FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK 
The Beautiful Art of Philosophy

November 1996 Ė Februari 2003
 
Door: Jan Vis, filosoof

Help mee om deze site te promoten. Vertel het uwÖ!

(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )

 

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit de artikelen zonder meer toegestaan. Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld. (Jan Vis, creatief filosoof)

 

Naar de Afleveringen en bladwijzers††† Naar ander(e) artikel(en)†††† Naar onderwerpen per aflevering

 

Terug naar: De Startpagina†††††††††††††† ††††††††††††††††


 

Naar afleveringen: 01 ; 02 ; 03 ; 04 ; 05 ; 06 ; 07 ; 08 ; 09 ; 10 ; 11 ; 12 ; 13 ; 14 ; 15 ; 16 ; 17 ; 18 ; 19 ; 20 ; 21 ; 22 ; 23 ; 24 ; 25 ; 26 ; 27 ; 28 ; 29 ; 30 ; 31 ; 32 ; 33 ; 34 ; 35 ; 36 ; 37 ; 38 ; 39 ; 40 ; 41 ; 42 ; 43 ; 44 ; 45 ; 46 ; 47 ; 48 ; 49 ; 50 ; 51 ; 52 ; 53 ; 54 ; 55 ; 56 ; 57 ; 58 ; 59 ; 60 ; 61 ; 62 ; 63 ; 64 ; 65 ; 66 ; 67 ; 68 ; 69 ; 70 ; 71 ; 72 ; 73 ;

 

 

Bladwijzer(s): NAVO ; 16e eeuwArmoede ; Meditatie ; De beweeglijkheid als bouwsteen ; Zelfkastijding ; Antroposofische professor ; Boeddhisme ; Kennis van Goed en Kwaad Racistische grondtoon collectivistische denken, zie nos. 10, 11, 66, 67; Identiteit Nr. 60(Behoort IsraŽl tot de Westerse Cultuur)kerncentrale-nr.05 kernenergie-lobbyÖvoortdurende besluiteloosheid van het Westen als het gaat om gewapend optreden - zie nr. 10 ; Discrimineert en onderdrukt de Westerse Cultuur..? ; verantwoordelijkheid-1 ; Rationeel-1 ; Rationeel-2 ; Rationeel-3 ; Rationeel-4 ; culturele discriminatie ; Leiderschap- nr.58Leiding geven- nr.42verantwoordelijkheid-2vervreemding-1vervreemding-2 De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 , Verkiezingen†† BurgeroorlogVolwassen worden-1,Volwassen worden-2 ,Individualisme dringt door in de Politiek , Oorlog of Moordlust ; no.17 , Moderne oorlog is geen 'oorlog' ;Concurrentie-1 ; Concurrentie-2 ; Concurrentie-3 ; Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11 ; Pilatus ; WerkgelegenheidVrije keuze-1 ; Vrije keuze-2 ; homoseksualiteit NAVO ; Darwin ; Verhullend taalgebruik-1 ; Verhullend taalgebruik-2 ; Lijdensweg ; Mildere vorm van een maatschappelijk ideaalÖideŽel collectiefÖ ; Yoga ; Overgang-1 ; Overgang-2 ; (On)verdraagzaam(heid)-1 ; (On)verdraagzaam(heid)-2 ; (On)verdraagzaam(heid)-3 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Eenzijdgheid-1 ; Eenzijdgheid-2 ; Eenzijdgheid-3 ; Sluit individu-zijn het gemeenschappelijke uit..? ; Unieke identiteit-1 ; Unieke identiteit-2 ; Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ; Sociaal Democratie ; Liberale Democratie-1 ; Liberale Democratie-2 ; Parlementaire Democratie ; Houvast-1 ; Houvast-2 ; Houvast-3 ; Houvast-4 ; Gnostiek / Gnosis ; In Jezelf Verdiepen ; Schizofrenie ; Mensenrechten ; Rechten van de mens-1 ; Rechten van de mens-2 ; Rechten van de mens-3 ; Gemeenschapszin ;Oude Testament ; Doodvonnissen-1 ; Doodvonnissen-2 ; China ; Beleving-1 ; Beleving-2 ; Beleving-3 ; Horigheid ; Schepping(s)verhaal-zie afl. 03, 37, 43, 44, 69 ; Deskundigheid of bekwaamheid B2, ; Jesaja(1) ; Jesaja(2) KANT- zie nrs. A en B ; Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 47 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64

 

 

 

Naar artikelen: Kunnen moslims zich invoegen in de Moderne cultuur..? Ė aflevering no. 37, ; Abortus, de christelijke praktijken ; geen god, wat dan? ; hoe zit het nou met god?;Religies! ; Godsdienst en Geloof ; God bestaat niet ; De verdedigers van de Godsdienst ; Evolutie of Creatie ; het zelfbeschikkingsrecht. ; Een korte schets van de ďMenselijke SeksualiteitĒ ; De verloedering van de seksualiteit ; Briefwisseling -Incest ; Het toenemend belang van het AtheÔsme ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheÔsme ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ; Ongewenst atheÔsme- zie afl. 32 ; Een grens te ver (IsraŽl) ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld ..? zie no. 27 ; De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjariía ; Burqa, volg bladwijzer ; Kunnen moslims zich invoegen in de Moderne cultuur..? Ė aflevering no. 37 ; Het zelfbeschikkingsrecht ; Is er dan toch nog een GOD..? Hoe zit dat..? ; Individualisering ; Individualisering-Tomeloze verwarring-Collectieve krankzinnigheid zie nr. 12 ; Kan alles maar..!-zie bladwijzers ; Tijl Uilenspiegel- een beschouwing over vrijheid en liefde ; *Over de ISLAM, de vrije MENINGSUITING en het BELEDIGEN Ė aug. 2010 ; Reciteren van heilige schriften- nr. 23 ; Vrijheid van godsdienst ;

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Aflevering 1.

De wetende mens - De mens als absoluut vrij verschijnsel - Verwerpelijke collectivistische gedachtengangen - Ontwikkeling tot unieke identiteit - De begrippen 'kuddedier' en 'massa'.

Aflevering 2.

Natuurkunde als illustratie bij filosofie - Universeel filosofisch verklaringsprincipe - Detail en nuance - Basale deeltjes - De individu en zelforganisatie en koninkrijk Gods.

Aflevering 3.

Teloorgang van kunst en filosofie - Verwording tot wetenschappelijke theorie - Parafilosofen: buitenstaanders en dilettanten - Objectief begrip van de werkelijkheid - Godsdienst vooronderstelt analyse - Regels voor het denken.

Aflevering 4.

Socialisme als staatsterrorisme - Hunkering naar macht - Goede bedoelingen - Onvoorwaardelijk recht op veiligheid - De mens als particulier - Ontwikkeling tot individu - De grote Vierslag.

Aflevering 5.

De geest en het verkeerde - Zuiver begrip als 'hoog-laag' denken - Practische en intellectuele misvattingen - De voorstelling en de dingen - De bron van veel ellende.

Aflevering 6.

De samenleving als winstobject - Topzware moderne maatschappij - Op winnen gerichte mentaliteit - Individualisme en regelingen op voet van gelijkheid.

Aflevering 7.

Het begrip 'erkenning' - ExistentiŽle garanties - Het begrip 'zelfstandigheid' - Het begrip 'zelfgenoegzaamheid' - Wat betekent veiligheid - Voorhanden levensbehoeften - Luxe goederen.

Aflevering 8.

Het construeren van een moderne maatschappij - Wetenschappelijke zekerheden - De begrippen 'juistheid' en 'waarheid' - Afgesproken objectiviteit.

Aflevering 9.

Westers pacifisme - Geweld moet gestopt worden - Voorkomen van misdaad - Redelijkheid en tolerantie zijn relatief - De ontmoeting verrijkt elkaars leven - Bemoeizucht.

Aflevering 10.

Denken van boven naar beneden - Voltaire en Kant - Academische werkelijkheid is geen realiteit - Voltairiaanse hoogmoed - BosniŽ en toenemende vijandigheid - Gunstige besluiteloosheid inzake militair geweld - Groepsgedrag - Moorden als management.

Aflevering 11.

Voorbije collectivistische wereld - Individualistische toekomst - Vrijmaken van mogelijkheden - Ongodsdienstige Grote Moeder, Magna Mater - Denken in beelden - Paul Feyerabend en de methode - De intellectueel en het dogma.

Aflevering 12.

Het Russische volk - Universele volwassenheid - De functie van de analyse - De Grote Vierslag - Slavische eigenaardigheden - Een tweetal rampen - Particulier individualisme en collectivisme.

Aflevering 13.

De unieke individu - De hogere gemeenschap - Verplichte gedragsregels - Een uitsluitend karakter - Communisme als ultieme gemeenschappelijkheid - Erkende verscheidenheid - De mens als 'de' individu.

Aflevering 14.

Onafhankelijkheid en afschaffen - Het benodigde - Overwegen en besluiten - Vrijzwevend verschijnsel - De mens is geen kuddedier - De beweeglijkheid als basale bouwsteen - Genialiteit - Brave ambtenaren - Vrijdenkers.

Aflevering 15.

Filosofie als kunst - Uit de lucht gegrepen beweringen - De positivisten - Kwantificeerbaarheid - Metafysica - De werkelijkheid als beeld - Het ononderbroken weefsel.

Aflevering 16.

Opwaarderen - Siegfried - Hun wil is wet - Geboorte en erfelijkheid - Niet de burgers maar het hogere - Macht corrumpeert onvermijdelijk - Communicatie als sociaal zenuwstelsel.

Aflevering 17.

Moderne oorlog is geen 'oorlog' - Zelfstandige warlords - Losgebroken moordlust - Roofmoordenaar en lustmoordenaar - Filosofische typeringen.

Aflevering 18.

Waardering van de arbeid - Werklozen als arbeidsloze arbeiders - Economische slavernij - Netwerk van relaties - Veiligheid - De kosmos als inhoud - Werk als handelswaar - ExistentiŽle onvrede.

Aflevering 19.

Zuiver begrip en waarheid - Het Koninkrijk Gods - Jesaja - Boze droom - Absolute veroordeling - Onvermijdelijke schuld - Geen hoge dunk van de mens - Liefde en schoonheid - De geestelijke mens - Het leven als project - Intelligente materie.

Aflevering 20.

Betrouwbaarheid als wetenschappelijk kriterium - Controleren wordt ondoenlijk - Betrouwbaar onderwijs - Nadenken over wetenschap - Geen materieel onderzoek.

Aflevering 21.

Sartre en het communisme - Wij zijn met zijn allen - Verkwanselen van filosofische beweeglijkheid - Het vertellen van een verhaal - Doorbreken van een waan - Sublimatie - Zelfbeheersing.

Aflevering 22.

Liberale democratie - Het begrip 'tolerantie' - Het recht - De 'Open Society' van Popper - Integriteit van elk individu - Strenge universele waarheden.

Aflevering 23.

Reciteren van heilige schriften - Onaantastbare voorstellingen - De zin van modern onderwijs - De zin voor realisme - Groei tot volwassenheid - De wetenschappelijke waanvoorstelling.

Aflevering 24.

Moderne kunst - Verhaal bij het kunstwerk - Artistiek doen alsof - De werkelijkheid als beeld - Het voertuig van het beeld - Universele herkenbaarheid - Essenties en elementen - Kunst en filosofie.

Aflevering 25.

Dialectisch denkproces - These en antithese - Heen en weer flitsend denken - Ken Uzelve - De redelijke grondslag van het kapitalisme - Arbeid als energie - Particuliere ondernemer.

Aflevering 26.

De doorsnee intellectueel - Wetenschap als dogma - Domheid op hoog niveau - Handelen en niets begrijpen - Slaapwandelaar - Overeenkomst tussen wetenschap en godsdienst.

Aflevering 27.

Schoonheid en mooi vinden - Een onbevangen blik - Verstand van kunst - Spielerei van dames en heren - Kijk op kunst - Hedendaags glitterdom.

Aflevering 28.

Levendzijn en bewustzijn - Reproductie - Binnen- en buitenwereld - Evolutie en aanpassing - Verinniging van structuren - Het laatste verschijnsel.

Aflevering 29.

Zelfbewustzijn en bewustzijn - Emotioneel bewustzijn - Vrouwelijke zaken - Totaaltrilling - Optreden van de idee - De klankkast - Einde van de oudheid.

Aflevering 30.

Het einde van de oudheid - Ervaringskennis - Vallen en opstaan - Het overleven - De kunsten - Schoonheid en waarheid - Waanzinnige vervreemding.

Aflevering 31.

Iedereen de vijand van iedereen - Toenemende fragmentatie - Het begrip 'ontwikkeling' - Een vrouwelijk geaccentueerde werkelijkheid - De Romeinen als verzamelaars.

Aflevering 32.

Culturele vijandschap - De een is de ander niet - De samenleving als machine - Populaire liefde - Liefde is geen relatie - Voedingsbodem voor criminaliteit - De individu.

Aflevering 33.

Een merkwaardige paradox - Enkeling en gemeenschap - Het kuddedier - Er kan geen programma zijn - Bedrijfsmatig wereldbeeld - Macht en de onvolwassen wereld.

Aflevering 34.

De kunst van het filosoferen - Manifestatie van absolute vrijheid - Het nut en voordeel - Veiligheid - Mechanistisch denken - Hier beneden is het niet.

Aflevering 35.

Twee werkelijkheden - Het ultieme verschijnsel - Vrijheid en onafhankelijkheid - De verbinding met god - Asociaal gedrag - De dubbele agenda - De idealiteit van de samenleving.

Aflevering 36.

Het fenomeen god - Onvermijdelijke dwalingen - Hoog-laag verhouding - Een onmogelijke gedachte - Uitvergroting van zichzelf - De eigen tirannieke wil.

Aflevering 37.

De idealen van de Verlichting - Dun goudlaagje - ReÔncarnatie en andere onzin - Intellectueel autisme - Discussies - Een kwalijk praktijkvoorbeeld.

Aflevering 38.

Zichzelf besturen en vormen - Het stoffelijke systeem - De goden welgevallige zombie - Door de wetenschap verstrekte kennis - Socrates als niet-weter.

Aflevering 39.

Begin van de analyse - Goddelijke individuen - Christendom en Islam - Primitief wetenschappelijk begin - Verhulde theologie - Augustinus en Thomas van Aquino - Theologen quasi-wetenschappers - Het Romeinse recht.

Aflevering 40.

De deskundigen - Occulte voorstellingen - Heldere feiten - Deskundigheid en bekwaamheid - Deskundigheid als gevolg van analyse - Theoretische werkelijkheid - Maatschappelijke vernieuwing.

Aflevering 41.

Wetenschappelijk beslag op het leven - Liefde en schoonheid - De samenleving - Onmogelijkheid van planning - Het voormalige Oostblok en de Derde Wereld - De wereld is al doende ontstaan - Remmende overheden - Het wetenschappelijk gelijk.

Aflevering 42.

Het laatste verschijnsel - Wordingsproces - Ultiem resultaat - Aanpassingsproces - Resistentie - Godsdienstige opvatting - Dubbelfiguur - Omkering van de gedachtengang - Aanvoelen van tweeledigheid - Niet aantoonbare voortgang van de evolutie - Droom van de machthebbers.

Aflevering 43.

Weerstand tegen 'laatste verschijnsel' - Aanpassingsproces - Geen deugdelijk tegenargument - Een eindige zaak - Dubbelfiguur - Hogere en lagere werkelijkheid - Niet wetenschappelijk aantoonbaar einde - Genen modificatie - Wezenloze zombie.

Aflevering 44.

Levensprogramma's - Scheppingsverhaal - Goed en kwaad - Academische filosofie - Natuurkundig filosoferen - Wie ben ik? - Werkelijkheid achter de dingen - Verscheuren van boeken.

Aflevering 45.

Onbetrouwbare zintuigen - Onmogelijke objectiviteit - Het begrip Waarheid - Academische macht in de maatschappij - Misdadige toepassingen - De virtuele inhoud - Verheldering via generaties - Verstand zuiveren - Criteria voor het filosoferen - Ken Uzelve.

Aflevering 46.

Filosofie in het slop - Modderige Christelijke waanvoorstellingen - Laag logisch niveau - Enkelvoudige causaliteiten - Filosofie met een bedoeling - Socrates en vrijdenken - Artistieke kijk - Verdwenen samenhang - Kennisbrokstukken - Is er wel een waarheid? - Betreurenswaardige ideeloosheid.

Aflevering 47.

De middelmaat maakt zich breed - Maatgevende middelmaat - Emancipatie - Stemvee - Schurkachtigheid - Karel de Grote - Beheersing van de werkelijkheid- Meetbare grootheden - Winston Churchill - De mensheid beneden haar mogelijkheden.

Aflevering 48.

Wetenschap als middelmaat - Een overdraagbare zaak - Inzicht en visie - Analytische procedure - Analyse als cultuurthema - Elimineren van bijzonderheden - Niets bijzonders - De werkelijkheid als leven - Intelligentere mensen - Feministische onzin - Onbenulligheid.

Aflevering 49.

De samenleving als middelmaat - De werkelijkheid van de dingen - De mens als ding - Meedoen en meepraten - Nivelleren - Het maaiveld - Onmisbare basis - Geen excuus voor meedoen - Ware menselijkheid - De berekening leidt niet tot vooruitgang.

Aflevering 50.

Denken zonder macht - Besef van niet-deugen - Recept uit de Oudheid - Resultaat van moderne spiritualiteit? - Rome en de Gnostiek - Onduidelijke romantiek - De werkelijkheid als middelmaat - De betekenis van het zelfbewuste denken - Weten van de waarheid.

Aflevering 51.

Heidenen en atheÔsten - Geen hogere macht - Bestrijden en begrijpen - Afhankelijkheid - Geloof en godsdienst - Geen object nodig - Zuivere verklaringen - Verbreken van het godsdienstige netwerk - De rol van het begrijpen.

Aflevering 52.

Verdraagzaamheid - afwijkende waarheden - inzicht - onmiddellijk weten - staaltjes van onbegrip - geen respect voor onzin - onbegrip begrijpen - de dwaas als dwingeland.

Aflevering 53.

Buitenwetenschappelijk weten - taboes - onwetenschappelijk denken - theologie - spiritualiteit - warrige twijfelaars - ethische kriteria - samenhangende verhoudingen - verwaarloosd bewustzijn - consument en wetenschapper - in de ban van wetenschappelijk denken.

Aflevering 54.

Moderne kunstenaars - bedachte constructies - noodzakelijke toelichting - kakofonie - afgesloten toegang - zaak van deskundigheid - aangeleerde vaardigheden - Piet Mondriaan - originaliteit - het wezen van de werkelijkheid - wanordelijke rommel - unieke talenten - geen trendy discussie - geen beredeneerde kunst.

Aflevering 55.

Universele kwaliteit - beeld - Psychisch Monisme - levenservaringen - het filter - ontledend onderzoek - New Age - negatief analytisch denken - Bakoenin - vervreemding van eigen wezen - culturele krankzinnigheid - vervuiling - plunder - redding van buitenaf - een nieuwe zin.

Aflevering 56.

Waardevrije wetenschap - Belangrijk en onbelangrijk onderzoek - Afweergordel - Gelijkwaardigheid - Post-Modernisme - Hoofddoekjes, recht en betekenis - Relatieve waarde - Het begrip 'betekenis' - Kunstwerken als manifestaties van betekenissen - Wat de gek er voor geeft - Leefbaar leven - Verzorging van de dingen.

Aflevering 57.

Privatiseringen - Onhoudbare overheid - God toppunt van waarde - Ieder zijn eigen onzin - Horizontale ondernemingen - Steeds meer mislukkingen - Theoretische betweterij - Economische machthebbers - Absolute macht - Vervluchtigende macht.

Aflevering 58.

Het begrip 'team' - Traditionele collectieven - De regering - Alternatieven niet toegestaan - Het ontwaken van de individualist - Samenwerking - Niet op school te leren - Privatisering - De macht van de civiele ondernemingen - Consumenten - Libertaire denkers en anarchisten - Horizontale organisatie.

Aflevering 59.

De vorst als individualist - De Romeinse portretkunst - Het begrip 'uitsluiting' - Absoluut egoÔsme - Het begrip 'particulier' - Virtueel eigendom - De ondernemer - De manager - Een theoretische zaak - Wanorde - Het in bezit nemen van alles en iedereen.

Aflevering 60.

Het Westen onderdrukt - IsraŽl is niet westers - Volstrekte onzin - De mens als individu - Discriminatie - Westers onrecht - Onvolwassen individualisme - Terreur als cultuur - MonotheÔsme - Willekeurige doodstraffen - Salman Rushdie.

Aflevering 61.

Traumatische angst - Lafhartig intellectueel gescharrel - Gebrek aan cultuur-historisch inzicht - Verheldering - Het superieure Westen - Het begrip 'civilisatie' - Het begrip 'cultuur' - Haat tegen het Westen - Superieure momenten - Laatste ontwikkelingsmoment - De lokroep van het Westen.

Aflevering 62.

Ontwikkeling en aanpassing - Het laatste moment - Inhoud van de mens - Gegroeide systemen - Fasen van ontwikkeling - Godsdienstige dwaasheden - Definitieve inzet - De mens als cultuur - Bloedbaden - Ontwakend individualisme - Derde Wereldoorlog - Doelwit van agressie.

Aflevering 63.

Derde wereldoorlog - Incidenten zonder samenhang - Angst voor discriminatie - Drugs en godsdienst - Bewusteloosheid - Antithese - Agressieve criminaliteit - Kosmische eenzaamheid - Incidentele terreur - Zelfopoffering - Bedacht systeem - Ontbreken van schoonheid - Pragmatisme.

Aflevering 64.

Eenvoudige inzichten - Godsdienst als misbruik - Griekse oorsprong - Diepzinnige verhalen - Jesaja - Godsdienstige stelsels - Onbetrouwbare vertalers - De intellectuele aanleg van de mens - Oeroude wijsheden - Islam als analytische reactie - Rationele bedenksels - Oorlog tegen individu - Primitieve intellectuelen.

Aflevering 65.

Oorlogsverklaring aan de mens - Theologie - Zichzelf afschaffen - God als de absoluut enige - De Islam - Paradijsverhaal - Richting van denken - De ware mens - Het begrip liefde - De dienstbare mens - Bloeddorstigheid - Individualistische cultuur - Maatschappelijke ontwikkeling.

Aflevering 66.

Doorbreken van individualisme - Kinderachtigheid - Sociale dienstplicht - Afkeer van traditionele politiek - Nieuw cultureel zelfbewustzijn - Verwetenschappelijking - Instortend collectivisme - Socialistische partijen - Sociaal democratie - De mens als individu - Menswaardig leven.

Aflevering 67.

Agressie tegen de individualist - Borreltafel individualisme - Kuddegedrag - De mens als slotaccoord - Dubbelfiguur - Vrijzwevendheid - Vergelijking met dieren - Zich bevrijdende enkelingen - Loze vrijheid - Partijdemocratie - Regelneverij - Collectivisme - De moderne manager als koning van de groep - Horizontaal georganiseerd teamwork.

Aflevering 68.

Onaangenaam individualisme - Doodsvijand van iedereen - Een onjuiste gedachte - Vrijzwevendheid - Een ongeweten zaak - Analyse - De een sluit de ander uit - Nieuwe relaties - Vervallen van het maatgevende collectief.

Aflevering 69.

Het begrip 'Vrijzwevendheid' - Levend-zijn en beweeglijkheid - Albert Einstein - Charles Darwin - De mens als dier - De mens als volstrekt niets - Machtsdenken - Ergens bij behoren - Ultieme verschijningsvorm van de dingen - Weefsels en organisme - Aanpassingsproces - Maximum aan innigheid - Het einde van de evolutie - Dubbelfiguur - De mens als rebel.

Aflevering 70.

Oorsprong van het kwaad - Godsdienstige moraal - Gefantaseerde voorstellingen - Heiligen - God als absolute abstractie - Gods almacht - Vrijzwevend verschijnsel - Zich onthouden van het kwade - Het goede bestaat niet - Ken Uzelve.

Aflevering 71.

De mensheid schijnt mislukt - De duivel - Vermoeden van iets anders - Iets goeds - Misdaad steeds in het geniep - De mogelijkheid kwaad te doen - Gevolg van vrijzwevendheid - Fundamentele ongebondenheid - Het goede is onzin - Het zichzelf kennen - Vermijden van het kwaad - Waarden en normen zijn niet te leren - Het zinvolle niet-meedoen.

Aflevering 72.

Het vrijzwevende verschijnsel - Culturele misdadigheid - De volmaakte kosmos - De gewone mensen - Het paradijsverhaal - Kennis van goed en kwaad - Culturele en juridische misdadigheid - Ken Uzelve - Dwangmatig analytisch onderzoek - Analyse als absolute maat.
 

Aflevering nr. 73, dd. 24 februari 2003.

 

 

Terug naar: De Startpagina

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 01-(11-11-96)

Naar bladwijzers: Unieke identiteit-1 ; Unieke identiteit-2;Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ;


Op het moment dat de mens op de planeet verschijnt hebben de processen in de kosmos hun laatste mogelijkheid gerealiseerd. Dat betekent dat de werkelijkheid tot weten omtrent zichzelf is gekomen. Het verschijnsel mens weet van zichzelf af en tegelijkertijd weet het van de gehele werkelijkheid, zonder dat er ook maar iets uitgezonderd is.
Dat 'weten' mag overigens niet verward worden met kennen. Het onderscheid tussen deze twee begrippen is dat weten betrekking heeft op de 'hoedanigheid' van de werkelijkheid ó hoe is zij? ó en kennen op de 'structuur' ervan ó wat is zij? Het weten is de mens onmiddellijk gegeven, maar het kennen is een zaak van ontwikkeling. Het kennen en dus de kennis 'ontstaat' in de loop der tijden als het resultaat van ervaring en onderzoek. Dat proces staat evenwel niet los van het onmiddellijk gegeven weten. Dit laatste is er namelijk de oorzaak van dat de mensen kennis kunnen gaan vergaren en dat volstrekt niet achterwege kunnen laten. Waar de mens is, is de honger naar kennis. Dat is dus een gevolg van het feit dat het begrip weten voor de mens van kracht is.

De mens is het enige verschijnsel in de gehele kosmos dat absoluut 'vrij' is. Dat wil zeggen dat het nergens aan gebonden is, nergens op steunt en nergens in uitloopt. Er is niets 'onder' de mens en er is niets 'boven' hem. Je zou kunnen zeggen dat hij het enige 'vrijĖzwevende' verschijnsel is! De verklaring voor deze merkwaardige situatie is gelegen in het feit dat het verschijnsel 'mens' het laatste is waartoe het wordingsproces komt. Daardoor hoort de mens er niet meer bij, voor hem heeft dat wordingsproces ŗfgedaan! Omdat er evenwel niets meer op volgt is er voor de mens ook geen toekomst, een doel of een zin waarin alles uitloopt ontbreekt ten enen male!
Deze absolute vrijheid heeft als noodzakelijke consequenties dat het onmogelijk is de mens ergens in onder te brengen, noch hem te dwingen naar een bepaald doel toe te gaan, Ťn dat hij volstrekt Únafhankelijk is. Het inlijven in zogenaamde 'staten', het manipuleren om tot het realiseren van een bepaalde 'heilstaat' te komen en het afhankelijk maken van welke al of niet sociale regeling dan ook, is zonder meer Únmenselijk en dus uit den boze.
Elke filosofie waarin de mensen in systemen ingepast worden, in het licht van een bepaald verheven doel gezien worden en als van het een of ander afhankelijk gesteld worden, is zonder meer te verwerpen als zijnde geheel en al Úndeugdelijk! Zo is ook van Poppers beroemde The open society and its ennemies te zeggen dat je er filosofisch noch maatschappelijk iets aan hebt ó al moet toegegeven worden dat het desondanks een interessant werkje blijft, dat in 1945, na de bittere ervaringen met volstrekt 'gesloten' autoritaire staten, terecht de aandacht getrokken heeft.
Op grond van het nergens bij behoren van de mens is elke collectivistische gedachtengang over de mens en zijn toekomst te verwerpen. Clans, groeperingen, partijen en staten zijn verbanden die tijdens de onvermijdelijke, doch tijdelijke, Únvolwassenheid van de mensheid wel enigszins functioneel zijn, maar die onherroepelijk zullen verdwijnen. Hetgeen dan ook regelmatig gebeurt. Denk je na over een toekomstige volwassen mensheid, dan zal je als eerste elke vorm van een collectiviteit buiten beschouwing moeten laten.

Je kunt een groep mensen nimmer zien als een collectief, maar, in verband met bepaalde gemeenschappelijke belangen en activiteiten kun je wel van een 'verzameling' spreken. Het begrip verzameling houdt onder andere in dat de elementen, waaruit die verzameling bestaat, allemaal verschillend zijn, maar met een bepaald oogmerk op grond van bepaalde gemeenschappelijke kenmerken bijeengebracht zijn. Zo is ook de mensheid onder omstandigheden te benaderen. Een dergelijke benadering sluit de individualiteit van de afzonderlijke mensen niet uit, maar laat die daarentegen ten volle gelden: zonder erkenning van die individualiteit is het onmogelijk bepaalde overeenkomsten als criterium voor iets gemeenschappelijks te nemen.
Van een collectief is het bovenstaande niet te zeggen. De individuele eigenaardigheden van de mensen worden dan bij voorbaat al buiten beschouwing gelaten en er wordt slechts een bepaald model of uniform als de maat gesteld. Een ieder heeft zich daarnaar te voegen met volledige verwaarlozing van de eigen persoonlijkheid. Dus: het begrip collectief is, denkende over de volwassen mens, een ondeugdelijk begrip. Het is een begrip dat in bepaalde perioden van de Únvolwassen mensheid geldig is en dat volledig aan die onvolwassenheid gebonden is.

Als in een discussie over het individualistische karakter van de mens de filosofische argumenten tŤ onweerlegbaar worden probeert men heel vaak weg te glippen door zo ferm mogelijk naar voren te brengen dat "individualiteit heel wat anders is dan individualisme" en dat het zaak is "er op te letten dat die twee niet door elkaar gehaald worden". Op grond hiervan kan men zijn instemming betuigen met het gelden van het begrip individualiteit en vervolgens het begrip individualisme met kracht verwerpen. Dat levert dan weer op dat het op eigen belang gerichte individualistische gedrag van de mensen even onbelemmerd afgekeurd kan worden als voorheen. Dat wil dus zeggen: op collectivistische gronden, waarin volgens het gebruikelijke denken voldoende argumenten besloten liggen om toch weer zijn hoop te vestigen op bijvoorbeeld socialisme, communisme, MaoÔsme en dergelijke valse voorspiegelingen.
In feite zijn de bedoelde begrippen in de grond van de zaak helemaal niet verschillend, dat wil zeggen: individualiteit slaat op de identiteit die iemand inmiddels verworven heeft en individualisme slaat op de ontwikkeling die de mensen doormaken om tot een eigen unieke identiteit te komen. Deze ontwikkeling kan er niet ŗfgedacht worden. Individualiteit is niet denkbaar zonder het erbij behorende individualisme. Dat men geneigd is dit laatste te verwerpen is wel begrijpelijk, maar het is beslist niet juist.
Begrijpelijk omdat de aan individualisme meekomende gedragingen nu niet bepaald aangenaam zijn en zeker niet 'sociaal' of 'solidair' genoemd kunnen worden.
Niet juist is het verwerpen van individualisme evenwel omdat het ten eerste een noodzakelijke fase in de ontwikkeling van de mensen is en ten tweede omdat het zoals gezegd onlosmakelijk verbonden is met het begrip individualiteit.

Er wordt beweerd dat de mens een 'kuddedier' is en ook zegt men dat hij eigenlijk alleen maar als een onderdeel van een 'massa' gezien kan worden. Het begrip massa is vooral aan het eind van de 19e eeuw en in de eerste decennia van de 20ste in zwang gekomen. Men ging de mensheid als een massa beschouwen, een massa die als een soort van 'storm' of 'vloed' de cultuur overspoelde en wegvaagde. Men sprak ook over 'de veel te velen'.
Hoewel toegegeven moet worden dat mensen zich vaak als een kudde en als een massa gedragen als waren zij tot een soort van eenheid samengesmeed, is dat toch beslist geen bewijs dat de mensen in een kudde of in een massa opgaan. In feite zijn zij uitsluitend en alleen eenlingen waarvan te zeggen is dat hun incidentele 'kuddegedrag' niet verwijst naar iets wezenlijk menselijks, maar naar een, meestal door iets uitwendigs veroorzaakte verstoring van de identiteit oftewel 'het ik'.
Zo'n verstoring kan gevolg zijn van bepaalde bij een cultuur behorende conditioneringen, zodat hij eigenlijk niet als verstoring ervaren wordt maar als iets normaals. Je kunt dat bijvoorbeeld waarnemen bij militaristisch ingestelde maatschappijen, zoals tot voor kort de Duitse: men gedroeg zich letterlijk als een 'kudde' en vond dat volkomen normaal. Sterker nog, men vond dat het zo hoorde! Maar het komt ook voor dat er tijdelijk een soort van 'volkshysterie' heerst. Dan ligt de oorzaak op psychologisch terrein en heeft doorgaans veel met min of meer Únbewuste levensangsten te maken.

Naar bladwijzers: Unieke identiteit-1 ; Unieke identiteit-2 ; Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ;


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 02-(02-12-96)

Overgang-1 ; Overgang-2 ; KANT- zie nrs. A en B ;

Onder de moderne wetenschappen neemt de natuurkunde een aparte plaats in, althans als je de zaak filosofisch beschouwt en daaronder dan ook nog verstaat dat het in de filosofie gaat om de vraag hoe het zit met de werkelijkheid. Je kunt dan met recht stellen dat de natuurkunde de materiŽle illustratie is bij het verhaal van de filosoof over de hoedanigheid van de werkelijkheid. Het spreekt vanzelf dat de natuurkunde op zichzelf nog veel meer is dan dat, zoals bijvoorbeeld ondergrond voor de technologie, maar nu gaat het om de relatie tussen de filosofie en de natuurkunde.
Op de natuurkunde is het begrip illustratie van toepassing omdat zij op de wijze van 'kennis' laat zien wat de filosofie bijwijze van 'weten' te verhalen heeft. Echter, zoals elke illustratie, heeft ook deze in dit verband een beperking: de illustratie is noodzakelijk gebonden aan het 'bepaalde'. Er kan slechts een afbeelding gegeven worden van iets dat 'te bepalen' is, iets dus dat vorm, afmeting, plaats of beweging en tijdelijkheid aan zich heeft. Het is dus een zaak van de materie.
Je zou kunnen zeggen dat de filosofie het verhaal van het algemene vertelt (immaterieel) en de natuurkunde het verhaal van het bepaalde (materieel). In deze context fungeert het laatste als illustratie van het eerste. Nimmer mag in een filosofisch verhaal dat laatste, dat bepaalde dus, als bewijs of onderbouwing opgevoerd worden. De materie heeft ten aanzien van de werkelijkheid als immateriŽle zaak geen enkele bewijskracht ó wat overigens onverlet laat dat de materie als illustratie bij de filosofie wel degelijk overeenkomstig de bekende en betrouwbare feiten moet zijn. Lukraak gefantaseer is altijd uit den boze...

Een waarlijk universeel filosofisch verklaringsprincipe opent niet de mogelijkheid de werkelijkheid op enigerlei wijze te berekenen en op grond daarvan voorspellingen te doen of in processen in te grijpen, maar het opent de mogelijkheid over de werkelijkheid een samenhangende gedachtengang te ontwikkelen. Zo'n gedachtengang speelt zich altijd af binnen de sfeer van een bepaald thema, zonder zichzelf ooit vast te leggen, dat wil zeggen: zichzelf van eigen intrinsieke (=inwendige) beweeglijkheid te beroven. Op grond van het thematische en beweeglijke karakter van de filosofische gedachtengang kan daar nimmer een concrete berekening uit voortkomen. En een eventuele voorspelling kan niet anders dan het karakter van een 'idee' hebben.
Van een streven om de werkelijkheid te overheersen kan derhalve bij de rechtgeaarde filosoof geen sprake zijn. Beleidsadviezen en dergelijke zijn dan ook verwerpelijk en de filosoof onwaardig!
Wordt de natuurkundige illustratie een steeds meer gedetailleerde zaak, het filosofische verhaal over hoe de werkelijkheid is wordt almaar meer genuanceerd.
Er is een essentieel verschil tussen beide begrippen. Gedetailleerdheid is wat anders dan genuanceerdheid. Het eerste is een kwestie van kwantiteit, maar het tweede van kwaliteit. Dat is gevolg van het feit dat details, onderdelen, naast elkaar staan en strikt van elkaar gescheiden zijn. Zij staan, dankzij de analyse, alle op zichzelf. Als zodanig vormen zij een totaliteit die gaandeweg groter wordt naarmate het onderzoek diepere lagen van de werkelijkheid bloot legt. Maar nuances zijn overgangen binnen het geheel van een zaak en zij hangen samen met het begrip hoedanigheid.
Zo is er bijvoorbeeld van een schilderij te zeggen dat het allerlei details bevat: afgebeelde voorwerpen, personen of verschillende lijnen, kleuren, penseelĖ of messtreken, enzovoort. Maar er is ook op te wijzen hoe het een in het ander overgaat, precies zoals in het geheel van ons lichaam de verschillende cellen en organen in elkaar overgaan en allemaal met elkaar samenhangen. Je hebt het dan over de kwaliteit en dat is een begrip dat ook voor de filosofie essentieel is.

Binnen het kader van de natuurkunde is het detailleren hetzelfde als het analyseren. Die menselijke activiteit blijft beperkt tot het materiŽle en dat heeft als belangrijkste consequentie dat er een eindpunt aan deze zaak zit, namelijk daar waar de verschijnselen niet verder geanalyseerd kunnen worden. Men stuit dan op een 'basaal materieel deeltje' met daarnaast materieel aantoonbare energetische fenomenen die op gewijzigde 'toestanden' van genoemd deeltje berusten. Een diepere analyse is niet mogelijk ó let wel: ik heb het uitdrukkelijk over analyse. Dit begrip is alleen maar van toepassing op datgene dat uit elkaar te halen is. Haal je dat dan uit elkaar, dan kom je tenslotte uit op zulke niet verder splitsbare, bijna Úngrijpbare, deeltjes. Het is niet denkbaar dat je zo'n deeltje op zichzelf te pakken zult kunnen krijgen. Noodzakelijk zal het altijd in een combinatie met iets anders optreden, in laatste instantie in combinatie met het instrument waarmee de natuurkundig onderzoeker aan het werk is. Het is immers altijd die combinatie van deeltje en instrument die voor de onderzoeker een 'waarneming' oplevert.
Eveneens is het onvermijdelijk dat de waarnemingen zullen leiden tot de ontdekking dat er een paar verschillende basale materiŽle deeltjes bestaan. Er zijn namelijk meerdere 'basale combinaties' mogelijk. En nu is het zo dat een en ander ertoe leidt dat er in de (natuurkundige) wetenschap geen 'Universeel verklaringsprincipe' gevonden kan worden.
Volgens moderne natuurkundigen en vooral ook hedendaagse filosofen is het onzin om te proberen de werkelijkheid uit ťťn enkelvoudig principe te verklaren of van daaruit te beschrijven. Een dergelijk pogen zou typerend zijn voor de filosofische 'buitenstaanders' die goedbedoelend mee zouden willen praten met de gekwalificeerde vakfilosofen. Het verwerpen echter van de idee van een 'Universeel verklaringsprincipe' zegt voornamelijk iets over die vakfilosofen zelve, namelijk dat zij in feite helemaal niet filosofisch bezig zijn, maar eigenlijk een soort van primitieve theoretische natuurkunde beoefenen: natuurkunde met een filosofisch sfeertje...

Sommigen beweren dat de individualistische mens ó door mij de individu genoemd ó er geen behoefte aan zal hebben zijn relatie met de andere individuen te regelen. Dat is dan zo omdat 'de individu' uitsluitend op zichzelf gericht zou zijn en lak zou hebben aan zijn medemensen. Daartegenover wordt dan gesteld dat de socialist ó en bedoeld wordt de politieke socialist, de sociaal democraat of de communist ó wel grote waarde hecht aan zijn omgang met de anderen en dat dit voor hem zo is omdat hij de gemeenschap, het geheel, de samenleving boven zichzelf als enkeling zou stellen.
Men vindt ook dat het geheel, de gemeenschap of de samenleving een vanuit dat geheel opgezette innerlijke organisatie van node heeft om te kunnen bestaan en zich te kunnen handhaven. Dat allemaal is je reinste onzin!
Een geheel, of dat nu een samenleving is of een biologisch lichaam, is absoluut Úndenkbaar zonder de daaraan ten grondslag liggende zelforganisatie. Dat heeft als consequentie dat de mensen terwille van het geheel, dat de samenleving is, geen onderlinge betrekkingen behoeven te regelen. Let wel, ik zeg terwille van het geheel! De zelforganiserende mens heeft wat dit betreft geen enkele boodschap aan het hogere geheel van de samenleving. Niet dat hij haar van geen belang acht, maar hij weet dat de samenleving er automatisch is als de onderlinge betrekkingen tussen de individuen in orde zijn. Juist door het bevorderen en verzorgen van die relaties omwille van die relaties zŤlf laat de verzameling mensen, de mensheid, zich vanzelf als een geheel gelden.
Niemand loopt zich derhalve voor de 'samenleving' of de 'staat' of zijn 'vaderland' en dergelijken uit te sloven en zich daarmee, zoals tot nu toe bijna altijd het geval is, een aureool van onbaatzuchtigheid en opofferingsgezindheid aan te meten. Ook is er niemand die, uiteraard ook weer vanuit buitengewoon nobele motieven, vaststelt en verordonneert hoe de onderlinge betrekkingen tussen de individuen in het licht van het geheel moeten zijn.
Dat is onder andere helaas een fout bij de filosoof Hegel, want die vond nu juist dat er wŤl uitgedacht en vastgesteld moest worden hoe die betrekkingen zouden moeten zijn. De vertegenwoordiger van dit morele stelsel zou dan de autocratische vorst moeten zijn. En onze vriend Kant wist aan te bevelen: "Dwing ze (!) om in te gaan".
Op een dergelijke manier gedacht is het nauwelijks een probleem een toekomstige 'goede' wereld, een variant op Het Koninkrijk Gods, te ontwerpen: je werkt alles wat je onaangenaam voorkomt weg door het van hogerhand te verbieden, al of niet op vriendelijke of gewelddadige wijze. Inderdaad, 'dwing ze...'. Maar zo werkt het niet bij in principe vrije mensen.

De individu is uitermate gebrand op een goede verstandhouding met zijn medemensen. Ten eerste beseft en weet hij (dat betekent bij mij altijd en onvoorwaardelijk ook 'zij', jv) dat hij recht moet laten wedervaren aan het feit dat de ander zonder meer ook bestaansrecht heeft, en ten tweede weet en beseft hij dat de wederkerigheid van individualistische relaties er borg voor staat dat hij zŤlf onvoorwaardelijk geaccepteerd wordt.
Overigens: dit laatste betekent niet dat men elkaar 'lief' gaat lopen vinden omdat op de een of andere manier het christelijke "Hebt elkander lief" tot gelding zou moeten komen. Juist het incidenteel elkaar uit de weg gaan omdat men niet zo erg goed met elkaar op kan schieten is een manifestatie van zonder meer elkaars aanwezigheid Ťrkennen!
In een alsnog Únvolwassen wereld gaat men elkaar niet uit de weg: mensen die niet met elkaar overweg kunnen laten elkaar zelden met rust; zij zoeken elkaar voortdurend op en proberen steeds elkaar een hak te zetten.

Overgang-1 ; Overgang-2 ; KANT- zie nrs. A en B ;


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

Bladwijzer: verlichting†† Schepping(s)verhaal-zie afl. 03, 37, 43, 44, 69

De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,

Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 03-(30-12-96)

Het is met de kunst en de filosofie op een jammerlijke wijze bergafwaarts gegaan. Op het eerste gezicht zou je dat niet zeggen want de filosofische faculteiten op de universiteiten kunnen zich nog steeds in een groot aantal studenten verheugen. Het vak filosofie is zijn stoffige imago kwijtgeraakt en de filosoof geniet zelfs enig aanzien. Het komt zelfs zo nu en dan voor dat zijn advies gevraagd wordt in kwesties van maatschappelijke en ethische aard. En bij bepaalde jongeren biedt de studie en het beoefenen van de filosofie een instrument om de hen omringende wereld begrijpelijk en handelbaar te maken.
Gezien in dat licht mag het bevreemding wekken als ik toch volhoud dat de huidige filosofie een regelrechte ramp is. Wat is het geval? De taak van de filosofie is gelegen in het beantwoorden van de vraag Hoe zit het nu eigenlijk met de werkelijkheid? Object van de overdenkingen van de filosoof is dus de werkelijkheid zŤlf. Hij probeert er achter te komen hoe zij is. In zoverre klopt het dat er een grote behoefte aan filosofie is, want de moderne wereld is inderdaad uitermate diffuus en verwarrend. Maar in de moderne filosofie stelt men die vraag slechts ogenschijnlijk. Men meent naar de werkelijkheid te vragen maar in feite doet men dat allang niet meer, want door de vanwege onze cultuur bepaalde analytische wijze van denken kan de filosoof slechts naar een wetenschappelijke werkelijkheid vragen.
Zijn voorstelling van de werkelijkheid is van een realiteit geworden tot een wetenschappelijke theorie. Daardoor kan hij er niet omheen dat je nooit met zekerheid kunt zeggen hoe het nu Ťcht zit met de werkelijkheid: wetenschappelijke kennis is immers per definitie Únjuist omdat zij onvermijdelijk voorlopig is. Noodgedwongen gaat de filosoof zich dan maar verdiepen in de uitspraken die zijn collega's van vroeger en nu gedaan hebben. Je kunt daarom met recht zeggen dat de middeleeuwse 'Scholastiek' weer in volle glorie terug is.

Zelfs als je ó niet eens op zulke slechte gronden ó veronderstelt dat je nooit het fijne van de werkelijkheid zult kunnen weten, omdat de beschrijving, die je van de werkelijkheid geeft, altijd en per definitie verfijnder kan, is het toch je filosofische opgave uit te zoeken hoe het nu eigenlijk met de werkelijkheid zit. Inderdaad zit je dan voortdurend met het probleem van een 'vlietende horizon', een horizon die steeds naar grotere verten opschuift, maar dat kan nu eenmaal niet anders. Net als in de kunst is er een eeuwig geldend 'steeds verder' zodat je je leven lang kunt verwachten dat je gedachten van morgen wŤrkelijk bevredigend zullen zijn, om vervolgens in het beste geval alleen maar bevredigendŤr te blijken!

Een aantal moderne academische filosofen heeft de euvele moed gehad niet academisch gekwalificeerde filosofen 'dilettanten', 'buitenstaanders' en ó dat is het toppunt! ó 'parafilosofen' te noemen. Die naam verwijst naar de term parapsychologie, welke naam suggereert dat er naast de betrouwbare officiŽle psychologie ook nog een Únbetrouwbare, niet erkende, bestaat. De zaak is duidelijk: volgens deze filosofen is er naast de academische vakfilosofie qua filosoferen niets mogelijk!
Niet alleen is dit een uitermate hoogmoedig standpunt, maar het is ook nog in strijd met nagenoeg de gehele filosofische traditie, een traditie die er uiteraard niet zůmaar is, want hij komt voort uit het wezen van de filosofie, dat uitsluitend tot zijn recht kan komen in een volstrekte ŗfzondering van elke denkbare vorm van kennis. Juist door de kennis buiten het denken te houden wordt het dit denken mogelijk autonoom en dus zelfdragend te functioneren. De vraag 'hoe zit het met de werkelijkheid' kan alleen maar dŤnkend opgelost worden.
Hoewel wetenschappelijk onderzoek ook een zaak van denken is, althans uit denken voortspruit, is dit toch niet bruikbaar voor het filosoferen. Sterker nog, het moet zelfs volstrekt buiten beschouwing gelaten worden! Dat gaat zůver dat de uit dat onderzoek voortgekomen kennis voor de filosoof misleidend is... hem op het verkeerde been zet. Dat zit hem in het feit dat de wetenschappelijk verworven kennis onvermijdelijk voorlopig van aard is.
Zelfs als je je filosofie op de allerlaatste informatie zou baseren (hetgeen praktisch Únmogelijk is..) heb je 'je huis op zand gebouwd'. Morgen of overmorgen zullen de feiten zeker ŗnders blijken te zijn!

Wetenschappers beweren dat hun proefnemingen tot objectief begrip van de werkelijkheid leiden. Die objectiviteit wordt ontleend aan het feit dat anderen dezelfde proeven na kunnen doen zodat te zeggen is dat de wetenschappelijke feiten Úngeacht de onderzoeker waar blijven. Deze bewering nu is volstrekt Únwaar!
Ten eerste zijn geen twee overeenkomstige proeven precies aan elkaar gelijk. Zij danken hun fundamentele Úngelijkheid aan het voortdurend anders zijn van de omstandigheden, die weliswaar zo goed mogelijk geŽlimineerd worden, maar nooit helemaal ongedaan kunnen worden gemaakt. Ten tweede, uiteraard daarmee samenhangend, is het altijd 'de mens' die aan de werkelijkheid doormiddel van proeven vragen stelt. Maar de ene mens is de andere niet en bijgevolg is er altijd enig verschil tussen de gestelde vragen. Iedere onderzoeker ontwerpt een variatie op een gebruikelijke procedure van onderzoek. Hij doet dat, als het goed is, zo getrouw mogelijk, maar hij ontkomt er niet aan dat hij allerlei zaken, bijvoorbeeld zijn meetapparatuur, bij moet stellen en ijken. Bovendien zijn er ook geen twee instrumenten aan elkaar gelijk.
Er is nog een belangrijke factor die een rol speelt bij het wetenschappelijk onderzoek, namelijk de culturele factor. In elke cultuur heeft men een bepaalde voorstelling van de werkelijkheid en die wordt bepaald door de thema's die in zo'n cultuur aan de orde moeten komen. Staat bijvoorbeeld in een cultuur een bepaalde godsdienst centraal, met de daarbij behorende mythe over de schepping van het heelal, dan is het uitgesloten dat er officieel en gedegen onderzoek naar het ontstaan van de aarde gedaan kan worden. Is in een cultuur het mannelijke denken dominant, zoals dat bijvoorbeeld in de Islam en in het Roomse christendom het geval is, dan is elk gefilosofeer over en onderzoek naar de eigenlijke betekenis van de vrouw al bij voorbaat onmogelijk.
Zo is het in onze cultuur bijna niet te doen om onderzoek van de grond te krijgen over zaken die zich niet onmiddellijk berekenen laten. Niet 'kwantificeerbare' zaken worden bij voorbaat al als 'speculaties' afgedaan. Door het van tevoren bepalen wat er wel en wat er niet voor wetenschappelijk onderzoek in aanmerking mag komen, door van tevoren vast te stellen wat 'onzin' is en wat niet, blijven veel geheimen van de werkelijkheid voor de moderne mens verborgen. Tragisch en ook wel komisch is het dat juist die moderne mens van zichzelf vindt dat hij onbelemmerd openstaat voor de werkelijkheid en haar geheimen. In feite echter geldt dat alleen maar voor die gebieden die waardig worden geacht onderzocht te worden.
De wetenschappers zouden er goed aan doen wat meer aandacht aan deze feiten te schenken en er zinvolle conclusies uit te trekken.

Als je veronderstelt dat de mensen om te beginnen godsdienstig waren heb je niet begrepen dat godsdienst analyse vooronderstelt, enerzijds, en anderzijds het zelfbewuste besef dat het zaak is de eigen voorstelling van de werkelijkheid te toetsen op juistheid. Dat is overigens wat anders dan toetsen op waarheid. Je kunt ook zeggen dat godsdienst niet denkbaar en mogelijk is zonder de behoefte aan kennis. Het is nu precies het onvermijdelijke zoeken van de mens naar een juiste voorstelling van de werkelijkheid dat hem zijn toevlucht doet nemen tot een occulte verklaring van de vele mysterieuze fenomenen die zich in de kosmos voordoen. Zo'n occulte verklaring heeft de pretentie op juiste kennis te berusten en dus onweerlegbaar te zijn. Je mÚet er geloof aan hechten, of je wilt of niet. Wie zich afkeert van onmiskenbaar juiste kennis is achterlijk en zelfs een gevaar voor de samenleving en de moraal.
Waar veel te weinig aandacht aan wordt geschonken door de denkers is het feit dat men in Ťlke godsdienst verwoed probeert de mensen ervan te overtuigen dat het godsdienstige verhaal een juist verhaal is, ja zelfs dat het wetenschappelijk bewŤzen is. En op grond daarvan ben je wel verplicht er 'geloof' aan te hechten. Je moet wel aannemen dat een en ander juist is.
Bij het verwerven van kennis behoort het begrip juistheid en aan het gelden van dat begrip wordt voldaan door de verschijnselen op analytische wijze te onderzoeken. De analyse, de kennis en de kriteria voor juistheid, dat alles behoort bij elkaar en deze cluster van begrippen geldt tenvolle voor de godsdienst. Dat staat natuurlijk los van het feit dat de binnen een godsdienst als juist voorgestelde kennis volslagen Únjuist is.
Rest alleen nog de vraag waarom men in de wetenschap steeds verder gaat met onderzoek en het op juistheid toetsen van de kennis, terwijl men in de godsdienst noodzakelijk vasthoudt aan eenmaal geformuleerde waandenkbeelden, waarvan men tot vervelens toe blijft beweren dat het juiste kennis is.

Vooral sinds de Verlichting aan het eind van de 18e eeuw zijn de mensen zich in het denken gaan oefenen. Men was tot de overtuiging gekomen dat het denken op de een of andere manier de wereld en de mensheid zou redden, voornamelijk door de via het denken geschapen mogelijkheid betrouwbare voorspellingen over het verloop van onder andere maatschappelijke processen te doen. Die voorspellingen zouden het op hun beurt dan weer mogelijk maken effectief in te grijpen in de gang van zaken.
Wat men heel goed in de gaten had was dat het denken onnavolgbaar en grillig is als er geen regels voor gelden en dat het voor de denkende mens zaak is zich op een bepaald onderwerp te concentreren. Doet hij dat niet, dan leidt het denken nergens toe. Er werd dan ook een systeem van onderwijs bedacht waarin de leerlingen zich konden oefenen in het concentreren en het naleven van de regels voor het denken. Tegenwoordig kun je vaststellen dat dat systeem vruchten afgeworpen heeft: de wetenschap en de technologie hebben een enorme vlucht genomen en de voorraad aan betrouwbare kennis is inmiddels onvoorstelbaar...
Toch is er iets merkwaardigs! Je kunt je namelijk afvragen waarom er aan het denken gesleuteld moet worden. Het denken, in de zin van actief scheiden van het een en het ander, is een werking van de werkelijkheid als zelfbewustzijn. Dat zelfbewustzijn is het sluitstuk van het wordingsproces in de kosmos en je zou het een 'volmaakte' zaak kunnen noemen, juist omdat het met dat proces niet verder kan. De wording is klaar en er gaat letterlijk niets bovenuit!
Toch is de moderne westerse mens tot de ontdekking gekomen dat zijn denken in toom gehouden moet worden, in die zin dat het volgens bepaalde regels moet functioneren en dat er voor de betrouwbaarheid ervan een aantal kriteria geldt die streng gehandhaafd moeten worden. Deze eigenaardigheid van het denken, namelijk dat het noodzakelijk is er paal en perk aan te stellen, heeft betrekking op het feit dat het denken als scheidende activiteit zich richt op de werkelijkheid als voorstelling zoals die op voor hem kenmerkende wijze in de mens aanwezig is. Die voorstelling is namelijk, hoewel als abstract verschijnsel in het menselijk brein aanwezig, op zichzelf concreet en bepaald. Het is steeds 'deze' voorstelling die 'van mij' is. Er is geen ruimte voor 'een andere' voorstelling en bijgevolg ook niet voor een voorstelling van 'een ander'. Dus: hij is zoals hij (op een zeker moment) is en zů is hij..! Gaat het derhalve over het denken ó ik bedoel dit in de alledaagse betekenis ó dan hebben we te doen met een vastleggend proces en in zoverre is van het denken te zeggen dat het 'tegennatuurlijk' is, in feite 'cultureel'.
Omdat het denken vast mÚet leggen moet het gereglementeerd worden of, anders gezegd: omdat het denken bij de mens een zelfbewuste zaak is geworden moet het voldoen aan de kriteria die voor de werkelijkheid als zelfbewustzijn, dus in feite de voorstelling, gelden. Van nature legt het denken niet vast. Het onderscheidt het een van het ander binnen de werkelijkheid als bewustzijn. Omdat binnen die werkelijkheid alles met alles samenhangt 'springt' dat onderscheiden, dat denken, dan ook 'van de hak op de tak'. Het is grillig, onvoorspelbaar en van zich uit niet vast te houden.

De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,

Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11

Schepping(s)verhaal-zie afl. 03, 37, 43, 44, 69


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 04-(27-01-97)

(On)verdraagzaam(heid)-1 ; (On)verdraagzaam(heid)-2 ; (On)verdraagzaam(heid)-3 ;



Socialisme dat zich bemoeit met de relaties tussen de mensen en dat dit doet omdat men van mening is dat 'het geheel' gediend moet worden, is volstrekt gťťn socialisme maar staatsterrorisme. Onvermijdelijk is dat terreur door een bepaalde ťlite, die, hoewel er doorgaans iets anders gezŤgd wordt, uitsluitend op eigen macht uit is. Er is geen enkel argument te vinden op grond waarvan een dergelijke tirannieke bemoeizucht gerechtvaardigd kan worden. De filosofen wisten het allang, maar gelukkig heeft intussen ook de praktijk uitgewezen dat zoiets na enige tijd spaak moet lopen. Maar gebleken is ook dat de naweeŽn langdurig en verschrikkelijk zijn.
In de OostblokĖlanden en in de SowjetĖUnie was het hele maatschappelijke leven doordrenkt van enerzijds de perversiteit van de overheidscontrole en anderzijds van de perversiteit van de spionage van de mensen onderling. Men hield elkaar 'verticaal' en 'horizontaal' voortdurend in de gaten, belasterde elkaar en zag er niet tegenop zijn medemens aan afschuwelijk wrede instanties uit te leveren...

De mening dat de bevordering en verzorging van de onderlinge relaties in 'het socialisme' het beste gediend zouden zijn is een foute mening. In een dergelijk socialisme gaat het er alleen maar om dat de macht van de staat gevestigd, versterkt en gehandhaafd wordt. Zoals gezegd, is dat de macht van een bepaalde bovenlaag, die bovendien als regel nog westers geschoold is ook. Noch de verticale relaties, noch de horizontale, worden gediend en uiteraard komt er op zo'n manier van samenleven niets terecht. Van socialisme natuurlijk al helemaal niet!
Regelmatig probeert men u ervan te overtuigen dat mensen als Lenin en Mao tse Toeng het beste met de samenleving voorhadden. Het is niet onmogelijk dat dit qua idealisme het geval is, hoewel hun voortdurende hunkering naar macht en het daarbij behorende stiekeme gedoe zich niet goed laten rijmen met de goedmoedigheid, de verdraagzaamheid en de oprechtheid die aan mensen met werkelijk goede bedoelingen eigen is.
Afgezien hiervan echter is te stellen dat de praktijk van die 'goede bedoelingen' steevast neerkomt op een van bovenaf opleggen van morele en maatschappelijke codes. En daarmee is aan de humane verhoudingen binnen een wŤrkelijke samenleving geweld aangedaan. Dat dit onvermijdelijk het geval is dringt nooit tot die 'goede bedoelers' door. Dat is wel te begrijpen, want goede bedoelingen moeten in stand gehouden worden en dus zullen de leiders alles wat er aan in de weg staat buitensluiten. Op grond daarvan is het toch beter om geen vertrouwen in die 'grote leiders' te stellen.

Terecht zijn nogal wat oudĖsocialisten verbolgen over het feit dat het in de huidige maatschappij aan solidariteit ontbreekt en dat de sociale voorzieningen de een na de ander afgebroken worden. En hoezeer die oudĖsocialisten ook gelijk hebben wat de feiten aangaat, toch is het zo dat alleen in de westerse wereld het besef dat het individu onvoorwaardelijk recht heeft op veiligheid zo diep in het zelfbewustzijn van de mensen is doorgedrongen. Al wemelt het desondanks van de al of niet bewuste aantastingen van dat recht en al gebeuren er bij herhaling allerlei gruwelijke misdaden, het zijn en blijven altijd incidenten die door vrijwel iedereen hartgrondig ŗfgekeurd worden. Daarom wordt er ook zoveel over gesproken!
In de rest van de wereld zijn de mensen over het algemeen zelfs nog niet eens aan zo'n afkeuring toe. Daarentegen trekt men in de westerse traditie al geruime tijd niet meer in twijfel dat Ťlk mens recht heeft op veiligheid. Dat wil zeggen dat zij of hij onderdak, apparatuur, kleding en voedsel heeft. Dan is er natuurlijk ook juridische en medische bescherming tegen zichzelf en anderen en er zijn reisverbindingen en communicatie met de rest van de wereld. Bovendien moet er vrije toegang zijn tot alle mogelijke informatie. Deze basisĖvoorzieningen maken het de mensen mogelijk zich in alle opzichten te ontplooien. Uiteraard wordt er met deze zaak regelmatig en op allerlei manieren de hand gelicht, maar men weet en geeft toe dat zoiets eigenlijk niet te pas komt.

De mensen van de westerse cultuur zijn bepaald geen lieverdjes, integendeel! Juist door hun culturele ontwikkeling tot individu, die immers met de mens als particulier begint, is het al egoÔsme en egocentriciteit wat de klok slaat. Je kunt er dus van op aan dat er zo veel en zo efficiŽnt mogelijk geplunderd wordt, terwijl allerlei al of niet verhulde vormen van imperialisme en kolonialisme veelvuldig voorkomen. Het gaat dus niet aan de westerse cultuur en haar volgelingen te idealiseren, want nimmer zijn het moorden, stelen en tiranniseren zo enthousiast uitgeoefend. Maar ondanks dit alles is het een onloochenbaar feit dat de westerse cultuur tegelijkertijd een opvatting over de individuele mens heeft ontwikkeld die verre die van andere oude en nieuwe culturen overtreft. Ook dat is een gevolg van genoemde culturele ontwikkeling tot individu. Men gaat namelijk steeds meer inzien dat men naast zichzelf als 'ik' logischerwijs 'de ander' aantreft en dat uiteindelijk niemand uit de voeten kan als niet beiden, zowel 'ik' als 'de ander' tenvolle en onvoorwaardelijk tot hun recht kunnen komen.

In tegenstelling tot wat gewoonlijk gedacht wordt loopt de ontwikkeling tot individu niet uit in absoluut egoÔsme, maar in een individueel ontwikkelde persoonlijkheid ('de individu') die ongehinderd samenvalt met de ultieme, voor de kosmos geldende, verhoudingen. Daarin komt ŗlles tezamen in een in zichzelf volledig samenhangend geheel dat zich in en voor de individuele mens realiseert.
Juist omdat in en voor die individuele mens, 'jij' en 'ik', die alomvattende zaak zelfbewust is geworden kan er een Únvoorwaardelijk bestaansrecht voor elke mens gaan gelden. Probeer je nu een humane wereld te ontwerpen op grond van de een of andere collectivistische formule, zoals bijna alle ideologisch ingestelde mensen willen, dan kom je nooit op een onvoorwaardelijk bestaansrecht uit. Steeds zal blijken dat men aan van tevoren en van buitenaf bepaalde normen en kriteria moet beantwoorden, normen die bij het collectief behoren en daar bepalend voor zijn, maar die onmogelijk de individuele persoonlijkheid tot zijn recht kunnen laten komen. Een collectivistisch denkend mens kan onder geen voorwaarde begrijpen wat gemeenschappelijkheid nu wŤrkelijk betekent. Hij zal er altijd iets 'uniforms' aan bedenken, een voor het gehele collectief geldend stelsel van normen en waarden. Bijgevolg heeft zijn gemeenschapsgevoel ó dat vanuit zijn intuÔtie en zijn gevoelsleven ondanks alle verdrukking altijd enigszins werkzaam is ó een voorwaardelijk karakter: niet iedereen behoort bij zijn groep of clan en niet iedereen heeft dezelfde rechten. Gelijkwaardigheid geldt alleen voor diegenen die beantwoorden aan de collectieve normen en waarden. Aan het begrip gemeenschappelijkheid moet derhalve toegevoegd worden gemeenschappelijkheid van iets. Er wordt van tevoren verlangd dat men juist aan dat 'iets' voldoet, zoals daar zijn politieke standpunten, maatschappelijke doelstellingen, aan de levenshouding ten grondslag liggende godsdienstige dogma's en zo nog een heleboel zaken meer, zelfs tot en met gezamenlijke hobby's.
De basis en de normen voor gemeenschappelijkheid worden van tevoren bepaald en een ieder die daaraan niet voldoet mag niet tot het collectief toetreden.

Denkt men vanuit een collectivistische optiek na over gemeenschappelijkheid, dan gaat het over een bij voorbaat gestelde uniforme norm of waarde. De op die wijze bedoelde gemeenschappelijkheid heeft dan stilzwijgend een uitsluitend oftewel exclusief karakter gekregen. Ook al ontkent men dit ten stelligste ó waarin de moderne mens buitengewoon gehaaid is! ó dan komt dit exclusieve karakter toch vroeg of laat aan de oppervlakte. Het kan niet verborgen blijven, juist omdat het van deze opvatting van gemeenschappelijkheid de essentie is.
Gemeenschappelijkheid binnen de context van een volwassen wereld heeft geen eisend, maar een constaterend karakter: men bemerkt en stelt vast dat de mensen allerlei overeenkomstige eigenaardigheden vertonen, dat zij in een groot aantal zaken overeenstemmen en een meer of minder uitgebreide werkelijkheid gemeen hebben. Uiteraard zijn dat gemeenschappelijkheden in de voorstelling die de mensen van de werkelijkheid hebben. Dus: de onvermijdelijk unieke voorstellingen van de individuen vertonen allerlei gemeenschappelijks. Het gaat nu natuurlijk niet over biologische overeenkomsten, want die zijn volstrekt niet typerend voor de mensen. Het gaat over datgene dat qua voorstelling gemeenschappelijk is.

De ultieme vorm van gemeenschappelijkheid is de communistische, zoals die als laatste grootheid van 'De Grote Vierslag' (
zie mijn gelijknamige werkstuk) te voorschijn komt. De inhoud van die vierslag is de begrippensequens nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme. Daarin heeft 'communisme' als inhoud dat de mensen beseffen, weten en laten gelden dat zij 'met zijn allen' zijn. Als dit helder in het zelfbewustzijn is komen te liggen is de uiterste betekenis van het gemeenschappelijke voor den dag gekomen. Dit echter heeft dan geen betrekking meer op een aantal concrete zaken die zich in een gemeenschappelijke interesse kunnen verheugen, zoals dat in een onvolwassen wereld bijvoorbeeld met voetballen het geval is. Daarentegen hebben wij dan te doen met een onvoorwaardelijke gemeenschappelijkheid die alleen maar geworteld is in de erkenning dat ieder mens er zomaar is zonder dat daarvoor een reden opgegeven of gezocht kan worden.

(On)verdraagzaam(heid)-1 ; (On)verdraagzaam(heid)-2 ; (On)verdraagzaam(heid)-3 ;




FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 05-(24-02-97)

Er is in de mensen een soort van automatisme wat betreft de waardering van wat 'geest' genoemd wordt. Zonder er bij na te denken gaat men ervan uit dat de 'geest' iets verhevens is en dat bijgevolg alle geestelijke zaken zonder meer goed zijn en het welzijn van mens en natuur bevorderen.
Men vindt in tegenstelling daarmee dat stoffelijke zaken wezenlijk verkeerd zijn. Idealistische filosofen, voornamelijk uit de 19e eeuw, vonden dan ook dat de bestaande stoffelijke werkelijkheid de 'verkeerde' was, in die zin dat de zaak als 'omgekeerd' beschouwd zou moeten worden. De wezenlijke werkelijkheid zou zich omgekeerd hebben en dat betekent bij die filosofen dat de werkelijkheid zich in haar tegendeel gewijzigd heeft. Het stoffelijke is dan de 'omkering' van het geestelijke. En om dat geestelijke gaat het volgens hen eigenlijk, reden waarom de mens daartoe zou moeten terugkeren.
In die optiek zou de mens 'terecht' zijn als hij vergeestelijkt is. Dan is hij 'zuiver begrip' geworden. Welbeschouwd is deze gedachtengang van de idealisten onzin, die hen ongetwijfeld werd ingegeven door de automatische aanname dat het geestelijke het goede zou zijn. In feite echter is het dat geenszins...
Je hebt te doen met hoog-laag denken waarbij vanzelfsprekend het hoge identiek is met het goede, het onstoffelijke, het lichte, het onbepaalde en dus de 'geest'. En het lage is wezenlijk slecht, het is bepaald, afgesloten en beperkt, het is de 'stof'. Dit hoog-laag denken, al of niet uitgedrukt in termen van geest en stof, gaat in de cultuur door alles heen. Stiekem is het bijna altijd bepalend voor de wegen die het denken volgt bij zijn beoordeling van mens en wereld, zodat er onvermijdelijk scheve voorstellingen ontstaan. Deze kunnen een zodanige uitwerking hebben dat gehele culturen erdoor in wanen verzinken, zoals dat met de westerse cultuur in toenemende mate het geval is.
De kriteria namelijk voor de wetenschappelijk verantwoorde juistheid van de werkelijkheid als voorstelling staan in hoge mate in het licht van dat verborgen hoog-laag denken. Wat juist is wordt als vanzelf hoog gewaardeerd en wat onjuist is valt een lage waardering ten deel. Maar in de praktijk kan een betrouwbare waardering wel eens precies andersom uitvallen! De wetenschappelijke en technologische ondergrond bijvoorbeeld van een kerncentrale is volkomen juist. Hij doet het immers en dus wordt hij hoog gewaardeerd. Maar het is niet zo moeilijk te bedenken dat zo'n onding eigenlijk op allerlei gronden een lage waardering toekomt.

Het hoog-laag denken kan niet wegblijven uit de ontwikkeling van de mensheid. Het is onvermijdelijk en dus is het op zichzelf redelijk dat het er is. Maar dat wil geenszins zeggen dat je er zo gelukkig mee kunt zijn. Het leidt er immers toe dat men het zogenaamde geestelijke, het onstoffelijke en niet- materiŽle, een bijna absolute goedheid toeschrijft. Gevolg daarvan is dan weer dat wat minder aangename zaken als stoffelijk, materialistisch, natuurlijk en zelfs als dierlijk worden beschouwd. Die kunnen immers niet geestelijk zijn! Dus, hoewel het hoog-laag denken redelijkerwijs niet weg kan blijven is het toch de bron van veel praktische en intellectuele misvattingen, vooral omdat er niet ingezien kan worden dat het geestelijke helemaal niet iets hogers is, dit ten eerste, en ook omdat juist dat geestelijke, ten tweede, de veroorzaker en de stimulans van alle onheil is die de mens in de loop van zijn geschiedenis zichzelf heeft aangedaan.
Uiteraard had ook dat niet weg kunnen blijven, maar juist om dŗt te begrijpen is het noodzakelijk in te zien waarmee je te doen hebt als je met 'de geest' te doen hebt. Wat in bijna alle culturen 'de geest' genoemd wordt is in feite de werkelijkheid als zelfbewustzijn. Zoals ik al zo vaak heb laten zien is die zaak te typeren als 'niet-materie', hetgeen betekent dat het gaat over de materie die er is alsof zij helemaal geen materie meer is. Dat heeft tot gevolg dat de materiŽle werkelijkheid, zeg maar de verschijnselenwereld, op de wijze van een verzameling trillingen aanwezig is. Aanwezig uiteraard in de mens, want dat is het verschijnsel waarin het zelfbewustzijn optreedt. Dat is het geval omdat hij de laatste mogelijkheid van het kosmische wordingsproces is. In de mens zijn dus de 'dingen' op niet-materiŽle wijze aanwezig, namelijk als een verzameling trillingen. Die verzameling is inhoud van het zelfbewustzijn en dat is wat ik 'de werkelijkheid als voorstelling' noem.
De voorstelling heeft betrekking op de 'dingen'. Alles wat in die voorstelling komt te liggen is, hoewel op zichzelf niet-materieel, door en door onderworpen aan de wetten van de werkelijkheid als ding. Het zelfbewustzijn, waarvan de voorstelling inhoud is, moet dus beschouwd worden als een zaak van dingen, hoewel het, als een aan de mens meekomende eigenaardigheid, op zichzelf als niet-materie geldt. Op grond van dit laatste zijn de mensen, aanvoelend wat het zelfbewustzijn kwalitatief is, van de geest gaan spreken en omdat er verder niets aan de werkelijkheid te beleven valt zijn zij die geest als het hoogste gaan beschouwen. Dus niet alleen als het laatste, maar vooral als het hoogste dat als zodanig onmiddellijk maatgevend moest heten.
Maatgevend voor de Únvolwassen mens is dus een zaak van dingen en dat zijn dan ook nog los van elkaar staande dingen die in feite niets met elkaar te maken hebben, behalve dan dat zij met elkaar een 'netwerk van relaties' vormen. Omdat de mens niet alle dingen kent en ook lang niet alle dingen de moeite waard vindt en heel veel dingen als slecht afwijst, is dat door de dingen gevormde netwerk van relaties steeds een complex van vooroordelen, tegenstrijdigheden, benauwdheden en belangen. En dat complex is nu wat men 'het geestelijke' noemt. Zelfs de zogenaamd mooie en edele zaken zijn bevangen in dat complex.
Maar overwegend heb je te doen met allerlei gescharrel dat varieert tussen kleingeestigheden en brute moorddadigheid. Die miezerigheden stoelen op bevooroordeelde benauwde relaties, ruimschoots doortrokken van eigenbelang. En de moorddadigheid is gegrond op het feit dat het ene ding de aanwezigheid van het andere ding noodzakelijk en wezenlijk ontkent. Je kunt dus niet anders constateren dan dat de 'geest' meer de bron van een heleboel ellende is dan dat hij inspireert tot menselijkheid, in de zin van liefde, vrede, zachtmoedigheid en nog meer van deze begrippen.


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis

Concurrentie-1 ; Concurrentie-2 ; Concurrentie-3


AFLEVERING NR. 06-(24-03-97)

Sinds de moderne mens halverwege de 20ste eeuw definitief zijn intrede in de wereld heeft gedaan is er iets veranderd in de houding van de mensen ten opzichte van de samenleving. Ongemerkt heeft namelijk de mening postgevat dat de samenleving er is om eraan te verdienen, om je persoonlijk te verrijken. De samenleving is individueel winstobject geworden.
Voordien was het de medemens waaraan op de een of andere manier verdiend moest worden. De een probeerde de ander zoveel mogelijk uit te kleden om er zelf beter van te worden. Overigens was er daarvoor nog een periode die gekenmerkt werd door het uitplunderen van de aarde als planeet. Uitbuiten van de aarde en van de medemens gebeurt natuurlijk nog steeds, en logischerwijze in voortdurend verhevigende mate. Maar er is iets bijgekomen: het plunderen van de samenleving. Was het voordien zo dat de samenleving in ieder geval in theorie gezien werd als een, de afzonderlijke mensen overkoepelend, geheel waarin het welzijn van een ieder zo goed mogelijk bevorderd moest worden, thans moet er aan dat geheel verdiend worden. De particuliere mens probeert uit het geheel munt te slaan. Gelukt dat om de een of andere reden niet, dan worden er ook geen diensten aan de samenleving geleverd. Het loont dan de moeite niet.
Voorbeelden te over: de spoorwegen, ooit beschouwd als een openbare zaak die de kwaliteit van de samenleving zou bevorderen, moeten nu winstgevend zijn. Het gaat niet langer om diensten aan de burgers, maar om winsten voor ondernemers en hun aandeelhouders. Vroeger mochten die spoorwegen best wat kosten. Daarvoor had het rijk een schatkist. Nu is dat niet meer zo...

