FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK - Nr. 3.

1999

 

anarchisme,atheisme,auschwitz,de ware mens,de zin van het leven,evolutie van het leven,filosofie,het ontstaan van het leven,ieder het zijne,

joden,jodendom,mensenrechten,oercel,reincarnatie,scheppingsverhaal,wereldbouwer,zelfbewustzijn,zelfdoding.

 

 

Naar bladwijzers: De zin van het leven  Identiteit-1 ; Identiteit-2 ; Identiteit-3 ; ieder het zijne ;  Ken uzelve  ;  Anarchie ; Boeddhisme ; Mohammed-1    mohammedaanse   De kloof    Discriminatie ; doden-1(nos.448t/m449) ; Maagd-1 ; Maagd-2 ; doden-2(484 t/m 493) ; Referendum  ; Maakbare wereld ( nummers 586 t/m 600 ) ;  nihilistische cultuur-1( na believen: zie de nos.517 t/m 520 ) ;  doen alsof  onvermijdelijk toeval-1 ; Kwaliteit v/d Democratie hangt af van- zie o.a. de nrs. 401 t/m 409(en verder) en o.a. de nrs. 491 t/m 497(en verder)  ; onvermijdelijk toeval-2  onvermijdelijke toeval ; Armoede ; Verantwoordelijkheid ; Vervreemding-1, vervreemding-2, vervreemding-3 ; Verlichting-1, Verlichting-2, Verlichting-3, Verlichting-4, Verlichting-5, Verlichting-6, Verkiezingen, Heilige Geest ; Overgang-1 ; Onverdraagzaamheid ; Zelfdoding ;  Opvoeding-1 ; Polarisatie-2 ; Terugkoppeling ; Op geraffineerde wijze 'gelekt' naar het “volk”-zie nrs. 477 en 478 ; Schizofrenie-1 ; Schizofrenie-2 ; Mensenrechten ; Gemeenschapszin ; Beleving ; Horigheid/horige (nrs. 405 en 406) ;  Sekten -A ; Sekten -B ; Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ; Overtuiging-4 ; Antroposoof-1 ; Antroposoof-2 ; Antroposoof-Rudolf Steine – lees ook nr. 539 ; Depressies ; Individualisering geeft ELLENDE zoals VERVAL van solidariteit, mededogen, gemeenschapszin en toenemende ARMOEDE, STOP het laten verkommeren van medemensen- (498 (en verder) ; Ik ben de waarheid en ik zeg de waarheid- vanaf nr. 474 t/m 477 ; (On)verdraagzaam ;

 

 

Naar artikelen met o.a. de bladwijzer : De zin van het leven-Zie B , C ,

 

Naar artikelen met als bladwijzer “Polarisatie” en/of “Referendum” :

Polarisatie-1 ; Zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr 2,

Referendum ; Zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr. 2

Polarisatie-3 ; Zie bladwijzers uit De Ontwikkeling van het denken,

Polarisatie-4 ; Zie bladwijzers uit Nihilisme en Anarchisme als basis van het Atheisme,

Polarisatie-5 ; Zie bladwijzers uit De Universiteit voor humanistiek en het Atheisme,

 

 

Terug naar: De Startpagina   Naar : het denken van beneden naar boven   

Help mee om deze site te promoten. Vertel het uw…!

(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )

 

Aflevering 3-1999 Uitgave: J. Vis

 

De filosofie is er voor iedereen. Daarom staat het u vrij om uit dit boek passages over te nemen. Maar het is een zaak van intellectueel fatsoen om daarbij wel getrouw uw bron te vermelden.

 

 

 

401.  Het is gebruikelijk om de kwaliteit van de democratie af te meten aan de maatregelen die, al of niet na uitvoerige bespreking in het parlement, doorgevoerd worden. Meestal zijn het dan de noodzaak, de aard en de effectiviteit van die maatregelen die bepalend zijn voor de waardering ervan. Valt die afweging positief uit, dan wil men zichzelf en elkaar er graag van overtuigen dat het met de democratie als zodanig wel in orde is.

Dit echter is niet alleen een grove misvatting, maar ook en vooral een staaltje van domheid enerzijds en misleiding anderzijds.

Juist de moderne ontwikkelingen laten zien dat er van allerlei maatregelen genomen kunnen worden die op zichzelf redelijk verantwoord zijn en die ook de steun krijgen van het parlement, maar die desondanks niet alleen kant noch wal raken maar zelfs een funeste uitwerking op de samenleving blijken te hebben. Je zou dus kunnen denken dat de democratie goed functioneert omdat er effectieve maatregelen doorgevoerd worden, zoals het behoort met toestemming van het parlement. Dat parlement vertegenwoordigt het volk en dus lijkt alles in orde - maar dat is het niet!

De kwaliteit van de democratie is namelijk niet af te meten aan door overheden doorgevoerde maatregelen. Die kwaliteit kan alleen maar afgeleid worden uit het antwoord op de vraag in hoeverre het de burgers gelukt maatregelen tegen te houden. Het antwoord op die vraag is echter bijzonder teleurstellend want het is maar uiterst zelden dat er iets geen doorgang vindt vanwege verzet van de bevolking.

 

Bladwijzers: , Kwaliteit v/d Democratie..!- zie o.a. de nrs. 401 t/m 409(en verder) en o.a. de nrs. 491 t/m 497(en verder) ; Individualisering-(498 (en verder)

 

402.  Steevast vinden overheden en volksvertegenwoordigers dat “het volk” geen verstand heeft van gewichtige staatszaken voornamelijk omdat het gevoelsargumenten zou gebruiken in plaats van rationele. Dat wat de mensen elke dag ervaren en dat daardoor bepaalde gevoelens in hen oproept is van ondergeschikt belang als het over het besturen van het staatsapparaat gaat.

Uiteraard menen die overheden en parlementariërs dat zij er wel verstand van hebben, hetgeen blijken moet uit het feit dat hun redeneringen klassevoorbeelden van wetenschappelijkheid, objectiviteit en rationaliteit zijn! En dus menen zij het recht te hebben hun plannetjes door te zetten.

Die plannetjes zijn echter gestoeld op de rationaliteit van een wereldbeschouwing die geconstrueerd is aan de hand van academische kennis en theorieën. Dat betekent dat hij vrijwel geheel irreëel is. Bijgevolg komen die academisch gevormde bestuurders logischerwijs en onvermijdelijk met maatregelen die strijdig zijn met de praktijk van wat er in de gewone mensen, min of meer bewust, leeft. Daarmee behoren die maatregelen onder geen enkele voorwaarde thuis in een werkelijk democratische samenleving, reden waarom zij geen steun verdienen, maar daarentegen bestreden zouden moeten worden.

 

403.  De “gewone mensen” vormen de werkelijke samenleving. Zij zijn derhalve ook in alle opzichten bepalend voor de kwaliteit van de democratie. De zogenaamde democratie van de overheden en de politieke managers heeft in feite geen enkele verwantschap met de democratie van de gewone mensen, alleen al vanwege het feit dat het een theoretisch bedachte en van bovenaf afgedwongen zaak is. Desondanks maken die overheden en managers tenvolle de dienst uit. Hun verhalen over het “zichzelf besturende volk” zijn dan ook een bedrieglijke ficties, zelfs misdadige leugens!


Het volk bestuurt zichzelf helemaal niet, de overheden en de managers doen dat. Zij hebben na de Franse Revolutie definitief de macht overgenomen van kroon, adel en geestelijkheid. Die waren daar overigens ook niet bepaald eerlijk aan gekomen: nog voor het begin van de Middeleeuwen hadden zij eigenhandig de traditionele boeren-democratieën om zeep geholpen. In feite waren het allemaal struikrovers die door moorden en branden de verschrikte poorters, boeren en handwerkslieden tot onderdanigheid dwongen, om vervolgens te verklaren dat zij van een hogere orde waren!

Welbeschouwd blijft er voor het volk alleen maar over dat het zich kan verzetten. Het zou zich eigenlijk mňeten verzetten.

 

404.  Er is geen wezenlijk verschil met vroeger tijden als het gaat over de vrijheid van “het volk”. Dat in de moderne democratie het volk een grote mate van vrijheid zou genieten is een fictie. In feite waren de mensen uit bijvoorbeeld de Europese Middeleeuwen in de praktijk veel vrijer dan thans het geval is. Zelfs als zij op de een of andere manier tot het bezit van een feodaal heer behoorden of onder mentale druk van geestelijken stonden was hun daadwerkelijke vrijheid groter dan die van de hedendaagse mens. De op hen uitgeoefende dwang was vrijwel uitsluitend van externe aard: hij kwam van buitenaf en kon daardoor door de mensen als iets vreemds ervaren worden, iets dat eigenlijk niet bij hen hoorde, maar waarmee zij wel rekening moesten houden. Dus, verborgen ňnder die externe dwang lag het bewustzijn van hun persoonlijke vrijheid. Er was een afstand tussen die vrijheid en die externe dwang. Hun reactie op bedoelde dwang was dan ook voornamelijk een pragmatische. Naar gelang de omstandigheden reageerden zij, soms met angst, soms met afschuw, vaak met onderdanigheid en af en toe met openlijke kritiek, die hen overigens als regel wel de kop kostte. Werd de onderdrukking te bar en kregen zij de kans, dan kwamen zij in opstand tegen de machthebbers, wat ook bijna altijd in een bloedbad eindigde...

 

405.  In de moderne democratie heeft de horigheid van het volk een nieuwe gedaante aangenomen. Dat neemt echter niet weg dat de zaak zčlf, dus de horigheid, er nog onverminderd is. Vanuit de overheden wordt nog steeds dwang uitgeoefend en, gezien vanuit de zelfgenoegzame wereldbeschouwing van die overheden, is het een vanzelfsprekendheid dat het volk te gehoorzamen heeft. Dat gaat in feite veel verder dan vroeger het geval was. Vrijwel het gehele bestaan van de moderne mensen is nauwkeurig gereglementeerd. Het is onderworpen aan talloze voorschriften en blootgesteld aan een grote variëteit van sancties. De druk van boven naar beneden is onvoorstelbaar veel zwaarder dan ooit het geval is geweest. Hij komt allang niet meer uitsluitend van wereldse of geestelijke machthebbers, maar vooral en in toenemende mate van economische instituties. Daardoor kunnen de mensen geen kant meer uit. Zij zitten volkomen in de tang van de boven hen gezetelde machten.

Wat dit betreft heeft het in de aanvang van de westerse cultuur al aanwijsbare machtsdenken zich grandioos doorgezet: het heeft nu zo langzamerhand vat gekregen op de gehele mens.

Wat in de moderne democratie anders is geworden is op zichzelf niet de behoefte aan en het uitoefenen van macht, hoewel dit intussen toch een uiterst gesublimeerde zaak is geworden. Drastisch veranderd is de wijze waarop de onderhorige mensen de op hen uitgeoefende macht ondergaan. Zij bemerken namelijk nauwelijks nog dŕt er druk op hen uitgeoefend wordt en daardoor zijn zij in de mening komen te verkeren dat zij een grote mate van vrijheid zouden genieten...

 


406.  In vroeger tijden wisten de machthebbers nauwelijks iets persoonlijks over hun onderdanen. Zij waren dan ook niet in staat de vele, al of niet openlijke, praktische en intellectuele activiteiten van de mensen in hun macht te krijgen. Vaak was hen zelfs het bestaan van grote aantallen personen onbekend. Formeel waren dezen uiteraard wel onderdanen, maar er was in de praktijk niets mee aan te vangen. Vandaar dat er vaak grote collectieve acties door de hoge heren werden ondernomen, bijvoorbeeld om voor de zoveelste maal geld en goederen los te krijgen voor het voeren van oorlogen. En verder was de enige manier om belastingen te innen het onder lijfelijke horigheid brengen van de bevolking, door namelijk landgoederen met bewoners en al te veroveren, vaak met geld dat die bewoners eerst zčlf hadden moeten opbrengen. Maar, ook dan nog bleek het vaak mogelijk om uit te wijken naar de landgoederen van andere vorsten en daar wederom een min of meer anoniem bestaan op te bouwen.

 

407.  Het voornamelijk uitwendige karakter van de onvrijheid, gevoegd bij de primitieve administratie door de overheden, maakt in de praktijk de vrijheid van de mensen uit vroeger tijden over het algemeen veel groter dan thans het geval is. Daarbij komt ook nog dat de gewone mensen doorgaans niet of nauwelijks als menselijke wezens beschouwd werden. Daardoor had men geen belangstelling voor de gewone mens als individu.

Op zijn beurt voelde de gewone mens zich in genen dele bij de zaak van de hoge heren betrokken. Thans is het echter voor de mensen een inwendige zaak geworden. Zij horen er bij en willen dat in feite ook. Zodoende maken de hedendaagse mensen in belangrijke mate zichzelf onvrij, namelijk door zich het hen van buiten- en bovenaf ingeprente, ogenschijnlijk redelijke, maar in feite onderdanige, denken eigen te maken.

En daarbij komt dan ook nog eens de uiterst geraffineerde administratieve tirannie vanwege alle mogelijke instanties, van overheidswege, maar ook en niet in het minst vanuit de particuliere sector. Moest men vroeger aan de machtsbehoefte van de bovenlaag ontkomen, thans kunnen de gewone mensen geen kant meer uit, doordat zij zich met die bovenlaag zijn gaan vereenzelvigen.

 

408.  De geschiedenis laat zien dat het volk, vanaf het moment dat het zijn zelfbestuur aan “zichzelf verheerlijkende” struikrovers moest prijsgeven, almaar moest vechten om bepaalde rechten terug te winnen. Zo'n herwonnen recht werd dan een privilege genoemd, een voorrecht dus. Men was blijkbaar al heel snel vergeten dat het eigenlijk hun eigen rechten waren en dat de machthebbers die voordien van hen gestolen hadden. De thans algemeen aanvaarde democratie is in feite ook niets anders dan een privilege dat door de burgers ŕfgedwongen is. Dat dit privilege inmiddels de status van een recht verkregen heeft doet niets aan het feit af dat het toch een voorrecht is waarvoor men op de een of andere manier dankbaar zou moeten zijn.

Vaak zonder dat zij er zelf erg in hebben laten de huidige machthebbers telkens blijken hoe de verhoudingen eigenlijk liggen. Zo laten zij zich nogal eens ontvallen dat de burgers dankbaar zouden moeten zijn. Zij houden hen voor dat het een voorrecht is te mogen stemmen om daarmee invloed uit te kunnen oefenen op het bestuur. Zij staan de burgers inspraak toe in tal van zaken en zij luisteren geduldig naar hun wensen en argumenten. Zo zijn er tal van voorbeelden te geven en onveranderlijk blijkt dat zij allemaal het karakter hebben van voorrechten en gunsten.

 

409.  Het is een feit dat in een moderne democratie, vergeleken met vroegere toestanden, het aantal en de kwaliteit van de privileges erg groot is. Zo groot zelfs dat het nčt lijkt of er vrijheid is voor de burgers. Niets is echter minder waar! Ten overvloede zij ook nog vermeld dat die onvrijheid ook nog blijkt uit het feit dat die privileges, als het de machthebbers beter uitkomt, schaamteloos teruggedraaid worden.


Het ligt in de logica dat de mensheid tijdens haar groei naar volwassenheid onderworpen is aan machthebbers. Het ligt eveneens in de logica dat de mensen voortdurend proberen hun verloren vrijheid terug te winnen, tenslotte uiteraard met succes. Zo bezien valt er niemand iets te verwijten en het is ook niet juist te veronderstellen dat er ooit iets misgegaan is. De ontwikkeling gaat haar eigen weg zonder dat er iets goeds of iets verkeerds van te zeggen valt.

Wat echter wel opgemerkt moet worden is het feit dat de mensen bijna nooit in de gaten hebben wat het karakter van die ontwikkeling naar volwassenheid is. Het dringt bijna nooit tot hen door dat zij gedwongen zijn hun vrijheid te veroveren juist omdŕt die lang geleden van hen gestolen is. Zeker de moderne mensen leven wat dit betreft in een ernstige waan die veroorzaakt wordt door de omstandigheid dat zij zelf, qua zelfbewustzijn, in het teken van de macht zijn komen te staan.

 

Bladwijzers: , Kwaliteit v/d Democratie..!- zie o.a. de nrs. 401 t/m 409(en verder) en o.a. de nrs. 491 t/m 497(en verder) ; Individualisering-(498 (en verder)

 

410.  Sinds de dagen van de Verlichting streeft de westerse intelligentsia naar de bevrijding van het denken. Tot voor kort spraken vrijdenkers over “bevrijdend denken” en tot op de dag van vandaag vindt menigeen dat er “zelfstandig” gedacht moet worden. Uiteraard begreep men destijds al onmiddellijk dat een dergelijk mooi ideaal niet van de ene dag op de andere verwezenlijkt kon worden, vooral niet omdat men veel tijdrovend werk moest verzetten. Het is namelijk via het onderwijs dat die bevrijding van het denken zich in de praktijk kan realiseren, op voorwaarde natuurlijk dat het doormiddel van wetenschappelijk verantwoord onderwijs geschiedt. Studie van bijvoorbeeld de Bijbel of de Koran werkt juist averechts: niet bevrijdend maar onderwerpend.

Hoe dan ook, bovenstaande gedachtegang werd en wordt door nagenoeg de gehele intelligentsia gedeeld.

Maar, er zitten toch enkele grove fouten in, die helaas in de praktijk hun uitwerking niet missen...

Ten eerste moet men zich afvragen hoe het met de betrouwbaarheid van de wetenschap zit. Welnu, die is niet erg groot! Met nadruk zij gezegd dat dit bepaald geen gebrek van de wetenschap is, maar daarentegen iets fundamenteels. Zou een wetenschap zichzelf als betrouwbaar aanprijzen, zoals indertijd de communistische deed, dan staat al bij voorbaat vast dat juist de ňnbetrouwbaarheid hoogtij viert! Dit wordt jammer genoeg door wetenschappers nogal eens buiten beschouwing gelaten, voornamelijk om hun eigen status niet tekort te doen. Men denkt dat het enigszins onbetrouwbaar overkomt als men eerlijk toe zou geven dat de wetenschap slechts een beperkte betrouwbaarheid kent.

Het is namelijk een fundamentele eigenaardigheid van de wetenschap om een voorlopig karakter te hebben. Dat wil zeggen dat wetenschappelijke uitspraken en theorieën vroeg of laat en onvermijdelijk onderuit gehaald zullen worden, doordat nieuw verworven kennis tot nieuwe voorstellingen noopt. Wetenschappelijke voorstellingen sublimeren zich tot theorieën die als juist kunnen worden beschouwd totdat zij ondeugdelijk blijken te zijn en door nieuwe vervangen moeten worden. Die zijn vervolgens op hun beurt weer juist, totdat...

Verlichting-1 , Verlichting-2 , Verlichting-3 , Verlichting-4 , Verlichting-5 , Verlichting-6

 

411.  Het is overigens nog maar de vraag of wetenschappelijke educatie inderdaad tot efficiënt en verantwoord denken leidt. Het leidt in ieder geval niet tot filosofisch denken. Filosoferen is het beste te beschrijven als, letterlijk, nadenken. Dat wil zeggen dat je je eigen voorstelling van, uiteraard, je eigen werkelijkheid nagaat, na hem eerst “losgemaakt” te hebben. Een losgemaakte voorstelling is weer beweeglijk geworden doordat hij zijn vastgelegde en stellige karakter voor een ogenblik verloren heeft. Nadenken over zo een hernieuwd beweeglijke zaak is dan niets anders dan het volgen van de bewegingen: nagaan!


Dat nagaan leidt er dan weer toe dat er in jezelf een beeld ontstaat van de niet-tijdelijke en niet-bepaalde werkelijkheid. Dat is de werkelijkheid als beeld en dat is in alle opzichten de ware werkelijkheid, de waarheid. Die is morgen en overmorgen ook nog volledig en volstrekt waar. Of dat beeld bij de ene of de andere mens of bij de ene of de andere gelegenheid meer of minder helder is doet er, als het over de waarheid gaat, niets toe. Een niet zo erg heldere waarheid is nog steeds een waarheid en bij lange na geen leugen!

 

412.  Beschouwen we het denken van de mens naar zijn ware aard en uiterste mogelijkheid, dan moeten we vaststellen dat elke regeling, elke binding en elke systematiek er op inwerken als een belemmering. Het onderwerpt het denken, dat eigenlijk volkomen vrij en autonoom is, aan bepaalde programma's en verandert het daarmee in een denken dat in principe gelijk is aan dat van het dier. Immers, bij het dier is ŕlles aan programma's onderworpen, ook en niet in het minst het denken. Is dus het denken van de mens gereglementeerd en gesystematiseerd, dan steekt het niet boven dat van het dier uit. Feitelijk blijft het er zelfs ver beneden, want de bij het gereglementeerd denken van de mens behorende analyse maakt alles stuk.

Dat staat in scherpe tegenstelling tot het denken van het dier, want daarin wordt niets stuk gemaakt. Dit denken is, hoewel aan een programma gebonden, gebaseerd op de werkelijkheid als bewustzijn. Daarvoor geldt samenhang en beslist geen analyse. Het onderscheid dat dieren vanzelfsprekend ook tussen het een en het ander kunnen maken berust dan ook niet op analyseren, maar op nuanceren. Dat verklaart waarom de dieren raad weten met zichzelf en met hun biotoop. Zij blijven er namelijk onder alle omstandigheden mee verenigd. Zonder het te weten laten zij zichzelf, uiteraard op hun eigen wijze, als “de” werkelijkheid gelden. Bijgevolg is die werkelijkheid hen nimmer vreemd.

 

413.  Wetenschappelijk denken is gebonden denken. Het is in alle opzichten gereglementeerd en elke vrijmoedigheid van de denker wordt onmiddellijk gekwalificeerd als “losbandigheid”. Het is dus eigenlijk een uitermate primitief denken dat inmiddels weliswaar op zichzelf tot zeer grote hoogte is ontwikkeld maar daarmee welbeschouwd nňg meer zijn eigen primitiviteit bevestigd heeft. Juist in onze moderne problematische wereld blijkt het strenge wetenschappelijke, rationele denken volstrekt inadequaat. Als het gaat om vragen over het leven weet het zelfs niet waar te beginnen, omdat het geen grip kan krijgen op de beweeglijke zaak die het leven nu eenmaal door en door is. Wetenschappelijk denken is dus uiterst geraffineerd primitief en levenloos denken en nu is het precies dŕt waarmee de mens zichzelf in het onderwijs opzadelt. Het behoeft dan ook niet te verbazen dat steeds duidelijker blijkt dat de mensen geen raad meer weten met hun werkelijkheid en tot wanhoop en vertwijfeling geraken.

De droom van de Verlichting blijkt dus na verloop van tijd in een nachtmerrie over te gaan...

Verlichting-1, Verlichting-2, Verlichting-3, Verlichting-4, Verlichting-5, Verlichting-6

 

414.  Ondanks het feit dat het bij de opvoeding aangeleerde denken op den duur tot vervreemding(zie ook: vervreemding in nr. 459) en vertwijfeling leidt, brengt het op indirecte wijze iets in de mens teweeg dat toch van fundamentele betekenis is. Het schudt namelijk de mens als intellect wakker en dat is een zaak die op concrete wijze aan de basis ligt van het volwassen individu‑zijn. In tegenstelling tot wat vaak gemeend wordt is het intellect geen kwaliteit van die of gene, maar een toestand van het verschijnsel mens. De ene mens is dus niet intelligenter dan de andere, want waar de mens is is intelligentie. Dat geldt altijd. Wel echter zijn er beduidende verschillen in effectiviteit.


Het begrip intelligentie houdt in dat de mens een verschijnsel is dat zich laat gelden alsof het geen verschijnsel was. Dat betekent dat er voor dat verschijnsel geen enkel, van nature ingeprent, programma meer van kracht is. Het volkomen bevrijd zijn van automatische en dwangmatige programma's en dus het autonoom leven en handelen is het essentiële kenmerk van de mens. Het is het uitsluitend voor hem geldende begrip intelligentie.

De effectiviteit, en dus niet de aanwezigheid, van de menselijke intelligentie wordt voornamelijk bepaald door rationeel onderwijs. Onderwijs schudt de mensen wakker doordat het op denken berust, ook al is dat denken primitief en voorlopig van karakter. Er wordt in ieder geval naar de werkelijkheid gevraagd en de opzet is dwaasheden en misverstanden de wereld uit te helpen.

Dat staat in tegenstelling tot bijvoorbeeld godsdienstig onderwijs. Daarbij worden allerlei verhalen en ideeën ingeprent, of bepaalde spreuken worden almaar herhaald, allemaal met de bedoeling het intellect in slaap te wiegen. Vragen naar de werkelijkheid is er niet bij. Zulk onderwijs is dus funest voor de werkzaamheid van het intellect en dat is dan ook bij herhaling in de praktijk gebleken.

Opvoeding-1 ; Vervreemding-1 , vervreemding-2 , vervreemding-3

 

415.  Hoe effectiever het intellect, hoe individualistischer iemand is. Dat staat los van hetgeen men beweert te zijn: er zijn tal van mensen die hoog opgeven van “de sociale mens” en daarbij de individualist met hartstocht afwijzen en die desondanks, juist door hun redelijke gedrag en het hebben van humane standpunten, blijk geven van individualisme. De vurigste strijders voor gemeenschappelijkheid, voor het onderschikken van de mens aan het geheel, voor socialisme en communisme zijn zonder uitzondering grote individualisten. Bij hen is in sterke mate gerealiseerd dat voor de werkelijkheid als mens het begrip individu geldt. Zij zijn dan ook zeer “zelfbewuste” persoonlijkheden, mensen derhalve die dicht bij zichzelf vertoeven - uiteraard ieder op de hun eigen wijze en ongeacht wat zij zich verbeelden te moeten zijn.

Het zelfbeeld van iemand doet er dus niet zoveel toe.

Wat het onderwijs betreft is het overigens ook nog van belang in te zien dat rationeel onderwijs funest is voor totalitaire maatschappijen, voor godsdiensten en in zekere zin ook voor gevestigde wetenschappelijke voorstellingen. Dat laatste ondanks het feit dat de inhoud van dat rationele onderwijs nu juist bestaat uit die gevestigde, voor waar gehouden, wetenschappelijk getoetste voorstellingen. En met deze paradox is de cirkel wederom rond!

 

416.  Het begrip toeval is eigenlijk een heel dubieus begrip. Over het algemeen gebruikt men dit begrip in situaties die geheel en al onvoorzien zijn en waarvan het onduidelijk is hoe die ontstaan zijn. Men wil ook graag spreken van “een samenloop van omstandigheden”, hetgeen inderdaad een volstrekt juiste formulering is van iets waarvan het causale verband niet te achterhalen is. Terecht geeft men in deze formulering aan dat er toch een “samenloop” is! Dat kan niets anders betekenen dan een bepaalde logische volgorde der gebeurtenissen, die helaas niet te reconstrueren is.


Je kunt met recht stellen dat bovenstaande opvatting van het begrip toeval juist is. Het kernpunt ligt daarbij op het niet te achterhalen karakter van de zaak. Maar, onder wetenschappers komt ook de opvatting voor dat er van toeval gesproken moet worden als er beslist gččn samenloop van omstandigheden is. Als men dus te doen heeft met iets dat zonder meer “uit de lucht komt vallen” zonder dat er iets was dat op de een of andere manier als oorzaak aangewezen kan worden. Men spreekt dan vaak van “blind” toeval. Het merkwaardige is dat men daarbij erkent dat er qua causaal verband geen touw aan vast te knopen valt, maar tegelijkertijd toch wel gerechtigd meent te zijn om die zaak als “blind” te karakteriseren. Dat is natuurlijk vreemd: als je geen causaal verband kunt ontdekken, hoe weet je dan dat er sprake is van een blind toeval? Misschien heb je wel verkeerd gezocht! Anders gezegd: de kwalificatie “blind” geeft aan dat je wčl hebt kunnen achterhalen hoe het zit, namelijk volstrekt zonder samenhang en dus blind.

 

417.  De werkelijkheid kent geen blind toeval. Ik pleeg in dit verband alleen maar van onvermijdelijk toeval te spreken. Dat betekent dat člke gebeurtenis, elke “samenloop van omstandigheden”, stellig zal plaatsgrijpen, hoe absurd ook, mits men als fundamenteel uitgangspunt laat gelden dat de werkelijkheid onbegrensd is in ruimte en tijd. Binnen die absolute ňnbegrensdheid kan geen enkele interactie van de materie uitblijven. Het moet ooit eens gebeuren! Er moet ooit eens een mens ontstaan, of een tijger of een zonnestelsel. En alles moet ook eens een keer in elkaar storten en tot eenvoudige materie terugvallen. Wat dit betreft bestaat er dus niets toevalligs. De gebeurtenissen zijn onvermijdelijk.

Maar, wanneer heeft een gebeurtenis plaats en waar speelt dat zich af? Dat is maar net hoe het valt: het is toeval. Maar dan wel toeval in deze betekenis dat de samenloop van omstandigheden ons fundamenteel, door de aard van de informatie, ontgaat en dus “niet te bepalen” genoemd moet worden. De zaak kan ons echter ook op principiële gronden ontgaan zodat wij er nooit achter kunnen komen en in dat geval is het verstandig om van “onbepaald” te spreken. Het oerprincipe van de werkelijkheid, de beweeglijkheid, is bijvoorbeeld absoluut onbepaald.

 

418.  Het spreekt vanzelf dat het verschijnen van de mens in de kosmos op onvermijdelijk toeval berust. Hij kan onmogelijk wegblijven, zijn verschijnen is onvermijdelijk, maar tegelijkertijd is niet te zeggen waar en wanneer dat het geval zal zijn. Dat is toeval in de zin van een niet en nooit te bepalen samenloop van omstandigheden. Het begrip niet te bepalen is hier geldig omdat enerzijds het ontstaan van verschijnselen in principe wel, met behulp van wetenschappelijk onderzoek, na te gaan en te bepalen is, maar anderzijds omdat het onderzoek onherroepelijk verdwalen zal in de onbegrensde ruimte en tijd. Er treedt namelijk een “repetent” op: op elke stap blijkt er steeds weer een te volgen. Je kunt dus aan de gang blijven en almaar blijkt dat iets anders er ook nog een rol in speelt. Een werkelijk complete cluster van juiste kennis is volstrekt onmogelijk en de reden daarvan is precies die onbegrensdheid, oftewel oneindigheid, van ruimte en tijd.

onvermijdelijk toeval-1  onvermijdelijk toeval-2  onvermijdelijke toeval

 

419.  De mening van diegenen die staande proberen te houden dat het verschijnen van de mens op “blind” toeval zou berusten is, op zijn zachtst gezegd, ondoordacht. Ter illustratie van dat blinde toeval beweerde eens een wetenschapper dat je kunt denken aan iemand die almaar de onderdelen van een televisietoestel op een hoop gooit, net zo lang tot ze toevallig zo vallen dat ze een televisietoestel vormen. Zo groot was volgens hem de kans dat de mens in de kosmos zou verschijnen. Het was volgens hem dan ook echt een “toevalstreffer”. Klinkklare onzin! De kans dat de mens verschijnt is zonder meer 100 procent!


Daarbij wekt het, ten eerste, bevreemding dat men het wat dit betreft speciaal over de mens heeft en niet over de bloemen, de poezen, de planeten en de quarks. En ten tweede ontgaat het hen kennelijk dat het simpele feit van de existentie van de mens op zichzčlf al op onvermijdelijkheid duidt. Was dat bestaan namelijk te vermijden geweest, dan was het beslist niet tot stand gekomen, want “te vermijden” betekent onmogelijk-zijn.

Overigens heb ik het nu nog niet eens over de reële mogelijkheid om louter filosofisch denkend na te gaan hoe het zit met het zelf-organiserend vermogen van de werkelijkheid. Als je dat doet blijkt namelijk zonneklaar dat het wel in de mens uit mňet lopen, uiteraard zonder dat er aan dat proces een programma ten grondslag ligt of dat er een bedoeling achter steekt. In feite komen op elk moment ŕlle, dan aanwezige, mogelijkheden als verschijnselen voor de dag om op een volgend moment de dan ňnmogelijke verschijnselen in te laten storten en in relatie daarmee nieuwe tot stand te brengen. Erop terugkijkend lijkt dat een causale reeks te zijn, maar het is in werkelijkheid niets anders dan “vallen en opstaan”.

 

420.  Als je aan weldenkende mensen vraagt of er kabouters zijn, dan verklaren zij met grote stelligheid dat dit niet het geval is en dat diegenen die zeggen dat zij wel degelijk bestaan beslist niet goed bij het hoofd zijn. Zo weet ook nagenoeg iedereen dat er geen heksen, zoals in sprookjes of in de hoofden van hysterische geestelijken, kunnen bestaan. Er zijn nog meer van die voorbeelden te noemen.

Maar, als het gaat over de vraag of er goden bestaan, dŕn worden de meeste mensen plotseling heel voorzichtig. En als je zelf met stelligheid kenbaar maakt dat goden niet bestaan vraagt men dadelijk: "Hoe weet je dat?". Deze laatste vraag gaat zonder mankeren vergezeld van de opmerking dat men niet kan weten of goden al dan niet bestaan en tegelijkertijd sluit men zich, vaak kribbig en enigszins angstig, af voor elke argumentatie die je te berde brengt. Op het eerste gezicht is dat allemaal heel vreemd...

Nog vreemder wordt de zaak als je vervolgens verzoekt uit te leggen waarom men het niet zeker kan weten. Men komt dan met argumenten die aannemelijk moeten maken dat goden buiten de waarneembare werkelijkheid vallen en dus voor het denken niet benaderbaar zijn. De goden zouden tot de metafysische werkelijkheid behoren. En dat wordt dan als voldoende reden gezien om aan te nemen dat er in ieder geval “iets” moet zijn, hetgeen natuurlijk op zichzelf een loze bewering is vanwege het feit dat hij altijd waar is.

 

421.  Opvallend is dat men uit zijn eigen mening, dat goden buiten het denken vallen, niet af wenst te leiden dat zij důs niet bestaan kunnen, maar dat men daarentegen juist de andere kant opgaat en zijn vertrouwen schenkt aan uiterst onwaarschijnlijke veronderstellingen. Men heeft blijkbaar niet in de gaten dat men daarmee een gelovige wordt die zich wezenlijk in niets onderscheidt van iemand die godsdienstig is. Geen uitspraak doen in deze kwestie betekent in feite dat men in het bestaan van goden gelooft. Men houdt ze immers voor mogelijk!

Hedendaagse humanisten bijvoorbeeld willen graag van zichzelf verklaren dat zij “agnosten” zijn. Zij bedoelen daarmee te zeggen dat zij “het niet weten” en om aan die uitspraak kracht bij te zetten wijzen zij er vervolgens met enige nadruk op dat wij het zelfs niet kůnnen weten omdat de zaak buiten het terrein van het denken zou vallen. Afgezien van het volstrekt ongefundeerde gebruik van het woord wij is die humanisten vooral te verwijten dat hun “niet weten” impliceert dat zij het bestaan van goden voor mogelijk houden.

 

422.  Het is eigenlijk niet zo erg interessant hoe die of gene over de zaken van godsdienst en geloof denkt. Het is namelijk steeds hetzelfde primitieve verhaal dat eindeloos herhaald wordt, vaak in precies dezelfde bewoordingen. Meer dan wat ook duidt dat op intensieve indoctrinatie die een wezenlijk onderdeel van onze moderne cultuur is.


Van belang is daarom de vraag waarom de mensen zo hartstochtelijk willen dat er “iets” is en er bijgevolg niet toe te brengen zijn te erkennen dat het bestaan van hogere machten, zoals goden, logischerwijze onmogelijk is. Dat de mensen houvast zoeken, of dat zij met een godsdienstige erfenis opgescheept zitten, of dat zij de zinloosheid en tijdelijkheid van het leven niet kunnen verdragen, zijn welbeschouwd geen goede, filosofisch verantwoorde, verklaringen omdat zij op een statistische manier verwijzen naar individuele gevallen.

 

423.  Als mensen zeggen dat er “iets” is en zelfs als zij zeggen te geloven dat er een god is of goden zijn, verwijzen zij intuďtief naar enkele situaties van de werkelijkheid, waartussen zij uit onwetendheid geen onderscheid maken. Het zijn echter wezenlijk verschillende toestanden. Ze behoren, ieder op eigen wijze, inderdaad niet tot de materiële werkelijkheid.

Nu moet ik er onmiddellijk op wijzen dat de lezer bij de notie “niet materiële werkelijkheid” niet moet gaan fantaseren over een of andere zaak waarvoor op geen enkele wijze gelden zou dat hij “iets” is. Denken aan een absolute ŕfwezigheid van elk denkbaar “iets”, oftewel denken aan een “niets”, leidt tot een verkeerde voorstelling van zaken en dus tot onbegrip ten aanzien van het door mij bedoelde.

Zo een “onbegrip” is wat anders dan het ergens mee ňneens zijn. Als er namelijk onbegrip is, dus als een gedachte door iemand anders niet begrepen wordt, vervalt de mogelijkheid voor die ander om zinvol tegen te spreken. Het is voor hem dan onmogelijk om het ermee oneens te zijn. Voor tegenspraak is noodzakelijkerwijs vereist dat de onderhavige zaak begrepen wordt. Pas als er duidelijkheid en begrip is kan er een discussie plaats vinden en dat is dan vanzelf een discussie die strikt terzake blijft. Dan is het ook mogelijk om zinvol tegen te spreken.

Helaas wordt dit maar al te vaak vergeten. Er wordt vaak al heftig tegengesproken lang voordat er enige duidelijkheid is. Zaken waarmee men voor het eerst geconfronteerd wordt en waarover men dus nog nooit zelf nagedacht heeft, worden met veel aplomb van de tafel geveegd. Dat is steevast het onmiskenbare bewijs dat men er niets van begrepen heeft en tevens dat men er, vanwege bedoelde eigenwijze en arrogante houding, ook nimmer iets van begrijpen zal.

 

424.  De niet materiële werkelijkheid is ten eerste te vinden aan het begin, voordat er van materie gesproken kan worden, ten tweede als datgene waartoe alle verschijnselen terug te brengen zijn en ten derde is zij te vinden aan het einde, nadat de materie al haar mogelijkheden gerealiseerd heeft. Voor het gemak zou je wat de eerste situatie betreft kunnen spreken van de werkelijkheid naar haar “oertoestand”.

Voor die niet-materiële werkelijkheid geldt dat zij wel degelijk “iets” is, maar dan wel een zodanig “iets” dat er maar ččn ding van te zeggen is, namelijk dat er niets van te zeggen is! Zij is volkomen ňnbepaald. Hoe er uit die onbepaalde zaak toch iets voort kan komen en hoe men daar filosofisch zinnige uitspraken over kan doen laat ik nu buiten beschouwing. Ik heb daarover bij andere gelegenheden en in andere geschriften (o.a. Beweging en Verschijnsel) uitvoerig uitgeweid. Waar het nu om gaat is het volgende:


Die bovengenoemde drie toestanden komen alledrie in de godsdienst voor, in ieder geval in de Joodse, de Christelijke en de Islamitische godsdienst. En waarschijnlijk heeft Spinoza er ook aan gedacht toen hij het over de werkelijkheid als “substantie” had. Ook in het oude oosterse Taoďsme komen ideeën voor die er aan doen denken. Hoe dan ook, van de Christelijke god wordt gezegd dat hij “begin en einde” zou zijn en ook dat hij “alomtegenwoordig” is, terwijl er van dit laatste ook nog een variant bestaat, namelijk dat god “in alle dingen” zou zijn. Mij dunkt dat het geen toeval kan zijn dat er, in ieder geval omtrent de Christelijke god, drie noties bestaan die naadloos passen op de door mij genoemde oertoestanden.

 

425.  Door alle eeuwen heen zijn er enkelingen geweest die een scherpe kijk op en een heldere intuďtie omtrent de aard van de werkelijkheid hadden. Zij voelden aan dat het bestaan van materie noodzakelijkerwijs de aanwezigheid van iets volkomen ňnbepaalds vooronderstelt. Zo heeft de beroemde Zwitserse “linkse” theoloog Karl Barth het in zijn Römerbrief (1919) over God als "De volstrekt Andere" die overal “nee” op zegt en die dus, in de hier bedoelde zin, volkomen ňnbepaald is. En genoemde intuďtieve enkelingen voelden eveneens aan dat dit onbepaalde “iets” zowel voor als na het bestaan van de materie moest liggen, terwijl de materie zelf ervan doortrokken zou moeten zijn. Dit onbepaalde “iets” kent natuurlijk geen tijd en plaats en, op grond van zijn onbepaaldheid, kan het niet anders dan absoluut beweeglijk zijn. Het is iets eeuwigs en onveranderlijks dat met het gangbare zakelijke denken niet te doorgronden is.

Je kunt een groot aantal van dit soort kwalificaties opsommen, maar steeds is het opvallende dat zij allemaal volledig overeenstemmen met wat in de helderste momenten over goden gezegd wordt. De opvatting dat die uitspraken over goden in wezen uitdrukking geven aan vermoedens omtrent de ware aard van de werkelijkheid is dan ook volkomen gewettigd.

 

426.  De situatie van de “onbepaalde ietsen” aan het begin van de materiële wordingsprocessen is anders dan die aan het eind. Aan het begin van een wordingsproces zijn die “ietsen” - die ik gewoonlijk beweeglijkheden noem - volstrekt op zichzelf, in die zin dat zij nog niet ten opzichte van elkaar in een bepaalde verhouding staan. Zij vormen nog geen systemen. Maar, aan het eind is dat wel het geval: zij vormen met elkaar het innigst mogelijke systeem. Het kenmerk daarvan is evenwel dat het zich gedraagt alsof het geen systeem ware, maar een verzameling van op zichzelf staande “ietsen”, precies zoals dat aan het begin het geval was. Die toestand kennen wij als datgene dat “de menselijke geest” genoemd wordt, eveneens een tijdloze, onbegrensde, heldere en beweeglijke zaak!

Het is wat dit betreft ook weer typerend dat het begrip geest vooral gebruikt wordt om goden, althans iets goddelijks, aan te duiden. Maar er is nog meer merkwaardigs. Men heeft het namelijk over het “vluchtige” karakter van de geest. Bijvoorbeeld valt het begrip Heilige Geest op: enerzijds door zijn “heiligheid”, wat op een absolute, onaantastbare, zaak duidt en anderzijds door de Latijnse term voor geest, namelijk “spiritus”, wat letterlijk “vluchtigheid” betekent. Er is dan ook wat dit betreft geen andere conclusie mogelijk dan deze dat je met zekerheid kunt vaststellen dat de goddelijke geest in feite niets anders is dan de menselijke geest. En de mensen hebben die, uit onbegrip, boven zichzelf uit geheven, zoals zij dat in hun onvolwassenheid met alles doen.

