FILOSOFISCHE INVALLEN
 
door
JAN VIS

filosoof

 

Help mee om deze site te promoten. Vertel het uwÖ!

(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )

 

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit de artikelen zonder meer toegestaan. Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld. (Jan Vis, creatief filosoof)

 

 

Terug naar: de Homepage van Rob van Es voor mťťr informatie

 

Naar afleveringen: 01 ; 02 ; 03 ; 04 ; 05 ; 06 ; 07 ; 08 ; 09 ; 10 ; 11 ; 12 ; 13 ; 14 ; 15 ; 16 ; 17 ; 18 ; 19 ; 20 ; 21 ; 22 ; 23 ; 24 ; 25 ; 26 ;

 

Naar bladwijzers: Nr. 04(kernenergie-lobby) ; Betere Wereld ; Nr. 1(Politici ; De samenleving dienen) ; Wrede moordlust / A job to do de zogenaamde godsbewijzen ; Volwassen democratie Nrs. 24 en 25 ; collectivistische denken zie afleveringen 1,5 en 12; Leidersprincipe- nr. 03 ;Verantwoordelijkheid ; Wat is Waarheid en Juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26 ; vervreemding ; De Verlichting ; Burgeroorlog-1 ; Burgeroorlog-2 ; Concurrentie-1 ; Verbieden van de godsdienst? Zie no.21 ;Pilatus-1 ; Pilatus-2 ; Pilatus-3 ; Loyaal ; Onvermijdelijk toeval ; Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2 ; Overgang-1 ; Onverdraagzaam ; Parlementaire Democratie-1 ; Parlementaire Democratie-2 ; Houvast-1 ; Houvast-2 ; STELLIGE UITSPRAKEN - zie 18 , 21 en 22 ; KANT- zie nrs. 03 , 10 , 11 , 18 ; Denken in begrippen, zie afleveringen 11 , 16,17 , 18,19; Polariseren-5-zie 25 ;

 

 

Naar artikelen:Loyaal: zie bladwijzers in De ontwikkeling van de West Europese Cultuur, ; Loyaal: zie bladwijzers in De Kunst van het Filosoferen, ; Loyaal: zie bladwijzersin De Grote Vierslag, ; Loyaal: zie bladwijzersin Alledaags Commentaar 1 t/m 40, ; Loyaal: zie bladwijzers in Filosofische invallen 1 t/m 26, ; Het toenemend belang van het AtheÔsme ; Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheÔsme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ;Ongewenst atheÔsme- zie afl. 32 ;Een grens te ver (IsraŽl) ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 ; Kunnen moslims zich invoegen in de Moderne cultuur..? Ė aflevering no. 37 ; De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjariía ; Burqa, volg bladwijzer ; Is er dan toch een GOD..? Hoe zit dat..?Briewisseling- Geweld- Godsdienst- Geloof ; Vrijheid van Godsdienst ; Kan alles maar..!-zie bladwijzers Cultuurfilosofische Opmerkingen-o.a. Verveling, verlies van houvast, Islamís succes ; Samenleving, Maatschappij en Gezin ; Hoe zit het nou met god ; De kunst, het schone verschijnsel ; Filosofie van de kunst ; Een korte schets v/d MENSELIJKE SEKSUALITEIT

 

 

Naar artikelen met trefwoord ďPolariserenĒ:

Polariseren-1-zie bladwijzers uit Nihilisme en Anarchisme als basis van het Atheisme,

Polariseren-2-zie bladwijzers uit De Universiteit voor Humanistieken het Atheisme,

Polariseren-3-zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr.1,

Polariseren-4-zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr.2,

Polariseren-6-zie bladwijzers uit Varia 1t/m10,

 

 


=========================================================

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 
Aflevering nr. 1 (september 2000)
Verdienen aan de samenleving
Terugkeer van de Scholastiek
De vlietende horizon
De samenleving dienen
Het alleenrecht van de academische filosofie
Aflevering nr. 2 (oktober 2000)
Een drietal mogelijkheden
Radicaal afwijzen
Negatieve erkenning
Positieve erkenning
Aflevering nr. 3 (november 2000)


Leidersprincipe
Arrogantie
Voltaire
De verlangens van de filosofen
Hulpeloze tobberds
Voltairiaanse hoogmoed
Social engineering
Managerswereld
Cultuurschok
Aflevering nr. 4 (december 2000)
Zekerheden
Fundamentele onzekerheid
Juistheid en waarheid
Het kwalitatieve zoeken
Details en nuances
Moderne vijandigheid
Aflevering nr. 5 (januari 2001)
Collectivistisch instinct
Wrede moordlust
A job to do
Blut und Boden
Organisatie
Aflevering nr. 6 (februari 2001)
Etnisch zuiveren
Wetten van het management
Het begrip aanleg
De werkelijkheid
Vluchtgedrag
Aflevering nr. 7 (maart 2001)

Verzamelaars
Een omgekeerde zaak
Onbruikbare waarheid
Helder beeld
Andermans veren
Aflevering nr. 8 (april 2001)
Almaar opnieuw
Het bekende liedje
Verzet tegen het laatste verschijnsel
De mens heeft alles zelf in de hand
Aflevering nr. 9 (mei 2001)
Is niets zeker?
Geen houvast aan feiten
In zichzelf onderscheiden
Aflevering nr. 10 (juni 2001)
De asociale filosoof
Creatief denken
Een non-antwoord
Geen regels, geboden en verboden
Aflevering nr. 11 (juli/aug 2001)
Onduidelijk begrip Evolutie
Aanpassing en ontwikkeling
Wetenschappelijke filosofie
God en de kabouters
Gevoelsarme zaak
Aflevering nr. 12 (september 2001)
Kunst en filosofie
Filosofie als kunst
Collectieve krankzinnigheid
Individualisering
Aflevering nr. 13 (oktober 2001)
Autonome kunst
Vreemde activiteiten
Heeft de kunst een taak..?
Afspiegeling
Helder zicht
Bittere noodzaak
Aflevering nr. 14 (november 2001)
De geest van de tijd
De wetenschappelijke mens
Kennisgeving
Hoger bewustzijn
Verfijning en uitbreiding
Aflevering nr. 15 (december 2001)
Weerstand tegen vooruitgang
De klok en de klepel
Een stap verder
Het recht als wet
Aflevering nr. 16 (januari 2002)
Eigen rechter
Authentiek recht
Het recht en het collectief
Wordingsgerichte filosofie
Aflevering nr. 17 (februari 2002)
Drie belangrijke voorwaarden
Lichamelijk gedrag
De praktische basis
Volwassen ondernemen
Onverantwoord economisch denken
Universeel verklaringsprincipe
Aflevering nr. 18 (maart 2002)
Een vrouwelijke werkelijkheid
Filosofische ruggengraat
Stellige uitspraken
Zekerheden
Tegenspreken
Aflevering nr. 19 (april 2002)
De werkelijkheid als systeem
Andersom denken
Natuurkundige vervreemding
Eigengereide filosofen
Psychisch meetrillen
Descartes
Elkaar iets wijsmaken
Aflevering nr. 20 (mei 2002)
Objectief en subjectief
De denker en de filosofie
Discussie over atheÔsme
Goden als onvolwassen voorstellingen
Aflevering nr. 21 (september 2002)
Verbieden van de godsdienst
Florerend geloof
Stellige uitspraken
Aflevering nr. 22 (oktober 2002)
Niet-weten en onwetendheid
EssentiŽle verhoudingen
Wetenschappelijke normen
Filosofie zonder bedoeling
Achter de voorstelling
Aflevering nr. 23 (november 2002)
Objectiviteit als toevallige voorstelling
Filosofie, kunst en wetenschap
Valse pretenties
Totalitaire stelsels
Primitief individualisme

 

Aflevering nr. 24 (december 2002)
Een paradijs voor niet-weters
Atlantisch individualisme
Misdaad als begin van iets nieuws
Onvermijdelijk toeval
Een chaotische janboel


Aflevering nr. 25 (januari 2003)
Volwassen democratie
Godsbewijzen
Als iets er niet is
Indirecte gedachtegang

 

 


Aflevering nr. 26, d.d. 5 maart 2003.

 

Terug naar: de Homepage van Rob van Es voor mťťr informatie



 

 

 

 


 

 

 

 

 
 
Aflevering nr. 1(september 2000)

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
collectivistische denken zie afleveringen 1,5 en 12


 
Verdienen aan de samenleving
Sinds de moderne mens halverwege de 20ste eeuw definitief zijn intrede in de wereld heeft gedaan is er iets veranderd in de houding van de mensen ten opzichte van de samenleving. Ongemerkt heeft namelijk de mening postgevat dat de samenleving er is om eraan te verdienen, om je persoonlijk te verrijken. De samenleving is individueel winstobject geworden. Voordien was het de medemens waaraan op de een of andere manier verdiend moest worden. De een probeerde de ander zoveel mogelijk uit te kleden om er zelf beter van te worden.
Daarvoor nog was er overigens nog een periode die gekenmerkt werd door het uitplunderen van de aarde. Uitbuiten van de aarde en van de medemens gebeurt natuurlijk nog steeds, en logischerwijze in voortdurend verhevigde mate. Maar er is iets bijgekomen: het plunderen van de samenleving. Was het voordien zo dat de samenleving gezien werd als een de afzonderlijke mensen overkoepelend geheel waarin het welzijn van een ieder zo goed mogelijk bevorderd moest worden, thans moet er aan dat geheel verdiend worden. De particuliere mens probeert uit het geheel munt te slaan. Gelukt dat om de een of andere reden niet, dan worden er ook geen diensten aan de samenleving geleverd. Het loont dan de moeite niet.
Voorbeelden te over: de spoorwegen, ooit beschouwd als een openbare zaak die de kwaliteit van de samenleving zou bevorderen, moeten nu winstgevend zijn. Het gaat niet langer om diensten aan de burgers, maar om winsten voor ondernemers en hun aandeelhouders. Vroeger mochten die spoorwegen best wat kosten. Daarvoor had het rijk een schatkist. Nu is dat niet meer zo...
 
Terugkeer van de Scholastiek
Het is met de kunst en de filosofie op een jammerlijke wijze bergafwaarts gegaan. Op het eerste gezicht zou je dat niet zeggen want de filosofische faculteiten op de universiteiten kunnen zich nog steeds in een groot aantal studenten verheugen. Het vak filosofie is zijn stoffige imago kwijtgeraakt en de filosoof geniet zelfs enig aanzien. Het komt zelfs zo nu en dan voor dat zijn advies gevraagd wordt in kwesties van maatschappelijke en ethische aard. En bij bepaalde jongeren biedt de studie en het beoefenen van de filosofie een instrument om de hen omringende wereld begrijpelijk en handelbaar te maken.
Gezien in dat licht mag het bevreemding wekken als ik toch volhoud dat de huidige filosofie een regelrechte ramp is. Wat is het geval?
De taak van de filosofie is gelegen in het beantwoorden van de vraag Hoe zit het nu eigenlijk met de werkelijkheid? Object van de overdenkingen van de filosoof is dus de werkelijkheid zŤlf. Hij probeert er achter te komen hoe zij is. In zoverre klopt het dat er een grote behoefte aan filosofie is, want de moderne wereld is inderdaad uitermate diffuus en verwarrend. Maar in de moderne filosofie stelt men die vraag slechts ogenschijnlijk. Men meent naar de werkelijkheid te vragen maar in feite doet men dat allang niet meer, want door de door onze cultuur bepaalde analytische wijze van denken kan de filosoof slechts naar een wetenschappelijke werkelijkheid vragen. Zijn voorstelling van de werkelijkheid is van een realiteit geworden tot een wetenschappelijke theorie. Daardoor kan hij er niet omheen dat je nooit met zekerheid kunt zeggen hoe het nu Ťcht zit met de werkelijkheid: wetenschappelijke kennis is immers per definitie Únjuist omdat zij onvermijdelijk voorlopig is. Noodgedwongen gaat de filosoof zich dan maar verdiepen in de uitspraken die zijn collega's van vroeger en nu gedaan hebben. Je kunt daarom met recht zeggen dat de middeleeuwse 'Scholastiek' weer in volle glorie terug is.
 
De vlietende horizon
Zelfs als je niet eens op zulke slechte gronden veronderstelt dat je nooit het fijne van de werkelijkheid zult kunnen weten, omdat de beschrijving, die je van de werkelijkheid geeft, altijd en per definitie verfijnder kan, is het toch je filosofische opgave uit te zoeken hoe het nu eigenlijk met de werkelijkheid zit. Inderdaad zit je dan voortdurend met het probleem van een 'vlietende horizon', een horizon die steeds naar grotere verten opschuift, maar dat kan nu eenmaal niet anders. Net als in de kunst is er een eeuwig geldend 'steeds verder' zodat je je leven lang kunt verwachten dat je gedachten van morgen wŤrkelijk bevredigend zullen zijn, om vervolgens in het beste geval alleen maar bevredigender te blijken!
 
De samenleving dienen
Er is inderdaad een tijd geweest dat de algemene mening was dat je de samenleving moest dienen. Zelfs nu nog reppen sommige naÔeve politici van "Het hoge ambt waartoe wij geroepen zijn". Natuurlijk is dat tegenwoordig een leugen: geroepen worden politici stellig niet en de hoogte van het ambt wordt heel zakelijk uitgedrukt in termen van geldelijke vergoedingen en voorrechten.
De samenleving is er alleen nog maar om aan te verdienen. En als zodanig is zij een prachtig object, want er is absoluut geen concurrentie. Je kunt, zij het in overleg met je collega's, zelf bepalen hoeveel voordeel je er uit wilt trekken. Dat is nog eens goede handel..!
De mening dat de samenleving gediend zou moeten worden komt voort uit het collectivistische denken. Voor dat denken is het logisch dat de individuele mens opgaat in het geheel en dat is een dienende functie: het is een 'er zijn terwille van iets anders'. Begrijpelijk is dat, met het doorbreken van het individualisme, de kijk op de samenleving verandert en wel voorlopig op zodanige wijze dat de samenleving als zodanig object van uitbuiting wordt.
 
Het alleenrecht van de academische filosofie
Een aantal moderne academische filosofen heeft de euvele moed gehad niet academisch gekwalificeerde filosofen 'dilettanten', 'buitenstaanders' en - dat is het toppunt! - 'parafilosofen' te noemen. Die naam verwijst naar de term parapsychologie, welke naam suggereert dat er naast de betrouwbare officiŽle psychologie ook nog een Únbetrouwbare, niet erkende, bestaat. De zaak is duidelijk: volgens deze filosofen is er naast de academische vakfilosofie qua filosoferen niets mogelijk!
Niet alleen is dit een uitermate hoogmoedig standpunt, maar het is ook nog in strijd met nagenoeg de gehele filosofische traditie, een traditie die er uiteraard niet zomaar is, want hij komt voort uit het wezen van de filosofie dat uitsluitend tot zijn recht kan komen in een volstrekte ŗfzondering van elke denkbare vorm van kennis. Juist door de kennis buiten het denken te houden wordt het dit denken mogelijk autonoom en dus zelfdragend te functioneren.
 

 collectivistische denken zie afleveringen 1,5 en 12

 
=========================================================


 
Aflevering nr. 2 (oktober 2000)

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof

 

Parlementaire Democratie-1 ; Parlementaire Democratie-2 ;


 
Een drietal mogelijkheden
Wat betreft de ontwikkeling van de mens tot individu is er een drietal mogelijkheden te onderscheiden. Hoewel die mogelijkheden bij het nadenken daarover uit elkaar voort blijken te komen, is het in de praktijk toch zo dat zij naast elkaar bestaan, zij het bij onderlinge vergelijking toch wel met een stijgende trap van kwaliteit.
Je kunt er de volgende situaties aan bedenken:
 
Radicaal afwijzen
Er is het radicaal afwijzen van de individualiteit van de mensen. De voorstelling die men van de werkelijkheid heeft houdt in dat de afzonderlijke mens zonder enig voorbehoud op dient te gaan in het geheel van de staat, de maatschappij en de samenleving. Dit is de praktische manifestatie van het nauwelijks bewuste besef dat voor de mens de werkelijkheid uiteindelijk als ŤŤn volledig samenhangend geheel gaat gelden. Maar het is tegelijkertijd een enigszins idealistische reactie op de mens als individu, omdat die zich tijdens zijn ontwikkeling geruime tijd en noodzakelijk als een particuliere (egoÔstische) zaak manifesteert.
In de voormalige Sowjet-Unie vind je een voorbeeld van deze toestand. Men stelde het geheel van de staat boven alles, hetgeen overigens in feite het suprimaat van het collectief, belichaamd in de communistische partij, betekende. Maar ook was dit een afwijzen van en verzet tegen de particuliere mens zoals men die met name uit het westen kende.
De Chinezen onder het bewind van Mao en opvolgers gaan feitelijk nog verder met het afwijzen van de individualiteit: zij wijzen die niet zozeer af alswel negeren die volkomen. Individualiteit bestaat voor hen eenvoudig niet. Dat lag al in de leer van Confucius besloten waarin het bestaan van de individualiteit ontkend werd en elke uitdrukking van persoonlijke gevoelens als onwaardig werd beschouwd.
 
Negatieve erkenning
Er is het op negatieve wijze erkennen van de individualiteit. Dat wil zeggen dat je met een erkenning onder voorwaarden van doen hebt. De individualiteit mag er wel zijn, mÚet er zelfs zijn, maar alleen als hij gebonden is aan uniforme wetten en regels en codes. Wederom is er te spreken van de uitdrukking van een collectief besef dat eigenlijk teruggaat tot op een intuÔtie van een samenhangende werkelijkheid, terwijl er tegelijkertijd een reactie is op het particuliere van de moderne mens, zoals dat onder andere in de parlementaire democratie voor de dag komt. Gevolg is dat dit particuliere slechts op uniforme wijze mag gelden. Deze kijk op de mens als individu manifesteert zich in het nationaal-socialisme en het fascisme.
De marcherende cohorten, horden, bestaan wel degelijk uit afzonderlijke individuen die voor zichzelf volstrekt overtuigd zijn van eigen unieke persoonlijkheid, maar dat is een persoonlijkheid die bepaald en gekenmerkt wordt door het uniform. Dat uniform is uitdrukking van de individualiteit. Je bent wat als je bijvoorbeeld het uniform van een beroemd regiment mag dragen. De verschillen tussen de individuen worden uitgedrukt doormiddel van velerlei, vaak hoogst persoonlijk en louter voor zichzelf ontworpen, onderscheidingstekens. En het marcheren is eveneens essentieel, want dat drukt uit dat ieder individu op uniforme wijze dezelfde weg gaat. Symbool en ideaal van dergelijke cohorten is 'De Leider' die aan de uniforme mens gestalte, inhoud en doel geeft.
Opmerkelijk bij dit alles is ook dat slechts de mannen recht hebben op het predikaat 'individu'. Aangevoeld is kennelijk dat het geheel, waarvoor de vrouw staat, zich niet verdraagt met de individu, althans niet voorzover deze particulier ingesteld is.
 
Positieve erkenning
Er is het positief erkennen van de individualiteit. Uiteraard is dat de wijze waarop de westerse mens de werkelijkheid en zichzelf bekijkt. Het kan daarbij niet uitblijven dat gedurende een lange periode het particuliere zich ongehinderd kan uitleven, dat wil zeggen: ongehinderd totdat het door andere, zich ongehinderd uitlevende, particulieren een halt toegeroepen wordt. Het zodoende ontstane, betrekkelijk wankele, evenwicht tussen met elkaar botsende individuen is typerend voor de westerse cultuur en merkwaardigerwijs houdt die labiele zaak langer en efficiŽnter stand dan nagenoeg ŗlle collectivistische denkers en socialistische voorgangers gedurende meer dan een eeuw gedacht hebben. In ieder geval drukt de westerse wereldbeschouwing uit dat het slechts de individuen zijn die tenslotte gestalte kunnen geven aan een samenhangende werkelijkheid.
Tegelijkertijd kun je spreken van een reactie op de voorstelling dat de individuele mens aan enigerlei vorm van een hoger geheel onderworpen zou behoren te zijn. De westerse mens is in zijn hart permanent Úntevreden over zichzelf en zijn samenleving. Hij kan het niet laten steeds zijn eigen westerse wereld als voorbeeld van een misdadige, door hebzucht gedreven, onderwereld te beschouwen. Een onderwereld die niet vlug genoeg opgeruimd kan worden, maar die tegelijkertijd almaar meer over de gehele planeet doorgezet wordt.

Parlementaire Democratie-1 ; Parlementaire Democratie-2 ;
 

 
 
=========================================================


 
Aflevering nr. 3 (november 2000)

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof

Parlementaire Democratie-1 ; Parlementaire Democratie-2 ; KANT- zie nrs. 03 , 10 , 11 , 18 ;


 
Leidersprincipe
Als je eenmaal in de gaten hebt dat de westerse cultuurmens altijd in ťťn bepaalde richting denkt, namelijk van boven naar beneden, ga je steeds meer zaken opvallen die traditioneel hoog in aanzien staan, maar die het welbeschouwd tenvolle verdienen zonder pardon ŗfgewezen te worden.
Uiteraard geldt dat voor de diep ingekankerde behoefte vanuit een leidersprincipe met onze wereld om te gaan. Ook de democratische stelsels ontkomen niet aan die behoefte, hetgeen duidelijk moge blijken uit het feit dat het hele geworstel binnen de parlementaire democratie onveranderlijk uitloopt in de overwinning van een aantal absolute heersers, voor wie het democratisch handelen slechts instrument is om naar de top te komen en daar hun zin door te drijven.
 
Arrogantie
Meer verborgen en over het algemeen zelfs door de denkers nauwelijks opgemerkt zijn de opvattingen van diegenen die op grond van hun denken, standpunten en levenshoudingen tot de toppen van onze intellectuele cultuur gerekend worden. Die opvattingen blijken bij hernieuwde onbevangen beschouwing van een zodanige arrogantie te zijn dat je je erover verbaast dat zij niet eerder en vaker met hoon overladen zijn. Zo is daar bijvoorbeeld Voltaire die - en hij stond daarin lang niet alleen - van mening was dat, ŗls god niet zou blijken te bestaan, er voor 'het volk' beslist een uitgevonden zou moeten worden omdat die stumperds een hoger, van buitenaf dwingend, moreel principe van node zouden hebben...
Voltaire is duidelijk een vertegenwoordiger van hoogmoedige denkers die voor zichzelf een hoge status reserveren en logischerwijs daaraan verbinden dat hun medemensen zo weinig betekenen dat zij gevoeglijk aan een waan van iets hogers onderworpen mogen worden.
En de filosoof Immanuel Kant, die tot op de dag van vandaag beschouwd wordt als de grootste denker aller tijden, achtte zichzelf ook deftig genoeg om het recht te hebben aangaande zijn medemensen te stellen dat zij 'gedwongen' moesten worden om deel te nemen aan een goede wereld. Hij kon beslist beter weten: juist het feit dat het uitsluitend zijn eigen persoonlijke voorstelling van een 'goede wereld' betrof en dat juist hij degene was die in zijn filosofie de vraag naar het persoonlijke kenvermogen van de mens als centraal thema stelde, doet je nog meer verbaasd staan over de hoogmoed van zo een groot denker.
 
De verlangens van de filosofen
En mij verbaast het nÚg meer dat vrijwel geen van de hedendaagse filosofen in de gaten heeft hoezeer zij zelf en hun collegae eveneens halsstarrig van bovenaf denken en daardoor een geheel verkeerd concept van een goede wereld ontwerpen. Vervolgens vinden zij het spijtig dat de mensen almaar niet aan hun ideeŽn kunnen beantwoorden. Maar de fout ligt bij die filosofen zŤlf. Hun voorstelling van de werkelijkheid deugt niet! De mensen zouden met de beste wil van de wereld niet aan hun verlangens kunnen voldoen.
Toch geven zij niet zichzŤlf de schuld, maar 'het volk', 'de straat', 'het egoÔsme' en 'het materialisme'. Dus: de anderen en de cultuur zijn eraan schuldig dat het geniale concept van de denkers op niets uitloopt! Dat nu is hoogmoed: je eigen voorstelling van de werkelijkheid als de absolute maat voor anderen stellen en die anderen vervolgens beschuldigen van apathie, egoÔsme en domheid als zij aan die maat niet beantwoorden.
 
Hulpeloze tobberds
Voltaire was van mening dat een godheid noodzakelijk was om de mensen in toom te houden en hen bovendien iets te geven waartegen zij op kunnen zien en troost uit kunnen putten. Men zou een god uit moeten vinden als er geen voorhanden was, zo placht hij te zeggen. Kennelijk maakt Voltaire uit wat goed voor de mensen is, na overigens eerst en enigszins triomfantelijk vastgesteld te hebben dat zij onzelfstandige, domme en hulpeloze tobberds zijn. ZichzŤlf rekent hij er natuurlijk niet toe, hoewel de logica gebiedt te laten gelden dat de uitspraak 'de mensen zijn tobberds' noodzakelijk ook inhoudt dat diegene die bedoelde uitspraak doet ook tenvolle meegerekend behoort te worden.
 
Voltairiaanse hoogmoed
Voltariaanse hoogmoed komt veelvuldig voor. Tot op de dag van vandaag kan men denkers tegenkomen die staande houden dat 'de' mens een schurk is die niet zonder dwingende moraal en regels kan. Ondanks hun gekwalificeerde denken valt hen blijkbaar niet op dat er een heel verschil is tussen de vaststelling 'de mentaliteit van de alsnog onvolwassen mens is overwegend schurkachtig' en de bewering dat 'de' mens een schurk zou zijn. En zij voelen al helemaal niet aan dat het, 'kosmisch' gezien, volstrekt uitgesloten is dat het laatste resultaat van het wordingsproces een tobbende schurk is...
 
