DE VROUW EN DE MAN

door
Jan Vis, creatief filosoof

Verslagen van de voordrachten   Seizoen 1968 – 1970   Rotterdam

Deel 1(afleveringen nrs. 1 t/m 44) (gescand en geplaatst op 20 t/m 27 november 2009)
Deel 2
(afleveringen nrs. 45 t/m 86) (gescand en geplaatst op 13 t/m 21 januari 2009)

Afleveringen: 45, 46, 47, 48, 48a, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 57a, 58(Rechters) , 59, 60,  Nrs. 61 , 62 , 63 , 64 , 65 , 66 , 67 , 68 , 69 , 70 , 71 , 72 , 73 , 74 , 75 , 76 , 77 , 78 , 79 , 80 , 81 , 82 , 83 , 84 , 85 , 86 

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten maar juist voor alle mensen, is het citeren uit  mijn werk zonder meer toegestaan. Wel echter zou ik het op prijs stellen dat het citeren vergezeld gaat van een duidelijke bronvermelding! (Jan Vis, creatief filosoof)

 

Naar bladwijzers: Strafrecht ; Evolutieleer – AAP ; Beeldenstorm ; Vrijheid van meningsuiting ; Het verschil tussen de Joodse en de West-Europese cultuur-no. 37 en Het ten onder gaande Europa-38  ;  Vrijheid  ; Nihilist(en)- zie nr. 29 en nrs. 67 t/m 69 ; Misdaad, hoe zit dat..?-zie nrs. 56, 57 en 58 +72 en 81 ; Prikkeling/spanning/HOMOSEXUALITEIT-zie o.a. de nrs.21 t/m 23 ; Celibaat(1) ; DICTATOR ; Zelfmoordenaars ; YOGA ; Moederschap(A) ; Moederschap(B) ;

 Terug naar: de Startpagina        méér artikelen van Jan Vis

Naar andere artikelen: Het toenemend belang van het Atheďsme ; Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheďsme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ;  Ongewenst atheďsme- zie afl. 32 ;  Een grens te ver (Israël) ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 ; Kunnen moslims zich invoegen in de Moderne cultuur..? – aflevering no. 37 ; De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjari’a ; Burqa, volg bladwijzer ; Is er dan toch een GOD..? Hoe zit dat..?  Briewisseling- Geweld- Godsdienst- Geloof ; Vrijheid van Godsdienst ; Kan alles maar..!-zie bladwijzers Cultuurfilosofische Opmerkingen-o.a. Verveling, verlies van houvast, Islam’s succes ; de kunst; het schone verschijnsel ; Samenleving, Maatschappij en Gezin ; Filosofie van de kunst ; Hoe zit het nou met god ; Het Nihilisme ; Vernietiging van de macht ; Uilenspiegel en de macht ; Ongehoorzaamheid ; Een alternatief bestuur ; Artikelen betreffende o.a. Moslims / ISLAM ; Proces v/d Eeuw tegen alle ingezetenen van Nederland.!.? ; Islam’s succes ; VERVELING ; De wisselwerking tussen enerzijds de Westerse Wereld en anderzijds de Wereld v/d Islam ; VERVELING – Islam’s succes - Extremisten ; Over de ISLAM, Vrije meningsuiting en het BELEDIGEN-Je Vrijheid koesteren ; Overeenkomsten KORAN en BIJBEL..? ; De Islam rukt op… ; De grondslagen van Jodendom - Christendom en Islam-zie bladw. ; Niet zeuren, god bestaat niet – zie inhoudsopgave nr. 13( godsdiensten een cultuur..? ) ; Wij dulden geen tegenspraak – zie INHOUDSOPGAVE – zie nr. 10 ; Seksueel misbruik – Hoe zit dat..? – zie bladw. ; Leidt de toename van de kennis tot een beter weten..? – zie bladw. ; JESAJA – zie A..! , B , C , D , E , - zoekterm “ Jesaja “ ; Op de vlucht voor je eigen denken ; Nihilisme en Anarchisme als basis van het Atheďsme ; Islamitische geldingsdrang – zie afl. 27 ;  Polariseren leidt naar een hoger plan(stuwt op) v/d DEMOCRATIE – zie afl. 24 en 25 ; Godsdienst en Geloof – Hoe zit dat..? ; Het geheel is meer dan de som der delen     Sociale Bewogenheid – zie bladw. ; De Rechtsstaat – zie bladwijzers ; Is de Islam een cultuur..? čn het Jodendom en Christendom..? Hoe zit dat..?-afl.64/65 ;  Religies bevestigen het Geestelijke Karakter v/d mens..! – zie bladw. ; Onvolwassen Mensheid-zie nr. 50..! ; De begrippen Godsdienst en Geloof – Hoe zit dat..? ;  Depressies -Hoe zit dat..?-zie bladw. ; Islamitische geldingsdrang – zie afl. 27 ; Kunnen moslims zich invoegen in de Moderne cultuur..? – afl. nr.37 ; De grondslag van een godsdienst, - Godsdienst als misbruikt geloof ; De filosofie van de geschiedenis ; Celibaat(2) - zie bladwijzers ;

 

 

 

Naar andere artikelen:

 

 

DE VROUW EN DE MAN - (gescand en geplaatst op 20 november 2009)

Verslagen van de voordrachten

Seizoen 1968 – 1969

 

 

DEEL 1

 

 

Door

Jan Vis

 

 

Rotterdam

1968

 

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN - (gescand en geplaatst op 20 november 2009)

Dinsdag, 3 september 1968

No. 1

 

Het thema en zijn beperking

In de filosofie houdt het begrip THEMA in, dat de werkelijkheid gezien vanuit één van de ONEINDIGE VELE FACETTEN die ervoor gelden. Dit levert oneindig veel ZIENSWIJZEN op, maar altijd gaat het over precies DEZELFDE werkelijkheid. Want er is maar één werkelijkheid, en die werkelijkheid IS ZOALS ZE IS en ŕnders is ze niet. Het is de BELICHTING, die verandert als wij een ŕnder thema kiezen, maar de zaak zčlf verandert niet.

Toch houdt het kiezen van een THEMA een zekere beperking in omdat de zaak conse­quent vanuit één BEPAALDE hoek bekeken wordt. Maar deze beperking levert niet het beeld op van een APARTE werkelijkheid, die met de ŕndere werkelijkheden, die het resultaat zijn van een ŕnder STANDPUNT, geen enkel verband hebben. Zou dit wčl het geval zijn, dan zouden wij te doen hebben met een EENZIJDIGHEID en dit bete­kent dat wij in ons besef niet boven het WESTERSE DENKEN uitkomen. Dit denken im­mers houdt allerlei SOORTEN van denken in en die soorten hebben niets met elkaar gemeen: ECONOMISCH DENKEN is een ŕnder denken als THEOLOGISCH DENKEN; WISKUNDIG DENKEN is ŕnders dan ARTISTIEK DENKEN; POLITIEK DENKEN is ook iets aparts en het denken van "jan-met-de-pet" ook. Enzovoort….

Voor de ECONOOM is het een (schandelijke) waarheid dat bij gelegenheid de to­maten doorgedraaid moeten worden om de markt op peil te houden. Voor een humaan denkend mens is het een waarheid dat die tomaten aan de hongerlijdende mensen gegeven worden. Deze twee waarheden staan LOS van elkaar; het zijn APARTHEDEN, waartussen hoogstens een COMPROMIS mogelijk is.

De waarheden echter die de filosofie ontleent aan de door haar gestelde THEMA’S, zijn nooit APARTHEDEN, die de éne keer wčl en de ŕndere keer niet waar zijn, maar het zijn waarheden die ALTIJD waar zijn omdat het over de werkelijkheid zčlf gaat. Het enige dat verandert bij wisseling van THEMA, is de WIJZE WAAROP die waarheid WAAR is. Stellen wij bijvoorbeeld het thema "A", dan is elke waarheid waar op de wijze van het thema “A”; diezelfde waarheid is ook waar op de wijze van thema "B", enzovoort. Nooit zijn de waarheden met elkaar in strijd; de zaak is een ragfijn netwerk dat overal sluitend is.

De BEPERKING van ňns huidige thema is dus deze, dat wij de werkelijkheid gaan bekijken op DE WIJZE VAN DE VROUW EN DE MAN.

 

Waarom dit thema

Als wij het nu willen hebben over "de vrouw en de man", dan gaat het ons om een werkelijkheid, die er GEWOON, VANZELF, is. Wij willen de zaak niet vanuit enige CULTUUR, of vanuit enig IDEAAL bekijken, maar vanuit de werkelijkheid zčlf. Dan gaat het over net zo'n STOMME aangelegenheid als elke boom, steen of nevelvlek. Niet dat de mens INTELLECTUEEL net zo stom is als een boom of een steen, maar de mens is qua ONTSTAAN, qua VERSCHIJNSEL, net zo ONNOZEL als de gehele kosmos. Hij is GEWOON MAAR ONTSTAAN, zoals alles ontstaan is. Er is niets BIJZONDERS aan de hand. Als resultaat van een zeker en ONAFWENDBAAR en OP GEEN ANDERE MANIER MOGELIJK PROCES is de mens verschenen.

Hieraan is geen enkele IDEALITEIT te bedenken; het is zonder enige ROMANTIEK.

Dit moeten we goed tot ons door laten dringen, want het is onze AANLEG, als wes­terse mensen, alles vanuit VERHEVENHEDEN te doordenken.

En dat stelt ons dan weer voor bepaalde OPGAVEN die wij in ons leven te vervullen hebben. Aan zekere EISEN moeten wij voldoen, want wij moeten ons als VEHEVENHEID waarmaken. De mens is voor ons besef een geval in de kosmos dat UNIEK is en BOVEN ALLES UITSTEEKT. Als gevolg hiervan denken wij ons de gehele werkelijkheid vanuit een zekere IDIALI­TEIT en dus denken wij de gehele zaak FOUT. Het RECHT bijvoorbeeld dwingt ons EERBIED af omdat wij het als iets verheven zien, terwijl het in feite een be­trekkelijk eenvoudige en primitieve VERHOUDING is in en van de werkelijkheid.

Het denken VANUIT IDEALEN is zonder mankeren een FOUT denken omdat het niet in is volgens de FEITELIJKE VERHOUDINGEN; in de werkelijkheid. Bij het doordenken van ons thema willen wij deze fout vermijden; wij willen EENVOUDIG DENKEN zonder enigerlei WETEN als VOORWAARDE tot dit denken te stellen. Want gewoonlijk menen wij alleen maar dŕn ergens achter te kunnen komen als wij er veel van ŕf weten, en aangezien wij altijd te weinig weten, komen wij dus nergens achter. Wij vinden dan alles wel bčst waarmee mensen komen, die meer weten dan wij. En zo schakelen wij onszelf uit en dat doen wij omdat wij geen ZELFKENNIS bezitten.

De VROUW EN DE MAN is een verschijnsel in de kosmos, dat er zomaar VANZELF is en wij behoeven NIETS te weten om er achter te komen hoe dat in elkaar zit.

 


Het proces in de werkelijkheid

De mens is vanzelf ontstaan uit een PROCES. Om redenen die wij nog zullen noe­men is datgene dat aan de VROUW en datgene dat aan de MAN uitkomt, ESSENTIEEL voor het genoemde PROCES. Want denk ik dit proces terug tot aan de OORSPRONG van de werkelijkheid, dan komt ik daar verhoudingen tegen, die helemaal aan het eind van het PROCES, als de VROUW en de MAN voor de dag gekomen zijn, van WEZENLIJKE betekenis blijken te zijn.

Als ik de werkelijkheid terugdenk tot aan haar OORSPRONG, dan kom ik terecht bij de ENKELVOUDIGHEID.

Deze ENKELVOUDIGHElD is de BOUWSTEEN van de werkelijkheid; nů is de zaak NIET VERDER DEELBAAR. Het begrip SAMENSTELLING geldt niet meer.

Alle verschijnselen zijn SAMENSTELLINGEN, zij zijn derhalve ook DEELBAAR. Hier rijst de vraag: HOEVER kan ik delen? Kan ik blijven DELEN, zodat ik nooit op een ONDEELBAARHEID stuit, ňf kan ik dat niet? In de WISKUNDE is ALLES deelbaar, zelfs de EENHEID is deelbaar, bijvoorbeeld één gedeeld door twee = 1/2. In de wiskunde kan men ONEINDIG DELEN. Maar in feite is dit niet zo, het delen houdt op bij een ONDEELBAARHEID. Zou dit niet het geval zijn, dan zou de werkelijkheid ook geen SAMENSTELLINGEN op kunnen leveren. Want voor samenstellingen zijn ELEMENTEN nodig, er zijn EENHEDEN voor nodig.

Wat moet er nu voor zo'n EENHEID logischerwijs gelden? Om daar achter te komen moeten wij als eerste de ENKELVOUDIGHEID op ZICHZELF denken. Dan denken wij hem dus LOS van al het verder aanwezige. Als wij dat doen, dan blijken wij niet meer te weten WAAR HIJ IS, d.w.z. op welke PLAATS hij is. En wij kunnen hem ook niet ZIEN, ongeacht de kwaliteit van eventuele instrumenten.

De PLAATS van iets wordt bepaald door ŕndere ietsen. Het is de AFSTANDSVERHOUDING tot die ŕndere ietsen, die de PLAATS voor ons bepaalt. Zijn die ŕndere ietsen ech­ter niet aanwezig, wat het geval is als wij de ENKELVOUDIGHElD op ZICHZELF denken, dan kan er ook van geen plaatsbepaling sprake zijn. De ENKELVOUDIGHEID is er dan wčl, maar hij is niet HIER OF DAAR. Dan blijft de vraag open: WAAR IS HIJ?

Dat ik de op zichzelf gedachte enkelvoudigheid niet kan ZIEN wordt veroorzaakt door het feit, dat hij BEWEEGLIJK is. Als de ENKELVOUDIGHElD aan niets GEBONDEN is dan zit hij AAN NIETS VAST, en als dat het geval is, kŕn hij alleen maar volle­dig ONGEREMD BEWEEGLIJK zijn. En een snel bewegend voorwerp is niet te zien. Ge­bruiken wij een INSTRUMENT, dan kunnen wij tot BEPAALDE SNELHEDEN de zaak zicht­baar maken. Wij komen echter nooit van het BEPAALDE ŕf, hoe groot dat desnoods ook is. De op zichzelf gedachte ENKELVOUDIGHEID kent echter geen enkele BEPAALDHEID, want hij is aan niets GEBONDEN, en dus is hij NIMMER TE ZIEN, ňngeacht welk vernuftig instrument.

In de werkelijkheid om ons heen zien wij voorwerpen, die VAST zitten. Zij zijn NIET BEWEEGLIJK, want zij zitten ERGENS AAN VAST. Aan NIETS vastzitten bestaat niet. Die stilstaande voorwerpen, die ergens aan vast zitten, staan echter in feite niet stil: IN DE KOSMOS IS ALLES IN BEWEGING. En die beweging kan TEN OP­ZICHTE VAN IETS stilstand zijn, maar dan is hij ten opzichte van iets anders toch weer BEWEGING. Dit wil zeggen: HET BEGRIP STILSTAND IS EEN BETREKKELIJK BEGRIP; het geldt TEN OPZICHTE VAN IETS. Het enig WEZENLIJKE is de BEWEGING. Heffen wij de BETREKKING op - door de ENKELVOUDIGHEID op zichzelf te denken - dan is de be­weging volkomen ONGEREMD. Dit is de ABSOLUTE BEWEEGLIJKHEID.

De OP ZICHZELF GEDACHTE ENKELVOUDIGHEID is dus een ABSOLUTE BEWEEGLIJKHEID, die NIET TE ZIEN is en waarvan de PLAATS niet te bepalen is. Hij is dus NIET AANTOON­BAAR. Voorzover da moderne WETENSCHAP probeert toch de bouwstenen van de werke­lijkheid te voorschijn te brengen, kunnen we alleen maar zeggen dat dit ONZIN is; de wetenschap komt tot een EENVOUDIGE SAMENSTELLING, die echter bij nader inzien toch ook weer INGEWIKKELD blijkt te zijn. Denkt U bijvoorbeeld aan de ATOOMKERN.

Alleen in het DENKEN komt men tot de enkelvoudigheid, maar in de praktijk lukt dit nooit. Het denken kan de enkelvoudigheid ook niet AANTONEN, want hij is immers niet te BEPALEN; hij kan alleen maar GEDACHT worden. In feite komt hij niet voor.

De enkelvoudigheid heeft ook geen VORM, want het begrip VORM komt pas dŕn voor de dag, als er SAMENSTELLINGEN zijn. De VORM is de VERHOUDING van de enkelvoudig­heden ONDERLING. Dus: hoe liggen zij ten opzichte van elkaar?

 

De enkelvoudigheden ten opzichte van elkaar

Wij hebben tot nu toe de enkelvoudigheid OP ZICHZELF gedacht. Alsof hij er ALLEEN maar was. Hoewel we aldus moeten beginnen om achter het bovenstaande te komen, zijn we tňch aan het FANTASEREN GEWEEST.

Hierover volgende week. (gescand en geplaatst op 20 november 2009)

 

 

DE VROUW EN DE MAN - (gescand en geplaatst op 21 november 2009)

 

 

Dinsdag, 10 september 1968

No. 2

 

De enkelvoudigheid op zichzelf gedacht

In ons DENKEN kunnen wij de enkelvoudigheid ISOLEREN, d.w.z. wij kunnen hem APART denken van de REST. Door zo te doen komen wij achter het KARAKTER van de enkelvoudigheid. Hij blijkt o.a. BEWEEGLIJK te zijn.

De PLAATS echter, waar de OP ZICHZELF GEDACHTE ENKELVOUDIGHEID zich bevindt, is niet te bepalen omdat ELKE BEPAALDHEID er ŕf gedacht is. Maar niet alleen dat de PLAATS niet te bepalen is. De OP ZICHZELF GEDACHTE ENKELVOUDIGHEID is er helemaal niet. Hij is namelijk niet HIER OF DAAR. Hij BESTAAT NIET.

Al het BESTAANDE is datgene dat ER IS en dat is altijd een BEPAALD ZIJN; het is een ER ZIJN. Dit BEPAALDE ZIJN ontkennen wij als wij de enkelvoudig­heid OP ZICHZELF stellen. Wij ontkennen de aanwezigheid van de op zichzelf staande enkelvoudigheid. HIJ IS ER DUS NIET.

En dat klopt precies, want in feite zijn er ONEINDIG VEEL enkelvoudigheden, zodat de situatie deze is, dat de ENE enkelvoudigheid bepaald wordt door de ANDERE enkelvoudigheden. Doordat de ANDERE enkelvoudigheden er zijn, is die ENE er ook; hij is ER, d.w.z. hij is HIER OF DAAR AANWEZIG.

Een aanwezig-zijn van iets, zonder enige bepaaldheid, is geen aanwezig-zijn; het is er niet.

In dit verband wijzen wij er op dat het boven gezegde in ons SPRAAKGEBRUIK beseft wordt: wij spreken namelijk vanzelf al van ER zijn. Nooit spreken wij, als het over iets bestaands gaat, zonder meer over ZIJN. Het ZIJN “AN SICH” bestaat niet.

 

Een opmerking over het kennen

De vorige keer hebben wij gezegd, dat wij geen enkel WETEN als voorwaarde voor ons DENKEN mogen stellen. We weten dus niets en gaan nu de zaak bekijken. Toch weten wij wčl iets, en dat geldt altijd waar er van de MENS sprake is. Het geldt voor de OERMENS en het geldt voor de MODERNE MENS en het is er op grond van het feit dat de mens kan ZIEN. In het ZIEN van de mens manifesteert zich het feit, dat de gehele werkelijkheid bijwijze van LICHTBEELD inhoud is van de mens, voorzover deze HELDERHEID is. De gehele werkelijkheid ligt in het HOOFD van de mens.

Dat wat de mens weet, weet hij op grond van zijn ZIEN. Het is de DIRECTE WAARNEMING, die het uitgangspunt is van de filosofie, en over het algemeen van het menselijk WETEN. Dit heeft niets met een WETENSCHAPPELIJKE waarneming te maken; de wetenschappelijke waarneming is altijd bedrieglijk, omdat deze waarneming zich beperkt tot een BEGRENSD TERREIN zonder dat het grote geheel hierin vercalculeerd wordt. Achter een dergelijke waarneming staat een bepaald DENKEN en daardoor is het één en al BEPERKTHEID.

Maar het ZIEN levert de mens een ONMIDDELLIJK WETEN op; de mens weet onmid­dellijk van de VOORHANDEN werkelijkheid. En dit weten is niet in twijfel te trekken al wil de MODERNE FILOSOFIE, te beginnen bij KANT, dit graag doen. En ook is dit weten nimmer BEWUST betrokken in een beperkt detail; het is altijd een VOLLEDIG WETEN. Als de mens ziet dat er een KOSMOS is, dan is dit een on­middellijk geldend zien; evenzo als de mens ziet dat de dingen SAMENGESTELD zijn uit allerlei bestanddelen en ook als de mens ziet dat het gras groeit. En hij loopt om een boom heen in plaats van er tegenaan. Dat geldt allemaal ONMIDDELLIJK voor ELKE mens, en het heeft niets met wetenschappelijk weten te maken.

 

De beweeglijkheid van de enkelvoudigheden

Er zijn ONEINDIG VEEL enkelvoudigheden en voor al die enkelvoudigheden geldt dat zij BEWEEGLIJK zijn, maar deze beweeglijkheid is niet ABSOLUUT omdat elke enkelvoudigheid de andere enkelvoudigheden naast zich heeft, die zijn beweeg­lijkheid BEPALEN en dus ook BEPERKEN. De éne enkelvoudigheid is niet LOS van de ŕndere enkelvoudigheid; in hun beweeglijkheid zijn die twee dus ook niet LOS van elkaar. Hun beweeglijkheid is GEREMD.

De enkelvoudigheid, zoals wij hem om te beginnen OP ZICHZELF gedacht hadden, is niet aanwezig. Evenwel is de enkelvoudigheid natuurlijk tňch aanwezig, alleen is hij niet eenzijdig OP ZICHZELF. Hij is qua KARAKTER op zichzelf, maar in feite IS HIJ ER, d.w.z. hij is BEPAALD AANWEZIG.

 

Naar aanleiding van een vraag dit: het is inderdaad mogelijk iets te denken, dat er niet is.


Dat is namelijk het geval als wij over de op zichzelf gedachte enkelvoudigheid denken. Verder is het niet mogelijk iets te denken dat er niet is; verder kunnen wij alleen maar het BESTAANDE denken. Dat BESTAANDE is een sa­menstelling van enkelvoudigheden, die aan elkaar bepaald zijn. Die enkelvoudig­heden evenwel zijn ZELF ook nog wat, en dat is te denken, zňnder dat deze enkel­voudigheden OP ZICHZELF voorkomen.

Wat er verder nog gedacht kan worden, behalve het bestaande en de genoemde enkelvoudigheid, is allemaal ONZIN. Begeven wij ons op dŕt terrein, dan kunnen wij door blijven gaan. Buiten de LOGICA om is ALLES mogelijk, binnen de logica is altijd maar één ding mogelijk en dus BESTAANBAAR.

Alle enkelvoudigheden zijn in BEWEGING en elke enkelvoudigheid beweegt omdat het zijn KARAKTER is te bewegen. Het gebeurt VANUIT dit KARAKTER. Om te beginnen hebben wij dus te doen met ONEINDIG VEEL enkelvoudigheden, die elk voor zich vanuit hun EIGEN karakter bewegen.

Wij moeten nu niet denken aan een MASSA enkelvoudigheden, want als wij dat doen dan ligt de maat bij het feit, dat wij met een MASSA, een samenklontering te doen hebben. Dan is het de samenklontering, die beweegt en dan is het bewe­gen van de in die samenklontering voorkomende enkelvoudigheden de OORZAAK van het beweeglijk zijn. Wij hebben dan te doen met een VERDER STADIUM. Nu echter gaat het er om ALLE enkelvoudigheden te denken zňnder dat zij een massa vormen; het gaat dus om X maal een vanuit zichzelf beweeglijke iets.

Voor elk van die ietsen geldt dat zijn beweeglijkheid GEREMD wordt door de aan­wezigheid van de andere beweeglijkheden. Maar IN deze geremde beweeglijkheid ko­men VERSNELLINGEN en VERTRAGINGEN voor. De enkelvoudigheden kunnen BOTSEN, waar­door het mogelijk wordt, dat de één de ŕnder versnelt, čn zij kunnen zodanig bot­sen dat zij elkaar vertragen. En ook kan de botsing achterwege blijven terwijl de enkelvoudigheden elkaar toch versnellen of vertragen. Er zijn dus verschil­lende mogelijkheden, maar in geen enkel geval bereikt de snelheid het absolute; altijd blijft het een BEPAALDE snelheid want altijd bepaalt de één de ŕnder.

Dus ondanks het feit dat de éne enkelvoudigheid de ŕndere kan VERSNELLEN, is het in feite toch altijd een GEREMDE aangelegenheid.

Deze REM komt van BUITENAF; voor de enkelvoudigheid zčlf geldt alleen maar het ABSOLUTE en dit wil hij, bij wijze van spreken, ňngeacht de andere enkel­voudigheden DOORZETTEN. Voor hčm, d.w.z. voor de enkelvoudigheid, BESTAAN de andere enkelvoudigheden NIET. Hij wenst zich volkomen VRIJ te bewegen en op geen enkele manier rekening te houden met de ŕndere enkelvoudigheid.

Voorzover er dus een REMMENDE FACTOR in de werkelijkheid is, is die niet te zoeken bij de enkelvoudigheden zčlf, maar is die gelegen in de VERHOUDING tussen de enkelvoudigheden. Het remmende komt voort uit het feit, dat die enkelvoudig­heden allemaal ZICHZELF wensen te zijn en dat zij juist dáárdoor elkaar afremmen. Van een SAMENGAAN, een AANEENSLUITEN, een ZICH VERENIGEN, en dergelijke begrip­pen is dus geen sprake. De éne enkelvoudigheid heeft NIETS met de ŕndere te ma­ken; de ŕnder is hem volkomen VREEMD.

We hebben dus te maken met een werkelijkheid die opgebouwd is uit elementen die zich stuk voor stuk VERZETTEN tegen diezelfde werkelijkheid. Hiermee heeft o.a. het begrip VERGANKELIJKHEID te maken. De werkelijkheid is er als het ware ONDANKS ZICHZELF. Daarom heeft elke samenstelling de neiging uiteen te vallen: alle enkelvoudigheden willen alleen maar ZICHZELF en dat zij samengeklonterd zijn is "tegen hun zin". Alles weerstreeft alles, en daaruit komt het VERSCHIJN­SEL opzetten. Want het afremmen van de beweeglijkheid, dŕt is het verschijnsel.

Omdat het VERSCHIJNSEL een AFGEREMDE BEWEEGLIJKHEID is, blijft het in de grond van de zaak tňch beweeglijk. Dat is een bekend natuurkundig feit. Maar niet al­leen dat het beweeglijk blijft, het zendt ook STRALING uit. Deze STRALING ont­staat doordat het aan enkelvoudigheden gelukt de REMMENDE WERKING te doorbre­ken en eruit te springen. Dit komt bij elk verschijnsel voor; men kan zelfs aan de stralingssterkte meten hoe oud een bepaald ding is. Bijvoorbeeld in de ARCHEOLOGIE wordt dit toegepast.

Het is van belang dat wij ons het bovenstaande realiseren; als wij bijvoorbeeld denken dat de enkelvoudigheden elkaar AANTREKKEN teneinde samen te kunnen klon­teren, of als wij denken dat de enkelvoudigheden ineen wensen te gaan, of iets dergelijks - in het kort: als wij denken dat de éne enkelvoudigheid iets met de andere “wil”, DAN DENKEN WIJ HET VERKEERD. De éne enkelvoudigheid is VREEMD aan de ŕndere enkelvoudigheid.

 

 

DE VROUW EN DE MAN – (gescand en geplaatst op 21 november 2009)

 

Dinsdag, 17 september 1968

No. 3

 

Over de activiteit van de enkelvoudigheden

Wij hebben de enkelvoudigheid ontdekt door de VOORHANDEN WERKELIJKHEID. die SAMENGESTELD blijkt te zijn, te splitsen totdat er niet meer gesplitst kan wor­den. Deze enkelvoudigheid is datgene dat de werkelijkheid WEZENLIJK is en iets ŕnders is er niet. De gehele voorhanden werkelijkheid moet dus op de een of andere manier zijn voortgekomen uit deze ondeelbare ietsen. Om er achter te komen hoe dat in zijn werk gaat, moeten we het KARAKTER van de ondeelbare iet­sen kčnnen. En dat doen wij door zo'n iets een ogenblik OP ZICHZELF te denken, terwijl wij tevens niet vergeten dat de ENKELVOUDIGHEID OP ZICHZELF niet bestaat.

Zo kwamen wij er achter dat de enkelvoudigheid een BEWEEGLIJKHEID is. Daarna denken wij ons een EINDELOOS GROTE HOEVEELHEID van deze beweeglijkheden en gaan na wat er dŕn gebeurt.

Als wij zover zijn gekomen ligt de eerste DENKFOUT op de loer. Wij zijn na­melijk geneigd de gang van zaken met die beweeglijkheden te verklaren VANUIT die beweeglijkheden zčlf. Wij menen dat bijvoorbeeld het verdichten en het sa­menklonteren uitgaat van de beweeglijkheden. En dat de beweeglijkheden bijvoor­beeld elkaar aantrekken of afstoten. Dit is echter allemaal FOUT gedacht.

Deze fout komt voort uit de menselijke neiging al het gebeuren in de werke­lijkheid vanuit het menselijk BEWUSTZIJN te beoordelen. Als bijvoorbeeld een aan­tal mensen zich aaneensluiten is dit het resultaat van een WIL in ŕl die mensen afzonderlijk om aaneen te sluiten. Hierbij gaat het dus van de zich aaneenslui­tende ELEMENTEN uit. Elk van die elementen wil iets ten opzichte van de andere elementen. De EEN wil iets ten opzichte van de ANDER.

Deze situatie, namelijk dat er een ZICH BETREKKEN is van de EEN op de ANDER, nemen wij AUTOMATISCH ook voor waar aan als het gaat over de enkelvoudigheden, maar dit is ten onrechte. Want een zich betrekken van de EEN op de ANDER vooronderstelt een NIET VREEMD ZIJN AAN ELKAAR. De EEN is dan niet LOS van de ANDER. Maar als dŕt voor de enkelvoudigheden geldt, dan kunnen het geen enkelvoudighe­den zijn. De enkelvoudigheid is namelijk NIET SAMENGESTELD; hij heeft dus HET ANDERE in geen enkel opzicht AAN ZICH, Hij kan er zich dus ook niet op BETREK­KEN; hij kan er niet mee samengaan en,hij kan zich er-niet mee verdichten, enzo­voorts. Hij kan zčlf NIETS.

Voor de SAMENSTELLING geldt zowel het EEN als het ANDER want de samenstelling is opgebouwd uit DIT en DAT en nog veel meer. Dat allemaal GELDT en hier is dus ook van een BETREKKING te spreken. Bij de ENKELVOUDIGHEID is dit niet het geval; de enkelvoudigheid is alleen maar ZICHZELF. Ik kan dus dat wat er gebeurt met de enkelvoudigheden in de werkelijkheid NOOIT vanuit die enkelvoudigheden zčlf verklaren.

Dat er wat gebeurt komt voort uit het feit dat zij BEWEEGLIJK zijn en al het "gebeuren" is een kwestie van BEWEEGLIJKHEID. Als beweeglijkheid krijgt de éne enkelvoudigheid het met de ŕndere enkelvoudigheid te doen en dan wijzigt zich die beweeglijkheid: zij wordt GEREMD. In dat GEREMD-ZIJN blijven de enkelvou­digheden echter altijd ZICHZELF; zij veranderen niet.

Alles wat de werkelijkheid oplevert is dus een BEPAALDE TOESTAND VAN BEWEEG­LIJKHEID en verder is er niets aan de hand. Deze situatie is er als het ware buiten de enkelvoudigheden zčlf om. De enkelvoudigheden zijn HET EEUWIGE. Zij blijven altijd ZICHZELF GELIJK.

 

Het één en het ŕnder als mens

De mensen breken zich  al eeuwenlang het hoofd over de vraag hoe de ONDERLINGE BETREKKINGEN tussen de mensen zo goed mogelijk te REGELEN. Daarbij speelt ook het begrip VRIJHEID een rol: de mens heeft VRIJ te zijn. Maar in al die vrij­heid is de mens - zo denkt hij het zich - toch eigenlijk GEBONDEN. Hij kan maar niet doen WAT HIJ WIL. Het leven is een "geven en een nemen". Iedereen is ervan overtuigd dat de mensen maar niet "hun gang kunnen gaan". En dit alles ondanks die VRIJHEID, die voor de mens geldt. Het komt er op aan ZICHZELF WEG TE CIJFEREN en als dŕt lukt zijn de onderlinge betrekkingen zoals ze behoren te zijn.

Maar: als wij deze GANGBARE levensbeschouwing consequent doordenken, dan kan uiteindelijk niemand ZICHZELF zijn want iedereen laat, terwille van de ANDER, allerlei van zichzelf te water. Hij schrapt het door. Dit mag dan volgens onze opvatting een BESCHAAFDE en LEEFBARE WERELD opleveren, maar wij blijven met dit punt zitten, dat NIEMAND zichzčlf is.

 

En wat is het voor een werkelijkheid als daarin niemand ZICHZELF mag zijn. Als er dus ook niemand VRIJ mag zijn? Hoe kan de werkelijkheid tenslotte iets opleveren dat niet mag zijn zoals het is?

In ons denken, en dat is het GANGBARE denken dat bij onze CULTUUR behoort, kunnen wij het niet voor elkaar krijgen de werkelijkheid te herkennen als een zaak waarin NIETS terwille van DE ANDER of terwille van IETS ANDERS wordt gedaan of gelaten.


Voor ons draait alles om het begrip DE ANDER en al onze activitei­ten zijn hierop - in positieve of in negatieve zin - gericht. Wij bedoelen iets ten opzichte van de ŕnder omdat wij in onze CULTUUR de ŕnder ontdekt hebben. En zo ligt het voor ons ook voor de hand te menen dat de ENE enkelvoudigheid op de een of andere manier met de ANDERE iets voor heeft - wŕt het dan ook is.

Maar de werkelijkheid bestaat wezenlijk alleen maar uit X maal een alleen ZICHZELF bevestigend geval. En dat geldt ook voor de mens. Laat de mens dit niet gelden, dan is hij nooit zichzelf en hij is daarmee onmiddellijk een ON­HOUDBAARHEID. VOOR de mens geldt, evenals voor de enkelvoudigheid, het ALLEEN MAAR ZICHZELF ZIJN. Dit zullen wij nog uitvoerig behandelen.

 

Een nadere beschouwing van de beweeglijkheid

Als wij ons afvragen wŕt nu eigenlijk HET VERSCHIJNSEL is, dan kunnen wij tot geen andere conclusie komen dan deze, dat HET GEREMD ZIJN van de BEWEEGLIJKHEID het verschijnsel is. Die enkelvoudigheden, in een GEREMDE TOESTAND, vormen het verschijnsel. Er zijn natuurlijk EINDELOOS VEEL variaties van geremde toestan­den. Deze variaties bevinden zich tussen TWEE POLEN: de ene pool is de ABSOLU­TE BEWEEGLIJKHEID en de andere pool is ABSOLUTE STILSTAND en beide polen komen in feite niet voor. Alleen de VARIATIES TUSSEN DIE POLEN komen in het čcht voor en dat zijn er EINDELOOS VEEL.

Wij delen de verschijnselen in de kosmos in en dat doen wij tamelijk grof, maar ook als wij in staat zouden zijn RAGFIJN in te delen, dan nňg was het GROF, omdat er eindeloos veel variaties zijn. Bovendien slaat člke indeling eigenlijk nergens op omdat er in de grond van de zaak geen mogelijkheid tot BEPALEN is. Waar begint een bepaalde variatie en waar eindigt hij?

De hele kosmos is eigenlijk één GLIJDENDE OVERGANG. Het staat nooit stil en de GRENS tussen het één en het ŕnder laat zich niet bepalen. Toch is elk moment van die glijdende overgang VERSCHIJNSEL. Wij spreken gewoonlijk van de ver­schillende "verschijnselen", maar uit het bovenstaande moet duidelijk zijn, dat er in wezen maar EEN verschijnsel is, en dat verschijnsel is IN ZICHZELF einde­loos gevarieerd. En van het begin tot het eind is het een GEREMDE BEWEEGLIJK­HEID.

 

Drie factoren

Bezien we de beweeglijkheid nader, dan herkennen wij een drietal factoren: ten eerste is daar de factor van HET REMMENDE. De éne enkelvoudigheid oefent in zijn beweeglijkheid een ZEKERE INVLOED uit op de ŕndere, en omgekeerd. Wij kunnen vragen: wat schieten de enkelvoudigheden er AAN ELKAAR bij in? Hoeveel beweeglijkheid raken zij aan elkaar kwijt? Deze factor vormt het BINDENDE MID­DEN van de werkelijkheid. Wij komen hierop terug.

Ten tweede de factor van de overblijvende beweeglijkheid, d.w.z. hoe beweeg­lijk zijn de betreffende enkelvoudigheden zčlf nog? Het antwoord op deze vraag bepaalt het MIN OF MEER VLUCHTIG ZIJN van het betreffende verschijnsel. Een gas bijvoorbeeld is VLUCHTIGER dan een stuk ijzer.

De derde factor is de EIGENLIJKE BEWEEGLIJKHEID. Hoe beweeglijk zou alles eigenlijk zijn, als die REM er niet was. De enkelvoudigheden immers willen in de grond van de zaak eigenlijk absoluut beweeglijk zijn, maar doordat de REM er is, ZIJN ze het niet. Zij kunnen met hun beweeglijkheid dus niet uit de voeten.

In de OUDHEID leefde onder de mensen sterk het besef dat de NATUUR BEZIELD was. Dit besef slaat op deze factor: de EIGENLIJKE BEWEEGLIJKHEID. Hierin zit het woord ZIEL en ook het begrip ZIELIGHEID; het is de BEKLEMDE BEWEEGLIJKHEID. Het is ook het begrip ZIEL voorzover dat in verband met de MENS altijd gebezigd is: de menselijke ziel is eigenlijk ABSOLUUT, maar hij kan dat niet zijn omdat hij in het verschijnsel BEKLEMD zit. Pas als die beklemming afgelopen is, dan kan de zaak zich als ABSOLUUT laten gelden. Het LICHAAM dus moet ontkend zijn om de ZIEL in zijn eigenlijke hoedanigheid te kunnen laten gelden.


De volgende keer gaan wij hierop nader in.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 21 november 2009)

 

Dinsdag, 24 september 1968

No. 4

 

Over de eigenlijke beweeglijkheid

Zoals wij gezien hebben geldt voor de enkelvoudigheid eigenlijk, dat hij ABSOLUUT BEWEEGLIJK is. Die beweeglijkheid geldt voor hem VAN ZICHZELF uit, het is zijn KARAKTER. Het spreekt vanzelf dat dit karakter onder alle omstandighe­den gehandhaafd blijft. Dus: hoewel de enkelvoudigheid NOOIT aanwezig is zonder dat zijn beweeglijkheid BEPERKT, dus GEREMD, is, is het toch altijd zijn KARAK­TER om absoluut te zijn.

De EIGENLIJKE BEWEEGLIJKHEID is dus hetzelfde als het KARAKTER van de enkel­voudigheid. Dit karakter kan niet uit de voeten omdat er behalve die éne enkel­voudigheid nog ŕndere enkelvoudigheden zijn, die door louter hůn aanwezigheid elkaar afremmen.

Nu kunnen we de vraag stellen waarom het begrip STILSTAND niet meedoet. Want we hebben de vorige keer gezien dat dit begrip één van de POLEN is waartussen zich de talloze VARIATIES bevinden. Weliswaar komt de ABSOLUTE STILSTAND in feite niet voor, maar dat geldt ook voor de ABSOLUTE BEWEEGLIJKHEID. Deze laat­ste echter doet wčl mee. Dat het begrip stilstand niet meedoet in déze kwestie zit alleen maar in het feit dat dit begrip NIET tot het KARAKTER van de enkel­voudigheid behoort. En als het gaat over de VERHOUDING tussen de enkelvoudig­heden, dan treffen wij daar, om te beginnen dit begrip óók niet aan. Wij tref­fen alleen een BEWEEGLIJKHEID TEN OPZICHTE VAN ELKAAR aan. Bij nadere analyse van déze beweeglijkheid komen wij de factor STILSTAND tegen, maar zover zijn wij nu nog niet.

Het enige dus dat qua KARAKTER meespeelt in het PROCES in de werkelijkheid is de EIGENLIJKE BEWEEGLIJKHEID, en deze factor is de mensen bekend onder de ouderwetse naam ZIEL. Minder bekend is het dat deze factor zich ook manifesteert, namelijk als STRALING, d.w.z. de straling is het gevolg van het feit, dat die factor van de EIGENLIJKE BEWEEGLIJKHEID zich laat gelden. DIE factor is wel de­gelijk werkzaam.

Elk LICHAAM zendt STRALING uit; het zijn DEELTJES, namelijk eenvoudige samen­stellingen, die aan HET REMMENDE ontsnapt zijn. Het ZONLICHT is ook STRALING en deze straling kčnnen wij als LICHT. Maar er zijn velerlei uitstralingen, die wij niet als LICHT kennen, maar die toch tot dezelfde zaak behoren. Op de een of andere manier zijn die stralingen voor ons waarneembaar te maken; denk bij­voorbeeld aan de RADIOACTIEVE STRALING. Op grond van deze feiten kunnen wij van het VERSCHIJNSEL zeggen dat het de NEIGING vertoont zich OP TE HEFFEN - alleen: het wordt niet veel met dat opheffen. Het is een "zielige" aangelegenheid. Al eerder wezen wij erop dat de kosmos er eigenlijk ONDANKS ZICHZELF is; dit slaat op dezelfde zaak.

Over de neiging ZICH OP TE HEFFEN komen wij nog te spreken in verband met de MENS; bij hem namelijk LUKT deze zaak tenslotte .

 

De remmende werking

Wij kunnen ons afvragen wat er eigenlijk gebeurt als het AFREMMEN aan de gang is. Om hiervan enig idee te krijgen zouden wij bijvoorbeeld aan een TRILLEND PUNT kunnen denken. Dat trillende punt trilt in een bepaalde ruimte, in een bepaalde sfeer. Binnen die sfeer bevindt het zich dan hier, dan daar, maar het BLIJFT nergens. Het is voortdurend in beweging. Nu moeten wij ons het afremmen aldus denken: de sfeer waarbinnen dat punt trilt wordt beperkter, de "ruimte" wordt kleiner. De trilling wordt als het ware gedempt. De beweeglijk­heid wordt minder en de zaak neemt een meer statisch karakter aan.

Het afremmen zčlf hebben wij het BINDENDE MIDDEN genoemd. Bindend is dit om­dat het de enkelvoudigheden aan elkaar VASTLEGT en het is het MIDDEN te noemen omdat het REMMENDE voor zowel de éne als de ŕndere enkelvoudigheid geldt. De enkelvoudigheden zčlf zijn en blijven VREEMD aan elkaar, maar in hun WERKING gaat er iets GEMEENSCHAPPELIJKS gelden, en dat is het REMMENDE. Niets hebben zij met elkaar gemeen maar hun BEWEEGLIJKHEID heeft wčl iets gemeenschappelijks, namelijk voorzover de enkelvoudigheden ten dele hun beweeglijkheid AAN ELKAAR VERLOREN hebben.

Deze AAN ELKAAR VERLOREN BEWEEGLIJKHEID, die wij kortweg HET REMMENDE genoemd hebben, is het ALGEMENE aan het verschijnsel. Wij zullen nog aantonen dat dit ALGEMENE de ENERGIE is, die wij op velerlei wijzen aan de verschillende ver­schijnselen kunnen onttrekken.

 


Het in zichzelf gevarieerde verschijnsel

De werkelijkheid levert in feite maar één verschijnsel op; de beweeglijkheid van ALLE enkelvoudigheden wordt afgeremd en zo vormen zij met zijn allen dat éne verschijnsel. Toch is dat éne verschijnsel IN ZICHZELF eindeloos gevarieerd en bij al deze variaties is de situatie zo, dat de ENE variatie de ANDERE niet is, d.w.z. er is ONDERSCHEID. De verschillende variaties staan LOS van elkaar en zij gaan niet in elkaar over.

Naar aanleiding hiervan is een vraag te stellen: hoe komt het dat de werke­lijkheid niet INDERDAAD één verschijnsel oplevert, in die zin, dat er GEEN ONDER­SCHEID is tussen de verschillende variaties. Dat er dus helemaal geen variaties zijn, maar als het ware één grote KLONT.

Om het antwoord op deze vraag te vinden moeten wij als eerste nog eens goed nagaan hoe de kaarten liggen. Het VERSCHIJNSEL is het AFGEREMD ZIJN VAN DE ENKEL­VOUDIGHEDEN. Dit AFREMMEN is een ACTIVITEIT, het is een BEWEGING en deze bewe­ging vindt plaats tussen twee polen. Het beweegt van de éne pool naar de ŕndere pool. Bovendien is deze beweging BEPAALD juist omdŕt het een REMMENDE aangelegen­heid is. Elke bepaalde beweging is het GLIJDEND IN ELKAAR OVERGAAN van de opeen­volgende MOMENTEN. En om deze momenten gaat het. Hoe ze er namelijk ook uitzien, ze ZIJN ER. Dit betekent dat de werkelijkheid IN ZICHZELF ONDERSCHEIDEN is, want er zijn VERSCHILLENDE MOMENTEN. Het doet er nu niet toe welk moment DIT is en welk moment DAT is - ze zijn er in elk geval en dat komt omdat de enkelvoudig­heden elkaar in elkaars BEWEEGLIJKHEID afremmen. Dit AFREMMEN is een PROCES; het gebeurt niet INEENS omdat de enkelvoudigheden eigenlijk ABSOLUUT behoren te zijn, genomen vanuit hun KARAKTER. Ze verzetten zich tegen het feit dat ze zčlf elkaar afremmen, terwijl overigens dat AFREMMEN het enige is dat DOORGAAT.

Het éne verschijnsel dat de werkelijkheid oplevert is dus in zichzelf onder­scheiden. Nu is het de vraag waarop dit ONDERSCHEID gebaseerd is.

 

Het verschijnsel als getal

Het is een bekend feit, dat wij kunnen TELLEN: een, twee, drie, vier, enz. In de grond van de zaak kůnnen wij dit doen omdat er EENHEDEN zijn. Als wij echter aan het tellen zijn komt er een nieuw begrip naar voren, namelijk het begrip HOEVEELHEID oftewel KWANTUM. Wij tellen namelijk niet als volgt: een plus nog een plus nog een plus nog een, enz., maar wij tellen: een, twee, drie, enz.

Dit betekent dat het erbij voegen van telkens één nieuwe eenheid een nieuwe zaak oplevert, die geheel verschillend is van de vorige. Want TWEE is een andere zaak als DRIE, enzovoort. Twee is een kwantum en drie is een ŕnder kwantum. Het VERSCHIL ertussen is EEN eenheid.

Het begrip VERSCHIL is een KWANTITATIEF BEGRIP evenals het begrip GETAL en deze KWANTITATIEVE begrippen zijn ONWRIKBAAR, d.w.z. het is een en al BEPAALD­HEID. Twee is ALLEEN MAAR twee, en drie ook, enz. En twee heeft geen enkele

verwantschap met drie. Het zijn ten opzichte van elkaar ZELFSTANDIGHEDEN en het VERSCHIL tussen die twee zelfstandigheden is ook weer een ZELFSTANDIGHEID, want het is ook weer een GETAL.

De werkelijkheid is dus één aaneenschakeling van verschillende kwantums en dit feit is er de oorzaak van dat de verschillende VARIATIES, die MOMENTEN zijn van de GLIJDENDE OVERGANG, ook wčrkelijk van elkaar VERSCHILLEN. Het ene MOMENT onderscheidt zich van het andere MOMENT, maar de GRENS is niet te trekken om­dat het alles BEWEGING is. De verschillende KWANTUMS echter zijn door en door BEGRENSD.

Omdat voor de verschillende verschijnselen het begrip KWANTUM geldt, verto­nen zij de begrippen MAAT, VORM, GEWICHT, INHOUD.

Omdat de verschijnselen tevens MOMENTEN zijn, dus FASES uit de glijdende overgang, geldt het begrip KWALITEIT ervoor. Dit gaat dan over STERKTE, HARD­HEID, VLUCHTIGHEID, KLEUR.

Deze beide begrippen: KWANTITEIT en KWALITEIT gelden TEGELIJK, maar dan is de verhouding wčl zo, dat er eerst KWANTITEIT is en daarna kwaliteit. Omdat er een AANTAL enkelvoudigheden bijeen is, is er tevens een MATE van GEREMD ZIJN. Het is niet andersom. Wij herinneren ons trouwens ook dat de enkelvoudigheden el­kaars beweeglijkheid gingen afremmen, juist omdŕt er MEER enkelvoudIGHEDEN waren. Bij één enkelvoudigheid is van geen afremmen sprake.

Voor het afremmen zčlf geldt altijd HETZELFDE, maar de WERKING ervan, en dus ook het RESULTAAT, verschilt naarmate het AANTAL deelnemende eenheden verschilt.

Een bewegend lichaam waarop bijv. twee krachten werken reageert anders dan een lichaam waarop meer krachten werken.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 21 november 2009)

 

Dinsdag, 1 oktober 1968

No. 5

 


Het kwantum

Elk verschijnsel is opgebouwd uit een BEPAALD aantal enkelvoudigheden, want het heeft VORM, AFMETING en GEWICHT. Het is in dit verband niet van belang of wij te weten kunnen komen hoe groot bij een bepaald verschijnsel het KWANTUM is, van belang is alleen dŕt het een BEPAALD KWANTUM is. Overigens houdt dit BEPAALD ZIJN in, dat het ook MEETBAAR en TELBAAR is en dus is het zeer wel mo­gelijk dat wij op den duur over instrumenten beschikken die ons de juiste aan­tallen kunnen laten bepalen.

De KWALITEIT van het verschijnsel is de BEWEEGLIJKHEID van de enkelvoudig­heden voorzover die EINDRESULTAAT is; het is dus de resterende beweeglijkheid als het REMMENDE zijn werking uitoefent. Voorwaarde voor dit eindresultaat is dus, dat er een AANTAL enkelvoudigheden zijn, die een verschijnsel vormen. Maar de VOORWAARDE en het EINDRESULTAAT zijn niet van elkaar los te denken; er bestaat dus geen KWALITEIT zonder KWANTITEIT en ook geen KWANTITEIT zonder KWALITEIT.

 

Het bindende midden

Wij hebben gesproken over het BINDENDE MIDDEN van de werkelijkheid en daar­mee bedoelden wij de BEWEEGLIJKHEID, die de enkelvoudigheden AAN ELKAAR verlo­ren hebben. Inzake deze kwestie is een opmerking op zijn plaats: wij moeten er op letten dat wij niet onwillekeurig aan een soort MIDDENSTOF gaan denken. Een soort aanwezige werkelijkheid waarin alles wat er is zich bevindt zoals vruch­ten in vruchtensap.

Er bevindt zich NIETS tussen de enkelvoudigheden. De elkaar afremmende enkel­voudigheden hebben IN HUN WERKING iets gemeenschappelijks, maar dat is niet een bestaand iets. Wat bestaat zijn alleen maar de enkelvoudigheden en elk van die enkelvoudigheden heeft in een bepaalde mate zijn beweeglijkheid verloren en die VERLOREN BEWEEGLIJKHEID is gemeenschappelijk. Want het behoort tot zowel de éne als de ŕndere enkelvoudigheid.

Deze AAN ELKAAR VERLOREN BEWEEGLIJKHEID is niet wčg; deze beweeglijkheid geldt niet meer. Wij kunnen zeggen: die beweeGLIJKHEID is LATENT geworden, en is dus wčl aanwezig maar niet meer IN WERKING. Als voorbeeld kunnen wij hierbij denken aan een mens, die terwille van iets, allerlei achterwege laat. Dat aller­lei IS ER nog wel, maar het geldt niet meer; het is niet meer waar te nemen want het is niet meer IN WERKING. Het is LATENT.

De VERLOREN BEWEEGLIJKHEID, die dus een LATENTE BEWEEGLIJKHEID is, moet zich op de een of andere manier vertonen aan en in het verschijnsel. Dit is inderdaad het geval: het is de IN HET VERSCHIJNSEL BESLOTEN ENERGIE. Als wij het ATOOM splitsen komt er ENERGIE vrij, terwijl wij toch eigenlijk zouden moeten veron­derstellen dat het alleen maar energie zou kosten om een dermate hechte ver­binding te splitsen. Inderdaad is dit laatste ook wel het geval, maar heeft de SPLITSING zich eenmaal ingezet, dan gaat het verder VANZELF en dan komt er een grote hoeveelheid ENERGIE vrij. Deze vrijkomende ENERGIE is de door de enkel­voudigheden AAN ELKAAR VERLOREN BEWEEGLIJKHEID.

Dit wil zeggen dat de enkelvoudigheden, die eerst GEREMD aanwezig waren, nu plotseling van die rem ontdaan zijn, zodat zij hun OORSPRONKELIJKE BEWEEGLIJK­HEID weer bezitten. Dit oorspronkelijk beweeglijk zijn van de deeltjes is de ENERGIE, die vrijkomt. Overigens kunnen wij natuurlijk nooit de enkelvoudig­heden zčlf VRIJ maken en dus krijgen zij in feite nooit hun ABSOLUTE BEWEEGLIJK­HEID terug, maar door het opheffen van een bepaald verschijnsel naar een ijlere toestand komt er toch een grote mate van beweeglijkheid terug.

Dit geldt niet alleen voor bijvoorbeeld het splitsen van het ATOOM; als wij een blok hout in de kachel verbranden, of kolen, of wat dan ook, dan gebeurt in principe hetzelfde. Er komt dan ook energie vrij. Alle energie komt op de een of andere manier UIT HET VERSCHIJNSEL.

Hopenlijk is uit het bovenstaande duidelijk, dat energje op zichzčlf NIET BESTAAT. Wat wij energie noemen is BEWEEGLIJKHEID van bepaalde deeltjes; de in het verschijnsel BESLOTEN ENERGIE komt dus als BEWEGENDE DEELTJES voor de dag. Dit zijn dus deeltjes die plotseling een veel grotere beweeglijkheid bezitten.

De werkelijkheid bestaat alleen maar uit DEELTJES, beweeglijke enkelvoudig­heden, en verder is er NIETS.

 

Energie is er dus niet en geest is er niet; ener­gie is een DEELTJE dat beweeglijk is en geest is een bepaalde VERHOUDING tussen de beweeglijke deeltjes.

De in het verschijnsel besloten energie is een POTENTIEEL; het is een in het verschijnsel besloten VERMOGEN.

 

Een vergelijking tussen twee verschijnselen

Wij willen eens twee verschijnselen vergelijken: een ROTSBLOK en een ELECTRO­MAGNETISCH VELD, zoals dat in de kosmos voorkomt.

Het rotsblok is qua verschijnsel een VERDERE ONTWIKKELING dan het electro­magnetische veld. Het GEREMD zijn is bij het ROTSBLOK dus veel groter dan bij het ELECTRO-MAGNETISCHE veld. In het rotsblok ligt derhalve een veel grotere ENERGIE verscholen. Toch, als wij beide vergelijken, maakt het electro-magne­tische veld een MEER ENERGIEKE indruk dan het rotsblok, dat daar zomaar stil ligt en geen enkele beweging vanuit zichzelf vertoont. De vraag is nu hoe dit zit.

Het ENERGIEKE van een electro-magnetisch veld is de KWALITEIT van dat verschijn­sel. Het is de RESTANT-BEWEEGLIJKHEID van de deeltjes en die restant-beweeglijk­heid is nogal groot, omdat er nog betrekkelijk weinig AFGEREMD is. Het energie­potentieel evenwel is KLEIN, juist omdat de door de deeltjes aan elkaar verloren beweeglijkheid gering is. Het VERMOGEN is klein.

De KWALITEIT wat betreft de BEWEEGLIJKHEID van het ROTSBLOK is niet veel; er resteert weinig eigen beweeglijkheid van de deeltjes. Maar des te groter is het REMMENDE: de deeltjes hebben veel beweeglijkheid aan elkaar verloren en dus is het POTENTIEEL van het rotsblok veel groter dan die van het electro-magne­tische veld.

De "vroege" verschijnselen zijn QUA VERSCHIJNSEL nog niet veel; het bindende midden is gering. Die verschijnselen zijn IJL en dus meestal ONZICHTBAAR. Zo zonder meer bevatten ze weinig POTENTIELE ENERGIE.

De "latere" verschijnselen zijn steeds meer VERSCHIJNSEL; het bindende midden neemt een belangrijker plaats in; de ZICHTBAARHEID neemt toe, de KWALITEIT qua beweeglijkheid neemt ŕf en groter wordt de POTENTIELE ENERGIE.

 

Het einde van het wordingsproces

Naarmate het WORDINGSPROCES vordert verliezen de deeltjes steeds meer be­weeglijkheid aan elkaar. Zij worden TEN OPZICHTE VAN ELKAAR minder en minder BEWEEGLIJK. Denken wij bij voorbeeld aan een draaiend autowiel met daarin de remschoen. Als er niet geremd wordt is de beweeglijkheid van het wiel ten op­zichte van de remschoen (en omgekeerd) het grootst. Wordt er wčl geremd, dan neemt die beweeglijkheid-ten-opzichte-van-elkaar ŕf en tenslotte staan wiel en remschoen ten opzichte van elkaar stil. Zo ook met de enkelvoudigheden: ten­slotte staan zij TEN OPZICHTE VAN ELKAAR stil, zij hebben hun beweeglijkheid aan elkaar verloren.

 

Er zijn nu twee aspecten te onderscheiden:

1. Als de enkelvoudigheden HUN VOLLEDIGE BEWEEGLIJKHEID aan elkaar verloren hebben, zijn zij BEIDE weer VOLLEDIG BEWEEGLIJK, maar de beweeglijkheid van de één is volkomen de beweeglijkheid van de ŕnder. Zij bewegen dus GELIJK, zij bewegen als één GEHEEL.

2. Als de enkelvoudigheden TEN OPZICHTE VAN ELKAAR stil zijn komen te staan, dan is de REMMENDE WERKING ŕfgelopen. Het VERSCHIJNSEL, dat juist de GEREMDE AANWEZIGHEID VAN DE ENKELVOUDIGHEDEN was, is dan natuurlijk ook ŕfgelopen. Deze zaak is ook aan zijn eind gekomen.

Dit is de LAATST DENKBARE verhouding in de werkelijkheid, maar deze verhou­ding is niet meer dan DENKBAAR, want BESTAANBAAR IS ZE NIET.

De LAATSTE WERKELIJKE MOGELIJKHEID is deze: de bovenomschreven toestand staat op het punt in te treden, maar dit zet NET NIET door. Dit feit heeft velerlei consequenties die samen kunnen vatten door te zeggen: DIT IS DE MENS.

 

Als de enkelvoudigheden TEN OPZICHTE VAN ELKAAR inderdaad STIL zouden komen te staan, dan was er tenslotte GEEN VERSCHIJNSEL meer, maar als dŕt waar was, dan zou er HELEMAAL NOOIT EEN VERSCHIJNSEL ZIJN, want de werkelijkheid is TEGELIJK haar eigen BEGIN čn haar eigen EINDE. We zouden wčl kunnen zeggen dat DE PAUS dan gelijk had. God zou inderdaad bestaan…. maar verder was er hele­maal NIETS. Dit is een gedachte die overigens niet zo vreemd is voor de mens, want in verband met JAHWE, de zogenaamde god der Joden, is hij al naar voren gebracht indertijd.

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 22 november 2009)

 

Dinsdag, 8 oktober 1968

No. 6

 

De gang van zaken tijdens het wordingsproces

Wij hebben gesproken over het BINDENDE MIDDEN, dat er is omdat er in de WER­KING van de enkelvoudigheden TEN OPZICHTE VAN ELKAAR een gemeenschappelijke fac­tor zit. Want AAN ELKAAR verliezen de enkelvoudigheden beweeglijkheid.

Het BINDENDE MIDDEN is het kenmerkende van het verschijnsel. Bij de VROEGE ver­schijnselen is het bindende midden nauwelijks van enige betekenis, hoewel het er wel degelijk is. De beweeglijkheid van de deeltjes zčlf is nog groot. Derhalve hebben wij hier te maken met een toestand. die als volgt omschreven kan worden: als het WORDINGSPROCES pŕs begonnen is is de werkelijkheid één en al beweeglijk­heid met DAARIN het VERSCHIJNSEL.

Voorzover wij dus reeds van verschijnselen kunnen spreken, zijn dit verschijn­selen, die BEVANGEN ZIJN in het BEWEEGLIJKE. Zij zijn dan ook gewoonlijk NIET ZICHTBAAR. Naarmate het WORDINGSPROCES vordert neemt het VERSCHIJNSEL-ZIJN

toe, want het AFREMMEN wordt sterker, maar tňch blijft de situatie voorlopig deze, dat het verschijnsel IN BEWEEGLIJKHEID BEVANGEN is.

De beweeglijkheid van de AFZONDERLIJKE deeltjes is nog steeds de DOMINERENDE FACTOR en binnen deze beweeglijke werkelijkheid bevindt zich het verschijnsel.

Er treedt echter na verloop van tijd een bepaalde EVENWICHTSSITUATIE op. Dit is het geval als de beweeglijkheid van de deeltjes zčlf, čn de beweeglijkheid die de deeltjes AAN ELKAAR VERLOREN hebben, met elkaar in EVENWICHT zijn. Op dit moment domineert nňch de "eigen beweeglijkheid" van de deeltjes, nňch de "aan elkaar verloren beweeglijkheid" van de deeltjes.

Als het zover gekomen is met het wordingsproces treedt er als het ware een nieuwe fase in omdat het BINDENDE MIDDEN zich wčrkelijk gaat laten gelden.

 

De planeet als evenwichtssituatie

Als het EVENWICHT intreedt is de "eigen beweeglijkheid" in evenwicht met de "aan elkaar verloren beweeglijkheid". Het dominerende van de "eigen beweeglijk­heid" is dan afgelopen. Beide beweeglijkheden zijn nu gelijkwaardig geworden.

Nu hebben wij te maken met een verschijnsel waaraan qua beweeglijkheid TWEE aspecten te bedenken zijn:

1.) Het is een verschijnsel dat zich BINNEN HET BEWEEGLIJKE bevindt, en

2.) Dat verschijnsel zčlf is IN ZICHZELF BEWEEGLIJK. Dit in zichzelf beweeglijk zijn is een GEMEENSCHAPPELIJKE BEWEEGLIJKHEID, omdat het de "aan elkaar verloren beweeglijkheid" is.

Deze tweede factor kon aanvankelijk niet uit de voeten omdat hij BEVANGEN was in de "eigen beweeglijkheid" van de deeltjes. Nu echter is dit bevangen zijn voorbij en is deze tweede factor GELIJKWAARDIG aan de eerste.

Van belang is dat wij hierbij het volgende Voor ogen houden: wij hebben niet te maken met twee APARTE SITUATIES. Er zijn dus niet twee verschillende ver­schijnselen, maar het gaat over EEN verschijnsel waaraan het bovenstaande be­dacht kan worden. Ook toen het moment van evenwicht nog niet bereikt was, ging het over één verschijnsel waarvan de "aan elkaar verloren beweeglijkheid " onder­geschikt was.

De situatie, die wij hierboven aangegeven hebben met de punten 1. en 2., komt in de kosmos voor de dag als de PLANEET. Dat wil zeggen: de planeet die door MENSEN bewoond is. Want alleen dit is WERKELIJK DE PLANEET; andere zogenaamde planeten BENADEREN deze situatie alleen maar, doch zijn het niet werkelijk.

Deze werkelijke planeet bevindt zich in een DAMPKRING; deze dampkring is niet iets APARTS, doch het is de planeet zčlf, terwijl hij er tevens van te onder­scheiden is. De PLANEET ALS INHOUD VAN ZIJN DAMPKRING is het onder punt 1. ge­noemde. Over deze zaak is veel meer te zeggen, maar voorlopig laten wij het hierbij. Overigens moet ik er nog wčl op wijzen, dat de dampkring mede door de planeet zčlf in stand gehouden wordt. Hij is er onlosmakelijk mee verbonden.

De planeet zčlf brengt LEVEN voort. Dit is het IN ZICHZELF beweeglijk zijn van het verschijnsel. Voorzover het precies over het moment van evenwicht gaat, is dit LEVEN natuurlijk nog niet veel; het heeft zich IN BEGINSEL wčrkelijk ge­steld, maar méér is het nog niet.

De DAMPKRING, de PLANEET en het LEVEN zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar het zijn toch van elkaar ONDERSCHEIDEN gesteldheden. Daarom kunnen zij met elkaar in EVENWICHT zijn.

 

Het is duidelijk dat het hier om één BEPAALD moment gaat, namelijk het MOMENT VAN EVENWICHT. Elke situatie die dit evenwicht alleen maar BENADERT, is in strikte zin van het woord NIET DE PLANEET en kan het dan ook niet tot het EINDE, namelijk tot de MENS, brengen. Is een hemellichaam wčrkelijk een PLANEET, dan loopt het noodwendig tot en met het EINDE, dat de mens is. Mislukken is dan uitgesloten; er is dus geen planeet die de reis niet haalt.

 

De planeet voorbij de evenwichtssituaties

Het spreekt vanzelf dat het WORDINGSPROCES doorgaat nadat de planeet opgele­verd is. De "aan elkaar verloren beweeglijkheid" van de deeltjes is nu de domi­nerende factor geworden en elke denkbare "eigen beweeglijkheid" is daaraan on­dergeschikt. De PLANEET ALS LEVEN zet zich nu dus door, terwijl datgene, dat zich voordien vormde, namelijk de KOSMOS, of, beter gezegd ΟNS ZONNESTELSEL, daaraan ONDERGESCHIKT is. Deze ondergeschiktheid van het ZONNESTELSEL komt o.a. uit aan het feit, dat het VOOR ONS een betrekkelijk STATISCHE aangelegenheid is. De POOLSTER bijvoorbeeld stond in de vroege oudheid nčt zo als nu. Er vol­trekt zich in het ZONNESTELSEL als zodanig verder geen WORDING. Maar ALS PLA­NEET gaat de zaak door.

Het ZONNESTELSEL ontstaat aan het UITWENDIGE WORDINGSPROCES, de PLANEET zčlf is de EVENWICHTSSITUATIE en het INWENDIGE WORDINGSPROCES levert de ORGANISCHE WERKELIJKHEID op, met als kenmerk HET LEVEN. Het UITWENDIGE wordingsproces is met het verschijnen van de wčrkelijke PLANEET ten einde, want het was er slechts zolang en voorzover de "eigen beweeglijkheid" van de deeltjes DOMINEREND was.

Na het verschijnen van de genoemde EVENWICHTSSITUATIE is deze dominerende rol uitgespeeld. Dan treedt de "aan elkaar verloren beweeglijkheid", ofwel de GE­MEENSCHAPPELIJKE BEWEEGLIJKHEID, als DOMINANT op in het wordingsprocčs en deze dominant BEPAALT het proces. Evenwel hebben tijdens deze tweede fase de deeltjes nog wel - in afnemende mate - hun EIGEN BEWEEGLIJKHEID. Maar dit is in geen enkel opzicht meer BEPALEND.

Het INWENDIGE WORDINGSPROCES is de geschiedenis Van het ORGANISME. Tijdens deze geschiedenis neemt natuurlijk het BINDENDE MIDDEN in belangrijkheid toe en dit vertoont zich als het steeds meer INGEWIKKELD worden van het organisme.

Denken wij bijvoorbeeld aan een EENCELLIG diertje, een bacterie bijvoorbeeld; dit is een zeer PRIMITIEF ORGANISME; qua SAMENSTELLING is dit beestje zeer een­voudig. Maar in al zijn “bijna niet samengesteld zijn” is het toch een buiten­gewoon BEWEEGLIJK beestje. Hoe zit dit? De beweeglijkheid dankt dit beestje aan de EIGEN BEWEEGLIJKHEID van de deeltjes waaruit hij samengesteld is, want hij ligt nog zó aan het BEGIN van het INWENDIGE WORDINGSPROCES dat hij, hoewel de AAN ELKAAR VERLOREN BEWEEGLIJKHEID reeds de DOMINANT is, toch nog in sterke mate UITWENDIG BEWEEGLIJK is. Zijn beweeglijkheid is dan ook een betrekkelijk DOELLOOS heen en weer schieten, terwijl hij qua LICHAAM aan weinig beweeglijkheid onderhevig is. Er stroomt wat plasma rond en hij kan zich wat uitrekken en bol maken, terwijl er soms trilhaartjes bewogen kunnen worden. Meer is het niet.

Naarmate nu het INWENDIGE WORDINGSPROCES voortgaat neemt de ingewikkeldheid toe; de AAN ELKAAR VERLOREN BEWEEGLIJKHEID van de deeltjes neemt toe en de EIGEN BEWEEGLIJKHEID neemt af - totdat daar de MENS is. En bij hem staan de deeltjes op het punt hun EIGEN BEWEEGLIJKHEID volledig kwijt te raken en VOL­LEDIG GEMEENSCHAPPELIJK BEWEEGLIJK te worden. Pas op dit moment is het WORDINGS­PROCES ŕfgelopen.

 

Een onderscheid tussen de organismen

Wij moeten oppassen het bovenstaande niet mis te verstaan. Het is namelijk gangbaar om te denken dat het ORGANISME zich STAP VOOR STAP ontwikkelt, in die zin, dat het éne organisme NA het andere opgeleverd wordt. Ogenschijnlijk is deze gedachtengang juist, maar IN FEITE zit het ŕnders.

Het ORGANISME ontwikkelt zich tijdens haar WORDING als EEN GEHEEL. Voorzover er dus VERSCHILLENDE organismen te voorschijn komen, zoals bijvoorbeeld de PLANT en het DIER en wat daarin weer te onderscheiden is, is dit allemaal TEGELIJK geworden. Maar IN dit TEGELIJK WORDEN komen de verschillende organis­men NA ELKAAR voor de dag volgens toenemende INGEWIKKELDHEID. De MENS is de laatste van het rijtje; hij komt het LAATST voor de dag als WERKELIJK DE MENS, maar hij is gegroeid TEGELIJK met alle andere organismen. Pas als de mens er is - in feite dus de OERMENS - is het WORDINGSPROCES ŕf. Vóór dat moment hebben de reeds verschenen organismen nog een "toekomst" omdat het proces nog niet af is. Maar zij ontwikkelen zich niet tot een HOGER organisme, hoewel ze eigenlijk nog niet ŕf zijn. De vraag is hoe dit zit.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 22 november 2009)

 

Dinsdag, 15 oktober 1968

No. 7

 

Het organisme als één geheel

Wij hebben er de vorige keer op gewezen, dat het WORDINGSPROCES ŕf is als de MENS verschenen is, en dat met dat verschijnen van de mens HET GEHELE ORGANISME, en dus niet alleen het organisme voorzover dat MENS is, aan haar einde is geko­men, zodat alle aan de mens voorafgaande organismen - en dus de gehele planten­ en dierenwereld - pas dŕn wčrkelijk AF zijn.

Vanuit onze eigen westerse CULTUUR komt in ons een vraag op als wij het boven­staande vernemen. Wij vragen ons namelijk onmiddellijk af wat de planten- en dierenwereld met de mens te maken heeft, en omgekeerd. Wij kunnen ons niet den­ken dat de dierenwereld als het ware wacht op de mens…. toch is dit een feit, al kunnen wij natuurlijk niet letterlijk van "wachten" spreken. Want van enig BEWUSTZIJN is voorlopig nog geen spoor. Wij denken onszelf als iets APARTS, iets dat LOS staat van de ŕndere verschijnselen; een geval dat loopt OP de aarde en dat daar doet waar het ZIN in heeft, wŕt het ook is. Een geval dat alles naar eigen goeddunken kan regelen; dat zelf evenwichten kan verstoren en herstellen, en dat op geen enkele wijze iets met "de natuur" te maken heeft. Vanuit dit denken is het onverstaanbaar als wij zeggen dat het GEHELE ORGANISME, welk plantje of diertje het ook is, nog niet klaar is zolang de mens nog niet wčrke­lijk verschenen is. Met dien verstande dat wij met De “mens” niet iets verhe­vens bedoelen, dat eventueel in het verre verschiet ligt. Als wij het in dit verband over "de mens" hebben bedoelen wij het ORGMIISME waarvoor geldt dat het BEWUSTZIJN wčrkelijk BEWUSTZIJN is.

Er is maar EEN werkelijkheid en die werkelijkheid is door en door PROCES, om­dat zij door en door BEWEEGLIJKHEID is. Zodoende SPITST DE WERKELIJKHEID ZICH TOE tot ZONNESTELSELS; het zonnestelsel spitst zich toe tot een PLANEET en deze spitst zich als organisme toe tot de MENS. Als de mens er is, dan is het het de TOESPITSING gedaan en dan is die zaak klaar - uiteraard tot in de klein­ste geledingen. Dat de mens zčlf, nadat hij verschenen is, nog een lange LIJDENS­WEG gaat, welke weg wij zijn ONTWIKKELING noemen, is een ŕndere zaak. Deze ont­wikkeling geldt verder niet voor het ORGANISME, want de LIJDENSWEG is een ge­volg van het feit, dat de mens in de hoedanigheid van LAATSTE organisme, eigen­lijk GEEN ORGANISME meer is. Hierdoor valt het LAATSTE ORGANISME de eer ten deel een BLOEDBAD aan te richten dat zijn weerga niet kent….Maar het WOR­DINGSPROCES, en dan speciaal het INWENDIGE wordingsproces, eindigt met het wčr­kelijke BEWUSTZIJN, en dŕt is de mens. Daarna is het met de WORDING van ALLE organismen gedaan, en ONTWIKKELING geldt er natuurlijk ook niet voor.

Wij moeten dus trachten ONSZELF als de meest INGEWIKKELDE GELEDING van het ORGANISME te zien en vermijden in APARTHEDEN te denken.

 

Het groeiproces

Het ORGANISME begint als een EENVOUDIGE SAMENSTELLING; tijdens haar WORDING neemt de INGEWIKKELDHEID toe totdat het meest ingewikkelde organisme er is. Dit is dus de WORDING VAN HET ENE ORGANISME en deze wording is pas ŕf als de LAATSTE FASE er is. Maar de VOORGAANDE FASEN, die dus MINDER ingewikkeld zijn dan de laatste fase, ZIJN ER intussen wčl, hoewel ze NIET AF zijn. En zij zijn net zo lang NIET AF als het wordingsproces nog NIET AF is. Nu is de vraag wat er met die ONVOLTOOIDE ORGANISMEN gebeurt tijdens de voortgang van het wordingsproces.

Datgene dat er gebeurt kunnen wij samenvatten onder de naam GROEIPROCES, want de GROEI is het NIET AF ZIJN van het organisme, dat er al wčl is.

Als voorbeeld kunnen wij denken aan het groeien van de vrucht van de mens in het moederlichaam. Tijdens die groei ontstaat het éne orgaan na het ŕndere, zij ontstaan niet allemaal tegelijk. De vrucht groeit als één geheel, en dat éne geheel doorloopt allerlei STADIA en in die stadia zijn telkens nieuwe or­ganen ontstaan, de één na de ander in volgorde van ingewikkeldheid. Op een zeker moment ontstaat bijvoorbeeld de wervelkolom en na enige tijd is dat geval com­pleet; wij kunnen alle onderdelen onderscheiden en zij hebben reeds hun uit­eindelijke vorm. Toch, hoewel nu de wervelkolom ER IS, is de vrucht als geheel nog niet klaar; er moeten zich nog andere organen van een "hogere" orde vormen en omdat dit zo is, is ook de wervelkolom nog NIET AF, hoewel hij er al helemaal is. De wervelkolom GROEIT nog, maar tijdens deze GROEI komt er niets meer bij; er worden geen nieuwe vermogens aan toegevoegd.

 

De wervelkolom IS ER, maar voorlopig GROEIT hij nog wčl.


Deze gang van zaken nu geldt voor de gehele vrucht voorzover die een SAMENSTEL van ORGANEN is en dit proces gaat door totdat het meest INGEWIKKELDE ORGAAN er is, en dan is de zaak qua ORGANISCHE GROEI klaar.

Vanaf het eerste begin is bepaald hoe de vrucht worden zal. Alles ligt er dus bij voorbaat reeds in besloten. Die gehele zaak gaat WORDEN, dus begint de WORDING van alle afzonderlijke ORGANEN op één en hetzelfde moment; toch ont­staat het éne orgaan NA het ŕndere. Of, beter gezegd: het éne orgaan IS ER eer­der dan het ŕndere orgaan, en de volgorde hierin is een volgorde naar toenemen­de INGEWIKKELDHEID, want naar TOENEMEND ELKAAR AFREMMEN van de enkelvoudigheden.

Zo moeten wij ons ook denken de WORDING van het gehele organisme zoals dat op de planeet plaats vindt. Het een komt na het ander voor de dag en als het er eenmaal is is het zoals het is; van ontwikkeling is geen sprake, maar van GROEI wčl. Het GEHELE organisme echter, met als inhoud datgene dat er reeds is en dat alleen nog maar kan GROEIEN, gaat nog verder totdat alles aanwezig is. Het NIET AF ZIJN van het gehele organisme manifesteert zich dus aan de reeds voor de dag gekomen geledingen als de GROEI.

 

Over de evolutieleer

De EVOLUTIE-LEER komt in grote trekken hierop neer, dat de éne SOORT uit de ŕndere ontstaan zou zijn. De mens is dan natuurlijk ontstaan uit een hoger soort AAP, die zich plotseling van zichzelf bewust werd. De wetenschappelijke onderzoekers hebben dan ook naarstig gezocht naar sporen van die pientere aap, maar de ontbrekende schakel is nog steeds niet gevonden.

Deze gedachte van de EVOLUTIE is voor de moderne mens een GANGBARE GEDACHTE, maar reeds ons voorbeeld van de vrucht in het moederlichaam maakt duidelijk dat de na elkaar verschijnende organen NIET UIT ELKAAR ONTSTAAN ZIJN. Vanaf het be­gin is alles IN PRINCIPE aanwezig, zonder dat het er evenwel AANWIJSBAAR is, want HET IS ER NOG NIET! Was de gedachte van de EVOLUTIE een juiste gedachte, dan zou ook de VRUCHT in het moederlichaam deze gang van zaken te zien geven, omdat wij hier met hetzelfde proces te doen hebben.

Bij de AANVANG van het INWENDIGE WORDINGSPROCES hebben wij natuurlijk te doen met een zeer EENVOUDIG organisme. Dit eenvoudige organisme bergt alles in zich wat er uitkomen moet, en dŕt wat er uitkomen moet is al vanaf het begin bepaald. Qua POTENTIE is DE MENS dus ook reeds aanwezig.

Dit feit, dat ook de MENS reeds qua potentie aanwezig is in dat eenvoudige organisme dat er om te beginnen is, heeft natuurlijk een consequentie: hoewel er in deze materie niets AANWIJSBAAR is is er in ELKE FASE van het inwendige wordingsproces altijd één verschijnsel dat qua structuur het hoogtepunt is, en dat is DE MENS IN WORDING. Maar, omdat hij tot DIE BEPAALDE FASE behoort, heeft hij daarvan ook de GEDAANTE, d.w.z. hij heeft op ELK MOMENT van het inwendige wordingsproces de GEDAANTE VAN HET LAATST GEWORDENE. Want het feit dat hij STRAKS inderdaad de LAATSTE zal zijn, doet zich natuurlijk ALTIJD gelden.

