FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK-2

 

 

abortus,anarchisme,atheisme,auschwitz,blut und boden,euthanasie,evolutie van het leven,evolutieproces,fascisme,filosofie,het ontstaan van het heelal,ieder het zijne,kernenergie,kunstmatige intelligentie,nationaal socialisme,nationaal-socialisme,

oercel,oerknal,scheppingsverhaal,veiligheid,zelfbewustzijn.

 

Terug naar: Welkom op de Homepage van Rob van Es voor méér informatie

Help mee om deze site te promoten. Vertel het uw…!

(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )

 

Naar Bladwijzer(s): op de mouw spelden-1 ; op de mouw spelden-2  ; Kunstmatige intelligentie ; Maakbare wereld..? ; Referendum ; ieder het zijne-1 ; ieder het zijne-2 ;  homofilie ; Oerknal ; Pilatus-1 ; Pilatus-2 ; volksreferenda ;  E=MC2   denken in begrippen-1 ; denken in begrippen-2 ; lange afstandsraketten ; Wat is waarheid ; Voorvaderen ; De afkomst van de mens is nog steeds een gevoelige zaak ; kernenergie-lobby ; collectivistische denken, zie nos. 209 en 237 ; Onvermijdelijk toeval ; eigen verantwoordelijkheid ; Verantwoordelijk  ; Verantwoordelijkheid ; Vervreemding-1(nr. 266) en vervreemding-2(nrs. 325 t/m 330) ; De Verlichting-1 ; De Verlichting-2 ; De Verlichting-3 ; Verkiezingen-1 ; Verkiezingen-2 ; Burgeroorlog(nrs. 208 en 209) ; Pilatus-1 ; Pilatus-2 ; De volwassen democratie is noodzakelijk polariserend-4 van karakter: zie de nrs 283, 284, 289, en 400 ;  Gouden Eeuw ; Welvaart ; Verhullend taalgebruik ; Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2 ; Intellectuele lafheid-3 ; Intellectuele lafheid-4 ; Intellectuele lafheid-5 ; Intellectuele lafheid-6 ; Intellectuele lafheid-7 ; Brein ;  Intellectuele lafheid/Mening/Tolerant/belediging ; Overgang-1 ; Onverdraagzaam ; Opvoeden ; Opvoeding-1; Opvoeding-2 ; Opgevoede-1 ; Opgevoede-2 ; Opgevoed-1 ; Opgevoed-2 ; Opgevoed-3 ;  Polarisatie-1 ; Parlementaire Democratie-1 ; Parlementaire Democratie-2 ; Zij, de Betweters, vervallen inderdaad niet tot “intellectuele lafheid”, maar ; Niets is zeker ; Eerste Beweger ; China ; Beloning ; Communicatie-nrs.254, 255 en 256 ; Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ; Overtuiging-4 ; Overtuiging-5 ;

 

 

Naar artikelen:: Evolutie ;

 

 

Naar artikelen met als bladwijzer “Polarisatie” en/of “Referendum”:

Polarisatie-2 ; Zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr 3,

Referendum ; Zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr. 3

Polarisatie-3 ; Zie bladwijzers uit De Ontwikkeling van het denken,

Polarisatie-4 ; Zie bladwijzers uit Nihilism en Anarchisme als basis van het Atheisme,

Polarisatie-5 ; Zie bladwijzers uit De Universiteit voor humanistiek en het Atheïsme,

 

Naar artikelen met trefwoord “Polariseren”:

Polariseren-1-zie bladwijzers uit Nihilisme en Anarchisme als basis van het Atheïsme,

Polariseren-2-zie bladwijzers uit De Universiteit voor Humanistieken het Atheïsme,

Polariseren-3-zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr.1,

Polariseren-5-zie bladwijzers uit Filosofische Invallen 1t/m26,

Polariseren-6-zie bladwijzers uit Varia 1t/m10,

 

 

 

Aflevering 2 Uitgave: J. Vis

De filosofie is er voor iedereen. Daarom staat het u vrij om uit dit boek passages over te nemen. Maar het is een zaak van intellectueel fatsoen om daarbij wel getrouw uw bron te vermelden.

 

FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK

Parlementaire Democratie-1 ; Parlementaire Democratie-2 ;

 

No.201

Wat betreft de ontwikkeling van de mens tot individu is er een drietal mogelijkheden te onderscheiden. Hoewel die mogelijkheden bij het nadenken daarover uit elkaar voort blijken te komen, is het in de praktijk toch zo dat zij naast elkaar bestaan, zij het bij onderlinge vergelijking toch wel met een stijgende trap van kwaliteit. Je kunt er de volgende situaties aan bedenken:

1. er is het radicaal afwijzen van de individualiteit van de mensen. De voorstelling die men van de werkelijkheid heeft houdt in dat de afzonderlijke mens zonder enig voorbehoud op dient te gaan in het geheel van de staat, de maatschappij en de samenleving. Dit is de praktische manifestatie van het nauwelijks bewuste besef dat voor de mens de werkelijkheid uiteindelijk als één volledig samenhangend geheel gaat gelden. Maar het is tegelijkertijd een enigszins idealistische reactie op de mens als individu, zoals die zich tijdens zijn ontwikkeling geruime tijd en noodzakelijk als een particuliere zaak manifesteert. In de voormalige Sovjet-Unie vind je een voorbeeld van deze toestand. Men stelde het geheel van de staat boven alles, hetgeen overigens in feite het suprimaat van het collectief, belichaamd in de communistische partij, betekende. Maar ook was dit een afwijzen van en verzet tegen de particuliere mens zoals men die met name uit het westen kende. De Chinezen onder het bewind van Mao en opvolgers gaan feitelijk nog verder met het afwijzen van de individualiteit: zij wijzen die niet zozeer af alswel negeren die volkomen. Individualiteit bestaat voor hen eenvoudig niet. Dat lag al in de leer van Confucius besloten waarin het bestaan van de individualiteit ontkend werd en elke uitdrukking van persoonlijke gevoelens als onwaardig werd beschouwd.

2. er is het op negatieve wijze erkennen van de individualiteit. Dat wil zeggen dat je met een erkenning onder voorwaarden van doen hebt. De individualiteit mag er wel zijn, moet er zelfs zijn, maar alleen als hij gebonden is aan uniforme wetten en regels en codes.


Wederom is er te spreken van de uitdrukking van een collectief besef dat eigenlijk teruggaat tot op een intuïtie van een samenhangende werkelijkheid, terwijl er tegelijkertijd een reactie is op het particuliere van de moderne mens, zoals dat onder andere in de parlementaire democratie voor de dag komt. Gevolg is dat dit particuliere slechts op uniforme wijze mag gelden. Deze kijk op de mens als individu manifesteert zich in het nationaal-socialisme en het fascisme. De marcherende cohorten - horden - bestaan wel degelijk uit afzonderlijke individuen die voor zichzelf volstrekt overtuigd zijn van eigen unieke persoonlijkheid, maar dat is een persoonlijkheid die bepaald en gekenmerkt wordt door het uniform. Dat uniform is uitdrukking van de individualiteit. Je bent wat als je bijvoorbeeld het uniform van een beroemd regiment mag dragen. De verschillen tussen de individuen worden uitgedrukt doormiddel van velerlei, vaak hoogst persoonlijk en louter voor zichzelf ontworpen, onderscheidingstekens. En het marcheren is eveneens essentieel, want dat drukt uit dat ieder individu op uniforme wijze dezelfde weg gaat. Symbool en ideaal van dergelijke cohorten is De Leider die aan de uniforme mens gestalte, inhoud en doel geeft. Opmerkelijk bij dit alles is ook dat slechts de mannen recht hebben op het predikaat “individu”. Aangevoeld is kennelijk dat het geheel, waarvoor de vrouw staat, zich niet verdraagt met de individu, althans niet voorzover deze particulier ingesteld is.

3. er is het positief erkennen van de individualiteit. Uiteraard is dat de wijze waarop de westerse mens de werkelijkheid en zichzelf bekijkt. Het kan daarbij niet uitblijven dat gedurende een lange periode het particuliere zich ongehinderd kan uitleven, dat wil zeggen: ongehinderd totdat het door andere, zich ongehinderd uitlevende, particulieren een halt toegeroepen wordt. Het zodoende ontstane, betrekkelijk wankele, evenwicht tussen met elkaar botsende individuen is typerend voor de westerse cultuur en merkwaardigerwijs houdt die labiele zaak langer en efficiënter stand dan nagenoeg alle collectivistische denkers en socialistische voorgangers gedurende meer dan een eeuw gedacht hebben. In ieder geval drukt de westerse wereldbeschouwing uit dat het slechts de individuen zijn die tenslotte gestalte kunnen geven aan een samenhangende werkelijkheid. Tegelijkertijd kun je spreken van een reactie op de voorstelling dat de individuele mens aan enigerlei vorm van een hoger geheel onderworpen zou behoren te zijn. De westerse mens is in zijn hart permanent ontevreden over zichzelf en zijn samenleving. Hij kan het niet laten steeds zijn eigen westerse wereld als voorbeeld van een misdadige, door hebzucht gedreven, onderwereld te beschouwen. Een onderwereld die niet vlug genoeg opgeruimd kan worden, maar die tegelijkertijd almaar meer over de gehele planeet doorgezet wordt.

Parlementaire Democratie-1 ; Parlementaire Democratie-2 ;

 

 

No.202.

Parlementaire Democratie-1 ; Parlementaire Democratie-2 ;


Als je eenmaal in de gaten hebt dat de westerse cultuurmens altijd in één bepaalde richting denkt, namelijk van boven naar beneden, gaan je steeds meer zaken opvallen die traditioneel hoog in aanzien staan, maar die het welbeschouwd tenvolle verdienen zonder pardon afgewezen te worden. Uiteraard geldt dat voor de diep ingekankerde behoefte vanuit een leidersprincipe met onze wereld om te gaan. Ook de democratische stelsels ontkomen niet aan die behoefte, hetgeen duidelijk moge blijken uit het feit dat het hele geworstel binnen de parlementaire democratie onveranderlijk uitloopt in de overwinning van een aantal absolute heersers, voor wie het democratisch handelen slechts instrument is om naar de top te komen en daar hun zin door te drijven. Meer verborgen en over het algemeen zelfs door de denkers nauwelijks opgemerkt zijn de opvattingen van diegenen die op grond van hun denken, standpunten en levenshoudingen tot de toppen van onze intellectuele cultuur gerekend worden. Die opvattingen blijken bij hernieuwde onbevangen beschouwing van een zodanige arrogantie te zijn dat je je erover verbaast dat zij niet eerder en vaker met hoon overladen zijn. Zo is daar bijvoorbeeld Voltaire die - en hij stond daarin lang niet alleen - van mening was dat, als god niet zou blijken te bestaan, er voor “het volk” beslist een uitgevonden zou moeten worden omdat die stumperds een hoger, van buitenaf dwingend, moreel principe van node zouden hebben...

Voltaire is op grond daarvan duidelijk een vertegenwoordiger van hoogmoedige denkers die voor zichzelf een hoge status reserveren en logischerwijs daaraan verbinden dat hun medemensen zo weinig betekenen dat zij gevoeglijk aan een waan van iets hogers onderworpen mogen worden. En de filosoof Immanuel Kant, die tot op de dag van vandaag beschouwd wordt als de grootste denker aller tijden, achtte zichzelf ook deftig genoeg om het recht te hebben aangaande zijn medemensen te stellen dat zij gedwongen moesten worden om deel te nemen aan een goede wereld. Hij kon beslist beter weten: juist het feit dat het uitsluitend zijn eigen persoonlijke voorstelling van een “goede wereld” betrof en dat juist hij degene was die in zijn filosofie de vraag naar het persoonlijke kenvermogen van de mens als centraal thema stelde, doet je nog meer verbaasd staan over de hoogmoed van zo een groot denker. En mij verbaast het nog meer dat vrijwel geen van de hedendaagse filosofen in de gaten heeft hoezeer zij zelf en hun collegae eveneens halsstarrig van bovenaf denken en daardoor een geheel verkeerd concept van een goede wereld ontwerpen. Vervolgens vinden zij het spijtig dat de mensen almaar niet aan hun ideeën kunnen beantwoorden. Maar de fout ligt bij henzelf. Hun voorstelling van de werkelijkheid deugt immers niet! De mensen zouden met de beste wil van de wereld niet aan hun verlangens kunnen voldoen. Toch geven zij niet zichzelf de schuld, maar “het volk”, “de straat”, “het egoïsme” en “het materialisme”. Dus: de anderen en de cultuur zijn eraan schuldig dat het geniale concept van de denkers op niets uitloopt! Dat nu is hoogmoed: je eigen voorstelling van de werkelijkheid als de absolute maat voor anderen stellen en die anderen vervolgens beschuldigen van apathie, egoïsme en domheid als zij aan die maat niet beantwoorden.

Parlementaire Democratie-1 ; Parlementaire Democratie-2 ;

 

No.203

Voltaire was van mening dat een godheid noodzakelijk was om de mensen in toom te houden en hen bovendien iets te geven waartegen zij op kunnen zien en troost uit kunnen putten. Men zou een god uit moeten vinden als er geen voorhanden was, zo placht hij te zeggen. Kennelijk maakt Voltaire uit wat goed voor de mensen is, na overigens eerst en enigszins triomfantelijk vastgesteld te hebben dat zij onzelfstandige, domme en hulpeloze tobberds zijn. Zichzelf rekent hij er natuurlijk niet toe, hoewel de logica gebiedt te laten gelden dat de uitspraak “de mensen zijn tobberds” noodzakelijk ook inhoudt dat diegene die bedoelde uitspraak doet ook tenvolle meegerekend behoort te worden. Voltariaanse hoogmoed komt veelvuldig voor. Tot op de dag van vandaag kan men denkers tegenkomen die staande houden dat “de” mens een schurk is die niet zonder dwingende moraal en regels kan. Ondanks hun gekwalificeerde denken valt hen blijkbaar niet op dat er een heel verschil is tussen de vaststelling “de mentaliteit van de alsnog onvolwassen mens is overwegend schurkachtig” en de bewering dat “de” mens een schurk zou zijn. En zij voelen al helemaal niet aan dat het, “kosmisch” gezien, volstrekt uitgesloten is dat het laatste resultaat van het wordingsproces een tobbende schurk is...

 

No.204

Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ; Overtuiging-4 ; Overtuiging-5 ;

 


De filosoof Karl Popper waarschuwde ten tijde van de tweede wereldoorlog al voor wat hij social engineering noemde. Hij zag blijkbaar in dat je een samenleving niet kunt construeren zoals een ingenieur bijvoorbeeld een machine construeert. Popper heeft dat juist gezien. Natuurlijk hebben een heleboel epigonen deze opvatting enthousiast overgenomen, uiteraard zonder in de gaten te hebben dat zijzelf, ongehinderd door inzicht in hun eigen denken, vol overtuiging bezig zijn zelf plannen te maken voor een toekomstige wereld. Plannen waaraan iedereen loyaal zal moeten meewerken... omdat het nu eenmaal goede plannen zijn! Onze moderne maatschappij wordt met rasse schreden hervormd tot een onderneming, een bedrijf, geleid door managers die hun werkzaamheden professioneel verrichten volgens criteria die zij op de universiteit geleerd hebben. Wij worden een managerswereld binnen gesleurd! Die managers blijken daarbij, ten gevolge van hun academische zekerheden, zo verblind te zijn dat zij het bestaan om social engineering voor onmogelijk te houden – zij durven immers de grote Popper niet af te vallen- en tegelijkertijd in feite met niets anders dan precies dat bezig te zijn. De onaantastbare gezaghebbende waan van het “academisme” maakt het de managers onmogelijk een verband te zien tussen de van anderen op de universiteiten overgenomen standpunten, ideeën en theorieën en het eigen praktische gedoe. Trouwens, men mag dergelijke verbanden niet laten gelden. Zulke academische standpunten leiden er niet toe dat men kritisch het eigen gedoe nader beschouwt, neen, zij leiden een geheel eigen leven, bestaan onafhankelijk van het eigen gedoe. Die onafhankelijkheid echter is geen aanleiding om het academisme als onwerkelijk en onpraktisch te verwerpen of minstens te herwaarderen, neen, men levert zich daarentegen telkens weer met huid en haar uit aan de waanwereld van de academische plannenmakers en is er heilig van overtuigd dat dit de echte werkelijkheid is. Dat heeft als gevolg dat men voortdurend probeert de realiteit om te vormen en aan te passen aan de theorie. Als de moderne mensheid straks wakker wordt zal de “cultuurschok” vele malen groter en aangrijpender zijn dan zij ooit in het verleden bij intellectuele omwentelingen geweest is...

Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ; Overtuiging-4 ; Overtuiging-5 ;

 

 

no.205

Het gaat in de wetenschappen om zekerheden. Dat is logisch want aan kennis waarvan je de juistheid betwijfelt heb je niets en er is in principe dan ook geen mens te vinden die er op uit is zich te bedienen van kennis waarvan hij weet dat zij onjuist is. Hij kan die onjuiste kennis eventueel wel gebruiken om er anderen een rad mee voor ogen te draaien, zoals bijvoorbeeld de heren van de kernenergie-lobby voortdurend doen, maar dan weet hij toch voor zichzelf dat hij bezig is de werkelijke feiten te verdraaien. Ook deze heren kunnen en willen zich voor zichzelf niet bedienen van onjuiste kennis. Het zijn dan ook stuk voor stuk leugenaars: zij doen het naar buiten toe voorkomen alsof bepaalde feiten voor hen juist zijn terwijl zij weten dat dit geenszins het geval is en zij voor zichzelf heel andere feiten hanteren. Feiten die zij wel oprecht voor juist houden. Om redenen van economisch en politiek belang, maar vooral ook met het oog op eigen gewin, mogen die juiste feiten niet bekend gemaakt worden. Vandaar hun voorliefde voor geheime dossiers!

 

No.206


De wetenschappelijke zekerheden zijn wezenlijk onzeker doordat zij onvermijdelijk slechts momenten zijn op de weg van het leren kennen van de feitelijke werkelijkheid. Deze fundamentele onzekerheid echter ligt verborgen onder de zekerheden: op elk moment zijn er bepaalde zekerheden wat betreft de juistheid van de verworven kennis. Doordat alle soorten van juiste kennis niet mogelijk zijn zonder een onderstroom van Onzekerheid en doordat die onzekerheid zich in de toekomstige reeks van momenten manifesteert, is academische plannenmakerij niet alleen inhouds- en betekenisloos, maar ook nog levens gevaarlijk.

 

No.207

De wetenschappen kunnen steeds verder met hun onderzoek van de werkelijkheid. Altijd blijft het mogelijk en noodzakelijk dat er weer een volgende stap gezet wordt: de verworven kennis van nu legt vanzelfsprekend de vragen neer voor de kennis van straks. Dat betekent dat eigenlijk elk “kennismoment”, hoewel op zichzelf streng op juistheid getoetst, toch niet een “waar” moment kan zijn. Steeds ontbreekt er iets aan die kennis, zodat men verder op zoek moet gaan. De begrippen juistheid en waarheid zijn ten enenmale niet identiek, er zit een wereld van verschil tussen. Ook in de kunst en de filosofie kan men altijd verder, maar er is toch een belangrijk verschil met de wetenschappen. Nu is namelijk elk moment een “waar” moment waaraan in geen enkel opzicht iets ontbreekt. Steeds heeft men te doen met een “volmaakt” moment, waarmee ik bedoel te zeggen dat alles aanwezig is. Dat is logisch: de kunsten en de filosofie zijn, elk op eigen wijze, uitdrukking van de werkelijkheid als beeld en aangezien dat een afspiegeling van het geheel van de werkelijkheid is kan er eenvoudigweg niets aan ontbreken. Het kwantitatieve zoeken van de wetenschap heeft in de kunsten en de filosofie plaats gemaakt voor het kwalitatieve zoeken van een zo helder mogelijke beschrijving van de werkelijkheid als beeld. Gaat het in de wetenschappen om zoveel mogelijk details, en dus “zoveel mogelijk van hetzelfde”, in de kunsten en de filosofie gaat het om zo helder mogelijke nuances binnen het samenhangende geheel. Ook een ruwe artistieke schets en globale filosofische uitspraken staan in het teken van het “ware”. Het altijd maar doorgaan van de kunstzinnige en filosofische arbeid berust dus op het zoeken van een zo helder en genuanceerd mogelijke beschrijving van de werkelijkheid. Dat van de wetenschappen echter op het achterhalen van zoveel mogelijk details. Ook voor de wetenschappen houdt het zoeken nimmer op, maar dat houdt in dat de zaak wezenlijk gebrekkig is en blijft. Voor de kunsten en de filosofie houdt het zoeken nimmer op omdat de waarheid - steeds dezelfde waarheid! - altijd mooier en genuanceerder uitgedrukt kan worden.

 

No.208

Tot voor kort werd er gevochten, gemoord en verkracht in Bosnië, het vroegere Joegoslavië. Door datgene dat daar nog steeds mogelijk blijkt te zijn hellen steeds meer mensen over tot de mening dat een dergelijk schofterig gedrag ook mogelijk is in de westerse wereld, als de mensen maar genoeg opgezweept zijn en zich, daarmee samenhangend, voldoende bedreigd voelen door buitenstaanders die als minderwaardig en misdadig beschouwd worden. Sommigen zijn er zelfs van overtuigd dat er maar heel weinig nodig is om de brand erin te steken. Zij wijzen daarbij op de betrekkelijk onbenullige argumenten die met succes gebezigd worden. Argumenten van het kaliber:


"Jij woont aan de andere kant van de sloot, dus ben je mijn vijand", waarop destijds, omstreeks 1670, Blaise Pascal reeds met verachting wees. En ik moet toegeven, de ontwikkelingen in dat Bosnië brachten mij ook enigszins aan het twijfelen. In feite waren dat niet alleen die ontwikkelingen, maar ook die in onze westerse wereld, namelijk op het vlak van het zich effectuerende individualisme. Zoals bekend neemt bijvoorbeeld in het verkeer het asociale en zelfs misdadige gedrag verschrikkelijke vormen aan en ook in het maatschappelijk leven is de toename van de vijandigheid onmiskenbaar. Dus: waarom zouden er ook in het westen geen burgeroorlogen kunnen ontstaan met de daarbij behorende wreedheden? Ook de westerse mens is nog steeds onvolwassen en blijkt dus een bandiet te zijn als hij op de een of andere manier gemotiveerd is en straffeloos zijn gang kan gaan! Ofschoon dit alles ongetwijfeld waar is ben ik toch weer teruggekomen bij mijn oorspronkelijke mening dat het juist in de westerse wereld niet meer mogelijk is dat conflicten zulke wanstaltige vormen aannemen. Ik ontken dus de mogelijkheid niet van ernstige conflicten, maar ik ontken voor de doorsnee westerse mens de mogelijkheid van het vervallen tot volslagen misdadige bandeloosheid. Praktische aanwijzing daarvoor is de voortdurende besluitenloosheid van het westen als het gaat om gewapend optreden. Men wil niet vechten. En filosofisch is de burgeroorlog niet te rijmen met de fase waartoe het individualisme zich in het westen ontwikkeld heeft.

 

No.209

collectivistische denken, zie nos. 209 en 237

In de westerse wereld is het individualisme definitief doorgebroken. Ik heb daar al vaak op gewezen. Dat betekent dat er wel allerlei vormen van individuele misdadigheid mogelijk zijn, maar dat er geen massale moordpartijen zoals in burgeroorlogen meer kunnen voorkomen. Het voor zulke misdaden benodigde collectivistische instinct is verdwenen. Dat instinct is onmisbaar, het is de diepere grond voor burgeroorlogen, die dan ook eigenlijk geen oorlogen zijn, maar op massahysterie gebaseerde moordpartijen. Zonder groepsbesef, zonder collectivistische instincten, zijn dergelijke moordpartijen onmogelijk. Zoals steeds bij groepsgedrag worden het individuele normbesef en het redelijke handelen tijdelijk bepaald door de hysterie van de groep. Dat normbesef en het daaruit voortvloeiende handelen zijn binnen het hysterische collectief zozeer verziekt dat noodzakelijk een wrede moordlust het gevolg is. Die moordlust is volslagen redeloos. Dat wil in dit verband zeggen dat eigenlijk niemand weet waarom hij doet wat hij doet. Men doet het omdat het collectief het doet. Neem je iemand uit zo'n collectief apart en verbreek je radicaal het contact met de groep, dan begrijpt hij zijn eigen gedrag niet meer. Eigenlijk manifesteert zich hierbij op bloedige wijze wat het collectivistische denken altijd doet bij mensen: door het gericht zijn op de groepsidentiteit is onderwerping en aanpassing essentieel en daardoor kan het uit het volwassen, vrije en zelfstandige bewustzijn voortkomende individuele besef van samenhang van allen met allen niet doorbreken. Doordat dit zich niet kan laten gelden staat de ene mens naar eigen idee buiten de andere mens voorzover die een andere identiteit heeft, zodat die ander onvermijdelijk in de weg staat en “opgeruimd” moet worden. Wie er niet bij hoort mag er niet bij horen!

collectivistische denken,zie nos. 209 en 237

 

No.210

De individualistische westerse mens kan eventueel nog wel georganiseerd moorden. Dat noemt hij “oorlog voeren” en dat doet hij tegenwoordig precies zoals hij een bedrijf runt. Hij vindt dan ook dat hij aan het werk is als hij zijn kanonnen afschiet en, overigens heel lafhartig in persoonlijke veiligheid, zijn lange-afstands raketten lanceert. Hij verlaat huis en haard met de mededeling dat de plicht hem roept en dat hij "A job to do" heeft. Er is werk aan de winkel. Geen aangenaam werk, maar anderzijds ook wel weer in zoverre bevredigend dat het smerig werk is dat toch door iemand gedaan moet worden. Dat schenkt voldoening en is een reden om trots op zichzelf te zijn. Het strekt dan tot eer die ondankbare taak op zich genomen te hebben.


Van een collectieve hysterie is geen sprake, hoe begeesterd men desnoods bij gelegenheid ook is. Voor hysterie is geen plaats als je bezig bent je werk te doen. Werken doe je zakelijk, systematisch en logisch denkend, want niet het collectief is de maat, maar de organisatie. Die vereist koel en zakelijk management.

 

No.211

Je kunt de groep die vanuit collectieve instincten bezig is benoemen met het begrip horde. Dat is natuurlijk maar een woord, maar het drukt toch duidelijk uit dat de leden ervan geen individualiteit bezitten en dat hun identiteit die van het collectief, de horde, is. Iedereen is voor zich de horde. Dat is geen zaak van het verstand, noch van enig besef van redelijkheid - het is een zaak van instinct, ook wel genoemd “het bloed”. De Nazi's begrepen dat maar al te goed : niet zonder reden spraken zij van " Blut und Boden".

 

No.212

De groep die door de mens van de westerse cultuur gevormd wordt staat in het teken van de organisatie. Leden van zo'n groep bezitten wel degelijk een bijzondere eigen individualiteit, maar die is in zoverre ingeperkt dat hij de belangen van de organisatie niet kan schaden. Dus, hoe individueler hoe beter, als het maar in dienst is van de organisatie en volledig daaraan ten goede komt. Tot op zekere hoogte laat dat ook allerlei variaties in individualiteit toe. Sterker nog: een dergelijke pluriformiteit is dringend gewenst! In zo'n groep kunnen individuen opklimmen tot belangrijke functies, hetgeen al door Napoleon bevestigd werd als hij stelde dat iedere soldaat de maarschalksstaf in de ransel heeft. Van “krantenjongen tot miljonair” is typisch uitdrukking van organisatorisch denken waarin de mens als een bepaald individu voorondersteld is.

 

No.213

De mens van de westerse cultuur zal zo vlug niet meer ten oorlog trekken en zelfs begint er zich in hem al een sterke weerstand tegen de oorlog te ontwikkelen. Ook al is het voor hem een organisatorische kwestie geworden, werk dat helaas gedaan moet worden, het is en blijft toch een zeer onpraktische manier van doen. Macht kun je veel beter en efficiënter langs economische en politieke wegen veroveren. En de ten onrechte zo genoemde oorlogen die door hysterische horden gevoerd worden zijn voor de westerse mens al helemaal een gruwel - niet zozeer vanwege de gewetenloze en wrede moordpartijen, maar juist vanwege het hysterische karakter er van. In wezen is het de infame bandeloosheid die de westerse mens stoort in het moorden door de horden. Je kunt dan ook, eigenlijk tot je verbazing, opmerken dat men toch almaar probeert met de moordenaars in gesprek te komen en dat men er daarbij als vanzelfsprekend van uitgaat dat er met die lieden tot ordelijke regelingen gekomen kan worden. Desnoods gaat het vechten gewoon door en wordt er naar lieve lust etnisch gezuiverd, als het maar gereglementeerd, ordelijk en met eerbiediging van afspraken gebeurt. De wetten van het management moeten geëerbiedigd worden. De dode en verminkte slachtoffers is de moderne westerse mens al ras vergeten, hetgeen misschien in de grond van de zaak nog wel zo goed is...

 

no.214

Op het eerste gezicht is het heel merkwaardig dat moderne mensen een intuïtieve afkeer hebben van het begrip aanleg. Zij kunnen het niet goed verdragen dat de ene mens een aantal zaken beter kan dan de andere en dat dit niet komt door een grotere aangeleerde deskundigheid, maar zomaar door een speling van het lot. Het is immers op geen enkele manier na te gaan waar een bepaalde aanleg vandaan komt. Dat is voor de moderne mens moeilijk te verdragen, want hij meent dat in de grond van de zaak alles te verklaren en uit te rekenen is, is het niet vandaag, dan is het toch in elk geval morgen. En een verklaring is nodig, want als men die gevonden heeft is de zaak tot kennis geworden en als dat het geval is heeft men de zaak in bezit genomen. Daarmee is het bijzondere, het unieke, komen te vervallen: de aanleg is niets bijzonders meer. Het is een zaak van deskundigheid geworden en deskundigheid is voor een ieder te bereiken. Men meent dan ook dat alles te leren is en zo er al van enige aanleg gesproken wordt staat dat in verband met dat leren: aanleg om te leren. Daarmee is ook het begrip aanleg tot een uitwendige zaak verworden. Het gaat nu over iets dat zich van buitenaf verwerven laat.

 

No.215

Het begrip werkelijkheid heeft in de filosofie betrekking op alles wat er is, of dat nu in de gebruikelijke zin materieel genoemd km worden of op enigerlei wijze niet-materieel. Onder genoemd begrip kunnen dingen vallen, maar ook verhoudingen, bewegingen en in het algemeen gebeurtenissen. Kortom: er is niets wat niet onder het begrip werkelijkheid valt. Als de filosoof zegt dat hij er achter wil komen hoe het zit met de “werkelijkheid” dan bedoelt hij uitsluitend deze allesomvattende zaak, hoewel het met dergelijke uitspraken oppassen is, want moderne filosofen, die heel vaak uitermate verward denken, zullen er in veel gevallen hun eigen voorstelling mee bedoelen. Je kunt opmerken dat men bijna nooit in de gaten heeft, althans zelden consequenties wil trekken uit het feit, dat de werkelijkheid er is naar twee aspecten, namelijk haar zogezegd “objectieve” aspect en haar “subjectieve”. Dit laatste is dus de in het zelfbewustzijn aanwezige voorstelling en die is onvermijdelijk persoonsgebonden. Er zijn allerlei redenen waarom men steeds met die subjectieve werkelijkheid op de proppen komt en quasi intellectueel moeilijk doet over het begrip werkelijkheid in objectieve zin. Zelfs is men niet bereid te erkennen dat er hoe dan ook toch maar één werkelijkheid kan zijn en dat daarvan te zeggen is dat zij, “hoe zij ook is, is zoals zij is”. Los van de vraag of die of gene er volledig achter kan komen hoe dat nu allemaal zit.

Het vluchtgedrag van de moderne intellectuelen - want dat is het! - kan verklaard worden uit de omstandigheid dat hun analytische denken geen ruimte laat voor waarheden en dat men zich daardoor beter thuis voelt bij een uitermate laffe, maar tegelijk bijzonder hoogmoedige, onwetendheid, waarvan men het doet voorkomen of dat het summum van intelligentie is. Iemand die het daarentegen allemaal maar dom vindt is bij voorbaat verdacht.

 

No.216      Pilatus-1 ; Pilatus-2 ;

Het begrip waarheid is voor de moderne intellectuelen volslagen taboe. Zij gedragen zich als Pilatus die zich destijds al afvroeg wat waarheid is. En die natuurlijk bedoelde dat dit begrip loos was vanwege het voor hem klare feit dat je de waarheid niet kunt kennen. Inderdaad kon Pilatus de waarheid niet kennen, want hij was een Romein! Dat wil zeggen: iemand die een exponent was van de toenmalige Romeinse cultuur. Die cultuur is te typeren als een “verzamelaars-cultuur” en die tref je aan bij het begin van de analytische periode van de mensheid. Analyse immers vooronderstelt een verzameling, of juister gezegd: een kijk op de werkelijkheid als zou zij uitsluitend een verzameling van verschillende dingen zijn. Dit is dus de werkelijkheid naar het begrip totaliteit. Bij een dergelijke kijk is het onmogelijk het begrip waarheid te gebruiken. Dus had Pilatus eigenlijk volkomen gelijk door vragenderwijs te stellen dat er hoegenaamd geen waarheid is...Echter, er is wel degelijk een waarheid, net zo goed als er een werkelijkheid is. Het begrip waarheid is te omschrijven als de werkelijkheid als beeld zoals die voor de ervaring van de mens opgeroepen wordt door het bewustzijn. Alles wat “het beeld” laat zien, aan iemand laat ervaren, is zonder meer waarheid, hoe subjectief en persoonsgebonden de voorstelling, waaraan het beeld zich afspiegelt, ook bij gelegenheid zijn kan. Omdat moderne mensen uitsluitend het accent leggen op de voorstelling, de in hen subjectief aanwezige werkelijkheid, kunnen zij niet uit de voeten met ervaringen van de waarheid. Zij wijzen ze dan ook pertinent af en draaien daarbij de zaak zodanig om dat zij nu die waarheid voor subjectief houden en hun voorstelling voor objectief? Hun denken is zo primitief dat zij zich niet eens realiseren dat hun zogenaamde objectiviteit op niets anders berust dan op de macht van het getal: als velen iets voor juist houden, bij voorkeur gesteund door betrouwbaar wetenschappelijk onderzoek, dan moet iets wel objectief juist zijn. Dat die objectiviteit gevolg is van afspraken en, binnen een cultuur als vanzelfsprekend ervaren, zogenaamde waarheden ontgaat hen. Althans zij willen dat nimmer toegeven.

Pilatus-1 ; Pilatus-2

 

 

No.217

De waarheid leent zich niet voor afspraken of besluiten bij meerderheid. De waarheid leent zich volstrekt nergens voor: niet voor overdragen aan anderen via het onderwijs, niet voor uitdrukken in formules, het maken van berekeningen of plannen en niet voor het ten voorbeeld stellen aan anderen. Zelfs voor het verwerkelijken van een ideaal deugt de waarheid niet! Ze is alleen maar te ervaren en dat dan ook nog individueel. Zij vindt langzaam maar zeker haar weg in de wereld doordat steeds meer mensen er steeds minder onderuit kunnen, zonder daarbij acht te slaan op wat anderen ervan vinden of zonder anderen op de een of andere manier na te volgen. De waarheid is strikt individueel en als zodanig tegelijkertijd universeel.

 

No.218

Academische filosofen willen creatieve filosofen nogal eens voorhouden dat men niet verplicht is alles zelf te bedenken. Ik heb de stellige indruk dat die academici zich deze stelling met graagte eigen maken om zich de twijfels en het zoeken te besparen die nu eenmaal aan een eerlijke filosofische zoektocht meekomen. Anderen, en zo mogelijk beteren, hebben de zaak al uitgezocht en ter beschikking van de mensheid gesteld! Je behoeft het er alleen maar mee eens te zijn om een fraaie filosofische uitspraak te kunnen en te mogen doen ! Zij hebben er weer eens niets van begrepen: filosoferen is niet het aanleggen van een doorwrochte verzameling uitspraken waarmee men het eens kan zijn, eventueel uitgebreid met een aantal eigen bedenksels, maar het gaat er bij het filosoferen om een zo helder mogelijk beeld van de werkelijkheid te verkrijgen opdat daar een uiterst verfijnde beschrijving van kan worden gegeven. Om dat schone doel te bereiken moet de filosoof alles geheel op eigen kracht uitzoeken. En dat moet hij telkens opnieuw doen, want het steeds verder nuanceren van het te beschrijven beeld richt zich noodzakelijk op het geheel daarvan. Een stukje van de werkelijkheid kan slechts geanalyseerd worden, dus worden uiteengelegd in zijn onderdelen. Maar daarmee wordt volstrekt niets over de werkelijkheid gezegd. Het overnemen van een bepaalde uitspraak, eens door een filosoof of een andere denker gedaan, is als het zich eigen maken van een stukje van de werkelijkheid en dat is, in het licht van het filosoferen, van geen enkele betekenis...

 

No.219

Het zou bij een ieder grote bevreemding wekken als een pianist tijdens een recital plotseling ophield en vervolgens als verklaring voor zijn gedrag mededeelde dat het nu volgende gedeelte al eerder en beter door Wilhelm Kempf gespeeld is en dat hij het zinloos vindt “het wiel opnieuw uit te vinden” en dat men ook niet verplicht gesteld kan worden alles zelf uit te zoeken. Misschien dat een modern “kunstenaar” met een dergelijke “performance” kan komen? Dat zou niet eens zo gek zijn want het behoort toch al tot de mode net te doen alsof men muziek maakt en het zou je dus niets behoeven te verbazen als zelfs het publiek er laaiend enthousiast over was, zeggende dat men eindelijk weer eens met een “geniaal” kunstenaar van doen heeft...Iedereen die niet door de moderne kunstenaars gehersenspoeld is begrijpt onmiddellijk dat die pianist de zaak belazert en dat hij in feite zijn te spelen werken grondig, noot voor noot, moet bestuderen om ze daarna zo mooi mogelijk te kunnen spelen. Aan wat anderen op muzikale wijze tot stand gebracht hebben heeft hij daarbij geen enkele boodschap. Hij moet de hele zaak zelf en op eigen kracht voor elkaar zien te krijgen. Zo ook de filosoof: het komen tot een zo helder mogelijke en gedetailleerde beschrijving van de werkelijkheid kan alleen maar op autonome wijze geschieden. In feite heeft hij niets aan de beweringen van anderen. Trouwens, een belangrijk kenmerk van de kunst en de filosofie is dat men geen platgetreden paden bewandelt. Essentie van beide activiteiten is het eeuwige “steeds weer opnieuw” die ene waarheid tot uitdrukking brengen.

 

No.220

Wanneer en voorzover er steeds meer mensen onder de invloed van de waarheid komen te staan is het via hun psyche dat zij elkaar op het stuk van de waarheid zullen kunnen verstaan. Jammer genoeg voor de moderne mensen gaat dat hele proces van toegroeien naar de werkelijkheid als waarheid buiten hun zelfbewuste denken om. Zij hebben er dus op geen enkele manier vat op. En eigenlijk is dat maar goed ook, want anders zouden zij ook van het enige houvast dat de mens in feite heeft, namelijk de werkelijkheid als waarheid, een zaak voor geestelijken, politici en managers maken en die gewoontegetrouw aan de mensen proberen op te dringen, uiteraard met een beroep op “het hogere”. Kortom: het “bekende liedje” !

 

no.221

De mens is het laatste verschijnsel dat door het proces van de wording opgeleverd wordt. Overal in de kosmos lopen de wordingsprocessen in de mens uit en als zij dat eventueel niet doen kan dat alleen maar veroorzaakt worden door een plaatselijke kosmische ramp die een verdere voortgang van het proces onmogelijk maakt. Over het algemeen willen de denkers er niet aan dat de mens het laatste verschijnsel zou zijn en dat met zijn verschijnen op de planeet alle mogelijkheden om tot een nog inniger samenstel van materie te komen uitgeput zijn. Opmerkelijk is dat zij steeds gemakshalve aannemen dat de evolutie almaar voortgaat, hoewel zij er nooit ook maar één enkel bewijs voor vinden. Op zichzelf is dat heel merkwaardig, want de moderne mens, die toch in het teken van wetenschap staat, aanvaardt in principe geen theorieën waaraan geen betrouwbaar bewijs ten grondslag ligt. Toch doen zij dat in dit geval wel. Aan dit vreemde en inconsequente dilemma proberen zij dan te ontsnappen door te stellen dat de evolutie zo langzaam gaat dat manifestaties daarvan niet door de maar kort levende individuele mens opgemerkt kunnen worden. Op een periode van duizenden jaren maken die paar jaar dat een mens kan observeren niets uit. Dus heeft men vrede met het smoesje dat bewijs niet te leveren is, maar dat de theorie intussen toch juist is...

 

No.222

eigen verantwoordelijkheid  Verantwoordelijk   Verantwoordelijkheid

Merkwaardig is het verschijnsel dat men het ontbreken van bewijzen bij de evolutie steevast ziet als een bevestiging van de mening dat de evolutie almaar doorgaat en dat men de meest voor de hand liggende conclusie, namelijk dat er geen evolutie meer is, niet aanvaarden wil. Dit verschijnsel blijkt zo halsstarrig dat je wel moet veronderstellen dat er iets achter steekt, iets dat door de huidige cultuur ingegeven wordt. Waarom willen de mensen niet dat alles met de mens ophoudt en waarom negeren zij ijskoud het feit dat zij zelf onmiskenbaar dubbelwezens zijn, stoffelijk en geestelijk, materieel en niet-materieel tegelijkertijd en dat zij dus dat laatste verschijnsel wel moeten zijn. Zouden zij intuïtief aanvoelen dat het erkennen van deze feiten logischerwijs als consequentie heeft dat de mens volkomen “vrijzwevend” is, zonder binding naar beneden, noch naar boven? Zouden zij aanvoelen dat zij dan alles zelf in de hand hebben en overal zelf verantwoordelijk voor zijn?

eigen verantwoordelijkheid  Verantwoordelijk   Verantwoordelijkheid

 

No.223     Pilatus-1 ; Pilatus-2 ;

Wat tegenwoordig stellig een belangrijke rol speelt is het feit dat de moderne mens terugschrikt voor het trekken van absolute conclusies. Hij is in de loop van zijn ontwikkeling zo onzeker geworden dat hij geen enkele zekerheid meer aandurft. "Niets is zeker", zei Multatuli, " en zelfs dat is niet zeker".

Dat is natuurlijk een mooie kreet, die vooral bij moderne mensen gretig ingang vindt, maar die niettemin aan alle kanten rammelt. Vanwaar die hang naar onzekerheid als het over kennis gaat? Dat komt ongetwijfeld doordat de enige bron van zekerheden, het bewustzijn, zo langzamerhand bijna helemaal weggedrukt is terwijl tegelijkertijd het wantrouwen tegen het bewustzijn enorm toegenomen is. Het bewustzijn is, behalve in de foutieve psychologische betekenis, een waar “taboe” geworden. Over blijft dan de oratorische vraag van de Romein Pilatus: "Wat is waarheid?”

Pilatus-1 ; Pilatus-2

 

 

No.224

Als je je zet tot het overdenken van de werkelijkheid en je dus waarlijk met filosofie gaat bezig houden, begeef je je zonder meer op uitermate glad ijs. Dat is vanzelfsprekend zo doordat het “zuivere denken” zichzelf geen houvast kan verschaffen aan feiten die door praktisch onderzoek boven water zijn gekomen. De maatlat noch de weegschaal bieden in de filosofie enige zekerheid. Sterker nog: zij kunnen niet anders dan onnauwkeurig zijn en dus in principe geen betrouwbare antwoorden geven. Zij zijn overigens voor het inrichten van een leefbare wereld uitermate geschikt en zelfs onmisbaar, maar dit terzijde...

 

No.225

Een ander belangrijk gegeven is dat je de “waarheid” alleen maar kunt benaderen. Dat is voor bijna iedereen een geldig argument om te beweren dat de waarheid “dus niet te vinden of te kennen is”. Dit nu is zo'n grove denkfout dat je je erover verbaast dat moderne, intellectueel ontwikkelde, mensen er mee voor de dag durven komen zonder vrees voor eeuwig belachelijk gevonden te worden. De waarheid is er namelijk altijd en zij is in feite altijd aan de mensen bekend, inderdaad zonder dat zij er gewoonlijk erg in hebben. Het begrip benaderen slaat echter niet op het al of niet kunnen weten omtrent de waarheid of het al of niet kennen ervan, maar op de graad van betrouwbaarheid, helderheid en nuancering die een mens wat betreft het weet hebben van de waarheid kan bereiken.

