ďDE ONTWIKKELING VAN HET DENKENĒ- vanaf de OERMENS ( hoorcolleges 1984/1985 )

atheisme,bewustzijn,big bang,christendom,cultuur,cyclisch denken,de menselijke zelfontkenning,de ontwikkeling van het denken,denken,denkwegen,de ware mens,ecologie,erfzonde,euthanasie,evangelien,gedachtegangen,geest,geven en nemen,gods zoon, heilige geest,het atheistische denken,het godsdienstige denken,het menselijk denken,hitler,holistisch denken,humanisme, ideologieen,joden,joodse denken,lineair denken,mensenrechten,oerchristendom,oerchristenen,ontwikkeling,paradijsverhaal, veiligheid,wat is eigenlijk het denken,zelfbewustzijn,zelfdoding,zelfontkenning,zien.

 

Naar het Voorwoord

( doe Uzelf een plezier en lees deze bundel in zín geheel )

Naar bladwijzers:Antropologie en een verborgen waardenstelsel ; Vertrouwen;Economisch Denken†† ;Het op een rijtje zetten Ė De dreiging van een oorlog mee keren..? ; RUSLAND ; CHINA ; LIEFDE ; Het GEZIN zou de HOEKSTEEN van de SAMENLEVING zijn ; Nrs. 13 t/m 18 ; Afhankelijkheidsrelatie ; Zichzelf Zijn t/m 24 ; Volksleiders ; Psyche(Gevoel) ; AtheÔsme ; EUTHANASIE is een VANZELFSREKENDHEID..! ; Waardeoordelen-1;waardeoordelen-2;waardeoordelen-3 ; waardeoordelen-4;waardeoordelen-5;waardeoordelen-6;Visie ; AtheÔsme - Dostojewski/Iwan Karamazow ; Zenboeddhisme-1;Zenboeddhisme-2;Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16, 22, 23, 32) en Veiligheid-1(t/m 23);Veiligheid-2;Arbeid-1;Arbeid-2 ; Werken;Profeten; De historiciteit van Jezus/Christus;Mohammedaanse-1; De menselijke zelfontkenning;De Heilige Geest;De derde wereld zal nog verder verarmen ;praten over de dingen;De betekenis van het Paradijsverhaal / De Zonde;De betekenis van een uitspraak;Denkt de moderne mens eigenlijk wel na..? (het op een rijtje zetten/een goed onderzoek); Op een rijtje zetten paginaís 25 en 26 ;††† Hoe te Overtuigen ; staken;Redelijkheid pag. 10 en 11 ; Filosofen en Pedagogen pag. 22 en 23 ; honger-1;honger-2 en mensenrechten; Zelfverloochening ; met rust laten;de wereldveroveraars;Wat is eigenlijk het denken;Onderzoeksdoel / Onderzoeksmethode;Slaven ; Slavernij ; Onderzoeksdoel / Objectief onderzoek;Inburgeren;Het menselijk Gedrag begrijpen;Geboren in een Islamitisch land;NADENKEN ; De wording van het Roomse Christendom, Oerchristendom en De Oerchristelijke Gedachte;Het Kruis;Yoga;De ondergang van het Oerchristendom;Gods Zoon;De ďZoon van de MensĒ;Medische Wetenschap ; Het denken en de waarheid en leugen en denkweg-nrs.3/4/5 ; Wat verschijnt er op de planeet?;Bevrijding van de mensÖ -- nrs. 30 t/m 33 ; Overtuiging;Het zogenaamde logische denken;hoer-1;hoer-2;Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2 ; Betere Wereld-3 ; Zich verhelderen;Een nadere bepaling van het DENKEN ; Kwalitatieve en kwantitatieve denkontwikkeling; De gebruikelijke voorstelling over de mens ; Waar is ďDe OermensĒ;Omdat <ik> het <zeg>..!;Geweld;Geven en Nemen;Ontkenning ; Zelfdoding ; religieuze prostitutie; Materialistisch;Bestrijd de vijand- het eenzijdige denken- in Uzelf ; Wereldveroveraars ; Wetenschapsfilosofie;VERSLAVING ; mystiek-1;mystiek-2;RITUEEL ; fouten;fouten-2;De ondergang van cultuurstelsels ; Zalig zijn de armen van geest;Vervreemding;Maar als je echt over de dingen wilt nŗdenken, filosoferen, zal je dat met je gehelePersoonlijkheid moeten doen en niet alleen met het rationele gedeelte van je zelfbewustzijn.;Gewone mensen-1 (nrs. 22 t/m 24 );Gewone mensen-2 ( no.33);†† Er is maar ťťn leven..!;Staan de mensen "hoger" dan dieren en planten?;IntuÔtie ; Verwensingen2;het conflict tussen gemeenschappelijkheid en individualiteit;verzorgingsstaat(-4);onthouden;Angelsaksische wereld ; Verhullend taalgebruik;Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1;Opvoeding-1;†† Opvoeding-2;Opvoeding-3;Opgevoed-1;Polarisatie-3;Voedselketens;De ondergang van cultuurstelsels;De grondslagen van de westerse cultuur;†† De voedingsbodem is bepalend nrs.14/15-Klassieke/Germaanse Cultuur†† ;†† Zelfkastijding;China;Rechters;Vooroordelen ; Socrates-nrs.27 en 28 ; Aanpassen-1 ; aanpassen-2 ; aanpassen-3 ; Houvast-1 ; Houvast-2 ; TERRORISME en de genezing daarvan. Zie Fictie/fictieve: A1 - B2 - C3 - D4 - E5 ; Niels Bohr ; Verzamelaars-denken ;

Neem ook eens kennis van: Manipuleren / op de mouw spelden††††††††† Moordlust

 

Naar artikelen met als bladwijzer ďPolarisatieĒ en/of Verzorgingsstaat:

Polarisatie-1 ; Zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr 2,

Polarisatie-2 ; Zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr 3,

Polarisatie-4 ; Zie bladwijzers uit Nihilism en Anarchisme als basis van het Atheisme,

Polarisatie-5 ; Zie bladwijzers uit De Universiteit voor humanistiek en het Atheisme,

 

Verzorgingsstaat-1-zie bladwijzers van ontwikkeling West Europese Cultuur-2x,

Verzorgingsstaat-2-zie bladwijzers in Waar gaat het in de mensheid nu wezenlijk om,

Verzorgingsstaat-3-zie bladwijzers in De Grote Vierslag,

 

 

Naar artikelen: Conditionering ; Robot denken ; Op de vlucht voor je eigen denken ; Het gelijk en de dialoog ; Eenzaamheid en onvrijheid ; Het toenemend belang van het AtheÔsme ; Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheÔsme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ;Ongewenst atheÔsme- zie afl. 32 ;Een grens te ver (IsraŽl) ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Hoe zit het nou met god ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61;Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld ..? zie no. 27 ;Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..?; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 : De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjariía ; Burqa, volg bladwijzer ; WIE en WAT is de MENS Ė Zie bladwijzers ;

 

Help mee om deze site te promoten. Vertel het uwÖ!

(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )

 

Terug naar: De Startpagina

Voorwoord:

De thans voor u liggende bundel bevat de samenvattingen van een serie wekelijkse voordrachten over het thema: "De ontwikkeling van het denken", gehouden in het seizoen 1984/1985 in het Trefcentrum te Rotterdam. De voordrachten werden elke week op de band opgenomen en verwerkt tot een aantal korte teksten. Deze bundel is niet bedoeld als een volledige filosofische uitwerking van het gestelde thema. Allerlei belangrijke zaken zijn blijven liggen of niet voldoende tot hun recht gekomen. Als men de bedoeling heeft een boek te schrijven over een bepaald onderwerp begint men met het sorteren van de voorhanden materie en het opbouwen van een bepaalde gedachtegang waarbij de onderwerpen logisch uit elkaar voortvloeien. Maar bij het houden van voordrachten treedt er een heel ander verschijnsel op waarbij het uit elkaar voortvloeien van de onderwerpen niet bepaald wordt door een vooropgezet schema, maar door de creativiteit van het moment. Men zou kunnen spreken van "hardop denken" en daarvan is het kenmerk dat het zich niet aan het keurslijf van een schema houdt. In tegenstelling tot wat vele filosofen menen is het creatieve filosofische denken niet schematisch, het is zelfs wel grillig te noemen. Deze grilligheid is bewaard gebleven in deze bundel. Men kan dat toejuichen, men kan het afwijzen, de lezer moet zelf maar uitmaken of hij al dan niet de wetenschappelijke systematiek verkiest boven de creatieve grilligheid. De samenvattingen zijn gemaakt om de toehoorders van de voordrachten behulpzaam te zijn bij het zelf overdenken van het thema. Ze zijn niet bedoeld voor een grootscheepse verspreiding. Toch heeft de vrijdenkersuitgeverij ďDe Vrije GedachteĒ gemeend er goed aan te doen een grotere bekendheid aan deze samenvattingen te geven. Omdat ze met een ouderwetse schrijfmachine getypt zijn is het resultaat druktechnisch niet optimaal, maar daar staat tegenover dat de kosten laag gehouden konden worden.

Uitgave: DE VRIJE GEDACHTE Postbus 1087 3000 BB Rotterdam

DE ONTWIKKELING VAN HET DENKEN

No. 1.

Enkele vragen

Als wij na willen gaan welke weg de ontwikkeling van het menselijk denken in de loop der tijden gevolgd heeft, dan kunnen wij niet om enkele vragen heen, die beantwoord moeten worden. Allereerst is er de beruchte vraag: "wat is eigenlijk het denken", maar daarnaast moeten wij er ook achter zien te komen wat wij onder "ontwikkeling" moeten verstaan. Bovenal echter moeten wij uitzoeken hoe de mensen op deze planeet begonnen zijn. We moeten dus zoeken naar ďde oermens" en de vraag daarbij is uiteraard "hoe doe je dat, welke gegevens staan er ter beschikking en in hoeverre zijn die gegevens betrouwbaar". Wat het laatste betreft zijn er twee mogelijkheden. De ter beschikking staande wetenschappelijke gegevens zijn wat hun betrouwbaarheid betreft afhankelijk van de stand van het wetenschappelijk onderzoek en dus van de vraag "hoe ver is men gevorderd" en ook van de technische mogelijkheden om nauwkeurig onderzoek te plegen. Je zou dit kunnen noemen DE OBJECTIEVE (ON)BETROUWBAARHEID van de gegevens. Er is echter nog een andere en veel gevaarlijker, dubieuze factor, namelijk die van de SUBJECTIEVE (ON)BETROUWBAARHEID. Hierbij gaat het om de voorstellingen en vooroordelen die in onszelf aanwezig zijn en die doorgaans onbewust het beeld van de werkelijkheid vertekenen. Juist in de moderne, westerse cultuur wemelt het van die voorstellingen. Gevoegd bij de arrogantie van het westerse denken levert dit een heleboel onzin op die bijna onuitroeibaar schijnt. We komen hierop nog terug.

Wetenschappelijke benaderingen

ďDe ontwikkeling van het denken" wordt vaak verward met de geschiedenis van de filosofie. Daarbij wordt voorbijgezien aan het feit dat de mensen eerst moeten denken willen zij ooit toekomen aan filosofie, terwijl wij ons bovendien moeten afvragen "wat versta je onder filosofie". Wat dit laatste betreft: gewoonlijk gaat men er van uit dat de filosofie met de oude Griekse "natuurfilosofen" begonnen is, enige eeuwen voor het begin van onze jaartelling. Aan de oosterse filosofie wordt in de regel met groot gemak voorbijgegaan omdat die filosofie nog niet werkte met de in het westen als de maat gestelde denksystemen. Er wordt, zeker tegenwoordig, wel betrekkelijk uitvoerig kennis genomen van de oosterse filosofieŽn, maar alleen al de betiteling "niet westerse filosofie" maakt voor de goede verstaander duidelijk dat er al bij voorbaat een ongunstig oordeel over uitgesproken wordt. Bij de oude Grieken begint er iets te dagen van onze westerse wijze van denken en "dus" moet daar de filosofie beginnen. Dat deze opvatting onhoudbaar is zal duidelijk zijn; bovendien zullen wij het nog uitvoerig bespreken. De ontwikkeling van het denken echter heeft op zichzelf nauwelijks iets met de geschiedenis van de filosofie te maken; de filosofie is namelijk een van de consequenties van de denkontwikkeling en vaak niet eens de meest diepzinnige... Gewoonlijk wordt in de geschiedeniswetenschappen het "historische" begin van de menselijke beschaving gelegd bij het voor het eerst verschijnen van geschreven berichten. Maar deze stellingname kan tegenwoordig nauwelijks meer verdedigd worden omdat de moderne technieken het toelaten een schat van betrouwbare gegevens te putten uit allerlei voorwerpen die als restanten van menselijk leven vrijwel overal aangetroffen worden. En vaak zegt dat veel meer over ons voorgeslacht dan meer of minder subjectieve geschreven berichten waarvan het ook nog maar de vraag is of deze goed vertaald en geÔnterpreteerd worden. Want ook hier geldt de vraag "in hoeverre wordt de interpretatie vertekend door de (onbewuste) invloeden van onze cultuur".

Sommige richtingen in de moderne antropologie houden zich bezig met de ontwikkeling van de mens, maar omdat men de mens vrijwel uitsluitend beziet als een "natuurproduct" dat zich ontwikkelt tot een "culturele" zaak en dus tot iets beters dan het aanvankelijk was, ligt er in deze tak van wetenschap een waardenstelsel verborgen. De onuitgesproken opvatting namelijk dat de mens om te beginnen niet goed zou zijn en dat voortdurende "beschaving" op den duur tot iets goeds zou kunnen leiden. Het spreekt daarbij vanzelf dat de norm voor het "goede" verder niet ter discussie staat omdat die norm bij voorbaat door het wetenschappelijk denkmodel bepaald is. Resumerend kunnen wij zeggen dat de vraag naar de ontwikkeling van het denken niet door de moderne wetenschap opgelost kan worden en dat dit onvermogen gelegen is in dat denken zelf.

Waar is de oermens

De "oermens", de oorspronkelijke mens, is te vinden in onszelf. Wijzelf zijn die oorspronkelijke mens, maar hij is diep in onszelf verborgen onder een dikke, bijna niet te doorbreken, laag van onbegrip, veroorzaakt door de eeuwenlange inwerking van denksjablonen. Die denksjablonen hebben iets anders van ons gemaakt. Wij zijn in de loop der tijden in een huid gekropen die de onze niet is. Dit betekent dat de gehele culturele ontwikkeling menselijk gezien een achteruitgang is, een toenemende vervreemding en het betekent ook dat ons zoeken naar de oermens langs een heel andere weg moet geschieden dan wetenschappelijk gebruikelijk is. Het leren begrijpen van onszelf is de weg naar de oorsprong. En vanuit die oorsprong is het niet zo moeilijk de ontwikkeling van het denken na te gaan. Onze opgave heeft dus twee aspecten: enerzijds is er het oplossen van een concrete vraag ("hoe is de denkontwikkeling") en tegelijk is er anderzijds het ONTDEKKINGSPROCES (het bedekkende, verhullende wegnemen) in onszelf. Deze dubbele activiteit is in het westerse denken niet gebruikelijk. Toch zijn er vroeger mensen geweest die deze activiteit als essentieel voor de wetenschap zagen. Voor hen was de ware wetenschappelijke houding de voortdurende bereidheid tot ZELFONTDEKKING. De werkelijkheid leren kennen betekende jezelf leren kennen en jezelf leren kennen hield wetenschap omtrent de werkelijkheid in. Restanten van deze opvatting vinden wij bij de oude alchemisten en we vinden die ook hier en daar in de mystiek. Tegenwoordig zijn er tekenen die er op wijzen dat deze opvatting weer veld wint. Overheersend is echter nog steeds de mening dat je VOOR het beantwoorden van vragen een "deskundige" moet zijn en dat het onmogelijk is iets aan de weet te komen door in jezelf een ontdekkingsreis te beginnen. Men kwalificeert dit als "fantasieŽn", als "metafysica", als "onbewijsbare veronderstellingen", enzovoort. Daarbij ziet men voorbij aan het feit dat de zogenaamde bewezen of bewijsbare zaken ook alleen maar "waar" zijn binnen een bepaald denkmodel. En nu is het boeiende van de zelfontdekking dat het er hierbij juist om gaat van die denkmodellen af te komen en tot zekerheden te geraken die algemene geldigheid bezitten. De ontwikkeling van het denken is in de eerste plaats het voor de mens duidelijk worden van algemeen geldige zekerheden; de in de opeenvolgende culturen gebruikelijke denkmodellen zijn een gevolg hiervan, maar zij zijn niet de zaak waarom het gaat.

mystiek-1 ; mystiek-2

No. 2.

Het probleem van de associaties

We hebben er al op gewezen dat we bedacht moeten zijn op de onbewuste inwerking van onze eigen denkmodellen op onze beoordeling van de ontwikkeling van het denken. Als een bepaald historisch verschijnsel sterke overeenkomst vertoont met een ons bekend verschijnsel associŽren we ongemerkt het historische met het hedendaagse en concluderen dan dat we het historische verschijnsel kennen en begrijpen. Maar, in bijna alle gevallen is dat onjuist. En daar komen wij achter als wij ons eigen denken vrij maken door het te ontdoen van allerlei meningen, d.w.z. dingen die wij menen te weten omdat zij ons van jongs af aan als vanzelfsprekendheden zijn gepresenteerd.

Enkele voorbeelden

Stel, wij ontdekken dat de mensen uit de oertijd op bepaalde momenten, bijvoorbeeld bij volle maan, dansen uitvoeren rond een zekere boom in het bos en dat die mensen daarbij bepaalde rituele handelingen uitvoeren. Dan is het voor ons bijna vanzelfsprekend dat wij hier te doen hebben met een religieus verschijnsel, namelijk een relatie met een hogere macht. Maar in feite is het zeer de vraag of deze conclusie juist is en als wij deze conclusie niet onmiddellijk in twijfel trekken kunnen wij heel gemakkelijk verkeerd over de mensen van de oertijd gaan denken. Dus: in onze tijd is de rituele dans "religieus", maar was dat toen ook zo? Een ander voorbeeld: in de moderne wetenschapsbeoefening legt men steeds de nadruk op de economische aspecten van het samenleven. Vrijwel het gehele denken over mens en maatschappij staat in het teken van de economie en sommigen beweren zelfs dat de economie de "nieuwe godsdienst" van de mensen is. Zo wordt het al vroeg in de geschiedenis optredende al of niet formele huwelijk verklaard uit economische gronden: men hield het bezit in de familie en zodoende kon men zich beter handhaven, enzovoort. Maar het is zeer de vraag of een dergelijke "berekening" aan de basis van de huwelijksgedachte gelegen heeft, hoewel het zeker een feit is dat economische motieven het huwelijk voortdurend beÔnvloed hebben, echter pas nadat de mensen tot het sluiten van huwelijken overgegaan waren. In het licht van die "nieuwe godsdienst", de economie met al zijn priesters en de daarbij behorende onwrikbare dogma's, verschijnen de verhoudingen tussen de mensen als economische grootheden, precies zoals in de westerse Middeleeuwen in alle verschijnselen de "hand van god" gezien werd. En wie dat goddelijk bestuur betwijfelde of ontkende werd zonder meer verketterd, zoals tegenwoordig iemand genegeerd wordt die de zogenaamde "wetenschappelijk bewezen stellingen" van de economie in twijfel trekt. En dat terwijl werkelijk iedereen kan ondervinden dat er van de economische uitspraken en berekeningen nooit iets klopt - sterker nog: dat "denken" voert ons steeds dichter naar de afgrond. Desondanks wordt het voor de mensheid als de maat gesteld en beÔnvloedt het inmiddels vrijwel alle verhoudingen tussen de mensen. Nog even iets over de RELIGIEUZE INTERPRETATIE van verschijnselen uit de oudheid. Er is een verschijnsel geweest dat door de latere Europese onderzoekers "religieuze prostitutie" genoemd is. Religieus omdat die prostitutie in de praktijk in tempels plaats vond en voor ons is een tempel iets religieus'. Maar ten grondslag aan die prostitutie lag een BESEF over de werkelijkheid en niet een godsdienstige voorstelling. Volgens dat besef was de werkelijkheid een harmonieus samenhangend vrouwelijk geheel en dat geheel werd verbroken als een vrouw in het huwelijk trad. Deze misdaad ten opzichte van de werkelijkheid moest "verzoend" worden en dat deed de vrouw door zich voor het huwelijk als ongebonden te laten gelden. Zij gaf zich dan aan een "vreemdeling". Later is dit ritueel in handen gekomen van de priesters en is het oorspronkelijke besef verloren gegaan, zodat er voor de vrouwen een PLICHT overbleef, die zij eventueel ook voor grof geld konden afkopen bij de beroepspriesteressen en priesters. In die fase kan je zeker van een godsdienst spreken en dus ook van "religieuze" prostitutie, maar oorspronkelijk was er alleen maar een (overigens juist) INZICHT in de werkelijkheid zelf. En als er INZICHT is, is er geen godsdienst, noch religie. Op het verschijnsel van de religieuze prostitutie komen wij echter nog uitvoerig terug, juist in verband met de inzichten van de toenmalige mensen.

Wat is ontwikkeling

Tegenwoordig denken de meeste mensen dat het denken zich ontwikkelt via het doorgeven van informatie. Deze opvatting is onjuist, hoewel het anderzijds weer niet zo is dat de uitwisseling van informatie geen rol heeft gespeeld. Om die rol te kunnen spelen is evenwel iets anders nodig, iets namelijk dat ons in staat stelt de aangeboden informatie als INFORMATIE te herkennen. Het "besef" van de mensen moet toegankelijk zijn. Kinderen bijvoorbeeld zijn op een bepaalde leeftijd niet ontvankelijk voor dingen die je ze zegt, zij zijn er niet aan toe en dus zegt het ze niets. De door ons gezochte "denkontwikkeling" ligt niet aan de oppervlakte; het is een soort "grondstroom" die concreet allerlei in het denken teweegbrengt en mogelijk maakt, maar die zelf daarvan onafhankelijk is. Een voorbeeld: het zal een toenmalige Romeinse onderzoeker best wel eens opgevallen zijn dat de stoom van kokend water de kracht heeft het deksel van een pot te lichten. Maar zijn "denkontwikkeling" was nog niet in staat deze informatie te benutten om een stoommachine te maken. Eeuwen later was er blijkbaar " iets " in de mensen veranderd en toen kwam men wel op dat idee met het bekende positieve resultaat. Wat is die verandering, hoe gaat die in zijn werk en waar vindt die plaats? Dat zijn de vragen waarom het gaat. Voorlopig moet gezegd worden dat er in de mensen een door de mensen zelf niet te beÔnvloeden proces plaats vindt dat onder andere een vermeerdering en doorgave van kennis mogelijk maakt, maar dat op zichzelf niets met vermeerdering of vermindering te maken heeft. Anders gezegd: de KWANTITATIEVE denkontwikkeling is een gevolg van een KWALITATIEVE denkontwikkeling en om dat laatste gaat het ons. De volgende keer gaan wij hierop door.

Keuzes maken

De kwalitatieve denkontwikkeling is in de MODERNE MENSEN zover gevorderd dat het mogelijk is geworden om keuzes te maken: zullen we een bepaalde kennis en kunde benutten of zullen wij dat niet doen? Zullen we in iemand een ander hart plaatsen of zullen wij dat niet doen, zullen wij de formule van de erfelijkheid veranderen of niet, enzovoort. Voordien waren dergelijke keuzes niet mogelijk; nu dit wel het geval is komt er een nieuwe vraag voor de dag, de vraag namelijk waarom men in de moderne wereld de keuzes maakt die men maakt, waarbij het opvalt dat men bijna altijd de verkeerde keuze maakt. De alchemisten zeiden destijds: maak het resultaat van uw onderzoek niet bekend (= keuzes mogelijk maken) want de machthebbers zullen het verkeerde kiezen! Zij voorzagen dus de toestand waarin wij thans verkeren.

 

No. 3.

Kwalitatieve en kwantitatieve denkontwikkeling

Als we de denkontwikkeling bekijken vanuit een kwantitatief gezichtspunt, dan zien wij dat er een CUMULATIEF proces gaande is. De volgende hoeveelheid kennis stapelt zich op de vorige, versmelt gedeeltelijk daarmee, opent nieuwe gezichtspunten, maar vooral: doet de hoeveelheid kennis toenemen. Dit evenwel is niet denkbaar zonder dat de kwaliteit van het denken geleidelijk verbetert. Maar tenslotte treedt er een situatie op waarin de hoeveelheid kennis zo groot is geworden en ook zo snel toeneemt dat men er geen raad meer mee weet. Deze toestand geldt thans voor de mensheid en voorlopig is op te merken dat het nu niet meer gaat om kwaliteitsverbetering van het denken - het denken is helder geworden - maar om de vraag: in welke verhouding staat het denken zelf tot het geheel van het menszijn, welke "rol" speelt het denken in het leven?

Het begrip "ontwikkeling"

Voor mensen die opgegroeid zijn in de westerse denktraditie is het niet gemakkelijk het begrip ontwikkeling te begrijpen. Want onwillekeurig sluipt de "groeigedachte" het denken binnen, met als gevolg dat we aan "groter worden" gaan denken en dus bevangen raken in kwantitatieve begrippen. De ideeŽn over de huidige economie zijn een goede illustratie. Men zegt immers "het gaat goed met de economie, want de winsten stijgen, de export neemt toe, er komen weer arbeidsplaatsen bij ", enzovoort. Er is dus inderdaad te spreken van "groei", maar betekent dit nu ook dat de economie als zodanig verbetert? Daarvan is duidelijk geen sprake: men borduurt op het oude stramien voort alsof men niets van het verleden geleerd heeft; er is geen verdieping van inzicht, geen verandering in het economisch denken zelf. De derde wereld zal nog verder verarmen en nog meer mensen zullen rijker worden en de oorlogsindustrie zal zich steeds meer uitbreiden. Men heeft wel "nieuwe kansen" ontdekt en zich daarop ingesteld, maar niet het denken zelf ter discussie gesteld. Groei is iets anders dan "ontwikkeling". Voor ons eigen persoonlijke leven geldt dat we aanvankelijk in het teken van het "groeien" staan. Maar we weten allemaal wel dat we ons daarna moeten gaan ontwikkelen. En ook weten we best dat dit niet betekent dat je je kennis moet vermeerderen (al houdt bijna iedereen zich daarmee bezig), maar dat het betekent dat je de dingen van het leven leert begrijpen, dat je inzicht krijgt, kortom dat je gaandeweg wat "wijzer" wordt. En dat "wijzer worden" is iets dat niet in hoeveelheden is uit te drukken. Men spreekt graag van "de ontwikkeling van dit en de ontwikkeling van dat" en wekt daarmee de suggestie dat ontwikkeling een of andere objectieve grootheid in de werkelijkheid zou zijn, iets dat buiten mij omgaat. Niets is echter minder waar: de ontwikkeling vindt in jou en mij plaats. De mens is het enige verschijnsel in de kosmos waarvoor het begrip "ontwikkeling" geldt. Ontwikkeling is een typisch menselijk verschijnsel. Het is bijvoorbeeld fout om over "de ontwikkeling van het heelal" te spreken. Het heelal heeft zich niet ontwikkeld. Het is ontstaan door allerlei processen, het heeft zichzelf opgebouwd totdat het tenslotte de mensen heeft opgeleverd en dan gaat de ontwikkeling beginnen, in die mensen zelf. Zij zijn toegerust met hersens en voor deze hersens geldt dat er niet meer gesproken kan worden van groeien of toenemen in omvang. Er vindt geen verdere opbouw plaats, zoals dat voor het verschijnen van de mens wel het geval was. Het feit dat de linker- en de rechter hersenhelft wel enigszins in omvang zijn toegenomen hangt samen met de toename van FUNCTIES en hangt samen met veranderingen in ons lichaam.

Maar de hersenen die typerend zijn voor ons "menszijn" vertonen geen verandering. De "opbouwprocessen" van de kosmos zijn in de mensen afgelopen. Er vindt geen verdere opbouw meer plaats. Waarom dit zo is kan in het bestek van deze cursus niet besproken worden - het zou teveel tijd vergen ( zie hiervoor Beweging en Verschijnsel deel 1,2 en 3 ). Datgene dat zichzelf niet verder uitbouwt (omdat het af is) is het ZELFBEWUSTZIJN. Het feit dus dat de mensen zich van zichzelf bewust zijn. En ook hier gaat het niet om de vraag HOEVEEL de verschillende mensen van zichzelf weten, maar om het feit dat zij van zichzelf weten. Een meer of minder geldt hier niet. Het zelfbewustzijn VERHELDERT zich in de loop der tijden en over deze verheldering gaat het als het over "denkontwikkeling" gaat.

Zich verhelderen

Voorlopig een voorbeeld: in een donkere kamer met allerlei spullen er in kan ik een kaars ontsteken en daarna een sterke lamp. In beide gevallen zie ik de in die kamer aanwezige dingen, maar in het laatste geval zijn ze voor mij meer helder dan in het eerste geval. Door die grotere helderheid kan ik ook meer details onderscheiden, maar dat is nu niet waarom het gaat. Als ik veel gereisd heb, heb ik meer gezien dan wanneer ik thuis ben gebleven, maar het is de vraag of ik in het geziene meer inzicht heb gekregen. Een thuisblijver kan meer inzicht in de werkelijkheid hebben dan iemand die veel gezien heeft. En zo zie ik in de lichte kamer helderder dan in de schemerige kamer, maar helder zie ik in beide gevallen. Dit betekent voor de mensheid dat de oermensen hun werkelijkheid, net zo goed als wij, helder gezien hebben, maar wij beschikken over een helderder zicht op de werkelijkheid. Voor Ons is het "zien" effectiever. Wij hebben dus te doen met een zaak die "zichzelf gelijk blijft" (=helder zijn) om tegelijk "zichzelf niet gelijk te blijven" (=helderder worden). Het "zichzelf gelijk blijven" en het "zichzelf niet gelijk blijven" moeten wij TEGELIJK denken en dat is voor de westerse denktraditie een moeilijke opgave. Want die traditie wil of het een of het ander, maar niet beide tegelijk. Toch ervaren we aan ons eigen leven dat "wijzer worden" betekent "veranderen" en tegelijk "jezelf zijn" en bovendien ervaren we dat er niet iets is dat aan je toegevoegd wordt, maar dat de dingen zich voor je OPLOSSEN en dat betekent "doorzichtig worden". Dat is verhelderen.

Een denkspelletje

Ik ga zitten denken aan een grote hoeveelheid erwten in een grote pan en daarbij concentreer ik me op een erwt temidden van al die erwten. Dan ga ik me ook nog voorstellen dat al die erwten met elkaar groepjes vormen van, zeg maar, vijf erwten. Maar: ze zitten niet aan elkaar geplakt, ze zijn allemaal los aan elkaar. Nu vraag ik: tot welk groepje behoort die ene erwt die ik in gedachten had genomen. Het antwoord moet dan luiden dat ik het niet weet, want die ene erwt kan tot verschillende groepjes behoren, het kan dit groepje zijn, maar ook dat. En ik zal het nooit weten. De mogelijkheden worden steeds groter naarmate ik grotere groepjes neem en een grotere pan met meer erwten. Hierop doordenkende stuit ik op merkwaardige resultaten...Nu vervang ik in mijn denkspel de erwten voor hersencellen, waarvan er miljarden in onze schedel aanwezig zijn. En ik vraag dan alweer: tot welk groepje behoort een hersencel. Dan kan ik daarop geen antwoord geven. In het kort kan ik zeggen: "alles is mogelijk". Temeer daar onze hersencellen ook nog allemaal met elkaar verbonden zijn, iets wat met onze erwten niet het geval was. In de hersenen kunnen dus alle denkbare combinaties gemaakt worden en dat betekent in de praktijk dat alles gedacht kan worden. Elke denkweg (= combinatie) is mogelijk.

No. 4.

Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1 ; Opvoeding-1 ;Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1

Combinaties van hersencellen

Aan de hand van ons denkspelletje met de erwten is duidelijk geworden dat elke willekeurige hersencel een combinatie kan vormen met elke andere hersencel. Het is overigens van belang hierbij in de gaten te houden dat de erwten maar een voorbeeld vormden. De werkelijkheid van de hersencellen is veel gecompliceerder dan ons voorbeeld, temeer daar er in de hersenen nog een andere factor een rol speelt: de factor RICHTING. Dat we bovendien bij de hersenen ook nog met een beweeglijke zaak te maken hebben spreekt welhaast vanzelf. Maar toch is het voorbeeld van de erwten wel verhelderend waar het gaat over de VERWISSELBAARHEID, d.w.z. een cel kan tot de ene combinatie behoren, maar ook en tegelijk tot de andere. Wat bedoel ik nu met dat laatste? Ik bedoel dat er nu een denkmogelijkheid geschapen is; de mogelijkheid tot het "volgen van een denkweg", tot een "gedachtegang".

Denkwegen

De gehele dag gaat het denken in onze hersenen door, wij volgen voortdurend gedachtegangen: of het nu gaat over het schillen van de aardappelen of over een probleem dat ons bezig houdt, steeds volgen wij gedachtegangen. Dit "denken" gaat altijd door, ook 's nachts als wij slapen. Wij ervaren dit denken in de slaaptoestand als "dromen". Omdat die ERVARING er een is van flarden van onze gedachtegangen komt de hele zaak ons verward en onlogisch voor. In feite echter zijn de gedachtegangen in de slaaptoestand niet onsamenhangend, maar de ERVARINGEN ervan. Die ervaringen worden geregistreerd in ons zelfbewustzijn dat afwisselend in meer of minder diepe slaaptoestanden verkeert. Daardoor komt het verward over. Maar het is al vanaf de vroege oudheid bekend dat dromen wel degelijk iets betekenen voor de persoon die ze droomt; alleen moet je er achter zien te komen hoe die flarden in de "legpuzzel" passen - en dat is doorgaans niet eenvoudig. Freud onder andere heeft zich hiermee bezig gehouden. Hij schreef hierover in Die Traumdeutung (1904). Het zich leggen van contacten tussen hersencellen is het volgen van een denkweg. Doorgaans vinden wij dat lang niet iedereen in staat is een beetje "logisch" te denken, maar laten wij eens zien in hoeverre ons vindsel houdbaar blijkt te zijn.

 

Het zogenaamde logische denken

Het is opmerkelijk dat iedereen van zichzelf vindt dat zijn denken logisch is. Ook als IK vind dat iemand, de paus bijvoorbeeld, onzin uitkraamt, vindt hij dat zelf nog lang geen onzin. Hij heeft over zijn uitspraken goed nagedacht, d.w.z. een samenhangende denkweg gevolgd. Hijzelf is er dus niet op uit geweest "onlogisch" te denken en dat geldt voor iedereen. Elk mens is gebonden aan de logica, ongeacht de vraag of IK het nu logisch vind of niet. Omdat werkelijk niemand hieraan ontkomt (behalve misschien iemand die ziek is) blijkt hieruit dat in elk mens "gedachten" een denkweg volgen. Het springt niet willekeurig van het een naar het ander, het vloeit van het een in het ander, d.w.z. het "signaal" van de ene hersencel vloeit naar de andere volgens zekere wegen. Zoals in een computer een elektrisch stroompje, via allerlei schakelingen, zijn weg zoekt, zo zoekt ook een "denksignaal" zijn weg door de hersenen - nooit willekeurig, maar altijd gebonden aan "geleiders" en "schakelingen". Denk echter niet dat de menselijke hersenen een computer zijn - zij zijn veel meer dan dat, maar het is wel een feit dat de mensen een computer hebben kunnen ontwerpen omdat hun hersenen op overeenkomstige wijze functioneren.

Van belang is evenwel in de gaten te hebben dat de denkwegen bij de mensen niet, zoals bij een computer, bij voorbaat vastliggen. Elke denkweg is in principe mogelijk, zelfs een denkweg die "zichzelf ontkent". Een leugen bijvoorbeeld is de ontkenning (= op zichzelf ook een denkweg) van een bepaalde denkweg en beide, leugen en denkweg, komen geregeld tegelijk in een mens voor. Bij een dier is dat niet mogelijk omdat de hele zaak "geconditioneerd" is; een bepaalde impuls volgt een bepaalde, vastgelegde, weg en geen andere. Een bepaalde reactie is het gevolg van een bepaalde impuls. Maar bij een mens kan het ook anders; het staat niet van tevoren vast welke reactie volgt op een bepaalde impuls. Omdat dit de mensen onzeker maakt proberen zij al vanaf de vroegste tijden zichzelf en elkaar te conditioneren en zij noemen dit dan "beschaven". Wij komen hierop nog terug. Voorlopig zij gezegd dat "beschaven" en dus "opvoeden" de mensen ONVRIJ maakt en ze afleidt van hun wezenlijke situatie; niet bij voorbaat vastgelegd zijn van het denken. In de 19e eeuw is er een bepaalde opvatting ontstaan over "logisch" denken.

