FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Help mee om deze site te
promoten. Vertel het uw…!
(Adres
luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )
Aangezien de
filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is
het citeren uit de artikelen zonder meer toegestaan. Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld.
(Jan Vis, creatief filosoof)
Terug naar: de Homepage
van Rob van Es voor méér informatie
Naar afleveringen: 01
; 02 ; 03 ; 04 ; 05 ; 06 ; 07 ; 08 ; 09 ; 10 ; 11 ; 12 ; 13 ; 14 ; 15 ; 16 ; 17 ; 18 ; 19 ; 20 ; 21 ; 22 ; 23 ; 24 ; 25 ; 26 ;
Naar bladwijzers: Nr.
04(kernenergie-lobby) ; Nr. 1(Politici ; De samenleving dienen) ; Wrede moordlust / A job to
do de zogenaamde godsbewijzen ; Volwassen democratie Nr. 25 ; collectivistische denken
zie afleveringen 1, 5 en 12 ;
Leidersprincipe- nr. 03
; Verantwoordelijkheid
; Denken in begrippen, zie afleveringen 11 , 16, 17 , 18, 19 ; Wat is Waarheid
en Juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20, 22, 23, 26 ; vervreemding ; De Verlichting ; Burgeroorlog-1 ; Burgeroorlog-2 ; Concurrentie-1 ; Verbieden van de godsdienst? Zie no.21
; Pilatus-1 ; Pilatus-2 ; Pilatus-3 ; Polariseren-5-zie 25 ; Loyaal ; Onvermijdelijk toeval ; Intellectuele lafheid-1
; Intellectuele
lafheid-2 ; Overgang-1
; Onverdraagzaam
; Parlementaire
Democratie-1 ; Parlementaire
Democratie-2 ; Houvast-1
; Houvast-2
; STELLIGE UITSPRAKEN
- zie 18 , 21
en 22
Naar artikelen: Loyaal:
zie bladwijzers in De ontwikkeling van de West Europese Cultuur, ; Loyaal: zie
bladwijzers in De Kunst van het Filosoferen, ; Loyaal: zie bladwijzers
in De Grote Vierslag, ; Loyaal: zie bladwijzers
in Alledaags Commentaar 1 t/m 40, ; Loyaal: zie
bladwijzers in Filosofische invallen 1 t/m 26, ; Het toenemend belang van het Atheïsme ; Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof
; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst
; God bestaat niet ; Bedreiging van het
vrijdenken en het atheïsme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27.
; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ;
Ongewenst atheïsme- zie afl. 32 ; Een grens te ver
(Israël) ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21
; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..?
zie aflevering 60 / 61 ; Kunnen moslims zich invoegen
in de Moderne cultuur..? – aflevering no. 37 ; De
Islam ; Het staat in de Koran- zie
aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjari’a ; Burqa, volg bladwijzer
; Is
er dan toch een GOD..? Hoe zit dat..? Briewisseling- Geweld- Godsdienst- Geloof ;
Vrijheid
van Godsdienst ; Kan alles maar..!-zie bladwijzers ● Cultuurfilosofische Opmerkingen-o.a. Verveling,
verlies van houvast, Islam’s succes ; Samenleving,
Maatschappij en Gezin ; Hoe zit het nou met god ; De
kunst, het schone verschijnsel ; Filosofie van de kunst ; Een
korte schets v/d MENSELIJKE SEKSUALITEIT
Naar artikelen met
trefwoord “Polariseren”:
Polariseren-1-zie bladwijzers uit Nihilisme en Anarchisme als basis
van het Atheisme,
Polariseren-2-zie bladwijzers uit De Universiteit voor
Humanistieken het Atheisme,
Polariseren-3-zie
bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr.1,
Polariseren-4-zie
bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr.2,
Polariseren-6-zie
bladwijzers uit Varia 1t/m10,
=========================================================
Aflevering nr. 1 (september 2000)
Verdienen
aan de samenleving
Terugkeer van de Scholastiek
De vlietende horizon
De samenleving dienen
Het alleenrecht van de academische filosofie
Aflevering nr. 2 (oktober 2000)
Een
drietal mogelijkheden
Radicaal afwijzen
Negatieve erkenning
Positieve erkenning
Aflevering nr. 3
(november 2000)
Leidersprincipe
Arrogantie
Voltaire
De verlangens van de filosofen
Hulpeloze tobberds
Voltairiaanse hoogmoed
Social engineering
Managerswereld
Cultuurschok
Aflevering nr. 4 (december 2000)
Zekerheden
Fundamentele onzekerheid
Juistheid en waarheid
Het kwalitatieve zoeken
Details en nuances
Moderne vijandigheid
Aflevering nr. 5 (januari 2001)
Collectivistisch
instinct
Wrede moordlust
A job to do
Blut und Boden
Organisatie
Aflevering nr. 6 (februari 2001)
Etnisch
zuiveren
Wetten van het management
Het begrip aanleg
De werkelijkheid
Vluchtgedrag
Aflevering nr. 7 (maart 2001)
Verzamelaars
Een omgekeerde zaak
Onbruikbare waarheid
Helder beeld
Andermans veren
Aflevering nr. 8 (april 2001)
Almaar
opnieuw
Het bekende liedje
Verzet tegen het laatste verschijnsel
De mens heeft alles zelf in de hand
Aflevering nr. 9 (mei 2001)
Is niets
zeker?
Geen houvast aan feiten
In zichzelf onderscheiden
Aflevering nr. 10 (juni 2001)
De
asociale filosoof
Creatief denken
Een non-antwoord
Geen regels, geboden en verboden
Aflevering nr. 11 (juli/aug 2001)
Onduidelijk
begrip Evolutie
Aanpassing en ontwikkeling
Wetenschappelijke filosofie
God en de kabouters
Gevoelsarme zaak
Aflevering nr. 12 (september 2001)
Kunst en
filosofie
Filosofie als kunst
Collectieve krankzinnigheid
Individualisering
Aflevering nr. 13 (oktober 2001)
Autonome
kunst
Vreemde activiteiten
Heeft de kunst een taak..?
Afspiegeling
Helder zicht
Bittere noodzaak
Aflevering nr. 14 (november 2001)
De geest
van de tijd
De wetenschappelijke mens
Kennisgeving
Hoger bewustzijn
Verfijning en uitbreiding
Aflevering nr. 15 (december 2001)
Weerstand
tegen vooruitgang
De klok en de klepel
Een stap verder
Het recht als wet
Aflevering nr. 16 (januari 2002)
Eigen
rechter
Authentiek recht
Het recht en het collectief
Wordingsgerichte filosofie
Aflevering nr. 17 (februari 2002)
Drie
belangrijke voorwaarden
Lichamelijk gedrag
De praktische basis
Volwassen ondernemen
Onverantwoord economisch denken
Universeel verklaringsprincipe
Aflevering nr. 18 (maart 2002)
Een
vrouwelijke werkelijkheid
Filosofische ruggengraat
Stellige uitspraken
Zekerheden
Tegenspreken
Aflevering nr. 19 (april 2002)
De
werkelijkheid als systeem
Andersom denken
Natuurkundige vervreemding
Eigengereide filosofen
Psychisch meetrillen
Descartes
Elkaar iets wijsmaken
Aflevering nr. 20 (mei 2002)
Objectief
en subjectief
De denker en de filosofie
Discussie over atheïsme
Goden als onvolwassen voorstellingen
Aflevering nr. 21 (september 2002)
Verbieden
van de godsdienst
Florerend geloof
Stellige uitspraken
Aflevering nr. 22 (oktober 2002)
Niet-weten
en onwetendheid
Essentiële verhoudingen
Wetenschappelijke normen
Filosofie zonder bedoeling
Achter de voorstelling
Aflevering nr. 23 (november 2002)
Objectiviteit
als toevallige voorstelling
Filosofie, kunst en wetenschap
Valse pretenties
Totalitaire stelsels
Primitief individualisme
Aflevering
nr. 24 (december 2002)
Een
paradijs voor niet-weters
Atlantisch individualisme
Misdaad als begin van iets nieuws
Onvermijdelijk toeval
Een chaotische janboel
Aflevering nr. 25 (januari 2003)
Volwassen
democratie
Godsbewijzen
Als iets er niet is
Indirecte gedachtegang
Aflevering nr. 26, d.d. 5 maart 2003.
Terug naar: de Homepage
van Rob van Es voor méér informatie
Aflevering nr. 1(september 2000)
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
collectivistische denken zie afleveringen 1, 5 en 12
Verdienen aan de samenleving
Sinds de moderne mens halverwege de 20ste eeuw definitief zijn intrede in de wereld
heeft gedaan is er iets veranderd in de houding van de mensen ten opzichte van
de samenleving. Ongemerkt heeft namelijk de mening postgevat dat de samenleving
er is om eraan te verdienen, om je persoonlijk te verrijken. De samenleving is
individueel winstobject geworden. Voordien was het de medemens waaraan op de
een of andere manier verdiend moest worden. De een probeerde de ander zoveel
mogelijk uit te kleden om er zelf beter van te worden.
Daarvoor nog was er overigens nog een periode die gekenmerkt werd door het
uitplunderen van de aarde. Uitbuiten van de aarde en van de medemens gebeurt
natuurlijk nog steeds, en logischerwijze in voortdurend verhevigde mate. Maar
er is iets bijgekomen: het plunderen van de samenleving. Was het voordien zo
dat de samenleving gezien werd als een de afzonderlijke mensen overkoepelend
geheel waarin het welzijn van een ieder zo goed mogelijk bevorderd moest
worden, thans moet er aan dat geheel verdiend worden. De particuliere mens
probeert uit het geheel munt te slaan. Gelukt dat om de een of andere reden
niet, dan worden er ook geen diensten aan de samenleving geleverd. Het loont
dan de moeite niet.
Voorbeelden te over: de spoorwegen, ooit beschouwd als een openbare zaak die de
kwaliteit van de samenleving zou bevorderen, moeten nu winstgevend zijn. Het
gaat niet langer om diensten aan de burgers, maar om winsten voor ondernemers
en hun aandeelhouders. Vroeger mochten die spoorwegen best wat kosten. Daarvoor
had het rijk een schatkist. Nu is dat niet meer zo...
Terugkeer van de Scholastiek
Het is met de kunst en de filosofie op een jammerlijke wijze bergafwaarts
gegaan. Op het eerste gezicht zou je dat niet zeggen want de filosofische
faculteiten op de universiteiten kunnen zich nog steeds in een groot aantal
studenten verheugen. Het vak filosofie is zijn stoffige imago kwijtgeraakt en
de filosoof geniet zelfs enig aanzien. Het komt zelfs zo nu en dan voor dat
zijn advies gevraagd wordt in kwesties van maatschappelijke en ethische aard.
En bij bepaalde jongeren biedt de studie en het beoefenen van de filosofie een
instrument om de hen omringende wereld begrijpelijk en handelbaar te maken.
Gezien in dat licht mag het bevreemding wekken als ik toch volhoud dat de
huidige filosofie een regelrechte ramp is. Wat is het geval?
De taak van de filosofie is gelegen in het beantwoorden van de vraag Hoe zit
het nu eigenlijk met de werkelijkheid? Object van de overdenkingen van de
filosoof is dus de werkelijkheid zèlf. Hij probeert er achter te komen hoe zij
is. In zoverre klopt het dat er een grote behoefte aan filosofie is, want de
moderne wereld is inderdaad uitermate diffuus en verwarrend. Maar in de moderne
filosofie stelt men die vraag slechts ogenschijnlijk. Men meent naar de
werkelijkheid te vragen maar in feite doet men dat allang niet meer, want door
de door onze cultuur bepaalde analytische wijze van denken kan de filosoof
slechts naar een wetenschappelijke werkelijkheid vragen. Zijn voorstelling van
de werkelijkheid is van een realiteit geworden tot een wetenschappelijke theorie.
Daardoor kan hij er niet omheen dat je nooit met zekerheid kunt zeggen hoe het
nu ècht zit met de werkelijkheid: wetenschappelijke kennis is immers per
definitie ònjuist omdat zij onvermijdelijk voorlopig is. Noodgedwongen gaat de
filosoof zich dan maar verdiepen in de uitspraken die zijn collega's van
vroeger en nu gedaan hebben. Je kunt daarom met recht zeggen dat de
middeleeuwse 'Scholastiek' weer in volle glorie terug is.
De vlietende horizon
Zelfs als je niet eens op zulke slechte gronden veronderstelt dat je nooit het
fijne van de werkelijkheid zult kunnen weten, omdat de beschrijving, die je van
de werkelijkheid geeft, altijd en per definitie verfijnder kan, is het toch je
filosofische opgave uit te zoeken hoe het nu eigenlijk met de werkelijkheid
zit. Inderdaad zit je dan voortdurend met het probleem van een 'vlietende
horizon', een horizon die steeds naar grotere verten opschuift, maar dat kan nu
eenmaal niet anders. Net als in de kunst is er een eeuwig geldend 'steeds
verder' zodat je je leven lang kunt verwachten dat je gedachten van morgen
wèrkelijk bevredigend zullen zijn, om vervolgens in het beste geval alleen maar
bevredigender te blijken!
De samenleving dienen
Er is inderdaad een tijd geweest dat de algemene mening was dat je de
samenleving moest dienen. Zelfs nu nog reppen sommige naïeve politici van
"Het hoge ambt waartoe wij geroepen zijn". Natuurlijk is dat
tegenwoordig een leugen: geroepen worden politici stellig niet en de hoogte van
het ambt wordt heel zakelijk uitgedrukt in termen van geldelijke vergoedingen
en voorrechten.
De samenleving is er alleen nog maar om aan te verdienen. En als zodanig is zij
een prachtig object, want er is absoluut geen concurrentie. Je kunt, zij het in overleg met
je collega's, zelf bepalen hoeveel voordeel je er uit wilt trekken. Dat is nog
eens goede handel..!
De mening dat de samenleving gediend zou moeten worden komt voort uit het collectivistische
denken. Voor dat denken is het logisch dat de individuele
mens opgaat in het geheel en dat is een dienende functie: het is een 'er zijn
terwille van iets anders'. Begrijpelijk is dat, met het doorbreken van het
individualisme, de kijk op de samenleving verandert en wel voorlopig op
zodanige wijze dat de samenleving als zodanig object van uitbuiting wordt.
Het alleenrecht van de academische filosofie
Een aantal moderne academische filosofen heeft de euvele moed gehad niet
academisch gekwalificeerde filosofen 'dilettanten', 'buitenstaanders' en - dat
is het toppunt! - 'parafilosofen' te noemen. Die naam verwijst naar de term
parapsychologie, welke naam suggereert dat er naast de betrouwbare officiële
psychologie ook nog een ònbetrouwbare, niet erkende, bestaat. De zaak is
duidelijk: volgens deze filosofen is er naast de academische vakfilosofie qua
filosoferen niets mogelijk!
Niet alleen is dit een uitermate hoogmoedig standpunt, maar het is ook nog in
strijd met nagenoeg de gehele filosofische traditie, een traditie die er
uiteraard niet zomaar is, want hij komt voort uit het wezen van de filosofie
dat uitsluitend tot zijn recht kan komen in een volstrekte àfzondering van elke
denkbare vorm van kennis. Juist door de kennis buiten het denken te houden
wordt het dit denken mogelijk autonoom en dus zelfdragend te functioneren.
collectivistische
denken zie afleveringen 1, 5 en 12
=========================================================
Aflevering nr. 2 (oktober 2000)
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Parlementaire Democratie-1 ; Parlementaire Democratie-2
;
Een drietal mogelijkheden
Wat betreft de ontwikkeling van de mens tot individu is er een drietal
mogelijkheden te onderscheiden. Hoewel die mogelijkheden bij het nadenken
daarover uit elkaar voort blijken te komen, is het in de praktijk toch zo dat
zij naast elkaar bestaan, zij het bij onderlinge vergelijking toch wel met een
stijgende trap van kwaliteit.
Je kunt er de volgende situaties aan bedenken:
Radicaal afwijzen
Er is het radicaal afwijzen van de individualiteit van de mensen. De
voorstelling die men van de werkelijkheid heeft houdt in dat de afzonderlijke
mens zonder enig voorbehoud op dient te gaan in het geheel van de staat, de
maatschappij en de samenleving. Dit is de praktische manifestatie van het
nauwelijks bewuste besef dat voor de mens de werkelijkheid uiteindelijk als èèn
volledig samenhangend geheel gaat gelden. Maar het is tegelijkertijd een
enigszins idealistische reactie op de mens als individu, omdat die zich tijdens
zijn ontwikkeling geruime tijd en noodzakelijk als een particuliere
(egoïstische) zaak manifesteert.
In de voormalige Sowjet-Unie vind je een voorbeeld van deze toestand. Men
stelde het geheel van de staat boven alles, hetgeen overigens in feite het
suprimaat van het collectief, belichaamd in de communistische partij,
betekende. Maar ook was dit een afwijzen van en verzet tegen de particuliere
mens zoals men die met name uit het westen kende.
De Chinezen onder het bewind van Mao en opvolgers gaan feitelijk nog verder met
het afwijzen van de individualiteit: zij wijzen die niet zozeer af alswel negeren
die volkomen. Individualiteit bestaat voor hen eenvoudig niet. Dat lag al in de
leer van Confucius besloten waarin het bestaan van de individualiteit ontkend
werd en elke uitdrukking van persoonlijke gevoelens als onwaardig werd
beschouwd.
Negatieve erkenning
Er is het op negatieve wijze erkennen van de individualiteit. Dat wil zeggen
dat je met een erkenning onder voorwaarden van doen hebt. De individualiteit
mag er wel zijn, mòet er zelfs zijn, maar alleen als hij gebonden is aan
uniforme wetten en regels en codes. Wederom is er te spreken van de uitdrukking
van een collectief besef dat eigenlijk teruggaat tot op een intuïtie van een
samenhangende werkelijkheid, terwijl er tegelijkertijd een reactie is op het
particuliere van de moderne mens, zoals dat onder andere in de parlementaire democratie voor de dag komt. Gevolg is dat dit
particuliere slechts op uniforme wijze mag gelden. Deze kijk op de mens als
individu manifesteert zich in het nationaal-socialisme en het fascisme.
De marcherende cohorten, horden, bestaan wel degelijk uit afzonderlijke
individuen die voor zichzelf volstrekt overtuigd zijn van eigen unieke
persoonlijkheid, maar dat is een persoonlijkheid die bepaald en gekenmerkt
wordt door het uniform. Dat uniform is uitdrukking van de individualiteit. Je
bent wat als je bijvoorbeeld het uniform van een beroemd regiment mag dragen.
De verschillen tussen de individuen worden uitgedrukt doormiddel van velerlei,
vaak hoogst persoonlijk en louter voor zichzelf ontworpen,
onderscheidingstekens. En het marcheren is eveneens essentieel, want dat drukt
uit dat ieder individu op uniforme wijze dezelfde weg gaat. Symbool en ideaal
van dergelijke cohorten is 'De Leider' die aan de uniforme mens gestalte,
inhoud en doel geeft.
Opmerkelijk bij dit alles is ook dat slechts de mannen recht hebben op het
predikaat 'individu'. Aangevoeld is kennelijk dat het geheel, waarvoor de vrouw
staat, zich niet verdraagt met de individu, althans niet voorzover deze
particulier ingesteld is.
Positieve erkenning
Er is het positief erkennen van de individualiteit. Uiteraard is dat de wijze
waarop de westerse mens de werkelijkheid en zichzelf bekijkt. Het kan daarbij
niet uitblijven dat gedurende een lange periode het particuliere zich
ongehinderd kan uitleven, dat wil zeggen: ongehinderd totdat het door andere,
zich ongehinderd uitlevende, particulieren een halt toegeroepen wordt. Het
zodoende ontstane, betrekkelijk wankele, evenwicht tussen met elkaar botsende
individuen is typerend voor de westerse cultuur en merkwaardigerwijs houdt die
labiele zaak langer en efficiënter stand dan nagenoeg àlle collectivistische
denkers en socialistische voorgangers gedurende meer dan een eeuw gedacht
hebben. In ieder geval drukt de westerse wereldbeschouwing uit dat het slechts
de individuen zijn die tenslotte gestalte kunnen geven aan een samenhangende
werkelijkheid.
Tegelijkertijd kun je spreken van een reactie op de voorstelling dat de
individuele mens aan enigerlei vorm van een hoger geheel onderworpen zou
behoren te zijn. De westerse mens is in zijn hart permanent òntevreden over
zichzelf en zijn samenleving. Hij kan het niet laten steeds zijn eigen westerse
wereld als voorbeeld van een misdadige, door hebzucht gedreven, onderwereld te
beschouwen. Een onderwereld die niet vlug genoeg opgeruimd kan worden, maar die
tegelijkertijd almaar meer over de gehele planeet doorgezet wordt.
Parlementaire Democratie-1
; Parlementaire Democratie-2 ;
=========================================================
Aflevering nr. 3 (november 2000)
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Parlementaire Democratie-1
; Parlementaire Democratie-2 ;
Leidersprincipe
Als je eenmaal in de gaten hebt dat de westerse cultuurmens altijd in één
bepaalde richting denkt, namelijk van boven naar beneden, ga je steeds meer
zaken opvallen die traditioneel hoog in aanzien staan, maar die het
welbeschouwd tenvolle verdienen zonder pardon àfgewezen te worden.
Uiteraard geldt dat voor de diep ingekankerde behoefte vanuit een
leidersprincipe met onze wereld om te gaan. Ook de democratische stelsels
ontkomen niet aan die behoefte, hetgeen duidelijk moge blijken uit het feit dat
het hele geworstel binnen de parlementaire democratie
onveranderlijk uitloopt in de overwinning van een aantal absolute heersers,
voor wie het democratisch handelen slechts instrument is om naar de top te
komen en daar hun zin door te drijven.
Arrogantie
Meer verborgen en over het algemeen zelfs door de denkers nauwelijks opgemerkt
zijn de opvattingen van diegenen die op grond van hun denken, standpunten en
levenshoudingen tot de toppen van onze intellectuele cultuur
gerekend worden. Die opvattingen blijken bij hernieuwde onbevangen beschouwing
van een zodanige arrogantie te zijn dat je je erover verbaast dat zij niet
eerder en vaker met hoon overladen zijn. Zo is daar bijvoorbeeld Voltaire die -
en hij stond daarin lang niet alleen - van mening was dat, àls god niet zou
blijken te bestaan, er voor 'het volk' beslist een uitgevonden zou moeten
worden omdat die stumperds een hoger, van buitenaf dwingend, moreel principe van
node zouden hebben...
Voltaire is duidelijk een vertegenwoordiger van hoogmoedige denkers die voor
zichzelf een hoge status reserveren en logischerwijs daaraan verbinden dat hun
medemensen zo weinig betekenen dat zij gevoeglijk aan een waan van iets hogers
onderworpen mogen worden.
En de filosoof Immanuel Kant, die tot op de dag van vandaag beschouwd wordt als
de grootste denker aller tijden, achtte zichzelf ook deftig genoeg om het recht
te hebben aangaande zijn medemensen te stellen dat zij 'gedwongen' moesten
worden om deel te nemen aan een goede wereld. Hij kon beslist beter weten:
juist het feit dat het uitsluitend zijn eigen persoonlijke voorstelling van een
'goede wereld' betrof en dat juist hij degene was die in zijn filosofie de
vraag naar het persoonlijke kenvermogen van de mens als centraal thema stelde,
doet je nog meer verbaasd staan over de hoogmoed van zo een groot denker.
De verlangens van de filosofen
En mij verbaast het nòg meer dat vrijwel geen van de hedendaagse filosofen in
de gaten heeft hoezeer zij zelf en hun collegae eveneens halsstarrig van
bovenaf denken en daardoor een geheel verkeerd concept van een goede wereld
ontwerpen. Vervolgens vinden zij het spijtig dat de mensen almaar niet aan hun
ideeën kunnen beantwoorden. Maar de fout ligt bij die filosofen zèlf. Hun voorstelling
van de werkelijkheid deugt niet! De mensen zouden met de beste wil van de
wereld niet aan hun verlangens kunnen voldoen.
Toch geven zij niet
zichzèlf de schuld, maar 'het volk', 'de straat', 'het egoïsme' en 'het
materialisme'. Dus: de anderen en de cultuur
zijn eraan schuldig dat het geniale concept van de denkers op niets uitloopt! Dat
nu is hoogmoed: je eigen voorstelling van de werkelijkheid als de absolute maat
voor anderen stellen en die anderen vervolgens beschuldigen van apathie,
egoïsme en domheid als zij aan die maat niet beantwoorden.
Hulpeloze tobberds
Voltaire was van mening dat een godheid noodzakelijk was om de mensen in toom
te houden en hen bovendien iets te geven waartegen zij op kunnen zien en troost
uit kunnen putten. Men zou een god uit moeten vinden als er geen voorhanden
was, zo placht hij te zeggen. Kennelijk maakt Voltaire uit wat goed voor de
mensen is, na overigens eerst en enigszins triomfantelijk vastgesteld te hebben
dat zij onzelfstandige, domme en hulpeloze tobberds zijn. Zichzèlf rekent hij
er natuurlijk niet toe, hoewel de logica gebiedt te laten gelden dat de
uitspraak 'de mensen zijn tobberds' noodzakelijk ook inhoudt dat diegene die
bedoelde uitspraak doet ook tenvolle meegerekend behoort te worden.