Intussen blijft natuurlijk gelden dat die “ietsen”, die substantie, de grondstof zijn van alle dingen, zoals bijvoorbeeld de baksteen altijd ten grondslag blijft liggen aan een bakstenen huis. In welke situatie de “ietsen” ook terechtgekomen zijn, steeds blijven ze als zelfstandige grootheden bewaard.

 


427.  Het is terecht om te stellen dat goden niet bestaan, maar het is niet terecht als bijvoorbeeld de rationalistische atheist vervolgens beweert dat er důs niets zou zijn. Er is daarentegen juist wčl iets, maar dat is een werkelijkheid die zich niet met wetenschappelijke methoden kennen laat. Uiteraard is dat het geval op grond van haar niet‑materiële karakter. Zij valt buiten het analytische, op de dingen gerichte, denken. Maar, in strijd met wat veelal gemeend wordt hebben wij wel degelijk met een zaak te doen die zich denken laat, als men namelijk de moed en de creativiteit bezit om na te denken over iets waar, op grond van zijn volstrekte onbepaaldheid, absoluut niets over te zeggen valt. Volgens het thans gebruikelijke filosofische denken is zoiets onmogelijk, maar die opvatting is in alle opzichten fout, gevolg als zij is van het positivistische denken dat zich alleen maar op de materiële dingen en het daarbij behorende taalgebruik kan betrekken.

Wat dit taalgebruik betreft: het zou geen kwaad kunnen als de moderne filosofen zich eens realiseerden dat de uitspraak "er valt niets over te zeggen" op zichzelf een buitengewoon veelzeggende uitspraak is! Daarmee is heel wat aan te vangen en je kunt zelfs stellen dat het de enige zinvolle basis is voor het creatieve filosoferen.

 

428.  Tegenwoordig wordt het door bijna iedereen normaal gevonden dat de filosofen de filosofie tot de wetenschappen rekenen. De filosoof Hegel schijnt er indertijd al op gewezen te hebben dat de filosofie hoognodig een wetenschap zou moeten worden en dus ook om een wetenschappelijke wijze van beoefening vraagt. Kennelijk werd er in zijn dagen, aan het begin van de 19e eeuw, nog niet zonder meer van uitgegaan dat filosofie een wetenschap zou moeten zijn. Maar, het kan ook zijn dat men haar wčl als een wetenschap beschouwde, maar vooral ernstige kritiek had op de praktijk ervan. De filosoof Kant bijvoorbeeld was nog maar net begonnen zo systematisch mogelijk wijsgerige vragen te beantwoorden. En omdat Kant wezenlijk aan het begin stond van het moderne analytische wetenschappelijke denken is het niet onmogelijk dat ook Hegel daarvan onder de indruk was.

Toch wekt het enige verbazing dat juist de filosofie op de korrel werd genomen, want het wetenschappelijk gehalte van alle toenmalige wetenschappen was bedroevend laag. Er was dus geen reden om speciaal de filosofie aan te sporen om wetenschappelijk te worden.

Zelfs een tegenwoordig zo beroemd man als Sigmund Freud, wiens uitspraken en theorieën nog steeds door vrijwel alle wetenschappers serieus worden genomen, kon nog niet zo lang geleden naar hartelust idiote veronderstellingen debiteren en net doen of dat allemaal wetenschappelijk verantwoord was. Hij was daar met name vooral goed in als het over vrouwen ging. Wat hij die allemaal in de schoenen wist te schuiven grenst aan het ongelofelijke! Hoewel de wetenschappen tegenwoordig heel wat strenger voor zichzelf zijn is er nog heel wat aan te merken op het bedrijf van de wetenschap. Maar het blijft opvallend dat men het speciaal op de filosofie gemunt heeft, wat anderzijds toch ook wel weer verklaard kan worden uit het gegeven dat de filosofie nu eenmaal geen wetenschap kŕn zijn.

 

429.  Het ligt natuurlijk voor de hand om te denken aan het eigenlijke karakter van de filosofie. Dat is namelijk in het geheel niet wetenschappelijk en je kunt zelfs stellen dat het op gespannen voet staat met de wetenschappelijke benadering van de werkelijkheid. De ware filosoof is op een geheel andere manier met de werkelijkheid bezig als de wetenschapper. En wat zijn persoonlijkheid betreft is op te merken dat de aanleg van de filosoof essentieel is, in tegenstelling tot de wetenschapper bij wie het gaat om de door hem opgedane hoeveelheid kennis. De filosoof drijft dus op wat hij van nature kan, terwijl de wetenschapper het moet hebben van wat hem geleerd is. De wetenschapper studeert in een bepaald vak en de filosoof beoefent een vak.


Het filosofische vermogen is “uniek” en nimmer van iemand te leren, terwijl wetenschappelijk werk juist wčl van iemand te leren is. Het is “overdraagbaar” en het moet zelfs onderwezen worden. Zonder dat voorafgaande onderwijs kan men wetenschappelijk nauwelijks goed functioneren.

Het van de persoon afhankelijke karakter van de filosofie was in de ogen van de vroeg 19e eeuwse mens een onbetrouwbare basis. Dat moest dus veranderen. En het is veranderd! Maar, met de toenemende wetenschappelijke instelling van de filosofie is deze zčlf nagenoeg geheel verloren gegaan...

 

430.  De moderne filosofie heeft zich inderdaad tot een wetenschap ontwikkeld, en zelfs sinds het eind van de zestiger jaren van deze eeuw tot een behoorlijk populaire wetenschap. Maar gefilosofeerd wordt er binnen dat kader niet meer. Zoals te verwachten viel ontstond er een gigantische, redelijk betrouwbare, kennis over de filosofie. De moderne gekwalificeerde academische, filosofen werden tot geweldige kenners van de filosofie. In plaats van te filosoferen ordent men thans, vaak op buitengewoon intelligente wijze, het filosofische gedachtegoed, doet onderzoek naar de verschillende opvattingen over de werkelijkheid, stelt criteria op waaraan uitspraken hebben te voldoen om geldig bevonden te worden en zo nog veel meer. Dat zijn uiteraard allemaal nuttige zaken die voor het filosoferen van belang kunnen zijn, maar die met dat filosoferen zčlf niets te maken hebben.

De filosofische wetenschap is heel iets anders dan de filosofie zčlf, precies zoals de muziekwetenschappen geen enkele wezenlijke verwantschap hebben met de muziek zelve.

 

431.  Je kunt met recht en reden stellen dat er een verschrikkelijke verschuiving van begrippen heeft plaats gevonden: de bijzaak, namelijk de kennis omtrent de filosofie, is op grond van zijn wetenschappelijke status hoofdzaak geworden en de feitelijke hoofdzaak werd door toedoen van de academische filosofen tot een obscuur randverschijnsel, in stand gehouden door enkele wereldvreemde lieden die, volgens de wetenschappers, vanuit allerlei frustraties ook graag een duit in het zakje willen doen. Lieden die uiteraard in geen enkel opzicht betrouwbaar worden bevonden en die dus hoogstens als rariteiten interessant zijn.

Sommige geborneerde academische filosofen hebben het in dit verband al over “para-filosofen”, waarbij zij voor het gemak maar even over het hoofd zien dat de filosofie altijd door zogenaamde buitenstaanders bedreven werd en welbeschouwd ook alleen maar efficiënt beoefend kan worden door denkers, die buiten de vormelijke academische traditie staan.

Helaas is ook de filosofie in de val van de wetenschappelijkheid gelopen, net zoals dat met de kunsten het geval is. Het lijkt nu alsof zij een betrouwbare loot aan de stam van het menselijke weten is geworden, maar dat is bedrog: zij is juist geheel en al van haar “waarheid” vervreemd en haar officiële vertegenwoordigers zijn niets anders dan gewone, middelmatige, maar uitermate rappe, gewezen scholieren met een erkend einddiploma. Zij hebben hun lesjes beter en vlugger geleerd dan anderen zodat zij na verloop van tijd op een wetenschappelijke status konden bogen en voortaan deskundig worden gevonden, uiteraard zonder dat zij ooit op enig idee zijn gekomen, behalve wellicht om van de filosofie te gaan leven in plaats van voor de filosofie - om met een boze Schopenhauer te spreken!

 


432.  De objectief bestaande werkelijkheid laat zich in de mens op twee manieren gelden. Het meest triviaal is de werkelijkheid als voorstelling waarin meer of minder nauwkeurig een ieders “wereld” weerspiegeld wordt, zoals die bestaat uit een verzameling “ditten en datten” die in de realiteit om iemand heen aanwezig zijn. Het is een aan de persoon gebonden zaak die dus voor iedereen enigszins anders is, enerzijds doordat iedereen zijn eigen “omstandigheden” op een geheel eigen wijze ervaart en anderzijds doordat er geen twee personen zijn die in dezelfde “ruimte” leven, zelfs niet als zij hun leven in, zeg maar, dezelfde kamer doorbrengen.

Vervolgens is er de betrekkelijk ongrijpbare werkelijkheid als beeld waarin de werkelijkheid als een meer of minder helder, in alle richtingen samenhangend, geheel aan de mens verschijnt. Hier gaat het niet om “ditten en datten” maar om een variëteit aan nuances die in elkaar overvloeien. Hoewel deze zaak zich noodzakelijk in een bepaald persoon gelden laat is zij niet aan de persoon gebonden, en wel omdat het bij een ieder over dezelfde werkelijkheid gaat.

In feite zijn de genoemde “nuances” niets anders dan de “ditten en datten” die voor de beschouwende mens hun unieke status hebben afgelegd en nu als algemeenheden zijn gaan gelden. Het is nu nauwelijks nog van belang of iemand veel of weinig ervaringen heeft opgedaan. Het gaat immers niet om de kwantiteit, maar om de kwaliteit ervan.

 

433.  De werkelijkheid als voorstelling, thans door mij kortweg “de voorstelling” genoemd, vormt het onderzoeksterrein van de wetenschappen. Deze dringen steeds dieper in de inhoud ervan, namelijk de “ditten en datten”, door. Dat geschiedt uiteraard doormiddel van het analyseren. Maar, hoe diep zij er ook in doordringen, steeds blijft de verworven kennis oppervlakkig. Elk kleiner stukje toont voor de analyserende wetenschapper noodzakelijk alleen maar zijn oppervlak en nimmer zijn “innerlijk”.

Hierop slaat overigens de opmerking van Kant dat das Ding an sich niet te kennen zou zijn, een opmerking die welbeschouwd nu niet zo heel erg filosofisch is. Hij slaat namelijk wezenlijk niet op de filosofie, maar op de analytische wetenschap: voor die wetenschap is inderdaad het “innerlijk” van de dingen niet te achterhalen. Men blijft er tegenaan kijken. Maar voor het filosofische denken is het wezenlijke van de dingen zelfs essentieel! De filosofie heeft het, als het goed is, alleen maar daarover.

De filosofen houden zich bezig met de werkelijkheid als beeld, kortweg: het beeld. Dat geschiedt niet doormiddel van analyseren, maar door een intellectuele activiteit die men “beschouwen” zou kunnen noemen, of “zien”, of “ondergaan” of gelijkwaardige uitdrukkingen. Dat beeld laat zich niet uit elkaar halen. In feite heeft het zelfs geen onderdelen. Het bestaat nergens uit! De erin aanwezige onderscheidingen zijn nuances, die niet van elkaar gescheiden zijn doch in elkaar overgaan. Het begrip de boom bijvoorbeeld kan niet ontleed worden, maar wel kan een aantal eigenaardigheden, dat er inhoud van is, achterhaald worden. Het almaar verfijnder beschrijven van die eigenaardigheden is het werk van de filosoof en hij maakt daartoe gebruik van strikt logische redeneringen.

 

434.  In alle kunsten gaat het om de werkelijkheid als beeld. De beeldende kunstenaars leggen dat beeld voor een moment vast; de schrijvers verhalen over de logische opeenvolging van de gebeurtenissen; de musici maken het trillende karakter van het beeld hoorbaar; de dansers geven uitdrukking aan de beweging en de gewichtloosheid daarvan en tenslotte: de filosofen beschrijven het beeld langs de weg van de strikt logische redenering. De filosofie is dus in genen dele een wetenschap, maar ten volle een kunst. En het beoefenen van die kunst vereist iemand met een speciale aanleg, precies zoals dat met alle kunsten het geval is. In het kort gezegd komt die aanleg hier op neer dat men van nature gericht is op het beeld. Dat is in alle opzichten uitzonderlijk, want het “normale” patroon van de mensen bestaat uit het gericht-zijn op de voorstelling.


Dat heeft niets afkeurenswaardigs, zoals sommige denkers en kunstenaars wel eens hooghartig willen suggereren. Juist dat gericht-zijn op de voorstelling, en dus op de dingen, leidt tot het ontwikkelen van mogelijkheden om het leven veilig te stellen. Zonder die ontwikkeling wordt het niets met het menselijk leven op de planeet. Maar, als het eenmaal over dat “leven” als zodanig gaat zijn de kunsten essentieel en dat is dus ook met de filosofie het geval.

 

435.  Omdat de filosoof zich bedient van logische redeneringen is het risico inderdaad levensgroot aanwezig dat men aan een wetenschap gaat denken, zeker in een op wetenschap gerichte cultuur zoals de moderne. Op zichzelf zou je eventueel dat redeneren “wetenschappelijk” kunnen noemen, want vrijwel alle criteria, die voor het wetenschappelijk denken gelden, moeten ook bij de filosofische redenering in acht worden genomen. Maar, waar de wetenschapper zijn voorwerp van onderzoek uit elkaar haalt en aan de hand daarvan een theorie ontwikkelt, gaat de filosoof ertoe over de zaak nauwkeurig te “bekijken” om vervolgens de innerlijke samenhang van de nuances in één allesomvattend geheel te beschrijven.

Van deze beschrijving is te zeggen dat hij op degene die er kennis van neemt de indruk maakt waarheidsgetrouw te zijn. Hij brengt namelijk instemming teweeg, niet door een aantal theoretische en formele bewijzen, maar doordat hij “iets los maakt” en daardoor overeen gaat stemmen met het beeld dat de ander van de werkelijkheid heeft. Deze overeenstemming is essentieel: de filosofie werkt niet met algemeen voor juist gehouden berekeningen en bewijzen, maar met overeenstemmingen. Dat is mogelijk doordat de werkelijkheid als beeld bij een ieder dezelfde werkelijkheid is. Die behoeft alleen maar “wakker” gemaakt te worden om de mogelijkheid te openen de nuances binnen het beeld van de een met die van de ander te vergelijken. Het is de filosoof die daarvoor de ideeën aandraagt. Ook daarin staat de filosofie op een lijn met de overige kunsten.

Het zal intussen vanzelf spreken dat hierbij niet van het “overdragen van kennis” gesproken kan worden. De wetenschappen namelijk moeten het van de overdracht van kennis hebben, al was het alleen maar vanwege het feit dat de wetenschappelijke kennis cumulatief is: er wordt steeds iets aan toegevoegd. Maar voor de filosofie ligt dat anders. Het gaat daarbij niet om het vermeerderen van kennis, maar om het verhelderen van de waarachtige beschrijving van de werkelijkheid.

 

436   In de filosofie gaat het om de waarheid. Dat wil eigenlijk niets anders zeggen dan dat het om de werkelijkheid als beeld gaat. Dat is immers een zaak die in het teken van de algemeenheid staat en niet in het teken van de bepaaldheid. Die algemeenheid houdt in dat de zaak is zoals ze is en ook zo blijft. Er is dus niets dat daarin verandering kan brengen. Omdat het er in de filosofie om gaat daarmee tot klaarheid te komen kan men stellen dat de filosoof op zoek is naar de waarheid. En dat is dus een waarheid die “morgen” ook nog waar is. Het is de eeuwigdurende filosofische vraag: "Hoe zit het nu wezenlijk met de werkelijkheid?".

In de wetenschappen gaat het om de juistheid en tot op zekere hoogte ook om de betrouwbaarheid en bruikbaarheid. Dat zijn criteria die betrekking hebben op het bepaalde en niet op het algemene. Het gaat dus over dčze boom, dit bepaalde huis, deze bepaalde toestand op een zeker tijdstip en een zekere plaats. Dat wat over dat bepaalde “incident” gezegd wordt moet juist zijn, maar doordat men onvermijdelijk te doen heeft met een bepaalde materiële realiteit blijft die juistheid noodzakelijk verbonden met factoren als tijd en plaats.


Bovendien dringt de wetenschap zčlf almaar dieper in haar objecten door en dat levert veranderlijke informatie op, zodat een vandaag geldig weten morgen wel eens minder juist kan blijken te zijn. Hoe dan ook, wetenschappelijke kennis is altijd en fundamenteel relatief van aard. Dat is, let wel, geen tekortkoming van de wetenschappen, maar een wezenlijk kenmerk dat op zichzelf prima in orde is. Men zou kunnen spreken van een “verantwoorde relativiteit”.

 

437   Intussen moge duidelijk zijn dat het absoluut fout is de filosofie als een wetenschap te beschouwen. Het is zelfs funest omdat bij een dergelijke opvatting een bijzaak tot een hoofdzaak verworden is.

Inderdaad bestaat er wel een “filosofische wetenschap”. Daarin worden alle filosofische systemen en uitspraken zo goed mogelijk in kaart gebracht en doorgegeven aan andere wetenschappers en belangstellenden. Maar deze, op zichzelf voortreffelijke, wetenschap gaat, zoals al eerder betoogd, over de filosofie en heeft als zodanig niets met het beoefenen van de filosofie te maken. Een doctor in de filosofie is dan ook meestal een hopeloos slechte filosoof, doordat hij onvermijdelijk gericht is op de voorstelling in plaats van op het beeld. Sterker nog, hij wil niets van dat beeld weten want hij vindt dat uitermate onbetrouwbaar omdat het naar zijn idee slechts een “subjectieve” zaak is.

 

438   Aan de basis van alle westerse en moderne ontwikkelingen ligt het inzicht dat de werkelijkheid een verzameling van verschillende dingen is. Dingen die zich naast elkaar in de ruimte bevinden en die volstrekt van elkaar gescheiden zijn. Dat is te typeren door te zeggen: "Het een is het ander niet". Zo is de mens als individualist niet denkbaar en mogelijk zonder dit fundamentele inzicht, want essentieel voor het individualisme is immers dat de ene mens de andere niet is en op grond daarvan als een uniek geval recht heeft op een eigen identiteit.

Maar dat is niet alles. Ook de monotheďstische godsdiensten zoals het Christendom, de Islam en het Jahwisme zijn niet mogelijk zonder het dualisme van het van elkaar gescheiden ene en andere. De goden van deze godsdiensten zijn namelijk “het andere” vergeleken bij de dingen van alledag. Bovendien levert die vergelijking een belangrijk waardeverschil op: de goden staan hoger dan de gewone mensen en dingen. Het gescheiden-zijn van het een en het ander leidt namelijk ook tot een vergelijken van deszelfs kwaliteiten. Daarom is te zeggen dat het westerse moderne denken scheidingen aanlegt tussen hoger en lager. Als een rode draad lopen deze scheidingen door de westerse cultuur heen.

Hoewel zij steeds andere gedaanten aannemen zijn zij toch almaar aanwezig, maar niet alleen dat: omdat dit gescheiden-zijn van het een en het ander essentieel is voor de westerse cultuur komt het gaandeweg, tijdens het voortschrijden van die cultuur, nadrukkelijker naar voren, al of niet in meer of minder verholen vormen.

Neem nu de godsdienst, onverschillig welke van de drie genoemde. Sinds de Verlichting ging het er steeds meer op lijken dat deze teruggedrongen zou worden. Volgens de Leidse filosoof Bolland (1854-1922) zouden de mensen “door de godsdienst heenzakken”. De hedendaagse vrijdenkers en humanisten verkeren nog steeds in die mening. Maar het klopt niet met de feiten, noch met datgene dat filosofisch denkend te verwachten is. Voor de hand ligt namelijk de verwachting dat de godsdienst, als ultieme uitdrukking van het “hoger en lager”, zich steeds verder zal uitkristalliseren, zij het natuurlijk in de vormen die behoren bij het westerse ontwikkelingsproces. Dat is dan ook te constateren! De godsidee is in toenemende mate een persoonlijke zaak geworden zodat de op die idee berustende kerkelijke collectieven rigoureus instorten. Daarentegen wordt die godsidee als individuele overtuiging een zaak van almaar groter belang.

Identiteit-1 ; Identiteit-2 ; Identiteit-3 ; Verlichting-1, Verlichting-2, Verlichting-3, Verlichting-4, Verlichting-5, Verlichting-6 ; Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ; Overtuiging-4 ;

 


439   Het is op het ogenblik al zover gekomen dat het “geloven in god” als normaal wordt beschouwd en de godloochenaar voortdurend gedwongen wordt zijn inzichten te verdedigen. En dan gaat het niet zozeer om een rechtvaardiging tegenover godsdienstige lieden - wat niet ongewoon zou zijn - maar juist tegenover mensen die tot voor kort tot een volstrekt ongelovige groep behoorden, voornamelijk intellectuelen. Temidden van een steeds rationeler en wetenschappelijker ingestelde wereld met een almaar bewuster, maar nog steeds ňnvolwassen, individualisme moeten diegenen die de meest plausibele opvatting toegedaan zijn zich krachtiger verdedigen! Dat lijkt dus merkwaardig en zelfs onlogisch, maar in feite ligt het in de rede omdat het denken in “hoger en lager” zo langzamerhand zijn uiterste consequenties gaat laten zien.

Die consequenties liggen natuurlijk niet alleen maar op godsdienstig gebied. De gehele moderne maatschappij ontwikkelt zich in hiërarchische richting, weliswaar niet in de ouderwetse zin van rangen en standen, maar in de zin van meer en minder belangrijke functies. In het bedrijfsleven groeien alle verschillende niveaus almaar meer uit elkaar zodat inmiddels het verschil tussen een lagere waardering en een hogere elk voorstellingsvermogen te boven gaat. Wie kan zich een voorstelling maken van het verschil tussen een topmanager die een jaarsalaris van meer dan 2 miljoen heeft en een werknemer die nauwelijks boven de 35 duizend gulden uitkomt?

 

440   Het spreekt vanzelf dat “de god der vaad'ren” grotendeels van het toneel verdwenen is. Voorzover zijn zwarte volgelingen zich nog roeren wordt dat met enige meewarigheid begroet, terecht want dat vreugdeloze, starre en bekrompen gedoe past zelfs de meest overtuigde gelovige niet meer. De moderne individualistische gelovige is heel wat reëler met zijn god bezig, wat in hoofdzaak hierop neerkomt dat hij die god ruimdenkendheid, redelijkheid en begrip toeschrijft. Hoewel hij daarmee de plank niet ver misslaat is het toch nog steeds die hoger geplaatste god die hem de les spelt en je kunt zelfs stellen dat deze, meer “liefdevolle”, god in zekere zin bedreigender voor de mens is dan die ouderwetse boeman. Hij maakt namelijk aanspraak op redelijkheid en begrip en daarmee neutraliseert hij als het ware alle verzet.

Dat zou allemaal zo erg niet zijn als, tegelijk daarmee, het geloof in hem tot een soort van mode verwaterd was. Maar diegenen die menen dat dit zo is en dat men met een mode-verschijnsel van doen heeft, vergissen zich deerlijk. Juist die veronderstelde redelijkheid en dat begrip maken het bestaan van god meer aannemelijk dan voorheen met die boeman het geval was.

Het zonder al teveel protesten aannemen dat iets klopt, louter op grond van het argument dat het zo redelijk lijkt, is een typisch euvel van de westers-moderne mens! Deze moet het immers, bij gebrek aan innerlijk zicht op de werkelijkheid als beeld, hebben van beargumenteerde en redelijk onderbouwde verhalen. Dus van betrouwbaar lijkende voorstellingen!

 

441   Het is opvallend hoe men, met betrekking tot een bepaalde filosofische gedachtegang, achteloos langs een overvloed aan argumenten heen kan gaan. Zelfs als die argumenten op een overzichtelijke wijze gerangschikt zijn negeert men die en doet alsof zij nooit te berde gebracht werden. Het is zelfs zo sterk dat men, vaak nauwelijks bewust, weigert er ook maar een seconde over na te denken. Een bepaald, diepliggend, mechanisme sluit onmiddellijk de zaak voor nadere discussie af.

Zoiets zou te begrijpen en zelfs wel te excuseren zijn als je te doen hebt met mensen die wel wat anders aan het hoofd hebben. Maar als ook “denkers” op die manier reageren moet er toch iets wezenlijks aan de hand zijn...


Een schrijnend voorbeeld van de impulsieve weigering om naar argumenten te luisteren doet zich voor als het over de mens als individu gaat, in het kort gezegd: de individualist. De waan dat zo een mens niet deugt is zozeer ingekankerd dat men prompt “autistisch” doof wordt voor alles wat wčrkelijk, in alle redelijkheid, over die individualist gezegd kan worden. Men weet blijkbaar op voorhand zeker dat deze een “egoďst” is omdat hij alleen maar aan zichzelf denkt en zich onttrekt aan het geheel. En men verwijt hem dat hij alleen maar voor zichzelf wil leven en dus niets “voor een ander over heeft” - en zo is er een heel scala van asociale eigenschappen die de individualist tot een slecht mens maken en het individualisme tot een verwerpelijke idee. En elk voorstel om nu eens in alle rust en onbevangen over het individualisme na te denken wordt met afschuw afgewezen. Heel merkwaardig, maar ook buitengewoon irritant!

 

442   Zelfs de moderne 'Atlantische' mens is nog altijd bevangen in de werkelijkheid als collectief. In laatste instantie vindt die werkelijkheid zijn wortels in het oer-moederlijke besef dat alle dingen naamloos opgenomen zijn in een allesomvattend geheel. Let wel, naamloos opgenomen! Dat wil in dit verband zeggen dat de eigen identiteit ontkend is, niet mag gelden omdat hij geacht wordt ondergegaan te zijn in de enige čchte realiteit, het moederlijke geheel. In de West-Europese Middeleeuwen, aan het prille begin van 's mensen individuele ontwikkeling, gaat het niet meer om een moederlijk geheel, maar om een mannelijk collectief. Dat is een verzameling die als zodanig boven de enkeling uitgaat.

Als in de loop van de 19e eeuw de 'Atlantische' mens op gaat treden raakt het naamloze op de achtergrond en wordt de eigen identiteit wel als belangrijk erkend, maar nog altijd wezenlijk binnen dat mannelijke collectief dat dus gaandeweg ontwikkeld is uit het oer-moederlijke geheel. De enkeling is nu niet langer incognito, naamloos, maar dat is alleen maar belangrijk als hij zich opstelt als dienstbaar aan het collectief.

Over dit laatste wordt nooit op die manier gesproken, en wel omdat men meent tot een democratische staats- en levensvorm te zijn gekomen. Het oer-moederlijke geheel is in de loop der tijden uit het zelfbewustzijn weggezakt en ligt nu als een soort van psychisch trauma diep in de mensen verborgen, een trauma dat pas overgaat als die 'Atlantische' mens inderdaad een volwassen individualist is geworden. Tot zolang werkt de zaak als een ernstig taboe ten aanzien van de onweerlegbare waarheid dat de mens wel degelijk een eenling, een volkomen vrijzwevend en onafhankelijk wezen in de onmetelijke ruimte van het heelal is: een wezen dat in feite alleen maar 'ik' kan zeggen...

Identiteit-1 ; Identiteit-2 ; Identiteit-3

 

443   Wat een mens ook doet, welke besluiten hij bij allerlei gelegenheden ook neemt, steeds is het de werkelijkheid als ik die handelt. Ook als iemand, in een denkbeeldig extreem geval, besluit om zich volledig op te offeren terwille van iets of iemand anders is het nog altijd de werkelijkheid als 'ik' die hierin actief is. Altijd en onder alle omstandigheden ben ik het zčlf die de besluiten neemt. Dat is ook het geval als ik, lichamelijk en mentaal, onderworpen ben aan iemand anders die voor mij de dienst uitmaakt. In mijn onderworpenheid ben ik nog altijd in zoverre mezelf dat ik die onderworpenheid aanvaard, althans me erbij neerleg. Hoe beangstigend het ook is, ik kan me er ook niet bij neerleggen en er vierkant 'nee' op zeggen. Maar, inderdaad kost je dat bijna altijd de kop...

Er is voor het menselijk leven geen enkele situatie denkbaar waarbij het 'ik' uitgeschakeld is. Behalve natuurlijk in de dood. Dat is te zeggen, als men al dood is. Want zelfs het sterven is in belangrijke mate afhankelijk van mijn eigen besluiten: door mijn leven in handen te leggen van geneesheren kan ik wellicht het leven nog enigszins rekken, afhankelijk van de toestand waarin ik mij qua gezondheid bevind.


En verkorten kan ik mijn leven altijd. Hoe groot ook de hindernissen zijn die men vanuit diverse morele ficties opwerpt, niets kan mij van zelfdoding weerhouden.

Zo kun je nog een hele tijd doorgaan. Maar, dat is niet nodig als duidelijk is geworden hoe de vork aan de steel zit. De mens kan namelijk altijd en onder alle omstandigheden 'nee' zeggen tegen alles waarmee hij geconfronteerd wordt. Hij kan dat doen doordat hij als laatste verschijnende mogelijkheid van de werkelijkheid de volstrekte ontkenning is van elke natuurwet, althans waar het zijn activiteiten betreft. Op dit gebied is elke ingeprogrammeerde dwang weggevallen: de mens is op dit gebied absoluut aan niets gebonden. Ieder exemplaar van het verschijnsel mens is dan ook volkomen autonoom, geheel en al zichzelf genoeg. Ieder exemplaar is een eenling die niets van iets ŕnders of iemand ŕnders in of aan zich heeft. Omdat dit het geval is worden al zijn activiteiten vooraf gegaan door besluiten. Het staat hem vrij om iets 'ja dan nee' te doen!

 

444   Welke situatie we ons ook voorstellen, behalve de onvermijdelijke dood is er altijd, en nooit niet, de mogelijkheid een 'ja' of een 'nee' besluit te nemen. En eigenlijk is hier niet van een 'mogelijkheid' te spreken omdat het 'ja' evenals het 'nee' op zichzčlf onvermijdelijk zijn. Tot een van de twee wordt steeds besloten. Je kunt in dit verband stellen dat de mens keuzen mňet maken, of hij wil of niet. Op grond hiervan wordt elke menselijke activiteit tot handelen.

Handelen spruit op de een of andere manier voort uit een interactie van denken en besluiten. En dat denken heeft op zijn beurt de werkelijkheid als voorstelling tot ondergrond. Deze werkelijkheid geldt uitsluitend voor het verschijnsel mens. Het is de werkelijkheid als intellect. Hoewel deze werkelijkheid bij alle mensen aanwezig is, is hij toch altijd persoonlijk van aard, vanzelfsprekend als gevolg van het feit dat de voorstelling essentieel is. En dat is altijd en noodzakelijk iemands voorstelling.

 

445   De werkelijkheid als intellect is volkomen aan de persoon, de enkeling, gebonden. Ik ben intellect en jij bent intellect. Buiten 'mij' en buiten 'jou' is er geen intellect. Intellect is een realiteit voor de absolute eenling. Wat dit betreft heeft niemand iets met iemand anders te maken. Zoekt de filosoof dan ook naar plausibele mogelijkheden voor de mensen om op een redelijke en veilige manier met elkaar samen te gaan leven, dan zal hij dit noodgedwongen toch op het terrein van het intellect en dus ook op het terrein van het, op grond van besluiten, menselijk handelen moeten zoeken. Elke poging de zaak in de richting van ingeprogrammeerde sociale strevingen en behoeften te verklaren - het beruchte 'de mens is een kuddedier' - is volkomen vruchteloos, terwijl dat er bovendien blijk van geeft dat men niets van zichzelf aangevoeld en begrepen heeft.

De evolutie levert slechts organisaties, zoals mieren- en bijenvolken, op en ook constructies, zoals koraalriffen. En dan zijn er ook nog kudden, roedels, groepen en zo meer. Werkelijke enkelingen komen in het gehele planten- en dierenrijk niet voor. De mens is de enige absolute enkeling in de onmetelijke kosmos, of hij nu hier voorkomt of elders.

Men zou inderdaad in de genoemde richtingen kunnen en moeten zoeken om het samengaan van mensen te verklaren ŕls het verschijnsel mens niet het laatste fenomeen was, zodat het nog geheel en al in de natuur en haar evolutie ingebed lag. Maar dat is nu eenmaal niet het geval: de mens is, in de kwaliteit van uiterste grens, volledig daaraan voorbij.

 


446   Hoe paradoxaal het menigeen ook in de oren zal klinken, juist het feit dat de mens een volstrekte, vrijzwevende, eenling is heeft als onverbiddelijke consequentie dat hij zich moet onthouden van alle handelen dat op de een of andere manier het bestaande aantast. De bestaande dingen, die aan zijn verschijnen op de planeet vooraf gegaan zijn, kunnen door hem alleen maar verzorgd worden en wel op een zodanige manier dat zij met hem, de mens, een samenhangend, allesomvattend geheel vormen. Dat geheel is uiteindelijk een door en door menselijk geheel geworden. De daartoe benodigde ingrepen zijn heel iets anders dan de tot nu toe gebruikelijke aantastingen. Onder een 'ingreep' versta ik een vorm van besturen, in goede banen leiden, optimale kansen geven. Bij een dergelijk handelen blijft 's mensen onafhankelijkheid tenvolle gehandhaafd, maar bij aantasten verliest de mens zijn vrijheid. Op het ogenblik kan men dan ook waarnemen dat de mensen zich nauwelijks nog kunnen onttrekken aan de gevolgen van het voortdurende aantasten wat zij doen. Enerzijds wordt de gehele planeet verziekt en uitgemergeld en anderzijds zijn zij zčlf ziek geworden van hun eigen alles aantastende gedoe.

 

447   Zo is men nu weer bezig kunstmatig leven te maken door planten en dieren te klonen. Het heet dat dit dient ter verbetering van de soort, maar in feite gaat het om verbetering van het profijt dat men wil behalen. Terwille van de commercie proberen de wetenschappers en de technici onnatuurlijk, kunstmatig leven te maken. Dat is aantasting van de werkelijkheid. Als het wčrkelijk om verbetering zou gaan zou men de planten en de dieren, evenals de bodem, het water en de lucht optimaal verzorgen.

De hedendaagse mens is bijna geheel van zijn eigen wandaden afhankelijk geworden en van het schitterende vrijzwevende verschijnsel is nog nauwelijks iets te herkennen. Geen wonder dat de gehele wereld het toonbeeld van schizofrenie is geworden...

Schizofrenie-1 ; Schizofrenie-2 ;

 

 

448   Het dwingende 'gebod' de werkelijkheid niet aan te tasten is ook tenvolle van kracht voor de mensen onderling. Hierop berust het intellectuele besef dat men elkaar niet mag doden. Opmerkelijk is dat bijna niemand dit in de gaten heeft, doorgaans ook de filosofen en de ethici niet. Vraag je waar het verbod elkaar te doden vandaan komt, dan krijg je meestal een onduidelijk en aan alle kanten rammelend verhaal te horen over humaniteit, ethiek, zeden, gewoonten en wetten, terwijl het tegenwoordig ook weer toegestaan is te verwijzen naar de geboden gods. Diegenen die iets mompelen over een soort van ingeboren gevoel of besef komen er nog het dichtste bij, maar over het algemeen is het treurig wat men ervan maakt.

Het juiste antwoord is betrekkelijk eenvoudig als je, wat altijd het geval is, de zaak eenmaal door hebt. Als 'ik' namelijk een volstrekt ongebonden vrijzwevend geval ben ( voor nadere uiteenzetting van het begrip vrijzwevend, zie: Vrouw en Wereld en het hoofdwerk Beweging en Verschijnsel ) zijn 'de anderen' dat noodzakelijk ook. Elke aantasting mijnerzijds heft die vrijzwevendheid op en dus ook de absolute vrijheid van de ander. Tegelijkertijd hef ik ook die van mijzelf op een noodlottige wijze op. In feite ben ik dus tegen mezelf als ik de ander aantast.

( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)

En ook hier geldt: een ingreep, zoals ik dat pleeg te noemen, is geen aantasting. Een ingreep is gericht op ontplooiing, bescherming, begeleiding en eventueel ook redding, dus op het welzijn van mijzelf en mijn medemens. Een ingreep verwijst naar de metafoor van de 'Goede Herder' die vol zorg en bekommernis is voor juist de zwakste onder zijn schapen.

Als een maatschappij in orde is worden er voortdurend ingrepen gepleegd om de zaak in goede banen te leiden, opdat een ieder een optimaal welzijn genieten kan. In een onvolwassen maatschappij, zoals de onze nog steeds tenvolle is, volgt de ene aantasting de andere op en het ellendige gevolg is dat alleen een egoďstische bovenlaag zich kan verbeelden 'wel' te zijn.

doden-1(nos.448t/m449) ; doden-2(484 t/m 493)

 


449   Over het ontstaan van het leven op aarde doen de wildste verhalen de ronde. Tot op heden is het bijbelse scheppingsverhaal waarschijnlijk het meest populaire. Het is een gemakkelijk verhaal dat een ieder, die niet van nadenken houdt, een uitermate bevredigende oplossing voor het vraagstuk van onze oorsprong biedt. Omdat nadenken voorlopig nog wel een stiefkind onder de menselijke activiteiten zal blijven, zullen de occulte scheppingsverhalen, zoals bijvoorbeeld dat uit de bijbel, wel ruimschoots de boventoon blijven voeren. Dat zal stellig niet spoedig veranderen!

Wetenschappers zijn gewend om na te denken en dus is de verwachting gewettigd dat zij geen vrede zullen hebben met die occulte verhalen over de een of andere goddelijke hand die destijds het leven op aarde geschapen heeft. En inderdaad, zo een banaal verhaal wil er bij hen niet in. Zij geloven niet dat er een goddelijke hand was die de zaak tot leven wekte, maar het is tegelijkertijd uiterst ergerlijk als je met grote regelmaat mee moet maken dat men zonder blikken of blozen geloof hecht aan een wetenschappelijke hypothese die minstens even occult is, vooral vanwege de eigenaardigheid dat er ook hier sprake is van een ingreep van buitenaf. Wat is het geval?

Onder moderne astronomen is de hypothese populair dat er eens een meteoriet of iets dergelijks op aarde ingeslagen zou zijn die levende oercellen, of onmiddellijke voorstadia daarvan, op aarde inplanteerde. Het aardse leven zou dus het gevolg van die inslag zijn en het zou haar oorsprong vinden in veraf gelegen uithoeken van het heelal. Het spreekt vanzelf dat dit levende materiaal van heel ver kwam want de astronomen hebben met hun moderne middelen in het bekende heelal nergens leven aangetroffen. Het zou dus van daarbuiten moeten komen, al met al een ronduit belachelijke veronderstelling...

doden-1(nos.448t/m449) ; doden-2(484 t/m 493)

 

450   Als eerste valt de kortzichtigheid van die astronomen op: als je namelijk veronderstelt dat het leven op aarde inderdaad van buitenaf gekomen is blijft nog altijd de vraag liggen hoe het daar dan heeft kunnen ontstaan. De enkelvoudige bewering dat het leven van ver uit het heelal komt is in feite net zo occult als die van de scheppende goddelijke hand! Het is niet alleen een nietszeggende bewering, maar ook een misleidende die de valse suggestie wekt dat we met een deskundige van doen zouden hebben, hetgeen in ieder geval in filosofische zin beslist niet het geval is.

Zoals bij alle occulte verhalen is het niet alleen gemakzucht die ertoe inspireert, maar ook de diepliggende psychologische behoefte aan enigerlei vorm van een almachtige schepper, een eerste oorzaak die buiten alle redelijkheid om werkzaam is. In feite is dat nu precies wat ook aan het geloof en de godsdienst ten grondslag ligt.

Ten tweede is het opvallend dat de kennis van veel moderne wetenschappers zo weinig samenhang vertoont tussen de ene hypothese of gedachte en de andere. Zo ook hier: men schijnt niet in de gaten te hebben dat men, bij aanvaarding van die buitenaardse hypothese, logischerwijs ervan uit moet gaan dat de aarde zelf niet in staat geacht moet worden leven voort te brengen. Deze gedachte volgt automatisch uit de gedachte van een buitenaardse oorzaak van het leven. Echter, als dat het geval zou zijn ligt het eveneens in de logica dat de omstandigheden op aarde van een zodanige aard zijn dat het leven ňnmogelijk in stand gehouden kan worden als het eenmaal van buitenaf ingeplant is. De zaak komt dus hier op neer dat beide, het voortbrengen en het in stand houden van het leven niet mogelijk zijn. Dan rijst echter de vraag waarom het zich dan toch op onze planeet ontwikkeld heeft tot wat het nu is.

 


451   In feite is er natuurlijk maar ččn verklaring mogelijk: de aarde heeft zichzčlf omgezet tot leven. Daarbij zullen stellig materiële invloeden van buitenaf een rol hebben gespeeld, alles staat immers met alles in verband, maar het leven zelf kan volstrekt niet van elders gekomen zijn. De planeet aarde is een zodanig resultaat van de wordingsprocessen dat het voortbrengen en opkweken van levende materiële systemen niet uit kan blijven. De wordingsprocessen hebben in de vorm van de planeet aarde een 'levenbarend' stadium bereikt. In dat stadium wordt de in de materie latent aanwezige beweeglijkheid manifest en wel als inhoud van het materiële systeem.

Ook al is het de onderzoekers voorlopig nog niet duidelijk hoe die innerlijke beweeglijkheid op een bepaald moment vrij kan komen mag dat nog geen aanleiding zijn om een globale, maar logische voorstelling van zaken te negeren en in plaats daarvan vertrouwen te schenken aan een volkomen uit de lucht gegrepen hersenspinsel. Desondanks worden er door de geleerden almaar speculatieve verhalen verteld over van oorsprong buitenaards leven en zij trekken kennelijk geen conclusies uit hun eigen verhalen. Dat echter is tegenwoordig allang geen uitzondering meer...

 

452   Het is een feit dat de geleerden tot op heden nog geen leven in het heelal hebben aangetroffen. Naar het schijnt hebben zij wel allerlei materiële bouwstenen voor levende organismen gevonden, maar geen zelfstandig levende verschijnselen. Ik kan niet beoordelen of dat jammer is of niet en ook vertrouw ik vooralsnog mijn eigen gedachtegang niet, die er namelijk toe leidt dat er in een zonnestelsel maar ččn enkele levenbarende planeet kan zijn.

