momenten, bijvoorbeeld
bij volle maan, dansen uitvoeren rond een zekere boom in het bos, en dat die
mensen daarbij bepaalde rituele handelingen uitvoeren. Dan is het voor ons
bijna vanzelfsprekend dat wij hier te doen hebben met een religieus
verschijnsel, namelijk een relatie met een hogere macht. Maar in feite is het
zeer de vraag of deze conclusie juist is, en als wij deze conclusie niet
onmiddellijk in twijfel trekken kunnen wij heel gemakkelijk verkeerd over de
mensen van de oertijd gaan denken. Dus: in onze tijd is de rituele dans
"religieus", maar was dat toen ook zo? Een ander voorbeeld: in de
moderne wetenschapsbeoefening legt men steeds de nadruk op de economische
aspecten van het samenleven. Vrijwel het gehele denken over mens en
maatschappij staat in het teken van de economie, en sommigen beweren zelfs dat
de economie de "nieuwe godsdienst" van de mensen is. Zo wordt het al
vroeg in de geschiedenis optredende al of niet formele huwelijk verklaard uit
economische gronden: men hield het bezit in de familie en zodoende kon men zich
beter handhaven, enzovoort. Maar het is zeer de vraag of een dergelijke
"berekening" aan de basis van de huwelijksgedachte gelegen heeft,
hoewel het zeker een feit is dat economische motieven het huwelijk voortdurend
beļnvloed hebben, echter pas nadat de mensen tot het sluiten van huwelijken
overgegaan waren. In het licht van die "nieuwe godsdienst", de
economie met al zijn priesters en de daarbij behorende onwrikbare dogma's,
verschijnen de verhoudingen tussen de mensen als economische grootheden,
precies zoals in de westerse Middeleeuwen in alle verschijnselen de "hand
van god" gezien werd. En wie dat goddelijk bestuur betwijfelde of ontkende
werd zonder meer verketterd, zoals tegenwoordig iemand genegeerd wordt die de
zogenaamde "wetenschappelijk bewezen stellingen" van de economie in
twijfel trekt. En dat terwijl werkelijk iedereen kan ondervinden dat er van de
economische uitspraken en berekeningen nooit iets klopt - sterker nog: dat
"denken" voert ons steeds dichter naar de afgrond. Desondanks wordt
het voor de mensheid als de maat gesteld en beļnvloedt het inmiddels vrijwel
alle verhoudingen tussen de mensen. Nog even iets over de RELIGIEUZE
INTERPRETATIE van verschijnselen uit de oudheid. Er is een verschijnsel geweest
dat door de latere Europese onderzoekers "religieuze prostitutie"
genoemd is. Religieus omdat die prostitutie in de praktijk in tempels
plaats vond en voor ons is een tempel iets religieus'. Maar ten grondslag aan
die prostitutie lag een BESEF over de werkelijkheid en niet een
godsdienstige voorstelling. Volgens dat besef was de werkelijkheid een
harmonieus samenhangend vrouwelijk geheel, en dat geheel werd verbroken als een
vrouw in het huwelijk trad. Deze misdaad ten opzichte van de werkelijkheid
moest "verzoend" worden, en dat deed de vrouw door zich voor het
huwelijk als ongebonden te laten gelden. Zij gaf zich dan aan een
"vreemdeling". Later is dit ritueel in handen gekomen van de
priesters en is het oorspronkelijke besef verloren gegaan, zodat er voor de
vrouwen een PLICHT overbleef, die zij eventueel ook voor grof geld konden
afkopen bij de beroepspriesteressen en priesters. In die fase kan je zeker van
een godsdienst spreken en dus ook van "religieuze"
prostitutie, maar oorspronkelijk was er alleen maar een (overigens juist)
INZICHT in de werkelijkheid zelf. En als er INZICHT is, is er geen godsdienst,
noch religie. Op het verschijnsel van de religieuze prostitutie komen
wij echter nog uitvoerig terug, juist in verband met de inzichten van de
toenmalige mensen.
Tegenwoordig
denken de meeste mensen dat het denken zich ontwikkelt via het doorgeven van
informatie. Deze opvatting is onjuist, hoewel het anderzijds weer niet zo is
dat de uitwisseling van informatie geen rol heeft gespeeld. Om die rol te
kunnen spelen is evenwel iets anders nodig, iets namelijk dat ons in staat
stelt de aangeboden informatie als INFORMATIE te herkennen. Het
"besef" van de mensen moet toegankelijk zijn. Kinderen bijvoorbeeld
zijn op een bepaalde leeftijd niet ontvankelijk voor dingen die je ze zegt, zij
zijn er niet aan toe en dus zegt het ze niets. De door ons gezochte
"denkontwikkeling" ligt niet aan de oppervlakte; het is een soort
"grondstroom" die concreet allerlei in het denken teweegbrengt en
mogelijk maakt, maar die zelf daarvan onafhankelijk is. Een voorbeeld: het zal
een toenmalige Romeinse onderzoeker best wel eens opgevallen zijn dat de stoom
van kokend water de kracht heeft het deksel van een pot te lichten. Maar zijn
"denkontwikkeling" was nog niet in staat deze informatie te benutten
om een stoommachine te maken. Eeuwen later was er blijkbaar " iets "
in de mensen veranderd, en toen kwam men wel op dat idee met het bekende
positieve resultaat. Wat is die verandering, hoe gaat die in zijn werk en waar
vindt die plaats? Dat zijn de vragen waarom het gaat. Voorlopig moet gezegd
worden dat er in de mensen een door de mensen zelf niet te beļnvloeden proces
plaats vindt dat onder andere een vermeerdering en doorgave van kennis mogelijk
maakt, maar dat op zichzelf niets met vermeerdering of vermindering te maken
heeft. Anders gezegd: de KWANTITATIEVE denkontwikkeling is een gevolg van een
KWALITATIEVE denkontwikkeling, en om dat laatste gaat het ons. De volgende keer
gaan wij hierop door.
Keuzes
maken
De
kwalitatieve denkontwikkeling is in de MODERNE MENSEN zover gevorderd dat het
mogelijk is geworden om keuzes te maken: zullen we een bepaalde kennis en kunde
benutten of zullen wij dat niet doen? Zullen we in iemand een ander hart
plaatsen of zullen wij dat niet doen, zullen wij de formule van de erfelijkheid
veranderen of niet, enzovoort. Voordien waren dergelijke keuzes niet mogelijk;
nu dit wel het geval is komt er een nieuwe vraag voor de dag, de vraag namelijk
waarom men in de moderne wereld de keuzes maakt die men maakt, waarbij het
opvalt dat men bijna altijd de verkeerde keuze maakt. De alchemisten zeiden
destijds: maak het resultaat van uw onderzoek niet bekend (= keuzes mogelijk
maken) want de machthebbers zullen het verkeerde kiezen! Zij voorzagen dus de toestand
waarin wij thans verkeren.
Kwalitatieve
en kwantitatieve denkontwikkeling
Als
we de denkontwikkeling bekijken vanuit een kwantitatief gezichtspunt, dan zien
wij dat er een CUMULATIEF proces gaande is. De volgende hoeveelheid kennis
stapelt zich op de vorige, versmelt gedeeltelijk daarmee, opent nieuwe
gezichtspunten, maar vooral: doet de hoeveelheid kennis toenemen. Dit evenwel
is niet denkbaar zonder dat de kwaliteit van het denken geleidelijk verbetert.
Maar tenslotte treedt er een situatie op waarin de hoeveelheid kennis zo groot
is geworden en ook zo snel toeneemt dat men er geen raad meer mee weet. Deze
toestand geldt thans voor de mensheid, en voorlopig is op te merken dat het nu
niet meer gaat om kwaliteitsverbetering van het denken - het denken is helder
geworden - maar om de vraag: in welke verhouding staat het denken zelf tot het
geheel van het menszijn, welke "rol" speelt het denken in het leven?
Voor
mensen die opgegroeid zijn in de westerse denktraditie is het niet gemakkelijk
het begrip ontwikkeling te begrijpen. Want onwillekeurig sluipt de
"groeigedachte" het denken binnen, met als gevolg dat we aan
"groter worden" gaan denken en dus bevangen raken in kwantitatieve
begrippen. De ideeėn over de huidige economie zijn een goede illustratie. Men
zegt immers "het gaat goed met de economie, want de winsten stijgen, de
export neemt toe, er komen weer arbeidsplaatsen bij ", enzovoort. Er is
dus inderdaad te spreken van "groei", maar betekent dit nu ook dat de
economie als zodanig verbetert? Daarvan is duidelijk geen sprake: men borduurt
op het oude stramien voort alsof men niets van het verleden geleerd heeft; er
is geen verdieping van inzicht, geen verandering in het economisch denken
zelf. De derde wereld zal nog verder verarmen en nog meer mensen zullen
rijker worden en de oorlogsindustrie zal zich steeds meer uitbreiden. Men heeft
wel "nieuwe kansen" ontdekt en zich daarop ingesteld, maar niet het
denken zelf ter discussie gesteld. Groei is iets anders dan
"ontwikkeling". Voor ons eigen persoonlijke leven geldt dat we
aanvankelijk in het teken van het "groeien" staan. Maar we weten
allemaal wel dat we ons daarna moeten gaan ontwikkelen. En ook weten we best
dat dit niet betekent dat je je kennis moet vermeerderen (al houdt bijna
iedereen zich daarmee bezig), maar dat het betekent dat je de dingen van het
leven leert begrijpen, dat je inzicht krijgt, kortom dat je gaandeweg wat
"wijzer" wordt. En dat "wijzer worden" is iets dat niet in
hoeveelheden is uit te drukken. Men spreekt graag van "de ontwikkeling van
dit en de ontwikkeling van dat" en wekt daarmee de suggestie dat
ontwikkeling een of andere objectieve grootheid in de werkelijkheid zou zijn,
iets dat buiten mij omgaat. Niets is echter minder waar: de ontwikkeling vindt
in jou en mij plaats. De mens is het enige verschijnsel in de kosmos waarvoor
het begrip "ontwikkeling" geldt. Ontwikkeling is een typisch
menselijk verschijnsel. Het is bijvoorbeeld fout om over "de ontwikkeling
van het heelal" te spreken. Het heelal heeft zich niet ontwikkeld. Het is
ontstaan door allerlei processen, het heeft zichzelf opgebouwd totdat het
tenslotte de mensen heeft opgeleverd en dan gaat de ontwikkeling beginnen, in
die mensen zelf. Zij zijn toegerust met hersens en voor deze hersens geldt dat
er niet meer gesproken kan worden van groeien of toenemen in omvang. Er vindt
geen verdere opbouw plaats, zoals dat voor het verschijnen van de mens wel het
geval was. Het feit dat de linker- en de rechter hersenhelft wel enigszins in
omvang zijn toegenomen hangt samen met de toename van FUNCTIES en hangt samen
met veranderingen in ons lichaam.
Maar de hersenen die typerend zijn voor ons
"menszijn" vertonen geen verandering. De "opbouwprocessen"
van de kosmos zijn in de mensen afgelopen. Er vindt geen verdere opbouw meer
plaats. Waarom dit zo is kan in het bestek van deze cursus niet besproken
worden - het zou teveel tijd vergen ( zie hiervoor Beweging
en Verschijnsel deel 1,2 en 3 ). Datgene dat zichzelf niet
verder uitbouwt (omdat het af is) is het ZELFBEWUSTZIJN. Het feit dus dat de
mensen zich van zichzelf bewust zijn. En ook hier gaat het niet om de vraag
HOEVEEL de verschillende mensen van zichzelf weten, maar om het feit dat zij
van zichzelf weten. Een meer of minder geldt hier niet. Het zelfbewustzijn
VERHELDERT zich in de loop der tijden, en over deze verheldering gaat het als
het over "denkontwikkeling" gaat.
Voorlopig
een voorbeeld: in een donkere kamer met allerlei spullen er in kan ik een kaars
ontsteken en daarna een sterke lamp. In beide gevallen zie ik de in die kamer
aanwezige dingen, maar in het laatste geval zijn ze voor mij meer helder dan in
het eerste geval. Door die grotere helderheid kan ik ook meer details
onderscheiden, maar dat is nu niet waarom het gaat. Als ik veel gereisd heb,
heb ik meer gezien dan wanneer ik thuis ben gebleven, maar het is de vraag of
ik in het geziene meer inzicht heb gekregen. Een thuisblijver kan meer inzicht
in de werkelijkheid hebben dan iemand die veel gezien heeft. En zo zie ik in de
lichte kamer helderder dan in de schemerige kamer, maar helder zie ik in beide
gevallen. Dit betekent voor de mensheid dat de oermensen hun werkelijkheid, net
zo goed als wij, helder gezien hebben, maar wij beschikken over een helderder
zicht op de werkelijkheid. Voor Ons is het "zien" effectiever. Wij
hebben dus te doen met een zaak die "zichzelf gelijk blijft" (=helder
zijn) om tegelijk "zichzelf niet gelijk te blijven" (=helderder
worden). Het "zichzelf gelijk blijven" en het "zichzelf niet
gelijk blijven" moeten wij TEGELIJK denken, en dat is voor de westerse
denktraditie een moeilijke opgave. Want die traditie wil of het een of het ander,
maar niet beide tegelijk. Toch ervaren we aan ons eigen leven dat "wijzer
worden" betekent "veranderen" en tegelijk "jezelf
zijn", en bovendien ervaren we dat er niet iets is dat aan je toegevoegd
wordt, maar dat de dingen zich voor je OPLOSSEN, en dat betekent
"doorzichtig worden". Dat is verhelderen.
Een
denkspelletje
Ik
ga zitten denken aan een grote hoeveelheid erwten in een grote pan en daarbij
concentreer ik me op een erwt temidden van al die erwten. Dan ga ik me ook nog voorstellen
dat al die erwten met elkaar groepjes vormen van, zeg maar, vijf erwten. Maar:
ze zitten niet aan elkaar geplakt, ze zijn allemaal los aan elkaar. Nu vraag
ik: tot welk groepje behoort die ene erwt die ik in gedachten had genomen. Het
antwoord moet dan luiden dat ik het niet weet, want die ene erwt kan tot
verschillende groepjes behoren, het kan dit groepje zijn, maar ook dat. En ik
zal het nooit weten. De mogelijkheden worden steeds groter naarmate ik grotere
groepjes neem en een grotere pan met meer erwten. Hierop doordenkende stuit ik
op merkwaardige resultaten...Nu vervang ik in mijn denkspel de erwten voor
hersencellen, waarvan er miljarden in onze schedel aanwezig zijn. En ik vraag
dan alweer: tot welk groepje behoort een hersencel. Dan kan ik daarop geen
antwoord geven. In het kort kan ik zeggen: "alles is mogelijk".
Temeer daar onze hersencellen ook nog allemaal met elkaar verbonden zijn, iets
wat met onze erwten niet het geval was. In de hersenen kunnen dus alle denkbare
combinaties gemaakt worden, en dat betekent in de praktijk dat alles gedacht
kan worden. Elke denkweg (= combinatie) is mogelijk.
Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3
; Opgevoed-1
Combinaties
van hersencellen
Aan
de hand van ons denkspelletje met de erwten is duidelijk geworden dat elke
willekeurige hersencel een combinatie kan vormen met elke andere hersencel. Het
is overigens van belang hierbij in de gaten te houden dat de erwten maar een
voorbeeld vormden. De werkelijkheid van de hersencellen is veel gecompliceerder
dan ons voorbeeld, temeer daar er in de hersenen nog een andere factor een rol
speelt: de factor RICHTING. Dat we bovendien bij de hersenen ook nog met een
beweeglijke zaak te maken hebben spreekt welhaast vanzelf. Maar toch is het
voorbeeld van de erwten wel verhelderend
waar het gaat over de VERWISSELBAARHEID, d.w.z. een cel kan tot de ene
combinatie behoren, maar ook en tegelijk tot de andere. Wat bedoel ik nu met
dat laatste? Ik bedoel dat er nu een denkmogelijkheid geschapen is; de
mogelijkheid tot het "volgen van een denkweg", tot een
"gedachtegang".
Denkwegen
De
gehele dag gaat het denken in onze hersenen door, wij volgen voortdurend
gedachtegangen: of het nu gaat over het schillen van de aardappelen of over een
probleem dat ons bezig houdt, steeds volgen wij gedachtegangen. Dit "denken"
gaat altijd door, ook 's nachts als wij slapen. Wij ervaren dit denken in de
slaaptoestand als "dromen". Omdat die ERVARING er een is van flarden
van onze gedachtegangen komt de hele zaak ons verward en onlogisch voor. In
feite echter zijn de gedachtegangen in de slaaptoestand niet onsamenhangend,
maar de ERVARINGEN ervan. Die ervaringen worden geregistreerd in ons
zelfbewustzijn dat afwisselend in meer of minder diepe slaaptoestanden
verkeert. Daardoor komt het verward over. Maar het is al vanaf de vroege
oudheid bekend dat dromen wel degelijk iets betekenen voor de persoon die ze
droomt; alleen moet je er achter zien te komen hoe die flarden in de
"legpuzzel" passen - en dat is doorgaans niet eenvoudig. Freud onder
andere heeft zich hiermee bezig gehouden. Hij schreef hierover in Die
Traumdeutung (1904). Het zich leggen van contacten tussen hersencellen is het
volgen van een denkweg. Doorgaans vinden wij dat lang niet iedereen in staat is
een beetje "logisch" te denken, maar laten wij eens zien in hoeverre
ons vindsel houdbaar blijkt te zijn.
Het zogenaamde logische denken
Het
is opmerkelijk dat iedereen van zichzelf vindt dat zijn denken logisch is. Ook
als IK vind dat iemand, de paus bijvoorbeeld, onzin uitkraamt, vindt hij dat
zelf nog lang geen onzin. Hij heeft over zijn uitspraken goed nagedacht, d.w.z.
een samenhangende denkweg gevolgd. Hijzelf is er dus niet op uit geweest
"onlogisch" te denken en dat geldt voor iedereen. Elk mens is
gebonden aan de logica, ongeacht de vraag of IK het nu logisch vind of niet.
Omdat werkelijk niemand hieraan ontkomt (behalve misschien iemand die ziek is)
blijkt hieruit dat in elk mens "gedachten" een denkweg volgen. Het
springt niet willekeurig van het een naar het ander, het vloeit van het een in
het ander, d.w.z. het "signaal" van de ene hersencel vloeit naar de
andere volgens zekere wegen. Zoals in een computer een elektrisch stroompje,
via allerlei schakelingen, zijn weg zoekt, zo zoekt ook een
"denksignaal" zijn weg door de hersenen - nooit willekeurig, maar
altijd gebonden aan "geleiders" en "schakelingen". Denk
echter niet dat de menselijke hersenen een computer zijn - zij zijn veel meer
dan dat, maar het is wel een feit dat de mensen een computer hebben kunnen
ontwerpen omdat hun hersenen op overeenkomstige wijze functioneren.
Van
belang is evenwel in de gaten te hebben dat de denkwegen bij de mensen niet,
zoals bij een computer, bij voorbaat vastliggen. Elke denkweg is in principe
mogelijk, zelfs een denkweg die "zichzelf ontkent". Een leugen
bijvoorbeeld is de ontkenning (= op zichzelf ook een denkweg) van een bepaalde
denkweg, en beide, leugen en denkweg, komen geregeld tegelijk in een mens voor.
Bij een dier is dat niet mogelijk omdat de hele zaak
"geconditioneerd" is; een bepaalde impuls volgt een bepaalde,
vastgelegde, weg en geen andere. Een bepaalde reactie is het gevolg van een
bepaalde impuls. Maar bij een mens kan het ook anders; het staat niet van
tevoren vast welke reactie volgt op een bepaalde impuls. Omdat dit de mensen
onzeker maakt proberen zij al vanaf de vroegste tijden zichzelf en elkaar te
conditioneren en zij noemen dit dan "beschaven". Wij komen hierop nog
terug. Voorlopig zij gezegd dat "beschaven" en dus "opvoeden" de mensen
ONVRIJ maakt en ze afleidt van hun wezenlijke situatie; niet bij voorbaat
vastgelegd zijn van het denken. In de 19e eeuw is er een bepaalde opvatting
ontstaan over "logisch" denken.
Volgens
die opvatting is slechts een bepaalde wijze van denken de goede en bijgevolg
zijn alle andere denkwegen fout. In de opvoeding en in het onderwijs is die bepaalde
denkwijze, met behulp van allerlei systemen, bij de mensen "
ingeprogrammeerd", met als (tragisch) gevolg dat zelfs bijna niemand meer
aanvoelt dat het ook nog anders kan. En dat iedereen OP EIGEN WIJZE logisch
denkt (=samenhangend) wil er al helemaal niet meer in. En dat ondanks het door
iedereen gemakkelijk waar te nemen feit dat je met je denken alle kanten
uitkan. Praat men in deze wereld niet voortdurend recht wat krom is en krom wat
recht is? Vinden politici niet elke (voor hen logische) denkweg aanvaardbaar om
hun doel te bereiken? Als de denkweg zelf maar sluitend is - volgens de 19e
eeuwse opvattingen. Omdat alle denken op zichzelf "logisch" is,
bestaat er niet een logisch denken. En dat blijkt in deze moderne wereld. Het
denken van de mensen vindt IN ZICHZELF geen "waarheid"; een eventuele
"waarheid" is niet gegrond, in het denken, maar in het INZICHT - en
dat is heel iets anders...
Mensen, theologen bijvoorbeeld, kunnen
redeneringen opzetten die op zichzelf intelligent en sluitend zijn, maar die
getuigen van een fout inzicht in de werkelijkheid. In de natuurkunde is er de
theorie van de big bang", volgens welke theorie de kosmos ontstaan zou
zijn uit de ontploffing van een minuscuul klein klompje materie met een gigantische
"massa", en met behulp van die theorie is er een heleboel kennis
omtrent de kosmos te verwerven, maar toch getuigt die theorie van een fout
inzicht in de werkelijkheid. De redenering is sluitend, maar het inzicht deugt
niet. In de godsdiensten wil men het doen voorkomen dat het geloof een kwestie
zou zijn van inzicht in de werkelijkheid. Niets echter is minder waar; het
geloof is een kwestie van denken, je denkt dat het zit zoals de godsdienst zegt
dat het zit, en je houdt dat voor waar. Ben je in een islamitisch land
geboren en opgevoed,
dan houd je dat voor waar en in een christelijke cultuur geldt iets anders voor
je. Het is maar net de vraag voor welke denkweg je tijdens de opvoeding geprogrammeerd
bent. Op grond van die conditionering vind je het in zo'n godsdienst gestelde
logisch. Dat het alleen maar logisch is omdat je daartoe geprogrammeerd bent
ontgaat je. Want je vindt dat programma vanzelfsprekend. Echt leren denken
betekent dan ook dat je je eerst en vooral bewust moet worden van het feit dat
je geprogrammeerd bent en dat dus jouw logica er een is uit vele. En al die
"logica's" zijn (behalve bij zieke mensen) samenhangend - omdat dit
niet anders kan op grond van de samenhangende structuur van onze hersenen. En,
nogmaals; met een mogelijke "waarheid" heeft dit alles niets te
maken; waarheid put je niet uit denken, maar uit "zien". En dat is
iets dat in onze 19e eeuwse denktraditie niet erkend wordt.
Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3
; Opgevoed-1
Vrijheid (nrs. 5, 7,
11tm14, 16, 22, 23, 32) arbeid-1 ; arbeid-2 ; werken
Het
denken en de waarheid
Het
is opmerkelijk dat de meeste mensen niet tot de ontdekking komen dat er in het
denken zelf geen "waarheid" steekt. Niet voor niets heeft men, in de
loop van de 19e eeuw en uitgebouwd in de 20ste eeuw, een heel stelsel van
regels en normen opgesteld waaraan het denken heeft te gehoorzamen om tot
bruikbare kennis te komen. Er is een hele "kennistheorie" ontstaan en
ook in de filosofie houdt men zich intensief bezig met "wetenschapsfilosofie"
waarbij men tot de meest ingewikkelde systemen van "bewijs en
bewijsvoering", "toetsing" en "falsificeerbaarheid"
(Karl Popper stelt dit laatste, o.a. in "Logik der Forschung" -
1935)-komt. Hieruit blijken twee dingen: 1e men vertrouwt terecht het denken niet,
en 2e men meent het denken betrouwbaar te kunnen maken door het aan regels te
binden. Maar, met alle mogelijke regels is het nog steeds onbetrouwbaar wat
betreft het boven water brengen van "de waarheid", te meer omdat wij
de regels voor het denken zelf opgesteld hebben en er ons vervolgens vrijwillig
aan hebben onderworpen. Wat dit betreft wekt het verbazing om te zien hoe
bijvoorbeeld de "vrijdenkers" propaganda maken voor het
"vrije" denken en zich tegelijk, zonder enig bezwaar, vastleggen aan
de geldende regels zodat zij zelfs nog in deze moderne tijd, nu er steeds meer
mensen zijn die het waarheidsgehalte van het denken en de daarop gebaseerde
wetenschap ernstig in twijfel trekken (Feyerabend o.a.), de moed hebben
pogingen tot het ontwikkelen van een niet aan vooropgezette regels gebonden
denken zonder pardon te verketteren. Nu zijn de vrijdenkers traditioneel
bestrijders van het zogenaamde godsdienstige denken: zij wijzen het opstellen
en handhaven van dogma's af. Maar zij onderwerpen zich met graagte aan
"wetenschappelijke" dogma's en verkeren op grond daarvan in de mening
dat het de moderne wetenschap is die het godsdienstige denken heeft
teruggedrongen. Een mening die fout is; het godsdienstige denken is precies
hetzelfde denken als het moderne wetenschappelijke denken en beide laten zich
terugdringen door veranderende INZICHTEN, dus door het tot bewustzijn komen van
een ander BEELD van de werkelijkheid. En niet door een ander denken. Want er is
op dit moment nauwelijks een ander denken, en waar het toch de kop opsteekt
wordt het hysterisch onderdrukt, omdat het voor alle denken gevaarlijk is. Het
"waarheidsgehalte" van allerlei gedachtegangen, al of niet als
maatgevend gesteld in de vorm van ideologieėn, komt niet voor de dag door uiterst
geraffineerde analyses van die gedachtegangen en ideologieėn, maar door HET
LEVEN zelf. Al levend ontdekken de mensen de leugens en de fouten en zij
doen dat doorgaans al lang voordat het wetenschappelijk denken er aan toe is.
Uit de gestaag toenemende kracht van bijvoorbeeld de vredesbeweging blijkt dat
steeds meer mensen in de gaten hebben dat een zichzelf vernietigende wereld
geen leefbare wereld is en dat het oorlogsgedoe dus op moet houden. Maar de
zogenaamde denkers van deze wereld kunnen het probleem niet oplossen: de ene
groep beredeneert waterdicht dat er wapens moeten zijn, ter afschrikking
bijvoorbeeld, terwijl de andere groep haarfijn weet aan te tonen dat de wapens
de wereld uit moeten. En niemand weet het juiste antwoord te geven, behalve de
mensen die er niet of nauwelijks over nadenken maar gewoon vanuit zichzelf tot
het INZICHT zijn gekomen dat er VREDE moet zijn onder de mensen. Opvallend is
dan ook dat die "vredelievende" mensen vrijwel geen VOOR HET
GEVESTIGDE DENKEN AANVAARDBARE argumenten hebben om hun zienswijze te
ondersteunen. Het denken kan niets met hun zienswijze - ook hun eigen denken
niet. De inzichten veranderen de wereld, het denken niet.
De programmering van het denken
Vanaf
de vroegste tijden "programmeren" de mensen hun denken. Bij het
verschijnen van de mensen op de planeet treedt er voor het eerst in het
"wordingsproces" een levend verschijnsel op waarvoor geldt dat alles
VRIJ is. Beperkter gezegd: een levend verschijnsel waarvoor het denken vrij is.
Dat denken kan alle kanten uit. En dat is voor dat "nieuwe"
verschijnsel een beangstigende situatie die de behoefte aan een houvast en aan
een doel oproept. Het gaat er immers om te "overleven". Het overleven
is dus de eerste opgave van dat nieuwe verschijnsel en het is een
"opgave" omdat het nieuwe verschijnsel in geen enkel opzicht
geprogrammeerd, geconditioneerd is. Dit in tegenstelling tot de gehele
voorgaande natuur, die geheel en al ingesteld is op het overleven. Wat bij de
planten en de dieren dus een vanzelfsprekend programma is, dat zich vertoont
als zich voeden en voortplanten, is voor de mensen totaal afwezig, zodat het
voor hen dus een OPGAVE wordt om te overleven. Om hieraan te voldoen
programmeert het denken zichzelf. De mensen leren, door de
"ervaring", wat voor hen wel eetbaar is en wat niet; zij behoeven dat
niet telkens opnieuw te onderzoeken (behalve bij iets dat voor hen nieuw is)
omdat zij het inmiddels "weten". En dit betekent dat zich denkwegen
hebben vastgezet in hun hersenen. De mensen moeten alles "leren"
omdat hen vanuit de voorgaande "natuur" niets meegegeven is. Dit
wordt verklaard door het feit dat er, met het verschijnen van de mens, een zaak
te voorschijn komt die het einde is van de programma's en die daarin dus zelf
niet meer opgaat. Dit blijkt ook uit de bouw van de mensen: die deugt, gezien
vanuit de natuur met haar "overlevingsprogramma", letterlijk nergens
voor. Er zijn geen klauwen om een prooi te grijpen, geen tanden om die te
verscheuren, geen horens om zich te verdedigen en zelfs nauwelijks een pels om
de eigen lichaamstemperatuur te reguleren. Kortom: de speciale toerustingen van
plant en dier om, ieder op eigen wijze te overleven, ontbreken bij de mensen.
Omdat zij de laatste kosmische mogelijkheid zijn, zijn zij, gezien vanuit de
natuur, een ONMOGELIJK GEVAL. Maar hun denken is - om te beginnen - wel vrij.
Het kan alle kanten op en dus kunnen de mensen overal wat op verzinnen. En dan
ontstaan er gaandeweg vaardigheden die de "natuurlijke" mogelijkheden
overtreffen. De mensen gaan zelf hun denkprogramma's maken en daarvoor is de
eerste stimulans dat zij moeten overleven. En dan gaan de mensen de RICHTING
van hun leven bepalen; zij moeten dat, in tegenstelling tot de overige natuur,
zelf doen. Zodoende scheppen zij een geheel eigen en nieuwe wereld, een wereld
die vanuit de natuur zo niet gegroeid is.
Overal
waar de mensen verschijnen ontstaat die nieuwe wereld. Zodat we kunnen zeggen
dat niet god de wereld geschapen heeft (een projectie van het eigen gedoe van
de mensen) maar dat de mensen dit zelf doen. De mensen zijn CREATIEF en dat is
het eerste dat aan hen opvalt. Deze creativiteit, gebaseerd op vrijheid
van denken, kan evenwel niet verhinderen dat de mensen vanaf het eerste moment
van hun leven op de planeet de vrijheid van hun denken inleveren ter
wille van het overleven. En deze programmering van het denken (= wezenlijke
onvrijheid) is in de loop der tijden zo diep ingeworteld dat de moderne mensen
ook thans nog zeker menen te weten dat je moet "werken" om te
(over)leven. Het creatieve is nog steeds verdrukt ter wille van het
overlevingsprogramma en dat is iets wat je gemakkelijk kunt constateren als je
de huidige discussies over de werkeloosheid volgt.
arbeid-1 ; arbeid-2 ; werken Vrijheid (nrs. 5, 7,
11tm14, 16, 22, 23, 32)
Zenboeddhisme-1 ; Zenboeddhisme-2
Op
bladzijde 5(2) heb ik de mens een "onmogelijk
geval" genoemd, en ook is er sprake van een "nieuw verschijnsel"
en een verschijnsel dat "af" is, zodat er verder geen
"opbouw" meer optreedt, zie blz. 3(2). Bovendien
heb ik opgemerkt dat het in het bestek van deze cursus niet doenlijk is een en
ander uitvoerig te onderbouwen. (Zie hiervoor: Beweging en Verschijnsel deel 1, 2 en 3) Hoewel
het dus voor MIJ onderbouwde uitspraken zijn, kunnen het voor de TOEHOORDERS
niet meer zijn dan "beweringen" waarvan ik hoop dat ze de toehoorders
aanspreken op grond van hun eigen kijk op de werkelijkheid. Maar, er is toch
wel meer over te zeggen. Het gaat in feite om de bewering: de mens is het
LAATSTE VERSCHIJNSEL. En dan komt de vraag op of dat inderdaad zo is en hoe ik
dat kan weten, terwijl van die vraag het laatste deel, namelijk "hoe ik
dat kan weten", op het ogenblik het belangrijkste is.
Het laatste verschijnsel?
Eerst
iets over het woord "laatste". Wij moeten hierbij namelijk niet
eenzijdig denken aan "laatste in de tijd" zoals we van de
"laatste trein" spreken. In de kosmos is het een voortdurend ontstaan
en vergaan van "werelden", zonnestelsels, enzovoort. Er is, kosmisch
gezien, dus niet te spreken van een laatste verschijnsel: er is geen eerste en
er is geen laatste - als we "eerste" en "laatste" verbinden
met het begrip "tijd", wat we overigens bijna altijd doen. Maar het
voortdurende ontstaan, her en der in de kosmos, levert TENSLOTTE steeds weer
mensen op, en met het verschijnen van die mensen komt een bepaald proces, hier
en nu, aan zijn einde. Dat proces gaat dan niet verder, het heeft zijn
"laatste" mogelijkheid opgeleverd, het is tot een "slotakkoord',
gekomen. En, zoals dat bij dergelijke akkoorden gebruikelijk is: de zaak houdt
daarmee op. De materiedeeltjes kunnen met elkaar niet tot een nog
"inniger" organisatie komen. Dit heeft verschillende consequenties,
maar daarover straks.
Hoe
kunnen we het weten?
