EEN KORTE SCHETS VAN DE MENSELIJKE
SEKSUALITEIT
Verslag van de voordrachten 1985/1986 door Jan Vis, creatief
filosoof ; méér
artikelen van Jan Vis
Naar het begin en bladwijzers…
aantrekkingskrachten,aantrekkingsmechanismen,abortus,androgyne
mens,bewustzijn, de basis van de seksualiteit,de biologische voortplanting,de
communicatie,de erotiek,de evolutie,de geslachtsdaad,de liefde,de maagd
maria,de macht,de menselijke seksualiteit,de menselijke verhoudingen,de
natuur,de oercellen,de prikkeling,de psyche,de psychische uitstraling,de
religieuze prostitutie,de seksuele objectivering,de verleiding,de
voortplanting,de vrouwenbevrijding, de westerse cultuur,de wording,de zeden,de
zonde,draagster van het leven,een fundamentele verhouding,een hoer,een leeg
hoofd hebben,een stelsel van zintuigen,elkaar lustobject
zijn,erfzonde,erotiek,euthanasie,evangelien,evolutie van het leven,
fallussymbool,god heeft de mens geschapen,heksenvervolgingen,hermafrodiete,het
bevruchtingsproces, het huwelijk,het leven,het ontstaan van de mens,het raadsel
van het leven,het verschijnen van de mens,het vrijen van homofiele mensen,het
vrouwelijke,hoererij, homoseksualiteit,incest,
incestsituatie,intuitie,kinderseksualiteit,kosmische verhoudingen,lagere
organismen,leven en seksualiteit,levende organisaties,levensbeschouwing,
levensprogramma’s,lichaamscultuur,liefde,lustobject, maagd met het
kind,macht,machtsverhoudingen,meeleven,menszijn,morbide seksualiteit,natuurwetten,nirwana,normen
en waarden,
oedipuscomplex,oercel,oerwerkelijkheid,oerzee,oneindige ruimte,ontstaan van het
leven,overleving,pervers, pornografie,psyche,psychische verwarring,psychische
werkelijkheid,relatie,samenhang,schoonheid,seks,seksualiteit,seksueel
misbruik,sigmund freud,toeval en
onvermijdelijkheid,toevalstreffer,trillingsverhouding, vastgelegde
denkpatronen,veredelde zelfbevrediging,verkrachtingen,verwekker van het
leven,voortplantingsprogramma,vrede,vrije liefde,vrouwelijke oudheid,vrouwelijkheid,vruchtbaarheidsgod,
zelfbewustzijn,zelforganisatie,zien,zonde,zondig.
Terug naar: De
Startpagina
Help mee om deze site te
promoten. Vertel het uw…!
(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes
)
Naar bladwijzers: Wat is
seksualiteit nu eigenlijk ; Samen ; De zwaarste aanslag op het lichaam wordt gepleegd door
de mens zelf vanuit het zelfbewustzijn ; Homoseksualiteit ; fatsoenlijke vrouwen hysterische reacties ; de strijd tegen
het vrouwelijke Niets is Toevallig
; Twee
begrippen en hun relatie
; Relatieproblemen? Hoe zit dat? ; het
huwelijk is een belediging voor de liefde ; Opeters
; vrouwelijke oudheid ; Verhoudingen;
het vrouwelijke en het mannelijke: Het geheel en haar inhoud ; Hoer religieuze prostitutie ; het psychische
conflict ; de fatsoenlijke vrouwen zijn, geredeneerd vanuit die
cultuur, tegen zichzelf. ;
Elkaar
LustObject zijn ; De machtsfactor in de seksualiteit ; eenzijdige
verhoudingen ; Seksualiteit ; geen enkele bedoeling ; GEVOEL
; antikernenergie ; Incestsituatie
; Seksueel misbruik
; Prikkeling ; Vrije keuze ; Pornografie/veredelde
zelfbevrediging ; Samen ; Darwin ; Brein ; Seks ; Seksualiteit
gezien vanuit de evolutie ; Psyche/Bewustzijn/Lichaam
; Beleving ; Topsporters ; Psyche ; Begripswetten
en Natuurwetten ; Het
Oedipus sprookje ;
Naar artikelen: Beweging
en Verschijnsel (deel 1, 2, en 3) ; Briefwisseling Incest – Seksueel Misbruik ; Gedachten
over Ontstaan en Bestaan ; LIEFDE / SEXUALITEIT
zie bladwijzers, o.a. de nrs. 24 t/m 30 - uit “De mens in de moderne
beschaving”-1974 ; De verloedering van de seksualiteit ; PORNOGRAFIE-zie
BRIEVEN-NR.16
No.1
Alvorens je je kunt gaan verdiepen in de vraag wat
seksualiteit nu eigenlijk is moet je gedachten laten gaan over het begrip
"toeval". Te vaak wordt tegenwoordig als verklaring voor bepaalde
verschijnselen aangevoerd dat dit "toeval" zou zijn, d.w.z. zomaar,
zonder logische noodzaak, zonder voorafgaande processen. De Nobelprijswinnaar
Jaques Monod heeft in 1970 een boek het licht doen zien: "Toeval en
onvermijdelijkheid", en daarin noemt hij het verschijnen van de mens een
"toevalstreffer". Een andere wetenschapper lichtte dit nog wat toe
door de toevalligheid van het ontstaan van de mens te vergelijken met het
gooien van een mand met televisieonderdelen in een hoek van de kamer, net zo
lang tot de boel zo terecht zou komen dat er plotseling een TV toestel stond.
Zo "toevallig" zou volgens hem het ontstaan van de mens zijn.
Het staat iemand natuurlijk vrij er zo over te
denken, maar het zal duidelijk zijn dat het begrip "toeval" hier
gebruikt wordt om onbegrip en onvermogen tot doordenken te verdoezelen. Je
behoeft nu niets meer te verklaren, terwijl je toch een indruk van grote
diepzinnigheid achterlaat...
Een poging om de toevalligheid te omzeilen is
gedaan in het godsdienstige denken: god heeft de mens geschapen. Dat is
inderdaad niet toevallig, maar het zegt net zo min iets als het verhaal over
het toeval. Dan zijn er ook nog mensen die het over een "mysterie"
hebben en dit dan reden genoeg vinden om het nadenken over deze zaak te staken,
meestal met de verzuchting dat "het mensenverstand nu eenmaal te klein is
om dit soort dingen te begrijpen". Waarschijnlijk bedoelen ze hun eigen
verstand! Wij zullen in ieder geval proberen over de kwestie van leven en
seksualiteit NA TE DENKEN zonder het toeval en ons kleine verstand als uitvlucht
te gebruiken.
Het noodzakelijke ontstaan van het leven
(zie ook het hoofdwerk Beweging en Verschijnsel deel 1, 2, en 3 )
De vraag naar het ontstaan van het leven moet je
stellen omdat seksualiteit onlosmakelijk met het leven verbonden is. Bovendien
zal blijken dat in het antwoord op die vraag ook de gegevens aanwezig zijn om
de seksualiteit te begrijpen. Als je spreekt over "leven" heb je het
eigenlijk over een verschijnsel, een "gevormd" ding, dat IN ZICHZELF
BEWEEGLIJK is geworden. Het ééncellige wezen dat (waarschijnlijk) in de oerzee
ontstond is een ding dat het in zichzelf beweeglijk zijn als kenmerk vertoont.
Verder is er eigenlijk niets aan de hand. Dat beweeglijke ding ontstaat niet
door een goddelijke ingreep, het komt niet uit de kosmos overgewaaid, maar het
is de stof (de oerzee) die zichzelf
OMZET TOT LEVEN. Dus tot beweeglijkheid. Uiteraard in samenhang met allerlei
kosmische verhoudingen. Die beweeglijkheid was al in de zogenaamde dode stof
aanwezig, hoewel de stoffelijke verschijnselen, gesteenten e.d., als
verschijnsel, als een ding, niet bewegen. Je kunt de in de stof aanwezige
beweeglijkheid "latent" noemen. Het moderne natuurkundige onderzoek
heeft onomstotelijk aangetoond dat de subatomaire werkelijkheid één en al
beweeglijkheid is. Bij splitsing van de dingen komt die beweeglijkheid vrij -
bijvoorbeeld in de vorm van energie, zoals bij kerncentrales en atoombommen.
Wij kunnen ons nu niet verdiepen in het begrip "beweeglijkheid" op
zichzelf, maar het zal niet veel moeite kosten om het er mee eens te zijn dat
alle kosmische verschijnselen in feite "beweeglijkheidsverhoudingen"
zijn, verhoudingen die gelden tussen beweeglijke ietsen en die in geen geval weg kunnen
blijven. Vanaf een zeker moment wijzigen die verhoudingen zich zodanig dat de
door die verhoudingen gevormde verschijnselen in zichzelf beweeglijk
gaan worden. De beweeglijkheid is dan niet meer "latent" maar actief,
zij is in het verschijnsel DOMINANT geworden en dus bepalend.
Een schets van het ontstaan der dingen
Als je je de wording der dingen enigszins
zou willen voorstellen, kan je aan het volgende denken: er bevindt zich een gas
in een bepaalde kleine ruimte. Dat gas bestaat uit een x aantal deeltjes, die
allemaal beweeglijk zijn. Nu is er een heel kleine mogelijkheid dat twee
deeltjes op een zeker tijdstip ten opzichte van elkaar precies dezelfde
beweging maken, zodat je kunt zeggen: die twee staan ten opzichte van elkaar
stil. Zij vormen als het ware een "koppel" dat enige tijd "aan
elkaar zit", zonder evenwel echt aan elkaar te zitten. Je kunt denken aan
twee auto's, die hetzelfde parcours afleggen. Gezien vanuit de éne auto staan
beide auto's stil en hetzelfde geldt als je het vanuit de andere auto bekijkt.
Het door twee deeltjes gevormde "koppel" bestaat op een zekere plaats
op een zeker tijdstip, maar: hoe kleiner de ruimte, hoe kleiner de kans dat een
dergelijk "koppel" optreedt. Hoe groter echter de ruimte, hoe
waarschijnlijker het bestaan van een "koppel" wordt. En de laatste
denkconsequentie is deze, dat in een ONEINDIGE RUIMTE, in een ONEINDIG
TIJDSBESTEK, op elk moment "koppels" aanwezig MOETEN zijn. Hierbij
moeten we het volgende bedenken:
a) Als er TWEE een "koppel" kunnen
vormen, kunnen het er vanzelfsprekend ook méér zijn. Elke hoeveelheid
"gekoppelde ietsen" is terug te brengen tot "zoveel maal
twee". Hierop berust het begrip "samenstelling".
b) Een "koppel" wordt niet
bijeengehouden door een of andere bindende kracht, of door een ingreep van
buitenaf. Er is geen bindende kracht en er is niets dat van buitenaf kan
inwerken.
c) Het voorkomen van twee of meer gelijk op
bewegende ietsen is de enig mogelijke BIJZONDERE VERHOUDING in een
oerwerkelijkheid van ietsen, die ALLEEN MAAR BEWEEGLIJK zijn. De werkelijkheid,
zoals ze voor ons verschijnt is een samenstelling van ten opzichte van elkaar
stilstaande ietsen. Maar zo'n samenstelling, onze planeet bijvoorbeeld,
vliegt zelf met een onvoorstelbare snelheid door de ruimte. Wij merken daarvan
niets: ons huis staat (als het goed is!) stil, onze auto valt (hopelijk) niet
uiteen als hij zich als samenstelling over de snelweg spoedt en wij staan dan
stil ten opzichte van de auto, enzovoort. De werkelijkheid bestaat uit een
systeem van verhoudingen waarin het één dezelfde beweging maakt als het ander
en daardoor voor ons een eenheid, een vastheid, vormt. In feite is
"het raadsel van het leven", namelijk het (plotseling) beweeglijk
worden van de dingen, dus helemaal niet raadselachtig: de beweeglijkheid zat
altijd al in de dingen en hij gaat vanaf een zeker moment de dingen bepalen. De
dingen wordt geen "leven ingeblazen".
Het optreden van een dubbelbegrip
Zodra een verschijnsel in zichzelf beweeglijk wordt,
is het in zichzelf voortdurend anders. Je kunt bijgevolg zeggen dat het gaat
over "het verschijnsel en haar anders- zijn", waarbij dit laatste een
INWENDIGE zaak is en dus de inhoud genoemd kan worden. Steeds stuiten we
op een dubbele zaak. Opmerkelijk is dat dit ook uit ons taalgebruik blijkt: we
spreken over iets dat leeft en we beseffen blijkbaar steeds dat het over
een dubbele zaak gaat. We kunnen "het ding" niet denken zonder haar
"inhoud" en we kunnen de "inhoud" niet denken zonder het
"ding", waarvan de " inhoud" inhoud is.
Een zogenaamd dubbelbegrip treedt dus op als TWEE
begrippen, die niet los van elkaar gedacht kunnen worden en die dus tot elkaar
in een zekere verhouding staan. Als het over "het leven" gaat heb ik
onvermijdelijk met twee begrippen te doen en die twee begrippen vormen de basis
van de seksualiteit en van de voortplanting. Uit die twee begrippen komen
namelijk het vrouwelijke en het mannelijke voort, terwijl dat
weer ten gevolge heeft dat er zich levende organisaties gaan vormen die bij
elkaar behoren en toch verschillen.
Het begrip " inhoud"
Wij zijn terechtgekomen bij het begrip
"inhoud" via een dubbelbegrip, dat van kracht bleek te zijn zodra in
de verschijnselen beweeglijkheid gaat optreden, hetgeen betekent dat het verschijnsel
in zichzelf steeds anders is. Dit "steeds anders zijn" noemen wij
LEVEN. Het leven zit IN het verschijnsel, het vormt daarvan de
"inhoud". Vanaf een zeker moment gelden voor het verschijnsel
TEGELIJK twee begrippen, onlosmakelijk met elkaar verbonden en toch van elkaar
te onderscheiden. Het gaat om de begrippen "het geheel" en "de
inhoud". Als je nu probeert te denken aan "de inhoud", dan kan
je er niet aan ontkomen onmiddellijk te vragen: de inhoud waarvan? En als je
aan "het geheel" denkt komt onvermijdelijk de vraag op naar datgene
dat er in zit. Het zal duidelijk zijn dat we hier te doen hebben met
GELIJKWAARDIGE begrippen; zij doen niet voor elkaar onder en zij verschijnen
steeds tegelijk. Beide zijn even belangrijk. Terzijde: er is in feite
natuurlijk niet te spreken van "waarde" of van "belang",
want wie of wat zou er belang bij kunnen hebben of waarde aan kunnen hechten?
De enige die dat zou kunnen doen is de mens. We zullen nog zien dat die dat
inderdaad doet en bepaald niet zonder kwalijke gevolgen! Juist daarom dunkt het
mij goed dat wij de nadruk op de gelijkwaardigheid leggen, waarbij vooral het
GELIJK-ZIJN essentieel is. De begrippen "het geheel" en "de
inhoud" zijn evenwel niet GELIJKSOORTIG, zij staan ieder voor zich voor
heel andere zaken, die wij voorlopig zouden kunnen omschrijven, resp. als
"ineenzijn" en als "het een en het ander".
Eerst echter moeten wij de verhouding tussen beide
begrippen bepalen.
Een tweetal
verhoudingen
We komen nu bij een gedeelte, dat moeilijk
duidelijk te maken is - niet omdat het op zichzelf zo moeilijk zou zijn, maar
omdat het een wijze van denken vereist die in onze traditie niet gebruikelijk
is. We moeten namelijk twee zaken NAAST ELKAAR zetten en ze tegelijk als IN
ELKAAR handhaven. Volgens ons gebruikelijke denken kan dit niet omdat er sprake
is van een tegenspraak zodat je zou moeten stellen: het is of het één,
of het ander, maar niet beide tegelijk. Zouden wij deze gangbare denkwijze
toepassen, wij zouden niet in staat blijken te zijn de verhouding tussen
"het geheel" en "de inhoud" te vinden. Twee zaken zouden
dan onverzoenlijk tegenover elkaar staan, zoals dat in het westerse denken dan
ook met het vrouwelijke en het mannelijke het geval is...
We moeten proberen het probleem
"dynamisch" te doordenken, d.w.z. ons denken te laten functioneren
als een BEWEGING van het één naar het ander. Dan kunnen we het volgende zeggen:
als ik uitga van "het geheel" kom ik terecht bij "de
inhoud" en als ik uitga van "de inhoud" kom ik terecht bij
"het geheel". Beide bewegingen zijn tegengesteld: die vanuit
"het geheel" gaat naar binnen (introvert) en die vanuit "de
inhoud" gaat naar buiten (extrovert). Dit heeft totaal verschillende
consequenties. Uitgaande van "het geheel" treffen wij een inhoud aan
waar niets buiten valt, een inhoud die compleet is en die samenhangend is. Er
is in principe geen noodzaak die inhoud te kennen, juist omdat er geen
ontbrekende elementen zijn. Maar als ik uitga van "de inhoud" moet ik
wel degelijk alle elementen kennen en bij elkaar brengen in de juiste samenhang
om een geheel te kunnen vormen.
