FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
- Nr. 3.
anarchisme,atheisme,auschwitz,de
ware mens,de zin van het leven,evolutie van het leven,filosofie,het ontstaan
van het leven,ieder het zijne,
joden,jodendom,mensenrechten,oercel,reincarnatie,scheppingsverhaal,wereldbouwer,zelfbewustzijn,zelfdoding.
Naar
bladwijzers: De zin van het leven Identiteit-1 ; Identiteit-2 ; Identiteit-3 ; ieder het zijne ; Ken uzelve ; Anarchie ; Boeddhisme ; Mohammed-1 mohammedaanse De kloof Discriminatie ; doden-1(nos.448t/m449) Maagd-1 Maagd-2 doden-2(484
t/m 493) referendum
Maakbare wereld ( nummers 586 t/m 600
) nihilistische cultuur-1( na believen: zie
de nos.517 t/m 520
) doen alsof
onvermijdelijk
toeval-1 ; Individualisering ; onvermijdelijk
toeval-2 onvermijdelijke
toeval Armoede
Verantwoordelijkheid
, Vervreemding-1,
vervreemding-2,
vervreemding-3 Verlichting-1, Verlichting-2, Verlichting-3, Verlichting-4, Verlichting-5, Verlichting-6, Verkiezingen, Heilige Geest ; Overgang-1 ; (On)verdraagzaam
; Onverdraagzaamheid
; Opvoeding-1 ;
Polarisatie-2
; Terugkoppeling
; Op
geraffineerde wijze 'gelekt' naar
het “volk”-zie nrs. 477 en 478
; Schizofrenie-1 ; Schizofrenie-2
; Mensenrechten
; Gemeenschapszin
; Beleving ; Horigheid/horige (nrs. 405 en 406)
; Sekten -A ; Sekten -B ; Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ; Overtuiging-4 ; Zelfdoding
;
Naar
artikelen met o.a. de bladwijzer : De zin van het leven-Zie B , C ,
Naar artikelen met als bladwijzer “Polarisatie”
en/of “Referendum” :
Polarisatie-1 ; Zie bladwijzers uit Filosofie
van de Hak op de Tak nr 2,
Referendum ; Zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak
nr. 2
Polarisatie-3 ; Zie bladwijzers uit De
Ontwikkeling van het denken,
Polarisatie-4 ; Zie bladwijzers uit
Nihilisme en Anarchisme als basis van het Atheisme,
Polarisatie-5 ; Zie bladwijzers uit De
Universiteit voor humanistiek en het Atheisme,
Terug naar: De
Startpagina Naar
: het
denken van beneden naar boven
Help mee om deze site te promoten.
Vertel het uw…!
(Adres
luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )
Aflevering 3-1999 Uitgave: J. Vis
De filosofie is er voor iedereen. Daarom staat het u vrij
om uit dit boek passages over te nemen. Maar het is een zaak van intellectueel fatsoen
om daarbij wel getrouw uw bron te vermelden.
401. Het is gebruikelijk om de kwaliteit van de democratie af te meten
aan de maatregelen die, al of niet na uitvoerige bespreking in het parlement,
doorgevoerd worden. Meestal zijn het dan de noodzaak, de aard en de
effectiviteit van die maatregelen die bepalend zijn voor de waardering ervan.
Valt die afweging positief uit, dan wil men zichzelf en elkaar er graag van
overtuigen dat het met de democratie als zodanig wel in orde is.
Dit echter is niet
alleen een grove misvatting, maar ook en vooral een staaltje van domheid
enerzijds en misleiding anderzijds.
Juist de moderne
ontwikkelingen laten zien dat er van allerlei maatregelen genomen kunnen worden
die op zichzelf redelijk verantwoord zijn en die ook de steun krijgen
van het parlement, maar die desondanks niet alleen kant noch wal raken maar
zelfs een funeste uitwerking op de samenleving blijken te hebben. Je zou dus
kunnen denken dat de democratie goed functioneert omdat er effectieve
maatregelen doorgevoerd worden, zoals het behoort met toestemming van het
parlement. Dat parlement vertegenwoordigt het volk en dus lijkt alles in orde -
maar dat is het niet!
De kwaliteit van de
democratie is namelijk niet af te meten aan door overheden doorgevoerde
maatregelen. Die kwaliteit kan alleen maar afgeleid worden uit het antwoord op
de vraag in hoeverre het de burgers gelukt maatregelen tegen te houden. Het
antwoord op die vraag is echter bijzonder teleurstellend want het is maar
uiterst zelden dat er iets geen doorgang vindt vanwege verzet van de bevolking.
402. Steevast vinden overheden en
volksvertegenwoordigers dat “het volk” geen verstand heeft van gewichtige
staatszaken voornamelijk omdat het gevoelsargumenten zou gebruiken in plaats
van rationele. Dat wat de mensen elke dag ervaren en dat daardoor bepaalde
gevoelens in hen oproept is van ondergeschikt belang als het over het besturen
van het staatsapparaat gaat.
Uiteraard menen die
overheden en parlementariërs dat zij er wel verstand van hebben, hetgeen
blijken moet uit het feit dat hun redeneringen klassevoorbeelden van
wetenschappelijkheid, objectiviteit en rationaliteit zijn! En dus menen zij het
recht te hebben hun plannetjes door te zetten.
Die plannetjes zijn
echter gestoeld op de rationaliteit van een wereldbeschouwing die geconstrueerd
is aan de hand van academische kennis en theorieën. Dat betekent dat hij
vrijwel geheel irreëel is. Bijgevolg komen die academisch gevormde bestuurders
logischerwijs en onvermijdelijk met maatregelen die strijdig zijn met de
praktijk van wat er in de gewone mensen, min of meer bewust, leeft. Daarmee
behoren die maatregelen onder geen enkele voorwaarde thuis in een werkelijk
democratische samenleving, reden waarom zij geen steun verdienen, maar
daarentegen bestreden zouden moeten worden.
403. De “gewone mensen” vormen de werkelijke
samenleving. Zij zijn derhalve ook in alle opzichten bepalend voor de kwaliteit
van de democratie. De zogenaamde democratie van de overheden en de politieke
managers heeft in feite geen enkele verwantschap met de democratie van de
gewone mensen, alleen al vanwege het feit dat het een theoretisch bedachte en
van bovenaf afgedwongen zaak is. Desondanks maken die overheden en managers
tenvolle de dienst uit. Hun verhalen over het “zichzelf besturende volk” zijn
dan ook een bedrieglijke ficties, zelfs misdadige leugens!
Het volk bestuurt
zichzelf helemaal niet, de overheden en de managers doen dat. Zij hebben na de
Franse Revolutie definitief de macht overgenomen van kroon, adel en
geestelijkheid. Die waren daar overigens ook niet bepaald eerlijk aan gekomen:
nog voor het begin van de Middeleeuwen hadden zij eigenhandig de traditionele
boeren-democratieën om zeep geholpen. In feite waren het allemaal struikrovers
die door moorden en branden de verschrikte poorters, boeren en handwerkslieden
tot onderdanigheid dwongen, om vervolgens te verklaren dat zij van een hogere
orde waren!
Welbeschouwd blijft er
voor het volk alleen maar over dat het zich kan verzetten. Het zou zich
eigenlijk mòeten verzetten.
404. Er is geen wezenlijk verschil met vroeger
tijden als het gaat over de vrijheid van “het volk”. Dat in de moderne
democratie het volk een grote mate van vrijheid zou genieten is een fictie. In
feite waren de mensen uit bijvoorbeeld de Europese Middeleeuwen in de praktijk
veel vrijer dan thans het geval is. Zelfs als zij op de een of andere manier
tot het bezit van een feodaal heer behoorden of onder mentale druk van
geestelijken stonden was hun daadwerkelijke vrijheid groter dan die van de
hedendaagse mens. De op hen uitgeoefende dwang was vrijwel uitsluitend van externe
aard: hij kwam van buitenaf en kon daardoor door de mensen als iets vreemds
ervaren worden, iets dat eigenlijk niet bij hen hoorde, maar waarmee zij wel
rekening moesten houden. Dus, verborgen ònder die externe dwang lag het
bewustzijn van hun persoonlijke vrijheid. Er was een afstand tussen die
vrijheid en die externe dwang. Hun reactie op bedoelde dwang was dan ook
voornamelijk een pragmatische. Naar gelang de omstandigheden reageerden zij,
soms met angst, soms met afschuw, vaak met onderdanigheid en af en toe met
openlijke kritiek, die hen overigens als regel wel de kop kostte. Werd de
onderdrukking te bar en kregen zij de kans, dan kwamen zij in opstand tegen de
machthebbers, wat ook bijna altijd in een bloedbad eindigde...
405. In de moderne democratie heeft de horigheid
van het volk een nieuwe gedaante aangenomen. Dat neemt echter niet weg dat de
zaak zèlf, dus de horigheid,
er nog onverminderd is. Vanuit de overheden wordt nog steeds dwang uitgeoefend
en, gezien vanuit de zelfgenoegzame wereldbeschouwing van die overheden, is het
een vanzelfsprekendheid dat het volk te gehoorzamen heeft. Dat gaat in feite
veel verder dan vroeger het geval was. Vrijwel het gehele bestaan van de
moderne mensen is nauwkeurig gereglementeerd. Het is onderworpen aan talloze
voorschriften en blootgesteld aan een grote variëteit van sancties. De druk van
boven naar beneden is onvoorstelbaar veel zwaarder dan ooit het geval is
geweest. Hij komt allang niet meer uitsluitend van wereldse of geestelijke
machthebbers, maar vooral en in toenemende mate van economische instituties.
Daardoor kunnen de mensen geen kant meer uit. Zij zitten volkomen in de tang van
de boven hen gezetelde machten.
Wat dit betreft heeft
het in de aanvang van de westerse cultuur al aanwijsbare machtsdenken zich
grandioos doorgezet: het heeft nu zo langzamerhand vat gekregen op de gehele
mens.
Wat in de moderne
democratie anders is geworden is op zichzelf niet de behoefte aan en het
uitoefenen van macht, hoewel dit intussen toch een uiterst gesublimeerde zaak
is geworden. Drastisch veranderd is de wijze waarop de onderhorige mensen de op hen uitgeoefende macht ondergaan.
Zij bemerken namelijk nauwelijks nog dàt er druk op hen uitgeoefend wordt en
daardoor zijn zij in de mening komen te verkeren dat zij een grote mate van
vrijheid zouden genieten...
406. In vroeger tijden wisten de machthebbers
nauwelijks iets persoonlijks over hun onderdanen. Zij waren dan ook niet
in staat de vele, al of niet openlijke, praktische en intellectuele
activiteiten van de mensen in hun macht te krijgen. Vaak was hen zelfs het
bestaan van grote aantallen personen onbekend. Formeel waren dezen uiteraard
wel onderdanen, maar er was in de praktijk niets mee aan te vangen. Vandaar dat
er vaak grote collectieve acties door de hoge heren werden ondernomen,
bijvoorbeeld om voor de zoveelste maal geld en goederen los te krijgen voor het
voeren van oorlogen. En verder was de enige manier om belastingen te innen het
onder lijfelijke horigheid brengen van de bevolking,
door namelijk landgoederen met bewoners en al te veroveren, vaak met geld dat
die bewoners eerst zèlf hadden moeten opbrengen. Maar, ook dan nog bleek het
vaak mogelijk om uit te wijken naar de landgoederen van andere vorsten en daar
wederom een min of meer anoniem bestaan op te bouwen.
407. Het voornamelijk uitwendige karakter
van de onvrijheid, gevoegd bij de primitieve administratie door de
overheden, maakt in de praktijk de vrijheid van de mensen uit vroeger tijden
over het algemeen veel groter dan thans het geval is. Daarbij komt ook nog dat
de gewone mensen doorgaans niet of nauwelijks als menselijke wezens beschouwd
werden. Daardoor had men geen belangstelling voor de gewone mens als
individu.
Op zijn beurt voelde de
gewone mens zich in genen dele bij de zaak van de hoge heren betrokken. Thans
is het echter voor de mensen een inwendige zaak geworden. Zij horen er
bij en willen dat in feite ook. Zodoende maken de hedendaagse mensen in
belangrijke mate zichzelf onvrij, namelijk door zich het hen van buiten-
en bovenaf ingeprente, ogenschijnlijk redelijke, maar in feite onderdanige, denken
eigen te maken.
En daarbij komt dan ook
nog eens de uiterst geraffineerde administratieve tirannie vanwege alle
mogelijke instanties, van overheidswege, maar ook en niet in het minst vanuit
de particuliere sector. Moest men vroeger aan de machtsbehoefte van de
bovenlaag ontkomen, thans kunnen de gewone mensen geen kant meer uit, doordat
zij zich met die bovenlaag zijn gaan vereenzelvigen.
408. De geschiedenis laat zien dat het volk, vanaf
het moment dat het zijn zelfbestuur aan “zichzelf verheerlijkende” struikrovers
moest prijsgeven, almaar moest vechten om bepaalde rechten terug te winnen.
Zo'n herwonnen recht werd dan een privilege genoemd, een voorrecht dus.
Men was blijkbaar al heel snel vergeten dat het eigenlijk hun eigen rechten
waren en dat de machthebbers die voordien van hen gestolen hadden. De thans
algemeen aanvaarde democratie is in feite ook niets anders dan een privilege
dat door de burgers àfgedwongen is. Dat dit privilege inmiddels de status van
een recht verkregen heeft doet niets aan het feit af dat het toch een
voorrecht is waarvoor men op de een of andere manier dankbaar zou moeten zijn.
Vaak zonder dat zij er
zelf erg in hebben laten de huidige machthebbers telkens blijken hoe de verhoudingen
eigenlijk liggen. Zo laten zij zich nogal eens ontvallen dat de burgers
dankbaar zouden moeten zijn. Zij houden hen voor dat het een voorrecht is te mogen
stemmen om daarmee invloed uit te kunnen oefenen op het bestuur. Zij staan de
burgers inspraak toe in tal van zaken en zij luisteren geduldig naar hun wensen
en argumenten. Zo zijn er tal van voorbeelden te geven en onveranderlijk blijkt
dat zij allemaal het karakter hebben van voorrechten en gunsten.
409. Het is een feit dat in een moderne democratie,
vergeleken met vroegere toestanden, het aantal en de kwaliteit van de
privileges erg groot is. Zo groot zelfs dat het nèt lijkt of er vrijheid is
voor de burgers. Niets is echter minder waar! Ten overvloede zij ook nog
vermeld dat die onvrijheid ook nog blijkt uit het feit dat die privileges, als
het de machthebbers beter uitkomt, schaamteloos teruggedraaid worden.
Het ligt in de logica
dat de mensheid tijdens haar groei naar volwassenheid onderworpen is aan
machthebbers. Het ligt eveneens in de logica dat de mensen voortdurend proberen
hun verloren vrijheid terug te winnen, tenslotte uiteraard met succes. Zo
bezien valt er niemand iets te verwijten en het is ook niet juist te
veronderstellen dat er ooit iets misgegaan is. De ontwikkeling gaat haar eigen
weg zonder dat er iets goeds of iets verkeerds van te zeggen valt.
Wat echter wel opgemerkt
moet worden is het feit dat de mensen bijna nooit in de gaten hebben wat het
karakter van die ontwikkeling naar volwassenheid is. Het dringt bijna nooit tot
hen door dat zij gedwongen zijn hun vrijheid te veroveren juist omdàt die lang
geleden van hen gestolen is. Zeker de moderne mensen leven wat dit betreft in
een ernstige waan die veroorzaakt wordt door de omstandigheid dat zij zelf, qua
zelfbewustzijn, in het teken van de macht zijn komen te staan.
410. Sinds de dagen van de Verlichting streeft
de westerse intelligentsia naar de bevrijding van het denken. Tot voor kort
spraken vrijdenkers over “bevrijdend denken” en tot op de dag van vandaag vindt
menigeen dat er “zelfstandig” gedacht moet worden. Uiteraard begreep men
destijds al onmiddellijk dat een dergelijk mooi ideaal niet van de ene dag op
de andere verwezenlijkt kon worden, vooral niet omdat men veel tijdrovend werk
moest verzetten. Het is namelijk via het onderwijs dat die bevrijding van het
denken zich in de praktijk kan realiseren, op voorwaarde natuurlijk dat het
doormiddel van wetenschappelijk verantwoord onderwijs geschiedt. Studie van
bijvoorbeeld de Bijbel of de Koran werkt juist averechts: niet bevrijdend maar
onderwerpend.
Hoe dan ook,
bovenstaande gedachtegang werd en wordt door nagenoeg de gehele intelligentsia
gedeeld.
Maar, er zitten toch
enkele grove fouten in, die helaas in de praktijk hun uitwerking niet missen...
Ten eerste moet men zich
afvragen hoe het met de betrouwbaarheid van de wetenschap zit. Welnu, die is
niet erg groot! Met nadruk zij gezegd dat dit bepaald geen gebrek van de
wetenschap is, maar daarentegen iets fundamenteels. Zou een wetenschap zichzelf
als betrouwbaar aanprijzen, zoals indertijd de communistische deed, dan staat
al bij voorbaat vast dat juist de ònbetrouwbaarheid hoogtij viert! Dit wordt
jammer genoeg door wetenschappers nogal eens buiten beschouwing gelaten,
voornamelijk om hun eigen status niet tekort te doen. Men denkt dat het
enigszins onbetrouwbaar overkomt als men eerlijk toe zou geven dat de
wetenschap slechts een beperkte betrouwbaarheid kent.
Het is namelijk een
fundamentele eigenaardigheid van de wetenschap om een voorlopig karakter
te hebben. Dat wil zeggen dat wetenschappelijke uitspraken en theorieën vroeg
of laat en onvermijdelijk onderuit gehaald zullen worden, doordat nieuw
verworven kennis tot nieuwe voorstellingen noopt. Wetenschappelijke
voorstellingen sublimeren zich tot theorieën die als juist kunnen worden
beschouwd totdat zij ondeugdelijk blijken te zijn en door nieuwe vervangen
moeten worden. Die zijn vervolgens op hun beurt weer juist, totdat...
Verlichting-1 , Verlichting-2 , Verlichting-3 , Verlichting-4 , Verlichting-5 , Verlichting-6
411. Het is overigens nog maar de vraag of
wetenschappelijke educatie inderdaad tot efficiënt en verantwoord denken leidt.
Het leidt in ieder geval niet tot filosofisch denken. Filosoferen is het beste
te beschrijven als, letterlijk, nadenken. Dat wil zeggen dat je je eigen
voorstelling van, uiteraard, je eigen werkelijkheid nagaat, na hem eerst
“losgemaakt” te hebben. Een losgemaakte voorstelling is weer beweeglijk
geworden doordat hij zijn vastgelegde en stellige karakter voor een ogenblik
verloren heeft. Nadenken over zo een hernieuwd beweeglijke zaak is dan niets
anders dan het volgen van de bewegingen: nagaan!
Dat nagaan leidt er dan
weer toe dat er in jezelf een beeld ontstaat van de niet-tijdelijke en
niet-bepaalde werkelijkheid. Dat is de werkelijkheid als beeld en dat is
in alle opzichten de ware werkelijkheid, de waarheid. Die is morgen en overmorgen
ook nog volledig en volstrekt waar. Of dat beeld bij de ene of de andere mens
of bij de ene of de andere gelegenheid meer of minder helder is doet er, als
het over de waarheid gaat, niets toe. Een niet zo erg heldere waarheid
is nog steeds een waarheid en bij lange na geen leugen!
412. Beschouwen we het denken van de mens naar zijn
ware aard en uiterste mogelijkheid, dan moeten we vaststellen dat elke
regeling, elke binding en elke systematiek er op inwerken als een belemmering.
Het onderwerpt het denken, dat eigenlijk volkomen vrij en autonoom is, aan
bepaalde programma's en verandert het daarmee in een denken dat in principe
gelijk is aan dat van het dier. Immers, bij het dier is àlles aan programma's
onderworpen, ook en niet in het minst het denken. Is dus het denken van de mens
gereglementeerd en gesystematiseerd, dan steekt het niet boven dat van het dier
uit. Feitelijk blijft het er zelfs ver beneden, want de bij het gereglementeerd
denken van de mens behorende analyse maakt alles stuk.
Dat staat in scherpe
tegenstelling tot het denken van het dier, want daarin wordt niets stuk
gemaakt. Dit denken is, hoewel aan een programma gebonden, gebaseerd op de
werkelijkheid als bewustzijn. Daarvoor geldt samenhang en beslist geen
analyse. Het onderscheid dat dieren vanzelfsprekend ook tussen het een
en het ander kunnen maken berust dan ook niet op analyseren, maar op nuanceren.
Dat verklaart waarom de dieren raad weten met zichzelf en met hun biotoop. Zij
blijven er namelijk onder alle omstandigheden mee verenigd. Zonder het te weten
laten zij zichzelf, uiteraard op hun eigen wijze, als “de” werkelijkheid
gelden. Bijgevolg is die werkelijkheid hen nimmer vreemd.
413. Wetenschappelijk denken is gebonden
denken. Het is in alle opzichten gereglementeerd en elke vrijmoedigheid van de
denker wordt onmiddellijk gekwalificeerd als “losbandigheid”. Het is dus
eigenlijk een uitermate primitief denken dat inmiddels weliswaar op zichzelf
tot zeer grote hoogte is ontwikkeld maar daarmee welbeschouwd nòg meer zijn
eigen primitiviteit bevestigd heeft. Juist in onze moderne problematische
wereld blijkt het strenge wetenschappelijke, rationele denken volstrekt
inadequaat. Als het gaat om vragen over het leven weet het zelfs niet waar te
beginnen, omdat het geen grip kan krijgen op de beweeglijke zaak die het leven
nu eenmaal door en door is. Wetenschappelijk denken is dus uiterst geraffineerd
primitief en levenloos denken en nu is het precies dàt waarmee de mens zichzelf
in het onderwijs opzadelt. Het behoeft dan ook niet te verbazen dat steeds
duidelijker blijkt dat de mensen geen raad meer weten met hun werkelijkheid en
tot wanhoop en vertwijfeling geraken.
De droom van de Verlichting blijkt
dus na verloop van tijd in een nachtmerrie over te gaan...
Verlichting-1, Verlichting-2, Verlichting-3, Verlichting-4, Verlichting-5, Verlichting-6
414. Ondanks het
feit dat het bij de opvoeding
aangeleerde denken op den duur tot vervreemding(zie ook: vervreemding in nr. 459) en vertwijfeling
leidt, brengt het op indirecte wijze iets in de mens teweeg dat toch van
fundamentele betekenis is. Het schudt namelijk de mens als intellect wakker
en dat is een zaak die op concrete wijze aan de basis ligt van het volwassen
individu‑zijn. In tegenstelling tot wat vaak gemeend wordt is het
intellect geen kwaliteit van die of gene, maar een toestand van het
verschijnsel mens. De ene mens is dus niet intelligenter dan de andere, want
waar de mens is is intelligentie. Dat geldt altijd. Wel echter zijn er
beduidende verschillen in effectiviteit.
Het begrip intelligentie
houdt in dat de mens een verschijnsel is dat zich laat gelden alsof het geen
verschijnsel was. Dat betekent dat er voor dat verschijnsel geen enkel, van
nature ingeprent, programma meer van kracht is. Het volkomen bevrijd zijn van
automatische en dwangmatige programma's en dus het autonoom leven en handelen
is het essentiële kenmerk van de mens. Het is het uitsluitend voor hem geldende
begrip intelligentie.
De effectiviteit, en dus
niet de aanwezigheid, van de menselijke intelligentie wordt voornamelijk
bepaald door rationeel onderwijs. Onderwijs schudt de mensen wakker doordat het
op denken berust, ook al is dat denken primitief en voorlopig van karakter. Er
wordt in ieder geval naar de werkelijkheid gevraagd en de opzet is dwaasheden
en misverstanden de wereld uit te helpen.
Dat staat in
tegenstelling tot bijvoorbeeld godsdienstig onderwijs. Daarbij worden allerlei
verhalen en ideeën ingeprent, of bepaalde spreuken worden almaar herhaald,
allemaal met de bedoeling het intellect in slaap te wiegen. Vragen naar de
werkelijkheid is er niet bij. Zulk onderwijs is dus funest voor de werkzaamheid
van het intellect en dat is dan ook bij herhaling in de praktijk gebleken.
Opvoeding-1
; Vervreemding-1
, vervreemding-2 , vervreemding-3
415. Hoe effectiever het intellect, hoe
individualistischer iemand is. Dat staat los van hetgeen men beweert te zijn:
er zijn tal van mensen die hoog opgeven van “de sociale mens” en daarbij de
individualist met hartstocht afwijzen en die desondanks, juist door hun
redelijke gedrag en het hebben van humane standpunten, blijk geven van
individualisme. De vurigste strijders voor gemeenschappelijkheid, voor het
onderschikken van de mens aan het geheel, voor socialisme en communisme zijn
zonder uitzondering grote individualisten. Bij hen is in sterke mate
gerealiseerd dat voor de werkelijkheid als mens het begrip individu
geldt. Zij zijn dan ook zeer “zelfbewuste” persoonlijkheden, mensen derhalve
die dicht bij zichzelf vertoeven - uiteraard ieder op de hun eigen wijze
en ongeacht wat zij zich verbeelden te moeten zijn.
Het zelfbeeld van iemand
doet er dus niet zoveel toe.
Wat het onderwijs betreft
is het overigens ook nog van belang in te zien dat rationeel onderwijs funest
is voor totalitaire maatschappijen, voor godsdiensten en in zekere zin ook voor
gevestigde wetenschappelijke voorstellingen. Dat laatste ondanks het feit dat
de inhoud van dat rationele onderwijs nu juist bestaat uit die
gevestigde, voor waar gehouden, wetenschappelijk getoetste voorstellingen. En
met deze paradox is de cirkel wederom rond!
416. Het begrip toeval is eigenlijk een heel
dubieus begrip. Over het algemeen gebruikt men dit begrip in situaties die
geheel en al onvoorzien zijn en waarvan het onduidelijk is hoe die ontstaan
zijn. Men wil ook graag spreken van “een samenloop van omstandigheden”, hetgeen
inderdaad een volstrekt juiste formulering is van iets waarvan het causale
verband niet te achterhalen is. Terecht geeft men in deze formulering aan dat
er toch een “samenloop” is! Dat kan niets anders betekenen dan een bepaalde
logische volgorde der gebeurtenissen, die helaas niet te reconstrueren is.
Je kunt met recht
stellen dat bovenstaande opvatting van het begrip toeval juist is. Het
kernpunt ligt daarbij op het niet te achterhalen karakter van de zaak. Maar,
onder wetenschappers komt ook de opvatting voor dat er van toeval gesproken
moet worden als er beslist gèèn samenloop van omstandigheden is. Als men dus te
doen heeft met iets dat zonder meer “uit de lucht komt vallen” zonder dat er
iets was dat op de een of andere manier als oorzaak aangewezen kan worden. Men
spreekt dan vaak van “blind” toeval. Het merkwaardige is dat men daarbij erkent
dat er qua causaal verband geen touw aan vast te knopen valt, maar
tegelijkertijd toch wel gerechtigd meent te zijn om die zaak als “blind” te
karakteriseren. Dat is natuurlijk vreemd: als je geen causaal verband kunt
ontdekken, hoe weet je dan dat er sprake is van een blind toeval?
Misschien heb je wel verkeerd gezocht! Anders gezegd: de kwalificatie “blind”
geeft aan dat je wèl hebt kunnen achterhalen hoe het zit, namelijk volstrekt
zonder samenhang en dus blind.
417. De werkelijkheid kent geen blind
toeval. Ik pleeg in dit verband alleen maar van onvermijdelijk toeval te spreken. Dat
betekent dat èlke gebeurtenis, elke “samenloop van omstandigheden”, stellig zal
plaatsgrijpen, hoe absurd ook, mits men als fundamenteel uitgangspunt laat
gelden dat de werkelijkheid onbegrensd is in ruimte en tijd. Binnen die
absolute ònbegrensdheid kan geen enkele interactie van de materie uitblijven.
Het moet ooit eens gebeuren! Er moet ooit eens een mens ontstaan, of een tijger
of een zonnestelsel. En alles moet ook eens een keer in elkaar storten en tot
eenvoudige materie terugvallen. Wat dit betreft bestaat er dus niets
toevalligs. De gebeurtenissen zijn onvermijdelijk.
Maar, wanneer heeft een
gebeurtenis plaats en waar speelt dat zich af? Dat is maar net hoe het valt:
het is toeval. Maar dan wel toeval in deze betekenis dat de samenloop van omstandigheden
ons fundamenteel, door de aard van de informatie, ontgaat en dus “niet te
bepalen” genoemd moet worden. De zaak kan ons echter ook op principiële gronden
ontgaan zodat wij er nooit achter kunnen komen en in dat geval is het
verstandig om van “onbepaald” te spreken. Het oerprincipe van de werkelijkheid,
de beweeglijkheid, is bijvoorbeeld absoluut onbepaald.
418. Het spreekt vanzelf dat het verschijnen van de
mens in de kosmos op onvermijdelijk
toeval berust. Hij kan onmogelijk wegblijven, zijn verschijnen is onvermijdelijk,
maar tegelijkertijd is niet te zeggen waar en wanneer dat het geval zal zijn.
Dat is toeval in de zin van een niet en nooit te bepalen samenloop van
omstandigheden. Het begrip niet te bepalen is hier geldig omdat
enerzijds het ontstaan van verschijnselen in principe wel, met behulp van
wetenschappelijk onderzoek, na te gaan en te bepalen is, maar anderzijds omdat
het onderzoek onherroepelijk verdwalen zal in de onbegrensde ruimte en tijd. Er
treedt namelijk een “repetent” op: op elke stap blijkt er steeds weer een te
volgen. Je kunt dus aan de gang blijven en almaar blijkt dat iets anders er ook
nog een rol in speelt. Een werkelijk complete cluster van juiste kennis is
volstrekt onmogelijk en de reden daarvan is precies die onbegrensdheid, oftewel
oneindigheid, van ruimte en tijd.
onvermijdelijk
toeval-1 onvermijdelijk toeval-2 onvermijdelijke toeval
419. De mening van diegenen die staande proberen te
houden dat het verschijnen van de mens op “blind” toeval zou berusten is, op
zijn zachtst gezegd, ondoordacht. Ter illustratie van dat blinde toeval
beweerde eens een wetenschapper dat je kunt denken aan iemand die almaar de
onderdelen van een televisietoestel op een hoop gooit, net zo lang tot ze
toevallig zo vallen dat ze een televisietoestel vormen. Zo groot was volgens
hem de kans dat de mens in de kosmos zou verschijnen. Het was volgens hem dan
ook echt een “toevalstreffer”. Klinkklare onzin! De kans dat de mens verschijnt
is zonder meer 100 procent!
Daarbij wekt het, ten
eerste, bevreemding dat men het wat dit betreft speciaal over de mens heeft en
niet over de bloemen, de poezen, de planeten en de quarks. En ten tweede
ontgaat het hen kennelijk dat het simpele feit van de existentie van de mens op
zichzèlf al op onvermijdelijkheid duidt. Was dat bestaan namelijk te vermijden
geweest, dan was het beslist niet tot stand gekomen, want “te vermijden”
betekent onmogelijk-zijn.
Overigens heb ik het nu
nog niet eens over de reële mogelijkheid om louter filosofisch denkend na te
gaan hoe het zit met het zelf-organiserend vermogen van de werkelijkheid. Als
je dat doet blijkt namelijk zonneklaar dat het wel in de mens uit mòet
lopen, uiteraard zonder dat er aan dat proces een programma ten grondslag ligt
of dat er een bedoeling achter steekt. In feite komen op elk moment àlle, dan
aanwezige, mogelijkheden als verschijnselen voor de dag om op een volgend
moment de dan ònmogelijke verschijnselen in te laten storten en in relatie
daarmee nieuwe tot stand te brengen. Erop terugkijkend lijkt dat een
causale reeks te zijn, maar het is in werkelijkheid niets anders dan “vallen en
opstaan”.
420. Als je aan weldenkende mensen vraagt of er
kabouters zijn, dan verklaren zij met grote stelligheid dat dit niet het geval is
en dat diegenen die zeggen dat zij wel degelijk bestaan beslist niet goed bij
het hoofd zijn. Zo weet ook nagenoeg iedereen dat er geen heksen, zoals in
sprookjes of in de hoofden van hysterische geestelijken, kunnen bestaan. Er
zijn nog meer van die voorbeelden te noemen.
Maar, als het gaat over
de vraag of er goden bestaan, dàn worden de meeste mensen plotseling heel
voorzichtig. En als je zelf met stelligheid kenbaar maakt dat goden niet
bestaan vraagt men dadelijk: "Hoe weet je dat?". Deze laatste vraag
gaat zonder mankeren vergezeld van de opmerking dat men niet kan weten of goden
al dan niet bestaan en tegelijkertijd sluit men zich, vaak kribbig en enigszins
angstig, af voor elke argumentatie die je te berde brengt. Op het eerste
gezicht is dat allemaal heel vreemd...
Nog vreemder wordt de
zaak als je vervolgens verzoekt uit te leggen waarom men het niet zeker kan
weten. Men komt dan met argumenten die aannemelijk moeten maken dat goden
buiten de waarneembare werkelijkheid vallen en dus voor het denken niet
benaderbaar zijn. De goden zouden tot de metafysische werkelijkheid
behoren. En dat wordt dan als voldoende reden gezien om aan te nemen dat er in
ieder geval “iets” moet zijn, hetgeen natuurlijk op zichzelf een loze bewering
is vanwege het feit dat hij altijd waar is.
421. Opvallend is dat men uit zijn eigen mening,
dat goden buiten het denken vallen, niet af wenst te leiden dat zij dùs niet
bestaan kunnen, maar dat men daarentegen juist de andere kant opgaat en zijn
vertrouwen schenkt aan uiterst onwaarschijnlijke veronderstellingen. Men heeft
blijkbaar niet in de gaten dat men daarmee een gelovige wordt die zich
wezenlijk in niets onderscheidt van iemand die godsdienstig is. Geen uitspraak
doen in deze kwestie betekent in feite dat men in het bestaan van goden
gelooft. Men houdt ze immers voor mogelijk!
Hedendaagse humanisten
bijvoorbeeld willen graag van zichzelf verklaren dat zij “agnosten” zijn. Zij
bedoelen daarmee te zeggen dat zij “het niet weten” en om aan die uitspraak
kracht bij te zetten wijzen zij er vervolgens met enige nadruk op dat wij
het zelfs niet kùnnen weten omdat de zaak buiten het terrein van het denken zou
vallen. Afgezien van het volstrekt ongefundeerde gebruik van het woord wij
is die humanisten vooral te verwijten dat hun “niet weten” impliceert dat zij
het bestaan van goden voor mogelijk houden.
422. Het is eigenlijk niet zo erg interessant hoe die
of gene over de zaken van godsdienst en geloof denkt. Het is namelijk steeds
hetzelfde primitieve verhaal dat eindeloos herhaald wordt, vaak in precies
dezelfde bewoordingen. Meer dan wat ook duidt dat op intensieve indoctrinatie
die een wezenlijk onderdeel van onze moderne cultuur is.
Van belang is daarom de
vraag waarom de mensen zo hartstochtelijk willen dat er “iets” is en er
bijgevolg niet toe te brengen zijn te erkennen dat het bestaan van hogere
machten, zoals goden, logischerwijze onmogelijk is. Dat de mensen houvast
zoeken, of dat zij met een godsdienstige erfenis opgescheept zitten, of dat zij
de zinloosheid en tijdelijkheid van het leven niet kunnen verdragen, zijn
welbeschouwd geen goede, filosofisch verantwoorde, verklaringen omdat zij op
een statistische manier verwijzen naar individuele gevallen.
423. Als mensen zeggen dat er “iets” is en zelfs
als zij zeggen te geloven dat er een god is of goden zijn, verwijzen zij
intuïtief naar enkele situaties van de werkelijkheid, waartussen zij uit
onwetendheid geen onderscheid maken. Het zijn echter wezenlijk verschillende
toestanden. Ze behoren, ieder op eigen wijze, inderdaad niet tot de materiële
werkelijkheid.
Nu moet ik er
onmiddellijk op wijzen dat de lezer bij de notie “niet materiële werkelijkheid”
niet moet gaan fantaseren over een of andere zaak waarvoor op geen enkele wijze
gelden zou dat hij “iets” is. Denken aan een absolute àfwezigheid van elk
denkbaar “iets”, oftewel denken aan een “niets”, leidt tot een verkeerde
voorstelling van zaken en dus tot onbegrip ten aanzien van het door mij
bedoelde.
Zo een “onbegrip” is wat
anders dan het ergens mee òneens zijn. Als er namelijk onbegrip is, dus als een
gedachte door iemand anders niet begrepen wordt, vervalt de mogelijkheid voor
die ander om zinvol tegen te spreken. Het is voor hem dan onmogelijk om het
ermee oneens te zijn. Voor tegenspraak is noodzakelijkerwijs vereist dat de
onderhavige zaak begrepen wordt. Pas als er duidelijkheid en begrip is kan er
een discussie plaats vinden en dat is dan vanzelf een discussie die strikt
terzake blijft. Dan is het ook mogelijk om zinvol tegen te spreken.
Helaas wordt dit maar al
te vaak vergeten. Er wordt vaak al heftig tegengesproken lang voordat er enige
duidelijkheid is. Zaken waarmee men voor het eerst geconfronteerd wordt en
waarover men dus nog nooit zelf nagedacht heeft, worden met veel aplomb van de
tafel geveegd. Dat is steevast het onmiskenbare bewijs dat men er niets van
begrepen heeft en tevens dat men er, vanwege bedoelde eigenwijze en arrogante
houding, ook nimmer iets van begrijpen zal.
424. De niet materiële werkelijkheid is ten eerste
te vinden aan het begin, voordat er van materie gesproken kan worden, ten
tweede als datgene waartoe alle verschijnselen terug te brengen zijn en
ten derde is zij te vinden aan het einde, nadat de materie al haar
mogelijkheden gerealiseerd heeft. Voor het gemak zou je wat de eerste situatie
betreft kunnen spreken van de werkelijkheid naar haar “oertoestand”.
Voor die niet-materiële
werkelijkheid geldt dat zij wel degelijk “iets” is, maar dan wel een zodanig
“iets” dat er maar èèn ding van te zeggen is, namelijk dat er niets van te
zeggen is! Zij is volkomen ònbepaald. Hoe er uit die onbepaalde zaak toch
iets voort kan komen en hoe men daar filosofisch zinnige uitspraken over kan
doen laat ik nu buiten beschouwing. Ik heb daarover bij andere gelegenheden en
in andere geschriften (o.a. Beweging en Verschijnsel) uitvoerig uitgeweid.
Waar het nu om gaat is het volgende:
Die bovengenoemde drie
toestanden komen alledrie in de godsdienst voor, in ieder geval in de Joodse,
de Christelijke en de Islamitische godsdienst. En waarschijnlijk heeft Spinoza
er ook aan gedacht toen hij het over de werkelijkheid als “substantie” had. Ook
in het oude oosterse Taoïsme komen ideeën voor die er aan doen denken. Hoe dan
ook, van de Christelijke god wordt gezegd dat hij “begin en einde” zou zijn en
ook dat hij “alomtegenwoordig” is, terwijl er van dit laatste ook nog een
variant bestaat, namelijk dat god “in alle dingen” zou zijn. Mij dunkt dat het
geen toeval kan zijn dat er, in ieder geval omtrent de Christelijke god, drie
noties bestaan die naadloos passen op de door mij genoemde oertoestanden.
425. Door alle eeuwen heen zijn er enkelingen
geweest die een scherpe kijk op en een heldere intuïtie omtrent de aard van de
werkelijkheid hadden. Zij voelden aan dat het bestaan van materie
noodzakelijkerwijs de aanwezigheid van iets volkomen ònbepaalds vooronderstelt.
Zo heeft de beroemde Zwitserse “linkse” theoloog Karl Barth het in zijn Römerbrief
(1919) over God als "De volstrekt Andere" die overal “nee” op zegt en
die dus, in de hier bedoelde zin, volkomen ònbepaald is. En genoemde intuïtieve
enkelingen voelden eveneens aan dat dit onbepaalde “iets” zowel voor als na het
bestaan van de materie moest liggen, terwijl de materie zelf ervan doortrokken
zou moeten zijn. Dit onbepaalde “iets” kent natuurlijk geen tijd en plaats en,
op grond van zijn onbepaaldheid, kan het niet anders dan absoluut beweeglijk
zijn. Het is iets eeuwigs en onveranderlijks dat met het gangbare zakelijke
denken niet te doorgronden is.
Je kunt een groot aantal
van dit soort kwalificaties opsommen, maar steeds is het opvallende dat zij
allemaal volledig overeenstemmen met wat in de helderste momenten over goden
gezegd wordt. De opvatting dat die uitspraken over goden in wezen uitdrukking
geven aan vermoedens omtrent de ware aard van de werkelijkheid is dan ook
volkomen gewettigd.
426. De situatie van de “onbepaalde
ietsen” aan het begin van de materiële wordingsprocessen is anders dan die aan
het eind. Aan het begin van een wordingsproces zijn die “ietsen” - die ik
gewoonlijk beweeglijkheden noem - volstrekt op zichzelf,
in die zin dat zij nog niet ten opzichte van elkaar in een bepaalde verhouding
staan. Zij vormen nog geen systemen. Maar, aan het eind is dat wel het geval:
zij vormen met elkaar het innigst mogelijke systeem. Het kenmerk daarvan is
evenwel dat het zich gedraagt alsof het geen systeem ware, maar een
verzameling van op zichzelf staande “ietsen”, precies zoals dat aan het begin
het geval was. Die toestand kennen wij als datgene dat “de menselijke geest”
genoemd wordt, eveneens een tijdloze, onbegrensde, heldere en beweeglijke zaak!
Het is wat dit betreft
ook weer typerend dat het begrip geest vooral gebruikt wordt om goden,
althans iets goddelijks, aan te duiden. Maar er is nog meer merkwaardigs. Men
heeft het namelijk over het “vluchtige” karakter van de geest. Bijvoorbeeld
valt het begrip Heilige Geest op: enerzijds door zijn “heiligheid”, wat
op een absolute, onaantastbare, zaak duidt en anderzijds door de Latijnse term
voor geest, namelijk “spiritus”, wat letterlijk “vluchtigheid” betekent. Er is
dan ook wat dit betreft geen andere conclusie mogelijk dan deze dat je met
zekerheid kunt vaststellen dat de goddelijke geest in feite niets anders is dan
de menselijke geest. En de mensen hebben die, uit onbegrip, boven zichzelf uit
geheven, zoals zij dat in hun onvolwassenheid met alles doen.
Intussen blijft
natuurlijk gelden dat die “ietsen”, die substantie, de grondstof zijn van alle
dingen, zoals bijvoorbeeld de baksteen altijd ten grondslag blijft liggen aan
een bakstenen huis. In welke situatie de “ietsen” ook terechtgekomen zijn,
steeds blijven ze als zelfstandige grootheden bewaard.