Het
meest radicale antwoord op deze vraag is volgens het moderne denken een
onbetrouwbaar antwoord, dat bovendien "arrogant" gevonden wordt en
gespeend van elke bewijskracht. Het antwoord luidt: "ik weet dat ik de
laatste ben omdat ik het zeg". De nadruk kan hierbij gelegd worden op
"ik", en dan wordt het antwoord arrogant gevonden, en ook kan de
nadruk op "zeg" gelegd worden, en dan vindt men het een loze,
onbewezen, bewering. Maar bijvoorbeeld een Zen-Boeddhist uit het oude oosten
zou het een glasheldere uitspraak vinden en hij zou er bij opmerken dat een
kikker in een diepe put geen uitspraken zou kunnen doen over "de wijde
zee". Voor hem zou het volkomen duidelijk zijn dat er niets gezegd kan
worden over een werkelijkheid die je niet zelf bent. En ik denk dat hij gelijk
heeft: het feit dat wij mensen over de laatste en het laatste kunnen spreken
wijst er op dat wij het laatste kennen. Hebben de mensen niet vanaf de oudste
tijden gepraat en gemijmerd over "het hoogste" en "de laatste
dingen" en hebben zij niet, op de een of andere manier geweten dat zijzelf
overgaan in iets abstracts, iets niet-materieels: het zonder lichaam verkeren
in een werkelijkheid als louter "geest"? De hierover bedachte onzin
laten wij nu even daar! Het gaat om het feit dat er altijd over gesproken en
gedacht is. En in dit verband zijn er meer vragen, zoals bijvoorbeeld de vraag
hoe het kan dat de mensen over zichzelf na kunnen denken, en sterker nog is de
vraag hoe het kan dat de mensen over hun eigen denken na kunnen denken.
Nogmaals : hoe kunnen wij het weten
Het
antwoord "omdat ik het zeg" kan alleen maar gegeven worden als je al
een helder inzicht in jezelf hebt, of je situatie in de kosmos als in een
"flits" ziet zoals bij de Zenboeddhisme het geval was. Maar je kunt ook aan
de andere kant beginnen, namelijk bij het proces dat in de werkelijkheid plaats
heeft en dat de verschijnselen oplevert. De werkelijkheid zelf begint niet,
maar de processen BINNEN die werkelijkheid beginnen, op een zeker moment en op
een zekere plaats, wel en zij komen ook aan hun eind: dan kan het niet
meer verder en dan is alles "er uit gekomen". Ik moet dus
"ergens" een begin kunnen vinden en ook een eind. Ik kan me bijgevolg
afvragen wat er voor het laatste verschijnsel zou moeten gelden, en daarna eens
gaan kijken of ik dat verschijnsel ergens kan vinden. Ik ga dus zoeken naar het
"slotakkoord', en daarbij moet ik wel voor ogen houden dat er op dat
akkoord niets meer volgt. Dit betekent dat ik als laatste een "wezen"
aan moet treffen dat alle eigenschappen van het voorgaande proces vertoont,
MAAR ER TEGELIJK DE ONTKENNING VAN IS. Er moet tenslotte een
"dubbelwezen" optreden dat en "materieel" is (het proces)
en "niet-materieel" (niet meer het proces) tegelijk. Alles wat we aan
dat "dubbelwezen" kunnen bedenken blijkt vervolgens van toepassing te
zijn op de mensen. Hun niet-materiėle karakter blijkt uit hun kunst, hun
wetenschap en hun godsdiensten. En ook blijkt het uit het feit dat zij over
liefde en schoonheid nadenken en spreken; zij hebben zichzelf steeds een moraal
gesteld en zij kennen begrippen als recht en onrecht. Zo is er van alles op te
sommen dat wijst op iets niet-materieels. Maar ook het feit dat de mensen
vanuit de natuur tot niets toegerust zijn, zie 5(2) en dat
zij alles moeten LEREN, zelfs het overleven, is een aanwijzing dat de gedachte
dat de mensen het gezochte "dubbelwezen" zijn, juist is. Het sterkste
punt is echter dat de mensen zichzelf een "geest" toekennen, en
daarvan weten te melden dat hij is: onsterfelijk, volkomen onaantastbaar, alles
doordringend, vluchtig en glashelder. Dat zij deze "geest" voorlopig
BUITEN ZICHZELF projecteren en hem dan als "god" benoemen komt
doordat zij lange tijd niet in de gaten hebben of niet durven te erkennen dat
zij zelf de "laatste" zijn. Maar zelfs in een materialistische
cultuur als de onze, waarin de mensen vrijwel uitsluitend met de dingen
bezig zijn, gaat die bezigheid zonder uitzondering gepaard met geestelijke
argumenten, ook als die argumenten voor het eigenbelang gebruikt worden. Wij
kunnen dus zeggen dat voor de mensen inderdaad "het laatste" geldt,
als het juist is dat er in de kosmos processen plaats vinden.
Hoe
zit het met de dieren
Het
is denkbaar dat ook de dieren het "dubbele" kennen, of dat sommige
diersoorten, bepaalde apen bijvoorbeeld of dolfijnen e.d., het kennen, maar dat
wij dit niet aan hen kunnen constateren. Wij weten immers niet wat er in hun
hersens omgaat. Maar ook als wij deze mogelijkheid voorlopig open houden blijft
het een feit dat wij met de dieren niet van gedachten kunnen wisselen. Wij
kunnen over en weer wel "signalen" uitwisselen en ons zelfs wel
verstaanbaar maken, maar voor een gedachtewisseling zijn wij op onze medemensen
aangewezen. Zij zijn voor ons herkenbaar het "dubbelwezen". Als ik nu
zeg dat uitsluitend de mensen het "dubbelwezen" en dus het
"slotakkoord zijn, betekent dit niet dat de mensen "hoger" staan dan dieren en
planten. Er is namelijk maar één leven op de planeet; een eencellig
diertje is precies HETZELFDE LEVEN als het onze. Toch is er een verschil en dat
zit in de ORGANISATIE van het leven - van de levenscellen dus. Die organisatie
vertoont een "opgaande" lijn: steeds "inniger"
georganiseerd tot en met alweer - de laatste organisatorische mogelijkheid.
Alle levende wezens zijn organisaties van het leven. Zij hangen dan ook
onverbrekelijk samen, hetgeen tegenwoordig tot onze schande uit de
milieuvervuiling duidelijk wordt.
Zenboeddhisme-1 ; Zenboeddhisme-2
Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16,
22, 23, 32)
Waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2;
waardeoordelen-3
; waardeoordelen-4
; waardeoordelen-5
; waardeoordelen-6
;
Het
ene levende verschijnsel
Het
is opmerkelijk dat bijna alle westerse mensen denken dat de verschillende
planten en dieren "in zichzelf afgesloten" stukjes werkelijkheid
vormen die als zodanig niets met elkaar te maken hebben. Een veldmuis zou iets
geheel anders zijn als een krokodil, en de mensen zouden al helemaal niets met
de overige levende wezens te maken hebben. Men vindt dat zij zonder probleem kunnen
beschikken over dieren en planten. Je doet er maar mee wat je goeddunkt.
Intussen is al wel duidelijk geworden dat je ten aanzien van de natuur helemaal
je gang niet kunt gaan en dat elke ingreep verstrekkende gevolgen heeft, vaak
op een geheel onverwachte manier. Men begint te ontdekken dat in de natuur
alles met alles samenhangt. Dat de natuur, tot en met de mens, een soort van
keten vormt die niet verbroken kan worden. Er kan geen schakel tussenuit
genomen worden. In de "ecologie" is er een toenemend inzicht in de
samenhang van de levende wezens en dat is op zichzelf een positieve
ontwikkeling. Dit is evenwel iets anders dan het inzicht dat er in feite maar
één levend wezen op de planeet is. Bij dit laatste inzicht gaat het er om dat
elke levensvorm op haar eigen wijze moet kunnen bestaan. Hoe ongerepter de
levensvormen zijn, hoe gezonder het gehele leven op de planeet. En natuurlijk
hebben die verschillende levensvormen elkaar nodig, zij zijn afhankelijk van
elkaar en zo vormen zij "voedselketens",
waaruit niet een schakel gemist kan worden. Zolang wij echter alleen maar aan
die afhankelijkheid denken is het mogelijk bepaalde ketens belangrijker te
vinden dan andere, omdat ze voor ons mensen nuttiger lijken. Net zoals wij
elkaar nog steeds kunnen uitbuiten als wij al ontdekt hebben dat wij van elkaar
afhankelijk zijn en elkaar nodig hebben en voor elkaars welzijn moeten zorgen.
In de moderne verzorgingsstaat
bijvoorbeeld worden de mensen wel degelijk uitgebuit, ondanks het inzicht dat
we elkaar nodig hebben en belang hebben bij elkaars welzijn. In het Romeinse
rijk werden de slaven zo goed mogelijk verzorgd, en zij genoten zelfs bepaalde
rechten: omdat men van elkaar afhankelijk was. De gedachte dat de mensen een
mensheid vormen, en, ruimer nog, dat alles wat leeft een
geheel is, gaat boven de gedachte van het elkaar nodig
hebben uit. Binnen dat ene geheel hangt alles met alles samen, maar niets is meer
of minder belangrijk, alles moet tot zijn recht komen wil dat geheel in orde
zijn. Denk ik echter uitsluitend aan de afhankelijkheidsrelatie,
dan gaat het niet om het ene geheel, maar om MIJ en mijn belangen en daarmee is
het geheel in principe verstoord. Daarom zal men in de ecologie" nog
verder moeten gaan dan het onderzoeken en herstellen van de ketens"; men
moet gaan nadenken over het geheel van de levende natuur. Boven dit geheel is
niet uit te denken.
We
constateren dat in de natuur het éne levende wezen het andere opeet en dat dit
proces er op neerkomt dat de "aarde" door de levende natuur opgegeten
wordt. En uiteindelijk zijn het de mensen, die aan het einde van de voedselketens de aarde opeten. Anders
gezegd: de aarde wordt omgezet tot de mens en dat betekent op zijn beurt weer
dat in laatste instantie de aarde tot "geest" omgezet wordt, zie 6(2). In deze gedachte schuilt een gevaar. Omdat het begrip
"geest" voor de mensen geldt zouden we er uit af kunnen leiden dat de
mensen de "heersers" over de natuur zijn en dus de dienst kunnen
uitmaken. Vooral in christelijke kringen heerst de mening dat de natuur er is
voor de mens. En in de westerse wetenschap vindt men ook nog steeds dat de
natuur door de mensen beheerst moet worden en ingericht zoals de mensen dat
willen. Maar deze meningen zijn fout. Dat de aarde "via" de natuur
uitloopt in de geest betekent alleen maar dat die geest er pas dan kan zijn als
aarde en natuur er zijn en dus beide volkomen tot hun recht komen. En dat
kunnen zij niet als zij op de een of andere manier beheerst worden. Want
beheersen houdt in; "laten zijn zoals IK wil". Daarmee worden aarde
en natuur van zichzelf af gebracht zodat zij "beneden hun mogelijkheden"
blijven. Dit is in onze wereld dan ook duidelijk het geval. De aarde raakt
ontbost, de bodem verarmt, vele levensvormen worden met uitsterven bedreigd en
de mensen zijn geen van allen, geestelijk noch lichamelijk, gezond. En dat
alles dank zij de beheersingsgedachte, een gedachte die op een WAARDEOORDEEL
berust. Op grond van dit waardeoordeel zijn de mensen tot nu toe
destructief bezig. En dat is niet alleen maar thans het geval; ook vroeger
bijvoorbeeld ontboste men de aarde om bouwgrond te verkrijgen en ook toen
ontstonden er woestijnen en kale bergen. De mensen zetten steeds de natuur naar
hun hand; ook in dit opzicht wordt de aarde tot geest omgezet. Aan het proces
van het "omzetten van de aarde tot geest" is niet te ontkomen. Dat
proces heeft zich afgespeeld tijdens de wording en de evolutie en als op grond
daarvan de aarde en de verschillende levensvormen er gekomen zijn, gaat voort
in de vorm van "opeten". Zo is het leven. In het Oosten stelde men
daarom het leven gelijk met "lijden": alle leven heft ander leven op.
En ook als je jezelf uit dit leven terugtrekt blijft het leven doorgaan. Aan de
werkelijkheid zelf is niet te ontkomen, zelfs niet in de dood.
Tegenwoordig
komen steeds meer mensen tot de overtuiging
dat zij het "recht" hebben zelf hun levenseinde te bepalen. Maar je
kunt dan vragen; "van wie krijg ik dat recht, van wie mag ik het zelf
bepalen?". Het antwoord luidt gewoonlijk dat de "overheid" de
mensen het recht moet geven. Dank je wel, overheid! In feite echter MOETEN de
mensen hun eigen levenseinde bepalen; zij kunnen het niet NIET doen. Een dier
kan het onder omstandigheden doen, maar een mens moet het doen. Dat wordt
helaas lang niet door iedereen ingezien, ook niet door mensen die voor euthanasie zijn. De
verklaring voor die gedachte is deze; de mensen zijn het slotakkoord van de
werkelijkheid, zodat het (levende) verschijnsel in hen niet alleen bevestigd,
maar ook ontkend is. Die ontkenning, die wij gewoonlijk onze "geest"
noemen, bepaalt ons leven. En hij bepaalt ook onze dood. Of wij nu rustig van
ouderdom dood willen gaan, of wij willen op een door ons bepaald moment
sterven, steeds ligt het in eigen hand. En als iemand zelf niet meer kan
beslissen ligt de beslissing bij anderen. Tot nu toe voornamelijk bij
"moralisten" zoals geestelijken, artsen, rechters en familie, maar op
den duur bij "vrienden", d.w.z. mensen met wie je geleefd hebt. Het
gaat voortdurend om een MENSELIJKE beslissing, en dat komt doordat de
ontkenning een essentieel aspect van ons menszijn is. Daarom gaat het niet om
de vraag of wij het "recht" hebben op onze eigen wijze te sterven,
maar om het inzicht dat wij niet anders kunnen dan ons eigen einde bepalen. Ook
als je de dood afwacht is dat een eigen beslissing; je kunt hem ook niet
afwachten. Omdat dit een zaak van vrijheid is, willen de
"overheden", en de "moraalridders" er niet aan - niet omdat
zij zo begaan zijn met je leven, maar omdat zij VOOR EEN ANDER geen vrijheid
willen. In de praktijk is daarom alleen maar te stellen dat elke bedillerij van
wie dan ook uit de wetboeken moet. Een zelfdoding is zelfs in een vlaag van wanhoop nog
altijd jouw eigen beslissing.
Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16, 22, 23, 32)
waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2; waardeoordelen-3 ; waardeoordelen-4
; waardeoordelen-5
; waardeoordelen-6
;
Het
paradijsverhaal ( Nos 8, 9 en 10 )
waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2;
waardeoordelen-3
; waardeoordelen-4
; waardeoordelen-5
; waardeoordelen-6
;
We
hebben gezien hoe er, met het verschijnen van de mens op de aarde, een
onmogelijk geval zijn intrede deed in de natuur. Een geval waarvoor het
overleven een OPGAVE bleek te zijn omdat het op geen enkele natuurlijke wijze
op het leven in de natuur was toegerust. Een geval dus ook dat het moest hebben
van zijn niet-natuur-zijn en dus van zijn niet-materieel geaarde kwaliteiten.
Nu is het opmerkelijk dat in de overal op de wereld optredende
"paradijsverhalen" een duidelijke tekening van de situatie, waarin
die "eerste mens" verkeerde, werd gegeven. In de westerse
christelijke cultuur kent men vooral het paradijsverhaal uit Genesis. In dat
verhaal is er sprake van een gelukzalige toestand waarin de eerste mensen zich
bevonden, geheel samenvallend met de hen omringende natuur, die op geen enkele
wijze bedreigend was. De opgave om te overleven ontbrak dus. Die opgave wordt
pas dan een realiteit als de mensen zich laten verleiden om aan "god"
gelijk te worden en dus kennis te verkrijgen "omtrent goed en kwaad".
Vanaf dat moment wordt het overleven een zaak die "in het zweet uws
aanschijns" verwerkelijkt moet worden; de vrouwen zullen "met
smart" baren en er zal "vijandschap" zijn.
Het is uit met het paradijselijke, want de "zonde"
heeft zijn intrede gedaan. Het verhaal draait om het samenspel van een viertal
grootheden. Ten eerste is daar de natuur, aanvankelijk één met het
menselijk leven, maar later daaraan vijandig. Het besef dus dat de mensen niet
tot de natuur behoren. Ten tweede de "slang", waarvan gezegd wordt
dat hij de Listigste onder de dieren was. Ten derde de man, Adam, die
geassocieerd wordt met de kleur ROOD, hetgeen wijst op de betekenis van Adam
als denkend, en dus onderscheidend, wezen. Ten vierde de vrouw Eva, de
"moeder van alle levenden", en in die zin het "natuurlijke"
principe. De opeenvolging van de gebeurtenissen is deze: de slang verleidt de
vrouw Eva tot het eten van een appel die groeit aan de enige boom waarvan niet
gegeten mocht worden, de boom van "de kennis van goed en kwaad". Niet
zonder tegenstribbelen laat zij zich verleiden, waarna zij zich naar de man
Adam begeeft en hem er ook toe brengt van de appel te eten. Daarna wordt god
kwaad en jaagt de stumperds uit het paradijs onder het uitspreken van minder
fraaie verwensingen. Er rust voortaan
een vloek op de mensen en dezen geloven tot op de dag van vandaag, zowel in het
Joodse geloof als in het Christelijke als in het Mohammedaanse,
dat die vloek echt bestaat. Men spreekt dan van de "zondeval".
En hij is de oorzaak van kommer en kwel, de oorzaak van het "lijden"
dat de mensen voortaan deelachtig wordt.
Onzin
natuurlijk... of toch niet?
Alle
verhalen uit het grijze verleden kunnen op twee manieren benaderd worden: zij
kunnen beschouwd worden als GEBEURTENISSEN waarvan je zou moeten geloven dat
zij eens écht plaatsgevonden hebben en zij kunnen worden bekeken als
UITBEELDINGEN van een wezenlijk menselijke verhouding in de werkelijkheid. Het
eerste vindt vooral plaats in het westerse denken, met als gevolg dat er twee
kampen zijn ontstaan: het kamp van diegenen die onvoorwaardelijk in de
historische juistheid van het verhaal geloven (de dogmatische godsdienstigen)
en het kamp van de bestrijders van die historische juistheid (traditionele
vrijdenkers, rationalisten e.d.). Uiteraard hebben deze laatsten gelijk, maar
tevens is te zeggen dat zij een beetje dom zijn omdat zij niet willen of kunnen
inzien met uitbeeldingen van doen te hebben, zodat zij ook niet naar de BETEKENIS
van het verhaal vragen. Zouden zij dat wel doen, dan zouden zij ontdekken dat
het hier gaat om een uitermate heldere tekening van de situatie van de mens op
deze aarde. Maar ook in dat geval is het nog maar de vraag of zij het er mee
eens zouden zijn.
Geest
en natuur
Als
wij onderzoek plegen naar de betekenis van het "paradijsverhaal",
ontdekken wij het volgende: de slang staat voor het geestelijke principe; hij
wordt gewoonlijk als "mannelijk" gezien, maar dat is niet helemaal
juist omdat hieraan de (westerse) vooronderstelling ten grondslag ligt dat de
man het geestelijke zou vertegenwoordigen. Helemaal fout is het echter ook niet
voor zover je het denken, in de zin van "onderscheiden", als een
mannelijk aspect van het menszijn kunt zien. Het geestelijke staat BUITEN de
(natuurlijke) werkelijkheid omdat het (zie 6,2) in de
mensen als ontkenning voor de dag komt. Het komt dan ook, voor de natuurlijke
mens, van buitenaf. Dat is uitgedrukt in het beeld van de
"verleiding". Die natuurlijke mens is Eva, de "moeder van alle
levenden", de "Grote Moeder", de "Oermoeder" of
"Magna Mater". Zij sluit alle leven in - een idee die wij nog
terugvinden in Maria met haar blauwe mantel (= het omhullende), versierd met
sterren (= de kosmos). Als zij verleid wordt door de slang betekent dit dat het
geestelijke zich nestelt IN al het levende, culminerende in de mens. Het
geestelijke wordt gezien als GELDEND VOOR DE LEVENDE MENSEN. Zodra dit echter
een feit is gaat het geestelijke voor de mensen functioneren: met de verleiding
van Adam door Eva wordt het denken, in de zin van "onderscheiden" bij
de mensen betrokken. Daarmee ontstaat "vijandschap", d.w.z. er treedt
nu een SCHEIDING op. Het een vormt niet meer een geheel met het ander; de
harmonie (= gelukzaligheid) begint te verbreken; de kennis van goed en kwaad
begint en daarmee komen de waardeoordelen in de wereld - inderdaad, op
zichzelf, een "vloek" voor de mensheid. Hoewel die vloek niet uit kan
blijven - het geestelijke moet voor de mensen gaan gelden - kunnen wij toch
zeggen dat de mensen in het verleden ingezien hebben dat het geestelijke, in de
vorm van "onderscheidend denken", de mensen veel lijden bezorgt. Er
ontstaat een machtswereld vol ongelijkheid en strijd, de harmonie verdwijnt steeds
meer en het "Gouden Tijdperk" van de mensheid raakt in het
vergeetboek. Al met al een uitermate diepzinnig verhaal: het is het verhaal van
de menselijke ongehoorzaamheid (toch van die boom eten), het is het verhaal van
de geest die via de menselijke natuur de mensen tot denken aanzet en het is het
verhaal van het lijden van de mensen, de "erfzonde" die tot op
de dag van vandaag voor de mensen van kracht is. Met het ontstaan van de
"vijandschap" komt de opgave van het overleven opzetten. In verband
daarmee moeten het begrip "creativiteit" nader bekijken.
De
creatieve mens
De
mensen gaan, vanaf hun verschijnen op de planeet, een NIEUWE wereld scheppen.
Nooit doen zij iets anders. Overal waar de mensen verschijnen verandert de
natuurlijk aanwezige wereld. En er is een samengaan van "destructie"
en "constructie", van afbraak en opbouw. Doorgaans willen wij alleen
datgene creatief noemen dat constructief is, of datgene dat de sfeer van het
niet-materiėle aan zich heeft, zoals wetenschap en kunst. Maar ook het
destructieve is een creatieve zaak, al vinden wij dat niet zo leuk. Zelfs de
vervloekte "kruisraket" is iets creatiefs. We moeten deze zaak thans
zonder enig waardeoordeel bekijken. In elke cultuur gaat destructie en
constructie samen en steeds is het op de een of andere manier met elkaar
verweven. Bovendien vooronderstelt elke constructie (behalve de artistieke) een
voorafgaande destructie, analyse namelijk en zelfs wel vernietiging. Zelfs de
broedermoord is een teken van creativiteit; hij veronderstelt een zekere mate
van vindingrijkheid. En dat geldt ook voor diegenen die zich er toe zetten om
in deze wereld macht te gaan verwerven, wat in feite ook
"broedermoord" is. De creativiteit van dat soort figuren wordt door
de gemoedelijke mensen vaak schromelijk onderschat, reden waarom deze laatsten
dan ook vaak het onderspit delven...
waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2;
waardeoordelen-3 ; waardeoordelen-4
; waardeoordelen-5
; waardeoordelen-6
;
Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3
; Opgevoed-1 ;
Het
creatieve dier?
Het
dier werkt niet en het dier handelt niet. De dieren zijn wel met allerlei bezig
en ook reageren zij op omstandigheden en situaties, maar dat alles gaat volgens
een programma. Het bezig-zijn en het reageren zijn bij voorbaat vastgelegd: het
gebeurt zo en niet anders. Er is in deze zaak dus geen KEUZE. Hierbij moeten
wij ons niet verkijken op veranderingen in het gedrag van dieren. Die
veranderingen - in de praktijk bijna altijd aanpassingen - zijn wijzigingen in
het programma. Is die wijziging eenmaal tot stand gekomen, dan gaat alles weer
volgens de regels. In de mensen is de natuurlijke werkelijkheid, behalve
volledig aanwezig, ook ten volle ontkend. Op grond daarvan kan alles altijd
anders en is er niets bij voorbaat vastgelegd. Persoonlijk hebben de mensen
doorgaans geen keuze, omdat het moeilijk is los te komen van eigen geaardheid
en van de genoten opvoeding
die beide tot een diepgewortelde programmering leiden. Maar die programmering
is er ingebracht. En, als we te doen hebben met erg heldere mensen is er ook
geen keuze omdat hun inzicht hen zegt dat de dingen zo moeten en niet anders.
Dit is echter in geen geval een programmering en dat blijkt onder andere uit
het feit dat we BESLUITEN het zo en niet anders te doen. We kennen dus andere
mogelijkheden en we besluiten, na afweging, daarvan geen gebruik te maken. Maar
andere mensen zullen wellicht wel tot een van die andere mogelijkheden
besluiten en zo moeten we het opvatten als we zeggen dat "de mensen"
een keuze hebben. Dit betekent het als we zeggen dat de mensen HANDELEN en
daarmee tevens constateren dat de dieren dit niet doen. De dieren zijn ook niet
creatief omdat zij de natuurlijke wereld niet tot een nieuwe wereld omzetten.
Wat zij ook teweeg brengen in de natuur, altijd blijft de zaak in het natuurlijke
bevangen: het blijft ten allen tijde de "natuur". Zij kunnen er niet
"buiten treden".
De
creatie van de mens
We
hebben gezegd: de mensen scheppen een nieuwe wereld. Maar het is daarbij wel de
vraag wat je onder een "nieuwe wereld" zou moeten verstaan. Er zijn
dan twee mogelijkheden. Ten eerste kan ik, vanuit de behoefte tot BEHEERSEN
(zie 7,2), proberen een wereld te scheppen die aan MIJN
wetten voldoet. Ik krijg dan een wereld die buiten de werkelijkheid staat omdat
mijn wetten gegrond zijn in de ontkenning van de natuur. Ik schep dan een
wereld die ongemerkt overgaat in een fictie. Die fictie zie ik voor DE
werkelijkheid aan, maar ik zie in feite MIJN werkelijkheid. De tweede
mogelijkheid is deze: ik probeer een wereld te scheppen die ik niet wil
beheersen, maar die ik wil KENNEN. Daartoe kan ik de natuur niet eenzijdig
ontkennen. Ik moet haar daarentegen volledig BEVESTIGEN en zien dat ik aan de
weet kom hoe haar wetten zijn. Met die kennis kan ik een wereld scheppen die
geen fictie is maar een REALITEIT omdat die geschapen wereld samenvalt met de
"werkelijke" wetten. Ik beheers dan niet de natuur, maar "ik
leef met haar mee". Voor dit laatste is "ontkenning", en dus ook
"analyse" nodig, maar ik plaats het resultaat daarvan TERUG in de
werkelijkheid die daardoor voor mij "doorzichtig" en dus begrijpelijk
wordt. En ik pas er zorgvuldig voor op er MIJN werkelijkheid van te maken en
daardoor van alles te vervreemden. Om het bovenstaande duidelijk te maken en om
het contact met onze cultuur niet te verliezen is het goed eens even na te gaan
hoe het met het denken in de moderne wereld gesteld is. De kritiek op dat
denken is niet als een verwijt op te vatten: de mensen moeten die weg nu
eenmaal gaan totdat ze ontdekken met een fictie bezig te zijn geweest.
Denkt de moderne mens eigenlijk wel?
Denkt de
moderne mens eigenlijk wel ną..? (het op
een rijtje zetten / een goed onderzoek ) ; Op een rijtje zetten paginas 25 en 26 ; Visie
Het
kenmerkende van het moderne denken is dat er, doormiddel van onderzoek,
gegevens, informaties, verzameld worden - zo goed mogelijk en zoveel mogelijk -
en dat die gegevens vervolgens op een rijtje gezet worden. Het karakter
van dat "rijtje" wordt bepaald door het onderzoeksdoel en ook
door de onderzoeksmethode.
Hoe dan ook, we hebben in wezen te doen met "statistisch" denken: het
rangschikken van de informatie. Als je er goed op let zal je bemerken dat alles
wat in de moderne wereld "denken" genoemd wordt in wezen slechts
RANGSCHIKKEN is en dat de kennis bestaat uit gerangschikte informatie. En dan
is de vraag te stellen: is dat nou denken. Het antwoord moet luiden dat dit
geen denken is, maar het benutten van een van de DENKFUNCTIES, namelijk het
"onderscheidingen-maken". En deze functie ligt aan de wortel van het
echte denken en is daarvan slechts het "materiele begin". Het is de
stoffelijke basis van het denken. Maar in geen geval het denken zelf. We zien
dan ook dat in de moderne wereld zelden nagedacht wordt, maar dat wel
"alles op een rijtje moet staan". Voor zover dit aan iemand
gelukt wordt er gesproken van een "denker". En dan verbaast het je
als je bemerkt dat die "denkers" het steeds bij het verkeerde eind
blijken te hebben. En dat na verloop van tijd alles mislukt. In plaats van dan
te gaan onderzoeken of er wel goed nagedacht is gaan de moderne denkers
controleren of het "rijtje" eventueel fout is. Zonder
uiteindelijk ook maar een stap verder te komen. Daarom verbetert de toestand in
de wereld in het geheel niet; alleen wordt alles steeds verwarder. De paradox
is dat met het steeds verfijnder op een rijtje zetten de verwarring
almaar groter wordt. Er klopt dus iets niet. Je bemerkt dat de
"statistisch" opgebouwde wereld niet overeenkomt met de
"praktijk" van het leven op deze planeet. De "statistische
wereld" valt niet samen met de "werkelijke wereld", en dat in
toenemende mate. Een voorbeeld uit de medische wereld: de medici krijgen hun
zaken steeds beter op een rijtje. Hun kennis neemt snel toe en wordt
almaar verfijnder. Maar datgene waarom het gaat, namelijk het GENEZEN van zieke
mensen, gelukt steeds minder. Let wel, ik zeg "genezen" - ik heb het
dus niet over het "repareren" van ontstane fouten zoals het
wegnemen van een gezwel. Het repareren gaat tegenwoordig tamelijk goed, en dat
is op zichzelf een grote verdienste van de medische wetenschap. Maar met het
"genezen" is het treurig gesteld. Want om te kunnen genezen moet je
je kennis "terugbrengen" in het levende GEHEEL dat een mens is. Dan
is niet jouw "rijtje" maatgevend maar de samenhang van het
geheel. En om daarmee raad te weten moet je NADENKEN. Dat betekent dat je je
niet moet verlaten op een uit-elkaar-gehaalde statistische werkelijkheid, maar
daarentegen moet "nagaan" hoe alles wat je door je analyse hebt leren
kennen onderling samenhangt, levend en dus beweeglijk en dus veranderlijk
samenhangt. Wanneer we dit laatste doen tillen we het denken boven zijn
functionele basis uit: we brengen onze informatie TERUG IN DE WERKELIJKHEID.
Dit was een voorbeeld uit de medische wereld. Ons eigen leven leert ons dat de
"statistische" kennis van de arts onbelangrijk is - waar het om gaat
is de vraag of hij je kan genezen. En als dit laatste gelukt heeft hij goed
nagedacht. De juistheid BLIJKT dus. Dat nu geldt voor alles waarover werkelijk
NAGEDACHT is. De juistheid moet BLIJKEN en is niet afhankelijk van een
wetenschappelijk "op een rijtje zetten". En zo moet in de
wereld blijken dat er nagedacht wordt - goed of fout - en dan kunnen we van
onze wereld zeggen dat er NIET nagedacht wordt. Wat wij aanzien voor denken, en
als zodanig hogelijk waarderen, is in feite de basis van het denken: datgene
waarmee je begint, het materiaal dat je nodig hebt, je informatie. We zijn in
de moderne wereld, die zich zo voor laat staan op zijn denkcapaciteit, nog heel
primitief bezig. Daarmee samenhangend is onze creativiteit ook uitermate pover.
Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3
; Opgevoed-1 ; Onderzoeksdoel
/ Onderzoeksmethode ; Onderzoeksdoel / Objectief onderzoek ; Denkt de
moderne mens eigenlijk wel ną..? (het op een rijtje zetten / een goed onderzoek ) ; Op een rijtje zetten paginas 25 en 26 ; Visie
De
gebruikelijke voorstelling over de mens
De
meeste mensen, waaronder ook tal van denkers, menen dat de mens op aarde verschijnt
als een onvolkomen geval, gebrekkig en vooral ook gewelddadig. Menige
wetenschappelijke theorie en filosofische theorie en levensbeschouwing is
gebaseerd op de gedachte dat de mens om te beginnen slecht zou zijn, en sterker
nog, dat zijn diepste kern slecht is. Maar omdat er toch iets goeds uit voort
moet komen gaan de mensen zichzelf en elkaar "beschaven", hetgeen
zeggen wil dat zij hun denken gaan ontwikkelen en zodoende langzamerhand tot
een "cultuurwezen" worden dat tenslotte op grond van het
"redelijk denken" in orde zou zijn. Men veronderstelt dus dat de weg
van de mensen op de planeet er een is van "slecht" naar
"goed" en dat zij zich daarom bijschaven, zichzelf in toom leren
houden, kortom: zichzelf veranderen. En dat alles op grond van de
denkontwikkeling, een ontwikkeling die kwantitatief en cumulatief wordt
opgevat, zie blad 3,1. Opmerkelijk is dat men zich bij
deze gedachtegang nooit afvraagt hoe de mensen op het idee komen zichzelf te
verbeteren en waarom zij het "goede" willen. Bovendien dunkt het mij
een duidelijke zaak dat de "denkontwikkeling naar redelijkheid toe"
zich niet in positieve zin heeft voltrokken, maar in negatieve zin.
Onze moderne cultuur, die prat gaat op een grote
wetenschappelijke en redelijke ontwikkeling, is onredelijker en asocialer dan
ooit, levensbedreigender dan ooit tevoren. Ons economisch systeem bijvoorbeeld
vertoont niet alleen maar "fouten" - zoals men ons graag wil
doen geloven - maar is er een dat noodzakelijk ertoe leidt dat de mensen
verpauperen. Van een streven naar een betere wereld is niets te bemerken. In
plaats van "redelijker" te worden wordt onze wereld op een uiterst
geraffineerde manier slechter, onredelijker en asocialer. De theorie van een
zich van slecht naar goed ontwikkelende mensheid kan dus op zijn minst als
rammelend gekwalificeerd worden. Maar er is nog iets. In de theorie van het
"beter worden" vergelijkt men de beginnende mensheid met de dieren.
Er zijn legio filosofieėn waarin wordt gesteld dat de mens "het laatste
roofdier" zou zijn - en dus ook het meest verschrikkelijke. Gemakkelijk
zegt men: "de mens gedraagt zich als een beest" en gaat er daarbij
losjes langsheen dat er op de gehele planeet niet een dier is te vinden dat
zich zo misdadig kan gedragen als de mensen. Men ziet dus om te beginnen de
mensen als "natuurlijk", nog volledig bevangen in de natuurwetten en
nog niet in staat zich als een "cultuurwezen" te laten gelden. Dat
hierin een onuitgesproken veroordeling van de natuur ligt besloten valt doorgaans
niet op en nog minder wordt ingezien dat je met zo'n veroordeling in het
achterhoofd alleen maar onzin over de mensen kunt vertellen. Met alle tragische
gevolgen van dien...