Het gaat dus nu om het totaal van de afzonderlijke
elementen, terwijl het, uitgaande van "het geheel" gaat om de
samenhang van alle elementen. Bovendien kan je zeggen: de samenhang IS ER als
ik van "het geheel" uitga, het is een ZIJNSTOESTAND te noemen,
terwijl het totaal vanuit "de inhoud" bijeengebracht moet worden. Dat
is een WORDINGSTOESTAND.
Deze beide begrippen, "zijn" en
"worden" spelen een essentiële rol bij het vrouwelijke en het mannelijke.
Nogmaals : we hebben dus te doen met een tweetal
gelijkwaardige verhoudingen. De ene verhouding is niet "het geheel"
en de andere niet "de inhoud", maar de ene is "het geheel met
haar inhoud" en de andere is "de inhoud binnen het geheel". In
beide verhoudingen is het onafscheidelijk zijn van geheel en inhoud bewaard
gebleven en tegelijk zijn beide verhoudingen gedefinieerd als van elkaar
verschillende grootheden. Als we "het geheel" eenzijdig naast
"de inhoud" hadden gesteld, dan was "het geheel" een LEGE
zaak geweest, terwijl "de inhoud" zonder SAMENHANG zou zijn.
Vrouwelijk
en mannelijk
Als het gaat om "het geheel met haar
inhoud" hebben wij te doen met het vrouwelijke aspect van de werkelijkheid
en het mannelijke aspect is dan "de inhoud binnen het geheel". Omdat
beide aspecten niet weg kunnen blijven als het leven op de planeet voor de dag
is gekomen, manifesteren de levende verschijnselen zich in twee gedaanten, de
vrouwelijke en de mannelijke en zij doen dat op grond van de twee genoemde VERHOUDINGEN.
Het vrouwelijke is dus niet "het geheel" maar het is "het geheel
met haar inhoud" en het mannelijke verschijnsel is dienovereenkomstig
"de inhoud binnen het geheel". Wij moeten hierop goed letten, want in
de cultuurgeschiedenis van de mensheid komen vrouwelijk en mannelijk om te
beginnen EENZIJDIG voor de dag, namelijk als ALLEEN MAAR HET GEHEEL en ALLEEN
MAAR DE INHOUD. Wat wij tegenwoordig "mannelijk denken" plegen te
noemen is een denken waarin alleen maar het begrip "inhoud" betrokken
is, zonder de beweging die in het geheel uitloopt. Daardoor is dat
"mannelijke denken" zo onsamenhangend, zo chaotisch en tenslotte ook
zo vernietigend. En in de oudheid dacht men vrouwelijk zonder dat de inhoud
daarvan tot zijn recht kwam. Dit zal nog ter sprake komen, maar nu reeds moeten
wij er goed op letten dat de betekenis van het moderne "mannelijke
denken" een ONZINNIGE is en geheel iets anders dan het werkelijke
mannelijke, dat "binnen het geheel" moet zijn. We zijn nu even bij
het denken terechtgekomen en daarvan is te zeggen dat dezelfde verhoudingen als
bij "het geheel" en "de inhoud" een rol spelen. Als je niet
TEGELIJK vanuit "het geheel" naar "de inhoud" en vanuit
"de inhoud" naar "het geheel" kunt denken, is je denken
onvolwassen en daardoor niet in staat jezelf en de werkelijkheid begrijpelijk
te maken. Het westerse cultuur denken is zo'n vorm van onvolwassen denken; het
is eigenlijk heel platvloers analytisch denken, dat beter ONDERZOEKEN genoemd
kan worden. Dat zou op zichzelf in orde zijn, als men maar niet in de mening
verkeerde te weten "hoe het zit" als men de dingen uit elkaar gehaald
heeft. Maar dat meent men nu juist wel...
Aan de hand van de geneeskunde kan het
bovenstaande misschien duidelijk gemaakt worden: het menselijk lichaam is een
GEHEEL waarbinnen zich allerlei bevindt, en het is een totaliteit van allerlei
dingen die een geheel vormen. Hiermee weten de moderne artsen geen raad doordat
zij betrekkelijk veel weten over al die verschillende dingen, organen e.d.,
maar niet geleerd hebben daarvan een geheel te vormen, terwijl men in onze
cultuur al lang vergeten is hoe je vanuit het geheel van het menselijk lichaam
de verschillende onderdelen kunt begrijpen. Dit onvermogen wordt groter
naarmate het onderzoeken van de onderdelen steeds beter gelukt. Hoe meer
versnipperd alles wordt, hoe minder succes de geneeskunde heeft als het om
GENEZEN gaat uiteraard niet als het gaat om het verzamelen van
wetenschappelijke kennis. Het merkwaardige is dus dat met een enorme
wetenschappelijke kennis van het menselijk lichaam een toenemend Onvermogen tot
genezen ontstaat, omdat dit laatste vereist dat men "het geheel"
begrijpt, hetgeen steeds minder het geval is. Maar bij de natuurgeneeskunde
gaat men wel van het geheel uit, maar doordat men daarbij doorgaans de analyse
afwijst, wordt er op dat punt vaak onzin verkocht, tegenwoordig zelfs steeds
meer mystieke onzin. Mystiek ontstaat als er sprake is van een eenzijdig
vrouwelijke beschouwing van de werkelijkheid zonder dat men de inhoud kent.
Twee
begrippen en hun relatie
Om duidelijk te maken hoe wij in onze denktraditie
omgaan met begrippen die onafscheidelijk met elkaar verbonden zijn en die
tegelijk beide een andere betekenis hebben, kunnen wij de balans als voorbeeld
nemen. En dan gaat het om de verhouding tussen de twee schalen daarvan. Die
twee schalen hebben voor ons denken niets met elkaar te maken, het zijn
voorwerpen die volkomen van elkaar gescheiden zijn. Maar, er is wel een
"relatie" TUSSEN beide schalen: zij worden met elkaar verbonden door
de arm van de balans, waaraan beide opgehangen zijn. De arm van de balans is
dus iets zelfstandigs dat beide schalen verbindt, maar dat op zichzelf BUITEN
beide schalen is en dat als zodanig het gedrag van de twee schalen
bepaalt.
Zij gaan samen, zij laten zich
gelden als bij elkaar "behorend" door een UITWENDIGE derde factor,
die hen tot een soort van "eenheid" dwingt: de balans als
compleet instrument. Op dezelfde wijze gaan wij in ons denken om met de
begrippen "het geheel" en "de inhoud". Onwillekeurig gaan
wij zoeken naar een relatie die beide begrippen kan verbinden, en dan
denken wij aan een uitwendige derde factor. Een factor die "het
geheel" met "de inhoud" verzoent. In het concrete geval van
vrouw en man (op die twee houden wij het maar even) gaan onze gedachten uit
naar allerlei relatievormen en de mogelijkheden die deze te bieden hebben. Het huwelijk is zo'n relatievorm,
maar die heeft tegenwoordig aan waarde ingeboet. Je kunt denken aan wat men in
de dertiger jaren in progressieve socialistische kringen als "vrije
liefde" gepropageerd heeft en tegenwoordig is de Lat-relatie een
voorbeeld. Steeds echter komt het er op neer dat de partners zich voegen
naar de DERDE factor: de relatie, en dat beiden zich daaraan zo volledig
en zo getrouw mogelijk uitleveren. In feite komen de partners zelf
niet tot hun recht (dat mag "zoveel mogelijk"), maar gaat het er om
dat de RELATIE tot zijn recht komt. Hoewel men zich doorgaans helemaal niet
bewust is van de begrippen "het geheel" en "de inhoud",
kunnen we wat dit betreft toch zeggen dat men, onbewust, die beide begrippen OP
ZICHZELF gesteld heeft: de vrouw is het begrip "het geheel" en
de man is het begrip "de inhoud". En tussen die twee grootheden slaat
men dan een brug, waaraan men dan als kwaliteitseis stelt dat hij beantwoordt
aan de liefde. Helaas verdwijnt die "liefde" na enige tijd,
zodat de partners zichzelf en elkaar verwijten gaan maken omdat alles mislukt
is. Zij komen dan tot de overtuiging dat "de liefde nu eenmaal niet kan
omdat wij er te egoïstisch voor zijn". Maar in feite is voor de dag
gekomen dat het onmogelijk is de begrippen "het geheel" en "de
inhoud" op zichzelf te stellen om ze vervolgens met elkaar te verbinden
door een derde factor die voor beide grootheden maatgevend is. Vanuit dit
streven kunnen het vrouwelijke en het mannelijke elkaar niet vinden, zij zullen
almaar voor elkaar een raadsel zijn en in de praktijk zelfs angst en
vijandschap teweeg brengen. In "De roof van het vrouwengeheim" wordt
dit thema door Fokke Sierksma indringend behandeld aan de hand van restanten
van oude verhalen, die nog bij natuurvolkeren voorkomen. Typerend is in elk
geval de voortdurende verwarring bij de mannen die de samenhang in hun
werkelijkheid kwijt zijn, en de mystiek bij de vrouwen die met hun inhoud geen
raad weten omdat die ongrijpbaar blijkt te zijn. Het is namelijk zo dat de
mensen in hun cultuurontwikkeling achtereenvolgens "het geheel" en
"de inhoud" op zichzelf stellen, vertegenwoordigd resp. door de vrouw
en door de man. Daardoor zijn er twee essentieel verschillende perioden in de
geschiedenis te onderscheiden, namelijk de oudheid en de nieuwe tijd. Beide
perioden vertonen de POLARITEIT van de vrouw en de man op geheel eigen wijze.
Het is goed om hier even bij stil te staan omdat het ons thema wat concreter
maakt.
Iets over de vrouwelijke
oudheid
De oudheid stond in het teken van het vrouwelijke.
Dat blijkt uit allerlei verhalen, uit de kunstzinnigheid, de wetenschap en tal
van andere dingen. Maar vooral uit het feit dat de werkelijkheid als "inhoud"
niet van belang was.
Met deze mannelijke werkelijkheid kon men niet uit
de voeten: de samenleving bijvoorbeeld werd niet begrepen als te bestaan uit
afzonderlijke, bij name te noemen, mensen. De individuen waren
"verzonken" in het geheel van de samenleving. Dat geheel werd
vertegenwoordigd door een vorst, die uiteraard absoluut en goddelijk was: het
geheel is het enig werkelijke en het heeft niets naast zich omdat er niets
anders bestaat. Omdat wetenschap en techniek zaken zijn die betrekking hebben
op de werkelijkheid als inhoud vertonen zij in de oudheid nauwelijks enige
ontwikkeling; ook thans nog werkt men in oude cultuurgebieden met werktuigen
uit het grijze verleden en is het praktische gedoe van de mensen uitermate
primitief. De oude oosterse filosofie kent een schat aan prachtige en
glasheldere denkbeelden, maar met de inhoud daarvan weet men geen raad zodat
het nadenken daarover blijft steken in de mystiek. De werkelijkheid als inhoud
moest maar zo gauw mogelijk vervluchtigen: voor de bestaande mensen was het
ideaal om in het Nirwana terecht te komen. Zo zijn er tal van
voorbeelden waaruit blijkt dat de inhoud vluchtig moest zijn. De ons bekende
Evangelien zijn sublimaten van oude inzichten, die in de Griekse tijd bij
elkaar gekomen zijn. In die tijd had men de individu, de afzonderlijke mens al
wel ontdekt, maar ook die moest zich van zijn eigenheid ontdoen en zich
"nihilistisch" opstellen: zijn huis en familie vaarwel zeggen, zijn
bezittingen weggeven en onverschillig zijn voor de wereld als een complex van
gevestigde instituten. Het ging om de liefde en dat is het opgaan in een
geheel waarin alles met alles één is. Treffend is ook het voorbeeld van de religieuze prostitutie:
omdat in het huwelijk treden gezien werd als het aanvaarden van een concrete
inhoud, namelijk een BEPAALDE man, stelde je je als vrouw schuldig als je
trouwde. Die schuld kon vereffend worden door je voor het huwelijk te geven aan
een ONBEKENDE man, een vreemdeling. De inhoud moest dus vluchtig zijn.
Hij mocht niet als inhoud gelden, het vrouwelijke moest "leeg" zijn
en dat wil dus zeggen dat er geen concrete inhoud mocht gelden. Dit besef kwam
duidelijk voor de dag in het beeld van de maagd met het kind, dat wij
nog kennen als het christelijke verhaal van de maagd Maria. In de oudheid werd
er dus EENZIJDIG VROUWELIJK gedacht en dat was het geval bij zowel vrouwen als
mannen. Dit vrouwelijke denken belette de mannen niet om de MACHT uit te
oefenen - maar daarover later.
Iets over de mannelijke nieuwe tijd
Te beginnen met de Romeinen breekt er een ander
besef in de mensheid door: men gaat nu "de inhoud" op zichzelf
stellen en dat betekent dat het vanaf dat moment gaat om de "dingen".
Daartoe moeten ook de individuele mensen gerekend worden. Je kunt aan onze
wereld zien dat zij vol staat met alle mogelijke dingen, mensen en theorieën,
maar dat dit alles geen enkele samenhang vertoont. Wel zijn er betrekkingen
tussen de dingen, mensen en theorieën, maar die zijn niet op een samenhang
gebaseerd doch op de verschillen, en dat zijn dan ook nog waardeverschillen. Op
grond daarvan zijn de mensen allemaal aan elkaar uitgeleverd omdat we
afhankelijk van elkaar zijn. Het regelen daarvan ligt op het terrein van de
relaties, het recht, de communicatie, de politiek, enzovoort. Maar ondanks dit
alles is er geen samenhang, hetgeen alleen al blijkt uit het feit dat wij
rustig een groot deel van de mensheid uitbuiten en uithongeren. Om van een
totale vernietiging nog maar te zwijgen...
Deze uitweiding over de oudheid en de nieuwe tijd
is van belang voor ons onderwerp omdat wij daardoor hopelijk attent leren zijn
op het feit dat wij ons mannelijke denken moeten laten varen om de
seksualiteit te snappen.
De oudheid en de nieuwe tijd qua seksualiteit
De zogenaamde "nieuwe tijd", zeg maar de
tijd van de Romeinen en de West-Europeanen, wordt gekenmerkt door een sterke
mannelijke dominantie. Dat geldt op alle terreinen en dus ook in het
taalgebruik: "de man neemt zich een vrouw", de kinderen staan op naam
van de man en in de huwelijkswetgeving is de man het hoofd van het gezin, zelfs als de vrouw al
bepaalde rechten verworven heeft.
En als we het bijvoorbeeld over "de
mens" hebben wordt deze als vanzelfsprekend met "hij" benoemd,
terwijl het en biologisch en filosofisch veel meer voor de hand ligt "de
mens" als een vrouwelijk begrip te beschouwen. De christelijke godheid is
mannelijk en die godheid heeft wel een zoon, maar geen dochter, en de moeder
van die zoon hangt er maar zo'n beetje bij. Het christendom kent geen godinnen,
in tegenstelling tot de geloofsvoorstellingen van die oudheid waarin misschien
wel meer godinnen voorkomen dan goden. Bovendien waren die godinnen inhoudelijk
veel rijker dan de goden, die vrijwel onveranderlijk als agressieve lomperiken
getekend worden.
Er zijn uit de oudheid ontzaglijk veel
afbeeldingen en verhalen bewaard gebleven, die de seksualiteit en de erotiek
als onderwerp hebben. Opvallend daarbij is dat de vrouw de seksualiteit bepaalt:
bij het vrijen ligt zij als regel niet onder maar meestal zit zij op de man en
dat betekent in de praktijk dat zij vrij is te doen wat zij prettig vindt en
dat de man vreugde beleeft aan het voldoen aan haar wensen. Je kunt zeggen dat
in de oudheid de man "lustobject" was van de vrouw - lustobject in de
zin van "degene waarop de lusten zich richten" en niet in de moderne
discriminerende betekenis. Uit alles blijkt dat in de seksualiteit van de
oudheid de vrouw dominant was, de bepalende was, en dat, te beginnen bij de
Romeinen de rollen omgekeerd worden: de man "klautert" op de vrouw,
die er nu duidelijk is ter wille van hem en die nu alle bewegingsvrijheid
verliest. Hij gaat qua seksualiteit de dienst uitmaken.