 

No.226

Als door iemand de waarheid op grove wijze geweten wordt is dat nog altijd de waarheid waarvan hij in alle opzichten weet heeft. Maar, er zal stellig wel een ander zijn die de zaak veel genuanceerder weet en dan zijn er ook nog die er hun leven lang op uit zijn zo helder en zo genuanceerd mogelijk aan de weet te komen hoe het zit met de werkelijkheid - dat zijn de echte filosofen! Maar, let op: die waarheid is geen wetenschappelijke, in die zin dat zij op materieel onderzoek berust en op daaruit ontsproten theorieën. Zij berust daarentegen op het zo genuanceerd mogelijk in zichzelf onderscheiden van het zelfbewustzijn, een activiteit die in wezen neerkomt op het voortdurend vergelijken van de voorstelling en het beeld. Eigenlijk: “de werkelijkheid als voorstelling” en “de werkelijkheid als beeld”. Overigens, je kunt de waarheid ook op kunstzinnige wijze weten. Als Rembrandt bijvoorbeeld een portret van Hendrikje Stoffels schildert laat hij de waarheid zien. Natuurlijk niet de vergankelijke van een bepaalde vrouw die Hendrikje heet, want dat betreft niet de waarheid maar de juistheid van de voorstelling. Achter die juistheid echter ligt, althans bij een kunstenaar als Rembrandt, de waarheid en dat is de werkelijkheid zoals ze “in waarheid” is.

Dus niet tijdelijk en plaatselijk bepaald.

 

No.227

Voor de moderne mensen is het meest fnuikende voor het zoeken van de waarheid dat hun behoefte aan en hun ingesteld zijn op juiste kennis zo volstrekt dominant is dat er geen enkel vertrouwen meer bestaat in het beoefenen en de mogelijkheden van het zuivere denken. Als er geen te meten en te wegen feiten zijn is het volgens de moderne mensen onmogelijk ook maar iets aan de weet te komen. Door deze eenzijdige gesteldheid wordt het zuivere denken uitermate belemmerd in zijn activiteiten, zelfs bij diegenen die een uitstekende aanleg hebben om op zinvolle wijze filosofie te gaan beoefenen. Juist het, op zichzelf terechte, streven van de moderne mens naar betrouwbare, gecontroleerde, juiste kennis breekt het zuiver denkend zoeken naar de waarheid op trieste wijze de nek. In de praktijk geschiedt dat meestal op de universiteiten waar de jonge filosoof meent te moeten gaan studeren. Hij moet al een erg sterke aanleg hebben wil hij zich zonder onherstelbare schade door al die academische rampen heen worstelen! Bovendien moet hij ook nog behoorlijk asociaal zijn, in deze zin dat hij en natuurlijk ook “zij” - zich niets gelegen laat liggen aan het gedoe, de geleerdheid en de moraal van leermeesters. Trouwens, de gehele wereld zal de beginnende filosoof onverschillig moeten zijn wil hij voor zijn denken de criteria vinden, die nodig zijn om de filosofische zoektocht aan te vangen, voort te zetten en tot een goed einde te brengen. Ondanks de huidige populariteit van “de” filosofie heeft onze filosoof zijn tijd niet mee...

 

No.228

Onder “zuiver denken” versta ik totaal niets verhevens, zoals dat bijvoorbeeld met het zogenaamde Zuivere Begrip van Kant en Hegel wel het geval is. Er is geen denken dat zich boven het maaiveld verheffen kan en er is ook geen denken dat op zichzelf beter, schoner of waarachtiger is. Er is echter wel een meer of minder helder denken maar ook dat is geen aanleiding om de zaak een hogere of lagere status toe te kennen. De term zuiver denken wil alleen maar zeggen dat er alleen-maar gedacht wordt en dat er op geen enkele wijze een wetenschappelijke methode als de maat gesteld wordt, noch dat er bewijskracht wordt ontleend aan proeven, experimenten, theorieën of allerlei vanzelfsprekendheden. Dat wat wij menen te weten uit hoofde van verworven kennis moet volstrekt buiten beschouwing gelaten worden als zijnde filosofisch niet relevant. Alleen het denken dat van zichzelf uit niets in handen heeft kan de filosofische waarheid boven tafel krijgen.

Dat is wat ik versta onder “zuiver denken” en dat heeft niets

verhevens aan zich.

 

no.229

Je wordt nogal eens geconfronteerd met de stelling dat je voor de beoordeling van de moraal een tegenpool moet hebben, dus dat naast het kennen en beoordelen van het goede ook een kennen en beoordelen van het kwade zou moeten staan. Geen goed zonder kwaad en geen kwaad zonder goed, zo zou je de bedoelde stelling in het kort kunnen verwoorden.

Dit nu is typisch een analytische opvatting van de werkelijkheid. Daarbij is de waarde en betekenis van iets is niet zonder de waarde en betekenis van iets anders en sterker nog: zij bepalen elkaar over en weer. Er is dan dus steeds een vergelijking tussen verschillende grootheden en uit die vergelijking komt na wikken en wegen een min of meer definitief oordeel voort. Dat “definitieve” gaat niet verder dan het gaat, want bij verandering van de omstandigheden, dus dat waaraan dat zogenaamd definitieve beoordeeld is, verandert ook het oordeel en dus kan er gemakkelijk wederom een “definitief” oordeel te voorschijn komen. Na verloop van tijd kun je je dan af gaan vragen wat nu eigenlijk moreel aanvaardbaar is en wat niet en het antwoord zal noodzakelijk moeten luiden dat er geen definitieve norm te vinden is. Daarmee is het hele gedoe in de mist gegaan. Natuurlijk kan men dan heel tevreden achterover leunen en vaststellen dat men nu het juiste antwoord gevonden heeft en zeggen: "Er is geen antwoord". Dat zal bijna iedereen tevreden stellen, het is een schitterend excuus omdat iedereen nooit anders dan in de mist terecht gekomen is. Zo'n quasi diepzinnig non-antwoord maakt dus een goede indruk. Misschien kan men op grond daarvan ook nog wel gaan menen dat men geniaal is, of nog erger! Maar in feite deugt er niets van...

 

No.230

Als het gaat over vraagstukken die de essentie van het menselijk leven raken kan men zich niet bedienen van op tegenstellingen berustende vergelijkingen. Er zijn dan namelijk geen tegenstellingen! De essentie van mens en werkelijkheid behoort tot de werkelijkheid als bewustzijn en daarvoor geldt dat alles, letterlijk alles, ineen is in een ongebroken geheel waaruit niets naar voren springt. Deze werkelijkheid als bewustzijn vertoont zich in en voor de mens als een beeld en van dat beeld is te zeggen dat het is zoals het is en ook nog dat dit een onveranderlijke zaak is. Als je hier uit af wilt leiden wat “goed” is behoef je alleen maar dat beeld tot je door te laten dringen om een volstrekt eenduidig antwoord te vinden- Dat antwoord houdt geen regels, geboden en verboden in, maar inzicht hoe het werkelijk gesteld is met de werkelijkheid. Als en voorzover je daarvan weet hebt sta je onmiddellijk in het teken van het begrip moraal. Je kunt dan van jezelf niet langer verdragen dat je handelingen verricht of uitspraken doet die in strijd zijn met de werkelijkheid en haar absolute innerlijke samenhang. Dat is moraal!

 

No.231

Het verschijnsel dat de hedendaagse geleerden van het begrip evolutie een grote bende maken is het zoveelste bewijs dat het met het denken, hoe gevormd ook, nog steeds treurig gesteld is. De meest eenvoudige onderscheidingen kunnen nog niet gemaakt worden, terwijl men tegelijkertijd op bewonderenswaardige wijze verzandt in ontelbare

zelf-verzonnen onderscheidingen zodat je bijna niet aan de indruk ontkomt dat al die geleerden beslist geniaal moeten zijn. Wat zij allemaal uit weten te pluizen is onvoorstelbaar, maar steevast komen al die “pluizen” te voorschijn uit een ratjetoe van onderscheidingen die willekeurig uit de losse hand gemaakt zijn, en dat dan nog tot overmaat van ramp vergezeld van voorstellingen die klakkeloos van leermeesters en andere smaakmakers overgenomen zijn. Zie eens hoe men rommelt met een aantal begrippen die op de een of andere manier bij het begrip evolutie behoren:

1. men heeft het over “evolutie” als men ontwikkeling bedoelt, namelijk als het gaat over het feit dat de mens zichzelf langzaam maar zeker op een hoger plan brengt, vanuit de voor hem geldende grondverhouding een niet-materiële werkelijkheid te zijn die zich noodzakelijk realiseert als een materiële zaak en die op grond daarvan te benoemen is met het begrip kunnen.

2. men heeft het over “evolutie” als men constateert dat de mens zich, als biologisch verschijnsel, in de loop der vele duizenden jaren aangepast heeft aan de omstandigheden op de planeet en er daardoor beduidend anders is gaan uitzien.

3. men heeft het over “evolutie” als blijkt dat bijna alle levende wezens zich gaandeweg aangepast hebben en als blijkt dat in feite overleven neerkomt op een zo efficiënt mogelijk aanpassen aan de telkenmale wisselende omstandigheden. Het spreken over een evolutie is hier volkomen misplaatst. Immers: een vis blijft altijd een vis, ook al heeft hij zich op vernuftige wijze ingesteld op het bemachtigen van het voor hem noodzakelijke voedsel. En de koe bijvoorbeeld is nog steeds een koe ondanks het feit dat zij in de loop der eeuwen een heel ander gedrag is gaan vertonen en ook qua uiterlijk lang niet dezelfde is gebleven. Wat is het nu: heet men de aanpassing “evolutie”, dan mag de wording van de levende wezens in het verre verleden géén evolutie genoemd worden. Vindt men dat de ontwikkeling van de mens met het woord “evolutie” benoemd moet worden, dan moet men het vermijden dit woord in verband te brengen met aanpassing van planten en dieren. En tenslotte, als men inziet dat evolutie is: het voortdurend ontstaan van nieuwe, van voorgaande vormen onafhankelijke, levensvormen, dan moet men noodzakelijk de processen van aanpassing en ontwikkeling met een ander woord benoemen en dan ligt het uiteraard voor de hand om, in overeenstemming met de feitelijk voorkomende processen, van aanpassing en ontwikkeling te spreken! Het is uiterst merkwaardig - doch verklaarbaar - dat genoemde voor de hand liggende onderscheidingen niet alleen niet gemaakt worden, maar zelfs te vuur en te zwaard bestreden worden. En dat alles geschiedt uitsluitend om het ondoordachte gerommel met het woord evolutie goed te praten, in stand te houden en als iets diepzinnigs aan te prijzen.

 

No.232

Het kon in de op analyse van de voorstelling gerichte cultuur van het westen niet uitblijven dat het filosoferen gereglementeerd zou worden. Ik bedoel te zeggen dat men er een systematische, wetenschappelijke activiteit van zou maken, vanzelfsprekend met de oprechte bedoeling de betrouwbaarheid ervan zo hoog mogelijk op te voeren. Zelfs meenden denkers als Kant en Hegel dat de filosofie tenslotte als uiterste mogelijkheid tot zuiver begrip zou moeten leiden. In dat stadium beland zou de wetenschap van het filosoferen een volstrekt objectieve aangelegenheid zijn geworden en zouden de gevoelens, de vermoedens, de inzichten en de intuïtie uitgebannen zijn, natuurlijk vanwege hun noodzakelijk persoonlijke karakter. Ook bij voortreffelijke denkers als Kant en Hegel is er dus een typisch westerse argwaan tegen de door het analytische denken als subjectief verworpen “kijk” op de werkelijkheid als beeld. Juist dat wat in wezen volstrekt onpersoonlijk en objectief is, namelijk het bewustzijn en daaraan meekomend het beeld, wordt als “subjectief” afgewezen, terwijl de in alle opzichten wisselvallige werkelijkheid als voorstelling doormiddel van allerlei trucs, zoals overeenstemming van een meerderheid van “deskundigen”, het zogenaamde “forum der wetenschap”, als objectief en betrouwbaar wordt aangemerkt. De omgekeerde wereld dus! Het mag geen wonder heten dat in deze verkeerde intellectuele sfeer de filosofie niet gedijen kan, tenzij men onder filosofie wil verstaan dat men de reeds door anderen gedane uitspraken verzamelt, ordent en vervolgens op hun vermeende mérites beoordeelt. Scholastiek in optima forma.

 

No.233

Als je beweert dat er kabouters zijn verklaart iedereen je voor gek. Maar als je staande houdt dat er een god is geven een heleboel mensen je gelijk en een zo langzamerhand nog groter aantal zegt er “geen mening” over te hebben omdat god buiten het denken zou vallen. Enkelen stemmen wel met je in, maar dan toch weer niet zonder er op te wijzen dat de afwezigheid van god voor hen slechts een feit is zolang en voorzover het tegendeel nog niet bewezen is. Zowel de niet-weters als de voorlopig-weters houden het bestaan van een god voor mogelijk. Dat kunnen zij doen omdat zij nog nooit hebben nagegaan hoe het zit met de werkelijkheid. Zouden zij dat wel gedaan hebben, uiteraard volgens de regels die voor dat “nagaan” gelden en beginnend bij het juiste en onweerlegbare uitgangspunt, dan zouden zij weten dat goden en geesten en buiten-menselijke spirituele werkelijkheden niet kunnen bestaan en derhalve ook nooit aangetoond kunnen worden. Zij kunnen nimmer aangetoond worden, niet doordat ons denken daartoe niet bij machte is, maar juist doordat ons denken ons leert hoe de zaak in elkaar zit, hetgeen tevens onmiddellijk inhoudt dat men weet wat wel en wat niet mogelijk en dus bestaanbaar is.

 

No.234

Het behoort bij de verwetenschappelijking van de filosofie dat dit een bloedeloze en gevoelsarme zaak wordt. Je kunt hiervan onmiddellijk al twee rampzalige gevolgen constateren: ten eerste verwordt het filosoferen, in de zin van liefde tot de wijsheid, tot een onpersoonlijke zaak die buiten het eigen leven om beoefend kan en moet worden, precies zoals men als resultaat van overdracht van kennis het predikaat “deskundige” kan verwerven en een bepaald vak kan uitoefenen, en ten tweede doordat de uitschakeling van de gevoelswereld het reageren op en serieus nemen van fantasieën, invallen, intuïties en dergelijken onmogelijk maakt. Opvallend is wat dit betreft dat men bijna nooit in de gaten heeft dat juist deze verguizing van het meest oorspronkelijke in de mens tot verschrikkelijke waanvoorstellingen leidt. Het zijn nu net de onverwachte en aanvankelijk onverklaarbare invallen die als voedsel dienen voor de filosofie. Dat betekent onmiddellijk ook dat de filosoof zich enerzijds als een zogenaamd gevoelsmens moet ontwikkelen en anderzijds dat zij of hij zich pas dan met een gedachte vereenzelvigen kan als die “zich tot in de botten voelbaar” gemaakt heeft. Anders gezegd: voor de filosoof valt de zekerheid van een inzicht samen met het leven. De filosoof leeft haar of zijn filosofie...

 

 

 

No.235

Als ik mij niet vergis heeft Hegel op een keer gezegd dat op den duur de kunst niet langer nodig zou zijn omdat de filosofie haar taak overgenomen heeft. Ik weet niet of Hegel het precies zo gezegd heeft en nog minder weet ik wat hij werkelijk bedoeld zou hebben als hij die uitspraak inderdaad gedaan heeft. Maar, afkomstig van Hegel of niet, het is een feit dat er nogal wat denkers geweest zijn die bovenstaande opvatting huldigden en dus is er aanleiding genoeg om er op in te gaan. Ten eerste valt op dat er blijkbaar een relatie gezien wordt tussen de kunst en de filosofie. En wel zo'n relatie dat blijkbaar de filosofie een voorzetting en een vervolmaking van de kunst zou zijn. Dat is geen ongewone opvatting, tenminste niet bij de zogenaamde idealistische filosofen. Bij Bolland kom je namelijk ook tegen dat hij bedoelde relatie legt en dan vindt hij uiteraard dat de kunst alsnog in het “zielige” bevangen is. Hij bedoelt daarmee dat het een psychische zaak is, en dat is bij hem een zaak van het gevoel. Ook meer moderne denkers willen de kunst graag als een aangelegenheid van het gevoel zien. Vaak verdenk ik hen ervan die opvatting als een uitweg te benutten om niet langer over de kunst na behoeven te denken. Immers: nadenken over de kunst kon wel eens leiden tot de noodzaak de aanwezigheid van een werkelijkheid achter de voorstelling te erkennen, namelijk de werkelijkheid als beeld, gestoeld in het bewustzijn. Dat nu is voor de moderne positivistisch denkende filosoof een gruwel, wellicht juist omdat hij er absoluut geen raad mee weet en er door in de war gebracht wordt. Hoe dan ook, sommige denkers zien een verband tussen de kunst en de filosofie en volgens mij is dat terecht. Ik heb namelijk al lang geleden ontdekt dat de filosofie geen wetenschappelijke activiteit is, maar een kunstzinnige. Filosofie behoort tot de kunsten en haar bijzonderheid is dat zij zich bedient van het denken om verslag te doen van de werkelijkheid zelve. En haar gereedschap is de taal, maar daarin staat zij overigens niet bepaald alleen: voor de letterkunde geldt dat ook en ook voor het toneel.

 

No.236

Er is met de moderne wereld iets eigenaardigs aan de hand. Steeds meer mensen worden het slachtoffer van een tomeloze verwarring. Een verwarring die zich niet goed beschrijven laat omdat zij nauwelijks herkenbaar door alles heengaat. En, het is niet alleen maar een psychische zaak, zoals je bij verward-zijn zou verwachten: zij bepaalt ook de zelfbewuste activiteiten van de mensen, zoals daar zijn het min of meer getrouw navolgen van maatschappelijke regels die het verkeer tussen de afzonderlijke mensen in goede banen moeten leiden. Steeds meer en steeds vaker botsen de mensen met elkaar en bij die botsingen neemt de gewelddadigheid hand over hand toe. Maar ook bij de bestuurders slaat de verwarring toe. Zij zien steeds minder kans de maatschappelijke problemen op te lossen en dat is voornamelijk een gevolg van het feit dat hun voorstelling van de werkelijkheid niet meer strookt met de realiteit. Een rampzalige reeks van miskleunen is het gevolg en tenslotte gaat men er maar toe over de zaken van zich af te schuiven en de boel voor een appel en een ei te verkwanselen aan particulieren die er altijd nog wel kans toe zien de zakken te vullen ten koste van de burgers. Kortom: een ernstige collectieve krankzinnigheid is in de westerse wereld bezig zich te ontwikkelen! Je bent geneigd in dit verband te spreken van de enige collectiviteit die er nog is en die bovendien nog steeds sterker wordt!

 

No.237

collectivistische denken,zie nos. 209 en 237 ;  De Verlichting-1, De Verlichting-2, De Verlichting-3,

Twee factoren spelen in ieder geval een rol bij eerder genoemde collectieve krankzinnigheid. Ten eerste is daar het volslagen gemis aan inzicht in de werkelijkheid doordat men, als gevolg van het positivistische analytische denken, alles wat met de werkelijkheid als bewustzijn te maken heeft verre van zich houdt omdat men dat bedrieglijk, metafysisch en onbetrouwbaar vindt. Maar, juist door dit uitschakelen van de enige toetssteen die ons werkelijk ter beschikking staat wordt de realiteit één onontwarbare janboel waarin men zich op geen enkele manier meer oriënteren kan. Gemis aan een samenhangend beeld van de werkelijkheid is precies dat wat wij kennen als krankzinnigheid. De tweede factor versterkt de eerste in niet geringe mate. Het gaat daarbij om de toenemende individualisering. Doordat de mensen daarbij op zichzelf komen te staan en tegelijkertijd daarmee het collectief verbrokkelt verliest men het houvast van een groot aantal in het verleden opgelegde en als vanzelfsprekend aanvaarde normen en waarden, die alle voortbrengselen zijn van collectivistisch denken. Dat denken is een erfenis van de Verlichting, dus van culturele ontwikkelingen die aan het begin van de vorige eeuw in gang gezet zijn. Genoemd denken verliest zijn kracht, het collectieve zelfbewustzijn wordt steeds meer een lege zaak, de praktische manifestaties van het collectivistische denken brokkelen af met als gevolg dat gemeenschappelijke normen en voorzieningen verwaarloosd of zelfs wel bewust afgebroken worden. Hoewel het op den duur er naartoe zal gaan dat alle mensen zich als vanzelfsprekend individu weten en men de individualisering dus met recht en reden “positief” zou kunnen noemen, is het tegelijkertijd niet te vermijden dat deze voortgang aanvankelijk en lange tijd het karakter van krankzinnigheid zal hebben, om redenen die ik al genoemd heb.

collectivistische denken,zie nos. 209 en 237 ;  De Verlichting-1, De Verlichting-2, De Verlichting-3,

 

No.238

De door mij beschreven collectieve krankzinnigheid kan welbeschouwd niet wegblijven. Het verval van van bovenaf opgelegde verbanden, vergezeld van een grote mate van onwetendheid wat betreft de werkelijkheid als bewustzijn en beeld en tegelijkertijd anderzijds een steeds meer zelfbewuste behoefte zich als individu te ontplooien is een alleszins logisch te begrijpen zaak. Je kunt hem zelfs niet op een andere en even plausibele manier denken en daarom zeg ik met de filosoof Hegel : " Alles wat werkelijk is is redelijk". Hoezeer de boven beschreven voortgang ook onaangenaam is, toch is hij redelijk, dat wil zeggen dat hij “in de rede” ligt. Hegel wordt nog steeds om zijn uitspraak verguisd want men is niet in staat in te zien dat Hegel met de term “redelijk” niets anders bedoelde dan “in de rede liggend”. Met een waardeoordeel heeft dit niets te maken. Het staat helemaal niet bij voorbaat vast dat al datgene dat in de rede ligt positief gewaardeerd moet worden. Zo liggen bijvoorbeeld oorlogen lange tijd in de rede. Zij zijn werkelijk en redelijk. Maar, aangenaam en behoorlijk zijn zij beslist niet. Mensen behoren geen oorlogen te voeren en toch is het logisch te begrijpen dat zij dit lange tijd en vaak met groot enthousiasme doen.

 

 

 

No.239

Uit de bewering, die Hegel over het zinloos worden van de kunst gedaan zou hebben, blijkt dus dat hij een verband zag tussen de kunsten en de filosofie en dat hij bovendien van mening was dat de filosofie een soort van slotakkoord van de kunsten zou zijn. Met het klinken van dat slotakkoord zouden de kunsten overbodig zijn geworden. Dat echter is ondoordachte onzin!

Alle facetten van de werkelijkheid als kunst zijn autonome mogelijkheden om uitdrukking te geven aan de werkelijkheid als beeld en geen van die mogelijkheden is afhankelijk van een andere, in die zin dat hij op een gegeven moment niet meer nodig zou zijn. Al die mogelijkheden zullen eeuwig door de mensen, de kunstenaars in feite, benut worden. De een zal deze mogelijkheid kiezen, de ander een andere, afhankelijk van de aanleg die iemand heeft. Dat geldt ook en niet in het minst voor de filosofie, die overigens in geen enkel opzicht boven of onder de andere kunsten staat. Haar intellectuele karakter rechtvaardigt geenszins de hogere waardering die er bijvoorbeeld door een aantal vroegere idealistische denkers aan gegeven werd. Trouwens, als je je realiseert dat de moderne filosofie evenals haar zusters van de moderne kunsten verkankerd is door het analytische

denken en de traumatische behoefte om “wetenschappelijk” te zijn, dan blijkt zonneklaar dat er van die hogere kwaliteiten van de filosofie niets over blijft. Je zou verwachten dat zij op de een of andere manier boven de grillen van onze tijd zou staan, maar niets is minder waar. Vaak lopen de filosofen vooraan als het erom gaat de werkelijkheid stuk te analyseren, hetgeen onder andere duidelijk blijkt uit de vreemde activiteiten van de positivisten, de post-modernen en de taalfilosofen.

 

No.240

Er is nog iets dat aan de genoemde bewering van Hegel op te merken valt.

Blijkbaar is hij, of degene die hem meent te citeren, van mening dat de kunst een taak heeft in deze wereld. En ook dat die taak tenslotte door de filosofie overgenomen zal worden. Ook die mening, van Hegel of zijn napraters, is volstrekt fout. Als er iets is dat het denken over de kunst verduistert is het wel de mening dat de kunsten taken te vervullen zouden hebben. Dat de kunst dus ergens voor dient. Voorzover die opvatting bij de kunstenaars zelf aangetroffen wordt kun je stellen dat hij onvermijdelijk aan de kunst de doodsteek toebrengt. Het aan iets dienstbaar stellen van de kunst berooft haar van haar autonome karakter, voornamelijk doordat nu niet langer de werkelijkheid als beeld datgene is waarom het gaat, maar de tijdelijke en plaatselijke voorstelling die men van de wereld heeft. Doordat het nu om de voorstelling gaat vervalt ook de vrijheid van de kunstenaar en doordat dat het geval is wordt het hem onmogelijk zich te uiten. Hij kan dan nog slechts een vak uitoefenen, desnoods ongelooflijk knap en beantwoordend aan de hoge doelen die, overigens steevast door machtige élites die hun machtshonger een verheven tintje willen geven, voor de mensheid gesteld zijn, maar toch in genen dele een kunst die te beleven is als een zaak van onbevangen schoonheid...

 

No.241

De kunsten hebben volstrekt geen taak. Zij zijn de onmiddellijke afspiegeling van de werkelijkheid als beeld en dat “afspiegelen” is er altijd als er een mens is, omdat in de mens zelfbewustzijn zetelt en de uit dat zelfbewustzijn voortkomende voorstelling niet bestaan kan zonder dat de werkelijkheid als bewustzijn er voortdurend doorheen straalt. Omdat dit het geval is is er kunst en het is juist het onvermijdelijke karakter en het nergens toe dienen dat de kunst zo uitzonderlijk maakt!

 

No.242

De mensen uit de oudheid hadden een diep inzicht in de werkelijkheid. Dat wil zeggen dat zij ver door de voorstelling heenkeken en zo een helder beeld van de werkelijkheid hadden. Omdat het ging over “er doorheen kijken” met als logische consequentie dat de werkelijkheid als bewustzijn zich bijwijze van beeld kon vertonen zagen die mensen van toen de werkelijkheid noodzakelijk als een in alles samenhangend geheel, waarin alle dingen opgenomen waren, en wel op een zodanige wijze dat de afscheidingen ertussen niet geldig waren en alleen de overgangen tussen de dingen als essentieel op de voorgrond stonden. Gevolg hiervan was dat men helder zag hoe de werkelijkheid is. De moderne mensen hebben volstrekt geen diep inzicht in de werkelijkheid, want de voorwaarde daartoe, namelijk het door de voorstelling heenkijken om de werkelijkheid als beeld te zien ontbreekt ten enen male. Althans, voorzover men zijn eigen mens-zijn niet terzijde kan schuiven en dus altijd wel enigszins met de werkelijkheid als beeld geconfronteerd wordt, wil men hier niets van weten en stopt men het zover mogelijk weg in het zogenaamde onderbewuste. Gevolg is dus dat er geen mogelijkheden zijn om door de voorstelling heen te zien. Maar wat men wel doet, en zo langzamerhand met een uiterste aan bekwaamheid en raffinement, is de voorstelling ontleden. Je kunt dan ook stellen dat de moderne mens “diep in de materie” is doorgedrongen. Zijn kennis haalt hij van grote diepte. Dat is qua kennisverwerving natuurlijk buitengewoon gunstig: de mens moet er achter komen wat de werkelijkheid is en het is voor hem bittere noodzaak de feiten omtrent het heelal boven water te krijgen. Die noodzaak is “bitter” omdat het uitzoeken van de feiten tot veel rampen leidt doordat men er, in zijn onvolwassenheid, onmiddellijk technische toepassingen voor bedenkt die vaak verre van tot het einde toe afgedacht zijn. , Hoe dan ook, de moderne mens is diep in de materie doorgedrongen, maar de mens uit de oudheid, en straks de volwassen mens, had en heeft een diep inzicht in de werkelijkheid. Die mens van vroeger kon opvallend heldere uitspraken over de werkelijkheid doen en dat ondanks het feit dat hij qua onderzoek van de materie nog niet eens aan het begin ervan toegekomen was.

Overgang-1 ;

 

No.243

Ik spreek over “de mens van de oudheid” en ook over “de moderne mens”. Dit evenwel slaat op het verschijnsel mens en het stadium waarin dat in zijn culturele ontwikkeling op een bepaald moment van de geschiedenis aangekomen is. Het betekent niet dat “de” mensen, en zeker niet “alle” mensen evenzeer op de hoogte zijn van datgene dat er in de zin van ontwikkeling gaande is. Anders gezegd: het zijn altijd maar kleine groepen in wie zich “de geest van hun tijd” zelfbewust manifesteert en die er als representatief voor kunnen worden beschouwd. In de oudheid waren er dus enkelen die een diep inzicht in de werkelijkheid hadden en die daarvan getuigden en dan gaat het er om wat de inhoud en de betekenis van zo'n getuigenis was.

Het gros van de mensen had er geen flauw benul van, maar dat laatste neemt niet weg dat ook zij in het teken van de “helder zichtbare” werkelijkheid stonden. Op allerlei praktische manieren vertoonde zich de geest van hun tijd en doorgaans waren dat voor de betrokkenen vanzelfsprekendheden en automatismen waar zij geenszins bij stilstonden. Zo kun je van de mens van Onze tijd zeggen dat hij “wetenschappelijk” is omdat onze cultuurfase er een van wetenschappelijk onderzoek van de werkelijkheid is. Alle mensen uit onze cultuur staan in het teken van de wetenschap. Maar verreweg de meesten zijn niet verder gekomen dat een eenvoudige school, die echter op zijn beurt op wetenschappelijk feitenmateriaal gestoeld is en waarvan de leerstof bijvoorbeeld niet bestaat uit het onnavolgbare gebazel uit de Bijbel, de Koran of andere “heilige” boeken. Alle leerstof, ook die binnen het kader van een godsdienstig ingestelde school, is wetenschappelijke leerstof, of heeft de pretentie dat te zijn. Niet voor niets wordt bijvoorbeeld het waandenkbeeld van het “creationisme” voorgesteld als een wetenschappelijk verantwoorde voorstelling van het ontstaan van het heelal. Zonder de pretentie van wetenschappelijkheid wordt het niets met het aannemelijk maken van allerlei denkbeelden. Dat geldt zelfs voor godsdienstigen, die doorgaans toch van harte bereid zijn allerlei onzin voor juist te houden! Dus: in enkelingen komt de zaak zelfbewust naar voren, maar in de rest is het een complex van een aantal vanzelfsprekendheden die verwijzen naar de stand van zaken wat betreft de ontwikkeling van de mensheid.

 

No.244

Het is voor een moderne geleerde kenmerkend dat hij alles wat h~ aan de weet komt voor kennisgeving aanneemt. Dat doet hij in de letterlijke betekenis van het woord. Hem wordt kennis aangereikt en die kennis neemt hij aan. Als je je deze procedure voorstelt dan zie je zonder al teveel moeite in dat de ontvanger van die kennis er zelf geheel en al buiten blijft. H~ neemt het gebodene aan en zet het ergens weg, bergt het ergens op. Vervolgens gaat hij bij zichzelf na of hij het met die kennis al of niet eens is. Daarbij controleert hij of die kennis op verantwoorde wijze verworven is, of de juistheid van die kennis geworteld is in een logische theorie en tenslotte of deze beide criteria voldoende aanleiding geven de zaak als consistent met andere theorieën te beschouwen. En nog altijd heeft hij zelf geen enkele rol in de procedure gespeeld. Het is “aannemen of niet-aannemen” op grond van een aantal uitwendige criteria, die men ooit ergens geleerd heeft en, uiteraard, ook voor juist aangenomen, doorgaans in een periode van het leven dat men zich nog geen rekenschap kon geven van het feit dat men die criteria opgedrongen heeft gekregen! In eerste instantie worden de criteria voor het aanvaarden van de juistheid van kennis niet op zichzelf ook aan criteria onderworpen, maar simpelweg opgedrongen. Die “oercriteria” zijn letterlijk ingeprent, als een automatisch verlopend programma geïnstalleerd zonder een enkele mogelijkheid tot persoonlijke toetsing.

 

No.245

Het voor kennisgeving aannemen berust eigenlijk op een voorstelling die in het stadium van de alsnog niet effectief zelfbewuste kindertijd ingeprent is door anderen, zoals opvoeders, leraren en niet in het minst ook door de omstandigheden, voorzover die ervaren worden als iets vanzelfsprekends.

Volgens sommigen is dat een kwalijke zaak die een consequentie zou zijn van de westerse cultuur en die in andere culturen vermeden zou kunnen worden. En men beweert ook dat dit op den duur ook in de westerse cultuur zal verdwijnen om plaats te maken voor intuïtie, hoger bewustzijn en dergelijken. Onzin! Het voor kennisgeving aannemen is de grondslag voor verfijning en uitbreiding van het wetenschappelijk denken. Het verwerven van kennis is hetgeen waar dit alles om draait en er is wat dit betreft geen enkele andere mogelijkheid. Beter gezegd: het verwerven, uitbreiden en verfijnen van kennis gaat noodzakelijk via het voor kennisgeving aannemen van kennis die door de ene mens aan de andere aangereikt wordt. En die aangenomen kennis is en blijft een uitwendige zaak. Dat is niet kwalijk, dat is niet dom, maar dat hoort zo! Maar, zoals gewoonlijk is het weer een rommeltje in het denken van de mensen. Men heeft de klok weer eens horen luiden zonder ook maar een vermoeden te hebben waar deszelfs klepel hangt.

 

No.246

Telkens als het wetenschappelijk onderzoek een nieuwe wending neemt, een andere kant uitgaat, heeft er in een bepaalde persoon iets plaatsgevonden dat in strijd is met het voor kennisgeving aannemen. Er is als het ware iets gebroken, een gang van zaken is verstoord, er is een kink in de kabel gekomen. In zekere zin is dat een ramp want men moet af gaan wijken van de vertrouwde paden en helemaal opnieuw beginnen. Men doet dat dan ook, want men kan dat niet laten omdat de mens nu eenmaal een zelfbewust wezen is dat zijn eigen voorstelling van de werkelijkheid moer onderzoeken. Zo ontstaat er een nieuwe escalatie van kennis die op zijn beurt weer voor kennisgeving aangenomen wordt. Dat het doorbreken van een gevestigde traditie van kennisverwerving een hele toestand teweeg brengt blijkt duidelijk uit de geschiedenis van de wetenschappen. Niet zelden is men elkaar zelfs te lijf gegaan omdat men het instorten van oude “waarheden” niet verkroppen kon. En natuurlijk ook omdat men zijn vertrouwen gesteld had in een hele schare van deskundige geleerden die nu plotseling geen autoriteit meer leken te zijn. Hoe kunnen al die geleerden het bij het verkeerde eind hebben? Heeft dan iedereen zich vergist? Dat is buitengewoon onwaarschijnlijk..! De grote, vaak zelfs hysterische, weerstanden tegen nieuwe ontwikkelingen komen, in strijd met wat men ons doorgaans wil doen geloven, in feite slechts voor een klein deel voort uit, op zichzelf alleszins terechte, wetenschappelijke behoedzaamheid en zorgvuldigheid. Het merendeel wordt veroorzaakt door het onvermogen en de onwil om van voren af aan te beginnen. Dat betekent immers verlies van status en macht en daar zit zelfs een wetenschapper niet naar uit te kijken.

 

No.247

Waar hangt de klepel in de klok? Zoals steeds draait de hele zaak weer om de werkelijkheid als bewustzijn. Het hierdoor opgeroepen beeld kan bij gelegenheid zo opdringerig zijn dat iemand die hiervoor gevoelig is en die zich niet zo heel erg vastklampt aan de zogenaamd vaststaande feiten er niet onderuit kan en in twijfel geraakt. Gewoonlijk zal zo iemand proberen van die twijfel af te komen, want bepaald prettig is zoiets niet. Maar er zijn er gelukkig ook die er iets mee gaan doen en die kunnen tot verrassende ontdekkingen komen. Zolang en voorzover zij met die ontdekkingstocht bezig zijn kunnen zij niets voor kennisgeving aannemen. Steeds moeten zij zich richten op het beeld en aan de hand daarvan hun voorstelling corrigeren. Dan is een wetenschapper op zijn best! Het is daarbij niet het eerste belang of hij tot schokkende en overtuigende resultaten komt. Het eerste belang is gelegen in de wetenschappelijke activiteit zelve, omdat die nu niet meer eenzijdig analytisch is, maar tegelijk en vooral in het teken van de samenhang staat. Daarbij evenwel wordt de analyse niet achterwege gelaten, want zonder dat komt de onderzoeker niets aan de weet. Het gaat namelijk niet om de vraag of men bij zijn onderzoek al of niet analytisch tewerk moet gaan, maar het gaat om de vraag of de onderzoeker steeds en consequent het samenhangende beeld voor ogen houdt. Als dat inderdaad het geval is wordt het onderzoeksterrein min of meer vanzelf van de voorstelling naar het beeld verlegd, de werkelijkheid als beeld namelijk met als concrete inhoud de werkelijkheid als voorstelling.

 

No.248

Het is de mens mogelijk zich van zijn bewustzijn en dus ook van zijn beeld niets aan te trekken. Hij kan beide grootheden nimmer uitschakelen, maar hij kan er wel onverschillig voor zijn. De mens kan tegen zichzelf als bewustzijn en beeld nee zeggen! Uiteraard kan hij dat omdat hij qua verschijnsel net “een stap verder” gaat en in een situatie terecht is gekomen die ik met het begrip zelfbewustzijn benoemd heb. De zogenaamd geestelijke kant van de mens, zijn niet-materieel zijn, heeft de mogelijkheid geopend om letterlijk op alles “nee” te zeggen. Een dier kan dat niet. Een dier is nog niet aan zelfbewustzijn toegekomen en bijgevolg is het “nee” zeggen uitgesloten. De werkelijkheid is voor alles wat leeft, uitgezonderd de mens, een onwrikbaar gegeven, een zaak die zich zelfs niet in twijfel laat trekken. De werkelijkheid is er en zij is zoals zij is en het is niet mogelijk er hoe dan ook afstand van te nemen. Maar de mens kan dat wel. De mens kan natuurlijk niet feitelijk buiten de werkelijkheid gaan staan. Hij is en blijft een onderdeel ervan. Maar in zijn zelfbewustzijn, en dus ook in zijn voorstelling en denken, kan hij zonder enige moeite buiten de werkelijkheid gaan. Hij doet dat dan ook veelvuldig. En vanuit die uitwendige positie is in principe de gehele werkelijkheid voor hem ontkend: hij is immers nu de werkelijkheid niet! En zo kan de mens zijn “geweten”, zijn “intuïtie”, zijn “gevoelens” en wat al niet, uitschakelen. Dat komt er dus op neer dat hij zijn bewustzijn ontkent en terzijde schuift.

 

No.249

Binnen het kader van collectivistische opvattingen over de maatschappij kan het recht alleen maar functioneren alsof het over de wet gaat. Het recht is namelijk onlosmakelijk verbonden met de mens als individu en het manifesteert zich als het complex van regelingen die de mensen treffen om zo veilig mogelijk met elkaar om te gaan. Is de individu echter nog bevangen in het collectief, zodat zijn individualiteit bepaald wordt door de criteria die door dat collectief als de maat gesteld worden, dan is dat complex van regelingen niet ontstaan vanuit de individuen zelf, maar vanuit de bovenlaag van het collectief: de bestuurders, de leiders, de hooggeplaatsten en nog meer van dat volk bepalen hoe het tussen de mensen onderling toe zal gaan. Zij bepalen wat mag en wat niet mag, hoe de dingen behoren te gaan, enzovoort. Al zijn deze regelingen nog zo “democratisch” tot stand gebracht, zij worden toch uitsluitend door élites uitgebroed en vervolgens onverbiddelijk tot wet verheven. Vanaf dat moment is er geen ontkomen meer aan, de mensen hebben zonder meer te gehoorzamen. Twee factoren verzieken hier het gelden van het begrip recht. Ten eerste deze factor dat het slechts enkele bevoorrechten zijn die bepalen wat recht is en wat krom, en ten tweede dat er voor niemand ruimte is voor alternatieven, dat wil zeggen: voor het door de mens als individu op eigen redelijke wijze regelen van zijn betrekking tot zijn medemensen. En het zijn nu juist deze twee factoren die het recht maken tot wet. Dat is in een Onvolwassen mensheid dermate ingekankerd dat zelfs rechtskundigen beweren dat het recht zich te voegen heeft naar de wetten van een staat of gemeenschap. Zij hebben daarbij zelfs niet in de gaten dat zij collectivistisch denken en, praktisch gesproken, helemaal geen begrip van recht hebben. Het is natuurlijk zo dat de wetten zich naar het recht hebben te voegen: men kan wel van allerlei wetten uitvaardigen zonder dat die aan het recht getoetst zijn - onrechtvaardige wetten dus. Intussen is het inderdaad een feit dat tot op heden de laatste mogelijkheid de meest gangbare is.

 

No.250

Er is nog steeds een brede consensus over de opvatting dat niemand “eigen rechter” mag spelen. Recht moet “gesproken” worden, en wel door daartoe bevoegde lieden. Dezen zijn, althans in functie, boven het individu verheven, hetgeen alleen maar dan mogelijk is als zij optreden in naam van het collectief. Dat collectief is per definitie bovenpersoonlijk. De mens als individu verkeert, hoe je het ook bekijkt, in de onmogelijkheid zich vanuit zijn eigen individu-zijn redelijk tegenover zijn medemens te gedragen. Dat wil niet in de eerste plaats zeggen dat hij gedwongen zou zijn zich onredelijk te gedragen, maar het wil zeggen dat de eerste en belangrijkste voorwaarde voor redelijkheid, namelijk dat het gelden en de rechtvaardigheid daarvan uitsluitend en ten volle uit de individu zelf moeten voortkomen, niet vervuld is. Zolang dat het geval is kan er geen rechtvaardige wereld zijn.

 

No.251

Het recht, in de zin van het gelden van rechtvaardigheid, zal nooit uit de wereld verdwijnen, want het kan onmogelijk van de mens afgedacht worden. Het recht is de sfeer waarbinnen de mensen elkaars bestaan Onvoorwaardelijk erkennen en veilig stellen, hetgeen uiteraard ook inhoudt dat zij, een ieder voor zich ten opzichte van zijn medemens, met elkaar regelingen treffen, afspraken maken om alle onderlinge betrekkingen zo goed en zo zinvol mogelijk te laten zijn. Het recht speelt zich af op het terrein van de menselijke relaties. Omdat mensen niet alleen samenleven met een aantal “gezellen” - en zo het begrip gezelligheid inhoud en betekenis geven - maar ook in relatie staan met anderen met wie noodzakelijk slechts maatschappelijke verbindingen worden onderhouden, bijvoorbeeld in het werk en in de wijk en in tal van andere organisaties, is het begrip recht geldig zolang er mensen zijn. Maar de inhoud van dit begrip valt in genen dele samen met de inhoud van het begrip wet, want het is een persoonlijke zaak tussen mensen die tot individu uitgegroeid zijn. Deze mensen zijn, in strijd met de nog steeds gangbare opvatting, juist eigen rechter in optima forma! Zij alleen kunnen zelf en met elkaar uitzoeken van recht is en wat krom en zo in volle persoonlijke vrijheid in de ware zin van het woord “rekening houden” met de anderen. In die zin zal er altijd en noodzakelijk recht in de wereld zijn, maar het recht zoals wij dat tot nu toe kennen zal zeker verdwijnen.

 

No.252

Het als wet functionerend recht behoort b~ een cultuur waarin de mens als individu al wel ontdekt is, maar zich nog lang niet ontplooid heeft. De individu staat alsnog in het teken van het collectief. Een definitie van het begrip collectief luidt: het is een mensheid als geheel waarin de individu herkend is, maar nog volstrekt niet uitgewikkeld en erkend is. Dat is de eerste fase van de mensheid die zich zal gaan ontwikkelen tot een verzameling van individuen zonder dat die bij voorbaat al als elementen, onderdelen, van een systeem worden beschouwd. Binnen het oorspronkelijke geheel waarbinnen de afzonderlijke mensen niet van elkaar te onderscheiden waren gold de mens niet als individu. Hij was natuurlijk als persoon wel van de anderen onderscheiden, maar niet als een uniek, eenmalig en volstrekt zelfstandig verschijnsel. Als het ene onderdeel onderscheidde hij zich van het andere, maar hij kon nooit ontkomen aan de situatie beoordeeld en gewaardeerd te worden in het licht van een niet in zichzelf onderscheiden homogeen geheel en volgens de daarbij behorende criteria. Als na verloop van lange tijd, aan het einde van de oudheid, de mensen langzaam maar zeker open gaan staan voor het lang reeds sluimerende vermoeden ieder voor zich een zelfstandige en unieke werkelijkheid te zijn, staat deze zelfkennis voorlopig nog tegenover het oude besef van de werkelijkheid als één geheel. En dit oude besef is vanzelfsprekend dominant, zodat de persoonlijke zelfkennis niet meer kan zijn dan een variant van een collectieve zaak. De individu is dan het kleinste onderdeel waartoe het collectief opgedeeld en teruggebracht kan worden. Hij is dus het kleinste stukje collectief Een geheel dat inmiddels als een totaal van samenstellende delen wordt beschouwd is te benoemen met het begrip collectief En als het recht nog steeds hierop gegrond is, is het wezenlijk geen recht, maar wet, waarvoor karakteristiek is dat die zaak tot stand komt doormiddel van rechtsprincipes, hetgeen in de praktijk niet meer, maar ook niet minder, betekent dat niet de betrekkelijke willekeur van één, boven alles en iedereen verheven, persoon bepalend is, maar dat de opvattingen, belangen en status van een collectief dat zijn. Dat collectief is dan overigens op zijn beurt boven alles en iedereen verheven. Deze situatie is het uiterste waartoe de moderne, maar nog steeds Onvolwassen, mensheid kan komen. Hij geldt inmiddels voor de Atlantische wereld, maar voor de rest is het er nog steeds droevig mee gesteld.