Voltairiaanse hoogmoed
Voltariaanse hoogmoed komt veelvuldig voor. Tot op de dag van vandaag kan men
denkers tegenkomen die staande houden dat 'de' mens een schurk is die niet
zonder dwingende moraal en regels kan. Ondanks hun gekwalificeerde denken valt
hen blijkbaar niet op dat er een heel verschil is tussen de vaststelling 'de
mentaliteit van de alsnog onvolwassen mens is overwegend schurkachtig' en de
bewering dat 'de' mens een schurk zou zijn. En zij voelen al helemaal niet aan
dat het, 'kosmisch' gezien, volstrekt uitgesloten is dat het laatste resultaat
van het wordingsproces een tobbende schurk is...
Social engineering
De filosoof Karl Popper waarschuwde ten tijde van de tweede wereldoorlog al
voor wat hij social engineering noemde. Hij zag blijkbaar in dat je een
samenleving niet kunt construeren zoals een ingenieur bijvoorbeeld een machine
construeert. Popper heeft dat juist gezien. Natuurlijk hebben een heleboel
epigonen deze opvatting enthousiast overgenomen, uiteraard zonder in de gaten
te hebben dat zijzelf, ongehinderd door inzicht in hun eigen denken, vol
overtuiging bezig zijn zèlf plannen te maken voor een toekomstige wereld.
Plannen waaraan iedereen loyaal
zal moeten meewerken... omdat het nu eenmaal goede plannen zijn!
Zo wordt onze moderne maatschappij met rasse schreden hervormd tot een
onderneming, een bedrijf, geleid door managers die hun werkzaamheden
professioneel verrichten volgens kriteria die zij op de universiteit geleerd
hebben.
Wij worden een managerswereld binnengesleurd!
Die managers blijken daarbij, ten gevolge van hun academische zekerheden, zo
verblind te zijn dat zij het bestaan om social engineering voor onmogelijk te
houden - zij durven immers de grote Popper niet af te vallen - èn
tegelijkertijd in feite met niets anders dan precies dat bezig te zijn. De
onaantastbare gezaghebbende waan van het 'academisme' maakt het de managers
onmogelijk een verband te zien tussen de van anderen op de universiteiten
overgenomen standpunten, ideeën en theorieën en het eigen praktische gedoe.
Trouwens, men màg dergelijke verbanden niet laten gelden.
Cultuurschok
Zulke academische standpunten leiden er niet toe dat men kritisch het eigen
gedoe nader beschouwt, neen, zij leiden een geheel eigen leven, bestaan onafhankelijk
van het eigen gedoe. Die onafhankelijkheid echter is geen aanleiding om het
academisme als onwerkelijk en onpraktisch te verwerpen of minstens te
herwaarderen, neen, men levert zich daarentegen telkens weer met huid en haar
uit aan de waanwereld van de academische plannenmakers en is er heilig van
overtuigd dat dit de èchte werkelijkheid is. Dat heeft als gevolg dat men
voortdurend probeert de realiteit om te vormen en aan te passen aan de theorie.
Als de moderne mensheid straks wakker wordt zal de 'cultuurschok' vele malen
groter en aangrijpender zijn dan zij ooit in het verleden bij intellectuele
omwentelingen geweest is...
Naar bladwijzers:
Parlementaire Democratie-1 ; Parlementaire Democratie-2
;
Naar artikelen: Loyaal:
zie bladwijzers in De ontwikkeling van de West Europese Cultuur, ; Loyaal: zie bladwijzers
in De Kunst van het Filosoferen, ; Loyaal: zie bladwijzers
in De Grote Vierslag, ; Loyaal: zie bladwijzers
in Alledaags Commentaar 1 t/m 40,
=========================================================
Aflevering nr. 4 (december 2000)
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Bladwijzer(s): Burgeroorlog-1, Burgeroorlog-2
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26
Zekerheden
Het gaat in de wetenschappen om zekerheden. Dat is logisch want aan kennis
waarvan je de juistheid betwijfelt heb je niets en er is in principe dan ook
geen mens te vinden die er op uit is zich te bedienen van kennis waarvan hij
weet dat zij ònjuist is. Hij kan die onjuiste kennis eventueel wel gebruiken om
er anderen een rad mee voor ogen te draaien, zoals bijvoorbeeld de heren van de
kernenergielobby voortdurend doen, maar dan weet hij toch voor
zichzelf dat hij bezig is de werkelijke feiten te verdraaien.
Ook deze heren kunnen en willen zich voor zichzelf niet bedienen van onjuiste
kennis. Het zijn dan ook stuk voor stuk leugenaars: zij doen het naar buiten
toe voorkomen alsof bepaalde feiten voor hen juist zijn terwijl zij weten dat
dit geenszins het geval is en zij voor zichzèlf heel andere feiten hanteren.
Feiten die zij wèl oprecht voor juist houden. Om redenen van economisch en
politiek belang, maar vooral ook met het oog op eigen gewin, mogen die juiste
feiten niet bekend gemaakt worden. Vandaar hun voorliefde voor geheime
dossiers!
Fundamentele onzekerheid
De wetenschappelijke zekerheden zijn wezenlijk ònzeker doordat zij
onvermijdelijk slechts momenten zijn op de weg van het leren kennen van de
feitelijke werkelijkheid. Deze fundamentele onzekerheid echter ligt verborgen
onder de zekerheden: op elk moment zijn er bepaalde zekerheden wat betreft de
juistheid van de verworven kennis. Doordat alle soorten van juiste kennis niet
mogelijk zijn zonder een onderstroom van ònzekerheid en doordat die onzekerheid
zich in de toekomstige reeks van momenten manifesteert, is academische
plannenmakerij niet alleen inhouds- en betekenisloos, maar ook nog
levensgevaarlijk.
Juistheid en waarheid
De wetenschappen kunnen steeds verder met hun onderzoek van de werkelijkheid.
Altijd blijft het mogelijk en noodzakelijk dat er weer een volgende stap gezet
wordt: de verworven kennis van nu legt vanzelfsprekend de vragen neer voor de
kennis van straks. Dat betekent dat eigenlijk elk 'kennismoment', hoewel op zichzelf
streng op juistheid getoetst, toch niet een 'waar' moment kan zijn. Steeds
ontbreekt er iets aan die kennis, zodat men verder op zoek moet gaan. De
begrippen juistheid en waarheid zijn ten enen male niet identiek, er zit een
wereld van verschil tussen.
Het kwalitatieve zoeken
Ook in de kunst en de filosofie kan men altijd verder, maar er is toch een
belangrijk verschil met de wetenschappen. Nu is namelijk elk moment een 'waar'
moment waaraan in geen enkel opzicht iets ontbreekt. Steeds heeft men te doen
met een 'volmaakt' moment, waarmee ik bedoel te zeggen dat alles aanwezig is.
Dat is logisch: de kunsten en de filosofie zijn, elk op eigen wijze,
uitdrukking van de werkelijkheid als beeld en aangezien dat een afspiegeling
van het geheel van de werkelijkheid is kàn er eenvoudigweg niets aan ontbreken.
Het kwantitatieve zoeken van de wetenschap heeft in de kunsten en de filosofie
plaats gemaakt voor het kwalitatieve zoeken van een zo helder mogelijke
beschrijving van de werkelijkheid als beeld.
Details en nuances
Gaat het in de wetenschappen om zoveel mogelijk details, en dus 'zoveel
mogelijk van hetzelfde', in de kunsten en de filosofie gaat het om zo helder
mogelijke nuances binnen het samenhangende geheel. Ook een ruwe artistieke
schets en globale filosofische uitspraken staan in het teken van het 'ware'.
Het altijd maar doorgaan van de kunstzinnige en filosofische arbeid berust dus
op het zoeken van een zo helder en genuanceerd mogelijke beschrijving van de
werkelijkheid. Dat van de wetenschappen echter op het achterhalen van zoveel
mogelijk details. Ook voor de wetenschappen houdt het zoeken nimmer op, maar
dat houdt in dat de zaak wezenlijk gebrekkig is en blijft. Voor de kunsten en
de filosofie houdt het zoeken nimmer op omdat de waarheid - steeds dezelfde
waarheid! - altijd mooier en genuanceerder uitgedrukt kan worden.
Moderne vijandigheid
Tot voor kort werd er gevochten, gemoord en verkracht in Bosnië, het vroegere
Joego-Slavië. Door datgene dat daar nog steeds mogelijk blijkt te zijn hellen
steeds meer mensen over tot de mening dat een dergelijk schofterig gedrag ook
mogelijk is in de westerse wereld, als de mensen maar genoeg opgezweept zijn en
zich, daarmee samenhangend, voldoende bedreigd voelen door buitenstaanders die
als minderwaardig en misdadig beschouwd worden. Sommigen zijn er zelfs van
overtuigd dat er maar heel weinig nodig is om de brand erin te steken. Zij
wijzen daarbij op de betrekkelijk onbenullige argumenten die met succes
gebezigd worden. Argumenten van het kaliber: "Jij woont aan de andere kant
van de sloot, dùs ben je mijn vijand", waarop destijds, omstreeks 1670,
Blaise Pascal reeds met verachting wees. En ik moet toegeven, de ontwikkelingen
in dat Bosnië brachten mij ook enigszins aan het twijfelen.
In feite waren dat niet alleen die ontwikkelingen, maar ook die in onze
westerse wereld, namelijk op het vlak van het zich effectuerende
individualisme. Zoals bekend neemt bijvoorbeeld in het verkeer het asociale en
zelfs misdadige gedrag verschrikkelijke vormen aan en ook in het
maatschappelijk leven is de toename van de vijandigheid onmiskenbaar.
Dus:
waarom zouden er ook in het westen geen burgeroorlogen kunnen ontstaan met de daarbij
behorende wreedheden? Ook de westerse mens is nog steeds onvolwassen en blijkt
dus een bandiet te zijn als hij op de een of andere manier gemotiveerd is en
straffeloos zijn gang kan gaan!
Ofschoon dit alles ongetwijfeld waar is ben ik toch weer teruggekomen bij mijn
oorspronkelijke mening dat het juist in de westerse wereld niet meer mogelijk
is dat conflicten zulke wanstaltige vormen aannemen. Ik ontken dus de
mogelijkheid niet van ernstige conflicten, maar ik ontken voor de doorsnee
westerse mens de mogelijkheid van het vervallen tot volslagen misdadige
bandeloosheid. Praktische aanwijzing daarvoor is de voortdurende
besluiteloosheid van het westen als het gaat om gewapend optreden. Men wil niet
vechten.
En filosofisch is de burgeroorlog
niet te rijmen met de fase waartoe het individualisme zich in het westen
ontwikkeld heeft.
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26
Burgeroorlog-1,
Burgeroorlog-2
=========================================================
Aflevering nr. 5 (januari 2001)
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Bladwijzer: lange afstandsraketten
collectivistische
denken zie afleveringen 1, 5 en 12
Burgeroorlog-1, Burgeroorlog-2
Collectivistisch instinct
In de westerse wereld is het individualisme definitief doorgebroken. Ik heb
daar al vaak op gewezen. Dat betekent dat er wel allerlei vormen van
individuele misdadigheid mogelijk zijn, maar dat er geen massale moordpartijen
zoals in burgeroorlogen
meer kunnen voorkomen. Het voor zulke misdaden benodigde collectivistische
instinct is verdwenen. Dat instinct is onmisbaar, het is de diepere grond voor burgeroorlogen, die
dan ook eigenlijk geen oorlogen zijn, maar op massahysterie gebaseerde
moordpartijen.
Zonder groepsbesef, zonder collectivistische instincten, zijn dergelijke
moordpartijen onmogelijk. Zoals steeds bij groepsgedrag worden het individuele
normbesef en het redelijke handelen tijdelijk bepaald door de hysterie van de
groep.
Wrede moordlust
Het normbesef en het daaruit voortvloeiende handelen zijn binnen het
hysterische collectief zozeer verziekt dat noodzakelijk een wrede moordlust het
gevolg is. Die moordlust is volslagen redeloos. Dat wil in dit verband zeggen
dat eigenlijk niemand weet waaròm hij doet wat hij doet. Men doet het omdat het
collectief het doet. Neem je iemand uit zo'n collectief apart en verbreek je
radicaal het contact met de groep, dan begrijpt hij zijn eigen gedrag niet
meer.
Eigenlijk manifesteert zich hierbij op bloedige wijze wat het collectivistische denken altijd
doet bij mensen: door het gericht zijn op de groepsidentiteit is onderwerping
en aanpassing essentieel en daardoor kan het, uit het volwassen, vrije en
zelfstandige bewustzijn voortkomende, individuele besef van samenhang van allen
met allen niet doorbreken. Doordat dit zich niet kan laten gelden staat de ene
mens naar eigen idee buiten de andere mens voorzover die een andere identiteit
heeft, zodat die ander onvermijdelijk in de weg staat en 'opgeruimd' moet
worden.
Wie er niet bij hoort màg er niet bij horen!
A job to do
De individualistische westerse mens kan eventueel nog wel georganiseerd
moorden. Dat noemt hij 'oorlog voeren' en dat doet hij tegenwoordig precies
zoals hij een bedrijf runt. Hij vindt dan ook dat hij aan het werk is als hij
zijn kanonnen afschiet en, overigens heel lafhartig, in persoonlijke veiligheid
zijn lange-afstands
raketten lanceert. Hij verlaat huis en haard met de mededeling dat de
plicht hem roept en dat hij "A job to do" heeft. Er is werk aan de
winkel. Geen aangenaam werk, maar anderzijds ook wel weer in zoverre
bevredigend dat het smerig werk is dat toch door iemand gedaan moet worden. Dat
schenkt voldoening en is een reden om trots op zichzelf te zijn. Het strekt dan
tot eer die ondankbare taak op zich genomen te hebben.
Van een collectieve hysterie is geen sprake, hoe begeesterd men desnoods bij
gelegenheid ook is. Voor hysterie is geen plaats als je bezig bent je werk te
doen. Werken doe je zakelijk, systematisch en logisch denkend, want niet het
collectief is de maat, maar de organisatie. Die vereist koel en zakelijk
management.
Blut und Boden
Je kunt de groep die vanuit collectieve instincten bezig is benoemen met het
begrip 'horde'. Dat is natuurlijk maar een woord, maar het drukt toch duidelijk
uit dat de leden ervan geen individualiteit bezitten en dat hun identiteit die
van het collectief, de horde, is.
Iedereen is voor zich de horde. Dat is geen zaak van het verstand, noch van
enig besef van redelijkheid, het is een zaak van instinct, ook wel genoemd 'het
bloed'. De Nazi's begrepen dat maar al te goed: niet zonder reden spraken zij
van "Blut und Boden".
Organisatie
De groep die door de mens van de westerse cultuur gevormd wordt staat in het
teken van de organisatie. Leden van zo'n groep bezitten wel degelijk een
bijzondere eigen individualiteit, maar die is in zoverre ingeperkt dat hij de
belangen van de organisatie niet kan schaden. Dus, hoe individueler hoe beter,
àls het maar in dienst is van de organisatie en volledig daaraan ten goede
komt. Tot op zekere hoogte laat dat ook allerlei variaties in individualiteit
toe. Sterker nog: een dergelijke pluriformiteit is dringend gewenst!
In zo'n groep kunnen individuen opklimmen tot belangrijke functies, hetgeen al
door Napoleon bevestigd werd als hij stelde dat iedere soldaat de
maarschalksstaf in de ransel heeft. "Van krantenjongen tot miljonair"
is typisch uitdrukking van organisatorisch denken waarin de mens als een
bepaald individu voorondersteld is.
collectivistische
denken zie afleveringen 1, 5 en 12
Burgeroorlog-1, Burgeroorlog-2
=========================================================
Aflevering nr. 6 (februari 2001)
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Etnisch zuiveren
De mens van de westerse cultuur zal zo vlug niet meer ten oorlog trekken en
zelfs begint er zich in hem al een sterke weerstand tegen de oorlog te
ontwikkelen. Ook al is het voor hem een organisatorische kwestie geworden, werk
dat helaas gedaan moet worden, het is en blijft toch een zeer onpraktische
manier van doen. Macht kun je veel beter en efficiënter langs economische en
politieke wegen veroveren. En de ten onrechte zo genoemde 'oorlogen' die door
hysterische horden gevoerd worden zijn voor de westerse mens al helemaal een
gruwel, niet zozeer vanwege de gewetenloze en wrede moordpartijen, maar juist
vanwege het hysterische karakter er van.
Wetten van het management
In wezen is het de infame bandeloosheid die de westerse mens stoort in het
moorden door de horden. Je kunt dan ook, eigenlijk tot je verbazing, opmerken
dat men toch almaar probeert met de moordenaars in gesprek te komen en dat men
er daarbij als vanzelfsprekend van uitgaat dat er met die lieden tot ordelijke
regelingen gekomen kan worden. Desnoods gaat het vechten gewoon door en wordt
er naar lieve lust etnisch gezuiverd, àls het maar gereglementeerd, ordelijk en
met eerbiediging van afspraken gebeurt. De wetten van het management moeten
geëerbiedigd worden.
De dode en verminkte slachtoffers is de moderne westerse mens al ras vergeten,
hetgeen misschien in de grond van de zaak nog wel zo goed is...
Het begrip aanleg
Op het eerste gezicht is het heel merkwaardig dat moderne mensen een intuïtieve
afkeer hebben van het begrip 'aanleg'. Zij kunnen het niet goed verdragen dat
de ene mens een aantal zaken beter kan dan de andere en dat dit niet komt door
een grotere aangeleerde deskundigheid, maar zomaar door een speling van het
lot. Het is immers op geen enkele manier na te gaan waar een bepaalde aanleg
vandaan komt. Dat is voor de moderne mens moeilijk te verdragen, want hij meent
dat in de grond van de zaak alles te verklaren en uit te rekenen is, is het
niet vandaag, dan is het toch in elk geval morgen. En een verklaring is nodig,
want als men die gevonden heeft is de zaak tot kennis geworden en als dat het
geval is heeft men de zaak in bezit genomen. Daarmee is het bijzondere, het
unieke, komen te vervallen: de aanleg is niets bijzonders meer.
Het is een zaak van deskundigheid geworden en deskundigheid is voor een ieder
te bereiken. Men meent dan ook dat alles te leren is en zo er al van enige
aanleg gesproken wordt staat dat in verband met dat leren: aanleg om te leren.
Daarmee is het begrip 'aanleg' nu ook tot een uitwèndige zaak verworden. Het
gaat nu over iets dat zich van buitenaf verwerven laat.
De werkelijkheid
Het begrip 'werkelijkheid' heeft in de filosofie betrekking op alles wat er is,
of dat nu in de gebruikelijke zin materieel genoemd kan worden of op enigerlei
wijze niet-materieel. Onder genoemd begrip kunnen dingen vallen, maar ook
verhoudingen, bewegingen en in het algemeen gebeurtenissen. Kortom: er is niets
wat niet onder het begrip 'werkelijkheid' valt.
Als de filosoof zegt dat hij er achter wil komen hoe het zit met de 'werkelijkheid'
dan bedoelt hij uitsluitend deze allesomvattende zaak, hoewel het met
dergelijke uitspraken oppassen is, want moderne filosofen, die heel vaak
uitermate verward denken, zullen er in veel gevallen hun eigen 'voorstelling'
mee bedoelen.
Je kunt opmerken dat men bijna nooit in de gaten heeft, althans zelden
consequenties wil trekken uit het feit, dat de werkelijkheid er is naar twee
aspecten, namelijk haar zogezegd 'objectieve' aspect en haar 'subjectieve'. Dit
laatste is dus de in het zelfbewustzijn aanwezige voorstelling en die is
onvermijdelijk persoonsgebonden.
Vluchtgedrag
Er zijn allerlei redenen waarom men steeds met die subjectieve werkelijkheid op
de proppen komt en quasi intellectueel moeilijk doet over het begrip
'werkelijkheid' in objectieve zin. Zelfs is men niet bereid te erkennen dat er
hoe dan ook toch maar èèn werkelijkheid kan zijn en dat daarvan te zeggen is:
'hoe zij ook is, zij is zoals zij is en niet anders'. Dit los van de vraag of
die of gene er volledig achter kan komen hoe dat nu allemaal zit.
Dit vluchtgedrag van de moderne intellectuelen (want dat is het!) kan verklaard
worden uit de omstandigheid dat hun analytische denken geen ruimte laat voor
waarheden en dat men zich daardoor beter thuis voelt bij een uitermate laffe,
maar tegelijk bijzonder hoogmoedige, ònwetendheid, waarvan men het doet
voorkomen of dat het summum van intelligentie is. Iemand die het daarentegen
allemaal maar dom vindt is bij voorbaat verdacht...
=========================================================
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26
Pilatus-1 ; Pilatus-2 ; Pilatus-3 ;
Verzamelaars
Het begrip 'waarheid' is voor moderne intellectuelen volslagen taboe. Zij
gedragen zich als Pilatus
die zich destijds al afvroeg wat waarheid is. En die natuurlijk bedoelde dat
dit begrip loos was vanwege het voor hem klare feit dat je de waarheid niet kunt
kennen. Inderdaad kon Pilatus
de waarheid niet kennen, want hij was een Romein! Dat wil zeggen: iemand die
een exponent was van de toenmalige Romeinse cultuur. Die cultuur is te typeren
als een 'verzamelaars-cultuur' en die tref je aan bij het begin van de
analytische periode van de mensheid. Analyse immers vooronderstelt een
verzameling, of juister gezegd: een kijk op de werkelijkheid als zou zij
uitsluitend een verzameling van verschillende dingen zijn. Dit is dus de
werkelijkheid naar het begrip 'totaliteit'.
Bij een dergelijke kijk is het onmogelijk het begrip 'waarheid' te gebruiken.
Dus had Pilatus
eigenlijk volkomen gelijk door vragenderwijs te stellen dat er hoegenaamd geen
waarheid is...
Een omgekeerde zaak
Echter, er is wel degelijk een waarheid, net zo goed als er een werkelijkheid
is. Het begrip 'waarheid' is te omschrijven als de werkelijkheid als beeld
zoals die voor de ervaring van de mens opgeroepen wordt door het bewustzijn.
Alles wat 'het beeld' laat zien, aan iemand laat ervaren, is zonder meer
waarheid, hoe subjectief en persoonsgebonden de voorstelling, waaraan het beeld
zich afspiegelt, ook bij gelegenheid zijn kan.
Omdat moderne mensen uitsluitend het accent leggen op de voorstelling, de in
hen subjectief aanwezige werkelijkheid, kunnen zij niet uit de voeten met
ervaringen van de waarheid. Zij wijzen ze dan ook pertinent af en draaien
daarbij de zaak zodanig om dat zij nu die waarheid voor subjectief houden en
hun voorstelling voor objectief!
Hun denken is zò primitief dat zij zich niet eens realiseren dat hun zogenaamde
objectiviteit op niets anders berust dan op de macht van het getal: als velen
iets voor juist houden, bij voorkeur gesteund door betrouwbaar wetenschappelijk
onderzoek, dan moet iets wel objectief juist zijn. Dat die objectiviteit gevolg
is van afspraken en binnen een cultuur als vanzelfsprekend ervaren zogenaamde
waarheden ontgaat hen.
Althans zij willen dat nimmer toegeven.
Onbruikbare waarheid
De waarheid leent zich niet voor afspraken of besluiten bij meerderheid. De
waarheid leent zich volstrekt nèrgens voor: niet voor overdragen aan anderen
via het onderwijs, niet voor uitdrukken in formules, het maken van berekeningen
of plannen en niet voor het ten voorbeeld stellen aan anderen. Zelfs voor het
verwerkelijken van een ideaal deugt de waarheid niet! Ze is alleen maar te
ervaren en dat dan ook nog individueel. Zij vindt langzaam maar zeker haar weg
in de wereld doordat steeds meer mensen er steeds minder onderuit kunnen,
zonder daarbij acht te slaan op wat anderen ervan vinden of zonder anderen op
de een of andere manier na te volgen. De waarheid is strikt individueel en als
zodanig tegelijkertijd universeel.
Helder beeld
Academische filosofen willen creatieve filosofen nogal eens voorhouden dat men
niet verplicht is àlles zelf te bedenken. Ik heb de stellige indruk dat die
academici zich deze stelling met graagte eigen maken om zich de twijfels en het
zoeken te besparen die nu eenmaal aan een eerlijke filosofische zoektocht
meekomen. Anderen, en zo mogelijk beteren, hebben de zaak al uitgezocht en ter
beschikking van de mensheid gesteld! Je behoeft het er alleen maar mee eens te
zijn om een fraaie filosofische uitspraak te kunnen en te mogen doen!