Er is inderdaad een tijd geweest dat de algemene mening was dat je de samenleving moest dienen. Zelfs nu nog reppen sommige naÔeve politici van "Het hoge ambt waartoe wij geroepen zijn". Natuurlijk is dat tegenwoordig een leugen: geroepen worden politici stellig niet en de hoogte van het ambt wordt heel zakelijk uitgedrukt in termen van geldelijke vergoedingen en voorrechten. De samenleving is er alleen nog maar om aan te verdienen. En als zodanig is zij een prachtig object, want er is absoluut geen concurrentie. Je kunt, zij het in overleg met je collega's, zelf bepalen hoeveel voordeel je er uit wilt trekken. Dat is nog eens goede handel..!
De mening dat de samenleving gediend zou moeten worden komt voort uit het collectivistische denken. Voor dat denken is het logisch dat de individuele mens opgaat in het geheel en dat is een dienende functie: het is een 'er zijn terwille van iets anders'. Begrijpelijk is dat met het doorbreken van het individualisme het individu er alleen nog maar voor zichzelf is. Het begrip dienen is daarmee van de baan, of beter: alles buiten 'mijzelf' is er te mijnen dienste.

De moderne maatschappij wordt almaar meer topzwaar. Er wordt beweerd dat dit gevolg is van het steeds ingewikkelder worden van de maatschappelijke verhoudingen. Die ingewikkeldheid zou een almaar meer uitgebreid management vragen om greep op de zaak te houden.
Van dat verhaal klopt niets.
Dat is te zeggen: de verhoudingen worden wel steeds ingewikkelder en verfijnder, maar de kennis daaromtrent neemt in gelijke mate toe, zodat er toch voldoende mogelijkheden zijn om in te grijpen. Dat dit evenwel niet of steeds minder gebeurt, vindt zijn oorzaak niet in die ingewikkeldheid, maar in het feit dat de maatschappij een winstobject aan het worden is. Iedereen wil er stevig aan verdienen. Tengevolge daarvan worden de voorzieningen steeds duurder. De zogenaamde top-functies zijn bijna niet meer te betalen. De politieke prioriteiten komen ook meer en meer bij de mogelijkheden voor winst-maken te liggen en steeds minder bij de vraag of het welzijn van de burgers gediend is. Doordat de mens als particulier definitief begonnen is zich als individu waar te maken ontstaat er voorlopig een wereld vol van egoÔstische en egocentrische mensen.
Het enige criterium dat van kracht is, is het begrip IK. Dit leidt ertoe dat de maatschappelijke verhoudingen niet langer bepaald worden door collectivistisch denken met als gevolg daarvan min of meer bewuste gevoelens van solidariteit en daaruit voortkomende, in wezen socialistische, idealen en doelstellingen, maar door pragmatische, op concurrentie gebaseerde, factoren.
Zodra het individualisme zich werkelijk door gaat zetten komt er een op winnen gerichte mentaliteit onder de mensen. Dat is aanvankelijk een keiharde zaak, maar na verloop van tijd levert die puur egoÔstische zaak een netwerk van op zichzelf redelijke en reŽle onderlinge betrekkingen op. Dat is het geval juist omdŗt iedereen wil winnen en zich tenslotte ook winnaar voelt. Het zijn precies die zelfbewuste, niet langer ondergeschikte en schuchtere 'burgers' die op zakelijke wijze tot onderlinge regelingen komen.
Men komt op den duur tot regelingen die op voet van gelijkheid overeengekomen zijn, en niet meer van bovenaf opgelegd om van onderaf deemoedig aanvaard te worden. Die nieuwe betrekkingen tussen de mensen zijn kil als de dood, maar: in die betrekkingen spelen irrationele factoren als gefrustreerde gevoelens, psychische aandoeningen, instincten en verlangens geen rol meer, zodat langzaam maar zeker allerlei op niets berustende gevoelsmatige en psychische dwaasheden verdwijnen.
Vrijwel alle in het maatschappelijk verkeer optredende wrijvingen, botsingen, agressies en gewelddadigheden berusten op een besef van ondergeschiktheid, van minderwaardigheid en onderworpen-zijn. Het bewustzijn alles te boven gekomen te zijn maakt van de individu een waarlijk grootmoedig mens die geen gevaar meer is voor zijn medemensen.

Concurrentie-1 ; Concurrentie-2 ; Concurrentie-3


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 07-(21-04-97)

Er is ťťn begrip dat voor de mens een alles overheersende betekenis heeft en dat is het begrip erkenning. Het is het eerste begrip dat als onmiddellijke consequentie aan de mens als individu te bedenken valt. Heeft de mens zich namelijk tot individu ontwikkeld, dan is voor deze individu de aanwezigheid van 'de ander' tenvolle voor de dag en tot zijn recht gekomen. Juist het zich ontplooien tot een volwaardige 'ik' ontsluit de aanvankelijke begrensdheid van het particuliere en daardoor kan de mens als individu 'het andere' en 'de ander' onvoorwaardelijk gaan insluiten. Dit onvoorwaardelijke insluiten is precies de reden waarom het begrip erkennen is gaan gelden.
Op zijn beurt houdt dit begrip erkennen in dat men van zichzelf uit, onvoorwaardelijk en ongevraagd, aan de ander een aantal existentiŽle garanties biedt. Het aanbieden van die garanties is vanzelfsprekend voor de mens als individu, maar in feite is zo'n aanbod dat eigenlijk niet omdat het de mens nu eenmaal gegeven is op alles 'nee' te zeggen. Hierdoor kan hij zijn medemens ook geen garantie geven, hetgeen je bij de alsnog Únvolwassen mens dan ook voortdurend ziet.
Genoemde garanties beslaan een hele verzameling deelbegrippen die allemaal op hun wijze het leven van volwassen mensen mogelijk en leefbaar maken. Het gelden van het begrip erkennen leidt tot het aanbieden van een aantal onvoorwaardelijke existentiŽle garanties. Hoofdzaken daarbij zijn dat men elkaars behoefte aan zelfstandigheid, veiligheid en communicatie niet in de weg staat.
Het is eigenlijk niet zo moeilijk om de aanwezigheid van de medemens te erkennen. Als je hem bijvoorbeeld als een slaaf beschouwt heb je hem wel degelijk erkend, maar dat heeft in feite niet zo erg veel om het lijf: zijn zelfstandigheid is ver te zoeken, zijn veiligheid is slechts betrekkelijk gegarandeerd, doorgaans alleen maar voorzover de slaaf een economische waarde vertegenwoordigt. Zijn mogelijkheden tot communicatie zijn eveneens minimaal. Een dergelijke 'erkenning' kan dus niet de bedoeling zijn. Het is al voorwaardelijkheid wat de klok slaat. Ook de zogenaamde democratische erkenning beantwoordt niet aan de voor de mens geldende universele normen. Allerlei staatsbelangen, als steeds gesanctioneerd door een beroep op 'het hogere', staan binnen het kader van een democratie aan het werkelijk erkennen van de medemens in de weg.
Tot op heden is bijvoorbeeld het denken in termen van arbeid, als rechtvaardiging van iemands bestaan, een hinderpaal bij het erkennen van de medemens. Ook de behoefte om de medemens te administreren verhindert de erkenning. Het is dus bij nader inzien helemaal niet zo simpel om tot een algemeen geldende erkenning van iedere medemens te komen...

Het begrip zelfstandigheid houdt in dat men zichzelf en vooral, wat het moeilijkste is, de medemens uitsluitend en onvoorwaardelijk als een 'zelfgenoegzaam' verschijnsel beschouwt. Een verschijnsel dus dat aan zichzelf genoeg heeft en dat uitsluitend terwille van zichzelf aanwezig is. Die medemens wordt dan niet gezien in het licht van iets of iemand anders, zoals bijvoorbeeld tot op heden de vrouw gezien wordt in het licht van de man en de man in het licht van arbeid en dat soort van zaken. Als de medemens als 'zelfgenoegzaam' wordt begrepen is deze los van iedere bedoeling, functie of status. Hij is uitsluitend zichzelf, ook als dat in de ogen van iemand anders niet zo prettig of verantwoord is.
Ook behoort het tot de inhoud van dit begrip dat de mens niet leven kan binnen de context van een groep, een staat of enig ander geheel. Hij zou immers toch weer terwille van iets anders op deze wereld zijn gekomen! Als 'dienstknecht Gods' of zelfs maar als 'evenbeeld van god' is de mens uiteraard ook in een positie gebracht die hem onwaardig is. Het spreekt vanzelf dat iedereen voor zichzŤlf de status van zelfstandigheid op kan eisen. In feite doet een ieder dat van nature al: er is geen geestelijk gezond mens die vindt dat hij of zij per se Únzelfstandig zou moeten zijn. Niemand zit er naar uit te kijken om de slaaf van iets of iemand anders te zijn.
Alleen binnen de context van een godsdienst aanvaardt men een zekere persoonlijke onzelfstandigheid, maar dat blijft beperkt tot een irreŽel belijden van een of ander waandenkbeeld waaraan ook de meest gelovige zich in de praktijk van alle dag onttrekt. Vroeger zeiden de mensen wel: "Vertrouw op god, maar houd je kruit droog". Overigens kun je ook daaraan weer zien hoe de godsdienst de positie van de mens in de kosmos in een vals daglicht stelt...
Het moeilijke van het begrip zelfstandigheid ligt niet bij het opeisen van zelfstandigheid voor jezelf, maar bij het onvoorwaardelijk erkennen en laten gelden van de zelfstandigheid van de ander. Daarom moet dit begrip 'van jezelf ŗf' gedefinieerd worden. Het moet gelden als een begrip dat op de ŗnder gericht is. Houd je het op de eigen zelfstandigheid zonder die van de ander als onmiddellijke en noodzakelijke consequentie te begrijpen, dan heeft het begrip zelfstandigheid geen betekenis.

Het begrip veiligheid heeft een veel omvangrijker inhoud dan gewoonlijk verondersteld wordt als je erover spreekt. Het heeft namelijk niet alleen te maken met een zekere politionele bescherming bij het zich bevinden op straat bijvoorbeeld, maar veelmeer met de juridische status waarin de mensen zich bevinden. Het gaat over de verhouding waarin de ene mens tot de andere staat. Dit betekent dat men elkaar met rust zal laten en er zorg voor zal dragen dat men elkaar niet benadeelt of leed berokkent. Deze zorg voor elkaars veiligheid kan niet incidenteel zijn. Het is immers gemakkelijk genoeg als alles meezit!
Zij zal echter geheel en al Únvoorwaardelijk moeten zijn. Bovendien moet zij negatief gedefinieerd worden omdat het gaat over zaken die men ten aanzien van de medemens te lŗten heeft. Het laten gelden van het begrip veiligheid komt neer op het voorkomen en verhinderen van al datgene dat de ander en jezelf qua zelfstandigheid bedreigt. Het is helemaal niet noodzakelijk dat de wederkerige garanties voor veiligheid in wetsartikelen vastgelegd zijn en dat bepaalde instanties optreden als handhavers van deze wetten. Mensen die tenslotte volwassen geworden zijn hebben een dermate helder besef van rechtvaardigheid dat zij in de vele verschillende situaties, waarin ze komen te verkeren, elkaar bijna intuÔtief 'recht zullen doen'.
Het onvoorwaardelijke karakter van dit begrip veiligheid heeft ook als consequentie dat men medemensen met een verkeerde aanleg en ontplooiing in hun 'verkeerd-zijn' erkent en hen zo goed mogelijk beschermt en verzorgt. Op grond van het eerder genoemde rechtvaardigheidsbesef zullen deze bescherming en verzorging geen indirect, maar een direct en preventief karakter hebben. Men wacht niet, zoals tot nu toe gebruikelijk is, totdat er een misdaad geschied is, maar tengevolge van elkaars zorg voor elkaar heeft men reeds lang van tevoren de symptomen van het 'verkeerd-zijn' herkend en zo goed mogelijk behandeld.
Men mag niet vergeten dat een belangrijke stimulans tot misdadig gedrag gelegen is in de onverschilligheid voor elkaar. Het als los zand aan elkaar hangen van de onvolwassen mensen is een vruchtbare voedingsbodem voor criminaliteit. Wanneer dat eenmaal opgeheven zal zijn blijft er slechts een heel klein aantal mensen over die wŤrkelijk niet goed in elkaar zitten. Vanzelfsprekend worden die als ziek beschouwd...

Onder het begrip veiligheid valt ook het onvoorwaardelijk voorhanden-zijn van de levensbehoeften van de mensen. Dat wil zeggen dat ieder mens aan die behoeften kan voldoen zonder daarvoor eerst op allerlei onaangename manieren een grote hoeveelheid geld bijeen te moeten schrapen of op andere onterende manieren 'zijn brood te verdienen'. Onder levensbehoeften valt een grote variŽteit aan onmisbare zaken zoals daar zijn onderdak, kleding en schoeisel, voedsel en medische hulp. Maar ook die zaken die tot nu toe als 'luxe' gezien werden, maar die voor mensen met een speciale aanleg onontbeerlijk zijn: muziekinstrumenten, geluidsdragers, boeken, kunst en kunstvoorwerpen, enzovoort. Het moet zelfs voor 'dromers' mogelijk zijn zich als zodanig uit te leven zonder daarvoor met de nek aangekeken te worden vanwege het feit dat ze niet 'werken voor de kost'.

 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy


door Jan Vis


AFLEVERING NR. 08-(19-05-97)

De filosoof Karl Popper waarschuwde ten tijde van de tweede wereldoorlog al voor wat hij 'social engineering' noemde. Hij zag blijkbaar in dat je een samenleving niet kunt construeren zoals een ingenieur bijvoorbeeld een machine construeert. Popper heeft dat juist gezien. Natuurlijk hebben een heleboel epigonen deze opvatting enthousiast overgenomen, uiteraard zonder in de gaten te hebben dat zijzelf, ongehinderd door inzicht in hun eigen denken, vol overtuiging bezig zijn zŤlf plannen te maken voor een toekomstige wereld. Plannen waaraan iedereen loyaal zal moeten meewerken... omdat het nu eenmaal goede plannen zijn!
Het construeren van een 'Verenigd Europa' bijvoorbeeld is zo'n plan. Onze moderne maatschappij wordt met rasse schreden hervormd tot een onderneming, een bedrijf, geleid door managers die hun werkzaamheden professioneel verrichten volgens criteria die zij op de universiteit geleerd hebben en die zij zonder meer voor juist houden. Zo worden wij een kunstmatige managerswereld binnengesleurd!
Die managers blijken daarbij, ten gevolge van hun academische zekerheden, zo verblind te zijn dat zij het bestaan om een in de loop van vele eeuwen gegroeide maatschappij voor ondeugdelijk te verklaren. Dat heeft als gevolg dat zij voortdurend proberen de realiteit om te vormen en aan te passen aan de theorie zoals ze die op school geleerd hebben.
Maar, als de moderne mensheid straks echt wakker wordt zal de 'cultuurschok' vele malen groter en aangrijpender zijn dan zij ooit in het verleden bij intellectuele omwentelingen geweest is...
 
Het gaat in de wetenschappen om zekerheden. Dat is logisch want aan kennis waarvan je de juistheid betwijfelt heb je niets en er is in principe dan ook geen mens te vinden die er op uit is zich te bedienen van kennis waarvan hij weet dat zij onjuist is. Maar, hij kan die onjuiste kennis eventueel wel gebruiken om er anderen een rad mee voor ogen te draaien, zoals bijvoorbeeld de heren van de kernenergie-lobby voortdurend doen. Die weten natuurlijk voor zichzelf heel goed dat zij bezig zijn de werkelijke feiten te verdraaien. Ook deze heren kunnen en willen zich niet bedienen van onjuiste kennis: die is bestemd voor anderen! Het zijn dan ook stuk voor stuk leugenaars: zij doen het naar buiten toe voorkomen alsof bepaalde feiten juist zijn terwijl zij weten dat dit geenszins het geval is en zij voor zichzelf heel andere feiten hanteren, feiten die zij wŤl oprecht voor juist houden. Om redenen van economisch en politiek belang, maar vooral ook met het oog op eigen gewin, mogen die juiste feiten niet bekend gemaakt worden. Vandaar hun voorliefde voor geheime dossiers! Het is een vaste regel dat daar altijd een luchtje aan zit.
 
De wetenschappelijke zekerheden zijn wezenlijk Únzeker doordat zij onvermijdelijk slechts momenten zijn op de weg van het leren kennen van de feitelijke werkelijkheid. Deze fundamentele onzekerheid echter ligt verborgen onder de zekerheden: op elk moment zijn er bepaalde zekerheden wat betreft de juistheid van de verworven kennis. Doordat juiste kennis niet mogelijk is zonder een onderstroom van onzekerheid en doordat die onzekerheid zich in de toekomst onvermijdelijk manifesteert, is academische plannenmakerij niet alleen inhouds- en betekenisloos, maar ook nog levensgevaarlijk.
De wetenschappen kunnen steeds verder met hun onderzoek van de werkelijkheid. Altijd blijft het mogelijk en noodzakelijk dat er weer een volgende stap gezet wordt: de verworven kennis van nu legt vanzelfsprekend de vragen neer voor de kennis van straks. Dat betekent dat eigenlijk elk 'kennismoment', hoewel op zichzelf streng op juistheid getoetst, toch niet een 'waar' moment kan zijn. Steeds ontbreekt er iets aan die kennis, zodat men verder op zoek moet gaan.
De begrippen juistheid en waarheid (zie bladwijzers) zijn ten enen male niet identiek, er zit een wereld van verschil tussen. Ook in de kunst en de filosofie kan men altijd verder, maar er is toch een belangrijk verschil met de wetenschappen. Nu is namelijk elk moment een 'waar' moment waaraan in geen enkel opzicht iets ontbreekt. Steeds heeft men te doen met een 'volmaakt' moment, waarmee ik bedoel te zeggen dat alles aanwezig is. Dat is logisch: de kunsten en de filosofie zijn, elk op eigen wijze, uitdrukking van de werkelijkheid als beeld en aangezien dat een afspiegeling van het geheel van de werkelijkheid is kan er eenvoudigweg niets aan ontbreken.
Het kwantitatieve zoeken van de wetenschap heeft in de kunsten en de filosofie plaats gemaakt voor het kwalitatieve zoeken van een zo helder mogelijk begrijpen en vervolgens beschrijven van de werkelijkheid als beeld.

Gaat het in de wetenschappen om zoveel mogelijk details, en dus 'zoveel mogelijk van hetzelfde', in de kunsten en de filosofie gaat het om zo helder mogelijke nuances binnen het samenhangende geheel van de werkelijkheid. Ook ruwe artistieke schetsen en globale filosofische uitspraken staan in het teken van het 'ware'. Het altijd maar doorgaan van de kunstzinnige en filosofische arbeid berust dus op het zoeken van een zo helder en genuanceerd mogelijke beschrijving van de werkelijkheid. Dat is het waarmee de filosoof en de kunstenaar almaar verder kunnen. Dat van de wetenschappen echter op het achterhalen van zoveel mogelijk details.
Ook voor de wetenschappen houdt het zoeken nimmer op, maar dat komt doordat de zaak wezenlijk gebrekkig is en blijft. Voor de kunsten en de filosofie houdt het zoeken nimmer op omdat de waarheid - steeds dezelfde waarheid! - altijd mooier en genuanceerder uitgedrukt kan worden.
 
Het begrip waarheid is voor de moderne intellectuelen volslagen taboe. Zij rekenen het tot de rubriek 'geloof'. Daarmee gedragen zij zich als Pilatus die zich destijds al afvroeg wat waarheid is. En die natuurlijk bedoelde dat dit begrip loos was vanwege het voor hem klare feit dat je de waarheid niet kunt kennen. Inderdaad kon Pilatus de waarheid niet kennen, want hij was een Romein! Dat wil zeggen: iemand die een exponent was van de toenmalige Romeinse cultuur. Die cultuur is te typeren als een 'verzamelaars-cultuur' en die tref je aan bij het begin van de analytische periode van de mensheid. Analyse immers vooronderstelt een verzameling, of juister gezegd: een kijk op de werkelijkheid als zou zij uitsluitend een verzameling van verschillende dingen zijn. Dit is dus de werkelijkheid naar het begrip totaliteit. Bij een dergelijke kijk is het onmogelijk het begrip waarheid te gebruiken. Dus had Pilatus eigenlijk volkomen gelijk door vragenderwijs te stellen dat er hoegenaamd geen waarheid is... Echter, er is wel degelijk een waarheid, net zo goed als er een werkelijkheid is.
Het begrip waarheid is te omschrijven als de werkelijkheid als beeld zoals die voor de ervaring van de mens opgeroepen wordt door het bewustzijn. Alles wat 'het beeld' laat zien, aan iemand laat ervaren, is zonder meer waarheid, hoe subjectief en persoonsgebonden de voorstelling, waaraan het beeld zich afspiegelt, ook bij gelegenheid zijn kan.
Omdat moderne mensen uitsluitend het accent leggen op de voorstelling, de in hen subjectief aanwezige werkelijkheid, kunnen zij niet uit de voeten met ervaringen van de waarheid. Zij wijzen ze dan ook pertinent af en draaien daarbij de zaak zodanig om dat zij nu die waarheid voor subjectief houden en hun voorstelling voor objectief! Hun denken is zÚ primitief dat zij zich niet eens realiseren dat hun zogenaamde objectiviteit op niets anders berust dan op de macht van het getal: als velen iets voor juist houden, bij voorkeur gesteund door betrouwbaar wetenschappelijk onderzoek, dan moet iets wel objectief juist zijn. Dat die objectiviteit gevolg is van afspraken en, binnen een cultuur als vanzelfsprekend ervaren, zogenaamde waarheden ontgaat hen. Althans zij willen dat nimmer toegeven.
Overigens betekent dat volstrekt niet dat de op afgesproken criteria berustende kennis 'dus' onjuist zou zijn - integendeel!
 
De waarheid leent zich niet voor afspraken of besluiten die op democratische wijze bij meerderheid genomen worden. De waarheid leent zich volstrekt nŤrgens voor: niet voor overdragen aan anderen via het onderwijs, niet voor uitdrukken in formules, het maken van berekeningen of plannen en niet voor het ten voorbeeld stellen aan anderen. Zelfs voor het verwerkelijken van een ideaal deugt de waarheid niet! Ze is alleen maar te ervaren en dat dan ook nog individueel.
Zij vindt langzaam maar zeker haar weg in de wereld doordat steeds meer mensen er steeds minder onderuit kunnen, zonder daarbij acht te slaan op wat anderen ervan vinden of zonder anderen op de een of andere manier na te volgen. De waarheid is strikt individueel en als zodanig tegelijkertijd universeel.


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 09-(16-06-97)

Doodvonnissen-1 ; Doodvonnissen-2 ; REDELIJKHEID ;

Het westerse pacifisme is een uitgesproken luxe aangelegenheid. Er gebeurt in de westerse wereld nauwelijks iets dat het pacifisme noodzaakt zich om te zetten van een ideaal tot een concrete levenshouding. Er gebeurt niets op het gebied van oorlog. En als er wŤl van een oorlog gesproken kan worden is er altijd nog de mogelijkheid van een, al of niet door de overheid toegestane en geregelde, weigering om mee te doen. Zelfs de zogenaamde totaalweigeraars lopen nauwelijks enig ernstig risico en, naar het schijnt, was dat zelfs zo in de Duitse Wehrmacht ten tijde van het nazisme. Voorzover mij bekend zijn er althans geen doodvonnissen op grond van weigeringen uitgevoerd.
Onder die gunstige omstandigheden is het westerse pacifisme, hoewel een luxe, toch alleszins prijzenswaardig en voor velen een voorbeeld. Bovendien een serieuze waarschuwing in de richting van de overheid. Maar het is niet meer dan dat. Het is immers een standpunt dat eigenlijk en oorspronkelijk een reactie is op de absurde, min of meer gereglementeerde, traditionele oorlog zoals ook die overigens voor het Westen stellig tot het verleden behoort.
Ten aanzien echter van de, op basis van primitief particulier individualisme, losgebroken moordlust en de daarmee samengaande psychische ontreddering heeft het gebruikelijke pacifisme geen enkele reŽle betekenis, sterker nog: het is zelfs uitgesproken naÔef te noemen. Je bent natuurlijk moreel en zelfs filosofisch verplicht om het pacifisme als idee te handhaven: je kunt niet vůůr moorden en verkrachten zijn! Maar dat betekent niets als je tegenover een dolgedraaide moordenaarsbende komt te staan. Je zult dan toch vroeg of laat, ondanks je pacifisme, van je af moeten gaan slaan.
Als rechtvaardiging is er ťťn onweerlegbaar en doorslaggevend argument: het door anderen begonnen geweld, dat een aantasting is van leven en goed van op zichzelf vredelievende medemensen, moet gestopt worden. Tenslotte is het nog altijd zo dat die vredelievende mensen het samenhangende geheel van de werkelijkheid niet verbreken terwijl de gewelddadigen en de moordenaars dat evident wŤl doen. Deze laatsten zijn inderdaad 'niet goed bij het hoofd' en dat kan van die vredelievende mensen, althans wat dit betreft, niet gezegd worden.
Hun tegengeweld, dat uiteraard een laatste optie is, is gerechtvaardigd door het feit dat het een poging is de misdaad, het verbreken te stoppen. Voorzover er in de moderne wereld het eerlijke en onbaatzuchtige streven is de militairen in te zetten om de misdaad te stoppen, kun je van een onmiskenbare 'stap voorwaarts' spreken. Was het militaire bedrijf er vroeger op gericht doormiddel van noodzakelijk dodelijk geweld politieke doelen te bereiken en was met het oog daarop het feitelijke militaire handwerk dat van de moordenaar, thans begint het er naar uit te zien dat het beletten van de misdaad de nieuwe doelstelling wordt.
Filosofisch en ethisch gezien zit hier een houdbare kaart in: misdaad is de daad van het verbreken van de samenhang en dat is welbeschouwd het ergste waartoe een mens komen kan. Het is het ergste omdat het een essentie van de menselijke werkelijkheid ontkent, namelijk de voor het zelfbewustzijn van de mens geldig geworden samenhang. En tegelijkertijd is dat verbreken zo kwalijk omdat het de mens qua aanleg gegeven is de werkelijkheid juist niet te verbreken. Het feit dat er hier van een wezenlijke keuze gesproken moet worden en het dus altijd mogelijk is de misdaad achterwege te laten, maakt het verbreken van de samenhang tot de ultieme misdaad. Men had ook voor die samenhang kunnen kiezen.
 
Je moet denken in termen van het beletten van de misdaad want anders ontstaat er een verkeerde voorstelling van zaken. Het beletten houdt namelijk in dat er van het beginnen van een misdaad gesproken kan worden. Deze staat op het punt van gepleegd te worden en er is kennelijk al een ernstig conflict gegroeid. Het feit echter dat dit het geval is duidt erop dat je nog steeds met een Únvolwassen mensheid van doen hebt, een mensheid waarin de onderlinge botsingen nog uit kunnen groeien tot volstrekt levensgevaarlijke conflicten, waarbij er reeds naar de wapenen gegrepen wordt.
In een onvolwassen wereld kom je, als je geluk hebt, niet verder dan het nog juist op tijd beletten van die misdaad. Het is daarentegen de volwassen mensen gegeven conflicten te voorkomen. Dat wil niet zeggen dat er dan geen botsingen meer zijn, maar het wil zeggen dat de mensen mentaal zover gevorderd zijn dat zij hun 'oplossend vermogen' effectief hebben leren gebruiken. Over dat 'oplossend vermogen' is nog heel wat te zeggen, maar in ieder geval speelt de aanwezigheid en het vrij ter beschikking staan van informatie, benevens een effectieve communicatie een cruciale rol.
Merk op dat ik begrippen als redelijkheid, tolerantie en zomeer in dit verband niet hanteer! Het begrip redelijkheid, met daaraan gekoppeld de bereidheid om tolerant te zijn, is welbeschouwd een relatief begrip. Dat wil zeggen dat het een begrip is dat onder bepaalde voorwaarden bestaan kan, maar dat geen universele geldigheid bezit. Het is een uitvinding van de 'verlichte' mens die aan zichzelf en anderen de eis stelt zich niet tenvolle en geheel naar eigen aard te laten gelden. Daarmee wordt een deel van zichzelf, in die relatie met de ander, buiten beschouwing gelaten. Redelijkheid is dus niet denkbaar zonder een soort van hogere instantie, een boven de persoon uitgaande norm die het belang van de relatie dient, maar niet het belang van het individu.
Dat geldt ook als die relatie niet een andere persoon betreft, maar iets anders, de waarheid of de ideologie bijvoorbeeld. Denk je hier op door, dan kom je tot de onafwendbare conclusie dat 'rede', 'tolerantie', 'redelijkheid' en wat er verder nog als de maat gesteld wordt, op de onvrijheid van de onvolwassen mens berusten. Voor de volwassen mens moeten noodzakelijk andere begrippen gelden. Natuurlijk kan ook die volwassen mens niet om het feit heen dat 'de ander' er ook is. Sterker nog: juist die volwassen mens laat 'de ander' geheel en al tot zijn recht komen. Maar onder die omstandigheden wordt zijn relatie tot die ander niet gekenmerkt door een wederzijds 'geven en nemen'.
Doordat men wederzijds de kwaliteit van elkaars leven optimaliseert is er in elke relatie een in elkaar overgaan van beider levens. Dit houdt niet in dat een ieder iets van zichzelf uitschakelt, noch dat de een zich in de ander 'verliest', zoals dat in bepaalde idealistische filosofieŽn zo fraai heet, maar het houdt in dat binnen de context van zo'n relatie beider persoonlijkheden tijdelijk in elkaars licht komen te staan. Dat is wat je 'de ontmoeting' zou kunnen noemen en de wederzijdse invloed, die van zo'n ontmoeting uitgaat, verrijkt het leven van ieder der betrokkenen. Dit staat in schril contrast met 'geven en nemen' waarbij beiden wezenlijk aan elkaar tekort komen.
 
Met allerlei kriteria, normen en tactische procedures, zoals die tezamen de gebruikelijke inhoud van het begrip levenskunst vormen, heeft het bovenstaande absoluut niets te maken. Rede, redelijkheid, tolerantie, omgangsvormen en zulke zaken zijn nu lege begrippen geworden. Die betreffen in feite een van buitenaf geregelde beweeglijkheid van het leven. En die kan in wezen niet anders dan frustrerend zijn. Het 'optimaliseren' van elkaars leven betekent alleen maar dat de een nalaat het wezen en het zich manifesteren van de ander hoe dan ook te belemmeren.
Je kunt niet het wezen en het zich manifesteren, het 'er-zijn', van de ander verbeteren of veranderen. Toch lijkt het alsof je dat wel kunt: in een wereld waarin niemand de ander met rust laat en niemand zichzelf met rust laat, blijft een ieder dramatisch ver onder zijn mogelijke niveau. Gelukt het je nu die wederzijdse bemoeizucht, dat elkaar voortdurend belemmeren en hinderen, op te heffen, dan is het resultaat een mens die, vergeleken bij voordien, 'veranderd' en 'verbeterd' is. In feite echter is deze mens zichzelf geworden. Dat berust dus niet op het aan iemand toevoegen van kwaliteiten, maar op het opheffen van belemmeringen. Je haalt er iets af! Een relatie kan zodanig van aard zijn dat dit opheffen praktisch functioneert en in dat geval spreek je van het 'optimaliseren van elkaars leven'. Daarvoor behoef je dus niets te doen, maar je moet daarentegen iets lŗten..!

Doodvonnissen-1 ; Doodvonnissen-2 ;


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis

Naar bladwijzers: lange-afstands raketten††† collectivistische denken - zie nos. 10, 11, 66, 67†† Burgeroorlog, Sociaal Democratie ; Liberale Democratie-1 ; Liberale Democratie-2 ; Parlementaire Democratie ; KANT- zie nrs. A en B ;

 


AFLEVERING NR. 10-(14-07-97)

Als je eenmaal in de gaten hebt dat de westerse cultuurmens altijd in ťťn bepaalde richting denkt, namelijk van boven naar beneden, gaan je steeds meer zaken opvallen die traditioneel hoog in aanzien staan, maar die het welbeschouwd tenvolle verdienen zonder pardon afgewezen te worden. Uiteraard geldt dat voor de diep ingekankerde behoefte om vanuit een leidersprincipe met onze wereld om te gaan. Ook de democratische stelsels ontkomen niet aan die behoefte, hetgeen duidelijk moge blijken uit het feit dat het hele geworstel binnen de parlementaire democratie onveranderlijk uitloopt in de overwinning van een aantal absolute heersers, voor wie het democratisch handelen slechts instrument is om naar de top te komen en daar hun zin door te drijven.
Meer verborgen en over het algemeen zelfs door de denkers nauwelijks opgemerkt zijn de opvattingen van diegenen die op grond van hun denken, standpunten en levenshoudingen doorgaans tot de toppen van onze intellectuele cultuur gerekend worden. Die opvattingen blijken bij hernieuwde onbevangen beschouwing van een zodanige arrogantie te zijn dat je je erover verbaast dat zij niet eerder en vaker met hoon overladen zijn.
Zo is daar bijvoorbeeld Voltaire, die van mening was dat, ŗls god niet zou blijken te bestaan, er voor 'het volk' beslist een uitgevonden zou moeten worden, omdat die stumperds een hoger, van buitenaf dwingend, moreel principe van node zouden hebben. Voltaire is op grond daarvan duidelijk een vertegenwoordiger van hoogmoedige denkers die voor zichzelf een hoge status reserveren en daaraan zonder meer verbinden dat hun medemensen zo weinig betekenen dat zij gevoeglijk aan een waan van iets hogers onderworpen mogen worden.
En de filosoof Immanuel Kant, die tot op de dag van vandaag beschouwd wordt als de grootste denker aller tijden, achtte zichzelf ook deftig genoeg om het recht te hebben aangaande zijn medemensen te stellen dat zij gedwongen moesten worden om deel te nemen aan een goede wereld.
Hij kon beslist beter weten: juist het feit dat het uitsluitend zijn eigen persoonlijke voorstelling van een 'goede wereld' betrof en dat juist hij degene was die in zijn filosofie de vraag naar het persoonlijke kenvermogen van de mens als centraal thema stelde, doet je nog meer verbaasd staan over de hoogmoed van zo een groot denker. En mij verbaast het nÚg meer dat vrijwel geen van de hedendaagse filosofen in de gaten heeft hoezeer zij zelf en hun collegae eveneens halsstarrig van bovenaf denken en daardoor een geheel verkeerd concept van een goede wereld ontwerpen. En dan vinden zij het spijtig dat de mensen almaar niet aan hun ideeŽn kunnen beantwoorden.
Maar de fout ligt bij henzelf. Hun voorstelling van de werkelijkheid deugt immers niet! Vanuit het academische denken klopt de zaak wel, maar de academische werkelijkheid is nu eenmaal niet identiek aan de echte werkelijkheid.
De mensen zouden met de beste wil van de wereld niet aan de verlangens van de moderne filosofen kunnen voldoen. Toch geven dezen niet zichzŤlf en hun eigen denken de schuld, maar 'het volk', 'de straat', 'het egoÔsme' en 'het materialisme'. Dus: de anderen en de cultuur zijn eraan schuldig dat het geniale concept van de denkers op niets uitloopt! Dat nu is hoogmoed: je eigen voorstelling van de werkelijkheid als de absolute maat voor anderen stellen en die anderen vervolgens beschuldigen van apathie, egoÔsme en domheid als zij aan die maat niet kunnen beantwoorden en dat ook niet wensen te doen.
 
Voltaire was van mening dat een godheid noodzakelijk was om de mensen in toom te houden en hen bovendien iets te geven waartegen zij op kunnen zien en waar zij troost uit kunnen putten. Men zou een god uit moeten vinden als er geen voorhanden was, zo placht hij te zeggen. Kennelijk maakt Voltaire uit wat goed voor de mensen is, na overigens eerst en enigszins triomfantelijk vastgesteld te hebben dat zij onzelfstandige, domme en hulpeloze tobberds zijn.
ZichzŤlf rekent hij er natuurlijk niet toe, hoewel de logica gebiedt te laten gelden dat de uitspraak 'de mensen zijn tobberds' noodzakelijk ook inhoudt dat diegene die bedoelde uitspraak doet ook tenvolle meegerekend behoort te worden.
Voltairiaanse hoogmoed komt veelvuldig voor. Tot op de dag van vandaag kan men denkers tegenkomen die staande houden dat 'de' mens een schurk is die niet zonder van buiten af opgelegde, dwingende moraal en regels kan. Ondanks hun gekwalificeerde denken valt die denkers blijkbaar niet op dat er een heel verschil is tussen de vaststelling 'de mentaliteit van de alsnog onvolwassen mens is overwegend schurkachtig' en de bewering dat 'de' mens een schurk zou zijn. En zij voelen al helemaal niet aan dat het, fenomenologisch gezien, volstrekt uitgesloten is dat het laatste resultaat van het wordingsproces een tobbende schurk is...
 
Tot voor kort werd er gevochten, gemoord en verkracht in BosniŽ, het vroegere Joego-SlaviŽ. Door datgene dat daar nog steeds mogelijk blijkt te zijn hellen steeds meer mensen over tot de mening dat een dergelijk schofterig gedrag ook mogelijk is in de westerse wereld, als de mensen maar genoeg opgezweept zijn en zich, daarmee samenhangend, voldoende bedreigd voelen door buitenstaanders die als minderwaardig en misdadig beschouwd worden. Sommigen zijn er zelfs van overtuigd dat er maar heel weinig nodig is om de brand erin te steken. Zij wijzen daarbij op de betrekkelijk onbenullige argumenten die met succes gebezigd worden.
Argumenten van het kaliber: "Jij woont aan de andere kant van de sloot, dýs ben je mijn vijand", waarop destijds, omstreeks 1670, Blaise Pascal reeds met verachting wees. En ik moet toegeven, de ontwikkelingen in dat BosniŽ brachten mij ook enigszins aan het twijfelen. In feite waren dat niet alleen die ontwikkelingen, maar ook die in onze westerse wereld, namelijk op het vlak van het zich effectuerende individualisme. Zoals bekend neemt bijvoorbeeld in het verkeer het asociale en zelfs misdadige gedrag verschrikkelijke vormen aan en ook in het maatschappelijk leven is de toename van de vijandigheid onmiskenbaar. Dus: waarom zouden er ook in het Westen geen burgeroorlogen kunnen ontstaan met de daarbij behorende wreedheden?
Ook de westerse mens is nog steeds onvolwassen en hij blijkt een bandiet te zijn als hij op de een of andere manier gemotiveerd is en straffeloos zijn gang kan gaan. Vooral dit laatste..! Ofschoon dit alles ongetwijfeld waar is ben ik toch weer teruggekomen bij mijn oorspronkelijke mening dat het juist in de westerse wereld niet meer mogelijk is dat conflicten zulke wanstaltige vormen aannemen. Ik ontken dus niet de mogelijkheid van ernstige conflicten, maar ik ontken voor de doorsnee westerse mens de mogelijkheid van het vervallen tot volslagen misdadige bandeloosheid.
Praktische aanwijzing daarvoor is de voortdurende besluiteloosheid van het Westen als het gaat om gewapend optreden. Men wil niet vechten. En filosofisch redenerend kun je de burgeroorlog niet rijmen met de fase waartoe het individualisme zich in het Westen ontwikkeld heeft.
In de westerse wereld is het individualisme definitief doorgebroken. Dat betekent dat er wel allerlei vormen van individuele misdadigheid mogelijk zijn, maar dat er geen massale moordpartijen, zoals in burgeroorlogen, meer kunnen voorkomen. Het voor zulke misdaden benodigde collectivistische instinct is vrijwel geheel verdwenen. Dat instinct is onmisbaar, het is de diepere grond voor burgeroorlogen, die dan ook eigenlijk geen oorlogen zijn, maar op massahysterie gebaseerde moordpartijen. Zonder groepsbesef, zonder collectivistische instincten, zijn dergelijke moordpartijen onmogelijk.
Zoals steeds bij groepsgedrag worden het individuele normbesef en het redelijke handelen tijdelijk bepaald door de hysterie van de groep. Dat normbesef en het daaruit voortvloeiende handelen zijn binnen het hysterische collectief zozeer verziekt dat noodzakelijk een wrede moordlust het gevolg is. Die moordlust is volslagen redeloos. Dat wil in dit verband zeggen dat eigenlijk niemand weet waarÚm hij doet wat hij doet. Men doet het omdat het collectief het doet. Neem je iemand uit zo'n collectief apart en verbreek je radicaal het contact met de groep, dan begrijpt hij zijn eigen gedrag niet meer.
Eigenlijk manifesteert zich hierbij op bloedige wijze wat het collectivistische denken altijd doet bij mensen: door het gericht zijn op de groepsidentiteit is onderwerping en aanpassing essentieel en daardoor kan het uit het volwassen, vrije en zelfstandige bewustzijn voortkomende individuele besef van samenhang van allen met allen niet doorbreken. Doordat dit zich niet kan laten gelden staat de ene mens naar eigen idee buiten de andere mens voorzover die een andere identiteit heeft, zodat die ander onvermijdelijk in de weg staat en 'opgeruimd' moet worden. Wie er niet bij hoort mŗg er niet bij horen!
 
De individualistische westerse mens kan eventueel nog wel georganiseerd moorden. Dat noemt hij 'oorlog voeren' en dat doet hij tegenwoordig precies zoals hij een bedrijf runt. Hij vindt dan ook dat hij aan het werk is als hij zijn kanonnen afschiet en, overigens heel lafhartig bezorgd om zijn persoonlijke veiligheid, zijn lange-afstands raketten lanceert. Hij verlaat huis en haard met de mededeling dat de plicht hem roept en dat hij "a job to do" heeft. Er is werk aan de winkel. Geen aangenaam werk, maar anderzijds ook wel weer in zoverre bevredigend dat het smerig werk is dat toch door iemand gedaan moet worden. Dat schenkt voldoening en is een reden om trots op zichzelf te zijn. Het strekt dan tot eer die ondankbare taak op zich genomen te hebben. Van een collectieve hysterie is geen sprake, hoe begeesterd men desnoods bij gelegenheid ook is. Voor hysterie is geen plaats als je bezig bent je werk te doen. Werken doe je zakelijk, systematisch en logisch denkend, want niet het, op zichzelf onredelijke, collectief is de maat, maar de op redelijkheid gebaseerde organisatie. Die functioneert alleen maar onder koel en zakelijk management...

Naar bladwijzers: collectivistische denken - zie nos. 10, 11, 66, 67 ; Sociaal Democratie ; Liberale Democratie-1 ; Liberale Democratie-2 ; Parlementaire Democratie ; KANT- zie nrs. A en B ;

_________________________________________________________________________________________

FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis

Naar bladwijzers: collectivistische denken - zie nos. 10, 11, 66, 67 ; Houvast-1 ; Houvast-2 ; Houvast-3 ; Houvast-4 ;


AFLEVERING NR. 11-(01-09-97)

De spraakmakende intellectuele goegemeente van vandaag zit nog volop in de collectivistische wereld van voorheen. Als er problemen opgelost moeten worden is men onvermijdelijk bezig die van vroeger op te lossen, precies zoals generaals steevast bezig zijn de vorige oorlog te winnen.
De oplossingen die men meent te vinden zijn natuurlijk ondeugdelijk. Zij hebben geen betrekking op de realiteit, maar op een bedachte werkelijkheid, die absoluut onbestaanbaar is en die er dus ook niet is... Tegelijkertijd doet de individualistisch getinte toekomst zich gelden zodat die fictieve collectivistische wereld meer en meer voorwerp van winstmaken wordt. Dat leidt ertoe dat de burgers almaar meer verworvenheden moeten afstaan en langzaam maar zeker terugvallen tot de status van 'vernederden en vertrapten'. Dit verval komt dus niet in directe zin voort uit de ontwikkeling tot individu, met daarbij behorend de behoefte winnaar te zijn, maar het komt voort uit het meedogenloos vasthouden aan uitgeholde collectivistische voorstellingen van de managers, politici en bestuurders.
Vanaf het moment dat zij hierin geen heil meer zien en ermee ophouden mensen in garelen te dwingen zal er logischerwijs een streven ontstaan om het individuele welzijn van de mensen mogelijk te maken en te bevorderen. Dat kan niet langer door ze als nummers, als elementen uit een te verzorgen verzameling, te beschouwen. Het kan ook niet doormiddel van zorg voor een ieder persoonlijk. De juiste en houdbare methode bestaat uit het afschaffen van Ťlke vorm van bevoogdende zorg, met tegelijkertijd het onvoorwaardelijk vrijmaken van alle maatschappelijke mogelijkheden, en vooral het opheffen van de vele ergerlijke hindernissen die vanuit het ouderwetse collectivistische denken tegen de vrijheid van de individuele mens opgeworpen zijn.
 
De veelgehoorde bewering dat de mensheid indertijd godsdienstig begonnen zou zijn is volstrekt onjuist. De zogenaamd primitieve mensen uit de dagen van de grijze oudheid waren nog niet in staat iets oppermachtigs buiten en boven de reŽle werkelijkheid te plaatsen. Dat is te begrijpen als je bedenken kunt dat zij geen scheiding aanbrachten binnen het geheel van de werkelijkheid.
Voor hen was die werkelijkheid nog een 'moederlijke' zaak: alle verschijnselen, levend of niet levend, kwamen voort uit de alles omvattende baarmoeder van een 'Grote Moeder', de 'Magna Mater'.
Als de mensen uit die dagen tot de ontdekking kwamen dat er machten waren die de hunne verre te boven gingen - en dat was natuurlijk voortdurend het geval - dan zagen ze die machten niet als iets uitwendigs, dat van buitenaf op de wereld inwerkte, maar als iets binnen de wereld van de 'Grote Moeder'.
Zo'n macht kon de mensen daardoor niet tot dienstbaarheid dwingen. Hij behoorde er immers tenvolle bij, hij maakte deel uit van het leven van de mensen, die er op de een of andere manier zelf in uitliepen. Het zogenaamd goddelijke gold als een soort van einddoel van een weg die ieder mens tijdens zijn leven ter loutering aflegde. Als zodanig stond het goddelijke niet buiten en boven de mens, maar was deel van zijn leven. Om te beginnen en voorlopig nog heel ver weg, maar toch er tenvolle bij behorend.
Dit sluit godsdienstigheid volstrekt uit.
Maar het is wel de verklaring voor het feit dat men bepaalde verhoudingen in en van de kosmos beschreef met behulp van gefantaseerde goddelijke mensen en hun gedragingen. Men dacht namelijk in beelden, overigens zonder daarbij uit het oog te verliezen dat het inderdaad niet meer, maar ook niet minder, dan beelden zijn. Vooral de Griekse Mythologie is daarvan een goed voorbeeld.
 
Voor diegenen die voor hun levensbeschouwing afhankelijk zijn van een door de wetenschap geboden houvast zijn de ideeŽn van Paul Feyerabend een gruwel. Je kunt er rustig van uitgaan dat er heel wat van dergelijke mensen zijn, intellectuelen die menen dat een wetenschappelijke opleiding een gedegen garantie biedt voor juiste voorstellingen en standpunten.
Het behoeft niet te verwonderen dat vrijwel de gehele intellectuele goegemeente diep geschokt was toen zij geconfronteerd werd met Feyerabends 'Against Method'. Slechte lezers als intellectuelen nu eenmaal onvermijdelijk zijn, kwamen zij onmiddellijk tot de conclusie dat Feyerabend probeerde wetenschappelijke methodes af te schaffen en aan te tonen dat je maar wat aan kunt rotzooien en dat dit altijd goed was. Anarchistische wetenschapsbeoefening dus, zonder regels, zonder kriteria en vooral: zonder verantwoording af te leggen voor het zogenaamde 'forum der wetenschap', zo beweerde men verontwaardigd.
Een typisch staaltje van intellectuele geborneerdheid..!
Feyerabend heeft namelijk nooit serieus beweerd dat je zonder een methode onderzoek kunt plegen of theorieŽn opstellen. Van 'rotzooien' of 'ins Blaue hinein' fantaseren was bij hem geen sprake. Alleen al zijn publicaties bewijzen dat er streng, gewetensvol en getrouw geredeneerd moet worden.
Maar wat hij wŤl hartstochtelijk heeft afgewezen is het arrogante standpunt dat er maar ťťn strikt aan regels gebonden wetenschappelijke methode zou zijn. Hij heeft terecht steeds volgehouden dat elke methode goed is. Wat daarbij uiteraard door bedoelde intellectuelen over het hoofd wordt gezien is dit dat hij het wel nadrukkelijk over een methode heeft. En dus niet over een slag in de lucht!
Hij was er dus niet op uit de mensen ervan te overtuigen dat methodes maar beter afgeschaft konden worden, maar hij probeerde duidelijk te maken dat methodes niet bij voorbaat en onder dwang vastgelegd en voorgeschreven kunnen worden.
 
Het is natuurlijk een feit dat vastgelegde en voorgeschreven methodes al bij voorbaat nieuwe wegen afsluiten. Omgekeerd blijkt steeds weer dat diegenen die zich op nieuwe en onbekende wegen hebben begeven zonder mankeren de bestaande methodes aan de laars gelapt hebben, daartoe, zoals te begrijpen is, gedwongen door het nieuwe en onverwachte dat zich aan hen voordeed.
Dat is een algemeen bekend feit dat zich heel gemakkelijk controleren laat, maar toch willen bedoelde intellectuelen er niets van weten. Iedere keer worden zij kwaad als zij op de een of andere manier met het ŗfwijkende te maken krijgen. Dat verschijnsel is gemakkelijk te verklaren: de intellectueel is de wetenschappelijk ontwikkelde mens voor wie de wetenschap functioneert als een godsdienst, met alle dogma's van dien en uiteraard met zijn rustgevend houvast.
Noch de dogma's, noch het houvast kunnen door zo'n intellectueel straffeloos losgelaten worden. Ik bedoel dat hij of zij dat nooit vanuit zichzelf, op eigen initiatief dus, zal doen. In zekere zin is zo iemand een 'fundamentalist' die vasthoudt aan de eens verworven zekerheden. Men stelt de zaak wel bij als de officieel gevestigde wetenschap daar aanleiding toe geeft. Nieuwe, door haar aanvaarde en verkondigde standpunten en zienswijzen worden natuurlijk wŤl en zonder dralen overgenomen. Dat laatste is voor de intellectueel van levensbelang: hij moet immers steeds up-to-date zijn! Daar is hij nu juist een intellectueel voor...
Maar vanaf het moment dat hij zich nieuwe kennis verworven heeft geldt die kennis weer als dogma en houvast en dan begint de hele zaak weer van voren af aan!

Naar bladwijzers: collectivistische denken - zie nos. 10, 11, 66, 67 ; Houvast-1 ; Houvast-2 ; Houvast-3 ; Houvast-4 ;


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 12-(29-09-97)

Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ;

Zie ook eens: De ontwikkeling van de West Europese Cultuur met als bladwijzer: Slavische ideologie.


Het Russische volk verkeert op het ogenblik in de diepste ellende. Niet alleen dat er een nagenoeg volledig gebrek aan infrastructuur is, met als gevolg een schrijnende armoede en verwaarlozing, maar ook dat er overal groepen misdadigers hun slag gaan slaan. De misdaad tiert welig en, zoals steeds, gaat dat ten koste van de bevolking. Nu kun je je afvragen hoe het zit met dat Rusland.
Gewoonlijk wordt zo'n vraag in historische zin begrepen: "hoe is het met Rusland zover gekomen?" Als antwoord op die vraag krijg je dan een opsomming van de opeenvolgende gebeurtenissen die in een zo goed mogelijk onderling verband gepresenteerd worden. Het is het verhaal van de historici en dat kan een informatief verhaal zijn, vooral voor diegenen die slecht of helemaal niet op de hoogte zijn van de toestand in, in dit geval, Rusland.
Maar, in feite is Ťlk historisch verhaal, hoezeer bij gelegenheid ook informatief, een kaal, oppervlakkig en armoedig verhaal. Je weet er niet echt iets aan omdat het je niet duidelijk wordt waarÚm er nu net gebeurt wat er gebeurt. Er mag dan van een causaal verband gesproken kunnen worden, maar het bedrieglijke daarvan is altijd dat de betreffende gebeurtenissen ook ŗnders hadden kunnen zijn en ons ook dan achteraf de indruk geven ten opzichte van elkaar in 'causaal verband' te staan.
In bijna alle gevallen zijn de historische 'causaliteiten' niet meer dan interpretaties achteraf. Het is dan net of het zo had mÚeten zijn en niet anders gekund had, maar in feite is dat gezichtsbedrog. Bijna steeds had het wŤl anders gekund en vaak was er zelfs te spreken van een mogelijkheid tot het maken van een keuze.
 
Ook als het over Rusland gaat draait de zaak niet zozeer om de vraag 'hoe is het gekomen' alswel om de vraag 'wat is er nu wezenlijk aan de hand'? Het antwoord op deze laatste vraag maakt de interpretatie achteraf van het historische causale verband wŤl uitermate plausibel, een interpretatie die zÚnder die achtergrond van begrip noodzakelijk een speculatie blijven moest.
Een juist begrip van de zaak is bovendien buitengewoon nuttig om de vervelende gewoonte van westers geschoolde denkers, om je voortdurend met tegenvoorbeelden dwars te zitten, te neutraliseren. Als je namelijk het ene voorbeeld geeft, komen zij steevast met een tegenvoorbeeld, waarbij het hen volstrekt ontgaat dat de achtergrond van het ten voorbeeld gestelde in het ene geval essentieel verschilt van die van het andere geval. Zeg je bijvoorbeeld dat de Russische mens op een bijzondere manier met de aarde en de grond verbonden is, dan noemt men prompt en enthousiast een aantal gevallen waaruit zou moeten blijken dat het met de westerse mens net zo gesteld is. Dat de westerse mens cultureel hemelsbreed verschilt van de Russische, die onder andere juist daardoor een ander besef omtrent de aarde heeft, wordt niet ingezien. Men gaat af op het uiterlijke en interpreteert er vrijelijk op los.
Wat betreft Rusland gaat het er dus nu niet om hoe het zo gekomen is en ook niet wat er op het ogenblik qua gebeurtenissen gaande is, maar wat er cultureel en menselijk aan de hand is.
 
Op het ogenblik worden alle processen in de Russische mensheid gedreven door de zich openbarende en realiserende individualiteit van de Russische mens. Deze mens heeft altijd al op intuÔtieve wijze blijk gegeven van een geheel eigen en unieke aanleg. Die aanleg is te benoemen met het begrip 'universele volwassenheid' en een tweetal opvallende kenmerken daarvan zijn de psychische warmte en het diepe besef van gemeenschappelijkheid. Deze kenmerken hangen samen met het feit dat de volwassen mens voorbij de analyse is geraakt en in het teken van het geheel is komen te staan.
Dat wil niet zeggen dat de analyse afgeschaft zou zijn en helemaal niet meer beoefend zou worden, hetgeen een einde zou maken aan elke wetenschappelijke ontwikkeling, maar het wil zeggen dat de analyse niet langer de zaak is waar alles om draait en waarvan alles verwacht wordt. De analyse is aspect van het leven geworden en niet langer de maat van alle dingen.
 
Bij het zich waarmaken van de individualiteit van de Russische, of wellicht Slavische, mens komt voor de dag dat zijn specifieke culturele geaardheid is dat hij de aanleg heeft tot volwassenheid te komen. Anders gezegd: zijn aanleg is het 'volwassen-worden'.
Dat is wat anders dan wanneer je zegt dat de Russische mens "in aanleg volwassen is". In dit geval zeg je namelijk iets overbodigs, want Ťlk mens, van welke cultuur dan ook, heeft de aanleg om volwassen te zijn. Het volwassen-zijn gaat in principe aan niemand voorbij. Maar waarom het bij de Russische mens gaat is dat hij het laatste station van de daarheen leidende culturele menselijke ontwikkeling is. Daarin gaat de 'totaliteit' over in het 'geheel', oftewel in termen van mijn gedachtengang over ' De Grote Vierslag ' is daarin de eenheid van socialisme (jij en ik zijn onvoorwaardelijk erkend aanwezig) en communisme (wij zijn met zijn allen) een feit geworden. Je kunt dus ook zeggen dat het realiseren van genoemde eenheid het thema van de Russische cultuur is. De volwassen mens evenwel realiseert die eenheid niet, maar is die eenheid, om daaraan vervolgens een reŽle inhoud te geven.
 
Aan de laatste culturele fase komen de volgende, in hoofdzaak psychische, eigenaardigheden mee:
1) er is een diepgewortelde, intuÔtieve, haat tegen waarden, waardigheden, gewichtigheid, en tegen elites, overheden en dergelijken.
2) er is een intuÔtieve voorliefde voor ongehoorzaamheid, gepaard gaande met individuele zelfstandigheid en een afkeer van machten en machthebbers. Bovendien is er te spreken van een wezenlijke ongeschiktheid voor deelname aan collectieven (wat schijnbaar door het in 1917 tot stand komen van de Sowjet-Unie weersproken wordt!).
3) er is een warm medeleven met de medemensen en een grote ruimhartigheid wat betreft het morele doen en laten van die medemens. Groot mededogen is er met de ongelukkigen die moreel mislukt zijn, zoals misdadigers.
4) er is een sterk ontwikkeld gemeenschapsgevoel dat bij nadere beschouwing niet blijkt terug te grijpen op het een of andere 'clan-bewustzijn' uit lang vervlogen tijden, maar dat daarentegen juist gekenmerkt wordt door een kosmisch verlangen naar een toekomstige eenheid en liefdevolle samenleving.
Als je over deze vier punten nadenkt kom je tot de ontdekking dat er een essentieel verschil is met de westerse mens. Voor deze ligt de waarheid in het uiteenleggen van de verschijnselen, maar voor de Russische mens ligt zij in de alles omspannende samenhang van de werkelijkheid.
Natuurlijk zijn er nog meer opmerkelijke verschillen te noemen, maar dat zou thans te ver voeren.
 
Nu de Sowjet-Unie ingestort is, is de Russische mens door een tweetal rampen heen gekomen. Als eerste was daar de ramp van het westerse individualistische denken voorzover dat zich op vooralsnog ouderwetse, primitieve, manier liet gelden. Dat wil zeggen dat de individu zich nog eenzijdig als particulier besefte. In Rusland was het de intelligentsia die met die mentaliteit behept was. De lieden die daartoe behoorden hadden uitsluitend de eigen existentie op het oog, de werkelijkheid was identiek aan hun eigen particuliere bestaan. De aanwezigheid van andere mensen en dingen kon natuurlijk niet goed ontkend worden, vandaar dat het kwam tot horigheid van al dat minderwaardige volk.
Het Russische feodalisme hield zo lang stand juist doordat de intelligentsia halsstarrig particulier ingesteld was, en daarbij moet uiteraard gevoegd de intuÔtieve onverschilligheid van het Russische volk voor macht en machthebbers. Die onverschilligheid leidde ertoe dat er betrekkelijk weinig verzet tegen de landeigenaars was. Die Russische boer vond dat diep in zijn hart toch maar een stelletje idioten! Van dat idiotisme werd het Russische volk bevrijd door de revolutie, overigens zonder dat het er in de praktijk veel mee opschoot...
De tweede ramp was wezenlijk ook westers van oorsprong. Dat was namelijk het collectivisme waartoe de Russische mens gedwongen werd door Lenin en zijn kornuiten. De naam Russische revolutie is in dit verband in zoverre misleidend dat er niets Russisch aan dat sowjet-gedoe was en ook dat je nauwelijks van een 'revolutie' kunt spreken omdat het slechts een kleine groep min of meer getrainde terroristen was die de macht greep. Je kunt veel beter van een 'staatsgreep' spreken en door die staatsgreep kwam het Russische volk onder het juk van de collectivisten. Dat waren machtzoekers die een totalitaire staat voorstonden, een staat dus die vanuit een machtscentrum tot in de kleinste details geregeld zou zijn en waarin slechts naar de ideologie gemodelleerde onderdanen toegestaan zouden zijn.
Een ieder die probeert staande te houden dat Lenin en kornuiten het beste met het Russische volk voorhadden en dat het hen wŤrkelijk om het welzijn van de gewone vrouw en man te doen was heeft de geschriften van Lenin van vůůr 1917 niet of niet goed gelezen! Het ging uitsluitend om totalitaire macht, uitgeoefend door zwaar getrainde kaders. Van een vanuit het volk en voor het volk opererende 'sowjet' is nimmer sprake geweest...
In principe behoort nu dus tot het verleden een tweetal van bovenaf opgelegde westerse maatschappelijke systemen, namelijk het particuliere individualisme en het collectivisme, uiteraard twee ideologieŽn die wezensvreemd zijn aan het Russische volk. Nu moet er, geheel van de grond af, een nieuwe maatschappij opgebouwd worden. Voorlopig is daarbij de moeilijkheid dat het authentieke Russische individualisme nog nauwelijks wakker geworden is. Zonder dat Russische individualisme echter kan er geen basale infrastructuur ontstaan, althans geen infrastructuur die op sociale rechtvaardigheid gericht is die zich van daaruit ontdoet van de terroristische macht van misdaadorganisaties, gewezen communisten, soldaten en andere moordenaars.
Een op technologie, recht, vrij en dus in zichzelf verantwoord ondernemerschap en democratie gestoelde maatschappij kan alleen maar van onderaf door zelfbewuste mensen gesticht worden. Hoewel het op het ogenblik voor de Russische mensen een verschrikkelijke toestand is kun je er desondanks toch verheugd over zijn dat de zaak zo diep in elkaar gestort is.
Als men nu ook nog het hoofd weet te bieden aan de westerse managers is de kans groot dat de zaak betrekkelijk vlug gezond kan worden.

Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ;

Zie ook eens: De ontwikkeling van de West Europese Cultuur met als bladwijzer: Slavische ideologie.


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 13-(27-10-97)

Ieder afzonderlijk mens is een uniek verschijnsel. Er zijn geen twee mensen gelijk, zelfs niet identieke tweelingen, waarvan men beweert dat die qua erfelijkheid precies eender zijn.
Dat feit van dat uniek-zijn is op zichzelf al voldoende ondersteuning voor de stelling dat de mens in 'de' individu uitloopt. Je kunt immers het uniek-zijn niet opheffen, zoals men tot zijn schrik in totalitaire maatschappijen heeft moeten ervaren! Het uniek-zijn van ieder mens betekent echter niet dat mensen niet een heleboel gemeenschappelijks hebben. Culturen bijvoorbeeld zijn op allerlei gemeenschappelijke eigenaardigheden van de erin betrokken mensen gebaseerd. En aan het einde van de rit is het voor de volwassen geworden mensen een duidelijke zaak dat de maatschappij draait om gemeenschappelijkheid. Dat betekent dat de maatschappij tenslotte zelfs een 'gemeenschap' zal zijn.
In tegenstelling tot wat de meeste slordig denkende mensen menen sluit individu-zijn het gemeenschappelijke helemaal niet uit, neen, het maakt het juist als enige mogelijk! Juist de mens die zichzelf kent, die tot zelfkennis gekomen is, herkent in de door hem volledig erkende medemens het gemeenschappelijke.
Ook onvolwassen mensen herkennen, zij het op slordige wijze, het gemeenschappelijke, maar zij gaan dat onmiddellijk omzetten tot een dwingende norm voor de gemeenschap: het 'tot een stelsel van eisen omzetten van iets vanzelfsprekends'. Het wordt daarmee iets hogers waaraan men op straffe van sancties heeft te beantwoorden. Als het zover is gekomen, en zover komt het in een onvolwassen mensheid steeds, heb je te maken gekregen met het begrip ideŽel collectief. Zo'n collectief kan in de praktijk agressief van aard zijn en dan wordt er door een groep leiders terreur uitgeoefend om de mensen onder de duim te krijgen en te houden, maar zo'n collectief kan ook de mildere vorm van een maatschappelijk ideaal aannemen waarbij de andersdenkende medemens slechts met enigerlei vorm van sociale uitstoting en politiek machtsverlies te maken krijgt. In een westerse democratie bijvoorbeeld tref je die milde vorm van collectieven aan.
Maar, collectieven zijn het onmiskenbaar ook en de van bovenaf opgelegde normen zijn er niet minder om! Men moet, als het maar even kan, zelfs in uniforme bewoordingen, onder alle omstandigheden het officiŽle partij- of verenigingsstandpunt verkondigen en vaak is men zelfs gehouden aan bepaalde gedragsregels. Maar belangrijker nog is dat alles draait om de belangen van het collectief...
 
Een collectivistisch denkend mens kan onmogelijk begrijpen wat gemeenschappelijkheid nu wŤrkelijk betekent. Hij zal er altijd iets 'uniforms' aan bedenken, een voor het gehele collectief geldend stelsel van normen en waarden, doelstellingen en interesses. Bijgevolg heeft zijn gemeenschapsgevoel, dat, ondanks alle onderdrukking, vanuit zijn intuÔtie en zijn gevoelsleven onvermijdelijk enigszins werkzaam is, een voorwaardelijk karakter: niet iedereen behoort bij zijn groep of clan en niet iedereen heeft dezelfde rechten. Gelijkwaardigheid geldt alleen voor diegenen die beantwoorden aan de collectieve normen en waarden en uiteraard diegenen die dezelfde voorstelling omtrent de werkelijkheid koesteren.
Aan het begrip 'gemeenschappelijkheid' moet derhalve toegevoegd worden: gemeenschappelijkheid van iets. Er wordt van tevoren verlangd dat men juist aan dat 'iets' voldoet, zoals daar zijn politieke standpunten, maatschappelijke doelstellingen, aan de levenshouding ten grondslag liggende godsdienstige dogma's en zo nog een heleboel zaken meer, zelfs tot en met gezamenlijke hobby's. De basis en de normen voor gemeenschappelijkheid worden van tevoren bepaald en een ieder die daaraan bij voorbaat niet voldoet mag niet tot het collectief toetreden.
Denkt men vanuit een collectivistische optiek na over gemeenschappelijkheid, dan gaat het over een bij voorbaat gesteld uniform kriterium. De op die wijze bedoelde gemeenschappelijkheid heeft dan stilzwijgend een uitsluitend oftewel exclusief karakter gekregen. Ook al ontkent men dit ten stelligste, waarin zeker de moderne mens buitengewoon gehaaid is, dan komt dit exclusieve karakter toch vroeg of laat aan de oppervlakte. Het kan niet verborgen blijven, juist omdat het van deze opvatting van gemeenschappelijkheid de essentie is.
 
Gemeenschappelijkheid binnen de context van een volwassen wereld heeft geen eisend, maar een constaterend karakter: men bemerkt en stelt vast dat de mensen allerlei overeenkomstige eigenaardigheden vertonen, dat zij in een groot aantal zaken overeenstemmen en een nogal uitgebreide werkelijkheid gemeen hebben. Uiteraard zijn dat gemeenschappelijke zaken in de voorstelling die de mensen van de werkelijkheid hebben. Dus: de onvermijdelijk unieke voorstellingen van de individuen vertonen allerlei gemeenschappelijks.
Het gaat nu natuurlijk niet over biologische overeenkomsten, want die zijn volstrekt niet typerend voor de mensen. Daarom kunnen al of niet vermeende raskenmerken en andere geaardheden nimmer een rol spelen.
Het gaat over datgene dat qua voorstelling gemeenschappelijk is. Dat is een kwestie van het intellect, de geest, het denken, en hoe dat verder nog genoemd kan worden. De ultieme vorm van gemeenschappelijkheid is de communistische, zoals die als laatste grootheid van 'De Grote Vierslag' te voorschijn komt. De inhoud van die vierslag is de begrippensequens 'nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme'. Daarin heeft 'communisme' als inhoud dat de mensen beseffen, weten en laten gelden dat zij 'met zijn allen' zijn. Als dit helder in het zelfbewustzijn is komen te liggen is de uiterste betekenis van het gemeenschappelijke voor den dag gekomen.
Dit echter heeft dan geen betrekking meer op een aantal concrete zaken die zich in een gemeenschappelijke interesse kunnen verheugen, zoals dat in een onvolwassen wereld bijvoorbeeld met voetballen het geval is. Daarentegen hebben wij dan te doen met een onvoorwaardelijke gemeenschappelijkheid die alleen maar geworteld is in de erkenning dat ieder mens er zomaar is zonder dat daarvoor een reden opgegeven kan worden of verantwoording moet worden afgelegd.
De bedoelde 'ultieme gemeenschappelijkheid' is gebaseerd op de verscheidenheid van de individuen. Dat is alleen maar mogelijk als die verscheidenheid tot zijn recht mag komen. Pas als dat het geval is kan het overeenkomstige en gemeenschappelijke op zinvolle wijze gelden.
Zinvolle gemeenschappelijkheid ontstaat in de praktijk van alledag daar waar een aantal personen voor een bepaalde taak of doelstelling staat. Onder de veelheid van unieke persoonlijke eigenaardigheden blijken er te zijn die voor het bereiken van een bepaald doel of het volvoeren van een taak zinvol zijn. Van een of andere bij voorbaat als eis gestelde gemeenschappelijkheid is volstrekt geen sprake. En uiteindelijk is in het kort te zeggen dat de 'ultieme gemeenschappelijkheid' gestoeld is op de volwassen mens als individu (=de individu), terwijl de tot nu toe gebruikelijke gemeenschappelijkheid slechts van een bepaalde collectiviteit uitgaat, onvolwassen is en niet meer dan een beknotte individu tot inhoud heeft.


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

Bladwijzer: verlichting ; Houvast-1 ; Houvast-2 ; Houvast-3 ; Houvast-4 ; De beweeglijkheid als bouwsteen ;

De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 14-(24-11-97)

Over het van alles Únafhankelijk zijn van de mens heersen de meest merkwaardige opvattingen. Wel kun je vaststellen dat de mensen doorgaans wel aanvoelen dat de mens onafhankelijk zou moeten zijn. Dat blijkt namelijk uit ieders al of niet verborgen aversie tegen de macht van anderen, het bij vrijwel iedereen voorkomende streven zakelijk en maatschappelijk onafhankelijk te worden en de behoefte aan zekerheid. Op de een of andere manier wil iedereen 'eigen baas' zijn.
Ook kun je denken aan die godsdienstige fanaten die proberen zich los te maken van het stoffelijke, van de aardse materie, in de hoop samen te gaan vallen met het geestelijke, dat volgens hun niets nodig heeft om te bestaan zodat men op die manier zelfs de 'ware' onafhankelijkheid deelachtig kan worden. Kortom: er is een eeuwige behoefte aan onafhankelijkheid bij de mensen van alle culturen waar te nemen. Opvallend is echter dat men dit tracht te bereiken door te proberen van de behoeften bevrijd te worden. Men wil alles ŗfschaffen! En dat is nu precies verkeerd, ten eerste uiteraard omdat het onbegonnen werk is vanwege het feit dat ieder levend wezen, en dus ook de mens, behoeften heeft. Maar ten tweede omdat onafhankelijkheid niet bereikt kan worden door de behoeften af te schaffen, maar juist door ze te bevredigen, in die zin dat datgene dat de mensen nodig hebben zonder enig probleem en zonder moeite en onvoorwaardelijk ter beschikking staat.
Wanneer het benodigde er is, is er geen afhankelijkheid meer. Overigens moet hierbij opgemerkt worden dat het begrip het benodigde een aanmerkelijk grotere inhoud heeft dan alleen maar stoffelijke behoeften. Er zijn namelijk ook juridische, medische, communicatieve en beschuttende behoeften. Dit alles is samen te vatten onder het begrip 'veiligheid'.
Anderzijds zou men echter in moeten zien dat het begrip 'het benodigde' een kleinere inhoud heeft dan men vanuit het denken in Únze cultuur zou menen. Het woord zegt het al: het gaat om wat men nodig heeft om zichzelf te kunnen zijn en volstrekt niet meer dan dat. Alle, aan de kinderachtige behoefte aan status en macht ontsproten 'hebberigheden' vallen buiten het begrip 'het nodige'. In feite vallen die onder het begrip diefstal...
 
Over de mens als eenling is ook nog dit te zeggen: al het gedoe van de mensen berust op de een of andere overweging en op een daaruit voortkomend besluit. Behalve enkele puur biologische functies is er niets dat buiten de procedure van 'overwegen en besluiten' omgaat. Deze menselijke eigenaardigheid berust op het feit dat voor de mens zelfbewustzijn geldt. Dit zelfbewustzijn komt op zijn beurt voort uit het 'vrij-zwevend' zijn van het verschijnsel mens, dat immers als laatste mogelijkheid voor de dag komt. Voor de absolute eenling, die dat 'vrij-zwevende' verschijnsel is, geldt dus genoemd begrip 'zelfbewustzijn' en dat leidt ertoe dat je moet constateren dat 'overwegen en besluiten' onmiddellijk en onverbrekelijk aan de mens als individu gebonden is. Alles wat wij mensen doen berust dus op onze eigen individuele overwegingen en besluiten. En omdat dit strikt aan onze persoon gebonden is, is het volstrekt uitgesloten dat iemand deze procedure van ons overneemt. Maar dat is niet alles. Ook het transformeren van de eigen persoonlijkheid in iets collectiefs is onmogelijk.
Als het gaat over de dieren- en plantenwereld is er geen sprake van 'overwegen en besluiten'. Binnen die levende wezens speelt zich een programmatisch vastgelegde procedure af die voor elk levend wezen vanuit de evolutie tot stand gekomen is. Aan zo'n programma, dat zich manifesteert als een complex van instincten en automatismen, valt niet te ontkomen. Er is slechts de mogelijkheid van een langzame, door de omstandigheden gedwongen, aanpassing, maar nooit van een verandering of verbetering in de zin van een eventueel ontwikkelen naar een hoger niveau.
Is het programma van een bepaalde diersoort er op ingesteld in een kudde te leven, dan gaan die dieren vanzelf en onvermijdelijk in een kudde leven. Er is geen sprake van dat een dier aan een andere leefwijze de voorkeur geeft. Dieren en planten hebben geen keuze!
Maar soms, vooral bij de hogere diersoorten, laten de ingeboren programma's zo een ruimte voor variaties open, dat het lijkt alsof er wel een keuze zou zijn met het erbij behorende overwegen en besluiten. Dit echter is volkomen voorwaardelijk: binnen genoemde ruimte wordt er niet gekozen maar geprobeerd, netzolang tot er iets gelukt.
Juist omdat mensen zŤlf alles overwegen en zŤlf alles besluiten, en dus aan geen enkel programma getrouwd zijn, kunnen zij ook geen kuddedieren, massamensen of iets dergelijks zijn. Let wel, het kan hun wezen niet zijn. Wel kunnen zij een tijdlang zich verbeelden onderdeel van een kudde, een massa of enig ander collectief te zijn. In onze westerse cultuur is dat het geval, hoewel juist ook in die cultuur terecht veel verzet tegen die opvatting heerst. Dit verzet is thans hard op weg vruchten af te werpen: de individualisering zet zich onweerstaanbaar door...!
 