Zo doorloopt de mens tijdens zijn WORDING alle fasen van het inwendige wor­dingsproces, en telkens behoort hij tot de fase die dŕn aan de orde is, maar omdat hij toch altijd DE LAATST GEWORDENE is, is hij toch nooit čcht DIE FASE; hij is als het ware altijd een BUITENBEENTJE en dat blijft zo tot het einde. Op een zeker moment bijvoorbeeld is daar de fase van de VISSEN; dan is er een soort vis, die de MENS zal worden op den duur; die vis is toch nčt geen vis, terwijl alle ŕndere vissen wčl echte vissen zijn en blijven. Vanuit deze GE­DAANTEVERWISSELINGEN is een vergissing als die van de EVOLUTIELEER alleszins begrijpelijk, want inderdaad lijkt het er op, dat de mens een VIS is geweest en zo lijkt het er natuurlijk ook op, dat hij eens een AAP was. Maar die aap, die de mens TOEN was, was EIGENLIJK geen čchte aap, al leek hij er sprekend op. Het was ALS AAP een ONMOGELIJK GEVAL, dat alweer op weg was naar wat anders. En op grond van deze ONMOGELIJKHEID is de EVOLUTIELEER onjuist. De mens is geen enkele fase ECHT geweest want op elk moment was hij alweer bezig zich als het VOLGENDE te realiseren.

Dit feit, dat de mens altijd DE VOLGENDE is, heeft velerlei belangrijke consequenties, die t.z.t. nog ter sprake zullen komen. Voorlopig is het van be­lang dat wij ons realiseren dat de mens inderdaad ALLE STADIA van het wordings­proces doorgemaakt heeft, zonder dat hij één van die stadia ooit ECHT geweest is. Hij is dus niet door EVOLUTIE ontstaan want hij is niet voortgekomen uit VOORGAANDE SOORTEN. Wij zullen nog bespreken waarom het MODERNE DENKEN toch alleen maar een EVOLUTIE, in strikte zin, kan denken.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 22 november 2009)

 

Dinsdag, 22 oktober 1968

No. 8


 

Het laatst gewordende

Vanaf het eerste begin van het INWENDIGE WORDINGSPROCES is de mens, die als LAATSTE RESULTAAT van dat proces verschijnt, ingecalculeerd geweest. Dit moet niet fout worden verstaan. Als voorbeeld het volgende: de Romeinse filosoof TITUS LUCRETIUS (ongeveer 50 v. Chr.) heeft een uitvoerig dichtwerk geschreven dat over de "natuur der dingen" gaat. Uit dit dichtwerk blijkt dat Lucretius zich het begin van de werkelijkheid zo dacht dat alle dingen vanaf het begin aanwezig waren, als het ware als KIEM. Die KIEMEN zijn dus reeds de dingen die zij later worden moeten; zij zijn dus reeds BEPAALD en maken in de loop van de WORDING hun eigen proces door totdat zij volledig GEWORDEN zijn. Zoals het zaad van een plant ook als zaad reeds DIE PLANT is en nooit tot iets anders uitgroei­en kan. Lucretius denkt zich dan ook een bepaald begin van de mens.

Als wij nu zeggen: vanaf het eerste begin is de mens ingecalculeerd geweest, dan bedoelen wij dit niet zoals Lucretius dit bedoelde. Het aannemen van een BEPAALDE BEGINSITUATIE voor ŕlle afzonderlijke dingen is NIET JUIST. Toch lopen ook wij het risico er aldus over te denken. Want wij zijn maar al te zeer ge­neigd DE MENS als een CONCRETE ZAAK te denken, als een VOORWERP dat de naam MENS draagt. Een BEPAALD GEVAL dus. Maar wij moeten hem in dit geval denken als een VERHOUDING van en tussen de ENKELVOUDIGHEDEN, en dat is dan wel een BEPAALDE VER­HOUDING, maar het is niet een bepaald DING. Lucretius dacht zich echter wčl een bepaald DING, al was het dan om te beginnen nog niet GEWORDEN. Het gaat er ech­ter om in te zien dat het niet om bepaalde DINGEN gaat, maar om bepaalde VER­HOUDINGEN, en deze verhoudingen lagen er vanaf het begin in. Omdat het om moge­lijke VERHOUDINGEN gaat, is er om te beginnen NIETS AANWIJSBAAR. Je kunt dus in het op de planeet beginnende LEVEN geen bepaald organisme aanwijzen en zeggen: dŕt wordt  de mens!

Denken wij in dit verband aan de menselijke vrucht in het moederlichaam, dan is daarvan voorlopig óók niet te zeggen: dŕt wordt een mens. Wij WETEN dat het een mens MOET worden omdat het een menselijke vrucht is; wij kennen de OORSPRONG van die vrucht: dat is namelijk die moeder. Maar aan het ontluikende organisme zčlf is om te beginnen niets af te lezen. Daar vindt CELDELING plaats en al de­lende vormt zich allerlei en pas veel later wordt het duidelijk dat het een mens wordt. Dit alles natuurlijk ňngeacht WETENSCHAPPELIJK WETEN. Het wetenschappe­lijke weten laten wij BIJ AL HET FILOSOFEREN zorgvuldig buiten beschouwing om­dat dit een BRON VAN MISVATTINGEN is.

Voor ons vertegenwoordigt de mens een ZAAK en het is voor ons bijna nooit een VERHOUDING. Toch moeten wij hem zó denken willen wij het wordingsproces kunnen begrijpen. Want de mens, voorzover hij in het begin ingecalculeerd is, is ALS VERHOUDING ingecalculeerd. Als - omdat het over DE MENS gaat - LAATSTE VERHOU­DING. En deze LAATSTE VERHOUDING loopt door het gehele inwendige wordingspro­ces heen. In člk stadium is er die LAATSTE VERHOUDING en die is dan BEVANGEN in elk stadium.

Het feit echter, dat genoemde verhouding onder alle omstandigheden de LAATSTE verhouding is, doet zich gelden: voor alles wat het LAATSTE is geldt een DUB­BELE verhouding. Want enerzijds behoort dit laatste tot de zaak waaruit het is voortgekomen en anderzijds geldt er tegelijk voor dat het die zaak waaruit het is voortgekomen NIET IS. Zoals de uiterste punt van een breinaald nog nčt de breinaald is en tevens net NIET de breinaald omdat de breinaald daar OPHOUDT breinaald te zijn, zó is ook de genoemde LAATSTE VERHOUDING enerzijds de zaak waaruit hij is opgekomen om tegelijk en anderzijds die zaak NIET TE ZIJN. Er loopt dus door het gehele INWENDIGE WORDINGSPROCES als het ware een LICHTE en LICHTENDE LIJN en dat is de wording van de mens, d.w.z. dat is telkens dat organisme, dat zich steeds duidelijker gaat aftekenen, en dat weliswaar tot de opeenvolgende momenten van dat proces behoort en dat daarvan dus ook de gedaan­ten aanneemt, maar dat desondanks tňch die momenten niet blijkt te zijn. Dit allemaal op grond van het feit dat het altijd de LAATSTE VERHOUDING is, die in wording is.

Elke consequentie, die wij aan DE LAATSTE moeten verbinden, geldt gedurende het GEHELE wordingsproces omdat de laatste gedurende het gehele proces de laatste is. Deze laatste heeft dan ook ALTIJD al het aanwezige tot INHOUD en hij heeft TIJDENS HET PROCES ook al het KOMENDE tot inhoud - reden waarom het KOMENDE dan ook onafwendbaar komt.

 

Alle organismen, die op een zeker moment nog ZICHZELF zijn geworden hebben HET KOMENDE tot inhoud, maar de zaak is door en door BEPAALD omdat het niet verder gaat dan het gaat. 


Straks zijn die organismen wčl ZICHZELF en dan is het afgelopen; dan is alleen HET VERGAANDE tot INHOUD geworden en verder gaat het niet. Alle organismen, behalve de MENS, heb­ben dus een BEPAALDE INHOUD. Alleen de mens heeft een NIET BEPAALDE INHOUD om­dat hij VERDER gaat dan wŕt ook.

 

De mens vermeende natuurlijkheid

Vrijwel vanaf zijn bewustwording is de mens de mening toegedaan dat hij ont­sproten is aan de NATUUR, d.w.z. aan de PLANEET als zonder meer ORGANISME, en dat dit eigenlijk een KWALIJKE ZAAK is, die de mens in zichzelf moet trachten te ontkennen. Deze mening hebben wij, moderne mensen, ook nog. Het NATUURLIJKE behoort niet bij de mens, vinden wij.

Maar als wij ons realiseren wat wij gezegd hebben, dan moeten wij ons afvra­gen waarover de mens zit te tobben, want eigenlijk heeft de mens nog nooit tot de natuur behoord. Hij is gedurende het gehele wordingsproces een BUITENBEENTJE geweest; hij heeft weliswaar de GEDAANTE van het natuurlijke, maar hij IS HET NATUURLIJKE NIET.

Willen wij wčrkelijk over de MENS, en dus over de vrouw en de man, gaan dčn­ken, dan moeten wij als eerste vergeten dat de mens DOMWEG uit de natuur opge­komen zou zijn. Dit besef speelt in vrijwel iedereen een rol, hetgeen moge blij­ken uit het feit, dat vrijwel niemand raad weet met zijn GEVOELENS en zijn DRIFTEN, HARTSTOCHTEN. En dat wij er geen raad mee weten komt voort uit het feit, dat wij eigenlijk die gevoelens niet WILLEN, wij willen eigenlijk niet NATUURLIJK zijn en dat kůnnen wij alleen maar willen omdat wij in de grond van de zaak vinden, DAT WIJ WEL DEGELIJK NATUURLIJK ZIJN. Wij beseffen onszelf dus wel degelijk als een voortbrengsel van de NATUUR.

Inderdaad is de mens opgekomen aan en uit het WORDINGSPROCES; het begrip NATUUR geldt dus voor hem. Maar HOE geldt dit begrip voor hem? Wat geldt voor hem op ONTKENDE WIJZE en dat is altijd het geval.

Wij kunnen nu opmerken dot de mens zichzelf dus GOED aangevoeld heeft als hij het natuurlijke niet wil. Dan moeten wij er op wijzen dat dit aanvoelen gegrond is in het besef NATUURLIJK TE ZIJN. Je kunt immers alleen maar iets NIET willen als je beseft dat die zaak die je niet wil ER IS; een FEIT is!

De ROOMSE KERK heeft talloze HEILIGEN gekend; deze mensen wilden god dienen en gingen er toe over zichzelf de kwellen. Zij wilden zichzelf als (vermeende) NATUURLIJKHEID doorschrappen…. en dat was een hele opgave. Dit streven is

door de mens als VERHEVEN aangevoeld, als een HEILIGE zaak, maar in feite geeft het blijk van een volslagen gemis aan ZELFKENNIS en dit gemis geldt ook tegen­woordig nog want NIEMAND denkt eraan deze heiligen eindelijk eens te gooien waar zij thuishoren: OP DE MESTVAALT. Hun heiligheid is nog nooit herroepen en op de een of andere manier ziet iedereen nog tegen deze lieden op. Omdat vrijwel ieder­een zichzelf nog steeds als een MESTVAALT ziet!

De mensen hebben het over HET DIERLIJKE IN DE MENS en dan wordt er gewezen op de vele SCHANDDADEN die de mens pleegt, maar wij behoeven de dierenwereld niet lang te bekijken om tot de conclusie te komen dat het dier GEEN ENKELE SCHAND­DAAD PLEEGT en dat het van daaruit een hele vooruitgang zou betekenen als de mens zich meer als het dier zou gaan gedragen.

Het dier gedraagt zich ZOALS HET IS, het gedraagt zich overeenkomstig ZICH­ZELF. Maar de mens is zover nog niet. Hij heeft zichzelf nog niet eens ontdekt. En als hij straks zichzelf wčl ontdekt zal hebben, dan is het tot hem doorge­drongen dat hij het NATUURLIJKE niet is en dat hij dit ook nooit geweest is. Zodat er geen enkele aanleiding is zichzelf te willen verlossen van allerlei natuurlijkheden. Want in de natuur komen die zogenaamde "natuurlijkheden" niet voor. In de natuur komt allerlei voor dat op de menselijke natuurlijkheden LIJKT, maar voorlopig wijzen wij alleen al op dit punt, dat in de natuur alles VANZELFSPREKEND geschied, terwijl er bij de mens tot nu toe nog niets van­zelfsprekend is gedaan of gelaten; hij is nog nooit op ZONNIGE WIJZE zichzelf geweest, maar hij heeft altijd met eindeloze redeneringen om zichzelf heen ge­draaid. Dat GEDRAAI noemt hij graag zijn BESCHAVING, d.w.z. het feit, dat hij zichzelf BIJGESCHAAFD heeft en daardoor ANDERS is geworden dan hij EIGENLIJK is. Van dit OPGEPOETSTE GEVAL vindt hij dan dat het de mens is waarvan op den duur een BEHOORLIJKE WERELD te verwachten is. Maar de vraag is te stellen hoe ik me dan een behoorlijke wereld moet denken die bestaat uit mensen die ZICHZELF niet zijn en niet WILLEN zijn.

 

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 22 november 2009)

 

Dinsdag, 29 oktober 1968

No. 9

 

Een vraag

Tijdens het wordingsproces verschijnt het ene ORGANISME na het andere; het volgende is altijd weer een stap verder dan het vorige. De vraag is deze: is er te spreken van een SPRONG tussen het éne en het ŕndere organisme?

Deze vraag behelst twee aspecten: ten eerste de CONCRETE GANG VAN ZAKEN. Als het hierover gaat, dan gaat het over de werkelijkheid die te ONDERZOEKEN is, dus het gaat over bijvoorbeeld het UITERLIJK van de organismen, de organen die in het organisme zijn ontstaan en de vraag HOE die zijn ontstaan. Een dergelij­ke vraag stellen wij ook als wij bijvoorbeeld vragen: hoe voedt een plant zich en hoe vindt bij een plant de bevruchting plaats. Vragen wij naar dit aspect als het over het INWENDIGE WORDINGSPROCES gaat, dan zullen wij niet zo gemakke­lijk een antwoord vinden omdat er op dit terrein geen onderzoek meer mogelijk is. Een globaal beeld kunnen wij er wel van krijgen, maar meer ook niet.

Het tweede aspect van de vraag komt hier op neer: hoe zit het met dat wor­dingsproces, wat is er eigenlijk gaande? Op deze vraag is wčl een antwoord te vinden, want hier wordt naar het zich achtereenvolgens verwerkelijken van de VERHOUDINGEN in de werkelijkheid gevraagd. En dan speciaal dit: is er van een SPRONG tussen het éne en het ŕndere organisme te spreken?

In deze vraag nu zit een fout, want wij hebben immers eigenlijk met EEN orga­nisme te maken dat allerlei GELEDINGEN vertoont. Bovendien kunnen wij pas dŕn van het ENE en het ANDERE organisme spreken als het gaat over geledingen, die ER REEDS ZIJN. Elk moment van het wordingsproces is een bepaalde VERHOUDING die voor de dag komt; er zijn dŕn een aantal organismen die juist die bepaalde ver­houding zijn. Zij zijn er dus, en ook zijn er die organismen die VOORGAANDE verhoudingen zijn. Tussen deze BEPAALDE organismen kunnen wij ONDERSCHEID maken en wij kunnen dus van het ENE en van het ANDERE organisme spreken. Het gaat nu over BEPAALDHEDEN, die in zichzelf AFGEROND zijn.

Evenwel zijn er TIJDENS het wordingsproces ook organismen, die straks een VERDER stadium zullen blijken te zijn. Bij die organismen gaat de WORDING dus nog door; zij zullen nog de gedaanten aannemen van verschillende volgende sta­dia en zijn dus voorlopig nog geen BEPAALDHEDEN die ten opzichte van elkaar apartheden zijn. We kunnen derhalve nog niet spreken van het ENE en het ANDERE organisme. De opeenvolgende GEDAANTEN zijn ontwikkelingsmomenten van één en hetzelfde organisme en in zichzelf AFGEROND is nog niets. Van dit laatste is natuurlijk de wording van de MENS het mooiste voorbeeld omdat hij ALLE stadia ŕchter zich laat. Hij is aldoor HETZELFDE geval gebleven en dat geval was in wording; hij is echter niet ontstaan uit een opeenvolging van steeds hogere SOORTEN? DUS DE OPEENVOLGING VAN HET EEN EN HET ANDER. Van een SPRONG tussen het één en het ŕnder kan bijgevolg ook geen sprake zijn.

 

Het “niet-zijn” van een zaak

De vorige keer hebben wij vastgesteld dat de mens een BUITENBEENTJE is, en dat dit gedurende zijn WORDING niet ŕnders geweest is. De mens is NIET DE NA­TUUR - als wij onder het begrip "natuur" verstaan ŕl het GEWORDENE, behalve de mens. De mens is weliswaar GEWORDEN; maar zijn wording was altijd de wording van een BUITENBEENTJE, van een zaak die eigenlijk die zaak niet was.

Als wij nu zeggen: de mens behoort niet tot de natuur; dan zijn wij, op grond van onze denk-cultuur, geneigd te denken dat de mens dŕn tot WAT ANDERS behoort. Het zo te denken is echter fout. Voor ňns denken staat er tegenover het EEN altijd IETS ANDERS. Zodat het wel IETS ANDERS moet zijn als het het EEN niet is. Zo ligt de zaak echter niet; als wij zeggen dat de mens NIET NA­TUURLIJK is, dan wil dit zeggen dat de mens de ONTKENNING VAN NATUURLIJKHEID is, en dit betekent dat alles wat hij vertoont en alles wat hij concreet is bij hem OP ONTKENDE WIJZE AANWEZIG is. Hij is dus de VOLLEDIGE NATUUR, maar als zodanig is hij ONTKEND AANWEZIG. Iets ŕnders is hij dus niet; hij is alleen maar ONTKENNING. DE MENS IS DE VOLLEDIGE ONTKENNING VAN VOLLEDIGE NATUURLIJK­HEID. Méér is hij niet en "iets anders" is hij niet.

Zo zien wij dus dat de mens allerlei gedragingen vertoont die gelijken op ge­dragingen van bijvoorbeeld de dieren. Maar onder alle omstandigheden onderschei­den de menselijke gedragingen zich van die van de dieren.

Vaak is niet eens precies te zeggen waar het verschil zit en tňch is het bij de mens allemaal ŕnders - in het kort: omdat er bij de mens altijd een "van zichzelf weten" achter staat.

 

Hoe primitief dit "van zichzelf weten" desnoods bij gelegenheid is. Overigens is dit "van zichzelf weten" een onmiddellijk gevolg van het feit dat de mens de VOLLEDIGE ONTKENNING van volledige natuurlijkheid is.

Het bovengezegde, namelijk het feit dat de ONTKENNING van het één nog helemaal niet de BEVESTIGING van het ŕnder betekent, is van groot belang omdat het in lijnrechte tegenstelling staat tot ELK GANGBAAR DENKEN - of het dat van “langs de straat is of dat van de wetenschap. Als de mens NIET NATUURLIJK is, dan is hij GODDELIJK, of GEESTELIJK, of VERHEVEN, of…. vul maar in….; zó denkt vrijwel IEDEREEN, en dan gaat vrijwel iedereen ertoe over zich als die godde­lijke zaak waar te maken, in plaats van zichzelf haarscherp als natuurlijkheid te laten gelden. Want VOLLEDIGE NATUURLIJKHEID is IN DE MENS ALTIJD DE BOVENBE­DOELDE VOLLEDIGE ONTKENNING. Maaar wŕt is voor ons, moderne mensen, volledige na­tuurlijkheid? Wij weten niet eens meer onze plaats als vrouw en man!

 

Het getal één en het getal twee

Wij hebben gesproken over het INWENDIGE WORDINGSPROCES en het UITWENDIGE WOR­DINGSPROCES. Het INWENDIGE proces is te noemen: een qua BEWEGLIJKHEID samen­gaan van de enkelvoudigheden. Nu ligt het accent niet meer op de ZELFSTANDIGE beweeglijkheid van de deeltjes, dus op het "ieder voor zich", maar op het GE­ZAMENLIJKE.

Bij het UITWENDIGE WORDINGSPROCES lag de dominant bij "ieder voor zich"; het gaat daarbij dus om een oneindig aantal maal EEN enkelvoudigheid. Hier geldt derhalve het begrip EEN.

Bij het INWENDIGE WORDINGSPROCES ligt de dominant bij het "samengaan" en daar­om geldt hier het begrip TWEE. In de practijk gaat het over MEER deeltjes, maar ook daarvoor geldt het begrip TWEE, want člke hoeveelheid is een zeker aantal malen TWEE. Dus X maal een samengaan van twee. Dat wil zeggen: X maal het samen­gaan van HET EEN EN HET ANDER.

Derhalve: als het gaat over het ORGANISME is daar altijd het samengaan van het EEN en het ANDER; er is dus het begrip TWEE. Dit heeft voor het organisme deze consequentie, dat het in TWEE ORGANISMEN UITEENGAAT. Het is en blijft dus EEN organisme maar het komt voor de dag als TWEE organismen, die toch EEN orga­nisme zijn. Het zich voortdurend SPLITSEN, dat de CELLEN doen, is niets anders dan het zich laten gelden als het hierboven gezegde. Die cellen splitsen zich ALTIJD in twee nieuwe cellen - óók als het schijnt ŕnders te zijn, hetgeen bij UITZONDERINGSGEVALLEN voorkomt. Sommige organismen splitsen zich namelijk in acht gelijke nieuwe cellen.

Het organisme heeft dus in zichzelf besloten het begrip “het één en het ander”. En dat komt voor de dag als twee afzonderlijke, niet van elkaar los te maken organismen. Het komt voor de dag als het VROUWELIJKE en het MANNELIJKE. De or­ganismen zijn dus GESLACHTELIJK - hetgeen voorlopig iets anders is dan "sexueel". Het betekent louter en alleen, dat er altijd TWEE organismen zijn. Het vrouwe­lijke en het mannelijke, en daarmee samenhangend het "sexuele", zit er vanaf het begin in, maar komt om te beginnen niet zelfstandig voor de dag. Dat voor de zaak het begrip TWEE geldt komt ONMIDDELLIJK voor de dag.

 

Nog een opmerking over de cellen

Van člk organisme is de BOUWSTEEN een CEL. Er is geen organisme of het bestaat uit cellen of één cel. Een primitief organisme, bijvoorbeeld een bacterie, is niet meer dan één cel. Deze cel splitst zich, en dan zijn er twee gelijke cellen. Deze cellen zijn volkomen ZELFSTANDIG en zij gaan zich ook splitsen.

Als echter de cellen een STRUCTUUR gaan vormen, dus tot "hogere " organismen komen, verliezen zij hun zelfstandigheid als APARTE CEL. Door splitsing ont­stane nieuwe cellen gaan bij het hogere organisme nu niet zelfstandig hun gang, maar zij blijven tot dat geheel van dat hogere organisme behoren. Ge­slachtelijkheid geldt dus wel, want zij splitsen zich omdat zij natuurlijk toch het begrip TWEE zijn. Maar deze geslachtelijkheid is INWENDIG; hieraan ontstaan geen nieuw ZELFSTANDIG organisme.

Evenwel kennen de HOGERE organismen de UITWENDIGE GESLACHTELIJKHEID; er is één cel die na splitsing een zelfstandige cel oplevert in de vorm van de EICEL of de ZAADCEL. De eicel en de zaadcel gaan hun eigen weg; zij zijn LOS van het organische geheel waaruit zij zijn voortgekomen. Hier is dus de geslachtelijk­heid zčlf voor de dag gekomen.

Naar aanleiding van dit laatste komen wij op het thema van de VOORPLANTING, welke ook ALLE organismen geldt.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 22 november 2009)

 

Dinsdag, 5 november 1968

No. 10

 

Een toelichting inzake de natuurlijkheid

De vorige keer hebben wij er over gesproken dat de mens de VOLLEDIGE ONT­KENNING VAN VOLLEDIGE NATUURLIJKHEID was. Het is nuttig hierover nog iets meer te zeggen om een beeld te krijgen van het bedoelde.

Als eerste dit: als ik zeg dat de mens de volledige ONTKENNING van volledige natuurlijkheid is, dan houdt dit in dat de MENS als BASIS heeft de NATUURLIJK­HEID, d.w.z. ELKE GEWORDEN VERHOUDING.

Over deze GEWORDEN VERHOUDING heersen misverstanden. Voor ons is het natuur­lijke NEGATIEF; wij spreken over het DIERLIJKE in de mens en dan bedoelen wij eigenschappen, die wij in de mens afkeuren. Maar die afgekeurde eigenschappen zijn NIET DIERLIJK; zij zijn MENSELIJK - zij het dan, laten we dat voorlopig even aannemen, in NEGATIEVE zin. Aangezien wij deze eigenschappen evenwel als DIERLIJK aanmerken, blijkt hieruit, dat wij omtrent de NATUUR in het al­gemeen een VERKEERDE OPVATTING huldigen. Als wij nu aan de mens VOLLEDIGE NA­TUURLIJKHEID voor-onderstellen, denken wij automatisch aan die VERKEERDE OP­VATTINGEN en noemen de zaak van daaruit DIERLIJK, en dus afkeurenswaardig.

Maar in de natuur komen die "dierlijke" gedragingen NIET voor; MOORD bestaat niet in de natuur,WREEDHEID evenmin. Zo zijn er meer voorbeelden te noemen.

Wij hebben, om het maar eens zo te zeggen, geen OBJECTIEVE KIJK op de na­tuurlijkheid, en dat danken wij aan de BESCHAVING. Wij zien de natuur niet zo­als ze IN FEITE is. Wij zien alles VERBOGEN door de invloed van ons ZELFBEWUSTZIJN.

De mens heeft tot nu toe onder NATUURLIJKHEID allerlei dingen verstaan, die NIET GOED waren. Maar dat is geen natuurlijkheid, dat is wat ŕnders. Dat neemt niet weg, dat die dingen OP ZICHZELF wel degelijk afkeurenswaardig zijn: hij had het over de afgunst, de haat en de nijd, over het onderdrukken en het ver­dringen, over de wellust en de hebzucht. Deze dingen moesten uit het menselijke leven uitgebannen worden en dat betekende voor de mens: het uitbannen van de NATUURLIJKHEID.

Bovengenoemde dingen, die de mens in zichzelf als NEGATIEF aangevoeld heeft, moeten wij NIET ONDER NATUURLIJKHEID verstaan; het gaat hier om OBJECTIEVE natuurlijkheid. Om de zaak, zoals ze IN FEITE is.

Wat wij nu zeggen ligt tegen het gangbare denken in. Niet alleen tegen het “langs de straat denken", maar ook tegen het denken op hoger niveau.

De mens is op weg naar zichzelf. Dat doet hij niet omdat hij dat LEUK vindt of omdat hij "wat te doen" moet hebben; hij doet dat vanzelf. Als hij op weg is naar zichzelf, dan is hij dus op weg naar VOLLEDIGE NATUURLIJKHEID. Dit staat in tegenstelling tot het gangbare denken wat zegt dat de mens zich van de natuurlijkheid ŕf beweegt. Nu deze vraag: wat geldt er voor de mens als hij straks VOLLEDIG NATUURLIJK is, als BASIS. Hoe ziet de ZUIVERE NATUURLIJKHEID er uit?

Denken wij nu eens aan het begrip BESCHAVING. De beschaving levert een mens op die van ŕlles is, BEHALVE ZICHZELF. Toch wordt voor de beschaving in het algemeen de vlag uitgestoken, en dat is TERECHT. Maar dan gaat het over de INDIRECTE RESULTATEN ervan. De beschaving ZELF leidt de mens van zichzelf ŕf. Hij komt ŕnders voor de dag dan hij eigenlijk is, genomen vanuit die ZUIVERE NATUURLIJKHEID. De beschaving OP ZICHZELF is NEGATIEF.

Het valt op dat in de wereld de MINST BESCHAAFDE mensen een sfeer aan zich hebben, die DICHT BIJ HET MENSELIJKE is. En dat ondanks het feit, dat de ONBE­SCHAAFDE MENS LEVENSGEVAARLIJK is. Let wel: we spreken hierover de NOG NIET BESCHAAFDE mens; de mens in wie de beschaving ONTKEND is, is een ander geval.

Zo treffen wij bij primitieve culturen iets tweeslachtigs aan: enerzijds het LEVENSGEVAARLIJKE en ŕnderzijds het MENSELIJKE. De verhalen die wij kennen over de INDIANEN spreken in dit opzicht ook een duidelijke taal: het praktische beschavingspeil was niet veel. Zij leefden nog zo ongeveer in het STENEN TIJD­PERK. Een mensenleven telde niet zo erg. Toch spreekt er uit die verhalen een sfeer van ADEL; het heeft allemaal iets VORSTELIJKS. Een INDIAAN deugde dan ook niet voor SLAVERNIJ, in tegenstelling tot de NEGERS; De INDIAAN derhalve was MENSELIJK IN ORDE, en datzelfde geldt voor bijvoorbeeld de GOUDEN HORDE, die indertijd RUSLAND binnenviel en alles en iedereen brandschatte.

Wij begrijpen niet gemakkelijk dat voor deze ruwe mensen het MENSELIJKE geldt.

 

Voor ons is menselijk IN ORDE wat op de vierde verdieping van een FLAT woont, een kantoorbetrekking heeft of een ander eerzaam handwerk verricht, wat zich fatsoenlijk kleedt en wat niet loopt te schreeuwen in het museum. Wij dčnken wel dat wij RUIMER van opvatting zijn, maar dit is niet waar. In de buurt van het MENSELIJKE houden wij het gewoonlijk niet uit. Maar wel in een flat met centrale verwarming en telefoon. Dat is niet allemaal NEGATIEF, maar het heeft met MENSELIJKHEID niets te maken.

Daarom begrijpen wij doorgaans niet wat de menselijkheid is in een trotse indiaan, of een trotse Germaan, die bij gelegenheid rustig een ander de sche­del klooft. Die menselijkheid heeft te maken met het KARAKTER. En dit treffen wij in vrijwel alle OUDE verhalen aan.

Welke is nu de verhouding in deze zaak? De mens uit die ONBESCHAAFDE tijden lag in alle ruwheid, hardheid en gevaarlijkheid DICHT BIJ DE ZUIVERE NATUUR­LIJKHEID, al was deze nog helemaal niet volledig zelfbewust. Die zuivere na­tuurlijkheid houdt een paar aspecten in, die de beschaafde mensen zo langzamer­hand VERGETEN zijn.

Wij zijn zéér beschaafd. Onze vrouwen willen het huis uit; zij houden het thuis niet uit. Zij willen geen kinderen, want dat zijn HANDENBINDERS en zij hebben wel wat beters te doen. Zij hebben maatregelen getroffen om geen kinde­ren te krijgen: zij VERGIFTIGEN zichzelf met chemicaliën en hebben de zaak zó geregeld, dat zij eventueel, als het hun uitkomt met de BEGROTING, op een hen schikkend tijdstip toch nog een kind kunnen NEMEN. De moderne vrouw vindt het NORMAAL dat zij bepaalt of zij eventueel een kind wil. En de moderne man is precies dezelfde mening toegedaan.

Zij beiden zijn zo langzamerhand VERGETEN dat zij VROUW EN MAN zijn; juist in deze tijd wordt er naarstig gezocht naar die twee, maar zij worden NIET ge­vonden want zij worden INTELLECTUEEL gezocht en het IS GEEN INTELLECTUELE KWESTIE. Waar zijn vandaag de dag de MOEDERS gebleven? Dat mens dat het kind opvoedt volgens het boekje van de PROFESSOR, is dŕt een moeder?

En de MAN, waar is de man gebleven? Want NATUURLIJKHEID moesten wij niet en nu zitten wij midden in de BESCHAVING, maar waar is de MAN? Hij staat het pla­fond te witten. En hij zegt zijn vrienden vaarwel als hij gaat trouwen, want dan eist zijn GEZIN hem helemaal op. Bier drinken is er niet meer bij en een gezellige vriendin al helemaal niet. Het KARAKTER IS ER UIT.

Het typerende van natuurlijkheid is, DAT HET IS ZOALS HET IS, het heeft KARAKTER. De natuur kent geen getob en geen problemen. De natuur is ZONNIG, maar ook hier blijkt ons verwrongen besef: wij zetten in Blijdorp een LEEUW IN EEN KOOI, en vinden dan dat de natuur "zo mooi" is. Dat is een leeuw, zeg­gen wij dan, MAAR HET IS GEEN LEEUW, want er zitten TRALIES voor. De door ons besefte NATUURLIJKHEID is geen natuurlijkheid, het is er de herinnering van; wij hebben de zaak ACHTER TRALIES gezet.

In de natuur is alles ZICHZELF; het heeft KARAKTER, en als dŕt voor de mens ook geldt, dan is hij VANZELF de ONTKENNING, die hij heeft te zijn. Over de ontkenning behoeft de mens zich geen zorgen te maken: hij is dat VANZELF ŕls hij maar zuivere natuurlijkheid is. Als hij maar de goede BASIS heeft.

Die goede BASIS is, in het kort gezegd, het KARAKTER. Het is het concrete WEZEN van de mens. En als dŕt in orde is, is de mens in orde. Het MENS-ZIJN stellen wij als een OPGAVE, maar dat is het niet; het gaat vanzelf ŕls we maar KARAKTER hebben. Het liedje van Dirk Witte zegt: Mens, durf te leven” en het zegt ook: "wees op je vierkante meter een VORST". Dit typeert de juiste gesteldheid; het is heel wat anders dan: “komt VERWORPENEN der aarde”. Want wat zijn dat eigenlijk voor mensen, die zichzelf VERWORPENEN vinden? Waar is de vorstelijkheid bij deze mensen? Inderdaad, de LEVENSOMSTANDIGHEDEN…. Maar waarom voelt de mens ZICHZELF EEN VERWORPENE, waarom gaat hij niet als een KONING ten onder? Omdat hij geen KONING is; hij is een bedeesd en vooral BESCHAAFD mens, die NIETS aan zichzelf beseft en zichzelf DUS verworpen acht. Aan deze mensen is het advies van Dirk Witte gericht, en dit betreft de MENS, ňngeacht zijn, desnoods beroerde, levensomstandigheden. Het betreft de mens als ZUIVERE NATUURLIJKHEID, die AUTOMATISCH in de mens ZICHZELF ONTKENT en hem zodoende tot een VORST maakt.

Als wij vinden dat wij ONSZELF moeten zijn, dan halen wij ineens de Neder­landse Bank leeg en wij nemen TWEE auto's. Dan betekent "jezelf zijn" de onmid­dellijke ONTKENNING van dat wat wij EIGENLIJK zijn, namelijk BESCHAAFD. Maar deze betekenis heeft het begrip KARATER ten enen male niet. Schofterigheid komt aan BESCHAVING mee, maar niet aan het KARAKTER.

 

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 22 november 2009)

 

Dinsdag, 12 november 1968

No. 11

 

De ontkenning van de natuurlijkheid

De vorige keer hebben wij de BASIS besproken, welke voor de MENS geldt, en wij hebben die basis VOLLEDIGE NATUURLIJKHEID genoemd. Over de ONTKENNING hier­van als zodanig hebben wij het nog niet gehad; wij vragen ons derhalve thans af hoe die ONTKENNING voor de dag komt bij de mens.

Dan denken wij nog eens aan het reeds genoemde liedje van Dirk Witte: "Wees op je vierkante meter een VORST", en wij denken aan het SOCIALISTISCHE lied: “Komt VERWORPENEN der aarde” Enerzijds zien wij dus de mens als een VORST, en anderzijds als een VERWORPENE. Dit moeten we even vasthouden.

Want als we naar de ONTKENNING van de volledige natuurlijkheid vragen, dan vragen we naar de mens ALS VORST. De ontkenning komt voor de dag als VORSTELIJK­HEID. Dit moeten we niet in de LETTERLIJKE zin opvatten, want dan zou de mens

op de een of andere manier lid van een VORSTENHUIS moeten zijn. Het moet in MENSELIJKE ZIN opgevat worden. En dan gaat het over het RUIME, het ZONNIGE, het HELDERE en het SCHONE.

Deze zaak, deze VORSTELIJKHEID, geldt VANZELF; er is nooit enig probleem in­zake het laten gelden van de VORSTELIJKHEID. Voorzover er, bijvoorbeeld in ňnze cultuur, van een PROBLEEM gesproken kan worden gaat dit niet over het stellen van een of andere GEESTELIJKE WAARDE - al kletst de mens alsmaar hierover ­maar het gaat in wezen over de JUISTE KIJK op het natuurlijke, de juiste kijk dus OP DE DINGEN. Aangezien wij deze kijk missen is de mogelijkheid bij voor­baat uitgesloten dat er iets terecht komt van alle GEESTELIJKE DOELSTELLINGEN die ons voor ogen staan. Het blijven noodzakelijk KLETSPRAATJES.

Als voorbeeld dit:

De mens heeft VOEDSEL nodig, en kleding en onderdak en nog een paar dingen;

aan deze LEVENSBEHOEFTEN moet voldaan worden wil de mens kůnnen leven. Hoe ligt nu, zo vanzelf, KOSMISCH, de verhouding? De levensbehoeften worden door deze PLA­NEET vanzelfsprekend opgeleverd. Omdat de mens en deze planeet één zaak zijn.

Hierover wordt gewoonlijk ŕnders gedacht. Wij denken dat er TEVEEL mensen op deze wereld kunnen komen, zodat er tenslotte geen plaats is voor alle mensen en ook geen voedsel. De ECONOOM buigt zich over dit probleem en de SOCIOLOOG doet dat ook, en dan komen zij tot de conclusie dat er drastische GEBOORTEBEPERKING moet worden toegepast, anders loopt het fout met onze wereld. En omdat de PRO­FESSOR deze gedachte voor de TELEVISIE naar voren heeft gebracht, zijn wij al­lemaal overtuigd van de juistheid ervan. In ons komt het zelfs niet op om te denken: hoe kan dat nou? Want wij zien het verband niet tussen ons en de planeet.

kunnen niets meer aanvoelen omtrent de KOSMOS.

De gedachte dat er TEVEEL mensen op de wereld zouden kunnen komen is een LACH­WEKKENDE ONGERIJMDHEID. Er kan immers niets in de kosmos ontstaan dat in zich­zelf een ONMOGELIJKHEID is en zo kan er op de planeet ook geen mensheid ontstaan die in zichzelf onmogelijk is. Een te TALRIJKE mensheid of een te kleine mens­heid of een zichzelf vernietigende mensheid, enzovoort, is dus NIET DENKBAAR. Als de mensen van vandaag dit tňch denken, dan bewijzen zij daarmee člk aanvoe­len van de werkelijkheid čn van zichzelf verloren te hebben. Ondanks alle INTEL­LETUALITEIT is de hedendaagse mens dus bijzonder STOMPZINNIG.

Over NATUURLIJKHEID gesproken: hoe denken wij over het verzorgen van de LEVENS­BEHOEFTEN? Iedereen maakt daarvan een ZAAK, waaraan hij zich VOOR ZICHZELF tracht staande te houden. De bakker bakt brood en wil daarvan RIJK worden, een ander brengt die broden bij de mensen, en wil daarvan RIJK worden. Zo is het op elk terrein. Maar denk ik OBJECTIEF over deze zaak na dan kan ik alleen maar tot de conclusie komen, DAT ER BROOD MOET ZIJN. En dat er nog meer DINGEN moe­ten zijn - allemaal NATUURLIJKHEDEN en de vervaardiging en verdeling daarvan.

In ňns denken ligt de zaak echter niet zo. Wij beseffen dat IJZELF er moeten zijn en DAARTOE GEBRUIKEN WIJ DE DINGEN. Hier is van objectiviteit ten opzichte van de dingen geen sprake meer. Het gaat alleen maar over ONSZELF en onze WEL­STAND. Wij denken niet over iets NATUURLIJKS, maar over wat ŕnders, namelijk de natuurlijkheid ACHTER ONZE TRALIES. Evenwel moeten er toch allerlei dingen komen en die dingen worden door de planeet opgeleverd. De mens heeft die dingen nodig en is daarvoor zijn leven lang in de weer.

Maar wat is nu de ONTKENNING in deze hele zaak? De mens zorgt ervoor dat hij de dingen heeft die hij NODIG heeft en daarmee is hij zijn leven lang bezig; zijn leven wordt in de praktijk gevuld met de DINGEN.

 

Wij beseffen dat wij dat EENZIJDIG voor ONSZELF doen terwijl het eigenlijk om het in stand houden van de MENSHEID gaat, maar hoe dan ook: wij zijn ermee bezig. Waar ligt nu de ont­kenning?

De ontkenning is in dit feit gelegen, DAT DE MENS IN DE DINGEN NIET OPGAAT.

Hierbij moet aangetekend worden dat de mens, die dus niet in de dingen opgaat, NIET IETS ANDERS IS. Zijn leven wordt dus niet gevuld met ŕndere dingen, want er zijn GEEN andere dingen dan de dingen. Er zijn mensen die zeggen dat de dingen hen niet interesseren. Hun interesse heet dan naar iets ŕnders uit te gaan: naar de kunst, bijvoorbeeld, of naar de filosofie of naar de wetenschap. Zij stellen de mens dus als IETS ANDERS dan de dingen. Het zo te stellen is echter FOUT. De mens is NIETS ANDERS dan alleen maar de ONTKENNING van de DINGEN; zijn leven bestaat uit een VOORTDUREND AANWEZIG ZIJN van natuurlijkheden. Want AANWEZIG is alleen maar het GEWORDENE. Verder is er niets aanwezig.

Toch gaat de mens boven deze AANWEZIGE werkelijkheid uit. Een man bijvoor­beeld verricht zijn leven lang ARBEID en aan die arbeid komt BROOD mee en zo­doende kan hij in leven blijven. Toch is hij niet zijn leven lang bezig "zijn brood te verdienen". Zijn leven gaat ERBOVEN UIT. En dit betekent niet dat hij eigenlijk NIET aan de arbeid moest zijn, zoals tegenwoordig zovelen menen, maar het betekent dat hij zijn leven lang arbeidt en toch niet in arbeid OPGAAT.

Dit betreft het gehele terrein van het leven. De mens is de gehele dag bezig het leven in stand te houden en toch is in hem die boel ONTKEND, zonder dat de mens iets ŕnders is.

Hieraan is de mens een VORST, dat hij niet in ETEN, DRINKEN en VOORTPLANTEN opgaat. Maar hij moet die zaak wčl ZIJN, de zaak die hij qua KOSMOS is! Dus de man is ARBEID en de vrouw MOEDERSCHAP en terwijl zij dat ZIJN, is het in hen ontkend. Verder gaat het niet.

Wij menen dat de mens iets ANDERS is. Hij is GEESTELIJK, volgens ons denken, en dat geestelijke kan van ŕlles zijn. En wij denken ons dan een SCHEIDING tus­sen dat GEESTELIJKE en het NATUURLIJKE. Staande voor de KEUZE, kiezen wij na­tuurlijk het GEESTELIJKE en dan hebben wij ONMIDDELLIJK VOOR DE ONZIN GEKOZEN, want dat geestelijke bestaat niet.

De ontkenning komt aan de mens voor de dag als VORSTELIJKHEID. Maar nu de VERWORPENEN DER AARDE. Deze mensen, hoewel ze in ellendige OMSTANDIGHEDEN leven, beseffen ZICHZELF als verworpenen. Op hun EIGEN PLANEET. En er zijn vandaag de dag nog ONDERDRUKTE VOLKEREN. Wij vinden dat niet RECHTVAARDIG, en dat is juist, maar toch ligt hier een vraag: waarom zijn die mensen ONDERWORPEN?

Waarom laten ze zich niet VORSTELIJK gelden en sneuvelen desnoods bij de po­ging zichzelf te redden. Waarom lukte het niet een INDIAAN in slavernij te krijgen? Omdat zij vorstelijk waren. Het gaat hier om een ONBEWUST ZELFBEWUST­ZIJN van de mens en dat doet hem zichzelf beseffen als de door ons bedoelde ONTKENNING. Berusten in de honger en de ellende is niets anders dan het OPGAAN IN DE DINGEN. Hetzelfde geldt voor de SLAVERNIJ. En de ŕndere kant van de zaak: het verwerven van RIJKDOM, is ook een OPGAAN in de dingen. Ook hier is van geen vorstelijkheid sprake.

Het dier gaat op in de dingen; het gaat op in eten, drinken en zich voort­planten. Hier is van geen RUIMTE te spreken; het is alles BEGRENSD en ENG. Omdat de ONTKENNING niet geldt. Bij de mens geldt de ontkenning wel en daar is de ruimte. AL DOENDE is de mens onmiddellijk ONTKENNING en dus RUIMTE.

In de KUNST geldt deze ontkenning ook. Denk bijvoorbeeld aan de beeldende kunst. De schilder is de hele dag bezig met verf en linnen en één of ander on­derwerp. Hij is doende met allerlei DINGEN, en deze dingen vormen het schilderij, maar AL DOENDE ontkent de schilder die dingen tot SCHOONHEID. Het zijn dan geen ANDERE dingen geworden; zij zijn alleen maar ONTKEND en daarom SCHOONHEID.

Overal waar de mens aanwezig is in de kosmos loopt deze ontkenning rond, maar hij is zich niet overal als zodanig bewust. Wij, met onze westerse cultuur, zijn ons nauwelijks ervan bewust, want wij kennen de VOORWAARDE ervan, de na­tuurlijkheid, niet meer. Wij laten ons voor VUURPELOTONS plaatsen, wij laten de JODEN uitmoorden en wij komen niet in beweging. Want onze MENSELIJKHEID is geen ONTKENNING van natuurlijkheid omdat wij geen natuurlijkheid kčnnen, en dus is onze menselijkheid KLETSKOEK. Het is in het beste geval een mooie THEORIE, die TEGENOVER natuurlijkheid staat, zonder er verder iets mee te maken te heb­ben. Het is dus een LEEGTE.

De mensheid kent TWEE momenten waarin de NATUURLIJKHEID VOLLEDIG is: het mo­ment dat zij nčt verschenen is op de planeet en nog door geen BESCHAVING van zichzelf afgebracht is, en het moment van VOLWASSENHEID.

 

Moederschap(A) ; Moederschap(B) ;

 

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 23 november 2009)

 

Dinsdag, 19 november 1968

No. 12

 

Over de geslachtelijkheid van de organismen

Wij hebben laten zien dat bij het verschijnen van het ORGANISME het begrip TWEE tot realiteit komt, omdat de nadruk is komen te liggen op het SAMENGAAN van de ENKELVOUDIGHEDEN. Elk samengaan is ZOVEEL maal een samengaan van twee.

Omdat het over het begrip TWEE gaat, gaat het over HET EEN EN HET ANDER, dus gaat het bij het organisme om TWEE organismen, en dŕt hebben wij GESLACHTELIJK­HEID genoemd. Hierop willen wij nu voortborduren.

Uit de BIOLOGIE weten wij dat een eencellig organisme zich in twee delen splitst, en wel zo, dat de twee nieuwe cellen PRECIES GELIJK zijn. Uit het de­lingsproces is af te leiden, dat de deling twee GELIJKE delen oplevert; de KERN bijvoorbeeld lost op in een aantal lichaampjes, die zich in hun lengte­richting splijten, waarna de ene helft de kern gaat vormen van de éne nieuwe cel, en de andere helft vormt de kern van de andere nieuwe cel. In het kort blijkt dus, dat werkelijk elk onderdeel van de oude cel zich in tweeën splitst en zo twee nieuwe vormt. De BIOLOGIE leidt hieruit af, dat de twee nieuwe cel­len PRECIES GELIJK zijn. Over dit punt gaat het nu om te beginnen.

Te vragen is in hoeverre dit in de wetenschap alleen maar GEZEGD wordt, name­lijk dat het twee GELIJKE delen zijn, en in hoeverre de wetenschap werkelijk achter deze uitspraak staat. In ieder geval zijn het TWEE ONGELIJKE DELEN.

Want als wij er vanuit gaan dat er twee gelijke nieuwe cellen ontstaan, die zich op hun beurt ook weer in twee gelijke nieuwe cellen splitsen, dan gebeurt er eigenlijk NIETS, behalve dat er een oneindig groot aantal gelijke cellen ont­staat. Het is duidelijk dat deze situatie niet aan de orde is, want het organis­me komt in TALLOZE VARIATIES voor de dag. Bovendien kent het organisme de DOOD, en ook deze verhouding komt niet voor als elke cel zich splitst in twee GELIJKE delen, die ieder voor zich voortgaan met splitsen. Want als er dan één cel dood zou gaan, moeten ze ALLEMAAL dood gaan, omdat er tussen de cellen GEEN VERSCHIL is. Dit alles is natuurlijk ongerijmd; er moet een VERSCHIL gelden voor de or­ganismen en dit begint al bij de splitsing in de zogenaamde twee gelijke delen.

Bij deze splitsing moet een van de twee nieuwe cellen toch de OUDE CEL zijn, terwijl de andere de NIEUWE is. Hier moet dus de OUDER-KIND verhouding gelden.

Anderzijds geldt voor het organisme deze verhouding, dat het niet kŕn ster­ven. Weliswaar is er de hierboven genoemde OUDER-KIND verhouding, die een VER­SCHIL inhoudt tussen de ene en de andere cel, maar toch is de ene cel door de­ling uit de andere voortgekomen. Bezien wij dus het leven als EEN organisme, dan geldt voor dit organisme het STERVEN niet, want het een blijft uit het ander voortkomen. Toch geldt tevens het sterven wčl, want elk organisme gaat op een zeker moment dood.

Het ENE organisme, dat de planeet is, heeft derhalve HET VERSCHIL als inhoud, terwijl het zčlf leeft zonder te sterven - het uiteindelijke VERGAAN van de pla­neet er ŕfgerekend. Dit VERSCHIL manifesteert zich in alles: er zijn geen twee mensen, dieren of planten gelijk. Er zijn dus ook geen twee CELLEN gelijk, ook al kunnen wij desnoods het verschil niet BEPALEN.

In de wetenschap wordt GEZEGD, dat de twee door deling verkregen cellen pre­cies gelijk zijn. Dit vestigt nog weer eens de aandacht op het feit, dat het wetenschappelijke denken ONBETROUWBAAR is. Daarom willen wij het niet als NORM nemen. Wij krijgen van deze onbetrouwbaarheid de meest ongelofelijke staaltjes te zien. Wat bijvoorbeeld te denken van een PROFESSOR, die, sprekende voor de televisie over het TOEKOMSTDENKEN, rustig staat te beweren dat de mens steeds minder ARBEID zal behoeven te verrichten omdat de MACHINE het steeds meer zal gaan overnemen. En ook dat de mens straks, dank zij de technische ontwikkeling, de kwaliteit van zijn nageslacht zelf bepaalt. Hij haalt dan een menselijke vrucht in een groot-winkelbedrijf en laat die volgens bijgevoegde voorschriften gedijen. Deze en dergelijke thema's zijn tegenwoordig stokpaardjes van de wetenschapsmensen, die er heel geleerd over doen. Maar niemand hoort de ONZIN, die er uitgekraamd wordt.

De machines, die de menselijke arbeid schijnen over te nemen, nemen alleen de DIRECTE arbeid over: het maken van een PAN, bijvoorbeeld. Of het graven van een SLOOT. Maar die machines zčlf moeten ontworpen en gemaakt worden; zij moeten ONDERHOUDEN en AFGESTELD en GEREPAREERD worden. En dat moet de mens allemaal doen. Als de mensheid eenmaal EEN GEHEEL is geworden moet de mens dat allemaal zčlf doen; op het ogenblik kan hij het werk schijnbaar door ANDEREN lŕten doen.

 


Maar de arbeidstijdvermindering van onze westerse mens kan alleen op voor­waarde van grotere onderdrukking van andere mensen, die de arbeid verrichten, die wij ons kunnen uitsparen. Als de mensheid EEN GEHEEL is, dan zijn er geen anderen meer die SLAVENDIENSTEN voor ons verrichten. Dan moeten wij het zčlf doen.

De wetenschap heeft deze eenvoudige gedachtengang nog niet opgeleverd; zij denkt alleen maar aan machines en de daardoor voor de mens vervallen HANDAR­BEID; het gehele complex van verhoudingen ziet zij volslagen over het hoofd.

Een dergelijk denken kunnen wij niet als de maat nemen als w!ij iets over de werkelijkheid aan de weet willen komen. Het is allemaal SCIENCE FICTION.

De mens “uit het reageerbuisje” is ook zo’n gedachte waarop bijna niemand afwijzend reageert; men gelooft het omdat de zaak WETENSCHAPPELIJK gebracht wordt. Maar het is helemaal FOUT gedacht. Een ORGANISME is niet te maken!

 

Het verschil

Overal waar het ORGANISME aan de orde is, geldt het begrip VERSCHIL. Voor het organisme geldt het begrip HET EEN EN HET ANDER; het EEN is het ANDER niet en omgekeerd. Dit is het begrip HET VERSCHIL. Maar wij kunnen dit verschil niet altijd BEPALEN, hoewel het er is. Door het gehele organisme heen.

Bij de HOGERE DIEREN, en ook bij de mens, is HET VERSCHIL wčl voor de dag gekomen. De MAN verschilt duidelijk van de VROUW, terwijl voor beiden qua MENS precies hetzelfde geldt. Dus wŕt is nu het verschil?

Wat is het verschil tussen het éne eikenblad en het ŕndere eikenblad? Hoe komen wij hier achter?

Een EENCELLIG organisme splitst zich in twee nieuwe organismen, en die twee nieuwe organismen zijn, op hun eigen niveau, VOLWAARDIG. Maar bij de MENS is dat ŕnders: bij de vrouw komt een EICEL, en bij de man een ZAADCEL voor de dag. De EICEL op zichzelf en de ZAADCEL op zichzelf zijn NIETS - behalve dan een CEL. De zaak wordt pas iets als beide bij elkaar zijn gekomen en versmolten zijn.

Zij komen van buitenaf naar elkaar toe; zijn dus om te beginnen BUITEN ELKAAR en worden na de versmelting pas een ZELFSTANDIGE ZAAK.

Bij het EENCELLIGE organisme is er niets van BUITENAF nodig. Die cel splitst zich vanuit ZICHZELF en de nieuwe cel is ZELFSTANDIG.

Tijdens het WORDINGSPROCES is er dus iets gebeurd, want aan het eind komt de zaak anders voor de dag dan aan het begin. Wat heeft zich hier ontwikkeld?

Het antwoord op deze vraag is belangrijk; vinden wij dit antwoord niet, dan komen wij er o.a. niet achter waarom de mensheid zich ONTWIKKELT. En ook komen wij er niet achter HOE de mensheid zich ontwikkelt als wij bovenstaande vragen niet weten te beantwoorden. De GESLACHTELIJKHEID, dus het als inhoud hebben van zowel het EEN als het ANDER, is de sleutel tot alle MENSELIJKE verschijnselen.

Het is het begrip VERSCHIL dat door alles heenloopt, en dit is een CONCRETE zaak, die dus ook alleen maar opgelost kan worden door de zaak PRAKTISCH te benaderen. Hetgeen niet wil zeggen dat we er EMPIRISCH aan moeten gaan staan. Het wil zeggen dat we niet moeten proberen vanuit VERMEENDE VERHEVENHEDEN tot een oplossing te komen, maar dat we ons moeten bepalen tot de zaak die AANWE­ZIG is.

Voor het organisme geldt dus HET EEN EN HET ANDER. Het organisme splitst zich en dan is het EEN BUITEN HET ANDER gekomen. Er is dan dus het EEN en er is het ANDER. Maar dat EEN is IN ZICHZELF wéér het EEN čn het ANDER, en hetzelfde geldt voor het ANDER. Anders konden de nieuwe organismen niet tot SPLITSING overgaan. En elk GESPLITST lichaam is in zichzelf het EEN en het ANDER.

Naarmate echter de ingewikkeldheid van de organismen toeneemt komt meer voor de dag HET VERSCHIL tussen het een en het ander. De GESPLITSTE cellen krijgen steeds meer de NADRUK van het EEN of het ANDER. De cellen krijgen dan ook BE­PAALDE FUNCTIES. Dus er ontstaan steeds meer VERSCHILLENDE cellen, terwijl het toch allemaal één organisme is. Naarmate het organische wordingsproces vordert neemt de ingewikkeldheid toe; er komen meer verschillende cellen, terwijl het toch allemaal cellen zijn. Het begrip VERSCHIL komt er uit gedurende de ontwik­keling. En dit verschil is gelegen in de FUNCTIE.

Tenslotte - bij de mens - kunnen we van een ABSOLUUT verschil spreken, omdat de EICEL wezenlijk NIETS is zonder de ZAADCEL en omgekeerd. Het EEN en het ANDER is wčrkelijk BUITEN ELKAAR gekomen. Wordt dit BUITEN ELKAAR ZIJN opgehe­ven, dŕn zijn de EICEL en de ZAADCEL inhoud geworden van de VRUCHT. De zaak ligt dan weer als bij het eencellige organisme. Op dit BUITEN ELKAAR zijn het EEN en het ANDER gaan wij nu voortbouwen.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 23 november 2009)

 

Dinsdag, 26 november 1968

No. 13

 

Het organisme en het verschil

De vraag is te stellen waarom nu juist bij het ORGANISME van het begrip VER­SCHIL gesproken moet worden, terwijl toch voor de REST van de werkelijkheid ook geldt dat er de ENE enkelvoudigheid en de ANDERE enkelvoudigheid is. En dus ook het tussen die twee liggende VERSCHIL.

Wat is echter de REST van de werkelijkheid? Op deze planeet, de AARDE, komt het LEVEN voor de dag; het ORGANISME treedt op en daarmede HET VERSCHIL. De rest van de werkelijkheid is dus de werkelijkheid voorzover die NOG geen orga­nisme is. Het accent ligt bij deze werkelijkheid op de beweeglijkheid van de deeltjes VOOR ZICH. Bij de organische werkelijkheid ligt het accent op het SA­MENGAAN van de deeltjes. De alsnog niet organische werkelijkheid kent echter wel het SAMENGAAN, maar het ACCENT ligt er nog niet op. Het accent ligt op de EIGEN BEWEEGLIJKHEID van de deeltjes. Voor de beweeglijkheid geldt IEDER VOOR ZICH. In een dergelijke situatie is HET VERSCHIL niet geaccentueerd. Want als ik alleen maar bezig ben vanuit en voor MEZELF, dan interesseert het verschil tussen MIJZELF en de ANDER mij niet, omdat die ANDER er voor MIJ eigenlijk niet is. Om een verschil te kunnen bepalen moet ik IETS hebben, maar ook IETS ANDERS, want is dat ŕndere er niet, dan is er ook niet HET VERSCHIL.

Voor het UITWENDIGE WORDINGSPROCES geldt HET VERSCHIL nog niet, hoewel het er natuurlijk wčl is. De deeltjes, die in dit proces betrokken zijn, ontkomen niet aan een zekere mate van SAMENGAAN. Daarom zijn er HEMELLICHAMEN. Hierbij is het samengaan al zeer sterk, en we zijn zelfs al betrekkelijk dicht bij de planeet. De ZON heeft alsmaar de neiging uit elkaar te vliegen, maar het gebeurt niet omdat het samengaan te sterk is. Toch ligt het ACCENT op het VOOR ZICH BEWEEG­LIJK ZIJN van de deeltjes; de zon is namelijk één en al STRALING en VUUR. Dŕt is zijn karakter. Straling bestaat uit voor zich beweeglijke deeltjes; bij de zon vormen die deeltjes evenwel tňch een BOL. Hetzelfde geldt voor de sterren.

Het VERSCHIL geldt dus wčl voor deze hemellichamen, want er is een SAMENGAAN, dat overigens voor de GEHELE werkelijkheid geldt, maar het komt niet als iets karakteristieks naar voren - dŕt doet het VOOR ZICH BEWEEGLIJK ZIJN.

De PLANEET is onder de hemellichamen een buitenbeentje. Het is een EVENWICHTS­SITUATIE, ŕls we het tenminste over de planeet hebben voorzover die een STEEN­KLONT is. De beweeglijkheid van de deeltjes OP ZICHZELF, en de beweeglijkheid van de deeltjes voorzover die GEZAMENLIJK bewegen, die zijn met elkaar in EVEN­WICHT. Het wordingsproces blijft niet bij die steen klont staan; de zaak gaat verder en het organisme komt voor de dag.

De mens kčnt dus eigenlijk alleen de ANORGANISCHE werkelijkheid, voorzover die tot evenwichtssituatie geworden is. Hij kent alleen de AARDE. Daarom moeten wij voorzichtig zijn als wij iets zonder meer organisch of anorganisch noemen. Tenslotte heeft deze steen klont toch het LEVEN opgeleverd. En niet alleen dat deze steen klont dat gedaan heeft, maar ons gehele ZONNESTELSEL is in evenwicht gekomen. Dus alles is ŕnders dan het was toen de uitwendige wording nog in vol­le gang was. De zaak is thans STATISCH geworden. Zonder dat hiermee gezegd is dat de zaak STILSTAAT.

In het begrip SAMENGAAN ligt besloten, dat er het EEN is en dat er het ANDER is; omdat die beide er zijn, geldt ook het VERSCHIL tussen die twee.

In dit verband wijzen wij op de MODERNE cultuur, zoals die zich thans aftekent in de wereld. Er wordt van die cultuur gezegd dat het gaat over de mens die ZICHZELF doorzet. Het IEDER VOOR ZICH dus. Dit is echter niet waar. Aan de MO­DERNE CULTUUR is het IEDER VOOR ZICH voorondersteld, zodat er deze situatie ont­staan is, dat een ieder als aanwezig geval ERKEND wordt. En omdat dit zo is, komt vanzelf de nadruk op het VERSCHIL tussen de één en de ŕnder te liggen. Dit is dus vandaag aan de orde, namelijk de vraag naar het verschil tussen de één en de ŕnder, en de vraag hoe we het moeten inkleden dat dat verschil tot zijn recht komt. Daarom tobben wij over RASSENDISCRIMINATIE, over ONTWIKKELINGS­HULP, en ook over COMMUNICATIE en dergelijke.

Bij het optreden van het organisme komt dus het verschil voor de dag, en wel omdat het begrip TWEE voor het organisme geldt.

Naarmate het organisme zich ontwikkelt komt het verschil steeds duidelijker naar voren. Bij de mens is het zelfs ABSOLUUT te noemen.

 

Dat blijkt o.a. uit het feit, dat de menselijke EICEL en de menselijke ZAADCEL op zichzelf tot niets in staat zijn. Zij kunnen zčlf niet SPLITSEN. Dit betekent dat wij van deze cellen moeten zeggen dat zij eigenlijk geen organisme zijn. Want het zich splitsen is typisch organisch. De zaadcel en de eicel vermenigvuldigen zich uit zichzelf niet.

Aan het eind van de organische ontwikkeling zijn de beide POLEN waarin het or­ganisme uiteenvalt, op zichzelf niets meer waard. Dit blijkt extra scherp uit de genoemde voortplantingscellen, maar ook voor de vrouw en de man zčlf geldt het: zij kunnen buiten elkaar niet leven.

Dit ligt niet helemaal in ons gangbare denken; wij menen dat de man op zich­zčlf en de vrouw op zichzčlf heel wel mogelijk zijn. Want wij beseffen nog steeds niet HOE de zaak bij elkaar behoort. Alles wat de man produceert komt terecht in een VROUWELIJKE WERELD en voor wat de vrouw voortbrengt geldt het mannelijke. De man produceert ten bate van HET GEHEEL en dat is vrouwelijk. En de vrouw brengt haar INHOUD voort, en die inhoud is ňf het één ňf het ŕnder, en dat is een MANNELIJK begrip. Dat is het KIND.

Zo liggen eigenlijk de kaarten, maar wij beseffen dit niet meer omdat wij de werkelijkheid stukgedacht hebben. De werkelijkheid is een GEHEEL; het één is niet BUITEN het ŕnder en dus is de vrouw niet buiten de man en omgekeerd.

De éne pool van het organisme en de ŕndere pool van het organisme zijn dus buiten elkaar komen te liggen, terwijl zij niets zijn buiten elkaar. Zij zijn dus OP ELKA.AR AANGEWEZEN . Buiten elkaar liggen en toch niet buiten elkaar kůnnen, is op elkaar aangewezen zijn.

Voor die buiten elkaar liggende organismen geldt dus, op zichzelf genomen, dat zij zich gedragen alsof ze geen organismen waren. Zij zijn op elkaar aan­gewezen om ORGANISME te kůnnen zijn. De vrouw en de man dus, die zichzelf be­seffen als OP ELKAAR AANGEWEZEN, zijn wčrkelijk ORGANISCH.

De EICEL en de ZAADCEL, die versmolten zijn, zijn evenzo een wčrkelijk orga­nisme. Prompt begint dan ook de splitsing; het uitgroeien. Want het één en het ŕnder geldt immers inderdaad.

Tijdens het wordingsproces komen de verschillen steeds duidelijker naar voren; er zijn steeds meer mogelijkheden qua COMBINATIES gerealiseerd.

Om dit te begrijpen kunnen wij denken aan de wiskundige figuren. Denken wij bijvoorbeeld aan de LIJN tussen de punten A en B. In die lijn zit het begrip VERSCHIL besloten, want zowel het VERSCHIL als de LIJN liggen tussen de twee punten A en B. Echter: de lijn A-B is een ŕndere lijn dan de lijn B-A, hoewel die twee lijnen samenvallen. Dit ŕnders-zijn van de lijn IN ZICHZELF is het be­grip VERSCHIL. Dit geldt natuurlijk voor člke lijn tussen twee punten.

Neem ik nu drie punten, dan heb ik een DRIEHOEK en dan is er vanuit elk der punten een tweetal lijnen te denken, waarvoor ook weer het begrip VERSCHIL geldt. Want vanuit A is er de lijn A-B en ook de lijn A-C en er is ook B-A en C-A. Dui­delijk is dat met het toenemen van het AANTAL punten, dus het meer gelden van het begrip KWANTUM, het aantal verschillen, want het aantal vanuit een punt te denken LIJNEN, groter wordt. Het grootste aantal verschillen komt voor de dag als ALLE punten aanwezig zijn. Dan staat dus HET VERSCHIL ten voeten uit.

De lijn tussen twee punten is dus DUBBEL; de verhouding tussen twee mensen is dus ook DUBBEL: meneer A voelt voor juffrouw B weer ŕnders dan juffrouw B voor meneer A doet. Was dit niet zo, dan zouden twee geliefden wčrkelijk in el­kaar op kunnen gaan. Dit is, behalve in oude Indische cultuur-verhalen, echter niet het geval. Maar twee mensen met elkaar omgaan is er altijd een DUBBELE lijn en die is er niet uit weg te denken.

Deze dubbele lijn is eigenlijk het enige belangrijke; de punten waartussen de lijnen zich bevinden zijn verder niet van gewicht; zeker niet als tenslotte ŕlle punten wčrkelijk aanwezig zijn. Het gaat alleen om het LIJNENSPEL en dat is dus het spel der VERSCHILLEN.

Hoe uitvoeriger het LIJNENSPEL is, hoe LEVENDIGER de zaak. Dat geldt in het dagelijkse leven van de mens ook. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd, zeggen de mensen. Een leven van allemaal gelijke mensen - stel dat dit denkbaar zou zijn ­is een VERVELEND leven. Dit is duidelijk merkbaar in onze zich NIVELLERENDE wereld. Het lijnenspel is het enige dat LEVENDIG is. De punten zčlf zijn niet belangrijk. De CELLEN waaruit het menselijke lichaam opgebouwd is, zijn op zichzelf niet van gewicht; de verhoudingen tussen de cellen, de LIJNEN en dus de VERSCHILLEN bepalen het menselijke leven.

Hierop gaan wij volgende week door.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 23 november 2009)

 

Dinsdag, 3 december 1968

No. 14

 

Naar aanleiding van een vraag

Er is de volgende vraag gesteld: waarom loopt een ZONNESTELSEL uit in één bewoonde planeet, dus in één "aarde".

Alvorens op deze vraag een rechtstreeks antwoord te geven wijzen wij op de volgende verschijnselen:

Alle processen, die in de werkelijkheid plaats vinden lopen uit in een TOP; zij spitsen zich toe in EEN punt. Denk bijvoorbeeld aan een PYRAMIDE, die naar­mate hij méér pyramide wordt, meer uitloopt in één punt.

Alle denkbare LIJNEN lopen uit in één punt; twee lijnen SNIJDEN ELKAAR al­tijd in EEN punt, het SNIJPUNT. Zo vormen zij onder alle omstandigheden een HOEK. Aangezien de werkelijkheid één en al LIJN is, moeten wij dus ook zeggen dat de werkelijkheid door en door HOEK is. Zij is IN ZICHZELF HOEKIG. Voor één lijn evenwel geldt dit niet, namelijk de CIRKEL. Deze heeft op geen enkele wijze iets met het HOEKIGE te maken. Dat we in de MEETKUNDE de cirkel een HOEK van 360 graden noemen, heeft hier niets mee te maken.

Verder moeten wij letten op een oud oosters cultuurbesef. Het vrouwelijke werd gedacht als MANDALA en dat betekent RONDHEID. In andere culturen wordt het vrouwelijke ook met het RONDE aangeduid en het mannelijke met het hoekige.

Bekijken we het vrouwelijke lichaam naast het mannelijke lichaam, dan zien wij dat voor het vrouwelijke lichaam het ronde, het ŕfgeronde karakteristiek is, terwijl het mannelijke lichaam het hoekige aan zich heeft.

Het HOEKIGE en het begrip HET EEN EN HET ANDER behoren bij elkaar; het RONDE of het vrouwelijke en het in één geheel versmolten zijn van het EEN en het ANDER behoren ook bij elkaar. Het DENKEN behoort bij de MAN; hij richt zich op het ONDERSCHEID tussen het EEN en het ANDER. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat de vrouw niet DENKT, maar het denken op zichzčlf is een MANNELIJKE zaak. Als het over het ONDERSCHEID tussen het EEN en het ANDER gaat, dan gaat het over twee dingen, die BUITEN ELKAAR zijn. Dit is te vergelijken met de twee LIJNEN, die alsmaar BUITEN ELKAAR zijn, behalve in hun SNIJPUNT waarin zij dan tčvens een HOE K vormen.

Het BUITEN ELKAAR ZIJN van het één en het ŕnder en het HOEKIGE en dus ook het in één PUNT uitlopen van het één en het ŕnder, zijn allemaal aspecten die MANNELIJK genoemd moeten worden. Het SNIJPUNT zčlf is VROUWELIJK, maar daarover hebben wij het later nog wel.

Denken wij ons het begin van de werkelijkheid, dan treffen wij daar een oneindig groot aantal ENKELVOUDIGHEDEN aan, die qua KARAKTER op zichzelf in beweging zijn. Zij zijn BUITEN ELKAAR, d.w.z. zij hebben niets met elkaar te maken. Naarmate het wordingsproces vordert krijgen die enkelvoudigheden steeds meer met elkaar te maken; hun beweeglijkheid wordt steeds meer een SAMENGAAN. Het spitst zich toe tot het éne laatste punt. Verder dan zo kan het niet.

Dat éne laatste punt is DE MENS; daarin loopt het GEHELE wordingsproces uit.

Het UITWENDIGE WORDINGSPROCES loopt uit in de PLANEET, het eindigt bij de evenwichtssituatie, die de planeet is en als deze laatste eenmaal verschenen is, dan houdt de WORDING van het zonnestelsel op. Het ZONNESTELSEL spitst zich toe tot de PLANEET en verder gaat het zonnestelsel niet. Dit houdt even­wel nog niet zonder meer in, dat er van die toespitsing maar EEN exemplaar verschijnt. Want van de toespitsing van de planeet zčlf, namelijk de mens, zijn er ook een hele massa exemplaren. De vraag is dus nu waarom er toch maar EEN wčrkelijke planeet in een zonnestelsel verschijnt terwijl er van alle ORGANISCHE verschijnselen altijd veel meer exemplaren zijn.

Het DIERENRIJK bijvoorbeeld kent een grote verscheidenheid van SOORTEN en elke soort kent een groot aantal exemplaren. Een groot aantal INDIVIDUEN. Die verschillende SOORTEN vertonen een toenemende INTELLIGENTIE en daarom spreken wij van LAGERE en HOGERE soorten. Waarom zijn er van elke SOORT een groot aan­tal individuen?

Dat komt door het KARAKTER van het ORGANISME, want voor het organisme immers geldt het begrip TWEE, d.w.z. het SAMENGAAN van het EEN en het ANDER. En als we eenmaal TWEE hebben, hebben we člk AANTAL, want elk aantal is X maal een COMBI­NATIE VAN TWEE. Omdat dit zo is, komt het organisme altijd in een VEELHEID voor de dag, ňndanks het feit, dat toch het organisme zich TOESPITST tot één punt, namelijk DE MENS. Bij het organisme is de toespitsing echter KWALITATIEF.

 


De toespitsing bij het UITWENDIGE wordingsproces is een KWANTITATIEVE toespitsing. Ook hierover zullen wij nog nader spreken.

De ANORGANISCHE werkelijkheid staat in het teken van het getal EEN. Want het gaat over de beweeglijke deeltjes, die het karakter hebben VOOR ZICH beweeg­lijk te zijn. Ondanks dat geldt er een toenemend SAMENGAAN voor deze werkelijk­heid. Dit samengaan is echter een zaak van HOEVEELHEDEN: een steeds grotere hoeveelheid enkelvoudig heden klontert in een toenemend samengaan meer en meer samen. De toespitsing daarvan staat natuurlijk ook in het teken van het getal EEN. Tenslotte is er namelijk EEN samenklontering die het allerlaatste punt in dat proces vertegenwoordigt. Alle voorgaande samenklonteringen zijn nog niet

tot één punt toegespitst en dus komen er daarvan dan ook MEER voor, maar zij zijn niet in te delen in SOORTEN, zoals dat bij het ORGANISME het geval is. Elke "hogere" trap van het uitwendige wordingsproces levert een KLEINER aantal lichamen, samenklonteringen, op, omdat het SAMENGAAN steeds INNIGER wordt en er dus MEER deeltjes bij betrokken zijn.

Bij de ORGANISCHE werkelijkheid geldt het begrip MEER ook, maar daarbij is het geen KWANTITATIEVE aangelegenheid meer; het is daar een KWALITATIEVE zaak. De KWALITEIT wordt hoger. Dit komt in de praktijk voor de dag als HELDERHEID of INTELLECT.

Een gevolg daarvan is bijvoorbeeld de LEVENSZEKERHEID. AlS we met hogere or­ganismen te doen krijgen is er een grotere levenszekerheid; bij de mens is dit in principe 100%. Daarom zorgt de mens dan ook altijd als eerste voor zijn le­venszekerheid. Bijvoorbeeld door het RECHT; wij leven in een RECHTSSTAAT en dit betekent levenszekerheid. Ook de industrie is op dit terrein werkzaam.

 

Elk proces in de werkelijkheid spitst zich toe tot EEN punt: het UITWENDIGE wordingsproces doet dit KWANTITATIEF en loopt dus wčrkelijk in één hemellichaam uit en het INWENDIGE WORDINGSPROCES doet dit KWALITATIEF en daarbij gaat het om een groot aantal dat één kwaliteit vertoont.

 

We komen terug op de RONDHEID. Elk punt op de omtrek van een CIRKEL staat tot de ŕndere punten op die omtrek in precies dezelfde verhouding en die ver­houding zčlf is niet te bepalen. Zij is ONEINDIG. Voor de werkelijkheid zčlf geldt ook het ONEINDIGE, hoewel zij BESTAAT UIT talloze eindigheden, die alle­maal MEETBAAR zijn. Voor al het gewordene geldt het begrip LIJN, het begrip SNIJPUNT en dus ook het begrip HOEK. Voor de werkelijkheid zčlf geldt het be­grip CIRKEL; de MANDALA duidt op een besef van ONEINDIGHEID.

De HOEK loopt uit in het SNIJPUNT; dit is de kwantitatieve toespitsing en dit is identiek met het MANNELIJKE. De man spitst zich, bijvoorbeeld in zijn werk, toe tot een hoogtepunt. Tot een zo hoog mogelijk KUNNEN.

De CIRKEL spitst zich toe tot het MIDDELPUNT; dit is de KWALITATIEVE toe­spitsing want het is iets wat voor de punten van de OMTREK gčldt zonder dat die punten er mee SAMENVALLEN. Dit is het VROUWELIJKE. De vrouw spitst zich niet tot een HOOGTEPUNT toe; zij is niet een "geniale moeder". Het toegespitst ZIJN geldt vanzčlf en het komt als IETS ANDERS voor de dag: het kind. Zoals het MIDDELPUNT van de cirkel vanzelf geldt en toch een ŕnder punt is dan welk punt van de cirkelomtrek ook.

De man maakt DINGEN; hij houdt zich bezig met de ANORGANISCHE WERKELIJKHEID; hij ligt in de sfeer van het uitwendige wordingsproces. Van de werkelijkheid voor zover daarvoor geldt dat de eenheden VOOR ZICH zijn. Het één is BUITEN het ŕnder. Daarop grondt zich ook zijn denken.

De vrouw ligt in de sfeer van het INWENDIGE wordingsproces, het ORGANISCHE.

Aan haar komt ALLE leven voor de dag, want ELKE mens is uit een vrouw geboren. De planeet wordt MOEDER AARDE genoemd want het gaat over het ORGANISCHE, over het LEVEN. Moeder aarde heeft alle leven voortgebracht. De CIRKEL heeft IN ZICHZELF haar TOESPITSING en die toespitsing is WAT ANDERS dan de cirkel zčlf. De aarde draagt IN ZICHZELF het LEVEN, maar dat leven is wat ŕnders dan de aarde zčlf. Dat geldt precies eender voor de vrouw.

Als de kosmos, het zonnestelsel, moeder aarde heeft opgeleverd, dus het VROU­WELIJKE heeft opgeleverd is daar de mogelijkheid tot elk denkbaar LEVEN. Denken wij nu aan de MENSHEID en haar weg door de wereld, dan moeten wij dit constate­ren: als de mensheid eenmaal het VROUWELIJKE heeft opgeleverd is daar de moge­lijkheid tot wčrkelijk leven voor de mens. Voorlopig echter is het nog niet zover. De mensheid staat nog in het teken van het MANNELIJKE, want het gaat nog over ONTWIKKELING.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 23 november 2009)

 

Dinsdag, 10 december 1968

No. 15


Het begrip evenwicht

Wij hebben reeds gezien dat voor de PLANEET geldt dat hij een EVENWICHTS­SITUATIE is. Als deze situatie eenmaal opgetreden is, is van het betreffende ZONNESTELSEL de WORDING ten einde. Het uitwendige wordingsproces is niet ver­der mogelijk dan tot deze situatie, en als die er eenmaal is, dan is de VOOR­WAARDE aanwezig voor het LEVEN.

Dit betekent dat de VOORWAARDE voor elk denkbaar LEVEN de evenwichtssituatie is; wij zullen zien dat dit inderdaad voor de NATUUR en ook voor de MENS geldt, en bovendien zullen wij bepalen wat wij onder dit evenwicht moeten verstaan, want gewoonlijk stellen wij ons een evenwicht geheel ŕnders voor.

Voor het kunnen BESTAAN van člk leven gelden bepaalde voorwaarden. Planten hebben een bepaalde hoeveelheid water nodig waarin bepaalde zouten opgelost zijn, en die oplossing moet een bepaalde sterkte hebben. Die planten hebben veel of weinig zonlicht nodig en een bepaalde voedingsbodem. Talloze factoren werken samen om het leven voor een bepaalde plant al of niet mogelijk te maken en als het evenwicht tussen deze factoren door de een of andere oorzaak ver­stoord wordt, dan gaat de plant ten gronde. Voor het dier geldt precies het­zelfde, hoewel er natuurlijk weer andere factoren een rol spelen.