Zij hebben er weer eens niets van begrepen: filosoferen is niet het aanleggen
van een doorwrochte verzameling uitspraken waarmee men het eens kan zijn,
eventueel uitgebreid met een aantal eigen bedenksels, maar het gaat er bij het
filosoferen om een zo helder mogelijk beeld van de werkelijkheid te verkrijgen
opdat daar een uiterst verfijnde beschrijving van kan worden gegeven.
Andermans veren
Om dat schone doel te bereiken mòet de filosoof alles geheel op eigen kracht
uitzoeken. En dat moet zij of hij telkens opnieuw doen, want het steeds verder
nuanceren van het te beschrijven beeld richt zich noodzakelijk op het geheel
daarvan. Een stukje van de werkelijkheid kan slechts geanalyseerd worden, dus
worden uiteengelegd in zijn onderdelen. Maar daarmee wordt volstrekt niets over
de werkelijkheid zèlf gezegd. Het overnemen van een bepaalde uitspraak, eens
door een filosoof of een andere denker gedaan, is als het zich eigen maken van
een stukje van de werkelijkheid en dat is, in het licht van het filosoferen,
van geen enkele betekenis.
Het is in feite 'pronken met andermans veren'.
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26
Pilatus-1 ; Pilatus-2 ; Pilatus-3 ;
=========================================================
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26 ; Houvast-1 ; Houvast-2 ;
Almaar opnieuw
Het zou bij een ieder grote bevreemding wekken als een pianist tijdens een
recital plotseling ophield en vervolgens als verklaring voor zijn gedrag
mededeelde dat het nu volgende gedeelte al eerder en beter door Wilhelm Kempf
gespeeld is, dat hij het bijgevolg zinloos vindt 'het wiel opnieuw uit te
vinden' en dat hij ook niet verplicht gesteld kan worden alles zèlf uit te
zoeken.
Misschien kan een modern 'kunstenaar' met een dergelijke 'performance' komen?
Dat zou niet eens erg uit de toon vallen want het behoort toch al tot de mode
net te doen alsof men muziek maakt! Het zou je dus niets behoeven te verbazen
als zelfs het publiek er laaiend enthousiast over was, in de stellige
overtuiging eindelijk weer eens met een 'geniaal' kunstenaar van doen te
hebben, iets wat sinds Willem Pijper niet meer voorgekomen was.
Iedereen die niet door de moderne kunstenaars gehersenspoeld is begrijpt
onmiddellijk dat zo'n pianist de zaak belazert. Het was in feite zijn plicht
geweest de te spelen werken grondig, noot voor noot, te bestuderen om ze zo
mooi mogelijk te kunnen spelen. Aan wat anderen muzikaal tot stand gebracht
hebben heeft hij natuurlijk geen enkele boodschap. Hij moet de hele zaak zèlf
en op eigen kracht voor elkaar zien te krijgen.
Zo ook de filosoof: het komen tot een zo helder mogelijke en gedetaillerde
beschrijving van de werkelijkheid kan alleen maar zelfstandig en op autonome
wijze geschieden. In feite heeft hij niets aan de beweringen van anderen.
Trouwens, een belangrijk vereiste van kunst en filosofie is dat men geen
afgebakende en platgetreden paden bewandelt. Kunst en filosofie kunnen alleen
maar in volle vrijheid gedijen. Essentie van beide activiteiten is het steeds
weer opnieuw die ène waarheid proberen helder te krijgen en vervolgens tot
uitdrukking te brengen.
Het bekende liedje
Wanneer en voorzover er in de loop der tijden steeds meer mensen onder de
invloed van de werkelijkheid als bewustzijn komen te staan is het via hun psyche
dat zij elkaar op het stuk van de waarheid zullen kunnen verstaan. Jammer
genoeg voor de moderne mensen gaat dat hele proces van toegroeien naar de
werkelijkheid als bewustzijn buiten hun zèlfbewuste denken om. Zij hebben er
dus op geen enkele manier weet van en vat op. En eigenlijk is dat maar goed
ook, want anders zouden zij ook van het ènige houvast dat de mens in feite heeft, namelijk de
universele waarheid, een zaak voor geestelijken, politici en managers maken. Die
zullen haar gewoontegetrouw aan de mensen op gaan dringen, uiteraard met een
beroep op allerlei idealistische varianten van 'het hogere'.
Kortom: het 'bekende liedje'!
Verzet tegen het laatste verschijnsel
De mens is als verschijnsel de uiterste mogelijkheid die door het proces van de
wording gerealiseerd wordt. Overal in de kosmos lopen de wordingsprocessen in
de mens uit en als zij dat eventueel hier of daar niet doen kan dat alleen maar
veroorzaakt worden door een plaatselijke kosmische ramp die een verdere
voortgang van het proces onmogelijk gemaakt heeft. Over het algemeen willen de
denkers er niet aan dat de mens het laatste verschijnsel is en dat met zijn
verschijnen op de planeet alle mogelijkheden om tot een nòg inniger samenstel
van materie te komen uitgeput zijn. Opmerkelijk is dat zij steeds gemakshalve
aannemen dat de evolutie almaar voortgaat, hoewel zij er nooit ook maar èèn
enkel bewijs voor gevonden hebben. Op zichzelf is dat heel merkwaardig, want de
moderne mens, die toch in het teken van wetenschap staat, aanvaardt in principe
geen theorieën waaraan geen betrouwbaar bewijs ten grondslag ligt. Toch doet
hij dat in dit geval wèl.
Aan dit vreemde en inconsequente dilemma proberen zij gewoonlijk te ontsnappen
door te stellen dat de evolutie zo langzaam gaat dat manifestaties daarvan niet
door de maar kort levende individuele mens opgemerkt kunnen worden. Op een
periode van duizenden jaren maken volgens hen die paar jaar dat een mens kan
observeren niets uit. Dus heeft men vrede met het smoesje dat bewijs niet te
leveren is, maar dat de theorie van een almaar voortgaande evolutie intussen
toch juist zou zijn...
De mens heeft alles zelf in de hand
Merkwaardig is het verschijnsel dat men inzake de evolutie het ontbreken van
bewijzen steevast ziet als een bevestiging van de mening dat de evolutie almaar
doorgaat en dat men de meest voor de hand liggende conclusie, namelijk dat er
geen evolutie meer is, niet aanvaarden wil. Dit verschijnsel blijkt zo
halsstarrig dat men wel mòet veronderstellen dat er iets achter steekt, iets
dat door de huidige cultuur ingegeven wordt. Waarom willen de mensen niet dat
alles met de mens ophoudt en waarom negeren zij ijskoud het feit dat zij zèlf
onmiskenbaar dubbelwezens zijn, stoffelijk en geestelijk, materieel en niet-
materieel tegelijkertijd en dat zij dus dat laatste verschijnsel wel moeten
zijn. Zouden zij intuïtief aanvoelen dat het erkennen van deze feiten
logischerwijs als consequentie heeft dat de mens volkomen 'vrijzwevend' is,
zonder binding naar beneden, noch naar boven? Zouden zij aanvoelen dat zij dan
alles zelf in de hand hebben en overal zelf verantwoordelijk voor zijn? Zouden
zij vervolgens vrezen geen macht meer te mogen uitoefenen en, erger nog, zich
niet langer te mogen verrijken..?
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26 ; Houvast-1
; Houvast-2 ;
=========================================================
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26
Pilatus-1 ; Pilatus-2 ; Pilatus-3
; Houvast-1
; Houvast-2 ;
Is niets zeker?
Wat in de tegenwoordige cultuur een belangrijke rol speelt is het feit dat de moderne
mens terug schrikt voor het trekken van stellige conclusies. Hij is in de loop
van zijn ontwikkeling zo onzeker geworden dat hij geen enkele zekerheid meer
aandurft. "Niets is zeker", zei Multatuli, "en zelfs dat is niet
zeker". Dat is natuurlijk een mooie kreet, die vooral bij moderne mensen
gretig ingang vindt, maar die niettemin aan alle kanten rammelt. Vanwaar die
vlucht in ònzekerheid als het over kennis gaat? De pretentie van de moderne,
wetenschappelijk gefundeerde, kennis is toch dat zij zekerheid verschaft? Zij
is daarop toch grondig getest?
Het komt doordat de enige werkelijke bron van zekerheden, de werkelijkheid als
bewustzijn, zo langzamerhand bijna helemaal weggedrukt is, terwijl
tegelijkertijd het wantrouwen daartegen enorm toegenomen is. Het 'bewustzijn'
is, behalve in de foutieve psychologische betekenis, tot een waar taboe
geworden. Een taboe dat juist door de thans eenzijdig gebruikelijke
psychologische opvattingen over het bewustzijn veroorzaakt en versterkt is.
Bij het vervagen van de werkelijkheid als bewustzijn blijft slechts
fundamentele onzekerheid over. Indertijd leidde dat tot de oratorische vraag
van de Romein Pilatus:
"Wat is waarheid?". Pilatus stond aan het begin van de moderne westerse cultuur.
Zijn vraag is dan ook veelzeggend...
Geen houvast aan
feiten
Als je je zet tot het overdenken van de werkelijkheid en je dus waarlijk met
filosofie gaat bezig houden, begeef je je zonder meer op uitermate glad ijs.
Dat is vanzelfsprekend zo doordat het 'creatieve denken' geen houvast kan ontlenen aan
feiten die door empirisch onderzoek boven water zijn gekomen. De maatlat noch
de weegschaal bieden in de filosofie enige zekerheid. In strijd met de
gangbare, door wetenschappers verkondigde, mening dat alleen feiten zekerheid
kunnen verschaffen geldt voor de filosofie dat feiten juist onbetrouwbaar zijn
en wel door hun tijdelijke en plaatselijke karakter. Het zijn altijd 'bepaalde'
feiten. Zij kunnen dus in principe niet tot betrouwbare antwoorden leiden.
Overigens zijn feiten voor het inrichten van een leefbare wereld uitermate
geschikt en zelfs onmisbaar, maar dit nu even terzijde...
Een ander belangrijk gegeven is dat je de 'waarheid' alleen maar kunt
benaderen. Dat is voor velen afdoende argument om te beweren dat de waarheid
dus niet te vinden of te kennen is en dat het dan ook beter zou zijn je er niet
mee bezig te houden. Dit nu is zo'n grove denkfout dat je je erover verbaast
dat moderne, intellectueel ontwikkelde, mensen er mee voor de dag durven komen.
De waarheid is er namelijk altijd en zij is in feite altijd aan de mensen
bekend, inderdaad zonder dat zij er gewoonlijk erg in hebben. Het begrip
'benaderen' slaat echter niet op het al of niet kennen van de waarheid, maar op
de graad van helderheid en nuancering die een mens wat betreft het stellen en
het laten gelden ervan kan bereiken.
In zichzelf onderscheiden
Als door iemand de waarheid op grove wijze gesteld wordt is dat nog altijd de
waarheid waarvan hij weet heeft. Maar, er zal stellig wel een ander zijn die de
zaak veel genuanceerder stelt en laat gelden. En dan zijn er ook nog enkelingen
die er hun levens lang op uit zijn zo helder en zo genuanceerd mogelijk aan de
weet te komen hoe het zit met de werkelijkheid - dat zijn de èchte filosofen!
Die waarheid is evenwel geen wetenschappelijke, in die zin dat zij op materieel
onderzoek berust en op daaruit ontsproten theorieën. Zij berust daarentegen op
het zo genuanceerd mogelijk in zichzelf onderscheiden van het zelfbewustzijn,
een activiteit die in wezen neerkomt op het voortdurend vergelijken van de
voorstelling en het beeld. Eigenlijk moeten de uitdrukkingen luiden: 'de
werkelijkheid als voorstelling' en 'de werkelijkheid als beeld', waarbij de
eerste voortkomt uit confrontaties met werkelijkheid als de concreet bestaande
wereld en de tweede uit de werkelijkheid van het universele bewustzijn.
Overigens, je kunt de waarheid ook op kunstzinnige wijze weten. Als Rembrandt
bijvoorbeeld een portret van Hendrikje Stoffels schildert laat hij de waarheid
zien. Natuurlijk niet de vergankelijke van een bepaalde vrouw die Hendrikje
heet, want dan gaat het niet over de waarheid van het beeld maar daarentegen
over de juistheid van de voorstelling. Achter die voorstelling straalt, althans
bij een kunstenaar als Rembrandt, het beeld door en dat is de werkelijkheid
zoals ze 'in waarheid' is.
Zonder die ware werkelijkheid als achtergrond bestaat het leven enkel uit
frustrerende onzekerheden. Ten gevolge daarvan gaan niet alleen de maatschappij
en de samenleving ten gronde, maar ook de filosofie en de kunst. Het 'schone en
goede' gaat geheel en al verloren.
Op het ogenblik is dit proces in de moderne wereld al in een vergevorderd
stadium. Ondanks de successen van wetenschap en technologie komt er van de vele
beleidsplannen nauwelijks nog iets terecht. En dat blijkt steeds meer over de
gehele wereld het geval te zijn.
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26
Pilatus-1 ; Pilatus-2
; Pilatus-3 ; Houvast-1 ; Houvast-2 ;
=========================================================
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26
De asociale filosoof
Voor de moderne mensen is het meest fnuikende voor het zoeken van de waarheid dat
hun behoefte aan en hun ingesteld zijn op concrete kennis zo volstrekt dominant
is dat er geen enkel vertrouwen meer bestaat in het beoefenen en de
mogelijkheden van het creatieve denken. Als er geen te meten en te wegen feiten
zijn is het volgens de moderne mensen onmogelijk ook maar iets aan de weet te
komen.
Door deze eenzijdige gesteldheid wordt het creatieve denken uitermate belemmerd
in zijn mogelijkheden en werkzaamheid, zèlfs bij diegenen die een geschikte
aanleg hebben om bijvoorbeeld op zinvolle wijze filosofie te gaan beoefenen.
Juist het, op zichzelf terechte, hedendaagse zoeken naar betrouwbare,
gecontroleerde en controleerbare kennis breekt op trieste wijze de nek van het
pogen om creatief denkend de waarheid te achterhalen. In de praktijk voltrekt
die ramp zich als regel op de universiteiten waar de jonge filosoof meent te
moeten gaan studeren. Hij moet al een erg sterke aanleg hebben wil hij zich
zonder onherstelbare schade door al die academische ellende heenworstelen!
Bovendien moet hij of zij ook nog behoorlijk eigenwijs en asociaal zijn, in
deze zin dat men zich niets gelegen laat liggen aan het gedoe, de arrogantie en
de moraal van leermeesters. Trouwens, de beginnende filosoof zal voor de gehele
wereld onverschillig moeten zijn wil hij voor zijn denken die criteria vinden,
die nodig zijn om de filosofische zoektocht aan te vangen, voort te zetten en
tot een goed einde te brengen. Maar ondanks de huidige populariteit van de
filosofie heeft onze filosoof zijn tijd niet mee...
Creatief denken
Onder 'creatief denken' versta ik totaal niets verhevens, zoals dat
bijvoorbeeld met het zogenaamde Zuivere Begrip van Kant en Hegel wèl het geval
is. Er is geen denken dat zich boven het maaiveld verheffen kan en er is ook
geen denken dat op zichzelf beter, schoner of waarachtiger is. Er is echter wel
een meer of minder helder denken maar ook dat is geen aanleiding om de zaak een
hogere of lagere status toe te kennen.
De term 'creatief denken' wil uitsluitend zeggen dat er alleen- maar gedàcht
wordt en dat er op geen enkele wijze een wetenschappelijke methode als de maat
gesteld wordt, noch dat er bewijskracht wordt ontleend aan proeven,
experimenten, theorieën of allerlei ingeprente vanzelfsprekendheden. Dat wat
wij menen te weten uit hoofde van verworven kennis moet volstrekt buiten
beschouwing gelaten worden als zijnde filosofisch niet relevant. Alleen het
denken dat van zichzelf uit niets in handen heeft kan de filosofische waarheid
boven tafel krijgen.
Dat is wat ik versta onder 'creatief denken' en dat heeft niets verhevens aan
zich.
Een non-antwoord
Je wordt nogal eens geconfronteerd met de stelling dat je voor de beoordeling
van de moraal een tegenpool moet hebben, dus dat naast het kennen en beoordelen
van het goede ook een kennen en beoordelen van het kwade zou moeten staan. Geen
goed zonder kwaad en geen kwaad zonder goed, zo zou je de bedoelde stelling in
het kort kunnen verwoorden.
Dit nu is typisch een analytische opvatting van de werkelijkheid. Daarbij is de
waarde van iets niet zonder de waarde van iets-anders en sterker nog: zij
bepalen elkaar over en weer. Er wordt dan dus steeds een vergelijking gemaakt
tussen verschillende grootheden en uit die vergelijking komt na wikken en wegen
een min of meer definitief oordeel voort. Dat 'definitieve' gaat niet verder
dan het gaat, want bij verandering van de omstandigheden, dus dat waaraan de
zaak beoordeeld is, verandert ook het oordeel zodat er wederom een 'definitief'
oordeel gevormd kan worden. Na verloop van tijd kun je je dan af gaan vragen
wat nu eigenlijk wel een aanvaardbaar standpunt is en wat niet en het antwoord
zal onvermijdelijk moeten luiden dat er geen definitief criterium te vinden is.
Daarmee is het hele gedoe in de mist gegaan...
Natuurlijk kan men dan heel tevreden achterover leunen en vaststellen dat men
nu het juiste antwoord gevonden heeft en zeggen: "Er is geen
antwoord". Dat zal bijna iedereen tevreden stellen. Het is inderdaad een
schitterend excuus!
Zo'n quasi diepzinnig non-antwoord maakt tegenwoordig een goede indruk.
Misschien kan men op grond daarvan ook nog gaan menen geniaal te zijn, of nog
erger! In feite deugt er echter niets van...
Geen regels, geboden en verboden
Als het gaat over vraagstukken die de essentie van het menselijk leven raken
kan men zich niet bedienen van vergelijkingen die op tegenstellingen berusten.
Er zijn dan namelijk geen tegenstellingen! De essentie van het leven ligt in de
werkelijkheid als bewustzijn en daarvoor geldt dat alles, letterlijk àlles,
ineen is in een ongebroken geheel waaruit niets naar voren springt. Deze
werkelijkheid als bewustzijn vertoont zich in en voor de mens als een
universeel beeld. Hieruit kan men afleiden wat 'goed' is. Daarvoor behoeft men
alleen maar dat beeld zo helder mogelijk voor de geest te halen en tot zich
door te laten dringen. Dat levert een volstrekt eenduidig antwoord op. Een
antwoord dat geen regels, geboden en verboden kent, maar dat onbevooroordeeld
laat zien hoe het inderdaad gesteld is met de werkelijkheid.
Als en voorzover men daarvan weet heeft komt men onmiddellijk in het teken van
het begrip moraal te staan. Een mens kan dan zichzelf niet langer handelingen
of uitspraken toestaan die in strijd zijn met de werkelijkheid en haar
universele innerlijke samenhang. Dan hebben wij te doen met een volwassen
moraal!
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8, 9, 10, 16, 18, 20,
22, 23,
26
=========================================================
Aflevering nr. 11 (juli/aug 2001)
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Denken in begrippen, zie aflevering 11 , 16, 17 , 18, 19
Onduidelijk begrip evolutie
Het verschijnsel dat de hedendaagse geleerden van het begrip 'evolutie' een grote
bende maken is het zoveelste bewijs dat het met het denken, hoe ontwikkeld ook,
nog steeds treurig gesteld is. De meest eenvoudige onderscheidingen kunnen nog
niet gemaakt worden, terwijl men tegelijkertijd op bijkans onnavolgbare wijze
verzandt in ontelbare zelf-verzonnen onderscheidingen, zodat je bijna niet aan
de indruk ontkomt dat al die geleerden beslist geniaal moeten zijn. Wat zij
allemaal uit weten te pluizen is onvoorstelbaar, maar steevast komen al die
'pluizen' te voorschijn uit een ratjetoe van onderscheidingen die willekeurig
uit de losse hand gemaakt zijn. Dat gaat dan tot overmaat van ramp ook nog
vergezeld van voorstellingen die klakkeloos van leermeesters en andere
smaakmakers overgenomen zijn.
Zie eens hoe men rommelt met begrippen die op de een of andere manier bij het
begrip 'evolutie' behoren:
1. men heeft het over 'evolutie' als men 'ontwikkeling' bedoelt, namelijk als
het gaat over het feit dat de mens zichzelf langzaam maar zeker op een
intelligenter plan brengt, vanuit de voor hem geldende grondverhouding een
niet-materiële werkelijkheid te zijn die zich noodzakelijk realiseert als een
materiële zaak en die op grond daarvan te benoemen is met het begrip 'kunnen'.
2. men heeft het over 'evolutie' als men constateert dat de mens zich, als
biologisch verschijnsel, in de loop der vele duizenden jaren aangepast heeft
aan de omstandigheden op de planeet en er daardoor beduidend anders is gaan
uitzien.
3. men heeft het over 'evolutie' als blijkt dat bijna alle levende wezens zich
gaandeweg aangepast hebben en als blijkt dat in feite overleven neerkomt op een
zo efficient mogelijk aanpassen aan de telkenmale wisselende omstandigheden.
Het spreken over een evolutie is hier volkomen misplaatst. Immers: een vis
blijft altijd een vis, ook al heeft hij zich op vernuftige wijze ingesteld op
het bemachtigen van het voor hem noodzakelijke voedsel. En de koe bijvoorbeeld
is nog steeds een koe ondanks het feit dat zij in de loop der eeuwen een heel
ander gedrag is gaan vertonen en ook qua uiterlijk lang niet dezelfde is
gebleven.
Aanpassing en ontwikkeling
Wat is het nu: heet men de aanpassing 'evolutie', dan mag de wording van de
levende wezens in het verre verleden gèèn evolutie genoemd worden. Vindt men
voorts dat de ontwikkeling van de mens met het woord 'evolutie' benoemd moet
worden, dan moet men het vermijden dit woord in verband te brengen met
aanpassing van planten en dieren. En tenslotte, als men inziet dat evolutie is:
het voortdurend ontstaan van nieuwe, van voorgaande vormen ònafhankelijke,
levensvormen, dan moet men noodzakelijk de processen van aanpassing en
ontwikkeling met een ander woord benoemen en dan ligt het uiteraard voor de
hand om, in overeenstemming met de feitelijk voorkomende processen, van
'aanpassing' en 'ontwikkeling' te spreken! Het is uiterst merkwaardig doch
verklaarbaar dat genoemde voor de hand liggende onderscheidingen niet alleen
niet gemaakt worden, maar zelfs te vuur en te zwaard bestreden worden. Dat
alles geschiedt uitsluitend om het ondoordachte gerommel met het woord evolutie
goed te praten, in stand te houden en als iets diepzinnigs aan te prijzen.
Wetenschappelijke filosofie
Het kon in de op analyse van de zelfbewuste voorstelling gerichte cultuur niet
uitblijven dat het filosoferen gereglementeerd zou worden. Ik bedoel te zeggen
dat men er een systematische, wetenschappelijke activiteit van zou maken,
vanzelfsprekend met de oprechte bedoeling de betrouwbaarheid ervan zo hoog
mogelijk op te voeren. Zelfs meenden denkers als Kant en Hegel dat de filosofie
tenslotte als uiterste mogelijkheid tot 'zuiver begrip' zou moeten leiden. In
dat stadium beland zou de wetenschap van het filosoferen een volstrekt
objectieve aangelegenheid zijn geworden en zouden de gevoelens, de vermoedens,
de inzichten en de intuïtie uitgebannen zijn, natuurlijk vanwege hun
noodzakelijk persoonlijke karakter.
Ook bij voortreffelijke denkers als Kant en Hegel is er dus een typisch
westerse argwaan tegen de door het analytische denken als subjectief verworpen
'kijk' op de werkelijkheid als beeld. Juist dat wat in wezen volstrekt
ònpersoonlijk en objectief is, namelijk het bewustzijn en daaraan meekomend het
innerlijke beeld, de 'idee', wordt als subjectief àfgewezen, terwijl de in alle
opzichten wisselvallige werkelijkheid als voorstelling doormiddel van allerlei
trucs, zoals overeenstemming van een meerderheid van 'deskundigen', het
zogenaamde 'forum der wetenschap', als objectief en betrouwbaar wordt
aangemerkt.
De omgekeerde wereld dus! Het mag geen wonder heten dat in deze verkeerde
intellectuele sfeer de filosofie niet gedijen kan, tenzij men onder filosofie
wil verstaan dat men de reeds door anderen gedane uitspraken verzamelt, ordent
en vervolgens op hun vermeende mérites beoordeelt: scholastiek in optima forma.
God en de kabouters
Als je beweert dat er kabouters zijn verklaart iedereen je voor gek. Maar als
je staande houdt dat er een god is geven een heleboel mensen je gelijk en een
zo langzamerhand nòg groter aantal zegt er 'geen mening' over te hebben, omdat
god buiten het denken zou vallen. Enkelen stemmen wel met je in, maar dan toch
weer niet zonder er op te wijzen dat de àfwezigheid van god voor hen slechts
een feit is zolang en voorzover het tegendeel nog niet bewezen is.