Het uitgangspunt voor elke betrouwbare gedachtengang over een thema binnen het geheel van de werkelijkheid ligt noodzakelijk onder het niveau van om het even welk 'basaal materieel deeltje'. Op die onderliggende niveaus - er zijn er namelijk meerdere - geldt het begrip 'samenstelling' niet meer, maar wel is er van 'energetische systemen' te spreken. In die systemen is een aantal 'beweeglijkheden' aaneengegroeid.
Op het diepste niveau ligt de door mij zo genoemde 'beweeglijkheid'. Je hebt het dan over 'iets' waarover absoluut niets te zeggen valt in de zin van een nadere bepaling. Het is een volstrekte onbepaaldheid en nu is het bij het filosoferen de kunst te begrijpen dŗt er toch wat over die onbepaaldheid gezegd kan worden en wat dat dan is...
(zie het hoofdwerk Beweging en Verschijnsel deel 1, 2 en 3)
Daarmee heeft de filosofie de hand gelegd op een absoluut en universeel verklaringsprincipe. Hopelijk is het onnodig hierbij op te merken dat dit uitsluitend een 'denkbare' zaak is die op geen enkele wijze proefondervindelijk benaderd kan worden. Als je veronderstelt dat er een paar verschillende basale materiŽle deeltjes bestaan kun je er niet onderuit te moeten toegeven dat die deeltjes alsnog samengesteld zijn. Verschillen berusten immers op de aanwezigheid van iets bij het een en de afwezigheid daarvan bij het ander. Dat is alleen bij samenstellingen mogelijk.
De natuurkundige kan met zijn onderzoek niet verder komen dan het aantonen van enkele verschillende basale materiŽle deeltjes. Ik denk op grond van een bepaalde redenering dat het er drie zullen zijn, maar in dit verband doet dat er eigenlijk niets toe. In ieder geval is het uitgesloten dat er bij het natuurkundig onderzoek ťťn universeel basaal deeltje gevonden zal worden. Wil men in de natuurkunde tot een universeel principe komen, van waaruit de gehele verschijnselenwereld te verklaren is, dan zal dit een in zichzelf samengesteld principe blijken te zijn. Het zal op zijn minst uit de drie door mij genoemde deeltjes bestaan. Zo'n samengesteld principe kan uiteraard best fungeren als de grondslag voor een zogenaamde 'Alomvattende theorie', waarnaar tegenwoordig naarstig gezocht wordt. Zo hanteren de moderne natuurkundigen begrippen als 'simplexiteit' en 'compliciteit' waaruit ook blijkt dat er gezocht wordt naar een 'eenvoudig', lees enkelvoudig, begin van de werkelijkheid.
 
Het onvoorwaardelijk erkennen van de aanwezigheid van de ander is in feite het voor de individu gelden van het begrip socialisme. De volwassen mens, en dat is dus de uitgewikkelde individu, is de waarlijke socialist! En alleen al in dat 'onvoorwaardelijk erkennen' ligt besloten dat er met zorg omgegaan wordt met elkaars onderlinge relaties. Vanuit politiek socialisme is zoiets volstrekt onmogelijk, hetgeen dan ook steeds weer gebleken is, onder andere tijdens de 1e wereldoorlog toen de socialistische 'broeders' elkaar zonder schroom en enthousiast op de slagvelden te lijf gingen.
 
We noemen sommige mensen geniaal. Dat is natuurlijk onzin, want zo'n kwalificatie wekt de suggestie dat er een apart soort mensen zou bestaan dat op de een of andere manier met een extra intelligente dimensie begiftigd zou zijn. In feite is er met die mensen iets anders aan de hand, en wel deze eigenaardigheid dat zij niet in staat en bereid zijn hun denken bij voorbaat te reglementeren en zodoende in het keurslijf van een bepaalde methode te wringen. Hun denken is in eerste instantie natuurlijk en grillig gebleven. Dat leidt ertoe dat zij voortdurend openstaan voor invallen en fantasieŽn. Zij reageren daarop niet door ze onverwijld uit het hoofd te zetten, maar door ze nader te beschouwen en er uitvoerig en onbevreesd over na te denken.
Daarbij is ook het 'secundaire' nadenken in principe onbelemmerd, het mag alle kanten opgaan. En nu komt het merkwaardige: juist doordat het denken vrij is zich willekeurig te bewegen krijgt het na enige tijd vanzelf vorm en voegt het zich naar verhoudingen die voor de werkelijkheid zŤlve gelden, zonder door onze denker van tevoren en op grond van gebruikelijke kennis en theorieŽn vastgesteld te zijn. Kriteria, normen en causaliteiten gaan na enige tijd vanzelf hun rol spelen en leiden er tenslotte toe dat de ontstane 'mengelmoes' van ideeŽn toegankelijk wordt voor een zo getrouw en consequent mogelijke beoordeling. Vaak zal blijken dat de zaak niet houdbaar is, doordat hij vanzelf in het denken zijn onmogelijkheid openbaart of bij toetsing aan de praktijk aanvankelijk verborgen fouten aan het licht brengt.
Maar, het is bepaald niet uitgesloten dat er iets te voorschijn komt dat op enigerlei wijze een stapje vooruit is. Diegenen echter die als brave ambtenaren gehoorzaam op de voorgeschreven paden blijven, door hun denken bij voorbaat al te reglementeren, zullen nooit op eigen kracht een stapje verder komen, maar daarentegen altijd aangewezen zijn op door anderen boven water gehaalde nieuwe kennis. Deze ambtenaren zijn de intellectuelen, zij zijn de ambtenaren van het genie..!
Sinds de Verlichting moet de moderne mens niets hebben van het grillige en fantasierijke vrije denken. Zelfs zogeheten 'vrijdenkers' hebben doorgaans de grootste moeite waardering voor dat creatieve vrije denken op te brengen. Het is voor hen ook niet zo aantrekkelijk: je loopt voortdurend het risico je houvast te verliezen. En dat houvast is voor de meeste vrijdenkers heel belangrijk, omdat de wetenschappelijke voorstelling van de werkelijkheid die van de godsdienst heeft vervangen! De wetenschap functioneert bij hen op precies dezelfde wijze als voordien de godsdienst: een op zichzelf 'heilig' stelsel dat nimmer in twijfel mag worden getrokken. Dus is het grillige creatieve denken in feite voor de vrijdenkers hetzelfde als vroeger de 'ketterij' voor de Roomsen..!

De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 , Houvast-1 ; Houvast-2 ; Houvast-3 ; Houvast-4 ; Naar bladwijzer(s): Onafhankelijkheid: Zie nrs. 14 ; 21 ; 25 ; 35 ; 45 ; 67 ;

 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 15-(22-12-97)

De filosofie behoort tot de kunsten en volstrekt niet tot de wetenschappen. Het denken over de filosofie kan een wetenschap zijn, zoals in feite zo ongeveer ŗlles object van wetenschap kan zijn. Maar de filosofie zelf is een kunst. Dat komt doordat zij zich bezig houdt met de werkelijkheid als beeld, waarvan zij een logische beschrijving en een zo genuanceerd mogelijke uiteenzetting geeft. Alle kunsten houden zich, ieder op eigen specifieke wijze, bezig met de werkelijkheid als beeld. Het universele van de kunsten (inclusief de filosofie!) ligt in die gerichtheid op het beeld. Dat is immers een werkelijkheid die in een ieder aanwezig is en die bovendien voor een ieder dezelfde is.
De voorstelling echter is bij een ieder anders zodat die nooit een universeel karakter kan hebben. Over de aard van de voorstelling kunnen de mensen het bij gelegenheid hoogstens 'eens' zijn, zelfs kunnen zij na overleg met elkaar tot overeenstemming komen, zoals dat bijvoorbeeld bij wetenschappers het geval is. Maar ongeacht die overeenstemming blijven er toch altijd verschillen tussen de werkelijkheid als voorstelling van de een en van de ander bestaan. Iedereen leeft zogezegd in een eigen wereld en de reflectie daarvan levert uiteraard in het zelfbewustzijn van een ieder een ander 'plaatje' op.
 
Als het goed is, maar tegenwoordig komt dat zelden voor, geeft de filosofie er blijk van dat het gaat om de beschrijving van de werkelijkheid als beeld. Men kan ook spreken van 'de werkelijkheid als idee'. Zo'n beschrijving heeft een verhalend karakter, hetgeen wil zeggen dat alles voortdurend in elkaar overgaat, in overeenstemming met het genuanceerde (niet gedetailleerde) karakter van het beeld. Met metafysica heeft dit niets te maken. Het is namelijk met die metafysica zo dat het gaat om een denken dat bÚven het fysische uitgaat. Dus boven de stoffelijke dingen. Volgens de, inmiddels al weer niet meer zo erg moderne 'positivisten' is een dergelijk denken zinloos omdat, door het ontbreken van elke mogelijkheid van controle, alle beweringen speculaties moeten blijven. Zelfs gaan die positivisten zover dat zij bij voorbaat en per definitie Ťlke metafysische uitspraak voor onwaar, onjuist en bedrieglijk houden. Zij zien er dan ook niet tegenop de gehele vroegere filosofie, en uiteraard speciaal die van Hegel (!), bij het afval te gooien en hun eigen, volgens hen nauwkeurig controleerbare gedachten tot ultieme waarheid te verheffen. Nu moet toegegeven worden dat er in de filosofie heel wat bij elkaar gefantaseerd is, meestal door het te pas en te onpas opvoeren van een 'Deus ex Machina', een 'duveltje uit een doosje'. Dat wil zeggen: een argumentatie die niet vanuit een voorgaande consistente gedachtengang afgeleid kan worden. Iets dus wat letterlijk 'uit de lucht gegrepen is'. De positivisten hebben er inderdaad goed aan gedaan menige onzinnige uitspraak van metafysici bloot te leggen en aan de kaak te stellen.
Maar, in hun ijver de filosofie 'op te schonen' hebben zij bij herhaling de een of andere voortreffelijke, desnoods niet zo erg goed onderbouwde, uitspraak belachelijk gemaakt, zozeer zelfs dat nauwelijks nog een filosoof hem dorst te citeren, laat staan onderschrijven en verdedigen. Er zijn namelijk nogal wat filosofische uitspraken die in feite van een helder inzicht getuigen, maar waarvan de argumentatie helaas niet voldoet aan de tegenwoordig geaccepteerde kriteria. Het moderne, op de analyse gestoelde, denken keurt zo'n gedachtengang en de daarbij gebruikte argumenten niet goed. Maar het is beslist niet uitgesloten dat een dergelijke beoordeling op niets berust en zelfs wel kan voortkomen uit een van de 'wanen van de dag'. Het zal niet de eerste keer zijn dat de denkers en de geleerden zich met zoiets vergalopperen.
 
De bij het analytische denken gehanteerde kriteria zijn kwantificeerbaarheid, herhaalbaarheid en voorspelbaarheid. En, volgens sommigen, ook falsifieerbaarheid, maar dat is volgens mij een uitermate dubieus kriterium. Hoe dan ook, het betekent achtereenvolgens dat een bepaalde bewering in getallen, of althans in eenheden van waarde, uitgedrukt moet kunnen worden, welke getallen of waarden als factoren in een formule invoerbaar zijn. Voorts betekent het dat een ieder die de beschikking heeft over de betreffende gegevens het onderzoek of de proef of het proces kan herhalen teneinde de juistheid te toetsen. En tenslotte moet de zaak de mogelijkheid inhouden om betrouwbare voorspellingen te doen. Deze en nog enkele andere kriteria zijn volkomen terecht als het over de moderne wetenschap gaat. Het object van die wetenschap is de werkelijkheid als voorstelling zoals die in het zelfbewustzijn voorhanden is. Binnen het kader van die voorstelling zijn alle verhoudingen, ook als ze op bewegingen berusten, vastgelegd. Zij beantwoorden aan formules.
Een en ander is het geval omdat zij op relaties tussen materiŽle samenstellingen berusten. Omdat in die relaties het beweeglijk-zijn van de 'primaire materie' wordt opgeheven (ook als er toch nog beweging overblijft) zijn zij, hoewel met moeite, berekenbaar.
 
In de metafysica worden uitspraken gedaan over een werkelijkheid die het stoffelijke te boven gaat, althans: men beweert dat dit het geval is en dat zo'n werkelijkheid inderdaad zou bestaan. Dat evenwel is niet het geval. Er bestaat geen 'hogere onstoffelijkheid'.
Doordat men bij het denken over een dergelijke, zogenaamd boven de materie uitgaande, werkelijkheid geworteld blijft in het voor de materie geldende analytische denken doet men uitspraken die een sfeer van wetenschappelijkheid aan zich hebben, maar die in feite volkomen irreŽel zijn. De theologie en een goed deel van de ouderwetse filosofie zijn er voorbeelden van.
Echter: veel filosofische uitspraken worden, vooral sinds het optreden van de positivisten, 'metafysisch' genÚemd zonder dat dit terecht is. Hierdoor evenwel wordt veel waardevols overboord gezet, hetgeen nog eens een extra dimensie geeft aan de armoede van de moderne filosofie.
Het gaat in de filosofie over de werkelijkheid als beeld en dat is volstrekt geen kwantificeerbare, herhaalbare en voorspellende werkelijkheid. Zij wordt gekenmerkt door 'de oer-beweeglijkheid van de werkelijkheid'.
Uitspraken hierover zijn bij herhaling gedaan in de loop der tijden, maar zoals gezegd zijn zij meestal onder de rubriek van de metafysica gerangschikt, met als gevolg dat men er thans niets van moet hebben...
Je kunt echt filosofische uitspraken niet toetsen volgens de voor het wetenschappelijke denken geldende kriteria. Degene die van zulke uitspraken kennis neemt toetst ze door ze als uitgangspunt van een gedachtengang te nemen en vervolgens te zien of je nergens vastloopt en of de samenhang met alle andere thema's ongestoord gehandhaafd blijft. Het weefsel dat de werkelijkheid als beeld is mag tijdens genoemde gedachtengang nimmer doorbroken worden. Dat is in grote trekken de toetsing voor het filosofische denken.


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 16-(19-01-98)

Het bij het verlangen naar de mens als geestelijk wezen behorende hoog-laag denken blijkt bij nadere beschouwing iets eigenaardigs te vertonen. Je kunt namelijk vaststellen dat in een cultuur waarin het hoog-laag denken aan de orde is, onze modern-westerse dus, letterlijk alles naar boven toe geprojecteerd wordt. Dat wil zeggen dat men voortdurend bezig is alle verschijnselen op te waarderen. Dat geldt natuurlijk in de eerste plaats voor de mens zelf: enerzijds probeert hij almaar boven zichzelf uit te komen, uiteraard volgens kriteria die hij zelf aanlegt, en anderzijds verbeeldt hij zich steeds dat hij met 'het goede' bezig is en dat hij ook immer het goede voorheeft!
Het boven zichzelf uitkomen is bijvoorbeeld te herkennen in de behoefte een held te worden, zoals dat vooral in de oude Germaanse sagen op onthullende wijze voor de dag komt: het is pas in orde als je een held geworden bent, een Siegfried die zich van de grond af opgewerkt heeft tot bovenmenselijke hoogte. Dat is typisch een held: de naar boven gedachte mens! Zo wemelt het in de modern-westerse cultuur van de helden. Zij worden doorgaans niet zo genoemd, maar uit de waardering die hen ten deel valt is af te leiden dat zij wel degelijk als zodanig beschouwd worden. Hoe geestelijker, hoe hoger aangeslagen door het gros van de mensen. Hoe geleerder, hoe gezaghebbender. Hoe principiŽler, hoe bewonderenswaardiger!
 
Hoewel het bijna niemand ooit opvalt zijn ook de moderne regeringsvormen manifestaties van hoog-laag denken. Terwijl beweerd wordt dat het 'democratische denken' er borg voor staat dat het volk regeert en dat de autocratie onmogelijk gemaakt wordt, blijkt tegelijkertijd dat het tegendeel in de praktijk waar is. De maatschappij en de samenleving worden wel degelijk van bovenaf beoordeeld en de burgers denken geheel en al in termen van opwaardering, en dus naar boven.
Het blijkt dan ook dat men er niet echt iets op tegen heeft dat het de regeerders nooit om de burgers gaat maar uitsluitend om hun eigen bevoegdheden om dwingende besluiten te mogen nemen. Men vindt het eigenlijk wel normaal dat zij het zijn die de dienst uitmaken. Daardoor is hun wil wet en is er niets dat hen daarvan weerhouden kan. Opmerkelijk is dus dat nagenoeg iedereen dat normaal vindt. Dat is welbeschouwd wel enigszins terecht, want ook de moderne democratie is in feite een autocratie, maar dan niet uitgeoefend door ťťn persoon, maar door een als een eenheid optredend college. De burgers wijzen doormiddel van verkiezingen diegenen aan die uit mogen maken wie in dat college zitting mag nemen.
Het misleidende in deze kwestie is echter dat de wijze waarop de regeerders aan de macht komen inderdaad tot op zekere hoogte democratisch is, namelijk via verkiezingen die min of meer leiden tot een afspiegeling van de wil van het volk. Dat is overigens een wil die nauwelijks iets gemeen heeft met de belangen en bedoelingen die wŤrkelijk een rol spelen. Immers, eenmaal op het fluweel gezeten is iemands wil volstrekte wet en de wil van het volk is dat bij lange na niet!
Maar, er is een enkel verschil met vroeger, namelijk dat niet langer geboorte en erfelijkheid bepalend zijn voor de macht, maar genoemde armoedige 'wil van het volk'. Verder is alles precies eender gebleven. Ook het besluitvormingsproces is niet veranderd: allerlei politieke, wetenschappelijke en bestuurlijke clans mogen adviseren en zelfs een poging wagen de belangen van hun eigen achterban te laten prevaleren. Maar al of niet onder invloed van die adviseurs en lobbyisten nemen de regeerders eigenmachtig hun besluiten.
Hun wil is wet! Daarbij draait alles om die eigenmachtige wil, al of niet verpakt in fraaie volzinnen over het belang van de gemeenschap en over regeren dat 'vooruitzien' zou betekenen. Het is evenwel niet moeilijk om in te zien dat de hele zaak op het hogere gericht is en dat de gehuldigde voorstelling van dat hogere in alle opzichten bepalend is. Niet de burgers zijn de maat, maar het hogere, in welke vorm het zich ook voordoet. Vanuit dat hogere is het niet moeilijk om met deelneming over de burgers te spreken. Dat kŗn trouwens niet anders want het behoort bij het spel! Maar dat het om hen zou gaan is een leugen. Het is vaak moeilijk te zeggen om wie het nu wel gaat als het niet om de burgers gaat. Maar zoveel is steeds zeker dat het om iets hogers gaat en dat dit op de een of andere manier door bepaalde personen of groepen opgeŽist wordt ter rechtvaardiging van hun niet te bevredigen honger naar macht.
 
Men vraagt zich wel eens af waarom macht toch altijd 'corrumperen' moet, maar dat is gemakkelijk te begrijpen als je inziet dat machtshonger per definitie niet te stillen is. Dat is namelijk het geval doordat het in het karakter van macht ligt ŗlles en iedereen te willen overheersen. Daardoor blijft er steevast iets over dat nog buiten het machtsbereik valt, maar dat beslist ook nog onderworpen moet worden. Het hieruit voortkomende machtsstreven is door en door corrupt, vergeleken bij de gebruikelijke fraaie verhalen die het veroveren van macht begeleiden.
Hier laat zich op uitermate particuliere wijze gelden dat de mens wezenlijk 'bezitter van de kosmos' is. Op 'particuliere wijze' omdat het de individuele mens vooralsnog alleen maar om zichzelf gaat en hij nog niet tot het inzicht is gekomen dat het zichzelf tot bezitter maken voor iedereen geldt en dat het dus onrechtmatig is om zichzelf op een zodanige wijze door te zetten dat het de anderen onmogelijk gemaakt wordt zich ook als die bezitter van de kosmos waar te maken.
Iedereen is namelijk bezitter van de kosmos vanwege het feit dat iedereen 'laatste verschijnsel' is. Dat is op zichzelf eigenlijk niets bijzonders, maar de moeilijkheid voor de zich ontwikkelende mens is nu juist gelegen in dat begrip 'iedereen'.
De mens als machtzoeker is de mens die alleen maar zichzelf als laatste verschijnsel beleeft en die daardoor nooit op kan houden alles aan zich te onderwerpen. Dat gaat onvermijdelijk samen met het besef hogergeplaatst te zijn. Voorzover je namelijk van iets hogers wilt spreken moet dat liggen bij de mens als laatste verschijnsel. Het is het niet-materie zijn dat zich, uiteraard ongeweten, doet gevoelen.
 
Het begrip communicatie heeft betrekking op een zaak waarvan bijna nooit het werkelijke menselijke belang wordt ingezien. Men ziet de communicatie eigenlijk als een min of meer toevallig verworven luxe die uitvloeisel is van de moderne technologie en die daarom ook als een lucratief winstobject kan worden gezien. Anderzijds betreurt men het vaak dat de moderne mensen zo van die communicatie afhankelijk zijn geworden. De aan de communicatie ten grondslag liggende technische middelen worden soms zelfs als een gevaar gezien, zoals dat bijvoorbeeld ook met de televisie het geval is. Maar welke onzin men wat dit betreft ook klapt, feit blijft dat de communicatie nu reeds, in de huidige wereld, functioneert als het zenuwstelsel van de mensheid.
Toegegeven moet worden dat het een overspannen zenuwstelsel is van een dolgedraaide mensheid die zo langzamerhand danig het spoor bijster is geraakt, maar toch zijn de moderne communicatie-middelen al als een zenuwstelsel gaan fungeren. Op den duur zal dat stellig een gezonde zaak worden...
Als de volwassen mensen tenslotte hun wereld beschouwen en ervaren als een samenhangend geheel, dan is dit volstrekt Úndenkbaar zonder een fijnmazig netwerk van communicatie. Juist omdat de mensen als verschijnselen nu juist niet samenhangen is een bewustzijn van samenhang onontbeerlijk en typisch 'menselijk'. Maar dat is volstrekt onmogelijk als niet allen met allen in verbinding staan.
Zoals ons zenuwstelsel alle organen in ons lichaam, en in feite alle cellen, met elkaar doet samenhangen, zo doet de communicatie dat met alle mensen, op den duur. Natuurlijk betekent dit niet dat alle individuen feitelijk met elkaar in verbinding staan, in die zin dat zij elkaar kennen en contact onderhouden. Het betekent echter wel dat de verbinding er is en dat er op elk gewenst moment gebruik van gemaakt kan worden.
Het vanuit de werkelijkheid als bewustzijn optredende besef in alle opzichten met elkaar samen te hangen kan geen realiteit zijn als er niet een concrete ondergrond is waarop dit besef zich kan manifesteren. En die ondergrond is nu precies het fijnmazige netwerk van de communicatie!


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis

Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64

 


AFLEVERING NR. 17-(16-02-98)

Nog steeds gaat de wereld gebukt onder een groot aantal conflicten die de mensen met de wapenen uitvechten. Over veel van die conflicten hoor je nauwelijks iets omdat het voor de pers en de internationale organisaties niet interessant is. Maar, er zijn toch altijd wel organisaties en individuele deskundigen die inlichtingen kunnen verstrekken. Vraag je daarnaar dan blijkt dat de bedoelde conflicten bijna steeds met het begrip oorlog benoemd worden, maar daar in feite nauwelijks mee te maken hebben. Natuurlijk, er sneuvelen mensen door toedoen van gewapende mannen en soms wordt er ook zwaar oorlogstuig gebruikt zoals kanonnen en tanks, een enkele maal zelfs technisch geavanceerde vliegtuigen. Ook kun je constateren dat er bevelsstructuren zijn waarbij men gebruik maakt van de bekende benamingen zoals die sinds onheuglijke tijden aan de verschillende rangen gegeven worden. Zo zijn daar korporaals, sergeanten, luitenants enzovoort. Deze en nog wat andere zaken echter brengen ons gemakkelijk op een dwaalspoor als het erom gaat een oordeel te vormen over de hedendaagse gevechten van de mensen.
Het begrip 'oorlog' heeft in de loop der tijden een bepaalde inhoud gekregen, voornamelijk naar aanleiding van de vele in de westerse wereld gevoerde oorlogen. Het is zelfs zover gekomen dat er bepaalde regels zijn opgesteld waaraan de oorlogvoerenden zich hebben te houden en na de tweede wereldoorlog is men er zelfs toe overgegaan bepaalde militairen en politici te berechten en schuldig te verklaren aan misdaden tegen de mensheid en de menselijkheid. Alsof bepaalde vormen van 'burgerlijk recht' ook geldig zouden zijn onder de abnormale omstandigheden van een oorlog, waarin als regel juist het normale, algemeen aanvaarde 'burgerlijke recht' goeddeels buiten werking gesteld wordt.
Niet alleen echter dat er bepaalde regels zijn opgesteld, er is ook een definitie van oorlog op tafel gekomen, en die komt in grote trekken hierop neer dat er sprake moet zijn van 'legers' met een bevelsstructuur en dat er uitsluitend door die legers gevochten wordt. De burgers moeten letterlijk 'buiten schot' gehouden worden evenals trouwens geneeskundige diensten en kampen voor krijgsgevangenen. Zo zijn er nog meer kriteria op te noemen die echter alle betrekking hebben op grote organisaties die volgens van tevoren opgestelde regels tewerk gaan en die optreden op gezag van statelijke overheden en hun hoogste vertegenwoordigers.
Dit begrip 'oorlog' is echter volstrekt niet van toepassing op de strijd die wij tegenwoordig in zo ongeveer alle windstreken aantreffen. Deze strijd kent geen reglementen en andere kriteria en hij wordt bijna steeds door betrekkelijk kleine groepen, slechts van een persoonlijke bewapening voorziene, mannen gevoerd. En de activiteiten van deze mannen worden niet door staatsinstituties bevolen en gerechtvaardigd, maar door 'warlords' die op eigen gezag tekeer gaan. Desnoods hebben die 'warlords' wel een groter doel voor ogen, zoals een eigen staat voor een bepaalde etnische groep, maar hun optreden is geheel op eigen gezag. Verder valt op dat grotere doelen, indien aanwezig, nauw samenhangen met de behoefte aan een eigen identiteit die uiteraard onmiddellijk inhoudt dat er altijd 'anderen' zijn die uitgeroeid moeten worden of tenminste verdreven.
De eigen identiteit sluit die van anderen volledig uit, precies zoals de mens als 'ik' in principe slechts gedefinieerd kan worden door 'niet-ik' buiten te sluiten en te ontkennen. De mensen kunnen qua ontwikkeling niet om deze zaak heen. Het conflict tussen 'ik' en 'niet-ik' is niet te vermijden, maar het is tegelijkertijd een feit dat de tegenwoordig steeds optredende gewelddadigheid wel degelijk vermeden kan worden. Dat is te zeggen: als dat grote moorden eenmaal begonnen is ontkomt men er zelden aan, maar het behoeft er niet noodzakelijk aan mee te komen.
Doorgaans zijn het misdadige geestdrijvers die zich als leiders opwerpen en de mensen tot bloeddorstig fanatisme opzwepen. Een fanatisme dat bijna steeds met godsdienstige waanvoorstellingen gepaard gaat. Dat alles maakt het onverantwoord om zonder nadere toelichting over een oorlog te spreken. In feite hebben we bij de hedendaagse gewelddadige conflicten te maken met losgebroken moordlust die zich ongebreideld uitleeft. Doordat die moordlust zich bij die conflicten overal voordoet hebben de al of niet toevallig erbij betrokken mensen geen enkele keuze: zij zijn gedwongen zo goed mogelijk lijf, goederen en verwanten te redden, bijna steeds door hun aanvallers met hetzelfde geweld tegemoet te treden. Gemoedelijkheid, vredelievendheid en al helemaal geen redelijkheid baten, niets biedt enige kans behalve even groot of groter geweld.
Omdat zij geen keus hebben is dat die mensen niet kwalijk te nemen. Anderzijds, zelfs al zouden zij min of meer gelaten hun eigen dood aanvaarden, bijvoorbeeld vanuit pacifistische overwegingen, dan nog kunnen zij geen vrede hebben met de gruwelijke dood van hun verwanten. Er is geen ontkomen aan, behalve, als men geluk heeft, een haastige vlucht...
 
De westerse mens, voorzover die alsnog een particuliere individu is, gaat door de wereld als een roofmoordenaar en een lustmoordenaar. Het eerstgenoemde begrip heeft betrekking op het in bezit nemen van al datgene dat als de inhoud van de mens beschouwd moet worden. Dat is, op een bepaalde manier, de ganse werkelijkheid. Dit in bezit nemen gaat gepaard met het ontkennen van de aanwezigheid en de rechten van de medemens: dat is dus 'moord'.
Het tweede begrip, de lustmoordenaar, slaat op het feit dat die particuliere individu de ontkenning is van het vrouwelijke als zijnde 'het geheel' waarbinnen al het bestaande in een ongebroken en onbreekbare samenhang opgenomen is. Dit 'geheel' moet volgens primair besef van de particuliere individu vernietigd worden omdat het diens eigenheid en diens ontplooiing in de weg zou staan. Ter verwerkelijking van de particuliere individu, om het even of die een man is of een vrouw, moeten de vrouw, overdrachtelijk, en het vrouwelijke, letterlijk, vermoord worden. Daaraan beleeft de moordenaar lust, omdat het zijn meest fundamentele begeerten bevredigt.
Het spreekt vanzelf dat genoemde begrippen roofmoordenaar en lustmoordenaar voor de praktijk als 'metaforen' opgevat moeten worden. Het zijn filosofische typeringen van het culturele karakter van de westerse mens, die er echter niet minder essentieel om zijn. Overigens moet opgemerkt worden dat deze begrippen ook op de niet-westerse particuliere individu van toepassing zijn, maar het is niet noodzakelijk dat zij in enigerlei concrete vorm het karakter van het gedoe van die niet-westerse individu bepalen. Met enige zekerheid is te voorspellen dat die zich realiserende niet-westerse particuliere individu in de praktijk meer gedomineerd zal worden door een vaag aangevoeld gemeenschapsbesef, dat een voorbode is van het 'met zijn allen zijn' van de toekomstige volwassen mens.


Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

Bladwijzer: Verlichting†† Verhullend taalgebruik-1 ; Verhullend taalgebruik-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;

De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 18-(16-03-98)

Het is opmerkelijk dat in de moderne maatschappij alles in het teken van de arbeid staat. Iedereen wordt qua maatschappelijke status beoordeeld naar de aard en waardering van zijn arbeid. Vallen iemands activiteiten buiten datgene dat als 'arbeid' gedefinieerd wordt, dan valt de beoordeling niet gunstig uit. Ogenschijnlijk geldt dat niet voor zieken, ouden van dagen, huisvrouwen en kinderen, maar bij nadere beschouwing blijkt dat hun status wel degelijk afhankelijk is van de arbeid: die ouden van dagen moeten 'gepensioneerden' zijn die AOW of een pensioen genieten, wat op zichzelf ook weer in betrekking staat tot de arbeid en de huisvrouwen danken hun waardering aan het feit dat zij als onder- en achtergrond van des mans arbeidzame leven fungeren. De kinderen tenslotte gelden als toekomstige arbeiders, hetgeen onder andere duidelijk blijkt uit de opvoeding en opleiding die zij krijgen. Zieken kunnen zich in deze wereld alleen maar dan veilig en verzorgd weten als zij zich doormiddel van hun arbeid verzekerd hebben. Onvoorwaardelijke hulp wordt als regel niet geboden.
De arbeid is de maat van het gehele maatschappelijke leven en alles wat buiten de definitie van het begrip arbeid valt wordt hoogstens met welwillendheid geduld. Werklozen bijvoorbeeld worden enigszins beleefd behandeld voorzover zij buiten hun schuld zonder werk geraakt zijn en dus nog steeds als potentiŽle arbeiders beschouwd kunnen worden, maar tegelijkertijd wordt hen almaar voorgehouden dat zij wel zo spoedig mogelijk en zonder morren aan het werk moeten...
Lui die letterlijk niet willen meewerken aan deze slavernij worden, niet alleen vanuit de overheid, maar ook door hun medeburgers, met de nek aangekeken. Zij worden asociaal gevonden en uitbuiters omdat zij volgens de socialen en niet-uitbuiters 'anderen voor zich laten werken' en dat is iets wat uit den boze is, tenzij je ondernemer bent, want dŗn wordt het weer als een bewijs van slimheid en zelfs zakelijkheid beschouwd.
Maar, zelfs als het waar zou zijn dat anderen voor die asocialen werken (maar het is niet waar!), dan nog zegt dit veel meer over de mentaliteit van die werkenden dan over die zogenaamde asocialen: je moet immers nooit voor een ŗnder werken, behalve natuurlijk voor een baas, als je er tenminste behoorlijk voor betaald wordt..!
 
In de grond van de zaak is het terecht dat de arbeid in het maatschappelijke leven zo'n dominante rol speelt. Op zichzelf is de maatschappij niets anders dan het zo verfijnd mogelijke netwerk van relaties tussen de afzonderlijke mensen. Maar dat netwerk kan niet functioneren als er niet een verzorgde materiŽle basis is voor het bestaan van die afzonderlijke mensen. Die basis moet veiliggesteld zijn en de grondslag daarvan is de arbeid.
In het veiligstellen spelen allerlei grootheden een rol, zoals daar zijn medische voorzieningen, juridische waarborgen, mogelijkheden tot communicatie en toegang tot kennis. Maar dat alles wordt een farce als de arbeid niet voor het beschikbaar zijn van spullen zorgt. In de arbeid zet de mens de voorhanden natuurlijke werkelijkheid om tot een menselijke. Hij maakt iets dat zo zonder meer niet door het wordingsproces opgeleverd wordt.
Hij doet dat omdat de gehele kosmos zijn inhoud is vanwege het feit dat het verschijnsel mens het laatste verschijnsel is waartoe de processen in de werkelijkheid komen. Het eindresultaat van een proces houdt alle voorgaande stadia in en zo houdt de mens als eindresultaat van de kosmische processen de gehele kosmos in.
(zie Hoofdwerk Beweging en Verschijnsel)
Als eerste is daar natuurlijk de aarde die van een abstracte inhoud tot een concrete omgezet wordt. Dat geschiedt, in een veelheid aan varianten, door de menselijke activiteit van de arbeid. Omdat dit het geval is, is het sinds de Verlichting tot zelfbewustzijn gekomen begrip 'arbeid' terecht herkend als van toepassing op de maatschappelijke werkelijkheid. Maar meer dan een 'herkennen' is het tot nu toe niet: telkens weer blijkt dat men niet het flauwste benul heeft van de werkelijke verhoudingen die hier aan de orde zijn. Het begrip 'arbeid' is concreet geworden en zijn alledaagse rol gaan spelen, maar door een diepgaand onbegrip, wat overigens niemand kwalijk genomen kan worden, is er een bijna niet te herkennen zaak ontstaan. Het klinkt hard, maar het moet toch gezegd worden dat de arbeid sinds de industriŽle revolutie definitief tot slavernij verworden is.
 
Het kon logischerwijs niet uitblijven dat de arbeid tot slavernij zou ontaarden. Dat betekent onder andere dat het nu als handelswaar is gaan fungeren. Er zijn er die werk in de aanbieding hebben, zij hebben het monopolie op het bezit van dat werk en zij verstrekken dat van bovenaf. Dat wil zeggen dat zij niet als gelijke partners onderhandelen met diegenen die werk willen hebben, maar daarentegen als hoger geplaatsten die eigenlijk alles voor het zeggen hebben, maar die onder omstandigheden eventueel wel bereid zijn wat water in de wijn te doen.
Die omstandigheden zijn dan als regel bepaalde pressiemiddelen van de arbeiders, zoals stakingen. Zomaar vanuit zichzelf geven de 'werkgevers' geen behoorlijke tegenwaarde van de energie die de arbeiders te koop aanbieden. Steevast moet die tegenwaarde ŗfgedwongen worden.
De werkgevers zijn particuliere, dat wil zeggen op eigen welvaart gerichte, ondernemers die in het bezit zijn van een aantal werkzaamheden die verricht moeten worden. Daarvoor hebben zij energie nodig en die kopen zij van anderen die bepaalde bekwaamheden hebben. Van de arbeiders, tegenwoordig 'werknemers' of nog verhullender 'medewerkers' genoemd, wordt die energie gekocht, maar steeds vanuit een hÚgere machtspositie van de ondernemers. In feite hebben die de middelen in handen om het leven van de mensen veilig te stellen. Dat maakt hen machtig, maar het geeft hen ook aanzien, ondanks het feit dat zij uitsluitend te eigen bate bezig zijn.
De arbeiders worden dus zoveel als mogelijk door de werkgevers bedrogen bij de verkoop van zichzelf als energiebron. Maar die arbeiders zijn genoodzaakt zich bij deze praktijken neer te leggen omdat zij anders niet zouden kunnen overleven.
Wat dus eigenlijk iets vanzelfsprekends is, namelijk dat de mens de planeet omzet tot zichzelf, is verworden tot een louche handeltje van diegenen die dat omzettingsproces in bezit hebben genomen. En de pechvogels die achter het net vissen hebben geen keus: zij moeten hun natuurlijke arbeidsvermogen tegen woekerprijzen verkopen.
 
Het gedwongen zijn om het eigen arbeidsvermogen te verkopen leidt er onherroepelijk toe dat de arbeidende mens per definitie geen vrede heeft met zijn bestaan. Diegenen die er echter wel vrede mee hebben zijn steeds mensen die aan het gemarchandeer met arbeidskracht zijn ontkomen, door de 'hoogte' van hun positie of door het 'eigen baas' zijn, hetgeen op zijn beurt inhoudt dat zij aan de andere kant van de streep toch weer moeten marchanderen, namelijk om zo goedkoop mogelijk arbeidskracht in te kopen of, als het maar even kan, te stelen. Bijvoorbeeld van berooide asielzoekers.
En dan zijn er ook nog die spaarzame gevallen van mensen die, hoewel niet zo erg tevreden met hun betrekkelijk armoedige bestaan, toch nog enige bevrediging in hun werk vinden doordat zij toevallig op 'de goede plaats' zijn terecht gekomen. Vaklui dus die ondanks alles hun werk als een menselijke en menswaardige uitdaging zien en die het tenslotte maar voor lief nemen dat zij bestolen worden.
Hoe dan ook, het algemene beeld is onvrede met het bestaan door een niet op maat liggen van de arbeid.
Iets wat vanzelfsprekend aan de mens meekomt kŗn nu eenmaal geen object van handel zijn.

De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,

Verhullend taalgebruik-1 ; Verhullend taalgebruik-2

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 19-(13-04-98)†††

 

Rationeel-1 ; Rationeel-2 ; Rationeel-3 ; Rationeel-4 ; (On)verdraagzaam(heid)-1 ; (On)verdraagzaam(heid)-2 ; (On)verdraagzaam(heid)-3 ; Beleving-1 ; Beleving-2 ; Beleving-3 ; Jesaja(1); Jesaja(2) ;


In de idealistische filosofie streeft men naar 'Zuiver Begrip', met als vanzelfsprekende inhoud de waarheid. De realiteit van alle dag moet op den duur in het licht van dat 'Zuiver Begrip' komen te staan. Dat wil in de praktijk zeggen dat het menselijk leven samen moet gaan vallen met al datgene dat door de filosofen uitgedacht is en dat nu voor 'waarheid' geldt. Dit leidt ertoe dat die filosofie verwordt tot een ideologie.
Daarmee bedoel ik niet te zeggen dat het per se een dwangmatig maatschappelijk streven van een groep wordt, die beoogt de gehele mensheid naar zijn ideeŽn om te vormen, een politieke ideologie dus, maar ik bedoel dat het een dogmatische norm voor de toekomst wordt. Vanuit dat begrip 'realiteit' en vanuit het begrip 'toekomst' krijgt de zaak een dwingend karakter doordat die norm noodzakelijkerwijs voorgesteld wordt als een absolute, die voor een ieder geldt. Of je het er nu mee eens bent of niet, of je er zin in hebt of niet, je ontkomt niet aan het feit dat die toekomstige realiteit ook de jouwe zal moeten zijn. Er ontstaat een situatie als in het christendom waarin gesteld wordt dat 'in het huis van de Vader' ook voor jou een woning gereserveerd is.
De in het denken ontwikkelde 'waarheid' wordt hier misvormd tot een concreet bestaande zaak. En de begrippen die tot de inhoud van dit begrip 'waarheid' behoren worden nu tot situaties omgevormd die bestaanbaar zijn, is het niet op het ogenblik dan wel in een verre toekomst. Je zou als vanzelf gaan denken aan het toekomstige 'Koninkrijk Gods' of zelfs aan de hemel!
Volgens die gedachtengang zullen er dus straks in concreto toestanden zijn die overeenkomen met de begrippen die inhoud zijn van een bedachte, geconstrueerde waarheid. Als voorbeeld: alle verschijnselen in het universum zullen blijken met elkaar samen te hangen. De mensen zullen straks allemaal in liefde met elkaar verenigd zijn. Schoonheid, harmonie, zelfverloochening, goedheid en nog vele andere edele zaken zullen eindelijk de mens kenmerken en zelfs kun je denken aan een eeuwig leven zonder ziekte, veroudering of dood. Uiteraard zal er niemand buitengesloten worden en van discriminatie zal al helemaal geen sprake meer zijn. Een treffende passage is te vinden bij Jesaja (11:6-9): "Dan zal de wolf bij het schaap verkeren en de panter zich neerleggen bij het bokje; het kalf, de jonge leeuw en het mestvee zullen tezamen zijn, een een kleine jongen zal ze hoeden", enz.
En voor de holisten en New-Agers is er dit heerlijke vooruitzicht dat het verfoeilijke analytisch verstandelijke denken voorgoed afgeschaft zal zijn. Mooier kan het beslist niet! Het is de droom van ontelbare denkers, gelovigen en andere idealisten.
Maar bij nadere beschouwing blijkt het een bijzonder boze droom te zijn...
 
Een onvermijdelijk gevolg van de 'droom der waarheid' is de absolute veroordeling. Dat wil zeggen dat er altijd een veroordeling volgt uit de toetsing van de realiteit aan de door het denken voortgebrachte ware norm. De realiteit kan vervolgens niet anders dan beneden de kwaliteit van de werkelijkheid als waarheid blijven. Dat leidt noodzakelijkerwijs tot een eeuwigdurende veroordeling van de realiteit, zowel de natuurlijke als de menselijke.
Als we ons eens even op de mensen concentreren, dan blijkt dat zij onvermijdelijk schuldig zullen zijn, hetgeen wil zeggen dat zij niet anders zullen kýnnen dan tekortschieten. En ook zullen zij 'zondig' zijn en dat betekent in dit verband dat zij fundamenteel slecht zijn. Het is uitgesloten dat zij niet-slecht zouden kunnen zijn.
Wie op de hoogte is van de godsdienstige visie op de mens zal deze kwalificaties onmiddellijk herkennen. Maar een waarschuwing is hier geboden: niet alleen de godsdienstige, maar de gehŤle westerse cultuur staat in het teken van en is onderworpen aan kriteria van schuld en zonde...
Men gebruikt tegenwoordig andere termen en men doet alsof men er niet meer zo zwaar aan tilt, maar een oplettend waarnemer zal het beslist niet ontgaan dat er ook in onze betrekkelijk liberale cultuur niet veel goeds aan de mens bedacht wordt. Alleen al het feit dat men vindt dat hij geregeerd moet worden omdat hij zich anders zal gaan vergrijpen aan andermans lijf en goed, wijst er op dat men geen hoge dunk van de mens heeft, en helaas lijken de feiten dit te rechtvaardigen.
Maar deze kwalijke beoordeling van de mens is onjuist. Het is slechts een gevolg van het als een concrete zaak stellen van de waarheid, oftewel het 'materialiseren van het begrip waarheid'. Hierdoor ontstaat de mening dat 'het leven in de waarheid' bestaanbaar en dus haalbaar zou zijn. En omdat men denkt dat dit het geval is gaat een negatieve beoordeling van de natuur en de mens tot de gewoonten van de alsnog onvolwassen mensen behoren.
Dit echter is een tragische vergissing waarvan ter vergoelijking alleen maar aangevoerd kan worden dat je hem niet van een alsnog Únvolwassen mens af kunt denken en dat het vaak niet kwaad bedoeld is.
Maar, de waarheid is niet te concretiseren. Het is geen werkelijkheid die op zichzelf bestaan kan. Op zichzelf bestaat alleen maar de realiteit en dat blijft zo.
Dat is geen zaak om treurig van te worden, want het is de werkelijkheid zelf die in die realiteit uitloopt en niet in die vermeende waarheid. Dat heeft als consequentie, ten eerste: het begrip 'zonde' is zonder meer onzinnig, want dat begrip kan er alleen maar zijn zolang en voorzover men denkt dat er een berekenbare waarheid is die, als de mensen dat zouden willen en als zij er aan toe zouden zijn, realiteit worden kan.
En ten tweede: omdat zo'n waarheid niet bestaan kan is er in feite ook niet van schuld te spreken. Het begrip 'schuld' bestaat overigens wel, maar niet in relatie tot de waarheid. De werkelijke 'waarheid' is een begrip dat een kwalificatie uitdrukt van de werkelijkheid als bewustzijn, als dat zich bijwijze van 'beeld' op herkenbare wijze aan de werkelijkheid als 'voorstelling' afspiegelt. De waarheid is de werkelijkheid zoals deze zich aan de mens voordoet als die mens zich richt op de werkelijkheid als beeld.
Voor deze humane werkelijkheid geldt dat alles onvoorwaardelijk en zonder onderscheid aanwezig is, en dat is het begrip 'vrouwelijk', en er geldt dat alles ineen is, en dat is het begrip 'liefde', en er geldt dat alles in harmonie is, en dat is het begrip 'schoonheid'. En omdat voor dit humane besef het ene ding, evenmin als het andere ding, op zichzelf staat en er tussen die dingen geen grenzen zijn die een absolute scheiding betekenen, gelden er voor de mens - en uitsluitend voor de mens - kwaliteiten als zelfverloochening, ruimhartigheid, goedmoedigheid enzovoort.
In het kort kun je stellen dat alle genoemde begrippen en kwaliteiten gelden voor de mens die zichzelf als bewustzijn heeft leren kennen, de volwassen mens dus. Voor die mens is de werkelijkheid qua beleving als boven beschreven, maar die werkelijkheid zelve is niets anders dan een realiteit waarvoor al die schone zaken niet van kracht zijn: het ene ding staat buiten het andere ding, is er volstrekt van gescheiden en van samenhang en dergelijke is ook geen sprake. Er is slechts een fijnmazig netwerk van uitermate innige relaties.
Voorzover de mens zich gedraagt als ware hij de werkelijkheid als bewustzijn, zijn voor zijn besef alle schone zaken realiteiten, maar je moet wel bedenken dat deze mens het tegengestelde van de feitelijke realiteit is. Dat is dan ook waarschijnlijk de betekenis van de oude evangelische uitspraak dat de ware, dit is de volwassen, mens 'niet van deze wereld' is. Deze mens is inderdaad zonder zonde en schuld want hij verbeeldt zich niet dat de waarheid er als een realiteit kan zijn, maar hij weet tegelijkertijd dat hij als volwassen mens het verschijnsel is dat zich gedraagt alsÚf de waarheid desondanks wel degelijk een realiteit is.
 
Vele denkers menen nog steeds dat de mens 'geestelijk' zou moeten zijn. Dat zou betekenen dat hij zich naar zijn zelfbewustzijn zou moeten gedragen. Dat echter is fout gedacht, het is daarentegen juist de Únvolwassen mens die zich naar zijn zelfbewustzijn, oftewel zijn 'geest', richt. De maat leggen bij het zelfbewustzijn betekent dat men zich uitlevert aan het plaatselijke en tijdelijke, aan het gedwongen zijn en het onderworpen zijn aan regels en voorschriften. Maar ook dat men macht wil hebben!
Het betekent leven in een massieve waan die weliswaar strikt rationeel is maar die juist daardoor van het leven alleen maar een 'onderneming' of een 'project' maakt, intellectueel berekend, consequent logisch en principieel, zonder onberekenbare emoties en waardevrij, maar volkomen levenloos. De bloedeloosheid en kilheid zelve..!
In feite is dit het ideaal van de rationele beschaafde mens, de mens die zelfbeheersing als een deugd ziet en die zichzelf ertoe dwingt 'redelijk' en 'verstandig' te zijn. Maar juist deze mens is in alle opzichten 'van deze wereld'. Zijn zelfbewustzijn heeft immers niets ŗnders dan deze wereld tot inhoud! Het feit dat voor het zelfbewustzijn op zichzelf geldt dat het voorbij de materie is, dat het 'de materie als niet-materie' is, doet in dit verband niet terzake. Het niet-materie zijn geeft alleen maar aan wat het zelfbewustzijn voor een zaak is: het is de realiteit die zich laat gelden alsof hij niet-materieel is.
Fenomenologisch gesproken: het zijn de beweeglijkheden die er zijn alsof zij weer op zichzelf zijn, alsof zij niet langer deelnemen aan materiŽle systemen. En op grond van dit laatste beoordeelt men die zaak intuÔtief als 'geestelijk', vluchtig en hoog verheven boven alledag. De praktijk van alle eeuwen laat echter duidelijk zien dat dit 'geestelijke' bijzonder banaal, benauwd, onverdraagzaam, lelijk, moordzuchtig en liefdeloos is. Bovendien zit het vol met occulte griezeligheden die bij nadere beschouwing nergens anders op kunnen duiden dan op een uiterst morbide geestelijkheid.
Eigenlijk zou men niet mogen vergeten dat de mensen tot nu toe de meeste energie gestoken hebben in elkaar het leven zuur te maken. Dat kŗn men doen juist omdat men 'geestelijk' is en dus 'beschaafd', 'rationeel' en 'praktisch'.
Beschouwde men zichzelf niet als geestelijk wezen, maar als intelligente materie, dan zou het menselijk leven op deze planeet er heel anders uitzien. En wel omdat dan het bewustzijn, het gevoel, de ontroering, de liefde en de trouw hun essentiŽle rol konden spelen...
Rationeel-1 ; Rationeel-2 ; Rationeel-3 ; Rationeel-4 ; (On)verdraagzaam(heid)-1 ; (On)verdraagzaam(heid)-2 ; (On)verdraagzaam(heid)-3 ; Beleving-1 ; Beleving-2 ; Beleving-3 ;

Jesaja(1) ; Jesaja(2)


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis

Naar : Houvast-1 ; Houvast-2 ; Houvast-3 ; Houvast-4 ;


AFLEVERING NR. 20-(11-05-98)

In de moderne wetenschap houdt men zich bezig met het analyseren van de werkelijkheid. Daarbij kan het niet uitblijven dat de objecten van onderzoek steeds kleiner worden. De details verfijnen zich almaar meer. Daarnaast echter wordt het aantal onderzoekers, dat zich met zo'n klein deelgebied bezig houdt ook steeds kleiner, zozeer zelfs dat tenslotte niemand meer van zijn collega's weet waarmee zij nu werkelijk bezig zijn. Denk je de zaak tot het einde toe door, dan moet de conclusie zijn dat kennis zich niet langer op wetenschappelijke wijze controleren laat.
Het zogenaamde, bij adepten van een 'objectieve' wetenschap zo geprezen, 'Forum der Wetenschap' is dan in duigen gevallen. Het 'Forum' kan niet echt meer weten waarover het gaat als iemand de door hem of haar verworven kennis presenteert. Van het herhalen van experimenten en proeven kan ook geen sprake meer zijn. Wat blijft er dan over?
Er blijft over dat de wetenschappers volstrekt betrouwbaar moeten zijn. Dat houdt in dat zij zich niet (bewust) laten beÔnvloeden door wie of wat dan ook, dat zij niet met de resultaten van hun wetenschappelijke activiteiten knoeien en het houdt ook in dat zij er getrouwelijk zorg voor dragen dat de door hen verworven kennis vrij ter beschikking van de gehele mensheid staat. Daarbij is van groot belang dat er een ethische relatie tussen de wetenschapper en zijn of haar kennis ontstaat. Essentieel is daarbij dat die kennis niet langer een uitwendige, zogenaamd objectieve, zaak is, maar een intellectuele kwaliteit van de wetenschapper zŤlf.
De mogelijkheid om op zichzelf staande wetenschappelijke kennis te controleren (verifiŽren) wordt almaar kleiner. Het enige wat overblijft, is het al of niet bruikbaar zijn in de praktijk van de technologie, de toegepaste wetenschappen dus. Wat betreft de bij voorbaat te stellen morele vraag naar het al of niet verantwoord zijn van een toepassing zal men wederom aangewezen zijn op de betrouwbaarheid van de erbij betrokken wetenschapper. Het zou een misdaad zijn als zij of hij vanuit het een of andere belang de zaak verkeerd voorstelde, informatie achterhield of zijn kennis aan de hoogste bieder te koop aanbood. Hoe weinig de moderne denkers er mee ingenomen zullen zijn, er zit toch niets anders op dan in de toekomst steeds meer af te gaan op betrouwbaarheid in plaats van controleerbaarheid.
Trouwens, tegenwoordig wordt gaandeweg duidelijk dat het met het controleren van wetenschappelijke kennis allang zo'n vaart niet meer loopt. Er wordt almaar meer de hand mee gelicht, juist omdat het zo langzamerhand ondoenlijk wordt. Voorlopig verdoezelt men dat nog met de smoes dat controle teveel geld kost. Dat is tot op zekere hoogte zelfs nog waar ook! Maar binnenkort zal men toch toe moeten geven dat controle een wetenschappelijke onmogelijkheid is geworden.
Uit het steeds meer onmogelijk worden van verificatie van wetenschappelijk verworven kennis blijkt onder meer dat de voorheen door mij bij herhaling verkondigde stelling dat het accepteren van aangeboden kennis een kwestie van vertrouwen is, een juiste stelling is. En sterker nog: niet alleen dat leken geen keuze hebben en in goed vertrouwen allerlei beweringen voor juist moeten aannemen, maar ook dat het blijkt dat dit eveneens steeds meer voor de vaklui gaat gelden.
Dus kun je wederom zeggen dat het ferme gepraat over 'verifieerbaarheid', 'controle' en over de voor iedereen geldende overtuigingskracht van de zogenaamde logica, niets anders dan loze beweringen zijn geweest. Holle praat van diegenen die, intellectueel zijnde, het van de wetenschap moeten hebben om zichzelf een houvast en vaak ook een status te verschaffen. Juist door van de wetenschap afhankelijke lieden zijn in de loop der tijd heel wat arrogante uitspraken gedaan en al die uitspraken hebben onmiskenbaar het karakter van godsdienstige stellingen waarvan de juistheid niet straffeloos in twijfel getrokken mag worden.
 
Met het verwerven van op wetenschappelijk verantwoorde wijze verkregen kennis ontsluit de mens de weg naar volwassenheid. Met nadruk moet ik zeggen: die kennis leidt op zichzelf niet tot volwassenheid, maar tot het ontsluiten van een weg. Tot nu toe betekent het dat zich in de mensen het individualisme gaat laten gelden. Zij gaan zich herkennen en ontwikkelen als de 'unieke ik' die zij in wezen zijn. Dat moet gebeuren alvorens er van een werkelijke volwassenheid gesproken kan worden.
Je kunt met enig leedvermaak vaststellen dat de totalitaire staten, zoals de Sowjet-Unie, China, Noord-Korea, Cuba, enzovoort, hun eigen graf graven door de bevolking onderwijs te geven. Men behoeft er in dat onderwijs niet eens speciaal op te wijzen dat bepaalde ideeŽn, zoals godsdienstige of kapitalistische, volgens de eigen ideologie niet deugen. En men behoeft ook geen propaganda te maken voor andere, bijvoorbeeld marxistische, 'waarheden'. Alleen maar het aanbieden van betrouwbare, zakelijk juiste kennis omtrent de alledaagse verschijnselen om ons heen, wetenschappelijke en technologische kennis, kortom, realistische en vooral niet ideologisch gekleurde informatie, volstaat om de barriŤre op de weg naar volwassenheid, die om te beginnen de weg naar individualisme is, te doorbreken. Het instellen en bevorderen van gewoon alledaags onderwijs ondergraaft de macht van elke totalitaire overheid doordat het collectivisme hiervan geen stand kan houden tegenover het individualisme van de wakker wordende mens.
Zoals al eerder gezegd is de volwassen mens te typeren als de 'volledig tot zichzelf gekomen individualist' voor wie, ten gevolge van zijn inmiddels verworven zelfkennis, de medemens vanzelfsprekend onvoorwaardelijk erkend is. Dat verdraagt geen collectivisme, noch totalitaire overheden die van bovenaf hun wil opleggen. Tenslotte zijn in een volwassen mensheid alleen maar horizontale verhoudingen mogelijk.
 
Er zijn heel wat wetenschappers die beweren dat de filosoof geen uitspraken mag doen over wetenschappelijke zaken, zoals bijvoorbeeld de theorie van de evolutie. Die wetenschappers halen als zo vaak weer eens alles door elkaar! Inderdaad mogen filosofen uit hoofde van hun professie geen uitspraken doen over wetenschappelijke disciplines. Zij moeten dat aan de deskundigen overlaten, overigens om meer dan ťťn reden.
Maar de basale gedachtengang die aan iedere theorie of hypothese ten grondslag ligt valt wel degelijk onder het filosofische denken. Dat denken immers houdt zich bezig met de werkelijkheid op zichzelf, zoals die zich als complete voorstelling, met daarachter en daar doorheen het algemene beeld, aan ons voordoet. Een gedachtengang over een aan voorstelling en beeld ontleend thema behoort niet tot de analyse van de werkelijkheid. Er wordt niets uit elkaar gehaald, er wordt slechts nagegaan.
Dat nagaan of nadenken is typisch filosofisch. Zo kan de filosoof een samenhangende gedachtengang ontwikkelen over een thema als bijvoorbeeld de evolutie en er is geen enkele redelijke grond voor de mening dat de filosoof zich er buiten zou moeten houden. Dat is te zeggen: tenzij men materieel onderzoek gaat doen, want dan begeeft men zich inderdaad op het terrein van de wetenschapper. Hierbij doet zich echter al ras gevoelen dat de filosoof niet werkelijk een specialist is. Hij is, als het goed met haar of hem is gesteld, door en door een generalist die algemene uitspraken kan doen, maar die geen details kan geven. Is zij of hij op enig gebied toch een specialist, dan zouden daarop betrekking hebbende uitspraken nimmer als 'filosofie' aangediend mogen worden. Toch is dat tegenwoordig helaas steeds meer de gewoonte geworden, vooral onder wetenschappers van niet-exacte disciplines.

Naar : Houvast-1 ; Houvast-2 ; Houvast-3 ; Houvast-4 ;


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis

Bladwijzers: Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Sociaal Democratie ; Liberale Democratie-1 ; Liberale Democratie-2 ; Parlementaire Democratie ;


AFLEVERING NR. 21-(08-06-98)

Het komt tegenwoordig veelvuldig voor dat filosofen proberen een rol in de politiek te spelen. Zij denken dat het op basis van hun filosofie mogelijk is beleid te maken, om zo de maatschappij in goede banen te leiden.
Zo was Sartre een filosoof die nagenoeg zijn gehele leven een betere wereld verwachtte van het communisme. Helaas was die verwachting niet gericht op verwerkelijking van de inhoud van het begrip communisme, maar op het alledaagse politieke communisme, zoals dat tot voor kort in de Sowjet-Unie aan de macht was.
Het is mijns inziens zonder meer duidelijk dat Sartre niet wist wat communisme is! Had hij dit namelijk wel geweten, dan had hij begrepen dat er wat dit betreft niets op planmatige wijze te verwerkelijken viel. Het begrip communisme houdt namelijk in dat men zeker weet, psychisch voelt en redelijk laat gelden dat wij mensen 'met zijn allen' zijn en dat dit onvoorwaardelijk een feit is. Het is dus niet iets dat nog worden moet, maar iets dat onmiddellijk geldt waar sprake is van de werkelijkheid als mens. Zou er iets moeten gebeuren, dan zou het de bewustwording van dit feit moeten zijn, maar dat is tenvolle een procesmatige zaak die zich niet dwingen laat, althans niet waar het de maatschappij betreft.
Daarbij komt dat het begrip 'communisme' niet slaat op de maatschappij, de mensheid, een groep of iets dergelijks, maar op de mens als individu. Je kunt het zo verwoorden: "Ik weet, ik voel en ik laat redelijkerwijs gelden dat wij met zijn allen zijn". En nu is het wellicht mogelijk dat die of gene zichzelf zover brengt dat zij of hij met die uitspraak samen valt, maar dan heb je het nog lang niet over de maatschappij of de mensheid. Eer die zover zijn is de inhoud van het begrip communisme voor de in zo'n maatschappij levende individuen een onbetwijfelbare zekerheid geworden, uiteraard niet als gevolg van opvoeding en onderwijs, maar als gevolg van verheldering van de werkelijkheid als menselijke voorstelling.
Ook moet opgemerkt worden dat het nu niet bepaald pleit voor een filosoof als zij of hij zich aansluit bij een bestaand maatschappelijk en politiek streven. Juist voor de filosoof is dat kwalijk omdat een van de eerste lessen, die men van het filosoferen leert, deze is dat de filosofie eist dat men vrij blijft van alles wat tijdelijk en plaatselijk bepaald is. Wat het politieke communisme betreft is die bepaaldheid heel erg opvallend. Men moet wel een bord voor de kop hebben om dat niet op te merken en er hinder van te hebben. Sartre was natuurlijk niet zo bot dat hij er niets van merkte. Dat verklaart waarom hij almaar probeerde de zaak van het communisme goed te praten, hetgeen echter nÚg meer in het nadeel van deze filosoof pleit!
 
Als de filosoof zich bij een politiek maatschappelijk machtsstreven aansluit verkwanselt hij zijn filosofische beweeglijkheid, vrijheid en onafhankelijkheid. Maar bovendien geeft hij er blijk van de functie van de filosofie niet te kennen. De functie van de filosofie is niet het tot stand brengen of bevorderen van iets, maar het vertellen van een verhaal. Het verhaal namelijk van de werkelijkheid. En daarbij is er een onverschillige verhouding tussen de filosoof en zijn verhaal, althans in die zin dat de kwaliteit van zijn verhaal zijn volledige bekommernis is, maar dat het hem volslagen koud laat wat de mensen met zijn verhaal doen.
Let wel: het gaat over het vertellen van een verhaal! Het behoort er wel degelijk bij dat de filosoof de zaak naar buiten brengt. Meer dan dat is echter zijn taak niet. Volgens sommigen is het simpele vertellen van een verhaal wat al te vrijblijvend. Die hebben evenwel niet in de gaten dat het doorlichten van de werkelijkheid en het verhalen over de daaruit voortkomende conclusies een wezenlijk levensgevaarlijke bezigheid is. Je vertelt immers voortdurend dingen die in botsing komen met de algemeen geldende voorstellingen. Die voorstellingen zijn namelijk tenvolle vastgelegd, bepaald aan de persoon en zijn cultuur. Dat staat in tegenstelling tot het in alle opzichten beweeglijke verhaal van de filosoof. Aan dat verhaal stort elk dogma, elk belang, elke doelstelling, elke tijdelijkheid en plaatselijkheid in. Het betekent de ondergang van het leven als vastgelegd en gereglementeerd bestaan en dat wordt heel terecht als een gevaar ervaren.
Dat geldt des temeer in alsnog Únvolwassen wereld, want dan worden genoemde voorstellingen ook nog eens als de onbetwijfelbare waarheid gewaardeerd, een waarheid dus die niet aangetast mag worden, een waarheid die in feite functioneert als een waan. Het pogen zo'n waan te doorbreken is op zichzelf al dodelijk gevaarlijk!
In een moderne liberale democratie heeft dat dodelijke gevaar een verborgen karakter. Het is net of het er niet is: men zal je niet gauw lastig vallen en behalve het verlies van een groot aantal vrienden overkomt je niet veel kwaads. Maar juist het voortdurende 'geen gehoor vinden', niet in de zin van bijval of waardering, maar in de zin van 'in de leegte praten', kan tot een kwelling uitgroeien. En dat ondanks het feit dat de filosoof, als het goed is, heel goed weet waarom de realiteit is zoals die is...
 
In de psychologie kent men het begrip 'sublimatie'. Dat heeft betrekking op het op een hoger plan brengen van instincten, hartstochten en driften die beschouwd worden als van een lagere orde. Dat slaat vooral op het sexuele leven van de mens. De gedachte is dan deze dat de sexuele aandriften door de mens omgezet zouden moeten worden tot geestelijke activiteiten.
Dat nu is een onmiskenbaar geval van opwaardering. De mens heeft dus kennelijk zijn natuurlijkheid op te waarderen tot iets geestelijks. Je hoort dan ook beweren dat de mens zich moet ontwikkelen van 'natuur' tot 'cultuur'. Zonder een dergelijke ontwikkeling zou er van de mens niets terecht komen. Het irrationele en driftmatige zou anders dominant blijven en daardoor voor de mens alle mogelijkheden afsluiten om ooit tot een goede en rechtvaardige wereld te komen.
In alle godsdiensten wordt geprobeerd de mens ertoe te brengen zichzelf op te waarderen. Maar het christendom spant wat dit betreft de kroon. Voortdurend is men daarmee bezig: de mensen zouden zich moeten 'bekeren' en de gedachte dat hun 'zonden' en 'schulden' ongedaan zullen worden gemaakt speelt een cruciale rol.
Ook echter in het denken in het algemeen projecteert men de mens tegen iets hogers. De filosofen bijvoorbeeld breken zich nog steeds het hoofd over de vraag hoe je de mens zou kunnen verbeteren. Er zijn er zelfs die een oplossing zien in genetische manipulatie. Men zou met behulp van die techniek betere hersenen kunnen maken en dat zou de mens in staat stellen zich als een 'geestelijk wezen' waar te maken!
 
De mens die zich verbeeldt altijd het goede met zichzelf, zijn medemens en de wereld voor te hebben is de mens met principes en normen en waarden. Het is de mens die zichzelf 'beschaafd' vindt en die er rotsvast van overtuigd is dat hij 'het dierlijke', de 'hartstocht', de 'begeerte', het 'instinct' en de 'drift' overwonnen heeft. Hij vindt zelfbeheersing het hoogste goed, hij vindt dat hij 'redelijk' moet zijn, geen vooroordelen mag hebben en zo nog een heleboel fraaiigheden meer...
Tegelijk met het naar boven projecteren van de dingen beoordeelt de hoog-laag denkende mens alles van bovenaf. Hij vindt dat alles in het licht van het goddelijke bekeken moet worden, of, als hij niet in god gelooft, in het licht van de rede, de wetenschap, het recht en wat al niet.
Steeds is een rationele abstractie de maat der dingen en, ten gevolge daarvan, is de concrete praktijk onveranderlijk beneden de maat! In feite gaat het de hoog-laag denkende mens nooit om de realiteit. Slechts datgene dat te bestreven is mag gelden. En het merkwaardigste daarbij is wel dat die onwerkelijke mens van zichzelf vindt dat hij een realist in optima forma is!
Uitermate praktisch is hij! Hij staat met beide benen stevig op de grond! Hij laat zich geen knollen voor citroenen verkopen! Hij laat zich beslist niets wijsmaken en geloven is er voor hem niet bij, hij wil zeker weten!
Maar intussen verbeeldt hij zich maar dat hij zo voortreffelijk is: de betekenis van zijn leven hangt ergens onbereikbaar hoog in de lucht...

Bladwijzers: Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Sociaal Democratie ; Liberale Democratie-1 ; Liberale Democratie-2 ; Parlementaire Democratie ; Onafhankelijkheid: Zie nrs. 14 ; 21 ; 25 ; 35 ; 45 ; 67 ;

 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis

Zie bladwijzers: Sociaal Democratie ; Liberale Democratie-1 ; Liberale Democratie-2 ; Parlementaire Democratie ;


AFLEVERING NR. 22-(06-07-98)

Een belangrijk kenmerk van een liberale democratie is dat, althans in theorie, de burgers tolerant zijn, evenals de overheid trouwens. Hoewel ieder zinnig mens dit zonder meer zal onderschrijven zit er toch iets in dat niet in de haak is. Het begrip tolerantie weerspreekt namelijk zichzelf als je het van toepassing acht op een maatschappij die, binnen het kader van een alsnog onvolwassen mensheid, de moeite van het bestreven waard zou zijn, een liberale democratie dus. Zo'n maatschappij is, hoezeer inderdaad acceptabel, toch nog steeds een min of meer redelijk verband van Únvolwassen mensen en dat houdt voor het begrip tolerantie in dat het niet meer betekenen kan dan een flexibel hanteren van de kriteria die voor het begrip grens gelden.
Men zal dan niet zo gauw vinden dat iemand 'te ver' gaat, 'grenzen uit het oog verliest', en men zal heel wat accepteren alvorens iets af te wijzen en te veroordelen. Wat uiteraard daarbij niet opgeheven wordt is die grens. Er blijft gelden dat men 'ergens' niet verder kan en mag gaan. Dat betekent welbeschouwd dat er nog steeds een besef is van wat moreel wel en niet goedgekeurd kan worden. Het laten gelden van dit besef is dan echter gemakkelijk, flexibel, geworden.
Nu is het de vraag of je dit toe kunt juichen. Tolerant-zijn en gemoedelijkheid keren zich namelijk in een alsnog Únvolwassen mensheid onherroepelijk tegen zichzŤlf. Onvolwassen mensen kunnen per definitie geen gemoedelijkheid verdragen. Zij gaan dadelijk misbruik maken van de betrekkelijke vrijheid, die aan die gemoedelijkheid en tolerantie meekomt. Dat komt doordat zij er nog steeds op uit zijn de wereld in bezit te nemen. Een niet scherp gestelde grens wordt onafwendbaar beschouwd als een goede gelegenheid eigen territorium uit te breiden.
Meestal neemt men daartoe geen besluit: het gebeurt vanzelf omdat het in de cultuurvoorstellingen ligt. Daardoor is dat misbruik gewoonlijk zo vanzelfsprekend dat het niet eens opvalt. Onvolwassen mensen kennen per definitie nooit hun plaats en weten geen maat te houden, terwijl zij tegelijkertijd aan plaats en maat gebonden zijn om samen met de medemensen te kunnen bestaan. Waar het op neerkomt, is dat tolerantie in een onvolwassen mensheid leidt tot het voortdurend aantasten van het bestaan en de integriteit van diegene die zich tolerant en gemoedelijk opstelt. Vrijheid wordt tenslotte onafwendbaar bandeloosheid.
Spreek je dan toch van een 'liberale democratie' dan zul je rekening moeten houden met het feit dat de vrijheid wŤl inhoudt dat men het bestaan van de ander erkent, bevestigt en verdedigt, maar dat de vrijheid niŤt inhoudt dat men het gedrag van de mensen zonder meer vertrouwen en accepteren kan.
 
Het gedrag van de mensen houdt op een probleem te zijn als de mens volwassen geworden is. Dat komt doordat dan niet alleen herkend en erkend wordt dat de ander een onvoorwaardelijk recht op bestaan heeft, zodat je kunt zeggen dat 'ieder individu er volledig is', maar dat daarenboven in de mensen het feit zelfbewust is geworden dat hun bestaan altijd tegelijkertijd en noodzakelijk het bestaan van ŗllen betekent. Dus, naast het 'als ik er ben ben jij er vanzelfsprekend ook' is daar eveneens en tegelijkertijd het 'wij zijn met zijn allen'. Het eerste en het tweede, in feite socialisme en communisme, zijn dan een eenheid geworden. Onder die volwassen omstandigheden is het gedrag van de mens niet langer 'grensoverschrijdend' omdat het bestaan van de ander beleefd wordt als 'op andere wijze het eigen bestaan', hetgeen onder andere inhoudt dat er geen grenzen meer zijn die overschreden kunnen worden. Het bestaan van de een is dan bij de ander veilig en dat geldt dan wederzijds.
Onder die volwassen omstandigheden vervalt ook het begrip 'tolerantie'. Als er van geen grenzen meer gesproken kan worden, kan er ook niet langer van tolerantie sprake zijn. De begrippen grens en tolerantie behoren immers bij elkaar!
Zoals gezegd, de Únvolwassen mens moet voortdurend op zijn grenzen gewezen worden. Hij is er almaar op uit, gewild of ongewild, zijn eigen grenzen en vooral die van de ander te overschrijden. Tolerantie ten aanzien van de aanwezigheid van de ander is in een liberale democratie gaandeweg te verwezenlijken en is zelfs een reŽle opgave die de moderne mens zichzelf stelt, maar vrijheid wat betreft gedrag laat nog lange tijd op zich wachten, omdat dit wŤrkelijke, zŤlfbewuste volwassenheid vooronderstelt.
Uit een en ander is te concluderen dat de moderne toegeeflijkheid ten aanzien van het gedrag van allerlei lieden niet overeenstemt met de verhoudingen in en van de werkelijkheid. Uiteraard is het het recht, met daar achter zeer nadrukkelijk de wijsgerige ethiek, die qua gedrag de grenzen moeten blijven stellen, handhaven en verdedigen. Dus in het kort: de moderne, maar vooralsnog onvolwassen, mensheid kan moreel en praktisch niet zonder de politie-agent en de rechter. En de individuele mensen kunnen niet zonder een voortdurend scherp stellen van hun privacy. Hier en daar zal zelfs geweld gebruikt moeten worden om aantastingen van die privacy, waaronder het bestaansrecht en de integriteit van de persoon, een halt toe te roepen.
 
Als het gaat over een 'Open Society', zoals die door Popper aanbevolen werd, is het raadzaam te vermijden dat het denken daarover in een flauwe karakterloosheid uitloopt, waarin alles goed en normaal gevonden wordt, louter op grond van het feit dat het tot de zogenaamd culturele eigenaardigheden van anderen behoort. Het zogenaamd goedmoedig 'bedekken met de mantel der liefde' is in principe rampzalig, al klinkt het geweldig humaan.
Het kan bijvoorbeeld gaan over het mismaken van jonge meisjes om bepaalde morbide gevoelens van agressieve, fanatieke mannen te bevredigen. Besnijdenis dus. En dan kun je tegenwoordig opmerken dat men, uit overwegingen van karakterloze 'tolerantie', een dergelijke misdaad goedpraat met het argument dat die besnijdenis tot de 'cultuur' van sommige volkeren behoren zou.
Filosofisch kun je dan alleen maar reageren door te stellen dat zo'n verhaal wel aardig kan klinken, maar dat het tÚch een misdaad is om de integriteit van het menselijk lichaam van iemand anders aan te tasten, cultuur of geen cultuur, begrip of geen begrip. Trouwens, wat is 'cultuur' anders dan een conglomeraat van waandenkbeelden, frustraties en tirannie? Zelfs de 'edele' uitingen van een cultuur zijn nooit zonder een achtergrond van waanideeŽn en andere malligheden.
Juist in een 'Open Society' zal men heel streng zijn universele waarheden moeten bewaken. Dat zijn waarheden die onder alle omstandigheden, ongeacht welk plaatselijk en tijdelijk bepaald verhaal dan ook, houdbaar zijn gebleken. Terwille van de helderheid van een 'open' samenleving moet elk compromis veroordeeld en vermeden worden. Een bepaald inzicht is 'waar' of het is dat niet. Een beetje waar, een betrekkelijke waarheid, is iets onmogelijks. Maar, toegegeven moet worden: zo'n betrekkelijke waarheid klinkt bijzonder tolerant, begripsvol en zelfs wel wetenschappelijk. Echt iets om vrienden mee te maken!