Social engineering
De filosoof Karl Popper waarschuwde ten tijde van de tweede wereldoorlog al voor wat hij social engineering noemde. Hij zag blijkbaar in dat je een samenleving niet kunt construeren zoals een ingenieur bijvoorbeeld een machine construeert. Popper heeft dat juist gezien. Natuurlijk hebben een heleboel epigonen deze opvatting enthousiast overgenomen, uiteraard zonder in de gaten te hebben dat zijzelf, ongehinderd door inzicht in hun eigen denken, vol overtuiging bezig zijn zŤlf plannen te maken voor een toekomstige wereld. Plannen waaraan iedereen loyaal zal moeten meewerken... omdat het nu eenmaal goede plannen zijn!
Zo wordt onze moderne maatschappij met rasse schreden hervormd tot een onderneming, een bedrijf, geleid door managers die hun werkzaamheden professioneel verrichten volgens kriteria die zij op de universiteit geleerd hebben.
Wij worden een managerswereld binnengesleurd!
Die managers blijken daarbij, ten gevolge van hun academische zekerheden, zo verblind te zijn dat zij het bestaan om social engineering voor onmogelijk te houden - zij durven immers de grote Popper niet af te vallen - Ťn tegelijkertijd in feite met niets anders dan precies dat bezig te zijn. De onaantastbare gezaghebbende waan van het 'academisme' maakt het de managers onmogelijk een verband te zien tussen de van anderen op de universiteiten overgenomen standpunten, ideeŽn en theorieŽn en het eigen praktische gedoe. Trouwens, men mŗg dergelijke verbanden niet laten gelden.
 
Cultuurschok
Zulke academische standpunten leiden er niet toe dat men kritisch het eigen gedoe nader beschouwt, neen, zij leiden een geheel eigen leven, bestaan onafhankelijk van het eigen gedoe. Die onafhankelijkheid echter is geen aanleiding om het academisme als onwerkelijk en onpraktisch te verwerpen of minstens te herwaarderen, neen, men levert zich daarentegen telkens weer met huid en haar uit aan de waanwereld van de academische plannenmakers en is er heilig van overtuigd dat dit de Ťchte werkelijkheid is. Dat heeft als gevolg dat men voortdurend probeert de realiteit om te vormen en aan te passen aan de theorie.
Als de moderne mensheid straks wakker wordt zal de 'cultuurschok' vele malen groter en aangrijpender zijn dan zij ooit in het verleden bij intellectuele omwentelingen geweest is...

Naar bladwijzers: Parlementaire Democratie-1 ; Parlementaire Democratie-2 ; KANT- zie nrs. 03 , 10 , 11 , 18 ;

 

Naar artikelen:Loyaal: zie bladwijzers in De ontwikkeling van de West Europese Cultuur, ; Loyaal: zie bladwijzers in De Kunst van het Filosoferen, ; Loyaal: zie bladwijzersin De Grote Vierslag, ; Loyaal: zie bladwijzersin Alledaags Commentaar 1 t/m 40,
 

 
 
=========================================================


 
Aflevering nr. 4 (december 2000)

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof

 

Bladwijzer(s): Burgeroorlog-1, Burgeroorlog-2

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26



 
Zekerheden
Het gaat in de wetenschappen om zekerheden. Dat is logisch want aan kennis waarvan je de juistheid betwijfelt heb je niets en er is in principe dan ook geen mens te vinden die er op uit is zich te bedienen van kennis waarvan hij weet dat zij Únjuist is. Hij kan die onjuiste kennis eventueel wel gebruiken om er anderen een rad mee voor ogen te draaien, zoals bijvoorbeeld de heren van de kernenergielobby voortdurend doen, maar dan weet hij toch voor zichzelf dat hij bezig is de werkelijke feiten te verdraaien.
Ook deze heren kunnen en willen zich voor zichzelf niet bedienen van onjuiste kennis. Het zijn dan ook stuk voor stuk leugenaars: zij doen het naar buiten toe voorkomen alsof bepaalde feiten voor hen juist zijn terwijl zij weten dat dit geenszins het geval is en zij voor zichzŤlf heel andere feiten hanteren. Feiten die zij wŤl oprecht voor juist houden. Om redenen van economisch en politiek belang, maar vooral ook met het oog op eigen gewin, mogen die juiste feiten niet bekend gemaakt worden. Vandaar hun voorliefde voor geheime dossiers!
 
Fundamentele onzekerheid
De wetenschappelijke zekerheden zijn wezenlijk Únzeker doordat zij onvermijdelijk slechts momenten zijn op de weg van het leren kennen van de feitelijke werkelijkheid. Deze fundamentele onzekerheid echter ligt verborgen onder de zekerheden: op elk moment zijn er bepaalde zekerheden wat betreft de juistheid van de verworven kennis. Doordat alle soorten van juiste kennis niet mogelijk zijn zonder een onderstroom van Únzekerheid en doordat die onzekerheid zich in de toekomstige reeks van momenten manifesteert, is academische plannenmakerij niet alleen inhouds- en betekenisloos, maar ook nog levensgevaarlijk.
 
Juistheid en waarheid
De wetenschappen kunnen steeds verder met hun onderzoek van de werkelijkheid. Altijd blijft het mogelijk en noodzakelijk dat er weer een volgende stap gezet wordt: de verworven kennis van nu legt vanzelfsprekend de vragen neer voor de kennis van straks. Dat betekent dat eigenlijk elk 'kennismoment', hoewel op zichzelf streng op juistheid getoetst, toch niet een 'waar' moment kan zijn. Steeds ontbreekt er iets aan die kennis, zodat men verder op zoek moet gaan. De begrippen juistheid en waarheid zijn ten enen male niet identiek, er zit een wereld van verschil tussen.
 
Het kwalitatieve zoeken
Ook in de kunst en de filosofie kan men altijd verder, maar er is toch een belangrijk verschil met de wetenschappen. Nu is namelijk elk moment een 'waar' moment waaraan in geen enkel opzicht iets ontbreekt. Steeds heeft men te doen met een 'volmaakt' moment, waarmee ik bedoel te zeggen dat alles aanwezig is. Dat is logisch: de kunsten en de filosofie zijn, elk op eigen wijze, uitdrukking van de werkelijkheid als beeld en aangezien dat een afspiegeling van het geheel van de werkelijkheid is kŗn er eenvoudigweg niets aan ontbreken. Het kwantitatieve zoeken van de wetenschap heeft in de kunsten en de filosofie plaats gemaakt voor het kwalitatieve zoeken van een zo helder mogelijke beschrijving van de werkelijkheid als beeld.
 
Details en nuances
Gaat het in de wetenschappen om zoveel mogelijk details, en dus 'zoveel mogelijk van hetzelfde', in de kunsten en de filosofie gaat het om zo helder mogelijke nuances binnen het samenhangende geheel. Ook een ruwe artistieke schets en globale filosofische uitspraken staan in het teken van het 'ware'. Het altijd maar doorgaan van de kunstzinnige en filosofische arbeid berust dus op het zoeken van een zo helder en genuanceerd mogelijke beschrijving van de werkelijkheid. Dat van de wetenschappen echter op het achterhalen van zoveel mogelijk details. Ook voor de wetenschappen houdt het zoeken nimmer op, maar dat houdt in dat de zaak wezenlijk gebrekkig is en blijft. Voor de kunsten en de filosofie houdt het zoeken nimmer op omdat de waarheid - steeds dezelfde waarheid! - altijd mooier en genuanceerder uitgedrukt kan worden.
 
Moderne vijandigheid
Tot voor kort werd er gevochten, gemoord en verkracht in BosniŽ, het vroegere Joego-SlaviŽ. Door datgene dat daar nog steeds mogelijk blijkt te zijn hellen steeds meer mensen over tot de mening dat een dergelijk schofterig gedrag ook mogelijk is in de westerse wereld, als de mensen maar genoeg opgezweept zijn en zich, daarmee samenhangend, voldoende bedreigd voelen door buitenstaanders die als minderwaardig en misdadig beschouwd worden. Sommigen zijn er zelfs van overtuigd dat er maar heel weinig nodig is om de brand erin te steken. Zij wijzen daarbij op de betrekkelijk onbenullige argumenten die met succes gebezigd worden. Argumenten van het kaliber: "Jij woont aan de andere kant van de sloot, dýs ben je mijn vijand", waarop destijds, omstreeks 1670, Blaise Pascal reeds met verachting wees. En ik moet toegeven, de ontwikkelingen in dat BosniŽ brachten mij ook enigszins aan het twijfelen.
In feite waren dat niet alleen die ontwikkelingen, maar ook die in onze westerse wereld, namelijk op het vlak van het zich effectuerende individualisme. Zoals bekend neemt bijvoorbeeld in het verkeer het asociale en zelfs misdadige gedrag verschrikkelijke vormen aan en ook in het maatschappelijk leven is de toename van de vijandigheid onmiskenbaar.
Dus:
waarom zouden er ook in het westen geen burgeroorlogen kunnen ontstaan met de daarbij behorende wreedheden? Ook de westerse mens is nog steeds onvolwassen en blijkt dus een bandiet te zijn als hij op de een of andere manier gemotiveerd is en straffeloos zijn gang kan gaan!
Ofschoon dit alles ongetwijfeld waar is ben ik toch weer teruggekomen bij mijn oorspronkelijke mening dat het juist in de westerse wereld niet meer mogelijk is dat conflicten zulke wanstaltige vormen aannemen. Ik ontken dus de mogelijkheid niet van ernstige conflicten, maar ik ontken voor de doorsnee westerse mens de mogelijkheid van het vervallen tot volslagen misdadige bandeloosheid. Praktische aanwijzing daarvoor is de voortdurende besluiteloosheid van het westen als het gaat om gewapend optreden. Men wil niet vechten.
En filosofisch is de burgeroorlog niet te rijmen met de fase waartoe het individualisme zich in het westen ontwikkeld heeft.
 

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26

 

Burgeroorlog-1, Burgeroorlog-2

 
=========================================================


 
Aflevering nr. 5 (januari 2001)

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof

 



Bladwijzer: lange afstandsraketten†† collectivistische denken zie afleveringen 1,5 en 12††
Burgeroorlog-1, Burgeroorlog-2

 
Collectivistisch instinct
In de westerse wereld is het individualisme definitief doorgebroken. Ik heb daar al vaak op gewezen. Dat betekent dat er wel allerlei vormen van individuele misdadigheid mogelijk zijn, maar dat er geen massale moordpartijen zoals in burgeroorlogen meer kunnen voorkomen. Het voor zulke misdaden benodigde collectivistische instinct is verdwenen. Dat instinct is onmisbaar, het is de diepere grond voor burgeroorlogen, die dan ook eigenlijk geen oorlogen zijn, maar op massahysterie gebaseerde moordpartijen.
Zonder groepsbesef, zonder collectivistische instincten, zijn dergelijke moordpartijen onmogelijk. Zoals steeds bij groepsgedrag worden het individuele normbesef en het redelijke handelen tijdelijk bepaald door de hysterie van de groep.
 
Wrede moordlust
Het normbesef en het daaruit voortvloeiende handelen zijn binnen het hysterische collectief zozeer verziekt dat noodzakelijk een wrede moordlust het gevolg is. Die moordlust is volslagen redeloos. Dat wil in dit verband zeggen dat eigenlijk niemand weet waarÚm hij doet wat hij doet. Men doet het omdat het collectief het doet. Neem je iemand uit zo'n collectief apart en verbreek je radicaal het contact met de groep, dan begrijpt hij zijn eigen gedrag niet meer.
Eigenlijk manifesteert zich hierbij op bloedige wijze wat het collectivistische denken altijd doet bij mensen: door het gericht zijn op de groepsidentiteit is onderwerping en aanpassing essentieel en daardoor kan het, uit het volwassen, vrije en zelfstandige bewustzijn voortkomende, individuele besef van samenhang van allen met allen niet doorbreken. Doordat dit zich niet kan laten gelden staat de ene mens naar eigen idee buiten de andere mens voorzover die een andere identiteit heeft, zodat die ander onvermijdelijk in de weg staat en 'opgeruimd' moet worden.
Wie er niet bij hoort mŗg er niet bij horen!
 
A job to do
De individualistische westerse mens kan eventueel nog wel georganiseerd moorden. Dat noemt hij 'oorlog voeren' en dat doet hij tegenwoordig precies zoals hij een bedrijf runt. Hij vindt dan ook dat hij aan het werk is als hij zijn kanonnen afschiet en, overigens heel lafhartig, in persoonlijke veiligheid zijn lange-afstands raketten lanceert. Hij verlaat huis en haard met de mededeling dat de plicht hem roept en dat hij "A job to do" heeft. Er is werk aan de winkel. Geen aangenaam werk, maar anderzijds ook wel weer in zoverre bevredigend dat het smerig werk is dat toch door iemand gedaan moet worden. Dat schenkt voldoening en is een reden om trots op zichzelf te zijn. Het strekt dan tot eer die ondankbare taak op zich genomen te hebben.
Van een collectieve hysterie is geen sprake, hoe begeesterd men desnoods bij gelegenheid ook is. Voor hysterie is geen plaats als je bezig bent je werk te doen. Werken doe je zakelijk, systematisch en logisch denkend, want niet het collectief is de maat, maar de organisatie. Die vereist koel en zakelijk management.
 
Blut und Boden
Je kunt de groep die vanuit collectieve instincten bezig is benoemen met het begrip 'horde'. Dat is natuurlijk maar een woord, maar het drukt toch duidelijk uit dat de leden ervan geen individualiteit bezitten en dat hun identiteit die van het collectief, de horde, is.
Iedereen is voor zich de horde. Dat is geen zaak van het verstand, noch van enig besef van redelijkheid, het is een zaak van instinct, ook wel genoemd 'het bloed'. De Nazi's begrepen dat maar al te goed: niet zonder reden spraken zij van "Blut und Boden".
 
Organisatie
De groep die door de mens van de westerse cultuur gevormd wordt staat in het teken van de organisatie. Leden van zo'n groep bezitten wel degelijk een bijzondere eigen individualiteit, maar die is in zoverre ingeperkt dat hij de belangen van de organisatie niet kan schaden. Dus, hoe individueler hoe beter, ŗls het maar in dienst is van de organisatie en volledig daaraan ten goede komt. Tot op zekere hoogte laat dat ook allerlei variaties in individualiteit toe. Sterker nog: een dergelijke pluriformiteit is dringend gewenst!
In zo'n groep kunnen individuen opklimmen tot belangrijke functies, hetgeen al door Napoleon bevestigd werd als hij stelde dat iedere soldaat de maarschalksstaf in de ransel heeft. "Van krantenjongen tot miljonair" is typisch uitdrukking van organisatorisch denken waarin de mens als een bepaald individu voorondersteld is.
 

 collectivistische denken zie afleveringen 1,5 en 12
Burgeroorlog-1, Burgeroorlog-2
 
=========================================================


 
Aflevering nr. 6 (februari 2001)

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof


 
Etnisch zuiveren
De mens van de westerse cultuur zal zo vlug niet meer ten oorlog trekken en zelfs begint er zich in hem al een sterke weerstand tegen de oorlog te ontwikkelen. Ook al is het voor hem een organisatorische kwestie geworden, werk dat helaas gedaan moet worden, het is en blijft toch een zeer onpraktische manier van doen. Macht kun je veel beter en efficiŽnter langs economische en politieke wegen veroveren. En de ten onrechte zo genoemde 'oorlogen' die door hysterische horden gevoerd worden zijn voor de westerse mens al helemaal een gruwel, niet zozeer vanwege de gewetenloze en wrede moordpartijen, maar juist vanwege het hysterische karakter er van.
 
Wetten van het management
In wezen is het de infame bandeloosheid die de westerse mens stoort in het moorden door de horden. Je kunt dan ook, eigenlijk tot je verbazing, opmerken dat men toch almaar probeert met de moordenaars in gesprek te komen en dat men er daarbij als vanzelfsprekend van uitgaat dat er met die lieden tot ordelijke regelingen gekomen kan worden. Desnoods gaat het vechten gewoon door en wordt er naar lieve lust etnisch gezuiverd, ŗls het maar gereglementeerd, ordelijk en met eerbiediging van afspraken gebeurt. De wetten van het management moeten geŽerbiedigd worden.
De dode en verminkte slachtoffers is de moderne westerse mens al ras vergeten, hetgeen misschien in de grond van de zaak nog wel zo goed is...
 
Het begrip aanleg
Op het eerste gezicht is het heel merkwaardig dat moderne mensen een intuÔtieve afkeer hebben van het begrip 'aanleg'. Zij kunnen het niet goed verdragen dat de ene mens een aantal zaken beter kan dan de andere en dat dit niet komt door een grotere aangeleerde deskundigheid, maar zomaar door een speling van het lot. Het is immers op geen enkele manier na te gaan waar een bepaalde aanleg vandaan komt. Dat is voor de moderne mens moeilijk te verdragen, want hij meent dat in de grond van de zaak alles te verklaren en uit te rekenen is, is het niet vandaag, dan is het toch in elk geval morgen. En een verklaring is nodig, want als men die gevonden heeft is de zaak tot kennis geworden en als dat het geval is heeft men de zaak in bezit genomen. Daarmee is het bijzondere, het unieke, komen te vervallen: de aanleg is niets bijzonders meer.
Het is een zaak van deskundigheid geworden en deskundigheid is voor een ieder te bereiken. Men meent dan ook dat alles te leren is en zo er al van enige aanleg gesproken wordt staat dat in verband met dat leren: aanleg om te leren. Daarmee is het begrip 'aanleg' nu ook tot een uitwŤndige zaak verworden. Het gaat nu over iets dat zich van buitenaf verwerven laat.
 
De werkelijkheid
Het begrip 'werkelijkheid' heeft in de filosofie betrekking op alles wat er is, of dat nu in de gebruikelijke zin materieel genoemd kan worden of op enigerlei wijze niet-materieel. Onder genoemd begrip kunnen dingen vallen, maar ook verhoudingen, bewegingen en in het algemeen gebeurtenissen. Kortom: er is niets wat niet onder het begrip 'werkelijkheid' valt.
Als de filosoof zegt dat hij er achter wil komen hoe het zit met de 'werkelijkheid' dan bedoelt hij uitsluitend deze allesomvattende zaak, hoewel het met dergelijke uitspraken oppassen is, want moderne filosofen, die heel vaak uitermate verward denken, zullen er in veel gevallen hun eigen 'voorstelling' mee bedoelen.
Je kunt opmerken dat men bijna nooit in de gaten heeft, althans zelden consequenties wil trekken uit het feit, dat de werkelijkheid er is naar twee aspecten, namelijk haar zogezegd 'objectieve' aspect en haar 'subjectieve'. Dit laatste is dus de in het zelfbewustzijn aanwezige voorstelling en die is onvermijdelijk persoonsgebonden.
 
Vluchtgedrag
Er zijn allerlei redenen waarom men steeds met die subjectieve werkelijkheid op de proppen komt en quasi intellectueel moeilijk doet over het begrip 'werkelijkheid' in objectieve zin. Zelfs is men niet bereid te erkennen dat er hoe dan ook toch maar ŤŤn werkelijkheid kan zijn en dat daarvan te zeggen is: 'hoe zij ook is, zij is zoals zij is en niet anders'. Dit los van de vraag of die of gene er volledig achter kan komen hoe dat nu allemaal zit.
Dit vluchtgedrag van de moderne intellectuelen (want dat is het!) kan verklaard worden uit de omstandigheid dat hun analytische denken geen ruimte laat voor waarheden en dat men zich daardoor beter thuis voelt bij een uitermate laffe, maar tegelijk bijzonder hoogmoedige, Únwetendheid, waarvan men het doet voorkomen of dat het summum van intelligentie is. Iemand die het daarentegen allemaal maar dom vindt is bij voorbaat verdacht...
 

 
 
=========================================================


 
Aflevering nr. 7 (maart 2001)

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26
Pilatus-1 ; Pilatus-2 ; Pilatus-3 ;
 
Verzamelaars
Het begrip 'waarheid' is voor moderne intellectuelen volslagen taboe. Zij gedragen zich als Pilatus die zich destijds al afvroeg wat waarheid is. En die natuurlijk bedoelde dat dit begrip loos was vanwege het voor hem klare feit dat je de waarheid niet kunt kennen. Inderdaad kon Pilatus de waarheid niet kennen, want hij was een Romein! Dat wil zeggen: iemand die een exponent was van de toenmalige Romeinse cultuur. Die cultuur is te typeren als een 'verzamelaars-cultuur' en die tref je aan bij het begin van de analytische periode van de mensheid. Analyse immers vooronderstelt een verzameling, of juister gezegd: een kijk op de werkelijkheid als zou zij uitsluitend een verzameling van verschillende dingen zijn. Dit is dus de werkelijkheid naar het begrip 'totaliteit'.
Bij een dergelijke kijk is het onmogelijk het begrip 'waarheid' te gebruiken. Dus had Pilatus eigenlijk volkomen gelijk door vragenderwijs te stellen dat er hoegenaamd geen waarheid is...
 
Een omgekeerde zaak
Echter, er is wel degelijk een waarheid, net zo goed als er een werkelijkheid is. Het begrip 'waarheid' is te omschrijven als de werkelijkheid als beeld zoals die voor de ervaring van de mens opgeroepen wordt door het bewustzijn. Alles wat 'het beeld' laat zien, aan iemand laat ervaren, is zonder meer waarheid, hoe subjectief en persoonsgebonden de voorstelling, waaraan het beeld zich afspiegelt, ook bij gelegenheid zijn kan.
Omdat moderne mensen uitsluitend het accent leggen op de voorstelling, de in hen subjectief aanwezige werkelijkheid, kunnen zij niet uit de voeten met ervaringen van de waarheid. Zij wijzen ze dan ook pertinent af en draaien daarbij de zaak zodanig om dat zij nu die waarheid voor subjectief houden en hun voorstelling voor objectief!
Hun denken is primitief dat zij zich niet eens realiseren dat hun zogenaamde objectiviteit op niets anders berust dan op de macht van het getal: als velen iets voor juist houden, bij voorkeur gesteund door betrouwbaar wetenschappelijk onderzoek, dan moet iets wel objectief juist zijn. Dat die objectiviteit gevolg is van afspraken en binnen een cultuur als vanzelfsprekend ervaren zogenaamde waarheden ontgaat hen.
Althans zij willen dat nimmer toegeven.
 
Onbruikbare waarheid
De waarheid leent zich niet voor afspraken of besluiten bij meerderheid. De waarheid leent zich volstrekt nŤrgens voor: niet voor overdragen aan anderen via het onderwijs, niet voor uitdrukken in formules, het maken van berekeningen of plannen en niet voor het ten voorbeeld stellen aan anderen. Zelfs voor het verwerkelijken van een ideaal deugt de waarheid niet! Ze is alleen maar te ervaren en dat dan ook nog individueel. Zij vindt langzaam maar zeker haar weg in de wereld doordat steeds meer mensen er steeds minder onderuit kunnen, zonder daarbij acht te slaan op wat anderen ervan vinden of zonder anderen op de een of andere manier na te volgen. De waarheid is strikt individueel en als zodanig tegelijkertijd universeel.
 
Helder beeld
Academische filosofen willen creatieve filosofen nogal eens voorhouden dat men niet verplicht is ŗlles zelf te bedenken. Ik heb de stellige indruk dat die academici zich deze stelling met graagte eigen maken om zich de twijfels en het zoeken te besparen die nu eenmaal aan een eerlijke filosofische zoektocht meekomen. Anderen, en zo mogelijk beteren, hebben de zaak al uitgezocht en ter beschikking van de mensheid gesteld! Je behoeft het er alleen maar mee eens te zijn om een fraaie filosofische uitspraak te kunnen en te mogen doen!
Zij hebben er weer eens niets van begrepen: filosoferen is niet het aanleggen van een doorwrochte verzameling uitspraken waarmee men het eens kan zijn, eventueel uitgebreid met een aantal eigen bedenksels, maar het gaat er bij het filosoferen om een zo helder mogelijk beeld van de werkelijkheid te verkrijgen opdat daar een uiterst verfijnde beschrijving van kan worden gegeven.
 
Andermans veren
Om dat schone doel te bereiken mÚet de filosoof alles geheel op eigen kracht uitzoeken. En dat moet zij of hij telkens opnieuw doen, want het steeds verder nuanceren van het te beschrijven beeld richt zich noodzakelijk op het geheel daarvan. Een stukje van de werkelijkheid kan slechts geanalyseerd worden, dus worden uiteengelegd in zijn onderdelen. Maar daarmee wordt volstrekt niets over de werkelijkheid zŤlf gezegd. Het overnemen van een bepaalde uitspraak, eens door een filosoof of een andere denker gedaan, is als het zich eigen maken van een stukje van de werkelijkheid en dat is, in het licht van het filosoferen, van geen enkele betekenis.
Het is in feite 'pronken met andermans veren'.
 

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26
Pilatus-1 ; Pilatus-2 ; Pilatus-3 ;
 
=========================================================


 
Aflevering nr. 8 (april 2001)

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26 ; Houvast-1 ; Houvast-2 ;

 
Almaar opnieuw
Het zou bij een ieder grote bevreemding wekken als een pianist tijdens een recital plotseling ophield en vervolgens als verklaring voor zijn gedrag mededeelde dat het nu volgende gedeelte al eerder en beter door Wilhelm Kempf gespeeld is, dat hij het bijgevolg zinloos vindt 'het wiel opnieuw uit te vinden' en dat hij ook niet verplicht gesteld kan worden alles zŤlf uit te zoeken.
Misschien kan een modern 'kunstenaar' met een dergelijke 'performance' komen? Dat zou niet eens erg uit de toon vallen want het behoort toch al tot de mode net te doen alsof men muziek maakt! Het zou je dus niets behoeven te verbazen als zelfs het publiek er laaiend enthousiast over was, in de stellige overtuiging eindelijk weer eens met een 'geniaal' kunstenaar van doen te hebben, iets wat sinds Willem Pijper niet meer voorgekomen was.
Iedereen die niet door de moderne kunstenaars gehersenspoeld is begrijpt onmiddellijk dat zo'n pianist de zaak belazert. Het was in feite zijn plicht geweest de te spelen werken grondig, noot voor noot, te bestuderen om ze zo mooi mogelijk te kunnen spelen. Aan wat anderen muzikaal tot stand gebracht hebben heeft hij natuurlijk geen enkele boodschap. Hij moet de hele zaak zŤlf en op eigen kracht voor elkaar zien te krijgen.
Zo ook de filosoof: het komen tot een zo helder mogelijke en gedetaillerde beschrijving van de werkelijkheid kan alleen maar zelfstandig en op autonome wijze geschieden. In feite heeft hij niets aan de beweringen van anderen.
Trouwens, een belangrijk vereiste van kunst en filosofie is dat men geen afgebakende en platgetreden paden bewandelt. Kunst en filosofie kunnen alleen maar in volle vrijheid gedijen. Essentie van beide activiteiten is het steeds weer opnieuw die Ťne waarheid proberen helder te krijgen en vervolgens tot uitdrukking te brengen.
 