 

No.253

Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ; Overtuiging-4 ; Overtuiging-5 ;

 

De Nederlandse Hegelianen uit de eerste helft van de twintigste eeuw mochten nogal eens graag staande houden dat Hegel de apotheose van de westerse filosofie zou zijn, en daarbij zelfs zover gaan ervan overtuigd te zijn dat de filosofie haar laatste woord gesproken had, “met en door Hegel”. De filosofie was tot werkelijk “zuiver begrip” gekomen. Daarmee was het uit en afgelopen. Wat er eventueel daarna kwam zou niet meer kunnen zijn dan een uitwerking van het Hegelse denken, een zaak waarmee bijvoorbeeld Bolland zich met grote ijver en overtuigingskracht, maar eerlijk gezegd ook met een schier onuitstaanbare zelfoverschatting, bezig gehouden heeft. Hoewel bovenstaande waarderingen zo zonder meer uit den boze zijn vanwege het voor de hand liggende eenvoudige feit dat kunst en filosofie, evenals trouwens de wetenschap op haar eigen specifieke wijze, nooit en te nimmer een “laatste woord” kunnen spreken omdat elk moment van inzicht noodzakelijk een volgend moment oproept, zit er toch een kern van waarheid in. Uiteraard niet voorzover bedoelde Hegelianen maar al te vaak blijken te lijden aan de uitermate kinderachtige kwaal van persoonsverheerlijking, hetgeen vooral met betrekking tot Hegel helaas geen ongewoon verschijnsel was en is! Maar, waarom het wezenlijk gaat is dat er met Hegel een bepaalde filosofische wijze van denken tot wasdom is gekomen, niet om dan prompt op te houden te bestaan, maar wel om langzaam maar zeker plaats in te ruimen voor nog een adequate wijze van filosofisch denken, namelijk de “zakelijke”, de “concrete” of de “fenomenologische” wijze. Het maakt niet uit hoe men het noemt. In ieder geval: het denken beweegt zich dan niet langer uitsluitend voort langs een keten van opeenvolgende begrippen, oftewel abstracties, maar voortaan vooral ook doormiddel van het, uiteraard uitsluitend denkend, nagaan van de structuur van de werkelijkheid, uitgaande van één enkelvoudig, absoluut zeker, geheel op zichzelf staand uitgangspunt.

Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ; Overtuiging-4 ; Overtuiging-5 ;

 

 

No.254

Voor een volwassen mensheid is een aantal voorwaarden van levensbelang.

Natuurlijk is daar het begrip veiligheid, dat een cluster van deelbegrippen inhoudt die voornamelijk in directe zin van toepassing zijn op de individuele mens. Maar de mensheid als groot geheel, of wellicht beter nog de planeet, behoeft ook nog de vervulling van drie andere voorwaarden, en dat zijn communicatie, productie en transport. Zonder deze drie zaken kan een mensheid niet volwassen zijn, al zou ze het nog zo graag willen. Het is hiermee precies als met het menselijk lichaam : het zenuwstelsel, de stofwisseling en de bloedsomloop zijn de voor het organisme essentiële systemen. Het zenuwstelsel zorgt ervoor dat alle cellen van het lichaam met elkaar in contact staan en informatie kunnen uitwisselen, informatie waarzonder de rechterhand letterlijk niet weet wat de linker doet. De stofwisseling zet de voorhanden materiële werkelijkheid om tot de mens, in de vorm van energie, en het bloed levert tot in alle uithoeken van het lichaam de benodigde materialen. In de praktijk bestaat de mensheid uit een hoeveelheid op zichzelf staande verschijnselen. Zoals met alle verschijnselen het geval is zijn ook de mensen volstrekt van elkaar gescheiden: de ene mens is de andere niet en waar de ene mens zich bevindt kan de andere beslist niet zijn. De mensheid hangt dus “als los zand aan elkaar”, maar zo ondergaan op den duur de mensen hun wereld niet! Op den duur gaan de mensen, ieder voor zich, een gedrag vertonen dat gebaseerd is op het feit dat de werkelijkheid als beeld een in alles samenhangende mensheid laat zien, een mensheid die er is als ware zij een organisme , precies zoals het menselijk lichaam een hoogwaardig organisme is. De mensen gaan zich dus, geheel vrijwillig, zonder dwang van welke machtige overheid dan ook, naar dat inzicht gedragen en dan is te zeggen dat zij zich werkelijk lichamelijk zijn gaan gedragen. Zij laten zich gelden als waren Z~ een lichaam. En precies dat is de uiterst denkbare mogelijkheid voor de mensen. Maar dat betekent in de praktijk ook dat een aantal materiële systemen perfect moet werken teneinde het leven mogelijk te maken en in stand te houden.

 

No.255

Meer nog dan zich, zoals de laatste tijd gebruikelijk is, te bekommeren om een dreigende overbevolking is het nu en in de naaste toekomst noodzakelijk de communicatie, de productie en het transport zo hoog mogelijk te ontwikkelen. Dat is precies wat de grote multinationals al volop doen. Het feit dat zij het maken van grote winsten op het oog hebben is, hoe verwerpelijk ook in het licht van volwassen menselijkheid, geen geldige reden om de bedrijvigheid als zodanig van die instellingen te veroordelen. Bovendien behoort winst maken onlosmakelijk bij de mens die nog Onvolwassen is en omdat dit onvolwassen gedoe, dus: winst maken, commercieel concurreren en stelen, er onmogelijk afgedacht kan worden omdat het op onvolwassen wijze communiceren, produceren en transporteren is, is het als realiteit ook “redelijk”, dat wil zeggen “in de rede liggend”. Dus : zonder ook maar één vergoelijkend woord over de praktijken van de grote ondernemingen te spreken is er filosofisch toch niet omheen te gaan dat het juist die ondernemingen zijn die bezig zijn de praktische basis te leggen voor datgene dat zij van zich uit niet bedoelen, namelijk een volwassen mensheid.

 

No.256

Het is bijzonder moeilijk om aan moderne mensen duidelijk te maken dat het niet de activiteiten op zichzelf zijn die wat betreft de ondernemingen afkeuring verdienen, maar dat het de wijze waarop is die niet alleen op den langen duur onhoudbaar is, maar waarvan men zelfs met reden kan zeggen dat die zonder pardon als misdadig beoordeeld moet worden. De moderne ondernemingen zorgen voor de drie hoofdzaken, te weten communicatie, productie en transport en dat is in feite precies wat er gebeuren moet om tenslotte tot een leefbare wereld te komen, althans de materiële basis daarvoor te leggen. Maar, van de wijze waarop men dit onvermijdelijk nog steeds doet is natuurlijk geen goed woord te zeggen. Terwijl tegelijkertijd toegegeven moet worden dat de huidige mens beslist niet anders kan: hij is immers nog onvolwassen! Zelfs als hij , wat zo af en toe hier en daar voorkomt, ernstig probeert zijn onderneming op verantwoorde menselijke wijze te besturen, met in achtneming van essentiële criteria, ontkomt hij niet aan het bittere feit dat de gehele wereld om hem heen anders tewerk gaat en daardoor zijn pogingen tot volwassen ondernemen zonder mankeren doet mislukken. Je zou dus zeggen dat wij het er maar mee moeten doen en maar moeten proberen de zaak in zo goed mogelijke banen te leiden. Afremmen van het ondernemers-gedoe op zichzelf is niet alleen zinloos, maar ook onmogelijk. En eigenlijk is dat maar goed ook, want het resultaat van al dat gescharrel is intussen toch dat steeds meer mensen steeds meer noodzakelijke levensbehoeften ter beschikking krijgen. Dat geldt zelfs voor de armsten op deze wereld. Maar, de voortdurende criminalisering van het bedrijfsleven door zogenaamd “linkse” en “vooruitstrevende” ijveraars voor een betere wereld, - overigens doorgaans goedbedoelend - is in alle opzichten onterecht, tenzij het, zoals hierboven betoogd, gaat over de wijze waarop een en ander geschiedt. Die komt er in het algemeen op neer dat de handelspraktijken niet deugen, en dat is dus een kwestie van onverantwoord economisch denken.

 

No.257

denken in begrippen-1   denken in begrippen-2

Het Hegeliaanse denken is een denken in begrippen. Dat heeft een lange voorgeschiedenis gehad, althans in de westerse cultuursfeer. Daarbuiten waren er destijds wel filosofische stromingen waarin men probeerde de werkelijkheid niet aan de hand van begrippen, maar vanuit elementaire vormen van materie te verklaren, zoals daar bijvoorbeeld zijn: lucht, aarde, water, vuur en dergelijken. Er waren er zelfs ook al die in termen van elementaire deeltjes dachten. De filosofen die zo “materieel” tewerk gingen worden doorgaans gerekend tot de natuurkundigen avant la lettre, maar dat is niet helemaal terecht, want eigenlijk zochten zij niet zozeer de materiële basis van de verschijnselen als wel een universeel verklaringsprincipe waarmee zij hoopten louter doormiddel van het denken een antwoord te vinden op de vraag hoe het zit met de werkelijkheid. Het was hen in feite al duidelijk dat de vraag hoe het zit met de werkelijkheid het wezen van de filosofie uitmaakt en dat het antwoord in het denken zelf gevonden moet worden. Die opvatting zette zich in de westerse cultuur voort en dat leidde ertoe dat men zich steeds meer, en eigenlijk ook wel noodgedwongen, ging bezig houden met het uitzoeken van de begrippen die men meende op de werkelijkheid van toepassing te zijn. Voorzover er toch nog naar een universeel verklaringsprincipe gezocht werd richtte dat zoeken zich dus vrijwel uitsluitend op op de werkelijkheid als begrip. En je kunt inderdaad staande houden dat die ontwikkeling culmineerde in het denken van Hegel. Hij was op dat gebied werkelijk een kunstenaar, hetgeen zich onder andere ook uitte in een schitterend taalgebruik - wat overigens lang niet door iedereen beaamd wordt! Maar, meer dan een voorlopig eindstadium is het denken van Hegel echter niet.

denken in begrippen-1   denken in begrippen-2

 

No.258

Als je bijvoorbeeld tot de conclusie komt dat de organische werkelijkheid in alle opzichten een vrouwelijke is blijkt dat een juiste conclusie te zijn. Je kunt hem met tal van argumenten staven, maar als die argumenten op zichzelf ook weer begrippen zijn blijft onherroepelijk de vraag liggen hoe dat dan allemaal zit, waarom dat het geval is en langs welke weg je tot een antwoord op die laatste vraag kunt komen, waarvan het antwoord steeds maar weer, net als de horizon in het landschap, verderop blijkt te liggen. Zo kun je ook vaststellen dat vanaf een zeker moment in de cultuur-ontwikkeling de mens ertoe zal overgaan de dingen te ontleden. Waarom dat het geval is weet je niet echt als je het gebruikelijke antwoord hoort: de mens gaat de dingen ontleden omdat deze te ontleden zijn. Dat antwoord blijkt achteraf niet fout te zijn, maar alweer, het geeft geen antwoord op de laatste vraag: hoe zit dat dan? Als je vanuit een universeel verklaringsprincipe nagegaan bent hoe de werkelijkheid is, ontstaat er naast en tegelijk met het begripsmatige weten een praktisch weten dat op filosofische wijze, namelijk uitsluitend berustend op nadenken, verklaart waarom de zaak is zoals hij is. Je kunt dit nadenken “praktisch filosoferen” noemen, of “fenomenologischsch filosoferen”, maar eigenlijk doet dat er niet zoveel toe.

 

 

No.259

Wat er aan de hand is met bijvoorbeeld de vrouwelijke organische verschijnselen is dit: in een bepaald verschijnsel hebben de beweeglijkheden, die tevoren reeds de vorm van bepaalde elementaire materiële systemen hebben aangenomen, zich tot een “verschijnsel” samengevoegd en zich daarbij zo innig met elkaar verbonden dat het, tot op dat moment binnen die systemen opgesloten, beweeglijk-zijn weer vrij komt en het betreffende verschijnsel in zichzelf beweeglijk maakt. Dat wil zeggen dat het betreffende verschijnsel “levend” wordt. In feite is dat de zogenaamde oercel. Dat vrijgekomen beweeglijk-zijn houdt alle varianten van voordien nog niet vrijgekomen beweeglijk-zijn in en omdat dit het geval is verkeert het betreffende verschijnsel in een situatie die wij vrouwelijk noemen omdat tenslotte de vrouw manifestatie van het “alles inhoudende principe” blijkt te zijn. En automatisch is de man dan “de totale inhoud” van dat vrouwelijke. Zo is de gehele werkelijkheid na te gaan vanuit de “beweeglijkheden” als universeel principe en dat geeft aan de filosofische begrippen een ruggengraat, een “stalen frame” dat de zaak zin en betekenis geeft. Begrip en fenomenologische ruggengraat tezamen maken de filosofie volwassen, precies zoals de niet-materiële werkelijkheid tezamen met de materiële, het geestelijke tezamen met het stoffelijke de volwassen mens vormen. Maar, deze laatste beweringen kunnen pas dan echt betekenis krijgen als men de door mij bedoelde “fenomenologische” gedachtegang nauwkeurig gevolgd heeft. Zolang dat nog niet het geval is stellen uitspraken als "ik ben het er niet mee eens" of daar tegenover "ik ben het er volkomen mee eens" in feite niets voor

 

No.260

Men heeft de filosoof Bolland ( 1854- 1922) het verwijt gemaakt dat hij zo in stelligheden sprak. Er kwam in zijn uitspraken geen enkele twijfel voor en het was zelfs zo sterk dat er eigenlijk geen discussie over zijn denken en ideeën mogelijk was. Voor Bolland was de waarheid van Bolland de waarheid! Dat zette uiteraard bij menigeen kwaad bloed, ten eerste natuurlijk vanwege het feit dat Bolland met zijn denken buitengewoon autoritair omging en daarbij een ieder veroordeelde die over een aantal zaken anders wenste te denken. Maar ten tweede vooral ook doordat een denken dat zich ten doel stelt tot stelligheden en zekerheden te komen geheel buiten de moderne opvattingen over het denken ligt. Voor dat denken geldt dat iets “zo” kan zijn, maar met evenveel recht ook “anders”. Het is een denken dat niet zozeer uit is op waarheden, maar op juistheden, hetgeen wil zeggen dat het niet gaat om de vraag hoe de werkelijkheid is, maar om de vraag wat zij is. De eerste vraag slaat op de systemen die binnen de werkelijkheid actief zijn en de tweede op de materialen waarmee de zaak opgebouwd is. V oor Bolland ging het in de filosofie om de vraag hoe het zit met de werkelijkheid. Bij het zoeken naar een antwoord op die vraag moet als eerste bedacht worden dat er logischerwijs maar één werkelijkheid kan zijn en dat bijgevolg die werkelijkheid zit zoals ze zit en niet anders! Antwoorden zullen dus enkelvoudig en eenduidig moeten zijn en dat leidt er in de praktijk toe dat er voor degene die een antwoord gevonden heeft geen discussie mogelijk is.

De zaak is gewoon zoals ze is en men ziet dat of men ziet dat niet. Een tussenweg, een “gulden middenweg” is uitgesloten. Men kan dat arrogant, autoritair, dogmatisch en eigenwijs vinden en in het geval van een eigengereide figuur als Bolland komt men daar al vlug toe, maar in feite klopt het wel degelijk. Het is daarmee net als met een kunstwerk : de kunstenaar maakt het zoals hij het maakt en daaraan komt geen discussie te pas.

 

No.261

Voor de filosoof is de werkelijkheid zoals ze is en beslist niet anders. Hij zoekt immers naar de waarheid en niet naar een aantal onduidelijke mogelijkheden, die inderdaad voor de wetenschapper niet onduidelijk zijn maar helder gestelde objecten voor onderzoek. De filosoof echter komt tot zekerheden waaraan niet te tomen valt. Zekerheden die als criterium hebben dat “zij morgen ook nog onverminderd waar moeten zijn”. Wat anders is evenwel de vraag of de door een bepaalde filosoof naar voren gebrachte “waarheid” werkelijk waar is. Met andere woorden: klopt het met die bepaalde uitspraak van die bepaalde filosoof? Is zijn waarheid bij uitvoerig nadenken inderdaad de waarheid? De voor de filosoof noodzakelijke “persoonlijke zekerheden” kunnen bij nadere beschouwing om herziening vragen. Daarbij kunnen de inzichten van anderen een rol spelen, omstandigheden kunnen er aanleiding toe geven, maar ook onoverkomelijke inconsequenties bij het nadenken over ogenschijnlijk andere thema's. Hoe dan ook, het zal met een zekere regelmaat voorkomen dat de filosoof bepaalde waarheden geheel of gedeeltelijk herziet ten gevolge van een verdere verdieping van zijn inzichten. Maar ten allen tijde is ook dit “herzieningsproces” een strikt persoonlijke aangelegenheid waarin discussies met anderen geen rol spelen. Het filosofisch nagaan hoe het zit met de werkelijkheid is volstrekt geen “democratisch” proces en het is zelfs geen wetenschappelijke zaak - wat overigens niet wil zeggen dat een en ander onwetenschappelijk zou zijn!

 

No.262

Als het over iemands wetenschappelijke beweringen gaat wachten de toehoorders zich er doorgaans wel voor het al of niet ermee eens te zijn, ik bedoel bij voorbaat, zonder de zaak nauwkeurig bestudeerd te hebben. Zo zou het ook met betrekking tot de filosofie moeten zijn : men moet eerst gedegen en onbevooroordeeld kennis nemen van de bij een bepaald thema gevolgde gedachtegangen en pas daarna eventueel zijn kritiek erop en zijn mening erover geven. Maar gewoonlijk spreekt men onmiddellijk al met grote vrijmoedigheid de filosoof tegen, precies alsof men over het onderhavige thema ook uitvoerig en consequent nagedacht heeft. Gevolg is dat de uitspraken van filosofen in de lucht blijven hangen alsof ze voor de mensen van geen enkele betekenis zouden zijn. Het is alsof grote denkers als Spinoza, Kant, Hegel, Borger en een menigte andere moderne denkers nooit wezenlijke en ook voor de praktijk belangrijke uitspraken over de wereld, de cultuur en de mens gedaan hebhen... Iedere analfabeet kan er zijn nauwelijks doordachte mening tegenover stellen en doordat zo'n mening noodzakelijk op gangbare mode-voorstellingen berust heeft zo'n leeghoofd nog het gelijk aan zijn kant ook!

 

No.263

denken in begrippen-1   denken in begrippen-2

Het is waarschijnlijk het meest duidelijk als ik de praktische filosofische gedachtegang benoem met de term systeemdenken of denken in systemen. Dat staat dan naast het begripsdenken oftewel het denken in begrippen. Een systeem is een eenheid, een samenhangend verband, van beweeglijkheden. Meerdere van die “eenheden”, van die “verbanden”, en dus van die systemen, kunnen in een drietal situaties voorkomen: ten eerste als een “ijle” zaak zoals bijvoorbeeld een neutronenwolk, ten tweede als “samenklontering” zoals bijvoorbeeld een steen en ten derde als een “organisme”, een levend wezen dus. Dit alles in dit verband uit de doeken te doen voert echter veel te ver. Van belang is thans dat er ook filosofisch gedacht moet worden over de werkelijkheid als systeem. Tenslotte is het toch een onmiskenbaar feit dat de begrippenstelsels gebaseerd zijn op een configuratie van de beweeglijkheden. Zonder dat viel er helemaal niets te denken, laat staan te denken in begrippen.

denken in begrippen-1   denken in begrippen-2

 

No.264

Het denken in systemen is beslist geen natuurkundig denken. Dit laatste berust namelijk op het ontleden van de werkelijkheid. Het gaat dus uit van de verschijnselen die men in de praktijk aantreft en, als het ware van achter naar voren, zoekt men de kleinste bouwsteen teneinde er achter te komen waaruit de werkelijkheid bestaat en hoe die samengesteld is. Men zoekt het materiaal. Het denken in systemen werkt andersom: je probeert te bedenken wat noodzakelijk het universele basis-principe van de werkelijkheid moet zijn en van daaruit en met behulp daarvan ga je bedenken welke systemen er onvermijdelijk zullen ontstaan. Tenslotte kom je dan bij de laatste mogelijkheid qua verschijningsvorm uit en als je dan gaat onderzoeken of je die ook ergens tegenkomt, dan blijkt alras dat dit het verschijnsel mens is. Met ontleden heeft dit alles niets van doen en het leidt er dan ook toe dat de filosoof niet met een theorie, een berekening of een formule komt, maar met een zo genuanceerd mogelijke beschrijving van de reële werkelijkheid. De natuurkundige daarentegen komt als het goed is met een zo gedetailleerd mogelijke formule omtrent de concrete verschijnselen. Omdat zo'n formule alleen maar gebaseerd kan zijn op de in de mens aanwezige werkelijkheid als voorstelling zijn die concrete natuurkundige verschijnselen in genen dele gelijk aan de reële werkelijkheid. Op zichzelf is dat best voor elkaar, maar in de uitermate vervreemdende moderne cultuur geeft het helaas toch aanleiding tot rampzalige misverstanden, doordat de mensen - en zelfs een heleboel geleerden - onwillekeurig gaan denken dat de wetenschappelijke werkelijkheid samenvalt met de echte. Als het goed is stemt zij er wel mee overeen, maar dat is iets anders dan samenvallen. Een goede landkaart stemt nauwkeurig overeen met het gebied dat hij in kaart brengt, maar hij valt met dat gebied niet samen! De kaart (de formule) is volstrekt wat anders dan het gebied (de realiteit).

 

No.265

Eigenlijk is tussen filosofen geen discussie mogelijk, netzomin trouwens als tussen kunstenaars. Dat wordt in de moderne wereld heel jammer gevonden, men ziet het zelfs als een ernstig tekortschieten van deze mensen. Omdat zowel de moderne filosofen als de kunstenaars ook graag voor vol willen worden aangezien laten zij zich grotelijks meeslepen met het gangbare gedoe en beijveren zij zich om in publicaties, discussies, disputen en dialogen hun partij mee te blazen. Maar voor de goede verstaander is het louter holle wind, geraas aan de vensters. Er komt noodzakelijk nooit iets goeds uit voort, tenzij je het immer voortdurende gewauwel over hun problemen met “het vak” als iets goeds wilt waarderen...Kunstenaars moeten natuurlijk al helemaal hun mond houden. Laten zij hun vak uitoefenen en niet zeuren! En de filosofen kunnen en moeten niets anders doen dan hun waarheden verkondigen zonder daarbij acht te slaan op tegenspraak. Dat klinkt allemaal erg eigengereid! Met nadruk moet gesteld worden dat het dat ook tenvolle is! Het kunstenaarschap en de filosofie zijn beide geworteld in strikt individuele menselijke verhoudingen en vermogens. Het heeft bij alle twee alles te maken met de werkelijkheid als beeld zoals die zich binnen het individu ervaren laat. Naar buiten toe valt er niets te bediscussiëren. Het in de medemens eventueel optredende psychische meetrillen gaat in feite geheel buiten de kunstenaar en filosoof om en ook voor die medemens is het geen kwestie van discussie, maar een kwestie van het ondergaan ervan. Dat kan in die medemens van alles teweeg brengen en het kan filosofisch zelfs de deur openen naar nieuwe gebieden en tot nieuwe inzichten leiden. Maar nog steeds heeft de filosoof, evenals trouwens de kunstenaar, daar geen boodschap aan, zelfs niet de kunstenaar die het direct van zijn publiek moet hebben, zoals bijvoorbeeld de musicus en de toneelspeler. Je doet gewoon wat je te doen hebt en de vraag waardoor het komt dat het publiek reageert, blijft onbeantwoord omdat het daarbij gaat om het mysterie van het volslagen onvoorspelbare meetrillen van de psyche van de een met die van de ander.

 

No.266

Opgevoede-1 ; Opgevoede-2 ; Opgevoed-1 ; Opgevoed-2 ; Opgevoed-3 ; Opvoeden ; Opvoeding-1; Opvoeding-2 ; Vervreemding-1(nr. 266) en vervreemding-2(nrs. 325 t/m 330)

Er zijn nogal wat filosofen, vooral zogenaamd postmoderne, die Descartes (1596-1650) verwijten dat hij zijn uitspraak "Ik denk, derhalve ben ik er" wel wat al te letterlijk opgevat heeft. Hij heeft namelijk alles, maar voornamelijk de filosofie, teruggebracht tot zichzelf. Hij heeft de gehele werkelijkheid beschouwd als het resultaat van zijn eigen denken. En dat houdt bijgevolg ook in dat de werkelijkheid in principe te begrijpen is, louter op grond en met behulp van het eigen denken. Dat nu is iets waar moderne filosofen niets van moeten hebben! Al vaak heb ik gewezen op de samenhang van analytisch denken, de cumulatie van kennis, de leerprocessen die in feite alleen maar leiden tot een citeercultuur, het diepgewortelde wantrouwen tegen het persoonlijke kenvermogen en het volslagen misplaatste vertrouwen in al datgene dat zogenaamd objectief kenbaar zou zijn. Ik heb steeds gewaarschuwd voor de onvermijdelijke vervreemding die gevolg is van het almaar in vol vertrouwen aanvaarden van kennis die van buitenaf aangereikt wordt door deskundigen. Niet omdat die deskundigen er met de pet naar zouden gooien, maar omdat ook juiste informatie nimmer op grond van de status van de betreffende informant vanzelfsprekend als ware informatie mag worden beschouwd. Ook juiste informatie wordt je “wijsgemaakt”. Daaraan is een heel proces van aanpassing aan de wetenschappelijke criteria vooraf gegaan. Al op jonge leeftijd wordt de scholieren ingeprent wat als juist moet worden gewaardeerd en op grond van welke criteria dat het geval is. Meestal klopt een en ander wel, maar zodra het over zaken gaat die zich niet laten meten en berekenen worden de criteria uiterst dubieus. Een voorbeeld van dit laatste is het gescharrel van de orthodoxe en evangelische christenen met de evolutie theorie, met de euthanasie, abortus, homofilie en dergelijken. Men komt dan met argumenten die kant noch wal raken, maar de christelijk opgevoede kinderen zijn inmiddels al zo geraffineerd geprogrammeerd dat zij de meningen van hun opvoeders in goed vertrouwen voor waar houden.

Opgevoede-1 ; Opgevoede-2 ; Opgevoed-1 ; Opgevoed-2 ; Opgevoed-3 ; Opvoeden ; Opvoeding-1; Opvoeding-2 ; Vervreemding-1(nr. 266) en vervreemding-2(nrs. 325 t/m 330)

 

No.267

Eigenlijk kun je je erover verbazen dat de moderne denkers, die toch uitblinken in het bijeenschrapen van “problemen”, zich niet of nauwelijks bezig houden met de paradoxale kwestie van subjectiviteit en objectiviteit. Zouden zij dat wel doen, dan zouden zij misschien bemerken dat onze analytische cultuur een merkwaardige draai aan de zaak gegeven heeft. Datgene dat volgens die cultuur “subjectief “ moet heten en dat bijgevolg geen universele waarheid kan bevatten blijkt nu juist de enige bron van “objectieve kennis” te zijn terwijl het zogenaamd objectieve steeds een subjectieve waardering en een persoonlijk vertrouwen vooronderstelt. Alle objectief genoemde kennis is, hetzij door eigen ervaringen, hetzij door mededelingen van anderen, tot ons gekomen en doordat wij erop geprogrammeerd zijn bepaalde kennis wel en andere niet voor waar te houden hebben wij in die kennis vertrouwen gesteld. Dat betekent dus dat juist die zogenaamd objectieve, wetenschappelijk betrouwbaar bevonden, kennis door en door subjectief is. Het is niet te vermijden dat het merendeel van onze kennis tot de subjectief als juist bevonden kennis behoort. Dat is best in orde! Maar, het wordt wel tijd dat wij leren inzien dat die kennis niet zonder meer overeenkomt met datgene dat, bijwijze van de werkelijkheid als beeld, in onszelf als waarheid kenbaar is. Of die zogenaamd objectieve kennis nu juist is of niet, het is onvermijdelijk een ons wezenlijk vreemde zaak, en wel omdat hij afhankelijk is van de toevallige dispositie van onze persoonlijkheid. Dat wat de werkelijkheid als beeld ons leert is in feite iets wat niet bepaald wordt door de toevallige structuur van onze persoonlijkheid. Die werkelijkheid is precies zoals ze is en als zodanig leeft ze in alle mensen. In hoeverre de kijk van de mensen op die werkelijkheid vertroebeld is - vrijwel zonder uitzondering door inwerkingen van de cultuur - is een andere zaak. Dat uit te zoeken is een essentiële opdracht van de filosofie, maar nog slechts weinigen zullen dit beamen...

 

No.268

Het is altijd moeilijk en gevaarlijk het denken van anderen te beoordelen. Een oordeel over gang van zaken bij het huidige denken in het algemeen is heel goed mogelijk omdat dit gevormd wordt door enerzijds inzicht te verkrijgen in onze cultuur als zodanig en anderzijds door je op de hoogte te stellen van de bij allerlei gelegenheden min of meer willekeurig en vaak per ongeluk gedane uitspraken. Maar om inzicht te krijgen in het denkwerk van een bepaalde denker is een studie ervan vereist. Juist zo'n studie is als het ware een uitnodiging tot verkeerd begrip. Doordat namelijk het geschreven woord het enige referentiekader biedt zijn er geen alternatieve verklaringen en toelichtingen mogelijk en een discussie om duidelijkheid te verkrijgen is al helemaal uitgesloten. Het min of meer gelukkig gekozen woord van de te bestuderen denker is alles bepalend en dat is een ernstige handicap. In de praktijk van de filosofie blijkt dat dan ook telkenmale: de een haalt er dit uit en de ander dat en wat er werkelijk bedoeld is blijft in het ongewisse. Toch denk ik dat het wel klopt als ik zeg dat Descartes destijds heel goed begrepen heeft dat de filosoof de waarheid alleen maar in zichzelf kan vinden en dat zijn denkwerk daardoor noodzakelijk uitmondt in een persoonlijk verhaal. Dat laatste echter is in genen dele een reden om de zaak dan maar als onbruikbaar, onbetrouwbaar en incidenteel te kwalificeren. En het getuigt al helemaal van filosofisch onbenul als men denkers als Descartes arrogantie, eigenwijsheid en zelfoverschatting gaat verwijten. Je verwijt toch ook Rembrandt niet dat hij zijn kunstwerken uit eigen inspiratie en inzichten tot stand bracht en daarbij voor zichzelf zeker was over de vraag hoe zijn werkelijkheid er uit zou moeten zien. Hij wist zeker: zoals ik het doe, zo is het en zo moet het! En uiteraard is dat een zekerheid die evenzeer voor andere kunstenaars geldt: ook Frans Hals kon dezelfde uitspraak met evenveel recht doen. Mozart geeft ons een verklanking van de werkelijkheid en dat is zijn eigen, strikt persoonlijke, muziek. Maar tegelijkertijd is het de verklanking van “de” werkelijkheid. Tegelijkertijd is de zaak, hoewel subjectief van Mozart, objectief de werkelijkheid als klank. Zo is de filosofie van Descartes, hoewel het uitsluitend en. alleen-maar zijn verhaal is, tegelijkertijd de filosofie in die zin dat het de poging is vanuit de werkelijkheid als beeld te beschrijven hoe het zit met de werkelijkheid. Daarbij heeft Descartes niets aan het geleuter van anderen, de waanwijsheden van de dag en de per definitie machtzoekende ideologieën. Maar hij heeft ook niets aan de “waarheden” van de wetenschappers. Hij kan slechts bij zichzelf te rade gaan. Hij moet bij zichzelf te rade gaan!

 

Al eerder heb ik opgemerkt dat er tegenwoordig steeds vaker negatief gereageerd wordt op het atheïsme. Dat komt uit een onverwachte hoek: het merkwaardige is namelijk dat die reacties niet komen van de zijde van de gelovigen, van wie zoiets volkomen normaal zou zijn, maar juist van de kant van diegenen die je min of meer als je geestverwanten zou beschouwen: wetenschappers, filosofen, journalisten en kunstenaars. De oorzaak daarvan is volgens mij niet in de eerste plaats doordat die geestverwanten eigenlijk in de verte toch nog gelovig zouden zijn - wat overigens vaker het geval is dan je zou denken - maar de reden is dat atheïsme een niet mis te verstane stellige uitspraak inhoudt, namelijk dat god volstrekt niet bestaat. De atheïst kent geen twijfel als het over boven- en buitenmenselijke spirituele machten gaat: die bestaan niet!

Dat is niet alleen maar een botte ontkenning, zoals de term atheïsme doet vermoeden, maar het is vooral ook een bevestiging van een resultaat van nadenken. Dat resultaat is in het kort dat buiten- en bovenmenselijke geesten niet bestaan omdat ze niet bestaan kunnen. Als de atheïst gevraagd wordt zijn uitspraken te staven doet hij er dan ook goed aan geen poging te wagen de mening van gelovigen te bestrijden door te proberen te bewijzen dat hun uitspraken niet kloppen en dat goden niet bestaan. Dat is een vruchteloze zaak die al door menigeen gepoogd is, maar die onvermijdelijk uitloopt in een ja-nee-tweestrijd waarbij niemand meer naar iemand luistert. Het is in de praktijk nooit gelukt er zelfs maar een enigszins redelijke discussie van te maken .

 

no.270

Wat de atheïst te doen staat is te laten zien, aannemelijk te maken, dat er geen goden kunnen zijn. Hij gaat er daarbij niet van uit dat hij een bewering van iemand anders zou moeten weerleggen, wat helaas eigenlijk in die vervelende term atheïsme besloten ligt, maar hij gaat dan van zijn eigen min of meer heldere begrijpen van de werkelijkheid uit om tot de slotsom te komen dat geloven in buiten- en bovenmenselijke geesten onzin is. Hij kan daarvan zeker zijn omdat hij te weten is gekomen hoe de zaak nu wel in elkaar zit: buiten- en bovenmenselijke geesten zijn voorstellingen binnen het eigen zelfbewustzijn van de mens en dergelijke voorstellingen komen in de mensen voor zolang zij in hun onvolwassenheid nog niet begrijpen dat hun mens-zijn een niet-materiële factor inhoudt (sla er, wat dit betreft, mijn Constandse-lezing van september 1995 nog eens op na ). Zolang dat onbegrip er is menen zij, bij confrontatie met hun eigen zelfbewustzijn, met iets bovenaards van doen te hebben. Nu blijkt dat het niet zozeer deze conclusie en dit inzicht zijn die moderne geestverwanten van de atheïst tegen de haren instrijken, maar dat het de zekerheid ervan is die hen stoort. Zij vinden dat je nergens zeker van kunt zijn omdat volgens het moderne denken telkens weer blijkt dat alles uiteindelijk betrekkelijk is. Dus wordt aan die zekerheid van de atheïst als vanzelfsprekend de consequentie verbonden dat hij wel onverdraagzaam en dogmatisch moet zijn. De feiten lijken die geestverwanten gelijk te geven: de atheïst wijst het geloof en de godsdienst radicaal af. Sterker nog: hij vindt dat geloof en godsdienst levensgevaarlijke verschijnselen zijn omdat zij de mensen in een ziekelijke waan gevangen houden. En omdat hij dat vindt neemt men voetstoots aan dat hij ook wel zal vinden dat die waan doorbroken moet worden door de mensen het geloof af te nemen en de godsdienst te verbieden. Dit nu is een onterechte en zelfs onrechtvaardige beschuldiging.

 

No.271

De atheïst is er helemaal niet op uit de mensen hun geloof en hun godsdienst af te nemen. Hij is er niet op uit die te verbieden. Dat is bepaald niet van hem te verwachten, hij is immers geen Leninist! Een tweetal redenen is wat dit betreft aan te voeren: ten eerste heeft ook de atheïst het recht niet iemand iets af te nemen, hetzij materieel, hetzij ideëel en derhalve betwisten de vrijdenker noch de atheïst de mensen het recht er een geloof op na te houden. Bovendien begrijpen zij hoe het komt dat mensen geloven. Maar anderzijds staan zij wel op hun recht de geloofsvoorstellingen van de gelovigen op hun intellectuele verdiensten te toetsen, precies zoals zij dat met hun eigen ideeën gewend zijn te doen, om vervolgens van hun bevindingen kond te doen. Ten tweede laten dergelijke zaken zich niet afschaffen, verbieden of afnemen.

Dat komt doordat zij wezenlijk bij de mens behoren, dat is te zeggen: bij de alsnog onvolwassen mens. Niet dat iedereen die qua ontwikkeling tot een lid van de nog onvolwassen mensheid gerekend moet worden per se godsdienstig moet zijn, maar wel dat positieve ongelovigheid voorlopig onvermijdelijk tot de uitzonderingen behoort. Regel is enigerlei vorm van gelovigheid zoals die zich meestal manifesteert als het behoren tot en deelnemen aan een godsdienst. Die, overigens zelden herkende en begrepen regel, is er de oorzaak van dat gelovigen hun wanen voor normaal houden en op grond daarvan met grote zelfverzekerdheid het recht opeisen voor iedereen de moraal en de leefregels te bepalen. En ook is die regel oorzaak van het merkwaardige feit dat steevast atheïsten gedwongen worden aan te tonen dat god niet bestaat, terwijl de gelovigen nimmer bereid zijn hun stelling dat god wel bestaat te staven. Sterker nog: zij zijn doorgaans diep beledigd als je een dergelijk bewijs van hen verlangt. De hele kosmos wijst toch op het bestaan van iets hogers, dat ziet toch ieder “normaal” mens! Hoe diep moet iemand gezonken zijn om van een gelovige zulk een bewijs te verlangen! Dat zijn uitroepen die je regelmatig tegenkomt, zeker als je als atheïst op de voorgrond treedt.

 

No.272    ieder het zijne-1(nrs.272t/m274) ; ieder het zijne-2(391t/m393)  Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2 ; Intellectuele lafheid-3 ; Intellectuele lafheid-4 ; Intellectuele lafheid-5 ; Intellectuele lafheid-6 ; Intellectuele lafheid-7

Dank zij de binnen het hedendaagse denken populaire mening dat er niets zeker is, floreert in de moderne maatschappij het geloof meer dan ooit. Het wordt namelijk steeds meer serieus genomen als een zinvol stelsel van normen en waarden. En als zodanig wordt het aanvaard en gerespecteerd temidden van andere morele mogelijkheden. Het geloof mag weer! Ieder het zijne is de kreet die daarbij geslaakt wordt. Dat lijkt te getuigen van grote tolerantie, maar in feite is het, volgens mij onmiskenbaar, een uiting van betreurenswaardige intellectuele lafheid. Men verbloemt namelijk daarmee het eigen onvermogen en de eigen geestelijke luiheid om nu eens werkelijk door te denken op het thema van het geloof. En men verschuilt zich achter zogenaamde tolerantie en redelijkheid. Maar intussen neemt men voor de gelovigen de door allerlei “ketters” met veel opofferingen, moeite en strijd opgeworpen maatschappelijke hindernissen weg en maakt de weg vrij voor een nog grotere invloed. Een invloed die zich veel meer in het verborgene gelden laat dan vroeger het geval was toen de dominee en de pastoor het voor het zeggen hadden. Die gelovigen opereren namelijk nauwelijks meer in groepsverband. Daarom :

het klopt als vrijdenkers en humanisten verheugd constateren dat de kerken bezig zijn te verdwijnen. Maar wat niet klopt is de daaraan gekoppelde mening dat het geloof eveneens op de terugweg zou zijn. De enorme aantallen leden van onder andere de Evangelische Omroep en de onvoorstelbare groei daarvan, de deelname aan allerlei evangelisatie bewegingen en daarnaast de aanhang van een menigte vreemdsoortige occulte toestanden en theorieën spreken wat dit betreft een duidelijke taal. Het geloof is bezig steeds meer een zaak van de mens als individu te worden. Al die hedendaagse bewegingen richten zich tot de individu en van een hecht collectief, zoals vroeger een kerk, is vrijwel geen sprake meer. En juist als individu laten de “nieuwe” gelovigen zich geducht gelden, op de plaats namelijk waar zij “door god gesteld” zijn: in de scholen, de wijken, de hulpverlening enzovoort. Daarbij doen zij zich voor als neutraal, openbaar en onconfessioneel, maar intussen is het toch hun persoonlijke geloof dat hun gedrag bepaalt, meer nog en indringender dan vroeger toen de dominee en de pastoor dat deden. En, als het even kan, moet het ook dat van anderen bepalen, die er eigenlijk niets van moeten hebben.. . Hierbij moet overigens opgemerkt worden dat eenzelfde omstandigheid voor een goed deel het succes van de Islam verklaart, die in al zijn morele stugheid toch wezenlijk appelleert aan de individuele gelovige, ook al bezit die een individualiteit van nog nauwelijks enige betekenis. Vandaar dat er eigenlijk in de Islam geen collectief met een interne hiërarchie bestaat. De activiteiten van die nieuwe gelovigen zijn niet te neutraliseren doormiddel van grote collectieven. De zaak ontsnapt daar geheel en al aan, hetgeen bijvoorbeeld moge blijken uit de stiekeme manier waarop de evolutietheorie onlangs weggefrommeld is. Slechts de individuele benadering kan enigszins een dam opwerpen tegen hun aanwassende invloed. Maar, omdat die benadering een filosofisch doordenken van de werkelijkheid vooronderstelt is er ook hiervan in de praktijk niet veel te verwachten. Blijft over de hoop en het vertrouwen dat het dagelijkse leven ook deze persoonlijk getinte waan zal uithollen

[In een enigszins andere vorm is bovenstaande tekst ook als artikel verschenen in her tijdschrift De Vrije Gedachte van februari 1996]

Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2 ; Intellectuele lafheid-3 ; Intellectuele lafheid-4 ; Intellectuele lafheid-5 ; Intellectuele lafheid-6 ; Intellectuele lafheid-7

 

no.273

Volgens de filosofie, althans de autonome, kunnen goden en andere geesten niet bestaan. Dat is, binnen het kader van die filosofie, een duidelijke en volstrekt zekere zaak. Maar de meeste gangbare filosofieën komen niet verder dan een agnostisch standpunt: men weet het niet en men wil het niet weten. Hoewel de argumenten en de gedachtegangen van de autonome filosofie verschillen van die van de theologie - waarbij men welbeschouwd nauwelijks van “argumenten” en “gedachtegangen” kan spreken! - is het resultaat van beide activiteiten in zoverre overeenkomstig dat er stellige uitspraken gedaan kunnen worden. De filosoof zegt “nee-god” en de theoloog daarentegen " ja-god". En de agnostische filosoof stamelt " weet-niet-god". Je zou kunnen zeggen dat ieder het voor zich moet weten, ware het niet dat het denken van de mens ook nog maatschappelijke consequenties heeft. Van de theologisch denkende mensen, de godsdienstigen dus, is bekend, dat zij, denkende vanuit een absolute macht, hun moraal, normen en waarden beschouwen als voor een ieder geldig, godsdienstig of niet. Het zijn zaken die op grond daarvan rechtmatig afgedwongen kunnen worden, vinden zij . En zij handhaven die mening ook onder een democratisch regiem, hetgeen ertoe leidt dat zij elke weg geoorloofd vinden om een theologisch verantwoord maatschappelijk doel te bereiken. Dat komt in een moderne maatschappij bijna altijd neer op de behoefte en de wil om iets te verbieden. De autonome filosofen zijn wel absoluut zeker van de afwezigheid van boven en buitenmenselijke verschijnselen, maar zij leiden uit die zekerheid geen enkele vorm van macht af. Trouwens, genoemde afwezigheid kan op zichzelf al niet tot het toekennen van macht leiden! Zij zijn dus wel van mening dat alle godsdienstigen het bij het verkeerde eind hebben en derhalve in een waan gevangen zitten, maar zij kunnen en willen niets anders doen dan dit feit constateren. Alleen al dat constateren maakt hen evenwel uiterst waakzaam. Als zij namelijk geconfronteerd worden met tirannie van godsdienstigen die hun wil wel willen doordrijven maken zij daartegen front en plegen radicaal verzet.