Zie bladwijzers: Sociaal Democratie ; Liberale Democratie-1 ; Liberale Democratie-2 ; Parlementaire Democratie ;


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64

Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11

Verhullend taalgebruik-1 ; Verhullend taalgebruik-2 ; Beleving-1 ; Beleving-2 ; Beleving-3 ;

Naar andere artikelen: Vrijheid van godsdienst ; *Over de ISLAM, de vrije MENINGSUITING en het BELEDIGEN Ė aug. 2010 ;

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 23-(31-08-98)

In traditionele religieuze culturen zoals bijvoorbeeld het Boeddhisme, het Jodendom en de Islam probeert men de ontwikkeling van de mens te bevorderen door herhaaldelijk lezen en reciteren van de 'heilige schriften'. Men beschouwt dit als onderwijs en het zou de enige zekere methode zijn om tot wijsheid en hogere kennis te komen.
Het is voor de leerlingen een langdurig en zwaar proces dat erg veel van hen vergt. Tenslotte levert het een heel verfijnde intellectuele ontwikkeling op. Dat geldt als de meest sublieme vorm van wijsheid. Vooral is daarbij van belang dat het een onpersoonlijke zaak is geworden. Het individu en het individuele tellen niet langer mee, zijn als het ware uitgedoofd.
Helaas moet je vaststellen dat het allemaal onzin is.
Het is in alle opzichten vergeefse moeite: het leidt slechts tot kennis van de geschriften. Zo'n geleerde is misschien binnen het kader van zijn godsdienstige voorstellingen een wijze geworden, maar qua werkelijke wijsheid en helderheid van inzicht is er niets aan de hand. Dat kŗn ook niet want die kunnen zich niet realiseren aan de hand van allerlei onjuiste geloofsvoorstellingen, al zijn die nog zo verfijnd en geraffineerd uitgedacht en al steekt er nog zo'n oude cultuur achter.
Niet alleen echter is het een kwalijke zaak dat die voorstellingen onjuist zijn. Nog veel erger is het dat die voorstellingen onaantastbaar zijn. Zij mogen qua inhoud niet nader onderzocht worden en zelfs het nadenken daarover en het doordenken daarop wordt beschouwd als een ernstige ketterij. Het goddelijke is immers absoluut en dus ontoegankelijk voor denken en onderzoek, zo meent men.
En uiteraard speelt op de achtergrond mee dat er niets van het zogenaamd goddelijke overblijft als men er over gaat nadenken. Een reden temeer om nadenken en onderzoek te verhinderen.
Het spreekt bovendien vanzelf dat het vastgelegde, dogmatische en niet realistische karakter van dergelijke voorstellingen alleen al als zodanig een ernstig beletsel vormt voor helder inzicht en dus voor een ontwikkeling tot volwassenheid. Wat vastgelegd is, is per definitie duister en ondoorzichtig.
 
De zin van modern zakelijk onderwijs is hierin gelegen dat het het zelfbewustzijn van de individuen verheldert. Hoezeer het ook een feit is dat het moderne, op eenzijdig analytische, reductionistische westerse tradities gestoelde, onderwijs de voor de mens geldende werkelijkheid als bewustzijn, en dus ook de psychische belevingswereld, vervormt en verdrukt, toch is het onderwijs de enige weg waarlangs de mens tot bevrijding van waanvoorstellingen komt. Het moderne onderwijs richt zich immers op de inhoud van de voor de mens geldende werkelijkheid als voorstelling en dat lukt alleen maar via de wetenschappen, want daaraan moet het onderwijs zijn materiaal ontlenen.
Dus: in feite stelt het onderwijs de scholieren in kennis van al datgene dat de wetenschappen boven water gehaald hebben. Dat zijn allemaal zaken die zo goed mogelijk onderzocht zijn, maar die tegelijkertijd blijvend openstaan voor nader onderzoek, hetgeen op termijn een solide garantie is voor betrouwbaarheid. Langs deze weg worden foute voorstellingen, vooroordelen en wanen langzamerhand opgelost.
Daarmee worden de scholieren vertrouwd gemaakt. Op zichzelf leidt dat niet tot betere of intelligentere mensen, maar wel tot meer realistische. Dat legt langzaam maar zeker op indirecte wijze de noodzakelijke praktische basis voor realisme.
Zonder realisme is er geen zinvol inzicht in de werkelijkheid, zoals dat immers ontstaat aan de hand van het zich aan de voorstelling afspiegelen van de 'werkelijkheid als beeld'. Daartoe moet die voorstelling ontdaan zijn van alle misleidende en verhullende onzin. Het zich verdiepen van het inzicht is een essentieel aspect van de weg naar volwassenheid.
 
Het onderwijs legt in de mensen de materiŽle basis voor volwassenheid, evenwel zonder aan de ontwikkeling tot volwassenheid op zichzŤlf iets bij te dragen: de werkelijkheid als bewustzijn is nu eenmaal niet ontvankelijk voor leerprocessen. Maar, zonder een zo betrouwbaar en gedegen mogelijke materiŽle basis kan er helemaal geen effectieve groei naar volwassenheid zijn. De functie van die basis is deze dat hij de belemmeringen voor een helder inzicht wegneemt. Een duistere, onwerkelijke en occulte basis sluit de mogelijkheid om tot inzicht te komen volstrekt af, dit in strijd met wat allerlei moderne 'spirituele' theorieŽn ons willen doen geloven.
Aan die groei tot volwassenheid valt dus op zichzelf niets te bevorderen. Dat komt doordat volwassenheid een kwestie van bewustzijn is en dat hangt samen met het zich afspiegelen van de werkelijkheid als beeld. Dat bewustzijn, dat aan de hand van dat afspiegelen effectief wordt, laat zich op geen enkele manier beÔnvloeden, veranderen, stimuleren en zo meer. Het is een volstrekt onaantastbare zaak.
Wat dus wŤl voor verbetering, of liever 'verheldering', vatbaar is, is de voorstelling waaraan dat afspiegelen zich voltrekt. Hoe reŽler die voorstelling, hoe zuiverder het inzicht dat door die afspiegeling verkregen kan worden.
Langs deze weg, namelijk het via het onderwijs en de communicatie informeren van de mensen, wordt de materiŽle basis voor volwassenheid gelegd. Het gaat daarbij per se niet om de hoeveelheid informatie die men opdoet en dus ook niet om de hoeveelheid kennis die iemand ter beschikking heeft, maar het gaat uitdrukkelijk om de kwaliteit en dus de betrouwbaarheid van kennis en informatie.
Hoe veel of hoe weinig men weet is niet van belang, wel echter de vraag of dat wat men weet reŽel is. Met nadruk moet dan ook gesteld worden dat het niet gaat om het onderwijs in kwantitatieve zin (er bij de leerlingen zoveel mogelijk kennis inpompen), zoals dat in de moderne westerse cultuur gebruikelijk is geworden, maar dat het gaat om de betrouwbaarheid van het onderwijs. Dat is afhankelijk van het realiteitsgehalte.
 
Mensen kunnen niet buiten kennis en wetenschap. Toch leidt de ontwikkeling van beide op zichzelf tot een waanvoorstelling wat betreft de werkelijkheid. Naarmate echter deze waanvoorstelling inhoudelijk juister wordt en de cultuurontwikkeling het moment nadert dat de mens volwassen zal zijn, gaat het bewustzijn, en dus de werkelijkheid als beeld, zich steeds meer opdringen totdat er tenslotte niet meer aan te ontkomen is. Wanneer dat eenmaal het geval is wordt het beeld de maat voor de voorstelling.
Er is dan een voorstelling ontstaan die in hoge mate juist en uiterst gedetailleerd is maar die zijn waarheid ontleent aan de werkelijkheid als beeld. Je kunt nu stellen dat de voorstelling verlost is van zijn waan en dat hij nu betekenis heeft gekregen. Alles is nu om zo te zeggen op zijn plaats komen te liggen.
Meer dan dat is niet mogelijk...

Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64

Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11 ; Verhullend taalgebruik-1 ; Verhullend taalgebruik-2 ; Beleving-1 ; Beleving-2 ; Beleving-3 ;

Naar andere artikelen: Vrijheid van godsdienst ; *Over de ISLAM, de vrije MENINGSUITING en het BELEDIGEN Ė aug. 2010 ;

 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 24-(28-09-98)

Een belangrijk bezwaar tegen de moderne kunst is hierin gelegen dat die kunst niet meer voor zichzelf spreekt. Bij elk modern kunstwerk moet een toelichting gegeven worden, anders is niet duidelijk wat de kunstenaar heeft willen zeggen. En als dat niet duidelijk is zullen de mensen er niet of nauwelijks op reageren. Volgens een aantal kunstenaars is het anderzijds zo dat de 'genieter' er zelf maar wat van moet maken, geheel naar eigen goeddunken. De kunst zou volgens hen 'vrijblijvend' moeten zijn. Een ieder moet er het zijne aan kunnen beleven.
Eigenlijk is dat een loos advies omdat vrijblijvendheid voor alles geldt waarmee iemand geconfronteerd wordt. Iedereen maakt zelf wat van zijn ervaringen. De kunstenaar die zo'n advies geeft is dus meteen al te rekenen tot de zwamneuzen! Overigens blijkt het ook bij die 'vrijblijvende' kunstwerken noodzakelijk de 'genieter' ervan op de hoogte te stellen dŗt het gaat om diens eigen interpretatie. Hij mocht anders eens gaan denken dat het 'kunstwerk' voor zichzelf spreekt om vervolgens tot de conclusie te komen dat hij met een draak van een ding van doen heeft!
Bijna steeds echter wordt er een zo diepzinnig mogelijk verhaal ter verklaring van het kunstwerk gegeven, als een soort van 'bijsluiter'. Vaak gaat het daarbij om een verhaal over de bedoeling van het kunstwerk, maar ook komt het veelvuldig voor dat de kunstenaar uitlegt wat hij aan het doen is geweest en hoe moeilijk dat wel was...
Verhandelingen over de technische moeilijkheden bij het vervaardigen van kunstwerken ontbreken bijna nooit. Doorgaans is dat ook wel nodig om de onkunde van de kunstenaar voor kunde door te laten gaan en de 'genieter' ervan te overtuigen dat de hem aangeboden rommel inderdaad kunst is.
 
De wereld van de kunstenaars is een wereld van 'Spielerei' geworden. Dat wil zeggen dat het een 'doen alsof' is. Men doet alsof men kunstenaar is en vervolgens doet men alsof de geproduceerde bedenksels unieke kunstwerken zijn. Het bedrieglijke daarbij is dat men er zŤlf doorgaans nog heilig in gelooft ook! Men heeft immers alle ingrediŽnten ter beschikking die bij het kunstenaarschap behoren. Men weet, dank zij allerlei psychologische kennis en andere wetenschappelijke informatie, precies wat zich in de kunstenaar af behoort te spelen. Met behulp van die kennis meet men zichzelf een bepaald gedrag aan en dat gaat zÚ automatisch dat het, ook op de zogenaamde kunstenaar zelf, de indruk maakt echt te zijn.
Zo zie je bijvoorbeeld musici met een bewonderenswaardige ijver en groot vakmanschap hun tijd verdoen met de grootst mogelijke artistieke onzin die, juist omdat het onzin is, nauwelijks vertolkt kan worden.
 
Het gaat in de kunst om het uitdrukking geven aan en het laten ervaren van de werkelijkheid als beeld. Dat 'beeld' is iets dat zich afspiegelt aan onze voorstelling. Op geen enkele andere wijze dan als afspiegeling is het de kunstenaar mogelijk dat 'beeld' te herkennen, gestalte te geven en het bovendien ook nog zÚ te regelen dat anderen die zaak kunnen meebeleven en ervan 'genieten'. Dit 'genieten' blijkt, als je er dieper over nadenkt, een psychisch mŤŤtrillen te zijn: de 'genieter' gaat letterlijk meetrillen met het trillende beeld van de werkelijkheid, dat door de kunstenaar op de een of andere manier ervaarbaar gemaakt is.
De aanwezigheid van een voorstelling, zoals een ieder die van haar of zijn wereld heeft, is absoluut noodzakelijk. Hij is in feite het onmisbare 'voertuig' van dat beeld, hij is de materiŽle basis waaraan het beeld zich beleven laat. Het is nooit van tevoren te zeggen hoe dat 'voertuig' er uit zal zien in het geval van de beeldende kunsten, of klinken in de muziek, bewegen in de dans, als gebeuren in de epische kunst of typeren in de poŽzie. Zeker is echter wel dŗt het een herkenbaar voertuig is. En die herkenbaarheid moet zo universeel mogelijk zijn.
Het herkenbare van de werkelijkheid als voorstelling heeft betrekking op de afbeelding (beeldende kunst), de gebeurtenis (romankunst), de beweging (dans), de trilling (muziek), de typering (gedicht) en nog enkele combinaties en tussenvormen hiervan. Daarbij gaat het, wat het universele betreft, achtereenvolgens om de essenties: vorm, verhaal, uitdrukking en tenslotte klank. Deze essenties zijn 'essenties vŗn iets'. Zij kunnen, binnen het raam van de kunst, nimmer op zichzelf gesteld worden. Datgene waarvan het essenties zijn moet aanwezig zijn, want anders heft dit begrip zichzelf op. Zo zie je bijvoorbeeld in de oude Chinese kalligrafische tekenkunst (niet bedoeld is de kalligrafie op zichzelf!) dat er iets bepaalds afgebeeld wordt, bijvoorbeeld de dichter Li Tai Po. Maar die afbeelding is vrijwel volledig tot zijn essentie teruggebracht. Dat is de vorm. Vooral in de Chinese tekenkunst is dit goed waar te nemen en je ziet ook dat die vorm ontstaat door de getekende lijn.
 
Essenties zijn wat anders dan onderdelen of elementen. Essenties zijn niet door ontleden te voorschijn te brengen, sterker nog: door het ontleden heffen zij zichzelf geheel en al op. Ze zijn dan spoorloos verdwenen, hetgeen in de moderne kunst zonder moeite vast te stellen is. In die kunst is de voorstelling geanalyseerd, ontleed en tot zijn elementaire onderdelen teruggebracht. Overigens precies zoals dat in de moderne wetenschappen gedaan wordt. De moderne kunstenaar doet van allerlei met die elementen en beweert vervolgens dat je met kunst te doen hebt. De zaak wordt daartoe rijkelijk voorzien van commentaar en uitleg, meestal met een wetenschappelijk tintje om de zaak enigszins aannemelijk te maken. Zonder zo'n uitleg zou er trouwens niets van overblijven.
Het feit dat een dergelijk 'kunstwerk' eventueel toch iets in de genieter teweeg kan brengen zegt absoluut niets: ŗlle andere dingen, die wij geen kunstwerken noemen, kunnen dat ook!
Je spreekt van 'essenties' als je te doen hebt met een tot een enkelvoudig gegeven teruggebrachte werkelijkheid. In die 'essentie' is feitelijk de gehele zaak gecomprimeerd aanwezig. Zo is in de vorm de essentie gegeven van een afbeelding van de voorstelling. En in de klank van muziek de essentie van de trilling van de werkelijkheid. Dan behoren ook nog bij elkaar: in de romankunst de begrippen verhaal en gebeurtenis en in de dans uitdrukking (expressie) en beweging. Aan deze essenties, en uitsluitend daaraan, tovert ons bewustzijn ons de werkelijkheid als beeld voor.
Om dat 'beeld' is het in de kunsten te doen, en trouwens ook in de filosofie. De filosofie geeft (zou moeten geven) een zo consistent mogelijke logische beschrijving van dat beeld.
 
Het zou in orde zijn met de moderne kunst als zij zo helder en zo zuiver mogelijk gestalte zou geven aan de genoemde essenties. Het lijkt alsof zij dit ook doet, maar in werkelijkheid geeft zij elementen en onderdelen, brokstukken, in plaats van essenties. Men verwart de tot een eenvoudig teken gecomprimeerde voorstelling met een Únderdeel van een voorstelling. Typisch westers denkt men de essentie te vinden door de zaak uit elkaar te halen, te ontleden! Men vindt dan echter niets. En omdat dit het geval is moet men het doen voorkomen alsof de keizer wel degelijk kleren aan heeft...
Het gaat in de kunst om de wereld 'achter' de dingen, zo zou je het gemakshalve kunnen formuleren. Dat is een uitspraak die door de kunstenaars al tot in den treure herhaald is, maar waarvan de strekking maar zelden echt wordt begrepen.
Letterlijk is er natuurlijk geen werkelijkheid achter de dingen, maar het is wel zo dat de dingen niet alleen qua voorstelling voor ons verschijnen, maar ook en tegelijkertijd als bewustzijn in ons aanwezig zijn. Het zich aan de voorstelling 'afspiegelen' van dat bewustzijn is de werkelijkheid als beeld en dat is wat men beseft als 'de wereld achter de dingen'. Om die wereld gaat het in de kunst en ook in de filosofie.
In het dagelijkse leven van de mensen gaat het daar niet om, het gaat dan om het 'nu'. Maar om dat 'nu' te kunnen plaatsen, een ondergrond en een zin te kunnen geven is daar wel de wereld achter de dingen bij nodig. Omdat dat 'beeld' op de een of andere manier zingevend is, kan dat van de kunst ook gezegd worden. De vraag daarbij is echter wel hoe je het begrip 'zin' interpreteert. Heeft het de betekenis van een doel, of een les, of om saamhorigheid tussen mensen aan te wakkeren en de moraal te dienen... in al deze en dergelijke gevallen heeft de zaak niets met het begrip 'zin' te maken zoals ik dat nu bedoel.
Het begrip 'zin' verwijst alleen maar naar het feit dat de in de voorstelling los van elkaar staande dingen in het geheel van het beeld tot samenhang komen en tot een harmonieus geheel gevormd worden. Meer dan een harmonieus geheel kan voor de mens de werkelijkheid niet zijn. Als zodanig is het al of niet op kunstzinnige wijze beleven van de werkelijkheid als beeld een 'zingevende belevenis' te noemen. En als zodanig is dus het genieten van kunst zinvol!
 
Het voor zichzelf spreken van de kunst komt voort uit de omstandigheid dat alles draait om de werkelijkheid als beeld. Dat is een werkelijkheid die, zoals al eerder gezegd, berust op het bewustzijn, per se niet het zelfbewustzijn, dat in ieder mens aanwezig is. Het is in ieder mens, altijd en overal dezelfde werkelijkheid. Een verwijzing naar die innerlijke werkelijkheid, naar die waarheid, is in principe voor een ieder, onafhankelijk van taal en cultuur verstaanbaar. Het is een universele zaak! Omdat het 'voertuig' daarvan evenwel de individuele voorstelling van ieders eigen wereld is kan het gebeuren dat deze, in een Únvolwassen mensheid heel vaak gebrekkig en bekrompen zijnde, een hinderpaal vormt voor het genieten van kunst. Men kan de zaak dan niet herkennen.
Het ligt echter in de logica dat met het zich verbeteren van de ontwikkeling van de betreffende mensen ook het herkennen gemakkelijker wordt, althans in universele zin. Plaatselijk en tijdelijk speelt de bedoelde hinderpaal nauwelijks een rol van betekenis. De aardige paradox doet zich hier nu voor dat ontwikkeling, die immers betrekking heeft op de voorstelling en dus op iets dat voor de kunst op zichzelf niet essentieel is, toch het herkennen en genieten van kunst bevordert.
Het gaat hier evenwel niet over de een of andere 'kunstzinnige vorming', die bijna altijd averechts werkt, maar gewoon over alledaagse ontwikkeling zoals men die onder andere op school opdoet.
 
Een geanalyseerde voorstelling is niet meer te herkennen in de gebruikelijke zin, waarbij het gaat om een directe ervaring van een deel van de werkelijkheid, zodat je onmiddellijk kunt zeggen 'wat het voorstelt'. Maar hij valt als een geanalyseerde voorstelling toch nog steeds onder het begrip 'voorstelling'. Een geanalyseerde voorstelling is ook een voorstelling!
Voor de voorstelling geldt altijd dat hij op de een of andere manier 'verklaard' moet worden. Hij is nimmer voor zichzelf sprekend. Soms lijkt het alsof dit wel het geval is, maar dan wijst nader onderzoek uit dat zo'n zogenaamd voor zichzelf sprekende voorstelling eerder al eens 'verklaard' is en nu tot kennis geworden is. Men kan zich die dan herinneren.
Omdat de voorstelling gegrond is op het zelfbewustzijn en omdat dit de werkelijkheid als verschijnsel is die zich, aan het einde van wording en evolutie, is gaan gedragen alsof het geen verschijnsel was, probeert de mens er een heldere zaak van te maken: hij verlicht de zaak, hij verklaart en licht toe. De tot voorstelling geworden ervaringen worden 'verlicht', 'verklaard', en 'toegelicht' en dat is een gang van zaken die onlosmakelijk met de werkelijkheid als voorstelling verbonden is. Dat wil zeggen: aanvankelijke voorstellingen kýnnen niet anders dan verklaard en toegelicht worden. Daarin komt dus tot uiting dat de mens van nature en onontkoombaar zoekt ŗlles tot kennis om te zetten.
De consequentie van het bij elkaar behoren van de voorstelling en zijn verklaring is voor de kunst deze dat Ťlke kunstuiting die niet het niveau van het beeld bereikt en dus in feite niet boven de voorstelling uitkomt automatisch niet zonder verklaring kŗn. Op de een of andere manier moet er een toelichting bij. Ook een suggestieve titel is uiteraard een toelichting.
 
Een geanalyseerde voorstelling is nog steeds een voorstelling en dus is de daarop gebaseerde kunst onvermijdelijk afhankelijk van een toelichting. Zonder dat zou men vrijwel alle moderne kunstwerken niet eens als zodanig herkennen! Dat vereist dus dat de moderne kunst op de een of andere manier toegelicht moet worden. Enerzijds verraadt de noodzakelijkheid van een toelichting dat je met een kunstzinnig (want dat is het doorgaans wŤl!) doen alsof, een artistieke spielerei te maken hebt en anderzijds kan kunstzinnige spielerei niet zonder toelichting, juist omdat dat gedoe niet los komt van de voorstelling.
Met 'los komen van de voorstelling' wordt per se niet het verwerpen van de voorstelling (zogenaamd abstracte kunst) of het in onderdelen opsplitsen ervan bedoeld, zoals de moderne kunstenaars je maar al te graag willen doen geloven. Bedoeld wordt daarentegen het comprimeren van de voorstelling in een eenvoudig teken, zodat de essentie tot uitdrukking komt. Het onderscheid echter tussen een geanalyseerde voorstelling en een tot teken gecomprimeerde voorstelling is voor een modern denkende westerse mens niet of nauwelijks te vatten.


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 25-(26-10-98)

De filosoof Hegel (1770-1831) heeft destijds opgemerkt dat het denken volgens een dialectisch proces verloopt. Hij meende dat het, geheel eigenmachtig en feitelijk buiten onze intellectuele wil om, voor zichzelf nagaat welke tegenstelling logischerwijze meekomt aan een gegeven stelling. Beide, stelling en tegenstelling, these en antithese, zouden daarna versmelten tot een synthese en daarmee met elkaar in harmonie geraken.
Hegel bemerkte dat het denken 'van nature' aldus verloopt, maar zijn volgelingen dachten dat hij het over een welbewust toe te passen methode had, een wetenschappelijke methode met vaste procedures en uiteraard met voorspelbare uitkomsten. Dat denken volgens de zogenaamde dialectische methode, zoals bijvoorbeeld Marx en zijn socialistische epigonen dachten te kunnen beoefenen, is evenwel volslagen onmogelijk! Misschien is het af en toe mogelijk een behoorlijke these te formuleren, maar men gaat onvermijdelijk de mist in als men daar een antithese tegenover wil gaan stellen.
De verklaring hiervoor is zo eenvoudig dat hij gewoonlijk over het hoofd gezien wordt: tegenover een bepaalde these heeft al het overig denkbare de status van antithese. Dat kan dus van ŗlles zijn, want alles buiten de these valt onder de rubriek antithese. Eenvoudigweg omdat voor de antithese geldt dat hij de ontkenning van de these is. Niet-de-these omvat natuurlijk alles behalve de these! Je kunt dus alles ten tonele voeren wat je met het oog op de gewenste resultaten invalt. Dat is dan ook precies wat Marx en zijn socialistische volgelingen, benevens een aantal filosofische navolgers van Hegel, gedaan hebben. Zij begrepen niet dat Hegel destijds met zijn ' Dialectiek ' geen methode voor het denken aanbeval, maar slechts een beschrijving gaf van de werkzaamheid van het denken.
Het denken flitst in de mens heen en weer, is wezenlijk onvoorspelbaar en leent zich nimmer voor reglementering. Pas achteraf blijkt welke antithese de these opgevolgd heeft en hoe die twee zich in een synthese met elkaar verzoend hebben. Omdat het proces zo in het denken verloopt voltrekt ook de geschiedenis zich op die manier. Achteraf is er eventueel een logica, althans een plausibele voortgang in aan te wijzen, maar actie en reactie zijn en blijven ontoegankelijk voor elke methodiek. Dat betekent onder meer dat ook de Marxistische theorieŽn geen enkele voorspellende waarde hebben, hetgeen telkens weer gebleken is.
 
In tegenstelling tot de andere levende wezens maakt de mensheid gedurende haar bestaan op aarde een ontwikkeling door. Zij groeit langzaam maar zeker naar volwassenheid, dat wil zeggen naar de mens die de waan achter zich gelaten heeft en nu in overeenstemming met de werkelijkheid leeft. De mens dus voor wie het aloude "Ken Uzelve" een feit geworden is. Tijdens die groei naar volwassenheid is het optreden van het kapitalisme een onvermijdelijke fase. Als zodanig ligt het bestaan ervan in de rede. Dat wil echter onder geen beding zeggen dat het kapitalisme dýs redelijk zou zijn. Op zichzelf is het dat bepaald niet. De praktijk van het kapitalisme mag niet goedgepraat worden, het is immers een onmiskenbaar feit dat het lange tijd een groot aantal mensen veel ellende bezorgt. Zij worden op brutale wijze bestolen en ook de planeet zelf knapt er niet van op.
Wat er desondanks zinvol aan is, is de grondslag ervan, namelijk dat het een eerste manifestatie is van de mens die begonnen is zich als het werkelijk zelfbewuste verschijnsel te ontwikkelen. Individualisme, want dat is het streven van de mens om zichzelf te worden, is de goede en zinvolle achtergrond van het kapitalisme. Met goed bedoel ik in dit verband dat het in overeenstemming is met de ware verhoudingen en de essentiŽle processen in de werkelijkheid. Dus is het ook in overeenstemming met datgene dat karakteristiek voor de mens is.
De mens moet op den duur bij zichzelf terecht komen, hij moet 'individu' worden. Alleen dan komt hij tot zijn recht als uiterste mogelijkheid van het verschijnsel. Dat is dus het verschijnsel zoals dat als eindresultaat van de wording voor de dag gekomen is.
Hoewel er vaak op gemopperd wordt is het de zogenaamde ondernemer die rechtstreeks aan het proces van het zichzelf-worden, dus aan het individualisme, meekomt. Hij is de mens die de voorhanden natuurlijke werkelijkheid omzet tot een zaak van mensen. Als producent van de vele soorten van levensbehoeften maakt hij van de planeet een mensenwereld. Deze ondernemer staat tijdens de individualistische ontwikkeling onvermijdelijk in het teken van het particuliere. Hij is de particuliere ondernemer en dat is in feite de kapitalist. Deze kapitalist onderneemt al zijn activiteiten uitsluitend om er persoonlijk beter van te worden. Uiteraard levert dat zo zonder meer een volstrekt Únrechtvaardige wereld op, die er weliswaar gaandeweg beter uit gaat zien, maar die ondanks allerlei positieve sociale verbeteringen toch nimmer echt rechtvaardig wordt. Een verbeterde verkeerde wereld is nog steeds een verkeerde wereld..!
Pas als dat proces van de individualisering zijn einde nadert ontdekt die particuliere ondernemer, die kapitalist, dat het zichzelf-zijn geen inhoud kan hebben is zonder de volle en onvoorwaardelijke erkenning van de medemensen. Het echte zichzelf-kennen houdt logischerwijs onmiddellijk het erkennen van de ander in. Hoewel het individualisme aanvankelijk gepaard gaat met een ondernemer die particulier ingesteld is en de zaak daardoor niet bepaald menslievend genoemd kan worden, ligt het toch in de wezenlijke natuur der dingen. Zo is dus ook te stellen dat het zinvolle van het kapitalisme ligt in de ondergrond van bewustwording en realisering van de mens als individu. Daaraan komt logischerwijs onmiddellijk mee dat via de ondernemer gaandeweg tal van levensbehoeften ter beschikking komen. Uiteraard is dat positief te waarderen. De mens kan nu eenmaal niet behoorlijk leven zonder beschikbare levensbehoeften.
 
Bij het nadenken over de arbeid stuit je steeds op het opvallende feit dat economen en managers, maar ook politici en vakbondsbestuurders, er nog altijd niet bij stil staan dat het fout is om te rekenen in termen van arbeiders, arbeidsuren en dergelijke. In de plaats daarvan moet het gaan over energie.
Als een werknemer zich verhuurt aan een werkgever, dan verkoopt hij of zij in feite zijn of haar energie. Het is niet zonder grond dat men het soms over de 'arbeidskracht' van de werknemer heeft. Inderdaad gaat het om kracht, oftewel energie. In een onderneming, en dat is vooral duidelijk zichtbaar in een fabriek, heeft men energie nodig voor de productieprocessen. Die moeten in gang gehouden worden en dat vergt niet alleen dat wat wij traditioneel 'energie' noemen, bijvoorbeeld elektriciteit, stoom en menselijke arbeidskracht, maar ook in niet geringe mate intellectuele energie. Maar die wordt gewoonlijk niet zo genoemd.
Het is zelfs opvallend hoe slordig er met die intellectuele energie omgesprongen wordt. Zelden wordt er op gewezen hoewel denkkracht en inventiviteit er zelfs aan de eenvoudigste producten ten grondslag ligt. Men heeft het wel over allerlei soorten van ontwikkelingskosten, maar die betreffen uitsluitend kwantificeerbare economische investeringen.
Gevolg is een gigantische roofbouw op de werkers. Wordt bijvoorbeeld een arbeider ontslagen omdat er voor hem een machine in de plaats komt, dan wil men graag vergeten dat deze ruil als regel uitsluitend in het voordeel van de ondernemer is. De lichamelijke energie was al overbodig gemaakt en nu is er ook geen intellectuele energie meer nodig voor dezelfde werkzaamheden. Maar die werker zit zonder inkomsten omdat zijn intellectuele energie nu eenmaal niet in tel was. Het zou veel eerlijker zijn als de ondernemer het verschil tussen de oorspronkelijk door de arbeider gebruikte lichamelijke en intellectuele energie en die van de machine op de een of andere manier aan de werker, of althans aan de samenleving, vergoedde. Deze heeft er een principieel recht op omdat ŗlle productieprocessen in de grond van de zaak menselijke processen zijn.
Het is de totale menselijke energie waarop het omzettingsproces van de aarde drijft. Alle productie is aanvankelijk dan ook een zaak van de menselijke 'geest' en de menselijke 'hand'. Energie die niet aan mensen vergoed wordt is welbeschouwd gestolen energie. Maar, het kŗn in een onvolwassen wereld niet anders! De particuliere ondernemer, de kapitalist, zoals die exponent is van de nog maar net begonnen individualisering, weet nog niets beters te doen dan zijn persoonlijke onafhankelijkheid aan zijn medemensen en ook aan de aarde te ontfutselen. Hij rooft zijn onafhankelijkheid en zijn vrijheden.

Naar bladwijzer(s): Onafhankelijkheid: Zie nrs. 14 ; 21 ; 25 ; 35 ; 45 ; 67 ;

 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 26-(23-11-98)

Het is opvallend dat de doorsnee intellectueel vaak een slechte lezer blijkt. Terwijl hij bij het lezen de woorden in zich opneemt is hij onmiddellijk al bezig ze aan zijn eigen kennis, verzameld in zijn voorstelling, te toetsen. Valt die toetsing verkeerd, dan is verder mee- en doordenken uitgesloten. Valt die toetsing echter goed, dan zijn de gevolgen nog treuriger: er wordt onmiddellijk en onvermijdelijk een eigen 'exegese' aan de zaak gegeven. Dat wil zeggen dat er een uitleg aan gegeven wordt die geheel in het eigen straatje past. In beide gevallen is er natuurlijk van het ter overdenking in zich opnemen van eens andermans gedachten niets terecht gekomen!
De verklaring van dit, toch onverwachte, fenomeen is dat de intellectueel alleen maar zichzelf kan zijn als en voorzover hij onverbiddelijk vasthoudt aan zijn persoonlijke voorstelling van de werkelijkheid. De principes daarvan zijn voor de intellectueel volstrekt onaantastbaar en maatgevend, uiteraard omdat hem bij zijn opleiding geleerd is dat die op wetenschap berusten.
Zo kun je de gemiddelde intellectueel als voorbeeld nemen van een mens die het slachtoffer is geworden van de dogmatiserende werking van de wetenschap. Kenmerk daarvan is dat hij of zij uit een tekst alleen maar kan lezen wat hij wžl lezen. Het is uitsluitend dit gelezene dat hij eventueel zal gaan bestrijden of bijvallen. Zijn kritiek richt zich zelden op de inhoud en betekenis van datgene dat wŤrkelijk aan de orde is.
 
De moderne intellectueel richt zich uitsluitend op de realiteit zoals hij zich die voorstelt. Hij doet daarmee van alles, maar dat komt allemaal neer op het analyseren van die, eenmaal gegeven, voorstelling. Afhankelijk van de resultaten van die analyse verwerft hij in een feed-back proces zijn kennis omtrent de realiteit. Als hij er niet onderuit kan zal hij tenslotte die kennis bijstellen. Zo is de grondslag van de levenshouding van de moderne, intellectuele, mens.
Dat geldt derhalve voor iedereen, voorzover iemand een 'cultuurproduct' is. Voor de meesten blijft het natuurlijk hierbij, maar er zijn er ook die verder gaan. Voor hen geldt dat zij daarenboven ook nog een 'leerproduct' zijn. Dat zijn de intellectuelen. Zij zijn de uiterste manifestatie van het principe van de moderne cultuur.
De filosofische mens daarentegen richt zich niet op de voorstelling, maar gebruikt die alleen maar, en wel om de werkelijkheid als 'idee' te leren kennen. De werkelijkheid als 'idee' immers spiegelt zich aan de voorstelling af! Het is daarom van groot belang die voorstelling zo helder, betrouwbaar en gedetailleerd mogelijk te maken. Hoe beter dit gelukt, hoe meer kans er is op het verkrijgen van een zuivere 'idee' omtrent de werkelijkheid. Vervolgens gaat het om het leren begrijpen van die gezuiverde 'idee'. Dat leidt tot de waarheid, tot een waarachtig 'weten hoe het zit'.
Beide mogelijkheden, namelijk kennis verwerven in wisselwerking met de voorstelling en begrijpen in wisselwerking met de 'idee', behoren wezenlijk bij elkaar. En daarbij liggen de verhoudingen zo dat het begrijpen het meest essentiŽle is. Het gaat daarbij immers om de waarheid en uiteindelijk is die bepalend voor de kwaliteit van het menselijk leven.
Het is nog altijd beter te leven met weinig kennis en veel begrijpen, dan met veel kennis en weinig begrijpen!
 
Het klinkt inderdaad niet erg vriendelijk, maar welbeschouwd is het denken van de moderne mens te typeren als 'domheid op hoog intellectueel niveau'.
Waar men gewoonlijk geen erg in heeft is dat denken niet hetzelfde is als analyseren. Dit laatste is tegenwoordig inderdaad zo geraffineerd geworden dat er in principe zelfs geen geheimen meer zijn. En daaruit leidt men dan af dat die moderne mens goed zou kunnen denken, maar dat is in feite geenszins het geval. Het is daarmee in het geheel niet zo best gesteld. Dat zogenaamde denken getuigt van ernstig Únbegrip, van een hopeloos gemis aan inzicht en een nagenoeg geheel verziekte intuÔtie.
Omdat het hierbij gaat om menselijke kwaliteiten die, zij het op de achtergrond, met de cultuur mee-ontwikkeld zijn moet je beslist van 'domheid' spreken. Men heeft namelijk de mogelijkheid om die kwaliteiten wŤl tot hun recht te laten komen!
Er kan namelijk van 'domheid' gesproken worden als er wel de mogelijkheid tot iets is, maar als het vanuit een bepaalde redenering, opvatting of gewoonte achterwege gelaten wordt. Zo moet je van de moderne westerse mens zeggen dat hij ten voeten uit staat als 'domheid op hoog intellectueel niveau'.
Een belangrijke uiting van domheid is het almaar voortborduren op dezelfde stramienen. Men zoekt en herkent geen nieuwe gedachten en als men het, doorgaans met veel zelfoverschatting, toch over 'iets nieuws' heeft blijkt dit bij nadere beschouwing ook weer hetzelfde te zijn, maar dan op een iets andere wijze! Alleen in het geavanceerde wetenschappelijke onderzoek weet men enigszins raad met wŤrkelijk nieuwe denkbeelden, maar daaraan moet toegevoegd worden dat men wat dit betreft nooit kan kiezen: aan wat het onderzoek boven water brengt kan niet zomaar voorbijgegaan worden, althans tegenwoordig niet meer. Vroeger kon men, zonder verlies aan geloofwaardigheid, beweren dat bepaalde onwelgevallige uitkomsten aan de zogenaamde 'ruis' te wijten waren. Dus aan vervuiling in de vorm van toleranties van de instrumenten en onvermijdelijke onnauwkeurigheden in de waarnemingen. Tegenwoordig trapt men daar niet zo gemakkelijk meer in. Toch zie je dat er nog steeds heel wat, doorgaans irrationele, weerstanden overwonnen moeten worden om nieuwe theorieŽn aanvaard te krijgen.
 
De moderne mens is het verschijnsel dat handelt, maar dat nauwelijks iets begrijpt. Daardoor heeft zijn handelen iets onwerkelijks en dat neemt hand over hand toe naarmate dat verschijnsel zich verder ontwikkelt als een op zichzelf als zelfbewustzijn gefixeerde cultuur aangelegenheid. Deze ontwikkeling heeft alles te maken met het feit dat de werkelijkheid als voorstelling steeds meer een wetenschappelijk model wordt, een stelsel dus dat aan alle mogelijke wetenschappelijke criteria voldoet en dat dus in hoge mate juist is. Maar intussen verhoudt dat model zich tot de realiteit als was het bijvoorbeeld een televisiebeeld. Dat televisiebeeld schijnt getrouw de realiteit te weerspiegelen, maar als en voorzover men in de waan verkeert inderdaad met de realiteit bezig te zijn, is het resultaat van iemands bemoeienissen, ondanks alle wetenschappelijke juistheid, uitermate irreŽel.
Het handelen van de moderne mens is als van een slaapwandelaar. Hij is heel verantwoord bezig met iets waarvan hij nauwelijks iets begrijpt. Maar als gevolg blijkt het al verwoesting wat hij aanricht. Het is ťťn gigantische fictie en het beroerde daarvan is dat die fictie bijna niet doorbroken kan worden, omdat hij in zichzelf zo juist en verantwoord is...
Als ik zeg dat de wetenschappelijke werkelijkheid een fictie is, dan bedoel ik daarmee niet te zeggen dat de inhoud van die werkelijkheid een hersenspinsel, een slag in de lucht of een fantasie zou zijn. Integendeel, die inhoud is een verzameling juiste kennis waarop, sinds het algemeen erkend worden van een aantal logische kriteria, in principe niets aan te merken is. Dat blijkt onder andere uit het grote succes van de natuurwetenschappen, de technologie en de daaruit voortspruitende techniek. Daarom gaat het dus niet.
Waarom het gaat is de uitwerking die de wetenschappen op de mensen, zowel wetenschappers als leken, hebben. Die uitwerking leidt tot het ontstaan en zich vastzetten van een 'levensbeschouwelijke fictie'. Deze fictie moet tot de ernstige wanen gerekend worden. Dat zijn onoplosbare toestanden die gegrond zijn op de werkelijkheid als voorstelling en die alleen maar van buitenaf opgeheven kunnen worden.
 
Er is onmiskenbaar enige overeenkomst tussen de wetenschap en de godsdienst. Beide hebben in sterke mate een indoctrinerende werking op de mensen. Zij steunen echter ieder op een ŗnder principe om die indoctrinatie tot een succes te maken. In de godsdienst maakt men gebruik van macht. Naarmate het gelukt macht over de mensen uit te oefenen kunnen ze geÔndoctrineerd worden en kan men ze van alles inprenten. Zijn ze om de een of andere reden niet ontvankelijk voor de door de godsdienst aangewende macht, dan wordt het ook met het inprenten niets.
Zo heeft de Roomse godsdienst post kunnen vatten doordat men de 'heidenen' met geweld wist te onderwerpen, in Europa in het voetspoor van de Romeinse legers. Onder druk van dat geweld kon men de mensen inprenten dat de Christelijke god almachtig was en als zodanig verre de macht van de Germaanse goden overtrof.
Hoewel er in de wetenschappelijke wereld heel wat machtsstrijd gevoerd wordt gaat het toch wezenlijk niet om de macht. Daarin ligt de overtuigingskracht van de wetenschap dan ook niet. Hij ligt daarentegen in de onmiskenbare juistheid van de wetenschappelijke beweringen, theorieŽn en toepassingen. Om 2x2=4 kan men niet heen en men kan er ook niet onderuit. Elke macht is op de een of andere manier te ontduiken, al was het maar door zich in stilte te verzetten. Maar 2x2=4 is onontkoombaar. Daardoor is de wetenschappelijke overtuiging de meest effectieve en indringende. En dat is nu juist een heel groot gevaar, in tegenstelling tot wat de denkers uit de toenmalige Verlichting gemeend hebben. De eerder genoemde fictie namelijk berust op die onmiskenbare juistheid van de wetenschappelijke werkelijkheid en bijgevolg is hij op zichzelf niet te bestrijden en te doorbreken. Het is een zichzelf steeds weer bevestigende zaak die van buitenaf, namelijk door de mens als idee, doorbroken moet worden.


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis

Deskundigheid of bekwaamheid: A1, B2, C3 en D4 ;


AFLEVERING NR. 27-(21-12-98)

Ook als het over de kunst gaat is het werkelijk opvallend hoe slordig er doorgaans gedacht wordt. Kennelijk hebben de, toch zo ongeveer door iedereen genoten, opleidingen niet veel zoden aan de dijk gezet.
Zo ziet men voortdurend over het hoofd dat er, wat de kunst betreft, een groot verschil is tussen de begrippen 'schoonheid' en 'mooi vinden'. Het ligt namelijk voor de hand dat 'schoonheid' een objectieve strekking heeft en 'mooi vinden' een subjectieve. Maar door het uitermate slordige denken van de moderne mensen wordt dit verschil zelden opgemerkt. En de enkele keer dat dit wel het geval is wordt er toch ook weer een rommeltje van gemaakt, bijvoorbeeld als iemand het verschil wel aanvoelt maar geen kans ziet dat voor zichzelf duidelijk te krijgen.
Het ergste is natuurlijk als men het verschil helemaal niet opmerkt. Dat gebeurt voortdurend, zelfs met een bloedstollend gemak. Gevolg is onder andere dat men over de kunst onmiddellijk met zo ongeveer iedereen ruzie kan krijgen, zoals onlangs weer bleek toen enkele kunstbazen voor veel geld een 'meesterwerk' van Piet Mondriaan gekocht hadden.
Op het ene moment beweert men met grote stelligheid dat een bepaalde kunstenaar geweldig 'goed' is om op een ander moment met betrekking tot diezelfde kunstenaar staande te houden dat het waarderen van kunst een kwestie van smaak zou zijn en dat daarover beslist niet valt te twisten. Dan is er dus geen objectieve beoordeling mogelijk. "De een vindt dit mooi en de ander dat", zo verkondigt men met overtuiging. Eerst gaat het dan blijkbaar over 'schoonheid', wat duidt op iets objectiefs, en vervolgens over 'mooi vinden', hetgeen een subjectieve zaak is. Dat beide standpunten elkaar wat dit betreft uitsluiten valt kennelijk niet op. Dat is eigenlijk bijzonder slordig...
 
Als het goed is kan er van een kunstwerk gezegd worden dat het mooi is, in de zin van 'schoonheid'. Deze kwalificatie is overigens uitsluitend aan de kunst voorbehouden. Je kunt uiteraard ook een andere term gebruiken als de essentie, datgene waarom het in de kunst gaat, maar duidelijk tot uitdrukking komt. Spreken over 'schoonheid' behoeft volstrekt niet te betekenen dat het kunstwerk fraai, lieflijk, sierlijk, bevallig, of iets dergelijks, is. Het kan zelfs helemaal niet mooi gevonden worden. Maar het begrip 'schoonheid', of een ander woord, slaat op een unieke eigenaardigheid van een kunstwerk, namelijk dat het de werkelijkheid als beeld, zo men wil de werkelijkheid als idee, tot uitdrukking brengt. Dat is een universele zaak. Behalve de kunsten is er niets dat daartoe in staat is.
 
Om deze 'schoonheid' van een kunstwerk te herkennen is een volstrekt onbevangen kijk nodig. Zo'n onbevangen kijk kan men ontwikkelen door zich zoveel mogelijk met kunst bezig te houden, in de zin van het beleven ervan. Dat vereist kijken, luisteren en lezen van literatuur.
Die kijk ontwikkelt zich per se niet door boeken over kunst te lezen of de commerciŽle wartaal van moderne kunstkenners aan te horen. Ook is het niet nodig dat men zich persoonlijk met het vervaardigen van kunstwerken onledig gaat houden. Men behoeft beslist geen piano te kunnen spelen om te horen of iemand al of niet goed en mooi piano speelt. Maar men moet wel goed kunnen luisteren!
 
Het veelgehoorde argument dat men verstand van kunst moet hebben en dat alleen gekwalificeerde deskundigen in staat zouden zijn een oordeel over een kunstwerk te geven, is volstrekte onzin. Onzin die verkondigd wordt door intellectuelen die nu ook beslag willen leggen op de kunsten. Hun zogenaamde deskundigheid heeft betrekking op aangeleerde kennis die kunstzinnig absoluut niet interessant is, hoogstens voor de kunsthandel. Omdat een kunstwerk autonoom is, voor zichzelf spreekt, heeft het verstand hebben ervan geen betekenis. Dat geldt overigens ook voor de filosofie, maar dit terzijde...
Wel echter gaat het om inzicht en het hebben van een heldere kijk op de zaak. Maar dat is niet te leren zoals je het alfabet en rekenen kunt leren. Je kunt het alleen maar in jezelf ontwikkelen.
 
Mooi vinden is puur subjectief. Het kan dan ook op van alles betrekking hebben. Je kunt je fiets mooi vinden en een locomotief, maar ook een kunstwerk. Dat is inderdaad een kwestie van smaak. Zo kun je bijvoorbeeld Beethoven mooi vinden, maar Chopin helemaal niet; je kunt Breitner mooi vinden maar Van Gogh lelijk, enzovoort. Maar je kunt naar aanleiding daarvan niet stellen dat Van Gogh of Chopin niet onder het begrip 'schoonheid' vallen. Dat wil zeggen: je kunt het wel stellen, maar dan blijkt daaruit dat je er geen kijk op hebt.
Iedereen heeft zijn voorkeuren. Dat geldt niet in de laatste plaats voor het genieten van kunst. Over die voorkeuren valt niet te twisten, zij zijn simpelweg zoals ze zijn. Dat is inderdaad een kwestie van smaak. Maar, daar bovenuit gaat de kijk op de kunst en die leert je wat werkelijk mooi is en wat niet.
 
De zaak is scherper stellen door je af te vragen of iets kunst is of niet. Dan echter wordt het van belang op je definitie van het begrip kunst te letten: versta je onder kunst elke individuele creatieve uitdrukking van emoties, dan valt letterlijk al het gebruikelijke artistieke gedoe er onder. Dus ook zonder meer alle moderne kunst, inclusief allerlei vormen van modieuze artistieke spielerei van verveelde dames en heren. Deze benadering is in zoverre te verdedigen dat je het artistieke gedoe in zijn algemeenheid onderscheidt van alle andere activiteiten en het op grond daarvan ook rechtvaardigt. Uiteindelijk blijft het een feit dat diegene die zich met artistieke spielerei bezig houdt verschilt van iemand die in materiŽle zin productief wil zijn.
Maar wie er werkelijk kijk op heeft zal doorgaans de voorkeur geven aan een scherp onderscheid tussen kunst en artistiek gedoe. Als criterium geldt dan dat de kunsten uitdrukking geven aan de werkelijkheid als beeld of idee. Maar dan zal de zogeheten moderne kunst over vrijwel de gehele linie buiten de boot vallen, om maar te zwijgen over die artistieke spielerei.
 
Toch worden er onder de noemer van de moderne kunst heel wat werkstukken gemaakt die mooi gevonden kunnen worden. Vaak zijn in schilderijen de kleuren zo mooi dat zij allerlei associaties en emoties in de beschouwer oproepen. Vaak zijn in de muziek de klanken mooi, in de literatuur de woorden fraai gekozen, enzovoort. Dikwijls kan men er oprecht enige tijd van genieten.
Maar het staat vast dat na een poosje de verveling toe zal slaan. Dat geldt in principe voor alles wat niet boven de materie uitgaat. De redenen daarvoor laat ik nu even buiten beschouwing, want een ieder kan bij zichzelf nagaan dat het zogenaamd mooie steevast gaat vervelen.
 
Het kijk hebben op kunst en dus het herkennen van 'schoonheid' staat geheel los van de voorkeuren die men heeft en dus ook los van de smaak. De een zal deze kunstwerken prefereren, bij de ander zal de voorkeur een geheel andere kant uitgaan. De smaak wordt door een veelheid van factoren bepaald en daaronder zijn er uiteraard die betrekking hebben op de tradities waarin iemand opgegroeid is. Daarnaast wordt de smaak bepaald door de talenten die men heeft.
Maar, kijk hebben op kunst betekent dat men herkent waar het in de kunst werkelijk om gaat. Het gaat om het bijwijze van beeld of idee aan de voorstelling ŗfspiegelen van de werkelijkheid als bewustzijn. Het is ook goed om te stellen dat de werkelijkheid als idee door de voorstelling heen straalt. Men beleeft dus iets universeels aan zijn eigen voorstelling van de werkelijkheid.
 
Als men bevangen is in de mode van zijn tijd of als men te weinig aanleg heeft om het beeld te herkennen, blijft men onherroepelijk in de smaak steken en dan kan het niet uitblijven dat op den duur de, op een bepaald moment heersende, mode de maat wordt voor het al of niet mooi vinden van een of ander kunstzinnig object. Omdat de mode in sterke mate beÔnvloedt wordt door allerlei tijdelijke opvattingen, waarvoor men tegenwoordig via de media intensief reclame kan maken, is ook het daaraan meekomende mooi vinden gebaseerd op allerlei verhalen. In feite is het een buitengewoon kinderachtige aangelegenheid die vooral populair is bij oppervlakkige lieden uit de wereld van geld, glamour en glitter.
 
Het hedendaagse glitterdom is rijkelijk voorzien van dames en heren die hun innerlijke leegheid en verveling trachten te verdrijven door zich met schilderen bezig te houden. Omdat zij als regel zwemmen in het geld dringen zij met hun producten gemakkelijk door in het circuit van galerieŽn zodat zij regelmatig hun leeg hoofderij kunnen exposeren. Zo nemen zij de plaats in van ernstige kunstenaars die nauwelijks nog een schijn van kans hebben.
Opmerkelijk is dat bedoelde dames en heren zich bij voorkeur met schilderen bezig houden. De verklaring daarvoor blijkt echter heel eenvoudig: je kunt dan namelijk naar hartenlust knoeien en net zolang poetsen tot het net lijkt alsof er iets moois ontstaan is. Wat dat betreft is het schilderen een gemakkelijk medium! Iets moeilijker, maar toch ook zeer in trek bij de dames en heren, is het schrijven van boeken. Met behulp van handige journalisten, die tegenwoordig immers de kenners op het gebied van de schrijfkunst zijn, krijgt men toch al gauw een boek in elkaar geknutseld. De relaties en het geld zorgen er vervolgens voor dat er ook gemakkelijk een uitgever gevonden wordt, iets wat voor een Ťchte schrijver nagenoeg onmogelijk is.
Het schilderen en het schrijven van boeken zijn populair bij de verveelde bovenlaag, maar tekenen en dichten bijvoorbeeld worden angstvallig gemeden, want de dames en heren hebben natuurlijk al lang begrepen dat het daarbij zelfs voor de leek duidelijk is dat men werkelijk talent moet hebben. Ze vallen dus een beetje te snel door de mand met hun rommel. Muziek maken of componeren is al helemaal uit den boze want die vakken vereisen ook nog een grote mate van bekwaamheid!
Niet doen dus..!

Deskundigheid of bekwaamheid: A1, B2, C3 en D4 ;




FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 28-(18-01-99)

Bij alle levende wezens, of het nu primitieve eencelligen zijn of uitermate ingewikkelde organismen zoals mensen, valt op dat zij in zichzelf beweeglijk zijn. Zij veranderen daardoor voortdurend van uiterlijke vorm en innerlijke toestand. Naar aanleiding daarvan valt vervolgens nog een tweetal essentiŽle bijzonderheden op. Om te beginnen is dat het feit van het levend-zijn, oftewel 'leven' en vervolgens kan opgemerkt worden dat er bewust-zijn, oftewel 'bewustzijn', voor die levende wezens geldt. Deze laatste twee begrippen, leven en bewustzijn, behoren uiteraard onlosmakelijk bij elkaar, afgeleid als zij zijn van ťťn enkele oorsprong, namelijk het in zichzelf beweeglijk zijn. Er is dus geen leven zonder bewustzijn en er is geen bewustzijn zonder leven.
Voor de duidelijkheid zij opgemerkt dat het begrip 'bewustzijn' in dit verband een wijdere betekenis heeft dan wanneer wij bijvoorbeeld spreken van "bij bewustzijn zijn" of, in andere gevallen, "bewusteloos zijn". Het begrip 'bewustzijn' geldt Úngeacht deze en dergelijke incidentele toestanden.
 
Het begrip 'leven' duidt op de eerste plaats op het almaar innerlijk en uiterlijk veranderen van het verschijnsel zelf, terwijl het tegelijkertijd geheel en al zichzelf gelijk blijft. Dit verschilt in alle opzichten van de toestand waarin de niet levende verschijnselen zich bevinden. Hoewel daarin de elementaire deeltjes zelf volop in beweging zijn gaat het toch over starre verschijnselen, ondanks het feit dat ook die eventueel, door bepaalde inwerkingen van buitenaf, enigszins kunnen veranderen. Zij kunnen bijvoorbeeld door het toevoeren van warmte een weinig uitzetten, of zelfs in een totaal andere toestand geraken, maar dat is natuurlijk iets heel anders dan het voortdurend uit zichzelf en in zichzelf bewegen van het verschijnsel zelf.
 
Ten tweede slaat het veranderlijk zijn op de plaats waar het betreffende levende verschijnsel zich bevindt. Het merkwaardige is dat het in principe niet aan een plaats gebonden is. Op de een of andere manier kan het ergens anders heen gaan, zelfs op een doelbewuste manier in verband met het verbeteren van de mogelijkheden om te overleven. Ook dat is iets wat voor de dode verschijnselen niet geldt. Deze worden tenvolle gekenmerkt door starheid.
 
Ten derde valt op dat het levende verschijnsel voort kan leven in telkens nieuwe individuen. Het reproduceert zichzelf waarbij er tegelijkertijd ook nog een vernieuwing optreedt, enerzijds door nieuw, van buitenaf ingevoerd, genetisch materiaal en anderzijds door bepaalde noodzakelijke aanpassingen.
 
Het begrip 'bewustzijn' heeft betrekking op de verhouding die er is tussen de innerlijke beweeglijkheid van het levende verschijnsel zelf en de beweeglijkheid van de wereld van de verschijnselen als geheel. Anders gezegd: de verhouding tussen de binnenwereld en de buitenwereld, waarbij in het oog moet worden gehouden dat genoemde binnenwereld op een speciale manier eveneens inhoud van die buitenwereld is. Dat is er onder andere oorzaak van dat het levende verschijnsel ook op zichzelf kan reageren. De verhouding tussen de binnen- en buitenwereld is geen starre, maar een veranderlijke. Uiteraard is dat het geval omdat het over beweeglijkheden gaat. Er is een voortdurende wisselwerking tussen beide werkelijkheden, rijkelijk voorzien van wat tegenwoordig 'feed-back processen' genoemd worden. Zo'n wisselwerking kan er logischerwijze alleen maar zijn als genoemde binnenwereld op andere manier dezelfde is als de buitenwereld. Zonder die overeenkomst kunnen er geen feed-back processen zijn en dat betekent onder andere dat het levende verschijnsel niet zou kunnen reageren op de dingen om haar heen, dus op het geheel van het milieu of de biotoop.
 
Dat reageren op situaties in de buitenwereld is een programmatische zaak. Dat wil zeggen dat het specifieke innerlijke reacties zijn op specifieke toestanden zoals die zich almaar voordoen, zowel in de buitenwereld als in de binnenwereld van het betreffende levende wezen zelve. Er is geen sprake van willekeur, het is een zaak van programma's die zich na een bepaalde prikkel onvermijdelijk en volgens een vast patroon af gaan wikkelen, ongeveer zoals computer programma's dat doen.
Zo is het ook noodzakelijk dat die prikkels herkend worden. Is dat niet het geval, dan kan er geen adekwate reactie volgen, hetgeen doorgaans een gewisse ondergang van het organisme betekent. Wanneer bijvoorbeeld een eencellig diertje in een sloot geconfronteerd wordt met een onbekende prikkel zoals die van een bepaald landbouwgif, weet het niet zinvol te reageren zodat het ten onder gaat. Maar, op een tot haar biotoop behorende prikkel kan het effectief reageren, uiteraard al of niet met uiteindelijk succes.
 
De werkelijkheid als bewustzijn kan beschreven worden als de op 'virtuele wijze' in alle levende wezens aanwezige buitenwereld. Die virtuele werkelijkheid is onaantastbaar, zij is er gewoon. En het reageren er op laat ook geen keuze toe: er mÚet gereageerd worden en wel op een via de evolutie geprogrammeerde manier.
Toch is dat feed-back programma niet helemaal vastgelegd. Er is altijd een zekere tolerantie, die mogelijk is doordat het bewustzijn wezenlijk een beweeglijke, niet vastgelegde, zaak is. Daardoor is het mogelijk geworden dat organismen zich in zekere mate kunnen aanpassen aan veranderingen in hun buitenwereld. Meer dan een zekere mate is het evenwel niet: de poes zal altijd een poes blijven, al heeft zij zich aan de kattebak aangepast en de koe wordt nimmer echt een melkmachine, al denken hedendaagse techneuten dat in hun verblinding.
Een belangrijk deel van wat doorgaans evolutie genoemd wordt heeft, in strijd met wat die techneuten ook nog beweren, niets met het ontstaan van nieuwe soorten van organismen te maken. In feite zijn het alleen maar nieuwe aanpassingen van oude organismen aan veranderde omstandigheden. Bestaande leefvormen stellen zich in op hun nieuwe omgeving teneinde zo veilig mogelijk te kunnen overleven.
Dat is bijvoorbeeld het geval bij micro-organismen zoals bacteriŽn en virussen die na verloop van tijd resistent zijn geworden voor anti-biotica. Zij hebben zich in enkele generaties aangepast aan de gewijzigde en bedreigende omstandigheden.
 
Anders dan het genoemde aanpassingsproces levert de evolutie, zolang die nog aan de gang is, wŤl geheel nieuwe organismen op. De structuur daarvan is zonder tussenfase naar een hogere graad van innigheid gemuteerd. Daaraan komt logischerwijs mee dat de zich binnen het organisme bevindende virtuele werkelijkheid enigszins omvangrijker wordt, om tegelijkertijd ook genuanceerder te worden. Zo is ook weer dit nieuwe levende wezen onlosmakelijk verbonden met haar biotoop, zodat het de mogelijkheid heeft zinvol te reageren en bijgevolg te overleven.
Tijdens de evolutie verinnigt zich de structuur van het levende verschijnsel. Die structuur is, hoewel door en door beweeglijk, wezenlijk materieel van aard. De samenstellende elementen komen tot elkaar in steeds inniger verhoudingen te staan, maar, vanwege hun materiŽle karakter komt aan dit proces onvermijdelijk een eind. Op een zeker moment kan het niet inniger en dat betekent het onherroepelijke einde van de evolutie op een planeet. Op die planeet gaat de evolutie dan niet verder.
Terzijde: de meeste aanhangers van de evolutietheorie willen van geen eindpunt weten. Nu zij eenmaal hebben begrepen dat er geen goddelijke creatie maar evolutie is zŗl er ook tot in alle eeuwigheid evolutie zijn!
Het enige wat echter in feite voort gaat is niet de evolutie maar het aanpassingsproces. Opdat het leven zich zal kunnen handhaven zullen de organismen zich aanpassen aan de wisselende omstandigheden. Uiteraard levert dat talloze vernieuwde levensvormen op, maar een wezenlijk nieuw verschijnsel kan op evolutionaire wijze nimmer meer optreden. Wat de techneuten ooit nog eens zullen produceren is natuurlijk een andere, overigens uiterst dubieuze, zaak. Met het laatste verschijnsel is de evolutie echter definitief klaar.
En zie, dat laatste verschijnsel is de mens...


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 29-(15-02-99)

Naar bladwijzers: Rationeel-1 ; Rationeel-2 ; Rationeel-3 ; Rationeel-4 ; Eenzijdgheid-1 ; Eenzijdgheid-2 ; Eenzijdgheid-3 ;

 

Gewoonlijk worden de begrippen 'zelfbewustzijn' en 'bewustzijn' door elkaar heen gebruikt, als zouden zij dezelfde betekenis hebben. In de filosofie is het echter noodzakelijk, als het over de mens gaat, scherp onderscheid te maken tussen de werkelijkheid als zelfbewustzijn en de werkelijkheid als bewustzijn. De eerste is namelijk qua inhoud bepaald door een aantal variabele persoonlijke factoren terwijl de tweede, in het kort 'het bewustzijn' te noemen, qua inhoud in het geheel niet persoonlijk maar universeel is. Dat betekent onder meer dat er geen enkel verschil is tussen het bewustzijn van de ene en de andere mens, althans niet waar het het bewustzijn op zichzelf betreft. Het ondergaan ervan, het ervaren en het beleven ervan verschilt wel degelijk van individu tot individu. De een voelt zich er meer mee verbonden, stelt er meer vertrouwen in dan de ander. Daarin spelen de geldende cultuur, de sociale en intellectuele omstandigheden en iemands persoonlijke aanleg een cruciale rol.
 
De modern-westerse cultuurmens staat uitgesproken vijandig tegenover zijn eigen werkelijkheid als bewustzijn. Hij vindt het een subjectieve en dus oncontroleerbare zaak. Wat niet gecontroleerd kan worden is voor hem al bij voorbaat onbetrouwbaar. Bovendien is volgens de moderne mens die werkelijkheid als bewustzijn door en door emotioneel van karakter en ook dat is iets waarvan hij niets wil weten. Hij vindt dat hij rationeel moet zijn, logisch redenerend en afstandelijk. Uiteraard erkent hij het bestaan van emoties, maar die zijn alleen toegestaan in de privťsfeer en in de kunsten, maar per se niet in het, qua belangrijkheid alles overtreffende, werkzame leven. Daarin dient de orde van het intellect te heersen, vindt hij.
 
Wat dat emotionele betreft speelt bij die modern-westerse cultuurmens ook nog een belangrijke rol dat hij, overigens terecht, het gevoel heeft dat het private en het kunstzinnige aan het vrouwelijke verwante zaken zijn. Maar dat vrouwelijke is nu juist iets waarbij die moderne mens, hetzij vrouw of man, zich bepaald ongemakkelijk voelt. De ongrijpbaarheid en het onberekenbare ervan worden als zo bedreigend gevoeld dat men er maar het liefst niets mee te maken wil hebben. Uiteraard is de moderne mens beschaafd genoeg om het bestaan ervan te erkennen en zelfs wil men wel zijn sympathie voor het feminisme betuigen. Tolereren wil men het wel, maar het laten gelden van dat vrouwelijke, met haar inhoud van schoonheid, harmonie en ruimte, wordt graag achterwege gelaten.
 
Alle verschillende verhoudingen van beweeglijkheid, zoals die ontstaan zijn tijdens de wording van het universum, zijn in levende cellen samengesmolten tot ťťn totaaltrilling die op 'virtuele' wijze alle bestaande trillingen inhoudt. Als voorbeeld kan hierbij gedacht worden aan de groeve zoals die op een ouderwetse grammofoonplaat aangebracht is. Dat is in feite een enkel spoor, maar toch is hij tegelijkertijd een samenstel van een groot aantal op zichzelf staande trillingen. Die laten zich weer horen bij het afspelen van de grammofoonplaat. Er weerklinkt dan een totaalklank waarin de afzonderlijke klanken te herkennen zijn, evenwel zonder dat die van elkaar gescheiden kunnen worden. Ook in elke levende cel is een dergelijke alles omvattende trilling aanwezig en ook daarin kunnen onderscheidingen gemaakt worden. De voortdurende aanwezigheid van die 'totaaltrilling' is wat ik pleeg te noemen de werkelijkheid als bewustzijn. Omdat dit een samenspel van alle soorten trillingen is kan het voor de mens, als laatste verschijnsel, logischerwijs niet anders dan een universele zaak zijn die zomaar, zonder meer, in iedereen volledig aanwezig is. De ervaring van het bewustzijn noem ik 'de werkelijkheid als beeld' of ook wel 'de werkelijkheid als idee'.
 
Het beeld, de idee, kan niet zelfstandig optreden en wel omdat het toch ten allen tijde een trilling blijft die als zodanig onmogelijk een concrete vorm kan aannemen. Het bewustzijn heeft iets ŗnders nodig om zich als een beeld of een idee te manifesteren. Zoals de trillende vioolsnaar de klankkast nodig heeft om hoorbaar te worden, zo heeft ook het bewustzijn een soort van klankkast nodig om zich te kunnen manifesteren. Het is de werkelijkheid als zŤlfbewustzijn die zich daartoe leent. Hoewel dit als inhoud van onze geest een abstracte zaak is, is hij toch in feite concreet omdat het gaat om een getrouwe afbeelding van ieders persoonlijke wereld. Dat hij inderdaad concreet is moge eveneens blijken uit het feit dat hij voor iedereen ietwat ŗnders is en ook uit het feit dat hij zich uiteenleggen laat in zijn samenstellende delen. Deze concrete werkelijkheid nu fungeert als 'klankkast' voor het bewustzijn. Dat wil zeggen: aan het zelfbewustzijn laat het bewustzijn zich ervaren, en wel bijwijze van 'beeld' of, zo men wil, 'idee'. Tot op zekere hoogte is het verantwoord om te stellen dat het nu gaat over de werkelijkheid achter de dingen, zoals kunstenaars het graag willen noemen. Die werkelijkheid is een 'algemeenheid', want zij is niet opgebouwd uit een veelheid aan bijzonderheden, maar daarentegen uit een eenheid van 'essenties'. Zij vertoont geen details, maar nuances.
 
Voor alle duidelijkheid: genoemde genuanceerde werkelijkheid is er altijd zolang en voorzover er een levend mens is. Bovendien is zij op zichzelf onafhankelijk van wat dan ook. Zij is onaantastbaar. Maar het zich manifesteren is wel degelijk een afhankelijke zaak. Die is namelijk afhankelijk van het zelfbewustzijn. Zij spiegelt zich immers aan dat zelfbewustzijn af, straalt er als het ware doorheen! In dat afspiegelen speelt evenwel het zelfbewustzijn als zodanig geen rol, in die zin dat alleen de aanwezigheid ervan bepalend is. Anders gezegd: de mens kan vanuit zijn zelfbewustzijn geen invloed uitoefenen op de werkelijkheid als bewustzijn. Het gaat alleen maar om de aanwezigheid. Daarvan is te zeggen dat die logischerwijs gevarieerd is, namelijk van vrijwel geheel duister tot en met nagenoeg glashelder, hetgeen op zijn beurt weer bepalend is voor de kwaliteit van de werkelijkheid als beeld. Dat betreft dan voornamelijk de meerdere of mindere mate van genuanceerdheid, maar per se niet het waarheidsgehalte ervan. Dit laatste begint pas dan dubieus te worden wanneer de helderheid van het zelfbewustzijn een bepaald punt gepasseerd is, het omslagproces namelijk waarop de mogelijkheid om de werkelijkheid te analyseren effectief begint te worden. Een zaak moet immers eerst voldoende herkenbaar zijn om nader onderzocht en uiteengelegd te kunnen worden.
 
In de cultuurgeschiedenis van de mensheid ligt genoemd omslagproces aan het einde van de Oudheid. Dan begint, zij het uiteraard vooralsnog pover en schuchter, de analytische periode van de mensheid. Aan deze periode is dus een bepaalde graad van helderheid van het zelfbewustzijn voorondersteld, maar dat wil niet zeggen dat er eerder geen analyse kan zijn en dat er na die periode geen waarheid meer mogelijk zou zijn. Waarom het gaat is dat eerst de analyse in culturele zin nog niet echt effectief is en dat dit daarna, na de Oudheid, wel het geval is, terwijl tegelijkertijd het weten omtrent de waarheid aanvankelijk effectief is om daarna steeds meer dubieus te worden. In de periode na de Oudheid, gemakshalve te noemen de Moderne Tijd, is het met de waarheid, oftewel het inzicht in de werkelijkheid, almaar beroerder gesteld.
 
Tijdens de geschiedenis van de mensheid gaat de ontwikkeling van de cultuur nooit in een eenzijdigheid op. Er is dus nimmer eenzijdig kennis van de waarheid en ook nooit eenzijdig analyse. Het is altijd een kwestie van effectiviteit van het een of van het ander, maar nooit is een van die twee volledig uitgeschakeld. Dat zou ook niet kunnen, want dat zou betekenen dat het mens-zijn verloren is gegaan. Maar, al is de mens tijdens zijn groei naar volwassenheid nog zo zeer van zichzelf vervreemd, nimmer kan hij zijn bewustzijn en zelfbewustzijn opheffen, behalve uiteraard in de dood...


Naar bladwijzers: Rationeel-1 ; Rationeel-2 ; Rationeel-3 ; Rationeel-4 ; Eenzijdgheid-1 ; Eenzijdgheid-2 ; Eenzijdgheid-3 ;


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

Bladwijzer: Vervreemding ; Rechten van de mens-1 ; Rechten van de mens-2 ; Rechten van de mens-3 ;

The beautiful Art of Philosophy

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 30-(15-03-99)

Aan het einde van de Oudheid geraakte de ontwikkeling van de mensheid in een, overigens langdurige, overgangsfase. Ten einde liep de periode waarin de relatie van de mens met zijn werkelijkheid gekenmerkt werd door ervaringskennis, in het leven van alledag opgedaan aan de confrontatie met velerlei praktische problemen, gevoegd bij de van geslacht op geslacht doorgegeven kennis die gebaseerd was op ervaringen uit vroeger tijden. Dat alles bij elkaar vormt een gigantische schat aan kennis waarvan de omvang en systematiek nu pas enigszins begint door te dringen tot de geleerden van de moderne wereld. Tot voor kort beschouwden zij, in vaak ergerlijke zelfoverschatting, de kennis van de Oudheid en in het algemeen ŗlle niet-westerse kennis als primitief en in het beste geval voor-wetenschappelijk, hetgeen feitelijk in hun jargon betekent dat het allemaal niet veel om het lijf heeft.
 
Ervaringskennis vooronderstelt een Úngebroken werkelijkheid. Daarmee wordt van alles geprobeerd, uiteraard met de bedoeling meer en betere instrumenten in handen te krijgen om te overleven. Daartoe wordt op alle mogelijke manieren gebruik gemaakt van de door de planeet voortgebrachte materialen, die zo tot inhoud van het verschijnsel mens worden. Dat wil zeggen dat zij aan zijn bezit aan kennis worden toegevoegd. Zo worden zij getransformeerd tot instrumenten van de mensen om op die manier hun mogelijkheden uit te breiden om de aarde leefbaar te maken.
Dat transformeren is in de eerste plaats een zaak van vallen en opstaan, van 'trial and error'. Maar, waarom het in dit verband gaat is dat bij al die pogingen de oorspronkelijke materialen niet wezenlijk van karakter zijn veranderd. En ook de daaruit voortgekomen toepassingen zijn gebaseerd op de vormen en eigenschappen van de gebruikte materialen. Die zijn als het ware alleen maar 'opgewaardeerd'. Bijvoorbeeld: een boom wordt opgewaardeerd tot een kast of een boerenkar. En de huid van een koe tot leder voor schoenen en dergelijken.
In feite gaat het er bij ervaringskennis om dat de mens heeft geleerd wat hij met de voorhanden werkelijkheid kan doen. Dat voorhandene is dus de basis van die kennis en uiteraard is dat allemaal concreet en praktisch van aard. En als zodanig is dat het uitgangspunt van een omzettingsproces dat zich in de werkelijkheid als mens realiseert. De omzetting namelijk van verschijnsel tot mens oftewel van 'natuur' tot 'cultuur'.
 
Genoemd omzettingsproces heeft in de eerste plaats betrekking op het overleven. Dit is alleen maar mogelijk als en voorzover de mens de wilde onherbergzame natuur van de aarde, oftewel het biotoop, aangepast heeft aan zijn eigen specifieke behoeften. Het moet een bij hem behorend milieu worden. Daartoe moet hij raad leren weten met die hem bedreigende natuur. Maar dat gaat bepaald niet vanzelf. In tegenstelling tot de overige levende wezens heeft de mens geen door de evolutie ingeprent instinct, een programma dat hem in staat stelt als vanzelf het juiste te doen om te overleven. Hij moet werkelijk ŗlles leren en wel door via 'trial and error' zoveel mogelijk ervaringen op te doen. Deze en dergelijke nimmer aflatende menselijke activiteiten zijn samen te vatten onder het begrip arbeid.
 