Zowel de niet-weters als de voorlopig-weters houden het bestaan van een god
voor mogelijk. Dat kunnen zij doen omdat zij nog nooit onbevangen hebben
nagegaan hoe het zit met de werkelijkheid. Zouden zij dat wel gedaan hebben,
uiteraard volgens de regels die voor dat 'nagaan' gelden en beginnend bij het
enig juiste en onweerlegbare uitgangspunt, dàn zouden zij weten dat goden en
geesten en buiten-menselijke spirituele werkelijkheden niet kunnen bestaan en
derhalve ook nooit aangetoond kunnen worden. Zij kunnen nimmer aangetoond
worden, niet omdat ons denken daartoe niet bij machte is, maar juist doordat
ons denken ons leert hoe de zaak in elkaar zit, hetgeen tevens onmiddellijk
inhoudt dat men weet wat wel en wat niet mogelijk en dus bestaanbaar is.
Gevoelsarme zaak
Het behoort bij de verwetenschappelijking van de filosofie dat dit een
bloedeloze en gevoelsarme zaak wordt. Je kunt hiervan onmiddellijk al twee
rampzalige gevolgen constateren: ten eerste verwordt het filosoferen, in de zin
van liefde tot de wijsheid, tot een ònpersoonlijke zaak die buiten het eigen
leven om beoefend kan en moet worden, precies zoals men als resultaat van
overdracht van kennis het predicaat 'deskundige' kan verwerven en een bepaald
vak kan uitoefenen, en ten tweede doordat de uitschakeling van de gevoelswereld
het reageren op en serieus nemen van fantasieën, invallen, intuïties en
dergelijken onmogelijk maakt.
Opvallend is wat dit betreft dat men bijna nooit in de gaten heeft dat juist
deze verguizing van het meest oorspronkelijke in de mens tot verschrikkelijke
waanvoorstellingen leidt. Het zijn nu net de onverwachte en aanvankelijk
onverklaarbare invallen die als voedsel dienen voor de filosofie. Dat betekent
onmiddellijk ook dat de filosoof zich enerzijds als een zogenaamd gevoelsmens
moet ontwikkelen en anderzijds dat zij of hij zich pas dan met een gedachte
vereenzelvigen kan als die 'zich tot in de botten voelbaar' gemaakt heeft.
Anders gezegd: voor de filosoof valt de zekerheid van een inzicht samen met het
leven. De filosoof leeft haar of zijn filosofie...
Denken in begrippen, zie aflevering 11 , 16, 17 , 18, 19
=========================================================
Aflevering nr. 12 (september 2001)
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
collectivistische
denken zie afleveringen 1, 5 en 12 ( Definitie
Cultuur )
Kunst en filosofie
Als ik mij niet vergis heeft Hegel op een keer gezegd dat op den duur de kunsten
niet langer nodig zouden zijn omdat de filosofie haar taak overgenomen zou
hebben. Ik weet niet of Hegel het precies zo gezegd heeft en nog minder weet ik
wat hij werkelijk bedoeld zou hebben als hij die uitspraak inderdaad gedaan
heeft. Maar, afkomstig van Hegel of niet, het is een feit dat er nogal wat
denkers geweest zijn die bovenstaande opvatting huldigden en dus is er
aanleiding genoeg om er op in te gaan.
Ten eerste valt op dat er een relatie gezien wordt tussen de kunst en de
filosofie. En wel zo'n relatie dat blijkbaar de filosofie een voorzetting en
een vervolmaking van de kunst zou zijn. Dat is geen ongewone opvatting,
tenminste niet bij de zogenaamde idealistische filosofen. Bij Bolland kom je
namelijk ook tegen dat hij bedoelde relatie legt en dan vindt hij uiteraard dat
de kunst alsnog in het 'zielige' bevangen is. Hij bedoelt daar waarschijnlijk
mee dat het een psychische zaak is, en dat is bij hem iets zieligs. Maar niet
alleen bij hem, ook minder conservatieve denkers willen de kunst graag als een
gevoelszaak zien. Vaak verdenk ik hen ervan die opvatting als een uitweg te
benutten om met goed fatsoen niet langer over de kunst behoeven na te denken.
Immers: nadenken over de kunst kon weleens leiden tot de noodzaak de
aanwezigheid van een werkelijkheid achter de menselijke voorstelling te
erkennen, namelijk de werkelijkheid als beeld, zoals die gestoeld is in het
bewustzijn. Zoiets te moeten erkennen is immers voor de moderne positivistisch
denkende filosoof een gruwel, juist omdat hij er absoluut geen raad mee weet en
er door in de war gebracht wordt. Puur nadenken is nu eenmaal niet zijn
sterkste kant.
Filosofie als kunst
Hoe dan ook, sommige denkers zien een verband tussen de kunst en de filosofie
en dat is in principe terecht. Het is echter niet zo dat de kunst in filosofie
uitloopt, maar juist het omgekeerde. De filosofie is namelijk in het geheel
geen wetenschappelijke activiteit die wars is van gevoeligheden, maar een
kunstzinnige. Filosofie behoort tot de kunsten. Haar bijzonderheid is dat zij
zich bedient van het denken om verslag te doen van de werkelijkheid zèlve. En
haar gereedschap is de taal. Maar in dat laatste staat zij overigens niet
alleen: voor de letterkunde geldt dat ook en ook voor het toneel.
Tomeloze verwarring
Er is met de moderne wereld iets eigenaardigs aan de hand. Steeds meer mensen
worden het slachtoffer van een tomeloze verwarring. Een verwarring die zich
niet goed beschrijven laat omdat zij nauwelijks herkenbaar door alles heengaat.
En, het is niet alleen maar een psychische zaak, zoals je bij verwardheid zou
verwachten: zij bepaalt ook de zelfbewuste activiteiten van de mensen, zoals
daar zijn het min of meer getrouw navolgen van maatschappelijke regels die het
verkeer tussen de afzonderlijke mensen in goede banen moeten leiden. Steeds
meer en steeds vaker botsen de mensen met elkaar en bij die botsingen neemt de
gewelddadigheid hand over hand toe. Maar ook bij de bestuurders slaat de
verwarring toe. Zij zien bijvoorbeeld steeds minder kans de maatschappelijke
problemen via de overheid en de politiek op te lossen, hetgeen voornamelijk een
gevolg is van het feit dat hun voorstelling van de werkelijkheid niet meer
strookt met de realiteit. Een rampzalige reeks van miskleunen is het gevolg en
tenslotte gaat men er maar toe over de zaken van zich af te schuiven en de boel
voor een appel en een ei te verkwanselen aan particulieren die er altijd nog
wel kans toe zien de zakken te vullen ten koste van de burgers.
Kortom: een ernstige collectieve krankzinnigheid is in de westerse wereld bezig
zich te ontwikkelen! Je bent geneigd in dit verband te spreken van de enige
collectiviteit die er nog is en die bovendien nog steeds sterker wordt ook!
Collectieve krankzinnigheid
Twee factoren spelen in ieder geval een rol bij die collectieve
krankzinnigheid. Ten eerste is daar het volslagen gemis aan inzicht in de
werkelijkheid doordat men, als gevolg van het positivistische analytische
denken, alles wat met de werkelijkheid als Bewustzijn(zie bladwijzers en neem ook nota van Zelfbewustzijn)
te maken heeft verre van zich houdt, omdat men dat bedrieglijk, metaphysisch en
dus onbetrouwbaar vindt. Maar, juist door dit uitschakelen van de enige
toetssteen die ons wèrkelijk ter beschikking staat wordt de realiteit èèn
onontwarbare janboel waarin men zich op geen enkele manier meer oriënteren kan.
Gemis aan een samenhangend beeld van de werkelijkheid is precies dat wat wij
kennen als krankzinnigheid.
De tweede factor versterkt de eerste in niet geringe mate. Het gaat daarbij om
de toenemende individualisering. Doordat de mensen daarbij op zichzelf komen te
staan en doordat daarmee tegelijkertijd het collectief verbrokkelt verliest men
het houvast aan een
groot aantal in het verleden opgelegde en als vanzelfsprekend aanvaarde normen
en waarden. Normen en waarden die alle voortbrengselen zijn van
collectivistisch denken. Dat denken is een erfenis van de Verlichting, dus
van culturele ontwikkelingen die aan het eind van de 18e eeuw in gang gezet
zijn. Genoemd denken verliest nu zijn kracht, het collectieve zelfbewustzijn
wordt steeds meer een lege zaak, de praktische manifestaties van het collectivistische denken brokkelen
af met als gevolg dat gemeenschappelijke voorzieningen verwaarloosd of zelfs
bewust afgebroken worden.
Individualisering
Hoewel het er op den duur naartoe zal gaan dat alle mensen zich als
vanzelfsprekend individu weten en men de individualisering als zodanig
'positief' zou moeten noemen, is het tegelijkertijd niet te vermijden dat deze
voortgang aanvankelijk en lange tijd het karakter van krankzinnigheid zal
hebben.
De collectieve krankzinnigheid kan welbeschouwd niet wegblijven. Het verval van
de van bovenaf opgelegde verbanden, vergezeld van een grote mate van onwetendheid
wat betreft de werkelijkheid als bewustzijn en beeld, vergezeld van een steeds
meer zelfbewuste behoefte zich als individu te ontplooien is een alleszins
logisch te begrijpen zaak. Je kunt hem zelfs niet op een andere plausibele
manier denken en daarom zeg ik met de filosoof Hegel: "Alles wat werkelijk
is is redelijk".
Hoezeer de boven beschreven voortgang ook onaangenaam is, toch is hij redelijk,
dat wil zeggen dat hij 'in de rede' ligt. Hegel wordt nog steeds om zijn
uitspraak verguisd want men is niet in staat in te zien dat Hegel met de term
'redelijk' niets anders bedoelde dan 'in de rede liggend'. Met een
waardeoordeel heeft dit niets te maken. Het staat helemaal niet bij voorbaat
vast dat al datgene dat in de rede ligt positief gewaardeerd kan worden en op
zichzelf een vooruitgang zal zijn. Zo liggen bijvoorbeeld oorlogen lange tijd
in de rede. Maar, aangenaam en 'redelijk' zijn zij beslist niet. Mensen behoren
geen oorlogen te voeren en toch is het logisch te verklaren dat zij dit lange
tijd en vaak met groot enthousiasme doen.
collectivistische
denken zie afleveringen 1, 5 en 12
=========================================================
Aflevering nr. 13 (oktober 2001)
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Autonome kunst
Uit de bewering, die Hegel (zie Inval 12) over het zinloos worden van de kunst
gedaan zou hebben, blijkt dus dat hij een verband zag tussen de kunsten en de
filosofie en dat hij bovendien van mening was dat de filosofie een soort van
slotaccoord van de kunsten zou zijn. Met het klinken van dat slotaccoord zouden
de kunsten overbodig zijn geworden.
Dat echter is ondoordachte onzin!
Alle vormen van kunst zijn autonome mogelijkheden om uitdrukking te geven aan
de werkelijkheid als beeld en geen van die mogelijkheden is afhankelijk van een
andere, in die zin dat hij op een gegeven moment niet meer nodig zou zijn. Al
die mogelijkheden zullen eeuwig door de mensen, de kunstenaars in feite, benut
worden. De een zal deze mogelijkheid kiezen, de ander een andere, afhankelijk
van de aanleg die iemand heeft.
Vreemde activiteiten
Dat geldt ook en niet in het minst voor de filosofie, die overigens in geen
enkel opzicht boven of onder de andere kunsten staat. Haar intellectuele
karakter rechtvaardigt geenszins de hogere waardering die er bijvoorbeeld door
een aantal vroegere idealistische denkers aan gegeven werd.
Trouwens, als je je realiseert dat de moderne filosofie evenals haar zusters
van de moderne kunsten verkankerd is door het analytische denken en de
traumatische behoefte om 'wetenschappelijk' te zijn, dan blijkt zonneklaar dat
er van die hogere kwaliteiten van de filosofie niets over blijft. Je zou
verwachten dat zij op de een of andere manier boven de grillen van onze tijd
zou staan, maar niets is minder waar. Vaak lopen de filosofen vooraan als het
erom gaat de werkelijkheid kapot te analyseren, hetgeen onder andere duidelijk
blijkt uit de vreemde activiteiten van de positivisten, de post-modernen en de
taalfilosofen.
Heeft de kunst een taak?
Er is nog iets dat aan de genoemde bewering van Hegel op te merken valt.
Blijkbaar is hij, of degene die hem meent te citeren, van mening dat de kunst
een taak heeft in deze wereld. En ook dat die taak tenslotte door de filosofie
overgenomen zal worden. Ook die mening, van Hegel of zijn napraters, is
volstrekt fout.
Als er iets is dat het denken over de kunst verduistert is het wel de mening
dat de kunsten taken te vervullen zouden hebben, dat de kunst dus ergens voor
dient. Voorzover die opvatting bij de kunstenaars zelf aangetroffen wordt kun
je stellen dat hij onvermijdelijk aan de kunst de doodsteek toebrengt. Het aan
iets dienstbaar stellen van de kunst berooft haar van haar autonome karakter,
voornamelijk doordat nu niet langer de werkelijkheid als beeld datgene is
waarom het gaat, maar de tijdelijke en plaatselijke voorstelling die men van de
wereld heeft. Doordat het nu om de voorstelling gaat vervalt ook de vrijheid
van de kunstenaar en doordat dit het geval is wordt het hem onmogelijk zich te
uiten. Hij kan dan nog slechts een vak uitoefenen, desnoods ongelooflijk knap
en beantwoordend aan de hoge doelen die, overigens steevast door machtige
élites die hun machtshonger een verheven tintje willen geven, voor de mensheid
gesteld zijn, maar toch in genen dele een kunst die te beleven is als een zaak
van onbevangen schoonheid...
Afspiegeling
De kunsten hebben volstrekt geen taak. Zij zijn de onmiddellijke afspiegeling
van de werkelijkheid als beeld en dat 'afspiegelen' is er altijd als er een
mens is, omdat in de mens zelfbewustzijn zetelt en de uit dat zelfbewustzijn
voortkomende voorstelling niet bestaan kan zonder dat de werkelijkheid als
bewustzijn er voortdurend doorheen straalt. Omdat dit het geval is is er kunst
en het is juist het onvermijdelijke karakter en het nergens toe dienen dat de
kunst zo uitzonderlijk maakt!
Helder zicht
De mensen uit de oudheid hadden een diep inzicht in de werkelijkheid. Dat wil
zeggen dat zij ver door de voorstelling heenkeken en zo een helder beeld van de
werkelijkheid hadden. Omdat het ging over 'er doorheen kijken' met als logische
consequentie dat de werkelijkheid als bewustzijn zich bijwijze van beeld kon
vertonen zagen die mensen van toen de werkelijkheid noodzakelijk als een in
alles samenhangend geheel, waarin alle dingen opgenomen waren, en wel op een
zodanige wijze dat de afscheidingen ertussen niet geldig waren en alleen de overgangen tussen de
dingen als essentieel op de voorgrond stonden. Gevolg hiervan was dat men
helder zag hoe de werkelijkheid is.
Bittere noodzaak
De moderne mensen hebben volstrekt geen diep inzicht in de werkelijkheid, want de
voorwaarde daartoe, namelijk het door de voorstelling heenkijken om de
werkelijkheid als beeld te zien ontbreekt ten enen male. Althans, voorzover men
zijn eigen mens-zijn niet terzijde kan schuiven en dus altijd wel enigszins met
de werkelijkheid als beeld geconfronteerd wordt, wil men hier niets van weten
en stopt men het zover mogelijk weg in het zogenaamde onderbewuste. Gevolg is
dus dat er geen mogelijkheden zijn om door de voorstelling heen te zien.
Maar wat men wel doet, en zo langzamerhand met een uiterste aan bekwaamheid en
raffinement, is de voorstelling ontleden. Je kunt dan ook stellen dat de
moderne mens 'diep in de materie' is doorgedrongen. Zijn kennis haalt hij van
grote diepte. Dat is qua kennisverwerving natuurlijk buitengewoon gunstig: de
mens moet er achter komen wat de werkelijkheid is en het is voor hem bittere
noodzaak de feiten omtrent het heelal boven water te krijgen. Die noodzaak is
'bitter' omdat het uitzoeken van de feiten tot veel rampen leidt doordat men
er, in zijn onvolwassenheid, onmiddellijk technische toepassingen voor bedenkt
die vaak verre van tot het einde toe àfgedacht zijn. Hoe dan ook, de moderne
mens is diep in de materie doorgedrongen, maar de mens uit de oudheid, en
straks de volwassen mens, had en heeft een diep inzicht in de werkelijkheid.
Die mens van vroeger kon opvallend heldere uitspraken over de werkelijkheid
doen en dat ondanks het feit dat hij qua onderzoek van de materie nog niet eens
aan het begin ervan toegekomen was.
=========================================================
Aflevering nr. 14 (november 2001)
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
De geest van de tijd
Ik spreek over 'de mens van de oudheid' en ook over 'de moderne mens'. Dit
evenwel slaat op het verschijnsel mens en het stadium waarin dat in zijn
culturele ontwikkeling op een bepaald moment van de geschiedenis aangekomen is.
Het betekent niet dat 'de' mensen, en zeker niet 'alle' mensen evenzeer op de
hoogte zijn van datgene dat er in de zin van ontwikkeling gaande is.
Anders gezegd: het zijn altijd maar kleine groepen in wie zich 'de geest van
hun tijd' zelfbewust manifesteert en die als representatief kunnen worden
beschouwd. In de oudheid waren er dus enkelen die een diep inzicht in de
werkelijkheid hadden en die daarvan getuigden en dan gaat het er om wat de
inhoud en de betekenis van zo'n getuigenis was.
Het gros van de mensen had er geen flauw benul van, maar dat laatste neemt niet
weg dat ook zij in het teken van de 'helder zichtbare' werkelijkheid stonden.
Op allerlei praktische manieren vertoonde zich de geest van hun tijd. Doorgaans
waren dat voor de betrokkenen vanzelfsprekendheden en automatismen waar zij
geenszins bij stilstonden.
De wetenschappelijke mens
Zo kun je van de mens van ònze tijd zeggen dat hij 'wetenschappelijk' is omdat
onze cultuurfase er een van wetenschappelijk onderzoek van de werkelijkheid is.
Alle mensen uit onze cultuur staan in het teken van de wetenschap. Maar
verreweg de meesten zijn niet verder gekomen dat een eenvoudige school, die
echter wel degelijk op wetenschappelijk feitenmateriaal gestoeld is. De
leerstof bestaat bijvoorbeeld niet uit het onnavolgbare gebazel uit de Bijbel,
de Koran of andere 'heilige' boeken. Alle leerstof, ook die binnen het kader
van een godsdienstig ingestelde school, is wetenschappelijke leerstof, heeft
althans de pretentie dat te zijn.
Niet voor niets wordt bijvoorbeeld het waandenkbeeld van het 'creationisme'
voorgesteld als een wetenschappelijk verantwoorde voorstelling van het ontstaan
van het heelal. Zonder pretentie van wetenschappelijkheid wordt het niets met
het aannemelijk maken van allerlei denkbeelden. Dat geldt zelfs voor
godsdienstigen, die doorgaans toch van harte bereid zijn allerlei onzin voor
juist te houden!
Dus: in enkelingen komt de zaak zelfbewust naar voren, maar in de rest is het
een complex van een aantal vanzelfsprekendheden die verwijzen naar de stand van
zaken wat betreft de ontwikkeling van de mensheid.
Kennisgeving
Het is voor een moderne geleerde kenmerkend dat hij alles wat hij aan de weet
komt voor kennisgeving aanneemt. Dat doet hij in de letterlijke betekenis van
het woord. Hem wordt kennis aangereikt en die kennis neemt hij aan. Als je je
deze procedure voorstelt dan zie je zonder al teveel moeite in dat de ontvanger
van die kennis er zèlf geheel en al buiten blijft. Hij neemt het gebodene aan
en zet het ergens weg, bergt het ergens op. Vervolgens gaat hij bij zichzelf na
of hij het met die kennis al of niet eens is. Daarbij controleert hij of die
kennis op verantwoorde wijze verworven is, of de juistheid van die kennis
geworteld is in een logische theorie en tenslotte of deze beide criteria
voldoende aanleiding geven de zaak als consistent met andere theorieën te
beschouwen. En nog altijd heeft hij zèlf geen enkele rol in de procedure
gespeeld. Het is 'aannemen of niet-aannemen' op grond van een aantal uitwendige
criteria, die men ooit ergens geleerd heeft en, uiteraard, ook voor juist
aangenomen, doorgaans in een periode van het leven dat men zich nog geen
rekenschap kon geven van het feit dat men die criteria opgedrongen heeft
gekregen!
In eerste instantie wordt het aanvaarden van de juistheid van kennis niet aan
criteria onderworpen, maar de zaak wordt simpelweg opgedrongen. Die
'oercriteria', betreffende het al of niet juist zijn van bepaalde kennis, zijn
letterlijk ingeprent, als een automatisch verlopend programma geïnstalleerd
zonder een enkele mogelijkheid tot persoonlijke toetsing.
Hoger bewustzijn
Het voor kennisgeving aannemen berust eigenlijk op een voorstelling die in het
stadium van de alsnog niet effectief zelfbewuste kindertijd ingeprent is door
anderen, zoals opvoeders, leraren en niet in het minst ook door de
omstandigheden, voorzover die ervaren worden als iets vanzelfsprekends. Volgens
sommigen is dat een kwalijke zaak die een consequentie zou zijn van de westerse
cultuur en die in andere culturen vermeden zou kunnen worden. En men beweert
ook dat dit op den duur ook in de westerse cultuur zal verdwijnen om plaats te
maken voor intuïtie, hoger bewustzijn en dergelijken.
Onzin!
Verfijning en uitbreiding
Het voor kennisgeving aannemen is de grondslag voor verfijning en uitbreiding
van het wetenschappelijk denken. Het verwerven van kennis is hetgeen waar dit
alles om draait en er is wat dit betreft geen enkele andere mogelijkheid. Beter
gezegd: het verwerven, uitbreiden en verfijnen van kennis gaat noodzakelijk via
het voor kennisgeving aannemen van kennis die door de ene mens aan de andere
aangereikt wordt. En die aangenomen kennis is en blijft een uitwendige zaak.
Dat is niet kwalijk, dat is niet dom, dat hoort zo!
=========================================================
Aflevering nr. 15 (december 2001)
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Weerstand tegen vooruitgang
Telkens als het wetenschappelijk onderzoek een nieuwe wending neemt, een andere
kant uitgaat, heeft er in een bepaalde wetenschapper iets plaatsgevonden dat in
strijd is met het gangbare 'voor kennisgeving aannemen'. Er is als het ware
iets gebroken, een gang van zaken is verstoord, er is een kink in de kabel
gekomen. In zekere zin is dat een ramp want men moet af gaan wijken van de
vertrouwde paden en helemaal opnieuw beginnen. Hoewel schoorvoetend doet men
dat dan ook, simpelweg omdat men het niet kan làten. De mens is nu eenmaal een
zelfbewust wezen dat zijn eigen voorstelling van de werkelijkheid voortdurend
moet toetsen, uiteraard niet door de Bijbel of de Koran te lezen, maar
doormiddel van bona fide wetenschappelijk onderzoek. Zo ontstaat er regelmatig
een nieuwe verzameling kennis die op zijn beurt door de geleerden weer voor
kennisgeving aangenomen wordt.
Dat het doorbreken van een gevestigde wetenschappelijke voorstelling van de
werkelijkheid een hele toestand teweeg brengt blijkt duidelijk uit de geschiedenis
van de wetenschappen. Niet zelden is men elkaar zelfs telijf gegaan omdat men
het instorten van oude 'waarheden' niet verkroppen kon. En natuurlijk ook omdat
men zijn vertrouwen gesteld had in een hele schare van deskundige geleerden die
nu plotseling geen autoriteit meer lijken te zijn.
"Hoe kunnen al die geleerden het bij het verkeerde eind gehad hebben?
Heeft dan iedereen zich vergist?
Dat is buitengewoon onwaarschijnlijk..! "
Aldus reageert het merendeel van de betrokkenen. De grote, vaak zelfs
hysterische, weerstanden tegen nieuwe ontwikkelingen komen, in strijd met wat
men ons doorgaans wil doen geloven, in feite slechts voor een klein deel voort
uit, op zichzelf alleszins terechte, wetenschappelijke behoedzaamheid en
zorgvuldigheid. Meestal worden die weerstanden veroorzaakt door het onvermogen
en de onwil om van voren af aan te beginnen. Dat betekent immers verlies van
status en macht en daar zit zelfs een wetenschapper niet naar uit te kijken.
De klok en de klepel
Waar hangt de klepel in de klok? Zoals steeds draait de hele zaak van
vernieuwing van de wetenschappelijke voorstelling weer om de werkelijkheid als
bewustzijn. Het hierdoor opgeroepen opvallend ongewone beeld kan bij
gelegenheid zo opdringerig zijn dat iemand, die hiervoor gevoelig is en die
zich niet zo halsstarrig vastklampt aan de zogenaamd vaststaande feiten, er
niet onderuit kan en in twijfel geraakt. Gewoonlijk zal zo iemand proberen van
die twijfel af te komen, want bepaald prettig is zoiets niet.