Wat ook opvallend is, is de openheid waarmee in de
oudheid de seksualiteit benaderd wordt. Van geheimzinnig gedoe was geen sprake,
er rustte geen taboe op en vaak werd de seksualiteit zelfs als iets
"goddelijks" beschouwd, zoals bijvoorbeeld in India. Seksualiteit had
daar een religieuze betekenis, zoals talloze afbeeldingen op tempels laten zien
- afbeeldingen overigens die doorgaans van later datum zijn. Het blijkt dat de
seksualiteit geassocieerd werd met "volmaakt worden", "bij de
goden verkeren". De lust en het beleven daarvan was goddelijk en
verheven. Die grote openheid draait als bij toverslag om als de westerse
cultuur zich door gaat zetten. Bij de Romeinen zien we nog wat tussenvormen, in
het begin van Europa behoort de seksualiteit nog tot het dagelijkse leven (niet
meer tot het goddelijke), en daarna duikt zij onder in het duister van de
nacht, om tegelijk een dubbelhartig karakter te krijgen: iedereen is er
op uit, praat en vuilbekt erover en doet naar buiten toe of de seksualiteit
niet bestaat. En voor zover dat laatste niet mogelijk is wordt de zaak in het
huwelijk toegestaan. Bovendien komt het morbide gedoe inzake de seksualiteit
vooral voor bij mannen die in dienst staan van machten en die de macht zoeken
om hem uit te kunnen oefenen: politieagenten, cipiers, geheimagenten en
dergelijke. Er is een relatie tussen de macht en de morbide seksualiteit.
Dit nu is in de oudheid onmogelijk; het zal zeker
bij bepaalde mensen voorgekomen zijn, maar, gezien vanuit de cultuur, was het
uitgesloten.
Een ander aspect van de oudheid was de aandacht
voor de fallus, d.w.z. de penis in erectie. Het fallussymbool komt
letterlijk overal voor: het werd gebruikt als grensafbakening, als
richtingwijzer en als aanduiding van de verwekkende kracht. Bekend is de god
Priapos, die uit Klein-Azië kwam. Hij werd altijd afgebeeld met zijn penis in
erectie en hij werd vereerd als verwekker van het leven. Je leest steeds dat
hij een vruchtbaarheidsgod zou zijn, maar dat is fout: vruchtbaarheid behoort
bij het moederlijk vrouwelijke en de verwekkende kracht behoort bij het
mannelijke. Priapos werd vrijwel overal vereerd en volgens de Grieken was hij
de zoon van Afrodite en Dionysos, die beiden alles met de liefde, de
seksualiteit en het leven te maken hadden. De fallus is op zichzelf een
mannelijke zaak, maar het kenmerk daarvan is het gericht-zijn op het
vrouwelijke, uitgedrukt door de erectie. Men geeft blijk van het inzicht dat de
verwekkende kracht van het mannelijke pas dan zinvol is als hij zich op het
vrouwelijke betrekt. Als hij gereed is om IN het vrouwelijke te zijn. En als
zodanig is hij levenwekkend. Dat behoort allemaal bij een vrouwelijk
cultuurbesef. In het westen komt de fallus ook voor, maar daar duidt hij de man
zelf aan als mannelijke potentie, als iets aantrekkelijks voor vrouwen. Het
leven komt in de westerse cultuur niet meer voort uit de moederlijke
vruchtbaarheid, maar uit de VERWEKKER: hij is het die nieuw leven schept en dat
nieuwe leven is zijn bezit, zijn nageslacht. De moeder is in wezen slechts de
draagster van het leven.
Zij is eigenlijk niet veel meer dan het MIDDEL tot
voortzetting van het leven. Men zal dit gewoonlijk niet graag toegeven omdat
men het gepaster vindt de schijn van gelijkwaardigheid op te houden, maar
intussen is het nog steeds de man die de kinderen legitimeert. Het is de
verwekker waar alles om draait...
Orgiën zijn geheime godsdienstige feesten die nauw
samenhangen met het vrouwelijke vruchtbaarheidsbesef. Ook die feesten kwamen in
de oudheid veelvuldig voor; de Grieken vierden ze in verband met Dionysos en de
god Attis, die gedacht werd als gestorven binnen het vrouwelijke, hetgeen
betekent dat hij op abstracte wijze in het vrouwelijke aanwezig was. Deze
aanwezigheid is "vluchtig", ongrijpbaar, ijl en onaanwijsbaar. Het
mannelijke heeft als zodanig geen naam - denk aan de al eerder genoemde
vreemdeling. De orgiën nu waren de feestelijke, de extatische, beleving van het permanent aanwezige vluchtige mannelijke binnen het
vrouwelijke. Een zaak die voor de dominante westerse man uiteraard
onaanvaardbaar is en die dus maar afgedaan wordt als een
"uitspatting" die hoogstens bedoeld kan zijn als een "uitlaatklep"
voor seksuele verlangens.
De macht en de seksualiteit
Men zou kunnen denken: in de oudheid oefenden de
vrouwen macht uit over de mannen en omgekeerd in het westen de mannen over de
vrouwen. Dit is echter niet juist. De afbeeldingen en de verhalen uit de
oudheid hebben een erg liefelijk karakter, terwijl die uit het westen steeds
een sfeer van geweldaardigheid hebben: de vrouw wordt veroverd en zij
wordt verleid en zij geeft zich tenslotte "gewonnen". Wat
betreft deze tegenstelling moet je bedenken: het vrouwelijke behoeft over het
mannelijke geen macht uit te oefenen omdat dit vluchtige mannelijke als haar
permanente inhoud werd gezien. Hij was dus geen tegenstander en geen
buitenstaander en hij was ook niet meer- of minderwaardig. Bovendien is het niet
denkbaar dat er naast het (vrouwelijke) geheel nog iets anders bestaat.
Rivaliteit en vijandigheid zijn dus uitgesloten. In het westen daarentegen
wordt de inhoud op zichzelf gesteld als de zaak waarom alles draait. Nu
gaat het dus om "het één en het ander". En dit betekent voor de
seksualiteit dat men ten opzichte van elkaar "buitenstaanders" wordt:
de één is BUITEN de ander. Het wordt nu zaak elkaar ergens " toe te
krijgen". Daarbij voelt de man zich dominant omdat het gaat over het
mannelijke aspect van de werkelijkheid: de inhoud. Dit heeft als
noodzakelijk gevolg dat ertussen de één en de ander een machtsverhouding
ontstaat, gegrond op de SCHEIDING van de één en de ander en de meerwaarde
van één van die twee. Dit heeft grote gevolgen...
Nogmaals
: eenzijdige verhoudingen
Wat ik tot nu toe aan voorbeelden en
vergelijkingen heb laten zien, vooral wat betreft de oudheid, is bedoeld om
enigszins concreet te maken wat er gebeurt als de mensen het vrouwelijke
eenzijdig zien als "het geheel" en het mannelijke eenzijdig als
"de inhoud". Hoewel toegegeven moet worden dat daarbij de oudheid
gunstig afsteekt bij de moderne tijd kunnen wij in geen geval stellen dat het
toentertijd allemaal op maat lag. In feite had het vrouwelijke geen concrete inhoud:
het mannelijke kon niet naar eigen aard gelden, het moest onbepaald blijven en
als zodanig verzonken in het vrouwelijke geheel. En voor zover het zich, vooral
maatschappelijk toch liet gelden was het "gericht op het
vrouwelijke", dus fallisch - in de oorspronkelijke betekenis. Bekijken we
nu onze tijd en ervaren wij daarvan het onmogelijke en vaak ook onmenselijke
karakter (waarvan lang niet iedereen zich bewust is), dan zouden wij in de
verleiding kunnen komen de oudheid te idealiseren, een verschijnsel dat wij inderdaad
kunnen waarnemen bij vrouwen en mannen die in sterke mate gebukt gaan onder de
rampspoed van de liefde. En zelfs zie je een neiging bij de mannen om
hun mannelijke identiteit - wat dat dan ook mag zijn - op de achtergrond te
dringen, te ontkennen, en daarvoor iets "wolligs" in de plaats te
stellen. Bij een aantal vrouwen neem je de behoefte aan mystiek waar. Beide
verschijnselen wijzen op een onvrede met het mannelijke als eenzijdig "de
inhoud" en tegelijk op een nog niet begrijpen en ervaren van de juiste
verhoudingen: de inhoud van het geheel en het geheel
met haar inhoud.
Het is en blijft evenwel hoopgevend dat de mensen
steeds sterker gaan voelen dat er iets niet klopt met de traditionele
zienswijzen...
De omwenteling
Hoewel er in de oudheid natuurlijk ook allerlei
machtstoestanden waren, is toch te zeggen dat er op het terrein van de
seksualiteit in principe geen machtsverhoudingen waren. De man werd aangevoeld
als vanzelfsprekende inhoud van de vrouw (we houden het even op die twee) en
omdat hij wezenlijk niet buiten haar stond was er geen basis voor macht.
Bovendien ontbrak het hogere beginsel als grond voor macht. Als echter "de
inhoud" zich gaat laten gelden treedt er een omwenteling op: nu
komt "de éne mens en de andere mens" voor de dag. De inhoud immers
bestaat uit de verzameling van alle afzonderlijke mensen en dingen! Nu
verdwijnt de vanzelfsprekendheid van het "ineen-zijn" van vrouw en
man, die twee zijn voortaan "uiteen" en de seksualiteit wordt een
gebeuren TUSSEN die twee. Daar komt nog bij dat de man de belangrijkste wordt
omdat hij beseft gaat worden als de representant van de werkelijkheid (van de
waarheid) die nu een mannelijke werkelijkheid wordt omdat het over "de
inhoud" gaat. Tussen man en vrouw treedt nu een machtsverhouding op, want
de man is de drager van "de waarheid". Hij verheft zich boven de
vrouw en dat wordt geaccepteerd door beiden, vrouw en man, omdat voor beiden de
werkelijkheid als "inhoud" is gaan gelden. Het is van belang zich van
dit laatste terdege bewust te zijn; de vrouwen in de moderne wereld zijn niet
overrompeld door de mannen, zij zijn niet door hen overwonnen, maar zij hebben
zich gevoegd naar de cultuurinzichten die ook de hunne waren. En ook nu nog, nu
er veel in beweging is gekomen, kan je opmerken dat men inzake de
vrouwenbevrijding onwillekeurig denkt in termen van macht: vrouwen /
mannen willen die macht eerlijker verdelen en evenveel te zeggen hebben, wat op
zichzelf natuurlijk juist is, maar wat niet het werkelijke probleem is: het
gaat om het vernietigen van de macht en niet om de verdeling daarvan!
Een van de twee is hoger
Voor de (mannelijke) macht is vereist dat er een
scheiding is tussen de éne mens en de andere mens, dat één van die twee de
representant is van de werkelijkheid (de man en het mannelijke, de inhoud), en
dat die vertegenwoordigde werkelijkheid als HOGER is gesteld. Voor de mensen
van de oudheid was de werkelijkheid, het geheel, geen hogere zaak. Wel was het
een edele zaak, een zaak van schoonheid, van edelmoedigheid en grootsheid, maar
die zaak werd gezien als laatste en mooiste mogelijkheid van de mens zelf. Je
kon jezelf vervolmaken, aan jezelf die mooiste mogelijkheid waarmaken. En dat
kon juist omdat je zelf die werkelijkheid was; zelfs als het je niet lukte
volmaakter te worden was je toch nog altijd één met die schone dichterlijke
werkelijkheid. Dus: van een letterlijk HOGERE werkelijkheid was geen
sprake. Het verhevene en het edele wordt DOOR ONS automatisch met
iets hogers geassocieerd en daardoor nemen WIJ gedachteloos aan dat het voor
die mensen van toen ook zo gold, maar dat is (aanvankelijk) niet het geval.
Als de mensen de inhoud als de maat gaan nemen
treden zij uit het geheel zodat dit buiten hen komt te liggen. Prompt wordt het
dan ook tot iets hogers omdat je als inhoud er van binnenuit naar opkijkt,
precies zoals wij het uitspansel als boven ons ervaren. De hemel, het oord van
het hogere, is dan ook identiek met het uitspansel. Kosmisch gezien is alles
wat buiten je is ook "om je heen" en daardoor onmiddellijk letterlijk
hoger. Zo ontstaat het beeld van een god die de dienst uitmaakt vanuit een
hemelse werkelijkheid die niet meer deel is van de mensen zelf. Die zaak oefent
macht uit want hij vereist van de mensen dat zij zich voegen naar de ervoor
geldende normen. De mensen moeten zich veranderen naar die normen en voor zover
zij daarin tekort schieten zijn zij schuldig, terwijl zij zondig zijn
(erfzonde) omdat zij buiten god staan. Nu wordt de man degene die in het licht
van het goddelijke staat; hij wordt de drager van de geest, hij wordt de
denker, de met intelligentie begiftigde. In hem komen de niet-materiële
aspecten van de mens samen en op grond daarvan gaat de man de vrouw en de
overige natuur te boven. Hij gaat daarover macht uitoefenen en beroept zich
daarbij op zijn "dienstbaarheid" aan het hogere, aan god.
Elke macht is er op uit om de
zaken te veranderen. Voor zover men bijvoorbeeld vanuit de hedendaagse
wetenschap macht uitoefent gaat het er om de werkelijkheid te veranderen, zo dat
zij zich gaat gedragen naar onze wensen. De werkelijkheid moet overheerst
worden. Daartoe moet je haar natuurlijk eerst onderzoeken, maar het is
opmerkelijk dat vrijwel uitsluitend datgene onderzocht wordt dat de belofte
inhoudt straks nog een stukje van de natuur naar eigen hand te kunnen zetten.
Hetzelfde geldt voor de politieke macht en natuurlijk, zij het op niet
zelfbewuste wijze, voor de verhoudingen binnen de seksualiteit. We kunnen zelfs
wel zeggen dat seksualiteit wordt: macht uitoefenen, en voor de vrouw:
zich onderwerpen aan de macht. Zij moet dan ook de man ter wille zijn, haar plichten
jegens hem vervullen. Eigenlijk gaat het hele leven van de vrouw op in plichtsvervulling.
Ondanks het feit dat de mensen het geheel buiten en boven zich geplaatst hebben
blijft vanuit deze mannelijke optiek de vrouw toch geassocieerd met het geheel
en hij noemt dat dan "de natuur". En hier kan hij niet onverschillig
tegenover staan: hij wijst die zaak af en gaat haar bestrijden.
Bijgevolg is het vrouwelijke in onze wereld eigenlijk niet zozeer verwaarloosd
als wel veroordeeld: het mag er niet zijn. En daarmee zijn ook de
vrouwen het eens, zij vinden het niet te pas komen zich seksueel te
manifesteren, zij vrezen dan als een hoer beschouwd te worden. Het moet zijn alsof hun
seksualiteit er niet is voor en vanuit henzelf, maar louter VOOR DE MAN. Van
harte gaat dit echter niet...
Bladwijzer: Pornografie/veredelde
zelfbevrediging ; Incestsituatie ; seksueel misbruik ; Prikkeling ; elkaar lustobject
zijn ; Seks ; Homoseksualiteit ;
De strijd tegen het vrouwelijke
Vanaf het begin van Europa zet zich het mannelijke
denken door. Dat is een cultuur kwestie en dat wil zeggen dat het een
nieuwe ontwikkeling is in het zelfbewustzijn van de mensen. Mannelijk denken
gaat dus gelden voor zowel mannen als vrouwen, maar het heeft op de één een
andere uitwerking als op de ander. Gezien vanuit “de inhoud", het mannelijke kan je spreken
van een overwinning, maar gezien vanuit “het geheel" ligt de zaak totaal
anders. Want al is “het geheel"
als een eenzijdig vrouwelijke zaak (want daarover hebben we het nog steeds)
door het mannelijke overwonnen, is het niet plotseling verdwenen. Het is een zaak
die in de mensen zelfbewust is geworden en die als zodanig blijft gelden. Dat
heeft tot gevolg dat het vrouwelijke er is om er tegelijk niet te mogen zijn;
die zaak leeft in het gehele menszijn als iets vanzelfsprekends, als een
gevoelszaak, als een psychische werkelijkheid. Maar tegelijk is er vanuit het
denken en dus ook vanuit de moraal een fanatieke ontkenning van die
werkelijkheid. Dat wil zeggen dat zij ANDERS moet zijn en dus voortdurend
veranderd wordt. Er ontstaat een angst voor en een haat tegen alle
levensbegrippen en levensverhoudingen. Men is daarmee voortdurend bezig terwijl
men het tegelijk doet voorkomen dat het over iets anders zou gaan: de strijd
tegen het slechte, de verleiding, de zonde enz. En in feite is dit alles, in de
praktijk, gericht tégen de vrouw, die als representant van “het overwonnen
geheel" gezien wordt. Alle vrouwelijkheid wordt haar zonder pardon ontzegd
wil zij niet voor “een hoer"
aangezien worden en zij mag alleen maar "vrouwelijk" zijn VOOR DE
MAN, in overeenstemming met de normen die HIJ daarvoor aanlegt. Hoewel zij
zich, door daaraan te voldoen, juist dan laat gelden als een begerenswaardig
nuttig voorwerp, wordt zij binnen zo'n verhouding niet als een hoer gezien: zij is dan
deugdzaam, een goede echtgenote en moeder en eventueel ook een gelijkwaardig
lid van de maatschappij.