Het gaat echter niet alleen maar om arbeid ten behoeve van het overleven. Het door de mens 'tot zichzelf omzetten' van de voorhanden verschijnselen vertoont ook nog iets anders dat merkwaardigerwijs volstrekt tegengesteld is aan de arbeid in bovengenoemde betekenis. Het gaat nu om de kunsten. Ook daarin worden de verschijnselen tot een menselijke zaak omgezet, nu evenwel niet met de bedoeling het praktische overleven mogelijk te maken, maar eigenlijk met geen enkel concreet doel.
Indien men desondanks toch van een 'doel' wil spreken, omdat de activiteiten van de mens nu eenmaal uit door hem bewust genomen besluiten voortkomen, zou dat doel kunnen zijn dat de mens de werkelijkheid tot inhoud van zijn bewustzijn wil maken. Door dat te doen raakt hij aan het uiterste waartoe de werkelijkheid kan komen, namelijk het als ťťn geheel ineenzijn van alles wat er is. Die situatie kan alleen maar 'als mens' in diens bewustzijn voorkomen.
In werkelijkheid blijft het 'een' noodzakelijkerwijs gescheiden van het 'ander'. Die twee zullen in de praktijk nimmer ťťn worden, maar als inhoud van het bewustzijn kunnen zij zelfs niets anders dan een eenheid vormen.
 
Het is in de kunsten - waartoe in strijd met de gebruikelijke opvattingen ook het filosoferen behoort - dat de mens uitdrukking geeft aan die tot eenheid getransformeerde werkelijkheid. Nu is dat een zaak geworden van schoonheid en waarheid. Deze twee begrippen zijn cruciaal voor een helder inzicht in de cultuur van de Oudheid. Zij verklaren namelijk de kunstzinnigheid en het mythische van die oude culturen. Want dat de mensen van de Oudheid op een uitzonderlijke manier gedisponeerd waren voor het schone en het ware staat onomstotelijk vast! Alles wat zij aanraakten werd tot iets moois en waars, of het nu een gebruiksvoorwerp was of een beeld van een godin, een verhandeling over het bakken van potten of over de grondslagen van de werkelijkheid. Dergelijke verhandelingen zijn overigens meestal in dichtvorm gesteld, hetgeen uiteraard ook op de behoefte aan schoonheid wijst.
 
Twee karakteristieken vallen dus op als het over de cultuurperiode van de Oudheid gaat, namelijk ten eerste die van een op ervaringskennis berustende wetenschappelijkheid en ten tweede die van een op schoonheid en waarheid gerichte kunstzinnigheid. Aan het einde van de Oudheid evenwel zet de ondergang van deze kennis en kunstzinnigheid in. De nieuwe tijd begint! Zo ongeveer met de opkomst van de Romeinse beschaving krijgt de werkelijkheid als een ongebroken geheel almaar minder nadruk, terwijl op de voorgrond komt te liggen dat de werkelijkheid onmiskenbaar vooral een verzameling van allerlei op zichzelf staande verschijnselen is. Dat heeft onder andere tot gevolg dat er onderscheid gemaakt gaat worden tussen het ene en het andere ding, hetgeen vanzelfsprekend leidt tot het vergelijken van die twee zaken.
Men wil voortaan weten wat de verhouding is tussen de dingen. Dat slaat uiteraard vooral op het onderscheid tussen de ene persoon en de andere. Hiermee neemt het formuleren van rechten een aanvang, met als voorlopig hoogtepunt de ' Universele Verklaring van de Rechten van de Mens ', geproclameerd in 1948 door de Verenigde Naties.
Het maken van onderscheid tussen de dingen leidt natuurlijk niet alleen tot het formuleren van het voor de mensen geldende recht. Het uit elkaar halen van de verzameling materiŽle verschijnselen zet zich nu eveneens in volle omvang door. Dat wil zeggen dat vanaf dit moment de wetenschappelijke analyse van de werkelijkheid een feit wordt. Daarmee vervalt gaandeweg de rol van de ervaringskennis om plaats te maken voor fundamentele kennis, dat wil zeggen: kennis die betrekking heeft op de basale elementen waaruit de dingen bestaan. Was de werkelijkheid voordien een samenhangend geheel, thans wordt zij opgedeeld in zo klein mogelijke elementen waar de mensen na verloop van tijd helaas geen wijs meer uit kunnen worden.
Dat is de paradox van de moderne tijd, namelijk dat de buitengewone wetenschappelijke ontwikkeling tegelijkertijd een waanzinnige vervreemding teweeg brengt...

Rechten van de mens-1 ; Rechten van de mens-2 ; Rechten van de mens-3 ;


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

The beautiful Art of Philosophy

Bladwijzer: Verlichting

De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,

door Jan Vis


AFLEVERING NR. 31-(12-04-99)

Met betrekking tot de westerse wereld heeft iemand eens beweerd dat in wezen "iedereen de vijand van iedereen" is. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat deze kreet alleen maar een incidentele boze reactie op de een of andere nare ervaring is.
Toch is dat niet het geval.
Het is een ernstig gemeend oordeel, zelfs wel een hartenkreet, van iemand die er uitvoerig zijn gedachten over heeft laten gaan. Bij nadere beschouwing blijkt dat dit oordeel maar al te waar is, zij het slechts in voorlopige zin.
 
Dat de mensen elkaar in letterlijke zin voortdurend naar het leven zouden staan en dat moord en doodslag tot de normale dagelijkse bezigheden zouden behoren, is een gedachte die logischerwijs, in het licht van de eeuwigheid en oneindigheid, absoluut onhoudbaar is. Maar gelet op de afschuwelijke manier waarop het er op tal van plaatsen op de wereld toegaat, lijkt die gedachte wel degelijk juist te zijn. Aan de ene kant blijkt het noodzakelijk te zijn de mensen met overheidsgeweld in toom te houden en aan de andere kant blijkt het weinig moeite te kosten om een onvoorstelbaar wrede moordlust bij zo ongeveer iedereen te ontketenen.
Toch is het niet moeilijk om vast te stellen dat vooral de westerse mensen doorgaans behoorlijk geweldloos met elkaar omgaan, zeker als het over 'gewone' mensen gaat. Voorzover er toch agressie voorkomt blijft dat beperkt tot, overigens inderdaad vaak heel ernstige, incidentele gevallen, meestal onmiskenbaar berustend op individuele criminaliteit. Helaas moet hierbij tegelijkertijd opgemerkt worden dat de doorsnee machthebber zich doorgaans niet zo bijzonder aardig pleegt te gedragen.
Macht corrumpeert inderdaad..!
 
Over het geheel genomen gaat het er vooral in de moderne westerse wereld aardig redelijk en geweldloos aan toe. Dat zou toch eigenlijk wel enige bevreemding moeten wekken, want de moderne, in principe westerse, cultuur levert een buitengewoon rijke voedingsbodem voor agressie en geweld op. Een proces van toenemende fragmentatie van de materiŽle werkelijkheid behoort namelijk onlosmakelijk bij die cultuur. De dingen worden almaar meer van elkaar gescheiden en in hun onderdelen uiteengelegd. Dat is in feite de analyse die letterlijk door alles heengaat.
Niet alleen de dingen maar ook de mensen zijn aan ditzelfde proces onderhevig. Gewoonlijk wordt dat echter niet als een zich, vanuit de cultuur, doorzetten van een analytisch proces gezien. Men heeft het in dit verband zelden over fragmentatie of analyse, maar daarentegen wel over 'emancipatie', over 'zelfbewustzijn' en over 'mondigheid'.
In feite is het niet per se onjuist dat men er die begrippen aan bedenkt en vervolgens naar voren haalt, maar het verdoezelt wel enigszins waar het werkelijk om gaat. Die begrippen hebben namelijk geen betrekking op de kern van de zaak. Zij duiden niet de eigenlijke oorzaak aan, maar slechts de gevolgen. Het is bij de mens als zelfbewustzijn dat die gevolgen thuishoren en zich manifesteren. Maar daaraan is wel het een en ander vooraf gegaan.
 
Pas na verloop van tijd gaan bepaalde cultuurprocessen in het zelfbewustzijn van de mensen een actieve rol spelen. Vanaf dat moment treedt er emancipatie op die tenslotte tot mondigheid zal leiden. Maar zoals zo vaak wordt alle aandacht op die symptomen en gevolgen gericht en niet op het er aan ten grondslag liggende proces. Te begrijpen is dat wel, want de gevolgen en symptomen zijn duidelijk waarneembaar en doorgaans ook ontvankelijk voor wetenschappelijk onderzoek. De basale processen binnen de cultuur als zodanig evenwel zijn op zichzelf niet concreet waarneembaar. Zij zijn slechts na te gaan vanuit het beweeglijke virtuele beeld van de werkelijkheid zoals zich dat, meestal ongeweten, in ieder mens op eendere wijze vertoont. Het is dan ook aan de hand van het creatieve filosoferen dat men inzicht kan krijgen in deze diepliggende processen.
 
In tegenstelling tot de andere levende wezens geldt voor het verschijnsel 'mens' dat het zich ontwikkelt. Het begrip 'ontwikkelen' houdt in dat het verschijnsel 'mens' zichzelf almaar meer naar zijn eigen niet-materiŽle gesteldheid waarmaakt. Hij blijft daarbij tenvolle het verschijnsel dat hij vanuit de evolutie is, om tegelijkertijd langzaam maar zeker te veranderen, en wel in 'verhelderende' zin.
Vanaf zijn geboorte op de planeet is het ontwikkelingsproces van de mens aan de gang. Hij verheldert zichzelf gestaag. Dat proces voltrekt zich, in feite onmerkbaar voor het individu, via de opeenvolgende generaties. Toch blijken er twee naadloos in elkaar overgaande fasen in te onderscheiden te zijn. Zij worden door grote onderlinge verschillen gekenmerkt.
In de eerste fase wordt de onmiddellijk gegeven werkelijkheid langzaam maar zeker duidelijk voor het zelfbewustzijn van de mensen. Zij beginnen dingen te onderscheiden en de onderlinge verbanden te ontdekken. Dit alles evenwel binnen het geheel van een niet verbroken, vrouwelijk geaccentueerde werkelijkheid. Het is en blijft ťťn in zichzelf samenhangend geheel. Grofweg gesproken is dit de periode van de Oudheid tot zo ongeveer het begin van onze jaartelling.
In de tweede fase worden de, inmiddels helder geworden, dingen van elkaar gescheiden. De Romeinen vertonen de eerste onmiskenbare manifestaties daarvan. Het vooralsnog prille scheidingsproces komt bij hen hoofdzakelijk voor de dag als een behoefte om te verzamelen. Zij harken zoveel mogelijk bij elkaar in een schier onverzadigbare verzamelwoede. Zo ontstaat het Romeinse wereldrijk, een verzameling waarin de afzonderlijke landen, zoals het bij een verzameling behoort, zoveel mogelijk hun eigen identiteit behouden, ja zelfs vanwege dat eigene bijeengebracht worden.
Dat geldt niet alleen voor de veroverde gebieden maar vooral ook voor de binnen de verzameling opgenomen culturen. Zo maakten de Romeinen zich meester van alle kunstvormen van de Oudheid en zij beoefenden die alsof het hun eigen authentieke uitingen waren. Behalve in technische zin werden de kunsten niet of nauwelijks verder ontwikkeld. In feite werd er heel banaal, maar vaak uiterst bekwaam, gekopieerd. Hetzelfde was het geval met de verschillende religies. Bekend is dat Rome een vergaarbak van de meest uiteenlopende godsdiensten was. Wat dit betreft is het overigens niet verwonderlijk dat de Christelijke Kerk hier aan de macht kwam, want het christendom is in feite ook samengesteld uit allerlei oude religies, vaak zelfs uit de grijze Oudheid.
 
Te beginnen met de Romeinen gaat dus de werkelijkheid zichzelf fragmenteren. Steeds kleinere fragmenten scheiden zich af van het geheel en dat gebeurt niet alleen met de dingen, maar ook met de mensen. Bij hen treedt in toenemende mate individualisering op, uiteraard om te beginnen op een uitermate primitieve wijze. Die vooralsnog primitieve individu staat nog helemaal in het teken van het voor hem geldende culturele uitgangspunt. De inhoud daarvan manifesteert zich als het besef: "Ik ben ik en jij bent niet-ik en dus tel jij voor mij niet mee". Deze gesteldheid is inderdaad te typeren door te zeggen: "Iedereen is de vijand van iedereen". Omdat genoemd cultureel uitgangspunt nog steeds verbonden is met het voor de Oudheid geldende besef van samenhang en eenheid gaan zich aanvankelijk bepaalde groepen vormen met specifieke identiteiten, geworteld in gemeenschappelijke belangen. Die groepen gelden dan als eenheden waarvoor dat vooralsnog primitieve begrip 'individu' van kracht is.
Gaandeweg, onmiskenbaar sinds de Verlichting aan het eind van de 18e eeuw, vallen evenwel ook die groepen uiteen, een proces dat vandaag in de westerse wereld definitief doorgebroken is. Thans komen de afzonderlijke mensen op zichzelf te staan, maar alweer: het is een uitermate primitief begin. Het begin namelijk van de geboorte van 'de' individu, te weten 'de mens als individu'. Voorlopig is er van die mens niet veel goeds te verwachten, want pas met zijn volledige ontplooiing zal hij tot de ontdekking komen dat zijn eigen aanwezigheid onmiddellijk en noodzakelijkerwijs die van de ander inhoudt. Als het met de mens zover is gekomen wordt het echt gezellig in de wereld...

 

De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,





FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 32-(10-05-99)

Overgang-1 ; Overgang-2 ;
 
De straks volledig gefragmenteerde werkelijkheid van de westerse cultuur is er een die geheel en al doortrokken zal zijn van een fundamentele 'culturele vijandschap' van allen tegen allen. Gaandeweg zijn dan alle groepen van door belangen met elkaar verbonden individuen ten prooi gevallen aan de fragmentatie. Daarbij is dan ieder voormalig lid van een belangengroep of politiek collectief op zichzelf komen te staan als een van al het andere en de anderen afgezonderd verschijnsel.
Voor de in dat proces betrokken mensen geldt in principe dat de een zonder meer de ontkenning is van de ander. Geldig is de fundamentele notie: 'Jij' bent 'ik' niet. In wezen staan daardoor alle leden van de uiteindelijke westerse cultuur elkaar onverbiddelijk naar het leven. Hoe onaangenaam dit ook klinkt, het is de onvermijdelijke consequentie van het uiteenvallen en als zodanig moet het als uitgangspunt genomen worden van het denken over de moderne cultuur. Zonder dat uitgangspunt blijft het denken over de moderne cultuur steken in allerlei moralistisch gedoe over hoe het zou moeten zijn, maar ten enen male niet is.
 
De 'culturele vijandschap' gaat in de moderne cultuur letterlijk door alles heen. Duidelijk is dat waarneembaar aan het merkwaardige verschijnsel dat de moderne mensen elkaar als een object zijn gaan beschouwen. De overheid bijvoorbeeld behandelt de burgers als onderdelen van een door haar bestuurde machine die, zoals bij een machine gebruikelijk, op voorspelbare wijze een bepaald product, in dit geval een economisch voordelige maatschappij, moet afleveren. Mankeert er iets aan zo'n onderdeel, dan wordt dat door deskundige technici gerepareerd opdat het werk door kan gaan. Blijkt het niet meer te herstellen, dan wordt het tegen een minimum aan kosten afgeschreven.
Als het inderdaad over een machine zou gaan zou dat in orde zijn, maar mensen zijn geen onderdelen van machines, noch is de samenleving een machine. Dit betekent dat er, als er iets mis is met iemand, in de eerste plaats 'medeleven' vereist is. Maar de moderne praktijk laat het tegendeel zien: er komt een deskundige opdraven die uitvoerig het dossier van zijn client raadpleegt en die, met behulp van wat hij op een cursus geleerd heeft, een beoordeling geeft, zonder zelfs maar in de verste verte te bevroeden over wie zijn cliŽnt nu feitelijk is.
De huidige herkeuringen voor de WAO zijn wat dit betreft exemplarisch. Een onderdeel van een machine kan door elke willekeurige deskundige getest en beoordeeld worden. Als hij geleerd heeft hoe het zit met een zo'n onderdeel kent hij ze automatisch allemaal. Maar elk mens is een volstrekt uniek geval, dus kan men met geleerdheid niet ver komen. Toch is in de moderne samenleving geleerdheid de maat van zo ongeveer alles wat met de mens te maken heeft.
 
Gelukkig ervaren de mensen elkaar vaak als een aardig object, anders zou er helemaal niet te leven zijn in onze moderne wereld. Zij kunnen zelfs wel van elkaar houden, maar ook als dat onder omstandigheden niet het geval is gaan zij er niet of hoogst zelden toe over elkaar uit te roeien. Terecht wordt een dergelijk gedrag als uitzonderlijk beschouwd en ingedeeld in de rubriek 'criminaliteit'. Dus loopt het in de praktijk niet zo'n vaart met die 'culturele vijandschap'. Maar het zou anderzijds beslist heel verkeerd zijn bij het nadenken over deze wereld die basis van 'culturele vijandschap' te ontkennen of zelfs maar uit het oog te verliezen, ook al moet toegegeven worden dat het nu niet bepaald een vrolijke voorstelling van zaken is.
 
Het is heel verhelderend om eens na te gaan hoe er in onze cultuur over de liefde gedacht wordt, vooral omdat het thema van de liefde bij alle mogelijke gelegenheden opvallend centraal staat, bijvoorbeeld in de zogenaamde lichte muziek. Het blijkt dan dat men het steevast heeft over de liefde týssen mensen, alsof het zou gaan over een relatie, een wederzijdse betrekking, een bepaald onderling verband. Logisch gevolg daarvan is dat overeenkomstige interessen, opvattingen en belangen een cruciale rol spelen. Men vindt het van belang dat men 'goed met elkaar kan praten', dat men 'elkaar begrijpt' en dezelfde kijk op de dingen heeft. Dat alles wil zeggen dat de betrekking týssen de partners goed moet zijn. Tot voor kort ging dat zelfs zover dat men van de geliefden verlangde dat zij van een overeenkomstige maatschappelijke en godsdienstige status zouden zijn.
 
Gelukkig zijn er steeds enkelingen die beseffen dat het eigenlijk anders moet zitten met de liefde. Zij worden daarin gesterkt door onder andere de slechte ervaringen met de meeste huwelijken en met verliefdheden die onveranderlijk op een fiasco uitlopen. Het besef van die enkelingen is inderdaad juist. Wat zij namelijk aanvoelen is dat het bij het begrip 'liefde' niet om een relatie týssen de een en de ander gaat, maar om een gesteldheid van het individu zŤlf. Het is een persoonlijke kwaliteit, in feite 'is' ieder afzonderlijk mens liefde. Dat wil zeggen dat voor het zelfbewustzijn van een ieder de werkelijkheid verschijnt als een ondeelbaar, in zichzelf samenhangend, geheel. Een geheel waaraan niets ontbreekt en waar zelfs niets aan mŗg ontbreken. Binnen dat samenhangende geheel zijn al die inhoudelijke zaken niet in absolute zin door een kloof van elkaar gescheiden, maar in elkaar overgaand. De grens tussen het een en het ander, de een en de ander, is onder die omstandigheden niet een afscheiding maar daarentegen een overgang. Daardoor is het ťťn altijd op andere wijze het ŗnder. Om met Spinoza te spreken: alle dingen zijn 'bestaanswijzen' van een en dezelfde substantie.
Liefde in de zin van een relatie týssen mensen is daarentegen een door en door tijdelijke, toevallige en afhankelijke zaak, die bovendien gebaseerd is op het onvermijdelijke bestaan van een niet te dempen kloof tussen de een en de ander. In feite is het dus een variatie op genoemde 'culturele vijandschap'.
 
Iemand heeft eens gezegd dat het een wonder mag heten dat er nog niet veel meer moord en doodslag in de westerse samenlevingen voorkomt, juist omdat er zo'n rijke voedingsbodem voor aanwezig is. Inderdaad is dat verwonderlijk!
Het is zelfs nog sterker! Die moderne samenlevingen zijn zelfs rechtvaardiger, veiliger en vredelievender dan welke andere samenleving ook. Dat zal menigeen niet graag willen toegeven, modieus als het is om een bijna autistische nadruk te leggen op de negatieve aspecten van de moderne westerse cultuur. Toch is het een feit dat juist in die individualistische westerse wereld de veiligheid en de humaniteit het grootst zijn. Zo is bijvoorbeeld de weerstand tegen geweld en oorlog voeren dermate sterk dat het zelfs in de ogen van een heleboel lieden als een ernstige vorm van lafheid aangemerkt zou moeten worden. Inderdaad lijkt het daar verdacht veel op, maar die indruk is wezenlijk onjuist. Hij wordt vooral gevestigd door de halfslachtige houding van gezaghebbende politici die almaar ferme en dreigende taal uitslaan en niet in de gaten hebben dat zij vanuit de cultuurontwikkeling niet meer tot massaal geweld en oorlog in staat zijn. Eigenlijk is die halfslachtigheid een goed teken, ware het niet dat het nu niet bepaald een bewijs van inzicht is om onverdroten door te gaan met agressief oorlogszuchtig gedoe, zoals thans in de Balkan het geval is.
 
Naarmate de individualiserende cultuur-ontwikkeling voortgaat gaat zich ongemerkt sterker in de mens als individu manifesteren dat voor hem de werkelijkheid niet louter een verzameling van aparte dingen is, maar vooral een allesomvattend geheel, waarin niet gediscrimineerd kan worden, noch buitengesloten. Dat inzicht dringt sluipenderwijs tot de mensen door, althans tot diegenen die effectief tot die individualiserende cultuur behoren. Het is namelijk de mens als individu die vanuit zijn bewustzijn gaandeweg tot het inzicht komt dat voor hem de werkelijkheid als een samenhangend geheel geldt. Deze notie hangt dus onverbrekelijk samen met individualisme en niet, zoals maar al te vaak gedacht wordt, met een of ander romantisch 'gemeenschapsgevoel'.
Helaas, zoals altijd en onvermijdelijk, zijn er ook nog streken waarin de mensen zover nog niet zijn en bijgevolg onder omstandigheden enthousiast aan het moorden, plunderen en branden slaan. Daarbij kan elk absurd verhaal als argument ter rechtvaardiging dienen. Zo'n argument is nimmer op redelijke wijze te ontzenuwen omdat redelijkheid met individualisme behoort samen te gaan. Als dat individualisme ontbreekt, wordt het dus niets.
 
Zoals bekend is men op het ogenblik op de Balkan volop bezig te moorden en te verkrachten. Terecht vindt de westerse cultuurmens dat zo misdadig dat hij er een eind aan wil maken. Maar helaas kan het met zijn inspanningen niet echt wat worden omdat hij vanuit zijn individualistische denken probeert een politieke oplossing te vinden, gecombineerd met een voor hemzelf zo risicoloos mogelijke militaire actie.
Overigens, wat dit laatste betreft: men spreekt nu van een 'oorlog' en dat is juist voorzover het gaat over de laffe luchtacties van de NAVO. Waar het evenwel wŤrkelijk om gaat zijn bloedige moordpartijen, die over en weer gepleegd worden door over hun toeren gejaagde simpele zielen, die nog overwegend denken in termen van bloed en bodem. Daarvoor is een politieke oplossing onmogelijk omdat het een probleem betreft dat in wezen niet politiek, maar cultureel en mentaal van aard is.
Het is treurig, maar de praktijk zal uitwijzen dat die brand uit zal moeten woeden, hoe verschrikkelijk dat ook voor de slachtoffers is...

Overgang-1 ; Overgang-2 ;



FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 33-(07-06-99)

Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ;
______________________________________________________
 

De mens, eenmaal volwassen geworden, berust inderdaad op een uiterst merkwaardige paradox: enerzijds is hij een eenmalig en uniek verschijnsel dat volstrekt op zichzelf staat en dat als zodanig de absolute ontkenning is van alle andere verschijnselen, terwijl hij anderzijds zichzelf op zelfbewuste wijze ervaart als een verschijnsel dat een onmiskenbare variatie is van een ondeelbaar en volledig samenhangend geheel. Daardoor laat hij zichzelf gelden als de absolute bevestiging van alles wat er is.
Bij nadere beschouwing blijkt die paradox toch niet helemaal zuiver, want het eerste lid ervan verwijst naar een, buiten zijn invloed om bestaande, fundamentele situatie, namelijk dat hij er uitsluitend voor zichzelf is. Maar het tweede lid heeft betrekking op iets dat tenslotte, als hij getrouw zichzelf geworden is, aan hem meekomt als een secundaire situatie. Dat wil zeggen dat bij het verschijnsel mens, als het tenslotte volwassen en dus individu geworden is, de tegenstelling tussen de enkeling en de gemeenschap ook opgelost is. Het is dan immers zŤlf een 'bestaanswijze' van dat samenhangende geheel.
 
De tegenstelling tussen enkeling en gemeenschap houdt de gemoederen van de denkers tot op de dag van vandaag in hevige mate bezig. Dat is eigenlijk heel tragisch, want het blijkt bij nadere beschouwing helemaal geen tegenstelling te zijn. Hij doet zich slechts bij die denkers als zodanig voor doordat zij vrijwel nooit de tot nu toe bestaande mens als een vooralsnog onvolgroeide, onvolwassen zaak herkennen. Zouden zij dat wel doen, zij zouden begrijpen dat het in de mens reeds vanaf zijn geboorte op aarde besloten lag om uiteindelijk het totaal van alle afzonderlijke dingen tegelijkertijd als een in zichzelf gevarieerd geheel te zien. Dit als gevolg van het feit dat hij als volwassene, dus als individu, een helder bewustzijn heeft verkregen, dit overigens niet te verwarren met zijn zŤlfbewustzijn.
 
Bijna zonder enige uitzondering is men tegenwoordig van mening dat de mens een 'kuddedier' is. Dat betekent dat het in het verschijnsel mens besloten zou liggen dat het vanuit de evolutie geprogrammeerd zou zijn op een leven binnen een groep, een kudde of een roedel. Men verkijkt zich kennelijk op de omstandigheid dat mensen zich aaneensluiten, omdat zij elkaar nodig hebben om behoorlijk te kunnen overleven. Dat men zich daarop verkijkt is eigenlijk heel vreemd, want ŗlle levende wezens hebben elkaar immers nodig. Dat is dus niets bijzonders!
Dan is het bovendien uitermate bevreemdend dat er steeds als vanzelfsprekend aan een kuddedier gedacht wordt, want ook solitair levende dieren onderhouden op velerlei wijzen betrekkingen met elkaar. Waarom de mens vergeleken met een rund, in plaats van met een leeuw?
De verklaring voor deze vooringenomenheid blijkt niet ver te zoeken. In een alsnog onvolwassen wereld past het model van een kudde volkomen in het straatje van de machthebbers, omdat het op die manier zonder meer gerechtvaardigd schijnt dat de enkeling zich moet onderwerpen aan het geheel van de samenleving. Het model van een leeuw zou daarentegen naar een zichzelf besturende anarchist verwijzen. Maar dat is natuurlijk het laatste waarnaar men uit zit te kijken.
 
De evolutie kan niet uitlopen in een laatste verschijnsel dat ergens op geprogrammeerd is. Dat verschijnsel kan dus ook niet als kuddedier ontworpen zijn. Bovendien: zou dat wŤl het geval zijn, dan zou dat logischerwijs betekenen dat dit verschijnsel er niet 'op en voor zichzelf' zou zijn, maar terwille van iets anders, namelijk de groep, kudde of roedel. In feite zou dan de evolutie niet uitlopen in het verschijnsel mens, maar in het verschijnsel groep of kudde of roedel. De mens zou bijgevolg in die situatie niet de laatste kunnen zijn, hetgeen noodzakelijkerwijs zou betekenen dat hij niet het karakter van een dubbelwezen kon hebben. Maar, dat heeft hij onmiskenbaar wel!
 
Het laatste verschijnsel komt aan het einde van de evolutie voor de dag als de mens als enkeling, zonder ook maar enige dienstbaarheid aan iets dat er aan voorbij zou gaan, iets 'hogers' zo men wil. Die enkeling ontwikkelt zich in de loop der eeuwen tot 'de individu', hetgeen wil zeggen dat hij tenslotte zichzelf ontdekt. Met die ontdekking gaat samen dat hij zichzelf als bewustzijn heeft leren kennen en dat leidt er vervolgens toe dat hij de werkelijkheid als een in zichzelf gevarieerd alles omvattend geheel kan zien.
Daarmee, met dat individu-zijn, is hij op een zelfstandige manier in staat geworden zich sociaal te gedragen, in het volle besef van gemeenschappelijkheid. Deze levenshouding gaat uitsluitend van hemzŤlf als volwassen mens uit. Het is in geen geval een verplichting die hem vanuit een hogere instantie, namens de groep, dwingend opgelegd is. Dus, werd een sociale levenshouding aanvankelijk ŗfgedwongen vanuit een externe instantie, namelijk het boven hem uitgaande geheel van de samenleving, bij de volwassen mens is daarvan geen sprake meer. Hij bepaalt vanuit een interne instantie, namelijk het bewustzijn, zijn persoonlijke sociale levenshouding.
 
Nadenkende over de tegenstelling tussen de mens als enkeling en de mens als lid van een gemeenschap heeft men in de loop der tijd de meest merkwaardige constructies bedacht om tot een oplossing van het probleem te komen. Over het algemeen heeft men als vanzelfsprekend aangenomen dat de gemeenschap boven de enkeling uit zou gaan. Dat betekent logischerwijs dat de enkeling op de een of andere manier er toe gebracht moest worden zichzelf enigszins te verloochenen terwille van het belang van de gemeenschap. Het heet dan dat hij zich van zijn 'plichten' bewust moet worden.
Voorzover deze opzet in de loop der tijden steeds beter gelukt, wordt de enkeling in toenemende mate het slachtoffer van allerlei beknottingen, wat in de praktijk natuurlijk een almaar grotere onvrijheid betekent.
Vrijelijk zichzelf-zijn is thans in de moderne wereld bijna geheel Únmogelijk geworden, waaraan overigens onmiddellijk toegevoegd moet worden dat de moderne mens die beknottingen nauwelijks voelt omdat hij inmiddels volledig instemt met het gangbare bedrijfsmatige wereldbeeld. Hij is het er mee eens dat hij aan de gemeenschap verplichtingen heeft en dat het niet redelijk is eenzijdig zichzelf door te zetten ten koste van anderen.
 
Tot op zekere hoogte is de moderne situatie te billijken, vooral op grond van het droeve feit dat culturele Únvolwassenheid in principe met een ongebreideld egoÔsme gepaard gaat. Dat daaraan paal en perk gesteld wordt is zonder meer redelijk, maar dat neemt niet weg dat op zichzelf het feit dŗt de moderne mens dat redelijk vindt uitermate gevaarlijk is...
Het gevaar dat in een redelijk begrip voor de eisen van de gemeenschap schuilt, komt voort uit de omstandigheid dat een gemeenschap niet kan bestaan zonder een elite die haar zegt te vertegenwoordigen. Er is dus onvermijdelijk ook een redelijk begrip voor die machthebbende elites en hun autoritaire gedoe. Sterker nog, er ontstaat zelfs in de enkelingen, dus in feite de burgers, een onstuitbaar verlangen zich aan het gedrag van die elites te spiegelen en zich bij hen aan te sluiten. Dat is in feite de pragmatische basis van het voortdurende streven naar macht.
Op zichzelf zou het eventueel niet zo erg kwalijk zijn als bepaalde elites de dienst uitmaakten. Zeker in een onvolwassen wereld is gedegen management onmisbaar. Maar, helaas gaat het in de praktijk niet om management als noodzakelijk instrument, maar om genoemde macht. Die wordt dus niet gezien als een middel tot het laten slagen van het management, maar als doel op zichzelf.
 
Macht behoort onlosmakelijk bij een Únvolwassen wereld. Macht hebben betekent voor iemand de, uiteraard asociale, vrijheid om zichzelf te zijn, in feite dus om, zij het op uitermate primitieve wijze, 'individu' te zijn. In de praktijk treedt hier wederom een paradox op: de elites houden de mensen voor dat zij zich aan de wetten, de normen en de moraal van de gemeenschap moeten houden. Zij beletten hen zich als volwassen individu te laten gelden. Zelfstandig en vanuit zichzelf sociaal zijn is bij hen niet gewenst. Maar voor zichzelf claimen zij zonder meer het recht om tot persoonlijke individualiteit te komen. Dat is door de gehele geschiedenis heen en in alle culturen een vast patroon.
Er is wat dit betreft geen beter voorbeeld dan het asociale gedoe van de leiders van zogenaamd communistische staten. Als een noodzakelijke consequentie van hun ideologieŽn trekken zij alle macht naar zich toe teneinde precies zo te kunnen leven als zij hun burgers met alle geweld beletten te doen. In strijd met al hun uitspraken over een sociale wereld maken zij onverdroten zichzelf breed.
Voor de goede orde: ŗlle machthebbers gedragen zich aldus, maar zij zijn wat dit betreft niet allemaal even gewetenloos...

Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ;


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy

 

Bladwijzer: Werkgelegenheid
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 34-(05-07-99)
 
______________________________________________________
 

In de loop der tijden zijn er heel wat definities en omschrijvingen voor de kunst van het filosoferen gegeven. Het is zelfs niet ongebruikelijk de filosofie onder te verdelen in een aantal afzonderlijke vakgebieden. Maar uiteindelijk draait de hele zaak maar om een enkele vraag: "Hoe zit het nu echt met de werkelijkheid?" Zo ook als het de vraag is wat elites nu eigenlijk voor een verschijnsel zijn. Zij spelen in bijna de gehele geschiedenis van de mensheid een dominante rol, zodat het voor de hand ligt om te veronderstellen dat zij manifestaties zijn van een essentiŽle ontwikkeling van het verschijnsel mens. Bij het nadenken daarover gaat het er niet om wat men ervan zou kunnen vinden, maar om de zakelijke vraag wat er op filosofische wijze aan bedacht kan worden. Het is zinvol hier nog eens extra op te wijzen omdat het begrip 'elite' niet zonder meer en bij voorbaat een aangename inhoud heeft vanwege de dubieuze rol die vooral politieke en economische elites tot op vandaag spelen.
 
Vooral de ethische normen, die men als vanzelfsprekend bij het begrip 'elite' geneigd is aan te leggen, moeten nadrukkelijk buiten beschouwing gelaten worden, want zowel de opvattingen als het gedrag van de elites hebben niets met het begrip 'ethiek' te maken, noch in positieve, noch in negatieve zin. Dat wil zeggen dat het voor de elites geldende normstelsel iets volslagen anders is dan de gangbare, op de begrippen 'goed' en 'kwaad' gebaseerde, ethische oordelen. Het elitaire stelsel is namelijk in de eerste plaats een manifestatie van de absolute vrijheid van de mens als laatste verschijnsel. Die vrijheid is per definitie aan geen enkele beperking gebonden. Normen noch waarden zijn er op van toepassing.
 
Met recht kan gesteld worden dat de elites dezer wereld 'boven en buiten de wet' staan. Deze uitspraak klinkt inderdaad als de ongenuanceerde kreet van een linkse activist die zijn toehoorders ervan wil overtuigen dat de elites niet deugen, in tegenstelling tot het gewone volk dat zich wel getrouw naar de wetten zou voegen. Dergelijke kreten hebben al heel wat teweeg gebracht in de wereld, vaak zelfs de aanzet tot positieve ontwikkelingen. Maar qua inhoud zijn zij evident onzinnig, want in feite houden ook de gewone mensen zich niet aan ethische normen en waarden. Ook het volk laat zich niets aan 'goed' en 'kwaad' gelegen liggen, het staat ook 'boven en buiten de wet'.
 
Er is natuurlijk wel een verschil tussen de opvattingen en het gedrag van de elites en die van het gewone volk. De eersten namelijk ontwerpen wetten en trachten ze af te dwingen, terwijl de tweeden eraan gehoorzamen, uiteraard voorzover er niet aan te ontkomen valt, doordat zij voortdurend gecontroleerd worden en daarmee sancties riskeren. In beide gevallen heeft de zaak evenwel een pragmatisch karakter: de maat ligt bij de vraag of en in hoeverre het uitvaardigen van, dan wel het gehoorzamen aan wetten, normen en waarden, voordeel biedt. Het is in geen geval zo dat de inhoud en betekenis van een en ander als vanzelfsprekend in het zelfbewustzijn van de mensen liggen. Dat wil zeggen dat de mensen niet zonder meer van zichzelf uit een sociale levenshouding aannemen, dus een gedrag dat gegrond is op het volwassen inzicht dat de werkelijkheid aan de mens verschijnt als een ondeelbaar en samenhangend geheel. Een gedrag dus vanuit het inzicht dat wij mensen 'met zijn allen' zijn. Dat immers wordt pas dan een menselijke realiteit wanneer de mensheid tenslotte volwassen geworden zal zijn. Voorlopig is daar echter nog geen sprake van. Daarentegen ligt de verhouding zo dat het nut en het voordeel maatgevend zijn inzake het ethische. Men ervaart dit ethische als iets uitwendigs, iets dat zich van buitenaf aan hen opdringt, niet omdat het van elites afkomstig zou zijn, maar omdat het hen, elites zowel als gewone mensen, in alle opzichten wezensvreemd is.
 
Zoals gezegd is het het opvallende van elites dat zij zich in de praktijk buiten en boven de wet stellen. Dat is zogezegd hun levenshouding, die in feite manifestatie is van het verschijnsel mens dat op intellectuele wijze los is gekomen van alle natuurwetten. Dat dus 'vrij' is van die wetten en bijgevolg ook van al datgene dat hetzij als 'goed', hetzij als 'kwaad', gekwalificeerd kan worden, zodat hiermee elke ethiek onmiddellijk vervalt. Het verschijnsel mens is werkelijk gesitueerd 'voorbij goed en kwaad', zoals destijds kennelijk ook Nietzsche duidelijk heeft willen maken. Van essentieel belang is het om hierbij te bedenken dat de mens op alles 'ja' of 'nee' kan zeggen, iets wat verder op geen enkel niveau van de werkelijkheid mogelijk is. Alles, of het nu levend is of niet, is gebonden aan onontkoombare betrekkingen met andere verschijnselen. Maar de mens heeft, als enige, daarin de mogelijkheid tot het maken van een keuze, nu even daar gelaten of hij al dan niet van een eenmaal gemaakte keuze opknapt.
 
Wanneer een bepaalde groep zichzelf als een elite, als een uitverkoren groep, laat gelden is dat in feite een manifestatie van de werkelijk zelfbewuste mens. Maar men mag hieruit geen voorbarige conclusies trekken! Aan die constatering moet namelijk onmiddellijk toegevoegd worden dat zo'n manifestatie bepaald niet automatisch redelijk en menselijk zal zijn. In tegendeel: in een vooralsnog Únvolwassen mensheid als de huidige is het onvermijdelijk dat uitsluitend een bepaald blind eigenbelang de leidraad voor die levenshouding is. Dat eigenbelang kan getypeerd worden als het streven om, koste wat het kost, het eigen leven veilig te stellen. Dat is op zichzelf niets bijzonders, want het geldt voor elke mens, maar het is bij de elites toch in zoverre opmerkelijk dat zij in dat streven alles mee hebben omdat zij in principe alles naar hun hand kunnen zetten. De gewone mensen kunnen dat per se niet. Gehoorzamen is het enige wat voor hen is weggelegd. Dezelfde elites die voor zichzelf het recht opeisen hun eigen belangen als de maat te stellen, beletten dat meedogenloos en hardnekkig de gewone mensen.
 
Veiligheid is een cruciaal begrip voor de werkelijk zelfbewuste mens. Dat houdt in dat hij er in de praktijk in geslaagd is van de voor hem in wezen onherbergzame planeet een leefbare wereld te maken. Dat is een planeet die met behulp van wetenschap, technologie en techniek in cultuur gebracht is en die als zodanig optimaal verzorgd wordt. In feite is dat een 'vermenselijkte' wereld. Over de betekenis daarvan tast de huidige mens nog volstrekt in het duister. Zijn ideeŽn daarover komen nog lang niet boven plunderen en uitbuiten uit. Een 'vermenselijkte' wereld is in zijn optiek een planeet die als een machine functioneert, met louter voorspelbare processen. Regelmatig hoort men geŽxalteerde wetenschappers de loftrompet steken over het modificeren van het DNA van planten en dieren. Dat nu berust op puur mechanistisch denken. Zij stellen zich daarbij voor dat zij straks het gehele leven in hun macht zullen hebben en op die manier de planeet tot een zaak van de mens zullen hebben omgetoverd.
 
Dat dit laatste inderdaad moet gebeuren ligt volkomen in de rede, maar niet op de kinderachtige en in feite zelfs levensgevaarlijke manier die de huidige wetenschappers en hun managers voor ogen staat. Een werkelijk 'vermenselijkte' planeet heeft als belangrijkste kenmerk dat zij niet langer uitgebuit wordt, zoals tot nu toe het geval is, maar dat zij zo goed als redelijkerwijs mogelijk is wordt verzorgd. Dat wil zeggen dat de levende planeet, inclusief de mens, optimaal tot haar recht kan komen, getrouw volgens eigen aard en mogelijkheden. Dus per se niet volgens de letterlijk wereldvreemde theorieŽn van op almacht beluste en betweterige wetenschappers, maar uitsluitend volgens aan het leven eigen procedures. Alleen op die manier kan de planeet een leefbare wereld zijn.
 
De absolute noodzaak van veiligheid, gebaseerd op die praktische grondslag, wordt bijna altijd door de denkers over het hoofd gezien, stellig omdat zij nog steeds, diep verborgen in hun onderbewustzijn, een onoverkomelijke afschuw van het materiŽle hebben. Vooral vanuit de christelijke traditie is dat immers het banale, het beperkte en het benauwde dat bij de werkelijkheid als 'het lagere' behoort. "Hier beneden is het niet", houden de godsdiensten nog immer hun gelovigen voor. En de meeste elites maken dankbaar gebruik van die stelling om de gewone mensen zand in de ogen te strooien. Maar intussen is toch datzelfde 'hier beneden' de onmisbare basis voor een behoorlijk menselijk leven, zo onmisbaar zelfs dat er zonder het verzorgd zijn ervan volstrekt niets van het menselijk leven terechtkomt. De lijdensweg van de aanvankelijke onvolwassen mensheid toont dat onverbiddelijk aan. De idealen van de mensen kunnen bij gelegenheid zo hoog niet zijn of zij sneuvelen vroeg of laat door het ontbreken juist van die materiŽle basis. Armoede en gebrek, maar ook kunstmatigheid en academische heerszucht, staan elke werkelijk menselijke ontwikkeling in de weg.
 
Het is onvermijdelijk dat ook de elites tot op heden uit cultureel onvolwassen mensen bestaan. Zij mogen dan wel manifestaties zijn van het verschijnsel mens als een absoluut vrije zaak en als zodanig 'ware menselijkheid' vertonen, maar logischerwijs is dat alles totaal verwrongen door die onvolwassenheid. Ten gevolge daarvan berust genoemde vrijheid op ŗfzondering: men zondert zich af van zijn medemensen en verheft zich zelfs boven hen. In feite maakt men zich zelfs los van de gehele werkelijkheid om tegelijkertijd zijn toevlucht te zoeken bij een zelf ontworpen wereldje met eigen normen en waarden. In die onvolwassen toestand is de vrijheid dus door en door een voorwaardelijke en in genen dele een absolute. De basale materiŽle veiligheid is eenzijdig geworteld in de armoede, het sloven en sjouwen van de onderlaag van gewone mensen. Juist deze slavernij, die nog altijd voortduurt, zij het onder de misleidende namen 'werkgelegenheid' en 'democratische plichten', maakt die betrekkelijke vrijheid van de elites mogelijk. Zonder dit geploeter van het gros van de mensen kan er in een onvolwassen wereld geen elite zijn. Bezien in dat licht moet vastgesteld worden dat het sociale karakter van de elites nu niet bepaald een voorbeeld van ware, vrije en alles omvattende menselijkheid is.


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy

 

verantwoordelijkheid-1†††††††††† verantwoordelijkheid-2


 
door Jan Vis

 

Bladwijzer: verantwoordelijkheid
 
AFLEVERING NR. 35-(06-09-99)
 
______________________________________________________
 


Hoe er binnen de sfeer van een cultuur tegen de daarin aanwezige elites aangekeken wordt heeft te maken met een tweetal nauw met elkaar samenhangende ideeŽn. Het gaat om interpretaties die de mensen geven van eigenaardigheden die zij zo af en toe aan zichzelf opmerken, maar die zij zo zonder meer niet begrijpen kunnen. Zij krijgen namelijk telkens de indruk dat zij op de een of andere manier deel uitmaken van twee werkelijkheden. Daarvan zou de eerste aards zijn, namelijk alledaags en materieel, maar de tweede daarentegen goddelijk, te weten niet-materieel en boven alles verheven.
Nu blijkt die indruk op zichzelf volkomen juist, maar de interpretaties ervan getuigen zelfs tot op de dag van vandaag, na zovele eeuwen van filosofie en wetenschap, van een betreurenswaardig gebrek aan inzicht. Het is namelijk nog steeds niet tot het gros van de mensen doorgedrongen dat het in feite gaat om slechts ťťn zaak, die weliswaar in een tweetal gedaanten verschijnt maar die van slechts een enkel verschijnsel het karakter uitmaakt: het verschijnsel mens.
 
De mens is het ultieme verschijnsel. Inniger dan zo kan de materie zich niet samenvoegen. Hij is het absolute eindpunt van de wordingsprocessen, en als zodanig heeft hij een dubbel karakter: hij is het laatste en meest volkomen moment van de wording en de evolutie, om in de kwaliteit van eindpunt tegelijkertijd de ontkenning daarvan te zijn. Gevolg is dat dit verschijnsel zowel materieel als niet-materieel van aard is. Men pleegt dan ook te zeggen dat mens uit 'lichaam en geest' bestaat.
Doordat dit dubbele, hoewel ongeweten, het hele wezen van de mens uitmaakt houdt hij zich voortdurend daarmee bezig. Hij spiegelt almaar zijn eigen bestaan aan die twee gedaanten van die ene werkelijkheid. Als vanzelfsprekend geldt het niet-materiŽle daarbij als de absolute maat voor alle dingen, omdat het aangevoeld wordt als een zaak die na de materie komt en er dus boven uitgaat. En logischerwijs wordt daarbij tegelijkertijd beseft dat die werkelijkheid het toppunt is van onafhankelijkheid en vrijheid, niet langer onderworpen als zij is aan de gebondenheid die voor de materie geldt. Dus vinden de mensen dat zij die onafhankelijkheid en vrijheid zouden moeten zoeken, waarbij zij overigens steevast van mening zijn dat het vinden ervan niet mogelijk is zonder een voorafgaande lichamelijke dood, wat in hun gedachtengang betekent dat de materie ontkend wordt.
 
In alle culturen en alle tijden hebben de mensen aangevoeld dat de echte, volwassen, mens gekenmerkt wordt door vrijheid en onafhankelijkheid, in welke vorm dan ook. Het streven daarnaar van de elites wordt bijgevolg bewust of onbewust beschouwd als iets voorbeeldigs dat navolging verdient. Men heeft er niet alleen bewondering voor, maar niet in de laatste plaats ook ontzag. Daardoor wordt de macht die de elites zich toe-eigenen vrijwel zonder morren aanvaard en zelfs als iets natuurlijks gezien.
Voor het aanvaarden van macht zijn er uiteraard altijd twee nodig. De een is bereid tot aanvaarden, maar de ander vindt het normaal en verantwoord macht uit te oefenen. De elites vertonen bijgevolg een bijna irritante zelfverzekerdheid als het over hun macht gaat. En als die elites daarbij dan ook nog zelf verklaren in verbinding te staan met het hogere, bijvoorbeeld God, is de onderwerping aan hun macht een voldongen feit. En men vraagt zich niet of nauwelijks af of er enige praktische rechtvaardiging voor dat superieure gedrag te vinden is. Op dat psychische mechanisme is de tweedeling van elke huidige en vroegere maatschappij gebaseerd, een feit waaraan op zichzelf helaas tot het verschijnen van de uiteindelijke volwassen mens niet te ontkomen is.
Zolang de mensen niet inzien dat zij zelf, persoonlijk, die dubbele werkelijkheid zijn zullen zij vooral de niet-materiŽle kant van hun persoonlijkheid buiten zichzelf plaatsen en daarmee het fundament leggen voor enerzijds hun eigen ondergeschiktheid of anderzijds machtsbegeerte. Hun wereld zal onvermijdelijk verdeeld zijn in een waardevolle hogere en een banale lagere afdeling.
 
Het is waar dat zich in de elites manifesteert dat de mens op weg is naar de bij zijn wezen behorende persoonlijke vrijheid en onafhankelijkheid, maar het is tegelijkertijd een feit dat diezelfde elites zich in de regel uitermate asociaal gedragen. Dat kwalijke gedrag wordt Úf met enige nadruk voorgesteld als dienstbaarheid aan de mensheid en haar welzijn, Úf angstvallig verborgen gehouden omdat het uiteindelijk toch niet strookt met het verheven imago dat bij een elite behoort. Men doet het voorkomen alsof men zich behoorlijk gedraagt en zich voortdurend bewust is van zijn verantwoordelijkheid voor de wereld en de mensen. Maar zelfs als men van de waarheid hiervan voor zichzelf ten diepste overtuigd is, kŗn het simpelweg niet waar zijn, omdat het elite-zijn nu eenmaal op genoemde tweedeling berust en dus een verbreken van de werkelijkheid vooronderstelt.
In de loop van de geschiedenis zijn er talloze mensen geweest die zich met volle overtuiging beijverd hebben het goede te doen, wat wil zeggen dat zij hebben geprobeerd te 'deugen'. Maar onveranderlijk is dat, vanaf het moment dat zij zich met hun medemensen gingen bemoeien, in dwingelandij ontaard. Dan kwam onvermijdelijk de splitsing van werkelijkheden te voorschijn. En aangezien het niet mogelijk is zich niet op de een of andere manier met zijn medemensen te bemoeien treedt het moment van tweedeling met zekerheid op.
 
Vooral tegenwoordig, met de toenemende mogelijkheden van onderzoek en communicatie en het tanende ontzag voor de zogenaamd hoger geplaatsten, wordt er steeds meer onthuld over de praktijken van de elites. Daarbij blijkt onder andere steeds dat zij over een soort van 'dubbele agenda' beschikken. Dat wil zeggen dat geen van hun handelingen zijn wat zij lijken te zijn. Zij lijken door redelijkheid en edelmoedigheid ingegeven te zijn, maar zijn in feite steeds gericht op eigen belangen in verband met de ongebreidelde vergroting van de eigen vrijheid. Het komt vaak voor dat het nastreven van eigen belangen zich voordoet als 'wereldverbetering'. Men wil dan oprecht de maatschappij veranderen. Uiteraard heeft men daarbij een bepaalde blauwdruk van een goede maatschappij voor ogen. Maar juist die blauwdruk bepaalt de criteria voor de veranderingen, zodat, wellicht soms ongewild, datgene dat men zelf als belangrijk beschouwt maatgevend wordt. En aldus is men toch weer met een 'dubbele agenda' bezig met als feitelijk resultaat dat men wederom in de valkuil van de tweedeling valt.
 
De genoemde 'dubbele agenda' behoort logischerwijs bij de elites. Hun algehele bestaan staat in het teken van dit dubbele. Zij maken er immers gebruik van om de eigen vrijheid en onafhankelijkheid te kunnen bevorderen en in stand te houden. Doordat dit het geval is kunnen ook behoorlijke mensen, die op de een of andere manier tot een elite zijn gaan behoren, er niet aan ontkomen. Niet ten onrechte heeft men opgemerkt dat macht altijd corrumpeert! Behoorlijke mensen kunnen in feite niet meer doen dan zo weinig mogelijk gebruik maken van de 'dubbele agenda', maar onvermijdelijk zullen zich steeds situaties voordoen waarin de werkelijke belangen gediend moeten worden, te weten de asociale belangen van de elite.
Die 'dubbele agenda' behoort tot de elite omdat deze zich noodzakelijkerwijs ŗfzondert van het gros van de samenleving. Geheel in overeenstemming met de tweedeling verheft de elite zich boven de samenleving en gaat daarvoor de dienst uitmaken.
 
In feite hebben de elites een niet-materiŽle basis. In de praktijk komt dit voor de dag aan het voortdurend verabstraheren van hun welstand. Zij doen het voorkomen als zouden bezit en macht, rijkdom en onafhankelijkheid, niet belangrijk zijn. Graag houden zij de minder bedeelden voor: "Geld maakt niet gelukkig", om er vervolgens zorgvuldig op toe te zien dat hun eigen rijkdom zich gestaag vermeerdert. En tegenwoordig, nu de wetenschap de nieuwe basis voor macht is geworden, mogen zij zich graag als intellectuelen voordoen, overigens zonder ooit met een intelligente gedachte te komen. Vooral politici blinken hierin uit. Als men een ogenblik stilstaat bij de verschrikkelijke misdadige wanorde in de wereld en vervolgens het daarmee samenhangende denken en gedrag van al die erbij betrokken politici in ogenschouw neemt, moet erkend worden dat de elites de pretentie aan de wereld leiding te geven absoluut niet waar kunnen maken.
 
Volgens de filosoof Hegel vormen de elites 'de idealiteit van de samenleving'. Als men louter op abstracte wijze hierover nadenkt en dan in aanmerking neemt dat die elites gebaseerd zijn op een afzonderlijke, hogere, niet-materiŽle werkelijkheid, kan men het eventueel wel met Hegel eens zijn. In abstracto klopt het inderdaad, maar als men onbevangen over de feiten nadenkt, blijkt er juist niets van te kloppen, want die zogenaamde idealiteit van de elites berust tenvolle op die kwalijke tweedeling van de werkelijkheid.
Ziet men evenwel het onvolwassene van deze situatie in, dan wordt onmiddellijk duidelijk dat elites eigenlijk in termen van onmenselijkheid aangeduid zouden moeten worden.
Geen enkele goede bedoeling kan dat feit ongedaan maken, maar er is wel te spreken van een soort 'excuus': het zich verheffen kan in een alsnog Únvolwassen wereld niet uitblijven omdat het juist bij de kinderlijkheid behoort om de eigen onstoffelijkheid als iets aparts en hogers te beschouwen. Daardoor is de tweedeling onvermijdelijk. En dus is het ook logisch dat deze 'onmenselijkheid' zich gedurende lange tijd handhaaft en een tragisch stempel op de mensheid drukt.

 

Naar bladwijzer(s): Onafhankelijkheid: Zie nrs. 14 ; 21 ; 25 ; 35 ; 45 ; 67 ;

 

 


 
verantwoordelijkheid-1†††††††††† verantwoordelijkheid-2

 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy

 

Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64 ; Vrije keuze-1 ; Vrije keuze-2 ;
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 36-(04-10-99)
 
______________________________________________________
 


Ondanks het feit dat het heel goed verklaarbaar is dat er nog maar betrekkelijk weinig moderne mensen zijn die echt in God geloven, kan men zich er bij gelegenheid toch hevig over verbazen dat nog steeds bijna niemand in de gaten heeft hoe het nu feitelijk zit met dat fenomeen dat 'God' genoemd wordt. Ook de denkers geven doorgaans weinig uitsluitsel op dit punt, zelfs niet als zij inmiddels wel erkennen dat het bij het geloof in goden over een of ander psychisch of sociologisch verschijnsel gaat.
 
Op zichzelf is het niet verwonderlijk dat de mensen in goden geloven, want een dergelijke fictie behoort tot de onvermijdelijke dwalingen van de onvolwassen mens, de mens dus die zichzŤlf nog altijd niet ontdekt heeft. Ook de moderne mens is nog onvolwassen, ondanks het feit dat hij in hoge mate met wetenschap en technologie vertrouwd is en zelfs op het punt staat de basis van de werkelijkheid bloot te leggen. Hij heeft zich toegang verschaft tot de gehele planeet en hij is druk bezig zich een weg door het heelal te banen, maar hij heeft de mens nog steeds niet ontdekt.
Inderdaad houdt hij zich al lange tijd met het verschijnsel 'mens' bezig, door het qua lichaam en geest te ontleden en vervolgens in een groot aantal wetenschappelijke rubrieken onder te verdelen. Maar ook dat blijkt niet tot de ontdekking van de mens te leiden. Sterker nog: al deze activiteiten doen hem zelfs steeds verder van zichzelf vervreemden, zodat hij nu zo langzamerhand een voorstelling van zichzelf heeft ontwikkeld die beangstigend dicht bij een waanvoorstelling komt.
 
De waan is deze dat de onvolwassen mens zijn eigen onstoffelijkheid, deftiger gezegd 'zichzelf als niet-materie', voor een uitwendige zaak aanziet en zelfs als een zaak die verre boven hemzelf en de wereld van de concrete dingen uitgaat. Die 'dichotomie', oftewel tweedeling, is oorzaak van de vele misdragingen die de mensen tot op de dag van vandaag vertonen. Dat loopt van een ogenschijnlijk onschuldige huiselijke pesterij tot en met een afschuwelijke massamoord. In allerlei gedaanten komt daarin steeds de 'hoog-laag verhouding' voor, op die manier dat men het een of andere verzinsel als een hogere, doorgaans goddelijke, aangelegenheid voorstelt om daaraan vervolgens als vanzelfsprekend het recht te ontlenen zijn medemens te vernederen en te krenken, door het hem of haar onmogelijk te maken volgens eigen aanleg en naar eigen vrije keuze te leven en te handelen. Dat wil in feite zeggen dat men vindt macht over anderen te kunnen en te mogen uitoefenen. Genoemde 'hoog-laag verhouding' is wezenlijk typerend voor de vooralsnog Únvolwassen mensen en dat is als zodanig op zijn beurt consequentie van die dichotomie. Uiteraard betekent dat tegelijkertijd dat ook de notie 'god' uit die dichotomie voortspruit.
 
Ik heb het al vaak laten zien: het verschijnsel 'mens' heeft een dubbel karakter. Dat komt doordat het aan de uiterste grens van de wordingsprocessen ligt. Eigenlijk zou dat gemakkelijk te begrijpen moeten zijn want aan uiterste grenzen liggen altijd en noodzakelijkerwijs dubbele verhoudingen. Zo'n uiterste grens is de twee-eenheid van iets en onmiddellijk ook van de ontkenning van datzelfde iets. Elk ding houdt aan zijn grens op en is dus 'dat ding' en 'niet dat ding' tegelijkertijd. De rand van de tafel is beide, tafel en niet- tafel en zo is de mens als laatste product van het wordingsproces tegelijkertijd verschijnsel en niet-verschijnsel, materie en niet-materie.
Bij het nadenken over de mens is men logischerwijs genoodzaakt uit te gaan van de mens als materie, want die is het die zich vervolgens als niet-materie laat gelden. De mens als materie is dus onmogelijk wŤg te denken zodat hieruit als eerste de conclusie getrokken moet worden dat de materie zich tenslotte, mens geworden zijnde, laat gelden alsof zij gťťn materie ware.
 
Het opmerkelijke van het geloof aan goden is dat de mensen een volstrekt Únmogelijke gedachte proberen voor correct te laten doorgaan om daarna aan die foute idee een concreet bestaan toe te dichten. Het onmogelijke van die gedachte is gelegen in de omstandigheid dat men nu juist wel de basis van de mens als materie wegdenkt en vervolgens de mens als niet-materie beschouwt als een op zichzelf bestaande werkelijkheid. Uiteraard vindt men vervolgens dat dit een hogere zaak is, omdat men in de verte wel beseft dat hij pas gaat gelden nŗdat de materie zich in volle omvang gemanifesteerd heeft. Het wordingsproces van de materie moet dus definitief aan zijn eind gekomen zijn.
Doordat de mens het, sprekende over zijn God, in feite over zichzelf heeft komen de kwalificaties die hij aan zijn God toekent volstrekt en volledig overeen met al of niet in hun tegendeel verkeerde menselijke kwalificaties. Enerzijds ziet men dan typisch menselijke kleinzieligheden zoals jaloezie, machtswellust, wreedheid en dergelijken en anderzijds tot in het oneindige uitvergrote evenzeer menselijke ondeugden. Zo is bijvoorbeeld de hooggeprezen 'liefde' van God niets anders dan een als universeel opgewaardeerd egoÔsme dat alleen maar eist en nooit iets belangeloos geeft, een verfoeilijke eigenschap overigens die bij de volgelingen van God eveneens nadrukkelijk op de voorgrond treedt.
 
God is in het groot zoals zijn miezerige gelovigen in het klein zijn. De beperktheid in tijd en plaats worden eeuwigheid en oneindigheid, machteloosheid wordt omgezet in almacht en dwingelandij in rechtvaardigheid. Maar, als die God aldus gedefinieerd is worden op hun beurt die gelovigen omgezet tot nietsontziende reproducties van die god en zijn verfoeilijke eigenschappen. Als nu die reproducties de kans krijgen en hun gang kunnen gaan ontzien zij niets en niemand, daartoe als vanzelfsprekend gesanctioneerd door de uit de dichotomie afgeleide hogere machtspositie. Dat betekent dat zij altijd en onvoorwaardelijk in hun recht menen te staan, zonder enige souplesse en grootmoedigheid. Nooit leren zij af hun opvattingen en hun gedrag te rechtvaardigen met 'de wil van God' als doorslaggevend argument en het is onmogelijk hen ervan te overtuigen dat die 'wil van God' logischerwijs hun eigen tirannieke willetje is.
 
Gelukkig betekent het bovenstaande niet zonder meer dat iedere gelovige zich consequent daarnaar gedraagt. Moderne vrijzinnige gelovigen zijn zo langzamerhand aardig in staat hun medemensen met rust te laten en zich van benepen oordelen te onthouden. Maar als grondtoon is dat beroep op de 'wil van God' toch steeds onmiskenbaar aanwezig. Vrijzinnige gelovigen zijn dan ook mensen die een bepaald gedrag nu eens niet vertonen, een gedrag evenwel dat wel degelijk, op grond van hun godsdienstige instelling, van hen verwacht mag worden. Zo is bijvoorbeeld de verwachting gerechtvaardigd dat katholieken homoseksualiteit zullen veroordelen omdat het volgens hun kerkleer en dus de geboden van hun God een ernstige zonde zou zijn. Maar tegenwoordig is waarschijnlijk een overgrote meerderheid van hen een andere opvatting toegedaan. Zij vinden homoseksualiteit niet langer een zonde en ook geen lichamelijk of psychisch defect. Zij beschouwen het gewoon als een sexuele mogelijkheid die onvoorwaardelijk recht van bestaan heeft. Toch behoort een veroordeling wezenlijk bij hun levensbeschouwing, maar dan als een achterhaalde zaak, die nu op 'negatieve wijze' geldt.

 

Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64 ; Vrije keuze-1 ; Vrije keuze-2 ;
 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy

 

Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64 ; Verlichting†††† Schepping(s)verhaal-zie afl. 03, 37, 43, 44, 69

 

De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,


door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 37-(01-11-99)
 
______________________________________________________
 


Over het algemeen is te zeggen dat sinds het begin van de 19e eeuw de idealen en de doelstellingen van de voorvechters van de Verlichting in hoge mate werkelijkheid zijn geworden. Hun overtuiging dat voorlichting, onderwijs en arbeid, gepaard gaande met voor een ieder toegankelijke gezondheidszorg en onvoorwaardelijke juridische veiligheid, de mensen zou bevrijden van angst, armoede en minderwaardigheid, is zonder meer een juiste gebleken. Het individu is gaandeweg erkend als een zelfstandige en wezenlijk onaantastbare grootheid.
De moderne westerse mensen hebben intussen nagenoeg allemaal een redelijk goede opleiding genoten. Op hun scholen hebben zij niet alleen geleerd zich enigszins begrijpelijk uit te drukken, te lezen en te schrijven, maar, weliswaar zijdelings, maakten zij ook kennis met velerlei takken van wetenschap. Daardoor zijn zij min of meer spelenderwijs vertrouwd geraakt met een redelijke wijze van redeneren, waarin de maat ligt bij de feiten en een zo betrouwbaar mogelijke controle daarvan.
De meeste waanvoorstellingen, zoals die als regel door maatschappelijke en godsdienstige machthebbers worden verspreid en in stand gehouden, zijn als gevolg daarvan verdwenen, althans teruggedrongen naar het terrein waar zij wezenlijk thuishoren, namelijk dat van de persoonlijke overtuigingen, levensbeschouwingen en wanen. Zij hebben plaats gemaakt voor op onafhankelijke wetenschap gestoelde wereld- en levensbeschouwingen. Dat is intussen al dermate gemeengoed geworden dat vrijwel het gehele maatschappelijke en individuele leven ervan doortrokken is. Het wordt thans beheerst door management dat de al dan niet terechte pretentie heeft wetenschappelijk te zijn.
Al met al dus een groot succes voor de Verlichting. Die heeft immers in een tijdsbestek van slechts twee eeuwen een gigantische omwenteling teweeg gebracht. Inderdaad is dat geen geringe prestatie, vooral als men daarbij bedenkt dat het Europa van het begin van de 19e eeuw totaal verpauperd was door toedoen van de schurken van adel en geestelijkheid.
 
Toch is het alles niet bepaald goud wat er blinkt. Eigenlijk zijn de overigens onmiskenbare verworvenheden van twee eeuwen Verlichting alleen maar als een dun goudlaagje opgedampt op een banale ondergrond van individuele gelovigheid en occultisme, met de erbij behorende intellectuele eigenwijsheid en arrogantie. Daarvan zijn gemakkelijk velerlei voorbeelden te geven.
Zo kan het gebeuren dat in een Nederlands genootschap van sceptici, uitermate kritisch zoals het sceptici betaamt, zich toch een antroposofische professor bevindt die, zij het onder het mom van wetenschappelijk onderzoek, reclame maakt voor zijn ideeŽn omtrent reÔncarnatie en daarbij met een professorale arrogantie noties hanteert als een 'hiertussenmaals', het totaal versleten begrip 'karma' en de een of andere duistere 'reÔncarnerende identiteit'
(zie: Rotterdams Dagblad 30 oktober j.l.).
Uiteraard heeft iedereen, zelfs een professor, recht op zijn eigen onzin, maar de associatie met een flinterdun 'verlicht' goudlaagje op een ordinaire en kinderachtige ondergrond is ontegenzeggelijk frappant. En bovendien blijkt eens te meer dat de wetenschap sinds het vervallen van de autoriteit van de godsdiensten gemakkelijk als zo'n bedrieglijk goudlaagje kan fungeren. Als het er op aankomt is er dus niet zo bar veel aan de hand qua wetenschappelijkheid. In dit geval hebben wij zelfs te doen met een heuse professor. Maar gewoonlijk betreft het allerlei charlatans zoals waarzeggers, astrologen en andere duisterlingen die al lang in de gaten hebben dat wetenschappelijke pretenties uiteindelijk niets voorstellen, maar wel uitermate bevorderlijk zijn voor de geldbuidel...
 
Nu echter gaat het speciaal over nog een andere variant van dat goudlaagje, namelijk die van het 'intellectueel autisme'. Dit merkwaardige verschijnsel komt, zoals de naam reeds aangeeft, vooral voor bij intellectuelen, speciaal die met een academische opleiding. Het houdt in dat zij bij kennismaking met een gedachtengang van iemand anders niet in staat zijn die onbevangen in zich op te nemen. Zij blijven als een autist steeds binnen hun eigen voorstellingswereld opgesloten. Ook als zij oprecht menen kennis te hebben genomen van zo'n andere gedachtengang is die toch onmiddellijk vervormd tot een in hun eigen voorstelling inpasbare zaak.
Tragisch gevolg van dat intellectuele autisme is dat men een gedachtengang van iemand anders onmogelijk kan leren kennen. Daardoor wordt kritiek op en beoordeling van andermans gedachtengang een indirecte uitdrukking van het eigen autisme en de daaruit voortkomende misvattingen. Een behoorlijke gedachtenwisseling is dan al bij voorbaat een fiasco. Sterker nog: er is helemaal geen uitwisseling van gedachten mogelijk!
 
Het intellectuele autisme neemt, met het gestaag verhogen van de wetenschappelijke standaard van de moderne cultuur, hand over hand toe. Vanzelfsprekend is dat het geval bij de academici. En journalisten blijken maar al te vaak iets heel anders in een verklaring van iemand te horen of te lezen dan er in feite gezegd wordt of geschreven is. Zij zijn niet in staat uit hun intellectuele isolement te treden. Dat geldt overigens in nog heviger mate voor politici. Een gezelschap van dit soort lieden, bijvoorbeeld in het parlement, roept bij de toeschouwer onvermijdelijk een vergelijking met een bijeenkomst van autistische kinderen op. Allemaal horen ze alleen maar hun eigen gebazel.
 
Er zijn verschillende mogelijkheden wat betreft discussies. De meest redelijke en in feite filosofisch en wetenschappelijk verantwoorde is deze dat de een de gedachtengang van de ander nauwkeurig en onbevangen in zich opneemt en eventueel vervolgens probeert de fouten die er naar zijn oordeel in zitten ter discussie te stellen. Daartoe moet hij dus de oorspronkelijke redenering stap voor stap gevolgd hebben. Uiteraard is het noodzakelijk dat hij die redenering begrijpt, want anders is het volstrekt onmogelijk na te gaan of er door de ander fouten gemaakt zijn. Deze laatste kan dan op zinvolle wijze duidelijk proberen te maken dat het volgens hem geen fouten zijn, ofwel hij kan toegeven zich vergist te hebben. Een op deze manier verlopende discussie vertoont het tegendeel van intellectueel autisme want men neemt geen afgesloten, in zichzelf gekeerde, standpunten in maar staat daarentegen open voor elkaars gedachtengangen. En dat doet men zelfs als men het niet met elkaar eens blijkt te zijn.
Zo is er met recht te spreken van wederzijds begrip. Dat houdt namelijk niet in, zoals veelal ten onrechte gemeend wordt, dat men het met elkaar eens zou zijn, maar dat men elkaars gedachtengang begrepen en beoordeeld heeft.
 
Meestal echter stelt men zijn eigen verhaal botweg tegenover dat van de ander. Daarbij lijkt het alsof die ander nooit beweerd heeft wat hij beweerd heeft. Aan zijn redenering wordt volledig voorbij gegaan. Autistisch als men is heeft men die in feite helemaal niet gehoord. Desnoods zou dat onder bepaalde omstandigheden door de vingers gezien kunnen worden maar dan kan er uiteraard geen sprake van een discussie zijn. Toch doet men het vaak als zodanig voorkomen, vooral in het politieke debat. Maar niet alleen daarin. Ook in de filosofie wordt met gretigheid gebruik gemaakt van deze autistische kunstgreep. Inderdaad is hij ideaal om collega's onderuit te halen.
 
Een voorbeeld uit de praktijk van mijn eigen werk: op deze pagina's heb ik, zowel in het Nederlands als in het Engels, telkenmale mijn gedachtengang omtrent de godsdienst, het geloof en het al of niet bestaan van goden verwoord. Daarin heb ik duidelijk gesteld dat goden niet kunnen bestaan en dat alle verhalen over iets hogers het gevolg zijn van het buiten en boven zichzelf plaatsen van de eigen niet-materiŽle dimensie. Vanzelfsprekend is een en ander gedegen onderbouwd en beargumenteerd. Toch blijken velen te moeten reageren met de opmerking: "Er moet toch iets hogers, iets spiritueels, zijn" en "De schepping is er niet zomaar, hij moet een bedoeling hebben".
Kennelijk zijn die hartekreten bedoeld als weerlegging van het door mij gestelde. Maar als zodanig zijn zij een typisch voorbeeld van autisme, want ik had nu net stap voor stap
(zie het hoofdwerk Beweging en Verschijnsel) beredeneerd dat iets hogers niet bestaan kan, evenmin als iets of iemands bedoeling met de schepping, die overigens ook geen schepping kan zijn maar het onvermijdelijke resultaat van een kosmisch proces. Die gedachtengang werd echter volledig genegeerd alsof hij nimmer ter tafel gebracht was. Men heeft de betekenis ervan niet opgemerkt doordat intellectueel autisme dat belette...

 

Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64 ; De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,

 

Schepping(s)verhaal-zie afl. 03, 37, 43, 44, 69


 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 38-(29-11-99)

Naar : Houvast-1 ; Houvast-2 ; Houvast-3 ; Houvast-4 ;
 
______________________________________________________
 


Eigenlijk is 'intellectueel autisme' niet alleen maar een modern verschijnsel. Toegegeven moet worden: het bijvoeglijk naamwoord 'intellectueel' doet inderdaad vermoeden dat het om iets moderns zou gaan. Tegenwoordig heeft immers iedereen wel de een of andere intellectuele vorming ondergaan. De term roept dan als vanzelf een associatie op met een meer dan gemiddelde geleerdheid. In dit verband is de term 'intellectueel' dus uitdrukking van een persoonlijke specialiteit. Daarbij kan de een een hogere intellectuele vorming ondergaan hebben en de ander een lagere. Wellicht gelden sommigen dan zelfs als helemaal gespeend van iedere intellectuele ontwikkeling.
 
Het gaat nu bij het begrip 'intellectueel autisme' evenwel niet over een toevallige kwaliteit of eigenschap van die of gene. De term 'intellectueel' heeft in verband met het begrip 'autisme' een wezenlijk andere betekenis. Het betekent nu dat er sprake is van een bepaalde wezenlijke verhouding binnen het geheel van Ťlke mens, namelijk dat zij of hij als slotaccoord van de wording en de evolutie gekenmerkt wordt door het vermogen om zichzelf en daarmee de gehele natuurlijke werkelijkheid te ontkennen. Die werkelijkheid is in de mens 'op ontkende wijze' aanwezig, hetgeen wil zeggen dat zij wel degelijk en ten voeten uit aanwezig is, maar dat zij als zodanig voor de mens op een andere manier geldt. Het is bijgevolg de mens zŤlf die besluit wanneer en hoe de natuurlijke werkelijkheid en haar wetten van kracht zijn. Die betrekkelijke vrijheid wordt beheerd door het intellect, dat wil zeggen: door het oordeelsvermogen en de wil van de mens. Het is naar deze unieke verhouding dat het begrip 'intellectueel' verwijst.
 
De mens is het enige dier dat eigenmachtig bepaalt hoe het, binnen de grenzen van het eigen concrete bestaan, met zichzelf en de buitenwereld om zal gaan. Hij is het enige dier met intellect, reden overigens waardoor hij in feite geen dier meer is. Daarvan is hij zich doorgaans in het dagelijks leven niet of nauwelijks bewust, uiteraard doordat het voor hem een vanzelfsprekende zaak is. Het functioneert bijna als een automatisme, de mens is nu eenmaal zo, of hij dat goed- of afkeurt, prettig vindt of niet.
Iedereen kan betrekkelijk gemakkelijk bij zichzelf nagaan dat zij of hij op de een of andere manier de gehele dag bezig is besluiten te nemen, lang niet altijd gewichtige maar daarentegen meestal heel banale, zoals: ik ga nu op mijn hoofd krabben. Het is zelfs mogelijk te besluiten over zichzelf of over iets anders na te gaan denken. Hoe dan ook, de mens is noodzakelijkerwijs voortdurend bezig zichzelf te besturen en daarbij zichzelf tot iets te vormen. Dit laatste evenwel met deze restrictie dat hij onlosmakelijk gebonden is aan het materiaal dat hem van nature gegeven is. Buiten die basis om kan hij met zichzelf qua zelfontplooiing niets aanvangen.
 