Maar er zijn er gelukkig ook die er iets mee gaan doen en die kunnen tot
verrassende ontdekkingen komen. Zolang en voorzover zij met die
ontdekkingstocht bezig zijn kunnen zij niets voor kennisgeving aannemen. Steeds
moeten zij zich richten op het beeld en aan de hand daarvan hun voorstelling
corrigeren.
Dan is een wetenschapper op zijn best!
Het is daarbij niet het eerste belang of hij tot schokkende en overtuigende
resultaten komt. Het eerste belang is gelegen in de wetenschappelijke
activiteit zèlve, omdat die nu niet meer eenzijdig analytisch is, maar
tegelijkertijd in het teken van de samenhang staat. Daarbij evenwel wordt de
analyse niet achterwege gelaten, want zonder dat komt de onderzoeker niets aan
de weet. Het gaat namelijk niet om de vraag of men bij zijn onderzoek al of
niet analytisch tewerk moet gaan, maar het gaat om de vraag of de onderzoeker
steeds en consequent de werkelijkheid als samenhangend beeld voor ogen houdt.
Als dat inderdaad het geval is wordt het aanvankelijke onderzoek min of meer
vanzelf van de voorstelling naar het beeld verlegd, dat wil zeggen de
werkelijkheid als beeld met als concrete inhoud de werkelijkheid als
voorstelling.
Een stap verder
Het is de mens mogelijk zich van zijn bewustzijn en dus ook van de
werkelijkheid als beeld niets aan te trekken. Maar hij kan beide grootheden
nimmer echt uitschakelen. Wel kan hij er onverschillig voor zijn. De mens kan
tegen zichzelf als bewustzijn en beeld nee zeggen! Uiteraard kan hij dat omdat
hij qua verschijnsel nèt 'een stap verder' gaat en in een situatie terecht is
gekomen die ik met het begrip 'zelfbewustzijn' benoemd heb. De zogenaamd
geestelijke kant van de mens, zijn niet-materieel zijn, heeft de mogelijkheid
geopend om letterlijk op àlles 'nee' te zeggen. Plant en dier kunnen dat niet. Zij
zijn bij lange na nog niet aan zelfbewustzijn toegekomen en bijgevolg is het
'nee zeggen' bij hen uitgesloten.
De werkelijkheid is voor alles wat leeft, uitgezonderd de mens, een onwrikbaar
gegeven, een zaak die zich zelfs niet in twijfel laat trekken. De werkelijkheid
is er en zij is zoals zij is en het is niet mogelijk er hoe dan ook afstand van
te nemen.
Maar de mens kan dat wel.
De mens kan natuurlijk niet feitelijk buiten de werkelijkheid gaan staan. Hij
is en blijft een onderdeel ervan. Maar in zijn zelfbewustzijn, en dus ook in
zijn voorstelling en denken, kan hij zonder enige moeite buiten de
werkelijkheid gaan. Hij doet dat dan ook veelvuldig. En vanuit die uitwendige
positie is in principe de gehele werkelijkheid voor hem ontkend: hij is immers
nu de werkelijkheid niet! En zo kan de mens zijn 'geweten', zijn 'intuïtie',
zijn 'gevoelens' en wat al niet, uitschakelen. Dat komt er dus op neer dat hij
zijn bewustzijn ontkent en terzijde schuift.
Het recht als wet
Binnen het kader van collectivistische opvattingen over de maatschappij kan het
recht alleen maar functioneren alsof het over de wet gaat. Het recht is
namelijk onlosmakelijk verbonden met de mens als individu en het manifesteert
zich als het complex van regelingen die de mensen onderling treffen om zo
veilig mogelijk met elkaar om te gaan. Is de individu echter nog bevangen in
het collectief, zodat zijn individualiteit bepaald wordt door de criteria die
door dat collectief als de maat gesteld worden, dan is het complex van
maatschappelijke regelingen niet ontstaan vanuit de individuen zèlf, maar
vanuit de bovenlaag van het collectief.
De bestuurders, de leiders, de deskundigen en nog meer van dat volk bepalen hoe
het tussen de mensen onderling toe moet gaan. Zij bepalen wat mag en wat niet
mag, hoe de dingen behoren te gaan, enzovoort. Al zijn deze regelingen nog zo
'democratisch' tot stand gebracht, zij worden toch uitsluitend door élites
uitgebroed en vervolgens onverbiddelijk tot wet verheven. Vanaf dat moment is
er geen ontkomen meer aan, de mensen hebben zonder meer te gehoorzamen.
Twee factoren verzieken onder deze omstandigheden het gelden van het begrip
recht. Ten eerste deze factor dat het slechts enkele bevoorrechten zijn die
bepalen wat recht is en wat krom, en ten tweede dat er voor niemand ruimte is
voor alternatieven. Dat wil zeggen dat het de mens als individu niet toegestaan
is om op eigen redelijke wijze zijn betrekking tot zijn medemensen te regelen.
En het zijn juist deze twee factoren die het recht maken tot wet.
Dat tot wet verstarren van het recht is in een ònvolwassen mensheid dermate
ingekankerd dat rechtskundigen zelfs zover gaan te beweren dat het recht zich
te voegen heeft naar de wetten van een staat of gemeenschap. Zij hebben er
daarbij zelfs niet het flauwste benul van dat zij collectivistisch denken en,
consequent doorgedacht, er helemaal geen begrip van hebben wat recht nu
werkelijk is.
De zaak ligt natuurlijk omgekeerd: de wetten hebben zich naar het recht te
voegen. Wetten die niet aan het recht getoetst zijn, zijn zonder meer
onrechtvaardige wetten. Intussen is het inderdaad een feit dat tot op heden
juist die laatste soort wetten de meest gangbare is.
=========================================================
Aflevering nr. 16 (januari 2002)
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26
Denken in begrippen, zie aflevering 11 , 16, 17 , 18, 19
Bladwijzer: abstracte begrippen
Eigen rechter
Er is nog steeds een brede consensus over de opvatting dat niemand 'eigen
rechter' mag spelen. Recht moet 'gesproken' worden, en wel door daartoe bevoegde
lieden. Dezen zijn, althans in functie, boven het individu verheven. Dat is in
feite alleen maar dan mogelijk als zij optreden in naam van het collectief. Dat
wordt gewoonlijk 'de gemeenschap' genoemd, of ook wel 'de staat'. Toch is het
niets anders dan een collectief en dat is per definitie een bovenpersoonlijke
zaak. Hoe je het echter ook bekijkt, binnen het kader van een collectief is het
voor de mens onmogelijk zich, vanuit louter zijn volwassen individu-zijn,
redelijk tegenover zijn medemens op te stellen. Dat wil niet direct zeggen dat
hij gedwongen zou zijn zich voortdurend ònredelijk te gedragen, maar het wil
wel zeggen dat de eerste en belangrijkste voorwaarde voor echte redelijkheid
niet vervuld is. De voorwaarde namelijk dat het redelijke uitsluitend en ten
volle uit de individu zèlf moet voortkomen.
Het moet een authentieke zaak zijn. Zolang dat niet het geval is en het een of
andere, in feite willekeurige en op macht gebaseerde, collectief de maat is kan
een rechtvaardige wereld niet bestaan. Zelfs niet wanneer het over een
democratie gaat. Ook de vanuit een democratie opgelegde regels, waarden en
normen kunnen logischerwijs slechts compromissen zijn. Dat betekent dat er
onvermijdelijk mensen zijn die er aan tekort komen.
Authentiek recht
Het authentieke recht, gebaseerd op individuele rechtvaardigheid, zal nooit uit
de wereld verdwijnen. Het kan onmogelijk van de mens afgedacht worden. Het is
immers de sfeer waarbinnen de mensen elkaars bestaan ònvoorwaardelijk erkennen
en beschermen. Dat houdt uiteraard onmiddellijk in dat zij met elkaar, een
ieder voor zich ten opzichte van zijn medemens, regelingen treffen. Zij maken
met elkaar afspraken om hun onderlinge betrekkingen zo goed en zo zinvol
mogelijk te laten zijn. Het recht speelt zich af op dit terrein, het terrein
van de menselijke relaties. Dat heeft overigens alles met overleven te maken.
Er is het begrip 'samenleving' en, onlosmakelijk daarmee verbonden, het begrip
'maatschappij'. Omdat mensen niet alleen samenleven met een aantal gezellen, en
zo het begrip 'gezelligheid' inhoud geven, maar ook tegelijkertijd in relatie
staan met anderen met wie onvermijdelijk slechts maatschappelijke verbindingen
worden onderhouden, bijvoorbeeld in het werk en in de wijk en in tal van andere
organisaties, is het begrip 'recht' altijd geldig.
Het ware, rechtvaardige, recht is uitsluitend een persoonlijke zaak tussen
mensen die tot individu uitgegroeid zijn. In die zin is het authentiek. Deze
mensen zijn, in strijd met de nog steeds gangbare opvatting, juist eigen
rechter in optima forma! Zij kunnen alleen zelf en met elkaar uitzoeken wat
recht is en wat krom en zo in volle persoonlijke vrijheid 'rekening houden' met
de anderen. In die zin zal er altijd en noodzakelijk recht in de wereld zijn,
maar het recht zoals wij dat tot nu toe kennen zal zeker verdwijnen en plaats
maken voor een beweeglijk, incidenteel overeengekomen netwerk van relaties
tussen individuen.
Het recht en het collectief
Het vanuit een collectief functionerend recht behoort bij een cultuur waarin de
mens als individu al wel ontdekt is, maar zich nog lang niet ontplooid heeft.
Die onvolwassen individu staat dan alsnog in het teken van het collectief. Een
definitie van het begrip collectief luidt: het is een verzameling mensen, zich
manifesterend als een gesloten geheel waarin de mens als individu al wel
herkend is, maar nog volstrekt niet onvoorwaardelijk èrkend. Voorlopig worden
die individuen nog niet onvoorwaardelijk als afzonderlijke elementen van een
levend systeem beschouwd. Het is intussen wel de eerste fase van een proces
waarin de mensheid zich zal gaan ontwikkelen tot een levend netwerk van
authentieke individuen.
Binnen het oorspronkelijke geheel uit de Oudheid, waarin de afzonderlijke
mensen nog niet van elkaar onderscheiden waren, gold de mens niet als individu.
Hij was natuurlijk als verschijnsel wel van de anderen onderscheiden, maar niet
als een unieke, eenmalige en volstrekt zelfstandige zaak. Als het ene onderdeel
onderscheidde hij zich van het andere, maar hij kon er nooit aan ontkomen
beoordeeld en gewaardeerd te worden in het licht van een niet in zichzelf
onderscheiden homogeen geheel en de daarbij behorende criteria.
Als na verloop van lange tijd, aan het einde van de oudheid, de mensen langzaam
maar zeker open gaan staan voor het reeds lang sluimerende vermoeden ieder voor
zich een zelfstandige en unieke werkelijkheid te zijn, staat dit nieuwe besef
voorlopig nog tegenover het oude van de werkelijkheid als èèn geheel. En dit
oude besef is vanzelfsprekend dominant, zodat de ontwakende individu vooralsnog
niet meer kan zijn dan een variant van een collectieve zaak. Het individu is
dan het kleinste onderdeel waartoe het collectief teruggebracht kan worden. Hij
is dus het kleinste stukje collectief.
Dat geheel, dat inmiddels als een totaal van samenstellende delen wordt
beschouwd, is nu juist het begrip 'collectief'. Onder die omstandigheden is het
recht dus wezenlijk geen recht, maar wet. Dat betekent in de praktijk dat de
opvattingen, belangen en status van het collectief de maat zijn en dat iedereen
zonder meer heeft te gehoorzamen. Deze situatie is het uiterste waartoe de
moderne, maar nog steeds ònvolwassen, mensheid kan komen. Hij geldt inmiddels
in hoge mate voor de Atlantische wereld, maar voor de rest is het er nog steeds
droevig mee gesteld, vooral vanwege de omstandigheid dat maatgevende
godsdienstige en ideologische waandenkbeelden de mensen zelfs van de meest
primaire vormen van individualisme afhouden.
Wordingsgerichte filosofie
De Nederlandse Hegelianen uit de eerste helft van de twintigste eeuw mochten
graag staande houden dat Hegel het slotaccoord van de westerse filosofie zou
zijn. Zij gingen daarbij zelfs zover dat zij verklaarden ervan overtuigd te
zijn dat de filosofie haar laatste woord gesproken had, 'met en door Hegel'. De
filosofie was volgens hen tot werkelijk 'zuiver begrip' gekomen. Daarmee was
het uit en afgelopen. Wat er eventueel daarna kwam zou niet meer kunnen zijn
dan een volgzame uitwerking van het Hegelse denken, een zaak waarmee
bijvoorbeeld de Leidse filosoof Bolland (1854-1922) zich met grote ijver en
overtuigingskracht, maar eerlijk gezegd ook met een schier onuitstaanbare
zelfoverschatting, bezig gehouden heeft.
Bovenstaande waarderingen zijn zo zonder meer
uit den boze vanwege het voor de hand liggende eenvoudige feit dat kunst en
filosofie, evenals trouwens de wetenschap op haar eigen specifieke wijze, nooit
en te nimmer een 'laatste woord' kunnen spreken. Elk moment van inzicht roept
immers noodzakelijkerwijs een volgend moment op.
Toch zit er een kern van waarheid in. Uiteraard niet voorzover bedoelde
Hegelianen blijken te lijden aan de uitermate kinderachtige kwaal van
persoonsverheerlijking, hetgeen helaas vooral met betrekking tot Hegel geen
ongewoon verschijnsel is! Maar, waarom het wezenlijk gaat is dat er met Hegel
een bepaalde filosofische wijze van denken tot betrekkelijke wasdom is gekomen.
Die houdt daarna niet op te bestaan, maar hij verdiept zich almaar verder.
Daarbij echter maakt hij onvermijdelijk de weg vrij voor nòg een adequate wijze
van filosofisch denken, namelijk de 'wordingsgerichte' wijze.
Het maakt overigens niet uit hoe men het noemt.
Daarbij gaat het er om dat het denken zich niet langer uitsluitend voortbeweegt
langs een keten van opeenvolgende abstracte begrippen, maar ook langs de
lijn van het, uiteraard uitsluitend denkend, nagaan van de structuur van de
werkelijkheid, uitgaande van een enkelvoudig, absoluut zeker,
geheel op zichzelf staand uitgangspunt. Dat uitgangspunt is de autonome
beweeglijkheid die, juist doordat hij onbelemmerd in beweging is, als vanzelf
tot zodanige systemen komt dat daaruit ruimte, tijd en materie kunnen ontstaan.
Aan die moderne wijze van filosoferen komt onmiddellijk mee dat de filosofie
eindelijk verstaanbaar wordt. Dat is met de 'begripsgerichte' filosofie bepaald
niet het geval, zoals bijvoorbeeld duidelijk blijkt uit de geschriften van
onder anderen Wittgenstein en Heidegger.
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26
Denken in begrippen, zie aflevering 11 , 16, 17 , 18, 19
=========================================================
Aflevering nr. 17 (februari 2002)
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Denken in begrippen, zie aflevering 11 , 16, 17 , 18, 19
Bladwijzer(s): denken in
begrippen
Drie belangrijke voorwaarden
Voor een volwassen mensheid is een aantal voorwaarden van levensbelang.
Natuurlijk is daar het begrip veiligheid, dat een cluster van deelbegrippen
inhoudt die voornamelijk in directe zin van toepassing zijn op de individuele mens.
Maar de mensheid als groot geheel, of wellicht beter nog de planeet, behoeft
ook nog de vervulling van drie andere voorwaarden, en dat zijn communicatie,
produktie en transport. Zonder deze drie grootheden kan een mensheid niet
volwassen zijn, al zou ze het nog zo graag willen.
Het is hiermee precies hetzelfde als met het menselijk lichaam: het
zenuwstelsel, de stofwisseling en de bloedsomloop zijn de voor het organisme
essentiële systemen. Het zenuwstelsel zorgt ervoor dat alle cellen van het
lichaam met elkaar in contact staan en informatie kunnen uitwisselen,
informatie waarzonder de rechterhand letterlijk niet weet wat de linker doet.
De stofwisseling zet de voorhanden materiële werkelijkheid om tot de mens, in
de vorm van energie, en het bloed levert tot in alle uithoeken van het lichaam
de benodigde materialen.
Lichamelijk gedrag
In de praktijk bestaat de mensheid uit een hoeveelheid op zichzelf staande
verschijnselen. Zoals met alle verschijnselen het geval is zijn ook de mensen
volstrekt van elkaar gescheiden: de ene mens is de andere niet en waar de ene
mens zich bevindt kan de andere beslist niet zijn. De mensheid hangt dus 'als
los zand aan elkaar', maar zo ondergaan op den duur de mensen hun wereld niet!
Op den duur gaan de mensen, ieder voor zich, een gedrag vertonen dat gebaseerd
is op het feit dat hun bewustzijn (niet zelfbewustzijn) een in alles
samenhangende mensheid laat zien, een mensheid die er is als ware zij een
organisme, precies zoals het menselijk lichaam een hoog ontwikkeld organisme
is. De mensen gaan zich dus, geheel vrijwillig, zonder dwang van welke machtige
overheid dan ook, naar dat inzicht gedragen en dan is te zeggen dat zij zich
werkelijk lichamelijk zijn gaan gedragen. Zij laten zich gelden als waren zij
een lichaam. En precies dìt is de uiterst denkbare mogelijkheid voor de mensen.
Maar dat betekent in de praktijk ook dat een aantal materiële systemen perfect
moet werken, teneinde het leven mogelijk te maken en in stand te houden.
De praktische basis
Meer nog dan zich, zoals de laatste tijd gebruikelijk is, te bekommeren om een
dreigende overbevolking is het vandaag en in de naaste toekomst noodzakelijk de
communicatie, de produktie en het transport zo hoog mogelijk te ontwikkelen.
Dat is precies wat de grote multi-nationals al volop doen. Het feit dat zij het
maken van grote winsten op het oog hebben is, hoe verwerpelijk ook in het licht
van volwassen menselijkheid, geen geldige reden om de bedrijvigheid van die
instellingen op zichzelf te veroordelen.
Bovendien behoort winstmaken onlosmakelijk bij de mens die nog ònvolwassen is.
Omdat dit onvolwassen gedoe, dus: winstmaken, commercieel concurreren en
stelen, er onmogelijk àfgedacht kan worden omdat het, zij het op onvolwassen
wijze, communiceren, produceren en transporteren is, is het qua realiteit ook
'redelijk', dat wil zeggen 'in de rede liggend'.
Dus: zonder ook maar èèn vergoelijkend woord over de praktijken van de grote
ondernemingen te spreken is er filosofisch toch niet omheen te gaan dat het
juist die ondernemingen zijn die bezig zijn de praktische basis te leggen voor
datgene dat zij van zich uit niet bedoelen, namelijk een volwassen mensheid.
Volwassen ondernemen
Het is bijzonder moeilijk om aan moderne mensen duidelijk te maken dat het niet
de activiteiten op zichzelf zijn die wat betreft de ondernemingen afkeuring
verdienen, maar dat het de wijze waarop is die niet alleen op den langen duur
onhoudbaar zal blijken, maar waarvan men zelfs met reden kan zeggen dat die
zonder pardon als misdadig beoordeeld moet worden. De moderne ondernemingen
zorgen voor de drie hoofdzaken, te weten communicatie, produktie en transport
en dat is in feite precies wat er gebeuren mòet om tenslotte tot een leefbare
wereld te komen, althans de materiële basis daarvoor te leggen. Maar, van de
wijze waarop men dit onvermijdelijk nog steeds doet is natuurlijk geen goed
woord te zeggen. Terwijl tegelijkertijd toegegeven moet worden dat de huidige
mens beslist niet ànders kan: hij is immers nog onvolwassen! Zelfs als hij, wat
zo af en toe hier en daar voorkomt, ernstig probeert zijn onderneming op
verantwoorde menselijke wijze te besturen, met in achtneming van essentiële
criteria, ontkomt hij toch niet aan het bittere feit dat de gehele wereld om
hem heen anders tewerk gaat en daardoor zijn pogingen tot volwassen ondernemen
zonder mankeren doet mislukken.
Onverantwoord economisch denken
Je zou dus zeggen dat wij het er maar mee moeten doen en maar moeten proberen
de zaak in zo goed mogelijke banen te leiden. Afremmen van het
ondernemers-gedoe op zichzelf is niet alleen zinloos, maar ook onmogelijk. En
eigenlijk is dat maar goed ook, want het resultaat van al dat gescharrel is
intussen toch dat steeds meer mensen steeds meer noodzakelijke levensbehoeften
ter beschikking krijgen. Dat geldt zelfs voor de armsten op deze wereld. Maar,
de voortdurende criminalisering van het bedrijfsleven door zogenaamd
'vooruitstrevende' ijveraars voor een betere wereld, is, hoewel vaak goed
bedoeld, in alle opzichten onterecht, tenzij het, zoals hierboven betoogd, gaat
over de wijze waarop een en ander geschiedt. Het komt er in het algemeen op
neer dat de handelspraktijken niet deugen, en dat is louter een kwestie van
onverantwoord economisch denken.
Universeel verklaringsprincipe
Het Hegeliaanse denken is een 'denken in begrippen'. Dat heeft een lange
voorgeschiedenis gehad, althans in de westerse cultuursfeer. Daarbuiten waren
er destijds wel filosofische stromingen waarin men probeerde de werkelijkheid
niet aan de hand van begrippen, maar vanuit elementaire vormen van materie te
verklaren, zoals daar bijvoorbeeld zijn: lucht, aarde, water, vuur en
dergelijken. Er waren er zelfs ook al die in termen van elementaire deeltjes
dachten.
De filosofen die zo 'materieel' tewerk gingen worden doorgaans gerekend tot de
natuurkundigen avant la lettre, maar dat is niet helemaal terecht, want
eigenlijk zochten zij niet zozeer de materiële basis van de verschijnselen
alswel een universeel verklaringsprincipe waarmee zij hoopten, louter
doormiddel van het denken, een antwoord te vinden op de vraag hoe het zit met
de werkelijkheid. Het was hen in feite al duidelijk dat de vraag hoe het zit
met de werkelijkheid het wezen van de filosofie uitmaakt en dat het antwoord in
het denken zèlf gevonden moet worden. Die opvatting zette zich in de westerse
cultuur voort en dat leidde ertoe dat men zich steeds meer, en eigenlijk ook
wel noodgedwongen, ging bezig houden met het uitzoeken van de begrippen die men
meende op de werkelijkheid van toepassing te zijn.
Voorzover er toch nog naar een universeel verklaringsprincipe gezocht werd
richtte dat zoeken zich dus vrijwel uitsluitend op de werkelijkheid als begrip.
En je kunt inderdaad staande houden dat die ontwikkeling culmineerde in het
denken van Hegel. Hij was op dat gebied werkelijk een kunstenaar, hetgeen zich
onder andere ook uitte in een schitterend taalgebruik, wat overigens lang niet
door iedereen beaamd wordt! Maar, meer dan een voorlopig eindstadium is het
denken van Hegel echter niet.
Denken in begrippen, zie aflevering 11 , 16, 17 , 18, 19
=========================================================
Aflevering nr. 18 (maart 2002)
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26
STELLIGE UITSPRAKEN - zie 18 , 21
en 22
Denken in begrippen, zie aflevering 11 , 16, 17 , 18, 19
Een vrouwelijke werkelijkheid
Een aantal denkers is tot de conclusie gekomen dat de organische werkelijkheid
in alle opzichten een vrouwelijke is. Dat blijkt een juiste conclusie te zijn.
Je kunt hem met tal van argumenten staven, maar als die argumenten op zichzelf
ook weer begrippen zijn blijft onherroepelijk de vraag liggen hoe dat dan in de
realiteit zit. Dus waarom dat inderdaad het geval is en langs welke weg je tot
een antwoord op die laatste vraag kunt komen. Een vraag waarvan het antwoord
steeds maar weer, net als de horizon in het landschap, verderop blijkt te
liggen.
Zo kun je ook vaststellen dat vanaf een zeker moment in de cultuurontwikkeling
de mens ertoe zal overgaan de dingen te ontleden. Waarom dat het geval is
blijft zoals zo vaak onduidelijk. In het beste geval luidt het gebruikelijke
antwoord: de mens gaat de dingen ontleden omdat deze ontleed kunnen worden.
Inderdaad zijn zij te ontleden, dus dat antwoord is niet fout, maar alweer, het
geeft geen werkelijk antwoord op de laatste vraag: hoe zit dat dan? Als je
vanuit een 'universeel verklaringsprincipe' nagegaan bent hoe de werkelijkheid
is, ontstaat er naast en tegelijk met het begripsmatige weten een praktisch
weten dat op filosofische wijze, namelijk uitsluitend berustend op nadenken,
verklaart waarom de zaak is zoals hij is. Je kunt dit nadenken 'praktisch
filosoferen' noemen, of 'fenomenologisch filosoferen', maar eigenlijk doet het
er niet zoveel toe hoe je het noemt.