Ook het menselijke leven lukt alleen op voorwaarde van een zeker evenwicht; de mens moet verzekerd zijn van zijn levensbehoeften, wil hij kunnen LEVEN. Daarom zoekt de mens LEVENSZEKERHEID; hij kan dat niet laten omdat het nu een­maal als voorwaarde voor zijn leven geldt. Die voorwaarde is het EVENWICHT en dus maakt de mens zich als zodanig waar. Dit heeft niets te maken met econo­mische noodzaken, zoals moderne denkers ons nogal eens willen doen geloven.

De mens leeft niet vanuit berekeningen en dus ook niet vanuit economische be­rekeningen. Hij volgt domweg zijn aanleg en in die aanleg zit vercalculeerd dat er een EVENWICHT moet zijn. De mens probeert dit evenwicht te scheppen, en ook dat kan hij op grond van zijn aanleg niet laten, maar eigenlijk is het resultaat van al die bemoeienissen dat er voor de mens een ONEVENWICHTIG leven ontstaat, ook al heeft hij zo langzamerhand ORDE op ŕlle zaken gesteld.

De mens is nog bezig ZICHZELF te leren kennen, en terwijl hij daarmee bezig is doet hij eigenlijk niets anders dan ZICHZELF DOORZETTEN. Dit betekent dat hij doorlopend het evenwicht VERSTOORT. Als het te gek wordt met dit verstoorde evenwicht, dan roept de mens een KUNSTMATIG EVENWICHT in het leven. Hij vindt dan dat hij ORDE OP ZAKEN heeft gesteld, maar het wezenlijke karakter van die geordende zaken is een VERSTOORD evenwicht en dat doet zich alsmaar gelden. De mens sluit bijvoorbeeld een WAPENSTILSTAND en vindt dan dat er VREDE is. In feite echter is er geen VREDE, maar er is aan de EIGENLIJKE TOESTAND een halt toegeroepen omdat het om verschillende redenen TE GEK werd.

De eigenlijke toestand is een toestand van een VERSTOORD EVENWICHT, en hier­uit volgt, dat er voor de mens op deze planeet ŕlsnog NIET TE LEVEN is. Je komt het leven wel dóór - je kunt zelfs het leven doorkomen als je een BEHOOR­LIJK MENS bent. Maar dit betekent in genen dele, dat er TE LEVEN valt op deze planeet. Want als dat het geval was zou het VANZELF SPREKEN dat elk mens LEEFT, terwijl het tot nu toe een GUNST is, of dank zij een bepaalde handigheid ge­lukt. Wij STAAN ELKAAR het leven TOE en vinden dit TOESTAAN wel vanzelfspre­kend, maar het leven zčlf nog lang niet.

Waar evenwicht is, is leven; daar slaat de balans niet door omdat niets eenzijdig ZICHZELF doorzet en daarmee wat ŕnders verdringt. Waar leven is, is een evenwicht voorondersteld en dit evenwicht kan geen kunstmatig evenwicht zijn. Onze wereld kent een KUNSTMATIG evenwicht en van hieruit is het leven niet mogelijk. Het is dan hoogstens DOOR TE KOMEN.

Wij kennen het MACHTSEVENWICHT tussen het Oostblok en het Westblok ; doormid­del van atoombommen en grote hoeveelheden verschrikkelijke wapens trachten wij het VERSTOORDE EVENWICHT in evenwicht te houden. Als dat ons gelukt, dan ko­men wij het leven door, ŕnders niet. Niemand PERSOONLIJK heeft het evenwicht in de grond van de zaak verstoord; het is DE MENS, die dit NOODZAKELIJK doet zolang hij nog niet ZICHZELF is.

Het EIGENLIJKE EVENWICHT is een KOSMISCHE aangelegenheid. Het ontstaat van­zčlf in het zonnestelsel en er geldt vanzčlf allerlei voor. Onder andere geldt er voor dat het een door en door BEWEEGLIJK EVENWICHT is.

 

In een dergelijk evenwicht is het EEN nooit LOS van het ANDER.

Wij kunnen namelijk het EEN denken ongčacht het ANDER, en als wij dat doen dan denken wij ANALYTISCH. Wij splitsen dan alles uiteen. Dit belet ons niet om ALLES te denken, maar dat ALLES bestaat dan uit een VERZAMELING van DITTEN en DATTEN, die als LOS ZAND samenhangen.

Wij kunnen het EEN en het ANDER echter ook ŕnders denken, namelijk als EEN zaak en dan bedenken,wij dat het EEN er niet is zonder het ANDER en omgekeerd. Dit kan ik alleen bedenken als ik besef dat de werkelijkheid een en al BEWEGING is, want juist op grond dáárvan is het EEN niet zonder het ANDER. Op ZICHZELF zijn die twee namelijk wčl volledig BUITEN ELKAAR. Voorzover ze echter BEWEEG­LIJK zijn, zijn ze dat niet.

In het laatste geval denk ik overeenkomstig de werkelijkheid, in het eerste geval niet. Wanneer het EEN ongeacht het ANDER gedacht wordt ontkomen we na­tuurlijk niet aan het feit, dat zij er toch allebei ZIJN. Wij ontkomen dan ook niet aan de BETREKKING tussen die twee. Deze betrekking is echter STAR want het is BEPAALDHEID, omdat bij zowel het EEN als bij het ANDER de beweeglijkheid er ŕfgedacht is. Een evenwicht is in dit geval geen wčrkelijk evenwicht want beide polen zijn niet naar hun ware aard aanwezig. Het is een evenwicht als bij een BALANS. Twee zaken, die NIETS met elkaar te maken hebben, zijn op de een of andere manier "in evenwicht".

Het KOSMISCHE EVENWICHT ziet er heel anders uit. Dit evenwicht is er juist op grond van de BEWEEGLIJKHEID; de aan dit evenwicht deelnemende factoren zijn VOLLEDIG aanwezig, zonder dat er iets ŕfgedacht is. Elk aspect telt mee en juist door de VOLLEDIGHEID van de zaak is er EVENWICHT, is er RUST en VREDE. Deze situatie geldt voor de PLANEET. Het geldt ook voor de mens voorzover hij zonder meer GEBOREN is. Toch doen de planeet en de mens zich geheel anders voor: in het planten- en dierenrijk eet het éne organisme alsmaar het andere op, en wij zijn sinds mensenheugenis bezig elkaar te bevechten. Hoe komt het dat de zaak helemaal niet in rust is?

De mens maakt een ONTWIKKELING door; naarmate de GESLACHTEN elkaar opvolgen komen telkens nieuwe facetten van de werkelijkheid tot bewustzijn in de mens. En telkens is het zo'n nieuw facet waarop voor de mens de volle nadruk valt, zodat dat facet UIT HET-GEHEEL SPRINGT én daarmede onmiddellijk het KOSMISCHE EVENWICHT verstoort. De mens BESEFT dit, zonder overigens te weten wŕt hij beseft, en dan gaat hij zijn eigen evenwicht instellen: hij gaat de boel orde­nen en regelen. Dan is het NAAR ZIJN IDEE in orde, maar IN FEITE is het dat niet omdat hij AFZONDERLIJKE FACETTEN gerangschikt heeft. Dit blijft gelden totdat de mens volledig ontwikkeld is. De alsnog ONONTWIKKELDE mens is dus ONEVENWICHTIG en van daaruit tracht hij in evenwicht te komen, maar het lukt hem niet. Deze onevenwichtigheid zit echter in zijn eigen ZELFBEWUSTZIJN, want de kosmos zčlf blijft toch EVENWICHTIG, omdat er niets verstoord kŕn worden.

Als voorbeeld kunnen wij de geschiedenis van het HUWELIJK nemen. Om allerlei redenen is de mens er al vroeg toe overgegaan huwelijken te sluiten. Daarmee regelde hij de verhouding tussen vrouw en man, overeenkomstig de inzichten, die hij, de mens, zčlf daaromtrent bezat. Die inzichten verschilden van de gang van zaken, zoals die UIT ZICHZELF plaats vindt en op grond daarvan ver­andert de mens de gang van zaken. Evenwel blijft de zaak toch liggen zoals ze EIGENLIJK ligt, want de KOSMISCHE EVENWICHTSSITUATIE is onaantastbaar. Dus blijft het huwelijk alsmaar ONMOGELIJK, maar de mens vindt dat vanuit zijn ONVOLWASSEN zelfbewustzijn niet in orde. Hij wil alsmaar het huwelijk en als­maar blijft de onmogelijkheid ervan als grondtoon meeklinken. Op grond hier­van probeert hij telkens nieuwe evenwichten te scheppen, die onveranderlijk schipbreuk lijden.

Enerzijds kunnen wij dan zeggen, dat de mens het evenwicht verstoord heeft want hij wenst zich niet overeenkomstig de werkelijkheid te gedragen, en anderzijds is het zo, dat de mens het evenwicht niet heeft kunnen verstoren, zodat het in de grond van de zaak toch in orde is. Het zelfbewustzijn brengt voorlopig de mens ŕf van zichzelf, zonder dat hij in feite van zichzelf ŕf te brengen is. Zodat hij toch zijn natuur volgt en tevens vindt dat hij daaraan fout doet.

Vanuit ditzelfde zelfbewustzijn beziet hij de NATUUR en vindt er geen even­wicht, reden waarom hij het erin gaat brengen, zonder dat het hem gelukt. Op dezelfde manier beziet hij ook ZICHZELF voorzover hij PRODUCEERT; de vraag is nu echter hoe de verhoudingen liggen.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 23 november 2009)

 

Dinsdag, 17 december 1968

No. 16

 

De productie en het kosmische evenwicht

Het gaat bij het GANGBARE begrip EVENWICHT over grootheden, die BUITEN el­kaar staan en die dus niets met elkaar te maken hebben; alles kan dan ook met alles in evenwicht gebracht worden. Als wij denken aan de schalen van de BA­LANS, dan zien wij in dat wij op die schalen kunnen leggen wat wij willen en dan toch tot een evenwicht kunnen komen.

Het KOSMISCHE EVENWICHT echter is er omdat ALLE factoren AANWEZIG zijn, en dit evenwicht is niet te verstoren want er is niets ANDERS dat, bijwijze van spreken, op de andere schaal van de balans gelegd kan worden, zodat deze door­slaat. Als tenslotte ALLE mensen op de planeet AANWEZIG zijn, zodat er niet één is, die buiten het LEVEN op aarde staat, dan heerst er vanzelf EVENWICHT omdat er niemand is die het evenwicht kan verstoren. Dit evenwicht onder de mensen noemen wij VREDE, maar gewoonlijk weten wij niet wat hieronder verstaan moet worden.

Het ONVERSTOORBARE KOSMISCHE EVENWICHT kent niets BUITEN zich, want alles is er in aanwezig, en omdat dit zo is geldt het onverstoorbare. Het ONVER­STOORBARE geldt voor de planeet en dus ook voor het gehele ORGANISME, inclu­sief de MENS. Deze eenvoudige gedachte realiseren wij ons nauwelijks, want vanuit onze CULTUUR verstoren wij alles; wij willen alles naar onze hand zet­ten in de veronderstelling dat het pas dŕn goed is.

Naar aanleiding hiervan kunnen wij ons afvragen hoe het gesteld is met de PRODUCTIE van de mens. De productie is immers ook een INGRIJPEN van de mens. En toch is de productie wezenlijk NOODZAKELIJK voor de mens om in leven te blijven; zonder productie kan de mens zijn BESTAAN niet verzekeren en als hij dat niet kan, kan hij ook niet LEVEN. De ARBEID is de BASIS van het menselijk leven. Dus de vraag is: hoe is deze INGREEP te rijmen met het feit, dat de mens vanuit zijn onvolwassen zelfbewustzijn altijd maar weer het evenwicht VER­STOORT. Dat de mens dus TEGEN zijn eigen grondverhouding inligt.

De mens zet in zijn ARBEID de planeet om tot wat ŕnders. Dit kan de mens niet laten want de mens is het LAATSTE VERSCHIJNSEL; op grond daarvan heeft hij al het voorgaande tot INHOUD. Hij is immers in zijn WORDING al die stadia gepasseerd, en omdat dŕt zo is, is het zijn INHOUD. Nu is het deze verhouding die de mens WAAR GAAT MAKEN; hij maakt de planeet dus wčrkelijk CONCREET tot zijn inhoud. Dit is de ARBEID van de mens dat hij het feit laat gelden dat de pla­neet zijn INHOUD is en het is te begrijpen dat de mens al betrekkelijk vlug na zijn verschijnen op de planeet over ging tot arbeiden. Aanvankelijk kende de mens het begrip ARBEID nog niet want aanvankelijk werkte hij voor zichzelf en ook al spoedig voor zijn HEER. Later echter, met het doorbreken van de MO­DERNE MENS, krijgt het WERK een ALGEMEEN KARAKTER, d.w.z. de resultaten van het werk vloeien toe aan de GEMEENSCHAP. Pas als het WERK dit algemene karakter heeft noemen wij het ARBEID; overigens betekent dit niet dat de mensen zčlf zich van die algemeenheid bewust zijn. Tot op de dag van vandaag vindt bijna iedereen dat hij VOOR ZICHZELF werkt,of voor "zijn gezin", of voor "zijn brood" - wat allemaal hetzelfde is: hij werkt voor ZICHZELF. Afgezien echter van dit bewustzijn komen de PRODUCTEN ten goede aan de GEMEENSCHAP, en dŕn is het werk ARBEID.

De mens zet dus in zijn ARBEID de aarde om tot INHOUD VAN ZICHZELF. Als wij dit wčl beschouwen dan blijkt dit, op zichzelf, geen verstoren van een evenwicht te zijn. Omdat het gaat over een van de verhoudingen, die juist in de KOS1ISCHE EVENWICHTSSITUATIE verweven zitten. De arbeid is WEZENLIJK MENSE­LIJK en het is juist de arbeid die er op den duur toe leidt dat de evenwichts­situatie, zoals die daar als BASIS voor ŕlle LEVEN ligt, wčrkelijk is wat hij zijn moet. Namelijk een kosmische evenwichtssituatie, die CONCREET INHOUD VAN DE MENS GEWORDEN IS. Dit heeft met het VERSTOREN van het evenwicht, zoals dat vanuit het ZELFBEWUSTZIJN gebeurt, niets te maken. OP ZICHZELF is de arbeid dus alleen maar de VERWERKELIJKING van de mens zčlf.

Toch verstoort de mens met zijn arbeid, tijdens zijn óntwikkeling, het evenwicht en dit komt doordat die WEZENLIJKE zaak, die zich als vanzelf doorzet, ook weer noodzakelijk verschijnt in het licht van het ZELFBEWUSTZIJN en zo wordt tot wat we zouden kunnen noemen: ROOFBOUW.

De mensen zorgen er zčlf voor dat de dingen er komen die zij nodig hebben, bijvoorbeeld BRODEN. Daarmee is eigenlijk de kous ŕf.

 

Maar dat ziet de mens niet in zolang hij nog ONVOLWASSEN is: de productie van het brood komt in han­den te liggen van bepaalde mensen die er VOORDEEL uit slaan. Zij laten betalen voor de broden die de mensen zčlf gemaakt hebben, en dáár begint de ROOF, daar ligt de WINST.

Wij zijn er aan gewend voor alles te BETALEN. Hooguit bijwijze van THEORIE vinden sommige mensen dat het geld maar afgeschaft moest worden, want dat zou de GELIJKHEID onder de mensen bevorderen. Deze theorie evenwel heeft geen inhoud, want het afschaffen van het geld betekent nog niet de afschaffing van de ONVOLWASSENHEID van de mens, en daarin zit nou juist het punt. Elke onvol­wassen mens tracht MACHT te verkrijgen omdat hij een MACHT bóven zich weet. Het verkrijgen van MACHT gaat altijd via ROOF omdat er zo vanzčlf geen enkele MACHT is in de werkelijkheid. Bij het arbeidsproces is die roof gelegen in het "dubbeltje winst", dat MIJ sterker maakt dan de ŕnderen.

In die wereld zijn wij vertrouwd omdat wij allemaal ONVOLWASSEN zijn en daarom BETALEN wij voor alles wat wij zčlf, als mensheid, gemaakt hebben. Het arbeidsproces moet MIJ ten goede komen en zo verbuigt de mens ONMIDDELLIJK een wezenlijk "goede" zaak tot een zaak die het kosmische evenwicht VERSTOORT en die dus eigenlijk een DODELIJK karakter heeft.

Aan de ontwikkeling komt mee dat de mens steeds meer de beschikking krijgt over dingen die ertoe bijdragen dat zijn BESTAAN verzekerd is. Deze dingen worden geproduceerd en zij worden verder ontwikkeld tot steeds bruikbaarder dingen. Maar dit ontwikkelen van de dingen en het produceren van de dingen gebeurt nooit zonder het “dubbeltje winst”; op alles wat de mensen op een zeker moment ter beschikking hebben is door die en gene WINST gemaakt, en die winst is er zelfs de AANLEIDING toe geweest dat de boel in productie is gekomen. Zonder de winst zou er niets gemaakt worden in een wereld van onvol­wassen mensen. Toch is het MAKEN van de dingen niet van de mens ŕf te denken en dat is er de OORZAAK van dat hij aan het werk gaat; de directe AANLEIDING echter is de WINST die gemaakt kan worden.

Zo zijn er vele belangrijke dingen gemaakt door de mens; bijvoorbeeld be­paalde geneesmiddelen, grote autowegen, vliegtuigen, ziekenhuizen, enzovoort, en van al die dingen OP ZICH is te zeggen dat zij DE MENSHEID ten goede komen, maar toch worden die dingen OM DE WINST, d.w.z. OM MIJZELF, gemaakt.

Het MAKEN VAN DE DINGEN betekent in deze wereld het MAKEN VAN WINST en op grond hiervan is het ROOFBOUW, want het is MIJ er om te doen voor mijn ARBEID zoveel mogelijk terug te krijgen. Alles wat ik echter TEVEEL terug krijg moet ERGENS vandaan komen waar het eigenlijk niet vandaan kŕn komen, en dus is het EVENWICHT verstoord.

 

Als de mens eenmaal VOLWASSEN geworden is, is hij natuurlijk volop aan de ARBEID, maar deze arbeid verstoort geen evenwicht want het is dan wčrkelijk niets anders dan het laten gelden van het feit dat de planeet INHOUD is van de MENS, dat dus de EVENWICHTSSITUATIE inhoud is van de mens. Hierbij kom IK natuurlijk niet meer ter sprake, behalve dan in deze zin, dat MIJN welvaart onmiddellijk de welvaart van de MENSHEID is en omgekeerd.

De planeet is dan natuurlijk in alle opzichten van uiterlijk veranderd; hij doet in niets herinneren aan de onontgonnen wereld van de oertijd. Maar deze verandering is geen verstoring van evenwicht; wij zien nu het evenwicht zčlf in een verdere ontwikkeling, in een nieuwe gedaante.

De volwassen mens werkt in het besef dat hij voor ALLEN werkt; daarbij is de ALGEMEENHEID van de arbeid dus vooropgesteld, terwijl die algemeenheid in een ONVOLWASSEN wereld op de achtergrond ligt.

De volwassen mens rekent niet meer NAAR ZICHZELF toe want hij plaatst zich­zelf niet meer BUITEN de ŕnderen. Hij verstoort dan ook geen evenwicht meer. Dit houdt niet in dat hij bij gelegenheid niet zou ingrijpen als de noodzaak aanwezig was. Hij grijpt natuurlijk in want hij heeft het VERMOGEN daartoe. Maar dit ingrijpen gebeurt vanuit een ANDERE GESTELDHEID. De ONVOL4ASSEN mens grijpt in omdat hij alles naar zijn hand wil zetten; de laatste denkbare moge­lijkheid daarvan is de mens uit een reageerbuisje. Dit lukt natuurlijk niet, maar zo dčnkt de onvolwassen mens het zich. Zo stelt hij zich een geordende wereld voor, en die wereld heeft hij zčlf opgebouwd uit EVENWICHTEN. Hij schrijft de werkelijkheid voor hoe ze zich hoeft te gedragen.

De VOLWASSEN mens echter heeft een andere GESTELDHEID; hij kent het even­wicht en van daaruit ZAL HIJ WEL ZIEN en als het nodig is, dan grijpt hij wel in met de middelen die hem ter beschikking staan.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 23 november 2009)

 

Dinsdag, 7 januari 1969

No. 17

 

De vrouw en de man als de begrippen twee en een

De planeet is een EVENWICHTSSITUATIE; hij is een evenwichtssituatie van BE­WEEGLIJKHEDEN. De gehele werkelijkheid is een kwestie van beweeglijkheden en alles wat er in die werkelijkheid voor de dag komt doet dit dank zij het BEWEEG­LIJK-ZIJN. Het beweeglijk-zijn van ENKELVOUDIGHEDEN. Als wij dus nagaan welke mogelijkheden er zijn van beweeglijkheden tussen twee enkelvoudigheden, dan moeten wij die verhoudingen OVERAL in de werkelijkheid terugvinden, omdat er geen ANDERE mogelijkheden qua beweeglijkheid zijn.

Het ZONNESTELSEL als zodanig ontstaat aan het UITWENDIGE WORDINGSPROCES, d.w.z. dat de BEWEEGLIJKHEID van de deeltjes het ACCENT heeft VOOR ZICHZELF te zijn.

We zouden kunnen zeggen dat ze doen alsof zij er zčlf alleen maar zijn; ze trek­ken zich van de aanwezigheid van de ŕndere deeltjes niets aan.

Nadat het uitwendige wordingsproces aan haar einde gekomen is en als resul­taat het ZONNESTELSEL opgeleverd heeft, zet het INWENDIGE WORDINGSPROCES in; daarbij gaat het natuurlijk ook over BEWEEGLIJKHEID van de deeltjes, maar nu ligt het ACCENT op het QUA BEWEEGLIJKHEID SAMENGAAN.

Het bovengezegde behelst de enige WEZENLIJKE VERHOUDING van en in de werkelijk­heid; deze wezenlijke verhouding betreft de twee enige mogelijkheden, die er qua BEWEEGLIJKHEID zijn voor beweeglijke deeltjes.

Denken wij ons twee enkelvoudigheden die beweeglijk zijn. Het gaat om de be­weeglijkheid, want zonder de beweeglijkheid ontstaat er NIETS in de werkelijk­heid. Het feit dat de enkelvoudigheden ONDEELBAAR zijn is wel een feit, maar dat feit doet OP ZICHZELF nog geen kosmos ontstaan; het ontstaan van de kosmos komt voort uit de BEWEEGLIJKHEID. Dus: wat is er qua beweeglijkheid mogelijk bij die twee enkelvoudigheden?

Ten eerste: de beweeglijkheid van elk deeltje is ONGEACHT de beweeglijkheid van het ŕndere deeltje. Dus de beweeglijkheid is VOOR ZICH. Daarbij is er natuur­lijk niet uit te denken, dat er toch ook een zeker SAMENGAAN van de beweeglijk­heid is, maar dat is niet de SFEER van de zaak.

Ten tweede: de beweeglijkheid is een SAMENGAAN, hoewel ook hier het VOOR ZICH beweeglijk-zijn niet wčg te denken is.

De BASIS van deze twee mogelijkheden is natuurlijk het feit, dat enkelvoudig­heden BEWEEGLIJK zijn; dit zijn zij EIGENLIJK voor zich, maar omdat geen enkele enkelvoudigheid er ALLEEN is, is dit VOOR ZICH onmiddellijk een SAMENGAAN. Op grond hiervan is er dan ook een VOLGORDE: éérst voor zich beweeglijk en dŕn noodzakelijk een samengaan. Deze volgorde is geen volgorde in de TIJD; met het één is er ONMIDDELLIJK het ŕnder. Er is echter een volgorde omdŕt het één VOOR­WAARDE is voor het ŕndere.

De EVENWICHTSSITUATIE is eigenlijk geen speciale mogelijkheid; het is een zekere VERHOUDING tussen de eerste en de tweede beweeglijkheid. Een evenwichts­situatie zčlf IS ER dan ook niet; er zijn alleen de twee GELIJKTIJDIG geldende beweeglijkheden en daartussen kan de verhouding zó zijn, dat er een evenwicht is. Maar hoe de verhouding ook is, altijd gaat het over genoemde twee beweeg­lijkheden. Dat is het WEZENLIJKE van de werkelijkheid.

Dit wezenlijke van de werkelijkheid komt naar zijn volle betekenis voor de dag als MENS. Want het EINDE van de werkelijkheid is de VOLLEDIGE WERKELIJKHEID, daar heeft dat wat er eigenlijk gaande was GESTALTE gekregen. En zo is de ver­houding zoals die er als WORDINGSPROCES was nu als GESTALTE aanwezig.

Alle ORGANISMEN vallen uiteen in TWEE organismen. De MAN is de GESTALTE van het UITWENDIGE en de VROUW is de GESTALTE van het INWENDIGE; het gaat nu niet meer over PROCESSEN, maar over SITUATIES, over een ZIJN.

De MAN is de beweeglijkheid voorzover die beweeglijkheid OP ZICHZELF is, en de VROUW is de beweeglijkheid voorzover die een SAMENGAAN is. Vrouw en man zijn deze beweeglijkheden niet EENZIJDIG; zij vertegenwoordigen slechts de ACCENTEN. beiden zijn beweeglijkheid dus aan beiden is dat DUBBELE te bedenken terwijl het tňch bij elk van de twee ŕnders voor de dag komt. Zij zijn dus beiden VOL­LEDIG MENS en bij beiden is het ŕnders.

De beweeglijkheid VOOR ZICHZELF valt onder het begrip EEN, want het deeltje gedraagt zich alsof het er ALLEEN was. De MAN valt dus onder het begrip EEN.

De beweeglijkheid als SAMENGAAN valt onder het begrip TWEE, en dit geldt dus voor de VROUW.

 

Wij moeten hierbij goed opletten niet in verwarring te geraken, want in een ander verband kunnen wij de MAN onder het begrip TWEE laten vallen en de vrouw onder het begrip EEN.


Dan echter gaat het erover dat voor de man het begrip BUITEN geldt en voor de vrouw het begrip BINNEN; er is dan voor de man ZICHZELF čn HET ANDERE - en dat is TWEE - en voor de vrouw ZICHZELF čn de INHOUD daarvan - en dat is het begrip EEN. Deze begrippen betekenen nu even­wel TWEEHEID en EENHEID van verschillende elementen. Om echter TWEEHEID te kůn­nen zijn moet de man zčlf EEN zijn, en om EENHEID te kůnnen zijn moet de vrouw zčlf TWEE zijn en zo komen wij op de betekenis van deze begrippen voorzover we die NU gebruiken.

Voor de man geldt het UITWENDIGE want voor hem als het begrip EEN is HET ANDERE altijd BUITEN hem. Voor de vrouw geldt het INWENDIGE want het EEN gaat onmiddellijk met het ANDER samen; de zaak die zij is sluit zowel het EEN als het ANDER in zich.

Van de man wordt gezegd dat hij REDELIJKHEID is, dat hij de zaak OBJECTIEF be­kijkt. Dit is het UITWENDIGE; het is het er zčlf NIET IN BETROKKEN ZIJN, het ER ZELF BUITEN STAAN. Van de vrouw wordt gezegd dat het bij haar allemaal GEVOEL is, en het gevoel is een INNERLIJKE aangelegenheid.

De VOORTPLANTING is voor de man een uitwendige aangelegenheid; hij stoot de zaadcellen ŕf en heeft er verder QUA VOORTPLANTING niets meer mee te maken. Hij staat er buiten. Bij de vrouw echter is de voortplanting INWENDIG; zij stoot niets ŕf en staat nergens buiten. De voortplanting heeft IN HAAR plaats. Het BAREN van het kind is geen AFSTOTEN van de vrouw - hoewel dit aspect er wčl in meedoet - maar het is het ZICH ZELFSTANDIG STELLEN van het KIND.

Zo zijn er natuurlijk talloze voorbeelden te noemen, o.a. het feit dat de man HOEKIG is en de vrouw AFGEROND. Al deze aspecten kunnen er zijn omdat er twee mogelijkheden qua beweeglijkheid zijn.

 

Het bovenstaande inzake het begrip EEN en het begrip TWEE geeft aanleiding tot een moeilijkheid: het GEHELE ORGANISME staat in het teken van het begrip TWEE zodat er dus twee organismen verschijnen. Toch is één van die organismen het be­grip EEN en het andere het begrip TWEE. Hoc zit dit?

Om hier achter te komen moeten wij TOT TWEE TELLEN; wij hebben dan twee groot­heden: 1 en 2. Van die twee grootheden is de 1. één eenheid, en de 2. is twee eenheden. Van die éne eenheid van 1. is verder niets te vertellen. Hij staat op zichzelf en verder niets. Van de 2. is echter meer te vertellen: hij be­staat uit twee eenheden en is zčlf het begrip TWEE.

De 2. is dus te splitsen in twee eenheden en ervoor gelden de BEGRIPPEN EEN EN TWEE. De éne eenheid valt dus onder het begrip EEN en de ŕndere valt onder het begrip TWEE, terwijl het tňch eenheden zijn.

Bij het ZUIVERE TELLEN komen wij niet verder dan 1 x 1 en 2 x l, maar gaat 2. op zichzelf een rol spelen - als het een BEGRIP is, dŕn is aan 2. te bedenken EEN en TWEE.

Zo geldt het voor het ORGANISME ook: het valt onder het begrip TWEE en is dus opgebouwd uit één ding en nňg een ding en voor dat éne ding geldt het BE­GRIP EEN en voor dat ŕndere ding geldt het begrip TWEE.

Wij moeten onderscheid maken tussen twee begrippen: het begrip TELLEN en het begrip GETAL. Wanneer in een cultuur het begrip GETAL bekend is hebben wij met een geheel ŕndere cultuur te doen als wanneer het bij TELLEN blijft; het laat­ste komt niet verder dan HET TOTAAL, maar het eerste kčnt in elk geval het begrip HET GEHEEL.

De ROMEINEN konden TELLEN, maar zij kenden HET GETAL niet. Het kwam bij hen niet verder dan een TOTAAL en daarom is er met behulp van ROMEINSE CIJFERS niet te REKENEN. De Romeinse cultuur was gebaseerd op het begrip EEN en het was daarom een ONKUNSTZINNIGE, onvrouwelijke, heerzuchtige cultuur. Een SOLDA­TENCULTUUR. Maar Klein-Azië was het land van de SCHOONHEID - met als toespit­sing GRIEKENLAND - en daar was HET GETAL wčl bekend. Wij hebben daar vandaan dan ook ňnze cijfers en ons kennen van het GETAL. Waar schoonheid aan de orde is, is het VROUWELIJKE aan de orde en daar geldt het begrip TWEE.

Wij kunnen ons afvragen hoe het komt dat in West-Europa HET GETAL bekend is, terwijl er qua SCHOONHEID uiteindelijk in het westen niet veel aan de hand is, maar hetzelfde kunnen wij ons ook afvragen inzake het EVANGELIE. Dit is een thema dat een aparte behandeling vereist. In ieder geval kčnnen wij het begrip HET GETAL, terwijl wij in de praktijk toch meestal niet verder komen dan TELLEN. Het is daarom dan ook moeilijk voor ons om het bovenstaande te begrijpen, maar desalniettemin ligt hierin het wezenlijke van de vrouw en de man besloten.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 23 november 2009)

 

Dinsdag, 14 januari 1969

No. 18


 


De verhouding tussen de mens en de dingen

De man is geaccentueerd als het begrip EEN en de vrouw is geaccentueerd als het begrip TWEE. Genomen vanuit dit accent moeten wij van de MAN zeggen, dat hij alles BUITEN ZICH heeft en dat hij er strikt genomen alleen maar ZELF is. Onder dit TEKEN staat elke man, het is het accent dat voor elke man geldt.

Als nu de man zich laat gelden eenzijdig naar het accent, dat hij is, welk beeld levert hij dan op?

Als HET ANDERE buiten de man is, dan is er voor hem wat betreft dat andere maar één mogelijkheid: HIJ HAALT HET NAAR ZICH TOE. Meer dan dit is niet moge­lijk; voor de man wordt het ŕndere nooit een deel van hemzčlf, want hieraan staat het besef EEN te zijn in de weg. Het andere is min of meer BIJ DE MAN. Het is te begrijpen dat deze verhouding door en door BETREKKELIJKHEID en dus ook AFHAN­KELIJKHEID is. Het andere is het EIGENDOM van de man, in die zin dat hij het zich TOEGEEIGEND heeft.

De man echter is eigenlijk, evenals de vrouw, de MENS en dit betekent dat hij de GEHELE KOSMOS tot zijn eigen INHOUD heeft. Dit geldt ZONDER MEER, d.w.z. dit geldt altijd, omdat de mens nu eenmaal het LAATSTE VERSCHIJNSEL is, waartoe dus al het voorgaande VOORWAARDE is. Hoewel het ZONDER MEER geldt dat de kosmos de inhoud is van de mens, gaat deze dit tňch WAARMAKEN en dit is de ARBEID van de mens. De mens maakt in zijn arbeid de kosmos wčrkelijk tot zijn inhoud. Om hier­toe in staat te kůnnen zijn moet de mens de kosmos beschouwen als een zaak die hij BUITEN ZICH heeft. Het is de MAN voor wie de verhouding, op grond van het ACCENT dat hij is, zo ligt en daarom is hij het die ARBEIDT.

De man kan het werken dus niet LATEN want dit ligt in zijn wezen besloten, maar omdat hij begint ONVOLWASSEN te zijn is het zijn ACCENT dat hem de MAAT is en daardoor maakt hij de DINGEN niet wčrkelijk tot zijn INHOUD, maar hij maakt ze tot zijn EIGENDOM. Hij haalt ze naar zich toe want hij kŕn vanuit zijn AC­CENT geen inhoud hebben. Hij is EEN en ONDEELBAAR; het ANDERE is in hem niet aanwezig.

De man verzamelt om zich heen een aantal verworvenheden en deze verworvenheden worden nooit zijn INHOUD. Elke onvolwassen man is een VERZAMELAAR, die de dingen om zich heen opstelt en ze dan als zijn EIGENDOM beschouwt. Iedereen moet er ŕfblijven, maar iedereen kan er wčl AANKOMEN, zodat er alle reden is de eigendom­men te verdedigen en te beschermen. Er moet veel moeite gedaan worden om het eigendom in stand te houden, en omgekeerd houdt het eigendom de man in de we­reld in stand. Over en weer geldt hier dus de AFHANKELIJKHEID. De onvolwassen man meent dat de ARBEID er is om tot EIGENDOM te komen, maar deze gedachte is ONJUIST, zoals uit het bovenstaande blijkt. En ook blijkt uit het bovenstaande dat de DINGEN, die de man gemaakt heeft, niet TERECHT ZIJN GEKOMEN, want ze zijn tot EIGENDOM van DIE OF GENE geworden, en ze behoren het BEZIT VAN DE MENS te zijn. Ze behoren ZIJN INHOUD te zijn, en dit begrip is een ALGEMEEN begrip omdat de MENS een ALGEMEENHEID is. e

De dingen zijn dus NIET TERECHT GEKOMEN; ze zijn om iemand heen komen te staan zodat ze nu aan IEMAND gebonden zijn. Voor de ŕndere mensen is het nu uitgesloten van de dingen plezier te hebben. De dingen zijn altijd maar voor een BEPERKT aantal mensen, die het als hun EIGENDOM beschouwen en de rest ervan UITSLUITEN. Als er zelfs nog maar één mens op de wereld van de dingen uitgeslo­ten is dan nog geldt het begrip EIGENDOM en dan zijn de dingen NIET TERECHT. Zolang in de wereld de dingen TE KOOP zijn, zijn de dingen NIET TERECHT, want het TE KOOP ZIJN vooronderstelt deze situatie dat er mensen zijn die iets NIET kunnen kopen.

De ONVOLWASSEN man kŕn niet anders dan de dingen om zich heen vergaren, want kent het begrip INHOUD niet. Hij kent zichzelf naar zijn ACCENT en dat is het begrip EEN en in deze zaak zit geen inhoud. Het werk dat uit de handen van de onvolwassen man komt blijft om hem heen staan en krijgt nooit een ALGEMEEN karakter omdat het nooit werkelijk tot inhoud van de mens wordt.

Is de man echter VOLWASSEN geworden, dan is hij zichzelf als ACCENT VERGETEN en dan voelt hij zichzelf aan als ALGEMEENHEID. In die situatie zijn de dingen wčl zijn INHOUD en dus zijn de dingen dan TERECHT. De dingen worden dan ook zonder voorbehoud GOED gemaakt want er is geen particuliere reden om dit niet te doen. Als het over een ALGEMEENHEID gaat is MIJN belang van geen gewicht en dan is dus ook mijn ACCENT onbelangrijk, zodat ik het VERZAMELEN achterwege laat.

 


De VOLWASSEN man staat in het teken van EEN, maar hij laat zich gelden als TWEE, en dus laat hij zich gelden als VROUWELIJK. Hij stelt de mannelijke werkelijkheid als een UITEINDELIJK VROUWELIJKE WERKELIJKHEID.

Dit betekent natuurlijk niet dat de volwassen man zich als een VROUW gedraagt, maar dit betekent dat hij WERKT en dat hij niet weet WAARVOOR hij werkt. De ON­VOLWASSEN man weet precies waarvoor hij werkt: om zichzelf en zijn gezin in le­ven te houden. Zou hij ze in leven kunnen houden zonder werken, dan zou hij dat graag doen, maar hij heeft geleerd dat dŕt geluk slechts aan enkelingen is voor­behouden. Dus wčrkt hij dan maar in godsnaam.

De volwassen man weet niet WAARVOOR hij werkt want het werk is een ALGEMENE ZAAK, en zo’n zaak is NIET BEPAALD. Het is dus niet voor "die of die" en ook niet voor ZICHZELF. Dit heeft een grote ONVERSCHILLIGHEID aan zich en tevens een groot NIET WETEN.

 

De dingen, die de man maakt, gaan altijd naar een VROUW toe; ze komen terecht in een HUIS, in een GEZIN, en het is de VROUW, die deze zaak is. De dingen, die de ONVOLWASSEN man gemaakt heeft en die hij om zich heen heeft verzameld, die VALLEN IN EEN LEEGTE. Want de onvolwassen vrouw is wčl het begrip TWEE als AC­CENT, en hierin is dus het begrip INHOUD aanwezig, maar deze inhoud is niet werkelijk een INHOUD. Het begrip TWEE OP ZICHZELF heeft geen CONCRETE INHOUD; die heeft het pas als MENS, want dan is de KOSMOS die inhoud. Laten we nu voor het gemak zeggen: dan zijn de DINGEN de inhoud.

Dus, als het over de onvolwassen vrouw gaat, heeft het begrip TWEE, dat haar accent is, GEEN CONCRETE INHOUD. Het is een LEEGTE waar doorheen de dingen val­len. De dingen gaan naar de vrouw toe, want zij kunnen niet anders dan terecht­komen in een VROUWELIJKE WERKELIJKHEID, maar deze werkelijkheid is een LEEGTE als de mens nog onvolwassen is. De dingen in deze wereld VERDWIJNEN SPOORLOOS; niemand weet waar ze blijven. Ze BLIJVEN dan ook niet in het vrouwelijke maar zakken er doorheen. Ze hebben met het werkelijk vrouwelijke niets te maken.

De MEUBELEN in huis bijvoorbeeld hebben het model dat zij hebben, OMDAT DE MODE DAT VOORSCHRIJFT. De NORM is dus iets UITWENDIGS; de norm is niet iets dat in het vrouwelijke zčlf besloten ligt. Die meubelen worden op een zeker moment vervangen door andere, alweer omdat ze OUDERWETS geworden waren. Zo kunnen we eindeloos doorgaan; er is geen EENHEID van het vrouwelijke met haar eigen CON­CRETE INHOUD. Bij veel OUDE MENSEN herkennen wij nog wel iets van die eenheid: omdat zij OUD zijn is het ACCENT op de achtergrond komen te liggen en daarmee is de oorzaak van de LEEGTE min of meer opgeheven. Ditzelfde geldt bij oude men­sen inzake de SEXUALITEIT, die met de nu behandelde verhoudingen nauw samen­hangt.

 

Als de dingen in huis aanwezig zijn omdat het MODE is en als de dingen in huis aanwezig zijn zólang het mode is, dan zijn die dingen zčlf NIET TERECHT. Ze zijn in een luchtledig terechtgekomen waarin zij niet het HUISELIJKE - in concrete zin - moeten mogelijk maken, maar waarin zij TE PRONK staan en dus volkomen BUITEN hun eigen functie vallen. En dan gaan de dingen er zonder enige werke­lijke reden weer uit, zodat zij nooit gefunctioneerd hebben en nergens terecht zijn gekomen. Dŕt is de LEEGTE.

De onvolwassen man heeft de dingen om zich heen opgesteld. Dat is zijn eigen­dom en hij probeert dat te behouden, MAAR EIGENLIJK GAAT HET NIET. De mens raakt zijn eigendommen altijd weer kwijt, omdat het NAAR ZICH TOE TREKKEN evenveel wčl als niet gelukt. De zaak blijft immers altijd BUITEN de man staan en dus is het altijd van hem te vervreemden. Daarom is de mens dan ook zijn gehele leven bezig met de dingen; hij gebruikt er ŕl zijn energie voor, en het eind van het liedje is toch dat hij ŕlles kwijt raakt. De mensen zeggen dan ook dat je niets mee kunt nemen als je dood gaat. Maar intussen sjouwen ze er wel hun hele leven achteraan. De mensen kopen een nieuwe wasmachine terwijl ze geen wasmachine NODIG hebben, of geen NIEUWE wasmachine nodig hebben; maar nu staat dat ding daar, en hij was eigenlijk NIET NODIG. Dan behoort dat ding dáár niet te staan! Hij staat dus niet op zijn plaats - is dus niet TERECHT. Maar daar achteraan sjouwt de onvolwassen mens ZIJN LEVEN LANG!

Naarmate onze cultuur meer haar ware aard laat zien, wordt de hierboven gete­kende zaak steeds meer voelbaar. De moderne vrouw bijvoorbeeld blijkt geen CON­TACT te hebben met haar wereld, d.w.z. HAAR HUIS. De moderne vrouw wil dan ook het huis uit; zij staat vreemd tegenover haar eigen wereld.

De onvolwassen cultuurmens is altijd naar zijn ACCENT aanwezig; de man vergaart de dingen en bij de vrouw komen diezelfde dingen in een leegte terecht.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 23 november 2009)

 

Dinsdag, 21 januari 1969

No. 19

 

De accenten een en twee cultuurhistorisch

De vorige keer spraken wij over de verhouding tussen de mens en de dingen, voorzover aan de man het accent EEN te bedenken valt en aan de vrouw het accent TWEE. De volwassen mens is zijn eigen ACCENT VERGETEN, zeiden wij toen. Hierover de volgende opmerking.

Als wij spreken over het "vergeten" van iets, dan moeten wij dit niet zo ver­staan als zou de mens iets AF TE LEREN hebben. Als zou er voor de mens iets gel­den wat uiteindelijk niet heeft te gelden. De mens leert in de loop van zijn ontwikkeling niets ŕf, maar de verschillende ACCENTEN verliezen wčl de NADRUK die er op ligt gedurende de ontwikkeling. Als al die verschillende accenten tenslotte hun NADRUK verloren hebben, dŕn is de mens volwassen en wij moeten dan van die accenten zeggen, dat zij eerst nu TOT HUN RECHT KOMEN.

Bij de volwassen mens als MAN komt het accent EEN volledig tot zijn recht en bij de volwassen VROUW het accent TWEE. Maar in de eerste plaats zijn beiden MENS en dan komt het accent. Dat accent komt ONMIDDELLIJK, d.w.z. er behoeft aan geen VOORWAARDE voldaan te worden om dat accent te kunnen zijn. Dit geldt natuur­lijk in volle omvang voor de volwassen mens en daarom is de volwassen man de čchte man en de volwassen vrouw de čchte vrouw. Die man werkt zoals het behoort en die vrouw is het HUISELIJKE, zoals het behoort. Velen menen dat in een vol­wassen wereld niet meer gewerkt wordt en dat iedereen leeft als een fliereflui­ter, naar dat is natuurlijk ONZIN. De volwassen man bijvoorbeeld is op zuivere wijze het begrip EEN, d.w.z. hij heeft op zuivere wijze zijn eigen INHOUD bui­ten zich en die inhoud verwerkt hij tot wčrkelijk zijn INHOUD en dat kan hij doen juist omdŕt hij het begrip EEN is en dus OBJECTIEF staat tegenover de wer­kelijkheid. Hij ziet vanuit ZIJN ACCENT de werkelijkheid BUITEN ZICH.

De mensheid waarin het begrip ARBEID tot bewustzijn is gekomen is dan ook de MODERNE MENSHEID, en deze moderne mensheid is MANNELIJK ingesteld. In de moderne mensheid gaat het om het begrip EEN. In de VOLWASSEN MENSHEID blijft het begrip EEN in alle zuiverheid meedoen , namelijk voorzover het gaat over het MAATSCHAP­PELIJKE; over de PRODUCTIE e.d..

 

Het begrip EEN, zoals dat voor de MAN geldt is een KOUD begrip; het heeft geen VORM, geen INHOUD en het is ABSTRACT. Bij het begrip TWEE is dat ŕnders; hier is wel sprake van INHOUD, wel sprake van VORM, WARMTE en SCHOONHEID. Dat is

het vrouwelijke.

CULTUURHISTORISCH komen wij de accenten EEN en TWEE ook tegen; de OUDHEID had een VROUWLIJKE SFEER. Uit de oudheid is bijvoorbeeld veel SCHOONS tot ons ge­komen. Wij hebben de neiging hierover ROMANTISCH te denken omdat wij wel aanvoe­len dat een zaak als de SCHOONHEID tot het werkelijk MENSELIJKE behoort. Van hieruit menen wij dat de wereld van de oudheid eigenlijk wel in orde was, maar deze mening houdt geen stand. De wereld van de oudheid was even stompzinnig als de onze, want het gaat in de oudheid ook over de ONVOLWASSEN MENS, dus de mens die zich naar zijn ACCENT laat gelden. Alleen was in de oudheid het accent niet het mannelijke begrip EEN, maar het vrouwelijke begrip TWEE. In het licht van dit begrip stonden zowel MANNEN ALS VROUWEN, zoals nů beiden in het licht van het begrip EEN staan. De oudheid was dus precies als de moderne tijd EEN GROTE EENZIJDIGHEID; voor ons is het bedrieglijke gelegen in het feit, dat de eenzij­digheid TWEE voor de dag komt met prachtige VERHALEN en SCHONE KUNSTEN en een centraal gestelde VROUWELIJKHEID.

Bovendien moeten wij bedenken dat ook de moderne tijd een werkelijk mense­lijke zaak opgeleverd heeft. Noemen wij de ZUIVERE WETENSCHAP die omwille van zichzelf bedreven wordt. Deze zaak is zeker even waardevol als de SCHOONHEID van de oudheid. De wetenschap en de kunst gaan in geen eenzijdigheid op, maar elk van die twee wordt om te beginnen in een andere cultuurperiode van de mens­heid opgeleverd. En zo'n cultuurperiode zčlf was en is een EENZIJDIGHEID.

De oudheid kende het begrip ARBEID niet. Dit betekent niet dat er niet ge­werkt werd, maar dit betekent dat het werk nog niet OBJECTIEF was. Het was een werk dat DIRECT betrokken was bij het bestaan van een of andere BEPAALDE mens of een BEPAALDE groep van mensen. Qua LEVENSONDERHOUD was er in de oudheid dus IETS aan de hand; er was geen enkele vorm van LEVENSZEKERHEID.

 

Landen als bijvoorbeeld INDIA roepen heden ten dage nog sterk de herinnering op aan de oudheid; doordat de OBJECTIVITEIT nog niet in het besef van de mensen is doorgedrongen is er ook geen VOORUITGANG te bespeuren.


Er is immers niets waartegen de mensen zich ŕf kunnen zetten, want er is eigenlijk niets dat zij als BUITEN ZICH ervaren. Dus blijft alles zoals het is. Dit herinnert aan de vrouwelijke sfeer van de oudheid: het is een INITIATIEFLOZE VROUWELIJKE WERELD.

Het vrouwelijke als EENZIJDIG het begrip TWEE is een werkelijkheid die ZONDER CONCRETE INHOUD is; desnoods is de ABSTRACTE INHOUD enorm rijk te noemen, maar PRAKTISCH en FEITELIJK is er niets aan de hand. De concrete inhoud van de vrouw als eenzijdig het begrip TWEE is een LEEGTE. De mensheid van de oudheid had het begrip TWEE als de maat en daardoor was die mensheid CONCREET zonder enige in­houd, zoals wij dat vandaag de dag nog zien bij een SLAPENDE CULTUUR als die van INDIA.

De cultuurverhalen uit de oudheid bijvoorbeeld toveren ons een prachtige wer­kelijkheid voor, doortrokken van GEEST en HELDERHEID en SCHOONHEID. De CULTURELE inhoud van die verhalen is RIJK, maar wij moeten ons toch afvragen: wat hebben wij PRAKTISCH aan een GEDACHTE? Kan een gedachte op zichzelf ons dagelijkse leven in orde doen zijn? Als er bijvoorbeeld niet te eten is en als de kinderen ver­kommeren zonder dat wij er iets aan kunnen doen? Een gedachte zňnder PRAKTISCH bestaan of zonder de. MOGELIJKHEID van een praktisch bestaan, is een LEGE ge­dachte, ook al heeft hij CULTUREEL een rijke inhoud. Die gedachte is namelijk IN ONS DAGELIJKSE LEVEN NIET WAAR.

 

De GRIEKSE KUNST staat op een zeer hoog niveau; het is een enorme culturele rijkdom waaraan zich zelfs vandaag de dag nog vele mensen leven. Maar ook die schoonheid is ZONDER CONCRETE INHOUD. Om dit duidelijk te maken wil ik op twee aspecten van het Griekse kunstenaarschap wijzen.

Als eerste de MAATSCHAPPELIJKE SITUATIE. De Griekse kunstenaars en filosofen en geleerden behoefden niet in hun levensonderhoud te voorzien, netzomin trou­wens als alle gezeten burgers. ANDEREN werkten voor deze mensen, de SLAVEN bij­voorbeeld en de eenvoudige handwerkslieden. Daardoor konden de anderen zich met cultuur bezig houden. Deze cultuur heeft dus geen CONCRETE inhoud; zij staat volkomen LOS van het BESTAAN. De kunstenaar had met het bestaan, met zijn eigen bestaan NIETS te maken. Zijn leven had dus geen concrete inhoud. Deze verhou­ding geldt voor de gehele oudheid.

Ten tweede moeten wij eens kijken naar het UITGANGSPUNT van de Griekse kunst.

Bezien wij bijvoorbeeld een AFRODITE, dan zien wij dat daarin niet vercalculeerd is dat er in de praktijk EEN BEPAALDE VROUW is, d.w.z. dat elke vrouw als een zeer bepaald geval aanwezig is. Wij zien dus geen PERSOONLIJKE gevoelens en een persoonlijke VORM of welk persoonlijk aspect van de mens dan ook. Het uit­gangspunt voor elk Grieks beeld is een FORMULE, een ABSTRACTIE dus. Het uitgangs­punt is derhalve niet concreet, het is niet die of die bestaande mens. Bij een schilderij van REMBRANDT is het uitgangspunt wčl een bestaande mens, bijvoor­beeld HENDRIKJE STOFFELS, en VANUIT dat uitgangspunt is de zaak tot SCHOONHEID ňpgevoerd, dus tot ALGEMEENHEID opgevoerd.

De kunst van de oudheid heeft een ABSTRACT uitgangspunt; het gaat om een cul­tuurgedŕchte of een ZIEN van de werkelijkheid. De kunst van de moderne mens heeft een CONCREET uitgangspunt; in beide gevallen is het een EENZIJDIGHEID want in het eerste geval is er de LEEGTE en in het tweede geval is er de ROMMEL die in grote hoeveelheden OM DE MENS HEEN STAAT en ook nog steeds niet zijn INHOUD is geworden.

Inzake de ABSTRACTE LEEGTE van de oudheid kunnen wij ook nog wijzen op de in­dertijd gebruikelijke RELIGIEUZE PROSTITUTIE. Het ging er daarbij voor de vrouw om zich, voordat zij in het huwelijk trad, te geven aan een willekeurige VREEMDELING. Het ging hier dus duidelijk om een abstractie: alle concreetheden die aan de man te bedenken zijn mochten NIET GELDEN. Daarom moest het een vreemde­ling zijn die de vrouw niet kende. Verder is er in velerlei variaties het ver­haal van de MAAGD MET HET KIND; het vrouwelijke dat uit zichzelf voortgebracht heeft, d.w.z. vanuit EIGEN ABSTRACTE INHOUD. Het vrouwelijke dus dat niet door een BEPAALDE MAN benaderd was en dus geen bepaalde inhoud had.

We hebben hier dus louter te doen met het feit dat de inhoud van het begrip TWEE het begrip EEN is, en deze zaak op zichzelf is ABSTRACT want aan enkel maar het begrip EEN is niets bestaands te bedenken. Dat blijkt uit duidelijk uit de Joodse god JAHWE die de volkomen abstractie was. Zonder vorm, zonder kleur, zonder iets naast zich te dulden, enzovoort.

Zo zien wij dus de ONVOLWASSEN MENS altijd naar zijn accent gelden; om te beginnen naar het accent TWEE en daarna naar het accent EEN.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 23 november 2009)

 

Dinsdag, 28 januari 1969

No. 20

 

De abstracte inhoud als man

We hebben gezien dat de OUDHEID in de sfeer van het begrip TWEE stond. Dat was het VROUWELIJKE, eenzijdig naar haar accent. In die situatie is de INHOUD van het vrouwelijke een ABSTRACTIE, want het is zonder meer het BEGRIP EEN.

De mensheid bestaat uit een aantal afzonderlijke mensen, vrouwen en mannen en deze mensen ZIJN ER WERKELIJK; dŕt is het CONCRETE GEGEVEN. De MENSHEID zčlf is een BEGRIP; de mensheid zčlf bestaat niet. De afzonderlijke vrouwen en mannen uit de oudheid leefden in de sfeer van het vrouwelijke. Het spreekt vanzelf dat die mensen zich van hun CULTUUR nauwelijks iets bewust waren; in slechts enkelen uitte zich de geldende cultuur en ook dezen waren zich van hun cultuur zčlf niet bewust. Waarom dit zo is zullen wij later bespreken. Ondanks het feit dat de vrouwen en mannen zich niet bewust waren van hun cultuur, GOLD deze cultuur wčl voor hen en daardoor waren er natuurlijk allerlei verschijnselen onder de men­sen, die zij zčlf NORMAAL vonden, maar die ONS opvallen als typische uitingen van die bepaalde cultuur.

De man bijvoorbeeld besefte zichzelf als de BEVRUCHTER, hij deed het leven ont­kiemen in de moederschoot. Met dat ontkiemde leven zčlf had hij niets te maken want dat leven is IN het VROUWELIJKE. De vrouw besefte natuurlijk ook dat de man de BEVRUCHTER was. Hij was haar inhoud als de bevruchter; hij was het die in haar het leven verwekte.

De man stoot de ZAADCEL af; deze zaadcel is natuurlijk een DING, het is niet iets abstracts dat niet bestaat. Maar dit bestaande ding, die zaadcel, gčldt als abstractie; het is in levende lijve een ABSTRACTIE. Want het is in levende lijve HET BEGRIP EEN, en alleen maar als zodanig was in de oudheid de man inhoud van de vrouw. Het behoeft ons dan ook niet te verbazen dat de PHALLUS hčt sexuele symbool bij uitstek was. Uit het mannelijke lid kwam de inhoud van de vrouw voort en die inhoud betekende voor haar LEVEN dat voortgebracht werd. Wij moe­ten er goed op letten dat DE MAN niet het sexuele symbool was, maar de PHALLUS, het mannelijke LID. De phallus beduidde dus het mannelijke en dat gold als le­venwekkende inhoud van het vrouwelijke. Daarom is de phallus niet zómaar het mannelijke lid, maar het is het GESTEVEN LID, d.w.z. gericht op het vrouwelijke, als ALTIJD haar inhoud.

Wij kennen de man slechts als VOORTBRENGER en dat is heel iets ŕnders dan de BEVRUCHTER. Wij WETEN wel dat de man de vrouw bevrucht, maar daarom gaat het ons niet; het gaat ňns om het feit dat het leven dat hij in de vrouw verwekt heeft DOOR HEM verwekt is en dus uit hem VOORTGEKOMEN is, zij het dan VIA de VROUW. De kinderen zijn voor ons besef dan ook VAN DE MAN; wij zien dit in het erfrecht. De kinderen heten naar de vader en alles richt zich op de vader.

Nu kunnen wij ons afvragen of de man in de oudheid een min of meer ONDERGE­SCHIKTE POSITIE innam ten opzichte van de vrouw. Omdat hij toch in zekere zin ANONIEM was - want dat is de man als bevruchter natuurlijk. Als wij tot een ant­woord willen komen moeten wij ons realiseren dat voor de ONTWIKKELINGSMENS al­tijd geldt dat de MAN superieur is; hij is dat niet čcht, maar hij is dat voor die mens. Dit geldt dus voor zowel de MODERNE TIJD als voor de OUDHEID en het komt voort uit het karakter van de ONTWIKKELING. In de oudheid derhalve gold cultureel de man slechts als abstracte inhoud van het vrouwelijke en was er verder CONCREET niet veel aan de hand, maar dan alleen voorzover het ging over verhouding VROUW-MAN, die eigenlijk slechts een SEXUELE verhouding betrof.

In de praktijk van het dagelijkse leven was - behoudens enkele uitzonderingen -  ­de man de baas. Als dat praktische leven op een cultureel plan lag, zoals dat met de PHARAO van EGYPTE het geval was, dan handelde de man NAMENS het vrouwe­lijke, dus namens de KONINGIN. Hij vertegenwoordigde de vrouw, maar dat deed hij geheel zelfstandig; hij wachtte haar orders niet ŕf, hij zei slechts te handelen uit haar naam.

Het mannelijke stond ALS ABSTRACTIE in het licht van het vrouwelijke, dus het mannelijke BOVEN ZICHZELF UIT behoorde IN HET VROUWELIJKE. Dit beeld zien wij ook duidelijk als wij erotische afbeeldingen bezien uit de oudheid. Van derge­lijke afbeeldingen zijn er talloze en nu bedoelen wij nog niet eens in de eerste plaats die afbeeldingen die een RELIGIEUZE betekenis hadden. De oudheid kende het TABOE op de sexualiteit nog niet maar was er daarentegen sterk mee verbon­den.

 

Wij zien dan ook op allerlei gebruiksvoorwerpen erotische afbeeldingen; bij die afbeeldingen nu is het opvallend dat de dominerende figuur in het liefdesspel de VROUW is. Zij is degene die in dat spel maatgevend is en het gaat allemaal om HAAR beleven van de zaak; vandaar dat zij in de erotiek VRIJ is, d.w.z. zij is de BOVENLIGGENDE PARTNER, de partner die het spel bepaalt.

Ook dit betekent niet dat de man ONDERGESCHIKT is aan de vrouw, maar het betekent wčl dat hij IN DE VERHOUDING VROUW-MAN voorzover die verhouding SEXUEEL is niet dege­ne is waarom het gáát. In die verhouding heeft hij ABSTRACTE INHOUD te zijn en verder niets.

Als de man ABSTRACTE INHOUD is van de vrouw, dan geldt de man in dit verband dus eigenlijk als BOVEN ZICHZELF UIT en hier hebben wij te maken met het EXTA­TISCHE MOMENT. In de extase of in de roes is de man inhoud van het vrouwelijke, dus inhoud van SCHOONHEID. Hij loopt extatisch in schoonheid uit. De kunstenaars in de oudheid stonden in hoog aanzien omdat we hier te maken hebben met het man­nelijke dat zichzelf als uitlopend in schoonheid laat gelden. De gedachte name­lijk die tenslotte schoonheid is. En ook de man zčlf, voorzover hij GEDACHTE was, werd als schoonheid gesteld; denk bijvoorbeeld aan APOLLO. Terwijl toch voor de man op zichzelf het begrip schoonheid niet geldt; hij is echter INHOUD van schoonheid voorzover hij ABSTRACT is. Daarom is APOLLO dan ook een LICHTGOD en hij was een BOOGSCHUTTER wiens pijlen, vanaf grote afstand geschoten, nooit hun doel misten. De pijl is het DOORDRINGENDE, hij symboliseert het DENKEN.

Voorzover dus in de oudheid de man als SCHOONHEID getekend wordt is hij dat niet OP ZICHZELF, maar is hij dat als BOVEN ZICHZELF UIT en dan is hij INHOUD van schoonheid. Daarom is hij in deze situatie altijd als BETROKKEN OP HET VROUWELIJKE getekend. De man OP ZICHZELF ALS MAN komt cultureel in de oudheid nog niet voor. De vrouw echter is wčl ZELF schoonheid, maar de inhoud daarvan is LEEG, d.w.z. de inhoud is een ABSTRACTIE, een gedachte.

 

Het begrip inhoud in de moderne tijd

Geheel anders is de situatie in de moderne tijd, want alles staat in het licht van het begrip EEN, en ook dit weer in alle eenzijdigheid. Dan is de man de VOORTBRENGER; hij is het die voor alle leven gezorgd heeft, en al dat leven is dan niet meer EEN GEHEEL, maar het is een VERZAMELING EENLINGEN. Het is dan allemaal uit het MANNELIJKE, allemaal uit EEN.

Een grote consequentie hiervan is het feit dat er VOORUITGANG optreedt, want de mens is zichzelf gaan zien als een EENLING NAAST DE ANDERE EENLINGEN. En de mens zet zich tegen de ŕnderen ŕf, juist omdat hij zichzelf als een EENLING her­kend heeft. De vooruitgang is geen gevolg van de ABSTRACTIE maar van het besef een EENLING te zijn; een eenling die zich heeft te handhaven en te bevestigen temidden van de ŕnderen, die daar ook op uit zijn. Dit zou niet kunnen zonder het gelden van het begrip EEN, maar dit laatste is er niet de AANLEIDING toe.

De vooruitgang is niet gekomen dank zij de nobele abstracties, maar vanuit het streven van de mens als EENLING om boven de anderen uit te komen. Om met betere en grotere schepen meer WINST te kunnen maken en als gevolg daarvan meer MACHT te bezitten. Dŕt heeft de vooruitgang kracht gegeven, maar niet het feit dat de mens het abstracte leerde kennen. Het is de CONCURRENTIE die de vooruit­gang gaande houdt: het door de één bereikte punt is het steunpunt voor de ŕnder.

In de moderne cultuur is het MANNELIJKE bezig zichzelf te ontdekken, maar zo­lang het daarmee BEZIG is hééft het zichzelf nog niet ontdekt en dat betekent dat de mens alsmaar VERZAMELT zonder te weten waar het verzamelde thuishoort. Er is dus een heleboel ROMMEL om de moderne mens heen, maar behalve dat is er ten opzichte van het VROUWELIJKE ook iets gebeurd.

In de oudheid namelijk had het vrouwelijke een LEGE, want een ABSTRACTE, inhoud en deze zaak was rijk aan gedachten. Maar in de moderne tijd is ook die inhoud van het vrouwelijke verloren gegaan, want het begrip EEN is OP ZICHZELF komen te staan. En als EEN op zichzelf staat is verder ALLES buitengesloten en dan is ook het besef inhoud van iets ŕnders te zijn verdwenen. De rijke abstracte inhoud van het vrouwelijke is dus in de moderne tijd verloren gegaan en er is alsnog geen CONCRETE inhoud gekomen want de mens als het begrip EEN heeft zichzelf nog niet ontdekt.

In de moderne tijd staat het vrouwelijke dus niet met een LEGE INHOUD - en dat is toch altijd nog een INHOUD - maar het staat ZONDER INHOUD. Het gaat dus ten aanzien van het vrouwelijke NERGENS MEER OVER. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de wezenlijke ONTKENNING van het MOEDERSCHAP, dat een zaak van KEUZE is gewor­den. En in de oudheid betekende het vrouwelijke nog SCHOONHEID en LIEFDE, maar in de moderne tijd is het vrouwelijke IDEAALBEELD de PIN-UP GIRL. De vrouw met de IDEALE MATEN en met géén hersens.

 

Moederschap(A) ; Moederschap(B) ;

 

 

 

 DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 24 november 2009)

 

Dinsdag, 4 februari 1969

No. 21

 

De sexualiteit en de moderne cultuur

De vorige keer heb ik er op gewezen dat in de moderne cultuur het vrouwelij­ke ZONDER INHOUD is komen te staan. Ook moeten wij acht slaan op het feit, dat de LEGE INHOUD, zoals die voor de vrouw uit de OUDHEID gold, een heel andere situatie behelst dan het ZONDER INHOUD zijn van de moderne vrouw. Het begrip LEGE INHOUD gaat wčl over een INHOUD, maar het begrip ZONDER INHOUD is de ont­kenning van het begrip INHOUD. Een lege emmer is een emmer waarin niets zit, maar waar wčl iets in kŕn; de emmer heeft dus een INHOUD. Als het begrip EEN maatgevend is geworden, cultureel, is er van INHOUD helemaal geen sprake meer.

Het begrip EEN is OP ZICHZELF komen te staan, zoals in de oudheid het begrip TWEE op zichzelf stond. Deze twee situaties geven een geheel ander wereld­beeld te zien; als EEN op zichzelf staat, staat er heel iets anders dan wan­neer TWEE op zichzelf staat. In het laatste geval hebben wij toch te maken met iets dat een INHOUD heeft en deze inhoud betreft ALLES wat er is. Er is niets buitengesloten. Daarom spreken wij in dit verband van het begrip HET GEHEEL, hoewel dit niet helemaal juist is. Want dit geheel heeft niet zo erg veel om het lijf, omdat het door dit geheel INGESLOTENE als ABSTRACTIE geldt, en dit is eigenlijk bij het čchte geheel, dat de werkelijkheid zčlf is, niet het ge­val. Daar is het de CONCRETE werkelijkheid, die ingesloten is. Als het begrip EEN op zichzelf staat is er niets ingesloten, integendeel: alles is BUITENGE­SLOTEN. Dus is het begrip INHOUD niet aanwezig.

We spraken over de moderne vrouw als over de PIN-UP GIRL; hiermede bedoelen we natuurlijk niet dat elke moderne vrouw een pin-up girl is, maar wčl bedoe­len we hiermee dat het vrouwelijke ideaal, het culturele besef omtrent de vrouw, in de grond van de zaak niet verder gaat dan IDEALE MATEN. Wij noemen dat dan CHARME en elke westerse moderne man is erop uit een vrouw te vinden die voldoet aan de eisen die zijn POSITIE hem stelt en die eisen gaan wezenlijk niet verder dan GOEDE MANIEREN, een aantrekkelijk voorkomen en dergelijke. In de wat meer eenvoudige mensen liggen de OERMENSELIJKE BEGINSELEN zuiverder omdat die men­sen niet zó erg bevangen zijn in hun eigen cultuur - hetgeen overigens ook weer niet betekent dat die mensen BOVEN HUN CULTUUR UITGAAN. Dŕt is een heel ŕndere zaak. Maar de mensen van de MODERNE CULTUUR voelen het vrouwelijke niet verder aan dan PIN-UP en elk besef omtrent wčrkelijke vrouwelijkheid is verge­ten. Dit allemaal door het gelden van het begrip EEN.

Nu gaan deze mensen met elkaar om, de vrouw in het licht van het begrip EEN en de man in datzelfde licht. En bekijken wij deze omgang nu eens in engere zin, namelijk als een SEXUELE OMGANG. Daarbij komt aan den lijve voor de dag dat de man INHOUD is van de vrouw, omdat het accent EEN inhoud is van het ac­cent TWEE. De omgang op grond van die twee ACCENTEN is de sexuele omgang van de mens. Dat geldt natuurlijk voor de moderne mens ook en dus is het ook bij die moderne mens gebruikelijk dat de man IN DE VROUW gaat en dat de vrouw hem IN ZICH ONTVANGT. Dit is dus de SEXUALITEIT OP ZICHZELF en dat gaat BUITEN CUL­TUUR om, zodat dit ook bij de moderne mens voorkomt. Maar hoe staan die moderne mensen nu sexueel tegenover elkaar? Want het begrip INHOUD is onbekend; het zijn beiden EENLINGEN die geheel OP ZICHZELF staan en die sexueel op elkaar be­trokken zijn. Het zijn dus TEGENPOLEN waartussen SPANNING bestaat en aangezien die tegenpolen niets aan elkaar kůnnen beseffen is er alleen maar een besef van en een reageren op de SPANNING. Dit is de PRIKKEL, de sexuele prikkel die steeds meer maatgevend wordt.

Voor de sexualiteit geldt eigenlijk: het organisme geaccentueerd als EEN en het organisme geaccentueerd als TWEE, en die twee IN ELKAAR, zodat er een or­ganisme is waarvoor wčl de begrippen EEN en TWEE gelden, maar niet de ACCEN­TEN, want de accenten zijn in de sexualiteit OPGEHEVEN. Leonardo da Vinci sprak van "één verschijnsel met twee ruggen" en daarmee typeerde hij de zaak precies. De verhouding tussen de begrippen EEN en TWEE, voorzover die als één organisme IN ELKAAR zijn, is dan deze dat EEN inhoud van TWEE is, maar dŕt weet de moderne mens niet en dus weet hij ook niet dat het over één verschijnsel gaat. Het gaat voor hem over TWEE verschijnselen en daarom gaat het voor hem sexueel om de SPANNING tussen die twee verschijnselen. Vandaag de dag is hij dan al zover dat hij het BELANG van die spanning herkend heeft en er toe over­gegaan is die spanning op te voeren. Hij reageert op de PRIKKEL die er is tus­sen het vrouwelijke en het mannelijke. Het gaat over

VERLIEFDHEID.

 


De omgang vrouw-man is bij de moderne mens steeds duidelijker geaccentueerd als VERLIEFDHEID, hoewel die verliefdheid door vrijwel iedereen als LIEFDE aangevoeld wordt en die liefde is aanleiding tot een HUWELIJK over te gaan met het onontkoombare vooruitzicht straks "op elkaar uitgekeken" te zijn. De men­sen blijven dan nog bij elkaar om allerlei redenen, of ze gaan om weer andere redenen, bijvoorbeeld een nieuwe verliefdheid, uit elkaar, maar hoe het ook zij, de LIEFDE is voorbij. Liefde echter kŕn niet voorbij gaan; het enige dat voor­bij gaat is de VERLIEFDHEID, omdat de SPANNING niet kan blijven bestaan en er tenslotte geen enkele PRIKKEL meer is die die spanning weer op kan roepen.

Tussen vrouw en man is ALTIJD spanning omdat nu eenmaal het ENE VERSCHIJNSEL zich als TWEE verschijnselen manifesteert. Er zijn dus altijd twee TEGENPOLEN waartussen spanning is. Die spanning op zichzelf is SEXUALITEIT ŕls tenminste die tegenpolen zich beseffen als EEN ZAAK, zodat dus EEN inhoud is van TWEE. Beseffen de tegenpolen zich niet als EEN ZAAK dan is die spanning er tňch, maar het is voor die mensen GEEN SEXUALITEIT maar PRIKKEL, want het gaat om datgene dat ieder zčlf voelt. Als de zaken zó komen te liggen, dan verliest het SEXUELE GEDOE tussen de moderne vrouwen en mannen zijn wezenlijk sexuele karakter en komt in het licht te staan van alleen maar PRIKKEL. Dat is tegen­woordig duidelijk te constateren: de moderne mens is steeds meer en steeds vrij­er sexueel bezig en toch gaat het steeds minder over SEXUALITEIT en steeds meer over PRIKKELENDE aangelegenheden. De enorme vraag naar de zogeheten PORNOGRAFIE spreekt in dezen boekdelen. Maar in geen enkele pornografische film en in geen enkel boek, of wat dan ook, gaat het over sexualiteit omdat er geen wčrkelijke SPANNING kŕn zijn omdat er geen besef is EEN VERSCHIJNSEL te zijn.

Tegenwoordig behoort het tot de "bon ton" om HOMOSEXUEEL of LESBISCH of BI­SEXUEEL te zijn, vooral onder de intellectueel-artistieke mensen. Maar met recht is de vraag te stellen: zijn deze mensen wel homosexueel of lesbisch of PRIKKELEN ze zichzelf en elkaar alleen maar OP DIE WIJZE? En ook de vrijende mensen in de pornografische films en tijdschriften, vertonen die nu sexualiteit of wat ŕnders, hoewel ze SEXUEEL BEZIG ZIJN. Deze vraag is PRAKTISCH niet te beantwoorden, maar men kan wčl proberen de SFEER aan te voelen en die is in geen enkel geval werkelijk SEXUEEL. De sfeer is alleen maar PRIKKELEND.

Dat de spanning tussen vrouw en man steeds meer zijn SEXUELE kwaliteit ver­liest om zodoende steeds meer tot PRIKKEL te worden, is ook op andere terreinen te constateren, bijvoorbeeld op het terrein van de KUNST. De hedendaagse kunst is volkomen ASEXUEEL - en dat betekent natuurlijk niet dat er geen sexuele VOOR­STELLINGEN bij te pas komen. Ook als die er wčl zijn, en dat is vaak genoeg het geval, is de moderne kunst asexueel, terwijl de kunst der oudheid en van de Grieken wel degelijk sexueel was. Het vrouwelijke namelijk, en de schoonheid zijn nooit zonder sexualiteit omdŕt het gelden van het begrip TWEE altijd een INHOUD met zich brengt, ook al is die abstract. En die inhoud is natuurlijk het MANNELIJKE, namelijk het begrip EEN, zodat we altijd te doen hebben met een verhouding tussen TWEE en EEN en dus ook met SEXUALITEIT. De werkelijke KUNST, die zich namelijk met SCHOONHEID bezig houdt, is nooit zonder het sexuele moment. Bij gelegenheid zullen wij hier nader op ingaan.

 

Een opmerking over het moederrecht

In de oudheid kwam hier en daar MOEDERRECHT voor, maar de oudheid stond als geheel NIET in het teken van het moederrecht. Al heel vroeg in de cultuurgeschiedenis komen er vormen van het HUWELIJK voor en heel oude samenlevingen kenden zelfs al een zeker HUWELIJKSRECHT.

Op de achtergrond echter van het MOEDERRECHT staat altijd het HUWELIJK; het is een JURIDISCH ANDERE SITUATIE dan die van het huwelijk. Die situatie is er wel dank zij OUDERE CULTUURBESEFFEN in de mensheid maar dat doet aan de zaak niets toe of ŕf. Bij het moederrecht loopt de erfelijkheid en alles wat daar­mee samenhangt VIA DE MOEDER. Dat is een JURIDISCHE KWESTIE. Het gaat dus over culturen die HET RECHT reeds kenden en dat betekent dat het over de ONT­WIKKELINGSMENS gaat. De verhalen echter waarvan BACHOFEN spreekt dateren uit tijdperken vóórdat de mens zich van het recht bewust was geworden. Toen gold het INTUITIEVE RECHT en uiteraard werd toen alles gezien VANUIT DE MOEDER, maar van RECHT, in onze betekenis van het woord , was nog niet te spreken. Zodat we moeten constateren dat BACHOFEN zich in dit opzicht vaak vergist, hetgeen echter niets afdoet van de kwaliteit van zijn werk waar het gaat over de interpretatie van de oude verhalen.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 24 november 2009)

 

Dinsdag, 11 februari 1969

No. 22

 

Het begrip spanning en het begrip prikkel

De vorige week hebben wij terloops de begrippen SPANNING en PRIKKEL ter spra­ke gebracht, zonder daarop dieper in te gaan. Thans willen wij dit wčl doen.

Het hele ORGANISME, en dus ook het organisme MENS, valt uiteen in TWEE orga­nismen, en dan geldt voor het éne organisme het begrip EEN en voor het andere organisme het begrip TWEE. Ondanks dit uiteenvallen hebben wij te maken met één verschijnsel. Het feit dat de twee verschijnselen toch eigenlijk één ver­schijnsel zijn heeft tot logisch gevolg dat er een RELATIE is tussen zowel het éne en het ŕndere verschijnsel als andersom. De vraag is nu welke relatie dit is en hoe dat zich manifesteert.

Om te beginnen is vast te stellen dat genoemde RELATIE buiten de twee ver­schijnselen zčlf valt omdat hij ERTUSSEN ligt, zonder dat wij anderzijds mogen zeggen dat de beide verschijnselen VREEMD zijn aan die relatie. Als wij het WORDINGSPROCES bezien constateren we bij het verschijnen van de ORGANISMEN het uiteenvallen en van die gang van zaken is de MENS het laatste geval. Of het nu dus over de mens gaat of niet, het uiteenvallen is er zodra het organisme er is. Geen enkel organisme, en dus ook niet de mens, heeft hierin enige moge­lijkheid tot wijzigen van deze gang van zaken. De mens staat dus ook MACHTE­LOOS wat dit betreft, hij valt uiteen in vrouw en man en daarmee is het uit. Het aanwezig zijn van de RELATIE - hoe die ook is - is derhalve ook een zaak die BUITEN DE MENS OMGAAT. De relatie is er, en daarmee uit.

De organismen zijn niet VREEMD aan de genoemde relatie, en ook de mens is er niet vreemd aan; voorzover we echter van de mens kunnen zeggen dat hij INTELLECT is, is hij er wčl vreemd aan. Hierover straks meer.

Wij hebben te doen met één zaak, en deze éne zaak loopt uit in twee TEGENPO­LEN. In deze situatie is er tussen die twee tegenpolen SPANNING. Deze spanning is er natuurlijk dank zij het feit dat er twee TEGENPOLEN zijn, maar die span­ning zčlf ligt BUITEN die polen. Hieraan kunnen die polen niets toe of ŕf doen. Dit is een belangrijk feit, dat in de PRAKTIJK van de liefde duidelijk naar voren treedt: de spanning tussen de vrouw en de man, in het liefdesspel bijvoorbeeld, gaat geheel buiten beider WIL om. De spanning is er altijd, maar het GELDEN ervan varieert; als de spanning zich tussen twee mensen zwak laat gelden is er voor de mens geen enkele mogelijkheid dit te veranderen. Hij staat volkomen MACHTELOOS en hij komt er ook niet achter waarom dit allemaal zo is. Als we nu te doen hebben met de twee tegenpolen, die zich laten gelden als één zaak, zodat er dus zuiver de SPANNING is tussen die twee, dŕn spreken we in dit verband over SEXUALITEIT.

We laten nu even de ŕndere betekenissen van het woord sexualiteit voor wat ze zijn.

Het is duidelijk dat de sexualiteit BUITEN ELK CULTUURBESEF OMGAAT, want het gaat buiten het BEWUSTZIJN om omdat het er als het ware zómaar is. Hierbij is nog een opmerking op zijn plaats. De organismen, en dus ook de mens, zijn niet vreemd aan de spanning, zij zijn er namelijk in BETROKKEN. De mens ondergaat de sexuele spanning omdat hij in die zaak BETROKKEN is. Evenwel is hij er als BEWUSTZIJN en ZELFBEWUSTZIJN niet in betrokken, want als zodanig behoort de mens eigenlijk niet meer bij het WORDINGSPROCES en dus ook niet bij de SPLIT­SING van de organismen in twee organismen. De mens ERVAART in zijn bewustzijn het feit dat hij bij het sexuele BETROKKEN is: dat is wat wij noemen het ONDER­GAAN ervan. Soms wil de mens die ervaring niet, hij vindt dŕn dat het sexuele MINDERWAARDIG is en hij wil dat niet ondergaan. Het BEWUSTZIJN heeft hiertegen geen bezwaar; het bewustzijn gaat zijn eigen weg, maar intussen is het onder­gaan van het sexuele er niet uit te krijgen. Dat hebben zoals bekend vele HEILIGEN bemerkt: het ondergaan van het sexuele was niet uit te bannen, want als zij het in hun BEWUSTZIJN hadden wčggemoffeld, dan kwam het bijvoorbeeld in hun dromen weer voor de dag.