Die gedachtegang is gebaseerd op het beeld van een zonnestelsel dat bestaat uit een in zichzelf ononderbroken netwerk van relaties. Er is ook filosofisch veel voor te zeggen dat alle tot zo een netwerk behorende hemellichamen op de een of andere manier met elkaar in verband staan en elkaar min of meer beďnvloeden. En als dat klopt zou het inderdaad in de logica liggen dat er dan ook gesproken zou kunnen worden van een variatie van toestanden, en wel van elementair deeltje - niet te verwarren met een 'beweeglijkheid' - tot en met menselijk zelfbewustzijn. Maar, zoals gezegd, tot nu toe vertrouw ik deze filosofische gedachtegang nog niet erg!

Er is echter, met betrekking tot het heelal, wel iets dat absoluut vast staat: overal in het heelal komen zonnestelsels voor en overal zijn er zonnestelsels waarin het gehele scala van mogelijke variaties te voorschijn gekomen is, hetgeen betekent dat er overal leven is ontstaan. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat het heelal opgevuld is met zonnestelsels die als het ware 'tegen elkaar aanliggen'. In de onmetelijke ruimte zullen ook die zonnestelsels onmetelijk ver van elkaar af liggen met ertussen iets wat je met het begrip ruimte zou kunnen benoemen. Let wel, niet letterlijk een 'lege' ruimte, maar een ruimte waarin zich geen verschijnselen bevinden, wat iets anders is dan een 'lege' ruimte.

Er is geen enkel houdbaar filosofisch argument voor de mening dat alleen ňnze planeet tot leven zou zijn gekomen en dat er verder in het heelal geen levende wezens zouden zijn. Het is daarentegen juist volkomen plausibel om te stellen dat in een ňnmetelijke ruimte en tijd de materiële wordingsprocessen zichzelf hier en daar tot het absolute einde doorzetten. Het is dus tenvolle verantwoord staande te houden dat er 'elders' ook leven is. En je kunt dan ook nog verder gaan en met zekerheid stellen dat dit leven logischerwijs eveneens in een 'mens' zal uitlopen, een mens voor wie precies hetzelfde geldt als voor ons, namelijk dat ook hij een 'vrijzwevend' verschijnsel zal zijn.

 


453   Doordat wetenschappers zich als regel met nauwkeurig afgepaalde deelgebieden van de wereld der verschijnselen bezig houden komt het veelvuldig voor dat zij het slachtoffer worden van een ernstige vorm van 'tunneldenken'. Dat wil zeggen: een denken dat in zichzelf geen mogelijkheid kent om de eigen grenzen te overschrijden. Bedoelde wetenschappers kunnen er onmogelijk overheen kijken zodat men met recht kan stellen dat het een bekrompen en dogmatisch denken is. Natuurlijk zullen de wetenschappers dat oordeel met klem bestrijden en wijzen op de essentieel wetenschappelijke eis om open te staan voor de dingen en dus ondogmatisch te zijn en geen vooroordelen te koesteren. Maar, bij nauwkeurig onderzoek hiernaar blijkt dat deze, op zichzelf voortreffelijke, criteria uitsluitend binnen het eigen vakgebied in ere worden gehouden. Daarbuiten vieren vooroordeel en onnadenkendheid hoogtij, vaak met een halsstarrigheid die men eigenlijk alleen maar bij autoritaire domkoppen zou verwachten.

Ook dat behoeft echter geen verbazing te wekken! Als je je realiseert dat de moderne wetenschappen aan haar dienaren een hoge maatschappelijke status toekennen, dan ligt het voor de hand dat er voor eigenwijsheid een vruchtbare voedingsbodem aanwezig is...

Zo ook als het gaat over de vraag of er elders in het heelal ook leven aanwezig is. Het correcte antwoord op deze vraag kan niet anders luiden dan 'als wetenschappers weten wij het niet, want wij hebben nog nooit een aanwijzing daarvoor gevonden'. En tegelijkertijd kan men daaraan toevoegen dat men bij nadenken tot de conclusie moet komen dat er 'uiteraard' elders in het heelal leven aanwezig is. Dit toevoegsel echter blijft steeds achterwege zodat het bekrompen wetenschappelijke antwoord de boventoon blijft voeren en zo als een waarheid een eigen leven gaat leiden. Dat wordt dan ook nog versterkt door het gezag dat wetenschappers genieten als het om uitspraken over de werkelijkheid gaat. Bijgevolg zal bijna iedereen zich, in navolging van de wetenschappers, achter onwetendheid verschuilen en ervan overtuigd zijn het bij het rechte eind te hebben.

 

454   De moderne westerse mens staat in het teken van de ontwikkeling van de werkelijkheid als zelfbewustzijn. Dat heeft betrekking op de voorstelling die de mensen van de hun omringende realiteit en van zichzelf hebben. Het is een voorstelling van allerlei dingen, al of niet van natuurlijke dan wel van culturele aard, dus al of niet door de mens voortgebracht. Wanneer de aandacht van de westerse mens nu gericht is op dit zelfbewustzijn, dat een collectie specifieke persoonsgebonden dingen bevat, ontstaat er de behoefte aan de weet te komen hoe het zit met die dingen. Uitgaande van het vergaren van kennis over die persoonsgebonden dingen - dus mijn wereld - komt onvermijdelijk de vraag aan de orde of en in hoeverre mijn kennis over de dingen overeenkomt met de kennis van anderen over hun dingen.

Dus: men gaat er als vanzelf toe over een vergelijking te maken tussen de verschillende inhouden van het zelfbewustzijn van allerlei personen. Dat betekent dat bij de westerse mens aan de ontwikkeling van zijn zelfbewustzijn onmiddellijk meekomt dat hij ook wetenschap zal gaan beoefenen. Zelfbewustzijn en wetenschap behoren so wie so bij elkaar, maar bij de moderne mens wordt die wetenschap wat zij wčrkelijk zijn moet, namelijk een streven naar kennis die een collectief karakter heeft, in die zin dat een zo groot mogelijke groep collega's tot dezelfde kennis van zaken moeten zijn gekomen. Collectieve overeenstemming is een wezenskenmerk van moderne wetenschap.

Vaak stelt men het voor dat de waarheid het beoogde doel van de wetenschappen zou zijn, maar die gedachte is onhoudbaar. Wetenschappelijk onderzoek van de dingen levert nimmer 'waarheid' op doch slechts voor een bepaald moment een zo groot mogelijke mate van juistheid. En die juistheid wordt bepaald door een zo groot mogelijke collectieve overeenstemming.

Een collectieve overeenstemming kan, al gaat men er nog zo nauwgezet mee om, gemakkelijk op een collectieve waan gaan berusten. Hij biedt daarvoor zelfs een uitermate vruchtbare voedingsbodem!

 


455   Waar men ook zoekt in het verleden, steeds treft men een overvloed aan hersenspinsels en occulte fantasieën aan. Dergelijke wanen kunnen zich manifesteren en min of meer halsstarrig handhaven dank zij de aanwezigheid van een collectieve overeenstemming. Die kan op velerlei manieren tot stand komen, maar een doorgaans ziekelijke angst voor het ňnbegrepene speelt een cruciale rol. In feite berust het in alle religies voorkomende mysterie op deze angst. En uiteraard zijn daar ook nog de bovennatuurlijke verschijnselen.

Het zogenaamd verrichten van wonderen, het uitvoeren van rituelen en het geraffineerd uitoefenen van psychische druk waren de methoden bij uitstek om een collectieve waan teweeg te brengen en in stand te houden. Zoals gezegd stond een bepaald geheim, een onbegrijpelijk mysterie, daarbij centraal, want zonder een enigszins beangstigend niet-begrijpen heeft een hersenspinsel geen schijn van kans. Toch moet tegelijkertijd opgemerkt worden dat de destijds tamelijk sterke intuďtie van de mensen in menig opzicht remmend werkte op het aanvaarden van allerlei occulte voorstellingen.

 

456   De moderne mens is niet meer zo gemakkelijk tot het collectief accepteren van wanen te krijgen. Maar, bij nadere beschouwing blijkt dat voor een goed deel gezichtsbedrog, want als men gebruik maakt van de juiste methode is het juist heel gemakkelijk! Dan blijkt dat de moderne mens sneller dan wie ook tot collectieve overeenstemming is te brengen.

Inderdaad lijkt het moeilijker dan voorheen, maar dat komt doordat rituelen en andere flauwekul niet zoveel indruk meer maken, behalve dan bij een helaas toenemend aantal New-Age adepten. Wordt de zaak echter in wetenschappelijke termen verpakt en biedt men daarbij een groot aantal schijnbaar betrouwbare referenties, dŕn gaat het sprookje er in als koek! Zelfs genoemde New-Agers hebben wetenschappelijke theorieën nodig om overtuigd te geraken, maar die theorieën moeten wel doorspekt zijn van mysterieuze toestanden!

Doordat de moderne mens nauwelijks nog vertrouwd is met zichzelf als bewustzijn gelukt het in feite nog veel beter hem tot een collectieve overtuiging te brengen dan bij die vroegere mensen het geval was. Bij deze laatsten weerhielden de intuďtie, het gevoel en het onmiddellijke zien nog enigermate het klakkeloos aanvaarden van bepaalde occulte voorstellingen. Maar daarvan is thans geen sprake meer. De moderne mens is in ernstige mate vervreemd van zichzelf als bewustzijn en dus van zichzelf als waarheid.

Dus: het lijkt moeilijker en het lijkt alsof de moderne wetenschappelijkheid de moderne mens behoedt voor wanen, maar juist de bijna niet te weerspreken argumentaties van de wetenschappers worden gemakkelijk aanvaard op grond van hun schijnbare betrouwbaarheid. Er is niets zo overtuigend als het wetenschappelijke, controleerbare argument. Je ziet dan ook dat er een grote hoeveelheid schijnbaar juiste opvattingen, theorieën en gegevens in omloop is. Vaak zijn dat inderdaad speculatieve, wetenschappelijk aandoende, ideeën en veronderstellingen. De hedendaagse populariteit van een groot aantal occulte verhalen is absoluut verbijsterend..

Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ; Overtuiging-4 ;

 

457   Het komt tegenwoordig vaak voor dat een publicist gebruik maakt van allerlei op zichzelf juiste concrete gegevens om een fantastisch verhaal op te dissen dat op menigeen diepe indruk maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval met het oeroude verhaal van de maagd met het kind. In grote lijnen kennen wij dat verhaal nog uit de Bijbel, maar daaruit is een aantal essentiële details verwijderd, enerzijds omdat men er later niets meer van begreep, anderzijds omdat sommige Christelijke monniken en prelaten het maar al te goed begrepen en zich onmiddellijk realiseerden dat het bekend worden van die details buitengewoon gevaarlijk zou zijn voor hun Christelijke kerk.


Hoe dan ook, de mythe van de maagd met het kind is een oeroud 'beeldverhaal' over de werkelijkheid die in zichzelf alle dingen voortbrengt, maar die dit geheel uit zichzelf doet zonder dat er een impuls van buitenaf aan te pas komt. De ingrediënten voor die mythe zijn een niet door een man benaderde maagd, haar mysterieuze zwangerschap en de geboorte van een mannelijk kind waarvan voorzegd wordt dat het eens 'de ware mens' zal zijn.

Wat betreft dat verhaal is er een heleboel op correct wetenschappelijke wijze te controleren. Het blijkt bij onderzoek dat zo'n verhaal vrijwel overal in de Oudheid verteld werd. Vanzelfsprekend in een groot aantal varianten, maar toch steeds met dezelfde strekking, namelijk die uit zichzelf voortbrengende vrouwelijke, in zichzelf besloten, werkelijkheid.

Welnu, zo'n merkwaardig verhaal is nog steeds voor een aantal fantasten reden genoeg om er een concrete gebeurtenis achter te zoeken. Uiteraard een gebeurtenis die door iets van buitenaf veroorzaakt werd, geheel in overeenstemming met het mannelijke causale denken, alle soorten geloof en elke godsdienst.

Er moet noodzakelijk een impuls van buitenaf, een goddelijke ingreep, geweest zijn. Men komt dus ook nu weer met een zwangerschap die gevolg zou zijn geweest van een geheimzinnige bevruchting door buitenaardse wezens, een soort van astronauten, die dankzij hun hoge wetenschappelijke ontwikkeling als engelen konden vliegen en die van verre planeten afkomstig zouden zijn. Zij konden zich bijvoorbeeld ook dematerialiseren en dus onzichtbaar worden! Aardse wezens kunnen dat niet, dat weet iedereen en dus deugen die niet voor het aannemelijk maken van het sprookje.

Doordat die fantasten een groot aantal controleerbare feiten vermelden krijgen dergelijke verhalen een grote geloofwaardigheid, vooral voor lieden die nog altijd gelovig zijn. Dezen worden bijvoorbeeld uitermate geraffineerd bespeeld door bedriegers die met het occulte goede zaken doen.

Het spreekt vanzelf dat al die feiten misbruikt worden en dat ze, hoewel op zichzelf juist, dienen ter verklaring van allerlei idiote fantasieën. En nu is het merkwaardige dat juist die fantasieën een willig oor vinden en doorgaans gemakkelijker geloofd worden dan de feitelijke geschiedenissen. Zo kunnen juist op controleerbare feiten ingestelde mensen gemakkelijk bedrogen worden!

Vooral ook in de politiek is het bewust verkeerd interpreteren van op zichzelf controleerbare juiste feiten een veel voorkomend verschijnsel. Een heel bekend en uitermate treurig voorbeeld is het verkeerd gebruiken van vaststaande feiten omtrent de moord op de Joden in de tweede wereldoorlog. Inderdaad kan men zijn verhaal zo in elkaar steken dat het voor mensen met nog maar weinig intuďtief inzicht in zichzelf en de werkelijkheid heel aannemelijk wordt. Voorwaarde is echter wel dat alles wetenschappelijk verantwoord is qua feitenmateriaal.

Maagd-1    Maagd-2

 

458   Voor de moderne mens is de werkelijkheid zo langzamerhand een enorme berg losse feiten geworden. Dank zij de wetenschappelijke instelling van die mens zijn die feiten op zichzelf redelijk betrouwbaar. Maar aan het verband tussen al die feiten schort wel het een en ander. Het kost de grootste moeite er een overzicht over te krijgen. De werkelijkheid wordt ongrijpbaar voor de mensen zodat zij op een gegeven moment niets meer hebben dat houvast biedt. Dat is een ernstige zaak!

Het ligt in de aard van het verschijnsel mens om de gehele werkelijkheid te kunnen overzien. Dat komt doordat dat verschijnsel het eindpunt van de wording is, zoals ik al zo vaak heb uitgelegd. Als eindpunt is er niets dat hem vreemd kan zijn, de gehele werkelijkheid is hem vertrouwd.


Als nu de mensen voelen dat zij iets als een 'houvast' nodig hebben is dat in feite geen tekortkoming van hen of iets kinderachtigs, maar het volkomen terecht aanvoelen van een essentiële zaak. Die vertrouwde werkelijkheid is namelijk voor de mens als het ware het onmisbare 'biotoop' waarin hij noodzakelijkerwijs leven moet. Omdat voor de mens deze situatie geldt kan hij het niet uithouden bij de onzekerheid die aan een versnipperde werkelijkheid meekomt.

Genoemde berg losse feiten is zo een versnipperde werkelijkheid waarvan men kan zeggen dat zo ongeveer ŕlles aanwezig is zonder dat er ook maar van het geringste verband tussen de verschillende dingen gesproken kan worden. Als dat verband ontbreekt kan men er geen vertrouwen wekkende voorstelling van maken en daarmee vervalt dat 'biotoop' dat de mens zo broodnodig heeft.

Gevolg van het ontbreken van het 'biotoop' is natuurlijk dat de mensen gaan proberen er een te bedenken of er een bij die of gene fantast op te vissen. Daar ligt een gouden kans voor al die warhoofden die in hun gelovigheid bereid zijn de meest onmogelijke hersenspinsels voor waar te verkopen. Op die manier kunnen de argeloze slachtoffers zichzelf geruststellen in de mening een geheel nieuwe en geloofwaardige kijk op de werkelijkheid verworven te hebben. Dan kan men inderdaad weer verder en men heeft weer een stevig houvast. Dat dit echter gebakken lucht is zal later blijken en dan is de teleurstelling bijna volstrekt ondraaglijk geworden.

 

459   Feiten zijn het gevolg van onderzoek, hetzij gewoon alledaags onderzoek door het opdoen van ervaringen, hetzij gespecialiseerd wetenschappelijk onderzoek. De gehele verzameling van feiten, die een mens ter beschikking staat, kan men met het begrip kennis benoemen, maar daarbij moet wel bedacht worden dat het niet zonder meer vanzelfsprekend is dat al die kennis juist is. Al te vaak wordt vergeten dat foute kennis ook kennis is. Foute kennis kan voor iemand heel goed gelden als feitelijke kennis, kennis dus die uit feiten bestaat. Ik geef er de voorkeur aan het begrip kennis te gebruiken als het over een bepaalde verzameling van feiten gaat, feiten dus die al of niet juist zijn.

Wat ik wil zeggen is dat er een merkwaardige paradox optreedt bij het vergroten van de kennis, zoals dat sinds de Verlichting in de westerse cultuur aan de gang is. Die kennis bestaat, zoals gezegd, uit hoeveelheden feiten. Van die feiten, al of niet juist, komen er in versneld tempo steeds meer, als de mens eenmaal in de gaten heeft gekregen hoe hij achter de feiten kan komen en welke criteria daarvoor gelden. In het algemeen is te zeggen dat de wetenschappen voor dat vergroten van de kennis zorgen.

Nu is de paradox deze dat het vergroten van de kennis niet, zoals in de vorige eeuw de verwachting was, tot meer begrip van en inzicht in de werkelijkheid leidt, maar daarentegen juist tot een almaar grotere verwarring. Men ziet namelijk door de bomen het bos niet meer. Men weet niet meer waar bepaalde feiten op slaan en men weet er steeds minder mee aan te vangen.

Te begrijpen is dat dit komt door het teloor gaan van de onderlinge verbanden. Men ziet de relatie tussen het een en het ander niet meer, mede door de omstandigheid dat ook de relaties gaandeweg tot bepaalde feiten teruggebracht worden. Het vergroten van de kennis blijkt, geheel ňnverwacht, de vervreemding te vergroten, overigens zonder dat het gros van de mensen, vooral de intellectuelen, dat in de gaten hebben.

Vervreemding en verwarring roepen in de mens een versterkte gevoelsmatige behoefte aan houvast op. Dat is een vruchtbare voedingsbodem voor occulte verhalen. Maar, omdat de moderne mens toch wetenschappelijk van aard is moet dat occulte verhaal desondanks een wetenschappelijk karakter hebben. De moderne natuurkunde bijvoorbeeld leent zich uitstekend daarvoor...

Vervreemding-1, vervreemding-2, vervreemding-3 ; Verlichting-1, Verlichting-2, Verlichting-3, Verlichting-4, Verlichting-5, Verlichting-6

 

Terug naar: De kloof

 


460   Het irreële van de traditionele godsvoorstellingen is, hoe paradoxaal ook, van buitengewoon grote aantrekkingskracht op de moderne mensen en dan vooral op de intellectueel ontwikkelden. Voorwaarde is wel dat de zaak in een wetenschappelijk aandoend kleed gestoken is. Je ziet dat die intellectuelen enerzijds steeds meer afkeer gevoelen tegen diegenen die zich nadrukkelijk als atheist laten kennen en er anderzijds geen bezwaar tegen hebben zich in de beschutting van de godsdienst te nestelen.

Ik heb geruime tijd geleden al beweerd: "God mag weer, ja zelfs is hij wederom een graag geziene gast!" Men vond dat toen een ietwat boude uitspraak, maar zo langzamerhand is het een duidelijk feit. Opmerkelijk daarbij is dat uitgerekend humanisten maar al te graag vriendschap met God en zijn trawanten gesloten hebben, stellig omdat hun standpunt van zonder God te leven een praktischer betekenis krijgt als men tegelijkertijd overtuigd is van het bestaan van God.

Natuurlijk heeft dat op zichzelf niets met enigerlei vorm van fundamentalisme te maken. Het is juist andersom: doordat de mensen, ook die van de Islam, het Jodendom, het Boeddhisme enzovoort, steeds naarstiger naar een ideëel houvast zoeken komt vooral het botte 'zo is het en niet anders' almaar meer in beeld als een stevig en betrouwbaar houvast. Binnen de kringen van het Christendom neemt de kracht van het paapse geloof gestaag toe en het zijn vooral de reformatorische evangeliserende predikers en hun sekten die zich in een groeiende aanhang kunnen verheugen. Wat dit betreft is het zeker een feit dat 'Jezus redt'!

Sekten -A ; Sekten -B

 

461   Een nuchtere, zakelijke standpuntbepaling is nauwelijks meer mogelijk als de weerstand tegen het analytisch wetenschappelijke denken doorbreekt, althans bij de alsnog onvolwassen mens van de moderne cultuur. In plaats van zich kritisch op te stellen en voor zichzelf uit te maken wat het terrein is waarop het wetenschappelijke denken zich behoort te bewegen, wat dit denken wel kan en wat het niet kan en in plaats van vervolgens eens zorgvuldig na te gaan hoe er over de andere aspecten van de werkelijkheid op een logisch houdbare wijze nagedacht kan worden, vlucht men in de meest onwaarschijnlijke hersenspinsels.

Het westerse godsgeloof is wat dit betreft een veelzeggend voorbeeld! Als iemand namelijk a) nog nooit een god gezien heeft; b) geen enkele wetenschappelijk verantwoorde aanwijzing gevonden heeft omtrent het mogelijke bestaan van goden; c) geen enkel natuurkundig bewijs geleverd heeft gekregen dat goden bestaan en d) van de godsdienstigen zelf, naast infantiel geloof in de meest idiote wonderen, allerlei tegenstrijdige verhalen en argumenten hoort, zou het dan voor zo iemand niet voor de hand liggen het alleszins redelijke standpunt in te nemen dat goden inderdaad niet bestaan?

Desnoods wenst hij dat standpunt als 'voorlopig' te beschouwen, zoals bij wetenschappers gebruikelijk is.

Maar nee! In alle mogelijke gevallen zou de bovenstaande cluster van ervaringen aanleiding zijn om ergens geen geloof aan te hechten, behalve als het gaat over absurditeiten op het gebied van de godsdienst! Dan juist is dat absurde voldoende reden om er wčl geloof aan te hechten. En dat is niet speciaal het geval bij ongeletterde lieden. Juist intellectuelen nemen steeds meer hun toevlucht tot het absurde. Men zou zich af gaan vragen: "Waar moet dat heen..?".

 


462   Vaak lijkt het er op dat de filosofie, althans de creatieve filosofie die niet op wetenschappelijke kennis en systemen berust, een buitengewoon cynische aangelegenheid is. Bijna steeds blijkt zij ernstige bezwaren tegen 'de wereld' te hebben en de al of niet geheime bedoelingen van overheden en leiders als uitermate louche te karakteriseren. Onder diegenen die kennis maken met die creatieve filosofie zijn er dan ook velen die voor dat zogenaamde cynisme terugschrikken onder de verzuchting: "Het is ook nooit goed".

Als je echter zo onbevangen mogelijk naar onze wereld kijkt kun je niet om een aantal constateringen heen, waarvan de voornaamste is dat de wereld kennelijk het bezit is van bepaalde elites, een bezit dat zowel materieel als ideëel van aard is. Ik bedoel te zeggen dat zij niet alleen de goederen en rijkdommen dezer wereld in beslag genomen hebben, maar vooral ook dat de voorstellingen over en de bedoelingen met onze planeet eenzijdig door die elites bepaald worden. En je kunt ook vaststellen dat zelfs binnen democratische systemen de opvattingen van de bovenlaag maatgevend zijn. Het kiezen en stemmen bijvoorbeeld, dat zozeer aangeprezen wordt als een buitengewone democratische verworvenheid, is in feite niet meer dan een welwillend toegestaan betuigen van bijval of afkeuring ten aanzien van door die bovenlaag verzonnen maatregelen.

Meer formeel gesproken blijkt dat ook uit de omstandigheid dat dit kiezen en stemmen beschouwd wordt als een recht dat de burgers zouden hebben. Maar, zoals met alle zogenaamde rechten het geval is moet je ook hierbij nimmer vergeten te vragen wie dit recht aan wie toegekend heeft. Dan blijken wederom die elites er achter te zitten!

Het wezenlijke kenmerk van elites is dat zij de materiële uitdrukking, oftewel manifestatie, van een 'verticaal' denken zijn. Je kunt ook spreken van 'hiërarchisch denken'. Dat wil zeggen dat het een denken is dat zich van boven naar beneden beweegt waarbij het bovenste het hogere is en uiteraard het onderste het lagere. De begrippen hoger en lager duiden in dit verband natuurlijk niet zozeer op een plaats alswel op een kwaliteit. Het hogere is edel, onbaatzuchtig, ruimhartig en redelijk terwijl het lagere wezenlijk niet deugt en volstrekt afhankelijk is van de leiding van dat edele hogere.

Hoewel het bij de begrippen hoger en lager eigenlijk om een kwaliteit gaat zijn ze toch ook letterlijk op te vatten. Vooral in het verleden was het bij plechtige samenkomsten de gewoonte van leden van elites hun zetels op verhogingen te plaatsen en het toespreken van de bevolking dient bij voorkeur nog steeds vanaf de balkons van indrukwekkende gebouwen te geschieden. Zo zijn er tal van voorbeelden van letterlijke verheffing boven het volk.

 

463   Vanwaar nu dat ogenschijnlijke cynisme van de filosoof? Het antwoord is eigenlijk gemakkelijk te vinden: de kwaliteit van deze wereld wordt bepaald door de voorstellingen die de heersende elites koesteren omtrent de werkelijkheid. Volgens die voorstellingen moeten de 'lageren' zich voegen naar de eisen van de 'hogeren' en daarbij gaat het logischerwijs niet om de belangen en het welzijn van het geheel van de samenleving, maar om die van de 'hogeren'. Dat is niet in de eerste plaats omdat die zo egoďstisch zijn, maar vooral vanuit hoogmoed. Die komt voort uit het voor hen vanzelfsprekende besef een meer ontwikkeld en beschaafd mens te zijn, eigenlijk zelfs een beter mens te zijn. Een mens die daardoor het recht en de plicht heeft het gedoe van de mensen in goede banen te leiden.

In de grond van de zaak deugt deze situatie niet. De goede dingen die er desondanks toch zo nu en dan uit voortkomen heffen dat niet-deugen in genen dele op. Daarom zal de creatieve filosoof bij voortduring op dit inhumane karakter van de alsnog onvolwassen samenleving blijven wijzen.

 


464   Met de idealistische Duitse filosofen uit de vorige eeuw zou men kunnen menen dat het noodzakelijk is dat elites de maat voor de 'gewone' mensen zijn en dat het alleen maar zaak is dat deze elites leren zich te baseren op redelijkheid en humaniteit. De 'wijze vorst', de 'verlichte despoot' zouden in die optiek de idealiteit van de samenleving kunnen en moeten zijn. Dat wil zeggen: degene in wie het geheel van de samenleving uitloopt, zeg maar haar slotaccoord.

Zo gedacht hangt de kwaliteit van een dergelijke 'ideale' samenleving louter af van de humaniteit van de despoot. Dit kan evenwel onmogelijk iets voorstellen! Aan de bij de ňnvolwassen mens onontkoombare behoefte om zich zoveel als mogelijk te verrijken, materieel door van alles bij elkaar te stelen en ideëel door aan zijn medemens zijn wil op te leggen, zal ook die verlichte despoot niet kunnen ontkomen. Bijgevolg zullen er van die idealiteit niets dan mooie praatjes overblijven. En eigenlijk blijft er zelfs alleen maar schurkachtigheid over!

Er is geen sprake van dat er, binnen het kader van genoemde idealistische filosofie, aan het hiërarchische denken een einde komt. Het volk is en blijft in die optiek het lagere en dus een onmondig geval dat in alle opzichten geleid moet worden. Het zal nooit en te nimmer de kans krijgen tot een volwassen, zichzelf besturende, gemeenschap uit te groeien. Altijd zal het dienen te dansen naar het pijpen van de vorstelijke elite.

Maar, zo weet de creatieve filosoof: al is het liedje dat de pijpers spelen nog zo mooi, het blijft onvermijdelijk dat van een rattenvanger! Hoe je het ook wendt of keert, steeds zal het volk in slavernij geketend blijven. Maar dat betekent dat de absolute onafhankelijkheid van de mens - wat toch zijn meest essentiële eigenaardigheid is - niet tot zijn recht kan komen. Dat leidt onvermijdelijk tot de conclusie dat tot op heden člke maatschappij en člke gemeenschap niet deugt, niet kŕn deugen, zolang en voorzover het verticale denken, met zijn hiërarchische waarden en normen, nog van kracht is. Het schijnbare cynisme van de filosoof is dus in feite zuiver realisme!

 

465   Als men er vandaag op terugblikt lijkt het alsof er in de decennia na de Verlichting steeds meer aandacht kwam voor de omstandigheden waaronder het volk leefde. Er werden allerlei verbeteringen gerealiseerd zodat er, althans met betrekking tot de westerse wereld, thans nog nauwelijks een vergelijking mogelijk is met de verpauperde wereld van voorheen. Het leven in die westerse wereld was, behalve natuurlijk voor de elites, van een afgrijselijke uitzichtloosheid door afstomping, lichamelijke degeneratie en armoede.

Nu lijkt het er dus op dat destijds in de elites humane gevoelens en ideeën ontwaakten en dat men de handen uit de mouwen ging steken om daaraan gehoor te geven en de wereld voor die paupers te verbeteren. Dat zou dan gebeurd zijn vanuit twee tegengestelde polen: enerzijds de elites en anderzijds de doorgaans socialistische leiders van de paupers. Die twee gingen fel tegen elkaar tekeer, totdat tenslotte de socialistisch ingestelde mensen de overwinning behaalden.

In feite echter waren het slechts de twee tegengestelde polen van dezelfde zaak. Waarom het namelijk in werkelijkheid ging was de omzetting van een agrarische, feodale maatschappij in een grootschalig industriële. En dat was een nieuwe opvatting van de werkelijkheid die bezig was op te komen in het zelfbewustzijn van de mensen. Het was het zich doorzetten van de moderne cultuur.


Op grond echter van het eerder door mij genoemde 'verticale' denken, dat van boven naar beneden werkt, waren het de elites die deze ontwikkeling voor zich opeisten en in hůn voordeel gingen uitwerken. Dat betekent in feite dat het onmiddellijk niet meer kon gaan om de onbaatzuchtige 'verheffing' van het verpauperde volk maar om de belangen van de elites. En tot die belangen behoorde het dat het volk voorbereid moest worden op de nieuwe wereld van de grootschalige industriële ondernemingen. Resultaat daarvan waren de onmiskenbaar gigantische verbeteringen van de leefomstandigheden van het westerse volk.

Maar, hun slavernij werd natuurlijk niet opgeheven, want het verticale hiërarchische denken bleef volkomen intact. Sterker nog, het werd aanzienlijk effectiever! Het ging dus nog steeds niet om de mensen zčlf, maar om de wereld volgens de elites en dat is een wereld die, hoe verbeterd desnoods ook, absoluut niet deugt..!

Verlichting-1, Verlichting-2, Verlichting-3, Verlichting-4, Verlichting-5, Verlichting-6

 

466   In De Grote Vierslag heb ik een viertal bijzondere criteria voor het zichzelf-zijn van de mens nader uitgewerkt. Die criteria volgen alle logisch uit de, voor een ieder strikt persoonlijke, ontdekking dat 'ik' als absoluut eindpunt van het wordingsproces een vrijzwevend verschijnsel ben. Voor dat verschijnsel is alle gebondenheid aan en afhankelijkheid van een materieel levensprogramma komen te vervallen. Maar, wat bijna altijd over het hoofd wordt gezien: het zichzelf onderwerpen aan het een of andere, door de mens zelf uitgedachte, niet-materiële programma is eveneens niet op de mens van toepassing. Noch naar 'boven', noch naar 'beneden' is er van enigerlei gebondenheid en onderworpen-zijn te spreken.

Uiteraard stelt het leven de mens voor allerlei problemen en opgaven, die welbeschouwd allemaal hier op neerkomen dat de mens zijn leven veilig moet stellen teneinde 'de avond te halen'. Hij moet dus overleven en dat geldt voor hem als individu, maar ook voor de menselijke soort als geheel.

Dat veilig stellen van het leven is een intellectuele aangelegenheid, een zaak dus van het zelfbewustzijn. Er is immers geen enkel 'instinctmatig' programma door de evolutie van het leven in de mens ingeprent! Hij moet alles dus zčlf uitzoeken. Dan kan het niet moeilijk te begrijpen zijn dat de mens gedurende zijn leven op aarde een aantal ontdekkingen moet doen die het voor hem duidelijk maken wat zijn plaats in de kosmos is. Zodra hij daar achter komt worden zijn handelingen vanzelf zinvol en krijgt het leven voor hem betekenis.

 

467   De vier basale criteria volgen logisch uit het gegeven van de vrijzwevendheid. De betreffende gedachtegang gaat als volgt:

Als ik niet aan een programma onderworpen ben is er niets dat voor mij de maat is en dus is voor mij het een niet meer waard dan het ander. Dat komt er in feite op neer dat er voor mij geen waarden bestaan. Dat is mijn nihilisme.

Uit dat niet gelden van waarden, dus uit mijn nihilisme, volgt dat ik mij niet behoef te houden aan plichten die mij, buiten mijn medeweten, door mensen die zichzelf hoger achten, opgelegd zijn: wetten, programma's, regels en normen. Bij alle besluiten die ik neem geldt voor mij dat ik mezelf bestuur en dat is mijn anarchisme.

Vervolgens doe ik de ontdekking dat mijn nihilisme en anarchisme onmiddellijk inhouden dat de situatie voor mijn medemensen precies dezelfde is. Ik heb mezelf immers niet beschouwd als een plaats- en tijdgebonden bijzonderheid, maar als het laatste verschijnsel dat aan het eind van het wordingsproces te voorschijn is gekomen. Natuurlijk is iedere mens dat laatste verschijnsel en dus is ieder voor zich eveneens nihilist en anarchist. Dus: als ěk dat blijk te zijn geldt het automatisch voor de ander ook. Dat is mijn socialisme.

Tenslotte is er nog een ontdekking te doen. Als ik en de ander er als nihilist, anarchist en socialist blijken te zijn is er niemand buitengesloten, om welke reden dan ook, dus ieders aanwezigheid is volstrekt onvoorwaardelijk. Alle mensen gelden nu naar hun werkelijke kosmische situatie, zogezegd naar de realiteit, en dat betekent dat wij nu volledig met zijn allen zijn. Dat is mijn communisme.


Genoemde vier begrippen zijn 'De Grote Vierslag' van het menselijk leven. Zij volgen onmiddellijk en zonder enige restrictie uit de volslagen vrijheid van de mens, de vrijheid om te handelen naar de adviezen van het eigen intellect.

 

468.  Als de mens geboren wordt op de planeet wordt het 'vrijzwevende' verschijnsel geboren. Daaraan komen zonder mankeren de begrippen nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme mee. Zij gelden dus meteen. Maar, de mens moet in de loop der tijden zichzelf als zodanig leren kennen en gedurende die lange leerperiode komen die begrippen verdraaid, gecorrumpeerd en negatief voor de dag. Daardoor leveren zij in de praktijk vaak mensen op die eigenlijk de naam 'mens' niet verdienen. Mensen die er beter niet hadden kunnen zijn opdat zij niet de oorzaak van veel ellende hadden kunnen worden. Zonder uitzondering zijn dat mensen die op macht uit zijn en die niet kunnen leven zonder aan dingen waarde te hechten, anderen het recht te ontzeggen zichzelf te besturen en die derhalve ook zonder problemen het bestaan van die anderen ontkennen. Van 'met zijn allen zijn' is dan al helemaal geen sprake, want zij mogen er alleen maar zčlf zijn.

Vaak wordt gedacht dat het hierbij alleen maar om manifeste misdadigers zou gaan, maar dat is fout gedacht. Het gaat om een ieder die zich boven de anderen en het andere verheft en die zichzčlf, desnoods niet eens met zulke slechte bedoelingen, het recht toekent voor anderen de dienst uit te maken. Dus vallen overheidsdienaren er onder, geestelijken, politici, managers en zo nog vele anderen. In een alsnog onvolwassen gemeenschap gelden zij als de besten onder de mensen, maar men moet hierbij toch terdege in het oog houden dat zij de besten zijn van een slecht soort. Het soort namelijk van diegenen die in het teken van een corrupte Grote Vierslag staan...

 

469.  De eerste twee begrippen uit de Grote Vierslag, namelijk nihilisme en anarchisme zijn uitdrukkelijk naar binnen gericht. Zij gaan over het handelen van de individu ten opzichte van zichzčlf: 'ik' hecht geen waarde aan het een noch het ander en 'ik' bestuur mezelf, volkomen onafhankelijk van iets buiten mijzelf en uitsluitend volgens de koers die mijn eigen intellect mij ingeeft. Voor het laten gelden van deze begrippen heb 'ik' dus niemand nodig; 'ik' kan mij niet achter de ander verschuilen en 'wachten op de laatste idioot' (deze uitdrukking is van wijlen de filosoof Jan Börger), noch kan de ander beletten dat voor mij die begrippen geldig zijn. De mens is daar volkomen autonoom in, draagt dus ook in persoon alle verantwoording, zowel voor het wčl laten gelden als voor het ničt laten gelden.

Het tweede stel begrippen, namelijk socialisme en communisme, is naar buiten gericht: hoe stel ik mij op tegenover mijn medemensen. Je kunt ook zeggen dat het eerste stel 'individueel' is en het tweede stel daarentegen 'sociaal'.

 

470.  Er moet op gelet worden dat de volgorde van de genoemde essentiële begrippen beslist geen willekeurige is. Zij volgen telkens uit elkaar en wel zo dat het volgende niet zonder het vorige te begrijpen is. Dat leidt er onder andere ook toe dat men niet om de constatering heen kan dat het tot wasdom komen van bijvoorbeeld het socialisme onmogelijk is zonder een er aan voorafgaand strikt persoonlijk individualistisch groeiproces.


Deze noodzakelijke constatering ligt tot op heden niet bepaald lekker op de maag van de mensen. Ook nagenoeg alle denkers geloven het omgekeerde, namelijk dat juist het sociale voorondersteld is aan het individuele en dat bijgevolg deze verhouding als fundamenteel gezien moet worden. Dus: eerst en vooral zou daar de cluster van de sociale begrippen zijn en vervolgens, daarop ingesteld en daaraan aangepast, de cluster van de individuele begrippen. Zo zou de mensheid dan tot een min of meer altruďstisch individualisme moeten komen dat zich volledig richt naar en onderwerpt aan het sociale. De hoogste deugd van de mens zou dan zijn dat hij zich schikt naar het collectief waarin hij zich, al of niet per ongeluk, bevindt.

Het spreekt vanzelf dat hij hierbij noodgedwongen een deel van zichzelf, als zijnde ňnredelijk en zelfs wel als zijnde schadelijk, terzijde laat. Hij is genoodzaakt dat te onderdrukken. Voorzover hij daar in slaagt wordt hij gewaardeerd als een 'beschaafd' mens die 'weet hoe het hoort' en die 'rekening houdt met zijn medemens'. Zijn persoonlijkheid wordt dan voornamelijk bepaald door uitwendige factoren.

 

471.  Het ligt in de rede dat de beschaafde mensen van de moderne westerse cultuur hun imago, dat wil zeggen de zichtbare buitenkant van hun persoonlijkheid, vorm geven aan de hand van uitwendige criteria. Zij vragen zich dus af: hoe vinden de ŕnderen dat ik ben?

Dat mag geen wonder heten want de gehele moderne cultuur is immers gefundeerd op het zich buiten elkaar bevinden van de dingen! Logisch is het dat daaruit volgt dat de relatie tussen die buiten elkaar liggende dingen beschouwd wordt als het belangrijkste wat er in het leven is. Alles draait om de kwaliteit van die relatie.

Op zichzelf is dat volkomen in overeenstemming met de verhoudingen in de werkelijkheid. Het is inderdaad zaak dat de afzonderlijke verschijnselen, hetzij de dingen, planten en dieren, hetzij de mensen, goede betrekkingen met elkaar onderhouden. Maar, het uitgangspunt is verkeerd en dat houdt automatisch ook in dat de bedoelingen verkeerd zijn.

Dat uitgangspunt is namelijk dat het feitelijk om de gemeenschap gaat. Bijgevolg zijn ook alle inspanningen gericht op het vervolmaken van die gemeenschap, dat geheel. De uiterste logische consequentie hiervan is dat de mens zichzelf tot slaaf van het geheel heeft gemaakt. Daarvan zijn op het ogenblik al duidelijke resultaten waar te nemen, bijvoorbeeld op het terrein van de arbeid en de sociale voorzieningen.

De mensen bemerken deze 'verslavende' ontwikkeling niet of nauwelijks vanwege het feit dat het tot hun eigen cultuur behoort om aldus te leven. Het valt hen daardoor niet op dat er iets vreemds mee aan de hand is. Maar naarmate de trieste gevolgen zich straks meer en meer gaan laten gevoelen geraken zij in paniek en dan is het bepaald niet denkbeeldig dat zij op gewelddadige wijze alle ketenen zullen verbreken...

 

472.  Er is in feite maar een enkel redelijk maatschappelijk uitgangspunt en dat is de mens als individu. Volledig zichzelf-zijn is het enige dat het intellectuele vermogen tot gemeenschappelijkheid activeert. Daardoor wordt het mogelijk het samenleven te bevorderen en te verzorgen. Dan kan er geen sprake van zijn dat de enkeling zich nog zal moeten onderwerpen aan het geheel. Slavernij is dan volstrekt uitgesloten.

Het is de individu zčlf die zich vervolgens naar het uitwendige aspect van zijn bestaan laat gelden. Hij stelt zichzčlf als 'het geheel' en dat doet hij uiteraard op zijn eigen persoonlijke wijze. Juist dat persoonlijke is kenmerkend voor de individu als socialist en communist. Het bevorderen en verzorgen van het geheel, de gemeenschap, moet dan beschouwd worden als de zuiverste uiting van 'op de ander gericht mens-zijn'. En dat is mogelijk doordat de individuele voorwaarden gerealiseerd zijn, namelijk nihilisme en anarchisme.