427. Het is terecht om te stellen dat goden niet
bestaan, maar het is niet terecht als bijvoorbeeld de rationalistische atheist
vervolgens beweert dat er dùs niets zou zijn. Er is daarentegen juist
wèl iets, maar dat is een werkelijkheid die zich niet met wetenschappelijke
methoden kennen laat. Uiteraard is dat het geval op grond van haar niet‑materiële
karakter. Zij valt buiten het analytische, op de dingen gerichte, denken. Maar,
in strijd met wat veelal gemeend wordt hebben wij wel degelijk met een zaak te
doen die zich denken laat, als men namelijk de moed en de creativiteit
bezit om na te denken over iets waar, op grond van zijn volstrekte onbepaaldheid,
absoluut niets over te zeggen valt. Volgens het thans gebruikelijke
filosofische denken is zoiets onmogelijk, maar die opvatting is in alle
opzichten fout, gevolg als zij is van het positivistische denken dat zich
alleen maar op de materiële dingen en het daarbij behorende taalgebruik kan
betrekken.
Wat dit taalgebruik
betreft: het zou geen kwaad kunnen als de moderne filosofen zich eens
realiseerden dat de uitspraak "er valt niets over te zeggen" op
zichzelf een buitengewoon veelzeggende uitspraak is! Daarmee is heel wat aan te
vangen en je kunt zelfs stellen dat het de enige zinvolle basis is voor het
creatieve filosoferen.
428. Tegenwoordig wordt het door bijna iedereen
normaal gevonden dat de filosofen de filosofie tot de wetenschappen rekenen. De
filosoof Hegel schijnt er indertijd al op gewezen te hebben dat de filosofie
hoognodig een wetenschap zou moeten worden en dus ook om een wetenschappelijke
wijze van beoefening vraagt. Kennelijk werd er in zijn dagen, aan het begin van
de 19e eeuw, nog niet zonder meer van uitgegaan dat filosofie een wetenschap
zou moeten zijn. Maar, het kan ook zijn dat men haar wèl als een wetenschap
beschouwde, maar vooral ernstige kritiek had op de praktijk ervan. De filosoof
Kant bijvoorbeeld was nog maar net begonnen zo systematisch mogelijk wijsgerige
vragen te beantwoorden. En omdat Kant wezenlijk aan het begin stond van het
moderne analytische wetenschappelijke denken is het niet onmogelijk dat
ook Hegel daarvan onder de indruk was.
Toch wekt het enige
verbazing dat juist de filosofie op de korrel werd genomen, want het
wetenschappelijk gehalte van alle toenmalige wetenschappen was bedroevend laag.
Er was dus geen reden om speciaal de filosofie aan te sporen om
wetenschappelijk te worden.
Zelfs een tegenwoordig
zo beroemd man als Sigmund Freud, wiens uitspraken en theorieën nog steeds door
vrijwel alle wetenschappers serieus worden genomen, kon nog niet zo lang
geleden naar hartelust idiote veronderstellingen debiteren en net doen of dat
allemaal wetenschappelijk verantwoord was. Hij was daar met name vooral goed in
als het over vrouwen ging. Wat hij die allemaal in de schoenen wist te schuiven
grenst aan het ongelofelijke! Hoewel de wetenschappen tegenwoordig heel wat
strenger voor zichzelf zijn is er nog heel wat aan te merken op het bedrijf van
de wetenschap. Maar het blijft opvallend dat men het speciaal op de filosofie
gemunt heeft, wat anderzijds toch ook wel weer verklaard kan worden uit het
gegeven dat de filosofie nu eenmaal geen wetenschap kàn zijn.
429. Het ligt natuurlijk voor de hand om te denken
aan het eigenlijke karakter van de filosofie. Dat is namelijk in het geheel
niet wetenschappelijk en je kunt zelfs stellen dat het op gespannen voet staat
met de wetenschappelijke benadering van de werkelijkheid. De ware filosoof is
op een geheel andere manier met de werkelijkheid bezig als de wetenschapper. En
wat zijn persoonlijkheid betreft is op te merken dat de aanleg van de
filosoof essentieel is, in tegenstelling tot de wetenschapper bij wie het gaat
om de door hem opgedane hoeveelheid kennis. De filosoof drijft dus op wat hij
van nature kan, terwijl de wetenschapper het moet hebben van wat hem geleerd
is. De wetenschapper studeert in een bepaald vak en de filosoof beoefent
een vak.
Het filosofische
vermogen is “uniek” en nimmer van iemand te leren, terwijl wetenschappelijk
werk juist wèl van iemand te leren is. Het is “overdraagbaar” en het moet zelfs
onderwezen worden. Zonder dat voorafgaande onderwijs kan men wetenschappelijk
nauwelijks goed functioneren.
Het van de persoon
afhankelijke karakter van de filosofie was in de ogen van de vroeg 19e eeuwse
mens een onbetrouwbare basis. Dat moest dus veranderen. En het is veranderd!
Maar, met de toenemende wetenschappelijke instelling van de filosofie is deze
zèlf nagenoeg geheel verloren gegaan...
430. De moderne filosofie heeft zich inderdaad tot
een wetenschap ontwikkeld, en zelfs sinds het eind van de zestiger jaren van
deze eeuw tot een behoorlijk populaire wetenschap. Maar gefilosofeerd wordt er
binnen dat kader niet meer. Zoals te verwachten viel ontstond er een
gigantische, redelijk betrouwbare, kennis over de filosofie. De moderne
gekwalificeerde academische, filosofen werden tot geweldige kenners van de
filosofie. In plaats van te filosoferen ordent men thans, vaak op buitengewoon
intelligente wijze, het filosofische gedachtegoed, doet onderzoek naar de
verschillende opvattingen over de werkelijkheid, stelt criteria op waaraan
uitspraken hebben te voldoen om geldig bevonden te worden en zo nog veel meer.
Dat zijn uiteraard allemaal nuttige zaken die voor het filosoferen van belang
kunnen zijn, maar die met dat filosoferen zèlf niets te maken hebben.
De filosofische
wetenschap is heel iets anders dan de filosofie zèlf, precies zoals de
muziekwetenschappen geen enkele wezenlijke verwantschap hebben met de muziek
zelve.
431. Je kunt met recht en reden stellen dat er een
verschrikkelijke verschuiving van begrippen heeft plaats gevonden: de bijzaak,
namelijk de kennis omtrent de filosofie, is op grond van zijn wetenschappelijke
status hoofdzaak geworden en de feitelijke hoofdzaak werd door toedoen
van de academische filosofen tot een obscuur randverschijnsel, in stand
gehouden door enkele wereldvreemde lieden die, volgens de wetenschappers,
vanuit allerlei frustraties ook graag een duit in het zakje willen doen. Lieden
die uiteraard in geen enkel opzicht betrouwbaar worden bevonden en die dus
hoogstens als rariteiten interessant zijn.
Sommige geborneerde
academische filosofen hebben het in dit verband al over “para-filosofen”,
waarbij zij voor het gemak maar even over het hoofd zien dat de filosofie
altijd door zogenaamde buitenstaanders bedreven werd en welbeschouwd ook alleen
maar efficiënt beoefend kan worden door denkers, die buiten de vormelijke
academische traditie staan.
Helaas is ook de
filosofie in de val van de wetenschappelijkheid gelopen, net zoals dat met de
kunsten het geval is. Het lijkt nu alsof zij een betrouwbare loot aan de stam
van het menselijke weten is geworden, maar dat is bedrog: zij is juist geheel
en al van haar “waarheid” vervreemd en haar officiële vertegenwoordigers zijn
niets anders dan gewone, middelmatige, maar uitermate rappe, gewezen scholieren
met een erkend einddiploma. Zij hebben hun lesjes beter en vlugger geleerd dan
anderen zodat zij na verloop van tijd op een wetenschappelijke status konden
bogen en voortaan deskundig worden gevonden, uiteraard zonder dat zij ooit op
enig idee zijn gekomen, behalve wellicht om van de filosofie te gaan
leven in plaats van voor de filosofie - om met een boze Schopenhauer te
spreken!
432. De objectief bestaande werkelijkheid laat zich
in de mens op twee manieren gelden. Het meest triviaal is de werkelijkheid als voorstelling
waarin meer of minder nauwkeurig een ieders “wereld” weerspiegeld wordt, zoals
die bestaat uit een verzameling “ditten en datten” die in de realiteit om
iemand heen aanwezig zijn. Het is een aan de persoon gebonden zaak die dus voor
iedereen enigszins anders is, enerzijds doordat iedereen zijn eigen
“omstandigheden” op een geheel eigen wijze ervaart en anderzijds doordat er
geen twee personen zijn die in dezelfde “ruimte” leven, zelfs niet als zij hun
leven in, zeg maar, dezelfde kamer doorbrengen.
Vervolgens is er de
betrekkelijk ongrijpbare werkelijkheid als beeld waarin de werkelijkheid
als een meer of minder helder, in alle richtingen samenhangend, geheel aan de
mens verschijnt. Hier gaat het niet om “ditten en datten” maar om een variëteit
aan nuances die in elkaar overvloeien. Hoewel deze zaak zich noodzakelijk in
een bepaald persoon gelden laat is zij niet aan de persoon gebonden, en wel
omdat het bij een ieder over dezelfde werkelijkheid gaat.
In feite zijn de
genoemde “nuances” niets anders dan de “ditten en datten” die voor de
beschouwende mens hun unieke status hebben afgelegd en nu als algemeenheden
zijn gaan gelden. Het is nu nauwelijks nog van belang of iemand veel of weinig
ervaringen heeft opgedaan. Het gaat immers niet om de kwantiteit, maar om de
kwaliteit ervan.
433. De werkelijkheid als voorstelling, thans door
mij kortweg “de voorstelling” genoemd, vormt het onderzoeksterrein van de wetenschappen.
Deze dringen steeds dieper in de inhoud ervan, namelijk de “ditten en datten”,
door. Dat geschiedt uiteraard doormiddel van het analyseren. Maar, hoe diep zij
er ook in doordringen, steeds blijft de verworven kennis oppervlakkig.
Elk kleiner stukje toont voor de analyserende wetenschapper noodzakelijk alleen
maar zijn oppervlak en nimmer zijn “innerlijk”.
Hierop slaat overigens
de opmerking van Kant dat das Ding an sich niet te kennen zou zijn, een
opmerking die welbeschouwd nu niet zo heel erg filosofisch is. Hij slaat
namelijk wezenlijk niet op de filosofie, maar op de analytische wetenschap:
voor die wetenschap is inderdaad het “innerlijk” van de dingen niet te
achterhalen. Men blijft er tegenaan kijken. Maar voor het filosofische denken is
het wezenlijke van de dingen zelfs essentieel! De filosofie heeft het, als het
goed is, alleen maar daarover.
De filosofen houden zich
bezig met de werkelijkheid als beeld, kortweg: het beeld. Dat geschiedt niet
doormiddel van analyseren, maar door een intellectuele activiteit die men
“beschouwen” zou kunnen noemen, of “zien”, of “ondergaan” of gelijkwaardige
uitdrukkingen. Dat beeld laat zich niet uit elkaar halen. In feite heeft het
zelfs geen onderdelen. Het bestaat nergens uit! De erin aanwezige onderscheidingen
zijn nuances, die niet van elkaar gescheiden zijn doch in elkaar
overgaan. Het begrip de boom bijvoorbeeld kan niet ontleed worden, maar
wel kan een aantal eigenaardigheden, dat er inhoud van is, achterhaald worden.
Het almaar verfijnder beschrijven van die eigenaardigheden is het werk van de
filosoof en hij maakt daartoe gebruik van strikt logische redeneringen.
434. In alle kunsten gaat het om de werkelijkheid
als beeld. De beeldende kunstenaars leggen dat beeld voor een moment vast; de
schrijvers verhalen over de logische opeenvolging van de gebeurtenissen; de
musici maken het trillende karakter van het beeld hoorbaar; de dansers geven
uitdrukking aan de beweging en de gewichtloosheid daarvan en tenslotte: de
filosofen beschrijven het beeld langs de weg van de strikt logische redenering.
De filosofie is dus in genen dele een wetenschap, maar ten volle een kunst.
En het beoefenen van die kunst vereist iemand met een speciale aanleg,
precies zoals dat met alle kunsten het geval is. In het kort gezegd komt die
aanleg hier op neer dat men van nature gericht is op het beeld. Dat is in alle
opzichten uitzonderlijk, want het “normale” patroon van de mensen bestaat uit
het gericht-zijn op de voorstelling.
Dat heeft niets
afkeurenswaardigs, zoals sommige denkers en kunstenaars wel eens hooghartig
willen suggereren. Juist dat gericht-zijn op de voorstelling, en dus op de
dingen, leidt tot het ontwikkelen van mogelijkheden om het leven veilig te
stellen. Zonder die ontwikkeling wordt het niets met het menselijk leven op de
planeet. Maar, als het eenmaal over dat “leven” als zodanig gaat zijn de
kunsten essentieel en dat is dus ook met de filosofie het geval.
435. Omdat de filosoof zich bedient van logische
redeneringen is het risico inderdaad levensgroot aanwezig dat men aan een
wetenschap gaat denken, zeker in een op wetenschap gerichte cultuur zoals de
moderne. Op zichzelf zou je eventueel dat redeneren “wetenschappelijk” kunnen
noemen, want vrijwel alle criteria, die voor het wetenschappelijk denken
gelden, moeten ook bij de filosofische redenering in acht worden genomen. Maar,
waar de wetenschapper zijn voorwerp van onderzoek uit elkaar haalt en aan de
hand daarvan een theorie ontwikkelt, gaat de filosoof ertoe over de zaak
nauwkeurig te “bekijken” om vervolgens de innerlijke samenhang van de nuances
in één allesomvattend geheel te beschrijven.
Van deze beschrijving is
te zeggen dat hij op degene die er kennis van neemt de indruk maakt
waarheidsgetrouw te zijn. Hij brengt namelijk instemming teweeg, niet door een
aantal theoretische en formele bewijzen, maar doordat hij “iets los
maakt” en daardoor overeen gaat stemmen met het beeld dat de ander van de
werkelijkheid heeft. Deze overeenstemming is essentieel: de filosofie werkt
niet met algemeen voor juist gehouden berekeningen en bewijzen, maar met overeenstemmingen.
Dat is mogelijk doordat de werkelijkheid als beeld bij een ieder dezelfde
werkelijkheid is. Die behoeft alleen maar “wakker” gemaakt te worden om de
mogelijkheid te openen de nuances binnen het beeld van de een met die van de
ander te vergelijken. Het is de filosoof die daarvoor de ideeën aandraagt. Ook
daarin staat de filosofie op een lijn met de overige kunsten.
Het zal intussen vanzelf
spreken dat hierbij niet van het “overdragen van kennis” gesproken kan worden.
De wetenschappen namelijk moeten het van de overdracht van kennis hebben, al
was het alleen maar vanwege het feit dat de wetenschappelijke kennis cumulatief
is: er wordt steeds iets aan toegevoegd. Maar voor de filosofie ligt dat
anders. Het gaat daarbij niet om het vermeerderen van kennis, maar om
het verhelderen van de waarachtige beschrijving van de werkelijkheid.
436 In de filosofie gaat het om de waarheid.
Dat wil eigenlijk niets anders zeggen dan dat het om de werkelijkheid als beeld
gaat. Dat is immers een zaak die in het teken van de algemeenheid staat en niet
in het teken van de bepaaldheid. Die algemeenheid houdt in dat de zaak is zoals
ze is en ook zo blijft. Er is dus niets dat daarin verandering kan brengen.
Omdat het er in de filosofie om gaat daarmee tot klaarheid te komen kan men
stellen dat de filosoof op zoek is naar de waarheid. En dat is dus een
waarheid die “morgen” ook nog waar is. Het is de eeuwigdurende filosofische
vraag: "Hoe zit het nu wezenlijk met de werkelijkheid?".
In de wetenschappen gaat
het om de juistheid en tot op zekere hoogte ook om de betrouwbaarheid en
bruikbaarheid. Dat zijn criteria die betrekking hebben op het bepaalde en niet
op het algemene. Het gaat dus over dèze boom, dit bepaalde huis, deze bepaalde
toestand op een zeker tijdstip en een zekere plaats. Dat wat over dat bepaalde
“incident” gezegd wordt moet juist zijn, maar doordat men onvermijdelijk te
doen heeft met een bepaalde materiële realiteit blijft die juistheid
noodzakelijk verbonden met factoren als tijd en plaats.
Bovendien dringt de
wetenschap zèlf almaar dieper in haar objecten door en dat levert veranderlijke
informatie op, zodat een vandaag geldig weten morgen wel eens minder juist kan
blijken te zijn. Hoe dan ook, wetenschappelijke kennis is altijd en
fundamenteel relatief van aard. Dat is, let wel, geen tekortkoming van de
wetenschappen, maar een wezenlijk kenmerk dat op zichzelf prima in orde is. Men
zou kunnen spreken van een “verantwoorde relativiteit”.
437 Intussen moge duidelijk zijn dat het absoluut
fout is de filosofie als een wetenschap te beschouwen. Het is zelfs funest
omdat bij een dergelijke opvatting een bijzaak tot een hoofdzaak verworden is.
Inderdaad bestaat er wel
een “filosofische wetenschap”. Daarin worden alle filosofische systemen en
uitspraken zo goed mogelijk in kaart gebracht en doorgegeven aan andere
wetenschappers en belangstellenden. Maar deze, op zichzelf voortreffelijke,
wetenschap gaat, zoals al eerder betoogd, over de filosofie en heeft als
zodanig niets met het beoefenen van de filosofie te maken. Een doctor in
de filosofie is dan ook meestal een hopeloos slechte filosoof, doordat hij
onvermijdelijk gericht is op de voorstelling in plaats van op het beeld.
Sterker nog, hij wil niets van dat beeld weten want hij vindt dat uitermate
onbetrouwbaar omdat het naar zijn idee slechts een “subjectieve” zaak is.
438 Aan de basis van alle westerse en
moderne ontwikkelingen ligt het inzicht dat de werkelijkheid een verzameling
van verschillende dingen is. Dingen die zich naast elkaar in de ruimte bevinden
en die volstrekt van elkaar gescheiden zijn. Dat is te typeren door te zeggen:
"Het een is het ander niet". Zo is de mens als individualist niet
denkbaar en mogelijk zonder dit fundamentele inzicht, want essentieel voor het
individualisme is immers dat de ene mens de andere niet is en op grond daarvan
als een uniek geval recht heeft op een eigen identiteit.
Maar dat is niet alles.
Ook de monotheïstische godsdiensten zoals het Christendom, de Islam en het
Jahwisme zijn niet mogelijk zonder het dualisme van het van elkaar gescheiden ene
en andere. De goden van deze godsdiensten zijn namelijk “het andere”
vergeleken bij de dingen van alledag. Bovendien levert die vergelijking een
belangrijk waardeverschil op: de goden staan hoger dan de gewone mensen en
dingen. Het gescheiden-zijn van het een en het ander leidt namelijk ook tot een
vergelijken van deszelfs kwaliteiten. Daarom is te zeggen dat het westerse
moderne denken scheidingen aanlegt tussen hoger en lager. Als een rode
draad lopen deze scheidingen door de westerse cultuur heen.
Hoewel zij steeds andere
gedaanten aannemen zijn zij toch almaar aanwezig, maar niet alleen dat: omdat
dit gescheiden-zijn van het een en het ander essentieel is voor de westerse cultuur
komt het gaandeweg, tijdens het voortschrijden van die cultuur, nadrukkelijker
naar voren, al of niet in meer of minder verholen vormen.
Neem nu de godsdienst,
onverschillig welke van de drie genoemde. Sinds de Verlichting ging het er steeds meer op
lijken dat deze teruggedrongen zou worden. Volgens de Leidse filosoof Bolland
(1854-1922) zouden de mensen “door de godsdienst heenzakken”. De hedendaagse
vrijdenkers en humanisten verkeren nog steeds in die mening. Maar het klopt
niet met de feiten, noch met datgene dat filosofisch denkend te verwachten is.
Voor de hand ligt namelijk de verwachting dat de godsdienst, als ultieme
uitdrukking van het “hoger en lager”, zich steeds verder zal uitkristalliseren,
zij het natuurlijk in de vormen die behoren bij het westerse
ontwikkelingsproces. Dat is dan ook te constateren! De godsidee is in
toenemende mate een persoonlijke zaak geworden zodat de op die idee
berustende kerkelijke collectieven rigoureus instorten. Daarentegen wordt die
godsidee als individuele overtuiging
een zaak van almaar groter belang.
Identiteit-1 ; Identiteit-2 ; Identiteit-3 ; Verlichting-1, Verlichting-2, Verlichting-3, Verlichting-4,
Verlichting-5,
Verlichting-6
; Overtuiging-1
; Overtuiging-2
; Overtuiging-3
; Overtuiging-4
;
439 Het is op het ogenblik al zover gekomen dat
het “geloven in god” als normaal wordt beschouwd en de godloochenaar
voortdurend gedwongen wordt zijn inzichten te verdedigen. En dan gaat het niet
zozeer om een rechtvaardiging tegenover godsdienstige lieden - wat niet
ongewoon zou zijn - maar juist tegenover mensen die tot voor kort tot een
volstrekt ongelovige groep behoorden, voornamelijk intellectuelen. Temidden van
een steeds rationeler en wetenschappelijker ingestelde wereld met een almaar
bewuster, maar nog steeds ònvolwassen, individualisme moeten diegenen die de
meest plausibele opvatting toegedaan zijn zich krachtiger verdedigen! Dat lijkt
dus merkwaardig en zelfs onlogisch, maar in feite ligt het in de rede omdat het
denken in “hoger en lager” zo langzamerhand zijn uiterste consequenties gaat
laten zien.
Die consequenties liggen
natuurlijk niet alleen maar op godsdienstig gebied. De gehele moderne
maatschappij ontwikkelt zich in hiërarchische richting, weliswaar niet in de
ouderwetse zin van rangen en standen, maar in de zin van meer en minder
belangrijke functies. In het bedrijfsleven groeien alle verschillende niveaus
almaar meer uit elkaar zodat inmiddels het verschil tussen een lagere
waardering en een hogere elk voorstellingsvermogen te boven gaat. Wie kan zich
een voorstelling maken van het verschil tussen een topmanager die een
jaarsalaris van meer dan 2 miljoen heeft en een werknemer die nauwelijks boven
de 35 duizend gulden uitkomt?
440 Het spreekt vanzelf dat “de god der vaad'ren”
grotendeels van het toneel verdwenen is. Voorzover zijn zwarte volgelingen zich
nog roeren wordt dat met enige meewarigheid begroet, terecht want dat
vreugdeloze, starre en bekrompen gedoe past zelfs de meest overtuigde gelovige
niet meer. De moderne individualistische gelovige is heel wat reëler met zijn
god bezig, wat in hoofdzaak hierop neerkomt dat hij die god ruimdenkendheid,
redelijkheid en begrip toeschrijft. Hoewel hij daarmee de plank niet ver
misslaat is het toch nog steeds die hoger geplaatste god die hem de les spelt
en je kunt zelfs stellen dat deze, meer “liefdevolle”, god in zekere zin
bedreigender voor de mens is dan die ouderwetse boeman. Hij maakt namelijk
aanspraak op redelijkheid en begrip en daarmee neutraliseert hij als het ware
alle verzet.
Dat zou allemaal zo erg
niet zijn als, tegelijk daarmee, het geloof in hem tot een soort van mode
verwaterd was. Maar diegenen die menen dat dit zo is en dat men met een
mode-verschijnsel van doen heeft, vergissen zich deerlijk. Juist die
veronderstelde redelijkheid en dat begrip maken het bestaan van god meer
aannemelijk dan voorheen met die boeman het geval was.
Het zonder al teveel
protesten aannemen dat iets klopt, louter op grond van het argument dat het zo
redelijk lijkt, is een typisch euvel van de westers-moderne mens! Deze moet het
immers, bij gebrek aan innerlijk zicht op de werkelijkheid als beeld, hebben
van beargumenteerde en redelijk onderbouwde verhalen. Dus van betrouwbaar lijkende
voorstellingen!
441 Het is opvallend hoe men, met betrekking tot
een bepaalde filosofische gedachtegang, achteloos langs een overvloed
aan argumenten heen kan gaan. Zelfs als die argumenten op een overzichtelijke
wijze gerangschikt zijn negeert men die en doet alsof zij nooit te berde
gebracht werden. Het is zelfs zo sterk dat men, vaak nauwelijks bewust, weigert
er ook maar een seconde over na te denken. Een bepaald, diepliggend, mechanisme
sluit onmiddellijk de zaak voor nadere discussie af.
Zoiets zou te begrijpen
en zelfs wel te excuseren zijn als je te doen hebt met mensen die wel wat
anders aan het hoofd hebben. Maar als ook “denkers” op die manier reageren moet
er toch iets wezenlijks aan de hand zijn...
Een schrijnend voorbeeld
van de impulsieve weigering om naar argumenten te luisteren doet zich voor als
het over de mens als individu gaat, in het kort gezegd: de individualist.
De waan dat zo een mens niet deugt is zozeer ingekankerd dat men prompt
“autistisch” doof wordt voor alles wat wèrkelijk, in alle redelijkheid, over
die individualist gezegd kan worden. Men weet blijkbaar op voorhand zeker dat
deze een “egoïst” is omdat hij alleen maar aan zichzelf denkt en zich onttrekt
aan het geheel. En men verwijt hem dat hij alleen maar voor zichzelf wil leven
en dus niets “voor een ander over heeft” - en zo is er een heel scala van
asociale eigenschappen die de individualist tot een slecht mens maken en het
individualisme tot een verwerpelijke idee. En elk voorstel om nu eens in alle
rust en onbevangen over het individualisme na te denken wordt met afschuw
afgewezen. Heel merkwaardig, maar ook buitengewoon irritant!
442 Zelfs de moderne 'Atlantische' mens
is nog altijd bevangen in de werkelijkheid als collectief. In laatste
instantie vindt die werkelijkheid zijn wortels in het oer-moederlijke
besef dat alle dingen naamloos opgenomen zijn in een allesomvattend geheel. Let
wel, naamloos opgenomen! Dat wil in dit verband zeggen dat de eigen identiteit ontkend
is, niet mag gelden omdat hij geacht wordt ondergegaan te zijn in de enige
èchte realiteit, het moederlijke geheel. In de West-Europese Middeleeuwen, aan
het prille begin van 's mensen individuele ontwikkeling, gaat het niet meer om
een moederlijk geheel, maar om een mannelijk collectief. Dat is een
verzameling die als zodanig boven de enkeling uitgaat.
Als in de loop van de
19e eeuw de 'Atlantische' mens op gaat treden raakt het naamloze op de
achtergrond en wordt de eigen identiteit wel als belangrijk erkend, maar nog altijd
wezenlijk binnen dat mannelijke collectief dat dus gaandeweg ontwikkeld
is uit het oer-moederlijke geheel. De enkeling is nu niet langer incognito,
naamloos, maar dat is alleen maar belangrijk als hij zich opstelt als dienstbaar
aan het collectief.
Over dit laatste wordt
nooit op die manier gesproken, en wel omdat men meent tot een democratische
staats- en levensvorm te zijn gekomen. Het oer-moederlijke geheel is in de loop
der tijden uit het zelfbewustzijn weggezakt en ligt nu als een soort van
psychisch trauma diep in de mensen verborgen, een trauma dat pas overgaat als
die 'Atlantische' mens inderdaad een volwassen individualist is
geworden. Tot zolang werkt de zaak als een ernstig taboe ten aanzien van de
onweerlegbare waarheid dat de mens wel degelijk een eenling, een volkomen
vrijzwevend en onafhankelijk wezen in de onmetelijke ruimte van het heelal is:
een wezen dat in feite alleen maar 'ik' kan zeggen...
Identiteit-1 ; Identiteit-2 ; Identiteit-3
443 Wat een mens ook doet, welke
besluiten hij bij allerlei gelegenheden ook neemt, steeds is het de
werkelijkheid als ik die handelt. Ook als iemand, in een denkbeeldig
extreem geval, besluit om zich volledig op te offeren terwille van iets of
iemand anders is het nog altijd de werkelijkheid als 'ik' die hierin actief is.
Altijd en onder alle omstandigheden ben ik het zèlf die de besluiten neemt. Dat
is ook het geval als ik, lichamelijk en mentaal, onderworpen ben aan iemand
anders die voor mij de dienst uitmaakt. In mijn onderworpenheid ben ik nog
altijd in zoverre mezelf dat ik die onderworpenheid aanvaard, althans me erbij
neerleg. Hoe beangstigend het ook is, ik kan me er ook niet bij neerleggen en
er vierkant 'nee' op zeggen. Maar, inderdaad kost je dat bijna altijd de kop...
Er is voor het menselijk
leven geen enkele situatie denkbaar waarbij het 'ik' uitgeschakeld is. Behalve
natuurlijk in de dood. Dat is te zeggen, als men al dood is. Want zelfs het
sterven is in belangrijke mate afhankelijk van mijn eigen besluiten: door mijn
leven in handen te leggen van geneesheren kan ik wellicht het leven nog
enigszins rekken, afhankelijk van de toestand waarin ik mij qua gezondheid
bevind.
En verkorten kan
ik mijn leven altijd. Hoe groot ook de hindernissen zijn die men vanuit diverse
morele ficties opwerpt, niets kan mij van zelfdoding weerhouden.
Zo kun je nog een hele
tijd doorgaan. Maar, dat is niet nodig als duidelijk is geworden hoe de vork
aan de steel zit. De mens kan namelijk altijd en onder alle omstandigheden
'nee' zeggen tegen alles waarmee hij geconfronteerd wordt. Hij kan dat doen
doordat hij als laatste verschijnende mogelijkheid van de werkelijkheid de volstrekte
ontkenning is van elke natuurwet, althans waar het zijn activiteiten
betreft. Op dit gebied is elke ingeprogrammeerde dwang weggevallen: de mens is
op dit gebied absoluut aan niets gebonden. Ieder exemplaar van het verschijnsel
mens is dan ook volkomen autonoom, geheel en al zichzelf genoeg. Ieder
exemplaar is een eenling die niets van iets ànders of iemand ànders in of aan
zich heeft. Omdat dit het geval is worden al zijn activiteiten vooraf gegaan
door besluiten. Het staat hem vrij om iets 'ja dan nee' te doen!
444 Welke situatie we ons ook voorstellen, behalve
de onvermijdelijke dood is er altijd, en nooit niet, de mogelijkheid een 'ja'
of een 'nee' besluit te nemen. En eigenlijk is hier niet van een 'mogelijkheid'
te spreken omdat het 'ja' evenals het 'nee' op zichzèlf onvermijdelijk zijn.
Tot een van de twee wordt steeds besloten. Je kunt in dit verband stellen dat
de mens keuzen mòet maken, of hij wil of niet. Op grond hiervan wordt elke
menselijke activiteit tot handelen.
Handelen spruit op de
een of andere manier voort uit een interactie van denken en besluiten. En dat
denken heeft op zijn beurt de werkelijkheid als voorstelling tot
ondergrond. Deze werkelijkheid geldt uitsluitend voor het verschijnsel mens.
Het is de werkelijkheid als intellect. Hoewel deze werkelijkheid bij
alle mensen aanwezig is, is hij toch altijd persoonlijk van aard,
vanzelfsprekend als gevolg van het feit dat de voorstelling essentieel is. En
dat is altijd en noodzakelijk iemands voorstelling.
445 De werkelijkheid als intellect is volkomen aan
de persoon, de enkeling, gebonden. Ik ben intellect en jij bent intellect.
Buiten 'mij' en buiten 'jou' is er geen intellect. Intellect is een realiteit
voor de absolute eenling. Wat dit betreft heeft niemand iets met iemand
anders te maken. Zoekt de filosoof dan ook naar plausibele mogelijkheden voor
de mensen om op een redelijke en veilige manier met elkaar samen te gaan leven,
dan zal hij dit noodgedwongen toch op het terrein van het intellect en dus ook
op het terrein van het, op grond van besluiten, menselijk handelen moeten
zoeken. Elke poging de zaak in de richting van ingeprogrammeerde sociale
strevingen en behoeften te verklaren - het beruchte 'de mens is een kuddedier'
- is volkomen vruchteloos, terwijl dat er bovendien blijk van geeft dat men niets
van zichzelf aangevoeld en begrepen heeft.
De evolutie levert
slechts organisaties, zoals mieren- en bijenvolken, op en ook constructies,
zoals koraalriffen. En dan zijn er ook nog kudden, roedels, groepen en
zo meer. Werkelijke enkelingen komen in het gehele planten- en dierenrijk niet
voor. De mens is de enige absolute enkeling in de onmetelijke kosmos, of hij nu
hier voorkomt of elders.
Men zou inderdaad in de
genoemde richtingen kunnen en moeten zoeken om het samengaan van mensen te
verklaren àls het verschijnsel mens niet het laatste fenomeen was, zodat
het nog geheel en al in de natuur en haar evolutie ingebed lag. Maar dat is nu
eenmaal niet het geval: de mens is, in de kwaliteit van uiterste grens,
volledig daaraan voorbij.
446 Hoe paradoxaal het menigeen ook in de oren
zal klinken, juist het feit dat de mens een volstrekte, vrijzwevende, eenling
is heeft als onverbiddelijke consequentie dat hij zich moet onthouden van alle
handelen dat op de een of andere manier het bestaande aantast. De bestaande
dingen, die aan zijn verschijnen op de planeet vooraf gegaan zijn, kunnen door
hem alleen maar verzorgd worden en wel op een zodanige manier dat zij
met hem, de mens, een samenhangend, allesomvattend geheel vormen. Dat geheel is
uiteindelijk een door en door menselijk geheel geworden. De daartoe
benodigde ingrepen zijn heel iets anders dan de tot nu toe gebruikelijke
aantastingen. Onder een 'ingreep' versta ik een vorm van besturen, in goede
banen leiden, optimale kansen geven. Bij een dergelijk handelen blijft 's
mensen onafhankelijkheid tenvolle gehandhaafd, maar bij aantasten verliest de
mens zijn vrijheid. Op het ogenblik kan men dan ook waarnemen dat de mensen
zich nauwelijks nog kunnen onttrekken aan de gevolgen van het voortdurende
aantasten wat zij doen. Enerzijds wordt de gehele planeet verziekt en
uitgemergeld en anderzijds zijn zij zèlf ziek geworden van hun eigen alles
aantastende gedoe.
447 Zo is men nu weer bezig kunstmatig leven te maken door planten en
dieren te klonen. Het heet dat dit dient ter verbetering van de soort, maar in
feite gaat het om verbetering van het profijt dat men wil behalen. Terwille van
de commercie proberen de wetenschappers en de technici onnatuurlijk, kunstmatig
leven te maken. Dat is aantasting van de werkelijkheid. Als het wèrkelijk om
verbetering zou gaan zou men de planten en de dieren, evenals de bodem, het
water en de lucht optimaal verzorgen.
De hedendaagse mens is
bijna geheel van zijn eigen wandaden afhankelijk geworden en van het
schitterende vrijzwevende verschijnsel is nog nauwelijks iets te herkennen.
Geen wonder dat de gehele wereld het toonbeeld van schizofrenie
is geworden...
Schizofrenie-1
; Schizofrenie-2 ;
448 Het dwingende 'gebod' de
werkelijkheid niet aan te tasten is ook tenvolle van kracht voor de mensen onderling.
Hierop berust het intellectuele besef dat men elkaar niet mag doden. Opmerkelijk is dat
bijna niemand dit in de gaten heeft, doorgaans ook de filosofen en de ethici
niet. Vraag je waar het verbod elkaar te doden vandaan komt, dan krijg je meestal een
onduidelijk en aan alle kanten rammelend verhaal te horen over humaniteit,
ethiek, zeden, gewoonten en wetten, terwijl het tegenwoordig ook weer
toegestaan is te verwijzen naar de geboden gods. Diegenen die iets mompelen
over een soort van ingeboren gevoel of besef komen er nog het dichtste bij,
maar over het algemeen is het treurig wat men ervan maakt.
Het juiste antwoord is
betrekkelijk eenvoudig als je, wat altijd het geval is, de zaak eenmaal door
hebt.
Als 'ik' namelijk een volstrekt ongebonden vrijzwevend geval ben
( voor nadere uiteenzetting van het begrip vrijzwevend, zie: Vrouw en Wereld en het hoofdwerk Beweging en Verschijnsel ) zijn
'de anderen' dat noodzakelijk ook. Elke aantasting mijnerzijds heft die
vrijzwevendheid op en dus ook de absolute vrijheid van de ander. Tegelijkertijd
hef ik ook die van mijzelf op een noodlottige wijze op. In feite ben ik dus tegen
mezelf als ik de ander aantast.
( Doe uzelf een plezier en
bestudeer deze bundel in zijn geheel.)
En ook hier geldt: een
ingreep, zoals ik dat pleeg te noemen, is geen aantasting. Een ingreep is
gericht op ontplooiing, bescherming, begeleiding en eventueel ook redding, dus
op het welzijn van mijzelf en mijn medemens. Een ingreep verwijst naar
de metafoor van de 'Goede Herder' die vol zorg en bekommernis is voor juist de
zwakste onder zijn schapen.
Als een
maatschappij in orde is worden er voortdurend ingrepen gepleegd om de zaak in
goede banen te leiden, opdat een ieder een optimaal welzijn genieten kan. In
een onvolwassen maatschappij, zoals de onze nog steeds tenvolle is, volgt de
ene aantasting de andere op en het ellendige gevolg is dat alleen een
egoïstische bovenlaag zich kan verbeelden 'wel' te zijn.
doden-1(nos.448t/m449)
; doden-2(484 t/m
493)
449 Over het ontstaan van het leven op aarde doen
de wildste verhalen de ronde. Tot op heden is het bijbelse scheppingsverhaal
waarschijnlijk het meest populaire. Het is een gemakkelijk verhaal dat een
ieder, die niet van nadenken houdt, een uitermate bevredigende oplossing voor
het vraagstuk van onze oorsprong biedt. Omdat nadenken voorlopig nog wel een
stiefkind onder de menselijke activiteiten zal blijven, zullen de occulte
scheppingsverhalen, zoals bijvoorbeeld dat uit de bijbel, wel ruimschoots de
boventoon blijven voeren. Dat zal stellig niet spoedig veranderen!
Wetenschappers zijn
gewend om na te denken en dus is de verwachting gewettigd dat zij geen vrede
zullen hebben met die occulte verhalen over de een of andere goddelijke hand
die destijds het leven op aarde geschapen heeft. En inderdaad, zo een banaal
verhaal wil er bij hen niet in. Zij geloven niet dat er een goddelijke hand was
die de zaak tot leven wekte, maar het is tegelijkertijd uiterst ergerlijk als
je met grote regelmaat mee moet maken dat men zonder blikken of blozen geloof
hecht aan een wetenschappelijke hypothese die minstens even occult is, vooral
vanwege de eigenaardigheid dat er ook hier sprake is van een ingreep van
buitenaf. Wat is het geval?
Onder moderne astronomen
is de hypothese populair dat er eens een meteoriet of iets dergelijks op aarde
ingeslagen zou zijn die levende oercellen, of onmiddellijke voorstadia daarvan,
op aarde inplanteerde. Het aardse leven zou dus het gevolg van die inslag zijn
en het zou haar oorsprong vinden in veraf gelegen uithoeken van het heelal. Het
spreekt vanzelf dat dit levende materiaal van heel ver kwam want de astronomen
hebben met hun moderne middelen in het bekende heelal nergens leven
aangetroffen. Het zou dus van daarbuiten moeten komen, al met al een ronduit
belachelijke veronderstelling...
doden-1(nos.448t/m449)
; doden-2(484 t/m
493)
450 Als eerste valt de kortzichtigheid van die
astronomen op: als je namelijk veronderstelt dat het leven op aarde inderdaad van
buitenaf gekomen is blijft nog altijd de vraag liggen hoe het daar dan heeft
kunnen ontstaan. De enkelvoudige bewering dat het leven van ver uit het heelal
komt is in feite net zo occult als die van de scheppende goddelijke hand! Het
is niet alleen een nietszeggende bewering, maar ook een misleidende die de
valse suggestie wekt dat we met een deskundige van doen zouden hebben, hetgeen
in ieder geval in filosofische zin beslist niet het geval is.
Zoals bij alle occulte
verhalen is het niet alleen gemakzucht die ertoe inspireert, maar ook de
diepliggende psychologische behoefte aan enigerlei vorm van een almachtige
schepper, een eerste oorzaak die buiten alle redelijkheid om werkzaam is. In
feite is dat nu precies wat ook aan het geloof en de godsdienst ten grondslag
ligt.
Ten tweede is het
opvallend dat de kennis van veel moderne wetenschappers zo weinig samenhang
vertoont tussen de ene hypothese of gedachte en de andere. Zo ook hier: men
schijnt niet in de gaten te hebben dat men, bij aanvaarding van die
buitenaardse hypothese, logischerwijs ervan uit moet gaan dat de aarde zelf
niet in staat geacht moet worden leven voort te brengen. Deze gedachte volgt
automatisch uit de gedachte van een buitenaardse oorzaak van het leven. Echter,
als dat het geval zou zijn ligt het eveneens in de logica dat de omstandigheden
op aarde van een zodanige aard zijn dat het leven ònmogelijk in stand gehouden
kan worden als het eenmaal van buitenaf ingeplant is. De zaak komt dus hier op
neer dat beide, het voortbrengen en het in stand houden van het leven niet
mogelijk zijn. Dan rijst echter de vraag waarom het zich dan toch op onze
planeet ontwikkeld heeft tot wat het nu is.
451 In feite is er natuurlijk maar èèn verklaring
mogelijk: de aarde heeft zichzèlf omgezet tot leven. Daarbij zullen stellig
materiële invloeden van buitenaf een rol hebben gespeeld, alles staat immers
met alles in verband, maar het leven zelf kan volstrekt niet van elders gekomen
zijn. De planeet aarde is een zodanig resultaat van de wordingsprocessen dat
het voortbrengen en opkweken van levende materiële systemen niet uit kan
blijven. De wordingsprocessen hebben in de vorm van de planeet aarde een
'levenbarend' stadium bereikt. In dat stadium wordt de in de materie latent
aanwezige beweeglijkheid manifest en wel als inhoud van het materiële
systeem.
Ook al is het de
onderzoekers voorlopig nog niet duidelijk hoe die innerlijke beweeglijkheid op
een bepaald moment vrij kan komen mag dat nog geen aanleiding zijn om een
globale, maar logische voorstelling van zaken te negeren en in plaats daarvan
vertrouwen te schenken aan een volkomen uit de lucht gegrepen hersenspinsel.
Desondanks worden er door de geleerden almaar speculatieve verhalen verteld
over van oorsprong buitenaards leven en zij trekken kennelijk geen conclusies
uit hun eigen verhalen. Dat echter is tegenwoordig allang geen uitzondering
meer...
452 Het is een feit dat de geleerden tot op heden
nog geen leven in het heelal hebben aangetroffen. Naar het schijnt hebben zij
wel allerlei materiële bouwstenen voor levende organismen gevonden, maar geen
zelfstandig levende verschijnselen. Ik kan niet beoordelen of dat jammer is of
niet en ook vertrouw ik vooralsnog mijn eigen gedachtegang niet, die er
namelijk toe leidt dat er in een zonnestelsel maar èèn enkele levenbarende
planeet kan zijn.
Die gedachtegang is
gebaseerd op het beeld van een zonnestelsel dat bestaat uit een in zichzelf
ononderbroken netwerk van relaties. Er is ook filosofisch veel voor te zeggen
dat alle tot zo een netwerk behorende hemellichamen op de een of andere manier
met elkaar in verband staan en elkaar min of meer beïnvloeden. En als dat klopt
zou het inderdaad in de logica liggen dat er dan ook gesproken zou kunnen
worden van een variatie van toestanden, en wel van elementair deeltje
- niet te verwarren met een 'beweeglijkheid' - tot en met menselijk
zelfbewustzijn. Maar, zoals gezegd, tot nu toe vertrouw ik deze filosofische
gedachtegang nog niet erg!