Het bekende liedje
Wanneer en voorzover er in de loop der tijden steeds meer mensen onder de invloed van de werkelijkheid als bewustzijn komen te staan is het via hun psyche dat zij elkaar op het stuk van de waarheid zullen kunnen verstaan. Jammer genoeg voor de moderne mensen gaat dat hele proces van toegroeien naar de werkelijkheid als bewustzijn buiten hun zŤlfbewuste denken om. Zij hebben er dus op geen enkele manier weet van en vat op. En eigenlijk is dat maar goed ook, want anders zouden zij ook van het Ťnige houvast dat de mens in feite heeft, namelijk de universele waarheid, een zaak voor geestelijken, politici en managers maken. Die zullen haar gewoontegetrouw aan de mensen op gaan dringen, uiteraard met een beroep op allerlei idealistische varianten van 'het hogere'.
Kortom: het 'bekende liedje'!
 
Verzet tegen het laatste verschijnsel
De mens is als verschijnsel de uiterste mogelijkheid die door het proces van de wording gerealiseerd wordt. Overal in de kosmos lopen de wordingsprocessen in de mens uit en als zij dat eventueel hier of daar niet doen kan dat alleen maar veroorzaakt worden door een plaatselijke kosmische ramp die een verdere voortgang van het proces onmogelijk gemaakt heeft. Over het algemeen willen de denkers er niet aan dat de mens het laatste verschijnsel is en dat met zijn verschijnen op de planeet alle mogelijkheden om tot een nÚg inniger samenstel van materie te komen uitgeput zijn. Opmerkelijk is dat zij steeds gemakshalve aannemen dat de evolutie almaar voortgaat, hoewel zij er nooit ook maar ŤŤn enkel bewijs voor gevonden hebben. Op zichzelf is dat heel merkwaardig, want de moderne mens, die toch in het teken van wetenschap staat, aanvaardt in principe geen theorieŽn waaraan geen betrouwbaar bewijs ten grondslag ligt. Toch doet hij dat in dit geval wŤl.
Aan dit vreemde en inconsequente dilemma proberen zij gewoonlijk te ontsnappen door te stellen dat de evolutie zo langzaam gaat dat manifestaties daarvan niet door de maar kort levende individuele mens opgemerkt kunnen worden. Op een periode van duizenden jaren maken volgens hen die paar jaar dat een mens kan observeren niets uit. Dus heeft men vrede met het smoesje dat bewijs niet te leveren is, maar dat de theorie van een almaar voortgaande evolutie intussen toch juist zou zijn...
 
De mens heeft alles zelf in de hand
Merkwaardig is het verschijnsel dat men inzake de evolutie het ontbreken van bewijzen steevast ziet als een bevestiging van de mening dat de evolutie almaar doorgaat en dat men de meest voor de hand liggende conclusie, namelijk dat er geen evolutie meer is, niet aanvaarden wil. Dit verschijnsel blijkt zo halsstarrig dat men wel mÚet veronderstellen dat er iets achter steekt, iets dat door de huidige cultuur ingegeven wordt. Waarom willen de mensen niet dat alles met de mens ophoudt en waarom negeren zij ijskoud het feit dat zij zŤlf onmiskenbaar dubbelwezens zijn, stoffelijk en geestelijk, materieel en niet- materieel tegelijkertijd en dat zij dus dat laatste verschijnsel wel moeten zijn. Zouden zij intuÔtief aanvoelen dat het erkennen van deze feiten logischerwijs als consequentie heeft dat de mens volkomen 'vrijzwevend' is, zonder binding naar beneden, noch naar boven? Zouden zij aanvoelen dat zij dan alles zelf in de hand hebben en overal zelf verantwoordelijk voor zijn? Zouden zij vervolgens vrezen geen macht meer te mogen uitoefenen en, erger nog, zich niet langer te mogen verrijken..?
 

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26 ; Houvast-1 ; Houvast-2 ;

 
=========================================================


 
Aflevering nr. 9 (mei 2001)

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26
Pilatus-1 ; Pilatus-2 ; Pilatus-3 ; Houvast-1 ; Houvast-2 ;
 
Is niets zeker?
Wat in de tegenwoordige cultuur een belangrijke rol speelt is het feit dat de moderne mens terug schrikt voor het trekken van stellige conclusies. Hij is in de loop van zijn ontwikkeling zo onzeker geworden dat hij geen enkele zekerheid meer aandurft. "Niets is zeker", zei Multatuli, "en zelfs dat is niet zeker". Dat is natuurlijk een mooie kreet, die vooral bij moderne mensen gretig ingang vindt, maar die niettemin aan alle kanten rammelt. Vanwaar die vlucht in Únzekerheid als het over kennis gaat? De pretentie van de moderne, wetenschappelijk gefundeerde, kennis is toch dat zij zekerheid verschaft? Zij is daarop toch grondig getest?
Het komt doordat de enige werkelijke bron van zekerheden, de werkelijkheid als bewustzijn, zo langzamerhand bijna helemaal weggedrukt is, terwijl tegelijkertijd het wantrouwen daartegen enorm toegenomen is. Het 'bewustzijn' is, behalve in de foutieve psychologische betekenis, tot een waar taboe geworden. Een taboe dat juist door de thans eenzijdig gebruikelijke psychologische opvattingen over het bewustzijn veroorzaakt en versterkt is.
Bij het vervagen van de werkelijkheid als bewustzijn blijft slechts fundamentele onzekerheid over. Indertijd leidde dat tot de oratorische vraag van de Romein Pilatus: "Wat is waarheid?". Pilatus stond aan het begin van de moderne westerse cultuur. Zijn vraag is dan ook veelzeggend...
 
Geen houvast aan feiten
Als je je zet tot het overdenken van de werkelijkheid en je dus waarlijk met filosofie gaat bezig houden, begeef je je zonder meer op uitermate glad ijs. Dat is vanzelfsprekend zo doordat het 'creatieve denken' geen houvast kan ontlenen aan feiten die door empirisch onderzoek boven water zijn gekomen. De maatlat noch de weegschaal bieden in de filosofie enige zekerheid. In strijd met de gangbare, door wetenschappers verkondigde, mening dat alleen feiten zekerheid kunnen verschaffen geldt voor de filosofie dat feiten juist onbetrouwbaar zijn en wel door hun tijdelijke en plaatselijke karakter. Het zijn altijd 'bepaalde' feiten. Zij kunnen dus in principe niet tot betrouwbare antwoorden leiden.
Overigens zijn feiten voor het inrichten van een leefbare wereld uitermate geschikt en zelfs onmisbaar, maar dit nu even terzijde...
Een ander belangrijk gegeven is dat je de 'waarheid' alleen maar kunt benaderen. Dat is voor velen afdoende argument om te beweren dat de waarheid dus niet te vinden of te kennen is en dat het dan ook beter zou zijn je er niet mee bezig te houden. Dit nu is zo'n grove denkfout dat je je erover verbaast dat moderne, intellectueel ontwikkelde, mensen er mee voor de dag durven komen.
De waarheid is er namelijk altijd en zij is in feite altijd aan de mensen bekend, inderdaad zonder dat zij er gewoonlijk erg in hebben. Het begrip 'benaderen' slaat echter niet op het al of niet kennen van de waarheid, maar op de graad van helderheid en nuancering die een mens wat betreft het stellen en het laten gelden ervan kan bereiken.
 
In zichzelf onderscheiden
Als door iemand de waarheid op grove wijze gesteld wordt is dat nog altijd de waarheid waarvan hij weet heeft. Maar, er zal stellig wel een ander zijn die de zaak veel genuanceerder stelt en laat gelden. En dan zijn er ook nog enkelingen die er hun levens lang op uit zijn zo helder en zo genuanceerd mogelijk aan de weet te komen hoe het zit met de werkelijkheid - dat zijn de Ťchte filosofen!
Die waarheid is evenwel geen wetenschappelijke, in die zin dat zij op materieel onderzoek berust en op daaruit ontsproten theorieŽn. Zij berust daarentegen op het zo genuanceerd mogelijk in zichzelf onderscheiden van het zelfbewustzijn, een activiteit die in wezen neerkomt op het voortdurend vergelijken van de voorstelling en het beeld. Eigenlijk moeten de uitdrukkingen luiden: 'de werkelijkheid als voorstelling' en 'de werkelijkheid als beeld', waarbij de eerste voortkomt uit confrontaties met werkelijkheid als de concreet bestaande wereld en de tweede uit de werkelijkheid van het universele bewustzijn.
Overigens, je kunt de waarheid ook op kunstzinnige wijze weten. Als Rembrandt bijvoorbeeld een portret van Hendrikje Stoffels schildert laat hij de waarheid zien. Natuurlijk niet de vergankelijke van een bepaalde vrouw die Hendrikje heet, want dan gaat het niet over de waarheid van het beeld maar daarentegen over de juistheid van de voorstelling. Achter die voorstelling straalt, althans bij een kunstenaar als Rembrandt, het beeld door en dat is de werkelijkheid zoals ze 'in waarheid' is.
Zonder die ware werkelijkheid als achtergrond bestaat het leven enkel uit frustrerende onzekerheden. Ten gevolge daarvan gaan niet alleen de maatschappij en de samenleving ten gronde, maar ook de filosofie en de kunst. Het 'schone en goede' gaat geheel en al verloren.
Op het ogenblik is dit proces in de moderne wereld al in een vergevorderd stadium. Ondanks de successen van wetenschap en technologie komt er van de vele beleidsplannen nauwelijks nog iets terecht. En dat blijkt steeds meer over de gehele wereld het geval te zijn.
 

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26
Pilatus-1 ; Pilatus-2 ; Pilatus-3 ; Houvast-1 ; Houvast-2 ;
 
=========================================================


 
Aflevering nr. 10 (juni 2001)

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26 ; KANT- zie nrs. 03 , 10 , 11 , 18 ;

 
De asociale filosoof
Voor de moderne mensen is het meest fnuikende voor het zoeken van de waarheid dat hun behoefte aan en hun ingesteld zijn op concrete kennis zo volstrekt dominant is dat er geen enkel vertrouwen meer bestaat in het beoefenen en de mogelijkheden van het creatieve denken. Als er geen te meten en te wegen feiten zijn is het volgens de moderne mensen onmogelijk ook maar iets aan de weet te komen.
Door deze eenzijdige gesteldheid wordt het creatieve denken uitermate belemmerd in zijn mogelijkheden en werkzaamheid, zŤlfs bij diegenen die een geschikte aanleg hebben om bijvoorbeeld op zinvolle wijze filosofie te gaan beoefenen. Juist het, op zichzelf terechte, hedendaagse zoeken naar betrouwbare, gecontroleerde en controleerbare kennis breekt op trieste wijze de nek van het pogen om creatief denkend de waarheid te achterhalen. In de praktijk voltrekt die ramp zich als regel op de universiteiten waar de jonge filosoof meent te moeten gaan studeren. Hij moet al een erg sterke aanleg hebben wil hij zich zonder onherstelbare schade door al die academische ellende heenworstelen!
Bovendien moet hij of zij ook nog behoorlijk eigenwijs en asociaal zijn, in deze zin dat men zich niets gelegen laat liggen aan het gedoe, de arrogantie en de moraal van leermeesters. Trouwens, de beginnende filosoof zal voor de gehele wereld onverschillig moeten zijn wil hij voor zijn denken die criteria vinden, die nodig zijn om de filosofische zoektocht aan te vangen, voort te zetten en tot een goed einde te brengen. Maar ondanks de huidige populariteit van de filosofie heeft onze filosoof zijn tijd niet mee...
 
Creatief denken
Onder 'creatief denken' versta ik totaal niets verhevens, zoals dat bijvoorbeeld met het zogenaamde Zuivere Begrip van Kant en Hegel wŤl het geval is. Er is geen denken dat zich boven het maaiveld verheffen kan en er is ook geen denken dat op zichzelf beter, schoner of waarachtiger is. Er is echter wel een meer of minder helder denken maar ook dat is geen aanleiding om de zaak een hogere of lagere status toe te kennen.
De term 'creatief denken' wil uitsluitend zeggen dat er alleen- maar gedŗcht wordt en dat er op geen enkele wijze een wetenschappelijke methode als de maat gesteld wordt, noch dat er bewijskracht wordt ontleend aan proeven, experimenten, theorieŽn of allerlei ingeprente vanzelfsprekendheden. Dat wat wij menen te weten uit hoofde van verworven kennis moet volstrekt buiten beschouwing gelaten worden als zijnde filosofisch niet relevant. Alleen het denken dat van zichzelf uit niets in handen heeft kan de filosofische waarheid boven tafel krijgen.
Dat is wat ik versta onder 'creatief denken' en dat heeft niets verhevens aan zich.
 
Een non-antwoord
Je wordt nogal eens geconfronteerd met de stelling dat je voor de beoordeling van de moraal een tegenpool moet hebben, dus dat naast het kennen en beoordelen van het goede ook een kennen en beoordelen van het kwade zou moeten staan. Geen goed zonder kwaad en geen kwaad zonder goed, zo zou je de bedoelde stelling in het kort kunnen verwoorden.
Dit nu is typisch een analytische opvatting van de werkelijkheid. Daarbij is de waarde van iets niet zonder de waarde van iets-anders en sterker nog: zij bepalen elkaar over en weer. Er wordt dan dus steeds een vergelijking gemaakt tussen verschillende grootheden en uit die vergelijking komt na wikken en wegen een min of meer definitief oordeel voort. Dat 'definitieve' gaat niet verder dan het gaat, want bij verandering van de omstandigheden, dus dat waaraan de zaak beoordeeld is, verandert ook het oordeel zodat er wederom een 'definitief' oordeel gevormd kan worden. Na verloop van tijd kun je je dan af gaan vragen wat nu eigenlijk wel een aanvaardbaar standpunt is en wat niet en het antwoord zal onvermijdelijk moeten luiden dat er geen definitief criterium te vinden is.
Daarmee is het hele gedoe in de mist gegaan...
Natuurlijk kan men dan heel tevreden achterover leunen en vaststellen dat men nu het juiste antwoord gevonden heeft en zeggen: "Er is geen antwoord". Dat zal bijna iedereen tevreden stellen. Het is inderdaad een schitterend excuus!
Zo'n quasi diepzinnig non-antwoord maakt tegenwoordig een goede indruk. Misschien kan men op grond daarvan ook nog gaan menen geniaal te zijn, of nog erger! In feite deugt er echter niets van...
 
Geen regels, geboden en verboden
Als het gaat over vraagstukken die de essentie van het menselijk leven raken kan men zich niet bedienen van vergelijkingen die op tegenstellingen berusten. Er zijn dan namelijk geen tegenstellingen! De essentie van het leven ligt in de werkelijkheid als bewustzijn en daarvoor geldt dat alles, letterlijk ŗlles, ineen is in een ongebroken geheel waaruit niets naar voren springt. Deze werkelijkheid als bewustzijn vertoont zich in en voor de mens als een universeel beeld. Hieruit kan men afleiden wat 'goed' is. Daarvoor behoeft men alleen maar dat beeld zo helder mogelijk voor de geest te halen en tot zich door te laten dringen. Dat levert een volstrekt eenduidig antwoord op. Een antwoord dat geen regels, geboden en verboden kent, maar dat onbevooroordeeld laat zien hoe het inderdaad gesteld is met de werkelijkheid.
Als en voorzover men daarvan weet heeft komt men onmiddellijk in het teken van het begrip moraal te staan. Een mens kan dan zichzelf niet langer handelingen of uitspraken toestaan die in strijd zijn met de werkelijkheid en haar universele innerlijke samenhang. Dan hebben wij te doen met een volwassen moraal!

 

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26 ; KANT- zie nrs. 03 , 10 , 11 , 18 ;

 

=========================================================


 

 
 
 
Aflevering nr. 11 (juli/aug 2001)

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof

Denken in begrippen, zie aflevering 11 , 16,17 , 18,19 ; KANT- zie nrs. 03 , 10 , 11 , 18 ;
 

Onduidelijk begrip evolutie
Het verschijnsel dat de hedendaagse geleerden van het begrip 'evolutie' een grote bende maken is het zoveelste bewijs dat het met het denken, hoe ontwikkeld ook, nog steeds treurig gesteld is. De meest eenvoudige onderscheidingen kunnen nog niet gemaakt worden, terwijl men tegelijkertijd op bijkans onnavolgbare wijze verzandt in ontelbare zelf-verzonnen onderscheidingen, zodat je bijna niet aan de indruk ontkomt dat al die geleerden beslist geniaal moeten zijn. Wat zij allemaal uit weten te pluizen is onvoorstelbaar, maar steevast komen al die 'pluizen' te voorschijn uit een ratjetoe van onderscheidingen die willekeurig uit de losse hand gemaakt zijn. Dat gaat dan tot overmaat van ramp ook nog vergezeld van voorstellingen die klakkeloos van leermeesters en andere smaakmakers overgenomen zijn.
Zie eens hoe men rommelt met begrippen die op de een of andere manier bij het begrip 'evolutie' behoren:
1. men heeft het over 'evolutie' als men 'ontwikkeling' bedoelt, namelijk als het gaat over het feit dat de mens zichzelf langzaam maar zeker op een intelligenter plan brengt, vanuit de voor hem geldende grondverhouding een niet-materiŽle werkelijkheid te zijn die zich noodzakelijk realiseert als een materiŽle zaak en die op grond daarvan te benoemen is met het begrip 'kunnen'.
2. men heeft het over 'evolutie' als men constateert dat de mens zich, als biologisch verschijnsel, in de loop der vele duizenden jaren aangepast heeft aan de omstandigheden op de planeet en er daardoor beduidend anders is gaan uitzien.
3. men heeft het over 'evolutie' als blijkt dat bijna alle levende wezens zich gaandeweg aangepast hebben en als blijkt dat in feite overleven neerkomt op een zo efficient mogelijk aanpassen aan de telkenmale wisselende omstandigheden. Het spreken over een evolutie is hier volkomen misplaatst. Immers: een vis blijft altijd een vis, ook al heeft hij zich op vernuftige wijze ingesteld op het bemachtigen van het voor hem noodzakelijke voedsel. En de koe bijvoorbeeld is nog steeds een koe ondanks het feit dat zij in de loop der eeuwen een heel ander gedrag is gaan vertonen en ook qua uiterlijk lang niet dezelfde is gebleven.
 
Aanpassing en ontwikkeling
Wat is het nu: heet men de aanpassing 'evolutie', dan mag de wording van de levende wezens in het verre verleden gŤŤn evolutie genoemd worden. Vindt men voorts dat de ontwikkeling van de mens met het woord 'evolutie' benoemd moet worden, dan moet men het vermijden dit woord in verband te brengen met aanpassing van planten en dieren. En tenslotte, als men inziet dat evolutie is: het voortdurend ontstaan van nieuwe, van voorgaande vormen Únafhankelijke, levensvormen, dan moet men noodzakelijk de processen van aanpassing en ontwikkeling met een ander woord benoemen en dan ligt het uiteraard voor de hand om, in overeenstemming met de feitelijk voorkomende processen, van 'aanpassing' en 'ontwikkeling' te spreken! Het is uiterst merkwaardig doch verklaarbaar dat genoemde voor de hand liggende onderscheidingen niet alleen niet gemaakt worden, maar zelfs te vuur en te zwaard bestreden worden. Dat alles geschiedt uitsluitend om het ondoordachte gerommel met het woord evolutie goed te praten, in stand te houden en als iets diepzinnigs aan te prijzen.
 
Wetenschappelijke filosofie
Het kon in de op analyse van de zelfbewuste voorstelling gerichte cultuur niet uitblijven dat het filosoferen gereglementeerd zou worden. Ik bedoel te zeggen dat men er een systematische, wetenschappelijke activiteit van zou maken, vanzelfsprekend met de oprechte bedoeling de betrouwbaarheid ervan zo hoog mogelijk op te voeren. Zelfs meenden denkers als Kant en Hegel dat de filosofie tenslotte als uiterste mogelijkheid tot 'zuiver begrip' zou moeten leiden. In dat stadium beland zou de wetenschap van het filosoferen een volstrekt objectieve aangelegenheid zijn geworden en zouden de gevoelens, de vermoedens, de inzichten en de intuÔtie uitgebannen zijn, natuurlijk vanwege hun noodzakelijk persoonlijke karakter.
Ook bij voortreffelijke denkers als Kant en Hegel is er dus een typisch westerse argwaan tegen de door het analytische denken als subjectief verworpen 'kijk' op de werkelijkheid als beeld. Juist dat wat in wezen volstrekt Únpersoonlijk en objectief is, namelijk het bewustzijn en daaraan meekomend het innerlijke beeld, de 'idee', wordt als subjectief ŗfgewezen, terwijl de in alle opzichten wisselvallige werkelijkheid als voorstelling doormiddel van allerlei trucs, zoals overeenstemming van een meerderheid van 'deskundigen', het zogenaamde 'forum der wetenschap', als objectief en betrouwbaar wordt aangemerkt.
De omgekeerde wereld dus! Het mag geen wonder heten dat in deze verkeerde intellectuele sfeer de filosofie niet gedijen kan, tenzij men onder filosofie wil verstaan dat men de reeds door anderen gedane uitspraken verzamelt, ordent en vervolgens op hun vermeende mťrites beoordeelt: scholastiek in optima forma.
 
God en de kabouters
Als je beweert dat er kabouters zijn verklaart iedereen je voor gek. Maar als je staande houdt dat er een god is geven een heleboel mensen je gelijk en een zo langzamerhand nÚg groter aantal zegt er 'geen mening' over te hebben, omdat god buiten het denken zou vallen. Enkelen stemmen wel met je in, maar dan toch weer niet zonder er op te wijzen dat de ŗfwezigheid van god voor hen slechts een feit is zolang en voorzover het tegendeel nog niet bewezen is.
Zowel de niet-weters als de voorlopig-weters houden het bestaan van een god voor mogelijk. Dat kunnen zij doen omdat zij nog nooit onbevangen hebben nagegaan hoe het zit met de werkelijkheid. Zouden zij dat wel gedaan hebben, uiteraard volgens de regels die voor dat 'nagaan' gelden en beginnend bij het enig juiste en onweerlegbare uitgangspunt, dŗn zouden zij weten dat goden en geesten en buiten-menselijke spirituele werkelijkheden niet kunnen bestaan en derhalve ook nooit aangetoond kunnen worden. Zij kunnen nimmer aangetoond worden, niet omdat ons denken daartoe niet bij machte is, maar juist doordat ons denken ons leert hoe de zaak in elkaar zit, hetgeen tevens onmiddellijk inhoudt dat men weet wat wel en wat niet mogelijk en dus bestaanbaar is.
 
Gevoelsarme zaak
Het behoort bij de verwetenschappelijking van de filosofie dat dit een bloedeloze en gevoelsarme zaak wordt. Je kunt hiervan onmiddellijk al twee rampzalige gevolgen constateren: ten eerste verwordt het filosoferen, in de zin van liefde tot de wijsheid, tot een Únpersoonlijke zaak die buiten het eigen leven om beoefend kan en moet worden, precies zoals men als resultaat van overdracht van kennis het predicaat 'deskundige' kan verwerven en een bepaald vak kan uitoefenen, en ten tweede doordat de uitschakeling van de gevoelswereld het reageren op en serieus nemen van fantasieŽn, invallen, intuÔties en dergelijken onmogelijk maakt.
Opvallend is wat dit betreft dat men bijna nooit in de gaten heeft dat juist deze verguizing van het meest oorspronkelijke in de mens tot verschrikkelijke waanvoorstellingen leidt. Het zijn nu net de onverwachte en aanvankelijk onverklaarbare invallen die als voedsel dienen voor de filosofie. Dat betekent onmiddellijk ook dat de filosoof zich enerzijds als een zogenaamd gevoelsmens moet ontwikkelen en anderzijds dat zij of hij zich pas dan met een gedachte vereenzelvigen kan als die 'zich tot in de botten voelbaar' gemaakt heeft. Anders gezegd: voor de filosoof valt de zekerheid van een inzicht samen met het leven. De filosoof leeft haar of zijn filosofie...
 

Denken in begrippen, zie aflevering 11 , 16,17 , 18,19 ; KANT- zie nrs. 03 , 10 , 11 , 18 ;

 
=========================================================


 
Aflevering nr. 12 (september 2001)

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof

collectivistische denken zie afleveringen 1,5 en 12†††† ( Definitie Cultuur )

 
Kunst en filosofie
Als ik mij niet vergis heeft Hegel op een keer gezegd dat op den duur de kunsten niet langer nodig zouden zijn omdat de filosofie haar taak overgenomen zou hebben. Ik weet niet of Hegel het precies zo gezegd heeft en nog minder weet ik wat hij werkelijk bedoeld zou hebben als hij die uitspraak inderdaad gedaan heeft. Maar, afkomstig van Hegel of niet, het is een feit dat er nogal wat denkers geweest zijn die bovenstaande opvatting huldigden en dus is er aanleiding genoeg om er op in te gaan.
Ten eerste valt op dat er een relatie gezien wordt tussen de kunst en de filosofie. En wel zo'n relatie dat blijkbaar de filosofie een voorzetting en een vervolmaking van de kunst zou zijn. Dat is geen ongewone opvatting, tenminste niet bij de zogenaamde idealistische filosofen. Bij Bolland kom je namelijk ook tegen dat hij bedoelde relatie legt en dan vindt hij uiteraard dat de kunst alsnog in het 'zielige' bevangen is. Hij bedoelt daar waarschijnlijk mee dat het een psychische zaak is, en dat is bij hem iets zieligs. Maar niet alleen bij hem, ook minder conservatieve denkers willen de kunst graag als een gevoelszaak zien. Vaak verdenk ik hen ervan die opvatting als een uitweg te benutten om met goed fatsoen niet langer over de kunst behoeven na te denken. Immers: nadenken over de kunst kon weleens leiden tot de noodzaak de aanwezigheid van een werkelijkheid achter de menselijke voorstelling te erkennen, namelijk de werkelijkheid als beeld, zoals die gestoeld is in het bewustzijn. Zoiets te moeten erkennen is immers voor de moderne positivistisch denkende filosoof een gruwel, juist omdat hij er absoluut geen raad mee weet en er door in de war gebracht wordt. Puur nadenken is nu eenmaal niet zijn sterkste kant.
 