Filosofische ruggengraat
Wat er aan de hand is met bijvoorbeeld de vrouwelijke organische verschijnselen
is dit: in een bepaald verschijnsel hebben de beweeglijkheden, die tevoren
reeds de vorm van bepaalde elementaire materiële systemen hebben aangenomen,
zich tot een 'verschijnsel' samengevoegd en zich daarbij zò innig met elkaar
verbonden dat het, tot op dat moment binnen die systemen opgesloten,
beweeglijk-zijn weer vrij komt en het betreffende verschijnsel in zichzelf
beweeglijk maakt. Dat wil zeggen dat het betreffende verschijnsel 'levend'
wordt. In feite is dat de zogenaamde oercel. Dat vrijgekomen beweeglijk-zijn
houdt àlle varianten van voordien nog niet vrijgekomen beweeglijk-zijn in en
omdat dit het geval is verkeert het betreffende verschijnsel in een situatie
die wij 'vrouwelijk' noemen. Dat is omdat tenslotte de vrouw manifestatie van
het 'alles inhoudende principe' blijkt te zijn. En automatisch is de man dan
'de totale inhoud' van dat vrouwelijke.
Zo is de gehele werkelijkheid na te gaan vanuit de 'beweeglijkheden' als
universeel principe en dat geeft aan de filosofische begrippen een ruggengraat,
een 'stalen frame' dat de zaak zin en betekenis geeft. Begrip en
fenomenologische ruggengraat tezamen maken de filosofie volwassen, precies
zoals de niet-materiële werkelijkheid tezamen met de materiële, zo je wilt het
geestelijke tezamen met het stoffelijke, de volwassen mens vormen.
Maar, deze laatste beweringen kunnen pas dan echt betekenis krijgen als men de
door mij bedoelde 'fenomenologische' gedachtegang nauwkeurig gevolgd heeft.
Zolang dat nog niet het geval is stellen uitspraken als "ik ben het er
niet mee eens" of daar tegenover "ik ben het er volkomen mee
eens" in feite niets voor.
Stellige uitspraken
Men heeft de filosoof Bolland (1854-1922) het verwijt gemaakt dat hij zo in
stelligheden sprak. Er kwam in zijn uitspraken geen enkele twijfel voor en het
was zelfs zo sterk dat er eigenlijk geen discussie over zijn denken en ideeën
mogelijk was. Voor Bolland was de waarheid van Bolland dè waarheid! Dat zette
uiteraard bij menigeen kwaad bloed, ten eerste natuurlijk vanwege het feit dat
Bolland met zijn denken buitengewoon autoritair omging en daarbij een ieder
veroordeelde die over een aantal zaken anders wenste te denken. Maar ten tweede
vooral ook doordat een denken dat zich ten doel stelt tot stelligheden en
zekerheden te komen geheel buiten de moderne opvattingen over het denken ligt.
Voor dat moderne denken geldt dat iets 'zo' kan zijn, maar met evenveel recht
ook 'anders'. Het is een denken dat niet zozeer uit is op waarheden, maar op
juistheden, hetgeen wil zeggen dat het niet gaat om de vraag hòe de
werkelijkheid is, maar om de vraag wàt zij is. De eerste vraag slaat op de
systemen die binnen de werkelijkheid actief zijn en de tweede op de materialen
waarmee de zaak opgebouwd is.
Voor Bolland ging het in de filosofie om de vraag hòe het zit met de
werkelijkheid. Bij het zoeken naar een antwoord op die vraag moet als eerste
bedacht worden dat er logischerwijs maar één werkelijkheid kan zijn en dat
bijgevolg die werkelijkheid zit zoals ze zit en niet ànders! Antwoorden zullen
dus enkelvoudig en eenduidig moeten zijn. Maar dat leidt er in de praktijk toe
dat er voor degene die een antwoord gevonden heeft geen discussie mogelijk is.
De zaak is voor haar of hem gewoon zoals ze is en men ziet dat of men ziet dat
niet. Een tussenweg, een 'gulden middenweg' is uitgesloten.
Men kan dat arrogant, autoritair, dogmatisch en eigenwijs vinden en in het
geval van een eigengereide figuur als Bolland komt men daar al vlug toe, maar
in feite klopt het wel degelijk. Het is daarmee net als met een kunstwerk: de
kunstenaar maakt het zoals hij het maakt en daaraan komt geen discussie te pas.
Zekerheden
Voor de filosoof is de werkelijkheid zoals ze is en beslist niet ànders. Hij
zoekt immers naar de waarheid en niet naar een aantal onduidelijke mogelijkheden,
die inderdaad voor de wetenschapper niet onduidelijk zijn, maar helder gestelde
objecten voor onderzoek. De filosoof echter komt tot zekerheden waaraan niet te
tornen valt. Zekerheden die als criterium hebben dat 'zij morgen ook nog
onverminderd waar moeten zijn'.
Wat anders is evenwel de vraag of de door een bepaalde filosoof naar voren
gebrachte 'waarheid' werkelijk waar is. Met andere woorden: klopt die bepaalde
uitspraak van die bepaalde filosoof? Is zijn waarheid bij uitvoerig nadenken
inderdaad 'de' waarheid?
De voor de filosoof noodzakelijke 'persoonlijke zekerheden' kunnen bij nadere
beschouwing om herziening vragen. Daarbij kunnen de inzichten van anderen een
rol spelen, omstandigheden kunnen er aanleiding toe geven, maar ook
onoverkomelijke inconsequenties bij het nadenken over ogenschijnlijk andere
thema's. Hoe dan ook, het zal met een zekere regelmaat voorkomen dat de
filosoof bepaalde waarheden geheel of gedeeltelijk herziet ten gevolge van een
verdere verdieping van zijn inzichten. Maar ten allen tijde is ook dit
'herzieningsproces' een strikt persoonlijke aangelegenheid waarin discussies
met anderen geen rol spelen. Het filosofisch nagaan hoe het zit met de
werkelijkheid is volstrekt geen 'democratisch' proces en het is zelfs geen
wetenschappelijke zaak, wat overigens niet wil zeggen dat een en ander
ònwetenschappelijk zou zijn!
Tegenspreken
Als het over iemands wetenschappelijke beweringen gaat wachten de toehoorders
zich er doorgaans wel voor het al of niet ermee eens te zijn. Dat is te zeggen
bij voorbaat, zonder de zaak nauwkeurig bestudeerd te hebben. Zo zou het ook
met betrekking tot de filosofie moeten zijn: men moet eerst gedegen en
onbevooroordeeld kennis nemen van de bij een bepaald thema gevolgde
gedachtegangen en pas daarna eventueel zijn kritiek erop en zijn mening erover
geven.
Maar gewoonlijk spreekt men onmiddellijk al met grote vrijmoedigheid de
filosoof tegen, precies alsof men over het onderhavige thema ook uitvoerig en
consequent nagedacht heeft. Gevolg is dat de uitspraken van filosofen in de
lucht blijven hangen alsof ze voor de mensen van geen enkele betekenis zouden
zijn. Het is alsof grote denkers als Spinoza, Kant, Hegel, Börger en een
menigte moderne denkers nooit wezenlijke, en voor de praktijk belangrijke, uitspraken
over de wereld, de cultuur en de mens gedaan hebben...
Iedere analfabeet kan er zijn nauwelijks doordachte mening tegenover stellen en
doordat zo'n mening noodzakelijk op gangbare modevoorstellingen berust heeft
zo'n leeghoofd nog het gelijk aan zijn kant ook!
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26
Denken in begrippen, zie aflevering 11 , 16, 17 , 18, 19
STELLIGE UITSPRAKEN - zie 18 , 21
en 22
=========================================================
Aflevering nr. 19 (april 2002)
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Bladwijzer: vervreemding-1 ; Vervreemding-2
Denken in begrippen, zie aflevering 11 , 16, 17 , 18, 19
De werkelijkheid als systeem
Het is waarschijnlijk het meest duidelijk als men de praktische filosofische
gedachtegang benoemt met de term 'systeemdenken' of 'denken in systemen'. Dat
staat dan naast het 'begripsdenken' oftewel het 'denken in begrippen'. Een systeem
is een eenheid, een samenhangend geheel, van beweeglijkheden. Samenstellingen
bestaande uit meerdere van die 'gehelen', dus van die systemen, kunnen in een
drietal situaties voorkomen: ten eerste als een 'ijle' zaak zoals bijvoorbeeld
een neutronenwolk, ten tweede als 'samenklontering' zoals bijvoorbeeld een
steen en ten derde als een 'organisme', een levend wezen dus.
Dit alles in het korte bestek van dit verband uit de doeken te doen voert thans
echter veel te ver. Van belang is dat er in de filosofie ook gedacht moet
worden over de werkelijkheid als systeem. Tenslotte is het toch een
onmiskenbaar feit dat de ook de filosofische begripsstelsels gebaseerd zijn op
een configuratie van de beweeglijkheden. Zonder dat viel er trouwens helemaal
niets te denken, laat staan te denken in systemen en begrippen.
Andersom denken
Het denken in systemen is beslist geen natuurkundig denken. Dit laatste berust
namelijk op het ontleden van de werkelijkheid. Het gaat dus uit van de
verschijnselen die men in de praktijk aantreft om vervolgens, als het ware van
achter naar voren, de kleinste bouwsteen te zoeken teneinde er achter te komen
waaruit de werkelijkheid bestaat en op welke manier die samengesteld is. Men
zoekt het materiaal.
Het denken in systemen werkt andersom: je probeert te bedenken wat noodzakelijk
het universele basisprincipe van de werkelijkheid mòet zijn. Van daaruit en met
behulp daarvan ga je bedenken welke systemen er onvermijdelijk zullen ontstaan.
Tenslotte kom je dan bij de laatste mogelijkheid qua systeem uit en als je dan
gaat onderzoeken of je die mogelijkheid in de praktijk ook ergens tegenkomt,
dan blijkt alras dat dit het verschijnsel mens is.
Met ontleden heeft dit alles niets van doen. Het leidt er dan ook toe dat de
filosoof niet met een theorie, een berekening of een formule komt, maar met een
zo genuanceerd mogelijke beschrijving van de reële werkelijkheid.
Natuurkundige vervreemding
De natuurkundige daarentegen komt, als het goed is, met een zo gedetailleerd
mogelijke formule betreffende de concrete verschijnselen. Omdat zo'n formule
alleen maar gebaseerd kan zijn op de in de mens aanwezige werkelijkheid als
voorstelling zijn die concrete natuurkundige verschijnselen in genen dele gelijk
aan de reële werkelijkheid. Op zichzelf is dat best in orde, maar in de
uitermate vervreemdende moderne cultuur geeft het helaas toch aanleiding tot
rampzalige misverstanden, doordat de mensen, en zelfs een heleboel geleerden,
onwillekeurig gaan denken dat de wetenschappelijke werkelijkheid samenvalt met
de èchte. Zij behoort er wel mee overeen te stemmen, maar dat is iets ànders
dan ermee samenvallen. Een goede landkaart stemt nauwkeurig overeen met het
gebied dat hij in kaart brengt, maar hij valt niet met dat gebied samen! De
kaart, oftewel de formule, is volstrekt iets anders dan het echt bestaande
gebied, dit wil zeggen: de realiteit.
Eigengereide filosofen
Eigenlijk is tussen filosofen onderling geen discussie mogelijk, net zomin
trouwens als tussen kunstenaars. Dat wordt door de moderne mensen heel jammer
gevonden, men ziet het zelfs als een ernstig tekortschieten van die filosofen
en kunstenaars. Omdat evenwel de modernen onder hen ook graag voor vol willen
worden aangezien laten zij zich grotelijks meeslepen met het gangbare gedoe en
beijveren zij zich om in publicaties, discussies, disputen en dialogen hun
partij mee te blazen. Maar voor de goede verstaander is het louter holle wind,
geraas aan de vensters. Er komt noodzakelijkerwijs nooit iets goeds uit voort,
tenzij je het immer voortdurende gewauwel over hun problemen met het o zo
moeilijke vak als iets goeds wilt waarderen...
Kunstenaars moeten natuurlijk al helemaal hun mond houden. Laten zij hun vak
uitoefenen en niet zeuren! En de filosofen kunnen en moeten niets anders doen
dan hun waarheden verkondigen zonder daarbij acht te slaan op tegenspraak. Dat
klinkt inderdaad erg eigengereid! Wat dat betreft moet met nadruk gesteld
worden dat het dat ook tenvolle is! Het kunstenaarschap en de filosofie zijn
beide geworteld in strikt individuele menselijke verhoudingen en vermogens. Het
heeft bij alle twee alles te maken met 'de werkelijkheid als beeld', zoals die
zich binnen het individu ervaren laat.
Psychisch meetrillen
Naar buiten toe valt er niets te bediscussiëren. Het in de medemens eventueel
optredende psychische 'meetrillen' gaat in feite geheel buiten de kunstenaar en
filosoof om. Ook voor die medemens is het geen kwestie van discussie, maar een
kwestie van het ondergaan ervan. Dat kan in die medemens van alles teweeg
brengen en het kan filosofisch zelfs de deur openen naar nieuwe gebieden en tot
nieuwe inzichten leiden. Maar nog steeds heeft de filosoof, evenals trouwens de
kunstenaar, daar geen boodschap aan, zelfs niet de kunstenaar die het direct
van zijn publiek moet hebben, zoals bijvoorbeeld de musicus en de toneelspeler.
Je doet gewoon wat je te doen hebt en de vraag waardoor het komt dat het
publiek reageert blijft onbeantwoord omdat het daarbij gaat om het mysterie van
het volslagen onvoorspelbare meetrillen van de psyche van de een met die van de
ander.
Descartes
Er zijn nogal wat filosofen, vooral zogenaamd post-moderne, die Descartes
(1596-1650) verwijten dat hij zijn uitspraak "Ik denk, derhalve ben ik
er" wel wat al te letterlijk opgevat heeft. Hij heeft namelijk alles, maar
voornamelijk de filosofie, teruggebracht tot wat hij zelf is. Hij heeft de
gehele werkelijkheid beschouwd als het resultaat van zijn eigen denken. En dat
houdt bijgevolg ook in dat de werkelijkheid in principe te begrijpen is, louter
op grond van en met behulp van het eigen denken. Dat nu is iets waar moderne
filosofen niets van moeten hebben!
Elkaar iets wijsmaken
Al vaak heb ik gewezen op de samenhang van analytisch denken en de cumulatie
van kennis. Gewezen heb ik op de leerprocessen die in feite alleen maar leiden
tot een citeercultuur. En ik heb gesproken over het diepgewortelde wantrouwen
tegen het persoonlijke kenvermogen en het volslagen misplaatste vertrouwen in
al datgene dat zogenaamd objectief kenbaar zou zijn. Ik heb steeds gewaarschuwd
voor de onvermijdelijke vervreemding
die het gevolg is van het almaar in vol vertrouwen aanvaarden van kennis die
van buitenaf aangereikt wordt door deskundigen. Niet omdat die deskundigen er
met de pet naar zouden gooien, maar omdat informatie nimmer op grond van louter
de status van de betreffende informant als vanzelfsprekend ware informatie mag
worden beschouwd. Informatie dus die zomaar zonder meer tot een vermeend eigen
zeker weten kan worden omgezet. Alle informatie, ook die op zichzelf juist is,
wordt je 'wijsgemaakt'. Daaraan is een heel proces aan vooraf gegaan, namelijk
van aanpassing aan de op dat moment geldende wetenschappelijke criteria.
Al op jonge leeftijd wordt de scholieren ingeprent wat als juist moet worden
gewaardeerd en op grond van welke criteria dat moet geschieden. Meestal klopt
in de Westerse cultuur een en ander wel, maar zodra het over zaken gaat die
zich niet laten meten en berekenen worden de criteria uiterst dubieus.
Een voorbeeld van dit laatste is het gescharrel van de orthodoxe en
evangelische christenen met de evolutietheorie, met de euthanasie, abortus,
homofilie en dergelijke. Men komt dan met argumenten die kant noch wal raken,
maar de christelijk opgevoede kinderen zijn inmiddels al zó geraffineerd
geprogrammeerd dat zij geheel en al bereid zijn de meningen van hun opvoeders
in goed vertrouwen voor waar te houden, helaas..!
Denken in begrippen, zie aflevering 11 , 16, 17 , 18, 19
=========================================================
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26
Objectief en subjectief
Steeds weer kun je je erover verbazen dat de moderne denkers, die toch
uitblinken in het zoeken van 'problemen', zich niet of nauwelijks bezig houden
met de paradoxale kwestie van 'subjectiviteit' en 'objectiviteit'. Zouden zij
dat wel doen, dan zouden zij misschien bemerken dat onze analytische cultuur
een merkwaardige draai aan die zaak gegeven heeft. Het blijkt dat datgene dat
volgens die cultuur 'subjectief' moet heten en dat bijgevolg geen universele
waarheid zou kunnen bevatten, nu juist de enige bron van 'objectieve kennis'
is, terwijl wat als objectief beschouwd wordt onvermijdelijk een subjectieve
waardering en een persoonlijk vertrouwen in gekwalificeerde zegslieden
vooronderstelt.
Alle kennis die thans 'objectief' genoemd wordt is, hetzij door eigen ervaringen,
hetzij door mededelingen van anderen, tot ons gekomen en doordat wij er vanaf
onze vroegste jeugd op geprogrammeerd zijn bepaalde kennis wel en andere niet
voor waar te houden, hebben wij in die kennis vertrouwen leren stellen. Dat
betekent dus dat juist die zogenaamd 'objectieve', wetenschappelijk betrouwbaar
bevonden, kennis door en door subjectief is, een begrip dat uiteraard duidt op
afhankelijkheid van iets anders, zoals bijvoorbeeld van bepaalde afspraken en
conditioneringen.
Het ligt in de logica dat het merendeel van onze kennis tot die zogenaamd
'objectieve' kennis behoort. Kennis dus die op wetenschappelijke gronden
betrouwbaar geacht wordt. Dat is op zichzelf best in orde, alleen al vanwege
het feit dat de mens geen andere bruikbare kennis ter beschikking staat.
Maar, het wordt wel tijd dat wij leren inzien dat die kennis niet zonder meer
overeenkomt met datgene dat, bijwijze van de werkelijkheid als beeld, in
onszelf als waarheid kenbaar is. Of die zogenaamd 'objectieve' kennis nu juist
is of niet, het is onvermijdelijk een zaak die ons wezenlijk vreemd is, en wel
omdat hij afhankelijk is van de toevallige omstandigheden die onze
persoonlijkheid bepalen.
Dat wat de 'werkelijkheid als beeld' ons leert is in feite iets wat nu juist
niet bepaald wordt door de toevallige structuur van onze persoonlijkheid. Die
werkelijkheid is precies zoals ze is en als zodanig leeft ze in alle mensen en
eigenlijk is zij nu juist 'objectief'. In hoeverre de kijk van de mensen op die
werkelijkheid vertroebeld is - vrijwel zonder uitzondering door inwerkingen van
de cultuur - is een andere zaak. Dat uit te zoeken is een essentiële opdracht
van de filosofie, maar nog steeds zullen slechts weinigen dit beamen...
De denker en de filosofie
Het is altijd moeilijk en gevaarlijk het denken van anderen te beoordelen. Een
oordeel over de gang van zaken bij het huidige denken is in het algemeen heel
goed mogelijk, omdat dit oordeel gevormd kan worden door enerzijds inzicht te
verkrijgen in het wezen van onze cultuur en anderzijds door te letten op de min
of meer willekeurig en per ongeluk gedane uitspraken van denkers zowel als van
alledaagse leken. Wat dit betreft zijn de welbewuste uitspraken van
intellectuelen nauwelijks relevant, omdat die onvermijdelijk op gangbare
opvattingen berusten en als zodanig geen inzicht kunnen geven in wat er
werkelijk aan de hand is.
Om inzicht te krijgen in het denkwerk van een bepaalde denker is het
noodzakelijk om een uitvoerige studie ervan te maken. Maar helaas is juist zo'n
studie als het ware een uitnodiging tot verkeerd begrip. Doordat namelijk het
geschreven woord het enige referentiekader biedt zijn er geen alternatieve
verklaringen en toelichtingen mogelijk en een discussie met bedoelde denker, om
duidelijkheid te verkrijgen, is al helemaal uitgesloten.
Het min of meer gelukkig gekozen woord van de te bestuderen denker is in een
geschrift alles bepalend en vanzelfsprekend is dat een ernstige handicap. In de
praktijk van de filosofie blijkt dat dan ook telkenmale: de een haalt er dit
uit en de ander dat en wat er werkelijk bedoeld is blijft in het ongewisse.
Het is aannemelijk dat Descartes (1596-1650) destijds heel goed begrepen heeft
dat de filosoof de waarheid alleen maar in zichzelf kan vinden en dat zijn
denkwerk daardoor noodzakelijk uitmondt in een persoonlijk verhaal. Dat laatste
echter is bepaald geen goede reden om de zaak dan maar als onbruikbaar,
onbetrouwbaar en willekeurig te kwalificeren. En het getuigt al helemaal van
filosofisch onbenul als men denkers als Descartes arrogantie, eigenwijsheid en
zelfoverschatting gaat verwijten. Je verwijt toch ook Rembrandt niet dat hij
zijn kunstwerken vanuit eigen inspiratie en inzichten schiep en daarbij voor
zichzelf zeker was over de vraag hoe zijn kunstzinnige werkelijkheid er uit zou
moeten zien. Hij wist zeker: zoals ik het doe, zo is het en zo moet het! En
uiteraard is dat een zekerheid die evenzeer voor andere kunstenaars geldt: ook
Frans Hals kon met evenveel recht dezelfde uitspraak doen. Mozart geeft ons in
zijn eigen, strikt persoonlijke, muziek een verklanking van de werkelijkheid.
Maar hoewel van Mozart is het tegelijkertijd een verklanking van 'de'
werkelijkheid.
Zo is de filosofie van Descartes, hoewel het uitsluitend en alleen maar zijn
verhaal is, onmiddellijk ook 'de filosofie', in die zin dat het de poging is
vanuit de 'werkelijkheid als beeld' te beschrijven hoe het zit. Daarbij heeft
Descartes niets aan het geleuter van anderen, de waanwijsheden van de dag en de
per definitie op macht beluste ideologieën. Maar hij heeft ook niets aan de
'waarheden' van de wetenschappers. Hij kan slechts bij zichzelf te rade gaan.
Hij mòet bij zichzelf te rade gaan!
Discussie over atheïsme
Al eerder heb ik opgemerkt dat er tegenwoordig steeds vaker negatief gereageerd
wordt op het atheïsme. Dat komt uit een onverwachte hoek: het merkwaardige is
namelijk dat die reacties niet komen van de zijde van de gelovigen, van wie
zoiets volkomen normaal zou zijn, maar juist van de kant van diegenen die je
min of meer als je geestverwanten zou beschouwen: wetenschappers, filosofen,
humanisten, journalisten en kunstenaars. De oorzaak daarvan is niet in de
eerste plaats dat die geestverwanten eigenlijk in de verte toch nog gelovig
zouden zijn, maar de reden is dat atheïsme een niet mis te verstane stellige
uitspraak inhoudt. De uitspraak namelijk dat god volstrekt niet bestaat. De
atheïst kent geen twijfel als het over boven- en buitenmenselijke spirituele
machten gaat: die bestaan niet!
Dat is niet alleen maar een botte ontkenning, zoals de term a-theïsme doet
vermoeden, maar het is vooral een bevestiging van een resultaat van nadenken.
Dat resultaat houdt in het kort in dat buiten- en bovenmenselijke geesten niet
bestaan omdat ze niet bestaan kùnnen.
Als de atheïst gevraagd wordt zijn uitspraken te staven doet hij er dan ook
goed aan geen poging te wagen de mening van gelovigen te bestrijden door te
proberen te bewijzen dat hun uitspraken inzake het bestaan van goden niet
kloppen. Die te bestrijden is een vruchteloze zaak die al door menigeen
tevergeefs gepoogd is. Dat loopt onvermijdelijk uit in een tweestrijd van ja en
nee, waarbij men niet meer naar elkaar kan luisteren. Het is in de praktijk
nooit gelukt er zelfs maar een enigszins redelijke discussie van te maken.
Goden als onvolwassen voorstellingen
Wat de atheïst te doen staat is te laten zien, aannemelijk te maken, dat er
geen goden kùnnen zijn. Hij gaat er daarbij niet van uit dat hij een bewering
van iemand anders zou moeten weerleggen, wat helaas in die vervelende term
atheïsme besloten ligt, maar hij gaat van zijn eigen min of meer heldere
begrijpen van de werkelijkheid uit om tot de slotsom te komen dat geloven in
buiten- en bovenmenselijke geesten onzin is.