De
godsdiensten en de natuur
Alle
godsdiensten, gefixeerd als zij zijn op de geest", het goddelijke",
veroordelen de natuur en het natuurlijke. In het christendom wordt alles wat
natuurlijk is afgewezen. Voor zover je van de vrouw kunt zeggen dat zij,
cultureel gezien, de vertegenwoordigster is van de natuurlijke begrippen zoals
"voortbrengster van het leven", het "in zichzelf besloten
geheel" en alles omvattende seksualiteit wordt zij in het christendom
vernederd en zelfs vervolgd. De middeleeuwse hetze tegen de "heksen"
was niets anders dan een gewelddadige vervolging van het werkelijk en
natuurlijk vrouwelijke dat als een bedreiging voor de "geestelijke"
mens werd gezien. Het "niet trouwen" van de roomse Paulus was een
veroordeling van de natuur en als het hedendaagse Rome de vrouw in "het
ambt" afwijst is dat hetzelfde. Ook het ten onrechte verheerlijkte
"oosten" wijst de vrouw af als het gaat om het bereiken van
"hogere geestelijke waarden".
De
nog altijd in de westerse cultuur heersende "vrouwonvriendelijkheid"
wijst er op dat ook in het niet-godsdienstige denken het natuurlijke als
minderwaardig afgewezen wordt. Dat kan ook niet anders, want het godsdienstige
denken verschilt niet werkelijk van het atheļstische denken; beide zijn als
denken op dezelfde leest geschoeid. Ook voor het atheļstische denken is de
natuur het "duister vrouwelijke" dat in tegenstelling staat tot het
heldere, redelijke, wetenschappelijk gefundeerde mannelijke. Of men het nu
godsdienstig of niet-godsdienstig bekijkt, steeds is er de neiging het
geestelijke te verheffen boven het natuurlijke en de weg van de mens te zien
als een uitstijgen boven de natuur - de weg van slecht naar goed, het zichzelf
veredelen tot een "redelijk wezen". Maar die opvatting over de mens
is fout en dat bemerk je als je er eens echt over gaat nadenken. Overigens: in
het door ons besproken paradijsverhaal (zie 8.1)
wordt verteld dat bij de schepping de vrouw na de man geschapen werd en zelfs
dat zij "uit de man" voortkwam. Dat zou er op kunnen wijzen dat men
destijds (terecht) heeft ingezien dat de vrouw en het vrouwelijke
"volmaakter" zijn dan de man en het mannelijke. Een gedachte waarop
wij nog terugkomen.
Wat verschijnt er op de planeet?
Als
de mens op de planeet verschijnt komt er geen bloeddorstig geval te voorschijn,
maar iets heel liefelijks. Dat liefelijke geval is, vanuit de natuur gezien,
een ONMOGELIJK geval. Het mist dan ook alle natuurlijke "hardheid",
d.w.z. de onafwendbaarheid van de wetten, de programma's. Het is vrij en
beweeglijk, het is zonder "gewicht". Het is een "spelend
kind". Het is eigenlijk helemaal geen "natuurlijk" geval, hoewel
het uit de natuur voortkomt en daarvan zelfs het slotakkoord vormt. En omdat
het geen natuurlijk geval is kan je er ook geen "natuurlijkheid" als
iets afkeurenswaardigs in afwijzen. Het natuurlijke is in de mens ONTKEND
aanwezig en dus behoeft hij er niet van af te komen: hij moet het juist LEREN
KENNEN. De mens die verschijnt is een "creatief" wezen; hij schept
zich een "nieuwe wereld", maar die wereld heeft ALLES te maken met de
"oude" wereld. Het is de ontkenning van de "oude" wereld en
dat betekent: DE OUDE WERELD ANDERS. Het centrale punt bij het creatief zijn is
het "anders-zijn". Dit laatste kan niet voor de dag komen als je het
voorgaande (het oude) verwerpt. Je moet juist het voorgaande tot zijn recht
laten komen. Als de mensen in hun creativiteit hun wereld gaan omzetten in een
nieuwe wereld doen zij dat nergens om. Zij doen het niet om te overleven, zij
doen het omdat zij een nieuwe wereld ZIJN. Zonder dat zijn zij geen mensen. Ook
als het overleven geen probleem zou zijn (en in sommige streken is dat geen
probleem) gaan de mensen toch een nieuwe wereld maken. Maar: het GEVOLG daarvan
is wel dat zij kunnen overleven, en tegelijk ook niet - als je de moderne
wereld beziet. Overleven is dus een van de GEVOLGEN van het creatief
zijn. Een van de mogelijke gevolgen, want een gezamenlijke ondergang kan ook
een gevolg zijn. Als wij de "arbeid" definiėren als "op
overleven gerichte creativiteit", dan kunnen wij, in strijd met de
gangbare opvatting, zeggen: de mensen arbeiden niet om te leven, maar
voor zover zij leven komt daaraan arbeid mee. Kan daaraan arbeid
meekomen... in ons stukje van de wereld treedt er namelijk al een ontkoppeling
van arbeid en leven op. Het wordt mogelijk te leven zonder arbeid
te verrichten. Maar leven zonder creatief te zijn is onmogelijk. Een mens kan
niet niet-creatief zijn. Het creatief zijn is op zichzelf geen natuurwet in de
zin van een ingeboren programma. Het is juist de ontkenning daarvan. Maar, de
mensen gaan het wel "programmeren" om het na een tijdje bij hun eigen
programma niet meer uit te houden, zodat er weer iets nieuws verzonnen wordt.
Steeds weer blijkt dat geen enkele mens in een programma opgaat; hij houdt het
daarbij niet uit en laat zijn niet-geprogrammeerd-zijn gelden.
Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16,
22, 23, 32)
waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2;
waardeoordelen-3
; waardeoordelen-4
; waardeoordelen-5
; waardeoordelen-6
;
Van
slecht naar goed en omgekeerd
In
blad 10 heb ik de algemeen heersende opvatting dat de
mensheid zich van slecht (onredelijk) naar goed (redelijk) zou ontwikkelen als
een foute opvatting afgewezen. De reden hiervoor is niet dat je uit de
wereldgeschiedenis zou kunnen afleiden dat er uitsluitend een
"negatieve" ontwikkeling zou hebben plaatsgevonden. Er zijn namelijk
in de geschiedenis tal van dingen aan te wijzen die zich "positief"
ontwikkeld hebben. Beide verschijnselen, "negatieve" en
"positieve" ontwikkeling behoren bij elkaar, hangen steeds met elkaar
samen en werken op elkaar in. En dat wisselende beeld van die tegengestelde
processen is het beeld van de wereldgeschiedenis. Het is fout om op grond van
eigen waardeoordelen er het ene of het andere aspect uit te lichten en
dat als argument te gebruiken voor of de opvatting dat de mensheid zich betert,
of voor de tegengestelde opvatting. In feite wordt de mensheid niet beter of
slechter; zij maakt een proces door waarin zij langzamerhand zichzelf en de
werkelijkheid leert begrijpen, zonder dat je kunt zeggen dat de toename van
begrip onder alle omstandigheden een toename van de menselijkheid inhoudt. In
ons tijdsbestek bijvoorbeeld heerst alom verwarring, ondanks een beter begrip van
de werkelijkheid in FEITELIJKE zin. Wij zijn zelfs aangeland op de rand van de
vernietiging. Toch danken wij dat aan een grote mate van begrijpen van de
werkelijkheid. Zonder dat begrip zouden wij de wereld helemaal niet kunnen
vernietigen. Het is dus fout om op een aspect te letten. Enkele voorbeelden:
iedereen zal tegenwoordig de slavernij afwijzen, de ene mens behoort geen slaaf
van de andere te zijn. Ondanks dat is zo langzamerhand iedereen de slaaf van
anderen. Maar het mag geen "slavernij" meer genoemd worden, het heet
"economische en politieke afhankelijkheid"! De hele wereld bewapent
zich ten oorlog, maar iedereen vindt oorlog volstrekt misdadig. Men spreekt nu
dus van "defensie". Men is het er over eens dat alle mensen "gelijke
rechten" hebben en tegelijk verdonkeremaant men het feit dat een mens geen
rechten heeft als hem die GEGEVEN worden. En tenslotte: overal vindt men dat
een regeringsvorm "democratisch" zou moeten zijn, maar het gaat
daarbij niet om "het volk" dat zichzelf zou moeten besturen - het
gaat er om dat je positie als machthebber het veiligst is gebleken als deze in
een democratische structuur geworteld is. Het is derhalve voor de machthebbers
van belang de "onderdanen" tot een democratisch denken op te voeden
en zolang dat nog niet gelukt gebruik je geweld. Aan bovenstaande
voorbeelden komt het dubbele karakter van het feitelijke beschavingsproces
enigszins uit. Dat betekent dus dat je niet van een "goede" en niet
van een "slechte" ontwikkeling kunt spreken. Dit wordt waarschijnlijk
nog duidelijker als wij bedenken dat de normen " goed " en
" slecht " onze eigen WAARDEOORDELEN bevatten. Hoe zou je over
de ontwikkeling zinvol kunnen denken? Dat moeten we nu boven water zien te
krijgen...
Nogmaals iets over de "ontkenning"
De
mensen verschijnen niet op de planeet als "schoften" en ook niet als
(voorlopige)"mislukkelingen", maar zij verschijnen als
ONMOGELIJKHEDEN. Dat houdt onder andere in dat de NATUURLIJKE mogelijkheden
voor hen niet gelden. Aan de natuurlijke mogelijkheden zijn de mensen voorbij,
zij zijn er vrij van, zij zijn letterlijk "onbevangen". En zij zijn
dat omdat zij de laatste natuurlijke mogelijkheid zijn. Het kernpunt zit in het
begrip "laatste" omdat voor de laatste onmiddellijk "het andere"
gaat gelden. De laatste is het voorgaande wel en niet tegelijk. Als je
hiervan de consequenties niet ziet is het onmogelijk het menselijk gedrag te
begrijpen, maar toegegeven moet worden dat dit een moeilijk punt is.
Als
voor de "laatste" het andere geldt, wil dit dan zeggen dat er andere
wetten zijn gaan gelden of wil het zeggen dat er helemaal geen wetten meer
gelden! Neen, er zijn geen andere wetten gaan gelden en de wetten zijn ook niet
vervallen, zij zijn gaan gelden OP EEN ANDERE MANIER. Hun karakter was DWINGEND
tot aan de laatste. Het was een onontkoombare programmering: de planten en de
dieren kunnen geen "nee" zeggen tegen hun eigen programmering, maar
de mensen kunnen dat wel. Zij kunnen dat zowel tegen de "natuurprogrammering"
als tegen de "cultuurprogrammering". Het onontkoombare vanuit de
natuur (= hun oorsprong) en het onontkoombare wat zij zichzelf opleggen is voor
hen opgeheven. Zij zijn vrijgekomen van de dwang, het onvermijdelijke, het zo
moeten zijn en niet anders. De mensen moeten bijvoorbeeld ook eten. Als zij dit
laten sterven zij - in zoverre geldt de natuurwet. Maar zij maken gaandeweg van
het eten een soort van "ritueel" en daarmee is het cultuur geworden.
De aard van die cultuur bepalen de mensen zelf, zij houden daaraan een tijdlang
vast totdat zij hem zelf weer gaan vervangen door een ander ritueel. En zo gaat
het almaar door. Een ander voorbeeld: de seksualiteit is in de grond van de
zaak niets anders dan voortplanting. Maar ook die onvermijdelijke natuurwet
wordt voor de mensen iets anders. Het wordt een beleven van liefde- en
lustgevoelens en er treedt een ontkoppeling op van dat beleven en de
voortplanting. Het kan zelfs zo ver gaan dat de seksualiteit als iets religieus
wordt ervaren, zoals dat o.a. in het oude India het geval was. En wij hebben al
gewezen op het feit dat de mensen hun eigen sterven bepalen. Niet in die zin
dat zij het sterven kunnen afschaffen - de natuurwet blijft gelden - maar in
die zin dat zij zelf kunnen bepalen HOE te sterven. Waar het op aan komt bij
het doordenken van het begrip "ontkenning", zoals dat voor de mens
geldt, is de vraag HOE de wetten gelden. Het is niet het punt DAT de wetten
gelden. En dan kunnen we zeggen dat voor de mens de wetten "in volle vrijheid"
gelden. Zij gelden altijd en voor iedereen op een andere manier. Het
bovenstaande ligt moeilijk voor het moderne denken: als ik in dit denken iets
"ontken", dan is het er voor mij niet meer. Vele godsdienstige
dwepers hebben getracht het lichamelijke te ontkennen. Zij hadden wel een
vermoeden van de voor hen geldende "ontkenning", maar zij begrepen
die niet. Dus wilden zij hun lichamelijkheid - lusten, begeerten, spanningen -
afschaffen, doorgaans doormiddel van "onthouding" en van "zelfkastijding". Maar het resultaat
was een ziekelijke, morbide persoonlijkheid. Tal van godsdienstige geschriften
en "bekentenissen" getuigen hiervan. En in het moderne denken ligt
dezelfde behoefte aan afschaffen van het natuurlijke en lichamelijke. Men vindt
immers dat je jezelf moet "wegcijferen" ter wille van de redelijkheid
en men vindt dat het kind zijn natuurlijke reacties moet afleren ter wille van
een "volwaardig menszijn". De zelfverloochening is niet alleen in het
christendom een eis, hij is het in de hele moderne cultuur, christelijk of niet,
westers of niet. De moeilijkheid is dus dat het begrip "ontkenning"
niet betekent dat je iets afschaft of wegcijfert, maar dat je iets volledig tot
zijn recht laat komen om het als zodanig anders te laten zijn. Zoals in een
schilderij het materiaal - de verf, het linnen, de voorstelling - zo goed
verwerkt wordt dat het uitdrukking wordt van iets anders, schoonheid
bijvoorbeeld. En dat geldt voor het gehele terrein van de kunst. De kunst is de
zuiverste uitingswijze van de "ontkenning".
waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2;
waardeoordelen-3
; waardeoordelen-4
; waardeoordelen-5
; waardeoordelen-6
;
De
ondergang van cultuurstelsels
Als
we de geschiedenis van de mensheid bekijken, dan zien wij dat het een opkomen en
vergaan van culturen, beschavingen, is. En ook in onze moderne cultuur zijn tal
van tekenen aanwezig die wijzen op een naderend einde van die cultuur. Het gaat
hierbij niet om de vraag of eventueel het zogenaamde kapitalisme, of het
communisme of wat dan ook aan hun einde komen, maar om die cultuur zelf. De
verschillende economische en politieke stelsels kunnen niet op zichzelf
verdwijnen, onafhankelijk van elkaar. Zij behoren namelijk bij elkaar omdat zij
varianten zijn van een en dezelfde wijze van denken. De tekenen van ondergang
van onze moderne cultuur zijn dan ook waar te nemen in al die verschillende
economische en politieke stelsels. Het feit dat culturen, en ook de onze, na
verloop van tijd ten onder gaan is geen treurig feit. Want juist die ondergang
wijst er op dat de mensen het bij hun eigen stelsels niet uithouden, dat zij
steeds weer terugkomen op hun werkelijke situatie: het vrij-zijn van het
denken. Weliswaar beginnen zij ook steeds weer opnieuw hun denken te
programmeren zodat er weer een nieuw denkstelsel ontstaat, maar ook dat stelsel
kan niet anders dan weer instorten. Bij het doorbreken van een nieuwe wijze van
denken treedt er aanvankelijk een soort van begeestering op, alles is jong en
fris en de mogelijkheden lijken onbegrensd. Maar gaandeweg worden het vaste
patronen die min of meer klakkeloos gevolgd worden en je kunt vaststellen dat
langzaam het leven er uit verdwijnt. En dan begint de aftakeling, tijdens welk
proces de eerste kiemen van een nieuwe tijd steeds sterker voor de dag komen.
Als wij het hebben over de ontwikkeling van het denken zijn het deze processen
waarop wij moeten letten. Want in dit "golfslagproces" kunnen wij wel
een ontwikkeling, en zo je wilt een "vooruitgang", bespeuren. Almaar
"ontbindt" het oude zich en vormt zich het nieuwe. Dit
"golfslagproces" gaat niet eindeloos door: er komt een laatste
"moment" en dat moment gaat over in een situatie die niet meer te
programmeren is. Dan zijn de mensen werkelijk "volwassen" geworden.
Zij laten zich dan opnieuw gelden naar hun wezenlijke situatie van vrij-zijn
van het denken. Deze situatie verschilt van de "oersituatie" doordat
de mensen nu weten dat zij vrij zijn en dat dit de basis is voor hun
levensmogelijkheden. Het laatste cultuurmoment, dat dus overgaat in vrijheid,
is het "analytische" moment, in feite dus onze moderne cultuur. Wij
komen hierop nog terug, maar wij kunnen al wel opmerken dat er geen
cultuurstelsel, dus geen "programmeringstolsel" meer mogelijk is na
het analytische omdat de analyse op den duur ook de stelsels ontbindt. Het
laatste stelsel ontbindt dus zichzelf, en dat is het geval bij onze moderne
cultuur. Overigens wil ik met het voorgaande niet suggereren dat het spoedig
zover zal zijn. Het zichzelf ontbinden van het laatste stelsel moet uiteraard ook
een aantal fasen doormaken. Ook hierover zullen wij nog spreken.
Het ontsnappen van de enkeling
Gezien
vanuit de cultuur programmeren de mensen zichzelf en elkaar. Maar al die mensen
zijn individuen en voor elk van hen geldt het vrij-zijn van het denken, d.w.z.
het geldt in principe. Voor verreweg de meesten van die individuen zal de
programmering succes hebben: zij groeien op tot keurig aangepaste mensen die
doorgaans hun onvrijheid niet eens opmerken. Je kunt hen "bevangen in hun
cultuur" noemen. Zo vormen zij het gros van de mensheid, waarin zich, niet
of nauwelijks bewust, de verschillende momenten van de ontwikkeling vastleggen
en manifesteren.
Omdat
echter elk individu principieel "vrij" is, qua denken, zullen er
altijd ook "enkelingen" zijn die de aanleg hebben zich niet te laten
programmeren. Dat zijn de rebellen, de uitgestotenen, de ongehoorzamen. De
mensen die met ongewone en nieuwe dingen komen, de mensen die hun eigen cultuur
doorzien. Deze mensen leven wel IN hun eigen cultuur (waar moet je anders
leven?), maar zij leven niet MET hun eigen cultuur. Zij doen niet mee. Deze
rebelse enkelingen komen natuurlijk in allerlei variaties voor. Sommigen
verzetten zich alleen maar, anderen leveren voortdurend kritiek en weer anderen
worden lichtende voorbeelden voor het gros van de mensen. In Nederland hadden
wij destijds Domela Nieuwenhuis (1646 - 1919), die van grote betekenis werd
voor het "proletariaat". Deze man was een zuivere enkeling, hetgeen
bleek uit het feit dat het hem eigenlijk alleen maar om vrijheid ging.
Strikt genomen ging het hem niet zozeer om socialisme. Het ging om iets dat
nergens bij onder te brengen was. Elke programmering was voor hem onmogelijk.
Het is te begrijpen dat deze gesteldheid voor de meeste mensen te ver ging. Zij
vonden het wel mooi en zuiver - vandaar dat zij veel van Domela hielden - maar
zij hadden meer behoefte aan brood in hun ellendige bestaan. De mogelijkheid om
aan brood te komen werd niet door Domela geboden, maar door de georganiseerde
socialisten, met o.a. als voorman Pieter Jelles Troelstra (1860 - 1930). En
achter Troelstra gingen de arbeiders aan. Voor hem was niet elke programmering
opgeheven (= vrijheid), maar voor hem waren enkele factoren daarvan
onhoudbaar. Hij wilde bijvoorbeeld wel degelijk macht (voor het goede doel).
Maar Domela wilde geen macht, noch voor zichzelf, noch voor anderen. Hij zei
dat het brood er vanzelf zou komen als de mensen zich vrijgemaakt zouden
hebben. En dat is op zichzelf goed gedacht, maar hij zag niet in dat de mensen
hun programmering niet op konden heffen. Enkelingen kunnen, in meerdere of
mindere mate, hun eigen denkstelsel ontbinden, afhankelijk van hun
"aanleg". Domela Nieuwenhuis was zo iemand en hij vertelde daarvan in
zijn boek "Van Christen tot Anarchist" (1910). Niet iedereen, die een
volksleider wordt, is een echte "enkeling". Meestal bevrijden de
volksleiders slechts enkele factoren uit het totaal van het denkstelsel.
Factoren die onhoudbaar zijn gebleken. En daarvoor in de plaats komen zij met
nieuwe en betere programma's. Zij willen veranderen en verbeteren. Maar de
echte enkelingen willen alles ontbinden omdat voor hun denken geen enkel
programma van kracht is. Het spreekt vanzelf dat er in alle tijden enkelingen
geweest zijn in wie zich de fundamentele vrijheid van het denken liet
gelden. We moeten er echter voor oppassen die enkelingen, die zich nergens bij aanpassen, te verwarren
met telkens in de geschiedenis optredende (groepen van) mensen in wie, bij de
aftakeling van een oude cultuur, de eerste tekenen van een nieuwe cultuur voor
de dag komen. Weliswaar vertonen deze mensen een zich-bevrijden van oude
programma' s, maar in feite vormen zich in hen de eerste aanzetten voor nieuwe
programma's. Zij zijn dus deelnemers in het "golfslagproces" van de menselijke
ontwikkeling. Enkele bewegingen in onze tijd echter wijken af van de gang van
zaken. Dat komt doordat het nieuwe dat in hen doorbreekt de kiem is van de
volwassenheid, waarvoor immers geldt dat elke programmering uitgesloten is. Die
mensen zijn in beginsel door de analyse heen zodat het laatst mogelijke stelsel
ontbonden is. Opmerkelijk aan die bewegingen is het macht- en statusontkennende
karakter er van.
Bladwijzer: Aanpassen-1 ; aanpassen-2
; aanpassen-3 ;
De
grondslagen van de westerse cultuur
We
hebben er op gewezen dat alle cultuurstelsels na
verloop van tijd verdwijnen omdat het tegen het "wezen" van de mensen
in ligt zich blijvend te onderwerpen aan een denkprogramma. We hebben ook
gezien dat het ondergaan van cultuurstelsels
doorgaans ten onrechte als iets tragisch wordt opgevat en dat het juist een
hoopvolle zaak is dat alles tenslotte in zal storten. Diegene die uit zit te
kijken naar het zich oplossen van stelsels is dus niet een negatieve
"doemdenker", maar een "optimist" die weet dat de mensheid
zich altijd weer van haar eigen kluisters zal verlossen, en zal trachten zich
te laten gelden naar haar wezen: vrijheid. Dat wil echter niet zeggen
dat een ondergangsperiode op zichzelf zo aantrekkelijk is. De moderne cultuur
bijvoorbeeld zal in haar ondergang een weergaloze VERWARRING met zich mee
brengen. Radeloos zullen de mensen zijn en zij zullen zich vertwijfeld aan elke
strohalm vastklampen. De agressie en het wantrouwen zullen toenemen... niet
iets om naar uit te kijken! Maar het is wel iets dat moet gebeuren en het is
voor ons nuttig om te weten waarom dit het geval is. Als je dit weet kijk je
anders naar je eigen cultuur, je staat veel meer open voor de werkelijk nieuwe
ontwikkelingen.
De
overgang van de Romeinse wereld naar de West-Europese zag er ook niet bepaald
uit als een culturele "verheffing". De eerste 1000 jaren werden
gekenmerkt door een diepe culturele duisternis - gezien vanuit de Romeinse
cultuur. Voor de mensen uit die cultuur, waarin zich het cultuurgoed van de
gehele oudheid had verzameld, was het bijvoorbeeld een bekend feit dat de aarde
een bol is die vrij in de ruimte zweeft, maar in West-Europa duurde het nog tot
ongeveer 1500 eer die kennis tot de mensen doordrong. Het cultuurgoed van de
oudheid heeft zich om te beginnen niet in West-Europa doorgezet. Het heeft
namelijk een andere weg gevolgd, via de Moorse beschavingen in Klein-Aziė,
Noord-Afrika en Spanje om eerst na ruim 1000 jaar in Europa terecht te komen.
Dit feit is voor veel mensen onbekend omdat het europees christelijke denken,
waaraan wij allemaal onze "ontwikkeling" danken, niet kon aanvaarden
dat ze haar kennis om te beginnen aan haar aartsvijanden, de Moren, te danken had.
Het werd daarom voorgesteld dat de West-Europese ontwikkeling vanuit de Roomse
kerk ingezet zou zijn. Voor een deel is dat inderdaad het geval, maar daarover
straks.
In
het West-Europa van het begin van onze jaartelling leefde een grote
verscheidenheid aan Germaanse stammen. Ik noem ze nu maar allemaal
"Germaans", hoewel die benaming feitelijk niet juist is. De cultuur
van die Germanen is helemaal niet zo primitief geweest als ons altijd wijs
gemaakt is. Maar het is wel zo dat er geen alles omvattende eenheid was. Europa
heeft er dan ook zo'n 1800 jaar voor nodig gehad om zich in grotere verbanden
(staten) te organiseren. En de godsdienstigheid van die Germanen was ook
opvallend: in feite stonden de goden meer in dienst van de mensen dan
omgekeerd. Als een godheid niet aan de verwachtingen voldeed werd hij de laan
uitgestuurd; hij werd slechts geėerd voor zover hij zijn werk goed deed. Een
mens-god relatie die in de oudheid ondenkbaar was. Toen waren er ook wel mensen
die tegen hun goden in opstand kwamen, maar het lag niet in het denken van die
mensen een god zijn congé te geven. Bij Homerus blijkt dat je fiks met
bijvoorbeeld Zeus overhoop kon liggen, maar hij bleef ten allen tijde Zeus en
wegsturen was er niet bij. Maar de Germanen deden dat wel! Dit betekent dat er
in de Germaanse cultuur een GODSDIENSTIGE basis lag, en die basis is ONGELOVIG.
Het is een zaak van dienst en wederdienst en zelfs van een betrekkelijke
gelijkheid. Met als enige wezenlijke verschil tussen goden en mensen dat die
eersten veel MACHTIGER waren. Godsdienst is een machtskwestie en geen
geloofskwestie.
Het
christendom nestelde zich boven op deze ongelovige, maar wezenlijk
godsdienstige, cultuur. En vond, na verloop van tijd, daarbij aansluiting,
d.w.z. het christendom ontpopte zich al ras tot een godsdienst. Het ging
daarbij dus niet om INZICHTEN in de werkelijkheid (geloof), zoals dat
bijvoorbeeld later in Oost-Europa het geval was, maar het ging om
machtsverhoudingen, om een stelsel van slavendiensten. Uit oude kerkelijke
geschriften van inquisitieverhoren van "ketters" blijkt dat het er
eigenlijk slechts om ging of de mensen de christelijke godsdienst
"beleden" en zich aan de daarbij behorende voorschriften, sacramenten
en rituelen hielden. Het ging dus om de gehoorzaamheid aan de macht. En de
gehele worsteling van de Europese mensen tijdens hun culturele ontwikkeling was
een "interne machtsstrijd". Telkens hebben Europeanen zich aan die
macht onttrokken, om tevens telkens weer er aan onderworpen te worden. In de
oudheid lag dat heel anders: de macht, vertegenwoordigd door de absolute vorst,
was op zichzelf onaantastbaar omdat hij voor die mensen volkomen
vanzelfsprekend was. De strijd in de oudheid vond plaats tussen de machten
zelf, die er allemaal op uit waren de wereld te bezitten. Men wilde van de
wereld een geheel maken - dat was ook nog het ideaal van Alexander
de Grote. Maar in West-Europa verzetten de mensen zelf zich
tegen de macht terwijl de machthebbers voortdurend bezig zijn die mensen aan
zich te onderwerpen. En dat laatste gelukt nog steeds, zij het met steeds meer
moeite...
Elke
godsdienst is een zaak van macht. En het is een zaak van dienst en wederdienst.
De gehele Europees christelijke geschiedenis getuigt daarvan. Een ieder heeft
zijn goddelijke machthebber aan zijn zijde: "Gott mit uns".
En
als die machthebber tegenvalt, dan vliegt hij er uit. De meeste godloochenaars
zijn mensen die teleurgesteld zijn in de medewerking van hun god: hij heeft
niet voldaan aan hun wensen. Hij heeft geen wederdienst gesteld tegenover hun
diensten. Interessant is in dit verband de westerse betekenis van het woord
"geloof".
Dit
woord houdt in dat je AANNEEMT dat iets feitelijk waar is, op gezag van iemand
die voorgeeft kennis van zaken te hebben. In de westerse betekenis
vooronderstelt "geloof" dus ook macht. Maar in de Russische cultuur
betekent "geloof" iets geheel anders: het betekent INZICHT in de
werkelijkheid. Het zien van de werkelijke verhoudingen die op zichzelf niet
zichtbaar zijn. De geloofsinhouden in de Russische cultuur worden door de
mensen dan ook als REALITEITEN beleefd die van concrete invloed zijn op het
leven. Wanneer die geloofsinhouden na verloop van tijd helderder worden voor de
mensen ontstaat er een werkelijk atheļsme dat over dezelfde inhouden spreekt als het geloof, maar
nu vanuit begrip. Wij vinden dat helder getekend in het werk van Dostojewski en
vooral bij de figuur van Iwan Karamazow. Dat atheļsme is heel anders en veel diepzinniger dan
het zogenaamde atheļsme
van iemand die zijn god wegens wanprestaties afgezworen heeft. Of die hem
afgezworen heeft omdat er voor zijn bestaan geen bewijs te vinden was. Zoals in
de westerse wetenschap het geval is. Als men in de christelijke godsdienst dan
ook van "geloof" spreekt is dit een "aannemen op gezag
van.". Dit soort geloof behoort bij een godsdienst en het behoort ook bij
een macht. Zonder dit soort geloof is er geen macht denkbaar: wat er niet is
moet je aannemelijk maken en in stand houden, desnoods met geweld. Aan de basis
van West-Europa lag dus een godsdienstige mentaliteit en er lag de behoefte om
vanuit de macht een stelsel van diensten te realiseren. Precies zoals wij dat
nu in uitgewerkte vorm kennen. En dat alles gebaseerd op de fictie dat er een
macht zou bestaan waaraan alle mensen onderworpen zouden zijn. De fictie dat
god die macht zou zijn is niet goed meer vol te houden, maar daarom zijn wij
intussen ijverig bezig die god te vervangen door andere machten zoals de "democratie"
en de "economie", en, niet te vergeten de "wetenschap". Het
is niet voor niets dat deze stelsels op precies dezelfde wijze functioneren als
voorheen de godsdiensten dat deden.
Een
bewust vergeten geschiedenis
Het
is opmerkelijk dat een aantal vroege Europese ontwikkelingen door de
traditionele geschiedschrijving en het daarop steunende wetenschappelijke
onderzoek lange tijd verdonkeremaand is. De verklaring daarvoor is tweeledig:
ten eerste kunnen wij constateren dat er tot op de dag van vandaag een onwil is
het wezenlijke karakter van de West-Europese cultuur bloot te leggen en als een
feit te aanvaarden en ten tweede is er vanuit het alles overheersende
christendom een afwijzen van alles dat eventueel het absolute karakter van de
christelijke godsdienst zou kunnen aantasten. We zien dan ook, wat dit laatste
betreft, dat niet in de openbaarheid gebracht mocht worden dat Europa zijn
kennis van het "klassieke" cultuurgoed gedurende lange tijd aan de
Moren te danken had. Dus aan een cultuur waarvan niets goeds gezegd mocht
worden. En ook zien we dat er alleen maar laatdunkend over de
"Germaanse" voedingsbodem
gesproken werd. De oorspronkelijke bevolking van West-Europa werd (tot voor
kort) afgeschilderd als "primitief", "ruw" en
"onbeschaafd", drinkebroers waren het die in dierenhuiden rondliepen
en zich van "god noch gebod" iets aantrokken. Voor het vormen van een
staatkundige eenheid waren zij niet te vinden, terwijl hun uitingen van kunst
en cultuur als ver beneden peil werden beschouwd. De onderzoekingen naar hoe
het werkelijk geweest is zijn betrekkelijk recent en zij geven, tot ongenoegen
van de Europees-christelijke "cultuurdragers" een geheel ander beeld
van de zaak. De niet-aanwezige "beschaving" van de Germanen werd
gezien vanuit de optiek van de Romeinse legeraanvoerders (toch al niet de
betrouwbaarste critici), de door de klassieke wereld gevormde Romeinse
geschiedschrijvers (Tacitus bijvoorbeeld) en door de latere, in de Romeinse
geest gewortelde, christelijke kerkvorsten. Oog voor andere dan de
"verheven" cultuurwaarden was er hoegenaamd niet. En het heeft zin om
op te merken dat dit tot op heden in belangrijke mate nog het geval is in
West-Europa. Een ontwikkeld mens was iemand met een "klassieke"
vorming. Pas sinds de tweede wereldoorlog verschuift het accent meer in de
richting van een "Angelsaksische" gesteldheid. Daarmee komt de
waardering voor het oorspronkelijke Europa meer en meer naar voren, terwijl de "klassieke"
wereld zelfs verloren dreigt te gaan. Duidelijk blijkt dit uit de strijd om
vernieuwing van het onderwijs. In feite is de wereld waarin wij thans leven een
"uitwerking" van de oude Germaanse wereld. Als de Germanen vonden dat
de goden er waren ten dienste van de mensen is dat exact hetzelfde als wanneer
een christen atheļst wordt omdat god zijn kind dood heeft laten gaan. En als
wij tegenwoordig allemaal weten dat "overheden" er moeten zijn ten
dienste van het "volk" (ook al komt hiervan nooit iets terecht) dan
komt dat overeen met de vroegere Germaanse inzichten. De huidige individuele
"vrijheid" van de westerse mens is geworteld in het Germaanse
erfgoed en beslist niet in het klassiéke. Dit laatste kwam over Europa als een
MACHTSWERELD met door god ingestelde overheden, goddelijke vorsten en een door
god gedicteerd recht. Bij de Germanen is hiervan niets te vinden. Zij erkenden
wel de macht, maar alleen dan als zij die zelf toegewezen hadden. Geen wonder
dus dat dit door de "klassieke bovenlaag", in feite het christendom
en haar moderne "dochter", de wetenschap, zover mogelijk weggedrongen
is en wordt.