Anderzijds is het een bekend feit dat het ERVAREN van het betrokken-zijn in het sexuele door andere ervaringen overwoekerd kan worden. Iemand kan bijvoor­beeld volledig in zijn werk ňpgaan zodat dit hem nooit loslaat, en dan gaat dit als een REM werken.

Ook dan is echter de SPANNING wel aanwezig, maar het onder­gaan ervan is op de achtergrond gedrongen. Onnodig te zeggen dat ook dit tot RAMPEN leidt, net zoals dat bij de genoemde HEILIGEN het geval was. Het BE­WUSTZIJN heeft geen vat op de sexualiteit zčlf; derhalve werkt het onder alle omstandigheden REMMEND op het ERVAREN ervan omdat het hierin geen rol heeft te spelen.

 

Hiermee bedoelen wij niet dat de sexualiteit dus zňnder het bewustzijn moet, maar wij bedoelen dat het bewustzijn de sexualiteit moet laten voor wat zij is. Dit kunnen wij de SEXUELE VRIJHEID noemen, maar hierover later meer.

Het BEWUSTZIJN heeft niets met de SPANNING, met de SEXUALITEIT, te maken. En dit is de grond voor het bekende westerse en moderne TABOE op al het sexuele.

Vanuit het EENZIJDIGE INTELLECT namelijk is de spanning een zaak van lagere or­de, iets MINDERWAARDIGS, omdat het zich niet vangen laat door het ZELFBEWUST­ZIJN, dat een INTELLECTUEEL ofwel VERSTANDIG bewustzijn is.

De spanning ligt TUSSEN de twee tegenpolen en gaat als zodanig buiten die polen om. Toch hebben de polen ermee te maken: zij zijn er in BETROKKEN. Dus voor MIJ laat zich gelden dat IK één van de polen ben. Nu ligt de klemtoon op MIJZELF; het gaat er nu om wat IK ervaar aan de spanning. In dit geval is de spanning tot PRIKKEL geworden; hij dient ertoe om mij in een bepaalde toestand te brengen. Ik laat de spanning niet voor wat ze is maar ik doe er iets mee in mezelf zodat ik OPGEWONDEN word en die

OPWINDING is de bedoeling van de hele zaak. De zogeheten PORNOGRAFIE is ook als PRIKKELEND bedoeld.

Deze gang van zaken, dat de spanning namelijk door MIJ benut wordt om in OPWINDING te geraken, is wčl een BEWUSTE aangelegenheid. De mens gaat er be­wust op uit om zichzelf te prikkelen; hij organiseert een "gezellige avond" of hij wordt lid van een "sleutelclub" of hij gaat opwindende literatuur kopen of hij forceert iemand naar een bepaalde stemming toe, enzovoort. Dit gehele gedoe betreft de mens als BEPAALDHEID, die OP ZICHZELF GERICHT is. Trouwens alles wat de mens doet OM ZICHZELF is een BEWUSTE zaak want is een zaak die het WETEN OMTRENT ZICHZELF vooronderstelt. Zo dus ook hier.

Dat het zichzelf prikkelen een bewuste zaak is blijkt bijvoorbeeld ook uit het feit dat de mens op sexueel gebied kan FANTASEREN; hij kan zich allerlei situaties fantaseren en daardoor in opwinding geraken. Dit is algemeen voorko­mend en het wordt tegenwoordig zelfs wel aanbevolen om een doodgelopen verhou­ding weer wat leven in te blazen.

Als het gaat over de PRIKKEL hebben wij dus eigenlijk te doen met een zaak die TEGEN HET WEZEN van de sexualiteit inligt, omdat het iets is waarin het BEWUSTZIJN de maatgevende rol speelt. Dit zal ons, min of meer moderne mensen, verbazen omdat wij steeds meer met het PRIKKELENDE geconfronteerd worden, en dit dan ook nog in verband met de zogenaamde VRIJE SEXUALITEIT. De TABOE'S moeten verdwijnen in de sexualiteit en daarvoor in de plaats stelt de moderne mens de PRIKKEL en helemaal geen SEXUALITEIT. Toch kan de prikkel de sexuali­teit alleen maar in de weg staan.

De prikkeling moet GEVOED worden, want uit zichzelf kan hij niet blijven be­staan. Niets van datgene dat de mens OM ZICHZELF doet kan bestaan zňnder VOE­DING; het komt allemaal neer op BEHOEFTEN en de BEVREDIGING daarvan en zo zijn we terecht gekomen op het terrein van ETEN EN DRINKEN. Dat betreft allemaal de mens als OP ZICHZELF GERICHTE BEPAALDHEID. Het is tegenwoordig algemeen gangbaar dat de mens in deze sfeer denkt, en hoe kan het ook ŕnders: de mens naar zijn accent EEN is de op zichzelf gerichte mens, die alles als een BEHOEF­TE en een FUNCTIE ziet. De mens als het begrip EEN komt sexueel niet verder dan PRIKKELING. Deze prikkeling is natuurlijk een ACTIVERING VAN MATERIE, want ma­terie is de mens natuurlijk. Elke activering van materie heeft ENERGIE nodig en als die energie er niet is zakt de activering wčg. De verhouding vrouw-man die op deze basis aanwezig is, kŕn derhalve niet anders dan verongelukken, want het is niet mogelijk om BLIJVEND de prikkeling te voeden, terwijl er nog bijkomt dat het voeden van de PRIKKELING betekent dat er een zaak gevoed wordt die tégen het wezen van de sexualiteit inligt. Zodat dus de ondanks alles toch in de mens aanwezige SEXUALITEIT nog steeds meer op de achtergrond raakt ook!

Wat wij gewoonlijk een VERLIEFDHEID noemen valt ook onder het begrip PRIK­KELING; het is ook door en door OP ZICHZELF GERICHT. Toch is dit bij JONGE MENSEN in orde: zij staan op de GRENS van hun VOLWASSENHEID zodat het een vol­komen NATUURLIJKE gang van zaken is dat zij de SPANNING op zichzelf betrekken. Dit doen zij niet BEWUST, het gaat VANZELF zo en daarom kunnen wij zeggen dat die jonge mensen één en al prikkeling zijn zňnder dat het ze daarom BEWUST te doen is.

De tegenwoordig veelbesproken HOMOSEXUALITEIT en de LESBISCHE LIEFDE vallen ook onder de rubriek BEWUSTZIJN; met de wčrkelijke SEXUALITEIT hebben zij niets te maken. De afwijking is gelegen in het BEWUSTZIJN en in het ERVAREN van de spanning, maar de sexualiteit zčlf kan niet ŕfwijken.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 24 november 2009)

 

Dinsdag, 18 februari 1969

No. 23



Een tweetal vragen

Als eerste deze vraag: als voor de VROUW het begrip TWEE geldt, kunnen wij dan zeggen dat de vrouw een TEGENSPRAAK IN ZICHZELF is, en als dit zo is, hoe ligt dan het begrip TEGENSPRAAK voor de man? Alvorens deze vraag te beantwoor­den moeten wij de betekenis van het woord TEGENSPRAAK te weten komen. Daartoe dienen wij ons te realiseren dat de werkelijkheid bestaat uit ENKELVOUDIGHEDEN, en dat deze enkelvoudigheden ONDEELBARE IETSEN zijn. Dan weten wij ook dat de éne IETS de ŕndere IETS niet is. Het één is dus ONTKENNING van het ŕnder; het is ermee in tegenspraak. Dit is de grondverhouding van de werkelijkheid. Deze grondverhouding komt bij de vrouw en de man zó terecht dat de vrouw dit begrip IN ZICHZELF is, omdat zij het begrip TWEE is, en dat de man dit begrip BUITEN ZICHZELF is, omdat hij het begrip EEN is. Voor de vrouw geldt de tegenspraak DIRECT, omdat zij ONMIDDELLIJK het één en het ŕnder is; voor de man echter geldt de tegenspraak INDIRECT, omdat hij ONMIDDELIJK het één is en pas DAARNA het ŕnder BUITEN ZICHZELF leert kennen, dus leert hij ook pas dŕn de tegenspraak kennen. Deze tegenspraak is voor de vrouw van INWENDIGE aard terwijl de man tot iets BUITEN HEM in tegenspraak staat.

Ook geldt voor de werkelijkheid het begrip SAMENGAAN; voor de man is dit een SAMENGAAN MET IETS ANDERS en bij de vrouw is dat samengaan IN HAAR. De man der­halve STELT het begrip SAMENGAAN, terwijl de vrouw dit begrip IS. Dit zelfde geldt ook voor het hierboven genoemde begrip TEGENSPRAAK.

De tweede vraag betreft JAHWE, en dit naar aanleiding van een opmerking aan het eind van stencil No. 19. Jahwe is de ONTKENNING van ŕlle natuurlijkheid en als zodanig staat hij aan het eind van een CULTUURWEG, die begonnen was met het besef dat HET HOGERE als een BEPAALD VERSCHIJNSEL aanwezig was: een berg, een boom, een rivier enz. Dit bepaalde verschijnsel werd gaandeweg meer ABSTRACT, het werd bijvoorbeeld het licht. En tenslotte was člk bepaald verschijnsel ont­kend, d.w.z. GEABSTRAHEERD en daaraan werd in de Joodse cultuur de naam JAHWE gegeven. De volledige ONTKENNING van het verschijnsel is de volledige ontken­ning van het SAMENGAAN van enkelvoudigheden en dit betekent dat het over de en­kelvoudigheid OP ZICHZELF gaat. Dit is het begrip EEN.

Het begrip JAHWE en het begrip EEN dekken elkaar dus, en aangezien de MODER­NE MENS cultureel gebaseerd is op het begrip EEN is het vanzelfsprekend dat in het West-Europese culturele leven de gesteldheid van JAHWE een belangrijke rol gespeeld heeft en nňg speelt. De Christelijke kerk bijvoorbeeld, en vooral als ze zich als ORTHODOX stelde, heeft zich nooit veel aan het evangelie gelegen laten liggen, maar wčl aan het zogenaamde OUDE TESTAMENT, dat notabene eigen­lijk alleen maar met GEBEURTENISSEN komt. De gebeurtenissen van een volk dat cultureel in het teken van JAHWE stond. Overigens is er weinig ŕnders te ver­tellen als alles draait om een begrip als JAHWE - maar dat is een ander thema!

 

De mens en de prikkeling

De vorige keer hebben wij het begrip PRIKKEL behandeld en wij hebben daarbij vastgesteld dat de mens zijn sexuele ervaring eigenlijk moet laten voor wat het is, omdat het INTELLECT er noodzakelijk een hinderende werking op uitoe­fent, óók als het intellect ogenschijnlijk STIMULEREND werkt, zoals bij de prikkeling het geval is. Nu moeten wij er evenwel op letten dat geen enkel mens zňnder prikkeling is, omdat geen enkel mens er aan kan ontkomen dat de ervaring van de sexuele SPANNING toch altijd ZIJN EIGEN ERVARING is, en niet  die van een ander. Wat een ŕnder ervaart komt men nooit te weten, ook niet als het verteld wordt. Slechts van de EIGEN ervaring is de mens zich bewust. Derhalve is die ervaring nooit zonder het OP ZICHZELF BETROKKEN ZIJN en dus ook nooit zonder het aspect PRIKKEL. Maar het is de moderne mens om de prik­kel te doen omdat het hem OM ZICHZELF TE DOEN IS en naar aanleiding daarvan hebben wij gezegd dat de mens de zaak moet laten voor wat het is. Hij moet

er ONVERSCHILLIG voor zijn en als hij dat is, dan ligt de SPANNING vanzelf op maat in hem omdat er niets is dat de zaak remmend beďnvloedt. Dan drijven vrouw en man vanzelf naar elkaar toe, of ze doen dat bij gelegenheid niet, en in beide gevallen is het de mens goed. Er is dan in de verhouding tussen twee mensen NIETS GEFORCEERD en er is dan ook niets dat eventueel later weer aan­leiding kan geven tot een verwijdering tussen die twee mensen en ook de SPAN­NING gaat dan niet wčg omdat de mens ONVERSCHILLIG is voor de PRIKKEL, hoewel hij aan het feit dat ook voor hem PRIKKELING geldt niet kan ontkomen.

 

Overigens behoeft hij er ook niet aan te ontkomen - hij moet slechts ONVERSCHILLIG zijn.

 

De vereniging van vrouw en man en de spanning

Wij hebben gezien dat de SPANNING aanwezig is TUSSEN de vrouw en de man. Als echter die twee zich verenigen geldt het begrip TUSSEN niet meer, zodat wij ons nu moeten afvragen hoe het dŕn met het begrip SPANNING gesteld is.

Dan is het met het begrip spanning zó gesteld dat er ten eerste voor geldt het begrip RUST en ten tweede het begrip VERMOGEN.

Als eerste het begrip RUST: de ENKELVOUDIGHEDEN zijn ten opzichte van elkaar EEWEEGLIJK; de BEWEEGLIJKHEIDSVERHOUDING tussen de enkelvoudigheden is de SPAN­NING ertussen. De beweeglijkheid van de enkelvoudigheden is echter een toene­mend SAMENGAAN en voorzover dit er voor geldt is het begrip RUST van kracht. Als de enkelvoudigheden tenslotte volledig samengaan is er volledig rust; zij zijn ten opzichte van elkaar IN RUST. En tevens zijn zij OP ZICHZELF volledig beweeglijk. De beweeglijkheid, voorzover die een SAMENGAAN is, hebben wij in het begin van de voordrachten met het begrip VERMOGEN benoemd. Dit vermogen is er op voorwaarde van het feit dat er SPANNING is om te beginnen. En zo ligt het nu ook bij de mens sexueel. De vrouw en de man zijn in de vereniging ten opzichte van elkaar in RUST, en de sexuele spanning is tot VERMOGEN geworden.

Van deze beide aspecten van de sexualiteit hebben wij gewoonlijk geen weet; voor ons is de gemeenschap één en al GEDOE, en hoe meer tumult hoe beter. En dat de gemeenschap een VERMOGEN inhoudt is voor ons al helemaal een vreemde zaak. Wat betekent het begrip vermogen?

Het is een bekend feit dat de gemeenschap tussen vrouw en man tengevolge kan hebben dat er een kind verwekt wordt; de sexualiteit en het verwekken van een kind staan met elkaar in verband. Dit verbaast ons niet omdat het nu eenmaal zo is, maar wij zouden ons toch wel eens af kunnen vragen wčlk verband er dan is tussen de sexualiteit en het kind. Nu hebben wij al gezien dat in het zich verenigen van vrouw en man de SPANNING tussen de tegenpolen wordt tot het be­grip VERMOGEN, en dit begrip betekent: NOG NIET AANWEZIGE REALITEIT. Aan člke REALITEIT is het begrip VERMOGEN vooraf gegaan; het is de werkelijkheid voor­zover daarin de MOGELIJKHEID ligt van de straks verschijnende REALITEIT. Zo is ook aan het kind een VERMOGEN vooraf gegaan door het samenkomen van de TEGEN­POLEN. In die éne samengekomen zaak is er geen SPANNING meer, maar er is RUST en er is VERMOGEN.

In de natuurkunde kennen wij ook het begrip VERMOGEN: brengen wij namelijk twee electrische tegenpolen in een bepaald toestel samen, dan is dat toestel tot allerlei in staat; denk bijvoorbeeld aan een electromotor.

Het verband tussen de GEMEENSCHAP en het KIND is dus deze, dat de gemeen­schap het begrip VERMOGEN oplevert, en dit VERMOGEN is de VOORWAARDE voor het kind. Het is duidelijk dat het bovenstaande geen ruimte openlaat voor enige KEUZE; de gemeenschap is AUTOMATISCH vermogen en dat is weer automatisch de voorwaarde voor het kind. De mens kan dus inzake het verwekken van kinderen niet KIEZEN; er is geen keus. Wčl kan hij ervoor zorgen dat de VOORWAARDE voor het kind niet wčrkelijk het kind wordt, maar daarover spreken wij de volgende keer. De voorwaarde zčlf echter, die er is omdat het VERMOGEN er vanzelf is, laat geen KEUZE toe. Juist daarom moet de mens voorzorgsmaatregelen nemen als het verwekken van een kind hem niet te pas komt.

Van het begrip VERMOGEN zouden wij ook kunnen zeggen dat het is HET ER NOG NIET ZIJN VAN HET NIEUWE LEVEN. Mogelijk is hieruit ook al wel duidelijk dat er niet te kiezen valt; wat wij wčl of niet willen houdt de werkelijkheid niet tegen want het ER NOG NIET ZIJN van het nieuwe leven is er ALTIJD.

In verband met de MODERNE MENS is het van belang in te zien, dat de mens die niets beseft omtrent het begrip SPANNING en het begrip VERMOGEN, óók geen besef heeft omtrent het begrip HET KIND. Het kind kan niet anders gezien wor­den dan als een APARTE zaak. Het verband tussen de LIEFDE en het KIND wordt niet gezien - en dit heeft niets te maken met het bij gelegenheid al of niet wensen van een kind en ook heeft het niets te maken met het feit, dat wij in de PRAKTIJK wel weten dat uit de gemeenschap een kind geboren kan worden. Het gaat erom of de mens het NOODZAKELIJKE VERBAND beseft tussen de liefde en het kind; zijn weten omtrent OORZAKEN en GEVOLGEN is van geen belang. De moderne mens denkt zich een kind AAN TE SCHAFFEN zoals hij zich zoveel dingen AANSCHAFT en de mederne VOORBEHOEDSMIDDELEN bevestigen dit denken.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 24 november 2009)

 

Dinsdag, 25februari 1969

No. 24

 

Naar aanleiding van een vraag

Wij hebben gezien dat voor de mens van de oudheid geldt dat hij in het te­ken van het begrip TWEE staat, terwijl de mens van ná de oudheid in het teken van het begrip EEN staat. Nu kunnen wij ons afvragen waarom die volgorde niet andersom is, en in het algemeen kunnen wij ons afvragen hoe het zit met de ver­schillende culturen die overgaan in volgende culturen.

Als antwoord op die vragen het volgende: het ONTWIKKELINGSPROCES in de mens­heid is een VERHELDERINGSPROCES en dat wat tot helderheid komt is de werkelijk­heid zčlf, die tenslotte in de mens uitgelopen is. De werkelijkheid is dus voor de mens DAT WAT ER IS en dit is voor het ontwikkelingsproces het UITGANGSPUNT. De werkelijkheid zčlf, dus DAT WAT ER IS, valt onder het begrip TWEE omdat het één GEHEEL is waar niets UITSPRINGT. De zaak begint dus bij het begrip TWEE en al voortgaande komt de INHOUD daarvan steeds meer op tafel te liggen totdat hij tenslotte helemaal bekend is geworden. Zoals wij intussen weten houdt het begrip TWEE het begrip EEN in; de werkelijkheid voorzover zij ERGENS UIT BESTAAT is de werkelijkheid als het begrip EEN en deze werkelijkheid komt dus tijdens het verhelderingsproces voor de dag.

Is nu op een zeker moment een bepaalde verhouding van de werkelijkheid voor de dag gekomen, dan geldt voor die verhouding zčlf het begrip EEN, maar die verhouding blijkt toch ook weer een INHOUD te hebben zodat hij op zijn beurt als TWEE gaat gelden om weer een volgend EEN te openbaren. En zo gaat het tij­dens het ontwikkelingsproces door totdat de mens bij wčrkelijk EEN is aange­land, en dan is hij bij ZICHZELF aangeland. Als het zover is gaat de mens zich­zelf als TWEE laten gelden en dan openbaart hij zčlf zijn INHOUD en die blijkt dan LEVEN te zijn. Verder dan deze situatie gaat het niet met de werkelijkheid, maar hierover zullen wij t.z.t. meer zeggen.

Elk mens is geboren uit een VROUW, d.w.z. elk mens is als INHOUD voor de dag gekomen van het begrip TWEE. Dus is elk mens qua GEBOORTE het begrip EEN en qua MENS het begrip TWEE, die weer EEN voortbrengt, enzovoorts.

De werkelijkheid zčlf is begonnen in het teken van EEN en zij is geworden tot het begrip TWEE; de werkelijkheid als MENS begint, qua VERHELDERING, bij het begrip TWEE en komt tot het begrip EEN om zich als zodanig toch weer als TWEE te laten gelden. Aldus is de gang van zaken bij člk aspect van het menselijk leven.

 

Over het vermogen en de voorwaarde

In het zich verenigen van vrouw en man ligt een VERMOGEN en dat blijkt uit het feit dat de gemeenschap het KIND oplevert; bovendien is aan de aanwezig­heid van het kind op een zeker moment voorondersteld dat er een vermogen ligt bij de ouders, want zonder dat vermogen was er geen mogelijkheid en zonder die mogelijkheid is er geen AANWEZIGHEID.

Dat er ALTIJD het vermogen ligt houdt niet zonder meer in dat uit de gemeen­schap van vrouw en man ALTIJD een kind geboren moet worden. Het is een bekend feit dat dit lang niet altijd het geval is en bovendien zijn wij in staat een zwangerschap te VERHINDEREN.

Wij weten dat de BEVRUCHTING het versmelten is van twee CELLEN en ook weten wij dat als die versmelting eenmaal een feit is, dan is DAT BEPAALDE KIND er, hoewel alles nog uit moet groeien. Er zijn dus TWEE cellen en die versmelten zich tot EEN - om als zodanig INHOUD VAN TWEE, en dus van de vrouw, te zijn -  ­en deze EEN - de eerste cel van het kind - doet zich gelden als TWEE zodat de zaak UITGROEIT en zijn inhoud openbaart, en dit laatste is een nieuwe bepaalde mens. We zien dus ook hier weer de wisselwerking tussen de begrippen TWEE en EEN.

Bezien we de zaak nu VANUIT HET KIND, dan is het duidelijk dat er aan bepaal­de VOORWAARDEN voldaan moet zijn wil het kind ontstaan. Bij het kind behoren dus de voorwaarden voor zijn ontstaan, en die voorwaarden zijn de twee cellen die met elkaar gaan versmelten. De aanwezigheid van die twee cellen is de voor­waarde voor het kind; het feit dat in de sexualiteit het begrip VERMOGEN ligt heeft met het kind als zodanig niets te maken: dit begrip behoort bij de OUDERS van het kind want in hůn gemeenschap lag dat vermogen. Zonder dit vermogen géén kind, en toch heeft het kind zčlf met dit vermogen niets te maken; het heeft te maken met de VOORWAARDEN, namelijk die twee cellen. Die twee cellen zijn dan ook BEPALEND inzake het kind.

 


We hebben dus nu te doen met twee verschillende begrippen, namelijk het be­grip VERMOGEN (bij de ouders) en het begrip VOORWAARDE (bij het kind). Er is een subtiel verschil tussen die twee begrippen, maar het is toch van grote be­tekenis. Want het VERMOGEN is er altijd waar vrouw en man zich verenigen, maar de VOORWAARDE voor het kind is er niet altijd, hetgeen alleen al moge blijken uit het feit dat het de mens mogelijk is ervoor te zorgen dat althans één van die twee cellen NIET AANWEZIG IS. De man kan er bijvoorbeeld voor zorgen dat zijn zaadcellen niet in de baarmoeder van de vrouw terechtkomen, denk bijv. aan de coďtus interruptus.

De voorwaarde voor het kind is de AANWEZIGHEID van de twee cellen: de manne­lijke ZAADCEL en de vrouwelijke EICEL. Het VERMOGEN komt voor de dag aan het feit dat die twee cellen zich NAAR ELKAAR TOE BEWEGEN. Aldus komt dit vermogen VOOR DE DAG, maar ook als het niet voor de dag komt IS HET ER, alleen BLIJKT dit dan niet concreet. Met het zich naar elkaar toe bewegen van de twee cellen heeft het kind niets te maken; het kind is er pas in betrokken als die twee cellen VERSMELTEN. Dus de VOORWAARDE voor het kind is QUA AANWEZIGHEID van het kind bepalend en als aan die voorwaarde voldaan is dan komt het vermogen in de praktijk voor de dag als het NAAR ELKAAR TOE BEWEGEN van de cellen.

De zaadcel en de eicel zoeken elkaar op en dat doen zij omdat het begrip VER­MOGEN er op van toepassing is, maar dit kŕn alleen maar als die twee cellen er dan ook zijn. Zijn ze er wel, dan is aan de VOORWAARDE voldaan zodat er dan VOOR HET KIND de MOGELIJKHEID is te ontstaan. Het vermogen wordt dus ACTIEF als de voorwaarde er is; in dit geval de twee cellen.

Behalve dat het de man mogelijk is ervoor te zorgen dat zijn zaadcellen niet bij de eicel kunnen komen is het ook bij de vrouw zo gesteld dat de mogelijk­heid van bevruchting er lang niet altijd is. Slechts gedurende enkele uren per cyclus kan bevruchting plaats vinden, dus is ook dit een voorwaardelijke aangelegenheid.

Doordat de aanwezigheid van de twee cellen niet vaststaat, zodat dus de voor­waarde voor het kind niet altijd vervuld is, geldt hier het begrip ONDERBREKING, en dat wil zeggen dat de lijn van begrippen zoals die bij de ouders begint niet NOODZAKELIJK doorloopt - in de praktijk - en het kind doet ontstaan. Er is een ONDERBREKING en deze onderbreking geldt altijd op het terrein van het AANWEZIGE. Overigens is dit een thema, dat een aparte behandeling vereist.

In verband met genoemde onderbreking is de vraag te stellen of de aanwezig­heid van bijvoorbeeld een bepaalde mens al of niet TOEVALLIG is. Dan echter moeten wij er op letten dat in het gangbare spraakgebruik het begrip toeval člk VERBAND en člke SAMENHANG uitsluit. Maar in de werkelijkheid verschijnt niets toevallig want aan elke realiteit is een MOGELIJKHEID voorondersteld en die mogelijkheid grondt zich weer op een VERMOGEN. Daardoor is alles het gevolg van een logische gang van zaken. Deze gang van zaken evenwel is door de mens alleen IN PRINCIPE te onderzoeken; alleen namelijk in zijn ALGEMEENHEID en daar­door is de aanwezigheid van een BEPAALDE realiteit onverklaarbaar, en dus voor de mensen een TOEVALLIGHEID. Er is in het voortplantingsproces een ONDERBRE­KING die zich dan wčl en dan niet laat gelden, maar welke BEPAALDE oorzaken hieraan ten grondslag liggen is niet na te gaan. Het waarom van deze zaak voert ons te ver van ons thema, maar het heeft te maken met de BEWEEGLIJKHEID van de werkelijkheid.

 

De cellen en de onderbreking

Wij hebben vastgesteld dat de onderbreking geldt op het terrein van de aan­wezigheid van de twee cellen. Nu moeten wij ons afvragen hoe voor člk van die cellen de verhouding ligt; want de éne cel is de mannelijke zaadcel en de andere cel is de vrouwelijke eicel en voor beide ligt de zaak ŕnders. Want de manne­lijke zaadcel komt voort uit een zaak waarvoor het begrip EEN geldt en voor de eicel geldt het begrip TWEE. Voor de zaadcel geldt dus het UITWENDIGE en voor de eicel het INWENDIGE; de eicel bevindt zich IN het moederlichaam en omdat het begrip TWEE ervoor geldt IS HET ER EEN. Voor de zaadcel geldt het begrip EEN en dus zijn het er een AANTAL, die ieder voor zich BUITEN HET ANDERE staan. Zij komen dan ook van BUITENAF. Omdat dit zo is geldt het begrip AFSTAND; zij leggen een WEG af en daarom is hier de ONDERBREKING aanwezig. De weg van de zaadcel naar HET ANDERE (i.c. de EICEL) is te onderbreken, maar aan de EICEL is de onderbreking NIET TE BEDENKEN omdat het UITWENDIGE, het begrip BUITEN, niet geldt. Bij de man ligt de onderbreking, maar bij de vrouw is dit DODELIJK.

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 24 november 2009)

 

Dinsdag, 4 maart 1969

No. 25

 

Een opmerking over vermogen, mogelijkheid en realiteit

Wij zijn bij de menselijke sexualiteit het begrip VERMOGEN tegengekomen en wij hebben vastgesteld dat dit begrip ACTIEF wordt als de VOORWAARDE tot iets anders vervuld is: als de voorwaarde voor het kind aanwezig is, kan het vermo­gen, dat bij de OUDERS ligt, uit de voeten. Zodra de zaak zo ligt is er de MOGE­LIJKHEID voor het kind. En deze mogelijkheid kan in een REALITEIT uitlopen; dat is in werkelijkheid het kind.

Als voorbeeld om de drieslag VERMOGEN, MOGELIJKHEID, REALITEIT te begrijpen kunnen wij aan bijvoorbeeld de timmerman denken. Deze timmerman heeft geleerd een tafel te maken. Dit is van hem een VERMOGEN en dat vermogen is altijd bij die man aanwezig of hij nu ligt te slapen of een boek leest of naar de televi­sie kijkt. De MOGELIJKHEID echter om een tafel te maken is er niet altijd: hij zal een bepaalde houtsoort in voorraad moeten hebben en zijn gereedschappen zullen in orde moeten zijn; is dit niet het geval dan is er geen mogelijkheid om die tafel te maken. Nu heeft hij de zaak geregeld en nu heeft hij de mogelijk­heid geschapen om de tafel te maken, maar intussen is de tafel er nog niet. Dat is pas wčl het geval als de zaak actief wordt: dan is op een zeker moment de tafel er. Hieruit blijkt dat de begrippen vermogen en mogelijkheid niet zomaar door elkaar gehaald mogen worden en bovendien blijkt hieruit dat beide begrippen bij verschillende zaken behoren. Het vermogen behoort namelijk bij de timmerman en het begrip mogelijkheid geldt voor de tafel. Het is het ER NOG NIET ZIJN van de tafel, maar ook dit kunnen wij pas zeggen als de tafel er eenmaal is; wij we­ten dan namelijk dat de MOGELIJKHEID inderdŕŕd in de REALITEIT is uitgelopen. Het begrip ER NOG NIET ZIJN geldt namelijk alleen voor datgene waarvan wij weten dat het er is; wij kunnen ons anders namelijk dit ER NOG NIET ZIJN niet denken.

 

Een nadere beschouwing over de cellen

De vorige keer hebben wij opgemerkt dat voor het vrouwelijke celletje het be­grip TWEE geldt en voor het mannelijke celletje het begrip EEN. Deze twee cel­len versmelten zich met elkaar; de zaadcel dringt in de eicel, want het begrip EEN is het UITWENDIGE en dat komt dus van BUITENAF naar binnen in datgene dat het in zichzelf opneemt, het INWENDIGE, het begrip TWEE oftewel het vrouwelijke. Het mannelijke dringt dus IN het vrouwelijke en wordt INHOUD van het vrouwelijke zoals het begrip EEN de inhoud is van het begrip TWEE.

Als die twee cellen versmolten zijn is eigenlijk HET KIND begonnen, maar hier­over is nog wel iets te zeggen. Als eerste dit: de mensen vragen zich af welke van de twee versmeltende cellen het GESLACHT bepaalt. De wetenschap meent dat bepaalde mannelijke cellen het geslacht vrouwelijk bepalen en dat andere man­nelijke cellen het geslacht mannelijk bepalen. De BEPALING van het geslacht geschiedt dus volgens de wetenschap door de mannelijke cellen. Wij zullen eens nagaan wat voor zowel de vrouwelijke als de mannelijke cellen geldt wat betreft het begrip BEPALING.

Voor de EICEL geldt het begrip TWEE, d.w.z. het EEN is met het ANDER verenigd zodat het EEN ten opzichte van het ANDER niet bepaald is, en omgekeerd.

Voor de ZAADCEL geldt het begrip EEN, en dit betekent dat de zaak ZONDER BE­PALING is, want voor de zaadcel geldt dat hij ALLES BUITEN ZICH heeft en dus op geen enkele wijze aan iets ŕnders bepaald is of te bepalen is. Het principe voor de zaadcel is dat hij er ALLEEN is - ook al is hij in feite met vele. Hij is dus aan niets bepaald en hij is AAN NIETS TE BEPALEN. Omdat dit zo is, is ook hij het niet die het geslacht bepaalt.

In de vrouwelijke EICEL zit wel het begrip BEPAALDHEID omdat zowel het EEN als het ANDER erin aanwezig zijn; evenwel gčldt die bepaaldheid als ONBEPAALD­HEID omdat in het INEENZIJN van het EEN en het ANDER de bepaaldheid van elk van die twee OPGEHEVEN is. Zij zijn namelijk VOLLEDIG aan elkaar vastgelegd, zodat zij voor zichzelf niet meer vastgelegd zijn. Voor de eicel geldt dus de OPGEHE­VEN BEPAALDHEID. Voor de ZAADCEL is elke bepaaldheid hem VREEMD; hij is dus

ONBEPAALD omdat aan hem nog geen VASTGELEGD-ZIJN meekomt. 

Noch van de EICEL, noch van de ZAADCEL is te zeggen dat hij het geslacht van het kind bepaalt; dit geldt voor die cellen OP ZICHZELF. In werkelijkheid is de zaadcel en de eicel op zichzelf NIETS; we kunnen die twee alleen redelijk doordenken voorzover ze op elkaar betrekking hebben, want dan worden de hier ge­noemde begrippen wčrkelijk van kracht. In die zin bedoelen wij het als wij over de zaadcel en de eicel op zichzelf spreken.

 

Want bekijken wij zomaar een of andere zaadcel of eicel, dan is dat natuurlijk een door en door bepaald DING, dat allerlei bepaalde eigenschappen vertoont en een bepaalde vorm heeft, en er zijn natuurlijk geen twee cellen aan elkaar gelijk. Maar denken wij ze op zichzelf in het licht van hun betrekking, dŕn is noch de één noch de ŕnder bepalend.

De bepaaldheid inzake het geslacht treedt eerst dŕn op als de VERSMELTING heeft plaats gevonden; er is dan een VERMOGEN voor de dag gekomen en dat wordt tot MOGELIJKHEID en de mogelijkheid is de nog niet aanwezige REALITEIT, dus de nog niet aanwezige BEPAALDHEID. Maar intussen gaat het al wel over bepaaldheid. Nu staat het GESLACHT vast, ook al is er voorlopig nog niets van te merken.

Na de versmelting is er dus het VERMOGEN, daarbij gaat gelden de MOGELIJKHEID en dan komt de REALITEIT voor de dag als de inhoud, die voor de dag komt. De versmolten cel gaat zich dan spitsen, d.w.z. zich als REALITEIT, als BEPAALDHEID, stčllen. Want die twee uit de splitsing voortgekomen cellen zijn ten opzichte van elkaar bepaald.

 

De wetenschap spreekt van twee soorten MANNELIJKE zaadcellen; het verschil tussen die twee soorten zit in het aantal CHROMOSOMEN en al naar gelang een be­paalde chromosoom voorkomt of niet voorkomt in de zaadcel is die zaadcel bepa­lend inzake het GESLACHT. Deze laatste uitspraak komt voor rekening van de we­tenschap, want volgens bovenstaande gedachten gang is noch de zaadcel noch de eicel bepalend. Evenwel is het verschil in chromosomen-aantal niet wčg te pra­ten, want dat is een GECONSTATEERD FEIT.

Waarover de wetenschap gewoonlijk echter niet spreekt is dit feit, dat de EICEL slechts één zaadcel DOORLAAT, d.w.z. in zich toelaat, terwijl alle andere zaadcellen toch ook alle moeite doen om doorgelaten te worden. Hier hebben wij dus kennelijk te doen met een KEUZE van de zijde van de vrouwelijke cel. Maar dit punt wordt gewoonlijk over het hoofd gezien. Toch moeten wij, als wij vin­den dat de mannelijke cellen maatgevend zijn, ons oordeel over de wezenlijke gang van zaken laten afhangen van de vraag ; waarom laat de eicel slechts één zekere zaadcel binnendringen, en de andere niet?

Het feit dat de EICEL kiest doet namelijk het bepalende karakter van de zaad­cel teniet - gesteld dat hij dat karakter heeft - want als het niet zeker is dat hij TOEGELATEN wordt, vervalt ook zijn maatgevendheid. Hij zou maatgevend zijn als hij toegelaten werd, en dan heeft hij dit maatgevend-zijn te danken aan de KEUZE van de vrouwelijke cel.

Natuurlijk zijn er verschillen tussen de zaadcellen, d.w.z. verschillen in de PRAKTIJK, maar aan al die verschillende zaadcellen ligt een bepaald begrip ten grondslag en dat is het begrip EEN, en daarvoor geldt dat de bepaaldheid een VREEMDHEID is. SAMEN MET IETS ANDERS geldt de bepaaldheid wel voor de zaadcel, maar dan speelt ook "dat ŕndere" er een rol in om tot dit SAMENGAAN te komen.

Omdat voor de EICEL het begrip TWEE geldt, geldt voor haar het begrip KEUZE en omdat voor de zaadcel het begrip EEN geldt kan hij SAMEN MET IETS ANDERS tot BEPAALDHEID komen. Het begrip KEUZE en het begrip BEPAALDHEID behoren bij elkaar, maar zij komen beide voort uit iets ŕnders.

Uit het bovenstaande blijkt dat de INTERPRETATIE van de door de onderzoekers geconstateerde feiten vaak te wensen over laat, terwijl de feiten op zichzelf wel kloppen. Daardoor o.a. wijzigt het standpunt van de wetenschap alsmaar; de theorie die zegt, dat het bepalende karakter bij de mannelijke cel ligt is na­melijk intussen ook reeds wetenschappelijk verlaten omdat men geen verklaring kon vinden voor het feit dat er mensen geboren worden met zowel vrouwelijke als mannelijke geslachtskenmerken. En er zijn ook mensen, hoewel dit natuurlijk niet vaak voorkomt, die van geslacht veranderen. Dit kan natuurlijk alleen als de mens IN EERSTE AANLEG niet EENZIJDIG als mannelijk of vrouwelijk bepaald is.

Dit klopt dan ook met onze berekening, want het EERSTE MOMENT van de VRUCHT is de situatie waarvoor het begrip VERMOGEN geldt en in dat begrip zčlf zit geen bepaaldheid; die komt er pas uit als het VERMOGEN tot MOGELIJKHEID gewor­den is, en als REALITEIT is het wčrkelijk bepaaldheid.

In de Griekse cultuur werd de mens oorspronkelijk als ANDROGYN gedacht, d.w.z. voortgekomen uit één wezen dat beide geslachten in zich verenigde. Het woord androgyn is dan ook samengesteld uit de woorden "aner", dat MAN betekent, en "gune", dat VROUW betekent. Aan deze gedachten gang ligt het besef ten grondslag dat de mens begint met qua geslacht niet bepaald te zijn. Allerlei MYTHEN uit de oudheid vertellen van deze androgyne wezens en ook hoe zij tenslotte toch gesplitst zijn in de vrouw en man.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 24 november 2009)

 

Dinsdag, 11 maart 1969

Nihilist- zie nr. 29 en nrs. 67 t/m69

 

No. 26

 

De inhoud van de vrouw en wat daarvoor geldt

Voor de vrouw geldt het begrip TWEE, en wij hebben al eerder gezien dat de INHOUD van dit begrip tweeledig is. De inhoud is namelijk het begrip EEN, čn te­vens het feit DAT ER TWEE ZIJN. Want het gaat over TWEE MAAL EEN.

Als wij nu vragen wŕt de inhoud van het vrouwelijke IS, dan is het de werke­lijkheid als het begrip EEN. Vragen wij echter naar de situatie waarin dat EEN verkeert, of, anders gezegd: vragen wij naar de VERHOUDING waarin dat begrip EEN tot ZICHZELF staat, dŕn komen wij terecht op het feit dat het er TWEE zijn. Wij kunnen ook zeggen dat zowel HET EEN als HET ANDER erin aanwezig is.

De vrouw heeft dus iets als inhoud dat DUEBEL is, en nu stellen wij de vraag wat hiervan de consequenties zijn. Wij moeten dan op de eerste plaats het feit noemen dat voor de vrouw de KEUZE geldt. Het gaat immers over twee gelijkwaar­dige elementen, die allebei gelden, maar die toch van elkaar te onderscheiden zijn. Zoals we op een driesprong van wegen voor de keuze kunnen staan of we links dan wel rechts zullen gaan. Dan staan we ňp de driesprong, dus de beide mogelijkheden gelden voor onsen, hoewel er voor ons een onderscheid is tussen de čne en de ŕndere weg, zijn ons die wegen toch GELIJKWAARDIG. Op een dergelij­ke manier ligt bij de vrouw het begrip KEUZE, maar meestal wordt deze gedachte verkeerd verstaan. Wij menen namelijk dat het in dit geval gaat over het feit dat de vrouw tussen bijvoorbeeld twee mannen kiest welke van die twee haar echt­genoot of haar geliefde zal worden, met UITSLUITING van de afgewezene. Maar dat wordt hier niet bedoeld; trouwens in deze zin geldt het begrip keuze ook voor de man, want hij kan ook in een situatie verkeren dat hij moet kiezen tussen de één of de ŕnder. Het begrip KEUZE dekt dus niet ons woord KIEZEN.

Het gaat er hier om dat voor de vrouw het JA of NEE geldt; dat namelijk haar BESLISSING inzake het al of niet in zich toelaten van een bepaalde man DOORSLAG­GEVEND is. Die beslissing geldt dus ook ten opzichte van haar GELIEFDE; de man dus met wie zij omgaat. En dit demonstreert ook duidelijk het feit dat het niet alleen maar gaat om de vraag WELKE MAN zij kiest.

Behalve het feit dat voor de vrouw het DUBBELE geldt inzake haar inhoud, is er ook nog het feit dat haar inhoud de werkelijkheid als het begrip EEN is. Dit is dus de VOLLEDIGE ABSTRACTIE, evenwel in deze zin dat die volledige abstractie ER IS. Het gaat niet over een niet bestaande nevelige werkelijkheid, maar het gaat over de werkelijkheid zčlf voorzover daarvoor het begrip EEN geldt. Deze werkelijkheid wordt vertegenwoordigd door de MAN; deze is het die deze werke­lijkheid op tafel legt. Ten opzichte nu van de man, in de kwaliteit van verte­genwoordigende de werkelijkheid als het begrip EEN, geldt BIJ DE VROUW het be­grip KEUZE. Haar keuze is dus van kracht ten opzichte van de ALGEMEENHEID zoals die in de praktijk als DEZE of GENE ALGEMEENHEID voor de dag komt. Het gaat voor haar dus altijd om het ALGEMENE dat de man vertegenwoordigt en dan richt haar keuze zich op DE WIJZE WAAROP die algemeenheid voor de dag komt.

Het gaat dus niet om de man als BEPAALDHEID, niet om de man als bankdirecteur, maar om de man als INTELLECT en ook dit weer zonder bepaaldheid. Dat hij bij­voorbeeld zo goed wiskundig kan denken, of dat hij zo goed piano kan spelen, of zelfs dat hij over het algemeen zo pienter is en zo goed kan denken, dat alle­maal is hierin niet van belang; het gaat om de man als LEVENDE HELDERHEID.

Ook in de tijd dat de vrouw maar af te wachten had aan welke man zij uitgehu­welijkt zou worden, en toen zij nog zonder meer te gehoorzamen had, gold het begrip KEUZE voor haar. Want ook toen wist zij naar wie haar keuze uitgegaan zou zijn als ze ermee uit de voeten had gekund - en vaak wist zij dat ook wel zo te regelen. Maar ook hier moeten wij goed in de gaten houden dat het niet gaat om het kiezen uit een aantal mogelijkheden maar dat het gaat om een keuze ten op­zichte van de LEVENDE HELDERHEID. Overigens was ook toen de vrouw niet eenzijdig de ONDERGESCHIKTE van de man, want zij vond zčlf die situatie ook volkomen nor­maal en zij besefte deze WILLEKEURIGE man dan ook min of meer als voor haar de levende helderheid. Dan gold voor hem toch weer haar JA, maar menselijk gespro­ken had dit natuurlijk eigenlijk geen waarde.

Eigenlijk is voor de vrouw DE MAN haar inhoud, maar DE MAN bestaat niet. Al­leen EEN BEPAALDE MAN bestaat en hij is op zijn wijze LEVENDE HELDERHEID. Geno­men naar dit laatste gaat het haar toch om DE MAN, maar bijvoorbeeld in het HUWELIJK sluit zij zich toch op in een EENZIJDIGHEID omdat hij nu blijvend voor voor haar DE MAN moet zijn en dat kan wel eens helemaal verkeerd uitpakken….

 


Wij zeggen van de vrouw dat voor haar hrt OPENSTAANDE geldt, omdat voor het begrip TWEE, dat zij is, geldt dat het een INHOUD heeft die opgenomen behoort te zijn. Voor die inhoud staat de vrouw dus OPEN. Dit evenwel houdt onmiddellijk in dat de vrouw als ALLEEN MAAR HET OPENSTAANDE een ONVOLLEDIG GEVAL is dat pas dŕn terecht zou zijn als die inhoud werkelijk IN HAAR was. Deze inhoud echter is de MAN, en het is een bekend feit dat de man slechts een korte tijd werkelijk IN DE VROUW is, terwijl hij verder BUITEN HAAR vertoeft. Dit laatste is eigen­lijk de normale toestand, zodat wij moeten zeggen dat NORMAAL de vrouw onvolle­dig is, ŕls wij vasthouden aan de gedachte dat de vrouw het OPENSTAANDE is.

Er is, noch bij de man, noch bij de vrouw, van onvolledigheid te spreken; bei­den zijn volledig mens, zodat dus de vrouw niet op haar inhoud zit te wachten. Die inhoud geldt onmiddellijk voor haar als aanwezig, maar het is juist deze aan­wezigheid waarover nog wel iets te zeggen valt. Want ten opzichte daarvan geldt de KEUZE, zodat het is of het één of het ŕnder. Er zit immers een DUBBEL aspect in de zaak! Dus voor die inhoud geldt dat hij er of als de éne of als de andere situatie is, en, hoewel wij hier zeggen OF het één OF het ŕnder, is het toch tevens zo dat beide aspecten TEGELIJK gelden. Wij moeten dus zeggen dat de man eigenlijk nooit buiten de vrouw is, ook al is hij het in praktische zin bijna altijd. En de vrouw is nooit zonder inhoud, zodat het begrip OPENSTAAN weinig betekenis heeft, behalve deze, dat de vrouw bij gelegenheid de man IN ZICH ont­vangt. En ook heeft het begrip OPENSTAAN in CULTURELE ZIN betekenis, als wij denken aan de vrouw van de OUDHEID, voor wie gold dat haar inhoud een LEEGHEID was, omdat het over louter een ABSTRACTIE ging.

Er zijn denkers, die menen dat de KEUZE, hoe zich die tot nu toe ook voordoet, komt te vervallen als de mensheid volwassen geworden is. Zodat de vrouw met iedereen omgaat die zich aandient en de man bij iedere vrouw terecht kan. Als argument voor deze gedachten gang wordt o.a. gebruikt het feit dat het HUWELIJK vervalt, zodat dus het AAN ELKAAR GEBONDEN ZIJN van vrouw en man vervalt. Welnu, inderdaad vervalt het huwelijk, maar de keuze vervalt niet, want kŕn niet ver­vallen omdat het wezenlijk bij de vrouw behoort. En het is zelfs zo dat de vrouw in een volwassen mensheid eerst recht met haar keuze uit de voeten kan omdat dan datgene dat haar inhoud is volledig aanwezig is. Bovendien gčldt in een volwas­sen wereld haar keuze; hčtgeen voordien feitelijk niet het geval is, al zet zich de zaak vaak onbewust door.

Een ander aspect dat aan het gelden van de keuze meekomt is dit, dat de vrouw de NEIGING vertoont zich tot één man te bepalen. Hierbij moeten wij niet aan het huwelijk denken, want dat is een geheel ŕndere constructie. Ook ongeacht het huwelijk vertoont de vrouw genoemde neiging. In de keuze zit het begrip of het EEN of het ANDER, en in beide gevallen gaat het over haar inhoud, maar de vraag is op welke WIJZE die inhoud er voor haar is, en daarin zit onherroepelijk de mogelijkheid dat er één WIJZE is waarop die inhoud voor haar het meest volle­dig INHOUD is. Die neiging is er ALTIJD in de vrouw, maar het is een feit dat hij gemakkelijk door allerlei dingen op de achtergrond geschoven kan worden, bijvoorbeeld door de gerichtheid op de PRIKKEL, zoals die bij de moderne vrouw vaak voorkomt. Maar ook kan een gevoel van VRIJHEID genoemde neiging overwoeke­ren en ook een onrijp zelfbewustzijn. Dit laatste is het geval bij de PROSTITU­TIE - waarover later meer. Voor een VOLWASSEN vrouw is de neiging alleen maar een NEIGING; zij laat er zich derhalve OP ZICHZELF niets aan gelegen liggen en ziet wel hoe het loopt.

Eigenlijk gelden voor de vrouw ALLE mogelijkheden als het er om gaat dat de man haar inhoud is. De inhoud van het begrip TWEE bestaat namelijk uit ALLES wat er is, zoals wij al eerder hebben uitgelegd. Van enige beperktheid is dus bij de vrouw geen sprake, al menen vele vrouwen dat uit hun OMSTANDIGHEDEN te moeten afleiden. Dus is er QUA MOGELIJKHEID geen beperking. De zčlfbeperking ligt in de KEUZE, en omdat dit een wezenlijke verhouding in het vrouwelijke is, kan er in dit verband nooit sprake van zijn dat de vrouw niet uit de voe­ten kan. De vrouw kan niet uit de voeten voorzover zij zich bijvoorbeeld in het huwelijk heeft VASTGELEGD, zodat de keuze voor haar niet meer kŕn gelden. De keuze is dus niet beklemmend voor de vrouw, maar het VASTLEGGEN daarvan.

De inhoud van de vrouw is een BEWEEGLIJKE inhoud, omdat het begrip EEN de beweeglijkheid aan zich heeft. Als inhoud is de man dus BEWEEGLIJK; dit is bekend uit de praktische sexualiteit, maar het blijkt bovendien uit het feit dat de man IETS DOET in de wereld; hij is zelfs “langs de weg”. Hij is zelfs bijna altijd langs de weg want door zijn beweeglijkheid is hij in de praktijk niet te vangen in het vrouwelijke voorzover dit CONCREET is.

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 24 november 2009)

 

Dinsdag, 18 maart 1969

No. 27

 

 


DE abstractie als inhoud van de vrouw

De man is de mens voor zover die de werkelijkheid als het begrip EEN ver­tegenwoordigt; als zodanig is van de man te zeggen dat hij de ABSTRACTIE is, maar dan moeten wij wčl weten hoe dit woord ABSTRACTIE te verstaan is.

De betekenis van het woord is AFGETROKKENHEID, d.w.z. ŕlles er ŕfgedacht, dus de werkelijkheid waarvan alles ŕfgedacht is. De werkelijkheid ongeacht het feit dat zij verschijnsel is. Het gaat dus over de ONGRIJPBARE werkelijk­heid, de werkelijkheid die niet vastgelegd is. Hierbij kunnen wij evenwel aan twee dingen denken: het kan gaan over de VERHOUDING TUSSEN twee dingen en dan is het een NIET AANWEZIGE ZAAK terwijl het ook kan gaan over de werkelijkheid naar haar OORSPRONG vóórdat het verschijnsel optreedt. In dit laatste geval gaat het over de ENKELVOUDIGHEID zčlf, die ook niet TASTBAAR is en die ook een AFGETROKKENHEID is, maar die toch AANWEZIG is.

Als wij het hebben over de man als abstractie, dan hebben wij het over het laatstgenoemde. De abstractie als VERHOUDING is niet čcht aanwezig, maar de WERKELIJKHEID ALS ABSTRACTIE, d.w.z. de enkelvoudigheid, is wčl čcht aanwezig. De enkelvoudigheid immers is een "ding", het is IETS. En de man vertegenwoor­digt deze zaak. Door de vrouw wordt de ŕndere mogelijkheid vertegenwoordigd ; zij is dus een NIET BESTAANDE ABSTRACTIE te noemen. Deze niet bestaande abstractie echter houdt ALLES in omdat de VERHOUDING TUSSEN twee dingen de aanwezigheid van die twee dingen vooronderstelt zonder zčlf die twee dingen te zijn.

 

De man als het vernietigende

De werkelijkheid loopt uit in het ORGANISME; daarvoor geldt het begrip TWEE en dat betekent dat de werkelijkheid uiteindelijk VROUWELIJK is. De werkelijk­heid is uiteindelijk de NIET BESTAANDE ABSTRACTIE, de VERHOUDING zčlf.

De MAN is ook deel van de werkelijkheid, hij is dus eigenlijk, hoewel hij een man is, toch een VROUWELIJKE werkelijkheid. Als zodanig loopt hij rond op de planeet. Dit mogen wij niet verwarren met het feit dat er in de man allerlei vrouwelijks ligt en het feit dat er in de vrouw allerlei mannelijks ligt. Dit is een geheel ander thema dat op het terrein van het ANDROGYNE ligt. Het gaat thans louter om het feit dat de man leeft in een VROUWELIJKE werkelijkheid, om­dat het begrip TWEE uiteindelijk voor de werkelijkheid geldt.

Bekijken we nu de man als SPECIFIEK DE MAN, dus naar zijn ACCENT, dan moeten wij als eerste vaststellen dat hij BUITEN DE WERKELIJKHEID valt. Want hij is het begrip EEN, d.w.z. hij is de werkelijkheid als abstractie. Hij is HET DING, want dat is toch de werkelijkheid, dat ALS DING VAN ZICHZELF AFGETROKKEN is. Het uit­gangspunt is dus HET DING, en dan is die zaak als man VERNEVELD tot het begrip EEN. Oftewel: teruggebracht tot de OORSPRONG. Dit terugbrengen tot de oorsprong is het begrip VERNIETIGEN. De man vernietigt dus de GEHELE WERKELIJKHEID want als man is de gehele werkelijkheid een AFGETROKKENHEID.

Het spreekt vanzelf dat het vernietigende, dat de man aan zich heeft, op veler­lei wijzen naar voren komt en dat het lang niet altijd de indruk geeft over een VERNEVELINGSPROCES te gaan. In de wetenschap is het tamelijk duidelijk: daar wordt in de ANALYSE de werkelijkheid uiteengelegd tot in haar bouwstenen en dan komt er een werkelijkheid voor de dag die niet meer is zoals ze was. De werke­lijkheid komt BUITEN ZICHZELF te staan.

Het vernietigende komt aan de man ook praktisch voor de dag: het is een bekend feit dat het verwoestende de man aanspreekt. Een sterke machine die alles verpletter boeit elke man en ook in de oorlog verwoest hij alles met een zekere graagte. Tegenwoordig zegt de man dan wel dat dit allemaal negatief is, maar intussen slaat hij het geboeid gade en kan hij, als hij eerlijk is, niet ontken­nen dat het hem iets doet. Hoe primitiever de mens is, hoe primitiever zijn vernietigingsdrang naar voren komt. Hoe "natuurlijker" de zaak zich vertoont, maar ook als alles meer intellectueel geworden is, zoals in onze beschaving, blijft de man vernietigend - alleen komt het dan op intellectuele wijze voor de dag. Door alles wat de man vertoont loopt het vernietigende heen, zijn neiging tot STRIJD en KRACHTMETINGEN heeft er ook direct mee te maken.

Natuurlijk zijn er in de wereldgeschiedenis ook allerlei gebeurtenissen aan te wijzen waarbij het vernietigende duidelijk als een drang op zichzčlf naar voren komt en zelfs PATHOLOGISCHE vormen aanneemt. Wij denken bijvoorbeeld aan de algemene hysterie van de mensen tijdens de beeldenstorm, tijdens de heksenjachten en tijdens de verschillende KRUISTOCHTEN indertijd.

 


En ook denken wij aan de westerse mensheid tijdens het uitbreken van de eerste wereldoorlog. Hier­van vertelt MAGNUS HIRSCHFELD in zijn voortreffelijke boek "Sittengeschichte des 1. Weltkrieges". Daarbij komt ook de houding van de vrouwen ter sprake en in dit verband wordt de term "Grausamkeit" (= wreedheid) gebezigd. De vrouwen brachten zingende de mannen naar de treinen en het besef dat de mannen elkaar en de we­reld gingen vernietigen vervulde de vrouwen met een zekere WELLUST; de wellust in het vernietigen - dat is de WREEDHEID. Deze sfeer werd overal kenbaar; het was een duidelijke MASSAHYSTERIE met als kernpunt het vernietigen.

De mannen gingen over tot vernietigen - zij DOEN het dus - en voor de vrouw IS de zaak vernietigd; haar inhoud is VERSCHEURD. Dat wat zij zčlf is, dat is verscheurd en dat gaat over ALLES want haar inhoud beslaat ALLES. De hysterie van de mensen toentertijd richtte zich dan ook op de GEHELE WERELD; het ging over de algehele zelfvernietiging, de "totale oorlog". De mensen hebben het zelfs als een BEVRIJDING ervaren, dat de vernietiging intrad, dat de werkelijkheid ten op­zichte van ZICHZELF in WREEDHEID opging.

Voorzover de VROUW, en het vrouwelijke, niet verder komt qua INHOUD dan het vernietigd-zijn van de werkelijkheid geldt voor haar het begrip WREEDHEID. Dit is op zichzelf natuurlijk een ZIEKELIJK geval; zowel waar het de man als een­zijdig het vernietigende betreft als waar het de vrouw qua verscheurde inhoud betreft. De eerste wereldoorlog vertoonde dan ook duidelijk de kenmerken van een MASSAHYSTERIE; een eenzijdigheid die dóór is geslagen in de massa. Je moet na­tuurlijk DOODZIEK zijn om wellust te gevoelen bij het besef dat de mannen elkaar gaan vernietigen en die mannen zčlf zijn evenzo doodziek om te gaan vernietigen.

Deze ziekelijke afwijking, dit "pathologische geval" is natuurlijk OP ZICHZELF niet menselijk, maar de GROND van waaruit deze afwijking optreedt is - onmiddel­lijk voor de hand liggend - vandaar dat het gemakkelijk in een MASSAHYSTERIE kan overgaan! Het begrip HET VERNIETIGENDE is het eerste dat aan de man bedacht kan worden - de eenzijdige reactie daarop van de vrouw is derhalve evenzo primitief.

Daarom kon dan ook vrijwel de gehele toenmalige wereld erin betrokken worden.

 

Het vernietigende in zijn eigenlijke situatie

Wij moeten ons thans afvragen hoe de zaak met het vernietigende eigenlijk zit, want de werkelijkheid als mens loopt natuurlijk niet in een BLOEDBAD uit terwijl het vernietigende toch WEZENLIJK MANNELIJK is.

Wij moeten een verhouding altijd vanuit twee kanten bekijken: de inhoud van de vrouw is de werkelijkheid als het begrip EEN; de werkelijkheid als NIETIGHEID dus. Zo ligt de zaak, bekeken VANUIT DE VROUW. Maar hoe ligt nu DIEZELFDE ZAAK bekeken VANUIT DE MAN?

De man VERNIETIGT de werkelijkheid, maar zodra die werkelijkheid vernietigd IS, is zij INHOUD VAN DE VROUW. Het vernietigde GAAT dus OP IN HET VROUWELIJKE, en daarmee is het een ŕndere werkelijkheid dan eenzijdig de VERNIETIGDE werkelijkheid. Wat is dat dan voor een werkelijkheid?

Als wij er NIET bij zeggen, dat de vernietigde werkelijkheid INHOUD is van het VROUWELIJKE, dan gaat het over een wčrkelijk vernietigde werkelijkheid; het gaat dan over een werkelijkheid die niet verder komt dan het vernietigen dat de man gedaan heeft. Hierbij kunnen wij denken aan de wereld zoals wij die thans kennen. Het één is LOS van het ŕnder gekomen; de mensen zijn LOS van elkaar ko­men te staan; de boel hangt als LOS ZAND aan elkaar. Maar člk onderdeel is voor de dag gekomen; de bouwstenen liggen op tafel. En nu vragen wij hoe die wereld, ňnze wereld, er uitziet als wij er wčl bij bedenken dat het uiteindelijk een VROUWELIJKE werkelijkheid is. Dan zien wij een wereld waarin ALLES geldt en waarvan van dit ALLES niets MAATGEVEND is; niets springt eruit als belangrijk of, vergeleken bij iets ŕnders, als WAARDEVOL. Er is dus niets dat WAARDE heeft en nu is in volle omvang voor de dag gekomen het begrip HET EEN EN HET ANDER.

Zolang er WAARDE is, geldt niet het begrip het één EN het ŕnder, maar geldt het begrip het één OF het ŕnder. En dan is het onmogelijk te spreken van INHOUD van het vrouwelijke; dat kŕn pas als BEIDE ER ZIJN, het één čn het ŕnder. Als de zaak COMPLEET is - en dat is hij als er niets meer als WAARDEVOL uitspringt - is hij automatisch inhoud van het VROUWELIJKE. Dit nog steeds gezien vanuit de man. De vernietiging door de man derhalve, met alle bloedbaden, verwoestingen en andere droefheden, is toch de WEG waarlangs de wereld tenslotte terecht komt.

Het kan dus gebeuren dat de man bij de vernietiging BLIJFT STAAN, en in de CULTUURONTWIKKELING is dat moment er ook, namelijk ňnze cultuur, maar tenslotte gaat het door de vernietiging heen en is dan inhoud van het vrouwelijke.

 

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 25 november 2009)

 

Dinsdag, 25 maart 1969

No. 28

 

De vernietigde werkelijkheid als waardeloosheid

Wij hebben de vorige keer gezien dat de man de werkelijkheid vernietigt door­dat hij de werkelijkheid terugbrengt tot het begrip EEN. Naar aanleiding daarvan vragen wij ons thans af hoe die vernietigde werkelijkheid, die als LOS ZAND aan elkaar hangt, terecht komt.

Dan zouden wij kunnen zeggen dat de mens er maar voor heeft te zorgen dat hij het vernietigende aspect, dat hij aan zich heeft, kwijt raakt. We kunnen zeggen dat de mens opgevoed moet worden totdat hij tenslotte deugdzaam is, en als wij dit zeggen stemmen wij overeen met wat in vrijwel alle culturen altijd gedacht is, namelijk dat de mens zo zonder meer NIET DEUGT. Dat er een OPVOEDING nodig is om hem tot een BRUIKBAAR lid van de samenleving te maken. PLATO spreekt in "De Staat" over de verschillende deugden die ontwikkeld moeten worden in een goede samenleving, en hij heeft het ook over dingen die beslist niet mogen. En ook wij zijn van mening dat de redding van de mens afhangt van zijn opvoeding, maar niets is minder waar. De mens kan geen enkel aspect van zichzelf kwijtraken en zo kan hij ook het vernietigende niet kwijtraken omdat het 0eierilijk bij hem behoort. Het is het eerste dat aan de man te bedenken is.

De werkelijkheid gaat een ŕndere weg, en wel deze dat tenslotte als resultaat van de vernietiging de WAARDELOOSHEID voor de dag komt. En als de voorhanden wer­kelijkheid WAARDELOOS is gebleken, dan is de zaak vanzelf INHOUD van de werkelijk­heid vrouwelijk. Want dan is het EEN en het ANDER er zonder dat één van die twee eigenlijk niet meetelt; het begrip EN HET EEN EN HET ANDER is automatisch inhoud van het begrip TWEE.

Onze cultuur, en dus ons zelfbewustzijn, zit midden in het begrip WAARDE. Voor ons heeft het één meer waarde en het ŕnder minder waarde en als iets niet meer te GEBRUIKEN is, dan noemen wij het waardeloos. Je hebt er dan niets meer aan. Omdat het begrip WAARDELOOS voor ňns een negatieve betekenis heeft denken wij ons de waardeloosheid van de werkelijkheid ook NEGATIEF. Het houdt voor ons een diskwalificatie in. Maar in deze zin is de werkelijkheid niet waardeloos. Het gaat echter over een werkelijkheid waarin alles van zijn WAARDE ontdaan is, waarin dus aan het één niet meer belang gehecht wordt als aan het ŕnder. Dit is dus geen wereld die ONBRUIKBAAR is omdat ze ONDEUGDELIJK is.

Tijdens zijn ontwikkeling ontdekt de mens telkens nieuwe aspecten van de wer­kelijkheid en zo'n nieuw aspect staat steeds weer een tijdlang centraal; het is dan van alles overheersende betekenis en de waarde van al het andere wordt naar dat éne maatgevende aspect afgemeten. Op een zeker moment echter heeft de mens alle aspecten ontdekt zodat er niets meer centraal staat omdat er niets meer is dat als LAATST ONTDEKTE aspect het meest sublieme van alle aspecten is.

Wij moeten ons nu echter wel afvragen wat onder HET LAATST ONTDEKTE ASPECT te verstaan is want de mens komt nooit ALLES van de werkelijkheid te weten, zodat er dus eigenlijk nooit een LAATSTE ontdekking kan zijn. De mens kan nooit de gehele werkelijkheid vernietigd hebben; hij kan nooit alle facetten weten, want voor het ragfijne netwerk dat de werkelijkheid qua constructie is geldt het be­grip ONEINDIG VEEL. Het WETEN van de mens is dus altijd NIETS vergeleken bij zijn NIET-WETEN - als het tenminste over de DINGEN gaat. De enkelvoudigheden komen in ONEINDIG VEEL onderlinge verhoudingen voor, maar toch zeggen wij dat de mens straks de gehele voorhanden werkelijkheid VERNIETIGD heeft en dus de gehele zaak kent. Hoe zit dit?

Het VERNIETIGINGSPROCES is, zoals met elk proces het geval is, om te beginnen IN ZICHZELF BESLOTEN, d.w.z. het gaat dan  om het proces zčlf, zonder dat er enig besef is van het uiteindelijke RESULTAAT ervan. Zoals het bij iemand die een vak leert gaat om het LEREN en niet om datgene dat uit zijn handen komt, want dat zijn vaak onnutte werkstukken, die slechts als OEFENING dienden. Zo gaat het de mens om te beginnen om het PROCES en niet om het RESULTAAT ervan. Alles wat dit proces op een zeker moment oplevert is WAARDEVOL, want is een nieuwe verworvenheid, een nieuwe "ontwikkeling". De VOORUITGANG is maatgevend en niet het RESULTAAT dat tenslotte bereikt wordt.

Al voortgaande komt er evenwel een moment dat het proces DOOR ZICHZELF HEEN is, d.w.z. het RESULTAAT tekent zich af en kan verder nog slechts vervolmaakt worden. Zoals de vakman vanaf een zeker moment vakwerk aflevert, dat echter ook nog steeds verbeterd kan worden. Het vernietigingsproces blijft doorgaan zolang er mensen zijn, maar om het proces zčlf blijft het niet gaan; het gaat straks om een steeds beter RESULTAAT.

 


Vanaf het moment dat het de mens gaar om het RESULTAAT, is de werkelijkheid werkelijk vernietigd. De mens weet dan van de gehele werkelijkheid en van alles wat hij weet is het één niet belangrijker dan het ŕnder.

Van de werkelijk vernietigde werkelijkheid is behalve dat zij WAARDELOOS is ook nog te zeggen dat zij IN ZICHZELF ONDERSCHEIDEN is. Dit wil zeggen dat alle VERSCHILLEN op tafel zijn komen te liggen, zonder dat het verschil een WAARDE­VERSCHIL is. Het is zčlfs een ZUIVER VERSCHIL omdat het ontdaan is van mense­lijke BELANGEN op grond van allerlei waarden. Het éne verschijnsel is dus op zuivere wijze het ŕndere verschijnsel niet, en zo ligt de zaak op maat want geen twee ONDERLINGE VERHOUDINGEN tussen de enkelvoudigheden zijn aan elkaar ge­lijk. Deze verschillende gesteldheden moeten er allemaal zijn, juist ŕls ver­schillende gesteldheden en in de grond van de zaak kan er niet één uitgedacht worden. Omdat er niet één uit kŕn, is er ook niet één die belangrijker is. De vernietigde werkelijkheid is dus door en door ONDERSCHEIDEN en zij is geheel zonder WAARDE. De?e werkelijkheid is inhoud van het vrouwelijke.

 

Het begrip regelen

De mens legt steeds meer de facetten bloot waaruit de werkelijkheid bestaat; zolang voor die facetten geldt dat het één meer waard is dan het ŕnder houdt de mens zich bezig met het REGELEN van de onderlinge WAARDEVERHOUDINGEN. Hij noemt dat dan POLITIEK of ECONOMIE of REGEREN, al naar gelang de sector in de samen­leving waarop hij zich richt. En altijd gaat het over het afwegen van waarden: de arbeiders tegenover de werkgevers, de middenstanders tegenover de grootbe­drijven, enzovoort. En altijd komt het COMPROMIS er bij te pas, zodat het toch nog tot enige samenwerking komt. Tenslotte wordt alles geregeld: “van de wieg tot het graf”, heet dat dan. In onze samenleving zien wij dit ook steeds duide­lijker voor de dag komen. Maar het gaat niet over het regelen van de SAMENLEVING; het gaat over het regelen van de WAARDEVERHOUDINGEN in de samenleving. Daarom wordt de zwakke beschermd en daarom is er ontwikkelingshulp; het vooronderstelt namelijk een MINDERE WAARDE bij de zwakke en bij de onontwikkelden.

Als echter de samenleving volwassen geworden is en alles waardeloos is, dan valt er niets te REGELEN. Want er is dan geen verhouding die geregeld moet wor­den; voor de mens namelijk geldt geen enkele CONCRETE VERHOUDING en dat blijkt als de werkelijkheid NIETIGHEID geworden is. Er geldt ook geen waardeverhouding, maar zolang de mens onvolwassen is denkt hij zichzelf waarde toe. En dan regelt hij de zaak - althans dat dčnkt hij - maar in werkelijkheid valt er niets te regelen en dat blijkt als de mensheid volwassen geworden is.

Toch is het in een volwassen samenleving GEREGELD, maar niemand dóet dat omdat het geregeld-zijn vanzčlf optreedt als ALLES aanwezig is, dus ook als IEDEREEN aanwezig is. De samenleving is dan namelijk tot ORGANISME geworden en dat is de zaak waarin de werkelijkheid zčlf uitloopt. Het menselijk lichaam is ook een ORGANISME en alles daarin gaat zoals het gaan moet terwijl er niets geregeld behoeft te worden. Het organisme REGELT ZICHZELF; de samenleving die tot orga­nisme geworden is regelt ook zichzelf. Dit is de ware DEMOCRATIE te noemen, voorzover wij het over een STAATSVORM willen hebben, want in een organisme

telt ŕlles mee; in een ware democratie regeert, oftewel: regelt, de mensheid zichzelf.

 

De vernietiging en de productie

De man als het vernietigende beginsel brengt de werkelijkheid terug tot het begrip EEN, maar dit is wat anders dan het PRODUCTIE-PROCES. We zijn namelijk geneigd te zeggen dat in de productie de vernietigde werkelijkheid OPGEBOUWD wordt tot een nieuwe werkelijkheid, maar dit is niet zonder meer juist. De man doet niets met de vernietigde werkelijkheid; het begrip EEN geldt ervoor en dus is de zaak INHOUD VAN HET VROUWELIJKE, en dat is alles.

Als PRODUCTIE dňet de mens wel wat: hij vormt de werkelijkheid om tot iets ŕnders en dat andere is ook een VERSCHIJNSEL en ten opzichte van dat verschijn­sel geldt de VERNIETIGING ook hoewel het een verschijnsel is dat het INTELLEC­TUELE afspiegelt. Het PRODUCT is het VERSCHIJNSEL ALS INTELLECT; het is dus ook het verschijnsel als ALGEMEENHEID. Het productie-proces is een ALGEMEEN MENSELIJKE aangelegenheid, maar het vernietigings-proces is een SPECIFIEK MAN­NELIJKE zaak. In de productie is het DE MENS die de werkelijkheid tot zijn in­houd maakt, maar in de vernietiging is het DE MAN die aan de gang is en hij maakt de zaak niet tot INHOUD, hij maakt het tot EEN en dat is VANZELF inhoud.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 25 november 2009)

 

Dinsdag, 1 april 1969

 

Nihilist- zie nr. 29 en nrs. 67 t/m 69

 

No. 29

 

De arbeid van de mens

Over het algemeen zijn wij de mening toegedaan dat de voorhanden werkelijk­heid door de man eerst vernietigd wordt, om daarna opgebouwd te worden tot wat anders, zodat de PRODUCTIE eigenlijk de voortzetting is van de vernietiging. Maar deze mening is onjuist; het vernietigingsproces levert een werkelijkheid op waarvoor het begrip EEN geldt, en meer doet dat proces niet. Dat de zaak dan automatisch INHOUD van het VROUWELIJKE is, heeft met dat proces zčlf niets te maken. Bovendien is dat proces dan afgelopen, zodat er in geen geval van een voortzetting te spreken is. Het productieproces is dus geen voortzetting van het vernietigingsproces.

Het VERNIETIGINGSPROCES is een specifiek MANNELIJKE aangelegenheid, maar het ARBEIDSPROCES is een MENSELIJKE zaak omdat het DE MENS - als ALGEMEENHEID - is die zich waarmaakt als INHOUDENDE DE GEHELE WERKELIJKHEID. Dus wordt de gehele werkelijkheid tot inhoud van de mens gemaakt en daarbij doet voorlopig niet ter­zake of deze mens nu de vrouw of de man is. Zowel de vrouw als de man ALS MENS heeft de voorgaande werkelijkheid tot inhoud; bijgevolg zijn beiden aan het werk. Als wij dit werk nader gaan bekijken dan blijkt dat ieder zijn EIGEN WERK­TERREIN heeft: eenvoudig gezegd werkt de man in de FABRIEK en de vrouw in haar HUISHOUDEN. Het is duidelijk dat er verschillende werkterreinen moeten zijn, want wij hebben te maken met twee geheel verschillende gesteldheden van de wer­kelijkheid als mens. De vrouw is een ŕndere werkelijkheid dan de man en dus ligt het in de logica dat beider arbeid een andere werkelijkheid betreft. Anderzijds hangen deze twee verschillende arbeidsgesteldheden ten nauwste met elkaar sa­men omdat voor beiden geldt dat zij arbeiden VOORZOVER ZIJ MENS ZIJN. Voorzover dus de ACCENTEN "vrouw" en "man" niet meer gelden. Dit is de verklaring voor het feit dat de arbeidsterreinen van vrouw en man - zeker in onze moderne cul­tuur - vaak door elkaar heenlopen.

De arbeid van de mens is gevolg van het feit dat de werkelijkheid INHOUD is van de mens omdat de mens het LAATSTE VERSCHIJNSEL is. Voor het werkterrein van de VROUW geldt dat de werkelijkheid inhoud IS, terwijl voor het werkterrein van de MAN geldt dat de werkelijkheid concreet als inhoud GESTELD WORDT. De sfeer van de "huishouding" is dus het ZIJN, en de sfeer van de fabriek is het WORDEN.

In beide gevallen gaat het over de inhoud van de mens als LAATSTE verschijnsel; dus gaat het over de inhoud van het LEVEN. Voorzover het de vrouw betreft kun­nen wij daar wel inkomen: zij houdt zich bezig met het dagelijkse leven. Maar inzake de man is deze gedachte voor ons moeilijker te verstaan. Wij verkeren in de mening dat de man zich in het leven houdt door te werken, zodat het wer­ken voor hem dus niet meer is dan LEVENSONDERHOUD. Dat het werk de inhoud van zijn LEVEN zou zijn is voor ons niet te verteren. Wij zouden over het algemeen het leven pas goed vinden zňnder al dat werken Maar toch gaat het hier over dezelfde zaak, die door ons evenwel ONDERSTEBOVEN gedacht wordt: wij denken dat ja kunt leven door te werken, terwijl in feite het leven zčlf werken bete­kent. Het leven is een voortdurend werken, hoe dit werk er ook uit mag zien en het geldt voor zowel de vrouw als de man.

De man als VERNIETIGINGSPROCES staat eigenlijk buiten de werkelijkheid; daar­om  is de man als zodanig dan ook een VREEMDHEID voor de vrouw. Zij kent immers het begrip EEN niet want zij kent slechts het EEN en het ANDER als haar eigen inhoud en dan is het door en door de werkelijkheid zčlf. Een nietige en een waardeloze werkelijkheid op zichzčlf is voor haar onbekend - vandaar dat geen enkele vrouw meekan met een man die zich voor zichzelf ontwikkelt naar zo'n werkelijkheid toe. Zij kent de nietigheid en de waardeloosheid alleen maar als haar INHOUD en dan is het wat ŕnders dan die zaak op zichzelf. Die zaak op zich­zelf voltrekt zich alleen maar langs de MANNELIJKE lijn en de vrouwen REAGEREN hoogstens hierop.

De man maakt in zijn arbeid een nieuw VERSCHIJNSEL: hij maakt van een boom een tafel. Deze tafel is voor de mens NUTTIG, hij heeft er wat aan. De zaak is een rol gaan spelen in de MENSELIJKE WERKELIJKHEID en daarmee is de boom OPGE­HEVEN uit zijn eigen BEPAALDHEID, die een AFGESLOTENHEID is. Een appelboom bij­voorbeeld is vanaf het moment dat de mens zijn appels eet ook OPGEHEVEN uit zijn bepaaldheid want als afgesloten bepaaldheid was hij alleen maar een be­paalde boom en verder niets. Maar nu is hij een APPELBOOM; hij is voor de mens van "levensbetekenis". Elk verschijnsel wordt door de mens boven eigen afgeslotenheid ňpgeheven  en wordt daarmee een verschijnsel dat INTELLECT afspiegelt en dat verschijnsel is het PRODUCT.

 

Het resultaat van de arbeid van de man is het product; het is een nieuw verschijnsel: het verschijnsel ALS INTELLECT.

Altijd zal de menselijke arbeid HET VERSCHIJNSEL ALS INTELLECT opleveren, maar het vernietigingsproces levert een NIETIGE werkelijkheid op, een werkelijkheid dus die GEEN VERSCHIJNSEL is, en als de MAN deze laatste werkelijkheid is, dan is hij WEER TERUG in de werkelijkheid die VROUWELIJK is. Arbeidende is de man nog nooit UIT de werkelijkheid geweest omdat de arbeid MENSELIJK is en ook het PRODUCT is direct - omdat het NUTTIG is - inhoud van het leven geweest, maar als VERNIETIGING gaat de man een weg BUITEN de werkelijkheid, om daarin als VER­NIETIGD weer te keren. Als wij in dit verband eens even stellen mogen dat de man het niet voor elkaar krijgt zichzelf te vernietigen, dan zou hij voor de werke­lijkheid VERLOREN zijn. Maar dit is een "als" dat logisch niet houdbaar is. In de man PERSOONLIJK kan het gebeuren dat hij zichzelf en de werkelijkheid niet

vernietigen kŕn; in dat geval komt hij nooit aan de vrouw toe en deze situatie doet zich in ňnze cultuur als regel voor. Elke cultuur komt voort uit het ver­nietigingsproces omdat zij voortkomt uit het "terugbrengen tot EEN", het ONDER­SCHEIDEN, en daarom is člke cultuur eigenlijk MANNELIJK, al vertoont zij bij gelegenheid een vrouwelijke sfeer. Onze cultuur is mannelijk en ook nog op zich­zčlf gericht, zodat ŕl het culturele BUITEN de werkelijkheid ligt; voor de man geldt dus nog niet het vernietigd-zijn en dus is hij nog niet terug in de wer­kelijkheid. Hij is nog niet IN HET VROUWELIJKE; vandaar dat hij in het algemeen met de vrouw geen raad weet. En ook niet met zichzelf, qua WERK bijvoorbeeld.

Het werk zčlf is aan geen enkele cultuur onderhevig: het gaat altijd om het­zelfde al veranderen in de loop der tijden de WERKTUIGEN. Dit geldt ook voor het werk van de vrouw. En de producten worden wel EFFICIENTER, d.w.z. meer geraffineerd qua FUNCTIE, maar het gaat wezenlijk toch altijd over hetzelfde: LEVENSINHOUD. En daarmee weet de moderne man, staande in het teken van EEN, na­tuurlijk geen raad omdat hij buiten de werkelijkheid, buiten het LEVEN, staat.