Inzicht in die stoffelijke gebondenheid is erg belangrijk. Telkens zijn er namelijk mensen die vanuit een bepaalde cultuur, een bepaalde theorie of een bepaald geloof menen zichzelf volgens een bepaald plan te kunnen veranderen. IntuÔtief voelen zij aan dat zij, zoals gezegd, hun eigen ontplooiing bepalen, maar uit onwetendheid denken zij ook de mogelijkheid te hebben zichzelf fundamenteel te veranderen. Dat wil zeggen dat zij niet in de gaten hebben dat zij wŤl van zichzelf als natuur uit moeten gaan. Uitsluitend van die basis, dat stoffelijke systeem, dat dier, kan de mens iets maken. Hij kan er dus niets aan toevoegen of afhalen of veranderen. Het blijft altijd gaan over 'dat bepaalde verschijnsel' en in feite kan de vraag slechts zijn of en hoe hij daarmee om weet te gaan.
 
Vooral binnen de godsdiensten is er een voortdurend pogen de mens te veranderen volgens een model dat van God gegeven zou zijn. Dat model komt er op neer dat er een groot aantal menselijke onhebbelijkheden afgeschaft moet worden. Men gaat daarbij vaak zover dat de ideale, de goden welgevallige, mens zich in niets meer onderscheidt van de zogenaamde zombie, ontdaan als hij is van alles wat als verkeerd, zondig en duivels wordt beschouwd. In de vroegere Roomse kerk waren tal van figuren die zichzelf van alles ontzegden of die zichzelf tot bloedens toe kastijdden in de hoop een ander en beter mens te worden. Onder 'beter' moet dan natuurlijk verstaan worden 'zoals God dat wil', dus in feite zoals de kerkelijke machthebbers dat willen.
Het behoeft evenwel niet te verbazen dat al die onnozele pogingen op niets uitliepen. Dat is logisch want de basale mens is niet te veranderen. Veranderd kan slechts worden de wijze waarop iemand tegen zichzelf aankijkt en wat zij of hij daarmee aanvangt.
 
Nu wil het geval dat het 'zelfbeeld' van de mens tijdens zijn aanvankelijke Únvolwassenheid vrijwel geheel bepaald wordt door de instantie die binnen de cultuur maatgevend is. Die instantie voorziet hem van een bepaald complex van kennis die, vaak uiterst willekeurig, als betrouwbaar voorgesteld wordt. Die kennis zou dus de 'waarheid' zijn. Inderdaad doet het er nauwelijks toe of die kennis controleerbaar juist is. Van belang is slechts dat ze ondersteund wordt door de geldende cultuur-opvattingen zodat ze als houvast kan dienen. Dat is voor de onvolwassen mens voldoende argument om zich die kennis gehoorzaam eigen te maken. De betrouwbaarheid ervan, de juistheid en waarheid laten voor hem geen enkele twijfel toe, hoewel die hem in feite alleen maar aangepraat zijn. Met recht kan van hem gezegd worden dat hij aan 'intellectueel autisme' lijdt.
 
Tot voor kort waren het de godsdiensten die de mens tot een autist maakten. In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat dit thans nog slechts bij enkele op macht beluste tobbers gelukt, maar dat de hedendaagse, voornamelijk Noord-Atlantische, cultuur aan dit stadium voorbij is. Het is overigens een behoorlijk langdurig proces geweest om zover te komen, een proces zelfs wel van enkele eeuwen. Het intellectueel autisme op grond van de godsdienst bleek bijzonder hardnekkig ondanks de omstandigheid dat de betreffende waarheden op geen enkele concrete ondersteuning, laat staan bewijsvoering, konden rekenen.
Dat ligt in de moderne cultuur wel anders! Daarin wordt het intellectuele autisme veroorzaakt en gevoed door de vanwege de wetenschap verstrekte kennis. Het zelfbeeld van de moderne mens heeft derhalve een wetenschappelijk karakter. Dat is in zoverre een vooruitgang vergeleken bij de vroegere situatie dat de door de wetenschap aangeleverde kennis op onderzoek en feiten berust. Daardoor is de overtuigingskracht ervan bijzonder groot, hetgeen de hardnekkigheid van het moderne autisme enorm bevordert. De hedendaagse mens heeft de beschikking gekregen over veelvuldig getoetste kennis waaraan hij enerzijds onbelemmerd zijn vertrouwen kan geven, maar waaraan hij anderzijds onmogelijk kan ontkomen. Zijn intellectueel autisme ligt dus veel dieper verankerd dan voordien het geval was.
 
Hoe meer iemand overtuigd is van de waarheid en dus van de juistheid van zijn kennis, hoe absoluter het bevangen-zijn in enigerlei vorm van intellectueel autisme is. Hieruit volgt onvermijdelijk dat hoog opgeleide mensen het meeste aan deze kwaal lijden, uiteraard op voorwaarde dat bedoelde kennis dient ter fundering van hun zelfbeeld. In dat geval wordt die kennis namelijk gebruikt, misbruikt eigenlijk, ter vorming en versterking van hun persoonlijke zekerheden. Zij ontlenen er dan een zo hoog mogelijke status aan, niet alleen voor eigen genoegen maar vooral in maatschappelijke zin, als regel met het oog op het verwerven van macht en een riant inkomen.
Het ligt voor de hand dat deze situatie bij alsnog onvolwassen mensen de meest voorkomende is. Het geeft een gevoel van veiligheid. En het is altijd maar een zeer kleine minderheid die, gelijk Socrates indertijd, het niet-weten als principe stelt en daardoor vanzelf aan de verlokkingen van het zelfvoldane, arrogante en onverdraagzame intellectuele autisme ontkomt...

Naar : Houvast-1 ; Houvast-2 ; Houvast-3 ; Houvast-4 ;
 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy

 

Volwassen worden-1,Volwassen worden-2

Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11

 

Bladwijzers: Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 39-(27-12-99)
 
______________________________________________________
 


Aan het einde van de Oudheid is het mogelijk geworden de samenstellende delen van de werkelijkheid van elkaar te scheiden: de mens kan beginnen met het analyseren van de werkelijkheid. Dat analyseren resulteert in een tweetal processen, namelijk het zich realiseren van de mens naar het aspect 'wetenschap' en het zich realiseren naar het aspect 'individu'. Het aspect 'wetenschap' betreft het verwerven van betrouwbare kennis inzake de werkelijkheid en het aspect 'individu' heeft betrekking op het volwassen worden van de mens. Voor hem wordt gaandeweg duidelijk wat zijn positie in de werkelijkheid is.
Voortaan staan alle hoofdstromingen van de cultuur in het teken van de analyse, dus van de ontwikkeling van de wetenschap en het individu-zijn. Dat levert als eerste wetenschappelijk moment op dat het goddelijke en het aardse van elkaar gescheiden worden. Volgens het cultuurbesef van de Oudheid waren die twee, hoewel Únderscheiden, niet gŤscheiden maar daarentegen een onverbrekelijke eenheid. Nu echter wordt datgene wat oorspronkelijk als goddelijk werd beseft veranderd in een hogere werkelijkheid en het aardse wordt een lagere. Dat lagere wordt natuurlijk zonder mankeren als iets minderwaardigs gewaardeerd.
 
Om te beginnen is de analyse gericht op dat hogere. Resultaat daarvan is de wetenschappelijke beoefening van de theologie. In zijn allereerste moment, dus nog net voordat men feitelijk van theologie kan spreken, wordt het christendom gesticht en later gebeurt hetzelfde met de stichting van de Islam in de 7e eeuw. Beide godsdiensten zijn gebaseerd op de oude Joodse godsdienst, namelijk die van de onbenoembare Jahwe.
Noodzakelijkerwijs, namelijk in verband met het proces van individualisering, wordt in beide godsdiensten dat hogere getransformeerd in goddelijke individuen, God en Allah, die dus wel degelijk te benoemen zijn. Het zijn overigens verschillende namen voor een en dezelfde god. Zowel de een als de ander treedt op als absoluut heerser over het universum. Vergeleken bij hen geldt alles als laag bij de gronds, niet waard om zich voor hun verheven aangezicht te vertonen. Eigenlijk bestaat er niets behalve God of Allah, hij is zonder meer het enige individu.
 
Het christendom en de Islam zijn in feite alsnog prille uitingen van de beginnende wetenschap, maar dat neemt niet weg dat het als zodanig toch buitengewoon geraffineerde bedenksels zijn. In tegenstelling tot wat gewoonlijk gesuggereerd wordt zijn zij geen logisch vervolg op oude culturen, maar juist een totale verwerping daarvan. Het zijn uitgesproken politieke manifestaties die gebaseerd zijn op een dramatische cultuur-breuk aan het einde van de Oudheid. Een breuk die gevolg is juist van dat feit dat voor de mens de werkelijkheid helder geworden is. Begonnen is daardoor het verbreken van het geheel, dus de analyse. Beide godsdiensten zijn daar exponenten van.
 
Christendom en Islam hebben met geloof, in de betekenis van inzicht, niets van doen. Daarentegen vormen zij het primitieve begin van de wetenschappelijke ontwikkeling van de moderne mens. Het was dan ook al spoedig dat de wetenschap zich aankondigde. Om te beginnen onvermijdelijk op de verkeerde manier, namelijk binnen het godsdienstige wereldbeeld, in de vorm van theologie. Ook wat destijds filosofie genoemd werd was niets anders dan verhulde theologie.
Daar was bijvoorbeeld Augustinus (354-430) van wie nog steeds bekend zijn de 'Confessiones' (Belijdenissen, d.d. 397) en 'De Civitate Dei' (De Staat Gods, d.d. ca. 420). Wat later kwam de Christelijke theologie zelfs tot grote bloei, vooral door Thomas van Aquino (1224-1274), die heel dweperig 'doctor angelicus' genoemd werd: engelachtige doctor! En binnen de Islam hebben de denkers Avicenna (980- 1037) en AverroŽs (1126-1198) terecht grote faam verworven.
Tot op de dag van vandaag beweren gezaghebbende theologen van genoemde twee godsdiensten dat zij wetenschappelijk bezig zijn, maar dat is volstrekt onjuist. De theologie kan geen wetenschap zijn omdat er bij voorbaat en in het geniep een premisse gehandhaafd moet worden die men beslist niet mag onderzoeken: God. Dit verbod is eigenlijk nog het ernstigste vergrijp tegen het redelijke denken, het is er zelfs een aanfluiting van! Desondanks bezetten theologen nog steeds leerstoelen op de universiteiten en dat is alleen maar mogelijk doordat zij zich als wetenschappers voordoen en doordat de echte wetenschappers niet tegen de godsdienst durven ingaan. Zij zien de godsdiensten als rechtmatige cultuurgoederen...
Overigens zijn het niet alleen maar theologen die zich achter de wetenschap verschuilen. Ook de zogenaamde evangelisten zijn er zeer bedreven in. Bij hen is echter de officiŽle theologie nauwelijks de maat. Zij baseren zich graag op de moderne natuurkunde om te bewijzen dat de natuurwetten aan goddelijke creativiteit ontsproten moeten zijn. De praktijk heeft die uitgekookte evangelisten, net als andere reclame- makers, geleerd dat de mensen nauwelijks weerstand kunnen bieden aan wetenschappelijk klinkende argumenten. Wat valt er voor een leek tegen te spreken als men bijvoorbeeld met de zogenaamde Tweede Hoofdwet van de Thermodynamica aantoont dat God inderdaad bestaat?
 
De splitsing van de werkelijkheid in een hogere en een lagere is het eerste moment van de analyse, maar dat wil niet zeggen dat hij van voorbijgaande aard is. Zoals altijd het geval is met ontwikkelingen binnen de cultuur blijft ook deze tweedeling gedurende de gehele analytische periode van kracht, hetgeen betekent dat hij allesbepalend is totdat de volwassenheid van de mensheid een feit is. Maar zijn godsdienstige manifestatie raakt wel langzamerhand op de achtergrond en wel naarmate de analyse zich verder doorzet en zich op andere terreinen gaat richten, namelijk die van de werkelijkheid als het lagere, met als gevolg de ontwikkeling van zowel het individualisme als de moderne wetenschap.
Individualisme is het proces van het ontwaken en het zich ontwikkelen van de mens tot individu. Dat begon dus ook onmiddellijk bij het intreden van de nieuwe tijd, maar het is in Europa lange tijd blijven sudderen, in niet geringe mate onder druk van de autoritaire godsdiensten. Hun machthebbers zaten bepaald niet uit te kijken naar zelfbewuste individuen! Toch kwamen de Romeinen al met het recht! Dat wijst er onmiskenbaar op dat de mens als individu binnen de Romeinse cultuur herkend werd. De Romeinen gingen daarmee al dadelijk erg ver, zozeer zelfs dat hun Romeinse Recht nog altijd op de universiteiten gedoceerd wordt.
 
Ook de ontwikkeling van de moderne wetenschap begon destijds al meteen, maar het heeft zelfs tot in de 19e eeuw geduurd vooraleer er practisch iets van terecht kwam. Zoals gezegd bleef de zaak aanvankelijk almaar binnen de godsdienst rondtobben en tot overmaat van ramp zo ongeveer vanaf de 16e eeuw ook nog binnen de machtssfeer van absolute heersers. Maar inmiddels is alles in zoverre terechtgekomen dat op het ogenblik de wetenschap op bijna alle terreinen van maatschappij en samenleving de maat is geworden. Maar, zoals te verwachten was, is ook dat weer de perken te buiten gegaan: de wetenschap heeft zelfs beslag gelegd op zaken die zich van nature niet voor een wetenschappelijke benadering lenen, zoals de kunsten, de opvoeding van kinderen, de liefde, de sport, de ontspanning en nog veel meer...

 

Volwassen worden-1, Volwassen worden-2

Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11

Bladwijzers: Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;

 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 40-(24-01-2000)

Bladwijzers: Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Deskundigheid of bekwaamheid: A1, B2, C3 en D4 ;


 
______________________________________________________
 


De moderne mensheid bestaat in principe uit deskundigen. Het begrip 'deskundige' is te definiŽren als geldend voor de mens die eindproduct is van de analytische cultuur. De intellectuele inhoud van diens zelfbewustzijn bestaat uitsluitend uit de resultaten van die analyse, in de vorm van al of niet juiste wetenschappelijke theorieŽn. Zij bepalen dus diens gehele zelfbewuste leven. Bij de deskundige is alles afhankelijk van wat de wetenschap er over te zeggen heeft. Doorgaans is hij zich hiervan nauwelijks bewust, maar dat is gebruikelijk bij essentiŽle cultuurprocessen. Die blijven als regel onder de oppervlakte.
In tegenstelling tot wat gewoonlijk gedacht wordt doet de feitelijke juistheid van de intellectuele inhoud van het zelfbewustzijn er weinig toe. Waarom het gaat is dat iemand meent dat zijn of haar voorstelling van de zaak juist is. Het is immers per definitie voor niemand mogelijk ŗlles persoonlijk na te gaan en te controleren. Het ene geval zal voor iemand controleerbaar zijn maar tegelijkertijd het andere niet, afhankelijk van iemands specialiteit. Dat geldt voor iedereen, altijd en onder alle omstandigheden. Uiteindelijk is het een kwestie van vertrouwen stellen in hetgeen door anderen beweerd wordt. Het betekent derhalve in de praktijk dat niet doorslaggevend kan zijn of men iets op zijn juistheid kan toetsen, maar dat essentieel is wat iemand zelf voor een voorstelling over het geval heeft.
 
Zo is er een tijd geweest dat de intellectuele inhoud van het zelfbewustzijn bepaald werd door de godsdiensten. Toen werden door de mensen de daaraan ontleende voorstellingen voor juist gehouden, ondanks het bijna altijd controleerbare feit dat zij nergens op sloegen. Een dergelijke controle was mogelijk doordat de praktische handelingen en ervaringen niet pasten in de godsdienstige voorstellingen. Desondanks bleven de mensen vasthouden aan die occulte voorstellingen, uiteraard omdat die de pretentie hadden juist te zijn. Omdat dit echter slechts een pretentie was is het begrip 'deskundigheid' hier niet van toepassing. Dit begrip vooronderstelt het gericht zijn op feiten. Het begrip 'bekwaamheid' geldt echter wel.
Maar voor de moderne mens ligt dat in zoverre anders dat hij zijn informatie niet betrekt van occulte fantasten, maar van rationele wetenschappers. Het is nu juist hierdoor dat het begrip 'deskundige' van toepassing wordt. Het gaat nu immers niet langer over hersenspinsels maar over heldere feiten waarvan in vol vertrouwen verwacht wordt dat zij deugdelijk wetenschappelijk gefundeerd zijn.
 
De begrippen 'deskundigheid' en 'bekwaamheid' mogen in geen geval met elkaar verward worden. Inderdaad geeft het deskundig zijn een indruk van bekwaamheid, maar dat is bedrieglijke schijn. Bekwaamheden zijn het gevolg van praktische ervaringen bij het verrichten van bepaalde handelingen. Via vallen en opstaan, doen de mensen aan bepaalde handelingen ervaringen op. Die kunnen zij eventueel aan elkaar doorgeven maar niet zonder dat die bepaalde handelingen nagedaan worden. De ervaring, bijvoorbeeld die van het haaks afzagen van een balk, is niet mogelijk zonder het herhalen van de handeling van het zagen door diegene die er kennis van neemt en zich er in wil bekwamen. Dus, de ervaring is nimmer zonder de handeling en andersom is de handeling nooit goed uitvoerbaar zonder de ervaring.
Door de onverbrekelijke samenhang van handeling en ervaring is de bekwaamheid noodzakelijkerwijs gebonden aan het individu. Hij is het immers die handelt. Maar ook het ervaren is aan het individu gebonden. Zelfs is te stellen dat de ervaring op zichzelf niet aan iemand anders over te dragen is. Men kan er wel over vertellen, maar daarmee is de ervaring zŤlf niet overgedragen. De mate van bekwaamheid, als resultaat van handelen en ervaren, wordt vervolgens bepaald door iemands individuele aanleg en oefening, hetgeen onvermijdelijk ook betekent dat de ene mens tot een grotere bekwaamheid zal komen dan de andere. En zelfs betekent het dat er doorgaans velen zullen zijn die nooit aan bepaalde bekwaamheden zullen toekomen. Eigenlijk zijn bekwaamheden logischerwijs steeds voorbehouden aan minderheden: de meeste mensen kunnen iets bepaalds niŤt..! Tot op zekere hoogte is ieder individu ook in dit opzicht uniek.
 
Met het begrip 'deskundigheid' is het evenwel totaal anders gesteld. Het vooronderstelt in het geheel geen beoefende handelingen en bijgevolg ook geen specifieke ervaringen. Wat dit betreft is het er in opgenomen begrip 'kundigheid' uitermate misleidend, want de zaak heeft niets met kunde of kundigheid te maken. Dat is te zeggen: het ligt in de logica dat er mensen zijn die kundigheid en dus bekwaamheid paren aan deskundigheid en omgekeerd zijn er stellig mensen die behalve bekwaam ook nog deskundig zijn. Maar, zoals kenmerkend voor het filosoferen, het gaat nu om de fundamentele betekenis en de specifieke inhoud van begrippen. Dan is met reden te stellen dat deskundigheid op zichzelf niet met bekwaamheid samengaat.
Beide begrippen staan los van elkaar. Dat is het geval omdat de deskundigheid, als behorende tot de moderne cultuur, uitsluitend voortbrengsel is van het analyseren van de werkelijkheid. De zaak berust tenvolle op informatie die als overdraagbare kennis aanvaard is en die, al of niet terecht, is opgenomen in controleerbaar geachte systemen. Met het primaire verwerven van die informatie, namelijk door praktisch onderzoek, behoeft men in het geheel geen bemoeienis te hebben gehad: het gaat om de secundaire kennisname uit geschriften en andere bronnen.
Omdat dit het geval is verdwijnt het begrip 'bekwaamheid' buiten beeld. Dus ook doen persoonlijke aanleg en oefening niet langer ter zake. Of beter gezegd: in feite zijn alleen nog maar van belang de aanleg en oefening om zich ingewikkelde leerstof eigen te maken. Iemand die 'goed kan leren' kan gemakkelijk op het een of andere terrein deskundig worden, zonder dat er ook maar een greintje bekwaamheid aan te pas behoeft te komen.
 
Doordat de moderne cultuur draait om het analyseren van de werkelijkheid wordt de praktijk van de erin betrokken mens steeds meer theoretisch. Die praktijk is niet meer, zoals in het verleden, bepaald door ervaringen die uit concrete handelingen, uit allerlei activiteiten voortgekomen zijn, maar hij is bepaald door wat de wetenschappen zeggen. Die hebben, geheel overeenkomstig hun aard, gaandeweg alle deelgebieden van de werkelijkheid in beslag genomen en dat stelselmatig omgezet in theorieŽn, in verhandelingen, in boeken. De inhoud van die verhandelingen wordt bij de moderne mens automatisch de inhoud van zijn zelfbewustzijn. Het wordt dus zijn wereldbeeld. En na verloop van tijd raakt hij ervan overtuigd dat dit wereldbeeld overeenstemt met de realiteit. Hij meent de waarheid in handen te hebben, maar het is slechts een wetenschappelijk model ervan. Een behoorlijk juist model inderdaad, maar toch: een model...
Met dat model voor ogen gaat de moderne mens zijn wereld te lijf. Hij verkeert in de mening er alles vanaf te weten en bijgevolg ook alles naar zijn hand te kunnen zetten. Dat gaat zelfs zover dat hij er heilig van overtuigd raakt de wereld te kunnen verbeteren, overeenkomstig het wetenschappelijke model dat hij in zijn hoofd heeft. De Marxisten bijvoorbeeld dachten dat hun ideeŽn in de toekomst zeker gerealiseerd zouden worden, louter op grond van het feit dat volgens hen het Marxisme een wetenschappelijke ideologie zou zijn.
En er zijn tegenwoordig heel wat denkers die ervan overtuigd zijn dat de mens in geestelijke en lichamelijke zin verbeterd kan worden, niet op de ouderwetse manier via opvoeding en onderwijs en gezondheidszorg, maar op de modern wetenschappelijke doormiddel van genetische modificatie. De cruciale vraag of iemand ooit het recht en de macht zou mogen hebben om te definiŽren wat een beter mens is, wordt zorgvuldig buiten de discussie gehouden. Bij nadenken daarover zou wel eens kunnen blijken dat het complete moderne wereldbeeld over de gehele linie een tragische zinsbegoocheling is.
 
Een ander, en minstens even verontrustend, modern verschijnsel is het voortdurend en in toenemende mate mislukken van pogingen tot zogenaamde 'maatschappelijke vernieuwing'. Steeds weer blijkt dat politici en economen struikelen over situaties en ontwikkelingen die niet binnen het kader van het wetenschappelijke model passen, die dus niet te berekenen zijn en die dan maar buiten beschouwing worden gelaten of zelfs geheel over het hoofd worden gezien.
Tot die onberekenbare zaken behoort nu juist tenvolle de bekwaamheid, dat geheel van handelen en ervaren. Daarmee weet men zo langzamerhand absoluut geen raad meer. Men vindt die zaak te willekeuring, te afhankelijk van toevallige talenten onder de mensen. Het is dan ook gemakkelijk vast te stellen dat men daarom probeert de bekwaamheid te omzeilen, door namelijk overal handleidingen, regels en voorschriften voor op te stellen.
Niemand behoeft dan meer te weten waarmee hij bezig is als de juiste handgrepen maar toegepast worden...

Bladwijzers: Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Deskundigheid of bekwaamheid: A1, B2, C3 en D4 ;


 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 41-(02-2000)

Bladwijzers: Rechten van de mens-1 ; Rechten van de mens-2 ; Rechten van de mens-3 ;
 
______________________________________________________
 


Zo langzamerhand hebben de wetenschappen beslag gelegd op alle terreinen van het leven. Daaronder vallen allang niet meer de materiŽle zaken die doormiddel van bepaalde technieken planmatig geregeld kunnen worden, maar helaas ook dat wat typisch niet vatbaar is voor planmatige manipulaties omdat het een beweeglijk karakter heeft. Dat is het geval met alles wat met het leven te maken heeft. Daar valt niets te manipuleren in de zin van het uitvoeren van plannen die van tevoren op grond van bepaalde theorieŽn ontworpen zijn. Doordat het nu gaat om processen, manifestaties van een beweeglijke werkelijkheid, is het onmogelijk te voorspellen wat er zal gebeuren als men bepaalde ingrepen pleegt. Men kan hoogstens vermoeden hoe groot de waarschijnlijkheid is dat een gewenste reactie optreedt. Maar zekerheid is er niet bij.
Het begrip 'voorspellen', dat essentieel is voor alle vormen van techniek, is ten enen male niet van toepassing op de levende werkelijkheid. Voor voorspellen is nodig dat men bepaalde informatie heeft die men kan invoeren in een gegeven formule. Maar ingeval van het leven is die informatie volstrekt niet te bepalen. Men kan er slechts naar gissen. Voorzover de hedendaagse wetenschappers en technologen desondanks toch proberen levenszaken voorspelbaar te regelen zijn zij gedwongen die processen tot bepaalde modellen te vereenvoudigen.
 
Tot die 'levenszaken' behoort al datgene wat direct en indirect voortkomt uit de werkelijkheid als bewustzijn. Dat manifesteert zich in het dagelijkse leven via de werkzaamheid van de PSYCHE-(een nadere uiteenzetting over de PSYCHE treft U aan in Beweging en Verschijnsel deel 1, 2 en 3 en/of Een korte schets van de menselijke SEKSUALITEIT- zie de bladwijzers-
Rob van Es).
Op directe wijze komt dat voor de dag als de begrippen 'liefde' en 'schoonheid' (abstract) en als het beoefenen van kunst en filosofie (concreet). Het begrip 'liefde' houdt in dat alle dingen gelden als opgenomen in een allesomvattend geheel. Daarvoor geldt het begrip 'ineen-zijn' en dat wil zeggen dat zij niet van elkaar gescheiden zijn door een onoverbrugbare kloof, zoals dat in de alledaagse realiteit het geval is. Binnen het begrip 'liefde' is het ene ding onmiddellijk op zijn eigen wijze het andere ding. En 'schoonheid' houdt in dat in het licht van dat ineenzijn al die dingen met elkaar harmoniŽren. Dat betekent dat zij elkaar niet in de weg zitten maar daarentegen elkaar tenvolle bevestigen.
 
Vervolgens zijn daar ook, indirect, allerlei ontwikkelingen binnen de maatschappij die zich, in tegenstelling tot de meeste gangbare opvattingen, eveneens onttrekken aan planmatige ingrepen. Dat zijn ontwikkelingen die onder het begrip 'samenleving' vallen.
Het vanuit modieuze wetenschappelijke redeneringen negeren van deze onmogelijkheid tot planning leidt practisch altijd tot een fiasco. Gewoonlijk valt dat bij niemand op want de managers weten daar goed raad mee! Zij verdoezelen zo'n mislukking met een groot aantal zogenaamd 'flankerende maatregelen'. Daardoor krijgt de argeloze buitenstaander de indruk dat alles volgens plan verloopt, terwijl er in feite helemaal niets van de oorspronkelijke plannen terechtkomt. Mocht het onverhoopt toch te bont worden gewaagt men kwasi deemoedig van 'onvoorziene omstandigheden' alsof het om incidenten zou gaan...
 
Tot voorbeeld van dit laatste strekke het rampzalige gedoe met de landen van het voormalige Oostblok en de zogenaamde Derde Wereld. Eigenlijk lijkt de intentie wel goed: men wil, overigens bepaald niet zonder eigenbelang, die landen politiek en economisch op het peil van de Westerse wereld brengen. Dat beantwoordt mooi aan de normen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Een loffelijk streven dus...
Maar, het denken over de vraag welke weg daartoe gevolgd moet worden zit bijna autistisch beklemd in de moderne wetenschappelijke opvatting dat uitsluitend de analytisch wetenschappelijke benadering tot een aanvaardbare oplossing kan leiden. Dus worden er modellen ontworpen en plannen gemaakt.
Uiteraard zijn het uitsluitend deskundigen die dit mogen doen. Zij hebben immers op hun universiteiten geleerd hoe dergelijke zaken aangepakt moeten worden. En inderdaad: in lijvige rapporten worden geheel nieuwe constructies beschreven, maatschappijen met een infrastructuur die aan alle gestelde eisen voldoet.
Aan alles is gedacht, behalve aan het feit dat die modellen per definitie geen van alle kunnen functioneren. Zij zijn namelijk gebaseerd op voorbije, als 'geschiedenis' vastgelegde, situaties. Uiteraard is daaruit reeds lang het beweeglijke vervlogen. Er treden in die geschiedenis geen veranderingen meer op. Op zo'n vastgelegde zaak is analytisch onderzoek inderdaad mogelijk. En het is natuurlijk prima als wetenschappers dat doen. Zij kunnen er veel uit leren, maar of dat inderdaad het geval is staat nog te bezien...
 
Bovendien zouden de geleerden er zich rekenschap van moeten geven dat hun analyses afspiegelingen van de huidige politieke en economische Westerse wereld zijn. Maar merkwaardigerwijs schijnen zij te vergeten dat die wereld geenszins planmatig tot stand is gekomen. Hij is namelijk al doende ontstaan! Met vallen en opstaan, aan de hand van steeds meer praktische ervaringen, hebben 'gewone' mensen stap voor stap hun wereld opgebouwd. Dat geschiedde niet volgens van tevoren opgestelde theorieŽn en technische blauwdrukken, maar op grond van gaandeweg verworven bekwaamheden. En men deed dat met het oog op de dagelijkse behoeften van die gewone mensen.
Voorzover er daarbij rekening moest worden gehouden met anderen werd ook dit door henzelf geregeld, al of niet doormiddel van het verstrekken van bevoegdheden aan colleges van gedeputeerden.
 
In tegenstelling tot wat doorgaans gedacht wordt was de rol van de zichzelf benoemende overheden als regel meer remmend dan stimulerend. Dat komt doordat overheden niet op sociaal welzijn maar op macht uit zijn, hetgeen per definitie in strijd is met de belangen van de burgers. Als gevolg daarvan laat de geschiedenis een voortdurende strijd zien van de gewone mensen tegen heerszuchtige en inhalige overheden, autoriteiten van allerlei slag: geestelijk, politiek, economisch, al of niet voorzien van een zogenaamd democratische gezindheid.
Ondanks het feit dat het noodzakelijk is om, doormiddel van met macht beklede overheden, aan een vooralsnog Únvolwassen mensheid gezagsmatig leiding te geven moet dus logischerwijs gesteld worden dat in de praktijk de belangen van die overheden nimmer overeen kunnen komen met die van de onderdanen. Het steeds aangevoerde argument dat er 'in het belang van het volk' geregeerd wordt en, sterker nog, dat de machthebbers 'geroepen zijn het volk te dienen' is niet meer dan een volstrekt hypocriete poging de eigen heerszucht te legitimeren. Ook nog in de praktijk van vandaag blijkt dat uit het feit dat burgers steeds voor hun rechten moeten vechten. Voor hun welzijn is als regel geen of slechts mondjesmaat geld beschikbaar. Altijd moet er op hen 'bezuinigd' worden!
 
Hoe dan ook, van een wetenschappelijk planmatige inrichting van een maatschappij komt noodzakelijkerwijs niets terecht, omdat het beweeglijke, en dus de samenleving, zich niet beheersen laat. Het is ten enen male onmogelijk de samenleving in zijn macht te krijgen.
Het begrip 'samenleving' houdt namelijk in: het geheel van op de werkelijkheid als bewustzijn gestoelde intermenselijke betrekkingen. Het begrip 'samenleving' heeft een geheel andere inhoud als het begrip 'maatschappij' waarbij het gaat over op het zŤlfbewustzijn gegronde rationele contracten. De onder het begrip 'samenleving' werkzame krachten zijn de feitelijke drijfveren voor het opbloeien van een humane maatschappij. Dus: niet de op analyse gebaseerde theorieŽn kunnen tot de vorming van goede maatschappelijke structuren leiden, maar uitsluitend processen binnen de samenleving. Het zijn de ongrijpbare krachten van de werkelijkheid als bewustzijn die een leefbare wereld kunnen doen ontstaan.
 
De moderne, planmatig georganiseerde, wereld zal onvermijdelijk instorten, is daarmee in feite al bezig. Dat is dus het geval juist doordat er nauwelijks nog een samenleving mogelijk is. Dat leidt in toenemende mate tot een formeel uitgedachte maatschappij, waaraan alle gemoedelijke warmte ontbreekt.
Helaas is hieraan niet te ontkomen want de moeilijkheid is dat het moderne denken die dramatische gang van zaken voorlopig nog enthousiast stimuleren zal. Het heeft immers het wetenschappelijk gelijk aan zijn kant en bezit daardoor een schier absolute overtuigingskracht.

Bladwijzers: Rechten van de mens-1 ; Rechten van de mens-2 ; Rechten van de mens-3 ;


 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy

 

Bladwijzer: Verlichting

 

De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,

Bladwijzers: Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;


door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 42
 
______________________________________________________
 


Er is een tweetal begrippen die betrekking hebben op het met elkaar omgaan van de mensen, te weten als eerste het begrip 'samenleving' en als tweede het begrip 'maatschappij'. Het is opvallend dat beide begrippen voortdurend door elkaar heen gebruikt worden alsof ze dezelfde betekenis zouden hebben. Dat hebben ze echter in het geheel niet. Bovendien valt op dat tegenwoordig het begrip 'maatschappij' qua inhoud verre de overhand heeft en bijgevolg in de praktijk van politiek en dagelijks leven vrijwel kritiekloos het denken bepaalt.
 
Het begrip 'samenleving' spruit voort uit de voor de mens, en overigens voor ŗlle levensvormen, geldende werkelijkheid als bewustzijn. Het kenmerkende van die werkelijkheid is dat alle verschijnselen in ťťn allesomvattende trilling opgenomen zijn, met als gevolg dat zij niet door elkaars begrensdheid van elkaar gescheiden zijn, maar daarentegen in elkaar overgaan. Als zodanig vormen zij een in zichzelf genuanceerd, maar overigens homogeen, geheel.
Het gaat dan bijvoorbeeld niet over een bepaalde boom, op een zeker moment in een bepaalde tuin, maar over het begrip 'boom'. Zo zijn de verschillende dingen 'nuances' binnen het geheel van de werkelijkheid als bewustzijn. Daaraan ontbreekt niets, alles, inclusief de mens, is er in opgenomen. Omdat het over nuances gaat is de zaak volkomen Únberekenbaar. Het een is immers niet naast en tegenover het ander te zetten, iets wat voor een berekening noodzakelijk is.
Nu is de menselijke samenleving afspiegeling van deze verhoudingen. De mensen gaan met elkaar om vanuit genoemd 'geheel' en zij doen dat onvoorwaardelijk, zonder speciale reden, maar gewoon omdat zij er nu eenmaal zijn. Eventueel kan men dit 'saamhorigheid' noemen en ter illustratie kan aan een gezin gedacht worden.
 
Het begrip 'maatschappij' heeft de werkelijkheid als zelfbewustzijn als basis. In tegenstelling tot de hierboven genoemde werkelijkheid als bewustzijn geldt dit zelfbewustzijn uitsluitend voor de mens, dank zij het feit dat hij het absolute sluitstuk is van de evolutie, zoals die zich op deze aarde voltrokken heeft.
Ook in het zelfbewustzijn komen de dingen op trillende wijze voor, maar nu gaat het over een verzameling ŗfzonderlijke trillingen. Dus is bijvoorbeeld een bepaalde boom aanwezig. Dit betekent dat bij elk individu de inhoud van het zelfbewustzijn onvolledig is: die inhoud is 'aan het individu bepaald'. Het is resultaat van opgedane ervaringen van allerlei aard. Dus, slechts de bij iemand behorende dingen komen er in voor. En die dingen zijn bovendien ook nog eens eenzijdig bepaald: het aloude filosofische probleem namelijk, dat van een voorwerp alleen de zichtbare kant bekend is en dat kennis omtrent de onzichtbare achterkant logischerwijs slechts op een veronderstelling kan berusten.
 
Omdat de samenleving manifestatie is van het menselijk bewustzijn is zij een afspiegeling van de werkelijkheid zelve. Dat wil zeggen: afspiegeling van de wezenlijke en ware werkelijkheid, die er is zonder dat ook maar iemand haar heeft kunnen vormen of veranderen. Zij is zÚmaar aan de evolutie meegekomen als een verhouding binnen het materiŽle systeem van het leven. Omdat dit het geval is vertoont de samenleving dan ook dat onaantastbare karakter. Voorzover de mensen met elkaar een 'samenleving' vormen, en dat vormen zij automatisch, is er niets met hen aan te vangen: zij laten zich niets gezeggen en zij zijn niet afhankelijk van plannen en regelingen. Qua samenleving is de mensheid niet te besturen. Het kan lang duren, maar onherroepelijk komt er een moment dat de mensen zich vrij maken en proberen getrouw te zijn aan het ware. De geschiedenis laat dit proces van vallen en opstaan duidelijk zien.
 
Anders is het gesteld met de maatschappij. Ieder mens geldt daarin als een volstrekt op zichzelf staand geval dat door zijn eigen begrenzing afgezonderd is van alle anderen, die op hun beurt ook binnen hun eigen begrenzing opgesloten zijn.
Qua maatschappij zijn alle mensen aparte bolwerken waar niemand binnen kan treden en waar zelfs, in een behoorlijke maatschappij, niemand binnen mŗg treden. De enige mogelijkheid om met elkaar om te kunnen gaan is gelegen in het bouwen van bruggen van de een naar de ander. Dat zijn door de mensen zelf uitgedachte constructies die voor een verbinding tussen beiden zorgen. Die verbinding, die relatie, valt onder het begrip 'communicatie'. Uiteraard kan zoiets alleen maar functioneren op voorwaarde dat beiden zich redelijk gedragen en zich getrouw aan de afspraken houden.
Omdat het bij het begrip 'maatschappij' gaat om een complex van rationele, dat wil zeggen op het intellect gegronde, verbindingen, die als zodanig resultaat zijn van gezamenlijk overleg, is het mogelijk en zelfs noodzakelijk de zaak aan een gezaghebbende leiding te onderwerpen.
 
In de moderne maatschappij zijn de kriteria voor het leidinggeven wetenschappelijk en dus technologisch van karakter. Zij zijn evenwel niet democratisch. Vooral politici proberen de mensen steeds te doen geloven dat het om 'democratische' kriteria zou gaan, maar dat betreft slechts de uiterst dunne vernislaag die, ter geruststelling van de mensen, over het wetenschappelijke model aangebracht is. Als het inderdaad om democratie zou gaan zou dat betekenen dat het welzijn van 'het volk' centraal staat, met als logische consequentie dat de samenleving de maat zou zijn. Eventuele voorschriften en regelingen zouden dan gericht zijn op het beschermen van het beweeglijke en ongrijpbare karakter van de samenleving.
Maar niet alleen dat: er zou sprake zijn van een onmiskenbaar pogen een ieders ontplooiing te bevorderen. Ook zou men als vanzelfsprekend de zwakke steunen en belangeloos begeleiden. Maar dat is tot nu toe geenszins het geval, hetgeen onder andere moge blijken uit het feit dat mensen gedwongen worden elkaar in oorlogen te vernietigen en natuurlijk ook uit het feit dat zij niet als mensen maar als arbeidskrachten worden gewaardeerd. Ondanks alle inspraak, hebben zij bovendien nog steeds niets in te brengen. Zij zijn zelfs in toenemende mate gevangen in harteloze administratieve en economische systemen.
De bestuurders zeggen het trouwens zelf als zij quasi luchthartig spreken over bijvoorbeeld "de BV Nederland" als ware het een onderneming, een bedrijf. Logisch is dat dan de marktpositie van dat bedrijf als hun enige werkelijke bekommernis geldt. Alle belangen van de samenleving moeten zonder meer daarvoor wijken. Overigens staan noch die bestuurders, noch de gewone mensen daar bij stil. Zij weten doorgaans niet eens dat er zoiets als een samenleving bestaat!
 
Zoals gezegd draait tot nu toe alles om de maatschappij. Die situatie heeft zich vooral sinds de Verlichting, dus sinds het eind van de 18e eeuw, ontwikkeld. Vooral in de denkers was de idee opgekomen dat de samenleving beschouwd kon worden als een maatschappij, dus als een maakbare zaak. Dat betekent vanzelfsprekend ook dat ontwikkelingen voorspeld kunnen worden en dat er dus 'management' mogelijk was.
Om dat echter succesvol te kunnen doen moet er enerzijds betrouwbare wetenschappelijke informatie beschikbaar zijn en anderzijds een aantal theorieŽn waarmee de plannen uitgewerkt kunnen worden. Vandaag aan de dag is een en ander in hoge mate gerealiseerd: vrijwel de gehele samenleving is omgezet in een maatschappij en nagenoeg alle er in voorkomende elementen zijn in kaart gebracht en in databanken opgenomen. Er is nauwelijks nog een levensterrein dat niet door al of niet politieke managers ingepalmd is en op wetenschappelijke wijze beheersbaar gemaakt.
Enkele voorbeelden:
- Het met elkaar omgaan van de mensen is een kwestie van relatie-modellen geworden, gebaseerd op uitvoerig wetenschappelijk onderzoek en in formules uitgedrukt;
- De kennis van de mensen over zichzelf en de wereld wordt hen verstrekt door de verschillende wetenschappen, eigen ervaringen spelen nauwelijks nog een rol;
- Voorzover mensen gezond zijn komt dat doordat er een medische wetenschap is, het aanvoelen van het eigen lichaam komt nog zelden voor en wordt in ieder geval niet serieus genomen;
- De opvoeding van kinderen is alleen dan verantwoord als het volgens wetenschappelijke handleidingen geschiedt en in handen is van daartoe opgeleide deskundigen;
- De beoordeling en waardering van de kunsten is in handen gekomen van deskundigen die ervoor geleerd hebben op de universiteiten. Een heldere kijk op schoonheid en waarheid is niet meer nodig en eigenlijk zelfs ongewenst. Kennis van zaken is het parool.
Al deze voorbeelden betreffen het vervangen van de samenleving door de maatschappij, het vervangen van het leven door procedures, het in beslag nemen van het leven door onpersoonlijke wetenschappen.
 
Eigenlijk ligt de verhouding zo dat de maatschappij er op gericht zou moeten zijn de samenleving mogelijk te maken en te beschermen. De doelstelling van het management zou dan negatief gedefinieerd moeten worden, namelijk dat het gaat om het verhinderen van aanslagen op de vrijheid, de beweeglijkheid en de inventiviteit van de met elkaar samenlevende mensen. De huidige maatschappij echter heeft als doelstelling de mensen in het gareel te brengen en te houden. Maar, als steeds zullen de mensen ooit ook dat juk van zich afschudden...

 

De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,

Bladwijzers: Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;


 
 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 43
 

Schepping(s)verhaal-zie afl. 03, 37, 43, 44, 69
______________________________________________________
 


Vooral in wetenschappelijke kringen is er veel weerstand tegen de gedachte dat de mens het laatste verschijnsel is dat ten gevolge van het wordingsproces te voorschijn is gekomen. Nu is de uitdrukking 'laatste' verschijnsel in zoverre bedrieglijk dat het de suggestie wekt dat het om een tijdsbepaling zou gaan. Dat is het echter geenszins, de term bedoelt te zeggen dat het gaat over het uiterste waartoe het wordingsproces kan komen. Wat betreft dat wordingsproces gaat het dus over het tot stand komen van het meest verfijnde materiŽle systeem. Het verband tussen de samenstellende delen van dat systeem kan niet nÚg inniger worden, het heeft zijn uiterste mogelijkheid gerealiseerd.
 
Wat evenwel, nadat het wordingsproces als zodanig ten einde is, nog door blijft gaan is het aanpassingsproces, waarin het reeds aanwezige leven zich instelt op haar omgeving. In feite is dat proces zelfs nog nooit aan zijn eind gekomen. Het gaat steeds door, gebaseerd als het is op de tolerantie die op evolutionaire wijze in de beweeglijke levensprogramma's ingegroeid is. Een aardige illustratie bij dit laatste is dat recent onderzoek heeft aangetoond dat bepaalde antibiotica geen effect meer sorteren omdat de te bestrijden ziekteverwekkers resistent zijn geworden. Met andere woorden: zij hebben zich aan de gewijzigde omstandigheden aangepast. Dat is dus het aanpassingsproces dat actief blijft zolang het leven op aarde sterker is dan de ervoor eveneens geldende vergankelijkheid.
 
De mens is de manifestatie van de ultieme mogelijkheid van het wordingsproces. En nu is het juist dit feit dat door de meeste moderne wetenschappers bestreden wordt. Vaak doen zij dit alleen al omdat zij het niet uit kunnen staan dat ook binnen het godsdienstige denken sprake is van de mens als laatste mogelijkheid, geschapen door God weliswaar, maar toch als apotheose van de schepping. Menig zogenaamd vrijdenker bijvoorbeeld vertoont deze afwijzende reactie. Het mag immers niet zo zijn dat de godsdienst ook maar het geringste gelijk heeft.
Een deugdelijk argument tegen de notie 'laatste verschijnsel' wordt overigens nooit ter tafel gebracht. Men blijft almaar het flauwe argument herhalen dat de evolutie te langzaam zou gaan om herkenbaar te zijn. Een volstrekt loze bewering die zichzelf onderuit haalt juist omdat hij steunt op iets waarvan zojuist gesteld is dat het niet herkend kan worden. Ten overvloede staat daar tegenover dat de argumentatie vůůr het ten einde geraken van de wording helder en alleszins aannemelijk is.
 
Omdat de wording een materieel proces is, ook tijdens de evolutie van het leven, is het logischerwijs een eindige zaak. Er moet een moment komen dat het niet verder kan. Dat betekent evenwel dat er tenslotte een grenssituatie op zal treden en dat dit een 'dubbelfiguur' moet zijn. Dat dubbele is onvermijdelijke inhoud van het begrip 'grens'. Kenmerkend voor die laatste situatie moet zijn het tegelijkertijd gelden van het materiŽle en het niet-materiŽle, waarbij dit laatste niet slaat op de afwezigheid van materie, maar op de wijze waarop het materiŽle systeem functioneert. Dat doet namelijk alsof het geen materie ware.
Kennen wij mensen een dergelijke situatie? Inderdaad, wij herkennen hem aan onszŤlf!
De mens weet al vanaf zijn geboorte op de planeet dat hij, zoals hij zelf zegt, lichaam en geest is, stoffelijk en onstoffelijk tezamen. Het is waar, tot op de dag van vandaag begrijpt hij er nauwelijks iets van zodat hij met de meest wonderlijke fantasieŽn komt, maar het enkele feit van dat dubbel-zijn wordt nooit ontkend. Op geen enkel moment tijdens de wording is het optreden van een dergelijke dubbelfiguur mogelijk. Er zijn natuurlijk wel steeds dubbelfiguren, afhankelijk van de definities die men hanteert, maar nooit treedt er een situatie op waarbij de materie zichzelf ontkent. Die situatie is uitsluitend aan het einde denkbaar en mogelijk. Ergo, het kan niet anders dan dat de mens die grens, dat einde, is.
 
De gedachtengang kan ook omgekeerd worden zodat er eigenlijk een soort van cirkelredenering ontstaat. Die zou binnen het kader van alle wetenschappen terecht ongeoorloofd worden gevonden, behalve binnen het kader van de echte filosofie - maar dat is dan ook geen wetenschap...
Zoals gezegd kan de mens aan zichzelf vaststellen dat hij een tweeledige structuur heeft waarbij zijn zogenaamde geest een tegenstelling vormt met zijn lichaam. Bovendien is voor hem de objectieve werkelijkheid tweeledig, althans voorzover hij nog geen benul heeft van zichzelf als zelfbewustzijn. Onder die omstandigheden verdeelt hij namelijk als vanzelfsprekend de werkelijkheid in een hogere afdeling en een lagere, oftewel een goddelijke en een aardse. Ook die tweedeling wijst op het besef van iets dubbels in het eigen wezen.
Dat de mens zichzelf vanaf de vroegste tijden als iets tweeledigs aanvoelt behoeft beslist niet te betekenen dat hij daaruit de conclusie zal trekken dat hij aan het einde van een proces staat. Maar het betekent doorgaans wel dat hij zijn situatie verbeeldt door te verklaren dat hij het laatste ding is dat door een scheppende god geschapen is. Als laatste schiep God de mens, zo kan men nog steeds in de Bijbel lezen. Uiteraard is die voorstelling van zaken op zichzelf volkomen fout. Er is niets geschapen. De werkelijkheid heeft zichzelf tot mens ontwikkeld zonder dat er een externe impuls en een doelgericht programma voor nodig was. Maar daarom gaat het nu niet. Het essentiŽle is dat er steeds, en werkelijk in alle culturen, een besef van tweeledigheid aanwezig is, een besef dat op de een of andere manier geobjectiveerd wordt en tot een projectie tegen de hemel leidt, maar dat in feite teruggevoerd moet worden tot een vermoeden van de eigen dubbele situatie, met de daarbij behorende consequentie dat er op de een of andere manier van een eindpunt, een grens of een apotheose sprake moet zijn.
 
De eerste argumentatie gaat uit van het wordingsproces en stelt vast wat het eindpunt moet zijn. Dan blijkt dat de mens volledig aan de eigenschappen van dat eindpunt voldoet. Hij moet dus inderdaad het eindpunt zijn.
De tweede argumentatie gaat uit van de mens zelf en stelt vervolgens vast welke bijzondere eigenschappen hij heeft. Bijzonder is het tweeledige karakter. Dat leidt tot de gedachte dat de mens een grensgeval moet zijn, op een eindpunt moet staan. Dat kan aanleiding zijn om na te gaan hoe zijn wordingsgeschiedenis verlopen is.
 
De moderne, wetenschappelijk ingestelde mens houdt niet van filosofische redeneringen, tenzij ze opgesteld zijn met behulp van objectief controleerbare kwantificeerbare gegevens. Maar dan is het in feite geen filosofie meer, iets wat bijna altijd over het hoofd gezien wordt.
Nu wil het geval dat op die wetenschappelijke manier het ten einde gekomen zijn van de wording en van de evolutie niet aantoonbaar is. Netzomin trouwens als het voortgaan ervan te bewijzen is. Maar merkwaardigerwijs wordt dat feit doorgaans zorgvuldig buiten de discussie gehouden. En dus blijft men almaar volhouden dat de evolutie nog lang niet ten einde is hoewel het veel aannemelijker is dat er wel een einde aan gekomen is.
Er zijn zelfs denkers die het veronderstelde voortgaan van de evolutie gebruiken als uitgangspunt voor een toekomstvisie waarin een andere en betere mens optreedt, een mens die verstoken is van al die onaangename eigenschappen die de huidige mens kenmerken. Zij willen ons zelfs doen geloven dat die toekomstige mens zich verhoudt tot de huidige zoals de huidige zich verhoudt tot de mensaap.
En dan zijn er ook nog wetenschappelijke techneuten die menen dat het binnenkort mogelijk zal zijn de genen van de mens te modificeren zodat die ideale Uebermensch al eerder op aarde kan verschijnen. Wat de geleerden, die geacht worden zo intelligent te zijn, aan dwaasheden verzinnen tart in feite elke beschrijving. Zo hebben zij niet eens in de gaten dat die ideale Uebermensch in de praktijk een wezenloze 'zombie' zal blijken te zijn, wat overigens een heerlijk vooruitzicht is voor al die autoritaire machthebbers die nu hun al eeuwenoude droom van absolute macht bewaarheid zien worden!

 

Schepping(s)verhaal-zie afl. 03, 37, 43, 44, 69
 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 44

Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ; Schepping(s)verhaal-zie afl. 03, 37, 43, 44, 69
 
______________________________________________________
 

Uit de omstandigheid dat de mens het laatste verschijnsel is dat op deze planeet door de evolutie is voortgebracht volgt dat hij, in tegenstelling tot alle voorgaande verschijnselen, aan geen enkel ingeboren programma gebonden is. Het onontkoombare karakter van die levensprogramma's, die eigenlijk natuurwetmatigheden zijn, is voor hem een zaak van vrije keuze geworden, dus iets waaraan hij zelf invulling kan geven en een betekenis toekennen. Welbeschouwd betekent dit dat de mens in principe een onbeschreven blad is.
In het zogenaamde scheppingsverhaal, zoals dat onder andere in de Bijbel voorkomt, wordt het al nadrukkelijk gesteld, want de eerste mens wordt daarin getekend als 'onschuldig' zonder ook maar ergens op toegerust te zijn. Het eten van de verboden vrucht geeft aan dat het onvermijdelijk is dat de mens aan zijn leven inhoud gaat geven, uiteraard in de vorm van kennis. Dat dit onmiddellijk 'kennis van goed en kwaad' is, is in feite volstrekt logisch en het is overigens ook te begrijpen dat in oude verhalen deze eerste stap van de mens op de weg naar individualiteit als 'duivels' getekend wordt. Maar opgemerkt moet worden dat dit duivelse meer slaat op het rebelse karakter van die eerste stap dan op fundamentele slechtheid van de mens. Die veronderstelde slechtheid, gecombineerd met de dwaze 'erfzonde', berust op een geraffineerde streek van het christendom. Het gaat daarbij niet om stichting van de mensen, maar om vernedering opdat zij zich gedwee zullen buigen voor de absolute macht van de kerk.
 
Dat de mens in principe een onbeschreven blad is speelt in het filosofische denken een belangrijke rol, hoewel die rol vooral tegenwoordig nauwelijks herkend wordt. De huidige filosofie is academisch van karakter en dat houdt onder andere in dat voor elke nieuwe gedachtengang een bepaalde verzameling van reeds bestaande ideeŽn als uitgangspunt gekozen wordt. Het is in feite een filosofie die Úver filosofie gaat, een filosofie dus die zich met zichzelf bezig houdt. Dat behoort onlosmakelijk bij het academische denken, want dat heeft nu eenmaal een 'cumulatief' karakter, wat wil zeggen dat er wordt uitgegaan van en voortgebouwd op de stand van zaken van een bepaald moment. Wat er daarna bij de denk-procedure voor de dag komt wordt er, na grondige overdenking en toetsing, aan toegevoegd. Dat is het cumulatieve.
 
De filosofische kennis breidt zich gestaag uit en vormt als zodanig een steeds omvangrijker academische discipline. Degenen die de studie daarvan voltooien worden tenslotte 'filosofen' genoemd. Dat is zo langzamerhand zo vanzelfsprekend geworden dat alleen nog deze gekwalificeerde wetenschappers als wijsgerige autoriteiten worden erkend. En het verdient aanbeveling het tot hoogleraar gebracht te hebben, maar op zijn minst gepromoveerd te zijn op het denken van een vroegere collega. De moderne filosoof is de in alle opzichten academische filosoof.
Daarbuiten is iedere denker een charlatan. Men heeft het zelfs over een 'para-filosoof', wat natuurlijk een slinkse associatie met onbetrouwbare para-psychologen en dergelijke mensen suggereert.
 
Een andere, in wezen ook academische wijze van filosoferen is die welke gebaseerd is op fundamentele natuurkundige kennis. Men vraagt zich daarbij af hoe de oerwerkelijkheid is en in hoeverre het moderne onderzoek, bijvoorbeeld van de zogenaamde Quarks, die werkelijkheid al benaderd heeft. In het verlengde daarvan probeert men te berekenen hoe op zichzelf mysterieuze fenomenen als denken, voelen, bewustzijn en zelfbewustzijn tot stand zijn gekomen. Deze benadering van de werkelijkheid heeft de verdienste niet te steunen op wat anderen verondersteld hebben maar op gedegen wetenschappelijk onderzoek van de materie.
Het behoeft niet te verbazen dat ook die wijze van filosoferen door eerdergenoemde filosofische machthebbers nauwelijks serieus genomen wordt. In het beste geval beschouwen zij het als een hobby van bepaalde natuurkundigen. En uiteraard onthouden zij zich niet van verdachtmakingen in de richting van New-Age voorzover natuurkundigen als Fritjof Capra en collega's, stellig tegen hun zin, daarmee geassocieerd worden.
Hoe dan ook, of men zich veilig beperkt tot academisch denken Úver filosofie, of dat men zich baseert op de natuurkunde en zich dus eigenlijk met een vorm van theoretische natuurkunde bezig houdt, in beide gevallen heeft de zaak niets met filosoferen te maken.
 
Het gaat bij het filosoferen om de vraag hoe de werkelijkheid is. Het object van het denken daarover is de mens zŤlf omdat, ten eerste, in hem alles samenkomt, maar, ten tweede, ook omdat hij de zogenaamde objectieve werkelijkheid per definitie niet rechtstreeks benaderen kan. Hij moet dat noodzakelijkerwijs altijd doen via iets anders, om te beginnen zijn zintuigen. Maar zichzelf kan hij wel zonder tussenkomst van iets anders doorgronden, want hij is immers de apotheose van de wording! Dit betekent dus dat de vraag hoe de werkelijkheid is neerkomt op het doorgronden van de werkelijkheid als mens.
In de filosofie poogt de mens de werkelijkheid te ontdekken door zichzŤlf te leren kennen, vanzelfsprekend niet in psychologische of biologische zin, maar in universele zin. Het gaat dus eigenlijk om de aloude vraag: "Wie ben ik?". Nu is de moeilijkheid bij laatstgenoemde vraag dat de mens die zichzelf deze vraag stelt geconfronteerd wordt met het feit dat hij wezenlijk een onbeschreven blad is, dus dat hij zo zonder meer niet in staat is een betrouwbaar antwoord te geven. Want hij weet niets doordat hij aan geen enkele natuurwetmatigheid gebonden is. Toch moet hij het antwoord in zichzelf zoeken. Er is filosofisch gezien geen andere mogelijkheid.
Hij vindt het antwoord door om te beginnen nergens van uit te gaan, van geen voor juist gehouden wetenschappelijke of intuÔtieve kennis. Vervolgens door nauwkeurig na te gaan wat er zich, onafhankelijk van ruimte en tijd, afspiegelt aan de realiteit om hem heen. Dat is de vaak door kunstenaars zo genoemde 'werkelijkheid ŗchter de dingen'.
(Voor dat 'nagaan' gelden enkele criteria, waarover meer in de volgende aflevering).
 
Alle reeds bestaande filosofische ideeŽn en alle concrete kennis doen voor het filosoferen niet ter zake. Het is voor dat filosoferen niet interessant of zij betrouwbaar en juist zijn of niet, omdat de filosoof dat vanuit zijn filosofie niet kan beoordelen, hoewel hij er doorgaans wel kennis van zal nemen. Maar ook dat is niet echt noodzakelijk.
Lang geleden is dat al door Oosterse TaoÔstische monniken begrepen! Zij brachten dit inzicht tot uitdrukking in het rituele verscheuren van boeken...

Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ; Schepping(s)verhaal-zie afl. 03, 37, 43, 44, 69
 

Vrije keuze-1 ; Vrije keuze-2 ;††


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 45

Bladwijzers: Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Eenzijdgheid-1 ; Eenzijdgheid-2 ; Eenzijdgheid-3 ;
 
______________________________________________________
 

Hoe de mens ook naar de werkelijkheid kijkt, onvermijdelijk zal hij dit moeten doen via een tussenstation. De meest voor de hand liggende, want de onmiddellijk gegeven vorm daarvan zijn, de zintuigen. Die zijn de mens zeer nabij, uiteraard omdat zij onderdeel van zijn eigen lichaam uitmaken. Anders dan met de gespecialiseerde zintuigen van de dieren het geval is, zijn die van de mens niet bepaald effectief. Dat is evenwel niet zo erg omdat het in de logica ligt dat hij in de loop der tijden allerlei verlengstukken van zijn zintuigen ontwerpt, enerzijds om de onbetrouwbaarheid van die zintuigen zoveel als mogelijk op te heffen en anderzijds om dieper in de dingen door te kunnen dringen.
Hoezeer die verlengstukken ook zijn kennis van de werkelijkheid uitbreiden en verbeteren, nimmer is het de mens mogelijk het tussenstation van zijn zintuigen uit te schakelen. Hij kan nog zulke verfijnde en betrouwbare instrumenten bouwen, toch blijven zijn zintuigen het zwakste moment in zijn waarnemingsproces. Op grond daarvan is te zeggen dat zuivere objectiviteit een fundamentele Únmogelijkheid is. Dat betekent logischerwijs ook dat het ontdekken en kennen van de waarheid voor altijd een ijdele wens zal blijven, althans als het de bedoeling is de waarheid op objectieve en dus wetenschappelijke wijze bloot te leggen. Onder het begrip 'waarheid' moet verstaan worden de werkelijkheid zoals zij werkelijk is, ongeacht wat dan ook.
 
De wetenschappen komen noodzakelijkerwijs niet verder dan het aanleggen van een verzameling zo betrouwbaar mogelijke kennis. Die betrouwbaarheid is vooral bij de moderne exacte wetenschappen tot buitengewoon grote hoogte opgevoerd, hetgeen onder andere op tal van gebieden blijkt uit de schitterende toepassingen ervan. Het mag dan ook niet verbazen dat velen, hierdoor verblind, in de mening verkeren dat alleen de wetenschappen de waarheid zullen kunnen vinden, hoewel er heel wat wetenschappers zijn die zeggen dat er helemaal geen waarheid bestaat, wat overigens een niet zo erg intelligente opvatting is...
Het kan niet uitblijven dat zowel het een als het ander tot een buitengewoon gevaarlijke eenzijdigheid leidt. Enerzijds krijgen academici de kans de macht in de maatschappij en de samenleving over te nemen en anderzijds wordt nagenoeg het hele scala van niet-academische ideeŽn en ervaringen steeds arroganter afgedaan als niet relevante onzin. Thans is er al vrijwel geen enkel gebied meer waarop de academisch gevormde machthebbers geen beslag hebben gelegd. Zij hebben de mensen zelfs wezenlijk niet-wetenschappelijke zaken als kunst en filosofie afhandig gemaakt en ook wordt het dagelijkse leven al in hoge mate door academici bestierd. De gezondheid, de opvoeding, de sporten, de vrijetijds besteding, de vakanties, de dagelijkse omgang met elkaar, leven, liefde en dood, bij alles ligt vandaag de maat bij wat de wetenschap er over zegt.
Zoals vroeger de godsdienst de normen voor het leven bepaalde doet thans de wetenschap het. Die vergelijking gaat zelfs zozeer op dat de academici zich net zo betweterig en autoritair zijn gaan gedragen als voorheen de priesters en de dominees. En het feit dat het slechts over betrekkelijke objectiviteit gaat en niet over absolute waarheid wordt buiten elke discussie gehouden, als ware het een taboe. Modern is wat dit betreft de truc om met stelligheid te beweren dat de waarheid niet bestaat omdat alles betrekkelijk is.
 
Voor het getrouw omgaan met de werkelijkheid is echter heel wat meer nodig dan alleen maar de moderne wetenschap. Sterker nog, het is eigenlijk helemaal niet mogelijk om op een humaan verantwoorde wijze wetenschap toe te passen als er geen inzicht is. Tot nu toe wordt bij gebrek daaraan heel wat wetenschap onverantwoord en zelfs misdadig toegepast.
Dat inzicht is een uniek menselijk vermogen dat gebaseerd is op het alomvattende geheel van de werkelijkheid. De mens als laatste verschijnsel is dit geheel. Dat betekent dat hij alles, het gehele universum, tot inhoud heeft. Weliswaar op 'virtuele' wijze, maar toch. Om zich van die inhoud bewust te worden heeft de mens niets nodig. Hij heeft geen zintuigen nodig en al helemaal geen instrumenten. Dat zou overigens ook nergens op slaan want zoals gezegd is die inhoud 'virtueel' van karakter. Het is een zaak van algemeenheden, dus bijvoorbeeld niet 'deze' boom, maar 'de' boom, niet 'hier en nu' maar altijd en overal. Bovendien is de zaak beweeglijk, wat overigens in de logica ligt omdat er niets, op welke manier dan ook, vastgelegd is. Die algemene werkelijkheid ligt fundamenteel in de mens verborgen zodat deze niets anders behoeft te doen dan inzicht in zichzelf te ontwikkelen. Als gevolg daarvan kan hij nagaan hoe de werkelijkheid is en naarmate hem dat beter gelukt kan hij dat steeds genuanceerder.
 
Het verkrijgen van inzicht in zichzelf is een cultuur-proces dat zich geleidelijk via de opeenvolgende generaties voltrekt. Langzaam maar zeker verheldert zich de kijk van de mens op zijn universele inhoud. Dat proces laat zich door niets versnellen of anderszins manipuleren, het is een volstrekt autonome gang van zaken. Het is zelfs zo dat de mensen er doorgaans niets van merken. Het speelt zich in het verborgene af.
Post-moderne filosofen beweren dat zo'n proces er helemaal niet is. Zij vinden dan ook dat de geschiedenis zich lukraak afspeelt, dus zonder dat er een lijn in zit. Maar er is wel degelijk een bepaalde geleidelijke voortgang aan de geschiedenis op te merken, hoewel inderdaad niet op de manier waarop die filosofen en tal van historici naar de geschiedenis kijken.
 
Doordat die virtuele werkelijkheid in de mens als een gegeven aanwezig is kan iemand zich er op toeleggen er voor zichzelf een helder zicht op te krijgen zodat het mogelijk wordt na te gaan hoe het ermee zit. Vervolgens is het dan de opgave er op de een of andere manier uitdrukking aan te geven.
Volgens de wijsgeer Spinoza (1632-1677) moet men daartoe 'zijn verstand zuiveren', wat zeggen wil dat alle aangeprate flauwekul er uit moet. Het gaat dan echt om de waarheid, ook als die op een ruwe of gebrekkige wijze vertolkt wordt. Door de onafhankelijkheid van zintuigen en doordat het strikt over de werkelijkheid als eigen inhoud gaat kan zo'n verheldering volstrekt geen collectief karakter hebben. Het is per definitie een persoonlijke zaak, dus in feite een kwestie van aanleg, zelfs een bijzondere aanleg. Sommigen spreken niet geheel ten onrechte van een 'vleug van genialiteit'. Uiteraard is het bijzondere gelegen in het ongrijpbare, het onbepaalde en het vluchtige.
Die bijzondere situatie is kenmerkend voor de kunstenaar en de filosoof. Beiden geven almaar opnieuw een beschrijving van de werkelijkheid zoals ze naar waarheid is. In hoeverre dat zuiver is, behoort tot de zorg van de kunstenaar en de filosoof, maar wezenlijk is dŗt het voortdurend en uitsluitend om de waarheid gaat, een waarheid die geldig blijft ongeacht tijd en plaats.
 
Voor het filosoferen, in de zin van nagaan hoe de werkelijkheid is, volgen hier enkele criteria:
a. het gebruik van onverschillig welke beschikbare kennis om als bewijs te dienen voor de eigen gedachtengang, is in strijd is met het wezen van het filosoferen, omdat die kennis een externe oorsprong heeft.
b. het is fout om een gedachtengang sluitend te maken doormiddel van een niet via een eerdere gedachtengang verkregen argument. De zogenaamde 'Deus ex machina' is verboden..!
c. het ter ondersteuning van een gedachtengang gebruik maken van een slechts tijdelijk en plaatselijk geldig argument is fout, omdat een filosofische waarheid te allen tijde waar moet zijn.
d. het geheel van de helder geworden waarheid moet in zichzelf in alle richtingen consistent zijn, hetgeen wil zeggen dat de ene gedachtengang nimmer op de andere mag vastlopen.
 
Het feit dat het zoeken van de waarheid een Únmiddellijke zaak is werd zonder probleem door de denkers van de Oudheid erkend. Zij waren nog niet door de moderne wetenschap verblind. Voor de oude Grieken bijvoorbeeld had het Apollinische advies "Ken Uzelve" een heel plausibele betekenis. Zij begrepen dat in de mens de gehele werkelijkheid geconcentreerd is. Als dan de denkers van het oude Oosten adviseerden om af te dalen naar de 'innerlijke bron' getuigden ook zij van het besef dat de waarheid in de mens zŤlve gevonden moet worden.

Bladwijzers: Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Eenzijdgheid-1 ; Eenzijdgheid-2 ; Eenzijdgheid-3 ; Onafhankelijkheid: Zie nrs. 14 ; 21 ; 25 ; 35 ; 45 ; 67 ;


 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis

 

Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64 ;
 
AFLEVERING NR. 46
 
______________________________________________________
 

Het is bepaald deprimerend om op te merken hoezeer de filosofie van de beginnende West-Europese beschaving bij vergelijking met die van de Klassieke Grieken in het slop is geraakt. De filosofie van onder anderen Plato en Aristoteles heeft qua filosofische integriteit een veel hoger niveau dan die van welke westerse denker uit die dagen ook. De thematiek van die westerse denkers blijft almaar gebonden aan modderige Christelijke waanvoorstellingen over God en de Duivel en de fundamentele slechtheid van de mens, zonder dat er ook maar de geringste poging wordt gedaan die voorstellingen op zichzelf in twijfel te trekken. Als er sprake zou zijn van integere filosofie zou juist dit in twijfel trekken onmiskenbaar aanwezig zijn, niet als een tobberige zelf-promotie, zoals tegenwoordig bij filosofen en kunstenaars gewoonte is geworden, maar als onbevooroordeeld uitgangspunt voor een creatieve denkweg.
 
Bovendien is het logische niveau van die Christelijk-filosofische verhandelingen onvoorstelbaar laag. Voorzover er van logica gesproken kan worden blijft die steken in een platvloers redeneren via primitieve causaliteiten. Onwillekeurig doet dat denken aan de corrupte verhalen van hedendaagse politici die ondanks alles hun zin willen doordrijven. Maar helaas valt die overeenkomst nauwelijks op. Zelden hoort men iemand klagen over de vroege Europese filosofie. Doorgaans wordt zij daarentegen met evenveel respect benaderd als de Klassiek Griekse, waarin wellicht een rol speelt dat men zich laat misleiden door het feit dat die Europese filosofie ogenschijnlijk op Plato en Aristoteles voortborduurt.
 
Maar ook en vooral speelt er in mee dat het redeneren via primitieve, want enkelvoudige, causaliteiten typerend is voor de Europese cultuur. Dat komt vanwege de analyse, een denken dat niet verder kan komen dan het blootleggen van de relaties tussen de dingen. Dat is de basis van die enkelvoudige causaliteiten. Door het splitsende karakter gaan de veelzijdige samenhangen onherroepelijk verloren. Maar die zijn nu juist essentieel voor het filosoferen. Tot en met de dag van vandaag voert het zoeken van enkelvoudige causaliteiten de boventoon, ook in het wetenschappelijke denken. Sterker nog, het is in belangrijke mate de oorzaak van deszelfs succes...
 
In tegenstelling tot het denken van de filosofen uit de Klassieke Oudheid heeft dat van de Europese denkers steeds een vooropgezette bedoeling. Er moet ergens naar toe gerommeld worden, wat er vooral aanvankelijk op neer komt dat het bestaan en de functie van de Christelijke God aannemelijk gemaakt moeten worden. En daarmee samenhangend staat dat denken in het teken van de macht. Een macht die de mensen voorgesteld wordt als iets universeels waaraan niemand zich kan onttrekken. Daardoor is de conclusie gewettigd dat het gaat over een maatschappelijk gebonden, een politiek, denken. Een denken dat noodzakelijkerwijs uitsluitend dient om belangen te behartigen.
Daarmee is het zonder meer qua filosofie veroordeeld.
 
Hoe anders is het gesteld met het denken van bijvoorbeeld Plato. Hij laat zien hoe Socrates ter dood veroordeeld werd juist omdat hij weigerde zijn denken aan de maatschappelijke belangen ondergeschikt te maken. Uit de gesprekken van Socrates blijkt zijn onmiskenbare behoefte om de waarheid te vinden, gewoon door zo zuiver mogelijk te redeneren. Dat betekent niet alleen dat er geen vooropgesteld belang gediend wordt, maar het betekent ook en vooral dat het denken zŤlf aan geen voorgeschreven thema's, regels en methoden gebonden is. In dit verband is dan ook met recht te spreken van het ware 'vrijdenken'.
 
Vrijdenken is noodzakelijk om inzicht in de werkelijkheid te verkrijgen. Voor het filosoferen is het zelfs een absoluut vereiste. Logisch, want een gereglementeerd denken kan immers niets nieuws ontdekken. Het blijft opgesloten binnen van tevoren getrokken grenzen en herkent daardoor het onverwachte niet.
Dat laatste valt niet erg goed bij de moderne denkers, omdat het vrijdenken en het filosoferen logischerwijs als een zaak van een persoonlijke aanleg opgevat moeten worden. Maar zo'n zaak is Úngrijpbaar en dus voor hen volstrekt onnavolgbaar. Er valt niets te controleren en dus valt er volgens die denkers ook niets te bewijzen. Dat nu is voor de moderne intelligentsia onverteerbaar, want zij is nu eenmaal geworteld in en afhankelijk van de grijze middelmaat. Daarvan moet zij het hebben als het er om gaat zichzelf te laten gelden en te handhaven.
 
Toch is er aan het filosoferen, net als aan de kunsten, wel degelijk iŤts voorondersteld. Men moet namelijk een 'artistieke' kijk op de werkelijkheid hebben. Daarbij gaat het niet om een wereldbeschouwing, want die berust op de meer of minder zelfbewuste voorstelling die men van de werkelijkheid heeft. Zo'n voorstelling is opgebouwd uit een verzameling al of niet betrouwbare brokjes kennis. Dat betekent onmiddellijk dat de wereldbeschouwing volstrekt tijd- en plaatsgebonden is, zodat hij voor het filosoferen niet gebruikt kan worden.
Met een 'artistieke' kijk echter is het geheel anders gesteld. Wat er al of niet geweten wordt qua kennis is van geen wezenlijk belang, het gaat om het beeld dat men heeft van de werkelijkheid als geheel. Anders gezegd: het gaat om 'hoe' de werkelijkheid is en niet om 'wat' zij is.
 
Een ondergeschikte rol speelt hierbij het verband dat er is met de cultuur ontwikkeling van de mensheid. Die ontwikkeling komt in het kort hierop neer: tot en met het einde van de Oudheid was de mens qua zelfbewustzijn gericht op het in zichzelf samenhangende, ongebroken, beeld van de werkelijkheid. Dat is die 'artistieke' kijk. Aanvankelijk, in het verre verleden, was hem dat beeld nog onduidelijk, maar het was daarom niet minder waar. Een onduidelijk beeld is per se nog geen onwaar beeld. Op grond daarvan konden filosofen en kunstenaars ware verhalen over de werkelijkheid vertellen. Dat deden zij als regel in de vorm van verbeeldingen, zeg beeldverhalen. In de loop der tijden werd de werkelijkheid als beeld meer duidelijk totdat zij aan het einde van de Oudheid werkelijk helder geworden is, hetgeen overigens niet betekent dat men nu weet 'wat' de werkelijkheid is. Daar komen de mensen pas veel later achter. Er was nu echter wel een heldere 'artistieke' kijk op de werkelijkheid, met als gevolg dat filosofie en kunsten tot grote bloei konden komen, niet alleen in het oude Griekenland, maar ook elders op de planeet.
Nu zou men in zijn argeloosheid verwachten dat ook na de Oudheid, op basis van die heldere 'artistieke' kijk, voortgegaan werd met het nader uitwerken van de filosofie en de kunsten. Niets is echter minder waar, dat wil zeggen: die activiteiten als zodanig gingen natuurlijk wel door maar men ging zich niet langer op het 'artistieke' beeld richten, maar op de, nu zichtbaar geworden, samenstelling ervan. Dus in feite verdween vanaf dat moment de samenhang uit het beeld. Het was niet 'artistiek' meer. Daarmee kwamen filosofie en kunsten onvermijdelijk in het teken van analyse te staan. Hoewel aanvankelijk nog nauwelijks merkbaar begon het proces van kennisverwerving zich door te zetten. Dat brengt logischerwijs met zich mee dat de causale verbanden tussen de dingen de plaats gingen innemen van de vroegere samenhang. Voor de wetenschappen is dat een heilzame ontwikkeling, maar voor de filosofie en de kunsten is het een ramp. Zij begonnen dan ook langzaam maar zeker te verzanden in, letterlijk, uiteenzettingen over concrete situaties en gebeurtenissen. En de waarheid kwam op een zijspoor te staan.
 