Zo niet de agnosten. Dezen zien geen andere mogelijkheid dan “in gesprek” te gaan,

“als gelijkwaardigen om de tafel te gaan zitten” en “met elkaar tot overeenstemming te komen”. Die ronde is natuurlijk al bij voorbaat verloren, zelfs als de godsdienstigen, redelijk en democratisch als altijd(!), een beetje water in de wijn doen. Een deel van hun wensen wordt immers wel gehonoreerd. Zouden zij echter niet godsdienstig geweest zijn, dan zouden er helemaal geen tirannieke wensen op tafel gelegen hebben zodat er helemaal niets zou zijn doorgedrukt...

 

no.274

De autonome filosofen, die onvermijdelijk ook atheïsten zijn, plegen een zo heftig mogelijk verzet tegen godsdienstige dwingelandij ; de godsdienstigen zijn onvermijdelijk dwingelanden omdat zij proberen iedereen aan zich te onderwerpen, waarbij zij net doen of men zich aan god onderwerpt en de agnosten kunnen noodzakelijk niets anders dan terrein prijsgeven zodat in feite de maatschappij door de godsdienst gedomineerd wordt. Hetgeen men tot op de dag van vandaag in alle zogenaamde democratieën kan zien.

ieder het zijne-1(nrs.272t/m274) ; ieder het zijne-2(391t/m393)

 

No.275

Vrijwel iedere moderne denker staat afwijzend tegenover het leren begrijpen van de werkelijkheid louter vanuit de eigen persoonlijke mogelijkheden. Zelfs de gedachte dat het mogelijk zou zijn wordt met misprijzen begroet. Men is er zeker van dat er “objectief” onderzoek gedaan moet worden, zowel ter verifiëring van eigen waarnemingen als ter vergelijking van eigen ideeën met die van anderen. Er zijn tegenwoordig al “filosofen” die bezig zijn met normaal wetenschappelijk onderzoek, bijvoorbeeld op het terrein van de sociologie, van de geschiedenis, van de natuurkunde, de politiek en vele andere disciplines. Wat dit alles met filosofie te maken heeft is volstrekt onduidelijk. De omschrijving van filosofie als het uitzoeken hoe het zit met de werkelijkheid lijkt voor die zogenaamde filosofie op te gaan, maar doet het in feite niet: men vraagt slechts naar de samenstelling van bepaalde verschijnselen. De antwoorden op die vragen worden abusievelijk beschouwd als afspiegelingen van de werkelijkheid. Maar het zijn niet meer dan voorstellingen die cultuur- en persoonsgebonden zijn. Die voorstellingen hebben uiteraard ook in deze zogenaamde filosofie betrekking op tijd- en plaatsgebonden verschijnselen, precies het andere van datgene wat de filosofie werkelijk beoogt: een universele beschrijving van de werkelijkheid. Zoals steeds wordt “objectiviteit” verward met “universaliteit” en dat is precies fout!

 

No.276

Eigenlijk is de gedachtegang heel eenvoudig. Voor het laatste verschijnsel geldt dat het universum niet alleen materieel aanwezig is, maar ook niet-materieel, namelijk als een voorstelling in en van het zelfbewustzijn. Dat houdt logischerwijs ook in dat de werkelijkheid als bewustzijn eveneens binnen dat zelfbewustzijn is komen te liggen, en wel als iets, een “beeld”, dat zich aan die voorstelling afspiegelt. Een en ander bijeengenomen betekent dat de mens als laatste verschijnsel de gehele werkelijkheid in principe en wezenlijk kan kennen. Daarbij heeft hij niets anders nodig dan alleen maar zichzelf Enerzijds richt hij zich op de voorstelling, waarbij hij steeds meer en steeds efficiënter zichzelf “omzet” tot werktuigen (de gereedschappen die hij gebruiken moet) en dan heb je te doen met de mens als wetenschapper, en anderzijds richt hij zich op genoemd beeld, waarbij hij helemaal geen gereedschappen kan gebruiken omdat dat beeld in al zijn beweeglijkheid ongrijpbaar is. Men kan dat beeld wel benaderen en typeren, zoals dat gebeurt in de kunsten en men kan het ook nagaan, hetgeen in de filosofie gebeurt. Er is dus kunst en filosofie en er is wetenschap en de eerste twee hebben niets met die laatste te maken en omgekeerd. Althans, zij hebben in hun concrete manifestatie niets met elkaar te maken, waarmee ik bedoel dat de kunstenaar en de filosoof geen boodschap hebben aan de wetenschapper, terwijl deze laatste geen boodschap heeft aan de twee eersten. Omdat echter in onze moderne cultuur de wetenschappen op stroom liggen leggen deze hun eigen criteria ook op aan filosofen en kunstenaars, die zich dat overigens maar al te graag laten welgevallen, vanuit de behoefte voor vol te worden aangezien !

 

no.277

In feite gedraagt de wetenschap zich, als je dat zo mag zeggen, als een godsdienst. Dat is in ieder geval in onze cultuur zo. Zij pretendeert te weten hoe het zit en tevens heeft zij de pretentie als enige de mogelijkheid te bezitten om de dingen aan de weet te komen. Ook al erkent men het voorlopige karakter van wetenschappelijke feiten, dan nog eist de wetenschap voor zichzelf de enige, objectieve, juiste en algemeen geldige waarheid op. Elke andere “waarheid” wordt bij voorbaat en zonder pardon afgewezen. En, zij gaat daarmee nog verder: als iemand met die wetenschappelijke waarheid niets van doen wil hebben deugt hij niet, is hij een tobberd die met zijn wereld en zichzelf geen raad weet...

Voeg je daar nog bij het onwankelbare geloof dat de wetenschap in eigen kwaliteiten en uitspraken heeft en het beeld van een godsdienst te zijn is overduidelijk. Bijna iedereen wil binnen dit kader erkend worden omdat er eigenlijk geen ander kader voorhanden is en dus valt het gros van kunstenaars en filosofen zonder mankeren voor deze godheid. Dat leidt er onder andere toe dat men het andere aspect van het menselijk kenvermogen afwijst of minstens verwaarloost met alle nare gevolgen van dien.

 

No.278

Men zou zich erover kunnen verbazen dat in die landen waar een totalitair stelsel aangehangen werd en wat op het ogenblik ingestort is zich als eerste de misdaad ontwikkelt, zelfs vrijwel zonder uitzondering in die mate dat men van Maffia kan gaan spreken. Onder een totalitair stelsel reken ik ook de zogenaamde apartheid, zoals die voornamelijk in Zuidelijk Afrika openlijk de maat was. Totalitair is elk stelsel dat geen plaats biedt aan alle individuen. Het gaat hierbij alleen maar om een plek onder de zon. De vraag hoe de verschillende individuen het recht hebben er te zijn komt hierbij niet eens aan de orde. Men mag er eenvoudigweg niet zijn, hetgeen de heersende klassen overigens niet belet om die niet-aanwezige mensen genadeloos voor slavenarbeid te misbruiken. In die staten die formeel “totalitair” genoemd worden is de bevolking eveneens niet-aanwezig. Als element van een collectief kan geen enkel mens bogen op het recht aanwezig te zijn, als mens mee te tellen. Men telt wel “mensen” en men noemt ze wel allemaal bij name, maar al die mensen gelden niet als mensen. Zij gelden steeds als wat anders! Vaak zijn zij leveranciers van energie en kunnen zich een ongeluk sjouwen, dan weer gelden zij als machines die bepaalde handelingen moeten verrichten en ook mogen zij bij gelegenheid dienen om te sneuvelen voor “het vaderland”. Zo zijn er velerlei mogelijkheden, maar nooit gaat het om mensen. In feite is bij dit soort zaken het begrip individu de sleutel tot het begrijpen ervan. In grove trekken heb ik hierboven situaties geschetst waarin geen enkel mens naar zijn ware aard kan en mag gelden, namelijk naar zijn fundamentele kwaliteit van individu. In die maatschappelijke situaties geldt er voor de mens steeds iets anders en dat andere staat onvermijdelijk ten dienste van bepaalde élites die niet alleen de dienst uitmaken, maar die vooral zichzelf beschouwen als de enige “mensen” op deze planeet. In feite zijn de leden van deze élites in principe individuen - en ik haast mij eraan toe te voegen dat het kwalitatief niet veel om het lijf heeft omdat de zaak geen voor de mensheid nuttige inhoud heeft.

 

No.279

Als totalitaire systemen instorten blijft er een ratjetoe van enkelingen over die geen van allen ooit individu zijn geweest. In het licht van het begrip individu zijn het “nietsen”, beter nog: voor zichzelf en voor de anderen gelden die mensen als “nietsen”. Populair, maar eigenlijk verkeerd gezegd: het zijn “waardelozen”. Toch heeft het betekenis dat het heersende totalitaire systeem ingestort is, want dat instorten is het gevolg van een besef dat in die “waardelozen” begint wakker te worden, namelijk dat zij tot nu toe géén individu zijn, maar dat dit wel voor hen zou moeten gelden. Dat kun je herkennen als het eerste moment van individu-worden. Het dubbele zit er duidelijk in, want deze mensen balanceren op de grens van wel en niet individu zijn. Als dat besef van “individu willen zijn” zich nu gaat laten gelden is het eerste begrip dat zich gaat manifesteren het begrip misdaad. Dat is het geval doordat de ene mens zich tegen de andere gaat afzetten. De basis-situatie van de mens als “ik” is immers dat hij zich opstelt als “niet de ander”, en dat betekent dat de anderen wezenlijk ontkend zijn. Het ontkend-zijn van de voormalige totalitaire situatie verkeert zich nu voor de betreffende mensen in iets positiefs - natuurlijk niet in de morele zin, maar zo dat het niet aanwezig zijn het uitgangspunt wordt van een nieuwe ontwikkeling. Hoewel dit niet uit kan blijven en als zodanig als een “vooruitgang” aangemerkt moet worden is er tegelijkertijd dit van te zeggen dat nu de misdaad welig kan gaan tieren. En dat zien we dan ook steeds duidelijker gebeuren..!

 

No.280

Er schijnen nog steeds denkers te zijn die tobben met de vraag of de werkelijkheid gedetermineerd is of dat zij puur uit volstrekt toevallige samenlopen van omstandigheden ontstaan is. Vooral ten aanzien van de vraag naar het op de planeet verschijnen van de mens wordt er heel wat, op een verschrikkelijk rommelige manier, gespeculeerd. Men kan zich gemakkelijk voorstellen dat menigeen het antwoord op deze laatste vraag niet kan vinden, zeker niet als men zich nooit serieus filosoferend met het wordingsproces bezig heeft gehouden en zich bepaald heeft tot het “pronken met andermans veren”, namelijk het reproduceren van in boeken en tijdschriften aangetroffen verhandelingen. Maar, is dat nu aanleiding om allerlei aantoonbaar uit de lucht gegrepen verklaringen te accepteren, zoals daar bijvoorbeeld het idee is dat met het overal aanwezige kosmische stof de mens “overgewaaid” is van andere planeten? Of ook de veelgehoorde en met veel aplomb uitgesproken mening dat de mensen werkelijk een unieke toevalstreffer zijn? Men heeft blijkbaar nog steeds niet in de gaten dat het ontstaan van zonnestelsels met tenslotte ook mensen louter en alleen op een onvermijdelijk toeval berust. Dat wil zeggen dat in een situatie van “tijdloze tijd” en een “ruimteloze ruimte” zonder mankeren elke mogelijkheid van samengaan van beweeglijkheden en materie niet uit kan blijven en hier of daar en zo nu en dan noodzakelijk moet leiden tot de laatste mogelijkheid, de mens. Alledaagser gezegd: waar zoiets gebeurt en wanneer is niet te zeggen, maar zeker is dat het gebeurt. Dat zou niet het geval zijn als er slechts een beperkte ruimte was en een gelimiteerde tijd, maar dat is al helemaal een ondenkbaarheid.

 

No.281

De mens, als laatste voor de dag gekomen mogelijkheid, kan in principe over het gehele wordingsproces terugkijken en het is niet moeilijk te begrijpen dat hij dan de indruk krijgt dat “het allemaal zo heeft moeten wezen". Tot op zekere hoogte heeft hij daarin nog gelijk ook, want dat wat er tenslotte te voorschijn is gekomen behoort tot de mogelijkheden die houdbaar zijn gebleken en dat wekt de indruk dat de hele zaak volgens strikte wetten verlopen is. Daardoor komt de gedachte op dat de werkelijkheid “gedetermineerd” zou zijn. In feite echter was het wordingsproces in elk stadium een chaotische janboel, een wirwar van door elkaar heen bewegende elementen, een komen en gaan van systemen waarvan de meeste al spoedig onhoudbaar bleken en na enige tijd instortten. Van een gericht ergens naartoe werken is geen sprake, maar het is tegelijkertijd een feit dat in de oneindigheid van tijd en ruimte “de dingen moeten gebeuren die kunnen gebeuren”. Daarbij behoort ook de laatste mogelijkheid, dat wil zeggen de meest ontwikkelde mogelijkheid en dat is het verschijnsel mens. Hij is het toppunt van materiële verfijning. Hij is het meest innig gestructureerde systeem. Maar let op: dat is geen waardeoordeel..!

 

No.282

Steeds als er van een totalitair systeem gesproken kan worden is er onvermijdelijk de afwezigheid van “de” individu, dat is: de mens als individu. In de westerse “Atlantische” cultuur gaat het vanaf het begin om het zich realiseren van de mens als individu. In feite is het nooit ergens anders om gegaan. Omdat het de aanleg van de westerse cultuurmens is is deze nooit als individu afwezig geweest. Zelfs ten tijde van totalitaire experimenten, zoals daar waren het fascisme en het nationaal-socialisme, was de individu niet afwezig. Wel was hij gewelddadig onderdrukt, maar een onderdrukte individu is nog steeds een individu, al kan hij zich niet als zodanig manifesteren. Doordat aan de basis van die westers Atlantische cultuur de balans al doorgeslagen was naar de individu kon de misdaad, die er natuurlijk toch ruimschoots was, niet echt uit de voeten. Het schijnbaar paradoxale van die cultuur is dat er steeds een felle reactie tégen de misdaad was, hetgeen er onder andere toe leidde dat men de misdaad is gaan definiëren. Dat ging zelfs zover dat ook het gedrag in oorlogen aan normen werd gebonden, wat eigenlijk idioot is omdat oorlog voeren op zichzelf al misdadig is en doorgang kan vinden juist omdat men zich niet aan normen wenst te houden! Hoe dan ook, de westers Atlantische cultuur kent wel veel misdaad, maar is tegelijkertijd en daarmee samenhangend van een diepgewortelde

“anti-misdaad” gesteldheid. Dat echte misdadigers de samenleving in bezit nemen is in die cultuur in principe onmogelijk, maar, voor de goede orde: je moet deze echte misdadigers niet verwarren met die lieden die wij, op grond van door ons als asociaal beoordeeld gedrag, graag “misdadigers” noemen. Directeuren van de Shell bijvoorbeeld zijn beslist géén misdadigers, hoewel wij het uit hun honger naar winst en macht voortspruitende gedoe vaak met recht als “misdadig” kunnen beoordelen.

 

No.283

eigen verantwoordelijkheid  Verantwoordelijk   Verantwoordelijkheid  De De volwassen democratie is noodzakelijk polariserend van karakter: zie de nrs 283, 284, 289  en nr. 400

De traditionele democratie is een paradijs voor niet-weters. Dat komt niet zozeer doordat er over alle voorkomende zaken met elkaar gesproken moet worden, maar vooral doordat men er bij de besprekingen bij voorbaat van uitgaat dat er compromissen gesloten moeten worden. Dit leidt onwillekeurig, maar onvermijdelijk, tot een onduidelijke houding waarmee men alle kanten op kan. Standpunten worden pas dan bepaald als de besprekingen achter de rug zijn, enerzijds besprekingen binnen de eigen gelederen om tot een collectief uitgangspunt te komen, anderzijds besprekingen met de politieke tegenstanders om een definitief besluit te nemen. Gedurende de gehele procedure weet men in feite niet hoe men over de onderhavige zaken zou moeten denken en aan het einde van de rit blijkt men een standpunt ingenomen te hebben dat geen standpunt is omdat bij al dat gedoe de zaak zelf niet de maat was, maar een veelheid aan politieke belangen. Dus belangen die op iets anders betrekking hebben. Voor mensen met een duidelijke visie die helemaal niet tot compromissen bereid zijn, maar daarentegen streven naar het oplossen van de problemen is in de traditionele democratie geen plaats. Oplossen vergt kennis van zaken, visie en verantwoordelijkheid en vervolgens de behoefte en de bereidheid om het voorliggende probleem tezamen met de andere deskundigen zo helder mogelijk op tafel te krijgen opdat het voor een ieder duidelijk zal zijn wat haar of hem te doen staat. Van water in de wijn doen is hierbij geen sprake. De verkregen overeenstemming is gegrond op een ieders beste weten.

eigen verantwoordelijkheid  Verantwoordelijk   Verantwoordelijkheid

 

No.284

De werkelijke, volwassen democratie is gegrond op kennis van zaken. Omdat die kennis bij de ene deskundige wat anders kan liggen dan bij de andere zijn er verschillen van mening. Deze zijn uiterst belangrijk en het is precies daarover dat gesproken zal moeten worden omdat daardoor de zaken op een hoger plan gebracht worden. De volwassen democratie is noodzakelijk polariserend van karakter en dat staat in flagrante tegenstelling tot datgene dat de onvolwassen democratie vertoont. Die is namelijk in het geheel niet polariserend, maar gericht op het wegwerken van de verschillen doormiddel van compromissen. Resultaat is steeds een aantal besluiten dat verre beneden de maat blijft. Men gaat dan naar een lager plan. Je kunt met recht en reden stellen dat de traditionele democratie niet verder komt dan tot zo slecht mogelijke besluiten, terwijl in de volwassen democratie kwalitatief het onderste uit de kan gehaald wordt. De eerste vorm van democratie “drukt terneer”, maar de tweede “stuwt op”.

 

No.285

Ook met de zogenaamde godsbewijzen is het een rommeltje want de gelovigen zien geen kans zijn bestaan aan te tonen en de ongelovigen kunnen zijn niet-bestaan niet bewijzen. Beiden, zowel gelovigen als ongelovigen zitten in hetzelfde schuitje, ieder aan een kant en de een zegt almaar “ja” en de ander almaar “nee”. Dat gaat nu al eeuwen zo door! Ook heldere koppen blijven bijna altijd steken in deze tweestrijd en inderdaad: je komt er niet uit. Tegenwoordig weet men wel wat daarvan de oorzaak is. God behoort namelijk niet tot de concrete materiële wereld en dus kan het wetenschappelijke denken er niet op losgelaten worden. Hij zou, zoals steeds beweerd wordt, buiten het denken vallen. Dit nu is een typisch modern westerse kortzichtigheid: omdat het moderne denken niet toegerust is op het doordenken van zaken die alleen-maar doormiddel van denkbaarheden zijn te benaderen wordt eenvoudigweg aangenomen dat “het” denken niets zou kunnen met de notie “god”. Omdat de hedendaagse denkers het niet kunnen kan niemand het... Dat is een heel gevaarlijke eigengereidheid van die denkers.

 

No.286

De ja-zeggers en de nee-zeggers behoren onlosmakelijk bij elkaar, althans wat de discussie betreft. Gaat het om de vraag wie het bij het rechte eind heeft, dan slaat de balans door naar de nee-zeggers. Maar de zaak is vaak ook voor hen zo diffuus dat zij er geen idee van hebben waarom dat zo is! Dat is voor een belangrijk deel te wijten aan hun stelling dat je niet iets aan kunt tonen dat er niet is. Maar dat is nu juist een foute stelling. Overigens, als je de argumenten van de ja-zeggers en de nee-zeggers met elkaar vergelijkt, zonder je te bekommeren om de vraag of die argumenten kracht van bewijs hebben, dan bemerk je alras dat die van de nee-zeggers onvergelijkelijk veel plausibeler zijn. Daarvoor behoeven die nee-zeggers zich niet eens op de resultaten van de wetenschap te beroepen. Ook het leven van alledag levert voldoende bruikbare voorbeelden. Als je bijvoorbeeld ziet dat vrijwel alle gelovigen er andere opvattingen op na houden kun je meteen al vaststellen dat het blijkbaar de gelovigen zelf zijn die hun eigen goden maken, hetgeen op zichzelf al een sterk argument is om “nee” tegen god te zeggen. Een ander argument zou de merkwaardige verhouding tussen god en de mens kunnen zijn. Hoewel namelijk de mensen zich opstellen als “dienaren van god”, uiteraard met verschuldigde eerbied en deemoed, is het juist onveranderlijk god die de mensen diensten moet bewijzen: zorgen voor succes in zaken, de overwinning op het slagveld, genezing van zieke kinderen enzovoort. Laat hij daarbij aldoor verstek gaan, dan loopt hij een goede kans de laan uitgestuurd te worden. De oude Germanen deden dat al, plechtig met zijn allen vergaderd in het heilige woud! Dus: zonder dat de argumenten voor en tegen als bewijzen voor het al of niet bestaan van goden kunnen dienen is het voor een normaal denkend mens toch zonneklaar dat die van de gelovigen nauwelijks ergens op slaan en dat die van de ongelovigen een aanzienlijk reëler grond hebben.

 

No.287

De afwezigheid van iets kan wel degelijk aangetoond worden, ondanks de op zichzelf wel juiste gedachte van onder anderen de filosoof Karl Popper dat je nooit overal gezocht kunt hebben en dat er dus onvermijdelijk een reële mogelijkheid blijft bestaan dat “ergens” toch nog, geheel onverwacht, iets aanwezig blijkt te zijn waarvan aanvankelijk werd aangenomen dat het er niet was. Het is dus ondanks de stelling van Popper zeer wel mogelijk de afwezigheid van iets aan te tonen. De clou is dat er helemaal niet gezocht behoeft te worden! Dat zoeken is namelijk niet de enige weg om ergens achter te komen. Op filosofische wijze is het zonder meer mogelijk en wel zo dat je god en alle andere onzin laat voor wat het is en zelfstandig en autonoom denkend probeert na te gaan wat het karakter van de werkelijkheid zou kunnen zijn en vervolgens daaruit logische gevolgtrekkingen maakt. Toegegeven moet worden dat je zoiets niet van de ene dag op de andere voor elkaar krijgt, vooral doordat deze onderneming in zoverre strijdig is met het gebruikelijke denken dat je ervan uit moet gaan dat alle wetenschappelijke kennis die je ter beschikking staat voorlopig van karakter is en dus ondeugdelijk voor het samenhangende filosofische denken. Wetenschappelijk gezien is het over het algemeen best in orde met de beschikbare kennis, maar om bruikbaar te zijn voor het filosofische denken moeten er andere criteria aangelegd worden.

 

No.288

Hoe dan ook, het aantonen dat goden niet bestaan komt neer op een indirecte gedachtegang. “Indirect” omdat de vraag of god bestaat in het geheel niet interessant is. Het gaat alleen maar om de werkelijkheid zelve: men moet namelijk laten zien hoe het zit met de werkelijkheid en als men dat voor elkaar krijgt blijkt vanzelf dat goden, geesten en andere buitenmenselijke abstracties helemaal niet kunnen bestaan. Netzomin als kabouters en de in sciencefiction films ten tonele gevoerde vreemdsoortige verschijnselen. Vervolgens kan men daar nog als extraatje aan toevoegen dat mensen bezig zijn met hun eigen zelfbewustzijn als zij, in hun onvolwassenheid, menen met goden en geesten van doen te hebben. Want dergelijke inhouden van het zelfbewustzijn behoren inderdaad wel tot de werkelijke mogelijkheden. Zij behoren immers bij het alsnog onvolwassen menselijke verschijnsel. Daarmee is van allerlei hersenspinsels het concrete bestaan aangetoond en dat houdt tegelijkertijd in dat die zogenaamd spirituele zaken op ficties berusten. Maar, ik heb er al tot vervelens toe op gewezen: het gangbare al of niet wetenschappelijke denken heeft grote moeite met het stellen van vertrouwen in het filosofische, op denkbaarheden gefundeerde denken. Dat wordt gemakkelijk “metafysica” genoemd en vaak is alleen dit etiket al voldoende om de zaak zonder pardon af te wijzen.

 

No.289

Het principiële niet-weten van de autonome filosoof is van een geheel andere orde dan de “onwetendheid” van bijvoorbeeld politici die in de traditionele democratie doende zijn. Aan het filosofische niet-weten is een grote mate van zo helder en betrouwbaar mogelijk weten voorondersteld. Dat wordt niet, zoals sommige verkeerd-verstaanders menen, door de filosoof op drastische wijze weggewerkt nadat hij smalend heeft vastgesteld dat het allemaal maar “verstandelijke onzin” is, maar het wordt daarentegen zorgvuldig buiten beschouwing gelaten omdat het, voorzover het aanspraak maakt op betrouwbaarheid, onbruikbaar is voor het filosofische denken. Wetenschappelijke betrouwbaarheid geldt “totdat...” en “tenzij...” Dat is op zichzelf prima in orde. Wetenschap die absolute waarheden pretendeert te kennen is qua wetenschap volstrekt corrupt. Juist zo'n wetenschap is onbetrouwbaar! Maar, in de filosofie gaat het juist om absolute waarheden en de zaak ligt daarbij zo kritisch dat zelfs als het alle filosofen almaar niet gelukken zou om dergelijke waarheden boven tafel te krijgen het nog steeds zo is dat het in de filosofie toch om die absolute waarheden gaat. Dat is nu net het unieke karakter van de filosofie. Volgens sommigen is het tevens de onmogelijkheid van echte filosofie, maar dan vind ik het toch noodzakelijk daarbij te bedenken dat het dan over net zo een “onmogelijkheid” gaat als de kunst en je kunt zelfs zover gaan dat je de onmogelijkheid van de filosofie associeert met de fundamentele onmogelijkheid van het verschijnsel mens zelf...

De volwassen democratie is noodzakelijk polariserend van karakter: zie de nrs 283, 284, 289  en nr. 400

 

no.290

Het weefsel van verhoudingen, dat de werkelijkheid in wezen is, manifesteert zich in tijd en ruimte als een veelheid van verschillende, wisselende en veranderlijke feiten. Doordat die manifestaties altijd en onvermijdelijk betrokken zijn in processen komen zij steeds in andere vormen te voorschijn. Die veranderlijke vormen op zichzelf weerspreken de eraan ten grondslag liggende onveranderlijke verhoudingen zodat de mensen die al die vormen waarnemen gemakkelijk tot foute voorstellingen kunnen komen. Alleen het filosoferen kan hen hiervoor behoeden, niet omdat de filosofie “de waarheid in pacht zou hebben”, daarentegen omdat het bij het filosoferen gaat om die essentiële verhoudingen. Het kennen en herkennen van deze verhoudingen, zoals dat bij het filosoferen het geval is, maakt de kans op het verkeerd beoordelen van de feiten aanzienlijk kleiner. Dat filosoferen leidt dus niet tot het achterwege laten van het beoordelen van de feiten, maar juist tot een beoordelen dat zo adequaat mogelijk is. Zo men van een “taak” van de filosofie zou willen spreken zou het deze moeten zijn.

 

No.291

In de moderne wereld is de wetenschap de maat van alle zaken. Dat is niet een kwestie van keuze, maar het is een kwestie van cultuurontwikkeling. Men kan daar niets aan toe of af doen en, zoals gebruikelijk bij dit soort van ontwikkelingen, het voltrekt zich “ondergronds” zonder dat het gros van de mensen er erg in heeft. Onbewust leggen de mensen uit onze cultuur wetenschappelijke normen aan. Daarmee wil in geen geval gezegd zijn dat zij zich in het leven van alledag nu zo wetenschappelijk opstellen en nog minder dat het er in de wereld tegenwoordig wetenschappelijk aan toe zou gaan. Maar, men vindt toch dat de wetenschap de maat is. Dat heeft, wat de autonome filosofie betreft, onaangename gevolgen want er worden almaar wetenschappelijke criteria gehanteerd als het gaat over puur filosofische aangelegenheden. Dan raakt het naar absolute waarheden strevende filosofische denken in conflict met het relativerende wetenschappelijke denken en doordat naar dit laatste denken onwillekeurig de sympathie van de moderne mens uitgaat wordt de filosofie steevast in het defensief gedrongen. Men maakt het zoeken naar datgene dat “morgen ook nog waar is” belachelijk, enerzijds doordat men het voor onmogelijk houdt dat een filosoof geheel op eigen kracht ergens achter kan komen en anderzijds doordat men niet gediend is van stellige uitspraken. Die vindt men “fundamentalistisch”, “intolerant” , “eigengereid” en men verdenkt de filosoof ervan aan een ernstige vorm van zelfoverschatting te lijden! Het inzicht dat de mens, als laatste verschijnsel, de gehele werkelijkheid “in zich draagt” en van daaruit die werkelijkheid kan ervaren en beschrijven, is zo langzamerhand geheel verdwenen. Het heeft ook in de hedendaagse filosofie plaats gemaakt voor een uitermate irritant weifelmoedig denken dat eigenlijk de naam “filosofie” niet verdient. Vaak ontkom je nauwelijks aan het gevoel temidden van schoolkinderen te toeven als je in het gezelschap van zich filosoof noemende lieden verkeert...

 

no.292

Behalve het zoeken van een antwoord op de vraag hoe het zit met de werkelijkheid stelt de filosoof zich geen doel als hij bezig is met filosoferen. Het gaat hem er dus niet om het een of andere bewijs te leveren, noch de onmogelijkheid van iets, zoals god, aan te tonen. Het nagaan hoe het zit met de werkelijkheid is een activiteit op zichzelf, precies zoals het scheppen van kunstwerken voor de kunstenaar een zaak op zichzelf is. Komt de filosoof dan met bepaalde uitspraken, dan geven die uiting aan inzichten die al filosoferende zijn ontstaan, inzichten die nimmer het resultaat zijn van doelgericht door de filosoof ingesteld onderzoek. De kennis, waartoe al hetgeen hij aan de weet gekomen is zich heeft omgezet, is hem in zekere zin “aan komen waaien”. In ieder geval is die kennis nooit doelbewust gezocht. En het filosoferen zelf is ook geen ambacht dat van 9 tot 5 uitgeoefend wordt. Het is een toestand waarin sommige mensen verkeren, door een nimmer te achterhalen speling van het lot. Het onder woorden brengen van de verworven inzichten is echter wel degelijk een ambacht dat pas na verloop van vele jaren enigszins wil gaan lukken...

 

No.293

Het plegen van onderzoek heeft altijd en noodzakelijk betrekking op de voorstelling die men van een gedeelte van de werkelijkheid heeft. Wat men onderzoeken wil en de methode die men daarbij volgen wil zijn toegesneden op die voorstelling en ook de uitkomst van het onderzoek is van tevoren bepaald. Niet dat men van tevoren weet wat die uitkomst zal zijn, maar wel is het een feit dat de aard van de uitkomst vaststaat. Die uitkomst kan niet plotseling en onverwachts op iets geheel anders betrekking hebben! Onderzoek wordt gereglementeerd door de werkelijkheid als voorstelling. Het blijft dan ook noodzakelijk binnen de door die voorstelling gestelde kaders, ook als het betrekkelijk onverwachte uitkomsten oplevert. Het filosofische nagaan van de werkelijkheid vindt plaats achter de voorstelling. Het is niet zonder die voorstelling, maar het heeft daarop geen betrekking. Het heeft daarentegen betrekking op hetgeen zich aan die voorstelling afspiegelt. Omdat dit het geval is kan de filosofie uitspraken doen over de werkelijkheid zelf terwijl uitspraken naar aanleiding van onderzoek onvermijdelijk iemands voorstelling “verklaren”. Gevolg van dit laatste is dat die uitspraken tijdelijk en plaatselijk van karakter zijn. Zij zijn voor het hier en

het nu betrouwbaar en dus zijn ze ook bruikbaar in de situatie waarin men zich bevindt. De bruikbaarheid van filosofische uitspraken is vrijwel nul, behalve als het er om gaat realistisch in de wereld te staan en niet overgeleverd te zijn aan allerlei onzin.

 

no.294

Als men filosofeert, is men bezig te beschrijven hoe het zit met de werkelijkheid. In de “Schone Kunsten” is men doende diezelfde werkelijkheid te verbeelden. Beide, filosofie en schone kunsten, zijn ten nauwste aan elkaar verwant doordat zij zich met de werkelijkheid op zichzelf bezig houden en dat doen zij als enigen. In het dagelijks leven en in de wetenschappen draait het om de tijdelijke en plaatselijke werkelijkheid zoals die ons vanuit de voorstelling al of niet en min of meer bekend is. Dat is dus een zaak van bepaaldheden die in hun onderlinge relaties telkens weer in een andere constellatie voor de dag komen en daardoor nimmer kunnen leiden tot absoluut vaststaande wetenschappelijke kennis. Met andere woorden : wat vandaag juist is behoeft morgen helemaal niet meer absoluut juist te zijn, afhankelijk namelijk als het is van nieuwe ervaringen en voortgaand onderzoek. Je kunt hier spreken van relatieve juistheid of iets dergelijks. Het gaat in ieder geval over iets dat op een bepaald moment en onder bepaalde omstandigheden als het meest betrouwbare gewaardeerd moet worden. De filosofie en de schone kunsten hebben met dit alles niets te maken.

Althans niet in onmiddellijke en directe zin, want het betekent natuurlijk niet dat zij in strijd met de wetenschappelijke kennis kunnen opereren, integendeel : juist aan de wetenschappelijk verantwoorde voorstelling spiegelt zich het object van filosofie en schone kunsten op betrouwbare wijze af. Een “wetenschappelijk verantwoorde” voorstelling is echter in genen dele een “wetenschappelijke” voorstelling! Die voorstellingen, die noodzakelijk binnen de disciplines van de wetenschap blijven, zijn specialistisch van aard en zij omvatten doorgaans slechts een klein deel van het totaal. Zij zijn vaak, in alle betrouwbaarheid, helemaal niet realistisch! Het gaat nu echter om een “alledaagse” kijk op de werkelijkheid en die moet zo goed als mogelijk van wanen, misvattingen, idealismen en dogmatismen gezuiverd zijn. Als dat het geval is, als men dus een realistische voorstelling heeft, kunnen de filosofie en de schone kunsten uit de voeten.

 

No.295

Als het zo is dat de “alledaagse voorstellingen” op een zo gezuiverd en zo betrouwbaar mogelijke kennis van de werkelijkheid moeten berusten is het filosofen uit hoofde van hun professie niet toegestaan behoorlijke en logische redeneringen achterwege te laten. Omdat het in de filosofie wezenlijk om een kunst gaat is nimmer van tevoren te zeggen hoe die redeneringen er bij de ene filosoof uit zullen zien en hoe bij de andere. Wat dat betreft heb je onvermijdelijk met een persoonlijke zaak te maken. Die zal dus steeds te voorschijn komen in individuele bewoordingen, ja zelfs in een persoonlijke wijze van redeneren en eventueel, onder bepaalde omstandigheden, argumenteren. Maar, zoals elke kunstenaar zijn eigen wijze van verbeelden heeft en zich toch steeds met die éne algemene werkelijkheid bezig houdt, zo zal ook de filosoof doormiddel van zijn eigen taalgebruik beschrijven hoe het zit met die éne werkelijkheid.

 

 

No.296

Het ontwikkelen van gedachtegangen, het opzetten van argumentaties en tenslotte het verwoorden in een taal verloopt bij alle filosofen verschillend. Het is een fundamentele Onmogelijkheid om wat dit betreft tot eenduidige eenvormigheid te komen. Een “vaktaal” behoort in de filosofie tot de onmogelijkheden en het is zelfs zo sterk dat je van degene die ernaar streeft toch de een of andere vaktaal te ontwikkelen kunt zeggen dat hij niets van filosoferen begrepen heeft. Maar ook de aan het formuleren vooraf gaande gedachtegangen en argumentaties zijn niet bij voorbaat aan systemen en methoden te onderwerpen. Hoe de filosoof tewerk moet gaan kan nimmer voorgeschreven worden. Pas achteraf moet blijken of het filosoferen op een zodanige wijze geschied is dat nergens binnen de werkelijkheid als beeld het “weefsel van samenhangen” verbroken is. Dat betekent onder meer dat de moderne filosofie, voorzover men zich daarin wetenschappelijk tracht op te stellen en dus zijn toevlucht neemt tot systemen, methodieken en een vaktaal, al bij voorbaat als een mislukking beschouwd moet worden.

 

No.297

Eigenlijk is het helemaal niet nodig, en misschien zelfs niet wenselijk, de theologen met logische argumenten te bestrijden. Zij ontwijken namelijk elk argument, hoe helder en terzake ook, met laffe uitvluchten als: "Het is ook niet te begrijpen waarom god dit doet en dat laat, want zijn denken en zijn wijsheid overstijgen elk menselijk vermogen". Een dergelijke uitvlucht maakt b~ voorbaat elke discussie en elk argumenteren tot een farce waartoe godloochenaars zich beter niet kunnen laten verleiden. Theologen in het bijzonder en godsdienstigen in het algemeen zijn onvermijdelijk nergens anders mee bezig dan met misleiding, juist doordat het een waan is die hen gevangen houdt. De inhoud van die waan is dat er buiten- en bovenmenselijke geestelijke verschijnselen kunnen bestaan.

 

No.298

Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ; Overtuiging-4 ; Overtuiging-5 ;

 

Zo in het voorbijgaan opgemerkt is het net of het geloof in buiten- en bovenmenselijke fenomenen een zaak is die nauwelijks nog enige aandacht waard is. Of iemand al of niet gelooft kun je als kennisgeving aannemen, je schouders ophalen en overgaan tot de orde van de dag. Maar, je gaat dan wel voorbij aan een groot aantal consequenties die aan zo'n geloof meekomen. Ongetwijfeld is de eerste en belangrijkste dat een gelovige zichzelf en de anderen als ondergeschikten beseft. Als het over de mens gaat is er geen sprake van een “vrijzwevend, aan niets en niemand onderworpen verschijnsel”, maar daarentegen juist van een slaaf van geest en natuur. Zijn geest - wat dat dan ook zijn mag - en zijn natuurlijk bestaan zijn afhankelijk van iets dat van buitenaf de dienst uitmaakt. Hoezeer sommige intellectuele gelovigen ook beklemtonen dat zij “vrij” in hun denken en bestaan zouden zijn, altijd en onvermijdelijk is die “vrijheid” er een die hen onder voorwaarden geschonken is. Hun god staat hen vrijheid toe! Daarmee echter is die vrijheid al bij voorbaat ineffectief gemaakt: een voorwaardelijke vrijheid is geen vrijheid. Het is een vrijheid die geldig is binnen bepaalde vooraf gegeven kaders. Binnen de door god gestelde criteria kan de mens vrij handelen . Deze, vaak nauwelijks merkbare, nuance in de betekenis van het vrijheidsbegrip doet zich noodzakelijk in alles gelden. De gehele levenshouding, het totale wereldbeeld en alle overtuigingen zijn doortrokken van de stilzwijgende vooronderstelling van die “voorwaardelijke vrijheid”. Het gaat door alles heen en juist daardoor heeft dat geloof in god zulke immense gevolgen voor samenleving en maatschappij, ook als bepaalde gelovigen zich voordoen als redelijke mensen die zich gebonden weten aan de wetenschap als bron van betrouwbare kennis.

Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ; Overtuiging-4 ; Overtuiging-5 ;

 

 

No.299

Er is een belangrijk onderscheid tussen feiten en verhoudingen. Vooral voor het filosoferen is het herkennen en laten gelden van dat onderscheid volstrekt noodzakelijk. Een van de oorzaken, zo niet de voornaamste oorzaak, van het treurige falen van de moderne filosofie is het klakkeloos door elkaar heen gebruiken van gegevens die onder het begrip feiten vallen en gegevens die onder het begrip verhoudingen vallen. Niet alleen echter dat die twee door elkaar heen gerommeld worden, maar ook dat men in de moderne filosofie eenzijdig steun zoekt b~ de feiten in de onjuiste veronderstelling dat die de filosofische gedachtegang kracht van bewijs zullen geven. Maar, dat doen die feiten allerminst! Bijvoorbeeld: een bepaalde geleerde leidt uit de beschikbare feiten af dat mensen oorlogszuchtig zijn. Uiteraard komt hij met het bekende lijstje van schurkenstreken die de mensen elkaar met grote regelmaat leveren, zowel in het verleden als tegenwoordig. Inderdaad laat die verzameling feiten de conclusie toe dat de mens een oorlogszuchtig wezen is, dat altijd al was en dat wel tot het einde der tijden zal blijven. Onze geleerde is nu met open ogen in de val gelopen: de mens is namelijk helemaal niet oorlogszuchtig. Ondanks de feiten die het tegendeel suggereren!

Dat doet denken aan de filosoof Hegel die, door een student geconfronteerd met de strijdigheid van een van zijn ideeën met de feiten, fijntjes opmerkte dat dit dan “jammer voor de feiten” was. Tot op de dag van vandaag wordt deze gebeurtenis ten onrechte aan filosofie-studenten voor gehouden als een bewijs van de arrogantie en de onbetrouwbaarheid van het Hegelse denken.

 

No.300

Opgevoede-1 ; Opgevoede-2 ; Opgevoed-1 ; Opgevoed-2 ; Opgevoed-3 ; Opvoeden ; Opvoeding-1; Opvoeding-2 ;

Een overstelpende hoeveelheid feiten wijst er op dat de mens niet deugt. Wetenschappelijk gezien klopt deze conclusie en de betrekkelijk weinige gevallen die haar mogelijk zouden kunnen weerleggen kunnen zonder methodologisch bezwaar tot de uitzonderingen gerekend worden. Er wordt ook steeds met enige verbazing en bewondering gewag van gemaakt, juist doordat moderne, wetenschappelijk ingestelde en opgevoede, mensen zich aan de feiten houden. Er zijn er zelfs die die uitzonderingen als dwaasheden van kinderlijke zielen beschouwen. Al met al: de mens deugt niet...Toch is die, wel degelijk wetenschappelijk verantwoorde, uitspraak volstrekt fout! Nagaan hoe de verhoudingen liggen als het over het verschijnsel “mens” gaat maakt onbetwistbaar duidelijk dat het absoluut niet denkbaar is dat de mens niet zou deugen en dat er bovendien zelfs van hem gezegd moet worden dat juist hij, als enig verschijnsel in de kosmos, vredelievend, goedaardig en dergelijke is. Die filosofische conclusie is dus geheel in strijd met de wetenschappelijke. Het nagaan van de verhoudingen leidt tot een andere uitkomst als het verzamelen en rangschikken van de feiten. Dit laatste geeft een voorstelling van “de stand van zaken” en de filosofie geeft een beeld van de werkelijkheid in haar eeuwige algemeenheid.

Opgevoede-1 ; Opgevoede-2 ; Opgevoed-1 ; Opgevoed-2 ; Opgevoed-3 ; Opvoeden ; Opvoeding-1; Opvoeding-2 ;

 

No.301

Dat de feiten de verhoudingen schijnen te weerspreken kan noch de wetenschapper, noch de filosoof verweten worden. Maar, wat wel kwalijk is is dat men er een rommeltje van maakt, in die zin dat men bijna altijd verzuimt aan te geven vanuit welke optiek men de zaak bekijkt. Vaak heeft men niet eens in de gaten dat er een essentieel onderscheid is en vliegt men elkaar in alle oprechtheid in de haren. Maar nog vaker komt het voor dat wetenschappelijk geïndoctrineerde mensen van de verwarring gebruik maken om te trachten filosofen onderuit te halen. Men past dan een behoorlijk valse truc toe die aan alle kanten de schijn mee heeft logisch te zijn, maar die in werkelijkheid uiterst laaghartig is. Het gaat bijvoorbeeld als volgt: een bepaalde filosoof beweert bij de een of andere gelegenheid dat vrijdenkers niet in een god geloven, dus atheïsten zijn. Een nogal recalcitrante toehoorder gevoelt wederom de hem aangeboren behoefte en die filosoof en die uitspraak onderuit te halen en vraagt zich dan, in de waan de zaak volstrekt wetenschappelijk aan te pakken, in het openbaar af of “meneer de filosoof dan alle vrijdenkers kent” en of bij “onderzoek naar de zaak gedaan heeft”. Stiekem gooit hij het dus op een vraag naar de feiten, terwijl de filosoof het kennelijk had over het samenstel van verhoudingen die voor de mens als vrijdenker kenmerkend zijn. Je kunt ook zeggen dat de filosoof sprak over de inhoud van het begrip vrijdenker en zijn opponent valselijk over de feitelijke stand van zaken onder diegenen die zich vrijdenker noemen. Doordat echter de “cultuursfeer” in onze moderne wereld een wetenschappelijke is zal genoemde opponent in alle opzichten de schijn mee hebben en gewaardeerd worden als een uiterst scherpzinnig denker..! Maar, nagenoeg alle hedendaagse filosofen zullen er ook in trappen doordat zij enerzijds het verschil tussen feiten en verhoudingen niet kennen en anderzijds net zo wetenschappelijk geïndoctrineerd zijn als onze weerspannige opponent en nagenoeg alle moderne mensen. En het is altijd mogelijk te proberen deze, mijn laatste uitspraak te weerleggen door de vraag te stellen of ik alle moderne mensen aan een onderzoek onderworpen heb...