Volgens die opvatting is slechts een bepaalde wijze van denken de goede en bijgevolg zijn alle andere denkwegen fout. In de opvoeding en in het onderwijs is die bepaalde denkwijze, met behulp van allerlei systemen, bij de mensen " ingeprogrammeerd", met als (tragisch) gevolg dat zelfs bijna niemand meer aanvoelt dat het ook nog anders kan. En dat iedereen OP EIGEN WIJZE logisch denkt (=samenhangend) wil er al helemaal niet meer in. En dat ondanks het door iedereen gemakkelijk waar te nemen feit dat je met je denken alle kanten uitkan. Praat men in deze wereld niet voortdurend recht wat krom is en krom wat recht is? Vinden politici niet elke (voor hen logische) denkweg aanvaardbaar om hun doel te bereiken? Als de denkweg zelf maar sluitend is - volgens de 19e eeuwse opvattingen. Omdat alle denken op zichzelf "logisch" is, bestaat er niet een logisch denken. En dat blijkt in deze moderne wereld. Het denken van de mensen vindt IN ZICHZELF geen "waarheid"; een eventuele "waarheid" is niet gegrond, in het denken, maar in het INZICHT - en dat is heel iets anders...

Mensen, theologen bijvoorbeeld, kunnen redeneringen opzetten die op zichzelf intelligent en sluitend zijn, maar die getuigen van een fout inzicht in de werkelijkheid. In de natuurkunde is er de theorie van ďde big bang", volgens welke theorie de kosmos ontstaan zou zijn uit de ontploffing van een minuscuul klein klompje materie met een gigantische "massa" en met behulp van die theorie is er een heleboel kennis omtrent de kosmos te verwerven, maar toch getuigt die theorie van een fout inzicht in de werkelijkheid. De redenering is sluitend, maar het inzicht deugt niet. In de godsdiensten wil men het doen voorkomen dat het geloof een kwestie zou zijn van inzicht in de werkelijkheid. Niets echter is minder waar; het geloof is een kwestie van denken, je denkt dat het zit zoals de godsdienst zegt dat het zit en je houdt dat voor waar. Ben je in een islamitisch land geboren en opgevoed, dan houd je dat voor waar en in een christelijke cultuur geldt iets anders voor je. Het is maar net de vraag voor welke denkweg je tijdens de opvoeding geprogrammeerd bent. Op grond van die conditionering vind je het in zo'n godsdienst gestelde logisch. Dat het alleen maar logisch is omdat je daartoe geprogrammeerd bent ontgaat je. Want je vindt dat programma vanzelfsprekend. Echt leren denken betekent dan ook dat je je eerst en vooral bewust moet worden van het feit dat je geprogrammeerd bent en dat dus jouw logica er een is uit vele. En al die "logica's" zijn (behalve bij zieke mensen) samenhangend - omdat dit niet anders kan op grond van de samenhangende structuur van onze hersenen. En, nogmaals; met een mogelijke "waarheid" heeft dit alles niets te maken; waarheid put je niet uit denken, maar uit "zien". En dat is iets dat in onze 19e eeuwse denktraditie niet erkend wordt.

Bladwijzers: Nrs. 13 t/m 18 ; Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1 ; Opvoeding-1 ;Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1 ;

 

No. 5.

Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16, 22, 23, 32)arbeid-1 ; arbeid-2 ; werken ; Houvast-1 ; Houvast-2 ;

 

Het denken en de waarheid

Het is opmerkelijk dat de meeste mensen niet tot de ontdekking komen dat er in het denken zelf geen "waarheid" steekt. Niet voor niets heeft men, in de loop van de 19e eeuw en uitgebouwd in de 20ste eeuw, een heel stelsel van regels en normen opgesteld waaraan het denken heeft te gehoorzamen om tot bruikbare kennis te komen. Er is een hele "kennistheorie" ontstaan en ook in de filosofie houdt men zich intensief bezig met "wetenschapsfilosofie" waarbij men tot de meest ingewikkelde systemen van "bewijs en bewijsvoering", "toetsing" en "falsificeerbaarheid" (Karl Popper stelt dit laatste, o.a. in "Logik der Forschung" - 1935)-komt. Hieruit blijken twee dingen: 1e men vertrouwt terecht het denken niet en 2e men meent het denken betrouwbaar te kunnen maken door het aan regels te binden. Maar, met alle mogelijke regels is het nog steeds onbetrouwbaar wat betreft het boven water brengen van "de waarheid", te meer omdat wij de regels voor het denken zelf opgesteld hebben en er ons vervolgens vrijwillig aan hebben onderworpen. Wat dit betreft wekt het verbazing om te zien hoe bijvoorbeeld de "vrijdenkers" propaganda maken voor het "vrije" denken en zich tegelijk, zonder enig bezwaar, vastleggen aan de geldende regels zodat zij zelfs nog in deze moderne tijd, nu er steeds meer mensen zijn die het waarheidsgehalte van het denken en de daarop gebaseerde wetenschap ernstig in twijfel trekken (Feyerabend o.a.), de moed hebben pogingen tot het ontwikkelen van een niet aan vooropgezette regels gebonden denken zonder pardon te verketteren. Nu zijn de vrijdenkers traditioneel bestrijders van het zogenaamde godsdienstige denken: zij wijzen het opstellen en handhaven van dogma's af. Maar zij onderwerpen zich met graagte aan "wetenschappelijke" dogma's en verkeren op grond daarvan in de mening dat het de moderne wetenschap is die het godsdienstige denken heeft teruggedrongen. Een mening die fout is; het godsdienstige denken is precies hetzelfde denken als het moderne wetenschappelijke denken en beide laten zich terugdringen door veranderende INZICHTEN, dus door het tot bewustzijn komen van een ander BEELD van de werkelijkheid. En niet door een ander denken. Want er is op dit moment nauwelijks een ander denken en waar het toch de kop opsteekt wordt het hysterisch onderdrukt, omdat het voor alle denken gevaarlijk is. Het "waarheidsgehalte" van allerlei gedachtegangen, al of niet als maatgevend gesteld in de vorm van ideologieŽn, komt niet voor de dag door uiterst geraffineerde analyses van die gedachtegangen en ideologieŽn, maar door HET LEVEN zelf. Al levend ontdekken de mensen de leugens en de fouten en zij doen dat doorgaans al lang voordat het wetenschappelijk denken er aan toe is. Uit de gestaag toenemende kracht van bijvoorbeeld de vredesbeweging blijkt dat steeds meer mensen in de gaten hebben dat een zichzelf vernietigende wereld geen leefbare wereld is en dat het oorlogsgedoe dus op moet houden. Maar de zogenaamde denkers van deze wereld kunnen het probleem niet oplossen: de ene groep beredeneert waterdicht dat er wapens moeten zijn, ter afschrikking bijvoorbeeld, terwijl de andere groep haarfijn weet aan te tonen dat de wapens de wereld uit moeten. En niemand weet het juiste antwoord te geven, behalve de mensen die er niet of nauwelijks over nadenken maar gewoon vanuit zichzelf tot het INZICHT zijn gekomen dat er VREDE moet zijn onder de mensen. Opvallend is dan ook dat die "vredelievende" mensen vrijwel geen VOOR HET GEVESTIGDE DENKEN AANVAARDBARE argumenten hebben om hun zienswijze te ondersteunen. Het denken kan niets met hun zienswijze - ook hun eigen denken niet. De inzichten veranderen de wereld, het denken niet.

De programmering van het denken

Vanaf de vroegste tijden "programmeren" de mensen hun denken. Bij het verschijnen van de mensen op de planeet treedt er voor het eerst in het "wordingsproces" een levend verschijnsel op waarvoor geldt dat alles VRIJ is. Beperkter gezegd: een levend verschijnsel waarvoor het denken vrij is. Dat denken kan alle kanten uit. En dat is voor dat "nieuwe" verschijnsel een beangstigende situatie die de behoefte aan een houvast en aan een doel oproept. Het gaat er immers om te "overleven". Het overleven is dus de eerste opgave van dat nieuwe verschijnsel en het is een "opgave" omdat het nieuwe verschijnsel in geen enkel opzicht geprogrammeerd, geconditioneerd is. Dit in tegenstelling tot de gehele voorgaande natuur, die geheel en al ingesteld is op het overleven. Wat bij de planten en de dieren dus een vanzelfsprekend programma is, dat zich vertoont als zich voeden en voortplanten, is voor de mensen totaal afwezig, zodat het voor hen dus een OPGAVE wordt om te overleven. Om hieraan te voldoen programmeert het denken zichzelf. De mensen leren, door de "ervaring", wat voor hen wel eetbaar is en wat niet; zij behoeven dat niet telkens opnieuw te onderzoeken (behalve bij iets dat voor hen nieuw is) omdat zij het inmiddels "weten". En dit betekent dat zich denkwegen hebben vastgezet in hun hersenen. De mensen moeten alles "leren" omdat hen vanuit de voorgaande "natuur" niets meegegeven is. Dit wordt verklaard door het feit dat er, met het verschijnen van de mens, een zaak te voorschijn komt die het einde is van de programma's en die daarin dus zelf niet meer opgaat. Dit blijkt ook uit de bouw van de mensen: die deugt, gezien vanuit de natuur met haar "overlevingsprogramma", letterlijk nergens voor. Er zijn geen klauwen om een prooi te grijpen, geen tanden om die te verscheuren, geen horens om zich te verdedigen en zelfs nauwelijks een pels om de eigen lichaamstemperatuur te reguleren. Kortom: de speciale toerustingen van plant en dier om, ieder op eigen wijze te overleven, ontbreken bij de mensen. Omdat zij de laatste kosmische mogelijkheid zijn, zijn zij, gezien vanuit de natuur, een ONMOGELIJK GEVAL. Maar hun denken is - om te beginnen - wel vrij. Het kan alle kanten op en dus kunnen de mensen overal wat op verzinnen. En dan ontstaan er gaandeweg vaardigheden die de "natuurlijke" mogelijkheden overtreffen. De mensen gaan zelf hun denkprogramma's maken en daarvoor is de eerste stimulans dat zij moeten overleven. En dan gaan de mensen de RICHTING van hun leven bepalen; zij moeten dat, in tegenstelling tot de overige natuur, zelf doen. Zodoende scheppen zij een geheel eigen en nieuwe wereld, een wereld die vanuit de natuur zo niet gegroeid is.

Overal waar de mensen verschijnen ontstaat die nieuwe wereld. Zodat we kunnen zeggen dat niet god de wereld geschapen heeft (een projectie van het eigen gedoe van de mensen) maar dat de mensen dit zelf doen. De mensen zijn CREATIEF en dat is het eerste dat aan hen opvalt. Deze creativiteit, gebaseerd op vrijheid van denken, kan evenwel niet verhinderen dat de mensen vanaf het eerste moment van hun leven op de planeet de vrijheid van hun denken inleveren ter wille van het overleven. En deze programmering van het denken (= wezenlijke onvrijheid) is in de loop der tijden zo diep ingeworteld dat de moderne mensen ook thans nog zeker menen te weten dat je moet "werken" om te (over)leven. Het creatieve is nog steeds verdrukt ter wille van het overlevingsprogramma en dat is iets wat je gemakkelijk kunt constateren als je de huidige discussies over de werkeloosheid volgt.

arbeid-1 ; arbeid-2 ; werken†† Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16, 22, 23, 32) ; Houvast-1 ; Houvast-2 ;

 

No. 6.

Zenboeddhisme-1 ; Zenboeddhisme-2

Het onmogelijke geval

Op bladzijde 5(2) heb ik de mens een "onmogelijk geval" genoemd en ook is er sprake van een "nieuw verschijnsel" en een verschijnsel dat "af" is, zodat er verder geen "opbouw" meer optreedt, zie blz. 3(2). Bovendien heb ik opgemerkt dat het in het bestek van deze cursus niet doenlijk is een en ander uitvoerig te onderbouwen. (Zie hiervoor: Beweging en Verschijnsel deel 1, 2 en 3) Hoewel het dus voor MIJ onderbouwde uitspraken zijn, kunnen het voor de TOEHOORDERS niet meer zijn dan "beweringen" waarvan ik hoop dat ze de toehoorders aanspreken op grond van hun eigen kijk op de werkelijkheid. Maar, er is toch wel meer over te zeggen. Het gaat in feite om de bewering: de mens is het LAATSTE VERSCHIJNSEL. En dan komt de vraag op of dat inderdaad zo is en hoe ik dat kan weten, terwijl van die vraag het laatste deel, namelijk "hoe ik dat kan weten", op het ogenblik het belangrijkste is.

Het laatste verschijnsel?

Eerst iets over het woord "laatste". Wij moeten hierbij namelijk niet eenzijdig denken aan "laatste in de tijd" zoals we van de "laatste trein" spreken. In de kosmos is het een voortdurend ontstaan en vergaan van "werelden", zonnestelsels, enzovoort. Er is, kosmisch gezien, dus niet te spreken van een laatste verschijnsel: er is geen eerste en er is geen laatste - als we "eerste" en "laatste" verbinden met het begrip "tijd", wat we overigens bijna altijd doen. Maar het voortdurende ontstaan, her en der in de kosmos, levert TENSLOTTE steeds weer mensen op en met het verschijnen van die mensen komt een bepaald proces, hier en nu, aan zijn einde. Dat proces gaat dan niet verder, het heeft zijn "laatste" mogelijkheid opgeleverd, het is tot een "slotakkoord', gekomen. En, zoals dat bij dergelijke akkoorden gebruikelijk is: de zaak houdt daarmee op. De materiedeeltjes kunnen met elkaar niet tot een nog "inniger" organisatie komen. Dit heeft verschillende consequenties, maar daarover straks.

Hoe kunnen we het weten?

Het meest radicale antwoord op deze vraag is volgens het moderne denken een onbetrouwbaar antwoord, dat bovendien "arrogant" gevonden wordt en gespeend van elke bewijskracht. Het antwoord luidt: "ik weet dat ik de laatste ben omdat ik het zeg". De nadruk kan hierbij gelegd worden op "ik" en dan wordt het antwoord arrogant gevonden en ook kan de nadruk op "zeg" gelegd worden en dan vindt men het een loze, onbewezen, bewering. Maar bijvoorbeeld een Zen-Boeddhist uit het oude oosten zou het een glasheldere uitspraak vinden en hij zou er bij opmerken dat een kikker in een diepe put geen uitspraken zou kunnen doen over "de wijde zee". Voor hem zou het volkomen duidelijk zijn dat er niets gezegd kan worden over een werkelijkheid die je niet zelf bent. En ik denk dat hij gelijk heeft: het feit dat wij mensen over de laatste en het laatste kunnen spreken wijst er op dat wij het laatste kennen. Hebben de mensen niet vanaf de oudste tijden gepraat en gemijmerd over "het hoogste" en "de laatste dingen" en hebben zij niet, op de een of andere manier geweten dat zijzelf overgaan in iets abstracts, iets niet-materieels: het zonder lichaam verkeren in een werkelijkheid als louter "geest"? De hierover bedachte onzin laten wij nu even daar! Het gaat om het feit dat er altijd over gesproken en gedacht is. En in dit verband zijn er meer vragen, zoals bijvoorbeeld de vraag hoe het kan dat de mensen over zichzelf na kunnen denken en sterker nog is de vraag hoe het kan dat de mensen over hun eigen denken na kunnen denken.

Nogmaals : hoe kunnen wij het weten

Het antwoord "omdat ik het zeg" kan alleen maar gegeven worden als je al een helder inzicht in jezelf hebt, of je situatie in de kosmos als in een "flits" ziet zoals bij de Zenboeddhisme het geval was. Maar je kunt ook aan de andere kant beginnen, namelijk bij het proces dat in de werkelijkheid plaats heeft en dat de verschijnselen oplevert. De werkelijkheid zelf begint niet, maar de processen BINNEN die werkelijkheid beginnen, op een zeker moment en op een zekere plaats, wel en zij komen ook aan hun eind: dan kan het niet meer verder en dan is alles "er uit gekomen". Ik moet dus "ergens" een begin kunnen vinden en ook een eind. Ik kan me bijgevolg afvragen wat er voor het laatste verschijnsel zou moeten gelden en daarna eens gaan kijken of ik dat verschijnsel ergens kan vinden. Ik ga dus zoeken naar het "slotakkoord' en daarbij moet ik wel voor ogen houden dat er op dat akkoord niets meer volgt. Dit betekent dat ik als laatste een "wezen" aan moet treffen dat alle eigenschappen van het voorgaande proces vertoont, MAAR ER TEGELIJK DE ONTKENNING VAN IS. Er moet tenslotte een "dubbelwezen" optreden dat en "materieel" is (het proces) en "niet-materieel" (niet meer het proces) tegelijk. Alles wat we aan dat "dubbelwezen" kunnen bedenken blijkt vervolgens van toepassing te zijn op de mensen. Hun niet-materiŽle karakter blijkt uit hun kunst, hun wetenschap en hun godsdiensten. En ook blijkt het uit het feit dat zij over liefde en schoonheid nadenken en spreken; zij hebben zichzelf steeds een moraal gesteld en zij kennen begrippen als recht en onrecht. Zo is er van alles op te sommen dat wijst op iets niet-materieels. Maar ook het feit dat de mensen vanuit de natuur tot niets toegerust zijn, zie 5(2) en dat zij alles moeten LEREN, zelfs het overleven, is een aanwijzing dat de gedachte dat de mensen het gezochte "dubbelwezen" zijn, juist is. Het sterkste punt is echter dat de mensen zichzelf een "geest" toekennen en daarvan weten te melden dat hij is: onsterfelijk, volkomen onaantastbaar, alles doordringend, vluchtig en glashelder. Dat zij deze "geest" voorlopig BUITEN ZICHZELF projecteren en hem dan als "god" benoemen komt doordat zij lange tijd niet in de gaten hebben of niet durven te erkennen dat zij zelf de "laatste" zijn. Maar zelfs in een materialistische cultuur als de onze, waarin de mensen vrijwel uitsluitend met de dingen bezig zijn, gaat die bezigheid zonder uitzondering gepaard met geestelijke argumenten, ook als die argumenten voor het eigenbelang gebruikt worden. Wij kunnen dus zeggen dat voor de mensen inderdaad "het laatste" geldt, als het juist is dat er in de kosmos processen plaats vinden.

Hoe zit het met de dieren

Het is denkbaar dat ook de dieren het "dubbele" kennen, of dat sommige diersoorten, bepaalde apen bijvoorbeeld of dolfijnen e.d., het kennen, maar dat wij dit niet aan hen kunnen constateren. Wij weten immers niet wat er in hun hersens omgaat. Maar ook als wij deze mogelijkheid voorlopig open houden blijft het een feit dat wij met de dieren niet van gedachten kunnen wisselen. Wij kunnen over en weer wel "signalen" uitwisselen en ons zelfs wel verstaanbaar maken, maar voor een gedachtewisseling zijn wij op onze medemensen aangewezen. Zij zijn voor ons herkenbaar het "dubbelwezen". Als ik nu zeg dat uitsluitend de mensen het "dubbelwezen" en dus het "slotakkoordĒ zijn, betekent dit niet dat de mensen "hoger" staan dan dieren en planten. Er is namelijk maar ťťn leven op de planeet; een eencellig diertje is precies HETZELFDE LEVEN als het onze. Toch is er een verschil en dat zit in de ORGANISATIE van het leven - van de levenscellen dus. Die organisatie vertoont een "opgaande" lijn: steeds "inniger" georganiseerd tot en met alweer - de laatste organisatorische mogelijkheid. Alle levende wezens zijn organisaties van het leven. Zij hangen dan ook onverbrekelijk samen, hetgeen tegenwoordig tot onze schande uit de milieuvervuiling duidelijk wordt.

Zenboeddhisme-1 ; Zenboeddhisme-2

No. 7.

Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16, 22, 23, 32) ; Slaven ; Slavernij ;

†††††††††††††††††††† Waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2; waardeoordelen-3 ; waardeoordelen-4 ; waardeoordelen-5 ; waardeoordelen-6 ;

Het ene levende verschijnsel

Het is opmerkelijk dat bijna alle westerse mensen denken dat de verschillende planten en dieren "in zichzelf afgesloten" stukjes werkelijkheid vormen die als zodanig niets met elkaar te maken hebben. Een veldmuis zou iets geheel anders zijn als een krokodil en de mensen zouden al helemaal niets met de overige levende wezens te maken hebben. Men vindt dat zij zonder probleem kunnen beschikken over dieren en planten. Je doet er maar mee wat je goeddunkt. Intussen is al wel duidelijk geworden dat je ten aanzien van de natuur helemaal je gang niet kunt gaan en dat elke ingreep verstrekkende gevolgen heeft, vaak op een geheel onverwachte manier. Men begint te ontdekken dat in de natuur alles met alles samenhangt. Dat de natuur, tot en met de mens, een soort van keten vormt die niet verbroken kan worden. Er kan geen schakel tussenuit genomen worden. In de "ecologie" is er een toenemend inzicht in de samenhang van de levende wezens en dat is op zichzelf een positieve ontwikkeling. Dit is evenwel iets anders dan het inzicht dat er in feite maar ťťn levend wezen op de planeet is. Bij dit laatste inzicht gaat het er om dat elke levensvorm op haar eigen wijze moet kunnen bestaan. Hoe ongerepter de levensvormen zijn, hoe gezonder het gehele leven op de planeet. En natuurlijk hebben die verschillende levensvormen elkaar nodig, zij zijn afhankelijk van elkaar en zo vormen zij "voedselketens", waaruit niet een schakel gemist kan worden. Zolang wij echter alleen maar aan die afhankelijkheid denken is het mogelijk bepaalde ketens belangrijker te vinden dan andere, omdat ze voor ons mensen nuttiger lijken. Net zoals wij elkaar nog steeds kunnen uitbuiten als wij al ontdekt hebben dat wij van elkaar afhankelijk zijn en elkaar nodig hebben en voor elkaars welzijn moeten zorgen. In de moderne verzorgingsstaat bijvoorbeeld worden de mensen wel degelijk uitgebuit, ondanks het inzicht dat we elkaar nodig hebben en belang hebben bij elkaars welzijn. In het Romeinse rijk werden de slaven zo goed mogelijk verzorgd en zij genoten zelfs bepaalde rechten: omdat men van elkaar afhankelijk was. De gedachte dat de mensen een mensheid vormen en ruimer nog, dat alles wat leeft een geheel is, gaat boven de gedachte van het elkaar nodig hebben uit. Binnen dat ene geheel hangt alles met alles samen, maar niets is meer of minder belangrijk, alles moet tot zijn recht komen wil dat geheel in orde zijn. Denk ik echter uitsluitend aan de afhankelijkheidsrelatie, dan gaat het niet om het ene geheel, maar om MIJ en mijn belangen en daarmee is het geheel in principe verstoord. Daarom zal men in ďde ecologie" nog verder moeten gaan dan het onderzoeken en herstellen van ďde ketens"; men moet gaan nadenken over het geheel van de levende natuur. Boven dit geheel is niet uit te denken.

De voedselketens

We constateren dat in de natuur het ťne levende wezen het andere opeet en dat dit proces er op neerkomt dat de "aarde" door de levende natuur opgegeten wordt. En uiteindelijk zijn het de mensen, die aan het einde van de voedselketens de aarde opeten. Anders gezegd: de aarde wordt omgezet tot de mens en dat betekent op zijn beurt weer dat in laatste instantie de aarde tot "geest" omgezet wordt, zie 6(2). In deze gedachte schuilt een gevaar. Omdat het begrip "geest" voor de mensen geldt zouden we er uit af kunnen leiden dat de mensen de "heersers" over de natuur zijn en dus de dienst kunnen uitmaken. Vooral in christelijke kringen heerst de mening dat de natuur er is voor de mens. En in de westerse wetenschap vindt men ook nog steeds dat de natuur door de mensen beheerst moet worden en ingericht zoals de mensen dat willen. Maar deze meningen zijn fout. Dat de aarde "via" de natuur uitloopt in de geest betekent alleen maar dat die geest er pas dan kan zijn als aarde en natuur er zijn en dus beide volkomen tot hun recht komen. En dat kunnen zij niet als zij op de een of andere manier beheerst worden. Want beheersen houdt in; "laten zijn zoals IK wil". Daarmee worden aarde en natuur van zichzelf af gebracht zodat zij "beneden hun mogelijkheden" blijven. Dit is in onze wereld dan ook duidelijk het geval. De aarde raakt ontbost, de bodem verarmt, vele levensvormen worden met uitsterven bedreigd en de mensen zijn geen van allen, geestelijk noch lichamelijk, gezond. En dat alles dank zij de beheersingsgedachte, een gedachte die op een WAARDEOORDEEL berust. Op grond van dit waardeoordeel zijn de mensen tot nu toe destructief bezig. En dat is niet alleen maar thans het geval; ook vroeger bijvoorbeeld ontboste men de aarde om bouwgrond te verkrijgen en ook toen ontstonden er woestijnen en kale bergen. De mensen zetten steeds de natuur naar hun hand; ook in dit opzicht wordt de aarde tot geest omgezet. Aan het proces van het "omzetten van de aarde tot geest" is niet te ontkomen. Dat proces heeft zich afgespeeld tijdens de wording en de evolutie en als op grond daarvan de aarde en de verschillende levensvormen er gekomen zijn, gaat voort in de vorm van "opeten". Zo is het leven. In het Oosten stelde men daarom het leven gelijk met "lijden": alle leven heft ander leven op. En ook als je jezelf uit dit leven terugtrekt blijft het leven doorgaan. Aan de werkelijkheid zelf is niet te ontkomen, zelfs niet in de dood.

De menselijke zelfontkenning

Tegenwoordig komen steeds meer mensen tot de overtuiging dat zij het "recht" hebben zelf hun levenseinde te bepalen. Maar je kunt dan vragen; "van wie krijg ik dat recht, van wie mag ik het zelf bepalen?". Het antwoord luidt gewoonlijk dat de "overheid" de mensen het recht moet geven. Dank je wel, overheid! In feite echter MOETEN de mensen hun eigen levenseinde bepalen; zij kunnen het niet NIET doen. Een dier kan het onder omstandigheden doen, maar een mens moet het doen. Dat wordt helaas lang niet door iedereen ingezien, ook niet door mensen die voor euthanasie zijn. De verklaring voor die gedachte is deze; de mensen zijn het slotakkoord van de werkelijkheid, zodat het (levende) verschijnsel in hen niet alleen bevestigd, maar ook ontkend is. Die ontkenning, die wij gewoonlijk onze "geest" noemen, bepaalt ons leven. En hij bepaalt ook onze dood. Of wij nu rustig van ouderdom dood willen gaan, of wij willen op een door ons bepaald moment sterven, steeds ligt het in eigen hand. En als iemand zelf niet meer kan beslissen ligt de beslissing bij anderen. Tot nu toe voornamelijk bij "moralisten" zoals geestelijken, artsen, rechters en familie, maar op den duur bij "vrienden", d.w.z. mensen met wie je geleefd hebt. Het gaat voortdurend om een MENSELIJKE beslissing en dat komt doordat de ontkenning een essentieel aspect van ons menszijn is. Daarom gaat het niet om de vraag of wij het "recht" hebben op onze eigen wijze te sterven, maar om het inzicht dat wij niet anders kunnen dan ons eigen einde bepalen. Ook als je de dood afwacht is dat een eigen beslissing; je kunt hem ook niet afwachten. Omdat dit een zaak van vrijheid is, willen de "overheden" en de "moraalridders" er niet aan - niet omdat zij zo begaan zijn met je leven, maar omdat zij VOOR EEN ANDER geen vrijheid willen. In de praktijk is daarom alleen maar te stellen dat elke bedillerij van wie dan ook uit de wetboeken moet. Een zelfdoding is zelfs in een vlaag van wanhoop nog altijd jouw eigen beslissing.

Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16, 22, 23, 32) ; Slaven ; Slavernij ;

waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2; waardeoordelen-3 ; waardeoordelen-4 ; waardeoordelen-5 ; waardeoordelen-6 ;

No. 8.

Het paradijsverhaal ( Nos 8, 9 en 10 )

waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2; waardeoordelen-3 ; waardeoordelen-4 ; waardeoordelen-5 ; waardeoordelen-6 ;

We hebben gezien hoe er, met het verschijnen van de mens op de aarde, een onmogelijk geval zijn intrede deed in de natuur. Een geval waarvoor het overleven een OPGAVE bleek te zijn omdat het op geen enkele natuurlijke wijze op het leven in de natuur was toegerust. Een geval dus ook dat het moest hebben van zijn niet-natuur-zijn en dus van zijn niet-materieel geaarde kwaliteiten. Nu is het opmerkelijk dat in de overal op de wereld optredende "paradijsverhalen" een duidelijke tekening van de situatie, waarin die "eerste mens" verkeerde, werd gegeven. In de westerse christelijke cultuur kent men vooral het paradijsverhaal uit Genesis. In dat verhaal is er sprake van een gelukzalige toestand waarin de eerste mensen zich bevonden, geheel samenvallend met de hen omringende natuur, die op geen enkele wijze bedreigend was. De opgave om te overleven ontbrak dus. Die opgave wordt pas dan een realiteit als de mensen zich laten verleiden om aan "god" gelijk te worden en dus kennis te verkrijgen "omtrent goed en kwaad". Vanaf dat moment wordt het overleven een zaak die "in het zweet uws aanschijns" verwerkelijkt moet worden; de vrouwen zullen "met smart" baren en er zal "vijandschap" zijn.

Het is uit met het paradijselijke, want de "zonde" heeft zijn intrede gedaan. Het verhaal draait om het samenspel van een viertal grootheden. Ten eerste is daar de natuur, aanvankelijk ťťn met het menselijk leven, maar later daaraan vijandig. Het besef dus dat de mensen niet tot de natuur behoren. Ten tweede de "slang", waarvan gezegd wordt dat hij de Listigste onder de dieren was. Ten derde de man, Adam, die geassocieerd wordt met de kleur ROOD, hetgeen wijst op de betekenis van Adam als denkend en dus onderscheidend, wezen. Ten vierde de vrouw Eva, de "moeder van alle levenden" en in die zin het "natuurlijke" principe. De opeenvolging van de gebeurtenissen is deze: de slang verleidt de vrouw Eva tot het eten van een appel die groeit aan de enige boom waarvan niet gegeten mocht worden, de boom van "de kennis van goed en kwaad". Niet zonder tegenstribbelen laat zij zich verleiden, waarna zij zich naar de man Adam begeeft en hem er ook toe brengt van de appel te eten. Daarna wordt god kwaad en jaagt de stumperds uit het paradijs onder het uitspreken van minder fraaie verwensingen. Er rust voortaan een vloek op de mensen en dezen geloven tot op de dag van vandaag, zowel in het Joodse geloof als in het Christelijke als in het Mohammedaanse, dat die vloek echt bestaat. Men spreekt dan van de "zondeval". En hij is de oorzaak van kommer en kwel, de oorzaak van het "lijden" dat de mensen voortaan deelachtig wordt.

 

Onzin natuurlijk... of toch niet?

Alle verhalen uit het grijze verleden kunnen op twee manieren benaderd worden: zij kunnen beschouwd worden als GEBEURTENISSEN waarvan je zou moeten geloven dat zij eens ťcht plaatsgevonden hebben en zij kunnen worden bekeken als UITBEELDINGEN van een wezenlijk menselijke verhouding in de werkelijkheid. Het eerste vindt vooral plaats in het westerse denken, met als gevolg dat er twee kampen zijn ontstaan: het kamp van diegenen die onvoorwaardelijk in de historische juistheid van het verhaal geloven (de dogmatische godsdienstigen) en het kamp van de bestrijders van die historische juistheid (traditionele vrijdenkers, rationalisten e.d.). Uiteraard hebben deze laatsten gelijk, maar tevens is te zeggen dat zij een beetje dom zijn omdat zij niet willen of kunnen inzien met uitbeeldingen van doen te hebben, zodat zij ook niet naar de BETEKENIS van het verhaal vragen. Zouden zij dat wel doen, dan zouden zij ontdekken dat het hier gaat om een uitermate heldere tekening van de situatie van de mens op deze aarde. Maar ook in dat geval is het nog maar de vraag of zij het er mee eens zouden zijn.

Geest en natuur

Als wij onderzoek plegen naar de betekenis van het "paradijsverhaal", ontdekken wij het volgende: de slang staat voor het geestelijke principe; hij wordt gewoonlijk als "mannelijk" gezien, maar dat is niet helemaal juist omdat hieraan de (westerse) vooronderstelling ten grondslag ligt dat de man het geestelijke zou vertegenwoordigen. Helemaal fout is het echter ook niet voor zover je het denken, in de zin van "onderscheiden", als een mannelijk aspect van het menszijn kunt zien. Het geestelijke staat BUITEN de (natuurlijke) werkelijkheid omdat het (zie 6,2) in de mensen als ontkenning voor de dag komt. Het komt dan ook, voor de natuurlijke mens, van buitenaf. Dat is uitgedrukt in het beeld van de "verleiding". Die natuurlijke mens is Eva, de "moeder van alle levenden", de "Grote Moeder", de "Oermoeder" of "Magna Mater". Zij sluit alle leven in - een idee die wij nog terugvinden in Maria met haar blauwe mantel (= het omhullende), versierd met sterren (= de kosmos). Als zij verleid wordt door de slang betekent dit dat het geestelijke zich nestelt IN al het levende, culminerende in de mens. Het geestelijke wordt gezien als GELDEND VOOR DE LEVENDE MENSEN. Zodra dit echter een feit is gaat het geestelijke voor de mensen functioneren: met de verleiding van Adam door Eva wordt het denken, in de zin van "onderscheiden" bij de mensen betrokken. Daarmee ontstaat "vijandschap", d.w.z. er treedt nu een SCHEIDING op. Het een vormt niet meer een geheel met het ander; de harmonie (= gelukzaligheid) begint te verbreken; de kennis van goed en kwaad begint en daarmee komen de waardeoordelen in de wereld - inderdaad, op zichzelf, een "vloek" voor de mensheid. Hoewel die vloek niet uit kan blijven - het geestelijke moet voor de mensen gaan gelden - kunnen wij toch zeggen dat de mensen in het verleden ingezien hebben dat het geestelijke, in de vorm van "onderscheidend denken", de mensen veel lijden bezorgt. Er ontstaat een machtswereld vol ongelijkheid en strijd, de harmonie verdwijnt steeds meer en het "Gouden Tijdperk" van de mensheid raakt in het vergeetboek. Al met al een uitermate diepzinnig verhaal: het is het verhaal van de menselijke ongehoorzaamheid (toch van die boom eten), het is het verhaal van de geest die via de menselijke natuur de mensen tot denken aanzet en het is het verhaal van het lijden van de mensen, de "erfzonde" die tot op de dag van vandaag voor de mensen van kracht is. Met het ontstaan van de "vijandschap" komt de opgave van het overleven opzetten. In verband daarmee moeten het begrip "creativiteit" nader bekijken.

De creatieve mens

De mensen gaan, vanaf hun verschijnen op de planeet, een NIEUWE wereld scheppen. Nooit doen zij iets anders. Overal waar de mensen verschijnen verandert de natuurlijk aanwezige wereld. En er is een samengaan van "destructie" en "constructie", van afbraak en opbouw. Doorgaans willen wij alleen datgene creatief noemen dat constructief is, of datgene dat de sfeer van het niet-materiŽle aan zich heeft, zoals wetenschap en kunst. Maar ook het destructieve is een creatieve zaak, al vinden wij dat niet zo leuk. Zelfs de vervloekte "kruisraket" is iets creatiefs. We moeten deze zaak thans zonder enig waardeoordeel bekijken. In elke cultuur gaat destructie en constructie samen en steeds is het op de een of andere manier met elkaar verweven. Bovendien vooronderstelt elke constructie (behalve de artistieke) een voorafgaande destructie, analyse namelijk en zelfs wel vernietiging. Zelfs de broedermoord is een teken van creativiteit; hij veronderstelt een zekere mate van vindingrijkheid. En dat geldt ook voor diegenen die zich er toe zetten om in deze wereld macht te gaan verwerven, wat in feite ook "broedermoord" is. De creativiteit van dat soort figuren wordt door de gemoedelijke mensen vaak schromelijk onderschat, reden waarom deze laatsten dan ook vaak het onderspit delven...

waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2; waardeoordelen-3 ; waardeoordelen-4 ; waardeoordelen-5 ; waardeoordelen-6 ; Profeten; De historiciteit van Jezus/Christus;Mohammedaanse-1;

No. 9.

Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1 ; Opvoeding-1 ;Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1 ; TERRORISME en de genezing daarvan. Zie Fictie/fictieve: A1 - B2 - C3 - D4 - E5 ;

Het creatieve dier?