Op het ogenblik is het zover gekomen dat veel mensen zelfs betwijfelen of er Łberhaupt een waarheid bestaat. Onvermijdelijk is dat ook de overtuiging van veel filosofen en kunstenaars geworden, met als tragisch gevolg dat de resultaten van hun arbeid vernuftig in elkaar geknutselde constructies zijn. Maar over de hoedanigheid van de werkelijkheid gaat het al lang niet meer. Het gaat over dat wat er van gemaakt is door kennisbrokstukken aan elkaar te koppelen. Hoewel dat wetenschappelijk van veel kennis van zaken getuigt is het filosofisch en kunstzinnig een zaak van betreurenswaardige ideeloosheid.
 
Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64 ;


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 47


 Deskundigheid of bekwaamheid: A1, B2, C3 en D4 ;


______________________________________________________
 

Het schijnt dat de filosoof Hegel indertijd over de toekomstige moderne wereld gezegd heeft dat tenslotte de Middelmaat zich alles zal toe-eigenen, zich 'breed zal maken', om vervolgens de wereld te gaan regeren. Deze voorspelling komt precies uit wat betreft de intellectuele kwaliteit van de huidige mensheid. Hegels opinie blijkt te kloppen inzake het functioneren van de wetenschappen als maatgevend geloof en, daarmee samenhangend, inzake de toestand van de moderne democratie, die namelijk gaandeweg tot een academische speelwei is verworden.
 
Inderdaad is, althans in de Atlantische wereld, de brede middengroep van de mensheid op alle gebieden bepalend geworden. Uiteraard is dat een rechtstreeks gevolg van het feit dat zij, kwantitatief gezien, met zovelen zijn. Maar veel belangrijker is de kwalitatieve kant van de zaak. De kwaliteit van die middengroep berust niet op de persoonlijke aanleg, bekwaamheid en ervaring van de betrokkenen, maar op hun opleiding. Niet wijsheid is de norm, maar het schooltje dat men doorlopen heeft en het diploma dat, desnoods met kunst en vliegwerk, verkregen is.
 
De eis dat de mensen goed opgeleid moeten zijn is natuurlijk alleszins redelijk. Het ligt voor de hand dat de samenleving niet gebaat is bij knoeiers die niet weten waarover het gaat. Het lijkt dus goed dat de maat bij een goede opleiding gelegd wordt. Maar bij nadere beschouwing blijkt dat toch een fixie te zijn. Zelfs een gevaarlijke fixie, juist omdat er geen alternatieven meer mogelijk zijn. Een moderne, voor een ieder toegankelijke, opleiding berust noodzakelijkerwijs op een gemiddelde, of het nu een lagere dan wel een hogere of zelfs academische opleiding betreft. Steeds is de middelmaat cruciaal. Er moet immers voldaan worden aan de criteria van het begrip 'emancipatie', hetgeen betekent dat de geboden informatie in principe voor iedereen bevattelijk moet zijn. Moeilijke zaken, aan de grenzen van kennis en weten, zijn uit de aard der zaak elitair, slechts bestemd voor uitzonderlijk begaafde enkelingen.
 
Er is niets verkeerds aan emancipatie. Uiteindelijk moet ieder individu volgens haar of zijn aanleg en mogelijkheden kunnen leven, zonder dat externe machten dat sturen of belemmeren. En het is ook volstrekt redelijk dat die vrije mensen gezamenlijk een maatschappij en een samenleving vormen waarop zij, elk op eigen wijze, invloed kunnen uitoefenen. Dus behoort er een individualistische, oftewel 'libertaire' democratie te zijn. Dat is de uiterste mogelijkheid qua maatschappijvorm, juist omdat het dan de mensen zelf zijn die bepalen hoe hun maatschappij is.
 
Ogenschijnlijk is dat thans in de Atlantische wereld al het geval. Maar niets is minder waar. Het huidige democratische systeem dient in feite alleen maar ter legalisering van de dictatuur van overheden voor wie de mensen slechts als stemvee gelden. Wat dat betreft is er geen wezenlijk verschil met vroegere maatschappelijke situaties: Lodewijk de Veertiende regeerde alleen want hij vond dat hijzelf de staat was. Thans zijn er besturen van goed opgeleide burgermannetjes die de touwtjes in handen hebben en die betrekkelijk ongehinderd hun zin door kunnen drijven. De kwaliteit van hun regeren wordt daarbij bepaald door de min of meer geheime wensen van economisch-politieke elites. Genoemd stemvee mag aan die burgermannetjes een schijnbaar redelijke machtsbasis geven, evenwel zonder ook maar de geringste zeggenschap te hebben over de plannen van zo'n regering en die elites op de achtergrond. Die plannetjes worden het stemvee zonder meer voorgelegd als voorgekookte hapklare brokken: slikken of stikken!
 
Toch is er wel een verschil met de vroegere situatie waarin alleenheersers het eenzijdig voor het zeggen hadden. Dat verschil betreft het begrip 'middelmatigheid'. Destijds waren het uitzonderlijke, verre van middelmatige, lieden met speciale begaafdheden, soms zelfs wel een zekere mate van wijsheid. Uiteraard hield dat uitzonderlijke doorgaans een niets ontziende schurkachtigheid in, die zij onbeschroomd lieten gelden. Maar ook daarin kan men geniaal zijn! Als regel was er van een opleiding nauwelijks sprake. Hun kennis van zaken omvatte gewoonlijk niet veel meer dan de jacht en het soldatendom. Kortom, alles draaide om hun persoonlijke, meer of minder criminele, kwaliteiten. Daardoor kan men zelfs vandaag de dag nog spreken van Karel de Grote, Peter de Grote, Lodewijk de Heilige, Willem de Zwijger, Iwan de Verschrikkelijke en zo meer. Maar het zou nergens op slaan als er gesproken zou worden van Wim Kok de Wijze of Clinton de Geweldige. Deze mensen zijn immers niet uitzonderlijk, zij zijn exponenten van een grijze middelmaat.
 
Het is allemaal wel te verklaren. De moderne mens heeft een intellectueel stadium bereikt waarin het hem mogelijk lijkt de werkelijkheid te beheersen. Natuurlijk is dat een rampzalige vergissing: de werkelijkheid is ten enen male niet te beheersen, in feite omdat zij gestoeld is op absolute beweeglijkheid. Maar de moderne mens denkt dat hij de zaak wel naar zijn hand kan zetten. Hij heeft immers de verschillende wetmatigheden leren kennen en begrijpen. Maar het beheersen van die formules is heel wat anders dan het beheersen van de concrete situaties waaraan die formules refereren.
Hoe dan ook, deze wil tot beheersen richt zich onvermijdelijk ook op de capaciteiten van het individu. Daarvoor is evenwel een meetbare grootheid nodig. Welnu, deze is gelegen in de al of niet succesvolle training van het intellect, dus in de opleiding. Omdat het betreffende individu zich voor meting en kwalificatie moet lenen moet het beantwoorden aan gemiddelde criteria, niet aan ongrijpbare uitzonderlijkheden. Het moet goed aangepast zijn. Een persoonlijkheid als Winston Churchill was nuttig in de uitzonderlijke toestand van de Tweede Wereldoorlog, maar toen alles weer normaal was moesten er ook weer 'normale' leiders komen en dus zo vlug mogelijk: exit Churchill!
 
De controleerbare en beheersbare middelmatigheid moet zich breed kunnen maken. Daaraan staan bijzondere persoonlijke kwaliteiten in de weg. Is het een wonder dat de moderne mensheid ver beneden haar mogelijkheden blijft als zij in haar infantiele verblinding steeds maar weer de grote talenten uitstoot..?

 

Deskundigheid of bekwaamheid: A1, B2, C3 en D4 ;



FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 48
 
______________________________________________________
 

Doorgaans hebben wetenschappers weinig begrip voor de gedachte dat de wetenschap onder het begrip 'middelmaat' valt, zuiver filosofisch gezien. Zeker tegenwoordig is men juist van mening dat de wetenschap een manifestatie is van het uiterste waartoe de mens qua intelligentie kan komen. Men vindt dat er niets boven het wetenschappelijk denken uitgaat.
Die mening is fout, hoewel hij op zich wel begrijpelijk is. De moderne cultuur staat immers in het teken van wetenschap. Bovendien echter heerst er een hardnekkige begripsverwarring over dat begrip 'middelmaat'. Gewoonlijk verstaat men er namelijk een kwalitatieve graduatie onder. Men spreekt dan van middelmatigheid, bijvoorbeeld in verband met onopvallende prestaties van iemand. De betekenis ervan is in dat geval niet bepaald gunstig.
 
Daarover gaat het echter niet bij het filosofische begrip 'middelmaat'. Het betreft niet een graduatie maar een typering van het wezen van iets, in dit geval van de moderne cultuur. Van die cultuur is te zeggen dat zij staat in het teken van het begrip 'middelmaat'. En dat begrip geldt dus ook voor de moderne wetenschap. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat het een overdraagbare zaak is. Hoe knap iemand ook is, al zijn of haar kennis kan gemakkelijk aan anderen overgedragen worden. Die behoeven alleen maar goed te kunnen 'leren', dat wil zeggen: de aanleg hebben om gemakkelijk kennis op te kunnen nemen. Kennis die hun door anderen aangereikt wordt en waaraan zij slechts bij hoge uitzondering zelf iets toe voegen.
Inzicht of visie is niet vereist, in tegenstelling tot wat het geval is bij de kunsten en de filosofie, die het daarvan juist moeten hebben. In feite bestaan de wetenschappen uit gestaag groeiende opstapelingen van (kennis)elementen die op zichzelf niets bijzonders zijn. Daar is absoluut niets op tegen, het is precies zoals het behoort. Kwalijk is het echter als in de moderne cultuur die verzamelingen kennis als de maat voor het gehele leven gesteld worden. Zij zijn in feite slechts de maat voor de concrete dingen.
 
Het door het begrip 'middelmaat' te typeren karakter van de moderne wetenschap betekent per se niet dat vele wetenschappelijke prestaties op zichzelf niet hoogst uitzonderlijk, zelfs wel geniaal, zouden kunnen zijn. Nadat in de loop van de 19e eeuw de sleutel gevonden was tot de geheimen van de materie, zijn er gigantische prestaties geleverd. Een ieder kan dat gemakkelijk constateren. Die sleutel is de analytische procedure. Daarzonder kan geen enkel geheim ontsluierd worden.
 
Hoewel de vernieuwende ideeŽn gewoonlijk door hoogbegaafde enkelingen aangeleverd worden is in principe het wetenschappelijk onderzoek op zichzelf een kwestie van teamwork. Men overlegt met elkaar. Het is vervolgens het samengaan van individuele talenten die tot resultaten leiden. Vaak behoeven dat helemaal geen grote talenten te zijn, als men zijn vak maar verstaat en over de nodige wetenschappelijke integriteit beschikt.
 
Analyse van de werkelijkheid is het eerste waartoe de mens komt als het er om gaat kennis te verwerven. Eigenlijk doet hij dat al onmiddellijk vanaf zijn geboorte op de planeet. Het is namelijk zijn primaire aanleg om het een van het ander te scheiden. Dat blijkt, achteraf gezien, zijn gereedschap te zijn om als vreemdeling temidden van een vijandige natuur te overleven. Zo kan hij vaststellen welke gewassen en dieren al of niet eetbaar zijn of te gebruiken voor andere doeleinden.
Maar aanvankelijk, in feite tot de 19e eeuw, is dit scheidingsproces louter een automatisme. Het gebeurt als ware het een vanzelfsprekendheid, wat het overigens ook is. Dat evenwel verandert in de loop van de 19e eeuw. Het wordt dan een cultuurthema, een opdracht zelfs. Dat wil zeggen dat de dan doorbrekende cultuurfase volledig in het teken van dat scheiden komt te staan. Deze, nu zelfbewust geworden, zaak heet 'analyse' en het realiseren ervan gebeurt in de moderne wetenschap.
 
In de grond van de zaak gaat het bij de analyse, en dus ook bij de moderne wetenschap, om het elimineren van bijzonderheden. Het uit elkaar halen van de dingen houdt onmiddellijk ook in dat de materie haar bijzondere eigenschappen verliest. Een ijzeratoom bijvoorbeeld valt uiteen in delen die geen ijzer meer zijn. Het eindresultaat is dus een elementaire bouwsteen die zich in niets meer onderscheidt van de andere bouwstenen. Zo'n bouwsteen is letterlijk 'niets bijzonders'.
 
De moderne wetenschap is dus manifestatie van een algemeen menselijke eigenschap die in feite in dubbele zin niets bijzonders is, enerzijds omdat hij fundamenteel bij iedereen voorkomt en anderzijds omdat de hele zaak op den duur in niets bijzonders uitloopt. Ook als een wetenschapper blijk geeft van bijzondere bedrevenheid gaat het nog altijd over niets bijzonders. En daarop berust nu het genoemde begrip 'middelmaat'.
Dat begrip is extra relevant geworden nu, met het zich ontwikkelen van de Romeins/Westerse cultuur, de mens als individu centraal is komen te staan. Dat leidt ertoe dat in toenemende mate het begrip 'middelmaat' voor de samenleving is gaan gelden, want in principe is iedereen zonder aanzien des persoons mee gaan tellen. Dat wil, nogmaals, niet zeggen dat iedereen nu als middelmatig beschouwd moet worden. Het hele scala van domheid tot en met genialiteit is nog steeds aanwezig. Maar dat geheel van variaties valt onder de rubriek 'middelmaat'.
 
Dat het begrip 'middelmaat' de moderne wereld typeert blijkt uit velerlei verschijnselen. Zo kan opgemerkt worden dat er een grote en zelfs verontrustende mate van onbenul is wat betreft het leven en de daarin voorkomende verhoudingen. Het is juist de werkelijkheid als 'leven' die als het ware van bijzonderheden aan elkaar hangt. Geen enkele verhouding of situatie herhaalt zich of doet zich twee maal voor. Elk moment van het leven is bijzonder. Dat komt uiteraard doordat de werkelijkheid als 'leven' door en door, en nimmer aflatend, beweeglijk is. Er is bijgevolg niet van een 'middel' te spreken, noch van een 'maat'. Dergelijke kwalificaties zijn eenvoudigweg niet van toepassing.
Omdat dit het geval is weet men doorgaans vanuit de cultuur van de 'middelmaat' geen raad met levenssituaties. De grootste geleerden kunnen wat dat betreft de grootste onzin verkondigen zoals bijvoorbeeld de dwaze veronderstelling dat het straks mogelijk zal zijn om doormiddel van genetische modificatie betere en intelligentere mensen te maken. Of die malligheid vanuit de feministische hoek dat er binnenkort mannen omgebouwd zullen worden tot vrouwen die, in het gelukkige bezit van een baarmoeder, kinderen kunnen krijgen. Afgezien van het feit dat er geen enkele noodzaak is om zoiets te doen is het ook onvermijdelijk dat een dergelijke nieuwe 'moeder' alleen met kunst- en vliegwerk kan functioneren.
 
Het is duidelijk dat al die vreemde toekomstbeelden ingegeven zijn door frustraties die het gevolg zijn van volstrekte onbenulligheid op het terrein van het leven.
De cultuur als middelmaat...
 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 49
 
______________________________________________________
 

De moderne samenleving, of zij nu in maatschappelijke zin democratisch is of niet, staat in het teken van het begrip 'middelmaat'. Zou het gaan over de maatschappij, dan zou dit normaal en in orde zijn. De maatschappij kan niet anders dan onder het begrip 'middelmaat' vallen. Maar als de samenleving in dat teken is komen te staan zijn de verhoudingen onmiskenbaar in de war. Dat de kwalificatie 'middelmaat' voor de moderne samenleving geldt is te constateren aan het feit dat er door de mensen nauwelijks nog andere criteria dan materiŽle gehanteerd worden. Hoe terecht dat ook is voor de werkelijkheid van de dingen, dus voor de maatschappij, voor de samenleving als een organisch levend geheel is het volstrekt dodelijk.
 
Gelukkig is het een zaak van voorbijgaande aard. Van deze wantoestand is namelijk niet te zeggen dat het een fundamentele fout is. Er is niets misgegaan met de mensheid. Het is zo dat zij er, in een bepaalde fase van haar ontwikkeling, onmogelijk omheen kan. Het ligt in de logica dat een tijd lang alles zonder enige uitzondering als een materiŽle zaak beschouwd wordt. Dat is een noodzakelijke voorwaarde voor de analyse, het uit elkaar halen en op zichzelf stellen van de onderdelen waaruit de dingen bestaan.
Zo ligt het evenzeer in de logica dat ook de levende wezens geacht worden dingen te zijn, hetgeen alleen in zoverre juist is dat ook aan die levende wezens noodzakelijkerwijs een materiŽle structuur ten grondslag ligt. Zij kunnen dus ook uit elkaar gehaald worden. Op grond hiervan vallen voor het besef van de moderne cultuurmens de levende wezens eveneens onder de dingen en dus, filosofisch gezien, onder het begrip 'middelmaat'. Dat is overigens de verklaring voor het feit dat het meerendeel van de moderne mensen zo ergerlijk oppervlakkig is, zoals onder andere duidelijk uit de slechte kwaliteit van hun media blijkt. Het is een en al banaliteit...
 
De middelmatige mens is een mens die, als ding onder de dingen, mee mag tellen en die dat dan ook onder alle omstandigheden wil. Hij is de werkelijkheid als aanvankelijke individu. In West-Europa is hij langzaam maar zeker te voorschijn gekomen, aan de hand van de analyse van de werkelijkheid. Dank zij die analyse is zijn bestaan niet alleen bekend geworden maar noodzakelijkerwijs ook steeds meer erkend. Maar dat is niet zonder meer het geval: hij is in feite niet erkend als dat unieke wezen dat hij eigenlijk is, met name op grond van zijn niet-materiŽle kwaliteit. Die individuele mens is slechts erkend als onderdeel van de bestaande materiŽle werkelijkheid. Hij is zogezegd 'in zakelijke zin' erkend.
 
De 'in zakelijke zin' erkende mens komt het beste tot zijn recht in de moderne democratie. Binnen dat systeem kan hij naar hartelust meedoen en meepraten. Dat is ook wat hij eist van de maatschappij en zijn medemensen. Hij wil zich overal mee bemoeien en zoveel mogelijk zeggenschap hebben. En het merkwaardige is dat hij daar in principe alleen dan tevreden over is als die zeggenschap volgens de voorgeschreven regels en procedures tot uiting kan komen. Waar het feitelijk over gaat dringt nauwelijks tot hem door en dat die procedures en regels bijna altijd een farce zijn deert die moderne mens ook niet. Als maar aan de eisen van het systeem voldaan is. Maar, zoals gezegd, dat systeem is uitsluitend zakelijk en dus materieel van karakter. Het dwingt de mens tot berekenbaar en voorspelbaar gedrag. Daar behoort onmiddellijk het nivelleren en gelijkschakelen bij, want alleen dan zijn de zaken berekenbaar en voorspelbaar. Als het zou gaan over appels en peren en er dus van geen gelijkschakeling sprake is zou er niets berekend en voorspeld kunnen worden.
 
Naarmate die moderne zakelijke cultuur zich verder ontwikkelt gaat het de bedoelde democratische mens steeds heviger storen als iemand zich naar zijn of haar werkelijke menselijke kwaliteiten laat gelden. Dat wil zeggen wanneer iemand met iets komt dat in het teken van de ware menselijke aard staat, dus in het teken van het niet-materiŽle. Omdat zoiets onberekenbaar en onvoorspelbaar is kan er onmogelijk meegepraat worden en van meedoen is natuurlijk al helemaal geen sprake. En de aan de democratische mens noodzakelijkerwijs meekomende drang tot nivelleren en gelijkschakelen kan zich niet uitleven. Gevolg is een niet te onderdrukken gevoel van buitengesloten zijn wat zich afreageert doormiddel van agressie tegen diegene die het gewaagd heeft zich naar zijn of haar menselijke kwaliteit te laten gelden. Niemand mag de kop boven het maaiveld uitsteken..!
Het mag dan ook niet verwonderlijk zijn dat het in de huidige fase van de menselijke ontwikkeling zo uitzichtloos is, zo kil en zonder inspiratie.
 
Uiteindelijk moet de mensheid het van het 'bovenmiddelmatige' hebben. Evenwel niet zonder de middelmaat als praktische ondergrond. Die basis is namelijk onmisbaar voor het voorzien in de noodzakelijke levensbehoeften en veiligheden. De dingen, de communicatie en de regelingen ter bescherming van het leven moeten voorhanden zijn. Daartoe dient de werkelijkheid als middelmaat, die tenslotte culmineert in een alles omvattend veiligheidsstelsel. Overigens komt daarvan tot nu toe nog bitter weinig terecht, hoewel de mensheid daarzonder geen enkele mogelijkheid heeft om te overleven, laat staan om inderdaad menswaardig te leven.
 
Maar zoals gezegd kan die middelmatige fase niet overgeslagen worden. Dat is evenwel geen geldig excuus om blindelings mee te doen met de van nature ontbindende krachten in de huidige maatschappij. Zij moeten blijvend aan de kaak gesteld worden. Daarbij is het van belang in te zien dat zij niet in de eerste plaats een gevolg zijn van het zogenaamde kapitalisme met zijn vrije markt, zoals veelal gemeend wordt, maar daarentegen van genoemde eenzijdig op de materie gerichte culturele mentaliteit. Het heeft dan ook weinig zin dat kapitalisme en die markt te bestrijden.
Waar het wezenlijk om gaat is dat het thans alles overheersende belang van de analyse gerelativeerd moet worden. Beter is het dan ook om op logische gronden de hoge autoriteit van de moderne wetenschap aan te tasten door er op te wijzen dat ook zij slechts tot de werkelijkheid als middelmaat behoort...
 
Ware menselijkheid is per definitie individueel van karakter. Zij wordt vertoond door bepaalde mensen die haar geheel vanuit zichzelf en op onafhankelijke wijze uitdragen, ongeacht de reactie van de anderen. Dus ook zonder de behoefte die anderen terwille te zijn. Een collectief kan die menselijkheid nimmer laten gelden. Waartoe dat tenslotte komt is een zo helder mogelijke redelijkheid. Dat wil in feite zeggen een zo verfijnd mogelijke logische berekening en voorspelling. Binnen het kader van een democratische maatschappij is dat het maximum aan rechtvaardigheid en een optimale garantie voor practische veiligheid. Alleen als zodanig is de werkelijkheid als middelmaat tenvolle in orde.
 
Als samenleving vertonen de mensen echter voortdurend onverwachte en onnavolgbare kwaliteiten die, doordat zij onberekenbaar zijn, de werkelijke bron van vooruitgang vormen. Het berekenbare leidt nimmer tot vooruitgang, omdat het binnen de perken van zijn eigen systematiek moet blijven. Daarentegen is het onberekenbare manifestatie van de werkelijk menselijke aard: materie als niet-materie. Het is dan ook alleen in deze gedaante dat de mens boven de werkelijkheid als middelmaat uitstijgt en tot volwaardig leven komt.
 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 50
 
______________________________________________________
 

Het is kenmerkend voor de mens die behoort tot een mensheid die qua ontwikkeling nog onvolwassen is dat hij vrijwel nooit in staat is zich een mens-zijn zonder macht in te denken. Daardoor wordt het met zijn denken over een toekomstige volwassen mensheid ook niet veel. Daaraan staat in de eerste plaats in de weg dat het steeds over een van buitenaf opgelegde macht gaat. De macht van de staat of die van God.
Maar er is nog bij lange na niet het inzicht dat er ook innerlijke machten zijn die moeten verdwijnen. Ook die zetten de mensen onder druk, zij het dat zij het alleen maar zichzelf aandoen. Men verwacht humaan gedrag nog steeds van allerlei vormen van zelfbeheersing. De mens moet leren zichzelf in de hand te houden is de grondgedachte. Dat evenwel is gebaseerd op de overtuiging dat het zonder die innerlijke macht een puinhoop wordt.
Onmiskenbaar ligt hieraan de veronderstelling ten grondslag dat de mens wezenlijk niet deugt. Dat besef van 'niet deugen' behoort typisch bij de onvolwassen mens. Het is heel diep in zijn bewustzijn aanwezig. Dat is mogelijk doordat hij in de diepte een vermoeden heeft van wat hij eigenlijk is. Gevolg is de overtuiging dat hij daaraan niet beantwoordt. Maar eigenlijk is het ten enen male ondenkbaar dat er aan het eind van het wordingsproces een verschijnsel opkomt dat niet deugt. Dus is het verkeerd bij het nadenken over een toekomstige behoorlijke samenleving uit te gaan van een een mens die geleerd heeft zich te beheersen en redelijk te zijn. Uitgangspunt moet logischerwijs een mens zijn die af is gekomen van de onjuiste mening niet te deugen.
 
Als men weet wie de mens eigenlijk is wordt het betrekkelijk gemakkelijk te bedenken hoe in haar algemeenheid de volwassen samenleving straks zijn zal. In de oudheid wist men al aan te geven hoe men er achter kan komen hoe het zit met de mens. Het recept van de ouden is: verdiep je in jezelf. Voor de meeste mensen die dit willen proberen is dit zo zonder meer een ondoenlijke opgave, dus worden er allerlei onnatuurlijke hulpmiddelen te baat genomen: godsdienst, kluizenaarschap, zelfkastijding, yoga, vasten, meditatie en natuurlijk ook bepaalde drugs. Maar al die hulpmiddelen leiden eerder van de zaak af dan dat zij tot een goed resultaat leiden. Als men immers de mens in zichzelf wil leren kennen en die zaak ook in de praktijk wil laten gelden, zal men zoiets toch bij vol bewustzijn moeten oefenen. Zeker de moderne mens zou zich niet mťťr met occulte flauwekul moeten inlaten. Hebben de modieuze flirtations met zogenaamde spiritualiteit al een zelfbewust, behoorlijk mens opgeleverd? Een mens die raad weet enerzijds met de liefde en anderzijds met de haat van een corrupte wereld waarin zij of hij noodgedwongen leven moet?
 
De Roomse kerk heeft zich destijds, uitgekookt als altijd, de gnostiek toegeŽigend. Het heeft die vroege vorm van dat 'in jezelf verdiepen' vervalst tot een geloofszaak, met de bedoeling het Romeinse wereldrijk een nieuwe inhoud te geven. Dat was een sluwe zet: de resultaten van de gnostiek, waartoe onder andere de EvangeliŽn behoren, hebben betrekking op de wezenlijke mens. Dat kwam uitstekend te pas als basis voor een systeem van onderdrukking. Want onbewust was geen enkel mens er in psychologische zin ongevoelig voor.
Tenslotte is vrijwel iedereen vergeten waarom het oorspronkelijk ging. Zelfs vele vrijdenkers weigeren het gnostische weten uit de oudheid los te zien van de gangbare godsdiensten. Daarmee sluiten zij zich volkomen af voor al het werkelijke weten van de oudheid. Dat weten culmineerde in de Gnosis, en niet, zoals zovelen menen, in de Griekse filosofie. Deze vertegenwoordigt namelijk de beginnende moderne wetenschap. Maar die verschilt wezenlijk van de gnostiek. Voor de moderne mens heeft het 'je in jezelf verdiepen' weinig betekenis. Op zijn best denkt men dat het om psychologie gaat, wat dan weer de zoveelste denkfout van die moderne mens is. Want het gaat juist om het zoeken van algemeen geldige waarheden en niet om het ontraadselen van incidentele psychologische structuren. Die zijn immers geen algemeenheden, maar persoonlijke bijzonderheden. Algemene waarheden liggen in elk mens besloten. Weliswaar manifesteren zij zich in de ene mens anders dan in de andere mens, maar het zijn daarmee geen andere waarheden geworden. Er bestaan trouwens geen andere waarheden, hun inhoud en betekenis zijn steeds dezelfde. De moderne mens heeft niets met de gnostiek. Hij pleegt er af en toe wel wat cultuurhistorisch onderzoek naar, maar daarbij komt zijn relatie met de gnostiek niet verder dan wat onduidelijke romantiek. Dat is overigens best te begrijpen, want de moderne cultuur staat in het teken van het zelfbewuste denken en dat betrekt zich noodzakelijkerwijs alleen maar op concrete dingen. Die cultuur is de werkelijkheid als middelmaat. Algemene waarheden komen daarin niet voor.
 
Wat is dan eventueel de rol van dat denken?
De betekenis van het zelfbewuste denken ligt niet in het feit dat de mens door de toename van zijn kennis een beter mens zou kunnen worden. Integendeel, thans zijn de mensen ondanks al hun kennis nog steeds bandieten. Pas als zij tenslotte door alle dingen heen gedacht zijn en er niet langer waarde aan hechten komt er vrij wat altijd al in de mens klaar lag: het weten van de werkelijkheid als algemeenheid. Dat wil zeggen: het weten van de waarheid. Dan behoeft niemand aan zichzelf te sleutelen en voor niemand is het nodig zich tot die waarheid te forceren. Alles gaat geheel vanzelf. Er is geen sprake meer van innerlijke of uiterlijke dwang. Daarmee vervalt ook het machtsdenken in al zijn verschijningsvormen.
 
Bij het beantwoorden van de vraag hoe een volwassen wereld zijn zal is het dus op de eerste plaats noodzakelijk van dat machtsdenken los te komen, wat alleen maar kan door 'gnosis', het in zichzelf opzoeken van de algemene waarheid. Aan het vinden daarvan komt mee dat het besef van niet-deugen verdwijnt en daarmee komt de mogelijkheid vrij om zinvol over de volwassen mens te filosoferen.
 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 51
 
______________________________________________________
 

Er zijn tegenwoordig in de westerse wereld heel wat ongelovigen. Dat is niet altijd even duidelijk zichtbaar doordat vooral niet-christelijke en buitenkerkelijke gelovigen alles en iedereen overschreeuwen en voortdurend de maat proberen te stellen. Bovendien vinden de meeste ongelovigen hun ongeloof zo vanzelfsprekend dat zij er niet speciaal gewag van maken. Men zou hen best wel 'heidenen' kunnen noemen, ter onderscheiding van 'atheÔsten' die zich meer nadrukkelijk als godloochenaars manifesteren.
 
Toch is het opvallend dat er binnen de kring der atheÔsten nogal veel verwarring omtrent het begrip 'atheÔsme' bestaat. Het is zelfs niet uitgesloten dat de scherpste tegenstellingen juist daar liggen. Uiteraard is er wel eenstemmigheid over de grondgedachte: er is geen god. Daarbij staat de term 'god' voor elke hogere macht waaraan de mensen onderworpen zouden zijn, hetzij een macht buiten de mens, zoals een god, hetzij een innerlijke macht, zoals een dwingende moraal of absolute principes. Strikt genomen is met deze grondgedachte de volledige inhoud van het begrip 'atheÔsme' gegeven. Die inhoud valt samen met de samenstellende betekenissen van het woord atheÔsme: a betekent 'zonder' en theos betekent 'god'.
 
Het blijft natuurlijk niet bij enkel de grondgedachte. De zaak ontwikkelt zich noodzakelijkerwijs tot een atheÔstische levenshouding. Dat wil zeggen dat de zaak tot leven komt en zich aan dat leven op allerlei wijzen afspiegelt. Het is in die praktijk dat de tegenstellingen tussen de verschillende interpretaties van het begrip 'atheÔsme' zich het duidelijkst voordoen. Je kunt de zelfbewuste atheÔsten namelijk onderverdelen in twee groepen: de bestrijders en de begrijpers. Waarschijnlijk typeren deze termen heel behoorlijk de verhoudingen waarom het in dit geval gaat. Maar het is wel van belang dat het begrip 'begrijpen' in wijsgerige en niet in psychologische zin opgevat moet worden. In het laatste geval heeft het namelijk een verontschuldigend karakter. In wijsgerige zin echter richt het zich op het achterhalen van authentieke betekenissen, zoals bijvoorbeeld het begrip 'Magna Mater' of het begrip 'Maagd'.
 
De bestrijders zijn in de grond van de zaak afhankelijke mensen. Immers, het bestrijder-zijn vooronderstelt iets dat bestreden moet worden. Het vooronderstelt een object dat buiten de bestrijder zelf ligt en waarop hij zich in afkeurende zin richt. Hij is van de aanwezigheid en van de geaardheid van dat te bestrijden object afhankelijk. En naarmate dat object zich meer of minder drukkend en agressief manifesteert is zijn weerstand meer of minder fel.
Dat is aan de ontwikkeling van allerlei sociale bewegingen in het verleden te zien en uiteraard ook aan de ontwikkeling van de atheÔstische beweging. De zware sociale druk en de indringende psychische agressie die van de godsdienst uitgingen maakten de toenmalige atheÔsten tot geduchte tegenstanders, die menigmaal zelfs grote successen boekten. Nu het met het instituut godsdienst, althans in deze landen, niet zo'n vaart meer loopt, nu lijkt het er zelfs op of de atheÔsten uitgestreden zijn. Voor velen van hen geldt dat ook: zij zijn zo langzamerhand zonder vijand komen te staan en dat betekent dat zij de grond voor hun bestaan als bestrijder van de godsdienst kwijt zijn. Een dergelijke ontwikkeling is ook bij de socialistische beweging te zien.
 
Het object dat de bestrijder aanspoort tot krachtig handelen kan in het geval van de atheÔst naar twee gedaanten optreden: het kan voornamelijk iets concreets zijn en dan gaat het over de godsdienst zoals die zich manifesteert in de vorm van gezag afdwingende kerken, en het kan voornamelijk iets abstracts zijn, in welk geval het geloof als zodanig in het geding is. Het is te begrijpen dat de bestrijders van het geloof de meest universele taak hebben: zolang de mensheid onvolwassen is zal zich daarin de een of andere vorm van geloof in iets bovennatuurlijks vertonen. Maar de bestrijders van de godsdienst, waartoe de meeste atheÔsten gerekend moeten worden, zijn onvermijdelijk steeds gebonden aan de tijdelijke en plaatselijke omstandigheden. Zij zijn dus praktisch de meest afhankelijken. Maar toegegeven moet worden dat zij tegelijkertijd onder bepaalde omstandigheden ook de meest nuttige atheÔsten zijn. Zij oefenen vaak een directe invloed uit en brengen hun medemensen er soms zelfs toe het juk van autoritaire godsdienstige machtssystemen van zich af te schudden.
Maar beiden, bestrijders van het geloof en bestrijders van de godsdienst, zijn tenvolle afhankelijk van hun object. In zekere zin komen zij zelfs op het tweede plan. Aan hun levenshouding en praktisch optreden gaat het bestaan van geloof en godsdienst vooraf. Pas daarna kunnen zij overgaan tot het ontkennen en bestrijden daarvan.
Met het begrijpen loopt het bij hen zo'n vaart niet. Dat leidt er vaak toe dat zij allerlei cultuuruitingen, zoals bijvoorbeeld kerkelijke kunst, zonder meer verwerpen. Er zijn er zelfs die weigeren naar de muziek van Bach te luisteren omdat deze zich als een gelovig man liet kennen.
 
Met de ' begrijper ' is het geheel anders gesteld. Hij heeft gťťn buiten hem staand object nodig om zichzelf te zijn en uit de voeten te kunnen. Zijn levenshouding wordt dan ook niet door een object beÔnvloed. Hij is er als het ware onverschillig voor. Maar deze onverschilligheid betekent niet dat alles maar gelaten wordt zoals het nu eenmaal is. Juist degene die begrijpt is tot een indringend oordeel in staat, omdat hij niet verlamd wordt door het feit dat alle argumenten onvermijdelijk tťgen argumenten zijn, zoals dat bij de 'bestrijder' wel het geval is. Zijn argumenten zijn positief en dat houdt in dat het hem er niet in de eerste plaats om gaat almaar te reageren op verhalen over hoe het niet zit, maar dat hij zich er op toelegt duidelijk te maken hoe het wel zit.
Zo kan hij de gelovige verklaren hoe het komt dat deze gelooft wat hij gelooft en hij kan zelfs laten zien welke zinvolle elementen er hier en daar in zijn geloof verborgen zitten. Want lang niet alle voorstellingen uit de geloofswereld zijn onzinnig. Het is namelijk vooral het theologische, quasi filosofische, denken dat van die inzichten onzinnige denkbeelden maakt doordat het genoodzaakt is uit te gaan van het bestaan van een opperwezen als vaststaand gegeven.
 
Natuurlijk gaat ook de 'begrijper' onmiddellijk tegen elk ongefundeerd denken in, zoals hij ook tegen elk onredelijk handelen ingaat. Het verzet is bij hem echter secundair, terwijl het positieve menszijn primair is. Daarom beperkt zijn verzet zich niet tot bepaalde verschijnselen in de mensheid, maar het richt zich op alle verschijnselen die voortkomen uit de vele waandenkbeelden die de onvolwassen mens kenmerken. Hij ziet helder in dat die waandenkbeelden allemaal met elkaar samenhangen, en als zodanig over de gehele aarde een netwerk van onmogelijkheden vormen.
Juist in de huidige moderne tijd wordt de samenhang van dat netwerk duidelijk. Daarom zou het de taak van de moderne atheÔstische mens kunnen zijn zich in de toekomst te richten op het verbreken van dat netwerk, overal waar hij er mee te maken krijgt. Dat kan alleen maar echt gelukken als hij zijn atheÔsme verruimt tot het atheÔsme van de ' begrijper ', die zich niet meer eenzijdig als ontkenner en bestrijder laat gelden, maar veel meer is dan dat: de mens die aantoont 'hoe het zit', zonder daarbij dan ook maar voor iets beleefd opzij te gaan.
(zie het hoofdwerk van Jan Vis, creatief filosoof)
 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 52

 

Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64 ; (On)verdraagzaam(heid)-1 ; (On)verdraagzaam(heid)-2 ; (On)verdraagzaam(heid)-3 ;


 
______________________________________________________
 

De tegenwoordige morele voorlichters dwepen met het begrip 'verdraagzaamheid'. Zij doen alsof hiermee alle problemen tussen de mensen opgelost kunnen worden, maar in feite leiden hun bemoeienissen tot niets omdat genoemd begrip geen enkele praktische betekenis heeft. Het kan alleen maar gefrustreerde mensen opleveren.
Het is bepaald geen populaire gedachte dat er met het begrip 'verdraagzaamheid' niets te beginnen is. Toch is het wel degelijk een onbruikbaar begrip. En met 'onverdraagzaamheid' kan men trouwens ook geen kant uit. Het blijkt dat er niemand is die niet op zekere momenten in zijn leven van onverdraagzaamheid beschuldigd kan worden. Het hangt er maar net vanaf waarom het op zo een moment gaat. Maar ook is er bij ieder mens wel een voorbeeld van verdraagzaamheid aan te wijzen. Over en weer kunnen de mensen aan de gang blijven elkaar op dit gebied te prijzen of verwijten te maken, zonder dat men ooit werkelijk uit de voeten kan met deze begrippen.
 
Dat behoeft niet te verwonderen, want de hele zaak van het al of niet verdraagzaam zijn berust op een fictie: de misvatting namelijk dat de werkelijkheid op verschillende manieren verklaard kan worden, zodat in de praktijk volkomen van elkaar afwijkende waarheden naast elkaar kunnen bestaan. Vooral in het zogenaamd post-moderne denken viert deze dwaasheid hoogtij. Men houdt zichzelf en anderen voor dat een ieder recht heeft op 'het zijne' en dat niemand het recht heeft daar kritiek op te hebben. Dat komt er in feite op neer dat men respect voor elkaars onzin zou moeten betonen, een eis die inderdaad in de praktijk met een grote mate van gestrengheid aan een ieder gesteld wordt.
 
Dat dit een misvatting is zou eigenlijk onmiddellijk duidelijk moeten zijn: de werkelijkheid is immers zoals ze is. Ze is niet anders dan zoals ze is, en de mens kan alleen maar proberen er achter te komen hoe het daarmee zit. Het ziet er inderdaad naar uit dat dit geen eenvoudige opgave is, vooral vanwege misleidende invloeden van de heersende cultuur en de daarbij behorende wanen van de dag. Maar dat neemt niet weg dat het toch mogelijk is dat een mens er achter komt hoe het zit. Hij heeft eigenlijk zelfs de menselijke plicht daartoe. Voorzover dit gelukt heeft hij inzicht gekregen in de enig mogelijke waarheid. En dan is het ondenkbaar dat de een met een andere waarheid komt als de ander. Het is tenslotte onmogelijk dat er onenigheid bestaat over bijvoorbeeld de vraag of god bestaat of over de vraag of het heelal oneindig is of nog meer door mensen bewoonde planeten telt, enzovoort.
 
Er kan welbeschouwd niet eens discussie zijn over de vraag of de mens wel ooit zal weten hoe het zit met de werkelijkheid, en wel omdat de mens zŤlf de werkelijkheid is en omdat voor hem bovendien het 'weten' geldt. Hij kan tenslotte niet ŗnders dan weten hoe het zit. Zelfs als hij zich nooit om die vraag zou bekommeren komt hij op de lange duur toch aan de weet hoe het zit. Dat is een vanzelfsprekend, oftewel 'onmiddellijk' weten. Hij heeft er niets en niemand bij nodig en hij behoeft het niet op school te leren alsof het een kwestie van wetenschap was. Met wetenschap heeft een dergelijk weten niets te maken. Eerder zal het dan andersom zijn, namelijk dat de wetenschappen met dat weten te maken zullen hebben, in die zin dat zij hun bevindingen voortdurend getrouw aan het bedoelde 'weten' zullen moeten toetsen. Daardoor kunnen over de inhoud van dat weten straks geen misverstanden meer bestaan.
 
Dat de mensen tot nu toe allerlei meningen omtrent de werkelijkheid hebben is te verklaren uit hun voorlopige gebrek aan inzicht, zoals dat voor de alsnog Únvolwassen mens kenmerkend is. De verschillende wereldbeschouwingen, godsdienstig of atheÔstisch, zijn dan ook evenzovele staaltjes van onbegrip. Dat is helaas geen gezellige constatering, maar gelukkig moge als troost dienen dat het niet anders dan zo kŗn zijn. Het ligt in de logica dat de mensheid een ontwikkeling door moet maken. De daarbij behorende dwaasheden, misverstanden en waanvoorstellingen kunnen de mensen eigenlijk niet verweten worden: zij weten inderdaad niet wat zij doen! Maar het zou in de praktijk een stuk schelen als zij daar ieder voor zich rekening mee hielden. Het is juist dat dit op zichzelf ook een vorm van verdraagzaamheid is, maar het verschil met wat gewoonlijk bedoeld wordt is dat men geen respect meer behoeft te betonen, noch voor de onzin van de ander, noch voor de eigen onzin.
 
Aangezien het intussen toch op de weg van de mens ligt om tenslotte het onbegrip uit te bannen is er geen enkele reden om tegenover genoemd onbegrip een vriendelijke houding aan te nemen: ieder mens moet in zichzelf en in de ander het onbegrip te lijf gaan. Dat 'moet' omdat niemand de wetenschap kan verdragen in een waan te leven, zodat het noodzakelijk wordt de zaak aan te pakken. Het wapen dat de mens daarbij ter beschikking staat is het denkvermogen. Met dat wapen kan hij langzaam maar zeker alle waanvoorstellingen uit de weg ruimen, als hij maar aan ťťn essentiŽle voorwaarde voldoet: dat het hem ernst is met het zoeken naar de waarheid. Als dat het geval is kan hij niet langer verdraagzaam zijn omdat hij zich niet kan neerleggen bij fouten, noch die van hemzelf, noch die van een ander.
 
Maar, paradoxaal genoeg, kan hij ook niet onverdraagzaam zijn, omdat hij op een gegeven moment bij het zoeken naar de waarheid het 'onbegrip' leert begrijpen. In tegenstelling tot wat gewoonlijk gedacht wordt houdt dit 'begrijpen van het onbegrip' niet in dat hij het vergoelijkt. In tegendeel: hij heeft er nimmer een goed woord voor over. Zijn begrip ervan betekent slechts dat hij weet dat hij met onbegrip van doen heeft en het betekent tevens dat hij weet waarom het er is. Als reactie daarop legt hij er zich toch niet zuchtend bij neer. Hij wacht in geen geval tot de laatste dwaas goed bij het hoofd is geworden. Daarentegen tracht hij ook voor de andere mensen de mist te doen optrekken, omdat immers ook zij aangewezen zijn op de waarheid.
 
Dit laatste heeft met dwingelandij niets te maken. Er is pas van dwingelandij sprake als de ene mens zijn eigen onbegrip aan de andere mens opdringt. In dat geval gaat het over 'iemands waarheid', de particuliere waarheid van de een of ander. Dat echter is altijd en per definitie een dwaling. Dwalingen moeten noodzakelijkerwijs altijd opgedrongen worden omdat zij wezenlijk niet bij de mens passen. In de diepte voelen de mensen aan dat er iets niet klopt, maar met behulp van een zo logisch mogelijk klinkende redenering geven zij zich, vooral in de westerse cultuur, gemakkelijk gewonnen. Vervolgens wordt die waan voor de ware werkelijkheid gehouden. Deze dwaas zal alles naar zijn hand trachten te zetten, hij zal alles en iedereen in de vorm van zijn werkelijkheid proberen te forceren en daarbij laat hij niets en niemand met rust. Juist deze mens is de echte dwingeland...
 
Degene die het om begrip te doen is forceert niets, hij wil juist weten hoe het zit zonder de bemoeiingen van hemzelf en de andere mensen. Hij vermijdt dus ingrepen, want hij wil juist zien hoe de werkelijkheid zichzŤlf verwerkelijkt, niet door de een of andere dwang, zoals die van god bijvoorbeeld, maar door de noodzakelijkheid van het onvermijdelijke.

 

Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64 ; (On)verdraagzaam(heid)-1 ; (On)verdraagzaam(heid)-2 ; (On)verdraagzaam(heid)-3 ;


 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 53
 
______________________________________________________
 

Er is een weten dat 'buitenwetenschappelijk' genoemd kan worden. Het gaat als het ware buiten de wetenschap om, zowel wat de methode van onderzoek als de aard van het object betreft. Dit buitenwetenschappelijke weten heeft door alle eeuwen heen de culturen begeleid. Het is nooit afwezig geweest en zelfs heeft het in belangrijke mate het karakter van de gebruikelijke wetenschappen bepaald. Vooral wat betreft de steeds in die wetenschappen optredende taboes is dat buitenwetenschappelijke weten bepalend, niet zozeer omdat het de mensen ertoe aanzet om bepaalde aspecten van de werkelijkheid verborgen te houden, maar daarentegen vooral omdat het de mensen met zaken confronteert die hen in hun rust verstoren. Het taboe berust juist op iets dat zich in alle duidelijkheid aan de mens opdringt en dat vervolgens door hem verworpen wordt omdat het als iets vernietigends uitermate bedreigend en ongewenst is.
Overigens betekent dit voor de filosoof, die de werkelijkheid als mens naar waarheid wil leren kennen en begrijpen, dat het bestuderen van de vele taboes, die in de loop der tijden de mensen getreiterd hebben, een uiterst leerzame bron is voor zijn denken over de werkelijkheid en de mens.
 
Als eerste zal echter duidelijk moeten zijn dat het buitenwetenschappelijke denken iets heel anders is dan Únwetenschappelijk denken. Dit laatste namelijk is een denken dat zich niets gelegen laat liggen aan betrouwbare kennis of helder logische redeneringen of dat, wat in feite nog erger is, op slinkse wijze voorwendt er op gebaseerd te zijn. Dat bedrog speelt bijvoorbeeld een grote rol bij de zogenaamde wanen van de dag, bijvoorbeeld allerlei dwaze speculaties over toekomstige wetenschappelijke toepassingen zoals de biotechnologie en de exploitatie van de ruimte. En vele onrealistische politieke utopieŽn en plannen om de mens en de wereld fundamenteel te veranderen behoren wel degelijk ook tot de wanen van de dag, hoewel zij als zodanig vaak niet herkend worden. Teveel mensen hebben er belang bij die in stand te houden...
Een erg voor de hand liggend voorbeeld van Únwetenschappelijk denken is natuurlijk ook het godsdienstige denken. Voorzover in de theologie logica voorkomt dient die alleen maar om de schier onontwarbare kluwen van religieuze onzin enigszins te ontrafelen en voor dwazen aannemelijk te maken. Voor het leren kennen van de essentie van de godsdienst is onwetenschappelijk denken zelfs vereist zoals destijds een van de beroemde Christelijke kerkvaders stelde toen hij sprak over het geloof in het absurde.
En wat te denken van de modieuze hedendaagse spiritualiteit? Daarin wordt de mensheid rijkelijk vergast op verhalen die op niets anders berusten dan op de warrige fantasieŽn van losgeslagen twijfelaars. Ter compensatie van hun intellectuele schemertoestand presenteren zij met een schier grenzenloze zelfoverschatting die onzin alsof het ultieme waarheden zijn. Daarbij hebben zij dan ook nog de euvele moed dat onwetenschappelijke gefantaseer voor te stellen als betrouwbaar buitenwetenschappelijk denken. Het heeft daar natuurlijk niets mee van doen, buiten het feit dat het dit denken nog meer een slechte naam bezorgt.
 
Buitenwetenschappelijk denken wordt er door gekenmerkt dat het zich richt op de werkelijkheid als bewustzijn, in feite dus op de onvoorwaardelijke waarheid. Door het bijzondere karakter van het bewustzijn zijn de methoden van dit denken en de daarvoor geldende kriteria totaal verschillend van de erkend wetenschappelijke. Maar, als het goed is, zijn zij daarmee volstrekt niet in strijd.
Dit laatste wordt gewoonlijk door officiŽle wetenschappers vurig bestreden: zij vinden een en ander wel degelijk in strijd met hun wetenschappelijke denken. Dat zij die mening bij voorkeur niet toetsen aan de feiten toont onmiskenbaar aan dat er kennelijk andere belangen in het spel zijn. Uiteraard gaat het dan om hun status en machtspositie zoals zij die aan hun wetenschap ontlenen. Inderdaad wordt die autoriteit vaak ernstig ondermijnd door de voor het buitenwetenschappelijke denken kenmerkende ethische kriteria. Het gaat nu namelijk om het louter logisch nagaan van de samenhangende verhoudingen binnen het geheel van de werkelijkheid en dat is niet denkbaar zÚnder ethische component, zoals onder anderen Aristoteles en Spinoza al in de gaten hadden.
 
Het bona fide buitenwetenschappelijke denken houdt zich bezig met het strikt eerlijke en waardenvrije nagaan van de samenhangende verhoudingen binnen de werkelijkheid als bewustzijn. Dat is essentieel voor alle vormen van kunst. Het nagaan vindt in de kunsten op intuÔtieve wijze plaats en het leidt ertoe dat de kunstenaar op strikt eigen wijze gestalte gaat geven aan de samenhang. Zonder die creativiteit heeft de kunst geen wezenlijke betekenis. Zij is dan hoogstens een meer of minder aangename en aandoenlijke versiering van de dagelijkse realiteit of ook wel een vrijblijvende illustratie bij het gebruikelijke alledaagse denken. Hoe kunstig en boeiend bij gelegenheid ook, het heeft niets met 'kunst' te maken. Het ontbreken van die psychische creativiteit doet de kunst verworden tot een platvloers 'doen alsof', tot irritante 'Spielerei'.
Ook de filosofie drijft op het buitenwetenschappelijke denken. Maar, anders dan bij de kunsten is zij geen uitdrukking van een intuÔtief nagaan, maar van een logisch dŤnkend nagaan. Die creativiteit leidt bij haar tot een zo helder en zo logisch mogelijke beschrijving van de werkelijkheid als bewustzijn en dus van de waarheid. Omdat het ook bij de filosofie gaat om nagaan hoe de werkelijkheid is valt ook zij onder de rubriek 'kunst', zeg 'de kunst van het denken'.
 
Het is een kenmerk van de moderne cultuur dat de werkelijkheid als bewustzijn schromelijk verwaarloosd wordt. Bijgevolg is het ook slecht met de kunsten en de filosofie gesteld. Dat er tegenwoordig een verhevigde interesse voor beide activiteiten lijkt te bestaan kan alleen maar verklaard worden uit de pijn van het gemis. Het is louter 'overcompensatie' als reactie op de zelfbewuste dimensies van het menselijk leven die eenzijdig in het middelpunt van de culturele belangstelling staan.
Op zichzelf is die ontwikkeling van de wereld van het zelfbewustzijn een buitengewoon vruchtbare zaak, uiteraard omdat eindelijk de geheimen van de materie blootgelegd worden, maar vooral omdat de daardoor verworven kennis gaandeweg tot een voor een ieder leefbare wereld zal leiden. Vaak lijkt dat laatste niet het geval te zijn, maar dat komt doordat de hedendaagse mens nog steeds Únvolwassen is en daardoor steeds zijn kennis misbruikt om zichzelf als particulier breed te maken. Dat misbruik ligt niet zozeer op het terrein van de consument maar het ligt voornamelijk bij de wetenschappers zelf. De consument heeft bijvoorbeeld geen fosfaten aan de wasmiddelen toegevoegd. Hij was daartoe niet eens in staat. Maar bij de producenten ligt dat anders omdat zij door de wetenschappers maar al te graag van de benodigde kennis voorzien worden.
Ondanks dat onvolwassen gescharrel echter wordt de wereld langzaam maar zeker meer leefbaar voor de mens. Maar tegelijkertijd vervreemdt hij in gelijke mate van zichzelf als bewustzijn. Hij geraakt namelijk steeds meer in de ban van zijn eigen wetenschappelijke denken en dus van zichzelf als zelfbewustzijn. De waan dat de werkelijkheid berekend kan worden hoort daar tenvolle bij.
Niet alleen dat het leven daardoor haar warmte en schoonheid verliest en tot een soort van intellectuele methode verkilt, maar ook en vooral dat de mens zijn beeld van de werkelijkheid kwijt raakt en daarmee tot een 'dolende in de woestijn' degenereert.
 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 54†††† Rationeel-1 ; Rationeel-2 ; Rationeel-3 ; Rationeel-4 ; Beleving-1 ; Beleving-2 ; Beleving-3 ;  Deskundigheid of bekwaamheid: A1, B2, C3 en D4 ;


 
______________________________________________________
 

Sinds de kunstenaars in de eerste decennia van de vorige eeuw op het idee kwamen om voortaan 'modern' te gaan worden is het met hun kunst in versnelde mate bergafwaarts gegaan. Alleen al de oorsprong van hun nieuwe opvattingen is onmiskenbaar een voorteken van het naderende onheil: die oorsprong is namelijk een rationele berekening. Geheel in overeenstemming met de nieuwe, zojuist definitief doorgebroken, cultuurfase wordt voortaan de werkelijkheid als zelfbewustzijn de maat voor alle dingen. In de grond van de zaak is dat een werkelijkheid waarvoor het begrip 'analyse' geldt. Dat heeft tot gevolg dat de moderne mens zijn gehele wereld op berekenende wijze benadert. Uiteraard is er zonder het voorafgaand uit elkaar halen van de dingen, het analyseren, geen berekening mogelijk. Men heeft immers elementaire grootheden nodig om iets te kunnen berekenen.
Wat de cultuur betreft leidt die gang van zaken uiteindelijk binnen het zelfbewustzijn van de mens tot een berekende theoretische voorstelling van de werkelijkheid. Ongemerkt is de werkelijkheid voor de mensen een constructie geworden.
 
Ook met de moderne kunst is het onvermijdelijk de kant van de analyse en de berekening opgegaan. Ook hier zijn de resultaten noodzakelijkerwijs zelfbewust bedachte constructies geworden, weliswaar min of meer kunstzinnig vormgegeven, maar niettemin toch manifestaties van berekeningen.
Zo heeft men bijvoorbeeld in de muziek de eigenschappen van klanken en harmonieŽn ontleed en uit de gevonden elementen nieuwe procedures voor het musiceren en componeren ontwikkeld. De resultaten zijn er naar: rationeel bedachte constructies die, behalve dat zij geluid voortbrengen, niets meer met muziek gemeen hebben. Die bedenksels zijn zo bizar dat zij alleen nog maar gewaardeerd kunnen worden als er een uitvoerige toelichting aan vooraf is gegaan. En de luisteraar moet natuurlijk op de juiste wijze geschoold zijn. Hij moet er verstand van hebben om iets aan de ontstane kakofonie te kunnen beleven.
Natuurlijk geldt hetzelfde voor alle overige kunsten. Zonder algemene deskundigheid met daarbij een speciale toelichting, vaak een soort van hersenspoeling, is er niets mee aan te vangen. En voorzover dat eventueel toch een keer gelukt, is het genieten van een kunstwerk gedegenereerd van een psychische, op schoonheid gestoelde, beleving tot een kille intellectuele zaak. Kennis van zaken op het gebied van de kunst is daarbij een absoluut vereiste. Zonder een gedegen, tegenwoordig zelfs academische, opleiding is de toegang tot de kunsten in feite afgesloten. Zo heeft het wetenschappelijk establishment zich nu ook de kunsten toegeŽigend.
 
Voor diegenen onder de moderne mensen die zichzelf tot kunstenaar willen promoveren is het een zegen dat de kunst een zaak van deskundigheid is geworden. Nu kan immers iedereen het leren en zich er mee bezig houden, zonder wegens gebrek aan talenten bij de goegemeente door de mand te vallen. Dus zijn zo langzamerhand alle zichzelf respecterende moderne mensen 'kunstenaars' geworden. Vooral het schilderen en tekenen zijn erg populair, uiteraard omdat er, in tegenstelling tot de andere kunstvormen, nauwelijks vakbekwaamheid bij nodig is. Voor de talenten zijn doe-het-zelf boekwerken en populaire cursussen in de plaats gekomen. En men houdt zichzelf en elkaar voor dat er in elk mens een kunstenaar steekt. Intellectueel raffinement, kennis van zaken en een fijne neus voor wat 'trendy' is zijn de kwaliteiten die gegarandeerd tot succes leiden. Succes uiteraard voor de droogstoppels die nu gemakkelijk voor kunstkenners door kunnen gaan en succes voor de 'kunstenaar' voor wie alleen nog maar het aanleren van een aantal vaardigheden volstaat.
Vooral een gladde tong is dringend gewenst...
 
Analyse van de werkelijkheid levert een oneindige hoeveelheid stukken en brokken op. Kunnen die door de technicus, voor de bouw van bijvoorbeeld een brug, slechts op een bepaalde logische manier tot een zinvolle constructie samengevoegd worden, voor de moderne kunstenaar geldt die beperking niet: hij kan door elkaar husselen en aan elkaar plakken wat hij wil. Of hij dat al of niet op een logische manier doet is uitsluitend zijn zaak, of, anders gezegd: hij maakt zŤlf uit wat logisch is en wat niet. Zo heeft destijds Piet Mondriaan zelf bepaald aan welke normen het frŲbelen met stukjes gekleurd papier moest voldoen om tot een 'wereldschokkend' kunstwerk te komen: de 'Victory Boogie Woogie' (1944). Als hij zich andere normen had gesteld hadden de zogenaamde kenners het ook goed gevonden. Het is namelijk altijd goed omdat er nu eenmaal ontelbare mogelijkheden ter beschikking staan. Maar al die mogelijkheden leiden zonder uitzondering tot deerniswekkende rommel...
Wat de moderne kunstenaar ook verzint, er is geen enkel universeel inzicht dat hem tot die ene goede manier van doen kan dwingen. Omdat dit echter evenzeer voor al zijn collega's geldt, is het voor hem wel zaak iets te bedenken wat de anderen nog niet gedaan hebben. Hij moet dus 'origineel' zijn! Maar dat is nauwelijks een probleem want er staan ontelbare mogelijkheden ter beschikking.
 
De moderne kunstenaar verwijt de 'ouderwetse' dat deze slechts een afbeelding van de realiteit schept, iets wat eigenlijk veel beter doormiddel van een foto gedaan kan worden. Maar, volgens de moderne kunstenaar gaat het in de kunst niet om een natuurgetrouwe weergave, maar om de idee, het wezen van de werkelijkheid. Op zichzelf is die gedachte juist, maar de toepassing ervan getuigt helaas van een volslagen onbegrip omtrent dat 'wezen' van de werkelijkheid. Dat is namelijk niet te vinden door de dingen, de klanken, de bewegingen en de gebeurtenissen, waaruit de werkelijkheid bestaat, uit elkaar te halen om vervolgens een samenraapsel te maken van de verkregen wanordelijke rommel. Het is daarentegen zaak zich te richten op de werkelijkheid als bewustzijn om die vervolgens zo helder mogelijk gestalte te geven. Doordat deze procedure een individueel karakter heeft is het resultaat noodzakelijkerwijs origineel. Er behoeft dus niets origineels bedacht te worden want dat is er vanzelf al. En het houdt tevens in dat het niet om oppervlakkig realisme gaat, maar wel degelijk om het wezen van de werkelijkheid. Vervelend is alleen dat hiervoor unieke talenten vereist zijn maar dat is nu net iets dat voor de moderne, naar eenvormigheid strevende, moderne mens onverteerbaar is.
 
Niet alleen evenwel dat het op de werkelijkheid als bewustzijn geÔnspireerde kunstwerk wezenlijk, uniek en origineel is, maar het heeft ook de verdienste dat het niet ŗnders had kunnen zijn dan het is. Het is niet ontvankelijk voor een trendy discussie. Er is namelijk maar ťťn universeel bewustzijn en dus is er wat het ware kunstwerk betreft maar ťťn mogelijkheid. Uiteraard wordt die door elke echte kunstenaar op eigen wijze tot leven gewekt. De ouderwetse kunstenaars deden dat, vanzelfsprekend meestal op minder en bij uitzondering op meer talentvolle wijze. Zij deden dat niet zozeer vanuit inzicht of overtuiging, maar eigenlijk omdat zij niet beter wisten. Zij waren wat dit betreft nog onbedorven. De analyse had nog niet toegeslagen.
Maar bij de zich 'modern' noemende kunstenaars is dat wel het geval, met als gevolg dat niet langer een 'zien' hun kunst bepaalt, maar een 'redenering'. Zij verzinnen iets. Daarmee maken zij van de kunst een 'Spielerei', een 'doen alsof'. Op zich hebben zij daar het volste recht toe, maar voorzover zij zich verbeelden kunstenaar te zijn, zijn zij toch echt het slachtoffer van een treurige illusie...
 
Rationeel-1 ; Rationeel-2 ; Rationeel-3 ; Rationeel-4 ; Beleving-1 ; Beleving-2 ; Beleving-3 ;  Deskundigheid of bekwaamheid: A1, B2, C3 en D4 ;



FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy

 

Bladwijzer: Verlichting†† vervreemding

Bladwijzers: Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;

Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11

 

De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,


door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 55
 
______________________________________________________
 

De enige menselijke kwaliteit die absoluut universeel is, is de 'werkelijkheid als bewustzijn'. Die is binnen het verschijnsel 'mens' gesitueerd. Eenzijdig op zichzelf beschouwd is het een volstrekt autonoom beweeglijk systeem dat in de levende cellen functioneert, ongeacht het individu waarvan het een levend deel uitmaakt. Anders dan vaak gedacht wordt is het een puur materiŽle zaak. Het gaat over een kwantitatieve samenstelling van deeltjes. Het in trilling zijn is daarvan een bijverschijnsel, een eigenschap die meekomt aan het zich organiseren van de materie tot steeds inniger verbanden. Een dergelijke meekomende eigenschap bestaat niet op een concrete manier. Men kan het niet aanraken en beetpakken: het is een 'abstractie'. Maar, ondanks het niet-concrete karakter daarvan behoort deze toch bij het stoffelijke verschijnsel.
 
De mens ervaart dat universele, onaantastbare, bewustzijn via zijn zŤlfbewustzijn. Het wordt een 'beeld' in hemzelf. Helaas wordt daar over het algemeen niet veel van begrepen. Ook de denkers geven wat dit betreft nauwelijks enige opheldering. In het beste geval maken zij gewag van de 'idee', van de 'psyche' of zelfs van 'god', wat in alle gevallen onjuist is. Er is ook een filosofische theorie waarin een onduidelijk vermoeden omtrent het bewustzijn en het beeld tot uitdrukking komt. Men spreekt dan van 'psychisch monisme', wat dat ook betekenen mag...
 
Hoewel de werkelijkheid als 'beeld' voor elk mens dezelfde is vertoont zij zich enigszins anders in hun zelfbewustzijn. Bepalend daarvoor is het geheel van iemands persoonlijke levenservaringen. Daarin speelt een aantal factoren een belangrijke rol: ten eerste zijn er uitwendige omstandigheden zoals dwingelandij, rechteloosheid, milieuvervuiling, armoede, honger en dergelijken. Dan zijn er ten tweede lichamelijke factoren zoals een zwak gestel of een geestelijke handicap. En, ten derde, zijn er de nog belangrijker culturele conditioneringen die, vooral in een alsnog Únvolwassen wereld, bij een ieder via opvoeding en onderwijs ingeprent zijn.
Het maakt een wezenlijk verschil uit of iemand bijvoorbeeld een Islamitische, een Christelijke, een Oosterse of een Joodse culturele achtergrond heeft. Het culturele filter van het zelfbewustzijn, dat de ervaringen selecteert en kwalificeert, kan bij een mens een volledig vertekende voorstelling teweeg brengen van de 'werkelijkheid als beeld' en in feite dus van het bewustzijn. Zelfs kan zo'n filter bijna alle ervaringen tegenhouden en vertekenen, zoals dat in de moderne, van oorsprong Westerse, cultuur het geval is.
 
Het centrale thema van de moderne cultuur is het ontledende onderzoek van de werkelijkheid als 'zelfbewustzijn'. In feite ontleedt daarbij het zelfbewustzijn zichzŤlf, want het ontleden behoort tot zijn essentiŽle eigenschappen en de te onderzoeken en ontleden objecten vormen zijn eigen inhoud. Dat lijkt een merkwaardige en zelfs wel onmogelijke situatie, en in zekere zin is het dat ook. De verklaring evenwel is gelegen in het feit dat het zelfbewustzijn manifestatie is van materie die zich gedraagt alsof zij gťťn materie ware. Daardoor is het voor haar mogelijk zichzelf als 'iets anders' te laten gelden. Een mogelijkheid die voortkomt uit het feit dat elke structuur tegelijkertijd en onmiddellijk uiteengevallen is in zijn elementaire delen. Dat is het zichzelf onderzoeken en ontleden. Overigens: doordat dit een voor het verschijnsel 'mens' structurele situatie is hebben mensen geen keuze wat betreft het al of niet onderzoeken en ontleden van hun wereld. Waar mensen zijn wordt er onderzocht en ontleed, zowel in de grijze oudheid als in het heden. De opvatting van bepaalde 'New Age' denkers dat het voor het welzijn van de mensheid noodzakelijk zou zijn het analyseren voortaan achterwege te laten en zijn toevlucht te nemen tot onder andere in het Oosten ontwikkelde kennis van het 'hogere bewustzijn' is derhalve onzinnig. En wel minstens net zo onzinnig als bijvoorbeeld van de mensen te verlangen hun sexualiteit af te schaffen. Er is wat dit soort zaken betreft geen enkele keuze.
 
Dit alles mag dan zo zijn, toch schuilt er enige waarheid in de opvatting dat het analytische denken de mensheid geen goed doet. Het is namelijk een feit dat dit denken, op zichzelf beschouwd, uitloopt in krankzinnigheid. Niet alleen dat het alle dingen tot gruis vermaalt, dus de 'objectieve' werkelijkheid tot niets terug brengt, maar ook dat het alle ideeŽn en levensbeschouwingen vernietigt. Dat leidt er op den duur toe dat de mensen in verwarring geraken, zodat zij met zichzelf geen raad meer weten. Hun denken krijgt een zwalkend, willekeurig, pragmatisch en onbetrouwbaar karakter. Het van nature gegeven oordeelsvermogen van het zelfbewustzijn gaat volkomen teloor.
 
Om aan deze onhoudbare toestand het hoofd te bieden gaan de mensen hun denken steeds meer onderwerpen aan zelf bedachte theoretische normen. Tenslotte wordt dan alleen nog maar een gedachtengang juist gevonden als hij aan intellectuele kriteria voldoet. Hij moet gegrond zijn op nauwkeurig omschreven en algemeen aanvaarde formules. Dat lijkt een overwinning van de rede te zijn, iets waarnaar de denkers van de Verlichting, begin 19e eeuw, in hun onschuld verlangend uitzagen. Slechts een enkeling, waaronder de anarchist Michael Bakoenin (1814-1876), begreep dat de mensheid een nog grotere ramp te wachten stond dan toen zij nog onder het juk van de godsdiensten zuchtte.
Maar vanzelfsprekend gaat de culturele ontwikkeling onstuitbaar voort, zij trekt zich niets aan van heldere zieners en onheilsprofeten. Dus is thans de wereldomvattende krankzinnigheid een feit geworden. Kenmerkend daarvoor is dat de mens zijn eigen wezen en denken niet meer herkent. (vervreemding)
 
Het is de tragiek van de moderne mensheid dat zij noodzakelijkerwijs in het teken van krankzinnigheid staat. Dat wil zeggen: er is geen ontkomen aan, de mensen hebben geen keus. Zij moeten er doorheen, zoals elk kind door de puberteit heen moet. Men behoeft bepaald geen helderziende te zijn om te kunnen opmerken dat die schizofrene periode thans aangebroken is. Dat blijkt vooral uit het feit dat steeds meer activiteiten mislukken. Inderdaad lijkt het alsof het tegendeel het geval is, omdat de wetenschap en de technologie zo bijzonder succesvol zijn, maar dat beeld is geheel en al vertekend door de eenzijdige interesse ervoor. Zij zijn absoluut maatgevend geworden en als zodanig vormen zij de nieuwe godsdienst, met alle kwalijke gevolgen van dien.
 
Waarom het evenwel gaat is natuurlijk het uiteindelijke resultaat van een dominante wetenschap en technologie. En dat blijkt in alle opzichten rampzalig: de planeet en de hem omgevende ruimte zijn hopeloos vervuild, de voor het leven zo onmisbare bossen zijn bijna allemaal gekapt, de bodemschatten worden mateloos gewonnen, planten, dieren en straks ook mensen worden naar believen genetisch gemodificeerd, kortom, de zogenaamde economie heeft zich ontpopt als een gewetenloze plundermethode. En de mensen, zij vluchten steeds meer in ficties die hen, zelfs zonder dat zij het nog bemerken, almaar verder van 'de mens' afleiden.
Binnen het kader van het gangbare denken is dit tij niet te keren. De redding moet als het ware van buitenaf komen, en dat zal op den duur, als de mensheid zichzelf intussen nog niet om zeep geholpen heeft, ook zeker het geval zijn. Het is het bewustzijn met het aan haar meekomende zelfbewuste beeld dat tenslotte alle stukken en brokken op hun plaats teruglegt. Daardoor krijgt het leven in de toekomst voor een mens een geheel nieuwe zin...

 

De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,

Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11

Bladwijzers: Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;


 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 56
 
______________________________________________________
 

Formeel gesproken behoren voor de wetenschap alle dingen waardevrij te zijn. In het licht van het wetenschappelijk onderzoek hebben zij geen waarde. Hoewel men zich daar doorgaans niet of nauwelijks van bewust is, komt deze opvatting aardig overeen met het in de filosofie bekende feit dat de gehele werkelijkheid in de grond van de zaak in alle opzichten zonder enige waarde is. Vanuit die waardevrije opstelling zegt de wetenschapper geen voorkeuren en belangen te hebben, hetgeen zelfs zo ver gaat dat hij zich van elk waardeoordeel probeert te onthouden. Dat zou niet alleen voor het onderzoek gelden, maar vooral ook voor de uitkomsten ervan. Wat waar en juist is, is waar en juist, ongeacht de wensen, belangen en verlangens van de wetenschapper.
 
Helaas is dat allemaal theorie. In feite zijn de wetenschappen en haar beoefenaren vol van allerlei waardeoordelen. In actieve zin doordat er keuzes gemaakt worden wat betreft de te onderzoeken objecten. Daarbij wordt lang niet alles de moeite van onderzoek waard gevonden, doorgaans omdat men er geen eer of winst mee kan behalen. Of er rust een zwaar politiek, godsdienstig of moreel taboe op. Maar het meeste komt zelfs niet eens aan een afweging toe omdat het vanwege de geldende cultuur buiten het gezichtsveld van managers en wetenschappers valt.
 
Anderzijds wordt het onderzoek van andere objecten zo belangrijk gevonden dat alles ervoor moet wijken, zozeer zelfs dat de ervoor ter beschikking staande geldstromen buiten elke redelijke proportie vallen. Uiteraard is dat vooral het geval als men verwacht grote winsten te kunnen maken of macht te kunnen uitoefenen. Voorbeelden daarvan zijn vooral binnen het militair-industriŽle complex te vinden. Zo is men in de Verenigde Staten wederom volstrekt zinloos, zelfs misdadig, bezig een afweergordel van raketten te bouwen omdat een aantal willekeurig gekozen 'schurkenstaten' wel eens zouden kunnen aanvallen. Een typisch voorbeeld van primitief denken zoals dat destijds in de Middeleeuwen gebruikelijk was. Alleen vreesde men toen aanvallen van de duivel, wat uiteraard al even schizofreen was.
 
In passieve zin worden daarentegen de voorhanden objecten zonder meer en klakkeloos als gelijkwaardig gesteld. Er wordt nu wel degelijk waarde aan gehecht, maar er worden geen onderlinge verschillen erkend. Alles is even waardevol en de moeite waard volgens die opvatting. Sommige denkers noemen dat 'Post-Modernisme'. De dwaasheden die daaruit voortkomen zijn in feite onvoorstelbaar, want nu kan letterlijk ŗlles goedgepraat worden. Men doet daarbij ten onrechte een beroep op het recht van bestaan van alle verschijningsvormen van de werkelijkheid. Dat echter betreft een volstrekt irrelevante argumentatie, omdat het niet de vraag is of alles wat ontstaan is al of niet recht van bestaan heeft, maar daarentegen of alles wat er is qua betekenis gerechtvaardigd kan worden. Zo is het een niet te ontkennen feit dat er vrouwen zijn die vanwege hun godsdienst hoofddoekjes dragen. Zij hebben daartoe natuurlijk het volste recht. Maar de betekenis daarvan kan onder omstandigheden volstrekt fout zijn, bijvoorbeeld als blijkt dat men dergelijke suggestieve kledij ook in de rechtszaal wil dragen, hetgeen ongeoorloofd is omdat het in strijd is met de aldaar vereiste neutraliteit.
 