In deze volwassen situatie is het de individu die de maat van alle menselijke dingen is. Naarmate hij daaraan meer gaat voldoen wordt ook het uitwendige aspect van zijn leven zinvoller.

 


473.  Dat 'volledig zichzelf-zijn' moet niet in psychologische zin opgevat worden. Het is nog maar de vraag of het mogelijk is dat iemand volledig inzicht kan krijgen in zijn persoonlijke 'psychologische' eigenaardigheden. Vele daarvan laten zich zomaar vanzelf gelden en heel vaak heeft men er niet eens erg in. Zo blijft de zaak dus verborgen, dat is te zeggen: dat is het geval tot op het moment dat men er aandacht aan gaat besteden. Dan blijkt ook nu weer dat bij een mens alles herkenbaar en kenbaar is en vervolgens bestuurd kan worden via besluiten die de mens zelf neemt.

Maar doorgaans komt men er niet toe alles van zichzelf te kennen. Dat is trouwens lang niet altijd wenselijk, zeker niet tijdens de voorlopige ňnvolwassenheid van de mensen. Zouden zij alle eigenaardigheden van zichzelf kennen, er zou zeker van hogerhand misbruik van gemaakt worden met als resultaat dat het hersenspoelen nog erger zou zijn dan het nu al is. Heel veel intuďtieve uitingen van menselijkheid zouden, onder invloed van het gangbare beheerszieke onvolwassen denken, gemanipuleerd worden en zelfs onderdrukt.

Het is eigenlijk maar gelukkig dat mensen in de praktijk niet alles in eigen hand hebben, hoewel dat logischerwijs in principe wel mogelijk is en bij de toekomstige volwassen mens zelfs gebruikelijk zal blijken te zijn.

Maar, het gaat nu niet over een op psychologische wijze zichzelf-zijn. Het gaat nu over 'fenomenologisch' zichzelf-zijn, dat wil zeggen: zijn zoals men, als het verschijnsel mens, in de kosmos ontstaan is als resultaat van een materieel proces. Het gaat dus als het ware over domweg zichzelf-zijn. Dat kan bij iemand het geval zijn zonder dat deze ook maar iets van zichzelf kent en begrijpt. Filosofie is beslist niet nodig om een 'behoorlijk' mens te zijn...

 

474.  Al meer dan eens heb ik iets gezegd over de begrippen juistheid en waarheid. Oppervlakkig beschouwd is weinig verschil tussen die twee. In het formele logische denken vraagt men zich af of en onder welke omstandigheden bepaalde uitspraken 'waar' zijn en dan kan men dat woord zonder enig bezwaar vervangen door het woord 'juist'. Het is eigenlijk niet eens nodig de formele logica erbij te halen want ook in het alledaagse spraakgebruik worden bedoelde begrippen moeiteloos door elkaar heen gebruikt. Toch mag ik niet nalaten er telkenmale op te wijzen dat er wel degelijk onderscheid gemaakt moet worden, zeker bij het beoefenen van de filosofie. Meestal voer ik daarbij als voorbeeld aan dat het 'juist' is dat bepaalde bestrijdingsmiddelen het zogenaamde onkruid uitroeien en de nuttige gewassen beschermen, maar dat het in geen geval 'waar' is dat die middelen heilzaam zijn voor de mensheid. De waarheid is dat zij juist levensgevaarlijk zijn, vanwege het feit dat zij de werkelijkheid verbreken, in dit geval de organische werkelijkheid.

Een ander, wellicht wat sprekender, voorbeeld: de in het sprookje van Roodkapje vermelde gebeurtenis dat de wolf bezit neemt van de mens en haar plaats inneemt, is een volstrekt onjuiste voorstelling van zaken. Zoiets kŕn immers niet! Maar, tegelijk met de ňnjuistheid van die voorstelling is daar de waarheid van het beeld, namelijk dat het de mens gegeven is zich als een wolf te laten gelden.


En als ik daar verder over filosofeer wordt die waarheid nog overtuigender door het beeld van de grootmoeder als 'oermoeder', oftewel Magna Mater. Deze oermoeder wordt door de mannelijke cultuurmens, die als het alles verscheurende principe geldt, verzwolgen. Die neemt vervolgens haar plaats in en is daarbij zo onbeschaamd en doortrapt om zich als het oervrouwelijke voor te doen met de misdadige bedoeling de gehele mensheid in bezit te nemen. Uiteindelijk ontsnapt de mensheid daaraan en dat kan omdat zij op haar beurt geldt als Roodkapje, hetgeen ongetwijfeld wil zeggen dat het gaat over de mens als intellect. Dat is namelijk de volkomen vrijzwevende mens voorzover die in staat is de juiste besluiten te nemen. De juistheid van die besluiten dankt die mens aan de voltooiing van de mannelijke ontwikkeling. Dat is dus een ontwikkeling die tenslotte aan zijn eind gekomen is en die als zodanig op zichzelf niet langer mannelijk is. Hoe dan ook, de vertelde voorvallen zijn ten enen male ňnjuist, maar de strekking van het verhaal is waar.

 

475.  Het begrip juistheid behoort bij de werkelijkheid als voorstelling en het begrip waarheid bij de werkelijkheid als beeld. Het eerste heeft een uitsluitend karakter en het twee een insluitend. Daarmee bedoel ik het volgende te zeggen: twee tegengestelde grootheden kunnen niet tegelijkertijd juist zijn. Juist is ňf de ene grootheid ňf de andere. Het gaat er om dat het ene verschijnsel de aanwezigheid van het andere uitsluit, of omgekeerd. Twee verschijnselen kunnen niet tegelijkertijd op dezelfde plaats zijn. Uitspraken hierover kunnen juist ňf onjuist zijn, maar nimmer allebei tegelijk. Dit is natuurlijk nader uit te werken, maar in ieder geval gaat het over de werkelijkheid als voorstelling. Voor de voorstelling sluit juistheid onjuistheid uit.

Volkomen anders liggen de zaken bij het begrip waarheid. Als het daarover gaat blijkt steevast het een het ander in te sluiten. Tegenstellingen kunnen tegelijkertijd waar zijn, namelijk als het een geleidelijk overgaat in het ander en er dus op geen enkel moment vast te stellen is of men nu met het een dan wel met het ander van doen heeft. Steeds treft men nuances van zowel het een als het ander aan.

Hoewel het zeker een feit is dat in onze huidige cultuur het begrip waarheid weer een eigen betekenis moet krijgen en niet langer eenzijdig begrepen mag worden als een andere uitdrukking voor het begrip juistheid, is het beslist ook weer niet zo dat eigenlijk alleen maar dat eerstgenoemde begrip van belang zou zijn, zoals sommige min of meer religieuze denkers staande willen houden. Zij menen dat het alleen maar om de waarheid zou gaan, maar doordat zij het begrip juistheid niet willen kennen is het hen ook niet mogelijk iets zinnigs over de waarheid te zeggen. Daarom nemen zij doorgaans maar hun toevlucht tot een of ander 'Woord van God' dat in feite noch met juistheid, noch met waarheid iets heeft uit te staan. In feite behoren beide begrippen tegelijkertijd tot gelding te komen, zoals dat eveneens het geval is met de verhoudingen 'voorstelling' en 'beeld'.

 

476.  Niet alleen dat waarheid en juistheid evenals beeld en voorstelling zonder enige schroom door elkaar gehaald worden, ook de begrippen totaal en geheel heeft eenzelfde lot getroffen. Zo beweert men steeds dat het bij de filosoof Hegel om 'het totaal' zou gaan en dat hij aanspraken zou maken op de 'totaliteit'.

Dat slaat echter nergens op! Het gaat Hegel om het geheel en dat is een zaak van samenhang, van in elkaar overgaan en dus van nuances en waarheid. Daarom kon hij dan ook zoiets beweren als "Ik ben de waarheid en ik zeg de waarheid", een uitspraak die nu niet bepaald met instemming begroet wordt door de hedendaagse denkers. Men beschuldigt Hegel steeds van arrogantie en eigenwaan, maar hiermee heeft dit echter niets te maken. Het slaat louter en alleen op het feit dat Hegel zich ervan bewust was dat de werkelijkheid, mens geworden zijnde, uitloopt in het begrip het geheel en dus ook in de waarheid.

Een totaliteit komt niet verder dan een verzameling, een optelsom van elkaar uitsluitende dingen. Die verhouding is zeker ook van kracht voor de werkelijkheid en daarom kent de mens hem, namelijk als de voorstelling. Er is dus niets verkeerds aan, in tegenstelling tot wat bijvoorbeeld de filosoof Bolland ons trachtte wijs te maken. Maar Hegel had het over de ultieme menselijke mogelijkheid. Deze geldt niet als hoger of waardevoller of humaner dan die totaliteit die de voorstelling is, maar gewoon als uiterste grens. En het is precies deze grens die door de moderne mens niet meer herkend wordt en bijgevolg rommelt men maar wat aan met het totaal en het geheel!


477.  De term 'het volk' heeft nog altijd, zij het op verhulde wijze, iets denigrerends. Iets in de geest van "behalve dat wij er zijn heb je ook nog het volk". Dat zou dan de onbehouwen, ongeletterde en a‑culturele grote massa zijn die alleen maar als loonslaven gebruikt kan worden en om de vier jaar als 'stemvee' op mag treden. Uiteraard zonder echt te weten waarover het gaat. Want wat er werkelijk gaande is in de maatschappij wordt bedacht door allerlei invloedrijke managers, een handjevol hoge ambtenaren en natuurlijk vooral ook de grote banken. Al jaren van tevoren worden blauwdrukken gemaakt, voorbereidingen getroffen en op een uiterst geraffineerde wijze 'gelekt' naar datzelfde volk, om het rijp te maken voor de verkiezingen. Het heet dan dat het volk op democratische wijze zijn wil kenbaar maakt, maar in feite heeft het niets te willen! Elke verkiezing is zodanig voorgekookt dat noch de ene, noch de andere uitslag de beoogde gang van zaken kan verstoren.

Het is te begrijpen dat men als de dood is voor referenda, want die maken het soms mogelijk ergens een stokje voor te steken. Maar, men heeft zijn intellectuele smoes al klaar: de in een referendum gestelde vragen zouden ongenuanceerd zijn; belangrijke kwesties kunnen niet met 'ja' of 'nee' afgedaan worden; de mensen kunnen nooit alle 'ins en outs' overzien, enzovoort. Zonder enige twijfel is men bang voor zo een vierkante reactie van het volk, want het is juist die zogenaamde genuanceerdheid die het de machthebbers mogelijk maakt autocratisch op te treden zonder dat het opvalt. Maar met het toestaan van een referendum geeft men zijn eigen trukendoos uit handen, namelijk de mogelijkheid om met een heleboel kleine gedetailleerde stapjes het gestelde doel te bereiken.

Telkens weer blijkt dat overheden een heel arsenaal aan slimmigheden ter beschikking hebben om, op zichzelf volstrekt gerechtvaardigde, verlangens van het volk terzijde te schuiven. En juist omdŕt men hierbij van slimmigheden gebruik maakt, vaak uit gewoonte, als het eigenlijk helemaal niet nodig is, is het terecht om vast te stellen dat men eigenlijk heel goed weet dat die verlangens van het volk in de rede liggen.

Wat is dan de uit al dit gedoe te trekken, onontkoombare, conclusie? Deze: men acht zich verstandiger, deskundiger en gekwalificeerder dan het volk en dat niet omdat men dit ook aantoonbaar en onmiskenbaar is, maar omdat men nu eenmaal hoger staat. Men rekent zichzčlf tot enigerlei vorm van een hogere werkelijkheid en, daarmee onverbrekelijk verbonden, de ŕnderen tot een lagere. Deze infame discriminatie wordt natuurlijk nimmer openlijk toegegeven! Mogelijk zijn veel leden van overheden zich er nauwelijks echt van bewust, maar er wordt wel heel bewust naar gehandeld. De arrogantie waarmee het volk behandeld wordt is duidelijk niet incidenteel, het is uitdrukking van het basisgegeven van de moderne cultuur, namelijk dat de werkelijkheid uiteenvalt in een hogere en een lagere, terwijl de verhouding tussen die twee is dat het om de hogere gaat omdat die in het teken van 'het goede' zou staan en dat de lagere overwonnen, althans overheerst, moet worden.

 

 

 

478.  Je zou kunnen denken dat de voorstelling van iets hogers dat iets lagers overheerst een typisch christelijke en in ieder geval een godsdienstige is. Dat is echter niet juist, de zaak ligt totaal andersom: een dergelijke voorstelling omtrent de werkelijkheid blijkt de ideale voedingsbodem voor godsdiensten zoals de christelijke en de mohammedaanse. Deze beide godsdiensten hebben zich zo breed kunnen maken doordat de vereiste tweedeling in hoger en lager reeds tenvolle in het zelfbewustzijn van de mensen aanwezig was. Bijgevolg zullen zij pas dan verdwijnen als de moderne cultuur aan haar einde gekomen is en dan niet langer lijdt onder de waan van genoemde tweedeling.


Die waan gaat door alles heen. Tegenwoordig manifesteert hij zich op een heleboel verschillende manieren. Uiteraard bij overheden en politieke partijen. Maar daarnaast zijn talloze sekten, alternatieve bewegingen, occulte genootschappen en dergelijke op die waan gebaseerd. Zelfs vele wetenschappelijke speculaties zijn er door besmet, zoals bijvoorbeeld de gedachte dat men door te klonen betere mensen zou kunnen maken! De cruciale vraag hierbij is immers niet of dat klonen al of niet ethisch is, maar wat men zich voorstelt van een 'beter' mens. Ongetwijfeld gaat het hierbij in wezen om een hogere uitgave van de mens!

Referendum ; Zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr. 2 ; Sekten -A ; Sekten -B

 

479.  Het is filosofisch verantwoord om het begrip geloof naar een tweetal betekenissen uiteen te leggen. De eerste en eigenlijk oudste betekenis is die van 'zien' en de tweede, die voornamelijk in de cultuursfeer van de westerse wereld ligt, is die van 'aannemen'.

De inhoud van het begrip zien had het karakter van een evidentie, iets wat als een klaarblijkelijke waarheid werd beschouwd. De mens 'ziet' hoe de werkelijkheid is. Dat geldt zonder meer voor hem en dat kan niet anders, want de mens is zčlf tenvolle de werkelijkheid. Ook en vooral het concreet bestaande individu is dat. Er is geen afstand tussen dit individu en de werkelijkheid, hij vormt er een onverbrekelijke eenheid mee.

Niet dat hij zichzelf beschouwt als iets aparts dat zich op de een of andere manier verbonden of versmolten heeft met het ŕndere wat voor hem de overige werkelijkheid is! Hij ervaart zichzelf noch als versmolten, noch als verbonden met de rest: hij is zčlf het geheel van alles, zij het op zijn eigen bijzondere wijze.

Omdat de vroegere mens zichzelf aldus begreep was het voor hem zonder meer vanzelfsprekend dat het zien hoe de werkelijkheid is een klaarblijkelijke waarheid opleverde, een evidentie.

 

480.  Essentieel voor het doorgronden van genoemd begrip zien is dat de toenmalige mens zichzelf als een, desnoods gebrekkige, manifestatie van 'de' waarheid ervoer. Dat kon voor hem het geval zijn juist omdŕt hij zelf die eenheid met de werkelijkheid vormde. De waarheid omtrent de werkelijkheid hield onmiddellijk de waarheid van hemzelf in. Zo kon de gesublimeerde mens in het Evangelie zeggen: "Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven". Dat was geen opmerking van een zogenaamde objectieve beschouwer die iets over zichzelf naar voren bracht. Het was de mens zčlf die iets over zichzelf uitte en dat kon doen omdat hij nog in het teken van het 'zien' stond.


Met de komst van de westerse cultuur vervalt de onmiddellijke eenheid van mens en werkelijkheid. Doordat men nu scheidingen gaat aanleggen komt de individuele mens los te staan van het geheel. Dat is trouwens met alle verschijnselen het geval. Het gaat nu in feite niet langer over een 'geheel' maar over een 'totaal'. Doordat die nieuwe mens geen onmiddellijke waarheid meer kent, en al het overige zich buiten hem bevindt, moet hij een eventuele waarheid van buitenaf binnen gaan halen. Dat betekent dat hij voortaan van iets overtuigd moet worden en dat hij, als dat overtuigen geslaagd is, de betreffende zaak voor juist aanneemt. Hij neemt de zaak letterlijk aan. Het oorspronkelijke zien is nu vervangen door aannemen en het beide begrippen dekkende begrip geloof heeft nu een verschuiving ondergaan. Ging het voordien over een vrijwel absolute stelligheid, nu is het wezenlijk een twijfelachtige zaak geworden die een zo grondig mogelijke bewijsvoering van node heeft om op enige zekerheid aanspraak te kunnen maken. In het westerse taalgebruik gaat men een dergelijke zekerheid onderbrengen in de rubriek 'weten' en 'wetenschap', waarbij men maar al te graag probeert te vergeten dat het uit de aard der zaak onvermijdelijk allemaal twijfelachtig is. Uiteindelijk moet gesteld worden dat het allemaal een zaak van 'geloof' is, zij het dan een geloof dat, ten gevolge van grondige bewijsvoering, op 'aannemen' berust. Daarom pleeg ik te zeggen dat het nu draait om de juistheid van datgene dat men aanneemt. In het geval van 'geloof' in de betekenis van 'zien' draait het om de waarheid van de dingen. Net zo goed als men zaken kan aannemen die geen aanspraak op juistheid blijken te kunnen maken kan men met een valse waarheid opgescheept blijken te zitten. Ik wil dus niet beweren dat člke waarheid 'waar' is! Heel vaak blijkt dat niet het geval te zijn, vooral als mensen, die in de westerse cultuur geworteld zijn, beweren het 'zien' te beoefenen en van daaruit met fantastische filosofieën op de proppen komen. Het begrip zien is een volslagen leeg begrip als er niet onmiddellijk aan meekomt dat men zijn inzichten voortdurend in alle opzichten toetst op onverbrekelijke logische samenhangen.

 

481.  In zekere zin leidt de uitwikkeling van de democratische moderne mens op den duur terug tot de 'oermens', met alleen dit onderscheid dat deze nieuwe oermens zijn oorspronkelijke aanleg ontwikkeld heeft tot een zelfbewuste samenhangende cluster van kennis en bekwaamheden. Hij is een volwassen mens geworden. Die volwassen mens loopt niet uit in een onderdeel van een democratische samenleving, wat natuurlijk altijd nog in de eerste plaats een collectief is, maar daarentegen in een zelfstandig en volstrekt onafhankelijk, zichzelf besturend, individu.

Het nieuwe van deze individu is, behalve in zijn talloze bekwaamheden, gelegen in zijn optimale democratische gezindheid. Deze gezindheid is niet, zoals tot op heden, een afgeleide van het instituut 'democratie', maar daarentegen van de mens als volwassen individu, 'de' individu! Uitgangspunt is dus niet het collectief, maar juist de individu. Deze is het die zichzelf mede als lid van een samenleving laat gelden. Dit lidmaatschap is gebaseerd op een van zijn vele mogelijkheden. Het is het vermogen buiten eigen grenzen te treden en zodoende zichzelf als 'ik' onmiddellijk te laten samenvallen met zichzelf als 'wij'.

 

482.  Het komt de tot op heden heersende machthebbers goed uit de mensen de voorstelling in te prenten en deze zorgvuldig in stand te houden dat de mensen 'burgers' zouden moeten zijn, het liefst 'staatsburgers'. Die voorstelling echter berust op een waan, die overigens voor die machthebbers uitermate lucratief is! Zolang mensen 'burgers' willen zijn blijft het collectief in stand en daarmee onafwendbaar ook de, almaar zichzelf bevestigende, bovenlaag.

Dankzij dit inprenten gelooft nog steeds nagenoeg iedereen dat 'de mens als individu' een fundamentele, en dus onoplosbare, tegenstelling vormt tot 'de mens als gemeenschap'. En inderdaad, gezien vanuit de 'staatsburger' is die tegenstelling er en hij is niet op te lossen. Maar de fout ligt bij het begrip staatsburger! Die bestaat namelijk niet. Er is alleen maar de individu en zijn sociale vermogens zijn van diens volwassen individualisme afgeleid.

 

483.  De 'individu' is de volwassen mens. Het kenmerk van volwassenheid is dat alles er uitgekomen is wat er vanaf de aanvang in zat. Als je daarover filosofeert blijkt de kernvraag te zijn: wie is de mens en wat ligt er in hem klaar om te zijner tijd tot ontplooiing te komen? Ideeën over de toekomst van het menselijk samenleven zijn in wezen een, bijna steeds misleidende, slag in de lucht als je niet eerst zorgvuldig, en uiteraard met vermijding van ongerijmdheden, hebt nagegaan wat er nu eigenlijk te voorschijn is gekomen toen het verschijnsel mens zich op de planeet aandiende.


Klaarheid in deze kwestie is niet van de wetenschap te verwachten omdat haar geen concrete aanwijzingen ter beschikking staan. Onderzoek kan bijgevolg niet uitwijzen hoe het zit met de mens. Slechts wat hij onder allerlei omstandigheden vertoont kan object van onderzoek en dus van wetenschap zijn. Daarvan kan een voortreffelijk overzicht gegeven worden, goed geordend en op plausibele wijze ingedeeld in relevante rubrieken. Maar al die wetenswaardigheden geven op zichzelf geen inzicht in het vrijzwevend verschijnsel mens, zoals dat in de kosmos opkomt. Alleen filosofisch nadenken kan in dit soort kwesties klaarheid brengen.

 

484.  Al die wetenswaardigheden, waarmee de wetenschappers komen en die tegenwoordig het denken van de mensen bepalen, zijn in feite alleen maar interessant. Zij leren ons niets over dat merkwaardige verschijnsel mens. Dat bijvoorbeeld uit onderzoek is gebleken dat dit verschijnsel in het verleden behoorlijk gewelddadig was lost niets op als het gaat om de vraag of 'de' mens gewelddadig is. Het vertonen van gewelddadigheid behoeft volstrekt niets te zeggen over het al of niet wezenlijk gewelddadig zijn.

Juist de wijze waarop de mensen het begrip gewelddadigheid hanteren wijst er op dat het over iets uitzonderlijks en niet over iets wezenlijks gaat. Van de dieren vindt men bijvoorbeeld niet dat die gewelddadig zijn! Ook als men het niet bepaald kies vindt dat de poes een vogeltje vangt en verslindt geeft men toch, zij het vaak schoorvoetend, toe dat dit gedrag bij de poes behoort en dus volkomen 'natuurlijk' is! De poes is niet gewelddadig, haar gedoe berust niet op wreedheid en haar doden is geen moorden.

Maar de mens heeft aangaande zichzelf wčl de conclusie getrokken dat hij bij gelegenheid niet deugen wil, wreed is en in feite een moordenaar. Juist dergelijke conclusies geven onmiskenbaar aan dat wij, zij het doorgaans heel in de verte, beseffen dat de gewelddaad iets uitzonderlijks is dat in wezen niet bij de mens behoort. Dit blijft gelden ook als onderzoek laat zien dat dit uitzonderlijke gedrag schering en inslag is.

doden-1(nos.448t/m449) ; doden-2(484 t/m 493) ;

 

( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)

 

 

485.  Natuurlijk is het veelzeggend dat weldenkende mensen geweld nadrukkelijk ŕfwijzen. Alleen, zij denken dat de mens tot 'zelfbeheersing' moet komen opdat hij zijn eigen negativiteiten niet meer zal kunnen en willen uitleven. Zij dichten hem dus een intrinsieke 'slechtheid' toe. Als regel verklaren zij die zogenaamde slechtheid uit zijn natuurlijke afkomst. Het stoffelijke is de boosdoener! Dat is merkwaardig: men beschouwt het 'eten en gegeten worden' in de natuur als iets normaals, maar het natuurlijke in de mens blijkt plotseling iets verwerpelijks te zijn dat zo gauw mogelijk overwonnen moet worden, ondanks het feit dat men er tegelijkertijd ook van overtuigd is dat het de mens helaas ingeboren is.

Men voelt in de verte terecht aan dat gewelddadigheid eigenlijk niet bij de mens behoort, maar omdat men er nog steeds niets van begrijpt neemt men zijn toevlucht tot het geloof dat de mens op den duur zichzelf zal moeten en kunnen beheersen.

 

486.  De filosofisch in alle opzichten verantwoorde gedachte dat de mens wezenlijk geweldloos, zachtmoedig en vredelievend, zorgzaam en hulpvaardig zou zijn wordt over het algemeen resoluut ŕfgewezen met, uiteraard, een beroep op die eerder genoemde, door de wetenschappen verstrekte, wetenswaardigheden. Daaruit zou zonneklaar blijken welk een schurk 'de' mens wezenlijk is.

Maar nogmaals: als je hierop eerlijk doordenkt blijkt er alleen maar uit dat de mens zich gedurende zeer lange tijd als een schurk manifesteert, maar beslist niet dat hij een schurk is.

Het is hem overigens mogelijk zich op oneindig veel manieren te manifesteren omdat bij hem:

a) in bevestigende zin ŕlles mogelijk is, dus enerzijds het zich manifesteren als een schurk, maar anderszins ook als een heilige, en uiteraard alles wat daar tussenin ligt, en:


b) in ontkennende zin omdat hij zichzelf volkomen kan uitschakelen, dus ook zijn eigen 'in orde zijn', oftewel 'deugen', maar gelukkig ook zijn eigen schurkachtigheid.

 

487.  Het behoeft geen verwondering te wekken dat de mens zich op velerlei manieren kan manifesteren. Hij kan alle kanten op omdat hij nu eenmaal nergens aan gebonden is en zich daarenboven ook nog eens op het ene moment op de čne manier en op het andere moment op een volstrekt tčgenovergestelde manier kan manifesteren. Op zichzelf is dat dus eigenlijk niets bijzonders, zoals onder anderen Dostojewski indertijd geprobeerd heeft duidelijk te maken. Hij vertelde over het tegelijkertijd samengaan van onmetelijk diepe afgronden van de menselijke 'ziel' met onvoorstelbaar 'goddelijke' hoogten. Dat ging dan over de naar zijn inzicht typisch Russische mens, maar aangezien die mens in aanleg universeel is kan men zonder bezwaar stellen dat Dostojewski het in feite over 'de' mens had.

Wat echter op het eerste gezicht wel verwondering wekt is de eigenaardigheid dat de mens zčlf, tot op de dag van vandaag, volstrekt in het duister tast omtrent zichzelf. Het is natuurlijk slechts van beperkte geldigheid, maar ik moet toch zeggen dat ik nog nooit een publicatie onder ogen gekregen heb waaruit onmiskenbaar bleek dat de schrijver inzicht had in de uiterst merkwaardige positie van het verschijnsel mens. Inderdaad, soms zit men er dicht tegenaan, heeft het in principe zelfs bij het rechte eind, maar dan kan men het weer niet voor elkaar krijgen het geheel van de zaak zonder waardeoordelen te bekijken. Gevolg: het zou dan bijvoorbeeld om 'het hogere in de mens' gaan en tegelijkertijd zou 'het lagere' iets verwerpelijks zijn waarvan de mens zich op den duur zou moeten bevrijden. Meestal komen de denkers er dan op uit dat de mens zich als een 'geestelijk', een 'redelijk', een 'sociaal' wezen zou moeten gaan gedragen.

Sommigen hanteren daarbij het Griekse begrip metanoia en dat houdt in dat de mens zich moet herzien, een andere kijk op de werkelijkheid en zichzelf moet krijgen en zich daarbij op de een of andere manier 'in de liefde' moet opofferen. Hoe dan ook, de verwarring wordt alleen maar groter! Want hoe kun je nu als mens gaan deugen als je een stuk van jezelf moet amputeren?

Tegenwoordig komt daar ook nog eens bij dat de techniek almaar verder voortschrijdt zodat men over nieuwe mogelijkheden gaat fantaseren om via allerlei technische ingrepen aan de mens te gaan sleutelen. Het veranderen van de DNA‑structuur bijvoorbeeld zou het mogelijk maken een 'beter' mens te creëren.

Buiten het denken blijkt de eenvoudige logische vaststelling te vallen dat een mens die bepalen kan wat een 'beter' mens is logischerwijs al een beter mens moet zijn en dus zijn tijd verdoet met het proberen een beter mens te worden. Desondanks zeggen de geestelijken, de politici, de wetenschappers en zo nog wat andere moralisten te streven naar een 'betere' mens! Als die lui het voor het zeggen krijgen, en tot op zekere hoogte hebben zij het altijd al voor het zeggen, staat de mensheid nog wat te wachten: Brave New World...

 


488.  De mens behoeft helemaal niet te veranderen. Hij behoeft er alleen maar achter te komen wie en wat hij eigenlijk is. Op het moment dat hij zichzelf als dat complexe geval onvoorwaardelijk accepteert, zonder zichzelf in meer of minder waardevolle eigenaardigheden op te splitsen, staat hij open voor zichzelf als bewustzijn, met als onvermijdelijk gevolg dat hij de totale werkelijkheid, inclusief natuurlijk zichzelf, als ččn in zichzelf samenhangend geheel gaat ervaren. Is dat eenmaal het geval, dan vervalt al het tot dan toe gebruikelijke moralistische getreiter met normen en waarden, dat hij zichzelf en anderen voortdurend aandoet. En zo houdt hij ook op met, op iets zogenaamd hogers gestoelde, dwingende voorschriften, met collectivistisch onpersoonlijk recht, met die onuitstaanbare ethiek en met nog een heleboel andere ergernissen!

Met recht zal men dan zeggen: "Laat me met rust, ik zoek het zelf wel uit"! En daarbij zal de werkelijkheid als bewustzijn, waar niets en niemand buitengesloten is, feilloos als baken dienen...

 

489.  Vooral in de Angelsaksische cultuur wordt het beoefenen van zelfbeheersing als de enig juiste methode gezien om bepaalde, op een zeker moment als ongewenst beschouwde, driften in bedwang te houden. Dat gaat als regel zover dat men zich niet meer uitsluitend tot zulke driften bepaalt, maar zelfs het gehele gedrag aan rationele methodieken onderwerpt. Doormiddel van die methodieken wordt dan voorgeschreven en ingeprent 'hoe het eigenlijk hoort', dus welke gedragingen men van iemand mag verwachten als hij of zij als een 'beschaafd' mens beschouwd wenst te worden. Alleen zo'n beschaafd en 'welopgevoed' mens kan aanspraak maken op een volwaardig lidmaatschap van de maatschappij. Vrijwel het gehele sociale leven staat in het teken van deze 'etiquette', dit uitgebreide complex van beleefdheidsvormen. Zoals gezegd wordt dit in de typisch Angelsaksische, en met name de Britse, cultuur buitengewoon serieus genomen. De 'gentleman' en de 'lady' zijn eigenlijk meer een soort van marionetten dan levendige mensen, althans voorzover het gaat over hun omgangsvormen. Hun werkelijke gedoe blijkt vaak bitter tegen te vallen...

De ondergrond van dit hele gedoe is het, voornamelijk ňngekende, besef dat de mens wezenlijk individu is, hetgeen logischerwijs ook inhoudt dat er in feite niets en niemand is die hem de wet kan stellen, terwijl er tegelijkertijd toch 'ergens' een universeel voorbeeld van 'deugdzaamheid' moet zijn. Een voorbeeld van waaruit men dat onbegrepen besef ondergaat.

 

490.  Dat onbegrepen en onbegrijpelijke besef van wezenlijk individu-zijn leidt ertoe dat er in alle tijden en in alle culturen een als universeel geldend voorbeeld door de elites gesteld is, vervolgens in wetten en voorschriften verwoord en met al of niet lichamelijk geweld afgedwongen is. Maar, intussen had men geen flauw benul van de aard ervan, laat staan dat men dat voorbeeld als een volstrekt onvoorwaardelijke en onafhankelijke zaak in de individu zelf wist te situeren. En als enkelen dat laatste toch deden, konden ze onmogelijk verder komen dan de mening dat het om een speciale, dwingende 'redelijke' instantie in de mens ging. Een soort van innerlijke, maar wel degelijk 'hogere', wet waaraan zonder meer gehoorzaamd moest worden.

Eerder genoemde elites waren overigens uitgekookt genoeg om van dat vage besef van een in de mens aanwezig 'voorbeeld' gretig gebruik te maken! Uiteraard zoals elites altijd doen! Zij gaan dus de wet stellen, niet alleen voor zichzelf maar vooral ook voor de anderen, in casu de 'onontwikkelden', de 'lageren', het 'volk'.

Dat is op zichzelf zonder meer onredelijk, maar tegelijkertijd moet opgemerkt worden dat die elites nu juist 'elites' zijn vanwege het feit dat zich in hen bepaalde universele intuďties doen gevoelen. In dit geval gaat het om de intuďtie dat er een universeel voorbeeld voor deugdzaamheid is. Maar die intuďtie verschaft hen verder natuurlijk geen enkele duidelijkheid, behalve deze dat hij zich uitstekend gebruiken laat om de eigen particuliere zelfverwerkelijking als individu te bevorderen.


Overigens wordt maar al te vaak vergeten dat die particuliere zelfverwerkelijking van de elites, dus het nastreven van het eigenbelang, onvermijdelijk zijn terugkoppeling vindt in de emancipatie van die zogenaamde ňnontwikkelden. In de moderne sfeer van vervlakking en gelijkschakeling wil men er niet van horen, maar in een alsnog ňnvolwassen mensheid zijn er nu eenmaal mensen in wie een sterkere intuďtie omtrent bepaalde aspecten van het mens-zijn aanwezig is. Uiteraard is dat op geen enkele wijze een vrijbrief voor het dictatoriale en autoritaire gedrag dat elites kenmerkt. Juist dat gedrag laat zien dat het nog slechts om intuďties gaat en nog lang niet om inzicht.

 

491.  Zouden we werkelijk met inzicht van doen hebben, het betrekkelijke 'vooraan lopen' van de elites zou een grote mate van verantwoordelijkheid en dienstbaarheid met zich brengen, twee essentiële begrippen met betrekking tot elites. En ook wat dit betreft is weer op te merken dat er een vermoeden bestaat omtrent de ware verhoudingen: tot op heden laten elites zich inderdaad voorstaan op de verantwoording die zij zeggen te dragen en het welzijn dat zij zeggen te dienen. Zij doen het in grote ernst voorkomen alsof zij de 'hoeders' van hun medemensen zijn! Maar dat zijn gewoonlijk alleen maar woorden om de aandacht af te leiden van het, overigens welhaast ňnvermijdelijke, dienen van de belangen van hun soortgenoten, de overige leden van de elites. Verantwoordelijk zijn tegenover de medemens betekent bij de elites in het beste geval verantwoording dragen tegenover hun gelijken. De dienstbaarheid gaat niet verder dan die aan... de elite! Het zijn immers ook weer elites die in staat zijn en het recht hebben verantwoording te eisen.

Leden van een regering verantwoorden zich tegenover volksvertegenwoordigers die zeggen namens het volk te spreken en te handelen, maar die, zelfs ŕls dat inderdaad het geval zou zijn, toch zelf onvermijdelijk ook tot een elite behoren. En het is niet moeilijk te bedenken en vast te stellen dat deze parlementariërs zonder schroom het standpunt "eigen volk eerst" huldigen. Hun salarissen bijvoorbeeld, met de daarbij behorende periodieke verhogingen, worden als eerste veilig gesteld, of er nu bezuinigd moet worden of niet.

 

Bladwijzers: , Kwaliteit v/d Democratie..!- zie o.a. de nrs. 401 t/m 409(en verder) en o.a. de nrs. 491 t/m 497(en verder) ; Individualisering-(498 (en verder)

 

492.  Natuurlijk klinkt het filosofische verhaal over de menselijke werkelijkheid uitermate cynisch! Het lijkt wel alsof er nu helemaal niets goed is! Maar dat cynisme komt niet voort uit de in de filosofie beschreven situaties. Dat zou immers betekenen dat het ook ŕnders en beter zou kunnen. Maar het kan ničt anders en beter, dat wil zeggen: fundamenteel anders en beter.

De ontwikkeling van de mensheid is nog niet zover gevorderd dat de zaken op een volwassen manier geregeld kunnen worden. Daarom ligt het in de rede - hoe merkwaardig het ons ook voorkomt - dat de elites, en natuurlijk ook de 'gewone' mensen, doen wat zij doen en daaraan als aan een soort van noodlot gebonden zijn. Ten aanzien hiervan past geen cynisme, want er is redelijkerwijs alleen maar te zeggen dat zij niet kunnen weten wat zij doen.

Het tegen dit doen en laten agerende wčrkelijke cynisme van zich 'links' noemende politieke geestdrijvers is dan ook in feite door en door onredelijk, reden waarom het steeds door de geschiedenis wordt ingehaald en stillekens verdwijnt. Hoe goed het vaak ook bedoeld wordt, het slaat nergens op en is er een duidelijk blijk van dat men absoluut niet in de gaten heeft wat er nu werkelijk gaande is in de menselijke ontwikkeling tot volwassenheid.

 


493.  Dat 'filosofische cynisme', dat in feite niets anders is dan een onverbloemde tekening van de realiteit, komt voort uit de omstandigheid dat vooral de moderne onvolwassen mens almaar een verkeerde voorstelling heeft van zijn werkelijkheid en zelfs regelmatig liegt over zijn feitelijke gedoe in deze wereld. Hij stelt het steeds anders voor dan het is, terwijl hij bijna altijd weet en voelt dat zijn werkelijke drijfveren tegengesteld zijn aan zijn fraaie, op een zekere mate van intuďtie berustende verklaringen. Cynisme past dus deze, in feite vermijdbare, dubbelhartigheid en niet het feit dat elites hun eigen wereldje voor 'de' werkelijkheid houden. Dit laatste is immers aan de onvolwassen mens inherent!

doden-1(nos.448t/m449) ; doden-2(484 t/m 493)

 

494.  Een elite is nog lang geen elite als er alleen maar 'elite' op staat. Zeker in deze moderne tijd verbeelden een heleboel 'nitwits' zich dat zij onder de mensen iets heel bijzonders zijn. Hoe paradoxaal het ook klinkt: dit wordt voornamelijk in de hand gewerkt door de praktijk van de vervlakking. Men behoeft zich alleen nog maar iets te verbeelden. En doordat men geen oog meer heeft voor het wezenlijk bijzondere karakter en de speciale aanleg van sommige mensen, kunnen allerlei blaaskaken zich onbelemmerd naar voren schreeuwen en daarmee de valse indruk wekken iets bijzonders te zijn.

Het is beslist niet toevallig dat, bijvoorbeeld op radio en televisie, het geschreeuw de boventoon voert en dat het ook de schreeuwers zijn die er angstvallig voor waken dat mensen met ideeën niet aan bod komen. Een ieder die iets betekent en die dus iets te zeggen heeft moet op de achtergrond gehouden worden en mag hoogstens een paar seconden iets zeggen. Dat mag natuurlijk niet al te moeilijk zijn! En zelfs dat weinige wordt dan nog onmiddellijk overschreeuwd door gekwalificeerde 'tegensprekers' die zich erin bekwaamd hebben overal 'zakelijke' kritiek op te leveren. Want aan een idee mag geen waardering ten deel vallen en zoiets mag al helemaal niet populair bij de gewone mensen worden. Vervlakking en een volkomen uitgehold begrip van wat elites nu eigenlijk zijn leiden tot het zich breed maken van lieden die geen last hebben van ideeën, bekwaamheden of kennis van zaken.

 

495.  Het is noodzakelijk dat de mensen, voorzover voor hen het begrip relatie geldt, met elkaar regelingen treffen om de materiële kant van het leven goed te verzorgen. Deze regelingen verdragen geen agressiviteit. Ze zijn immers op de relatie gegrond en dat houdt in dat er zoiets als 'verstandhouding' moet zijn en 'overleg' en natuurlijk ook een zekere mate van 'inschikkelijkheid'. Agressiviteit is aan dat alles tegengesteld, gebaseerd als dit is op scheiding en polarisatie. Machtsvertoon, bijvoorbeeld in de vorm van martiaal militaristisch gedrag is dan ook idioot als je de menselijke werkelijkheid nuchter bekijkt.

Het is inderdaad waar dat de moderne, voornamelijk westerse, democratieën dergelijk agressief vertoon grotendeels afgeschaft hebben. Maar, tot aan de tweede wereldoorlog was die zwaarwichtige aanstellerij nog normaal. Bij plechtigheden zag men voornamelijk rijk versierde uniformen waarin lieden staken die, zelfs vanaf enige afstand zichtbaar, opvielen door hun geborneerde domheid. Stramme bewegingen, plechtige gezichten voorzien van indrukwekkende knevels en een overduidelijk gebrek aan humor spraken wat dit betreft voor zichzelf. Vooral bij de Duitsers en de Fransen was dat het normale beeld. De kwaliteit van een staat werd toentertijd dan ook afgemeten aan de krijgshaftige kracht van het leger! Thans komt dat verschijnsel alleen nog maar voor in achtergebleven samenlevingen. Hoe armer en asocialer zo een samenleving, hoe martialer de gezagsdragers.

 

496.  Ook tegenwoordig viert de domheid onvermijdelijk nog steeds hoogtij, maar in de moderne wereld is dat een geraffineerde domheid geworden, culminerend in die van de intellectuele toplaag van onze samenleving. Het is een domheid die een gedegen wetenschappelijke ontwikkeling heeft doorgemaakt en die aangetroffen kan worden bij moderne, hoogopgeleide academici. Hun domme voorstelling van de werkelijkheid is intussen tot in de kleinste details uitgewerkt en in weergaloos knappe systemen ondergebracht.


Hoezeer deze academici echter ook blijk geven van wijsgerige onbekwaamheid, zij zijn in ieder geval het primitieve stadium van het martiale vertoon gepasseerd. Men zou kunnen zeggen dat zij zich gedragen als 'gewone' mensen, normaal in het kostuum gestoken en zich bedienend van een normale taal.

Ook is het een feit dat de regelingen in een moderne maatschappij steeds meer toegesneden zijn op de burgers. Dat zulke regelingen doorgaans niet veel goeds voor die burgers betekenen doet nu even niet terzake. Het kan nu eenmaal niet anders in een onvolwassen wereld met een alsnog infantiel individualisme. Voor de in die wereld maatgevende managers is de samenleving een intellectueel object waarvoor uitsluitend de bij zo een object behorende criteria van waarden, normen en belangen de maat zijn.

De volgens algemeen aanvaarde normen, planmatig geconstrueerde, wereld van de managers is 'de' wereld. Hoewel deze zinsbegoocheling in feite natuurlijk onvoorstelbaar dom en kinderachtig is, moet er toch bij opgemerkt worden dat het een verbetering is vergeleken bij het vroegere martiale vertoon.