Hij kan daarvan zeker zijn omdat hij te weten is gekomen hoe de zaak nu wèl in
elkaar zit: buiten- en bovenmenselijke geesten blijken voorstellingen binnen
het eigen zelfbewustzijn van de mens te zijn. Dergelijke foute voorstellingen
komen in de mensen voor zolang zij in hun ònvolwassenheid nog niet begrijpen
dat hun mens-zijn door een niet-materiële factor bepaald wordt. Zolang dat
onbegrip er is verkeren zij in de illusie met iets bovenaards van doen te
hebben.
Nu blijkt dat het niet zozeer deze conclusie is die moderne geestverwanten van
de atheïst tegen de haren instrijkt, maar dat hen de zekerheid ervan stoort.
Zij vinden dat je nergens zeker van kunt zijn, omdat volgens hun moderne denken
telkens weer blijkt dat alles wezenlijk betrekkelijk is. Dus wordt aan die
zekerheid van de atheïst als vanzelfsprekend de consequentie verbonden dat hij
wel onverdraagzaam
en dogmatisch mòet zijn.
De feiten lijken die geestverwanten gelijk te geven: de atheïst wijst het
geloof en de godsdienst radicaal af. Sterker nog: hij vindt dat geloof en godsdienst
levensgevaarlijke wanen zijn. En omdat hij dat vindt neemt men voetstoots aan
dat hij ook wel zal vinden dat die waan doorbroken moet worden door de mensen
het geloof af te nemen en de godsdienst te verbieden. Dit nu is een onterechte
en zelfs onrechtvaardige beschuldiging.
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26
=========================================================
Aflevering nr. 21, d.d. 17
juni 2002.
FILOSOFISCHE INVALLEN
door JAN
VIS
filosoof
Neem ook
eens nota van: Hoe zit het nou met
god..?
Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2 STELLIGE UITSPRAKEN - zie 18
, 21 en 22
Verbieden van de godsdienst
In tegenstelling tot wat veelal beweerd wordt zijn de atheïst en de vrijdenker
er helemaal niet op uit de mensen hun godsdienst af te nemen. Zij zijn er ook
niet op uit de godsdienst te verbieden, zij zijn immers geen Lenin of een
Stalin! Twee argumenten zijn voor deze houding aan te voeren: ten eerste heeft
de atheïst het recht niet iemand iets af te nemen, of dat nu iets materieels of
ideëels is. Dus betwisten de vrijdenker noch de atheïst de mensen het recht er
een godsdienst op na te houden. Dit argument is universeel van karakter omdat
het slaat op het begrip 'recht' zoals dat van alle tijden en van alle mensen
is. Bovendien begrijpen de vrijdenker en de atheïst hoe het komt dat mensen
godsdienstig zijn. Maar zij hebben, net als iedereen, natuurlijk wel het recht
de godsdienstige voorstellingen en opvattingen op hun intellectuele verdiensten
te toetsen, precies zoals zij dat met hun eigen opvattingen gewend zijn te
doen. En vervolgens hebben zij ook het recht om vrijelijk van hun bevindingen
kond te doen.
Het tweede argument is dat dergelijke zaken zoals de godsdiensten zich niet
laten afschaffen, verbieden of afnemen. Dat komt doordat zij wezenlijk bij de
mens behoren, dat is te zeggen: bij de alsnog ònvolwassen mens. Dat betekent
natuurlijk niet dat iedereen, die qua ontwikkeling nog tot de onvolwassen
mensheid gerekend moet worden, per se godsdienstig moet zijn. Maar zelfbewust
atheïsme behoort logischerwijs wel tot de uitzonderingen. Regel is de een of
andere vorm van godsdienstigheid. Die, overigens zelden herkende en begrepen
regel, is er de oorzaak van dat de godsdienstigen hun wanen normaal vinden en
een ieder voor gestoord houden die er afwijzend tegenover staat. Op grond
daarvan eisen zij met grote zelfverzekerdheid het recht op voor iedereen de
moraal en de leefregels te bepalen. Bovendien is die regel oorzaak van het
merkwaardige verschijnsel dat in de discussie als vanzelfsprekend van atheïsten
verwacht wordt dat zij aan tonen dat god niet bestaat, terwijl de godsdienstigen
nimmer bereid zijn te staven dat volgens hen god wèl bestaat. Sterker nog: zij
zijn doorgaans diep beledigd als je de bewijslast bij hen legt, wat op zichzelf
volstrekt redelijk zou zijn.
"De hele kosmos wijst toch op het bestaan van iets hogers, dat ziet toch
ieder normaal mens! Hoe diep moet iemand gezonken zijn om van een godsdienstige
nog een bewijs daarvoor te verlangen!"
Dat zijn uitroepen die je regelmatig tegenkomt, zeker als je als atheïst op de
voorgrond treedt.
Florerend geloof
Dank zij de binnen het hedendaagse relativistische denken populaire mening dat
er niets zeker is, floreert in de moderne maatschappij het geloof meer dan
ooit. Het wordt namelijk steeds meer serieus genomen als een zinvol stelsel van
normen en waarden en als zodanig wordt het aanvaard en gerespecteerd als een
zinvolle morele mogelijkheid. Alom bemerk je: het geloof màg weer! "Ieder
het zijne" is de kreet die daarbij geslaakt wordt. Dat
lijkt te getuigen van grote tolerantie, maar in feite is het onmiskenbaar een
uiting van betreurenswaardige intellectuele lafheid. Men verbloemt daarmee namelijk het eigen
onvermogen en de eigen geestelijke luiheid om nu eens wèrkelijk door te denken
op het thema van geloof en godsdienst. En men verschuilt zich achter zogenaamde
tolerantie en redelijkheid. Maar intussen ontkracht men de door allerlei
moedige 'ketters' met veel opofferingen, moeite en strijd veroverde geestelijke
vooruitgang en maakt wederom de weg vrij voor een nog grotere invloed van de
godsdiensten. Een invloed die buitengewoon gevaarlijk is omdat hij zich veel
meer dan voorheen in het verborgene gelden laat, toen de dominee en de pastoor
het nog voor het zeggen hadden. Want behalve in de collectivistische Islam opereren de godsdienstigen
nauwelijks meer in groepsverband.
Daarom: het klopt als vrijdenkers en atheïsten verheugd constateren dat de
godsdiensten bezig zijn te verdwijnen. Maar de daaraan gekoppelde mening dat
het aan de godsdienst ten grondslag liggende 'geloof' eveneens op de terugweg
zou zijn klopt ten enen male niet. De enorme aantallen leden van onder andere
de Evangelische Omroep en de onvoorstelbare groei daarvan, de deelname aan
allerlei evangelisatie bewegingen en daarnaast de aanhang van allerlei vreemdsoortige
occulte toestanden en theorieën spreken wat dit betreft een duidelijke taal.
Het geloof is bezig steeds meer een zaak van de mens als individu te worden. Al
die hedendaagse bewegingen richten zich tot de individu en van een hecht
collectief, zoals vroeger een kerk, is vrijwel geen sprake meer. En juist als
individu laten de 'nieuwe' gelovigen zich geducht gelden, op de plaats namelijk
waar zij 'door god gesteld' zijn: in de scholen, de wijken, de hulpverlening
enzovoort. Daarbij doen zij zich voor als neutraal, openbaar en
onconfessioneel, maar intussen is het toch hun persoonlijke geloof dat hun
gedrag bepaalt, meer nog en indringender dan vroeger toen de dominee en de
pastoor dat deden. En, als het even kan, moet het ook dat van anderen bepalen,
die er eigenlijk niets van moeten hebben...
Hierbij moet overigens opgemerkt worden dat eenzelfde omstandigheid voor een
goed deel het succes van de Islam verklaart. Ondanks al zijn morele stugheid appelleert
die heel geraffineerd aan de individuele gelovige, maar dan wel voorzover die
met zijn individualiteit nog geen raad weet en daardoor verlangt naar de
geborgenheid van het collectief, al is het dan een collectief dat formeel geen
interne hiërarchie kent.
De activiteiten van die nieuwe gelovigen zijn evenwel niet te neutraliseren
door opnieuw te streven naar maatgevende overkoepelende collectieven. De zaak
ontsnapt daar geheel en al aan. Slechts de individuele benadering kan enigszins
een dam opwerpen tegen de aanwassende invloed van het geloof. Maar, omdat die
benadering een filosofisch doordenken van de werkelijkheid vooronderstelt is er
ook hiervan in de praktijk niet veel te verwachten. Blijft over de hoop en het
vertrouwen dat het dagelijkse leven ook deze persoonlijk getinte waan zal
uithollen...
Stellige uitspraken
Volgens de filosofie, althans de autonome, kunnen goden en andere geesten niet
bestaan. Dat is, binnen het kader van die filosofie, een duidelijke en
volstrekt zekere zaak. Maar de meeste gangbare filosofieën komen niet verder
dan een agnostisch standpunt: men weet het niet en men wil het niet weten.
Hoewel de argumenten en de gedachtegangen van de autonome filosofie verschillen
van die van de theologie, waarbij men welbeschouwd nauwelijks van 'argumenten'
en 'gedachtegangen' kan spreken, is het resultaat van beide activiteiten in
zoverre overeenkomstig dat er stellige uitspraken gedaan kunnen worden. De
filosoof zegt "nee-god" en de theoloog daarentegen
"ja-god". Maar de agnostische filosoof stamelt bedeesd "weet-niet-god",
wat welbeschouwd "ja-god" betekent.
Je zou kunnen zeggen dat ieder het voor zich moet weten, ware het niet dat het
denken van de mensen ook nog maatschappelijke consequenties heeft. Van de
theologisch denkende mensen, de godsdienstigen dus, is bekend dat zij, denkende
vanuit een absolute macht, hun moraal, normen en waarden beschouwen als voor
een ieder geldig, godsdienstig of niet. Op grond daarvan kunnen regelingen
rechtmatig van iedereen afgedwongen worden, zo vinden zij. En zij handhaven die
mening ook in een democratisch bestel, hetgeen ertoe leidt dat zij elke weg
geoorloofd vinden om een theologisch verantwoord maatschappelijk doel te
bereiken. Dat komt in een moderne maatschappij bijna altijd neer op de behoefte
en de wil om iets te verbieden, zoals bijvoorbeeld het recht van de vrouw op
abortus en het algemeen menselijk recht op euthanasie.
De autonome filosofen zijn inderdaad absoluut zeker van de afwezigheid van
boven- en buitenmenselijke verschijnselen, maar zij leiden uit die zekerheid
geen enkele vorm van macht af. Trouwens, genoemde afwezigheid kan op zichzelf
al niet tot het toekennen van macht leiden! Zij zijn dus wel van mening dat
alle godsdienstigen het bij het verkeerde eind hebben en bovendien in een waan
gevangen zitten, maar zij kunnen en willen niets anders doen dan dit feit
constateren. Alleen al dat constateren maakt hen intussen uiterst waakzaam. Als
zij namelijk geconfronteerd worden met tirannie van godsdienstigen die hun wil
wèl willen doordrijven, maken zij daartegen front en plegen radicaal verzet.
Zo niet de agnosten. Dezen zien geen andere mogelijkheid dan 'in gesprek' te
gaan, 'als gelijkwaardigen om de tafel te gaan zitten' en 'met elkaar tot
overeenstemming te komen'. Die ronde is natuurlijk al bij voorbaat verloren,
zelfs als de godsdienstigen, redelijk en democratisch als altijd(!), een beetje
water in de wijn doen. Zouden zij echter niet godsdienstig geweest zijn, dan
zouden er helemaal geen tirannieke wensen op tafel gelegen hebben, zodat er
helemaal niets zou zijn doorgedrukt...
Toevoeging uit Geen God, wat dan? : Vanuit het ongeloof (in de
zin die ik er aan geef, Jan Vis) komen wij in de discussie met gelovigen niet
verder dan een compromis: “de godsdienst is een privaatzaak". Hoewel dit
op zichzelf juist is - ieder moet toch voor zichzelf weten wat hij scharrelt in
zijn denken - is het natuurlijk niet de zaak waarom het gaat. Hoewel ieder het
voor zichzelf maar moet uitzoeken, is het toch zo dat godsdienst en
geloof onzin zijn. De argumenten voor deze zaak vinden wij niet in de discussie
over geloof en ongeloof, maar in de discussie over ”De Werkelijkheid” (zie het hoofdwerk Beweging
en Verschijnsel van Jan Vis, creatief filosoof) Rob van Es
Neem ook eens nota van: Hoe zit het nou met
god..?
Intellectuele lafheid-1
; Intellectuele lafheid-2 STELLIGE UITSPRAKEN - zie 18
, 21 en 22
=========================================================
Aflevering nr. 22, d.d. 2 september 2002.
FILOSOFISCHE INVALLEN
door JAN
VIS
filosoof
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26
STELLIGE UITSPRAKEN - zie 18 , 21 en 22
Niet-weten en onwetendheid
Het 'niet-weten' van de filosoof is van een geheel andere orde dan de 'onwetendheid'
die onvermijdelijk hand in hand gaat met wetenschappelijke kennis. Aan het
filosofische niet-weten is, in tegenstelling tot wat het geval is met
wetenschap, een intuïtief weten voorondersteld. Dat wil zeggen dat de filosoof,
net als de kunstenaar, een min of meer helder beeld van de werkelijkheid voor
ogen heeft.
De wetenschappelijke kennis wordt echter niet, zoals sommige betweters menen,
door de filosoof op slinkse wijze weggewerkt onder het voorwendsel dat het
allemaal maar 'verstandelijke onzin' is, maar het wordt daarentegen zorgvuldig
buiten beschouwing gelaten. En dat ondanks het feit dat de wetenschappen
terecht aanspraak maken op betrouwbaarheid. De reden hiervoor is dat
wetenschappelijke kennis onbruikbaar is voor het creatieve filosofische denken.
Wetenschappelijke betrouwbaarheid geldt 'totdat het tegendeel blijkt...'. Dat
is op zichzelf prima in orde. Wetenschap die absolute waarheden pretendeert te
kennen is qua wetenschap volstrekt corrupt. Juist zo'n wetenschap is
ònbetrouwbaar omdat zij niet laat gelden dat zij noodzakelijkerwijs slechts een
deel van de werkelijkheid kan bestuderen en daardoor steeds vergezeld wordt
door onwetendheid.
Maar, in de filosofie gaat het juist om absolute waarheden. De zaak ligt
daarbij zo kritisch dat zèlfs als het geen enkele filosoof gelukken zou om
dergelijke onbetwijfelbare waarheden boven tafel te krijgen het nog steeds zo
is dat het in de filosofie als zodanig tòch om absolute waarheden gaat. Dat is
het unieke, maar ook mooie, karakter van de filosofie.
Volgens sommigen betekent de opgave om absolute waarheden te vinden de
fundamentele onmogelijkheid van echte filosofie. Maar dan kan men er niet
onderuit daarbij te bedenken dat het in dat geval over net zoiets onmogelijks
gaat als de kunst. En het is zelfs te verdedigen de onmogelijkheid van de
filosofie te associëren met de fundamentele onmogelijkheid van het bestaan van
het verschijnsel mens zelve...
Essentiële verhoudingen
Het weefsel van verhoudingen, dat de werkelijkheid in wezen is, manifesteert
zich in tijd en ruimte als een veelheid van verschillende, wisselende en
veranderlijke feiten. Doordat die manifestaties altijd en onvermijdelijk
betrokken zijn in processen komen zij steeds in andere vormen te voorschijn.
Die veranderlijke vormen op zichzelf weerspreken de eraan ten grondslag
liggende onveranderlijke verhoudingen, zodat de mensen die al die vormen
waarnemen gemakkelijk tot foute gevolgtrekkingen kunnen komen. Alleen het
filosoferen kan hen hiervoor behoeden, niet omdat de filosofie 'de waarheid in
pacht zou hebben', zoals sommigen in hun onnozelheid menen, maar daarentegen
omdat het bij het filosoferen gaat om precies die essentiële verhoudingen. Het
kennen en herkennen van deze verhoudingen, zoals dat bij het filosoferen het geval
is, maakt de kans op het verkeerd beoordelen van de feiten aanzienlijk kleiner.
Dat filosoferen leidt dus niet tot het achterwege laten van het beoordelen van
de feiten, maar juist tot een beoordelen dat in principe volstrekt adequaat is.
Zo men van een 'taak' van de filosofie zou willen spreken zou het deze moeten
zijn: het beoordelen van de verschijnselen zoals die zich in steeds wisselende
gedaanten en relaties voordoen.
Wetenschappelijke normen
In de moderne wereld is de wetenschap de maat van alle zaken geworden. Dat is
niet een kwestie van keuze, maar het is een kwestie van onvermijdelijke
cultuurontwikkeling. Men kan daar niets aan toe of af doen. En zoals
gebruikelijk bij dit soort van ontwikkelingen, voltrekt dat proces zich
'ondergronds', zonder dat het gros van de al of niet geleerde mensen er erg in
heeft.
Onbewust leggen de mensen uit de moderne cultuur wetenschappelijke normen aan.
Dat wil natuurlijk niet zeggen dat zij zich in het leven van alledag nu zo
wetenschappelijk zouden opstellen en nog minder betekent het dat het er in de
huidige wereld wetenschappelijk aan toe zou gaan. Maar, men vindt toch dat de
wetenschap de maat is. Dat heeft wat de autonome filosofie betreft onaangename
gevolgen, want er worden almaar wetenschappelijke criteria gehanteerd als het
gaat over puur filosofische thema's. Dan raakt het naar absolute waarheden
strevende filosofische denken steevast in conflict met het wezenlijk
relativerende wetenschappelijke denken. Doordat onwillekeurig naar dit laatste
denken de sympathie van de moderne mens uitgaat wordt de filosofie
onvermijdelijk in het defensief gedrongen.
Men maakt daarbij het zoeken naar datgene dat 'morgen ook nog waar is'
belachelijk, enerzijds doordat men het voor onmogelijk houdt dat een filosoof
geheel op eigen kracht ergens achter kan komen en anderzijds doordat men niet
gediend is van stellige uitspraken. Die vindt men dan 'fundamentalistisch',
'intolerant', 'eigengereid' en men verdenkt de filosoof ervan aan een ernstige
vorm van zelfoverschatting te lijden!
Het wijsgerige inzicht dat de mens, als laatste verschijnsel, de gehele
werkelijkheid 'in zich draagt' en van daaruit die werkelijkheid kan ervaren en
beschrijven, is zo langzamerhand geheel en al verdwenen. Het heeft in de
hedendaagse filosofie plaats gemaakt voor een uitermate irritant weifelmoedig
denken dat de naam 'filosofie' geenszins verdient. Vaak ontkomt men dan ook in
het gezelschap van zich filosoof noemende lieden niet aan het gevoel temidden
van schoolkinderen te toeven.
Filosofie zonder bedoeling
Behalve het zoeken naar een antwoord op de vraag hoe het zit met de
werkelijkheid stelt de filosoof zich geen doel als hij bezig is met
filosoferen. Het gaat hem er dus niet om het een of andere bewijs te leveren,
noch de onmogelijkheid van iets, zoals god, aan te tonen. Het nagaan hoe het
zit met de werkelijkheid is een activiteit op zichzelf, precies zoals het
scheppen van kunstwerken voor de kunstenaar een zaak op zichzelf is. Komt de
filosoof dan met bepaalde uitspraken, dan geven die uiting aan inzichten die al
filosoferende zijn ontstaan. Inzichten dus die nimmer het resultaat zijn van
doelgericht door de filosoof ingesteld formeel onderzoek. De kennis waartoe
alles wat hij aan de weet gekomen is zich heeft omgezet, is hem in zekere zin
'aan komen waaien'. In ieder geval is die kennis nooit doelbewust en methodisch
gezocht.
Het filosoferen is geen ambacht dat van 9 tot 5 uitgeoefend wordt. Het is een
toestand waarin sommige mensen door een nimmer te achterhalen speling van het
lot verkeren.
Het onder woorden brengen van de verworven inzichten is echter wel degelijk een
ambacht dat pas na verloop van vele jaren enigszins wil gaan lukken...
Achter de voorstelling
Het plegen van onderzoek heeft altijd en noodzakelijk betrekking op de
voorstelling die men zich van een gedeelte van de werkelijkheid maakt. Wat men
onderzoeken wil en de methode die men daarbij volgen wil zijn toegesneden op
die voorstelling en ook de uitkomst van het onderzoek is van tevoren bepaald.
Niet dat men van tevoren weet wàt die uitkomst zal zijn, maar wel is het een
feit dat de aard van de uitkomst vaststaat. Die uitkomst kan niet plotseling en
onverwachts op iets geheel ànders betrekking hebben!
Onderzoek wordt gereglementeerd door de werkelijkheid als voorstelling. Het
blijft dan ook noodzakelijk binnen de door die voorstelling gestelde kaders,
ook als het betrekkelijk onverwachte uitkomsten oplevert.
Het filosofische nagaan van de werkelijkheid vindt plaats 'achter de
voorstelling'. Dat nagaan is niet zònder die voorstelling, maar het heeft
daarop geen betrekking. Het heeft daarentegen betrekking op hetgeen zich aan
die voorstelling afspiegelt. Omdat dit het geval is kan de filosofie uitspraken
doen over de werkelijkheid zelf, terwijl uitspraken naar aanleiding van
onderzoek onvermijdelijk iemands voorstelling 'verklaren'. Gevolg van dit
laatste is dat die uitspraken tijdelijk en plaatselijk geldig zijn. Zij zijn,
als het goed is, voor het hier en het nu betrouwbaar en dus zijn ze ook
bruikbaar in de situatie waarin men zich bevindt.
De bruikbaarheid van filosofische uitspraken is vrijwel nul, behalve als het er
om gaat realistisch in de wereld te staan en niet overgeleverd te zijn aan
allerlei onzin.
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26
STELLIGE UITSPRAKEN - zie 18 , 21
en 22
=========================================================
Aflevering nr. 23, d.d. 7 oktober 2002.
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26
Objectiviteit als toevallige voorstelling
Vrijwel iedere moderne filosoof staat afwijzend tegenover het leren begrijpen
van de werkelijkheid als dat louter vanuit de eigen intellectuele mogelijkheden
beoefend wordt. Alleen al de gedachte dat het mogelijk zou zijn er geheel op
eigen kracht achter te komen hoe het zit wordt met misprijzen begroet. Men is
er zeker van dat er 'objectief' onderzoek gedaan moet worden, zowel ter
verifiëring van persoonlijke waarnemingen als ter vergelijking van die
waarnemingen met die van anderen. Zoals steeds wordt 'objectiviteit'
gelijkgesteld met de universele waarheid, althans met de weg daar naar toe.
Maar dat is ten ene male fout!
Er zijn tegenwoordig zelfs al filosofen die zich bezig houden met formeel
wetenschappelijk onderzoek, bijvoorbeeld op het terrein van de sociologie, de
geschiedenis, de natuurkunde, de politiek en vele andere disciplines. Wat dit
met filosofie te maken heeft is volstrekt onduidelijk. Zelf voorzover men meent
uit de resultaten filosofische conclusies te kunnen trekken heeft men het bij
het verkeerde eind: het leidt noodzakelijkerwijs niet tot inzicht in de
werkelijkheid maar tot een theorie - in het beste geval.
De eigenlijke definitie van filosofie, namelijk het uitzoeken hoe het zit met
de werkelijkheid, lijkt weliswaar op het eerste gezicht voor de bedoelde
moderne filosofie op te gaan, maar bij nadere beschouwing blijkt dat geenszins
het geval te zijn: men vraagt slechts naar de samenstelling van bepaalde
verschijnselen. Het antwoord op die vraag wordt abusievelijk beschouwd als
juiste kennis omtrent de werkelijkheid, maar het is niet meer dan een voorstelling
die volledig gebonden is aan de toevallig heersende cultuur en aan de persoon
die zich ermee bezig houdt. Die voorstelling heeft dus betrekking op tijd- en
plaatsgebonden verschijnselen, maar dat is precies het tegendeel van datgene
wat de filosofie werkelijk beoogt: een universele beschrijving van de
werkelijkheid.
Filosofie, kunst en wetenschap
Eigenlijk is de gedachtegang heel eenvoudig. Voor het laatste verschijnsel
geldt dat het universum er niet alleen materieel in aanwezig is, maar ook
niet-materieel, namelijk als een voorstelling in het zelfbewustzijn. Dat houdt
logischerwijs ook in dat de werkelijkheid als bewustzijn eveneens binnen dat
zelfbewustzijn is komen te liggen. Dat laat zich ervaren als een 'beeld' dat
zich aan die voorstelling afspiegelt. Het straalt er als het ware doorheen.
Een en ander betekent dat de mens als zijnde het laatste verschijnsel de gehele
werkelijkheid in concreto en wezenlijk kan kennen. Daarbij heeft hij niets
anders nodig dan alleen maar zichzelf. Enerzijds richt hij zich daarbij op de
voorstelling als zodanig, waarbij hij steeds meer en steeds efficiënter
werktuigen ontwikkelt. Dat zijn de gereedschappen die hij gebruiken moet om de
verschijnselen te onderzoeken.