Het dier werkt niet en het dier handelt niet. De dieren zijn wel met allerlei bezig en ook reageren zij op omstandigheden en situaties, maar dat alles gaat volgens een programma. Het bezig-zijn en het reageren zijn bij voorbaat vastgelegd: het gebeurt zo en niet anders. Er is in deze zaak dus geen KEUZE. Hierbij moeten wij ons niet verkijken op veranderingen in het gedrag van dieren. Die veranderingen - in de praktijk bijna altijd aanpassingen - zijn wijzigingen in het programma. Is die wijziging eenmaal tot stand gekomen, dan gaat alles weer volgens de regels. In de mensen is de natuurlijke werkelijkheid, behalve volledig aanwezig, ook ten volle ontkend. Op grond daarvan kan alles altijd anders en is er niets bij voorbaat vastgelegd. Persoonlijk hebben de mensen doorgaans geen keuze, omdat het moeilijk is los te komen van eigen geaardheid en van de genoten opvoeding die beide tot een diepgewortelde programmering leiden. Maar die programmering is er ingebracht. En, als we te doen hebben met erg heldere mensen is er ook geen keuze omdat hun inzicht hen zegt dat de dingen zo moeten en niet anders. Dit is echter in geen geval een programmering en dat blijkt onder andere uit het feit dat we BESLUITEN het zo en niet anders te doen. We kennen dus andere mogelijkheden en we besluiten, na afweging, daarvan geen gebruik te maken. Maar andere mensen zullen wellicht wel tot een van die andere mogelijkheden besluiten en zo moeten we het opvatten als we zeggen dat "de mensen" een keuze hebben. Dit betekent het als we zeggen dat de mensen HANDELEN en daarmee tevens constateren dat de dieren dit niet doen. De dieren zijn ook niet creatief omdat zij de natuurlijke wereld niet tot een nieuwe wereld omzetten. Wat zij ook teweeg brengen in de natuur, altijd blijft de zaak in het natuurlijke bevangen: het blijft ten allen tijde de "natuur". Zij kunnen er niet "buiten treden".

De creatie van de mens

We hebben gezegd: de mensen scheppen een nieuwe wereld. Maar het is daarbij wel de vraag wat je onder een "nieuwe wereld" zou moeten verstaan. Er zijn dan twee mogelijkheden. Ten eerste kan ik, vanuit de behoefte tot BEHEERSEN (zie 7,2), proberen een wereld te scheppen die aan MIJN wetten voldoet. Ik krijg dan een wereld die buiten de werkelijkheid staat omdat mijn wetten gegrond zijn in de ontkenning van de natuur. Ik schep dan een wereld die ongemerkt overgaat in een fictie. Die fictie zie ik voor DE werkelijkheid aan, maar ik zie in feite MIJN werkelijkheid. De tweede mogelijkheid is deze: ik probeer een wereld te scheppen die ik niet wil beheersen, maar die ik wil KENNEN. Daartoe kan ik de natuur niet eenzijdig ontkennen. Ik moet haar daarentegen volledig BEVESTIGEN en zien dat ik aan de weet kom hoe haar wetten zijn. Met die kennis kan ik een wereld scheppen die geen fictie is maar een REALITEIT omdat die geschapen wereld samenvalt met de "werkelijke" wetten. Ik beheers dan niet de natuur, maar "ik leef met haar mee". Voor dit laatste is "ontkenning" en dus ook "analyse" nodig, maar ik plaats het resultaat daarvan TERUG in de werkelijkheid die daardoor voor mij "doorzichtig" en dus begrijpelijk wordt. En ik pas er zorgvuldig voor op er MIJN werkelijkheid van te maken en daardoor van alles te vervreemden. Om het bovenstaande duidelijk te maken en om het contact met onze cultuur niet te verliezen is het goed eens even na te gaan hoe het met het denken in de moderne wereld gesteld is. De kritiek op dat denken is niet als een verwijt op te vatten: de mensen moeten die weg nu eenmaal gaan totdat ze ontdekken met een fictie bezig te zijn geweest.

Denkt de moderne mens eigenlijk wel?

Denkt de moderne mens eigenlijk wel ..? (het op een rijtje zetten / een goed onderzoek ); Op een rijtje zetten paginaís 25 en 26 ; Visie

Het kenmerkende van het moderne denken is dat er, doormiddel van onderzoek, gegevens, informaties, verzameld worden - zo goed mogelijk en zoveel mogelijk - en dat die gegevens vervolgens op een rijtje gezet worden. Het karakter van dat "rijtje" wordt bepaald door het onderzoeksdoel en ook door de onderzoeksmethode. Hoe dan ook, we hebben in wezen te doen met "statistisch" denken: het rangschikken van de informatie. Als je er goed op let zal je bemerken dat alles wat in de moderne wereld "denken" genoemd wordt in wezen slechts RANGSCHIKKEN is en dat de kennis bestaat uit gerangschikte informatie. En dan is de vraag te stellen: is dat nou denken. Het antwoord moet luiden dat dit geen denken is, maar het benutten van een van de DENKFUNCTIES, namelijk het "onderscheidingen-maken". En deze functie ligt aan de wortel van het echte denken en is daarvan slechts het "materiele begin". Het is de stoffelijke basis van het denken. Maar in geen geval het denken zelf. We zien dan ook dat in de moderne wereld zelden nagedacht wordt, maar dat wel "alles op een rijtje moet staan". Voor zover dit aan iemand gelukt wordt er gesproken van een "denker". En dan verbaast het je als je bemerkt dat die "denkers" het steeds bij het verkeerde eind blijken te hebben. En dat na verloop van tijd alles mislukt. In plaats van dan te gaan onderzoeken of er wel goed nagedacht is gaan de moderne denkers controleren of het "rijtje" eventueel fout is. Zonder uiteindelijk ook maar een stap verder te komen. Daarom verbetert de toestand in de wereld in het geheel niet; alleen wordt alles steeds verwarder. De paradox is dat met het steeds verfijnder op een rijtje zetten de verwarring almaar groter wordt. Er klopt dus iets niet. Je bemerkt dat de "statistisch" opgebouwde wereld niet overeenkomt met de "praktijk" van het leven op deze planeet. De "statistische wereld" valt niet samen met de "werkelijke wereld" en dat in toenemende mate. Een voorbeeld uit de medische wereld: de medici krijgen hun zaken steeds beter op een rijtje. Hun kennis neemt snel toe en wordt almaar verfijnder. Maar datgene waarom het gaat, namelijk het GENEZEN van zieke mensen, gelukt steeds minder. Let wel, ik zeg "genezen" - ik heb het dus niet over het "repareren" van ontstane fouten zoals het wegnemen van een gezwel. Het repareren gaat tegenwoordig tamelijk goed en dat is op zichzelf een grote verdienste van de medische wetenschap. Maar met het "genezen" is het treurig gesteld. Want om te kunnen genezen moet je je kennis "terugbrengen" in het levende GEHEEL dat een mens is. Dan is niet jouw "rijtje" maatgevend maar de samenhang van het geheel. En om daarmee raad te weten moet je NADENKEN. Dat betekent dat je je niet moet verlaten op een uit-elkaar-gehaalde statistische werkelijkheid, maar daarentegen moet "nagaan" hoe alles wat je door je analyse hebt leren kennen onderling samenhangt, levend en dus beweeglijk en dus veranderlijk samenhangt. Wanneer we dit laatste doen tillen we het denken boven zijn functionele basis uit: we brengen onze informatie TERUG IN DE WERKELIJKHEID. Dit was een voorbeeld uit de medische wereld. Ons eigen leven leert ons dat de "statistische" kennis van de arts onbelangrijk is - waar het om gaat is de vraag of hij je kan genezen. En als dit laatste gelukt heeft hij goed nagedacht. De juistheid BLIJKT dus. Dat nu geldt voor alles waarover werkelijk NAGEDACHT is. De juistheid moet BLIJKEN en is niet afhankelijk van een wetenschappelijk "op een rijtje zetten". En zo moet in de wereld blijken dat er nagedacht wordt - goed of fout - en dan kunnen we van onze wereld zeggen dat er NIET nagedacht wordt. Wat wij aanzien voor denken en als zodanig hogelijk waarderen, is in feite de basis van het denken: datgene waarmee je begint, het materiaal dat je nodig hebt, je informatie. We zijn in de moderne wereld, die zich zo voor laat staan op zijn denkcapaciteit, nog heel primitief bezig. Daarmee samenhangend is onze creativiteit ook uitermate pover.

Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1 ; Opvoeding-1 ;Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1 ; Onderzoeksdoel / Onderzoeksmethode ; Onderzoeksdoel / Objectief onderzoek ; Denkt de moderne mens eigenlijk wel ..? (het op een rijtje zetten / een goed onderzoek ); Op een rijtje zetten paginaís 25 en 26 ; Visie ; TERRORISME en de genezing daarvan. Zie Fictie/fictieve: A1 - B2 - C3 - D4 - E5 ;

 

No. 10

arbeid-1 ; arbeid-2 ; werken ; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2 ; Betere Wereld-3 ; Redelijkheid pag. 10 en 11 ; Filosofen en Pedagogen pag. 22 en 23

De gebruikelijke voorstelling over de mens

De meeste mensen, waaronder ook tal van denkers, menen dat de mens op aarde verschijnt als een onvolkomen geval, gebrekkig en vooral ook gewelddadig. Menige wetenschappelijke theorie en filosofische theorie en levensbeschouwing is gebaseerd op de gedachte dat de mens om te beginnen slecht zou zijn en sterker nog, dat zijn diepste kern slecht is. Maar omdat er toch iets goeds uit voort moet komen gaan de mensen zichzelf en elkaar "beschaven", hetgeen zeggen wil dat zij hun denken gaan ontwikkelen en zodoende langzamerhand tot een "cultuurwezen" worden dat tenslotte op grond van het "redelijk denken" in orde zou zijn. Men veronderstelt dus dat de weg van de mensen op de planeet er een is van "slecht" naar "goed" en dat zij zich daarom bijschaven, zichzelf in toom leren houden, kortom: zichzelf veranderen. En dat alles op grond van de denkontwikkeling, een ontwikkeling die kwantitatief en cumulatief wordt opgevat, zie blad 3,1. Opmerkelijk is dat men zich bij deze gedachtegang nooit afvraagt hoe de mensen op het idee komen zichzelf te verbeteren en waarom zij het "goede" willen. Bovendien dunkt het mij een duidelijke zaak dat de "denkontwikkeling naar redelijkheid toe" zich niet in positieve zin heeft voltrokken, maar in negatieve zin.

Onze moderne cultuur, die prat gaat op een grote wetenschappelijke en redelijke ontwikkeling, is onredelijker en asocialer dan ooit, levensbedreigender dan ooit tevoren. Ons economisch systeem bijvoorbeeld vertoont niet alleen maar "fouten" - zoals men ons graag wil doen geloven - maar is er een dat noodzakelijk ertoe leidt dat de mensen verpauperen. Van een streven naar een betere wereld is niets te bemerken. In plaats van "redelijker" te worden wordt onze wereld op een uiterst geraffineerde manier slechter, onredelijker en asocialer. De theorie van een zich van slecht naar goed ontwikkelende mensheid kan dus op zijn minst als rammelend gekwalificeerd worden. Maar er is nog iets. In de theorie van het "beter worden" vergelijkt men de beginnende mensheid met de dieren. Er zijn legio filosofieŽn waarin wordt gesteld dat de mens "het laatste roofdier" zou zijn - en dus ook het meest verschrikkelijke. Gemakkelijk zegt men: "de mens gedraagt zich als een beest" en gaat er daarbij losjes langsheen dat er op de gehele planeet niet een dier is te vinden dat zich zo misdadig kan gedragen als de mensen. Men ziet dus om te beginnen de mensen als "natuurlijk", nog volledig bevangen in de natuurwetten en nog niet in staat zich als een "cultuurwezen" te laten gelden. Dat hierin een onuitgesproken veroordeling van de natuur ligt besloten valt doorgaans niet op en nog minder wordt ingezien dat je met zo'n veroordeling in het achterhoofd alleen maar onzin over de mensen kunt vertellen. Met alle tragische gevolgen van dien...

De godsdiensten en de natuur

Alle godsdiensten, gefixeerd als zij zijn op ďde geest", ďhet goddelijke", veroordelen de natuur en het natuurlijke. In het christendom wordt alles wat natuurlijk is afgewezen. Voor zover je van de vrouw kunt zeggen dat zij, cultureel gezien, de vertegenwoordigster is van de natuurlijke begrippen zoals "voortbrengster van het leven", het "in zichzelf besloten geheel" en alles omvattende seksualiteit wordt zij in het christendom vernederd en zelfs vervolgd. De middeleeuwse hetze tegen de "heksen" was niets anders dan een gewelddadige vervolging van het werkelijk en natuurlijk vrouwelijke dat als een bedreiging voor de "geestelijke" mens werd gezien. Het "niet trouwen" van de roomse Paulus was een veroordeling van de natuur en als het hedendaagse Rome de vrouw in "het ambt" afwijst is dat hetzelfde. Ook het ten onrechte verheerlijkte "oosten" wijst de vrouw af als het gaat om het bereiken van "hogere geestelijke waarden".

De nog altijd in de westerse cultuur heersende "vrouwonvriendelijkheid" wijst er op dat ook in het niet-godsdienstige denken het natuurlijke als minderwaardig afgewezen wordt. Dat kan ook niet anders, want het godsdienstige denken verschilt niet werkelijk van het atheÔstische denken; beide zijn als denken op dezelfde leest geschoeid. Ook voor het atheÔstische denken is de natuur het "duister vrouwelijke" dat in tegenstelling staat tot het heldere, redelijke, wetenschappelijk gefundeerde mannelijke. Of men het nu godsdienstig of niet-godsdienstig bekijkt, steeds is er de neiging het geestelijke te verheffen boven het natuurlijke en de weg van de mens te zien als een uitstijgen boven de natuur - de weg van slecht naar goed, het zichzelf veredelen tot een "redelijk wezen". Maar die opvatting over de mens is fout en dat bemerk je als je er eens echt over gaat nadenken. Overigens: in het door ons besproken paradijsverhaal (zie 8.1) wordt verteld dat bij de schepping de vrouw na de man geschapen werd en zelfs dat zij "uit de man" voortkwam. Dat zou er op kunnen wijzen dat men destijds (terecht) heeft ingezien dat de vrouw en het vrouwelijke "volmaakter" zijn dan de man en het mannelijke. Een gedachte waarop wij nog terugkomen.

Wat verschijnt er op de planeet?

Als de mens op de planeet verschijnt komt er geen bloeddorstig geval te voorschijn, maar iets heel liefelijks. Dat liefelijke geval is, vanuit de natuur gezien, een ONMOGELIJK geval. Het mist dan ook alle natuurlijke "hardheid", d.w.z. de onafwendbaarheid van de wetten, de programma's. Het is vrij en beweeglijk, het is zonder "gewicht". Het is een "spelend kind". Het is eigenlijk helemaal geen "natuurlijk" geval, hoewel het uit de natuur voortkomt en daarvan zelfs het slotakkoord vormt. En omdat het geen natuurlijk geval is kan je er ook geen "natuurlijkheid" als iets afkeurenswaardigs in afwijzen. Het natuurlijke is in de mens ONTKEND aanwezig en dus behoeft hij er niet van af te komen: hij moet het juist LEREN KENNEN. De mens die verschijnt is een "creatief" wezen; hij schept zich een "nieuwe wereld", maar die wereld heeft ALLES te maken met de "oude" wereld. Het is de ontkenning van de "oude" wereld en dat betekent: DE OUDE WERELD ANDERS. Het centrale punt bij het creatief zijn is het "anders-zijn". Dit laatste kan niet voor de dag komen als je het voorgaande (het oude) verwerpt. Je moet juist het voorgaande tot zijn recht laten komen. Als de mensen in hun creativiteit hun wereld gaan omzetten in een nieuwe wereld doen zij dat nergens om. Zij doen het niet om te overleven, zij doen het omdat zij een nieuwe wereld ZIJN. Zonder dat zijn zij geen mensen. Ook als het overleven geen probleem zou zijn (en in sommige streken is dat geen probleem) gaan de mensen toch een nieuwe wereld maken. Maar: het GEVOLG daarvan is wel dat zij kunnen overleven en tegelijk ook niet - als je de moderne wereld beziet. Overleven is dus een van de GEVOLGEN van het creatief zijn. Een van de mogelijke gevolgen, want een gezamenlijke ondergang kan ook een gevolg zijn. Als wij de "arbeid" definiŽren als "op overleven gerichte creativiteit", dan kunnen wij, in strijd met de gangbare opvatting, zeggen: de mensen arbeiden niet om te leven, maar voor zover zij leven komt daaraan arbeid mee. Kan daaraan arbeid meekomen... in ons stukje van de wereld treedt er namelijk al een ontkoppeling van arbeid en leven op. Het wordt mogelijk te leven zonder arbeid te verrichten. Maar leven zonder creatief te zijn is onmogelijk. Een mens kan niet niet-creatief zijn. Het creatief zijn is op zichzelf geen natuurwet in de zin van een ingeboren programma. Het is juist de ontkenning daarvan. Maar, de mensen gaan het wel "programmeren" om het na een tijdje bij hun eigen programma niet meer uit te houden, zodat er weer iets nieuws verzonnen wordt. Steeds weer blijkt dat geen enkele mens in een programma opgaat; hij houdt het daarbij niet uit en laat zijn niet-geprogrammeerd-zijn gelden.

arbeid-1 ; arbeid-2 ; werken ; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2 ; Betere Wereld-3 ;

No. 11

Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16, 22, 23, 32) ; Slaven ; Slavernij ;

waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2; waardeoordelen-3 ; waardeoordelen-4 ; waardeoordelen-5 ; waardeoordelen-6 ;

Van slecht naar goed en omgekeerd

In blad 10 heb ik de algemeen heersende opvatting dat de mensheid zich van slecht (onredelijk) naar goed (redelijk) zou ontwikkelen als een foute opvatting afgewezen. De reden hiervoor is niet dat je uit de wereldgeschiedenis zou kunnen afleiden dat er uitsluitend een "negatieve" ontwikkeling zou hebben plaatsgevonden. Er zijn namelijk in de geschiedenis tal van dingen aan te wijzen die zich "positief" ontwikkeld hebben. Beide verschijnselen, "negatieve" en "positieve" ontwikkeling behoren bij elkaar, hangen steeds met elkaar samen en werken op elkaar in. En dat wisselende beeld van die tegengestelde processen is het beeld van de wereldgeschiedenis. Het is fout om op grond van eigen waardeoordelen er het ene of het andere aspect uit te lichten en dat als argument te gebruiken voor of de opvatting dat de mensheid zich betert, of voor de tegengestelde opvatting. In feite wordt de mensheid niet beter of slechter; zij maakt een proces door waarin zij langzamerhand zichzelf en de werkelijkheid leert begrijpen, zonder dat je kunt zeggen dat de toename van begrip onder alle omstandigheden een toename van de menselijkheid inhoudt. In ons tijdsbestek bijvoorbeeld heerst alom verwarring, ondanks een beter begrip van de werkelijkheid in FEITELIJKE zin. Wij zijn zelfs aangeland op de rand van de vernietiging. Toch danken wij dat aan een grote mate van begrijpen van de werkelijkheid. Zonder dat begrip zouden wij de wereld helemaal niet kunnen vernietigen. Het is dus fout om op een aspect te letten. Enkele voorbeelden: iedereen zal tegenwoordig de slavernij afwijzen, de ene mens behoort geen slaaf van de andere te zijn. Ondanks dat is zo langzamerhand iedereen de slaaf van anderen. Maar het mag geen "slavernij" meer genoemd worden, het heet "economische en politieke afhankelijkheid"! De hele wereld bewapent zich ten oorlog, maar iedereen vindt oorlog volstrekt misdadig. Men spreekt nu dus van "defensie". Men is het er over eens dat alle mensen "gelijke rechten" hebben en tegelijk verdonkeremaant men het feit dat een mens geen rechten heeft als hem die GEGEVEN worden. En tenslotte: overal vindt men dat een regeringsvorm "democratisch" zou moeten zijn, maar het gaat daarbij niet om "het volk" dat zichzelf zou moeten besturen - het gaat er om dat je positie als machthebber het veiligst is gebleken als deze in een democratische structuur geworteld is. Het is derhalve voor de machthebbers van belang de "onderdanen" tot een democratisch denken op te voeden en zolang dat nog niet gelukt gebruik je geweld. Aan bovenstaande voorbeelden komt het dubbele karakter van het feitelijke beschavingsproces enigszins uit. Dat betekent dus dat je niet van een "goede" en niet van een "slechte" ontwikkeling kunt spreken. Dit wordt waarschijnlijk nog duidelijker als wij bedenken dat de normen " goed " en " slecht " onze eigen WAARDEOORDELEN bevatten. Hoe zou je over de ontwikkeling zinvol kunnen denken? Dat moeten we nu boven water zien te krijgen...

Nogmaals iets over de "ontkenning"

De mensen verschijnen niet op de planeet als "schoften" en ook niet als (voorlopige)"mislukkelingen", maar zij verschijnen als ONMOGELIJKHEDEN. Dat houdt onder andere in dat de NATUURLIJKE mogelijkheden voor hen niet gelden. Aan de natuurlijke mogelijkheden zijn de mensen voorbij, zij zijn er vrij van, zij zijn letterlijk "onbevangen". En zij zijn dat omdat zij de laatste natuurlijke mogelijkheid zijn. Het kernpunt zit in het begrip "laatste" omdat voor de laatste onmiddellijk "het andere" gaat gelden. De laatste is het voorgaande wel en niet tegelijk. Als je hiervan de consequenties niet ziet is het onmogelijk het menselijk gedrag te begrijpen, maar toegegeven moet worden dat dit een moeilijk punt is.

Als voor de "laatste" het andere geldt, wil dit dan zeggen dat er andere wetten zijn gaan gelden of wil het zeggen dat er helemaal geen wetten meer gelden! Neen, er zijn geen andere wetten gaan gelden en de wetten zijn ook niet vervallen, zij zijn gaan gelden OP EEN ANDERE MANIER. Hun karakter was DWINGEND tot aan de laatste. Het was een onontkoombare programmering: de planten en de dieren kunnen geen "nee" zeggen tegen hun eigen programmering, maar de mensen kunnen dat wel. Zij kunnen dat zowel tegen de "natuurprogrammering" als tegen de "cultuurprogrammering". Het onontkoombare vanuit de natuur (= hun oorsprong) en het onontkoombare wat zij zichzelf opleggen is voor hen opgeheven. Zij zijn vrijgekomen van de dwang, het onvermijdelijke, het zo moeten zijn en niet anders. De mensen moeten bijvoorbeeld ook eten. Als zij dit laten sterven zij - in zoverre geldt de natuurwet. Maar zij maken gaandeweg van het eten een soort van "ritueel" en daarmee is het cultuur geworden. De aard van die cultuur bepalen de mensen zelf, zij houden daaraan een tijdlang vast totdat zij hem zelf weer gaan vervangen door een ander ritueel. En zo gaat het almaar door. Een ander voorbeeld: de seksualiteit is in de grond van de zaak niets anders dan voortplanting. Maar ook die onvermijdelijke natuurwet wordt voor de mensen iets anders. Het wordt een beleven van liefde- en lustgevoelens en er treedt een ontkoppeling op van dat beleven en de voortplanting. Het kan zelfs zo ver gaan dat de seksualiteit als iets religieus wordt ervaren, zoals dat o.a. in het oude India het geval was. En wij hebben al gewezen op het feit dat de mensen hun eigen sterven bepalen. Niet in die zin dat zij het sterven kunnen afschaffen - de natuurwet blijft gelden - maar in die zin dat zij zelf kunnen bepalen HOE te sterven. Waar het op aan komt bij het doordenken van het begrip "ontkenning", zoals dat voor de mens geldt, is de vraag HOE de wetten gelden. Het is niet het punt DAT de wetten gelden. En dan kunnen we zeggen dat voor de mens de wetten "in volle vrijheid" gelden. Zij gelden altijd en voor iedereen op een andere manier. Het bovenstaande ligt moeilijk voor het moderne denken: als ik in dit denken iets "ontken", dan is het er voor mij niet meer. Vele godsdienstige dwepers hebben getracht het lichamelijke te ontkennen. Zij hadden wel een vermoeden van de voor hen geldende "ontkenning", maar zij begrepen die niet. Dus wilden zij hun lichamelijkheid - lusten, begeerten, spanningen - afschaffen, doorgaans doormiddel van "onthouding" en van "zelfkastijding". Maar het resultaat was een ziekelijke, morbide persoonlijkheid. Tal van godsdienstige geschriften en "bekentenissen" getuigen hiervan. En in het moderne denken ligt dezelfde behoefte aan afschaffen van het natuurlijke en lichamelijke. Men vindt immers dat je jezelf moet "wegcijferen" ter wille van de redelijkheid en men vindt dat het kind zijn natuurlijke reacties moet afleren ter wille van een "volwaardig menszijn". De zelfverloochening is niet alleen in het christendom een eis, hij is het in de hele moderne cultuur, christelijk of niet, westers of niet. De moeilijkheid is dus dat het begrip "ontkenning" niet betekent dat je iets afschaft of wegcijfert, maar dat je iets volledig tot zijn recht laat komen om het als zodanig anders te laten zijn. Zoals in een schilderij het materiaal - de verf, het linnen, de voorstelling - zo goed verwerkt wordt dat het uitdrukking wordt van iets anders, schoonheid bijvoorbeeld. En dat geldt voor het gehele terrein van de kunst. De kunst is de zuiverste uitingswijze van de "ontkenning".

waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2; waardeoordelen-3 ; waardeoordelen-4 ; waardeoordelen-5 ; waardeoordelen-6 ; Redelijkheid pag. 10 en 11 ; Filosofen en Pedagogen pag 22 en 23 ; Slaven ; Slavernij ;

No. 12.

De ondergang van cultuurstelsels

Als we de geschiedenis van de mensheid bekijken, dan zien wij dat het een opkomen en vergaan van culturen, beschavingen, is. En ook in onze moderne cultuur zijn tal van tekenen aanwezig die wijzen op een naderend einde van die cultuur. Het gaat hierbij niet om de vraag of eventueel het zogenaamde kapitalisme, of het communisme of wat dan ook aan hun einde komen, maar om die cultuur zelf. De verschillende economische en politieke stelsels kunnen niet op zichzelf verdwijnen, onafhankelijk van elkaar. Zij behoren namelijk bij elkaar omdat zij varianten zijn van een en dezelfde wijze van denken. De tekenen van ondergang van onze moderne cultuur zijn dan ook waar te nemen in al die verschillende economische en politieke stelsels. Het feit dat culturen en ook de onze, na verloop van tijd ten onder gaan is geen treurig feit. Want juist die ondergang wijst er op dat de mensen het bij hun eigen stelsels niet uithouden, dat zij steeds weer terugkomen op hun werkelijke situatie: het vrij-zijn van het denken. Weliswaar beginnen zij ook steeds weer opnieuw hun denken te programmeren zodat er weer een nieuw denkstelsel ontstaat, maar ook dat stelsel kan niet anders dan weer instorten. Bij het doorbreken van een nieuwe wijze van denken treedt er aanvankelijk een soort van begeestering op, alles is jong en fris en de mogelijkheden lijken onbegrensd. Maar gaandeweg worden het vaste patronen die min of meer klakkeloos gevolgd worden en je kunt vaststellen dat langzaam het leven er uit verdwijnt. En dan begint de aftakeling, tijdens welk proces de eerste kiemen van een nieuwe tijd steeds sterker voor de dag komen. Als wij het hebben over de ontwikkeling van het denken zijn het deze processen waarop wij moeten letten. Want in dit "golfslagproces" kunnen wij wel een ontwikkeling en zo je wilt een "vooruitgang", bespeuren. Almaar "ontbindt" het oude zich en vormt zich het nieuwe. Dit "golfslagproces" gaat niet eindeloos door: er komt een laatste "moment" en dat moment gaat over in een situatie die niet meer te programmeren is. Dan zijn de mensen werkelijk "volwassen" geworden. Zij laten zich dan opnieuw gelden naar hun wezenlijke situatie van vrij-zijn van het denken. Deze situatie verschilt van de "oersituatie" doordat de mensen nu weten dat zij vrij zijn en dat dit de basis is voor hun levensmogelijkheden. Het laatste cultuurmoment, dat dus overgaat in vrijheid, is het "analytische" moment, in feite dus onze moderne cultuur. Wij komen hierop nog terug, maar wij kunnen al wel opmerken dat er geen cultuurstelsel, dus geen "programmeringstolsel" meer mogelijk is na het analytische omdat de analyse op den duur ook de stelsels ontbindt. Het laatste stelsel ontbindt dus zichzelf en dat is het geval bij onze moderne cultuur. Overigens wil ik met het voorgaande niet suggereren dat het spoedig zover zal zijn. Het zichzelf ontbinden van het laatste stelsel moet uiteraard ook een aantal fasen doormaken. Ook hierover zullen wij nog spreken.

Het ontsnappen van de enkeling

Gezien vanuit de cultuur programmeren de mensen zichzelf en elkaar. Maar al die mensen zijn individuen en voor elk van hen geldt het vrij-zijn van het denken, d.w.z. het geldt in principe. Voor verreweg de meesten van die individuen zal de programmering succes hebben: zij groeien op tot keurig aangepaste mensen die doorgaans hun onvrijheid niet eens opmerken. Je kunt hen "bevangen in hun cultuur" noemen. Zo vormen zij het gros van de mensheid, waarin zich, niet of nauwelijks bewust, de verschillende momenten van de ontwikkeling vastleggen en manifesteren.

Omdat echter elk individu principieel "vrij" is, qua denken, zullen er altijd ook "enkelingen" zijn die de aanleg hebben zich niet te laten programmeren. Dat zijn de rebellen, de uitgestotenen, de ongehoorzamen. De mensen die met ongewone en nieuwe dingen komen, de mensen die hun eigen cultuur doorzien. Deze mensen leven wel IN hun eigen cultuur (waar moet je anders leven?), maar zij leven niet MET hun eigen cultuur. Zij doen niet mee. Deze rebelse enkelingen komen natuurlijk in allerlei variaties voor. Sommigen verzetten zich alleen maar, anderen leveren voortdurend kritiek en weer anderen worden lichtende voorbeelden voor het gros van de mensen. In Nederland hadden wij destijds Domela Nieuwenhuis (1646 - 1919), die van grote betekenis werd voor het "proletariaat". Deze man was een zuivere enkeling, hetgeen bleek uit het feit dat het hem eigenlijk alleen maar om vrijheid ging. Strikt genomen ging het hem niet zozeer om socialisme. Het ging om iets dat nergens bij onder te brengen was. Elke programmering was voor hem onmogelijk. Het is te begrijpen dat deze gesteldheid voor de meeste mensen te ver ging. Zij vonden het wel mooi en zuiver - vandaar dat zij veel van Domela hielden - maar zij hadden meer behoefte aan brood in hun ellendige bestaan. De mogelijkheid om aan brood te komen werd niet door Domela geboden, maar door de georganiseerde socialisten, met o.a. als voorman Pieter Jelles Troelstra (1860 - 1930). En achter Troelstra gingen de arbeiders aan. Voor hem was niet elke programmering opgeheven (= vrijheid), maar voor hem waren enkele factoren daarvan onhoudbaar. Hij wilde bijvoorbeeld wel degelijk macht (voor het goede doel). Maar Domela wilde geen macht, noch voor zichzelf, noch voor anderen. Hij zei dat het brood er vanzelf zou komen als de mensen zich vrijgemaakt zouden hebben. En dat is op zichzelf goed gedacht, maar hij zag niet in dat de mensen hun programmering niet op konden heffen. Enkelingen kunnen, in meerdere of mindere mate, hun eigen denkstelsel ontbinden, afhankelijk van hun "aanleg". Domela Nieuwenhuis was zo iemand en hij vertelde daarvan in zijn boek "Van Christen tot Anarchist" (1910). Niet iedereen, die een volksleider wordt, is een echte "enkeling". Meestal bevrijden de volksleiders slechts enkele factoren uit het totaal van het denkstelsel. Factoren die onhoudbaar zijn gebleken. En daarvoor in de plaats komen zij met nieuwe en betere programma's. Zij willen veranderen en verbeteren. Maar de echte enkelingen willen alles ontbinden omdat voor hun denken geen enkel programma van kracht is. Het spreekt vanzelf dat er in alle tijden enkelingen geweest zijn in wie zich de fundamentele vrijheid van het denken liet gelden. We moeten er echter voor oppassen die enkelingen, die zich nergens bij aanpassen, te verwarren met telkens in de geschiedenis optredende (groepen van) mensen in wie, bij de aftakeling van een oude cultuur, de eerste tekenen van een nieuwe cultuur voor de dag komen. Weliswaar vertonen deze mensen een zich-bevrijden van oude programma' s, maar in feite vormen zich in hen de eerste aanzetten voor nieuwe programma's. Zij zijn dus deelnemers in het "golfslagproces" van de menselijke ontwikkeling. Enkele bewegingen in onze tijd echter wijken af van de gang van zaken. Dat komt doordat het nieuwe dat in hen doorbreekt de kiem is van de volwassenheid, waarvoor immers geldt dat elke programmering uitgesloten is. Die mensen zijn in beginsel door de analyse heen zodat het laatst mogelijke stelsel ontbonden is. Opmerkelijk aan die bewegingen is het macht- en statusontkennende karakter er van.

Bladwijzer: Aanpassen-1 ; aanpassen-2 ; aanpassen-3 ;

No. 13.

TERRORISME en de genezing daarvan. Zie Fictie/fictieve:A1 - B2 - C3 - D4 - E5 ;

De grondslagen van de westerse cultuur

We hebben er op gewezen dat alle cultuurstelsels na verloop van tijd verdwijnen omdat het tegen het "wezen" van de mensen in ligt zich blijvend te onderwerpen aan een denkprogramma. We hebben ook gezien dat het ondergaan van cultuurstelsels doorgaans ten onrechte als iets tragisch wordt opgevat en dat het juist een hoopvolle zaak is dat alles tenslotte in zal storten. Diegene die uit zit te kijken naar het zich oplossen van stelsels is dus niet een negatieve "doemdenker", maar een "optimist" die weet dat de mensheid zich altijd weer van haar eigen kluisters zal verlossen en zal trachten zich te laten gelden naar haar wezen: vrijheid. Dat wil echter niet zeggen dat een ondergangsperiode op zichzelf zo aantrekkelijk is. De moderne cultuur bijvoorbeeld zal in haar ondergang een weergaloze VERWARRING met zich mee brengen. Radeloos zullen de mensen zijn en zij zullen zich vertwijfeld aan elke strohalm vastklampen. De agressie en het wantrouwen zullen toenemen... niet iets om naar uit te kijken! Maar het is wel iets dat moet gebeuren en het is voor ons nuttig om te weten waarom dit het geval is. Als je dit weet kijk je anders naar je eigen cultuur, je staat veel meer open voor de werkelijk nieuwe ontwikkelingen.

De overgang van de Romeinse wereld naar de West-Europese zag er ook niet bepaald uit als een culturele "verheffing". De eerste 1000 jaren werden gekenmerkt door een diepe culturele duisternis - gezien vanuit de Romeinse cultuur. Voor de mensen uit die cultuur, waarin zich het cultuurgoed van de gehele oudheid had verzameld, was het bijvoorbeeld een bekend feit dat de aarde een bol is die vrij in de ruimte zweeft, maar in West-Europa duurde het nog tot ongeveer 1500 eer die kennis tot de mensen doordrong. Het cultuurgoed van de oudheid heeft zich om te beginnen niet in West-Europa doorgezet. Het heeft namelijk een andere weg gevolgd, via de Moorse beschavingen in Klein-AziŽ, Noord-Afrika en Spanje om eerst na ruim 1000 jaar in Europa terecht te komen. Dit feit is voor veel mensen onbekend omdat het Europees christelijke denken, waaraan wij allemaal onze "ontwikkeling" danken, niet kon aanvaarden dat ze haar kennis om te beginnen aan haar aartsvijanden, de Moren, te danken had. Het werd daarom voorgesteld dat de West-Europese ontwikkeling vanuit de Roomse kerk ingezet zou zijn. Voor een deel is dat inderdaad het geval, maar daarover straks.