Wat gebeurt er met de vrouw
Je zou je kunnen voorstellen dat de vrouwen zich
door de mannen overwonnen hebben gevoeld, dat zij bij hun verzet tegen de
mannen de nederlaag hebben geleden en zich hebben neergelegd bij de
overheersing. Zo'n voorstelling van zaken wordt trouwens tegenwoordig vaak
gegeven, maar toch is hij onjuist. In zekere zin houdt "overwonnen
zijn" nog een behoud van eigen identiteit in, zij het dat die niet mag gelden.
Maar het gros van de West-Europese vrouwen kampt juist met een
identiteitsverlies en stelt zich, vooral in onze tijd, voortdurend de vraag:
wat is onze vrouwelijke identiteit? Het begrip "nederlaag" is dus
blijkbaar niet van toepassing en dat is te begrijpen als je je goed realiseert
dat we met een cultuurmoment te doen hebben DAT VOOR IEDEREEN GELDT. En dan kan
je zeggen: de vrouwen zijn, geredeneerd vanuit die cultuur, tegen zichzelf.
Een situatie die natuurlijk door de mannen
aangescherpt wordt. Het tegen zichzelf zijn heeft een conflict tot gevolg en
dat is een psychisch conflict (“het geheel" ligt, omdat het als
zelfbewuste zaak tot het verleden behoort, verzonken in de psyche, is een - onbegrepen -
gevoelszaak geworden) dat juist door de vrouwen zelf verdrongen wordt. Vandaar
dat “de fatsoenlijke vrouwen” zelf de eersten zijn om hun deugdzaamheid te
beschermen en almaar te bevestigen. Historisch zien wij die
fatsoenlijkheids-manie eerst goed doorbreken bij het zich doorzetten van de
burgerlijke maatschappij - zeg: na de Franse revolutie. Het zijn dan juist de
vrouwen die de moraal en de fatsoensnormen angstvallig handhaven, althans de
vrouwen uit de burgerlijke milieus. En uiteraard zijn het de mannen die daarbij
een stevig handje helpen...
Bladwijzer: Pornografie/veredelde
zelfbevrediging ; Incestsituatie ; seksueel misbruik
; Prikkeling ; elkaar lustobject
zijn ; Seks ; Psyche ; Homoseksualiteit ;
Het conflict in de West-Europese vrouw is gelegen
in het feit dat zij de vrouwelijkheid, die zij in zichzelf aanvoelt, niet mag
laten gelden omdat zij vindt dat dit niet "fatsoenlijk" is. Wezenlijk
is het conflict dus een moreel conflict dat op een heel diep verzonken terrein
ligt: de vrouwelijke werkelijkheid als “het geheel" bevindt zich in het
vergeten en verdrongen zelfbewustzijn dat onder geen voorwaarde manifest mag
worden op straffe van uitstoting uit de samenleving. Dat maakt een aanhoudende
waakzaamheid noodzakelijk, die overgevoelige reacties oproept bij verstoring
van de betrekkelijke "rust" van het verdrongene. Op seksueel misbruik, op aanrandingen en verkrachtingen wordt
gereageerd met een alles overheersende psychische verwarring die bijna niet te
genezen is. Maar binnen het kader van de moraal blijft die reactie achterwege:
alle gewelddadige gruwelen worden geaccepteerd als het onder de dekmantel van
het huwelijk gebeurt. Het psychische conflict van de West-Europese vrouw
ligt altijd op de loer; de spanning tussen
het verdrongen vrouwelijke en het fatsoen is permanent aanwezig en die gaat pas over als het
vrouwelijke vrij baan krijgt en het fatsoen doorzien wordt als een mannelijke herwaardering van
de werkelijkheid. Met dat doorzien verdwijnt het tegen-zichzelf-zijn
van de vrouw en dan kan er zich een werkelijke vrouwelijkheid ontwikkelen, die
uiteraard meer betekenis heeft dan de eenzijdig vrouwelijke van het verleden.
Tegenwoordig is er een kentering gaande, maar die staat toch nog in sterke mate
in het teken van het conflict. Van de aanwezigheid van dit conflict zijn de
vrouwen zich bewust aan het worden, maar nog slechts weinigen hebben in de
gaten dat het de moraal en het fatsoen zijn die de problemen opleveren. Men
richt zich gewoonlijk op de macht van de mannen als zou het gaan over een zaak
die BUITEN de vrouw stond. Maar het conflict is de wijze waarop het mannelijke
denkmodel IN de vrouw terechtkomt. Het komt in haar terecht als iets
vijandigs omdat het “het geheel" ontkent. En dat is zelfs het geval voor
zover zij met haar zelfbewustzijn geheel en al het mannelijke denkmodel
toegedaan is.
Romantische vrouwenverering
Er zijn in west-europa perioden geweest waarin
door bepaalde élites de vrouwen op een hoog voetstuk geplaatst werden. Maar let
wel: die verering vond plaats vanuit het mannelijke denken. Die "edele
vrouwen" waren zo voor de mannen. Daarom werden zij altijd als
"kuis" voorgesteld, maar ook in de gevangenis van de toren van het
kasteel en zij waren tot nietsdoen gedoemd, behalve dan het verlangend uitzien
naar hun minnaar. We hebben dus duidelijk te doen met een mannelijke projectie.
Daarbij is frappant dat die mannen strijders waren, een verschijnsel dat ook in
nazi-Duitsland viel op te merken. De strijders voor "recht en orde"
waren als de dood voor het vrouwelijke, dat voor hen slechts
"hoererij" was, maar de kuise, lelieblanke voorname vrouw was hun
ideaal. Tegenwoordig staat het mannelijke denken ten voeten uit,
het is letterlijk gemeengoed geworden. Bijgevolg is zo ongeveer iedereen
fatsoenlijk. En iedere man, die zichzelf respecteert, plaatst zijn vrouw in het
zonnetje: zonder haar had hij allerlei niet tot een goed einde kunnen brengen
en eigenlijk komt haar alle eer toe! Maar ook dat is romantiek vanuit het
mannelijke denkmodel. Zij is er immers voor hem! Zij verleent glorie aan zijn
grootse daden en het feit dat hij zo'n fatsoenlijke vrouw heeft strekt hem tot
eer, maakt hem waardevol. De vrouw, die vereerd wordt, is dus eigenlijk niet de
vrouw, maar de echtgenote. Als zij geen echtgenote is telt zij niet of
nauwelijks mee en men vindt dat er "ergens" iets niet in orde is.
Bladwijzer: Pornografie/veredelde
zelfbevrediging ; Incestsituatie ; seksueel misbruik ; Prikkeling ; elkaar lustobject
zijn ; Seks ; Psyche ; Homoseksualiteit ;
De westerse vrouw telt niet mee
Wat betreft de vraag of mensen
"meetellen" in de wereld levert de vergelijking van de bewoners van
“de derde wereld" met de (westerse) vrouw een interessant resultaat op.
Met de derde wereld mensen houdt zo ongeveer iedereen zich bezig, maar het
antwoord op de vraag HOE dat dan gebeurt is nogal gevarieerd: men ziet hen als goedkope arbeidskrachten (slaven), als "opeters"
die door hun grote aantal de voedselvoorraden zouden kunnen
uitputten en men ziet hen als arme stakkers die door hun achtergebleven
ontwikkeling in de misère beland zijn. En enkele mensen hebben in de gaten dat
die derde wereld mensen functioneren als als de achterbuurten en mesthopen van
“de beschaving". Maar hoe dan ook, op de een of andere miserabele manier
tellen die mensen mee. Ik bedoel: zij behoeven niet iemand anders te zijn dan
zij zijn. Hun omstandigheden zouden verbeterd moeten worden, zij zouden
geholpen moeten worden om zichzelf weer te kunnen redden, vindt men over het
algemeen. Dat zijn veranderingen die de persoonlijkheid van die mensen in
principe niet aantasten. Maar de moderne vrouw moet wel anders zijn dan zij is.
Men is bereid haar niet meer uit te buiten, haar een volwaardige status toe te
kennen en haar alle vrijheid te geven, als zij maar vooral geen VROUW is met
een eigen vrouwelijke identiteit. Zij mag er zijn voor iets of iemand anders:
voor de man, voor de maatschappij, voor het fatsoen, voor het gezin en de
kinderen. In tegenstelling tot de man mag zij niet zichzelf zijn - wat dat ook
moge inhouden. In de periode van “de hoofse liefde" werd de vrouw hoog
geprezen, maar, zoals al eerder gezegd: zij werd geprezen om datgene dat zij
VOOR DE MAN was, zij was de smachtende kuise jonkvrouw, geïsoleerd van de
wereld en als zodanig inspireerde zij de ridder tot zijn "edele daden”.
Zij moest echter vooral niet zelf gaan léven! Al staat zij op nog zo'n hoog
voetstuk, steeds gaat het om iemand anders dan de vrouw. En in die zin kan je
stellen dat de vrouw niet meetelt, niet aanwezig mag zijn en zelfs bestreden
wordt. Dat is niet in de eerste plaats een kwestie van recht of van politiek of
van macht, maar het is een cultureel psychische zaak die diep verborgen ligt in
het donkere gebied van het zelfbewustzijn van de eenzijdig mannelijk ingestelde
mensen. En dat is een zo donkere zaak dat goedwillende mensen, die de vrouw in
hun denken niet ontkennen of vernederen, toch de behoefte hebben er
nadrukkelijk van te getuigen dat voor hen de vrouw gelijkwaardig is. Het is
blijkbaar toch niet helemaal vanzelfsprekend, zodat het om een bevestiging
vraagt! Nogmaals: het vrouwelijke is, met het maatgevend worden van “de
werkelijkheid als inhoud", het mannelijke, verdrongen naar het donkere gedeelte
van het zelfbewustzijn en daarin is het een bron van onrust en hysterie omdat
het, eenmaal tot zelfbewustzijn gekomen in het verleden, niet meer ongedaan
gemaakt kan worden. Alles wat in de loop van de ontwikkeling voor de dag
gekomen is kan niet meer ontkend worden; het is er en het blijft er. Wat je
eenmaal aan de weet gekomen bent kan je wel vergeten en verdringen, wegsluiten
in een donkere kamer, maar het blijft als zodanig toch zelfbewust en op een
ondergrondse wijze actief. Je merkt daarvan wel allerlei, maar doorgaans weet
je niet wat het is.
Als zaken uit “het vergeten zelfbewustzijn"
bij gelegenheid vanuit de duisternis op je inwerken en als je die ervaringen
als "slecht" beoordeelt, kan je reactie daarop “een hysterische"
zijn. Dan komt het "wakkere" zelfbewustzijn en dus ook je denken in
een soort kramptoestand te verkeren en wordt elk redelijk oordeel onmogelijk.
Als verblind richt je zelfbewustzijn zich op die ervaringen en elk onzinnig
argument voldoet om je haat uit te kunnen leven. Ook is er de behoefte om eigen
vermeende "slechtheid" te projecteren op de andere mensen, of op
bepaalde andere mensen en die mensen moeten dan vernietigd worden. Want zij
worden representanten van je eigen verafschuwde vrouwelijkheid. Op directe of
indirecte wijze hangt hysterie, zoals ik het opvat, steeds met vrouwelijkheid
samen. Uiteraard komt het voor bij vrouwen zowel als mannen: hoe machtiger een
man, hoe meer de hysterie dreigt; hoe kuiser en fatsoenlijker een vrouw, hoe
groter bij haar de kans op hysterie.
Lange tijd kwamen er in Europa heksenvervolgingen
voor. Kurt Baschwitz ("Heksen en heksenprocessen") en anderen hebben
er op gewezen dat de hysterie bij tijden als een epidemie over hele landstreken
raasde. Zo'n epidemie was uitermate besmettelijk en hij liep bijna altijd uit
op een flink aantal al of niet gerechtelijke moorden. Berucht zijn de
heksenvervolgingen in het Amerikaanse stadje Salem in 1692, waarbij meer dan 30
mensen ter dood veroordeeld werden, waarvan er ruim 20 werden gedood. In feite
stond het vrouwelijke terecht, het vrouwelijke dat zichzelf hysterisch
manifesteerde en iedereen van haat verblindde. Het is een feit dat de
christelijke godsdienst, met zijn sterke nadruk op slechtheid en zonde, een zeer
kwalijke rol heeft gespeeld, maar de werkelijke oorzaak ligt in het mannelijke
denken. Van dat denken is die godsdienst een gevolg, maar ook de opvatting over
politiek, wetenschap, recht en dergelijke. Waar zo'n soort denken niet aanwezig
is kan het christendom de zaak niet aanwakkeren en van een schijnbare
rechtsgrond voorzien, zoals dat in Europa wel het geval was.
Moderne hysterie
Hoewel de hysterie als epidemisch verschijnsel
tegenwoordig niet meer zo'n grote kans krijgt, kunnen we toch opmerken dat we
er nog lang niet van af zijn. Redeloze reacties op bijvoorbeeld de
vredesbeweging, de antikernenergie
beweging en het feminisme zijn nog steeds schering en inslag. En
wat te denken van de vele Amerikanen die als gekken tekeer gaan tegen
homofielen, tegen abortus en tegen euthanasie? Steeds is de hysterie gericht
tegen mensen die op de een of andere manier buiten het mannelijke normstelsel
vallen en meer of minder direct een verband doen beseffen met vrouwelijke
verhoudingen. Vrede bijvoorbeeld is, als zelfstandig begrip, de uitdrukking van
de binnen het geheel geldende harmonie, waarin al het aanwezige meedoet en tot
zijn recht komt. Als wapenstilstand wordt de vrede wel geaccepteerd, maar als
kwaliteit van de menselijke verhoudingen mag de vrede niet bestreefd worden. Op
voorstellen tot eenzijdige ontwapening wordt onmiddellijk afwijzend gereageerd;
onbevangen over het vraagstuk nadenken is er niet bij!
Hoe geneest men van de hysterie
Het ijveren van de vrouwenbeweging heeft op den
duur als resultaat dat de maatschappelijke verhoudingen tussen vrouwen en
mannen gelijkwaardig worden, maar dat behoeft nog niet te betekenen dat het in
het duister gedrongen vrouwelijke weer vrij komt. Groot is de kans dat het nog
effectiever weggewerkt wordt. Omdat het gaat om een wisselwerking tussen het
zelfbewuste mannelijke normstelsel en het vrouwelijke, waarbij dat norm stelsel
dominant is, moet dit laatste steeds meer in twijfel getrokken worden; de
conditioneringen moeten zich oplossen. Omdat je om te beginnen niet weet waar
die conditioneringen zitten, moet je alle zogenaamde vanzelfsprekendheden
betwijfelen. Je moet het vrouwelijke vrijelijk in je op laten komen en het niet
veroordelen. Deze bevrijding zet zich door tezamen met het vervallen van de
geldende cultuurwaarden.
De seksualiteit, gezien vanuit de evolutie
Al eerder heb ik er op gewezen dat er, met het
verschijnen van het leven op onze planeet een verschijnsel op gaat treden dat
een dubbelkarakter heeft, op grond van het feit dat een tweetal begrippen tot
realiteit zijn geworden: het begrip "het geheel" en het begrip
"de inhoud". Het is van groot belang te begrijpen dat er maar één
leven is; het leven van een microscopisch klein ééncellig wezen is precies
hetzelfde "levend-zijn" als dat van een mens. Het verschil tussen die
twee is niet gelegen op het terrein van een minder- of meerwaardig leven, maar
op het terrein van de organisatie: het door onderlinge communicatie samengaan
van een hoeveelheid cellen zodat zij een ondeelbaar geheel vormen. Dat "samengaan",
waarvan de innigheid in de loop der evolutie toeneemt, brengt een toenemend
aantal "functies" met zich mee, die bovendien steeds meer verfijnd
worden en die er oorzaak van zijn dat allerlei cellen er anders uit gaan zien
en zich anders gaan gedragen, maar ook in dat geval hebben wij met precies
hetzelfde "levend-zijn" te doen als bij een zelfstandig eencellig
wezen.
In feite verandert, bij het toenemen van de
innigheid van de organisatie, het gedrag van de cellen. Het begrip
"gedrag" is niet denkbaar zonder het begrip "omgeving".