Filosofie als kunst
Hoe dan ook, sommige denkers zien een verband tussen de kunst en de filosofie en dat is in principe terecht. Het is echter niet zo dat de kunst in filosofie uitloopt, maar juist het omgekeerde. De filosofie is namelijk in het geheel geen wetenschappelijke activiteit die wars is van gevoeligheden, maar een kunstzinnige. Filosofie behoort tot de kunsten. Haar bijzonderheid is dat zij zich bedient van het denken om verslag te doen van de werkelijkheid zŤlve. En haar gereedschap is de taal. Maar in dat laatste staat zij overigens niet alleen: voor de letterkunde geldt dat ook en ook voor het toneel.
 
Tomeloze verwarring
Er is met de moderne wereld iets eigenaardigs aan de hand. Steeds meer mensen worden het slachtoffer van een tomeloze verwarring. Een verwarring die zich niet goed beschrijven laat omdat zij nauwelijks herkenbaar door alles heengaat. En, het is niet alleen maar een psychische zaak, zoals je bij verwardheid zou verwachten: zij bepaalt ook de zelfbewuste activiteiten van de mensen, zoals daar zijn het min of meer getrouw navolgen van maatschappelijke regels die het verkeer tussen de afzonderlijke mensen in goede banen moeten leiden. Steeds meer en steeds vaker botsen de mensen met elkaar en bij die botsingen neemt de gewelddadigheid hand over hand toe. Maar ook bij de bestuurders slaat de verwarring toe. Zij zien bijvoorbeeld steeds minder kans de maatschappelijke problemen via de overheid en de politiek op te lossen, hetgeen voornamelijk een gevolg is van het feit dat hun voorstelling van de werkelijkheid niet meer strookt met de realiteit. Een rampzalige reeks van miskleunen is het gevolg en tenslotte gaat men er maar toe over de zaken van zich af te schuiven en de boel voor een appel en een ei te verkwanselen aan particulieren die er altijd nog wel kans toe zien de zakken te vullen ten koste van de burgers.
Kortom: een ernstige collectieve krankzinnigheid is in de westerse wereld bezig zich te ontwikkelen! Je bent geneigd in dit verband te spreken van de enige collectiviteit die er nog is en die bovendien nog steeds sterker wordt ook!
 
Collectieve krankzinnigheid
Twee factoren spelen in ieder geval een rol bij die collectieve krankzinnigheid. Ten eerste is daar het volslagen gemis aan inzicht in de werkelijkheid doordat men, als gevolg van het positivistische analytische
denken, alles wat met de werkelijkheid als Bewustzijn te maken heeft verre van zich houdt, omdat men dat bedrieglijk, metaphysisch en dus onbetrouwbaar vindt. ( Zie bladwijzers van de begrippen Bewustzijn en Zelfbewustzijn in Beweging en Verschijnsel deel 1 Ė toegevoegd door rve ) Maar, juist door dit uitschakelen van de enige toetssteen die ons wŤrkelijk ter beschikking staat wordt de realiteit ŤŤn onontwarbare janboel waarin men zich op geen enkele manier meer oriŽnteren kan. Gemis aan een samenhangend beeld van de werkelijkheid is precies dat wat wij kennen als krankzinnigheid.
De tweede factor versterkt de eerste in niet geringe mate. Het gaat daarbij om de toenemende individualisering. Doordat de mensen daarbij op zichzelf komen te staan en doordat daarmee tegelijkertijd het collectief verbrokkelt verliest men het houvast aan een groot aantal in het verleden opgelegde en als vanzelfsprekend aanvaarde normen en waarden. Normen en waarden die alle voortbrengselen zijn van collectivistisch denken. Dat denken is een erfenis van de Verlichting, dus van culturele ontwikkelingen die aan het eind van de 18e eeuw in gang gezet zijn. Genoemd denken verliest nu zijn kracht, het collectieve zelfbewustzijn wordt steeds meer een lege zaak, de praktische manifestaties van het collectivistische denken brokkelen af met als gevolg dat gemeenschappelijke voorzieningen verwaarloosd of zelfs bewust afgebroken worden.
 
Individualisering
Hoewel het er op den duur naartoe zal gaan dat alle mensen zich als vanzelfsprekend individu weten en men de individualisering als zodanig 'positief' zou moeten noemen, is het tegelijkertijd niet te vermijden dat deze voortgang aanvankelijk en lange tijd het karakter van krankzinnigheid zal hebben.
De collectieve krankzinnigheid kan welbeschouwd niet wegblijven. Het verval van de van bovenaf opgelegde verbanden, vergezeld van een grote mate van onwetendheid wat betreft de werkelijkheid als bewustzijn en beeld, vergezeld van een steeds meer zelfbewuste behoefte zich als individu te ontplooien is een alleszins logisch te begrijpen zaak. Je kunt hem zelfs niet op een andere plausibele manier denken en daarom zeg ik met de filosoof Hegel: "Alles wat werkelijk is is redelijk".
Hoezeer de boven beschreven voortgang ook onaangenaam is, toch is hij redelijk, dat wil zeggen dat hij 'in de rede' ligt. Hegel wordt nog steeds om zijn uitspraak verguisd want men is niet in staat in te zien dat Hegel met de term 'redelijk' niets anders bedoelde dan 'in de rede liggend'. Met een waardeoordeel heeft dit niets te maken. Het staat helemaal niet bij voorbaat vast dat al datgene dat in de rede ligt positief gewaardeerd kan worden en op zichzelf een vooruitgang zal zijn. Zo liggen bijvoorbeeld oorlogen lange tijd in de rede. Maar, aangenaam en 'redelijk' zijn zij beslist niet. Mensen behoren geen oorlogen te voeren en toch is het logisch te verklaren dat zij dit lange tijd en vaak met groot enthousiasme doen.
 

 collectivistische denken zie afleveringen 1,5 en 12

 
=========================================================


 
Aflevering nr. 13 (oktober 2001)

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof


 
Autonome kunst
Uit de bewering, die Hegel (zie Inval 12) over het zinloos worden van de kunst gedaan zou hebben, blijkt dus dat hij een verband zag tussen de kunsten en de filosofie en dat hij bovendien van mening was dat de filosofie een soort van slotaccoord van de kunsten zou zijn. Met het klinken van dat slotaccoord zouden de kunsten overbodig zijn geworden.
Dat echter is ondoordachte onzin!
Alle vormen van kunst zijn autonome mogelijkheden om uitdrukking te geven aan de werkelijkheid als beeld en geen van die mogelijkheden is afhankelijk van een andere, in die zin dat hij op een gegeven moment niet meer nodig zou zijn. Al die mogelijkheden zullen eeuwig door de mensen, de kunstenaars in feite, benut worden. De een zal deze mogelijkheid kiezen, de ander een andere, afhankelijk van de aanleg die iemand heeft.
 
Vreemde activiteiten
Dat geldt ook en niet in het minst voor de filosofie, die overigens in geen enkel opzicht boven of onder de andere kunsten staat. Haar intellectuele karakter rechtvaardigt geenszins de hogere waardering die er bijvoorbeeld door een aantal vroegere idealistische denkers aan gegeven werd.
Trouwens, als je je realiseert dat de moderne filosofie evenals haar zusters van de moderne kunsten verkankerd is door het analytische denken en de traumatische behoefte om 'wetenschappelijk' te zijn, dan blijkt zonneklaar dat er van die hogere kwaliteiten van de filosofie niets over blijft. Je zou verwachten dat zij op de een of andere manier boven de grillen van onze tijd zou staan, maar niets is minder waar. Vaak lopen de filosofen vooraan als het erom gaat de werkelijkheid kapot te analyseren, hetgeen onder andere duidelijk blijkt uit de vreemde activiteiten van de positivisten, de post-modernen en de taalfilosofen.
 
Heeft de kunst een taak?
Er is nog iets dat aan de genoemde bewering van Hegel op te merken valt. Blijkbaar is hij, of degene die hem meent te citeren, van mening dat de kunst een taak heeft in deze wereld. En ook dat die taak tenslotte door de filosofie overgenomen zal worden. Ook die mening, van Hegel of zijn napraters, is volstrekt fout.
Als er iets is dat het denken over de kunst verduistert is het wel de mening dat de kunsten taken te vervullen zouden hebben, dat de kunst dus ergens voor dient. Voorzover die opvatting bij de kunstenaars zelf aangetroffen wordt kun je stellen dat hij onvermijdelijk aan de kunst de doodsteek toebrengt. Het aan iets dienstbaar stellen van de kunst berooft haar van haar autonome karakter, voornamelijk doordat nu niet langer de werkelijkheid als beeld datgene is waarom het gaat, maar de tijdelijke en plaatselijke voorstelling die men van de wereld heeft. Doordat het nu om de voorstelling gaat vervalt ook de vrijheid van de kunstenaar en doordat dit het geval is wordt het hem onmogelijk zich te uiten. Hij kan dan nog slechts een vak uitoefenen, desnoods ongelooflijk knap en beantwoordend aan de hoge doelen die, overigens steevast door machtige ťlites die hun machtshonger een verheven tintje willen geven, voor de mensheid gesteld zijn, maar toch in genen dele een kunst die te beleven is als een zaak van onbevangen schoonheid...
 
Afspiegeling
De kunsten hebben volstrekt geen taak. Zij zijn de onmiddellijke afspiegeling van de werkelijkheid als beeld en dat 'afspiegelen' is er altijd als er een mens is, omdat in de mens zelfbewustzijn zetelt en de uit dat zelfbewustzijn voortkomende voorstelling niet bestaan kan zonder dat de werkelijkheid als bewustzijn er voortdurend doorheen straalt. Omdat dit het geval is is er kunst en het is juist het onvermijdelijke karakter en het nergens toe dienen dat de kunst zo uitzonderlijk maakt!
 
Helder zicht
De mensen uit de oudheid hadden een diep inzicht in de werkelijkheid. Dat wil zeggen dat zij ver door de voorstelling heenkeken en zo een helder beeld van de werkelijkheid hadden. Omdat het ging over 'er doorheen kijken' met als logische consequentie dat de werkelijkheid als bewustzijn zich bijwijze van beeld kon vertonen zagen die mensen van toen de werkelijkheid noodzakelijk als een in alles samenhangend geheel, waarin alle dingen opgenomen waren, en wel op een zodanige wijze dat de afscheidingen ertussen niet geldig waren en alleen de overgangen tussen de dingen als essentieel op de voorgrond stonden. Gevolg hiervan was dat men helder zag hoe de werkelijkheid is.
 
Bittere noodzaak
De moderne mensen hebben volstrekt geen diep inzicht in de werkelijkheid, want de voorwaarde daartoe, namelijk het door de voorstelling heenkijken om de werkelijkheid als beeld te zien ontbreekt ten enen male. Althans, voorzover men zijn eigen mens-zijn niet terzijde kan schuiven en dus altijd wel enigszins met de werkelijkheid als beeld geconfronteerd wordt, wil men hier niets van weten en stopt men het zover mogelijk weg in het zogenaamde onderbewuste. Gevolg is dus dat er geen mogelijkheden zijn om door de voorstelling heen te zien.
Maar wat men wel doet, en zo langzamerhand met een uiterste aan bekwaamheid en raffinement, is de voorstelling ontleden. Je kunt dan ook stellen dat de moderne mens 'diep in de materie' is doorgedrongen. Zijn kennis haalt hij van grote diepte. Dat is qua kennisverwerving natuurlijk buitengewoon gunstig: de mens moet er achter komen wat de werkelijkheid is en het is voor hem bittere noodzaak de feiten omtrent het heelal boven water te krijgen. Die noodzaak is 'bitter' omdat het uitzoeken van de feiten tot veel rampen leidt doordat men er, in zijn onvolwassenheid, onmiddellijk technische toepassingen voor bedenkt die vaak verre van tot het einde toe ŗfgedacht zijn. Hoe dan ook, de moderne mens is diep in de materie doorgedrongen, maar de mens uit de oudheid, en straks de volwassen mens, had en heeft een diep inzicht in de werkelijkheid. Die mens van vroeger kon opvallend heldere uitspraken over de werkelijkheid doen en dat ondanks het feit dat hij qua onderzoek van de materie nog niet eens aan het begin ervan toegekomen was.
 

 
=========================================================


 
Aflevering nr. 14 (november 2001)

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof


 
De geest van de tijd
Ik spreek over 'de mens van de oudheid' en ook over 'de moderne mens'. Dit evenwel slaat op het verschijnsel mens en het stadium waarin dat in zijn culturele ontwikkeling op een bepaald moment van de geschiedenis aangekomen is. Het betekent niet dat 'de' mensen, en zeker niet 'alle' mensen evenzeer op de hoogte zijn van datgene dat er in de zin van ontwikkeling gaande is.
Anders gezegd: het zijn altijd maar kleine groepen in wie zich 'de geest van hun tijd' zelfbewust manifesteert en die als representatief kunnen worden beschouwd. In de oudheid waren er dus enkelen die een diep inzicht in de werkelijkheid hadden en die daarvan getuigden en dan gaat het er om wat de inhoud en de betekenis van zo'n getuigenis was.
Het gros van de mensen had er geen flauw benul van, maar dat laatste neemt niet weg dat ook zij in het teken van de 'helder zichtbare' werkelijkheid stonden. Op allerlei praktische manieren vertoonde zich de geest van hun tijd. Doorgaans waren dat voor de betrokkenen vanzelfsprekendheden en automatismen waar zij geenszins bij stilstonden.
 
De wetenschappelijke mens
Zo kun je van de mens van Únze tijd zeggen dat hij 'wetenschappelijk' is omdat onze cultuurfase er een van wetenschappelijk onderzoek van de werkelijkheid is. Alle mensen uit onze cultuur staan in het teken van de wetenschap. Maar verreweg de meesten zijn niet verder gekomen dat een eenvoudige school, die echter wel degelijk op wetenschappelijk feitenmateriaal gestoeld is. De leerstof bestaat bijvoorbeeld niet uit het onnavolgbare gebazel uit de Bijbel, de Koran of andere 'heilige' boeken. Alle leerstof, ook die binnen het kader van een godsdienstig ingestelde school, is wetenschappelijke leerstof, heeft althans de pretentie dat te zijn.
Niet voor niets wordt bijvoorbeeld het waandenkbeeld van het 'creationisme' voorgesteld als een wetenschappelijk verantwoorde voorstelling van het ontstaan van het heelal. Zonder pretentie van wetenschappelijkheid wordt het niets met het aannemelijk maken van allerlei denkbeelden. Dat geldt zelfs voor godsdienstigen, die doorgaans toch van harte bereid zijn allerlei onzin voor juist te houden!
Dus: in enkelingen komt de zaak zelfbewust naar voren, maar in de rest is het een complex van een aantal vanzelfsprekendheden die verwijzen naar de stand van zaken wat betreft de ontwikkeling van de mensheid.
 
Kennisgeving
Het is voor een moderne geleerde kenmerkend dat hij alles wat hij aan de weet komt voor kennisgeving aanneemt. Dat doet hij in de letterlijke betekenis van het woord. Hem wordt kennis aangereikt en die kennis neemt hij aan. Als je je deze procedure voorstelt dan zie je zonder al teveel moeite in dat de ontvanger van die kennis er zŤlf geheel en al buiten blijft. Hij neemt het gebodene aan en zet het ergens weg, bergt het ergens op. Vervolgens gaat hij bij zichzelf na of hij het met die kennis al of niet eens is. Daarbij controleert hij of die kennis op verantwoorde wijze verworven is, of de juistheid van die kennis geworteld is in een logische theorie en tenslotte of deze beide criteria voldoende aanleiding geven de zaak als consistent met andere theorieŽn te beschouwen. En nog altijd heeft hij zŤlf geen enkele rol in de procedure gespeeld. Het is 'aannemen of niet-aannemen' op grond van een aantal uitwendige criteria, die men ooit ergens geleerd heeft en, uiteraard, ook voor juist aangenomen, doorgaans in een periode van het leven dat men zich nog geen rekenschap kon geven van het feit dat men die criteria opgedrongen heeft gekregen!
In eerste instantie wordt het aanvaarden van de juistheid van kennis niet aan criteria onderworpen, maar de zaak wordt simpelweg opgedrongen. Die 'oercriteria', betreffende het al of niet juist zijn van bepaalde kennis, zijn letterlijk ingeprent, als een automatisch verlopend programma geÔnstalleerd zonder een enkele mogelijkheid tot persoonlijke toetsing.
 
Hoger bewustzijn
Het voor kennisgeving aannemen berust eigenlijk op een voorstelling die in het stadium van de alsnog niet effectief zelfbewuste kindertijd ingeprent is door anderen, zoals opvoeders, leraren en niet in het minst ook door de omstandigheden, voorzover die ervaren worden als iets vanzelfsprekends. Volgens sommigen is dat een kwalijke zaak die een consequentie zou zijn van de westerse cultuur en die in andere culturen vermeden zou kunnen worden. En men beweert ook dat dit op den duur ook in de westerse cultuur zal verdwijnen om plaats te maken voor intuÔtie, hoger bewustzijn en dergelijken.
Onzin!
 
Verfijning en uitbreiding
Het voor kennisgeving aannemen is de grondslag voor verfijning en uitbreiding van het wetenschappelijk denken. Het verwerven van kennis is hetgeen waar dit alles om draait en er is wat dit betreft geen enkele andere mogelijkheid. Beter gezegd: het verwerven, uitbreiden en verfijnen van kennis gaat noodzakelijk via het voor kennisgeving aannemen van kennis die door de ene mens aan de andere aangereikt wordt. En die aangenomen kennis is en blijft een uitwendige zaak. Dat is niet kwalijk, dat is niet dom, dat hoort zo!
 

 
 
=========================================================


 
Aflevering nr. 15 (december 2001)

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof


 
Weerstand tegen vooruitgang
Telkens als het wetenschappelijk onderzoek een nieuwe wending neemt, een andere kant uitgaat, heeft er in een bepaalde wetenschapper iets plaatsgevonden dat in strijd is met het gangbare 'voor kennisgeving aannemen'. Er is als het ware iets gebroken, een gang van zaken is verstoord, er is een kink in de kabel gekomen. In zekere zin is dat een ramp want men moet af gaan wijken van de vertrouwde paden en helemaal opnieuw beginnen. Hoewel schoorvoetend doet men dat dan ook, simpelweg omdat men het niet kan lŗten. De mens is nu eenmaal een zelfbewust wezen dat zijn eigen voorstelling van de werkelijkheid voortdurend moet toetsen, uiteraard niet door de Bijbel of de Koran te lezen, maar doormiddel van bona fide wetenschappelijk onderzoek. Zo ontstaat er regelmatig een nieuwe verzameling kennis die op zijn beurt door de geleerden weer voor kennisgeving aangenomen wordt.
Dat het doorbreken van een gevestigde wetenschappelijke voorstelling van de werkelijkheid een hele toestand teweeg brengt blijkt duidelijk uit de geschiedenis van de wetenschappen. Niet zelden is men elkaar zelfs telijf gegaan omdat men het instorten van oude 'waarheden' niet verkroppen kon. En natuurlijk ook omdat men zijn vertrouwen gesteld had in een hele schare van deskundige geleerden die nu plotseling geen autoriteit meer lijken te zijn.
"Hoe kunnen al die geleerden het bij het verkeerde eind gehad hebben?
Heeft dan iedereen zich vergist?
Dat is buitengewoon onwaarschijnlijk..! "
Aldus reageert het merendeel van de betrokkenen. De grote, vaak zelfs hysterische, weerstanden tegen nieuwe ontwikkelingen komen, in strijd met wat men ons doorgaans wil doen geloven, in feite slechts voor een klein deel voort uit, op zichzelf alleszins terechte, wetenschappelijke behoedzaamheid en zorgvuldigheid. Meestal worden die weerstanden veroorzaakt door het onvermogen en de onwil om van voren af aan te beginnen. Dat betekent immers verlies van status en macht en daar zit zelfs een wetenschapper niet naar uit te kijken.
 
De klok en de klepel
Waar hangt de klepel in de klok? Zoals steeds draait de hele zaak van vernieuwing van de wetenschappelijke voorstelling weer om de werkelijkheid als bewustzijn. Het hierdoor opgeroepen opvallend ongewone beeld kan bij gelegenheid zo opdringerig zijn dat iemand, die hiervoor gevoelig is en die zich niet zo halsstarrig vastklampt aan de zogenaamd vaststaande feiten, er niet onderuit kan en in twijfel geraakt. Gewoonlijk zal zo iemand proberen van die twijfel af te komen, want bepaald prettig is zoiets niet.
Maar er zijn er gelukkig ook die er iets mee gaan doen en die kunnen tot verrassende ontdekkingen komen. Zolang en voorzover zij met die ontdekkingstocht bezig zijn kunnen zij niets voor kennisgeving aannemen. Steeds moeten zij zich richten op het beeld en aan de hand daarvan hun voorstelling corrigeren.
Dan is een wetenschapper op zijn best!
Het is daarbij niet het eerste belang of hij tot schokkende en overtuigende resultaten komt. Het eerste belang is gelegen in de wetenschappelijke activiteit zŤlve, omdat die nu niet meer eenzijdig analytisch is, maar tegelijkertijd in het teken van de samenhang staat. Daarbij evenwel wordt de analyse niet achterwege gelaten, want zonder dat komt de onderzoeker niets aan de weet. Het gaat namelijk niet om de vraag of men bij zijn onderzoek al of niet analytisch tewerk moet gaan, maar het gaat om de vraag of de onderzoeker steeds en consequent de werkelijkheid als samenhangend beeld voor ogen houdt. Als dat inderdaad het geval is wordt het aanvankelijke onderzoek min of meer vanzelf van de voorstelling naar het beeld verlegd, dat wil zeggen de werkelijkheid als beeld met als concrete inhoud de werkelijkheid als voorstelling.
 
Een stap verder
Het is de mens mogelijk zich van zijn bewustzijn en dus ook van de werkelijkheid als beeld niets aan te trekken. Maar hij kan beide grootheden nimmer echt uitschakelen. Wel kan hij er onverschillig voor zijn. De mens kan tegen zichzelf als bewustzijn en beeld nee zeggen! Uiteraard kan hij dat omdat hij qua verschijnsel nŤt 'een stap verder' gaat en in een situatie terecht is gekomen die ik met het begrip 'zelfbewustzijn' benoemd heb. De zogenaamd geestelijke kant van de mens, zijn niet-materieel zijn, heeft de mogelijkheid geopend om letterlijk op ŗlles 'nee' te zeggen. Plant en dier kunnen dat niet. Zij zijn bij lange na nog niet aan zelfbewustzijn toegekomen en bijgevolg is het 'nee zeggen' bij hen uitgesloten.
De werkelijkheid is voor alles wat leeft, uitgezonderd de mens, een onwrikbaar gegeven, een zaak die zich zelfs niet in twijfel laat trekken. De werkelijkheid is er en zij is zoals zij is en het is niet mogelijk er hoe dan ook afstand van te nemen.
Maar de mens kan dat wel.
De mens kan natuurlijk niet feitelijk buiten de werkelijkheid gaan staan. Hij is en blijft een onderdeel ervan. Maar in zijn zelfbewustzijn, en dus ook in zijn voorstelling en denken, kan hij zonder enige moeite buiten de werkelijkheid gaan. Hij doet dat dan ook veelvuldig. En vanuit die uitwendige positie is in principe de gehele werkelijkheid voor hem ontkend: hij is immers nu de werkelijkheid niet! En zo kan de mens zijn 'geweten', zijn 'intuÔtie', zijn 'gevoelens' en wat al niet, uitschakelen. Dat komt er dus op neer dat hij zijn bewustzijn ontkent en terzijde schuift.
 
Het recht als wet
Binnen het kader van collectivistische opvattingen over de maatschappij kan het recht alleen maar functioneren alsof het over de wet gaat. Het recht is namelijk onlosmakelijk verbonden met de mens als individu en het manifesteert zich als het complex van regelingen die de mensen onderling treffen om zo veilig mogelijk met elkaar om te gaan. Is de individu echter nog bevangen in het collectief, zodat zijn individualiteit bepaald wordt door de criteria die door dat collectief als de maat gesteld worden, dan is het complex van maatschappelijke regelingen niet ontstaan vanuit de individuen zŤlf, maar vanuit de bovenlaag van het collectief.
De bestuurders, de leiders, de deskundigen en nog meer van dat volk bepalen hoe het tussen de mensen onderling toe moet gaan. Zij bepalen wat mag en wat niet mag, hoe de dingen behoren te gaan, enzovoort. Al zijn deze regelingen nog zo 'democratisch' tot stand gebracht, zij worden toch uitsluitend door ťlites uitgebroed en vervolgens onverbiddelijk tot wet verheven. Vanaf dat moment is er geen ontkomen meer aan, de mensen hebben zonder meer te gehoorzamen.
Twee factoren verzieken onder deze omstandigheden het gelden van het begrip recht. Ten eerste deze factor dat het slechts enkele bevoorrechten zijn die bepalen wat recht is en wat krom, en ten tweede dat er voor niemand ruimte is voor alternatieven. Dat wil zeggen dat het de mens als individu niet toegestaan is om op eigen redelijke wijze zijn betrekking tot zijn medemensen te regelen. En het zijn juist deze twee factoren die het recht maken tot wet.
Dat tot wet verstarren van het recht is in een Únvolwassen mensheid dermate ingekankerd dat rechtskundigen zelfs zover gaan te beweren dat het recht zich te voegen heeft naar de wetten van een staat of gemeenschap. Zij hebben er daarbij zelfs niet het flauwste benul van dat zij collectivistisch denken en, consequent doorgedacht, er helemaal geen begrip van hebben wat recht nu werkelijk is.
De zaak ligt natuurlijk omgekeerd: de wetten hebben zich naar het recht te voegen. Wetten die niet aan het recht getoetst zijn, zijn zonder meer onrechtvaardige wetten. Intussen is het inderdaad een feit dat tot op heden juist die laatste soort wetten de meest gangbare is.
 