Er is echter, met
betrekking tot het heelal, wel iets dat absoluut vast staat: overal in het
heelal komen zonnestelsels voor en overal zijn er zonnestelsels waarin het
gehele scala van mogelijke variaties te voorschijn gekomen is, hetgeen betekent
dat er overal leven is ontstaan. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat het heelal
opgevuld is met zonnestelsels die als het ware 'tegen elkaar aanliggen'. In de
onmetelijke ruimte zullen ook die zonnestelsels onmetelijk ver van elkaar af
liggen met ertussen iets wat je met het begrip ruimte zou kunnen
benoemen. Let wel, niet letterlijk een 'lege' ruimte, maar een ruimte waarin
zich geen verschijnselen bevinden, wat iets anders is dan een 'lege' ruimte.
Er is geen enkel
houdbaar filosofisch argument voor de mening dat alleen ònze planeet tot leven
zou zijn gekomen en dat er verder in het heelal geen levende wezens zouden
zijn. Het is daarentegen juist volkomen plausibel om te stellen dat in een
ònmetelijke ruimte en tijd de materiële wordingsprocessen zichzelf hier en daar
tot het absolute einde doorzetten. Het is dus tenvolle verantwoord staande te
houden dat er 'elders' ook leven is. En je kunt dan ook nog verder gaan en met
zekerheid stellen dat dit leven logischerwijs eveneens in een 'mens' zal
uitlopen, een mens voor wie precies hetzelfde geldt als voor ons, namelijk dat
ook hij een 'vrijzwevend' verschijnsel zal zijn.
453 Doordat wetenschappers zich als regel met nauwkeurig
afgepaalde deelgebieden van de wereld der verschijnselen bezig houden komt het
veelvuldig voor dat zij het slachtoffer worden van een ernstige vorm van
'tunneldenken'. Dat wil zeggen: een denken dat in zichzelf geen mogelijkheid
kent om de eigen grenzen te overschrijden. Bedoelde wetenschappers kunnen er
onmogelijk overheen kijken zodat men met recht kan stellen dat het een
bekrompen en dogmatisch denken is. Natuurlijk zullen de wetenschappers dat
oordeel met klem bestrijden en wijzen op de essentieel wetenschappelijke eis om
open te staan voor de dingen en dus ondogmatisch te zijn en geen vooroordelen
te koesteren. Maar, bij nauwkeurig onderzoek hiernaar blijkt dat deze, op
zichzelf voortreffelijke, criteria uitsluitend binnen het eigen vakgebied in
ere worden gehouden. Daarbuiten vieren vooroordeel en onnadenkendheid hoogtij,
vaak met een halsstarrigheid die men eigenlijk alleen maar bij autoritaire
domkoppen zou verwachten.
Ook dat behoeft echter
geen verbazing te wekken! Als je je realiseert dat de moderne wetenschappen aan
haar dienaren een hoge maatschappelijke status toekennen, dan ligt het voor de
hand dat er voor eigenwijsheid een vruchtbare voedingsbodem aanwezig is...
Zo ook als het gaat over
de vraag of er elders in het heelal ook leven aanwezig is. Het correcte
antwoord op deze vraag kan niet anders luiden dan 'als wetenschappers
weten wij het niet, want wij hebben nog nooit een aanwijzing daarvoor
gevonden'. En tegelijkertijd kan men daaraan toevoegen dat men bij nadenken
tot de conclusie moet komen dat er 'uiteraard' elders in het heelal leven
aanwezig is. Dit toevoegsel echter blijft steeds achterwege zodat het bekrompen
wetenschappelijke antwoord de boventoon blijft voeren en zo als een waarheid
een eigen leven gaat leiden. Dat wordt dan ook nog versterkt door het gezag dat
wetenschappers genieten als het om uitspraken over de werkelijkheid gaat.
Bijgevolg zal bijna iedereen zich, in navolging van de wetenschappers, achter
onwetendheid verschuilen en ervan overtuigd zijn het bij het rechte eind te
hebben.
454 De moderne westerse mens staat in het teken
van de ontwikkeling van de werkelijkheid als zelfbewustzijn. Dat heeft
betrekking op de voorstelling die de mensen van de hun omringende realiteit en
van zichzelf hebben. Het is een voorstelling van allerlei dingen, al of niet
van natuurlijke dan wel van culturele aard, dus al of niet door de mens
voortgebracht. Wanneer de aandacht van de westerse mens nu gericht is op dit
zelfbewustzijn, dat een collectie specifieke persoonsgebonden dingen bevat,
ontstaat er de behoefte aan de weet te komen hoe het zit met die dingen.
Uitgaande van het vergaren van kennis over die persoonsgebonden dingen
- dus mijn wereld - komt onvermijdelijk de vraag aan de orde
of en in hoeverre mijn kennis over de dingen overeenkomt met de kennis
van anderen over hun dingen.
Dus: men gaat er als
vanzelf toe over een vergelijking te maken tussen de verschillende inhouden van
het zelfbewustzijn van allerlei personen. Dat betekent dat bij de westerse mens
aan de ontwikkeling van zijn zelfbewustzijn onmiddellijk meekomt dat hij ook
wetenschap zal gaan beoefenen. Zelfbewustzijn en wetenschap behoren so wie so
bij elkaar, maar bij de moderne mens wordt die wetenschap wat zij wèrkelijk zijn
moet, namelijk een streven naar kennis die een collectief karakter heeft, in
die zin dat een zo groot mogelijke groep collega's tot dezelfde kennis van
zaken moeten zijn gekomen. Collectieve overeenstemming is een
wezenskenmerk van moderne wetenschap.
Vaak stelt men het voor
dat de waarheid het beoogde doel van de wetenschappen zou zijn, maar die
gedachte is onhoudbaar. Wetenschappelijk onderzoek van de dingen levert nimmer
'waarheid' op doch slechts voor een bepaald moment een zo groot mogelijke mate
van juistheid. En die juistheid wordt bepaald door een zo groot
mogelijke collectieve overeenstemming.
Een collectieve
overeenstemming kan, al gaat men er nog zo nauwgezet mee om, gemakkelijk op een
collectieve waan gaan berusten. Hij biedt daarvoor zelfs een uitermate
vruchtbare voedingsbodem!
455 Waar men ook zoekt in het verleden, steeds
treft men een overvloed aan hersenspinsels en occulte fantasieën aan.
Dergelijke wanen kunnen zich manifesteren en min of meer halsstarrig handhaven
dank zij de aanwezigheid van een collectieve overeenstemming. Die kan op
velerlei manieren tot stand komen, maar een doorgaans ziekelijke angst voor het
ònbegrepene speelt een cruciale rol. In feite berust het in alle religies voorkomende
mysterie op deze angst. En uiteraard zijn daar ook nog de
bovennatuurlijke verschijnselen.
Het zogenaamd verrichten
van wonderen, het uitvoeren van rituelen en het geraffineerd uitoefenen van
psychische druk waren de methoden bij uitstek om een collectieve waan teweeg te
brengen en in stand te houden. Zoals gezegd stond een bepaald geheim, een
onbegrijpelijk mysterie, daarbij centraal, want zonder een enigszins
beangstigend niet-begrijpen heeft een hersenspinsel geen schijn van kans. Toch
moet tegelijkertijd opgemerkt worden dat de destijds tamelijk sterke intuïtie
van de mensen in menig opzicht remmend werkte op het aanvaarden van allerlei
occulte voorstellingen.
456 De moderne mens is niet meer zo
gemakkelijk tot het collectief accepteren van wanen te krijgen. Maar, bij
nadere beschouwing blijkt dat voor een goed deel gezichtsbedrog, want als men
gebruik maakt van de juiste methode is het juist heel
gemakkelijk! Dan blijkt dat de moderne mens sneller dan wie ook tot collectieve
overeenstemming is te brengen.
Inderdaad lijkt het
moeilijker dan voorheen, maar dat komt doordat rituelen en andere flauwekul
niet zoveel indruk meer maken, behalve dan bij een helaas toenemend aantal
New-Age adepten. Wordt de zaak echter in wetenschappelijke termen verpakt en
biedt men daarbij een groot aantal schijnbaar betrouwbare referenties, dàn gaat
het sprookje er in als koek! Zelfs genoemde New-Agers hebben wetenschappelijke
theorieën nodig om overtuigd te geraken, maar die theorieën moeten wel
doorspekt zijn van mysterieuze toestanden!
Doordat de moderne mens
nauwelijks nog vertrouwd is met zichzelf als bewustzijn gelukt het in
feite nog veel beter hem tot een collectieve overtuiging te brengen dan bij die vroegere mensen
het geval was. Bij deze laatsten weerhielden de intuïtie, het gevoel en het
onmiddellijke zien nog enigermate het klakkeloos aanvaarden van bepaalde
occulte voorstellingen. Maar daarvan is thans geen sprake meer. De moderne mens
is in ernstige mate vervreemd van zichzelf als bewustzijn en dus van zichzelf
als waarheid.
Dus: het lijkt
moeilijker en het lijkt alsof de moderne wetenschappelijkheid de moderne mens
behoedt voor wanen, maar juist de bijna niet te weerspreken argumentaties van
de wetenschappers worden gemakkelijk aanvaard op grond van hun schijnbare
betrouwbaarheid. Er is niets zo overtuigend als het wetenschappelijke,
controleerbare argument. Je ziet dan ook dat er een grote hoeveelheid
schijnbaar juiste opvattingen, theorieën en gegevens in omloop is. Vaak zijn
dat inderdaad speculatieve, wetenschappelijk aandoende, ideeën en
veronderstellingen. De hedendaagse populariteit van een groot aantal occulte
verhalen is absoluut verbijsterend..
Overtuiging-1
; Overtuiging-2
; Overtuiging-3
; Overtuiging-4
;
457 Het komt tegenwoordig vaak voor dat
een publicist gebruik maakt van allerlei op zichzelf juiste concrete gegevens
om een fantastisch verhaal op te dissen dat op menigeen diepe indruk maakt. Dat
is bijvoorbeeld het geval met het oeroude verhaal van de maagd
met het kind. In grote lijnen kennen wij dat verhaal nog uit de Bijbel,
maar daaruit is een aantal essentiële details verwijderd, enerzijds omdat men
er later niets meer van begreep, anderzijds omdat sommige Christelijke monniken
en prelaten het maar al te goed begrepen en zich onmiddellijk realiseerden dat
het bekend worden van die details buitengewoon gevaarlijk zou zijn voor hun
Christelijke kerk.
Hoe dan ook, de mythe
van de maagd met het kind is een oeroud 'beeldverhaal' over de
werkelijkheid die in zichzelf alle dingen voortbrengt, maar die dit geheel uit
zichzelf doet zonder dat er een impuls van buitenaf aan te pas komt. De
ingrediënten voor die mythe zijn een niet door een man benaderde maagd,
haar mysterieuze zwangerschap en de geboorte van een mannelijk kind waarvan
voorzegd wordt dat het eens 'de ware mens' zal zijn.
Wat betreft dat verhaal
is er een heleboel op correct wetenschappelijke wijze te controleren. Het
blijkt bij onderzoek dat zo'n verhaal vrijwel overal in de Oudheid verteld werd.
Vanzelfsprekend in een groot aantal varianten, maar toch steeds met dezelfde
strekking, namelijk die uit zichzelf voortbrengende vrouwelijke, in zichzelf
besloten, werkelijkheid.
Welnu, zo'n merkwaardig
verhaal is nog steeds voor een aantal fantasten reden genoeg om er een concrete
gebeurtenis achter te zoeken. Uiteraard een gebeurtenis die door iets van
buitenaf veroorzaakt werd, geheel in overeenstemming met het mannelijke causale
denken, alle soorten geloof en elke godsdienst.
Er moet noodzakelijk een
impuls van buitenaf, een goddelijke ingreep, geweest zijn. Men komt dus ook nu
weer met een zwangerschap die gevolg zou zijn geweest van een geheimzinnige
bevruchting door buitenaardse wezens, een soort van astronauten, die dankzij
hun hoge wetenschappelijke ontwikkeling als engelen konden vliegen en die van
verre planeten afkomstig zouden zijn. Zij konden zich bijvoorbeeld ook
dematerialiseren en dus onzichtbaar worden! Aardse wezens kunnen dat niet, dat
weet iedereen en dus deugen die niet voor het aannemelijk maken van het
sprookje.
Doordat die fantasten
een groot aantal controleerbare feiten vermelden krijgen dergelijke verhalen
een grote geloofwaardigheid, vooral voor lieden die nog altijd gelovig zijn.
Dezen worden bijvoorbeeld uitermate geraffineerd bespeeld door bedriegers die
met het occulte goede zaken doen.
Het spreekt vanzelf dat
al die feiten misbruikt worden en dat ze, hoewel op zichzelf juist, dienen ter
verklaring van allerlei idiote fantasieën. En nu is het merkwaardige dat juist
die fantasieën een willig oor vinden en doorgaans gemakkelijker geloofd worden
dan de feitelijke geschiedenissen. Zo kunnen juist op controleerbare feiten
ingestelde mensen gemakkelijk bedrogen worden!
Vooral ook in de
politiek is het bewust verkeerd interpreteren van op zichzelf controleerbare
juiste feiten een veel voorkomend verschijnsel. Een heel bekend en uitermate
treurig voorbeeld is het verkeerd gebruiken van vaststaande feiten omtrent de
moord op de Joden in de tweede wereldoorlog. Inderdaad kan men zijn verhaal zo
in elkaar steken dat het voor mensen met nog maar weinig intuïtief inzicht in
zichzelf en de werkelijkheid heel aannemelijk wordt. Voorwaarde is echter wel
dat alles wetenschappelijk verantwoord is qua feitenmateriaal.
458 Voor de moderne mens is de werkelijkheid zo
langzamerhand een enorme berg losse feiten geworden. Dank zij de wetenschappelijke
instelling van die mens zijn die feiten op zichzelf redelijk betrouwbaar. Maar
aan het verband tussen al die feiten schort wel het een en ander. Het kost de
grootste moeite er een overzicht over te krijgen. De werkelijkheid wordt ongrijpbaar
voor de mensen zodat zij op een gegeven moment niets meer hebben dat houvast
biedt. Dat is een ernstige zaak!
Het ligt in de aard van
het verschijnsel mens om de gehele werkelijkheid te kunnen overzien. Dat komt
doordat dat verschijnsel het eindpunt van de wording is, zoals ik al zo vaak
heb uitgelegd. Als eindpunt is er niets dat hem vreemd kan zijn, de gehele
werkelijkheid is hem vertrouwd.
Als nu de mensen voelen
dat zij iets als een 'houvast' nodig hebben is dat in feite geen tekortkoming
van hen of iets kinderachtigs, maar het volkomen terecht aanvoelen van een
essentiële zaak. Die vertrouwde werkelijkheid is namelijk voor de mens als het
ware het onmisbare 'biotoop' waarin hij noodzakelijkerwijs leven moet. Omdat
voor de mens deze situatie geldt kan hij het niet uithouden bij de onzekerheid
die aan een versnipperde werkelijkheid meekomt.
Genoemde berg losse
feiten is zo een versnipperde werkelijkheid waarvan men kan zeggen dat zo
ongeveer àlles aanwezig is zonder dat er ook maar van het geringste verband
tussen de verschillende dingen gesproken kan worden. Als dat verband ontbreekt
kan men er geen vertrouwen wekkende voorstelling van maken en daarmee
vervalt dat 'biotoop' dat de mens zo broodnodig heeft.
Gevolg van het ontbreken
van het 'biotoop' is natuurlijk dat de mensen gaan proberen er een te bedenken
of er een bij die of gene fantast op te vissen. Daar ligt een gouden kans voor
al die warhoofden die in hun gelovigheid bereid zijn de meest onmogelijke
hersenspinsels voor waar te verkopen. Op die manier kunnen de argeloze
slachtoffers zichzelf geruststellen in de mening een geheel nieuwe en
geloofwaardige kijk op de werkelijkheid verworven te hebben. Dan kan men
inderdaad weer verder en men heeft weer een stevig houvast. Dat dit echter gebakken
lucht is zal later blijken en dan is de teleurstelling bijna volstrekt
ondraaglijk geworden.
459 Feiten zijn het gevolg van
onderzoek, hetzij gewoon alledaags onderzoek door het opdoen van ervaringen,
hetzij gespecialiseerd wetenschappelijk onderzoek. De gehele verzameling van
feiten, die een mens ter beschikking staat, kan men met het begrip kennis
benoemen, maar daarbij moet wel bedacht worden dat het niet zonder meer
vanzelfsprekend is dat al die kennis juist is. Al te vaak wordt vergeten dat
foute kennis ook kennis is. Foute kennis kan voor iemand heel goed gelden als
feitelijke kennis, kennis dus die uit feiten bestaat. Ik geef er de voorkeur
aan het begrip kennis te gebruiken als het over een bepaalde verzameling
van feiten gaat, feiten dus die al of niet juist zijn.
Wat ik wil zeggen is dat
er een merkwaardige paradox optreedt bij het vergroten van de kennis, zoals dat
sinds de Verlichting
in de westerse cultuur aan de gang is. Die kennis bestaat, zoals gezegd, uit
hoeveelheden feiten. Van die feiten, al of niet juist, komen er in versneld
tempo steeds meer, als de mens eenmaal in de gaten heeft gekregen hoe hij
achter de feiten kan komen en welke criteria daarvoor gelden. In het algemeen
is te zeggen dat de wetenschappen voor dat vergroten van de kennis zorgen.
Nu is de paradox deze
dat het vergroten van de kennis niet, zoals in de vorige eeuw de verwachting
was, tot meer begrip van en inzicht in de werkelijkheid leidt, maar daarentegen
juist tot een almaar grotere verwarring. Men ziet namelijk door de bomen
het bos niet meer. Men weet niet meer waar bepaalde feiten op slaan en men weet
er steeds minder mee aan te vangen.
Te begrijpen is dat dit
komt door het teloor gaan van de onderlinge verbanden. Men ziet de relatie
tussen het een en het ander niet meer, mede door de omstandigheid dat ook de
relaties gaandeweg tot bepaalde feiten teruggebracht worden. Het vergroten van
de kennis blijkt, geheel ònverwacht, de vervreemding te vergroten, overigens zonder
dat het gros van de mensen, vooral de intellectuelen, dat in de gaten hebben.
Vervreemding en verwarring roepen in de mens een versterkte
gevoelsmatige behoefte aan houvast op. Dat is een vruchtbare voedingsbodem voor
occulte verhalen. Maar, omdat de moderne mens toch wetenschappelijk van aard is
moet dat occulte verhaal desondanks een wetenschappelijk karakter hebben. De
moderne natuurkunde bijvoorbeeld leent zich uitstekend daarvoor...
Vervreemding-1,
vervreemding-2,
vervreemding-3 ; Verlichting-1, Verlichting-2, Verlichting-3, Verlichting-4, Verlichting-5, Verlichting-6
Terug naar: De kloof
460 Het irreële van de traditionele
godsvoorstellingen is, hoe paradoxaal ook, van buitengewoon grote
aantrekkingskracht op de moderne mensen en dan vooral op de intellectueel
ontwikkelden. Voorwaarde is wel dat de zaak in een wetenschappelijk aandoend
kleed gestoken is. Je ziet dat die intellectuelen enerzijds steeds meer afkeer
gevoelen tegen diegenen die zich nadrukkelijk als atheist laten kennen en er
anderzijds geen bezwaar tegen hebben zich in de beschutting van de godsdienst
te nestelen.
Ik heb geruime tijd
geleden al beweerd: "God mag weer, ja zelfs is hij wederom een graag
geziene gast!" Men vond dat toen een ietwat boude uitspraak, maar zo
langzamerhand is het een duidelijk feit. Opmerkelijk daarbij is dat uitgerekend
humanisten maar al te graag vriendschap met God en zijn trawanten gesloten
hebben, stellig omdat hun standpunt van zonder God te leven een praktischer
betekenis krijgt als men tegelijkertijd overtuigd is van het bestaan van God.
Natuurlijk heeft dat op
zichzelf niets met enigerlei vorm van fundamentalisme te maken. Het is juist
andersom: doordat de mensen, ook die van de Islam, het Jodendom, het Boeddhisme
enzovoort, steeds naarstiger naar een ideëel houvast zoeken komt vooral het
botte 'zo is het en niet anders' almaar meer in beeld als een stevig en
betrouwbaar houvast. Binnen de kringen van het Christendom neemt de kracht van
het paapse geloof gestaag toe en het zijn vooral de reformatorische
evangeliserende predikers en hun sekten die zich in een groeiende aanhang
kunnen verheugen. Wat dit betreft is het zeker een feit dat 'Jezus redt'!
461 Een nuchtere, zakelijke standpuntbepaling is nauwelijks
meer mogelijk als de weerstand tegen het analytisch wetenschappelijke denken
doorbreekt, althans bij de alsnog onvolwassen mens van de moderne cultuur. In
plaats van zich kritisch op te stellen en voor zichzelf uit te maken wat het
terrein is waarop het wetenschappelijke denken zich behoort te bewegen, wat dit
denken wel kan en wat het niet kan en in plaats van vervolgens eens zorgvuldig
na te gaan hoe er over de andere aspecten van de werkelijkheid op een logisch
houdbare wijze nagedacht kan worden, vlucht men in de meest onwaarschijnlijke
hersenspinsels.
Het westerse godsgeloof
is wat dit betreft een veelzeggend voorbeeld! Als iemand namelijk a) nog nooit
een god gezien heeft; b) geen enkele wetenschappelijk verantwoorde aanwijzing
gevonden heeft omtrent het mogelijke bestaan van goden; c) geen enkel
natuurkundig bewijs geleverd heeft gekregen dat goden bestaan en d) van de
godsdienstigen zelf, naast infantiel geloof in de meest idiote wonderen,
allerlei tegenstrijdige verhalen en argumenten hoort, zou het dan voor zo
iemand niet voor de hand liggen het alleszins redelijke standpunt in te nemen
dat goden inderdaad niet bestaan?
Desnoods wenst hij dat
standpunt als 'voorlopig' te beschouwen, zoals bij wetenschappers gebruikelijk
is.
Maar nee! In alle
mogelijke gevallen zou de bovenstaande cluster van ervaringen aanleiding zijn
om ergens geen geloof aan te hechten, behalve als het gaat over absurditeiten
op het gebied van de godsdienst! Dan juist is dat absurde voldoende reden om er
wèl geloof aan te hechten. En dat is niet speciaal het geval bij ongeletterde
lieden. Juist intellectuelen nemen steeds meer hun toevlucht tot het absurde.
Men zou zich af gaan vragen: "Waar moet dat heen..?".
462 Vaak lijkt het er op dat de filosofie,
althans de creatieve filosofie die niet op wetenschappelijke kennis en
systemen berust, een buitengewoon cynische aangelegenheid is. Bijna steeds
blijkt zij ernstige bezwaren tegen 'de wereld' te hebben en de al of niet geheime
bedoelingen van overheden en leiders als uitermate louche te karakteriseren.
Onder diegenen die kennis maken met die creatieve filosofie zijn er dan ook
velen die voor dat zogenaamde cynisme terugschrikken onder de verzuchting:
"Het is ook nooit goed".
Als je echter zo
onbevangen mogelijk naar onze wereld kijkt kun je niet om een aantal
constateringen heen, waarvan de voornaamste is dat de wereld kennelijk het bezit
is van bepaalde elites, een bezit dat zowel materieel als ideëel van aard is.
Ik bedoel te zeggen dat zij niet alleen de goederen en rijkdommen dezer wereld
in beslag genomen hebben, maar vooral ook dat de voorstellingen over en de
bedoelingen met onze planeet eenzijdig door die elites bepaald worden. En je
kunt ook vaststellen dat zelfs binnen democratische systemen de opvattingen van
de bovenlaag maatgevend zijn. Het kiezen en stemmen bijvoorbeeld, dat zozeer
aangeprezen wordt als een buitengewone democratische verworvenheid, is in feite
niet meer dan een welwillend toegestaan betuigen van bijval of afkeuring ten
aanzien van door die bovenlaag verzonnen maatregelen.
Meer formeel gesproken
blijkt dat ook uit de omstandigheid dat dit kiezen en stemmen beschouwd wordt
als een recht dat de burgers zouden hebben. Maar, zoals met alle
zogenaamde rechten het geval is moet je ook hierbij nimmer vergeten te vragen
wie dit recht aan wie toegekend heeft. Dan blijken wederom die elites er achter
te zitten!
Het wezenlijke kenmerk
van elites is dat zij de materiële uitdrukking, oftewel manifestatie, van een
'verticaal' denken zijn. Je kunt ook spreken van 'hiërarchisch denken'. Dat wil
zeggen dat het een denken is dat zich van boven naar beneden beweegt waarbij
het bovenste het hogere is en uiteraard het onderste het lagere. De begrippen hoger
en lager duiden in dit verband natuurlijk niet zozeer op een plaats
alswel op een kwaliteit. Het hogere is edel, onbaatzuchtig, ruimhartig
en redelijk terwijl het lagere wezenlijk niet deugt en volstrekt afhankelijk is
van de leiding van dat edele hogere.
Hoewel het bij de
begrippen hoger en lager eigenlijk om een kwaliteit gaat zijn ze toch
ook letterlijk op te vatten. Vooral in het verleden was het bij plechtige
samenkomsten de gewoonte van leden van elites hun zetels op verhogingen te
plaatsen en het toespreken van de bevolking dient bij voorkeur nog steeds vanaf
de balkons van indrukwekkende gebouwen te geschieden. Zo zijn er tal van
voorbeelden van letterlijke verheffing boven het volk.
463 Vanwaar nu dat ogenschijnlijke cynisme van de
filosoof? Het antwoord is eigenlijk gemakkelijk te vinden: de kwaliteit van
deze wereld wordt bepaald door de voorstellingen die de heersende elites
koesteren omtrent de werkelijkheid. Volgens die voorstellingen moeten de
'lageren' zich voegen naar de eisen van de 'hogeren' en daarbij gaat het
logischerwijs niet om de belangen en het welzijn van het geheel van de
samenleving, maar om die van de 'hogeren'. Dat is niet in de eerste plaats
omdat die zo egoïstisch zijn, maar vooral vanuit hoogmoed. Die komt
voort uit het voor hen vanzelfsprekende besef een meer ontwikkeld en beschaafd
mens te zijn, eigenlijk zelfs een beter mens te zijn. Een mens die
daardoor het recht en de plicht heeft het gedoe van de mensen in goede banen te
leiden.
In de grond van de zaak
deugt deze situatie niet. De goede dingen die er desondanks toch zo nu en dan
uit voortkomen heffen dat niet-deugen in genen dele op. Daarom zal de creatieve
filosoof bij voortduring op dit inhumane karakter van de alsnog onvolwassen
samenleving blijven wijzen.
464 Met de idealistische Duitse filosofen uit de
vorige eeuw zou men kunnen menen dat het noodzakelijk is dat elites de maat voor
de 'gewone' mensen zijn en dat het alleen maar zaak is dat deze elites leren
zich te baseren op redelijkheid en humaniteit. De 'wijze vorst', de 'verlichte
despoot' zouden in die optiek de idealiteit van de samenleving kunnen en
moeten zijn. Dat wil zeggen: degene in wie het geheel van de samenleving
uitloopt, zeg maar haar slotaccoord.
Zo gedacht hangt de
kwaliteit van een dergelijke 'ideale' samenleving louter af van de humaniteit
van de despoot. Dit kan evenwel onmogelijk iets voorstellen! Aan de bij de
ònvolwassen mens onontkoombare behoefte om zich zoveel als mogelijk te
verrijken, materieel door van alles bij elkaar te stelen en ideëel door aan
zijn medemens zijn wil op te leggen, zal ook die verlichte despoot niet kunnen
ontkomen. Bijgevolg zullen er van die idealiteit niets dan mooie praatjes
overblijven. En eigenlijk blijft er zelfs alleen maar schurkachtigheid over!
Er is geen sprake van
dat er, binnen het kader van genoemde idealistische filosofie, aan het
hiërarchische denken een einde komt. Het volk is en blijft in die optiek het
lagere en dus een onmondig geval dat in alle opzichten geleid moet worden. Het
zal nooit en te nimmer de kans krijgen tot een volwassen, zichzelf besturende,
gemeenschap uit te groeien. Altijd zal het dienen te dansen naar het pijpen van
de vorstelijke elite.
Maar, zo weet de
creatieve filosoof: al is het liedje dat de pijpers spelen nog zo mooi, het
blijft onvermijdelijk dat van een rattenvanger! Hoe je het ook wendt of keert,
steeds zal het volk in slavernij geketend blijven. Maar dat betekent dat de absolute
onafhankelijkheid van de mens - wat toch zijn meest essentiële
eigenaardigheid is - niet tot zijn recht kan komen. Dat leidt
onvermijdelijk tot de conclusie dat tot op heden èlke maatschappij en èlke
gemeenschap niet deugt, niet kàn deugen, zolang en voorzover het verticale
denken, met zijn hiërarchische waarden en normen, nog van kracht is. Het
schijnbare cynisme van de filosoof is dus in feite zuiver realisme!
465 Als men er vandaag op terugblikt lijkt het
alsof er in de decennia na de Verlichting steeds meer aandacht
kwam voor de omstandigheden waaronder het volk leefde. Er werden allerlei
verbeteringen gerealiseerd zodat er, althans met betrekking tot de westerse
wereld, thans nog nauwelijks een vergelijking mogelijk is met de verpauperde
wereld van voorheen. Het leven in die westerse wereld was, behalve natuurlijk
voor de elites, van een afgrijselijke uitzichtloosheid door afstomping,
lichamelijke degeneratie en armoede.
Nu lijkt het er dus op
dat destijds in de elites humane gevoelens en ideeën ontwaakten en dat men de
handen uit de mouwen ging steken om daaraan gehoor te geven en de wereld voor
die paupers te verbeteren. Dat zou dan gebeurd zijn vanuit twee tegengestelde polen:
enerzijds de elites en anderzijds de doorgaans socialistische leiders van de
paupers. Die twee gingen fel tegen elkaar tekeer, totdat tenslotte de
socialistisch ingestelde mensen de overwinning behaalden.
In feite echter waren
het slechts de twee tegengestelde polen van dezelfde zaak. Waarom het
namelijk in werkelijkheid ging was de omzetting van een agrarische, feodale
maatschappij in een grootschalig industriële. En dat was een nieuwe
opvatting van de werkelijkheid die bezig was op te komen in het zelfbewustzijn
van de mensen. Het was het zich doorzetten van de moderne cultuur.
Op grond echter van het
eerder door mij genoemde 'verticale' denken, dat van boven naar beneden werkt,
waren het de elites die deze ontwikkeling voor zich opeisten en in hùn voordeel
gingen uitwerken. Dat betekent in feite dat het onmiddellijk niet meer kon gaan
om de onbaatzuchtige 'verheffing' van het verpauperde volk maar om de belangen
van de elites. En tot die belangen behoorde het dat het volk voorbereid moest
worden op de nieuwe wereld van de grootschalige industriële ondernemingen.
Resultaat daarvan waren de onmiskenbaar gigantische verbeteringen van de
leefomstandigheden van het westerse volk.
Maar, hun slavernij werd
natuurlijk niet opgeheven, want het verticale hiërarchische denken bleef
volkomen intact. Sterker nog, het werd aanzienlijk effectiever! Het ging dus
nog steeds niet om de mensen zèlf, maar om de wereld volgens de elites en dat
is een wereld die, hoe verbeterd desnoods ook, absoluut niet deugt..!
Verlichting-1, Verlichting-2, Verlichting-3, Verlichting-4, Verlichting-5, Verlichting-6
466 In De Grote Vierslag heb ik een
viertal bijzondere criteria voor het zichzelf-zijn van de mens nader
uitgewerkt. Die criteria volgen alle logisch uit de, voor een ieder strikt
persoonlijke, ontdekking dat 'ik' als absoluut eindpunt van het wordingsproces
een vrijzwevend verschijnsel ben. Voor dat verschijnsel is alle
gebondenheid aan en afhankelijkheid van een materieel levensprogramma komen te
vervallen. Maar, wat bijna altijd over het hoofd wordt gezien: het zichzelf
onderwerpen aan het een of andere, door de mens zelf uitgedachte,
niet-materiële programma is eveneens niet op de mens van toepassing. Noch naar
'boven', noch naar 'beneden' is er van enigerlei gebondenheid en
onderworpen-zijn te spreken.
Uiteraard stelt het
leven de mens voor allerlei problemen en opgaven, die welbeschouwd allemaal
hier op neerkomen dat de mens zijn leven veilig moet stellen teneinde
'de avond te halen'. Hij moet dus overleven en dat geldt voor hem als individu,
maar ook voor de menselijke soort als geheel.
Dat veilig stellen van
het leven is een intellectuele aangelegenheid, een zaak dus van het
zelfbewustzijn. Er is immers geen enkel 'instinctmatig' programma door de
evolutie van het leven in de mens ingeprent! Hij moet alles dus zèlf uitzoeken.
Dan kan het niet moeilijk te begrijpen zijn dat de mens gedurende zijn leven op
aarde een aantal ontdekkingen moet doen die het voor hem duidelijk maken wat
zijn plaats in de kosmos is. Zodra hij daar achter komt worden zijn handelingen
vanzelf zinvol en krijgt het leven voor hem betekenis.
467 De vier basale criteria volgen logisch uit
het gegeven van de vrijzwevendheid. De betreffende gedachtegang gaat als volgt:
Als ik niet aan een
programma onderworpen ben is er niets dat voor mij de maat is en dus is voor
mij het een niet meer waard dan het ander. Dat komt er in feite op neer dat er
voor mij geen waarden bestaan. Dat is mijn nihilisme.
Uit dat niet gelden van waarden,
dus uit mijn nihilisme, volgt dat ik mij niet behoef te houden aan plichten die
mij, buiten mijn medeweten, door mensen die zichzelf hoger achten, opgelegd
zijn: wetten, programma's, regels en normen. Bij alle besluiten die ik neem
geldt voor mij dat ik mezelf bestuur en dat is mijn anarchisme.
Vervolgens doe ik de
ontdekking dat mijn nihilisme en anarchisme onmiddellijk inhouden dat de
situatie voor mijn medemensen precies dezelfde is. Ik heb mezelf immers niet
beschouwd als een plaats- en tijdgebonden bijzonderheid, maar als het laatste
verschijnsel dat aan het eind van het wordingsproces te voorschijn is gekomen.
Natuurlijk is iedere mens dat laatste verschijnsel en dus is ieder voor zich
eveneens nihilist en anarchist. Dus: als ìk dat blijk te zijn geldt het
automatisch voor de ander ook. Dat is mijn socialisme.
Tenslotte is er nog een
ontdekking te doen. Als ik en de ander er als nihilist, anarchist en socialist
blijken te zijn is er niemand buitengesloten, om welke reden dan ook, dus
ieders aanwezigheid is volstrekt onvoorwaardelijk. Alle mensen gelden nu naar
hun werkelijke kosmische situatie, zogezegd naar de realiteit, en dat betekent
dat wij nu volledig met zijn allen zijn. Dat is mijn communisme.
Genoemde vier begrippen zijn
'De Grote Vierslag' van het menselijk leven. Zij volgen onmiddellijk en zonder
enige restrictie uit de volslagen vrijheid van de mens, de vrijheid om te
handelen naar de adviezen van het eigen intellect.
468. Als de mens geboren wordt op de planeet wordt
het 'vrijzwevende' verschijnsel geboren. Daaraan komen zonder mankeren de
begrippen nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme mee.
Zij gelden dus meteen. Maar, de mens moet in de loop der tijden zichzelf als
zodanig leren kennen en gedurende die lange leerperiode komen die begrippen
verdraaid, gecorrumpeerd en negatief voor de dag. Daardoor leveren zij in de
praktijk vaak mensen op die eigenlijk de naam 'mens' niet verdienen. Mensen die
er beter niet hadden kunnen zijn opdat zij niet de oorzaak van veel ellende
hadden kunnen worden. Zonder uitzondering zijn dat mensen die op macht uit zijn
en die niet kunnen leven zonder aan dingen waarde te hechten, anderen het recht
te ontzeggen zichzelf te besturen en die derhalve ook zonder problemen het
bestaan van die anderen ontkennen. Van 'met zijn allen zijn' is dan al helemaal
geen sprake, want zij mogen er alleen maar zèlf zijn.
Vaak wordt gedacht dat
het hierbij alleen maar om manifeste misdadigers zou gaan, maar dat is fout
gedacht. Het gaat om een ieder die zich boven de anderen en het andere verheft
en die zichzèlf, desnoods niet eens met zulke slechte bedoelingen, het recht
toekent voor anderen de dienst uit te maken. Dus vallen overheidsdienaren er
onder, geestelijken, politici, managers en zo nog vele anderen. In een alsnog
onvolwassen gemeenschap gelden zij als de besten onder de mensen, maar men moet
hierbij toch terdege in het oog houden dat zij de besten zijn van een slecht
soort. Het soort namelijk van diegenen die in het teken van een corrupte
Grote Vierslag staan...
469. De eerste twee begrippen uit de Grote
Vierslag, namelijk nihilisme en anarchisme zijn uitdrukkelijk
naar binnen gericht. Zij gaan over het handelen van de individu ten opzichte
van zichzèlf: 'ik' hecht geen waarde aan het een noch het ander en 'ik' bestuur
mezelf, volkomen onafhankelijk van iets buiten mijzelf en uitsluitend volgens
de koers die mijn eigen intellect mij ingeeft. Voor het laten gelden van deze
begrippen heb 'ik' dus niemand nodig; 'ik' kan mij niet achter de ander
verschuilen en 'wachten op de laatste idioot' (deze uitdrukking is van wijlen
de filosoof Jan Börger), noch kan de ander beletten dat voor mij die begrippen
geldig zijn. De mens is daar volkomen autonoom in, draagt dus ook in persoon
alle verantwoording, zowel voor het wèl laten gelden als voor het nièt laten
gelden.
Het tweede stel
begrippen, namelijk socialisme en communisme, is naar buiten
gericht: hoe stel ik mij op tegenover mijn medemensen. Je kunt ook zeggen dat
het eerste stel 'individueel' is en het tweede stel daarentegen 'sociaal'.
470. Er moet op gelet worden dat de volgorde van de
genoemde essentiële begrippen beslist geen willekeurige is. Zij volgen telkens
uit elkaar en wel zo dat het volgende niet zonder het vorige te begrijpen is.
Dat leidt er onder andere ook toe dat men niet om de constatering heen kan dat
het tot wasdom komen van bijvoorbeeld het socialisme onmogelijk is zonder een er
aan voorafgaand strikt persoonlijk individualistisch groeiproces.
Deze noodzakelijke
constatering ligt tot op heden niet bepaald lekker op de maag van de mensen.
Ook nagenoeg alle denkers geloven het omgekeerde, namelijk dat juist het sociale
voorondersteld is aan het individuele en dat bijgevolg deze verhouding als
fundamenteel gezien moet worden. Dus: eerst en vooral zou daar de cluster van
de sociale begrippen zijn en vervolgens, daarop ingesteld en daaraan aangepast,
de cluster van de individuele begrippen. Zo zou de mensheid dan tot een min of
meer altruïstisch individualisme moeten komen dat zich volledig richt naar en
onderwerpt aan het sociale. De hoogste deugd van de mens zou dan zijn dat hij
zich schikt naar het collectief waarin hij zich, al of niet per ongeluk,
bevindt.
Het spreekt vanzelf dat
hij hierbij noodgedwongen een deel van zichzelf, als zijnde ònredelijk en zelfs
wel als zijnde schadelijk, terzijde laat. Hij is genoodzaakt dat te
onderdrukken. Voorzover hij daar in slaagt wordt hij gewaardeerd als een
'beschaafd' mens die 'weet hoe het hoort' en die 'rekening houdt met zijn
medemens'. Zijn persoonlijkheid wordt dan voornamelijk bepaald door uitwendige
factoren.
471. Het ligt in de rede dat de beschaafde mensen
van de moderne westerse cultuur hun imago, dat wil zeggen de zichtbare
buitenkant van hun persoonlijkheid, vorm geven aan de hand van uitwendige
criteria. Zij vragen zich dus af: hoe vinden de ànderen dat ik ben?
Dat mag geen wonder
heten want de gehele moderne cultuur is immers gefundeerd op het zich buiten
elkaar bevinden van de dingen! Logisch is het dat daaruit volgt dat de relatie
tussen die buiten elkaar liggende dingen beschouwd wordt als het belangrijkste
wat er in het leven is. Alles draait om de kwaliteit van die relatie.
Op zichzelf is dat
volkomen in overeenstemming met de verhoudingen in de werkelijkheid. Het is
inderdaad zaak dat de afzonderlijke verschijnselen, hetzij de dingen, planten
en dieren, hetzij de mensen, goede betrekkingen met elkaar onderhouden. Maar,
het uitgangspunt is verkeerd en dat houdt automatisch ook in dat de bedoelingen
verkeerd zijn.
Dat uitgangspunt is
namelijk dat het feitelijk om de gemeenschap gaat. Bijgevolg zijn ook
alle inspanningen gericht op het vervolmaken van die gemeenschap, dat geheel.
De uiterste logische consequentie hiervan is dat de mens zichzelf tot slaaf
van het geheel heeft gemaakt. Daarvan zijn op het ogenblik al duidelijke
resultaten waar te nemen, bijvoorbeeld op het terrein van de arbeid en de
sociale voorzieningen.
De mensen bemerken deze
'verslavende' ontwikkeling niet of nauwelijks vanwege het feit dat het tot hun
eigen cultuur behoort om aldus te leven. Het valt hen daardoor niet op dat er
iets vreemds mee aan de hand is. Maar naarmate de trieste gevolgen zich straks
meer en meer gaan laten gevoelen geraken zij in paniek en dan is het bepaald
niet denkbeeldig dat zij op gewelddadige wijze alle ketenen zullen verbreken...
472. Er is in feite maar een enkel redelijk
maatschappelijk uitgangspunt en dat is de mens als individu. Volledig
zichzelf-zijn is het enige dat het intellectuele vermogen tot
gemeenschappelijkheid activeert. Daardoor wordt het mogelijk het samenleven
te bevorderen en te verzorgen. Dan kan er geen sprake van zijn dat de enkeling
zich nog zal moeten onderwerpen aan het geheel. Slavernij is dan volstrekt
uitgesloten.
Het is de individu zèlf
die zich vervolgens naar het uitwendige aspect van zijn bestaan laat gelden.
Hij stelt zichzèlf als 'het geheel' en dat doet hij uiteraard op zijn eigen
persoonlijke wijze. Juist dat persoonlijke is kenmerkend voor de individu als socialist
en communist. Het bevorderen en verzorgen van het geheel, de
gemeenschap, moet dan beschouwd worden als de zuiverste uiting van 'op de ander
gericht mens-zijn'. En dat is mogelijk doordat de individuele voorwaarden
gerealiseerd zijn, namelijk nihilisme en anarchisme.
In deze volwassen
situatie is het de individu die de maat van alle menselijke dingen is. Naarmate
hij daaraan meer gaat voldoen wordt ook het uitwendige aspect van zijn leven
zinvoller.