Alles wat leeft, leeft TEMIDDEN van iets en het is
zich daarvan "bewust" zoals blijkt uit het feit dat al het levende op
haar omgeving reageert en zich ten koste van die omgeving in stand houdt. Ik
wijs even op deze dingen omdat er vanuit het westerse denken geen begrip is
voor het inzicht dat alle leven één leven is. We erkennen desnoods wel dat er
een samenhang is (“de biologische ketens"), maar dat is voor ons dan een
samenhang tussen VERSCHILLENDE levende verschijnselen en nog lang geen
samenhang van een biologisch systeem dat de gehele aarde omspant. Daarom
manipuleren wij de natuur alsof het een machine zou zijn. Levend-zijn wil
zeggen: het begrip "inhoud" realiseren. Die inhoud is beweeglijk en
dus voortdurend in verandering, terwijl “het geheel" steeds zichzelf
gelijk blijft. Het in verandering zijn betekent dus niet dat er telkens "
iets anders" optreedt, maar dat we te doen hebben met "hetzelfde
anders", een zaak waarvoor altijd alternatieven gelden. Dat nu is met een
steen niet het geval. Hoewel er, diep in de materie van de steen, ook
beweeglijkheid aanwezig is laat die zichzelf niet als zodanig gelden en zijn er
voor de steen dus geen alternatieven: steen is steen. Als wij die steen kloven
wordt een deel van de binnenkant buitenkant; beide begrippen zijn dus in dat
geval verwisselbaar, juist omdat het begrip "inhoud" zich niet
gemanifesteerd heeft. Maar een levend verschijnsel laat geen verwisseling van
binnenkant en buitenkant toe omdat “de inhoud" alleen maar BINNEN “het
geheel" te denken is.
Het feit dat een levend wezen de manifestatie is
van een "dubbelbegrip" vertoont zich tijdens de evolutie van het
leven. Naarmate dat leven zich gaat organiseren treden er wezens op die in het
teken staan van een van de twee verhoudingen die uit het dubbelbegrip zijn af
te leiden: wezens die "het geheel en haar inhoud" gestalte geven
(vrouwelijk) en wezens die "de inhoud van het geheel" vertonen
(mannelijk). Dus in het kort: er verschijnen vrouwen en mannen. Die vrouwen en
mannen zijn organisaties (van het leven) en als zodanig zijn zij vrouw of man,
terwijl de organiserende cellen zelf in het teken van het dubbelbegrip blijven
staan. En dus TEGELIJK vrouwelijk en mannelijk zijn, hetgeen niet verward mag
worden met "onzijdig zijn" of iets dergelijks. Onzijdigheid bestaat
in de natuur niet; het is "zij" of "hij" of beide tegelijk.
Dat laatste komt voor hij sommige planten en "lagere organismen”.
Elk "georganiseerd" levend verschijnsel
is dus qua "cellen" gebaseerd op het "dubbelbegrip" en dat
vertoont zich bij het ontstaan van nieuw leven: het komt voort uit een cel.
Voor die ene begin-cel geldt dat zij ontstaat door versmelting van twee cellen
(denk aan het dubbelbegrip), en die versmelting betekent niet zoiets als
“samenvoegen", "bij elkaar optellen", maar letterlijk
"een-worden". De mannelijke cel verdwijnt spoorloos in de
vrouwelijke: hij stelt zich als inhoud van het geheel. Gezien vanuit de
vrouwelijke cel kan je zeggen: zij neemt haar inhoud in zich op. Als zij dat
gedaan heeft is zij weer volledig het leven. Je ziet dus dat begrippen, die af
te leiden zijn uit "het geheel" op concrete wijze voor de dag komen,
en dat is iets dat voor het moderne denken nauwelijks aanvaardbaar is.
Begrippen zijn volgens dat denken abstracties (zelfs wel ficties) en zij moeten
dat vooral blijven. Een concrete zaak kan en mag zich niet gedragen volgens
begripswetten, maar volgens zogenaamde natuurwetten, berekend en beschreven in
de fysica, de biochemie of de thermodynamica. En die natuurwetten zouden er
zijn omdat ze een natuurlijk mechanisme tot gevolg hebben, dat de beste
waarborg voor het overleven biedt. Een opvallende omkering van de feiten: niet
de natuurwetten garanderen overleving maar de begripswetten houden logisch
overleving in; overleving is geen doel, maar logische consequentie!
Omdat men volgens natuurwetten denkt en niet
volgens begripswetten ontstaan de meest bedrieglijke redeneringen. Men heeft
vastgesteld dat bij de bevruchting van de mens de mannelijke zaadcellen zich,
na allerlei moeilijkheden te hebben ondervonden, groeperen rond de eicel,
waarin er dan één doordringt. En ja hoor: als vanzelfsprekend neemt men
aan dat dit de fysiek sterkste moet zijn en dat het doordringen in de eicel als
het ware “zijn verdienste" is. Dat het gebeurt door zijn krachtige
kwaliteiten - een darwinistisch
denkautomatisme.
En men komt niet op het idee dat zij, de
vrouwelijke eicel, wel eens de bepalende zou kunnen zijn, dat zij “een
keuze" maakt uit de aanwezige mogelijkheden. Zou men de begripswetten
kennen, men zou op zijn minst aan een samenspel van eicel en zaadcel denken,
maar nu worden wij geconfronteerd met een volkomen mannelijke, doelgerichte,
causale redenering die het werkelijk begrijpen van de zaak onmogelijk maakt. Op
grond van de zich realiserende begrippen kunnen wij weten dat het
bevruchtingsproces zowel vrouwelijke als mannelijke aspecten vertoont, maar dat
beide tegelijk samenspelen en niet van elkaar te onderscheiden zijn. Het zich
voortbewegen van de zaadcellen naar de eicel toe (mannelijke activiteit) is
onmogelijk zonder het vrouwelijke milieu dat een al bij voorbaat selecterende
functie heeft. Zonder het vrouwelijke milieu wordt het met de mannelijke
zaadcel helemaal niets. Maar binnen dat milieu is het niet de fysiek sterkste die
de reis haalt, maar degene die zich het best kan instellen op zijn omgeving en
dus het meest ontvankelijk is voor "alternatieven". Je zou kunnen
zeggen: niet de sterkste overwint, maar “de slimste". Slim-zijn betekent
dan ook dat je in staat bent op alternatieven in te gaan.
Hoe dan ook, wij vinden bij de voortplanting alle
essentiële begrippen van de werkelijkheid concreet terug en dat zal blijken ook
het geval te zijn in de menselijke seksualiteit, zij het dat het daarbij in een
ander licht verschijnt, waardoor ook de verbinding van de seksualiteit met de
biologische voortplanting "alternatief" wordt, d.w.z. niet meer
onontkoombaar is. Maar, al is die verbinding “een alternatieve" geworden,
hij blijft wel van kracht. Want, op haar eigen wijze is de menselijke
seksualiteit niet anders dan de voortplanting. Slechts de betekenis van de
oerbegrippen is veranderd.
Bladwijzer: Pornografie/veredelde
zelfbevrediging ; Incestsituatie ; seksueel misbruik
; Prikkeling ; elkaar lustobject
zijn ; Seks ; Psyche ; Homoseksualiteit ;
Begripswetten en natuurwetten
Het ligt in de aard van het westerse denken om
zich te richten op het zoeken van natuurwetten. En men vindt kennis pas dan betrouwbaar
als zij gegrond is op en aangetoond kan worden door die natuurwetten. Nu zijn
die wetten eigenlijk beschrijvingen van regelmatig weerkerende gebeurtenissen
in de natuur en die beschrijvingen ontstaan aan de hand van gepleegd onderzoek.
Omdat echter dat onderzoek zelf voortdurend in ontwikkeling is, afhankelijk als
het is van de menselijke geest, zijn de beschrijvingen steeds anders. Vaak
blijken zij zelfs onjuist te zijn geweest. Dit betekent dat je in wezen nooit
iets echt aan de weet kunt komen, alle kennis blijft "voorlopig".
Bovendien is die kennis steeds gekleurd, onder invloed van de op een zeker
moment gangbare levensbeschouwing. Eigenlijk zegt die kennis meer over degene
die die kennis poneert dan over de werkelijkheid! Als je nu toch wilt weten hoe
bepaalde dingen zitten moet je gaan zoeken naar "begripswetten". Die
zijn namelijk gebaseerd op verhoudingen die voor onszelf gelden en daardoor
zijn ze onafhankelijk van de cultuurontwikkelingen en van methoden van
onderzoek. Je kunt ze zelf ontdekken en je hebt er niets en niemand bij nodig.
Juist die, door het westerse denken verfoeide, "subjectieve benadering”
kan leiden tot het begrijpen van de werkelijkheid, tot het weten HOE de
werkelijkheid is, en dat is wat anders dan het (voorlopige) weten waaruit zij
bestaat. Daarbij komt dan ook nog dat je met die "subjectieve
benadering" tevens je eigen fouten ontdekt: in dat geval loopt je
denken namelijk vast en ben je gedwongen helemaal opnieuw te beginnen. Denken
volgens de natuurwetten brengt de fouten niet aan het licht (al beweert men van
wel) omdat het die al bij voorbaat uitsluit door ongerijmde gebeurtenissen als
"uitzonderingen op de regel" of "toevallige mislukkingen"
te beschouwen. Maar in wezen zijn het fouten in onze eigen beschrijvingen en
zij zouden eigenlijk aanleiding moeten zijn om opnieuw te beginnen.
Biologische en menselijke seksualiteit
Ik heb al iets gezegd over de seksualiteit, voor
zover je die vanuit de evolutie benadert. Gaat het echter over de menselijke
seksualiteit, dan heb je in principe met precies hetzelfde te doen, maar de
betekenis ervan is voor ons, mensen, een geheel andere. Het is voor ons een
"alternatief proces” geworden, en dat wil zeggen dat de zaak voor alle
mogelijkheden open staat. Er is dus niet een mogelijkheid, maar er zijn ook
andere mogelijkheden. Wat is hier echter bedoeld met het woord
"andere"?
Bedoeld is dat datgene dat voor een mens geldt op
allerlei wijzen tot uitdrukking kan komen en niet gebonden is aan een
vastgelegd programma. Het gaat dus niet om
“iets anders", een geheel andere zaak of mogelijkheid, maar om een
op andere wijze te voorschijn komen van dezelfde zaak. De voor de mens
wezenlijke verhoudingen blijven dus gewoon van kracht, maar zij kunnen zich op
allerlei wijzen vertonen. Zo kan je zeggen: seksualiteit is eigenlijk
voortplanting, maar dan "alternatief" en dus "op andere
wijze" - als het althans over mensen gaat. Wij weten uit de praktijk dat
dit zo is, want als je in de (hetero-) seksualiteit niet "oppast" zet
het proces van de voortplanting zich in werking en als je daartegen geen
maatregelen neemt komt er gegarandeerd een kindje! Het "alternatieve"
is nu juist dat je maatregelen kunt nemen. Daarmee vervallen de geldige
verhoudingen niet, neen, ze gaan alleen maar anders gelden. Hoe vanzelfsprekend
dit allemaal ook lijkt, toch is het in strijd met de gangbare
"moderne" ideeën.
Vooral in het verzet tegen bepaalde Roomse
opvattingen, die inhouden dat seksualiteit voor de voortplanting zou DIENEN,
slaat men vaak door naar de andere kant en wil dan seksualiteit en
voortplanting als twee totaal andere zaken zien, zaken die niets met elkaar te
maken zouden hebben.
Uit onze gedachtegang echter volgt dat je
seksualiteit zou moeten zien als het menselijk alternatief van de
voorplanting. Dan wordt het namelijk ook begrijpelijk dat we in de seksualiteit
met dezelfde begripswetten te doen hebben als in de voortplanting. In
het kort: het mannelijke laat zich gelden als inhoud van het vrouwelijke
en het vrouwelijke laat gelden dat het een inhoud
heeft. Vanuit dit gezichtspunt is ook de homoseksualiteit
geen enkel probleem. Het is zonder meer een menselijk
"alternatief". Hierop kom ik nog terug.
( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze
bundel in zijn geheel.)
Waarom het
menselijk alternatief ?
Op het moment dat de mens uit de evolutie te
voorschijn komt heeft "het leven" alle mogelijkheden van
"zelforganisatie" benut. De mens is het laatste levende verschijnsel.
Dat betekent dat zij nu niet meer gebonden is aan specifieke wetten, die voor
elke soort levende organisatie weer anders zijn (elke plant en elk dier heeft
haar eigen specialiteiten en kan daar nooit buiten komen), maar aan het complex
van alle wetten. Juist omdat er nu niets "specifieks" meer is kan een
mens alle kanten uit en heeft als het ware een "vrije keuze". Het gebonden zijn
aan specifieke levensprogramma’s is nu ontkend. En zo is ook het gebonden zijn
aan het "voortplantingsprogramma", dat voor alle planten en dieren
onontkoombaar van kracht is, in de mens ontkend. Voortplanting wordt zogezegd
een "keuze", je kunt daartoe al of niet besluiten en omdat je dat
kunt is er ook geen moreel oordeel of ethisch oordeel over te geven. Al of niet
kinderen willen krijgen valt buiten de moraal en de ethiek en niemand kan over
haar keuze aangesproken worden.
Het uiteen-gaan en het ineen-gaan
Tijdens de evolutie gaan de mannelijke verhouding
(de inhoud van het geheel) en de vrouwelijke verhouding (het geheel en haar
inhoud) steeds meer uiteen. De levende organisaties worden
"specifieker" en bij de mensen heeft dat zijn hoogtepunt bereikt. Als
BIOLOGISCH verschijnsel zijn vrouw en man enorm verschillend. Maar tegelijk
zijn beiden manifestaties van een zaak: het ineen-zijn van "geheel"
en " inhoud". En omdat dit zo is willen het mannelijke en het vrouwelijke
almaar ineen-gaan, hetzij als specifieke voortplanting, hetzij als menselijke
seksualiteit - die dus alternatief is. In dat ineen-gaan FUNCTIONEREN wel
"aantrekkingskrachten" tussen vrouwelijk en mannelijk, maar daarom is
er geen seksualiteit. Die is er omdat het "uiteen-zijnde" zich naar
haar wezen wil laten gelden: "ineen-zijn". Redenerend volgens de
"natuurwetten" zijn er aantrekkingsmechanismen tussen de geslachten
TER WILLE van de voortplanting, maar vanuit de "begripswetten"
verenigen het vrouwelijke en het mannelijke zich omdat zij een zaak
zijn. En dat heeft allerlei praktische consequenties: voortplanting, maar ook
aantrekking en geslachtsdrift en bij de mensen "erotiek".
Dit alles heeft dus niets te maken met een
"doel" dat er zou zijn voor de seksualiteit, maar als je toch van een
"doel" of "bedoeling" zou willen spreken, dan kan dat
alleen maar zijn: het uiteen-zijnde moet zich laten gelden als ineen-zijn. Bij
de Antieken kwam dit tot uitdrukking in de gedachte van de "androgyne
mens” en in het beeld van de "hermafrodiete". Met deze laatste is
geen seksuele afwijking bedoeld, maar juist het wezenlijke van de seksualiteit:
vrouwelijk en mannelijk INEEN. Overigens moet opgemerkt worden dat dit
ineen-zijn wel op zichzelf aanwezig was bij de oercellen aan het begin van de
evolutie.
Bladwijzer: Pornografie/veredelde
zelfbevrediging ; Incestsituatie ; seksueel misbruik
; Prikkeling ; elkaar lustobject
zijn ; Seks ; Psyche ; Homoseksualiteit ;
Geen enkele
bedoeling
In de seksualiteit zoekt de inhoud het geheel
waarvan hij inhoud is en het geheel zoekt de inhoud die haar inhoud is. Dat
gebeurt zonder enige bedoeling. Het gaat niet om de voortplanting, niet om de
bevrediging van al of niet "driftmatige" behoeften, of wat dan ook.
Er laat zich in de menselijke werkelijkheid iets gelden, een fundamentele
verhouding manifesteert zich en alles wat zich daaraan laat beleven of,
eventueel in ethische zin laat bedenken, is wezenlijk bijkomstig. Letterlijk:
het komt er aan mee en dat doet het onvermijdelijk omdat de zaak zich afspeelt
in verschijnselen, in concreet levende mensen. Wie het er, op grond van het
bovenstaande af wil denken, omdat het toch maar onbelangrijk zou zijn, begrijpt
het begrip "een meekomende zaak" niet. Meestal knoopt men daaraan een
negatief waardeoordeel vast en vergeet daarbij dat het verschijnsel mens op
zichzelf ook een "meekomende" zaak is, meekomend namelijk aan het
oerbeginsel van de werkelijkheid. Omdat er meestal overal een bedoeling achter
gezocht wordt, doet men dat ook inzake de seksualiteit. Je kunt dan de meest
uiteenlopende verhalen horen, van het banale voortplantingsverhaal tot het
wetenschappelijke psychologische verhaal dat een "bevredigende
seksualiteit” je ontspant en tegelijk energiek en creatief maakt. In al die
verhalen steekt wel iets waars, maar het gaat steeds over gevolgen van de
seksualiteit of over mechanismen, die daarin werkzaam zijn. In feite speelt er
zich iets in je af, het gaat om "het", zoals de oosterse boogschutter
zei over het boogschieten: "niet ik schiet boog, maar "het"
schiet in mij". Het behoeft dan ook geen betoog dat zijn
boogschietoefeningen voornamelijk gericht waren op het vrijmaken van datgene
dat in hemzelf werkzaam was. Seksualiteit beleven is alleen maar mogelijk als
je "het" vrij in jezelf haar gang laat gaan - wat héél iets anders is
dan zelf je gang gaan. Dit laatste is helaas in onze cultuur de gangbare
opvatting. De seksualiteit is in die cultuur niet iets ongrijpbaars dat zich in
je afspeelt, maar het is een handeling, een daad, iets wat je tot stand brengt.