 

497.  Ondanks een onmiskenbare vooruitgang in de moderne westerse wereld is er een gestage verwaarlozing van het enige dat wčrkelijk essentieel is voor de mensen, namelijk de liefde. Uiteraard gaat het hierbij niet om iets 'hogers' of iets dat 'nagestreefd' moet worden of 'onderwezen' op de scholen. Het gaat om het zichzelf beleven van de mensen. Dat heeft uiteraard ook betrekking op de werkelijkheid als zodanig. En dan gaat het om een beleven 'naar waarheid', dus in overeenstemming met de realiteit van datgene dat er werkelijk is.

Naarmate de mensen tot redelijker, of beter gezegd 'verstandiger', regelingen komen geraakt het ineenzijn meer op de achtergrond. Die regelingen immers zijn noodzakelijkerwijs voorafgegaan door diepgaande analyse en dat leidt tot het vervallen van de betrekkingen tussen de dingen. Daarmee gaat ook het zicht op de samenhang en dus ook het gelden van het begrip ineenzijn verloren. Er ontstaat dan in toenemende mate een liefdeloze, kille, rationele wereld. Maar diezelfde, betrekkelijk ňnleefbare wereld is wel steeds beter geregeld. Dat geeft een vreemde paradox die menigeen in hevige verwarring brengt...

 

Bladwijzers: , Kwaliteit v/d Democratie..!- zie o.a. de nrs. 401 t/m 409(en verder) en o.a. de nrs. 491 t/m 497(en verder) ; Individualisering-(498 (en verder) ;

 

498.  Hoewel men veel kritiek op de moderne wereld kan hebben, zeker nu het individualisme definitief doorgebroken is, mag men de ogen toch niet sluiten voor het feit dat over de gehele wereld de moderne mensen volop bezig zijn hun zaken beter te regelen.


Dat lijkt een weinig realistische uitspraak! Omdat het individualisme, nu bedoeld in de zin van een ontwikkelingsproces van de mens als 'de' individu, nog pas sinds kort als maatgevend cultuurthema is gaan gelden kan er, zoals ik al zo vaak heb benadrukt, nauwelijks iets anders dan ellende aan meekomen. Die ellende berust op het feit dat 'het een' zich onverbiddelijk los maakt van 'het ander'. Dus maken ook de mensen zich los van elkaar. Dat komt onder andere voor de dag als het vervallen van solidariteit, mededogen en gemeenschapszin, alsmede een groot aantal min of meer redelijke normen en waarden. In feite zijn het natuurlijk de vele varianten van het collectivisme die ten onder gaan. Niet alleen dat de overheidsdiensten geprivatiseerd worden, terwijl zij tot voor kort allemaal beschouwd werden als dienstig aan het collectief van de maatschappij, maar ook dat de afzonderlijke mensen zich meer en meer als geďsoleerde grootheden gaan laten gelden. Dit laatste valt aanvankelijk niet zo erg op doordat het ingedeeld zijn in bepaalde maatschappelijke posities nog op de voorgrond staat, zoals vooral bij diegenen die van de collectieve regelingen afhankelijk zijn het geval is. Wat echter wčl steeds meer bij die mensen opvalt is het toenemen van de armoede door het in snel tempo verpauperen van alle voorzieningen die uit het vroegere collectief voortkwamen.

Gezien in het licht van genoemde verpaupering is de uitspraak dat de mens van de moderne cultuur bezig is zijn wereld steeds beter te regelen op zijn minst bevreemdend!

Hopelijk wekt het minder bevreemding als ik er ter verduidelijking op wijs dat al die ellende juist noodzakelijkerwijs meekomt met het pogen de zaken te verbeteren. Omdat dit pogen in het licht van de mens als individu staat, wat op zichzelf een noodzakelijke ontwikkeling is, resulteert het verbeteren voor velen lange tijd in vereenzaming en verpaupering.

De noodzakelijkheid van de geschetste ontwikkeling is evenwel geen excuus voor velerlei kwalijke zaken uit de praktijk. Men kan het de mensheid niet euvel duiden dat zij onverstoorbaar voortgaat met haar ontwikkeling naar de volwassen, zelfstandige en vrije mens. De tegenwoordig almaar klinkende verwijten aan het adres van de immer voortgaande individualisering zijn dan ook onterecht, ja zelfs behoorlijk dom! Maar de maatschappelijke en politieke elites staan tegelijkertijd wel degelijk schuldig als zij in hun verfoeilijke kortzichtigheid geen oog hebben voor het feit dat de groei naar volwassenheid volstrekt niet te verenigen is met het laten verkommeren van medemensen.

 

Zie ook de Links:  het ontwaken van de individualist-nrs. 10, 11, 58, 59, 62, 65, 67 (toegevoegd door Rob van Es)

 

Bladwijzers: , Kwaliteit v/d Democratie..!- zie o.a. de nrs. 401 t/m 409(en verder) en o.a. de nrs. 491 t/m 497(en verder) ; Individualisering-(498 (en verder) ;

 

 

499.  Het is onder een groot aantal academische filosofen de gewoonte om in filosofische disputen elkaars stellingen aan te vallen langs de weg van het toetsen op formele onjuistheden. Dat wil zeggen: men probeert aan te tonen dat er onhoudbaarheden, zoals innerlijke tegenspraken, in de redeneringen zitten. Op zichzelf is daar niets op aan te merken, ŕls het er tenminste om gaat bepaalde redeneringen, conclusies of verklaringen te weerspreken. Maar de filosoof gaat hopeloos de mist in als hij iemands essentiële waarheden op die manier wil weerspreken.

Ter illustratie diene het volgende: een theoloog houdt tegenover een atheďstisch denkend filosoof vol dat God bestaat. Hij maakt daarbij gebruik van een aantal redeneringen, die ik nu niet behoef te herhalen omdat iedereen die zo langzamerhand wel uit zijn hoofd kent. Je hoort ze door ieder godsdienstig warhoofd, of die nu een leek of een theoloog is, dagelijks verkondigen. Onze filosoof trekt er met verve tegen ten strijde, maar helaas doet hij dat door zo helder mogelijk aan te tonen dat de gebezigde redeneringen vol tegenspraken, stille vooronderstellingen en logische denkfouten zitten. Hoewel hij als regel het gelijk aan zijn kant heeft gaat hij helaas voorbij aan het feit dat de redeneringen van die theoloog niets anders dan verklaringen en conclusies zijn die betrekking hebben op iets dat, doorgaans op geraffineerde wijze, zorgvuldig buiten beschouwing gelaten wordt. De zaak namelijk waar het werkelijk om gaat. Het is denkbaar dat des theologen verklaringen en conclusies onzinnig zijn, zoals dat overigens regel is bij deze lieden, maar dat de zaak zelf, in dit geval het bestaan van God, eventueel juist en waar is. Een kromme en onzinnige verklaring of conclusie betekent niet automatisch dat de zaak waarop zij betrekking hebben onwaar is. In het bovenbeschreven geval lijkt de atheist gelijk te hebben, zelfs bij voorbaat al, omdat er nu eenmaal geen goden zijn, maar strikt genomen heeft zijn tegenspraak geen absolute betekenis. Je kunt zelfs stellen dat hij er grotelijks ingevlogen is, want de god van de theoloog is tijdens de gehele verhitte discussie sierlijk buiten schot gebleven...

 


500.  Als de een of andere fantast, sprekende over onze planeet, beweert dat deze een bolvorm heeft omdat de Schepper had ontdekt dat hemellichamen moeten draaien om op hun plaats te blijven en dat zoiets alleen maar mogelijk is met bolvormige lichamen, dan klapt hij schier onverdraaglijke onzin. Die onzin kan effectief bestreden worden, alleen al door de rol van die schepper te ontkennen als het gaat over natuurkundige processen. Ook als men eventueel gelooft in de activiteiten van een schepper blijft het aantoonbaar onjuist te beweren dat hij ook de hand heeft gehad in die processen.

Maar intussen is en blijft het wel een glashard feit dat de aarde inderdaad een bolvorm heeft en dat zij almaar om haar as draait.

Dus: door de verklaring en de conclusie te bestrijden heeft men het uitgangspunt, namelijk dat we met een bol van doen hebben, nog lang niet ter discussie gesteld. Zo ook: door de redeneringen van theologen en andere fantasten te bestrijden, uiteraard met formeel logische argumenten, heeft men nog lang niet hun bewering dat er een god zou zijn bestreden. Men heeft slechts aannemelijk gemaakt dat onze gelovige fantast er maar wat op los rommelt.

En dit 'er op los rommelen' leidt misschien wel tot de meest geraffineerde streek die theologen en godsdienstige leken de atheist leveren. Zij verleiden hem tot het reageren op formele redeneringen, bijvoorbeeld die uit de bijbel, wel wetende dat die rammelen maar dat dit er eigenlijk niets toe doet. Ondanks de bijbel en het eigen gestuntel bestaat god voor hen toch wel.

Intussen is de atheist vol overgave bezig om ondanks zijn gelijk... tegen windmolens te vechten!

 

501.  Je kunt er over twisten of het nodig is de godsdienst te bestrijden. Maar ŕls je tot de conclusie komt dat het een kwaad is dat zo vlug mogelijk uit de wereld geholpen moet worden heeft het zin de vraag te overdenken of men daartoe almaar zou moeten reageren op de theologische onzin waarmee men dagelijks geconfronteerd wordt, ňf dat men er beter aan doet aan die onzin geen aandacht te schenken en bij alle voorkomende gelegenheden zo helder en ondubbelzinnig mogelijk te zeggen hoe het werkelijk zit met dat zogenaamde hogere.

Gezien vanuit de filosofie is dat laatste te verkiezen, vooral ook om niet in de val te lopen onwillekeurig tegen windmolens te vechten. Maar tegenwoordig is er nog een argument tčgen het bestrijden van de godsdienstige onzin. Volgens het sinds enige tijd maatgevende post-moderne denken geeft het geen pas om andermans levensbeschouwing te verwerpen of te bekritiseren. Ieder het zijne is het devies! De post-modernisten geloven dat niemand het recht heeft zijn eigen denken als de maat te nemen bij het beoordelen van dat van iemand anders. Immers: de werkelijkheid is zoals iedereen voor zichzelf vindt dat zij is. Iedereen heeft zijn eigen waarheid. En er bestaat beslist geen universele, altijd geldende, waarheid. Dat geloven die hedendaagse filosofen, uiteraard stuk voor stuk hoog opgeleide academici...

Wat gebeurt er nu als men vandaag aan de dag de godsdienst en zijn waandenken bestrijdt? Eigenlijk nog volkomen onverwacht vallen de intellectuelen en academische filosofen, ondanks hun eventuele eigen ongeloof, woedend maar ook arrogant uit tegen de onverlaat die het gewaagd heeft iets negatiefs te zeggen over het Christendom of de Islam en wat er nog meer aan hersenspinsels voorkomt. Men krijgt dus zijn eigen vermeende bondgenoten tegen! "Je moet niet zo onverdraagzaam zijn", luidt steeds het verwijt.

Inderdaad kunnen die post-moderne filosofen en intellectuelen zčlf gemakkelijk verdraagzaam zijn want zij hebben immers principieel geen mening over de zaak: de werkelijkheid is zoals elke idioot meent dat zij is.

(On)verdraagzaam ; Onverdraagzaamheid

 


502.  Ware filosofie is helder en zelfbewust weten hoe het zit. Weten hoe het zit met de werkelijkheid houdt in dat men, voortdurend en getrouw nadenkende, de beschikking heeft gekregen over een aantal met elkaar samenhangende inzichten en conclusies. Weten hoe het zit is dus een tijdelijk eindstation, een positie die zich nog niet tot een, daaruit voortvloeiende, volgende positie heeft omgezet. Steeds gaat het over een 'ultiem' weten. Dat weten is onvermijdelijk min of meer helder en dus is het onmiddellijk ook min of meer genuanceerd. Maar, als einde van een denkweg is het een zeker weten.

Elk tijdelijk eindstation is noodzakelijk een waarheidsmoment.

 

 

503.  Theologie is godsdienstig denken. Het behelst de nimmer aflatende pogingen een complex van antieke verhalen op logische wijze geloofwaardig te maken en als ultieme waarheid aan anderen over te dragen. De resultaten van dat pogen daarvan wisselen met de tijden, maar de aan die verhalen ten grondslag liggende vooronderstellingen blijven bij wijze van dogma's onaangetast. Bijgevolg is de aanwezigheid van opeenvolgende waarheidsmomenten volstrekt uitgesloten.

Voorzover er van logica gesproken kan worden blijft deze beperkt tot de grenzen die de dogma's aan het theologische denken stellen. Buiten die grenzen heersen uitsluitend waanideeën. Een opvallend kenmerk van deze wanen is de corrupte cirkelredenering, zoals bijvoorbeeld: "Het bestaan van God kan alleen maar binnen het kader het geloof bewezen worden".

Voor de goede orde zij opgemerkt dat deze stuitende redenering met groot vertoon van eigendunk door een officieel gekwalificeerde doctor in de 'Godsdienstige Filosofie' naar voren is gebracht tijdens een discussie met een atheďstische filosofie professor.

Helaas trapte deze, argeloos eerlijk, in de voor hem opgezette val. Hij ging aantonen dat het een cirkel-redenering is! Op zichzelf was dat natuurlijk juist opgemerkt, maar helaas kon hij daarmee niet waarmaken dat het bestaan van goden volstrekt onmogelijk is. Hij had slechts de redenering voor ňngeldig verklaard...

 

504.  Zelden wordt er bij een discussie tussen theologen en atheisten door deze laatsten bij de theologen aangedrongen op het leveren van een aannemelijk bewijs voor de aanwezigheid van god of goden. Daarentegen moeten atheďsten bij alle mogelijke gelegenheden hun ongelovige waarheid verdedigen, doorgaans zelfs zonder eerst de kans te krijgen duidelijk te maken waarom die waarheid is zoals ze is.

Er is in onze cultuur, ondanks alle geloofsafval, nog altijd een onbewust, maar diep ingekankerd, respect voor de godsdienst. Daardoor worden de banaliteiten van de theologie als vanzelfsprekend aanvaard, althans gerespecteerd, terwijl de redelijke argumenten van atheisten, vrijdenkers en zelfdenkende creatieve filosofen al bij voorbaat argwaan en weerstand opwekken.

Dit respecteren van die theologische onzin, met tegelijkertijd het ageren tegen het logische en redelijke ongeloof, speelt zich af binnen de werkelijkheid als psyche. Dat betekent dat het voor de betrokkenen een gevoelszaak is. Dat is altijd en noodzakelijk het geval met dingen die het wezen van een cultuur raken. Meestal weten de betrokkenen er zelf niets van af, terwijl het zich toch op een voor hen ondefinieerbare manier laat gelden. Je kunt zeggen dat de zaak zich in het psychologische 'onderbewuste' afspeelt.


Het gaat namelijk hierom dat de godsdienst, of het nu over het Christendom of over de Islam gaat, een onmiddellijk gevolg is van het basisprincipe van de moderne cultuur, althans de cultuur van de oudheid. Volgens dat principe, waarmee een ieder die tot die cultuur behoort op de een of andere manier steevast te maken krijgt, is de werkelijkheid een uitgesproken geval van tweedeling, namelijk een splitsing in een hogere en een lagere werkelijkheid. De rest laat zich gemakkelijk begrijpen: God, Geloof en Godsdienst behoren uiteraard tot het hogere en de tegenpolen daarvan, dus creatieve filosofie, vrijdenken en atheisme, horen thuis bij het lagere. Zij verdienen dus bij voorbaat al argwaan en weerstand, ondanks het feit dat hun argumenten aanzienlijk meer plausibel zijn dan die van de godsdienstige leiders en theologen.

De ongelovigen zullen geen gelijk hebben omdat zij geen gelijk mňgen hebben!

 

505.  Overigens moet worden opgemerkt dat noodzakelijkerwijs ook bij bepaalde ongodsdienstigen, voornamelijk humanisten, een onmiskenbare neiging tot respect voor de godsdiensten en hun stellingen en uitspraken aanwezig is. Die humanisten zullen niet gemakkelijk overgaan tot boude stellingnames, zoals de radicale atheist dat pleegt te doen. Deze zegt immers gewoon: "God bestaat niet. Het is een kwalijke waan bij mensen die niet echt na durven te denken".

De humanisten daarentegen verschuilen zich achter allerlei ogenschijnlijk logische argumenten, zoals daar is de bewering dat er over God geen controleerbare uitspraken mogelijk zijn omdat het fenomeen 'God' buiten het denken valt. En ook plegen zij staande te houden dat men geen god nodig heeft om behoorlijk te kunnen leven.

Dan zijn er ook nog schrikbarend veel humanisten die nadrukkelijk stellen dat zij het niet weten. Dit is behoorlijk onnozel, vooral vanwege het feit dat men kennelijk niet in de gaten heeft dat de bewering 'ik weet het niet' inhoudt dat men iets wel degelijk voor mogelijk houdt! De humanist die zegt dat hij het niet weet is dus bereid het bestaan van iets absurds te erkennen. Daarmee slaat het logische denken onmiddellijk af, zodat er maar ččn redelijke conclusie overblijft, namelijk dat bedoelde humanist maar wat kletst en dat zijn beroep op zijn eigen redelijke denken volstrekt misplaatst is. Bovendien is hij onmiskenbaar een gelovige.

 

506.  Er zijn er ook die beweren dat zij uit pragmatisch politieke overwegingen zo voorzichtig met de godsdiensten omgaan. Zo een houding kan met geen mogelijkheid 'redelijk' genoemd worden, want zelfs als men meent dat men anderen het recht op een eigen mening niet mag ontzeggen is er geen houdbare rechtvaardiging voor het eigen lafhartige gedrag.

Hoe dan ook, er vindt onder humanisten een voortdurend intellectueel gescharrel plaats om vooral maar te verdoezelen dat men gevoelsmatig een groot en onweerstaanbaar respect voor de godsdienst heeft. En daaruit blijkt weer eens hoe diep cultuurvoorstellingen in de mensen ingekankerd zitten...

 

507.  Telkens weer, als ik iets geschreven of gezegd heb over het individualisme, blijkt uit de reacties dat de meeste mensen er nog steeds niets van begrijpen. Dat gaat zelfs zover dat zij niet eens in de gaten hebben dat zij zichzelf voortdurend tegenspreken. Op zichzelf is dat vreemd, want over het algemeen kunnen zij wel enigszins verstandig over de dingen praten. Nu echter niet...

Er is ook hierbij duidelijk iets psychisch aan de hand. Buiten alle redelijkheid om doet zich iets in die mensen gelden dat het hen onmogelijk maakt nuchter over de zaak, in dit geval het individualisme, na te denken. Wat hen dwars zit is enerzijds de Christelijke erfenis en anderzijds die van het collectivisme, zoals dat in de 18e eeuw als kind van de Verlichting ontstaan is.

De Christelijke erfenis is er een van deemoed en zelfopoffering. De mens als stoffelijk verschijnsel is het ware niet en juist door de beperkingen van dat materiële kan hij zich niet verenigen met het hogere, het goddelijke, dat zelf aan geen enkele beperking onderworpen is. Als verschijnsel is de mens 'zondig' en door zijn voortdurende falen is hij ook nog 'schuldig' en omdat dat het geval is past hem een deemoedige houding, zeker ten aanzien van zijn almachtige, eeuwige en alom tegenwoordige god. Vergeleken daarmee is de mens een nietige en nietswaardige sloeber.


508.  Bovenop de Christelijke mentaliteit komt de Verlichting nog eens met haar maatschappelijke idealen, die via een primitieve, egoďstische, vorm van liberalisme uitmonden in vormen van socialisme en in de staatkundige sociaal-democratie. Volgens het aan die idealen ten grondslag liggende denken is de particuliere mens het kleinste levende onderdeel van een groter geheel, namelijk van een volk, een staat, een partij of welke groep dan ook. De particuliere mens is de bouwsteen van een collectief en als zodanig is hij daaraan in eerste en laatste instantie gebonden en vooral ondergeschikt. Het belang van het geheel gaat uit boven dat van de particulier, althans zo denkt men als men door de sociale ideeën van de Verlichting besmet is.

Doordat de cumulatie van die twee erfenissen onlosmakelijk bij de cultuurontwikkeling behoort werkt de zaak op ondergrondse wijze door, als een soort van diepverborgen psychisch trauma dat zich telkens weer, dwars door alles heen, manifesteert. Daardoor is ieder logisch denken over individualisme, onder andere gedacht als tegenstelling tot de Christelijke deemoed en het Socialistische collectivisme, al bij voorbaat onmogelijk. Het mŕg eenvoudig niet waar zijn dat de mens zich op individualistische wijze ontwikkelt tot volwassenheid en tot overmaat van ramp uitsluitend als een dergelijk individu - 'de individu' - is staat blijkt zich ten aanzien van de natuur en zijn medemensen behoorlijk te gedragen. Vandaar dat bijna autistische gedrag en dat irritante betweterige tegenspreken, doorgaans bepaald niet zonder een flinke dosis arrogantie.

Verlichting-1, Verlichting-2, Verlichting-3, Verlichting-4, Verlichting-5, Verlichting-6

 

509.  Het moet nog maar eens gezegd worden: het huidige toenemende individualisme is in wezen geen achteruitgang, maar juist het begin van de laatste en meest essentiële fase van de menselijke ontwikkeling. Gedurende dat proces wordt elke particuliere mens zich van zichzelf bewust, hetgeen in universele filosofische termen betekent dat de werkelijkheid als zelfbewustzijn nu bezig is aan zichzelf toe te komen. Zonder een ontwikkeld zelfbewustzijn is de mens helemaal niets. Hij haalt niet eens de kwaliteit van de hogere dieren zoals die programmatisch ingebed liggen in de werkelijkheid als bewustzijn.

Die dieren kunnen in ieder geval, samenhangend met de hen omringende wereld, volstrekt zichzelf zijn, al weten zij daar zčlf niets van af. Voor een dier is zijn eigen identiteit geen enkel probleem: de poes is en blijft een roofdier, ook als zij zich, al kopjes gevend en spinnend, als een vreedzaam huisdier laat gelden. De planten- en dierenwereld kan niet van zichzelf afwijken, maar de mens kan dat wel en daarom doet hij dat dan ook zonder mankeren. Vervolgens moet hij in de loop der tijden zichzelf terugvinden en leren kennen. Pas als dat gelukt is kan hij laten gelden al datgene dat werkelijk voor hem geldt. Tot aan die tijd vertoont zijn groei naar volwassenheid een gesloten reeks van rampzalige dwaasheden, min of meer op de achtergrond vergezeld van momenten van waarheid en schoonheid...

Identiteit-1 ; Identiteit-2 ; Identiteit-3

 


510.  Het blijkt dat alleen de volwassen mens een sociaal wezen kan zijn. Alle voorgaande momenten van sociale idealen en daarbij behorende experimenten kunnen niet anders dan treurige en vaak bloedige mislukkingen zijn. Er kunnen namelijk geen werkelijk sociale bedoelingen aan ten grondslag liggen, juist omdat het almaar over onvolwassen mensen gaat die zichzelf als individu nog helemaal niet kennen. Die mensen hebben nog niet in de gaten dat er niets is dat boven hen uitgaat en dus is er voor hun besef wčl iets hogers. Behalve God is daar namelijk de gemeenschap, de staat en zo meer. Kortom: het collectief! Al het denken over de particuliere mens geschiedt nu als vanzelfsprekend vanuit die idee van het collectief. Gevolg is dat er op de een of andere manier van de betrokkenen verlangd wordt dat zij zich onderwerpen en aanpassen, in de zin van wegcijferen. En dat betekent op zijn beurt dat er niet alleen niet van een volwaardige samenleving gesproken kan worden, maar dat er vooral ook uiterst misdadige toestanden ontstaan, vanwege de tirannie van onvermijdelijke elites die zichzelf het recht toekennen voor hun medemensen uit te maken hoe en door wie er aan wat aangepast moet worden.

 

511.  De volwassen mens is in staat zich als een sociaal wezen te laten gelden, niet doordat hij qua oorsprong een of ander kuddedier zou zijn dat zich vanuit zijn evolutionaire programmering sociaal gedragen kan, maar daarentegen doordat hij zichzelf als bewustzijn ontdekt heeft. Dat houdt noodzakelijk in dat zijn eigen persoonlijke er-zijn onmiddellijk en onvoorwaardelijk dat van alle anderen en al het andere insluit. Zijn eigen sociale opstelling is dan niet langer gebaseerd op het afschaffen, onderdrukken of daarentegen juist versterken van een aspect van zichzelf, zoals dat tijdens zijn onvolwassenheid steeds en noodzakelijk vereist was. Maar de zaak is gebaseerd op het tot hun recht laten komen van de werkelijke verhoudingen binnen het universum. Daartoe behoort een volledig en ongedwongen uitgewikkelde persoonlijkheid van de individuele mens en per se niet van de een of andere onderworpene.

 

512.  Verreweg de meeste mensen, waaronder ook diegenen die zich tot de denkers rekenen, kunnen zich nog niet boven hun eigen culturele onvolwassenheid uitheffen, met als gevolg dat zij almaar zitten te zeuren over die huidige slechte individualistische mens die op zijn schreden zou moeten terugkeren en weer sociaal worden - alsof hij voorheen ook maar ččn moment werkelijk sociaal geweest is! Het gevolg van dit onvermogen is dat die mensen, als zij bijvoorbeeld enigerlei vorm van macht hebben, de huidige ontwikkelingen niet langs goede banen kunnen leiden en zodoende de samenleving in een steeds grotere en verwarrende chaos storten. Hun onvermogen is dus geworteld in een foute kijk op hun wereld. Zij menen dat die veranderd kan en moet worden, en wel door een elite. Uiteraard is dat de elite waartoe zij zelf behoren.

Maar, juist omdat zij voor eigen besef een elite vormen, staan zij onvermijdelijk buiten en boven elke collectieve structuur. Op hen is het begrip collectief niet van toepassing. Zij zijn er echter wel tenvolle van overtuigd dat de mensen - voor hen: het volk - op moeten gaan in een maatgevend collectief. Zonder zo'n overkoepelend orgaan ontstaat er chaos en anarchie en kan er van een humane wereld niets terechtkomen, vinden zij, uiteraard bepaald niet zonder eigenbelang!

Het is natuurlijk terecht als zij opmerken dat het actuele individualisme, waarmee zij dagelijks te maken krijgen, een negatieve rol speelt. Begrippen als gemeenschap en openbare voorzieningen raken geheel en al uitgehold en de betekenis van het begrip sociaal is al helemaal verloren gegaan. Maar in plaats van te begrijpen dat dit behoort bij een nog maar kort doorgebroken en algemeen geldend geworden nieuwe ontwikkeling, die op zichzelf de mensen een flinke schrede dichter bij de volwassenheid zal brengen, gaan zij er verbeten toe over de zaak te bestrijden.

 


513.  Het is typerend voor de moderne, intellectueel ingestelde mens: het bestrijden van symptomen zonder ook maar het geringste idee te hebben van de zaak zčlve. Zo wil men tegenwoordig de symptomen van een zich doorzettende individualistische samenleving wegwerken zonder ook maar enig benul te hebben van de betekenis van een dergelijke samenleving. Had men dat wel in de gaten, men zou zich niet blindstaren op de symptomen, maar de nieuwe ontwikkeling in goede banen leiden, zoals men een kind naar volwassenheid begeleidt. Deze 'verzorgde groei' zou als vanzelf een hindernis vormen voor het verpauperen van individualisme tot egoďsme. De zorg belemmert het ontstaan en het zich ontwikkelen van uitwassen. Maar, waarom het almaar gaat zijn niet die uitwassen. Het gaat nadrukkelijk om het realiseren van een verzorgde groei, opdat de samenleving steeds en op elk moment optimaal functioneert.

Dat allemaal is heel wat anders dan het voortdurende tegenwerken zoals dat tegenwoordig, vooral vanuit de zogenaamde progressieve hoek, plaats vindt.

 

514.  Opvallend is overigens ook dat de eerder genoemde elites voor zichzelf wel de vrijheid en de voorrechten van een individualistische samenleving opeisen. Voor hen is dat vanzelfsprekend omdat zij, als elites, per definitie toch al buiten elk collectief vielen. Als zogenaamde bestuurders van een collectivistische wereld opereren zij noodzakelijk van buitenaf en bepalen, al of niet op democratische wijze, hoe men zich binnen het collectief te gedragen heeft. Hun behoefte aan een collectief geldt dus niet henzelf, maar 'de rest', 'het volk' - en hoe men dit verder nog te benoemen weet...

Alles wat elitair is maakt zich noodzakelijk los uit het collectief, de groep. Dat is een verschijnsel dat naadloos past op de cultuur van de westerse wereld. Het gaat hierbij om het zich bevrijden door de mens van alle evolutionaire bindingen en het zich ontwikkelen tot het 'vrijzwevende' verschijnsel, dat hij is. En nu zijn het die elites in wie zich dit proces het sterkste manifesteert.

In zoverre zou het allemaal prima in orde zijn, zozeer zelfs dat men zou gaan verwachten dat deze elites zich ten voorbeeld aan de mensheid zouden stellen, een rol die eigenlijk voor hen weggelegd is. Men heeft dan ook steeds aangevoeld dat dit het geval zou moeten zijn: enerzijds hebben de mensen altijd tegen de elites opgekeken en anderzijds hebben die elites het steevast doen voorkomen dat zij 'voorbeeldig' zouden zijn. 'Edel' hebben zij zichzelf genoemd en 'vorstelijk' was hun gedrag! Althans, dat vonden zij zčlf!

Maar dat was en is onvermijdelijk de buitenkant, want in een onvolwassen wereld lokken onweerstaanbaar de heerlijke voordelen van de persoonlijke vrijheid! Het binnenhalen van die voordelen is het eeuwigdurende asociale uitbuiten, dat kenmerkend is voor de gehele geschiedenis van de ňnvolwassen mensheid. Eigenlijk is dat een 'lijdensgeschiedenis' waarin voor mededogen alleen maar bij uitzondering plaats is. Daarvoor is in ieder geval geen plaats bij de elites, want die staan nu eenmaal in het teken van de particuliere zelfverwerkelijking. In het teken dus van het alleen maar voor zichzelf opeisen van het recht en de materiële middelen om zich als individu te laten gelden.

Zo zal duidelijk zijn dat juist diegenen die de sterkste aanleg tot individu-zijn bezitten de meest gewetenloze en meedogenloze uitbuiters zijn, althans zolang en voorzover zij zelf nog onvolwassen zijn en leven temidden van alsnog onvolwassen mensen. Je kunt dus zeggen dat het op vooralsnog onvolwassen wijze 'volwassen-zijn' een nimmer aflatende bron van leed voor de 'gewone' mensen is. Dat is in feite een gruwelijke paradox!

 

515.  Er is een wereld van verschil tussen de samenleving als collectief en de samenleving als genootschap.


Het verschil is gelegen in de richting waarin het denken en dus ook het dagelijkse handelen, zich beweegt. Als het gaat over het collectief is de richting van denken en handelen van beneden naar boven. Omdat het om dat 'boven', het hogere dus, gaat is dat in alle opzichten de maat der dingen. Het collectief wordt dan gewaardeerd als iets dat boven het enkele uitgaat. Dat betekent voor de mensen dat de gemeenschap, de samenleving, de staat, de overheid en hoe al dat fraais verder nog mag heten, boven de individuele mens gesteld is en voor hem dus ook als de onaantastbare maat der dingen geldt.

De vertegenwoordigers van zo'n hogere instantie hebben het recht en, naar zij zelf vinden, de plicht om voor dat collectief op gezaghebbende wijze de dienst uit te maken. In welke vorm dit procédé ook onder omstandigheden gegoten wordt, bijvoorbeeld in een democratische vorm, doet er in feite weinig toe. In theorie en praktijk hebben die vertegenwoordigers in laatste instantie absolute macht: de tot het collectief behorende leden hebben zonder meer te doen wat er gezegd wordt. Alle mooie verhalen over medezeggenschap, democratische inspraak en vrijheid verdoezelen alleen maar het wrange feit dat de gewone mensen, die niet met gezag bekleed zijn, uiteindelijk toch niets te vertellen hebben. Het gevolg hiervan is dat het overgrote deel van de menselijke energie en inventiviteit niet aan bod komt en verloren gaat. Slechts de ideeën en vooral de wanen van de machtige vertegenwoordigers kunnen tot hun recht komen met, naar steeds meer duidelijk wordt, rampzalige gevolgen.

 

516.  Wederom een eigenaardige paradox: als de gewone mensen wčrkelijk niets te vertellen hebben en er dus geen vormen van democratie bestaan, zoals in een dictatuur het geval is, is het besef van eigenwaarde van de individuen vrijwel ňnaangetast. Dat komt doordat vanuit het dictatoriale denken die eigenwaarde helemaal niet bestaat. Daar is het nou net dictatoriaal denken voor! Dus behoeft er door de machthebbers geen rekening mee gehouden te worden. Bijgevolg worden de gewone mensen niet misleid en zoet gehouden met quasi-redelijke verhalen over medezeggenschap en mensenrechten.

Ten gevolge daarvan is de zaak, hoewel onmenselijk, duidelijk voor de mensen. De vijand is herkenbaar. Zij kunnen nu voor zichzelf bepalen of en hoe zij zullen reageren, bijvoorbeeld door zich op de een of andere slimme, al of niet gewelddadige, wijze te verzetten. In feite kunnen zij zich daardoor behoorlijk 'uitleven' zodat hun psyche redelijk gezond blijft. Het besef van machteloosheid doet zich bij hen gelden als een reële zaak. Ze zijn machteloos en ze weten dat.

Is er echter een democratie, dan zijn de werkelijke verhoudingen bijna geheel verdoezeld. Zo geldt bijvoorbeeld de theorie van de medezeggenschap. Daardoor lijken de mensen mee te tellen en zelfs wordt hen schaamteloos voorgespiegeld dat zij het zelf zijn die het collectief besturen, althans er invloed op kunnen uitoefenen. Het zijn in feite echter leugens!

Omdat de mensen daardoor telkenmale ervaren dat hun zogenaamde democratische inbreng al spoedig doodloopt en dat er voor hen slechts overblijft dat zij zonder meer hebben te gehoorzamen, ontstaat er een psychische onvrede en een soort van Kafkajaanse vertwijfeling. Men is niet alleen ontevreden, maar men is ook geneigd tot allerlei asociaal gedoe en zelfs corruptie. Op den duur wordt men onverschillig voor de machthebbers en hun leugens en daarmee verliest ook het collectivistische denken zijn inhoud en betekenis. Dat is de labiele situatie waarin de mensen aan het einde van de 20ste eeuw verkeren...

 

517.  Er is geen goed woord te zeggen van de dictatuur, maar er is evenmin iets goeds te zeggen van de onvolwassen collectivistische democratie van de modern-westerse wereld. Onder de dictatuur is de mens praktisch ňnvrij, maar tegelijkertijd onaangetast in zijn persoonlijke eigenwaarde, zelfs als hij vernederd en gekrenkt wordt. Hij kan en zal zich verzetten en zich daarin psychisch 'bevrijd' voelen.


Onder de democratie kunnen de mensen gaan en staan waar zij willen. Zij kunnen zeggen wat zij willen en hebben zelfs officieel goedgekeurde mogelijkheden tot verzet. Maar, zij misleiden zichzelf en zij worden misleid, want letterlijk ŕlles loopt onafwendbaar uit in mistige, onbegrijpelijke en spookachtige toestanden die psychisch uitermate bedreigend zijn. En uiteindelijk doemt daar uit de mist toch de dictatuur op, nu echter uitgeoefend door de vertegenwoordigers van het collectief, die het recht en de plicht zeggen te hebben de dienst uit te maken. Zij zijn immers op democratische wijze gekozen!

Beide, de tirannieke persoonlijke dictatuur en de democratische collectivistische dictatuur berusten, zoals gezegd, op het denken van beneden naar boven. Een denken waarin alles naar zijn ideaal wordt opgewaardeerd, een ideaal dat vervolgens in de vorm van een ideologie alles en iedereen gaat overheersen.

nihilistische cultuur-1( na believen: zie de nos. 517 t/m 520)

 

518.  Als het gaat over de mensheid als genootschap zou men van een denken van boven naar beneden kunnen spreken. Maar welbeschouwd bestaan er dan geen beneden en boven. Geef je echter aan dat 'boven' de betekenis van het redelijke, het humane en rechtvaardige, dan is te zeggen dat dit 'universele' uitgangspunten zijn van waaruit de mensen komen tot het besef een genootschap te vormen.

Het kenmerkende daarvan is dat die redelijke, humane en rechtvaardige criteria nu niet als een dwingende ideologische macht boven de mensen uitgaan, maar op hun eigen niveau liggen. Zij zijn ten volle van toepassing op de mensen zčlf, op de individuen. Het zijn criteria die zijn gaan gelden voor de concreet bestaande mensen en niet voor een of ander, als hoger beschouwd, collectief.

Ieder afzonderlijk mens is zich van die criteria bewust en laat die gelden. En daarmee kan zich ook realiseren dat die redelijke, humane en rechtvaardige verhoudingen onmiddellijk inhouden dat mensen ten behoeve van bepaalde doeleinden met elkaar aan de slag gaan en zo genootschappen gaan vormen. Anders gezegd: zij gaan in teamverband werken.

In zo'n team is niemand de baas, want er gelden geen hogere waarden. Wel echter, en dat wordt vaak over het hoofd gezien en doorgaans ook niet begrepen, aanvaarden de leden van een team de leiding van de meest deskundige. Daartoe komt men op grond van onmiskenbare ervaringen. Dus niet op grond van theoretische intellectuele kwalificaties. Bovendien geeft deze aanpak nauwelijks problemen met macht of afgunst omdat elk waardebesef ŕfwezig is. Daardoor immers kan het om de zaak zelf gaan! Doordat dit het geval is en doordat ieders kwaliteiten tenvolle benut worden kan het genootschap van alle individuen optimaal functioneren. Dat iedereen hier bovendien psychisch gezond bij blijft behoeft uiteraard geen betoog.

 

519.  Alleen al het feit dat aan de mensheid als genootschap op geen enkele wijze een waardebesef ten grondslag kan liggen en dat het dus om een nihilistische cultuur gaat, maakt dat de huidige mensheid geen schijn van kans heeft zich als genootschap te laten gelden. Het is zelfs zo sterk dat verreweg de meeste mensen, inclusief de denkers, niet eens kunnen begrijpen wat een dergelijke nihilistische cultuur inhoudt, laat staan dat zij de zaak op een behoorlijke manier kunnen doordenken. Het collectivisme steekt almaar weer de kop op en tegelijkertijd wordt het zo essentiële individualisme al bij voorbaat gewantrouwd en verworpen.

Een en ander geschiedt ongemerkt, als een automatisme. Resultaat is een heel complex van verborgen vooronderstellingen die geniepig zijn dat zij zelfs het filosofische denken besmetten. Ook de meeste filosofen kunnen zich niet indenken dat juist de mens als individu, de individu, tot waarlijk socialisme en communisme in staat is, in die zin dat voor de ene individu de andere ňnvoorwaardelijk aanwezig is en dat de individuen bijgevolg met zijn allen op deze wereld zijn.

nihilistische cultuur-1( na believen: zie de nos. 517 t/m 520)

 


520.  Tegen de tijd dat de collectivistische maatschappij definitief aan zijn ondergang is begonnen en noodzakelijkerwijs tegelijkertijd het individualisme de kop op begint te steken, tegen die tijd wordt de inhoud van het hogere meer en meer een verzameling theorieën en zelfs een complex van wanen. De vertegenwoordigers van dat hogere zijn dan als vanzelfsprekend de theoretisch geschoolden, dus de academici.

Er bestaat dan nog steeds iets hogers en dus is er nog steeds collectivisme en het ontbreekt dus ook niet aan een elite. Was de macht van die elite vroeger aan de praktijk ontleend, doorgaans in de vorm van traditie en rijkdom, in die eindfase van de modern-westerse cultuur gaat het bij de elite om de theorie en de daarin verworven kwalificaties.

Voor die elite is de werkelijkheid zoals de theorie die laat zien. Als dan telkenmale blijkt dat de theorie een rampzalige maatschappelijke uitwerking heeft en in toenemende mate tot chaos en vertwijfeling leidt, ligt de schuld niet bij de theorie, maar bij 'het volk' dat te kortzichtig en te lui is om zinvol, dat wil zeggen: overeenkomstig de theoretische voorschriften, te leven en te handelen. De theorie is bij voorbaat en per definitie correct. Mislukkingen zijn te wijten aan zogenaamde menselijke fouten. Alsof er ook andere fouten zouden bestaan!

Het spreekt vanzelf dat door deze verblinding van de regerende academische elites de druk op de gewone mensen gestaag toeneemt. De gewone mensen moet letterlijk 'mores' geleerd worden. Totdat zij tenslotte geheel en al klem zitten en uit pure wanhoop tot destructie overgaan...

nihilistische cultuur-1( na believen: zie de nos. 517 t/m 520)

 

521.  Als er iets is dat niet berekend kan worden is het het beleven en ondergaan van schoonheid en waarheid. Beide begrippen behoren tot de werkelijkheid als bewustzijn en zij doen zich, op de wijze van 'beeld', ervaren ŕchter de werkelijkheid als voorstelling. Het gaat bij beide begrippen over een door en door beweeglijke zaak, waarvan wel te achterhalen is hňe die is maar waaraan niets valt te berekenen en te voorspellen. Het antwoord op de vraag "hoe is die werkelijkheid" kan alleen maar terugblikkend gegeven worden. Dat wil zeggen dat er eerst een bepaalde realiteit moet bestaan waaraan schoonheid en waarheid zich af kunnen spiegelen, maar dat er nimmer van tevoren bepaald kan worden welke waarheid en welke schoonheid zich zullen doen ervaren.

Bijvoorbeeld: van een kunstwerk, laat ons zeggen een schilderij, kan nooit van tevoren berekend en gesteld worden hoe de waarheid en de schoonheid ervan zich zullen manifesteren. Er zijn vooraf geen criteria te geven. Pas als het kunstwerk er eenmaal is en men het kan beschouwen manifesteren schoonheid en waarheid zich in meer of minder heldere mate.

Dat manifesteren geschiedt op beweeglijke wijze. Het is eigenlijk geen vast te leggen aangelegenheid. Wat er dan ook gebeurt is dit merkwaardige fenomeen dat de psyche van de beschouwer gaat meetrillen met het beweeglijke, trillende, beeld dat het kunstwerk oproept. Men wordt zogezegd 'ontroerd', er wordt iets 'losgemaakt', men wordt er door 'gegrepen'. Het meer of minder grote vermogen tot meetrillen en de kwaliteit daarvan bepalen de gevoeligheid van de beschouwer in zaken van kunst.