In het West-Europa van het begin van onze jaartelling leefde een grote verscheidenheid aan Germaanse stammen. Ik noem ze nu maar allemaal "Germaans", hoewel die benaming feitelijk niet juist is. De cultuur van die Germanen is helemaal niet zo primitief geweest als ons altijd wijs gemaakt is. Maar het is wel zo dat er geen alles omvattende eenheid was. Europa heeft er dan ook zo'n 1800 jaar voor nodig gehad om zich in grotere verbanden (staten) te organiseren. En de godsdienstigheid van die Germanen was ook opvallend: in feite stonden de goden meer in dienst van de mensen dan omgekeerd. Als een godheid niet aan de verwachtingen voldeed werd hij de laan uitgestuurd; hij werd slechts geŽerd voor zover hij zijn werk goed deed. Een mens-god relatie die in de oudheid ondenkbaar was. Toen waren er ook wel mensen die tegen hun goden in opstand kwamen, maar het lag niet in het denken van die mensen een god zijn congť te geven. Bij Homerus blijkt dat je fiks met bijvoorbeeld Zeus overhoop kon liggen, maar hij bleef ten allen tijde Zeus en wegsturen was er niet bij. Maar de Germanen deden dat wel! Dit betekent dat er in de Germaanse cultuur een GODSDIENSTIGE basis lag en die basis is ONGELOVIG. Het is een zaak van dienst en wederdienst en zelfs van een betrekkelijke gelijkheid. Met als enige wezenlijke verschil tussen goden en mensen dat die eersten veel MACHTIGER waren. Godsdienst is een machtskwestie en geen geloofskwestie.

Het christendom nestelde zich boven op deze ongelovige, maar wezenlijk godsdienstige, cultuur. En vond, na verloop van tijd, daarbij aansluiting, d.w.z. het christendom ontpopte zich al ras tot een godsdienst. Het ging daarbij dus niet om INZICHTEN in de werkelijkheid (geloof), zoals dat bijvoorbeeld later in Oost-Europa het geval was, maar het ging om machtsverhoudingen, om een stelsel van slavendiensten. Uit oude kerkelijke geschriften van inquisitieverhoren van "ketters" blijkt dat het er eigenlijk slechts om ging of de mensen de christelijke godsdienst "beleden" en zich aan de daarbij behorende voorschriften, sacramenten en rituelen hielden. Het ging dus om de gehoorzaamheid aan de macht. En de gehele worsteling van de Europese mensen tijdens hun culturele ontwikkeling was een "interne machtsstrijd". Telkens hebben Europeanen zich aan die macht onttrokken, om tevens telkens weer er aan onderworpen te worden. In de oudheid lag dat heel anders: de macht, vertegenwoordigd door de absolute vorst, was op zichzelf onaantastbaar omdat hij voor die mensen volkomen vanzelfsprekend was. De strijd in de oudheid vond plaats tussen de machten zelf, die er allemaal op uit waren de wereld te bezitten. Men wilde van de wereld een geheel maken - dat was ook nog het ideaal van Alexander de Grote. Maar in West-Europa verzetten de mensen zelf zich tegen de macht terwijl de machthebbers voortdurend bezig zijn die mensen aan zich te onderwerpen. En dat laatste gelukt nog steeds, zij het met steeds meer moeite...

Elke godsdienst is een zaak van macht. En het is een zaak van dienst en wederdienst. De gehele Europees christelijke geschiedenis getuigt daarvan. Een ieder heeft zijn goddelijke machthebber aan zijn zijde: "Gott mit uns".

En als die machthebber tegenvalt, dan vliegt hij er uit. De meeste godloochenaars zijn mensen die teleurgesteld zijn in de medewerking van hun god: hij heeft niet voldaan aan hun wensen. Hij heeft geen wederdienst gesteld tegenover hun diensten. Interessant is in dit verband de westerse betekenis van het woord "geloof".

Dit woord houdt in dat je AANNEEMT dat iets feitelijk waar is, op gezag van iemand die voorgeeft kennis van zaken te hebben. In de westerse betekenis vooronderstelt "geloof" dus ook macht. Maar in de Russische cultuur betekent "geloof" iets geheel anders: het betekent INZICHT in de werkelijkheid. Het zien van de werkelijke verhoudingen die op zichzelf niet zichtbaar zijn. De geloofsinhouden in de Russische cultuur worden door de mensen dan ook als REALITEITEN beleefd die van concrete invloed zijn op het leven. Wanneer die geloofsinhouden na verloop van tijd helderder worden voor de mensen ontstaat er een werkelijk atheÔsme dat over dezelfde inhouden spreekt als het geloof, maar nu vanuit begrip. Wij vinden dat helder getekend in het werk van Dostojewski en vooral bij de figuur van Iwan Karamazow. Dat atheÔsme is heel anders en veel diepzinniger dan het zogenaamde atheÔsme van iemand die zijn god wegens wanprestaties afgezworen heeft. Of die hem afgezworen heeft omdat er voor zijn bestaan geen bewijs te vinden was. Zoals in de westerse wetenschap het geval is. Als men in de christelijke godsdienst dan ook van "geloof" spreekt is dit een "aannemen op gezag van.". Dit soort geloof behoort bij een godsdienst en het behoort ook bij een macht. Zonder dit soort geloof is er geen macht denkbaar: wat er niet is moet je aannemelijk maken en in stand houden, desnoods met geweld. Aan de basis van West-Europa lag dus een godsdienstige mentaliteit en er lag de behoefte om vanuit de macht een stelsel van diensten te realiseren. Precies zoals wij dat nu in uitgewerkte vorm kennen. En dat alles gebaseerd op de fictie dat er een macht zou bestaan waaraan alle mensen onderworpen zouden zijn. De fictie dat god die macht zou zijn is niet goed meer vol te houden, maar daarom zijn wij intussen ijverig bezig die god te vervangen door andere machten zoals de "democratie" en de "economie" en niet te vergeten de "wetenschap". Het is niet voor niets dat deze stelsels op precies dezelfde wijze functioneren als voorheen de godsdiensten dat deden.

TERRORISME en de genezing daarvan. Zie Fictie/fictieve:A1 - B2 - C3 - D4 - E5 ;

No. 14

Een bewust vergeten geschiedenis

Het is opmerkelijk dat een aantal vroege Europese ontwikkelingen door de traditionele geschiedschrijving en het daarop steunende wetenschappelijke onderzoek lange tijd verdonkeremaand is. De verklaring daarvoor is tweeledig: ten eerste kunnen wij constateren dat er tot op de dag van vandaag een onwil is het wezenlijke karakter van de West-Europese cultuur bloot te leggen en als een feit te aanvaarden en ten tweede is er vanuit het alles overheersende christendom een afwijzen van alles dat eventueel het absolute karakter van de christelijke godsdienst zou kunnen aantasten. We zien dan ook, wat dit laatste betreft, dat niet in de openbaarheid gebracht mocht worden dat Europa zijn kennis van het "klassieke" cultuurgoed gedurende lange tijd aan de Moren te danken had. Dus aan een cultuur waarvan niets goeds gezegd mocht worden. En ook zien we dat er alleen maar laatdunkend over de "Germaanse" voedingsbodem gesproken werd. De oorspronkelijke bevolking van West-Europa werd (tot voor kort) afgeschilderd als "primitief", "ruw" en "onbeschaafd", drinkebroers waren het die in dierenhuiden rondliepen en zich van "god noch gebod" iets aantrokken. Voor het vormen van een staatkundige eenheid waren zij niet te vinden, terwijl hun uitingen van kunst en cultuur als ver beneden peil werden beschouwd. De onderzoekingen naar hoe het werkelijk geweest is zijn betrekkelijk recent en zij geven, tot ongenoegen van de Europees-christelijke "cultuurdragers" een geheel ander beeld van de zaak. De niet-aanwezige "beschaving" van de Germanen werd gezien vanuit de optiek van de Romeinse legeraanvoerders (toch al niet de betrouwbaarste critici), de door de klassieke wereld gevormde Romeinse geschiedschrijvers (Tacitus bijvoorbeeld) en door de latere, in de Romeinse geest gewortelde, christelijke kerkvorsten. Oog voor andere dan de "verheven" cultuurwaarden was er hoegenaamd niet. En het heeft zin om op te merken dat dit tot op heden in belangrijke mate nog het geval is in West-Europa. Een ontwikkeld mens was iemand met een "klassieke" vorming. Pas sinds de tweede wereldoorlog verschuift het accent meer in de richting van een "Angelsaksische" gesteldheid. Daarmee komt de waardering voor het oorspronkelijke Europa meer en meer naar voren, terwijl de "klassieke" wereld zelfs verloren dreigt te gaan. Duidelijk blijkt dit uit de strijd om vernieuwing van het onderwijs. In feite is de wereld waarin wij thans leven een "uitwerking" van de oude Germaanse wereld. Als de Germanen vonden dat de goden er waren ten dienste van de mensen is dat exact hetzelfde als wanneer een christen atheÔst wordt omdat god zijn kind dood heeft laten gaan. En als wij tegenwoordig allemaal weten dat "overheden" er moeten zijn ten dienste van het "volk" (ook al komt hiervan nooit iets terecht) dan komt dat overeen met de vroegere Germaanse inzichten. De huidige individuele "vrijheid" van de westerse mens is geworteld in het Germaanse erfgoed en beslist niet in het klassiťke. Dit laatste kwam over Europa als een MACHTSWERELD met door god ingestelde overheden, goddelijke vorsten en een door god gedicteerd recht. Bij de Germanen is hiervan niets te vinden. Zij erkenden wel de macht, maar alleen dan als zij die zelf toegewezen hadden. Geen wonder dus dat dit door de "klassieke bovenlaag", in feite het christendom en haar moderne "dochter", de wetenschap, zover mogelijk weggedrongen is en wordt.

De voedingsbodem is bepalend

Als een oude cultuur (in ons geval de klassieke) zich over een nieuwe, nog niet ontwikkelde, cultuur heen legt, is het de laatste die de bepalende is. De verhoudingen die in de laatste klaarliggen en er het wezenlijke van uitmaken zullen zich uitwerken en daarbij voorlopig de vormen aannemen van de overheersende cultuur. In West-Europa zijn dat de vormen van de christelijke cultuur en dat christendom is geworden tot een godsdienst, zoals we op blad 13 besproken hebben. Datzelfde christendom kwam in Oost-Europa in een geheel andere voedingsbodem terecht, die o.a. gevormd was door centraal-Aziatische culturen. In deze situatie werd de christelijke cultuur tot een GELOOF (in de betekenis van "inzicht"). Hierover later meer.

De renaissance

Er wordt beweerd dat men in de "renaissance" (= wedergeboorte) terug ging grijpen op de geest en de cultuur van de klassieken. Zoals echter zo vaak het geval is, is ook dit een al of niet bewuste vertekening van de werkelijkheid. Er was wel een teruggrijpen naar de klassieken, maar dat gold slechts voor de culturele bovenlaag. Voor deze bovenlaag werd het "memento mori" (gedenk te sterven) van de Middeleeuwen vervangen door het "carpe diem" (pluk de dag). De renaissance was er voor de minderheden! Wat er werkelijk doorbrak in Europa was iets wat wij best "humanisme" kunnen noemen, als wij daarbij maar bedenken dat het niet gaat om een of andere intellectuele stroming bij een elite, maar om een nieuw denken en een nieuw werkelijkheidsbesef in de West-Europese wereld. In dat nieuwe besef kwam de individuele mens centraal te staan en dat betekent dat er weer iets voor de dag kwam dat wezenlijk niet zozeer "klassiek" was als wel "Germaans". Nogmaals: de individuele mens behoort niet bij de klassieke wereld; hij is een typisch West-Europees verschijnsel.

De Angelsaksische wereld

Vooral sinds de tweede wereldoorlog verliest de klassieke denkwereld definitief zijn overheersende positie. Gaandeweg neemt het Angelsaksische denken die rol over: alle wetenschappen "verschuiven" van het Latijnse, Franse en Duitse taalgebied naar het Engelse. De politieke macht zakt weg bij Frankrijk, Duitsland en Engeland en komt terecht bij de Ver. Staten en Rusland. Dat wil zeggen: bij de Angelsaksische wereld enerzijds en anderzijds bij een nog weer nieuw besef, dat wij nog zullen bespreken (Rusland). Engeland speelde in dit besef een "overgangsrol".

De moderne filosofie is vrijwel geheel Angelsaksisch. Bij het bestuderen daarvan valt het gemis aan klassieke achtergrond pijnlijk op. Die filosofie is erg zakelijk, rationalistisch en "wiskundig", met nauwelijks enige warmte en menselijkheid. De mensen komen er uiteraard wel in voor, maar zij worden voornamelijk gezien als "verschijnselen" temidden van alle andere dingen. Zij worden dan ook voortdurend vergeleken, voornamelijk wat betreft hun gedrag en hun relaties, met de andere verschijnselen zoals de dieren. Het specifiek menselijke, wat dat dan ook zijn mag, komt voor de dag als een soort van "afwijking". De kunst en het liefdesbegrip worden nauwelijks meer als een thema voor de filosofie gezien. Het gaat bij de Angelsaksische filosofie niet meer om de "liefde" tot de wijsheid, maar om wetenschappelijke kennis over de verschijnselen. We kunnen stellen dat de "klassieke" filosofie uitloopt in Hegel (1770-1831). Zijn filosofie is geheel en al "doorademt" van levensbegrippen en eigenlijk gaat zijn gehele filosofie over de mens, niet als individueel en op zichzelf staand geval, maar als slotakkoord van de werkelijkheid. En van daaruit wordt door hem bijvoorbeeld de kunst uitvoerig besproken, evenals de ontwikkeling van de menselijke geest in de "Fenomenologie des Geistes" van 1806. De filosofie van Hegel is al spoedig door de westerse denkers verworpen. In hen zette zich het Angelsaksische door, dat eigenlijk al begonnen was met Kant (1724 - 1804), die een aanvang maakte met het zakelijk analyseren van de werkelijkheid ter wille van die analyse zelf. Zijn filosofie cirkelt om de vraag "wat kunnen we weten en hoe kom je dat aan de weet". En hier begint het onderzoek van de verschijnselen.

Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16, 22, 23, 32)

 

No. 15

TERRORISME en de genezing daarvan. Zie Fictie/fictieve:A1 - B2 - C3 - D4 - E5 ;

De klassieke cultuurstroom

Aan het begin van West-Europa was de situatie niet zo dat het "klassieke" cultuurgoed - wat dit ook wezen mag - naar de "Germanen" stroomde, maar daar was de ontwikkeling van het machtsdenken die zich via het Romeinse rijk, de omzetting daarvan als "roomse kerk" en de Germaanse voedingsbodem doorzette in de westerse wereld - tot op de dag van vandaag. Om deze ontwikkeling te begrijpen is het nodig een helder beeld te krijgen van het machtsdenken in de oudheid en dat van de Romeinen. Daarna moeten we bezien welke rol het christelijk denken, voor zover het godsdienstig denken is, in dit proces gespeeld heeft. Hierbij is ook de vraag van belang wat de mensen bezielt om zich te onderwerpen aan een "god". In feite maakten de "Germanen" dus kennis met een bepaald aspect van de "klassieke" cultuur. Dat aspect speelde in die klassieke cultuur zelf nauwelijks een rol: de macht, de instellingen daarvan en de werking naar de mensen toe is bijvoorbeeld bij Plato wel ter sprake gekomen, maar niet om de macht zelf te ontmaskeren. De macht was een vanzelfsprekend gegeven waarvan het praktische bestaan als een essentie van de menselijke werkelijkheid beschouwd werd. Maar als deze zaak bij de Germanen terechtkomt wordt alles anders: de macht werd het centrale thema van de West-Europese ontwikkeling. Aanvankelijk de macht van de Romeinse legioenen en later die van de roomse kerk.

Het machtsbegrip in de oudheid

Het machtsbewustzijn van de oudheid was een zaak waarin de bevolking geen rol speelde. Dat betekent dat het als vanzelfsprekend werd ervaren dat de bevolking - het totaal van de individuele mensen - in het machtssysteem opgenomen was. De totale bevolking vormde een geheel en dat geheel was, op zichzelf, een macht en die macht werd gesymboliseerd door de absolute en goddelijke vorst. Er was onder de mensen van de oudheid een sterk "eenheidsbesef", het besef van "bij elkaar behoren". Het zonder meer opgenomen zijn in een "geheel". De vorst was de vertegenwoordiger van dat geheel en bij hem berustte ook de macht van het geheel. Het "staatkundige" geheel werd beseft als een afspiegeling van het geheel dat de werkelijkheid zelf is en dus was de vorst daarvan ook een afspiegeling. Dat verklaart zijn goddelijke en absolute karakter. En voor de mensen, als leden van zoín geheel was dat volkomen vanzelfsprekend. In feite bogen zij dus niet voor de macht, maar waren zij daarvan een onderdeel. Dat betekent niet dat zij aan de macht deelnamen - zoals wij dat, in theorie althans, kennen - maar het betekent in de praktijk juist dat zij hoegenaamd niets te vertellen hadden. Gezien vanuit de macht waren zij er eenvoudig niet. Hoewel de inhoud ervan in West-Europa verloren is gegaan, vinden wij nog overblijfselen van dit oude machtsbesef als christelijken spreken van een door god ingestelde overheid en als Europese vorsten hun status legitimeren door op de "gratie Gods" te wijzen. Bovendien worden "vorsten" geassocieerd met "adel", d.w.z. met de sfeer van het "verhevene", het boven-alledaagse, het goddelijke. Dat wordt duidelijker naarmate we verder teruggaan in de West-Europese geschiedenis. Maar bij de Germanen lag dit besef niet.

De oudheid kende dus niet zoiets als een "individuele macht". De macht van de ene willekeurige mens over de andere lag buiten het gezichtsveld, maar in de praktijk was die er natuurlijk wel. Daarover werd echter niet nagedacht; hij speelde geen rol en in geval van praktische problemen was de wil van de absolute vorst bepalend.

Het Romeinse rijk

Het Romeinse rijk en vooral de stad Rome, was een vergaarbak van alle oude culturen. Zij konden allemaal in Rome terecht en zij werden ook bewust naar Rome toegehaald. Rome heeft de gehele toenmalige wereld bijeen gestolen. Het lag in de aard van de Romeinse cultuur om alles te willen hebben; het ging de Romeinen om het TOTAAL der dingen - dit in tegenstelling tot het besef van de oudheid, toen het om het GEHEEL van de werkelijkheid ging. Het bijeen stelen van het totaal der dingen houdt in dat men die dingen niet vernietigt. Derhalve hielden de Romeinen de door hen veroverde gebieden zoveel mogelijk in stand. Pas bij verzet gingen zij tot vernietiging over. Je hebt immers niets aan gestolen waar die niet meer intact is! Het feit, dat het de Romeinen ging om het totaal der dingen, berust op de ontdekking van het zich ontwikkelende denken dat de werkelijkheid bestaat uit allerlei afzonderlijke dingen. Natuurlijk wist men dat in de oudheid ook wel, maar men ging daarvan niet uit - men ging uit van het "geheel". Nu echter gaat men er wel van uit. Maar de "sfeer" van de oudheid, het "geheel" van de werkelijkheid, leefde nog wel voor de Romeinen en dus kwamen zij er toe dat "geheel" met het "totaal" der dingen te gaan opvullen. De Romeinen waren echte verzamelaars! Maar een verzameling stelt niets voor als daarin geen ordening is aangebracht. Voor zover die verzameling bestaat uit afzonderlijke mensen komt de behoefte tot ordening voor de dag als het formuleren en toepassen van het RECHT. De Romeinen waren de eersten in wie het rechtsbesef wakker werd; voordien was er alleen maar de WET, geformuleerd vanuit het absolute. De vorst stelde vast hoe het zat en zo was het dus en niet anders. Maar de Romeinen regelden de verhoudingen tussen de mensen en dat kan alleen maar als die mensen beseft worden ER TE ZIJN. Op zichzelf is dit een enorme vooruitgang in het denken. Maar met die vooruitgang komt ook het thema van de "individuele macht" en het "individuele belang" voor de dag en gaat voortaan een alles overheersende rol spelen. Dat is mogelijk in West-Europa omdat bij de Germanen deze zaak als het ware klaar lag. Maar er komt door het christendom een nieuwe factor bij: het machtsbesef werd nu niet meer verbonden met het geheel, maar met de individuele mensen. Om te begrijpen hoe dit mogelijk was moeten wij straks gaan bekijken welke rol de christelijke "god" speelde. Dat kunnen wij niet zonder ons af te vragen waar de mensen toch hun goden vandaan haalden, terwijl ze het ogenschijnlijk beter zonder hadden kunnen doen. Voorlopig kunnen wij opmerken dat in Europa een begin wordt gemaakt met de machtsstrijd van iedereen tegen iedereen. In principe worden alle afzonderlijke mensen van nu af aan elkaars vijanden.

De wereldveroveraars

De Romeinen waren uit op wereldverovering omdat zij het totaal van de afzonderlijke verschijnselen - mensen en dingen - wilden BEZITTEN teneinde daarmee het "geheel" op te vullen met haar eigen inhoud: het "totaal". Maar Alexander de Grote (356 - 323 v.o. j.) ging het om de verwerkelijking van het GEHEEL. De wereld was voor hem een wereld omdat de werkelijkheid, die hij immers vertegenwoordigde, een geheel was. Dat is dus een heel andere gesteldheid dan die van de Romeinen, maar in zekere zin hadden beiden, Romeinen en Alexander, nog steeds de werkelijkheid zelf op het oog. De latere wereldveroveraars: de christenen, de Europese vorsten, Napoleon, Hitler, de Russen en de Amerikanen hebben het niet meer over de werkelijkheid, maar over een fictie, namelijk de MACHT over de werkelijkheid. Dat maakt die wereldveroveraars tot zulke gevaarlijke idioten dat zij zelfs de wereld zouden vernietigen als zij hun zin niet kregen. Voor Alexander en voor de Romeinen was zoiets ondenkbaar, zelfs als zij er technisch toe in staat waren geweest.

TERRORISME en de genezing daarvan. Zie Fictie/fictieve:A1 - B2 - C3 - D4 - E5 ;

No. 16

Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16, 22, 23, 32)

De wording van het roomse christendom

Het roomse christendom, het machtsinstituut dus waarmee de Germanen te maken kregen, is vanzelfsprekend ontstaan uit allerlei stromingen van het denken. Je kunt er elementen in terugvinden van vrijwel alle godsdiensten, mythen en filosofieŽn uit de oudheid. Dat spreekt vanzelf als wij ons herinneren dat dit christendom een voortzetting is van de ROMEINSE cultuur, die een verzameling was van de gehele oudheid. Wij geven hiervan nu geen analyse - als dit al mogelijk zou zijn - omdat dit voor ons thema niet van belang is. Wel echter moeten wij inzicht krijgen in de lijn die het denken gevolgd heeft naar het roomse christendom toe. Teruggaande in de tijd moeten wij als eerste stilstaan bij wat ik het "oerchristendom" zou willen noemen, een bij ons tamelijk onbekend verschijnsel omdat het door het roomse christendom angstvallig doodgezwegen wordt. Eerst in het begin van de 20ste eeuw is er, vanuit het protestantisme, weer aandacht aan besteed en wat onderzoek naar gedaan. Ten tweede moeten wij bekijken datgene dat ik de "Grieks evangelische wereld" zou willen noemen. We leggen daarbij de accenten anders dan gebruikelijk is: we benadrukken niet zozeer het natuurwetenschappelijk filosofische denken van de oude Grieken, uitlopende in Plato en Aristoteles, als wel het "gnostische" en het kunstzinnige denken. Ten derde is het oude joodse denken van belang, zoals dat uitliep in de abstractie van Jahwe, de zogenaamde joodse, maar ook christelijke, god. Deze Jahwe was de uiterste consequentie van het abstraheren van de werkelijkheid en als zodanig voor ons van belang om een aantal evangelische inzichten te begrijpen.

Het oerchristendom

In de eerste eeuwen van onze jaartelling ontstonden er rond de Middellandse Zee allerlei "christengemeenschappen", modern gezegd: "communes". Zij stonden in het teken van de gemeenschappelijkheid, kenden geen hiŽrarchie en dus was niemand de baas terwijl de leden behoorden tot de laagste sociale niveaus van de toenmalige maatschappij. Hoewel de Christus gedachte hen samenbond mogen wij toch niet denken aan een soort van kerkgenootschap, dat er enkel is om gezamenlijk de godsdienst te beoefenen. Dat laatste behoort namelijk tot het roomse christendom en het protestantisme. De christengemeenschappen waren in de eerste plaats LEVENSGEMEENSCHAPPEN en dat vanuit de Christus gedachte. In een dergelijke denkwereld past zoiets als het huwelijk niet, hetgeen blijkt uit een aantal van de brieven van de "apostelen", vooral van Paulus. In die brieven worden de mensen uit de "gemeenten" beschuldigd van het niet navolgen van de geboden en van "hoererij". Deze beschuldigingen worden uitermate veelzeggend als wij bedenken dat onze vriend Paulus een der eerste ijveraars voor het roomse christendom was. Er wordt niet voor niets van hem gezegd dat hij een "romein" was! Het roomse christendom was dus tegen de oerchristenen en dat ging, naarmate Rome sterker werd, zo ver dat men de christengemeenschappen met geweld ging uitroeien. Maatschappelijk gezien behoeft dat geen verbazing te wekken: tot op de dag van vandaag wordt de communes het leven onmogelijk gemaakt. Opvallend is evenwel dat het roomse christendom de doodsvijand bleek te zijn van de oerchristenen. En vanaf het moment dat het roomse christendom onder Theodosius (379 - 395) tot staatsgodsdienst werd verklaard (ca. 380) lag ook juridisch de weg open voor gewelddadig optreden. Het ging immers niet om de christelijke GEDACHTE, maar om de MACHT en die kon nu eenmaal niet gevestigd worden met mensen die geen hiŽrarchie kenden en die in vrijheid en gelijkheid wensten te leven. Kortom: met mensen, die het gezag van de bisschop van Rome niet erkenden.

De Oerchristelijke gedachte

Als wij hierover nadenken moeten wij opletten niet in de valkuil van het godsdienstig denken te vallen. De oerchristenen spraken namelijk ook over "god" en over diens zoon "Christus" en over de "heilige geest". En voor hen was er ook de eenheid van die drie. Op grond hiervan zouden wij het allemaal als flauwekul kunnen afdoen, maar wij moeten wel bedenken dat een en ander pas "flauwekul" geworden is in het ROOMSE christendom. Bij de oerchristenen waren "god" en "Christus" en de ďheilige geestĒ" de beelden en symbolen van een bepaalde gedachte over de werkelijkheid en de plaats van de mensen daarin. En die gedachte moeten wij vinden. Daarbij is het van belang dat het die oerchristenen om het LEVEN ging en niet om een of andere theologische dogmatiek. Tekenend is bijvoorbeeld dat zij de redding uit hun treurige bestaan NOG TIJDENS HUN LEVEN verwachtten van de wederkerende Christus. Die Christus zou alle mensen redden en bevrijden uit het lijden van deze wereld. Alle mensen: Christus zou dus niet terugkeren om te OORDELEN over de "goeden" en de "slechten" zoals Rome en het latere protestantisme leren. De gedachte die in Christus uitgedrukt werd had dus te maken met een principe in de werkelijkheid, dat bij ontdekking door de mensen het reddende principe zou blijken te zijn. Om welke ontdekking ging het?

Het ging om de ontdekking dat het "goddelijke" geen abstracte en als zodanig BUITEN en BOVEN de mensen staande werkelijkheid was, maar een werkelijkheid van de mensen zelf. Dat dus iedere individuele mens op zijn wijze een bestaansvorm van het "goddelijke" was. Omdat dit door de toenmalige mensen "ontdekt" werd kwam het hen voor alsof "god" zichzelf tot mens maakte en als zodanig tot "leven" kwam. Dit wordt dan getekend in het verhaal van "Gods zoon" (god anders, dus geen ongrijpbare en ongevormde abstractie, maar een verschijnsel dat bestaat), die naar de aarde afdaalt als een levend mens, die aan de mensen het "leven" schenkt. In feite is dit de vrijheid waarover wij al gesproken hebben. En deze vrijheid houdt gelijkheid in omdat ze voor iedereen geldt. Ze sluit dus elke hierarchie uit; de ongelijkheid van het bestaande wordt "opgeheven". Elke vorm van macht is uitgesloten. En dus ook elke godsdienstigheid. Hoewel de oerchristenen hun inzichten verwoordden in beelden en symbolen uit de heersende (klassieke) cultuur en daardoor de schijn wekten godsdienstig te zijn - althans voor ons - moeten we vaststellen dat zij wezenlijk "atheÔstisch" waren, "anarchistisch" en zelfs wel "nihilistisch". Zij hingen aan geen enkele waarde, erkenden geen macht en gezag en zij wisten zichzelf dragers van het oneindige en eeuwige. Inmiddels is wel duidelijk geworden dat "Rome" van een dergelijke gesteldheid niets moest hebben. Overal waar zoiets later nog weer de kop opstak is met een niets ontziend geweld opgetreden: er zijn meer kruistochten geweest binnen Europa dan tegen de moren in het "heilige land". Rome heeft meer en bloeddorstiger tegen deze ideeŽn gestreden dan tegen de allengs opkomende wetenschap. De brandstapels voor de ketters rookten over geheel West-Europa en daarbij vergeleken zijn er maar enkele wetenschappers vermoord. Nu waren dit inderdaad altijd enkelingen zodat het minder opvallend is, maar dat neemt niet weg dat ook de agressie tegen de wetenschap veel minder was. Het ging meer om het christelijke aanpassen ervan. De destijds gebruikelijke uitspraak "doet dan Christus aan" houdt in dat je zou moeten inzien dat je zelf "Christus" bent. Dit vooronderstelt natuurlijk dat je je eigen individualiteit ontdekt moet hebben. Dit was voor de toenmalige mensen inderdaad het geval, zoals wij reeds besproken hebben. De Romeinen hadden immers het "totaal" van de dingen ontdekt.

Bladwijzer: Aanpassen-1 ; aanpassen-2 ; aanpassen-3 ;Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16, 22, 23, 32)

 

No. 17

De ondergang van het oerchristendom

We hebben er al op gewezen dat de christengemeenten in de eerste eeuwen van onze jaartelling met harde hand door de roomse christenen zijn uitgeroeid. Dat is natuurlijk een treurig feit, maar voor die oerchristenen zelf was de zaak ook onhoudbaar omdat de individualiteit van de mensen inhoud begon te krijgen. Hun persoonlijke eigenschappen werden steeds meer benadrukt en daaraan werd een concrete invulling gegeven. Een ieder kreeg zo zijn eigen belangen en wensen en daarmee werden de mensen langzaam maar zeker gevoelig voor de machtsidee van de roomse kerk. Het benadrukken van het individuele houdt het wegzakken van het gemeenschappelijke in. We moeten daarbij bedenken dat wij met mensen te doen hebben, die binnen het Romeinse cultuurgebied leefden en zich daarmee mee ontwikkelden. Het conflict tussen gemeenschappelijkheid en individualiteit komt vaak voor; denken wij bijvoorbeeld aan het moderne China. De nieuwe generatie heeft de vroegere gemeenschappelijke armoede en de betrekkelijke verlossing daaruit niet meer meegemaakt. De jonge mensen hebben onderwijs genoten en dat heeft hun individualiteit versterkt. Die moet namelijk eerst opgeroepen worden als je hem wilt programmeren. Maar een geprogrammeerde individualiteit is wel een individualiteit en die dringt de gemeenschappelijkheid toch terug - al ligt dit niet in de bedoeling van de machthebbers. Een ander voorbeeld: de moderne communes in het westen kunnen niet bestaan zonder het terugdringen van het individuele, dat in het westen sterk ontwikkeld is. Steeds echter steekt dit individuele na verloop van tijd de kop weer op; het blijkt onuitroeibaar en het is er de oorzaak van dat de communes de een na de ander weer in elkaar zakken. Het oerchristendom had dus vanaf het begin geen mogelijkheden. Er valt hieraan dus niets te idealiseren, maar wel is het van belang om in de gaten te hebben dat de ontwakende individuele mens in en aan zichzelf een niet-materiŽle, abstracte en "goddelijke" werkelijkheid herkende, want vanaf dat moment ging hij zelf met zijn werkelijkheid aan de gang. Hij leerde begrijpen dat hij zelf alles aankon, dat hij zelf de werkelijkheid kon leren doorgronden en dat hij zijn leven in eigen hand had. Dat werd het beeld van de West-Europese mens, langzaam maar zeker. Maar dat beeld werd ook onmiddellijk tweeslachtig omdat de eigen "goddelijkheid" ook de maatstaf werd waarmee men zichzelf meer waarde ging toekennen dan de ander. Hier begint de machtsstrijd.

De historiciteit van Christus

Zoals bekend is er in het westen nogal wat te doen geweest over de vraag of Christus wel echt geleefd heeft. Een typisch westerse vraag! Men denkt dat het geloven aan Christus aanvaardbaar is als hij werkelijk bestaan zou hebben! Hieraan kan men zien hoe platvloers het westerse "geloven" feitelijk is. Maar, tot troost van die "gelovers" moeten wij opmerken dat en Jezus en Christus en al die anderen echt bestaan hebben. Het wemelde destijds van de "profeten" en de "geroepenen" en de "gezalfden" en op de een of andere manier deden zij de mensen geloven dat zij de "echte" waren. "Lou de palingboer" was ook toen overal actief. En van enkele van die "palingboeren" gewaagt de geschiedenis: wij vinden iets bij Flavius Josephus, Plinius, Tacitus en Suetonius. De christenen kunnen dus gerust zijn. Het is allemaal echt waar... In feite gaat het natuurlijk allemaal om een IDEE die de mensen nauwelijks bewust was, maar die door de "palingboeren" handig bespeeld werd - het handigst door de "palingboer" uit Rome, de latere "stedehouder van Christus", de paus. Met deze "gezalfde" hebben wij zelfs vandaag nog een heleboel te stellen; hij wordt over het algemeen nog steeds niet als een handige bedrieger gezien. Men neemt hem, ondanks meningsverschillen, behoorlijk serieus en het getuigt van slechte smaak hem belachelijk te maken.

 

Drie figuren

Als wij nu teruggaan naar de "Grieks evangelische wereld" moeten wij ons voornamelijk richten op de "evangeliŽn", zoals die in het "nieuwe testament" van de bijbel voorkomen. Het is echter een rommeltje met die evangeliŽn omdat ze door de roomse kerk zijn aangepast aan de roomse machtsideeŽn. Omdat men er evenwel toen al niets meer van begreep is er nogal wat oorspronkelijks in blijven staan en dat is voor ons van belang. Dan valt de niet bevooroordeelde lezer op dat er eigenlijk geen sprake is van een Christus of Jezus, maar van een drietal figuren. Blijkbaar was dat nog lange tijd bekend, want Johannes vond het nog nodig zijn gelovigen er op te wijzen dat het noodzakelijk is dat "gij gelooft dat Jezus is de Christus, de zoon van god" (20:31). Hij schreef dat ongeveer een eeuw na Christus. Jezus is de eerste figuur. Hij stamt uit de Joodse traditie en is in grote lijnen te vereenzelvigen met de zogenaamde "Messias", de gezalfde, de verlosser van het joodse volk, die als koning over dat volk zal heersen. Volgens sommigen is hij identiek met Jozua. De "zoon van de mens" is de tweede figuur. Hij is van belang voor de ideeŽn van de Grieks evangelische wereld. Christus is de derde figuur. Hij is eveneens een "gezalfde". Hij geldt als de "zoon van god" in de oorspronkelijke betekenis, zoals wij gezien hebben bij het oerchristendom en hij geldt als een lid van de drie-eenheid uit het rooms christelijke denken. Door deze drie figuren tot een figuur om te smelten kon Rome zich opwerpen als de enige ware godsdienst. De joodse cultuur, de evangelische cultuur en de oerchristelijke waren voltooid in en door Rome. Dat betekende dat alles zich daaraan te onderwerpen had.

De "zoon van de mens"

Deze figuur is een uitbeelding van de gedachte dat de mensheid eens mensen zal opleveren, die "ware mensen" genoemd zouden kunnen worden. In de evangeliŽn wordt zo'n "ware mens" getekend. Dat is dan een mens voor wie alles draait om de "liefde", d.w.z. het "ineen-zijn" van de gehele werkelijkheid. In die liefdevolle werkelijkheid zijn alle mensen opgenomen. Dat betekent dat voor het eerst in de geschiedenis de mens zelf mee gaat tellen. Voordien namelijk moest hij verdwijnen in het "nirwana" (India), of hij bestond eenvoudig niet omdat alleen de abstracte Jahwe een realiteit was, kortom: steeds moest de levende mens verdwijnen. Maar nu kan hij leven, hij is nu een realiteit. Maar die realiteit hield nog wel in dat zijn individualiteit niet van belang was. Het HOE (de hoedanigheid) van die realiteit gold nog niet. Daarom werden alle wereldse waarden afgewezen: verkoop je goederen, verlaat je familie, ga niet eerst je vader begraven, maar laat de doden de doden begraven. De wereld is waardeloos, het is een lijk. Eigenlijk is in het licht van de liefde niets van enige waarde en voor zover je het nodig hebt valt het je vanzelf toe. Een puur nihilistische gedachte! In deze gedachte valt het onbevangen openstaan voor de dingen op: men zou moeten zijn gelijk een kind, zonder te oordelen. Een eenvoudige geest zou men moeten hebben, zonder de gecompliceerdheid van het waarde denken. En we worden geconfronteerd met het beeld van de "hoer". Het voor alles openstaande beginsel dat nergens enige meerwaarde aan toekent. De latere westerse denkers verwijten de "evangelische" mensen dat zij hun volgelingen een droom voorhielden om hen onderdanig en gedwee te houden. Dit verwijt toont aan dat genoemde denkers niet los zijn gekomen van de roomse voorstellingen. Want in feite werd de wereld met zijn machten, oordelen en geweld als een (boze) droom gezien. Een veel geciteerde uitspraak als "geef de keizer wat des keizers is" duidt niet op een eis tot gehoorzaamheid, maar op onverschilligheid voor de keizer. Geef hem die belasting maar, het is toch zonder waarde en het is beter "de boze niet te weerstaan". Later, in het westerse roomse machtsdenken heeft men de boel omgedraaid tot gehoorzaamheid.