 

 
 
=========================================================


 
Aflevering nr. 16 (januari 2002)

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26

Denken in begrippen, zie aflevering 11 , 16,17 , 18,19


Bladwijzer:
abstracte begrippen
 
Eigen rechter
Er is nog steeds een brede consensus over de opvatting dat niemand 'eigen rechter' mag spelen. Recht moet 'gesproken' worden, en wel door daartoe bevoegde lieden. Dezen zijn, althans in functie, boven het individu verheven. Dat is in feite alleen maar dan mogelijk als zij optreden in naam van het collectief. Dat wordt gewoonlijk 'de gemeenschap' genoemd, of ook wel 'de staat'. Toch is het niets anders dan een collectief en dat is per definitie een bovenpersoonlijke zaak. Hoe je het echter ook bekijkt, binnen het kader van een collectief is het voor de mens onmogelijk zich, vanuit louter zijn volwassen individu-zijn, redelijk tegenover zijn medemens op te stellen. Dat wil niet direct zeggen dat hij gedwongen zou zijn zich voortdurend Únredelijk te gedragen, maar het wil wel zeggen dat de eerste en belangrijkste voorwaarde voor echte redelijkheid niet vervuld is. De voorwaarde namelijk dat het redelijke uitsluitend en ten volle uit de individu zŤlf moet voortkomen.
Het moet een authentieke zaak zijn. Zolang dat niet het geval is en het een of andere, in feite willekeurige en op macht gebaseerde, collectief de maat is kan een rechtvaardige wereld niet bestaan. Zelfs niet wanneer het over een democratie gaat. Ook de vanuit een democratie opgelegde regels, waarden en normen kunnen logischerwijs slechts compromissen zijn. Dat betekent dat er onvermijdelijk mensen zijn die er aan tekort komen.
 
Authentiek recht
Het authentieke recht, gebaseerd op individuele rechtvaardigheid, zal nooit uit de wereld verdwijnen. Het kan onmogelijk van de mens afgedacht worden. Het is immers de sfeer waarbinnen de mensen elkaars bestaan Únvoorwaardelijk erkennen en beschermen. Dat houdt uiteraard onmiddellijk in dat zij met elkaar, een ieder voor zich ten opzichte van zijn medemens, regelingen treffen. Zij maken met elkaar afspraken om hun onderlinge betrekkingen zo goed en zo zinvol mogelijk te laten zijn. Het recht speelt zich af op dit terrein, het terrein van de menselijke relaties. Dat heeft overigens alles met overleven te maken.
Er is het begrip 'samenleving' en, onlosmakelijk daarmee verbonden, het begrip 'maatschappij'. Omdat mensen niet alleen samenleven met een aantal gezellen, en zo het begrip 'gezelligheid' inhoud geven, maar ook tegelijkertijd in relatie staan met anderen met wie onvermijdelijk slechts maatschappelijke verbindingen worden onderhouden, bijvoorbeeld in het werk en in de wijk en in tal van andere organisaties, is het begrip 'recht' altijd geldig.
Het ware, rechtvaardige, recht is uitsluitend een persoonlijke zaak tussen mensen die tot individu uitgegroeid zijn. In die zin is het authentiek. Deze mensen zijn, in strijd met de nog steeds gangbare opvatting, juist eigen rechter in optima forma! Zij kunnen alleen zelf en met elkaar uitzoeken wat recht is en wat krom en zo in volle persoonlijke vrijheid 'rekening houden' met de anderen. In die zin zal er altijd en noodzakelijk recht in de wereld zijn, maar het recht zoals wij dat tot nu toe kennen zal zeker verdwijnen en plaats maken voor een beweeglijk, incidenteel overeengekomen netwerk van relaties tussen individuen.
 
Het recht en het collectief
Het vanuit een collectief functionerend recht behoort bij een cultuur waarin de mens als individu al wel ontdekt is, maar zich nog lang niet ontplooid heeft. Die onvolwassen individu staat dan alsnog in het teken van het collectief. Een definitie van het begrip collectief luidt: het is een verzameling mensen, zich manifesterend als een gesloten geheel waarin de mens als individu al wel herkend is, maar nog volstrekt niet onvoorwaardelijk Ťrkend. Voorlopig worden die individuen nog niet onvoorwaardelijk als afzonderlijke elementen van een levend systeem beschouwd. Het is intussen wel de eerste fase van een proces waarin de mensheid zich zal gaan ontwikkelen tot een levend netwerk van authentieke individuen.
Binnen het oorspronkelijke geheel uit de Oudheid, waarin de afzonderlijke mensen nog niet van elkaar onderscheiden waren, gold de mens niet als individu. Hij was natuurlijk als verschijnsel wel van de anderen onderscheiden, maar niet als een unieke, eenmalige en volstrekt zelfstandige zaak. Als het ene onderdeel onderscheidde hij zich van het andere, maar hij kon er nooit aan ontkomen beoordeeld en gewaardeerd te worden in het licht van een niet in zichzelf onderscheiden homogeen geheel en de daarbij behorende criteria.
Als na verloop van lange tijd, aan het einde van de oudheid, de mensen langzaam maar zeker open gaan staan voor het reeds lang sluimerende vermoeden ieder voor zich een zelfstandige en unieke werkelijkheid te zijn, staat dit nieuwe besef voorlopig nog tegenover het oude van de werkelijkheid als ŤŤn geheel. En dit oude besef is vanzelfsprekend dominant, zodat de ontwakende individu vooralsnog niet meer kan zijn dan een variant van een collectieve zaak. Het individu is dan het kleinste onderdeel waartoe het collectief teruggebracht kan worden. Hij is dus het kleinste stukje collectief.
Dat geheel, dat inmiddels als een totaal van samenstellende delen wordt beschouwd, is nu juist het begrip 'collectief'. Onder die omstandigheden is het recht dus wezenlijk geen recht, maar wet. Dat betekent in de praktijk dat de opvattingen, belangen en status van het collectief de maat zijn en dat iedereen zonder meer heeft te gehoorzamen. Deze situatie is het uiterste waartoe de moderne, maar nog steeds Únvolwassen, mensheid kan komen. Hij geldt inmiddels in hoge mate voor de Atlantische wereld, maar voor de rest is het er nog steeds droevig mee gesteld, vooral vanwege de omstandigheid dat maatgevende godsdienstige en ideologische waandenkbeelden de mensen zelfs van de meest primaire vormen van individualisme afhouden.
 
Wordingsgerichte filosofie
De Nederlandse Hegelianen uit de eerste helft van de twintigste eeuw mochten graag staande houden dat Hegel het slotaccoord van de westerse filosofie zou zijn. Zij gingen daarbij zelfs zover dat zij verklaarden ervan overtuigd te zijn dat de filosofie haar laatste woord gesproken had, 'met en door Hegel'. De filosofie was volgens hen tot werkelijk 'zuiver begrip' gekomen. Daarmee was het uit en afgelopen. Wat er eventueel daarna kwam zou niet meer kunnen zijn dan een volgzame uitwerking van het Hegelse denken, een zaak waarmee bijvoorbeeld de Leidse filosoof Bolland (1854-1922) zich met grote ijver en overtuigingskracht, maar eerlijk gezegd ook met een schier onuitstaanbare zelfoverschatting, bezig gehouden heeft.
Bovenstaande waarderingen zijn zo zonder meer uit den boze vanwege het voor de hand liggende eenvoudige feit dat kunst en filosofie, evenals trouwens de wetenschap op haar eigen specifieke wijze, nooit en te nimmer een 'laatste woord' kunnen spreken. Elk moment van inzicht roept immers noodzakelijkerwijs een volgend moment op.
Toch zit er een kern van waarheid in. Uiteraard niet voorzover bedoelde Hegelianen blijken te lijden aan de uitermate kinderachtige kwaal van persoonsverheerlijking, hetgeen helaas vooral met betrekking tot Hegel geen ongewoon verschijnsel is! Maar, waarom het wezenlijk gaat is dat er met Hegel een bepaalde filosofische wijze van denken tot betrekkelijke wasdom is gekomen. Die houdt daarna niet op te bestaan, maar hij verdiept zich almaar verder. Daarbij echter maakt hij onvermijdelijk de weg vrij voor nÚg een adequate wijze van filosofisch denken, namelijk de 'wordingsgerichte' wijze.
Het maakt overigens niet uit hoe men het noemt.
Daarbij gaat het er om dat het denken zich niet langer uitsluitend voortbeweegt langs een keten van opeenvolgende abstracte begrippen, maar ook langs de lijn van het, uiteraard uitsluitend denkend, nagaan van de structuur van de werkelijkheid, uitgaande van een enkelvoudig, absoluut zeker, geheel op zichzelf staand uitgangspunt. Dat uitgangspunt is de autonome beweeglijkheid die, juist doordat hij onbelemmerd in beweging is, als vanzelf tot zodanige systemen komt dat daaruit ruimte, tijd en materie kunnen ontstaan.
Aan die moderne wijze van filosoferen komt onmiddellijk mee dat de filosofie eindelijk verstaanbaar wordt. Dat is met de 'begripsgerichte' filosofie bepaald niet het geval, zoals bijvoorbeeld duidelijk blijkt uit de geschriften van onder anderen Wittgenstein en Heidegger.

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26

Denken in begrippen, zie aflevering 11 , 16,17 , 18,19

 
=========================================================


 
Aflevering nr. 17 (februari 2002)

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof

Denken in begrippen, zie aflevering 11 , 16,17 , 18,19

 

Bladwijzer(s): denken in begrippen
 
Drie belangrijke voorwaarden
Voor een volwassen mensheid is een aantal voorwaarden van levensbelang. Natuurlijk is daar het begrip veiligheid, dat een cluster van deelbegrippen inhoudt die voornamelijk in directe zin van toepassing zijn op de individuele mens. Maar de mensheid als groot geheel, of wellicht beter nog de planeet, behoeft ook nog de vervulling van drie andere voorwaarden, en dat zijn communicatie, produktie en transport. Zonder deze drie grootheden kan een mensheid niet volwassen zijn, al zou ze het nog zo graag willen.
Het is hiermee precies hetzelfde als met het menselijk lichaam: het zenuwstelsel, de stofwisseling en de bloedsomloop zijn de voor het organisme essentiŽle systemen. Het zenuwstelsel zorgt ervoor dat alle cellen van het lichaam met elkaar in contact staan en informatie kunnen uitwisselen, informatie waarzonder de rechterhand letterlijk niet weet wat de linker doet. De stofwisseling zet de voorhanden materiŽle werkelijkheid om tot de mens, in de vorm van energie, en het bloed levert tot in alle uithoeken van het lichaam de benodigde materialen.
 
Lichamelijk gedrag
In de praktijk bestaat de mensheid uit een hoeveelheid op zichzelf staande verschijnselen. Zoals met alle verschijnselen het geval is zijn ook de mensen volstrekt van elkaar gescheiden: de ene mens is de andere niet en waar de ene mens zich bevindt kan de andere beslist niet zijn. De mensheid hangt dus 'als los zand aan elkaar', maar zo ondergaan op den duur de mensen hun wereld niet! Op den duur gaan de mensen, ieder voor zich, een gedrag vertonen dat gebaseerd is op het feit dat hun bewustzijn (niet zelfbewustzijn) een in alles samenhangende mensheid laat zien, een mensheid die er is als ware zij een organisme, precies zoals het menselijk lichaam een hoog ontwikkeld organisme is. De mensen gaan zich dus, geheel vrijwillig, zonder dwang van welke machtige overheid dan ook, naar dat inzicht gedragen en dan is te zeggen dat zij zich werkelijk lichamelijk zijn gaan gedragen. Zij laten zich gelden als waren zij een lichaam. En precies džt is de uiterst denkbare mogelijkheid voor de mensen. Maar dat betekent in de praktijk ook dat een aantal materiŽle systemen perfect moet werken, teneinde het leven mogelijk te maken en in stand te houden.
 
De praktische basis
Meer nog dan zich, zoals de laatste tijd gebruikelijk is, te bekommeren om een dreigende overbevolking is het vandaag en in de naaste toekomst noodzakelijk de communicatie, de produktie en het transport zo hoog mogelijk te ontwikkelen. Dat is precies wat de grote multi-nationals al volop doen. Het feit dat zij het maken van grote winsten op het oog hebben is, hoe verwerpelijk ook in het licht van volwassen menselijkheid, geen geldige reden om de bedrijvigheid van die instellingen op zichzelf te veroordelen.
Bovendien behoort winstmaken onlosmakelijk bij de mens die nog Únvolwassen is. Omdat dit onvolwassen gedoe, dus: winstmaken, commercieel concurreren en stelen, er onmogelijk ŗfgedacht kan worden omdat het, zij het op onvolwassen wijze, communiceren, produceren en transporteren is, is het qua realiteit ook 'redelijk', dat wil zeggen 'in de rede liggend'.
Dus: zonder ook maar ŤŤn vergoelijkend woord over de praktijken van de grote ondernemingen te spreken is er filosofisch toch niet omheen te gaan dat het juist die ondernemingen zijn die bezig zijn de praktische basis te leggen voor datgene dat zij van zich uit niet bedoelen, namelijk een volwassen mensheid.
 
Volwassen ondernemen
Het is bijzonder moeilijk om aan moderne mensen duidelijk te maken dat het niet de activiteiten op zichzelf zijn die wat betreft de ondernemingen afkeuring verdienen, maar dat het de wijze waarop is die niet alleen op den langen duur onhoudbaar zal blijken, maar waarvan men zelfs met reden kan zeggen dat die zonder pardon als misdadig beoordeeld moet worden. De moderne ondernemingen zorgen voor de drie hoofdzaken, te weten communicatie, produktie en transport en dat is in feite precies wat er gebeuren mÚet om tenslotte tot een leefbare wereld te komen, althans de materiŽle basis daarvoor te leggen. Maar, van de wijze waarop men dit onvermijdelijk nog steeds doet is natuurlijk geen goed woord te zeggen. Terwijl tegelijkertijd toegegeven moet worden dat de huidige mens beslist niet ŗnders kan: hij is immers nog onvolwassen! Zelfs als hij, wat zo af en toe hier en daar voorkomt, ernstig probeert zijn onderneming op verantwoorde menselijke wijze te besturen, met in achtneming van essentiŽle criteria, ontkomt hij toch niet aan het bittere feit dat de gehele wereld om hem heen anders tewerk gaat en daardoor zijn pogingen tot volwassen ondernemen zonder mankeren doet mislukken.
 
Onverantwoord economisch denken
Je zou dus zeggen dat wij het er maar mee moeten doen en maar moeten proberen de zaak in zo goed mogelijke banen te leiden. Afremmen van het ondernemers-gedoe op zichzelf is niet alleen zinloos, maar ook onmogelijk. En eigenlijk is dat maar goed ook, want het resultaat van al dat gescharrel is intussen toch dat steeds meer mensen steeds meer noodzakelijke levensbehoeften ter beschikking krijgen. Dat geldt zelfs voor de armsten op deze wereld. Maar, de voortdurende criminalisering van het bedrijfsleven door zogenaamd 'vooruitstrevende' ijveraars voor een betere wereld, is, hoewel vaak goed bedoeld, in alle opzichten onterecht, tenzij het, zoals hierboven betoogd, gaat over de wijze waarop een en ander geschiedt. Het komt er in het algemeen op neer dat de handelspraktijken niet deugen, en dat is louter een kwestie van onverantwoord economisch denken.
 
Universeel verklaringsprincipe
Het Hegeliaanse denken is een 'denken in begrippen'. Dat heeft een lange voorgeschiedenis gehad, althans in de westerse cultuursfeer. Daarbuiten waren er destijds wel filosofische stromingen waarin men probeerde de werkelijkheid niet aan de hand van begrippen, maar vanuit elementaire vormen van materie te verklaren, zoals daar bijvoorbeeld zijn: lucht, aarde, water, vuur en dergelijken. Er waren er zelfs ook al die in termen van elementaire deeltjes dachten.
De filosofen die zo 'materieel' tewerk gingen worden doorgaans gerekend tot de natuurkundigen avant la lettre, maar dat is niet helemaal terecht, want eigenlijk zochten zij niet zozeer de materiŽle basis van de verschijnselen alswel een universeel verklaringsprincipe waarmee zij hoopten, louter doormiddel van het denken, een antwoord te vinden op de vraag hoe het zit met de werkelijkheid. Het was hen in feite al duidelijk dat de vraag hoe het zit met de werkelijkheid het wezen van de filosofie uitmaakt en dat het antwoord in het denken zŤlf gevonden moet worden. Die opvatting zette zich in de westerse cultuur voort en dat leidde ertoe dat men zich steeds meer, en eigenlijk ook wel noodgedwongen, ging bezig houden met het uitzoeken van de begrippen die men meende op de werkelijkheid van toepassing te zijn.
Voorzover er toch nog naar een universeel verklaringsprincipe gezocht werd richtte dat zoeken zich dus vrijwel uitsluitend op de werkelijkheid als begrip. En je kunt inderdaad staande houden dat die ontwikkeling culmineerde in het denken van Hegel. Hij was op dat gebied werkelijk een kunstenaar, hetgeen zich onder andere ook uitte in een schitterend taalgebruik, wat overigens lang niet door iedereen beaamd wordt! Maar, meer dan een voorlopig eindstadium is het denken van Hegel echter niet.
 

Denken in begrippen, zie aflevering 11 , 16,17 , 18,19

 
=========================================================


 
Aflevering nr. 18 (maart 2002)

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26 ; KANT- zie nrs. 03 , 10 , 11 , 18 ;

STELLIGE UITSPRAKEN - zie 18 , 21 en 22

 

Denken in begrippen, zie aflevering 11 , 16,17 , 18,19

 
Een vrouwelijke werkelijkheid
Een aantal denkers is tot de conclusie gekomen dat de organische werkelijkheid in alle opzichten een vrouwelijke is. Dat blijkt een juiste conclusie te zijn. Je kunt hem met tal van argumenten staven, maar als die argumenten op zichzelf ook weer begrippen zijn blijft onherroepelijk de vraag liggen hoe dat dan in de realiteit zit. Dus waarom dat inderdaad het geval is en langs welke weg je tot een antwoord op die laatste vraag kunt komen. Een vraag waarvan het antwoord steeds maar weer, net als de horizon in het landschap, verderop blijkt te liggen.
Zo kun je ook vaststellen dat vanaf een zeker moment in de cultuurontwikkeling de mens ertoe zal overgaan de dingen te ontleden. Waarom dat het geval is blijft zoals zo vaak onduidelijk. In het beste geval luidt het gebruikelijke antwoord: de mens gaat de dingen ontleden omdat deze ontleed kunnen worden. Inderdaad zijn zij te ontleden, dus dat antwoord is niet fout, maar alweer, het geeft geen werkelijk antwoord op de laatste vraag: hoe zit dat dan? Als je vanuit een 'universeel verklaringsprincipe' nagegaan bent hoe de werkelijkheid is, ontstaat er naast en tegelijk met het begripsmatige weten een praktisch weten dat op filosofische wijze, namelijk uitsluitend berustend op nadenken, verklaart waarom de zaak is zoals hij is. Je kunt dit nadenken 'praktisch filosoferen' noemen, of 'fenomenologisch filosoferen', maar eigenlijk doet het er niet zoveel toe hoe je het noemt.
 
Filosofische ruggengraat
Wat er aan de hand is met bijvoorbeeld de vrouwelijke organische verschijnselen is dit: in een bepaald verschijnsel hebben de beweeglijkheden, die tevoren reeds de vorm van bepaalde elementaire materiŽle systemen hebben aangenomen, zich tot een 'verschijnsel' samengevoegd en zich daarbij innig met elkaar verbonden dat het, tot op dat moment binnen die systemen opgesloten, beweeglijk-zijn weer vrij komt en het betreffende verschijnsel in zichzelf beweeglijk maakt. Dat wil zeggen dat het betreffende verschijnsel 'levend' wordt. In feite is dat de zogenaamde oercel. Dat vrijgekomen beweeglijk-zijn houdt ŗlle varianten van voordien nog niet vrijgekomen beweeglijk-zijn in en omdat dit het geval is verkeert het betreffende verschijnsel in een situatie die wij 'vrouwelijk' noemen. Dat is omdat tenslotte de vrouw manifestatie van het 'alles inhoudende principe' blijkt te zijn. En automatisch is de man dan 'de totale inhoud' van dat vrouwelijke.
Zo is de gehele werkelijkheid na te gaan vanuit de 'beweeglijkheden' als universeel principe en dat geeft aan de filosofische begrippen een ruggengraat, een 'stalen frame' dat de zaak zin en betekenis geeft. Begrip en fenomenologische ruggengraat tezamen maken de filosofie volwassen, precies zoals de niet-materiŽle werkelijkheid tezamen met de materiŽle, zo je wilt het geestelijke tezamen met het stoffelijke, de volwassen mens vormen.
Maar, deze laatste beweringen kunnen pas dan echt betekenis krijgen als men de door mij bedoelde 'fenomenologische' gedachtegang nauwkeurig gevolgd heeft. Zolang dat nog niet het geval is stellen uitspraken als "ik ben het er niet mee eens" of daar tegenover "ik ben het er volkomen mee eens" in feite niets voor.
 
Stellige uitspraken
Men heeft de filosoof Bolland (1854-1922) het verwijt gemaakt dat hij zo in stelligheden sprak. Er kwam in zijn uitspraken geen enkele twijfel voor en het was zelfs zo sterk dat er eigenlijk geen discussie over zijn denken en ideeŽn mogelijk was. Voor Bolland was de waarheid van Bolland waarheid! Dat zette uiteraard bij menigeen kwaad bloed, ten eerste natuurlijk vanwege het feit dat Bolland met zijn denken buitengewoon autoritair omging en daarbij een ieder veroordeelde die over een aantal zaken anders wenste te denken. Maar ten tweede vooral ook doordat een denken dat zich ten doel stelt tot stelligheden en zekerheden te komen geheel buiten de moderne opvattingen over het denken ligt.
Voor dat moderne denken geldt dat iets 'zo' kan zijn, maar met evenveel recht ook 'anders'. Het is een denken dat niet zozeer uit is op waarheden, maar op juistheden, hetgeen wil zeggen dat het niet gaat om de vraag hÚe de werkelijkheid is, maar om de vraag wŗt zij is. De eerste vraag slaat op de systemen die binnen de werkelijkheid actief zijn en de tweede op de materialen waarmee de zaak opgebouwd is.
Voor Bolland ging het in de filosofie om de vraag hÚe het zit met de werkelijkheid. Bij het zoeken naar een antwoord op die vraag moet als eerste bedacht worden dat er logischerwijs maar ťťn werkelijkheid kan zijn en dat bijgevolg die werkelijkheid zit zoals ze zit en niet ŗnders! Antwoorden zullen dus enkelvoudig en eenduidig moeten zijn. Maar dat leidt er in de praktijk toe dat er voor degene die een antwoord gevonden heeft geen discussie mogelijk is. De zaak is voor haar of hem gewoon zoals ze is en men ziet dat of men ziet dat niet. Een tussenweg, een 'gulden middenweg' is uitgesloten.
Men kan dat arrogant, autoritair, dogmatisch en eigenwijs vinden en in het geval van een eigengereide figuur als Bolland komt men daar al vlug toe, maar in feite klopt het wel degelijk. Het is daarmee net als met een kunstwerk: de kunstenaar maakt het zoals hij het maakt en daaraan komt geen discussie te pas.
 
Zekerheden
Voor de filosoof is de werkelijkheid zoals ze is en beslist niet ŗnders. Hij zoekt immers naar de waarheid en niet naar een aantal onduidelijke mogelijkheden, die inderdaad voor de wetenschapper niet onduidelijk zijn, maar helder gestelde objecten voor onderzoek. De filosoof echter komt tot zekerheden waaraan niet te tornen valt. Zekerheden die als criterium hebben dat 'zij morgen ook nog onverminderd waar moeten zijn'.
Wat anders is evenwel de vraag of de door een bepaalde filosoof naar voren gebrachte 'waarheid' werkelijk waar is. Met andere woorden: klopt die bepaalde uitspraak van die bepaalde filosoof? Is zijn waarheid bij uitvoerig nadenken inderdaad 'de' waarheid?
De voor de filosoof noodzakelijke 'persoonlijke zekerheden' kunnen bij nadere beschouwing om herziening vragen. Daarbij kunnen de inzichten van anderen een rol spelen, omstandigheden kunnen er aanleiding toe geven, maar ook onoverkomelijke inconsequenties bij het nadenken over ogenschijnlijk andere thema's. Hoe dan ook, het zal met een zekere regelmaat voorkomen dat de filosoof bepaalde waarheden geheel of gedeeltelijk herziet ten gevolge van een verdere verdieping van zijn inzichten. Maar ten allen tijde is ook dit 'herzieningsproces' een strikt persoonlijke aangelegenheid waarin discussies met anderen geen rol spelen. Het filosofisch nagaan hoe het zit met de werkelijkheid is volstrekt geen 'democratisch' proces en het is zelfs geen wetenschappelijke zaak, wat overigens niet wil zeggen dat een en ander Únwetenschappelijk zou zijn!
 
Tegenspreken
Als het over iemands wetenschappelijke beweringen gaat wachten de toehoorders zich er doorgaans wel voor het al of niet ermee eens te zijn. Dat is te zeggen bij voorbaat, zonder de zaak nauwkeurig bestudeerd te hebben. Zo zou het ook met betrekking tot de filosofie moeten zijn: men moet eerst gedegen en onbevooroordeeld kennis nemen van de bij een bepaald thema gevolgde gedachtegangen en pas daarna eventueel zijn kritiek erop en zijn mening erover geven.
Maar gewoonlijk spreekt men onmiddellijk al met grote vrijmoedigheid de filosoof tegen, precies alsof men over het onderhavige thema ook uitvoerig en consequent nagedacht heeft. Gevolg is dat de uitspraken van filosofen in de lucht blijven hangen alsof ze voor de mensen van geen enkele betekenis zouden zijn. Het is alsof grote denkers als Spinoza, Kant, Hegel, BŲrger en een menigte moderne denkers nooit wezenlijke, en voor de praktijk belangrijke, uitspraken over de wereld, de cultuur en de mens gedaan hebben...
Iedere analfabeet kan er zijn nauwelijks doordachte mening tegenover stellen en doordat zo'n mening noodzakelijk op gangbare modevoorstellingen berust heeft zo'n leeghoofd nog het gelijk aan zijn kant ook!
 