Het vernietigingsproces richt zich op de werkelijkheid zčlf, dus ook op het menselijke, en ook op het werk en het product. Daarom worden de producten steeds gemakkelijker verkrijgbaar. De ONTWAARDING, als gevolg van de vernietiging, zet zich door. De producten worden verkrijgbaar tenslotte voor IEDEREEN; het TOTAAL van de mensen krijgt de beschikking over het totaal van de goederen, en dit komt niet door de ECONOMIE, zoals algemeen gedacht wordt, maar het komt door de VERNIETIGING. Langs de weg van de economie zet de ontwaarding zich door, maar de economie zčlf heeft als achtergrond de BELANGEN. Van daaruit worden

de verschillende "markten" onderzocht en opengelegd en vanuit de belangen wor­den de producten over een zo groot mogelijk AFZETGEBIED verspreid, maar dat is niet de wezenlijke drijfveer. In wezen is het de VERNIETIGING, die zich in onze cultuur OP ZICHZELF doorzet. In de oudheid was dit principe natuurlijk ook al aanwezig omdat de mensheid nooit zonder het MANNELIJKE is, maar het ging daar toen nog niet om. Vandaar dat markten en afzetgebieden en wereldhandel een ondergeschikte rol speelden. In de moderne wereld worden de producten in zo groot mogelijke hoeveelheden gemaakt en verspreid: omdat het begrip EEN ervoor geldt, geldt ook het begrip AANTAL en ook dat het voor IEDEREEN is.

Het menselijke proces dus, het PRODUCTIEPROCES, staat in de moderne wereld onmiddellijk onder invloed van het vernietigende en dan wordt het resultaat van het WERK van de mens een zaak van en voor IEDEREEN, hoewel het om te be­ginnen natuurlijk een zaak was van BELANGEN van ENKELEN. Het werk krijgt dus steeds meer een ALGEMEEN karakter, en dat behoort het ook te hebben omdat het een MENSELIJKE ZAAK is, die ALS menselijke zaak eerst betrokken was in het individu dat aan het werk was. Hij werkte VOOR ZICHZELF. Door de vernietiging gaat hij voor IEDEREEN werken; zijn VOOR ZICHZELF MENSELIJK bezig zijn wordt tot een VOOR HET ALGEMEEN MENSELIJK bezig zijn.

Overigens komt aan het vernietigingsproces zčlf geen warmte mee; het is een GENADELOZE en KOUDE en DOODSE aangelegenheid, die wars is van schoonheid en die EFFICIENCY boven alles stelt. Het is de wereld van de NIHILIST waarin ŕlles opgeblazen wordt, waarin člke gesteldheid fijngemalen wordt. Waarin een grote VEREENZAMING heerst en ook GEWETENLOOSHEID en GEVOELLOOSHEID, want er is geen vrouwelijkheid. Maar toch kunnen we de zaak niet werkelijk negatief noemen omdat het de gang der ontwikkeling is; de ontwikkeling die op een zeker moment ook het MANNELIJKE te voorschijn moet brengen en daarmee trouwens de wereld leefbaar maakt voor ALLE MENSEN, iets wat van het vrouwelijke accent op zichzelf niet te zeggen is.

 

Nihilist- zie nr. 29 en nrs. 67 t/m 69

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 25 november 2009)

 

Dinsdag, 8 april 1969

No. 30

 

Naar aanleiding van de vrouw en de wreedheid

In stencil No. 27 spraken wij over de WREEDHEID als de “wellust in het vernie­tigen”. Het was het vrouwelijke voorzover dit bleef staan bij haar inhoud als een vernietigend en vernietigd geval, zonder dat dit geval als haar INHOUD beseft werd. Het VERNIETIGENDE zčlf kŕn trouwens geen inhoud van het vrouwelijke zijn omdat het gaat over het UIT ELKAAR LEGGEN van de werkelijkheid. De VERNIETIGDE werkelijkheid is pas dŕn inhoud van het vrouwelijke als die werkelijkheid wčrke­lijk TOT EEN TERUGGEBRACHT is en dus ook wčrkelijk WAARDELOOS is. Voordien is het geen inhoud, zodat de vrouwelijke REACTIE daarop noodzakelijk in WREEDHEID uit moet lopen.

Wij hebben het voorbeeld van de eerste wereldoorlog genoemd, maar wij kunnen ook wijzen op de toernooien die vroeger gehouden werden. Daarbij zaten de vrou­wen vooraan en de prijs voor de overwinnaar was in vele gevallen de gunst van een schone dame.

We kunnen ook denken aan de STIERENGEVECHTEN, zoals die thans nog in Spanje gehouden worden. De wreedheden ten opzichte van de stier brengen de vrouwen tot HYSTERIE, hetgeen nog versterkt wordt door het feit dat de stier met zijn brute bevruchtende kracht een SEXUEEL SYMBOOL is voor de vrouwen uit de LATEINSE lan­den. Vroeger was de stier ook de bevruchter bij uitstek; wij vinden hiervan de bewijzen in INDIA en ook bij de MITHRA-GODSDIENST, die omstreeks het begin van onze jaartelling overal in het toenmalige ROMEINSE WERELDRIJK beleden werd. In deze religie behoorde het tot de rituelen de stier te DODEN; het is dus de BE­VRUCHTER die gedood werd en daarmee werd eigenlijk het BESEF VAN DE OUDHEID ge­dood, want in de oudheid was het MANNELIJKE niet meer dan de BEVRUCHTER omdat het ging over het mannelijke als ABSTRACTE INHOUD.

Het beeld is dus dat de bevruchter gedood werd; dit betekent dat ook hij aan de ontkenning toe is; dat hij als inhoud van het vrouwelijke ook zčlf vernietigd wordt. Dat was om te beginnen in de OUDHEID niet het geval: toen werd hij VER­EERD. Maar tegen het einde van de oudheid gebeurde dat ook niet meer omdat het nu duidelijk geworden was dat het om een ABSTRACTIE ging. Bij de MAAGD MET HET KIND is het de HEILIGE GEEST die als bevruchter fungeerde, dus was zelfs het SYMBOOL verdwenen. Evenwel zit er ook deze kant in dat een NIEUW BESEF zich ging laten gelden en in dat nieuwe besef werd mčt de BEVRUCHTER ook het besef van de OUDHEID gedood. Hier begint de INHOUD VAN HET VROUWELIJKE zich op zich­zčlf te laten gelden; het mannelijke doodt zichzelf als bevruchter en stelt een EIGEN VROUWELIJKHEID. Dit loopt uit in de vrouwelijkheid zoals wij die thans kennen, maar een herinnering van dit prille besef vinden wij terug in het ge­drag van de stierenvechter: hij is trots en ijdel en hij beweegt zich voort met danspasjes. Hij is de LIEVELING van de vrouwen maar in wezen niet hun MINNAAR.

Hoe liggen de kaarten voor de vrouw van ňnze tijd?

Als eerste moeten wij er goed op letten dat wij niet de vergissing maken te vergeten dat wij met vrouwen en mannen te doen hebben, dus met LEVENDE MENSEN voor wie geldt dat het vrouwelijke het mannelijke INHOUDT en dat dit mannelijke de vernietigde en waardeloze werkelijkheid is. Wij moeten ons dus realiseren dat de mensen tňch MENS zijn, ook al zijn ze nog zo vertekend door de voor hen gel­dende CULTUUR. De cultuur levert niet meer op dan een VERTEKENING; zij VERANDERT de mensen niet maar zij doet ze ZICHZELF als iets anders beseffen dan wat ze wezenlijk zijn. Ze ERVAREN zichzelf naar hun WEZEN, maar die ervaring wordt in hun ZELFBEWUSTZIJN een ratjetoe en dŕt is de VERTEKENING. Wij WETEN dus nu HOE de mens is en nu gaan we na wat hij aan zichzelf BELEEFT in een bepaalde CUL­TUUR - in dit geval in ňnze cultuur.

Dus: eigenlijk is er alleen maar het VROUWELIJKE omdat de werkelijkheid in het ORGANISME uitloopt, en dat is het begrip TWEE. De inhoud van deze zaak is het totaal van de "dingen" waaruit de werkelijkheid is opgebouwd; dit benoemen wij met het begrip EEN. Op zichzelf komt dit begrip EEN niet voor, maar als mens is het de MAN die deze zaak vertegenwoordigt. Dit mannelijke aspect nu, deze inhoud van het vrouwelijke ONTWIKKELT ZICH in ňnze cultuur, maar nu moeten wij niet denken dat dat GEWETEN wordt! Tijdens een ontwikkeling WEET niemand wŕt zich ontwikkelt; de ontwikkeling gaat INSTINCTMATIG en slechts aan enkelen ge­lukt het om er achter te komen wŕt zich ontwikkelt, zonder daarmee overigens in staat te zijn vanuit dit weten enige invloed uit te oefenen op deze ontwik­keling – ook niet voerzover die ontwikkeling in henzčlf plaats vindt.

 


Als zich dus in onze cultuur het mannelijke aspect ontwikkelt weet de vrouw niet dat dit aspect haar inhoud is en de man weet niet dat het aspect dat hij vertegenwoordigt inhoud van het vrouwelijke is. De mens is alleen gericht op dat aspect zčlf; daardoor treedt dan ook de VERTEKENING op.

Wij leven in een wereld waarin door de man ten aanzien van de vrouw en door de vrouw ten aanzien van de man NIETS AANGEVOELD WORDT terwijl zij zich ten opzichte van elkaar toch eigenlijk als MENSEN gedragen, d.w.z. als het INHOUDENDE en haar INHOUD. Vanuit het ZELFBEWUSTZIJN staat alles OP ZICHZELF, dus de man weet niet dat hij inhoud is en de vrouw staat zonder inhoud. Deze wereld is de wereld op zijn slechtst want alles staat OP ZICHZELF en daarom gáát het nog ook! Het gaat alleen maar om de DINGEN zonder dat er enig besef is omtrent de wezenlijke men­selijke werkelijkheid waarin de dingen een onverbrekelijke organische samenhang hebben. In deze wereld is alles aanwezig en alles verkrijgbaar, er heerst RECHT, er heerst VREDE in de zin van WAPENSTILSTAND, er is BROOD en KLEDING, kortom:

er is CONCRETE LEVENSZEKERHEID. Maar de WARMTE van het ORGANISCHE ontbreekt; er is geen SAMENHANG. Dus is er eigenlijk geen LEVEN….

Het leven is in een dergelijke wereld wel DOOR TE KOMEN, maar dat betekent nog niet dat er te LEVEN valt. Iedereen kan gaan en staan waar hij wil, maar dat kan alleen omdŕt hij OP ZICHZELF staan kan. Het leven heeft echter met OP ZICH­ZELF STAAN niets te maken.

Wat beleven nu in deze wereld de vrouwen en mannen aan elkaar? Wij hčbben al, in verband met de SEXUALITEIT, de PRIKKEL genoemd, maar daarover gaat het nu niet, het gaat nu in het algemeen over de OMGANG vrouw-man. Welnu, alles is OP ZICHZELF komen te staan en dus ook de vrouw en de man, maar zij KENNEN elkaar niet, want de vrouw kent HET VERNIETIGENDE niet en de man kent de INHOUD en dus het INHOUDENDE niet. Als er twee OP ZICHZELF staan die elkaar NIET KENNEN en die zich toch (omdat zij MENSEN zijn) willen VERENIGEN, dan komen die twee tot een COMBINATIE. Een combinatie is het samengaan van twee VREEMDHEDEN die om de een of andere reden toch samen moeten gaan. De vrouw en de man MOETEN samengaan omdat zij zich niet NIET VERENIGEN kůnnen, en het is een COMBINATIE omdat zij zichzelf naar hun WARE VERHOUDING niet aanvoelen.

In deze COMBINATIE ontkomt de vrouw evenwel toch niet aan zichzelf en zo tracht zijde man in die combinatie OP TE SLOKKEN; zij tracht hem in te kerke­ren in het GEZIN. Terwijl voor de man die combinatie ZIJN BEZIT is omdat hij het geld ervoor verdient. De vrouw dreigt dus BEZIT te worden en de man dreigt te VERZUIPEN, en dat is voor beiden het BENAUWENDE aan de combinatie. Deze com­binatie is meestal het HUWELIJK, maar ook buiten het huwelijk om komen de mensen hiermee. En tegenwoordig wordt ernaar gestreefd elkaar zoveel mogelijk VRIJ te laten en elkaars ZELFSTANDIGHEID niet aan te tasten, maar dit streven ontstaat juist alleen maar aan het besef van ieder OP ZICHZELF te staan en vanuit dit besef maakt het niet uit of de mensen elkaar meer of minder vrijheid toestaan, want het gaat toch altijd over een COMBINATIE en dat is niet het ware.

In de ware OMGANG staat de vrouw niet op zichzelf en de man evenmin; het heeft niets met OP ZICHZELF STAAN en ZELFSTANDIGHEID te maken want het gaat over EEN ZAAK en in die éne zaak kunnen de mensen pas werkelijk ZICHZELF zijn als de man INHOUD is en als de vrouw het INHOUDENDE is. Maar in de COMBINATIE kan niemand ZICHZELF zijn hoe ZELFSTANDIG hij desnoods ook is. Vaak lijkt er in de combinatie allerlei te gaan, de sexualiteit bijvoorbeeld, want die heeft er niets mee te maken hoe de mensen zichzelf beseffen, maar ook de sexualiteit strandt al spoedig en wordt PRIKKELING. De COMBINATIE lijkt veel op de OMGANG maar het is heel wat anders. Dat blijkt uit het volgende: de ENKELVOUDIGHEDEN vormen om te beginnen COMBINATIES en dat is een meer of minder SAMENGAAN. Ten­slotte is het samengaan VOLLEDIG zodat elke enkelvoudigheid volledig opgenomen is en dus ALS SAMENGAAN volledig ZICHZELF is. Hij is dan VRIJ want er is niets aan hem dat niet meedoet. Hij wordt dus ook niet AFGEREMD door de ander. Het gaat echter altijd over SAMENGAAN, of dit nu een VOLLEDIG of een NIET VOLLEDIG samengaan is en daarom is er gelijkenis tussen die twee mogelijkheden, maar in het eerste geval is er VRIJHEID en in het tweede geval niet. In het eerste ge­val geldt het begrip OP ZICHZELF ZIJN niet en in het tweede geval wčl, al is het in feite altijd maar een GEDEELTELIJK OP ZICHZELF ZIJN. Precies zo ligt het bij de mens, maar hij is WEZENLIJK geen combinatie. De vrouw en de man zijn één zaak en in die éne zaak is het mannelijke inhoud van het vrouwelijke en dan zijn man en vrouw ZICHZELF en dus zijn zij dan ook VRIJ. Vandaar dat in de OMGANG wčl alle RUIMTE aanwezig is, terwijl dat bij de combinatie nimmer het geval kŕn zijn, hoe vrij de partners elkaar ook laten.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 25 november 2009)

 

Dinsdag, 15 april 1969

No. 31

 

De combinatie en de liefde

Wij spraken over het begrip COMBINATIE en over de ZELFSTANDIGHEID, waaraan de moderne mens zoveel gelegen is. Als wij nu eens acht slaan op de werkelijkheid zčlf en op de ENKELVOUDIGHEDEN, dan blijkt dat wij de ZELFSTANDIGHEID nergens tegenkomen; zelfs voor de enkelvoudigheid geldt het niet, hoewel wij die wčl een ogenblik zelfstandig kunnen DENKEN. En de moderne mens streeft naar zelfstandig­heid en in dat begrip zit ook het begrip VRIJHEID, maar uiteindelijk is het OP ZICHZELF STAAN, het doen en laten ONGEACHT DE ANDER een onmogelijkheid, en deze onmogelijkheid drijft tenslotte de MODERNE CULTUUR naar haar eigen ondergang, zonder dat wij natuurlijk mogen zeggen dat de moderne cultuur FOUT was.

Tijdens het UITWENDIGE WORDINGSPROCES gedragen de enkelvoudig heden zich alsof zij er alleen maar waren, hoewel ze er niet en nooit alleen zijn. Zij gedragen zich dus als ZELFSTANDIGHEDEN, maar zij ZIJN HET NIET. Hier geldt het begrip "ieder voor zich" en in dit begrip is DE ANDER, zij het op ONTKENDE WIJZE, ver­calculeerd. Onder deze omstandigheden kunnen de elementen hoogstens een COMBI­NATIE vormen - en dat doen zij dan ook.

De mens DENKT zichzelf om te beginnen als een stuk NIET ORGANISCHE KOSMOS, waarvoor het begrip ZELFSTANDIGHEID geldt. Tenslotte heeft de mens in de gaten dat hij niet zelfstandig is, maar dat hij ZICHZELF is. Dit is evenwel een geheel ŕndere zaak. De beweeglijkheid van de enkelvoudigheden ten opzichte van elkaar valt uiteen in twee aspecten: de beweeglijkheid voorzover die een GEZAMENLIJK BEWEGEN is en de beweeglijkheid voorzover die een NIET-GEZAMENLIJK BEWEGEN is. Dit geldt voor elke beweeglijkheid, en het geldt ook voor de mens, maar voor de mens geldt tevens dat de verhouding tussen deze twee aspecten TEN EINDE is, zodat de mens dus de COMBINATIE ten einde is. Daarmee is de mens het niet-ge­zamenlijke bewegen ten einde, dus het karakter van "ieder voor zich" is voor­bij, terwijl in het GEZAMENLIJKE BEWEGEN, dat dan aan de orde is, alle elemen­ten VOLLEDIG BEWEEGLIJK AANWEZIG zijn en dus ZICHZELF ZIJN. Een combinatie is dus altijd een gedeeltelijk samengaan. dat tevens een gedeeltelijk niet-samen­gaan is; het wezenlijke van en voor de mens is een VOLLEDIG SAMENGAAN, zodat er in dit samengaan dus niets is dat niet meedoet.

Als wij de westerse mens van thans bekijken zien wij duidelijk dat hij nog middenin de COMBINATIE zit: het min of meer samengaan van twee VREEMDHEDEN, die in wezen elkaar niet vreemd zijn, maar die elkaar aldus beseffen. Juist deze westerse mens heeft het over zijn ZELFSTANDIGHEID en hij voelt ook duidelijk dat een gedeelte van zijn "wezen" in een SAMENGAAN, bijv. het HUWELIJK, niet meedoet omdat er geen plaats voor is. Daarom spreekt deze mens van "geven en nemen" en hij doet daar graag aan mee voorzover hij VAN GOEDE WIL is, d.w.z., voorzover hij tracht er nog iets van te maken, want hij weet tevens intuďtief dat het bestreefde VOLLEDIGE SAMENGAAN niet mogelijk is. Hoe de vork echter in de steel zit wéét hij niet.

Voor de mens geldt wezenlijk het VOLLEDIGE SAMENGAAN en dit culmineert in het volledige samengaan van vrouw en man. Deze uitspraak echter geeft mogelijk aan­leiding tot misverstanden, want ten eerste zijn wij geneigd te denken dat de liefde tussen vrouw en man uitloopt in een werkelijke lichamelijke EENHEID waarin beide partners OPGELOST zijn in de eenheid en ten tweede knopen wij gemakkelijk hieraan vast dat de LIEFDE voor de mens een MONOGAME aangelegen­heid is. Dus toch het "heilige huwelijk". Het zo te denken is echter fout en die fout komt voort uit een DENKEN VANUIT DE COMBINATIE. Dat denken heeft als uitgangspunt het ELKAAR VREEMD ZIJN omdat het de vermeende ZELFSTANDIGHEID stelt en dan is het hoogst denkbare het volledig opgaan in de combinatie van één bepaalde vrouw en één bepaalde man. Dit doel blijkt niet haalbaar te zijn, maar er is toch het VERLANGEN daarnaar en dit wordt uitgedrukt door de figuur van EROS, het Griekse LIEFDESVERLANGEN. In de oude INDISCHE verhalen wordt ver­teld over een vrouw en een man die zich volledig verenigden en die daarbij bei­den stierven omdat zij voor zich oplosten in het niets. Natuurlijk, want de com­binatie - die het uitgangspunt was - is dan tot zijn einde gekomen, dus het ver­schijnsel lost zich op, maar dit is voor een VERHAAL desnoods een mooi beeld doch de PRAKTIJK vertoont dit nooit en dat is niet te wijten aan GEBREKKIGHEID van de mens…. de zaak is verkeerd gedacht! Denkende vanuit de combinatie komt de mens nooit tot een oplossing inzake de LIEFDE; hij blijft dan altijd met de BASIS zitten en die is het elkaar VREEMD zijn.

 


Als wij over het volledige samengaan denken moeten wij niet vanuit de combi­natie denken, doch stilstaan bij dat volledige samengaan zčlf. En dat moeten wij in verband met de vrouw en de man wel doen omdat het volledige samengaan voor de mens HET ENIGE WEZENLIJKE is. Het VOLLEDIGE SAMENGAAN oftewel DE LIEFDE is menselijk gesproken het enige WEZENLIJKE. In deze liefde is de vrouw het INHOU­DENDE principe en de man de INHOUD. Maar welke is die inhoud? Zoals wij reeds talloze malen hebben gezegd is die INHOUD het BESTAANDE; het is de werkelijkheid die GEWORDEN is, die bestaat uit de DITTEN EN DATTEN en die dus door en door het begrip COMBINATIE is. Dus: de liefde is OPGEBOUWD uit COMBINATIES! De liefde komt dus als het begrip combinatie voor de dag want de inhoud van de liefde is de werkelijkheid zčlf. De PRAKTIJK vertoont dus de eindeloze reeks van combinaties en verschillen en daarbij komt natuurlijk geen enkele VOLLEDIGE combinatie voor omdat die nu eenmaal niet bestaat, terwijl de liefde toch een volledig samen­gaan is. De liefde komt altijd als een combinatie voor de dag maar een combina­tie is nooit liefde….

De onvolwassen mens denkt altijd vanuit de combinatie; zo komt hij op het idee de omgang vrouw-man vast te leggen en tot het HUWELIJK te maken, zijn maatschap­pelijke doen en laten legt hij overal contractueel vast en, wanneer het eenmaal zover is gekomen dat de combinatie direct in zijn cultuur ligt, zoals bij de westerse mens het geval is, dan construeert hij zich een TECHNISCHE WERELD. En om deze vastgelegde zaken gáát het de onvolwassen mens; hij is er de gehele dag mee bezig zoals een ijdel mens zich de gehele dag bezig houdt met de kleren die hij draagt. Het leven van de onvolwassen mens gaat op in de combinaties, maar voor de volwassen mens zijn de combinaties INHOUD van het leven en voor hem is de één of andere combinatie, die natuurlijk altijd een BEPAALDHEID is, ook niet meer dan de manier waarop de liefde voor de dag komt. En het kan ook op een an­dere manier want de inhoud van het VOLLEDIGE SAMENGAAN is de eindeloze reeks van mogelijkheden. De ene keer is de combinatie zo en een andere keer is de com­binatie weer ŕnders; de omgang met de ene mens is anders dan de omgang met de andere mens en het is nooit een volledig samengaan. Ook in de feitelijke sexualiteit blijft het accent liggen op het feit dat het samengaan nooit een volle­dig samengaan is: de vrouw en de man zijn uiteindelijk toch BUITEN ELKAAR, óók op het moment dat zij zich verenigen. Het gaat hier dus ook over een COMBINATIE.

De combinatie is altijd een GERICHTE aangelegenheid; de één is op de ŕnder ge­richt en de ŕnder is dat op de één, en aangezien een combinatie in stand moet worden gehouden is het ook een door en door VOORWAARDELIJKE zaak. Over en weer moet aan VOORWAARDEN voldaan worden wil de combinatie blijven bestaan. In deze situatie zijn beiden GEBONDEN aan elkaar. Maar dit alles geldt alleen ŕls het de mensen om de combinatie te doen is, want de VOLWASSEN mens bekijkt de zaak heel anders: hij laat de combinatie zijn zoals die is en hij doet er niets voor. Blijft een bepaalde combinatie in stand dan is het goed en blijft hij niet in stand dan is het ook goed. De VOORWAARDELIJKHEID en het GERICHT-ZIJN kunnen dan geen rol gaan spelen en daarmee is dan tevens aan het MONOGAME de basis ontno­men zodat er ook van het huwelijk geen sprake meer is. Als we met de VOLWASSEN mens te doen hebben en dus met het begrip LIEFDE, want VOLLEDIG SAMENGAAN, te doen hebben ligt de praktijk VRIJ en alles kan gaan zoals het gaat omdat het daarom toch niet te doen is. Er MOET dan helemaal niets, maar bij de volwassen mens KAN ALLES - dit in tegenstelling tot de onvolwassen mens bij wie eigenlijk NIETS KAN en bij wie ALLES MOET.

Het PRAKTISCHE LEVEN van de volwassen mens gelijkt precies op dat van de on­volwassen mens; het BESTAAT UIT precies dezelfde dingen en elke omgang met een ander mens is een BEPAALDE OMGANG en dus een COMBINATIE, maar toch is er een levensgroot verschil tussen beider levens. En het praktische leven van de vol­wassen mens gelijkt helemaal niet op het leven dat de onvolwassen mens zich vanuit eigen onvolwassenheid GEDROOMD heeft. Dat gedroomde leven, dat IDEAAL, heeft namelijk nooit enige INHOUD: het gaat over een leven zónder WERKEN, want dat gesloof moet tenslotte maar eens afgelopen zijn, en het gaat over een liefde waarin de geliefden zčlf opgelost zijn aan en in die liefde en waarin de ver­schillen, die altijd wrijving hebben gegeven in de omgang, eindelijk eens opge­heven zijn. Dit IDEAAL loopt door het hele "toekomstdenken" van de mensen heen en zelfs de besten onder de denkers zijn er niet vrij van gekomen hetgeen moge blijken uit de NADRUK die zij leggen op de oude CULTUURVERHALEN waarin de lief­de als alleen maar een VOLLEDIG SAMENGAAN ZONDER MEER gesteld wordt. En het is nu juist dat “zonder meer”dat de zaak tot een IDEAAL maakt zodat de PRAKTISCHE INHOUD vergeten wordt.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 25 november 2009)

 

Dinsdag, 22 april 1969

No. 32

 

Een vraag inzake het kosmische van de liefde

Er is wel eens gezegd dat de LIEFDE kosmisch is, maar wij vragen ons af hoe wij dat moeten verstaan, hoewel wij wel aanvoelen dat deze uitspraak juist is.

Deze vraag betreft eigenlijk een kwestie van DEFINITIE, want het gaat er om welke betekenis wij aan het woord KOSMOS willen toeschrijven. Dan kunnen wij als eerste deze betekenis nemen: de kosmos is de GEWORDEN WERKELIJKHEID; het is dus het TOTAAL VAN DE VERSCHIJNSELEN. Als wij echter in deze zin de liefde KOSMISCH noemen hebben wij ONGELIJK, want de verhouding van de enkelvoudigheden, die wij LIEFDE noemen - het VOLLEDIGE SAMENGAAN van de enkelvoudigheden namelijk - komt nčrgens in de KOSMOS voor, en ook de mens voorzover hij KOSMISCH is, dus VER­SCHIJNSEL is, vertoont de verhouding LIEFDE niet. De mens als ALLERLAATSTE ver­schijnsel vertoont de liefde alleen maar omdat er aan HET LAATSTE ook nog iets ŕnders te bedenken valt op grond waarvan wij van LIEFDE spreken. Houden wij het dus op deze betekenis van het woord KOSMOS dat het HET TOTAAL VAN DE VERSCHIJN­SELEN is, dan is de liefde NIET kosmisch.

Heel anders ziet de zaak eruit als wij onder de kosmos verstaan de werkelijkheid zčlf INCLUSIEF het totaal van de verschijnselen. Want dan krijgen wij wčl te maken met een zaak die uitloopt in VOLLEDIG SAMENGAAN van de enkelvoudighe­den; een zaak dus die EEUWIG is en ONAANTASTBAAR en ONAFHANKELIJK en die alle RUIMTE aan zich heeft, die wij instinctief verbinden met de liefde. In deze zaak is ALLES VERENIGD, het UITEENZIJN van het EEN en het ANDER is opgeheven in het GEHEEL dat, in deze betekenis, de kosmos is. De liefde is dan dus wčl KOSMISCH te noemen, maar ook dŕn is het de vraag of wij qua SFEER weten waar­over wij praten, al hebben wij dan nu een aardige DEFINITIE. Daarom gaan wij daar thans eens dieper op in.

 

De liefde als hoogtepunt van de werkelijkheid

Wij hebben allemaal de neiging de liefde te zien als de ONTKENNING van het BESTAANDE omdat de liefde boven ŕlles uitgaat en dus ŕlles ACHTER ZICH GELATEN HEEFT. En dan vergeten wij onze GEDACHTEN over de liefde te toetsen aan de PRAK­TIJK. Andersom doen wij het wel: wij toetsen de praktijk aan de liefde - of be­ter: aan onze GEDACHTEN over de liefde - en stellen dan vast "dat er niets van deugt in de praktijk". Naar aanleiding bijvoorbeeld van het verhaal over die vrouw en die man die elkaar VOLMAAKT liefhadden en die bij het zich verenigen beiden stierven vinden wij dat de praktijk TEKORT SCHIET; wij vinden dat onze liefde GEBREKKIG is, maar wij komen nooit op het idee eens na te gaan of die CULTUURGEDACHTE van het samengaan van de DOOD met de volmaakte liefde in de praktijk wel HOUDBAAR is. Dus: wij toetsen de GEDACHTE niet aan de PRAKTIJK!

Als wij dit wčl zouden doen moest ons opvallen dat de door ons gedachte VOL­MAAKTE LIEFDE nooit in de praktijk voorkwam; dat die liefde heel gewoon NIET BESTAAT en dat de zaak dus FOUT GEDACHT is. Ook mensen, die een "grote liefde" gekend hebben stierven niet bij de gemeenschap, en let wel: dat komt niet door de GEBREKKIGHEID van de "aardse liefde", maar door het feit dat de GEDACHTE niet juist was!

Waarom was die gedachte onjuist? Denken wij bijvoorbeeld aan de fantasiewe­reld van een kind en beschouwen wij die wereld eens OP ZICHZELF, dan zien wij een ZUIVERE werkelijkheid die licht is als in een sprookje en op die werkelijk­heid is niets aan te merken. Die werkelijkheid DEUGT. En zo deugt ook de wer­kelijkheid die door iemand als DOSTOJEWSKI getekend is, kortom: de gehele -we­reld van de CULTUURGEDACHTEN is een wereld die deugt. Evenwel is er één groot "maar" aan verbonden: DIE WERKELIJKHEID IS ER NIET. Cervantes heeft in zijn DON QUICHOTTE die werkelijkheid als een DROOM getekend, een FANTASIEWERELD die BELACHELIJK is zodra hij waargemaakt wordt. Het is in de wereld een ONMOGELIJK geval, niet omdat de wereld tekort schiet, maar omdat het een FANTASIE is - en dit betekent niet dat DE WERELD zonder meer deugt, want dat doet zij niet, maar het betekent wčl dat DE WERELD ER IS en dus in de LOGICA ligt, terwijl de FAN­TASIEWERELD, hoe schoon ook OP ZICHZELF, er NIET is en dus niet in de logica ligt.

Als de mens zich in zijn ONVOLWASSENHEID, en dus ook in zijn ONWETENDHEID, een werkelijkheid DENKT die deugt, dan gaat hij ertoe over ZIJN EIGEN WERELD TE SUBLIMEREN tot het HOOGST DENKBARE en dat hoogst denkbare is dan een SUBLIEME WERKELIJKHEID, maar die werkelijkheid IS ER NIET. En hij komt nooit ook!

 


De onvolwassen mensheid heeft zich in de loop der tijden velerlei IDEALEN gesteld; zij heeft ernaar gestreefd deze idealen te verwerkelijken, maar nooit is het gelukt en het zal ook nooit lukken, want de IDEALE WERELD is er niet en kŕn er dus ook nooit zijn. Mensen als DOMELA NIEUWENHUIS en FREDERIK VAN EDEN hebben zich beijverd om hun idealen waar te maken, maar het enige dat hun ten­slotte overbleef was de TELEURSTELLING. Cultureel gesproken is de gehele geschie­denis van de ONVOLWASSEN MENSHEID één grote TELEURSTELLING omdat de werkelijk­heid zoals die CULTUREEL is nooit een čchte werkelijkheid is. Toch is die CULTU­RELE werkelijkheid een SUBLIEME werkelijkheid, die HELDER gesteld is en die precies overeenkomt met de verhoudingen die wij aan de werkelijkheid als werke­lijk VOLLEDIG SAMENGAAN bedenken kunnen. De kwestie is dan ook niet dat er een DENKFOUT gemaakt is, maar het punt zit hierin dat er voor het LEVEN een verkeerd UITGANGSPUNT genomen wordt. Dat dit zo is vindt zijn grond in de ONVOLWASSEN­HElD van de mens.

De onvolwassen mens SUBLIMEERT zijn eigen realiteit; hij VERHEFT zijn realiteit tot een HOGERE en daarmee gaat de zaak VAN DE GROND AF. Het sublimeren van de REALITEIT culmineert in het begrip LIEFDE, daartoe loopt de werkelijkheid op als wij denken van het LAGERE naar het HOGERE. En aldus denkende BEREIKT de werke­lijkheid wel het volledige samengaan, maar zij WORDT nooit volledig samengaan, want als de werkelijkheid dat inderdaad werd, dan waren wij er niet en dan was er NIETS. Het toenemend SAMENGAAN komt niet verder dan zijn eigen EINDPUNT en in dat eindpunt ZET IETS ANDERS IN. Bepaal ik me nu tot dat ANDERE dan blijkt het VOORGAANDE daarvoor niet meer te gelden, dus: het BESTAAN is aan de LIEFDE ontkend, de liefde is dus een niet bestaanbare zaak, zij is er niet. Desondanks bestreeft de onvolwassen mens deze liefde omdat het het HOOGST DENKBARE is, en het is de ONTKENNING van datgene dat er is. Die hoogst denkbare werkelijkheid is door de mensheid zo langzamerhand subliem uitgedacht; de gedachten daarover zijn volkomen juist, maar er wordt één ding vergeten: dat ANDERE, dat op het culminatiepunt inzet is voor de mens niet een punt dat hij moet BEREIKEN, maar het is een zaak die HIJ IS, al is het dan qua INZET. Zodat hij niet tot zich­zelf moet zeggen: ik heb liefde te STELLEN, maar moet zeggen IK BEN LIEFDE. En van daaruit ziet de mens TERUG naar het voorgaande en dat staat dan in een ge­heel ŕnder licht dan toen hij nog VANUIT DAT VOORGAANDE opkeek naar de liefde.

Elke mens is het laatste punt van het wordingsproces; voor elke mens geldt dus dat hij de INZET is van het VOLLEDIGE SAMENGAAN, dus van de LIEFDE en dit alles heeft niets met genialiteit of intelligentie of wat dan ook te maken: het geldt omdat het DE MENS is. Dus voor elke mens geldt IK BEN LIEFDE en van daar­uit kan hij TERUGZIEN op de werkelijkheid, op de eindeloos vele COMBINATIES, die de werkelijkheid is. Dan heeft de liefde niets met VERHEVENHEDEN te maken, wat wel het geval was zolang de ONVOLWASSEN mens zijn REALITEIT - dus de COMBI­NATIE - sublimeerde tot liefde. Die gesublimeerde liefde is VERHEVEN, de werke­lijke liefde is dat niet. De mens is de enige in de kosmos die TERUG KAN KIJKEN, voor alle verdere verschijnselen geldt dit niet. En alle verschijnselen zijn INHOUD van de liefde want de mens kan op alles terugzien.

Gewoonlijk spreken wij over de liefde TUSSEN twee mensen; wij hebben het dan over de COMBINATIE. Maar voor het begrip LIEFDE zijn er geen twee nodig want dit begrip geldt voor DE MENS en het betekent niets anders dan dat de mens zich het volledige samengaan weet. In deze situatie ligt de gehele werkelijkheid aan de voeten van de mens; hij kan niet meer vragen wat er voor de liefde NODIG is, want ALLES IS ER en hij kan niet meer vragen wat er k~n en wat niet, want ALLES KAN. Hij kan alleen maar zien hoe het vŕlt en verder niets.

DOSTOJEWSKI heeft een behoorlijk mens getekend in de figuur van VORST MYSJKIN en CERVANTES tekende zijn DON QUICHOTTE. Beiden zijn echter ONMOGELIJKE figuren: de één was IDIOOT en de ander een dwaze FANTAST; hun behoorlijkheid was een idiotisme in de wereld. Het kon helemaal niet…. maar WAAROM eigenlijk niet? Omdat beide figuren VANUIT DE COMBINATIE gesublimeerd zijn, want dan is de liefde de ontkenning van de wereld. Maar het wordt zo langzamerhand tijd dat

wij de liefde eens werkelijk als het enige HOUDBARE gaan zien en tot het in­zicht komen dat niet de liefde aan de wereld belachelijk is maar dat de wereld aan de liefde voor schut staat! De cultuur is op het ogenblik min of meer aan dit inzicht toe, hoewel het nog niet meer is dan een begin. Voorlopig is de CLOWN nog aan de orde, d.w.z. de mens die eigenlijk deugt en wiens TRAGIEK het is dat hij met dat deugen voor gek loopt. Maar dat wat deugt is HOUDBAAR terwijl eigenlijk al het andere belachelijke onzin is, die dan ook op de lange duur verdwijnt.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 25 november 2009)

 

Dinsdag, 29 april 1969

No. 33

 

De eerste tekenen van volwassenheid

Wij spraken over VORST MYSJKIN en over DON QUICHOTTE en in het algemeen over het begrip CLOWN; daarbij stelden wij vast dat wij te doen hadden met mensen die DEUGDEN en die daarmee VOOR GEK LIEPEN in de wereld. Naar aanleiding daarvan maakten wij de opmerking dat het zo langzamerhand eens afgelopen moet zijn met de gedachte dat het BEHOORLIJKE niet kŕn in de wereld en dat je NIET GOED WIJS bent als je het tňch probeert. Deze gedachte nu kunnen wij naar voren brengen, terwijl het vroeger VANZELF SPRAK dat de IDEE VOOR GEK LIEP. Voor DOSTOJEWSKI kón het niet anders dan dat de behoorlijke mens - Vorst Mysjkin - voor idioot stond in de wereld, omdat VAN ONDERAF GEZIEN de IDEE de ontkčnning is van het BESTAANDE en daardoor nooit tot REALITEIT kon worden - of het moest een idiote en belachelijke realiteit zijn. Maar WIJ beginnen dit feit in twijfel te trekken, want wij kunnen het niet zomaar meer aanvaarden, en nu is het de vraag wat zich in ons, moderne mensen, aan het voltrekken is, zodat wij het onmogelijk-zijn van de idee in twijfel gaan trekken.

Als eerste dit: deze zaak is géén kwestie van ZELFBEWUSTZIJN. Dostojewski en anderen voelden als VANZELFSPREKEND aan dat de IDEE niet kón en dit heeft hij dan ook in zijn werk laten zien, terwijl WIJ als vanzelfsprekend aanvoelen dat het op zijn minst TWIJFELACHTIG is of de idee niet kŕn. Wat wij verder ZEGGEN over deze zaak is niet belangrijk, want wat wij zčggen is wel ZELFBEWUST, maar het gaat hier over een CULTUURKWESTIE en de cultuur komt vrijwel nooit tot zelfbewustzijn.

Uit de talloze verschijnselen die wijzen op een ŕnder BESEF dat in ons op door­breken staat, kiezen wij er twee, namelijk het verschijnsel van de zogenaamde HIPPIES en het verschijnsel dat een SOCIALISTISCHE STAAT een reële kans van slagen heeft: CUBA. Daarnaast kunnen wij denken aan de STUDENTENOPSTANDEN, die over de gehele wereld plaats vinden. Maar: wij moeten dit alles bezien ONGEACHT datgene dat er door de betreffende mensen zčlf over GEZEGD wordt. En dan zien wij, globaal gesproken, dat het geen IDEAAL meer is dŕt de mensen waar willen maken. Zij richten zich op de dingen VLAK BIJ HUIS en zij vragen een PRAKTISCHE REGELING van de zaken en wel zo dat zij als VOLWAARDIGE MENSEN MEETELLEN, zonder de AUTORITAIRE BEVOOGDING, die tot nu toe gebruikelijk was. Zij zeggen dan dat zij streven naar meer INSPRAAK, maar bij dit thema OP ZICHZELF moeten wij een groot vraagteken plaatsen, want kunnen deze mensen wezenlijk "inspraak" hebben als zij inspraak gekregen hebben? Dus: zijn ze wčrkelijk IN STAAT de zaak te OVERZIEN. Dit geldt ook voor de inspraak die bijvoorbeeld de arbeiders eisen in de bedrijven waarin zij werkzaam zijn en het geldt in het algemeen voor al dat­gene dat DEMOCRATISCH genoemd wordt. Maar afgezien daarvan: de mensen hebben ge­noeg van de BEVOOGDING en zij kunnen het BOVEN HEN GESTELDE niet meer accepte­ren. De mens van deze tijd voelt - in alle aanvankelijkheid - niets meer boven zich gesteld; hij gaat de AUTORITEIT aantasten.

De vorige keer hebben wij gezegd dat de ONVOLWASSEN MENS altijd zijn eigen REALITEIT sublimeert tot iets HOGERS, en dat hogere is hem dan de maat en van en van daaruit tracht hij de zaak waar te maken. Het door de onvolwassen mens zčlf gedachte HOGERE is de AUTORITEIT omdat het voor de onvolwassen mens het DOEL is waarnaar hij toe moet - het is zijn uiteindelijke BESTEMMING. Dit geldt dus voor ŕlle culturen omdat het voor de gehele ONVOLWASSEN mens geldt. Maar de mens van tegenwoordig komt steeds meer onder INVLOED te staan van het feit dat hij als MODERNE MENS tegen de VOLWASSENHEID aanligt en van hieruit wordt het hem onmogelijk zijn realiteit te SUBLIMEREN tot een IDEAAL. En dit zien wij overal door het moderne wereldbeeld heenlopen, bijvoorbeeld bij de HIPPIES en bij CUBA. Gezag wordt niet erkend en er is het streven naar GEZAMENLIJKHEID, met een gelijke MENSELIJKE positie voor iedereen. Dit vervallen van het IDEAAL houdt in dat de onmogelijkheid van het BEHOORLIJKE verdwijnt omdat het een zaak is die nu in de REALITEIT komt te liggen. Het is dus nu ook een zaak geworden die de mogelijkheid heeft te lůkken en dat zien wij in CUBA duidelijk voor de dag komen.

Zolang het BEHOORLIJKE in een mens als een IDEAAL ligt blijft het feit dŕt het een ideaal is in elke praktische uitwerking meelopen. Vaak is de mens zich daarvan niet eens bewust, maar de verhouding ligt nu eenmaal zo - en dat is, zoals we gezien hebben - een CULTUURKWESTIE. De zaak moet een fiasco worden en voor de idealisten zčlf komt alleen maar de TELEURSTELLING.

 

Maar tegenwoordig krijgt de zaak een ŕnder karakter.


Dit neemt niet weg dat de mensen er nog wel idealistisch over PRATEN, want wat weet de mens van zijn eigen bewustzijn en dus van zijn eigen CULTUUR? Maar dat wat hij zegt wordt in de praktijk toch anders, dat is de mensen in CUBA wel gebleken. De werkelijkheid ziet er anders uit dan wat het idealisme ervan gedroomd heeft. En voor zover dit ideaal tot prak­tijk gemaakt wordt is het een praktijk die in het teken van de ONMOGELIJKHEID staat. Dit komt, vanuit het GEPRAAT, natuurlijk ook nu nog veelvuldig voor. Een voorbeeld daarvan is dit: toen de JODEN hun nieuwe staat gingen inrichten werd alles op gemeenschappelijke basis gedaan, maar terwille van die gemeenschappe­lijkheid stonden vele mensen werk te doen waarvoor zij niet opgeleid waren. Een architect bijvoorbeeld moest stukadoorswerk doen, terwijl hij als architect zich veel verdienstelijker had kunnen maken. Dit is onpraktisch, het is arbeidsver­spilling. Ook op Cuba doen zich (nog steeds) deze verschijnselen voor; een chirurg bijvoorbeeld moet een zeker aantal weken op het land werken. De produc­tiviteit die zo'n man dan op tafel legt staat natuurlijk in geen verhouding tot zijn productiviteit als hij in zijn eigen vak kon blijven. Maar terwille van het IDEAAL moet dit allemaal en juist op dit soort van dingen staat de zaak te mislukken. Tegenwoordig echter komt men erop terug, en om dŕt te kunnen moet het ideaal, of beter: het vermeende ideaal, de mens niet meer HEILIG zijn.

De mensen dčnken nog wel idealen te hebben, maar die komen in hoofdzaak op UITERLIJKE WIJZE voor de dag: de HIPPIES dragen bloemetjeskleding en de bloem is de IDEALITEIT, de sublimering, van de NATUUR. Het is het zinnebeeld van de LIEFDE. Maar in de praktijk wordt allerlei werkelijk gemeenschappelijk gedaan en daar is ook de GEWELDLOOSHEID. Afgezien van de vraag of de geweldloosheid werkelijk houdbaar is in de wereld is toch het grondprincipe dit dat de geweld­loosheid het begrip MACHT en het begrip GEZAG niet kent, met als gevolg dat het gezag door de zaak heenloopt zonder weerstand te ondervinden, en daŕrmee is het gezag een WINDVLAAG geworden. De POLITIE is voor deze mensen dan ook geen TEGEN­STANDER, maar zij IS ER HELEMAAL NIET.

Dit hele streven gelukt IN EEN FLITS en dit moeten wij aldus verstaan: op het moment dat de jonge mensen vlak voor hun eigen volwassenheid staan gelukt het. De jonge mens staat dan vlak voor de inzet van zijn eigen EFFECTIEVE ZELFBE­WUSTZIJN, maar dit zelfbewustzijn GELDT nog niet en NIET MEER geldt het zelf­bewustzijn dat de jeugd door de OUDEREN ňpgelegd is in de vorm van de OPVOEDING. In deze korte spanne tijds, dat er als het ware qua zelfbewustzijn een LUCHT­LEDIG is in de jonge mens is het datgene dat in het BEWUSTZIJN ligt, dat uit de voeten kan. En dit is de WEZENLIJKE stand van zaken wat de op dat moment geldende CULTUUR betreft. In het ZELFBEWUSTZIJN ligt altijd maar een gedeelte van de cultuur; het is een GEMIDDELDE waaraan vrijwel iedereen beantwoordt, maar de cultuur zčlf beslaat een veel groter terrein. En dit terrein ligt, niet zelfbewust, bloot tijdens dat LUCHTLEDIG tussen JEUGD en VOLWASSENHEID. Dit is dus altijd van kracht voor de jeugd; door de eeuwen heen is de jeugd opstandig geweest tegen de ouders, maar eerst nu zien wij dat de IDEALEN aan de jeugd ontbreken.

Het is duidelijk dat alleen maar de JEUGD deze zaak kan laten gelden en dat het alleen maar bij hčn past. Voor alle anderen is het BELACHELIJK om te doen, want zij kůnnen niet zonder ZELFBEWUSTZIJN zijn. Bepaalde moderne schrijvers lopen ook met bloemetjes, maar dat is ONZIN - zij proberen alleen maar hun boe­ken langs deze weg te verkopen en daartoe doen zij alsof  ze ook een HIPPIE zijn, maar het is een LEUGEN. De HIPPIES werken niet en dat past ook niet bij hun toe­stand want het werk behoort tot de ZELFBEWUSTE MENS; daarom wordt er in CUBA wčl gewerkt, maar dat zijn ook geen HIPPIES! De culturele BASIS van de Cubanen is wel dezelfde, maar bij hen gaat de zaak door omdat zij in hun ZELFBEWUST­ZIJN niet kunnen ONTKOMEN aan de geldende cultuur. Zo bekeken zijn de Cubanen uiterst MODERN, zij zijn verder dan wij in West-Europa, al hebben zij TECHNISCH ons peil nog niet bereikt. En de zaak lůkt hun omdat er eigenlijk geen sprake meer is van een IDEAAL, zoals wij gezien hebben. Bij een man als BAKUNIN inder­tijd is het niet gelukt, maar dat komt niet door zijn ZELFBEWUSTZIJN, maar door datgene waarvan hij zich zelfbewust was en dat was alsnog sterk IDEALISTISCH.

De FILOSOFIE van een man als HEGEL was óók idealistisch, maar een filosoof zegt alleen maar HOE HET ZIT en daarom merken we het niet zo erg. Hij is niet bezig een samenleving te ordenen. Hegel spreekt van IDEALITEITEN; daartoe voert hij ŕlles op. Dit was voortreffelijk gedacht, maar door de grote HELDERHEID van Hegel is het ideale bijna niet meer te construeren, maar het is er wčl. En eerst thans verdwijnt het ideaal en daarmee de onmogelijkheid van het behoorlijke.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 25 november 2009)

 

Dinsdag, 6 mei 1969

No. 34

 

Naar aanleiding van een vraag over Domela Nieuwenhuis

FERDINAND DOMELA NIEUWENHUIS werd in 1846 in Amsterdam geboren en hij stierf in 1919 in Den Haag. In de 73 jaar van zijn leven heeft zich in hem een ontwik­keling voltrokken, die hij zelf typeerde in zijn laatste boek: "Van christen tot anarchist" (1910). Tijdens deze ontwikkeling was Domela Nieuwenhuis de vader van de arbeiders geworden, en vooral van die mensen die een ANARCHISTISCHE kijk op de samenleving hadden. Van de SOCIALISTISCHE partij van die dagen wendde Do­mela Nieuwenhuis zich in 1897 af, juist omdŕt hij een ANARCHIST was; hij stond eigenlijk de REVOLUTIE voor, maar de ingeboren PRAATAANLEG van de mensen in het westen stond hieraan in de weg. Deze weerstand werd steeds meer belichaamd in een man als TROELSTRA, die de grote leider van de SOCIAAL-DEMOCRATEN werd. Deze man had al iets van het MODERN-ZAKELIJKE aan zich, want hij stelde voorop dat aan zijn functie in de arbeiderspartij een goed SALARIS verbonden moest zijn, uiteraard vanuit de gedachte dat de POLITIEK één van de bestanddelen was van een goed geordende DEMOCRATISCHE samenleving en dat dit dus ook, zoals gebrui­kelijk in zo'n samenleving, gehonoreerd diende te worden.

DOMELA NIEUWENHUIS, als rechtgeaarde ANARCHIST, dŕcht helemaal niet aan een honorarium; hij wilde het niet NIET en hij wilde het niet WEL: het ging daarom helemaal niet. En hij bofte voor zichzčlf in zoverre, dat hij door een erfenis in staat was onafhankelijk te zijn, zodat hij niet voor het altijd weer beklem­mende probleem stond HOE ONAFHANKELIJK TE BLIJVEN in een onvolwassen samenleving. Zoals wij al eerder opgemerkt hebben is het leven van Domela Nieuwenhuis in een TELEURSTELLING uitgelopen; AANHANG had hij tenslotte nauwelijks meer, maar er waren wčl veel mensen die hem VEREERDEN en die van hem hielden, hetgeen bij zijn begrafenis in 1919 duidelijk bleek.

Gelet op de dingen die Domela Nieuwenhuis gezegd heeft en gelet op hetgeen hij zich gedacht heeft, is de vraag bij ons opgekomen of Domela Nieuwenhuis nu eigenlijk wel een IDEALIST wŕs, want hij wees de mensen er toch op dat boven de mens niets uitging, en in deze verhouding zitten geen IDEALEN meer besloten, zoals wij de vorige keer betoogd hebben.

We moeten bovendien eens letten op het feit dat Domela Nieuwenhuis als DOMINEE begonnen is, en dat dit geloof hem, naar eigen zeggen, ontvallen is door een be­paalde OORZAAK, namelijk het overlijden van zijn eerste vrouw in 1872.

 

Als eerste moeten wij nu eens hierop letten: er is onderscheid te maken tus­sen het DENKEN van een mens en zijn LEVEN. Hoewel het denken en het leven niet LOS van elkaar zijn leveren beide een geheel ŕnder beeld op en dit komt doordat het leven niet in het denken opgaat. Het denken is namelijk één van de FACETTEN van de mens en omdat dit zo is kan een mens er AANLEG voor hebben en in dit ge­val kan het zelfs tot een "glashelder" denken uitgroeien, maar dan nog gaat het over een BEPAALD VERMOGEN dat iemand heeft. Terwijl IN zijn LEVEN dat be­paalde VERMOGEN vercalculeerd is, is dit leven zčlf een ŕndere zaak; anders in deze zin dat er andere BEGRIPPEN voor gelden. Voor het LEVEN namelijk kan iemand geen AANLEG hebben, hetgeen blijkt uit het feit dat er niets te LEREN valt en niets te ONTWIKKELEN valt. Hier ligt het gevaarlijke van het veelgebruikte be­grip LEVENSKUNST, want er vŕlt qua leven NIETS TE KUNNEN. Hoewel het leven van de éne mens een meer HELDER beeld oplevert dan dat van een ŕnder mens, is er toch niets "kunstigs" aan en er is ook niets VERDIENSTELIJKS. Als wij het begrip LEVENSKUNST hanteren richt ons denken zich namelijk onwillekeurig op dit terrein: HOE HET LEVEN DOOR TE KOMEN, en dat dan desnoods "zo redelijk mogelijk “, maar altijd gaat het dan over het BESTAAN zonder meer en daarom draait levens­kunst altijd en onveranderlijk uit op EEN ZO GOED MOGELIJK BESTAAN - in alle denkbare betekenissen van het woord. Het leven zčlf echter is geen VERMOGEN en dat wat aan het leven, dus aan de mens, MEEKOMT is wčl een vermogen en dat is voor de éne mens meer of minder sterk dan voor de ŕndere mens. Zodoende is er ook ONDERSCHEID tussen het DENKEN en het LEVEN van een mens.

In het gunstigste geval - maar dat komt nooit voor - kennen we van een mens člk woord dat hij gezegd heeft. Wij kennen dan zijn DENKEN, want de WOORDEN zijn de GEDACHTEN en de gedachten zijn het resultaat van het DENKEN. Wij moeten dan toch twee dingen in de gaten houden: in alles wat zich vertoont loopt de GEBREK­KIGHEID mee - waarop we overigens helemaal niet moeten letten want de gebrek­kigheid is een ondeugdelijk uitgangspunt voor het doen en laten van de mens - en ten tweede hebben wij als wij al iemands woorden kennen nog slechts kijk op zijn DENKEN en nog lang niet op zijn-leven zčlf.

 


Op het leven zčlf zullen wij nooit een VOLLEDIGE kijk hebben; dit geldt al voor ons eigen leven, dus hoeveel temeer geldt het voor het leven van iemand anders. Dit blijkt bijvoorbeeld hier­uit: niemand kan zijn eigen GEVOELENS doorgronden. Sommigen komen ver met hun zelfonderzoek, anderen minder ver, maar niemand krijgt de zaak helemaal helder, en ook dit is weer omdat het leven NIET IN DENKEN OPGAAT.

Keren wij nu terug tot Domela Nieuwenhuis. Uit zijn DENKEN kunnen wij niet op­maken hoe het WEZENLIJK met hem gesteld was, maar over zijn GEDRAG zijn wel een paar dingen bekend. Hij is een voorman geweest voor de mensen, die in die da­gen in ellendige omstandigheden verkeerden en hij heeft getracht de verhoudingen te verschuiven en hij is LANGS DE WEG geweest, op weg naar een BETERE WERELD en ­toen dit tenslotte op niets uitliep heeft hij zich somber afgewend. Wij kun­nen vragen waarom hij dit allemaal gedaan heeft, want het wereldbeeld laat zich niet verschuiven, zodat het eigenlijk dom is zoiets toch te proberen. En boven­dien is er van het leven alleen maar iets te maken als de mens THUISBLIJFT, want daar alleen geldt deze verhouding dat de werkelijkheid MIJN WERKELIJKHEID is.

Voor de MODERNE MENS heeft de gedachte dat de werkelijkheid MIJN werkelijkheid is geen betekenis. De moderne mens denkt ZICHZELF en hij denkt DE ANDEREN en dan gaat het over een OPTELSOM van grootheden, en tussen die grootheden zijn ver­houdingen en die zijn altijd te VERBETEREN. Bovendien: als men ZICHZELF tussen de anderen denkt is men nergens THUIS, men is hoogstens OP ZIJN PLAATS, en zelfs dat is voor de moderne mens meestal niet het geval. Dan gaat hij OP WEG ergens naartoe en dit is altijd IDEALISME, in wčlke vorm het zich bij gelegenheid dan ook voor doet.

Beseft de mens de werkelijkheid als MIJN werkelijkheid dan is hij daarin te­vens THUIS en dan is er ook geen behoefte daaraan iets te veranderen omdat al­les dan VANZELFSPREKEND is zoŕls het is. Zoals in een GEZIN die behoefte ook niet bestaat, maar wat daar wčl geldt is HET VOORBEELD, en het voorbeeld wordt gegeven door de mens die beseft dat het behoorlijk-zijn van de wereld inzet

als de mens zčlf behoorlijk is. Het zelf behoorlijk-zijn in MIJN werkelijkheid is voor de levende mens de enige en de laatste mogelijkheid. Dan behoeven we niet te vragen - als bij Domela Nieuwenhuis - wat hij eigenlijk loopt te doen want het is allemaal op maat. Als de mens ZICHZELF denkt komt ZIJN EIGEN BE­HOORLIJKHEID eigenlijk niet eens ter sprake want het gaat dan over ZICHZELF EN DE ANDER en dit komt wezenlijk neer op de rechtvaardiging van het GEMIDDELDE. Wat het gemiddelde gedrag is, dat is goed en daaraan moet die mens voor zich­zelf beantwoorden; we hebben hier te maken met de basis van de zogeheten ALGE­MENE GEDRAGSREGELS en dus ook met de basis van de MODERNE DEMOCRATIE. Hierin ligt niet het ZICHZELF-ZIJN besloten, maar hiermee hebben wij wčl te doen als de mens de werkelijkheid als ZIJN werkelijkheid beschouwt. In deze situatie

kŕn men alleen maar ZICHZELF zijn want een ŕndere mogelijkheid is er niet om­dat er geen ŕndere werkelijkheid is dan de MIJNE. Dit alles heeft natuurlijk niet met BEZIT te maken, maar wel met het feit dat de mens zčlf de werkelijk­heid is en dat er dus voor de mens PERSOONLIJK geen andere mogelijkheid is dan deze dat de werkelijkheid altijd DE ZIJNE is. Dit geldt dus voor člke mens, maar hij realiseert het zich gewoonlijk niet en meent dan dat er met DE ANDER reke­ning gehouden moet worden en van hieruit kan er allerlei gebeuren, o.a., dat wat Domela Nieuwenhuis gedaan heeft.

Een IDEALIST blijft nooit thuis; altijd moet hij ergens naar toe en ZIJN WERELD ligt daar waar hij naar toe gaat en waar hij nooit komt en de anderen hebben hem al lang daarvoor in de steek gelaten en zijn, zonder te weten hoe het zat, maar alvast NAAR HUIS gegaan.

Toch is het werk van de idealisten niet verwerpelijk; zij lopen de weg af die de wereld te gaan heeft om terecht te komen. Want de wereld komt wel van­zčlf terecht, maar dit vanzelf-terechtkomen vertoont zich in het streven van de idealisten, die in de meeste gevallen zelfs ook nog het machinegeweer han­teerden. En ook het werk van Domela Nieuwenhuis is alleen maar voortreffelijk, want het houdt de wereld de spiegel van het geweten voor en het GEWETEN is het enige waarop de zaak terechtkomt. Daarom kunnen er niet genoeg mensen zijn die vanuit idealisme de wereld te lijf gaan, maar in onze moderne tijd zakt deze zaak wčg - daarover hebben wij de vorige keer gesproken.

En wat het DENKEN betreft: dit kan ALS DENKEN ver boven de praktijk uitstijgen qua helderheid, maar toch gaat het leven nimmer in het denken ňp, zodat de wezenlijke norm toch altijd het leven zčlf blijft.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 25 november 2009)

 

Dinsdag, 13 mei 1969

No. 35

 

Beantwoording van enkele vragen

Er wordt veelal gedacht dat het werk van IDEALISTEN, zoals dat van Domela Nieuwenhuis, een VERSNELLENDE WERKING heeft op de ontwikkeling. Zoals wij de vorige keer gezegd hebben houdt de idealist de wereld de SPIEGEL VAN HET GEWE­TEN voor, omdat hij het is die de bestaande werkelijkheid gesublimeerd heeft tot het HOOGST DENKBARE, en dat hoogst denkbare is het DOEL waarnaar de zaak toe moet. Dit DOEL ligt in een ieder verankerd, omdat voor DE MENS nu eenmaal geldt dat hij strŕks VOLWASSEN zal zijn, en de MENSELIJKHEID, die voor de volwassen mens geldt, ligt bijwijze van KIEM in de mensen besloten. Deze KIEM is wat wij HET GEWETEN plegen te noemen; deze zaak kan op bepaalde momenten geactiveerd worden zodat hij als DOEL gaat fungeren. Dan is het de IDEALIST geweest die deze zaak teweeg heeft gebracht.

De ONTWIKKELING echter gaat buiten het BEWUSTE ingrijpen van de mensen om; het is de OPEENVOLGING DER GESLACHTEN, die de ontwikkeling in zich heeft, en dat is een zaak die niets met het intellect van de mens te maken heeft en die zich dus ook niet door enigerlei activiteit van de mens laat beďnvloeden. Op grond hiervan is het duidelijk dat het streven van de idealist op de ontwikke­ling zčlf geen uitwerking heeft. In dit opzicht is er dus niet van een VERSNEL­LENDE WERKING te spreken. De ontwikkeling gaat voort met de ijzigheid van de klok want het is de reeks van GEBOORTEN.

Toch is er anderzijds zoiets als een versnelling omdat het mogelijk is de mensen OP IETS TE WIJZEN waardoor zij een bepaalde zaak sneller in de gaten hebben. Iemand hij voorbeeld die zichzelf leert componeren kan sneller tot re­sultaten komen als hem de grondwetten van de muziekleer zijn uitgelegd; met deze wetenschap als achtergrond kan hij niet béter componeren, maar hij boekt sneller RESULTATEN. In Cuba was het FIDEL CASTRO die de mensen door woord en gedrag duidelijk maakte hoe de kaarten lagen; daarmee heeft hij de zaak zčlf niet beter gemaakt dan hij was, maar alweer: de resultaten kwamen sneller. Uit zichzelf zouden de mensen natuurlijk ook tot de revolutie gekomen zijn, maar de DOORBRAAK daarvan zou langer op zich hebben laten wachten. Het is het VOORBEELD, de VOORGANGER, de LEIDER, die dit teweeg brengt, maar qua ONTWIKKELING moeten de mensen voor de zaak waarmee die leider komt RIJP zijn.

Dit is wat anders dan wanneer de mensen VOOR DE LEIDER rijp moeten zijn; deze verhouding treffen wij aan bij het DUITSE VOLK. In die gehele cultuur ligt de hunkering naar een leider besloten en dan geeft het niet waarmee die HELD komt, als het maar een čchte held is. De oude Germaanse sagen spreken ook in dit op­zicht een duidelijke taal. De idealistische leider echter, die wij hier bedoelen is de VERTEGENWOORDIGER van een bepaalde IDEE en deze idee is in de mensen tot RIJPHEID gekomen.

De zaak die tot rijpheid komt ondervindt steeds grotere weerstanden, want het oude en gevestigde wenst zich als zodanig te handhaven en moet tegenover de toe­nemende kracht van het nieuwe bewustzijn een steeds groter GEWELD stellen. Als deze verhouding zich toespitst komt er een moment dat het mogelijk wordt een DOORBRAAK te forceren, maar dit gelukt alleen door de bezielende kracht van degene die vooropgaat. Als hij uitgeschakeld wordt valt de zaak in duigen. In ieder geval is er hier eigenlijk niet van een VERSNELLING te spreken; de zaak is op een zeker moment rijp en dan ligt het PRINCIPE op tafel, zodat de rest vanzelf gaat.

 

Hetzelfde geldt wat betreft de opmerking, die wij vaak horen, dat de ontwik­keling in de moderne tijd steeds sneller gaat. Ook hier is het zo dŕt de zaak IN PRINCIPE aanwezig moet zijn, en als dat eenmaal zover is, dan gaat de rest vanzelf, en natuurlijk ook zeer snel. Wat echter zo snel gaat is niet de ONT­WIKKELING zčlf, maar het is de UITWERKING van een aan de ontwikkeling voor de dag gekomen ASPECT. Zo gaat het bij de ontwikkeling van bijvoorbeeld de TECH­NIEK ook om het principe; als "de eerste schroef" er eenmaal is, dan komt de rest vanzelf.

In de GRIEKSE KUNST zien wij eerst lange tijd om achter de grondslag van die kunst te komen het zoeken naar allerlei mogelijkheden en ideeën. Dan is op een gegeven moment de idee gevonden en dan bloeit de zaak in bijna één generatie op: daar is de Afrodite en de Apollo en daar is de hele school van Griekse kunstenaars.

 


De ontwikkeling zčlf gaat in alle stilte; daarvan is zich nauwelijks iemand bewust. Niemand heeft het erover want het is een kwestie van GEBOORTEN. Maar wat er aan die GEBOORTEN voor de dag komt, dŕt is één en al HERRIE; het is het geweld, de oorlogen, het bloed en de tranen. Het zijn de gevechten om vrijheid, om recht, om brood en om bezit. En tenslotte zijn daar de puinhopen. En te midden van deze algemene ellende treedt er dan af en toe een man op de voorgrond die een aantal mensen de weg wijst en ze wat troost biedt….

Dit is in de praktijk een belangrijke factor; het is het grote nut van man­nen als Domela Nieuwenhuis, het grote nut van een slaven godsdienst als het be­ginnende christendom, dat zij de mensen in hun doffe ellende TROOST bieden door hen een IDEAAL voor te houden en hen HOOP te bieden voor de toekomst, al is het dan maar in het hiernamaals. Uiteraard kan dit alleen maar als we te doen heb­ben met de ONVOLWASSEN mens en inderdaad zijn de idealen uiteindelijk niet houdbaar, maar het is intussen toch wčl een feit dat de mensheid nu eenmaal een lange tijd onvolwassen is, en vandaar uit alleen maar ellende over zichzelf kŕn brengen. En juist onder die omstandigheden is de idealist enorm waardevol.

 

Tenslotte nog dit: wij hebben gewezen op het feit dat Domela Nieuwenhuis om te beginn DOMINEE was. Over het algemeen kunnen wij waarnemen dat mensen die later bezield bleken te zijn van een MENSELIJK IDEAAL, een ideaal dat de deugd­zaamheid van de mens voor-stond, van GELOVIGE huize waren. Het doet er niet toe of deze gelovigheid al of niet met een kerk te maken heeft, het gaat erom dat de BASIS van het besef omtrent een betere wereld HET GELOOF is, d.w.z. het feit dat de mens ziet dat er een werkelijkheid BOVEN HEM UITGAAT. Natuurlijk gaat om te beginnen HET BEHOORLIJKE boven de mens uit omdat de mens om te beginnen zich­zčlf nog niet is en dus zichzelf nog niet het allerlaatste weet. Dit allerlaatste is dus iets HOGERS. Al beseft de onvolwassen mens het echter als iets HOGERS, het is toch het ALLERLAATSTE waarop zijn besef gericht is; het gaat hem dus om het MENSELIJKE, al noemt hij het zo niet.

Als nu in een ONVOLWASSEN wereld een man bezield is van het MENSELIJKE, dan kan het niet anders of dat menselijke komt in hem om te beginnen als GELOVIGHEID voor de dag, om later eventueel tot zichzelf te komen en geen gelovigheid meer te zijn. Dit laatste niet-gelovig zijn echter is geen ONTKENNING van het mense­lijke, maar de ontkenning van het HOGER-ZIJN daarvan. Het gaat dus over dezelfde zaak, maar die zaak komt natuurlijk toch wel anders voor de dag dan toen diezelf­de zaak nog in gelovigheid bevangen was.

Er zijn ook vele mensen die ONGELOVIG heten te zijn en die op geen enkele wij­ze reageren op MENSELIJKHEID, op SCHOONHEID en LIEFDE. Zij reageren alleen maar op FATSOEN, NETHEID en HUWELIJK. Van deze mensen behoeven we qua IDEE niets te verwachten en in die mensen persoonlijk zal het niet tot MENSELIJKHEID komen omdat de BASIS ervan ontbreekt. Zij ONTKENNEN mčt het HOGERE ook de zaak zčlf en komen dus nooit tot idealisme. Het lijkt erop dat zij door hun gemis aan idealisme verder en wijzer zijn dan de onpractische idealisten, maar in feite zijn zij kaal en leeg. Zij komen op geen enkele wijze boven zichzelf uit.

Het is voor de mens normaal dat hij reageert op een betere werkelijkheid, want die betere werkelijkheid geldt voor de mens. Is het met die betere werke­lijkheid nu zo gesteld als bij een man als Domela Nieuwenhuis, dan zoekt hij natuurlijk om te beginnen zijn waarheid in het GELOOF en in het uitdragen daar­van om later tot de ontdekking te komen dat geloof en menselijkheid twee onver­enigbare aspecten van het allerlaatste zijn. En dan is het met de gelovigheid gedaan.

Wij moeten er dus goed op letten dat de gelovigheid als BASIS van het be­hoorlijke fungeert - ongeacht het feit, dat de gelovigheid zčlf in haar ver­schijningsvormen en in haar kerkelijke instituten over het 31gemeen niet z6 fraai voor de dag is gekomen. Deze zaken moeten wij natuurlijk niet door elkaar halen; wat er voortkomt uit een EENZIJDIGE, en dus IN ZICHZELF BEVANGEN, gelo­vigheid is in dit verband niet van belang. Het gaat nu om de GESTELDHEID van

de mens die het menselijke - in de vorm van HET GEWETEN - herkent en realiteit tracht te geven. En dan is in een ONVOLWASSEN wereld de weg deze dat het met de gelovigheid begint, en daarna daar bovenuit groeit.

 

 

 

 DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 25 november 2009)

 

Dinsdag, 20 mei 1969

No. 36

 

De west-europese cultuur

In stencil 31 staat te lezen hoe wij op het begrip COMBINATIE zijn gekomen; wij vroegen ons af hoe de moderne vrouw en de

moderne man elkaars OMGANG beleef­den, uitgaande van de verhouding zoals die WEZENLIJK voor de mens ligt. Wij za­gen dat de MODERNE mensen zichzelf en elkaar als ZELFSTANDIGHEDEN ervaren en dat er van daaruit qua omgang slechts van een COMBINATIE te spreken kon zijn.

Voor elke mens in elke cultuurperiode geldt dat het DE MENS is; de BASIS van elke mens is DE MENS. De op een zeker moment geldende cultuur geeft aan die ba­sis een bepaald cachet en wij kunnen nagaan hoe het BESEF van een bepaalde cul­tuur de BASIS vervormt. Dit is eigenlijk deze vraag: wat doet het ZELFBEWUST­ZIJN met de mens?

Het MODERNE zelfbewustzijn geeft aan de omgang van de moderne vrouw en de moderne man het karakter van een COMBINATIE; het is het TEGELIJK gelden van een VOLLEDIG SAMENGAAN en een NIET VOLLEDIG SAMENGAAN. Het is het feit dat de mens OPGAAT in de combinatie om er tevens BUITEN TE VALLEN.

In verband met dit alles nu het volgende: cultuurhistorisch denken wij ons ge­woonlijk deze volgorde dat er eerst is het VROUWELIJKE BESEF - en dat is dan de OUDHEID - en dat er daarna het MANNELIJKE BESEF is, hetgeen nŕ de Griekse cul­tuur voor de dag gekomen is. In dit verhaal evenwel zit een hiaat. In de oud­heid was de man er niet CULTUREEL GESPROKEN. In de praktijk was hij er natuur­lijk wčl en hij was helemaal niet de SLAAF van de vrouw, zoals ten onrechte wel eens gedacht wordt. Het mannelijke was in de OUDHEID aanwezig als de ABSTRACTE INHOUD van het VROUWELIJKE. Doordat deze verhouding zo lag was er eigenlijk geen vooruitgang, geen wetenschap, kortom: dat wat wij als MANNELIJK ervaren kwam in de oudheid niet CONCREET voor de dag. Immers: voor de man geldt het begrip EEN, en dit brengt onmiddelijk aan zich mee NOG EEN en NOG EEN - dus het TOTAAL.

Maar dit TOTAAL is niet čcht AANWEZIG…. dan is ook de ONDERSCHEIDING niet echt aanwezig en daarmee vervalt elke practische vooruitgang.

Wanneer echter het wčrkelijk MANNELIJKE cultureel een feit is geworden, dan is dus de OPTELSOM van eenheden aanwezig. Maar dit betekent dat dan óók het VROUWELIJKE - en dus ook de vrouw - aanwezig is. En wel CONCREET AANWEZIG. Hiermee is niet gezegd dat het wčrkelijk vrouwelijke aanwezig zou zijn, want het wčrkelijk vrouwelijke is een geheel ŕndere zaak, die tot op de dag van van­daag nog niet vertoond is. Maar DE VROUW is wčl AANWEZIG, al weet niemand wie DE VROUW is. In de MANNELIJKE CULTUUR zijn ŕlle factoren aanwezig omdat het over het begrip EEN gaat; in de vrouwelijke cultuur is geen enkele factor aan­wezig want alles is als abstractie opgenomen in het vrouwelijke.

De WEST-EUROPESE CULTUUR is de cultuur die volgt op de OUDHEID. Van deze wes­terse cultuur wordt gezegd dat zij MANNELIJK is, maar dit kŕn niet waar zijn omdat in de westerse cultuur DE VROUW een verworpene is, terwijl zij in een MANNELIJKE CULTUUR als eerste mee zou tellen. Zij zou niet meetellen omdat zij wčrkelijk de vrouw was, maar zij zou meetellen omdat zij in de onderscheiding de eerste factor is die voor de dag komt. Dit is echter in de WEST-EUROPESE cultuur niet het geval. De MODERNE MENS, de mens die door west-europa OPGELE­VERD is, die mens behoort tot de MANNELIJKE CULTUUR, maar de west-europese mens zčlf behoort tot een ŕndere cultuur en in deze cultuur is de vrouw NIET AANWE­ZIG. De vrouw is voor west-europa het "duistere", het "natuurlijke ", het "zon­dige" en het was goed als de mens (de man) trachtte zich van het vrouwelijke

te onthouden. Meestal gelukte hem dit natuurlijk niet en dan moest hij zijn "natuurlijke behoefte" in godsnaam maar met een vrouw afreageren. In dat ge­val kon hij beter met een vrouw TROUWEN dan de HOEREN een bezoek brengen en zo kreeg het HUWELIJK toch nog iets heiligs, maar het beste bleef toch het zich onthouden van de omgang met een vrouw. Vooral de ROOMSE KERK is wat dit betreft tot op de dag van vandaag zeer streng geweest, maar op andere wijze lag deze gedachte toch overal in het west-europese denken besloten. Het verwer­pelijke, het slechte en zondige kwam volgens west-europees denken samen in de vrouw. Maar voor het MODERNE DENKEN is dit niet zo: het moderne denken zegt dat de vrouw er óók is en dat zij niet minder is dan de man en dat voor haar haar eigen volwaardige normen gelden en dat er van slechtheid en zondigheid geen sprake is. In het moderne denken telt de vrouw mee; in het west-europese denken komt zij alleen maar als uitgesproken NEGATIVITEIT voor en als zodanig telt zij helamaal niet mee.

 


Er zit dus een hiaat tussen de vrouwelijke cultuur van de oudheid en de manne­lijke cultuur van de moderne mens en die hiaat is west-europa. In die west-euro­pese cultuur was de vrouw de slavin van de man; juridisch werd zij zo wel niet genoemd maar zij was toch onvoorwaardelijke gehoorzaamheid verschuldigd. De vrouw in west-europa is de VOEDINGSBODEM voor de man; het is de grond waarin hij zich bevestigt en vermenigvuldigt: aan haar bevredigt hij zijn BEHOEFTEN en in haar groeit zijn nageslacht. Het draait allemaal om hem en verder is er niets.

Het begrip COMBINATIE, waarover wij spraken, geldt onder deze omstandigheden natuurlijk niet. Want de combinatie vooronderstelt de éne en de ŕndere grootheid, die als ZELFSTANDIG gesteld is. De factoren die de combinatie vormen ZIJN ER beide en zij gaan ten dele wčl en ten dele niet op in de combinatie. In het west­-europese denken echter is de vrouw niet aanwezig en dus kan zij niet optreden als factor in de combinatie, zodat de combinatie zelf vervalt. Als wij onder het begrip combinatie hetzelfde willen verstaan als het HUWELIJK, maken wij een fout. Het huwelijk is er al zeer lang in de wereld; het heeft, naar gelang de culturen, verschillende vormen aangenomen, maar een COMBINATIE is het nooit ge­weest. Dat is eerst het geval bij de MODERNE MENS, die vrouw en man als GELIJ­KEN ziet. In het MODERNE HUWELIJK bespreken vrouw en man alles met elkaar; zij willen voor elkaar KAMERADEN zijn en alles SAMEN doen. Zij willen beiden alles aan hun sexualiteit beleven en het komt niet in de mensen op alleen maar zich­zelf door te zetten en dat alles niet in de eerste plaats uit VRIENDELIJKHEID, maar vanuit het besef dat het eenzijdig zichzelf doorzetten niet kŕn en niet te pas komt voor een redelijk mens. Deze opvattingen echter komen niet in het oude west-europa voor.

In het oude europa kwamen wel de HEKSENVERVOLGINGEN voor en de massale HYSTE­RIE ten aanzien van het vrouwelijke; het was een griezelige, sombere en duis­tere wereld die aan duizenden vrouwen en meisjes het leven gekost heeft. Wij zullen aan deze HEKSENWAAN nog aandacht besteden.

Nu gaan wij eerst nog eens bekijken het EINDPUNT van de OUDHEID. Op dat eind­punt was alle NATUURLIJKHEID tot ONTKENNING van zichzelf gekomen. Hier stond de VOLLEDIGE ONTKENNING, de ABSTRACTIE, ten voeten uit. Dit kwam als de JOODSE CULTUUR. voor de dag. Wij denken aan de figuur van JAHWE, de enige god die niets naast zich duldt en die niet uit te beelden is omdat hij geen GESTALTE heeft. Deze volledige abstractie nemen wij nu als BASIS. En dan constateren wij als eerste dat in het licht van deze abstractie NIETS KAN LEVEN, omdat al het be­staande ONTKEND is. Het leven van de mensen staat dus in het teken van de ONTKEN­NING, en dit in de MEEST BEKROMPEN zin van het woord. De WEST-EUROPESE cultuur is de UITWIKKELING van deze gedachte. Wij zien dit aan het feit dat west-europa zich altijd heeft bezig gehouden met het zogeheten OUDE TESTAMENT; het evangelie heeft ALS THEMA nooit een rol gespeeld, alles draaide om de JOODSE CULTUUR, de cultuur van JAHWE. De west-europese cultuur is dus eigenlijk allemaal JODENDOM, hoewel het jodendom zelf eigenlijk wat anders is. In ieder geval is de west­europese cultuur de UITWERKING van de figuur van JAHWE. Het is dus de uitwer­king van een ABSTRACTIE.

In de oudheid was de INHOUD van het VROUWELIJKE een abstractie, want het man­nelijke gold als GEEST en IDEE. Denk aan de MAAGD MET HET KIND; hierbij is er dus niet OP ZICHZELF van een abstractie te spreken, want het gaat over de IN­HOUD van het vrouwelijke en die INHOUD was abstract.