 

No.302

Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ; Overtuiging-4 ; Overtuiging-5 ;

 

Iemand die in sjablonen denkt is nimmer te weerleggen. Zijn voorstelling van de werkelijkheid en zijn daarop gebaseerde wereldbeschouwing zitten zo hecht doortimmerd in elkaar dat elke kritiek er onmiddellijk op afstuit. Sterker nog: elke kritiek, ja zelfs elke vraag om verduidelijking, wordt zonder mankeren afgestraft met de mededeling dat de criticus en de vragensteller intellectueel tekort schieten. Dat zij het toch zo heldere betoog niet begrepen hebben ligt aan henzelf en zij krijgen dan ook het welgemeende advies “er wat aan te doen". Uiteraard is het de denker in sjablonen die feitelijk fout zit, enerzijds doordat hij de beweeglijkheid uit zijn denken verwijderd heeft en anderzijds doordat de realiteit niet in sjablonen te vatten is. Deze ernstige fout echter leidt tot een zichzelf bevestigende wereldbeschouwing die op dogmatische wijze een absoluut karakter krijgt. En dat wordt helaas nog in niet geringe mate versterkt door de schier onuitroeibare waan van zuiver wetenschappelijk tewerk te gaan en dus, ten gevolge daarvan, met onweerlegbare uitspraken te komen. Diegene die zich daartegen verzet is beslist niet goed bij het hoofd - was dat trouwens bij voorbaat al, volgens de rotsvast overtuiging van bedoelde “sjablonist”!

Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ; Overtuiging-4 ; Overtuiging-5 ;

 

 

no.303

In de loop der tijden heeft men de meest vreemdsoortige therapieën bedacht om zieke en in de war geraakte mensen te “helen”, dat wil zeggen : te genezen. En in een groot aantal gevallen zijn zij nog succesvol ook. Menigeen heeft baat bij een pistherapie, het op dak zitten onder een ijzeren raamwerk teneinde kosmische krachten op te vangen, een vurig gebed tot de allerhoogste of handoplegging. Het hangt er maar van af hoe ontvankelijk men voor een bepaalde suggestie is. Talrijke ervaringen met placebo's bevestigen de rol die de suggestie kan spelen. Natuurlijk is dat allemaal best in orde. Als iemand zich door zo'n therapie beter gaat voelen of zelfs geneest, is dat op zichzelf alleen maar winst. Het is om dat genezen te doen en als dat op de een of andere manier gelukt is het doel bereikt.

 

No.304

Wat anders is echter de vraag hoe men over zulke “alternatieve” therapieën denken moet. Het is maar zelden dat de beoefenaren ervan, de “heelmeesters” , toe willen geven dat de zaak op suggestie berust en helemaal niet op de werkzaamheid van het geneesmiddel. Op alle mogelijke, quasi wetenschappelijke, manieren proberen zij ons wijs te maken dat hun methodes en hun geneesmiddelen op zichzelf effectief zijn en dat het eventuele falen ervan uitsluitend aan de patiënt verweten moet worden. Kortom: zij claimen voorspelbare resultaten. Het is precies daar waar het bedrog schuilt! Niet de suggestieve handelingen zelf, maar de verhalen er omheen zijn het kwalijke. En dat men aan deze verhalen geloof hecht bewijst dat het denken van de mensheid nog niet zo heel erg ver gevorderd is. Men ziet nog steeds geen kans de dingen die men niet verklaren kan op een helder logische wijze te begrijpen als behorende tot het terrein van het niet-weten. Dat is namelijk ook een vorm van weten. Men gaat er daarentegen nog graag toe over lukraak bij elkaar gefantaseerde onzin voor weten te verkopen. En dat is geen kwestie van incidenten: in de moderne cultuur is de ontwikkeling van het denken feitelijk nog niet zover gevorderd dat men met het zelfbewustzijn als niet-weten om weet te gaan. Daardoor verzandt men wat dit betreft steevast in occulte flauwekul.

 

No.305

Er is een duidelijk verschil tussen van kunst houden en kunstenaar zijn, een minnaar zijn van filosofie en filosoof zijn. Vooral tegenwoordig wordt dit onderscheid nog nauwelijks ingezien. Daarbij is niet zonder meer van vervlakking van begrippen sprake. In dat geval zouden ze met een zekere willekeur door elkaar heen gebruikt worden. Dat is inderdaad ook wel het geval, maar het is in feite eerder zo dat juist het tweede lid van mijn uitspraken, namelijk “kunstenaar zijn” en “filosoof zijn” zo langzamerhand geen betekenis meer heeft. Men vindt dat dergelijke begrippen uit de tijd en zelfs wel “romantisch” zijn, dat wil zeggen dat zij stammen uit een tijdperk toen bepaalde persoonlijke kwaliteiten nog in de eerste plaats aan de een of andere aanleg toegeschreven werden en pas in tweede instantie aan de opleiding die iemand genoten heeft.

 

No.306

De “liefhebbers” kun je amateurs noemen, wat trouwens al door het woord zelf uitgedrukt wordt. Het komt veelvuldig voor dat die amateurs zozeer van de kunst of de filosofie houden dat zij daarin een hoge graad van perfectie hebben weten te bereiken. Een dergelijke hoge graad van perfectie wordt idealiter verkregen door het volgen van een zo hoog mogelijke opleiding. De Universiteit is bijgevolg het summum, vooral als het ook nog gelukt te promoveren! Het resultaat is dan dat er amateurs zijn die van hun liefde voor kunst of filosofie hun beroep kunnen maken en zo van de kunst of de filosofie kunnen gaan leven. Om het leven een beetje royaal door te komen is een academische status een behoorlijk betrouwbare garantie en dat is al helemaal het geval doordat genoemde status als vanzelfsprekend een meer dan gemiddelde deskundigheid suggereert. Doordat de moderne mens geen boodschap meer heeft aan de aanleg verschuift de kwalificatie “kunstenaar” of “filosoof” naar die deskundige academicus. Hij is nu kunstenaar of filosoof, niet omdat hij dat qua aanleg is, maar omdat hij daarvoor een grondige en hoge opleiding gevolgd heeft en in zijn promotie blijk heeft gegeven naar behoren ter zake kundig te zijn. Nu is dus de liefhebber, de amateur degene geworden waarom het in kunst en filosofie gaat. En zijn status is een rechtvaardiging voor het air dat hij zich aanmeet om als enige recht van spreken te hebben.

 

No.307

Er zijn natuurlijk amateurs, liefhebbers, die niet van het object van hun liefde hun beroep maken. Zij ontberen dus de universitaire opleiding. In dat geval worden zij door de academici “amateurs” genoemd, ook als zij zich “in hun vrije tijd” tot op grote hoogte met kunst en filosofie vertrouwd hebben gemaakt. Maar, de kwalificatie “amateur” is eigenlijk wel op zijn plaats, hoewel het natuurlijk buitengewoon kortzichtig en ergerlijk is dat diegenen die van “amateurs” spréken zelf in niet geringe mate amateur zijn! Zij zijn eigenlijk amateur in optima forma, zij kunnen met recht “beroepsamateurs” genoemd worden. Het bovenstaande klinkt de moderne mensen niet erg prettig in de oren. Het riekt voor hen naar afgunst en kinnesinne vanuit de hoek van lieden die buiten de boot gevallen zouden zijn. Toch blijkt uit het denken en deszelfs resultaten zonneklaar dat beiden, zowel die kunstenaars als die filosofen armzalige stuntelaars zijn die vanuit zichzelf volstrekt tot niets komen, maar die slechts met een tamelijk groot raffinement reeds bestaande kunstvormen en filosofieën uiteen kunnen rafelen om er vervolgens hun doorgaans kleingeestige kritiek op los te laten. Dat kan soms wel vermakelijk en een enkele keer zelfs volkomen terecht zijn, maar het heeft op zichzelf in geen enkel opzicht iets met kunst of filosofie te maken, behalve dan dat het daar inderdaad over gaat! Men heeft het min of meer over kunst en filosofie en men houdt daarvan, sommigen door ervan te leven en anderen door ervan te genieten. In beide gevallen dienen kunst en filosofie voor die amateurs ergens toe : financiële en-of geestelijke bevrediging.

 

No.308

Om op de een of andere manier als amateur tot ontplooiing te komen moet men een opleiding volgen. Men moet kennis verwerven. Maar, daarvoor is geen aanleg nodig. Een aantal eigenschappen zijn natuurlijk wel nuttig en gewenst, namelijk dat men gemakkelijk leerstof in zich kan opnemen en vasthouden, dat men in staat is die leerstof te doorzien en te ordenen, en zo wellicht nog wat eigenschappen. Alle deze eigenschappen hebben echter niets unieks. Zij gelden voor iedereen, zij het dan gevarieerd in sterkte en kwaliteit. De amateur is aangewezen op kennis omdat het begrip houden van, dat voor hem van kracht is, geen realiteit kan krijgen als er niet een zo groot mogelijke overeenstemming met het geliefde object is. Die overeenstemming met het geliefde object, dus in dit geval de kunst of de filosofie, kan uit niets anders bestaan dan kennis. Kennis is namelijk het medium waarmee men zich objecten “eigen” maakt- Via de kennis wordt men zogezegd één met “het andere”. Houdt men dan van kunst of filosofie, dan is men automatisch en onvermijdelijk iemand die daar zoveel als mogelijk van te weten wil komen. De praktijk leert dan ook dat moderne filosofen en kunstenaars vooral uitblinken in kennis. Zij weten zo ongeveer alles van hun geliefde objecten, zozeer zelfs dat zij zich daarmee vereenzelvigen en zich ten gevolge daarvan kunstenaar of filosoof gaan voelen. En dat gaat vaak gepaard met een niet geringe arrogantie tegenover diegenen die minder kennis van zaken hebben, er onverschillig tegenover staan of die daarvan in het geheel niets willen weten...

 

No.309

Kunstenaar zijn en filosoof zijn is geen kwestie van “houden van”. Het heeft niets te maken met “liefhebben” en dus is ook de kwalificatie amateur in geen enkel opzicht van toepassing. Zelfs als een bepaalde kunstenaar of filosoof er niet zo bar veel van terecht brengt is hij nog steeds geen amateur. Het amateur-zijn vooronderstelt een afstand tussen de liefhebber en het object van diens liefde en die afstand wordt zoveel als mogelijk overbrugd door over het object kennis te verzamelen. Kennis fungeert altijd als een relatie tussen iemand, het subject, en iets anders, het object. Het subject maakt zich het object eigen door er kennis over te verwerven. Maar altijd blijft op de een of andere manier de afstand bestaan tussen beide, object en subject. Er is een blijvende en in feite niet op te heffen kloof tussen beide. Voor de kunstenaar en de filosoof geldt dat allemaal niet. Door hun bijzondere aanleg is genoemde kloof er niet want zij ervaren de werkelijkheid als een andere bestaansvorm van zichzelf Zo is het een of andere verschijnsel voor hen niet iets volstrekt uitwendigs, iets waar zij los van staan, maar een variatie van wat zij zelf zijn. Dat leidt ertoe dat hun hele levenshouding in het teken van kunst en filosofie is komen te staan. Om met Schopenhauer te spreken: zij leven niet van kunst en filosofie, maar voor kunst en filosofie. Hun leven “is” die zaak en zij kunnen daar niet omheen, zij kunnen hun kunst en filosofie niet achterwege laten zonder zich een verrader te voelen. Wat is nu het bijzondere van die aanleg? Wel, het ongewone is dat kunstenaars en filosofen mensen zijn die gericht zijn op de werkelijkheid als beeld. Dat is de werkelijkheid als bewustzijn voorzover die zich aan de verschijnselen afspiegelt als een zaak van samenhang, harmonie, liefde, warmte.

Kortom: een zaak van schoonheid. Dat vanuit de aanleg gericht zijn op dat aspect van de werkelijkheid heeft noodzakelijk en onvermijdelijk als consequentie dat de kunstenaar en de filosoof uitdrukking gaan geven aan dat “beeld” en dat doen zij zo getrouw, zo genuanceerd en zo verstaanbaar mogelijk. Steeds weer opnieuw, nimmer steunend op routine, conventie of systeem noch op bestaande gangbare al of niet wetenschappelijke voorstellingen. Het “beeld” laat zich, door zijn wezenlijke beweeglijkheid, nimmer vastleggen en dus kunnen de kunstenaar en de filosoof niets anders doen dan almaar weer opnieuw en onconventioneel de zaak bekijken en verwoorden.

 

No.310         op de mouw spelden-1 ; op de mouw spelden-2 

In de christelijke godsdienst wordt beweerd dat god zowel “begin” als “einde” is, in die zin dat hij zich zowel aan het begin als aan het einde van de werkelijkheid zou bevinden. In Openbaring 22:13 staat: "Ik ben de alpha en de oméga, de eerste en de laatste, het begin en het einde". Dat is eigenlijk een heel merkwaardige bewering die niet zomaar afgedaan kan worden met het argument dat men binnen de godsdiensten nu eenmaal altijd onzin uitkraamt. Inderdaad kan men veronderstellen dat het een dichterlijke uitdrukking is die aan moet geven dat in feite alles, van begin tot eind, een manifestatie van god is. Precies zoals men wel zegt dat het leven zich afspeelt tussen geboorte en dood. Maar aangezien de gedachte van de “alpha en de oméga” uit de klassieke oudheid stamt is het noodzakelijk eens te overwegen of er niet een dieper inzicht, of althans een andere opvatting, achter steekt. Uiteraard zou dat dan neerkomen op een andere betekenis van de term “god” en, daarmee samenhangend, een andere voorstelling bij de begrippen begin en einde. Daarbij moet dan als eerste bedacht worden dat de denkers en zieners uit die tijd als regel nooit aan een monotheïstische, persoonlijke, god dachten. Zij dachten eigenlijk helemaal niet in termen van een allesoverheersende, almachtige en regulerende instantie die als enige een volstrekt absolute grootheid zou zijn. Altijd was er naast de een of andere godheid wel een andere die op zijn of haar eigen terrein iets in de melk te brokken had. Zelfs de toch bijzonder hooggeplaatste Zeus kon er geen aanspraak op maken aan het begin en tegelijkertijd aan het einde van een soort van schepping te staan. Dus: de term god verwijst logischerwijs niet naar een van de goden, maar naar een toestand die kennelijk zowel aan het begin als aan het einde van het wordingsproces van de verschijnselenwereld aangetroffen wordt. De bijzonderheden van die reële toestand blijken inderdaad naadloos te passen op datgene dat door de ouden over die “god van begin en einde” gezegd werd en dat later door Rome en zijn christendom klakkeloos ter legitimatie van hun “almachtige” god overgenomen is. Die ouden hadden het immers over iets vluchtigs dat geen vorm heeft en dat tijdloos en eindeloos is, iets dat als een soort van “grondstof” door alles heengaat zonder daarbij zelf door ook maar iets aangetast te worden. Zij hadden het dus over iets niet-materieels dat tegelijkertijd grondslag en voltooiing van de kosmos is. Daarvan vonden zij dat het iets “goddelijks” was, hetgeen bij hen inderdaad meer duidde op iets niet-materieels dan op de een of andere concreet gedachte godheid. Dat is natuurlijk wel iets anders dan dat hoogst onwaarschijnlijke en idiote verhaal dat de christenen zichzelf en elkaar tot op de dag van vandaag op de mouw spelden!

 

No.311

Oorspronkelijk ging het helemaal niet over een god, een wezen dat als een absolute macht de werkelijkheid beheerst. Het ging over een toestand en wel de toestand waarin de beweeglijkheden verkeren voordat zich ruimte en materie gevormd heeft en tegelijkertijd de toestand aan het einde van de materiële processen, als de materie zich noodzakelijk bij het verschijsel “mens” als niet-materie moet gaan laten gelden. Uiteraard dacht men destijds nog niet op zakelijke wijze over de beweeglijkheden en voorzover men dat hier en daar toch probeerde, bijvoorbeeld de Romeinse dichter en filosoof Lucretius (1e eeuw v.o.j.) in zijn Van de natuur der dingen, zag men nog geen kans alle bepaaldheden van een bepaald “iets” af te denken. Zo meende deze Lucretius dat er aanvankelijk beweeglijke ietsen waren die, elk op grond van een bepaalde aanleg, voorbestemd waren om dit of dat te worden. De ontwikkeling van het abstracte denken was nog niet ver genoeg gevorderd om in te kunnen zien dat de beweeglijkheden per se volstrekt onbepaald moeten zijn om een wordingsproces in gang te kunnen zetten. Maar wel kon men zich een beeld van de zaak vormen en van daaruit inzien dat het begin niet-stoffelijk zou moeten zijn en dat dit ook noodzakelijk met het einde het geval moest zijn. Merk op dat zelfs vandaag de dag, nu er toch een hoog ontwikkeld natuurkundig en wiskundig denken ontstaan is, slechts bij hoge uitzondering aan het er-zijn van een onbenoembare niet-stoffelijke werkelijkheid gedacht wordt en het al helemaal niet voor mogelijk wordt gehouden dat men over een dergelijke situatie iets zinnigs zou kunnen zeggen.

 

op de mouw spelden-1 ; op de mouw spelden-2 

 

No.312

De agnost zegt dat hij niet weet of er al of niet goden bestaan. Hij is van mening dat het beantwoorden van een dergelijke vraag buiten het denken valt en dus een onmogelijkheid is. In zekere zin heeft hij gelijk: als zijn denken bevangen is in en beperkt is door het Kantiaanse denken, zoals dat aan het eind van de 18e eeuw in zwang kwam, kan hij inderdaad geen antwoord vinden op vragen over hogere machten. Zijn denken heeft nu eenmaal concrete informatie nodig en die is natuurlijk over dat “hogere” niet voorhanden. Maar als hij nu eens werkelijk aan het denken slaat, is er dan geen zinnige uitspraak over god en goden te doen? Natuurlijk wel en het is niet eens een erg moeilijke opgave.

Waarom het daarbij gaat is echter niet dat men probeert aan te tonen dat diegenen die wel in god en goden geloven ongelijk hebben, maar dat men onbevooroordeeld na probeert te gaan hoe het zit met de werkelijkheid, dus zonder ook maar iets bij voorbaat voor mogelijk of onmogelijk te houden. Naarmate duidelijk wordt hoe het zit komen ook de Onmogelijkheden voor de dag, en een daarvan is het bestaan van god en goden. Het gaat in feite dus niet over het geloven in god of goden, maar over het weten wat wel en niet mogelijk is. De agnost gaat die weg niet op en om na te gaan wat zijn denken oplevert volg ik hem maar eens even op de voet. Ik stel om te beginnen vast dat hij het houdt bij het Kantiaans georiënteerde positivistisch wetenschappelijke denken. Dat is natuurlijk zijn goed recht, dat wil zeggen, als en voorzover hij zich aan de geldende wetenschappelijke criteria wenst te houden. Hij zegt dan van daaruit: "Ik weet het niet omdat ik het niet kan weten". Dat klinkt allemaal erg redelijk en het is net of het in de praktijk ook nog een neutrale en ongevaarlijke uitspraak is. Dat echter is absoluut onwaar, want het blijkt bij nadere beschouwing een uitspraak die het bestaan van god en goden op een impliciete manier bevestigt. Als je namelijk zegt dat je het niet kunt weten houd je de mogelijkheid open dat zij wel degelijk bestaan. Maar dat betekent in feite dat je een onwaarschijnlijke fantasie, die nog nooit door ook maar een zweem van wetenschappelijk bewijs ondersteund is en die anderzijds door een gigantische hoeveelheid kennis ondermijnd wordt, voor mogelijk houdt. Maar, dat is in flagrante strijd met je eigen wetenschappelijke criteria! Immers, de zaak mag dan niet denkbaar zijn, mogelijk is hij kennelijk wel!

Dat betekent dat je een heel scala van aperte ongerijmdheden recht van bestaan toekent.

 

op de mouw spelden-1 ; op de mouw spelden-2 

 

No.313

Het is het goed recht van de agnost zich van uitspraken over god en goden te onthouden. Zelfs is het, zij het met een heleboel goede wil, te aanvaarden dat hij zich op het “weet-niet” standpunt stelt. Maar dat hij in dat niet-weten de kant kiest van het voor hem mogelijke in plaats van het onmogelijke is uiterst verdacht en bepaald niet wetenschappelijk. Het wijst er duidelijk op dat hij in feite wel degelijk gelovig is en dat hij, weliswaar in een ogenschijnlijk heel redelijke vorm, een godsdienst aanhangt. Desnoods een exclusief persoonlijke godsdienst, een soort van niet nader bij name genoemde “spiritualiteit”, maar desalniettemin toch: een godsdienst! Hij had toch ook kunnen stellen dat hij het niet echt weet, maar dat het intussen toch voor hem een volstrekt onmogelijke zaak is. Eventueel kan hij daar nog aan toevoegen dat hij dit standpunt aanhoudt zolang er inzake het inderdaad bestaan van god en goden nog geen glashard wetenschappelijk bewijs geleverd is. Zijn standpunt komt dan hier op neer: goden bestaan niet totdat bet tegendeel bewezen wordt. In ieder geval had hij dan niet het risico gelopen van gelovigheid en godsdienstigheid verdacht te worden. Al met al zou dat dan een redelijke en logisch aanvaardbare houding zijn geweest, hoewel er ook dan nog steeds ruimte overblijft voor onwaarschijnlijke hersenspinsels.

 

op de mouw spelden-1 ; op de mouw spelden-2 

 

No.314

Als men de werkelijkheid onderzoekt volgens de positivistische wetenschappelijke methoden heeft de bewering dat men een bepaald iets niet heeft kunnen vinden geen absolute geldigheid, maar slechts een betrekkelijke. Als men zegt te weten dat god en goden niet bestaan op grond van het feit dat men ze bij het onderzoek van de werkelijkheid nergens tegengekomen is, doet men een wezenlijk ongeldige uitspraak. Het blijft immers altijd mogelijk dat men niet goed gezocht heeft, bijvoorbeeld doordat de middelen daartoe vooralsnog ontbraken of doordat men ergens anders had moeten zoeken. Het zou daarentegen wel een geldige uitspraak zijn, namelijk een betrekkelijk geldige, als de werkelijkheid in ruimte en tijd begrensd was, maar dat is zij nu eenmaal niet. Je kunt eeuwig verder zoeken, dus je kunt “morgen” nog eens op zoek gaan en je kunt ook “ergens anders” gaan zoeken en nimmer ben je daar klaar mee! Het ongeldig zijn van het “argument van onvindbaarheid” geldt tenvolle en zonder uitzondering voor het positivistische wetenschappelijke denken zoals dat destijds vooral door Kant ingezet is. En het geldt doordat het daarbij gaat over de werkelijkheid als een verzameling van objecten, of, anders gezegd: over de werkelijkheid voorzover Zij in het teken van de totaliteit staat. Die totaliteit is onbepaald, hetgeen betekent dat men eeuwig door kan gaan met tellen en dat elk laatste object steeds het voorlaatste zal blijken te zijn. Op grond hiervan is het blijvend onbekend wat men bij het tellen - dit is in feite onderzoeken - nog tegen zal komen. Je kunt het feit dat je iets niet tegengekomen bent dus nooit als argument gebruiken als het gaat om vragen naar het al of niet bestaan van objecten.

 

No.315

Als men in samenhangen denkt en niet positivistisch, dat laatste althans niet uitsluitend en eenzijdig doet, kan men inzake het bestaan van objecten wel geldige uitspraken doen. Je kunt bijvoorbeeld staande houden dat “er mensen in kamers aanwezig zullen zijn”, waar dan ook en wanneer dan ook. Zo kun je, denkend in samenhangen, ook uitspraken doen over de werkelijkheid als “geheel”. Je kunt bijvoorbeeld met absolute zekerheid stellen dat er geen zelfstandige geesten kunnen bestaan, en wel doordat - in het kort gezegd - de werkelijkheid als geest één lid is van de ondeelbare dubbelslag “materie-geen materie”. Dat betekent dat er noodzakelijk en onvermijdelijk een verbinding moet zijn met de materie. “Geen materie” zonder zijn secondant “materie” is ondenkbaar en dus onbestaanbaar. “Geen materie” op zichzelf is het volslagen niets en alles, werkelijk alles, wat daar over beweerd wordt is volstrekte onzin. Het denken in samenhangen levert bijvoorbeeld ook op dat men met zekerheid kan vaststellen dat het verschijnsel mens de ultieme mogelijkheid van de evolutie is. Denkend in positieve feitelijkheden, kan men dat echter in genen dele vaststellen omdat het begrip de laatste in positivistische zin geen universele betekenis kan hebben. Het heeft dan slechts een tijdelijke en plaatselijke betekenis. In een qua tijd en ruimte afgebakend gebied kan het begrip de laatste in positivistische zin wel geldig zijn, maar niet als het over de werkelijkheid zelf gaat. Om aan dit begrip betekenis te geven moet men de zaak dan ook niet op de wijze van het positivisme benaderen, maar op de wijze van het nadenken in termen van samenhangen. Dat betekent dat elk thema in alle “richtingen” moet blijven samenhangen met alle andere thema's in het geheel van de werkelijkheid. Omgekeerd moet elk thema ook van elke willekeurige richting benaderd kunnen worden.

 

No.316

De totale kosmos is eigendom van het verschijnsel mens. Dat komt doordat de kosmos in dat verschijnsel uitloopt voorzover dat verschijnsel het aspect “materie” aan zich heeft. Het verschijnsel mens als materie houdt de totaliteit van alle bestaande objecten in. Alle verschijnselen komen zogezegd “terecht” in het verschijnsel mens naar zijn materiële gesteldheid. Dit terechtkomen echter doorloopt tijdens de ontwikkeling van de mensheid enkele fasen en het gevolg daarvan is dat er in de loop der tijden verschillende gedragingen op te merken zijn. Aanvankelijk namelijk manifesteert het zich realiseren van het begrip eigendom zich als het in bezit nemen van stoffelijke zaken, zoals respectievelijk de bodem, de opbrengsten van het land en de grondstoffen. Later worden die stoffelijke zaken geabstraheerd in de vorm van edele en schaarse mineralen zoals edelstenen, en nog weer wat later drukt men zijn bezit uit in geld en andere waardepapieren. Tenslotte is de hele zaak abstract geworden : kennis. In de vorm van kennis nemen de mensen de wereld van de verschijnselen in bezit. Ik spreek van “in bezit nemen” als de mens als persoon, dat wil zeggen het individu, zich de zaak toe-eigent en er zijn eigen exclusieve bezit van maakt. Het is dan van hem en van niemand anders. Het individu is er als het ware “op gaan zitten”, hetgeen betekent dat het aan iemand anders belet wordt daar ook plaats te nemen. Eigenlijk gaat het natuurlijk over het zich realiseren van het begrip eigendom en dat is in wezen een zaak die in orde is, maar de mens als persoon maakt er iets van dat uitsluitend voor hemzelf van belang is. Niemand anders mag zijn bezit aanraken of aantasten. Hij is dan ook voortdurend bezig zijn bezit te beschermen tegen de pogingen van anderen het hem te ontfutselen, want ook in die anderen laat zich het begrip eigendom gelden. Pas als het bezit volkomen abstract geworden is blijkt dat het geen bezit meer is! Volkomen abstract geworden bezit is niets anders dan datgene dat wij “kennis” noemen. Het eigenaardige daarbij is dat men zijn kennis tot in het oneindige met anderen kan delen zonder er ook maar een fractie armer van te worden. Een ieder kan er naar believen over beschikken zonder dat het totaal van de kennis minder wordt. De verschijnselen zijn nu niet langer het bezit van de mens, maar zijn eigendom. Dat betekent dat zij deel en onderdeel van zijn eigen leven zijn geworden en als zodanig gelden als zijn onvervreemdbare leefwereld. Maar: nu geldt dat voor iedereen! Niemand is meer buitengesloten. De kennis van de mensen concretiseert zich voor een belangrijk deel in de productie van allerlei goederen en nu gaat ook voor die goederen gelden dat zij ter beschikking gaan staan van iedereen. Voorzover zich dat op den duur gerealiseerd heeft behoren die goederen als een onvervreemdbare zaak bij elk individu. Dat betekent dat niemand het recht heeft ze af te pakken. Dus: mijn boeken zijn “mijn” boeken en dat niet omdat ze mijn exclusieve bezit zouden zijn, maar omdat ze tot mijn leefwereld behoren en dus mijn eigendom zijn. Ik ben, op andere wijze, zelf die boeken.

Het in het verleden vaak geopperde idee van een gemeenschappelijkheid van de goederen deze aarde, in die zin dat ze bezit zouden zijn van een ieder, is een volstrekt foute idee dat nog is blijven steken in het begrip bezit. Maar, als bezit kunnen goederen niet gemeenschappelijk zijn, vandaar dat het, vaak ondanks alle idealistische goede bedoelingen, steeds bepaalde personen zijn die er beslag op gaan leggen. Men kan dat desnoods niet leuk vinden, maar het is nu eenmaal zo dat goederen logischerwijs altijd bij een bepaald individu behoren. Geldt dat op de wijze van het bezit dan is de zaak alsnog onvolwassen en dan betekent het bezit van de een armoede en gebrek voor de ander. Geldt het echter op een volwassen wijze en dus als eigendom, dan staan de goederen onvoorwaardelijk aan een ieder ter beschikking. Voor een ieder zijn de voor haar of zijn leefwereld noodzakelijke goederen aanwezig. Uiteraard is de mensheid nog lang niet zover, maar het is op zichzelf toch een hoopvol teken dat het bezit steeds meer abstract wordt op de wijze van kennis...

 

No.317

Voor de meeste hedendaagse mensen is het moeilijk te begrijpen dat er in de (verre) toekomst een situatie zal ontstaan waarin de goederen dezer aarde vrijelijk ter beschikking van de individuele mensen zullen staan. Diezelfde hedendaagse mensen vinden het echter in het geheel niet moeilijk te bedenken dat in zo'n situatie iedereen wel eens zoveel mogelijk binnen zou gaan halen en uiteraard door die handelwijze anderen tekort doen. Maar eigenlijk is juist dat moeilijk voor te stellen, want als de benodigde goederen verkrijgbaar zijn is er immers geen enkele reden voor de mensen om op meer beslag te leggen dan men nodig heeft. Alles wat men teveel heeft geeft maar onnodige rompslomp. Het staat voortdurend in de weg. Dat is niet alleen zo in letterlijke zin, maar ook en vooral in figuurlijke: doordat men almaar gedwongen is zijn aandacht aan die spullen te geven wordt men afgeleid van het “onbekommerde leven” dat voor de volwassen mens van straks gelden zal. In plaats van het leven praktisch haar volle inhoud te geven en het bijna geheel onafhankelijk te maken, zoals dat het geval is wanneer men alleen het nodige als eigendom heeft, geeft het onnodige alleen maar last, zorgen en afhankelijkheid. Dat bijna iedereen onmiddellijk aan “binnenhalen”, eigenlijk aan plunderen, denkt vindt zijn diepste oorzaak in de onvolwassenheid van de huidige mensheid. Daardoor willen de mensen zoveel mogelijk in bezit nemen, hetgeen onlosmakelijk verbonden is met tekorten en dus armoede voor hun medemensen. Het weten dat wij allen eigenaars zijn van de gehele kosmos is dan lang nog niet zelfbewust geworden. Het manifesteert zich vooralsnog als een soort van onbewuste en onverklaarbare innerlijke drang tot plunderen. Op een enkele uitzondering na kunnen hedendaagse mensen hier in hun denken geen afstand van nemen en daardoor vinden zij het volstrekt normaal dat er geplunderd gaat worden, ook door henzelf, zodra de goederen “voor het oprapen” liggen en er niemand is die zijn bezit verdedigt. Het plunderen in letterlijke zin treedt dan ook steevast op in noodsituaties wanneer er anarchie - niet te verwarren met “anarchisme” - heerst.

 

No.318

Het spreekt vanzelf dat er altijd goederen zullen zijn die nog niet in voldoende mate voorradig zijn. Dat is uiteraard vooral zo met nieuwe technische ontwikkelingen. Elk zo'n nieuw product begint onvermijdelijk met schaars te zijn. Dat kunnen sommigen niet leuk vinden, maar volwassen mensen zullen er stellig geen moeite mee hebben dat deze goederen het eerst ter beschikking komen van diegenen die ze het hardst nodig hebben. Onvolwassen mensen daarentegen zullen niet rusten voordat zij er beslag op gelegd hebben om vervolgens aan dit exclusieve bezit allerlei rechten, vrijheden en macht te ontlenen. Dat is het bekende programma van een onvolwassen wereld en het is ook het programma dat door alsnog onvolwassen mensen onmiddellijk voorspeld wordt. Over volwassen gedrag kunnen de meeste mensen zich absoluut geen voorstelling maken.

 

No.319

Er wordt al eeuwenlang gepraat over een “hogere mens” en zelfs over een toekomstig, verder geëvolueerd, menselijk verschijnsel. Allerlei fantasieën worden er op losgelaten en dat resulteert vaak in moeilijke geleerde verhandelingen die, als men het handig speelt, als “diep doordachte” en vanzelfsprekend “geniale” inzichten over de gehele wereld verspreid worden. Maar steeds nemen die geniale denkers hun toevlucht tot “eliminatie-denken”. Dat is een denken waarbij men bepaalde menselijke eigenaardigheden als ongewenst waardeert en ze vervolgens op de een of andere wijze neutraliseert of zelfs elimineert. Ongewenst zijn die zaken die met geen mogelijkheid zijn in te passen in het model dat men zich van een toekomstige mens gevormd heeft. Het zijn dus zaken waarmee men zelf geen raad weet!

Dan is er ook nog de zogenaamde sciencefiction. Dat is al helemaal een ramp omdat men hoge technologie combineert met afschuwelijke, domme en achterlijke mensen, zowel uiterlijk als innerlijk. Men ziet zelfs geen kans om voor zichzelf een samenhangende voorstelling te ontwerpen waarin de mensen op alle niveaus overeenstemmen met hun eigen wetenschappelijke en technologische kennen en kunnen. Over die speculanten die hun tijd verdoen met het uitdenken van hogere intelligenties en daarbij niet in de gaten hebben dat zij met hun eigen intelligentie bezig zijn, over die domkoppen zal ik het maar niet eens hebben! Waarom het gaat is dat over het algemeen de mensen niet los kunnen komen van hun eigen denkkaders en zich daardoor afsluiten voor de mogelijkheid nu eens een reële voorstelling van een volwassen mens te verwerven. Dat dit degenen overkomt die er niet hun dagelijks werk van maken zich in deze dingen te verdiepen is uiteraard te excuseren, maar dat zij die de pretentie hebben denkers te zijn aan dit euvel lijden is eigenlijk diep treurig. Het laat weer eens zien dat het met het denken van de moderne mensen niet best gesteld is, ondanks een veelheid aan opleidingen en een gigantisch arsenaal aan kennis. Schopenhauer heeft er destijds op gewezen dat men door veel te lezen zijn eigen denkvermogen ruïneert en dat men zich dus “dom leest”. Datzelfde geldt voor het leren: het almaar en lange tijd ondergaan van leerprocessen verziekt het denken. Kennis vergaren kan na verloop van tijd de plaats innemen van het denken, het verstikt op den duur elke creativiteit. Dat is zonder twijfel het geval met de moderne mensen, maar ook speelt een belangrijke rol dat men nauwelijks meer weet waarover men het heeft, doordat het wetenschappelijke wereldbeeld de realiteit verdrongen heeft.

 

No.320

In de wetenschap onderzoekt en analyseert men de bestaande werkelijkheid en dus ook de bestaande mens. Die mens blijkt dan allerlei aangename en onaangename eigenaardigheden te vertonen en die worden, na zo diep mogelijke ontleding en zo uitvoerig mogelijke theorievorming, ingevoegd in het heersende wereldbeeld, de op dat moment geldende voorstelling van de werkelijkheid. Gaat men nu over een toekomstige mens nadenken, dan is men getrouwd aan al die uit het onderzoek verkregen informatie en dat leidt onvermijdelijk tot een fantasie over de mens van straks die nergens op slaat, omdat de wetenschappelijk ingestelde mens niet anders kan dan zich baseren op zijn op dat moment bekende wetenschappelijke gegevens. Die echter zijn, hoewel op zichzelf in hoge mate betrouwbaar, gedistilleerd uit een veelheid toevallig aangetroffen individuen, zonder dat er rekening is gehouden met “het” verschijnsel mens, zo men al weet heeft daarvan. Een eigenaardigheid als hebzucht bijvoorbeeld komt als een der sterkste driften naar voren en op grond daarvan wordt dan zonder meer geconstateerd dat “de” mens hebzuchtig is. In de fantasie over de mens van straks zal men die eigenaardigheid op de een of andere manier willen wegwerken, omdat zich onbewust toch laat gevoelen dat hebzucht op zichzelf de mens niet past. Maar, juist dat wegwerken leidt tot een geheel vertekend beeld van die toekomstige mens. Zodoende is er met de meeste mensen niet zinnig te praten over de toekomstige wereld en de daarin voorkomende volwassen mensen.

 

No.321

Het is inderdaad opvallend dat men doorgaans wel in staat is op een enigszins verantwoorde manier over de toekomstige technologie en techniek te fantaseren, maar niet over de samenleving en de daarin voorkomende mensen. Men blijft dan almaar vastzitten aan de kennis en vooroordelen van vandaag en ziet geen kans die naar de toekomst door te denken met inachtneming van alle eigenaardigheden, die het verschijnsel mens vertoont. Het resultaat is dan ook in feite dat men zich qua toekomstige mens een nog grotere bandiet voorstelt dan men van zichzelf en zijn tijdgenoten gewend is. Weliswaar lijkt die bandiet een redelijk mens te zijn, maar juist zijn op wetenschap gebaseerde redelijkheid is door en door besmet door een bijna niet te genezen waan. En een andere mogelijkheid is dat men alle ongewenste eigenaardigheden van de mens afdenkt om vervolgens de resterende “zombie” voor een volwassen en wijs mens te houden. Van de al eerder door mij beschreven ontwikkeling van de mens tot een volwaardig individu heeft men al helemaal geen kaas gegeten, voornamelijk doordat men geen kans ziet het individuele en het gemeenschappelijke in een, met alles samenhangend, begrip ineen te denken.

 

No.322

De technologie behoort tot het kunnen van de mens. Dat wil zeggen dat het gaat over het tot materie omzetten van de inhoud van het zelfbewustzijn, te weten de werkelijkheid als niet-materie oftewel kennis. Dat “tot materie omzetten” bestaat niet alleen uit handelingen met de concrete materie, dus met grondstoffen en andere materialen, door mij al eerder benoemd met het begrip arbeid, maar ook uit theoretische programma's waarin uitgedokterd wordt hoe men tot productie kan komen. Die productie zelf, met alle mogelijke machines, benoem ik met het begrip techniek. Deze is dus niet mogelijk zonder genoemde handelingen, de arbeid, en zonder theoretische programma's. Maar, er moet ook nog opgemerkt worden dat die handelingen vooral een zaak van ervaring zijn en die theoretische programma's een zaak van experimenten. Het kunnen van de mens houdt echter meer in dan alleen maar de technologie. Geconcretiseerd moeten immers ook worden de ideeën omtrent zichzelf en de werkelijkheid zoals de mens die gaandeweg heeft leren kennen. Bijvoorbeeld zullen de mensen moeten leren hoe rechtvaardig te zijn, hoe elkaar met rust te laten en hoe met elkaar tot overeenstemming te komen in zaken van algemeen belang. En tenslotte is ook nog van het kunnen te zeggen dat het geen statische zaak is, maar een groeiende: men vermag steeds meer, men komt almaar meer op een “hoger” plan.

 

No.323

Het is filosofisch verhelderend om inzake de mensheid een drietal begrippen te hanteren, namelijk ten eerste het begrip gezelschap, ten tweede het begrip maatschappij (“maatschap”) en ten derde het begrip gemeenschap. Daarbij moet je het eerste begrip “gezelschap” opvatten als het overkoepelende begrip waarin vervolgens onderscheiden kunnen worden de “maatschappij” en de “gemeenschap”. Dit laatste begrip valt zelf ook nog uiteen in een tweetal andere, namelijk samenleving en gezin. Het spreekt vanzelf dat in de filosofie niemand verplicht is om die begrippen en hun indeling te aanvaarden of te onderschrijven, maar het is wel een feit dat men moeilijk om de eraan ten grondslag liggende onderscheidingen heen kan. Immers: er bestaat een zakelijke verbinding tussen de mensen (maatschappij), maar er wordt ook een onaanwijsbare maar niettemin onmiskenbare “eenheid” door de mensheid gevormd (gemeenschap) en binnen die eenheid zijn er mensen die met elkaar samen of gezamenlijk leven (samenleving) en er. zijn kleinere groepen mensen die met elkaar op de een of andere manier een “gezin” vormen. Overigens is in dit laatstgenoemde begrip ook nog een onderscheid te maken tussen de begrippen volwassene en kind. Tenslotte is nog op te merken dat die hele cluster van begrippen samengevat kan worden onder het begrip gezelschap, hetgeen de beschrijving toelaat dat de mensen “elkaars gezellen” zijn en dat dit op den duur tot een “gezellige” toestand in de wereld leiden zal - als er voordien geen rampen gebeuren.

 

No.324

In onze moderne wereld kent men feitelijk alleen nog maar het begrip maatschappij en dat is dan ook nog zo verschraald dat het nagenoeg geheel in het teken van de economie staat en, in verband daarmee, de arbeid en het rendement daarvan. Men is daarvan zo langzamerhand zo bezeten dat men aan niets anders meer kan denken en werkelijk alles beoordeelt naar zijn rendement. Inderdaad: alles, maar niet de waardering van diegenen die die arbeid verrichten en die dus in feite de “motor” van die economie zijn. Het blijkt namelijk dat de waardering ten enen male niet aan het rendement afgemeten wordt, maar daarentegen aan de status van de betreffende werkers. Zo kan het gebeuren dat een lid van de Raad van Bestuur van een grote onderneming met zo'n 2 miljoen gulden per jaar naar huis gaat, terwijl hij best een week of zo gemist kan worden, en een werknemer op de werkvloer blij mag zijn als hij 'sjaars 25 duizend gulden vangt. Terwijl deze laatste eigenlijk geen dag gemist kan worden! Kijk maar naar het fanatisme waarmee men ziekte-controles uitvoert. Hij die het hoogste rendement heeft krijgt verreweg de minste waardering en diegene met het laagste wordt met rijkdommen overladen. Dat doet denken aan de opvattingen van de oude Grieken die neerkeken op de arbeid als op een uiterst minderwaardige zaak. Een vrij man arbeidt niet. En natuurlijk herkent men het streven van de latere westerse feodale “edelen” om vooral geen arbeid te verrichten en zich slechts over te geven aan vermaak en, vooral niet te vergeten: aan sport. Welnu, die mentaliteit, die berust op een door alles heengaande scheiding van hoger en lager, is nog steeds onverminderd bepalend voor het denken van de mensen over zichzelf en vooral over de anderen. Hoezeer men ook probeert, vanuit het maatgevende economische denken, het meer of minder rendabel zijn als maatstaf voor te stellen, als het over het zich toe-eigenen van de rijkdommen gaat geldt plotseling de archaïsche hiërarchie volgens status.

 

No.325

Vervreemding-1(nr. 266) en vervreemding-2(nrs. 325 t/m 330)

De hiërarchie volgens status is al lang niet meer gebaseerd op het bezit van landerijen en de daarop werkende “zielen”. En ook het bezit van de productiemiddelen is al niet meer zo interessant, evenmin trouwens als het bezit van kapitaal of aandelen en dergelijke. Uiteraard wil men nog steeds al die zaken in bezit nemen, maar het is duidelijk geworden dat men zich dan van iets anders zal moeten verzekeren: tegenwoordig wordt het al steeds meer het bezit van kennis wat bepaalt hoe hoog iemands status is. Die steeds abstracter wordende reeks loopt natuurlijk op den duur letterlijk op niets uit, en dat wil eigenlijk zeggen: op de meest complete waan die maar denkbaar is! Het al vele eeuwen voortdurende gehunker naar status blijkt tenslotte een volstrekt zinledige waan te zijn die door de mensen van straks niet alleen dom gevonden zal worden, maar vooral ook nog levensgevaarlijk omdat hij het toppunt van “vervreemding” is...

Als echter dit alles uiteindelijk een waan blijkt te zijn is het dat in wezen altijd al geweest en dat verklaart waarom er steeds hier en daar mensen optreden die ten aanzien van de hogeren en machtigen dezer wereld een grote mate van nihilisme aan de dag leggen. Het een is niet meer waard dan het ander en uiteindelijk is er niets dat enige waarde heeft.