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26 ; KANT- zie nrs. 03 , 10 , 11 , 18 ;

Denken in begrippen, zie aflevering 11 , 16,17 , 18,19

STELLIGE UITSPRAKEN - zie 18 , 21 en 22
 
=========================================================


 
Aflevering nr. 19 (april 2002)

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof

 

Bladwijzer: vervreemding-1 ; Vervreemding-2

Denken in begrippen, zie aflevering 11 , 16,17 , 18,19

 

 


 
De werkelijkheid als systeem
Het is waarschijnlijk het meest duidelijk als men de praktische filosofische gedachtegang benoemt met de term 'systeemdenken' of 'denken in systemen'. Dat staat dan naast het 'begripsdenken' oftewel het 'denken in begrippen'. Een systeem is een eenheid, een samenhangend geheel, van beweeglijkheden. Samenstellingen bestaande uit meerdere van die 'gehelen', dus van die systemen, kunnen in een drietal situaties voorkomen: ten eerste als een 'ijle' zaak zoals bijvoorbeeld een neutronenwolk, ten tweede als 'samenklontering' zoals bijvoorbeeld een steen en ten derde als een 'organisme', een levend wezen dus.
Dit alles in het korte bestek van dit verband uit de doeken te doen voert thans echter veel te ver. Van belang is dat er in de filosofie ook gedacht moet worden over de werkelijkheid als systeem. Tenslotte is het toch een onmiskenbaar feit dat de ook de filosofische begripsstelsels gebaseerd zijn op een configuratie van de beweeglijkheden. Zonder dat viel er trouwens helemaal niets te denken, laat staan te denken in systemen en begrippen.
 
Andersom denken
Het denken in systemen is beslist geen natuurkundig denken. Dit laatste berust namelijk op het ontleden van de werkelijkheid. Het gaat dus uit van de verschijnselen die men in de praktijk aantreft om vervolgens, als het ware van achter naar voren, de kleinste bouwsteen te zoeken teneinde er achter te komen waaruit de werkelijkheid bestaat en op welke manier die samengesteld is. Men zoekt het materiaal.
Het denken in systemen werkt andersom: je probeert te bedenken wat noodzakelijk het universele basisprincipe van de werkelijkheid mÚet zijn. Van daaruit en met behulp daarvan ga je bedenken welke systemen er onvermijdelijk zullen ontstaan. Tenslotte kom je dan bij de laatste mogelijkheid qua systeem uit en als je dan gaat onderzoeken of je die mogelijkheid in de praktijk ook ergens tegenkomt, dan blijkt alras dat dit het verschijnsel mens is.
Met ontleden heeft dit alles niets van doen. Het leidt er dan ook toe dat de filosoof niet met een theorie, een berekening of een formule komt, maar met een zo genuanceerd mogelijke beschrijving van de reŽle werkelijkheid.
 
Natuurkundige vervreemding
De natuurkundige daarentegen komt, als het goed is, met een zo gedetailleerd mogelijke formule betreffende de concrete verschijnselen. Omdat zo'n formule alleen maar gebaseerd kan zijn op de in de mens aanwezige werkelijkheid als voorstelling zijn die concrete natuurkundige verschijnselen in genen dele gelijk aan de reŽle werkelijkheid. Op zichzelf is dat best in orde, maar in de uitermate vervreemdende moderne cultuur geeft het helaas toch aanleiding tot rampzalige misverstanden, doordat de mensen, en zelfs een heleboel geleerden, onwillekeurig gaan denken dat de wetenschappelijke werkelijkheid samenvalt met de Ťchte. Zij behoort er wel mee overeen te stemmen, maar dat is iets ŗnders dan ermee samenvallen. Een goede landkaart stemt nauwkeurig overeen met het gebied dat hij in kaart brengt, maar hij valt niet met dat gebied samen! De kaart, oftewel de formule, is volstrekt iets anders dan het echt bestaande gebied, dit wil zeggen: de realiteit.
 
Eigengereide filosofen
Eigenlijk is tussen filosofen onderling geen discussie mogelijk, net zomin trouwens als tussen kunstenaars. Dat wordt door de moderne mensen heel jammer gevonden, men ziet het zelfs als een ernstig tekortschieten van die filosofen en kunstenaars. Omdat evenwel de modernen onder hen ook graag voor vol willen worden aangezien laten zij zich grotelijks meeslepen met het gangbare gedoe en beijveren zij zich om in publicaties, discussies, disputen en dialogen hun partij mee te blazen. Maar voor de goede verstaander is het louter holle wind, geraas aan de vensters. Er komt noodzakelijkerwijs nooit iets goeds uit voort, tenzij je het immer voortdurende gewauwel over hun problemen met het o zo moeilijke vak als iets goeds wilt waarderen...
Kunstenaars moeten natuurlijk al helemaal hun mond houden. Laten zij hun vak uitoefenen en niet zeuren! En de filosofen kunnen en moeten niets anders doen dan hun waarheden verkondigen zonder daarbij acht te slaan op tegenspraak. Dat klinkt inderdaad erg eigengereid! Wat dat betreft moet met nadruk gesteld worden dat het dat ook tenvolle is! Het kunstenaarschap en de filosofie zijn beide geworteld in strikt individuele menselijke verhoudingen en vermogens. Het heeft bij alle twee alles te maken met 'de werkelijkheid als beeld', zoals die zich binnen het individu ervaren laat.
 
Psychisch meetrillen
Naar buiten toe valt er niets te bediscussiŽren. Het in de medemens eventueel optredende psychische 'meetrillen' gaat in feite geheel buiten de kunstenaar en filosoof om. Ook voor die medemens is het geen kwestie van discussie, maar een kwestie van het ondergaan ervan. Dat kan in die medemens van alles teweeg brengen en het kan filosofisch zelfs de deur openen naar nieuwe gebieden en tot nieuwe inzichten leiden. Maar nog steeds heeft de filosoof, evenals trouwens de kunstenaar, daar geen boodschap aan, zelfs niet de kunstenaar die het direct van zijn publiek moet hebben, zoals bijvoorbeeld de musicus en de toneelspeler.
Je doet gewoon wat je te doen hebt en de vraag waardoor het komt dat het publiek reageert blijft onbeantwoord omdat het daarbij gaat om het mysterie van het volslagen onvoorspelbare meetrillen van de psyche van de een met die van de ander.
 
Descartes
Er zijn nogal wat filosofen, vooral zogenaamd post-moderne, die Descartes (1596-1650) verwijten dat hij zijn uitspraak "Ik denk, derhalve ben ik er" wel wat al te letterlijk opgevat heeft. Hij heeft namelijk alles, maar voornamelijk de filosofie, teruggebracht tot wat hij zelf is. Hij heeft de gehele werkelijkheid beschouwd als het resultaat van zijn eigen denken. En dat houdt bijgevolg ook in dat de werkelijkheid in principe te begrijpen is, louter op grond van en met behulp van het eigen denken. Dat nu is iets waar moderne filosofen niets van moeten hebben!
 
Elkaar iets wijsmaken
Al vaak heb ik gewezen op de samenhang van analytisch denken en de cumulatie van kennis. Gewezen heb ik op de leerprocessen die in feite alleen maar leiden tot een citeercultuur. En ik heb gesproken over het diepgewortelde wantrouwen tegen het persoonlijke kenvermogen en het volslagen misplaatste vertrouwen in al datgene dat zogenaamd objectief kenbaar zou zijn. Ik heb steeds gewaarschuwd voor de onvermijdelijke vervreemding die het gevolg is van het almaar in vol vertrouwen aanvaarden van kennis die van buitenaf aangereikt wordt door deskundigen. Niet omdat die deskundigen er met de pet naar zouden gooien, maar omdat informatie nimmer op grond van louter de status van de betreffende informant als vanzelfsprekend ware informatie mag worden beschouwd. Informatie dus die zomaar zonder meer tot een vermeend eigen zeker weten kan worden omgezet. Alle informatie, ook die op zichzelf juist is, wordt je 'wijsgemaakt'. Daaraan is een heel proces aan vooraf gegaan, namelijk van aanpassing aan de op dat moment geldende wetenschappelijke criteria.
Al op jonge leeftijd wordt de scholieren ingeprent wat als juist moet worden gewaardeerd en op grond van welke criteria dat moet geschieden. Meestal klopt in de Westerse cultuur een en ander wel, maar zodra het over zaken gaat die zich niet laten meten en berekenen worden de criteria uiterst dubieus.
Een voorbeeld van dit laatste is het gescharrel van de orthodoxe en evangelische christenen met de evolutietheorie, met de euthanasie, abortus, homofilie en dergelijke. Men komt dan met argumenten die kant noch wal raken, maar de christelijk opgevoede kinderen zijn inmiddels al zů geraffineerd geprogrammeerd dat zij geheel en al bereid zijn de meningen van hun opvoeders in goed vertrouwen voor waar te houden, helaas..!
 

Denken in begrippen, zie aflevering 11 , 16,17 , 18,19

=========================================================


 
Aflevering nr. 20 (mei 2002)

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26

 
Objectief en subjectief
Steeds weer kun je je erover verbazen dat de moderne denkers, die toch uitblinken in het zoeken van 'problemen', zich niet of nauwelijks bezig houden met de paradoxale kwestie van 'subjectiviteit' en 'objectiviteit'. Zouden zij dat wel doen, dan zouden zij misschien bemerken dat onze analytische cultuur een merkwaardige draai aan die zaak gegeven heeft. Het blijkt dat datgene dat volgens die cultuur 'subjectief' moet heten en dat bijgevolg geen universele waarheid zou kunnen bevatten, nu juist de enige bron van 'objectieve kennis' is, terwijl wat als objectief beschouwd wordt onvermijdelijk een subjectieve waardering en een persoonlijk vertrouwen in gekwalificeerde zegslieden vooronderstelt.
Alle kennis die thans 'objectief' genoemd wordt is, hetzij door eigen ervaringen, hetzij door mededelingen van anderen, tot ons gekomen en doordat wij er vanaf onze vroegste jeugd op geprogrammeerd zijn bepaalde kennis wel en andere niet voor waar te houden, hebben wij in die kennis vertrouwen leren stellen. Dat betekent dus dat juist die zogenaamd 'objectieve', wetenschappelijk betrouwbaar bevonden, kennis door en door subjectief is, een begrip dat uiteraard duidt op afhankelijkheid van iets anders, zoals bijvoorbeeld van bepaalde afspraken en conditioneringen.
Het ligt in de logica dat het merendeel van onze kennis tot die zogenaamd 'objectieve' kennis behoort. Kennis dus die op wetenschappelijke gronden betrouwbaar geacht wordt. Dat is op zichzelf best in orde, alleen al vanwege het feit dat de mens geen andere bruikbare kennis ter beschikking staat.
Maar, het wordt wel tijd dat wij leren inzien dat die kennis niet zonder meer overeenkomt met datgene dat, bijwijze van de werkelijkheid als beeld, in onszelf als waarheid kenbaar is. Of die zogenaamd 'objectieve' kennis nu juist is of niet, het is onvermijdelijk een zaak die ons wezenlijk vreemd is, en wel omdat hij afhankelijk is van de toevallige omstandigheden die onze persoonlijkheid bepalen.
Dat wat de 'werkelijkheid als beeld' ons leert is in feite iets wat nu juist niet bepaald wordt door de toevallige structuur van onze persoonlijkheid. Die werkelijkheid is precies zoals ze is en als zodanig leeft ze in alle mensen en eigenlijk is zij nu juist 'objectief'. In hoeverre de kijk van de mensen op die werkelijkheid vertroebeld is - vrijwel zonder uitzondering door inwerkingen van de cultuur - is een andere zaak. Dat uit te zoeken is een essentiŽle opdracht van de filosofie, maar nog steeds zullen slechts weinigen dit beamen...
 
De denker en de filosofie
Het is altijd moeilijk en gevaarlijk het denken van anderen te beoordelen. Een oordeel over de gang van zaken bij het huidige denken is in het algemeen heel goed mogelijk, omdat dit oordeel gevormd kan worden door enerzijds inzicht te verkrijgen in het wezen van onze cultuur en anderzijds door te letten op de min of meer willekeurig en per ongeluk gedane uitspraken van denkers zowel als van alledaagse leken. Wat dit betreft zijn de welbewuste uitspraken van intellectuelen nauwelijks relevant, omdat die onvermijdelijk op gangbare opvattingen berusten en als zodanig geen inzicht kunnen geven in wat er werkelijk aan de hand is.
Om inzicht te krijgen in het denkwerk van een bepaalde denker is het noodzakelijk om een uitvoerige studie ervan te maken. Maar helaas is juist zo'n studie als het ware een uitnodiging tot verkeerd begrip. Doordat namelijk het geschreven woord het enige referentiekader biedt zijn er geen alternatieve verklaringen en toelichtingen mogelijk en een discussie met bedoelde denker, om duidelijkheid te verkrijgen, is al helemaal uitgesloten.
Het min of meer gelukkig gekozen woord van de te bestuderen denker is in een geschrift alles bepalend en vanzelfsprekend is dat een ernstige handicap. In de praktijk van de filosofie blijkt dat dan ook telkenmale: de een haalt er dit uit en de ander dat en wat er werkelijk bedoeld is blijft in het ongewisse.
Het is aannemelijk dat Descartes (1596-1650) destijds heel goed begrepen heeft dat de filosoof de waarheid alleen maar in zichzelf kan vinden en dat zijn denkwerk daardoor noodzakelijk uitmondt in een persoonlijk verhaal. Dat laatste echter is bepaald geen goede reden om de zaak dan maar als onbruikbaar, onbetrouwbaar en willekeurig te kwalificeren. En het getuigt al helemaal van filosofisch onbenul als men denkers als Descartes arrogantie, eigenwijsheid en zelfoverschatting gaat verwijten. Je verwijt toch ook Rembrandt niet dat hij zijn kunstwerken vanuit eigen inspiratie en inzichten schiep en daarbij voor zichzelf zeker was over de vraag hoe zijn kunstzinnige werkelijkheid er uit zou moeten zien. Hij wist zeker: zoals ik het doe, zo is het en zo moet het! En uiteraard is dat een zekerheid die evenzeer voor andere kunstenaars geldt: ook Frans Hals kon met evenveel recht dezelfde uitspraak doen. Mozart geeft ons in zijn eigen, strikt persoonlijke, muziek een verklanking van de werkelijkheid. Maar hoewel van Mozart is het tegelijkertijd een verklanking van 'de' werkelijkheid.
Zo is de filosofie van Descartes, hoewel het uitsluitend en alleen maar zijn verhaal is, onmiddellijk ook 'de filosofie', in die zin dat het de poging is vanuit de 'werkelijkheid als beeld' te beschrijven hoe het zit. Daarbij heeft Descartes niets aan het geleuter van anderen, de waanwijsheden van de dag en de per definitie op macht beluste ideologieŽn. Maar hij heeft ook niets aan de 'waarheden' van de wetenschappers. Hij kan slechts bij zichzelf te rade gaan. Hij mÚet bij zichzelf te rade gaan!
 
Discussie over atheÔsme
Al eerder heb ik opgemerkt dat er tegenwoordig steeds vaker negatief gereageerd wordt op het atheÔsme. Dat komt uit een onverwachte hoek: het merkwaardige is namelijk dat die reacties niet komen van de zijde van de gelovigen, van wie zoiets volkomen normaal zou zijn, maar juist van de kant van diegenen die je min of meer als je geestverwanten zou beschouwen: wetenschappers, filosofen, humanisten, journalisten en kunstenaars. De oorzaak daarvan is niet in de eerste plaats dat die geestverwanten eigenlijk in de verte toch nog gelovig zouden zijn, maar de reden is dat atheÔsme een niet mis te verstane stellige uitspraak inhoudt. De uitspraak namelijk dat god volstrekt niet bestaat. De atheÔst kent geen twijfel als het over boven- en buitenmenselijke spirituele machten gaat: die bestaan niet!
Dat is niet alleen maar een botte ontkenning, zoals de term a-theÔsme doet vermoeden, maar het is vooral een bevestiging van een resultaat van nadenken. Dat resultaat houdt in het kort in dat buiten- en bovenmenselijke geesten niet bestaan omdat ze niet bestaan kýnnen.
Als de atheÔst gevraagd wordt zijn uitspraken te staven doet hij er dan ook goed aan geen poging te wagen de mening van gelovigen te bestrijden door te proberen te bewijzen dat hun uitspraken inzake het bestaan van goden niet kloppen. Die te bestrijden is een vruchteloze zaak die al door menigeen tevergeefs gepoogd is. Dat loopt onvermijdelijk uit in een tweestrijd van ja en nee, waarbij men niet meer naar elkaar kan luisteren. Het is in de praktijk nooit gelukt er zelfs maar een enigszins redelijke discussie van te maken.
 
Goden als onvolwassen voorstellingen
Wat de atheÔst te doen staat is te laten zien, aannemelijk te maken, dat er geen goden kýnnen zijn. Hij gaat er daarbij niet van uit dat hij een bewering van iemand anders zou moeten weerleggen, wat helaas in die vervelende term atheÔsme besloten ligt, maar hij gaat van zijn eigen min of meer heldere begrijpen van de werkelijkheid uit om tot de slotsom te komen dat geloven in buiten- en bovenmenselijke geesten onzin is.
Hij kan daarvan zeker zijn omdat hij te weten is gekomen hoe de zaak nu wŤl in elkaar zit: buiten- en bovenmenselijke geesten blijken voorstellingen binnen het eigen zelfbewustzijn van de mens te zijn. Dergelijke foute voorstellingen komen in de mensen voor zolang zij in hun Únvolwassenheid nog niet begrijpen dat hun mens-zijn door een niet-materiŽle factor bepaald wordt. Zolang dat onbegrip er is verkeren zij in de illusie met iets bovenaards van doen te hebben.
Nu blijkt dat het niet zozeer deze conclusie is die moderne geestverwanten van de atheÔst tegen de haren instrijkt, maar dat hen de zekerheid ervan stoort. Zij vinden dat je nergens zeker van kunt zijn, omdat volgens hun moderne denken telkens weer blijkt dat alles wezenlijk betrekkelijk is. Dus wordt aan die zekerheid van de atheÔst als vanzelfsprekend de consequentie verbonden dat hij wel onverdraagzaam en dogmatisch mÚet zijn.
De feiten lijken die geestverwanten gelijk te geven: de atheÔst wijst het geloof en de godsdienst radicaal af. Sterker nog: hij vindt dat geloof en godsdienst levensgevaarlijke wanen zijn. En omdat hij dat vindt neemt men voetstoots aan dat hij ook wel zal vinden dat die waan doorbroken moet worden door de mensen het geloof af te nemen en de godsdienst te verbieden. Dit nu is een onterechte en zelfs onrechtvaardige beschuldiging.

 

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26

=========================================================



 
Aflevering nr. 21, d.d. 17 juni 2002.

FILOSOFISCHE INVALLEN
door JAN VIS
filosoof

Neem ook eens nota van: Hoe zit het nou met god..?

 Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2††††† STELLIGE UITSPRAKEN - zie 18 , 21 en 22
Verbieden van de godsdienst
In tegenstelling tot wat veelal beweerd wordt zijn de atheÔst en de vrijdenker er helemaal niet op uit de mensen hun godsdienst af te nemen. Zij zijn er ook niet op uit de godsdienst te verbieden, zij zijn immers geen Lenin of een Stalin! Twee argumenten zijn voor deze houding aan te voeren: ten eerste heeft de atheÔst het recht niet iemand iets af te nemen, of dat nu iets materieels of ideŽels is. Dus betwisten de vrijdenker noch de atheÔst de mensen het recht er een godsdienst op na te houden. Dit argument is universeel van karakter omdat het slaat op het begrip 'recht' zoals dat van alle tijden en van alle mensen is. Bovendien begrijpen de vrijdenker en de atheÔst hoe het komt dat mensen godsdienstig zijn. Maar zij hebben, net als iedereen, natuurlijk wel het recht de godsdienstige voorstellingen en opvattingen op hun intellectuele verdiensten te toetsen, precies zoals zij dat met hun eigen opvattingen gewend zijn te doen. En vervolgens hebben zij ook het recht om vrijelijk van hun bevindingen kond te doen.
Het tweede argument is dat dergelijke zaken zoals de godsdiensten zich niet laten afschaffen, verbieden of afnemen. Dat komt doordat zij wezenlijk bij de mens behoren, dat is te zeggen: bij de alsnog Únvolwassen mens. Dat betekent natuurlijk niet dat iedereen, die qua ontwikkeling nog tot de onvolwassen mensheid gerekend moet worden, per se godsdienstig moet zijn. Maar zelfbewust atheÔsme behoort logischerwijs wel tot de uitzonderingen. Regel is de een of andere vorm van godsdienstigheid. Die, overigens zelden herkende en begrepen regel, is er de oorzaak van dat de godsdienstigen hun wanen normaal vinden en een ieder voor gestoord houden die er afwijzend tegenover staat. Op grond daarvan eisen zij met grote zelfverzekerdheid het recht op voor iedereen de moraal en de leefregels te bepalen. Bovendien is die regel oorzaak van het merkwaardige verschijnsel dat in de discussie als vanzelfsprekend van atheÔsten verwacht wordt dat zij aan tonen dat god niet bestaat, terwijl de godsdienstigen nimmer bereid zijn te staven dat volgens hen god wŤl bestaat. Sterker nog: zij zijn doorgaans diep beledigd als je de bewijslast bij hen legt, wat op zichzelf volstrekt redelijk zou zijn.
"De hele kosmos wijst toch op het bestaan van iets hogers, dat ziet toch ieder normaal mens! Hoe diep moet iemand gezonken zijn om van een godsdienstige nog een bewijs daarvoor te verlangen!"
Dat zijn uitroepen die je regelmatig tegenkomt, zeker als je als atheÔst op de voorgrond treedt.
 
Florerend geloof
Dank zij de binnen het hedendaagse relativistische denken populaire mening dat er niets zeker is, floreert in de moderne maatschappij het geloof meer dan ooit. Het wordt namelijk steeds meer serieus genomen als een zinvol stelsel van normen en waarden en als zodanig wordt het aanvaard en gerespecteerd als een zinvolle morele mogelijkheid. Alom bemerk je: het geloof mŗg weer! "Ieder het zijne" is de kreet die daarbij geslaakt wordt. Dat lijkt te getuigen van grote tolerantie, maar in feite is het onmiskenbaar een uiting van betreurenswaardige intellectuele lafheid. Men verbloemt daarmee namelijk het eigen onvermogen en de eigen geestelijke luiheid om nu eens wŤrkelijk door te denken op het thema van geloof en godsdienst. En men verschuilt zich achter zogenaamde tolerantie en redelijkheid. Maar intussen ontkracht men de door allerlei moedige 'ketters' met veel opofferingen, moeite en strijd veroverde geestelijke vooruitgang en maakt wederom de weg vrij voor een nog grotere invloed van de godsdiensten. Een invloed die buitengewoon gevaarlijk is omdat hij zich veel meer dan voorheen in het verborgene gelden laat, toen de dominee en de pastoor het nog voor het zeggen hadden. Want behalve in de collectivistische Islam opereren de godsdienstigen nauwelijks meer in groepsverband.
Daarom: het klopt als vrijdenkers en atheÔsten verheugd constateren dat de godsdiensten bezig zijn te verdwijnen. Maar de daaraan gekoppelde mening dat het aan de godsdienst ten grondslag liggende ' geloof ' eveneens op de terugweg zou zijn klopt ten enen male niet. De enorme aantallen leden van onder andere de Evangelische Omroep en de onvoorstelbare groei daarvan, de deelname aan allerlei evangelisatie bewegingen en daarnaast de aanhang van allerlei vreemdsoortige occulte toestanden en theorieŽn spreken wat dit betreft een duidelijke taal. Het geloof is bezig steeds meer een zaak van de mens als individu te worden. Al die hedendaagse bewegingen richten zich tot de individu en van een hecht collectief, zoals vroeger een kerk, is vrijwel geen sprake meer. En juist als individu laten de 'nieuwe' gelovigen zich geducht gelden, op de plaats namelijk waar zij 'door god gesteld' zijn: in de scholen, de wijken, de hulpverlening enzovoort. Daarbij doen zij zich voor als neutraal, openbaar en onconfessioneel, maar intussen is het toch hun persoonlijke geloof dat hun gedrag bepaalt, meer nog en indringender dan vroeger toen de dominee en de pastoor dat deden. En, als het even kan, moet het ook dat van anderen bepalen, die er eigenlijk niets van moeten hebben...
Hierbij moet overigens opgemerkt worden dat eenzelfde omstandigheid voor een goed deel het succes van de Islam verklaart. Ondanks al zijn morele stugheid appelleert die heel geraffineerd aan de individuele gelovige, maar dan wel voorzover die met zijn individualiteit nog geen raad weet en daardoor verlangt naar de geborgenheid van het collectief, al is het dan een collectief dat formeel geen interne hiŽrarchie kent.
De activiteiten van die nieuwe gelovigen zijn evenwel niet te neutraliseren door opnieuw te streven naar maatgevende overkoepelende collectieven. De zaak ontsnapt daar geheel en al aan. Slechts de individuele benadering kan enigszins een dam opwerpen tegen de aanwassende invloed van het geloof. Maar, omdat die benadering een filosofisch doordenken van de werkelijkheid vooronderstelt is er ook hiervan in de praktijk niet veel te verwachten. Blijft over de hoop en het vertrouwen dat het dagelijkse leven ook deze persoonlijk getinte waan zal uithollen...
 