Hetzelfde geldt als het over filosofie gaat. Degene die er kennis van neemt valt de filosoof niet bij doordat hij door een logische berekening overtuigd wordt of doordat hij zelf reeds van tevoren een aantal filosofische criteria opgesteld had, maar doordat hij psychisch gaat meetrillen en daardoor hetzelfde gaat ervaren als de filosoof. De bijval die een filosoof geniet berust dan ook op psychische overeenstemming: men heeft dezelfde 'kijk' op de zaak. Het verhaal dat de filosoof vertelt roept dat meetrillen op en de vereiste logica ervan verheldert het door het meetrillen opgeroepen beeld.


In tegenstelling tot de moderne positivistische en analytische opvattingen gaat het over een universele zaak. Daarom is te zeggen dat hier nu eerst recht het begrip objectiviteit geldt. De 'inspirator', te weten de kunstenaar of de filosoof, doet deze universele werkelijkheid ervaren bij de 'geďnspireerde'. Genoemde objectiviteit hangt onverbrekelijk samen met de individu, reden waarom het rationele modern-westerse denken de zaak 'subjectief' noemt, terwijl het in feite de enig mogelijke objectiviteit is. Hij geldt immers voor iedereen en laat zich in iedereen in meerdere of mindere mate gelden!

 

522.  De trillende zaak die het bewustzijn is, is in feite materieel van aard. Het is de levend geworden materiële samenstelling, het verschijnsel, waarin zich dat trillen afspeelt. Het is zo voor te stellen dat de materie op zichzelf, die het lichaam vormt, gelijk de klankkast van een viool in trilling komt door de trilling die het bewustzijn is. In overeenstemming daarmee is te zeggen dat het lichaam fungeert als 'klankkast' van het bewustzijn en nu is dat fungeren als klankkast de werkelijkheid als psyche.

Niet alleen echter dat het eigen lichaam van iemand tot meetrillen komt en zich zo als een psychische zaak laat gelden, maar dat psychische kan zich ook meedelen aan anderen zodat die op dezelfde wijze gaan meetrillen. Er is dan letterlijk 'overeenstemming'.

Zoals gezegd baseren de kunsten en de filosofie zich hier op, ieder op eigen wijze, maar de filosofie op denkende wijze.

 

523.  Omdat het denken het voertuig van de filosofie is moet de filosoof logisch tewerk gaan. Dat betekent in de eerste plaats dat hij het vrijdenken moet beoefenen en zich doormiddel daarvan moet bevrijden van wanen, vooroordelen en verkeerde voorstellingen. Onlogisch denken is in strijd met het wezen van de filosofie. Dat is er onder andere de reden van dat het bijvoorbeeld onjuist en zelfs beledigend is de theologie als filosofie te benoemen. Sommigen spreken van 'godsdienstige filosofie', of, meer verhullend 'filosofie van de godsdienst', maar hoe men het ook wenst te noemen, het is en blijft misleidend en onjuist.

Dan zijn er ook nog veel moderne filosofen die geloven dat de taal het voertuig van de filosofie is. Dat is grote onzin! De taal is als de penseelstreek van de schilder, het toucher van de pianist enzovoort. Iedere filosoof heeft zijn eigen 'penseelstreek', gebruikt zijn eigen taal en uitdrukkingen, maar het voertuig, het denken, is hetzelfde. Vandaar dat het denken van de ouden, zoals Plato, en het denken van filosofen uit andere culturen, zoals dat van de Zen-Boeddhisten, volkomen vertrouwd is voor een ieder die pleegt na te denken. Of het gemakkelijk te begrijpen is, is een andere zaak.

 

524.  Het woord atheisme heeft zoals bekend een ontkennende betekenis. Dat houdt onder andere in dat een deel van het woord, namelijk 'theďsme', verwijst naar iets dat gangbaar is en dat dus als normaal wordt beschouwd, terwijl een ander deel, namelijk 'a', dit zogenaamd normale afwijst. De a‑theďst ontkent dus datgene dat door de theďst voor waar wordt gehouden, in feite het bestaan van een god of goden.


Dit 'afwijzende' atheisme is geheel en al gebonden aan god, de theologie en de godsdienst. Het verandert dan ook automatisch van strategie en inhoud als en voorzover het godsdienstige denken verandert. Is dat denken nog op een ouderwetse en slaafse manier dogmatisch, dan zal het atheisme een strijdbaar en zelfs wel enigszins agressief karakter hebben, waarbij het zijn argumenten voornamelijk ontleent aan veronderstelde ongerijmdheden in de gebruikelijke godsdienstige geschriften, zoals de bijbel. En ook zal de atheist 'Auschwitz-argumenten' gebruiken, in de trant van "Als god bestaat, hoe kon hij dan werkeloos toezien bij wat er in Auschwitz gebeurde? Een god die zoiets toelaat kan er helemaal niet zijn!". Men probeert dus de gelovigen ervan te overtuigen dat die geschriften en dat goddelijke gedrag niet deugen, omdat zij in strijd zijn met de beschikbare al of niet historische feiten en ook in strijd met de rechtvaardigheid. Door aldus tewerk te gaan hopen de aanhangers van het 'afwijzende' atheisme hun tegenstanders tot andere gedachten te brengen. In feite echter is dit atheisme even dogmatisch als de godsdienst. Er wordt volop verketterd en het dragen van oogkleppen wordt valselijk voorgesteld als het laten gelden van 'principes'.

Het draait er noodzakelijkerwijs op uit dat er voortdurend een 'welles-nietes' discussie gevoerd wordt, die nu niet bepaald een toonbeeld van diepgang genoemd kan worden. Het is allemaal nogal bot...

 

525.  Er is ook een 'afwijzend' atheisme dat minder dogmatisch is en dat zich vooral bedient van kennistheoretische logische argumenten. Deze argumenten zouden dan duidelijk moeten maken dat de godsdienstige theorie niet voldoet aan door de wetenschap gestelde logische criteria en dat de zaak dus vol zit met tegenspraken, ongefundeerde vooronderstellingen en onverantwoorde gevolgtrekkingen. In feite gaat het dan over een poging van de atheisten de theologie aan de kaak te stellen als een onhoudbare pseudo-theorie, steunend op een willekeurige en ondeugdelijke  gedachtegang.

Daarbij komt dan ook nog dat men de theologie het recht ontzeggen wil zich een wetenschap te noemen. Hoewel die opvatting natuurlijk juist is blijft de discussie over het algemeen toch ook in een autistisch 'welles-nietes' steken.

 

526.  Alle varianten van het 'afwijzend' atheisme zijn gebaseerd op de geldende godsdienst zčlve en de daarbij behorende theologie. Op grond daarvan is van een grote mate van afhankelijkheid te spreken. De inhoud van dat atheisme wordt immers tenvolle bepaald door datgene waartegen het zich verzet, namelijk de godsdienst.

Het mag dan ook geen wonder heten dat men het atheisme in de praktijk nauwelijks serieus neemt en dat het eigenlijk zelfs wel als iets abnormaals, ziekelijks en doms beschouwd wordt. Men vindt het zinloos gedram en onverdraagzame bemoeizucht. En daarbij is het opmerkelijk dat ňngelovigen van allerlei snit hierbij de boventoon voeren! Vooral in intellectuele kringen ziet men er niet tegenop genoemde afwijzende atheisten onredelijkheid, dogmatisme en intolerantie te verwijten en daarbij gaan sommigen zover dat zij spreken van 'fundamentalisten'. Volgens het huidige academische denken zijn deze verwijten tenvolle gerechtvaardigd omdat de atheist zijn mening over god en de godsdienst niet ter discussie stelt, maar zonder meer met grote stelligheid poneert. En nu blijkt het vooral die stelligheid te zijn die op die, door modieuze twijfel overmande, academici inwerkt als een rode lap op een stier! Zij vinden dat men over het al of niet bestaan van goden geen zekerheid kan verkrijgen en omdat zij er, als de intellectuele bloem der natie, geen zekerheid over kunnen verkrijgen kan vanzelfsprekend niemand dat...

 


527.  Het 'afwijzende' atheisme wordt bij voortduring in de verdediging gedrongen. Zonder zich ook maar in de verte verplicht te voelen het eigen godsgeloof van een deugdelijke fundering te voorzien verlangen de godsdienstigen van de atheist dat hij zijn opvattingen met bewijzen staaft. En die afwijzende atheist trapt daar telkenmale weer in, hoewel hij toch zo langzamerhand zou moeten weten dat er tegen onzin geen tegenbewijzen mogelijk zijn. Hoewel die atheist het gelijk aan zijn kant heeft zal hij daarom steeds het onderspit delven. Dat is onvermijdelijk, juist doordat hij zijn hele denken koppelt aan de onzin, de ziekelijke waan, die hij bestrijden wil. Omdat deze waan, namelijk het godsgeloof, door alle onvolwassen samenlevingen als 'normaal' wordt beschouwd is de bestrijder van dit godsgeloof automatisch een recalcitrante afwijkeling die bij alle mogelijke gelegenheden verantwoording af zal moeten leggen.

Voor diegenen die in een waan leven is de realist een gevaarlijke gek die zo gauw mogelijk buiten spel gezet moet worden! Het is inderdaad een 'omgekeerde wereld', maar dat behoeft eigenlijk niet te verbazen, want voor het besef van ňnvolwassen mensen verschijnt een omgekeerde werkelijkheid nu eenmaal noodzakelijk als de echte. In een onvolwassen wereld staat alles op zijn kop.

 

528.  Wat men relatief weinig tegenkomt is het 'begrijpend' atheďsme. Dit kan zich op drie manieren laten gelden, namelijk ten eerste door zich langs filosofische weg inzicht te verschaffen in de werkelijkheid en zodoende de vraag te beantwoorden of goden al of niet bestaan kunnen. Aldus tewerk gaande blijkt onvermijdelijk dat dezen inderdaad niet kunnen bestaan en dat wij derhalve met onzin van doen hebben als iemand het tegendeel beweert.

Ten tweede kan men zich, wederom langs filosofische weg, inzicht verschaffen in de cultuurontwikkeling zoals die tot het geloof in goden en het zich onderwerpen aan godsdiensten geleid heeft. Dan blijkt dat men zich in de oudheid van een beeld-denken bediende waarin goden, godinnen en geesten model stonden voor bepaalde reële verhoudingen in en van de werkelijkheid. En vervolgens blijkt dan ook dat, met het inzetten van de moderne tijden, de analytisch ingestelde westerse mensen zijn gaan menen dat die metaforen zčlf echt bestaande verschijnselen zijn, dus dat er concrete goden bestaan, dat er echt wonderen zijn verricht, dat de bijbel echt door god gedicteerd is, dat de maagd echt een goddelijk kind heeft gekregen, enzovoort.

Het filosofische denken kan dit allemaal duidelijk maken. Deze en dergelijke inzichten zijn nu eens wčrkelijk funest voor de godsdiensten en alle mogelijke andere occulte ideeën!

Ten derde is daar ook nog de psychologische verklaring die erop neerkomt dat de godsdienstige voorstellingen in feite vaag aangevoelde menselijke verhoudingen zijn die door de mensen tegen de hemel, het hogere, geprojecteerd worden en die daardoor langzaam maar zeker de indruk zijn gaan wekken een eigen realiteit te bezitten. Men kan dan stellen dat die goddelijke wezens wel degelijk bestaan, maar uitsluitend in de hoofden van de mensen. Voor hun zelfbewustzijn en dus ook voor hun denken en voelen zijn zij realiteiten.

Je kunt nu dus spreken van een begrijpend atheďsme. Dat is qua begrijpen in geen enkel opzicht afhankelijk van de godsdienst en de theologie. Het is een autonome filosofie die in zichzelf dragend is, zoals dat met filosofie het geval behoort te zijn.

Het is zelfs zo dat dit 'begrijpend atheďsme' eigenlijk niets met de godsdiensten te maken heeft, zodat de filosoof nauwelijks behoefte gevoelt met gelovigen in discussie te gaan. Dat wordt doorgaans nog versterkt door het feit dat het volgen van deze filosofische strategie met zich meebrengt dat de filosoof zčlf alreeds alle tegenargumenten, die van godsdienstige zijde ingebracht kunnen worden, uitvoerig doordacht heeft. Men komt dus met niets nieuws. Alles is voor hem 'oude koek'. Als er voor de denker nu iets uitermate vervelend is, is het die weinig intelligente godsdienstige exegese wel.

Maagd-1    Maagd-2

 


529.  Het wetenschappelijk onderzoek heeft een cumulatieve werking op de wetenschap zelf. Er komt namelijk almaar nieuwe kennis bij zodat dat gedeelte van de werkelijkheid, dat door de wetenschap bestreken wordt, gestaag in omvang toeneemt. Overal ter wereld voegen wetenschappers iets toe aan die verzameling kennisdata. Allemaal zijn zij echter uitsluitend op hun eigen terrein bezig. Als gevolg van het analytische karakter van de moderne wetenschap worden die persoonlijke onderzoeksgebieden almaar kleiner en uiteraard tegelijkertijd talrijker. Bovendien bevatten die kleinere vakgebieden steeds meer kennisdata.

Deze ontwikkeling is inmiddels al zover gevorderd dat het zelfs niet meer mogelijk is volledig op de hoogte te zijn van alle kennisdata van het eigen vakgebied. Men kan ze niet langer allemaal kennen, laat staan dat men ze nog zelf kan controleren. Bijgevolg is men gedwongen vertrouwen te stellen in de bekwaamheid en integriteit van zijn collega's. Dat heeft eigenaardige gevolgen!

Wanneer men namelijk een wetenschappelijke verhandeling wil schrijven over een bepaald onderwerp is men genoodzaakt zich gedegen op de hoogte te stellen van datgene dat door anderen over dat onderwerp gepubliceerd is. Met behulp van dat materiaal, gevoegd bij wat men zelf ter beschikking heeft, kan men die verhandeling opbouwen. Daarbij gebiedt het wetenschappelijk fatsoen dat men precies aangeeft waar men zijn materiaal vandaan gehaald heeft. De opgave daarvan heet tegenwoordig het 'notenapparaat'. Uiteraard behoort dat er volledig bij, maar het is gaandeweg mode geworden om dat notenapparaat tot in het ridicule uit te breiden en er uiterst gedetailleerde paragrafen van te maken. Je krijgt zelfs de indruk dat het eigenlijk om dat notenapparaat gaat en dat het als een graadmeter voor de geleerdheid van de schrijver functioneert.

Niet alleen echter voor de geleerdheid, maar ook voor de betrouwbaarheid. De schrijver van de bedoelde wetenschappelijke verhandeling kent zichzelf via dat notenapparaat een zekere status toe. Die status berust dus nagenoeg geheel op het werk van anderen, die overigens op hun beurt status ontlenen aan het werk van weer anderen...

Gevolg is tenslotte dat iedereen zich bezig houdt met een werkelijkheid waarvan men aangenomen heeft dat zij juist en waar is, maar die in feite buiten de mens zčlf staat in plaats van diens inhoud te zijn.

 

530.  Het zou stellig niet onredelijk zijn als men de situatie waarin de moderne mens qua weten en kennis verkeert zou benoemen met het begrip geloof, uiteraard opgevat in de modern-westerse zin van het woord. Dus in de betekenis van: aannemen dat een bepaalde cluster van kennisdata juist is. Anders gezegd: aannemen dat iets waar is. Daaraan meekomend kan men dan stellen dat het eigenlijk allemaal een variant van modern-westerse godsdienstigheid is. Op het eerste gezicht lijkt dit wat vergezocht en zelfs wel enigszins onrechtvaardig met betrekking tot de wetenschappen, maar bij nadere beschouwing blijkt het helemaal zo vreemd nog niet!

Er kan namelijk ook van een 'indirecte godsdienstigheid' sprake zijn waarbij het niet in directe zin gaat om onderwerping aan met name genoemde goden. Men noemt het ook wel 'religiositeit' of 'spiritualiteit', maar die woorden hebben alleen maar een cosmetische functie, en wel om de zaak redelijker voor te stellen dan ze is en daarmee te verbloemen dat het toch over een vorm van onderwerping aan iets hogers gaat.

Een ieder weet dat er tegenwoordig door menigeen gedacht wordt aan een 'universele geest', of aan machtige 'kosmische krachten' die op de een of andere duistere manier het leven van mens en dier beheersen. Dan wordt er ook nog met graagte gesproken van een 'noodlot' en sommigen rommelen zelfs met zoiets als 'karma'. Voeg daar nog bij het schier onuitroeibare geloof aan een 'hiernamaals' of een, vooral bij antroposofen gekoesterd, 'hiertussenmaals'. Dat alles omdat men het in zijn onvolwassenheid nog immer niet kan verdragen zonder een hogere macht te moeten leven. Hiermee is overigens nog maar een klein deel van het enorme scala aan onvolwassen kinderachtigheden getekend.

Antroposoof-1 ; Antroposoof-2 ; Antroposoof-Rudolf Steine – lees ook nr. 539 ;

 ;

 


531.  Het zou met die 'indirecte godsdienstigheid' nog zo merkwaardig niet gesteld zijn als de daaraan meekomende dwaasheden niet tegelijkertijd met een hoog ontwikkeld wetenschappelijk denken gepaard gingen. Men maakt het zelfs zo bont dat men zonder blikken of blozen waandenkbeelden als reincarnatie en de cyclische wederkeer van alle individuele levensvormen als legitieme wetenschappelijke theorieën presenteert.

Steeds weer blijkt dat men niet buiten hogere instanties kan, zeker niet als het om fundamentele levensvragen gaat.

Niet zonder reden spreek ik van een 'indirecte godsdienstigheid'. Er behoeft immers niet noodzakelijk een god aan te pas te komen om toch onverdroten te buigen voor enigerlei vorm van 'het hogere'. En nu is het treurige dat ook de wetenschappen daarvoor in aanmerking kunnen komen. Als verklarende instanties staan zij, intellectueel gezien, boven het banale alledaagse en in hun vermeende objectiviteit worden zij geacht boven de subjectieve mens uit te gaan. Gevolg is dat zij, net als de godsdiensten, dienstbaarheid af kunnen dwingen. En net als in de godsdiensten steunt men aanhoudend op elkaars uitspraken en ontleent daaraan zelfs een niet geringe autoriteit.

Bovendien gebruikt men de wetenschappen bij alle mogelijke gelegenheden om de argumenten van anderen neer te sabelen. De wetenschappen worden met graagte aangewend om er zich, met veel vertoon van autoriteit, achter te verschuilen. Dat komt vooral voor bij diegenen die zich, op grond van hun academische opleiding, verbeelden wetenschapper te zijn.

 

532.  Als men eenmaal in de gaten heeft dat de huidige mensheid nog volop in allerlei directe en indirecte vormen van godsdienstigheid bevangen is wordt het betrekkelijk gemakkelijk om eveneens in te zien dat vrijwel het hele intellectuele gedoe van de moderne mensen een verwarde en kinderachtige aangelegenheid is. Men weet zelfs met de meest eenvoudige begrippen geen raad. Wat is het zelfbewustzijn en wat het bewustzijn? Men weet het niet! Hoe zit het met de verhouding tussen het individu en de gemeenschap? Men weet er geen behoorlijk antwoord op, hetgeen in dit geval nog eens extra duidelijk maakt dat de mensheid in filosofische zin nog nauwelijks tot enige verheldering is gekomen sinds de oude Grieken, want die wisten 2000 jaar geleden ook al geen raad met deze en dergelijke thema's.

Zo kon men onlangs vernemen dat enkele professoren van een om zijn zakelijkheid bekend staande universiteit er geen vrede mee hadden dat het leven met de dood een einde nam. Dus waren zij tot de niet erg doordachte conclusie gekomen dat hen nog een reeks van volgende levens te wachten stond. De diepere zin daarvan zou dan zijn dat het individu gaandeweg tot grotere wijsheid zou komen. Zij waren er ook van overtuigd dat zij al een aantal malen eerder op deze wereld waren geweest, maar kennelijk hadden deze levens helaas nog niet tot grotere wijsheid geleid. Althans, daarvan was absoluut niets te merken...

 

533.  Omdat men doorgaans niet in staat blijkt te begrijpen welk verschijnsel de mens is en dus al helemaal in het duister tast als het gaat om datgene dat dit verschijnsel zoal vertoont aan eigenaardigheden, zijn het vooral vragen naar de zin van het leven waarover men voortdurend de nek breekt. Steeds zoekt men het antwoord buiten de menselijke werkelijkheid, ergens over de grens van leven en dood en ver boven de banale stoffelijkheid van de planeet.

Maar het antwoord ligt besloten in het verschijnsel mens zčlf. Helaas is dat een te eenvoudige wijsheid om waar gevonden te kunnen worden!


De een of andere ingewikkelde, in academische termen vervatte abstracte verhandeling, rijkelijk voorzien van kennistheoretische hoogstandjes, maar geheel en al zňnder innerlijke samenhang.. kortom zo'n verhandeling wordt gretig aanvaard als een plausibel antwoord. Of men het ook als het juiste antwoord beschouwt hangt van de gelovigheid van de vraagsteller af. En daarbij speelt een uitermate bedrieglijke rol het feit dat gelovigheid gedijt op een geslepen evenwicht tussen ingewikkeldheid en onbegrijpelijkheid. Beide laatstgenoemde criteria werden door handige filosofen, zoals bijvoorbeeld Heidegger, in ruime mate toegepast, met als gevolg dat de jongens en meisjes filosofie-studenten er tot op de dag van vandaag de hersenen mee pijnigen. Uiteraard in de rotsvaste zekerheid dat Heidegger een genie was..!

 

534.  In ruwe trekken ziet het verschijnsel mens er als volgt uit:

-     De mens is de laatste mogelijkheid waartoe het proces van de wording (genesis) komen kan. Hij staat aan het eind van de keten, maar niet zomaar zonder meer. Omdat hij aan het eind staat is hij er ook los van.

-     Het losstaan maakt hem vrijzwevend. Hij steunt nergens op en hij hangt nergens aan. Hij heeft nergens iets mee te maken. Hij is tenvolle nihilist en anarchist.

-     Doordat hij vrijzwevend is kan hij overal zowel ja als nee op zeggen. Dat betekent dat hij steeds zelf een oordeel moet vellen. Buiten hemzelf biedt de werkelijkheid hem geen zinvolle rechtvaardiging voor zijn bestaan, noch voor zijn ja of zijn nee.

-     Zelf een oordeel vellen houdt in de eerste plaats ook in dat hij geheel autonoom zin geeft aan zijn leven en bestaan en ook dat hij onder alle omstandigheden voor zichzelf doelen en normen stelt. Omdat de werkelijkheid hem, vanwege zijn vrijzwevendheid, geen doel en zin kan bieden mňet hij dit zelf doen. Elke zingeving, hoe fantastisch en onmogelijk ook, is noodzakelijkerwijs een strikt persoonlijke zingeving. Deze verwijst dus in geen geval naar een reële, maar uitwendige, verhouding in en van de werkelijkheid. Nimmer mag zo'n zingeving als een objectieve waarde gesteld en afgedwongen worden.

Uit dit ruwe schema blijkt dat de genoemde heren professoren goede sier proberen te maken met hun eigen onbegrepen en onzinnige zingevingen. Juist omdŕt deze niet anders dan persoonlijk kůnnen zijn vallen zij binnen hun kenvermogen en denken. Vandaar dat zij ter bestrijding van hun onzekerheden en doodsangsten zomaar in het wildeweg iets bedenken. Daar staat tegenover dat men redelijkerwijs van hen mag verwachten dat zij er helder en logisch over nadenken en geen quasi wetenschappelijke quatsch verkopen.

 

535.  Alle verschijnselen tot aan het verschijnsel mens zijn zinvol en hebben een doel. Maar, in tegenstelling tot wat veelal gemeend wordt is dat geen universele zaak, maar een zuiver aardse. Binnen het kader van de planeet hebben de verschijnselen een zin en een doel. Langs allerlei lijnen vormen de verschijnselen op aarde met elkaar ketens waarin steeds de voorgaande de grondslag legt voor de volgende. Een biologisch voorbeeld van zo'n keten is de voedselketen, maar ook de anorganische verschijnselen zijn in ketens opgenomen, bijvoorbeeld chemische. Gezegd kan dus worden dat elk verschijnsel er op de een of andere wijze is terwille of ten dienste van iets anders. Beter gezegd: het verschijnsel is er wel voor zichzelf, maar dat houdt onmiddellijk in dat het er tegelijkertijd voor iets anders is.

Het zijn deze ketens die bij de mens ophouden te bestaan, hetgeen uiteraard in overeenstemming is met diens vrijzwevendheid.

 


536.  Het komt nogal eens voor dat academici, die voor zichzelf de kwalificatie 'wetenschapper' claimen, tijdens discussies corrupte uitspraken doen in de veronderstelling dat hun opponenten wel in de val zullen lopen. Ze hebben in hun zelfoverschatting niet in de gaten dat zij daarmee juist zichzčlf doen kennen als onbetrouwbare, slordige en vaak buitengewoon arrogante denkers.

Dit laakbare gedrag hangt ongetwijfeld samen met de omstandigheid dat velen van hen al vanaf hun vroegste jeugd danig over het paard getild zijn vanwege hun zogenaamde intelligentie en de daaruit voortkomende status van 'het beste jongetje of meisje van de klas'. Zo'n status boezemt doorgaans ontzag in, vooral bij diegenen die zichzelf minder begaafd vinden en die bovendien bijna altijd denken dat 'goed kunnen leren' een blijk is van intelligentie. Het zou een belofte van wijsheid inhouden.

Van alle kanten worden dergelijke kinderen ontzien en men waagt het slechts schoorvoetend ze bij gelegenheid tegen te spreken.

Deze afschuwelijke intellectuele arrogantie wordt later, door toedoen van de onvermijdelijk volgende universitaire opleiding, ontwikkeld en versterkt tot een levenshouding die weinig ruimte laat voor het denken en de inzichten van anderen die niet tot de academische elite gerekend kunnen worden. De confrontatie met de wetenschap geeft de student het gevoel de beschikking te krijgen over zekerheden die kwalitatief verre uitgaan boven de meningen van 'de anderen'. Hij gaat nu de dingen zeker weten. Dat geldt voor hem uitsluitend door de hogere opleiding en de daaraan meekomende status van academicus. En hij schept er behagen in uit deze status, die op zichzelf alleen maar verwijst naar het schooltje dat hij doorlopen heeft, af te leiden dat hij důs een wetenschapper zou zijn.

Niets is echter minder waar: hij is gewoon een alledaagse, weliswaar betrekkelijk 'hoog' opgeleide, maar desondanks bekrompen burgerman die status en macht wil veroveren en ook nog zoveel mogelijk geld wil verdienen. Op de een of andere manier maakt hij daarbij gebruik van enerzijds de wetenschap en anderzijds de daarbij behorende maatschappelijke status, precies zoals in de praktijk overigens vrijwel iedereen op zijn eigen niveau doet. En ook zijn vermeende zekerheden verschillen niet wezenlijk van die van de anderen, want ook hij heeft tijdens het onderwijs alleen maar voor zeker aangenomen dat de hem verstrekte kennis juist was. Er bestaat dus qua zekerheid geen wezenlijk verschil tussen de lager en hoger opgeleiden. Maar dat belet deze laatsten niet zich telkenmale autoritair op te stellen en te proberen opponenten weg te zetten met een arrogante, ogenschijnlijk onweerlegbare, bewering...

 

537.  Tijdens een discussie over geloven in karma en reincarnatie beweerde onlangs een academicus, een antroposoof die vond dat hij zichzelf wetenschapper en filosoof mocht noemen, dat vrijdenkers de stelling "Eerst zien en dan geloven" huldigen, terwijl die stelling volgens de algemeen aanvaarde wetenschappelijke kennistheorie zou moeten luiden: "Eerst geloven en dan zien". Hij voegde daaraan toe dat je begint met iets te geloven en dat je daarna uit gaat zoeken of het klopt. Hoewel hij daarin in formele zin enigszins gelijk had was het in het geding brengen van deze uitspraak een sprekend voorbeeld van een op arrogantie gestoelde truc! Hij probeerde daarmee zijn opponent in de schoenen te schuiven dat ook deze noodzakelijkerwijs gelovig moest zijn...

De truc is hierin gelegen dat zowel het begrip zien als het begrip geloven in beide beweringen in volstrekt ŕndere betekenissen gebruikt wordt. Het lijkt op het eerste gehoor een eenvoudige 'omkering van de causaliteit' doormiddel van verandering van de volgorde: zien-geloven wordt geloven-zien. Maar het is in feite een ongeoorloofde 'verschuiving van inhouden'. Het spreekt vanzelf dat men bij aan elkaar gekoppelde uitspraken niet heimelijk de betekenissen van de gebruikte begrippen mag veranderen.

Antroposoof-1 ; Antroposoof-2 ; Antroposoof-Rudolf Steiner – lees ook nr.539 ;

 

 


538.  Het gaat over de gekoppelde uitspraken "Eerst zien en dan geloven" en "Eerst geloven en dan zien". In de eerste uitspraak betekent 'zien' dat de zaak waargenomen, uitgezocht en verklaard moet worden, terwijl 'geloven' inhoudt dat de zaak daarna als juist en waar gekwalificeerd en geaccepteerd kan worden. In deze hele uitspraak schuilt niets dat ook maar in de verte verwijst naar iets 'geloven', in de zin van het een of andere vindsel 'zomaar aannemen', zoals dat bij de godsdiensten het geval is.

In de tweede uitspraak evenwel betekent 'geloven' wel degelijk dat men zomaar iets aanneemt, een vindsel zomaar gelooft. En 'zien' heeft hier een uitermate verdachte inhoud, namelijk dat men datgene dat men gelooft gaat proberen te onderbouwen, voornamelijk door op zoek te gaan naar verschijnselen die het geloof schijnen te bevestigen.

Bijvoorbeeld: men vindt dat de mens wezenlijk gewelddadig is en vervolgens acht men dit bewezen door het feit dat overal ter wereld oorlogen voorkomen en onschuldigen het slachtoffer zijn. Zonder de zaak echt uit te zoeken voert men bepaalde fenomenen op als bevestiging van een vooropgezet vindsel.

Of, in het geval van bedoelde antroposoof: hij vindt dat reincarnatie bestaat, vooral omdat Rudolf Steiner dat gezegd heeft, en nu voert hij ter onderbouwing van dat vindsel aan dat allerlei vooraanstaande denkers in reincarnatie geloven en dat een dergelijk geloof zelfs plausibeler is dan het geloof in het Christelijke 'hiernamaals'! En uiteraard komen weer alle vreemde ervaringen ter tafel, zoals herinneringen aan vroegere levens die overeen lijken te stemmen met controleerbare historische feiten. Kortom, allemaal 'gelegenheids interpretaties' zoals die bij nagenoeg ŕlle hersenspinsels moeiteloos te vinden zijn.

De uitspraak "Eerst zien en dan geloven" is op zichzelf dus juist en tenvolle gespeend van onwaarschijnlijke vindsels, fantasieën en willekeurig erbij gesleepte zogenaamde bewijzen. Maar de tweede uitspraak is het volstrekte tegendeel van juist en betrouwbaar, omdat het zonder meer over het min of meer lukraak onderbouwen van vindsels gaat die men bij voorbaat al voor onweerlegbaar houdt.

Antroposoof-1 ; Antroposoof-2 ; Antroposoof-Rudolf Steine – lees ook nr. 539 ;

 

539.  In formele zin is er over het verband tussen de begrippen zien en geloven nog wel iets te zeggen. Als men iets aan de weet wil komen blijkt dat verlangen ingegeven te worden doordat er iets opvalt wat niet onmiddellijk verklaard kan worden. Het begint dus met een voorstelling van iets onbekends en een vermoeden van hoe het daarmee zou kunnen zitten. Men kan dat eventueel 'geloven' noemen, in de zin namelijk van 'veronderstellen' of 'speculeren', of iets dergelijks. In geen geval behoort het in deze fase over iets te gaan wat men voor waar houdt.

Vervolgens gaat men de zaak uitzoeken, hetgeen uiteraard geheel iets ŕnders is dan het pogen een bevestiging te produceren van een bij voorbaat ingenomen standpunt. Tenslotte, als het gelukt is de zaak op een verantwoorde manier uit te zoeken, krijgt men de beschikking over een nieuwe voorstelling, en wel een die in wetenschappelijke zin tot nader order aanspraak kan maken op juistheid en betrouwbaarheid.

Ook in de creatieve filosofie loopt het uit in een nieuwe voorstelling, maar deze verschilt in zoverre van een wetenschappelijke voorstelling dat hij niet voor juist wordt gehouden totdat hij ňnjuist blijkt te zijn, maar daarentegen doordat hij voortdurend in twijfel wordt getrokken en ten gevolge daarvan steeds maar weer opnieuw overdacht wordt.

 


540.  Gelukkig komt er steeds meer verzet tegen de kunst-maffia en deszelfs 'godfathers'. In feite betekent dat een oorlogsverklaring aan de doctorandussen in de kunst-wetenschappen, geborneerde intellectuelen die beslag hebben gelegd op de kunsten. Zij bepalen eenzijdig wat kunst is en wat niet en dat doen zij, zoals te doen gebruikelijk bij intellectuelen, op grond van een tweetal paradigma's, namelijk dat van de heersende mode en dat van de theorie. In beide gevallen is kennis van zaken vereist, veel kennis van veel zaken.

Het is tegenwoordig dan ook heel gewoon dat niemand meer een oordeel over kunstwerken mag hebben, behalve de deskundigen die de vereiste opleiding hebben genoten. Die heten geoefend te zijn in het beoordelen van kunst. De overigen moeten hun mond houden want zij zijn toch maar 'leken'. Zij hebben er geen verstand van.

Voorzover de hedendaagse intellectuelen denken dat scholing vereist is om met kunst om te kunnen gaan zijn zij het zoveelste slachtoffer van de moderne analytische cultuur. Daarin is de universele werkelijkheid als beeld zoveel mogelijk op de achtergrond gedrongen om plaats te maken voor de kwantificeerbare, meetbare en voorspelbare werkelijkheid als voorstelling. Het is te begrijpen dat het nu als ideaal van deskundigheid wordt gezien dat men er alles van afweet.

Maar in het geval van de kunst betekent dit dat alleen de uiterlijke bijzonderheden in aanmerking komen bij de beoordeling ervan. Inderdaad weten die deskundigen, die kunstkenners, zo ongeveer alle details: zij kennen de kunstenaars bij naam en toenaam, zij weten precies waaruit hun oeuvre bestaat en welk commentaar de scheppers er zelf ter verduidelijking aan toegevoegd hebben. Vooral de artistieke beschouwingen van andere kunstkenners worden met graagte aan nieuwe theorieën getoetst, als regel door knappe koppen die, zoals knappe koppen betaamt, zo kunstzinnig zijn als een straattegel.

 

541.  De kunstenaar geeft in zijn kunst uitdrukking aan de werkelijkheid als beeld. Dat is een afspiegeling aan het verschijnsel van de werkelijkheid als bewustzijn. Dat afspiegelen geeft aan de inhoud van het zelfbewustzijn, namelijk de voorstelling, een beweeglijke dimensie, waardoor het in feite iets geheel ŕnders wordt. Het verandert namelijk van een bepaald deel van de reële werkelijkheid in een algemeen beeld van de gehele werkelijkheid. En deze 'gehele' werkelijkheid moet dan niet opgevat worden als de 'complete' of 'totale' werkelijkheid, maar als een tot een ondeelbaar geheel gecomprimeerde werkelijkheid en dat is het teken.

Bij het beoordelen en genieten van kunst gaat het dus om de werkelijkheid als beeld, terwijl de daaraan ten grondslag liggende werkelijkheid als voorstelling wezenlijk alleen maar fungeert als een 'aanleiding en handleiding' om de wereld van de schoonheid binnen te kunnen gaan. De kennis hiervan is als kennis niet alleen van geen belang, maar daarenboven ook nog misleidend doordat zij het onbevangen openstaan voor de schoonheid blokkeert. Dat komt doordat deze kennis een verbrokkelde werkelijkheid is: zij is resultaat van analyse. Daaraan kan zich niets afspiegelen en dus vervalt de mogelijkheid om de kunst werkelijk te beoordelen en te genieten.

 

542.  Toch is er in de kunst vaak wel enige kennis vereist, maar dat is kennis die niet door analyse verworven is, maar door ervaring. Ervaringskennis is kennis die betrekking heeft op een ongebroken werkelijkheid. Die kennis is vaak wel nodig, althans nuttig, want men moet de basale werkelijkheid als voorstelling wel kunnen herkennen. Dat kan gerealiseerd worden door almaar de confrontatie met kunstwerken aan te gaan. Het is het kunstwerk zčlf dat tot steeds meer ervaring leidt en dus ook het beoordelen en genieten bevordert. Dat is dus niet het geval met het verzamelen van, als regel ook nog van anderen overgenomen, kennis en het verwerven van theoretische deskundigheid!

 


543.  De essentie van alle kunstvormen is schoonheid. Dat betekent dat alles met alles in harmonie is. Aan het gelden van dit begrip harmonie is voorondersteld dat het een en het ander 'nuances' binnen het geheel van de werkelijkheid als beeld zijn; dat het een niet van het ander gescheiden is maar in het ander 'overgaat' en dat zowel het een als het ander het geheel op de wijze van 'teken' manifesteert.

De begrippen nuance zijn, in elkaar overgaan en teken zijn vormen tezamen het begrip schoonheid. Een nuance is, in tegenstelling tot een detail, niet uit het geheel gesneden en op zichzelf gesteld zonder verder nog iets met de rest te maken te hebben, maar een 'belicht gedeelte van het geheel', met behoud van alle verhoudingen tot het geheel. De zaak blijft dus ingebed in het geheel, maar het bijzondere is dat voor een moment licht er op valt.

Dat het een in het ander overgaat betekent dat de grens tussen die twee niet als afscheiding fungeert maar als overgang. In die overgang zijn beiden bewaard gebleven. En tenslotte wil het teken-zijn zeggen dat elke nuance op zijn eigen wijze de gecomprimeerde afspiegeling van het geheel is.

De mens ervaart de schoonheid als iets moois, en vaak ook als iets verhevens. Zij maakt het goede in de mens wakker. Dat komt doordat het een zaak is van de werkelijkheid als beeld zoals die voortkomt uit het bewustzijn. Dat is een 'liefdevolle' werkelijkheid waarin het een niet aan het ander in de weg staat en waarin 'vrede' heerst. Het gaat dus over een werkelijkheid die het tegenovergestelde is van de alledaagse, aan de materie onderworpen, realiteit.

 

544.  Nog altijd zijn er vele goedbedoelende mensen die vinden dat de mens zich met zijn eigen werkelijkheid als bewustzijn zou moeten verenigen om op die manier een 'goed mens' te worden. Het bereiken van en eenworden met het bewustzijn wordt voor hen dus een opgave, een levensopdracht. Bij die opdracht behoort automatisch het besef dat het alledaagse materiële leven het ware niet is en dat het dus zaak is zich daarvan los te maken, het zogenaamde 'versterven'. En godsdienstigen willen van hun 'schulden' en 'zonden' verlost worden.

Zo hebben ze allemaal wel hun theorieën, maar helaas zijn die stuk voor stuk verkeerd en zelfs schadelijk. De werkelijkheid als bewustzijn is namelijk, netzomin als andere werkelijkheden, een verheven zaak. Het is gewoon een verhouding binnen de levende verschijnselen. Maar het is inderdaad een niet-alledaagse aangelegenheid omdat die verhouding achter de realiteit ligt. Voor de modern-westerse mens is dat, als hij er tenminste oog voor heeft, wel degelijk iets bijzonders omdat hij er zich vanuit zijn analytische cultuur voor ŕfsluit.

Het schadelijke is hierin gelegen dat men ongemerkt de betekenis van het dagelijkse leven en de daarbij behorende gewone dingen uit het oog verliest, met als uiteindelijk resultaat dat die niet meer tot hun recht kunnen komen en steeds meer verwaarloosd worden. Overal waar groeperingen zich proberen toe te leggen op wat zij plegen te noemen 'geestelijk' of 'spiritueel' leven is een ernstige verwaarlozing van het alledaagse te constateren.

Maar dit alledaagse is nu juist de drager van alles wat schoon en goed is. Zonder een bevredigend dagelijks leven, waarin niet de geringste verwaarlozing van iets of iemand getolereerd wordt, kan de werkelijkheid als bewustzijn, en dus de schoonheid geen realiteit worden. Dan blijft het een soort van idealistisch fata-morgana waarmee het wel leuk koketteren is, maar wat in feite toch een kwalijke leugen genoemd moet worden.

Overgang-1 ;

 


545.  Zeer terecht wordt door wetenschappelijk ingestelde mensen verlangd dat men de beweringen van anderen niet zonder meer voor juist houdt en klakkeloos overneemt, maar dat men er zčlf eerst uitgebreid over nadenkt. Dit is dan om zo'n bewering te toetsen. Opvallend is evenwel dat men dit zonder blikken of blozen achterwege laat als het wetenschappelijke beweringen betreft, uitgezonderd natuurlijk beweringen op het eigen vakgebied, waarvan men toevallig in de gelegenheid is die te controleren.

De status van de moderne wetenschappen is deze dat zij een vrijbrief zijn geworden voor onbelemmerd en kritiekloos napraten van verhalen die door wetenschappers te pas, en vooral te onpas, verteld worden.

Deze gang van zaken verschilt niet wezenlijk van de bij godsdiensten gebruikelijke. Ook daarin worden beweringen klakkeloos overgenomen, mňeten klakkeloos overgenomen worden, zodat het dus in feite de leiders van die godsdiensten zijn die bepalen wat waar is en wat niet, ja zelfs wat er over de dingen van ons leven gedacht moet worden. Van een vanuit de godsdienst en de theologie gedane uitspraak staat per definitie en bij voorbaat vast dat hij juist is.

Gelukkig functioneert dat conditionerende systeem tegenwoordig niet meer zo goed, maar we zijn toch nog lang niet van dat soort van intellectuele tirannie verlost, want de wetenschappen en hun priesters hebben het bedrijf overgenomen. En bijzonder succesvol uitgebouwd! Dus worden tegenwoordig iemands verhalen nooit zonder meer geaccepteerd, behalve als het een verhaal van een wetenschapper betreft. Uiteraard is de kans groot dat het een juist verhaal is, maar in ontstellend veel gevallen blijkt het je reinste twijfelachtige gewauwel. Zoiets rammelt aan alle kanten. En het is door en door mistig vanwege de vele 'voors en tegens'. Toch gaat dat alles er beter in dan ooit omdat het 'evangelie' van de moderne positivistische wetenschap de schijn meeheeft. De schijn namelijk van waarheid, juistheid en democratische controleerbaarheid.