 

No.326

Iemand met een hoge status arbeidt niet en als h~ toch werkzaamheden verricht moeten die zoveel mogelijk de indruk wekken eigenlijk geen werkzaamheden te zijn. Arbeid mag het al helemaal niet genoemd worden, want die term verwijst al te zeer naar een lage status. Men “geeft leiding”, men “verricht studies en onderzoeken”, men “geeft les”, men “analyseert systemen”, enzovoort. Daarbij benadrukt men graag dat het niet zozeer arbeid is en werkzaamheden zijn, maar dat het daarentegen over een functie gaat. Niets doet beter uitkomen dat het uiteindelijk geheel en al een zaak van status is dan dat!

 

No.327

In tegenstelling tot wat velen menen leiden de wetenschappen niet tot de waarheid, maar tot een ware voorstelling. Als de mensen niet in de gaten hebben dat het hier slechts om een voorstelling gaat kan dat tot de meest ernstige vormen van “vervreemding” leiden. Vervreemding treedt op als men de voorstelling voor de waarheid houdt, of, anders gezegd: het plaatje voor de realiteit. Als, dankzij de activiteiten van de wetenschappers, het plaatje tenslotte voor de mensen foutloos is geworden is de voorwaarde geschapen voor een waan die op een ware voorstelling berust. Een dergelijke waan kan bijna niet doorbroken worden. Een waan immers sneuvelt aan het tot de mensen doordringen van de feiten, in die zin dat die feiten verkeerde voorstellingen opheffen en daarvoor juiste in de plaats stellen. Het doorbreken van een waan is dus alleen maar mogelijk als er onjuiste feiten aan die waan voorondersteld zijn. Dat is logisch! Maar: aan het einde van de rit gaat het niet meer over onjuiste feiten.

Behoudens een aantal onvermijdelijk onzuivere details kloppen de feiten. Er zijn dan geen andere, alternatieve, feiten meer op tafel te leggen die de vervreemding, de waan, zouden kunnen doorbreken. Daarmee is die waan zelfbevestigend geworden. De ware voorstelling is van nu af aan onaantastbaar geworden, maar men heeft nog altijd de waarheid niet gevonden!

 

 

No.328

Als het over de ultieme vervreemding gaat kunnen de feiten de mensen niet meer uit de droom helpen. Toch is het niet anders denkbaar dan dat de mens tenslotte in het teken van de waarheid komt te staan, hetgeen in feite wil zeggen dat hij als laatste verschijnsel samenvalt met de werkelijkheid. Dus: lichamelijk zowel als geestelijk “zichzelf “ is geworden en niet langer in strijd is met zijn eigen “natuur”. Het is nu dus de vraag hoe die “ultieme vervreemding” op te heffen, zonder uiteraard zijn toevlucht te nemen tot laffe kunstgrepen als het tegenwoordig zo populaire uitschakelen van het denken doormiddel van bewustzijn verruimende drugs, oefeningen en therapieën - die overigens de zaak meer verduisteren dan verlichten. Volgens het christendom zullen de mensen tenslotte “Christus zien” en hem volgen en zo meer. Bekijk je zo'n uitspraak vanuit de godsdienst, dan is het natuurlijk volstrekte onzin, alleen al vanwege het feit dat er blijkbaar iets anders, iets van buitenaf, nodig is om de mens te redden van de vervreemding. Maar misschien is er destijds toch wel iets mee bedoeld dat klopt?

 

 

Het kennen van de waarheid is een kwestie van zien. Nu kun je daar natuurlijk allerlei fraais aan bedenken, maar in feite komt het er op neer dat de mens aan de ware voorstelling een samenhangend beeld afleest. Dat beeld straalt door de voorstelling heen en dat kan alleen maar reëel en betrouwbaar gebeuren als de voorstelling uit juiste feiten bestaat. De moderne ontwikkeling, die te zien geeft dat het steeds meer om de feiten en dus ook om de kennis gaat, kan bijgevolg beschouwd worden als een bijzonder essentiële fase in de menselijke ontwikkeling. Zij behoort zelfs tot de laatste intellectuele processen voor het inzetten van de volwassenheid. Verder dan het omzetten van de verschijnselen tot kennis kan het niet gaan, althans niet als het over de wereld van de concrete dingen gaat. Maar, diezelfde eindfase voert de mensen in die welhaast onontkoombare vervreemding. Pas als men het einde van die “eindfase” nadert wordt het zien effectiever en daarmee lost de zinsbegoocheling zich op.

 

No.330

Omdat de vervreemding gevolg is van de groei van en de waardering voor de, op wetenschappelijke wijze verworven, kennis treden er tal van merkwaardige fenomenen op. Zo zie je dat de maatschappelijke en intellectuele macht steeds meer komt te liggen bij de academici en je ziet ook dat het steeds meer een macht wordt die zich, vooral naar buiten de academische clan, niet behoeft te verantwoorden. De academische status biedt een vanzelfsprekende en afdoende garantie voor het recht op de macht en dat werkt eigenlijk op precies dezelfde manier als vroeger de macht van de geestelijkheid: ook bij hen was de kerkelijke status voldoende garantie voor het bezitten van de “waarheid” en de daaruit af te leiden en te rechtvaardigen wereldlijke macht.

Vervreemding-1(nr. 266) en vervreemding-2(nrs. 325 t/m 330)

 

No.331

Er valt niet aan te ontkomen dat het tegenwoordig bij de beoordeling van machthebbers - en dus ook managers en dergelijke figuren - niet langer gaat om de capaciteiten van iemand, dus om dat wat iemand kan, maar juist om de kwalificaties die iemand bezit, in feite dus zijn via een officiële opleiding verworven kennis. Aangezien het hierbij uiteraard gaat om overdraagbare “analytische” kennis is het een zaak die niet alleen geen speciale talenten vereist, maar vooral een die buiten de ervaring ligt. Het gaat immers niet over “trial and error”, “vallen en opstaan” en stap voor stap verder komen, maar over het bestuderen van en experimenteren met door onderzoek verkregen informatie. Men heeft de dingen niet of nauwelijks meegemaakt en aan den lijve ondervonden, maar men heeft, gezeten op de collegebanken, kennis genomen van de analyse van de dingen. Deze kennis, hoe noodzakelijk ook om eens, in de verre toekomst, in het licht van de “waarheid” te kunnen leven, heeft in de praktijk van een alsnog onvolwassen wereld totaal niets te betekenen. Sterker nog: deze kennis stuurt steeds meer zaken in het honderd, hetgeen wij tegenwoordig maar al te vaak kunnen constateren.

 

No.332

De wetenschappelijke kennis is mondiaal van aard. Dat betekent dat de zaak over de gehele wereld onderling uitwisselbaar is. De wetenschappelijke “waarheid” van de een is gelijk aan die van de ander - wat overigens ook geldt als men het b~ gelegenheid op bepaalde punten met elkaar Oneens is. Gevolg van die volstrekte uitwisselbaarheid is onder meer dat nadere beschouwing van de dragers van die kennis, in principe dus de academici, een geweldig verlies aan identiteit te zien geeft. Zij komen allemaal met hetzelfde verhaal, met dezelfde argumenten en met dezelfde conclusies. Eventuele meningsverschillen beperken zich slechts tot details, maar tasten de aard van hun verhaal, argument en conclusie niet aan. Anders gezegd: allemaal denken ze hetzelfde! Omdat dit het geval is nemen ze bij alle mogelijke gelegenheden hun toevlucht tot het “gesprek”, het “overleg” en de “discussie”. Daarbij gaat het beslist niet om het gezamenlijk, sportief, eerlijk en belangeloos, toetsen van elkaars denkbeelden teneinde tot de beste oplossing te komen, maar het gaat daarentegen bij voorbaat al om het vinden van het zogenaamd gemeenschappelijke. Ze zoeken datgene waarin men overeen stemt, waarin men elkaar zogezegd “vinden kan”. En ze zijn zo wereldvreemd dat ze het eventuele succes van zo'n gedachtewisseling houden voor het best mogelijke resultaat en ze beschouwen dit middelmatige en onwaarachtige getob als een groot praktisch succes en “een belangrijke stap voorwaarts”. Gevolg is dat men over de gehele wereld hetzelfde middelmatige soort overheden en managers aantreft en uiteraard hetzelfde soort van instellingen met hetzelfde soort van besluiten, plannen en voornemens. En men houdt eindeloze besprekingen zonder ook maar tot enig praktisch resultaat te komen.

 

No.333

Je zou van mening kunnen zijn dat de bovenstaande beoordeling van de moderne wereld wel wat erg zwartgallig is. Maar eigenlijk is hij nog niet somber genoeg, want het is een gemakkelijk te verifiëren feit dat er almaar meer mislukt, vooral wat betreft het maatschappelijke, omdat activiteiten op dat vlak vooral ervaring, aanvoelen van wat rechtvaardig is, visie en medeleven vereisen, kwaliteiten waaraan door het eenzijdig analytische wetenschappelijke denken nu eenmaal niet op een concrete manier inhoud gegeven kan worden, maar die juist zo onontbeerlijk zijn omdat “de mens als maatschappij” het van regelingen, afspraken, voorschriften enzovoort moet hebben. Maar: hoewel die zo wetenschappelijk mogelijk gegrond moeten zijn hebben zij met hun bloedeloze zakelijkheid op zichzelf een uiterst onrechtvaardige uitwerking. Er is immers niet alleen maar “de mens als maatschappij”, maar er is ook nog de mens naar een aantal andere aspecten en die hele cluster van menselijke begrippen moet in zichzelf in harmonie zijn.

 

No.334

Het gemis aan kwaliteiten als inzicht, menselijkheid, rechtvaardigheid en dergelijken verklaart overigens ook het gewetenloze gemak waarmee de huidige machthebbers en managers de gemeenschap en de maatschappij als een winstobject misbruiken. Zij denken daar over als over een bedrijf, een op winst beluste onderneming. Het daaraan ten grondslag liggende wetenschappelijke denken weet wel van het bestaan van genoemde kwaliteiten en het kan er wel een analyse van maken, maar het is niet in staat er een inhoud, een betekenis, aan te geven. En dus blijft het bij hol, wezenloos en vooral onbetrouwbaar geklets. Maar het is helaas wel geklets waarop het gros van de mensen geen weerwoord heeft, doordat de gehele samenleving in de fase van het verwerven van zoveel mogelijk “maatgevende kennis” verkeert. Juist doordat eigenlijk iedereen deel heeft aan die cultuur vindt bijna iedereen, hoe kritisch bij gelegenheid ook, mijn filosofie over het functioneren van de wetenschap in een moderne wereld een zwartgallige, pessimistische zaak! Het zij zo...

 

No.335

Met nadruk moet ik stellen dat het niet de wetenschap op zichzelf is waarvoor gewaarschuwd moet worden. Zij is op zichzelf best in orde, zelfs als je bij dit positieve oordeel incalculeert dat er heel wat misslagen plaatsvinden en dat er veel meer corruptie onder wetenschappers aanwezig is dan menige ouderwets denkende idealist kan bevroeden. Er worden onvermijdelijk overal fouten gemaakt en in een onvolwassen wereld hebben ook de wetenschap en haar beoefenaren, vaak wel enigszins terecht, allerlei belangen te verdedigen, maar toch is de wetenschap wat ze zijn moet: het zich tot eigendom van de mens maken van de materieel benaderbare werkelijkheid. Waarom het mij steeds gaat is het functioneren van de wetenschap in maatschappij en gemeenschap. Vragen als “hoe werkt de wetenschappelijke kennis in op het menselijk zelfbewustzijn” en “welk gebruik maken autoriteiten van de status van de wetenschappelijke kennis” en “hoe worden de wetenschappen misbruikt ten bate van belangengroepen” zijn hierbij aan de orde. Als je dat soort kwesties nader beschouwt en vooral als je in de gaten hebt dat de wetenschappelijke voorstelling van de werkelijkheid volstrekt niet samenvalt met de realiteit kom je vanzelf tot de conclusie dat de wetenschap in een onvolwassen wereld buitengewoon vervreemdend is en zelfs de gevaarlijkste van alle illusies genoemd moet worden, juist door haar grote waarheidsgehalte - zoals ik, geloof ik, al eerder heb laten zien.

 

No.336

Op een ideologie gestoelde machthebbers zijn noodzakelijk vijanden van de mensheid. Alleen al het feit dat het hen om hun ideologie gaat en niet om de mensen en hun leven van alledag maakt hen tot vijand van “het volk”. Maar hun ideologie op zichzelf is onvermijdelijk ook vijandig aan de mens en de menselijkheid. Zo kon men onlangs vernemen dat de machthebbers in Cuba ondernemende mensen beloonden met extra zware belastingen. Want zij hadden particulier initiatief betoond door op eigen houtje kleine restaurantjes en winkeltjes te beginnen... maar een dergelijk initiatief is principieel in strijd met de “antikapitalistische” doelstellingen en activiteiten van de staat, lees: van die bekrompen, betweterige, op eigen glorie en welvaart beluste partijbonzen! Als het die lui werkelijk ging op het welzijn van de mensen zouden zij weten en begrijpen dat alle maatschappelijke vooruitgang begint met en gebaseerd is op juist uitgerekend die kleine ondernemers die, temidden van hun eigen volk en in samenhang daarmee, zorgen voor een aantal noodzakelijke voorzieningen. Maar, dat kunnen partijbonzen per definitie niet weten en begrijpen doordat zij een staat in hun hoofd hebben en volstrekt geen gezelschap.

 

No.337

Een staat behoort tot het begrip Omgekeerde Wereld. Het denken binnen het kader van dit begrip begint per definitie aan de verkeerde kant. Dat komt doordat men van de wetenschappelijke voorstelling van een zaak uitgaat. Uitgangspunt is dus niet de realiteit, maar “het plaatje” ervan, de werkelijkheid zoals die op de televisie is, zou je kunnen zeggen. De wetenschappelijke voorstelling bestaat uit een aantal door analyse verkregen componenten. Hoe die componenten op zichzelf tot stand zijn gekomen blijft buiten beeld. Waarom het gaat is hoe een zaak in elkaar steekt. Denkt men nu na over het inrichten van een staat en het beleid dat hiervoor nodig is dan gaat men van die wetenschappelijke voorstelling uit en men probeert al de erin aangetroffen componenten stuk voor stuk van bovenaf te organiseren. Uiteraard gaat men, althans in de moderne democratische wereld, niet uit van zomaar een voorstelling: men weet immers dat de meest betrouwbare voorstelling de wetenschappelijke is! En dus komt het hele wetenschappelijke apparaat met al zijn hooggeleerde deskundigen eraan te pas en die deskundigen gaan precies uitrekenen hoe de dingen gedaan moeten worden. Maar uiteindelijk komt er niets van terecht...

In een berekend staatsbestel valt niet te leven. Mentaal niet, maar vooral ook materieel niet. Ondanks alle knappe berekeningen ontbreekt het voortdurend aan alle mogelijke voorzieningen en goederen terwijl de mentaliteit van de burgers er onvermijdelijk een van haat en afgunst is. Kortom: op die manier lukt het niet en de reden daarvoor is dat men aan de verkeerde kant begonnen is. In feite is men uitgegaan van een situatie die op de een of andere manier in de loop der tijd al ontstaan was! En men heeft daarvandaan terug geredeneerd in de mening dat men daarmee in staat zou zijn een maatschappij in te richten. Zo'n maatschappij is een staat en daarvoor geldt het begrip omgekeerde wereld.

 

No.338

Bladwijzer: Brein ;  De Verlichting-1, De Verlichting-2, De Verlichting-3,

Je kunt dus proberen een staat te maken. Dat doe je door een analyse te maken van bestaande staten, uit de daardoor verkregen informatie de meest welgevallige te kiezen en daarmee vervolgens een plan samen te stellen, een blauwdruk die leidraad moet zijn bij het construeren van een maatschappij en, als het even kan, ook een gemeenschap. Je kunt je daarna gaan zitten verbeelden een maatschappij of misschien zelfs wel een gemeenschap gemaakt te hebben. Het bewijs dat zoiets “maakbaar” is. Daarmee is het ideaal van de Verlichting realiteit geworden. In feite echter is er een staat gefabriceerd en nog lang geen gezelschap en van beide essentiële inhouden, namelijk het samenleven en het gezin is al helemaal niets terechtgekomen. Wat je tot stand hebt gebracht is een constructie waarin de mensen als “zombies” hun dagen slijten. Het is de voorstelling van een “Brave New World” zoals die al door menig denker gegeven is en steeds, terecht, gekwalificeerd als een gevoelloze mechanische zaak. En uiteraard wordt die wereld bestuurd door een machtig brein dat, in welke vorm dan ook, boven de hele zaak uitgaat en een absolute heerschappij uitoefent. Dat “meesterbrein” is noodzakelijk want het hele concept van dat maakwerk is intellectueel van aard; het is wetenschappelijk uitgedacht door machtige heersers.

Bladwijzer: Brein ;  De Verlichting-1, De Verlichting-2, De Verlichting-3,

 

No.339

Overal waar mensen tezamen komen is te spreken van de werkelijkheid als gezelschap. Binnen het kader daarvan is een tweetal verhoudingen te onderscheiden, namelijk de maatschappij en de gemeenschap en deze zijn op hun beurt nog verder in zichzelf te onderscheiden, bijvoorbeeld als het over de gemeenschap gaat in a) de samenleving en b) het gezin. Deze cluster van verhoudingen is dus onmiddellijk aanwezig als er mensen bijeen zijn. Men mag overigens, als hierover nadenkend filosoof, geen enkele bedoeling aan dat bijeenzijn te verbinden. Deze waarschuwing is van groot belang voor het denken: men heeft immers tegenwoordig de slechte gewoonte achter alles wat mensen vertonen een van tevoren bedachte bedoeling te zoeken. Maar het gaat in principe om het vanzelfsprekende, doelloze, niet vooropgezette bijeenzijn. Daarvoor geldt dus het begrip gezelschap, of een of ander anders genaamd begrip van dezelfde betekenis. Die “mens als gezelschap” is dus niet gemaakt of gegroeid, hij is er onmiddellijk. Of hij de gelegenheid heeft en kans ziet deze bij hem behorende verhouding te laten gelden is natuurlijk een heel andere vraag...Maar, deze laatstgenoemde vraag is er wel een die voortdurend de kop opsteekt. Want aan het onmiddellijk gelden van het begrip gezelschap komt zonder dralen mee dat er zich met en tussen de mensen iets gaat ontwikkelen en dat is genoemde cluster van begrippen. Zoals het menselijk intellect dadelijk vanaf het begin aan ontwikkeling onderhevig is, zo is dat ook het geval met de “intermenselijke” verhoudingen. En, zoals met alles dat in de ware zin van het woord in ontwikkeling is, geldt ook hier tenvolle dat het een proces is dat met vallen en opstaan, aantrekken en afstoten, vastleggen en losmaken, leven en dood voortschrijdt. De cluster van “intermenselijke” begrippen, die begrippen op zichzelf en die begrippen in hun onderlinge wisselwerkingen doet, doorgaans vrijwel geheel onbewust, zijn werk tijdens het groeiproces van het verschijnsel mens. Tenslotte komt die cluster, in een bijna zuivere gedaante, voor den dag vanaf het moment dat de mensheid volwassen geworden is.

 

No.340

Een maatschappij, het netwerk dus van bespreekbare, regelbare, zakelijke relaties tussen de mensen kan alleen maar “ontstaan”. Het kenmerkende ervan is dat er een groei is van een pover begin naar een uiterst verfijnd einde. Alle knooppunten in dat netwerk zijn ontstaan uit allerlei behoeften die de mensen voelen en in principe is daarvan te zeggen dat die behoeften net zo gevarieerd zijn als de mensen zelf. Bijgevolg kunnen zij nimmer bedacht en uitgerekend worden, dat is te zeggen: er ontstaat na verloop van tijd wel een soort van “logistiek” om betrekkelijk grootschalig aan die behoeften te voldoen en dat is wel een zaak van bedenken en uitrekenen, maar het ontstaan van die behoeften en het zoeken van oplossingen om eraan te voldoen is een zaak van “particulier initiatief”. Overheden, managers en vooral politici zijn ten enen male niet bij machte zoiets tot stand te brengen, noch door direct ingrijpen, noch door het scheppen van voorwaarden, regelingen en mogelijkheden. Alleen in samenhang met en temidden van “de mens als gemeenschap” kunnen levensbehoeften herkend en bevredigd worden. Nooit kan dat van buitenaf en van bovenaf door politici, ambtenaren en managers wier denken en leven niet in het teken van het noodzakelijke staat, maar in het teken van macht. Als iemand in het teken van macht staat gaat het niet om het welzijn van “de mens als gezelschap”, maar over de wil om de werkelijkheid als gezelschap naar eigen hand te zetten. Dat wat voor het gezelschap nodig en noodzakelijk is doet niet terzake, wordt doorgaans zelfs niet eens herkend, en het is slechts de eigen, berekende en geconstrueerde werkelijkheid die de absolute maat is. Het is dan ook uitgesloten dat een machtsfiguur, ook al pretendeert hij “macht ten goede” te bestreven, iets zinvols voor de mensheid als gezelschap doen kan. Slechts rampen komen uit zijn gedoe voort, ook al hebben die rampen de schijn van “goede werken” doordat zij tot stand komen binnen een alsnog kinderachtige, onvolwassen mensheid.

 

No.341

Als een maatschappelijk systeem geen flexibiliteit kende en na verloop van tijd ingestort is, zoals bijvoorbeeld met de Sovjet-Unie het geval is en straks ook met China, Cuba, Noord-Korea en nog wel een paar staten het geval zal zijn, is er maar een weg waarlangs zich een nieuwe en betere toestand kan ontwikkelen: een onbarmhartig tot op de laatste steen laten vergaan van het heersende systeem en vervolgens de dan ontstane anarchie in zo goed mogelijke banen te laten leiden door de bevolking zelf. De kans is dan het grootst dat de levensbehoeften van het gezelschap gedurende een cruciale periode de maat zijn en dan tot gevolg hebben dat er een maatschappelijk netwerk van onderlinge verhoudingen tussen de mensen ontstaat wat eindelijk eens voldoet om de mensen veiligheid te bieden. Dat dan na enige tijd toch weer een machtige bovenlaag het voor het zeggen krijgt is, gezien de onvolwassenheid van de mensheid, niet te vermijden, maar het maakt een heel verschil of zo'n bovenlaag van oorsprong gestoeld is op genoemde spontane “particuliere initiatieven” of dat een berekening van de een of andere “maakbaarheidsfanaat” de basis is. In het laatste geval ontbreekt het de bevolking vrijwel aan alles, in het eerste staat vrijwel alles ter beschikking, zij het dan vaak in een onverantwoorde overvloed.

 

No.342

Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2 ; Intellectuele lafheid-3 ; Intellectuele lafheid-4 ; Intellectuele lafheid-5 ; Intellectuele lafheid-6 ; Intellectuele lafheid-7

De hedendaagse mens wordt in toenemende mate gekenmerkt door “intellectuele lafheid”. Men durft geen standpunten meer in te nemen, men is huiverig voor het hebben van een mening terwijl men tegelijkertijd van zichzelf vindt dat men “tolerant” is en voor allerlei zaken “begrip” heeft. Men beschouwt zijn eigen lafheid dus niet als iets kwalijks, maar juist als iets goeds dat in alle opzichten de moeite waard is bestreefd en gekoesterd te worden. Men vindt het dan ook een belediging van lafheid beschuldigd te worden! De oorzaak van dat merkwaardige verschijnsel is gelegen in de onvoorstelbare hoeveelheid kennis die men zich eigen gemaakt heeft. Met die kennis gaat men niet om als met gereedschap, als met een hulpmiddel om raad te Ieren weten met de werkelijkheid, maar men gebruikt die kennis op een essentiële manier, namelijk als het materiaal waarmee men zijn voorstelling van zijn wereld opbouwt. Daardoor is die kennis geworden tot de “essentie” van de werkelijkheid. De werkelijkheid bestaat uit die kennis! Beschouwt men nu zijn wereld dan krijgt men te maken met het uiterst verwarrende feit dat er zo ontstellend veel gedetailleerde kennis ter beschikking staat dat men zogezegd “door de bomen het bos niet meer kan zien”. Het is niet langer mogelijk te zeggen hoe de werkelijkheid is. Slechts het geven van een opsomming van al datgene waaruit de zaak bestaat is nog mogelijk, maar dat geeft nu juist onoverkomelijke problemen vanwege de onmogelijkheid die gigantische hoeveelheid kennis te overzien. Kortom, de moderne mens weet zich wat betreft zijn “kijk” op de wereld geen raad meer en dan kan hij nog slechts op één manier zijn huid redden : door namelijk “de kerk in het midden te laten” - vaak letterlijk! Het kan “zo” zijn, maar ook “zus” zijn. Met dat al durft men geen standpunt meer in te nemen en het hebben van een mening is verdacht, om maar te zwijgen over zekerheden...

Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2 ; Intellectuele lafheid-3 ; Intellectuele lafheid-4 ; Intellectuele lafheid-5 ; Intellectuele lafheid-6 ; Intellectuele lafheid-7

 

no.343

Iemand is niet “laf” als hij gewoon laat gelden en toegeeft dat hij met iets geen raad weet. Maar de moderne mens kan zoiets nimmer toegeven, juist omdat zijn voorraad kennis zo'n allesbepalende rol speelt. Vanuit zijn cultuur is alles kennis voor hem. De werkelijkheid is een intellectuele constructie die echter zo langzamerhand niet meer te bevatten is vanwege de verwarrende hoeveelheid details en elementen die zich aandienen. Zo komt hij tot een levenshouding die tolerant en redelijk lijkt doordat tal van “voors” en “tegens” in aanmerking worden genomen, maar in feite is het allemaal vlees noch vis. Zou die moderne mens nog maar een greintje inzicht in zichzelf en de werkelijkheid hebben, hij zou versteld staan van zijn eigen lafheid om vervolgens te beseffen hoe dom hij, ondanks zijn fantastische intellectuele bagage, in feite is.

 

No.344

Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2 ; Intellectuele lafheid-3 ; Intellectuele lafheid-4 ; Intellectuele lafheid-5 ; Intellectuele lafheid-6 ; Intellectuele lafheid-7 ; eigen verantwoordelijkheid  Verantwoordelijk   Verantwoordelijkheid

Een tegenwoordig veel voorkomend staaltje van “intellectuele lafheid” kom je tegen bij de discussie over de positie van de mens in de kosmos - als je dat geharrewar over de evolutie tenminste nog een “discussie” wilt noemen! Als er namelijk iets is dat op de een of andere manier aanleiding geeft tot psychische verwarring is het dat wel. De afkomst van de mens is nog steeds een gevoelige zaak, ook als men wel bereid is toe te geven dat aapachtige toestanden tot het verleden van de mens behoren. Met het feitelijk ongeloofwaardig worden van het godsdienstige scheppingsverhaal heeft het evolutieverhaal bij het gros van de mensen beslist niet aan geloofwaardigheid gewonnen. En dat is temeer het geval als je duidelijk wilt maken dat er aan de evolutie noodzakelijk een eind moet komen en dat dit eindmoment voor de dag komt als het verschijnsel mens. Al vaker heb ik van mijn verbazing blijk gegeven over het feit dat intelligente mensen terecht opmerken dat de evolutie zo langzaam gaat dat het niet mogelijk is mutaties te herkennen, maar tegelijkertijd zonder blikken of blozen deze notie ontkrachten door met stelligheid te beweren dat het proces van de evolutie doorgaat. Dat is uiteraard een loze bewering, berustend op een geloof : men wil niet aanvaarden dat er een eind aan de zaak gekomen is. Stellig heeft dat op onbewuste wijze te maken met het feit dat geloven in een toekomstige verdere - lees: hogere – ontwikkeling, de eigen verantwoordelijkheid van de mens verlegt naar de toekomst, hetgeen natuurlijk een prachtig excuus is voor zijn wandaden. Straks, straks gaan wij ons behoorlijk gedragen! Weet men echter dat er wat de evolutie betreft geen toekomst voor de mens is weggelegd, dan komt het hele leven neer op het beslissende “hier en nu” en elk uitwijken naar straks of naar een andere instantie is volstrekt uitgesloten. Dus, als men voor de keuze staat van wel of geen voortgang, dan toch maar liever voor het eerste gekozen...

Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2 ; Intellectuele lafheid-3 ; Intellectuele lafheid-4 ; Intellectuele lafheid-5 ; Intellectuele lafheid-6 ; Intellectuele lafheid-7 ; eigen verantwoordelijkheid  Verantwoordelijk   Verantwoordelijkheid

 

No.345

Je kunt op twee manieren beredeneren dat het verschijnsel mens aan het einde van de evolutie moet staan. Maar, zoals dat met alle redeneringen in de filosofie het geval is. Beide gedachtegangen staan niet los van elkaar. Dat wil zeggen dat het ene betoog in de grond van de zaak niet mogelijk is zonder het andere betoog. Dat neemt echter niet weg dat ze toch van elkaar verschillen, en wel waar het het uitgangspunt betreft: in het eerste geval vangt je verhaal aan bij de grondslag van de werkelijkheid, namelijk de onbepaaldheden die ik in mijn werk Beweging en Verschijnsel de “beweeglijkheden” heb genoemd. Je begint dan dus bij de aanvang van het wordingsproces. Maar in het tweede geval begin je bij de actuele stand van dat proces en dus bij de verschijnselen die je als zijnde het verschijnsel mens bij je rondgang op aarde aantreft.

 

No.346

Het wordingsproces kent verscheidene fasen, maar de belangrijkste, en voor de geleerden merkwaardigste, fase zet in als op de planeet het leven ontstaat. Vanaf dat moment is er het evolutieproces waarbij het levende verschijnsel, namelijk de verzameling in zichzelf beweeglijke cellen, zich vanuit zichzelf met elkaar gaan organiseren en zo tot steeds ingewikkelder organismen komen. Omdat het een materieel kwantitatieve zaak is komt er aan dat samenvoegen van cellen een einde. Op een zeker moment is het dan ontstane organisme zo verfijnd dat er niets meer aan toe te voegen valt. Daarbij moet opgemerkt worden dat het kwantitatieve zich vermeerderen van cellen tegelijkertijd een kwalitatief proces is: er treden almaar inniger onderlinge verhoudingen tussen de cellen op. Juist dit laatste is er de reden van dat er aan het samenvoegen een einde komt. Was de zaak uitsluitend kwantitatief, dan zouden er geen “organismen” te voorschijn komen, maar grote conglomeraties van cellen die in wezen volstrekt op zichzelf gebleven zijn. Overigens, dat komt in de natuur ook veelvuldig voor, denk maar aan de kolonies van het koraal. In het evolutieproces echter vormen de organisaties van cellen steeds één levend verschijnsel waarvan juist de innigheid van de tussen de cellen ontstane onderlinge verhoudingen bepalend is. Die innigheid kan logisch gedacht niet verder gaan dan deze situatie dat alle cellen met alle andere cellen in verbinding staan en zo met elkaar een “volmaakt” netwerk vormen. Op dat moment staan de afzonderlijke cellen precies op het punt hun eigen specifieke materiële structuur te verliezen om over te gaan in datgene waaruit , zij oorspronkelijk ontstaan zijn, namelijk de volstrekt Onbepaalde, ongrijpbare en ondefinieerbare, vluchtige “beweeglijkheden”. Er bestaan dan dus aan het einde van de evolutie, en in feite van het gehele (plaatselijke) wordingsproces, twee toestanden tegelijkertijd: enerzijds de optimaal innig georganiseerde materie en anderzijds de vluchtige beweeglijkheden. En nu is het zaak te kijken of wij dat dubbelwezen kunnen vinden, hetgeen bepaald niet veel problemen geeft omdat wij gemakkelijk onszelf daarin kunnen herkennen. Wij zijn immers “stoffelijk” om tegelijkertijd en vooral “geestelijk” te zijn. Ergo: wij zijn het slotakkoord van wording en evolutie..!

 

no.347

Zoals gezegd kun je ook van jezelf uitgaan: zonder aanvankelijk precies te weten of te vermoeden wie je “als mens” bent is het gemakkelijk vast te stellen dat je eigenlijk, hoewel samengesteld uit heel gewone materie, een “geestelijk wezen” bent, in die zin dat je je bij alles zo gedraagt alsof je helemaal niet materieel was en alsof je dus aan de materiële werkelijkheid “voorbij” zou zijn. Kennelijk is de situatie bij de mens dus zo dat hij precies op de uiterste grens van de stoffelijke wereld staat en daardoor verschijnt als een dubbelwezen. Echter niet zomaar als een dubbelwezen: in hem verenigen zich niet twee materiële toestanden waarbij de volgende een gewijzigde voortzetting van de vorige is (mutatie), maar in hem komen onmiskenbaar twee geheel tegengestelde toestanden bijeen: een materiële en een niet-materiële, oftewel een “stoffelijke” en een “geestelijke”. De mens moet dus wel het slotakkoord van wording en evolutie zijn, hetgeen logischerwijs betekent dat op die bepaalde planeet waarop hij verschenen is de zaak voltooid is. Wat er verder nog gebeurt zijn allerlei aanpassingen die noodzakelijk, met vallen en opstaan, resulteren in verbeteringen en, wat de mens betreft, ook nog ontwikkeling waarvan het kenmerk is dat er “langzaam maar zeker uitkomt wat er vanaf het begin al ingezeten heeft”.

 

No.348

Ook als men bestrijden wil dat de mens het (plaatselijke) slotakkoord van de evolutie is blijft het onomstotelijk logisch dat er een tweeslachtig verschijnsel aan het einde van de evolutie moet verschijnen. Zijn wij dat niet, welke veronderstelling per se onjuist is, dan komt er op den duur zeker nog wel zo'n geval te voorschijn. En dat de evolutie almaar zou doorgaan is een absurde veronderstelling die niet alleen filosofisch-logisch onhoudbaar is, maar die vooral ook volstrekt in strijd is met alle bekende feiten over processen, bewegingen en op elkaar inwerkende krachten. Als de wetenschappers nu werkelijk zoveel waarde hechten aan de feiten als zij bij voortduring beweren, waarom dan niet de veronderstelling uitgesproken dat de evolutie een eindig proces is. Dat zou heel wat meer in de rede liggen dan de gangbare onzinnige mening dat de zaak wel door zou gaan. Maar men wil nu eenmaal niet de verantwoording aanvaarden die onmiddellijk en onafwendbaar aan de positie van laatste verschijnsel meekomt...

 

No.349

Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2 ; Intellectuele lafheid-3 ; Intellectuele lafheid-4 ; Intellectuele lafheid-5 ; Intellectuele lafheid-6 ; Intellectuele lafheid-7

Het is goed om niet bevooroordeeld te zijn, maar als het allert-zijn daarop ontaardt in de angst om ergens een opvatting over te hebben en een mening over uit te spreken wordt het wel een bijzonder kwalijke zaak: een verschrikkelijke “intellectuele lafheid” maakt zich van iemand meester! Aan dat verschijnsel zou men schouderophalend voorbij kunnen gaan als het zo langzamerhand niet een epidemie onder de moderne mensen aan het worden was. Een epidemie die het adequaat handelen in de weg staat en die tegelijkertijd het eindeloos ouwehoeren en hakketakken bevordert. Men vindt dat allemaal wel heel erg redelijk en vooral vindt men het bijzonder intellectueel staan, maar men vergeet of heeft niet in de gaten dat redelijkheid en intellectualiteit tot volslagen krankzinnigheid leiden als zij niet voor honderd procent samengaan met praktisch, ter zake kundig, handelen. En voor dit laatste zijn opvattingen, standpunten en meningen noodzakelijk. Inderdaad kunnen die volstrekt fout blijken, maar toch alleen dan als men ze eerst en om te beginnen heeft laten gelden. Een bijgesteld standpunt is altijd te verkiezen boven een zogenaamd redelijk compromis, zoals dat voortspruit uit eindeloos voortdurend theoretisch en intellectueel geharrewar bij voorbaat, zonder voorafgaande praktische basis.

 

No.350

Sinds de stormachtige ontwikkeling van het moderne wetenschappelijke denken zijn velen in de mening komen te verkeren dat de theorie aan de praktijk voorafgaat en daarbij gaat menigeen zelfs zover dat hij denkt dat de praktijk helemaal niet mogelijk zou zijn zonder enigerlei vorm van theorie. Allemaal onzin!

Het ligt precies andersom: elke theorie is pas ontstaan als er door een bepaalde praktijk een aanzet toe gegeven was. Dat is niet altijd even goed zichtbaar, zeker niet nu wij moderne mensen bedolven worden onder alle mogelijke soorten van theoretisch gezwets, zoals dat op universiteiten en andere instellingen van zogenaamd hoger onderwijs den volke geleerd wordt. De theorieën zijn zo langzamerhand een geheel eigen leven gaan leiden en daardoor lijkt het of zij noodzakelijk aan alle handelen vooraf moeten gaan. Een essentiële rol bij deze misvattingen speelt het door elkaar halen van de begrippen idee en theorie. Het is inderdaad een feit dat er aan het praktisch handelen iets vooraf gaat, namelijk een idee. Je krijgt een “inval”, een ingeving die je ertoe aanzet iets te gaan doen. Zo'n idee kan werkelijk overal vandaan komen, hij kan zelfs berusten op al lang vergeten kennis of ervaringen, maar waarom het gaat is dat h~ als “inval” niets uit te staan heeft met welke theorie dan ook. Een theorie immers ontstaat na analyse van een voorwerp of een handeling of een werking. De een of andere gebeurtenis moet eerst plaatsgevonden hebben alvorens men tot de vorming van een theorie kan overgaan.

 

No.351

De theoretici vormen in de moderne maatschappij de bovenlaag. Zij zijn de hoger opgeleiden en dus de specifieke representanten van onze, op wetenschap gerichte, cultuur. Maar, als zodanig zijn zij nu precies degenen van wie de maatschappij en de gemeenschap het uiteindelijk niet moeten hebben! Deze regelaars, planners, managers en overige hooggeleerde bestuurders beginnen steevast aan de verkeerde kant van een zaak. Zij denken dat een zaak zich ontwikkelt volgens hun, door wetenschappelijke analyse verkregen, theoretische modellen, terwijl in feite die fraaie modellen ooit aan eren eerdere, soms zelfs in onbruik geraakte, praktijk ontleend zijn. De tegenwoordige theorieën over de opbouw van de maatschappij bijvoorbeeld zijn gevolg van een analyse van de ontstaansgeschiedenis van onze moderne (westerse) wereld. Op zichzelf is zo'n analyse natuurlijk prima, als men maar niet gaat menen dat de daaruit ontwikkelde theorieën als modellen voor de opbouw van een nieuwe maatschappij zouden kunnen dienen. Dus: als men in het huidige Rusland meent regelaars en managers in de arm te moeten nemen om de maatschappij opnieuw op te bouwen, komt men onvermijdelijk bedrogen uit. Men zal te maken krijgen met een nog indringender bureaucratie dan men daar al meer dan een eeuw gewend was en onder die formele structuur zal er onvermijdelijk een welig tierende criminaliteit ontstaan. Die is er trouwens al!

 

No.352

Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2 ; Intellectuele lafheid-3 ; Intellectuele lafheid-4 ; Intellectuele lafheid-5 ; Intellectuele lafheid-6 ; Intellectuele lafheid-7

Tegelijkertijd met de “intellectuele lafheid” van die intellectueel ingestelde mensen, die zich uit angst voor vooroordelen onthouden van een heldere mening over bepaalde zaken, zijn er natuurlijk ook nog de betweters, de bevooroordeelden die heel kordaat zo ongeveer overal een mening over hebben, maar dan wel steeds een foute! Zij vervallen inderdaad niet tot “intellectuele lafheid”, maar stemmen op dit belangrijke punt met die angsthazen overeen dat ook bij hen ten enen male elk inzicht in de werkelijkheid ontbreekt. Omdat zij echter wel degelijk een mening hebben, al berust die feitelijk op gigantische vooroordelen, kunnen zij hun wil doorzetten, uiteraard zeer ten nadele van hun medemensen. Juist van de intellectuelen hebben zij nauwelijks iets te duchten, want die weten er toch geen raad mee. In het recente verleden zijn er talloze voorbeelden van hun laffe radeloosheid voorhanden. Men heeft zich vaak afgevraagd waarom er toch van de op kennis en wetenschap berustende 19e-eeuwse democratische, liberale en humanistische idealen zo weinig terechtgekomen is. Welnu, het antwoord heb ik hierboven gegeven. AI die idealen veroorzaken onbekwaamheid tot handelen omdat ze niet tot een “mening”, een “standpunt” leiden en verzanden in talloze “voor en tegens”. Handelen, goed of slecht, vooronderstelt een standpunt en nu gaat het er maar om hoe tot een verantwoord standpunt te komen. De intellectueel kan het niet omdat hij teveel weet en de bevooroordeelde botterik kan het niet omdat hij te weinig weet. Een tussenweg is er niet, wel echter een andere weg, maar die is in een alsnog Onvolwassen wereld gebonden aan de aanleg van de individuele mens. Het herkennen van en zich richten naar de werkelijkheid als beeld wordt pas dan een algemeenheid als de mensheid volwassen geworden is, maar voordien komt die kwaliteit slechts voor bij enkelingen met een speciale aanleg.

Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2 ; Intellectuele lafheid-3 ; Intellectuele lafheid-4 ; Intellectuele lafheid-5 ; Intellectuele lafheid-6 ; Intellectuele lafheid-7

 

No.353

Het evolutieproces is geen “piramidaal” proces maar daarentegen een “horizontaal” proces. Dat zijn natuurlijk maar woorden, maar ik bedoel er dit mee: het is niet denkbaar dat het leven op aarde aan de basis “breed” begint en dat zich daar bovenop gaandeweg smallere lagen van een hogere orde ontwikkelen, zodat er als het ware een piramide ontstaat die in een punt uitloopt alwaar zich het “hoogste” levende wezen zou bevinden, maar het is wel denkbaar dat het gehele levende organisme zich als het ware in een breed horizontaal vlak optrekt, net zolang tot alle mogelijkheden er uit zijn gekomen. In het eerste geval zouden alle “lagere” organismen gebleven zijn die zij om te beginnen waren terwijl een aantal ervan zich nog verder ging ontwikkelen. De onveranderde organismen echter zouden hun samenhang met de veranderde verloren zijn, hetgeen betekent dat zij zich in de verder ontwikkelde natuur niet zouden kunnen handhaven. Een eencellig organisme zou nog net zo “primitief “ zijn als destijds en zich op geen enkele wijze hebben kunnen aanpassen. Een piramidaal geëvolueerd leven sluit de mogelijkheid tot aanpassing uit. In het tweede geval vervallen alle bovengenoemde bezwaren. Ook het “primitiefste” eencellige wezen kan zich handhaven temidden van de haar omringende organismen en, sterker nog, het past zich volledig aan! Frappant is bijvoorbeeld het feit dat bacteriën en andere ziekteverwekkende organismen zich in de loop der tijd aanpassen aan de ertegen gerichte bestrijdingsmiddelen. Antibiotica verliezen steeds meer hun effectiviteit doordat de ziekteverwekkers “resistent” worden. In feite zijn de oer-organismen mee-ontwikkeld zodat zij al lang niet meer zijn wat zij destijds waren. Zij zijn via de evolutie van de gehele levende werkelijkheid blijven samenhangen met alle levensvormen. En met alle levensvormen is ook voor hen de evolutie aan haar eind gekomen, terwijl juist door dat “horizontale” karakter van de evolutie alle mogelijkheden tot aanpassing open zijn gebleven.

 

No.354

Een consequentie van de “horizontale” ontwikkeling is dat er steeds, inderdaad op elk moment van de evolutie, hetzelfde scala van mogelijkheden aanwezig is als er thans, nu het evolutieproces ten einde is geraakt, op de planeet leeft. Dus: de variabelen van mens tot eencellig wezen zijn als variabelen precies dezelfde als aan het begin van de evolutie, zij het uiteraard dat zij zich in aanzienlijk “primitiever” toestand bevonden dan thans het geval is. Om zich bijvoorbeeld aan te kunnen passen aan de geraffineerde bestrijdingsmethoden van de moderne wetenschappers moet het organisme op de een of andere manier veel ontwikkelder zijn dan voordien. Het is wellicht voor de lezer een beetje moeilijk voor te stellen hoe dit nu allemaal zit, en ook het waarom zal niet gemakkelijk duidelijk worden. Ik zie op dit moment helaas ook geen kans het in kort bestek duidelijker te vertellen, maar zeker is dat rustig en vooral niet geforceerd nadenken over de zaak bij de lezer stellig tot een helderder inzicht in deze materie zal leiden.