Zie bladwijzers: Profeten; De historiciteit van Jezus/Christus;Mohammedaanse-1;

No. 18

De Grieksevangelische wereld

Het is van het grootste belang dat wij de (fragmentarische) denkbeelden, die bewaard zijn gebleven uit de Grieks evangelische tijd, zo onbevangen mogelijk benaderen. Uiteraard moet je dat met alle denkbeelden doen, maar in dit geval is het wel heel erg noodzakelijk omdat wij onwillekeurig de zaak benaderen vanuit het christelijke westerse denken, waarvan wij allemaal een tik hebben meegekregen. Als het ons echter gelukt om onbevangen te zijn, dan zullen wij er toch moeilijk onderuit kunnen dat de bijvoorbeeld in de "Bergrede" (mattheus 5 - 8) vermelde uitspraken over de "armen van geest" (= de eenvoudigen), de "zachtmoedigen", de "barmhartigen", de "vredestichters", enz. van een dusdanig helder inzicht getuigen, dat de mensheid er vandaag de dag nog de grootste moeite mee heeft. En het liefdesbegrip, dat inhoudt dat de werkelijkheid, inclusief de menselijke werkelijkheid, een onverbreekbaar samenhangend "geheel" is, wordt ook nog steeds afgedaan als een utopie, die wel mooi is, maar die niet kan. Wat daarentegen wel schijnt te kunnen is de verscheurdheid, de vijandschap, de verbrokkeling van de mensheid en het vervolgens erover praten hoe we, doormiddel van zogenaamde "machtsevenwichten" de vrede moeten bewaren. De hele zaak is op zijn kop gezet; door nu te menen dat de uitspraken in de Bergrede (en dergelijke) bedoeld zijn om de mensen onderdanig en dom te houden bevestigen wij die op zijn kop gezette zaak. De mensen uit de Grieks- evangelische tijd zagen de werkelijkheid naar haar uiterste menselijke consequenties. Maar dan dat is qua ZIEN niet mogelijk. Wat wel mogelijk is, is het te voorschijn brengen van de inhoud van het geziene. En dat gebeurt dan ook: de individualiteit van de mensen komt gaandeweg voor de dag, de dingen worden bereikbaar voor analytisch onderzoek, kortom, de werkelijkheid wordt uit elkaar gehaald. De culturen na de Grieks evangelische werken het liefdesbegrip (= dat alles ineen is) uit en richten het om te beginnen tevens ten gronde, door het op zijn kop te zetten. Maar: wegblijven kan die ontwikkeling niet, de zaak moet uitgewerkt worden, de individuen en de dingen moeten tot gelding komen omdat het liefdesbegrip zonder inhoud een wezenloos begrip is. De evangelische gedachte dat de mens onverschillig zou moeten zijn voor individuele en maatschappelijke waarden is dan ook op zichzelf wel juist (en ook niet te overtreffen), maar die gedachte kan alleen maar dan een levende realiteit worden als die waarden eerst voor de dag gekomen zijn. Pas dan kan blijken dat alles wat er is zonder waarde is. Met het vervallen van de waarden wordt de werkelijkheid voor de mensen weer een geheel en dan is het liefdesbegrip weer terug. De Grieks evangelische mensen hebben dit proces van uitwerking voorzien. Het verhaal daarvan vinden wij o.a. in de "Apocalyps", waarover later meer.

Het kruis

Het kruis is in de oude tijden een levenssymbool geweest. Het kwam zo ongeveer overal voor, zelfs bij de oude Mexicanen, waar het geassocieerd werd met de zogenaamde levensboom. Het ontwakende leven, dat door het kruis gesymboliseerd werd, kreeg geleidelijk aan de betekenis van het "nieuwe" leven, dat de mens deelachtig zou worden als alle oude waarden afgestorven zouden zijn. Door de verbinding met het "sterven", dat als noodzakelijke voorwaarde voor het "leven" (= het ware leven) werd gezien, is er langzamerhand een verschuiving opgetreden van een levenssymbool naar een doodssymbool. In de westerse christelijke kerken is er dan ook nog het aspect van het "lijden" bijgekomen, d.w.z. het lijden van Christus aan het kruis. Een zeer concrete betekenis dus, zoals gebruikelijk in het westerse denken. Andere aspecten zijn: de verzoening met god en het een-zijn met Christus. Van het levenssymbool is dus niets overgebleven.

De Griekse kunst gewoonlijk legt men geen direct verband tussen de Griekse kunst en de verschillende momenten van de denkontwikkeling. Als het over dit laatste gaat vindt men de Griekse filosofie alleen maar van belang. Zonder dit belang te willen kleineren - we hebben immers te doen met het prille begin van de WESTERSE wijze van denken - moeten we toch begrijpen dat in de Grieks evangelische wereld het ZIEN van de werkelijkheid dominant was. Reden waarom datgene dat in de kunst gestalte kreeg heel wat meer over het toenmalige denken zegt dan de uitspraken van het denken zelf. Het op analytische wijze maken van onderscheidingen stond nog geheel en al in de kinderschoenen. Men "zag" de werkelijkheid wel, maar de concrete inhoud van het geziene moest nog voor de dag komen. Voor de kunst evenwel liggen de verhoudingen totaal anders: de concrete inhoud doet er niet toe, het gaat om het samenhangende, harmonische geheel. Een geheel waar "niets uit springt", een als vrouwelijk geziene werkelijkheid, die al het bestaande tot inhoud heeft. Het ineen-zijn van het bestaande is hetzelfde als het liefdesbegrip. Geen wonder dus dat de Griekse (beeldende) kunst haar hoogtepunt vond in de Afrodite. Zij is de godin van de liefde, zij is "de uit het schuim der zee geborene". Dit laatste wijst op het inzicht dat in Afrodite ook het mannelijke opgenomen was: de vermenging van lucht en water. Oorspronkelijk was zij een vruchtbaarheidsgodin uit AziŽ (Ishtar) en zij is zelfs terug te brengen tot de "Grote Moeder" uit de grijze oudheid. De Griekse Afrodite is de "verbeelding" van de werkelijkheid zelf als het begrip "liefde". Omdat echter in de praktijk van het leven de werkelijkheid uiteen ligt (man en vrouw, dit en dat) behoort bij Afrodite ook het "liefdesverlangen" verbeeld in Eros. Deze god heeft niets met verliefdheid te maken; hij geeft uitdrukking aan het verlangen de werkelijkheid INEEN te doen zijn. Aan dit verlangen geven ook de duiven uitdrukking, die met Afrodite geassocieerd worden. Die duiven verwijzen naar het begrip "vrede". Omdat Afrodite ook als de "hemelkoningin" gezien werd (Durania), ligt de vergelijking met de uit het christendom bekende Maria voor de hand. Maar niet alleen Maria had in Afrodite een voorgeschiedenis. Dit was ook het geval met de "zoon van de mens".

Het verhaal van Dionysos

De verhalen die verteld worden van Dionysos komen vrijwel letterlijk overeen met die van de "zoon van de mens". Beiden moeten sterven en een drietal dagen onder de grond verblijven om op te kunnen staan tot een "nieuw leven", dat het werkelijke leven is. Men noemde dat een eeuwig leven, niet omdat de sterfelijkheid opgeheven zou zijn, maar omdat het een leven was IN HET LICHT VAN de eeuwigheid, het onvergankelijke, het niet-materiŽle. Ook worden beiden verbonden met de wijnrank, die symbool staat voor het geestelijk leven (niet te verwarren met "intellectueel" leven - dat is westers!). Het bokje, dat door de "goede herder", de "zoon van de mens", gedragen wordt, komt eveneens bij Dionysos voor. En zo zijn er nog vele overeenkomsten. Als wij nu bedenken dat de Dionysische gedachte al meer dan 500 jaar voor onze jaartelling gemeengoed was, dan kunnen wij weer eens zien hoe de christelijke kerken de geschiedenis vervalst hebben door het voor te stellen alsof hun "Christus" een volstrekt unieke gebeurtenis zou zijn geweest. De geschiedenis wijst uit dat er eeuwen lang naar de "zoon van de mens" is toegewerkt. Aanvankelijk was hij een godheid en gaandeweg werd hij de uitdrukking van de ware mens. Ter ere van Dionysos werden er in Griekenland jaarlijks feesten gehouden, waaraan 's nachts vooral de vrouwen deelnamen. Dezen lieten zich gaan in seksuele orgiŽn, die uitdrukking gaven aan de gedachte dat het mannelijke de vanzelfsprekende en onvoorwaardelijke inhoud is van het vrouwelijke. Hier ligt dus de verbinding met Afrodite en in het algemeen met de werkelijkheid zelf als het "geheel" waarin alles aanwezig is.

Bladwijzers: Geboren in een Islamitisch land;

No. 19

Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1 ; Opvoeding-1 ;Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1 ; Onderzoeksdoel / Onderzoeksmethode ; Onderzoeksdoel / Objectief onderzoek ; Houvast-1 ; Houvast-2 ;

Het zien van de werkelijkheid

Al bij verschillende gelegenheden heb ik gesproken over het "zien" van de werkelijkheid. Dit is vooral een belangrijk punt bij het leren begrijpen van de Grieks- evangelische mens, maar het is ook goed om het "zien" in verband te brengen met de opvattingen in onze moderne cultuur. Volgens deze opvattingen moet het "zien" van de werkelijkheid als een bron van kennis afgewezen worden, zogenaamd omdat het een "subjectieve" zaak zou zijn, die geen algemeen geldende en controleerbare kennis zou opleveren. Toch blijkt uit allerlei uitdrukkingen in onze taal dat de mensen onbewust beseffen dat "zien" en "inzicht" primaire grootheden zijn: "Ik zie het zo" en "inzicht verkrijgen" en "de oplossing zien", enzovoort. Maar het is niet meer dan een vaag besef, op de voorgrond ligt de mening dat je je kennis zou moeten putten uit het systematisch onderzoek van de feitelijke werkelijkheid om je heen.

De moderne benadering van de werkelijkheid vooral sinds de 19e eeuw is er een denken effectief geworden dat zich richt op de werkelijkheid voor zover die als een verzameling "objecten" om je heen staat. Sindsdien komt al onze kennis voort uit onderzoek van die objectieve werkelijkheid. Dat onderzoek vereist een "objectieve" opstelling van de onderzoeker. Hij doet er als het ware zelf niet in mee, met als gevolg dat de door hem verkregen kennis uit algemeen geldige "feiten" bestaat, die voor een ieder controleerbaar zijn. Men gaat er daarbij als vanzelfsprekend van uit dat die "verzameling objecten" inderdaad de werkelijkheid is en dat men zich daarop moet richten als men er achter wil komen "hoe het zit". Als wij de praktijk van het huidige leven eens nader bekijken, dan merken wij op dat het enerzijds zeker een feit is dat wij inmiddels onvoorstelbaar veel over de dingen aan de weet zijn gekomen, maar dat het anderzijds evenzeer een feit is dat wij ten prooi zijn gevallen aan een grote verwarring en steeds minder weten "hoe het zit". Sociaal en economisch en politiek lukt er steeds minder. De problemen in de wereld zijn vrijwel onoplosbaar geworden. Het ziet er naar uit, dat het onderzoek van de objectieve werkelijkheid in het geheel geen antwoord kan geven op de vraag "hoe zit het". Het is onthullend te vernemen wat de meest vooraanstaande natuurkundige onderzoekers intussen omtrent de werkelijkheid ontdekt hebben.

Resultaten van de natuurkunde

Bij het onderzoek van de materie wordt almaar meer duidelijk dat de werkelijkheid in de grond van de zaak "bestaat" uit elementaire deeltjes, die volkomen ongrijpbaar zijn, die zich onvoorspelbaar gedragen en die soms wel en soms niet bestaan. In de grond van de zaak blijkt die zogenaamde objectieve werkelijkheid er helemaal niet te zijn; de zaak vliedt ons uit de handen, biedt geen enkel houvast en spot met alle "normale" wetten. Bovendien blijkt de elementaire werkelijkheid niet los te staan van degene die haar, doormiddel van allerlei apparaten, waarneemt. Er is dus geen scheiding tussen het "object" en de "waarnemer". Dat betekent dat deze altijd "meedoet" in het onderzoek en zelfs het bestaan van de elementaire werkelijkheid bepaalt. Hoe absurd het ook klinkt: zonder de waarnemende mens bestaat de elementaire werkelijkheid helemaal niet! En met de waarnemende mens kan men slechts vaststellen dat er "gebeurtenissen" zijn zonder te weten of daar "dingen" bij betrokken waren. De zaak bestaat dus "voor ons" en een objectief bestaan kan niet aangetoond worden. De zaak is er alleen maar als de mens wel meedoet. De sinds de 19e eeuw vereiste "objectiviteit" blijkt bij nader onderzoek een onmogelijkheid te zijn, iets wat men allang had kunnen weten als men zich had willen realiseren dat elk onderzoek door een mens bepaald wordt: hij zoekt iets bepaalds uit en krijgt daardoor resultaten.

Geen enkel onderzoek wordt in het wilde weg gedaan. Het is noodzakelijk dat men een bepaald onderzoeksdoel voor ogen houdt en wat de bedoeling ook is, steeds heeft de mens dat zelf bepaald en dus verschijnen de resultaten onveranderlijk in het licht van het gestelde onderzoeksdoel. In feite is er dus nog nooit "objectief" onderzoek gedaan - om de eenvoudige reden dat dit volslagen onmogelijk is. Dus ook hier vertoont de werkelijkheid zich zoals WIJ van haar verwachten. De onderzoeksmethode is om dezelfde reden niet objectief, want wij hebben zelf de logica daarvan vastgesteld. De moderne benadering van de werkelijkheid levert VOOR ONS erg veel kennis op, maar blijkt uiteindelijk de "waarheid" omtrent de werkelijkheid niet op te leveren. Dit is al lang geleden door de mensen uit de oudheid en het oosten ontdekt. Men zei "er ligt in de werkelijkheid van de dingen geen waarheid, die werkelijkheid houdt geen stand voor het denken, die werkelijkheid is een illusie". Maar, vooral sinds de 19e eeuw, zijn dergelijke uitspraken afgedaan als "dichterlijk", "romantisch" en vooral "onwetenschappelijk". Pas sinds kort besteedt men weer aandacht aan dit oude denken.

Het zien is de enige zekerheid

Als het gaat om de vraag "hoe zit het met de werkelijkheid" vinden wij geen houvast aan de "objectieve" werkelijkheid (die blijkt te vervluchtigen), maar aan de werkelijkheid in onszelf. Met deze werkelijkheid zijn wij sinds lang niet meer vertrouwd, vandaar dat wij dit "innerlijk" wantrouwen. En wij kunnen ons niet indenken dat in onszelf (=subjectief) iets "algemeens" zou schuilen, iets dat voor alle mensen hetzelfde is. Het "subjectieve" is verwerpelijk, want het kan niet zo zijn dat IK de maat ben voor mezelf. De werkelijkheid in onszelf omvat de gehele werkelijkheid en wel op de wijze van een beweeglijke verhouding, die alle mogelijke verhoudingen in zich sluit. Deze beweeglijke verhouding vormt als het ware een "beeld" in onszelf en het is de kunst dit beeld te leren zien. Men noemde dit vroeger de "zelfaanschouwing". Het opmerkelijke van deze zelfaanschouwing is het onmiddellijke karakter ervan. Als je het ziet, dan zie je het en je hebt daarbij niets anders nodig. Geen instrumenten voor onderzoek, geen voorafgaande opleiding en kennis, niets van dat al. Omdat je er niets bij nodig hebt, zelfs geen eigen zintuigen, kan de zaak ook niet vertekend zijn - je ziet de echte werkelijkheid. In het westen is men overgegaan op de "middellijke" methode ( zintuigen en instrumenten en kennis), maar men heeft zich toch steeds afgevraagd wat de werkelijkheid "achter de dingen" zou zijn. En men heeft besloten dat je daar onmogelijk achter kunt komen. En dat klopt, als je de "middellijke" methode kiest, maar het klopt niet als je overgaat tot zelfaanschouwing zodat je de werkelijkheid in jezelf leert zien.

Overigens: eigenlijk weten de westerse wetenschappers dit ook wel, want zij zeggen zelf dat je voor een grote ontdekking "inspiratie" nodig hebt. Alles begint met een "inval", zoals de grote natuurkundige Niels Bohr opmerkte. En een "inval" of "inspiratie" is niets anders dan een onverwacht ZICHT op de werkelijkheid in jezelf. Ik kan in het verband van deze cursus niet aantonen dat ons bewustzijn (niet te verwarren met zelfbewustzijn) hetzelfde is als de werkelijkheid als beweeglijke verhouding in onszelf.(Voor uitleg: zie Beweging en Verschijnsel op deze homepage). Het moet dus bij een BEWERING blijven, maar ik kan er wel op wijzen dat het bestaan van dit bewustzijn ons om te beginnen onwaarschijnlijk voorkomt omdat wij opgevoed zijn in een denken dat zich naar buiten richt (= objectiverend) in plaats van naar binnen. Onze gehele wereld is vrijwel uitsluitend een "buitenwereld" geworden en bij de meeste mensen is het "bewustzijn" in ernstige mate verwaarloosd. Doordat zij daar de "waarheid" niet zoeken verdwalen zij in de buitenwereld en begrijpen tenslotte nergens meer iets van. Als de "ouden" tot wijsheid wilden komen trokken zij zich dan ook uit de buitenwereld terug om zich te concentreren op de zelfaanschouwing.

Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1 ; Opvoeding-1 ;Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1 ; Onderzoeksdoel / Onderzoeksmethode ; Onderzoeksdoel / Objectief onderzoek ; Houvast-1 ; Houvast-2 ;

 

No. 20

Waar zit de moeilijkheid?

Als het over het "zien" gaat stuiten wij op een grote moeilijkheid. Niet omdat de zaak op zichzelf zo moeilijk is - mijns inziens is hij zelfs heel eenvoudig - maar omdat wij totaal niet gewend zijn op deze wijze te denken. Wat betreft het "zien" gaat het over het volgende: de mens is "gewoon" ontstaan in de kosmos, als gevolg van een proces dat alle verschijnselen oplevert. Het proces is een uit elkaar voortvloeien van beweeglijke verhoudingen, zodanig dat aan het einde ervan een beweeglijke verhouding optreedt die alle voorgaande mogelijkheden inhoudt. Dat is mogelijk juist omdat de zaak beweeglijk is en blijft. En nu gaat het er voor de mens om deze allesomvattende beweeglijke verhouding te leren zien. Het begrip "zien" is hier van toepassing, omdat genoemde beweeglijke verhouding samenvalt met het begrip "beeld". Je kunt zeggen: in ieder mens komt het "beeld" van de werkelijkheid voor en dat is voor iedereen HETZELFDE beeld. Maar niet iedereen ervaart dat beeld op dezelfde wijze, want de ervaring gaat via het "zelfbewustzijn" (eventueel: het denken) en nu is het maar de vraag in hoeverre dat zelfbewustzijn in staat is dat beeld zuiver te zien. Dat hangt weer af van de vraag in hoeverre het zelfbewustzijn "geprogrammeerd" is. Juist omdat het moderne zelfbewustzijn vrijwel geheel bevangen is in de programma's lukt het haast niet om het beeld zuiver te zien en dat heeft tegelijk ten gevolge dat men moeilijk kan inzien dat de "waarheid" in de mens zelf te vinden is en niet daarbuiten. De moeilijkheid zit dus niet in de "zaak", maar in ons.

Voorbeelden van beweeglijke verhoudingen

Alle voorbeelden schieten tekort, maar toch is het nuttig er enkele te noemen om enigszins met de zaak vertrouwd te worden. We kunnen denken aan de slinger van een klok. Tijdens de slingerbeweging doorloopt de slinger alle mogelijkheden, zonder bij een mogelijkheid stil te blijven staan. Bij het zien van de bewegende slinger zien wij dus al die situaties en zo zien wij ook in ons bewustzijn (= het beeld) alle situaties van de werkelijkheid. Maar omdat elke situatie onmiddellijk overgaat in een volgende zien wij de zaak als "algemeenheid" en niet als een verzameling van bepaalde situaties. Dat laatste is de concrete werkelijkheid. Een ander voorbeeld is het beeld van onze televisie. Dat beeld ontstaat door een grote hoeveelheid trillingen, die op zichzelf van geen belang zijn, maar die in hun voortdurend naar elkaar overgaan een beeld vormen. Een beeld van de werkelijkheid die niet echt bestaat, maar "als beeld" toch reŽel is. Het voorbeeld gaat natuurlijk mank omdat onze televisie telkens een stukje van de werkelijkheid laat zien en niet de werkelijkheid als geheel. Maar het is toch een goed voorbeeld van een trillingsverschijnsel dat een beeld geeft. Als laatste voorbeeld kunnen wij denken aan een geluidsopname van een symfonieorkest. Alle verschillende instrumenten vloeien bij de opname samen in een (gecompliceerde) trilling, die evenwel bij het "terugvertalen" tijdens de weergave weer uiteen valt in de verschillende klanken van de gebruikte instrumenten. Die ene trilling (op de grammofoonplaat bijvoorbeeld) houdt dus al die verschillende mogelijkheden in en die mogelijkheden zijn bij de weergave hoorbaar. In het trillingsverschijnsel dat de mens is (de gehele kosmos is immers in zichzelf beweeglijk) zitten alle andere trillingsverschijnselen besloten. Dit is zo omdat de mens het laatste station van het bovengenoemde proces is. Ware dit niet het geval, het hele verhaal zou, althans voor de mens, niet opgaan. Bovendien is het van belang om in te zien dat het "beeld" in ieder mens precies hetzelfde moet zijn omdat het het proces is dat tenslotte deze zaak oplevert. Ieder mens IS dat beeld, ongeacht zijn persoonlijke

.

Wat met dat beeld aan te vangen?

Aan dat beeld zelf valt niets te rommelen, het is er gewoon, onaantastbaar voor mijn wil. Net zoals de maan en de zon er zijn. Maar met het "zien" er van ligt het anders. Dat "zien" namelijk is een ervaring van mijn zelfbewustzijn. En nu is het maar de vraag of mijn zelfbewustzijn in staat is dat beeld onvertekend te zien. De moeilijkheid hierbij is dat wij doorgaans niet in de gaten hebben dat het beeld vertekend is, d.w.z. dat onze ervaring van het beeld onzuiver is. In de westerse wetenschappen heeft men dat al vroeg ontdekt en men heeft getracht dit probleem op te lossen door zich op onderzoekende wijze op de uiterlijke werkelijkheid te richten. Met als resultaat deze waarheid: er is in die werkelijkheid geen waarheid, zie no.19. Dat is op zichzelf een onvoorstelbaar belangrijke ontdekking die, eenmaal gemeengoed geworden, zelfs wel "revolutionair" genoemd kan worden. Vooral omdat het de basis is voor het geleidelijk vervallen van de waarden. En dat heeft tenslotte als resultaat dat aan de machtstelsels alle grond ontnomen wordt. Maar ook wordt het dan voor de mensen mogelijk hun zelfbewustzijn te zuiveren van de heersende programmeringen. Naarmate dat gaat gelukken komt het zuivere zicht op de werkelijkheid weer terug.

De culturen

Onder een "cultuur" versta ik een allesoverheersend denkbeeld waaraan de mensen zich aanpassen. Dat aanpassen vindt tot op de dag van vandaag plaats, maar het zal in de verre toekomst niet zo blijven. Naarmate namelijk de mensen doordrongen raken van het feit dat zij de waarheid in zichzelf moeten zoeken worden zij minder ontvankelijk voor van buitenaf ingebrachte programma's. Aangezien die programma's behoren tot het "cultuurpakket", zal zo'n cultuur gaandeweg haar invloed verliezen totdat er helemaal geen cultuur meer zal zijn. We kennen dit proces uit ons eigen leven: als wij "onszelf" willen zijn moeten wij onze eigen "identiteit" zoeken en met het vinden daarvan onttrekken wij ons aan de pressie van de buitenwereld. Op den duur zal er dus een "cultuurloze" wereld zijn, een wereld zonder alles overheersende dwingende denkbeelden. Omdat dit het geval is, zal het in de toekomst niet meer mogelijk zijn om bepaalde "grote ontdekkingen" te misbruiken voor het verkrijgen van macht. Er kan dan dus geen godsdienst of ideologie meer van gemaakt worden. Maar voorlopig zal de "cultuurdwang" nog op allerlei manieren voortduren. Toch is er nu al in de mensheid een ontwikkeling aan te wijzen die duidt op het verval van machten. Overal in de wereld is men bezig zich te bevrijden. Dat gebeurt voorlopig nog wel op een primitieve manier, zodat men zich steeds weer aan nieuwe machten uitlevert, maar het gebeurt toch. De machten zijn niet meer zo vanzelfsprekend als voorheen het geval was. Vandaar dat de machthebbers zich tegenwoordig van heel slimme trucs moeten bedienen om hun machtswellust door te zetten.

De cultuur in de Grieks evangelische wereld

De Grieks evangelische mensen leefden natuurlijk temidden van allerlei vormen van cultuurdwang. Maar voor henzelf gold die dwang niet, omdat zij in het teken stonden van de zelfaanschouwing van de werkelijkheid. Wat dat betreft kunnen wij zeggen dat wij met "volwassen" mensen te doen hebben, mensen die de waarheid kennen. Bij monde van de "Zoon van de mens" zeiden zij dan ook van zichzelf. "Ik ben de weg de waarheid en het leven". Daarmee bedoelden zij niet zichzelf te verheffen, maar juist het tegendeel: zij gaven te kennen overeen te komen met de echte werkelijkheid. Op grond van deze gesteldheid hebben zij in de cultuur - als dwingend denkbeeld - geen rol gespeeld. Zij zijn spoorloos verdwenen en nog slechts te herkennen uit de door de godsdiensten misbruikte oude geschriften. Wel echter is het Griekse aspect, de kunst, bewaard gebleven, onder andere in de prachtige uitbeeldingen van de godin Afrodite.

Bladwijzer: Aanpassen-1 ; aanpassen-2 ; aanpassen-3 ;

No. 21

TERRORISME en de genezing daarvan. Zie Fictie/fictieve: A1 - B2 - C3 - D4 - E5 ;

Twee mogelijkheden in de kunst

Cultureel gesproken, dus in het licht van allesoverheersende denkbeelden, kunnen wij de ontwikkeling van het denken belichten vanuit een tweetal, van elkaar verschillende, grondsituaties. In beide situaties is het "zien" de factor waarom alles draait. Zonder dit "zien" komt de mens niets aan de weet, of, anders gezegd: zonder het "zien" kan het zelfbewustzijn (niet te verwarren met het bewustzijn) geen enkele inhoud krijgen. Alles, ook het verwerven van wetenschappelijke kennis, is op het "zien" gebaseerd. Je moet immers een "inval" krijgen, er moet je iets "opvallen" om er toe te komen de zaak te gaan uitzoeken. Het is echter wel de vraag wat er gezien wordt. Welnu, om te beginnen wordt voor de mensen de werkelijkheid zelf - langzaam maar zeker - helder. Zij wordt voor de mensen zichtbaar, zoals in een aanvankelijk donkere kamer bij het lichter worden de daarin aanwezige voorwerpen zich vertonen voor het oog. Tenslotte is het licht. Meer dan "licht" kan het niet worden en dus houdt dat gedeelte van de ontwikkeling op. Dat is het geval aan het einde van de oudheid. Daarna gaan de mensen de nu zichtbaar geworden dingen bekijken en onderzoeken. Daartoe halen zij de dingen steeds verder uit elkaar. Naarmate die ontwikkeling voortschrijdt komt er een almaar groter wordende hoeveelheid van steeds kleinere dingen te voorschijn. Tenslotte ziet men door de bomen het bos niet meer, verwarring heerst alom. Maar, ook dat gaat voorbij: aan het eind van het uit elkaar halen (= de analyse) blijkt dat er niets over blijft. Als dat eenmaal het geval is verdwijnt ook de ILLUSIE. De illusie namelijk dat de veelheid van uit elkaar gehaalde dingen de werkelijkheid zou zijn. Daarmee is de tweede ontwikkelingsfase aan zijn eind gekomen.

Schematisch: het helder worden van het "zien" (uitlopende in het "Zien") - de analyse van de dingen (uitlopende in het "niets"). Dit nu vinden wij in de kunst terug. Kunstzinnig gesproken is te zeggen dat de kunstenaars van de oudheid het min of meer heldere beeld van de werkelijkheid, zoals zij dat in zichzelf herkenden, gestalte gaven. Het ging hen dus nimmer om het laten zien van de dingen, maar zij hadden de dingen wel nodig om de zaak ervaarbaar, zichtbaar te maken. Zo is de door ons al genoemde Afrodite niet de een of andere bepaalde dame, maar zij is het beeld van de werkelijkheid (gezien als vrouwelijke liefde), uitgedrukt in "de" vrouw. Er wordt verteld dat de Griekse beeldhouwer schone details van verschillende vrouwen samenvoegde tot zo mooi mogelijk "de" vrouw. Omdat de periode van de analyse nog niet aangebroken was vertoonde die vrouw geen bepaalde kenmerken: geen handeling, geen situatie, geen bepaalde karaktertrekken en geen emoties. Voor zover dat echter toch het geval was, diende dit tot uitdrukking van een verhaal over een aspect van de werkelijkheid en niet om een concrete gebeurtenis te laten zien. De westerse kunst, te beginnen met de Romeinen, ontwikkelde zich al dadelijk tot iets anders - hoewel er zeker van een overgangsperiode te spreken is. Men ging in het westen de afzonderlijke dingen laten zien: een bepaalde persoon, een bepaald landschap, een bepaalde gebeurtenis, enz. En, als het ware door zo'n voorstelling heen, liet men "de" werkelijkheid, zoals men die in zichzelf herkende, zien. Naarmate dat beter gelukte werd het kunstwerk mooier, want het gaat in de kunst, althans als zij op "schoonheid" gericht is, steeds om het gestalte geven aan de werkelijkheid zelf, zoals die als "beeld" in de mensen zelf zichtbaar is. In de moderne westerse kunst is de zaak, onder invloed van de zich doorzettende analyse, iets anders komen te liggen omdat men ook daar, wat betreft de analyse van de dingen, bij het "niets" is terechtgekomen. Men noemt dat, m.i. ten onrechte, "abstracte kunst". Rembrandt schilderde in de eerste plaats Hendrikje Stoffels (Louvre), maar daar doorheen straalt "de" werkelijkheid. Overigens naar een bepaalde, psychische situatie. Wellicht kunnen wij bij gelegenheid hierop nader ingaan.

De genoemde voorbeelden betreffen de beeldende kunst, maar precies hetzelfde is over alle andere kunstvormen op te merken. Wij moeten er echter wel op letten dat wij niet het een boven het ander gaan verkiezen. Omdat de innerlijke werkelijkheid (= het beeld) alleen maar via de uiterlijke verstaanbaar gemaakt kan worden is het zowel mogelijk het innerlijke als het uiterlijke als uitgangspunt te nemen, waarbij de verhouding tussen beide zo ligt dat het steeds gaat om het innerlijke. Degene die het in blad 19 besprokene duidelijk is, zal opmerken dat de westerse wetenschappelijke ontwikkeling aan die van de kunst parallel loopt.

Nog enkele opmerkingen over het "zien"

In de Grieks evangelische tijd kon de mensheid de werkelijkheid zien zoals zij werkelijk is. Maar, uiteraard kwam dat maar in enkelingen duidelijk voor de dag. Zo'n enkeling was bijvoorbeeld degene die de "BERGREDE" opgeschreven heeft. Maar, in die tijd waren er veel meer van die enkelingen, die echter achteraf voor ons moeilijk te herkennen zijn omdat zij zich terugtrokken in geheime genootschappen en zich bovendien bedienden van een geheimtaal, vol met moeilijk te achterhalen symbolen. Zij deden dat voor hun eigen lijfsbehoud omdat de gevestigde machten heel wel begrepen dat dergelijke "zieners" een grote bedreiging vormden voor de gevestigde instituten. Terwijl anderzijds die geheimtaal en die symbolen, gevoegd bij zekere rituelen, volop aanleiding gaven voor het ontstaan van allerlei godsdienstige sekten, waarvan de nu nog bestaande zogenaamde Koptische Kerk een voorbeeld is. Hoewel het moeilijk is het kaf van het koren te scheiden, blijft toch van kracht dat de toentertijd geziene werkelijkheid "de" werkelijkheid was. En het belang van die "ontdekking" kan niet gemakkelijk overschat worden. Want de "ontdekking" van die werkelijkheid ligt aan de basis van onze huidige wereld. Er zou geen analyse van de werkelijkheid, geen onderscheid tussen de dingen en de mensen mogelijk zijn geweest zonder die "ontdekking". En dat heeft twee kanten: het voor de dag komen van de menselijke persoonlijkheid, maar tegelijk het zich doorzetten van de vijandschap tussen de mensen. Zozeer zelfs dat wij het thans normaal vinden en er nauwelijks bij stilstaan dat de mensen elkaars vijanden zijn. Wij zeggen dan ook: zo is de mens nu eenmaal en daarom moeten wij proberen elkaars vijandschap zoveel mogelijk in te dammen. En het komt nauwelijks meer in ons op dat de mens zo helemaal niet is, maar zich zo gedraagt omdat hij de geanalyseerde werkelijkheid voor "de" werkelijkheid houdt. En dus in een illusie, een fictie, leeft. Gezien vanuit die fictie heeft de generaal die zich voor de vrede bewapent volkomen gelijk. Maar hij is het slachtoffer van een kwalijke cirkelredenering: hij vindt dat we elkaars vijanden zijn, gaat op grond daarvan de mensen te lijf en verklaart vervolgens dat je uit dat elkaar te lijf gaan kunt leren dat we elkaars vijanden zijn. Tijdens de heksenvervolgingen zei men: natuurlijk bestaan er heksen, zij worden immers op de brandstapels ter dood gebracht! Dergelijke cirkelredeneringen ontstaan door het "zien" van een fictieve (= geanalyseerde) werkelijkheid. Je kunt je afvragen wat er aan te vangen is met het "beeld" van de echte werkelijkheid of wat de bedoeling ervan is. Je zou dan kunnen zeggen dat er niets mee te doen is en dat het ook geen bedoeling heeft. Het beeld is er gewoon, maar het heeft wel een wijze van denken en een zekere levenshouding ten gevolge. De Grieks evangelische mensen bijvoorbeeld wendden zich af van de "wereld" omdat zij daarin alleen maar onechtheid en leugen aantroffen. Voor ons kan dat niet meer gelden omdat wij, met het voor de dag komen (min of meer) van onze persoonlijkheid, zelf een deel van de "wereld" geworden zijn. Wij kunnen niet meer - maar ook niet minder - doen dan er voor zorgen dat ons persoonlijke "wereldje" in orde is. En dan zit je bepaald niet "zonder werk". In die zin is ons leven meer een "opgave" dan een vrijelijk "er zijn".

TERRORISME en de genezing daarvan. Zie Fictie/fictieve:A1 - B2 - C3 - D4 - E5 ;

No. 22

Bladwijzers: Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16, 22, 23, 32)†††† Veiligheid-1(t/m 23) ; Veiligheid-2 ; Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1 ; Opvoeding-1 ;Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1 ; Gewone mensen-1 (nrs. 22 t/m 24 );Gewone mensen-2 ( no.33);Redelijkheid pag. 10 en 11 ; Filosofen en Pedagogen pag 22 en 23 ;

De rol van de ďgewoneĒ mensen

Toen wij spraken over de Grieks evangelische mensen en trouwens ook bij andere gelegenheden, is er steeds naar voren gekomen dat het onveranderlijk enkelingen waren in wie de essentie van de denkontwikkeling naar voren kwam en dat de gewone mensen hun onopvallende dagelijkse gang gingen. Die gewone mensen zien doorgaans geen kans om aan de druk van hun cultuur te ontkomen. Hun dagelijkse leven speelt zich min of meer binnen de grenzen van het ingeprogrammeerde patroon af en dat houdt in hoofdzaak in dat zij hun leven lang bestuurd en geleid worden. De vrijheid van leven is voor hen niet weggelegd. In verband daarmee is de vraag te stellen wat je aan moet met het denken, met de filosofie en bovendien moet je je afvragen welke rol de filosofie heeft toebedeeld aan de gewone mensen. Deze en dergelijke vragen zijn op dit moment van onze uiteenzetting over de ontwikkeling van het denken van belang, mede in verband met het feit dat wij geconstateerd hebben dat in het Grieks evangelische denken voor het eerst in de geschiedenis de mens zelf te voorschijn kwam (zie blad 17/2).