Het wordt doorgaans ook verbonden met het verrichten van een prestatie, zoals
blijkt uit zogenaamde liefdesscènes in moderne films. Het komt er op neer, dat
men een bepaalde opeenvolging van gebeurtenissen aan ziet voor seksualiteit,
meestal zelfs beperkt tot “de geslachtsdaad" met uitsluiting van alle
andere mogelijkheden tot uiting van de seksualiteit. Het vrijen van homofiele
mensen, het vrijen op een andere dan de "voortplantingsmanier", dat
alles wordt door veel mensen afgewezen als iets pervers dat met echte
seksualiteit niets te maken zou hebben.
De schoonste uitingsvorm van levend-zijn
De seksualiteit, als het zich realiseren van het
ineen-zijn van het vrouwelijke en het mannelijke, het ineen-zijn van het geheel
en haar inhoud, is de meest sublieme vorm van levend-zijn. Voor "het
leven" zijn er ook nog andere mogelijkheden: het vrijmaken van je
geest, het ontwikkelen van je gevoel en je talenten, maar dat
zijn allemaal dingen, die je vanuit je zelfbewustzijn doet, dingen die je
"wetend" benadert. Zonder zelfbewustzijn krijg je die dingen niet
voor elkaar. Maar, voor zover je een levend wezen bent, kom je als seksualiteit
aan je uiterste mogelijkheid toe. Die mogelijkheid is wel steeds aangevoeld,
maar hij is weinig gewaardeerd.
De mensen waarderen “de geest", het
zelfbewustzijn boven het levend-zijn en daardoor wordt het levend-zijn
gedegradeerd tot "lichamelijk-zijn" in zijn meest banale vorm.
“De geest” zou datgene zijn waarom het gaat en
daarom zou ook de seksualiteit tot iets geestelijks moeten sublimeren, een
opvatting die wij bij Freud duidelijk aantreffen, maar die bij de meeste
denkers en onderzoekers "tussen de regels" aangetroffen kan worden.
Men geeft wel toe dat de seksualiteit essentieel menselijk is, maar men kan
niet nalaten “de geest” als iets hogers te stellen. Dat houdt logisch in dat
men vindt dat wij ter wille van iets leven en inderdaad komen de mensen almaar
met zingevingen en doelstellingen - zaken, die we in ons zelfbewustzijn bedacht
hebben. Dat mogen best grootse en schone zaken zijn, maar zij zijn toch
méékomend. Het grootse komt onvermijdelijk aan de mens mee, het overtreft al
het natuurlijk mogelijke, maar het kan nooit het feit ongedaan maken dat een
mens een levend wezen is, zomaar, d.w.z. zonder bedoeling, opgekomen uit de
kosmos. En het is juist dat levende wezen dat als seksualiteit de
grondbegrippen van de werkelijkheid waarmaakt: het ineen-zijn van het
geheel en haar inhoud.
Zelfbewust het geheel en haar inhoud zijn
Je kunt van jezelf zeggen: ik, als mens, probeer
wezenlijk samen te vallen met de werkelijkheid; ik probeer dus mezelf te laten
gelden als het ineen-zijn van geheel en inhoud. Maar dat is dan ten eerste een
uitspraak, die door een ander in twijfel getrokken kan worden, en ten tweede is
het iets dat ik aan mezelf ontdekt heb en dat nu een zaak van het
zelfbewustzijn is geworden, te loochenen door een ander en door mijzelf
mogelijk slechts ingebeeld. Met andere woorden: het moet allemaal nog blijken
en ook moet het zich ontwikkelen. Seksualiteit echter heeft niets met een
uitspraak, een inzicht of iets dergelijks te maken en kan ook niet in twijfel
getrokken worden; het is een verhouding van het levend-zijn, die zich almaar laat
gelden. Maar, je kunt wel de vraag stellen wat er in de praktijk, onder de druk
van een cultuur, van terechtkomt. En dan kan je zeggen dat de zaak almaar
belemmerd wordt. Bij de overige levende natuur is de zaak belemmerd, vastgelegd
in programma's, maar bij de mensen wordt de zaak belemmerd door de inwerking
van allerlei cultuuropvattingen. Het wordt verengd tot een bepaald geheel met
een bepaalde inhoud (huwelijk bijv.) en tegelijk doorbreken de mensen steeds
weer die beperkingen. De seksualiteit kan eigenlijk niet beperkt worden; het
allesomvattende ineen-zijn van geheel en inhoud is slechts mogelijk als er geen
begrenzingen zijn, zoals dat ook met de werkelijkheid zelf het geval is.
Voortplantings-seksualiteit
Elke beperking van de seksualiteit heeft een
"voortplantingsprogramma" tot gevolg, ook als het de bedoeling is je
niet voort te planten. Waar te nemen valt dan ook dat zogenaamde kunstgrepen,
die geacht worden de vrees voor zwangerschap weg te nemen (de pil, bijv.),
zodat men ontspannen zou kunnen vrijen, na verloop van tijd de seksualiteit
gaan belemmeren in plaats van bevrijden. Daarin speelt een belangrijke rol dat
het als vanzelfsprekend de vrouwen zijn die maatregelen moeten nemen, met alle
risico's van dien, terwijl onderbreking van het bevruchtingsproces juist een
natuurlijke mogelijkheid van de man is. Dit op grond van het feit dat de
mannelijke cel een weg af moet leggen, van buiten naar binnen. Waar een weg is
kan er ook een onderbreking zijn. Dat is voor de man geen beperking van de seksualiteit,
al beweert vrijwel iedere moderne man dat dit wel het geval is, omdat hij van
de zaak doorgaans niets begrijpt. Het is voor hem immers een
"prestatie". En het gaat hem om die prestatie. De werkelijkheid als
inhoud van het geheel (mannelijk) is gekenmerkt door het begrip
"uiteen-zijn" en zo is de mannelijke cel om te beginnen buiten de
vrouwelijke en dat kan zo blijven zonder ook maar iets wezenlijks geweld aan te
doen. Maar bij de vrouw is het een verstoring.
( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn
geheel.)
Lees
in ieder geval nrs. 11 en 12)
De seksualiteit en de geest
Volgens vele denkers zou de seksualiteit, althans
het laten gelden daarvan, liggen op het terrein van “het geestelijke", d.w.z.
het denkende zelfbewustzijn. Men vindt dat de seksualiteit door “de geest"
gestuurd zou moeten worden. En in dit verband noemt men begrippen als
"kameraadschap" en "redelijkheid".
Deze begrippen echter zijn bedenksels,
voortreffelijke bedenksels desnoods, maar toch zijn het door de mensen
zelfbewust herkende verhoudingen, die als maat gesteld zouden kunnen worden
voor het samenleven van de mensen. Als zodanig kunnen zij gelden voor het
denkend benaderen van de seksualiteit, maar voor de seksualiteit zelf gelden
zij niet. Het lukt dan ook niet om voor jezelf de seksualiteit aan dergelijke
begrippen ondergeschikt te maken. Dat komt doordat de seksualiteit niet op het
terrein van de geest ligt, maar op het terrein van het "levend-zijn".
Dit levend-zijn volgt haar eigen werkelijkheid, haar eigen bewegingen, en die
zijn slechts te beleven, te ondergaan. Het is dan ook een zaak van de psyche en daarin spelen
twee grootheden een rol: je lichaam en je bewustzijn
(niet: zelfbewustzijn!). Die grootheden gelden buiten mijn wil om, ze zijn er
zonder dat zij dan ook maar iets te maken hebben met zaken die ik weet, of
waarover ik besluiten neem of die ik wenselijk acht, enzovoort. Alles wat ik
mezelf opleg vanuit mijn denken, mijn zelfbewustzijn dus, heeft geen invloed op
mijn seksualiteit, in de zin van verbeteren, bevredigender maken of
liefelijker, of opwindender, of wat dan ook. En als er wel van invloed
gesproken kan worden is het steeds een negatieve invloed, een remmende en
frustrerende werking. Hoe redelijk mijn bedoelingen ook zijn, zij remmen het
beleven van de seksualiteit af. Uit de praktijk kunnen wij dit allemaal weten:
wanneer bepaalde gedachten of zorgen of angsten door je hoofd spelen wordt het
niets met het vrijen. Je moet er ontspannen voor zijn, “een leeg hoofd
hebben", zoals een oude Chinese wijze zei. Hij had gelijk, de seksualiteit
is geen zaak van de geest, maar een zaak van de psyche en de beweeglijkheid
daarvan kan alleen maar verstoord worden door denkbeelden daarover, zoals de
moraal, de zeden en dergelijke.
Bladwijzer: Pornografie/veredelde
zelfbevrediging ; Incestsituatie ; seksueel misbruik
; Prikkeling ; elkaar lustobject
zijn ; Seks ; Psyche ; Homoseksualiteit
;
Seksualiteit is een kenmerk van levende wezens en
het is het voortdurend elkaar zoeken van het vrouwelijke en het mannelijke, van
"geheel" en "inhoud". Het behoort tot de begrippencluster
van het "levend-zijn". In dit verband moet er op gewezen worden dat
er een onderscheid is tussen het "levend-zijn" en het begrip
"leven". Dit laatste gaat over een zelfbewuste zaak, die bestaat uit
een aantal samenhangende verhoudingen waarvan ik vind dat die voor mijn
menszijn hebben te gelden. De opvattingen over die samenhangende verhoudingen kunnen
van mens tot mens, van cultuur tot cultuur, verschillen. Wat verstaat een
soldaat onder "leven" en wat een dorpspastoor? Wat een boeddhist en
wat een christen? Het is maar net de vraag wat de inhoud is van iemands
zelfbewustzijn en welke conditionerende rol de cultuur daarin gespeeld heeft.
Maar "levend-zijn" geldt voor alle mensen op dezelfde manier. Het is
het beweeglijk-zijn van het verschijnsel dat "zomaar" in de kosmos
opgekomen is als gevolg van de fundamentele beweeglijkheid van “het zijnde".
Louter biologisch is het begrip "levend-zijn" echter niet te
interpreteren, want ertoe behoren ook verhoudingen als "bewustzijn"
en "psyche". Die verhoudingen zijn niet biologisch te beschrijven en
ook niet natuurkundig, maar daarentegen wel filosofisch. Geen enkel onderzoek
kan ze aantonen, maar denkend ontdekken wij ze betrekkelijk gemakkelijk.
Daartoe is echter wel begrip van de wezenlijke werkelijkheid als alleen maar
beweeglijkheid nodig...
Levend-zijn en haar omgeving
Wat bij het eenzijdig biologisch of biochemisch beschouwen
van het levend-zijn ook wegvalt is het feit dat levend-zijn niet denkbaar is
zonder een omgeving. Alles wat leeft is voortdurend in wisselwerking met de
omgeving en die wisselwerking is een andere dan die tussen de raderen van een
uurwerk. Zij is dan ook niet analytisch te doorgronden en dat komt doordat die
wisselwerking samenhangt met het bewustzijn, dat een van de verhoudingen is
binnen het levend-zijn. Omdat er bewustzijn is, is er wisselwerking - doorgaans
wordt dit andersom gedacht. Levend-zijn geldt altijd zodanig dat het buiten
eigen grenzen treedt en samenhangt met de buitenwereld, de omgeving. Bewustzijn
is trouwens altijd "bewustzijn van de werkelijkheid"; het is de
werkelijkheid die als een bepaalde trillingsverhouding in het levende wezen
aanwezig is. Op grond hiervan hebben alle levende wezens contact met hun
omgeving, via een stelsel van zintuigen.
Bladwijzer: Pornografie/veredelde
zelfbevrediging ; Incestsituatie ; seksueel misbruik
; Prikkeling ; elkaar lustobject
zijn ; Seks ; Psyche ; Homoseksualiteit
;
Psyche is het meetrillen dat de materie, als
levend verschijnsel, doet met zichzelf als trillende werkelijkheid. Je kunt ook
zeggen: het is je lijf dat meetrilt met je bewustzijn. Hierin staat "lijf
" voor materie en "trillende werkelijkheid" voor bewustzijn. In
de mens is de gehele werkelijkheid als bewustzijn - dus op trillende wijze -
aanwezig. Reden waarom de mensen met alle aspecten van de werkelijkheid
vertrouwd zijn, of kunnen zijn. Niets valt buiten hun gezichtsveld. Let wel,
het gaat nu niet over de werkelijkheid voor zover die als "kennis",
als "weten" in je hoofd, je zelfbewustzijn, aanwezig is. Het gaat
over de werkelijkheid die in je lichaam trilt. Bij andere gelegenheden heb ik dit
"het beeld van de werkelijkheid in jezelf " genoemd. Het lichamelijk
meetrillen met dat beeld in jezelf is "psyche". Het is iets dat je
voelt, het is "gevoel", en ook is het iets dat je
uitstraalt en dat door anderen opgevangen kan worden. Zij ervaren dat als
"warmte", als "innigheid" en ook als schoonheid.
Van dat uitstralen is je lijf de klankbodem, zoals de kast van de viool het
trillen van de snaar hoorbaar maakt. Die klankbodem maakt dus voelbaar de werkelijkheid
zelf (als trilling) en daarmee wéér het ineen-zijn van geheel en inhoud. In de
seksualiteit zoek je genoemd ineen-zijn en dus zou je kunnen zeggen dat je de
psychische werkelijkheid zoekt. En dat doe je dus als levend verschijnsel. Het
psychische maakt de seksualiteit volmaakt en omgekeerd.
Bij godsdiensten tref je vaak een antiseksuele moraal aan
en het zijn vooral godsdienstige fanaten die het leven als celibatair
voorstaan. Met dergelijke opvattingen sluit je jezelf voor het psychische af en
dus in laatste instantie voor de werkelijkheid. En dat is precies hun bedoeling:
de werkelijkheid wordt immers als de tegenpool van het goddelijke gezien. Het
behoeft dan ook niet te verbazen dat streng godsdienstige mensen gewoonlijk een
grote kilte aan zich hebben. Anderzijds moeten wij er voor oppassen het
betekenisvolle van de seksualiteit kwantitatief op te vatten. De zaak kan voor
iemand volledig tot zijn recht komen terwijl er in de praktijk niet zo veel seks plaats vindt.
Soms kan je lange tijd van een fijne partner verstoken zijn - het is maar hoe
het valt. Daar komt nog bij dat je in onze cultuur weinig waardering vindt als
je psychisch en dus seksueel bent. Zoals al eerder gezegd ligt de norm in die
cultuur hoofdzakelijk kwantitatief en dat is precies verkeerd. Er is in deze
wereld niet veel warmte; het psychische is weggefrommeld. Psychisch zijn en
seksueel zijn betekent dus niet dat je er almaar op uit bent de zogenaamde seks
te bedrijven; het heeft daarmee eigenlijk niets te maken. Het gaat om een
"sfeer" die iemand uitstraalt. De mensen weten dat in de verte wel en
proberen daarom, bij feestjes en in kroegen, een erotisch sfeertje te scheppen
- wat de kaalheid alleen maar verergert...
Bladwijzer: Pornografie/veredelde
zelfbevrediging ; Incestsituatie ; seksueel misbruik
; Prikkeling ; elkaar lustobject
zijn ; Seks ; Psyche ; Homoseksualiteit
;
No. 12
Nog meer over het psychische
Wat ik “het psychische" noem is het voor de
dag komen van “de werkelijkheid als bewustzijn" doordat de materie
meetrilt. Voor het gemak noem ik de materiële samenstelling, waartoe de
werkelijkheid als mens gekomen is, “het lichaam". Maar ik denk daarbij
uitsluitend aan het lichaam als een ding, in zekere zin zelfs als “een dood
ding”. Nu is het dat "lichaam" dat meetrilt met het bewustzijn, dat
op zichzelf louter trilling is, herinner je “het trillende beeld". Dat
meetrillen is, omdat het in de materie plaatsvindt, een zaak die waar te nemen
is. Je kunt het psychische aan jezelf en aan de ander beleven, je kunt het
voelen en meevoelen. Het lichaam "straalt iets uit". Deze uitstraling
evenwel mag niet verward worden met de fysische uitstraling, die aan elke
materiële samenstelling meekomt en die wel “de aura" genoemd wordt. Het
schijnt dat zo'n aura door sommige mensen, maar ook wel door fotografische
instrumenten, waargenomen kan worden en dan een heleboel informatie verschaft
over onder andere de gezondheidstoestand van een mens. Maar over deze
uitstraling gaat het nu niet; de psychische uitstraling ligt niet op het
terrein van het concreet meetbare, zodat hij niet aantoonbaar gemaakt kan
worden. Je kunt hem alleen maar ondergaan, voelen en beleven. Het bewustzijn (=
het beeld in jezelf) is er gewoon en het psychische is er ook gewoon; de
werkelijkheid als mens houdt deze verhoudingen in. Ze zijn er omdat de mens er
is. Bovendien zijn het niet-materiële verhoudingen die niet toegankelijk zijn
voor de menselijke wil. Maar je lichaam is een "ding" en daarmee kan
je wel van alles uitspoken. Je kunt het op allerlei manieren verzieken en ook
zit het bij de éne mens wat beter in elkaar dan bij de andere mens. Dat heeft
tot gevolg dat het meetrillen niet altijd even goed tot zijn recht kan komen.