De
voedingsbodem is bepalend
Als
een oude cultuur (in ons geval de klassieke) zich over een nieuwe, nog niet
ontwikkelde, cultuur heen legt, is het de laatste die de bepalende is. De
verhoudingen die in de laatste klaarliggen en er het wezenlijke van uitmaken
zullen zich uitwerken en daarbij voorlopig de vormen aannemen van de
overheersende cultuur. In West-Europa zijn dat de vormen van de christelijke
cultuur, en dat christendom is geworden tot een godsdienst, zoals we op blad 13 besproken hebben. Datzelfde
christendom kwam in Oost-Europa in een geheel andere voedingsbodem
terecht, die o.a. gevormd was door centraal-Aziatische culturen. In deze
situatie werd de christelijke cultuur tot een GELOOF (in de betekenis van
"inzicht"). Hierover later meer.
De
renaissance
Er
wordt beweerd dat men in de "renaissance" (= wedergeboorte) terug
ging grijpen op de geest en de cultuur van de klassieken. Zoals echter zo vaak
het geval is, is ook dit een al of niet bewuste vertekening van de
werkelijkheid. Er was wel een teruggrijpen naar de klassieken, maar dat gold
slechts voor de culturele bovenlaag. Voor deze bovenlaag werd het "memento
mori" (gedenk te sterven) van de Middeleeuwen vervangen door het
"carpe diem" (pluk de dag). De renaissance was er voor de
minderheden! Wat er werkelijk doorbrak in Europa was iets wat wij best
"humanisme" kunnen noemen, als wij daarbij maar bedenken dat het niet
gaat om een of andere intellectuele stroming bij een elite, maar om een nieuw
denken en een nieuw werkelijkheidsbesef in de West-Europese wereld. In dat
nieuwe besef kwam de individuele mens centraal te staan en dat betekent dat er
weer iets voor de dag kwam dat wezenlijk niet zozeer "klassiek" was
als wel "Germaans". Nogmaals: de individuele mens behoort niet bij de
klassieke wereld; hij is een typisch West-Europees verschijnsel.
De
Angelsaksische wereld
Vooral
sinds de tweede wereldoorlog verliest de klassieke denkwereld definitief zijn
overheersende positie. Gaandeweg neemt het Angelsaksische denken die rol over:
alle wetenschappen "verschuiven" van het Latijnse, Franse en Duitse
taalgebied naar het Engelse. De politieke macht zakt weg bij Frankrijk, Duitsland
en Engeland en komt terecht bij de Ver. Staten en Rusland. Dat wil zeggen: bij
de Angelsaksische wereld enerzijds en anderzijds bij een nog weer nieuw besef,
dat wij nog zullen bespreken (Rusland). Engeland speelde in dit besef een
"overgangsrol".
De
moderne filosofie is vrijwel geheel Angelsaksisch. Bij het bestuderen daarvan
valt het gemis aan klassieke achtergrond pijnlijk op. Die filosofie is erg
zakelijk, rationalistisch en "wiskundig", met nauwelijks enige warmte
en menselijkheid. De mensen komen er uiteraard wel in voor, maar zij worden
voornamelijk gezien als "verschijnselen" temidden van alle andere
dingen. Zij worden dan ook voortdurend vergeleken, voornamelijk wat betreft hun
gedrag en hun relaties, met de andere verschijnselen zoals de dieren. Het specifiek
menselijke, wat dat dan ook zijn mag, komt voor de dag als een soort van
"afwijking". De kunst en het liefdesbegrip worden nauwelijks meer als
een thema voor de filosofie gezien. Het gaat bij de Angelsaksische filosofie
niet meer om de "liefde" tot de wijsheid, maar om wetenschappelijke
kennis over de verschijnselen. We kunnen stellen dat de "klassieke"
filosofie uitloopt in Hegel (1770-1831). Zijn filosofie is geheel en al
"doorademt" van levensbegrippen en eigenlijk gaat zijn gehele
filosofie over de mens, niet als individueel en op zichzelf staand geval, maar
als slotakkoord van de werkelijkheid. En van daaruit wordt door hem
bijvoorbeeld de kunst uitvoerig besproken, evenals de ontwikkeling van de
menselijke geest in de "Fenomenologie des Geistes" van 1806. De
filosofie van Hegel is al spoedig door de westerse denkers verworpen. In hen
zette zich het Angelsaksische door, dat eigenlijk al begonnen was met Kant
(1724 - 1804), die een aanvang maakte met het zakelijk analyseren van de
werkelijkheid ter wille van die analyse zelf. Zijn filosofie cirkelt om de
vraag "wat kunnen we weten en hoe kom je dat aan de weet". En hier
begint het onderzoek van de verschijnselen.
Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16,
22, 23, 32)
No.
15
De
klassieke cultuurstroom
Aan
het begin van West-Europa was de situatie niet zo dat het "klassieke"
cultuurgoed - wat dit ook wezen mag - naar de "Germanen" stroomde,
maar daar was de ontwikkeling van het machtsdenken die zich via het Romeinse
rijk, de omzetting daarvan als "roomse kerk" en de Germaanse voedingsbodem doorzette in de westerse wereld - tot op de
dag van vandaag. Om deze ontwikkeling te begrijpen is het nodig een helder
beeld te krijgen van het machtsdenken in de oudheid en dat van de Romeinen.
Daarna moeten we bezien welke rol het christelijk denken, voor zover het
godsdienstig denken is, in dit proces gespeeld heeft. Hierbij is ook de vraag
van belang wat de mensen bezielt om zich te onderwerpen aan een
"god". In feite maakten de "Germanen" dus kennis met een
bepaald aspect van de "klassieke" cultuur. Dat aspect speelde in die
klassieke cultuur zelf nauwelijks een rol: de macht, de instellingen daarvan en
de werking naar de mensen toe is bijvoorbeeld bij Plato wel ter sprake gekomen,
maar niet om de macht zelf te ontmaskeren. De macht was een vanzelfsprekend
gegeven waarvan het praktische bestaan als een essentie van de menselijke
werkelijkheid beschouwd werd. Maar als deze zaak bij de Germanen terechtkomt
wordt alles anders: de macht werd het centrale thema van de West-Europese
ontwikkeling. Aanvankelijk de macht van de Romeinse legioenen en later die van
de roomse kerk.
Het
machtsbegrip in de oudheid
Het
machtsbewustzijn van de oudheid was een zaak waarin de bevolking geen rol
speelde. Dat betekent dat het als vanzelfsprekend werd ervaren dat de bevolking
- het totaal van de individuele mensen - in het machtssysteem opgenomen was. De
totale bevolking vormde een geheel en dat geheel was, op zichzelf, een macht en
die macht werd gesymboliseerd door de absolute en goddelijke vorst. Er was
onder de mensen van de oudheid een sterk "eenheidsbesef", het besef
van "bij elkaar behoren". Het zonder meer opgenomen zijn in een
"geheel". De vorst was de vertegenwoordiger van dat geheel en bij hem
berustte ook de macht van het geheel. Het "staatkundige" geheel werd
beseft als een afspiegeling van het geheel dat de werkelijkheid zelf is en dus
was de vorst daarvan ook een afspiegeling. Dat verklaart zijn goddelijke en
absolute karakter. En voor de mensen, als leden van zon geheel was dat
volkomen vanzelfsprekend. In feite bogen zij dus niet voor de macht, maar waren
zij daarvan een onderdeel. Dat betekent niet dat zij aan de macht deelnamen -
zoals wij dat, in theorie althans, kennen - maar het betekent in de praktijk
juist dat zij hoegenaamd niets te vertellen hadden. Gezien vanuit de macht waren
zij er eenvoudig niet. Hoewel de inhoud ervan in West-Europa verloren is
gegaan, vinden wij nog overblijfselen van dit oude machtsbesef als
christelijken spreken van een door god ingestelde overheid en als Europese
vorsten hun status legitimeren door op de "gratie Gods" te wijzen.
Bovendien worden "vorsten" geassocieerd met "adel", d.w.z.
met de sfeer van het "verhevene", het boven-alledaagse, het
goddelijke. Dat wordt duidelijker naarmate we verder teruggaan in de
West-Europese geschiedenis. Maar bij de Germanen lag dit besef niet.
De
oudheid kende dus niet zoiets als een "individuele macht". De macht
van de ene willekeurige mens over de andere lag buiten het gezichtsveld, maar
in de praktijk was die er natuurlijk wel. Daarover werd echter niet nagedacht;
hij speelde geen rol en in geval van praktische problemen was de wil van de
absolute vorst bepalend.
Het
Romeinse rijk
Het
Romeinse rijk, en vooral de stad Rome, was een vergaarbak van alle oude
culturen. Zij konden allemaal in Rome terecht en zij werden ook bewust naar
Rome toegehaald. Rome heeft de gehele toenmalige wereld bijeen gestolen. Het
lag in de aard van de Romeinse cultuur om alles te willen hebben; het ging de
Romeinen om het TOTAAL der dingen - dit in tegenstelling tot het besef van de
oudheid, toen het om het GEHEEL van de werkelijkheid ging. Het bijeenstelen van
het totaal der dingen houdt in dat men die dingen niet vernietigt. Derhalve
hielden de Romeinen de door hen veroverde gebieden zoveel mogelijk in stand.
Pas bij verzet gingen zij tot vernietiging over. Je hebt immers niets aan
gestolen waar die niet meer intact is! Het feit, dat het de Romeinen ging om
het totaal der dingen, berust op de ontdekking van het zich ontwikkelende
denken dat de werkelijkheid bestaat uit allerlei afzonderlijke dingen.
Natuurlijk wist men dat in de oudheid ook wel, maar men ging daarvan niet uit -
men ging uit van het "geheel". Nu echter gaat men er wel van uit.
Maar de "sfeer" van de oudheid, het "geheel" van de
werkelijkheid, leefde nog wel voor de Romeinen, en dus kwamen zij er toe dat
"geheel" met het "totaal" der dingen te gaan opvullen. De
Romeinen waren echte verzamelaars! Maar een verzameling stelt niets voor als
daarin geen ordening is aangebracht. Voor zover die verzameling bestaat uit
afzonderlijke mensen komt de behoefte tot ordening voor de dag als het
formuleren en toepassen van het RECHT. De Romeinen waren de eersten in wie het
rechtsbesef wakker werd; voordien was er alleen maar de WET, geformuleerd
vanuit het absolute. De vorst stelde vast hoe het zat en zo was het dus
en niet anders. Maar de Romeinen regelden de verhoudingen tussen de mensen, en
dat kan alleen maar als die mensen beseft worden ER TE ZIJN. Op zichzelf is dit
een enorme vooruitgang in het denken. Maar met die vooruitgang komt ook het
thema van de "individuele macht" en het "individuele
belang" voor de dag en gaat voortaan een alles overheersende rol spelen.
Dat is mogelijk in West-Europa omdat bij de Germanen deze zaak als het ware
klaar lag. Maar er komt door het christendom een nieuwe factor bij: het
machtsbesef werd nu niet meer verbonden met het geheel, maar met de individuele
mensen. Om te begrijpen hoe dit mogelijk was moeten wij straks gaan bekijken
welke rol de christelijke "god" speelde. Dat kunnen wij niet zonder
ons af te vragen waar de mensen toch hun goden vandaan haalden, terwijl ze het
ogenschijnlijk beter zonder hadden kunnen doen. Voorlopig kunnen wij opmerken
dat in Europa een begin wordt gemaakt met de machtsstrijd van iedereen tegen
iedereen. In principe worden alle afzonderlijke mensen van nu af aan elkaars
vijanden.
De wereldveroveraars ( doe
Uzelf een plezier en lees deze bundel in zn geheel )
nos 16, etc.etc.
De
Romeinen waren uit op wereldverovering omdat zij het totaal van de
afzonderlijke verschijnselen - mensen en dingen - wilden BEZITTEN teneinde
daarmee het "geheel" op te vullen met haar eigen inhoud: het
"totaal". Maar Alexander de Grote (356 - 323 v.o. j.) ging het om de
verwerkelijking van het GEHEEL. De wereld was voor hem een wereld omdat de
werkelijkheid, die hij immers vertegenwoordigde, een geheel was. Dat is dus een
heel andere gesteldheid dan die van de Romeinen, maar in zekere zin hadden
beiden, Romeinen en Alexander, nog steeds de werkelijkheid zelf op het oog. De
latere wereldveroveraars: de christenen, de Europese vorsten, Napoleon, Hitler,
de Russen en de Amerikanen hebben het niet meer over de werkelijkheid, maar
over een fictie, namelijk de MACHT over de werkelijkheid. Dat maakt die
wereldveroveraars tot zulke gevaarlijke idioten dat zij zelfs de wereld zouden
vernietigen als zij hun zin niet kregen. Voor Alexander en voor de Romeinen was
zoiets ondenkbaar, zelfs als zij er technisch toe in staat waren geweest.
Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16,
22, 23, 32)
De wording van het roomse christendom
Het
roomse christendom, het machtsinstituut dus waarmee de Germanen te maken
kregen, is vanzelfsprekend ontstaan uit allerlei stromingen van het denken. Je
kunt er elementen in terugvinden van vrijwel alle godsdiensten, mythen en
filosofieėn uit de oudheid. Dat spreekt vanzelf als wij ons herinneren dat dit
christendom een voortzetting is van de ROMEINSE cultuur, die een verzameling
was van de gehele oudheid. Wij geven hiervan nu geen analyse - als dit al
mogelijk zou zijn - omdat dit voor ons thema niet van belang is. Wel echter
moeten wij inzicht krijgen in de lijn die het denken gevolgd heeft naar het
roomse christendom toe. Teruggaande in de tijd moeten wij als eerste stilstaan
bij wat ik het "oerchristendom" zou willen noemen, een bij ons
tamelijk onbekend verschijnsel omdat het door het roomse christendom
angstvallig doodgezwegen wordt. Eerst in het begin van de 20ste eeuw is er,
vanuit het protestantisme, weer aandacht aan besteed en wat onderzoek naar
gedaan. Ten tweede moeten wij bekijken datgene dat ik de "Grieks
evangelische wereld" zou willen noemen. We leggen daarbij de accenten
anders dan gebruikelijk is: we benadrukken niet zozeer het
natuurwetenschappelijk filosofische denken van de oude Grieken, uitlopende in
Plato en Aristoteles, als wel het "gnostische" en het kunstzinnige
denken. Ten derde is het oude joodse denken van belang, zoals dat uitliep in de
abstractie van Jahwe, de zogenaamde joodse, maar ook christelijke, god. Deze
Jahwe was de uiterste consequentie van het abstraheren van de werkelijkheid en
als zodanig voor ons van belang om een aantal evangelische inzichten te
begrijpen.
In
de eerste eeuwen van onze jaartelling ontstonden er rond de Middellandse Zee
allerlei "christengemeenschappen", modern gezegd:
"communes". Zij stonden in het teken van de gemeenschappelijkheid,
kenden geen hiėrarchie en dus was niemand de baas terwijl de leden behoorden
tot de laagste sociale niveaus van de toenmalige maatschappij. Hoewel de
Christus gedachte hen samenbond mogen wij toch niet denken aan een soort van
kerkgenootschap, dat er enkel is om gezamenlijk de godsdienst te beoefenen. Dat
laatste behoort namelijk tot het roomse christendom en het protestantisme. De
christengemeenschappen waren in de eerste plaats LEVENSGEMEENSCHAPPEN, en dat
vanuit de Christus gedachte. In een dergelijke denkwereld past zoiets als het
huwelijk niet, hetgeen blijkt uit een aantal van de brieven van de
"apostelen", vooral van Paulus. In die brieven worden de mensen uit
de "gemeenten" beschuldigd van het niet navolgen van de geboden en
van "hoererij". Deze beschuldigingen worden uitermate
veelzeggend als wij bedenken dat onze vriend Paulus een der eerste ijveraars
voor het roomse christendom was. Er wordt niet voor niets van hem gezegd dat
hij een "romein" was! Het roomse christendom was dus tegen de oerchristenen,
en dat ging, naarmate Rome sterker werd, zo ver dat men de
christengemeenschappen met geweld ging uitroeien. Maatschappelijk gezien
behoeft dat geen verbazing te wekken: tot op de dag van vandaag wordt de
communes het leven onmogelijk gemaakt. Opvallend is evenwel dat het roomse
christendom de doodsvijand bleek te zijn van de oerchristenen. En vanaf
het moment dat het roomse christendom onder Theodosius (379 - 395) tot
staatsgodsdienst werd verklaard (ca. 380) lag ook juridisch de weg open voor
gewelddadig optreden. Het ging immers niet om de christelijke GEDACHTE, maar om
de MACHT en die kon nu eenmaal niet gevestigd worden met mensen die geen
hiėrarchie kenden en die in vrijheid en gelijkheid wensten te leven.
Kortom: met mensen, die het gezag van de bisschop van Rome niet erkenden.
Als
wij hierover nadenken moeten wij opletten niet in de valkuil van het
godsdienstig denken te vallen. De oerchristenen spraken namelijk ook over
"god" en over diens zoon "Christus" en over de
"heilige geest". En voor hen was er ook de eenheid van die
drie. Op grond hiervan zouden wij het allemaal als flauwekul kunnen afdoen,
maar wij moeten wel bedenken dat een en ander pas "flauwekul" geworden
is in het ROOMSE christendom. Bij de oerchristenen waren "god"
en "Christus" en de heilige geest" de
beelden en symbolen van een bepaalde gedachte over de werkelijkheid en de
plaats van de mensen daarin. En die gedachte moeten wij vinden. Daarbij is het
van belang dat het die oerchristenen om het LEVEN ging en niet om een of
andere theologische dogmatiek. Tekenend is bijvoorbeeld dat zij de redding uit
hun treurige bestaan NOG TIJDENS HUN LEVEN verwachtten van de wederkerende
Christus. Die Christus zou alle mensen redden en bevrijden uit het lijden van
deze wereld. Alle mensen: Christus zou dus niet terugkeren om te OORDELEN over
de "goeden" en de "slechten" zoals Rome en het latere
protestantisme leren. De gedachte die in Christus uitgedrukt werd had dus te
maken met een principe in de werkelijkheid, dat bij ontdekking door de mensen
het reddende principe zou blijken te zijn. Om welke ontdekking ging het?
Het
ging om de ontdekking dat het "goddelijke" geen abstracte en als
zodanig BUITEN en BOVEN de mensen staande werkelijkheid was, maar een
werkelijkheid van de mensen zelf. Dat dus iedere individuele mens op zijn wijze
een bestaansvorm van het "goddelijke" was. Omdat dit door de
toenmalige mensen "ontdekt" werd kwam het hen voor alsof
"god" zichzelf tot mens maakte en als zodanig tot "leven"
kwam. Dit wordt dan getekend in het verhaal van "Gods zoon" (god
anders, dus geen ongrijpbare en ongevormde abstractie, maar een verschijnsel
dat bestaat), die naar de aarde afdaalt als een levend mens, die aan de mensen
het "leven" schenkt. In feite is dit de vrijheid waarover wij
al gesproken hebben. En deze vrijheid houdt gelijkheid in omdat ze voor
iedereen geldt. Ze sluit dus elke hierarchie uit; de ongelijkheid van het
bestaande wordt "opgeheven". Elke vorm van macht is uitgesloten. En
dus ook elke godsdienstigheid. Hoewel de oerchristenen hun inzichten
verwoordden in beelden en symbolen uit de heersende (klassieke) cultuur en
daardoor de schijn wekten godsdienstig te zijn - althans voor ons - moeten we
vaststellen dat zij wezenlijk "atheļstisch" waren,
"anarchistisch" en zelfs wel "nihilistisch". Zij hingen aan
geen enkele waarde, erkenden geen macht en gezag en zij wisten zichzelf dragers
van het oneindige en eeuwige. Inmiddels is wel duidelijk geworden dat
"Rome" van een dergelijke gesteldheid niets moest hebben. Overal waar
zoiets later nog weer de kop opstak is met een niets ontziend geweld
opgetreden: er zijn meer kruistochten geweest binnen Europa dan tegen de moren
in het "heilige land". Rome heeft meer en bloeddorstiger tegen deze
ideeėn gestreden dan tegen de allengs opkomende wetenschap. De brandstapels
voor de ketters rookten over geheel West-Europa en daarbij vergeleken zijn er
maar enkele wetenschappers vermoord. Nu waren dit inderdaad altijd enkelingen
zodat het minder opvallend is, maar dat neemt niet weg dat ook de agressie
tegen de wetenschap veel minder was. Het ging meer om het christelijke aanpassen ervan. De
destijds gebruikelijke uitspraak "doet dan Christus aan" houdt in dat
je zou moeten inzien dat je zelf "Christus" bent. Dit vooronderstelt
natuurlijk dat je je eigen individualiteit ontdekt moet hebben. Dit was voor de
toenmalige mensen inderdaad het geval, zoals wij reeds besproken hebben. De
Romeinen hadden immers het "totaal" van de dingen ontdekt.
Bladwijzer: Aanpassen-1 ; aanpassen-2
; aanpassen-3 ;Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14,
16, 22, 23, 32)
De ondergang van het oerchristendom
We
hebben er al op gewezen dat de christengemeenten in de eerste eeuwen van onze
jaartelling met harde hand door de roomse christenen zijn uitgeroeid. Dat is
natuurlijk een treurig feit, maar voor die oerchristenen zelf was de zaak
ook onhoudbaar omdat de individualiteit van de mensen inhoud begon te krijgen.
Hun persoonlijke eigenschappen werden steeds meer benadrukt en daaraan werd een
concrete invulling gegeven. Een ieder kreeg zo zijn eigen belangen en wensen en
daarmee werden de mensen langzaam maar zeker gevoelig voor de machtsidee van de
roomse kerk. Het benadrukken van het individuele houdt het wegzakken van het
gemeenschappelijke in. We moeten daarbij bedenken dat wij met mensen te doen
hebben, die binnen het Romeinse cultuurgebied leefden en zich daarmee mee
ontwikkelden. Het conflict tussen gemeenschappelijkheid en
individualiteit komt vaak voor; denken wij bijvoorbeeld aan het
moderne China. De
nieuwe generatie heeft de vroegere gemeenschappelijke armoede en de
betrekkelijke verlossing daaruit niet meer meegemaakt. De jonge mensen hebben
onderwijs genoten en dat heeft hun individualiteit versterkt. Die moet namelijk
eerst opgeroepen worden als je hem wilt programmeren. Maar een geprogrammeerde
individualiteit is wel een individualiteit en die dringt de
gemeenschappelijkheid toch terug - al ligt dit niet in de bedoeling van de
machthebbers. Een ander voorbeeld: de moderne communes in het westen kunnen
niet bestaan zonder het terugdringen van het individuele, dat in het westen
sterk ontwikkeld is. Steeds echter steekt dit individuele na verloop van tijd
de kop weer op; het blijkt onuitroeibaar en het is er de oorzaak van dat de
communes de een na de ander weer in elkaar zakken. Het oerchristendom
had dus vanaf het begin geen mogelijkheden. Er valt hieraan dus niets te
idealiseren, maar wel is het van belang om in de gaten te hebben dat de
ontwakende individuele mens in en aan zichzelf een niet-materiėle, abstracte en
"goddelijke" werkelijkheid herkende, want vanaf dat moment ging hij
zelf met zijn werkelijkheid aan de gang. Hij leerde begrijpen dat hij zelf
alles aankon, dat hij zelf de werkelijkheid kon leren doorgronden en dat hij
zijn leven in eigen hand had. Dat werd het beeld van de West-Europese mens,
langzaam maar zeker. Maar dat beeld werd ook onmiddellijk tweeslachtig omdat de
eigen "goddelijkheid" ook de maatstaf werd waarmee men zichzelf meer
waarde ging toekennen dan de ander. Hier begint de machtsstrijd.
De historiciteit van Christus
Zoals
bekend is er in het westen nogal wat te doen geweest over de vraag of Christus
wel echt geleefd heeft. Een typisch westerse vraag! Men denkt dat het geloven
aan Christus aanvaardbaar is als hij werkelijk bestaan zou hebben! Hieraan kan
men zien hoe platvloers het westerse "geloven" feitelijk is. Maar,
tot troost van die "gelovers" moeten wij opmerken dat en Jezus en
Christus en al die anderen echt bestaan hebben. Het wemelde destijds van de
"profeten" en de "geroepenen" en de
"gezalfden" en op de een of andere manier deden zij de mensen geloven
dat zij de "echte" waren. "Lou de palingboer" was
ook toen overal actief. En van enkele van die "palingboeren" gewaagt
de geschiedenis: wij vinden iets bij Flavius Josephus, Plinius, Tacitus en
Suetonius. De christenen kunnen dus gerust zijn. Het is allemaal echt waar... In
feite gaat het natuurlijk allemaal om een IDEE die de mensen nauwelijks bewust
was, maar die door de "palingboeren" handig bespeeld werd - het
handigst door de "palingboer" uit Rome, de latere "stedehouder
van Christus", de paus. Met deze "gezalfde" hebben wij zelfs
vandaag nog een heleboel te stellen; hij wordt over het algemeen nog steeds
niet als een handige bedrieger gezien. Men neemt hem, ondanks
meningsverschillen, behoorlijk serieus en het getuigt van slechte smaak hem
belachelijk te maken.
Als
wij nu teruggaan naar de "Grieks evangelische wereld" moeten wij ons
voornamelijk richten op de "evangeliėn", zoals die in het
"nieuwe testament" van de bijbel voorkomen. Het is echter een rommeltje
met die evangeliėn omdat ze door de roomse kerk zijn aangepast aan de roomse
machtsideeėn. Omdat men er evenwel toen al niets meer van begreep is er nogal
wat oorspronkelijks in blijven staan, en dat is voor ons van belang. Dan valt
de niet bevooroordeelde lezer op dat er eigenlijk geen sprake is van een
Christus of Jezus, maar van een drietal figuren. Blijkbaar was dat nog lange
tijd bekend, want Johannes vond het nog nodig zijn gelovigen er op te wijzen
dat het noodzakelijk is dat "gij gelooft dat Jezus is de Christus, de zoon
van god" (20:31). Hij schreef dat ongeveer een eeuw na Christus. Jezus is
de eerste figuur. Hij stamt uit de Joodse traditie en is in grote lijnen te
vereenzelvigen met de zogenaamde "Messias", de gezalfde, de verlosser
van het joodse volk, die als koning over dat volk zal heersen. Volgens sommigen
is hij identiek met Jozua. De "zoon van de mens" is de tweede figuur.
Hij is van belang voor de ideeėn van de Grieks evangelische wereld. Christus is
de derde figuur. Hij is eveneens een "gezalfde". Hij geldt als de
"zoon van god" in de oorspronkelijke betekenis, zoals wij gezien
hebben bij het oerchristendom, en hij geldt als een
lid van de drie-eenheid uit het rooms christelijke denken. Door deze drie
figuren tot een figuur om te smelten kon Rome zich opwerpen als de enige ware
godsdienst. De joodse cultuur, de evangelische cultuur en de oerchristelijke
waren voltooid in en door Rome. Dat betekende dat alles zich daaraan te
onderwerpen had.
Deze
figuur is een uitbeelding van de gedachte dat de mensheid eens mensen zal
opleveren, die "ware mensen" genoemd zouden kunnen worden. In de
evangeliėn wordt zo'n "ware mens" getekend. Dat is dan een mens voor
wie alles draait om de "liefde", d.w.z. het "ineen-zijn"
van de gehele werkelijkheid. In die liefdevolle werkelijkheid zijn alle mensen
opgenomen. Dat betekent dat voor het eerst in de geschiedenis de mens zelf mee
gaat tellen. Voordien namelijk moest hij verdwijnen in het "nirwana"
(India), of hij bestond eenvoudig niet omdat alleen de abstracte Jahwe een
realiteit was, kortom: steeds moest de levende mens verdwijnen. Maar nu kan hij
leven, hij is nu een realiteit. Maar die realiteit hield nog wel in dat zijn
individualiteit niet van belang was. Het HOE (de hoedanigheid) van die
realiteit gold nog niet. Daarom werden alle wereldse waarden afgewezen: verkoop
je goederen, verlaat je familie, ga niet eerst je vader begraven, maar laat de
doden de doden begraven. De wereld is waardeloos, het is een lijk. Eigenlijk is
in het licht van de liefde niets van enige waarde en voor zover je het nodig
hebt valt het je vanzelf toe. Een puur nihilistische gedachte! In deze gedachte
valt het onbevangen openstaan voor de dingen op: men zou moeten zijn gelijk een
kind, zonder te oordelen. Een eenvoudige geest zou men moeten hebben, zonder de
gecompliceerdheid van het waarde denken. En we worden geconfronteerd met het
beeld van de "hoer". Het voor alles openstaande beginsel dat
nergens enige meerwaarde aan toekent. De latere westerse denkers verwijten de
"evangelische" mensen dat zij hun volgelingen een droom voorhielden
om hen onderdanig en gedwee te houden. Dit verwijt toont aan dat genoemde
denkers niet los zijn gekomen van de roomse voorstellingen. Want in feite werd
de wereld met zijn machten, oordelen en geweld als een (boze) droom gezien. Een
veel geciteerde uitspraak als "geef de keizer wat des keizers is"
duidt niet op een eis tot gehoorzaamheid, maar op onverschilligheid voor de
keizer. Geef hem die belasting maar, het is toch zonder waarde en het is beter
"de boze niet te weerstaan". Later, in het westerse roomse
machtsdenken heeft men de boel omgedraaid tot gehoorzaamheid.
De
Grieks evangelische wereld
Het
is van het grootste belang dat wij de (fragmentarische) denkbeelden, die
bewaard zijn gebleven uit de Grieks evangelische tijd, zo onbevangen mogelijk
benaderen. Uiteraard moet je dat met alle denkbeelden doen, maar in dit geval
is het wel heel erg noodzakelijk omdat wij onwillekeurig de zaak benaderen
vanuit het christelijke westerse denken, waarvan wij allemaal een tik hebben
meegekregen. Als het ons echter gelukt om onbevangen te zijn, dan zullen wij er
toch moeilijk onderuit kunnen dat de bijvoorbeeld in de "Bergrede" (mattheus
5 - 8) vermelde uitspraken over de "armen van geest" (= de
eenvoudigen), de "zachtmoedigen", de "barmhartigen", de
"vredestichters", enz. van een dusdanig helder inzicht getuigen, dat
de mensheid er vandaag de dag nog de grootste moeite mee heeft. En het
liefdesbegrip, dat inhoudt dat de werkelijkheid, inclusief de menselijke
werkelijkheid, een onverbreekbaar samenhangend "geheel" is, wordt ook
nog steeds afgedaan als een utopie, die wel mooi is, maar die niet kan. Wat
daarentegen wel schijnt te kunnen is de verscheurdheid, de vijandschap, de
verbrokkeling van de mensheid, en het vervolgens erover praten hoe we,
doormiddel van zogenaamde "machtsevenwichten" de vrede moeten
bewaren. De hele zaak is op zijn kop gezet; door nu te menen dat de uitspraken
in de Bergrede (en dergelijke) bedoeld zijn om de mensen onderdanig en dom te
houden bevestigen wij die op zijn kop gezette zaak. De mensen uit de Grieks-
evangelische tijd zagen de werkelijkheid naar haar uiterste menselijke
consequenties. Maar dan dat is qua ZIEN niet mogelijk. Wat wel mogelijk is, is
het te voorschijn brengen van de inhoud van het geziene. En dat gebeurt dan ook:
de individualiteit van de mensen komt gaandeweg voor de dag, de dingen worden
bereikbaar voor analytisch onderzoek, kortom, de werkelijkheid wordt uit elkaar
gehaald. De culturen na de Grieks evangelische werken het liefdesbegrip
(= dat alles ineen is) uit en richten het om te beginnen tevens ten gronde,
door het op zijn kop te zetten. Maar: wegblijven kan die ontwikkeling niet, de
zaak moet uitgewerkt worden, de individuen en de dingen moeten tot gelding
komen omdat het liefdesbegrip zonder inhoud een wezenloos begrip is. De
evangelische gedachte dat de mens onverschillig zou moeten zijn voor
individuele en maatschappelijke waarden is dan ook op zichzelf wel juist (en
ook niet te overtreffen), maar die gedachte kan alleen maar dan een levende
realiteit worden als die waarden eerst voor de dag gekomen zijn. Pas dan kan
blijken dat alles wat er is zonder waarde is. Met het vervallen van de waarden
wordt de werkelijkheid voor de mensen weer een geheel, en dan is het
liefdesbegrip weer terug. De Grieks evangelische mensen hebben dit proces van
uitwerking voorzien. Het verhaal daarvan vinden wij o.a. in de
"Apocalyps", waarover later meer.
Het kruis
Het
kruis is in de oude tijden een levenssymbool geweest. Het kwam zo ongeveer
overal voor, zelfs bij de oude Mexicanen, waar het geassocieerd werd met de
zogenaamde levensboom. Het ontwakende leven, dat door het kruis gesymboliseerd
werd, kreeg geleidelijk aan de betekenis van het "nieuwe" leven, dat
de mens deelachtig zou worden als alle oude waarden afgestorven zouden zijn.
Door de verbinding met het "sterven", dat als noodzakelijke
voorwaarde voor het "leven" (= het ware leven) werd gezien, is er
langzamerhand een verschuiving opgetreden van een levenssymbool naar een
doodssymbool. In de westerse christelijke kerken is er dan ook nog het aspect
van het "lijden" bijgekomen, d.w.z. het lijden van Christus aan het
kruis. Een zeer concrete betekenis dus, zoals gebruikelijk in het westerse
denken. Andere aspecten zijn: de verzoening met god en het een-zijn met
Christus. Van het levenssymbool is dus niets overgebleven.