Deze inhoud van het vrouwelijke is niet JAHWE, want deze is nergens inhoud van. Hij is de GEHELE WERKELIJKHEID die volledig ontkend is; hij is dus ook het vrouwelijke mčt inhoud, dat volledig ontkend is. Hij is de ontkenning van de MAAGD MET HET KIND. Hierbij kunnen wij denken aan het verhaal van HERODES, die alle kinderen uitroeide omdat hij er zeker van wilde zijn dat het kind van de maagd niet in leven bleef.

West-europa, als de UITWERKING van JAHWE, heeft het wčl over het kind van de maagd gehad, doch heeft er nooit enig begrip van gehad; het is er VIJANDIG aan geweest. West-europa heeft ook nooit inzicht in de OUDHEID gehad; dat alles is pas gekomen - voorzover mogelijk - met het optreden van de MODERNE mens en deze moderne mens is het dan ook die CULTUREEL voortgegaan is op de OUDHEID. West­europa heeft elke cultuur in elkaar getrapt; het heeft elke vrouwelijkheid dood­getrapt en elke schoonheid vernederd. Het heeft niets naast zich geduld.

Hoe moeten wij dit alles nu begrijpen? De inhoud van het vrouwelijke is het begrip EEN en dit is tevens de werkelijk nannelijke werkelijkheid en dit betekent tevens NOG EEN en NOG EEN. Hiervoor is echter nodig dat EEN aanwezig is en de ontwikkeling daartoe is WEST-EUROPA.

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 26 november 2009)

 

Dinsdag, 27 mei 1969

No. 37

 

Het verschil tussen de Joodse en de West-Europese cultuur

De JOODSE CULTUUR is een cultuur die eigenlijk NIET VOORBIJGAAT, in die zin dat deze cultuur niet opgelost wordt als er een nieuwe cultuur overheen komt te liggen. Dit vindt zijn grond in het feit dat het over een VOLSLAGEN ABSTRACTIE gaat, die bovendien als een ONTKENNING geldt, de ontkenning namelijk van al het NATUURLIJKE. Met deze ontkenning is de werkelijkheid als BESTAANDE UIT allerlei "dingen" ontkend, zodat HET ANDERE, dat de grond is voor alle vooruitgang en dus ook ondergang niet tot zijn recht kan komen. Het ANDERE, of IETS ANDERS, ligt in feite in člke zaak besloten omdat er niets denkbaar is zňnder INHOUD en het nu juist deze inhoud is, die HET ANDERE tenslotte blijkt te zijn. Als het echter gaat over de Joodse CULTUUR, let wel: CULTUUR, dan gaat het over een IN­HOUDSLOZE aangelegenheid. Daarom is deze CULTUUR blijven liggen: de JODEN, ver­spreid over de gehele wereld, hebben vastgehouden aan hun oude gebruiken en ri­tuelen. Dat is zo tot op de dag van vandaag. Het is echter de MODERNE CULTUUR, die ook de Joodse aantast, want tegenover de moderne cultuur houdt niets zich staande. Er is dus nu een MODERN JODENDOM aan het ontstaan, en dat blijkt in de praktijk niet veel meer inhoud te hebben dan NATIONALISME - hetgeen ook niet anders zou kunnen.

Het besef dat bijvoorbeeld de CHRISTEN heeft aan zijn godsdienst is een geheel ander besef dan dat wat de JOOD beleefde aan zijn eigen cultuur. Voor de Chris­ten komt de zaak noodzakelijk neer op een ETIKET, een bepaalde uitwendige ver­schijningsvorm. Voor de Christen is er dan ook een TWEESPALT tussen zijn hoog­ste waarde, zijn CULTUURGEDACHTE, en zijn werkelijk aanwezig-zijn. Dit is bij de JOOD niet het geval: hij IS die abstractie, zó voelt hij zichzelf aan, ook als hij dat niet van zichzelf weet te vertellen. In de TWEEDE WERELDOORLOG on­derging de Jood dan ook zijn lijdensweg, want de aanwezige wereld, waartoe hij ook zichzelf rekent, is uiteindelijk toch een NEGATIVITEIT waarop de zaak niet draait.

De JOODSE CULTUUR dus heeft niet het VOORBIJGAANDE aan zich; het Joodse volk blijft het UITVERKOREN VOLK dat wacht op zijn verheerlijking terwijl het in­tussen de LIJDENSWEG van deze wereld afloopt. De WESTEUROPESE CULTUUR echter gaat wčl voorbij ; vandaag de dag is de zaak al dan in aan het zieltogen. West­-europa is bezig TEN ONDER te gaan. Hierbij moeten wij een aantekening maken: west-europa gaat aan de MODERNE CULTUUR ten onder, zoals bijna alle vroegere culturen aan HET VOLGENDE ten onder zijn gegaan. De Joodse cultuur echter gaat niet aan de moderne cultuur TEN ONDER, maar komt eraan TOT ZIJN RECHT, en dat geldt ook voor HET OOSTEN, voorzover daar cultuur aanwezig is. Als die culturen straks tot hun recht gekomen ZIJN, kunnen we een nieuwe vraag stellen: in hoe­verre zijn die culturen nu nog dezelfde als toen zij nog niet tot hun recht ge­komen waren? Hierover zullen wij het een andere keer hebben.

De west-europese cultuur is de UITWERKING van de ABSTRACTIE. Het is het IN DE PRAKTIJK voor de dag komen van het begrip EEN. Hier zit het ANDERE niet IN, maar het ANDERE komt er wčl AAN MEE, en wčl als AFGEWEZEN geval.

De west-europese cultuur is de BEVESTIGING van de joodse ABSTRACTIE, van de Joodse ABSOLUTE ONTKENNING dus. De christelijke westerling zegt dan ook dat GOD ER IS; hij BEVESTIGT de ontkenning, die god is. Hij praat dus anders over "Jahwe" dan de Jood dit doet want voor de christen is god een REALITEIT die, laten wij zeggen “ergens in de werkelijkheid aaawezig is”. Het “ergens” aanwe­zig zijn van Jahwe komt voor de Jood niet ter sprake omdat de ontkenning van het BESTAANDE ook het begrip "ergens" opheft.

De OUDHEID loopt uit in een ONTKENNING en dat is JAHWE, en de westerse wereld begint met die zaak te bevestigen en hem van daaruit uit te werken. De westerse wereld begint dus eigenlijk met iets dat voor eigen besef BESTAAT. En daaraan komt onafwendbaar mee dat die bestaande zaak een INHOUD heeft, maar die inhoud wordt NAAST die bestaande zaak gedacht omdat hij er niet IN te denken is. Zo ontstaat het beeld van de ZOON VAN GOD, die op de wereld gekomen is en daar niet op zijn plaats was. Hier ligt de oorsprong van de VERWARRING ten aanzien van het EVANGELIE. Daarom doen wij er goed aan in dit verband helemaal niet aan het evangelie te denken, want GOD HEEFT NIETS MET HET EVANGELIE TE MAKEN. Zodra dus de oude JAHWE in de westerse cultuur terechtkwam bleek hij EEN ZOON te heb­ben, omdat het BESTAANDE niet zonder HET ANDERE te denken is en daarom niet zon­der VERANDERING kan en dus zijn INHOUD openbaart.


 

West-europa is de uitwerking van het begrip EEN; als dit proces klaar is, dan is het begrip EEN in alle opzichten CONCREET AANWEZIG. Als dit evenwel het ge­val is, dan blijkt tevens dat het begrip EEN er helemaal niet meer is OP ZICH­ZELF, want het blijkt dat er dan is; EEN EN NOG EEN EN NOG EEN - en tenslotte HET TOTAAL. West-europa is de ontdekking van de mens als zichzelf EENLING, als zichzelf INDIVIDU; wanneer die INDIVIDU er tenslotte IS, dan blijkt hij verder niet van belang te zijn omdat IEDEREEN dan individu is. Dan gaat HET TOTAAL gelden en dan krijgen wij te doen met de ZUIVER MANNELIJKE WERELD.

Er is dus een grote VERWANTSCHAP tussen de Joodse cultuur en de west-eurcpese cultuur, maar tevens houdt die verwantschap een grote TEGENSTELLING in omdat het bij de een gaat om het NIET AANWEZIG ZIJN van een zaak, terwijl het bij de ander gaat om het WEL AANWEZIG ZIJN van diezelfde zaak - en die zaak is de ABSOLUTE ABSTRACTIE, die JAHWE genoemd wordt. Deze tegenstelling, dit in strijd met elkaar, is in de geschiedenis talloze malen tot uitbarsting gekomen en bij zo'n uitbarsting was de Jood de LIJDZAME terwijl de west-europese christen ­de agressieve was; omdat hij tegenover IETS ANDERS stond en de Jood niet.

Ook in hun verhouding ten opzichte van het VROUWELIJKE komt dit voor de dag: de westerling stond TEGENOVER het vrouwelijke, maar de Jood was er ONVERSCHILLIG voor zoals hij dat ook is ten aanzien van ZICHZELF. In zijn zelfontkenning ontkent de Jood ook het vrouwelijke, maar daarom gáát het niet speciaal.

Voor de westerling was het vrouwelijke nu net de zaak waarvan de ontkenning hem ter harte ging. Er was in het westen dus VIJANDSCHAP tussen de man en het vrouwe­lijke. Er was dus ten opzichte van de gehele werkelijkheid vijandschap: ten opzichte van het vrouwelijke, dus ten opzichte van de SCHOONHEID en ten op­zichte van de SEXUALITEIT en ten opzichte van het LEVEN. De westerling voelt zich dan ook niet THUIS in de werkelijkheid; hij is omringd door vijandigheden ­en dit staat in duidelijke tegenstelling tot het besef van de Jood, die zich altijd bčst thuis gevoeld heeft in de wereld. In het westen heerste het besef de werkelijkheid in haar geheel te moeten AFWIJZEN omdat het een minderwaardige zaak betrof; in het westen heerste het ZONDEBESEF en daarvan hebben bijvoorbeeld alle KERKEN een dankbaar gebruik gemaakt.

Dat zondebesef teisterde telkens het westen als een epidemie; er ging dan een golf van waanzin door europa en de mensen waren hysterisch en overspannen. Zij gingen over tot de beruchte GESELPROCESSIES en ook de HEKSENJACHT vierde hoogtij. In dit verband kunnen wij rustig van de westerling zeggen dat hij een OVERSPANNEN IDIOOT was, een idioot die natuurlijk vooral SEXUEEL in de knoop zat omdat het zijn verhouding tot het vrouwelijke was die helemaal scheef zat.

Als de HYSTERIE zich rechtstreeks op de vrouw richtte gold het altijd spe­ciale vrouwen die in hun doen en laten iets van de "oervrouwelijkheid" bewaard hadden. Een VROEDVROUW bijvoorbeeld en een vrouw die GENEESKRACHTIGE KRUIDEN wist toe te passen en een vrouw die niets van het HUWELIJK moest hebben zónder evenwel een HOER te zijn - al dergelijke vrouwen, die op de één of andere manier met HET LEVEN te maken hadden, waren bij voorbaat VERDACHT. Zij konden er niet zeker van zijn dat zij bij een volgende epidemie van hysterie het leven er af zouden brengen. Inderdaad waren het vaak merkwaardige vrouwen, maar wat de wes­terling ervan maakte was één en al overspannen VUILIGHEID: de heks was de ge­liefde van de DUIVEL en zij bedreef de gruwelijkste ONTUCHT met de duivel en zijn dienaren terwijl zij er bovendien voor zorgde dat de duivel steeds vol­doende materiaal had om zijn lusten op bot te vieren. Van de heksenprocessen zijn natuurlijk vele dossiers bewaard gebleven en deze spreken een duidelijke taal; ook zijn er door de geleerde koppen van die dagen - in hoofdzaak Roomse geestelijken – voortreffelijke “wetenschappelijke” werken geschreven…. de smeerlapperij die daarin te lezen staat geeft een duidelijk beeld van de alge­hele SEXUELE OVERSPANNING, die de westerse mens, en zeker de intellectuele westerse mens, noodzakelijk beheerst. Het enige beeld dat een echte west-euro­peaan krijgt van het vrouwelijke is het beeld van een DUISTERE wereld waarin HARTSTOCHTEN heersen en waarin allerlei krachten en spanningen werkzaam zijn waarop men geen vat kan krijgen.

Bovendien gaan die krachten en spanningen door ŕlles heen, want in de grond van de zaak is het MANNELIJKE, als inhoud van het vrouwelijke een VRIJE zaak die niet aan dit of aan dat BEPAALD is. Zo gaat dus ook de DUIVEL door alles heen; hij is op zijn wijze een GEEST die voor geen muur stilstaat. Deze DUIVEL was de inhoud van het vrouwelijke en als zo­danig is hij natuurlijk de tegenpool van god; en deze tegenpool van god was de minnaar van die vrouwen waaraan de westerling iets čcht vrouwelijke besefte. De zaak was dus wčrkelijk TEGEN HET VROUWELIJKE gericht.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 26 november 2009)

 

Dinsdag, 3 juni 1969

No. 38

 

Het ten onder gaande europa

De vorige keer spraken wij erover dat de JOODSE CULTUUR niet voorbijgaat omdat het begrip VERANDERING er niet inzit, en wij hebben ook gezegd dat de west-europese cultuur wčl ten onder gaat en wel aan de MODERNE CULTUUR. In zo­verre is de west-europese cultuur gelijk aan culturen als bijvoorbeeld de Griek­se, de Romeinse, de Perzische, enzovoort.

Voor de MODERNE CULTUUR moet ŕlles wijken; ook de BLIJVENDE CULTUREN zoals de JOODSE en die van INDIA moeten wijken voor de MODERNE, maar TEN ONDER gaan zij niet. Zij KOMEN TOT HUN RECHT.

Voor oe MODERNE CULTUUR is kenmerkend dat člke factor in en van de werke­lijkheid meetelt en dit geldt ook voorzover de moderne cultuur te maken krijgt met die oude blijvende culturen. Deze culturen gaan dus meetellen voor de mo­derne mens; zij worden niet VERNIETIGD zodat er slechts een vage HERINNERING overblijft, maar zij kunnen naar hun volle inhoud voor de dag komen. Evenwel gaat het toch over culturen die een moment vertegenwoordigen dat VOORBIJ is, d.w.z. qua CULTUUR is dat moment voorbij, en deze CULTURELE onmogelijkheid blijkt alras als zo'n cultuur wčrkelijk TOT ZIJN RECHT KOMT in de moderne mensheid. Het WEZENLIJKE, waarop die oude cultuur gebaseerd was blijft als een DENKMOGELIJKHEID liggen, maar in de praktijk blijkt dat die cultuur zčlf volledig LEEG is geworden. De zaak blijkt UITGEHOLD te zijn en naarmate het tot zijn recht komen meer een REALITEIT wordt blijkt dit uitgehold-zijn duide­lijker. De zaak verdwijnt dan zoals bij de mens persoonlijk allerlei jeugdideeën vanzelf verdwijnen doordat de onmogelijkheid ervan in de wčrkelijke praktijk duidelijk wordt. Maar dit is niet het begrip TEN ONDER GAAN want dit heeft met vernietiging te maken.

Een voorbeeld is ook de VOLKSMUZIEK - en nu bedoelen wij niet de magere mu­ziek die in deze gewesten voor de dag is gekomen. Wij spreken niet over de klompendans, maar bijvoorbeeld over de ZIGEUNERMUZIEK. Deze muziek staat te verdwijnen, maar in ňnze tijd verloopt dit proces ŕnders dan in, laten wij zeggen "het oude europa". Toen het oude europa nog krachtig was bestond er niets ŕnders; dus ook qua muziek was er niets anders. Genomen vanuit europa kon de rest dus rustig verdwijnen, er was geen belangstelling voor. Met het opkomen van de moderne mens echter kwam er voor de volksmuziek wčl belangstel­ling en er werden pogingen ondernomen de restanten ervan zoveel mogelijk te bewaren. Zelfs proberen sommigen die muziek zčlf te maken, maar dit is natuur­lijk een onmogelijkheid. In ieder geval kwam en komt de volksmuziek heden ten dage TOT ZIJN RECHT en dan blijkt het zich vanzelf op te lossen in de moderne muziek - vooral die van de jonge mensen. Van verguizing is geen sprake meer.

Zo ook met de JOODSE cultuur. In hoeverre is de huidige joodse cultuur, die volledig tot zijn recht kan komen, nog de oorspronkelijke joodse cultuur? Wel, dit is de joodse cultuur al niet meer, want het leeft tegenwoordig in MODERNE joodse mensen, die zich niet meer laten vermoorden en die niet meer lijdzaam zijn, en zo is het oorspronkelijke een leegheid geworden, terwijl de wezen­lijke GEDACHTE als een logisch DENKFACET aanwezig blijft. Maar niet meer als een in mensen LEVENDE CULTUUR.

 

De WEST-EUROPESE CULTUUR is de énige cultuur die SNEUVELT aan de cultuur van de MODERNE mens. Allerlei tekenen wijzen er op dat het oude europa bezig is te sterven er dat er slechts een nauwelijks geloofwaardige herinnering overblijft van wat eens west-europa was. De gehele oude europese wereld zit vol spanning; overal steken ONLUSTEN de kop op en er zijn verschillende DECADENTIE-VERSCHIJN­SELEN aan te wijzen. Dit betekent dat het oude europa zijn kracht begint te ver­liezen; het begint ZICHZELF kwijt te raken. De culturen van India en van de Jo­den evenwel komen tot ZELFBEWUSTZIJN in en aan het MODERNE zelfbewustzijn en daarmee wordt de zaak juist KRACHTIG en daarmee komt de zaak TOT ZICHZELF. Dat dan al spoedig blijkt dat de zaak een LEEGHEID is, doet in dit verband niet terzake. Decadentie-verschijnselen zijn er niet en slapheid evenmin, naar die verschijnselen doen zich wčl voor in het oude europa, want dit gaat werkelijk ten onder. Een decadentie verschijnsel is het bijvoorbeeld als MACHT en GEZAG steeds meer gaan berusten op GEWELD omdat de innerlijke verbondenheid van de mensen met datgene dat zij BOVEN ZICH hebben zijn VANZELFSPREKENDHEID verliest en dus van een INNERLIJKE verbondenheid verandert in een UITERLIJKE. Er het GEWELD behoort natuurlijk tot de UITERLIJKHEDEN.

 


Ook onze veelgeprezen DEMO­CRATIE behoort tot die uiterlijkheden: het is algemeen bekend dat besluiten voor de vorm via het KLETSCOLLEGE, dat onze volksvertegenwoordiging is, genomen worden, maar dat de wčrkelijk besluitvorming geheel ergens anders plaats vindt en zichzelf langs geheel andere kanalen doorzet. En deze gang van zaken kŕn niet anders dan CORRUPT zijn omdat hij beantwoordt aan normen die wezenlijk niet meer de normen zijn die eigenlijk behoren te gelden, genomen vanuit de MENSEN zčlf. Het oude europa tracht zich in stand te houden, natuurlijk volgens de oude normen, maar deze normen zijn al uitgehold en dus kunnen ze zich alleen maar via de CORRUPTIE doorzetten. Corrupt is datgene dat ŕnders voorgesteld wordt dan het is, welnu, daarvan zijn voorbeelden te over! Denken wij nu eens even aan de huidige verwikkelingen in de ANTILLEN. Men tracht de regering ter plaatse de schuld te geven en de nederlandse regering tracht zich vrij te plei­ten door o.a. te wijzen op de enorme "ontwikkelingshulp" die zij verleent, maar de zaak is in feite toch in DEN HAAG bekokstoofd en nergens anders. Hoogstens heeft WASHINGTON een dikke vinger in de pap gehad. Wij kunnen in het verband van deze stencils niet uitvoerig op deze materie ingaan, maar verhelderend is het misschien toch wel als wij erop wijzen, dat ŕlle zuid-amerikaanse landen in precies dezelfde positie verkeren, al zijn er UITERLIJKE verschillen. Het oude europa heeft nooit ergens weet van, maar het zorgt er wčl angstvallig voor dat minstens 50% van de opbrengst van die landen afvloeit naar europa.

De enige zorg van het oude europa is NIET VAN KOLONIALISME BESCHULDIGD TE KUNNEN WORDEN en daarom kent het aan zijn koloniën ZELFSTANDIGHEID toe, ver­bonden met de EIS dat het daar DEMOCRATISCH toe moet gaan…. want dan zijn de WINSTEN veilig gesteld. Uiteraard is zo'n democratie CORRUPT, maar daaraan is nu eenmaal niets te doen!

Hoe vreemd het ook klinken moge: dit zijn DECADENTIE-VERSCHIJNSELEN; het wčrkelijke oude europa heeft zich nog nooit iets van de buitenwereld aangetrok­ken. Die buitenwereld wŕs er gewoon niet en dus ging het PLUNDEREN openlijk. Dŕt was de KRACHT van europa, nu echter is alles STIEKUM en LAF geworden om­dat er iets nieuws is dat niet meer weggecijferd kan worden. Daarom schreeuwen juist de oude europeanen om DEMOCRATIE want het is een niet te overtreffen systeem om alles tot zijn recht te laten komen zonder genoodzaakt te zijn op enigerlei wijze in te binden met zijn plunder-praktijken.

 

De uitwerking van het begrip EEN, op zichzelf genomen, is de ontwikkeling van het INDIVIDUALISME. Deze zaak gaat tenslotte over in het begrip WIJ, maar dit gaat gepaard met grote spanningen, want het is slechts onder DWANG dat IK bereid is te wijken voor WIJ. Zoals wij reeds bij de ENKELVOUDIGHEID zagen komt al het ANDERE van BUITENAF en het laat zich gelden als een KRACHT van buitenaf en die kracht is TEGENGESTELD aan alles wat vanuit de enkelvoudig­heid zčlf geschiedt. Derhalve zouden wij kunnen zeggen dat de enkelvoudigheid zich VERZET tegen de invloed van buiten. Hetzelfde geldt voor de individua­listische mens, de mens dus die zich als het begrip EEN, ofwel het begrip IK, waargemaakt heeft. Hij ontdekt zijn eigen AANWEZIGHEID en daarmee laat zich ONMIDDELLIJK gelden dat er talloze ANDEREN aanwezig zijn, maar deze laten zich gelden VAN BUITENAF en ze zijn om te beginnen meer dan HINDERLIJK. Ze zijn zelfs een GEVAAR, dat echter toch om ERKENNING vraagt. Nu komt het conflict want nu ontstaat er een geduw en gewring en een ijzig vasthouden aan zichzelf. Voorzover nu de mens als IK tot aanzien is gekomen in de wereld en zich heeft gevestigd als het CENTRUM van een groot aantal concentrische cirkels van macht en invloed, verzet hij zich met GEWELD tegen de anderen, die HETZELFDE doen en zo ontstaat een wereld vol van SPANNING, vol van GEWELD, vol van MOORD EN DOODSLAG. Zolang de mens als IK nog zo ongeveer de ENIGE is die zich als zo­danig heeft waargemaakt is die SPANNING er nog niet zo erg, want de WEERSTAND is nog niet zo groot. Maar met het zich voltooien van de uitwerking van het begrip EEN komen er steeds meer bronnen van weerstand en die richten zich allemaal tegen dat éne, in wie het ook verpersoonlijkt is, de MACHT, en die macht wordt steeds meer GEWELD omdat de wezenlijke machtsverhouding zčlf, door het opkomen van die ANDEREN, meer en meer ONHOUDBAAR wordt.

Op grond van dit alles staat europa nog veel strijd en ellende te wachten en de gewelddadigheid van de centra van macht zal vele slachtoffers eisen.

Dat deze gewelddadigheid toeneemt zal intussen al wel voor een ieder duidelijk zijn: het polititie optreden wordt over de gehele wereld steeds bruter.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 26 november 2009)

Dinsdag, 10 juni 1969

No. 39


 

Een stukje geschiedenis - filosofie

Het werkelijke WEST-EUROPA vertoont zich eigenlijk alleen ten tijde van de europese MIDDELEEUWEN. Dat wil niet zeggen dat er later geen specifieke indivi­dualistische verschijnselen zijn, integendeel, maar in die latere tijd gaat zich hier en daar de MODERNE MENS al aankondigen. En daardoor krijgt de INDIVI­DU een andere sfeer dan hij in wezen heeft. Hij krijgt namelijk een INTELLEC­TUELE SFEER, hetgeen verklaart waarom wij aan het begrip INDIVIDUALISME gewoon­lijk iets intellectueels beseffen. En dat is eigenlijk ten onrechte omdat de mens die zichzelf beseft en kent als een ENIGE EN ONDEELBARE EENHEID, in de grond van de zaak niets met intellectualiteit te maken heeft. We moeten van hem zeggen dat hij leeft BINNEN EIGEN BEPAALDHEID en dat geeft een mens te zien die leeft volgens zijn KARAKTER voorzover dit binnen het BESTAAN blijft. Het ROYALE ASPECT van het menselijke karakter, zoals een ALEXANDER DE GROTE dat bijvoor­beeld had, komt niet voor de dag. Dat is een wereld die voorbij is.

Een nieuw cultuuraspect komt altijd voor de dag in de onderste lagen van de bevolking. De mensen die daar leven zijn het minste gebonden aan de geldende cultuur; zij kunnen met die cultuur het slechtst uit de voeten en daardoor lig­gen de mogelijkheden voor het nieuwe vrij. Natuurlijk gaat het hier over het nieuwe voorzover dit IN DE PRAKTIJK bij de mensen voor de dag komt; we moeten dus helemaal niet denken aan schone idealen en heldere gedachten. Deze komen eventueel voor de dag bij diegenen die wij de LEIDERS kunnen noemen - denken wij aan hetgeen wij over DOMELA NIEUWENHUIS gezegd hebben. Maar de mensen op

de laagste trappen van de maatschappij zijn het die de zaak wčrkelijk doorzet­ten. Dat was ook het geval bij de overgang van het OUDE EUROPA naar de eerste inzet van de MODERNE MENS. De VRIJHEIDSOORLOG der NEDERLANDEN ging ook van het "gewone volk" uit en is ook in feite een volkszaak gebleven, al willen wij het nu doen voorkomen of het een zaak van WILLEM VAN ORANJE geweest is.

Het EERSTE TEKEN van het naderen van de MODERNE MENS is de roep om VRIJHEID; het oude europa kende de roep om vrijheid niet.

Het ging om de ontwikkeling van de INDIVIDU en dit brengt onmiddellijk met zich mee een STANDENBESEF omdat in een dergelijk ontwikkeling de EEN nu eenmaal verder is gekomen, op een zeker moment, dan de ANDER. En er is er ook een die het verst van allemaal ge­komen is en die is dan de MONARCH; hij is de CENTRALE FIGUUR en in hem is alle MCHT geconcentreerd. Dit is voor iedereen even vanzelfsprekend omdat ieder­een bezig is de maatschappelijke ladder te beklimmen. Dan zijn er natuurlijk altijd wel mensen die ONTEVREDEN zijn, maar dat betreft dan hun POSITIE en niet het feit dŕt er alleen maar STRIJD is vanuit EIGENBELANG. Dat alles vol­komen ONVRIJ is valt niemand op en dus wordt er niet om vrijheid geroepen.

Zodra de MODERNE MENS echter nadert gaan de mensen beseffen dat zij ER ZIJN, al zijn zij dan desnoods niet hoog op de ladder opgeklommen. En als de mens tot het inzicht komt DAT HIJ ER IS, dan geldt dit voor hem ook VOOR DE ANDER, ongeacht de positie die die ander bekleedt. De mens beseft dan dat iedereen de kans moet hebben om INDIVIDU te kůnnen zijn. Dit is de ROEP OM VRIJHEID en dit kwam met de vrijheidsoorlog van de nederlanden voor de dag. Het kon niet langer dat de éne mens de ŕndere op zijn kop zat; ieder mens moest bewegingsvrijheid hebben. En die vrijheid kwam er ook, maar daarmee is niet gezegd dat de MODERNE MENS er al is. Een volgende stap is namelijk de VRIJHEID VAN SPRE­KEN, de vrijheid van MENINGSUITING. Dit is ook een PRAKTISCHE vrijheid; het is ook een vrijheid van BEWEGING. Alleen is de zaak nu al meer ABSTRACT. Tenslot­te geniet de mens een dergelijke vrijheid, dat hij in het teken van de COMBINATIE komt te staan. Dit is de meest VOLLEDIGE vrijheid, maar deze vrijheid is weer geheel een andere dan die de VOLWASSEN MENS siert.

De mens als een zich tot INDIVIDU ONTWIKKELEND geval is er opuit een KONING te worden, d.w.z. DE HOOGSTE van allen. Dit is dan ook de inhoud van het euro­pese begrip ADEL. De EDELE is iemand van de HOOGSTE POSITIE of van BIJNA de hoogste positie. Van het feit dat ADEL eigenlijk duidt op een MENSELIJKE HOE­DANIGHEID heeft europa geen; benul; er is wel genoeg over gesproken als er iemand om de een of andere reden gehuldigd moest worden, maar het is nooit een praktische NORM geweest. In europa was de adel de baas VANWEGE zijn MACHT en dus vanwege zijn BEZIT en dit is natuurlijk een INHOUDSLOZE aangelegenheid.

 


Voor de EUROPEAAN is de edele dus iemand van hoge positie, maar voor de MODER­NE MENS is hij één van de factoren, één van de vele mogelijkheden, die in een maatschappij meetellen. Hij kan dus TOT ZIJN RECHT komen en omdat dit zo is wordt hij serieus genomen. Hij is er immers ook! En het is een prachtige STATUS om van adel te zijn of tot die kringen toegelaten te worden. Maar dit is een ander besef dan het besef ONDERGESCHIKT te zijn. De STATUS - welke het ook is ­blijkt voor de moderne mens in de praktijk wel wčg te ebben, maar voorlopig is hij er wčl, want het is het tot zijn recht komen van iets ŕnders.

De kerken bijvoorbeeld verliezen gestaag hun invloed, maar de dominee en de pastoor worden meer serieus genomen dan ooit. Nu echter niet meer als mannen van GEZAG, maar als "gesprekspartners", dus als ANDEREN, die tot hun recht ko­men moeten en die in dat "gesprek" een “eigen inbreng” hebben. Bij dat “gesprek” behoort IEDEREEN. En een ieder heeft zijn eigen mening.

 

Nu maken wij eens een vergelijking tussen de FRANSE REVOLUTIE en de NEDERLANDEN. Tijdens de franse revolutie werd de franse ADEL uitgeroeid. Maar in Frank­rijk werd nog nooit de roep om vrijheid vernomen. In nederland is de adel niet vermoord toen de vrijheidsoorlog uitbrak. Want het was het prille begin van de MODERNE MENS. Maar in frankrijk was het juist de EUROPEAAN, die doorbrak en hij is daar het langst van heel europa gebleven. Hij sprak wel over vrijheid, gelijkheid en broederschap maar dat was slechts een KREET; de praktijk was dat er geen dag vrijheid, gelijkheid en broederschap geweest is. En al spoedig kwam NAPOLEON - toen bleek wel heel duidelijk de burgermans-gesteldheid van de fransman. De fransman heeft namelijk alleen maar de ADEL en de GEESTELIJKHEID opgeruimd omdat die aan de BOURGOISIE in de weg stonden en de bourgoisie is door en door INDIVIDUALISTISCH. Het is niet voor niets dat het begrip bourgoi­sie later min of meer synoniem werd met MIDDENSTANDER. Deze middenstander was het die de hindernissen opruimde om zichzelf als "kleine zelfstandige" breed te kunnen maken. En toen kwam al spoedig NAPOLEON, het ideaal van de KLEINE MAN, en nu is het Leve de keizer” en dan er op uit europa te gaan veroveren. Dit is een typisch trekje van de kleine individualist; ook HITLER had zijn grootste aanhang onder de kleine middenstanders en ook hij ging europa verove­ren en beiden, zowel NAPOLEON als HITLER zijn in dezelfde hoek te pletter ge­lopen: RUSLAND. Dit is allemaal niet voor niets zo!

De nederlander heeft zich tijdens en na zijn vrijheidsoorlog niet bezig ge­houden met uitroeien; hij heeft DE ANDER met rust gelaten want die ander kon ook tot zijn recht komen. Maar de fransman en de duitser is de eer te beurt gevallen te mogen uitroeien. Want er telt voor de individualist NIEMAND mee en dus moet de rest maar ONDERGESCHIKT gemaakt worden. Ook de gesteldheid van de hitler-duitsers was gebaseerd op het individualisme, want het was de mens als IK die zichzelf als HET HOOGSTE stelde.

 

De mens van de MIDDELEEUWEN, dus de eigenlijke EUROPESE MENS, heeft het vrouwelijke afgewezen en voor MINDERWAARDIG verklaard, maar het MANNELIJKE heeft hij nog niet bereikt en hij weet ook niet dat hij daarheen op weg is, want voor hem leidt het doel naar HEMZELF ALS DE ENIGE BESTAANDE. Het is te begrijpen dat in een dergelijke wereld geen IDEAAL van mannelijkheid kan be­staan. De ROOMSE KERK was in zekere zin een VREEMDE MACHT over het oude euro­pa, maar toch was het KERKDENKEN een hele tijd het denken van europa. En in dit denken komt de gedachte van het CELIBAAT op en deze gedachte, vooral in zijn uitwerking, typeert het ONMANNELIJKE. Maar ook het denken OP ZICHZELF was eigenlijk geen DENKEN. De MYSTIEK van MEESTER ECKHART bijvoorbeeld toont duidelijk dat het om een SCHOUWEN ging, een schouwen dat met een welhaast VROUWELIJKE INTUITIE naar voren gebracht is. Daarbij zijn prachtige resulta­ten bereikt, maar het is niet MANNELIJK, want het is geen DENKEN, want het EEN wordt niet tegen het ANDER afgewogen. En ook de SCHOLASTIEK was geen DENKEN, maar dat was ook nauwelijks een zien. De scholastiek was meer een wedstrijd in SPITSVONDIGHEID. En over het algemeen kwam het KERKDENKEN, dus eigenlijk het EUROPESE DENKEN, niet boven KEUKENMEIDENDENKEN uit. Natuurlijk zijn er hierop uitzonderingen geweest, maar die vallen cultureel buiten europa.

Het ZIEN van de MYSTIEK was geen čcht ZIEN. Een waarlijk helder ZIEN levert bijvoorbeeld een AFRODITE op of een denken als dat van PLATO, maar het heeft niets te maken met VISIOENEN en daaruit gedestilleerde wijsheden. Een helder zien levert ook geen afwijzing van het vrouwelijke op.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 26 november 2009)

 

Dinsdag, 17 juni 1969

No. 40

 

De maagd Maria en haar kind

Het is te begrijpen dat ook de typisch west-europese mens niet ontkomt aan datgene dat wezenlijk voor de mens geldt. Zo ontkomt de europeaan ook niet aan het VROUWELIJKE, al heeft hij dit in zijn denken ŕfgewezen. Hij ontkomt niet aan een IDEALE VROUWELIJKHEID, en dit ideaal is natuurlijk gedacht vanuit zijn eigen cultuur. De ideale vrouwelijkheid, gedacht vanuit de mens die zichzelf als het begrip EEN waarmaakt, is getekend in de figuur van DE MAAGD MARIA met het KIND. Deze vrouwelijke figuur kan uiteraard geen MANNELIJKHEID tot INHOUD hebben, want mannelijkheid was niet aan de orde in europa. Toch had ook voor de europeaan het vrouwelijke een INHOUD, maar deze inhoud is voor hem alleen maar van belang in verband met de vraag: wie heeft dat kind VERWEKT. De euro­peaan vraagt dus naar HET UITWENDIGE en dit staat in tegenstelling tot de OUD­HEID, want toen kwam het uitwendige helemaal niet ter sprake. Het ging toen om het VROUWELIJKE EN HAAR INHOUD en BUITEN deze verhouding wŕs er niets. Voor de europeaan evenwel is dit anders en daarom maakt hij zich druk om de ONBEVLEKTE ONTVANGENIS van Maria.

Maria heeft niet ontvangen van de man, zoals de europeaan die kende, en van een WARE mannelijkheid had hij geen weet, zodat er maar één mogelijkheid over blijft: de VERWEKKER van het kind van Maria was DE HEILIGE GEEST, d.w.z. het begrip EEN als het LEVENWEKKENDE beginsel. Het grondbeginsel van de werkelijk­heid, en dus het grondbeginsel van het LEVEN. De werkelijkheid dus, voorzover die NIET BEPAALD is. En dit is natuurlijk niet de VOORHANDEN man.

Het KIND is in europa, in verband met MARIA, nooit zo belangrijk geweest en Maria zčlf telde eigenlijk alleen maar mee als MOEDER van het kind, d.w.z. de VOEDINGSBODEM waarin de HEILIGE GEEST de zaak VERWEKT had. Uit dit alles blijkt wel, dat het een tamelijk BANALE aangelegenheid is. Het besef reikt niet ver­der dan burgermansvragen naar de moeder en de verwekker van het kind. En men geeft dan het diepzinnige antwoord dat Maria "onbevlekt ontvangen" is "van de heilige geest". Wie dit niet begrijpt of wie dit onzin vindt valt buiten het GELOOF; hij is ongehoorzaam en zal ter dood gebracht worden….

De GEGEVENS voor het beeld van Maria met het kind komen overgewaaid uit de OUDHEID. Want de oudheid kende de MAAGD MET HET KIND. En het KIND blijkt DE MENS te zijn. En de europese GOD was de oude Joodse JAHWE. Van al deze gege­vens heeft de Roomse kerk een nieuw verhaal gemaakt en dat verhaal was ALS VERHAAL typisch europees, maar de BEELDEN uit dat verhaal waren voor europa VREEMD, want ze kwamen uit de oudheid. Aangezien het juist de BEELDEN zijn waarom het qua VERSTAANBAARHEID voor de gewone mensen draait, was er voor die gewone man natuurlijk geen touw aan vast te knopen, zodat hij telkens tot ONGELOOF verviel. Maar daarmee wist Rome wel raad!

 

De liefde en de sexualiteit in europa

De SPANNING, die er is tussen de vrouw en de man, en die wij de SEXUALITET genoemd hebben, is natuurlijk voor de europeaan een VERWERPELIJKE aange­legenheid. Want de man is er nog niet en de vrouw is een VERWORPENE, zodat zij in de sexualiteit niet als één van de twee polen kan fungeren waartus­sen de SPANNING optreedt. En dit heeft tot gevolg dat het inzake de sexua­liteit alleen maar gaat om ZICHZELF en de BEVESTIGING daarvan, en dat is de BEHOEFTE. Het jezelf waarmaken als het begrip EEN, als dat ENIGE geval dat er is, is niets anders dan het jezelf EEVESTIGEN. Dat was immers het hele sterven van de europeaan.

De europese sexualiteit draait om de man, omdat het begrip EEN voor hem geldt, en de zaak staat in het teken van BEVREDIGING VAN DE BEHOEFTEN en te­vens de VOORTPLANTING, d.w.z. het zorgen voor het nageslacht van de man. Hier zien wij dus de vrouw als VOEDINGSBODEM. Zij is in alles dienstig aan de man en hij moest van haar op NATUURLIJKE WIJZE gebruik maken; als hij dat deed had hij zelfs de zegen van Rome, want die keurde de sexualiteit goed mits het een “natuurlijk” doel beoogde. Het spreekt vanzelf dat er over de sexualiteit niet gesproken werd en de gemeenschap moest zich in het donker voltrekken. Tot op de dag van vandaag heeft Rome dit standpunt gehandhaafd. Dat bleek on­langs toen de pauselijke encycliek verscheen inzake de voorbehoedsmiddelen en speciaal de PIL. En buiten de roomse kerk is het ook nog in onze HUWELIJKSWET dat de geest van het oude europa proeven.

 


Ook de PROSTITUTIE was in het oude europa een algemeen verschijnsel, en wij kunnen ons dit wel indenken, omdat deze zaak ook valt onder de rubriek , “bevredigen van de behoefte”. Daarom maakte eigenlijk niemand bezwaar tegen de prostitutie, en ook ROME vond het best - op voorwaarde tenminste dat een groot deel van de opbrengst aan de kerk afgedragen werd. Ook de geestelijken maakter veelvuldig gebruik van de bordelen, en dat was ook normaal.

Het KIND is in een MODERNE WERELD van beide ouders, omdat het geboren is uit de COMBINATIE tussen vrouw en man. Bij een eventuele ECHTSCHEIDING worden de kinderen door de rechter alleen hierom toegewezen aan de vrouw omdat zij de aangewezen figuur is om ze te verzorgen. Niet omdat bij de rechtbank het be­sef zou bestaan dat het kind VAN DE MOEDER is. Dit laatste besef is een VOLWASSEN besef.

In het OUDE EUROPA is het kind VAN DE VADER; hij heeft het bij de moeder VERWEKT en de moeder heeft het kind groot te brengen in eerste instantie, maar enig RECHT op het kind heeft zij niet. Trouwens, de vrouw heeft natuurlijk geen ­enkel RECHT, want voor de man is zij NIETS. Zij dient alleen ergens toe, zoals de akker er toe dient het graan voort te brengen. Zij is de VOEDINGSBODEM en ­meer is zij niet. Het begrip GELIEFDE is natuurlijk in deze verhouding niet te vinden; voorzover de mens bij gelegenheid niet aan de GELIEFDE ontkomt moest deze zaak elders gezocht worden. De TROUBADOUR bijvoorbeeld kende het begrip GELIEFDE, maar dit was niet van toepassing op de voorhanden vrouw. De geliefde was een ONBEREIKBARE, ergens in een torenkamertje, en voor haar werden BALLADEN gezongen en zwerftochten ondernomen. Voor de gewone vrouw, de echtgenote, gold het begrip GELIEFDE niet omdat er geen enkele vrouwelijkheid voor gold. En de vrouwelijkheid van de GELIEFDE van de troubadour was een ONWERKELIJKE vrouwe­lijkheid, een DROOM. En die droom mocht niet door een bepaalde man verstoord worden. Dit alles klinkt ook nog door in het beroemde verhaal van CERVANTES: DON QUICHOTTE.

 

De Europese kunst

De oude europese KUNST cirkelde om het beeld van MARIA: de MADONNA. De mens van het OUDE EUROPA had een besef van SCHOONHEID. Alles dat door die mens ge­maakt is heeft de SFEER VAN SCHOONHEID. Dit is een ŕnder schoonheidbesef dan dat van de GRIEKEN, maar-het was een schoonheidbssef dat zich toch op het vrou­welijke betrok: de MADONNA. Dit schoonheidsbesef echter moeten wij INDIRECT noemen: het was er, omdat het nog niet WEG was. Met de MODERNE MENS namelijk verdwijnt het schoonheidbesef, want de moderne mens ziet het EEN naast en tegenover het ANDER en daardoor ziet hij dus het ONDERSCHEID tussen die twee. De mens van het oude europa was bezig zich als EEN te ontwikkelen; hij was dus nog niet aan het ONDERSCHEID tussen het EEN en het ANDER toe en daarom was zijn schoonheidsbesef nog, zij het op bijzondere wijze, INTACT.

Al spoedig gaat HET MODERNE zich aftekenen en dan gaat het schoonheidsgevoel kapot. Dat levert tenslotte de MODERNE KUNST op.

Het schoonheidsgevoel van de oude europeaan is een ZWAARMOEDIG gevoel; de zaak is SOMBER en GELADEN. Dit komt omdat de schoonheid haar eigen DOOD in zich draagt. En daaraan niet kan ontkomen.

De MODERNE MENS en KUNST gaan niet samen; hij vertóónt wel kunst omdat er altijd wel KUNSTENAARS zijn, maar de kunst van de moderne mens IS GEEN KUNST omdat de moderne cultuur in het teken van HET TOTAAL staat. Het gaat over een OPTELSOM van allerlei mogelijkheden en technieken en combinaties, maar dit heeft niets te maken met datgene dat eigenlijk voor de KUNST geldt, namelijk HET VROUWELIJKE, d.w.z. het begrip TWEE mčt haar eigen INHOUD. Dit gaat boven de OPTELSOM uit want wij hebben te maken met datgene dat de optelsom als IN­HOUD in zich besloten heeft. De kunst KOMT dan ook pas weer terecht als de mens VOLWASSN geworden is, want dan geldt bovengenoemde verhouding.

De PRIMITIEVE KUNST van europa is te typeren als HET BEPAALDE, dat als HE­MELS gesteld is. Dus als BOVEN DEZE WERELD. En dit levert automatisch SCHOON­HEID op, maar om die schoonheid zčlf is het nooit te doen geweest; die is er aan MEEGEKOMEN. Het BEPAALDE is het UITGANGSPUNT voor de primitieve europese kunst, omdat het gaat over de uitwerking van het begrip EEN. Omdat NOG EEN en NOG EEN nog niet aan bod waren bleef dit bepaalde uitgangspunt op zichzelf nog INTACT en dus niet zonder SCHOONHEID. Maar als met de moderne tijd NOG EEN en NOG EEN gaat gelden valt de bepaaldheid UITEEN en is de schoonheid wčg. In een anderverband zullen wij binnenkort het thema van de kunst uitvoerig behandelen; thans bepalen wij ons tot de grote lijnen.

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 26 november 2009)

 

Dinsdag, 24 juni 1969

 

No. 41


 


Het begrip één en de bandeloosheid

Wij spraken de vorige keer over het oude europa en haar SCHOONHEIDSGEVOEL en wij stelden ook vast dat de MODERNE MENS dat besef niet meer had. Nu gaat het hierbij natuurlijk om het ALGEMENE BEELD: onder de moderne mensen lopen

er wel rond die met een schoonheidsgevoel behept zijn en onder de ouderwetse mensen waren er meer dan genoeg·zňnder. Maar die mensen beantwoordden dan niet aan het algemene beeld. Over het algemeen is een stuk schrijnwerk uit de mid­deleeuwen een mooi ding, en tegenwoordig is het over het algemeen een lelijk ding. Een bouwwerk werd gewoonlijk vanzčlf een mooi bouwwerk, terwijl het thans vanzčlf foeilelijk wordt, zelfs als er bij gelegenheid gepoogd is er iets moois van te maken.

De schoonheid van het oude europa is anders geaard dan het GRIEKSE: het draagt HAAR EIGEN DOOD in zich. De werkelijkheid ALS MENS is in het oude eu­ropa nog BEZIG zichzelf als het begrip EEN waar te maken. Maar die zaak is nog niet voltooid, dus de mens IS ZICHZELF nňg niet het begrip EEN. De werkelijk­heid is nog bezig ZICHZELF TE VERBREKEN. We hebben te doen met een ALSNOG NIET VERBROKEN WERKELIJKHEID.

In het oude europa is het VROUWELIJKE een VERWORPEN aangelegenheid, zoals wij reeds gezien hebben. Maar hierbij moeten wij wčl bedenken dat datgene dat verworpen werd, wel ECHTE vrouwelijkheid was, hetgeen wij dan ook konden afleiden uit datgene dat over de HEKSEN gezegd werd. Er werd wel VUILIGHEID van gemaakt, maar het ging over VROUWELIJKE gegevens. Ook hier zien wij dus dat de werkelijkheid, en dus ook het vrouwelijke, nog niet čcht verbroken was, maar, min of meer in tegenstelling tot de SCHOONHEID, was het vrouwelijke wčl AFGEWEZEN. Trouwens, streng genomen was de schoonheid ook afgewezen al bleef zij telkens voor de dag komen, als MEEKOMENDE aangelegenheid.

Als nu de europeaan bezig zichzelf waar te maken als het begrip EEN, dan was hij bezig zichzelf waar te maken als BANDELOOSHEID. Want hij was zich aan het ISOLEREN; hij was bezig zichzelf LOS TE MAKEN van de REST van de werkelijkheid. Hij sneed de BANDEN door die hem met die rest verbonden. Want zijn BESEF leerde hem dat hij uiteindelijk de werkelijkheid als EEN was, dus hij dacht zichzelf LOS van de rest, zonder enige binding daarmee.

De omgang van de éne mens met de ŕndere, en dus de omgang vrouw-man, wordt gekenmerkt door het feit dat er eigenlijk GEEN BINDING is tussen de één en de ŕnder. De BASIS van de omgang vrouw-man is dus de BANDELOOSHEID. Maar deze basis is voor de mens in de omgang vrouw-man niet aanvaardbaar, want vrouw en man gaan NAAR ELKAAR TOE, omdat de TWEE verschijnselen in de grond van de zaak EEN verschijnsel zijn. De vrouw en de man gaan trachten de bandoloos­heid uit te schakelen en dat doen zij doormiddel van het CONTRACT waarin zij zich aan elkaar VASTLEGGEN. Dit is het ouderwetse HUWELIJKS-CONTRACT, en dit is dus gebaseerd op het besef dat er tussen de vrouw en de man GEEN BAND be­staat; dat er dus een KLOOF gaapt.

Het HUWELIJK is al lang in de wereld, maar niet altijd is het huwelijks­contract louter en alleen betrokksn geweest op het niet-verbonden-zijn van twee mensen. Het ging vroeger veelal over do bruidsschat, of over de verde­ling van het bezit of de grond. Maar het europese huwelijkscontract en de europese huwelijkswetgeving betrekt zich alleen maar op de kunstmatige VER­BINDING van twee mensen, ňngeacht bezittingen e.d.

De europese mens gaat over in de moderne mens, en nu moeten wij ons afvra­gen hoe de situatie nu wordt.

Het HUWELIJKSCONTRACT op zichzelf blijft natuur­lijk voorlopig bestaan want het gaat over het aan elkaar vastleggen van twee­maal de mens als het begrip EEN. Maar het feit dat er GEEN BAND is tussen de vrouw en de man komt nu voor de dag, en wel aan het feit dat de mensen ELKAAR VRIJ GAAN LATEN, terwijl het CONTRACT van een KUNSTMATIGE BINDING ver­andert in een FUNCTIE. Het wordt een zaak die tussen twee mensen functio­neert. Daartoe is nodig dat beiden ER ZIJN, dus daartoe is de COMBINATIE nodig.Tussen twee mensen kan ALLERLEI zijn, en dat allerlei moet KUNNEN, de zaak moet FUNCTIONEREN. In het MODERNE HUWELIJK, IN DE MODERNE OMGANG, vervult de vrouw ten opzichte van de man en ten opzichte van de vrouw een FUNCTIE. En daarbij is voorondersteld dat de één een aparte zaak is en dat de ander een APARTE zaak is; beide met een geheel eigen karakter en een geheel eigen werkelijkheid.

 

De basis is dus nog steeds de BANDELOOSHEID. Maar nu komt de zaak TOT ZIJN RECHT en daardoor is de omgang VRIJBLIJVEND geworden. Alles is nu MOGELIJK geworden en daarom is er voor de ONVOLWASSEN MENS niets te denken dat qua omgang uitgaat. Alle hinderpalen en taboe’s zijn opgeruimd en de zaak ligt HELDER op tafel, maar het is een helderheid als die van de TECHNIEK: alles functioneert, alles is efficiënt en logisch verantwoord, maar de INNIGHEID, want de LIEFDE, ontbreekt.

De zaak is EERLIJK te noemen en SPORTIEF en ook REËEL en er is geen TEKORT in aan te wijzen omdat ALLES uit de voeten kan. Er is dus ook niets op aan te merken en niemand bedriegt de ander. MAAR HET IS NIET DE LAATSTE MOGELIJK­HElD. Het is daartoe slechts de volledige VOORWAARDE en daarom is het OP ZICH­ZELF een kinderachtige aangelegenheid, hoewel de LIEFDE zňnder deze VOORWAARDE onmogelijk is. Nu in de moderne tijd genoemde VOORWAARDE steeds meer vervuld wordt en nu dus ook steeds meer het gebied van de SEXUALITEIT ňpen komt te lig­gen vervallen de onmogelijke spanningen en conflicten die permanent in het liefdesleven van de europese mens de boventoon voerden. Bovendien komt in het huwelijk, zoals gezegd, het FUNCTIONELE op de voorgrond te liggen. Daarom is er dan ook het streven een eventuele GROND VOOR ECHTSCHEIDING te zoeken in dat functionele, en niet, zoals vroeger, in een CONTRACTBREUK.

Evenwel zitten we nog steeds met het besef dat er tussen de één en de ŕnder in wezen GEEN BAND bestaat, omdat we cultureel bezig zijn met het begrip EEN. Nu dit begrip EEN; in de moderne mens, tot ontwikkeling is gekomen, blijkt de mensheid te bestaan uit een TOTAAL van APARTHEDEN, die elk voor zich niet uit hun ISOLEMENT kůnnen komen.

Wij spraken over de SCHOONHEID in het oude europa. Hieromtrent is ook in verband met de LIEFDE een opmerking te maken: de LIEFDE kwam in het oude eu­ropa uitsluitend voor de dag in VERHALEN - denk aan het verhaal van TRISTAN en ISOLDE - en daarbij was met de liefde onmiddellijk de SCHOONHEID verbonden, d.w.z. de schoonheid van de liefde zčlf en niet in de eerste plaats de schoon­heid van de GELIEFDEN. De liefde als SCHOONHEID is natuurlijk HET LIEFDESVER­HAAL, en dit verhaal kŕn er zijn omdat LIEFDE en SCHOONHEID inderdaad samen­gaan. In europa was de schoonheid alsnog niet VERBROKEN en dus gold dat voor de LIEFDE ook, maar tevens droeg de liefde DE DOOD in zich.

De moderne mens kent geen liefdesverhaal want hij ziet de verbinding niet tussen de liefde en de schoonheid omdat hij geen van beide kčnt. Zijn liefde is een FUNCTIE en zijn schoonheid is VERBROKEN. Achter zijn OMGANG voelt hij dus niet de sfeer van schoonheid, en als hij dat wel voelt - omdat hij tňch een MENS is -- dan weet hij met dat gevoel geen raad en durft het derhalve geen waarde toe te kennen. De europeaen echter besefte de schoonheid van de liefde als wezenlijk en aan die schoonheid besefte hij onmiddellijk de DOOD en IN DE PRAKTIJKK kčnde hij geen LIEFDE, d.w.z. het kwam in de praktijk niet voor - naar zijn idee omdat de mensen daarvoor te GEBREKKIG waren. Deze ge­dachte is ook vandaag nog niet verdwenen: zelfs al is de mens MODERN in zijn voelen en denken, dan nog betwijfelt hij de praktische aanwezigheid van een omgang waarvoor LIEFDE geldt. Hij is er wel van overtuigd dat een FUNCTIONELE OMGANG gáát en daarin ziet hij dan ook de enige praktische mogelijkheid; maar een LIEFDE, zoals die vroeger in de VERHALEN voorkwam, die herkent hij niet.

De MODERNE OMGANG overigens is veel VERLICHTER, veel VRIJER en veel minder BENAUWD dan de vroegere en straks kunnen alle mogelijkheden uit de voeten, zeker ook wat betreft HET NIET UITSLUITEN VAN NOG EEN ANDER, maar ondanks dit volledige bestaansrecht van ŕlle aspecten van de liefde is in de mens nog niet de liefde zčlf voor de dag gekomen.

Dit blijkt aan het feit dat de INNIGHEID er niet is en de SCHOONHEID er niet is, en er is geen WARMTE en geen wčrkelijke HARTSTOCHT en er is in de meeste gevallen ergens wel een TEKORT omdat het gelden van het TOTAAL in de PRAKTIJK altijd wel een TEKORT oproept, dat door de MODERNE MENS echter člders, d.w.z. BIJ IEMAND ANDERS, aangezuiverd kan worden…. Dit is voor de moderne mens volkomen NORMAAL en zelfs BEVREDIGEND.

Maar: de werkelijkheid gaat niet op in het TOTAAL, dus in EEN EN NOG EEN EN NOG EEN. De werkelijkheid is tenslotte EEN werkelijkheid, HET GEHEEL, en het totaal is niets meer dan het totaal van de SAMENSTELLENDE DELEN. Vanuit dat totaal is er GEEN BAND tussen de mensen, maar vanuit HET GEHEEL is er wčl iets tussen de mensen. De mens als LIEFDE beseft dat er wčl iets is tussen hem en de ander - en thans moeten wij nagaan wŕt dat dan wel is.

 

 

 

 DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 27 november 2009)

 

Dinsdag, 1 juli 1969

No. 42

 

Wat verbindt de mensen?

De Europese werkelijkheid is een ALSNOG NIET VERBROKEN werkelijkheid; daarom draagt de Europese SCHOONHEID en de Europese LIEFDE de DOOD in zich mee. Voor de MODERNE werkelijkheid is deze verhouding in zoverre ŕnders geworden dat de dood zčlf het kenmerkende is, al wordt er als zodanig nauwelijks over gespro­ken. Het gaat nu immers over de werkelijkheid die uiteengevallen is in al haar samenstellende delen en deze zaak is identiek met de dood.

De Europese LIEFDE loopt uit in de dood omdat het verbrokene er nu eenmaal inzit en er dus tenslotte uit te voorschijn komt. Voor deze liefde is het EIND­PUNT de dood. Nu lijkt dit een gedachte die vóór de Europese cultuur ook al aan de orde was. Want de GRIEKEN kenden het liefdesverlangen - in de figuur van EROS - en zij beseften aan deze zaak de TRAGIEK, hetgeen in de Griekse TRAGEDIE voor de dag komt. De TRAGIEK is hierin gelegen dat het EEN en het ANDER zich niet VERENIGEN laten, dat de VERBROKENHEID blijft gelden en nimmer op te hef­fen is. Hierbij gaat het eigenlijk niet om de dood, want het tragische geldt daar waar IN HET LEVEN een (vermeende) onmogelijkheid zich voordoet; de onmogelijkheid namelijk om het VERBROKENE te VERENIGEN. Deze verhouding is niet zonder de DOOD, want het VERBROKENE doet mee, maar de situatie waarom het gáát is het LEVEN, dus: aan de LEVENDE LIEFDE staat de dood in de weg, en dit is wat wij noemen TRAGISCH. In de Europese liefde echter gaat het erom dat de liefde IN DE DOOD UITLOOPT, dus: ŕls er LIEFDE is, dan moet dit de dood opleveren aan het eind. Voor die liefde zčlf geldt dan in strikte zin geen TRAGIEK want de dood blijkt er pas AAN HET EIND te zijn.

In Europa speelt het begrip EEN de overwegende rol, terwijl dat begrip in de oudheid INHOUD van het vrouwelijke was. Daar gold het begrip TWEE, zoals we al eerder gezien hebben. In Europa moeten we UITGAAN van de INDIVIDU; we gaan uit van één bepaalde mens en nog één bepaalde mens en gaan dan zien hoe de zaak zit. In de oudheid gaan we uit van de liefde en kunnen dan gaan bekijken hoe die zaak bij bepaalde mensen voor de dag komt. In beide gevallen gaat het over dezelfde verhouding, maar hij is op twee VERSCHILLENDE wijzen benaderd. De gedachten van de oudheid inzake de onmogelijkheid van de liefde en die ge­dachten in europa zijn dus niet dezelfde.

Denken wij nog eens aan het verhaal van TRISTAN EN ISOLDE: wij hebben te doen met twee MENSEN, en tussen die twee mensen blijkt een liefde te ontstaan en te bestaan en dat gaat uit van elk van die twee mensen persoonlijk. Wij zien dan de wederwaardigheden van die liefde; het wordt een liefdesgeschiedenis en die eindigt met de DOOD. In de oudheid echter komen wij geen liefdesgeschiedenis tegen, want uitgaande van de LIEFDE blijkt de onmogelijkheid dit in bestaande mensen tegen te komen, zodat daarvan ook de GESCHIEDENIS niet te vertellen valt. Als er een verhaal over de liefde gaat, bijvoorbeeld AMOR en PSYCHE, dan wordt dit getekend in BEELDEN en het betreft geen BESTAANDE mensen. Voor­zover bij gelegenheid toch bestaande mensen getekend worden, staat de zaak in het teken van de TRAGIEK - en dit is de basis van de TREURSPELEN.

Er is ook het middeleeuwse verhaal van de twee "koningskinderen" die elkaar innig lief hadden, maar die niet bij elkaar konden komen omdat het water te diep was. Omdat er dus een KLOOF gaapte tussen die twee geliefden. Ook dit verhaal gaat uit van MENSEN: twee koningskinderen. En daarna de situatie van hun liefde: dat is een onmogelijke situatie omdat de EEN de EEN is en blijft en de ANDER evenzo. Er is geen band en geen verbinding tussen beiden….

Zo zijn er natuurlijk nog meer voorbeelden te noemen; wat betreft de oud­heid is nog even aan te halen het verhaal van de twee geliefden die bij het zich verenigen beiden stierven. Dit lijkt Europees omdat het sterven aan het eind vermeld wordt, maar in feite is het sterven VOORONDERSTELD aan de liefde van twee mensen. Voor Europa geldt echter het MEMENTO MORI, d.w.z. gedenk te sterven, dus: let op, het loopt allemaal in de dood uit!

Dit alles heeft te maken met ons thema van vorige week: de Europese mens leert zichzelf kennen als BANDELOOSHEID en komt van daaruit tot een vrijblijvende omgang, die evenwel niet de laatste mogelijkheid is en die daardoor het karakter van dit laatste mist, namelijk de INNIGHEID en de WARMTE. En naar aanleiding daarvan stelden wij de vraag hoe de liefde van de mensen er uitziet als de zaak VOLWASSEN is en dus tot zijn laatste mogelijkheid is gekomen.


 

Om een antwoord te vinden op de vraag hoc de volwassen liefde er uit ziet, en dus ook om er achter te komen wat de mensen eigenlijk VERBINDT, moeten wij teruggaan naar de ENKELVOUDIGHEDEN en naar hun gedrag.

De enkelvoudigheden BEWEGEN zich alsof ze er alleen maar zijn, maar omdat er vele enkelvoudigheden zijn belemmeren ze elkaar in hun beweeglijkheid. Wij heb­ben die beweeglijkheid, voorzover die BELEMMERD is, genoemd het SAMENGAAN van de beweeglijkheid van de enkelvoudigheden. Bekeken vanuit de enkelvoudigheid zčlf moeten wij van een BELEMMERDE beweeglijkheid spreken en bekeken vanuit de beweeglijkheid is diezelfde belemmerde beweeglijkheid een SAMENGAAN.

Vanuit de enkelvoudigheid is er het voortdurende "streven" de belemmering kwijt te raken. Maar dit gelukt natuurlijk niet, omdat het nu eenmaal de NOOD­ZAKELIJKE weg is die afgelegd wordt tijdens het proces in en van de werkelijk­heid. Naarmate de enkelvoudigheid MEER belemmerd wordt tijdens het proces en dit belemmerd-zijn op zichzelf dus steeds meer een SAMENGAAN wordt komt de en­kelvoudigheid steeds dichter wij zijn eigen WEZEN te liggen omdat hij VOOR ZICHZELF steeds minder BELEMMERD wordt. Hij kan namelijk in het SAMENGAAN steeds meer uit de voeten, en daarvan is het einde dat hij IN HET SAMENGAAN volledig uit de voeten kan. Dit is de enige wijze waarop de enkelvoudigheid als ONBELEM­MERD BEWEEGLIJK is te denken, dus waarop de enkelvoudigheid als geheel ZICH­ZELF te denken is.

Bekeken vanuit het SAMENGAAN is er tussen de enkelvoudig heden GEEN belemme­ring; er is derhalve geen BEPAALDE BINDING tussen de enkelvoudigheden. Het BE­PAALDE immers is de werkelijkheid als BELEMMERDE BEWEEGLIJKHEID.

Bezien vanuit de ENKELVOUDIGHEID is er één en al BELEMMERING,en dus is er alleen maar BEPAALDHEID en de verbinding tussen de ene enkelvoudigheid en de ŕndere  enkelvoudigheid is door en door BEPAALD. De werkelijkheid van de VERSCHIJNSELEN is deze door en door BEPAALDE VERBINDING. Hiervoor geldt dus het TOTAAL van de bepaaldheden.

De mens is de werkelijkheid als enkelvoudigheden, die aan het eind van hun proces zijn gekomen. Hierbij is dus het samengaan geworden tot een samengaan van de gehele enkelvoudigheid. Deze is er in zijn geheel in betrokken, maar natuurlijk is diezelfde enkelvoudigheid QUA VERSCHIJNSEL volledig GEBONDEN aan de andere enkelvoudigheid. Omdat de mens deze situatie van de enkelvoudigheden is komt dit ook tijdens zijn ONTWIKKELING voor de dag: juist omdŕt hij volledig gebonden is ontdekt hij zichzelf en hij ontdekt dat ALLES tussen hemzelf en de ander instaat. Dit is het besef waarover wij vorige week spraken; de gehele werkelijkheid gaapt als een KLOOF tussen hem en de ander en er is geen BRUG te slaan; er is geen VERBINDING. Hij beseft zichzelf dan ook als een volkomen losstaand geval: hij is geďsoleerd.

Later, als hij VOLWASSEN geworden is, ziet hij dat alles een SAMENGAAN is en dan dringt het tot hem door dat er NIETS tussen hem en de ander INSTAAT en dat hij in het samengaan VOLLEDIG ZICHZELF is, evenals de ander. Dit kan hij alleen weten vanuit het SAMENGAAN, want vanuit zichzčlf voelt hij alleen maar het BELEMMERD-ZIJN.

Als er NIETS staat tussen de éne mens en de ŕndere mens is er over de ver­houding tussen de éne mens en de ŕndere mens NIETS TE ZEGGEN. Er geldt immers geen BEPAALDHEID voor! Het enige dat er te zeggen valt is dit dat zowel de ene mens als de ŕndere mens VOLLEDIG ZICHZELF is. Van een BINDING in de zin van het VERSCHIJNSEL, dus in de zin van het BEPAALDE, valt niet te spreken. De LIEFDE dus, want dat is het volledige samengaan, laat zich niet verklaren; er is niets bepaalds over te zeggen want er staat niets TUSSEN de mensen.

Bij de MODERNE MENS staat de GEHELE WERKELIJKHEID als een KLOOF tussen de éne mens en de ŕndere mens en die kloof laat zich niet overbruggen. Deze kloof is eigenlijk DE DOOD, want het is voor de moderne mens de gehele werke­lijkheid voorzover die uiteen gevallen is in het TOTAAL van haar elementen. Juist op grond van deze DOOD kan de zaak FUNCTIONEREN omdat alle elementen er in meedoen en tot hun recht komen. Maar zij doen mee als waren het onderde­len van een MACHINE. Al deze onderdelen moeten er zijn wil de LIEFDE uit de voeten kunnen, maar de liefde zčlf is alleen maar het SAMENGAAN en daarbij is er IETS te zeggen over de verhouding tussen de éne mens en de andere mens.

In ieder geval is het geen BRUG over de kloof, zoals bij de onvolwassen mens het geval is. Soms beslaat die brug een heel breed terrein, maar nooit komt er INNIGHEID en WARMTE aan te pas omdat er geen SAMENGAAN is. Er is niet het besef EEN ZAAK te zijn.

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 27 november 2009)

 

Dinsdag, 8 juli 1969

No. 43

 

De werkelijkheid tussen de één en de ŕnder

Als het over het VERSCHIJNSEL gaat moeten wij uitgaan van de enkelvoudighe­den zčlf; het verschijnsel is dan het feit dat de enkelvoudigheden over en weer elkaar BELEMMEREN in de beweeglijkheid. Deze belemmering is derhalve te beschou­wen als de verhouding TUSSEN de enkelvoudigheden. Het verschijnsel is dus de werkelijkheid voorzover de beweeglijkheid van de enkelvoudigheden als een VER­HOUDING TUSSEN DE ENKELVOUDIGHEDEN optreedt.

Het TOTALE verschijnsel is het dus dat bij de MENS als verhouding tussen de enkelvoudigheden aanwezig is. Het totale verschijnsel staat tussen het EEN en het ANDER in - staat dus ook tussen de ene mens en de ŕndere mens. En het is tevens voor iedere mens iets UITWENDIGS. Naarmate de ontwikkeling van de mens vordert komt dit uitwendige voor de dag, samen met het zichzelf ontdekken, als BEPAALDHEID, van de mens. Omdat het de mens evenwel toch niet mogelijk is te leven zonder contact met de ander is er het streven de BARRIČRE, die er is tus­sen de EEN en de ANDER te overbruggen en dit streven komt in de moderne mens voor de dag in de COMMUNICATIE, die zoveel mogelijk opgevoerd wordt. Volgens de moderne mens moet er tussen de mensen een zo intensief mogelijke communi­catie zijn, maar de moderne mens heeft niet in de gaten dat het begrip commu­nicatie vooronderstelt dat er twee APARTE gesteldheden zijn, waartussen die communicatie plaats vindt. Dat de éne mens dus als een APART geval BUITEN de ŕndcre mens staat. En dat zich daartussen het totale verschijnsel bevindt.

De communicatie kan nooit het gehele terrein van het leven omspannen. De zaak blijft vastzitten in het VERSCHIJNSEL en dus blijft het een BEPAALDE AANGELEGENHEID. Al is deze zaak nog zo uitvoerig gerealiseerd, dan nog blijft het GEBREKKIG, omdat voor het verschijnsel het begrip ONEINDIG VEEL geldt en er dus altijd meer niet dan wčl gerealiseerd is.

Bovendien is de zaak ZONDER EMOTIE. Van de moderne mens is het bekend dat hij de zaken eigenlijk zonder enig gevoel wil regelen; hij vindt dat gevoelens de zaak in de war sturen, en dat komt overeen met zijn wereldbeschouwing. De werkelijkheid namelijk TUSSEN de éne mens en de ŕndere mens is een VERNEVELDE werkelijkheid. Het is namelijk de OPTELSOM van de elementen waaruit de werkelijkheid bestaat. Het is de werkelijkheid als EEN PLUS EEN, en deze werkelijkheid is de INTELLECTUELE WERKELIJKHEID, want alleen in het denken van de mens kan de werkelijkheid als een optelsom van ELEMENTEN liggen. In deze optelsom is natuurlijk het éne element APART van het ŕndere element, en daarom kan er hier geen GEVOEL heersen want gevoel vooronderstelt een EEN GEHEEL zijn van de elemententen. Tussen de ene mens en de andere mens ligt de INTELLECTUELE werkelijk­heid, dus het intellect voorzover dat ONTLEDEND is, of TECHNISCH, of WETENSCHAPPELIJK. Het gaat hier dus over ALLES WETEN - daargelaten of de mens inderdaad ŕlles weet, want het meeste weet hij niet. Maar hij kŕn het wčl weten, want hij is instaat de zaak te ONDERZOEKEN.

Tussen de éne mens en de ŕndere mens in staat het "EEN EN EEN IS TWEE" en dat is een EMOTIELOZE werkelijkheid. Dit is de REDELIJKHEID waar naartoe wij op weg zijn als moderne mensen; het is de wereld van de LOGICA. De moderne mens heeft nog niet in de gaten dat er in die REDELIJKE wereld NIET TE LEVEN valt omdat de EMOTIE uitgeschakeld is. DOSTOJEWSKI heeft daar indertijd reeds op gewezen, maar vrijwel niemand heeft daarop gelet. De moderne mens regelt de verhouding tussen de éne mens en de ŕndere mens, d.w.z. hij brengt voor zijn idee SLAGORDE in de chaos, zodat alles op een RIJTJE staat. Er komt door zijn toedoen BEREKENING in de werkelijkheid. Dit is het BEREKENENDE van de moderne mens, en wij mogen hierbij gerust de negatieve sfeer incalculeren, die wij er altijd aan beseffen. De zaak is echter niet alleen maar negatief, hoewel niemand het volhoudt te leven volgens EEN EN EEN IS TWEE. Het leven gaat niet in een BEREKENING op. Was dit wčl zo dan konden wij ons met recht afvragen waarom wij eigenlijk IETS VOELEN, waarom wij EMOTIES kennen. Het GELOOF en ook de FILOSO­FIE hebben de gevoelens als ONBETROUWBAAR en van LAGER ORDE ŕfgewezen; het be­hoort tot het VERSCHIJNSEL en is derhalve MINDERWAARDIG. Het past de mens van zijn gevoelens ŕf te komen en over te gaan op REDELIJKHEID.

Dit is echter allemaal gedacht vanuit de mens als APARTHEID, zoals uit het voorgaande duidelijk is. Juist het beste van het leven van de mens, de SCHOON­HEID en de LIEFDE uit zich via het GEVOEL; met redelijkheid en orde hebben die twee op zichzelf niets te maken.

 


De SCHOONHEID en de LIEFDE zijn niet te berekenen; er is wel een objectieve berekening van te geven, maar daarmee LEEFT de zaak nog niet. De zaak leeft alleen maar dŕn als de zaak GEVOEL is. Schoonheid bestaat pas čcht als wij iets MOOI vinden en dit laatste is niet te beredeneren noch te berekenen.

Wij vragen ons nu dus af vanwaar de mens GEVOELENS heeft. Daartoe gaan wij terug naar de enkelvoudigheden, die in de situatie MENS, d.w.z. in de allerlaat­ste situatie, in een dergelijke verhouding ten opzichte van elkaar zijn komen te staan dat hun beweeglijkheid een VOLLEDIG SAMENGAAN is geworden.

De enkelvoudigheden zčlf zijn in dit samengaan dus niet meer afgeremd, en dus staat het begrip VERSCHIJNSEL niet meer tussen de éne enkelvoudigheid en de ŕndere enkelvoudigheid. Er is niets tussen die twee en zij kunnen beide ONBE­LEMMERD uit de voeten. De redelijkheid staat niet meer tussen hen in en wat er alleen maar geldt - VOOR HET SAMENGAAN - is het GEVOEL. Dit is de SPANNING die er is tussen de éne enkelvoudigheid en de ŕndere enkelvoudigheid, voorzover die TWEE zich laten gelden als EEN GEHEEL. Dus: vanuit het SAMENGAAN is er in­zake dat samengaan bij de één alleen maar gevoel en bij de ŕnder alleen maar gevoel. Het “een en een is twee” kan in deze situatie niet meer; dat kan alleen voorzover de één de zaak NIET bekijkt vanuit het SAMENGAAN, maar vanuit ZICH­ZELF. In dit geval kan deze zaak niet zonder meer uit de voeten omdat het APARTE karakter van de één op de ACHTERGROND is komen te liggen. Het VERSCHIJN­SEL tussen de één en de ŕnder ligt nu ook op de achtergrond en geldt alleen voor beide PERSOONLIJK.

Het INTELLECTUELE geldt voor de mens dus PERSOONLIJK, maar niet meer voorzo­ver de mens SAMENGAAN is, en dit laatste is de UITERSTE MOGELIJKHEID voor de mens. Het geldt dus voor de VOLWASSEN mens. Op ZICHZELF is de volwassen mens INTELLECTUEEL, maar qua LEVEN is hij alleen maar GEVOEL.

Tussen twee VOLWASSEN mensen valt niets te REGELEN en niets te BEREKENEN en hoewel IEDER VOOR ZICH REDELIJK is, is het niet de redelijkheid die die twee volwassen mensen verbindt. We hebben gezegd dat LIEFDE en SCHOONHEID de beste gevoelens van de mens uitmaken; het is thans duidelijk waarom dit zo is, want het volledige SAMENGAAN, dat de uiterste mogelijkheid van de werkelijkheid is, komt in de mens voor de dag als GEVOEL. Dat samengaan zčlf is LIEFDE en SCHOONHEID.

Wij, westerse en moderne mensen, vertrouwen onze gevoelens nooit en wij dur­ven er ook niet mee voor de dag te komen. Het gaat ons om EEN op zichzčlf of, als moderne mens, om EEN sámen met de andere ENEN. Maar een volwassen mens is wčl vertrouwd met zijn gevoelens en hij ziet geen aanleiding ze te verbergen. De volwassen mens VOLGT ZIJN HART, maar de onvolwassen mens tracht volgens REGELS te leven, en hij realiseert zich niet dat er volgens regels niet te le­ven valt. Dat dan alles een LEUGEN is.

Het "volgen van het hart" is het laten gelden van het feit dat de liefde al­leen maar GEVOEL is. Dat er een SPANNING is tussen de éne enkelvoudigheid en de ŕndere OMDAT die twee in een situatie zijn gekomen dat hun beweeglijkheid een SAMENGAAN is. In dit geval is er ook niets te beďnvloeden,d.w.z. de ver­houding tussen het EEN en het ANDER is een ORGANISCHE verhouding geworden, en dit is het typerende van de omgang tussen een vrouw en een man die VOLWASSEN zijn: hun omgang is ORGANISCH. Zij ZIJN er beiden, volledig aanwezig, en ieder voor ZICH is INTELLECTUEEL, d.w.z. de werkelijk als OPTELSOM, als TOTAAL, van de elementen, maar hun aanwezig-zijn is een VOLLEDIG SAMENGAAN. Hun aanwezig­heid OP ZICHZELF betekent NIETS. In de OMGANG, waarbij de wens zijn hart volgt, is geen berekening en geen logica.

De mensen menen dat de gevoelens tot het VERSCHIJNSEL behoren, en dit is niet helemaal onjuist. Want het gaat over een verhouding tussen de enkelvou­digheden, en dus is het een zaak die vanuit de enkelvoudigheid gedacht moet worden. Het verschijnsel wordt ook vanuit de enkelvoudigheid gedacht, en dit is de overeenkomst; het verschil is echter dit dat het bij het verschijnsel gaat over de BELEMMERING tussen de twee enkelvoudigheden, terwijl het bij het gevoel er om gaat dat die enkelvoudigheden EEN zijn en dus člk aan SPANNING ónderhevig zijn. In het eerste geval BLIJFT de zaak bij de enkelvoudigheid, en in het tweede geval NIET, want daar ONDERGAAT de enkelvoudigheid HET GE­HEEL. Daarom ONDERGAAT men gevoelens; niemand kan er iets aan doen. Niemand kan de zaak wčgdrukken.

Toch moeten wij opletten de zaak niet mis te verstaan, want als wij de liefde beschouwen als een OPTELSOM van gevoelens, dŕn zitten wij fout. Ook het er UITLICHTEN van gevoelens is een ŕndere zaak, waarop wij nog terugkomen.

 

 

 

 

DE VROUW EN DE MAN– (gescand en geplaatst op 27 november 2009)

 

Dinsdag, 15 juli 1969

No. 44

 

De redelijkheid in de wereld

Wij hadden het over het punt, dat de REDELIJKHEID, zoals dat door de MODERNE MENS verstaan wordt, in staat tussen de mensen, als een barričre die niet te overbruggen is. De moderne COMMUNICATIE heft schijnbaar de kloof tussen de éne en de ŕndere mens op omdat de REDELIJKHEID erdoor bevorderd wordt, maar met dat al wordt de wereld KILLER. De GEZELLIGHEID verdwijnt en de mensen verliezen hun VERBAND. Natuurlijk is de toenemende redelijkheid van de mensen een VOORUITGANG, maar in de grond van de zaak geldt vooruitgang voor ŕlles, omdat de ontwikke­ling nu eenmaal niet ŕchteruit kan gaan. Materieel gesproken kan een bepaald ge­bied een tijdlang achteruit gaan; denk bijvoorbeeld aan de oorlogstijd, maar qua ONTWIKKELING gaat het altijd vooruit, ook als die ontwikkeling bij gelegenheid veel geweld en ellende te zien geeft. Zo is ook de redelijkheid voor de mens een vooruitgang, maar OP ZICHZELF is de redelijkheid voor de mens niet zo bčst, want alles is geconcentreerd op het verschijnsel dat TUSSEN de mensen instaat, čn de overbrugging daarvan. Dus alles draait om EEN EN EEN IS TWEE en dat is een GEVOELLOZE werkelijkheid, die met warmte, schoonheid en liefde niets te ma­ken heeft. Deze redelijke en berekende werkelijkheid is het voorland van de moderne mens, maar voor de VOLWASSEN mens gelden andere normen, hoewel hij niet zňnder die redelijke en berekende werkelijkheid kan bestaan.