 

No.355

Hoewel het in de logica ligt te bedenken dat er steeds, gedurende elke fase van de evolutie, alle variaties tussen mens en eencellige zijn, moet je wel in de gaten houden dat het bijzondere van het laatste verschijnsel, namelijk het dubbele karakter, nog lang niet kon bestaan. Daarvoor was de zaak almaar te primitief. Dat wil zeggen dat de organismen, bestaande uit levende cellen, hoewel inderdaad steeds van optimaal tot minimaal georganiseerd, nog te weinig innig van structuur waren om, binnen een bepaald levend wezen, tot een volledige samenhang van elke cel met elke andere cel te komen. Het is echter eerst die volledige samenhang die het in zichzelf begrensd zijn van elke afzonderlijke cel ten volle opheft om zo een toestand te scheppen waarin niet langer die cellen bepalend voor het organisme zijn, maar hun oorsprong, namelijk de beweeglijkheden die de grondslag vormen voor alles wat er is. Het “dominant zijn” van de werkelijkheid als beweeglijkheid binnen het, aan de uiterste grens van innigheid geraakte, levende verschijnsel is wat wij mensen aan onszelf en aan elkaar beleven als de “geest”, het “onstoffelijke”, het “niet-materiële”, het “culturele” en zo meer. Die waarlijk menselijke eigenaardigheid vooronderstelt dus een optimale cellenstructuur en tegelijkertijd een optimale innigheid. Dus, anders gesteld: een uiterste mogelijkheid van een evolutionaire fase die onmiddellijk ook het absolute eindpunt van de Evolutie is.

 

No.356

Dezer dagen is er weer een boek uitgekomen waarin de schrijver zich onder andere afvraagt hoe toch het heelal in beweging is gekomen. En een tijdje geleden was er iemand zo bijdehand te menen dat de oerknal de zaak in gang heeft gezet, blijkbaar zonder enige last van logica voorbijgaand aan de vraag hoe die zo innig samengeperste materie in die explosieve toestand kon geraken. Stellig niet door bewegingloos te zijn! Ik moet zeggen dat ik er telkens weer verbaasd over sta als geleerde lieden klakkeloos van een stilstaande zaak uitgaan alsof juist dat vanzelfsprekend zou zijn. Maar dat is het helemaal niet! Ook als je niet of nauwelijks je gedachten hebt laten gaan over zaken als het begin van de kosmos moet het toch volstrekt duidelijk zijn dat er ten enen male geen bewegingloos begin geweest kan zijn. Je voelt dan toch onmiddellijk aan dat dit begin onbelemmerd beweeglijk moet zijn en dat het kenmerkende van de kosmos niet het feit is dat er beweging in gekomen zou zijn, maar daarentegen juist dat de zaak onder allerlei omstandigheden tot stilstand kwam. Dat wil zeggen: hier en daar ontstond er min of meer stilstand en dat moet je dan ook nog als betrekkelijk zien, omdat ook op zichzelf onbeweeglijke systemen noodzakelijk ten opzichte van iets anders in beweging zijn. Uiteindelijk is alles ten opzichte van iets anders in beweging en een absolute stilstand is volslagen ondenkbaar. Zoiets te menen is zo onzinnig dat het vermoeden gewettigd is dat er iets achter steekt als men toch zo graag in aanvankelijke stilstand wil geloven. Misschien kan men nog steeds niet loskomen van een scheppingsverhaal met een “eerste beweger” die in zijn oneindige wijsheid besloten had een kosmos in elkaar te knutselen en dat uiteindelijk nog krakkemikkig deed ook?

 

No.357

Over de 19e eeuw wordt nogal eens enthousiast gedaan, vooral door humanistisch georiënteerde intellectuelen. Zij geven hoog op over het doorbreken van de “ratio”, het effectief worden van de exacte wetenschappen met, daarmee samenhangend, het terugdringen van de kerkelijke invloed daarop. Prachtig is volgens hen het doorbreken van liberale ideeën en, tegelijk daarmee maar uiteraard er tegenin, allerlei socialistische bewegingen. Het was de eeuw van Darwin, van Marx, van Bakoenin en welbeschouwd ook van Multatuli, Domela Nieuwenhuis en nog vele, vele anderen. Maar deze hele voorstelling van zaken is typisch die van een paard: zorgvuldig voorzien van oogkleppen. De huidige bevoorrechte bovenlaag ziet alleen maar de bovenlaag van destijds, want die was het immers die de basis voor hun tegenwoordige status legde. Men ziet daar het begin van de eigen ontwikkeling en meer dan dat is voor hen niet zichtbaar. Bijvoorbeeld dat de “gewone” mensen nagenoeg crepeerden, onvoorstelbaar verpauperd waren en zonder enige overdrijving loonslaven genoemd moeten worden. Men heeft het er zelden over dat juist in die 19e eeuw het kolonialisme effectief georganiseerd werd zodat er een weergaloze plunder kon ontstaan waarvan de wereld nu nog de wrange vruchten plukt. Het is waar, men kent de meeste van die feiten wel - de moderne mens kent zo langzamerhand alle feiten - maar ze hebben niet echt betekenis. Wijzen op die feiten wordt voor kennisgeving aangenomen. Kortom, voor de bovenlaag, die gaandeweg uit intellectuele burgers ging bestaan en niet meer uit bij voorbaat al “hogergeplaatsten” van geboorte, was vooral die tweede helft van de 19e eeuw en de eerste decennia van de 20ste eeuw een “gouden eeuw” vanwege het gemak waarmee men zijn hogere status letterlijk te gelde kon maken. Zelfs alom verguisde en bestreden revolutionairen, kunstenaars en filosofen leefden in een zodanige welstand dat zij het zich konden permitteren vakanties in Zwitserland te houden, 's zomers lange tijd aan zee te vertoeven, bijvoorbeeld in het Zeeuwse Domburg, de eerste automobielen aan te schaffen en hun dagen in mondaine hotels te slijten. Er waren natuurlijk uitzonderingen, maar zoals altijd bevestigen die het algemene beeld. En dat beeld wordt uiterst zelden door de moderne intellectuelen in dat, niet erg vrolijk makende, licht gezien...

 

no.358

In de tweede helft van de 19e eeuw werd een begin gemaakt met de “verheffing van het volk”. Liberalen en socialisten, anarchisten en nihilisten, confessionelen en vrijzinnigen, iedereen ging zich met die arme sloebers bemoeien. Zij zouden onderwijs gaan krijgen en medische voorzieningen, er moesten goede woningen komen en dagen waarop men uit kon rusten. Kinderarbeid zou afgeschaft worden en er zou een limiet gesteld worden aan het aantal uren dat het volk elke dag in de fabrieken moest werken. Niet alleen echter dat: er werd ook een redelijk rechtsstelsel ontworpen dat althans tegen de ergste aantastingen bescherming bood. En zo nog veel meer. Inderdaad heeft zich in een relatief hoog tempo de verheffing van het volk doorgezet, maar de motieven voor al die bemoeienissen waren bepaald niet zo nobel als vaak beweerd wordt. De bovenlaag had namelijk alleen maar ontdekt dat een verpauperde onderlaag als een gigantische rem ging werken op de vestiging en uitbreiding van hun eigen welstand. Het was dus louter terwille van zichzelf dat men plotseling zo humaan werd!

 

No.359

Als het moderne westerse denken zich feitelijk door gaat zetten, wat zet er zich dan door? Zonder ook maar in de verste verte te willen suggereren dat er nu iets inhumaans voor de dag komt moet welbeschouwd toch gesteld worden dat er met het zich ontplooien van dit denken nu niet bepaald een voor de mensheid prettige tijd aanbreekt. Het schijnt inderdaad anders te zijn: het zich gaan richten op het denken zelf moet toch gezien worden als een zichzelf zoeken van de mens en dat is zonder twijfel een goede zaak, een zaak die in de praktijk een groot aantal verbeteringen van de leefomstandigheden van de mensen met zich meebrengt. Op zichzelf is dat geen schijn: het zijn keiharde feiten die in de moderne geschiedenis van voornamelijk de westerse, zo je wilt de “Atlantische”, mens aan te wijzen zijn. Toch moet er nadrukkelijk van “schijn” gesproken worden en wel omdat bedoelde positieve zaken meekomen aan een negatieve ontwikkeling. De ontwikkeling namelijk van het ontleden van de werkelijkheid. Daaraan gaat alles wat met het begrip samenhang te maken heeft ten gronde en wat er overblijft, is een als los zand aan elkaar hangende verzameling van “ditten en datten”, van afzonderlijke objecten dus. En dat gebeurt ook met de mensheid als zodanig, want hier krijgt het individualiseringsproces vaste voet in de cultuurontwikkeling.

 

No.360

De Verlichting-1, De Verlichting-2, De Verlichting-3,

Als het moderne westerse denken effectief wordt slaat de analyse keihard en dodelijk toe. Dat betekent voor het met de “ratio” doorbreken van het “humane” dat het uiteindelijk allemaal uitloopt in een niet meer te bevatten versnippering. Dat wat ten tijde van de 19e eeuw, de eeuw van “De Verlichting”, zo hoopvol stemde bleek tegen het einde van de 20ste eeuw niets anders te zijn dan het voor de dag komen en tot gelding geraken van de snippers van een volkomen ontlede werkelijkheid. Dat houdt voor de mensen in dat zij gaandeweg als op zichzelf staande enkelingen te voorschijn gekomen zijn met de daarbij behorende garanties voor hun existentie, maar het betekent tegelijkertijd dat het aanvankelijk nog enigszins aanwezige besef van “bij elkaar behoren” vrijwel geheel verdwenen is. Hoewel je moet toegeven dat dit besef van “bij elkaar behoren” vooral in collectivistische zin geduid moet worden, leverde het toch een maatschappij op waarin allerlei vormen van sociale zorg tot stand kwamen, hetgeen, in samengaan met de toenemende erkenning van het individu, ongetwijfeld een humaan karakter had. Maar, juist met het voortgaan van de ontwikkeling zijn het deze zaken die als eerste ondermijnd worden en wel omdat er niet werkelijk een sociaal besef aan ten grondslag lag, maar een, voornamelijk Onbewust streven het collectief, vooral in de vorm van de staat, in stand te houden. En met het vervluchtigen van de inhoud van het collectief verdwijnt ook al datgene dat aanvankelijk zo humaan en sociaal leek.

De Verlichting-1, De Verlichting-2, De Verlichting-3,

 

No.361

Aan de analytische cultuurfase valt niet alleen te bedenken dat alles uit elkaar gehaald wordt, maar het is zeker niet minder belangrijk te begrijpen dat het gaat om het zoeken van de ware grondslag van de kosmos. Men denkt door de analyse die grondslag te vinden want men meent dat het kennen van de onderdelen gelijk is aan het kennen van het geheel. Waarom het dus in diepste wezen gaat is de werkelijkheid zelve en je moet daarbij onmiddellijk begrijpen dat, vanuit het gegeven dat de mens het laatste en alles overtreffende verschijnsel is, de mens ernaar streeft de kosmos te kunnen beheersen en dus ook met een grote, liefst absolute, mate van zekerheid te kunnen voorspellen hoe alle mogelijke processen zullen verlopen. Precies zoals dat, uiteraard, in de technologie het geval is. Het is de 19e eeuwse droom van een “maakbare wereld” ten voeten uit. Op het ogenblik waardeert men die droom niet meer als een haalbaar ideaal, maar intussen wijst alles er op dat men nog steeds, en in verhevigde mate, bezig is een wereld te maken en het is zelfs zo sterk dat menige academische opleiding stilzwijgend van die maakbaarheid uitgaat.

Het spreekt vanzelf dat dit in feite een buitengewoon dom streven is. Het is de kortzichtigheid ten top, maar wat wil je anders verwachten van een mensheid die gelooft de  “waarheid” te vinden als alles stukgemaakt is en vervolgens naar wetenschappelijke maatstaven opnieuw - maar nu goed! opgebouwd?

 

No.362

De oude Grieken wisten al zeker dat de analyse tot de dood leidt: de zonnegod Apollo werd met zijn zonnestralen vereenzelvigd met het principe van de analyse en men wist van die stralen te melden dat zij absoluut dodelijk waren. De zonnestralen dringen als pijlen in de aarde en doden haar! Aardig is te weten dat die aarde als het vrouwelijke principe bij uitstek werd gezien. Daaraan komt leven mee en harmonie, schoonheid en warmte, en ook creativiteit. Maar een aan een analytische cultuur onderworpen mensheid - en dat is de moderne mensheid - is er, al of niet bewust, op uit alles tot in de kleinste details uiteen te leggen om het tegelijkertijd in alle opzichten te beheersen. En dat heeft voor de moderne mensen ingrijpende consequenties...

 

No.363

Naast het onloochenbare feit dat de moderne ontwikkeling ertoe leidt dat het bestaan van elk afzonderlijk mens almaar onvoorwaardelijker erkend wordt is er tegelijkertijd het onuitroeibare streven die afzonderlijke mens, als te voorschijn gekomen element uit de totaliteit, tot in de kleinste bijzonderheden te beheersen en diens gedrag te voorspellen. De begrippen beheersen en voorspellen behoren logischerwijs bij elkaar. Het behoeft dan ook geen verwondering te wekken dat tegenwoordig de mensen meer dan ooit in de tang zitten van in het analytische denken gespecialiseerde managers die door de bedrijven en de banken aangetrokken zijn om zoveel mogelijk winst uit de mensen te persen. Het heeft allemaal een uitermate dubbel karakter: enerzijds wordt het er-zijn van de individuele mensen in behoorlijke mate erkend hetgeen in principe vrijheid betekent en anderzijds wordt datzelfde erkende er-zijn zoveel als mogelijk onder controle gebracht omdat men gelooft dat een ordelijke werkelijkheid een beheerste werkelijkheid is. En, hoewel in dit laatste geval dat beheerst-zijn niet direct als een vorm van onvrijheid wordt gevoeld is het dat eigenlijk in optima forma.

 

No.364

Concrete onvrijheid, bijvoorbeeld in het geval van despotische onderdrukking, heeft altijd en noodzakelijk een min of meer illegale vorm van vrijheid en onafhankelijkheid naast zich. Dat uit zich in allerlei soorten verzet en tegenwerking. Hoewel de mensen niet kunnen gaan en staan waar zij willen en meestal ook nog op hun woorden moeten passen voelen zij zich “in hun hart” toch vrij en zij realiseren zich terdege dat zij tijdelijk in een soort van noodtoestand verkeren die in wezen niet is zoals het zijn moet. Maar de abstracte onvrijheid van de moderne mensen is een toestand die niet, zoals de concrete, gekenmerkt wordt door een tegenhouden van individuele initiatieven en allerlei vormen van “vooruitgang”, maar juist door een voortdurend ontplooien van nieuwe mogelijkheden. En die zijn steeds een stap verder op de weg van de vooruitgang. Maar, zoals gezegd, die vooruitgang is in feite een proces dat gericht is op een almaar inniger beheersing van de werkelijkheid. Dat proces is dus niet gericht tégen de individuele ontwikkeling maar juist geheel en al op die ontwikkeling. Daardoor bemerkt men het niet en werkt het als een sluipend gif dat gedurende een zeer lange tijd zijn werk doet en langzaam maar zeker de individuele mensen in een schizofrene situatie terecht doet komen. Het eind van dit liedje kan niets anders dan volslagen radeloosheid, verwarring en onzekerheid zijn en het is mijns inziens een onmiskenbaar feit dat deze ellendige toestand op het ogenblik al steeds meer om zich heen grijpt.

 

No.365

De 19e eeuw laat zien dat de mensen er in slagen hun denken effectief te gebruiken. Het is echter een zeer beperkte effectiviteit want het heeft alleen maar betrekking op het analytische denken. Dat is een denken waaraan voorondersteld is dat de werkelijkheid uit een samenstel van afzonderlijke elementen bestaat, hetgeen tot gevolg heeft dat men inderdaad de werkelijkheid uit elkaar gaat halen. Gaat het echter over volwassen denken, dan blijkt dat het maar een povere zaak is. Eigenlijk gaat dat denken niet boven verzamelen uit, het bijeen garen van allerhande stukken en brokken die bij het slopen van de verschijnselen te voorschijn zijn gekomen. Het is dat gedoe dat in de 19e eeuw tot wasdom gaat komen en, hoewel het een noodzakelijke fase in de menselijke ontwikkeling is, moet je toch vaststellen dat het een uitermate destructieve zaak is. Bovendien een zaak die volkomen samenvalt met het individualisme dat zich om te beginnen als een volstrekt particuliere aangelegenheid doet gelden. Dat betekent dat het in bezit willen nemen van een zo groot mogelijk deel van de kosmos, liefst de gehele kosmos, de nieuwe cultuur-obsessie wordt. Aanvankelijk valt dat nog niet zo op omdat men zijn toevlucht neemt tot collectivistisch denken en van daaruit een aantal voorzieningen treft die de pretentie hebben de bevolking te dienen. In feite echter dienen Z~ ter handhaving van de mogelijkheden tot expansie van een smalle bovenlaag van particuliere bezitters, de zogenaamde “kapitalisten”.

 

No.366

Als je in de gaten hebt gekregen dat de eigenlijke werkelijkheid niet alleen maar aan de mens verschijnt als een verzameling op elkaar reagerende afzonderlijke “ditten en datten”, maar ook nog een in zichzelf volledig samenhangend geheel van in elkaar overgaande beweeglijke systemen, dan wordt het ook onmiddellijk duidelijk dat de wetenschappen op zichzelf geen andere betekenis hebben dan deze dat zij zorgen voor het verwerven van zoveel mogelijk kennis. Zij leren de mens “wat” de werkelijkheid is, dat wil zeggen: waaruit zij bestaat. Die kennis echter is nutteloos en eigenlijk zelfs wel bedreigend als daar niet ook en tegelijkertijd begrip is omtrent dat samenhangende geheel. Het is immers juist dat begrip dat er voor zorgt dat alle “kennisdata”, brokjes kennis, tot een waarachtig beeld samenvallen. Pas als dat het geval is krijgt de kennis betekenis en kan voor de mensen gaan functioneren als het enige bruikbare middel om waanvoorstellingen op te lossen en temidden van de natuur te overleven. In de loop der tijden is de mening ontstaan dat de kennis leidt tot de waarheid omtrent de werkelijkheid. Dat de kennis dus tot de “ware werkelijkheid” zou leiden, hetgeen vanzelf ook inhoudt dat de mensen dan niet langer, bevangen in allerlei wanen, in duisternis rond zouden dolen. Niets is echter minder waar, want het is juist het wetenschappelijke wereldbeeld, zoals dat tenslotte in de moderne tijd ontstaat, dat de ergste van alle wanen blijkt te zijn. De “ergste” waan omdat er dan geen alternatief meer is, paradoxaal genoeg precies doordat de wetenschappelijke kennis principieel juiste kennis is. Juiste kennis is echter nog lang geen ware kennis. Voor dit laatste is nodig dat men die kennis ziet in het kader van het samenhangende geheel. Als je bijvoorbeeld denkt aan de gifgassen die voor het voeren van een chemische oorlog gemaakt worden, dan kom je er niet onderuit te erkennen dat die gassen effectief zijn: ze werken feilloos. Je wordt er doodziek van en je sterft in korte tijd een verschrikkelijke dood. De beschikbare kennis over die gassen is dus volkomen juist. Maar, het is volstrekt geen ware kennis want in het licht van het genoemde samenhangend geheel verschijnt die kennis als misdadig en als een verstoorder van de ware, dat wil zeggen de echte, werkelijkheid. Er zijn ook voorbeelden van het omgekeerde en die vind je vooral in de kunsten. Een verhaal, een sprookje bijvoorbeeld, kan in alle opzichten onjuist zijn en zelfs over zaken gaan die onmogelijk kunnen bestaan. Maar de strekking van zo'n verhaal kan waar zijn, dat wil zeggen: een waar beeld van de echte werkelijkheid geven. Ik wil met deze voorbeelden duidelijk maken dat de kennis, hetzij juist of onjuist, geen cruciale rol speelt en zeker niets met de waarheid of het ware te maken heeft. Het al of niet “waar” zijn van kennis hangt van iets buiten die kennis zelve af, namelijk van dat samenhangende geheel, wat ik overigens om verschillende redenen “de werkelijkheid als beeld” pleeg te noemen.

 

No.367

De werkelijkheid als beeld is heel iets anders dan de voorstelling van zaken die men in de metafysica tracht te geven. De metafysicus heeft het over een hogere werkelijkheid die als een soort geestelijke wereld boven de modderige stoffelijke wereld uitgaat en die, op grond van dat hogere, bepalend is voor alles wat er is. Ondanks dat bepalend-zijn echter heb je in de metafysica toch te doen met iets dat onberekenbaar is en dat beschouwd wordt als vallend buiten het denken en zijn mogelijkheden. Het was vooral de wijsgeer Emmanuel Kant die zich intensief met deze zaken heeft bezig gehouden, maar helaas zijn zijn uitkomsten nu niet bepaald bevorderlijk voor de filosofie als autonoom, creatief denkproces. Kant blijkt de basis gelegd te hebben voor een angstig, onpersoonlijk, verstandelijk en in zichzelf Onzeker denken waarin men zich voortdurend onderwerpt aan uitwendige criteria zoals daar zijn: wetenschappelijk onderzoek, formeel logisch denken en vooral ook de mening van een aantal zogenaamd gekwalificeerde vakgenoten. Het oordeel van. dat “forum der wetenschap” is doorslaggevend. Een positief oordeel opent de weg naar publicaties en dat betekent op zijn beurt roem en eventueel een Nobelprijs! Al deze en dergelijke zaken, die eigenlijk buiten de wetenschap als zodanig staan, zijn criteria geworden voor de juistheid van wetenschappelijke uitspraken. En die uitspraken moeten ook nog beantwoorden aan formele logische voorschriften die, hoe kan het ook anders, ook weer door bepaalde gerespecteerde geleerden, in onderling overleg opgesteld zijn. Die uitspraken moeten vooral formeel juist zijn, dus beantwoordend aan voornamelijk taalkundige regels omtrent “zin en onzin” van uitspraken. Kortom, Kant heeft de basis gelegd voor het hedendaagse wetenschappelijke denken en dat is op zichzelf prima in orde, maar tegelijkertijd ook voor het, volkomen in zichzelf vastgelopen, filosofische denken. En dat is niet bepaald iets om je over te verheugen. De notie dat de werkelijkheid op zichzelf, das Ding an Sich, wezenlijk niet te kennen is, maakt zonder meer de aanname van een metafysische werkelijkheid noodzakelijk, waarin uiteraard alle ruimte is voor het bestaan van onberekenbare godheden en meer van dat fraais. Die berekenbare en Onberekenbare wereld behoren bij elkaar. Maar voor het creatieve denken bestaat die tweeslag niet: alles is te doordenken en te begrijpen en tegelijkertijd is er niets dat zich werkelijk laat berekenen, in die zin dat er absolute voorspellingen uit af te leiden zijn.

 

No.368

In de oudheid verbeeldde men zich de werkelijkheid. Tegenwoordig heeft de term “verbeelding” een ongure klank. Hij suggereert gefantaseer en op niets berustende voorstellingen, waandenkbeelden, ficties en hallucinaties. Kortom, inderdaad niet veel goeds! Maar letterlijk duidt die term op het denken in beelden en wat ik daarmee bedoel wordt wellicht enigszins duidelijk als ik zeg dat de tegenwoordige mens denkt in formules. Een formule is een abstracte samenstelling van concrete grootheden en verhoudingen met een voorspellend karakter. De formule E=mc2 bevat de grootheden E, m en c en tevens een bepaalde verhouding tussen die drie, terwijl bovendien een juiste invulling van die formule een absoluut zekere voorspelling doet. Zo is het denken van de moderne mens. Maar met het denken in beelden zit het heel anders. Daarin kent men geen concrete grootheden omdat de cultuur van het analyseren van de dingen nog geen aanvang had genomen. Omdat men in de praktijk natuurlijk wel analyseerde, uiteen legde, waren de concrete grootheden er wel, maar men hechtte er geen speciale wetenschappelijke betekenis aan. Intussen is wel te zeggen dat het denken in beelden toch op de een of andere manier gebaseerd was op formules. Het ene beeld namelijk, gedacht in relatie met het andere beeld leverde wel degelijk een voorspelling op. Denk maar aan het gebruik om aan de stand van de sterren berichten af te lezen. Zo werden tal van verschijnselen uit de natuur met elkaar in verband gebracht. Maar, al die verschijnselen werden niet geanalyseerd. Men handhaafde en gebruikte ze als beelden die als zodanig in formules ingebracht werden. De grondslag is dus steeds de formule, maar denkt de moderne mens in termen van die formule zelve, de mens van de oudheid hield het bij “verbeeldingen” van de werkelijkheid. Dus: het zich uitdrukken in beelden.

 

No.369

Veelvuldig voorkomende grootheden in de formules van de oudheid waren de goden, godinnen en andere boven- en buitenaardse wezens. Dat waren verbeeldingen van toestanden en processen in de werkelijkheid. De later bij de Grieken bekende godin Afrodite stond

bijvoorbeeld voor de werkelijkheid als “ineenzijn”, oftewel “liefde”. En Zeus stond voor het beweeglijke oerprincipe. Zo kleefde aan de Joodse god Jahwe een bepaalde betekenis, evenals aan de latere Maria, Jezus en zo nog veel meer. Waarom het m~ evenwel gaat is dat je steeds te doen hebt met verbeeldingen van toestanden en processen. In feite zijn het bovendien beschrijvingen van een algemene aard en dus eigenlijk filosofieën. En in geen geval is het de bedoeling van de mensen van de oudheid geweest om elkaar en ons wijs te maken dat er goden en dergelijken bestaan! De toestand en het proces worden echter later, als de analyse van de concrete dingen een aanvang heeft genomen, tot dingen en voorvallen. Zo wordt een god, hoewel eigenlijk een toestand, een bestaand ding en een proces zoals het voortdurend ontstaan, geboren worden, van verschijnselen een voorval. De hemelgodin wordt op die manier de echt bestaande Maria en het almaar voortbrengen van de bestaande dingen, het proces dus, wordt de geboorte van het kindje Jezus! De moderne godsdiensten zijn een voortdurende omzetting van toestanden in dingen en processen in gebeurtenissen, alles echt bestaand en werkelijk gebeurd. En men wordt, vaak niet eens met zachte aandrang, verzocht aan te nemen dat het allemaal “waar” is en dat noemt men dan “geloof”. Met enig inzicht in de hoedanigheid van de werkelijkheid, dus met enigerlei vorm van wijsheid, heeft dit alles niets meer te maken. De moderne mens, te beginnen met de Romein, is een goedgelovige dwaas die zich gigantisch veel kennis weet te verwerven, maar die tegelijkertijd nauwelijks iets begrijpt. Het feit dat hij thans, na twintig eeuwen bezig te zijn geweest met de Evangeliën en dergelijke geschriften, nog niet begrepen heeft wat er wezenlijk in die verhalen verteld wordt is het duidelijkste bewijs dat hij met al zijn kunde toch verschrikkelijk ver van huis is. Enfin, de toenemende chaos in die moderne wereld is er een buitengewoon tragisch uitvloeisel van...Zou hij wel begrepen hebben hoe het zit met de werkelijkheid, dan zouden zijn analytische activiteiten niet tot chaos, maar tot verbetering van de wereld geleid hebben.

 

No.370

Opvoeden ; Opvoeding-1; Opvoeding-2 ; Opgevoede-1 ; Opgevoede-2 ; Opgevoed-1 ; Opgevoed-2 ; Opgevoed-3 ;

Telkens weer duikt in discussies over de moraal de gedachte op dat de mens eigenlijk een “barbaar” zou zijn, een “roofdier” waarvoor niets veilig is, een “moordenaar”, “verkrachter”, enzovoort. En daaraan koppelt men dan de gedachte dat de mensen opgevoed zouden moeten worden tot sociale wezens. De zogenaamde beschaving redt de mensheid van moord en doodslag, maar zonder die veredelende werking van beschaving en moraal zou het absoluut niets worden met de mensheid. Als klap op de vuurpijl komen dan ook nog godsdienstige moraalridders beweren dat alleen het geloof in god uitkomst kan bieden. Vooral het christendom zou de moraal onder de mensen bevorderen en behoeden.

Toe maar!

Maar, in een ander en belangrijker opzicht blijkt het een zoveelste voorbeeld van armoedig en inadequaat denken. Zou men het namelijk houden bij de bewering dat veel mensen zich als schurken gedragen, dan kon je er vrede mee hebben, want het is overduidelijk dat dit inderdaad het geval is. Zelfs als men zou staande houden dat bepaalde culturen, zoals bijvoorbeeld de modern westerse, of de fundamentalistisch Islamitische, in sterke mate misdadig zijn is er veel voor te zeggen om het hiermee eens te zijn. Maar, daarom gaat het nu niet. Het gaat erom dat men beweert dat “de” mens niet deugt, in principe althans en dat “de” mens tot deugdzaamheid opgevoed zou moeten worden. Die mening is in strijd met de feiten niet alleen, maar ook met de eigen beweringen van diegenen die er zo zelfgenoegzaam mee aan komen zetten.

Wat is het geval? Als het waar zou zijn dat “de” mens niet deugt, hoe kunnen sommige mensen dat dan vaststellen? Waar halen zij dan die wijsheid vandaan? En vinden zij wellicht ook nog dat zijzelf ervoor in aanmerking komen die opvoeding ter hand te nemen? Het is een gemakkelijk te verifiëren feit dat er in alle tijden en in alle culturen in de mensheid een streven voorkomt naar deugdzaamheid! Vaak komt er nauwelijks iets van terecht, maar verdwijnen doet het nooit. Op de een of andere manier blijft het in de mensen wroeten en het doet almaar een appel op dat wat zij hun , geweten , noemen. In het algemeen gesproken is de mens niet uit op barbaarsheid, roven, plunderen en verkrachten, maar juist op het tegendeel daarvan.

Opvoeden ; Opvoeding-1; Opvoeding-2 ; Opgevoede-1 ; Opgevoede-2 ; Opgevoed-1 ; Opgevoed-2 ; Opgevoed-3 ;

 

No.371

De moralisten die zo ferm de mens een barbaar noemen, hebben zij niet in de gaten dat zij zelf, alleen al door het bezigen van die kwalificatie, te kennen geven dat de mens weet heeft van deugen en deugdzaamheid - wat dat onder omstandigheden en bij die moralisten ook moge betekenen? Het is volstrekt ondenkbaar dat een werkelijk en fundamenteel slechte mensheid zich van die slechtheid bewust zou kunnen zijn. Is men zich daarvan echter wel bewust, dan kan dit er alleen maar op duiden dat de mensheid op de een of andere manier weet heeft van iets anders en dat kan dan alleen maar iets goeds zijn. Zodra dus moralisten de mens voor slecht houden kletsen zij maar wat, meestal vanuit een ingekankerde behoefte zichzelf boven de andere mensen te verheffen, zoals dat overigens bij moralisten gebruikelijk is...

 

No.372

Opgevoede-1 ; Opgevoede-2 ; Opgevoed-1 ; Opgevoed-2 ; Opgevoed-3 ; Opvoeden ; Opvoeding-1; Opvoeding-2 ;

Zolang als de mens op de planeet rondloopt, heeft hij geprobeerd deugdzaam te zijn, geprobeerd te “deugen”. Hij heeft almaar getracht zichzelf daartoe op te voeden en tegelijkertijd geprobeerd, ten behoeve van zijn medemensen, de criteria voor dat deugen te formuleren, afhankelijk van zijn tijdelijke cultuur en ook van de omstandigheden waaronder hij gedwongen was te leven. Menig geformuleerde “deugd” bleek later en bij nader inzien niet zo heel erg “deugdelijk” te zijn. En ook werd menig deugd uitsluitend uit eigenbelang aanbevolen en afgedwongen. Dat is tot op de dag van vandaag aan de orde! Maar het zoeken van en streven naar dat wat deugt is toch voortdurend aanwezig. Inderdaad temidden van allerlei schurkachtigheden, moord en doodslag, temidden van de wanen en misleidingen zoals die gevolg zij van de Onvolwassenheid van de mensheid, maar desondanks nadrukkelijk aanwezig. Dat streven is veel prominenter dan de voortdurende schurkachtigheid en het blijkt ook steeds sterker te zijn dan de behoefte aan misdaad. De hele geschiedenis laat zien dat de misdaad almaar het loodje legt, aan het kortste eind trekt. Komt dat nu doordat de mensen door “nobele” moralisten, die alles beter weten, opgevoed zijn tot deugdzaamheid, desnoods een betrekkelijke deugdzaamheid? Neen, het komt doordat het laatste verschijnsel, de mens, weet heeft van een Ongebroken werkelijkheid waarin geen plaats is voor al datgene dat de samenhang verbreekt. Dat laatste verschijnsel weet van “daad” en “misdaad”, beoefent beide regelmatig met groot enthousiasme en komt steeds weer tot de conclusie dat het er op aankomt te deugen, hetgeen wil zeggen: overeenkomstig de werkelijkheid te zijn en te vermijden ermee in strijd te komen.

Opgevoede-1 ; Opgevoede-2 ; Opgevoed-1 ; Opgevoed-2 ; Opgevoed-3 ; Opvoeden ; Opvoeding-1; Opvoeding-2 ;

 

No.373

Er zou geen behoefte aan deugdzaamheid zijn als er niet ook het tegenover gestelde was. Inderdaad is de mens tot onvoorstelbare schurkenstreken in staat. Volgens de meeste denkers is zijn “natuurlijke” oorsprong daar de oorzaak van. Die oorsprong zou dan gezocht moeten worden bij de roofdieren, hetgeen sommige denkers zelfs de uitspraak ontlokt dat “de mens het ergste en meest volmaakte roofdier” zou zijn. Kennelijk wordt nu de natuur, hoewel er bij andere gelegenheden mee gedweept wordt, beschouwd als iets negatiefs waarvan de mens maar zo vlug mogelijk afstand moet nemen. Hoe is het mogelijk dat die, van oorsprong joods-christelijke, onzin nog steeds voor juist wordt gehouden en klakkeloos nagepraat! Het antwoord kan alleen maar zijn dat het veel denkers goed uitkomt er niet verder over na te denken, want op die manier kunnen zij zichzelf onbelemmerd hoogachten en tegelijkertijd de anderen vrijelijk minachten. In de natuur komt geen misdaad voor. Het meest efficiënte roofdier is onder geen enkele omstandigheid misdadig bezig. De cyclus van “eten en gegeten worden” is een volstrekt redelijke gang van zaken die nimmer moreel geduid kan en mag worden. Het is bijgevolg ook onmogelijk de misdragingen van de mens op het conto van enigerlei natuurlijke oorsprong te schrijven. Sterker nog: zou hij inderdaad getrouwd zijn aan zijn natuurlijke basis, dan zou hij absoluut niet misdadig zijn in al zijn handelen! Ook zijn onvermijdelijke deelnemen aan de cyclus van “eten en gegeten worden” zou niets met misdaad, slechtheid of domheid te maken hebben. De mogelijkheid misdadig te zijn heeft dan ook geen natuurlijke grond, maar daarentegen een intellectuele.

 

No.374

Omdat de mens het laatste verschijnsel is, in de zin van de laatste mogelijkheid van de evolutie van het leven, is hij losgekomen van zijn natuurlijke ondergrond. Omdat hij desondanks toch “verschijnsel” is zijn de biologische functies niet verdwenen, maar datgene wat zijn “wezen” uitmaakt, zogezegd zijn “nieuwe natuur”, staat in het teken van niet-natuur zijn. Dat betekent voor de mens dat hij - dat betekent ook “zij” - alles kan ontkennen. Hij kan overal “nee” op zeggen, ook op het bestaan van de andere verschijnselen en zijn medemensen, ja zelfs op zijn eigen bestaan. De mens is het enige levende wezen dat op alles “nee” kan zeggen. En nu is het juist deze eigenaardigheid die oorzaak is van de menselijke schofterigheid, van zijn misdadigheid. Tegelijkertijd echter is het deze zelfde eigenaardigheid die hem volstrekt vrij maakt en tengevolge daarvan de mogelijkheid biedt om zich een geheel eigen wereld te creëren. En, paradoxaal genoeg, geldt dit “nee” zeggen ook ten opzichte van de eigen misdragingen. De mens kan “nee” zeggen tegen al zijn eigen schurkenstreken en het ligt zelfs zo dat dit “nee” het laatste woord heeft. Want voor de volkomen vrije mens verschijnt de werkelijkheid als één samenhangend geheel dat niet verbroken mag worden. Dit feit leidt ertoe dat er voortdurend een in de mens dominante behoefte is om deugdzaam te zijn, om te deugen. Voor een dier is het volstrekt Onmogelijk om niet te deugen, maar een mens kan dit wel, evenwel niet zonder daarmee zijn eigen doodvonnis te tekenen.

 

No.375

Opvoeden ; Opvoeding-1; Opvoeding-2 ; Opgevoede-1 ; Opgevoede-2 ; Opgevoed-1 ; Opgevoed-2 ; Opgevoed-3 ;

 Is een mens tot deugdzaamheid op te voeden, zoals de moralisten willen? Als eerste komt dan de vraag op wie dat opvoeden ter hand zou moeten nemen want dat zou dan toch iemand moeten zijn die zelf deugt. Dat echter vereist een norm ter beoordeling, maar welke criteria kan men aanleggen om iemand een certificaat van deugdzaamheid te kunnen verstrekken opdat hij aan het opvoeden kan slaan? Het zal blijken dat er voor deugdzaamheid geen criteria te bedenken zijn, want het begrip deugd moet negatief gedefinieerd worden. Het gaat er immers om dat iemand iets achterwege laat! Namelijk ophoudt tegen het samenhangende geheel van de werkelijkheid “nee” te zeggen, dus: ophoudt zich als een misdadiger te gedragen. De deugd en de moraal zijn niet van tevoren te definiëren omdat we te doen hebben met een levende werkelijkheid. Niemand kan van tevoren zeggen hoe een deugdzaam mens er uit moet zien en dus kan ook niemand een bruikbare moraal ontwerpen. Een stelsel van geboden is onbruikbaar en omdat dit het geval is kan een mens niet tot deugdzaamheid opgevoed worden. Dat wil zeggen: je kunt hem wel indoctrineren zodat hij als een lakei gaat beantwoorden aan een reeks van voorschriften en dus zijn vrijheid verliest en daarmee wezenlijk geen “mens” meer is, maar tot deugdzaamheid opvoeden wil natuurlijk zeggen dat hij een vrij mens moet blijven, die in alle vrijheid “nee” kan en wil zeggen op het verkeerde. Indoctrineren en doormiddel van het uitoefenen van macht dwingen aan voorschriften te beantwoorden kan dus wel, maar dat heeft totaal niets met deugdzaamheid te maken.

Opvoeden ; Opvoeding-1; Opvoeding-2 ; Opgevoede-1 ; Opgevoede-2 ; Opgevoed-1 ; Opgevoed-2 ; Opgevoed-3 ;

 

No.376

Opvoeden ; Opvoeding-1; Opvoeding-2 ; Opgevoede-1 ; Opgevoede-2 ; Opgevoed-1 ; Opgevoed-2 ; Opgevoed-3 ;

Kant heeft ook zijn gedachten laten gaan over het begrip deugd en heeft daarbij inderdaad opgemerkt dat de zaak iets met een soort van vrije wil te maken heeft en dat het helemaal niet vanzelf spreekt dat iemand deugdzaam is. Omdat hij echter filosofeerde over de aard van de dingen kon Kant met zijn denken niet verder komen dan vaststellen dat er voor de mens een keuze bestaat, iets dat natuurlijk zo ongeveer iedereen hem had kunnen vertellen. Maar goed, een en ander bracht hem er als vanzelf toe in termen van dwang, straf, beloning en van opvoeding te gaan denken. "Dwing ze om in te gaan", placht hij uit te roepen als hij fantaseerde over een goede wereld. Deze wijze van denken sluit geheel aan bij dat van de tegenwoordige moralisten die ook geen goed woord voor de mens over hebben - zichzelf uitgezonderd natuurlijk. Iets anders is trouwens niet te verwachten want het gehele westerse al of niet academische denken wordt beheerst door het denken van Kant. Omdat deze vroeg naar de werkelijkheid van de dingen was hij, ondanks zijn geniale gedachtegangen, niet in staat te achterhalen waar die vrijheid om een keuze te maken, de vrijheid om “nee” te zeggen dus, vandaan komt. Gevolg was dan ook dat hij ging proberen de moraal en de deugdzaamheid positief te definiëren, hetgeen noodzakelijk in niets anders dan een aantal dwingende voorschriften kon uitmonden.

Opvoeden ; Opvoeding-1; Opvoeding-2 ; Opgevoede-1 ; Opgevoede-2 ; Opgevoed-1 ; Opgevoed-2 ; Opgevoed-3 ;

 

No.377

Kunstmatige intelligentie bestaat niet. Dat is een overduidelijk feit, maar toch praten een heleboel denkers en geleerden er nog steeds over alsof hij wel bestaat. Ze doelen daarbij op computers die allerlei uiterst geraffineerde berekeningen kunnen maken en die dat sneller en betrouwbaarder doen dan mensen, hetgeen op zichzelf natuurlijk juist is. Je hebt echter wederom te doen met slordig denken als men spreekt van “kunstmatige intelligentie”. Intelligentie kan niet kunstmatig zijn want het is een zaak die onlosmakelijk met de mens verbonden is. De werkelijkheid als niet-materie, zoals die geldt voor het eindstation van de evolutie van het leven, leidt onder andere tot de aanwezigheid van “intelligentie”. Dat betekent dat de mens, want die is uiteraard dat eindstation, het vermogen heeft om zijn eigen voorstelling van de wereld beweeglijk te maken zodat er eventueel een nieuwe en hopelijk betere voorstelling ontstaan kan. Intelligentie is het vermogen om de eigen voorstelling in twijfel te trekken. Maar dat is alleen denkbaar bij een situatie waarin de werkelijkheid zich laat gelden als ware zij niet-materieel. Bij de mens derhalve. En het is volstrekt uitgesloten dat zo een intelligentie gemaakt kan worden : je kunt immers geen mens maken en in het algemeen is en blijft het uitgesloten dat je iets levends maakt - behalve uiteraard via de voortplanting. Een machine, hoe geraffineerd ook, kan zichzelf niet in twijfel trekken. Wel kan hij de door hemzelf gevonden oplossingen van problemen in zoverre in twijfel trekken dat hij alternatieven kan bieden, maar dat is niet het hier bedoelde “in twijfel trekken”. De mogelijkheid om alternatieven te produceren zit gewoon ingebouwd en wellicht is het dat wat de oppervlakkige beschouwer de indruk van intelligentie geeft. Het is echter niets meer dan een product waarvan de mogelijkheid om op een zeker moment geproduceerd te worden voorspelbaar aanwezig was. Niets bijzonders dus! Waarom het gaat is dat die machine geen niet-materiële kant aan zich heeft en dus zichzelf niet beweeglijk kan maken, ondanks al het in beweging zijn dat, in welke vorm dan ook, in de machine aanwezig is. Beweeglijk zijn is heel iets anders dan in beweging zijn. Het eerste is volkomen onbepaald, maar het tweede daarentegen is aan alle kanten bepaald.

 

No.378        op de mouw spelden-1 ; op de mouw spelden-2 

 

Nog bonter dan diegenen die in het bestaan van “kunstmatige intelligentie” geloven maken diegenen het die daar ook nog eens een schepje bovenop doen en er stellig in geloven dat men ooit de mens zodanig via zijn genen zal kunnen manipuleren dat hij intelligenter wordt. Het zou dan dus gaan over een kunstmatig geproduceerde intelligentie die hoger is dan die van het slotakkoord van de evolutie: het verschijnsel mens. Welnu, ten eerste kan het niet want intelligentie is niet te maken, ook niet via de omweg van een genen-manipulatie. Maar, ten tweede, en dat is ontstellend van domheid, kan een eventueel gemanipuleerde intelligentie niet intelligenter zijn dan zijn maker! Hoe moet die maker anders weten wanneer hij met iets “intelligenters” van doen heeft als hij dat niet zelf kan bevatten. Anders gezegd: als het al mogelijk was zo een intelligentie te maken dan is het ondenkbaar dat hij die van zijn maker zou overtreffen. Het is dus bovendien helemaal niet nodig om te gaan manipuleren!

 

No.379       

Ik heb er al heel vaak op gewezen dat het moderne denken vol zit met sprookjes, onhoudbare fantasieën, dwalingen en dingen die men gewoon maar gelooft. Hoe paradoxaal het ook klinken moge, maar dat hangt ten nauwste samen met het zoeken van de moderne mens naar juiste kennis. Het opmerkelijke van dit soort kennis is dat ze in principe voor buitenstaanders verborgen blijft totdat dezen er “kennis van nemen”. Dit laatste echter vereist van die buitenstaander dat hij vertrouwen heeft in diegene die hem die kennis verstrekt en tegelijkertijd dat deze laatste bij de buitenstaander vertrouwen weet te wekken. Hij moet hem kunnen overtuigen van de juistheid van de door hem aangeboden kennis. Zonder dat is de buitenstaander niet bereid het hem gebodene “aan te nemen”. Alle mooie verhalen van wetenschappers en hun lansknechten ten spijt liggen de verhoudingen nog steeds zo dat de “kennisverstrekker” bij de “kennisontvanger” vertrouwen moet wekken en er is geen sprake van dat kennis en het overdragen daarvan een universele zaak zou zijn. De wetenschappers zouden dat wel graag willen, ook al om hun eigen status op te vijzelen, maar dat verandert er niets aan: het overdragen van kennis is een zaak van in vertrouwen aannemen dat iets juist is. Dat echter maakt het mogelijk dat men je met een slim en vertrouwen wekkend verhaal iets op de mouw kan spelden. Trouwens, welbeschouwd is alle kennisoverdracht een zaak van “op de mouw spelden”! En dan kan het juiste, maar evenzogoed ook onjuiste kennis betreffen. Het gaat daarbij dus niet zozeer om de aantoonbare juistheid van de aangeboden kennis, maar om de overtuigende wijze waarop die kennis aan de man gebracht wordt. Dat is eigenlijk het criterium: weet men te overtuigen, ja of nee. En omdat dit in wezen het cruciale punt is kan er een onvoorstelbare hoeveelheid sprookjes en dwalingen ontstaan.