473. Dat 'volledig zichzelf-zijn' moet niet in psychologische
zin opgevat worden. Het is nog maar de vraag of het mogelijk is dat iemand
volledig inzicht kan krijgen in zijn persoonlijke 'psychologische'
eigenaardigheden. Vele daarvan laten zich zomaar vanzelf gelden en heel vaak
heeft men er niet eens erg in. Zo blijft de zaak dus verborgen, dat is te
zeggen: dat is het geval tot op het moment dat men er aandacht aan gaat
besteden. Dan blijkt ook nu weer dat bij een mens alles herkenbaar en kenbaar
is en vervolgens bestuurd kan worden via besluiten die de mens zelf neemt.
Maar doorgaans komt men
er niet toe alles van zichzelf te kennen. Dat is trouwens lang niet altijd
wenselijk, zeker niet tijdens de voorlopige ònvolwassenheid van de mensen.
Zouden zij alle eigenaardigheden van zichzelf kennen, er zou zeker van
hogerhand misbruik van gemaakt worden met als resultaat dat het hersenspoelen
nog erger zou zijn dan het nu al is. Heel veel intuïtieve uitingen van
menselijkheid zouden, onder invloed van het gangbare beheerszieke onvolwassen
denken, gemanipuleerd worden en zelfs onderdrukt.
Het is eigenlijk maar
gelukkig dat mensen in de praktijk niet alles in eigen hand hebben, hoewel dat
logischerwijs in principe wel mogelijk is en bij de toekomstige volwassen mens
zelfs gebruikelijk zal blijken te zijn.
Maar, het gaat nu niet
over een op psychologische wijze zichzelf-zijn. Het gaat nu over
'fenomenologisch' zichzelf-zijn, dat wil zeggen: zijn zoals men, als het
verschijnsel mens, in de kosmos ontstaan is als resultaat van een materieel
proces. Het gaat dus als het ware over domweg zichzelf-zijn. Dat kan bij
iemand het geval zijn zonder dat deze ook maar iets van zichzelf kent en
begrijpt. Filosofie is beslist niet nodig om een 'behoorlijk' mens te zijn...
474. Al meer dan eens heb ik iets gezegd over de
begrippen juistheid en waarheid. Oppervlakkig beschouwd is weinig
verschil tussen die twee. In het formele logische denken vraagt men zich af of
en onder welke omstandigheden bepaalde uitspraken 'waar' zijn en dan kan men
dat woord zonder enig bezwaar vervangen door het woord 'juist'. Het is
eigenlijk niet eens nodig de formele logica erbij te halen want ook in het
alledaagse spraakgebruik worden bedoelde begrippen moeiteloos door elkaar heen
gebruikt. Toch mag ik niet nalaten er telkenmale op te wijzen dat er wel
degelijk onderscheid gemaakt moet worden, zeker bij het beoefenen van de
filosofie. Meestal voer ik daarbij als voorbeeld aan dat het 'juist' is dat
bepaalde bestrijdingsmiddelen het zogenaamde onkruid uitroeien en de nuttige
gewassen beschermen, maar dat het in geen geval 'waar' is dat die middelen
heilzaam zijn voor de mensheid. De waarheid is dat zij juist
levensgevaarlijk zijn, vanwege het feit dat zij de werkelijkheid verbreken,
in dit geval de organische werkelijkheid.
Een ander, wellicht wat
sprekender, voorbeeld: de in het sprookje van Roodkapje vermelde gebeurtenis
dat de wolf bezit neemt van de mens en haar plaats inneemt, is een volstrekt
onjuiste voorstelling van zaken. Zoiets kàn immers niet! Maar, tegelijk met de
ònjuistheid van die voorstelling is daar de waarheid van het beeld,
namelijk dat het de mens gegeven is zich als een wolf te laten gelden.
En als ik daar verder
over filosofeer wordt die waarheid nog overtuigender door het beeld van de
grootmoeder als 'oermoeder', oftewel Magna Mater. Deze oermoeder wordt door de
mannelijke cultuurmens, die als het alles verscheurende principe geldt,
verzwolgen. Die neemt vervolgens haar plaats in en is daarbij zo onbeschaamd en
doortrapt om zich als het oervrouwelijke voor te doen met de misdadige
bedoeling de gehele mensheid in bezit te nemen. Uiteindelijk ontsnapt de
mensheid daaraan en dat kan omdat zij op haar beurt geldt als Roodkapje,
hetgeen ongetwijfeld wil zeggen dat het gaat over de mens als intellect. Dat is
namelijk de volkomen vrijzwevende mens voorzover die in staat is de juiste
besluiten te nemen. De juistheid van die besluiten dankt die mens aan de
voltooiing van de mannelijke ontwikkeling. Dat is dus een ontwikkeling
die tenslotte aan zijn eind gekomen is en die als zodanig op zichzelf
niet langer mannelijk is. Hoe dan ook, de vertelde voorvallen zijn ten enen
male ònjuist, maar de strekking van het verhaal is waar.
475. Het begrip juistheid behoort bij de
werkelijkheid als voorstelling en het begrip waarheid bij de
werkelijkheid als beeld. Het eerste heeft een uitsluitend karakter en het twee
een insluitend. Daarmee bedoel ik het volgende te zeggen: twee tegengestelde
grootheden kunnen niet tegelijkertijd juist zijn. Juist is òf de ene grootheid
òf de andere. Het gaat er om dat het ene verschijnsel de aanwezigheid van het
andere uitsluit, of omgekeerd. Twee verschijnselen kunnen niet tegelijkertijd
op dezelfde plaats zijn. Uitspraken hierover kunnen juist òf onjuist zijn, maar
nimmer allebei tegelijk. Dit is natuurlijk nader uit te werken, maar in ieder
geval gaat het over de werkelijkheid als voorstelling. Voor de voorstelling
sluit juistheid onjuistheid uit.
Volkomen anders liggen
de zaken bij het begrip waarheid. Als het daarover gaat blijkt steevast
het een het ander in te sluiten. Tegenstellingen kunnen tegelijkertijd waar
zijn, namelijk als het een geleidelijk overgaat in het ander en er dus op geen
enkel moment vast te stellen is of men nu met het een dan wel met het ander van
doen heeft. Steeds treft men nuances van zowel het een als het ander aan.
Hoewel het zeker een
feit is dat in onze huidige cultuur het begrip waarheid weer een eigen
betekenis moet krijgen en niet langer eenzijdig begrepen mag worden als een
andere uitdrukking voor het begrip juistheid, is het beslist ook weer
niet zo dat eigenlijk alleen maar dat eerstgenoemde begrip van belang zou zijn,
zoals sommige min of meer religieuze denkers staande willen houden. Zij menen
dat het alleen maar om de waarheid zou gaan, maar doordat zij het begrip juistheid
niet willen kennen is het hen ook niet mogelijk iets zinnigs over de waarheid
te zeggen. Daarom nemen zij doorgaans maar hun toevlucht tot een of ander
'Woord van God' dat in feite noch met juistheid, noch met waarheid iets heeft
uit te staan. In feite behoren beide begrippen tegelijkertijd tot gelding te
komen, zoals dat eveneens het geval is met de verhoudingen 'voorstelling' en
'beeld'.
476. Niet alleen dat waarheid en juistheid evenals
beeld en voorstelling zonder enige schroom door elkaar gehaald worden, ook de
begrippen totaal en geheel heeft eenzelfde lot getroffen. Zo
beweert men steeds dat het bij de filosoof Hegel om 'het totaal' zou gaan en
dat hij aanspraken zou maken op de 'totaliteit'.
Dat slaat echter nergens
op! Het gaat Hegel om het geheel en dat is een zaak van samenhang, van
in elkaar overgaan en dus van nuances en waarheid. Daarom kon hij dan ook zoiets
beweren als "Ik ben de waarheid en ik zeg de waarheid", een uitspraak
die nu niet bepaald met instemming begroet wordt door de hedendaagse denkers.
Men beschuldigt Hegel steeds van arrogantie en eigenwaan, maar hiermee heeft
dit echter niets te maken. Het slaat louter en alleen op het feit dat Hegel
zich ervan bewust was dat de werkelijkheid, mens geworden zijnde, uitloopt in
het begrip het geheel en dus ook in de waarheid.
Een totaliteit komt niet
verder dan een verzameling, een optelsom van elkaar uitsluitende dingen. Die
verhouding is zeker ook van kracht voor de werkelijkheid en daarom kent de mens
hem, namelijk als de voorstelling. Er is dus niets verkeerds aan, in
tegenstelling tot wat bijvoorbeeld de filosoof Bolland ons trachtte wijs te
maken. Maar Hegel had het over de ultieme menselijke mogelijkheid. Deze geldt
niet als hoger of waardevoller of humaner dan die totaliteit die de
voorstelling is, maar gewoon als uiterste grens. En het is precies deze grens
die door de moderne mens niet meer herkend wordt en bijgevolg rommelt men maar
wat aan met het totaal en het geheel!
477. De term 'het volk' heeft nog
altijd, zij het op verhulde wijze, iets denigrerends. Iets in de geest van
"behalve dat wij er zijn heb je ook nog het volk". Dat zou dan de
onbehouwen, ongeletterde en a‑culturele grote massa zijn die alleen maar
als loonslaven gebruikt kan worden en om de vier jaar als 'stemvee' op mag
treden. Uiteraard zonder echt te weten waarover het gaat. Want wat er werkelijk gaande is in de maatschappij wordt bedacht door
allerlei invloedrijke managers, een handjevol hoge ambtenaren en natuurlijk
vooral ook de grote banken. Al jaren van tevoren worden blauwdrukken
gemaakt, voorbereidingen getroffen en op een uiterst geraffineerde wijze 'gelekt' naar datzelfde
volk, om het rijp te maken voor de verkiezingen. Het heet dan dat het volk op
democratische wijze zijn wil kenbaar maakt, maar in feite heeft het niets te
willen! Elke verkiezing is zodanig voorgekookt dat noch de ene, noch de andere
uitslag de beoogde gang van zaken kan verstoren.
Het is te begrijpen dat
men als de dood is voor referenda,
want die maken het soms mogelijk ergens een stokje voor te steken. Maar, men
heeft zijn intellectuele smoes al klaar: de in een referendum gestelde vragen zouden
ongenuanceerd zijn; belangrijke kwesties kunnen niet met 'ja' of 'nee' afgedaan
worden; de mensen kunnen nooit alle 'ins en outs' overzien, enzovoort. Zonder
enige twijfel is men bang voor zo een vierkante reactie van het volk, want het
is juist die zogenaamde genuanceerdheid die het de machthebbers mogelijk maakt
autocratisch op te treden zonder dat het opvalt. Maar met het toestaan van een
referendum geeft men zijn eigen trukendoos uit handen, namelijk de mogelijkheid
om met een heleboel kleine gedetailleerde stapjes het gestelde doel te
bereiken.
Telkens weer blijkt dat
overheden een heel arsenaal aan slimmigheden ter beschikking hebben om, op
zichzelf volstrekt gerechtvaardigde, verlangens van het volk terzijde te
schuiven. En juist omdàt men hierbij van slimmigheden gebruik maakt, vaak uit
gewoonte, als het eigenlijk helemaal niet nodig is, is het terecht om vast te
stellen dat men eigenlijk heel goed weet dat die verlangens van het volk in de
rede liggen.
Wat is dan de uit al dit
gedoe te trekken, onontkoombare, conclusie? Deze: men acht zich verstandiger,
deskundiger en gekwalificeerder dan het volk en dat niet omdat men dit ook
aantoonbaar en onmiskenbaar is, maar omdat men nu eenmaal hoger staat.
Men rekent zichzèlf tot enigerlei vorm van een hogere werkelijkheid en, daarmee
onverbrekelijk verbonden, de ànderen tot een lagere. Deze infame discriminatie wordt
natuurlijk nimmer openlijk toegegeven! Mogelijk zijn veel leden van overheden zich
er nauwelijks echt van bewust, maar er wordt wel heel bewust naar gehandeld. De
arrogantie waarmee het volk behandeld wordt is duidelijk niet incidenteel, het
is uitdrukking van het basisgegeven van de moderne cultuur, namelijk dat de
werkelijkheid uiteenvalt in een hogere en een lagere, terwijl de verhouding
tussen die twee is dat het om de hogere gaat omdat die in het teken van 'het
goede' zou staan en dat de lagere overwonnen, althans overheerst, moet worden.
478. Je zou
kunnen denken dat de voorstelling van iets hogers dat iets lagers overheerst
een typisch christelijke en in ieder geval een godsdienstige is. Dat is echter
niet juist, de zaak ligt totaal andersom: een dergelijke voorstelling omtrent
de werkelijkheid blijkt de ideale voedingsbodem voor godsdiensten zoals
de christelijke en de mohammedaanse. Deze beide godsdiensten hebben zich
zo breed kunnen maken doordat de vereiste tweedeling in hoger en lager reeds
tenvolle in het zelfbewustzijn van de mensen aanwezig was. Bijgevolg zullen zij
pas dan verdwijnen als de moderne cultuur aan haar einde gekomen is en dan niet
langer lijdt onder de waan van genoemde tweedeling.
Die waan gaat door alles
heen. Tegenwoordig manifesteert hij zich op een heleboel verschillende
manieren. Uiteraard bij overheden en politieke partijen. Maar daarnaast zijn
talloze sekten, alternatieve bewegingen, occulte genootschappen en dergelijke
op die waan gebaseerd. Zelfs vele wetenschappelijke speculaties zijn er door besmet,
zoals bijvoorbeeld de gedachte dat men door te klonen betere mensen zou kunnen
maken! De cruciale vraag hierbij is immers niet of dat klonen al of niet
ethisch is, maar wat men zich voorstelt van een 'beter' mens. Ongetwijfeld gaat
het hierbij in wezen om een hogere uitgave van de mens!
Referendum ; Zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak
nr. 2 ; Sekten
-A ; Sekten -B
479. Het is filosofisch verantwoord om het begrip geloof
naar een tweetal betekenissen uiteen te leggen. De eerste en eigenlijk oudste
betekenis is die van 'zien' en de tweede, die voornamelijk in de cultuursfeer
van de westerse wereld ligt, is die van 'aannemen'.
De inhoud van het begrip
zien had het karakter van een evidentie, iets wat als een
klaarblijkelijke waarheid werd beschouwd. De mens 'ziet' hoe de werkelijkheid
is. Dat geldt zonder meer voor hem en dat kan niet anders, want de mens is zèlf
tenvolle de werkelijkheid. Ook en vooral het concreet bestaande individu is
dat. Er is geen afstand tussen dit individu en de werkelijkheid, hij vormt er
een onverbrekelijke eenheid mee.
Niet dat hij zichzelf
beschouwt als iets aparts dat zich op de een of andere manier verbonden
of versmolten heeft met het àndere wat voor hem de overige werkelijkheid is!
Hij ervaart zichzelf noch als versmolten, noch als verbonden met de rest: hij
is zèlf het geheel van alles, zij het op zijn eigen bijzondere wijze.
Omdat de vroegere mens
zichzelf aldus begreep was het voor hem zonder meer vanzelfsprekend dat het
zien hoe de werkelijkheid is een klaarblijkelijke waarheid opleverde, een
evidentie.
480. Essentieel voor het doorgronden van genoemd
begrip zien is dat de toenmalige mens zichzelf als een, desnoods
gebrekkige, manifestatie van 'de' waarheid ervoer. Dat kon voor hem het geval
zijn juist omdàt hij zelf die eenheid met de werkelijkheid vormde. De waarheid
omtrent de werkelijkheid hield onmiddellijk de waarheid van hemzelf in. Zo kon
de gesublimeerde mens in het Evangelie zeggen: "Ik ben de Weg, de Waarheid
en het Leven". Dat was geen opmerking van een zogenaamde objectieve
beschouwer die iets over zichzelf naar voren bracht. Het was de mens zèlf die
iets over zichzelf uitte en dat kon doen omdat hij nog in het teken van het
'zien' stond.
Met de komst van de
westerse cultuur vervalt de onmiddellijke eenheid van mens en
werkelijkheid. Doordat men nu scheidingen gaat aanleggen komt de individuele
mens los te staan van het geheel. Dat is trouwens met alle verschijnselen het
geval. Het gaat nu in feite niet langer over een 'geheel' maar over een
'totaal'. Doordat die nieuwe mens geen onmiddellijke waarheid meer kent, en al
het overige zich buiten hem bevindt, moet hij een eventuele waarheid van
buitenaf binnen gaan halen. Dat betekent dat hij voortaan van iets overtuigd
moet worden en dat hij, als dat overtuigen geslaagd is, de betreffende zaak voor
juist aanneemt. Hij neemt de zaak letterlijk aan. Het oorspronkelijke zien
is nu vervangen door aannemen en het beide begrippen dekkende begrip geloof
heeft nu een verschuiving ondergaan. Ging het voordien over een vrijwel
absolute stelligheid, nu is het wezenlijk een twijfelachtige zaak geworden die
een zo grondig mogelijke bewijsvoering van node heeft om op enige zekerheid
aanspraak te kunnen maken. In het westerse taalgebruik gaat men een dergelijke
zekerheid onderbrengen in de rubriek 'weten' en 'wetenschap', waarbij men maar
al te graag probeert te vergeten dat het uit de aard der zaak onvermijdelijk
allemaal twijfelachtig is. Uiteindelijk moet gesteld worden dat het allemaal
een zaak van 'geloof' is, zij het dan een geloof dat, ten gevolge van grondige
bewijsvoering, op 'aannemen' berust. Daarom pleeg ik te zeggen dat het nu
draait om de juistheid van datgene dat men aanneemt. In het geval van
'geloof' in de betekenis van 'zien' draait het om de waarheid van de
dingen. Net zo goed als men zaken kan aannemen die geen aanspraak op juistheid
blijken te kunnen maken kan men met een valse waarheid opgescheept blijken te
zitten. Ik wil dus niet beweren dat èlke waarheid 'waar' is! Heel vaak blijkt
dat niet het geval te zijn, vooral als mensen, die in de westerse cultuur
geworteld zijn, beweren het 'zien' te beoefenen en van daaruit met fantastische
filosofieën op de proppen komen. Het begrip zien is een volslagen leeg
begrip als er niet onmiddellijk aan meekomt dat men zijn inzichten voortdurend
in alle opzichten toetst op onverbrekelijke logische samenhangen.
481. In zekere zin leidt de uitwikkeling van de
democratische moderne mens op den duur terug tot de 'oermens', met alleen dit
onderscheid dat deze nieuwe oermens zijn oorspronkelijke aanleg ontwikkeld
heeft tot een zelfbewuste samenhangende cluster van kennis en bekwaamheden. Hij
is een volwassen mens geworden. Die volwassen mens loopt niet uit in een
onderdeel van een democratische samenleving, wat natuurlijk altijd nog in de
eerste plaats een collectief is, maar daarentegen in een zelfstandig en
volstrekt onafhankelijk, zichzelf besturend, individu.
Het nieuwe van deze
individu is, behalve in zijn talloze bekwaamheden, gelegen in zijn optimale democratische
gezindheid. Deze gezindheid is niet, zoals tot op heden, een afgeleide van
het instituut 'democratie', maar daarentegen van de mens als volwassen
individu, 'de' individu! Uitgangspunt is dus niet het collectief, maar juist de
individu. Deze is het die zichzelf mede als lid van een samenleving laat
gelden. Dit lidmaatschap is gebaseerd op een van zijn vele mogelijkheden. Het
is het vermogen buiten eigen grenzen te treden en zodoende zichzelf als 'ik'
onmiddellijk te laten samenvallen met zichzelf als 'wij'.
482. Het komt de tot op heden heersende
machthebbers goed uit de mensen de voorstelling in te prenten en deze
zorgvuldig in stand te houden dat de mensen 'burgers' zouden moeten zijn, het
liefst 'staatsburgers'. Die voorstelling echter berust op een waan, die
overigens voor die machthebbers uitermate lucratief is! Zolang mensen 'burgers'
willen zijn blijft het collectief in stand en daarmee onafwendbaar ook de,
almaar zichzelf bevestigende, bovenlaag.
Dankzij dit inprenten
gelooft nog steeds nagenoeg iedereen dat 'de mens als individu' een
fundamentele, en dus onoplosbare, tegenstelling vormt tot 'de mens als
gemeenschap'. En inderdaad, gezien vanuit de 'staatsburger' is die
tegenstelling er en hij is niet op te lossen. Maar de fout ligt bij het begrip staatsburger!
Die bestaat namelijk niet. Er is alleen maar de individu en zijn sociale
vermogens zijn van diens volwassen individualisme afgeleid.
483. De 'individu' is de volwassen mens. Het kenmerk
van volwassenheid is dat alles er uitgekomen is wat er vanaf de aanvang in zat.
Als je daarover filosofeert blijkt de kernvraag te zijn: wie is de mens en wat
ligt er in hem klaar om te zijner tijd tot ontplooiing te komen? Ideeën over de
toekomst van het menselijk samenleven zijn in wezen een, bijna steeds
misleidende, slag in de lucht als je niet eerst zorgvuldig, en uiteraard met
vermijding van ongerijmdheden, hebt nagegaan wat er nu eigenlijk te voorschijn
is gekomen toen het verschijnsel mens zich op de planeet aandiende.
Klaarheid in deze
kwestie is niet van de wetenschap te verwachten omdat haar geen concrete
aanwijzingen ter beschikking staan. Onderzoek kan bijgevolg niet uitwijzen hoe
het zit met de mens. Slechts wat hij onder allerlei omstandigheden vertoont
kan object van onderzoek en dus van wetenschap zijn. Daarvan kan een
voortreffelijk overzicht gegeven worden, goed geordend en op plausibele wijze
ingedeeld in relevante rubrieken. Maar al die wetenswaardigheden geven op
zichzelf geen inzicht in het vrijzwevend verschijnsel mens, zoals dat in de
kosmos opkomt. Alleen filosofisch nadenken kan in dit soort kwesties
klaarheid brengen.
484. Al die wetenswaardigheden, waarmee
de wetenschappers komen en die tegenwoordig het denken van de mensen bepalen,
zijn in feite alleen maar interessant. Zij leren ons niets over dat
merkwaardige verschijnsel mens. Dat bijvoorbeeld uit onderzoek is gebleken dat
dit verschijnsel in het verleden behoorlijk gewelddadig was lost niets op als
het gaat om de vraag of 'de' mens gewelddadig is. Het vertonen van
gewelddadigheid behoeft volstrekt niets te zeggen over het al of niet wezenlijk
gewelddadig zijn.
Juist de wijze waarop de
mensen het begrip gewelddadigheid hanteren wijst er op dat het over iets
uitzonderlijks en niet over iets wezenlijks gaat. Van de dieren vindt men
bijvoorbeeld niet dat die gewelddadig zijn! Ook als men het niet bepaald kies
vindt dat de poes een vogeltje vangt en verslindt geeft men toch, zij het vaak
schoorvoetend, toe dat dit gedrag bij de poes behoort en dus volkomen
'natuurlijk' is! De poes is niet gewelddadig, haar gedoe berust niet op
wreedheid en haar doden
is geen moorden.
Maar de mens heeft
aangaande zichzelf wèl de conclusie getrokken dat hij bij gelegenheid niet
deugen wil, wreed is en in feite een moordenaar. Juist dergelijke conclusies
geven onmiskenbaar aan dat wij, zij het doorgaans heel in de verte, beseffen
dat de gewelddaad iets uitzonderlijks is dat in wezen niet bij de mens
behoort. Dit blijft gelden ook als onderzoek laat zien dat dit uitzonderlijke
gedrag schering en inslag is.
doden-1(nos.448t/m449)
; doden-2(484 t/m
493) ;
( Doe uzelf een plezier en bestudeer
deze bundel in zijn geheel.)
485. Natuurlijk is het veelzeggend dat weldenkende
mensen geweld nadrukkelijk àfwijzen. Alleen, zij denken dat de mens tot
'zelfbeheersing' moet komen opdat hij zijn eigen negativiteiten niet meer zal
kunnen en willen uitleven. Zij dichten hem dus een intrinsieke 'slechtheid'
toe. Als regel verklaren zij die zogenaamde slechtheid uit zijn natuurlijke
afkomst. Het stoffelijke is de boosdoener! Dat is merkwaardig: men beschouwt
het 'eten en gegeten worden' in de natuur als iets normaals, maar het
natuurlijke in de mens blijkt plotseling iets verwerpelijks te zijn dat zo gauw
mogelijk overwonnen moet worden, ondanks het feit dat men er tegelijkertijd ook
van overtuigd is dat het de mens helaas ingeboren is.
Men voelt in de verte
terecht aan dat gewelddadigheid eigenlijk niet bij de mens behoort, maar omdat
men er nog steeds niets van begrijpt neemt men zijn toevlucht tot het geloof
dat de mens op den duur zichzelf zal moeten en kunnen beheersen.
486. De filosofisch in alle opzichten verantwoorde gedachte
dat de mens wezenlijk geweldloos, zachtmoedig en vredelievend, zorgzaam en
hulpvaardig zou zijn wordt over het algemeen resoluut àfgewezen met, uiteraard,
een beroep op die eerder genoemde, door de wetenschappen verstrekte,
wetenswaardigheden. Daaruit zou zonneklaar blijken welk een schurk 'de' mens
wezenlijk is.
Maar nogmaals: als je
hierop eerlijk doordenkt blijkt er alleen maar uit dat de mens zich gedurende
zeer lange tijd als een schurk manifesteert, maar beslist niet dat hij een
schurk is.
Het is hem overigens
mogelijk zich op oneindig veel manieren te manifesteren omdat bij hem:
a) in bevestigende zin
àlles mogelijk is, dus enerzijds het zich manifesteren als een schurk, maar
anderszins ook als een heilige, en uiteraard alles wat daar tussenin ligt, en:
b) in ontkennende zin
omdat hij zichzelf volkomen kan uitschakelen, dus ook zijn eigen 'in orde
zijn', oftewel 'deugen', maar gelukkig ook zijn eigen schurkachtigheid.
487. Het behoeft geen verwondering te wekken dat de
mens zich op velerlei manieren kan manifesteren. Hij kan alle kanten op omdat
hij nu eenmaal nergens aan gebonden is en zich daarenboven ook nog eens op het
ene moment op de ène manier en op het andere moment op een volstrekt
tègenovergestelde manier kan manifesteren. Op zichzelf is dat dus eigenlijk
niets bijzonders, zoals onder anderen Dostojewski indertijd geprobeerd heeft
duidelijk te maken. Hij vertelde over het tegelijkertijd samengaan van
onmetelijk diepe afgronden van de menselijke 'ziel' met onvoorstelbaar
'goddelijke' hoogten. Dat ging dan over de naar zijn inzicht typisch Russische
mens, maar aangezien die mens in aanleg universeel is kan men zonder
bezwaar stellen dat Dostojewski het in feite over 'de' mens had.
Wat echter op het eerste
gezicht wel verwondering wekt is de eigenaardigheid dat de mens zèlf, tot op de
dag van vandaag, volstrekt in het duister tast omtrent zichzelf. Het is
natuurlijk slechts van beperkte geldigheid, maar ik moet toch zeggen dat ik nog
nooit een publicatie onder ogen gekregen heb waaruit onmiskenbaar bleek dat de
schrijver inzicht had in de uiterst merkwaardige positie van het verschijnsel
mens. Inderdaad, soms zit men er dicht tegenaan, heeft het in principe zelfs
bij het rechte eind, maar dan kan men het weer niet voor elkaar krijgen het
geheel van de zaak zonder waardeoordelen te bekijken. Gevolg: het zou dan
bijvoorbeeld om 'het hogere in de mens' gaan en tegelijkertijd zou 'het lagere'
iets verwerpelijks zijn waarvan de mens zich op den duur zou moeten bevrijden.
Meestal komen de denkers er dan op uit dat de mens zich als een 'geestelijk',
een 'redelijk', een 'sociaal' wezen zou moeten gaan gedragen.
Sommigen hanteren
daarbij het Griekse begrip metanoia en dat houdt in dat de mens zich
moet herzien, een andere kijk op de werkelijkheid en zichzelf moet krijgen en
zich daarbij op de een of andere manier 'in de liefde' moet opofferen. Hoe dan
ook, de verwarring wordt alleen maar groter! Want hoe kun je nu als mens gaan
deugen als je een stuk van jezelf moet amputeren?
Tegenwoordig komt daar
ook nog eens bij dat de techniek almaar verder voortschrijdt zodat men over
nieuwe mogelijkheden gaat fantaseren om via allerlei technische ingrepen aan de
mens te gaan sleutelen. Het veranderen van de DNA‑structuur bijvoorbeeld
zou het mogelijk maken een 'beter' mens te creëren.
Buiten het denken blijkt
de eenvoudige logische vaststelling te vallen dat een mens die bepalen kan wat
een 'beter' mens is logischerwijs al een beter mens moet zijn en dus zijn tijd
verdoet met het proberen een beter mens te worden. Desondanks zeggen de
geestelijken, de politici, de wetenschappers en zo nog wat andere moralisten te
streven naar een 'betere' mens! Als die lui het voor het zeggen krijgen, en tot
op zekere hoogte hebben zij het altijd al voor het zeggen, staat de mensheid
nog wat te wachten: Brave New World...
488. De mens behoeft helemaal niet te veranderen.
Hij behoeft er alleen maar achter te komen wie en wat hij eigenlijk is. Op het
moment dat hij zichzelf als dat complexe geval onvoorwaardelijk accepteert,
zonder zichzelf in meer of minder waardevolle eigenaardigheden op te splitsen,
staat hij open voor zichzelf als bewustzijn, met als onvermijdelijk
gevolg dat hij de totale werkelijkheid, inclusief natuurlijk zichzelf, als èèn
in zichzelf samenhangend geheel gaat ervaren. Is dat eenmaal het geval, dan
vervalt al het tot dan toe gebruikelijke moralistische getreiter met normen en
waarden, dat hij zichzelf en anderen voortdurend aandoet. En zo houdt hij ook
op met, op iets zogenaamd hogers gestoelde, dwingende voorschriften, met
collectivistisch onpersoonlijk recht, met die onuitstaanbare ethiek en met nog
een heleboel andere ergernissen!
Met recht zal men dan
zeggen: "Laat me met rust, ik zoek het zelf wel uit"! En daarbij zal
de werkelijkheid als bewustzijn, waar niets en niemand buitengesloten is,
feilloos als baken dienen...
489. Vooral in de Angelsaksische cultuur wordt het
beoefenen van zelfbeheersing als de enig juiste methode gezien om bepaalde, op
een zeker moment als ongewenst beschouwde, driften in bedwang te houden. Dat
gaat als regel zover dat men zich niet meer uitsluitend tot zulke driften
bepaalt, maar zelfs het gehele gedrag aan rationele methodieken onderwerpt.
Doormiddel van die methodieken wordt dan voorgeschreven en ingeprent 'hoe het
eigenlijk hoort', dus welke gedragingen men van iemand mag verwachten als hij
of zij als een 'beschaafd' mens beschouwd wenst te worden. Alleen zo'n beschaafd
en 'welopgevoed' mens kan aanspraak maken op een volwaardig lidmaatschap van de
maatschappij. Vrijwel het gehele sociale leven staat in het teken van deze
'etiquette', dit uitgebreide complex van beleefdheidsvormen. Zoals gezegd wordt
dit in de typisch Angelsaksische, en met name de Britse, cultuur buitengewoon
serieus genomen. De 'gentleman' en de 'lady' zijn eigenlijk meer een soort van
marionetten dan levendige mensen, althans voorzover het gaat over hun
omgangsvormen. Hun werkelijke gedoe blijkt vaak bitter tegen te vallen...
De ondergrond van dit
hele gedoe is het, voornamelijk òngekende, besef dat de mens wezenlijk individu
is, hetgeen logischerwijs ook inhoudt dat er in feite niets en niemand is die
hem de wet kan stellen, terwijl er tegelijkertijd toch 'ergens' een universeel
voorbeeld van 'deugdzaamheid' moet zijn. Een voorbeeld van waaruit men dat
onbegrepen besef ondergaat.
490. Dat onbegrepen en
onbegrijpelijke besef van wezenlijk individu-zijn leidt ertoe dat er in alle
tijden en in alle culturen een als universeel geldend voorbeeld door de elites
gesteld is, vervolgens in wetten en voorschriften verwoord en met al of niet
lichamelijk geweld afgedwongen is. Maar, intussen had men geen flauw benul van
de aard ervan, laat staan dat men dat voorbeeld als een volstrekt
onvoorwaardelijke en onafhankelijke zaak in de individu zelf wist te situeren.
En als enkelen dat laatste toch deden, konden ze onmogelijk verder komen dan de
mening dat het om een speciale, dwingende 'redelijke' instantie in de
mens ging. Een soort van innerlijke, maar wel degelijk 'hogere', wet waaraan
zonder meer gehoorzaamd moest worden.
Eerder genoemde elites
waren overigens uitgekookt genoeg om van dat vage besef van een in de mens
aanwezig 'voorbeeld' gretig gebruik te maken! Uiteraard zoals elites altijd
doen! Zij gaan dus de wet stellen, niet alleen voor zichzelf maar vooral ook
voor de anderen, in casu de 'onontwikkelden', de 'lageren', het 'volk'.
Dat is op zichzelf
zonder meer onredelijk, maar tegelijkertijd moet opgemerkt worden dat die
elites nu juist 'elites' zijn vanwege het feit dat zich in hen bepaalde
universele intuïties doen gevoelen. In dit geval gaat het om de intuïtie dat er
een universeel voorbeeld voor deugdzaamheid is. Maar die intuïtie verschaft hen
verder natuurlijk geen enkele duidelijkheid, behalve deze dat hij zich
uitstekend gebruiken laat om de eigen particuliere zelfverwerkelijking
als individu te bevorderen.
Overigens wordt maar al
te vaak vergeten dat die particuliere zelfverwerkelijking van de elites, dus
het nastreven van het eigenbelang, onvermijdelijk zijn terugkoppeling vindt in de emancipatie van
die zogenaamde ònontwikkelden. In de moderne sfeer van vervlakking en
gelijkschakeling wil men er niet van horen, maar in een alsnog ònvolwassen
mensheid zijn er nu eenmaal mensen in wie een sterkere intuïtie omtrent
bepaalde aspecten van het mens-zijn aanwezig is. Uiteraard is dat op geen
enkele wijze een vrijbrief voor het dictatoriale en autoritaire gedrag dat
elites kenmerkt. Juist dat gedrag laat zien dat het nog slechts om intuïties
gaat en nog lang niet om inzicht.
491. Zouden we
werkelijk met inzicht van doen hebben, het betrekkelijke 'vooraan lopen'
van de elites zou een grote mate van verantwoordelijkheid en dienstbaarheid
met zich brengen, twee essentiële begrippen met betrekking tot elites. En ook
wat dit betreft is weer op te merken dat er een vermoeden bestaat omtrent de
ware verhoudingen: tot op heden laten elites zich inderdaad voorstaan op de
verantwoording die zij zeggen te dragen en het welzijn dat zij zeggen te
dienen. Zij doen het in grote ernst voorkomen alsof zij de 'hoeders' van hun
medemensen zijn! Maar dat zijn gewoonlijk alleen maar woorden om de aandacht af
te leiden van het, overigens welhaast ònvermijdelijke, dienen van de belangen
van hun soortgenoten, de overige leden van de elites. Verantwoordelijk zijn
tegenover de medemens betekent bij de elites in het beste geval verantwoording
dragen tegenover hun gelijken. De dienstbaarheid gaat niet verder dan die
aan... de elite! Het zijn immers ook weer elites die in staat zijn en het recht
hebben verantwoording te eisen.
Leden van een regering
verantwoorden zich tegenover volksvertegenwoordigers die zeggen namens het volk
te spreken en te handelen, maar die, zelfs àls dat inderdaad het geval zou
zijn, toch zelf onvermijdelijk ook tot een elite behoren. En het is niet
moeilijk te bedenken en vast te stellen dat deze parlementariërs zonder schroom
het standpunt "eigen volk eerst" huldigen. Hun salarissen
bijvoorbeeld, met de daarbij behorende periodieke verhogingen, worden als
eerste veilig gesteld, of er nu bezuinigd moet worden of niet.
492. Natuurlijk klinkt het filosofische verhaal
over de menselijke werkelijkheid uitermate cynisch! Het lijkt wel alsof er nu
helemaal niets goed is! Maar dat cynisme komt niet voort uit de in de filosofie
beschreven situaties. Dat zou immers betekenen dat het ook ànders en beter zou
kunnen. Maar het kan nièt anders en beter, dat wil zeggen: fundamenteel anders
en beter.
De ontwikkeling van de
mensheid is nog niet zover gevorderd dat de zaken op een volwassen manier
geregeld kunnen worden. Daarom ligt het in de rede - hoe merkwaardig het ons
ook voorkomt - dat de elites, en natuurlijk ook de 'gewone' mensen, doen wat
zij doen en daaraan als aan een soort van noodlot gebonden zijn. Ten aanzien
hiervan past geen cynisme, want er is redelijkerwijs alleen maar te zeggen dat
zij niet kunnen weten wat zij doen.
Het tegen dit doen en
laten agerende wèrkelijke cynisme van zich 'links' noemende politieke
geestdrijvers is dan ook in feite door en door onredelijk, reden waarom het steeds
door de geschiedenis wordt ingehaald en stillekens verdwijnt. Hoe goed het vaak
ook bedoeld wordt, het slaat nergens op en is er een duidelijk blijk van dat
men absoluut niet in de gaten heeft wat er nu werkelijk gaande is in de
menselijke ontwikkeling tot volwassenheid.
493. Dat 'filosofische cynisme', dat in feite niets
anders is dan een onverbloemde tekening van de realiteit, komt voort uit de
omstandigheid dat vooral de moderne onvolwassen mens almaar een verkeerde
voorstelling heeft van zijn werkelijkheid en zelfs regelmatig liegt over zijn
feitelijke gedoe in deze wereld. Hij stelt het steeds anders voor dan het is,
terwijl hij bijna altijd weet en voelt dat zijn werkelijke drijfveren tegengesteld
zijn aan zijn fraaie, op een zekere mate van intuïtie berustende verklaringen.
Cynisme past dus deze, in feite vermijdbare, dubbelhartigheid en niet het feit
dat elites hun eigen wereldje voor 'de' werkelijkheid houden. Dit laatste is
immers aan de onvolwassen mens inherent!
doden-1(nos.448t/m449)
; doden-2(484 t/m
493)
494. Een elite is nog lang geen elite als er alleen
maar 'elite' op staat. Zeker in deze moderne tijd verbeelden een heleboel
'nitwits' zich dat zij onder de mensen iets heel bijzonders zijn. Hoe
paradoxaal het ook klinkt: dit wordt voornamelijk in de hand gewerkt door de
praktijk van de vervlakking. Men behoeft zich alleen nog maar iets te
verbeelden. En doordat men geen oog meer heeft voor het wezenlijk bijzondere
karakter en de speciale aanleg van sommige mensen, kunnen allerlei blaaskaken
zich onbelemmerd naar voren schreeuwen en daarmee de valse indruk wekken iets
bijzonders te zijn.
Het is beslist niet
toevallig dat, bijvoorbeeld op radio en televisie, het geschreeuw de boventoon
voert en dat het ook de schreeuwers zijn die er angstvallig voor waken dat
mensen met ideeën niet aan bod komen. Een ieder die iets betekent en die dus
iets te zeggen heeft moet op de achtergrond gehouden worden en mag hoogstens
een paar seconden iets zeggen. Dat mag natuurlijk niet al te moeilijk zijn! En
zelfs dat weinige wordt dan nog onmiddellijk overschreeuwd door gekwalificeerde
'tegensprekers' die zich erin bekwaamd hebben overal 'zakelijke' kritiek op te
leveren. Want aan een idee mag geen waardering ten deel vallen en zoiets mag al
helemaal niet populair bij de gewone mensen worden. Vervlakking en een volkomen
uitgehold begrip van wat elites nu eigenlijk zijn leiden tot het zich breed
maken van lieden die geen last hebben van ideeën, bekwaamheden of kennis van
zaken.
495. Het is noodzakelijk
dat de mensen, voorzover voor hen het begrip relatie geldt, met elkaar
regelingen treffen om de materiële kant van het leven goed te verzorgen. Deze
regelingen verdragen geen agressiviteit. Ze zijn immers op de relatie gegrond
en dat houdt in dat er zoiets als 'verstandhouding' moet zijn en 'overleg' en
natuurlijk ook een zekere mate van 'inschikkelijkheid'. Agressiviteit is aan
dat alles tegengesteld, gebaseerd als dit is op scheiding en polarisatie.
Machtsvertoon, bijvoorbeeld in de vorm van martiaal militaristisch gedrag is
dan ook idioot als je de menselijke werkelijkheid nuchter bekijkt.
Het is inderdaad waar
dat de moderne, voornamelijk westerse, democratieën dergelijk agressief vertoon
grotendeels afgeschaft hebben. Maar, tot aan de tweede wereldoorlog was die
zwaarwichtige aanstellerij nog normaal. Bij plechtigheden zag men voornamelijk
rijk versierde uniformen waarin lieden staken die, zelfs vanaf enige afstand
zichtbaar, opvielen door hun geborneerde domheid. Stramme bewegingen, plechtige
gezichten voorzien van indrukwekkende knevels en een overduidelijk gebrek aan
humor spraken wat dit betreft voor zichzelf. Vooral bij de Duitsers en de
Fransen was dat het normale beeld. De kwaliteit van een staat werd toentertijd
dan ook afgemeten aan de krijgshaftige kracht van het leger! Thans komt dat verschijnsel
alleen nog maar voor in achtergebleven samenlevingen. Hoe armer en asocialer zo
een samenleving, hoe martialer de gezagsdragers.
496. Ook tegenwoordig viert de domheid
onvermijdelijk nog steeds hoogtij, maar in de moderne wereld is dat een geraffineerde
domheid geworden, culminerend in die van de intellectuele toplaag van onze
samenleving. Het is een domheid die een gedegen wetenschappelijke ontwikkeling
heeft doorgemaakt en die aangetroffen kan worden bij moderne, hoogopgeleide
academici. Hun domme voorstelling van de werkelijkheid is intussen tot in de
kleinste details uitgewerkt en in weergaloos knappe systemen ondergebracht.
Hoezeer deze academici
echter ook blijk geven van wijsgerige onbekwaamheid, zij zijn in ieder geval
het primitieve stadium van het martiale vertoon gepasseerd. Men zou
kunnen zeggen dat zij zich gedragen als 'gewone' mensen, normaal in het kostuum
gestoken en zich bedienend van een normale taal.
Ook is het een feit dat
de regelingen in een moderne maatschappij steeds meer toegesneden zijn op de
burgers. Dat zulke regelingen doorgaans niet veel goeds voor die burgers
betekenen doet nu even niet terzake. Het kan nu eenmaal niet anders in een
onvolwassen wereld met een alsnog infantiel individualisme. Voor de in
die wereld maatgevende managers is de samenleving een intellectueel object
waarvoor uitsluitend de bij zo een object behorende criteria van waarden,
normen en belangen de maat zijn.
De volgens algemeen
aanvaarde normen, planmatig geconstrueerde, wereld van de managers is 'de'
wereld. Hoewel deze zinsbegoocheling in feite natuurlijk onvoorstelbaar dom en
kinderachtig is, moet er toch bij opgemerkt worden dat het een verbetering is
vergeleken bij het vroegere martiale vertoon.