De
Griekse kunst gewoonlijk legt men geen direct verband tussen de Griekse kunst
en de verschillende momenten van de denkontwikkeling. Als het over dit laatste
gaat vindt men de Griekse filosofie alleen maar van belang. Zonder dit belang
te willen kleineren - we hebben immers te doen met het prille begin van de
WESTERSE wijze van denken - moeten we toch begrijpen dat in de Grieks
evangelische wereld het ZIEN van de werkelijkheid dominant was. Reden waarom
datgene dat in de kunst gestalte kreeg heel wat meer over het toenmalige denken
zegt dan de uitspraken van het denken zelf. Het op analytische wijze maken van
onderscheidingen stond nog geheel en al in de kinderschoenen. Men
"zag" de werkelijkheid wel, maar de concrete inhoud van het geziene
moest nog voor de dag komen. Voor de kunst evenwel liggen de verhoudingen totaal
anders: de concrete inhoud doet er niet toe, het gaat om het samenhangende,
harmonische geheel. Een geheel waar "niets uit springt", een als
vrouwelijk geziene werkelijkheid, die al het bestaande tot inhoud heeft. Het
ineen-zijn van het bestaande is hetzelfde als het liefdesbegrip. Geen wonder
dus dat de Griekse (beeldende) kunst haar hoogtepunt vond in de Afrodite. Zij
is de godin van de liefde, zij is "de uit het schuim der zee
geborene". Dit laatste wijst op het inzicht dat in Afrodite ook het
mannelijke opgenomen was: de vermenging van lucht en water. Oorspronkelijk was
zij een vruchtbaarheidsgodin uit Aziė (Ishtar) en zij is zelfs terug te brengen
tot de "Grote Moeder" uit de grijze oudheid. De Griekse Afrodite is
de "verbeelding" van de werkelijkheid zelf als het begrip
"liefde". Omdat echter in de praktijk van het leven de werkelijkheid
uiteen ligt (man en vrouw, dit en dat) behoort bij Afrodite ook het
"liefdesverlangen" verbeeld in Eros. Deze god heeft niets met
verliefdheid te maken; hij geeft uitdrukking aan het verlangen de werkelijkheid
INEEN te doen zijn. Aan dit verlangen geven ook de duiven uitdrukking, die met
Afrodite geassocieerd worden. Die duiven verwijzen naar het begrip
"vrede". Omdat Afrodite ook als de "hemelkoningin" gezien
werd (Durania), ligt de vergelijking met de uit het christendom bekende Maria
voor de hand. Maar niet alleen Maria had in Afrodite een voorgeschiedenis. Dit
was ook het geval met de "zoon van de mens".
Het
verhaal van Dionysos
De
verhalen die verteld worden van Dionysos komen vrijwel letterlijk overeen met
die van de "zoon van de mens". Beiden moeten sterven en een drietal
dagen onder de grond verblijven om op te kunnen staan tot een "nieuw
leven", dat het werkelijke leven is. Men noemde dat een eeuwig leven, niet
omdat de sterfelijkheid opgeheven zou zijn, maar omdat het een leven was IN HET
LICHT VAN de eeuwigheid, het onvergankelijke, het niet-materiėle. Ook worden
beiden verbonden met de wijnrank, die symbool staat voor het geestelijk leven
(niet te verwarren met "intellectueel" leven - dat is westers!). Het
bokje, dat door de "goede herder", de "zoon van de mens",
gedragen wordt, komt eveneens bij Dionysos voor. En zo zijn er nog vele
overeenkomsten. Als wij nu bedenken dat de Dionysische gedachte al meer dan 500
jaar voor onze jaartelling gemeengoed was, dan kunnen wij weer eens zien hoe de
christelijke kerken de geschiedenis vervalst hebben door het voor te stellen
alsof hun "Christus" een volstrekt unieke gebeurtenis zou zijn
geweest. De geschiedenis wijst uit dat er eeuwen lang naar de "zoon van de
mens" is toegewerkt. Aanvankelijk was hij een godheid en gaandeweg werd
hij de uitdrukking van de ware mens. Ter ere van Dionysos werden er in
Griekenland jaarlijks feesten gehouden, waaraan 's nachts vooral de vrouwen
deelnamen. Dezen lieten zich gaan in seksuele orgiėn, die uitdrukking gaven aan
de gedachte dat het mannelijke de vanzelfsprekende en onvoorwaardelijke inhoud
is van het vrouwelijke. Hier ligt dus de verbinding met Afrodite en in het
algemeen met de werkelijkheid zelf als het "geheel" waarin alles
aanwezig is.
Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3
; Opgevoed-1
; Onderzoeksdoel
/ Onderzoeksmethode ; Onderzoeksdoel / Objectief onderzoek ;
Het
zien van de werkelijkheid
Al
bij verschillende gelegenheden heb ik gesproken over het "zien" van
de werkelijkheid. Dit is vooral een belangrijk punt bij het leren begrijpen van
de Grieks- evangelische mens, maar het is ook goed om het "zien" in
verband te brengen met de opvattingen in onze moderne cultuur. Volgens deze
opvattingen moet het "zien" van de werkelijkheid als een bron van
kennis afgewezen worden, zogenaamd omdat het een "subjectieve" zaak
zou zijn, die geen algemeen geldende en controleerbare kennis zou opleveren.
Toch blijkt uit allerlei uitdrukkingen in onze taal dat de mensen onbewust
beseffen dat "zien" en "inzicht" primaire grootheden zijn:
"Ik zie het zo" en "inzicht verkrijgen" en "de
oplossing zien", enzovoort. Maar het is niet meer dan een vaag besef, op
de voorgrond ligt de mening dat je je kennis zou moeten putten uit het
systematisch onderzoek van de feitelijke werkelijkheid om je heen.
De
moderne benadering van de werkelijkheid vooral sinds de 19e eeuw is er
een denken effectief geworden dat zich richt op de werkelijkheid voor zover die
als een verzameling "objecten" om je heen staat. Sindsdien komt al
onze kennis voort uit onderzoek van die objectieve werkelijkheid. Dat onderzoek
vereist een "objectieve" opstelling van de onderzoeker. Hij doet er
als het ware zelf niet in mee, met als gevolg dat de door hem verkregen kennis
uit algemeen geldige "feiten" bestaat, die voor een ieder
controleerbaar zijn. Men gaat er daarbij als vanzelfsprekend van uit dat die
"verzameling objecten" inderdaad de werkelijkheid is en dat men zich
daarop moet richten als men er achter wil komen "hoe het zit". Als
wij de praktijk van het huidige leven eens nader bekijken, dan merken wij op
dat het enerzijds zeker een feit is dat wij inmiddels onvoorstelbaar veel over de
dingen aan de weet zijn gekomen, maar dat het anderzijds evenzeer een feit is
dat wij ten prooi zijn gevallen aan een grote verwarring en steeds minder weten
"hoe het zit". Sociaal en economisch en politiek lukt er steeds
minder. De problemen in de wereld zijn vrijwel onoplosbaar geworden. Het ziet
er naar uit, dat het onderzoek van de objectieve werkelijkheid in het geheel
geen antwoord kan geven op de vraag "hoe zit het". Het is onthullend
te vernemen wat de meest vooraanstaande natuurkundige onderzoekers intussen
omtrent de werkelijkheid ontdekt hebben.
Resultaten
van de natuurkunde
Bij
het onderzoek van de materie wordt almaar meer duidelijk dat de werkelijkheid
in de grond van de zaak "bestaat" uit elementaire deeltjes, die
volkomen ongrijpbaar zijn, die zich onvoorspelbaar gedragen en die soms wel en
soms niet bestaan. In de grond van de zaak blijkt die zogenaamde objectieve
werkelijkheid er helemaal niet te zijn; de zaak vliedt ons uit de handen, biedt
geen enkel houvast en spot met alle "normale" wetten. Bovendien
blijkt de elementaire werkelijkheid niet los te staan van degene die haar,
doormiddel van allerlei apparaten, waarneemt. Er is dus geen scheiding tussen
het "object" en de "waarnemer". Dat betekent dat deze
altijd "meedoet" in het onderzoek en zelfs het bestaan van de
elementaire werkelijkheid bepaalt. Hoe absurd het ook klinkt: zonder de
waarnemende mens bestaat de elementaire werkelijkheid helemaal niet! En met de
waarnemende mens kan men slechts vaststellen dat er "gebeurtenissen"
zijn zonder te weten of daar "dingen" bij betrokken waren. De zaak
bestaat dus "voor ons" en een objectief bestaan kan niet aangetoond
worden. De zaak is er alleen maar als de mens wel meedoet. De sinds de 19e eeuw
vereiste "objectiviteit" blijkt bij nader onderzoek een
onmogelijkheid te zijn, iets wat men allang had kunnen weten als men zich had
willen realiseren dat elk onderzoek door een mens bepaald wordt: hij
zoekt iets bepaalds uit en krijgt daardoor resultaten.
Geen
enkel onderzoek wordt in het wilde weg gedaan. Het is noodzakelijk dat men een
bepaald onderzoeksdoel
voor ogen houdt en wat de bedoeling ook is, steeds heeft de mens dat zelf
bepaald en dus verschijnen de resultaten onveranderlijk in het licht van het
gestelde onderzoeksdoel.
In feite is er dus nog nooit "objectief"
onderzoek gedaan - om de eenvoudige reden dat dit volslagen onmogelijk
is. Dus ook hier vertoont de werkelijkheid zich zoals WIJ van haar verwachten.
De onderzoeksmethode
is om dezelfde reden niet objectief, want wij hebben zelf de logica daarvan
vastgesteld. De moderne benadering van de werkelijkheid levert VOOR ONS erg
veel kennis op, maar blijkt uiteindelijk de "waarheid" omtrent de
werkelijkheid niet op te leveren. Dit is al lang geleden door de mensen uit de
oudheid en het oosten ontdekt. Men zei "er ligt in de werkelijkheid van de
dingen geen waarheid, die werkelijkheid houdt geen stand voor het denken, die
werkelijkheid is een illusie". Maar, vooral sinds de 19e eeuw, zijn
dergelijke uitspraken afgedaan als "dichterlijk",
"romantisch" en vooral "onwetenschappelijk". Pas sinds kort
besteedt men weer aandacht aan dit oude denken.
Het zien is de
enige zekerheid
Als
het gaat om de vraag "hoe zit het met de werkelijkheid" vinden wij
geen houvast aan de "objectieve" werkelijkheid (die blijkt te
vervluchtigen), maar aan de werkelijkheid in onszelf. Met deze
werkelijkheid zijn wij sinds lang niet meer vertrouwd, vandaar dat wij dit
"innerlijk" wantrouwen. En wij kunnen ons niet indenken dat in
onszelf (=subjectief) iets "algemeens" zou schuilen, iets dat voor
alle mensen hetzelfde is. Het "subjectieve" is verwerpelijk, want het
kan niet zo zijn dat IK de maat ben voor mezelf. De werkelijkheid in onszelf omvat
de gehele werkelijkheid en wel op de wijze van een beweeglijke verhouding, die
alle mogelijke verhoudingen in zich sluit. Deze beweeglijke verhouding vormt
als het ware een "beeld" in onszelf en het is de kunst dit beeld te
leren zien. Men noemde dit vroeger de "zelfaanschouwing". Het
opmerkelijke van deze zelfaanschouwing is het onmiddellijke karakter ervan. Als
je het ziet, dan zie je het en je hebt daarbij niets anders nodig. Geen
instrumenten voor onderzoek, geen voorafgaande opleiding en kennis, niets van
dat al. Omdat je er niets bij nodig hebt, zelfs geen eigen zintuigen, kan de
zaak ook niet vertekend zijn - je ziet de echte werkelijkheid. In het westen is
men overgegaan op de "middellijke" methode ( zintuigen en
instrumenten en kennis), maar men heeft zich toch steeds afgevraagd wat de
werkelijkheid "achter de dingen" zou zijn. En men heeft besloten dat
je daar onmogelijk achter kunt komen. En dat klopt, als je de
"middellijke" methode kiest, maar het klopt niet als je overgaat tot
zelfaanschouwing zodat je de werkelijkheid in jezelf leert zien.
Overigens:
eigenlijk weten de westerse wetenschappers dit ook wel, want zij zeggen zelf
dat je voor een grote ontdekking "inspiratie" nodig hebt. Alles
begint met een "inval", zoals de grote natuurkundige Niels Bohr opmerkte. En
een "inval" of "inspiratie" is niets anders dan een
onverwacht ZICHT op de werkelijkheid in jezelf. Ik kan in het verband van deze
cursus niet aantonen dat ons bewustzijn (niet te verwarren met zelfbewustzijn)
hetzelfde is als de werkelijkheid als beweeglijke verhouding in onszelf. (Voor uitleg: zie Beweging
en Verschijnsel op deze homepage). Het moet dus bij een BEWERING
blijven, maar ik kan er wel op wijzen dat het bestaan van dit bewustzijn ons om
te beginnen onwaarschijnlijk voorkomt omdat wij opgevoed zijn in een denken dat zich naar buiten
richt (= objectiverend) in plaats van naar binnen. Onze gehele wereld is
vrijwel uitsluitend een "buitenwereld" geworden en bij de meeste
mensen is het "bewustzijn" in ernstige mate verwaarloosd. Doordat zij
daar de "waarheid" niet zoeken verdwalen zij in de buitenwereld en
begrijpen tenslotte nergens meer iets van. Als de "ouden" tot
wijsheid wilden komen trokken zij zich dan ook uit de buitenwereld terug om
zich te concentreren op de zelfaanschouwing.
Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3
; Opgevoed-1
; Onderzoeksdoel
/ Onderzoeksmethode ; Onderzoeksdoel
/ Objectief onderzoek
No.
20
Waar
zit de moeilijkheid?
Als
het over het "zien" gaat stuiten wij op een grote moeilijkheid. Niet
omdat de zaak op zichzelf zo moeilijk is - mijns inziens is hij zelfs heel
eenvoudig - maar omdat wij totaal niet gewend zijn op deze wijze te denken. Wat
betreft het "zien" gaat het over het volgende: de mens is
"gewoon" ontstaan in de kosmos, als gevolg van een proces dat alle
verschijnselen oplevert. Het proces is een uit elkaar voortvloeien van
beweeglijke verhoudingen, zodanig dat aan het einde ervan een beweeglijke
verhouding optreedt die alle voorgaande mogelijkheden inhoudt. Dat is mogelijk
juist omdat de zaak beweeglijk is en blijft. En nu gaat het er voor de mens om
deze allesomvattende beweeglijke verhouding te leren zien. Het begrip
"zien" is hier van toepassing, omdat genoemde beweeglijke verhouding
samenvalt met het begrip "beeld". Je kunt zeggen: in ieder mens komt
het "beeld" van de werkelijkheid voor, en dat is voor iedereen
HETZELFDE beeld. Maar niet iedereen ervaart dat beeld op dezelfde wijze, want de
ervaring gaat via het "zelfbewustzijn" (eventueel: het denken) en nu
is het maar de vraag in hoeverre dat zelfbewustzijn in staat is dat beeld
zuiver te zien. Dat hangt weer af van de vraag in hoeverre het zelfbewustzijn
"geprogrammeerd" is. Juist omdat het moderne zelfbewustzijn vrijwel
geheel bevangen is in de programma's lukt het haast niet om het beeld zuiver te
zien en dat heeft tegelijk ten gevolge dat men moeilijk kan inzien dat de
"waarheid" in de mens zelf te vinden is en niet daarbuiten. De
moeilijkheid zit dus niet in de "zaak", maar in ons.
Voorbeelden
van beweeglijke verhoudingen
Alle
voorbeelden schieten tekort, maar toch is het nuttig er enkele te noemen om
enigszins met de zaak vertrouwd te worden. We kunnen denken aan de slinger van
een klok. Tijdens de slingerbeweging doorloopt de slinger alle mogelijkheden,
zonder bij een mogelijkheid stil te blijven staan. Bij het zien van de
bewegende slinger zien wij dus al die situaties en zo zien wij ook in ons
bewustzijn (= het beeld) alle situaties van de werkelijkheid. Maar omdat elke
situatie onmiddellijk overgaat in een volgende zien wij de zaak als
"algemeenheid" en niet als een verzameling van bepaalde situaties.
Dat laatste is de concrete werkelijkheid. Een ander voorbeeld is het beeld van
onze televisie. Dat beeld ontstaat door een grote hoeveelheid trillingen, die
op zichzelf van geen belang zijn, maar die in hun voortdurend naar elkaar
overgaan een beeld vormen. Een beeld van de werkelijkheid die niet echt
bestaat, maar "als beeld" toch reėel is. Het voorbeeld gaat
natuurlijk mank omdat onze televisie telkens een stukje van de werkelijkheid
laat zien en niet de werkelijkheid als geheel. Maar het is toch een goed
voorbeeld van een trillingsverschijnsel dat een beeld geeft. Als laatste
voorbeeld kunnen wij denken aan een geluidsopname van een symfonieorkest. Alle
verschillende instrumenten vloeien bij de opname samen in een (gecompliceerde)
trilling, die evenwel bij het "terugvertalen" tijdens de weergave
weer uiteen valt in de verschillende klanken van de gebruikte instrumenten. Die
ene trilling (op de grammofoonplaat bijvoorbeeld) houdt dus al die
verschillende mogelijkheden in en die mogelijkheden zijn bij de weergave
hoorbaar. In het trillingsverschijnsel dat de mens is (de gehele kosmos is
immers in zichzelf beweeglijk) zitten alle andere trillingsverschijnselen
besloten. Dit is zo omdat de mens het laatste station van het bovengenoemde
proces is. Ware dit niet het geval, het hele verhaal zou, althans voor de mens,
niet opgaan. Bovendien is het van belang om in te zien dat het
"beeld" in ieder mens precies hetzelfde moet zijn omdat het het
proces is dat tenslotte deze zaak oplevert. Ieder mens IS dat beeld, ongeacht
zijn persoonlijke
.
Wat
met dat beeld aan te vangen?
Aan
dat beeld zelf valt niets te rommelen, het is er gewoon, onaantastbaar voor
mijn wil. Net zoals de maan en de zon er zijn. Maar met het "zien" er
van ligt het anders. Dat "zien" namelijk is een ervaring van mijn
zelfbewustzijn. En nu is het maar de vraag of mijn zelfbewustzijn in staat is
dat beeld onvertekend te zien. De moeilijkheid hierbij is dat wij doorgaans
niet in de gaten hebben dat het beeld vertekend is, d.w.z. dat onze ervaring
van het beeld onzuiver is. In de westerse wetenschappen heeft men dat al vroeg
ontdekt en men heeft getracht dit probleem op te lossen door zich op
onderzoekende wijze op de uiterlijke werkelijkheid te richten. Met als
resultaat deze waarheid: er is in die werkelijkheid geen waarheid, zie no.19.
Dat is op zichzelf een onvoorstelbaar belangrijke ontdekking die, eenmaal
gemeengoed geworden, zelfs wel "revolutionair" genoemd kan worden.
Vooral omdat het de basis is voor het geleidelijk vervallen van de waarden. En
dat heeft tenslotte als resultaat dat aan de machtstelsels alle grond ontnomen
wordt. Maar ook wordt het dan voor de mensen mogelijk hun zelfbewustzijn te
zuiveren van de heersende programmeringen. Naarmate dat gaat gelukken komt het
zuivere zicht op de werkelijkheid weer terug.
Onder
een "cultuur" versta ik een allesoverheersend denkbeeld waaraan de
mensen zich aanpassen.
Dat aanpassen vindt
tot op de dag van vandaag plaats, maar het zal in de verre toekomst niet zo
blijven. Naarmate namelijk de mensen doordrongen raken van het feit dat zij de
waarheid in zichzelf moeten zoeken worden zij minder ontvankelijk voor van
buitenaf ingebrachte programma's. Aangezien die programma's behoren tot het
"cultuurpakket", zal zo'n cultuur gaandeweg haar invloed verliezen
totdat er helemaal geen cultuur meer zal zijn. We kennen dit proces uit ons
eigen leven: als wij "onszelf" willen zijn moeten wij onze eigen
"identiteit" zoeken en met het vinden daarvan onttrekken wij ons aan
de pressie van de buitenwereld. Op den duur zal er dus een "cultuurloze"
wereld zijn, een wereld zonder alles overheersende dwingende denkbeelden. Omdat
dit het geval is, zal het in de toekomst niet meer mogelijk zijn om bepaalde
"grote ontdekkingen" te misbruiken voor het verkrijgen van macht. Er
kan dan dus geen godsdienst of ideologie meer van gemaakt worden. Maar
voorlopig zal de "cultuurdwang" nog op allerlei manieren voortduren.
Toch is er nu al in de mensheid een ontwikkeling aan te wijzen die duidt op het
verval van machten. Overal in de wereld is men bezig zich te bevrijden. Dat
gebeurt voorlopig nog wel op een primitieve manier, zodat men zich steeds weer
aan nieuwe machten uitlevert, maar het gebeurt toch. De machten zijn niet meer
zo vanzelfsprekend als voorheen het geval was. Vandaar dat de machthebbers zich
tegenwoordig van heel slimme trucs moeten bedienen om hun machtswellust door te
zetten.
De
cultuur in de Grieks evangelische wereld
De
Grieks evangelische mensen leefden natuurlijk temidden van allerlei vormen van
cultuurdwang. Maar voor henzelf gold die dwang niet, omdat zij in het teken
stonden van de zelfaanschouwing van de werkelijkheid. Wat dat betreft kunnen
wij zeggen dat wij met "volwassen" mensen te doen hebben, mensen die
de waarheid kennen. Bij monde van de "Zoon van de mens" zeiden zij
dan ook van zichzelf. "Ik ben de weg de waarheid en het leven".
Daarmee bedoelden zij niet zichzelf te verheffen, maar juist het tegendeel:
zij gaven te kennen overeen te komen met de echte werkelijkheid. Op grond van
deze gesteldheid hebben zij in de cultuur - als dwingend denkbeeld - geen rol
gespeeld. Zij zijn spoorloos verdwenen en nog slechts te herkennen uit de door
de godsdiensten misbruikte oude geschriften. Wel echter is het Griekse aspect,
de kunst, bewaard gebleven, onder andere in de prachtige uitbeeldingen van de
godin Afrodite.
Bladwijzer: Aanpassen-1 ; aanpassen-2
; aanpassen-3 ;
No.
21
Twee
mogelijkheden in de kunst
Cultureel
gesproken, dus in het licht van allesoverheersende denkbeelden, kunnen wij de
ontwikkeling van het denken belichten vanuit een tweetal, van elkaar
verschillende, grondsituaties. In beide situaties is het "zien" de
factor waarom alles draait. Zonder dit "zien" komt de mens niets aan
de weet, of, anders gezegd: zonder het "zien" kan het zelfbewustzijn
(niet te verwarren met het bewustzijn) geen enkele inhoud krijgen. Alles, ook
het verwerven van wetenschappelijke kennis, is op het "zien"
gebaseerd. Je moet immers een "inval" krijgen, er moet je iets
"opvallen" om er toe te komen de zaak te gaan uitzoeken. Het is
echter wel de vraag wat er gezien wordt. Welnu, om te beginnen wordt voor de
mensen de werkelijkheid zelf - langzaam maar zeker - helder. Zij wordt voor de
mensen zichtbaar, zoals in een aanvankelijk donkere kamer bij het lichter
worden de daarin aanwezige voorwerpen zich vertonen voor het oog. Tenslotte is
het licht. Meer dan "licht" kan het niet worden en dus houdt dat
gedeelte van de ontwikkeling op. Dat is het geval aan het einde van de oudheid.
Daarna gaan de mensen de nu zichtbaar geworden dingen bekijken en onderzoeken.
Daartoe halen zij de dingen steeds verder uit elkaar. Naarmate die ontwikkeling
voortschrijdt komt er een almaar groter wordende hoeveelheid van steeds kleinere
dingen te voorschijn. Tenslotte ziet men door de bomen het bos niet meer,
verwarring heerst alom. Maar, ook dat gaat voorbij: aan het eind van het uit
elkaar halen (= de analyse) blijkt dat er niets over blijft. Als dat eenmaal
het geval is verdwijnt ook de ILLUSIE. De illusie namelijk dat de veelheid van
uit elkaar gehaalde dingen de werkelijkheid zou zijn. Daarmee is de tweede
ontwikkelingsfase aan zijn eind gekomen.
Schematisch:
het helder worden van het "zien" (uitlopende in het "Zien")
- de analyse van de dingen (uitlopende in het "niets"). Dit nu vinden
wij in de kunst terug. Kunstzinnig gesproken is te zeggen dat de kunstenaars
van de oudheid het min of meer heldere beeld van de werkelijkheid, zoals zij
dat in zichzelf herkenden, gestalte gaven. Het ging hen dus nimmer om het laten
zien van de dingen, maar zij hadden de dingen wel nodig om de zaak ervaarbaar,
zichtbaar te maken. Zo is de door ons al genoemde Afrodite niet de een of
andere bepaalde dame, maar zij is het beeld van de werkelijkheid (gezien als
vrouwelijke liefde), uitgedrukt in "de" vrouw. Er wordt verteld dat
de Griekse beeldhouwer schone details van verschillende vrouwen samenvoegde tot
zo mooi mogelijk "de" vrouw. Omdat de periode van de analyse nog niet
aangebroken was vertoonde die vrouw geen bepaalde kenmerken: geen handeling,
geen situatie, geen bepaalde karaktertrekken en geen emoties. Voor zover dat
echter toch het geval was, diende dit tot uitdrukking van een verhaal over een
aspect van de werkelijkheid en niet om een concrete gebeurtenis te laten zien.
De westerse kunst, te beginnen met de Romeinen, ontwikkelde zich al dadelijk
tot iets anders - hoewel er zeker van een overgangsperiode te spreken is. Men
ging in het westen de afzonderlijke dingen laten zien: een bepaalde persoon,
een bepaald landschap, een bepaalde gebeurtenis, enz. En, als het ware door
zo'n voorstelling heen, liet men "de" werkelijkheid, zoals men die in
zichzelf herkende, zien. Naarmate dat beter gelukte werd het kunstwerk mooier,
want het gaat in de kunst, althans als zij op "schoonheid" gericht
is, steeds om het gestalte geven aan de werkelijkheid zelf, zoals die als
"beeld" in de mensen zelf zichtbaar is. In de moderne westerse kunst
is de zaak, onder invloed van de zich doorzettende analyse, iets anders komen
te liggen omdat men ook daar, wat betreft de analyse van de dingen, bij het
"niets" is terechtgekomen. Men noemt dat, m.i. ten onrechte,
"abstracte kunst". Rembrandt schilderde in de eerste plaats Hendrikje
Stoffels (Louvre), maar daar doorheen straalt "de" werkelijkheid.
Overigens naar een bepaalde, psychische situatie. Wellicht kunnen wij bij
gelegenheid hierop nader ingaan.
De
genoemde voorbeelden betreffen de beeldende kunst, maar precies hetzelfde is
over alle andere kunstvormen op te merken. Wij moeten er echter wel op letten
dat wij niet het een boven het ander gaan verkiezen. Omdat de innerlijke
werkelijkheid (= het beeld) alleen maar via de uiterlijke verstaanbaar gemaakt
kan worden is het zowel mogelijk het innerlijke als het uiterlijke als uitgangspunt
te nemen, waarbij de verhouding tussen beide zo ligt dat het steeds gaat om het
innerlijke. Degene die het in blad 19 besprokene
duidelijk is, zal opmerken dat de westerse wetenschappelijke ontwikkeling aan
die van de kunst parallel loopt.
Nog
enkele opmerkingen over het "zien"
In
de Grieks evangelische tijd kon de mensheid de werkelijkheid zien zoals zij
werkelijk is. Maar, uiteraard kwam dat maar in enkelingen duidelijk voor de
dag. Zo'n enkeling was bijvoorbeeld degene die de "BERGREDE"
opgeschreven heeft. Maar, in die tijd waren er veel meer van die enkelingen,
die echter achteraf voor ons moeilijk te herkennen zijn omdat zij zich
terugtrokken in geheime genootschappen en zich bovendien bedienden van een
geheimtaal, vol met moeilijk te achterhalen symbolen. Zij deden dat voor hun
eigen lijfsbehoud omdat de gevestigde machten heel wel begrepen dat dergelijke
"zieners" een grote bedreiging vormden voor de gevestigde instituten.
Terwijl anderzijds die geheimtaal en die symbolen, gevoegd bij zekere rituelen,
volop aanleiding gaven voor het ontstaan van allerlei godsdienstige sekten,
waarvan de nu nog bestaande zogenaamde Koptische Kerk een voorbeeld is. Hoewel
het moeilijk is het kaf van het koren te scheiden, blijft toch van kracht dat
de toentertijd geziene werkelijkheid "de" werkelijkheid was. En het
belang van die "ontdekking" kan niet gemakkelijk overschat worden.
Want de "ontdekking" van die werkelijkheid ligt aan de basis van onze
huidige wereld. Er zou geen analyse van de werkelijkheid, geen onderscheid
tussen de dingen en de mensen mogelijk zijn geweest zonder die
"ontdekking". En dat heeft twee kanten: het voor de dag komen van de
menselijke persoonlijkheid, maar tegelijk het zich doorzetten van de
vijandschap tussen de mensen. Zozeer zelfs dat wij het thans normaal vinden en
er nauwelijks bij stilstaan dat de mensen elkaars vijanden zijn. Wij zeggen dan
ook: zo is de mens nu eenmaal en daarom moeten wij proberen elkaars vijandschap
zoveel mogelijk in te dammen. En het komt nauwelijks meer in ons op dat de mens
zo helemaal niet is, maar zich zo gedraagt omdat hij de geanalyseerde
werkelijkheid voor "de" werkelijkheid houdt. En dus in een illusie,
een fictie, leeft. Gezien vanuit die fictie heeft de generaal die zich voor de
vrede bewapent volkomen gelijk. Maar hij is het slachtoffer van een kwalijke
cirkelredenering: hij vindt dat we elkaars vijanden zijn, gaat op grond daarvan
de mensen te lijf en verklaart vervolgens dat je uit dat elkaar te lijf gaan
kunt leren dat we elkaars vijanden zijn. Tijdens de heksenvervolgingen zei men:
natuurlijk bestaan er heksen, zij worden immers op de brandstapels ter dood
gebracht! Dergelijke cirkelredeneringen ontstaan door het "zien" van
een fictieve (= geanalyseerde) werkelijkheid. Je kunt je afvragen wat er aan te
vangen is met het "beeld" van de echte werkelijkheid of wat de
bedoeling ervan is. Je zou dan kunnen zeggen dat er niets mee te doen is en dat
het ook geen bedoeling heeft. Het beeld is er gewoon, maar het heeft wel een
wijze van denken en een zekere levenshouding ten gevolge. De Grieks
evangelische mensen bijvoorbeeld wendden zich af van de "wereld"
omdat zij daarin alleen maar onechtheid en leugen aantroffen. Voor ons
kan dat niet meer gelden omdat wij, met het voor de dag komen (min of meer) van
onze persoonlijkheid, zelf een deel van de "wereld" geworden zijn.
Wij kunnen niet meer - maar ook niet minder - doen dan er voor zorgen dat ons
persoonlijke "wereldje" in orde is. En dan zit je bepaald niet
"zonder werk". In die zin is ons leven meer een "opgave"
dan een vrijelijk "er zijn".
Bladwijzers:Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16, 22, 23, 32) veiligheid-1(t/m
23) ; veiligheid-2
; Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1
; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2
; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1 ;
Gewone mensen nrs. 22 t/m 24
De
rol van de gewone mensen
Toen
wij spraken over de Grieks evangelische mensen, en trouwens ook bij andere
gelegenheden, is er steeds naar voren gekomen dat het onveranderlijk enkelingen
waren in wie de essentie van de denkontwikkeling naar voren kwam, en dat de gewone
mensen hun onopvallende dagelijkse gang gingen. Die gewone mensen
zien doorgaans geen kans om aan de druk van hun cultuur te ontkomen. Hun
dagelijkse leven speelt zich min of meer binnen de grenzen van het
ingeprogrammeerde patroon af en dat houdt in hoofdzaak in dat zij hun leven
lang bestuurd en geleid worden. De vrijheid van leven is voor hen niet
weggelegd. In verband daarmee is de vraag te stellen wat je aan moet met het
denken, met de filosofie en bovendien moet je je afvragen welke rol de
filosofie heeft toebedeeld aan de gewone mensen. Deze en dergelijke
vragen zijn op dit moment van onze uiteenzetting over de ontwikkeling van het
denken van belang, mede in verband met het feit dat wij geconstateerd hebben
dat in het Grieks evangelische denken voor het eerst in de geschiedenis de mens
zelf te voorschijn kwam (zie blad 17/2).
De
filosofie en de gewone mensen
Bij
het bestuderen van de westerse filosofie, zo ongeveer vanaf Kant en Hegel tot en
met de moderne academische filosofie, valt het op dat de gewone mensen
steeds als onmondigen worden gezien. Als je dat historisch bekijkt, d.w.z. in
het licht van de opeenvolgende heersende culturen, is het te verdedigen dat de gewone
mensen onmondig zijn. Zij immers vormen de grote meerderheid van de
geprogrammeerden die als zodanig altijd geleid moeten worden. Ontgaat het je nu
dat het nodig hebben van leiding niet voortspruit uit een soort onvermogen,
zelfs een soort van minderwaardigheid, van die gewone mensen, maar
louter en alleen te danken is aan de vrijwel onontkoombare programmering vanuit
de cultuur, dan veronderstel je automatisch dat de gewone mensen in de
toekomst ook wel geleid zullen moeten worden. Dat is een kwalijke
kortzichtigheid, die helaas de gehele westerse filosofie kenmerkt. Zelfs de
moderne, toch vaak sociaal bewogen, filosofen vliegen er in. Er zijn slechts
enkele gunstige uitzonderingen, maar die worden in het algemeen door de
gevestigde filosofen (allemaal academici) niet serieus genomen. Men kan zeggen:
"de gewone mensen komen in de filosofie nog steeds niet voor",
als men tenminste die gewone mensen recht wil doen en hen als
zelfstandige mensen wil beschouwen in de toekomst. Globaal gesproken komt men
in de huidige filosofie hierop uit dat men de oplossing van het probleem zoekt
in het zich op den duur op menselijke wijze veranderen van de
"leiders", de "bestuurders". Op den duur zullen de
"bestuurders" niet meer uit zijn op hun eigen macht en die van hun
staten, maar op het "welzijn" van de gewone mensen. Plato
reeds stelde voor (ongeveer 380 v.o. j.) dat de filosofen in de toekomst de
ideale staat zouden moeten besturen omdat zij het beste op de hoogte zouden
zijn van de voorwaarden van het menselijk geluk. Maar aan het begin van de 19e
eeuw merkte Hegel op dat je met die dromers niet ver zou komen omdat zij zich
met alles, behalve praktische zaken plegen bezig te houden. Hegel en zijn
tijdgenoten zagen meer in "verlichte koningen" die, op grond van
gedegen filosofische scholing, de mensheid naar het goede doel zouden leiden.
Hoewel zij in de wolken waren over de klassieke Griekse democratie vonden zij
zoiets voor de toekomst heilloos omdat in de democratie de middelmatigheid zich
breed zou maken en al het goede en mooie zou verstikken. Op zichzelf nog niet
zo gek bekeken! Nietzsche hield het maar liever op een Übermensch, terwijl
Ortega y Gasset met schrik de "Opstand der horden" (1930) zag
naderen. En ontelbaar zijn de filosofen die hoopten op "opvoeding" en
"motivering" van de massa - een nieuwe vorm van programmering dus.