De waarde van de dingen is relatief, afhankelijk als hij is van de geldende cultuurnormen en het al of niet schaars voorhanden zijn ervan. Die cultuurnormen kunnen betrekking hebben op de status van een bepaalde elite zoals dat bijvoorbeeld met diamanten het geval is, uiteraard omdat zij schaars voorhanden zijn en bijzonder exclusief. Maar ook kan bruikbaarheid voor een of ander productieproces een rol spelen. Hoe dan ook, mensen kennen aan bepaalde dingen waarde toe. Zij 'hechten' er waarde aan en het is maar net hoe het valt. Als reactie op die betrekkelijk willekeurige waardering kan men inderdaad besluiten de discussie daarover te staken en vervolgens te stellen dat de dingen allemaal gelijkwaardig zijn. Maar de laatste stap is wat dit betreft nog veel te moeilijk voor de huidige mensheid. In feite is immers alles zÚnder waarde. Daarin schuilt de eigenlijke gelijkwaardigheid.
 
Geheel anders is het gesteld met het begrip 'betekenis'. Dat begrip is namelijk net zo gevarieerd als er mensen zijn. De piano bijvoorbeeld heeft voor een muzikaal mens grote betekenis omdat het bezit van zo'n instrument het verschil uitmaakt tussen leven en levend-zijn. Maar voor de door beursspeculatie rijk geworden snob betekent een piano status - als die tenminste van een beroemd merk is. En voor de meeste mensen is het een zinloos meubelstuk dat alleen maar in de weg staat.
De zin van de dingen is niet afhankelijk van die dingen zelf, zoals dat bij het begrip 'waarde' het geval is, maar van het zelfbeeld van het individu. In het geheel van iemands leven hebben de dingen een bepaalde betekenis en die betekenis is van essentieel belang voor de kwaliteit van dat leven. Dat heeft dus niets met de waarde van die dingen te maken.
 
Helaas worden door de vooralsnog Únvolwassen mensen beide begrippen gedachteloos met elkaar verward. Dat is bijvoorbeeld duidelijk te zien bij de kunsthandel. Kunstwerken zijn manifestaties van betekenissen, zij geven een 'tekening' van de werkelijkheid, gecomprimeerd in een bepaald thema. Dat thema is op haar wijze afspiegeling van het geheel van de werkelijkheid. Omdat het tenvolle een zaak van betekenissen is kan er geen waarde aan gehecht worden. Dat verklaart waarom het enige criterium is 'wat de gek er voor geeft'. Dat was in het verleden anders toen het scheppen van een kunstwerk nog als een ambacht werd gezien: men betaalde voor de eraan bestede arbeid en eventueel de gebruikte materialen. Thans echter zit er in de meeste kunstwerken nauwelijks arbeid, maar er wordt veel voor betaald.
 
Op den duur zullen de mensen weer oog krijgen voor de betekenis van de dingen. Behalve dat dit voor hen het leven leefbaar maakt, heft het ook de verwaarlozing van de dingen en de wereld op. Dat wat voorheen als waardeloos werd beschouwd krijgt nu betekenis. Daarmee wordt het verzorgen ervan tot iets vanzelfsprekends. En het tot op heden gangbare oneigenlijke gebruik van zogenaamd waardevolle dingen, zoals het kappen van de regenwouden, houdt ook op. Kortom: werkelijke waardevrijheid en herkenning van betekenissen maken het levend-zijn van de mensen tot werkelijk leven...
 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK††††††††††††††††††††
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis

 

Volwassen worden-1,Volwassen worden-2†† Concurrentie-1 ; Concurrentie / Marktwerking-2 ; Concurrentie-3
 
AFLEVERING NR. 57
 
______________________________________________________
 

Op het ogenblik wint over de gehele wereld de gedachte veld dat overheden zoveel mogelijk taken zouden moeten afstoten ten behoeve van het bedrijfsleven. Door zo te handelen zouden die taken binnen de sfeer van de markt komen, hetgeen zowel de kwaliteit als de prijs gunstig zou beÔnvloeden. Het gaat daarbij vooral om traditionele sociale taken die in het belang van de gehele maatschappij uitgevoerd moeten worden. Enigszins afhankelijk van de inrichting van bepaalde staten vallen daaronder instellingen als de spoorwegen, de posterijen, het onderwijs, de gezondheidszorg en natuurlijk ook een aantal sociale voorzieningen.
 
Hoewel er ter linkerzijde van het politieke spectrum heel wat kritiek op die zogenaamde privatiseringen geleverd wordt, kan er toch van een gunstige ontwikkeling worden gesproken, althans... als men zich met een grote mate van filosofische wijsheid bovenop de Olympus nestelt en van daaruit als een Griekse god het menselijk getob overziet. Het is namelijk een onloochenbaar feit dat op den duur alle maatschappelijke voorzieningen in handen van de burgers moeten komen. De overheid is in feite een onhoudbaar instituut dat zich alleen maar in stand kan houden dank zij een, in de vooralsnog Únvolwassen mens ingekankerd, waardebesef. Voor die kinderlijke mens is een deel van de werkelijkheid waardevol, een ander deel waardeloos, met daartussen een heel scala van variŽteiten. God is uiteraard het toppunt van waarde. Boven hem is met geen mogelijkheid uit te denken. Volgens kenners, zoals ouderlingen en evangelisten, staat hij een dergelijke ketterij ook niet toe omdat hij dan zijn hoogverheven zetel zou moeten prijsgeven.
 
Vlak onder die zetel bevinden zich alle voorkomende soorten van overheden. Men spreekt niet voor niets van een 'over'-heid, want zij gaat over alle burgers. Zelfs is zij, volgens een aantal Christelijke fantasten, door God persoonlijk ingesteld (Romeinen 13: 1-7). Haar bevoegdheden reiken zover dat zij, zonder enig moreel bezwaar van diezelfde Christenen, 'het zwaard niet tevergeefs draagt'. Zij mag dus ongestoord en volkomen legitiem geweld uitoefenen.
Als iemand voor zichzelf van mening is dat er hogere waarden bestaan is dat uitsluitend haar of zijn zaak. Iedereen heeft recht op zijn eigen onzin. Maar in het geval van een overheid betrekt dat meerwaarde-besef zich op de maatschappelijke werkelijkheid en dus op alle mensen en dan wordt het de plicht van de filosoof die hoogmoedige waan aan de kaak te stellen. Dat betekent in laatste instantie dat hij er op zal wijzen dat er volstrekt geen hogere of lagere waarden bestaan en dat een overheid zich derhalve op lucht beroept. Er is geen filosofisch houdbare grond voor overheden.
 
Bezien in dat licht valt het toe te juichen dat de overheid allerlei taken uit handen gespeeld worden. Het ligt in de logica dat zij tenslotte zelfs helemaal zal verdwijnen, om plaats te maken voor door de burgers zelf georganiseerde en bestuurde ondernemingen die uitsluitend het welzijn van bepaalde groepen in de samenleving voor ogen hebben. De grondslag van deze 'horizontale' ondernemingen is het feit dat de werkelijkheid niet uitloopt in welk collectief dan ook, maar daarentegen in de mens als individu. Het eindpunt van de universele wordingsprocessen is 'de' individu.
 
Het is een onvermijdelijke regel in de werkelijkheid dat haar ultieme mogelijkheden voortdurend alle ontwikkelingen naar zich toe zuigen, doorgaans zonder dat de in zo'n zuiging betrokken mensen er erg in hebben. Dat laatste is overigens maar goed ook, want als de zaak voor een ieder duidelijk was zouden machthebbers zonder dralen alles in het werk stellen om die, voor hen logischerwijs ongunstige, ontwikkelingen tegen te houden. Nu echter maken zij er geraffineerd gebruik van, uiteraard om er hun voordeel mee te doen.
Tegenwoordig leidt dat niet alleen tot de behoefte van de overheid tot privatiseren. Het leidt vooral ook tot het opmerkelijke verschijnsel dat het haar steeds minder gelukt iets behoorlijks tot stand te brengen, uiteraard geheel in tegenspraak met haar arrogante pretentie zich het rechtvaardig regelen van de maatschappelijke verhoudingen ten doel te stellen. De ene maatregel na de andere blijkt op een fiasco uit te lopen. Daarbij doet zich enerzijds het feit gelden dat de maatschappelijke werkelijkheid veel te beweeglijk is om door schoolse academici begrepen en geleid te kunnen worden en anderzijds, daarmee samenhangend, dat de burgers almaar onverschilliger worden voor al die theoretische betweterij.
 
Vanaf de Olympus gezien is dat nu precies wat er moet gebeuren bij het volwassen worden van de samenleving. Maar het gaat lang niet zo voorspoedig als het op het eerste gezicht lijkt. Van het op horizontale wijze in handen van de burgers overgaan van het bestuur is bij het moderne privatiseren absoluut geen sprake. Weliswaar verdwijnen langzamerhand de ogenschijnlijk democratisch gekozen politieke machthebbers uit het gezichtsveld, maar onafwendbaar komen daarvoor economische machthebbers in de plaats. Via mechanismen als concurrentie en marktwerking vestigen en handhaven zij een schier onontkoombare maatschappelijke macht die in zeker opzicht doeltreffender en indringender is dan tot nu toe door enige staatsmacht bereikt is. Zelfs de dictatoriale fascistische en communistische machthebbers kregen dat niet voor elkaar.
Met behulp van moderne technologieŽn zoals Internet brengen de economische managers de samenleving nauwkeuriger in kaart dan ooit voor mogelijk werd gehouden. In hoge mate is de oude droom van absolute goddelijke almacht een griezelige realiteit geworden. En daarbij is het vooral beangstigend dat de burgers in blind vertrouwen en zelfs met enthousiasme deelnemen aan het proces van machtsvorming.
 
Welbeschouwd is het ook niet logisch te veronderstellen dat de huidige privatiseringen inderdaad het welzijn van de burgers zouden beogen. Het gaat immers nog steeds om naar almacht strevende collectieven en het zijn slechts de methoden om de mensen er aan te onderwerpen die aan de moderne wetenschappelijke inzichten worden aangepast. Zoals met alles het geval is, ligt ook dat in de logica. Ook de macht moet eerst een abstract wetenschappelijk karakter krijgen alvorens hij tot niets kan vervluchtigen. Dat houdt echter wel in dat er in de mens wat betreft zijn universele identiteit nog heel wat tot bewustzijn moet komen...

 

Volwassen worden-1,Volwassen worden-2††††††† Concurrentie-1 ; Concurrentie-2 ; Concurrentie-3

 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 58
 
______________________________________________________
 

Met het sterker worden van de individualistische cultuur verandert geleidelijk het karakter van de zogenaamde collectieven. Eigenlijk verdienen zij de naam 'collectief' niet meer, en wel omdat het functioneren ervan zich ontwikkelt van een neergaande in een opwaartse werkzaamheid. Daarom zou er steeds meer van een 'team' gesproken moeten worden, waarbij het typerende van dit begrip is dat de er aan deelnemende individuen van zichzelf uit het algemeen belang dienen, althans een belang dat boven het directe eigenbelang uitgaat. In een 'team' zet een ieder zich geheel vrijwillig naar beste vermogens in, elkeen overeenkomstig de eigen aanleg, ontwikkeling en ervaring. En een ieder beoordeelt voor zichzelf welke inbreng zij of hij onder bepaalde omstandigheden nodig acht.
 
Het opmerkelijke van traditionele collectieven, in het meest uitgesproken geval zich manifesterend als staten, is dat de leiding ervan zich bij voorbaat en op grond van allerlei persoonlijke ambities als de maat stelt. Dat doet zij als regel nadat op de een of andere manier macht verworven is om de anderen te kunnen dwingen zich naar hun ideeŽn en wensen, doorgaans niet meer dan eigenwijze stokpaardjes, te voegen. Dus het collectief komt tot stand door het zich opdringen en breed maken van op macht beluste zelfbenoemde bestuurders. Voorlopig is er dan door hen nog niets tot stand gebracht, behalve dit ene feit dat enkelen zich als de maat voor velen opgeworpen hebben, en dat met behulp van niets anders dan sluwe voorspiegelingen.
 
Als het evenwel gaat over het begrip 'team', of een andere term die hetzelfde uitdrukt, ligt de basis bij de velen die met elkaar moeten zien te overleven. Die velen zijn voortdurend voor problemen en opgaven gesteld en het is nu juist deze omstandigheid die als vanzelfsprekend de besten naar voren haalt. Zij krijgen dus niet bij voorbaat de leiding over vooralsnog onduidelijke projecten, maar achteraf, als het probleem zich helder en concreet voordoet en als bovendien gebleken is dat zij in staat mogen worden geacht er raad mee te weten.
Bij voorbaat en in den blinde aangestelde leiding is in feite een 'regering'. Die berust wezenlijk op niets anders dan macht. Of zo'n regering er iets van terecht brengt moet logischerwijs voorlopig nog blijken. Maar niet alleen dat: doordat zij zich van de macht meester heeft gemaakt kan zij eventuele resultaten gemakkelijk als succesvol voorstellen. Niemand was het immers toegestaan er alternatieven tegenover te stellen. Een zinvol 'beter weten' was dus bij voorbaat al uitgesloten. In feite is op die manier het resultaat altijd goed. Dat is dan ook precies wat regeringen steevast over zichzelf beweren: zij doen het altijd goed..! Gemakkelijk is vast te stellen dat dit tot nu toe in de wereld regel en praktijk is geweest.
 
Zo langzamerhand begint er iets te kenteren. Uiteraard hangt dit ten nauwste samen met het ontwaken van de mens als individu, het ontwaken dus van de 'individualist'. Zoals gezegd handelt deze uitsluitend van zichzelf uit en komt op die manier incidenteel tot het vormen van een 'team'. Een dergelijk verband kan op niets anders berusten dan op samenwerking, maar vooraleer dit enigszins zinvol functioneert moet er wel het een en ander duidelijk zijn geworden, iets wat niet op school is te leren, maar wat daarentegen onmerkbaar tot het zelfbewustzijn van de mensen doordringt. Dat geschiedt op grond van het zogenaamde ontwikkelingsproces zoals dat gestaag in de werkelijkheid als mens plaatsvindt. Het gaat namelijk om het helder worden van het onontkoombare feit dat ieder mens onder het begrip 'individualist' valt, en wel onvoorwaardelijk. Pas als voor de mens dat inzicht van fundamentele gelijkheid een realiteit is geworden kan er van echte samenwerking gesproken worden, hetgeen vervolgens ook het ware leiderschap mogelijk maakt.
 
Op het ogenblik nemen steeds meer burgerlijke ondernemingen taken van de staat over. Die 'privatisering' wordt nogal eens voorgesteld als een gunstig verval van de macht, maar die voorstelling van zaken is volstrekt eenzijdig. Inderdaad vervalt de staatsmacht, de macht van overheden, maar ervoor in de plaats komt een andere macht, namelijk die van de civiele ondernemingen. Dat is een macht die welbeschouwd nog indringender en alomvattender is dan die van voorheen de overheid. In het kort is te stellen dat de reden hiervan is dat die ondernemingen de burgers praktisch nodig hebben. Inderdaad had de staat ze ook nodig, maar dat was een abstracte zaak die vrijwel uitsluitend met de legalisering van de staatsmacht en het vullen van de staatskas te maken had. De ondernemingen evenwel zijn concreet van de burgers afhankelijk, vanwege de noodzaak aan hen producten en diensten te slijten. Daartoe analyseren zij dus de leefgewoonten van de burgers en spelen er op een zodanige wijze op in dat die tegen wil en dank 'consumenten' worden. Waren de traditionele overheden wezenlijk onverschillig voor het individuele leven van hun onderdanen, de nieuwe machtsinstituten moeten het daarvan juist hebben. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat er steeds meer aanslagen op de privacy van de mensen gepleegd worden.
De vreugde van een aantal anarchistische en libertaire denkers over de steeds toenemende privatisering moet dus op zijn minst getemperd worden. In feite is er nog lang niet te spreken van werkelijk verval van macht. Aan de orde is slechts een verschuiving van macht en het is nog maar de vraag of dat nu iets is om redelijkerwijs naar uit te kijken, hoewel niet te ontkennen valt dat het inderdaad een symptoom van vooruitgang is. Maar niet elk symptoom van vooruitgang, hoewel onvermijdelijk, maakt het leven voor de mensen aangenamer, vooral niet omdat zoiets steevast gepaard gaat met vertwijfeling, onzekerheid en verwarring, om nog maar te zwijgen van tijdelijk in ernstige mate toenemende corruptie en criminaliteit. Ware ontmanteling van de macht en privatisering van de ondernemingen kan alleen maar plaatsvinden in een sfeer van individualistische gelijkheid in een volstrekt horizontaal georganiseerde maatschappij.
 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 59

Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ;
 
______________________________________________________
 

Zo ongeveer bij het begin van onze jaartelling breekt in de mensheid het besef door dat elk mens een eigen unieke individualiteit bezit. Natuurlijk was dat voordien ook wel bekend, maar de praktische uitdrukking daarvan was steeds bevangen binnen het kader van iemands samenhang met een of ander geheel, zij het de geboortestreek, de stam, de clan, de familie of iets dergelijks. Ieder individu was dus bepaald door zijn of haar verhouding met iets of iemand anders en zijn recht van bestaan hing volledig van die verhouding af. Bij verstoring daarvan werd iemand automatisch een paria, een waardeloze outcast. Onder die omstandigheden was er dus geen sprake van een eigen absolute en onaantastbare identiteit. Dat betekent het dan ook als geconstateerd wordt dat het begrip 'individualisme' nog niet tot het zelfbewustzijn van de mensen doorgedrongen was. Men dacht nog niet in termen van enigerlei vorm van individualisme maar slechts in termen van het begrip 'inhoud'. Inhoud van het geheel namelijk.
Toch is er een uitzondering. Hoewel het begrip 'individualisme' als zodanig nog niet bekend was, waren er toch mensen op wie dit begrip 'avant la lettre' van toepassing is. Dat waren namelijk de pharao's, de koningen en keizers, de absolute alleenheersers dus die voor zichzelf, als vertegenwoordigers van het 'geheel', volledige individualiteit en dus ook absolute vrijheid opeisten. De combinatie van deze twee kwaliteiten leidt onafwendbaar bij ongeveer een ieder tot de conclusie dat de betreffende heerser een goddelijke status had.
 
Bij de Romeinen is het al volstrekt duidelijk dat men de mensen is gaan onderscheiden op grond van voor een ieder specifieke eigenschappen en kenmerken. Dat betekent dat de ontwikkeling tot individualisme een aanvang heeft genomen. In de beeldende kunst bijvoorbeeld ontstaat de portretkunst waarin de nadruk is komen te liggen op het complex van iemands bijzonderheden, zoals gelaatstrekken, maar ook gemoedstoestanden en aparte situaties waarin iemand eventueel verkeert. Dat alles in de plaats van de onpersoonlijke, algemeen geldende relaties tot het geheel. Het portret krijgt nu een bepaalde naam, terwijl het voordien een weefsel van begrippen uitdrukte.
 
Die individualistische ontwikkeling in de mensheid vertoont een aantal eigenaardigheden, waardoor het mogelijk wordt enkele cultuurfasen te onderscheiden. Maar aan alles ten grondslag ligt het feit dat de basis van het individualisme gelegen is in het begrip 'uitsluiting'. Zonder dat namelijk door de ene mens al de anderen uitgesloten worden en als niet bestaand worden gewaardeerd kan er van geen begin van een individualistische ontwikkeling sprake zijn. Die basis, die in feite als het begrip 'absoluut egoÔsme' getypeerd kan worden, is niet alleen de basisvoorwaarde, maar bovenal ook de onvermijdelijke grondtoon van het gehele verdere proces. In de historische praktijk betekent dit dat ongeveer vanaf het optreden van de Romeinen de mensen onder de culturele rubriek 'absoluut egoÔsme' vallen. Alles draait nu om de mens als 'ik' en voor een goed begrip is het dan ook zaak letterlijk ŗlle menselijke uitingen, handelingen en strevingen in dat licht te bezien. Dus niet alleen datgene dat vanuit de incidenteel heersende moraal negatief gevonden wordt, maar ook al het positieve: het zichzelf wegcijferende, het mens- en vredelievende, het schone en ware, enzovoort. Alles is onderworpen aan een naar binnen gerichte beweging met een onmiskenbare egocentrische strekking.
 
Daar is om te beginnen het begrip 'particulier'. Het zich realiseren hiervan draait vooral om het practische en wezenlijk banale in bezit nemen van alle voorhanden verschijnselen. Daarmee laat de particuliere mens het eerste moment gelden van de omstandigheid dat het gehele universum zijn 'virtuele eigendom' is. Dat kan het geval zijn doordat de mens als materialisatie van de ultieme mogelijkheid van het wordingsproces alle voorgaande resultaten daarvan tot inhoud heeft.
Dat eerste moment is 'banaal' omdat het nog nauwelijks enige intellectuele betekenis heeft. Het gaat gewoon over veroveren en dus in feite stelen. Eerst wordt er bijvoorbeeld land gestolen. Dat is de feodale periode, waarin diegene die het meest succesvol is zich de status van 'adel' toekende. De adel is namelijk volstrekt banaal begonnen met het stelen van landstreken en eigendommen van andere, weerloze, mensen en eigenlijk is zij daar nog steeds mee bezig, zij het formeel op abstracte wijze...
 
Het tweede moment is iets meer intellectueel, het is de fase van het ondernemen en het zich toe-eigenen van de produktiemiddelen. Het intellectuele is hierin gelegen dat er iets tot stand gebracht moet worden, namelijk het omzetten van de bestaande natuur tot bruikbare dingen. Tot op zekere hoogte heeft de mensheid nu voordeel bij het gedoe van de particulier, in tegenstelling tot dat van de feodale particulier waarvan niemand behalve die schurk zelf iets wijzer werd.
 
Dan is er ook nog een derde moment en daarbij gaat het over de manager. Hij is vrijwel uitsluitend intellectueel bezig en het resultaat daarvan is ogenschijnlijke orde die telkens weer blijkt wanorde te zijn, juist doordat het een theoretische zaak is waarbij onvermijdelijk velerlei externe factoren buiten beschouwing gelaten zijn. Dank zij de intellectuele dispositie van de particulier als manager ontgaat hem het treurige feit dat de door hem geschapen orde absolute chaos betekent, een chaos die almaar toeneemt naarmate hij intensiever probeert de zaak te ordenen.
 
De mens als particulier is eenzijdig op zichzelf als eigenaar van het universum gericht. Hij wil alles hebben en hij wijkt daarbij noch voor de levenden noch voor de doden. Geen enkele wandaad weerhoudt hem van zijn innerlijke drang tot het zich op allerlei concrete en abstracte manieren toe-eigenen van alles en iedereen. Maar gaandeweg wordt zijn gedoe toch voordeliger voor de mensheid. Er ontstaat namelijk een leefbaarder wereld, onbedoeld weliswaar, omdat het in feite om absoluut egoÔsme gaat. Altijd en onvermijdelijk blijft de sfeer daarvan domineren en als een donkere wolk boven het menselijke landschap hangen en altijd zijn het de 'gewone' mensen die voor de rekening op moeten draaien, waarbij overigens niet over het hoofd mag worden gezien dat ook zij in het teken van dat absolute egoÔsme staan.

Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ;
 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy

 

Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64 ;

 

Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 60

Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ; Rechten van de mens-1 ; Rechten van de mens-2 ; Rechten van de mens-3 ; Doodvonnissen-1 ; Doodvonnissen-2 ;



 
______________________________________________________
 

Uit de wereld van de Islam is vaak te vernemen dat 'het Westen' de rest van de wereld zou onderdrukken. Dat zou dan zowel in politiek als in economisch opzicht het geval zijn. De Verenigde Staten staan daarbij symbool voor de Westerse cultuur. En voor de Islamitische wereld worden met graagte die arme Palestijnen naar voren gebracht. Nu is het wat deze laatsten betreft zonder enige twijfel een feit dat zij onderdrukt worden, met name door de IsraŽliŽrs die hen nauwelijks wat ruimte om te leven gunnen. Daarbij wordt evenwel door bijna iedereen ten onrechte aangenomen dat IsraŽl tot de Westerse cultuur zou behoren en dat daarmee automatisch bewezen zou zijn dat die cultuur een manifestatie van onderdrukking, discriminatie en terreur zou zijn.
 
Om tenminste twee redenen zijn die beschuldigingen wat IsraŽl betreft niet juist gefundeerd. Ten eerste moet opgemerkt worden dat IsraŽl wel volop de vruchten plukt van de Westerse wereld en dus in politieke en economische zin tot 'Het Westen' gerekend kan worden, maar dat het in feite in het geheel geen volwaardige representant van de Westerse 'cultuur' is. Dat moge hieruit blijken dat in IsraŽl de godsdienst een uitermate dominante rol speelt, vooral die van de wiebelende pijpengekrulde orthodoxen. Het is redelijkerwijs staande te houden dat IsraŽl, als het er op aankomt, onmiskenbaar een theocratie is. Maar het niet-westerse karakter van IsraŽl blijkt ook uit het feit dat er in de regering en de Knesset veel militairen in actieve dienst zitten, hetgeen in democratische zin altijd een veeg teken is, zelfs onder oorlogsomstandigheden of terreurdreiging. Alle gevaren en onrust in IsraŽl maken de rol van de militairen niet goed. Militairen behoren niet in regeringen te zitten en zelfs geen politietaken te vervullen. Zij behoren daarbuiten te blijven en gehoorzaam orders af te wachten.
 
Mag het een feit zijn dat de, overigens terechte, verwijten richting IsraŽl op verkeerde argumenten berusten, het is bovenal een feit dat de beschuldigingen aan het adres van de Westerse cultuur volstrekte onzin zijn. Het ligt namelijk absoluut niet in het karakter van die cultuur om te discrimineren en te onderdrukken. Hoewel dat gemakkelijk te begrijpen is wordt dit gegeven steeds door bijna iedereen over het hoofd gezien, verblind als men is door een groot aantal kwalijke gedragingen van westerlingen.
Het gaat in de Westerse cultuur om de geboorte en de ontwikkeling van de mens als individu, in het kort gezegd: het 'individualisme'. Hoewel aan de basis daarvan de notie 'ik ben jij niet' ligt, is de aanwezigheid van de ŗnder toch vereist en dus tenvolle erkend. Dit maakt in feite onderdrukking en discriminatie ten enen male onmogelijk. Het is dan ook niet toevallig dat dergelijke misdragingen juist in de Westerse cultuur veroordeeld en afgewezen worden, zoals het ook niet toevallig is dat precies daar de democratie als onbetwistbare maatschappelijke norm erkend wordt. En dan zijn daar ook nog de ' Rechten van de mens ' en vele andere bevestigingen van 's mensen onvoorwaardelijk erkende individualiteit. Nogmaals, de westerse cultuur houdt de volmondige erkenning van alle individuen in.
Zij discrimineert niet en zij onderdrukt niet.
 
Het is evenwel niet te loochenen dat er vanuit de Westerse wereld heel wat onrecht en misdadigheid gepleegd wordt. Er is een hele lijst op te sommen van economische en politieke wandaden, bedreven door Westerse individuen, bedrijven en regeringen. En inderdaad is de ellende in deze wereld in belangrijke mate terug te voeren tot plundergedrag van Westerlingen, doorgaans in ondernemingsverband gepleegd. De verschillende al of niet verborgen belangen zijn onveranderlijk voldoende legitimering van onmenselijke schurkenstreken. Maar dat alles, hoe schandelijk ook, is ten enen male niet inherent aan de moderne Westerse cultuur als zodanig, en dus ook niet aan Amerika. Hoezeer er ook mee gesold wordt, de vrijheid heeft in de Westerse democratieŽn, inclusief de Verenigde Staten, wel degelijk haar concrete uitdrukking gevonden.
De Westerse wandaden zijn uitsluitend manifestatie van vooralsnog Únvolwassen individualisme zoals dat nog bij veel te veel westerlingen voorkomt. Daardoor staat het particuliere belang prominent op de voorgrond. En de onmiskenbaar slechte rol van vooral de Amerikanen in de wereld is hierop gebaseerd.
 
In veel andere samenlevingen zijn de discriminatie, onderdrukking en terreur helaas wel een kwestie van cultuur, omdat zij namelijk gebaseerd zijn op eeuwenoude godsdienstige voorstellingen. Hoewel het tegenwoordig bon ton is dit te ontkennen of lafhartig te nuanceren is de basis van die misstanden wel degelijk de monotheÔstisch godsdienst. Er is daarin immers geen god denkbaar die concurrenten naast zich duldt! De oude god van Joden, Christenen en Islamieten, Jahweh, De Heer of Allah, duldt niets en niemand 'voor zijn aangezicht' en hij is 'naijverig' ten aanzien van alles en iedereen. Mensen die iets anders geloven en ongelovigen behoren er dan ook niet te zijn. Uitroeien en het nemen van wraak tot in het zoveelste geslacht behoren als vanzelfsprekend tot de aanbevolen behandelingen. Logisch dat er binnen de theologie van dergelijke absolutistische godsdiensten een concrete mogelijkheid ligt om de zaak in praktijk te brengen doormiddel van niets ontziende terreur. Derhalve is het wel degelijk verantwoord de voedingsbodem van de huidige agressie te zoeken in de Islamitische godsdienst.
 
Dankzij domheid en armoede zijn, anders dan in het moderne Westen, in de niet-westerse Islamitische wereld de godsdienstige waanvoorstellingen actueel gebleven. Erger nog, zij zijn in veel gevallen vanuit antiwesterse politieke overwegingen tot hysterie opgefokt. Dat is het zogenaamde fundamentalisme, zoals dat door verblinde onverlaten, uiteraard allemaal mannen, gepropageerd en beleden wordt. Daardoor zijn helaas op het ogenblik de meeste Islamitische samenlevingen tot beangstigende oorden van discriminatie, onderdrukking en terreur verworden. En het zijn voorwaar niet alleen maar de vrouwen die daarvan het slachtoffer zijn. Vele redelijke denkers en kunstenaars hebben dat inmiddels ook aan den lijve ondervonden.
Het is zelfs niet ongewoon om over de gehele wereld ongegeneerd doodvonnissen te voltrekken, zoals dat bijna ook bij Salman Rushdie gelukt is. Een paar fanaten die zich 'geestelijk leiders' noemen vinden dat zij het volste recht hebben op eigen gezag zo'n vonnis te vellen en dan hun volgelingen ook nog aan te moedigen het uit te voeren.
Als er dus gesproken moet worden van onderdrukking, discriminatie en terreur is er wat betreft dergelijke culturen maar ťťn advies: steek de hand in eigen boezem en ga nu eens op intelligente wijze aan de slag om eindelijk ook de eigen wereld leefbaar te maken...

 

Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ; Rechten van de mens-1 ; Rechten van de mens-2 ; Rechten van de mens-3 ; Doodvonnissen-1 ; Doodvonnissen-2 ;

 

Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64 ;

 

Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy

 

Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 61††††††† Zie ook nr. 63(Discriminatie/ANGST) ; Zie ook nr. 66(Racistische grondtoon)
 
______________________________________________________
 

Het zijn vooral de hedendaagse politici die weigeren te erkennen dat de ene cultuur de andere kan overtreffen in universele kwaliteiten. Die weigering komt vooral voort uit de traumatische angst om leden van andere culturen te discrimineren. Het op zichzelf juiste inzicht dat discriminatie verwerpelijk is heeft zich, zoals zo vaak het geval is, tegen zichzelf gekeerd en is nu in een taboe omgezet. Mede door de bittere ervaringen van de Tweede Wereldoorlog is de afschuw van discriminatie zo alles overheersend geworden dat gedachtengangen die mogelijkerwijs tot pijnlijke conclusies kunnen leiden al bij voorbaat en zelfs op een agressieve manier afgewezen worden. De zaak valt gevoelsmatig buiten elke mogelijke beoordeling: zij is zonder meer taboe. Doorgaans leidt dat tot lafhartig intellectueel gescharrel en dus tot ergerlijke domheid en onbetrouwbaarheid. Merkwaardigerwijs wordt dat in dit post-moderne tijdsgewricht 'politiek correct' gevonden...
 
Behalve het taboe is er ook nog een ontstellend gebrek aan historisch inzicht wat betreft de ontwikkeling van culturen. Stellig heeft ook dat met genoemd taboe te maken: men wil er gewoon niets van weten. Maar de aard van het moderne analytisch wetenschappelijke denken speelt er ook een cruciale rol in. Dat denken heeft altijd moeite met kwalitatieve noties omdat het afhankelijk is van kwantiteiten. Analyse van de voorhanden verschijnselen levert immers geen alomvattend overzicht op, doch slechts een zo goed mogelijk gerubriceerde verzameling, bestaande uit allemaal op zichzelf staande feiten. Universeel geldende kwaliteiten van mensen of zaken kunnen dan onmogelijk herkend en erkend worden. Hoe zinvol modern wetenschappelijke kennis ook is, het blijft gaan over een versnipperde werkelijkheid.
 
Door die versnippering kunnen moderne denkers niet inzien dat er zich in de mensheid een bepaald proces afspeelt. Het bestaan daarvan wordt bijgevolg ontkend. Maar als men voor een moment afstand zou nemen van het gebruikelijke analyseren is te zien dat de mensheid onmiskenbaar vanaf haar geboorte op de planeet een geestelijke ontwikkeling doormaakt, waarbij het zelfbewustzijn zich langzaam maar zeker verheldert.(verhelderingsproces-zie bladwijzers) Daardoor wordt de werkelijkheid met alles waaruit zij bestaat steeds meer zichtbaar en dus ook, dank zij de toenemende mogelijkheid tot onderzoek, begrijpelijker. Wat voor de mensen uit de Oudheid nog niet te ontwarren was is gaandeweg voor onderzoek ontvankelijk geworden, zodat het zijn geheimen prijs kan geven. Het gehele complex van concrete resultaten hiervan valt onder het begrip 'beschaving' oftewel 'civilisatie'. Dat evenwel is op zichzelf geheel iets anders dan het begrip 'cultuur' en het dient hiervan dan ook uitdrukkelijk onderscheiden te worden.
 
Bij de huidige discussies over de vraag of de Westerse cultuur 'superieur' is aan alle andere culturen, inzonderheid de Islamitische, worden voortdurend de begrippen 'cultuur' en 'civilisatie' door elkaar gehaald. Vaak kan men zich niet aan de indruk onttrekken dat dit met opzet gedaan wordt. Vooral diegenen die al bij voorbaat het idee van het bestaan van een superieure cultuur verwerpen, verschuiven de discussie handig van het begrip 'cultuur' naar het begrip 'civilisatie', uiteraard in de poging daarmee aannemelijk te maken dat er geen verschillen in kwaliteit zouden bestaan. Maar zij doen dat vooral ook om te verdoezelen dat zij niet inhoudelijk wensen na te denken over het thema van het al of niet superieur zijn van culturen. Daar komt dus het taboe voor den dag.
 
Het begrip 'civilisatie' betreft de concrete manifestatie van het praktische gedoe van de afzonderlijke mensen. Dat gedoe vertoont talloze plaatselijke en tijdelijke eigenaardigheden, die kwalitatief eigenlijk niet zoveel van elkaar verschillen. Overal zijn de mensen op zoveel mogelijk macht en bezit uit. Overal verrichten de mensen grootse daden afgewisseld met gruwelijke wandaden. Overal beminnen en haten de mensen elkaar. Overal hechten zij geloof aan godsdienstige en ideologische waandenkbeelden
(Hoe benadert de godsdienstige mens, wetenschapsmens en de creatieve filosoof de waarheid? - toegevoegd door rob van es) en overal proberen zij hun eigen wil door te zetten en zoveel mogelijk voordeel te behalen. Over de gehele wereld treft men hetzelfde egoÔstische geboefte aan. Wat dit betreft is het dus juist als men de Westerse mens niet beter acht dan de Islamitische. Nogmaals: het gaat nu over afzonderlijke mŤnsen.
 
Toch, door al die min of meer overeenkomstige gedragingen stralen bepaalde grondpatronen door, die statistisch niet te verklaren zijn uit het alledaagse gedoe van de mensen. Waarom bijvoorbeeld is het, behalve in het Westen, nergens gelukt een betrouwbare wetenschap en technologie van de grond te krijgen? Waarom dankt wat dat betreft de hele wereld alle ontwikkeling aan het Westen? Zeker is dat het niet ligt aan de intelligentie van de niet-westerse mensen. Het ontbreekt hen bepaald ook niet aan ijver en nieuwsgierigheid om dingen aan de weet te komen. De oorzaak moet dus dieper liggen dan alleen maar civilisatie.
Of: waarom is een zeer groot deel van de wereldbevolking bereid zich aan Allah te onderwerpen terwijl deze god niets te bieden heeft dan dwingende levensonvriendelijke voorschriften, armoede en tot overmaat van ramp een hartgrondige haat tegen alles wat Westers is..?
 
De ogenschijnlijk onverklaarbare ondergrond van het gedrag heeft op zichzelf niets met het begrip 'civilisatie' te maken maar alles met het begrip 'cultuur'. Het gaat hierbij over het onmiddellijke gevolg van het verhelderingsproces van de mensheid als geheel. Het is een proces dat als regel nauwelijks door de er in betrokken mensen herkend wordt. Dat 'ondergrondse' proces volgt in de loop der tijden een bepaalde weg die, eenmaal begrepen, volkomen logisch blijkt te zijn. Aan het begin ligt een vooralsnog tamelijk duister zelfbewustzijn dat evenwel gaandeweg helderder wordt. Die weg van donker naar licht manifesteert zich als 'cultuurgeschiedenis', in opeenvolgende momenten die in bepaalde volkeren tot leven komen. Het laatste moment van dat proces moet logischerwijs helder zijn, hetgeen feitelijk betekent dat het totale universum doorzichtig is geworden en dus tot kennis omgezet kan worden. Dat eindmoment is voor de dag gekomen als Westerse cultuur.
Omdat de Westerse cultuur het laatste moment van de verheldering is overtreft het alle andere momenten. Die worden in feite allemaal gekenmerkt door het onvermogen van de mensen zichzelf in universele zin te begrijpen, waardoor het onder andere maar niet wil gelukken de wereld op humane wijze in te richten.
 
Het begrip 'civilisatie' heeft betrekking op de vraag wat er op een gegeven moment in concreto van de cultuur terecht komt. Als het gaat over dat begrip moet nogmaals nadrukkelijk gesteld worden dat de ene mens, waar ook ter wereld, in geen enkel opzicht voor de andere mens onder doet. De bestaande onderlinge verschillen berusten op omstandigheden, op individuele ontwikkeling, op een persoonlijke aanleg, en zo meer. Precies zoals dat altijd en overal het geval is. Wat deze notie betreft is het dus onterecht om het begrip 'superioriteit' te gebruiken.
Maar als het gaat over het begrip 'cultuur' als zodanig is er wel degelijk steeds een superieur moment. Het volgende gaat logischerwijs het vorige te boven. Zo was de Romeinse cultuur indertijd een moment dat volgde op de cultuur van de Grieken. Daardoor waren zij ten opzichte van hen qua cultuur superieur. De Germanen overtroffen als volgend moment op die manier de Romeinen. Als 'civilisatie' bleek dat gaandeweg uit hun overwinningen en tenslotte uit de ondergang van Griekenland en Rome.
 
Thans overtreft de moderne Westerse cultuur die van het oude Europa en alles wat daar aan vooraf ging. Omdat het het laatste ontwikkelingsmoment is legt die moderne Westerse cultuur zich over de ganse planeet uit, aanvankelijk nog niet als 'civilisatie', maar als 'cultuur'. Dat is dan ook overal waar te nemen en ook is waar te nemen dat overal ter wereld de mensen naar de directe en indirecte voortbrengselen van die cultuur verlangend uit zitten te kijken, reden waarom zij allemaal proberen om Westerse artikelen te bemachtigen en zelfs om naar het Westen te emigreren om een zo goed en zo veilig mogelijk bestaan op te bouwen.

 

Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
 
Zie ook nr. 63(Discriminatie/ANGST) ; Zie ook nr. 66(Racistische grondtoon) ; Zie ook nr. 61(Discriminatie)


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy

 

Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 62
 
______________________________________________________
 

Vanaf zijn geboorte op de planeet maakt de mens een ontwikkeling door. In tegenstelling tot wat veel geleerden nog steeds geloven is het biologische proces van de evolutie met de komst van de mens afgesloten. Het aanpassingsproces evenwel, waarbij het leven zich zo goed mogelijk instelt op de omstandigheden, gaat natuurlijk gewoon door. Maar daarnaast geldt er voor de mens nog een ander proces en dat betreft de verheldering van zijn zelfbewustzijn. De mens ontwikkelt zich 'naar zichzelf toe'. Uiteraard kent ook dat een groot aantal verschillende momenten.
 
De Westerse cultuur is de uitwerking van het laatste moment van het verhelderingsproces van het zelfbewustzijn. Dit laatste moment betreft het uit elkaar halen van de materiŽle werkelijkheid met de bedoeling het leren kennen van de bouwstenen en de opbouw van het universum. Dat speelt zich af in de Westerse cultuur, die staat dan ook in het teken van de analyse. In feite is dit de laatste mogelijkheid, want verder dan zo kan het proces van de verheldering niet gaan. Het is immers niet mogelijk dieper in de werkelijkheid door te dringen dan tot de elementaire bouwstenen van het heelal.
 
Op zichzelf beschouwd is dat uit elkaar halen geen gemakkelijke zaak. Vergeleken bij voorgaande cultuurmomenten is het niet alleen de meest tijdrovende, maar vooral ook de meest intellectuele opgave. Er zijn bovendien veel technische vaardigheden bij nodig. Al met al: het is de nimmer aflatende zoektocht van de wetenschap.
Het is een buitengewoon ingrijpende zaak, die uiteindelijk leidt tot verandering van de gehele planeet. Verandering in die zin dat zij aangepast wordt aan het leven van het als laatste door haar opgeleverde verschijnsel: de mens. De planeet wordt door de mens tot 'aarde' gemaakt, dat wil zeggen dat zij omgezet wordt tot inhoud van de mens.
 
Dat begrip 'aanpassen' is overigens van een geheel andere orde dan gewoonlijk gemeend wordt. De gangbare mening is thans nog steeds dat de planeet onderworpen zou moeten worden. Zij zou dus haar eigen karakter moeten verliezen en gaan beantwoorden aan de ideeŽn van de mens. Dit evenwel kan alleen maar tot rampen leiden, iets wat tegenwoordig al meer en meer zichtbaar wordt. Op alle mogelijke gebieden hebben de mensen zich in de ellende gestort, in de poging de planeet te onderwerpen aan hun wetenschappelijke theorieŽn.
Waarom het werkelijk gaat bij veranderen in de zin van het begrip 'aanpassen' is het in goede banen leiden, het verzorgen. Dat betekent onder andere dat het eigene van de planeet met haar planten en dieren zo goed mogelijk beschermd en gestimuleerd wordt, in plaats van fundamenteel veranderd. Hoewel het door de meeste wetenschappers heftig ontkend wordt is elke technische verandering, elke manipulatie, een verslechtering omdat er ingegrepen wordt in een stap voor stap en met vallen en opstaan gegroeid levend systeem. De gesuggereerde verbeteringen zijn dan ook uitsluitend van pragmatisch economische aard, voordelig voor een aantal ondernemers en politici. Bovendien zijn het ingrepen die in kwalitatieve zin tenvolle afhankelijk zijn van modieuze stokpaardjes van op winst beluste economen.
 
Zoals met alles het geval is kent ook dat laatste moment van de verheldering enkele min of meer van elkaar onderscheiden fasen. In dit geval is er een periode van aanloop, een periode van zoeken naar de juiste criteria en tenslotte een periode van praktische uitwerking. In de historische praktijk vertoont die drieslag zich in het Romeins-Christelijke tijdperk en daarna in het oude West-Europa om tenslotte in de 20ste eeuw in de Moderne Wereld uit te lopen.
Op het ogenblik is die derde periode onmiskenbaar gaande, maar onvermijdelijk is hij nog geheel doortrokken van de twee voorgaande. Het christendom speelt nog steeds een belangrijke rol, hoewel het al duidelijk geen aanmoedigend karakter meer heeft. De kerken hebben een conservatieve en dus afremmende werking gekregen, een teken dus van ontbinding en ondergang. De tweede periode, die van het zoeken naar de juiste criteria, is als zodanig ook nagenoeg voltooid, terwijl de Moderne Wereld nog maar net begonnen is.
 
Wat die Moderne Wereld betreft moet er nog heel veel gebeuren: de dwaasheden van niet alleen het christendom, maar vooral ook van de Islam en wat Oosterse religies moeten straks gedegenereerd zijn tot onschuldige eigenaardigheden van verwarde enkelingen en de genoemde criteria voor kennis moeten vanzelfsprekend als objectief betrouwbaar over de gehele wereld erkend zijn. Voorlopig is hiervan nog maar weinig gerealiseerd en wat betreft de Moderne Wereld leeft er eerder nog een diepgewortelde haat ertegen dan dat er met enthousiasme naar gestreefd wordt, hetgeen niet wegneemt dat het proces van het uitwerken al onstuitbaar ingezet is.
 
In wezen gaat het niet om de vraag of genoemd eindpunt al volledig uitgewerkt is, maar om de vraag of het zich definitief ingezet heeft. Na zo een definitieve 'inzet' volgt het 'doorzetten' vanzelf, zonder dat iemand het tegen kan houden of frustreren. Gezien in dat licht is te beamen wat sommige denkers beweren, namelijk dat 'het einde van de geschiedenis' is aangebroken. Helaas is die uitspraak wat slordig, want niet de geschiedenis als sequentie van dagelijkse gebeurtenissen houdt op, maar uitsluitend het proces van de culturele verheldering.
 
De mens als cultuur, dat is de mens die zich gelden laat als 'op andere wijze de materie', die mens is in principe helder geworden. Feitelijk is daarmee de werkelijke geschiedenis van 'de mens' begonnen. Intussen is al op te merken dat overal ter wereld de mensen proberen hun leven en hun samenleving vorm te geven, een streven dat logischerwijs geruime tijd vooral tot bloedbaden moet leiden. Er is verzet tegen gewelddadige machthebbers, tegen imperialistische onderdrukking en uitbuiting en zelfs op een individuele manier tegen elkaars levensbeschouwingen.
Die strijd zal stellig lange tijd voortduren, juist omdat het een zaak van ontwakend individualisme is. Welbeschouwd kan daarom met recht van de 'derde wereldoorlog' gesproken worden, een oorlog die zich van alle voorgaande onderscheidt door zijn niets ontziende willekeur en zijn absolute onvoorspelbaarheid. Vooral opvallend is daarbij dat de bevolking inzet en doelwit van agressie is geworden. In die situatie kent men geen 'onschuldige' slachtoffers meer. Iedereen wordt bij voorbaat al als een schuldige gezien die zonder bezwaar afgeslacht kan worden.
Die uitermate kwalijke mentaliteit komt al duidelijk naar voren juist bij die groeperingen die zich van zichzelf bewust beginnen te worden.

 

Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy

 

Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64 ; verantwoordelijkheid-1 ; verantwoordelijkheid-2 ;

Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11


 
door Jan Vis

 

Bladwijzer: verantwoordelijkheid
 
AFLEVERING NR. 63†††† Zie ook nr. 63(Discriminatie/ANGST) ; Zie ook nr. 66(Racistische grondtoon) ; Zie ook nr. 61(Discriminatie)

 
______________________________________________________
 

Hoewel de politici en hun commentatoren er over het algemeen niets van willen weten is het wel degelijk een feit dat er op het ogenblik een Derde Wereldoorlog gaande is. Ditmaal betreft het niet meer, zoals voorheen gebruikelijk, alleen maar de westers ingestelde staten. Het valt daarbij op dat er geen statelijke legers meer tegenover elkaar staan, maar groepjes individuen die zeggen door hoogverheven idealen gedreven te worden. En het is ook bijzonder opmerkelijk dat de huidige vechtpartijen nu inderdaad over de gehele wereld voorkomen, zij het op zijn hevigst in de niet-westerse wereld. Er is bijna geen land dat er niet mee te maken heeft.
 
Ogenschijnlijk zijn al die uitingen van geweld niet onder ťťn noemer te brengen. In Zuid-Amerika bijvoorbeeld lijkt het om heel iets anders te gaan dan in IndonesiŽ of in MaleisiŽ en in de Arabische wereld schijnen weer andere frustraties een rol te spelen. De ene keer lijkt het geweld een vorm van nationalisme, de andere keer strijdt men om de handel in drugs, maar meestal draait het om godsdiensten en andere ideologieŽn. Het gevolg van al die danig verwarrende verschillen in motivatie is dat de gewelddadigheden door bijna alle zogenaamde deskundigen worden afgedaan als incidenten, betreurenswaardig weliswaar, maar niettemin incidenten. Gebeurtenissen dus die plaatselijk en tijdelijk bepaald zijn en die derhalve geen onderlinge samenhang van enige speciale betekenis vertonen. Het feit bijvoorbeeld dat er bijna overal Moslims bij het geweld betrokken zijn wordt nauwelijks relevant gevonden en ook wordt de rol van de drugs vrijwel uitsluitend als een op zichzelf staande illegaal economische kwestie gezien.
 
Oppervlakkig beschouwd, zoals gebruikelijk bij moderne goed opgeleide deskundigen, zijn daarvoor gemakkelijk oorzaken aan te geven. Wat de Moslims betreft zou het stellig vooral komen door de angst van de moderne intelligentsia om van discriminatie beschuldigd te worden. Hun waardering voor de Islam en geflirt met de Moslims is daardoor zo langzamerhand een morbide vertoning geworden. Misschien is dat overigens toch wel enigszins begrijpelijk omdat de fundamentele agressiviteit van de Islamitische leer onbewust angst inboezemt. Het gaat immers over een uitgesproken anti-moderne culturele gesteldheid waarvan de vertegenwoordigers bepaald geen geweld schuwen, vooral als zij het toepassen op mensen die zelfs nauwelijks deugen als brandstof voor de hel. En de drugs spelen, cultureel gezien, ook een veel wezenlijker rol dan alleen maar die van enerzijds lucratieve handelswaar en anderzijds een min of meer modieus genotmiddel. Het is niet zomaar dat het gebruik van drugs zo een wereldomspannend fenomeen is geworden. Veel mensen hebben behoefte aan de vergetelheid die de roes hen bieden kan.
 
Er is een frappante overeenkomst tussen het gebruik van verdovende middelen en het zich overgeven aan een godsdienst als de Islam. In beide gevallen gaat het er namelijk om zichzelf als individu uit te schakelen, althans terug te dringen. Men zoekt letterlijk 'bewusteloosheid'. Dat streven is een reactie op het moderne cultuurmoment, zoals dat, doorgaans ongeweten en zelfs ongewild, voor de gehele mensheid geldt. Het is zogezegd de 'antithese' van het individualisme, het wakker worden en het tot ontwikkeling komen van de bestaande mens als een volstrekt uniek geval, een eenmalige identiteit die los staat van alle andere levende en niet- levende verschijnselen in de kosmos. Dat is de mens als inderdaad het laatste verschijnsel dat als zodanig los is gekomen van alle op materiŽle verhoudingen gestoelde onontkoombare programma's. En in het bijzonder gaat het bij dat individualisme om het zich persoonlijk bevrijden van al die collectieve systemen waaraan de mensen zich, onvolwassen zijnde, in de loop der tijden onderworpen hebben.
 
Aan dat proces van bevrijding komen overigens enkele bijzonder onaangename verschijnselen mee: als eerste is daar de agressieve criminaliteit, vanwege het verlies van een humaan besef van verantwoordelijkheid, omdat men niet langer ergens bij behoort. En als tweede een diepgewortelde angst voor kosmische eenzaamheid, van verloren zijn in eeuwigheid en ruimte. Daarmee samenhangend treedt dan als reactie op dat men Úf een bepaald collectief wil herstellen of vestigen, zoals dat in de Islam het geval is, Úf het individu-zijn wil vernevelen, zoals dat met behulp van drugs geschiedt. Deze tegenstelling nu, tussen individualisme en collectivisme is wat zich op dramatische wijze overal op de wereld manifesteert. Dat is onmiskenbaar de Derde Wereldoorlog. Die heeft dus een veel diepere en omvangrijker basis dan alleen maar de eraan meekomende daden van agressie en terreur zouden doen vermoeden. Het is bovendien zo dat die oorlog hoofdzakelijk doormiddel van incidentele terreur uitgevochten zal worden, juist omdat de eraan ten grondslag liggende frustraties van individualistische aard zijn. Die terreur kan zich tegen alles en iedereen richten, zoals intussen overduidelijk gebleken is. En, opmerkelijk is daarbij ook dat de daders zichzelf niet sparen. Zij offeren zich gemakkelijk op terwille van het collectief, uiteraard met een beroep op godsdienstige waanvoorstellingen, zoals een wellustige beloning in het hiernamaals.
 
Wat bij de discussie over de Islam bijna altijd over het hoofd wordt gezien is het historische feit dat deze godsdienst gesticht is toen de mensheid al, uiteraard onbewust, aan haar individualisering begonnen was, namelijk zo'n zes eeuwen na het begin van de moderne jaartelling. Dat verklaart ten minste een tweetal eigenaardigheden van de Islam, namelijk dat zij typisch geen intuÔtief maar daarentegen een bedŗcht systeem is met veel aandacht voor wat beschouwd wordt als een codex van persoonlijke rechten en vooral plichten. En verder dat er voor de godsdienstige praktijk geen van God gegeven hiŽrarchie is ingesteld. Er is geen verticale structuur en er zijn geen kerkvorsten zoals in het christendom. Ook kan nog opgemerkt worden dat de bijvoorbeeld wel degelijk in de Christelijke Bijbel voorkomende intuÔtieve wijsheid en schoonheid ten enen male in de eigenlijke Koran ontbreken. Het is wezenlijk een zeer onaangenaam pragmatisch geschrift. Dat alles is kenmerkend voor een denken van na de oudheid, een denken dus dat als reactie al in het teken staat van de begonnen moderne tijd waarin pragmatisme, zakelijke voorschriften, management en koudbloedige redeneringen maatgevend zijn...
 
Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64 ; verantwoordelijkheid-1 ; verantwoordelijkheid-2

Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11 ; Zie ook nr. 63(Discriminatie/ANGST) ; Zie ook nr. 66(Racistische grondtoon) ; Zie ook nr. 61(Discriminatie)

 

 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy

 

Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11

Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64 ; Rationeel-1 ; Rationeel-2 ; Rationeel-3 ; Rationeel-4 ; Jesaja(1); Jesaja(2) ;


door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 64
 
______________________________________________________
 

In tegenstelling tot de Islam hebben het Jodendom en het Christendom een geheel eigen intuÔtieve basis. Dat wil zeggen dat bepaalde eenvoudige, maar op zichzelf juiste inzichten in de werkelijkheid er in uitgedrukt zijn. Die inzichten zijn niet op een concrete manier verwoord, want dat was in de oude tijden nog niet echt mogelijk. De mensheid was nog lang niet toe aan de analyse van de verschijnselen. Daardoor konden er nog geen eenduidige formules opgesteld worden, zoals dat in moderne tijden wel het geval is.
Men maakte destijds gebruik van metaforen. Dat zijn zinnebeeldige verwoordingen. Op overdrachtelijke wijze werden mededelingen over de werkelijkheid gedaan. God bijvoorbeeld was aanvankelijk niet een min of meer abstract voorgestelde menselijke figuur met bepaalde, tot in het oneindige uitvergrote eigenschappen. De notie 'God' was daarentegen de metafoor voor het bevruchtende mannelijke principe van de werkelijkheid. De 'Oermoeder' was degene die de dingen voortbracht en 'God' was, onder allerlei namen en beelden, degene die dat voortbrengen in gang zette.
 
Deze metaforen nu getuigen van juiste inzichten in de werkelijkheid, inzichten die niet op een rationeel analytische wijze verworven zijn, maar op een onmiddellijke wijze aangevoeld, gezien en ondergaan. Het zijn ingevingen die destijds gemakkelijk als authentieke goddelijke openbaringen beschouwd konden worden. Het spreekt vanzelf dat er voor een heleboel mensen groot gezag van uitging, hetgeen voor gewiekste bedriegers aanleiding was om zich op te werpen als vertegenwoordigers van die goddelijke machten. Daar beginnen de godsdiensten, waaronder ook de Joodse en de latere Christelijke. Godsdiensten berusten dus op misbruik van ware intuÔtieve inzichten.
 
Van het Christendom wordt beweerd dat het een voortzetting is van de oude Joodse godsdienst, omdat het verhaal gaat dat de zaak in het toenmalige IsraŽl begonnen is. Maar dat verhaal is volstrekt corrupt. Het is door de Aartsvaders van het Christendom van de Joden en later de Romeinen gestolen, met de bedoeling hun christelijke God een legitieme basis te geven. Daarom heeft het Christendom het Joodse zogenaamd 'Oude Testament' in zijn heilig boek, 'De Bijbel', opgenomen. Maar in feite stammen de voorstellingen van de Christelijke godsdienst uit de Griekse cultuur, die op haar beurt veel daarvan had te danken aan veel oudere culturen. Die kwamen allemaal vanuit het Verre Oosten in Griekenland tezamen. Die Griekse ideeŽn, tezamen met de oeroude uit het Oosten, vormen het verhaal van het zogenaamde 'Nieuwe Testament'.
 
Genoemde intuÔtieve basis van beide godsdiensten laat zich nog steeds kennen. Prachtige diepzinnige verhalen en voorstellingen geven daarvan duidelijk blijk. Zo zijn daar in het Oude Testament de buitengewoon heldere hoofdstukken van Jesaja, de Psalmen van David en de schitterende liefdeslyriek van het Hooglied. En in het Nieuwe Testament staat onder andere nog altijd de qua diepzinnigheid onovertroffen Bergrede. Tussen allerlei mededelingen in staan ook nog talloze losse opmerkingen van grote wijsheid en dat alles stamt uit lang vervlogen primitieve tijden waarin de kijk van de mensen op het wezen van de werkelijkheid nog niet zozeer verduisterd was als thans het geval is. Gelukkig hebben de, overigens buitengewoon onbetrouwbare, vertalers en bewerkers van de oude geschriften veel oude metaforen over het hoofd gezien, zodat ze tegenwoordig zelfs nog grotendeels te achterhalen zijn. Maar het vereist toch een grote filosofische feeling om althans aan te voelen welk een ongewoon diepzinnige wereld zich in die oude verhalen en geschriften openbaart. Dat alles is in de loop der tijden van een godsdienstig jasje voorzien, met als gevolg dat het ook thans nog riskant is er als atheÔst met lovende woorden over te spreken. Men wordt al ras van verholen gelovigheid verdacht, maar daarmee heeft het nu juist absoluut niets te maken. IntuÔtieve waarheden worden nu eenmaal altijd in beslag genomen door zwendelaars die er misbruik van willen maken. En dat gaat in een Únvolwassen mensheid gemakkelijk doormiddel van godsdienstige indoctrinatie.
 
Zoals gezegd hebben het Jodendom en het Christendom een heldere intuÔtieve basis, die, zoals gebruikelijk bij cultuurvoorstellingen, teruggaat tot diep in de grijze oudheid. Naderhand zijn op die basis allerlei godsdienstige stelsels gebouwd. Door zogenaamde priesters, godgeleerden en andere machtzoekers zijn de mensen de meest fantastische waanvoorstellingen ingeprent. Uiteraard maakten zij daarbij gebruik van de fundamentele behoefte van de mens om te willen weten hoe het zit met zichzelf en de werkelijkheid. In feite speculeerden zij dus op de intellectuele aanleg van de mens, wat overigens lijnrecht staat tegenover de gangbare mening dat de godsdiensten op het gevoelsleven gericht zouden zijn. Inderdaad maken zij daarvan wel een geraffineerd gebruik, maar het gaat om het overtuigen, het valselijk aanreiken van een schijnwaarheid.
Maar gelukkig kan niemand verhinderen dat er altijd iets van die oeroude wijsheden door de onzin heen straalt. Ongetwijfeld is dat de verklaring voor het feit dat er uit die beide godsdiensten nog steeds zoveel troost geput wordt. En ook is het oorzaak van het merkwaardige psychische verschijnsel dat de religieuze gevoelsuitingen van de mensen steevast liefdesbetuigingen zijn. Er is een schat aan kerkelijke liederen die pure liefdespoŽzie bevatten. Dit alles zou niet mogelijk zijn als er geen sterke intuÔtieve basis in de Joodse en de Christelijke godsdiensten aanwezig was.
 
Dat alles is niet het geval met de Islam. De stichter van die godsdienst, Mohammed, leefde in het begin van de 7e eeuw van de moderne jaartelling. In die tijd was de cultuur van de analyse al definitief doorgebroken, met als gevolg dat de mens als individueel en intellectueel wezen een realiteit was geworden, zij het een aanvankelijke. Het reageren op intuÔtieve inzichten was in principe verleden tijd geworden om plaats te maken voor beredeneerde overtuigingen. De werkelijkheid moest voortaan als een rationeel begrijpelijke zaak voorgesteld worden.
Het ligt in de logica dat op dit vooralsnog vage analytische besef gereageerd zou worden. Dat geschiedde als eerste in de vorm van de Islam, maar later, tot op heden, kwamen er veel meer godsdienstige reacties. Het aantal godsdiensten en sekten is zo langzamerhand niet meer te tellen. Maar allemaal zijn zij rationele bedenksels, geraffineerde constructies die uitsluitend de onderwerping van de mens als individu bedoelen. Die immers is de eerste manifestatie van de analyse van de werkelijkheid. Vooral bij de Islam is dat evident, zozeer zelfs dat die godsdienst in zijn extreem fundamentele vormen aan een derde wereldoorlog begonnen is: de oorlog tegen de mens als individu.
 
Het heeft geen zin onderscheid te maken tussen de een of andere vredelievende Islam en een fundamentele. Hoe die godsdienst zich ook uit, steeds gaat het om de volledige onderwerping van de mens als individu en diens onvoorwaardelijke overgave aan God, aan Allah. Dat heeft niets te maken met welke vorm van inzicht dan ook en bijgevolg ook niets met warmte, schoonheid en liefde. Het heeft daarentegen alles te maken met voorschriften en verplichtingen die met kille argumentaties aannemelijk gemaakt worden. Het is in feite ťťn grote oorlogsverklaring aan de mens. Natuurlijk wil geen enkel modern denkend mens dit onder ogen zien en erkennen. Zijn zogenaamde redelijkheid belet hem een oordeel te hebben over wat, volstrekt ten onrechte, als een andere cultuur beschouwd wordt. Dat toont weer eens overduidelijk aan hoe primitief het denken van de hedendaagse intellectueel is.

 

Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11

Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64 ; Rationeel-1 ; Rationeel-2 ; Rationeel-3 ; Rationeel-4 ; Jesaja(1) ; Jesaja(2)


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy

 

Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ;

 

Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 65
 
______________________________________________________
 

Alle de Oudheid gestichte godsdiensten bevatten in feite een dodelijke oorlogsverklaring aan de mens. Zij zijn een min of meer hysterische reactie op de na de Oudheid definitief doorgebroken cultuur van de mens als individu. Die cultuur is de laatste fase van de menselijke ontwikkeling naar volwassenheid. Het gaat in die laatste fase om de mens als een intellectueel wezen, voor wie het noodzakelijk is zichzelf en de werkelijkheid op rationele wijze te leren kennen. Hoewel die moderne godsdiensten deze cultuurontwikkeling veroordelen en zelfs hartstochtelijk bestrijden, zijn zij er onvermijdelijk zelf toch ook tenvolle in betrokken.
Het opmerkelijke van die godsdiensten is namelijk het op zichzelf merkwaardige feit dat zij een theologie hebben. Dus een quasi wetenschappelijk verhaal dat met op zichzelf redelijke en logische argumenten bedoelt aannemelijk te maken dat er een god is waaraan de mens zich geheel en al heeft te onderwerpen. Het bestaan van zo'n theologie duidt dus op intellectualiteit en tegelijkertijd inhoudelijk op een afwijzen en bestrijden ervan. Die zaak is dus dubbel van karakter, hetgeen in de loop van de godsdienstgeschiedenis meer dan voldoende gebleken is.
 
Het ware mens-zijn komt in die godsdiensten neer op een zichzelf afschaffen. Het zichzelf-zijn van de mens, zijn individualiteit, wordt als strijdig met de bedoeling en de wil van God beschouwd. Zichzelf-zijn is rebellie, arrogantie en hoogmoed. Immers, de enige die zichzelf kan en mag zijn is God zelf en niemand anders. Daarom duldt God niets en niemand naast zich. Hij is de absoluut enige.
Het kan niet anders dan dat men op grond van een dergelijke theologie tot de slotsom komt dat de moderne individualistische mens bestreden en vernietigd moet worden. Onvermijdelijk geldt hij als de baarlijke duivel, de verpersoonlijking van het kwaad, de ongelovige hond die de brutaliteit heeft de allerhoogste aan te blaffen. Deze godsdienstige opvatting met de daarbij behorende vijandigheid is kenmerkend voor alles wat tegenwoordig aangeduid wordt met de term 'fundamentalisme'. Alle godsdienstige verzinsels, sekten en evangelisaties, binnen de moderne cultuur zijn gebaseerd op hetzelfde mensvijandige fundamentalisme. Dat geldt ook, en niet in de laatste plaats, voor die bedenksels die zich lijken te onderscheiden door verdraagzame menslievendheid. Hoe sympathiek de daarbij behorende liefelijke en ruimtelijke voorstellingen ook zijn, in de grond van de zaak gaat het toch om het vernietigen van de authentieke mens, de mens die onvoorwaardelijk zichzelf is.
 
Qua fundamentalistische dwaasheid spant de Islam in alle opzichten de kroon. De oorlog tegen de mens wordt in de Islam niet verbloemd door allerlei liefelijke verhalen, maar bikkelhard als eis aan de gelovigen gesteld. Elke aantasting van de authentieke moderne mens wordt als gode welgevallig martelaarschap gewaardeerd. En, buitengewoon veelzeggend is het feit dat nergens ter wereld de Islam tot het inrichten van een goed functionerende maatschappij heeft geÔnspireerd. Het is overal bittere armoede, juridische willekeur en vooral niets ontziende corruptie. Onmiskenbaar wijst dat op ontkenning van de mens als individu. Daarbij behoort ook de discriminatie van andersdenkenden en etnisch afwijkende groeperingen.
Het is bepaald niet toevallig dat het steeds Moslims zijn die een kwalijke rol spelen bij conflicten tussen bevolkingsgroepen, een feit dat door de weekhartige moderne intellectuelen angstvallig onder tafel gewerkt wordt. Zij roepen dan verontwaardigd dat het 'maar' incidenten zijn. Dat evenwel is niet alleen kortzichtig, maar zelfs leugenachtig. Het is algemeen bekend dat men binnen het kader van de Islam de eenheid van godsdienst en staat als maatschappelijk en politiek ideaal ziet. De ware staat is de staat van God. Een ieder die dat waagt te betwijfelen is bij voorbaat al een ongelovige die voor nu en eeuwigheid verdoemd is. In feite betekent dit dat onvermijdelijk een groot deel van de mensheid, als zijnde van minderwaardige kwaliteit, buiten de maatschappelijke samenhang geplaatst is.
Het heeft geen zin en het is zelfs misleidend er op te wijzen dat er 'gelukkig' ook andere geluiden uit de Moslimwereld vernomen kunnen worden. Dit is immers niets bijzonders. Altijd en overal laten mensen andere geluiden horen, juist omdat zij zich niet in collectieve morele keurslijven laten inpassen. De onafhankelijke aard van de mens als individu laat zich nimmer verstikken, zelfs niet als Allah, Jahweh, Jezus of De Heer daartoe opdracht hebben gegeven teneinde de mens van zijn essentiŽle vrijheid te beroven. In de Christelijke Bijbel is nog steeds het 'Paradijsverhaal' te vinden. Daarin wordt helder beschreven hoe God de mens van zijn vrijheid heeft beroofd en dat deze dit, ondanks allerlei sancties, niet accepteert.
 
De wezenlijke tegenstelling tussen enerzijds het authentieke christendom en godsdiensten als de Islam is niet zozeer de godsdienstige praktijk als wel de richting waarin hun godsdienstige denken zich beweegt. Een godsdienst als het christendom heeft, dank zij zijn basis in het van oorsprong Griekse cultuurgoed, de verheffing en vervolmaking van de mens op het oog. Ondanks het domme intellectuele gescharrel van priesters en dominees, die er nog steeds niets van begrijpen, gaat het toch om de 'ware' mens. Dat blijkt onder andere uit de nadruk die op het begrip 'liefde' gelegd wordt. En, voor de filosofische leek wat minder waarneembaar, blijkt het ook uit het kosmische heimwee dat voor de Russisch en Grieks Orthodoxe kerken kenmerkend is. Dat zijn, kortom, min of meer kinderlijke uitdrukkingen van werkelijke menselijke grootheid. Niets van dit alles in de Islam en bij de bedenksels van latere Christelijke sekten. Daarbij zijn de bewegingen van het denken precies andersom, want de mens moet onderworpen en vernederd worden. Hij moet zijn eigenwijze identiteit afleggen en zich voegen bij het leger van godsdienstige zombies. Het woord 'godsdienst' zegt het trouwens al: de ware mens is een dienstbare, een slaaf eigenlijk.
 
Het is een onmiskenbaar historisch feit dat het christendom nu ook niet bepaald een verheven rol heeft gespeeld. Het oorspronkelijke gedachtengoed, dat in alle opzichten blijk geeft van een buitengewoon heldere kijk op de werkelijkheid, is destijds vrijwel onmiddellijk door de toenmalige in de Romeinse cultuur gewortelde intellectuelen in beslag genomen en omgezet in een afschuwelijk onmenselijke theologie. In feite was dat niets dan een als goddelijk voorgesteld machtsstelsel, een voortzetting van het Romeinse machtsstreven van voorheen.
Het kon niet uitblijven dat vanuit die ogenschijnlijk verheven bedenksels ook de Christelijke mens een onderworpene en vernederde moest worden. De gevolgen daarvan zijn tot op de dag van vandaag in godsdienstige kringen waarneembaar. Uiteraard vertoont dat zich in velerlei variaties. Maar op de keper beschouwd verschilt dit macht zoekende christendom nauwelijks van zijn concurrent de Islam, ook niet wat bloeddorstigheid betreft.
 
Dat alles neemt evenwel niet weg dat het christendom, gegrond als het is in de antieke humaan individualistische cultuur, toch de emancipatie tot waarachtig mens-zijn van de bestaande, vooralsnog onvolwassen, mens niet afremt, zoals dat bij de Islam en de andere sekten wel het geval is. Deze betrekkelijke 'menslievendheid' heeft er in niet geringe mate toe bijgedragen dat er zich in de Westerse wereld een grootse sociale en maatschappelijke ontwikkeling kon doorzetten.

Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ;

 

Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
 


FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
 
The beautiful Art of Philosophy
 
door Jan Vis
 
AFLEVERING NR. 66

Naar bladwijzers: collectivistische denken - zie nos. 10, 11, 66, 67 ; Sociaal Democratie ; Liberale Democratie-1 ; Liberale Democratie-2 ; Parlementaire Democratie ; Zie ook nr. 63(Discriminatie/ANGST) ; Zie ook nr. 66(Racistische grondtoon) ; Zie ook nr. 61(Discriminatie)


 
______________________________________________________
 

Op het ogenblik begint duidelijk te worden dat het echte individualisme zo langzamerhand ook in de politiek door gaat dringen. In een aantal Europese landen, waaronder ook Nederland, zijn ontwikkelingen gaande die onmiskenbaar wijzen op het naderende doorbreken van geheel nieuwe opvattingen en verhoudingen. Uiteraard verschillen de ermee gepaard gaande concrete verschijnselen van land tot land. Het is zelfs zo dat door de eenzijdige aandacht van de meeste denkers voor de grote onderlinge verschillen niet altijd even duidelijk wordt dat het wezenlijk om individualisme gaat. Die verschillen zijn bovendien zo bepalend voor het gangbare denken omdat het er aan ten grondslag liggende individualisme nog in zo'n primitief stadium verkeert. Het is inderdaad nog erg kinderachtig en zelfs ergerlijk egoÔstisch. Daardoor kan het zich nog nauwelijks op authentieke en heldere wijze manifesteren.
 
Aan de ene kant vertoont dat kinderachtige individualisme uitermate rechtse en zelfs fascistische tendensen(
fascisme) en aan de andere kant uitgesproken liberale. En steeds is er een nationalistische en racistische grondtoon(racisme, racistische taal) te bespeuren, terwijl de opvattingen over de maatschappelijk zwakkeren nu niet bepaald sociaal genoemd kunnen worden, althans niet in de traditionele betekenis van het woord. Anderzijds is er een onmiskenbare waardering voor de ondernemer, zoals bijvoorbeeld in ItaliŽ gebleken is. In het algemeen waardeert men nijvere mensen voorzover die door arbeid een onafhankelijk bestaan veilig trachten te stellen.
Men gaat uit onbegrip zelfs zover dat men de oplossing voor sociale problemen zoekt in allerlei collectieve verplichtingen voor individuele burgers, zoals in Nederland waar een lans gebroken wordt voor sociale dienstplicht. Blijkbaar is ook voor die nieuwkomers nog steeds niet duidelijk geworden dat een dergelijke dienstplicht verre van 'sociaal' is, juist omdat het niet werkelijk gaat om verantwoord en ruimhartig samenleven met de medemens, maar om een verplichting aan precies die overheid die in wezen bestreden of althans veranderd moet worden.
(Welk karakter moet onze Overheid hebben?)
 
Hoe dan ook, de wens om de zaak te veranderen uit zich in alle gevallen als een diepe afkeer van de traditionele politieke instituten. In essentie gaat het daarbij natuurlijk om het collectieve karakter ervan. Dat betreft in het bijzonder de zogenaamd socialistische partijen, waarvan het collectivisme tegenwoordig zelfs uitgesproken corporatistische trekken vertoont.
Daar tegenover geven de nieuwkomers min of meer ongemerkt blijk van een ontwakend nieuw cultureel zelfbewustzijn. Dat zelfbewustzijn staat in het teken van een volgend cultuurmoment dat begonnen is zich uit te wikkelen en door te zetten. Omdat het gericht is op de individualistische mens is het noodzakelijkerwijs ook nauw verbonden met het dagelijks maatschappelijk leven van de mens als individu. Voor die mens heeft inmiddels het collectief, met zijn buiten en boven het individu gestelde doelen, normen en waarden, zijn wezenlijke betekenis verloren. In het verlengde daarvan is het steeds de praktijk van het eigen leven die als de maat voor de gemeenschappelijke dingen genomen wordt. Die praktijk komt in de plaats van allerlei vervreemdende wetenschappelijke theorieŽn en modellen, die zo langzamerhand het reageren op en het denken over allerlei maatschappelijke vraagstukken zijn gaan beheersen.
 
De 'verwetenschappelijking' van het maatschappelijk leven is vooral te danken aan het inmiddels achterhaalde, in wezen socialistische, idee dat de maatschappij en de samenleving geheel en al maakbaar zouden zijn. Die 'social engineering' is vooral een socialistisch stokpaardje, omdat het socialisme het voor het veroveren van de macht moet hebben van het tot in de slaapkamer regelen van het menselijke leven. 'Van de wieg tot het graf' is een typisch socialistische utopie, die overigens niet alleen socialistische politici besmet heeft, maar gedurende lange tijd vrijwel het gehele politieke veld. Uiteraard vonden de meeste politici het niet gepast zichzelf formeel tot de socialisten te rekenen, maar hun gedachtegoed viel er ontegenzeggelijk in belangrijke mate mee samen. Dat geldt zelfs voor de zogenaamde 'liberalen'.
 
Intussen staat er een ingrijpende kentering voor de deur. Zoals gebruikelijk bij het doorbreken van nieuwe cultuurmomenten zijn de gezeten bestuurde