 

546.  De realiteit van hier en nu is het uitgangspunt van elke kunstvorm. Dat moet ook wel, want anders kan er van geen afspiegelen aan het verschijnsel sprake zijn. Welk verschijnsel dat de ene of de andere keer is doet niet terzake. Alles wat inhoud van het zelfbewustzijn is kan uitgangspunt zijn. Dat is in feite het 'eigentijdse' van de kunsten. Maar, dat eigentijdse moet wel kůnnen afspiegelen. Dat wil zeggen dat het niet zomaar een verschijnsel moet zijn, maar ook en bovenal een 'gevormd' verschijnsel. Daarmee bedoel ik dat het een vorm moet hebben. Dit slaat niet zozeer op het begrip vorm als uiterlijk model, alswel op de eis dat het intact moet zijn. Het mag niet geanalyseerd zijn en uiteengeworpen in zijn samenstellende delen.

De kleur bijvoorbeeld is alleen maar kleur aan het een of andere verschijnsel. Dat kleur ook op zichzelf kan staan is een waanidee van de moderne, door de analyse besmette, kunstenaar. Wat voor de kleur geldt is ook van toepassing op alle andere begrippen binnen de werkelijkheid als kunst, dus trilling, beweging, lijn, opeenvolging, interval enzovoorts. Al deze begrippen wňrden in onze cultuur wel op zichzelf gesteld als zouden het aparte entiteiten zijn, maar in werkelijkheid staan zij beslist niet op zichzelf. Het is het theoretische denken van de intellectueel ingestelde moderne mens dat hem op het rampzalige dwaalspoor gebracht heeft dat de eigenschappen van het verschijnsel op zichzelf gesteld zouden kunnen worden. Het gaat er om dat het genoemde complex van begrippen alleen maar aan het verschijnsel tot gelding kan komen. Een en ander betekent dus dat de moderne mens niet alleen het geheel van zijn werkelijkheid vernietigd heeft, maar ook zijn kunst en haar schoonheid. In het beste geval blijft er iets over dat 'mooi' genoemd kan worden, maar doorgaans kan men dat ook wel vergeten...

 


547.  De zogenaamde moderne kunst is te begrijpen als de intellectuele degeneratie van de schoonheid. Het resultaat van die degeneratie is een gigantisch grote variëteit aan 'mooiheid'. Een ieder heeft zijn eigen 'mooiheid'. Er is dan ook net zoveel 'mooiheid' als er mensen zijn. Het is in feite een individuele beleving, die voor de een een andere sterkte en waarde heeft als voor de ander. Al die mooiheden beslaan met elkaar een heel scala, lopend van foeilelijk tot en met beeldschoon.

Het is inderdaad juist dat het 'mooivinden', dus het ondergaan van de eigen ervaringen van 'mooiheid', een kwestie van smaak is. Dat mag voor menigeen bepaald een troostrijke gedachte heten, want nu is men altijd gedekt. Over smaak valt immers niet te twisten!

 

548.  Ieder mens heeft zijn eigen mooiheden want iedereen heeft zijn eigen smaak. In de kunsten echter gaat het om schoonheid en dat is een zaak die niet bij de individuele mens behoort, maar die universeel is en niets met smaak te maken heeft. Schoonheid is weliswaar een menselijke ervaring, maar dan een die betrekking heeft op de werkelijkheid als beeld en dat is een kwestie van het bewustzijn. Dat bewustzijn is voor een ieder hetzelfde, want het is de werkelijkheid als allesomvattende trilling, zoals die immanent is aan de verschijnselen. De ervaring van schoonheid slaat dus bij iedereen op precies dezelfde werkelijkheid.

De menselijke ervaring van schoonheid is lang niet bij iedereen even sterk. Velen, vooral in de moderne cultuur, hebben er geen enkele notie van, sommigen zijn er op de een of andere manier voortdurend mee bezig. Dat geldt niet alleen voor de 'genieters' van de kunsten, maar ook voor de kunstenaars zelf. Gevolg is dat er bij de kunstenaars een variëteit bestaat van kwaliteiten. Die gaat van kleine meesters tot grote meesters, die zich evenwel allemaal met schoonheid bezig houden.

Helaas zijn bijna alle moderne kunstenaars verstoken van schoonheidservaringen. Zij drijven slechts op de mooiheid en omdat dit begrip op van alles van toepassing kan zijn putten zij zich uit in het vervaardigen van zoveel en zo verschillend mogelijke 'objecten'. Het is gewoonlijk de heersende mode die bepalend is voor de smaak en dus voor het succes van de op mooiheid gerichte artistieke objecten.

 

549.  Iemand die in de ban is van schoonheid is met een universele zaak bezig, maar dat neemt niet weg dat zo iemand ook nog een eigen persoonlijke smaak heeft. Zo kan het gebeuren dat iemand het meesterschap van bijvoorbeeld Bach tenvolle herkent, maar meer geniet van Chopin. Dan is te zeggen dat zijn smaak uitgaat naar Chopin. Misschien is het zelfs wel mogelijk dat hij nog het meeste van draaiorgelmuziek houdt, hoewel de zaak dan wel een beetje dubieus wordt! In ieder geval liggen de verhoudingen zodanig dat het als eerste de vraag is of en hoe sterk iemand door de schoonheid aangegrepen wordt en pas als tweede wat en hoe zijn smaak is. Hieruit volgt dat het onzin is als men beweert dat het ervaren en waarderen van kunst een kwestie van smaak zou zijn. Maar de moderne mensen, gericht als zij zijn op het zelfbewustzijn, weten niet beter...

Het ondergaan van schoonheid is een kwestie van de werkelijkheid als bewustzijn, het mooi‑vinden hangt van de smaak af en dat is een zaak van de werkelijkheid als voorstelling zoals die inhoud is van het zelfbewustzijn.

 

550.  Omdat het in de moderne kunsten om mooiheid gaat, en omdat dit een aan het individu bepaald begrip is, kunnen de kunstenaars met hun werk alle kanten uit. Behoudens het voldoen aan een aantal modieuze criteria, opgesteld door de op dat moment heersende 'kunstpausen', kan alles, mag alles en moet alles. Dat komt in feite hier op neer dat men niets meer behoeft te kunnen, behalve natuurlijk het voldoen aan de heersende mode-criteria. Voor het overige is alles bij voorbaat al goed. Men kan letterlijk 'maar wat aanrotzooien', om maar eens een bekende kreet te slaken!


Het zijn de intellectueel ontwikkelde kunstpausen die vervolgens uitmaken wat goede kunst, dus rotzooi, is en wat niet. Daartoe onderbouwen zij hun keuze, die uitsluitend op hun eigen smaak berust, met diepzinnige en schier onverstaanbare filosofieën.

Die hersenspinsels raken noodzakelijkerwijs kant noch wal. Geen enkele filosofie kan immers aannemelijk maken waarom iets al dan niet mooi gevonden moet worden. En het is zelfs onmogelijk aan anderen duidelijk te maken waarom iemands persoonlijke smaak is zoals die is. Daarom is zo'n filosofie per definitie een onzin-verhaal.

 

551.  De filosofie kan wel degelijk zinnige dingen over de kunsten en de schoonheid zeggen, maar noodzakelijkerwijs zijn dat algemeenheden, begrippen, die op zichzelf niets met de smaak van doen hebben. De smaak is strikt persoonlijk en het is een zaak die op het terrein van de werkelijkheid als relatie ligt. Het is een relatie tussen een bepaald persoon en iets of iemand anders waarvan hij op de een of andere wijze geniet, of eventueel juist niet.

Daarentegen zijn de kunsten en dus ook de schoonheid verhoudingen binnen de werkelijkheid als beeld. Daarin geldt het bepaalde niet meer en dus is hier ook niet langer van smaak te spreken. Bovendien kunnen daaruit geen regels en voorschriften afgeleid worden die betrekking hebben op de uitoefening van de kunsten, het 'vak' derhalve. Ook kunnen er geen criteria aan ontleend worden die moeten dienen om bij voorbaat te bepalen hoe een nog te scheppen kunstwerk gestalte moet krijgen.

Een en ander komt dus hier op neer dat de kunsten volstrekt onvoorspelbaar zijn.

Dat moet ook wel, want het gaat over de menselijke scheppingskracht, oftewel de creativiteit. Dat is het geboren worden van iets nieuws.

 

552.  De kunstenaar argumenteert niet als het om zijn kunst gaat. Zijn scheppingen zijn dan ook vrij van vakmatige problemen, experimenten en twijfels die eventueel aan het vak meekomen. Kunstenaars geven volkomen 'onbeschaamd' te kennen: "Zo is het en niet anders", zonder ook maar enige ruimte voor een alternatief, twijfel of blijk van onzekerheid. De kunstenaar is in zijn kunst arrogant, zelfverzekerd en niet bereid tot discussie. Rembrandt was er zeker van hoe zijn portret van Hendrikje Stoffels er uit moest komen te zien. Daarover was geen discussie mogelijk.

Uiteraard kent de kunstenaar tal van vakmatige problemen, die allemaal draaien om de vraag hoe hij of zij de innerlijke 'werkelijkheid als beeld' tot uitdrukking zal brengen. En ook kent hij zijn twijfels over de waarheid, de schoonheid en de juistheid van zijn scheppingen. Het is zelfs zo dat juist deze twijfels een voortdurende bron van inspiratie zijn. Maar, hoezeer problemen en twijfels zijn scheppende geest ook bezig houden, zijn werk zal er absoluut vrij van zijn: een twijfelachtig en problematisch kunstwerk is geen kunstwerk, maar een kinderachtig en bekrompen ego-verhaal.

De ware kunstenaar houdt de vakmatige problemen en de inhoudelijke twijfels strikt voor zichzelf. Het zijn persoonlijke processen die geheel en al buiten zijn of haar scheppingen als zodanig vallen.

Deze kunstzinnige zelfverzekerdheid is de moderne intellectuelen een doorn in het oog, vooral ook als het nu eens niet over de gebruikelijke kunsten gaat, maar over die ene ŕndere kunst, namelijk de filosofie.

 


553.  Ook voor de filosoof geldt dat hij zijn wijsgerige problemen, vragen en twijfels uitsluitend voor zichzelf houdt. Het betreft immers zijn persoonlijke 'worsteling' met de materie! Inderdaad is het op de een of andere manier de creatieve ondergrond van zijn filosoferen, maar het is volstrekt niet hetzelfde als zijn filosofie als unieke creatie. In deze creatie volgt hij gedachtengangen, trekt hij conclusies, wikt en weegt hij om de waarheid zo helder mogelijk te verwoorden. Maar al deze creatieve processen op zichzelf, als proces, verlopen zonder getob en getwijfel. Ook de filosoof geeft in zijn creatie te kennen: "Zo is het en niet anders".

Hij is hierin volstrekt zelfverzekerd, zelfs als hij het in feitelijke zin bij het verkeerde eind heeft. Hij weet de dingen, zelfs als hij ze verkeerd weet!

Het gaat in de filosofie om het laten zien hoe het met de werkelijkheid zit. Een twijfelend en onzeker gestamel is geen filosofie, geen weten hoe het zit, maar een kinderachtig tasten in het duister.

Dat kinderachtige tasten in het duister is in de moderne academische filosofie aan de orde van de dag. Men betreurt dat echter niet, neen, men vindt daarentegen dat filosofie zo behoort te zijn!

 

554.  Als het over de kunsten gaat heeft niemand er bezwaar tegen als uit de werken van de kunstenaars een bepaalde zelfverzekerdheid blijkt. Maar, als de creatieve filosoof zelfverzekerd is wordt hem dat hoogst kwalijk genomen. Men vindt hem een betweter, iemand die meent de waarheid in pacht te hebben, een querulant die onuitstaanbaar gelijkhebberig is. En dat allemaal omdat hij stellige uitspraken doet!

Het is van belang er op te letten dat ik het inzake die zelfverzekerdheid heb over de creaties van kunstenaars en filosofen en datgene dat uit die creaties spreekt. Of die kunstenaars en filosofen als persoon in het dagelijkse leven zelfverzekerd zijn, of daarentegen steeds in twijfel verkeren, is een vraag die zoals eerder gezegd in dit verband niet terzake doet. Ten eerste omdat dit een privé aangelegenheid is en ten tweede omdat het als zodanig tot de wereld der bepaaldheden, tijdelijk en plaatselijk, behoort. De creaties zelve echter behoren, zoals al steeds benadrukt, tot de wereld der algemene begrippen.

Het lijkt dus eigenlijk heel merkwaardig dat de filosoof geen stellige uitspraken mag doen en dat er eigenlijk van hem verwacht wordt dat hij tobberig heen en weer zwalkt tussen ja en nee, voor en tegen en vooral in alle bescheidenheid laat blijken dat hij 'het niet weet', waaraan doorgaans als vanzelfsprekend gekoppeld het op zichzelf toch weer verschrikkelijk arrogante: "Wij weten het niet". Het is dus niet aan iemand anders toegestaan het eventueel wčl te weten!

 

555.  Er wordt gezegd dat de grondslag voor de filosofie is gelegen in de twijfel. Op zichzelf is dat juist: zonder redelijke twijfel aan alles wat wij menen te weten is er geen behoefte om iets uit te zoeken en zonder die behoefte komen wij nooit iets aan de weet. Maar, zoals gezegd, deze twijfel behoort tot de grondslag van de filosofie. Eigenlijk behoort hij tot de grondslag van ŕlle kennen en weten.

De twijfel die men in de creaties van de moderne filosofen wenst aan te treffen heeft in het geheel niets te maken met de twijfel als grondslag voor de filosofie. Wat men namelijk in dit geval van de filosoof verwacht is niet de persoonlijke redelijke twijfel, maar een modieus niet-weten. Er mogen derhalve geen stellige uitspraken gedaan worden.

In het uiterste geval mag er op mogelijkheden gewezen worden en dit dan vergezeld van een hele collectie voors en tegens, liefst verwoord in citaten van andere niet-weters. Als de filosoof zich houdt aan deze eis maakt hij een kans voor vol aangezien te worden. Doet hij dat evenwel niet, dan moet hij wel een autodidact zijn, en dat is iets heel ergs, want autodidacten hebben er geen verstand van en zij hobbyen maar wat aan...

 


556.  Degene die bijvoorbeeld verklaart dat: "Wij niet weten of er elders in het heelal nog meer bewoonde planeten zijn", vergezeld van een aantal citaten van bekende astronomen, heeft kennelijk verstand van zaken. Maar degene die op logische gronden aantoont dat het niet denkbaar is dat er elders gččn bewoonde planeten zouden zijn, heeft er geen verstand van en is duidelijk een amateur.

Wat achter deze vreemde reactie steekt is de vraag welke kwalificaties men heeft verworven. Dat moeten academische zijn, althans kwalificaties die voortspruiten uit op hoog niveau genoten onderwijs, met daaraan natuurlijk voorondersteld dat men het in dat onderwijs gebodene braaf heeft geaccepteerd.

 

557.  De moderne wetenschappen staan in het teken van het niet‑weten. Dat is volkomen terecht. Toen bijvoorbeeld dit niet‑weten nog geen gemeengoed was en de wetenschappen verondersteld werden de dingen wčl te weten, was het vrijwel uitsluitend onzin waarmee men aan kwam zetten. De, doorgaans dwaze, veronderstellingen van zichzelf overschattende 'geleerden' vulden bibliotheken met deftige boekwerken, waarin nauwelijks enige betrouwbare kennis te vinden was. Dat gedoe is gelukkig voorbij. Dat wil zeggen: de wetenschappen als zodanig zijn betrouwbaar geworden, maar er zijn helaas nog steeds veel wetenschappers die maar wat 'in de ruimte wauwelen'.

Het niet‑weten behoort bij de werkelijkheid als voorstelling. In die voorstelling is iemands wereld weerspiegeld, voor een ieder weer anders en bij niemand compleet. Sterker nog: het meeste is volslagen ňnbekend en er is maar een uiterst klein gedeelte van de totale werkelijkheid dat, bij de ene mens zus, bij de andere mens zo, gekend is. De poging het vele onbekende te leren kennen, bekend te maken, is de activiteit die de mens in zijn wetenschap ontplooit. Daarbij is de basis en de stimulans dus het niet‑weten van het individu. Deze gaat, als regel in samenwerking met anderen, op ontdekkingsreis binnen de wereld van het niet‑weten.

De filosofie wordt tegenwoordig geacht een wetenschap te zijn. Dat is zij inderdaad voorzover het over de filosofie als complex van wijsgerige gedachten gaat. Daarbij behoort dus ook genoemde twijfel in de zin van niet‑weten, want er zijn altijd nog gedachten van anderen die vooralsnog onbekend zijn.

De filosofie zčlf echter is geen wetenschap maar een kunst, de kunst van het denkend beschrijven van het geheel dat de werkelijkheid voor de mens is. Als kunst gaat de filosofie niet uit van een niet‑weten, maar daarentegen juist van een wel‑weten. Een wel‑weten namelijk van het karakter van de werkelijkheid, hetgeen aanvankelijk een intuďtief wel‑weten is, om vervolgens door de filosoof uitgewerkt te worden tot een zelfbewust weten. Bij dat zelfbewuste behoort uiteraard ook het zelfverzekerde, dat meer en meer kenmerkend gaat worden naarmate het wel‑weten aan helderheid wint. Dit alles heeft niets te maken met gelijkhebberigheid, zelfoverschatting of eigenwijsheid. Maar dat zou inderdaad wel het geval zijn als de filosofie een wetenschap was...

 


558.  Met de zogenaamde godsbewijzen is het nog altijd hetzelfde getob. Ongelovigen zeggen dat het bestaan van goden niet aan te tonen is en gelovigen vinden dat je niet kunt bewijzen dat er geen goden kunnen zijn. Beiden zijn het er dus over eens dat er wat dit betreft niets te bewijzen valt. Met dat soort van 'welles‑nietes' discussies zou men desnoods vrede kunnen hebben ware het niet dat vooral de gelovigen zich er maar al te graag achter verschuilen om vanuit die veilige positie de ongelovigen voortdurend het leven zuur te maken met hun godsdienstige gedweep. Uiteraard maken zij daarbij op slimme wijze gebruik van het argument dat de ongelovigen toch de juistheid van hun standpunt niet kunnen bewijzen. Tot overmaat van ramp vallen de meeste wetenschappers de gelovigen bij door eveneens te verkondigen dat het al of niet bestaan van goden niet bewezen kan worden. Zij bedoelen natuurlijk dat er geen wetenschappelijk bewijs te leveren valt. Vaak is dat voor hen dan een mooi excuus voor hun eigen gelovigheid.

Maar, er zijn er ook die zichzelf als 'agnosten' willen doen kennen, wat in feite wil zeggen dat zij toegeven niet te weten hoe het zit omdat bewijzen logischerwijs ontbreken. Dat zij daarmee impliciet te kennen geven het bestaan van goden voor mogelijk te houden dringt gewoonlijk niet tot hen door. Uiteraard is dat niet bepaald een reclame voor hun denkvermogen...

 

559.  Wat, opmerkelijk genoeg, zelden ter sprake komt is de vraag ňf het nu wel juist is te stellen dat er op het gebied van het godsgeloof niets bewezen kan worden. Bij het beantwoorden van die vraag is het zaak eerst eens naar de betekenis van het begrip bewijzen te kijken. Dan blijkt dat die betekenis in de westerse cultuur uitermate beperkt is. Hij is versmald tot het laten gelden van meetbare en telbare grootheden. Wanneer die aan een aantal criteria voldoen kunnen zij voor de bewijsvoering gebruikt worden. Het belangrijkste criterium is dat die meetbare en telbare grootheden uit analytisch onderzoek verkregen moeten zijn. Uiteraard houdt dat in dat het een materiële zaak is. Het betreft een 'positivistische' benadering van het vraagstuk. Passen wij dit toe op de kwestie van het al of niet bestaan van goden dan blijkt onmiddellijk dat er op dit gebied niets bewezen kan worden. Dat is te zeggen: voor het gebruikelijke westerse denken is het onmogelijk.

Wil dit nu zeggen dat het in het algemeen onmogelijk is? Zijn wij inderdaad getrouwd aan dat versmalde begrip als wij iets willen bewijzen? Neen, dat zijn wij niet, maar wel moet toegegeven worden dat de moderne mensen er moeilijk omheen kunnen en er niet gemakkelijk toe te brengen zijn dat andere bewijs inderdaad als bewijs te accepteren.

Het gaat nu namelijk om het ervaren van de werkelijkheid, wat betekent: Het strikt logisch en op samenhangende wijze nagaan hoe het daarmee zit. Het gaat er dus niet om uit te zoeken waaruit de werkelijkheid bestaat en dus wat zij is, maar het gaat om de vraag hoe zij is. Omdat dit alleen maar met behulp van het denken uitgezocht kan worden is het een strikt persoonlijke zaak. Uiteraard kan dat onderzoek niet met instrumenten uitgevoerd worden en het is bovendien niet via een overdraagbare methode aan anderen te leren. Daarom is niet te zeggen hoe dat 'nagaan' verloopt. Bij een ieder gaat dat weer anders, maar, omdat het nagaan gericht is op de werkelijkheid als beeld zijn de uitkomsten logischerwijs steeds dezelfde.

 

560.  Het is een ernstige en tragische misvatting dat het nagaan hoe de werkelijkheid is niet tot een universeel geldige waarheid zou kunnen leiden. Men vindt dat omdat het een persoonlijk proces is dat niet overgedragen kan worden en dat daardoor aan elke rationele controle ontsnapt. Het door anderen accepteren van zo’n universeel geldige waarheid hangt echter niet af van het al of niet controleerbaar zijn van dat persoonlijke proces. Het accepteren door de ander hangt uitsluitend af van de uitkomsten van diens eigen persoonlijke proces van nagaan hoe het zit. Op den duur blijken die uitkomsten namelijk steeds bij allen overeen te stemmen.

Tenslotte, als de mensheid eenmaal volwassen zal zijn geworden, blijken al die individueel uitgezochte waarheden overeen te stemmen, per se niet doordat zij het resultaat zijn van een algemeen erkende denkmethode en dus formeel juist gevonden kunnen worden, maar doordat een ieder er op de een of andere manier voor zichzelf achter gekomen is hoe het zit. Omdat die waarheden gegrond zijn op de in een ieder op eendere wijze aanwezige werkelijkheid als bewustzijn is er vanzelf overeenstemming onder de mensen.


De waarheid omtrent de werkelijkheid laat zich nu eenmaal niet van buitenaf vaststellen. De zogenaamde objectieve waarheidsvinding is onzin als het over de hoedanigheid van de werkelijkheid gaat. Die waarheidsvinding is alleen maar op zogenaamd subjectieve wijze mogelijk en zinvol. Maar de langs die subjectieve weg gevonden uitkomsten blijken dus objectieve, namelijk universeel geldige, waarheden te zijn.

 

561.  Het wetenschappelijk onderzoek is vandaag al zover gevorderd dat men het mechanisme van de erfelijkheid goeddeels achterhaald heeft. Dat mechanisme op zichzelf is uiteraard een materiële zaak en omdat dit het geval is kan men er op technische wijze iets mee doen. Men kan bepaalde ingrepen verrichten die op de een of andere manier allemaal op 'knippen en plakken' neerkomen. Bij een dergelijke handelwijze is men natuurlijk onverschillig voor het feit dat de erfelijkheid, evenals overigens člk ander levensproces, onmogelijk uitsluitend een mechanische zaak kan zijn. Het mechanisme is slechts de analyseerbare, berekenbare en voorspelbare ondergrond van het proces.

De wetenschappers kunnen niet meer, maar ook niet minder, doen dan onderzoek plegen naar die tastbare ondergrond en daarin zijn zij kennelijk al ver gevorderd. Zo zal het naar men zegt binnenkort mogelijk zijn het gehele mechanisme van de erfelijkheid te beheersen en naar zijn hand te zetten, dus te manipuleren. Gezien de omstandigheid dat het aantal mogelijke combinaties aan het ontelbare grenst, valt het te betwijfelen of die beoogde beheersing ooit inderdaad een feit zal zijn.

Er wordt ook al gesproken over het 'klonen' van organismen. Om een aantal redenen koestert men hoge verwachtingen, overigens geheel in overeenstemming met de mentaliteit van de modern-westerse mens. Als eerste wordt er namelijk steevast gewezen op het medische belang van het ingrijpen in de erfelijkheid. Dat wordt bij voorbaat al een overtuigend argument gevonden, vanwege de verleidelijke mogelijkheid er veel geld aan te kunnen verdienen. En dan is er uiteraard ook nog de bio-industrie, waar men eveneens de kassa's al hoort rinkelen! Bij nadere beschouwing valt het evenwel op dat er nauwelijks zuiver-wetenschappelijke argumenten gehoord worden, argumenten die betrekking hebben op het universele menselijke verlangen de werkelijkheid te leren kennen, teneinde op den duur zelf, als mens, uit te groeien tot een werkelijk volwassen vrijzwevend verschijnsel. Immers, de kennis van en het inzicht in de dingen is een noodzakelijke voorwaarde voor de mens om samen te kunnen vallen met de ware werkelijkheid, hetgeen onder meer betekent dat hij de in hem aanwezige, ooit ingeprente, ficties en wanen opgelost heeft. Het klassieke Griekse adagium van het "Ken Uzelve" heeft nog niets aan betekenis ingeboet...

 

562.  Indien men uitgaat van de mening dat een organisme eigenlijk niets meer dan een machine of een chemische fabriek zou zijn, is het begrijpelijk dat men vol overtuiging aan het manipuleren slaat. Machines en fabrieken zijn vanuit externe machtscentra te besturen en dus zal dat met een organisme ook wel het geval zijn, zo meent men. En inderdaad lijken de feitelijke ontwikkelingen deze opvatting te bevestigen. Het manipuleren is al een redelijk betrouwbare techniek geworden. Men kan het genetische materiaal veranderen zodat een kunstmatig ontworpen variatie van een reeds bestaand organisme het gevolg is. Een nčt even andere stier bijvoorbeeld!

Ook hoopt men in de toekomst een aantal erfelijke ziekten uit te kunnen bannen. En wellicht kan ook het karakter van mensen beďnvloed worden, bijvoorbeeld om de kans op psychische depressies te verkleinen.


Geheel volgens de heersende mode fantaseert men er vrijelijk op los, uiteraard zonder al teveel last te hebben van kennis van zaken en inzicht in de werkelijkheid. Je hoort zelfs wetenschappers de meest ergerlijke voorspellingen doen over de mens van de nabije toekomst. Zo schijnt het volgens de wetenschappelijke denkers nodig te zijn de huidige mens te verbeteren, omdat deze op het ogenblik maar een gebrekkig geval zou zijn dat voor maar weinig zaken geschikt is. Dergelijke verbeteringen berusten uiteraard op de streng rationele wetenschappelijke theorieën van de geleerden. Zij zijn er heilig van overtuigd dat hun wetenschappelijke status er borg voor staat dat het inderdaad om reële verbeteringen zal gaan. Maar, de nadenkende filosoof houdt zijn hart vast bij het vernemen van dergelijke visies en plannen, want nog nimmer zijn die ten voordele van de mensen uitgepakt. De wetenschappelijke werkelijkheid is nu eenmaal per definitie in geen enkel opzicht de čchte van alledag.

Bovenal echter moet bedacht worden dat het niet aan de wetenschappers is om een oordeel te vellen over de kwaliteit van de levende verschijnselen. Die zijn immers niet te analyseren! En van het vrijzwevende verschijnsel mens, dat vrij is van iedere materiële en niet-materiële binding, moeten zij al helemaal afblijven. Niemand heeft het recht daaraan te gaan sleutelen.

Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ; Overtuiging-4 ;

 

563.  De huidige wetenschappers zijn helaas vergeten dat het in de wetenschap uitsluitend om kennis behoort te gaan en niet om het, op enigerlei wijze en op grond van allerlei fantastische voorstellingen, herscheppen van de werkelijkheid. De enige ingreep die de wetenschap uit hoofde van haar kwaliteit toegestaan mag worden is het analyseren van de dingen en dit dient dan ook nog waardevrij te geschieden. Dat wil zeggen dat het volstrekt zonder vooropgezette, in wezen arrogante, plannetjes en duistere politieke en commerciële intriges zal moeten zijn. Maar dat strenge standpunt ligt niet in de lijn van de moderne cultuur, noch vanuit een wetenschappelijk, noch vanuit een filosofisch oogpunt. En ook in de Ethiek onderschrijft men de hoogmoedige opvattingen van de moderne academische cultuurmens. Dus ook daar is niets van te verwachten.

 

564.  De evolutie van het leven wordt gekenmerkt door vallen en opstaan. Dat wil zeggen dat tijdens dat proces steeds ŕlle kansen benut worden en dat de tijd zal leren of de resultaten daarvan al of niet onhoudbaar zullen blijken te zijn. Die onhoudbaarheid manifesteert zich op twee manieren: ten eerste in 'absolute' zin en ten tweede in 'relatieve' zin.

Absolute onhoudbaarheid doet zich voor als een nieuw evolutionair systeem, een nieuw organisme dus, onmiddellijk na haar ontstaan weer instort. Qua leven is er dan zogezegd niets mee te beginnen. Het ligt in de logica te veronderstellen dat verreweg de meeste probeersels terstond ten onder gaan. Zij konden nog nčt geprobeerd worden, maar bleken niet meer dan een slag in de lucht te zijn. Ook de noodzakelijke samenhang met het totale leven op de planeet bleek in dat geval onmogelijk. Het is evenwel van belang er op te letten dat dit proberen op zichzelf nog wčl mogelijk was. Zonder deze mogelijkheid namelijk zou er helemaal geen evolutie kůnnen zijn.

Relatieve onhoudbaarheid komt ter sprake als een evolutionair systeem enige tijd kans ziet zich te handhaven, maar bij de voortschrijdende evolutie op een zeker moment alle betrekkingen met het overige leven verliest en dan uitsterft. Het gaat dan dus over organismen die niet mee kunnen komen met het almaar verder gaande proces van de evolutie. Ook hiervan is logischerwijs te zeggen dat tijdens de evolutie de meeste levende wezens dit lot beschoren is.

Waarom het gaat is dus dat zogezegd alles geprobeerd werd en dat sommige probeersels lange tijd houdbaar bleken te zijn, vaak tot op de dag van vandaag.

 


565.  Naast de relatieve en absolute onhoudbaarheid is er ook nog een die je het beste vergankelijkheid kunt noemen. Die slaat op het feit dat uiteindelijk ŕlle verschijnselen binnen een bepaald zonnestelsel op zullen houden te bestaan. Een verschijnsel berust namelijk op het over en weer aan elkaar vastleggen van bewegingen, zoals die wezenlijk karakteristiek zijn voor alle materiële systemen. En het zijn die bewegingen die in een betrekkelijk wankel evenwicht tot stilstand worden gedwongen.

De essentie van de oer-werkelijkheid is beweeglijkheid. En nu is het tot stand komen van de materiële verschijnselen, hoewel uiteraard onvermijdelijk, in zekere zin paradoxaal omdat dit tegen het beweeglijke karakter van de werkelijkheid ingaat. Er worden namelijk bewegingen geremd en geneutraliseerd die nu juist karakteristiek zijn. Dit remmen en neutraliseren is een kwestie van evenwichten die op den duur verloren gaan zodat het oorspronkelijke in beweging zijn terugkomt. Dit zich herstellen van bewegingen is wat gewoonlijk met het begrip vergankelijkheid aangeduid wordt.

Omdat alles vergankelijk is, is alles op den duur onhoudbaar. Dit is dus in feite het wezenlijke van de werkelijkheid. Daarom moet men noodzakelijkerwijs in termen van absolute of relatieve onhoudbaarheid spreken. Dat betekent onmiddellijk ook dat het begrip houdbaarheid het secondaire begrip is tegenover onhoudbaarheid als het primaire begrip.

 

566.  De probeersels die een absoluut onhoudbaar resultaat opleveren storten in onmiddellijk na hun ontstaan. Er is dus achteraf niets van terug te vinden. Dat wil echter niet zeggen dat zij 'dus' zonder meer weg hadden kunnen blijven. In het universum kan niets wegblijven en het is wel degelijk een feit dat ook die 'mislukte' probeersels hun rol hebben gespeeld. Te zeggen is dat zij gereageerd hebben op de mogelijkheid iets te proberen. Zo een mogelijkheid is inherent aan de werkelijkheid en aan de evolutie. Haar weg te denken is even absurd als het wegdenken van bijvoorbeeld het ter wereld komen van een dood of gehandicapt kindje.

De probeersels die een relatief onhoudbaar resultaat opleveren blijven geruime tijd bestaan, een aantal daarvan misschien wel tot en met de geboorte van het laatste verschijnsel, de mens. Hun onhoudbaarheid echter vraagt een nadere onderscheiding. Enerzijds is er de reeds genoemde onhoudbaarheid vanwege het zich niet langer kunnen handhaven tijdens het verdere verloop van de evolutie. Het uitsterven dus.

Maar anderzijds is er de mogelijkheid van een evolutionaire sprong naar een ingewikkelder organisme, dat geheel nieuw is. Noem dit organisme -B-. Dat is dus een organisme dat niets meer met het oorspronkelijke voorgaande organisme, laat ons zeggen organisme -A-, te maken heeft. Precies zoals de mens niets meer met de aan hem voorafgaande, oorspronkelijke, primaat te maken heeft. In de nieuwe situatie bestaan dus de organismen ‑A- en -B- naast elkaar. Van organisme -A- is dan te zeggen dat het voor haar geldende begrip relatieve onhoudbaarheid een dubbele betekenis heeft, namelijk aan de ene kant het zich op een zeker moment niet langer kunnen handhaven en aan de andere kant de mogelijkheid van het overspringen naar een hoger systeem.

Op haar beurt geldt dit te zijner tijd ook weer voor het organisme -B-, totdat met de mens deze mogelijkheid opgehouden heeft te bestaan.

 


567.  Het verschijnsel mens is de verwerkelijking van de relatieve onhoudbaarheid tot en met zijn uiterste mogelijkheid. Na een eindeloze reeks van probeersels, na almaar vallen en opstaan, is er nu een organisme te voorschijn gekomen dat letterlijk volmaakt is en dat bovendien geen mogelijkheid meer in zich heeft een evolutionaire sprong naar iets ingewikkelders te maken. De enige wijze waarop het begrip onhoudbaarheid thans nog geldt is die van de vergankelijkheid. Omdat de evolutie aan haar einde gekomen is gelden de daarbij behorende absolute en relatieve onhoudbaarheid niet langer.

Het is van belang dat men zich terdege realiseert dat het verschijnsel mens het uiteindelijke resultaat is van een voortdurend gevecht tegen de onhoudbaarheid. De evolutie heeft als het ware steeds de mazen van het net gezocht, om vervolgens daar doorheen te kunnen sluipen naar een volgend, meer ingewikkeld, levend systeem.

Maar er is natuurlijk in feite nergens naar gezocht! Juist doordat ŕlle kansen, zonder ook maar een enkele uitzondering, werden geprobeerd kon het lange tijd gebeuren dat er, onvermijdelijk toevallig, doorgangen gevonden werden. Dat proces ging onafgebroken door totdat de laatste doorgang gerealiseerd was. Dat was dus de geboorte van de mens op deze planeet..!

onvermijdelijk toeval-1  onvermijdelijk toeval-2  onvermijdelijke toeval

 

568.  De structuur van het verschijnsel mens is met recht een volmaakte te noemen. Het kan zogezegd niet beter! Maar dat betekent niet dat er geen fouten in voor kunnen komen. Juist in zo'n fijnzinnig systeem als het verschijnsel mens kunnen fouten niet uitblijven. Dat zijn echter fouten ten opzichte van het volmaakte en dat betekent derhalve dat zij gedefinieerd moeten worden als afwijkingen van het volmaakte. En dat volmaakte is in het geval van de mens de wezenlijk normale situatie.

Intussen zijn de hedendaagse wetenschappers al een tijdje bezig te sleutelen aan het verschijnsel mens, dit in de nogal hoogmoedige veronderstelling dat er wel het een en ander aan verbeterd kan worden.

Maar, in principe kan dit uiteraard niet. Zoals de evolutie dit verschijnsel in een langdurig proces van vallen en opstaan aan de fundamentele onhoudbaarheid van de werkelijkheid ontworsteld heeft kan nimmer overtroffen worden. Als dat echter wel zou kunnen zou inderdaad alleen de mens tot een dergelijke manipulatie bij machte zijn. Maar ook dat is onmogelijk omdat deze zčlf het ultieme resultaat is van genoemde worsteling. Op grond van dit laatste is bovendien te stellen dat hij in zo'n geval moet weten wat een verbetering is. Dat is echter volstrekt uitgesloten omdat hij dan boven zichzelf uit zou moeten kunnen denken. Dat is een logisch onhoudbare gedachte...

 

569.  Het kan niet anders dan dat elke manipulatie schade doet aan het levende verschijnsel. Er wordt dan een uitermate fijnzinnig materieel systeem aangetast dat aan de hand van onnoemelijk vele malen vallen en opstaan tijdens de evolutie teweeg gebracht is. Dat wat ervoor in de plaats komt kan wellicht voortreffelijk geďntegreerd worden, maar men kan onmogelijk de voor het leven essentiële samenhang herstellen. Eenmaal doorgesneden is die samenhang verdwenen om nimmer meer terug te komen.

In hoofdzaak komt dat doordat het fenomeen samenhang niet vanuit materiële processen tot stand komt, maar resultaat is van een groeiproces dat plaats vindt vanuit de beweeglijke oerpartikels zelve. Die worden door mij gewoonlijk 'beweeglijkheden' genoemd. Zij behoren tot een nog niet materiële werkelijkheid. Daarin is op geen enkele manier iets aan te vatten, juist vanwege het feit dat die beweeglijke oerpartikels nog geen stoffelijke kwaliteiten bezitten. Men kan ze dus ook niet op een zodanige wijze stimuleren dat zij komen tot de groei van een nieuwe samenhang. Er gaat onvermijdelijk iets kapot en wel voorgoed...

 


570.  Dan is er natuurlijk ook nog de rol die de manipulator speelt, met name de wetenschapper die de ingreep bedenkt en ten uitvoer legt. Zijn kennis van zaken kan nog zo groot zijn, toch zal hij nooit kunnen weten wat hij wčrkelijk aan het doen is. Ik heb het nu niet over het voorspellen wat de gevolgen van zijn handelingen zijn, want zulke voorspellingen zullen na verloop van tijd stellig met enige trefzekerheid gedaan kunnen worden. Neen, het gaat er om dat, op grond van het niet-materiële aspect van de zaak, een volledige kennis van zaken onmogelijk is. Dit blijkt alleen al uit de gemakkelijk te begrijpen omstandigheid dat vanaf het moment van de ingreep niemand nog te weten kan komen wat er gebeurd zou zijn als die ingreep niet had plaats gevonden. Ook zogenaamd dubbelblind onderzoek kan hierin geen uitsluitsel geven omdat de ene mens nu eenmaal de andere niet is.

 

571.  Uiteraard kan men soms tamelijk betrouwbare voorspellingen doen. Het spreekt immers vanzelf dat men gaandeweg leert hoe groot de waarschijnlijkheid is dat bepaalde ongunstige ontwikkelingen bij iemand op zullen gaan treden als men niet bijtijds ingrijpt.

Ook zal men straks precies weten hoe men dergelijke ongewenste ontwikkelingen tegen zal kunnen houden of ombuigen. Dat zal stellig voor een aantal mensen de kwaliteit van het leven aanzienlijk verbeteren. In die zin kan het manipuleren van de erfelijkheid buitengewoon zinvol blijken te zijn.

Het staan nu al vast dat men bepaalde verstoringen en afwijkingen kan voorkomen of opheffen. Dat is een geluk voor diegenen die het aangaat.

Maar we mogen nooit vergeten dat we nu te doen hebben met iets wat verbeterd is. Iets waaraan een ontsporing aan verondersteld is. En dat is nu precies waar het in filosofische zin om gaat: het organisme als zodanig is niet te verbeteren. Slechts fouten zijn te verbeteren met als resultaat niets meer, maar ook niets minder, dan een verbeterde fout. Een verbeterde fout is evenwel nog steeds een fout, zodat de zaak waar het om gaat toch enigszins beneden de maat blijft.

 

572.  Als ons iets bijzonders is overkomen ervaren wij zo'n gebeurtenis als iets toevalligs ŕls wij hem niet hadden kunnen voorspellen en ŕls het tegelijkertijd onmogelijk blijkt hem achteraf op logische wijze te verklaren. Doorgaans gaat het daarbij om gebeurtenissen die volgens ons evengoed niet hadden kunnen plaatsgrijpen. Als wij bijvoorbeeld getroffen worden door een vallende dakpan beoordelen wij dat als een toevallige samenloop van omstandigheden. Inderdaad had dat ongeluk ook niet kunnen gebeuren, want die dakpan had ergens anders kunnen vallen. Dat is gelukkig meestal het geval. Ook hadden wijzelf op een andere plaats kunnen zijn, wat eveneens doorgaans het geval is.

Toch betekent dat allemaal niet zonder meer dat er in absolute zin van toeval gesproken kan worden want de gelijktijdigheid van het vallen van de dakpan en onze aanwezigheid ter plaatse berust wel degelijk op een logische opeenvolging van reële voorvallen. Alleen is het merkwaardige daarvan dat het ons niet gegeven is die opeenvolging te voorzien, noch achteraf te reconstrueren. Maar door de zekerheid van het resultaat is er desondanks de zekerheid dat er een logische reeks van voorvallen aan vooraf is gegaan.

In het zeldzame geval dat we de zaak wel kunnen nagaan spreken wij niet langer van een toeval. Wij zien in dat het zo heeft moeten zijn. In feite is het ons dan op pijnlijke wijze duidelijk geworden dat het in principe altijd mogelijk is dat er een dakpan op ons hoofd valt, reden waarom wij het bij voorbaat al niet raadzaam vinden tijdens een hevige storm de straat op te gaan.

 


573.  Dat elke samenloop van omstandigheden in principe tot de mogelijkheden behoort leidt logischerwijs tot het inzicht dat er in de werkelijkheid nimmer iets čcht toevallig gebeurt. Sterker nog, de gebeurtenissen blijken zonder uitzondering onvermijdelijk te zijn, oftewel noodwendig, zoals oudere filosofen plachten te zeggen. Men moet alleen lang genoeg op het voorval wachten en niet aan een bepaalde plaats gebonden zijn. Het is namelijk zo dat in de oneindigheid van tijd en ruimte alle mogelijke gebeurtenissen onvermijdelijk optreden.