Stellige uitspraken
Volgens de filosofie, althans de autonome, kunnen goden en andere geesten niet bestaan. Dat is, binnen het kader van die filosofie, een duidelijke en volstrekt zekere zaak. Maar de meeste gangbare filosofieŽn komen niet verder dan een agnostisch standpunt: men weet het niet en men wil het niet weten.
Hoewel de argumenten en de gedachtegangen van de autonome filosofie verschillen van die van de theologie, waarbij men welbeschouwd nauwelijks van 'argumenten' en 'gedachtegangen' kan spreken, is het resultaat van beide activiteiten in zoverre overeenkomstig dat er stellige uitspraken gedaan kunnen worden. De filosoof zegt "nee-god" en de theoloog daarentegen "ja-god". Maar de agnostische filosoof stamelt bedeesd "weet-niet-god", wat welbeschouwd "ja-god" betekent.
Je zou kunnen zeggen dat ieder het voor zich moet weten, ware het niet dat het denken van de mensen ook nog maatschappelijke consequenties heeft. Van de theologisch denkende mensen, de godsdienstigen dus, is bekend dat zij, denkende vanuit een absolute macht, hun moraal, normen en waarden beschouwen als voor een ieder geldig, godsdienstig of niet. Op grond daarvan kunnen regelingen rechtmatig van iedereen afgedwongen worden, zo vinden zij. En zij handhaven die mening ook in een democratisch bestel, hetgeen ertoe leidt dat zij elke weg geoorloofd vinden om een theologisch verantwoord maatschappelijk doel te bereiken. Dat komt in een moderne maatschappij bijna altijd neer op de behoefte en de wil om iets te verbieden, zoals bijvoorbeeld het recht van de vrouw op abortus en het algemeen menselijk recht op euthanasie.
De autonome filosofen zijn inderdaad absoluut zeker van de afwezigheid van boven- en buitenmenselijke verschijnselen, maar zij leiden uit die zekerheid geen enkele vorm van macht af. Trouwens, genoemde afwezigheid kan op zichzelf al niet tot het toekennen van macht leiden! Zij zijn dus wel van mening dat alle godsdienstigen het bij het verkeerde eind hebben en bovendien in een waan gevangen zitten, maar zij kunnen en willen niets anders doen dan dit feit constateren. Alleen al dat constateren maakt hen intussen uiterst waakzaam. Als zij namelijk geconfronteerd worden met tirannie van godsdienstigen die hun wil wŤl willen doordrijven, maken zij daartegen front en plegen radicaal verzet.
Zo niet de agnosten. Dezen zien geen andere mogelijkheid dan 'in gesprek' te gaan, 'als gelijkwaardigen om de tafel te gaan zitten' en 'met elkaar tot overeenstemming te komen'. Die ronde is natuurlijk al bij voorbaat verloren, zelfs als de godsdienstigen, redelijk en democratisch als altijd(!), een beetje water in de wijn doen. Zouden zij echter niet godsdienstig geweest zijn, dan zouden er helemaal geen tirannieke wensen op tafel gelegen hebben, zodat er helemaal niets zou zijn doorgedrukt...

Toevoeging uit Geen God, wat dan? : Vanuit het ongeloof (in de zin die ik er aan geef, Jan Vis) komen wij in de discussie met gelovigen niet verder dan een compromis: ďde godsdienst is een privaatzaak". Hoewel dit op zichzelf juist is - ieder moet toch voor zichzelf weten wat hij scharrelt in zijn denken - is het natuurlijk niet de zaak waarom het gaat. Hoewel ieder het voor zichzelf maar moet uitzoeken, is het toch zo dat godsdienst en geloof onzin zijn. De argumenten voor deze zaak vinden wij niet in de discussie over geloof en ongeloof, maar in de discussie over ĒDe WerkelijkheidĒ (zie het hoofdwerk Beweging en Verschijnsel van Jan Vis, creatief filosoof) Rob van Es

 

Neem ook eens nota van: Hoe zit het nou met god..?

Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2†††††† STELLIGE UITSPRAKEN - zie 18 , 21 en 22

 

 

=========================================================

 


 

 

Aflevering nr. 22, d.d. 2 september 2002.

FILOSOFISCHE INVALLEN
door JAN VIS
filosoof
 
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26

STELLIGE UITSPRAKEN - zie 18 , 21 en 22

 
Niet-weten en onwetendheid
Het 'niet-weten' van de filosoof is van een geheel andere orde dan de 'onwetendheid' die onvermijdelijk hand in hand gaat met wetenschappelijke kennis. Aan het filosofische niet-weten is, in tegenstelling tot wat het geval is met wetenschap, een intuÔtief weten voorondersteld. Dat wil zeggen dat de filosoof, net als de kunstenaar, een min of meer helder beeld van de werkelijkheid voor ogen heeft.
De wetenschappelijke kennis wordt echter niet, zoals sommige betweters menen, door de filosoof op slinkse wijze weggewerkt onder het voorwendsel dat het allemaal maar 'verstandelijke onzin' is, maar het wordt daarentegen zorgvuldig buiten beschouwing gelaten. En dat ondanks het feit dat de wetenschappen terecht aanspraak maken op betrouwbaarheid. De reden hiervoor is dat wetenschappelijke kennis onbruikbaar is voor het creatieve filosofische denken.
Wetenschappelijke betrouwbaarheid geldt 'totdat het tegendeel blijkt...'. Dat is op zichzelf prima in orde. Wetenschap die absolute waarheden pretendeert te kennen is qua wetenschap volstrekt corrupt. Juist zo'n wetenschap is Únbetrouwbaar omdat zij niet laat gelden dat zij noodzakelijkerwijs slechts een deel van de werkelijkheid kan bestuderen en daardoor steeds vergezeld wordt door onwetendheid.
Maar, in de filosofie gaat het juist om absolute waarheden. De zaak ligt daarbij zo kritisch dat zŤlfs als het geen enkele filosoof gelukken zou om dergelijke onbetwijfelbare waarheden boven tafel te krijgen het nog steeds zo is dat het in de filosofie als zodanig tÚch om absolute waarheden gaat. Dat is het unieke, maar ook mooie, karakter van de filosofie.
Volgens sommigen betekent de opgave om absolute waarheden te vinden de fundamentele onmogelijkheid van echte filosofie. Maar dan kan men er niet onderuit daarbij te bedenken dat het in dat geval over net zoiets onmogelijks gaat als de kunst. En het is zelfs te verdedigen de onmogelijkheid van de filosofie te associŽren met de fundamentele onmogelijkheid van het bestaan van het verschijnsel mens zelve...
 
EssentiŽle verhoudingen
Het weefsel van verhoudingen, dat de werkelijkheid in wezen is, manifesteert zich in tijd en ruimte als een veelheid van verschillende, wisselende en veranderlijke feiten. Doordat die manifestaties altijd en onvermijdelijk betrokken zijn in processen komen zij steeds in andere vormen te voorschijn. Die veranderlijke vormen op zichzelf weerspreken de eraan ten grondslag liggende onveranderlijke verhoudingen, zodat de mensen die al die vormen waarnemen gemakkelijk tot foute gevolgtrekkingen kunnen komen. Alleen het filosoferen kan hen hiervoor behoeden, niet omdat de filosofie 'de waarheid in pacht zou hebben', zoals sommigen in hun onnozelheid menen, maar daarentegen omdat het bij het filosoferen gaat om precies die essentiŽle verhoudingen. Het kennen en herkennen van deze verhoudingen, zoals dat bij het filosoferen het geval is, maakt de kans op het verkeerd beoordelen van de feiten aanzienlijk kleiner.
Dat filosoferen leidt dus niet tot het achterwege laten van het beoordelen van de feiten, maar juist tot een beoordelen dat in principe volstrekt adequaat is. Zo men van een 'taak' van de filosofie zou willen spreken zou het deze moeten zijn: het beoordelen van de verschijnselen zoals die zich in steeds wisselende gedaanten en relaties voordoen.
 
Wetenschappelijke normen
In de moderne wereld is de wetenschap de maat van alle zaken geworden. Dat is niet een kwestie van keuze, maar het is een kwestie van onvermijdelijke cultuurontwikkeling. Men kan daar niets aan toe of af doen. En zoals gebruikelijk bij dit soort van ontwikkelingen, voltrekt dat proces zich 'ondergronds', zonder dat het gros van de al of niet geleerde mensen er erg in heeft.
Onbewust leggen de mensen uit de moderne cultuur wetenschappelijke normen aan. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat zij zich in het leven van alledag nu zo wetenschappelijk zouden opstellen en nog minder betekent het dat het er in de huidige wereld wetenschappelijk aan toe zou gaan. Maar, men vindt toch dat de wetenschap de maat is. Dat heeft wat de autonome filosofie betreft onaangename gevolgen, want er worden almaar wetenschappelijke criteria gehanteerd als het gaat over puur filosofische thema's. Dan raakt het naar absolute waarheden strevende filosofische denken steevast in conflict met het wezenlijk relativerende wetenschappelijke denken. Doordat onwillekeurig naar dit laatste denken de sympathie van de moderne mens uitgaat wordt de filosofie onvermijdelijk in het defensief gedrongen.
Men maakt daarbij het zoeken naar datgene dat 'morgen ook nog waar is' belachelijk, enerzijds doordat men het voor onmogelijk houdt dat een filosoof geheel op eigen kracht ergens achter kan komen en anderzijds doordat men niet gediend is van stellige uitspraken. Die vindt men dan 'fundamentalistisch', 'intolerant', 'eigengereid' en men verdenkt de filosoof ervan aan een ernstige vorm van zelfoverschatting te lijden!
Het wijsgerige inzicht dat de mens, als laatste verschijnsel, de gehele werkelijkheid 'in zich draagt' en van daaruit die werkelijkheid kan ervaren en beschrijven, is zo langzamerhand geheel en al verdwenen. Het heeft in de hedendaagse filosofie plaats gemaakt voor een uitermate irritant weifelmoedig denken dat de naam 'filosofie' geenszins verdient. Vaak ontkomt men dan ook in het gezelschap van zich filosoof noemende lieden niet aan het gevoel temidden van schoolkinderen te toeven.
 
Filosofie zonder bedoeling
Behalve het zoeken naar een antwoord op de vraag hoe het zit met de werkelijkheid stelt de filosoof zich geen doel als hij bezig is met filosoferen. Het gaat hem er dus niet om het een of andere bewijs te leveren, noch de onmogelijkheid van iets, zoals god, aan te tonen. Het nagaan hoe het zit met de werkelijkheid is een activiteit op zichzelf, precies zoals het scheppen van kunstwerken voor de kunstenaar een zaak op zichzelf is. Komt de filosoof dan met bepaalde uitspraken, dan geven die uiting aan inzichten die al filosoferende zijn ontstaan. Inzichten dus die nimmer het resultaat zijn van doelgericht door de filosoof ingesteld formeel onderzoek. De kennis waartoe alles wat hij aan de weet gekomen is zich heeft omgezet, is hem in zekere zin 'aan komen waaien'. In ieder geval is die kennis nooit doelbewust en methodisch gezocht.
Het filosoferen is geen ambacht dat van 9 tot 5 uitgeoefend wordt. Het is een toestand waarin sommige mensen door een nimmer te achterhalen speling van het lot verkeren.
Het onder woorden brengen van de verworven inzichten is echter wel degelijk een ambacht dat pas na verloop van vele jaren enigszins wil gaan lukken...
 
Achter de voorstelling
Het plegen van onderzoek heeft altijd en noodzakelijk betrekking op de voorstelling die men zich van een gedeelte van de werkelijkheid maakt. Wat men onderzoeken wil en de methode die men daarbij volgen wil zijn toegesneden op die voorstelling en ook de uitkomst van het onderzoek is van tevoren bepaald. Niet dat men van tevoren weet wŗt die uitkomst zal zijn, maar wel is het een feit dat de aard van de uitkomst vaststaat. Die uitkomst kan niet plotseling en onverwachts op iets geheel ŗnders betrekking hebben!
Onderzoek wordt gereglementeerd door de werkelijkheid als voorstelling. Het blijft dan ook noodzakelijk binnen de door die voorstelling gestelde kaders, ook als het betrekkelijk onverwachte uitkomsten oplevert.
Het filosofische nagaan van de werkelijkheid vindt plaats 'achter de voorstelling'. Dat nagaan is niet zÚnder die voorstelling, maar het heeft daarop geen betrekking. Het heeft daarentegen betrekking op hetgeen zich aan die voorstelling afspiegelt. Omdat dit het geval is kan de filosofie uitspraken doen over de werkelijkheid zelf, terwijl uitspraken naar aanleiding van onderzoek onvermijdelijk iemands voorstelling 'verklaren'. Gevolg van dit laatste is dat die uitspraken tijdelijk en plaatselijk geldig zijn. Zij zijn, als het goed is, voor het hier en het nu betrouwbaar en dus zijn ze ook bruikbaar in de situatie waarin men zich bevindt.
De bruikbaarheid van filosofische uitspraken is vrijwel nul, behalve als het er om gaat realistisch in de wereld te staan en niet overgeleverd te zijn aan allerlei onzin.

 

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26

STELLIGE UITSPRAKEN - zie 18 , 21 en 22

 

=========================================================

 




Aflevering nr. 23, d.d. 7 oktober 2002.

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26

 

Objectiviteit als toevallige voorstelling
Vrijwel iedere moderne filosoof staat afwijzend tegenover het leren begrijpen van de werkelijkheid als dat louter vanuit de eigen intellectuele mogelijkheden beoefend wordt. Alleen al de gedachte dat het mogelijk zou zijn er geheel op eigen kracht achter te komen hoe het zit wordt met misprijzen begroet. Men is er zeker van dat er 'objectief' onderzoek gedaan moet worden, zowel ter verifiŽring van persoonlijke waarnemingen als ter vergelijking van die waarnemingen met die van anderen. Zoals steeds wordt 'objectiviteit' gelijkgesteld met de universele waarheid, althans met de weg daar naar toe. Maar dat is ten ene male fout!
Er zijn tegenwoordig zelfs al filosofen die zich bezig houden met formeel wetenschappelijk onderzoek, bijvoorbeeld op het terrein van de sociologie, de geschiedenis, de natuurkunde, de politiek en vele andere disciplines. Wat dit met filosofie te maken heeft is volstrekt onduidelijk. Zelf voorzover men meent uit de resultaten filosofische conclusies te kunnen trekken heeft men het bij het verkeerde eind: het leidt noodzakelijkerwijs niet tot inzicht in de werkelijkheid maar tot een theorie - in het beste geval.
De eigenlijke definitie van filosofie, namelijk het uitzoeken hoe het zit met de werkelijkheid, lijkt weliswaar op het eerste gezicht voor de bedoelde moderne filosofie op te gaan, maar bij nadere beschouwing blijkt dat geenszins het geval te zijn: men vraagt slechts naar de samenstelling van bepaalde verschijnselen. Het antwoord op die vraag wordt abusievelijk beschouwd als juiste kennis omtrent de werkelijkheid, maar het is niet meer dan een voorstelling die volledig gebonden is aan de toevallig heersende cultuur en aan de persoon die zich ermee bezig houdt. Die voorstelling heeft dus betrekking op tijd- en plaatsgebonden verschijnselen, maar dat is precies het tegendeel van datgene wat de filosofie werkelijk beoogt: een universele beschrijving van de werkelijkheid.
 
Filosofie, kunst en wetenschap
Eigenlijk is de gedachtegang heel eenvoudig. Voor het laatste verschijnsel geldt dat het universum er niet alleen materieel in aanwezig is, maar ook niet-materieel, namelijk als een voorstelling in het zelfbewustzijn. Dat houdt logischerwijs ook in dat de werkelijkheid als bewustzijn eveneens binnen dat zelfbewustzijn is komen te liggen. Dat laat zich ervaren als een 'beeld' dat zich aan die voorstelling afspiegelt. Het straalt er als het ware doorheen.
Een en ander betekent dat de mens als zijnde het laatste verschijnsel de gehele werkelijkheid in concreto en wezenlijk kan kennen. Daarbij heeft hij niets anders nodig dan alleen maar zichzelf. Enerzijds richt hij zich daarbij op de voorstelling als zodanig, waarbij hij steeds meer en steeds efficiŽnter werktuigen ontwikkelt. Dat zijn de gereedschappen die hij gebruiken moet om de verschijnselen te onderzoeken.
Dan heb je te doen met de mens als wetenschapper.
Anderzijds richt hij zich op genoemd beeld. Daarbij kan hij helemaal geen gereedschappen gebruiken, omdat dat beeld Úngrijpbaar is. Een afspiegeling is nu eenmaal niet aan te vatten.
Men kan de zaak wel benaderen en typeren, zoals dat gebeurt in de kunsten. Men kan hem ook nagaan en dat gebeurt in de filosofie. Er is dus kunst en filosofie en daarnaast is er wetenschap. Die eerste twee hebben niets met de wetenschap te maken en omgekeerd. Dat betekent dat de kunstenaar en de filosoof wat betreft de uitoefening van hun vak geen boodschap hebben aan de wetenschapper en diens kennis, terwijl deze laatste geen boodschap heeft aan de twee eersten.
Omdat echter in onze moderne cultuur de wetenschappen zonder meer dominant zijn leggen haar beoefenaren hun eigen wetenschappelijke criteria ongegeneerd op aan niet alleen de filosofen en de kunstenaars, maar feitelijk aan iedereen. Men laat zich dat overigens maar al te graag welgevallen, vanuit de onnozele behoefte voor vol te worden aangezien!
 
Valse pretenties
In feite gedragen de wetenschappers zich als aanhangers en vertegenwoordigers van een godsdienst. Net als priesters pretenderen zij te weten hoe het zit en tevens verbeelden zij zich als enigen het recht te bezitten om de dingen te onderzoeken. Ook al erkennen de meeste wetenschappers het voorlopige karakter van hun kennis, dan nog eisen zij exclusief voor zichzelf de enige, objectieve, juiste en algemeen geldige waarheid op. Elke andere waarheid wordt bij voorbaat en zonder pardon ŗfgewezen. Zij gaan daarmee in de praktijk zelfs nog verder: als iemand voor het verwerven van inzicht in de werkelijkheid niets van doen wil hebben met die wetenschappelijke waarheid, deugt hij volgens hen niet. Hij is dan beslist een tobberd die met zijn wereld en zichzelf geen raad weet en die tot overmaat van ramp niet in de gaten heeft zich op een doodlopende weg te bevinden...
Voeg daar nog bij het onvoorwaardelijke geloof dat de wetenschap opeist in de eigen uitspraken en de gelijkenis met een godsdienst is onmiskenbaar. Bijna iedereen wil maar al te graag als gelovige erkend worden, ook al omdat er eigenlijk geen keus is. God duldt niets anders naast zich, dus men moet wel. Het gros van de kunstenaars en filosofen buigt zonder mankeren het hoofd voor deze wetenschappelijke godheid. Dat leidt er onder andere toe dat men het meest wezenlijke deel van het menselijk kenvermogen afwijst of op zijn minst verwaarloost, met alle tragische gevolgen van dien.
 
Totalitaire stelsels
Men zou zich erover kunnen verbazen dat mensen zo lange tijd kunnen accepteren onderworpen te zijn aan een totalitair stelsel zoals het modern-wetenschappelijke. Totalitair is elk stelsel dat geen plaats biedt aan ŗlle individuen, in die zin dat er voor hen letterlijk geen plaats onder de zon is. De essentiŽle vraag op welke manier en in welke hoedanigheid de verschillende individuen het recht hebben er te zijn komt niet eens aan de orde. Hoe dan ook, men mŗg er eenvoudigweg niet zijn. Welbeschouwd is dat ook nog hypocriet en dubbelhartig want het belet de heersende klassen niet om die niet-aanwezige mensen genadeloos voor hun profijt te misbruiken.
 
Primitief individualisme
Zelfs in niet-totalitaire staten is de mens feitelijk afwezig. Als onderdeel van bijvoorbeeld een democratisch collectief heeft immers geen enkel mens het recht volledig naar de eigen bijzondere identiteit aanwezig te zijn, als mens mee te tellen. Inderdaad telt men wel 'mensen' en men noemt ze wel allemaal bij name, maar zij gelden desondanks niet wezenlijk als authentieke mensen. Zij gelden steeds als wat ŗnders! Vaak zijn zij leveranciers van energie en kunnen zich een ongeluk sjouwen, dan weer gelden zij als machines die bepaalde handelingen kunnen verrichten en ook mogen zij bij gelegenheid dienen om te sneuvelen voor het collectief dat voor die gelegenheid liefkozend 'het vaderland' genoemd wordt. Zo zijn er velerlei mogelijkheden, maar nooit gaat het om mensen.
In feite is bij dit soort zaken het begrip 'individu' de sleutel tot het begrijpen ervan. In grove trekken heb ik hierboven situaties geschetst waarin niemand naar zijn ware aard kan en mag gelden, namelijk naar zijn unieke individuele kwaliteit. In die maatschappelijke situaties geldt er voor de mens steeds iets anders en dat andere staat onvermijdelijk ten dienste van een bepaalde bovenlaag die niet alleen de dienst uitmaakt, maar die vooral zichzelf beschouwt als de enige echte mensheid.
Inderdaad zijn de leden van zo'n bovenlaag in principe individuen. Maar dit heeft kwalitatief niet veel om het lijf omdat de zaak nauwelijks een zinvolle inhoud heeft. Zinvol is elke inhoud die authentiek is en die niet gedwongen is zich naar van buitenaf opgelegde waarden te voegen. Dat betekent voor de bedoelde bovenlaag dat zij een uitermate primitieve individualiteit bezit. Kenmerk daarvan is dat de medemens alleen maar meetelt voorzover die op de een of andere manier gebruikt kan worden om de eigen onafhankelijkheid te bevorderen, bijvoorbeeld door bepaalde arbeid te verrichten.
Dat gebruiken van de ander wordt door die primitieve individualisten gewoonlijk voorgesteld als iets liberaals. Het liberale is dan hierin gelegen dat de ander de formele vrijheid heeft zich eveneens als onafhankelijk individu op te stellen, wat natuurlijk tot op heden voor de meeste mensen volstrekt onmogelijk is.
Een werkelijk liberale levenshouding leidt tot de erkenning dat de medemens het onvoorwaardelijke recht heeft om hoe dan ook in volledige zelfstandigheid zichzelf te zijn.

 

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26

 

=========================================================


 

 

 

 
Aflevering nr. 24, d.d. 25 november 2002.

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof

Bladwijzer: onvermijdelijk toeval††
 
Een paradijs voor niet-weters
De traditionele democratie is een paradijs voor niet-weters. Dat komt niet zozeer doordat er over alle voorkomende zaken met elkaar gesproken moet worden, maar vooral doordat men er bij de besprekingen bij voorbaat van uitgaat dat er compromissen gesloten moeten worden. Dit leidt onvermijdelijk tot een onduidelijke houding waarmee men alle kanten op kan. Standpunten worden pas dan bepaald als de besprekingen achter de rug zijn, enerzijds besprekingen binnen de eigen gelederen om tot een collectief uitgangspunt te komen, anderzijds besprekingen met de politieke tegenstanders om een definitief besluit te nemen. Gedurende de gehele procedure weet men in feite nog niet hoe men over de onderhavige zaken zou moeten denken. Aan het einde van de rit blijkt men dan een standpunt ingenomen te hebben dat geen standpunt is omdat bij al dat gedoe de zaak zŤlf niet de maat was, maar allerlei politieke belangen, die op iets ŗnders betrekking hebben.
Voor mensen met een duidelijke visie, die helemaal niet tot compromissen bereid zijn, maar daarentegen streven naar het oplossen van de problemen is in de traditionele democratie geen plaats. Oplossen vergt kennis van zaken, visie en besef van verantwoordelijkheid en vervolgens de behoefte en de bereidheid om het voorliggende probleem tezamen met de andere deskundigen zo helder mogelijk op tafel te krijgen, opdat het voor een ieder duidelijk zal zijn wat haar of hem te doen staat. Van water in de wijn doen is hierbij geen sprake. De verkregen overeenstemming is gegrond op een ieders beste weten.
 
Atlantisch individualisme
Steeds als er van een totalitair systeem gesproken kan worden is er onvermijdelijk de afwezigheid van 'de' individu, dat is: de mens als individu. In de westerse Atlantische cultuur gaat het vanaf het begin om het zich realiseren van de mens als individu. In feite is het nooit ergens anders om gegaan. Omdat het de aanleg van de westerse cultuurmens is was deze nooit als individu ŗfwezig. Zelfs ten tijde van totalitaire experimenten, zoals daar waren het fascisme en het nationaal-socialisme, was de individu niet afwezig. Wel was hij gewelddadig onderdrukt, maar een onderdrukte individu is nog steeds een individu, al kan hij zich niet als zodanig manifesteren.
Doordat aan de basis van die westers Atlantische cultuur de balans meteen al doorgeslagen was naar de individu kon de misdaad, die er natuurlijk toch ruimschoots was, niet echt uit de voeten. Het schijnbaar paradoxale van die cultuur is dat er steeds een felle reactie tegen de misdaad was, hetgeen er onder andere toe leidde dat men de zaak is gaan definiŽren. Dat ging zelfs zover dat ook het gedrag van oorlogvoerende soldaten aan normen werd gebonden, wat eigenlijk idioot is omdat oorlog voeren op zichzelf al misdadig is en alleen maar doorgang kan vinden juist omdŗt men zich niet aan normen wenst te houden.
Hoe dan ook, de westerse Atlantische cultuur kŤnt wel veel misdaad, maar is tegelijkertijd van een diepgewortelde antimisdaad gesteldheid. Dat criminelen de samenleving in bezit nemen is in die cultuur in principe onmogelijk. Maar voor de goede orde: men mag dergelijke criminelen niet verwarren met lieden die wij, op grond van door ons als asociaal beoordeeld gedrag, graag 'misdadigers' noemen. Directeuren van de Shell bijvoorbeeld zijn beslist geen misdadigers, hoewel wij het uit hun honger naar winst en macht voortspruitende gedoe vaak met recht als 'misdadig' kunnen waarderen.
 