Het wordt dan in meerdere of mindere mate verstikt.
( Doe uzelf een plezier en
bestudeer deze bundel in zijn geheel.)
Je zou
het niet zo direct verwachten en ook wordt bijna altijd over het hoofd gezien
dat de zwaarste aanslag op het lichaam gepleegd wordt door de mens zelf vanuit het
zelfbewustzijn. De wijze waarop je je eigen lichaam en
lichamelijkheid waardeert is direct bepalend voor de mate waarin je jezelf als
psyche verstikt. De inhoud van dat zelfbewustzijn wordt voornamelijk bepaald
door de geldende cultuuropvattingen, of, anders gezegd: je denken,
al vind je het nog zo "redelijk", is geconditioneerd door de cultuur.
Dat houdt in dat er een bepaalde opvatting is over de werkelijkheid en dus ook over
je lichaam. In onze cultuur is die opvatting zodanig dat je lichaam er
eigenlijk helemaal niet mag zijn; het wordt beschouwd als iets
"stoffelijks", dat als "voertuig" van “de geest" nodig
is. Het lichaam bestaat dus ter wille van iets anders, namelijk het geestelijke
en bijgevolg is het daaraan ondergeschikt. Het heeft zich te gedragen zoals de
geest (zeg: het denken) wil dat het zich gedraagt. Gemakkelijk kan je je hierop
verkijken, juist omdat er tegenwoordig zoveel aandacht aan het lichaam besteed
wordt: in de sport, in de medische wetenschap, in de psychologie en dergelijke.
Je kunt zelfs wel spreken van een zekere "lichaamscultuur". Maar
vergeet daarbij niet dat juist dan van het lichaam allerlei verlangd wordt; het
moet aan een heleboel eisen voldoen. In feite wordt in zo'n lichaamscultuur je
lijf niet met rust gelaten.
Dat alles betekent onvermijdelijk een zekere mate
van verstikking van het psychische. Bij de zogenaamde "topsporters" is dat dan
ook goed te merken: bijna allemaal verkeren zij in psychische nood, en dat komt
er vaak uit als zij met hun sport zijn opgehouden. Sport is al lang niet meer
weldadig voor het lichaam en bevorderend voor de gezondheid van de psyche ;
inderdaad is de sport tot oorlog verworden...
Uiteraard kan je lichaam ook van buitenaf
aangetast worden, bijvoorbeeld als je een ongeluk krijgt of als je onder
slechte omstandigheden moet leven (hongersnood of oorlogsgeweld), en ook als je
door een ziekte besmet wordt. Die dingen zijn ook niet bepaald bevorderlijk
voor het psychisch zijn, maar er valt toch ook te constateren dat dergelijke
concrete aandoeningen de mensen doorgaans minder van streek maken en vaak zelfs
het psychisch zijn bevorderen. Veel mensen worden door hun lijden een stuk
milder en gemoedelijker. Dat komt niet door het lijden zelf, zoals
godsdienstige mensen graag beweren, maar door een veranderde kijk op hun eigen
lichamelijkheid. Ze zijn dan namelijk gedwongen zich neer te leggen bij “de wetten
van het lichaam”, die zich in versterkte mate doen gelden. Maar dit is
natuurlijk niet de ideale situatie. Goed zou het pas zijn als je in
staat was je lichaam met rust te laten, in die zin dat je er niets van zou
verlangen, er geen eisen aan stelde en als je in alle opzichten zou bevorderen
dat je je weldadig voelde. Eigenlijk zou je helemaal niet moeten merken dat je
een lichaam bent; pas dan is de zaak echt "ontspannen".
De ingeprente cultuuropvattingen
Bladwijzer: Brein
In elke cultuur worden de mensen geconditioneerd;
hen worden allerlei opvattingen, meningen en zienswijzen ingeprent. Dat vindt
plaats "in" het zelfbewustzijn waarin een soort van netwerk wordt
aangelegd dat bepalend is voor het verloop van gedachtegangen. Omdat dit
gewoonlijk gebeurt voordat een kind zich hiervan bewust kan zijn, bemerkt het
als volwassene niet dat al zijn gedachtegangen een vastgelegd karakter hebben.
Door de aanwezigheid van dat netwerk lijkt elke gedachtegang, die strikt
volgens dat netwerk verloopt een juiste te zijn, maar in feite behelst die
"juistheid" niet meer dan het overeenkomen met het ingeprente
netwerk. Of het allemaal echt "waar" is kan alleen maar dan blijken
als het ingeprente netwerk doorbroken is en er opnieuw nagedacht kan worden. Er
zijn altijd mensen geweest die kans hebben gezien dat hele netwerk in hun brein af te breken, maar
meestal zijn het maar een paar "draden" die doorbroken worden en
prompt vervangen door andere. Dat enigszins veranderde netwerk wordt dan weer
bij de volgende generatie ingeprent, en zo wijzigen zich langzaam de
cultuuropvattingen. Dat het netwerk doorbroken kan worden komt doordat het
zelfbewustzijn van zichzelf uit volkomen vrij is en zich dus eigenlijk niet kan
laten programmeren. Het inprenten van normen en waarden en denkwijzen gelukt
ook nooit helemaal goed; een kind is altijd ongehoorzaam aan zijn opvoeders.
Men vindt dat een kwalijke zaak, maar wezenlijk is het een uiting van vrijheid
die tot vreugde zou moeten stemmen. De domme, geconditioneerde opvoeders echter
vinden dat dergelijke afwijkingen afgeleerd moeten worden! En helaas gelukt dat
maar al te vaak.
Nogmaals: het zelfbewustzijn wordt in een vroeg
stadium geprogrammeerd, zodat het denken van tevoren uitgestippelde wegen zal
volgen, maar omdat datzelfde zelfbewustzijn in wezen vrij is, laat het zich
niet goed programmeren en bovendien doorbreekt het later min of meer het
programma. Dat doorbreken geschiedt nooit vanuit het denken, want dat is immers
geprogrammeerd. Het kan niet van zichzelf afwijken. Het geschiedt vanuit de twijfel, dus
vanuit iets dat buiten het geprogrammeerde denken valt. Gewoonlijk hebben we
het dan over "intuitie" of over "aanvoelen" of over
"zien". En het zijn steeds deze niet-rationele verschijnselen die de
aanzet zijn voor verdere ontwikkelingen in het denken. Enerzijds leveren die
almaar nieuwe conditioneringen op, en in toenemende mate, maar anderzijds
bevrijden ze de mensen langzaam maar zeker. Naar diezelfde mate kan het
psychische - en dus ook de seksualiteit - meer uit de voeten.
Bladwijzer: Brein ; Pornografie/veredelde zelfbevrediging
; Incestsituatie ; seksueel misbruik ; Prikkeling ; elkaar lustobject
zijn ; Seks ; Psyche ; Homoseksualiteit
;
Bladwijzer: Pornografie/veredelde
zelfbevrediging ; Incestsituatie ; seksueel misbruik ; Prikkeling ; elkaar lustobject
zijn ; Seks ; Psyche ; Homoseksualiteit ;
Je lijf met rust laten
Het is in het algemeen, maar ook ten aanzien van
de seksualiteit, van belang om je lijf met rust te laten. Dat betekent
natuurlijk niet dat je het zoveel mogelijk "in rust" moet houden. Het
wil zeggen dat je aan al die lijfelijke behoeften voldoet die er toe leiden dat
je je lijf niet voelt. Een gezond lijf voel je niet, je bemerkt niet dat je het
hebt, en daarom kan je eigenlijk ook niet zeggen: "Ik voel me
gezond", want gezondheid voel je niet. Wanneer je je lichaam gaat voelen
is er iets met je aan de hand; er dringt zich iets op en dat is een verbreking
van de harmonie. Al je lichamelijke gedoe, of je wilt sporten, in de zon wilt
liggen of luieren zou zo bemeten moeten worden dat het voor je lijf weldadig
is, dat het het "niet voelen" bevordert en dus de gezondheid. Dat
geldt natuurlijk ook voor het voedsel dat je gebruikt. Ik meen er toch op te
moeten wijzen dat het bovenstaande, hoe eenvoudig op zichzelf ook, toch weinig
bekend is bij de moderne mensen, die sterk de neiging hebben van het lijf
prestaties te verlangen. Dan zijn er ook nog de zogenaamde lustgevoelens. Veel
mensen onderdrukken die, doorgaans vanuit godsdienstige waardeoordelen, terwijl
weer anderen er voortdurend achteraan lopen: de Casanova types, de playboys en
over het algemeen “de haantjes". In beide gevallen kan je ook spreken van
een niet met rust laten van het lichaam; het moet zo nodig niet en het moet zo
nodig wel. En alweer zijn het de geestelijke waardeoordelen die de oorzaak zijn
van het getob. In de seksualiteit echter speelt het voelen van je lijf een
dominante rol.
Je kunt
zeggen dat “het seksueel voelen" van je lijf het enige goede
lichamelijke gevoel is. Let wel: lichamelijke gevoel.
Bij het vrijen voel je je lijf wel en dat culmineert zelfs in een hoogtepunt.
Bij dat lichamelijk voelen speelt “de prikkeling" een rol en in
verband daarmee moeten wij onze gedachten laten gaan over wat je zou kunnen
noemen "de seksuele objectivering".
Erotiek en objectivering
We hebben gezien dat seksualiteit is: het elkaar
benaderen van het vrouwelijke en het mannelijke. Dat is lang niet altijd
hetzelfde als vrouw en man, maar daarover moeten wij het nog hebben. Erotiek
heeft uiteraard met seksualiteit te maken, maar toch is het in zoverre iets
anders dat het strikt individueel is, d.w.z. dat het geldt voor jou zelf,
ongeacht de ander, die er overigens wel de oorzaak van kan zijn. De erotiek is
het hele complex van verschijnselen en ervaringen die prikkelend zijn. Zonder prikkeling
is de seksualiteit, in de zin van met elkaar vrijen, onmogelijk, of in ieder
geval niet bevredigend. Prikkeling ontstaat door zintuiglijke ervaringen
(vaak ook fantasieën van zintuiglijke ervaringen) die dus van buitenaf komen,
een "uitwendig" karakter hebben. Het is een complex van zintuiglijke
ervaringen aan elkaar. Die winden je op. Maar essentieel is hierbij dat
"jij" buiten "mij" bent. Hier geldt het begrip "buiten
elkaar zijn", dat voor alle verschijnselen en dus ook voor een mens geldt.
De vrouwelijke verhouding (geheel) en de mannelijke verhouding (inhoud) zijn
uiteen. Dat is de praktische basissituatie van de mensen; in de seksualiteit
gaan ze ineen en dat proces begint met de een of andere prikkeling.
Dat "beginnen" moeten we niet
uitsluitend in de tijd denken, het is niet altijd het eerste wat je aan elkaar
ervaart en daarom moet je het zien als "het eerste moment" van de
zaak. Logisch: zonder uiteen zijn kan er geen ineenzijn ontstaan. De prikkeling
ligt op het terrein van het uiteen zijn, maar tegelijk is de prikkeling
het eerste begin van het naar elkaar toe gaan. Het is als het ware “de
grens" van het buiten elkaar zijn van twee mensen. Dat je de prikkeling
als "eerste moment" niet in de tijd moet denken blijkt ook hieruit
dat bij verdere toenadering van twee mensen die prikkeling niet
verdwijnt, zij blijft almaar meespelen. Zou zij verdwijnen dan zou het met het
vrijen ook niet veel worden. Ook hier zien we weer dat we moeten vermijden om
(westers) lineair te denken. Zouden we dat wel doen, dan zou met het optreden
van het tweede moment het eerste voorbij zijn, maar zo is het dus niet. Het is
zelfs nog sterker: als in de seksualiteit “het elkaar object zijn"
niet mee blijft spelen, mislukt de hele zaak. Iedereen weet wel dat je ten
opzichte van elkaar geprikkeld moet zijn, maar lang niet iedereen realiseert
zich dat dit gebaseerd is op het voor elkaar over en weer "object
zijn" - om een tegenwoordig veel misbruikt woord te gebruiken: "elkaar
lustobject zijn". In allerlei verhandelingen over de seksualiteit
wil men dit er nogal eens uitpoetsen omdat men het niet "humaan"
vindt elkaar als een object te beleven. Typisch is dat de westerse mensen
nauwelijks iets anders doen dan elkaar als een object te beschouwen, maar in de
seksualiteit zou het dan niet erg liefdevol zijn! De seksualiteit wordt vaak
heel zoetig voorgesteld, als een sprookjeswereld waarin de prins en de prinses
elkaar vinden en heel poëtisch één worden. Het uiteen zijn, waar nu juist de
prikkel ligt, is dan geheel en al opgeheven. Typisch: in het Oosten liet men de
geliefden op dat moment sterven! Men wilde daar de individualiteit niet en dus
wilde men elkaar ook in geen geval lustobject zijn. Dat wil niet zeggen dat men de lust als zodanig
afwees; in tegendeel, maar men zag die als goddelijk en dus als bovenaards, als
boven het object uitgaande.
Het komt voor dat bij geliefden, die het heel erg
goed met elkaar kunnen vinden, het elkaar object zijn op de achtergrond
geraakt. Dat komt dan niet omdat er iets zou "slijten" of omdat
"liefde" niet blijvend zou kunnen zijn, kortom omdat er een
"sleur" zou gaan optreden, maar het komt juist door het zozeer op
elkaar gesteld zijn. Hier ligt dus een paradox: hoe meer je op elkaar gesteld
bent, hoe rustiger de seksualiteit wordt. Die paradox ontstaat vooral daar waar
mensen prestatiegericht zijn wat de seksualiteit betreft. Ben je dat niet, dan
blijkt die rust weldadig te zijn omdat er niets moet en alles zijn eigen weg
kan gaan.
Bladwijzer: Pornografie/veredelde
zelfbevrediging ; Incestsituatie ; seksueel misbruik
; Prikkeling ; elkaar lustobject
zijn ; Seks ; Psyche ; Homoseksualiteit ;
De pornografie is er op gericht in de mensen prikkeling
teweeg te brengen. Doorgaans is de behoefte daaraan het grootst in
samenlevingen waarin strenge taboes op de seksualiteit rusten. Je zou dan ook
verwachten dat met het verdwijnen van die taboes de behoefte aan pornografie
zou afnemen, maar wij hebben in de afgelopen decennia gemerkt dat dit helemaal niet
het geval is. De verklaring voor dit verschijnsel is hierin gelegen dat de
mensen in onze cultuur elkaar vrijwel uitsluitend object zijn. Dat geldt op
alle gebieden en ook op dat van de seksualiteit. De prikkeling beheerst
vrijwel het gehele seksleven van de mensen en de kwaliteit daarvan wordt aan
die prikkeling afgemeten. Omdat de prikkeling een verhouding van
buiten elkaar staande objecten is, is het op zichzelf een kwantitatieve zaak:
hoe sterk, hoe vaak en hoe langdurig. Dat is uiteraard best in orde, maar het
is uitermate armoedig als zoiets zo ongeveer de gehele inhoud van de
seksualiteit is. Het ineen gaan als gaafste en natuurlijkste uiting van het
psychische, dat tot haar recht wil komen, is dan eigenlijk verworden tot een
soort van veredelde zelfbevrediging. Onnodig te zeggen dat er dan van
met elkaar meeleven
weinig terechtkomt.
Bladwijzer: Pornografie/veredelde
zelfbevrediging ; Incestsituatie ; seksueel misbruik ; Prikkeling ; elkaar lustobject
zijn ; Seks ; Psyche ; Homoseksualiteit ;
Objectivering en taboe
Het gaat in de seksualiteit om het "ineen
gaan" van datgene dat uiteen is. Dit "uiteen zijn" blijft een belangrijke
rol spelen, en dat is een lichamelijke rol omdat het nu juist de lichamen, de
dingen, zijn waarvoor het uiteen zijn geldt. De "prikkeling"
heeft op die lichamelijke zaak betrekking: prikkeling maakt je
opgewonden zodat je naar het vrijen gaat verlangen.