497. Ondanks een onmiskenbare vooruitgang in de
moderne westerse wereld is er een gestage verwaarlozing van het enige dat
wèrkelijk essentieel is voor de mensen, namelijk de liefde. Uiteraard gaat het
hierbij niet om iets 'hogers' of iets dat 'nagestreefd' moet worden of
'onderwezen' op de scholen. Het gaat om het zichzelf beleven van de
mensen. Dat heeft uiteraard ook betrekking op de werkelijkheid als zodanig. En
dan gaat het om een beleven 'naar waarheid', dus in overeenstemming met de
realiteit van datgene dat er werkelijk is.
Naarmate de mensen tot
redelijker, of beter gezegd 'verstandiger', regelingen komen geraakt het
ineenzijn meer op de achtergrond. Die regelingen immers zijn noodzakelijkerwijs
voorafgegaan door diepgaande analyse en dat leidt tot het vervallen van de
betrekkingen tussen de dingen. Daarmee gaat ook het zicht op de samenhang en
dus ook het gelden van het begrip ineenzijn verloren. Er ontstaat dan in
toenemende mate een liefdeloze, kille, rationele wereld. Maar diezelfde,
betrekkelijk ònleefbare wereld is wel steeds beter geregeld. Dat geeft een
vreemde paradox die menigeen in hevige verwarring brengt...
498. Hoewel men veel kritiek op de moderne wereld
kan hebben, zeker nu het individualisme definitief
doorgebroken is, mag men de ogen toch niet sluiten voor het feit dat over de
gehele wereld de moderne mensen volop bezig zijn hun zaken beter te regelen.
Dat lijkt een weinig
realistische uitspraak! Omdat het individualisme, nu bedoeld in de zin van een
ontwikkelingsproces van de mens als 'de' individu, nog pas sinds kort als
maatgevend cultuurthema is gaan gelden kan er, zoals ik al zo vaak heb
benadrukt, nauwelijks iets anders dan ellende aan meekomen. Die ellende
berust op het feit dat 'het een' zich onverbiddelijk los maakt van 'het ander'.
Dus maken ook de mensen zich los van elkaar. Dat komt onder andere voor de dag
als het vervallen van solidariteit, mededogen en gemeenschapszin,
alsmede een groot aantal min of meer redelijke normen en waarden. In feite zijn
het natuurlijk de vele varianten van het collectivisme die ten onder
gaan. Niet alleen dat de overheidsdiensten geprivatiseerd worden, terwijl zij
tot voor kort allemaal beschouwd werden als dienstig aan het collectief van de
maatschappij, maar ook dat de afzonderlijke mensen zich meer en meer als
geïsoleerde grootheden gaan laten gelden. Dit laatste valt aanvankelijk niet zo
erg op doordat het ingedeeld zijn in bepaalde maatschappelijke posities nog op
de voorgrond staat, zoals vooral bij diegenen die van de collectieve regelingen
afhankelijk zijn het geval is. Wat echter wèl steeds meer bij die mensen opvalt
is het toenemen van de armoede door het in snel tempo verpauperen van alle
voorzieningen die uit het vroegere collectief voortkwamen.
Gezien in het licht van
genoemde verpaupering is de uitspraak dat de mens van de moderne cultuur bezig
is zijn wereld steeds beter te regelen op zijn minst bevreemdend!
Hopelijk wekt het minder
bevreemding als ik er ter verduidelijking op wijs dat al die ellende juist
noodzakelijkerwijs meekomt met het pogen de zaken te verbeteren. Omdat dit
pogen in het licht van de mens als individu staat, wat op zichzelf een noodzakelijke
ontwikkeling is, resulteert het verbeteren voor velen lange tijd in
vereenzaming en verpaupering.
De noodzakelijkheid van
de geschetste ontwikkeling is evenwel geen excuus voor velerlei kwalijke zaken
uit de praktijk. Men kan het de mensheid niet euvel duiden dat zij
onverstoorbaar voortgaat met haar ontwikkeling naar de volwassen, zelfstandige
en vrije mens. De tegenwoordig almaar klinkende verwijten aan het adres van de
immer voortgaande individualisering
zijn dan ook onterecht, ja zelfs behoorlijk dom! Maar de maatschappelijke en
politieke elites staan tegelijkertijd wel degelijk schuldig als zij in hun
verfoeilijke kortzichtigheid geen oog hebben voor het feit dat de groei naar
volwassenheid volstrekt niet te verenigen is met het laten verkommeren van
medemensen.
499. Het is onder een groot aantal academische
filosofen de gewoonte om in filosofische disputen elkaars stellingen aan te
vallen langs de weg van het toetsen op formele onjuistheden. Dat wil
zeggen: men probeert aan te tonen dat er onhoudbaarheden, zoals innerlijke
tegenspraken, in de redeneringen zitten. Op zichzelf is daar niets op aan te
merken, àls het er tenminste om gaat bepaalde redeneringen, conclusies of
verklaringen te weerspreken. Maar de filosoof gaat hopeloos de mist in als hij
iemands essentiële waarheden op die manier wil weerspreken.
Ter illustratie diene
het volgende: een theoloog houdt tegenover een atheistisch denkend filosoof vol
dat God bestaat. Hij maakt daarbij gebruik van een aantal redeneringen, die ik
nu niet behoef te herhalen omdat iedereen die zo langzamerhand wel uit zijn
hoofd kent. Je hoort ze door ieder godsdienstig warhoofd, of die nu een leek of
een theoloog is, dagelijks verkondigen. Onze filosoof trekt er met verve tegen
ten strijde, maar helaas doet hij dat door zo helder mogelijk aan te tonen dat
de gebezigde redeneringen vol tegenspraken, stille vooronderstellingen en
logische denkfouten zitten.
Hoewel hij als regel het
gelijk aan zijn kant heeft gaat hij helaas voorbij aan het feit dat de
redeneringen van die theoloog niets anders dan verklaringen en conclusies zijn
die betrekking hebben op iets dat, doorgaans op geraffineerde wijze, zorgvuldig
buiten beschouwing gelaten wordt. De zaak namelijk waar het werkelijk om gaat.
Het is denkbaar dat des
theologen verklaringen en conclusies onzinnig zijn, zoals dat overigens regel
is bij deze lieden, maar dat de zaak zelf, in dit geval het bestaan van God,
eventueel juist en waar is.
Een kromme en onzinnige
verklaring of conclusie betekent niet automatisch dat de zaak waarop zij
betrekking hebben onwaar is. In het bovenbeschreven geval lijkt de atheist
gelijk te hebben, zelfs bij voorbaat al, omdat er nu eenmaal geen goden zijn,
maar strikt genomen heeft zijn tegenspraak geen absolute betekenis. Je kunt
zelfs stellen dat hij er grotelijks ingevlogen is, want de god van de theoloog
is tijdens de gehele verhitte discussie sierlijk buiten schot gebleven...
500. Als de een of andere fantast, sprekende over
onze planeet, beweert dat deze een bolvorm heeft omdat de Schepper had ontdekt
dat hemellichamen moeten draaien om op hun plaats te blijven en dat zoiets
alleen maar mogelijk is met bolvormige lichamen, dan klapt hij schier onverdraaglijke
onzin. Die onzin kan effectief bestreden worden, alleen al door de rol van die
schepper te ontkennen als het gaat over natuurkundige processen. Ook als men
eventueel gelooft in de activiteiten van een schepper blijft het aantoonbaar
onjuist te beweren dat hij ook de hand heeft gehad in die processen.
Maar intussen is en
blijft het wel een glashard feit dat de aarde inderdaad een bolvorm heeft en
dat zij almaar om haar as draait.
Dus: door de verklaring
en de conclusie te bestrijden heeft men het uitgangspunt, namelijk dat we met
een bol van doen hebben, nog lang niet ter discussie gesteld. Zo ook: door de
redeneringen van theologen en andere fantasten te bestrijden, uiteraard met
formeel logische argumenten, heeft men nog lang niet hun bewering dat er een
god zou zijn bestreden. Men heeft slechts aannemelijk gemaakt dat onze gelovige
fantast er maar wat op los rommelt.
En dit 'er op los
rommelen' leidt misschien wel tot de meest geraffineerde streek die theologen
en godsdienstige leken de atheist leveren. Zij verleiden hem tot het reageren
op formele redeneringen, bijvoorbeeld die uit de bijbel, wel wetende dat die
rammelen maar dat dit er eigenlijk niets toe doet. Ondanks de bijbel en het
eigen gestuntel bestaat god voor hen toch wel.
Intussen is de atheist
vol overgave bezig om ondanks zijn gelijk... tegen windmolens te vechten!
501. Je
kunt er over twisten of het nodig is de godsdienst te bestrijden. Maar àls je
tot de conclusie komt dat het een kwaad is dat zo vlug mogelijk uit de wereld
geholpen moet worden heeft het zin de vraag te overdenken of men daartoe almaar
zou moeten reageren op de theologische onzin waarmee men dagelijks
geconfronteerd wordt, òf dat men er beter aan doet aan die onzin geen aandacht
te schenken en bij alle voorkomende gelegenheden zo helder en ondubbelzinnig
mogelijk te zeggen hoe het werkelijk zit met dat zogenaamde hogere.
Gezien vanuit de
filosofie is dat laatste te verkiezen, vooral ook om niet in de val te lopen
onwillekeurig tegen windmolens te vechten. Maar tegenwoordig is er nog een
argument tègen het bestrijden van de godsdienstige onzin. Volgens het sinds
enige tijd maatgevende post-moderne denken geeft het geen pas om andermans
levensbeschouwing te verwerpen of te bekritiseren. Ieder het zijne is het devies! De
post-modernisten geloven dat niemand het recht heeft zijn eigen denken als de
maat te nemen bij het beoordelen van dat van iemand anders. Immers: de
werkelijkheid is zoals iedereen voor zichzelf vindt dat zij is. Iedereen heeft
zijn eigen waarheid. En er bestaat beslist geen universele, altijd geldende,
waarheid. Dat geloven die hedendaagse filosofen, uiteraard stuk voor stuk hoog
opgeleide academici...
Wat gebeurt er nu als
men vandaag aan de dag de godsdienst en zijn waandenken bestrijdt? Eigenlijk
nog volkomen onverwacht vallen de intellectuelen en academische filosofen,
ondanks hun eventuele eigen ongeloof, woedend maar ook arrogant uit tegen de
onverlaat die het gewaagd heeft iets negatiefs te zeggen over het Christendom
of de Islam en wat er nog meer aan hersenspinsels voorkomt. Men krijgt dus zijn
eigen vermeende bondgenoten tegen! "Je moet niet zo onverdraagzaam
zijn", luidt steeds het verwijt.
Inderdaad kunnen die
post-moderne filosofen en intellectuelen zèlf gemakkelijk verdraagzaam zijn want
zij hebben immers principieel geen mening over de zaak: de werkelijkheid is
zoals elke idioot meent dat zij is.
(On)verdraagzaam
; Onverdraagzaamheid
502. Ware filosofie is helder en zelfbewust weten
hoe het zit. Weten hoe het zit met de werkelijkheid houdt in dat men, voortdurend
en getrouw nadenkende, de beschikking heeft gekregen over een aantal met elkaar
samenhangende inzichten en conclusies. Weten hoe het zit is dus een tijdelijk
eindstation, een positie die zich nog niet tot een, daaruit voortvloeiende,
volgende positie heeft omgezet. Steeds gaat het over een 'ultiem' weten. Dat
weten is onvermijdelijk min of meer helder en dus is het onmiddellijk ook min
of meer genuanceerd. Maar, als einde van een denkweg is het een zeker weten.
Elk tijdelijk
eindstation is noodzakelijk een waarheidsmoment.
503. Theologie is godsdienstig denken. Het behelst
de nimmer aflatende pogingen een complex van antieke verhalen op logische wijze
geloofwaardig te maken en als ultieme waarheid aan anderen over te dragen. De
resultaten van dat pogen daarvan wisselen met de tijden, maar de aan die
verhalen ten grondslag liggende vooronderstellingen blijven bij wijze van
dogma's onaangetast. Bijgevolg is de aanwezigheid van opeenvolgende
waarheidsmomenten volstrekt uitgesloten.
Voorzover er van logica
gesproken kan worden blijft deze beperkt tot de grenzen die de dogma's aan het
theologische denken stellen. Buiten die grenzen heersen uitsluitend waanideeën.
Een opvallend kenmerk van deze wanen is de corrupte cirkelredenering, zoals
bijvoorbeeld: "Het bestaan van God kan alleen maar binnen het kader het
geloof bewezen worden".
Voor de goede orde zij
opgemerkt dat deze stuitende redenering met groot vertoon van eigendunk door
een officieel gekwalificeerde doctor in de 'Godsdienstige Filosofie' naar voren
is gebracht tijdens een discussie met een atheistische filosofie professor.
Helaas trapte deze,
argeloos eerlijk, in de voor hem opgezette val. Hij ging aantonen dat het een cirkel-redenering
is! Op zichzelf was dat natuurlijk juist opgemerkt, maar helaas kon hij daarmee
niet waarmaken dat het bestaan van goden volstrekt onmogelijk is. Hij had
slechts de redenering voor òngeldig verklaard...
504. Zelden wordt er bij een discussie tussen
theologen en atheisten door deze laatsten bij de theologen aangedrongen op het
leveren van een aannemelijk bewijs voor de aanwezigheid van god of goden.
Daarentegen moeten atheisten bij alle mogelijke gelegenheden hun ongelovige
waarheid verdedigen, doorgaans zelfs zonder eerst de kans te krijgen duidelijk
te maken waarom die waarheid is zoals ze is.
Er is in onze cultuur,
ondanks alle geloofsafval, nog altijd een onbewust, maar diep ingekankerd,
respect voor de godsdienst. Daardoor worden de banaliteiten van de theologie
als vanzelfsprekend aanvaard, althans gerespecteerd, terwijl de redelijke
argumenten van atheisten, vrijdenkers en zelfdenkende creatieve filosofen al
bij voorbaat argwaan en weerstand opwekken.
Dit respecteren van die
theologische onzin, met tegelijkertijd het ageren tegen het logische en
redelijke ongeloof, speelt zich af binnen de werkelijkheid als psyche. Dat
betekent dat het voor de betrokkenen een gevoelszaak is. Dat is altijd en
noodzakelijk het geval met dingen die het wezen van een cultuur raken. Meestal
weten de betrokkenen er zelf niets van af, terwijl het zich toch op een voor
hen ondefinieerbare manier laat gelden. Je kunt zeggen dat de zaak zich in het
psychologische 'onderbewuste' afspeelt.
Het gaat namelijk hierom
dat de godsdienst, of het nu over het Christendom of over de Islam gaat, een
onmiddellijk gevolg is van het basisprincipe van de moderne cultuur, althans de
cultuur van nà de oudheid. Volgens dat principe, waarmee een ieder die tot die
cultuur behoort op de een of andere manier steevast te maken krijgt, is de
werkelijkheid een uitgesproken geval van tweedeling, namelijk een
splitsing in een hogere en een lagere werkelijkheid. De rest laat zich
gemakkelijk begrijpen: God, Geloof en Godsdienst behoren uiteraard tot het
hogere en de tegenpolen daarvan, dus creatieve filosofie, vrijdenken en
atheisme, horen thuis bij het lagere. Zij verdienen dus bij voorbaat al argwaan
en weerstand, ondanks het feit dat hun argumenten aanzienlijk meer plausibel zijn
dan die van de godsdienstige leiders en theologen.
De ongelovigen zullen
geen gelijk hebben omdat zij geen gelijk mògen hebben!
505. Overigens moet worden opgemerkt dat
noodzakelijkerwijs ook bij bepaalde ongodsdienstigen, voornamelijk humanisten,
een onmiskenbare neiging tot respect voor de godsdiensten en hun stellingen en
uitspraken aanwezig is. Die humanisten zullen niet gemakkelijk overgaan tot
boude stellingnames, zoals de radicale atheist dat pleegt te doen. Deze zegt
immers gewoon: "God bestaat niet. Het is een kwalijke waan bij mensen die
niet echt na durven te denken".
De humanisten
daarentegen verschuilen zich achter allerlei ogenschijnlijk logische
argumenten, zoals daar is de bewering dat er over God geen controleerbare
uitspraken mogelijk zijn omdat het fenomeen 'God' buiten het denken valt. En
ook plegen zij staande te houden dat men geen god nodig heeft om behoorlijk te
kunnen leven.
Dan zijn er ook nog
schrikbarend veel humanisten die nadrukkelijk stellen dat zij het niet weten.
Dit is behoorlijk onnozel, vooral vanwege het feit dat men kennelijk niet in de
gaten heeft dat de bewering 'ik weet het niet' inhoudt dat men iets wel
degelijk voor mogelijk houdt! De humanist die zegt dat hij het niet weet is dus
bereid het bestaan van iets absurds te erkennen. Daarmee slaat het logische
denken onmiddellijk af, zodat er maar èèn redelijke conclusie overblijft,
namelijk dat bedoelde humanist maar wat kletst en dat zijn beroep op zijn eigen
redelijke denken volstrekt misplaatst is. Bovendien is hij onmiskenbaar een gelovige.
506. Er zijn er ook die beweren dat zij uit
pragmatisch politieke overwegingen zo voorzichtig met de godsdiensten omgaan.
Zo een houding kan met geen mogelijkheid 'redelijk' genoemd worden, want zelfs
als men meent dat men anderen het recht op een eigen mening niet mag ontzeggen
is er geen houdbare rechtvaardiging voor het eigen lafhartige gedrag.
Hoe dan ook, er vindt
onder humanisten een voortdurend intellectueel gescharrel plaats om vooral maar
te verdoezelen dat men gevoelsmatig een groot en onweerstaanbaar respect voor
de godsdienst heeft. En daaruit blijkt weer eens hoe diep cultuurvoorstellingen
in de mensen ingekankerd zitten...
507. Telkens weer, als ik iets
geschreven of gezegd heb over het individualisme, blijkt uit de reacties
dat de meeste mensen er nog steeds niets van begrijpen. Dat gaat zelfs zover
dat zij niet eens in de gaten hebben dat zij zichzelf voortdurend tegenspreken.
Op zichzelf is dat vreemd, want over het algemeen kunnen zij wel enigszins
verstandig over de dingen praten. Nu echter niet...
Er is ook hierbij
duidelijk iets psychisch aan de hand. Buiten alle redelijkheid om doet zich
iets in die mensen gelden dat het hen onmogelijk maakt nuchter over de zaak, in
dit geval het individualisme, na te denken. Wat hen dwars zit is enerzijds de
Christelijke erfenis en anderzijds die van het collectivisme, zoals dat in de
18e eeuw als kind van de Verlichting
ontstaan is.
De Christelijke erfenis
is er een van deemoed en zelfopoffering. De mens als stoffelijk verschijnsel is
het ware niet en juist door de beperkingen van dat materiële kan hij zich niet
verenigen met het hogere, het goddelijke, dat zelf aan geen enkele beperking
onderworpen is. Als verschijnsel is de mens 'zondig' en door zijn voortdurende
falen is hij ook nog 'schuldig' en omdat dat het geval is past hem een
deemoedige houding, zeker ten aanzien van zijn almachtige, eeuwige en alom
tegenwoordige god. Vergeleken daarmee is de mens een nietige en nietswaardige
sloeber.
508. Bovenop de Christelijke mentaliteit komt de Verlichting nog eens
met haar maatschappelijke idealen, die via een primitieve, egoïstische, vorm
van liberalisme uitmonden in vormen van socialisme en in de staatkundige
sociaal-democratie. Volgens het aan die idealen ten grondslag liggende denken
is de particuliere mens het kleinste levende onderdeel van een groter geheel,
namelijk van een volk, een staat, een partij of welke groep dan ook. De
particuliere mens is de bouwsteen van een collectief en als zodanig is hij
daaraan in eerste en laatste instantie gebonden en vooral ondergeschikt. Het
belang van het geheel gaat uit boven dat van de particulier, althans zo denkt
men als men door de sociale ideeën van de Verlichting besmet is.
Doordat de cumulatie van
die twee erfenissen onlosmakelijk bij de cultuurontwikkeling behoort werkt de
zaak op ondergrondse wijze door, als een soort van diepverborgen psychisch
trauma dat zich telkens weer, dwars door alles heen, manifesteert. Daardoor is
ieder logisch denken over individualisme, onder andere gedacht als
tegenstelling tot de Christelijke deemoed en het Socialistische collectivisme,
al bij voorbaat onmogelijk. Het màg eenvoudig niet waar zijn dat de mens zich
op individualistische wijze ontwikkelt tot volwassenheid en tot overmaat van
ramp uitsluitend als een dergelijk individu - 'de individu' - is
staat blijkt zich ten aanzien van de natuur en zijn medemensen behoorlijk te
gedragen. Vandaar dat bijna autistische gedrag en dat irritante betweterige
tegenspreken, doorgaans bepaald niet zonder een flinke dosis arrogantie.
Verlichting-1, Verlichting-2, Verlichting-3, Verlichting-4, Verlichting-5, Verlichting-6
509. Het moet nog maar eens gezegd
worden: het huidige toenemende individualisme is in wezen geen achteruitgang,
maar juist het begin van de laatste en meest essentiële fase van de menselijke
ontwikkeling. Gedurende dat proces wordt elke particuliere mens zich van
zichzelf bewust, hetgeen in universele filosofische termen betekent dat de
werkelijkheid als zelfbewustzijn nu bezig is aan zichzelf toe te komen. Zonder
een ontwikkeld zelfbewustzijn is de mens helemaal niets. Hij haalt niet eens de
kwaliteit van de hogere dieren zoals die programmatisch ingebed liggen in de
werkelijkheid als bewustzijn.
Die dieren kunnen in
ieder geval, samenhangend met de hen omringende wereld, volstrekt zichzelf
zijn, al weten zij daar zèlf niets van af. Voor een dier is zijn eigen identiteit geen enkel
probleem: de poes is en blijft een roofdier, ook als zij zich, al kopjes gevend
en spinnend, als een vreedzaam huisdier laat gelden. De planten- en
dierenwereld kan niet van zichzelf afwijken, maar de mens kan dat wel en daarom
doet hij dat dan ook zonder mankeren. Vervolgens moet hij in de loop der tijden
zichzelf terugvinden en leren kennen. Pas als dat gelukt is kan hij laten
gelden al datgene dat werkelijk voor hem geldt. Tot aan die tijd vertoont zijn
groei naar volwassenheid een gesloten reeks van rampzalige dwaasheden, min of
meer op de achtergrond vergezeld van momenten van waarheid en schoonheid...
Identiteit-1 ; Identiteit-2 ; Identiteit-3
510. Het blijkt dat alleen de volwassen mens een
sociaal wezen kan zijn. Alle voorgaande momenten van sociale idealen en daarbij
behorende experimenten kunnen niet anders dan treurige en vaak bloedige
mislukkingen zijn. Er kunnen namelijk geen werkelijk sociale bedoelingen aan
ten grondslag liggen, juist omdat het almaar over onvolwassen mensen gaat die
zichzelf als individu nog helemaal niet kennen. Die mensen hebben nog niet in
de gaten dat er niets is dat boven hen uitgaat en dus is er voor hun besef wèl
iets hogers. Behalve God is daar namelijk de gemeenschap, de staat en zo meer.
Kortom: het collectief! Al het denken over de particuliere mens geschiedt nu
als vanzelfsprekend vanuit die idee van het collectief. Gevolg is dat er op de
een of andere manier van de betrokkenen verlangd wordt dat zij zich onderwerpen
en aanpassen, in de zin van wegcijferen. En dat betekent op zijn beurt dat er
niet alleen niet van een volwaardige samenleving gesproken kan worden, maar dat
er vooral ook uiterst misdadige toestanden ontstaan, vanwege de tirannie van
onvermijdelijke elites die zichzelf het recht toekennen voor hun medemensen uit
te maken hoe en door wie er aan wat aangepast moet worden.
511. De volwassen mens is in staat zich als een
sociaal wezen te laten gelden, niet doordat hij qua oorsprong een of ander
kuddedier zou zijn dat zich vanuit zijn evolutionaire programmering sociaal
gedragen kan, maar daarentegen doordat hij zichzelf als bewustzijn ontdekt
heeft. Dat houdt noodzakelijk in dat zijn eigen persoonlijke er-zijn
onmiddellijk en onvoorwaardelijk dat van alle anderen en al het andere insluit.
Zijn eigen sociale opstelling is dan niet langer gebaseerd op het afschaffen,
onderdrukken of daarentegen juist versterken van een aspect van zichzelf, zoals
dat tijdens zijn onvolwassenheid steeds en noodzakelijk vereist was. Maar de
zaak is gebaseerd op het tot hun recht laten komen van de werkelijke
verhoudingen binnen het universum. Daartoe behoort een volledig en ongedwongen
uitgewikkelde persoonlijkheid van de individuele mens en per se niet van de een
of andere onderworpene.
512. Verreweg de meeste mensen,
waaronder ook diegenen die zich tot de denkers rekenen, kunnen zich nog niet
boven hun eigen culturele onvolwassenheid uitheffen, met als gevolg dat zij
almaar zitten te zeuren over die huidige slechte individualistische mens die op
zijn schreden zou moeten terugkeren en weer sociaal worden - alsof hij voorheen
ook maar èèn moment werkelijk sociaal geweest is! Het gevolg van dit onvermogen
is dat die mensen, als zij bijvoorbeeld enigerlei vorm van macht hebben, de
huidige ontwikkelingen niet langs goede banen kunnen leiden en zodoende de
samenleving in een steeds grotere en verwarrende chaos storten. Hun onvermogen
is dus geworteld in een foute kijk op hun wereld. Zij menen dat die veranderd
kan en moet worden, en wel door een elite. Uiteraard is dat de elite waartoe
zij zelf behoren.
Maar, juist omdat zij
voor eigen besef een elite vormen, staan zij onvermijdelijk buiten en boven
elke collectieve structuur. Op hen is het begrip collectief niet van
toepassing. Zij zijn er echter wel tenvolle van overtuigd dat de mensen
- voor hen: het volk - op moeten gaan in een maatgevend collectief.
Zonder zo'n overkoepelend orgaan ontstaat er chaos en anarchie en kan er van
een humane wereld niets terechtkomen, vinden zij, uiteraard bepaald niet zonder
eigenbelang!
Het is natuurlijk
terecht als zij opmerken dat het actuele individualisme, waarmee zij dagelijks
te maken krijgen, een negatieve rol speelt. Begrippen als gemeenschap en
openbare voorzieningen raken geheel en al uitgehold en de betekenis van
het begrip sociaal is al helemaal verloren gegaan. Maar in plaats van te
begrijpen dat dit behoort bij een nog maar kort doorgebroken en algemeen
geldend geworden nieuwe ontwikkeling, die op zichzelf de mensen een flinke
schrede dichter bij de volwassenheid zal brengen, gaan zij er verbeten toe over
de zaak te bestrijden.
513. Het is typerend voor de moderne, intellectueel
ingestelde mens: het bestrijden van symptomen zonder ook maar het geringste
idee te hebben van de zaak zèlve. Zo wil men tegenwoordig de symptomen van een
zich doorzettende individualistische samenleving wegwerken zonder ook maar enig
benul te hebben van de betekenis van een dergelijke samenleving. Had men dat
wel in de gaten, men zou zich niet blindstaren op de symptomen, maar de nieuwe
ontwikkeling in goede banen leiden, zoals men een kind naar volwassenheid
begeleidt. Deze 'verzorgde groei' zou als vanzelf een hindernis vormen voor het
verpauperen van individualisme tot egoïsme. De zorg belemmert het ontstaan en
het zich ontwikkelen van uitwassen. Maar, waarom het almaar gaat zijn niet die
uitwassen. Het gaat nadrukkelijk om het realiseren van een verzorgde groei,
opdat de samenleving steeds en op elk moment optimaal functioneert.
Dat allemaal is heel wat
anders dan het voortdurende tegenwerken zoals dat tegenwoordig, vooral vanuit
de zogenaamde progressieve hoek, plaats vindt.
514. Opvallend is overigens ook dat de eerder
genoemde elites voor zichzelf wel de vrijheid en de voorrechten van een
individualistische samenleving opeisen. Voor hen is dat vanzelfsprekend omdat
zij, als elites, per definitie toch al buiten elk collectief vielen. Als
zogenaamde bestuurders van een collectivistische wereld opereren zij
noodzakelijk van buitenaf en bepalen, al of niet op democratische wijze, hoe
men zich binnen het collectief te gedragen heeft. Hun behoefte aan een
collectief geldt dus niet henzelf, maar 'de rest', 'het volk' - en hoe men dit
verder nog te benoemen weet...
Alles wat elitair is
maakt zich noodzakelijk los uit het collectief, de groep. Dat is een
verschijnsel dat naadloos past op de cultuur van de westerse wereld. Het gaat
hierbij om het zich bevrijden door de mens van alle evolutionaire bindingen en
het zich ontwikkelen tot het 'vrijzwevende' verschijnsel, dat hij is. En nu
zijn het die elites in wie zich dit proces het sterkste manifesteert.
In zoverre zou het
allemaal prima in orde zijn, zozeer zelfs dat men zou gaan verwachten dat deze
elites zich ten voorbeeld aan de mensheid zouden stellen, een rol die eigenlijk
voor hen weggelegd is. Men heeft dan ook steeds aangevoeld dat dit het geval
zou moeten zijn: enerzijds hebben de mensen altijd tegen de elites opgekeken en
anderzijds hebben die elites het steevast doen voorkomen dat zij 'voorbeeldig'
zouden zijn. 'Edel' hebben zij zichzelf genoemd en 'vorstelijk' was hun gedrag!
Althans, dat vonden zij zèlf!
Maar dat was en is
onvermijdelijk de buitenkant, want in een onvolwassen wereld lokken
onweerstaanbaar de heerlijke voordelen van de persoonlijke vrijheid! Het
binnenhalen van die voordelen is het eeuwigdurende asociale uitbuiten, dat
kenmerkend is voor de gehele geschiedenis van de ònvolwassen mensheid.
Eigenlijk is dat een 'lijdensgeschiedenis' waarin voor mededogen alleen maar
bij uitzondering plaats is. Daarvoor is in ieder geval geen plaats bij de
elites, want die staan nu eenmaal in het teken van de particuliere
zelfverwerkelijking. In het teken dus van het alleen maar voor zichzelf opeisen
van het recht en de materiële middelen om zich als individu te laten gelden.
Zo zal duidelijk zijn
dat juist diegenen die de sterkste aanleg tot individu-zijn bezitten de meest
gewetenloze en meedogenloze uitbuiters zijn, althans zolang en voorzover zij
zelf nog onvolwassen zijn en leven temidden van alsnog onvolwassen mensen. Je
kunt dus zeggen dat het op vooralsnog onvolwassen wijze 'volwassen-zijn' een
nimmer aflatende bron van leed voor de 'gewone' mensen is. Dat is in feite een
gruwelijke paradox!
515. Er is een wereld van verschil tussen de
samenleving als collectief en de samenleving als genootschap.
Het verschil is gelegen
in de richting waarin het denken en dus ook het dagelijkse handelen,
zich beweegt. Als het gaat over het collectief is de richting van denken en
handelen van beneden naar boven. Omdat het om dat 'boven', het hogere
dus, gaat is dat in alle opzichten de maat der dingen. Het collectief wordt dan
gewaardeerd als iets dat boven het enkele uitgaat. Dat betekent voor de mensen
dat de gemeenschap, de samenleving, de staat, de overheid en hoe al dat fraais
verder nog mag heten, boven de individuele mens gesteld is en voor hem dus ook
als de onaantastbare maat der dingen geldt.
De vertegenwoordigers
van zo'n hogere instantie hebben het recht en, naar zij zelf vinden, de plicht
om voor dat collectief op gezaghebbende wijze de dienst uit te maken. In welke
vorm dit procédé ook onder omstandigheden gegoten wordt, bijvoorbeeld in een
democratische vorm, doet er in feite weinig toe. In theorie en praktijk hebben
die vertegenwoordigers in laatste instantie absolute macht: de tot het
collectief behorende leden hebben zonder meer te doen wat er gezegd wordt. Alle
mooie verhalen over medezeggenschap, democratische inspraak en vrijheid
verdoezelen alleen maar het wrange feit dat de gewone mensen, die niet met
gezag bekleed zijn, uiteindelijk toch niets te vertellen hebben. Het gevolg
hiervan is dat het overgrote deel van de menselijke energie en inventiviteit
niet aan bod komt en verloren gaat. Slechts de ideeën en vooral de wanen van de
machtige vertegenwoordigers kunnen tot hun recht komen met, naar steeds meer
duidelijk wordt, rampzalige gevolgen.
516. Wederom een eigenaardige paradox: als de gewone mensen wèrkelijk
niets te vertellen hebben en er dus geen vormen van democratie bestaan, zoals
in een dictatuur het geval is, is het besef van eigenwaarde van de individuen
vrijwel ònaangetast. Dat komt doordat vanuit het dictatoriale denken die
eigenwaarde helemaal niet bestaat. Daar is het nou net dictatoriaal denken
voor! Dus behoeft er door de machthebbers geen rekening mee gehouden te worden.
Bijgevolg worden de gewone mensen niet misleid en zoet gehouden met
quasi-redelijke verhalen over medezeggenschap en mensenrechten.
Ten gevolge daarvan is
de zaak, hoewel onmenselijk, duidelijk voor de mensen. De vijand is herkenbaar.
Zij kunnen nu voor zichzelf bepalen of en hoe zij zullen reageren, bijvoorbeeld
door zich op de een of andere slimme, al of niet gewelddadige, wijze te
verzetten. In feite kunnen zij zich daardoor behoorlijk 'uitleven' zodat hun
psyche redelijk gezond blijft. Het besef van machteloosheid doet zich bij hen
gelden als een reële zaak. Ze zijn machteloos en ze weten dat.
Is er echter een
democratie, dan zijn de werkelijke verhoudingen bijna geheel verdoezeld. Zo
geldt bijvoorbeeld de theorie van de medezeggenschap. Daardoor lijken de mensen
mee te tellen en zelfs wordt hen schaamteloos voorgespiegeld dat zij het zelf
zijn die het collectief besturen, althans er invloed op kunnen uitoefenen. Het
zijn in feite echter leugens!
Omdat de mensen daardoor
telkenmale ervaren dat hun zogenaamde democratische inbreng al spoedig
doodloopt en dat er voor hen slechts overblijft dat zij zonder meer hebben te
gehoorzamen, ontstaat er een psychische onvrede en een soort van Kafkajaanse
vertwijfeling. Men is niet alleen ontevreden, maar men is ook geneigd tot
allerlei asociaal gedoe en zelfs corruptie. Op den duur wordt men onverschillig
voor de machthebbers en hun leugens en daarmee verliest ook het collectivistische
denken zijn inhoud en betekenis. Dat is de labiele situatie waarin de mensen
aan het einde van de 20ste eeuw verkeren...
517. Er is geen goed woord te
zeggen van de dictatuur, maar er is evenmin iets goeds te zeggen van de
onvolwassen collectivistische democratie van de modern-westerse wereld. Onder
de dictatuur is de mens praktisch ònvrij, maar tegelijkertijd onaangetast in
zijn persoonlijke eigenwaarde, zelfs als hij vernederd en gekrenkt wordt. Hij
kan en zal zich verzetten en zich daarin psychisch 'bevrijd' voelen.
Onder de democratie
kunnen de mensen gaan en staan waar zij willen. Zij kunnen zeggen wat zij
willen en hebben zelfs officieel goedgekeurde mogelijkheden tot verzet. Maar,
zij misleiden zichzelf en zij worden misleid, want letterlijk àlles loopt
onafwendbaar uit in mistige, onbegrijpelijke en spookachtige toestanden die
psychisch uitermate bedreigend zijn. En uiteindelijk doemt daar uit de mist
toch de dictatuur op, nu echter uitgeoefend door de vertegenwoordigers van het
collectief, die het recht en de plicht zeggen te hebben de dienst uit te maken.
Zij zijn immers op democratische wijze gekozen!
Beide, de tirannieke
persoonlijke dictatuur en de democratische collectivistische dictatuur
berusten, zoals gezegd, op het denken van beneden naar boven.
Een denken waarin alles naar zijn ideaal wordt opgewaardeerd, een ideaal dat
vervolgens in de vorm van een ideologie alles en iedereen gaat
overheersen.
nihilistische
cultuur-1( na believen: zie de nos. 517 t/m 520)
518. Als het gaat over de mensheid als genootschap
zou men van een denken van boven naar beneden kunnen spreken. Maar welbeschouwd
bestaan er dan geen beneden en boven. Geef je echter aan dat 'boven' de betekenis
van het redelijke, het humane en rechtvaardige, dan is te zeggen dat dit
'universele' uitgangspunten zijn van waaruit de mensen komen tot het besef een
genootschap te vormen.
Het kenmerkende daarvan
is dat die redelijke, humane en rechtvaardige criteria nu niet als een
dwingende ideologische macht boven de mensen uitgaan, maar op hun eigen
niveau liggen. Zij zijn ten volle van toepassing op de mensen zèlf, op de
individuen. Het zijn criteria die zijn gaan gelden voor de concreet bestaande
mensen en niet voor een of ander, als hoger beschouwd, collectief.
Ieder afzonderlijk mens
is zich van die criteria bewust en laat die gelden. En daarmee kan zich ook
realiseren dat die redelijke, humane en rechtvaardige verhoudingen onmiddellijk
inhouden dat mensen ten behoeve van bepaalde doeleinden met elkaar aan
de slag gaan en zo genootschappen gaan vormen. Anders gezegd: zij gaan
in teamverband werken.
In zo'n team is niemand
de baas, want er gelden geen hogere waarden. Wel echter, en dat wordt vaak over
het hoofd gezien en doorgaans ook niet begrepen, aanvaarden de leden van een
team de leiding van de meest deskundige. Daartoe komt men op grond van
onmiskenbare ervaringen. Dus niet op grond van theoretische
intellectuele kwalificaties. Bovendien geeft deze aanpak nauwelijks problemen
met macht of afgunst omdat elk waardebesef àfwezig is. Daardoor immers kan het
om de zaak zelf gaan! Doordat dit het geval is en doordat ieders kwaliteiten
tenvolle benut worden kan het genootschap van alle individuen optimaal
functioneren. Dat iedereen hier bovendien psychisch gezond bij blijft behoeft
uiteraard geen betoog.
519. Alleen al het feit dat aan de mensheid als genootschap op geen
enkele wijze een waardebesef ten grondslag kan liggen en dat het dus om
een nihilistische
cultuur gaat, maakt dat de huidige mensheid geen schijn van kans
heeft zich als genootschap te laten gelden. Het is zelfs zo sterk dat verreweg
de meeste mensen, inclusief de denkers, niet eens kunnen begrijpen wat een
dergelijke nihilistische
cultuur inhoudt, laat staan dat zij de zaak op een behoorlijke manier
kunnen doordenken. Het collectivisme steekt almaar weer de kop op en
tegelijkertijd wordt het zo essentiële individualisme al bij voorbaat
gewantrouwd en verworpen.
Een en ander geschiedt
ongemerkt, als een automatisme. Resultaat is een heel complex van verborgen
vooronderstellingen die zò geniepig zijn dat zij zelfs het filosofische
denken besmetten. Ook de meeste filosofen kunnen zich niet indenken dat juist de
mens als individu, de individu, tot waarlijk socialisme en
communisme in staat is, in die zin dat voor de ene individu de andere
ònvoorwaardelijk aanwezig is en dat de individuen bijgevolg met zijn allen op
deze wereld zijn.
nihilistische
cultuur-1( na believen: zie de nos. 517 t/m 520)
520. Tegen de tijd dat de collectivistische
maatschappij definitief aan zijn ondergang is begonnen en noodzakelijkerwijs
tegelijkertijd het individualisme de kop op begint te steken, tegen die tijd
wordt de inhoud van het hogere meer en meer een verzameling theorieën en
zelfs een complex van wanen. De vertegenwoordigers van dat hogere zijn
dan als vanzelfsprekend de theoretisch geschoolden, dus de academici.
Er bestaat dan nog
steeds iets hogers en dus is er nog steeds collectivisme en het ontbreekt dus
ook niet aan een elite. Was de macht van die elite vroeger aan de praktijk
ontleend, doorgaans in de vorm van traditie en rijkdom, in die eindfase van de
modern-westerse cultuur gaat het bij de elite om de theorie en de daarin
verworven kwalificaties.
Voor die elite is de
werkelijkheid zoals de theorie die laat zien. Als dan telkenmale blijkt dat de theorie
een rampzalige maatschappelijke uitwerking heeft en in toenemende mate tot
chaos en vertwijfeling leidt, ligt de schuld niet bij de theorie, maar bij 'het
volk' dat te kortzichtig en te lui is om zinvol, dat wil zeggen: overeenkomstig
de theoretische voorschriften, te leven en te handelen. De theorie is bij
voorbaat en per definitie correct. Mislukkingen zijn te wijten aan zogenaamde
menselijke fouten. Alsof er ook andere fouten zouden bestaan!
Het spreekt vanzelf dat
door deze verblinding van de regerende academische elites de druk op de gewone
mensen gestaag toeneemt. De gewone mensen moet letterlijk 'mores' geleerd
worden. Totdat zij tenslotte geheel en al klem zitten en uit pure wanhoop tot
destructie overgaan...
nihilistische
cultuur-1( na believen: zie de nos. 517 t/m 520)
521. Als er iets is dat niet berekend kan worden is
het het beleven en ondergaan van schoonheid en waarheid. Beide begrippen
behoren tot de werkelijkheid als bewustzijn en zij doen zich, op de wijze van
'beeld', ervaren àchter de werkelijkheid als voorstelling. Het gaat bij beide
begrippen over een door en door beweeglijke zaak, waarvan wel te achterhalen is
hòe die is maar waaraan niets valt te berekenen en te voorspellen. Het antwoord
op de vraag "hoe is die werkelijkheid" kan alleen maar terugblikkend
gegeven worden. Dat wil zeggen dat er eerst een bepaalde realiteit moet bestaan
waaraan schoonheid en waarheid zich af kunnen spiegelen, maar dat er nimmer van
tevoren bepaald kan worden welke waarheid en welke schoonheid zich zullen
doen ervaren.
Bijvoorbeeld: van een
kunstwerk, laat ons zeggen een schilderij, kan nooit van tevoren berekend en
gesteld worden hoe de waarheid en de schoonheid ervan zich zullen manifesteren.
Er zijn vooraf geen criteria te geven. Pas als het kunstwerk er eenmaal is en
men het kan beschouwen manifesteren schoonheid en waarheid zich in meer of
minder heldere mate.
Dat manifesteren
geschiedt op beweeglijke wijze. Het is eigenlijk geen vast te leggen
aangelegenheid. Wat er dan ook gebeurt is dit merkwaardige fenomeen dat de
psyche van de beschouwer gaat meetrillen met het beweeglijke, trillende, beeld
dat het kunstwerk oproept. Men wordt zogezegd 'ontroerd', er wordt iets
'losgemaakt', men wordt er door 'gegrepen'. Het meer of minder grote vermogen
tot meetrillen en de kwaliteit daarvan bepalen de gevoeligheid van de
beschouwer in zaken van kunst.