 

No.380

Het spreekt vanzelf dat niet alle kennisoverdracht doorgang vindt uitsluitend doormiddel van overtuigen op grond van gewekt vertrouwen. Er zijn ook steeds enkele deskundigen die hetzelfde vak uitoefenen als degene die kennis aanbiedt. Die vakgenoten zullen als regel in staat zijn die kennis op zijn juistheid te toetsen, waarbij enkele vanzelfsprekende criteria gelden, zoals herhaalbaarheid, voorspelbaarheid alsook falsifieerbaarheid, dit laatste althans volgens Popper, maar dat vind ik een enigszins dubieus criterium omdat, zeker in de filosofie, lang niet alle uitspraken een aanknopingspunt bieden om tot tegenspraak te komen. Welk aanknopingspunt heb ik om bijvoorbeeld de uitspraak "de westerse moderne wereld wordt bestuurd vanuit een mannelijk denken" tegen te kunnen spreken, uiteraard om na te gaan of het al dan niet een houdbare uitspraak is? De waarheid van zo'n uitspraak is niet na te gaan vanuit een of ander aanknopingspunt, maar moet blijken uit de intrinsieke samenhang van een weefsel van begrippen. En net als het met de kunst het geval is geldt ook hier: je ziet en beleeft het of niet. Als je er geen aanleg voor hebt zul je het nooit zien, ook niet als het op de meest geniale manier uitgelegd wordt. Hoe dan ook, verreweg de meeste mensen zullen het met vertrouwen moeten doen waarbij zij zich dus eigenlijk uitleveren aan een stelsel van afspraken die in de loop der tijden op al of niet formele wijze tussen een aantal geleerden gemaakt zijn.

 

op de mouw spelden-1 ; op de mouw spelden-2 

 

No.381

Verkiezingen-1, Verkiezingen-2

Tot de Amerikaanse Franse revoluties, dus zo ongeveer tot aan het begin van de 19e eeuw was een bepaalde bovenlaag de maat: de adel en de geestelijkheid. Hun status was niet gegrond op bekwaamheden en eigenlijk zelfs niet op persoonlijke macht. Op grond van geboorte of lidmaatschap van een bepaald instituut, zoals de Roomse Kerk, behoorde men automatisch tot de machtige bovenlaag. Men behoefde zijn macht niet eens te bewijzen. De burgers hadden niets te vertellen, hun mening werd niet gevraagd en er werd nauwelijks rekening met hen gehouden. Dat laatste kon trouwens ook niet eens want men had niet het flauwste benul van het leven van de gewone mensen. Wij moderne mensen maken onszelf en elkaar wijs dat de tijden van voor de revoluties voorgoed voorbij zijn. In een aantal opzichten hebben wij daarin gelijk, maar niet wat de essentie van de zaak betreft. Er is namelijk nog steeds een machtige bovenlaag die precies zoals voorheen eenzijdig de dienst uitmaakt en onvoorwaardelijk gehoorzaamd moet worden. En die bovenlaag weet nog steeds niets af van het leven van de gewone mensen en hij gaat er als vanzelfsprekend van uit dat die gewone mensen er zijn terwille van die bovenlaag. Men is immers verplicht te doen en te laten zoals die bovenlaag dat voorschrijft en wat zou die anders kunnen beogen dan dat de wereld is zoals hij die wenst. Terwille van die wensen moeten de gewone mensen zich overeenkomstig bepaalde voorschriften gedragen. Een alsnog Onvolwassen mensheid staat in het teken van boven en beneden en die van “boven” zijn bezitters van de mensen van “beneden”, tezamen met alle daarbij behorende dingen. De wijze waarop deze verhouding zich manifesteert verandert in de loop der tijden, maar de essentie ervan blijft dezelfde totdat de mensheid het tijdperk van haar volwassenheid in treedt. Zo komt de bovenlaag van de moderne mensheid op een andere wijze aan de macht dan vroeger het geval was. Tegenwoordig organiseert men verkiezingen om bepaalde, van tevoren aangewezen, personen aan het bewind te helpen en zelfs verlangt men van die personen dat zij over een zekere bekwaamheid beschikken, hoewel dit in de meeste gevallen behoorlijk dubieus is! Als er al van bekwaamheid gesproken kan worden heeft dat doorgaans alleen maar betrekking op een gehaaid vermogen om zichzelf naar boven te intrigeren. Verder is alles zoals het altijd al geweest is en tot aan de volwassenheid blijven zal. De gewone mensen zijn er nog steeds terwille van de bovenlaag en omdat dit voor onvolwassen mensen een vanzelfsprekende zaak is zijn het onvermijdelijk die gewone mensen die de rekening moeten betalen.

Verkiezingen-1, Verkiezingen-2

 

No.382

Er zijn heel wat mensen die geloven dat er aan de mensheid en de wereld gesleuteld kan worden. Zij geloven dat je de wereld kunt verbeteren. Merkwaardig is dat zij er niet van te overtuigen zijn dat de wereld zichzelf verbetert en dat het onmogelijk dat iemand verbeteringen aan kan brengen. Het aanbrengen van verbeteringen kan zinvol zijn als het gaat om bepaalde zaken en er is natuurlijk alle reden om zoiets van harte toe te juichen. Maar, juist door het noodzakelijk bepaalde karakter van dergelijke verbeteringen zijn er steeds tegelijkertijd ook verslechteringen elders aan te wijzen. Het ene “goed” houdt onmiddellijk het andere “kwaad” in. Zo ontstaat er op den duur wel een “hier en daar verbeterde” wereld, maar nooit een goede. Want een werkelijk verbeterde wereld, dus een goede wereld, is geen verzameling verbeterde bepaalde zaken, maar een wereld met een geheel andere geaardheid. Die geaardheid kan niet naar believen opgeroepen worden. Hij is resultaat van de groei naar volwassenheid van de mensheid. Zo een groei kan men alleen maar zo goed mogelijk “voeden” door overal waar nodig en mogelijk de belemmeringen weg te nemen en zogezegd een gunstig klimaat te scheppen. Aangezien zo een gunstig klimaat ongunstig voor de bovenlaag is, komt er ook van dat “voeden” weinig terecht...

 

no.383

Je kunt een viertal soorten van atheïsten onderscheiden. Als eerste zou je kunnen spreken van heidense atheïsten, als tweede van Auschwitz atheïsten, als derde levensbeschouwelijke atheïsten en tenslotte filosofische atheïsten hebben zij allemaal met elkaar gemeen dat zij niet in goden geloven, maar welbeschouwd houdt daarmee elke overeenkomst op. Toch is alleen al het feit van hun ongelovigheid in zoverre van belang dat zij zich in hun maatschappelijk leven niets aan godsdienstige voorschriften en moraal gelegen laten liggen. De bemoeizucht van allerlei soorten van geestelijken heeft op hen geen invloed en op de een of andere manier behoedt dat de maatschappij tenminste enigszins voor dwingelandij en al te aanstootgevend occult gedrag. Maar, ook wat deze weerstand tegen godsdienstige invloeden betreft verschillen de genoemde categorieën nogal wat van elkaar. Eigenlijk is er alleen maar van de filosofische atheïsten in de praktijk iets te verwachten, als je tenminste van mening bent dat men in de maatschappij slechts redelijke normen mag hanteren en beslist geen occulte.

 

No.384

De filosofische atheïsten zijn, als zij tenminste niet aan academische weifelmoedigheid ten prooi zijn gevallen, het meest duidelijk in hun standpunten. Hun filosofie immers geeft hen de zekerheid dat goden niet bestaan kunnen en het is daardoor dat zij met klem elke gelovige notie afwijzen en bij gelegenheid zelfs bestrijden. Zij weten beter dan wie ook hoe het met de werkelijkheid zit en dus kunnen zij ook op een heel betrouwbare wijze nagaan welke uitwerking het geloof in allerlei occulte zaken op de mensen heeft. Die uitwerking is uitgesproken negatief. Deze harde kwalificatie wordt ten enen male niet verzacht door het veelgehoorde argument dat er “vanuit de godsdienst toch ook veel goed gedaan en steun gegeven wordt”. Volgens de filosofisch atheïsten is dit slechts betrekkelijk, namelijk psychologisch, waar. Het kan in feite echter alleen maar schijnbaar zinvol zijn, omdat iets goeds nimmer op een waan of een leugen mag berusten. En een houvast vanuit een godsdienst is wezenlijk geen houvast maar een onderwerping en dat is de mens onwaardig. Bovendien leidt het op den duur tot grote verwarring en teleurstelling.

 

No.385

Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2 ; Intellectuele lafheid-3 ; Intellectuele lafheid-4 ; Intellectuele lafheid-5 ; Intellectuele lafheid-6 ; Intellectuele lafheid-7

Het is onmogelijk de vraag naar het al of niet bestaan van goden doormiddel van wetenschappelijke onderzoekingen te beantwoorden. Er is uiteraard wetenschappelijk wel heel wat over te zeggen, maar dan blijft die kennis beperkt tot cultuurhistorisch onderzoek naar de wortels van de godsdiensten. Objectief onderzoek daarnaar levert overigens de meest verrassende resultaten op die bijna nooit bevorderlijk zijn voor het geloof. Leerzaam is ook het onderzoeken en rubriceren van psychologische en intellectuele eigenaardigheden die aan godsdienstige mensen op te merken zijn. Daarmee kan eventueel door de wetenschapper met een grote mate van stelligheid aannemelijk gemaakt worden dat de godsdienst maar een waan van mensen is, zonder enige objectieve geldigheid. Maar, het nadeel van deze methode is dat alle informatie een indirect karakter heeft. Gelovigen kunnen er, althans voor zichzelf, ruimschoots onderuit door aan de gedachte vast te houden dat het alleen maar een waan lijkt doordat hun geloof niet groot genoeg is en dat er daardoor, op wetenschappelijke wijze, niets aan te tonen valt- En dan wijzen die gelovigen er graag op dat het toch wel veelbetekenend is dat die zogenaamde waan over de gehele wereld en in alle tijden op een dominante wijze voorkomt. En daar is eigenlijk weinig tegen in te brengen, hoewel het in wezen natuurlijk onzin is. Toch blijkt het vooral tegenwoordig telkenmale dat wetenschappers dat godsdienstige tegenargument serieus nemen en zich in alle intellectuele lafheid comfortabel achter de wetenschappelijke onmogelijkheid van bewijsvoering verschuilen. Dat biedt dan weer de mogelijkheid om de zo gevreesde “polarisatie tussen de mensen” te vermijden en zelfs de godsdiensten onder de cultuurverschijnselen te rangschikken. Zo zijn de kool en de geit gespaard en is de intellectuele schijnvrede in de wereld weer gered...

Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2 ; Intellectuele lafheid-3 ; Intellectuele lafheid-4 ; Intellectuele lafheid-5 ; Intellectuele lafheid-6 ; Intellectuele lafheid-7

 

no.386

Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2 ; Intellectuele lafheid-3 ; Intellectuele lafheid-4 ; Intellectuele lafheid-5 ; Intellectuele lafheid-6 ; Intellectuele lafheid-7

Het is alleen via de creatieve filosofie dat atheïsten met werkelijke zekerheid kunnen weten dat goden onmogelijk zijn. Let op dat ik niet zeg dat zij argumenten zoeken om de beweringen van gelovigen te weerleggen. Daar is geen beginnen aan, want waar het heldere denken en de logica op de loop zijn is de voorraad schijnargumenten onuitputtelijk! Door het waan-karakter van die beweringen valt er niets te weerleggen. Maar, de filosofische atheïsten hebben gelukkig geen enkele boodschap aan de verhalen van gelovigen en andere fantasten. Hun gedachten staan volkomen los van al die onzin en trouwens ook van de sinds de vorige eeuw zo serieus genomen beweringen van wetenschappers. De gedachten van de filosoof zijn, als het goed is, volstrekt autonoom en bovendien dermate onafhankelijk dat zij, die gedachten, geen enkele ondersteuning of bevestiging van de wetenschappen van node hebben. Zij worden door hun eigen waarheid gedragen. De filosofische atheïsten zijn in feite de enigen die echt zeker weten dat goden niet bestaan en dat maakt hen in zoverre “intolerant” dat zij er geen zin in hebben zich te voegen naar allerlei dwaasheden. Maar bovendien voelen zij zich absoluut niet geroepen hun “gelijk” aan te tonen, zoals maar al te vaak van hen verlangd wordt. Juist in deze moderne tijd van intellectuele lafheid zijn deze filosofische atheïsten het “zout in de pap” van de samenleving.

Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2 ; Intellectuele lafheid-3 ; Intellectuele lafheid-4 ; Intellectuele lafheid-5 ; Intellectuele lafheid-6 ; Intellectuele lafheid-7

 

No.387

De onmogelijkheid van een wetenschappelijk antwoord op de vraag of goden bestaan is eigenlijk al door de godsdiensten zelf bij voorbaat ingebouwd. Beweren zij niet allemaal dat hun goden zich “buiten en boven” de wereld bevinden, “onstoffelijk” van karakter zijn en in alle eeuwigheid hun almacht botvieren? Zulke goden zijn uiteraard niet aan te vatten en laten dus geen wetenschappelijk onderzoek toe. Een van de Roomse “kerkvaders” - was het omstreeks 400 Augustinus? - liet ons dan ook weten dat hij geloofde juist omdat god iets absurds was. Op zichzelf voortreffelijk opgemerkt, vooral ook omdat zoiets altijd waar is: het absurde is het niet-bestaanbare en daarin kun je, als je gek genoeg bent, alleen maar geloven!

Die kerkvader bedoelde het natuurlijk niet zo, hij meende het echt. Hij probeerde namelijk het goddelijke onbenaderbaar te maken en het zo veilig te stellen voor al die ongelovige rationalisten die ook zijn tijd rijk was. Door god aldus te definiëren kon hij alle kanten op zonder het risico te lopen door een slimmerik klem gezet te worden. Maar, hij speculeerde ook nog op iets anders: er leeft in de mensen steeds een soort van vermoeden omtrent een onberekenbaar aspect van de werkelijkheid. Dat vermoeden gaat gepaard met een besef van eeuwigheid, oneindigheid en oorspronkelijkheid, van datgene namelijk waaruit de dingen bij voortduring ontstaan en waartoe zij almaar vergaan. Anders gezegd: de niet-oorzakelijke grondslag van de werkelijkheid, door Spinoza, als ik het wel heb, de Substantie genoemd. Nu is het dit vermoeden dat men associeert met het bestaan van goden. Dat vermoeden zelf berust op het zich laten gevoelen van de werkelijkheid als beeld, die in elk mens op universele wijze aanwezig is. Men noemt dat vaak “de werkelijkheid achter de dingen”. Hoe dat zit was en is aan de kerkvaders, tezamen met hun goedgelovig voetvolk, niet bekend. Alleen de filosofie kan dat duidelijk maken. Maar intussen waren vooral die oude kerkvaders uit de eerste eeuwen van de Roomse Kerk buitengewoon slimme psychologen die al die onbegrepen en beangstigende menselijke eigenaardigheden meesterlijk wisten te bespelen, zo geraffineerd zelfs dat velen er ook op het ogenblik nog geen weerstand aan kunnen bieden.

 

No.388

Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ; Overtuiging-4 ; Overtuiging-5 ;

 

Daar zijn de “heidense atheïsten”. Dat zijn mensen die, doorgaans van huis uit, niet aan godsdienst doen. Zij staan er onverschillig tegenover, denken er nooit over na en hebben er dan ook geen mening over. Bij navraag blijkt vaak dat zij eventueel wel toe willen geven dat er toch “iets” moet zijn, maar, omdat zij daar verder geen last van hebben speelt ook dat geen rol. Eigenlijk is deze categorie van atheïsten een heel belangrijke, juist omdat de godsdienst in alle opzichten buiten het gezichtsveld is gevallen van diegenen die ertoe behoren. Indertijd heeft Bolland opgemerkt dat deze mensen “door de godsdienst heen gezakt” zijn. Hij vond dat enerzijds wel gunstig, maar anderzijds verontrustte die onverschilligheid hem en vreesde hij dat dit in een vorm van nihilisme zou uitlopen. Daarin had hij niet helemaal ongelijk, alleen is er, bij nader inzien, geen grond om dat nihilisme te vrezen! Een dergelijke vrees is echter niet ongewoon, want bijna alle aanhangers en propagandisten van levensovertuigingen hebben daar last van en een veelgehoord argument voor die vrees is dat dit nihilisme wel eens een goede voedingsbodem voor autoritaire maatschappelijke systemen zou kunnen zijn. Een misvatting, want juist dat onverschillige nihilisme verkleint de kans daarop, precies zoals vrijwel alle godsdienstige systemen weinig kans maken bij de door mij bedoelde “heidense atheïsten”. Waarop die aanhangers van levensovertuigingen, bijvoorbeeld humanisten en orthodoxe vrijdenkers, zich verkijken is het bestaan van een groep mensen die helemaal niet onverschillig zijn, maar die gekenmerkt worden door het gemis van een overtuiging. Mensen voor wie het traditionele houvast is weggevallen en die daar hartstochtelijk en fanatiek naar terugverlangen. Die mensen zijn buitengewoon ontvankelijk voor nieuwe machten die hen de wet lezen zonder tegenspraak of eigen mening te dulden. Maar, zoals gezegd, dergelijke mensen zijn helemaal niet onverschillig, zij zijn alleen maar losgeslagen en dat leidt tot niet bepaald aangename toestanden. Grote scharen voetbalsupporters zijn er een voorbeeld van. De meeste ongelovigen echter zijn “heidense atheïsten”, en dat zijn in feite de mensen waarvan de wereld het op den duur moet hebben: gewoon, een vanzelfsprekende ongelovigheid waarover niet gediscussieerd behoeft te worden en die uitdrukking is van het feit dat er absoluut geen goden zijn en dat zij dus helemaal niet ter sprake behoeven te komen.

Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ; Overtuiging-4 ; Overtuiging-5 ;

 

 

No.389

De “Auschwitz atheïsten” komen ook veelvuldig voor, maar over het algemeen is ervan te zeggen dat zij, op het persoonlijke vlak, slechts een tijdelijk verschijnsel zijn. Ik meen te zeggen: hun ongeloof bestaat zolang en voorzover zij nog geen andere oppermacht gevonden hebben waaraan zij zich uit kunnen leveren. Het gedrag doet denken aan dat van de oude Germanen die hun goden letterlijk het bos instuurden als zij niet aan de verwachtingen voldaan hadden! Eigenlijk stonden die goden in dienst van de mensen en niet andersom, een situatie die welbeschouwd in alle godsdiensten eer regel dan uitzondering is. De “Auschwitz atheïsten” zijn dan ook mensen die in hun god teleurgesteld zijn omdat deze toegelaten heeft dat de meest verschrikkelijke dingen konden gebeuren. Dat gaat natuurlijk niet alleen over Auschwitz. Terecht begrijpen zij niet dat een god, van wie zoveel goeds en moois verteld wordt, niet optreedt tegen 's mensen schurkenstreken en de uitvlucht van de theologen dat Gods wegen “ondoorgrondelijk” zijn biedt hen weinig troost. Op de een of andere manier speelt hier het theologische vraagstuk van de “Theodicee”, de “rechtvaardiging van god”, dat uiteraard gaat over diens verhouding tot het kwaad. Voor theologen, die almaar niet willen inzien dat zij met onzin bezig zijn, is dit een heel probleem dat natuurlijk niet oplosbaar is, juist omdat goden nu eenmaal niet bestaan. Het probleem bestaat juist dankzij de bij voorbaat voor waar gehouden onzin!

 

No.390

Van de “levensbeschouwelijke atheïsten” is gewoonlijk te zeggen dat zij nogal “glibberig” zijn. Bij hen valt namelijk als eerste op dat zij zichzelf niet graag tot de atheïsten willen rekenen, precies omdat dit voor hen geen speelruimte openlaat. De filosofische atheïsten bijvoorbeeld stellen botweg dat goden niet bestaan kunnen en dat is voor hen een bijna vanzelfsprekende zekerheid. Maar de levensbeschouwelijke atheïsten houden liever een slag om de arm en verschuilen zich achter de wetenschappelijke stelling dat je geen zekerheden kunt ontlenen aan noties die buiten het denken vallen. Wetenschappelijk denken bedoelen zij natuurlijk, want beweringen over goden vallen wel degelijk binnen de mogelijkheden van het denken in zijn algemeenheid. En dan levert het moderne denken die levensbeschouwelijke atheïsten nog een mooie uitvlucht extra met de stelling dat het al of niet geloven in goden een zaak van het individu zou zijn, en dus een “privaatzaak” waar men af heeft te blijven.

 

No.391    ieder het zijne-1(nrs.272t/m274) ; ieder het zijne-2(391t/m393)

Het zal duidelijk zijn dat je aan de levensbeschouwelijke atheïsten niets hebt, noch theoretisch, noch praktisch. Binnen de maatschappelijke context laten zij de godsdienstigen ongestoord hun gang gaan met de bij die mensen onvermijdelijke morele dwingelandij. En zij rechtvaardigen die laffe houding met argumenten als “ieder het zijne” en “wie zijn wij om het bestraffende vingertje op te heffen” en “moeten wij weer zo nodig de dominee uithangen”, en zo meer. Allemaal flinke praat die gepaard gaat met een sterke schijn van redelijkheid, maar die in feite door en door politiek en diplomatiek is, beide zaken die nu niet bepaald bevorderlijk zijn voor een eerlijke, consequente en rechtvaardige samenleving. Het is een feit dat de levensbeschouwelijke atheïsten eigenlijk alleen maar erkenning en macht voor ogen hebben, namelijk erkenning van hun bestaansrecht naast de godsdienstigen en macht om hun eigen belangen te dienen. Dit streven maakt het onvermijdelijk dat men respect betoont tegenover de gevestigde godsdiensten en dat men zoveel als mogelijk met hen in gesprek blijft. Dat alles komt overeen met de gebruikelijke gang van zaken in een op zijn einde lopende onvolwassen mensheid. Het is daarom niet echt afkeurenswaardig, maar in het groot gezien is toch niet aan het oordeel te ontkomen dat het allemaal bijzonder onderdanig, lafhartig, onzelfstandig en weinig zelfbewust is om almaar mooi weer te spelen met mensen die ideëel, noch materieel, veel goeds aan de wereld te bieden hebben.

 

No.392

Het is bij nader inzien nog maar de vraag of je die levensbeschouwelijke atheïsten werkelijk tot de atheïsten kunt rekenen. Immers, alleen al het feit dat zij niet na willen denken over de vraag of goden bestaan houdt logischerwijs in dat zij de mogelijkheid van een dergelijke aanwezigheid open houden. Maar, dat kan alleen maar als je er wel degelijk in gelooft, weliswaar niet op een godsdienstige of getuigende wijze en meer op een intellectuele manier, maar toch: je gelooft er “ergens” in! Iedere slag om de arm verwijst naar gelovigheid en dat is het geval juist omdat er maar één mogelijkheid en volstrekt geen keus is en als je dan niet zonder meer durft te stellen dat er geen goden zijn houdt dat automatisch in dat ze er dus wel zijn, in welke onduidelijke intellectuele vorm dan ook. Het spreekt vanzelf dat men zich in velerlei bochten wringt om onder deze redenering uit te komen, maar, het is tevergeefs: afwijzen van een helder niet-bestaan houdt erkennen van een mogelijk wel-bestaan in. En dan zeg ik vervolgens dat iemand die zoiets voor mogelijk houdt in alle opzichten een gelovige is. Dat geldt ook voor diegenen die in een vlaag van misplaatste schijnbare wetenschappelijkheid menen te mogen stellen dat goden voor hen niet bestaan “zolang het tegendeel niet bewezen is”. Zij houden dus ruimte open voor de mogelijkheid van een wel-bestaan; zij vinden dat blijkbaar best goed denkbaar en dan rest er maar één kwalificatie en wel deze dat zij dan toch gelovig zijn. In ieder geval durven zij geen consequenties te trekken uit het ook voor hen in principe mogelijke logische denken. Immers, juist de noodzaak om goden in een niet voor het denken bereikbare sfeer te plaatsen bewijst op zichzelf zonneklaar dat er iets wezenlijk fout zit met het denken van dezulken. Psychologisch gezien is lafheid de meest bepalende factor in het gerommel met de logica als bet over goden gaat. Men is in het diepst van zijn ziel bang voor het hogere en almachtige dat voor goden geldt. Stel je eens voor dat zij je toch straffen voor je ongeloof...

 

no.393

Dat men in onze cultuur toch een beetje voorzichtig is met die goden en hun macht is gemakkelijk te verklaren uit het gangbare denken. Dat immers is een denken waarin het hoger en lager een essentiële rol speelt. Het kenmerkende van die rol is de toekenning van de meeste waarde aan het hogere en tegelijkertijd de verregaande verguizing van het lagere. Al het zogenaamd lagere heeft de opdracht zich naar boven te werken opdat een hogere status verworven wordt. Bij zichzelf mag dat lagere niet blijven want dan voldoet het niet aan zijn “wezen” waarin het streven naar het hoogste al bij voorbaat ingebakken zit. Daarbij komt dan ook nog dat het lagere het onmachtige en machteloze aan zich heeft en het hogere automatisch met macht samen gedacht wordt. Als je daarbij dan bedenkt dat de alsnog onvolwassen mens op een kinderachtige manier laat gelden dat hij als laatste verschijnsel zogezegd “boven alles uitgaat”, dan wordt het begrijpelijk dat het hogere, met de daarbij behorende almacht, een buitengewoon begerenswaardig iets is. Het als onbestaanbaar afwijzen van elke vorm van goddelijkheid onttroont vanzelfsprekend ook het hogere en daarmee komt het denken in het algemeen in een dubieus daglicht te staan. De wortels van de moderne cultuur worden dan aangetast en daartegen verzet men zich op een wezenlijk hysterische wijze.

ieder het zijne-1(nrs.272t/m274) ; ieder het zijne-2(391t/m393)

No.394

Het gedrag van academisch gekwalificeerde mensen vertoont alle kenmerken van clanvorming. Om misverstanden te voorkomen haast ik mij hier aan toe te voegen dat niet elke academicus aan genoemde kwaal lijdt: waarom het gaat is een typering te geven van een bepaald slag mensen. Als je naar zo een typering zoekt - en dat doe je in de filosofie omdat je steeds naar essentiële zaken op zoek bent - valt het bij die academici op dat zij, vaak zonder er zelf erg in te hebben, op de een of andere manier “samenhokken” in allerlei colleges die in de huidige wereld met enig gezag bekleed zijn en die vanuit dat gezag macht kunnen uitoefenen. Op zichzelf zou dat nog niet zo erg zijn ware het niet dat die academici er rotsvast van overtuigd zijn dat juist zij de spil zijn waarom het in de wereld draait. Dat zij “omhooggestuwd” zijn door een brede basis van “gewone mensen”, die in hun onvolwassen argeloosheid nog lang niet in de gaten hebben dat zij het zelf zijn die genoemde clanvorming mogelijk maken en sanctioneren, dat vergeten die academici maar al te graag...Het is echt opvallend dat de leden van dergelijke clans het blote feit van dat lidmaatschap beschouwen als voldoende rechtvaardiging van hun status en hun gedrag. Met die brede basis van gewone mensen hebben zij niets te maken, Zij vinden hun waarheid en recht uitsluitend in zichzelf. Dat wordt natuurlijk op de een of andere manier naar buiten toe duidelijk gemaakt, en wel door onder alle omstandigheden het zinnebeeld van hun kwalificatie naar voren te brengen: zijn staan er op als doctor, meester, ingenieur, doctorandus en zo meer aangeduid te worden. En, volkomen vanzelfsprekend gaan zij ervan uit dat minder bedeelden niet serieus genomen behoeven te worden. Misschien zal de lezer denken dat ik op dit punt overdrijf. Uiteraard is dat zijn goed recht, maar dan wil ik er toch op wijzen dat het juist de hogere kwalificaties zijn waarop de aandacht gevestigd wordt. Iedereen zou het belachelijk vinden als iemand zichzelf bijvoorbeeld bekend maakte als Ls Jan de Bruin, waarbij dat “Ls” dan stond voor Lagere School. Maar diegenen die een wat hogere school bezocht hebben kondigen dat met veel aplomb aan, teneinde toch vooral duidelijk te maken dat zij tot een aparte en gewichtiger kaste behoren en op grond daarvan met égards behandeld dienen te worden!

 

No.395

Het is gewoonte geworden om de wetenschappelijke waarde van iemands gedachten te toetsen aan het zogenaamde “notenapparaat” waarmee hij zijn werk een schijn van betrouwbaarheid wil geven. Je moet de lezer duidelijk maken waar je je gegevens en je ideeën vandaan hebt gehaald. Men acht het onmogelijk dat iemand alles zelf bedacht heeft. Dat getuigt van niet veel begrip van filosofie, maar dat is vandaag de dag niet verwonderlijk. Wanneer hoor je iemand nog iets zinnigs zeggen over kunst, bijvoorbeeld? Wat je hoort is of quasi diepzinnig geleuter waarbij men inspeelt op de psychische en kunstzinnige infantiliteit van de hedendaagse mensen. Vooral de wat meer ontwikkelden, die eigenlijk niet meer of beter “ontwikkeld” zijn, maar die alleen maar meer onsamenhangende, oncontroleerbare feiten tot zich hebben genomen, zijn dankbare bewonderaars van de kleren van de keizer. Je kunt hen op artistiek gebied werkelijk alles wijsmaken. Maar, je bent wel verplicht je verhaal zo in te kleden dat het wetenschappelijk “tegengesproken” kan worden, want dat is sinds de verhalen van Popper noodzakelijk. Is dat onmogelijk, dan is je verhaal niet betrouwbaar! En natuurlijk mag het niet ontbreken aan, liefst academisch gewaarmerkte, deskundigheid die blijken moet uit eindeloos voortdurende betogen over des kunstenaars moeilijkheden bij het beoefenen van zijn vak. Niets is zo ergerlijk vervelend als zo'n betoog, vooral omdat het absoluut niets met een kunstwerk te maken heeft en alles met de ijdelheid van de betoger. Zoals het met de kunst is, is het ook met de filosofie. Bijna iedereen die filosofie gestudeerd heeft bazelt er maar wat op los, uiteraard op uiterst wetenschappelijke wijze. En hoe onwaarschijnlijker het gestelde probleem is, hoe diepzinniger de filosofie. Daarbij ontbreekt natuurlijk het vak-geleuter evenmin. Stel je voor, iemand mocht eens de indruk krijgen dat filosofie niets voorstelt...Als men er niets van begrijpt is men wel genoodzaakt deftig te doen over de filosofie, want inderdaad: zij stelt absoluut niets voor! Ik bedoel dat in alle ernst en vooral letterlijk. Zou de filosofie iets “voorstellen”, dan zou je inderdaad je wijsheid uit de boeken moeten halen en je informatie evenzo, zonder daarbij het modieuze notenapparaat achterwege te laten. De “voorstelling” vraagt steeds en noodzakelijk om uitleg, toelichting en verificatie. Dat hoort erbij. Maar de filosofie vraagt daar helemaal niet om, net zomin als dat met de kunst het geval is. Beiden, de filosoof en de kunstenaar, laten iets zien, vertellen een verhaal en de “genieter” moet maar zien wat zij of hij ermee doet. Spreekt het aan, mooi zo. Spreekt het niet aan, jammer! Die het horen kan, die hore het.

 

No.396

Kunstenaar en filosoof moeten hun verhaal zo genuanceerd en helder mogelijk opdissen. Dat verhaal halen zij nergens vandaan. Misschien hebben anderen ook al iets dergelijks verteld, misschien hebben anderen dat veel helderder gedaan en mogelijk is daarentegen nog nooit iemand op dat idee gekomen, maar de zaak wordt nergens vandaan gehaald en door geen enkel notenapparaat gestaafd. Het is een volkomen autonome, zichzelf dragende, zaak. Zo je desondanks toch vast wilt houden aan het denkbeeld dat de filosoof en de kunstenaar hun verhalen ergens vandaan halen, dan kan dat uitsluitend uit henzelf zijn. En de in feite niet erg pientere vraag hoe dat alles dan “erin” gekomen is kan nooit beantwoord worden omdat werkelijk alle verstreken momenten van het leven daar debet aan zijn. Bovendien is dat beslist niet interessant. Een van de meest kwalijke kanten van het moderne denken is namelijk dat men altijd als eerste wil weten waar iets vandaan komt of hoe iets ontstaan is. Uiteraard mogen dergelijke vragen gesteld worden, maar als men van mening is dat de antwoorden op die vragen een bijdrage leveren aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid, dan zit men er ver naast. Een juist en helder inzicht kan heel gemakkelijk uit een onjuiste een duistere bron stammen. Bovendien is te zeggen dat het steeds gaat om wat een bepaald filosofisch verhaal betekent en of daarin waarheid schuilt. Waar dat verhaal vandaan komt is volstrekte bijzaak.

 

No.397

Ook wat de “arbeidsvreugde” betreft biedt de moderne tijd weinig hoopvols. Het is opmerkelijk dat men ook die arbeidsvreugde bijna steeds in verbinding denkt met de op- en neergang van de economie. Zo zou het in tijden van economische problemen wat slechter gesteld zijn met de arbeidsvreugde omdat er dan schaarste in banen heersen zou en dat zou de werknemers er dan toe verplichten meer productie te maken ten koste van de gezelligheid op de werkvloer. Op zichzelf lijkt dat een plausibel verhaal en er zal ook wel enige juistheid in steken. Maar in feite is het het in effectiviteit toenemende moderne denken dat, geheel buiten de economische toestand om, de arbeidsvreugde gestaag doet afnemen. Op het eerste gezicht lijkt dit een ondeugdelijke uitspraak, want als men terugdenkt aan de verschrikkelijke toestanden zoals die vroeger in de fabrieken en werkplaatsen heersten dan kan men toch niet anders dan concluderen dat er veel verbeterd is. En men kan er ook op wijzen dat er in de hogere regionen weinig reden is om aan te nemen dat men daar in treurnis zijn werk verricht. Waarom dan toch staande gehouden dat de mensen almaar minder vreugde aan hun arbeid beleven? Het volgende is aan de zaak te bedenken: naarmate het uiteenvallen van de werkelijkheid zich verder doorzet wordt het de mensen steeds minder duidelijk waarmee zij nu eigenlijk bezig zijn. Hun arbeid beslaat een almaar kleiner wordend deel van de werkelijkheid en wat zij met dat kleinere stukje moeten doen is qua handeling meer en meer onbegrijpelijk. Men heeft bijvoorbeeld achter een computer plaats genomen en geeft daar almaar “data” in, maar wat er “in het inwendige van die computer” met die informatie gebeurt, valt geheel buiten het gezichtsveld. De computer verricht de eigenlijke en essentiële handelingen. Er bestaat tegenwoordig een heel legioen van zogenaamde boekhouders die uitsluitend nog in staat zijn om getallen in te typen zonder echt nauwkeurig te weten wat er gebeurt. Kortom, het realiteitsgehalte van de arbeid vermindert in snel tempo en zienderogen.

Als je je echter voor de geest haalt dat de arbeid betrekking heeft op de verschijnselen die tot een menselijke werkelijkheid omgezet worden, zodat op den duur de planeet een planeet van mensen worden kan, dan is het niet moeilijk te begrijpen dat juist het zich verbonden weten met die verschijnselen en dat proces van omzetting een wezenlijke menselijke aangelegenheid is. Het is een zaak waar men nu juist optimaal bij betrokken zou moeten zijn.

Dat betekent geen diskwalificatie van de computer en andere werktuigen, maar het slaat welbeschouwd tenvolle op de organisatie van de arbeid. De werktuigen zijn alleen maar een “zegen” voor de werkende mensen, maar als de organisatie de mensen belet om deel te hebben aan en betrokken te zijn bij het grote geheel van de arbeid als proces van omzetting, dan keert de zaak zich tégen de mensen, die zich daardoor eenzaam en nutteloos gaan voelen. Dit proces is nauwelijks opvallend, maar als het eenmaal je aandacht getrokken heeft zie je overal de veelvuldige symptomen ervan. En één belangrijk symptoom is de slordige afwerking van producten en processen.

 

No.398

De wetenschap heeft een dwingend karakter. Dat wil zeggen dat men niet om de juistheid van bepaalde kennis en theorieën heen kan. Twee keer twee is vier en daaraan is niet te ontkomen. Dat dwingende karakter van de wetenschap verdwijnt niet door er rekening mee te houden dat straks wel eens zou kunnen blijken dat bepaalde kennis geheel of gedeeltelijk herzien moet worden doordat er zich nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan. Zolang en voorzover er geen correcties zijn aangebracht gelden de bestaande feiten en daaraan heeft men zich te houden als men niet voor gek wil staan. Op zichzelf is dat allemaal heel gewoon, maar er schuilt toch een groot gevaar in dat lang niet altijd onder ogen gezien wordt. Er ontstaat namelijk de behoefte om alle dingen en het gehele leven aan die onontkoombare wetenschappelijke normen te onderwerpen. Je moet daarbij beslist van “onderwerpen” spreken, want het is een proces dat zich van boven naar beneden afspeelt en dat daarbij op volstrekt autoritaire wijze doorgedreven wordt. Dat heeft ten eerste tot gevolg dat er vanuit overheden en directies almaar gereorganiseerd wordt, naar gelang er steeds nieuwe ontwikkelingen zijn, en ten tweede dat er gaandeweg een wereld ontstaat die theoretisch van karakter is en nauwelijks nog voeling heeft met de realiteit. Op het ogenblik, nu de moderne wereld zich in volle omvang aan het ontvouwen is, kunnen wij beide fenomenen duidelijk waarnemen en wij kunnen tegelijkertijd constateren dat er niets goeds uit voortkomt. In feite ontstaat een maatschappij met vallen en opstaan en het zijn daarbij steeds de individuele mensen die verbeteringen aanbrengen. Uiteraard op kleine schaal, maar bij gebleken succes breiden ze zich uit totdat ze tenslotte gemeengoed geworden zijn. Dat overheden op instigatie van politici de maatschappij verbeteren is louter gezichtsbedrog. Waarmee die bezig zijn is per definitie “mosterd na de maaltijd”. Het is een met veel gezeur en poeha vastleggen van nieuwigheden die al lang geen nieuwigheden meer zijn. Men strompelt achter de feiten aan, maar doordat men er een wetenschappelijk tintje aan weet te geven wekt het bij de oppervlakkige beschouwer de indruk nuttig en noodzakelijk te zijn. Het is echter theorie geworden en als zodanig feitelijk onbruikbaar. Maar, intussen hebben de mensen zich er toch aan te houden, met alle nare gevolgen van dien. Terecht ervaren zij de nieuwe voorschriften als bedilzucht van lieden die zichzelf belangrijk willen maken.

 

No.399

Vroeger waren het de adel en de geestelijkheid die het recht opeisten om gelijk te hebben en macht uit te oefenen. Tegenwoordig zijn het de overheden, de politici en de managers die dat doen. Hoewel te stellen is dat men in het eerste geval op een wankele occulte basis steunde en dat men in het tweede geval tenminste nog het wetenschappelijke gelijk aan zijn kant heeft, moet toch het eindoordeel zijn dat de zaak in beide gevallen niet deugt! Men kan geen wereld bouwen op theoretische bedenksels. De verklaring daarvoor is dat een “wereld” een zaak van levende mensen is die niet alleen voortdurend veranderen naarmate zij op de omstandigheden inspelen, maar die ook, en niet in de laatste plaats, volkomen unieke wezens zijn. Die unieke wezens moeten het met elkaar zien te vinden. De enige mogelijkheid daartoe is gelegen op het persoonlijke vlak. Dat is dus geen theorie maar praktijk en die is bovendien niet bij voorbaat te normeren en te regelen vanwege het feit dat het ook nog eens een beweeglijke praktijk is. Het gaat dus over een werkelijkheid die in alle opzichten strijdig is met de waanvoorstellingen van de overheden, de politici en de managers. Zo is het bijvoorbeeld bijna niet te begrijpen dat ze halsstarrig blijven vasthouden aan het beoordelen van mensen op grond van het al of niet hebben van een baan en de status daarvan. Met de huidige technologie en de verregaande mogelijkheden van de techniek is het immers uitgesloten dat iedereen een baan heeft, terwijl daarenboven nog opgemerkt moet worden dat verreweg het grootste deel van de menselijke activiteiten niet tot de banen gerekend wordt. Desondanks blijft men volhouden dat er “werk” voor de mensen “geschapen” moet worden - en men heeft gelijk: volgens de wetenschappelijke theorieën en modellen is dit ook inderdaad het geval. Je kunt hieraan nog eens duidelijk zien hoe fnuikend de wetenschap kan werken als het om inzicht in de menselijke werkelijkheid gaat. Het wetenschappelijke gelijk is een grandioos maatschappelijk ongelijk!

 

No.400

Verkiezingen-1, Verkiezingen-2 ; De volwassen democratie is noodzakelijk polariserend van karakter: zie de nrs 283, 284, 289  en nr. 400

Sinds het in zwang komen van de democratie zijn de meeste mensen gaan denken dat de macht nu door het volk uitgeoefend wordt en dat het ditzelfde volk is dat het bestuur van de maatschappij uitoefent. Men hoort dan ook bij allerlei gelegenheden als argument gebruiken dat bepaalde besluiten “op democratische wijze” genomen zijn en dat het dus geen pas heeft achteraf kritiek uit te oefenen of te weigeren zich aan die besluiten te houden. Welnu, wat dit betreft is er een gigantische mystificatie gaande! De macht wordt in geen enkel opzicht door het volk uitgeoefend en besluiten worden verre van democratisch genomen. Er zijn steeds goedgeïnformeerde pressiegroepen die de weg naar de overheid weten te vinden en die, langs allerlei al of niet duistere wegen, hun belangen weten te behartigen en hun zin door te drijven. Uiteraard gaat het dan vooral om economische belangen. Dat is een mooi en verhullend woord voor het maximaliseren van de winsten, ten behoeve van enkelen. Op zichzelf beschouwd is ook wat dit betreft geen andere conclusie mogelijk dan deze dat we met een buitengewoon Ondemocratische zaak van doen hebben. Daarbij moet ook nog bedacht worden dat de feitelijke overheid niet bestaat uit de politici, al of niet tot minister in een zogeheten kabinet gepromoveerd, maar uit een volstrekt gesloten en besloten wereld van ambtenaren. Die ambtenarij heet in de westerse wereld niet “bureaucratisch” te zijn, maar een ieder die ermee te maken heeft gekregen weet heel wel beter. Men heeft op de ministeries een eigen geheime “agenda” waar heel wat meer punten op vermeld staan dan ooit in de ministerraad of het parlement aan de orde komen. Het uitoefenen van de macht geschiedt nog precies als alle eeuwen voordien.

De burgers, om wie het toch wezenlijk gaan moet, hebben niets te vertellen.

Wat bevolen wordt moet zonder mankeren gedaan of gelaten worden. Het enige, en inderdaad uitermate bedrieglijke, verschil met vroeger is dat de machthebbers nu niet langer automatisch, op grond van geboorte of rijkdom, de baas worden, maar dat zij via geraffineerde verkiezingen hun macht gesanctioneerd krijgen. Verder is alles nog precies zoals het altijd al geweest is. Het volk regeert in geen enkel opzicht en het is zelfs zo dat zij bij de verkiezingen netjes voorgeschoteld krijgen op wie er gestemd mag worden. Hoe die machtzoekers op de lijsten komen is voor ieder gewoon mens een blijvend raadsel. En dat moet zo blijven, vindt men. Daarom heeft men niets op met volksreferenda, want die zijn gestoeld op werkelijke invloed van de burgers op de gang van zaken. Bovendien houdt een referendum min of meer automatisch in dat een groot deel van genoemde eigen “agenda” van de ambtenaren bekend gemaakt moet worden. Alles overziende kan alleen maar geconstateerd worden dat het gehele complex van overheden met niets anders bezig is dan versterking en handhaving van het eigen bestaan en dan is het verhaal wederom rond: alles en iedereen is, onvolwassen zijnde, energiek daarmee bezig!

Verkiezingen-1, Verkiezingen-2 ; De volwassen democratie is noodzakelijk polariserend van karakter: zie de nrs 283, 284, 289  en nr. 400

 

Referendum; Zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr. 3

 

 

Tot zover aflevering 2 van FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK Rotterdam, januari 1997

 

Terug naar: Welkom op de Homepage van Rob van Es voor méér informatie

 

website analysis
website analysis

website analysis
online hit counter