De filosofie en de gewone mensen

Bij het bestuderen van de westerse filosofie, zo ongeveer vanaf Kant en Hegel tot en met de moderne academische filosofie, valt het op dat de gewone mensen steeds als onmondigen worden gezien. Als je dat historisch bekijkt, d.w.z. in het licht van de opeenvolgende heersende culturen, is het te verdedigen dat de gewone mensen onmondig zijn. Zij immers vormen de grote meerderheid van de geprogrammeerden die als zodanig altijd geleid moeten worden. Ontgaat het je nu dat het nodig hebben van leiding niet voortspruit uit een soort onvermogen, zelfs een soort van minderwaardigheid, van die gewone mensen, maar louter en alleen te danken is aan de vrijwel onontkoombare programmering vanuit de cultuur, dan veronderstel je automatisch dat de gewone mensen in de toekomst ook wel geleid zullen moeten worden. Dat is een kwalijke kortzichtigheid, die helaas de gehele westerse filosofie kenmerkt. Zelfs de moderne, toch vaak sociaal bewogen, filosofen vliegen er in. Er zijn slechts enkele gunstige uitzonderingen, maar die worden in het algemeen door de gevestigde filosofen (allemaal academici) niet serieus genomen. Men kan zeggen: "de gewone mensen komen in de filosofie nog steeds niet voor", als men tenminste die gewone mensen recht wil doen en hen als zelfstandige mensen wil beschouwen in de toekomst. Globaal gesproken komt men in de huidige filosofie hierop uit dat men de oplossing van het probleem zoekt in het zich op den duur op menselijke wijze veranderen van de "leiders", de "bestuurders". Op den duur zullen de "bestuurders" niet meer uit zijn op hun eigen macht en die van hun staten, maar op het "welzijn" van de gewone mensen. Plato reeds stelde voor (ongeveer 380 v.o. j.) dat de filosofen in de toekomst de ideale staat zouden moeten besturen omdat zij het beste op de hoogte zouden zijn van de voorwaarden van het menselijk geluk. Maar aan het begin van de 19e eeuw merkte Hegel op dat je met die dromers niet ver zou komen omdat zij zich met alles, behalve praktische zaken plegen bezig te houden. Hegel en zijn tijdgenoten zagen meer in "verlichte koningen" die, op grond van gedegen filosofische scholing, de mensheid naar het goede doel zouden leiden. Hoewel zij in de wolken waren over de klassieke Griekse democratie vonden zij zoiets voor de toekomst heilloos omdat in de democratie de middelmatigheid zich breed zou maken en al het goede en mooie zou verstikken. Op zichzelf nog niet zo gek bekeken! Nietzsche hield het maar liever op een ‹bermensch, terwijl Ortega y Gasset met schrik de "Opstand der horden" (1930) zag naderen. En ontelbaar zijn de filosofen die hoopten op "opvoeding" en "motivering" van de massa - een nieuwe vorm van programmering dus. En, goed geraden: de leiding zou moeten berusten bij goed getrainde kaders!

Al met al komen "wij", eenvoudige bewoners van een rijtjeshuis, er nog steeds niet aan te pas. Wij kunnen pas mee gaan tellen als wij ons gaan veranderen overeenkomstig de normen van het doel, dat door de dames en heren denkers aan de weg van de mensheid gesteld is. Die dames en heren denken nog immer "teleologisch", d.w.z. doelgericht, doch het is uiteraard maar de vraag of de weg van de mensheid wel een doel heeft. En ook is het de vraag of het "goede", dat dan bedoeld zou zijn ook inderdaad voor mij het goede is. Er zijn allerlei verhalen over de heilzame werking van een "macht ten goede", maar alleen al het feit dat het dan toch gaat over een MACHT, die noodzakelijk samengaat met een of ander programmerings-mechanisme, moet er een aanwijzing voor zijn dat we nog steeds niet te doen hebben met een denken waarin alle mensen een zelfstandige plaats vinden. Sommige filosofen hebben geopperd dat het goed zou zijn om de kinderen op de scholen het filosoferen te leren en het Humanistisch Verbond is al jaren in de weer om humanistische geestelijke vorming bij het onderwijs ingang te doen vinden, allemaal met de bedoeling de gewone mensen geestelijk op een hoger plan te brengen. Initiatieven die goed bedoeld zijn. Maar toch moeten wij nooit vergeten te vragen: wie bepaalt de leerstof en wat is het goede doel? Het zou beter zijn als de filosofen en pedagogen eens bij zichzelf te rade gingen. Zij zijn immers altijd bezig de gewone mensen aan hun denken aan te passen in plaats van zich af te vragen of er in hun eigen denken ten aanzien van de gewone mensen niet iets rammelt. Altijd moeten de gewone mensen iets: zij moeten zich organiseren, zij moeten dienstweigeren, zij moeten tegen Pinochet in opstand komen, zij moeten politiek bewust worden, enzovoort. En het opmerkelijke is dat zij dat allemaal NIET doen. Dan worden zij prompt "apathisch" gevonden en sommigen gaan zelfs zo ver dat zij opmerken dat "de mensen het te goed hebben". Cynischer kan het al niet. De mensen hebben het nooit "te goed" en degenen die het echt "te goed" hebben zijn precies diegenen die van alles van de gewone mengen verwachten! Voor die gewone mensen is dat steeds bedreigend, het maakt hen onzeker en zij gaan zich onveilig voelen.

Denken over de mens en de werkelijkheid††

Elke filosofie waarin men niet zoekt naar het leren begrijpen van de mensen zoals zij op deze planeet verschenen zijn, is een wensfilosofie die niet verder kan komen dan bepaalde mooie idealen, zoals het ideaal van de ‹bermensch er een is. Het is dan een mislukte filosofie ondanks alles wat tot helderheid is gekomen. Als je de menselijke werkelijkheid, het menszijn, moet veranderen om haar aan de filosofie aan te passen deugt die filosofie niet. Zij heeft alleen maar uit te zoeken hoe het zit en de eis dat de filosofen de wereld eens zouden moeten veranderen is onzin. De wereld verandert naarmate de mensen in de gaten krijgen hoe het zit. Zij verandert niet door de idealen van de filosofen en andere denkers.

Veiligheid

Als wij over de mensen nadenken en we bezien eens hun gedoe op deze wereld, dan kunnen wij opmerken dat alles draait om de veiligheid. De mensen weten heel goed dat er rampen kunnen gebeuren die niemand in de hand heeft, maar ook weten zij dat de grootste bedreiging gevormd wordt door rampen die wij wel in de hand zouden kunnen hebben. En tegen die zaken willen de mensen zich beveiligen, zij willen er wat dat betreft zeker van zijn dat zij de avond halen. Dat is de basisvoorwaarde voor hun leven. Het is waar dat zij in hun onbegrip (= niet weten hoe het zit) doorgaans hun toevlucht zoeken bij schijnveiligheden, maar ook dan zoeken zij veiligheid. Het is dit menselijk verlangen dat wij als uitgangspunt voor ons denken over de gewone mensen, dus "de" mensen, moeten nemen. Zonder dat blijven wij ronddraaien in het kringetje van onze eigen (filosofische) idealen.

Bladwijzers: Opvoeden/opvoeding/opgevoed-1 ; Opvoeding-1 ;Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1 ;

No. 23

Programma en leiding

In de filosofie besteedt men nauwelijks aandacht aan het feit dat de kwaliteit van onvolwassen samenlevingen uitsluitend bepaald wordt door de aard van de programmeringen en de effectiviteit daarvan. Daardoor ontgaat het dikwijls aan de denkers dat bepaalde vormen van menselijk gedrag geen specifiek en fundamenteel gegeven zijn, maar daarentegen GEVOLGEN van ingeprente patronen in het zelfbewustzijn. Die ingeprente patronen heffen zich in de loop der tijden weer op en maken gedurende lange tijd plaats voor weer andere ingeprente patronen. Dit is het geval zolang de mensheid nog onvolwassen is. Het is logisch niet anders denkbaar dan zo, dat bij een volwassen mensheid de ingeprente programma's opgelost zijn en dat er geen mogelijkheid meer bestaat nieuwe in te voeren. Dit komt doordat het zelfbewustzijn zijn vrijheid weer teruggekregen heeft - wij hebben hier over al eerder gesproken. Vrijheid betekent in dit verband hetzelfde als beweeglijkheid.

Het is ondenkbaar dat een "vrij" zelfbewustzijn zich de wet zal laten voorschrijven door iets van buitenaf. In een "vrij" zelfbewustzijn gaat het denken zijn eigen gang; de gedachtegangen zetten zich niet vast maar vormen zich telkens opnieuw. En dus is leiding, in de zin van "voorschrijven hoe het moet" onmogelijk geworden. Het leven van een onvolwassen mensheid wordt door de programma's bepaald, zodat je kunt zeggen dat zo'n leven opgaat en ondergaat in de voorschriften. Een onvolwassen mensheid MOET niet geleid worden, maar KAN NIET ANDERS dan geleid worden omdat het leven afhankelijk is van de voorschriften. Op grond van deze noodzakelijkheid zijn er leiders, die over de mensen macht uitoefenen. Ook een "verlichte" leider, die meent met de mensen het beste voor te hebben, valt onder de categorie der machthebbers. Maar "het goede", dat hij bestreeft kan logisch nooit iets anders zijn dan een programma en dus een fundamentele onvrijheid. Een leider, die de mensen wil "bevrijden" is een begrip dat in tegenspraak is met zichzelf.

De mogelijkheid en onmogelijkheid van een gedachtegang

Het wordt niets met een gedachtegang als men niet de beschikking heeft over betrouwbare kennis. Dat wil zeggen: de gedachtegang lukt wel, maar als die niet overeenkomt met de werkelijke verhoudingen in de kosmos, slaat hij nergens op. Je kunt de bliksem verklaren met een verhaal over een boze godheid. Het zal voor een aantal mensen een bevredigende verklaring zijn, maar hij komt niet overeen met de werkelijkheid. Je kunt het huwelijk verklaren en rechtvaardigen met een verhaal over een god, die deze "heilige" zaak ingesteld heeft, maar het slaat nergens op. Dus: om tot waarheidsgetrouwe gedachtegangen te komen moeten de mensen eerst de beschikking hebben over voldoende KENNIS. Deze kennis is de "concrete inhoud" van het denken. Hierbij moeten wij aantekenen dat de norm voor het betrouwbaar-zijn van kennis op zijn beurt ook weer afhankelijk is van programmeringen, maar ondanks dat is en blijft het toch "kennis". De betrouwbaarheid van de kennis hangt vooral af van het "inzicht" van de mensen en niet van de onderzoeksmethode, hoewel deze natuurlijk correct moet zijn. Als, tenslotte, de mensen de werkelijkheid kennen zijn zij ook in staat betrouwbare gedachtegangen te ontwikkelen. Die gedachtegangen kunnen dan "vrij" zijn omdat er voldoende kennis is om elke kant uit te denken. Bij gebrek aan kennis loopt het denken vast op "zwarte gaten". Reden waarom men het denken zodanig programmeert dat het die "zwarte gaten" omzeilt. Daardoor is het als regel zo moeilijk om waardering te verkrijgen voor onderzoekingen op onbekende, tot dan toe vermeden, gebieden. We zouden, wat dit betreft, zelfs wel van "wetenschappelijke taboes" kunnen spreken. En het is erg verhelderend om na te gaan welke die taboes zijn.

Vrijheid en veiligheid

Als je aan mensen, die behoren tot een onvolwassen mensheid, voorhoudt dat zij hun denken vrij moeten laten, hetgeen betekent dat zij dan ook in vrijheid zouden moeten gaan leven, worden zij angstig. Zij gaan zich onveilig voelen. Zij worden dan geconfronteerd met de "zwarte gaten" en ervaren die - terecht - als onherbergzaam. Zij durven die kant niet uit. Te begrijpen is dat een onvolwassen mensheid zich vastklampt aan het vertrouwde. Dat is voor haar "veilig". Omdat het "vertrouwde" echter ontstaan is als gevolg van een denkprogramma waarin een belangrijk deel van de werkelijkheid "taboe" is, hebben wij te doen met een illusie. De veiligheid van het "vertrouwde" is een schijn-veiligheid. We zien dan ook dat de mensen zo ongeveer alles als bedreigend ervaren: nieuwe ontwikkelingen in de maatschappij en de samenleving, in de wetenschap en in hun persoonlijke leven. Zij zijn niet echt veilig: het is maar "schijn". Toch is de behoefte aan veiligheid een wezenlijk menselijke zaak. Het levensgevaar is in strijd met het leven. Als de filosoof Nietzsche een lans breekt voor "een gevaarlijk leven" bedoelt hij mijns inziens dan ook niet dat het levensgevaar zo wenselijk zou zijn, maar dat het voor het leven noodzakelijk is niet voor de "zwarte gaten" terug te schrikken. Het leven "op het scherp van de snede" geeft ook uitdrukking aan deze gedachte. En ik denk dat mensen, die aan gevaarlijke sporten doen zoals bergbeklimmen, aangetrokken worden door het "zwarte gat" en het verlangen dit gevaar te keren, er vertrouwd mee te worden. Als zij zich werkelijk wilden uitleveren aan het gevaar zouden zij niet alle mogelijke moeite doen het te overleven! De mensen zullen pas dan echt veilig zijn als zij de werkelijkheid hebben leren kennen en in staat zijn daar "vrij" over te denken. Dit is dus niet los te maken van een "cultuurloze" wereld, d.w.z. een wereld waarin de overheersende, conditionerende, denkbeelden opgelost zijn.

Iets over het huwelijk

Het huwelijk, in welke al of niet moderne vorm dan ook, is een belangrijk voorbeeld van het zich veilig stellen doormiddel van een illusie. Men wil de zogenaamde trouw afdwingen door de verhouding tussen twee mensen te reglementeren. Dat geeft een veilig gevoel. In de verte voelt men namelijk aan dat de "trouw" eigenlijk iets ongrijpbaars is, iets dat samenhangt met het zelfbewustzijn van een persoon en in geen geval een kwaliteit is van een betrekking TUSSEN personen. Voor onvolwassen mensen echter is "de ander" een "zwart gat", een onbekend gebied dat angst inboezemt omdat het gevaarlijk is. En dan verkiest men de schijn van het reglement. Zo lang er huwelijken zijn is er "ontrouw". Die komt dus niet voort uit menselijke "zwakheid" of "slechtheid", maar uit het schijnkarakter van de gereglementeerde "trouw", uit de illusie dus. Lange tijd heeft men dit wel aangevoeld. Men beschouwde het huwelijk dan ook uitsluitend als een maatschappelijk contract. Als men al sprak van liefdestrouw sloeg dit op liefdes buiten het huwelijk. Zelfs in Europa hebben veel wijze mensen het huwelijk als ontrouw aan de liefde gezien. De "heiligheid" van het huwelijk is wel sinds lang door met name de Roomse Kerk gepropageerd (uiteraard ter wille van de macht), maar die opvatting heeft zich pas echt doorgezet toen men in de loop van de 19e eeuw de liefde tussen de mensen centraal ging stellen als basis voor het huwelijk. Daartoe heeft het protestantisme, met zijn nadruk op de persoonlijke liefde tussen de mens en god en tussen de mensen onderling, in niet geringe mate bijgedragen. Evenals trouwens het ontwaken van het individuele zelfbewustzijn van de mensen. Het huwelijk, zoals wij dat kennen is dus betrekkelijk recent en al helemaal recent is de gedachte dat voor de vrouw het huishoudelijke bestaan is weggelegd en voor de man het maatschappelijke. Die gedachte hangt nauw samen met het doorbreken van het industriŽle tijdperk.

Bladwijzers: Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16, 22, 23, 32)†††† Veiligheid-1(t/m 23) ; Veiligheid-2 ; Redelijkheid pag. 10 en 11 ; Filosofen en Pedagogen pag 22 en 23 ;

 

No. 24††

Bladwijzers: waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2; waardeoordelen-3 ; waardeoordelen-4 ; waardeoordelen-5 ; waardeoordelen-6 ;

Nog iets over het huwelijk

Nog in de eerste decennia van onze eeuw betekende het voor het merendeel van de vrouwen een "hemel op aarde" als er mannen waren die de zorg voor vrouw en kinderen op zich namen. Het huwelijk gold als de uitweg uit de ellende en men nam de bij het huwelijk behorende mannelijke tirannie voor lief: die was altijd nog beter te verdragen dan de slavernij in de fabrieken en kantoren. Met het doorbreken van de moderne, grootschalige, industrie verdwijnen vrouwen en kinderen weer in huis. Het huis, het "tehuis", wordt de "veilige haven" voor de man, waar hij rust en verzorging kan vinden om weer... aan het werk te kunnen gaan. En de wereld van de vrouw wordt ingeperkt tot het huishoudelijke. Nu de industriŽle cultuur voor zijn ondergang staat verliest het huishoudelijke zijn betekenis, maar omdat "het werk" nog altijd hoog gewaardeerd wordt lokt het de vrouwen aan als iets begerenswaardigs dat het vrouwenleven waardevol zou maken. Het is dan ook niet VOOR niets dat de "vrouwenemancipatie" zich overwegend richt op volwaardig "werk" in de maatschappij en dan speciaal voor die vrouwen die willen ontkomen aan hun huishoudelijke wereld. De huwelijksellende is voor de meeste vrouwen de voedingsbodem voor de emancipatie, vandaar dat vrouwen die nooit in de fuik van huwelijk of samenwonen getrapt zijn nauwelijks aan het woord komen en vaak van "mannelijk denken" worden beschuldigd.

Je zou je af kunnťn vragen wiť er nu mannelijker denkt: diegene die in de val gelopen is en zich nu kwaad maakt op de mannen of diegene die hieraan ontsnapt is en van meet af aan een plaats in de maatschappij gezocht heeft. Hoe dan ook, het karakteristieke van huwelijk en samenwonen is gelegen in het feit dat de maat bij het begrip "samen" ligt, bij de inhoud en de vorm van de relatie (de verhouding TUSSEN twee mensen), terwijl de maat logisch alleen maar kan liggen bij het ZICHZELF ZIJN van de mensen. Dit zichzelf zijn kan in een relatie niet anders dan onderdrukt worden en dat heet dan " geven en nemen ", er " het beste van maken " en " redelijk zijn ". En dat gebeurt ter wille van iets BUITEN jezelf; de relatie tussen jou en een ander. Omdat de maat buiten jezelf ligt kan huwelijk of samenwonen niet anders dan vervreemdend werken, je kunt daarin nooit "tot jezelf komen". Van het functioneren in de maatschappij is wat dit betreft niets te verwachten. In de maatschappij gaat het ook alleen maar om de relaties TUSSEN de mensen en niet om de mensen zelf. De emanciperende vrouwen zouden er goed aan doen te bedenken dat hun "vrouw-zijn" daar niet gevonden kan worden. Wat men daar kan vinden is GELIJKWAARDIGHEID en het is een onmiskenbaar feit dat het daaraan, wat de functie van de vrouw betreft, flink schort. Noch de man, noch de vrouw kan zichzelf vinden in de maatschappij. Als het daarom gaat moet men ontdekken dat er ook nog zoiets als een "samenleving" bestaat. Dat begrip echter heeft in de moderne wereld nauwelijks nog enige inhoud. Het is verschrompeld tot een morbide "gezinsmentaliteit" met als meekomende gedachte dat het gezin de hoeksteen van de samenleving zou zijn. En men bedoelt: de hoeksteen van de maatschappij. We zullen nog bespreken dat deze "hoeksteen" nauwelijks meer is dan een "schuilkelder", waarin men wegduikt voor het gevaar van de omringende wereld.

Wat zijn gewone mensen?

Als je nadenkt over de "mensen" valt het op dat wij eigenlijk niet beschikken over een goed woord. Wat moet je nu zeggen: het "volk", de "massa", de "burgers", het "stemvee", het "proletariaat", de "gewone mensen"? Alles heeft namelijk een denigrerende bijsmaak alsof het om iets lagers gaat, iets dat nauwelijks de moeite waard is, iets doms waarvan niet veel goeds te verwachten valt. We hebben duidelijk te doen met een onuitgesproken en vanzelfsprekend WAARDEOORDEEL, dat samenhangt met ons machtsdenken.

Ondanks het negatieve waardeoordeel dat schijnt door te klinken in de term "gewone mensen" geef ik hieraan toch - bij gebrek aan beter - de voorkeur. De reden hiervoor zal allengs duidelijk worden. Overigens: het negatieve waardeoordeel met betrekking tot de "gewone mensen" vindt zijn oorzaak in het feit dat die mensen aan hun cultuur nauwelijks deel hebben. Er zit, wat de cultuur betreft, "niets bij" en "er komt niets uit". Gezien vanuit de cultuurwaarden stelt het allemaal niet veel voor. Omdat de mensheid tot nu toe nog een "onvolwassen cultuurmensheid" is, die de maat legt bij dwingende denkbeelden, worden de "gewone mensen" beneden de maat gevonden. Dit oordeel echter hangt ten nauwste samen met de waarde die men aan de cultuur toekent. En dit berust op een VOOROORDEEL dat onmiddellijk wegvalt als we de zaak eens van de andere kant gaan bekijken. Als de "gewone mensen" weinig deel hebben aan hun cultuur vertonen zij ook niet het allesdoordringende machtsstreven, dat aan cultuurmensen eigen is. Weliswaar ontkomen zij niet aan het machtsdenken, zodat zij wel MEEDOEN met het algemene gedrang, maar het streven om, koste wat het kost, zich boven de anderen uit te manipuleren is in geringe mate aanwezig. Het gaat hen niet om macht maar om het dagelijkse leven - wat daaronder ook verstaan moge worden. Doorgaans komt dit dagelijkse leven nauwelijks boven het overleven uit, maar dat is niet altijd het geval. Er is namelijk steeds een aantal "gewone mensen" dat door een grote helderheid van geest uitblinkt. Deze mensen fungeren vaak als "verlichters" en "voorlichters" van hun medemensen. Maar kenmerkend blijft dat zij GEEN MACHT ZOEKEN. De echte "grote geesten" van de mensheid geven vaak wel leiding aan de mensen omdat die mensen vertrouwen in hen stellen en soms worden zij ook wel machtig, maar nimmer was het hen daar om te doen. De echte machtszoekers steunen onvermijdelijk op de praktische inhoud van hun cultuur. In een intellectuele cultuur, zoals de onze, zullen zij er steeds voor zorgen een zo groot mogelijke intellectuele toerusting te verkrijgen. Dat doe je door zoveel mogelijk te studeren. Bij die studie is het niet om de wetenschap als zodanig te doen maar om de te verwerven status, die uiteraard een belofte van macht inhoudt. Hoewel er erg veel van dit soort lieden zijn en hoewel zij zich vaak "zo gewoon mogelijk" opstellen als de mode dit vereist, behoren zij toch niet tot de "gewone mensen". Behalve de "intellectuele status" is er ook nog de "staatkundige status", die gebaseerd is op macht die meekomt aan een positie binnen het staatsapparaat. De macht dus van een groot aantal ambtenaren. Zo zijn er nog meer mogelijkheden, maar onveranderlijk gaat het om waarden die uit een cultuurdenkbeeld voortkomen. De meerdere of mindere intelligentie en de daarbij behorende ontwikkeling is dus niet bepalend voor het begrip "gewone mensen". Bepalend is het STREVEN naar macht dat als zodanig niet aanwezig is. Aan de macht zelf kunnen zij niet ontkomen omdat zij nu eenmaal tot een cultuur behoren. In veel gevallen zullen zij "ondergeschikten" zijn omdat zij zelf geen macht op tafel leggen, die de macht van anderen kan verdringen. Maar hun ondergeschiktheid behoeft helemaal niet te betekenen dat zij "onderdanig" zijn. Onderdanigheid behoort bij machtszoekers: elke machthebber is noodzakelijk ook onderdanig, een gesteldheid die hij vaak met wreedheid afreageert op diegene die hij als een "mindere" ziet. Wreedheid komt voort uit macht die eigen onderdanigheid haat. Een veel voorkomend psychologisch verschijnsel. Iedereen die in een machtspositie zit vertoont in meerdere of mindere mate wreedheid. Doorgaans wordt die wreedheid versluierd door het als "rechtvaardigheid" te doen voorkomen: de rechtvaardigheid gebiedt mij om jou te straffen, streng te straffen, meedogenloos te straffen. Alle machtsfiguren behoren tot de "ongewone mensen" omdat hun levenshouding er blijk van geeft dat het hen niet om het "leven" gaat, maar om het heersen over het leven.

Bladwijzers: waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2; waardeoordelen-3 ; waardeoordelen-4 ; waardeoordelen-5 ; waardeoordelen-6 ; Gewone mensen-1 (nrs. 22 t/m 24 );Gewone mensen-2 ( no.33)

No. 25

Bladwijzers:waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2; waardeoordelen-3 ; waardeoordelen-4 ; waardeoordelen-5 ; waardeoordelen-6 ; Denkt de moderne mens eigenlijk wel ..? (het op een rijtje zetten / een goed onderzoek ); Op een rijtje zetten paginaís 25 en 26 ; Visie

 

Een nadere bepaling van het denken

We hebben er al over gesproken dat het moderne westerse denken zich richt op de "buitenwereld", waarin het uiteindelijk geen waarheid kan vinden en we hebben gesproken over het denken aan het einde van de oudheid, dat duidelijk een binnenwaarts gericht denken was en dat (vreemd genoeg?) wel in staat bleek over de werkelijkheid waarheidsgetrouwe uitspraken te doen. Blijkbaar moeten wij er rekening mee houden dat er "soorten" van denken mogelijk zijn. Als dat zo is zullen wij van beide de werkelijke verdiensten moeten bepalen, waarbij wij op moeten letten dat wij niet tijdelijke en plaatselijke cultuurverschijnselen - vooral uit onze cultuur - aanmerken als wezenlijke kwaliteiten van de ene of de andere vorm van denken. Bijvoorbeeld: tot voor kort vond men het vanzelfsprekend dat jongens een betere opleiding kregen dan meisjes. Men vond dat niet alleen nodig voor hun "toekomst", maar men was er ook van overtuigd dat jongens meer dan meisjes geschikt waren om een opleiding te volgen. Dat idee was ontstaan door de westerse maatschappijopvatting waarin aan de man een bepaalde plaats in de maatschappij was toegedacht, een plaats die intellectuele vorming vereiste. Tenslotte wist iedereen zeker dat "logisch" en "objectief" en "zakelijk" denken bij de man behoorde, terwijl de vrouw genoegen moest nemen met een denken dat "gevoelsmatig" was en "intuÔtief" en "subjectief" - kwaliteiten die de man welwillend aan de vrouw afstond. Als ze daarmee maar niet aan kwam in zijn gewichtige, zakelijke en objectieve wereld. Volgens de wijsgeer Bolland (1854 - 1922), die de "Hegelse" filosofie in Holland "Bollands" liet spreken, behoorde het tot het "wezen" van de vrouw te luisteren naar de uiteenzettingen van de man (niet de bevelen!) en deze tot haar eigen inhoud te maken, daartoe in staat gesteld door haar intuÔtieve aanleg. Tegenwoordig zijn de meeste geŽmancipeerde mensen van mening dat wij leven in een "mannelijk" denkende wereld, waarvoor het de hoogste tijd wordt over te gaan naar het "vrouwelijke" denken, omdat dit veel menslievender zou zijn. Bovendien wijst men er (terecht) op dat vrouwen net zo "objectief" en "logisch" kunnen denken als de mannen, als zij er maar de kans toe zouden krijgen en niet bij voorbaat al "achter het fornuis" gefrommeld zouden worden.

De grote verwarring

Uit het bovenstaande blijkt dat er nogal wat verwarring heerst over de denkmogelijkheden van vrouwen en mannen, over de "logische" en "intuÔtieve" kwaliteiten van het denken en over de betekenis van de termen "mannelijk denken" en "vrouwelijk denken". Duidelijk is dat daarbij een aantal begrippen door elkaar gehaald wordt en dat men die op een geheel verkeerde wijze van toepassing brengt. In zekere zin kloppen de onderscheidingen die gemaakt worden wel, maar men plaatst ze in een geheel verkeerde context - wat er op zichzelf een aanwijzing voor is dat het in onze "wetenschappelijk" geschoolde mensheid nog niet zo'n vaart loopt met het heldere denken. Nu stellen sommige denkers voor om de verwarring te vermijden door andere termen te gaan gebruiken: "lineair denken" en "cyclisch denkenĒ. Die termen zijn inderdaad minder emotioneel geladen. Maar het nadeel van een dergelijk taalgebruik is dat het de afstandelijkheid vergroot: je voelt je er minder bij betrokken, je kunt er gemakkelijker over praten zonder dat je genoodzaakt bent de verwarring in je eigen zelfbewustzijn te lijf te gaan. Je kunt gemakkelijker doen alsof je de zaken op een rijtje hebt omdat je kan vluchten in een theorie. Maar als je echt over de dingen wilt nadenken, filosoferen, zal je dat met je gehele persoonlijkheid moeten doen en niet alleen met het rationele gedeelte van je zelfbewustzijn. Om dat voelbaar te maken (en te houden) verkies ik toch de verwarrende termen "vrouwelijk" en "mannelijk" en neem het op de koop toe dat de zaak daardoor veel moeilijker helder te krijgen is.

Twee basisverhoudingen van de werkelijkheid

Als wij er van uit gaan dat de werkelijkheid "oneindig" is in ruimte en tijd, wat ik in het kader van deze cursus niet nader kan aantonen, zie hiervoor Beweging en Verschijnsel op deze homepage, dan kunnen wij omtrent die werkelijkheid het volgende opmerken: je kunt alles wat er is omvatten, niets er buiten sluiten en alles als met elkaar samenhangend zien. In dat geval spreek ik van de werkelijkheid als "het geheel". Dat is een lastig begrip, vooral omdat je werkelijk ALLES moet omvatten en het dan ook nog in samenhang moet denken. Ter oriŽntatie kan men denken aan een enkele levende cel, die op haar wijze ook "het geheel" vertegenwoordigt. Maar er is nog een andere mogelijkheid: je kunt ook zeggen dat de werkelijkheid een "verzameling" is van een ontelbaar groot aantal dingen. Het begrip "verzameling" ligt wat gemakkelijker voor ons denken. De overeenkomst met de genoemde levende cel is deze dat die cel BESTAAT uit een groot aantal dingen, elementen, atomen en nog kleinere "ietsen". Beide begrippen, "het geheel" en "de verzameling" zijn tegelijk denkbaar. Zij zijn bijgevolg niet zonder elkaar mogelijk en roepen elkaar bij het denken onmiddellijk op. Denk je de verzameling, dan denk je vanzelf het geheel en omgekeerd. Het ene begrip is niet te verkiezen boven het andere, je kunt ze " gelijkwaardig" noemen, maar zij zijn niet "gelijksoortig" en dat komt doordat zij tot elkaar niet in dezelfde verhouding staan. De verzameling namelijk is INHOUD van het geheel en het geheel houdt de verzameling in. Je zou kunnen zeggen dat het geheel "om de verzameling heen is". Het geheel vindt in zichzelf de verzameling en de verzameling vindt om zichzelf het geheel. Maar pas op: er zit niet echt iets om de verzameling heen, het is maar "bij wijze van spreken", om de zaak duidelijk te maken. Waarom het gaat is dat er tegelijk twee gelijkwaardige, maar niet gelijksoortige, begrippen zijn. Op deze fundamentele tweeslag van begrippen baseer ik twee (eigenlijk drie) mogelijkheden van het menselijke denken.

Vrouwelijk denken

Voor zover het denken UITGAAT van het geheel en terechtkomt bij de verzameling noem ik dit "vrouwelijk" denken. Het is een denken dat "in zichzelf gekeerd" is en dat in zichzelf alles aantreft wat er is. Er ontbreekt niets aan, er behoeft niets gezocht te worden, alles behoeft alleen maar tot zijn recht te komen. Doordat dit denken een "introvert" karakter heeft is men het "subjectief" en "intuÔtief" gaan noemen, daarbij tegelijk een (negatief) waardeoordeel uitsprekend. Bovendien associeert men dit denken met de vrouw, wat niet zonder grond is maar wat op zichzelf toch fout is. Het denken van de oudheid was een vrouwelijk denken; het gold zowel voor vrouwen als mannen.

Mannelijk denken

Voor zover het denken UITGAAT van de verzameling om bij het geheel terecht te komen spreek ik van een "mannelijk" denken. Het is een denken dat almaar het een bij het ander voegt om de verzameling compleet te maken en het is steeds op zoek naar nog iets anders dat bij de verzameling gevoegd moet worden. Het is gericht op "het andere" en daarom kunnen wij zeggen dat het "extrovert" is. De buitenwereld is datgene waarom het gaat en het is duidelijk dat men komt tot kwalificeringen als "objectief" en "zakelijk". De associatie met de man is fout en ingegeven door de westerse cultuur, waarvan gezegd moet worden dat die inderdaad in het teken van het mannelijke denken staat. Dat betekent dat zowel mannen als vrouwen dit denken toegedaan zijn, tenminste voor zover zij niet kunnen ontkomen aan de voor hen geldende cultuurprogrammeringen. Zowel wat de oudheid als wat de westerse wereld betreft gaat het niet aan de vrouw of de man eenzijdig van een bepaald denken te beschuldigen. Voor alle mensen geldt vrouwelijk denken (oudheid) of mannelijk denken (moderne tijd).

waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2; waardeoordelen-3 ; waardeoordelen-4 ; waardeoordelen-5 ; waardeoordelen-6 ;

No. 26

Mannelijk en vrouwelijk

Op het eerste gezicht kan het lijken alsof de benamingen "mannelijk" en "vrouwelijk" willekeurig zijn gekozen. Waarom zou je het denken, uitgaande van het begrip "verzameling" mannelijk noemen en het denken vanuit het begrip "het geheel" vrouwelijk? Het geeft alleen maar verwarring! De argumenten hiervoor zijn de volgende: vanaf het moment dat op aarde het leven op gaat treden komen er verschijnselen voor de dag, die zich - gaandeweg duidelijker - onderscheiden naar twee geslachten, het mannelijke en het vrouwelijke. Bij het zoeken naar een verklaring hiervoor vinden wij precies dezelfde verhoudingen als die voor de werkelijkheid zelf gelden. De verhoudingen dus tussen de "verzameling" en "het geheel". En dan blijkt dat: voor het vrouwelijke levende verschijnsel geldt dat het het geheel is, met als inhoud de verzameling en voor het mannelijke levende verschijnsel de verzameling die inhoud is van het geheel. De "oerverhouding" van de werkelijkheid komt dus in het leven terug en bepaalt de tweedeling van alles wat leeft. Betrekken wij dit in laatste instantie op de mensen dan blijkt dat, gezien vanuit de "natuur", de man fundamenteel "verzameling" is en de vrouw fundamenteel "het geheel". Omdat dit zo is en omdat de mensen dit in de loop der tijden best aangevoeld hebben, zijn zij er toe gekomen aan de man extroverte eigenschappen toe te dichten en aan de vrouw introverte. Daarbij zag en ziet men evenwel over het hoofd dat die eigenschappen een gevolg zijn van het gelden van de NATUURLIJKE fundamenten van het menszijn. Zoals wij al eerder besproken hebben geldt voor de mens de ontkenning van het natuurlijke, in de zin van "het natuurlijke anders", zodat wij uiteindelijk van zowel de vrouw als de man kunnen zeggen dat zij los zijn gekomen van die eigenschappen en dat die "Op andere wijze" voor beiden zijn gaan gelden.