De vraag waar en wanneer dat dan gebeurt is geen vraag omdat het geen zin heeft hem te stellen. Dat komt door de notie waar en wanneer, want die is in de oneindigheid van tijd en ruimte niet relevant. Maar binnen het bestek van een bepaalde tijd en plaats kan een op zichzelf onvermijdelijke gebeurtenis gemakkelijk uitblijven en de vraag of dat inderdaad het geval is kan onmogelijk beantwoord worden. Wij ervaren zo'n situatie dan als 'toevallig'.

 

574.  Het heeft geen enkele zin een godsdienst fundamentalistisch te noemen, als gold het een specialiteit van zo'n godsdienst, terwijl daarbij tegelijkertijd gesuggereerd wordt dat andere godsdiensten beslist niet fundamentalistisch zouden zijn. Een dergelijke kwalificatie heeft geen zin omdat het begrip fundamentalisme altijd geldt als het over een godsdienst gaat. Het is dan ook geen uitzondering, maar regel. In elke godsdienst wordt noodzakelijkerwijs teruggegrepen op eenmaal voor alle eeuwigheid vastgestelde waarheden. Er bestaan voor godsdienstig besef nimmer ŕndere, wat ook niet zou kunnen want het zijn door God himself geopenbaarde waarheden. Ze laten dan ook geen enkele afwijking toe, want dat zou in strijd zijn met het absolute karakter ervan. Iets wat absoluut is kent geen alternatieven. Zo zit het en beslist niet anders. Elke andere opvatting is bij voorbaat al ketterij.

Het fundament van het geloof is zoals het is en zo blijft het in alle eeuwigheid. Dat er teruggegrepen wordt naar dat fundament ligt dus voor de hand. Het is eigenlijk wel consequent! Bovendien heeft men geen keus.

 

575.  Als tegenwoordig het begrip fundamentalisme gebruikt wordt denkt men echter aan een bepaalde godsdienst waarbinnen dat teruggrijpen naar een enkelvoudige absolute waarheid tot de praktijk behoort. En men vindt dat een uitermate kwalijke zaak. Men keurt namelijk het starre, niet voor verandering vatbare, absolutisme af. Men is tegen het conservatieve en dogmatische en wel voornamelijk omdat daarbij nieuwe en humanere opvattingen geen kans mogen krijgen en dus al bij voorbaat onverbiddelijk afgewezen worden. Een dergelijke starheid wordt, overigens terecht, beschouwd als in strijd met het, steeds naar verbetering strevende, moderne denken. Het wetenschappelijke karakter van dat denken laat geen starheid toe, het is immers een voortdurende zoektocht, met als logisch gevolg dat er steeds nieuwe 'waarheden' boven tafel komen.

Wat evenwel vooral kwalijk wordt gevonden is de bijna misdadige onverdraagzaamheid die noodzakelijkerwijs aan dat godsdienstige absolutisme meekomt. De daaruit voortkomende bloedbaden lopen als een rode draad door de geschiedenis van de mensheid...

(On)verdraagzaam ; Onverdraagzaamheid

 

576.  De gebruikelijke argumentatie bij het afkeuren van het fundamentalisme en speciaal het teruggrijpen op absolute waarheden is eigenlijk niet goed te verdedigen, omdat er een kant aan de zaak zit die onderbelicht blijft, maar die op zichzelf wel degelijk alleszins redelijk kan zijn. Je kunt je namelijk afvragen of datgene waarnaar teruggegrepen wordt per definitie afkeurenswaardig moet zijn. Het is heel wel mogelijk dat de fundamentele ideeën meer stroken met wat waarheid genoemd kan worden dan allerlei later ontwikkelde alternatieve opvattingen. Dergelijke opvattingen zijn onvermijdelijk beďnvloed door de wanen van de dag. Die vertonen vooral tegenwoordig een ergerlijke neiging tot oppervlakkigheid en kretologie. Zij zijn nagenoeg geheel van hun wezenlijke inhoud ontdaan.


Dat is bijvoorbeeld duidelijk aanwijsbaar bij het merendeel van de politieke partijen, althans diegene die op een humanitaire ideologie gestoeld zijn. Daar was destijds het nobele socialistische ideaal. Dat behelsde oorspronkelijk een ernstige kritiek op de kapitalistische westerse maatschappij, zelfs zo ernstig dat de meeste intelligente denkers tot de slotsom kwamen dat die wereld vernietigd zou moeten worden. Hoewel dat ideaal naar zijn toenmalige zienswijze en formuleringen achterhaald is, is het nog even waar als toentertijd. Juist vandaag aan de dag moet vastgesteld worden dat het naleven van dat ideaal zinvoller is dan ooit. De huidige wereld is in haar structuur volstrekt ňnhoudbaar geworden, zij het op een geheel andere manier dan de vroegere socialistische denkers zich voorstelden. Maar een hernieuwde bewustwording van deze ideeën is zinvol, nuttig en nodig.

 

577.  De oorspronkelijke evangelische en christelijke waarheden verdienen het eveneens dat er telkenmale op teruggevallen wordt. Dan doel ik natuurlijk niet op de door theologen uitgevogelde schijnwaarheden van de op macht beluste kerken maar op de ideeën van de helderste denkers aan het einde van de oudheid. De zogenaamde Bergrede is daar een goed voorbeeld van. Maar ook de, kort na de tweede wereldoorlog in Egypte gevonden geschriften van Nag‑Hammadi spreken wat dit betreft een glasheldere taal. Bedoelde denkers kwamen allemaal, een ieder op eigen wijze en met eigen bewoordingen, tot het inzicht dat de menselijke realiteit onder een viertal essenties is te verstaan, namelijk nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme (zie mijn filosofische cyclus De Grote Vierslag). Het wil zeggen dat de verschijnselen, inclusief de mens, geen enkele waarde hebben; dat de mens zichzelf bestuurt; dat voor de ene mens de andere mens een onvoorwaardelijk bestaansrecht heeft en tenslotte dat de mensen met zijn allen zijn.

Deze waarheden zijn nog lang geen gemeengoed. Sterker nog: de moderne mens staat er verder van af dan ooit. Van geen van de vier essentiële begrippen heeft hij enig benul. Het zou dan ook bepaald geen kwaad kunnen als hij er met enige regelmaat op teruggreep, uiteraard zonder ook daar weer een intolerant dogma van te maken.

 

578.  Het teruggrijpen op essenties is zo zonder meer geen kwalijke zaak. Het is zelfs een vorm van conservatisme die bijzonder zinvol kan zijn. Maar dan moet het wel gaan over universele essenties die het verdienen telkens opnieuw overdacht te worden. Als het gaat over dogmatische leerstellingen die ooit eens bedacht zijn door overspannen stichters van een godsdienst, zoals Mohammed, of de Roomse kerkvaders die de belangen van hun kerk wilden dienen, is het beslist beter en nooit op terug te grijpen en ze zo snel als mogelijk te vergeten.

Als godsdienstige leiders zich, zoals dat tegenwoordig heet, 'fundamentalistisch' opstellen en van de gelovigen eisen dat zij zich houden aan de oude dogma's is dit zonder meer een slechte zaak. Het gaat daarbij immers om onderwerping en volstrekt niet om een hernieuwd nadenken. Het is zelfs streng verboden over die zaken na te denken, want zij worden geacht absolute goddelijke waarheden te zijn. Die mogen niet door het denken aangetast worden.

Het zijn tot overmaat van ramp ook nog waarheden die vanwege dat absolute karakter aan iedereen opgelegd mogen en moeten worden. Gelovigen zowel als ongelovigen moeten er aan onderworpen worden, op straffe van hel en verdoemenis.

Bovenkant document

 


579.  Dat godsdiensten almaar teruggrijpen op de fundamenten van het geloof kan logischerwijs maar om een ding gaan, namelijk macht. Over de mensen moet macht uitgeoefend worden, naar men zegt om het welzijn van de mensen te bevorderen. Maar in feite gaat het erom zichzelf boven de mensen te verheffen teneinde voor zichzelf individuele vrijheid op te eisen. Nog nooit heeft een machthebber zijn fraaie woorden waargemaakt dat hij er ten dienste van het volk zou zijn. Noodzakelijkerwijs kan zo'n uitspraak niet anders zijn dan een schaamteloze leugen. Hij verheft zich immers boven zijn medemensen en brengt die in slavernij. Dat die zogenaamde dienstbaarheid aan het volk een hogere status zou vereisen berust in alle opzichten op een godsdienstig besef. Het is in psychologische zin pure hoogmoed.

Ware dienstbaarheid aan het volk kan alleen maar bestaan op voorwaarde van het onvoorwaardelijk gelden van de eerder genoemde Grote Vierslag van nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme. Daarin is elke zelfverheffing ten enen male uitgesloten en dus is er ook geen sprake van regeren, besturen of welke vorm van dwingelandij dan ook.

De geschiedenis van de moderne tijd, te beginnen met de Romeinen, laat onverholen zien dat er onvermijdelijk een pact bestaat tussen de godsdienst en de macht. En daarbij ligt de verhouding tussen die twee zodanig dat altijd de macht dominant is. Uiteindelijk draait alles daar om!

 

580.  Van iemand die zich bezig houdt met een wetenschap wordt terecht verwacht dat zij of hij gekwalificeerd is. Dat betekent dat aan het bedrijven van een wetenschap iets ten grondslag moet liggen. Dat blijkt een langdurige oefening in het wetenschappelijke denken en bovenal een gedegen kennis van de actuele wetenschappelijke stand van zaken te zijn.

Die grondslag moet er zijn omdat elke wetenschap een cumulatief karakter heeft. Aan elk volgend moment is een aantal vorige verondersteld. Het kennispakket *B* is het kennispakket *A* plus iets nieuws. En nu is het voor de wetenschapper zaak dat kennispakket *A* grondig te kennen, enerzijds om inderdaad met iets nieuws te kunnen komen en anderzijds om de juistheid van dat nieuwe te kunnen toetsen en aannemelijk te maken.

Logisch is het dus dat men bij alle mogelijke gelegenheden naar de opleiding en kwalificatie van een wetenschapper vraagt en dat het van zijn antwoord afhangt of men al of niet vertrouwen in zijn uitspraken kan stellen.

Genoemde eis van kwalificatie geldt natuurlijk ook voor de academische filosofie want dat is de wetenschap die ňver het totale filosofische gedachtengoed gaat. Dat is een wetenschap als alle andere. Tegenwoordig is dat helaas nog de enige filosofie die men kent en officieel erkent. Geen wonder dat ook in dit geval als eerste naar de kwalificaties van een filosoof gevraagd wordt, alvorens men bereid is zijn ideeën en uitspraken serieus te nemen. Voldoen die kwalificaties niet aan de verwachtingen, dan is men doorgaans niet eens bereid van de zaak kennis te nemen, laat staan er ook maar een moment over na te denken.

Een en ander leidt ertoe dat de echte creatieve filosoof al bij voorbaat een onbetrouwbare amateur en een charlatan gevonden wordt. Zijn filosofie is niet wetenschappelijk verantwoord, zo vindt men. En dat is in het kader van het huidige tijdsgewricht een doodzonde.


Afgezien van dit kortzichtige vooroordeel moet evenwel toegegeven worden dat men niet helemaal ongelijk heeft. Het is inderdaad een feit dat de creatieve filosofie niet wetenschappelijk is. Net zo min trouwens als de kunst. Voor de kunst en voor die filosofie geldt nu eenmaal niet dat zij cumulatief zijn. Zij komen dus niet met iets nieuws dat aan iets ouds toegevoegd is. De filosofie is namelijk op elk moment het resultaat van een unieke en totaal onafhankelijke gedachtegang, ook als het onderhavige thema al vele malen voordien doordacht is en ook als blijkt dat er anderen zijn die eveneens dergelijke denkbeelden koesteren en tot overeenkomstige resultaten gekomen zijn.

 

581.  De filosofie is zelfdragend zonder dat er iets of iemand anders bij nodig is. 'Nieuw' betekent dan ook niet dat er iets ter tafel gebracht wordt dat er voordien nog niet was, maar het betekent dat het thema door de filosoof op een volslagen eigen en onafhankelijke wijze doordacht is. Het zou voor de creatieve filosoof dus een vertekening van de realiteit zijn als hij ging staan bogen op opleidingen en kwalificaties. Zoiets zou zelfs oneerlijk zijn! Kwalificaties zeggen in dit verband absoluut niets. Als de filosoof dan ook een helder begrip van de filosofie en zijn eigen status als filosoof heeft weigert hij categorisch dergelijke geloofsbrieven op tafel te leggen. Je kunt met recht stellen dat zijn kwalificaties gelegen zijn in de helderheid en waarachtigheid van zijn denkbeelden.

Om daar echter een oordeel over te kunnen vellen moet men beginnen met zich grondig en onbevangen op de hoogte te stellen van het werk van de filosoof. Dat geschiedt door zorgvuldig en getrouw met diens gedachtengangen mee te denken.

 

582.  De huidige cultuur wordt gekenmerkt door een vrijwel niet te doorbreken fixatie op de wetenschap. Het resultaat daarvan is een verschrikkelijke, wereldomspannende waan die er oorzaak van is dat gaandeweg niets meer is wat het lijkt te zijn. Men zou kunnen spreken van een doen alsof. Hoe tragisch dit ook is, de zich tot volwassenheid ontwikkelende mensheid kan het niet vermijden. De mensheid moet ook door die waan heengaan, precies zoals ze al door zovele wanen heen geploeterd is. Bij nauwkeurige beschouwing blijkt dat eigenlijk haar ganse ontwikkelingsweg een aaneensluiting van wanen is. Men is er steeds tenvolle van overtuigd 'realistisch' te zijn en de waarheid te kennen, om telkens weer achteraf te moeten vaststellen dat het allemaal nergens op sloeg. Dat geldt ook en op zijn hevigst voor de moderne wetenschappelijke cultuur.

De werkelijkheid wordt steeds meer vervormd tot een wetenschappelijke formule. Door de nagenoeg volmaakte juistheid van de daarbij behorende kennis kan men er bijna niet doorheen prikken. De moderne mens is er als regel niet van te overtuigen dat hij wel degelijk in een waan verkeert die hoognodig opgelost moet worden. Zo niet, hij loopt alle kans in schizofrenie ten onder te gaan.

Maar voorlopig worden diegenen die, vanuit een bijzondere aanleg, proberen die waan te doorbreken in volle overtuiging voor gek versleten. Men meent, zij moeten wel lijden aan een ernstige agressieve obsessie tegen de wetenschap, stellig omdat zij er geen kans toe hebben gezien zelf een academische opleiding te volgen. Het is dus allemaal afgunst! Bovendien, zo vindt men, blijken zij geen verstand van zaken te hebben. Onze op wetenschappelijke wijze onderzochte en uitgedokterde werkelijkheid kan eenvoudigweg geen fictie zijn.

Toch is zij het in ernstige mate, jammer voor de o zo wetenschappelijke moderne mens...

Schizofrenie-1 ; Schizofrenie-2 ; Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ; Overtuiging-4 ;

 

 

583.  In de laatste fase van de menselijke groei naar volwassenheid gaat het om de ontwikkeling van het zelfbewustzijn. In die fase verkeren wij thans. De alsnog onvolwassen mens is dan effectief bezig om bij zichzelf terecht te komen, een proces dat noodzakelijk is om tenslotte 'menswaardig' op aarde te kunnen leven. Zolang het zelfbewustzijn niet helder is valt de mens niet samen met de werkelijkheid en dat betekent dat hij zich van allerlei verbeeldt, maar nimmer realistisch kan zijn. Hij leeft onvermijdelijk in de een of andere waan waarvan de laatste, de huidige dus, die van de wetenschappelijke kennis is.


Het zelfbewustzijn bestaat uit kennis omtrent de eigen persoonlijke wereld van het individu. Het is zogezegd een catalogus van die persoonlijke werkelijkheid. Gaat het nu in genoemde laatste fase om het ontdekken en terechtbrengen van dat zelfbewustzijn, dan gaat het logischerwijs onmiddellijk om wetenschap. Als wetenschapper toetst en zuivert de mens de kennis van zijn wereld. Hij legt een betrouwbare catalogus aan, hetgeen uiteraard ook betekent dat hij zijn niet-weten, voorzover hij dat als 'ontbrekende kennis' heeft herkend, eveneens inventariseert. Dit laatste aspect van het zich realiseren als zelfbewustzijn wordt tegenwoordig nogal eens over het hoofd gezien. Toch is dit niet-weten een belangrijke vorm van kennis.

Intussen wendt de moderne mens zich steeds meer af van de vele traditionele verzinsels, zowel op het terrein van de dingen als van de ideeën en hij krijgt almaar meer vertrouwen in wat hij graag noemt 'objectieve kennis'.

        De kloof, zie de nrs. 584- 585 en 586(Overheid / Volk) en *Vervreemding; **De kloof(a/h eind van 586) 

584.  Tegen het einde van de ontwikkeling van het zelfbewustzijn bestaat de inhoud ervan niet langer uit, op indirecte wijze verworven, praktische ervaringen, maar louter nog uit theorieën en dus uit materiaal dat men door ŕnderen, bij voorkeur deskundigen, aangereikt heeft gekregen. De uiteindelijke inhoud van het zelfbewustzijn is, in die laatste fase van de ontwikkeling, theoretisch van aard en het is nu juist dit feit dat er de oorzaak van is dat die 'bijna volwassen' mens in een rampzalige waan is gaan leven. Die waan echter berust niet op een mogelijke ňnbetrouwbaarheid van de verworven kennis, maar louter en alleen op de omstandigheid dat de moderne mens genoemde theorie voor realiteit is gaan houden.

Het spreekt vanzelf dat dit het ergst het geval is bij diegenen die een hogere opleiding hebben genoten. Helaas dus juist bij diegenen die op grond van hun kwalificaties voorbestemd zijn om belangrijke posities in de maatschappij te gaan innemen. Dus, de meest 'besmette' personen worden de managers van de wereld, precies dus de verkeerden!

Dat proces is vandaag al volop bezig en de gevolgen ervan worden steeds duidelijker zichtbaar. De kloof  namelijk tussen de wereldbeschouwing van de intellectuele bovenlaag en die van de gewone mensen aan de basis van de samenleving wordt op een verontrustende wijze almaar groter. Die 'gewone' mensen voelen niet meer met de zaak mee, begrijpen niet meer waarover het gaat en het kan niet uitblijven dat zij er steeds minder vertrouwen in hebben.

 

585.  De wereld volgens die intellectuele voorstelling blijkt als zodanig helemaal niet te bestaan. Zo worden de mensen door moderne politici allerlei zaken in de schoenen geschoven waaraan zij zich in geen enkel opzicht schuldig maken. Frappant is bijvoorbeeld dat men het voorstelt alsof de burgers het milieu vervuilen ('Een schoon milieu begint bij onszelf'), terwijl de mensen nu juist geen keuze hebben, omdat zij het moeten doen met de producten die hen door de čchte vervuilers, de producenten, aangereikt worden!

Een ander voorbeeld betreft de zogenaamde voorlichting aan de mensen. Men vindt het nodig van allerlei voorlichting te geven, maar bij nadere beschouwing blijkt dit geen voorlichting doch iets totaal ŕnders te zijn. Het is namelijk indoctrinatie die met alle mogelijke slimme psychologische trucs bedreven wordt. De bedoeling ervan is de mensen zo 'op te voeden' dat zij zich zullen gaan conformeren aan de wereld van de wetenschappelijke voorstelling van de intellectuelen. Voorzover dat zo af en toe gelukt wordt dat door die intellectuelen, de managers van de bovenlaag, als vanzelfsprekend opgevat als een bewijs voor de juistheid van hun wetenschappelijk verantwoorde voorstelling.


Maar, na verloop van tijd blijkt telkens weer dat de zaak niet deugt. Uiteraard! Men zoekt de fout dan echter niet bij de eigen theoretische wereldbeschouwing maar bij het vooralsnog niet goed 'opgevoede' publiek. Dat moet waarden en normen leren en vooral ook sociaal worden. De intensiteit van de campagnes wordt dan drastisch opgevoerd onder het mom dat de overheid dichter bij het volk gebracht moet worden. En zo versterkt het proces van de *vervreemding zichzelf dankzij de steeds betrouwbaarder wetenschappen. Wat een tragische paradox..!

Vervreemding-1 , vervreemding-2 , vervreemding-3

 

586.  Het beroemde thema van de maakbare wereld hangt ten nauwste samen met de vertheoretisering van de wereldbeschouwing. Het is een eigenschap van de wetenschappelijke kennis dat die aangewend kan worden om bepaalde plannen te verwezenlijken. Dat is duidelijk als het over de techniek gaat: het vervaardigen van bepaalde producten is onmogelijk zonder een ondergrond van kennis die het doen van voorspellingen mogelijk maakt. Een technisch procédé waarvan de uitkomst niet te voorspellen is dient nergens toe.

Met het voortschrijden van de wetenschappen en de toename van kennis met een voorspellende waarde is men er steeds meer van overtuigd geraakt dat ook de maatschappij beschouwd kan worden als een technische aangelegenheid. Dat zou dan betekenen dat de maatschappij maakbaar is, uiteraard op voorwaarde dat er voldoende kennis ter beschikking staat.

Vooral de grote ideologieën worden gekenmerkt door het bezit van gedetailleerde blauwdrukken van een toekomstige ordelijke en rechtvaardige wereld. Dat moet ook wel, want zonder dergelijke modellen en de daarbij behorende strategieën is een ideologie niets waard. Bij een ideologie behoort een verheven doel!

Sinds enige tijd evenwel stuiten die grote ideologieën en de daarbij behorende ideeën van een maakbare wereld steeds meer op heftig verzet. In navolging van bepaalde filosofen is men gaan vinden dat het vergeefse moeite is te proberen een goede wereld te maken. De gang van de mensheid zou buiten de wil en de bemoeienis van de individuele mensen omgaan en er wordt zelfs gesteld dat er helemaal geen geschiedenis zou zijn. Dat wil zeggen dat er geen ontwikkeling is en geen doel en dus geen mogelijkheid om ergens naar toe te werken. Blijkbaar wil men alles maar laten zoals het is, of wellicht liever uitsluitend bij de dag leven. In ieder geval wordt het toeval er bij gehaald om aannemelijk te maken dat er hoegenaamd niets te plannen en te sturen en te regelen valt. Het toeval zal steeds bepalend zijn en daar is niets tegen te doen, althans volgens de aanhangers van het 'post-modernisme'.

Hoe het ook zij, toch moet opgemerkt worden dat zowel de voor‑ als tegenstanders van de idee van een maakbare wereld het bij het verkeerde eind hebben. Dat komt doordat het hen nog steeds niet duidelijk is wat de mens nu eigenlijk is, wat diens plaats in de kosmos is en wat dientengevolge zijn persoonlijke en gemeenschappelijke mogelijkheden zijn.

maakbare wereld ( nummers 586 t/m 600 )

*Vervreemding   **De kloof 

 

587.  De mens is, wat ik heb genoemd, het vrijzwevende verschijnsel. Dat betekent dat de mens niet gebonden is aan de programma's van de aan hem evolutionair voorafgaande materiële systemen. Dat zijn met name de programma's van de anorganische en de organische wereld, oftewel de wereld van de verschijnselen. Voor de mens is er absoluut niets bij voorbaat geregeld door middel van ingeboren, onveranderlijke en onontkoombare levensstrategieën. Hij moet alles zelf uitzoeken. Hij moet zelf oplossingen vinden om zo veilig mogelijk de dag door te komen. De natuur heeft hem zelfs niet voorzien van lichamelijke werktuigen zoals klauwen, een arendsblik en meer van dat soort zaken.


Maar, het betekent tegelijkertijd ook dat hij evenmin getrouwd is aan immateriële programma's, dus zogenaamde geestelijke voorschriften en taken. Trouwens, welbeschouwd bestaan die helemaal niet. De immateriële werkelijkheid, zeg maar de geestelijke wereld, is niet anders denkbaar dan als een volstrekt lege, dat wil zeggen inhoudsloze zaak. Daaruit kunnen dus geen doelstellingen afgeleid worden en evenmin die 'waarden en normen' die nog steeds zo belangrijk worden gevonden. Daarom is het van groot belang om eens na te denken over de vraag waarom de mensen er desondanks behoefte aan hebben zichzelf, en vooral ŕnderen, aan strenge stelsels van waarden en normen te onderwerpen. Het blijkt dan dat het de wil tot het uitoefenen van macht is.

 

588.  Vanuit de stoffelijke werkelijkheid is de mens nergens op toegerust en uit de zogenaamde geestelijke werkelijkheid is niets af te leiden. De mens staat er helemaal alleen voor en het is zelfs sterk dat dit in de grond van de zaak ook letterlijk geldt. Elke mens is wezenlijk een eenling. Er is geen sprake van dat het individu het kleinste element van een groep zou zijn. De veelgebezigde kwalificatie van de mens als 'kuddedier' slaat werkelijk nergens op. Een mens is geen koe!

Het feit dat mensen met elkaar gemeenschappen vormen, inderdaad vooral ook omdat zij elkaar nodig hebben om te overleven, bewijst niet dat zij groepsdieren zouden zijn. Ook een dergelijke gedachte komt in de grond van de zaak voort uit een, de ňnvolwassen mens aangeboren, zucht naar macht.

Over dit onderwerp is nog veel meer te zeggen, maar het is thans alleen maar van belang om in te zien dat de mensen genoodzaakt zijn de natuur, die zij bij hun verschijnen op aarde aantreffen, om te vormen tot een voor de mens veilig biotoop. Dus tot een voor de mensheid leefbare planeet.

 

589.  Aangezien de mens ter wereld komt als een verschijnsel dat zo zonder meer niet uit de voeten kan en dat genoodzaakt is zich een veilig biotoop te scheppen, is het zinloos zich af te vragen of voor hem de wereld een 'maakbare wereld' zou kunnen zijn. Hij mňet van de wereld zijn eigen wereld maken, enerzijds omdat dit zijn aanleg is en anderzijds omdat hij volstrekt geen keuze heeft. Leven houdt voor hem in dat de aarde veilig moet worden en dus gaat hij onmiddellijk aan de slag. Hij gaat de hem omringende natuur bedwingen en naar zijn hand zetten. Daarbij mag men niet alleen in letterlijke zin denken aan de natuur, want ook de onderlinge betrekkingen van de mensen vallen er onder. En dat houdt op zijn beurt weer in dat de mens ook zichzelf onder handen gaat nemen. Zou hij al deze dingen niet doen, hij zou nog geen dag overleven...

 

590.  Er is geen ontkomen aan, er is om te beginnen geen leefbare wereld en dus moet er noodzakelijk een leefbare wereld gemaakt worden. Daartoe beschikt de mens, en uitsluitend de mens, over het enige gereedschap dat voldoet om veranderingen aan te brengen in de werkelijkheid als verschijnsel. Dat gereedschap is zijn intellect.


Het intellect stelt de mens in staat de innerlijke structuur van het verschijnsel bloot te leggen. Dat is een noodzakelijke voorwaarde om er wijzigingen in aan te kunnen brengen. De hebben uiteraard de bedoeling de zaak onder controle te krijgen. Het begrip controle houdt in dit verband in dat de wijzigingen die de mens aanbrengt eigenlijk slechts mogelijk zijn binnen de tolerantie van de systemen. Elk systeem kan enigszins aangepast worden zonder de eigen kenmerken te verliezen. Vooral bij de organismen is dat duidelijk het geval. De tolerantie is de mate waarin aanpassingen mogelijk zijn. Helaas worden tegenwoordig, dank zij de enorme ontwikkelingen die de wetenschappen doorgemaakt hebben, de grenzen van de tolerantie nogal eens overschreden, met onvermijdelijk dramatische gevolgen. Maar over het geheel genomen boeken de mensen op dit terrein steeds meer successen.

Vooral in zijn laatste onvolwassen fase van ontwikkeling, namelijk die waarin de mens zich waarmaakt als zelfbewustzijn, is hij buitengewoon vruchtbaar. Dat is vooral vanwege het feit dat nu de wetenschappen de maat zijn geworden. Men kan stellen dat de materie thans nauwelijks nog geheimen voor het zelfbewuste intellect heeft. Helaas verleidt dat de vooralsnog onvolwassen mens tot het maken van volkomen irreële toekomstplannen. Hij gaat namelijk denken dat hij nu alles maar naar believen kan gaan overheersen. Dat leidt echter na verloop van tijd tot bittere teleurstellingen.

 

591.  Het inrichten van de planeet teneinde er een menselijke zaak van te maken, is een activiteit die niet van de mens is af te denken. Als eerste moet gezegd: het is bepaald niet verkeerd om te stellen dat de mensen wel aan de slag moeten omdat zij anders niet kunnen overleven. Maar, ten tweede: beter is de poging om te begrijpen dat, met de geboorte van het laatste verschijnsel, al het voorafgaande tot inhoud van dat laatste verschijnsel geworden is. Het gaat dus eigenlijk niet alleen maar om overleven, maar vooral ook om het zich in de praktijk realiseren van dat absolute evolutionaire eindpunt dat de mens nu eenmaal is.

Op het eerste, het overleven, baseert zich de pragmatische verklaring die men van het menselijke gedoe op aarde pleegt te geven. Dit type verklaring is in de moderne cultuur de gebruikelijke. Hoewel hij niet echt verkeerd is, moet toch gezegd worden dat hij bijzonder oppervlakkig is en welbeschouwd niets verklaart, omdat voor ŕlle levende wezens het gedoe om te overleven bittere noodzaak is.

De tweede verklaring is wezenlijk filosofisch omdat hij laat zien wat er werkelijk aan de hand is. Dat houdt onder meer in dat deze verklaring onder alle omstandigheden en op alle momenten waar is. Het zich eigen maken van datgene dat tijdens het wordingsproces en de evolutie aan de mens vooraf ging is namelijk een strikt logische noodzakelijkheid die zich ook doet gelden als mensen toevallig temidden van een rijke en overvloedige natuur vertoeven en daardoor geen problemen hebben met het overleven.

Aangezien dat zich eigen maken tot gevolg heeft dat de mens zich toerust op een veilig leven op deze planeet heeft het alles te maken met het inrichten van een eigen menselijke wereld. De mens is werkelijk een 'Wereldbouwer', zoals de zieners van de Oudheid al lang geleden vastgesteld hebben.

 

592.  Het bouwen van een eigen wereld heeft betrekking op de stoffelijke ondergrond van het menselijk leven. De wijzigingen die de mensen, vanuit het zich eigen maken en met het oog op het veilig stellen van het leven, in die ondergrond aanbrengen hangen onlosmakelijk samen met het praktische dagelijkse leven. Het gaat dus om voorzieningen die nu en hier nodig zijn. Voorzover de mensen er aan werken om die voorzieningen tot stand te brengen zijn zij bezig een wereld te bouwen. In dit verband zou men inderdaad van 'maakbaarheid' kunnen spreken, ware het niet dat dit begrip de suggestie van iets bijzonders wekt, terwijl het daarentegen om iets heel gewoons gaat, namelijk dat de werkelijkheid zčlve zich tot een menselijke zaak omzet. Zij realiseert zich als het absolute einde.

Dat gebeurt, zoals gezegd, noodzakelijkerwijs omdat het allerlaatste, de mens, al het voorgaande tot zijn inhoud heeft en zich wel als zodanig realiseren mňet. De gehele kosmos wordt, in concreto en in abstracto, inhoud van de mens.


Het betekent dat hij de voorhanden materie tot in haar bestanddelen ontleedt om er daarna aangepaste, nieuwe dingen van te maken. En het betreft het op intellectuele wijze in zich opnemen van de werkelijkheid, namelijk als theorie. Deze theorie komt terecht in het zelfbewustzijn en wordt dan, na analyse en controle, kennis genoemd.

 

593.  Het op eigen ontwikkeling gerichte zelfbewustzijn, zoals dat zich in de moderne mens manifesteert, blijft niet bij de genoemde stoffelijke ondergrond, maar gaat zich uiteraard ook bezig houden met het leven zelf. Het gaat dit behandelen als bestond het eveneens uit een collectie afzonderlijke, onveranderlijke materiële dingen die zich lenen voor analytisch onderzoek en die, daarmee samenhangend, geschikt zijn om als kennis in het zelfbewustzijn te worden opgenomen. Vervolgens wil men er dan nieuwe dingen van gaan maken.

Op zichzelf is dat goed te begrijpen, want er is omtrent het leven inderdaad van allerlei aan de weet te komen. Dat zijn echter 'momentopnamen' van een proces waarvan de opeenvolgende momenten noodzakelijkerwijs allemaal tot het verleden behoren. Dat proces kent geen stilstand maar uitsluitend voortgang. De typisch ňnvolwassen mening dat dergelijke kennis zich zou lenen om het leven te veranderen, teneinde haar als een beheersbare zaak naar eigen hand te zetten, is dan ook volstrekt ňnlogisch. Om iets op te bouwen kan men geen momentopnamen van een beweeglijk verleden gebruiken, maar uitsluitend vastgelegde materie, zeg maar: stoffelijke dingen.

 

594.  Alle kennis omtrent het leven is 'historisch' van aard. Het slaat op voorbije toestanden die eens, voor een oneindig klein moment, realiteit waren. Als zodanig waren zij momenten in een proces dat eeuwig voortgaat en dat eigenlijk nauwelijks reëel genoemd kan worden. Alleen het 'nu' is in feite reëel, maar dat 'nu' is onmiddellijk voorbij om plaats te maken voor een volgend 'nu'. Vanwege dit absoluut vluchtige karakter is er met deze kennis niets aan te vangen. Dat is te zeggen, het is onmogelijk om daarmee een voorspelbare toekomst te construeren, want daarvoor is nodig dat men de beschikking heeft over vastgelegde en kwantificeerbare elementen. Het leven kent van zulke elementen niet. Niets staat bij voorbaat of blijvend vast. Derhalve valt er met betrekking tot het leven niet van enigerlei vorm van 'maakbaarheid' te spreken.

 

595.  De samenleving en de maatschappij zijn, ieder op eigen wijze, neerslagen van een vluchtig proces. Het proces van het leven. Daarvan is achteraf het een en ander te zeggen, maar uitspraken vooraf kunnen noodzakelijkerwijs niet anders dan 'slagen in de lucht' zijn. Dat neemt natuurlijk niet weg dat de ene voorspelling waarschijnlijker is dan de andere en misschien zijn er wel voorspellingen bij die achteraf lijken uit te komen. Toch moet men in dit geval de term 'lijken' gebruiken, omdat het bewaarheid worden van de betreffende voorspelling uiteraard op toeval berust. De zaak had ook ŕnders kunnen zijn.

Het is hiermee net als met de uitspraken van paragnosten. Die lijken soms ook te kloppen, maar dat kan volgens de logica nimmer werkelijk het geval zijn, alleen al vanwege het feit dat zij resultaat zijn van volstrekt willekeurige, op niets berustende, methodieken. De enige mogelijkheid is deze dat een paragnostische uitspraak toevallig samenvalt met de realiteit. Daarbij speelt een eventuele kundigheid van de paragnost geen enkele rol. Een dergelijke kundigheid bestaat trouwens helemaal niet, of het zou 'lepigheid' moeten zijn, namelijk om de zaak voor de mensen aannemelijk te maken.

Het is volstrekt onmogelijk de toekomst anders dan in het licht van het begrip waarschijnlijkheid te bekijken. Althans als het over de concrete vorm van de toekomst gaat, dus de gebeurtenissen die te zijner tijd plaats zullen grijpen.

 


596.  Abstracties en filosofische algemeenheden laten zich wel met zekerheid voorspellen. Eigenlijk is hierbij helemaal niet van voorspellen te spreken, want het gaat nu om een meer of minder heldere visie op de werkelijkheid. De daaruit voortkomende uitspraken zijn dan ook geen gevolg van uit het verleden afgeleide concrete informatie, maar van het filosofische nadenken over de werkelijkheid.

Zo staat het bijvoorbeeld vast dat individuen eens zullen sterven en dat zelfs zonnestelsels en de daarin voorkomende werelden eens zullen vergaan. Een hierop betrekking hebbende uitspraak is in principe 'waar'. Hij berust op kundigheid. Een kundigheid die het logische gevolg is van het ontwikkelen van een zo helder mogelijke visie op de werkelijkheid.

Dat is eigenlijk een bijzondere kundigheid omdat het onderwerp waarop de zaak zich richt, namelijk de werkelijkheid als beeld, niet voor analyse toegankelijk is. Die kundigheid kan bijgevolg ook niet via causale bewijsvoeringen aan anderen overgedragen geleerd worden. Het is als het ware een intrinsieke kundigheid zoals die bijvoorbeeld ook voor kunstenaars en creatieve filosofen kenmerkend is.

 

597.  Als men spreekt van een 'maakbare wereld' is men wederom uitermate ondoordacht bezig. De mens mňet zijn eigen wereld maken en daarin heeft hij geen keuze. Hij kan er met geen mogelijkheid onderuit. De vraag naar maakbaarheid slaat derhalve nergens op.

Als men er mee bedoelt dat men zich afvraagt of men een wereld kan maken die gegrond is op de idealen, de kennis en de voorstellingen van een bepaald moment, dan moet het antwoord zonder meer ontkennend zijn. Een toekomstige wereld kan niet gemaakt worden volgens vooropgezette plannen en blauwdrukken. Niemand kan nu weten wat hij straks zal weten, noch over de dingen, noch over de kennis, noch over het leven.

 

598.  Het wordt op het ogenblik al steeds meer duidelijk dat allerlei, op wetenschappelijk uitgedokterde blauwdrukken gebaseerde, innovaties zonder mankeren mislukken. Dat zal in de toekomst steeds vaker en op een steeds rampzaliger manier het geval zijn. Vooral in de politiek, als het over het zogenaamde regeren of besturen gaat, is het thans al een groot probleem. Nagenoeg alle nieuwe regelingen blijken in ernstige mate inefficiënt te zijn.

In tegenstelling tot wat politici en andere belanghebbenden de mensen willen wijsmaken zijn de hedendaagse mislukkingen geen incidenten die te wijten zijn aan ondeskundige overheden, maar zijn het manifestaties van de fundamentele onkunde van de managers die het voor het zeggen hebben. Die kunnen daar evenwel zelf niets aan doen. Zij kunnen nu eenmaal niet vervangen worden door kundige managers omdat het volstrekt ondenkbaar is dat die er zouden zijn. Een dergelijk management is een fictie, voortkomend uit de almaar voortgaande theoretisering van de werkelijkheid.

 

599.  Het staat vast dat de processen in het universum in het verschijnsel mens uitlopen. Dat is het absolute beginsel te noemen. Maar het is niet te voorspellen waar en wanneer en onder welke omstandigheden dat zal plaats vinden: het relatieve beginsel. Dit laatste beginsel geldt omdat die processen niet gedetermineerd zijn, in die zin dat zij zich niet in een rechte lijn voltrekken. Zij spelen zich daarentegen af temidden van allerlei relatieve variëteiten.


In theorie zou het voor ons mogelijk kunnen zijn achteraf de weg te ontdekken waarlangs het tot de mens gekomen is. Maar ook dan zal het onmogelijk blijken te reconstrueren waarom op een zeker moment nu precies een bepaalde gebeurtenis plaatsvond. Dat is onmogelijk doordat het door en door een zaak van beweeglijkheid en beweging is. Kenmerkend daarvoor is het feit dat het kennen van de richting van de beweging uitsluit dat wij de plaats van een gebeurtenis kunnen vaststellen. En anderzijds dat wij bij het kennen van de plaats niet kunnen bepalen of een beweging in de juiste richting plaatsvindt. Daarbij geldt dan ook nog dat het tijdstip een niet te verwaarlozen rol speelt. In een beweeglijke werkelijkheid is niet te voorspellen, noch achteraf na te gaan, wanneer een voorval op zal treden en waarom dat het geval was.

Al met al is te zeggen dat het verschijnen van de mens op het onvermijdelijke toeval berust. Het is maar net of en hoe het op een zeker moment ergens toegaat, maar dat het ooit eens ergens te gebeuren staat kan absoluut niet uitblijven. Het moet gebeuren!

Bovendien is het zeker dat deze hele zaak zich niet leent voor wetenschappelijke theorieën, omdat men uitsluitend met variabelen te maken heeft. De vorming van een logische theorie zou eventueel nog te doen zijn, ware het niet dat niet eens vast te stellen is hoeveel van die variabelen er zijn en wat hun hoedanigheid onder bepaalde omstandigheden is.

onvermijdelijk toeval-1  onvermijdelijk toeval-2  onvermijdelijke toeval

 

600.  Het is onmogelijk om op wetenschappelijke wijze aan te tonen dat de werkelijkheid, het universum, niet weg kan blijven. Dat geheim zal door de wetenschap nimmer ontsluierd worden, niet door de tot nu toe gebruikelijke 'moderne' wetenschap, noch door een anders geaarde, zoals bijvoorbeeld de ervaringswetenschap. De onvermijdelijkheid van het universum kan alleen maar aangetoond worden aan de hand van datgene dat aan de oergrond van de werkelijkheid bedacht kan worden. Het gaat dan over de beweeglijkheden zoals die volstrekt ongehinderd voor zichzelf beweeglijk zijn. Beweeglijkheden die bovendien absoluut onbepaald zijn. Door deze twee bijzonderheden, namelijk het absoluut beweeglijk zijn en het absoluut onbepaald zijn, valt de zaak van de oergrond buiten de wetenschappelijke mogelijkheden van onderzoek. Er is niets wat aangevat kan worden, er valt niets te ontleden en niets te meten. Het 'nog niet materiële' is voor geen enkele wetenschap toegankelijk.

Alleen de creatieve filosofie kan, onafhankelijk als zij is van stoffelijke onderzoeksmiddelen, het geheim blootleggen, louter en alleen op grond van inzicht in de werkelijkheid en vervolgens logisch nadenken. Dan wordt het mogelijk om het karakter van die oergrond te begrijpen en in het verlengde daarvan na te gaan hoe de materie noodzakelijkerwijs moet ontstaan, zonder ook maar een enkele mogelijkheid om weg te blijven...

maakbare wereld ( nummers 586 t/m 600 )

 

Gewone mensen, zijn mensen, waarbij de twijfel zijn rol blijft spelen, beroepen zich niet op iets hogers, iets goddelijks of iets koninklijks of op hogere geestelijke vermogens die maatgevend zouden zijn.

 

 

Terug naar: Welkom op de Homepage van Rob van Es voor méér informatie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

website analysis
website analysis

website analysis
online hit counter