Misdaad als begin van iets nieuws
Als totalitaire systemen instorten, en dat doen zij gegarandeerd na enige tijd, blijft er een ratjetoe van enkelingen over die geen van allen ooit individu zijn geweest. In het licht van het begrip 'individu' zijn het 'nietsen'. Praktisch gesproken: voor zichzelf en voor de anderen gŤlden die mensen als 'nietsen', het zijn 'waardelozen'.
Toch heeft het een positieve betekenis dat een totalitair systeem instort, want het is een logisch gevolg van een bepaald universeel besef. Juist in die 'waardelozen' begint dat wakker te worden, het gevoel namelijk dat zij tot nu toe geen individu geweest zijn, maar dat dit wel voor hen zou moeten gelden. Dat is te duiden als het eerste moment van de ontwikkeling tot de mens als individu. Het is duidelijk dubbel, want deze mensen balanceren op de grens van wel en niet individu zijn.
Als dat besef dat zij eigenlijk 'individu' zouden moeten zijn zich gaat laten gelden manifesteert zich als eerste het begrip 'misdaad'. Dat behoeft niet per se misdaad in juridische zin te zijn. Het gaat er om dat de ene mens zich tegen de andere gaat afzetten, zijn bestaan gaat ontkennen. De basissituatie van de mens als 'ik' is immers dat die 'ik' zich opstelt als 'niet de ander', hetgeen inderdaad betekent dat het bestaan van die ander wezenlijk ontkend is.
De voormalige totalitaire situatie zet zich nu voor de betreffende mensen om in iets positiefs. Niet in de gebruikelijke morele zin, maar zo dat het niet aanwezig zijn het uitgangspunt wordt van een nieuwe ontwikkeling. Hoewel dit niet uit kan blijven en als zodanig als een vooruitgang aangemerkt moet worden is er tegelijkertijd dit van te zeggen dat nu de feitelijke misdaad welig kan gaan tieren. En dat zien we dan ook steeds gebeuren. Een bijzonder tragisch voorbeeld is het huidige Rusland.
 
Onvermijdelijk toeval*
Er schijnen nog steeds denkers te zijn die tobben met de vraag of het ontstaan van het universum gedetermineerd is of dat zij puur uit volstrekt toevallige samenlopen van omstandigheden ontstaan is. Vooral ten aanzien van het raadselachtige verschijnen van de mens op de planeet wordt er op een verschrikkelijk rommelige manier heel wat gespeculeerd.
Men kan zich gemakkelijk voorstellen dat menigeen de verklaring voor dit raadsel niet kan vinden. Vooral als men zich nooit serieus filosoferend met het wordingsproces bezig heeft gehouden en zich bepaald heeft tot het pronken met andermans veren, namelijk het reproduceren van in boeken en tijdschriften aangetroffen verhandelingen.
Kan zoiets nu een argument zijn om allerlei aantoonbaar uit de lucht gegrepen verklaringen te accepteren, zoals daar bijvoorbeeld het absurde idee is dat, met het overal aanwezige kosmische stof, de mens 'overgewaaid' is van andere planeten? Of ook de veelgehoorde en met veel aplomb uitgesproken mening dat de mens een unieke 'toevalstreffer' zou zijn?
Men heeft blijkbaar nog steeds niet in de gaten dat het ontstaan van zonnestelsels, met tenslotte ook mensen, louter en alleen op een onvermijdelijk toeval berust. Dat wil zeggen dat in een situatie van 'tijdloze tijd' en 'ruimteloze ruimte' Ťlke mogelijkheid van het zich samenvoegen van materie absoluut niet uit kan blijven. Dat moet hier of daar en zo nu en dan noodzakelijkerwijs leiden tot de laatste mogelijkheid, de mens.
Alledaagser gezegd: waar en wanneer zoiets gebeurt is niet te zeggen, maar zeker is dŗt het gebeurt. Dat zou niet het geval zijn als er slechts een beperkte ruimte was en een gelimiteerde tijd, maar dat is al helemaal een ondenkbaarheid.

 

*Onvermijdelijk toeval - Zie het hoofdwerk van Jan Vis, filosoof met als link: de verantwoording
 
Een chaotische janboel
De mens, als laatste voor de dag gekomen mogelijkheid, kan in principe over het gehele wordingsproces terugkijken. Het is dan niet moeilijk te begrijpen dat hij de indruk krijgt dat 'het allemaal zo heeft moeten wezen'. Tot op zekere hoogte heeft hij daarin nog gelijk ook, want wat er tenslotte te voorschijn is gekomen behoort tot de mogelijkheden die houdbaar zijn gebleken en dat wekt inderdaad de indruk dat de hele zaak volgens van tevoren vaststaande strikte wetten verlopen is. En dus komt de gedachte op dat de werkelijkheid gedetermineerd zou zijn.
In feite echter was het wordingsproces in elk stadium een chaotische janboel, een wirwar van door elkaar heen bewegende elementen, een komen en gaan van systemen waarvan de meeste al spoedig onhoudbaar bleken en na enige tijd instortten. Van een gericht ergens naartoe werken is geen sprake, maar het is tegelijkertijd een feit dat in de oneindigheid van tijd en ruimte de dingen mÚeten gebeuren die kýnnen gebeuren.
Daar behoort de laatste mogelijkheid ook bij. Dat wil zeggen dat het de meest ontwikkelde mogelijkheid is. Dat is het verschijnsel mens, het toppunt van materiŽle verfijning. Hij is het meest innig gestructureerde systeem.

 

 

=========================================================

 

 

 

 
Aflevering nr. 25, d.d. 13 januari 2003.

FILOSOFISCHE INVALLEN
door JAN VIS
filosoof


Bladwijzer:
Godsbewijzen

Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2

 

Volwassen democratie
De werkelijke, volwassen, democratie is gegrond op kennis van zaken en niet, zoals tot nu toe gebruikelijk, op partijbelangen. Zoals het woord al zegt gaat het er bij dit laatste om dat er zoveel mogelijk voordelen voor een bepaalde groep binnen gehaald worden. De belangen van de andere groepen doen dan niet terzake. Als regel worden deze zelfs gewetenloos gedwarsboomd. Dat het, zoals steeds beweerd wordt, om het landsbelang zou gaan is in feite al helemaal een keiharde leugen. Daar komt overigens ook nog bij dat voor een groot aantal mislukkelingen een baan als volksvertegenwoordiger bijzonder aantrekkelijk is.
Omdat logischerwijs ook in een volwassen democratie de kennis van de ene deskundige wat anders zal liggen dan die van de andere, zijn er verschillen van mening. Tot op heden vindt men die ten onrechte een probleem. In feite echter zijn deze uiterst belangrijk. Het is precies daarover dat gesproken zal moeten worden. Alleen op die manier kunnen de zaken op een hoger plan komen te liggen.
De volwassen democratie is dus noodzakelijk polariserend van karakter. Dat staat in flagrante tegenstelling tot datgene dat de Únvolwassen democratie vertoont. Die is namelijk in het geheel niet polariserend, maar gericht op het wegwerken van de verschillen doormiddel van compromissen. Resultaat is steeds een aantal besluiten dat verre beneden de maat blijft. In plaats van naar een hoger gaat men dan naar een lager plan.
Je kunt met recht en reden stellen dat de traditionele democratie niet verder komt dan tot slechte besluiten die zo goed mogelijk zijn. Maar in een volwassen democratie wordt kwalitatief het onderste uit de kan gehaald. De eerste vorm van democratie 'drukt terneer', maar de tweede daarentegen 'stuwt op'. ( zie ook nr.24 )
 
Godsbewijzen
Zoals met alles is het ook met de zogenaamde godsbewijzen een rommeltje. De gelovigen zien geen kans Gods bestaan aan te tonen terwijl de ongelovigen zijn niet-bestaan niet kunnen bewijzen. Beiden, zowel gelovigen als ongelovigen zitten in hetzelfde schuitje, ieder aan een kant en de een zegt almaar 'ja' en de ander almaar 'nee'. Dat gaat nu al eeuwen zo door! Ook heldere koppen blijven bijna altijd steken in deze tweestrijd en inderdaad: je komt er niet uit, althans niet op die manier.
Tegenwoordig weten de twijfelaars, humanisten en andere vrijzinnigen, wel wat daarvan de oorzaak is. God behoort namelijk niet tot de concrete materiŽle wereld en dus kan het wetenschappelijke denken er niet op toegepast worden. Zijn bestaan zou, zoals steeds beweerd wordt, buiten het denken vallen.
Dit nu is een typisch moderne kortzichtigheid. Eigenlijk is het zelfs een ernstige vorm van intellectuele lafheid. Men durft namelijk niet toe te geven dat het gebruikelijke moderne denken uitermate eenzijdig is omdat het niet toegerust is op het doordenken van zaken die op grond van hun karakter alleen maar langs de weg van denkbaarheden zijn te benaderen. Er wordt eenvoudigweg aangenomen dat er maar ťťn enkele vorm van denken is en dat er binnen dat kader door niemand over de notie 'god' nagedacht kan worden. Dat zou feitelijk betekenen dat de filosofen almaar onzin verkopen.
Dus, omdat de hedendaagse denkers er niet over kunnen nadenken kan niemand het... Dat is een heel gevaarlijke geborneerdheid van die moderne denkers.
Ja-zeggers en de nee-zeggers behoren altijd onlosmakelijk bij elkaar, althans in de discussie. Gaat het wat het bestaan van God betreft om de vraag wie het bij het rechte eind heeft, dan slaat de balans zonder meer door naar de nee-zeggers. Maar vaak is de zaak ook voor hen zo diffuus dat zij er geen idee van hebben waarom zij het bij het rechte eind hebben! Dat is voor een belangrijk deel te wijten aan hun stelling dat je niet iets aan kunt tonen dat er niet is. Maar dat is nu juist een foute stelling.
Overigens, als je de argumenten van de ja-zeggers en de nee-zeggers met elkaar vergelijkt, zonder je te bekommeren om de vraag of die argumenten kracht van bewijs hebben, dan bemerk je alras dat die van de nee-zeggers onvergelijkelijk veel plausibeler zijn. Daarvoor behoeven die nee-zeggers zich niet eens op de resultaten van de wetenschap te beroepen. Ook het leven van alledag levert voldoende bruikbare aanwijzingen. Als je bij voorbeeld ziet dat vrijwel alle gelovigen er onderling andere opvattingen op na houden kun je meteen al vaststellen dat het blijkbaar de gelovigen zŤlf zijn die hun eigen goden maken. Dat is op zichzelf al een sterk argument is om 'nee' tegen het bestaan van goden te zeggen.
Een ander geldig argument zou de merkwaardige verhouding tussen god en de mens kunnen zijn. Hoewel namelijk de mensen zich opstellen als 'dienaren van god', uiteraard deemoedig met verschuldigde eerbied, is het daarentegen steeds God die de mensen diensten moet bewijzen: zorgen voor succes in zaken, de overwinning op het slagveld, genezing van zieke kinderen enzovoort. Laat hij daarbij aldoor verstek gaan, dan loopt hij een goede kans de laan uitgestuurd te worden. De oude Germanen deden dat al, plechtig met zijn allen vergaderd in het heilige woud!
Dus: zonder dat de argumenten voor en tegen als bewijzen voor het al of niet bestaan van goden kunnen dienen is het voor een normaal denkend mens toch zonneklaar dat die van de gelovigen nauwelijks hout snijden en dat die van de ongelovigen een aanzienlijk vastere grond hebben.
 
Als iets er niet is
De afwezigheid van iets kan wel degelijk aangetoond worden, ondanks de op zichzelf wel juiste gedachte van onder anderen de filosoof Karl Popper (1902-1994) dat je nooit overal gezocht kunt hebben en dat er dus onvermijdelijk een reŽle mogelijkheid blijft bestaan dat 'ergens' toch nog, geheel onverwacht, iets aanwezig blijkt te zijn waarvan je aanvankelijk aannam dat het er niet was.
Maar het is, ondanks de beroemde stelling van Popper, echter zeer wel mogelijk de afwezigheid van iets aan te tonen. De clou is dat er helemaal niet gezocht behoeft te worden! Dat zoeken is namelijk niet de enige weg om ergens achter te komen. Op filosofische wijze is het zonder meer mogelijk, en wel zo dat je alle vermeende kennis laat voor wat het is om vervolgens geheel autonoom denkend na te gaan wat het karakter van de werkelijkheid is. Daaruit kan dan een groot aantal logische gevolgtrekkingen gemaakt worden.
Natuurlijk moet toegegeven worden dat je zoiets niet van de ene dag op de andere voor elkaar krijgt, vooral doordat deze onderneming volstrekt strijdig is met het gebruikelijke denken. Je moet er namelijk van uitgaan dat alle wetenschappelijke kennis, die je ter beschikking staat, voorlopig van karakter is en dus als zodanig ondeugdelijk voor het filosofische denken. Wetenschappelijk gezien is het met de beschikbare kennis over het algemeen best in orde, maar om bruikbaar te zijn voor het filosofische denken moeten er andere criteria aangelegd worden.
 
Indirecte gedachtegang
Hoe dan ook, het aantonen dat goden niet bestaan komt neer op een indirecte gedachtegang. Indirect, omdat daarbij de vraag of god bestaat in het geheel niet interessant is. Het gaat alleen maar om de werkelijkheid zelve: men behoeft namelijk alleen maar te laten zien hoe het zit met de werkelijkheid. Dan blijkt vanzelf dat goden, geesten en andere buitenmenselijke abstracties helemaal niet kunnen bestaan. Netzomin als kabouters en de in sciencefiction films ten tonele gevoerde vreemdsoortige verschijnselen kunnen bestaan. Vervolgens kan men daar nog extra aan toevoegen dat mensen in feite slechts bezig zijn met hun eigen zelfbewustzijn als zij, in hun onvolwassenheid, menen met goden en geesten van doen te hebben. Dat behoort tenvolle bij het alsnog onvolwassen menselijke verschijnsel. Voor die onvolwassen mensen staat het concrete bestaan vast van wat in feite allerlei hersenspinsels zijn. Dat houdt overigens tegelijkertijd in dat de zogenaamd spirituele zaken ook op ficties berusten.
Maar nogmaals: het gangbare al of niet wetenschappelijke denken heeft grote moeite met het stellen van vertrouwen in het filosofische, op denkbaarheden gefundeerde denken. Dat denken wordt dan voor het gemak 'metafysica' genoemd. Dan is men van het probleem af. Vaak is alleen dit etiket al voldoende om de zaak bij voorbaat af te wijzen zonder er verder over na te willen denken. Inderdaad is deze botte weigering nu niet bepaald reclame voor het moderne wetenschappelijke denken...

Naar: Hoe zit het nou met God

Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2

 

STELLIGE UITSPRAKEN - zie 18 , 21 en 22

=========================================================

 

 

 


 
Aflevering nr. 26, d.d. 5 maart 2003.

FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26
Pilatus-1 ; Pilatus-2 ; Pilatus-3 ;

 

Subjectieve voorstelling
Het begrip 'werkelijkheid' heeft in de filosofie betrekking op alles wat er is, of dat nu in de gebruikelijke zin van het woord materieel genoemd kan worden of op enigerlei wijze niet- materieel. Onder het begrip 'werkelijkheid' kunnen voorwerpen vallen, maar ook verhoudingen, bewegingen en in het algemeen gebeurtenissen. Kortom: er is niets dat niet onder het begrip 'werkelijkheid' valt. Als de filosoof zegt dat hij er achter wil komen hoe het zit met de werkelijkheid dan bedoelt hij uitsluitend deze allesomvattende zaak.
Maar intussen moet men tegenwoordig met dergelijke uitspraken goed oppassen, want moderne filosofen, die heel vaak uitermate verward denken, zullen er in veel gevallen hun persoonlijke voorstelling van de voorhanden werkelijkheid mee bedoelen. Je kunt opmerken dat men bijna nooit in de gaten heeft, althans zelden consequenties wil trekken uit het feit, dat de werkelijkheid er is naar twee aspecten, namelijk haar zogezegd 'objectieve' aspect en haar 'subjectieve'. Dit laatste is dan de bedoelde, in het zelfbewustzijn aanwezige, voorstelling en die is onvermijdelijk persoonsgebonden, vandaar 'subjectief'.
 
Objectief weten
Er zijn allerlei redenen waarom de moderne mens steeds de zaak omkeert door die subjectieve werkelijkheid voor objectief door te laten gaan. Dat wil zeggen: ten onrechte waardeert als een absoluut, universeel geldig gegeven, dat als enige toegang kan geven tot de waarheid. En het is verklaarbaar waarom diezelfde moderne mens moeilijk doet over het begrip werkelijkheid in objectieve zin, de enige ware werkelijkheid dus. Zoals gezegd is voor het moderne denken de zaak omgekeerd. Wat de denkers 'objectief' noemen is ten volle subjectief, namelijk aan de cultuur en de persoon gebonden, en wat zij tegelijkertijd 'subjectief' noemen is de enige ware objectiviteit waarop het weten van de mensheid gegrond is.
Bovendien vindt de moderne denker het problematisch te erkennen dat er hoe dan ook toch maar ŤŤn werkelijkheid kan zijn. Een werkelijkheid waarvan te zeggen is dat 'zij is zoals zij is, hoe zij ook is'. Dit staat los van de vraag of die of gene er volledig achter zou kunnen komen hoe dat nu allemaal zit, een vraag overigens die eigenlijk helemaal geen vraag is omdat de mens, als slotakkoord van de werkelijkheid, overal achter kan komen. De gehele werkelijkheid is namelijk zijn 'virtuele' inhoud.
Het vluchtgedrag van de moderne intellectuelen (want dat is het) kan verklaard worden vanuit de omstandigheid dat hun analytische denken geen ruimte laat voor datgene dat alleen maar denkbaar is. Geen ruimte dus voor de echte objectiviteit. Daardoor voelen zij zich beter thuis bij een uitermate laffe, maar tegelijk bijzonder hoogmoedige, Únwetendheid. Men doet het daarbij voorkomen of we met het summum van intelligentie van doen hebben. Maar iemand die juist dŗt uitermate dom vindt is bij voorbaat verdacht.
 
De Romein Pilatus
Het begrip 'waarheid' is voor de moderne intellectuelen volslagen taboe. Zij gedragen zich als Pilatus die zich destijds al afvroeg wat waarheid is. En die natuurlijk bedoelde dat dit begrip loos was vanwege het voor hem klare feit dat je de waarheid niet kunt kennen. Inderdaad kon Pilatus de waarheid niet kennen, want hij was een Romein! Dat wil zeggen: iemand die een exponent was van de toenmalige Romeinse cultuur, die te typeren is als een 'verzamelaarcultuur'. Die tref je aan bij het begin van de analytische periode van de mensheid. Analyse immers vooronderstelt een verzameling, of juister gezegd: een kijk op de werkelijkheid als zou zij uitsluitend een verzameling van verschillende dingen zijn. Dit is in feite de werkelijkheid naar het begrip 'totaliteit'.
Bij een dergelijke kijk is het onmogelijk het begrip 'waarheid' te gebruiken. Dus had Pilatus eigenlijk volkomen gelijk door vragenderwijs te stellen dat er hoegenaamd geen waarheid is...
 
De werkelijkheid als beeld
Er is wel degelijk een waarheid, net zo goed als er een werkelijkheid is. Het begrip 'waarheid' is te omschrijven als de werkelijkheid als beeld zoals die voor de ervaring van de mens opgeroepen wordt door het bewustzijn. Alles wat het beeld iemand laat ervaren, is zonder meer waarheid, hoe die zich onder omstandigheden ook vertoont. De waarheid kent oneindig veel gedaanten en is toch steeds de waarheid, zoals bijvoorbeeld het geval is met de vele kunstwerken die de mensen in de loop der tijden gemaakt hebben.
Omdat echter moderne mensen uitsluitend het accent leggen op de werkelijkheid als voorstelling, dus de in feite subjectieve werkelijkheid, kunnen zij niet uit de voeten met ervaringen van de objectieve waarheid. Zij wijzen die dan ook pertinent af en draaien daarbij de zaak zodanig om dat zij nu die waarheid voor subjectief houden en hun voorstelling voor objectief!
Hun denken is zo primitief dat zij zich niet eens realiseren dat hun zogenaamde objectiviteit op niets anders berust dan op de macht van het getal: als velen iets voor juist houden, bij voorkeur gesteund door betrouwbaar wetenschappelijk onderzoek, dan moet iets wel objectief juist zijn. Dat die objectiviteit louter het resultaat is van afspraken, die binnen de moderne cultuur dwingend als juist worden gewaardeerd, ontgaat hen.
Althans zij willen dat nimmer toegeven.
 
Niet te gebruiken waarheid
De waarheid leent zich niet voor afspraken of besluiten, al of niet bij meerderheid. De waarheid leent zich volstrekt nŤrgens voor, niet voor overdracht aan anderen via het onderwijs, niet voor uitdrukken in formules, het maken van berekeningen of plannen en niet voor het ten voorbeeld stellen aan anderen. Zelfs voor het verwerkelijken van een ideaal deugt de waarheid niet! Ze is alleen maar te ervaren, te 'zien', en dat dan ook nog uitsluitend individueel. Zij vindt langzaam maar zeker haar weg in de wereld doordat steeds meer mensen er steeds minder onderuit kunnen, zonder daarbij acht te slaan op wat anderen ervan vinden of zonder anderen op de een of andere manier na te volgen. De waarheid is strikt individueel en als zodanig tegelijkertijd universeel.
Academische filosofen willen creatieve, dus alleen maar denkende, filosofen nogal eens voorhouden dat men niet verplicht is ŗlles zelf te bedenken. Men kan zich moeilijk aan de indruk onttrekken dat die academici deze stelling met graagte onderschrijven om zich de twijfels en de kwellingen te besparen die nu eenmaal aan een eerlijke filosofische zoektocht meekomen. Anderen en wellicht beteren, zo menen zij, hebben de zaak al uitgezocht en ter beschikking van de mensheid gesteld! Je behoeft het er alleen maar mee eens te zijn om een fraaie filosofische uitspraak te kunnen en te mogen doen!
Zij hebben er weer eens niets van begrepen: filosoferen is niet het aanleggen van een doorwrochte verzameling uitspraken waarmee men het eens kan zijn, eventueel uitgebreid met een aantal eigen bedenksels, maar het gaat er bij het filosoferen om een zo helder mogelijk beeld van de werkelijkheid te verkrijgen, opdat daar een uiterst verfijnde beschrijving van kan worden gegeven.
Om dat schone doel te bereiken mÚet de filosoof alles geheel op eigen kracht uitzoeken. En dat moet hij telkens opnieuw doen, want het steeds verder nuanceren van het te beschrijven beeld richt zich noodzakelijk op het geheel daarvan. Een stukje van de werkelijkheid kan slechts geanalyseerd worden, dus worden uiteengelegd in zijn onderdelen. Maar daarmee wordt volstrekt niets over de werkelijkheid gezegd. Het overnemen van een bepaalde uitspraak, eens door een denker gedaan, is als het zich eigen maken van een stukje van de werkelijkheid en dat is, in het licht van het filosoferen, van geen enkele betekenis...
 
Het wiel uitvinden
Het zou bij een ieder grote bevreemding wekken als een pianist tijdens een recital plotseling zijn spel staakte om vervolgens als verklaring voor zijn gedrag mede te delen dat het nu volgende gedeelte al eerder en beter door Wilhelm Kempf gespeeld is en dat hij het zinloos vindt 'het wiel opnieuw uit te vinden' en dat men ook niet verplicht gesteld kan worden alles zŤlf uit te zoeken.
Misschien dat een modern 'kunstenaar' met een dergelijke 'performance' kan komen? Dat zou niet eens zo gek zijn want het behoort toch al tot de mode net te doen alsof men muziek maakt. Het zou dus niet behoeven te verbazen als zelfs het publiek er laaiend enthousiast over was, zeggende dat men eindelijk weer eens met een 'geniaal' kunstenaar van doen heeft...
Iedereen die niet door de moderne kunstenaars gehersenspoeld is begrijpt onmiddellijk dat die pianist de zaak belazert en dat hij in feite zijn te spelen werken grondig, noot voor noot, had moeten bestuderen om ze daarna zo mooi mogelijk te kunnen spelen. Daarbij heeft hij aan wat anderen op muzikale wijze tot stand gebracht hebben geen enkele boodschap. Hij moet de hele zaak zŤlf en op eigen kracht voor elkaar zien te krijgen.
Zo ook de filosoof: het komen tot een zo helder mogelijke en genuanceerde beschrijving van de werkelijkheid kan alleen maar op autonome wijze geschieden. In feite heeft hij niets aan de beweringen van anderen. Trouwens, een belangrijk kenmerk van de kunst en de filosofie is dat men geen platgetreden paden bewandelt. Essentie van beide activiteiten is die Ťne waarheid steeds weer opnieuw tot uitdrukking te brengen.
 
Het bekende liedje
Wanneer en voorzover er steeds meer mensen onder de invloed van de waarheid komen te staan is het via hun psyche dat zij elkaar op het stuk van de waarheid zullen kunnen verstaan. Jammer genoeg voor de moderne mensen gaat dat hele proces van toegroeien naar de waarheid buiten het gebruikelijke denken om. Zij hebben er dus op geen enkele manier vat op. Eigenlijk is dat maar goed ook, want anders zouden zij ook van het Ťnige houvast dat de mens inderdaad heeft, namelijk de werkelijkheid als waarheid, een zaak van geestelijken, politici en managers maken om die vervolgens gewoontegetrouw aan de mensen op te dringen, uiteraard met een beroep op 'het hogere'.
Kortom: het bekende liedje..!

 

Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26
Pilatus-1 ; Pilatus-2 ; Pilatus-3 ;

 

Einde

Een cultuur is:

de gestolde neerslag van een bepaalde fase van de ontwikkeling van het zelfbewustzijn. Er worden allerlei dingen vastgelegd, als norm gesteld, die tijdens die fase duidelijk zijn geworden. De neerslag van zoín fase stolt tot cultuur.

 

Onder een ideologie versta ik: een overheersend cultuurdenkbeeld dat gebaseerd is op de voorstelling hoe de werkelijkheid zou moeten zijn.

 

Terug naar: de Homepage van Rob van Es voor mťťr informatie

 

Naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

=========================================================


 

 

 

 

website analysis
website analysis

website analysis
online hit counter