Mannelijk en vrouwelijk in de denkontwikkeling

In de denkontwikkeling en dus ook in de daarop gegronde culturen, komen het vrouwelijke en het mannelijke afzonderlijk en na elkaar voor de dag. Het is logisch dat eerst "het geheel" voor de mensen moet worden herkend alvorens men er toe over kan gaan de "verzameling" nader te onderzoeken. Om te kunnen onderzoeken (= uitgaan van de verzameling) moet de zaak zelf (= het geheel) eerst aanwezig zijn en herkend worden. De ontwikkeling begint dus bij het geheel en dat is het vrouwelijke aspect, gaat vervolgens over naar de verzameling en dat is het mannelijke aspect. Deze ontwikkeling heeft plaats in alle mensen. Het is dus niet zo dat om te beginnen de vrouwen aan het denken waren en later de mannen, neen, voor BEIDEN gold eerst de vrouwelijke ontwikkeling en daarna de mannelijke. Dit is zo omdat die ontwikkeling als zodanig ontkenning van het "natuurlijke" is, een ontkenning die voor beiden, zowel vrouwen als mannen, van kracht is. Beiden maken dezelfde ontwikkeling door. Tijdens die ontwikkeling hebben de mannen de macht, zowel in de vrouwelijke periode als in de mannelijke, zowel in de oudheid als in de moderne tijd. Maar dat komt niet door hun mannelijke denken - in de oudheid dachten zij immers vrouwelijk! - maar door de Onvolwassenheid van de gehele mensheid. Zolang de mensheid nog Onvolwassen is hebben de mannen de macht. Hierop komen wij bij gelegenheid nog terug. Maar wel kan er nu al op gewezen worden dat de oplossing van het "vrouwenprobleem" niet gezocht kan worden in de richting van het veroveren van de macht door de vrouwen, maar in het Oplossen van elke macht. En dus in het emanciperen van vrouwen en mannen tot volwassenheid. Het willen bevorderen van het zogenaamde "vrouwelijke denken" staat gelijk aan het terugdraaien van de klok: de periode van dat denken is voorbij. De polarisatie van "mannendenken" en "vrouwendenken" is dan ook heilloos. Als er in de werkelijkheid iets te "willen" valt zouden we met z'n allen moeten willen zo langzamerhand eens volwassen te worden en volwassen te gaan denken.

Het verzamelaars-denken

Zoals gezegd leven wij in de periode van het mannelijke denken. Dat is een denken waarbij alles draait om de verzameling. Het streven is dan ook er op gericht zoveel mogelijk elementen aan de verzameling toe te voegen: in de wetenschap gaat het om het vergroten en uitbreiden van de kennis, in de economie gaat het om de "groei", in de politiek gaat het om het vergroten van de macht, in de democratie om het laten meetellen van zoveel mogelijk kiezers en in het recht om het op redelijke wijze regelen van zoveel mogelijk menselijke relaties, enzovoort. Men "inventariseert" de werkelijkheid. Weliswaar doet men het voorkomen alsof het gaat om het begrijpen van de werkelijkheid, maar als men dat al echt meent houdt het "begrijpen" toch niet meer in dan het ordenen van de gegevens, het op een rijtje zetten, een inventaris maken. Inderdaad kan men daarmee door de ruimte reizen, de atoomkern splitsen, een harttransplantatie verrichten. Maar men kan er niet de honger mee opheffen, de dreiging van een oorlog mee keren, het welzijn van de mensen bevorderen. Men DOET namelijk niet echt iets met het denken, de kennis breidt zich uit maar het denken ontwikkelt zich niet. We kunnen gevoeglijk spreken van een "statische gesteldheid van het denken". Deze gesteldheid geldt voor de gehele westerse cultuur, ook voor zover die ingang heeft gevonden in de niet-westerse rest van de wereld. Overal verzuipt men dan ook in de kennis en men ziet geen kans de steeds verwarrender problemen op te lossen. Almaar meer wordt ons duidelijk gemaakt dat "de zaken zo eenvoudig niet liggen", dat de problemen "erg ingewikkeld" zijn en "een grondig onderzoek vereisen". Een onderzoek dat onveranderlijk neer komt op: inventariseren! Omdat men met het denken niets doet denkt men dat de onoplosbaarheid van de problemen voortkomt uit de overstelpende veelheid van gegevens, informatie en kennis. Maar het komt door het "statische" van het westerse denken.

Een andere mogelijkheid

Geleidelijk aan wordt de roepstem duidelijker hoorbaar van mensen die bezig zijn hun denken te ontwikkelen: zij gaan er iets mee doen. Zij proberen de verzameling om te vormen tot een samenhangende conceptie van de werkelijkheid, een beweeglijk beeld van de werkelijkheid dat je kan pogen te begrijpen. Vanwege dat "omvormen" kan je spreken van een "dynamische gesteldheid van het denken". Die ontwikkeling kan alleen maar inhouden dat men op weg is van de verzameling als zodanig naar de "inhoud van het geheel". Je zou kunnen zeggen dat het "verzamelaars-denken" zich boven zichzelf uitheft. Wat dit betreft spreekt men doorgaans van "holistisch denken". In de medische wetenschap bijvoorbeeld wil men bepaalde ziekten leren zien als uitingen van een verstoring van een harmonie en niet als op zichzelf staande verschijnselen. In de ecologie probeert men de natuur als een samenhang te zien en niet als een verzameling van op zichzelf staande verschijnselen. Zo zijn er talloze tekenen, die er op wijzen dat er beweging komt in het denken. Maar nog steeds is het "mannelijk" denken: het gaat immers uit van de verzameling. Wel kunnen we zeggen dat het zo langzamerhand echt mannelijk denken wordt omdat het beweegt van de verzameling naar de inhoud van het geheel.

De laatste mogelijkheid

Het zal niet moeilijk te begrijpen zijn dat het pas dan in orde is met het denken als er TEGELIJK vrouwelijk en mannelijk gedacht wordt. Wel te verstaan: zowel bij vrouwen als bij mannen. Veel moeilijker is het echter hieraan inhoud te geven. Daarbij vormt het begrip "tegelijk" voor ons een struikelblok. Want onwillekeurig denken wij dan aan AFWISSELEND het een of het ander. Wij denken die twee mogelijkheden dan naast elkaar, maar het gaat er om ze IN ELKAAR te denken. Uitgaan van de verzameling is onmiddellijk ook uitgaan van het geheel en omgekeerd. Kennis is tegelijk inhoud van het geheel en het geheel heeft onmiddellijk de kennis tot inhoud. Daarmee is de hele zaak zinvol geworden...

Bladwijzers: Denkt de moderne mens eigenlijk wel ..? (het op een rijtje zetten / een goed onderzoek ); Op een rijtje zetten paginaís 25 en 26 ; Visie

No. 27

Een nadere toelichting

Kenmerkend voor het "verzamelaarsdenken" is het begrip "zoveel mogelijk". Er moeten zoveel mogelijk gegevens ter beschikking staan en die gegevens moeten uiteraard behoorlijk geÔnventariseerd zijn. En met elk nieuw onderzoek breidt zich de kennis uit, terwijl die nieuwe kennis ook weer volgens de regelen der kunst in het bestaande systeem ingevoegd moet worden. Lukt dit invoegen niet goed dan gaat men eerst na of het betreffende onderzoek wel goed is uitgevoerd en als dit inderdaad het geval blijkt te zijn, dan gaat men zoeken naar een beter systeem. Een systeem dat de nieuwe kennis wel kan bevatten en er een logische verklaring voor geeft. Dat wil zeggen: een logische verklaring voor de plaats die de nieuwe kennis thans inneemt. Het gaat dus om een wetenschappelijk verantwoorde "inventarisatie". Niet alleen echter op het gebied van de wetenschap als zodanig geldt het "zoveel mogelijk". In de economie spreekt men van de "groei" die de maatstaf zou zijn voor het "gezond zijn" ervan. Het "zoveel mogelijk" is de maat en dus is er almaar de behoefte aan "meer". Maar het is helemaal niet zo moeilijk om een aantal normen te bedenken, die betrekking hebben op de KWALITEIT van de economie en niet op de kwantiteit. Want termen als "meer" en "zoveel mogelijk" zijn natuurlijk kwantitatieve begrippen. Je kunt dan als eerste denken aan een economie die er werkelijk naar streeft dat de dingen ter beschikking van iedereen komen en dat in dat proces aan niemand tekort gedaan wordt, niemand bestolen wordt of van zijn levensmogelijkheden beroofd. Een economie die het maken van winst niet baseert op een machtspositie (zoals een monopolie of een octrooi), maar op het ruilen van benodigde dingen op voet van gelijkheid van de partners. Dit soort normen geldt echter niet voor de "verzamelaars", het "zoveel mogelijk" is de absolute maat. In de technologie is het al niet anders. Men stelt niet dat gedurende een bepaald productieproces alle fasen van dat proces een zodanig verloop hebben dat niemand schade berokkend zou kunnen worden. Men neemt de schadelijke bijverschijnselen op de koop toe, vooral als ze anderen treffen en is hoogstens bereid de schade enigszins te beperken als het de spuigaten uit loopt. Logisch zou zijn als men stelde: we gaan uit van geen bijverschijnselen en accepteren desnoods voorlopig dat dit niet voor honderd procent gelukt. Maar men stelt daarentegen: er zijn nu eenmaal schadelijke bijverschijnselen, we zullen die, als het tenminste economisch verantwoord is, wel enigszins beperken. De norm is dan ook: hoeveel mogen we vervuilen, in plaats van: is de vervuiling voorlopig (tot er een betere technologie is) acceptabel. Uitgangspunt is dus de vervuiling in plaats van geen vervuiling. Het is dan ook geen wonder dat het almaar smeriger wordt in de wereld, ondanks steeds meer milieuwetten. Daarbij komt nog dat de gefabriceerde spullen wezenlijk niet deugen omdat ze niet om zichzelf gemaakt worden, maar om winst te maken. Er wordt voldaan aan de menselijke behoeften voor zover en omdat dit winst oplevert. Zou dit niet het geval zijn, men maakte die spullen eenvoudig niet. En vaak gaat het zelfs helemaal niet om menselijke behoeften. Dat is het geval in de wapenindustrie. Zij produceert totaal nutteloze rommel (die vaak niet eens werkt!) om het geld van de gemeenschap toe te eigenen. Hoe meer hoe beter - van enige morele verantwoordelijkheid is geen sprake. Een ander voorbeeld: onze democratie steunt op een juiste gedachte, namelijk deze dat "het volk" zichzelf zou moeten besturen. Maar in feite gaat het om zoveel mogelijk stemmen verkrijgen en daarbij doet het er nauwelijks toe op grond waarvan men die stemmen verworven heeft. De partij -programma 's zijn niets anders dan lokkertjes om stemmenwinst te boeken en voor zover men er naar streeft een bepaald partijprogram uit te voeren is dat voornamelijk om die stemmen te behouden. Dat blijkt duidelijk als er weer een verkiezing in aantocht is.

Het gaat wezenlijk niet om een visie op de samenleving en de maatschappij (al moet men het doen voorkomen alsof men er wel een heeft!), maar het gaat om een zo groot mogelijke steun van de bevolking. Dat betekent immers macht. We kunnen het aantal voorbeelden net zo veel uitbreiden als we willen, maar steeds weer zullen we ontdekken dat het allemaal om de "verzameling" draait en dat er vooralsnog geen sprake is van "iets doen" met het denken. De zaak is statisch en mist de beweging naar het begrijpen toe.

Dynamisch denken

Het "verzamelaars-denken" is op zichzelf prima. De mensen moeten kennis verzamelen over de werkelijkheid, zonder kennis van zaken is geen enkele "idee" praktisch uitvoerbaar. In de oudheid bijvoorbeeld was er wel de "idee", maar men kon die niet concretiseren. Daarom wendde men zich van de realiteit af en men verloor zich in bespiegelingen over een gelukkige mensheid en een paradijselijke wereld. Het is dus goed dat wij inmiddels kennis verzameld hebben. Maar niet goed is dat wij dat gehele pakket van de kennis niet omvormen tot een zinvolle inhoud van "het geheel". In de oneindigheid van de kosmos valt er altijd wel weer iets nieuws te ontdekken: een tot dan toe onbekende planeet, een zwart gat, een bepaalde straling, enzovoort. Dat betekent dus dat onze verzameling van kennis nooit compleet zal kunnen worden en het omvormen tot een zinvolle "inhoud" gebrekkig zal moeten blijven. Dit is, gezien vanuit het verzamelaarstandpunt, volkomen juist, maar het is in zoverre onjuist dat er een moment komt dat de "nieuwe" ontdekkingen ons niets nieuws meer leren. In principe weten we dan hoe het zit en in die zin is de verzameling wel compleet. Het compleet-zijn slaat niet zozeer op de grootte van de verzameling, maar op het "afgerond zijn". De kennis van een ongeletterd iemand kan net zo afgerond zijn als die van een geleerde, het gaat er om dat ieder voor zich zijn "weetje weet". We behoeven dus niet af te wachten om onze verzameling kennis tot "inhoud" om te vormen. Veel mensen hebben zelfs teveel kennis, waardoor zij "door de bomen het bos niet meer zien". Het "teveel weten" - een vrijwel onbekend begrip in onze cultuur - staat ons meer in de weg dan het te weinig weten, omdat voor dit laatste nog altijd een "visie" vereist is. Anders weet je niet dat je niet of te weinig weet. Het beruchte thema indertijd van Socrates! Als wij onze kennis omvormen tot "inhoud" kunnen wij die kennis niet meer voor ons eigen belang misbruiken. Onze kennis is er dan ter wille van de werkelijkheid en dat betekent in de praktijk: ter wille van de mensheid. Voor eigen belang misbruikte kennis ontwikkelt zich niet, hoogstens wordt die op peil gehouden. Aan ontwikkeling komt namelijk mee dat de zaak voortdurend verandert en dat maakt het onmogelijk er een bepaalde waarde aan te hechten. Omdat misbruik berust op waardeverschillen - en dus ook machtsverschillen - vervalt de grond hiervoor. Omgekeerd kunnen wij zeggen dat het het nog altijd heersende machtsdenken is dat het de mensen belet van hun kennis iets zinvols te maken, want je verliest je status en je zekerheden als je zoiets doet met je denken.

Holistisch denken

Als je je denken ontwikkelt zodat je kennis omgevormd wordt tot een zinvolle inhoud van het geheel, denk je "holistisch". Je gaat dan ook begrijpen dat ďhet geheel meer is dan de som van de delenĒ en dat het onmogelijk is dat "geheel" uit die delen te verklaren. Precies zoals je de schoonheid van bijv. een muziekstuk niet kunt verklaren uit de verzameling van tonen, akkoorden, intervallen en dergelijke. Of, zoals je je eigen levend-zijn niet kunt verklaren uit de verzameling onderdelen waaruit je lichaam bestaat. Maar, aan de andere kant: je moet die onderdelen wel kennen. Het denken uit de oudheid is dus niet holistisch te noemen, omdat men de onderdelen nog niet kende - men miste de benodigde kennis.

Bladwijzers: Denkt de moderne mens eigenlijk wel ..? (het op een rijtje zetten / een goed onderzoek ); Op een rijtje zetten paginaís 25 en 26 ; Visie

No. 28

Bladwijzers: Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2 ; Betere Wereld-3

Wat verandert er aan de kennis

Laten we aannemen dat iemand over een bepaalde kennis beschikt, kennis waarvan gebleken is dat die juist is. Laten we bovendien aannemen dat die iemand bezig is zijn denken te "ontwikkelen", niet in de zin van uitbreiden van zijn verzameling kennis, maar in de zin van: leren begrijpen hoe de samenhang zou kunnen zijn tussen al die afzonderlijke "pakketjes" kennis. Dan komen wij voor de vraag te staan of er ten aanzien van die oorspronkelijke kennis iets verandert. En als er iets verandert, wat verandert er dan? Als ik stel dat 2 x 2 gelijk is aan 4, dan is dat een uitspraak die voor het zich ontwikkelende denken onverminderd geldig blijft. Het gaat er dus niet om dat "zekere" kennis plotseling onwaar zou gaan worden, maar het gaat er om de BETEKENIS van die "zekere" kennis te achterhalen. Als wij ons "verzamelaarsdenken" ontwikkelen in de richting van het "holistische denken", krijgt onze kennisinhoud een andere betekenis en in het licht van die andere betekenis kan een aantal "waarheden" onhoudbaar blijken te zijn. Waarheden, die binnen de begrenzing van een of ander specialisme, binnen de "verpakking van een bepaald kennis-pakket", wel geldig waren.

De eerste verandering Het eerste wat er gebeurt met de aanvankelijk "zekere" kennis is dit, dat die kennis zijn zekerheid verliest, ONZEKER wordt. Dat onzeker worden is een nieuw element in ons denken, dat tot op heden, vanuit de verzamelaars-mentaliteit, gericht was op ZEKERHEDEN. Wij hebben, op wetenschappelijk verantwoorde wijze, een uitvoerig norm stelsel in het leven geroepen om onze zekerheden te kunnen verantwoorden en dit norm stelsel is zo langzamerhand een eigen leven gaan leiden, het heeft een absolute waarde gekregen zodat vrijwel niemand zich meer realiseert dat wij dit norm stelsel zelf ontworpen hebben op grond van ons eigen verzamelaars-denken. Met als gevolg dat wij niet gemakkelijk tot de erkenning komen, of zelfs maar de gedachte in ons toelaten, dat dit bijkans absolute norm stelsel voor het zich ontwikkelende denken wel eens totaal onbruikbaar zou kunnen zijn. Neem nu de wetenschappelijke eis van de zogenaamde herhaalbaarheid. Deze houdt in dat een bepaalde uitspraak, die gebaseerd is op het resultaat van een wetenschappelijke proef, getoetst moet kunnen worden door eenvoudig de proef te herhalen. En het is waar: in een groot aantal gevallen is de eis van de "herhaalbaarheid" te stellen, maar niet in het geval van subatomair onderzoek (de gebeurtenissen zijn steeds weer anders) en ook niet als het over zaken gaat die het leven betreffen. Van het leven is juist de onherhaalbaarheid het kenmerk, zodat we op dit gebied geen zekerheden kunnen verkrijgen!

Als we bovendien nog bedenken dat de werkelijkheid door en door beweeglijk is, wordt het nog dubieuzer of de eis van de "herhaalbaarheid" ‹berhaupt wel te stellen is. Ditzelfde is te zeggen van alle wetenschappelijke normen voor zekerheid, die door ons bedacht zijn vanuit het verzamelaars-denken. In het traditionele onderwijs is men er op uit de leerlingen zekerheden te verschaffen. Men pompt de leerlingen een zo uitgebreid mogelijke verzameling zekerheden in. Die zekerheden moeten zij zich kritiekloos eigen maken. Maar bij moderne experimenten is men er van uitgegaan dat de fundamentele situatie van de leerling er een van onzekerheid is. En vanuit die situatie gaat de leerling VRAGEN stellen, hij wordt zich bewust van zijn NIET-WETEN en juist dat is de stimulans om te proberen bepaalde dingen aan de weet te komen. Werd voordien het niet-weten als laakbaar beschouwd, nu wordt het als een positieve kwaliteit gewaardeerd. Maar uiteraard: dergelijke experimenten worden om zeep geholpen omdat men nog steeds denkt mensen nodig te hebben die "een vat vol zekerheden" zijn. Zo is er ook grote weerstand tegen het "computeronderwijs" omdat ook dit gebaseerd moet zijn op vragen stellen.

Als wij eenmaal in de gaten hebben dat ons verzamelaarsdenken gebaseerd is op ZEKERHEDEN van een bepaald soort, dan valt het ons niet zo moeilijk overal om ons heen de voorbeelden te zien van de Onhoudbaarheid van dat denken, voor zover dat als absolute maat voor het menselijk functioneren in de werkelijkheid gesteld is. Dat denken is niet geschikt om de werkelijkheid te leren begrijpen. Het is slechts nuttig om de beschikking te krijgen over de op zichzelf staande elementen van de werkelijkheid. Maar zonder een "holistische" verwerking van die kennis loopt alles op een fiasco uit.

De fundamentele onzekerheid

Wij komen terug op de uitspraak 2 x 2 = 4. Deze uitspraak is onloochenbaar juist. Maar wat betekent "vier" voor een rijkaard die van zijn vier auto's er een verspeelt en wat betekent het voor een moeder die een van haar kinderen verliest? Wat betekent 1000 gulden voor diezelfde rijkaard en wat betekent het voor die moeder als haar kind door de honger blijkt omgekomen? Met andere woorden: de uitspraak 2 x 2 = 4 is wel een juiste uitspraak, maar hij BETEKENT helemaal niets. Betekenis krijgt hij pas als hij in een context geplaatst wordt, d.w.z. binnen een bepaalde samenhang. En dan blijkt die betekenis in geen geval ZEKER te zijn; het hangt er allemaal maar van af en het is zeker niet voorspelbaar. Wij hebben het verzamelaarsdenken "statisch" genoemd en het holistische denken "dynamisch! Deze laatste term drukt uit dat de zaak in beweging is. Op grond van die beweging vervallen de vaste verhoudingen. Het onbeweeglijke verdwijnt er uit. Maar er is nog iets: als wij onze kennispakketjes om gaan vormen tot factoren in een samenhangende zaak, dan is alles betrekkelijk geworden. De zaak zelf is namelijk door en door beweeglijk. Alle uitspraken over die beweeglijke zaak kunnen niet anders dan relatief, betrekkelijk, zijn. En dat is de fundamentele Onzekerheid, die voor de dag komt. Wij kunnen dit zelf ook ervaren: als wij met een probleem zitten en wij er over na gaan denken, verliezen wij om te beginnen al onze zekerheden. En dat is nu precies de reden waarom wij maar liever niet na gaan denken en ons vasthouden aan datgene dat wij in handen menen te hebben. De onzekerheid wordt, vanwege ons verzamelaarsdenken, als iets kwalijks beoordeeld, terwijl het nu juist het begin is van het werkelijk leren begrijpen van onze werkelijkheid. Het verzamelaarsdenken kan geen perspectieven openen voor een zinvoller leven en een betere wereld, juist omdat het de onzekerheid radicaal afwijst. In zekere zin zit onze hedendaagse wereld dan ook bevangen in een vicieuze cirkel. Het is maar goed dat onze problemen intussen zo groot worden (hoe ellendig op zichzelf ook) dat wij er wel over moeten gaan nadenken, willen wij niet het slachtoffer worden van de wanhoop. Wij moeten leren inzien dat de onzekerheid essentieel is, veel meer dan dat met onze zogenaamde zekerheden het geval is. Socrates wist al dat de onzekerheid, met het daaruit voortkomende niet-weten, de bron is voor alle wijsheid, d.w.z. de bron voor alle BEGRIP van de werkelijkheid.

Een nieuwe zekerheid

Het begrijpen van de werkelijkheid is de nieuwe zekerheid die als gevolg van het dynamische holistische denken ontstaat. Deze zekerheid is niet meer gebaseerd op de controleerbare juistheid van de kennispakketjes (die er evenwel niet uit gemist kan worden! ) maar op de onverbrekelijke samenhang. De "norm" voor begrip is dan het "onverbrekelijk-zijn". Mocht ergens in ons denken de zaak uiteenvallen, dan schort er iets aan het begrijpen: af er zit een onjuist kennispakketje in, of er is een verhouding niet gerelativeerd (= onwillekeurig voor waar gehouden), of beide. Dan verbreekt de samenhang en we zijn niet meer in staat de zaak te begrijpen. De nieuwe zekerheid berust dus niet op "vastigheden", maar op beweeglijkheden en dat is iets waaraan men in onze cultuur nog helemaal moet wennen!

Bladwijzers: Denkt de moderne mens eigenlijk wel ..? (het op een rijtje zetten / een goed onderzoek ); Op een rijtje zetten paginaís 25 en 26 ; Visie ; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2 ; Betere Wereld-3

 

No. 29

TERRORISME en de genezing daarvan. Zie Fictie/fictieve: A1 - B2 - C3 - D4 - E5 ;

De betekenis van uitspraken

De betekenis van een uitspraak komt voor de dag als wij die uitspraak in een bepaald verband plaatsen. Als wij zeggen: "Kees is ziek" kan dat een uitspraak zijn die best wel WAAR is, maar hij krijgt pas betekenis als WIJ ook nog weten welke Kees bedoeld wordt. Op zichzelf zegt "Kees is ziek" helemaal niets. We kunnen zo'n nietszeggende uitspraak een "abstracte" uitspraak noemen omdat het gaat over iets dat losgemaakt is van zijn samenhang. Zo is ook van onze kennis te zeggen dat die "abstract" is, een nietszeggende kennis die evenwel in onze cultuur hoog gewaardeerd wordt omdat wij denken dat de "waarheid" gelegen is in een uit elkaar gehaalde objectieve werkelijkheid. We hebben al besproken dat dit een misvatting is: als je de dingen analyseert houd je niets over. Maar, die "abstracte" kennis kan wel degelijk WAAR zijn ondanks het feit dat ze nietszeggend is. Die nietszeggende uitspraken en kennis, zoals bijvoorbeeld wetenschappelijke formules, kunnen voor de mensen geen BETEKENIS hebben en dat is er de oorzaak van dat uiteindelijk niemand er raad mee weet. Toch voelen de mensen aan dat er een betekenis zou moeten zijn en bijgevolg gaat men er een betekenis aan "hechten" - net naar het uitkomt. Daardoor wordt vrijwel alle kennis naar eigen goeddunken geÔnterpreteerd en ontstaat er een wirwar van tegenstrijdige opvattingen die slechts met elkaar gemeen hebben dat zij onhoudbaar zijn. Omdat er, vanuit onze cultuur, slechts belangstelling is voor de analyse vervalt de betekenis van de dingen en verzanden wij in een nietszeggende werkelijkheid waarin wij zelf nietszeggende dingen geworden zijn. Omdat wij het bij zo'n abstract bestaan niet uithouden verzinnen wij zelf een soort van samenhang en ontlenen daaraan een (fictieve) betekenis. Daarop steunen de godsdiensten, de sekten, de ideologieŽn en de toegepaste wetenschappen zoals de economie en de technologie. En steeds weer blijkt dat het allemaal holle wind is die ons tenslotte, als een orkaan, vernietigt. De betekenis komt voort uit "het teken" en een "teken" is een gecomprimeerd beeld van een aspect (niet een detail) van de werkelijkheid. Iets hiervan vinden wij terug in het woord: "tekenen". De Chinese karakters zijn "tekens", zij beelden een aspect van de werkelijkheid uit. Duidelijk zal zijn dat wij "zicht" op de werkelijkheid zullen moeten hebben om de betekenis van de dingen en van ons leven te kunnen vinden. Zonder dat "zicht" VERBEELDEN wij ons maar iets.

Betekenis en begrijpen

Als wij de werkelijkheid begrijpen krijgt ze voor ons ook betekenis en omdat die betekenis onmogelijk is zonder samenhang wordt het vanzelf onze werkelijkheid: we kunnen ons er niet meer aan onttrekken. En dat betekent tegelijk dat wij ons niet meer kunnen misdragen. Tot nu toe hebben de moderne mensen zichzelf misvormd tot "boekenkasten", stampvol met kennis. Voor zover wij als "boekenkast" vinden dat wij de zaak begrijpen heeft dat betrekking op de inventarisatie van die boekenkast. Wij weten waarom een bepaald boek op een bepaalde plaats moet staan. Dat is het karakter van onze gehele intellectuele "vorming" en we vinden dan ook dat iemand ergens niets van begrijpt als hij dingen verbindt die volgens ons "niets met elkaar te maken hebben". Maar, als het om echt begrijpen gaat blijkt alles met alles te maken te hebben en dan kunnen totaal "verschillende" dingen een innige samenhang vertonen. Het gebruikelijke woord "begrijpen" slaat op inzicht in de inventaris; het BEGRIP "begrijpen" heeft betrekking op de samenhang van de werkelijkheid. De inventaris is gemakkelijk te leren - iedereen kan het, zij het met kleine verschillen in het vermogen tot onthouden van de kennis. Het is zelfs zo eenvoudig dat een apparaat, de computer, het kan en net zo min als die computer er iets van begrijpt, begrijpen de moderne "geschoolde" mensen er iets van. Om te kunnen begrijpen is het nodig dat wij ons "zien" ontwikkelen.

Het zien van de werkelijkheid

Al eerder hebben wij gewezen op de rol van het "zien". Nogmaals: we hebben hierbij te doen met een zaak die door het moderne denken niet aanvaard wordt omdat hij tegengesteld is aan de westerse benaderingswijze van de werkelijkheid. Tegengesteld dus aan de "objectieve" benadering. De zaak is niet afgewezen omdat hij onhoudbaar is gebleken - er is helemaal niets gebleken omdat er eenvoudig niet over nagedacht is. Wel is er (sporadisch) onderzoek naar gedaan vanuit de psychologie, maar daarbij is het meer als een "fenomeen" beschouwd dan als een opgave voor het begrijpende denken. Carl Gustav Jung bijvoorbeeld ontdekte een "collectief bewustzijn" in de mensen, maar hij heeft - voor zover mij bekend - niet ontdekt dat dit voortkwam uit het "zien" van zijn eigen bewustzijn door de mens. Bovendien is de term onjuist, hij zou moeten luiden: collectief zelfbewustzijn. Hoe dan ook, naar aanleiding van allerlei onderzoek heeft men wel bepaalde theorieŽn ontwikkeld, maar men heeft niet nagedacht over de werkelijkheid als mens. Helaas kunnen wij dit thans ook niet doen, zodat het dus bij een "bewering" moet blijven. Maar die "bewering" is uiteraard voortgekomen uit het nadenken over de werkelijkheid als mens. Het zit als volgt: in ieder mens is de werkelijkheid op beweeglijke wijze aanwezig. Vanuit het zelfbewustzijn kan de mens deze werkelijkheid "zien". Diť geziene werkelijkheid kunnen wij noemen "de werkelijkheid als beeld". De moderne mensen hebben deze zaak verwaarloosd omdat zij het "beeld" vervangen hebben door het "zichtbare" (=objectieve). Dit "zien" is echter niet verdwenen, want het is helemaal niet van de mens af te denken: het is verwaarloosd. Maar het komt, geheel vanzelf, weer terug als wij ons denken gaan ontwikkelen. Als dat niet het geval zou zijn, zouden wij ook niet behoeven te zoeken naar de samenhang der dingen: wij zouden hem nooit vinden en aangewezen blijven op de verbeelding (= fictieve samenhang).

Wij hebben al vastgesteld dat bij het ontwikkelen van het denken de dingen onzeker worden. Zij raken hun vastheid kwijt en worden tot beweeglijkheden. En juist hierdoor krijgen zij steeds meer het karakter van het beeld van de werkelijkheid IN ONSZELF. Dat is immers ook een beweeglijke zaak. Naarmate dus de feitelijke werkelijkheid van de onderscheiden kennispakketjes "vervluchtigt" gaat zij samenvallen met het BEELD in onszelf en daardoor wordt dit verwaarloosde beeld weer "levend". Het wordt weer zichtbaar omdat de blokkade van het vastgelegde opgeheven wordt door het ontwikkelen van het denken. Je zou kunnen zeggen dat de trillingen van het beweeglijke beeld weer gaan harmoniŽren met die van het zelfbewustzijn, oftewel die van het denken. Omdat het beeld in zichzelf een en al "samenhang" is (gelijk aan de werkelijkheid zelf) geraakt de beweeglijk geworden kennis ook in samenhang. En, voor zover dat in een mens steeds meer het geval is wordt die samenhang steeds duidelijker de maat voor de juistheid van het denken. Dat levert de "nieuwe zekerheid" op.

Nieuwe en oude zekerheden

Het gaat in het denken en in het algemeen bij het zelfbewustzijn, steeds om zekerheden. Het "weten hoe het zit" is niet denkbaar zonder een zekerheid. Maar in ons huidige denken ontleent men de zekerheid aan de feitelijke juistheid van een kennispakket OP ZICHZELF, terwijl in het nieuwe, holistische denken de zekerheid gegarandeerd wordt door een in alle opzichten beweeglijke samenhang. Zolang die niet verstoord wordt, dus zolang we in ons denken niet ergens op vastlopen, is de zaak in orde. En wij kennen de samenhang doordat het beeld van de werkelijkheid in ons aanwezig is. De verwaarlozing daarvan kunnen wij niet opheffen door ons met dat beeld zelf bezig te willen houden; de verwaarlozing wordt veroorzaakt door ons DENKEN en als we dat ontwikkelen wordt het beeld vanzelf weer vrij. Dat heeft niets geheimzinnigs - het beeld is gewoon een beweeglijkheids-verhouding in de materie. Alle verhalen van moderne goeroes over iets mysterieus goddelijks in ons zijn onzin. Zij vormen de VERBEELDING van moderne twijfelende mensen...

TERRORISME en de genezing daarvan. Zie Fictie/fictieve: A1 - B2 - C3 - D4 - E5 ;

No. 30

Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1 ; Opvoeding-1 ;Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1 ; mystiek-1 ; mystiek-2

Oppassen voor mystificaties

Er is tegenwoordig bij steeds meer mensen waar te nemen dat zij zoeken naar een andere wijze van denken dan de gebruikelijke. Het is logisch dat zij daarbij haast automatisch de blik naar het oude oosten wenden, omdat daar inderdaad op een andere wijze gedacht werd. Men zocht de "waarheid" door in zichzelf te schouwen, door "introvert" te denken en men kwam daarbij tot verrassend heldere inzichten. Omdat die inzichten bovendien getuigen van inzicht in de werkelijkheid ALS GEHEEL, spreken zij de moderne zoekende denkers en degenen die in allerlei opzichten hun "geloof" verloren hebben erg aan. Hoewel zij een vermoeden hebben het spoor voor een werkelijke denkontwikkeling gevonden te hebben, komen zij er doorgaans niet toe zich LOUTER DENKEND af te vragen met wat voor een "innerlijke" werkelijkheid zij te maken hebben als zij in zichzelf zelf allerlei ontdekken. Tot nu toe blijft vrijwel iedereen steken in een soort van MYSTIEK en onder de indruk van het "raadselachtige" van het innerlijk van de mens. Dat is echter op zichzelf een uitermate vruchtbare bodem voor zweverige religieuze sprookjes, dweperig gedoe over "oosterse wijsheid" en ongegronde nederige gevoelens ten aanzien van de werkelijkheid. Hoewel dit alles wellicht wat "mensvriendelijker" en vooral ook "vrouwvriendelijker" is dan ons traditionele denken, schieten we er op zichzelf totaal niets mee op als wij er niet serieus toe overgaan de zaak te doordenken. Het "beeld" van de werkelijkheid in onszelf is door nuchter nadenken te vinden; de beweeglijkheids-verhouding, die dat beeld is, kunnen we berekenen - niet in de kwantitatieve zin (de frequentie en dergelijke), maar in kwalitatieve zin (de hoedanigheid ervan). Dit zullen wij thans niet doen, omdat dit veel te ver voert, maar wel kunnen wij stellen dat het ongewone van die berekening (voor de moderne denktraditie) is gelegen in het feit dat het een berekening is waarin alles beweeglijk is en blijft, zodat alles in kwantitatieve zin ONZEKER is. Het is niet in getallen of formules uit te drukken, wij kunnen slechts in verhoudingen spreken en denken. De zekerheid echter ligt in het onverbrekelijk-zijn van die verhoudingen, in hun algehele samenhang. Het feit, dat men langs de weg van de mystiek tot het BELEVEN en ook wel ONDERGAAN van die beweeglijke verhoudingen kan komen, betekent in geen geval dat de zaak zelf mystiek van aard is, of goddelijk of kosmisch. Het is eigenlijk niets bijzonders. Maar het lijkt heel wat omdat we door ons gebruikelijke denken heen moeten breken om er zicht op te krijgen. En daarvoor neemt de moderne mens, voor zover die zijn denken niet ontwikkelt, zijn toevlucht tot mysterieuze kunstgrepen, zoals drugs en allerhande quasi bewustzijnverruimende trainingen en rituelen. De kunst echter is om er DENKEND achter te komen. Als men dit niet doet, blijft ons primitieve "verzamelaars-denken" de zaak blokkeren, zodat ons leven net zo armoedig blijft als het al was...

Het onaantastbare beeld en de blokkade

Het samenhangende, beweeglijke beeld in onszelf is er als gevolg van de wording van de verschijnselenwereld. Dus : als de mens op de planeet verschijnt, is er ook dat beeld in de mens. Hij kan daaraan niets toe of af doen, hij kan het niet versterken noch verhelderen, hij kan het niet naar voren halen... hij kan er niets mee. Het is net zo vanzelfsprekend en onafwendbaar als bijvoorbeeld het stromen van zijn bloed of het kloppen van zijn hart. Zinloos is het dan ook om zoiets te proberen - je kunt je "bewustzijn" (want dat is dat beeld) op geen enkele wijze beÔnvloeden, ook niet door een bepaalde opvoeding of training. Het is onmogelijk om in jezelf een "hoger bewustzijn" wakker te roepen, want er bestaat geen "hoger bewustzijn" - als je dat denkt ben je juist met mystiek bezig. Het "bewustzijn", het "beeld", is gewoon een GEGEVEN. En omdat dit zo is, is het in ons allemaal in orde. Wat evenwel niet in orde is, is ons DENKEN, dat het zicht op dat "beeld" blokkeert. Die blokkade echter is wel aan te vatten omdat die bestaat uit de verzameling kennis-pakketjes die wij tot inhoud van ons ZELFBEWUSTZIJN gemaakt hebben. Je kunt ook zeggen: die blokkade wordt gevormd door ons eigen denken, dat ons vanuit de traditie geprogrammeerd heeft tot een vaststaand denkmodel (paradigma). Dat denkmodel is concreet, het is de concrete INHOUD van ons zelfbewustzijn en het bestaat uit de eerder genoemde kennis-pakketjes. Het aanvatten daarvan maakt de zaak beweeglijk en dat betekent dat onze eigen blokkade zich opheft. Daarmee krijgt het zien van het beeld zijn kans, of, anders gezegd: ons bewustzijn wordt weer zichtbaar, het gaat weer functioneren. De verwaarlozing verdwijnt, wij worden "gezond". Nogmaals, want dit is erg belangrijk: elke methode om buiten ons denken om tot bevrijding van ons bewustzijn te komen, is een vlucht naar een nieuwe afhankelijkheid. Omdat ons denken traditioneel en "vastleggend" bezig blijft raken wij steeds meer verslaafd aan zo'n methode om ons "bevrijd" te voelen. Tenslotte lossen wij niets meer op en zijn wij reddeloos verloren...