Zoals al eerder gezegd: zonder die prikkeling gaat
het niet.
Vanuit het westerse cultuur denken, waartoe ook
het godsdienstige denken behoort, rust er op het lichamelijke een taboe. Men
vindt dat het om de geest en het geestelijke zou gaan en men beschouwt die zaak
als een tegenstelling tot het lichamelijke, een negatief beoordeelde
tegenstelling, wel te verstaan. Eigenlijk vindt men dus dat alles wat
prikkelend is afgewezen moet worden. Daar komt nog bij dat men het lichamelijke
en dus ook het prikkelende associeert met het vrouwelijke en dat is een reden
temeer om de hele zaak als "zondig", als niet "fatsoenlijk"
en als "aanstootgevend" te kwalificeren. Maar, zoals altijd met
taboes het geval is, is tegelijk alle aandacht er op gericht. Vrijwel iedereen
zoekt het prikkelende en daarbij is het dan ook nog zo dat dit verwacht wordt
aanwezig te zijn bij de vrouwen. Dat voor een vrouw de man ook prikkelend kan
zijn wordt nog steeds door een heleboel mensen in twijfel getrokken en in ieder
geval is het zo dat vrouwen, die dit laten blijken, niet geheel goed bij het
hoofd worden gevonden. Al gauw vindt men het hysterica en men is er zeker van
met "hoeren"
van doen te hebben. Dus : de prikkeling is in onze cultuur gericht op de
vrouwen. Omdat er echter een taboe op rust wordt er van haar verwacht dat zij
net doet of zij in het geheel niet prikkelend is, of zij dat zelf niet in de
gaten heeft en per ongeluk haar schoonheden laat zien. Deze tweeslachtigheid is
de grond voor het raffinement in de mode. Het is een heel schijnheilige zaak en
daarom hebben moderne vrouwen gelijk als zij uit hun kleding laten blijken niet
meer mee te willen doen met dit duistere gedoe. Het prikkelende is, juist omdat
er een taboe op rust, tot een pikant verschijnsel geworden, terwijl het
eigenlijk iets heel gewoons is. Daarbij moet opgemerkt worden dat de prikkeling
uitgaat van het lichaam en niet van datgene waarmee men zich uitdost. En zo kan
het gebeuren dat men het naakte lichaam veel minder als prikkelend ervaart dan
het geraffineerd geklede en ook dat is een gevolg van het ingeprente seksuele
taboe. Het gaat niet meer om dat wat echt prikkelend is, maar om een suggestie,
die de pikante sfeer van iets verbodens aan zich heeft.
Psychoanalytische waardering
Het is Sigmund Freud (1856 - 1939) geweest die
ontdekt heeft, althans zakelijk heeft aangetoond, dat ook in zeer jonge
kinderen de seksualiteit een belangrijke rol speelt. Als je bedenkt wat wij
over de psychische betekenis van de seksualiteit gezegd hebben, behoeft je Freuds
ontdekking niet te verbazen. Eigenlijk kunnen we nog wel verder gaan: voor
zover het jonge kind nog weinig geconditioneerd is en zich dus psychisch nog
vrij kan uiten (van zichzelf uit) kan het niet anders dan dat het kind een
sterk seksueel gevoelsleven heeft. Natuurlijk moeten wij dit, in haar uitingen,
niet gelijkstellen met dat van de volwassenen en zeker niet met de op seksueel
gebied schijnheilige volwassenen uit onze cultuur. Je kunt stellen dat die
kinderseksualiteit gaaf en liefelijk is en een zuiver lichamelijk karakter
heeft. Daarom is het des te merkwaardiger dat de psychoanalytici, die deze
kinderlijke seksualiteit nota bene zelf ontdekt hebben, er vrijwel algemeen,
vanaf het eerste begin, een negatieve waardering aan gegeven hebben. Het zou goed
voor het kind zijn geen aandacht aan de zaak te schenken, niet al te veel
lichamelijk te liefkozen en het vooral niet te stimuleren. Dat zou namelijk tot
verstoringen leiden. Men heeft er nog steeds nauwelijks oog voor dat eventuele
verstoringen niet vanuit het kind zelf ontstaan, maar vanuit het voor het kind
niet te verwerken gedrag van de volwassenen. Juist het taboegedrag van de
volwassenen verstoort een gezonde ontwikkeling van de kinderlijke seksualiteit.
Zo ongeveer alles dat voor het kind weldadig en natuurlijk is krijgt van de
volwassenen een agressief afwijzende reactie, zodat seksualiteit op den
duur als vanzelfsprekend verbonden gaat worden met agressie, afweer en de
behoefte aan macht om die afweer te doorbreken. Hier vormt zich al de basis voor
het latere overrompelende seksuele gedrag als volwassene.
Bladwijzer: Pornografie/veredelde
zelfbevrediging ; Incestsituatie ; seksueel misbruik
; Prikkeling ; elkaar lustobject
zijn ; Seks ; Psyche ; Homoseksualiteit ;
Naarmate het kind andere mensen gaat onderscheiden
gaat het in haar of zijn seksuele gevoelens objectiveren. Uiteraard wordt voor
een jongetje de moeder het eerste object.
Dat is een heel gewone ontwikkeling, maar in de
psychologische wetenschappen wordt dit als een bron van onheil gezien. Er wordt
gesproken van een "incestsituatie" en dat is
natuurlijk iets wat niet mag!
Dus verzet men zich er tegen en dan kan er
inderdaad een verstoring ontstaan.
Zo'n verstoring werd door Freud een "Oedipuscomplex"
genoemd: de onbewuste wil om met je moeder te trouwen en je vader uit de weg te
ruimen. Het is voor mij nog steeds onbegrijpelijk waarom Oedipus hier aan te
pas moest komen, want deze mythologische Griekse held wilde dat helemaal niet,
hij stak zich de ogen uit toen hij ontdekte dat hij inderdaad zonder het te
weten met zijn moeder getrouwd was en eerder ook nog zijn vader vermoord had.
Het Oedipus verhaal heeft een geheel andere inhoud dan Freud er aan gegeven
heeft. Het vertelt van de mannelijke mens, die zich van eigen mannelijkheid
ontdoet (vadermoord) en in het vrouwelijke terugkeert (moederhuwelijk), om
vervolgens bij het ontdekken daarvan zichzelf te herkennen als een blinde. Het
Oedipuscomplex van Freud bestaat inderdaad - al is de naam fout maar ook hier
is niet het kind de schuldige, maar zijn het de ouderen, waarbij het vooral de
man (de vader) is, die met zijn jalousie in het op de moeder gerichte kind
(jongetje) een verstoring teweegbrengt. In dat licht wordt tot op de dag van vandaag
de zaak maar liever niet gesteld. Het kind moet "opgevoed" worden,
deugt dus eigenlijk niet, en de volwassenen menen precies te weten hoe dat
allemaal moet gebeuren.
De verraden "verleidingstheorie"
Aanvankelijk ging Freud er van uit dat het de
kinderen waren, die van “de opvoeders" het slachtoffer werden en heel vaak
zelfs door hen letterlijk werden verkracht. Maar onder de druk van
"respectabele collega's" en de openbare mening herzag hij zijn
"verleidingstheorie" en wel zodanig dat de kinderen allerlei
gruwelijke dingen zouden fantaseren, in hun verzet tegen de welmenende ouders,
en er later van overtuigd zouden zijn dat die rampen inderdaad plaatsgevonden
zouden hebben. Deze omkering van de realiteit wordt nog steeds als een
"moedige daad" van Freud gezien: hij had de moed zijn eigen theorieën
te herzien als daartoe aanleiding was! Je zou zeggen: je hebt daartoe de
wetenschappelijke PLICHT, maar het wordt al helemaal treurig als je ook nog zo
"moedig" bent om verraad te plegen aan de werkelijkheid, alleen maar
om het imago van de volwassenen niet te bezoedelen. Het ligt in de lijn van de
Oedipus theorie: als vanzelfsprekend wordt er van uitgegaan dat de kinderlijke
seksualiteit niet deugt en dat daarin "regelend" opgetreden dient te
worden...
Bladwijzer: Pornografie/veredelde
zelfbevrediging ; Incestsituatie ; seksueel misbruik
; Prikkeling ; elkaar lustobject
zijn ; Seks ; Psyche ; Homoseksualiteit ;
De
machtsfactor in de seksualiteit
Als ik spreek over "macht" heb ik het over
de wil of de wens van de ene mens dat de andere mens zijn zal zoals die ene
mens zich dat voorstelt. We hebben niet te doen met de een of andere
"natuurkracht", zodat je, met de meeste mensen, zou kunnen zeggen: de
macht zit in de mens, hij hoort er nu eenmaal bij, getuige de dierenwereld. Een
macht die op den duur ten goede aangewend zou kunnen worden, in die zin dat men
medemensen zou kunnen dwingen zich te voegen naar een collectief teneinde het
welzijn van dat collectief te bevorderen en in stand te houden. Dergelijke
interpretaties van de macht zijn gewoonlijk excuses om te rechtvaardigen dat
mensen over andere mensen heersen: het smoesje van "je eigen
bestwil". Maar de macht is geen onontkoombare "natuurkracht",
hij komt mee aan de mensen gedurende een bepaalde periode van hun ontwikkeling
en hij zal op den duur verdwijnen. Volgens mijn definitie gaat het nadrukkelijk
om “de wil" en dat betekent dat wij op het terrein van het zelfbewustzijn
en dus van de voorstellingen zijn. Doordat wij een bepaalde voorstelling hebben
over een ander kunnen wij willen dat die ander daaraan zal beantwoorden. Die
voorstellingen kunnen "onbewust zelfbewust" zijn en ook "bewust
zelfbewust", en dat wil zeggen dat je al of niet weet hebt van bepaalde
voorstellingen, die inhoud zijn van je zelfbewustzijn. Het al of niet bewust zijn ervan hangt samen met
de wijze waarop je geconditioneerd bent, maar ook met de wijze waarop je jezelf
geconditioneerd hebt naar aanleiding van allerlei ervaringen.
Vanuit die al of niet bewuste voorstellingen
bedenk je hoe een ander mens zou moeten zijn en dan ontstaat de wil om dat te
realiseren. De wil heeft dus een zelfbewuste oorsprong, je zou zelfs kunnen
zeggen dat de wil "intellectueel" van aard is. Ter vergelijking: de
seksualiteit, als het elkaar benaderen van het vrouwelijke en het mannelijke,
kan geen wilskwestie zijn omdat het elkaar benaderen ontspruit in het
bewustzijn, de trillende werkelijkheid in jezelf. Het elkaar benaderen gaat
buiten je wil om en je kunt zelfs vaak opmerken dat het gebeurt in strijd met
je wil. Omdat dit zo is kan je al onmiddellijk vaststellen dat de seksualiteit
zelf niets met macht te maken kan hebben, omdat het buiten je wil omgaat.
Uit de definitie van "macht" blijkt ook
dat het gaat over een gebeuren, een relatie, tussen de ene mens en de andere.
Het gaat dus over mensen die elkaar zien als aparte gevallen, als van elkaar
gescheiden zaken, die ieder voor zich geïsoleerd zijn binnen de eigen
"privacy". En tussen die geïsoleerde gevallen kunnen krachten werkzaam
zijn, onder andere de kracht die de een gebruikt om over de ander macht uit te
oefenen, oftewel geweld om die ander om te vormen naar je eigen voorstelling.
We hebben dus te doen met "uiteen-zijn", met mensen, die elkaar als
een object beschouwen. En dit brengt ons op bekend terrein. Het eerste moment
in de seksualiteit is het uiteen-zijn, het elkaar object zijn, een zaak die in
de seksualiteit blijft meespelen voor zover de (lichamelijke) prikkel voor het
vrijen noodzakelijk is. Maar deze prikkel wordt in het elkaar benaderen
(seksualiteit) als het ware opgeheven en dat betekent eigenlijk dat hij wel
aanwezig blijft, maar tegelijk van karakter verandert. Hij komt in het teken
van ineen-zijn te staan. Op zichzelf leent de situatie van het elkaar object zijn
zich voor het optreden van machtsverhoudingen. Dat zijn echter verhoudingen,
die in de seksualiteit opgeheven worden omdat het elkaar object zijn zich
opheft als het goed is. Je zou dus kunnen zeggen dat de seksualiteit fnuikend
is voor de macht, maar in onze cultuur loopt het zo'n vaart niet.
Al eerder hebben wij besproken dat het een kenmerk
van de moderne westerse cultuur is dat de mensen elkaar zien als apartheden,
dit op grond van het feit dat zich, in het zelfbewustzijn van de mensen, de werkelijkheid
als "inhoud" aan het uitwerken is. Die "inhoud" is een
verzameling van losse elementen, van verschillende objecten en uiteraard geldt
hiervoor het begrip "uiteen-zijn". Vanuit deze cultuur gesteldheid
blijft wat betreft de seksualiteit, in ruime zin, de nadruk op dat uiteen-zijn
en dus ook op de prikkel liggen. En dat is precies de situatie die een
mogelijkheid inhoudt om macht uit te oefenen. Omdat het in die gehele westerse
wereld om de macht draait is het natuurlijk onvermijdelijk dat de westerse
seksualiteit ook het toneel wordt van een machtsstrijd en dat het zelfs zover
komt dat men gaat geloven dat het in de seksualiteit om de macht zou gaan. Maar
dat is natuurlijk niet juist; het gaat om het ineen geraken en dat is een
psychische werkelijkheid. De macht daarentegen behoort tot het zelfbewuste. Zou
het in het Westen zo zijn - maar zo is het niet! - dat het niet om de macht zou
gaan, hoewel die er wel was, dan zou die eventueel aanwezige macht in de
seksualiteit van de mensen vervluchtigen, zoals dat in de oudheid het geval
was. Maar in onze cultuur is dat nu eenmaal niet zo en daarom spreken we dan
ook in termen van "een vrouw veroveren", iemand "verleiden"
(= psychologisch overweldigen) en dergelijke. Overigens is het zo, dat in het
algemeen het zelfbewuste tijdens het hoogtepunt van het vrijen vervluchtigt en
dat je dat kunt ervaren als iets bevrijdends, als een tijdelijk "van de
wereld af zijn", als een moment van vergetelheid. Dat alles behoort bij
het ineen-zijn. Niet voor niets heeft men in OUDE-TIJDEN het seksuele
versmelten, het hoogtepunt, als iets goddelijks gezien. Men heeft dat
"liefde" genoemd en dat is in feite niets anders dan dat ineen-zijn.
Dat speelt zich voor de mensen af in het psychische als een verzonken zijn
daarin. In dit verband is de vraag te stellen of vrouwen gemakkelijker in die
toestand van verzonken zijn kunnen geraken dan mannen, maar dat komt nog wel
ter sprake.
Nogmaals: is het zo dat de macht een verhouding
is, die essentieel in de mens zit, zoals dat met het psychische en met de
seksualiteit en met het vermogen om onderscheidingen te maken het geval is? Dat
is dus niet zo, omdat voor macht een voorstellingswereld nodig is, en dus een
complex van cultuurwaarderingen, en ook omdat je voor macht onderworpen moet
zijn aan de waan dat de ene mens van de andere mens gescheiden is. En ook dit
is een cultuurwaardering. In deze waardering speelt een rol dat de ene mens
vindt dat hij van meer waarde is dan de andere mens.
Dat is de motivatie om macht te gaan uitoefenen.
Het gescheiden zijn op zichzelf behoeft daartoe nog geen aanleiding te geven,
noodzakelijk is de meerwaarde. Deze houdt op zijn beurt verband met het geloof
in hogere principes, zoals goden. Deze hogere principes zullen in onze cultuur
op den duur vervluchtigen en dan geraken wij in de situatie dat er wel nog een
scheiding beseft wordt, maar dat die geen aanleiding tot machtsuitoefening meer
geeft. Je zou dan wel van "vrijblijvendheid" in de seksuele relaties
kunnen spreken.
De voorstellingen, waarover wij gesproken hebben,
zijn vastgelegde denkpatronen in het zelfbewustzijn.
Zij zijn op de een of andere manier
geconditioneerd. Dat is geheel iets anders dan het beeld van de
werkelijkheid in jezelf, want dat is niet vastgelegd en bovendien is het er
door niemand ingebracht. Als dat beeld voor iemand helder is leidt het niet tot
de wil om een ander om te vormen, het leidt er juist toe de ander tot zijn
recht te laten komen als een van de "bestaanswijzen" van de in
zichzelf gevarieerde werkelijkheid.
Terug naar: De
Startpagina
|
|