Wij denken in dit verband aan het verhaal van DOSTOJEWSKI: "Herinneringen uit het sousterrain", waarin de hoofdfiguur, een ellendeling, denkt over de geregel­de samenleving en dit ook in zijn schandelijke gedrag afspiegelt. Een wereld waarin ŕles berekend is, is een wereld waarin niet te LEVEN valt, maar de mens kŕn slechts LEVEN in een wereld waarin dat BEREKENDE vóórondersteld is!

 

Over het gevoel

De mens kan velerlei GEVOELENS hebben; hij kan haatgevoelens hebben, lustge­voelens, jaloezie, enzovoort. Maar er is ook zoiets als HET GEVOEL, en hierbij willen wij als eerste stilstaan.

Wij hebben gezegd dat het leven, de liefde, de schoonheid ALLEEN MAAR GEVOEL is, en wij stelden vast dat HET GEVOEL een SPANNING in de mens is. Want voor de mens geldt het VOLLEDIGE SAMENGAAN, maar hij IS in feite niet dat volledige samengaan. Hij IS het begrip EEN, d.w.z. hij is een BEPAALD GEVAL en slechts als zodanig kan hij zekere VERHOUDINGEN, die voor hem gelden, ondergaan. Zo onder­gaat hij dat volledige samengaan en dat is in hem de SPANNING. Terwijl hij in feite één afzonderlijk geval is, is hij toch inhoud van een GEHEEL.

Het blijkt dat voor de mens PERSOONLIJK een tweetal aspecten gelden, name­lijk REDELIJKHEID en GEVOEL. Het volledige samengaan geldt niet voor de mens PERSOONLIJK, dŕt geldt voor het GEHEEL en dat is voor de mens slechts te ONDER­GAAN. Redelijkheid en gevoel echter komen in de mens persoonlijk voor; člk mens is er in mindere of meerdere mate mee behept.

De REDELIJKHEID geldt, zoals gezegd, voorde barričre tussen de éne en de ŕndere mens. Deze barričre is er ALTIJD want het EEN is nimmer het ANDER, ňňk niet in het volledige samengaan. Redelijkheid BEHOORT DUS BIJ DE MENS. En ook het in SLAGORDE brengen van de werkelijkheid OM HEM HEEN.

Het GEVOEL behoort bij de mens omdat hij opgenomen is in één GEHEEL, want in het VOLLEDIGE SAMENGAAN. Hij is als DE EEN ŕfgescheiden van. DE ANDER om tévens met DE ANDER één geheel te zijn. Daarom is hij in de praktijk dan ook MAN EN VROUW: ieder is een aparte POOL van één zaak en tussen die polen bestaat SPAN­NING zoals tussen de polen van een magneet of een batterij. Die SPANNING is er juist omdat het één zaak is. De spanning geldt dus voor člke mens persoonlijk en hij ondergaat haar, en dat is HET GEVOEL. Logisch dat HET GEVOEL in haar meest uitgesproken vorm heerst in de verhouding vrouw-man , want man en vrouw zijn de VERWERKELIJKING van deze zaak. De LIEFDE is derhalve de meest gesubli­meerde verschijning van het GEVOEL.

Het gevoel is er dus op grond van het volledige samengaan; derhalve is het dus het VERSCHIJNSEL dat zich onderwerpt aan het GEEN VERSCHIJNSEL zijn, en zich dus als zodanig gedraagt. Het verschil met HELDERHEID is dit, dat helder­heid is GEEN VERSCHIJNSEL, dat zich als verschijnsel gedraagt, d.w.z. concreet AANWEZIG is. De helderheid is dus UNIVERSEEL en het GEVOEL is PERSOONLIJK, hoe­wel het in IEDEREEN aanwezig is.

 

De mensen hebben altijd op het gevoel neergekeken omdat het aan het VERSCHIJNSEL te bedenken valt. Maar dit is een fout besef, dat te verklaren is vanuit de ONVOLWASSENHEID van de mens. Anderzijds hebben de mensen toch ook weer veel waarde gehecht aan deze zaak, maar zij vonden toch dat de zaak niet uit de voeten kon. Zij spraken dan van de ZIEL van de mens. De ziel is vrijwel hetzelfde - in het gewone denken van de mensen - als het gevoel; alleen stelde de mens de zaak als iets OBJECTIEFS, dat eigenlijk BUITEN de mens stond, maar dat in de mens ingekerkerd was zolang hij leefde en eerst na zijn dood vrij kwam. Hieromtrent heeft de mens allerlei bedacht en al die bedenksels leven in ons als een erfenis voort; aangezien wij hier niet gesteld zijn op die erfenis willen wij liever het woord ZIEL vermijden, zodat er hierdoor tenminste geen misverstanden kunnen ontstaan. Want onwillekeurig OVERSCHATTEN wij de betekenis van deze zaak en beseffen er iets verhevens aan en dit besef maakt elk helder denken onmogelijk.

Het gevoel heeft OP ZICHZELF niets met redelijkheid te maken, en omgekeerd geldt dit ook. Bovendien gelden redelijkheid en gevoel niet alleen maar voor de mens; zij gelden voor een dier ook. Voor een dier komt de werkelijkheid om hem heen ook in een zekere slagorde te liggen en gevoel ten opzichte van het andere is er ook. Alleen komt de zaak nooit tot BEWUSTZIJN van zichzelf, en dit komt doordat slechts voor de MENS het zelfbewustzijn geldt. Voor de mens geldt de HELDERHEID, waardoor redelijkheid en gevoel wčrkelijk uit de voeten kunnen; bij de dieren geldt alles "tot op een zekere hoogte".

Bekeken vanuit het volledige SAMENGAAN is de redelijkheid en is het gevoel INHOUD van dat samengaan en omdat dit zo is hebben beide, hoewel ze aparte grootheden zijn, toch alles met elkaar te maken. Maar de vraag is hoe de ver­houding tussen redelijkheid en gevoel is. Want het volledige samengaan is het­zelfde als de LIEFDE, en daarvan hebben wij gezegd dat het ALLEEN MAAR GEVOEL is, terwijl nu toch blijkt dat ook de redelijkheid inhoud van het volledige samengaan is.

Dat desondanks voor de mens PERSOONLIJK de liefde alleen maar gevoel is, is hierdoor te verklaren dat het gevoel het ondergaan van de SPANNING is en de spanning is er omdat er liefde is. Het gevoel heeft dus rechtstreeks met de liefde te maken VOOR DE MENS PERSOONLIJK. De REDELIJKHEID echter heeft met de BUITENWERELD te maken; het is de UITWENDIGE barričre tussen de éne en de ŕndere mens. Dit komt in de PRAKTIJK van de liefde natuurlijk ook voor de dag en daar­om is een liefde niet BESTAANBAAR en niet HOUDBAAR zňnder redelijkheid. Maar in de redelijkheid gegrondvest is de liefde ten enen male niet. Dit betekent echter niet dat de liefde daarom ONREDELIJK moet zijn; zij moet te allen tijde REDELIJK zijn, maar daarop gáát het niet.

 

Er zijn ook nog de GEVOELENS, d.w.z. de BEPAALDE gevoelens. Dit is het onder­gaan van de BEPAALDE aspecten, die aan de SPANNING meekomen. Van deze aspecten zijn er ONEINDIG VEEL, omdat de werkelijkheid als verschijnsel in het teken van oneindig veel staat. Het verschijnsel is immers de belemmerde beweeglijkheid van de éne enkelvoudigheid en de ŕndere enkelvoudigheid; de SPANNING tussen de EEN en de ANDER vertoont derhalve ook dit begrip BELEMMERING. Deze zaak staat in het teken van ONEINDIG VEEL omdat bij de mens de belemmering VOLLEDIG is.

Het BEPAALDE is door en door inhoud van de SPANNING en daardoor kent de mens al die bepaalde gevoelens. Deze gevoelens zijn in wezen wčl onredelijk, reden waarom de mens er terecht naar streeft ze in bedwang te houden. De onredelijk­heid zit hem in het BEPAALD zijn van de gevoelens, omdat HET GEVOEL zčlf door en door ONBEPAALD is want het gevoel komt voort uit de spanning tussen twee VOLLEDIG BEWEEGLIJKE, en dus ONBEPAALDE, enkelvoudigheden. Lichten we hier BEPAALDE gevoelens uit dan krijgen we een ONBEPAALDE ZAAK, die als een bepaalde en dus maatgevende zaak gesteld wordt. Een maatgevendheid, die in wezen onbe­paald is, SLAAT NERGENS OP, en is dus ONZIN. Slechts iets wat redelijk maatgevend is, is geen onzin. Met het gevoel zčlf heeft zin of onzin niets te maken netzomin als deze kwalificaties van toepassing zijn op de werkelijkheid zčlf.

 

 

(44 afleveringen gescand en geplaatst op 20  t/m 27 november 2009)

 

 

Deel 1(afleveringen nrs. (1 t/m 44) (gescand en geplaatst op 20 t/m 27 november 2009)
Deel 2
(afleveringen nrs. (45 t/m 86) (gescand en geplaatst op 13 t/m 21 januari 2009)

 

 

 

 

Dinsdag, 19 augustus 1969

Deel 2

No. 45. (gescand, geplaatst en hersteld op 13 januari 2009)


DE VROUW EN DE MAN

Het zenuwstelsel
De REDELIJKHEID en het GEVOEL hebben met het BEWUSTZIJN te maken; voor de mens komt hier dan nog bij dat het bewustzijn ZELFBEWUSTZIJN is. Voor de dieren geldt de redelijkheid en het gevoel ook; voor een dier ligt de werkelijkheid ook op slagorde, want hij BEOORDEELT de werkelijkheid en handelt daarnaar. Ook van GEVOEL geeft het dier blijk, bijvoorbeeld in de dierlijke SEXUALITEIT. Voor člk ORGANISME geldt dat het uiteengevallen is in TWEE verschijnselen, en dus is er daartussen de SPANNING en ook is er daartussen de werkelijkheid als optelsom van ELEMENTEN.
Het ZELFBEWUSTZIJN doet het voorkomen alsof REDELIJKHEID en GEVOEL bij de mens geheel ŕndere grootheden zijn dan bij de dieren, maar in feite is het precies DEZELFDE zaak, alleen geldt voor de mens dat hij ervan WEET, en dŕt feit heeft een grote hoeveelheid CONSEQUENTIES. Het WETEN levert bij de mens RESULTATEN op, maar de verhoudingen tussen HET EEN en HET ANDER liggen bij de mens precies zo als bij de andere ORGANISMEN. Het feit dat de ŕndere organismen minder ONTWIKKELD zijn dan de mens, doet in dit verband niet terzake.
LIEFDE bijvoorbeeld is voor de mens een gewichtige zaak, meent hij, maar waarin verschilt het menselijke gedrag in de liefde van het gedrag van de dieren? Komen zij niet allebei naar elkaar toe om zich te verenigen, en is er niet bij beide HET KIND als gevolg van die liefde? En nu bedoelen wij het gedrag van de dieren ZOALS HET WERKELIJK IS; dus zonder de MORELE LADING, die wij er vanuit onze cultuur aan geven. Wij bedoelen dus niet het dierlijke als iets NEGATIEFS, maar ŕls iets VANZELFSPREKENDS, dat zonder meer IS ZOALS HET IS. Men leze in dit verband stencil No. 10 van de vorige jaargang.
De redelijkheid geldt voor een dier, en op grond daarvan doet het dier wat het doet en iets ŕnders kan het niet doen. De mens echter WEET van zichzelf en daardoor kčnt hij de redelijkheid, en zo kan hij ertoe komen om dingen te doen die hij eigenlijk niet wilde doen, en hij laat ook bepaalde dingen. Door het WETEN van de mens ontstaat er dus een VERTEKENING, die wij positief of negatief kunnen beoordelen, maar die in člk geval een vertekening is. En deze vertekende zaak vindt men dan, voorzover de mens het over ZICHZELF heeft, redelijk, maar deze redelijkheid is vertekend en heeft geen enkele universele waarde. De mens buigt zijn redelijkheid net zo om als hij zelf nodig vindt en het is zijn WETEN VAN ZICHZELF dat hem die streek levert.

Het WOORD gevoel heeft twee betekenissen; enerzijds betreft het de zaak die wij zojuist besproken hebben, maar anderzijds betekent het letterlijk “dat je iets voelt”. Het organisme is een GEVOELIG organisme, d.w.z. het kan allerlei voelen: pijn bijvoorbeeld en vermoeidheid, en het kan TASTEN enzovoort. Deze tweede betekenis van het woord GEVOEL heeft dus met het ZENUWSTELSEL te maken, want daarmee voelen we. Het zenuwstelsel registreert uitwendige ervaringen. Het gaat nu dus eigenlijk over een LICHAMELIJKE aangelegenheid.
Het organisme staat in het teken van TWEE; het zijn AFZONDERLIJKE elementen
die toch één zaak zijn, en omdat dit zo is, is er SPANNING tůssen die elementen. Derhalve tussen de elementen van het organisme ligt de spanning, ligt het GEVOEL, en dit blijkt uit het feit dat het gehele lichaam doorweven is met ZENUWEN. Het zenuwstelsel is overal in het lichaam aanwezig, en het is eigenlijk alleen maar een SPANNINGSVELD.
Dit spanningsveld is niet overal zichzelf gelijk; het is bekend dat de zenuwen in CENTRA bijeenkomen en dat het hoofdcentrum de RUGGEMERG is, terwijl die hele zaak weer uitloopt in de HERSENEN. Het zenuwstelsel loopt dus in iets uit; we zouden kunnen zeggen: het gaat van “leger naar hoger”. In zijn laagste vorm is het zenuwstelsel eigenlijk niets meer dan een instrument ter registratie van uitwendige gesteldheden, denk bijvoorbeeld aan de zenuwen in de vingertoppen, en het eindigt ermee dat het niets meer met de buitenwereld te maken heeft, op DIRECTE wijze, en zuiver INWENDIG genoemd moet worden. De SPANNING is er tussen de elementen, en dus is Het KARAKTER van die spanning afhankelijk van de situatie waarin die elementen verkeren. Als eerste zijn er de elementen en dan is daartussen de SPANNING; op zichzčlf is de spanning niets. Als nu blijkt dat het zenuwstelsel een verloop kent van laag naar hoog, dan moet dit zijn oorzaak vinden in de situatie der elementen. Voor deze elementen geldt het UITWENDIGE en het INWENDIGE en de meest belangrijke organen liggen INWENDIG.

De zenuwen die bij die inwendige organen behoren zijn van een hoger plan; zij zijn als het ware veel meer AUTONOOM. Maar toch is de verhouding nog zo dat zij TUSSEN de elementen zijn en een daarmee overeenkomende functie hebben.
Als wij bij het HOOFD aanbelanden is de situatie al dermate veranderd, dat het TUSSEN de elementen zijn nauwelijks meer van betekenis is; de zenuwen zijn een ORGAAN OP ZICHZELF geworden, zonder dat natuurlijk hun OORSPRONKELIJKE verhouding, n.l. dat zij tussen de elementen zijn, verdwenen is. Die oorspronkelijke verhouding kŕn niet verdwijnen want dan zouden wij de elementen, en dus de ENKELVOUDIGHEDEN, moeten wčgdenken, en dat is ten enen male onmogelijk.
Alle organismen van een hogere orde hebben HERSENEN; nu vergelijken wij bijvoorbeeld de hersenen van een hogere AAP met die van de mens, en vragen ons af: wŕt is nu eigenlijk het verschil?
Een voorbeeld: als in de slachterij een koe gedood wordt met een schietmasker - dat is een pen die op een bepaalde plaats in de hersenen dringt - dan valt het dier ONMIDDELLIJK dood neer. Het zakt niet door de knieën en het valt niet om of iets dergelijks; het valt als een DING plompverloren neer. De SPANNING is er ONMIDDELLIJK uit alsof wij als het ware de stekker uit het stopcontact getrokken hadden. Dit geldt voor de mens ook als wij een bepaalde plaats in de hersenen treffen.
Treffen wij echter een ŕndere plaats van het hoofd of het lichaam, dan ZAKT de mens of het dier IN ELKAAR, d.w.z. de spanning verdwijnt eerst LANGZAAM. Er is dus in de hersenen een HOOGTEPUNT, een zenuwknoop waarin ŕlles culmineert qua spanning, en het uitvallen van die knoop houdt het uitvallen van het gehele organisme in. En dat geldt voor zowel de mens als het dier. Hoger dan deze “knoop” is niet te denken, omdat het reageren op beschadiging ONMIDDELLIJK is. En naar aanleiding hiervan vragen wij wat het verschil is tussen de hersenen van de mens en die van het dier.
Als wij ons in de vinger prikken voelen wij een beetje pijn en lopen vrolijk verder; diezelfde prik in genoemde zenuwknoop is ONMIDDELLIJK dodelijk. In de vinger zijn de zenuwen ONDERGESCHIKT en in de hersenen zijn zij DOMINANT. Dus was eerst de SPANNING ondergeschikt aan de ELEMENTEN, en tenslotte zijn de elementen ondergeschikt aan de spanning.
Denken wij nu terug aan hetgeen wij het vorige seizoen gezegd hebben over het WORDINGSPROCES. Wij maakten toen onderscheid tussen het UITWENDIGE wordingsproces en het INWENDIGE wordingsproces. In het eerste geval was de EIGEN BEWEEGLIJKHEID van de enkelvoudigheden dominant, en in het tweede geval was het hčt SAMENGAAN van de beweeglijkheid, die dominant was. Hetzelfde speelt zich af in de geledingen van het zenuwstelsel. Van de vinger kan men een stuk missen zonder te sterven, maar de hersenknoop verdraagt geen enkele beschadiging. In de vinger (= het uitwendige) is het samengaan ondergeschikt - hoewel het geheel natuurlijk tňch een ORGANISME is - en in de hersenknoop (= het inwendige) is het element zčlf ondergeschikt - vandaar dat de zaak zich niet laat ONTLEDEN, zich niet laat UITEENLEGGEN.
De opbouw van het menselijk lichaam gaat van UITWENDIG naar INWENDIG; hoe meer de zaak inwendig is, hoe meer ontwikkeld en hoe meer overheerst door het samengaan en dus door de spanning, de zenuwen. Tussen het uitwendige en het inwendige is een EVENWICHTSSITUATIE - net zoals in de kosmos - en die situatie vinden wij in het lichaam terug als HET HART. Het hart houdt het gehele organisme in stand; het mag niet uitvallen en de voorwaarde voor het leven culmineert in het hart. Hierop kunnen wij bij gelegenheid wel eens nader ingaan
Voorbij het HART staat alles in het teken van het INWENDIGE en dat gaat door totdat een situatie intreedt waarbij ALLEEN MAAR SPANNING inzet, maar niet verder gaat dan zo. Dit is het hoogtepunt van het zenuwstelsel en het is duidelijk dat deze zaak člke denkbare spanning INHOUDT. Daarom valt dan ook alles uit bij vernietiging.
Nu is het ALLEEN BIJ DE MENS zo dat Het DOORZETTEN van ALLEEN MAAR SPANNING ook wčrkelijk geldt; niet dat het WERKELIJKHEID wordt, want dan WAS ER NIETS, maar het laat zich EFFECTIEF gelden. Dit missen ALLE dieren.
Wij hebben bij de mens dus de OMSLAG; op het HOOGSTE PUNT is ervoor de mens de mogelijkheid vanuit dat hoogtepunt terug te zien, en dat is de zogeheten HELDERHEID. Vragen wij dus nu nogmaals naar het verschil tussen de hersenen van de mens en die van het dier, dan is het alleen naar deze OMSLAG, die de mens kenmerkt. Dit is niet aan te wijzen in de menselijke hersenen; alles wat nog aan te wijzen is behoort tot de situatie ZENUWSTELSEL. De helderheid is niet aan te wijzen, netzomin als liefde en schoonheid.

 Dinsdag, 26 augustus 1969

No. 46. (gescand, geplaatst en hersteld op 13 jan. 2009)


DE VROUW EN DE MAN

De ontwikkeling van het gevoel
Het is een bekend feit dat de mens van vroeger “harder” was dan de tegenwoordige mens; hij was veel meer in staat PIJN te verdragen. De moderne mens zou er niet doorkomen als hij niet bij alle mogelijke gelegenheden VERDOOFD werd. Wij kunnen dus gevoeglijk stellen dat de moderne mens GEVOELIGER is geworden, en zelfs spreken sommigen van OVERGEVOELIGHEID. Dit zou betekenen dat HET GEVOEL zich met de mens méé ontwikkeld heeft, en naar aanleiding daarvan zijn de volgende vragen te stellen:
1. Heeft het GEVOEL - en dus het ZENUWSTELSEL - zčlf zich ontwikkeld, zodat elke prikkel feller doorkomt, of,
2. Is het een PSYCHISCHE kwestie, in die zin dat wij de prikkel feller ERVAREN, zonder dat in feite de pijn erger is?
En dan kunnen wij ons ten derde nog afvragen of het zich ontwikkelen van het zenuwstelsel čn het zich ontwikkelen van het PSYCHISCHE misschien precies dezelfde zaak zijn.

Wij kunnen zeggen dat het ZENUWSTELSEL zich ontwikkeld heeft. Evenwel moeten wij hierbij toch goed oppassen niet in een denkfout te vervallen, want het enige dat zich voor de mens ontwikkelt is datgene dat wij HELDERHEID genoemd hebben. Op dit terrein geldt het VERHELDERINGSPROCES. En dit proces heeft een hele massa CONSEQUENTIES, maar OP ZICHZELF heeft dit proces met het zenuwstelsel en de eventuele ontwikkeling daarvan niets te maken. De verheldering geldt voorzover de door ons genoemde OMSLAG voor de mens van kracht is.
Het VERSCHIJNSEL ontwikkelt zich tijdens het WORDINGSPROCES; die zaak zčlf, het verschijnsel, werkt zich VAN ZICHZELF UIT ňp naar iets hogers. Zodra deze zaak klaar is, is het met het zich opwerken naar iets hogers gedaan, en dit geldt natuurlijk ook voor de mens. Vanuit zichzelf als verschijnsel is de ontwikkeling ŕfgelopen. Derhalve geldt dit ook voor het ZENUWSTELSEL van de mens:
dat doet ook vanuit zichzelf niets meer. Strikt genomen is er dus voor het zenuwstelsel geen ONTWIKKELING denkbaar.
Toch gebeurt er iets met de mens, maar dat is louter en alleen de VERHELDERING, en deze verheldering heeft voor het VERSCHIJNSEL MENS een aantal CONSEQUENTIES; o.a. deze, dat de onderscheidingen steeds VERFIJNDER worden. Ook het zenuwstelsel wordt dus steeds meer verfijnd, en dit is de toenemende GEVOELIGHEID. Nu moeten wij niet denken aan bijvoorbeeld een meer verfijnd WEEFSEL, maar wij moeten denken aan een genuanceerder FUNCTIONEREN van de zaak. En het is duidelijk dat hierbij het PSYCHISCHE een niet te verwaarlozen factor is, omdat het functioneren ook nog in de mens tot BEWUSTZIJN moet komen.
Ook aan het lichaam van de mens is de verfijning te zien en aan de wereld die hij om zich heen heeft gebouwd de techniek, de wetenschap. Het zijn echter allemaal CONSEQUENTIES van dat éne: de VERHELDERING. Op zichzélf en vanuit de zaak zčlf is er echter van geen ontwikkeling sprake.
Veelal wordt er gedacht dat voor de gehele verschijnselenwereld de ontwikkeling aan zijn eind is gekomen, zodat een poes zich niet naar een hoger plan ontwikkelt en een aap ook niet, maar dat er voor de mens dat einde niet is; dat de zaak dus bij hčm doorgaat. Zoals uit het bovenstaande blijkt is dit niet waar: bij de mens gaat het ook niet door, er gebeurt iets vanuit iets ŕnders, namelijk vanuit de helderheid. De OERMENS is niet minder mčns dan de ontwikkelde mens, maar er was voor hem wčl veel minder ONDERSCHEID tussen het één en het ŕnder, zodat alles bij hem GROVER was. Tot zijn topprestaties behoorde het een stenen bijl te maken, en deze topprestatie was niets meer of minder intelligent dan onze ruimtevaart. Het verschil zit alleen maar in de VERFIJNING, die als consequentie van de verheldering optreedt. De stenen bijl was een hoge consequentie van verheldering, en de huidige ruimtevaart is dat precies zo.

Wij zeiden van de moderne mens dat hij GEVOELIG, misschien zelfs OVERGEVOELIG was geworden. Hoe komt dat eigenlijk? Sommigen beweren dat dat komt omdat er voor de moderne mens niet meer de noodzaak bestaat HARD te zijn, aangezien het dagelijkse leven een veel minder harde strijd is. Dit is een moderne economische verklaring, die nooit een antwoord geeft op het WAAROM?, want er is op člk antwoord weer een nieuw WAAROM? te stellen. We komen zo enkel maar tot een min of meer samenhangende opsomming van FEITEN, en met feiten zčgt men NIETS.

Alle OMSTANDIGHEDEN veranderen voor de mens naarmate hij zich ontwikkelt; ook zij zijn CONSEQUENTIES van de verheldering. Wij zijn gewend de omstandigheden als zelfstandige grootheden te zien omdat ze duidelijk BUITEN DE MENS zijn, maar alleen al het feit dat de mens er onmiddellijk toe over gaat de omstandigheden zoveel mogelijk in zijn eigen voordeel om te buigen bewijst, dat dit BUITEN DE MENS eigenlijk NIET WAAR is. Volgens de FEITEN zijn de omstandigheden buiten de mens, maar in werkelijkheid zijn in de mens ook de willekeurigheden van de kosmos vercalculeerd, omdat de mens nu eenmaal HET EINDE van de kosmos is. Daarom kŕn de mens de omstandigheden dan ook tot op zekere hoogte verbuigen.

Het ervaren van prikkels, bijvoorbeeld PIJN, is bij de mens in sterke mate afhankelijk van de FANTASIE, d.w.z. van het zich INBEELDEN van bijvoorbeeld de pijn. Het is en bekend feit dat de mens het lijden van pijn verzwaart door zich er voortdurend mee bezig te houden, en dat anderzijds het AFLEIDEN van de gedachten het verdragen van pijn bevordert. Daarbij zijn de zwaarste folteringen altijd die waarbij de mens gedwongen wordt zijn gedachten bij de pijn te houden, en daarom is bijvoorbeeld KIESPIJN een bijna onverdraaglijke pijn.
Het INTELLECT van de mens is dus eigenlijk het punt waarom het draait, want het zich INBEELDEN, de FANTASIE, behoort tot de mens als INTELLECT. Het is ook het intellect dat als EERSTE CONSEQUENTIE van de verheldering ontwikkeld wordt. Bij een “ontwikkeld” mens is het intellect VERFIJND; het is een geraffineerde zaak. Het ondergaan van pijn is derhalve ook een geraffineerde zaak, en zo kan het een intellectueel mens overkomen dat hij ŕlles voelt en dat de geringste pijn hem uit zijn evenwicht brengt. De mensen met een “ruwer” intellect zijn over het algemeen veel minder gevoelig voor pijn, of, beter gezegd: zij kunnen het beter verdragen omdat zij er minder geraffineerd bij stil staan.
Als bij de mens het geraffineerd-zijn van het intellect het intellect zčlf gaat overheersen, dan kunnen wij spreken van OVERGEVOELIGHEID. Het is duidelijk dat dit eigenlijk aan ZIEKELIJKE aangelegenheid genoemd moet worden, want de KWALITEIT van een zaak (het garaffineerd-zijn) behoort de zaak zčlf niet te overheersen. Altijd wanneer in de mens de kwaliteit van één van zijn ORGANEN Het orgaan zčlf gaat overheersen, is de mens ZIEK. Van de intellectuele mens van thans is in principe wel degelijk te zeggen dat hij OVERGEVOELIG is, want het ligt in ňnze CULTUUR besloten de kwaliteit van het intellect als maatgevend te beschouwen.

Dat het intellect zich verfijnt is een onontkoombare zaak; het behoort bij de mens. Het als de maat nemen van die verfijning zčlf is een cultuurkwestie, en dat gaat weer voorbij. De OVERGEVOELIGHEID van de moderne mens gaat dus óók voorbij, want ondanks alle verfijning - die er nimmer uit te denken is - kan de mens een GESTELDHEID hebben om niet bij de verfijningen stil te staan.
Bij de OERMENS was die gesteldheid NOODGEDWONGEN, want hij kŕn helemaal niet verfijnd zijn omdat de ONTWIKKELING nauwelijks voor hem gold. Daarom is het beter om bij de oermens maar niet van bedoelde gesteldheid te spreken. Ook bij een hedendaagse “ruwe bolster” is hiervan niet te spreken - dit kan eerst met recht bij een VERFIJND mens. Deze nu kŕn boven zijn eigen VERFIJNING uit zijn. Gewoonlijk zijn wij dat niet: wij zijn gek op de kwalen van onszelf en anderen, wij koesteren ze als een rijk bezit en praten er graag en veel over. Wij hebben nooit een boek gelezen, maar de MEDISCHE ENCYCLOPEDIE hebben wij - in pocket - in huis. Dan kunnen wij elke “kramp” thuisbrengen en er ons breeduit in verdiepen. En ook zijn wij van mening dat het de DOKTER is, die ons in leven houdt; zonder hem zouden wij niet eens geboren zijn! Dat is ons GEFIEMEL
Een HUISVROUW met kinderen heeft gewoonlijk geen tijd om zich in kwalen te verdiepen; zij moet voort en omdat dit zo is heeft zij NOODGEDWONGEN de goede gesteldheid. Het blijkt dan ook dat de huisvrouwen niet OVERGEVOELIG zijn! Zij hebben geen tijd voor het GEFIEMEL

Overigens moeten wij die overgevoeligheid niet een te brede betekenis geven, want in alle gevoeligheid bemčrkt de hedendaagse mens nauwelijks dat hij in een wereld leeft die erger dan ooit - omdat het meestal BEDEKT gebeurt - in het teken van de ONMENSELIJKHEID staat. De ADMINISTRATIEVE MOORD is de gewone gang van zaken vandaag de dag! Maar dit dringt niet tot die gevoelige mens door, want zijn gevoeligheid is gericht op ZICHZELF als optelsom van DETAILS, op zichzelf als LIJFELIJK ZENUWSTELSEL. Dat dit zenuwstelsel UITLOOPT in de OMSLAG waarover wij de vorige keer spraken, is voor de mens niet aan de orde en daarom komt er geen wčrkelijke gevoeligheid aan te pas.

Dinsdag, 2 september 1969

No. 47. (gescand, geplaatst en hersteld op 14 jan. 2009)


DE VROUW EN DE MAN

Naar aanleiding van vraag
Het VERHELDERINGSPROCES heeft in de mensen plaats ňngeacht de ONTWIKKELING van de mensen. Wij treffen in sommige afgelegen streken mensen aan die nog in het STENEN TIJDPERK leven wat betreft de stand van hun ONTWIKKELING. Wij zouden dan geneigd zijn te menen dat de verheldering in die mensen niet ver is gekomen. Maar deze opvatting is onjuist. De RESULTATEN, die de in alle mensen voortschrijdende verheldering afwerpt, zijn gebonden aan de OMSTANDIGHEDEN; zij vormen daarmee een EVENWICHT. Wanneer bepaalde mensen GEĎSOLEERD leven werpt de verheldering maar tot op zekere hoogte vruchten af, en daarna staat de boel stil om pas dŕn weer verder te kunnen als het ISOLEMENT verbroken is. Is dit eenmaal het geval, dan zijn de achtergebleven mensen binnen korte tijd bijgetrokken; hiervan zijn tegenwoordig voorbeelden te over.
De verheldering is een AUTOMATISCH proces dat in de opeenvolging der GEBOORTEN plaats vindt en dat op geen enkele wijze gebonden is aan het bewustzijn van de mensen. Hierover zullen wij nog uitvoerig spreken.
De PRESTATIES van primitieve mensen van ňnze tijd kunnen wij eigenlijk niet meer als de maat nemen als wij willen begrijpen dat bijvoorbeeld het vervaardigen van een stenen bijl voor een čchte OERMENS een even grote prestatie is als voor ons de ruimtevaart. Voor de primitieve mens van nů IS er een grotere MOGELIJKHEID - daarom noemen we die mens met recht “achtergebleven” - maar voor de OERMENS was er die MOGELIJKHEID niet. Want de helderheid, die natuurlijk ook voor hem gold, was veel minder EFFECTIEF, zoals de helderheid van een BABY ook nog nauwelijks effectief is. Evenwel is die helderheid wčl aanwezig en bij de OERMENS evenzo volledig als bij de MODERNE MENS; het verschil zit alleen maar in het EFFECTIEF-ZIJN van de helderheid.

De wisselwerking
Het is een bekend feit dat in het leven van de mens de omstandigheden een rol spelen, al kunnen wij in de grond van de zaak de veranderingen in zijn GEDOE en in zijn DENKEN niet verklaren doormiddel van de omstandigheden. Toch hebben de omstandigheden INVLOED op de mens; er geldt zoiets als AANPASSING. Dit begrip geldt voor het gehele ORGANISME: van de dieren is bekend dat zij zich bij hun milieu aanpassen en ook de mensen vertonen dit verschijnsel. De verklaring hiervoor is het feit dat de basis voor člk ORGANISME de evenwichtssituatie is. Deze evenwichtssituatie is de PLANEET en Al het LEVEN is gegrond in de planeet. Hoe is nu bij de mens de gang van zaken wat betreft de omstandigheden.
Het eerste resultaat van de verheldering is INTELLECTUEEL; de mens komt op een GEDACHTE, hij krijgt een INVAL en zo’n inval is het directe gevolg van de verheldering. Daarom is er ook een bepaalde VOLGORDE in de invallen die de mensheid in de loop der tijden gekregen heeft. In de tijd van bijv. GALLILEI kŕn de mens niets bedenken omtrent de electronica want om op dŕt terrein invallen te krijgen moet de werkelijkheid voor de mens al een heel stuk meer helder zijn geworden.
Dus: door de verheldering krijgt de mens een INVAL, en die is intellectueel (hetgeen niet wil zeggen BEREKEND, maar wčl INTUĎTIEF), dan gaat de mens het DOEN en als dat dan gebeurd is, dŕn WIJZIGEN zich voor hem de OMSTANDIGHEDEN en aan deze nieuwe situatie PAST de mens zich AAN tot een nieuw EVENWICHT.
Dit zich aanpassen houdt het verdwijnen van een aantal eigenschappen in en ook verschijnen er nieuwe eigenschappen Betekent dit nu voor de mens dat hij een KWEEKPRODUCT te noemen is?
Een KOE bijvoorbeeld en een KIP zijn KWEEKPRODUCTEN; zij gedragen zich heel anders dan zij van-huis-uit doen en dat is gekomen door het bewuste veranderen van de levensomstandigheden DOOR DE MENS. Die kweekproducten zijn ONNATUURLIJK geworden en dat is VAN BUITENAF geschied zonder dat dit in de NATUURLIJKE AARD van het dier besloten lag om zó te worden. De mens echter is géén kweekproduct, want al heeft hij dan ZICHZELF, op grond van zijn INVALLEN, veranderd tot wat hij geworden is, is hij toch niet iets geworden dat niet IN ZIJN AARD lag, integendeel: HIJ WORDT STEEDS MEER ZICHZELF…! En dat doet hij dan ook nog allemaal zčlf, in tegenstelling tot het dier. De mens behoort niet IN DE NATUUR te zijn, d.w.z. hij behoort niet in een boom te hangen, zoals hij oorspronkelijk deed, maar die koe en die kip behoren wčl IN DE NATUUR te zijn, en als ze dat niet zijn, dan zijn ze KWEEKPRODUCTEN.

 
De mens echter is op weg naar zichzelf toe en zijn BEGIN lag in de natuur; tenslotte is hij waar hij zijn moet, en eerst dŕn is hij ZICHZELF. Hij is eerst dan met recht NATUURLIJK te noemen, d.w.z. zoals hij in de kosmos gegroeid behoort te zijn. Als hij nog IN DE NATUUR is, is hij nog een BABY, maar tenslotte is hij VOLWASSEN.
Inderdaad KWEKEN wij bij de OPVOEDING de kinderen op tot wezens die zijn zoals wij WILLEN dat ze zijn, maar ook dan wordt de mens geen KWEEKPRODUCT want hij is het zčlf, die dit allemaal doet. Als CONSEQUENTIE van de helderheid op dŕt moment wil de mens dat zijn kinderen zó worden en dan probeert hij ze daartoe op te kweken, maar ook dan vertoont de ontwikkeling van de opvoeding de lijn naar de uiteindelijke MENS toe. En niet van de mens ŕf, waar de mens vanŕf gaat is ZICHZELF ALS BABY.
Tijdens het aflopen van deze weg verliest de mens allerlei vermogens die IN DE NATUUR bij hem behoorden: hij verliest voor een goed deel zijn spierkracht, zijn reuk- en gezichtsvermogen, zijn zware beharing, enzovoort. Hij verliest voorlopig ook zijn SIMPELHEID van geest en wordt daardoor ook geestelijk KWETSBAAR, enzovoort. Maar dit betekent niet dat hij DEGENEREERT; het betekent het TEGENDEEL, al LIJKT het ons vaak ŕnders toe. De KWEEKPRODUCTEN achter degenereren wčl bij de geringste verandering in de omstandigheden zijn ze van de kook…!
Gewoonlijk menen wij dat de PSYCHE van iemand uit de oude tijd, bijv. een RIDDER, sterker was dan de psyche van iemand uit onze tijd, en wij menen dat het psychisch met een baby veel beter gesteld is dan met de volwassenen. Want voor ons is zoveel verward, en er doen zoveel vaak tegenstrijdige aspecten mee Wat wij ons vaak geen raad weten in allerlei situaties. De vraag is dus nu of wij inderdaad zwakker geworden zijn.
Hierbij moeten wij bedenken dat een zaak pas wčrkelijk STERK kan zijn als alle mogelijkheden van ZWAKTE erin vercalculeerd zijn. Die mogelijkheden van “zwakte” zitten natuurlijk in de DETAILS; ze behoren tot de INHOUD, tot de OPBOUW, van de zaak, Dit geldt voor een MACHINE ook: een machine is pas werkelijk GOED als hij ondanks zijn INGEWIKKELDHEID niet kapot gaat. Dat iets heel blijft als er geen ONDERDELEN inzitten is geen kunst; het wordt pas wat als er vele en verfijnde onderdelen inzitten en het geheel toch goed blijft.
Zo ook met de mens: een mens die nog nauwelijks iets ervaart kŕn moeilijk in de war raken; een baby kan geen verwarde psyche hebben, want er is nog geen verfijnde INHOUD. Er zijn nog geen ‘onderdelen’ op grond waarvan de zaak kapot kan! Een mens dus van een vergevorderd ontwikkelingsstadium, die ondanks alle verfijning, en dus ondanks alle KWETSBAARHEID, tňch HEEL weet te blijven, toch een MENS weet te blijven, is van psyche STERKER dan diegene die nauwelijks iets bemerkt.
Grotere KWETSBAARHEID, want grotere VERFIJNING, brengt grotere KRACHT met zich mee. Gelet op de kwetsbaarheid doet die mens ons VERWARD voorkomen, want er is zóveel dat meedoet in zijn leven, maar gelet op dat leven zčlf, dat intact blijft, moeten wij van kracht spreken. De mens is pas werkelijk sterk als hij alle mogelijkheden van zwakte kčnt; de volwassen mens van straks is de wčrkelijk sterke mens.
Dit betekent natuurlijk niet dat het EENVOUDIGE, dat de mogelijkheden van zwakte niet in zich heeft, daarom ŕfgewezen moet worden. Er komt hier geen kwalificatie aan te pas: de eenvoudige mens is in orde, en de ingewikkelde mens evenzo, maar de laatste is STERKER. Omdat de kans om te sneuvelen groter is. Doordat er meer DETAILS zijn, zijn er meer mogelijkheden van mislukken. Zo moeten wij dus van de mens van tegenwoordig zeggen dat hij in genen dele psychisch zwakker is dan de mens van vroeger terwijl toch zijn kwetsbaarheid groter is geworden. Zo is straks de VOLWASSEN mens de sterkst denkbare mens en in het GEHEEL, dat hij is, zijn oneindig veel DETAILS besloten, die allemaal tot hun recht komen.
Veel moderne mensen, die teveel naar de professor voor de televisie gekeken hebben, denken zich de toekomstige mens wčl als een KWEEKPRODUCT; zij denken aan reageerbuisjes waarin de menselijke vrucht opgekweekt wordt op zodanige wijze dat er mensen uit ontstaan die zijn zoals hun kwekers zich dat wensen. En ook de nakomelingen van deze gekweekte mensen groeien in de reageerbuis. De mens echter láát zich niet opkweken, en dat komt omdat člke nieuwe mens niet een product van ONTWIKKELING is, maar een NIEUWE HELDERHEID die geheel vanuit ZICHZELF nieuwe resultaten op tafel legt.

Dinsdag, 9 september 1969

No. 48. (gescand, geplaatst en hersteld op 15 jan. 2009)


DE VROUW EN DE MAN

Over de kwetsbaarheid
Voor elke SAMENSTELLING geldt dat hij uiteen te leggen is, en dit is het kwetsbare; de samenstelling is te verbreken. Iets dat niet, of nauwelijks samengesteld is, is weinig kwetsbaar: het uiteenleggen is moeilijk, d.w.z., dat het niet-samengestelde helemaal niet kwetsbaar is, en dat het op eenvoudige wijze samengestelde weinig kwetsbaar is.
De. mens, voorzover hij een samenstelling is, is uiteraard een zeer kwetsbaar geval. Qua samenstelling is hij het uiterste aan verfijning. Hoe meer de mens ZICHZELF is, hoe meer hij als dat verfijnde geval voor de dag komt, en dus hoe meer KWETSBAAR hij is.

De sterkte van de mens
Wij hebben de vorige keer gezien dat de mens mčt het toenemen van zijn kwetsbaarheid STERKER wordt. Nu geldt dit natuurlijk op het GEHELE TERREIN van het mens-zijn. Het geldt dus ook in PRAKTISCHE zin, en dit is iets wat wij op het eerste gezicht niet zullen beamen omdat het lichaam qua kracht duidelijk achteruit gegaan is in de loop der ontwikkeling.
Maar: als bijvoorbeeld de OERMENS een steenbrok van een ton moest verplaatsen had hij daar een groot aantal mensen voor nodig, die het karwei slechts met de grootste moeite konden klaren. Van vervoeren over grote afstand of tot op een zekere hoogte optakelen was al helemaal geen sprake.
De moderne mens echter doet het werk geheel alleen; hij heeft er geen spierkracht voor nodig en hij kan de steenklomp leggen waar hij wil, tot op de millimeter nauwkeurig. Dit doet hij namelijk met een MACHINE. En nu vinden wij gewoonlijk dat die machine iets geheel ŕnders is, iets dat niet met de mens en zijn vermogens te maken heeft. Wij zien de machine als iets OBJECTIEFS, maar in feite is de machine DE MENS ZELF; buiten de mens om komen er in de kosmos geen machines voor. De machine maakt het menselijke krachtvermogen oneindig groot, en het enige dat hij van de mens eist is zijn DENKKRACHT. Het is de intelligentie van de mens waarin die oneindig grote kracht te voorschijn komt. De spierkracht is bij de mens maar een betrekkelijk kleine kracht, maar de mens moet het daarvan uiteindelijk ook niet hčbben, want zijn werkelijke kracht is zijn DENKKRACHT.

De energie en de denkkracht
Wij zien de machine enorme krachten ontwikkelen; natuurlijk is dit alles een kwestie van ENERGIE, en die energie wordt door de machine aangewend. Wij staan er echter niet bij stil dat die enorme energie uiteindelijk bij de MENS vandaan komt; dat het dus de mens is die over die oneindige energie beschikt. Want zňnder de mens was er niet de machine en dus ook niet die grote kracht. Doordat de DENKKRACHT echter abstract is valt het ons niet zo op dat het over ENERGIE gaat, en als die abstractie zich eenmaal gemanifesteerd heeft in de vorm van een MACHINE, dan zien wij het verband tussen de mens en die machine niet meer en denken dat de machine zijn ENERGIE uit zichzčlf put, hetgeen niet waar is. Het is de mens die de krachten vrijmaakt.
Vanwaar komen nu bij de mens in toenemende mate die krachten vrij? Hierbij moeten wij als voorbeeld eens denken aan de KERNSPLITSING. Wij hebben hierbij te doen met het UITEENLEGGEN, het splitsen van een heel INNIGE verbinding van elementen, van EENHEDEN. Bij het uiteenleggen van deze elementaire deeltjes komt er een grote ENERGIE vrij; dat is de POTENTIËLE ENERGIE. Hierover spraken wij vorig jaar reeds. Dus: hoe verder het uiteenleggen doorgaat, hoe meer energie er vrij komt. Dit nu geldt voor het menselijke brein ook; naarmate het ONDERSCHEIDEN meer verfijnd wordt, en dat is het geval tijdens de ontwikkeling, komt er meer ENERGIE vrij voor de mens. In hem heeft als het ware ook die kernsplitsing plaats, en het geweld dat wij bij zo’n splitsing concreet zien is het geweld en de kracht die in de mens aanwezig zijn. Het is dus de splitsing in het menselijk denkproces, dat krachten vrijmaakt. Deze krachten worden door de mens omgezet in concrete krachten; daarheen vloeit de menselijke DENKENERGIE ŕf. De machine kan dus nooit méér energie afgeven dan er door de mens, op welke wijze dan ook, ingestopt is. Wij menen dat dit wčl kan, want wij gooien er nog maar wat benzine in en dan kan de zaak weer verder. Maar ook die energie in de benzine hebben wij vrijgemaakt !

Dat wij in het westen de arbeidstijd kunnen verkorten omdat wij menen energie over te houden komt doordat wij nog steeds de energie in andere continenten STELEN: wij stalen het in Afrika en in Zuid-Amerika, en die gestolen energie voeren wij dan aan onze machines toe, zodat die ogenschijnlijk méér geven dan wij zčlf gegeven hebben. Maar dat meerdere hebben ŕndere mensen gegeven, die daarvoor NIETS terug ontvangen
Ons ZONNESTELSEL is een EVENWICHTSSITUATIE; dit is natuurlijk aan evenwicht van KRACHTEN. Het is een energetisch evenwicht. Het is de MENS, die hieruit de energie vrijmaakt, en dit ook kŕn doen omdat hij die zaak zčlf is. Vanuit iets ŕnders komt er geen energie vrij.
Van belang is dus dat wij ons realiseren dat de mens één is met zijn wereld; dat hij niet zomaar “aan kan rommelen” en ook niet iets kan doen dat hij niet zčlf is.

De sterkere mens
Wij hebben nu dus vastgesteld dat de mens sterker geworden is. Hierbij moeten we wčl beseffen dat het gaat om het GROTE GEHEEL. Want PLAATSELIJK en TIJDELIJK kan een cultuur ňver deze sterkere mens een patroon heen leggen dat van DECADENTIE getuigt. De WESTERSE cultuur bijvoorbeeld is bezig ter ziele te gaan en dit levert altijd een aantal MISLUKKELINGEN op. Wij moeten vandaag de dag dan ook niet speciaal letten op de westerse mens, maar op bijv. de mensen in CUBA en sommige volken in het oosten: tot op zekere hoogte CHINA. Deze mensen vertegenwoordigen een VERDERE gesteldheid dan het westen, want zij zijn reeds aan het TOTAAL toe. De uitwerking hiervan is pas nčt begonnen, en dus is het nog niet veel, maar het streven zit toch voor om ALLEMAAL MEE TE DOEN. Weliswaar moeten er dan ook mensen werk gaan doen dat helemaal hun aanleg niet is en dat bovendien onder de rubriek ENERGIEVERSPILLING gerangschikt moet worden, bijv. als een CHIRURG mee moet helpen de oogst binnen te halen zoals in CUBA verplicht is, maar toch is het een stap verder dan het westen gekomen is. In het westen is het uitgangspunt de ENKELING en zijn wensen, en dan maar OPTELLEN hoeveel enkelingen diezelfde wensen hebben. Het grootste aantal is doorslaggevend. Dit is dan onze KEUZE-DEMOCRATIE.
De mens gaat cultureel verder dan het TOTAAL; tenslotte is hij volwassen en dan geldt het MET ZIJN ALLEN ZIJN, en daarbij valt het totaal weer uiteen omdat een ieder NAAR EIGEN VERMOGEN EN AANLEG bezig is en niet meer gedwongen is zich bij het totaal aan te passen.
De westerse mens dus is over het algemeen geen voorbeeld voor de sterkere mens; hij brengt wel veel tot stand, maar het ligt in zijn besef dat hij het ergens om doet, want hij heeft er BELANG bij. En dan komt zijn kracht eigenlijk nooit tenvolle tot ontplooiing; het gaat slechts zover als strikt nodig is voor het gestelde doel, en dat doel is altijd ZICHZELF.
De OERMENS kon nog geen atoomenergie vrijmaken; wij kunnen dit wčl en dus zijn wij sterker. Evenwel moeten wij niet vergeten dat die atoomenergie ook in de oermens reeds besloten lag. Er is dus niets bijgekomen. Maar de zaak is steeds meer EFFECTIEF geworden; alle energie lag al in de mens klaar en die energie is ONEINDIG GROOT omdat dit begrip voor de mens als TOTAAL van de werkelijkheid geldt.

De potentiële energie
Als twee ENKELVOUDIGHEDEN met elkaar te maken hebben, en dat hebben zij altijd, dan is er aan hun BEWEEGLIJKHEID te bedenken dat die ten dele een SAMENGAAN is. Voorzover dit het geval is werkt deze beweeglijkheid noch op de éne, noch op de ŕndere enkelvoudigheid uit, maar die beweeglijkheid van de enkelvoudigheden IS ER WEL, het is “opgepotte” energie. We kunnen ook zeggen dat het de beweeglijkheid van beide enkelvoudigheden is, voorzover die AFGEREMD is bij beide. Maar deze AFGEREMDE beweeglijkheid is tňch BEWEEGLIJKHEID, de enkelvoudigheden zijn slechts TEN OPZICHTE VAN ELKAAR afgeremd. Ten opzichte van elkaar is er dus “opgepotte” energie, en deze potentiële energie komt bij splitsing vrij. De mens, als eindpunt van het afremmen, is dus een onuitputtelijke verzamelplaats van energie. En deze energie komt in de PRAKTIJK voor de dag, maar om te beginnen is voor de mens die energie nog helemaal niet PRAKTISCH toegepast. In de OUDHEID kwam er bijna niets van terecht; de energie ging naar de SCHOONHEID: de gigantische bouwwerken zoals de PIRAMIDEN en die behalve cultureel, nčrgens toe dienden

Dinsdag, 16 september 1969

No. 49. (gescand, geplaatst en hersteld op 15 jan. 2009)

 
DE VROUW EN DE MAN

Nog het een en ander over de energie
De vorige keer spraken wij als laatste over de OUDHEID en het gebruik van de energie in die dagen. We hebben gezien dat men in de oudheid TEMPELS bouwde, en PYRAMIDEN, en bij de ROMEINEN zagen wij een verschijnsel als bijvoorbeeld een AQUADUCT. Maar de Romeinen behoren eigenlijk al niet meer tot de oudheid. In de oudheid bouwde men tempels, en die bouwwerken dienden tot niets; zij stonden in dienst van de RELIGIE. Ook vervaardigde men dingen van SCHOONHEID, en deze dingen dienen eveneens tot niets. Want wij spreken nu van het PRAKTISCHE, en tot die categorie behoren de schoonheid en de religie nu eenmaal niet. Praktisch was er niet veel aan de hand in de oudheid; natuurlijk hebben de mensen INDIVIDUEEL wel praktische dingen gemaakt, maar veel schot zat er niet in. Want de energie kwam in de oudheid niet werkelijk VRIJ.
Voor het bouwen van een tempel was natuurlijk LICHAAMSKRACHT nodig; er was concrete energie voor nodig, en die werd geleverd door de mens met zijn LICHAAM. Bovendien was er ABSTRACTE energie voor nodig, de DENKKRACHT. Maar zowel de concrete als de abstracte energie kwamen niet VRIJ, want de zaak ging niet včrder dan die TEMPEL. Bij de RELIGIE en de SCHOONHEID sluit de zaak ŕf, want uit beide komt verder niets voort. Niemand had dan ook BAAT bij de religie en de schoonheid; voor geen enkel mens werd het leven in praktische zin draaglijker: de honger wordt niet opgeheven en de onzekerheid niet, de rechteloosheid verdwijnt er niet door en de vrouwen blijven met direct levensgevaar hun kinderen baren. De LEVENSZEKERHEID wordt op geen enkele wijze vergroot als de menselijke energie niet wčrkelijk VRIJ komt.
De religie en de schoonheid zijn een VROUWELIJKE werkelijkheid; in die werkelijkheid is en blijft fles BESLOTEN en het komt er nooit uit. Alles wat geldt geldt als INHOUD van het GEHEEL, dat de werkelijkheid is, en geen enkele zaak komt OP ZICHZELF te staan. Wij benoemden de oudheid immers met het begrip TWEE, en daarin was EEN wel vercalculeerd, maar niet werkelijk AANWEZIG. Van VRIJ KOMEN van wŕt dan ook is in een dergelijk verband dus niet te spreken, want VRIJ ZIJN betekent OP ZICHZELF ZIJN. Dit kan eerst als het begrip EEN tot gelding is gekomen, maar dat komt pas nŕ de oudheid.
Voorzover EEN zich toch liet gelden in de oudheid kňn het niet anders of de zaak bleek tenslotte in RELIGIE en SCHOONHEID uit te lopen. Bij de gewone mensen was dat natuurlijk niet zo merkbaar; zij zorgden voor de levensbehoeften en dat deden zij volgens oude methoden die van vader op zoon vrijwel ongewijzigd overgegaan waren. Voor hen geldt dus tot op zekere hoogte wčl dat de energie vrij kwam, maar die energie maakte verder ook niets mogelijk dan dat enkele mensen te eten hadden. En dat waren dan meestal nog de mensen die er NIET voor gewerkt hadden: de HEREN. Zo komt de inspanning van de gewone mens uit de oudheid toch ook weer in de beslotenheid terecht, zonder verder iets uit te richten.
Na de oudheid komt de energie steeds meer vrij; steeds meer werken de mensen voor aan onbepaald TOTAAL. De arbeid van člke westerse mens komt ten goede aan alle westerse mensen; iedereen kan zich de spullen verwerven om in betrekkelijke zekerheid te leven. De inspanning van de westerse mens is er namelijk niet op gericht een bepaalde afgesloten zaak tot stand te brengen, maar de inspanning is erop gericht ZOVEEL MOGELIJK TE PRODUCEREN. Dat dit alles het operatie-terrein van de HANDEL is geworden doet aan dit grondprincipe niets af; het is een noodzakelijk en onmiddellijk meekomend verschijnsel.
De westerse mens stelt EEN op zichzelf; dan komt de energie vrij, en dit betekent PRAKTISCH LEVEN voor alle mensen. Want de vrije energie wordt als MACHINE concreet en de machine is de levensmogelijkheid.
Gaf de oudheid dus te zien dat de denk-energie van de mens uitliep in schoonheid en religie, bij de westerse mens is het zo dat diezelfde energie in PRODUCTIE uitloopt. Schoonheid is vrouwelijk, het is de EENHEID, en productie is mannelijk en het is de VEELHEID. In het vrouwelijke loopt alle denk- energie op niets uit, want het blijft in zichzelf besloten, terwijl in het mannelijke de denk-energie in een veelheid van op zichzelf staande dingen uitloopt.
Het denken van DE VROUW komt ook nooit naar buiten; wij moeten niet denken dat het de vrouwen niet gegeven is te DENKEN, want voor de mčns geldt denken en dus laat zich dat in de vrouw ook gelden.

Maar wij ervaren het denken van de vrouw als een ander denken dan dat van de man. Omdat het nooit naar buiten komt bij de vrouw. Maar verder is het precies hetzelfde denken als dat van de man, hetgeen blijkt uit het feit dat de vrouwen de wereld van de mannen nooit VERSTOREN. Als de vrouwen niet kňnden denken, dan zouden zij dus zonder meer ZICHZELF zijn, en van daaruit kunnen zij alleen maar TEGEN onze mannelijke wereld zijn, omdat door het gemis aan denken de CULTUUR met haar eigenaardigheden geen vat had op de vrouw. De praktijk leert echter dat de vrouwen in alle cultuurperioden gelijk-op zijn gegaan met de mannen; alleen is het DENKEN van de vrouwen niet uitgegaan. De vrouwen komen er ook niet toe iets te MAKEN zoals de man dat doet. Uit hen komt wčl HET KIND voort, maar dat hebben zij niet GEMAAKT; bovendien blijft als KIND de energie ook weer besloten in zichzelf. Het maken van iets behoort dus niet bij de vrouw; ook niet als het over het “maken van schoonheid” gaat. Er zijn in de wereld tal van KUNSTENARESSEN geweest, maar het is ze eigenlijk nooit gelukt om werkelijk met iets van blijvende schoonheid te komen. Als wij het desondanks toch mooi vinden komt dit door iets anders. Hierover later meer.
Bij de KUNSTENAAR komt de energie ook niet werkelijk VRIJ, maar het blijft ook niet in hemzelf besloten. De energie komt in IETS ANDERS voor de dag, en dat andere is wčl een beslotenheid, het is SCHOONHEID. Met een SCHOON DING is verder niets aan te vangen; er is niets mee te doen
In de MODERNE KUNST is ook het genoemde ANDERE geen BESLOTENHEID meer; de boel ligt uit elkaar en schoonheid geldt er niet meer voor. Omdat dit zo is is de zaak zonder SPANNING en ZONDER LEVEN. De zaak is DOOD. En praktisch is er ook niets mee te beginnen omdat de energie toch niet verder komt dan dŕt ding wat het “moderne kunstwerk” heet. We hebben dus te doen met IN IETS ANDERS BESLOTEN ENERGIE, die als zodanig wčg is, OPGEHEVEN is, en dit is het begrip DOOD.
Het moderne kunstwerk vertoont geen SPANNING meer omdat de beslotenheid weg is en daarmee is deze situatie verloren gegaan dat de elementen, hoewel zij van elkaar ONDERSCHEIDEN zijn, toch één geheel zijn. De SPANNING is het essentiële van een kunstwerk; hoe groter het kunstwerk, hoe groter de spanning, en omgekeerd. Hij is de grootste kunstenaar die de grootste spanning tussen de elementen weet op te roepen. Die spanning kan er echter niet zijn als de elementen uit elkaar liggen, en dus als de beslotenheid verloren is gegaan. Het moderne kunstwerk is DOOD.
Het ligt in de logica dat de kunst in de westerse wereld terziele moest gaan; dit is duidelijk als wij bedenken dat het in het westen om het begrip EEN gaat. Het begrip EEN op zichzčlf kent geen spanning.
Aanvankelijk ging het nog best in het westen: MICHELANGELO begon maar ergens te schilderen in de Sixtijnse kapel en hij ging door tot alles klaar was. Toen bleek er geen enkele mistekening in te zitten; het gehele plafond was én grote BESLOTENHEID. En de spanning geldt overal, dus begin maar ergens. Hetzelfde geldt voor een componist als BACH, zwakke stukken komen in zijn werk niet voor. Maar langzaamaan verliest de westerse mens dit vermogen en steeds meer is hij in staat tot PRODUCTIE. Steeds meer maakt hij werkelijk zijn energie VRIJ en dat gelukt hem voorzover het gaat over de DINGEN, want op dit terrein MOET het ook, meer hij gaat het ook, op grond van zijn AANLEG, trachten te doen op het terrein der schoonheid, en dan is het resultaat de DOOD. Wel gaat hij dan nog proberen de zaak te redden door het kunstwerk zo te maken das je er iets mee DOEN kunt, zodat het dus NUTTIG is, maar ook dit loopt op niets uit want een kunstwerk kŕn nu eenmaal niet nuttig zijn en het kan ook niet versnipperd zijn. Er komt dus niets terecht van een modern kunstzinnig experiment.
Ook in die moderne samenleving verdwijnt de spanning tussen de mensen. Dit is de toenemende ONGEZELLIGHEID onder de mensen. Een SAMENLEVING is op zichzelf VROUWELIJK; tussen de elementen is dus spanning en de energie in die samenleving is besloten in die samenleving zčlf. Dat is in de moderne wereld steeds minder het geval: iedereen staat OP ZICHZELF en probeert de energie uit de beslotenheid naar zichzelf toe te trekken. Zelfs bij de kinderen is dit in hun SPEL te constateren: zij willen BEZIG GEHOUDEN WORDEN. Anderen moeten hun energie inzetten om het tot een spel te laten komen.
De VOLWASSENEN moeten ook bezig gehouden worden: de HOBBY wordt ijverig gestimuleerd, de televisie geeft zoveel mogelijk “ontspanning” en het voetballen is de grote trekpleister voor de mensen. Dit alles laat zien dat de ENERGIE, waar zij in zichzelf besloten behoort te zijn, ook vrij is gekomen.

Dinsdag, 23 september 1969

No. 50. (gescand, geplaatst en hersteld op 15 jan. 2009)

 
DE VROUW EN DE MAN

Over de helderheid en de verheldering
Wij hebben gezien dat als enige oorzaak van de ontwikkeling van de mens de VERHELDERING aan te wijzen is. Dit is dus het meer en meer HELDER worden van de HELDERHEID, die voor de mens geldt.
Termen zoals “helderheid” en “verheldering” hanteren wij gemakkelijk, en vaak menen wij te weten waarop die termen betrekking hebben, maar meestal is het dan een WETEN VAN, en dat betreft een bepaald terrein dat wij al of niet in ons denken onderzocht hebben en dat ons ten gevolge van dat onderzoek al of niet duidelijk is geworden. Omdat wij dan vŕn dat bepaalde terrein wéten denken wij te weten hoe het zit maar dat blijkt al te vaak niet waar te zijn. Wij weten van het bestaan van dat terrein af en verwarren dit weten met het weten van het terrein zčlf. Wij hebben de zaak een NAAM gegeven en KENNEN de zaak nu, zoals wij ook de HELDERHEID een naam gegeven hebben en op grond daarvan de zaak menen te kennen. Vroeger noemden wij diezelfde zaak GOD, en toen waren wij ook tevreden met die wetenschap. Het KENNEN betekent dus niet meer dan “een naam geven”, en dat betekent niet meer dan “van het bestaan van dit of dat afweten”. Meestal is dit voor de mensen voldoende, maar in de filosofie vraagt de mens zich af hoe die zaak, die zo en zo GENOEMD wordt, nu wčrkelijk in elkaar zit en waarom het is zoals het is.
Zo vragen wij thans naar de HELDERHEID en de VERHELDERING. Wij vragen wat is de helderheid zčlf, en waarom is de mens niet INEENS helder, maar heeft hij er TIJD voor nodig om helder te worden, en waarom wordt hij ook dan nog niet VOLKOMEN helder? Het stellen van deze vragen is nuttig, want behalve dat het ons de kans geeft een antwoord te vinden laat het ons ook nog eens duidelijk voelen dat wij het gewoonlijk veel te veel laten bij het geven van een NAAM, zodat het voor ons iets VASTSTAANDS wordt.

De helderheid is de laatst denkbare situatie van de enkelvoudigheden; het elkaar afremmen in hun beweeglijkheid van de enkelvoudigheden is zover gevorderd dat ze TEN OPZICHTE VAN ELKAAR volledig afgeremd zijn en zodoende hun EIGEN BEWEEGLIJKHEID weer terug hebben, in die zin dat het nu een VOLLEDIG SAMENGAAN van beweeglijkheid is. Deze situatie geldt voor de mens omdat hij op de GRENS staat van het GEWORDENE. Uit het gewordene is hij voortgekomen en, bekeken vanuit deze gezichtshoek, verschilt hij dan ook niet wezenlijk van het gewordene. Voorzover het gewordene een ORGANISME is, geldt er o.a. voor het GROEIPROCES. Ook dit geldt voor de mens, en niet alleen voor de individuele mens, maar ook voor de MENSHEID, want de VERHELDERING komt ons ook als een groeiproces voor.
Wat is nu eigenlijk de GROEI van het organisme? Zoals wij reeds eerder opmerkten betekent de GROEI dit, dat een zaak er al wčl is, maar nog niet ŕf is. D.w.z. er is om te beginnen met die zaak iets aan de hand waardoor hij na een poosje pas echt is wat hij zijn moet. Het SAMENGAAN van de beweeglijkheid is het bepalende inzake het organisme en voor dit samengaan geldt de TRAAGHEID. Omdat er altijd een TEGENKRACHT werkzaam is en dat is de beweeglijkheid zoals die voor de enkelvoudigheid zčlf geldt. Vanuit zichzelf immers wil de enkelvoudigheid aan geen enkel samengaan deelnemen, doch slechts zijn eigen vrije beweeglijkheid doorzetten. Voorzover deze beweeglijkheid nu nog aanwezig is, werkt die REMMEND op het beweeglijke dat een SAMENGAAN is, en dit is de TRAAGHEID, die voor al het bewegende, dat wij kennen, geldt. Het is bekend dat een zich voortbewegend voorwerp niet abrupt van richting veranderd kan worden: een tijdlang gaat het voorwerp vrijwel ongestoord zijn gang en pas langzamerhand komt er verandering in de zaak.
Zo weerstreven de enkelvoudigheden het samengaan van de beweeglijkheid; zij weerstreven dus het ER ZIJN van het organisme en daarom komt dit eerst langzaam tot stand. Het ER ZIJN van het organisme kost TIJD, maar al die tijd IS het organisme er al wčl. Het is er alleen nog niet zoals het zijn moet. Om te beginnen moet člk organisme ook OPGEVOED worden - vooral de “hogere” organismen. De opvoedingstijd is het ER NOG NIET ZIJN van het organisme; het is dan ook volkomen AFHANKELIJK, in de meeste gevallen van de OUDERS. En aanvankelijk is het organisme zelfs nog IN de moeder en ook dat heeft te maken met het WEERSTREVEN, dat door deze hele zaak heenloopt.

Bij het ANORGANISCHE verschijnsel ligt de zaak natuurlijk ŕnders; het is daar de EIGEN BEWEEGLIJKHEID van de enkelvoudigheden, die de DOMINANT is. De remmende factor is daar nu juist het SAMENGAAN en dit geeft aan het verschijnen van het anorganische een heel ŕnder karakter dan het verschijnen van het organische heeft.

Wat echter te zeggen van de HELDERHEID ZELF? Want hieraan is het WEERSTREVENDE niet meer te bedenken omdat de enkelvoudigheden geen eigen zelfstŕndige beweeglijkheid meer bezitten. Het begrip helderheid geldt dus ONMIDDELLIJK en er is niets dat de zaak kan verstoren. Hier gelden dus begrippen als EEUWIGHEID en ONAANTASTBAARHEID. Voor de mens geldt dit dus ook, voorzover hij dat grensgeval is. Maar hij is niet ALLEEN MAAR helder want hij komt niet OVER DE GRENS, en dus staat zijn helderheid volledig in verband met het organisme dat hij is zodat er voor die helderheid ook een GROEIPROCES geldt.
Het is dus voor de mens een DUBBEL aspect: enerzijds is het voor hem PERSOONLIJK zo dat hij GROEIT totdat hij VOLGROEID is, en tevens is het voor de MENSHEID, als opeenvolging van de geslachten, zo dat de zaak groeit, maar aan deze laatste groei komt geen einde, hoewel wij toch wel het begrip VOLWASSENHEID hanteren. Op een zeker moment is van de mensheid wel te zeggen dat zij volwassen is; wij hebben het dan echter over de GESTELDHEID van de mensen. Van INDERDAAD helder-zijn is ook dan geen sprake en daarvan is NOOIT sprake.

Wat betekent de HELDERHEID voor de mens? Deze vraag is van belang in verband met datgene dat wij aan het begin van dit stencil zeiden. Doordat wij de NAAM kennen menen wij de ZAAK te kennen, maar niets is minder waar want de helderheid IS NIET TE KENNEN. De mens BEMERKT NIETS van de helderheid die voor hem geldt. De helderheid doorademt zijn gehele wezen, er is niets waarin het geen rol speelt, maar er is niets van te bemerken omdat het de mens zčlf is voor wie deze verhouding geldt. De mens VERTOONT allerlei en daaruit blijkt dat helderheid voor hem geldt; zijn INTELLECT is er gevolg van, maar ook zijn schoonheidsgevoel en zijn liefde, enzovoort. Nooit echter laat zich de helderheid zčlf bemerken, want het is een niet tastbare verhouding, die nčt voor de mens geldt.
Over deze niet tastbare verhouding kan de mens wel DENKEN maar hij kan nooit iets over ZICHZELF persoonlijk zeggen in verband met de helderheid. Doet hij dit tňch dan VERBEELDT hij zich iets
De helderheid is gebonden aan HET GEWORDENE, dat de mens is. De helderheid VERTOONT zich als het gewordene; dit vertonen is dus ook onderhevig aan de TRAAGHEID. Het kost dus ook tijd. De vertraging is MINIMAAL want de enkelvoudigheden zijn in een verhouding waarbij de eigen zelfstandige beweeglijkheid, die het vertragende uitmaakt, er BIJNA niet meer is. Dit is er de reden van dat de verheldering ONMERKBAAR plaats vindt: elke nieuwe generatie is ONMERKBAAR verhelderd vergeleken bij de voorgaande. Als wij terugzien op de duizenden jaren BESCHAVING, die echter ons liggen, en wij letten eens op het GEDRAG van de mensen, dan zien wij hoe weinig wezenlijk verschil er is. Na al die duizenden jaren met die vele HOGE CULTUREN is er nog steeds geen glimp van een behoorlijke wereld Anderzijds signaleren we reeds BEHOORLIJKE MENSEN in het grijze verleden en hun behoorlijkheid verschilt weinig van de onze.
De zaak is NOG NET GEREMD; de helderheid is er wčl om er tevens niet te zijn en dit laatste is het dominerende. Dit laatste brengt de VARIATIES in helderheid tussen de mensen mee, want het gewordene is eindeloos verschillend.
Het brengt ook mee dat er verheldering is, maar wij moeten niet in de veel voorkomende fout vervallen te gaan denken dat de “verhelderde mensheid” van straks - de VOLWASSEN MENSHEID - werkelijk HELDER is. Niets wordt werkelijk helder, want dan WAS HET ER NIET. Ook de mens wordt nooit werkelijk helder. Hij wordt wčl VOLWASSEN, en dat betekent dat hij dan ZICHZELF is geworden, d.w.z. die nčt wel en nčt niet heldere situatie. De verheldering gaat daarom ook net zo lang door als een bepaalde mensheid BESTAAT. Het kŕn altijd nog méér helder.
Als mens verkeren de enkelvoudigheden in een situatie dat zij op het punt staan VOLLEDIG in het SAMENGAAN gedwongen te worden, en deze situatie BLIJFT gelden, doch hij maakt zich steeds meer als zodanig wáár. Want telkens, met een volgende generatie, is deze situatie opnieuw gesteld, en deze nieuwe situatie is een VOLGENDE op de weg die afgelegd wordt. Want het is allemaal BEWEGING; en deze volgende net-niet-helderheid verschilt alleen van de voorgaande dat hij DE VOLGENDE is. Hij is het voorgaande NOG INNIGER; hij is de genoemde verhouding, die ALS GEHEEL verder is gekomen. De ONDERLINGE VERHOUDING der enkelvoudigheden blijft precies dezelfde, maar het GEHEEL gaat voort en VERDICHT zich als het ware.

Dinsdag, 30 september 1969

No. 51. (gescand, geplaatst en hersteld op 16 jan. 2009)

 
DE VROUW EN DE MAN

De verinniging
De enkelvoudigheden remmen ELKAAR af; er is niets ŕnders dat ze afremt, want iets anders IS ER NIET. Als ze elkaar VOLLEDIG afgeremd hebben - wat in feite nooit gebeuren kan -  dan staan ze TEN OPZICHTE VAN ELKAAR stil, maar dit betekent niet dat ze in werkelijkheid stil staan. Er staat niets stil in de werkelijkheid; alles is een verhouding van BEWEEGLIJKHEDEN. Zo staan de ten opzichte van elkaar afgeremde enkelvoudigheden ook niet stil, maar hun beweging is er een geworden, die voor BEIDE dezelfde is: zij GAAN SAMEN.
Als voorbeeld dit: als wij een kogel afschieten op een blok hout, dan beweegt de kogel ten opzichte van het hout en het hout beweegt ten opzichte van de kogel. Wij vinden gewoonlijk dat het hout stilstaat, maar dat geldt niet ten opzichte van de naderende kogel. Op een zeker moment raakt de kogel het hout en nu gaat het hout hem AFREMMEN totdat de kogel vastzit in het hout. Nu is de beweging van kogel en hout TEN OPZICHTE VAN ELKAAR opgeheven; zij staan ten opzichte van elkaar stil, maar door de schok vliegt het stuk hout met de kogel erin een eind weg; de beweging is nu een SAMENGAAN geworden. Het AFREMMEN is nu ook afgelopen zodat het stuk hout čn de kogel in hun samengaan zich VRIJ bewegen. Dat ze nu door weer andere objecten afgeremd worden doet niet terzake; bij de enkelvoudigheden is het zo dat er geen andere objecten zijn, zodat er helemaal van geen afremmen meer te spreken is.

Als wij over de werkelijkheid nadenken dan kunnen wij nergens ŕnders beginnen dan bij de enkelvoudigheden, die elk VOOR ZICH volkomen vrij bewegen, en wij kunnen nergens anders eindigen dan bij diezelfde enkelvoudigheden, die zich als SAMENGAAN volkomen vrij bewegen. Daartussen ligt dan de REALITEIT: het MEER OF MINDER afgeremd zijn van de enkelvoudigheden.
Denken wij nu aan de laatste mogelijkheid: de enkelvoudigheden bewegen zich weer vrij, maar nu GEZAMENLIJK. Het meer of minder geremd zijn is nu afgelopen, en dus is ook de REALITEIT afgelopen. Het verschijnsel is er niet meer, zodat wij te doen hebben met iets dat NIET BESTAAT. Hieraan GRENST de mens; hij heeft het dan ook altijd over GOD gehad, die niet TASTBAAR was en die niet GEWORDEN was. En wij zijn geneigd over de HELDERHEID te spreken als was het ook een niet tastbare WERKELIJKHEID, maar noch god, noch de helderheid is werkelijkheid, en de enkelvoudigheden komen nooit tot volledig SAMENGAAN. Zou dit wčl het geval zijn, dan zou er geen KOSMOS zijn, want dan zou in de eeuwigheid alles reeds lang tot HELDERHEID geworden zijn. Het feit dat de enkelvoudigheden VANUIT ZICHZELF beweeglijk zijn is er de oorzaak van dat het niet verder komt dan tot de GRENS van het volledige samengaan. En deze grens is de mens.

Spreken wij nu over de HELDERHEID van de mens, dan hebben wij te doen met deze situatie dat de enkelvoudigheden in hun beweeglijkheid SAMENGAAN. Maar in dat samengaan zit tňch de factor van de EIGEN BEWEEGLIJKHEID van de enkelvoudigheden, al is deze factor tot zijn grens gekomen. De enkelvoudigheden zijn IN ZICHZELF en dus VANUIT ZICHZELF beweeglijk; deze beweeglijkheid is er dus ALS EERSTE, en dan blijkt, in het geval van HELDERHEID, die beweeglijkheid een SAMENGAAN te zijn. Het samengaan heeft als INHOUD de eigen beweeglijkheid, en dit betekent dat als inhoud HET VERSCHIJNSEL AAN ZIJN GRENS aanwezig is. Deze situatie blijft bestaan, en levert als enige mogelijkheid VERINNIGING op.
Onder het woord VERINNIGING moeten wij niet iets IDEEELS verstaan, en wij moeten ook niet aan VERDICHTING denken. De verdichting is een PROCES, het is een zich wijzigende situatie waarbij de enkelvoudigheden zichzelf steeds maar aan elkaar VASTLEGGEN. Dit is de verschijnselenwereld. Aan de verdichting komt een toenemende ZICHTBAARHEID mee door de meer en meer GEREMDE beweeglijkheid van de enkelvoudigheden. De VERINNIGING echter is niet zichtbaar en levert ook geen ZICHTBAARHEID op want de enkelvoudigheden gaan zich niet meer geremd bewegen; hiervan hebben zij reeds de grens bereikt, en nu kŕn het niet verder.
Bij de VERINNIGING neemt de beweeglijkheid niet ŕf, maar wčl VERKLEINT zich de AFSTAND. Ook verandert de ONDERLINGE VERHOUDING niet, hetgeen bij de VERDICHTING wčl het geval is.
Het verhelderen is dus een ZICH VERINNIGEN; het is een zich verkleinen van de AFSTAND, in die zin dat de afstand ZICH OPHEFT. Zonder evenwel in feite verloren te gaan. Zo spitst de zaak zich toe tot één LIJN.

Wij kunnen ons nu nog afvragen waarom het bovengezegde slechts voor DE MENS geldt, en niet voor de andere organismen. Hierbij moeten wij echter wčl bedenken dat het alleen maar de mens is, die op de grens van het volledige samengaan staat. Dit samengaan TREKT; het zuigt als het ware de enkelvoudigheden met de stroom mee, omdat het allemaal een kwestie van BEWEGING is. En het kŕn trekken, omdat het gčldt voor die laatste situatie. Alles wat daarvóór ligt is niet uit zijn beweging te trekken, omdat het niet werkelijk met het samengaan verbonden is. Wij constateren bij de dieren hoogstens het verschijnsel dat zij door het licht AANGETROKKEN .worden. De mens wordt wčrkelijk GETROKKEN en komt zo tot verinniging. Want wordt er een dier geboren, dan is er precies dezelfde situatie OPNIEUW, maar als er een kind geboren wordt hebben wij te maken met een NIEUWE SITUATIE, die naar een volgend moment getrokken wordt. Het trekken blijft dus voortgaan; als een magneet trekt het de zaak naar zich toe, en dit alles geldt omdat de werkelijkheid één en al BEWEGING is.

De LIJN, waartoe de laatste situatie gedrongen is samen te trekken, is op een andere manier hetzelfde als ons begrip HET GEHEEL. Dit geheel geldt ook als de verinniging nog pas weinig gevorderd is en de afstand zich nog niet verkleind heeft. De lijn is dan als het ware BREED, en hij wordt steeds smaller, zonder ooit čcht een LIJN te worden, want dan zou alweer het volledige samengaan een realiteit geworden zijn, hetgeen onmogelijk is.
Door de gehele geschiedenis heen heeft de mens er blijk van gegeven op weg te zijn naar iets. Hij heeft altijd een hang naar HET HOGERE gehad en hij heeft dit allerlei namen gegeven. Hij noemde dit o.a. GOD, maar tegenwoordig is de mens daar doorheen, hetgeen niet zeggen wil dat hij de hang naar het hogere kwijt is. De GELOVIGHEID is in de mens nog niet voorbij, alleen de constructie “god” is verleden tijd geworden. Maar als straks de mens VOLWASSEN is geworden, is hij het TREKKEN van de helderheid niet kwijt; hij beseft dan alleen, dat dit trekken niet vanuit iets HOGERS komt, maar vanuit hemzčlf. De helderheid, het volledige samengaan, blijft trekken aan de mens, want het is de RICHTING waarheen de BEWEGING is. Eraan te ontkomen is ONMOGELIJK, want er is in de werkelijkheid niets dat de daartoe vereiste TEGENKRACHTEN op zou kunnen leveren. Er zijn alleen maar de enkelvoudigheden, en die verkeren in de situatie waarin ze verkeren; zij trekken ZICHZELF naar die éne LIJN toe en iets ŕnders, dat een andere werking zou kunnen hebben, IS ER NIET.