Hetzelfde geldt als het
over filosofie gaat. Degene die er kennis van neemt valt de filosoof
niet bij doordat hij door een logische berekening overtuigd wordt of doordat
hij zelf reeds van tevoren een aantal filosofische criteria opgesteld had, maar
doordat hij psychisch gaat meetrillen en daardoor hetzelfde gaat ervaren
als de filosoof. De bijval die een filosoof geniet berust dan ook op psychische
overeenstemming: men heeft dezelfde 'kijk' op de zaak. Het verhaal dat de
filosoof vertelt roept dat meetrillen op en de vereiste logica ervan verheldert
het door het meetrillen opgeroepen beeld.
In tegenstelling tot de
moderne positivistische en analytische opvattingen gaat het over een universele
zaak. Daarom is te zeggen dat hier nu eerst recht het begrip objectiviteit
geldt. De 'inspirator', te weten de kunstenaar of de filosoof, doet deze
universele werkelijkheid ervaren bij de 'geïnspireerde'. Genoemde objectiviteit
hangt onverbrekelijk samen met de individu, reden waarom het rationele
modern-westerse denken de zaak 'subjectief' noemt, terwijl het in feite de enig
mogelijke objectiviteit is. Hij geldt immers voor iedereen en laat zich in
iedereen in meerdere of mindere mate gelden!
522. De trillende zaak die het bewustzijn is, is in
feite materieel van aard. Het is de levend geworden materiële
samenstelling, het verschijnsel, waarin zich dat trillen afspeelt.
Het is zo voor te stellen dat de materie op zichzelf, die het lichaam vormt,
gelijk de klankkast van een viool in trilling komt door de trilling die het
bewustzijn is. In overeenstemming daarmee is te zeggen dat het lichaam fungeert
als 'klankkast' van het bewustzijn en nu is dat fungeren als klankkast de
werkelijkheid als psyche.
Niet alleen echter dat
het eigen lichaam van iemand tot meetrillen komt en zich zo als een psychische
zaak laat gelden, maar dat psychische kan zich ook meedelen aan anderen zodat
die op dezelfde wijze gaan meetrillen. Er is dan letterlijk 'overeenstemming'.
Zoals gezegd baseren de
kunsten en de filosofie zich hier op, ieder op eigen wijze, maar de filosofie
op denkende wijze.
523. Omdat het denken het voertuig van de filosofie
is moet de filosoof logisch tewerk gaan. Dat betekent in de eerste plaats dat
hij het vrijdenken moet beoefenen en zich doormiddel daarvan moet
bevrijden van wanen, vooroordelen en verkeerde voorstellingen. Onlogisch denken
is in strijd met het wezen van de filosofie. Dat is er onder andere de reden
van dat het bijvoorbeeld onjuist en zelfs beledigend is de theologie als
filosofie te benoemen. Sommigen spreken van 'godsdienstige filosofie', of, meer
verhullend 'filosofie van de godsdienst', maar hoe men het ook wenst te noemen,
het is en blijft misleidend en onjuist.
Dan zijn er ook nog veel
moderne filosofen die geloven dat de taal het voertuig van de filosofie is. Dat
is grote onzin! De taal is als de penseelstreek van de schilder, het toucher
van de pianist enzovoort. Iedere filosoof heeft zijn eigen 'penseelstreek',
gebruikt zijn eigen taal en uitdrukkingen, maar het voertuig, het denken, is
hetzelfde. Vandaar dat het denken van de ouden, zoals Plato, en het denken van
filosofen uit andere culturen, zoals dat van de Zen-Boeddhisten, volkomen
vertrouwd is voor een ieder die pleegt na te denken. Of het gemakkelijk te begrijpen
is, is een andere zaak.
524. Het woord atheisme heeft zoals bekend
een ontkennende betekenis. Dat houdt onder andere in dat een deel van het
woord, namelijk 'theïsme', verwijst naar iets dat gangbaar is en dat dus als
normaal wordt beschouwd, terwijl een ander deel, namelijk 'a', dit zogenaamd
normale afwijst. De a‑theïst ontkent dus datgene dat door de theïst voor
waar wordt gehouden, in feite het bestaan van een god of goden.
Dit 'afwijzende'
atheisme is geheel en al gebonden aan god, de theologie en de godsdienst. Het
verandert dan ook automatisch van strategie en inhoud als en voorzover het
godsdienstige denken verandert. Is dat denken nog op een ouderwetse en slaafse
manier dogmatisch, dan zal het atheisme een strijdbaar en zelfs wel enigszins
agressief karakter hebben, waarbij het zijn argumenten voornamelijk ontleent
aan veronderstelde ongerijmdheden in de gebruikelijke godsdienstige
geschriften, zoals de bijbel. En ook zal de atheist 'Auschwitz-argumenten'
gebruiken, in de trant van "Als god bestaat, hoe kon hij dan werkeloos
toezien bij wat er in Auschwitz gebeurde? Een god die zoiets toelaat kan er
helemaal niet zijn!". Men probeert dus de gelovigen ervan te overtuigen
dat die geschriften en dat goddelijke gedrag niet deugen, omdat zij in strijd
zijn met de beschikbare al of niet historische feiten en ook in strijd met de
rechtvaardigheid. Door aldus tewerk te gaan hopen de aanhangers van het
'afwijzende' atheisme hun tegenstanders tot andere gedachten te brengen. In
feite echter is dit atheisme even dogmatisch als de godsdienst. Er wordt volop
verketterd en het dragen van oogkleppen wordt valselijk voorgesteld als het
laten gelden van 'principes'.
Het draait er
noodzakelijkerwijs op uit dat er voortdurend een 'welles-nietes' discussie
gevoerd wordt, die nu niet bepaald een toonbeeld van diepgang genoemd kan
worden. Het is allemaal nogal bot...
525. Er is ook een 'afwijzend' atheisme dat minder
dogmatisch is en dat zich vooral bedient van kennistheoretische logische
argumenten. Deze argumenten zouden dan duidelijk moeten maken dat de
godsdienstige theorie niet voldoet aan door de wetenschap gestelde
logische criteria en dat de zaak dus vol zit met tegenspraken, ongefundeerde
vooronderstellingen en onverantwoorde gevolgtrekkingen. In feite gaat het dan
over een poging van de atheisten de theologie aan de kaak te stellen als een
onhoudbare pseudo-theorie, steunend op een willekeurige en ondeugdelijke gedachtegang.
Daarbij komt dan ook nog
dat men de theologie het recht ontzeggen wil zich een wetenschap te noemen.
Hoewel die opvatting natuurlijk juist is blijft de discussie over het algemeen
toch ook in een autistisch 'welles-nietes' steken.
526. Alle varianten van het 'afwijzend' atheisme
zijn gebaseerd op de geldende godsdienst zèlve en de daarbij behorende
theologie. Op grond daarvan is van een grote mate van afhankelijkheid te
spreken. De inhoud van dat atheisme wordt immers tenvolle bepaald door datgene
waartegen het zich verzet, namelijk de godsdienst.
Het mag dan ook geen
wonder heten dat men het atheisme in de praktijk nauwelijks serieus neemt en
dat het eigenlijk zelfs wel als iets abnormaals, ziekelijks en doms beschouwd
wordt. Men vindt het zinloos gedram en onverdraagzame bemoeizucht. En daarbij
is het opmerkelijk dat òngelovigen van allerlei snit hierbij de boventoon
voeren! Vooral in intellectuele kringen ziet men er niet tegenop genoemde
afwijzende atheisten onredelijkheid, dogmatisme en intolerantie te verwijten en
daarbij gaan sommigen zover dat zij spreken van 'fundamentalisten'. Volgens het
huidige academische denken zijn deze verwijten tenvolle gerechtvaardigd omdat
de atheist zijn mening over god en de godsdienst niet ter discussie stelt, maar
zonder meer met grote stelligheid poneert. En nu blijkt het vooral die stelligheid
te zijn die op die, door modieuze twijfel overmande, academici inwerkt als een
rode lap op een stier! Zij vinden dat men over het al of niet bestaan van goden
geen zekerheid kan verkrijgen en omdat zij er, als de intellectuele
bloem der natie, geen zekerheid over kunnen verkrijgen kan vanzelfsprekend
niemand dat...
527. Het 'afwijzende' atheisme wordt bij
voortduring in de verdediging gedrongen. Zonder zich ook maar in de verte
verplicht te voelen het eigen godsgeloof van een deugdelijke fundering te
voorzien verlangen de godsdienstigen van de atheist dat hij zijn opvattingen
met bewijzen staaft. En die afwijzende atheist trapt daar telkenmale weer in,
hoewel hij toch zo langzamerhand zou moeten weten dat er tegen onzin
geen tegenbewijzen mogelijk zijn. Hoewel die atheist het gelijk aan zijn kant
heeft zal hij daarom steeds het onderspit delven. Dat is onvermijdelijk, juist
doordat hij zijn hele denken koppelt aan de onzin, de ziekelijke waan, die hij
bestrijden wil. Omdat deze waan, namelijk het godsgeloof, door alle onvolwassen
samenlevingen als 'normaal' wordt beschouwd is de bestrijder van dit godsgeloof
automatisch een recalcitrante afwijkeling die bij alle mogelijke gelegenheden
verantwoording af zal moeten leggen.
Voor diegenen die in een
waan leven is de realist een gevaarlijke gek die zo gauw mogelijk buiten
spel gezet moet worden! Het is inderdaad een 'omgekeerde wereld', maar dat
behoeft eigenlijk niet te verbazen, want voor het besef van ònvolwassen mensen
verschijnt een omgekeerde werkelijkheid nu eenmaal noodzakelijk als de echte.
In een onvolwassen wereld staat alles op zijn kop.
528. Wat men relatief weinig tegenkomt
is het 'begrijpend' atheïsme. Dit kan zich op drie manieren laten gelden,
namelijk ten eerste door zich langs filosofische weg inzicht te verschaffen
in de werkelijkheid en zodoende de vraag te beantwoorden of goden al of niet
bestaan kunnen. Aldus tewerk gaande blijkt onvermijdelijk dat dezen inderdaad
niet kunnen bestaan en dat wij derhalve met onzin van doen hebben als
iemand het tegendeel beweert.
Ten tweede kan men zich,
wederom langs filosofische weg, inzicht verschaffen in de cultuurontwikkeling
zoals die tot het geloof in goden en het zich onderwerpen aan godsdiensten
geleid heeft. Dan blijkt dat men zich in de oudheid van een beeld-denken
bediende waarin goden, godinnen en geesten model stonden voor bepaalde reële
verhoudingen in en van de werkelijkheid. En vervolgens blijkt dan ook dat, met
het inzetten van de moderne tijden, de analytisch ingestelde westerse mensen
zijn gaan menen dat die metaforen zèlf echt bestaande verschijnselen zijn, dus
dat er concrete goden bestaan, dat er echt wonderen zijn verricht, dat de
bijbel echt door god gedicteerd is, dat de maagd echt een goddelijk kind
heeft gekregen, enzovoort.
Het filosofische denken
kan dit allemaal duidelijk maken. Deze en dergelijke inzichten zijn nu eens
wèrkelijk funest voor de godsdiensten en alle mogelijke andere occulte ideeën!
Ten derde is daar ook
nog de psychologische verklaring die erop neerkomt dat de godsdienstige
voorstellingen in feite vaag aangevoelde menselijke verhoudingen zijn die door
de mensen tegen de hemel, het hogere, geprojecteerd worden en die daardoor
langzaam maar zeker de indruk zijn gaan wekken een eigen realiteit te bezitten.
Men kan dan stellen dat die goddelijke wezens wel degelijk bestaan, maar
uitsluitend in de hoofden van de mensen. Voor hun zelfbewustzijn en dus ook
voor hun denken en voelen zijn zij realiteiten.
Je kunt nu dus spreken
van een begrijpend atheïsme. Dat is qua begrijpen in geen enkel opzicht
afhankelijk van de godsdienst en de theologie. Het is een autonome filosofie
die in zichzelf dragend is, zoals dat met filosofie het geval behoort te zijn.
Het is zelfs zo dat dit
'begrijpend atheïsme' eigenlijk niets met de godsdiensten te maken heeft, zodat
de filosoof nauwelijks behoefte gevoelt met gelovigen in discussie te gaan. Dat
wordt doorgaans nog versterkt door het feit dat het volgen van deze
filosofische strategie met zich meebrengt dat de filosoof zèlf alreeds alle
tegenargumenten, die van godsdienstige zijde ingebracht kunnen worden,
uitvoerig doordacht heeft. Men komt dus met niets nieuws. Alles is voor hem
'oude koek'. Als er voor de denker nu iets uitermate vervelend is, is het die
weinig intelligente godsdienstige exegese wel.
529. Het wetenschappelijk onderzoek heeft een cumulatieve
werking op de wetenschap zelf. Er komt namelijk almaar nieuwe kennis bij zodat
dat gedeelte van de werkelijkheid, dat door de wetenschap bestreken wordt,
gestaag in omvang toeneemt. Overal ter wereld voegen wetenschappers iets toe
aan die verzameling kennisdata. Allemaal zijn zij echter uitsluitend op hun
eigen terrein bezig. Als gevolg van het analytische karakter van de moderne
wetenschap worden die persoonlijke onderzoeksgebieden almaar kleiner en
uiteraard tegelijkertijd talrijker. Bovendien bevatten die kleinere vakgebieden
steeds meer kennisdata.
Deze ontwikkeling is inmiddels
al zover gevorderd dat het zelfs niet meer mogelijk is volledig op de hoogte te
zijn van alle kennisdata van het eigen vakgebied. Men kan ze niet langer
allemaal kennen, laat staan dat men ze nog zelf kan controleren. Bijgevolg is
men gedwongen vertrouwen te stellen in de bekwaamheid en integriteit van
zijn collega's. Dat heeft eigenaardige gevolgen!
Wanneer men namelijk een
wetenschappelijke verhandeling wil schrijven over een bepaald onderwerp is men
genoodzaakt zich gedegen op de hoogte te stellen van datgene dat door anderen
over dat onderwerp gepubliceerd is. Met behulp van dat materiaal, gevoegd bij
wat men zelf ter beschikking heeft, kan men die verhandeling opbouwen. Daarbij
gebiedt het wetenschappelijk fatsoen dat men precies aangeeft waar men zijn
materiaal vandaan gehaald heeft. De opgave daarvan heet tegenwoordig het
'notenapparaat'. Uiteraard behoort dat er volledig bij, maar het is gaandeweg
mode geworden om dat notenapparaat tot in het ridicule uit te breiden en er
uiterst gedetailleerde paragrafen van te maken. Je krijgt zelfs de indruk dat
het eigenlijk om dat notenapparaat gaat en dat het als een graadmeter voor de
geleerdheid van de schrijver functioneert.
Niet alleen echter voor
de geleerdheid, maar ook voor de betrouwbaarheid. De schrijver van de bedoelde
wetenschappelijke verhandeling kent zichzelf via dat notenapparaat een zekere
status toe. Die status berust dus nagenoeg geheel op het werk van anderen, die
overigens op hun beurt status ontlenen aan het werk van weer anderen...
Gevolg is tenslotte dat
iedereen zich bezig houdt met een werkelijkheid waarvan men aangenomen
heeft dat zij juist en waar is, maar die in feite buiten de mens zèlf staat in
plaats van diens inhoud te zijn.
530. Het zou stellig niet onredelijk zijn als men
de situatie waarin de moderne mens qua weten en kennis verkeert zou benoemen
met het begrip geloof, uiteraard opgevat in de modern-westerse zin van
het woord. Dus in de betekenis van: aannemen dat een bepaalde cluster van
kennisdata juist is. Anders gezegd: aannemen dat iets waar is. Daaraan
meekomend kan men dan stellen dat het eigenlijk allemaal een variant van
modern-westerse godsdienstigheid is. Op het eerste gezicht lijkt dit wat
vergezocht en zelfs wel enigszins onrechtvaardig met betrekking tot de
wetenschappen, maar bij nadere beschouwing blijkt het helemaal zo vreemd nog
niet!
Er kan namelijk ook van
een 'indirecte godsdienstigheid' sprake zijn waarbij het niet in directe zin
gaat om onderwerping aan met name genoemde goden. Men noemt het ook wel
'religiositeit' of 'spiritualiteit', maar die woorden hebben alleen maar een
cosmetische functie, en wel om de zaak redelijker voor te stellen dan ze is en
daarmee te verbloemen dat het toch over een vorm van onderwerping aan iets
hogers gaat.
Een ieder weet dat er
tegenwoordig door menigeen gedacht wordt aan een 'universele geest', of aan
machtige 'kosmische krachten' die op de een of andere duistere manier het leven
van mens en dier beheersen. Dan wordt er ook nog met graagte gesproken van een
'noodlot' en sommigen rommelen zelfs met zoiets als 'karma'. Voeg daar nog bij
het schier onuitroeibare geloof aan een 'hiernamaals' of een, vooral bij
antroposofen gekoesterd, 'hiertussenmaals'. Dat alles omdat men het in zijn
onvolwassenheid nog immer niet kan verdragen zonder een hogere macht te moeten
leven. Hiermee is overigens nog maar een klein deel van het enorme scala aan
onvolwassen kinderachtigheden getekend.
531. Het zou met die 'indirecte godsdienstigheid'
nog zo merkwaardig niet gesteld zijn als de daaraan meekomende dwaasheden niet
tegelijkertijd met een hoog ontwikkeld wetenschappelijk denken gepaard gingen.
Men maakt het zelfs zo bont dat men zonder blikken of blozen waandenkbeelden
als reincarnatie en de cyclische wederkeer van alle individuele
levensvormen als legitieme wetenschappelijke theorieën presenteert.
Steeds weer blijkt dat
men niet buiten hogere instanties kan, zeker niet als het om fundamentele levensvragen
gaat.
Niet zonder reden spreek
ik van een 'indirecte godsdienstigheid'. Er behoeft immers niet noodzakelijk
een god aan te pas te komen om toch onverdroten te buigen voor enigerlei vorm
van 'het hogere'. En nu is het treurige dat ook de wetenschappen daarvoor in
aanmerking kunnen komen. Als verklarende instanties staan zij, intellectueel
gezien, boven het banale alledaagse en in hun vermeende objectiviteit worden
zij geacht boven de subjectieve mens uit te gaan. Gevolg is dat zij, net als de
godsdiensten, dienstbaarheid af kunnen dwingen. En net als in de
godsdiensten steunt men aanhoudend op elkaars uitspraken en ontleent daaraan
zelfs een niet geringe autoriteit.
Bovendien gebruikt men de
wetenschappen bij alle mogelijke gelegenheden om de argumenten van anderen neer
te sabelen. De wetenschappen worden met graagte aangewend om er zich, met veel
vertoon van autoriteit, achter te verschuilen. Dat komt vooral voor bij
diegenen die zich, op grond van hun academische opleiding, verbeelden
wetenschapper te zijn.
532. Als men eenmaal in de gaten heeft dat de
huidige mensheid nog volop in allerlei directe en indirecte vormen van
godsdienstigheid bevangen is wordt het betrekkelijk gemakkelijk om eveneens in
te zien dat vrijwel het hele intellectuele gedoe van de moderne mensen een
verwarde en kinderachtige aangelegenheid is. Men weet zelfs met de meest
eenvoudige begrippen geen raad. Wat is het zelfbewustzijn en wat het
bewustzijn? Men weet het niet! Hoe zit het met de verhouding tussen het
individu en de gemeenschap? Men weet er geen behoorlijk antwoord op, hetgeen in
dit geval nog eens extra duidelijk maakt dat de mensheid in filosofische zin
nog nauwelijks tot enige verheldering is gekomen sinds de oude Grieken, want
die wisten 2000 jaar geleden ook al geen raad met deze en dergelijke thema's.
Zo kon men onlangs
vernemen dat enkele professoren van een om zijn zakelijkheid bekend staande
universiteit er geen vrede mee hadden dat het leven met de dood een einde nam.
Dus waren zij tot de niet erg doordachte conclusie gekomen dat hen nog een
reeks van volgende levens te wachten stond. De diepere zin daarvan zou dan zijn
dat het individu gaandeweg tot grotere wijsheid zou komen. Zij waren er ook van
overtuigd dat zij al een aantal malen eerder op deze wereld waren geweest, maar
kennelijk hadden deze levens helaas nog niet tot grotere wijsheid geleid.
Althans, daarvan was absoluut niets te merken...
533. Omdat men doorgaans
niet in staat blijkt te begrijpen welk verschijnsel de mens is en dus al
helemaal in het duister tast als het gaat om datgene dat dit verschijnsel zoal
vertoont aan eigenaardigheden, zijn het vooral vragen naar de zin van het
leven waarover men voortdurend de nek breekt. Steeds zoekt men het antwoord
buiten de menselijke werkelijkheid, ergens over de grens van leven en dood en
ver boven de banale stoffelijkheid van de planeet.
Maar het antwoord ligt
besloten in het verschijnsel mens zèlf. Helaas is dat een te
eenvoudige wijsheid om waar gevonden te kunnen worden!
De een of andere
ingewikkelde, in academische termen vervatte abstracte verhandeling, rijkelijk
voorzien van kennistheoretische hoogstandjes, maar geheel en al zònder
innerlijke samenhang.. kortom zo'n verhandeling wordt gretig aanvaard als een
plausibel antwoord. Of men het ook als het juiste antwoord beschouwt hangt van
de gelovigheid van de vraagsteller af. En daarbij speelt een uitermate bedrieglijke
rol het feit dat gelovigheid gedijt op een geslepen evenwicht tussen
ingewikkeldheid en onbegrijpelijkheid. Beide laatstgenoemde criteria werden
door handige filosofen, zoals bijvoorbeeld Heidegger, in ruime mate toegepast,
met als gevolg dat de jongens en meisjes filosofie-studenten er tot op de dag
van vandaag de hersenen mee pijnigen. Uiteraard in de rotsvaste zekerheid dat
Heidegger een genie was..!
534. In ruwe trekken ziet het verschijnsel mens er als volgt uit:
- De mens is de laatste mogelijkheid waartoe het proces van de
wording (genesis) komen kan. Hij staat aan het eind van de keten, maar niet
zomaar zonder meer. Omdat hij aan het eind staat is hij er ook los van.
- Het losstaan maakt hem vrijzwevend. Hij steunt nergens op
en hij hangt nergens aan. Hij heeft nergens iets mee te maken. Hij is tenvolle
nihilist en anarchist.
- Doordat hij vrijzwevend is kan hij overal zowel ja als nee
op zeggen. Dat betekent dat hij steeds zelf een oordeel moet vellen. Buiten
hemzelf biedt de werkelijkheid hem geen zinvolle rechtvaardiging voor zijn
bestaan, noch voor zijn ja of zijn nee.
- Zelf een oordeel vellen houdt in de eerste plaats ook in dat hij
geheel autonoom zin geeft aan zijn leven en bestaan en ook dat hij onder
alle omstandigheden voor zichzelf doelen en normen stelt. Omdat
de werkelijkheid hem, vanwege zijn vrijzwevendheid, geen doel en zin kan bieden
mòet hij dit zelf doen. Elke zingeving, hoe fantastisch en onmogelijk ook, is
noodzakelijkerwijs een strikt persoonlijke zingeving. Deze verwijst dus
in geen geval naar een reële, maar uitwendige, verhouding in en van de
werkelijkheid. Nimmer mag zo'n zingeving als een objectieve waarde gesteld en
afgedwongen worden.
Uit dit ruwe schema
blijkt dat de genoemde heren professoren goede sier proberen te maken met hun
eigen onbegrepen en onzinnige zingevingen. Juist omdàt deze niet anders dan
persoonlijk kùnnen zijn vallen zij binnen hun kenvermogen en denken. Vandaar
dat zij ter bestrijding van hun onzekerheden en doodsangsten zomaar in het
wildeweg iets bedenken. Daar staat tegenover dat men redelijkerwijs van hen mag
verwachten dat zij er helder en logisch over nadenken en geen quasi
wetenschappelijke quatsch verkopen.
535. Alle verschijnselen tot aan het verschijnsel
mens zijn zinvol en hebben een doel. Maar, in tegenstelling tot wat veelal
gemeend wordt is dat geen universele zaak, maar een zuiver aardse. Binnen het
kader van de planeet hebben de verschijnselen een zin en een doel. Langs
allerlei lijnen vormen de verschijnselen op aarde met elkaar ketens waarin
steeds de voorgaande de grondslag legt voor de volgende. Een biologisch
voorbeeld van zo'n keten is de voedselketen, maar ook de anorganische
verschijnselen zijn in ketens opgenomen, bijvoorbeeld chemische. Gezegd kan dus
worden dat elk verschijnsel er op de een of andere wijze is terwille of ten
dienste van iets anders. Beter gezegd: het verschijnsel is er wel voor
zichzelf, maar dat houdt onmiddellijk in dat het er tegelijkertijd voor
iets anders is.
Het zijn deze ketens die
bij de mens ophouden te bestaan, hetgeen uiteraard in overeenstemming is met
diens vrijzwevendheid.
536. Het komt nogal eens voor dat academici, die voor
zichzelf de kwalificatie 'wetenschapper' claimen, tijdens discussies corrupte
uitspraken doen in de veronderstelling dat hun opponenten wel in de val zullen
lopen. Ze hebben in hun zelfoverschatting niet in de gaten dat zij daarmee
juist zichzèlf doen kennen als onbetrouwbare, slordige en vaak buitengewoon
arrogante denkers.
Dit laakbare gedrag
hangt ongetwijfeld samen met de omstandigheid dat velen van hen al vanaf hun
vroegste jeugd danig over het paard getild zijn vanwege hun zogenaamde
intelligentie en de daaruit voortkomende status van 'het beste jongetje of
meisje van de klas'. Zo'n status boezemt doorgaans ontzag in, vooral bij
diegenen die zichzelf minder begaafd vinden en die bovendien bijna altijd
denken dat 'goed kunnen leren' een blijk is van intelligentie. Het zou een
belofte van wijsheid inhouden.
Van alle kanten worden
dergelijke kinderen ontzien en men waagt het slechts schoorvoetend ze bij
gelegenheid tegen te spreken.
Deze afschuwelijke intellectuele
arrogantie wordt later, door toedoen van de onvermijdelijk volgende
universitaire opleiding, ontwikkeld en versterkt tot een levenshouding die
weinig ruimte laat voor het denken en de inzichten van anderen die niet tot de
academische elite gerekend kunnen worden. De confrontatie met de wetenschap
geeft de student het gevoel de beschikking te krijgen over zekerheden die
kwalitatief verre uitgaan boven de meningen van 'de anderen'. Hij gaat nu de
dingen zeker weten. Dat geldt voor hem uitsluitend door de hogere opleiding en
de daaraan meekomende status van academicus. En hij schept er behagen in uit
deze status, die op zichzelf alleen maar verwijst naar het schooltje dat hij
doorlopen heeft, af te leiden dat hij dùs een wetenschapper zou zijn.
Niets is echter minder
waar: hij is gewoon een alledaagse, weliswaar betrekkelijk 'hoog' opgeleide,
maar desondanks bekrompen burgerman die status en macht wil veroveren en ook
nog zoveel mogelijk geld wil verdienen. Op de een of andere manier maakt hij
daarbij gebruik van enerzijds de wetenschap en anderzijds de daarbij behorende
maatschappelijke status, precies zoals in de praktijk overigens vrijwel
iedereen op zijn eigen niveau doet. En ook zijn vermeende zekerheden
verschillen niet wezenlijk van die van de anderen, want ook hij heeft tijdens
het onderwijs alleen maar voor zeker aangenomen dat de hem verstrekte
kennis juist was. Er bestaat dus qua zekerheid geen wezenlijk verschil tussen
de lager en hoger opgeleiden. Maar dat belet deze laatsten niet zich telkenmale
autoritair op te stellen en te proberen opponenten weg te zetten met een
arrogante, ogenschijnlijk onweerlegbare, bewering...
537. Tijdens een discussie over geloven in karma en
reincarnatie beweerde onlangs een academicus, een antroposoof die vond dat hij
zichzelf wetenschapper en filosoof mocht noemen, dat vrijdenkers de stelling "Eerst
zien en dan geloven" huldigen, terwijl die stelling volgens de
algemeen aanvaarde wetenschappelijke kennistheorie zou moeten luiden: "Eerst
geloven en dan zien". Hij voegde daaraan toe dat je begint met iets te
geloven en dat je daarna uit gaat zoeken of het klopt. Hoewel hij daarin in
formele zin enigszins gelijk had was het in het geding brengen van deze
uitspraak een sprekend voorbeeld van een op arrogantie gestoelde truc! Hij
probeerde daarmee zijn opponent in de schoenen te schuiven dat ook deze
noodzakelijkerwijs gelovig moest zijn...
De truc is hierin
gelegen dat zowel het begrip zien als het begrip geloven in beide
beweringen in volstrekt àndere betekenissen gebruikt wordt. Het lijkt op het
eerste gehoor een eenvoudige 'omkering van de causaliteit' doormiddel van
verandering van de volgorde: zien-geloven wordt geloven-zien. Maar het is in
feite een ongeoorloofde 'verschuiving van inhouden'. Het spreekt vanzelf dat
men bij aan elkaar gekoppelde uitspraken niet heimelijk de betekenissen van de
gebruikte begrippen mag veranderen.
538. Het gaat over de gekoppelde uitspraken
"Eerst zien en dan geloven" en "Eerst geloven en dan zien".
In de eerste uitspraak betekent 'zien' dat de zaak waargenomen, uitgezocht en
verklaard moet worden, terwijl 'geloven' inhoudt dat de zaak daarna als juist
en waar gekwalificeerd en geaccepteerd kan worden. In deze hele uitspraak
schuilt niets dat ook maar in de verte verwijst naar iets 'geloven', in de zin
van het een of andere vindsel 'zomaar aannemen', zoals dat bij de godsdiensten
het geval is.
In de tweede uitspraak
evenwel betekent 'geloven' wel degelijk dat men zomaar iets aanneemt, een vindsel
zomaar gelooft. En 'zien' heeft hier een uitermate verdachte inhoud, namelijk
dat men datgene dat men gelooft gaat proberen te onderbouwen, voornamelijk door
op zoek te gaan naar verschijnselen die het geloof schijnen te bevestigen.
Bijvoorbeeld: men vindt
dat de mens wezenlijk gewelddadig is en vervolgens acht men dit bewezen door
het feit dat overal ter wereld oorlogen voorkomen en onschuldigen het
slachtoffer zijn. Zonder de zaak echt uit te zoeken voert men bepaalde
fenomenen op als bevestiging van een vooropgezet vindsel.
Of, in het geval van
bedoelde antroposoof: hij vindt dat reincarnatie bestaat, vooral omdat Rudolf
Steiner dat gezegd heeft, en nu voert hij ter onderbouwing van dat vindsel aan
dat allerlei vooraanstaande denkers in reincarnatie geloven en dat een
dergelijk geloof zelfs plausibeler is dan het geloof in het Christelijke
'hiernamaals'! En uiteraard komen weer alle vreemde ervaringen ter tafel, zoals
herinneringen aan vroegere levens die overeen lijken te stemmen met
controleerbare historische feiten. Kortom, allemaal 'gelegenheids
interpretaties' zoals die bij nagenoeg àlle hersenspinsels moeiteloos te vinden
zijn.
De uitspraak "Eerst
zien en dan geloven" is op zichzelf dus juist en tenvolle gespeend van
onwaarschijnlijke vindsels, fantasieën en willekeurig erbij gesleepte
zogenaamde bewijzen. Maar de tweede uitspraak is het volstrekte tegendeel van
juist en betrouwbaar, omdat het zonder meer over het min of meer lukraak
onderbouwen van vindsels gaat die men bij voorbaat al voor onweerlegbaar houdt.
539. In formele zin is er over het verband tussen
de begrippen zien en geloven nog wel iets te zeggen. Als men iets
aan de weet wil komen blijkt dat verlangen ingegeven te worden doordat er iets
opvalt wat niet onmiddellijk verklaard kan worden. Het begint dus met een voorstelling
van iets onbekends en een vermoeden van hoe het daarmee zou kunnen
zitten. Men kan dat eventueel 'geloven' noemen, in de zin namelijk van
'veronderstellen' of 'speculeren', of iets dergelijks. In geen geval behoort
het in deze fase over iets te gaan wat men voor waar houdt.
Vervolgens gaat men de
zaak uitzoeken, hetgeen uiteraard geheel iets ànders is dan het pogen
een bevestiging te produceren van een bij voorbaat ingenomen standpunt.
Tenslotte, als het gelukt is de zaak op een verantwoorde manier uit te zoeken,
krijgt men de beschikking over een nieuwe voorstelling, en wel een die
in wetenschappelijke zin tot nader order aanspraak kan maken op juistheid en
betrouwbaarheid.
Ook in de creatieve
filosofie loopt het uit in een nieuwe voorstelling, maar deze verschilt
in zoverre van een wetenschappelijke voorstelling dat hij niet voor juist wordt
gehouden totdat hij ònjuist blijkt te zijn, maar daarentegen doordat hij voortdurend
in twijfel wordt getrokken en ten gevolge daarvan steeds maar weer opnieuw
overdacht wordt.
540. Gelukkig komt er steeds meer verzet tegen de
kunst-maffia en deszelfs 'godfathers'. In feite betekent dat een oorlogsverklaring
aan de doctorandussen in de kunst-wetenschappen, geborneerde intellectuelen die
beslag hebben gelegd op de kunsten. Zij bepalen eenzijdig wat kunst is en wat
niet en dat doen zij, zoals te doen gebruikelijk bij intellectuelen, op grond van
een tweetal paradigma's, namelijk dat van de heersende mode en dat van
de theorie. In beide gevallen is kennis van zaken vereist, veel kennis
van veel zaken.
Het is tegenwoordig dan
ook heel gewoon dat niemand meer een oordeel over kunstwerken mag hebben,
behalve de deskundigen die de vereiste opleiding hebben genoten. Die heten
geoefend te zijn in het beoordelen van kunst. De overigen moeten hun mond
houden want zij zijn toch maar 'leken'. Zij hebben er geen verstand van.
Voorzover de hedendaagse
intellectuelen denken dat scholing vereist is om met kunst om te kunnen gaan
zijn zij het zoveelste slachtoffer van de moderne analytische cultuur. Daarin
is de universele werkelijkheid als beeld zoveel mogelijk op de
achtergrond gedrongen om plaats te maken voor de kwantificeerbare, meetbare en
voorspelbare werkelijkheid als voorstelling. Het is te begrijpen dat het
nu als ideaal van deskundigheid wordt gezien dat men er alles van afweet.
Maar in het geval van de
kunst betekent dit dat alleen de uiterlijke bijzonderheden in aanmerking
komen bij de beoordeling ervan. Inderdaad weten die deskundigen, die
kunstkenners, zo ongeveer alle details: zij kennen de kunstenaars bij naam en
toenaam, zij weten precies waaruit hun oeuvre bestaat en welk commentaar de
scheppers er zelf ter verduidelijking aan toegevoegd hebben. Vooral de
artistieke beschouwingen van andere kunstkenners worden met graagte aan nieuwe
theorieën getoetst, als regel door knappe koppen die, zoals knappe koppen
betaamt, zo kunstzinnig zijn als een straattegel.
541. De kunstenaar geeft in
zijn kunst uitdrukking aan de werkelijkheid als beeld. Dat is een afspiegeling aan
het verschijnsel van de werkelijkheid als bewustzijn. Dat afspiegelen
geeft aan de inhoud van het zelfbewustzijn, namelijk de voorstelling,
een beweeglijke dimensie, waardoor het in feite iets geheel ànders wordt. Het
verandert namelijk van een bepaald deel van de reële werkelijkheid in
een algemeen beeld van de gehele werkelijkheid. En deze 'gehele' werkelijkheid
moet dan niet opgevat worden als de 'complete' of 'totale' werkelijkheid, maar
als een tot een ondeelbaar geheel gecomprimeerde werkelijkheid en dat is
het teken.
Bij het beoordelen en
genieten van kunst gaat het dus om de werkelijkheid als beeld, terwijl de
daaraan ten grondslag liggende werkelijkheid als voorstelling wezenlijk alleen
maar fungeert als een 'aanleiding en handleiding' om de wereld van de
schoonheid binnen te kunnen gaan. De kennis hiervan is als kennis niet alleen
van geen belang, maar daarenboven ook nog misleidend doordat zij het onbevangen
openstaan voor de schoonheid blokkeert. Dat komt doordat deze kennis een
verbrokkelde werkelijkheid is: zij is resultaat van analyse. Daaraan kan zich
niets afspiegelen en dus vervalt de mogelijkheid om de kunst werkelijk te
beoordelen en te genieten.
542. Toch is er in de kunst vaak wel enige kennis
vereist, maar dat is kennis die niet door analyse verworven is, maar door ervaring.
Ervaringskennis is kennis die betrekking heeft op een ongebroken
werkelijkheid. Die kennis is vaak wel nodig, althans nuttig, want men moet de
basale werkelijkheid als voorstelling wel kunnen herkennen. Dat kan
gerealiseerd worden door almaar de confrontatie met kunstwerken aan te gaan.
Het is het kunstwerk zèlf dat tot steeds meer ervaring leidt en dus ook het
beoordelen en genieten bevordert. Dat is dus niet het geval met het verzamelen
van, als regel ook nog van anderen overgenomen, kennis en het verwerven van
theoretische deskundigheid!
543. De essentie van alle kunstvormen is schoonheid.
Dat betekent dat alles met alles in harmonie is. Aan het gelden van dit begrip harmonie
is voorondersteld dat het een en het ander 'nuances' binnen het geheel van de
werkelijkheid als beeld zijn; dat het een niet van het ander gescheiden is maar
in het ander 'overgaat' en dat zowel het een als het ander het geheel op de
wijze van 'teken' manifesteert.
De begrippen nuance
zijn, in elkaar overgaan en teken zijn vormen tezamen het begrip schoonheid.
Een nuance is, in tegenstelling tot een detail, niet uit het geheel gesneden en
op zichzelf gesteld zonder verder nog iets met de rest te maken te hebben, maar
een 'belicht gedeelte van het geheel', met behoud van alle verhoudingen tot het
geheel. De zaak blijft dus ingebed in het geheel, maar het bijzondere is dat
voor een moment licht er op valt.
Dat het een in het ander
overgaat betekent dat de grens tussen die twee niet als afscheiding fungeert
maar als overgang.
In die overgang
zijn beiden bewaard gebleven. En tenslotte wil het teken-zijn zeggen dat elke
nuance op zijn eigen wijze de gecomprimeerde afspiegeling van het geheel is.
De mens ervaart de
schoonheid als iets moois, en vaak ook als iets verhevens. Zij maakt het goede
in de mens wakker. Dat komt doordat het een zaak is van de werkelijkheid als
beeld zoals die voortkomt uit het bewustzijn. Dat is een 'liefdevolle'
werkelijkheid waarin het een niet aan het ander in de weg staat en waarin
'vrede' heerst. Het gaat dus over een werkelijkheid die het tegenovergestelde
is van de alledaagse, aan de materie onderworpen, realiteit.
544. Nog altijd zijn er vele goedbedoelende mensen
die vinden dat de mens zich met zijn eigen werkelijkheid als bewustzijn zou
moeten verenigen om op die manier een 'goed mens' te worden. Het bereiken van
en eenworden met het bewustzijn wordt voor hen dus een opgave, een
levensopdracht. Bij die opdracht behoort automatisch het besef dat het
alledaagse materiële leven het ware niet is en dat het dus zaak is zich daarvan
los te maken, het zogenaamde 'versterven'. En godsdienstigen willen van hun
'schulden' en 'zonden' verlost worden.
Zo hebben ze allemaal
wel hun theorieën, maar helaas zijn die stuk voor stuk verkeerd en zelfs
schadelijk. De werkelijkheid als bewustzijn is namelijk, netzomin als andere
werkelijkheden, een verheven zaak. Het is gewoon een verhouding binnen de
levende verschijnselen. Maar het is inderdaad een niet-alledaagse
aangelegenheid omdat die verhouding achter de realiteit ligt. Voor de
modern-westerse mens is dat, als hij er tenminste oog voor heeft, wel degelijk
iets bijzonders omdat hij er zich vanuit zijn analytische cultuur voor àfsluit.
Het schadelijke is
hierin gelegen dat men ongemerkt de betekenis van het dagelijkse leven en de
daarbij behorende gewone dingen uit het oog verliest, met als uiteindelijk
resultaat dat die niet meer tot hun recht kunnen komen en steeds meer
verwaarloosd worden. Overal waar groeperingen zich proberen toe te leggen op
wat zij plegen te noemen 'geestelijk' of 'spiritueel' leven is een ernstige
verwaarlozing van het alledaagse te constateren.
Maar dit alledaagse is
nu juist de drager van alles wat schoon en goed is. Zonder een
bevredigend dagelijks leven, waarin niet de geringste verwaarlozing van iets of
iemand getolereerd wordt, kan de werkelijkheid als bewustzijn, en dus de
schoonheid geen realiteit worden. Dan blijft het een soort van idealistisch
fata-morgana waarmee het wel leuk koketteren is, maar wat in feite toch een
kwalijke leugen genoemd moet worden.
545. Zeer terecht wordt door wetenschappelijk ingestelde
mensen verlangd dat men de beweringen van anderen niet zonder meer voor juist
houdt en klakkeloos overneemt, maar dat men er zèlf eerst uitgebreid over
nadenkt. Dit is dan om zo'n bewering te toetsen. Opvallend is evenwel dat men
dit zonder blikken of blozen achterwege laat als het wetenschappelijke
beweringen betreft, uitgezonderd natuurlijk beweringen op het eigen vakgebied,
waarvan men toevallig in de gelegenheid is die te controleren.
De status van de moderne
wetenschappen is deze dat zij een vrijbrief zijn geworden voor onbelemmerd en
kritiekloos napraten van verhalen die door wetenschappers te pas, en vooral te
onpas, verteld worden.
Deze gang van zaken
verschilt niet wezenlijk van de bij godsdiensten gebruikelijke. Ook daarin
worden beweringen klakkeloos overgenomen, mòeten klakkeloos overgenomen worden,
zodat het dus in feite de leiders van die godsdiensten zijn die bepalen wat
waar is en wat niet, ja zelfs wat er over de dingen van ons leven gedacht moet
worden. Van een vanuit de godsdienst en de theologie gedane uitspraak staat per
definitie en bij voorbaat vast dat hij juist is.
Gelukkig functioneert
dat conditionerende systeem tegenwoordig niet meer zo goed, maar we zijn toch
nog lang niet van dat soort van intellectuele tirannie verlost, want de
wetenschappen en hun priesters hebben het bedrijf overgenomen. En bijzonder
succesvol uitgebouwd! Dus worden tegenwoordig iemands verhalen nooit zonder
meer geaccepteerd, behalve als het een verhaal van een wetenschapper betreft.
Uiteraard is de kans groot dat het een juist verhaal is, maar in ontstellend
veel gevallen blijkt het je reinste twijfelachtige gewauwel. Zoiets rammelt aan
alle kanten. En het is door en door mistig vanwege de vele 'voors en tegens'.
Toch gaat dat alles er beter in dan ooit omdat het 'evangelie' van de moderne
positivistische wetenschap de schijn meeheeft. De schijn namelijk van waarheid,
juistheid en democratische controleerbaarheid.