En, goed geraden: de leiding zou moeten berusten bij goed getrainde kaders!
Al
met al komen "wij", eenvoudige bewoners van een rijtjeshuis, er nog
steeds niet aan te pas. Wij kunnen pas mee gaan tellen als wij ons gaan
veranderen overeenkomstig de normen van het doel, dat door de dames en heren
denkers aan de weg van de mensheid gesteld is. Die dames en heren denken nog
immer "teleologisch", d.w.z. doelgericht, doch het is uiteraard maar
de vraag of de weg van de mensheid wel een doel heeft. En ook is het de vraag
of het "goede", dat dan bedoeld zou zijn ook inderdaad voor mij het
goede is. Er zijn allerlei verhalen over de heilzame werking van een
"macht ten goede", maar alleen al het feit dat het dan toch gaat over
een MACHT, die noodzakelijk samengaat met een of ander
programmerings-mechanisme, moet er een aanwijzing voor zijn dat we nog steeds
niet te doen hebben met een denken waarin alle mensen een zelfstandige plaats
vinden. Sommige filosofen hebben geopperd dat het goed zou zijn om de kinderen
op de scholen het filosoferen te leren en het Humanistisch Verbond is al jaren
in de weer om humanistische geestelijke vorming bij het onderwijs ingang te
doen vinden, allemaal met de bedoeling de gewone mensen geestelijk op
een hoger plan te brengen. Initiatieven die goed bedoeld zijn. Maar toch moeten
wij nooit vergeten te vragen: wie bepaalt de leerstof en wat is het
goede doel? Het zou beter zijn als de filosofen en pedagogen eens bij zichzelf
te rade gingen. Zij zijn immers altijd bezig de gewone mensen aan hun
denken aan te passen in plaats van zich af te vragen of er in hun eigen denken
ten aanzien van de gewone mensen niet iets rammelt. Altijd moeten de gewone
mensen iets: zij moeten zich organiseren, zij moeten dienstweigeren,
zij moeten tegen Pinochet in opstand komen, zij moeten politiek bewust worden,
enzovoort. En het opmerkelijke is dat zij dat allemaal NIET doen. Dan worden
zij prompt "apathisch" gevonden en sommigen gaan zelfs zo ver dat zij
opmerken dat "de mensen het te goed hebben". Cynischer kan het al
niet. De mensen hebben het nooit "te goed", en degenen die het echt
"te goed" hebben zijn precies diegenen die van alles van de gewone
mengen verwachten! Voor die gewone mensen is dat steeds bedreigend, het
maakt hen onzeker en zij gaan zich onveilig voelen.
Denken
over de mens en de werkelijkheid
Elke
filosofie waarin men niet zoekt naar het leren begrijpen van de mensen zoals
zij op deze planeet verschenen zijn, is een wensfilosofie die niet verder kan
komen dan bepaalde mooie idealen, zoals het ideaal van de Übermensch er een is.
Het is dan een mislukte filosofie ondanks alles wat tot helderheid is gekomen.
Als je de menselijke werkelijkheid, het menszijn, moet veranderen om haar aan
de filosofie aan te passen deugt die filosofie niet. Zij heeft alleen maar uit
te zoeken hoe het zit en de eis dat de filosofen de wereld eens zouden moeten
veranderen is onzin. De wereld verandert naarmate de mensen in de gaten krijgen
hoe het zit. Zij verandert niet door de idealen van de filosofen en andere
denkers.
Veiligheid
Als
wij over de mensen nadenken en we bezien eens hun gedoe op deze wereld, dan
kunnen wij opmerken dat alles draait om de veiligheid. De mensen weten
heel goed dat er rampen kunnen gebeuren die niemand in de hand heeft, maar ook
weten zij dat de grootste bedreiging gevormd wordt door rampen die wij wel in
de hand zouden kunnen hebben. En tegen die zaken willen de mensen zich
beveiligen, zij willen er wat dat betreft zeker van zijn dat zij de avond
halen. Dat is de basisvoorwaarde voor hun leven. Het is waar dat zij in hun
onbegrip (= niet weten hoe het zit) doorgaans hun toevlucht zoeken bij
schijnveiligheden, maar ook dan zoeken zij veiligheid. Het is dit
menselijk verlangen dat wij als uitgangspunt voor ons denken over de gewone
mensen, dus "de" mensen, moeten nemen. Zonder dat blijven wij
ronddraaien in het kringetje van onze eigen (filosofische) idealen.
Bladwijzers:Opvoeden/opvoeding/opgevoed-1
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3
; Opgevoed-1 ;
No. 23
Programma
en leiding
In
de filosofie besteedt men nauwelijks aandacht aan het feit dat de kwaliteit van
onvolwassen samenlevingen uitsluitend bepaald wordt door de aard van de
programmeringen en de effectiviteit daarvan. Daardoor ontgaat het dikwijls aan
de denkers dat bepaalde vormen van menselijk gedrag geen specifiek en
fundamenteel gegeven zijn, maar daarentegen GEVOLGEN van ingeprente patronen in
het zelfbewustzijn. Die ingeprente patronen heffen zich in de loop der tijden
weer op en maken gedurende lange tijd plaats voor weer andere ingeprente
patronen. Dit is het geval zolang de mensheid nog onvolwassen is. Het is
logisch niet anders denkbaar dan zo, dat bij een volwassen mensheid de
ingeprente programma's opgelost zijn en dat er geen mogelijkheid meer bestaat
nieuwe in te voeren. Dit komt doordat het zelfbewustzijn zijn vrijheid
weer teruggekregen heeft - wij hebben hier over al eerder gesproken. Vrijheid
betekent in dit verband hetzelfde als beweeglijkheid.
Het
is ondenkbaar dat een "vrij" zelfbewustzijn zich de wet zal laten
voorschrijven door iets van buitenaf. In een "vrij" zelfbewustzijn
gaat het denken zijn eigen gang; de gedachtegangen zetten zich niet vast maar
vormen zich telkens opnieuw. En dus is leiding, in de zin van
"voorschrijven hoe het moet" onmogelijk geworden. Het leven van een
onvolwassen mensheid wordt door de programma's bepaald, zodat je kunt zeggen
dat zo'n leven opgaat en ondergaat in de voorschriften. Een onvolwassen
mensheid MOET niet geleid worden, maar KAN NIET ANDERS dan geleid worden omdat
het leven afhankelijk is van de voorschriften. Op grond van deze
noodzakelijkheid zijn er leiders, die over de mensen macht uitoefenen. Ook een
"verlichte" leider, die meent met de mensen het beste voor te hebben,
valt onder de categorie der machthebbers. Maar "het goede", dat hij
bestreeft kan logisch nooit iets anders zijn dan een programma, en dus een
fundamentele onvrijheid. Een leider, die de mensen wil "bevrijden" is
een begrip dat in tegenspraak is met zichzelf.
De
mogelijkheid en onmogelijkheid van een gedachtegang
Het
wordt niets met een gedachtegang als men niet de beschikking heeft over
betrouwbare kennis. Dat wil zeggen: de gedachtegang lukt wel, maar als die niet
overeenkomt met de werkelijke verhoudingen in de kosmos, slaat hij nergens op.
Je kunt de bliksem verklaren met een verhaal over een boze godheid. Het zal
voor een aantal mensen een bevredigende verklaring zijn, maar hij komt niet
overeen met de werkelijkheid. Je kunt het huwelijk verklaren en rechtvaardigen
met een verhaal over een god, die deze "heilige" zaak ingesteld
heeft, maar het slaat nergens op. Dus: om tot waarheidsgetrouwe gedachtegangen
te komen moeten de mensen eerst de beschikking hebben over voldoende KENNIS.
Deze kennis is de "concrete inhoud" van het denken. Hierbij moeten
wij aantekenen dat de norm voor het betrouwbaar-zijn van kennis op zijn beurt
ook weer afhankelijk is van programmeringen, maar ondanks dat is en blijft het
toch "kennis". De betrouwbaarheid van de kennis hangt vooral af van
het "inzicht" van de mensen en niet van de onderzoeksmethode, hoewel deze natuurlijk
correct moet zijn. Als, tenslotte, de mensen de werkelijkheid kennen zijn zij
ook in staat betrouwbare gedachtegangen te ontwikkelen. Die gedachtegangen
kunnen dan "vrij" zijn omdat er voldoende kennis is om elke kant uit
te denken. Bij gebrek aan kennis loopt het denken vast op "zwarte
gaten". Reden waarom men het denken zodanig programmeert dat het die
"zwarte gaten" omzeilt. Daardoor is het als regel zo moeilijk om
waardering te verkrijgen voor onderzoekingen op onbekende, tot dan toe
vermeden, gebieden. We zouden, wat dit betreft, zelfs wel van
"wetenschappelijke taboes" kunnen spreken. En het is erg verhelderend om na te
gaan welke die taboes zijn.
Vrijheid en veiligheid
Als
je aan mensen, die behoren tot een onvolwassen mensheid, voorhoudt dat zij hun
denken vrij moeten laten, hetgeen betekent dat zij dan ook in vrijheid
zouden moeten gaan leven, worden zij angstig. Zij gaan zich onveilig voelen.
Zij worden dan geconfronteerd met de "zwarte gaten" en ervaren die -
terecht - als onherbergzaam. Zij durven die kant niet uit. Te begrijpen is dat
een onvolwassen mensheid zich vastklampt aan het vertrouwde. Dat is voor haar
"veilig". Omdat het "vertrouwde" echter ontstaan is als gevolg
van een denkprogramma waarin een belangrijk deel van de werkelijkheid
"taboe" is, hebben wij te doen met een illusie. De veiligheid
van het "vertrouwde" is een schijn-veiligheid. We zien dan ook
dat de mensen zo ongeveer alles als bedreigend ervaren: nieuwe ontwikkelingen
in de maatschappij en de samenleving, in de wetenschap en in hun persoonlijke
leven. Zij zijn niet echt veilig: het is maar "schijn". Toch is de
behoefte aan veiligheid een wezenlijk menselijke zaak. Het levensgevaar
is in strijd met het leven. Als de filosoof Nietzsche een lans breekt voor
"een gevaarlijk leven" bedoelt hij mijns inziens dan ook niet dat het
levensgevaar zo wenselijk zou zijn, maar dat het voor het leven noodzakelijk is
niet voor de "zwarte gaten" terug te schrikken. Het leven "op
het scherp van de snede" geeft ook uitdrukking aan deze gedachte. En ik
denk dat mensen, die aan gevaarlijke sporten doen zoals bergbeklimmen,
aangetrokken worden door het "zwarte gat" en het verlangen dit gevaar
te keren, er vertrouwd mee te worden. Als zij zich werkelijk wilden uitleveren
aan het gevaar zouden zij niet alle mogelijke moeite doen het te overleven! De
mensen zullen pas dan echt veilig zijn als zij de werkelijkheid hebben leren
kennen en in staat zijn daar "vrij" over te denken. Dit is dus niet
los te maken van een "cultuurloze" wereld, d.w.z. een wereld waarin
de overheersende, conditionerende, denkbeelden opgelost zijn.
Iets
over het huwelijk
Het
huwelijk, in welke al of niet moderne vorm dan ook, is een belangrijk voorbeeld
van het zich veilig stellen doormiddel van een illusie. Men wil de zogenaamde trouw
afdwingen door de verhouding tussen twee mensen te reglementeren. Dat geeft een
veilig gevoel. In de verte voelt men namelijk aan dat de "trouw"
eigenlijk iets ongrijpbaars is, iets dat samenhangt met het zelfbewustzijn van
een persoon en in geen geval een kwaliteit is van een betrekking TUSSEN
personen. Voor onvolwassen mensen echter is "de ander" een
"zwart gat", een onbekend gebied dat angst inboezemt omdat het
gevaarlijk is. En dan verkiest men de schijn van het reglement. Zo lang er
huwelijken zijn is er "ontrouw". Die komt dus niet voort uit
menselijke "zwakheid" of "slechtheid", maar uit het
schijnkarakter van de gereglementeerde "trouw", uit de illusie dus.
Lange tijd heeft men dit wel aangevoeld. Men beschouwde het huwelijk dan ook
uitsluitend als een maatschappelijk contract. Als men al sprak van liefdestrouw
sloeg dit op liefdes buiten het huwelijk. Zelfs in Europa hebben veel wijze
mensen het huwelijk als ontrouw aan de liefde gezien. De "heiligheid"
van het huwelijk is wel sinds lang door met name de Roomse Kerk gepropageerd
(uiteraard ter wille van de macht), maar die opvatting heeft zich pas echt
doorgezet toen men in de loop van de 19e eeuw de liefde tussen de mensen
centraal ging stellen als basis voor het huwelijk. Daartoe heeft het
protestantisme, met zijn nadruk op de persoonlijke liefde tussen de mens en god
en tussen de mensen onderling, in niet geringe mate bijgedragen. Evenals
trouwens het ontwaken van het individuele zelfbewustzijn van de mensen. Het
huwelijk, zoals wij dat kennen is dus betrekkelijk recent en al helemaal recent
is de gedachte dat voor de vrouw het huishoudelijke bestaan is weggelegd en
voor de man het maatschappelijke. Die gedachte hangt nauw samen met het
doorbreken van het industriėle tijdperk.
Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16,
22, 23, 32)
veiligheid-1(t/m 23) ; veiligheid-2
No. 24 Bladwijzers: waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2; waardeoordelen-3 ; waardeoordelen-4
; waardeoordelen-5
; waardeoordelen-6
;
Nog
iets over het huwelijk
Nog
in de eerste decennia van onze eeuw betekende het voor het merendeel van de
vrouwen een "hemel op aarde" als er mannen waren die de zorg voor
vrouw en kinderen op zich namen. Het huwelijk gold als de uitweg uit de ellende
en men nam de bij het huwelijk behorende mannelijke tirannie voor lief: die was
altijd nog beter te verdragen dan de slavernij in de fabrieken en kantoren. Met
het doorbreken van de moderne, grootschalige, industrie verdwijnen vrouwen en
kinderen weer in huis. Het huis, het "tehuis", wordt de "veilige
haven" voor de man, waar hij rust en verzorging kan vinden om weer... aan
het werk te kunnen gaan. En de wereld van de vrouw wordt ingeperkt tot het
huishoudelijke. Nu de industriėle cultuur voor zijn ondergang staat verliest
het huishoudelijke zijn betekenis, maar omdat "het werk" nog altijd
hoog gewaardeerd wordt lokt het de vrouwen aan als iets begerenswaardigs dat
het vrouwenleven waardevol zou maken. Het is dan ook niet VOOR niets dat de
"vrouwenemancipatie" zich overwegend richt op volwaardig
"werk" in de maatschappij, en dan speciaal voor die vrouwen die
willen ontkomen aan hun huishoudelijke wereld. De huwelijksellende is voor de
meeste vrouwen de voedingsbodem voor de emancipatie, vandaar dat vrouwen die
nooit in de fuik van huwelijk of samenwonen getrapt zijn nauwelijks aan het
woord komen en vaak van "mannelijk denken" worden beschuldigd.
Je
zou je af kunnén vragen wié er nu mannelijker denkt: diegene die in de val
gelopen is en zich nu kwaad maakt op de mannen of diegene die hieraan ontsnapt
is en van meet af aan een plaats in de maatschappij gezocht heeft. Hoe dan ook,
het karakteristieke van huwelijk en samenwonen is gelegen in het feit dat de
maat bij het begrip "samen" ligt, bij de inhoud en de vorm van de
relatie (de verhouding TUSSEN twee mensen), terwijl de maat logisch alleen maar
kan liggen bij het ZICHZELF ZIJN van de mensen. Dit zichzelf zijn kan in een
relatie niet anders dan onderdrukt worden en dat heet dan " geven en nemen
", er " het beste van maken " en " redelijk zijn ". En
dat gebeurt ter wille van iets BUITEN jezelf; de relatie tussen jou en een
ander. Omdat de maat buiten jezelf ligt kan huwelijk of samenwonen niet anders
dan vervreemdend werken, je kunt daarin nooit "tot jezelf komen". Van
het functioneren in de maatschappij is wat dit betreft niets te verwachten. In
de maatschappij gaat het ook alleen maar om de relaties TUSSEN de mensen en
niet om de mensen zelf. De emanciperende vrouwen zouden er goed aan doen te
bedenken dat hun "vrouw-zijn" daar niet gevonden kan worden. Wat men
daar kan vinden is GELIJKWAARDIGHEID en het is een onmiskenbaar feit dat het
daaraan, wat de functie van de vrouw betreft, flink schort. Noch de man, noch
de vrouw kan zichzelf vinden in de maatschappij. Als het daarom gaat moet men
ontdekken dat er ook nog zoiets als een "samenleving" bestaat. Dat
begrip echter heeft in de moderne wereld nauwelijks nog enige inhoud. Het is
verschrompeld tot een morbide "gezinsmentaliteit" met als meekomende
gedachte dat het gezin de hoeksteen van de samenleving zou zijn. En men
bedoelt: de hoeksteen van de maatschappij. We zullen nog bespreken dat deze
"hoeksteen" nauwelijks meer is dan een "schuilkelder",
waarin men wegduikt voor het gevaar van de omringende wereld.
Als
je nadenkt over de "mensen" valt het op dat wij eigenlijk niet
beschikken over een goed woord. Wat moet je nu zeggen: het "volk", de
"massa", de "burgers", het "stemvee", het
"proletariaat", de "gewone mensen"? Alles heeft
namelijk een denigrerende bijsmaak alsof het om iets lagers gaat, iets dat
nauwelijks de moeite waard is, iets doms waarvan niet veel goeds te verwachten
valt. We hebben duidelijk te doen met een onuitgesproken en vanzelfsprekend WAARDEOORDEEL,
dat samenhangt met ons machtsdenken.
Ondanks
het negatieve waardeoordeel dat schijnt door te klinken in de term
"gewone mensen" geef ik hieraan toch - bij gebrek aan beter -
de voorkeur. De reden hiervoor zal allengs duidelijk worden. Overigens: het negatieve
waardeoordeel met betrekking tot de "gewone mensen"
vindt zijn oorzaak in het feit dat die mensen aan hun cultuur nauwelijks deel
hebben. Er zit, wat de cultuur betreft, "niets bij" en "er komt
niets uit". Gezien vanuit de cultuurwaarden stelt het allemaal niet veel
voor. Omdat de mensheid tot nu toe nog een "onvolwassen
cultuurmensheid" is, die de maat legt bij dwingende denkbeelden, worden de
"gewone mensen" beneden de maat gevonden. Dit oordeel echter
hangt ten nauwste samen met de waarde die men aan de cultuur toekent. En dit
berust op een VOOROORDEEL dat onmiddellijk wegvalt als we de zaak eens van de
andere kant gaan bekijken. Als de "gewone mensen" weinig deel
hebben aan hun cultuur vertonen zij ook niet het allesdoordringende
machtsstreven, dat aan cultuurmensen eigen is. Weliswaar ontkomen zij niet aan
het machtsdenken, zodat wij wel MEEDOEN met het algemene gedrang, maar het
streven om, koste wat het kost, zich boven de anderen uit te manipuleren is in
geringe mate aanwezig. Het gaat hen niet om macht maar om het dagelijkse leven
- wat daaronder ook verstaan moge worden. Doorgaans komt dit dagelijkse leven
nauwelijks boven het overleven uit, maar dat is niet altijd het geval. Er is
namelijk steeds een aantal "gewone mensen" dat door een grote
helderheid van geest uitblinkt. Deze mensen fungeren vaak als
"verlichters" en "voorlichters" van hun medemensen. Maar
kenmerkend blijft dat zij GEEN MACHT ZOEKEN. De echte "grote geesten"
van de mensheid geven vaak wel leiding aan de mensen omdat die mensen vertrouwen in hen
stellen, en soms worden zij ook wel machtig, maar nimmer was het hen daar om te
doen. De echte machtszoekers steunen onvermijdelijk op de praktische inhoud van
hun cultuur. In een intellectuele cultuur, zoals de onze, zullen zij er steeds
voor zorgen een zo groot mogelijke intellectuele toerusting te verkrijgen. Dat
doe je door zoveel mogelijk te studeren. Bij die studie is het niet om de
wetenschap als zodanig te doen maar om de te verwerven status, die uiteraard
een belofte van macht inhoudt. Hoewel er erg veel van dit soort lieden zijn en
hoewel zij zich vaak "zo gewoon mogelijk" opstellen als de mode dit
vereist, behoren zij toch niet tot de "gewone mensen". Behalve
de "intellectuele status" is er ook nog de "staatkundige
status", die gebaseerd is op macht die meekomt aan een positie binnen het
staatsapparaat. De macht dus van een groot aantal ambtenaren. Zo zijn er nog
meer mogelijkheden, maar onveranderlijk gaat het om waarden die uit een
cultuurdenkbeeld voortkomen. De meerdere of mindere intelligentie en de daarbij
behorende ontwikkeling is dus niet bepalend voor het begrip "gewone
mensen". Bepalend is het STREVEN naar macht dat als zodanig niet
aanwezig is. Aan de macht zelf kunnen zij niet ontkomen omdat zij nu eenmaal
tot een cultuur behoren. In veel gevallen zullen zij
"ondergeschikten" zijn omdat zij zelf geen macht op tafel leggen, die
de macht van anderen kan verdringen. Maar hun ondergeschiktheid behoeft
helemaal niet te betekenen dat zij "onderdanig" zijn. Onderdanigheid
behoort bij machtszoekers: elke machthebber is noodzakelijk ook onderdanig, een
gesteldheid die hij vaak met wreedheid afreageert op diegene die hij als een
"mindere" ziet. Wreedheid komt voort uit macht die eigen
onderdanigheid haat. Een veel voorkomend psychologisch verschijnsel. Iedereen
die in een machtspositie zit vertoont in meerdere of mindere mate wreedheid.
Doorgaans wordt die wreedheid versluierd door het als
"rechtvaardigheid" te doen voorkomen: de rechtvaardigheid gebiedt mij
om jou te straffen, streng te straffen, meedogenloos te straffen. Alle
machtsfiguren behoren tot de "ongewone mensen" omdat hun
levenshouding er blijk van geeft dat het hen niet om het "leven"
gaat, maar om het heersen over het leven.
Bladwijzers: waardeoordelen-1
; waardeoordelen-2;
waardeoordelen-3
; waardeoordelen-4
; waardeoordelen-5
; waardeoordelen-6
;
Bladwijzers:waardeoordelen-1
; waardeoordelen-2;
waardeoordelen-3
; waardeoordelen-4
; waardeoordelen-5
; waardeoordelen-6
; Denkt
de moderne mens eigenlijk wel ną..? (het
op een rijtje zetten / een goed onderzoek ) ; Denkt
de moderne mens eigenlijk wel ną..? (het
op een rijtje zetten / een goed onderzoek ) ; Op een rijtje zetten paginas 25 en 26 ; Visie
Een
nadere bepaling van het denken
We
hebben er al over gesproken dat het moderne westerse denken zich richt op de
"buitenwereld", waarin het uiteindelijk geen waarheid kan vinden, en
we hebben gesproken over het denken aan het einde van de oudheid, dat duidelijk
een binnenwaarts gericht denken was en dat (vreemd genoeg?) wel in staat bleek
over de werkelijkheid waarheidsgetrouwe uitspraken te doen. Blijkbaar moeten
wij er rekening mee houden dat er "soorten" van denken mogelijk zijn.
Als dat zo is zullen wij van beide de werkelijke verdiensten moeten bepalen,
waarbij wij op moeten letten dat wij niet tijdelijke en plaatselijke
cultuurverschijnselen - vooral uit onze cultuur - aanmerken als wezenlijke
kwaliteiten van de ene of de andere vorm van denken. Bijvoorbeeld: tot voor
kort vond men het vanzelfsprekend dat jongens een betere opleiding kregen dan
meisjes. Men vond dat niet alleen nodig voor hun "toekomst", maar men
was er ook van overtuigd dat jongens meer dan meisjes geschikt waren om een
opleiding te volgen. Dat idee was ontstaan door de westerse
maatschappijopvatting waarin aan de man een bepaalde plaats in de maatschappij
was toegedacht, een plaats die intellectuele vorming vereiste. Tenslotte wist
iedereen zeker dat "logisch" en "objectief" en
"zakelijk" denken bij de man behoorde, terwijl de vrouw genoegen
moest nemen met een denken dat "gevoelsmatig" was, en "intuļtief" en
"subjectief" - kwaliteiten die de man welwillend aan de vrouw
afstond. Als ze daarmee maar niet aan kwam in zijn gewichtige, zakelijke en
objectieve wereld. Volgens de wijsgeer Bolland (1854 - 1922), die de
"Hegelse" filosofie in Holland "Bollands" liet spreken, behoorde
het tot het "wezen" van de vrouw te luisteren naar de uiteenzettingen
van de man (niet de bevelen!) en deze tot haar eigen inhoud te maken, daartoe
in staat gesteld door haar intuļtieve aanleg. Tegenwoordig zijn de meeste
geėmancipeerde mensen van mening dat wij leven in een "mannelijk"
denkende wereld, waarvoor het de hoogste tijd wordt over te gaan naar het
"vrouwelijke" denken, omdat dit veel menslievender zou zijn.
Bovendien wijst men er (terecht) op dat vrouwen net zo "objectief" en
"logisch" kunnen denken als de mannen, als zij er maar de kans toe
zouden krijgen en niet bij voorbaat al "achter het fornuis"
gefrommeld zouden worden.
De
grote verwarring
Uit
het bovenstaande blijkt dat er nogal wat verwarring heerst over de
denkmogelijkheden van vrouwen en mannen, over de "logische" en
"intuļtieve" kwaliteiten van het denken en over de betekenis van de
termen "mannelijk denken" en "vrouwelijk denken". Duidelijk
is dat daarbij een aantal begrippen door elkaar gehaald wordt en dat men die op
een geheel verkeerde wijze van toepassing brengt. In zekere zin kloppen de
onderscheidingen die gemaakt worden wel, maar men plaatst ze in een geheel
verkeerde context - wat er op zichzelf een aanwijzing voor is dat het in onze
"wetenschappelijk" geschoolde mensheid nog niet zo'n vaart loopt met
het heldere denken. Nu stellen sommige denkers voor om de verwarring te
vermijden door andere termen te gaan gebruiken: "lineair denken" en
"cyclisch denken. Die termen zijn inderdaad minder emotioneel geladen.
Maar het nadeel van een dergelijk taalgebruik is dat het de afstandelijkheid
vergroot: je voelt je er minder bij betrokken, je kunt er gemakkelijker over
praten zonder dat je genoodzaakt bent de verwarring in je eigen zelfbewustzijn
te lijf te gaan. Je kunt gemakkelijker doen alsof je de zaken op een rijtje hebt
omdat je kan vluchten in een theorie. Maar als je echt over de dingen wilt
nadenken, filosoferen, zal je dat met je gehele persoonlijkheid moeten doen en
niet alleen met het rationele gedeelte van je zelfbewustzijn. Om dat
voelbaar te maken (en te houden) verkies ik toch de verwarrende termen
"vrouwelijk" en "mannelijk" en neem het op de koop toe dat
de zaak daardoor veel moeilijker helder te krijgen is.
Twee
basisverhoudingen van de werkelijkheid
Als
wij er van uit gaan dat de werkelijkheid "oneindig" is in ruimte en
tijd, wat ik in het kader van deze cursus niet nader kan aantonen, zie hiervoor
Beweging
en Verschijnsel op deze homepage, dan kunnen wij omtrent die
werkelijkheid het volgende opmerken: je kunt alles wat er is omvatten, niets er
buiten sluiten en alles als met elkaar samenhangend zien. In dat geval spreek
ik van de werkelijkheid als "het geheel". Dat is een lastig
begrip, vooral omdat je werkelijk ALLES moet omvatten en het dan ook nog in
samenhang moet denken. Ter oriėntatie kan men denken aan een enkele levende
cel, die op haar wijze ook "het geheel" vertegenwoordigt. Maar er is
nog een andere mogelijkheid: je kunt ook zeggen dat de werkelijkheid een
"verzameling" is van een ontelbaar groot aantal dingen. Het begrip
"verzameling" ligt wat gemakkelijker voor ons denken. De overeenkomst
met de genoemde levende cel is deze dat die cel BESTAAT uit een groot aantal
dingen, elementen, atomen en nog kleinere "ietsen". Beide begrippen,
"het geheel" en "de verzameling" zijn tegelijk denkbaar.
Zij zijn bijgevolg niet zonder elkaar mogelijk en roepen elkaar bij het denken
onmiddellijk op. Denk je de verzameling, dan denk je vanzelf het geheel en
omgekeerd. Het ene begrip is niet te verkiezen boven het andere, je kunt ze
" gelijkwaardig" noemen, maar zij zijn niet "gelijksoortig"
en dat komt doordat zij tot elkaar niet in dezelfde verhouding staan. De verzameling
namelijk is INHOUD van het geheel en het geheel houdt de verzameling in. Je zou
kunnen zeggen dat het geheel "om de verzameling heen is". Het geheel
vindt in zichzelf de verzameling en de verzameling vindt om zichzelf het
geheel. Maar pas op: er zit niet echt iets om de verzameling heen, het is maar
"bij wijze van spreken", om de zaak duidelijk te maken. Waarom het
gaat is dat er tegelijk twee gelijkwaardige, maar niet gelijksoortige,
begrippen zijn. Op deze fundamentele tweeslag van begrippen baseer ik twee
(eigenlijk drie) mogelijkheden van het menselijke denken.
Vrouwelijk
denken
Voor
zover het denken UITGAAT van het geheel en terechtkomt bij de verzameling noem
ik dit "vrouwelijk" denken. Het is een denken dat "in zichzelf
gekeerd" is en dat in zichzelf alles aantreft wat er is. Er ontbreekt
niets aan, er behoeft niets gezocht te worden, alles behoeft alleen maar tot
zijn recht te komen. Doordat dit denken een "introvert" karakter
heeft is men het "subjectief" en "intuitief" gaan noemen,
daarbij tegelijk een (negatief) waardeoordeel uitsprekend. Bovendien
associeert men dit denken met de vrouw, wat niet zonder grond is maar wat op
zichzelf toch fout is. Het denken van de oudheid was een vrouwelijk denken; het
gold zowel voor vrouwen als mannen.
Mannelijk
denken
Voor
zover het denken UITGAAT van de verzameling om bij het geheel terecht te komen
spreek ik van een "mannelijk" denken. Het is een denken dat almaar
het een bij het ander voegt om de verzameling compleet te maken en het is
steeds op zoek naar nog iets anders dat bij de verzameling gevoegd moet worden.
Het is gericht op "het andere" en daarom kunnen wij zeggen dat het
"extrovert" is. De buitenwereld is datgene waarom het gaat en het is
duidelijk dat men komt tot kwalificeringen als "objectief" en
"zakelijk". De associatie met de man is fout en ingegeven door de
westerse cultuur, waarvan gezegd moet worden dat die inderdaad in het teken van
het mannelijke denken staat. Dat betekent dat zowel mannen als vrouwen dit
denken toegedaan zijn, tenminste voor zover zij niet kunnen ontkomen aan de
voor hen geldende cultuurprogrammeringen. Zowel wat de oudheid als wat de
westerse wereld betreft gaat het niet aan de vrouw of de man eenzijdig van een
bepaald denken te beschuldigen. Voor alle mensen geldt vrouwelijk denken
(oudheid) of mannelijk denken (moderne tijd).
waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2;
waardeoordelen-3
; waardeoordelen-4
; waardeoordelen-5
; waardeoordelen-6
;
No.
26
Mannelijk
en vrouwelijk
Op
het eerste gezicht kan het lijken alsof de benamingen "mannelijk" en
"vrouwelijk" willekeurig zijn gekozen. Waarom zou je het denken,
uitgaande van het begrip "verzameling" mannelijk noemen en het denken
vanuit het begrip "het geheel" vrouwelijk? Het geeft alleen maar
verwarring! De argumenten hiervoor zijn de volgende: vanaf het moment dat op
aarde het leven op gaat treden komen er verschijnselen voor de dag, die zich -
gaandeweg duidelijker - onderscheiden naar twee geslachten, het mannelijke en
het vrouwelijke. Bij het zoeken naar een verklaring hiervoor vinden wij precies
dezelfde verhoudingen als die voor de werkelijkheid zelf gelden. De
verhoudingen dus tussen de "verzameling" en "het geheel".
En dan blijkt dat: voor het vrouwelijke levende verschijnsel geldt dat het het
geheel is, met als inhoud de verzameling, en voor het mannelijke levende
verschijnsel de verzameling die inhoud is van het geheel. De
"oerverhouding" van de werkelijkheid komt dus in het leven terug en
bepaalt de tweedeling van alles wat leeft. Betrekken wij dit in laatste
instantie op de mensen dan blijkt dat, gezien vanuit de "natuur", de
man fundamenteel "verzameling" is en de vrouw fundamenteel "het
geheel". Omdat dit zo is en omdat de mensen dit in de loop der tijden best
aangevoeld hebben, zijn zij er toe gekomen aan de man extroverte eigenschappen
toe te dichten en aan de vrouw introverte. Daarbij zag en ziet men evenwel over
het hoofd dat die eigenschappen een gevolg zijn van het gelden van de
NATUURLIJKE fundamenten van het menszijn. Zoals wij al eerder besproken hebben
geldt voor de mens de ontkenning van het natuurlijke, in de zin van "het
natuurlijke anders", zodat wij uiteindelijk van zowel de vrouw als de man
kunnen zeggen dat zij los zijn gekomen van die eigenschappen en dat die
"Op andere wijze" voor beiden zijn gaan gelden.