De mens is zo langzamerhand steeds meer aan de weet gekomen, en dit proces blijft doorgaan zolang de mensheid, hier of elders, bestaat. Het aan de weet komen van het één en ŕnder is het OPHEFFEN VAN DE AFSTAND. Als de mens nog in (vrijwel) VOLKOMEN DUISTERNIS rondwandelt staat het begrip afstand op ONEINDIG. Want er is niets ten opzichte waarvan het begrip afstand zich kan BEPALEN tot een BEPAALDE AFSTAND. In de duisternis is namelijk niets te zien. Dit nu is een NIET INNIGE SITUATIE, en dit geldt om te beginnen voor de mens. Voor de OERMENS bijvoorbeeld was een BOOM heilig. Dit is de afstand; hij kčnt namelijk de boom niet ALS BOOM. Het is hem een VREEMDHEID.
Voor een DIER is dit de NORMALE toestand: zijn omgeving zčgt hem niets want hij leert nooit zien wŕt het is. Hij komt niet tot KENNEN, slechts tot ERVARING komt hij, maar ervaren is nog geen kčnnen. Voor het dier is alles op ONEINDIGE AFSTAND, en voor de oermens is het dat aanvankelijk ook.
Voor de tegenwoordige mens is zelfs de MAAN al vertrouwd: de afstand heeft zich opgeheven, terwijl het aantal kilometers hetzelfde is gebleven. Er komt steeds meer binnen het gezichtsveld van de mens; denken wij bijvoorbeeld aan de COMMUNICATIE, waarover wij laatst al het een en ander zeiden. Naarmate de mens verder komt is er meer voor hem te weten, en daaraan ontkomt niemand; de toenemende veelweterij is natuurlijk het meest opvallende RESULTAAT van de verheldering, maar het werkelijke opheffen van de afstand zčlf is er ook nog, en dit heeft tot een GROTERE BEHOORLIJKHEID van de mens geleid. Nu is dit een thema dat er alle reden toe geeft om aangevochten te worden, want het GEDRAG van de mensen is er niet zo erg duidelijk op vooruit gegaan. De behoorlijkheid wil in wezen niets anders zeggen dan dat de mens IN HET LICHT VAN DE HELDERHEID STAAT. Dat is op zichzelf niets bijzonders, want het komt gewoon doordat de mens dat GRENSGEVAL is. Maar de behoorlijkheid is in de mens nu eenmaal niet AAN TE WIJZEN en daarom is de voortgang daarin ook een zeer MISTIGE aangelegenheid. Het is allemaal een kwestie van SFEER. En wat dat betreft werkt de sfeer van de ondergaande westerse wereld niet mee om te bevestigen dat de mens behoorlijker is geworden…!

Dinsdag, 7 oktober 1969

No. 52. (gescand, geplaatst en hersteld op 16 jan. 2009)

 
DE VROUW EN DE MAN

Wat te zeggen van de helderheid
Voor de mens geldt dat hij nčt de werkelijkheid als HELDERHEID is; dit “nčt” betekent niet dat het niet veel zaaks is, maar het betekent dat het geval niet verder komt dan dŕt MOMENT; het moment namelijk dat het OP HET PUNT STAAT helderheid te worden, maar het net niet čcht wordt. Het gaat tot precies de GRENS. Tot zover is er een KWALIFICATIE van te geven; tot aan de grens hebben wij te doen met de wereld der MEETBAARHEDEN. Als wij over de helderheid zčlf nadenken werken wij eigenlijk in den blinde, want kwalificaties en onderscheidingen zijn niet te maken. Er is eigenlijk helemaal NIETS te zeggen over de helderheid; voorzover wij dat tňch doen -  omdat wij ons op dit moment met dat thema bezig houden -  hanteren wij ONTKENNINGEN: de helderheid is NIET tastbaar, NIET vergankelijk, NIET geremd, enzovoort. De helderheid is HET ANDERE van de ons bekende GEWORDEN wereld. Omdat wij dus als basis met de geworden wereld werken, kunnen wij er moeilijk aan ontkomen ook de helderheid, als NIET geworden werkelijkheid op de een of andere manier als iets BESTAANDS te denken. Zij het dan dat dat bestaande een ABSTRACTIE is. Maar de helderheid is niet eens een ABSTRACTIE: zij BESTAAT helemaal niet.
De helderheid is slechts het LAATSTE DENK-MOMENT, en als zodanig is het onmiddellijk een ONGERIJMDHEID IN ZICHZELF. Dit in te zien is van veel meer gewicht voor de mens dan gewoonlijk gemeend wordt - en dan zeker voor die mensen die het niet na kunnen laten zich met filosofie bezig te houden. Het dwingt ons namelijk tot CONCREET denken zňnder enigerlei SFEER.

 
Waar hebben wij het eigenlijk over?
Als in de filosofie bovengenoemde vraag niet telkens gesteld wordt, heeft de filosofie geen waarde. Zij heeft dan ŕlle kans WETENSCHAPPELIJK te worden, maar nooit de kans in de mens zčlf tot WIJSHEID te worden.
In de filosofie is geen enkele vraag “WETENSCHAPPELIJK te beantwoorden, meer toch stelt de filosofie dwingende vragen. Als wij een KUNSTENAAR vragen wat hij beoogt, waar hij naar toe wil, dan weet hij daarop als het goed is geen antwoord, want zijn werk komt niet door wetenschappelijk denken tot stand. Het is voor hem voor de hand liggend om te zeggen dat hij het niet weet omdat de zaak toch niets met denken te maken heeft. De filosofie echter heeft wčl met denken te maken en komt er daardoor tot het wčl te willen weten, en dan is de vergissing van de moderne mens alleen het, wetenschappelijk vaststaande als juist te beschouwen. Maar de vraag “waar hebben wij het eigenlijk over” is veel belangrijker dan het al of niet wetenschappelijk verantwoorde antwoord. Het antwoord in de filosofie komt heel anders tot stand dan het antwoord dat de wetenschap op een vraag geeft. Daarom kan de filosofie ook geen wetenschap worden; het is geen kwestie van REKENEN met EEN en EEN, maar het is een kwestie van ZIEN en het zuiver ontleden van het geziene. Door dit ONTLEDEN kan de filosofie antwoord geven en de kunstenaar kan dit niet omdat hij niet ONTLEEDT. Maar net zo min als de schoonheid van een kunstwerk te bewijzen valt is het in de filosofie gegeven antwoord te bewijzen. Te bewijzen zijn alleen de WETENSCHAPPELIJKE dingen; de GEZIENE dingen zijn dat nimmer.

Dit alles doet aan de JUISTHEID van de zaak niet ŕf; integendeel, want de filosofie heeft door alle eeuwen heen de WAARHEID gesproken - eerst GROF en daarna steeds VERFIJNDER - terwijl het een kenmerk van de wetenschap is telkenmale op eigen stellingen terug te komen. Maar die stellingen zijn op een gegeven moment te bewijzen en dus ook op anderen over te brengen, terwijl we het met de filosofie hoogstens EENS kunnen zijn. In dit laatste geval LIJKT alles VOOR ONS bewezen, zoals 1 + 1 = 2 bewezen is, maar in feite hebben wij slechts HETZELFDE GEZIEN.
De filosofie is sinds KANT wetenschappelijk geworden; de moderne filosofie rekent met bepaalde grootheden en vat een juiste berekening als een BEWIJS op, welk bewijs dan weer door anderen overgenomen wordt. Maar deze wetenschappelijke filosofie vraagt zich nooit af waarover het eigenlijk gaat en gaat dus nooit terug, tot het zien, zodat het een -  vaak dwaas - geredeneer zonder wijsheid is. En, ondanks gedegen WETENSCHAPPELIJKE bewijsvoering, spreekt de moderne filosofie niet de waarheid maar een fabeltje, net zo wezenloos als indertijd dat van de kerkelijke “denkers”. Dit gebeurt dus niet met opzet, maar dit komt automatisch mee met een filosofie die wetenschappelijk is.

Het opheffen van de afstand
Wij spraken de vorige week over het zich VERKLEINEN van de afstand; hierover is echter nog wel iets op te merken.
Zolang de mens niets kan zien staat HET ANDERE, dus iets anders, op ONEINDIGE AFSTAND van hem. Zodra men iets ken zien is de afstand BEPAALD; hij is dus kleiner geworden, want člke afstand, hoe groot desnoods ook, is kleiner dan ONEINDIG. Overigens doet de wčrkelijke afstand er in dit geval niets toe, juist omdŕt hij als alternatief het ONEINDIGE heeft. Iets of iemand kan vlak bij ons zijn, terwijl de AFSTAND enorm groot is. Dat weet iedereen uit de praktijk van het leven. De planeet VENUS staat zeer ver van ons af, maar straks is zij ons toch ZEER NABIJ, zodra wij er allerlei van weten en, via de fotografie, van gezien hebben.
Het verkleinen van de afstand is een INTELLECTUEEL proces; het steunt namelijk op de BEWEEGLIJKHEID, die de mens als HERSENS is. Die beweeglijkheid betekent namelijk BEWEGING ten opzichte van iets ŕnders, en beweging houdt altijd het volgende in: ERGENS ZIJN, om DAAR onmiddellijk NIET te zijn. Het is dus een zich STELLEN ( bepaald zijn) en onmiddellijk een zich OPHEFFEN als gesteldheid.
Als je zegt: ik weet niets, dan stel je al het andere als een VREEMDHEID, en die vreemdheid is dus niet GESTELD; hij is niet BEPAALD. Het begrip afstand geldt hier voor ONEINDIG. Het DAAR NIET ZIJN is hetzelfde geval; ook hier Is de afstand ONEINDIG.

Van SOCRATES is bekend dat hij “niets wist”, en hij liep bij iedereen te informeren naar allerlei dingen die hij aan de weet wenste te komen. En dat waren dan dingen van filosofische aard. Zijn niet weten is duidelijk een stellen van de afstand op oneindig; hij zei dan ook dat het enige dat hij wist was dat hij niets wist.
Bij het leren KENNEN van de dingen blijkt het weten telkens weer uit te lopen in niet-weten, waarna het niet-weten uitloopt in weten en dat loopt weer uit in niet-weten, enzovoort. Het is een zich STELLEN, een zich OPHEFFEN (tot oneindig), een zich opnieuw STELLEN, enzovoort. Gegeven deze situatie moeten wij dus zeggen, dat het weten in de mens voortschrijdt en steeds groter wordt, maar als grondtoon altijd het niet-weten MOET hebben, willen wij ervan kunnen zeggen dat het wčrkelijk WETEN is. Want zó is de werkelijke situatie.
Het niet-weten is de grondtoon; menselijkerwijs gesproken is dit dus het enige belangrijke inzake het KENNEN. Want het houdt alle WETEN in. Maar niet alleen dat, het garandeert de mens zijn CONTACT MET DE WERKELIJKHEID omdat het van niets uitgaat dat GESTELD, en dus BEPAALD, is.

Elk weten blijkt niet-weten te zijn, en het oneindige houdt alle weten in; het op niet-weten stellen van alles wat we weten is de enige en werkelijke sleutel tot WIJSHEID. In de filosofie draait om deze sleutel ŕlles; het levert een telkens weer nieuw denken omtrent de werkelijkheid op zonder te steunen op enige bepaaldheid die er reeds was voordat het denken begon. Socrates nam van niemand een stalling als vaststaand aan en ook zijn eigen denkbeelden wierp hij overboord als er over een nieuw thema gedacht moest worden.

Houden wij het in ons denken op datgene dat bepaald is - door ons eigen weten of dat van anderen - dan komen wij terecht in WETENSCHAPPELIJK denken. In de wetenschap wordt gewerkt volgens de laatste gegevens, de laatste berekeningen en stellingen. Als een geleerde daarvan geen kennis heeft genomen, is zijn denken onherroepelijk OUDERWETS, en zijn denken waardeloos en niet te gebruiken. Het feit dat het wetenschappelijke weten telkens weer een niet-weten blijkt te zijn, wordt door de geleerde opgevangen door de vakliteratuur, die hij dan ook angstvallig bij houdt. Hij neemt dit niet-weten echter niet als de maat; hij zou dan trouwens niets tot stand brengen, en niemand zou op deze wereld kůnnen leven dus is het allemaal natuurlijk wčl IN ORDE. De wetenschap bepaalt zich tot het moment van GESTELD-ZIJN en werkt dat helemaal uit, totdat in die uitwerking de zaak ŕnders blijkt te zijn. En dan is dat andere het volgende gestelde moment dat uitgewerkt wordt.
De moderne filosofie werkt volgens dit wetenschappelijke systeem en daarom vertoont die filosofie geen WIJSHEID. De werkelijke filosoof kan, evenals de kunstenaar, alleen maar met het ONEINDIGE werken. Daarom is hij juist in deze moderne tijd een onbegrepene, want de cultuursfeer is wetenschappelijk in onze tijd. En voor ons ligt bij dat wetenschappelijke de waarheid en het bewijs overtuigt ons, maar in de wijsheid geldt het zien van het oneindige.

Dinsdag 14 oktober 1969

No. 53. (gescand, geplaatst en hersteld op 17 jan. 2009)

 
DE VROUW EN DE MAN

Naar aanleiding van een vraag inzake de twijfel
De wetenschapsman is een man van BEWIJZEN, van redeneringen en van vaststaande feiten; als iets niet vaststaat is het niet waar of wordt op zijn minst in twijfel getrokken. Wat wčl waar is, is aan alle kanten BEWEZEN. Hieromtrent is dan ook geen twijfel mogelijk, bij de wetenschapsmens.
Voor de westerse mens in het algemeen geldt ook dat hij niet twijfelt aan hetgeen naar zijn idee bewezen is en vaststaat. Maar juist deze mens, die alles voorgerekend moet hebben, is hčt voorbeeld van een TWIJFELAAR…! Want eigenlijk weet hij niets zeker; alles wat BUITEN ZIJN TERREIN valt is voor hem een grote ONZEKERHEID waaromtrent hij niets durft te zeggen. Op zijn GEVOEL waagt hij geen enkele uitspraak en altijd liggen de kaarten “naar zijn mening” zus of zo, ook als het over een terrein gaat waarop hij thuis is.
Het gaat samen: het zoeken van een BEWIJS voor de dingen en de volslagen twijfel en onzekerheid betreffende de gehele werkelijkheid voorzover die aan de exacte bewijsvoering ontsnapt. De werkelijkheid zelf is hem een twijfel, en dat niet bijwijze van intellectuele gesteldheid teneinde wetenschappelijk tot resultaten te komen, maar bijwijze van KARAKTER. Qua karakter, qua WEZEN, is de man een en al twijfel, en het is die twijfel die zich voor hem oplost als hij met BEWEZEN en VASTSTAANDE zaken te maken heeft. Hij is dus zčlf de twijfel, want hij heeft geen KIJK op de werkelijkheid.

De westerse mens bijvoorbeeld is er van overtuigd dat er moeite moet worden gedaan - desnoods door te bewapenen - om de VREDE te handhaven. Dat dit standpunt juist is wordt door geen enkele westerling aangevochten, en het is dan ook zonneklaar aan te tonen dat het handhaven van de vrede tot de PLICHT van de moderne mens behoort. Hoewel wij hier met een BEWEZEN zekerheid te doen hebben, is het toch niet overeenkomstig de werkelijkheid, want in feite laat de vrede zich niet handhaven. Wat wij HANDHAVEN is een bepaalde VORM van OORLOG, en die NOEMEN wij vrede. Het wezenlijke van deze twijfel zit dus hierin dat de WAARHEID, hoewel bewezen, tňch niet de waarheid is; en dit maakt van de mens een TWIJFELAAR. Maar hij weet zčlf hiervan niets, want wat hij weet zijn de bewezen waarheden.
Er zijn mensen die zich aan de bewezen waarheden niet zo erg veel gelegen laten liggen; zij gaan vanzelfsprekend af op hun eigen KIJK op die werkelijkheid en houden het op datgene dat zij voor zichzelf weten moeten. De opvattingen van deze mensen vinden in het algemeen geen weerklank omdat er niets bewezen wordt, maar vaak hebben zij het wčl bij het rechte eind. We hebben het nu natuurlijk niet over iemand die ZOMAAR wat zegt…!

Zo zien wij dat er twee mogelijkheden qua TWIJFEL zijn: enerzijds de bovenbeschreven mens, die een čchte twijfelaar is omdat hij onmiddellijk met lege handen staat als het bewijs hem ontvalt, en anderzijds de mens die met de twijfel der WIJSHEID behept is - maar dit is een geheel andere zaak.
De wetenschapsmens, en dus ook de westerse mens - wij spraken nu in algemeenheden - is IN HET LEVEN een SUKKELAAR; hij beweegt zich in het leven immers op een terrein waarvoor berekeningen en bewijzen NIET GELDEN, zodat hij geen enkele ZEKERHEID en geen enkel HOUVAST vindt en zich daardoor karakterloos en slap voordoet. Juist omdŕt hij alleen maar met zekerheden kan leven. Over het algemeen leeft de westerse mens op BEREKENINGEN; de zekerheden worden dagelijks voorgekauwd voor radio en televisie en iedereen neemt ze klakkeloos over zonder er ook maar een glimp van eigen denken aan toe te voegen. De argumentatie was dermate DWINGEND dat er voor de naar bewijzen snakkende westerse mens niet aan te ontkomen was. Tegenwoordig spreken we niet meer zoveel over het FATSOEN, maar ook deze norm was een berekende norm die voor vrijwel iedereen overtuigend bewezen was en die op de een of andere manier door de mensen doorgegeven werd. In de oudheid was er nog niet de REDELIJKE NORM van het FATSOEN; toen gold er voor de mensen een ZEDELIJKE NORM, maar betekent niet zonder meer dat er dan MENSELIJK veel goeds van te zeggen viel: in sommige culturen golden mensenoffers als hoogste eerbetoon aan de godheden, en de slavernij was algemeen aanvaard evenals het doden om onrecht te vergelden. Zo zijn er talloze voorbeelden te geven; er is geen enkele aanleiding de oudheid te verheerlijken, maar de normen waren ZEDELIJKE NORMEN, en dat betekent dat zij niet in een berekening maar in een BESEF geworteld waren.

De mensen voelden aan dat het zó of zó zat en op grond daarvan deden zij zoals ze deden. In het westen legde aanvankelijk en nog wel - de roomse kerk de berekening op tafel en later was het vooral de CALVINISTISCHE LEER die de mensen tot FATSOEN aanzette. Ook de burgerlijke zekerheden van de middenstand spelen een belangrijke rol.
De SEXUALITEIT bijvoorbeeld is zeer lang in het keurslijf van het fatsoen geperst en eerst de laatste tijd komt de zaak vrij. Nu echter komt er geen sexualiteit voor de dag, maar zonneklaar .vertoont zich het feit dat de mensen hun ZEKERHEDEN kwijt zijn geraakt. En daardoor niet weten wat te doen en wat te laten Dit levert een slap en karakterloos gedoe op, dat IN ZICHZELF geen zekerheid heeft en het bij WAT ANDERS niet kan vinden. Op het stuk van de moderne kleding blijkt het hier gezegde ook duidelijk: vooral de kleding voor mannen is VERWIJFD en karakterloos, nu de vaststaande normen vervallen zijn.
Dit alles halen wij aan niet om te laten zien dat er eigenlijk maar wčl normen moesten zijn, doch om te laten zien dat de westerse mens zomaar vanuit ZICHZELF geen zekerheid heeft.

De twijfel echter die de grondtoon der WIJSHEID is, is een geheel andere zaak; hier gaat het erom dat de afstand zich alsmaar opheft tot ONEINDIG en van daaruit blijvend voor de mens de vraag oproept: HOE ZIT HET NOU EIGENLIJK?
De consequentie van deze vraag is dat de mens WEET hoe het zit; het is voor hem een ROTSVAST WETEN, welk weten OP ZICHZELF aan geen twijfel onderhevig is, terwijl het toch nimmer om een BEWIJS vraagt. Het bewijs bevestigt het MOMENT, dat de afstand BEPAALD is, maar in de wijsheid is er altijd het ONEINDIGE.
In de wijsheid is RUIMTE want de vraag hoe het zit is het wezenlijke. Bij een wijs mens kan men terecht ook al is er voorlopig niets te verklaren. Maar bij de wetenschap kan men nooit terecht want de wetenschap is altijd ENG omdat het om het BEPAALDE en dus het BEGRENSDE gaat. Thema’s als de overbevolking van de wereld en de verantwoordelijkheid voor de ontwikkelingslanden en de opvoeding van de mensen tot behoorlijke mensen zijn voor de wetenschap gewichtige zaken, terwijl het voor de wijsheid niets anders dan louter DWAASHEDEN zijn.
Zonder de RUIMTE kan een mens niet leven; hij kan dan niet voortgaan omdat er geen mogelijkheid tot de volgende stap is. De fatsoenlijke mens zit evenals de wetenschappelijke mens in de ENGHEID en hij kan geen kant op en elke kant die hij eventueel op wil komt hem vreemd en vijandig voor. De GEBAANDE WEGEN zijn de veilige wegen voor de wetenschappelijk aangelegde mens. Slechts enkelen hebben wel de ruimte aan zich, maar ook dit kan beperkt zijn, d.w.z. het kan een bepaalde RICHTING uitgaan en in die richting ruim zijn. Dat is bijvoorbeeld bij grote zakenlieden het geval, bij mensen die vanuit niets grote concerns opgebouwd hebben.

Het kan de WIJZE MENS eigenlijk niets schelen HOE HET IS; hij vraagt wel hoe het nu eigenlijk zit, maar die vraag is OP ZICHZELF reeds een antwoord. HOE HET IS is in de grond van de zaak een BEPAALDHEID, en die bepaaldheid als zodanig is niet van belang voor de wijze mens. Als hij bij gelegenheid een ANTWOORD moet geven STELT hij die bepaaldheid, maar voor zichzelf is de zaak toch oneindig gebleven. Als de mens een antwoord MOET vinden kan hij dat alleen maar langs deze weg dat hij de FOUTEN eruit haalt. Dan houdt hij tenslotte een denkconstructie over die zonder fouten is - maar dan is de zaak eerst recht FOUT want een antwoord zonder fouten behoeft geen GOED antwoord te zijn!
Het kernpunt is dit, dat het elimineren van FOUTEN betekent dat men zich met de FOUTEN bezig houdt totdat men iets heeft overgehouden waarin geen fouten meer zitten. Evenwel zitten er ALTIJD fouten in omdat de werkelijkheid nu eenmaal geen eenzijdige GESTELDHEID is. En hiermede is ook het foutloze fout.
Als voorbeeld dit: een kunstwerk kan geheel foutloos zijn uitgevoerd, maar dan behoeft het nog geen SCHOONHEID te zijn. En anderzijds is er geen schoon kunstwerk dat zonder fouten is, maar de aanwezigheid van de fouten tast de waarheid van het kunstwerk niet aan. Zo ook in de WIJSHEID: ook al zitten er natuurlijk fouten in, dan nog is de zaak wel wáár. Maar in de wetenschap worden de fouten geëlimineerd en dan nog is de zaak NIET WAAR. Als de filosofie volgens deze methode werkt geldt hetzelfde en er wordt dan geen waarheid gesproken. Maar in feite geeft de filosofie een gedetailleerd BEELD van de werkelijkheid, en de FOUTEN zijn de VERTEKENINGEN, omdat het beeld altijd min of meer WAZIG is. Maar ondanks die wazigheid is het verhaal degelijk WAAR. Zo moeten wij het verstaan als wij zeggen dat de wijze mens zich niet om het HOE IS HET bekommert en dat ook de fouten hem niet deren.

Dinsdag. 21 oktober 1969

No. 54. (gescand, geplaatst en hersteld op 17 jan. 2009)

 
DE VROUW EN DE MAN

De helderheid binnen het verschijnsel
Omdat de mens het LAATSTE VERSCHIJNSEL is, is de gehele aan hem voorafgaande werkelijkheid zijn INHOUD; hij houdt als LAATSTE VOLGENDE al het voorgaande in. Dit feit komt voor de dag in de VERHELDERING waarover wij de laatste weken uitvoerig gesproken hebben. Het VERKLEINEN VAN DE AFSTAND is als het ware het wčrkelijk in zich opnemen van de werkelijkheid; de werkelijkheid als HET GEWORDENE, wel te verstaan.
De helderheid echter, op zichzelf gedacht, is géén INHOUD van de mens, want het is een situatie, die VOORBIJ člk verschijnsel ligt. De helderheid OP ZICHZELF is dus eigenlijk het čchte “laatst gewordene”.
We hebben dus nu met deze situatie te doen: de gehele werkelijkheid is INHOUD van de mens, en de mens is op zijn beurt ook weer inhoud van iets. Maar dat iets waarvan de mens inhoud is BESTAAT NIET, want de helderheid op zichzelf bestaat niet.
De mens loopt uit in een niet bestaande zaak, namelijk in de helderheid; deze gedachte is de gangbare gedachte. Het is dezelfde gedachte als die waarin gesteld wordt dat de mens in god uitloopt. Vele mensen geloven niet meer in god, en dus vinden ze niet dat de mens in god uitloopt, maar of we dat laatste geval nu al of niet “god” noemen, doet niet terzake, dus het al of niet in god geloven doet niet terzake; waarom het gaat is dit, dat de gedachte van het “ergens in uitlopen” niet deugt. Als wij denken dat een zaak ergens in uitloopt, dan denken wij een instantie, die verder reikt dan de zaak waarover het gaat. Als de mens denkt dat hij ergens in UITLOOPT, dan denkt hij iets boven zich, iets waar naartoe hij op weg is, en dit denken is een GELOVIG DENKEN, en het wordt de mens ingegeven omdat hij nog ONVOLWASSEN is.
Evenwel kan het gelovige denken geen stand houden, want ER IS NIETS DAT VOORBIJ DE MENS REIKT, zodat de mens ook niet op weg is naar iets toe: hij loopt nergens in uit. Hij bereikt de GRENS VAN HET ONBESTAANBARE - gewoon omdat hij de LAATSTE is - en verder is er niets aan de hand.
Toch geldt er voor de mens zoiets als VERHELDERING want hij is in principe HELDER, en deze helderheid speelt een alles beheersende rol in het leven van de mens, zó zelfs dat hij eigenlijk afwijkt van ŕl het GEWORDENE, Hij is daarvan de ONTKENNING, zoals wij al eerder gezien hebben, De vraag is dus nu hoe het nu eigenlijk zit met die helderheid, want op zichzelf bestaat de helderheid niet en dus kan zij op de mens ALS GRENSGEVAL geen invloed uitoefenen.

Om een antwoord te vinden op deze vraag moeten wij even teruggaan naar de enkelvoudigheden en ons herinneren hoe daarvan de situatie was.
Het samengaan van de beweeglijkheid van de enkelvoudigheden, welk samengaan dan tenslotte VOLLEDIG zou zijn, is aan verhouding, die IN het verschijnsel aanwezig is. In het organische verschijnsel is dat samengaan zelfs dominerend, zonder overigens veel meer uit te richten dan het “in zichzelf beweeglijk” doen zijn van het verschijnsel. Het samengaan van de beweeglijkheid van de enkelvoudigheden ligt IN het verschijnsel, en dat is bij de mens natuurlijk ook het geval. Omdat de mens het GRENSGEVAL is, is zijn innerlijke beweeglijkheid natuurlijk ook aan zijn grens gekomen. Dan grenst die innerlijke beweeglijkheid aan zichzelf als een volledig samengaande innerlijke beweeglijkheid, maar het is en blijft een INNERLIJKE zaak. Dit is een heel belangrijk punt !
Als de helderheid wčrkelijk zelf bestond en de mens was het grensgeval tussen de dofheid (het verschijnsel) en die helderheid, dan zou de mens NIET HELDER KUNNEN ZIJN. Hij was dan gewoon die grens en hij was dus enerzijds DOF en anderzijds HELDER. Hij was dan TWEESLACHTIG. Hij was dat geval dat helder is en niet helder kŕn zijn en tevens dat geval dat dof is en niet dof kan zijn.

Dit is nu precies het kernpunt van het hierboven vermelde GELOVIGE DENKEN; het is de oude gedachte: de mens is god, maar hij kan god niet zijn en ook is hij een verschijnsel, maar dat kan hij ook niet zijn.
Wij herinneren ons het verhaal van ICARUS, die boven de mens verheven was maar dat was hij niet, en hij viel in zee, en hij was gewoon een verschijnsel, maar dat was hij niet en daarom wilde hij vliegen. We hebben te doen met de mens die zichzelf als behorende tot twee werkelijkheden denkt, en bij geen van beide werkelijkheden kan hij aarden

Dit niet kunnen aarden is natuurlijk een kwestie van ZELFBEWUSTZIJN; die mens is volgens zijn eigen zelfbewustzijn een onmogelijk geval. In werkelijkheid is hij dit uiteraard niet; in werkelijkheid ligt ŕlles goed met de mens - dat was vroeger zo en dat is nu zo en dat blijft zo.
Als de mens dus ZICHZELF KENT is hij die tweeslachtige gedachte vergeten; hij is en blijft wel het genoemde GRENSGEVAL en er blijft wel aan te bedenken dat hij tot twee werkelijkheden behoort waarvan de éne werkelijkheid niet bestaat, maar dit heeft niets met het LEVEN te maken omdat het slechts een BEDENKSEL, een GEDACHTE is.

Het zijn altijd de DWEPERS, die een gedachte najagen. De mens die zichzelf alsmaar als dat onmogelijke geval benadrukt is ook een DWEPER. En ICARUS was een dweper en de verkondigers van het christelijke geloof ook. Maar ook de mensen die in hun FILOSOFIE het dubbele aanhouden en bijvoorbeeld, zoals de BOLLANDISTEN, met een begrip als DE ZUIVERE REDE komen.
De mens heeft de helderheid als een INNERLIJKE ZAAK in zich: het is het samengaan van de beweeglijkheid van de enkelvoudigheden. De mens is geheel DOORTROKKEN van zichzelf als helderheid, en dat niet, zoals nu hopelijk duidelijk is geworden, omdat de mens GRENST aan het onmogelijke laatste station, maar omdat nu eenmaal člk verschijnsel een zekere mate van SAMENGAAN in zichzelf is - hetgeen bij de mens tot de allerlaatste mogelijkheid geworden is.
Als nu de mens geheel doortrokken is van helderheid, dan moeten wij de vraag stellen: wat heeft hij er dan nog mee te maken, wat kan hij ten opzichte van deze zaak dan nog BEDOELEN? Wat heeft de mens dan nog aan zichzelf te “sleutelen” en wat moet hij zichzelf naar iets anders toesturen?
Wij wijzen in dit verband erop dat het het algemene denken van onze tijd is dat er OPGEVOED mňet worden om de mensen in staat te stellen in een goed geordende samenleving te kunnen leven. Deze gedachte komen wij op alle terreinen van het moderne leven tegen.
Maar wij stellen de vraag wat er te sleutelen valt als de mens de helderheid door en door IS. Om ergens aan te kunnen werken moet iets BUITEN ons staan; om ergens terecht te kunnen komen moet er iets zijn dat VERDER is dan wij zijn. Met andere woorden: er moet een OBJECTIEF GEGEVEN zijn. Maar de helderheid, die INNERLIJK voor de mens geldt, is niet iets OBJECTIEFS. De mens is dat zčlf en hij kŕn er geen AFSTAND van nemen om er iets aan te doen of om er naar op weg te gaan.

En als de mens dat niet kan, dan kan hij voor zichzelf ook geen NORM opstellen, ook niet als hij die norm - op grond van desnoods voortreffelijk denkwerk met de term ZUIVERE REDE benoemt. De HEGELIANEN en de BOLLANDISTEN hebben wel volgehouden dat hun zuivere rede geen norm was, maar er is geen ŕndere mogelijkheid dan dat het wčl een norm is. En dat dit zo is blijkt duidelijk uit het feit dat zij staande hielden dat de mens “niets met zijn zinnigheden op moest hebben”. Want op de een of andere manier heeft de mens de PLICHT -  aldus genoemde ISTEN -  zich te gedragen overeenkomstig de helderheid waarin hij “uitloopt”. Denken over de helderheid kan niet anders dan een NORM opleveren, en hoe er ook over HET GEHEEL geroepen wordt, het is toch het DUBBELE dat als wezenlijk aan de mens gezien wordt. Dat dit dubbele desnoods niet LOS VAN ELKAAR gezien wordt doet aan de zaak niets toe of ŕf.
De mens doet alleen maar waar hij ZIN in heeft; hij doet alleen maar wat zo vanzčlf in hem opkomt. En dat doet hij ook als hij van zichzelf vindt dat hij bijvoorbeeld CHRISTELIJK leeft of leeft volgens de ZUIVERE REDE. Altijd trekt het hem bepaalde dingen te doen of te laten en uiteindelijk houdt geen enkele redenering of norm hem daarvan af. Niemand leeft naar een norm en een ieder leeft zoals hij aanvoelt dat hij moet leven. Vaak kan de mens uitvoerige verhalen vertellen over zijn eigen gedrag en alles nauwkeurig uitleggen, maar dan nog leeft hij VANZELF. Het hele leven gaat VANZELF ook al lijkt het in de praktijk een aaneenschakeling van beslommeringen en zorgen. Voor het leven behoeft de mens geen hand uit te steken, al is hij de hele dag nijver aan het werk. En altijd is het leven doorlicht van helderheid en het geeft niet wat de mens bij gelegenheid doet. Ook de SCHOFTENSTREKEN zijn doorlicht van helderheid en altijd gaat het vanzelf.

In verband hiermee is de vraag te stellen of ALLES GEOORLOOFD is. Deze vraag is meerdere malen door DOSTOJEWSKI aan de orde gesteld, maar bij hem wordt het antwoord niet duidelijk. Wij zullen ons daarom de volgende keer over dit onderwerp nader beraden.

Dinsdag, 28 oktober 1969

No. 55. (gescand, geplaatst en hersteld op 17 jan. 2009)


DE VROUW EN DE MAN

De objectiviteit van de helderheid
Wij spraken er de vorige keer reeds over, dat de helderheid voor de mens nimmer iets OBJECTIEFS kan zijn, omdat de mens IN ZICHZELF die helderheid is.
Bovendien hebben wij er op gewezen dat de mensen bijna altijd toch een zekere objectiviteit aan de helderheid bedenken, met als onmiddellijk en onafwendbaar gevolg dat er een NORM ontstaat. Wij hebben het laten gelden van een norm als menselijke ONVOLWASSENHEID aangemerkt.
Als wij nu evenwel zeggen dat objectiviteit ten aanzien van de helderheid onmogelijk is, omdat deze IN de mens ligt, dan lopen wij toch weer het gevaar tot een misvatting te komen. Want er is zoveel IN de mens, dat wel degelijk OBJECTIEF genoemd moet worden. Alle ORGANEN in de mens zijn objectiviteiten : de mens kan besluiten aandacht aan zijn MAAG te besteden omdat die bijvoorbeeld zwak is; hij kan iets aan zijn blindedarm laten doen of iets dergelijks. Hij kan zich dus distantiëren van alles wat binnen hem is en ten opzichte van dat alles op een bepaalde wijze handelen.
Ten opzichte van de helderheid evenwel kan dit niet; de zaak is voor hem wel INNERLIJK, maar niet BEPAALD, niet af te zonderen. Alles wat de mens is, is de helderheid.

De mens heeft ergens zin in
De mensen doen datgene waarin ze ZIN hebben. Dit hebben wij de vorige keer reeds gezegd. Maar het begrip ZIN heeft voor onze cultuur, en ook voor het westerse DENKEN voorzover dit boven de westerse cultuur uitgaat en dus tot filosofie geworden is, een ONGUNSTIGE klank. “Je kunt wel in zoveel ZIN hebben”, wordt er dan gezegd met een overtuiging alsof het een argument was! Maar het is geen argument want HET BLIJKT dat de mensen - terecht - niet in zoveel zin hebben. De mensen leven gewoon hun leven, en de enkelen die in iets ŕfwijkends ZIN hebben doen dit toch wel. Gemiddeld leven de mensen allemaal eender en ze doen allemaal hun eigen zin en niemand heeft zin in iets geks. Het genoemde argument is dus geen argument.
Eveneens heeft het begrip SUBJECTIEF een ongunstige klank in onze cultuur, en ook de argumenten die voor deze ongunstige beoordeling pleiten zijn gewoonlijk geen argumenten. Want we zijn tňch subjectief want in alles wat we doen en laten zijn we het zčlf. Ook als we vinden dat we er zčlf niet in betrokken mogen zijn - het stokpaardje van de wetenschap! - zijn we er zelf in betrokken. Er is dus niets wčrkelijk OBJECTIEF.

Er zit wel een kant in de zaak dat de westerse mens de subjectiviteit van zichzelf terecht afwijst. Dat is namelijk dit aspect dat het de westerling erom te doen is ZICHZELF ŕf te zonderen van de anderen, zodat niet zijn KIJK van gewicht is, maar het feit dat het ZIJN kijk op de zaak is. Hij zet er dus onmiddellijk zijn HANDTEKENING onder. Hoewel de westerse mens dat op grond van zijn cultuur niet kan laten, heeft hij er toch gelijk in als hij aan dergelijke gesteldheid eigenlijk AFWIJST. Hij zegt dan dat hij de SUBJECTIVITEIT afwijst, maar die is niet af te wijzen. In feite reageert hij op het NAAR ZICHZELF TOE REKENEN van de mens. Hetzelfde geldt voorzover de westerse mens aan het begrip ZIN HEBBEN ook het naar zichzelf toe rekenen verbindt.
Voor de westerling is het naar zichzelf toe rekenen verkeerd; evenwel komt hij niet op het idee het hele gereken maar achterwege te laten…. hij vindt integendeel dat het de mens siert om NAAR DE ANDER TOE te rekenen. De ONZIN van deze gedachte heeft hij voorlopig nog niet in de gaten.

HEGEL heeft er in één van zijn werken op gewezen dat de daden van alle grote mannen uit de geschiedenis voortgekomen zijn uit LEIDENSCHAFTEN, uit HARTSTOCHTEN dus. Op die hartstochten hebben die mensen zich laten drijven en zonder enige notie van het waarom der dingen hebben zij gedaan wat zij deden. Dat is - aldus HEGEL - een typisch trekje van de grote mannen. Maar onze goede HEGEL zag in zijn ZUIVERE REDE óók een NORM en důs vond hij dat de mens pas werkelijk MENS was als hij tenslotte naar dit zuivere rede lééfde. En daarom zag hij over het hoofd dat ALLE mensen volgens hun Leidenschaften leven en dat de grote mannen QUA INZICHT in de werkelijkheid iets bijzonders hebben, maar niet QUA DOEN.

In feite weet niemand wat hij loopt te doen, want niemand kan op enige afstand gaan staan en de zaak gaan bekijken als gold het een OBJECT.

Als wij dit aldus formuleren kunnen wij gemakkelijk de indruk wekken dat de mens op de een of andere manier te SUF is om zijn eigen gedoe in de gaten te hebben. Wij zouden ons het Griekse KEN UZELF in de herinnering kunnen roepen en constateren dat het met de mens důs niet veel zaaks is. Maar als wij de zaak zó bekijken doen wij het verkeerd. Het ZICHZELF KENNEN slaat op een geheel andere verhouding in de mens. Wij zullen hierop nog terugkomen. In ieder geval is de mens niet te SUF om kijk te hebben op zijn eigen gedoe; eerder is het suf van de tegenwoordige mens om nog steeds van zichzelf te verlangen eigen gedrag te kunnen VERKLAREN…!

De mens kan de MOTOR van waaruit hij leeft niet onder het objectief van de microscoop leggen. Dat kan nu niet en dat kan nooit.
Deze gedachte nu is een gedachte die VOLKOMEN IN STRIJD is met de GANGBARE opvattingen van het leven. En het is belangrijk dat men zich hiervan terdege bewust is. Want dan ziet men in dat men tegenwoordig leeft in een wereld vol van mensen die zich maar wat VERBEELDEN. Zij verbeelden zich vanuit iets te leven namelijk vanuit eigen intellect en dus betreft hun verbeelding HENZELF.
Vroeger verbeeldde de mens zich iets omtrent zijn POSITIE in de werkelijkheid en dan vond hij zichzelf - omdat hij maar aanrommelde - een ellendig geval dat voor niets goeds deugde. Toen was hij nog in zoverre goed aangesloten dat hij in de gaten had dat hij ZONDER REDE leefde. Thans denkt de mens REDELIJK te leven en nu verbeeldt hij zich maar wat. Hij verbeeldt zich dat hij op de goede weg is en hij snelt zijn ONDERGANG tegemoet en er is niemand die EEN ANDER GELUID laat horen. Wij horen hoogstens een ANDER STANDPUNT verdedigen, maar iemand die zijn lotgenoten terugwijst naar de mens zčlf is er niet meer. De tegenwoordige mens is ZEKER van zichzelf voorzover hij INTELLECTUEEL bezig is; de zaak is bewezen en nagerekend en er is geen vergissing mogelijk. Het ŕndere geluid is niet meer mogelijk, omdat het intellect niets naast zich kŕn verdragen.

Vroeger, bijvoorbeeld bij de ondergang van de ROMEINSE WERELD, waren er mensen die wčl een ANDER GELUID lieten horen. Dat liep uit in het CHRISTENDOM, dat in die dagen in elk geval nog de mogelijkheid tot VERLOSSING open liet. En bij de ondergang van de ANTIEKE WERELD was daar het EVANGELIE, door de Gnostici bekend gemaakt, en dat evangelie wees duidelijk de mens naar ZICHZELF terug. Christendom en Evangelie waren geen ŕndere STANDPUNTEN inzake de wereldbeschouwing; het waren gans ŕndere zaken die alle standpunten links lieten liggen. En zij kregen bij veel mensen gehoor, want de alsnog niet intellectuele mens is op zichzelf terug te wijzen. Thans krijgt niets menselijks gehoor….
De tegenwoordige mens VERBEELDT zich maar wat.

Is alles geoorloofd..?
Als wij ervan uitgaan dat de mens doet waarin hij zin heeft en wij vragen dan of mogelijk ALLES GEOORLOOFD is, dan stellen wij een vraag die niet te beantwoorden is.
Wij zien onmiddellijk in DAT NIET ALLES KAN: iemand doodschieten gáát niet en kinderen ontvoeren gáát niet en “ja” zeggen en “nee” bedoelen gaat ook niet - en zo zijn er nog veel meer dingen die niet gaan. We DOEN die dingen wel, en zelfs tamelijk vaak, maar zij GAAN niet.
Doch is nu alles GEOORLOOFD of niet? Om in deze materie klaarheid te krijgen moeten wij ons realiseren WAT wij vragen. Het woord “geoorloofd’ vooronderstelt een instantie - al of niet BUITEN of BOVEN of IN onszelf - die over ons GEZAG uitoefent. Wij vragen dus of wij TOESTEMMING hebben om alles te doen wat in ons opkomt. Maar als wij dat vragen ONTKENNEN wij het feit dat de mens INNERLIJKE HELDERHEID is. Erkennen wij echter dat feit, dan kunnen wij nimmer vragen of iets of alles geoorloofd is.
Wij kunnen ons dan alleen afvragen wat het betekent dat de mens doet waarin hij ZIN heeft, en of vanuit dit gegeven ALLES KAN. Dat de mens alles DOET is zo langzamerhand een bekend feit; er is geen griezeligheid te bedenken of de mens heeft het bij gelegenheid gedaan. Maar wat de mens al of niet DOET is ook niet de vraag. Maar de vraag of alles kŕn is wel een vraag en die vraag is zowel ALGEMEEN als PERSOONLIJK, en het antwoord op die vraag ligt besloten in de INNERLIJKE HELDERHEID. Wij moeten er achter zien te komen hoe de verhoudingen in de helderheid liggen wat betreft het gedrag van de mens. Terwijl de mens dus doet waarin hij ZIN heeft vragen wij ons af wat hij DOET en LAAT vanuit de helderheid, zonder dat die helderheid hem iets VOORSCHRIJFT. Hij doet en LAAT het geheel VANZELF.

Dinsdag, 4 november 1969

No. 56. (gescand, geplaatst en hersteld op 18 jan. 2009)

 
DE VROUW EN DE MAN

Misdaad, hoe zit dat..?-zie nrs. 56, 57 en 58 +72 en 81 ;

Over het doen en laten
Wij hebben gezegd dat de drijfveer voor het doen en laten van de mens is gelegen in het ZIN HEBBEN. Ook spraken wij over de ongunstige klank die dit begrip, tendele terecht, heeft in de westerse cultuur. Het woord ZIN HEBBEN kunnen wij het beste vertalen door te zeggen DAT HET LEVEN VANZELF GAAT, ook al geeft ons GESAPPEL wel eens een ŕndere indruk.
Als nu het leven vanzelf gaat is er niet te vragen of nu wel alles GEOORLOOFD is, maar wčl is te vragen KAN NU MAAR ALLES, en deze vraag stelt de mens zichzelf wel degelijk. Dit blijkt o.a. uit het feit dat elke mens het duidelijke besef heeft allerlei dingen TE LATEN. Deze dingen kunnen dus voor zijn idee niet, maar hij WEET wčl van die dingen, anders zou hij niet kunnen weten dat hij ze achterwege liet.
In de mens liggen ŕlle denkbaarheden vercalculeerd omdat de mens elke mogelijke verhouding in de werkelijkheid zčlf is. Er is dus werkelijk niets dat hem vreemd is. Zo is bijvoorbeeld de verhouding LUSTMOORD aan geen enkel mens vreemd, maar bij verreweg de meeste mensen komt die verhouding niet in een situatie zodat het wčrkelijk een lustmoord wordt. Eigenlijk moeten wij het anders zeggen: een bepaalde verhouding, die uiteraard in elk mens vercalculeerd is, komt in sommige mensen in een situatie die wij de lustmoord noemen. Zo komt er ook in een aantal mensen een verhouding in een situatie dat wij van SADISME gaan spreken, en van MASOCHISME, enzovoort. Te zeggen dat in elk mens een sadist of een masochist of een lustmoordenaar schuilt is dus niet goed. Die GRONDVERHOUDING is er wel, maar de zaak komt niet naar voren en pas als dat wčl het geval is, dŕn spreken wij van sadisme enz. Als de zaak tot iets PATHOLOGISCH geworden is, is het natuurlijk geheel iets ŕnders geworden dan het aanvankelijk als louter VERHOUDING was. Als louter verhouding is er niets negatiefs van te zeggen, als DOORGESLAGEN VERHOUDING echter wčl.
De mens kan zich verplaatsen in een ander bij wie een bepaalde verhouding doorgeslagen is. Van daaruit kunnen we het eventueel BEGRIJPEN en kunnen mensen, die daarin thuis zijn, proberen anderen te genezen. Het is duidelijk dat dit GENEZEN - zo het al in principe mogelijk is - alleen dŕn enige kans van slagen heeft als de geneesheer zich tenvolle bewust is van de GRONDVERHOUDING. En deze grondverhouding is alleen te leren kennen als we de mčns kennen zoals hij werkelijk is. Dat hieraan vandaag de dag nog wel iets ontbreekt vanwege de analytische gesteldheid van de westerse mens, is duidelijk.

Wat zijn nu eigenlijk de dingen, die een mens achterwege laat, en die hij, in het algemeen gesproken, ook maar te laten hééft. Wij spraken over verhoudingen, die DOORSLAAN. Dit zijn verhoudingen die uit het geheel van de verhoudingen, dat de mens is, naar voren komen als maatgevend, als dwingend. Alsof het alleen daarom maar ging en alsof al het andere ondergeschikt was.
Indertijd spraken wij over het menselijk LICHAAM en wij stelden toen vast dat men niet BEMERKT dat men een lichaam heeft, behŕlve als er iets fout is in het lichaam. Als wij ZIEK zijn dringt een bepaald orgaan zich op en dan bemerken wij wčl dat wij een LICHAAM zijn. Want de zaak ligt uit zijn verband. Alle vanzelfheid is verdwenen.

Zo is het nu ook met de mens intellectueel; de vanzelfheid van het leven verdwijnt als er zich één of meer van de eindeloos vele verhoudingen op dringt en aldus maatgevend wordt. De mens bij wie dit het geval is, is ZIEK. En de verhouding die doorslaat heeft voor de mens DADEN tot gevolg, die hij te LATEN heeft omdat ze niet uit de vanzelfheid van het leven voortspruiten. Dit zijn dus dingen die NIET KUNNEN, maar dit wil natuurlijk niet zeggen dat ze daarom niet GEDAAN worden. Degene in wie zich een verhouding opdringt is ONDERWORPEN aan die verhouding, die verhouding OVERHEERST hem, en daarom kan hij het niet laten ernaar te handelen. Maar hij wéét wel dat het eigenlijk niet kŕn. Elke misdadiger bijvoorbeeld heeft “ergens” het besef dat zijn daad niet deugt, maar hij kan aan de drang om die daad te plegen geen weerstand bieden. Bij de LUSTMOORD bijvoorbeeld dringt zich deze verhouding op dat je als MAN in de vrouw wil zijn en dat je haar daartoe moet VERSCHEUREN, hetgeen natuurlijk de DOOD betekent. Deze verhouding OP ZICHZELF is inderdaad werkelijkheid. Inderdaad wordt het vrouwelijke door het mannelijke GEOPEND; het mannelijke VERSCHEURT het vrouwelijke.

En dit is iets wezenlijks, vandaar dat in primitieve tijden aan de ONTMAAGDING zo’n betekenis werd toegekend. De man is als de PLOEG, die moeder aarde openrijt zodat zij VRUCHT kan gaan dragen van het zaad dat hij - de man - erin werpt. Tot op de dag van vandaag voelen wij restanten van dit besef als ook wij - nog steeds - aan de ontmaagding een zekere mystieke waarde toekennen. Men denke in dit verband ook aan het huwelijk en het ritueel van de huwelijksnacht.
Deze verhouding nu kan BEZIT van iemand nemen; het maakt hem ZIEK en hij kan daaraan niet ontkomen en zo kort het tot de DAAD. Die daad is een MISDAAD, zowel voor degene die het doet als voor de andere mensen. Dus zowel PERSOONLIJK als ALGEMEEN. Het feit dat het komen tot zo’n daad een ZIEKTEGEVAL is, doet natuurlijk aan de misdadigheid niets af. In ons westerse denken zijn wij zo langzamerhand zover gekomen dat wij de misdaad inderdaad als een ziektegeval zijn gaan zien, maar nu is ons denken weer zó primitief, dat wij dit ziek zijn als EXCUUS gaan aanvoeren. Maar dit is nooit een excuus, het kan hoogstens een RICHTLIJN zijn voor de behandeling van een dergelijke zieke. Altijd speelt in de misdadigheid het BEHEERST ZIJN door iets een rol; de mens pleegt zijn misdaad eigenlijk ONDANKS ZICHZELF.

Behalve deze misdadigheid, die als zodanig natuurlijk duidelijk voor een ieder te herkennen is, mede doordat ook het RECHT het strafbaar heeft gesteld, is er nňg een misdadigheid die over het algemeen niet zo opvalt omdat er meestal geen ŕnderen DIRECT worden aangetast. De beoordeling hiervan is dan ook meer een kwestie van INZICHT, want REGELS zijn er op dit punt niet.
Er zijn namelijk ook verhoudingen die, als zij doorslaan, niet direct tot MISDAAD komen, maar waarvan wčl te zeggen is DAT HET NIET KAN. Bij mensen die wij DWEPERS noemen is dat het geval. Zij denderen achter een bepaalde idee aan, die als idee vaak nog niet eens zo onsympathiek is, en proberen een ieder tot hun idee om te buigen en in hůn gareel te krijgen. Hoeveel MORELE en PSYCHISCHE misdaad is er op dit terrein al niet gepleegd; van ouders bijvoorbeeld ten aanzien van hun kinderen? Ook dit KAN NIET en dat blijkt uit het persoonlijke leven van die mensen: dat leven is moeizaam en vol met geboden en verboden en andere somberheden.
Maar, hoewel wij van de “dwepers” moeten zeggen dat ook zij met iets bezig zijn dat niet kŕn, is het toch wčl zo dat er een duidelijk verschil in gesteldheid, en dus ook in misdadigheid, is tussen dat van de echte misdadiger en dat van dwepers en dergelijke mensen.

De mens die GEZOND is laat alles wat niet KAN achterwege; wij zouden dus eventueel kunnen zeggen dat er een REM is inzake het doen en laten van de mens. En die rem is bij een gezond mens altijd ACTIEF omdat het naar voren willen springen van de één of andere bepaalde verhouding altijd aanwezig is. Alles wil namelijk naar voren springen. Het SAMENSTEL van de werkelijkheid, dat wij indertijd de verhouding tussen HET EEN EN HET ANDER genoemd hebben, is een samenstel van HOEKIGHEDEN. Een HOEK springt altijd uit, gevormd als hij wordt door de éne en de ŕndere lijn, en het hoekpunt is ENIG. Behalve dat ENE PUNT tčlt er verder geen enkel punt. Alle “hoekpunten” die met hun oneindige veelheid de mens vormen, hebben dus het UITSPRINGENDE aan zich en nooit verloochent zich dit karakter. Op grond hiervan zegt DE MENS voortdurend NEEN tegen zichzelf, maar dit is geen OPGAVE - het gaat geheel VANZELF. Want de HELDERHEID is precies HET ANDERE van de hoekigheid en het is vanuit die helderheid dat de mens VANZELF leeft. Zo wij dus van een REM willen spreken moeten wij wčl beseffen dat deze rem op geen enkele wijze door de mens BEWUST gehanteerd wordt. Soms lijkt dit wel zo, maar dat is in gevallen waarbij men werkelijk voor een KEUZE staat, en dat betreft altijd ZAKELIJKHEDEN.

Elk mens is een BEPAALD mens en dus springt elk mens er uit, vergeleken bij de andere mensen. De aanleg die iemand heeft springt er ook uit. Maar dit “eruit springen” geldt IN VERGELIJKING met ŕndere mensen. Wij echter spraken over DE MENS, en dus člk mens PERSOONLIJK en niet over de ŕndere mensen. Dus: iemand met een bijzondere aanleg, een kunstenaar bijv., valt wel op naast de andere mensen, maar IN HEMZELF is zijn aanleg niet iets dat eruit springt. Hij is als VANZELFSPREKEND kunstenaar. Een AANLEG in iemand is dus niet iets dat niet kan - zoals trouwens algemeen bekend is! Misdadigheid is echter GEEN AANLEG, het is een AFWIJKING.
Wij zullen de volgende keer nog moeten nagaan in hoeverre een AFWIJKING niet iets PERSOONLIJKS is.

Dinsdag, 11 november 1969

No. 57. (gescand, geplaatst en hersteld op 18 jan. 2009)


DE VROUW EN DE MAN

De uitspringende verhouding
De dingen die voor de mens NIET KUNNEN komen altijd voort uit verhoudingen die NAAR VOREN SPRINGEN. Deze verhoudingen nemen in het leven van de mens particulier, maar ook in het leven van de MENSHEID, een veel grotere plaats in dan wij op het eerste gezicht zouden denken.
Een BEPAALDE CULTUUR bijvoorbeeld is ook een uitspringende verhouding en ook hiervoor geldt dat het niet kŕn. Het is een bepaalde leidende gedachte, een IDEE, waaronder alle tot die cultuur behorende mensen vallen. Zo’n leidende gedachte verdwijnt na een zekere tijd; dan laat het NIET KUNNEN zich gelden en een nieuw niet kunnen komt voor de dag. Dit gaat door zolang de mens ONVOLWASSEN is. Tenslotte is hij echter volwassen geworden en dan staat hij niet meer onder een BEPAALDE cultuur. Als wij het begrip “cultuur’ willen handhaven moeten wij zeggen: de volwassen mens is ZICHZELF cultuur. Dit betekent niet dat alle mensen dan op dezelfde wijze voor de dag komen, want een ieder blijft zijn eigen ACCENT behouden. Dit accent evenwel is dan niet meer het maatgevende; het komt er gewoon aan mee.

De onvolwassen mens is de mens zoals hij niet behoort te zijn; hij is nog niet čcht de HELDERHEID die voor de mens geldt. En als hij dat niet is, dan kan hij niet anders dan HET BEPAALDE, en dus het UITSPRINGENDE, zijn. Dit geldt zowel voor de mensheid als voor de mens persoonlijk. De mens van een BEPAALDE cultuur leeft volop in de ONMOGELIJKHEID, hij streeft dingen na die met het leven niets te maken hebben maar die hun gewicht aan de cultuur ontlenen. Als er dan toch nog iemand is die LEEFT, dan is dat eigenlijk PER ONGELUK omdat het nu eenmaal zo liep en slechts uiterst zelden zien wij mensen die werkelijk leven vanuit de BEHEERSING, die voor de heldere mens geldt. Er is meestal heel weinig voor nodig om een leven dat GEZELLIG, d.w.z. HELDER, begon te doen uitlopen in een GANGBAAR, d.w.z. CULTUREEL, leven.
De mensen in een bepaalde cultuursfeer leven dus in de sfeer van het NIET KUNNEN, maar natuurlijk zijn die mensen niet MISDADIG. Maar dit zijn zij alleen maar niet omdat zij als mens nu eenmaal VANZELF al niet in een bepaalde cultuur OPGAAN. Overal en altijd waar dit wčl gebeurt wordt de zaak tot FANATISME en daar hebben wij wel degelijk met MISDADIGHEID te doen.

Voor de mens PERSOONLIJK ligt er een verschil, qua niet-kunnen, tussen misdadigheid en “culturele” onmogelijkheid. De vraag is nu waarin dit verschil gegrond is. Voorop stellen wij nogmaals vast dat het zich laten gelden van het niet-kunnen in de mens PERSOONLIJK plaats vindt. Maar in die zaak is wčl altijd DE ANDER betrokken. Want het UITSPRINGENDE is altijd een verhouding tussen HET EEN EN HET ANDER. De vraag wordt dus nu: HOE is in het éne en in het ŕndere geval DE ANDER erin betrokken?
De mens is een VERSCHIJNSEL; hij is een SAMENSTELLING. Maar omdat hij de LAATSTE samenstelling is, is hij ook HELDERHEID. Vanuit BEIDE aspecten kan zich in een mens een uitspringende verhouding opdringen. Vanuit het aspect SAMENSTELLING typeren wij die verhouding als de DOOD - namelijk het UITSLUITEN van de ander - en vanuit het aspect HELDERHEID typeren wij die verhouding als het begrip MACHT: het INSLUITEN van de ander.
Elke cultuur en elke idee heeft de behoefte andere mensen MEE TE NEMEN; zij MOETEN erin opgenomen worden. Zolang dat niet het geval is zijn die mensen niet TERECHT en dan wordt er niets nagelaten op die mensen wčl terecht te brengen. In directe zin worden die mensen niet AANGETAST, maar zij moeten wčl MEE. Het insluiten betekent dus het in zichzelf OPNEMEN van de ANDER, door een bepaalde cultuur of idee. Wij noemen dit hierom MACHT omdat die cultuur of idee de mensen aan zich ONDERWERPT. En voor die mensen zčlf is de zaak GEZAGHEBBEND.

In principe worden dus de mensen niet aangetast als het over het INSLUITEN gaat. Evenwel is ook deze zaak niet zňnder MISDAAD. Want aan de “randgebieden” zijn de culturen en ook de ideeën vaak zéér misdadig. Aan haar randgebied ontmoet de cultuur HET ANDERE, en dat andere laat zich niet opnemen, zodat er strijd ontstaat om de anderen de DWINGEN opgenomen te worden. Er is geen cultuur uit de geschiedenis aan te wijzen die niet deze misdadigheid met zich mee bracht en haar leden niet een besef van MACHT gaf ten opzichte van de te onderwerpen anderen.

De feitelijke misdadigheid tast de mens wel DIRECT aan. De zaak grondt zich in het feit dat niet TEGELIJK de EEN en de ANDER aanwezig kunnen zijn. De aanwezigheid van de EEN betekent onmiddellijk de ŕfwezigheid van de ANDER.
De gehele werkelijkheid als NATUUR is doortrokken van dit principe; de ander is ALTIJD uitgesloten, en dat betekent in de praktijk voor de ander altijd de DOOD. En, let wel: het gaat hier over de ANDER zoals hij daadwerkelijk en dus BEPAALD aanwezig is. Het gaat over de LIJFELIJKE aanwezigheid en hierop richt zich dan ook het misdadige. Met een IDEE heeft deze zaak niets te maken, ook al is soms een idee AANLEIDING ertoe. Men denke hierbij aan de figuur van RASKOLNIKOW uit de roman SCHULD EN BOETE van DOSTOJEWSKI. Het is een GEVOELSKWESTIE.

Het uitsluiten van de ander is dus het principe van de NATUUR en dit principe vertoont de mens voorzover er bij hem een verhouding uitspringt die voortkomt uit de mens als samenstelling. Op dit feit grondt zich de ouderwetse gedachte van de filosofie dat de NATUURLIJKE mens niet deugt. Deze gedachte evenwel is FOUT omdat ook bij de natuurlijke mens geen verhouding naar voren springt; dit is slechts het geval bij de MISDADIGE MENS. Slechts deze betekent voor de ander de DOOD.

Wij hebben het vorige jaar reeds duidelijk gemaakt dat de mens nooit en te nimmer NATUURLIJK is geweest. Omdat hij MENS is, is hij de ONTKENNING van natuurlijkheid. Hij is dus altijd de ontkenning van het UITSLUITENDE, en alleen als hij ZIEK is valt die ONTKENNING wčg en dringt zich een verhouding op, en dan komt in de mens het principe van de NATUUR naar voren. Alleen die mens is dan ZIEK en de natuur is GEZOND. Daarom is het UITSLUITENDE in de natuur geen MOORD en bij de mens wčl. De natuur kan niet anders zijn dan een uitspringende verhouding omdat zij in HET BEPAALDE blijft steken.

Vanuit de HELDERHEID is de mens de ONTKENNING van de natuur en dat is hij geheel VANZELF; in dit opzicht behoeft de mens dus niet aan zichzelf te sleutelen. Want de mens is niet eigenlijk een ROOFDIER; hij is eigenlijk daarvan de ontkenning. Het wčgvallen van die ontkenning maakt van hem iets dat veel erger is dan een roofdier. Dit heeft de geschiedenis bij gelegenheid duidelijk aangetoond. En dit roofdier komt voor de dag zowel bij de feitelijke misdadigheid als bij de misdadigheid die als randverschijnsel van een cultuur optreedt. Altijd heeft het zijn kans als de mens zich met DE ANDER gaat bezig houden. Reden waarom in de MODERNE CULTUUR de misdadigheid ŕlle kans heeft - maar dit is een thema dat wij een andere keer behandelen.
De natuur gaat haar gang en daarbij doodt het één het ŕnder; laten wij de mens zijn gang gaan, dan doodt hij NIET de ander omdat hij VANZELF de ontkenning is. Dat evenwel de mensen elkaar altijd uitgeroeid hebben zit dus in de uitspringende verhoudingen, die voorkomen zolang en omdŕt de mens ONVOLWASSEN is.

Steeds meer komt onder de mensen het besef dat ze elkaar niet moeten doden; dit komt mee aan de voortgang naar de volwassenheid. Evenwel moeten wij ons wat dit betreft niet verkijken want er is een groot verschil tussen datgene dat BESPROKEN wordt en datgene dat GEDAAN wordt. Want PRATEN is voor de moderne cultuur gemakkelijk omdat člke gedachte in die cultuur naar voren komt. Vanuit die gedachte moet natuurlijk het doden ophouden; het is een KWAAD - maar dan toch een NOODZAKELIJK kwaad volgens het moderne denken. Geen enkel modern mens HANDELT naar zijn DENKEN. Want het denken houdt zich MET ZICHZELF bezig. Maar in feite is de éne moderne mens de VIJAND van de ŕndere en het verminderen van het doden - zo dit aan te wijzen is - komt voort uit dit feit dat het zo langzamerhand duidelijk wordt dat je toch niet IEDEREEN kan vermoorden!

Wij hebben nu de twee aspecten van de uitspringende verhouding bekeken en willen nu wat het aspect MACHT betreft nog een enkele opmerking maken.
Soldaten plegen onder bepaalde omstandigheden in bezette gebieden zich als beesten te gedragen. Wij denken bijvoorbeeld aan de Duitse soldaten in Rusland. Deze soldaten hadden BLANCO VOLWACHT, maar hun misdadigheid danken zij aan de hun ingeprente MACHT. En dit geldt voor alle soldaten die “orde op zaken” stellen. Die soldaten zijn niet te excuseren, maar de ware schuldigen zijn de REGERINGEN - of wat daarvoor doorgaat - die een mens in de positie stellen dat hij MACHT heeft. In potentie loopt de misdadigheid met člke soldaat mee, ook al leeft hij in vredestijd en is er niets aan de hand. Waarvoor hij gereed wordt gehouden is altijd MISDADIG als randgebied van een cultuurfacet en de meeste mensen kunnen aan die cultuur geen weerstand bieden…..

Dinsdag, 16 november 1969

No. 58. (gescand, geplaatst en hersteld op 18 jan. 2009)

 
DE VROUW EN DE MAN

 

Een nadere beschouwing van het begrip macht
De vorige week merkten wij op dat het wel eens niet zo best met je af kan lopen als je de mensen MACHT geeft over elkaar. We hebben daarvan de voorbeelden gezien in de tweede wereldoorlog, bijvoorbeeld in RUSLAND en in de vernietigingskampen, waar de mensen als beesten - of nog minder - werden afgemaakt omdat zij INFERIEUR waren aan de Duitse UEBERMENSCH. En dan vraagt men zich af wat bezielt die mensen?
Het merkwaardige is, dat eigenlijk elk MOTIEF ontbreekt; er is geen RELATIE tussen de moordenaar en zijn slachtoffer. Een verklaring is wel te geven, en ieder voor zich geeft dan ook een VERKLARING, maar het slaat nergens op. En wij kunnen nagaan vanwaar dit allemaal gebeurt op de wereld, maar ook dan ontbreekt het MOTIEF, d.w.z. de PERSOONLIJKE DRIJFVEER om de daad te plegen.
Bij NORMALE misdadigheid is die drijfveer duidelijk aanwezig; er is een relatie tussen de misdadiger en zijn slachtoffer - ook al weet het slachtoffer dat gewoonlijk niet - en die relatie is voor de buitenstaander misschien te ontleden en te begrijpen omdat wij allemaal de UITSPRINGENDE VERHOUDINGEN kennen.

We kunnen ons dan hoogstens niet goed voorstellen hoe het in iemand tot de DAAD komt, naar voor het overige kunnen wij ons de DRIJFVEER indenken.
De mens echter die MACHT heeft over de andere mens stelt ons in zijn misdadigheid voor een RAADSEL: hij is een gewone “huisvader” die een vrouw heeft en kinderen, die thuis eigenlijk wel gezellig is en ook aardig is voor andere kinderen en diezelfde man vermoordt in rusland honderden vrouwen en kinderen. Hij verbrandt ze levend, mishandelt ze - en dat alles in volledige gemoedsrust “met een cigaret in de mond”. Die weerloze mensen zijn geen TEGENSTANDERS voor hem en zčlfs geen MENSEN.

Dit handelen zňnder persoonlijke drijfveer, dus zonder MOTIEF, komt voort uit de MACHT. En macht geldt dáár voor de mensen waar een verhouding VANUIT DE HELDERHEID naar voren springt, en de andere mensen mee wil nemen. Als het dus gaat over een INSLUITENDE verhouding. Zo’n verhouding bijvoorbeeld is de STAAT en is de OVERHEID (wat dit dan ook zijn mag..!); de zaak is er vanuit een IDEE en de zaak sluit een aantal mensen in die onderdanig zijn ten opzichte van die idee. Alles berust dus op machtsverhoudingen en zolang die in alle geledingen op maat liggen is er niets aan de hand. Zolang dus de ingeslotenen zich als ingeslotenen GEDRAGEN gaat alles goed. Maar zodra zich een van die ingeslotenen als IETS ANDERS gaat stellen, of zodra die insluitende zaak aan haar GRENS het ŕndere ontmoet, heb je de poppen aan het dansen. Dan gaat het zich als machtig laten gelden en dan blijkt IETS ANDERS geen enkele waarde te hebben. Het INSLUITEN is dan ook heel iets anders dan INEENZIJN of LIEFDE of SAMENGAAN. Als het over dit laatste gaat is ieder voor zich ZICHZELF en dan is alles bij elkaar een ORGANISCH GEHEEL. In dit geheel is niemand ingesloten en niemand heeft MACHT want er is geen verhouding die eruit springt. HET ANDERE is automatisch in dit geheel tegenwoordig en dus is het niet meer mogelijk hier tegenover MACHT te laten gelden. Dan is het ook niet mogelijk vanuit die macht MISDADIG te zijn zoals tot nu toe nog steeds wčl het geval is.

De misdadigheid vanuit de macht is ZONDER MOTIEF omdat de mensen de macht niet aan ZICHZELF ontlenen maar aan de insluitende IDEE. De mensen zijn dan niet in STRIKTE zin misdadigers, want zij vertonen niet de PERSOONLIJKE AFWIJKING die oorzaak van misdaden is. De persoonlijke drijfveer ontbreekt en zij zijn MACHTSMISDADIGERS, die BUITEN het gebied van hun MACHT ordelijke mensen zijn. Hiervan zijn voorbeelden te over in de geschiedenis en in het heden. In de middeleeuwen en later waren er vele “godvrezende mannen” die door een ieder vanwege hun geloof geacht werden. Maar deze mannen waren wrede en genadeloze rechters tegenover andersdenkenden. Vrouw noch kind riep medelijden in hen op en in hun geloofsijver doodden zij duizenden mensen. Ook de geestelijken die tot de REFORMATIE behoorden gedroegen zich zo en tot op de dag van vandaag is het verschijnsel van de machtsmisdaad een ALGEMEEN verschijnsel. En al die mensen die dit doen zijn QUA GEBOORTE géén misdadigers, maar wat zij doen KAN NIET. Overigens zijn deze misdaden niet bij de wat strafbaar gesteld; behalve in extreme gevallen en bij de bijzondere wetten die door het Neurenbergse Tribunaal gehanteerd werden. Deze wetten zijn eigenlijk met de haren erbij ge sleept omdat de Duitsers het nu wel tč bont gemaakt hadden; bovendien was bij velen čchte misdadigheid duidelijk aanwezig.

Het laten gelden van de macht is een KOUDE aangelegenheid; er komt geen HARTSTOCHT aan te pas want de zaak beweegt zich niet op het terrein van de GEVOELENS. Vanuit de helderheid, die als VERHEVENHEID gedacht wordt, is er geen warmte, maar is er slechts de koude BEREKENING, en er is ook geen ERBARMEN want alles moet vanzelfsprekend gaan zoals het moet volgens die glasharde berekening. Zoals al eerder gezegd heeft de levende mens eigenlijk niets met de berekening te maken, hij is GEVOEL en van hieruit is een zaak als machtsmisdaad onmogelijk. Al onmiddellijk komt het MEDELIJDEN opzetten en dit medelijden is het enige dat de mens van machtsmisdadigheid kŕn ŕfhouden. Zijn denken en zijn cultuur zetten hem ertoe aan zich wčl als macht te laten gelden. Is dit eenmaal aan de gang, dan is er geen ontkomen aan: IJZIG gaat het proces verder. Deze IJZIGHEID is in de afgelopen oorlog duidelijk gebleken aan het ADMINISTRATIEVE KARAKTER van de massamoorden. Administratie en ijzigheid behoren bij elkaar. En zij lopen in de praktijk altijd in de misdaad uit.

In onze, op zichzelf niet misdadige samenleving is nog een heel zwaar voorbeeld te noemen van machtsmisdadigheid: de RECHTBANK, voorzover die het STRAFRECHT uitoefent. Dit uitoefenen geschiedt vanuit het VERHEVENE dat aan het recht beseft wordt en de rechters geven daarvan blijk door een TOGA aan te trekken en te verlangen dat ze met EDELACHTBARE aangesproken worden. En dan wordt de doodstraf uitgesproken of een lange gevangenisstraf en er is niets dat in de loop van “het recht” verandering kan brengen. Mededogen geldt niet en er is geen soepelheid en geen uitweg. Het STRAFRECHT is een van de ergste misstanden die de mensheid tot nu toe kwellen omdat het gegrondvest is in de MACHT. Het STRAFRECHT is geheel iets ŕnders dan HET RECHT. Dit laatste is niet van de mensen ŕf te denken, het eerste moet zo vlug mogelijk verdwijnen.
Inderdaad zijn er dingen die NIET KUNNEN, en die dingen BLIJVEN bestaan zo lang als de wereld bestaat. Mensen worden AANGETAST en dat KAN NIET, en dan is het de RECHTBANK die, vanuit het RECHT, dat voor de mens geldt, zal vaststellen of er inderdaad dingen gebeurd zijn - of kůnnen gebeuren - die tegen het recht ingaan. Op de lange duur, als de BEPAALDE culturen voorbij zijn, blijft alleen nog maar de aangeboren misdadigheid over, en het is de rechtbank met zijn rechters die deze misdadigheid VASTSTELLEN.

Wij echter verbinden met de rechtbank het begrip STRAF, en die straf betekent VERGELDING. Deze vergelding vindt plaats vanuit de MACHT, hetgeen bij gelegenheid telkens weer blijkt bij de zogenaamde POLITIEKE RECHTSPRAAK. Want slechts vanuit MACHT is het denkbaar dat een mens om zijn OVERTUIGING of zijn DENKEN vervolgd wordt. Van ieder ander zouden wij het ons voor kunnen stellen dat hij mensen vervolgt om hun denken, BEHALVE VAN DE RECHTBANK, want het handhaven van het RECHT heeft met VERVOLGEN niets te maken. Integendeel, het is juist het beschermen van iedere menselijke mogelijkheid die KAN.
Is er een zaak aan de orde die NIET KAN, dan stelt de rechter die zaak aan de hand van allerlei gegevens vast, en daarmee is de keus voor de rechter áf. Deskundigen op het terrein van de GEESTESWETENSCHAPPEN proberen dan wel de betreffende misdadiger te genezen, zoals getracht wordt člke ZIEKE te genezen.
Dit echter is geheel iets anders dan VERGELDING. Daarbij wordt AFGEWOGEN hoe zwaar de misdaad weegt, en daarbij wordt de GRENS bepaald tussen misdadigheid en niet-misdadigheid, en dan is het voor een gladde jongen mogelijk op de een of andere manier in zijn voordeel te pleiten, zodat het nčt lijkt alsof de zaak niet zo heel erg is. Iemand die doorkneed is in de rechtspraktijk kan dan allerlei “versieren” terwijl een leek het volle pond toebedeeld krijgt.

Als de rechtbank echter alleen HET FEIT vaststelt en niet straft, dan is dit niet meer mogelijk, want aan feiten valt niet te scharrelen. Verzachtende omstandigheden BESTAAN NIET, al worden ze door ons steeds meer aangevoerd; voor een ziekte bestaat GEEN EXCUUS. Er geldt meer één ding: het moet GENEZEN worden, en als dat genezen niet mogelijk blijkt moet de rotte plek weggenomen worden. Dit betekent niet een mens te elimineren, maar het betekent dat zijn persoonlijke AFWIJKING uitgeschakeld wordt, zodat die zich niet meer door kan zetten. De zaak is dus wel degelijk van MEDISCHE aard. Het genezen van een mens heeft natuurlijk niet het IJZIGE aan zich, dat aan ons STRAFRECHT meekomt, want het genezen is het wčrkelijk HERSTELLEN van het ORGANISME. Dit heeft dus alles met WARMTE te maken - maar dit is natuurlijk iets anders dan de SENTIMENTALITEIT waarmee wij bij zulke gelegenheden komen.
En ook het ONONTKOOMBARE is bij het HERSTELLEN opgeheven; er is een uitkomst en dat is iets wezenlijk MENSELIJKS.

 Misdaad, hoe zit dat..?-zie nrs. 56, 57 en 58 +72 en 81 ;

Dinsdag, 25 november 1969

No. 59. (gescand, geplaatst en hersteld op 18 jan. 2009)

 
DE VROUW EN DE MAN

Over het begrip beheersing
Het begrip BEHEERSING wordt gewoonlijk verkeerd verstaan. Wij gaan bijvoorbeeld een VAK LEREN; dan volgen wij een bepaalde cursus en als wij de leerstof en de praktijk onder de knie hebben tot op een zekere hoogte BEHEERSEN wij dat vak. Dat wil zeggen dat wij alle gangbare moeilijkheden weten op te lossen volgens bepaalde methoden, die door anderen uitgewerkt zijn. Wij hebben geleerd de moeilijkheden op te lossen. Dat is de inhoud van ons begrip BEHEERSING.

Maar voor de OERMENS geldt het begrip beheersing ook; een VAK heeft die oermens nooit geleerd, van de natuur weet hij in werkelijkheid nog niets af en in principe is hij overal bang van omdat hij het niet kčnt. Volgens ňns denken beheerst die oermens niets, maar in werkelijkheid is ook hij het begrip beheersing.
Een DIER beheerst nooit iets, ook al hebben wij hem geleerd de moeilijkste dingen te doen, of al constateren wij dat hij geheel vanuit zichzelf in staat is tot bepaalde opgaven, dan nog geldt het begrip beheersing niet voor het dier. In de grond van de zaak staat dit begrip dus los van datgene dat wij GELEERD hebben, en in feite slaat het niet op iets BEPAALDS, maar is het een TOESTAND, die voor de mens geldt.

Voor de mens geldt het begrip HELDERHEID, en nu bedoelen wij dit in de zin die wij er de laatste weken aan gegeven hebben: DE INNERLIJKE HELDERHEID, die de mens VANZELF is en die vanzelf de mens doet leven zoals hij leeft. Deze helderheid houdt ALLE verhoudingen in, zoals wij gezien hebben; geen enkele van die verhoudingen springt eruit als het goed is, maar zij hebben wel allemaal de NEIGING om eruit te springen omdat het nu eenmaal de werkelijkheid als HOEKIGHEID is. Omdat de mens helderheid is heeft dit eruit springen geen kans, en nu is dit het begrip BEHEERSING. De helderheid beheerst dus al hetgeen als INHOUD aanwezig is. Dit betekent dat dus alles waaruit het leven bestaat beheerst wordt door de helderheid. En het betekent ook, dat dit ALTIJD geldt, zelfs voor de mens die QUA CULTUUR nog tot de onvolwassenen gerekend moet worden. Echter kčnt de onvolwassen mens zichzelf nog niet als zodanig en daarom DOET hij anders dan hij zou doen vanuit de helderheid. Zijn DOEN is bepaald door de een of andere UITSPRINGENDF verhouding en dus is zijn doen niet VANZELF; het doen van de onvolwassen mens is dus niet BEHEERST.

De mens die wčl beheerst is, staat nooit voor een RAADSEL; ook al weet hij van de hele wereld niets af is de zaak toch zijn INHOUD en daarom, vanuit de helderheid, nooit ONDOORZICHTIG. De onvolwassene echter komt er niet doorheen; hij bidt tot god om RAAD en hij legt zich graag neer bij de beslissingen die voor hem “van hogerhand” genomen worden. Hij is GEZAGSGETROUW en voelt zich veilig onder de beschermende vleugelen van de staat. De volwassen mens doorziet ŕlles en hij ziet van alles de mogelijkheid of de onmogelijkheid in; zijn denken is EENVOUDIG en het is nooit ZWAAR omdat het allemaal VANZELF gaat. Wij echter denken dat wij de maan kunnen besmetten en dat de maan ňns kan besmetten en wij denken dat wij HET LEVEN straks zullen kunnen maken, enzovoort…. maar de volwassene ziet direct, zonder ingewikkelde berekeningen en proeven, in dat het ONZIN is. Het INGEWIKKELDE DENKEN is een van de kenmerken van de onvolwassen mens en het komt voort uit het feit dat hij de boel NIET DOORZIET en důs slechts komt tot een steeds grotere collectie steeds kleinere ondoorzichtigheden die een steeds ingewikkelder netwerk vormen.

De beheerste mens is de mens die INTACT is; hij is derhalve de GEHELE WERKELIJKHEID die INTACT is, want de mens is de gehele werkelijkheid. Onmogelijk te denken dat bij een dergelijke situatie de zwaarwichtige en moeizame problemen van de ňnvolwassen mens op tafel komen. VANZELF is de werkelijkheid OPGELOST, vanzelf is zij DOORZIEN en v