546. De realiteit van hier en nu is het uitgangspunt
van elke kunstvorm. Dat moet ook wel, want anders kan er van geen afspiegelen aan
het verschijnsel sprake zijn. Welk verschijnsel dat de ene of de andere keer is
doet niet terzake. Alles wat inhoud van het zelfbewustzijn is kan uitgangspunt
zijn. Dat is in feite het 'eigentijdse' van de kunsten. Maar, dat eigentijdse
moet wel kùnnen afspiegelen. Dat wil zeggen dat het niet zomaar een
verschijnsel moet zijn, maar ook en bovenal een 'gevormd' verschijnsel. Daarmee
bedoel ik dat het een vorm moet hebben. Dit slaat niet zozeer op het begrip vorm
als uiterlijk model, alswel op de eis dat het intact moet zijn. Het mag niet
geanalyseerd zijn en uiteengeworpen in zijn samenstellende delen.
De kleur bijvoorbeeld is
alleen maar kleur aan het een of andere verschijnsel. Dat kleur ook op
zichzelf kan staan is een waanidee van de moderne, door de analyse besmette,
kunstenaar. Wat voor de kleur geldt is ook van toepassing op alle andere
begrippen binnen de werkelijkheid als kunst, dus trilling, beweging, lijn,
opeenvolging, interval enzovoorts. Al deze begrippen wòrden in onze cultuur
wel op zichzelf gesteld als zouden het aparte entiteiten zijn, maar in
werkelijkheid staan zij beslist niet op zichzelf. Het is het theoretische
denken van de intellectueel ingestelde moderne mens dat hem op het
rampzalige dwaalspoor gebracht heeft dat de eigenschappen van het verschijnsel
op zichzelf gesteld zouden kunnen worden. Het gaat er om dat het genoemde
complex van begrippen alleen maar aan het verschijnsel tot gelding kan
komen. Een en ander betekent dus dat de moderne mens niet alleen het geheel van
zijn werkelijkheid vernietigd heeft, maar ook zijn kunst en haar schoonheid. In
het beste geval blijft er iets over dat 'mooi' genoemd kan worden, maar
doorgaans kan men dat ook wel vergeten...
547. De zogenaamde moderne kunst is te begrijpen als de intellectuele
degeneratie van de schoonheid. Het resultaat van die degeneratie is een
gigantisch grote variëteit aan 'mooiheid'. Een ieder heeft zijn eigen
'mooiheid'. Er is dan ook net zoveel 'mooiheid' als er mensen zijn. Het is in
feite een individuele beleving, die voor de een een andere sterkte en waarde
heeft als voor de ander. Al die mooiheden beslaan met elkaar een heel scala,
lopend van foeilelijk tot en met beeldschoon.
Het is inderdaad juist
dat het 'mooivinden', dus het ondergaan van de eigen ervaringen van 'mooiheid',
een kwestie van smaak is. Dat mag voor menigeen bepaald een troostrijke gedachte
heten, want nu is men altijd gedekt. Over smaak valt immers niet te twisten!
548. Ieder mens heeft zijn eigen mooiheden want
iedereen heeft zijn eigen smaak. In de kunsten echter gaat het om schoonheid
en dat is een zaak die niet bij de individuele mens behoort, maar die universeel
is en niets met smaak te maken heeft. Schoonheid is weliswaar een menselijke
ervaring, maar dan een die betrekking heeft op de werkelijkheid als beeld
en dat is een kwestie van het bewustzijn. Dat bewustzijn is voor een ieder
hetzelfde, want het is de werkelijkheid als allesomvattende trilling, zoals die
immanent is aan de verschijnselen. De ervaring van schoonheid slaat dus bij
iedereen op precies dezelfde werkelijkheid.
De menselijke ervaring
van schoonheid is lang niet bij iedereen even sterk. Velen, vooral in de
moderne cultuur, hebben er geen enkele notie van, sommigen zijn er op de een of
andere manier voortdurend mee bezig. Dat geldt niet alleen voor de 'genieters'
van de kunsten, maar ook voor de kunstenaars zelf. Gevolg is dat er bij de
kunstenaars een variëteit bestaat van kwaliteiten. Die gaat van kleine meesters
tot grote meesters, die zich evenwel allemaal met schoonheid bezig houden.
Helaas zijn bijna alle
moderne kunstenaars verstoken van schoonheidservaringen. Zij drijven slechts op
de mooiheid en omdat dit begrip op van alles van toepassing kan zijn
putten zij zich uit in het vervaardigen van zoveel en zo verschillend mogelijke
'objecten'. Het is gewoonlijk de heersende mode die bepalend is voor de smaak
en dus voor het succes van de op mooiheid gerichte artistieke objecten.
549. Iemand die in de ban is van schoonheid is met
een universele zaak bezig, maar dat neemt niet weg dat zo iemand ook nog een
eigen persoonlijke smaak heeft. Zo kan het gebeuren dat iemand het
meesterschap van bijvoorbeeld Bach tenvolle herkent, maar meer geniet van
Chopin. Dan is te zeggen dat zijn smaak uitgaat naar Chopin. Misschien is het
zelfs wel mogelijk dat hij nog het meeste van draaiorgelmuziek houdt, hoewel de
zaak dan wel een beetje dubieus wordt! In ieder geval liggen de verhoudingen
zodanig dat het als eerste de vraag is of en hoe sterk iemand door de
schoonheid aangegrepen wordt en pas als tweede wat en hoe zijn smaak is.
Hieruit volgt dat het onzin is als men beweert dat het ervaren en waarderen van
kunst een kwestie van smaak zou zijn. Maar de moderne mensen, gericht als zij
zijn op het zelfbewustzijn, weten niet beter...
Het ondergaan van
schoonheid is een kwestie van de werkelijkheid als bewustzijn, het mooi‑vinden
hangt van de smaak af en dat is een zaak van de werkelijkheid als
voorstelling zoals die inhoud is van het zelfbewustzijn.
550. Omdat het in de moderne kunsten om mooiheid
gaat, en omdat dit een aan het individu bepaald begrip is, kunnen de
kunstenaars met hun werk alle kanten uit. Behoudens het voldoen aan een aantal
modieuze criteria, opgesteld door de op dat moment heersende 'kunstpausen', kan
alles, mag alles en moet alles. Dat komt in feite hier op neer dat men niets
meer behoeft te kunnen, behalve natuurlijk het voldoen aan de heersende
mode-criteria. Voor het overige is alles bij voorbaat al goed. Men kan
letterlijk 'maar wat aanrotzooien', om maar eens een bekende kreet te slaken!
Het zijn de
intellectueel ontwikkelde kunstpausen die vervolgens uitmaken wat goede kunst,
dus rotzooi, is en wat niet. Daartoe onderbouwen zij hun keuze, die uitsluitend
op hun eigen smaak berust, met diepzinnige en schier onverstaanbare
filosofieën.
Die hersenspinsels raken
noodzakelijkerwijs kant noch wal. Geen enkele filosofie kan immers aannemelijk
maken waarom iets al dan niet mooi gevonden moet worden. En het is zelfs onmogelijk
aan anderen duidelijk te maken waarom iemands persoonlijke smaak is zoals die
is. Daarom is zo'n filosofie per definitie een onzin-verhaal.
551. De filosofie kan wel degelijk zinnige dingen
over de kunsten en de schoonheid zeggen, maar noodzakelijkerwijs zijn dat
algemeenheden, begrippen, die op zichzelf niets met de smaak van doen
hebben. De smaak is strikt persoonlijk en het is een zaak die op het terrein
van de werkelijkheid als relatie ligt. Het is een relatie tussen een
bepaald persoon en iets of iemand anders waarvan hij op de een of andere wijze
geniet, of eventueel juist niet.
Daarentegen zijn de
kunsten en dus ook de schoonheid verhoudingen binnen de werkelijkheid als beeld.
Daarin geldt het bepaalde niet meer en dus is hier ook niet langer van smaak te
spreken. Bovendien kunnen daaruit geen regels en voorschriften afgeleid worden
die betrekking hebben op de uitoefening van de kunsten, het 'vak'
derhalve. Ook kunnen er geen criteria aan ontleend worden die moeten dienen om bij
voorbaat te bepalen hoe een nog te scheppen kunstwerk gestalte moet
krijgen.
Een en ander komt dus
hier op neer dat de kunsten volstrekt onvoorspelbaar zijn.
Dat moet ook wel, want
het gaat over de menselijke scheppingskracht, oftewel de creativiteit. Dat is het
geboren worden van iets nieuws.
552. De kunstenaar argumenteert niet als het om
zijn kunst gaat. Zijn scheppingen zijn dan ook vrij van vakmatige problemen,
experimenten en twijfels die eventueel aan het vak meekomen. Kunstenaars
geven volkomen 'onbeschaamd' te kennen: "Zo is het en niet anders",
zonder ook maar enige ruimte voor een alternatief, twijfel of blijk van
onzekerheid. De kunstenaar is in zijn kunst arrogant, zelfverzekerd en
niet bereid tot discussie. Rembrandt was er zeker van hoe zijn portret van
Hendrikje Stoffels er uit moest komen te zien. Daarover was geen discussie
mogelijk.
Uiteraard kent de
kunstenaar tal van vakmatige problemen, die allemaal draaien om de vraag hoe
hij of zij de innerlijke 'werkelijkheid als beeld' tot uitdrukking zal brengen.
En ook kent hij zijn twijfels over de waarheid, de schoonheid en de juistheid
van zijn scheppingen. Het is zelfs zo dat juist deze twijfels een voortdurende
bron van inspiratie zijn. Maar, hoezeer problemen en twijfels zijn scheppende
geest ook bezig houden, zijn werk zal er absoluut vrij van zijn: een
twijfelachtig en problematisch kunstwerk is geen kunstwerk, maar een
kinderachtig en bekrompen ego-verhaal.
De ware kunstenaar houdt
de vakmatige problemen en de inhoudelijke twijfels strikt voor zichzelf.
Het zijn persoonlijke processen die geheel en al buiten zijn of haar
scheppingen als zodanig vallen.
Deze kunstzinnige
zelfverzekerdheid is de moderne intellectuelen een doorn in het oog, vooral ook
als het nu eens niet over de gebruikelijke kunsten gaat, maar over die ene
àndere kunst, namelijk de filosofie.
553. Ook voor de filosoof geldt dat hij zijn wijsgerige
problemen, vragen en twijfels uitsluitend voor zichzelf houdt. Het
betreft immers zijn persoonlijke 'worsteling' met de materie! Inderdaad is het
op de een of andere manier de creatieve ondergrond van zijn filosoferen, maar
het is volstrekt niet hetzelfde als zijn filosofie als unieke creatie. In deze
creatie volgt hij gedachtengangen, trekt hij conclusies, wikt en weegt hij om
de waarheid zo helder mogelijk te verwoorden. Maar al deze creatieve processen
op zichzelf, als proces, verlopen zonder getob en getwijfel. Ook de filosoof
geeft in zijn creatie te kennen: "Zo is het en niet anders".
Hij is hierin volstrekt
zelfverzekerd, zelfs als hij het in feitelijke zin bij het verkeerde eind
heeft. Hij weet de dingen, zelfs als hij ze verkeerd weet!
Het gaat in de filosofie
om het laten zien hoe het met de werkelijkheid zit. Een twijfelend en onzeker
gestamel is geen filosofie, geen weten hoe het zit, maar een kinderachtig
tasten in het duister.
Dat kinderachtige tasten
in het duister is in de moderne academische filosofie aan de orde van de dag.
Men betreurt dat echter niet, neen, men vindt daarentegen dat filosofie zo
behoort te zijn!
554. Als het over de kunsten gaat heeft niemand er
bezwaar tegen als uit de werken van de kunstenaars een bepaalde
zelfverzekerdheid blijkt. Maar, als de creatieve filosoof zelfverzekerd is
wordt hem dat hoogst kwalijk genomen. Men vindt hem een betweter, iemand die
meent de waarheid in pacht te hebben, een querulant die onuitstaanbaar gelijkhebberig
is. En dat allemaal omdat hij stellige uitspraken doet!
Het is van belang er op
te letten dat ik het inzake die zelfverzekerdheid heb over de creaties
van kunstenaars en filosofen en datgene dat uit die creaties spreekt. Of die
kunstenaars en filosofen als persoon in het dagelijkse leven zelfverzekerd
zijn, of daarentegen steeds in twijfel verkeren, is een vraag die zoals eerder
gezegd in dit verband niet terzake doet. Ten eerste omdat dit een privé
aangelegenheid is en ten tweede omdat het als zodanig tot de wereld der bepaaldheden,
tijdelijk en plaatselijk, behoort. De creaties zelve echter behoren, zoals al
steeds benadrukt, tot de wereld der algemene begrippen.
Het lijkt dus eigenlijk
heel merkwaardig dat de filosoof geen stellige uitspraken mag doen en dat er
eigenlijk van hem verwacht wordt dat hij tobberig heen en weer zwalkt tussen ja
en nee, voor en tegen en vooral in alle bescheidenheid laat blijken dat hij
'het niet weet', waaraan doorgaans als vanzelfsprekend gekoppeld het op zichzelf
toch weer verschrikkelijk arrogante: "Wij weten het niet". Het
is dus niet aan iemand anders toegestaan het eventueel wèl te weten!
555. Er wordt gezegd dat de grondslag voor de
filosofie is gelegen in de twijfel. Op zichzelf is dat juist: zonder redelijke
twijfel aan alles wat wij menen te weten is er geen behoefte om iets uit te
zoeken en zonder die behoefte komen wij nooit iets aan de weet. Maar, zoals
gezegd, deze twijfel behoort tot de grondslag van de filosofie. Eigenlijk
behoort hij tot de grondslag van àlle kennen en weten.
De twijfel die men in de
creaties van de moderne filosofen wenst aan te treffen heeft in het geheel
niets te maken met de twijfel als grondslag voor de filosofie. Wat men namelijk
in dit geval van de filosoof verwacht is niet de persoonlijke redelijke
twijfel, maar een modieus niet-weten. Er mogen derhalve geen stellige
uitspraken gedaan worden.
In het uiterste geval
mag er op mogelijkheden gewezen worden en dit dan vergezeld van een hele
collectie voors en tegens, liefst verwoord in citaten van andere niet-weters.
Als de filosoof zich houdt aan deze eis maakt hij een kans voor vol aangezien
te worden. Doet hij dat evenwel niet, dan moet hij wel een autodidact
zijn, en dat is iets heel ergs, want autodidacten hebben er geen verstand van
en zij hobbyen maar wat aan...
556. Degene die bijvoorbeeld verklaart dat:
"Wij niet weten of er elders in het heelal nog meer bewoonde planeten zijn",
vergezeld van een aantal citaten van bekende astronomen, heeft kennelijk
verstand van zaken. Maar degene die op logische gronden aantoont dat het niet
denkbaar is dat er elders gèèn bewoonde planeten zouden zijn, heeft er geen
verstand van en is duidelijk een amateur.
Wat achter deze vreemde
reactie steekt is de vraag welke kwalificaties men heeft verworven. Dat moeten
academische zijn, althans kwalificaties die voortspruiten uit op hoog niveau
genoten onderwijs, met daaraan natuurlijk voorondersteld dat men het in dat
onderwijs gebodene braaf heeft geaccepteerd.
557. De moderne wetenschappen staan in het teken
van het niet‑weten. Dat is volkomen terecht. Toen bijvoorbeeld dit
niet‑weten nog geen gemeengoed was en de wetenschappen verondersteld
werden de dingen wèl te weten, was het vrijwel uitsluitend onzin waarmee men
aan kwam zetten. De, doorgaans dwaze, veronderstellingen van zichzelf
overschattende 'geleerden' vulden bibliotheken met deftige boekwerken, waarin
nauwelijks enige betrouwbare kennis te vinden was. Dat gedoe is gelukkig
voorbij. Dat wil zeggen: de wetenschappen als zodanig zijn betrouwbaar
geworden, maar er zijn helaas nog steeds veel wetenschappers die maar wat 'in
de ruimte wauwelen'.
Het niet‑weten behoort
bij de werkelijkheid als voorstelling. In die voorstelling is iemands wereld
weerspiegeld, voor een ieder weer anders en bij niemand compleet. Sterker nog:
het meeste is volslagen ònbekend en er is maar een uiterst klein gedeelte van
de totale werkelijkheid dat, bij de ene mens zus, bij de andere mens zo, gekend
is. De poging het vele onbekende te leren kennen, bekend te maken, is de
activiteit die de mens in zijn wetenschap ontplooit. Daarbij is de basis en de
stimulans dus het niet‑weten van het individu. Deze gaat, als regel in
samenwerking met anderen, op ontdekkingsreis binnen de wereld van het niet‑weten.
De filosofie wordt
tegenwoordig geacht een wetenschap te zijn. Dat is zij inderdaad voorzover het over
de filosofie als complex van wijsgerige gedachten gaat. Daarbij behoort dus ook
genoemde twijfel in de zin van niet‑weten, want er zijn altijd nog
gedachten van anderen die vooralsnog onbekend zijn.
De filosofie zèlf echter
is geen wetenschap maar een kunst, de kunst van het denkend beschrijven van het
geheel dat de werkelijkheid voor de mens is. Als kunst gaat de filosofie niet
uit van een niet‑weten, maar daarentegen juist van een wel‑weten.
Een wel‑weten namelijk van het karakter van de werkelijkheid, hetgeen
aanvankelijk een intuïtief wel‑weten is, om vervolgens door de
filosoof uitgewerkt te worden tot een zelfbewust weten. Bij dat
zelfbewuste behoort uiteraard ook het zelfverzekerde, dat meer en meer
kenmerkend gaat worden naarmate het wel‑weten aan helderheid wint. Dit
alles heeft niets te maken met gelijkhebberigheid, zelfoverschatting of
eigenwijsheid. Maar dat zou inderdaad wel het geval zijn als de filosofie een
wetenschap was...
558. Met de zogenaamde godsbewijzen is het nog
altijd hetzelfde getob. Ongelovigen zeggen dat het bestaan van goden niet aan
te tonen is en gelovigen vinden dat je niet kunt bewijzen dat er geen goden
kunnen zijn. Beiden zijn het er dus over eens dat er wat dit betreft niets te
bewijzen valt. Met dat soort van 'welles‑nietes' discussies zou men
desnoods vrede kunnen hebben ware het niet dat vooral de gelovigen zich er maar
al te graag achter verschuilen om vanuit die veilige positie de ongelovigen
voortdurend het leven zuur te maken met hun godsdienstige gedweep. Uiteraard
maken zij daarbij op slimme wijze gebruik van het argument dat de ongelovigen
toch de juistheid van hun standpunt niet kunnen bewijzen. Tot overmaat van ramp
vallen de meeste wetenschappers de gelovigen bij door eveneens te verkondigen
dat het al of niet bestaan van goden niet bewezen kan worden. Zij bedoelen
natuurlijk dat er geen wetenschappelijk bewijs te leveren valt. Vaak is
dat voor hen dan een mooi excuus voor hun eigen gelovigheid.
Maar, er zijn er ook die
zichzelf als 'agnosten' willen doen kennen, wat in feite wil zeggen dat zij
toegeven niet te weten hoe het zit omdat bewijzen logischerwijs ontbreken. Dat
zij daarmee impliciet te kennen geven het bestaan van goden voor mogelijk
te houden dringt gewoonlijk niet tot hen door. Uiteraard is dat niet bepaald
een reclame voor hun denkvermogen...
559. Wat, opmerkelijk genoeg, zelden ter sprake
komt is de vraag òf het nu wel juist is te stellen dat er op het gebied van het
godsgeloof niets bewezen kan worden. Bij het beantwoorden van die vraag is het
zaak eerst eens naar de betekenis van het begrip bewijzen te kijken. Dan
blijkt dat die betekenis in de westerse cultuur uitermate beperkt is. Hij is
versmald tot het laten gelden van meetbare en telbare grootheden.
Wanneer die aan een aantal criteria voldoen kunnen zij voor de bewijsvoering
gebruikt worden. Het belangrijkste criterium is dat die meetbare en telbare
grootheden uit analytisch onderzoek verkregen moeten zijn. Uiteraard
houdt dat in dat het een materiële zaak is. Het betreft een 'positivistische'
benadering van het vraagstuk. Passen wij dit toe op de kwestie van het al of
niet bestaan van goden dan blijkt onmiddellijk dat er op dit gebied niets
bewezen kan worden. Dat is te zeggen: voor het gebruikelijke westerse denken is
het onmogelijk.
Wil dit nu zeggen dat
het in het algemeen onmogelijk is? Zijn wij inderdaad getrouwd aan dat
versmalde begrip als wij iets willen bewijzen? Neen, dat zijn wij niet, maar
wel moet toegegeven worden dat de moderne mensen er moeilijk omheen kunnen en
er niet gemakkelijk toe te brengen zijn dat andere bewijs inderdaad als bewijs
te accepteren.
Het gaat nu namelijk om
het ervaren van de werkelijkheid, wat betekent: Het strikt logisch en op
samenhangende wijze nagaan hoe het daarmee zit. Het gaat er dus niet om
uit te zoeken waaruit de werkelijkheid bestaat en dus wat zij is, maar
het gaat om de vraag hoe zij is. Omdat dit alleen maar met behulp van
het denken uitgezocht kan worden is het een strikt persoonlijke zaak. Uiteraard
kan dat onderzoek niet met instrumenten uitgevoerd worden en het is bovendien
niet via een overdraagbare methode aan anderen te leren. Daarom is niet
te zeggen hoe dat 'nagaan' verloopt. Bij een ieder gaat dat weer anders, maar,
omdat het nagaan gericht is op de werkelijkheid als beeld zijn de uitkomsten
logischerwijs steeds dezelfde.
560. Het is een ernstige en tragische misvatting
dat het nagaan hoe de werkelijkheid is niet tot een universeel geldige waarheid
zou kunnen leiden. Men vindt dat omdat het een persoonlijk proces is dat
niet overgedragen kan worden en dat daardoor aan elke rationele controle
ontsnapt. Het door anderen accepteren van zo’n universeel geldige waarheid
hangt echter niet af van het al of niet controleerbaar zijn van dat
persoonlijke proces. Het accepteren door de ander hangt uitsluitend af van de
uitkomsten van diens eigen persoonlijke proces van nagaan hoe het zit. Op den
duur blijken die uitkomsten namelijk steeds bij allen overeen te stemmen.
Tenslotte, als de
mensheid eenmaal volwassen zal zijn geworden, blijken al die individueel
uitgezochte waarheden overeen te stemmen, per se niet doordat zij het resultaat
zijn van een algemeen erkende denkmethode en dus formeel juist gevonden
kunnen worden, maar doordat een ieder er op de een of andere manier voor
zichzelf achter gekomen is hoe het zit. Omdat die waarheden gegrond zijn op
de in een ieder op eendere wijze aanwezige werkelijkheid als bewustzijn is er
vanzelf overeenstemming onder de mensen.
De waarheid omtrent de
werkelijkheid laat zich nu eenmaal niet van buitenaf vaststellen. De
zogenaamde objectieve waarheidsvinding is onzin als het over de hoedanigheid
van de werkelijkheid gaat. Die waarheidsvinding is alleen maar op zogenaamd
subjectieve wijze mogelijk en zinvol. Maar de langs die subjectieve weg
gevonden uitkomsten blijken dus objectieve, namelijk universeel geldige,
waarheden te zijn.
561. Het wetenschappelijk onderzoek is
vandaag al zover gevorderd dat men het mechanisme van de erfelijkheid goeddeels
achterhaald heeft. Dat mechanisme op zichzelf is uiteraard een materiële zaak
en omdat dit het geval is kan men er op technische wijze iets mee doen. Men kan
bepaalde ingrepen verrichten die op de een of andere manier allemaal op
'knippen en plakken' neerkomen. Bij een dergelijke handelwijze is men
natuurlijk onverschillig voor het feit dat de erfelijkheid, evenals overigens
èlk ander levensproces, onmogelijk uitsluitend een mechanische zaak kan
zijn. Het mechanisme is slechts de analyseerbare, berekenbare en voorspelbare
ondergrond van het proces.
De wetenschappers kunnen
niet meer, maar ook niet minder, doen dan onderzoek plegen naar die tastbare
ondergrond en daarin zijn zij kennelijk al ver gevorderd. Zo zal het naar men
zegt binnenkort mogelijk zijn het gehele mechanisme van de erfelijkheid te
beheersen en naar zijn hand te zetten, dus te manipuleren. Gezien de omstandigheid
dat het aantal mogelijke combinaties aan het ontelbare grenst, valt het te
betwijfelen of die beoogde beheersing ooit inderdaad een feit zal zijn.
Er wordt ook al
gesproken over het 'klonen' van organismen. Om een aantal redenen koestert men
hoge verwachtingen, overigens geheel in overeenstemming met de mentaliteit van
de modern-westerse mens. Als eerste wordt er namelijk steevast gewezen op het
medische belang van het ingrijpen in de erfelijkheid. Dat wordt bij voorbaat al
een overtuigend argument gevonden, vanwege de verleidelijke mogelijkheid er
veel geld aan te kunnen verdienen. En dan is er uiteraard ook nog de
bio-industrie, waar men eveneens de kassa's al hoort rinkelen! Bij nadere
beschouwing valt het evenwel op dat er nauwelijks zuiver-wetenschappelijke
argumenten gehoord worden, argumenten die betrekking hebben op het universele
menselijke verlangen de werkelijkheid te leren kennen, teneinde op den duur
zelf, als mens, uit te groeien tot een werkelijk volwassen vrijzwevend
verschijnsel. Immers, de kennis van en het inzicht in de dingen is een
noodzakelijke voorwaarde voor de mens om samen te kunnen vallen met de ware
werkelijkheid, hetgeen onder meer betekent dat hij de in hem aanwezige, ooit
ingeprente, ficties en wanen opgelost heeft. Het klassieke Griekse adagium van
het "Ken Uzelve"
heeft nog niets aan betekenis ingeboet...
562. Indien men uitgaat van de mening dat een organisme eigenlijk niets
meer dan een machine of een chemische fabriek zou zijn, is het begrijpelijk dat
men vol overtuiging
aan het manipuleren slaat. Machines en fabrieken zijn vanuit externe
machtscentra te besturen en dus zal dat met een organisme ook wel het geval
zijn, zo meent men. En inderdaad lijken de feitelijke ontwikkelingen deze
opvatting te bevestigen. Het manipuleren is al een redelijk betrouwbare
techniek geworden. Men kan het genetische materiaal veranderen zodat een
kunstmatig ontworpen variatie van een reeds bestaand organisme het gevolg is.
Een nèt even andere stier bijvoorbeeld!
Ook hoopt men in de
toekomst een aantal erfelijke ziekten uit te kunnen bannen. En wellicht kan ook
het karakter van mensen beïnvloed worden, bijvoorbeeld om de kans op psychische
depressies te verkleinen.
Geheel volgens de heersende
mode fantaseert men er vrijelijk op los, uiteraard zonder al teveel last te
hebben van kennis van zaken en inzicht in de werkelijkheid. Je hoort zelfs
wetenschappers de meest ergerlijke voorspellingen doen over de mens van de
nabije toekomst. Zo schijnt het volgens de wetenschappelijke denkers nodig te
zijn de huidige mens te verbeteren, omdat deze op het ogenblik maar een
gebrekkig geval zou zijn dat voor maar weinig zaken geschikt is. Dergelijke
verbeteringen berusten uiteraard op de streng rationele wetenschappelijke
theorieën van de geleerden. Zij zijn er heilig van overtuigd dat hun
wetenschappelijke status er borg voor staat dat het inderdaad om reële
verbeteringen zal gaan. Maar, de nadenkende filosoof houdt zijn hart vast bij
het vernemen van dergelijke visies en plannen, want nog nimmer zijn die ten
voordele van de mensen uitgepakt. De wetenschappelijke werkelijkheid is nu
eenmaal per definitie in geen enkel opzicht de èchte van alledag.
Bovenal echter moet
bedacht worden dat het niet aan de wetenschappers is om een oordeel te vellen
over de kwaliteit van de levende verschijnselen. Die zijn immers niet te
analyseren! En van het vrijzwevende verschijnsel mens, dat vrij is van
iedere materiële en niet-materiële binding, moeten zij al helemaal afblijven.
Niemand heeft het recht daaraan te gaan sleutelen.
Overtuiging-1
; Overtuiging-2
; Overtuiging-3
; Overtuiging-4
;
563. De huidige wetenschappers zijn helaas vergeten
dat het in de wetenschap uitsluitend om kennis behoort te gaan en niet
om het, op enigerlei wijze en op grond van allerlei fantastische voorstellingen,
herscheppen van de werkelijkheid. De enige ingreep die de wetenschap uit hoofde
van haar kwaliteit toegestaan mag worden is het analyseren van de dingen
en dit dient dan ook nog waardevrij te geschieden. Dat wil zeggen dat
het volstrekt zonder vooropgezette, in wezen arrogante, plannetjes en duistere
politieke en commerciële intriges zal moeten zijn. Maar dat strenge standpunt
ligt niet in de lijn van de moderne cultuur, noch vanuit een wetenschappelijk,
noch vanuit een filosofisch oogpunt. En ook in de Ethiek onderschrijft
men de hoogmoedige opvattingen van de moderne academische cultuurmens. Dus ook
daar is niets van te verwachten.
564. De evolutie van het leven wordt gekenmerkt
door vallen en opstaan. Dat wil zeggen dat tijdens dat proces steeds
àlle kansen benut worden en dat de tijd zal leren of de resultaten daarvan al
of niet onhoudbaar zullen blijken te zijn. Die onhoudbaarheid
manifesteert zich op twee manieren: ten eerste in 'absolute' zin en ten tweede
in 'relatieve' zin.
Absolute onhoudbaarheid
doet zich voor als een nieuw evolutionair systeem, een nieuw organisme dus,
onmiddellijk na haar ontstaan weer instort. Qua leven is er dan zogezegd niets
mee te beginnen. Het ligt in de logica te veronderstellen dat verreweg de
meeste probeersels terstond ten onder gaan. Zij konden nog nèt geprobeerd
worden, maar bleken niet meer dan een slag in de lucht te zijn. Ook de
noodzakelijke samenhang met het totale leven op de planeet bleek in dat geval
onmogelijk. Het is evenwel van belang er op te letten dat dit proberen op
zichzelf nog wèl mogelijk was. Zonder deze mogelijkheid namelijk zou er
helemaal geen evolutie kùnnen zijn.
Relatieve onhoudbaarheid
komt ter sprake als een evolutionair systeem enige tijd kans ziet zich te
handhaven, maar bij de voortschrijdende evolutie op een zeker moment alle
betrekkingen met het overige leven verliest en dan uitsterft. Het gaat dan dus
over organismen die niet mee kunnen komen met het almaar verder gaande
proces van de evolutie. Ook hiervan is logischerwijs te zeggen dat tijdens de
evolutie de meeste levende wezens dit lot beschoren is.
Waarom het gaat is dus
dat zogezegd alles geprobeerd werd en dat sommige probeersels lange tijd
houdbaar bleken te zijn, vaak tot op de dag van vandaag.
565. Naast de relatieve en absolute onhoudbaarheid
is er ook nog een die je het beste vergankelijkheid kunt noemen. Die
slaat op het feit dat uiteindelijk àlle verschijnselen binnen een bepaald
zonnestelsel op zullen houden te bestaan. Een verschijnsel berust namelijk op
het over en weer aan elkaar vastleggen van bewegingen, zoals die wezenlijk
karakteristiek zijn voor alle materiële systemen. En het zijn die bewegingen
die in een betrekkelijk wankel evenwicht tot stilstand worden gedwongen.
De essentie van de
oer-werkelijkheid is beweeglijkheid. En nu is het tot stand komen van de
materiële verschijnselen, hoewel uiteraard onvermijdelijk, in zekere zin
paradoxaal omdat dit tegen het beweeglijke karakter van de werkelijkheid
ingaat. Er worden namelijk bewegingen geremd en geneutraliseerd die nu juist
karakteristiek zijn. Dit remmen en neutraliseren is een kwestie van
evenwichten die op den duur verloren gaan zodat het oorspronkelijke in beweging
zijn terugkomt. Dit zich herstellen van bewegingen is wat gewoonlijk met het
begrip vergankelijkheid aangeduid wordt.
Omdat alles vergankelijk
is, is alles op den duur onhoudbaar. Dit is dus in feite het wezenlijke van de werkelijkheid.
Daarom moet men noodzakelijkerwijs in termen van absolute of relatieve onhoudbaarheid
spreken. Dat betekent onmiddellijk ook dat het begrip houdbaarheid het
secondaire begrip is tegenover onhoudbaarheid als het primaire begrip.
566. De probeersels die een absoluut onhoudbaar
resultaat opleveren storten in onmiddellijk na hun ontstaan. Er is dus
achteraf niets van terug te vinden. Dat wil echter niet zeggen dat zij 'dus'
zonder meer weg hadden kunnen blijven. In het universum kan niets wegblijven en
het is wel degelijk een feit dat ook die 'mislukte' probeersels hun rol hebben
gespeeld. Te zeggen is dat zij gereageerd hebben op de mogelijkheid iets te
proberen. Zo een mogelijkheid is inherent aan de werkelijkheid en aan de
evolutie. Haar weg te denken is even absurd als het wegdenken van bijvoorbeeld
het ter wereld komen van een dood of gehandicapt kindje.
De probeersels die een
relatief onhoudbaar resultaat opleveren blijven geruime tijd bestaan, een
aantal daarvan misschien wel tot en met de geboorte van het laatste
verschijnsel, de mens. Hun onhoudbaarheid echter vraagt een nadere
onderscheiding. Enerzijds is er de reeds genoemde onhoudbaarheid vanwege het
zich niet langer kunnen handhaven tijdens het verdere verloop van de evolutie.
Het uitsterven dus.
Maar anderzijds is er de
mogelijkheid van een evolutionaire sprong naar een ingewikkelder
organisme, dat geheel nieuw is. Noem dit organisme -B-. Dat is dus een
organisme dat niets meer met het oorspronkelijke voorgaande organisme, laat ons
zeggen organisme -A-, te maken heeft. Precies zoals de mens niets meer met de
aan hem voorafgaande, oorspronkelijke, primaat te maken heeft. In de nieuwe
situatie bestaan dus de organismen ‑A- en -B- naast elkaar. Van organisme
-A- is dan te zeggen dat het voor haar geldende begrip relatieve
onhoudbaarheid een dubbele betekenis heeft, namelijk aan de ene kant het
zich op een zeker moment niet langer kunnen handhaven en aan de andere kant de
mogelijkheid van het overspringen naar een hoger systeem.
Op haar beurt geldt dit
te zijner tijd ook weer voor het organisme -B-, totdat met de mens deze
mogelijkheid opgehouden heeft te bestaan.
567. Het verschijnsel mens is de
verwerkelijking van de relatieve onhoudbaarheid tot en met zijn uiterste
mogelijkheid. Na een eindeloze reeks van probeersels, na almaar vallen en
opstaan, is er nu een organisme te voorschijn gekomen dat letterlijk volmaakt
is en dat bovendien geen mogelijkheid meer in zich heeft een evolutionaire
sprong naar iets ingewikkelders te maken. De enige wijze waarop het begrip onhoudbaarheid
thans nog geldt is die van de vergankelijkheid. Omdat de evolutie aan
haar einde gekomen is gelden de daarbij behorende absolute en relatieve
onhoudbaarheid niet langer.
Het is van belang dat
men zich terdege realiseert dat het verschijnsel mens het uiteindelijke
resultaat is van een voortdurend gevecht tegen de onhoudbaarheid. De evolutie
heeft als het ware steeds de mazen van het net gezocht, om vervolgens daar
doorheen te kunnen sluipen naar een volgend, meer ingewikkeld, levend systeem.
Maar er is natuurlijk in
feite nergens naar gezocht! Juist doordat àlle kansen, zonder ook maar een
enkele uitzondering, werden geprobeerd kon het lange tijd gebeuren dat er, onvermijdelijk toevallig,
doorgangen gevonden werden. Dat proces ging onafgebroken door totdat de
laatste doorgang gerealiseerd was. Dat was dus de geboorte van de mens op deze
planeet..!
onvermijdelijk
toeval-1 onvermijdelijk
toeval-2 onvermijdelijke toeval
568. De structuur van het verschijnsel mens is met
recht een volmaakte te noemen. Het kan zogezegd niet beter! Maar dat
betekent niet dat er geen fouten in voor kunnen komen. Juist in zo'n fijnzinnig
systeem als het verschijnsel mens kunnen fouten niet uitblijven. Dat zijn
echter fouten ten opzichte van het volmaakte en dat betekent derhalve dat zij
gedefinieerd moeten worden als afwijkingen van het volmaakte. En dat
volmaakte is in het geval van de mens de wezenlijk normale situatie.
Intussen zijn de
hedendaagse wetenschappers al een tijdje bezig te sleutelen aan het
verschijnsel mens, dit in de nogal hoogmoedige veronderstelling dat er wel het
een en ander aan verbeterd kan worden.
Maar, in principe kan
dit uiteraard niet. Zoals de evolutie dit verschijnsel in een langdurig proces
van vallen en opstaan aan de fundamentele onhoudbaarheid van de werkelijkheid
ontworsteld heeft kan nimmer overtroffen worden. Als dat echter wel zou kunnen
zou inderdaad alleen de mens tot een dergelijke manipulatie bij machte zijn.
Maar ook dat is onmogelijk omdat deze zèlf het ultieme resultaat is van
genoemde worsteling. Op grond van dit laatste is bovendien te stellen dat hij
in zo'n geval moet weten wat een verbetering is. Dat is echter volstrekt
uitgesloten omdat hij dan boven zichzelf uit zou moeten kunnen denken.
Dat is een logisch onhoudbare gedachte...
569. Het kan niet anders dan dat elke manipulatie
schade doet aan het levende verschijnsel. Er wordt dan een uitermate fijnzinnig
materieel systeem aangetast dat aan de hand van onnoemelijk vele malen vallen
en opstaan tijdens de evolutie teweeg gebracht is. Dat wat ervoor in de plaats
komt kan wellicht voortreffelijk geïntegreerd worden, maar men kan onmogelijk
de voor het leven essentiële samenhang herstellen. Eenmaal doorgesneden
is die samenhang verdwenen om nimmer meer terug te komen.
In hoofdzaak komt dat
doordat het fenomeen samenhang niet vanuit materiële processen tot stand
komt, maar resultaat is van een groeiproces dat plaats vindt vanuit de
beweeglijke oerpartikels zelve. Die worden door mij gewoonlijk
'beweeglijkheden' genoemd. Zij behoren tot een nog niet materiële werkelijkheid.
Daarin is op geen enkele manier iets aan te vatten, juist vanwege het feit dat
die beweeglijke oerpartikels nog geen stoffelijke kwaliteiten bezitten. Men kan
ze dus ook niet op een zodanige wijze stimuleren dat zij komen tot de groei van
een nieuwe samenhang. Er gaat onvermijdelijk iets kapot en wel voorgoed...
570. Dan is er natuurlijk ook nog de rol die de manipulator
speelt, met name de wetenschapper die de ingreep bedenkt en ten uitvoer legt.
Zijn kennis van zaken kan nog zo groot zijn, toch zal hij nooit kunnen weten
wat hij wèrkelijk aan het doen is. Ik heb het nu niet over het voorspellen wat
de gevolgen van zijn handelingen zijn, want zulke voorspellingen zullen na
verloop van tijd stellig met enige trefzekerheid gedaan kunnen worden. Neen,
het gaat er om dat, op grond van het niet-materiële aspect van de zaak, een volledige
kennis van zaken onmogelijk is. Dit blijkt alleen al uit de gemakkelijk te
begrijpen omstandigheid dat vanaf het moment van de ingreep niemand nog te
weten kan komen wat er gebeurd zou zijn als die ingreep niet had plaats
gevonden. Ook zogenaamd dubbelblind onderzoek kan hierin geen uitsluitsel geven
omdat de ene mens nu eenmaal de andere niet is.
571. Uiteraard kan men soms tamelijk betrouwbare
voorspellingen doen. Het spreekt immers vanzelf dat men gaandeweg leert hoe groot
de waarschijnlijkheid is dat bepaalde ongunstige ontwikkelingen bij iemand op
zullen gaan treden als men niet bijtijds ingrijpt.
Ook zal men straks
precies weten hoe men dergelijke ongewenste ontwikkelingen tegen zal kunnen
houden of ombuigen. Dat zal stellig voor een aantal mensen de kwaliteit van het
leven aanzienlijk verbeteren. In die zin kan het manipuleren van de
erfelijkheid buitengewoon zinvol blijken te zijn.
Het staan nu al vast dat
men bepaalde verstoringen en afwijkingen kan voorkomen of opheffen. Dat is een
geluk voor diegenen die het aangaat.
Maar we mogen nooit
vergeten dat we nu te doen hebben met iets wat verbeterd is. Iets
waaraan een ontsporing aan verondersteld is. En dat is nu precies waar het in
filosofische zin om gaat: het organisme als zodanig is niet te verbeteren.
Slechts fouten zijn te verbeteren met als resultaat niets meer, maar ook
niets minder, dan een verbeterde fout. Een verbeterde fout is evenwel
nog steeds een fout, zodat de zaak waar het om gaat toch enigszins beneden de
maat blijft.
572. Als ons iets bijzonders is overkomen ervaren
wij zo'n gebeurtenis als iets toevalligs àls wij hem niet hadden kunnen
voorspellen en àls het tegelijkertijd onmogelijk blijkt hem achteraf op
logische wijze te verklaren. Doorgaans gaat het daarbij om gebeurtenissen die
volgens ons evengoed niet hadden kunnen plaatsgrijpen. Als wij bijvoorbeeld
getroffen worden door een vallende dakpan beoordelen wij dat als een toevallige
samenloop van omstandigheden. Inderdaad had dat ongeluk ook niet kunnen
gebeuren, want die dakpan had ergens anders kunnen vallen. Dat is gelukkig
meestal het geval. Ook hadden wijzelf op een andere plaats kunnen zijn, wat
eveneens doorgaans het geval is.
Toch betekent dat
allemaal niet zonder meer dat er in absolute zin van toeval gesproken
kan worden want de gelijktijdigheid van het vallen van de dakpan en onze
aanwezigheid ter plaatse berust wel degelijk op een logische opeenvolging van
reële voorvallen. Alleen is het merkwaardige daarvan dat het ons niet gegeven
is die opeenvolging te voorzien, noch achteraf te reconstrueren. Maar door de
zekerheid van het resultaat is er desondanks de zekerheid dat er een logische
reeks van voorvallen aan vooraf is gegaan.
In het zeldzame geval
dat we de zaak wel kunnen nagaan spreken wij niet langer van een toeval. Wij
zien in dat het zo heeft moeten zijn. In feite is het ons dan op pijnlijke
wijze duidelijk geworden dat het in principe altijd mogelijk is dat er
een dakpan op ons hoofd valt, reden waarom wij het bij voorbaat al niet
raadzaam vinden tijdens een hevige storm de straat op te gaan.
573. Dat elke samenloop van omstandigheden in
principe tot de mogelijkheden behoort leidt logischerwijs tot het inzicht dat
er in de werkelijkheid nimmer iets ècht toevallig gebeurt. Sterker nog, de
gebeurtenissen blijken zonder uitzondering onvermijdelijk te zijn,
oftewel noodwendig, zoals oudere filosofen plachten te zeggen. Men moet
alleen lang genoeg op het voorval wachten en niet aan een bepaalde plaats
gebonden zijn. Het is namelijk zo dat in de oneindigheid van tijd en ruimte
alle mogelijke gebeurtenissen onvermijdelijk optreden.