Mannelijk en vrouwelijk in de denkontwikkeling
In
de denkontwikkeling, en dus ook in de daarop gegronde culturen, komen het
vrouwelijke en het mannelijke afzonderlijk en na elkaar voor de dag. Het is
logisch dat eerst "het geheel" voor de mensen moet worden herkend
alvorens men er toe over kan gaan de "verzameling" nader te
onderzoeken. Om te kunnen onderzoeken (= uitgaan van de verzameling) moet de
zaak zelf (= het geheel) eerst aanwezig zijn en herkend worden. De ontwikkeling
begint dus bij het geheel, en dat is het vrouwelijke aspect, gaat vervolgens
over naar de verzameling en dat is het mannelijke aspect. Deze ontwikkeling
heeft plaats in alle mensen. Het is dus niet zo dat om te beginnen de vrouwen
aan het denken waren en later de mannen, neen, voor BEIDEN gold eerst de
vrouwelijke ontwikkeling en daarna de mannelijke. Dit is zo omdat die
ontwikkeling als zodanig ontkenning van het "natuurlijke" is, een
ontkenning die voor beiden, zowel vrouwen als mannen, van kracht is. Beiden
maken dezelfde ontwikkeling door. Tijdens die ontwikkeling hebben de mannen de
macht, zowel in de vrouwelijke periode als in de mannelijke, zowel in de
oudheid als in de moderne tijd. Maar dat komt niet door hun mannelijke denken -
in de oudheid dachten zij immers vrouwelijk! - maar door de Onvolwassenheid van
de gehele mensheid. Zolang de mensheid nog Onvolwassen is hebben de mannen de
macht. Hierop komen wij bij gelegenheid nog terug. Maar wel kan er nu al op
gewezen worden dat de oplossing van het "vrouwenprobleem" niet
gezocht kan worden in de richting van het veroveren van de macht door de
vrouwen, maar in het Oplossen van elke macht. En dus in het emanciperen van
vrouwen en mannen tot volwassenheid. Het willen bevorderen van het zogenaamde
"vrouwelijke denken" staat gelijk aan het terugdraaien van de klok:
de periode van dat denken is voorbij. De polarisatie van "mannendenken" en
"vrouwendenken" is dan ook heilloos. Als er in de werkelijkheid iets
te "willen" valt zouden we met z'n allen moeten willen zo
langzamerhand eens volwassen te worden en volwassen te gaan denken.
Zoals
gezegd leven wij in de periode van het mannelijke
denken. Dat is een denken waarbij alles draait om de
verzameling. Het streven is dan ook er op gericht zoveel mogelijk elementen aan
de verzameling toe te voegen: in de wetenschap gaat het om het vergroten en
uitbreiden van de kennis, in de economie gaat het om de "groei", in
de politiek gaat het om het vergroten van de macht, in de democratie om het
laten meetellen van zoveel mogelijk kiezers en in het recht om het op redelijke
wijze regelen van zoveel mogelijk menselijke relaties, enzovoort. Men
"inventariseert" de werkelijkheid. Weliswaar doet men het voorkomen
alsof het gaat om het begrijpen van de werkelijkheid, maar als men dat al echt
meent houdt het "begrijpen" toch niet meer in dan het ordenen van de
gegevens, het op een rijtje
zetten, een inventaris maken. Inderdaad kan men daarmee door de ruimte reizen,
de atoomkern splitsen, een harttransplantatie verrichten. Maar men kan er niet
de honger mee opheffen, de dreiging van een oorlog mee keren, het
welzijn van de mensen bevorderen. Men DOET namelijk niet echt iets met het
denken, de kennis breidt zich uit maar het denken ontwikkelt zich niet. We
kunnen gevoeglijk spreken van een "statische gesteldheid van het
denken". Deze gesteldheid geldt voor de gehele westerse cultuur, ook voor
zover die ingang heeft gevonden in de niet-westerse rest van de wereld. Overal
verzuipt men dan ook in de kennis en men ziet geen kans de steeds verwarrender
problemen op te lossen. Almaar meer wordt ons duidelijk gemaakt dat "de
zaken zo eenvoudig niet liggen", dat de problemen "erg
ingewikkeld" zijn en "een grondig onderzoek vereisen". Een
onderzoek dat onveranderlijk neer komt op: inventariseren! Omdat men met het
denken niets doet denkt men dat de onoplosbaarheid van de problemen voortkomt
uit de overstelpende veelheid van gegevens, informatie en kennis. Maar het komt
door het "statische" van het westerse denken.
Een
andere mogelijkheid
Geleidelijk
aan wordt de roepstem duidelijker hoorbaar van mensen die bezig zijn hun denken
te ontwikkelen: zij gaan er iets mee doen. Zij proberen de verzameling om te
vormen tot een samenhangende conceptie van de werkelijkheid, een beweeglijk
beeld van de werkelijkheid dat je kan pogen te begrijpen. Vanwege dat
"omvormen" kan je spreken van een "dynamische gesteldheid van
het denken". Die ontwikkeling kan alleen maar inhouden dat men op weg is
van de verzameling als zodanig naar de "inhoud van het geheel". Je
zou kunnen zeggen dat het "verzamelaars-denken" zich boven zichzelf
uitheft. Wat dit betreft spreekt men doorgaans van "holistisch
denken". In de medische wetenschap bijvoorbeeld wil men bepaalde ziekten
leren zien als uitingen van een verstoring van een harmonie, en niet als op
zichzelf staande verschijnselen. In de ecologie probeert men de natuur als een
samenhang te zien en niet als een verzameling van op zichzelf staande
verschijnselen. Zo zijn er talloze tekenen, die er op wijzen dat er beweging
komt in het denken. Maar nog steeds is het "mannelijk" denken:
het gaat immers uit van de verzameling. Wel kunnen we zeggen dat het zo
langzamerhand echt mannelijk denken wordt omdat het beweegt van de verzameling
naar de inhoud van het geheel.
De
laatste mogelijkheid
Het
zal niet moeilijk te begrijpen zijn dat het pas dan in orde is met het denken
als er TEGELIJK vrouwelijk en mannelijk gedacht wordt. Wel te verstaan: zowel
bij vrouwen als bij mannen. Veel moeilijker is het echter hieraan inhoud te
geven. Daarbij vormt het begrip "tegelijk" voor ons een struikelblok.
Want onwillekeurig denken wij dan aan AFWISSELEND het een of het ander. Wij
denken die twee mogelijkheden dan naast elkaar, maar het gaat er om ze IN
ELKAAR te denken. Uitgaan van de verzameling is onmiddellijk ook uitgaan van
het geheel en omgekeerd. Kennis is tegelijk inhoud van het geheel en het geheel
heeft onmiddellijk de kennis tot inhoud. Daarmee is de hele zaak zinvol
geworden...
Bladwijzers: Denkt de
moderne mens eigenlijk wel ną..? (het op
een rijtje zetten / een goed onderzoek ) ; Op een rijtje zetten paginas 25 en 26 ; Visie
Een
nadere toelichting
Kenmerkend
voor het "verzamelaarsdenken" is het begrip "zoveel
mogelijk". Er moeten zoveel mogelijk gegevens ter beschikking staan en die
gegevens moeten uiteraard behoorlijk geļnventariseerd zijn. En met elk nieuw
onderzoek breidt zich de kennis uit, terwijl die nieuwe kennis ook weer volgens
de regelen der kunst in het bestaande systeem ingevoegd moet worden. Lukt dit
invoegen niet goed dan gaat men eerst na of het betreffende onderzoek wel goed
is uitgevoerd en als dit inderdaad het geval blijkt te zijn, dan gaat men
zoeken naar een beter systeem. Een systeem dat de nieuwe kennis wel kan
bevatten en er een logische verklaring voor geeft. Dat wil zeggen: een logische
verklaring voor de plaats die de nieuwe kennis thans inneemt. Het gaat dus om
een wetenschappelijk verantwoorde "inventarisatie". Niet alleen
echter op het gebied van de wetenschap als zodanig geldt het "zoveel
mogelijk". In de economie spreekt men van de "groei" die de
maatstaf zou zijn voor het "gezond zijn" ervan. Het "zoveel
mogelijk" is de maat en dus is er almaar de behoefte aan "meer".
Maar het is helemaal niet zo moeilijk om een aantal normen te bedenken, die
betrekking hebben op de KWALITEIT van de economie en niet op de kwantiteit.
Want termen als "meer" en "zoveel mogelijk" zijn natuurlijk
kwantitatieve begrippen. Je kunt dan als eerste denken aan een economie die er
werkelijk naar streeft dat de dingen ter beschikking van iedereen komen en dat
in dat proces aan niemand tekort gedaan wordt, niemand bestolen wordt of van
zijn levensmogelijkheden beroofd. Een economie die het maken van winst niet
baseert op een machtspositie (zoals een monopolie of een octrooi), maar op het
ruilen van benodigde dingen op voet van gelijkheid van de partners. Dit soort
normen geldt echter niet voor de "verzamelaars", het "zoveel
mogelijk" is de absolute maat. In de technologie is het al niet anders.
Men stelt niet dat gedurende een bepaald productieproces alle fasen van dat
proces een zodanig verloop hebben dat niemand schade berokkend zou kunnen
worden. Men neemt de schadelijke bijverschijnselen op de koop toe, vooral als
ze anderen treffen, en is hoogstens bereid de schade enigszins te beperken als
het de spuigaten uit loopt. Logisch zou zijn als men stelde: we gaan uit van
geen bijverschijnselen en accepteren desnoods voorlopig dat dit niet voor
honderd procent gelukt. Maar men stelt daarentegen: er zijn nu eenmaal
schadelijke bijverschijnselen, we zullen die, als het tenminste economisch
verantwoord is, wel enigszins beperken. De norm is dan ook: hoeveel mogen we
vervuilen, in plaats van: is de vervuiling voorlopig (tot er een betere
technologie is) acceptabel. Uitgangspunt is dus de vervuiling in plaats van
geen vervuiling. Het is dan ook geen wonder dat het almaar smeriger wordt in de
wereld, ondanks steeds meer milieuwetten. Daarbij komt nog dat de gefabriceerde
spullen wezenlijk niet deugen omdat ze niet om zichzelf gemaakt worden, maar om
winst te maken. Er wordt voldaan aan de menselijke behoeften voor zover en
omdat dit winst oplevert. Zou dit niet het geval zijn, men maakte die spullen
eenvoudig niet. En vaak gaat het zelfs helemaal niet om menselijke behoeften.
Dat is het geval in de wapenindustrie. Zij produceert totaal nutteloze rommel
(die vaak niet eens werkt!) om het geld van de gemeenschap toe te eigenen. Hoe
meer hoe beter - van enige morele verantwoordelijkheid is geen sprake. Een
ander voorbeeld: onze democratie steunt op een juiste gedachte, namelijk deze
dat "het volk" zichzelf zou moeten besturen. Maar in feite gaat het
om zoveel mogelijk stemmen verkrijgen en daarbij doet het er nauwelijks toe op
grond waarvan men die stemmen verworven heeft. De partij -programma 's zijn
niets anders dan lokkertjes om stemmenwinst te boeken en voor zover men er naar
streeft een bepaald partijprogram uit te voeren is dat voornamelijk om die
stemmen te behouden. Dat blijkt duidelijk als er weer een verkiezing in
aantocht is.
Het
gaat wezenlijk niet om een visie
op de samenleving en de maatschappij (al moet men het doen voorkomen alsof men er
wel een heeft!), maar het gaat om een zo groot mogelijke steun van de
bevolking. Dat betekent immers macht. We kunnen het aantal voorbeelden net zo
veel uitbreiden als we willen, maar steeds weer zullen we ontdekken dat het
allemaal om de "verzameling" draait en dat er vooralsnog geen sprake
is van "iets doen" met het denken. De zaak is statisch en mist de
beweging naar het begrijpen toe.
Dynamisch
denken
Het
"verzamelaars-denken"
is op zichzelf prima. De mensen moeten kennis verzamelen over de werkelijkheid,
zonder kennis van zaken is geen enkele "idee" praktisch uitvoerbaar.
In de oudheid bijvoorbeeld was er wel de "idee", maar men kon die
niet concretiseren. Daarom wendde men zich van de realiteit af en men verloor
zich in bespiegelingen over een gelukkige mensheid en een paradijselijke
wereld. Het is dus goed dat wij inmiddels kennis verzameld hebben. Maar niet
goed is dat wij dat gehele pakket van de kennis niet omvormen tot een zinvolle
inhoud van "het geheel". In de oneindigheid van de kosmos valt er
altijd wel weer iets nieuws te ontdekken: een tot dan toe onbekende planeet,
een zwart gat, een bepaalde straling, enzovoort. Dat betekent dus dat onze
verzameling van kennis nooit compleet zal kunnen worden en het omvormen tot een
zinvolle "inhoud" gebrekkig zal moeten blijven. Dit is, gezien vanuit
het verzamelaarstandpunt, volkomen juist, maar het is in zoverre onjuist dat er
een moment komt dat de "nieuwe" ontdekkingen ons niets nieuws meer
leren. In principe weten we dan hoe het zit, en in die zin is de verzameling
wel compleet. Het compleet-zijn slaat niet zozeer op de grootte van de
verzameling, maar op het "afgerond zijn". De kennis van een
ongeletterd iemand kan net zo afgerond zijn als die van een geleerde, het gaat
er om dat ieder voor zich zijn "weetje weet". We behoeven dus niet af
te wachten om onze verzameling kennis tot "inhoud" om te vormen. Veel
mensen hebben zelfs teveel kennis, waardoor zij "door de bomen het bos
niet meer zien". Het "teveel weten" - een vrijwel onbekend
begrip in onze cultuur - staat ons meer in de weg dan het te weinig weten,
omdat voor dit laatste nog altijd een "visie" vereist is. Anders weet je niet dat je
niet of te weinig weet. Het beruchte thema indertijd van Socrates! Als wij onze
kennis omvormen tot "inhoud" kunnen wij die kennis niet meer voor ons
eigen belang misbruiken. Onze kennis is er dan ter wille van de werkelijkheid
en dat betekent in de praktijk: ter wille van de mensheid. Voor eigen belang
misbruikte kennis ontwikkelt zich niet, hoogstens wordt die op peil gehouden.
Aan ontwikkeling komt namelijk mee dat de zaak voortdurend verandert en dat
maakt het onmogelijk er een bepaalde waarde aan te hechten. Omdat misbruik
berust op waardeverschillen - en dus ook machtsverschillen - vervalt de grond
hiervoor. Omgekeerd kunnen wij zeggen dat het het nog altijd heersende
machtsdenken is dat het de mensen belet van hun kennis iets zinvols te maken,
want je verliest je status en je zekerheden als je zoiets doet met je denken.
Holistisch
denken
Als
je je denken ontwikkelt zodat je kennis omgevormd wordt tot een zinvolle inhoud
van het geheel, denk je "holistisch". Je gaat dan ook begrijpen dat
het geheel meer is dan de som van de delen en dat het onmogelijk is dat
"geheel" uit die delen te verklaren. Precies zoals je de schoonheid
van bijv. een muziekstuk niet kunt verklaren uit de verzameling van tonen,
akkoorden, intervallen en dergelijke. Of, zoals je je eigen levend-zijn niet
kunt verklaren uit de verzameling onderdelen waaruit je lichaam bestaat. Maar,
aan de andere kant: je moet die onderdelen wel kennen. Het denken uit de
oudheid is dus niet holistisch te noemen, omdat men de onderdelen nog niet
kende - men miste de benodigde kennis.
Bladwijzers: Denkt de
moderne mens eigenlijk wel ną..? (het op
een rijtje zetten / een goed onderzoek ) ; Op een rijtje zetten paginas 25 en 26 ; Visie
No.
28
Wat
verandert er aan de kennis
Laten
we aannemen dat iemand over een bepaalde kennis beschikt, kennis waarvan
gebleken is dat die juist is. Laten we bovendien aannemen dat die iemand bezig
is zijn denken te "ontwikkelen", niet in de zin van uitbreiden van
zijn verzameling kennis, maar in de zin van: leren begrijpen hoe de samenhang
zou kunnen zijn tussen al die afzonderlijke "pakketjes" kennis. Dan
komen wij voor de vraag te staan of er ten aanzien van die oorspronkelijke
kennis iets verandert. En als er iets verandert, wat verandert er dan? Als ik
stel dat 2 x 2 gelijk is aan 4, dan is dat een uitspraak die voor het zich
ontwikkelende denken onverminderd geldig blijft. Het gaat er dus niet om dat
"zekere" kennis plotseling onwaar zou gaan worden, maar het
gaat er om de BETEKENIS van die "zekere" kennis te achterhalen. Als
wij ons "verzamelaarsdenken" ontwikkelen in de richting van het
"holistische denken", krijgt onze kennisinhoud een andere betekenis
en in het licht van die andere betekenis kan een aantal "waarheden"
onhoudbaar blijken te zijn. Waarheden, die binnen de begrenzing van een of
ander specialisme, binnen de "verpakking van een bepaald
kennis-pakket", wel geldig waren.
De
eerste verandering Het eerste wat er gebeurt met de aanvankelijk
"zekere" kennis is dit, dat die kennis zijn zekerheid verliest,
ONZEKER wordt. Dat onzeker worden is een nieuw element in ons denken, dat tot
op heden, vanuit de verzamelaars-mentaliteit, gericht was op ZEKERHEDEN. Wij
hebben, op wetenschappelijk verantwoorde wijze, een uitvoerig norm stelsel in
het leven geroepen om onze zekerheden te kunnen verantwoorden, en dit norm
stelsel is zo langzamerhand een eigen leven gaan leiden, het heeft een absolute
waarde gekregen zodat vrijwel niemand zich meer realiseert dat wij dit norm
stelsel zelf ontworpen hebben op grond van ons eigen verzamelaars-denken. Met
als gevolg dat wij niet gemakkelijk tot de erkenning komen, of zelfs maar de
gedachte in ons toelaten, dat dit bijkans absolute norm stelsel voor het zich
ontwikkelende denken wel eens totaal onbruikbaar zou kunnen zijn. Neem nu de
wetenschappelijke eis van de zogenaamde herhaalbaarheid. Deze houdt in dat een
bepaalde uitspraak, die gebaseerd is op het resultaat van een wetenschappelijke
proef, getoetst moet kunnen worden door eenvoudig de proef te herhalen. En het
is waar: in een groot aantal gevallen is de eis van de
"herhaalbaarheid" te stellen, maar niet in het geval van subatomair
onderzoek (de gebeurtenissen zijn steeds weer anders) en ook niet als het over
zaken gaat die het leven betreffen. Van het leven is juist de onherhaalbaarheid
het kenmerk, zodat we op dit gebied geen zekerheden kunnen verkrijgen!
Als
we bovendien nog bedenken dat de werkelijkheid door en door beweeglijk is,
wordt het nog dubieuzer of de eis van de "herhaalbaarheid" Überhaupt
wel te stellen is. Ditzelfde is te zeggen van alle wetenschappelijke normen
voor zekerheid, die door ons bedacht zijn vanuit het verzamelaars-denken. In
het traditionele onderwijs is men er op uit de leerlingen zekerheden te verschaffen.
Men pompt de leerlingen een zo uitgebreid mogelijke verzameling zekerheden in.
Die zekerheden moeten zij zich kritiekloos eigen maken. Maar bij moderne
experimenten is men er van uitgegaan dat de fundamentele situatie van de
leerling er een van onzekerheid is. En vanuit die situatie gaat de
leerling VRAGEN stellen, hij wordt zich bewust van zijn NIET-WETEN en juist dat
is de stimulans om te proberen bepaalde dingen aan de weet te komen. Werd
voordien het niet-weten als laakbaar beschouwd, nu wordt het als een positieve
kwaliteit gewaardeerd. Maar uiteraard: dergelijke experimenten worden om zeep
geholpen omdat men nog steeds denkt mensen nodig te hebben die "een vat
vol zekerheden" zijn. Zo is er ook grote weerstand tegen het "computeronderwijs"
omdat ook dit gebaseerd moet zijn op vragen stellen.
Als
wij eenmaal in de gaten hebben dat ons verzamelaarsdenken gebaseerd is op
ZEKERHEDEN van een bepaald soort, dan valt het ons niet zo moeilijk overal om
ons heen de voorbeelden te zien van de Onhoudbaarheid van dat denken, voor
zover dat als absolute maat voor het menselijk functioneren in de werkelijkheid
gesteld is. Dat denken is niet geschikt om de werkelijkheid te leren begrijpen.
Het is slechts nuttig om de beschikking te krijgen over de op zichzelf staande
elementen van de werkelijkheid. Maar zonder een "holistische"
verwerking van die kennis loopt alles op een fiasco uit.
De
fundamentele onzekerheid
Wij
komen terug op de uitspraak 2 x 2 = 4. Deze uitspraak is onloochenbaar juist.
Maar wat betekent "vier" voor een rijkaard die van zijn vier auto's
er een verspeelt, en wat betekent het voor een moeder die een van haar kinderen
verliest? Wat betekent 1000 gulden voor diezelfde rijkaard en wat betekent het
voor die moeder als haar kind door de honger blijkt omgekomen? Met andere
woorden: de uitspraak 2 x 2 = 4 is wel een juiste uitspraak, maar hij BETEKENT
helemaal niets. Betekenis krijgt hij pas als hij in een context geplaatst
wordt, d.w.z. binnen een bepaalde samenhang. En dan blijkt die betekenis in
geen geval ZEKER te zijn; het hangt er allemaal maar van af en het is zeker
niet voorspelbaar. Wij hebben het verzamelaarsdenken "statisch"
genoemd en het holistische denken "dynamisch! Deze laatste term drukt uit
dat de zaak in beweging is. Op grond van die beweging vervallen de vaste
verhoudingen. Het onbeweeglijke verdwijnt er uit. Maar er is nog iets: als wij
onze kennispakketjes om gaan vormen tot factoren in een samenhangende zaak, dan
is alles betrekkelijk geworden. De zaak zelf is namelijk door en door
beweeglijk. Alle uitspraken over die beweeglijke zaak kunnen niet anders dan
relatief, betrekkelijk, zijn. En dat is de fundamentele Onzekerheid, die voor
de dag komt. Wij kunnen dit zelf ook ervaren: als wij met een probleem zitten
en wij er over na gaan denken, verliezen wij om te beginnen al onze zekerheden.
En dat is nu precies de reden waarom wij maar liever niet na gaan denken en ons
vasthouden aan datgene dat wij in handen menen te hebben. De onzekerheid wordt,
vanwege ons verzamelaarsdenken, als iets kwalijks beoordeeld, terwijl het nu
juist het begin is van het werkelijk leren begrijpen van onze werkelijkheid.
Het verzamelaarsdenken kan geen perspectieven openen voor een zinvoller leven
en een betere wereld, juist omdat het de onzekerheid radicaal afwijst. In
zekere zin zit onze hedendaagse wereld dan ook bevangen in een vicieuze cirkel.
Het is maar goed dat onze problemen intussen zo groot worden (hoe ellendig op
zichzelf ook) dat wij er wel over moeten gaan nadenken, willen wij niet het
slachtoffer worden van de wanhoop. Wij moeten leren inzien dat de onzekerheid
essentieel is, veel meer dan dat met onze zogenaamde zekerheden het geval is. Socrates wist al dat de
onzekerheid, met het daaruit voortkomende niet-weten, de bron is voor alle
wijsheid, d.w.z. de bron voor alle BEGRIP van de werkelijkheid.
Een
nieuwe zekerheid
Het
begrijpen van de werkelijkheid is de nieuwe zekerheid die als gevolg van het
dynamische holistische denken ontstaat. Deze zekerheid is niet meer gebaseerd
op de controleerbare juistheid van de kennispakketjes (die er evenwel niet uit
gemist kan worden! ) maar op de onverbrekelijke samenhang. De "norm"
voor begrip is dan het "onverbrekelijk-zijn". Mocht ergens in ons denken
de zaak uiteenvallen, dan schort er iets aan het begrijpen: af er zit een
onjuist kennispakketje in, of er is een verhouding niet gerelativeerd (=
onwillekeurig voor waar gehouden), of beide. Dan verbreekt de samenhang
en we zijn niet meer in staat de zaak te begrijpen. De nieuwe zekerheid berust
dus niet op "vastigheden", maar op beweeglijkheden, en dat is iets
waaraan men in onze cultuur nog helemaal moet wennen!
Bladwijzers: Denkt de
moderne mens eigenlijk wel ną..? (het op
een rijtje zetten / een goed onderzoek ) ; Op een rijtje zetten paginas 25 en 26 ; Visie
De
betekenis van uitspraken
De
betekenis van een uitspraak komt voor de dag als wij die uitspraak in een
bepaald verband plaatsen. Als wij zeggen: "Kees is ziek" kan dat een
uitspraak zijn die best wel WAAR is, maar hij krijgt pas betekenis als WIJ ook
nog weten welke Kees bedoeld wordt. Op zichzelf zegt "Kees is ziek"
helemaal niets. We kunnen zo'n nietszeggende uitspraak een
"abstracte" uitspraak noemen omdat het gaat over iets dat losgemaakt
is van zijn samenhang. Zo is ook van onze kennis te zeggen dat die "abstract"
is, een nietszeggende kennis die evenwel in onze cultuur hoog gewaardeerd wordt
omdat wij denken dat de "waarheid" gelegen is in een uit elkaar
gehaalde objectieve werkelijkheid. We hebben al besproken dat dit een
misvatting is: als je de dingen analyseert houd je niets over. Maar, die
"abstracte" kennis kan wel degelijk WAAR zijn ondanks het feit dat ze
nietszeggend is. Die nietszeggende uitspraken en kennis, zoals bijvoorbeeld
wetenschappelijke formules, kunnen voor de mensen geen BETEKENIS hebben en dat
is er de oorzaak van dat uiteindelijk niemand er raad mee weet. Toch voelen de
mensen aan dat er een betekenis zou moeten zijn en bijgevolg gaat men er een
betekenis aan "hechten" - net naar het uitkomt. Daardoor wordt
vrijwel alle kennis naar eigen goeddunken geļnterpreteerd en ontstaat er een
wirwar van tegenstrijdige opvattingen die slechts met elkaar gemeen hebben dat
zij onhoudbaar zijn. Omdat er, vanuit onze cultuur, slechts belangstelling is
voor de analyse vervalt de betekenis van de dingen en verzanden wij in een nietszeggende
werkelijkheid waarin wij zelf nietszeggende dingen geworden zijn. Omdat wij het
bij zo'n abstract bestaan niet uithouden verzinnen wij zelf een soort van
samenhang en ontlenen daaraan een (fictieve) betekenis. Daarop steunen de
godsdiensten, de sekten, de ideologieėn en de toegepaste wetenschappen zoals de
economie en de technologie. En steeds weer blijkt dat het allemaal holle wind
is die ons tenslotte, als een orkaan, vernietigt. De betekenis komt voort uit
"het teken", en een "teken" is een gecomprimeerd beeld van
een aspect (niet een detail) van de werkelijkheid. Iets hiervan vinden wij
terug in het woord: "tekenen". De Chinese karakters zijn
"tekens", zij beelden een aspect van de werkelijkheid uit. Duidelijk
zal zijn dat wij "zicht" op de werkelijkheid zullen moeten hebben om
de betekenis van de dingen en van ons leven te kunnen vinden. Zonder dat
"zicht" VERBEELDEN wij ons maar iets.
Als
wij de werkelijkheid begrijpen krijgt ze voor ons ook betekenis en omdat
die betekenis onmogelijk is zonder samenhang wordt het vanzelf onze
werkelijkheid: we kunnen ons er niet meer aan onttrekken. En dat betekent
tegelijk dat wij ons niet meer kunnen misdragen. Tot nu toe hebben de moderne
mensen zichzelf misvormd tot "boekenkasten", stampvol met kennis.
Voor zover wij als "boekenkast" vinden dat wij de zaak begrijpen
heeft dat betrekking op de inventarisatie van die boekenkast. Wij weten waarom
een bepaald boek op een bepaalde plaats moet staan. Dat is het karakter van
onze gehele intellectuele "vorming" en we vinden dan ook dat iemand
ergens niets van begrijpt als hij dingen verbindt die volgens ons "niets
met elkaar te maken hebben". Maar, als het om echt begrijpen gaat blijkt
alles met alles te maken te hebben en dan kunnen totaal
"verschillende" dingen een innige samenhang vertonen. Het
gebruikelijke woord "begrijpen" slaat op inzicht in de inventaris;
het BEGRIP "begrijpen"
heeft betrekking op de samenhang van de werkelijkheid. De inventaris is
gemakkelijk te leren - iedereen kan het, zij het met kleine verschillen in het
vermogen tot onthouden
van de kennis. Het is zelfs zo eenvoudig dat een apparaat, de computer, het kan
en net zo min als die computer er iets van begrijpt, begrijpen de moderne
"geschoolde" mensen er iets van. Om te kunnen begrijpen is het nodig
dat wij ons "zien" ontwikkelen.
Het
zien van de werkelijkheid
Al
eerder hebben wij gewezen op de rol van het "zien". Nogmaals: we
hebben hierbij te doen met een zaak die door het moderne denken niet aanvaard
wordt omdat hij tegengesteld is aan de westerse benaderingswijze van de
werkelijkheid. Tegengesteld dus aan de "objectieve" benadering. De
zaak is niet afgewezen omdat hij onhoudbaar is gebleken - er is helemaal niets
gebleken omdat er eenvoudig niet over nagedacht is. Wel is er (sporadisch)
onderzoek naar gedaan vanuit de psychologie, maar daarbij is het meer als een
"fenomeen" beschouwd dan als een opgave voor het begrijpende denken.
Carl Gustav Jung bijvoorbeeld ontdekte een "collectief bewustzijn" in
de mensen, maar hij heeft - voor zover mij bekend - niet ontdekt dat dit
voortkwam uit het "zien" van zijn eigen bewustzijn door de mens.
Bovendien is de term onjuist, hij zou moeten luiden: collectief zelfbewustzijn.
Hoe dan ook, naar aanleiding van allerlei onderzoek heeft men wel bepaalde
theorieėn ontwikkeld, maar men heeft niet nagedacht over de werkelijkheid als
mens. Helaas kunnen wij dit thans ook niet doen, zodat het dus bij een
"bewering" moet blijven. Maar die "bewering" is uiteraard
voortgekomen uit het nadenken over de werkelijkheid als mens. Het zit als
volgt: in ieder mens is de werkelijkheid op beweeglijke wijze aanwezig. Vanuit
het zelfbewustzijn kan de mens deze werkelijkheid "zien". Dié geziene
werkelijkheid kunnen wij noemen "de werkelijkheid als beeld". De
moderne mensen hebben deze zaak verwaarloosd omdat zij het "beeld"
vervangen hebben door het "zichtbare" (=objectieve). Dit
"zien" is echter niet verdwenen, want het is helemaal niet van de
mens af te denken: het is verwaarloosd. Maar het komt, geheel vanzelf, weer
terug als wij ons denken gaan ontwikkelen. Als dat niet het geval zou zijn,
zouden wij ook niet behoeven te zoeken naar de samenhang der dingen: wij zouden
hem nooit vinden en aangewezen blijven op de verbeelding (= fictieve
samenhang).
Wij
hebben al vastgesteld dat bij het ontwikkelen van het denken de dingen onzeker
worden. Zij raken hun vastheid kwijt en worden tot beweeglijkheden. En juist
hierdoor krijgen zij steeds meer het karakter van het beeld van de
werkelijkheid IN ONSZELF. Dat is immers ook een beweeglijke zaak. Naarmate dus
de feitelijke werkelijkheid van de onderscheiden kennispakketjes
"vervluchtigt" gaat zij samenvallen met het BEELD in onszelf en
daardoor wordt dit verwaarloosde beeld weer "levend". Het wordt weer
zichtbaar omdat de blokkade van het vastgelegde opgeheven wordt door het
ontwikkelen van het denken. Je zou kunnen zeggen dat de trillingen van het
beweeglijke beeld weer gaan harmoniėren met die van het zelfbewustzijn, oftewel
die van het denken. Omdat het beeld in zichzelf een en al "samenhang"
is (gelijk aan de werkelijkheid zelf) geraakt de beweeglijk geworden kennis ook
in samenhang. En, voor zover dat in een mens steeds meer het geval is wordt die
samenhang steeds duidelijker de maat voor de juistheid van het denken. Dat
levert de "nieuwe zekerheid" op.
Nieuwe
en oude zekerheden
Het
gaat in het denken en in het algemeen bij het zelfbewustzijn, steeds om
zekerheden. Het "weten hoe het zit" is niet denkbaar zonder een
zekerheid. Maar in ons huidige denken ontleent men de zekerheid aan de
feitelijke juistheid van een kennispakket OP ZICHZELF, terwijl in het nieuwe,
holistische denken de zekerheid gegarandeerd wordt door een in alle opzichten
beweeglijke samenhang. Zolang die niet verstoord wordt, dus zolang we in ons
denken niet ergens op vastlopen, is de zaak in orde. En wij kennen de samenhang
doordat het beeld van de werkelijkheid in ons aanwezig is. De verwaarlozing
daarvan kunnen wij niet opheffen door ons met dat beeld zelf bezig te willen
houden; de verwaarlozing wordt veroorzaakt door ons DENKEN en als we dat
ontwikkelen wordt het beeld vanzelf weer vrij. Dat heeft niets geheimzinnigs -
het beeld is gewoon een beweeglijkheids-verhouding in de materie. Alle verhalen
van moderne goeroes over iets mysterieus goddelijks in ons zijn onzin. Zij
vormen de VERBEELDING van moderne twijfelende mensen...
Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3
; Opgevoed-1 ; mystiek-1 ; mystiek-2
Oppassen
voor mystificaties
Er
is tegenwoordig bij steeds meer mensen waar te nemen dat zij zoeken naar een
andere wijze van denken dan de gebruikelijke. Het is logisch dat zij daarbij
haast automatisch de blik naar het oude oosten wenden, omdat daar inderdaad op
een andere wijze gedacht werd. Men zocht de "waarheid" door in
zichzelf te schouwen, door "introvert" te denken, en men kwam daarbij
tot verrassend heldere inzichten. Omdat die inzichten bovendien getuigen van
inzicht in de werkelijkheid ALS GEHEEL, spreken zij de moderne zoekende denkers
en degenen die in allerlei opzichten hun "geloof" verloren hebben erg
aan. Hoewel zij een vermoeden hebben het spoor voor een werkelijke
denkontwikkeling gevonden te hebben, komen zij er doorgaans niet toe zich
LOUTER DENKEND af te vragen met wat voor een "innerlijke"
werkelijkheid zij te maken hebben als zij in zichzelf zelf allerlei ontdekken.