Het paradigma

Wij construeren zelf het paradigma als een soort van blauwdruk van de werkelijkheid. Wij leggen die blauwdruk als het ware op het - altijd aanwezige beeld van de werkelijkheid en aanvaarden alleen datgene dat met die blauwdruk overeenstemt. Dat geldt voor alle tijden en voor elke cultuur. Een cultuur is nu juist een paradigma. Daarbij moet opgemerkt worden dat zo'n paradigma ons nooit in zijn volle omvang bekend is. Niemand kent volledig alle details ervan en misschien is het zelfs wel zo, dat het grootste gedeelte van het paradigma zich in het ONBEKENDE gebied van ons zelfbewustzijn bevindt. Dat onbekende gebied bestaat uit kennis en ervaringen die wij als baby opgedaan hebben zonder dat wij er van wisten, het bestaat uit vergeten kennis en ervaringen en ook uit verdrongen zaken. De psychologie houdt zich bezig met het inventariseren van al deze zaken, met de daarbij behorende conflicten en trauma's. Maar ondanks de psychologie blijft elk mens zitten met de duistere inhoud van zijn zelfbewustzijn, zodat wij ons thans af kunnen vragen hoe je die zaken, waarvan je niets weet, ook in beweging kunt krijgen, d.w.z. betrekken in je denkontwikkeling. Wij moeten hierbij bedenken dat het niet zozeer gaat om de kennispakketjes zelf als wel om het paradigma, het model. Je kunt dus stellen dat je onverschillig zou kunnen zijn voor die pakketjes, ook voor zover zij zich bevinden in het onbekende gedeelte van het zelfbewustzijn. Waarom het gaat is dat het paradigma zich op gaat lossen, zodat het zelfbewustzijn weer een beweeglijke zaak wordt. Dan gaat het onbekende gedeelte vanzelf mee en het is helemaal niet uitgesloten dat dit zich oplost zonder dat wij ooit kennis zullen nemen van de inhoud ervan. Dit doet er evenwel helemaal niet toe, want voor zover wij op een onbegrijpelijke manier LAST hadden van deze ingeprente, vergeten of verdrongen kennis, kwam dit voort uit het vastgelegde karakter ervan. We kunnen dus stellen dat met het zich ontwikkelen van het denken ook ons "onbekende ik" lucht krijgt en ons niet meer dwars kan zitten. De huidige psychiatrische praktijk wijst dan ook in die richting, alleen moet zij het onbekende wel bekend maken om het te kunnen bespreken en daardoor beweeglijk te maken. Maar ook hier leert de ervaring dat het beweeglijk maken van soms maar een klein gedeelte de rest ook oplost. Omdat het ons huidige DENKEN is dat ons ziek maakt, ook lichamelijk ziek, is het daar waar wij moeten beginnen onszelf te genezen. Dat geldt zowel voor ons persoonlijk als voor de mensheid als geheel. Voor dit soort van genezing bestaan er echter geen medicijnen, noch therapieŽn, noch methodieken: het is zelfs niet goed om ons met die "genezing" als zodanig bezig te houden. Het gaat om ONTWIKKELING van ons denken en met het zich doorzetten daarvan treedt geheel vanzelf genezing in. Het zal duidelijk zijn dat je deze genezing een "bevrijding" kunt noemen, een bevrijding die zich op alle gebieden van het leven zal gaan doorzetten...

Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1 ; Opvoeding-1 ;Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opgevoed-1 ; mystiek-1 ; mystiek-2

No. 31

Zenboeddhisme-1 ; Zenboeddhisme-2

De noodzaak om ons denken aan te pakken

Er is op te merken dat een mens zijn leven lang niet altijd denkend benadert, maar dat er tal van "mechanismen" zijn die op "niet-rationele" wijze ons leven beÔnvloeden en zelfs wel bepalen. Gewoonlijk spreken wij dan over ďonze gevoelens". En terecht is een aantal mensen van oordeel dat wij ďonze gevoelens" in ernstige mate verwaarlozen, hetgeen bevorderd wordt door het feit dat wij van mening zijn dat wij met "gevoelens" niets aan kunnen vangen als het er om gaat de werkelijkheid te leren begrijpen. Op grond hiervan zou je kunnen zeggen dat het van belang is om onze gevoelens te herwaarderen, er meer aandacht aan te gaan besteden, ze meer serieus te gaan nemen. Toch blijkt dat wij juist aan datgene dat al zo overgewaardeerd is, namelijk ons redelijke denken, al onze aandacht zouden moeten gaan geven. Dat lijkt onlogisch en daarom is het nuttig om hierbij nog even stil te staan.

Om de dominante rol van het denken terug te dringen en tevens dat "andere" in de mens naar voren te halen, zijn er tegenwoordig nogal wat methoden ontwikkeld, die zich allemaal zo direct mogelijk op dat "andere" richten buiten het denken om. Men beoefent "rollenspelen", er zijn "aanrakingstherapieŽn", men wil zich bewust worden van het "lichaam", enzovoort. Oosterse oefeningen als yoga gaan buiten het denken om, het denken zou uitgeschakeld moeten worden. Ook in het drugsgebruik gaat het om het verdoven van het denken, het zelfbewustzijn, dat voor veel mensen (en lang niet de slechtsten!) alleen maar oorzaak is van een uitzichtloze verwarring. Zo zijn er talloze voorbeelden te noemen waaruit steeds weer blijkt dat de mensen in de gaten hebben dat hun zelfbewustzijn, hun denken, een groot aantal van hun mogelijkheden blokkeert. En steeds weer zien wij dat men dan probeert van de dominante rol van het denken af te komen DOOR HET WEG TE DRUKKEN OF UIT TE SCHAKELEN. Overigens: men probeerde dit al in het oude oosten. In het TaoÔsme en in het Zenboeddhisme probeerde een "meester" zijn "leerling" in een onverwachte flits de "waarheid" te laten beleven. Het onverwachte schokeffect was nodig om het denken voor een moment te omzeilen. In de loop der tijden ging deze kunst verloren en zocht men almaar meer zijn toevlucht tot de opium, totdat in onze cultuur zowel de opium (drugs) als het schokeffect (bewustzijnsverruimende methodieken) weer voor de dag komen om de blokkade van ons denken te omzeilen.

Als wij echter over het probleem filosoferen, dan blijkt dat je het niet redt als je het zelfbewustzijn, het denken, wegmoffelt zonder het op de een of andere manier aan te pakken. Een weggemoffeld denken is nog steeds precies hetzelfde denken dat nog steeds een blokkade vormt, maar dat nu op een nog onnavolgbaarder wijze functioneert. Omdat het verdrongen is gaat het zijn rol op een ziekelijke wijze spelen - we zijn dan nog verder van huis. De enige mogelijkheid blijkt te zijn: het ontwikkelen van het denken zelf, hetgeen betekent dat de zaak in beweging komt en tenslotte weer beweeglijk wordt. Met het beweeglijk worden komt al het "andere" dat voor de mens geldt VANZELF weer voor de dag. Omdat het dan niet meer door ons denken overheerst wordt, verliest het ook zijn benauwdheid, zijn verwrongenheid. Letterlijk verdwijnt het "kleinzielige". We krijgen te doen met "bevrijde gevoelens", die, in tegenstelling door wat vanuit Onze "denkcultuur" gemeend wordt, volkomen betrouwbaar, liefdevol en sociaal blijken te zijn. En ook wat het begrijpen van de werkelijkheid betreft zijn die "gevoelens" betrouwbare aanwijzingen om een antwoord te vinden op de cruciale vraag: HOE ZIT HET. Het heeft geen zin en het is zelfs gevaarlijk, te trachten ons rechtstreeks, eventueel met behulp van goedbedoelde methodieken, het "andere" naar voren te halen. Want dat doe je dan noodzakelijk waar vanuit het blokkerende denken. Je baseert je immers op een THEORIE die je met je VERKEERDE DENKEN uitgedacht of aanvaard hebt. Een theorie dus, die je met behulp van je verkeerde denken goedgekeurd hebt. En de nieuwe normen, die je jezelf stelt, zijn ook precies uit de verkeerde hoek gekomen. Daarom zie je dan ook bij zoveel mensen een nieuwe verslaving optreden: aan een idee, aan een goeroe, aan een religie en tenslotte aan de drugs...

Bovendien is het een feit dat zaken als intuÔtie, inspiratie, schoonheid- en liefdesgevoelens, enzovoort, zich niet laten sturen. Je kunt ze niet naar willekeur oproepen, je kunt ze niet naar je hand zetten, de zaak gaat geheel buiten je wil om, heeft op zichzelf ook niets met je denken te maken.

Het zijn uitingen van de menselijke "psyche" en die komt niet voort uit het zelfbewustzijn, maar uit het BEWUSTZIJN - het in jezelf aanwezige trillende beeld van de werkelijkheid. Psyche en bewustzijn behoren bij elkaar en van die twee is het de psyche die door het denken (beter: het zelfbewustzijn) vervormd kan worden. Gevoelens zijn door het zelfbewustzijn vervormde psychische uitingen, die ondanks de vervorming toch een eigen leven leiden, ongrijpbaar voor het denken. Dit ongrijpbare komt door het beweeglijke karakter er van. Helaas kunnen we nu niet uitvoerig over de psyche en haar culturele verwording spreken, ( zie hiervoor beweging en verschijnsel deel 1 , 2 en 3. ) maar wel moeten we begrijpen dat onze psyche "klem" zit door de blokkade van het denken.

Het denken moet zijn eigen gang gaan

Volgens de wijsgeer Kant bestaat er een aantal "denkcategorieŽn" waaraan wij ons in ons denken hebben te houden als wij een antwoord willen krijgen op vragen die de werkelijkheid betreffen. Maar Hegel was (terecht) van mening dat men "zijn denken zijn eigen gang moet laten gaan". Hij zag in dat je juist dan de mogelijkheid hebt om te kunnen constateren dat je al of niet vastgelopen bent op een zeker moment. Bij het doordenken komen de "fouten" voor de dag. In de westerse cultuur is men doorgegaan op de door Kant ontwikkelde normen voor het denken en Hegel werd al spoedig afgedaan als "een idioot in de filosofie". Men vindt dat doordenken leidt tot oncontroleerbare verzinsels die een slag in de lucht zijn. Het beroerde echter van denkmethodieken is dat ze niet ontworpen zijn om de foute zienswijzen te ONTDEKKEN, maar om die bij voorbaat te ELIMINEREN. Door het vermijden van de fouten kan je ze nooit ontdekken. Dat betekent dat je bezig bent met een systeem dat zichzelf in stand houdt en dat geen mogelijkheden biedt tot ontwikkeling. Als je bij een boswandeling nauwgezet de aangegeven paden volgt kan je niet verdwalen, maar als je niet kunt verdwalen leer je het bos niet kennen. Je leert ook geen betere of mooiere weg kennen - in zekere zin gaat het hele bos aan je voorbij. Met het uitsluiten van de verkeerde weg sluit je ook een hetere uit. Ook het denken moet kunnen "dwalen" (in alle betekenissen van het woord) om zichzelf en de werkelijkheid te leren kennen. En hetzelfde geldt voor de mensheid. Opvallend van onze huidige mensheid is dat zij almaar doorgaat op de verkeerde weg. Terwijl de bewijzen zich opstapelen dat het fout gaat. Maar die weg is als het gemarkeerde bospad: afdwalen is verboden. De toenemende rampen komen doordat het bospad nog niet helemaal goed is aangelegd - niet doordat het een verkeerd pad is, vindt men. En zo sluit de mensheid voor zichzelf elke correctiemogelijkheid uit. Net zoals het aan normen gebonden denken zichzelf niet kan corrigeren. Als er dan toch veranderingen optreden zijn dit als het ware "revoluties", die steeds VAN BUITENAF het gangbare denken aantasten. In onze tijd zijn dat groepen van mensen die met deze wereld niet meer mee willen doen, of traditioneel niet mee mogen doen zoals de vrouwen en de derde-wereld-mensen. Van binnenuit worden de gevestigde denkwijzen niet aangetast. Dit komt dus doordat men zijn denken niet vrij laat; de enkelingen die dat wel doen zijn degenen van wie de "revolutie" te verwachten is, niet in de traditionele zin in de vorm van een machtsstrijd maar in de vorm van bevrijding van het denken door het te ontwikkelen.

Zenboeddhisme-1 ; Zenboeddhisme-2

No. 32

Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16, 22, 23, 32)

Zelfbewustzijn, denken en zien

Wij hebben, in de loop van deze cursus, enige malen over het "zien" van de werkelijkheid gesproken en het daarbij behandeld als een soort aparte grootheid in de mens. In feite echter behoren denken en zien bij elkaar en beide verhoudingen worden als het ware overkoepeld door datgene wat ik het ZELFBEWUSTZIJN noem. Zelfbewustzijn, denken en zien zijn evenwel niet van elkaar los te maken, hoewel zij op zichzelf van elkaar te onderscheiden verhoudingen zijn. Om het niet te ingewikkeld te maken heb ik "zelfbewustzijn" en "denken" min of meer door elkaar heen gebruikt, maar het zijn dus in feite geheel andere verhoudingen. In die drieslag van verhoudingen behoren "denken" en "zien" bij elkaar, terwijl het "zelfbewustzijn" die twee als het ware omhult. En binnen die omhulling is er de "inhoud" van het zelfbewustzijn, als het resultaat van het denken en het zien. Op grond hiervan fungeert het zelfbewustzijn als een FILTER, het laat door wat het wenselijk acht en het houdt tegen wat buiten het kader van de in een cultuur geldende begrippen of modellen valt. Dit fungeren als een filter is essentieel voor het zelfbewustzijn, d.w.z. het is er niet af te denken. We kunnen het dus ook niet goed of slecht noemen: waar zelfbewustzijn is is tegelijk het filtersysteem. Maar het maakt wel verschil of het filter opgebouwd is uit een aantal vastgelegde modellen en dus zijn beweeglijkheid verloren heeft, of dat het zijn eigen beweeglijkheid handhaaft door zijn eigen modellen telkens weer opnieuw op te lossen, zodat nieuwe vraagstukken zonder vooropgezette meningen bekeken kunnen worden. Het punt is dus niet dat mensen "opvattingen" hebben, conclusies trekken en uitspraken doen, maar het punt is: hoe komen die opvattingen tot stand, vanuit een model of vanuit pure "vrijheid". Anders gezegd: de vraag is of het filter samengesteld is uit een netwerk van vaste en onveranderlijke verhoudingen, zoals bijvoorbeeld met een ZEEF het geval is, of dat het netwerk bestaat uit beweeglijke verhoudingen. Om met Hegel te spreken: "een kristallijnen net van begrippen". Omdat het netwerk haar INHOUD krijgt door denken en zien en het het denken is dat "het netwerk weeft", is het dit laatste dat aangepakt moet worden als de mensheid in een bepaalde cultuur vastgelopen is. Dat geldt in zijn algemeenheid. We zien dan ook dat culturen telkens beginnen met nieuwe denkbeelden en zienswijzen, die langzaam maar zeker doorbreken en aanvaard worden. Maar het geldt in het bij zonder voor onze cultuur omdat in die cultuur juist het denken centraal staat. Als we dat wegmoffelen nemen wij wel afstand van onze cultuur (wat tijdelijk een bevrijdend gevoel geeft), maar wij komen niet verder, zodat het uiteindelijk niet bevredigt. De opgave voor de moderne mensen is ER DOORHEEN TE GAAN. Daartoe behoeft men zich niet filosofisch te bekwamen, want ook de filosofie is een VAK, dat beoefend moet worden. Maar het is wel een "filosofisch" proces dat voor ons noodzakelijk is. Dit "filosoferen" komt in de praktijk neer op IN TWIJFEL TREKKEN, niets als vaststaand aanvaarden en tot het inzicht komen dat het beter is iets NIET TE WETEN dan het VERKEERD te weten. De overtrokken culturele waardering voor het "weten", in de vorm van kennis, is een gevolg van onze "denkcultuur". Die waardering is derhalve een vooroordeel dat met de ontwikkeling van het denken verdwijnt. De betekenis van het "weten" zal altijd een betrekkelijke blijken te zijn - wat overigens in geen geval inhoudt dat we dat "weten" dan maar kunnen gaan verwaarlozen. Het is immers geen minderwaardige zaak: het is een RELATIEVE zaak. En we kunnen zelfs wel stellen dat we, juist door het relatieve karakter van het "weten", overal achter kunnen komen. De vraag "hoe zit het" is alleen maar vanuit die relativiteit te beantwoorden en niet vanuit bij voorbaat geprogrammeerd denken. Voor de mensheid is het nog een lange weg om tot dat inzicht te komen; vrijwel alles staat aan deze ontwikkeling in de weg. En het is dan ook "alles" dat in de toekomst op de helling gaat...

Zelfbewustzijn, een toelichting

Het is opmerkelijk dat een mens over zichzelf uitspraken kan doen. Hij kan het over zichzelf hebben als "ik", waarbij die "ik" als het ware in de derde persoon komt te staan als zou het "ik" een op zichzelf staande realiteit zijn. Als in een kind het zelfbewustzijn door gaat breken zegt het eerst: "Jantje wil melk" en daarna wordt het: "Ik wil melkĒ. Het blijkt dat "ik" en "Jantje" identiek zijn en een eigen realiteit bezitten. We kunnen zeggen: de mens kan buiten zichzelf gaan staan. Dit nu is het gevolg van de werking van het zelfbewustzijn en omdat dit het geval is kan een mens ook zijn eigen denken beoordelen: hij kan over zijn eigen denken denken, hij kan het ontwikkelen. Voor een dier is dat onmogelijk, het dier is gebonden aan de natuurlijke programma's en omdat er bij het dier geen systeem bestaat dat boven zijn denken uitgaat blijft hij er aan vast zitten. De mensen leggen tijdens hun ontwikkeling hun eigen denken wel vast, maar zij doen dit zelf en zij zijn het ook zelf die het vastgelegde vanuit de werking van het zelfbewustzijn (dat in principe beweeglijk is) weer oplossen. De toestand van de werkelijkheid, die wij bij de mens het zelfbewustzijn noemen is een toestand waarbij de materie zichzelf als materie opheft, d.w.z. gaat functioneren alsof ze GEEN MATERIE was. En dat is een toestand, namelijk dat "geen materie zijn", die wij ook aan het "begin" van de werkelijkheid aantreffen en die van al het bestaande de essentie is en blijft. Hier stuiten wij op een frappante overeenkomst met oorspronkelijke religieuze opvattingen, namelijk dat "god" het begin en het einde zou zijn en bovendien alles doordringt. De wijsgeer Spinoza stelde dat alle dingen "bestaanswijzen" van de "substantie" zouden zijn en dat die substantie bij de mens als "god" weer terugkwam. Die substantie, die de mensen met "god" associŽren, is niets anders dan het menselijke zelfbewustzijn.

Praten over de dingen

De mens kan uitspraken doen over zichzelf, over de werkelijkheid. Dat kan hij niet zonder te denken (al zou je dat niet altijd zeggen!). Voor onze cultuur is daarvan een rechtstreeks gevolg dat het meer en meer een PRAATCULTUUR geworden is. Met praten denkt men alles op te kunnen lossen - men praat en praat maar aan een stuk door. Men vindt dan ook dat je, om met elkaar te kunnen samenleven, alles met elkaar moet kunnen doorpraten en bepraten en dat dit praten de waarborg is voor het slagen van het samenleven. Maar dit is een grove misvatting. Samenleven is het laten gelden dat wij allen, op onze eigen wijze, het GEHEEL zijn. Binnen dat geheel ligt de nadruk niet op de onderscheidingen en dus niet op het denken en ook niet op het doen van uitspraken. Als het geheel geldt is voor de mensen het "samenleven" vanzelfsprekend een feit. Men spreekt dan ook over een "woordenloos elkaar verstaan". Toch kunnen wij niet zeggen dat het praten dan maar "afgeschaft" zou moeten worden. Voor zover namelijk de mensen met elkaar een "maatschap", een organisatie vormen, zijn zij op het gesprek aangewezen. De "maatschap" is gebaseerd op het feit dat binnen het geheel de ene mens toch de andere niet is, terwijl men (op grond van dat geheel) wel op elkaar aangewezen is en van elkaar afhankelijk. Omdat de ene mens de andere NIET is, moeten de mensen zich aan elkaar KENBAAR maken en dat is het gesprek. Een "maatschap" en dus ook de maatschappij, is zonder het gesprek onmogelijk, in het gesprek realiseert zich het maatschappelijke netwerk van afhankelijkheden. Als mensen qua "samenleven" problemen met elkaar hebben, kunnen zij die problemen alleen maar met elkaar "uitleven". Hoewel het natuurlijk altijd goed is er over te praten, is het fout om te menen dat dit tot een oplossing leidt. Geen enkel gesprek kan het "samenleven" verbeteren, maar wel kan het van invloed zijn op de RELATIE (= de verhouding tussen) van de een met de ander.

Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16, 22, 23, 32)

 

No. 33

( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)

Bladwijzers: arbeid-1 ; arbeid-2 ; werken†††† Veiligheid-1(t/m 23) ; Veiligheid-2 ; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2 ; Betere Wereld-3 ; waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2; waardeoordelen-3 ; waardeoordelen-4 ; waardeoordelen-5 ; waardeoordelen-6 ; Gewone mensen-1 (nrs. 22 t/m 24 );Gewone mensen-2 ( no.33)

Het veilig stellen van het leven

Door de hele geschiedenis van de mensheid heen zijn er krachten werkzaam geweest, die er op gericht waren het dagelijkse leven van de mensen te veranderen en onveranderlijk waren dat krachten die het leven voor diezelfde mensen onveilig maakten. Zij hebben dan ook steeds geprobeerd zich tegen die krachten te verzetten, maar in het algemeen kunnen wij stellen dat dit tot nu toe zonder succes geweest is. Nog altijd wordt er op de mensen ingepraat, wordt hen een betere wereld voorgehouden, wordt de revolutie gepredikt of een duivelse vijand aangewezen. Filosofen rekenen de mensen voor hoe zij eigenlijk zouden moeten leven, wat hun ethiek zou moeten zijn; regeringen stellen wetten die zonder meer nagevolgd moeten worden, zogenaamd voor het welzijn van de gehele samenleving. Vakbonden proberen de mensen ervan te overtuigen dat zij zouden moeten gaan staken, pausen riepen op tot kruistochten ter loutering van de ziel en meerdere glorie van de roomse kerk, enzovoort, enzovoort... Of men nu de wereld wil verbeteren - proletariŽrs aller landen, verenigt u of de mensen wil opjutten tot broedermoord, onveranderlijk worden de mensen uit hun dagelijkse leven gehaald ter wille van iets dat anderen voor hen verzonnen hebben. Die anderen zijn leden van de een of andere "intelligentsia", mensen in wie bepaalde cultuurgedachten tot concrete doelstellingen geworden zijn. Wij kunnen die doelstellingen positief waarderen (bevrijding van een bepaalde tirannie, medezeggenschap verwerven en rechten) en ook negatief (opjutten tot het voeren van oorlog, het terroriseren van joden, het zich ondergeschikt maken aan de belangen van anderen). Maar een feit blijft dat de mensen uit hun gewone gedoe gehaald worden. Zij reageren daarop afwijzend, zij hebben er geen zin in en zij zijn er ook bang voor: zij verliezen hun veiligheid. Zelfs als zij onder erbarmelijke omstandigheden moeten zien te overleven voelen zij zich veiliger dan wanneer zij tot actie moeten overgaan. Het is te begrijpen: hun eigen omstandigheden zijn het milieu waarin zij gewend zijn te leven, zij kennen de gevaren en zij hebben geleerd zich zo goed mogelijk te handhaven. Tegelijk zijn zij zelf voortdurend bezig hun toestand te verbeteren. Niemand is bereid een ondraaglijke toestand te laten voortbestaan, onveiligheid behoort niet bij het menselijke leven. In de ogen van de "progressieve" intelligentsia zijn de mensen lauw en apathisch omdat zij niet gemakkelijk in beweging komen. Hoe veiliger hun bestaan, hoe minder bereid tot actie over te gaan. Om ze toch zover te krijgen moeten ze " gemotiveerd" worden en daartoe kan elk argument worden gebruikt als het maar overtuigend gebracht wordt. Als dit gelukt ontstaat er een enorme heksenketel waarin niemand meer veilig is. Het is dan weer die intelligentsia, die zich "menslievend" opwerpt om weer orde op zaken te stellen.

Elke intelligentsia is voortdurend bezig de mensen voor zijn karretje te spannen; nooit worden de mensen met rust gelaten, altijd moeten zij iets. Zij moeten zich voegen naar de denkbeelden van de intelligentsia, hetzij positief gewaardeerde denkbeelden, hetzij negatief gewaardeerde. Men heeft wel eens gezegd, dat de filosofen zouden moeten ophouden over de wereld na te denken en moeten beginnen haar te veranderen. Maar als er al iets veranderd zou moeten worden is het het denken van de filosofen, juist voor zover die het niet houden bij het begrijpen van de werkelijkheid. Tot dit begrijpen behoort ook dat men inziet dat de mensen veiligheid zoeken en dat dit essentieel is voor het leven.

En ook behoort er toe dat men inziet dat dit zoeken naar veiligheid in alle tijden misbruikt is door de intelligentsia, in positieve en in negatieve zin, afhankelijk van de geldende waardeoordelen. Net zoals men probeert de natuur te beheersen doet men dat ook met de mensen. Men kan hen niet met rust laten. Als men evenwel de mensen wel met rust laat, wil dat dan zeggen dat alles maar moet blijven zoals het is? Neen, dat wil het niet zeggen. Maar het probleem van "verandering" en "verbetering" kan niet goed opgelost worden zonder de erkenning dat het steeds de een of andere intelligentsia is geweest die uiteindelijk oorzaak was van de ellende van de mensen. Die mensen zelf hebben niet tot oorlogen aangezet, een maatschappij op diefstal gebaseerd, een staatstirannie ingesteld, hun medemensen van de honger laten omkomen en een elite in welstand laten leven. Steeds als er onder de mensen iets misdadigs aan de hand was school er wel een door de intelligentsia ingefluisterd denkbeeld achter. De gewone mensen hebben deze rot wereld niet tot stand gebracht. Hetgeen niet wil zeggen dat zij er niet aan MEEGEWERKT hebben. Door hun gevoeligheid voor de denkbeelden van de intelligentsia hebben zij zich telkens weer, tot hun eigen nadeel, laten verleiden tot ondersteuning van de machtzoekende intelligentsia, zonder voorlopig te begrijpen dat hun leven alleen maar dan veilig kan zijn als zij dit in hun eigen milieu realiseren. De intelligentsia heeft dit donders goed begrepen, vandaar dat zij, met al haar mooie verhalen, toch altijd op haar eigen welstand uit is geweest. De intelligentsia heeft zonder mankeren wel haar eigen milieu veilig gesteld. En dat geldt tot op de dag van vandaag. Verandering en verbetering kunnen alleen maar uit de mensen zelf voortkomen en dus kunnen wij een betere toekomst alleen maar van het individuele zelfbewustzijn van de mensen verwachten. Dat heeft niets te maken met het wakker worden van idealen, ethieken, mensenrechten en dergelijke en alles met het in de gaten krijgen van je plaats in het kosmische systeem. Wat overigens eigenlijk geen "plaats" is, maar een beweeglijke verhouding... De praktische inhoud van het begrip "veiligheid" is een heel eenvoudige: het gaat om LEVENSMIDDELEN (voedsel, drank en lucht) en BESCHUTTING (een woning, kleding). Zaken als gezondheidszorg en recht zijn maatschappelijk bepaald zijn dus RELATIEVE begrippen. Van de gezondheidszorg, zoals wij die kennen, is te zeggen dat het uitermate twijfelachtig is of die de gezondheid van de mensen bevordert. Volgens recente onderzoeken is het resultaat zonder meer negatief, terwijl van het recht gezegd kan worden dat het er is op voorwaarde van het onvolwassen gedoe van de mensen. En over de politiek, die tegenwoordig door iedereen zo belangrijk gevonden wordt, is al helemaal geen goed woord te zeggen, evenmin als over de economie. Beide zijn intelligente, d.w.z. verstandelijke, regelingsmethoden, die de intelligentsia toepast om de door henzelf veroorzaakte wanorde voor eigen welstand te benutten. Zaken als wetenschap, kunst en filosofie behoren niet tot het terrein van de veiligheid. Zij hangen samen met de vraag naar de KWALITEIT van het leven en zijn als zodanig onmisbaar. Hetzelfde geldt voor de technologie. Voor de veiligheid van het leven is het nodig dat de mens arbeid verricht: levensmiddelen en beschutting zijn het resultaat van arbeid. Maar voor de moderne mensen is het begrip "arbeid" nauwelijks meer te begrijpen, voornamelijk doordat het tot "dienstbaarheid" is verworden. Om dit thema uiteen te zetten zou een aparte cursus noodzakelijk zijn... Tenslotte nog dit: de door de mensen tot nu toe bestreefde veiligheid is een zeer wankele. Hij is doortrokken van allerlei (waan)denkbeelden, zodat hij duidelijk het karakter heeft van een SCHIJNVEILIGHEID. Maar ondanks dat is het toch veiligheid, die de mensen terecht zoeken om te kunnen leven en in laatste instantie is te zeggen dat dit nu precies het enige is dat als opgave aan het menselijk bestaan meekomt.

Bladwijzers: arbeid-1 ; arbeid-2 ; werken†††† Veiligheid-1(t/m 23) ; Veiligheid-2 ; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2 ; Betere Wereld-3 ; waardeoordelen-1 ; waardeoordelen-2; waardeoordelen-3 ; waardeoordelen-4 ; waardeoordelen-5 ; waardeoordelen-6 ; Gewone mensen-1 (nrs. 22 t/m 24 );Gewone mensen-2 ( no.33)

 

 

Naar bladwijzers:Antropologie en een verborgen waardenstelsel ; Vertrouwen;Economisch Denken†† ;Het op een rijtje zetten Ė De dreiging van een oorlog mee keren..? ; RUSLAND ; CHINA ; LIEFDE ; Het GEZIN zou de HOEKSTEEN van de SAMENLEVING zijn ; Nrs. 13 t/m 18 ; Afhankelijkheidsrelatie ; Zichzelf Zijn t/m 24 ; Volksleiders ; Psyche(Gevoel) ; AtheÔsme ; EUTHANASIE is een VANZELFSREKENDHEID..! ; Waardeoordelen-1;waardeoordelen-2;waardeoordelen-3 ; waardeoordelen-4;waardeoordelen-5;waardeoordelen-6;Visie ; AtheÔsme - Dostojewski/Iwan Karamazow ; Zenboeddhisme-1;Zenboeddhisme-2;Vrijheid (nrs. 5, 7, 11tm14, 16, 22, 23, 32) en Veiligheid-1(t/m 23);Veiligheid-2;Arbeid-1;Arbeid-2 ; Werken;Profeten; De historiciteit van Jezus/Christus;Mohammedaanse-1; De Heilige Geest;De derde wereld zal nog verder verarmen ;praten over de dingen;De betekenis van het Paradijsverhaal / De Zonde;De betekenis van een uitspraak;Denkt de moderne mens eigenlijk wel na..? (het op een rijtje zetten/een goed onderzoek); Op een rijtje zetten paginaís 25 en 26 ;††† Hoe te Overtuigen ; staken;Redelijkheid pag. 10 en 11 ; Filosofen en Pedagogen pag. 22 en 23 ; honger-1;honger-2 en mensenrechten; Zelfverloochening ; met rust laten;de wereldveroveraars;Wat is eigenlijk het denken;Onderzoeksdoel / Onderzoeksmethode;Slaven ; Slavernij ; Onderzoeksdoel / Objectief onderzoek;Inburgeren;Het menselijk Gedrag begrijpen;Geboren in een Islamitisch land ;NADENKEN ; De wording van het Roomse Christendom, Oerchristendom en De Oerchristelijke Gedachte;Het Kruis;Yoga;De ondergang van het Oerchristendom;Gods Zoon;De ďZoon van de MensĒ;Medische Wetenschap ; Het denken en de waarheid en leugen en denkweg-nrs.3/4/5 ; Wat verschijnt er op de planeet?;Bevrijding van de mensÖ -- nrs. 30 t/m 33 ; Overtuiging;Het zogenaamde logische denken;hoer-1;hoer-2; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2 ; Betere Wereld-3 ; Zich verhelderen;Een nadere bepaling van het DENKEN ; Kwalitatieve en kwantitatieve denkontwikkeling;De gebruikelijke voorstelling over de mens ; Waar is ďDe OermensĒ;Omdat <ik> het <zeg>..!;Geweld;Geven en Nemen;Ontkenning ; Zelfdoding ; religieuze prostitutie;Materialistisch;Bestrijd de vijand- het eenzijdige denken- in Uzelf ; Wereldveroveraars ; Wetenschapsfilosofie;VERSLAVING ; mystiek-1;mystiek-2;RITUEEL ; fouten;fouten-2;De ondergang van cultuurstelsels ; Zalig zijn de armen van geest;Vervreemding;Maar als je echt over de dingen wilt nŗdenken, filosoferen, zal je dat met je gehelePersoonlijkheid moeten doen en niet alleen met het rationele gedeelte van je zelfbewustzijn.;Gewone mensen-1 (nrs. 22 t/m 24 );Gewone mensen-2 ( no.33);†† Er is maar ťťn leven..!;Staan de mensen "hoger" dan dieren en planten?;IntuÔtie ; Verwensingen2;het conflict tussen gemeenschappelijkheid en individualiteit;verzorgingsstaat(-4);onthouden;Angelsaksische wereld ; Verhullend taalgebruik;Opvoeden/Opvoeding/Opgevoed-1;Opvoeding-1;†† Opvoeding-2;Opvoeding-3;Opgevoed-1;Polarisatie-3;Voedselketens;De menselijke zelfontkenning;De ondergang van cultuurstelsels;De grondslagen van de westerse cultuur;†† De voedingsbodem is bepalend nrs.14/15-Klassieke/Germaanse Cultuur†† ;†† Zelfkastijding;China;Rechters;Vooroordelen ; Socrates-nrs.27 en 28 ; Aanpassen-1 ; aanpassen-2 ; aanpassen-3 ; Houvast-1 ; Houvast-2 ; TERRORISME en de genezing daarvan. Zie Fictie/fictieve: A1 - B2 - C3 - D4 - E5 ; Niels Bohr ; Verzamelaars-denken ;

Neem ook eens kennis van: Manipuleren / op de mouw spelden††††††††† Moordlust

 

Naar artikelen met als bladwijzer ďPolarisatieĒ en/of Verzorgingsstaat:

Polarisatie-1 ; Zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr 2,

Polarisatie-2 ; Zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr 3,

Polarisatie-4 ; Zie bladwijzers uit Nihilism en Anarchisme als basis van het Atheisme,

Polarisatie-5 ; Zie bladwijzers uit De Universiteit voor humanistiek en het Atheisme,

 

Verzorgingsstaat-1-zie bladwijzers van ontwikkeling West Europese Cultuur-2x,

Verzorgingsstaat-2-zie bladwijzers in Waar gaat het in de mensheid nu wezenlijk om,

Verzorgingsstaat-3-zie bladwijzers in De Grote Vierslag,

 

 

Naar artikelen: Conditionering ; Robot denken ; Op de vlucht voor je eigen denken ; Het gelijk en de dialoog ; Eenzaamheid en onvrijheid ; Het toenemend belang van het AtheÔsme ; Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheÔsme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ;Ongewenst atheÔsme- zie afl. 32 ;Een grens te ver (IsraŽl) ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Hoe zit het nou met god ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61;Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld ..? zie no. 27 ;Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..?; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 : De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjariía ; Burqa, volg bladwijzer

 

Terug naar: De Startpagina

Bovenstaande tekst is geschreven: ( hoorcolleges 1984/1985 te Rotterdam )

Door Jan Vis, filosoof.

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten maar juist voor alle mensen, is het citeren uit mijn werk zonder meer toegestaan. Wel echter zou ik het op prijs stellen dat het citeren vergezeld gaat van een duidelijke bronvermelding! (Jan Vis)

 

 

website analysis
website analysis

website analysis
online hit counter