De vraag waar en wanneer
dat dan gebeurt is geen vraag omdat het geen zin heeft hem te stellen. Dat komt
door de notie waar en wanneer, want die is in de oneindigheid van tijd
en ruimte niet relevant. Maar binnen het bestek van een bepaalde tijd en plaats
kan een op zichzelf onvermijdelijke gebeurtenis gemakkelijk uitblijven en de
vraag of dat inderdaad het geval is kan onmogelijk beantwoord worden. Wij
ervaren zo'n situatie dan als 'toevallig'.
574. Het heeft geen enkele zin een godsdienst fundamentalistisch
te noemen, als gold het een specialiteit van zo'n godsdienst, terwijl daarbij
tegelijkertijd gesuggereerd wordt dat andere godsdiensten beslist niet
fundamentalistisch zouden zijn. Een dergelijke kwalificatie heeft geen zin
omdat het begrip fundamentalisme altijd geldt als het over een godsdienst
gaat. Het is dan ook geen uitzondering, maar regel. In elke godsdienst wordt
noodzakelijkerwijs teruggegrepen op eenmaal voor alle eeuwigheid vastgestelde
waarheden. Er bestaan voor godsdienstig besef nimmer àndere, wat ook niet zou
kunnen want het zijn door God himself geopenbaarde waarheden. Ze laten dan ook
geen enkele afwijking toe, want dat zou in strijd zijn met het absolute
karakter ervan. Iets wat absoluut is kent geen alternatieven. Zo zit het en
beslist niet anders. Elke andere opvatting is bij voorbaat al ketterij.
Het fundament van het
geloof is zoals het is en zo blijft het in alle eeuwigheid. Dat er
teruggegrepen wordt naar dat fundament ligt dus voor de hand. Het is eigenlijk
wel consequent! Bovendien heeft men geen keus.
575. Als
tegenwoordig het begrip fundamentalisme gebruikt wordt denkt men echter
aan een bepaalde godsdienst waarbinnen dat teruggrijpen naar een enkelvoudige
absolute waarheid tot de praktijk behoort. En men vindt dat een uitermate kwalijke
zaak. Men keurt namelijk het starre, niet voor verandering vatbare, absolutisme
af. Men is tegen het conservatieve en dogmatische en wel voornamelijk omdat
daarbij nieuwe en humanere opvattingen geen kans mogen krijgen en dus al bij
voorbaat onverbiddelijk afgewezen worden. Een dergelijke starheid wordt,
overigens terecht, beschouwd als in strijd met het, steeds naar verbetering
strevende, moderne denken. Het wetenschappelijke karakter van dat denken laat
geen starheid toe, het is immers een voortdurende zoektocht, met als logisch
gevolg dat er steeds nieuwe 'waarheden' boven tafel komen.
Wat evenwel vooral
kwalijk wordt gevonden is de bijna misdadige onverdraagzaamheid die noodzakelijkerwijs aan
dat godsdienstige absolutisme meekomt. De daaruit voortkomende bloedbaden lopen
als een rode draad door de geschiedenis van de mensheid...
(On)verdraagzaam
; Onverdraagzaamheid
576. De gebruikelijke argumentatie bij het afkeuren
van het fundamentalisme en speciaal het teruggrijpen op absolute waarheden is
eigenlijk niet goed te verdedigen, omdat er een kant aan de zaak zit die
onderbelicht blijft, maar die op zichzelf wel degelijk alleszins redelijk kan
zijn. Je kunt je namelijk afvragen of datgene waarnaar teruggegrepen wordt per
definitie afkeurenswaardig moet zijn. Het is heel wel mogelijk dat de
fundamentele ideeën meer stroken met wat waarheid genoemd kan worden dan
allerlei later ontwikkelde alternatieve opvattingen. Dergelijke opvattingen
zijn onvermijdelijk beïnvloed door de wanen van de dag. Die vertonen vooral
tegenwoordig een ergerlijke neiging tot oppervlakkigheid en kretologie. Zij
zijn nagenoeg geheel van hun wezenlijke inhoud ontdaan.
Dat is bijvoorbeeld
duidelijk aanwijsbaar bij het merendeel van de politieke partijen, althans
diegene die op een humanitaire ideologie gestoeld zijn. Daar was destijds het
nobele socialistische ideaal. Dat behelsde oorspronkelijk een ernstige kritiek
op de kapitalistische westerse maatschappij, zelfs zo ernstig dat de meeste
intelligente denkers tot de slotsom kwamen dat die wereld vernietigd zou moeten
worden. Hoewel dat ideaal naar zijn toenmalige zienswijze en formuleringen
achterhaald is, is het nog even waar als toentertijd. Juist vandaag aan
de dag moet vastgesteld worden dat het naleven van dat ideaal zinvoller is dan
ooit. De huidige wereld is in haar structuur volstrekt ònhoudbaar geworden, zij
het op een geheel andere manier dan de vroegere socialistische denkers zich
voorstelden. Maar een hernieuwde bewustwording van deze ideeën is zinvol,
nuttig en nodig.
577. De oorspronkelijke evangelische en christelijke
waarheden verdienen het eveneens dat er telkenmale op teruggevallen wordt. Dan
doel ik natuurlijk niet op de door theologen uitgevogelde schijnwaarheden van
de op macht beluste kerken maar op de ideeën van de helderste denkers aan het
einde van de oudheid. De zogenaamde Bergrede is daar een goed voorbeeld
van. Maar ook de, kort na de tweede wereldoorlog in Egypte gevonden geschriften
van Nag‑Hammadi spreken wat dit betreft een glasheldere taal.
Bedoelde denkers kwamen allemaal, een ieder op eigen wijze en met eigen
bewoordingen, tot het inzicht dat de menselijke realiteit onder een viertal
essenties is te verstaan, namelijk nihilisme, anarchisme, socialisme en
communisme (zie mijn filosofische cyclus De Grote Vierslag). Het wil
zeggen dat de verschijnselen, inclusief de mens, geen enkele waarde hebben; dat
de mens zichzelf bestuurt; dat voor de ene mens de andere mens een
onvoorwaardelijk bestaansrecht heeft en tenslotte dat de mensen met zijn allen
zijn.
Deze waarheden zijn nog
lang geen gemeengoed. Sterker nog: de moderne mens staat er verder van af dan
ooit. Van geen van de vier essentiële begrippen heeft hij enig benul. Het zou
dan ook bepaald geen kwaad kunnen als hij er met enige regelmaat op teruggreep,
uiteraard zonder ook daar weer een intolerant dogma van te maken.
578. Het teruggrijpen op
essenties is zo zonder meer geen kwalijke zaak. Het is zelfs een vorm van conservatisme
die bijzonder zinvol kan zijn. Maar dan moet het wel gaan over universele
essenties die het verdienen telkens opnieuw overdacht te worden. Als het gaat
over dogmatische leerstellingen die ooit eens bedacht zijn door
overspannen stichters van een godsdienst, zoals Mohammed, of de Roomse
kerkvaders die de belangen van hun kerk wilden dienen, is het beslist beter en
nooit op terug te grijpen en ze zo snel als mogelijk te vergeten.
Als godsdienstige
leiders zich, zoals dat tegenwoordig heet, 'fundamentalistisch' opstellen en
van de gelovigen eisen dat zij zich houden aan de oude dogma's is dit zonder
meer een slechte zaak. Het gaat daarbij immers om onderwerping en
volstrekt niet om een hernieuwd nadenken. Het is zelfs streng verboden over die
zaken na te denken, want zij worden geacht absolute goddelijke waarheden te
zijn. Die mogen niet door het denken aangetast worden.
Het zijn tot overmaat
van ramp ook nog waarheden die vanwege dat absolute karakter aan iedereen
opgelegd mogen en moeten worden. Gelovigen zowel als ongelovigen moeten er aan
onderworpen worden, op straffe van hel en verdoemenis.
579. Dat godsdiensten almaar teruggrijpen op de
fundamenten van het geloof kan logischerwijs maar om een ding gaan, namelijk macht.
Over de mensen moet macht uitgeoefend worden, naar men zegt om het welzijn van
de mensen te bevorderen. Maar in feite gaat het erom zichzelf boven de mensen
te verheffen teneinde voor zichzelf individuele vrijheid op te eisen.
Nog nooit heeft een machthebber zijn fraaie woorden waargemaakt dat hij er ten
dienste van het volk zou zijn. Noodzakelijkerwijs kan zo'n uitspraak niet
anders zijn dan een schaamteloze leugen. Hij verheft zich immers boven
zijn medemensen en brengt die in slavernij. Dat die zogenaamde dienstbaarheid
aan het volk een hogere status zou vereisen berust in alle opzichten op een
godsdienstig besef. Het is in psychologische zin pure hoogmoed.
Ware dienstbaarheid aan
het volk kan alleen maar bestaan op voorwaarde van het onvoorwaardelijk
gelden van de eerder genoemde Grote Vierslag van nihilisme, anarchisme,
socialisme en communisme. Daarin is elke zelfverheffing ten enen male
uitgesloten en dus is er ook geen sprake van regeren, besturen of welke vorm
van dwingelandij dan ook.
De geschiedenis van de
moderne tijd, te beginnen met de Romeinen, laat onverholen zien dat er
onvermijdelijk een pact bestaat tussen de godsdienst en de macht. En daarbij
ligt de verhouding tussen die twee zodanig dat altijd de macht dominant is.
Uiteindelijk draait alles daar om!
580. Van iemand die zich bezig houdt met een
wetenschap wordt terecht verwacht dat zij of hij gekwalificeerd is. Dat
betekent dat aan het bedrijven van een wetenschap iets ten grondslag moet
liggen. Dat blijkt een langdurige oefening in het wetenschappelijke denken en
bovenal een gedegen kennis van de actuele wetenschappelijke stand van zaken te
zijn.
Die grondslag moet er
zijn omdat elke wetenschap een cumulatief karakter heeft. Aan elk
volgend moment is een aantal vorige verondersteld. Het kennispakket *B* is het
kennispakket *A* plus iets nieuws. En nu is het voor de wetenschapper zaak dat
kennispakket *A* grondig te kennen, enerzijds om inderdaad met iets nieuws te
kunnen komen en anderzijds om de juistheid van dat nieuwe te kunnen toetsen en
aannemelijk te maken.
Logisch is het dus dat
men bij alle mogelijke gelegenheden naar de opleiding en kwalificatie van een
wetenschapper vraagt en dat het van zijn antwoord afhangt of men al of niet
vertrouwen in zijn uitspraken kan stellen.
Genoemde eis van
kwalificatie geldt natuurlijk ook voor de academische filosofie want dat
is de wetenschap die òver het totale filosofische gedachtengoed gaat. Dat is
een wetenschap als alle andere. Tegenwoordig is dat helaas nog de enige
filosofie die men kent en officieel erkent. Geen wonder dat ook in dit geval
als eerste naar de kwalificaties van een filosoof gevraagd wordt, alvorens men
bereid is zijn ideeën en uitspraken serieus te nemen. Voldoen die kwalificaties
niet aan de verwachtingen, dan is men doorgaans niet eens bereid van de zaak
kennis te nemen, laat staan er ook maar een moment over na te denken.
Een en ander leidt ertoe
dat de echte creatieve filosoof al bij voorbaat een onbetrouwbare
amateur en een charlatan gevonden wordt. Zijn filosofie is niet
wetenschappelijk verantwoord, zo vindt men. En dat is in het kader van het
huidige tijdsgewricht een doodzonde.
Afgezien van dit
kortzichtige vooroordeel moet evenwel toegegeven worden dat men niet helemaal
ongelijk heeft. Het is inderdaad een feit dat de creatieve filosofie
niet wetenschappelijk is. Net zo min trouwens als de kunst. Voor de kunst en
voor die filosofie geldt nu eenmaal niet dat zij cumulatief zijn. Zij komen dus
niet met iets nieuws dat aan iets ouds toegevoegd is. De filosofie is namelijk
op elk moment het resultaat van een unieke en totaal onafhankelijke
gedachtegang, ook als het onderhavige thema al vele malen voordien doordacht is
en ook als blijkt dat er anderen zijn die eveneens dergelijke denkbeelden koesteren
en tot overeenkomstige resultaten gekomen zijn.
581. De filosofie is zelfdragend zonder dat
er iets of iemand anders bij nodig is. 'Nieuw' betekent dan ook niet dat er
iets ter tafel gebracht wordt dat er voordien nog niet was, maar het betekent
dat het thema door de filosoof op een volslagen eigen en onafhankelijke wijze
doordacht is. Het zou voor de creatieve filosoof dus een vertekening van de
realiteit zijn als hij ging staan bogen op opleidingen en kwalificaties. Zoiets
zou zelfs oneerlijk zijn! Kwalificaties zeggen in dit verband absoluut niets.
Als de filosoof dan ook een helder begrip van de filosofie en zijn eigen status
als filosoof heeft weigert hij categorisch dergelijke geloofsbrieven op tafel
te leggen. Je kunt met recht stellen dat zijn kwalificaties gelegen zijn in de
helderheid en waarachtigheid van zijn denkbeelden.
Om daar echter een oordeel
over te kunnen vellen moet men beginnen met zich grondig en onbevangen op de
hoogte te stellen van het werk van de filosoof. Dat geschiedt door zorgvuldig
en getrouw met diens gedachtengangen mee te denken.
582. De huidige cultuur wordt gekenmerkt
door een vrijwel niet te doorbreken fixatie op de wetenschap. Het resultaat
daarvan is een verschrikkelijke, wereldomspannende waan die er oorzaak
van is dat gaandeweg niets meer is wat het lijkt te zijn. Men zou kunnen
spreken van een doen alsof.
Hoe tragisch dit ook is, de zich tot volwassenheid ontwikkelende mensheid kan
het niet vermijden. De mensheid moet ook door die waan heengaan, precies zoals
ze al door zovele wanen heen geploeterd is. Bij nauwkeurige beschouwing blijkt
dat eigenlijk haar ganse ontwikkelingsweg een aaneensluiting van wanen is. Men
is er steeds tenvolle van overtuigd 'realistisch' te zijn en de waarheid te
kennen, om telkens weer achteraf te moeten vaststellen dat het allemaal nergens
op sloeg. Dat geldt ook en op zijn hevigst voor de moderne wetenschappelijke
cultuur.
De werkelijkheid wordt
steeds meer vervormd tot een wetenschappelijke formule. Door de nagenoeg
volmaakte juistheid van de daarbij behorende kennis kan men er bijna niet
doorheen prikken. De moderne mens is er als regel niet van te overtuigen dat
hij wel degelijk in een waan verkeert die hoognodig opgelost moet worden. Zo
niet, hij loopt alle kans in schizofrenie ten
onder te gaan.
Maar voorlopig worden
diegenen die, vanuit een bijzondere aanleg, proberen die waan te doorbreken in
volle overtuiging
voor gek versleten. Men meent, zij moeten wel lijden aan een ernstige
agressieve obsessie tegen de wetenschap, stellig omdat zij er geen kans toe
hebben gezien zelf een academische opleiding te volgen. Het is dus allemaal
afgunst! Bovendien, zo vindt men, blijken zij geen verstand van zaken te
hebben. Onze op wetenschappelijke wijze onderzochte en uitgedokterde
werkelijkheid kan eenvoudigweg geen fictie zijn.
Toch is zij het in
ernstige mate, jammer voor de o zo wetenschappelijke moderne mens...
Schizofrenie-1 ; Schizofrenie-2
; Overtuiging-1
; Overtuiging-2
; Overtuiging-3
; Overtuiging-4
;
583. In de laatste fase van de menselijke groei
naar volwassenheid gaat het om de ontwikkeling van het zelfbewustzijn.
In die fase verkeren wij thans. De alsnog onvolwassen mens is dan effectief
bezig om bij zichzelf terecht te komen, een proces dat noodzakelijk is om
tenslotte 'menswaardig' op aarde te kunnen leven. Zolang het zelfbewustzijn
niet helder is valt de mens niet samen met de werkelijkheid en dat betekent dat
hij zich van allerlei verbeeldt, maar nimmer realistisch kan zijn. Hij leeft
onvermijdelijk in de een of andere waan waarvan de laatste, de huidige dus, die
van de wetenschappelijke kennis is.
Het zelfbewustzijn
bestaat uit kennis omtrent de eigen persoonlijke wereld van het
individu. Het is zogezegd een catalogus van die persoonlijke werkelijkheid.
Gaat het nu in genoemde laatste fase om het ontdekken en terechtbrengen van dat
zelfbewustzijn, dan gaat het logischerwijs onmiddellijk om wetenschap.
Als wetenschapper toetst en zuivert de mens de kennis van zijn wereld. Hij legt
een betrouwbare catalogus aan, hetgeen uiteraard ook betekent dat hij zijn
niet-weten, voorzover hij dat als 'ontbrekende kennis' heeft herkend, eveneens
inventariseert. Dit laatste aspect van het zich realiseren als zelfbewustzijn
wordt tegenwoordig nogal eens over het hoofd gezien. Toch is dit niet-weten een
belangrijke vorm van kennis.
Intussen wendt de
moderne mens zich steeds meer af van de vele traditionele verzinsels, zowel op
het terrein van de dingen als van de ideeën en hij krijgt almaar meer
vertrouwen in wat hij graag noemt 'objectieve kennis'.
De kloof, zie de nrs. 584- 585 en 586(Overheid / Volk)
en *Vervreemding; **De kloof(a/h eind van 586)
584. Tegen het einde van de ontwikkeling van het
zelfbewustzijn bestaat de inhoud ervan niet langer uit, op indirecte wijze
verworven, praktische ervaringen, maar louter nog uit theorieën
en dus uit materiaal dat men door ànderen, bij voorkeur deskundigen, aangereikt
heeft gekregen. De uiteindelijke inhoud van het zelfbewustzijn is, in die
laatste fase van de ontwikkeling, theoretisch van aard en het is nu juist dit
feit dat er de oorzaak van is dat die 'bijna volwassen' mens in een rampzalige
waan is gaan leven. Die waan echter berust niet op een mogelijke
ònbetrouwbaarheid van de verworven kennis, maar louter en alleen op de
omstandigheid dat de moderne mens genoemde theorie voor realiteit is gaan
houden.
Het spreekt vanzelf dat
dit het ergst het geval is bij diegenen die een hogere opleiding hebben
genoten. Helaas dus juist bij diegenen die op grond van hun kwalificaties
voorbestemd zijn om belangrijke posities in de maatschappij te gaan innemen.
Dus, de meest 'besmette' personen worden de managers van de wereld, precies dus
de verkeerden!
Dat proces is vandaag al
volop bezig en de gevolgen ervan worden steeds duidelijker zichtbaar. De kloof namelijk tussen de wereldbeschouwing van
de intellectuele bovenlaag en die van de gewone mensen
aan de basis van de samenleving wordt op een verontrustende wijze almaar
groter. Die 'gewone' mensen voelen niet meer met de zaak mee, begrijpen niet
meer waarover het gaat en het kan niet uitblijven dat zij er steeds minder
vertrouwen in hebben.
585. De wereld volgens die intellectuele
voorstelling blijkt als zodanig helemaal niet te bestaan. Zo worden de mensen
door moderne politici allerlei zaken in de schoenen geschoven waaraan zij zich
in geen enkel opzicht schuldig maken. Frappant is bijvoorbeeld dat men het
voorstelt alsof de burgers het milieu vervuilen ('Een schoon milieu begint
bij onszelf'), terwijl de
mensen nu juist geen keuze hebben, omdat zij het moeten doen
met de producten die hen door de èchte vervuilers, de producenten, aangereikt
worden!
Een ander voorbeeld
betreft de zogenaamde voorlichting
aan de mensen. Men vindt het nodig van allerlei voorlichting te geven, maar bij
nadere beschouwing blijkt dit geen voorlichting doch iets totaal ànders te
zijn. Het is namelijk indoctrinatie
die met alle mogelijke slimme psychologische trucs bedreven wordt. De bedoeling
ervan is de mensen zo 'op te voeden' dat zij zich zullen gaan conformeren aan
de wereld van de wetenschappelijke voorstelling van de intellectuelen.
Voorzover dat zo af en toe gelukt wordt dat door die intellectuelen, de
managers van de bovenlaag, als vanzelfsprekend opgevat als een bewijs voor de
juistheid van hun wetenschappelijk verantwoorde voorstelling.
Maar, na verloop van
tijd blijkt telkens weer dat de zaak niet deugt. Uiteraard! Men zoekt de
fout dan echter niet bij de eigen theoretische wereldbeschouwing maar
bij het vooralsnog niet goed 'opgevoede' publiek. Dat moet waarden en
normen leren en vooral ook sociaal worden. De intensiteit van de
campagnes wordt dan drastisch opgevoerd onder het mom dat de overheid dichter bij het volk
gebracht moet worden. En zo versterkt het proces van de *vervreemding
zichzelf dankzij de steeds betrouwbaarder wetenschappen. Wat een tragische
paradox..!
Vervreemding-1 , vervreemding-2
, vervreemding-3
586. Het beroemde thema van de maakbare wereld hangt ten nauwste
samen met de vertheoretisering van de wereldbeschouwing. Het is een eigenschap van
de wetenschappelijke kennis dat die aangewend kan worden om bepaalde plannen te
verwezenlijken. Dat is duidelijk als het over de techniek gaat: het
vervaardigen van bepaalde producten is onmogelijk zonder een ondergrond van
kennis die het doen van voorspellingen mogelijk maakt. Een technisch procédé
waarvan de uitkomst niet te voorspellen is dient nergens toe.
Met het voortschrijden
van de wetenschappen en de toename van kennis met een voorspellende waarde is
men er steeds meer van overtuigd geraakt dat ook de maatschappij beschouwd kan
worden als een technische aangelegenheid. Dat zou dan betekenen dat de
maatschappij maakbaar is, uiteraard op voorwaarde dat er voldoende
kennis ter beschikking staat.
Vooral de grote
ideologieën worden gekenmerkt door het bezit van gedetailleerde blauwdrukken
van een toekomstige ordelijke en rechtvaardige wereld. Dat moet ook wel, want
zonder dergelijke modellen en de daarbij behorende strategieën is een ideologie
niets waard. Bij een ideologie behoort een verheven doel!
Sinds enige tijd evenwel
stuiten die grote ideologieën en de daarbij behorende ideeën van een maakbare
wereld steeds meer op heftig verzet. In navolging van bepaalde filosofen is men
gaan vinden dat het vergeefse moeite is te proberen een goede wereld te maken.
De gang van de mensheid zou buiten de wil en de bemoeienis van de individuele
mensen omgaan en er wordt zelfs gesteld dat er helemaal geen geschiedenis
zou zijn. Dat wil zeggen dat er geen ontwikkeling is en geen doel en dus geen
mogelijkheid om ergens naar toe te werken. Blijkbaar wil men alles maar laten
zoals het is, of wellicht liever uitsluitend bij de dag leven. In ieder geval
wordt het toeval er bij gehaald om aannemelijk te maken dat er
hoegenaamd niets te plannen en te sturen en te regelen valt. Het toeval zal
steeds bepalend zijn en daar is niets tegen te doen, althans volgens de
aanhangers van het 'post-modernisme'.
Hoe het ook zij, toch
moet opgemerkt worden dat zowel de voor‑ als tegenstanders van de idee
van een maakbare wereld het bij het verkeerde eind hebben. Dat komt doordat het
hen nog steeds niet duidelijk is wat de mens nu eigenlijk is, wat diens plaats
in de kosmos is en wat dientengevolge zijn persoonlijke en gemeenschappelijke
mogelijkheden zijn.
maakbare wereld ( nummers
586 t/m 600 )
587. De mens is, wat ik heb genoemd, het vrijzwevende
verschijnsel. Dat betekent dat de mens niet gebonden is aan de programma's
van de aan hem evolutionair voorafgaande materiële systemen. Dat zijn met name
de programma's van de anorganische en de organische wereld, oftewel de wereld
van de verschijnselen. Voor de mens is er absoluut niets bij voorbaat geregeld
door middel van ingeboren, onveranderlijke en onontkoombare levensstrategieën.
Hij moet alles zelf uitzoeken. Hij moet zelf oplossingen vinden om zo veilig
mogelijk de dag door te komen. De natuur heeft hem zelfs niet voorzien van
lichamelijke werktuigen zoals klauwen, een arendsblik en meer van dat soort
zaken.
Maar, het betekent
tegelijkertijd ook dat hij evenmin getrouwd is aan immateriële programma's, dus
zogenaamde geestelijke voorschriften en taken. Trouwens, welbeschouwd bestaan
die helemaal niet. De immateriële werkelijkheid, zeg maar de geestelijke
wereld, is niet anders denkbaar dan als een volstrekt lege, dat wil zeggen inhoudsloze
zaak. Daaruit kunnen dus geen doelstellingen afgeleid worden en evenmin die
'waarden en normen' die nog steeds zo belangrijk worden gevonden. Daarom is het
van groot belang om eens na te denken over de vraag waarom de mensen er
desondanks behoefte aan hebben zichzelf, en vooral ànderen, aan strenge
stelsels van waarden en normen te onderwerpen. Het blijkt dan dat het de wil
tot het uitoefenen van macht is.
588. Vanuit de stoffelijke werkelijkheid is de mens
nergens op toegerust en uit de zogenaamde geestelijke werkelijkheid is niets af
te leiden. De mens staat er helemaal alleen voor en het is zelfs zò sterk dat
dit in de grond van de zaak ook letterlijk geldt. Elke mens is wezenlijk
een eenling. Er is geen sprake van dat het individu het kleinste element van
een groep zou zijn. De veelgebezigde kwalificatie van de mens als 'kuddedier'
slaat werkelijk nergens op. Een mens is geen koe!
Het feit dat mensen met
elkaar gemeenschappen vormen, inderdaad vooral ook omdat zij elkaar nodig
hebben om te overleven, bewijst niet dat zij groepsdieren zouden zijn. Ook een
dergelijke gedachte komt in de grond van de zaak voort uit een, de ònvolwassen
mens aangeboren, zucht naar macht.
Over dit onderwerp is
nog veel meer te zeggen, maar het is thans alleen maar van belang om in te zien
dat de mensen genoodzaakt zijn de natuur, die zij bij hun verschijnen op aarde
aantreffen, om te vormen tot een voor de mens veilig biotoop. Dus tot een voor
de mensheid leefbare planeet.
589. Aangezien de mens ter wereld komt als een
verschijnsel dat zo zonder meer niet uit de voeten kan en dat genoodzaakt is
zich een veilig biotoop te scheppen, is het zinloos zich af te vragen of voor
hem de wereld een 'maakbare wereld' zou kunnen zijn. Hij mòet van de wereld
zijn eigen wereld maken, enerzijds omdat dit zijn aanleg is en anderzijds omdat
hij volstrekt geen keuze heeft. Leven houdt voor hem in dat de aarde veilig
moet worden en dus gaat hij onmiddellijk aan de slag. Hij gaat de hem
omringende natuur bedwingen en naar zijn hand zetten. Daarbij mag men niet
alleen in letterlijke zin denken aan de natuur, want ook de onderlinge
betrekkingen van de mensen vallen er onder. En dat houdt op zijn beurt weer in
dat de mens ook zichzelf onder handen gaat nemen. Zou hij al deze dingen
niet doen, hij zou nog geen dag overleven...
590. Er is geen ontkomen aan, er is om te beginnen
geen leefbare wereld en dus moet er noodzakelijk een leefbare wereld gemaakt
worden. Daartoe beschikt de mens, en uitsluitend de mens, over het enige
gereedschap dat voldoet om veranderingen aan te brengen in de werkelijkheid als
verschijnsel. Dat gereedschap is zijn intellect.
Het intellect stelt de
mens in staat de innerlijke structuur van het verschijnsel bloot te leggen. Dat
is een noodzakelijke voorwaarde om er wijzigingen in aan te kunnen brengen. De
hebben uiteraard de bedoeling de zaak onder controle te krijgen. Het begrip controle
houdt in dit verband in dat de wijzigingen die de mens aanbrengt eigenlijk
slechts mogelijk zijn binnen de tolerantie van de systemen. Elk systeem
kan enigszins aangepast worden zonder de eigen kenmerken te verliezen. Vooral
bij de organismen is dat duidelijk het geval. De tolerantie is de mate waarin
aanpassingen mogelijk zijn. Helaas worden tegenwoordig, dank zij de enorme
ontwikkelingen die de wetenschappen doorgemaakt hebben, de grenzen van de
tolerantie nogal eens overschreden, met onvermijdelijk dramatische gevolgen.
Maar over het geheel genomen boeken de mensen op dit terrein steeds meer
successen.
Vooral in zijn laatste
onvolwassen fase van ontwikkeling, namelijk die waarin de mens zich waarmaakt
als zelfbewustzijn, is hij buitengewoon vruchtbaar. Dat is vooral
vanwege het feit dat nu de wetenschappen de maat zijn geworden. Men kan stellen
dat de materie thans nauwelijks nog geheimen voor het zelfbewuste intellect
heeft. Helaas verleidt dat de vooralsnog onvolwassen mens tot het maken van
volkomen irreële toekomstplannen. Hij gaat namelijk denken dat hij nu alles
maar naar believen kan gaan overheersen. Dat leidt echter na verloop van tijd
tot bittere teleurstellingen.
591. Het inrichten van de planeet teneinde er een
menselijke zaak van te maken, is een activiteit die niet van de mens is af te denken.
Als eerste moet gezegd: het is bepaald niet verkeerd om te stellen dat de
mensen wel aan de slag moeten omdat zij anders niet kunnen overleven.
Maar, ten tweede: beter is de poging om te begrijpen dat, met de geboorte van
het laatste verschijnsel, al het voorafgaande tot inhoud van dat laatste
verschijnsel geworden is. Het gaat dus eigenlijk niet alleen maar om overleven,
maar vooral ook om het zich in de praktijk realiseren van dat absolute
evolutionaire eindpunt dat de mens nu eenmaal is.
Op het eerste, het
overleven, baseert zich de pragmatische verklaring die men van het
menselijke gedoe op aarde pleegt te geven. Dit type verklaring is in de moderne
cultuur de gebruikelijke. Hoewel hij niet echt verkeerd is, moet toch gezegd
worden dat hij bijzonder oppervlakkig is en welbeschouwd niets verklaart, omdat
voor àlle levende wezens het gedoe om te overleven bittere noodzaak is.
De tweede verklaring is
wezenlijk filosofisch omdat hij laat zien wat er werkelijk aan de hand is. Dat
houdt onder meer in dat deze verklaring onder alle omstandigheden en op alle
momenten waar is. Het zich eigen maken van datgene dat tijdens het
wordingsproces en de evolutie aan de mens vooraf ging is namelijk een strikt
logische noodzakelijkheid die zich ook doet gelden als mensen toevallig
temidden van een rijke en overvloedige natuur vertoeven en daardoor geen
problemen hebben met het overleven.
Aangezien dat zich
eigen maken tot gevolg heeft dat de mens zich toerust op een veilig leven
op deze planeet heeft het alles te maken met het inrichten van een eigen
menselijke wereld. De mens is werkelijk een 'Wereldbouwer', zoals de
zieners van de Oudheid al lang geleden vastgesteld hebben.
592. Het bouwen van een eigen wereld heeft
betrekking op de stoffelijke ondergrond van het menselijk leven. De
wijzigingen die de mensen, vanuit het zich eigen maken en met het oog op
het veilig stellen van het leven, in die ondergrond aanbrengen hangen
onlosmakelijk samen met het praktische dagelijkse leven. Het gaat dus om
voorzieningen die nu en hier nodig zijn. Voorzover de mensen er aan
werken om die voorzieningen tot stand te brengen zijn zij bezig een wereld te
bouwen. In dit verband zou men inderdaad van 'maakbaarheid' kunnen spreken,
ware het niet dat dit begrip de suggestie van iets bijzonders wekt, terwijl het
daarentegen om iets heel gewoons gaat, namelijk dat de werkelijkheid zèlve zich
tot een menselijke zaak omzet. Zij realiseert zich als het absolute einde.
Dat gebeurt, zoals
gezegd, noodzakelijkerwijs omdat het allerlaatste, de mens, al het voorgaande
tot zijn inhoud heeft en zich wel als zodanig realiseren mòet. De gehele kosmos
wordt, in concreto en in abstracto, inhoud van de mens.
Het betekent dat hij de
voorhanden materie tot in haar bestanddelen ontleedt om er daarna
aangepaste, nieuwe dingen van te maken. En het betreft het op intellectuele
wijze in zich opnemen van de werkelijkheid, namelijk als theorie. Deze
theorie komt terecht in het zelfbewustzijn en wordt dan, na analyse en
controle, kennis genoemd.
593. Het op eigen ontwikkeling gerichte
zelfbewustzijn, zoals dat zich in de moderne mens manifesteert, blijft niet bij
de genoemde stoffelijke ondergrond, maar gaat zich uiteraard ook bezig houden
met het leven zelf. Het gaat dit behandelen als bestond het eveneens uit een
collectie afzonderlijke, onveranderlijke materiële dingen die zich lenen voor
analytisch onderzoek en die, daarmee samenhangend, geschikt zijn om als kennis
in het zelfbewustzijn te worden opgenomen. Vervolgens wil men er dan nieuwe
dingen van gaan maken.
Op zichzelf is dat goed
te begrijpen, want er is omtrent het leven inderdaad van allerlei aan de weet
te komen. Dat zijn echter 'momentopnamen' van een proces waarvan de opeenvolgende
momenten noodzakelijkerwijs allemaal tot het verleden behoren. Dat proces kent
geen stilstand maar uitsluitend voortgang. De typisch ònvolwassen mening dat
dergelijke kennis zich zou lenen om het leven te veranderen, teneinde haar als
een beheersbare zaak naar eigen hand te zetten, is dan ook volstrekt ònlogisch.
Om iets op te bouwen kan men geen momentopnamen van een beweeglijk verleden
gebruiken, maar uitsluitend vastgelegde materie, zeg maar: stoffelijke
dingen.
594. Alle kennis omtrent het leven is 'historisch'
van aard. Het slaat op voorbije toestanden die eens, voor een oneindig klein
moment, realiteit waren. Als zodanig waren zij momenten in een proces dat
eeuwig voortgaat en dat eigenlijk nauwelijks reëel genoemd kan worden. Alleen
het 'nu' is in feite reëel, maar dat 'nu' is onmiddellijk voorbij om plaats te
maken voor een volgend 'nu'. Vanwege dit absoluut vluchtige karakter is
er met deze kennis niets aan te vangen. Dat is te zeggen, het is onmogelijk om
daarmee een voorspelbare toekomst te construeren, want daarvoor is nodig
dat men de beschikking heeft over vastgelegde en kwantificeerbare
elementen. Het leven kent van zulke elementen niet. Niets staat bij voorbaat of
blijvend vast. Derhalve valt er met betrekking tot het leven niet van enigerlei
vorm van 'maakbaarheid' te spreken.
595. De samenleving en de maatschappij zijn, ieder
op eigen wijze, neerslagen van een vluchtig proces. Het proces van het leven.
Daarvan is achteraf het een en ander te zeggen, maar uitspraken vooraf
kunnen noodzakelijkerwijs niet anders dan 'slagen in de lucht' zijn. Dat neemt
natuurlijk niet weg dat de ene voorspelling waarschijnlijker is dan de andere
en misschien zijn er wel voorspellingen bij die achteraf lijken uit te komen.
Toch moet men in dit geval de term 'lijken' gebruiken, omdat het bewaarheid
worden van de betreffende voorspelling uiteraard op toeval berust. De
zaak had ook ànders kunnen zijn.
Het is hiermee net als
met de uitspraken van paragnosten. Die lijken soms ook te kloppen, maar
dat kan volgens de logica nimmer werkelijk het geval zijn, alleen al vanwege
het feit dat zij resultaat zijn van volstrekt willekeurige, op niets
berustende, methodieken. De enige mogelijkheid is deze dat een paragnostische
uitspraak toevallig samenvalt met de realiteit. Daarbij speelt een eventuele
kundigheid van de paragnost geen enkele rol. Een dergelijke kundigheid bestaat
trouwens helemaal niet, of het zou 'lepigheid' moeten zijn, namelijk om de zaak
voor de mensen aannemelijk te maken.
Het is volstrekt
onmogelijk de toekomst anders dan in het licht van het begrip waarschijnlijkheid
te bekijken. Althans als het over de concrete vorm van de toekomst gaat, dus de
gebeurtenissen die te zijner tijd plaats zullen grijpen.
596. Abstracties en filosofische algemeenheden
laten zich wel met zekerheid voorspellen. Eigenlijk is hierbij helemaal niet
van voorspellen te spreken, want het gaat nu om een meer of minder
heldere visie op de werkelijkheid. De daaruit voortkomende uitspraken zijn dan
ook geen gevolg van uit het verleden afgeleide concrete informatie, maar van
het filosofische nadenken over de werkelijkheid.
Zo staat het bijvoorbeeld
vast dat individuen eens zullen sterven en dat zelfs zonnestelsels en de daarin
voorkomende werelden eens zullen vergaan. Een hierop betrekking hebbende
uitspraak is in principe 'waar'. Hij berust op kundigheid. Een kundigheid die
het logische gevolg is van het ontwikkelen van een zo helder mogelijke visie op
de werkelijkheid.
Dat is eigenlijk een
bijzondere kundigheid omdat het onderwerp waarop de zaak zich richt, namelijk
de werkelijkheid als beeld, niet voor analyse toegankelijk is. Die kundigheid
kan bijgevolg ook niet via causale bewijsvoeringen aan anderen overgedragen
geleerd worden. Het is als het ware een intrinsieke kundigheid zoals die
bijvoorbeeld ook voor kunstenaars en creatieve filosofen kenmerkend is.
597. Als men spreekt van een 'maakbare wereld' is
men wederom uitermate ondoordacht bezig. De mens mòet zijn eigen wereld maken
en daarin heeft hij geen keuze. Hij kan er met geen mogelijkheid onderuit. De
vraag naar maakbaarheid slaat derhalve nergens op.
Als men er mee bedoelt
dat men zich afvraagt of men een wereld kan maken die gegrond is op de idealen,
de kennis en de voorstellingen van een bepaald moment, dan moet het antwoord
zonder meer ontkennend zijn. Een toekomstige wereld kan niet gemaakt worden
volgens vooropgezette plannen en blauwdrukken. Niemand kan nu weten wat
hij straks zal weten, noch over de dingen, noch over de kennis, noch
over het leven.
598. Het wordt op het ogenblik al steeds meer duidelijk
dat allerlei, op wetenschappelijk uitgedokterde blauwdrukken gebaseerde,
innovaties zonder mankeren mislukken. Dat zal in de toekomst steeds vaker en op
een steeds rampzaliger manier het geval zijn. Vooral in de politiek, als het
over het zogenaamde regeren of besturen gaat, is het thans al een groot
probleem. Nagenoeg alle nieuwe regelingen blijken in ernstige mate inefficiënt
te zijn.
In tegenstelling tot wat
politici en andere belanghebbenden de mensen willen wijsmaken zijn de
hedendaagse mislukkingen geen incidenten die te wijten zijn aan ondeskundige
overheden, maar zijn het manifestaties van de fundamentele onkunde van
de managers die het voor het zeggen hebben. Die kunnen daar evenwel zelf niets
aan doen. Zij kunnen nu eenmaal niet vervangen worden door kundige managers
omdat het volstrekt ondenkbaar is dat die er zouden zijn. Een dergelijk
management is een fictie, voortkomend uit de almaar voortgaande theoretisering
van de werkelijkheid.
599. Het staat vast dat de processen in
het universum in het verschijnsel mens uitlopen. Dat is het absolute
beginsel te noemen. Maar het is niet te voorspellen waar en wanneer en
onder welke omstandigheden dat zal plaats vinden: het relatieve beginsel.
Dit laatste beginsel geldt omdat die processen niet gedetermineerd zijn, in die
zin dat zij zich niet in een rechte lijn voltrekken. Zij spelen zich
daarentegen af temidden van allerlei relatieve variëteiten.
In theorie zou het voor
ons mogelijk kunnen zijn achteraf de weg te ontdekken waarlangs het tot
de mens gekomen is. Maar ook dan zal het onmogelijk blijken te reconstrueren
waarom op een zeker moment nu precies een bepaalde gebeurtenis plaatsvond. Dat
is onmogelijk doordat het door en door een zaak van beweeglijkheid en
beweging is. Kenmerkend daarvoor is het feit dat het kennen van de richting
van de beweging uitsluit dat wij de plaats van een gebeurtenis kunnen
vaststellen. En anderzijds dat wij bij het kennen van de plaats niet kunnen
bepalen of een beweging in de juiste richting plaatsvindt. Daarbij geldt dan
ook nog dat het tijdstip een niet te verwaarlozen rol speelt. In een
beweeglijke werkelijkheid is niet te voorspellen, noch achteraf na te gaan,
wanneer een voorval op zal treden en waarom dat het geval was.
Al met al is te zeggen
dat het verschijnen van de mens op het onvermijdelijke toeval berust. Het is maar net
of en hoe het op een zeker moment ergens toegaat, maar dat het ooit eens ergens
te gebeuren staat kan absoluut niet uitblijven. Het moet gebeuren!
Bovendien is het zeker
dat deze hele zaak zich niet leent voor wetenschappelijke theorieën, omdat men
uitsluitend met variabelen te maken heeft. De vorming van een logische theorie
zou eventueel nog te doen zijn, ware het niet dat niet eens vast te stellen is
hoeveel van die variabelen er zijn en wat hun hoedanigheid onder bepaalde
omstandigheden is.
onvermijdelijk toeval-1 onvermijdelijk toeval-2 onvermijdelijke toeval
600. Het is onmogelijk om op wetenschappelijke
wijze aan te tonen dat de werkelijkheid, het universum, niet weg kan
blijven. Dat geheim zal door de wetenschap nimmer ontsluierd worden, niet door
de tot nu toe gebruikelijke 'moderne' wetenschap, noch door een anders geaarde,
zoals bijvoorbeeld de ervaringswetenschap. De onvermijdelijkheid van het
universum kan alleen maar aangetoond worden aan de hand van datgene dat aan de oergrond
van de werkelijkheid bedacht kan worden. Het gaat dan over de beweeglijkheden
zoals die volstrekt ongehinderd voor zichzelf beweeglijk zijn. Beweeglijkheden
die bovendien absoluut onbepaald zijn. Door deze twee bijzonderheden,
namelijk het absoluut beweeglijk zijn en het absoluut onbepaald zijn, valt de
zaak van de oergrond buiten de wetenschappelijke mogelijkheden van onderzoek.
Er is niets wat aangevat kan worden, er valt niets te ontleden en niets te
meten. Het 'nog niet materiële' is voor geen enkele wetenschap toegankelijk.
Alleen de creatieve
filosofie kan, onafhankelijk als zij is van stoffelijke onderzoeksmiddelen, het
geheim blootleggen, louter en alleen op grond van inzicht in de
werkelijkheid en vervolgens logisch nadenken. Dan wordt het mogelijk om
het karakter van die oergrond te begrijpen en in het verlengde daarvan na te
gaan hoe de materie noodzakelijkerwijs moet ontstaan, zonder ook maar een
enkele mogelijkheid om weg te blijven...
maakbare wereld ( nummers
586 t/m 600 )
Gewone mensen, zijn mensen, waarbij de
twijfel zijn rol blijft spelen, beroepen zich niet op iets hogers, iets
goddelijks of iets koninklijks of op hogere geestelijke vermogens die
maatgevend zouden zijn.
Terug naar: Welkom op de Homepage van Rob van Es voor méér
informatie
|
|