Tot nu toe blijft vrijwel iedereen steken in een soort van MYSTIEK en onder de
indruk van het "raadselachtige" van het innerlijk van de mens. Dat is
echter op zichzelf een uitermate vruchtbare bodem voor zweverige religieuze
sprookjes, dweperig gedoe over "oosterse wijsheid" en ongegronde
nederige gevoelens ten aanzien van de werkelijkheid. Hoewel dit alles wellicht
wat "mensvriendelijker", en vooral ook "vrouwvriendelijker"
is dan ons traditionele denken, schieten we er op zichzelf totaal niets mee op
als wij er niet serieus toe overgaan de zaak te doordenken. Het
"beeld" van de werkelijkheid in onszelf is door nuchter nadenken te
vinden; de beweeglijkheids-verhouding, die dat beeld is, kunnen we berekenen -
niet in de kwantitatieve zin (de frequentie en dergelijke), maar in
kwalitatieve zin (de hoedanigheid ervan). Dit zullen wij thans niet doen, omdat
dit veel te ver voert, maar wel kunnen wij stellen dat het ongewone van die
berekening (voor de moderne denktraditie) is gelegen in het feit dat het een
berekening is waarin alles beweeglijk is en blijft, zodat alles in
kwantitatieve zin ONZEKER is. Het is niet in getallen of formules uit te
drukken, wij kunnen slechts in verhoudingen spreken en denken. De zekerheid
echter ligt in het onverbrekelijk-zijn van die verhoudingen, in hun algehele
samenhang. Het feit, dat men langs de weg van de mystiek tot het BELEVEN en ook wel
ONDERGAAN van die beweeglijke verhoudingen kan komen, betekent in geen geval
dat de zaak zelf mystiek
van aard is, of goddelijk of kosmisch. Het is eigenlijk niets bijzonders. Maar
het lijkt heel wat omdat we door ons gebruikelijke denken heen moeten breken om
er zicht op te krijgen. En daarvoor neemt de moderne mens, voor zover die zijn
denken niet ontwikkelt, zijn toevlucht tot mysterieuze kunstgrepen, zoals drugs
en allerhande quasi bewustzijnverruimende trainingen en rituelen. De kunst
echter is om er DENKEND achter te komen. Als men dit niet doet, blijft ons
primitieve "verzamelaars-denken" de zaak blokkeren, zodat ons leven
net zo armoedig blijft als het al was...
Het
onaantastbare beeld en de blokkade
Het
samenhangende, beweeglijke beeld in onszelf is er als gevolg van de wording van
de verschijnselenwereld. Dus : als de mens op de planeet verschijnt, is er ook
dat beeld in de mens. Hij kan daaraan niets toe of af doen, hij kan het niet
versterken noch verhelderen, hij kan het niet naar voren halen... hij kan er
niets mee. Het is net zo vanzelfsprekend en onafwendbaar als bijvoorbeeld het
stromen van zijn bloed of het kloppen van zijn hart. Zinloos is het dan ook om
zoiets te proberen - je kunt je "bewustzijn" (want dat is dat beeld)
op geen enkele wijze beļnvloeden, ook niet door een bepaalde opvoeding of training.
Het is onmogelijk om in jezelf een "hoger bewustzijn" wakker te
roepen, want er bestaat geen "hoger bewustzijn" - als je dat denkt
ben je juist met mystiek
bezig. Het "bewustzijn", het "beeld", is gewoon een
GEGEVEN. En omdat dit zo is, is het in ons allemaal in orde. Wat evenwel niet
in orde is, is ons DENKEN, dat het zicht op dat "beeld" blokkeert.
Die blokkade echter is wel aan te vatten omdat die bestaat uit de verzameling
kennis-pakketjes die wij tot inhoud van ons ZELFBEWUSTZIJN gemaakt hebben. Je
kunt ook zeggen: die blokkade wordt gevormd door ons eigen denken, dat ons
vanuit de traditie geprogrammeerd heeft tot een vaststaand denkmodel
(paradigma). Dat denkmodel is concreet, het is de concrete INHOUD van ons
zelfbewustzijn en het bestaat uit de eerder genoemde kennis-pakketjes. Het
aanvatten daarvan maakt de zaak beweeglijk en dat betekent dat onze eigen
blokkade zich opheft. Daarmee krijgt het zien van het beeld zijn kans, of,
anders gezegd: ons bewustzijn wordt weer zichtbaar, het gaat weer functioneren.
De verwaarlozing verdwijnt, wij worden "gezond". Nogmaals, want dit
is erg belangrijk: elke methode om buiten ons denken om tot bevrijding van ons
bewustzijn te komen, is een vlucht naar een nieuwe afhankelijkheid. Omdat ons
denken traditioneel en "vastleggend" bezig blijft raken wij steeds
meer verslaafd aan zo'n methode om ons "bevrijd" te voelen. Tenslotte
lossen wij niets meer op en zijn wij reddeloos verloren...
Het
paradigma
Wij
construeren zelf het paradigma als een soort van blauwdruk van de
werkelijkheid. Wij leggen die blauwdruk als het ware op het - altijd aanwezige
beeld van de werkelijkheid en aanvaarden alleen datgene dat met die blauwdruk
overeenstemt. Dat geldt voor alle tijden en voor elke cultuur. Een cultuur is
nu juist een paradigma. Daarbij moet opgemerkt worden dat zo'n paradigma ons
nooit in zijn volle omvang bekend is. Niemand kent volledig alle details ervan
en misschien is het zelfs wel zo, dat het grootste gedeelte van het paradigma
zich in het ONBEKENDE gebied van ons zelfbewustzijn bevindt. Dat onbekende
gebied bestaat uit kennis en ervaringen die wij als baby opgedaan hebben zonder
dat wij er van wisten, het bestaat uit vergeten kennis en ervaringen en ook uit
verdrongen zaken. De psychologie houdt zich bezig met het inventariseren van al
deze zaken, met de daarbij behorende conflicten en trauma's. Maar ondanks de
psychologie blijft elk mens zitten met de duistere inhoud van zijn
zelfbewustzijn, zodat wij ons thans af kunnen vragen hoe je die zaken, waarvan
je niets weet, ook in beweging kunt krijgen, d.w.z. betrekken in je
denkontwikkeling. Wij moeten hierbij bedenken dat het niet zozeer gaat om de
kennispakketjes zelf als wel om het paradigma, het model. Je kunt dus stellen
dat je onverschillig zou kunnen zijn voor die pakketjes, ook voor zover zij
zich bevinden in het onbekende gedeelte van het zelfbewustzijn. Waarom het gaat
is dat het paradigma zich op gaat lossen, zodat het zelfbewustzijn weer een
beweeglijke zaak wordt. Dan gaat het onbekende gedeelte vanzelf mee en het is
helemaal niet uitgesloten dat dit zich oplost zonder dat wij ooit kennis zullen
nemen van de inhoud ervan. Dit doet er evenwel helemaal niet toe, want voor
zover wij op een onbegrijpelijke manier LAST hadden van deze ingeprente,
vergeten of verdrongen kennis, kwam dit voort uit het vastgelegde karakter
ervan. We kunnen dus stellen dat met het zich ontwikkelen van het denken ook
ons "onbekende ik" lucht krijgt en ons niet meer dwars kan zitten. De
huidige psychiatrische praktijk wijst dan ook in die richting, alleen moet zij
het onbekende wel bekend maken om het te kunnen bespreken en daardoor
beweeglijk te maken. Maar ook hier leert de ervaring dat het beweeglijk maken
van soms maar een klein gedeelte de rest ook oplost. Omdat het ons huidige
DENKEN is dat ons ziek maakt, ook lichamelijk ziek, is het daar waar wij moeten
beginnen onszelf te genezen. Dat geldt zowel voor ons persoonlijk als voor de
mensheid als geheel. Voor dit soort van genezing bestaan er echter geen medicijnen,
noch therapieėn, noch methodieken: het is zelfs niet goed om ons met die
"genezing" als zodanig bezig te houden. Het gaat om ONTWIKKELING van
ons denken en met het zich doorzetten daarvan treedt geheel vanzelf genezing
in. Het zal duidelijk zijn dat je deze genezing een "bevrijding" kunt
noemen, een bevrijding die zich op alle gebieden van het leven zal gaan
doorzetten...
Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1
; Opvoeding-1
; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3
; Opgevoed-1 ; mystiek-1 ; mystiek-2
Zenboeddhisme-1 ; Zenboeddhisme-2
De
noodzaak om ons denken aan te pakken
Er
is op te merken dat een mens zijn leven lang niet altijd denkend benadert, maar
dat er tal van "mechanismen" zijn die op "niet-rationele"
wijze ons leven beļnvloeden en zelfs wel bepalen. Gewoonlijk spreken wij dan
over onze gevoelens". En terecht is een aantal mensen van oordeel dat wij
onze gevoelens" in ernstige mate verwaarlozen, hetgeen bevorderd wordt
door het feit dat wij van mening zijn dat wij met "gevoelens" niets
aan kunnen vangen als het er om gaat de werkelijkheid te leren begrijpen. Op
grond hiervan zou je kunnen zeggen dat het van belang is om onze gevoelens te
herwaarderen, er meer aandacht aan te gaan besteden, ze meer serieus te gaan
nemen. Toch blijkt dat wij juist aan datgene dat al zo overgewaardeerd is,
namelijk ons redelijke denken, al onze aandacht zouden moeten gaan geven. Dat
lijkt onlogisch en daarom is het nuttig om hierbij nog even stil te staan.
Om
de dominante rol van het denken terug te dringen en tevens dat
"andere" in de mens naar voren te halen, zijn er tegenwoordig nogal
wat methoden ontwikkeld, die zich allemaal zo direct mogelijk op dat
"andere" richten buiten het denken om. Men beoefent
"rollenspelen", er zijn "aanrakingstherapieėn", men wil
zich bewust worden van het "lichaam", enzovoort. Oosterse oefeningen
als yoga
gaan buiten het denken om, het denken zou uitgeschakeld moeten worden. Ook in het
drugsgebruik gaat het om het verdoven van het denken, het zelfbewustzijn, dat
voor veel mensen (en lang niet de slechtsten!) alleen maar oorzaak is van een
uitzichtloze verwarring. Zo zijn er talloze voorbeelden te noemen waaruit
steeds weer blijkt dat de mensen in de gaten hebben dat hun zelfbewustzijn, hun
denken, een groot aantal van hun mogelijkheden blokkeert. En steeds weer zien
wij dat men dan probeert van de dominante rol van het denken af te komen DOOR
HET WEG TE DRUKKEN OF UIT TE SCHAKELEN. Overigens: men probeerde dit al
in het oude oosten. In het Taoļsme en in het Zenboeddhisme probeerde een
"meester" zijn "leerling" in een onverwachte flits de
"waarheid" te laten beleven. Het onverwachte schokeffect was nodig om
het denken voor een moment te omzeilen. In de loop der tijden ging deze kunst
verloren en zocht men almaar meer zijn toevlucht tot de opium, totdat in onze
cultuur zowel de opium (drugs) als het schokeffect (bewustzijnsverruimende
methodieken) weer voor de dag komen om de blokkade van ons denken te omzeilen.
Als
wij echter over het probleem filosoferen, dan blijkt dat je het niet redt als
je het zelfbewustzijn, het denken, wegmoffelt zonder het op de een of andere
manier aan te pakken. Een weggemoffeld denken is nog steeds precies hetzelfde
denken dat nog steeds een blokkade vormt, maar dat nu op een nog
onnavolgbaarder wijze functioneert. Omdat het verdrongen is gaat het zijn rol
op een ziekelijke wijze spelen - we zijn dan nog verder van huis. De enige
mogelijkheid blijkt te zijn: het ontwikkelen van het denken zelf, hetgeen
betekent dat de zaak in beweging komt en tenslotte weer beweeglijk wordt. Met
het beweeglijk worden komt al het "andere" dat voor de mens geldt
VANZELF weer voor de dag. Omdat het dan niet meer door ons denken overheerst
wordt, verliest het ook zijn benauwdheid, zijn verwrongenheid. Letterlijk
verdwijnt het "kleinzielige". We krijgen te doen met "bevrijde
gevoelens", die, in tegenstelling door wat vanuit Onze
"denkcultuur" gemeend wordt, volkomen betrouwbaar, liefdevol en
sociaal blijken te zijn. En ook wat het begrijpen van de werkelijkheid betreft
zijn die "gevoelens" betrouwbare aanwijzingen om een antwoord te
vinden op de cruciale vraag: HOE ZIT HET. Het heeft geen zin, en het is zelfs
gevaarlijk, te trachten ons rechtstreeks, eventueel met behulp van goedbedoelde
methodieken, het "andere" naar voren te halen. Want dat doe je dan
noodzakelijk waar vanuit het blokkerende denken. Je baseert je immers op een
THEORIE die je met je VERKEERDE DENKEN uitgedacht of aanvaard hebt. Een theorie
dus, die je met behulp van je verkeerde denken goedgekeurd hebt. En de nieuwe
normen, die je jezelf stelt, zijn ook precies uit de verkeerde hoek gekomen.
Daarom zie je dan ook bij zoveel mensen een nieuwe verslaving optreden: aan een
idee, aan een goeroe, aan een religie, en tenslotte aan de drugs...
Bovendien is het een feit dat zaken als intuļtie, inspiratie,
schoonheid- en liefdesgevoelens, enzovoort, zich niet laten sturen. Je kunt ze
niet naar willekeur oproepen, je kunt ze niet naar je hand zetten, de zaak gaat
geheel buiten je wil om, heeft op zichzelf ook niets met je denken te maken.
Het zijn uitingen van de menselijke "psyche", en die komt niet
voort uit het zelfbewustzijn, maar uit het BEWUSTZIJN - het in jezelf aanwezige
trillende beeld van de werkelijkheid. Psyche en bewustzijn behoren bij elkaar,
en van die twee is het de psyche die door het denken (beter: het zelfbewustzijn)
vervormd kan worden. Gevoelens zijn door het zelfbewustzijn vervormde
psychische uitingen, die ondanks de vervorming toch een eigen leven leiden,
ongrijpbaar voor het denken. Dit ongrijpbare komt door het beweeglijke karakter
er van. Helaas kunnen we nu niet uitvoerig over de psyche en haar culturele
verwording spreken, ( zie hiervoor beweging en
verschijnsel deel 1 , 2 en 3. ) maar wel moeten we begrijpen dat
onze psyche "klem" zit door de blokkade van het denken.
Het denken moet zijn eigen gang gaan
Volgens
de wijsgeer Kant bestaat er een aantal "denkcategorieėn" waaraan wij
ons in ons denken hebben te houden als wij een antwoord willen krijgen op
vragen die de werkelijkheid betreffen. Maar Hegel was (terecht) van mening dat
men "zijn denken zijn eigen gang moet laten gaan". Hij zag in dat je
juist dan de mogelijkheid hebt om te kunnen constateren dat je al of niet
vastgelopen bent op een zeker moment. Bij het doordenken komen de "fouten"
voor de dag. In de westerse cultuur is men doorgegaan op de door Kant
ontwikkelde normen voor het denken en Hegel werd al spoedig afgedaan als
"een idioot in de filosofie". Men vindt dat doordenken leidt tot
oncontroleerbare verzinsels die een slag in de lucht zijn. Het beroerde echter
van denkmethodieken is dat ze niet ontworpen zijn om de foute zienswijzen te
ONTDEKKEN, maar om die bij voorbaat te ELIMINEREN. Door het vermijden van de fouten
kan je ze nooit ontdekken. Dat betekent dat je bezig bent met een systeem dat
zichzelf in stand houdt en dat geen mogelijkheden biedt tot ontwikkeling. Als
je bij een boswandeling nauwgezet de aangegeven paden volgt kan je niet
verdwalen, maar als je niet kunt verdwalen leer je het bos niet kennen. Je
leert ook geen betere of mooiere weg kennen - in zekere zin gaat het hele bos
aan je voorbij. Met het uitsluiten van de verkeerde weg sluit je ook een hetere
uit. Ook het denken moet kunnen "dwalen" (in alle betekenissen van
het woord) om zichzelf en de werkelijkheid te leren kennen. En hetzelfde geldt
voor de mensheid. Opvallend van onze huidige mensheid is dat zij almaar
doorgaat op de verkeerde weg. Terwijl de bewijzen zich opstapelen dat het fout
gaat. Maar die weg is als het gemarkeerde bospad: afdwalen is verboden. De toenemende
rampen komen doordat het bospad nog niet helemaal goed is aangelegd - niet
doordat het een verkeerd pad is, vindt men. En zo sluit de mensheid voor
zichzelf elke correctiemogelijkheid uit. Net zoals het aan normen gebonden
denken zichzelf niet kan corrigeren. Als er dan toch veranderingen optreden
zijn dit als het ware "revoluties", die steeds VAN BUITENAF het
gangbare denken aantasten. In onze tijd zijn dat groepen van mensen die met
deze wereld niet meer mee willen doen, of traditioneel niet mee mogen doen
zoals de vrouwen en de derde-wereld-mensen. Van binnenuit worden de gevestigde
denkwijzen niet aangetast. Dit komt dus doordat men zijn denken niet vrij laat;
de enkelingen die dat wel doen zijn degenen van wie de "revolutie" te
verwachten is, niet in de traditionele zin in de vorm van een machtsstrijd maar
in de vorm van bevrijding van het denken door het te ontwikkelen.
Zenboeddhisme-1 ; Zenboeddhisme-2
Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16,
22, 23, 32)
Zelfbewustzijn,
denken en zien
Wij
hebben, in de loop van deze cursus, enige malen over het "zien" van
de werkelijkheid gesproken en het daarbij behandeld als een soort aparte
grootheid in de mens. In feite echter behoren denken en zien bij elkaar en
beide verhoudingen worden als het ware overkoepeld door datgene wat ik het
ZELFBEWUSTZIJN noem. Zelfbewustzijn, denken en zien zijn evenwel niet van
elkaar los te maken, hoewel zij op zichzelf van elkaar te onderscheiden
verhoudingen zijn. Om het niet te ingewikkeld te maken heb ik "zelfbewustzijn"
en "denken" min of meer door elkaar heen gebruikt, maar het zijn dus
in feite geheel andere verhoudingen. In die drieslag van verhoudingen behoren
"denken" en "zien" bij elkaar, terwijl het
"zelfbewustzijn" die twee als het ware omhult. En binnen die
omhulling is er de "inhoud" van het zelfbewustzijn, als het resultaat
van het denken en het zien. Op grond hiervan fungeert het zelfbewustzijn als
een FILTER, het laat door wat het wenselijk acht en het houdt tegen wat buiten
het kader van de in een cultuur geldende begrippen of modellen valt. Dit
fungeren als een filter is essentieel voor het zelfbewustzijn, d.w.z. het is er
niet af te denken. We kunnen het dus ook niet goed of slecht noemen: waar
zelfbewustzijn is is tegelijk het filtersysteem. Maar het maakt wel verschil of
het filter opgebouwd is uit een aantal vastgelegde modellen en dus zijn
beweeglijkheid verloren heeft, of dat het zijn eigen beweeglijkheid handhaaft
door zijn eigen modellen telkens weer opnieuw op te lossen, zodat nieuwe vraagstukken
zonder vooropgezette meningen bekeken kunnen worden. Het punt is dus niet dat
mensen "opvattingen" hebben, conclusies trekken en uitspraken doen,
maar het punt is: hoe komen die opvattingen tot stand, vanuit een model of
vanuit pure "vrijheid". Anders gezegd: de vraag is of het
filter samengesteld is uit een netwerk van vaste en onveranderlijke
verhoudingen, zoals bijvoorbeeld met een ZEEF het geval is, of dat het netwerk
bestaat uit beweeglijke verhoudingen. Om met Hegel te spreken: "een kristallijnen
net van begrippen". Omdat het netwerk haar INHOUD krijgt door denken en
zien, en het het denken is dat "het netwerk weeft", is het dit
laatste dat aangepakt moet worden als de mensheid in een bepaalde cultuur
vastgelopen is. Dat geldt in zijn algemeenheid. We zien dan ook dat culturen
telkens beginnen met nieuwe denkbeelden en zienswijzen, die langzaam maar zeker
doorbreken en aanvaard worden. Maar het geldt in het bij zonder voor onze
cultuur omdat in die cultuur juist het denken centraal staat. Als we dat
wegmoffelen nemen wij wel afstand van onze cultuur (wat tijdelijk een
bevrijdend gevoel geeft), maar wij komen niet verder, zodat het uiteindelijk
niet bevredigt. De opgave voor de moderne mensen is ER DOORHEEN TE GAAN.
Daartoe behoeft men zich niet filosofisch te bekwamen, want ook de filosofie is
een VAK, dat beoefend moet worden. Maar het is wel een "filosofisch"
proces dat voor ons noodzakelijk is. Dit "filosoferen" komt in de
praktijk neer op IN TWIJFEL TREKKEN, niets als vaststaand aanvaarden en tot het
inzicht komen dat het beter is iets NIET TE WETEN dan het VERKEERD te weten. De
overtrokken culturele waardering voor het "weten", in de vorm van
kennis, is een gevolg van onze "denkcultuur". Die waardering is
derhalve een vooroordeel dat met de ontwikkeling van het denken verdwijnt. De
betekenis van het "weten" zal altijd een betrekkelijke blijken te
zijn - wat overigens in geen geval inhoudt dat we dat "weten" dan
maar kunnen gaan verwaarlozen. Het is immers geen minderwaardige zaak: het is
een RELATIEVE zaak. En we kunnen zelfs wel stellen dat we, juist door het
relatieve karakter van het "weten", overal achter kunnen komen. De
vraag "hoe zit het" is alleen maar vanuit die relativiteit te
beantwoorden en niet vanuit bij voorbaat geprogrammeerd denken. Voor de
mensheid is het nog een lange weg om tot dat inzicht te komen; vrijwel alles
staat aan deze ontwikkeling in de weg. En het is dan ook "alles" dat
in de toekomst op de helling gaat...
Zelfbewustzijn,
een toelichting
Het
is opmerkelijk dat een mens over zichzelf uitspraken kan doen. Hij kan het over
zichzelf hebben als "ik", waarbij die "ik" als het ware in
de derde persoon komt te staan als zou het "ik" een op zichzelf
staande realiteit zijn. Als in een kind het zelfbewustzijn door gaat breken zegt
het eerst: "Jantje wil melk" en daarna wordt het: "Ik wil melk.
Het blijkt dat "ik" en "Jantje" identiek zijn en een eigen
realiteit bezitten. We kunnen zeggen: de mens kan buiten zichzelf gaan staan.
Dit nu is het gevolg van de werking van het zelfbewustzijn en omdat dit het
geval is kan een mens ook zijn eigen denken beoordelen: hij kan over zijn eigen
denken denken, hij kan het ontwikkelen. Voor een dier is dat onmogelijk, het
dier is gebonden aan de natuurlijke programma's en omdat er bij het dier geen
systeem bestaat dat boven zijn denken uitgaat blijft hij er aan vast zitten. De
mensen leggen tijdens hun ontwikkeling hun eigen denken wel vast, maar zij doen
dit zelf en zij zijn het ook zelf die het vastgelegde vanuit de werking van het
zelfbewustzijn (dat in principe beweeglijk is) weer oplossen. De toestand van
de werkelijkheid, die wij bij de mens het zelfbewustzijn noemen is een toestand
waarbij de materie zichzelf als materie opheft, d.w.z. gaat functioneren alsof
ze GEEN MATERIE was. En dat is een toestand, namelijk dat "geen materie
zijn", die wij ook aan het "begin" van de werkelijkheid
aantreffen en die van al het bestaande de essentie is en blijft. Hier stuiten
wij op een frappante overeenkomst met oorspronkelijke religieuze opvattingen,
namelijk dat "god" het begin en het einde zou zijn en bovendien alles
doordringt. De wijsgeer Spinoza stelde dat alle dingen
"bestaanswijzen" van de "substantie" zouden zijn en dat die
substantie bij de mens als "god" weer terugkwam. Die substantie, die
de mensen met "god" associėren, is niets anders dan het menselijke
zelfbewustzijn.
De
mens kan uitspraken doen over zichzelf, over de werkelijkheid. Dat kan hij niet
zonder te denken (al zou je dat niet altijd zeggen!). Voor onze cultuur is
daarvan een rechtstreeks gevolg dat het meer en meer een PRAATCULTUUR geworden
is. Met praten denkt men alles op te kunnen lossen - men praat en praat maar
aan een stuk door. Men vindt dan ook dat je, om met elkaar te kunnen
samenleven, alles met elkaar moet kunnen doorpraten en bepraten en dat dit
praten de waarborg is voor het slagen van het samenleven. Maar dit is een grove
misvatting. Samenleven is het laten gelden dat wij allen, op onze eigen wijze,
het GEHEEL zijn. Binnen dat geheel ligt de nadruk niet op de onderscheidingen
en dus niet op het denken en ook niet op het doen van uitspraken. Als het
geheel geldt is voor de mensen het "samenleven" vanzelfsprekend een
feit. Men spreekt dan ook over een "woordenloos elkaar verstaan".
Toch kunnen wij niet zeggen dat het praten dan maar "afgeschaft" zou
moeten worden. Voor zover namelijk de mensen met elkaar een
"maatschap", een organisatie vormen, zijn zij op het gesprek
aangewezen. De "maatschap" is gebaseerd op het feit dat binnen het
geheel de ene mens toch de andere niet is, terwijl men (op grond van dat
geheel) wel op elkaar aangewezen is en van elkaar afhankelijk. Omdat de ene
mens de andere NIET is, moeten de mensen zich aan elkaar KENBAAR maken en dat
is het gesprek. Een "maatschap", en dus ook de maatschappij, is
zonder het gesprek onmogelijk, in het gesprek realiseert zich het
maatschappelijke netwerk van afhankelijkheden. Als mensen qua
"samenleven" problemen met elkaar hebben, kunnen zij die problemen
alleen maar met elkaar "uitleven". Hoewel het natuurlijk
altijd goed is er over te praten, is het fout om te menen dat dit tot een
oplossing leidt. Geen enkel gesprek kan het "samenleven" verbeteren,
maar wel kan het van invloed zijn op de RELATIE (= de verhouding tussen) van de
een met de ander.
Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16,
22, 23, 32)
( Doe uzelf een plezier en bestudeer
deze bundel in zijn geheel.)
arbeid-1 ; arbeid-2 ; werken veiligheid-1(t/m 23) ; veiligheid-2
waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2;
waardeoordelen-3
; waardeoordelen-4
; waardeoordelen-5
; waardeoordelen-6
;
Het
veilig stellen van het leven
Door
de hele geschiedenis van de mensheid heen zijn er krachten werkzaam geweest,
die er op gericht waren het dagelijkse leven van de mensen te veranderen, en
onveranderlijk waren dat krachten die het leven voor diezelfde mensen onveilig
maakten. Zij hebben dan ook steeds geprobeerd zich tegen die krachten te
verzetten, maar in het algemeen kunnen wij stellen dat dit tot nu toe zonder
succes geweest is. Nog altijd wordt er op de mensen ingepraat, wordt hen een
betere wereld voorgehouden, wordt de revolutie gepredikt of een duivelse vijand
aangewezen. Filosofen rekenen de mensen voor hoe zij eigenlijk zouden moeten
leven, wat hun ethiek zou moeten zijn; regeringen stellen wetten die zonder
meer nagevolgd moeten worden, zogenaamd voor het welzijn van de gehele
samenleving. Vakbonden proberen de mensen ervan te overtuigen dat zij
zouden moeten gaan staken, pausen riepen op tot kruistochten ter
loutering van de ziel en meerdere glorie van de roomse kerk, enzovoort,
enzovoort... Of men nu de wereld wil verbeteren - proletariėrs aller landen,
verenigt u of de mensen wil opjutten tot broedermoord, onveranderlijk worden de
mensen uit hun dagelijkse leven gehaald ter wille van iets dat anderen
voor hen verzonnen hebben. Die anderen zijn leden van de een of andere
"intelligentsia", mensen in wie bepaalde cultuurgedachten tot
concrete doelstellingen geworden zijn. Wij kunnen die doelstellingen positief
waarderen (bevrijding van een bepaalde tirannie, medezeggenschap verwerven en
rechten) en ook negatief (opjutten tot het voeren van oorlog, het terroriseren
van joden, het zich ondergeschikt maken aan de belangen van anderen). Maar een
feit blijft dat de mensen uit hun gewone gedoe gehaald worden. Zij reageren
daarop afwijzend, zij hebben er geen zin in en zij zijn er ook bang voor:
zij verliezen hun veiligheid. Zelfs als zij onder erbarmelijke
omstandigheden moeten zien te overleven voelen zij zich veiliger dan wanneer
zij tot actie moeten overgaan. Het is te begrijpen: hun eigen omstandigheden
zijn het milieu waarin zij gewend zijn te leven, zij kennen de gevaren en zij
hebben geleerd zich zo goed mogelijk te handhaven. Tegelijk zijn zij zelf
voortdurend bezig hun toestand te verbeteren. Niemand is bereid een
ondraaglijke toestand te laten voortbestaan, onveiligheid behoort niet bij het
menselijke leven. In de ogen van de "progressieve" intelligentsia
zijn de mensen lauw en apathisch omdat zij niet gemakkelijk in beweging komen.
Hoe veiliger hun bestaan, hoe minder bereid tot actie over te gaan. Om ze toch
zover te krijgen moeten ze " gemotiveerd" worden en daartoe kan elk
argument worden gebruikt als het maar overtuigend gebracht wordt. Als
dit gelukt ontstaat er een enorme heksenketel waarin niemand meer veilig is.
Het is dan weer die intelligentsia, die zich "menslievend" opwerpt om
weer orde op zaken te stellen.
Elke intelligentsia is voortdurend bezig de mensen
voor zijn karretje te spannen; nooit worden de mensen met rust gelaten, altijd
moeten zij iets. Zij moeten zich voegen naar de denkbeelden van de
intelligentsia, hetzij positief gewaardeerde denkbeelden, hetzij negatief
gewaardeerde. Men heeft wel eens gezegd, dat de filosofen zouden moeten
ophouden over de wereld na te denken en moeten beginnen haar te veranderen.
Maar als er al iets veranderd zou moeten worden is het het denken van de
filosofen, juist voor zover die het niet houden bij het begrijpen van de
werkelijkheid. Tot dit begrijpen behoort ook dat men inziet dat de mensen veiligheid
zoeken en dat dit essentieel is voor het leven.
En ook behoort er toe dat men inziet dat dit zoeken naar veiligheid
in alle tijden misbruikt is door de intelligentsia, in positieve en in
negatieve zin, afhankelijk van de geldende waardeoordelen. Net zoals men
probeert de natuur te beheersen doet men dat ook met de mensen. Men kan hen
niet met rust laten. Als men evenwel de mensen wel met rust laat, wil dat dan
zeggen dat alles maar moet blijven zoals het is? Neen, dat wil het niet zeggen.
Maar het probleem van "verandering" en "verbetering" kan
niet goed opgelost worden zonder de erkenning dat het steeds de een of
andere intelligentsia is geweest die uiteindelijk oorzaak was van de ellende
van de mensen. Die mensen zelf hebben niet tot oorlogen aangezet, een
maatschappij op diefstal gebaseerd, een staatstirannie ingesteld, hun
medemensen van de honger laten omkomen en een elite in welstand laten
leven. Steeds als er onder de mensen iets misdadigs aan de hand was school er
wel een door de intelligentsia ingefluisterd denkbeeld achter. De gewone
mensen hebben deze rot wereld niet tot stand gebracht. Hetgeen niet wil
zeggen dat zij er niet aan MEEGEWERKT hebben. Door hun gevoeligheid voor de
denkbeelden van de intelligentsia hebben zij zich telkens weer, tot hun eigen
nadeel, laten verleiden tot ondersteuning van de machtzoekende intelligentsia,
zonder voorlopig te begrijpen dat hun leven alleen maar dan veilig kan zijn als
zij dit in hun eigen milieu realiseren. De intelligentsia heeft dit donders
goed begrepen, vandaar dat zij, met al haar mooie verhalen, toch altijd op haar
eigen welstand uit is geweest. De intelligentsia heeft zonder mankeren wel haar
eigen milieu veilig gesteld. En dat geldt tot op de dag van vandaag.
Verandering en verbetering kunnen alleen maar uit de mensen zelf voortkomen en
dus kunnen wij een betere toekomst alleen maar van het individuele
zelfbewustzijn van de mensen verwachten. Dat heeft niets te maken met het
wakker worden van idealen, ethieken, mensenrechten
en dergelijke, en alles met het in de gaten krijgen van je plaats in het
kosmische systeem. Wat overigens eigenlijk geen "plaats" is, maar een
beweeglijke verhouding... De praktische inhoud van het begrip "veiligheid"
is een heel eenvoudige: het gaat om LEVENSMIDDELEN (voedsel, drank en lucht) en
BESCHUTTING (een woning, kleding). Zaken als gezondheidszorg en recht zijn
maatschappelijk bepaald zijn dus RELATIEVE begrippen. Van de gezondheidszorg,
zoals wij die kennen, is te zeggen dat het uitermate twijfelachtig is of die de
gezondheid van de mensen bevordert. Volgens recente onderzoeken is het
resultaat zonder meer negatief, terwijl van het recht gezegd kan worden dat het
er is op voorwaarde van het onvolwassen gedoe van de mensen. En over de
politiek, die tegenwoordig door iedereen zo belangrijk gevonden wordt, is al
helemaal geen goed woord te zeggen, evenmin als over de economie. Beide zijn
intelligente, d.w.z. verstandelijke, regelingsmethoden, die de intelligentsia
toepast om de door henzelf veroorzaakte wanorde voor eigen welstand te
benutten. Zaken als wetenschap, kunst en filosofie behoren niet tot het terrein
van de veiligheid. Zij hangen samen met de vraag naar de KWALITEIT van
het leven en zijn als zodanig onmisbaar. Hetzelfde geldt voor de technologie.
Voor de veiligheid van het leven is het nodig dat de mens arbeid
verricht: levensmiddelen en beschutting zijn het resultaat van arbeid.
Maar voor de moderne mensen is het begrip "arbeid"
nauwelijks meer te begrijpen, voornamelijk doordat het tot
"dienstbaarheid" is verworden. Om dit thema uiteen te zetten zou een
aparte cursus noodzakelijk zijn... Tenslotte nog dit: de door de mensen tot nu
toe bestreefde veiligheid is een zeer wankele. Hij is doortrokken van
allerlei (waan)denkbeelden, zodat hij duidelijk het karakter heeft van een
SCHIJNVEILIGHEID. Maar ondanks dat is het toch veiligheid, die de mensen
terecht zoeken om te kunnen leven en in laatste instantie is te zeggen dat dit
nu precies het enige is dat als opgave aan het menselijk bestaan meekomt.
arbeid-1 ; arbeid-2
; werken veiligheid-1(t/m 23) ; veiligheid-2
waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2; waardeoordelen-3 ; waardeoordelen-4
; waardeoordelen-5
; waardeoordelen-6
;
Terug naar: De Startpagina
Bovenstaande
tekst is geschreven: ( hoorcolleges 1984/1985 te Rotterdam )
Door
Jan Vis, filosoof.
Aangezien
de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten maar juist voor alle mensen,
is het citeren uit mijn werk zonder meer toegestaan. Wel echter zou ik het op
prijs stellen dat het citeren vergezeld gaat van een duidelijke bronvermelding!
(Jan Vis)
|
|