Dan heb je te doen met de mens als wetenschapper.
Anderzijds richt hij zich op genoemd beeld. Daarbij kan hij helemaal geen
gereedschappen gebruiken, omdat dat beeld òngrijpbaar is. Een afspiegeling is
nu eenmaal niet aan te vatten.
Men kan de zaak wel benaderen en typeren, zoals dat gebeurt in de kunsten. Men
kan hem ook nagaan en dat gebeurt in de filosofie. Er is dus kunst en filosofie
en daarnaast is er wetenschap. Die eerste twee hebben niets met de wetenschap
te maken en omgekeerd. Dat betekent dat de kunstenaar en de filosoof wat betreft
de uitoefening van hun vak geen boodschap hebben aan de wetenschapper en diens
kennis, terwijl deze laatste geen boodschap heeft aan de twee eersten.
Omdat echter in onze moderne cultuur de wetenschappen zonder meer dominant zijn
leggen haar beoefenaren hun eigen wetenschappelijke criteria ongegeneerd op aan
niet alleen de filosofen en de kunstenaars, maar feitelijk aan iedereen. Men
laat zich dat overigens maar al te graag welgevallen, vanuit de onnozele
behoefte voor vol te worden aangezien!
Valse pretenties
In feite gedragen de wetenschappers zich als aanhangers en vertegenwoordigers
van een godsdienst. Net als priesters pretenderen zij te weten hoe het zit en
tevens verbeelden zij zich als enigen het recht te bezitten om de dingen te
onderzoeken. Ook al erkennen de meeste wetenschappers het voorlopige karakter
van hun kennis, dan nog eisen zij exclusief voor zichzelf de enige, objectieve,
juiste en algemeen geldige waarheid op. Elke andere waarheid wordt bij voorbaat
en zonder pardon àfgewezen. Zij gaan daarmee in de praktijk zelfs nog verder:
als iemand voor het verwerven van inzicht in de werkelijkheid niets van doen
wil hebben met die wetenschappelijke waarheid, deugt hij volgens
hen niet. Hij is dan beslist een tobberd die met zijn wereld en zichzelf geen
raad weet en die tot overmaat van ramp niet in de gaten heeft zich op een
doodlopende weg te bevinden...
Voeg daar nog bij het onvoorwaardelijke geloof dat de wetenschap opeist in de
eigen uitspraken en de gelijkenis met een godsdienst is onmiskenbaar. Bijna
iedereen wil maar al te graag als gelovige erkend worden, ook al omdat er
eigenlijk geen keus is. God duldt niets anders naast zich, dus men moet wel.
Het gros van de kunstenaars en filosofen buigt zonder mankeren het hoofd voor
deze wetenschappelijke godheid. Dat leidt er onder andere toe dat men het meest
wezenlijke deel van het menselijk kenvermogen afwijst of op zijn minst
verwaarloost, met alle tragische gevolgen van dien.
Totalitaire stelsels
Men zou zich erover kunnen verbazen dat mensen zo lange tijd kunnen accepteren
onderworpen te zijn aan een totalitair stelsel zoals het
modern-wetenschappelijke. Totalitair is elk stelsel dat geen plaats biedt aan
àlle individuen, in die zin dat er voor hen letterlijk geen plaats onder de zon
is. De essentiële vraag op welke manier en in welke hoedanigheid de
verschillende individuen het recht hebben er te zijn komt niet eens aan de
orde. Hoe dan ook, men màg er eenvoudigweg niet zijn. Welbeschouwd is dat ook
nog hypocriet en dubbelhartig want het belet de heersende klassen niet om die
niet-aanwezige mensen genadeloos voor hun profijt te misbruiken.
Primitief individualisme
Zelfs in niet-totalitaire staten is de mens feitelijk afwezig. Als onderdeel
van bijvoorbeeld een democratisch collectief heeft immers geen enkel mens het
recht volledig naar de eigen bijzondere identiteit aanwezig te zijn, als mens
mee te tellen. Inderdaad telt men wel 'mensen' en men noemt ze wel allemaal bij
name, maar zij gelden desondanks niet wezenlijk als authentieke mensen. Zij
gelden steeds als wat ànders! Vaak zijn zij leveranciers van energie en kunnen
zich een ongeluk sjouwen, dan weer gelden zij als machines die bepaalde
handelingen kunnen verrichten en ook mogen zij bij gelegenheid dienen om te
sneuvelen voor het collectief dat voor die gelegenheid liefkozend 'het
vaderland' genoemd wordt. Zo zijn er velerlei mogelijkheden, maar nooit gaat
het om mensen.
In feite is bij dit soort zaken het begrip 'individu' de sleutel tot het
begrijpen ervan. In grove trekken heb ik hierboven situaties geschetst waarin
niemand naar zijn ware aard kan en mag gelden, namelijk naar zijn unieke
individuele kwaliteit. In die maatschappelijke situaties geldt er voor de mens
steeds iets anders en dat andere staat onvermijdelijk ten dienste van een
bepaalde bovenlaag die niet alleen de dienst uitmaakt, maar die vooral zichzelf
beschouwt als de enige echte mensheid.
Inderdaad zijn de leden van zo'n bovenlaag in principe individuen. Maar dit
heeft kwalitatief niet veel om het lijf omdat de zaak nauwelijks een zinvolle
inhoud heeft. Zinvol is elke inhoud die authentiek is en die niet gedwongen is
zich naar van buitenaf opgelegde waarden te voegen. Dat betekent voor de
bedoelde bovenlaag dat zij een uitermate primitieve individualiteit bezit. Kenmerk
daarvan is dat de medemens alleen maar meetelt voorzover die op de een of
andere manier gebruikt kan worden om de eigen onafhankelijkheid te bevorderen,
bijvoorbeeld door bepaalde arbeid te verrichten.
Dat gebruiken van de ander wordt door die primitieve individualisten gewoonlijk
voorgesteld als iets liberaals. Het liberale is dan hierin gelegen dat de ander
de formele vrijheid heeft zich eveneens als onafhankelijk individu op te
stellen, wat natuurlijk tot op heden voor de meeste mensen volstrekt onmogelijk
is.
Een werkelijk liberale levenshouding leidt tot de erkenning dat de medemens het
onvoorwaardelijke recht heeft om hoe dan ook in volledige zelfstandigheid
zichzelf te zijn.
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26
=========================================================
Aflevering nr. 24, d.d. 25 november 2002.
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Bladwijzer: onvermijdelijk
toeval
Een paradijs voor niet-weters
De traditionele democratie is een paradijs
voor niet-weters. Dat komt niet zozeer doordat er over alle voorkomende zaken
met elkaar gesproken moet worden, maar vooral doordat men er bij de
besprekingen bij voorbaat van uitgaat dat er compromissen gesloten moeten
worden. Dit leidt onvermijdelijk tot een onduidelijke houding waarmee men alle
kanten op kan. Standpunten worden pas dan bepaald als de besprekingen achter de
rug zijn, enerzijds besprekingen binnen de eigen gelederen om tot een
collectief uitgangspunt te komen, anderzijds besprekingen met de politieke
tegenstanders om een definitief besluit te nemen. Gedurende de gehele procedure
weet men in feite nog niet hoe men over de onderhavige zaken zou moeten denken.
Aan het einde van de rit blijkt men dan een standpunt ingenomen te hebben dat
geen standpunt is omdat bij al dat gedoe de zaak zèlf niet de maat was, maar
allerlei politieke belangen, die op iets ànders betrekking hebben.
Voor mensen met een duidelijke visie, die helemaal niet tot compromissen bereid
zijn, maar daarentegen streven naar het oplossen van de problemen is in de
traditionele democratie geen plaats. Oplossen vergt kennis van zaken, visie en
besef van verantwoordelijkheid
en vervolgens de behoefte en de bereidheid om het voorliggende probleem tezamen
met de andere deskundigen zo helder mogelijk op tafel te krijgen, opdat het voor
een ieder duidelijk zal zijn wat haar of hem te doen staat. Van water in de
wijn doen is hierbij geen sprake. De verkregen overeenstemming is gegrond op
een ieders beste weten.
Atlantisch individualisme
Steeds als er van een totalitair systeem gesproken kan worden is er
onvermijdelijk de afwezigheid van 'de' individu, dat is: de mens als individu.
In de westerse Atlantische cultuur gaat het vanaf het begin om het zich
realiseren van de mens als individu. In feite is het nooit ergens anders om
gegaan. Omdat het de aanleg van de westerse cultuurmens is was deze nooit als
individu àfwezig. Zelfs ten tijde van totalitaire experimenten, zoals daar
waren het fascisme en het nationaal-socialisme, was de individu niet afwezig.
Wel was hij gewelddadig onderdrukt, maar een onderdrukte individu is nog steeds
een individu, al kan hij zich niet als zodanig manifesteren.
Doordat aan de basis van die westers Atlantische cultuur de balans meteen al
doorgeslagen was naar de individu kon de misdaad, die er natuurlijk toch
ruimschoots was, niet echt uit de voeten. Het schijnbaar paradoxale van die
cultuur is dat er steeds een felle reactie tegen de misdaad was, hetgeen er
onder andere toe leidde dat men de zaak is gaan definiëren. Dat ging zelfs
zover dat ook het gedrag van oorlogvoerende soldaten aan normen werd gebonden,
wat eigenlijk idioot is omdat oorlog voeren op zichzelf al misdadig is en
alleen maar doorgang kan vinden juist omdàt men zich niet aan normen wenst te
houden.
Hoe dan ook, de westerse Atlantische cultuur kènt wel veel misdaad, maar is
tegelijkertijd van een diepgewortelde antimisdaad gesteldheid. Dat criminelen
de samenleving in bezit nemen is in die cultuur in principe onmogelijk. Maar
voor de goede orde: men mag dergelijke criminelen niet verwarren met lieden die
wij, op grond van door ons als asociaal beoordeeld gedrag, graag 'misdadigers'
noemen. Directeuren van de Shell bijvoorbeeld zijn beslist geen misdadigers,
hoewel wij het uit hun honger naar winst en macht voortspruitende gedoe vaak
met recht als 'misdadig' kunnen waarderen.
Misdaad als begin van iets nieuws
Als totalitaire systemen instorten, en dat doen zij gegarandeerd na enige tijd,
blijft er een ratjetoe van enkelingen over die geen van allen ooit individu
zijn geweest. In het licht van het begrip 'individu' zijn het 'nietsen'.
Praktisch gesproken: voor zichzelf en voor de anderen gèlden die mensen als
'nietsen', het zijn 'waardelozen'.
Toch heeft het een positieve betekenis dat een totalitair systeem instort, want
het is een logisch gevolg van een bepaald universeel besef. Juist in die
'waardelozen' begint dat wakker te worden, het gevoel namelijk dat zij tot nu
toe geen individu geweest zijn, maar dat dit wel voor hen zou moeten gelden.
Dat is te duiden als het eerste moment van de ontwikkeling tot de mens als
individu. Het is duidelijk dubbel, want deze mensen balanceren op de grens van
wel en niet individu zijn.
Als dat besef dat zij eigenlijk 'individu' zouden moeten zijn zich gaat laten
gelden manifesteert zich als eerste het begrip 'misdaad'. Dat behoeft niet per
se misdaad in juridische zin te zijn. Het gaat er om dat de ene mens zich tegen
de andere gaat afzetten, zijn bestaan gaat ontkennen. De basissituatie van de
mens als 'ik' is immers dat die 'ik' zich opstelt als 'niet de ander', hetgeen
inderdaad betekent dat het bestaan van die ander wezenlijk ontkend is.
De voormalige totalitaire situatie zet zich nu voor de betreffende mensen om in
iets positiefs. Niet in de gebruikelijke morele zin, maar zo dat het niet
aanwezig zijn het uitgangspunt wordt van een nieuwe ontwikkeling. Hoewel dit
niet uit kan blijven en als zodanig als een vooruitgang aangemerkt moet worden
is er tegelijkertijd dit van te zeggen dat nu de feitelijke misdaad welig kan
gaan tieren. En dat zien we dan ook steeds gebeuren. Een bijzonder tragisch
voorbeeld is het huidige Rusland.
Onvermijdelijk toeval*
Er schijnen nog steeds denkers te zijn die tobben met de vraag of het ontstaan
van het universum gedetermineerd is of dat zij puur uit volstrekt toevallige samenlopen
van omstandigheden ontstaan is. Vooral ten aanzien van het raadselachtige
verschijnen van de mens op de planeet wordt er op een verschrikkelijk rommelige
manier heel wat gespeculeerd.
Men kan zich gemakkelijk voorstellen dat menigeen de verklaring voor dit
raadsel niet kan vinden. Vooral als men zich nooit serieus filosoferend met het
wordingsproces bezig heeft gehouden en zich bepaald heeft tot het pronken met
andermans veren, namelijk het reproduceren van in boeken en tijdschriften
aangetroffen verhandelingen.
Kan zoiets nu een argument zijn om allerlei aantoonbaar uit de lucht gegrepen
verklaringen te accepteren, zoals daar bijvoorbeeld het absurde idee is dat,
met het overal aanwezige kosmische stof, de mens 'overgewaaid' is van andere
planeten? Of ook de veelgehoorde en met veel aplomb uitgesproken mening dat de
mens een unieke 'toevalstreffer' zou zijn?
Men heeft blijkbaar nog steeds niet in de gaten dat het ontstaan van
zonnestelsels, met tenslotte ook mensen, louter en alleen op een onvermijdelijk
toeval berust. Dat wil zeggen dat in een situatie van 'tijdloze tijd' en
'ruimteloze ruimte' èlke mogelijkheid van het zich samenvoegen van materie
absoluut niet uit kan blijven. Dat moet hier of daar en zo nu en dan
noodzakelijkerwijs leiden tot de laatste mogelijkheid, de mens.
Alledaagser gezegd: waar en wanneer zoiets gebeurt is niet te zeggen, maar
zeker is dàt het gebeurt. Dat zou niet het geval zijn als er slechts een
beperkte ruimte was en een gelimiteerde tijd, maar dat is al helemaal een
ondenkbaarheid.
*Onvermijdelijk
toeval - Zie het hoofdwerk
van Jan Vis, filosoof met als link: de
verantwoording
Een chaotische janboel
De mens, als laatste voor de dag gekomen mogelijkheid, kan in principe over het
gehele wordingsproces terugkijken. Het is dan niet moeilijk te begrijpen dat
hij de indruk krijgt dat 'het allemaal zo heeft moeten wezen'. Tot op zekere
hoogte heeft hij daarin nog gelijk ook, want wat er tenslotte te voorschijn is
gekomen behoort tot de mogelijkheden die houdbaar zijn gebleken en dat wekt
inderdaad de indruk dat de hele zaak volgens van tevoren vaststaande strikte
wetten verlopen is. En dus komt de gedachte op dat de werkelijkheid
gedetermineerd zou zijn.
In feite echter was het wordingsproces in elk stadium een chaotische janboel,
een wirwar van door elkaar heen bewegende elementen, een komen en gaan van
systemen waarvan de meeste al spoedig onhoudbaar bleken en na enige tijd
instortten. Van een gericht ergens naartoe werken is geen sprake, maar het is
tegelijkertijd een feit dat in de oneindigheid van tijd en ruimte de dingen
mòeten gebeuren die kùnnen gebeuren.
Daar behoort de laatste mogelijkheid ook bij. Dat wil zeggen dat het de meest
ontwikkelde mogelijkheid is. Dat is het verschijnsel mens, het toppunt van
materiële verfijning. Hij is het meest innig gestructureerde systeem.
=========================================================
Aflevering nr. 25, d.d. 13
januari 2003.
FILOSOFISCHE INVALLEN
door JAN
VIS
filosoof
Bladwijzer: Godsbewijzen
Intellectuele lafheid-1
; Intellectuele lafheid-2
Volwassen democratie
De werkelijke, volwassen, democratie is gegrond op kennis van zaken en niet,
zoals tot nu toe gebruikelijk, op partijbelangen. Zoals het woord al zegt gaat
het er bij dit laatste om dat er zoveel mogelijk voordelen voor een bepaalde
groep binnen gehaald worden. De belangen van de andere groepen doen dan niet
terzake. Als regel worden deze zelfs gewetenloos gedwarsboomd. Dat het, zoals
steeds beweerd wordt, om het landsbelang zou gaan is in feite al
helemaal een keiharde leugen. Daar komt overigens ook nog bij dat voor een
groot aantal mislukkelingen een baan als volksvertegenwoordiger bijzonder
aantrekkelijk is.
Omdat logischerwijs ook in een volwassen democratie de kennis van de ene
deskundige wat anders zal liggen dan die van de andere, zijn er verschillen van
mening. Tot op heden vindt men die ten onrechte een probleem. In feite echter
zijn deze uiterst belangrijk. Het is precies daarover dat gesproken zal moeten
worden. Alleen op die manier kunnen de zaken op een hoger plan komen te liggen.
De volwassen democratie is dus noodzakelijk polariserend van karakter. Dat staat in flagrante
tegenstelling tot datgene dat de ònvolwassen democratie
vertoont. Die is namelijk in het geheel niet polariserend, maar gericht op het
wegwerken van de verschillen doormiddel van compromissen.
Resultaat is steeds een aantal besluiten dat verre beneden de maat blijft. In
plaats van naar een hoger gaat men dan naar een lager plan.
Je kunt met recht en reden stellen dat de traditionele democratie niet verder
komt dan tot slechte besluiten die zo goed mogelijk zijn. Maar in een volwassen
democratie wordt kwalitatief het onderste uit de kan gehaald. De eerste vorm
van democratie 'drukt terneer', maar de tweede daarentegen 'stuwt op'. ( zie
ook nr.24 )
Godsbewijzen
Zoals met alles is het ook met de zogenaamde godsbewijzen een rommeltje. De
gelovigen zien geen kans Gods bestaan aan te tonen terwijl de ongelovigen zijn
niet-bestaan niet kunnen bewijzen. Beiden, zowel gelovigen als ongelovigen
zitten in hetzelfde schuitje, ieder aan een kant en de een zegt almaar 'ja' en
de ander almaar 'nee'. Dat gaat nu al eeuwen zo door! Ook heldere koppen blijven
bijna altijd steken in deze tweestrijd en inderdaad: je komt er niet uit,
althans niet op die manier.
Tegenwoordig weten de twijfelaars, humanisten en andere vrijzinnigen, wel wat
daarvan de oorzaak is. God behoort namelijk niet tot de concrete materiële
wereld en dus kan het wetenschappelijke denken er niet op toegepast worden.
Zijn bestaan zou, zoals steeds beweerd wordt, buiten het denken vallen.
Dit nu is een typisch moderne kortzichtigheid. Eigenlijk is het zelfs een
ernstige vorm van intellectuele
lafheid. Men durft namelijk niet toe te geven dat het gebruikelijke
moderne denken uitermate eenzijdig is omdat het niet toegerust is op het
doordenken van zaken die op grond van hun karakter alleen maar langs de weg van
denkbaarheden zijn te benaderen. Er wordt eenvoudigweg aangenomen dat er maar
één enkele vorm van denken is en dat er binnen dat kader door niemand over de
notie 'god' nagedacht kan worden. Dat zou feitelijk betekenen dat de filosofen
almaar onzin verkopen.
Dus, omdat de hedendaagse denkers er niet over kunnen nadenken kan niemand
het... Dat is een heel gevaarlijke geborneerdheid van die moderne denkers.
Ja-zeggers en de nee-zeggers behoren altijd onlosmakelijk bij elkaar, althans
in de discussie. Gaat het wat het bestaan van God betreft om de vraag wie het
bij het rechte eind heeft, dan slaat de balans zonder meer door naar de
nee-zeggers. Maar vaak is de zaak ook voor hen zo diffuus dat zij er geen idee
van hebben waarom zij het bij het rechte eind hebben! Dat is voor een
belangrijk deel te wijten aan hun stelling dat je niet iets aan kunt tonen dat
er niet is. Maar dat is nu juist een foute stelling.
Overigens, als je de argumenten van de ja-zeggers en de nee-zeggers met elkaar
vergelijkt, zonder je te bekommeren om de vraag of die argumenten kracht van
bewijs hebben, dan bemerk je alras dat die van de nee-zeggers onvergelijkelijk
veel plausibeler zijn. Daarvoor behoeven die nee-zeggers zich niet eens op de
resultaten van de wetenschap te beroepen. Ook het leven van alledag levert voldoende
bruikbare aanwijzingen. Als je bij voorbeeld ziet dat vrijwel alle gelovigen er
onderling andere opvattingen op na houden kun je meteen al vaststellen dat het
blijkbaar de gelovigen zèlf zijn die hun eigen goden maken. Dat is op zichzelf
al een sterk argument is om 'nee' tegen het bestaan van goden te zeggen.
Een ander geldig argument zou de merkwaardige verhouding tussen god en de mens
kunnen zijn. Hoewel namelijk de mensen zich opstellen als 'dienaren van god',
uiteraard deemoedig met verschuldigde eerbied, is het daarentegen steeds God
die de mensen diensten moet bewijzen: zorgen voor succes in zaken, de
overwinning op het slagveld, genezing van zieke kinderen enzovoort. Laat hij
daarbij aldoor verstek gaan, dan loopt hij een goede kans de laan uitgestuurd
te worden. De oude Germanen deden dat al, plechtig met zijn allen vergaderd in
het heilige woud!
Dus: zonder dat de argumenten voor en tegen als bewijzen voor het al of niet
bestaan van goden kunnen dienen is het voor een normaal denkend mens toch
zonneklaar dat die van de gelovigen nauwelijks hout snijden en dat die van de
ongelovigen een aanzienlijk vastere grond hebben.
Als iets er niet is
De afwezigheid van iets kan wel degelijk aangetoond worden, ondanks de op
zichzelf wel juiste gedachte van onder anderen de filosoof Karl Popper
(1902-1994) dat je nooit overal gezocht kunt hebben en dat er dus
onvermijdelijk een reële mogelijkheid blijft bestaan dat 'ergens' toch nog,
geheel onverwacht, iets aanwezig blijkt te zijn waarvan je aanvankelijk aannam
dat het er niet was.
Maar het is, ondanks de beroemde stelling van Popper, echter zeer wel mogelijk
de afwezigheid van iets aan te tonen. De clou is dat er helemaal niet gezocht
behoeft te worden! Dat zoeken is namelijk niet de enige weg om ergens achter te
komen. Op filosofische wijze is het zonder meer mogelijk, en wel zo dat je alle
vermeende kennis laat voor wat het is om vervolgens geheel autonoom denkend na
te gaan wat het karakter van de werkelijkheid is. Daaruit kan dan een groot
aantal logische gevolgtrekkingen gemaakt worden.
Natuurlijk moet toegegeven worden dat je zoiets niet van de ene dag op de
andere voor elkaar krijgt, vooral doordat deze onderneming volstrekt strijdig
is met het gebruikelijke denken. Je moet er namelijk van uitgaan dat alle
wetenschappelijke kennis, die je ter beschikking staat, voorlopig van karakter
is en dus als zodanig ondeugdelijk voor het filosofische denken.
Wetenschappelijk gezien is het met de beschikbare kennis over het algemeen best
in orde, maar om bruikbaar te zijn voor het filosofische denken moeten er
andere criteria aangelegd worden.
Indirecte gedachtegang
Hoe dan ook, het aantonen dat goden niet bestaan komt neer op een indirecte
gedachtegang. Indirect, omdat daarbij de vraag of god bestaat in het geheel
niet interessant is. Het gaat alleen maar om de werkelijkheid zelve: men
behoeft namelijk alleen maar te laten zien hoe het zit met de werkelijkheid.
Dan blijkt vanzelf dat goden, geesten en andere buitenmenselijke abstracties
helemaal niet kunnen bestaan. Netzomin als kabouters en de in sciencefiction
films ten tonele gevoerde vreemdsoortige verschijnselen kunnen bestaan.
Vervolgens kan men daar nog extra aan toevoegen dat mensen in feite slechts
bezig zijn met hun eigen zelfbewustzijn als zij, in hun onvolwassenheid, menen
met goden en geesten van doen te hebben. Dat behoort tenvolle bij het alsnog
onvolwassen menselijke verschijnsel. Voor die onvolwassen mensen staat het
concrete bestaan vast van wat in feite allerlei hersenspinsels zijn. Dat houdt overigens
tegelijkertijd in dat de zogenaamd spirituele zaken ook op ficties berusten.
Maar nogmaals: het gangbare al of niet wetenschappelijke denken heeft grote
moeite met het stellen van vertrouwen in het filosofische, op denkbaarheden
gefundeerde denken. Dat denken wordt dan voor het gemak 'metafysica' genoemd.
Dan is men van het probleem af. Vaak is alleen dit etiket al voldoende om de
zaak bij voorbaat af te wijzen zonder er verder over na te willen denken.
Inderdaad is deze botte weigering nu niet bepaald reclame voor het moderne
wetenschappelijke denken...
Naar: Hoe zit het nou met God
Intellectuele lafheid-1 ; Intellectuele lafheid-2
STELLIGE UITSPRAKEN - zie 18 , 21
en 22
=========================================================
Aflevering nr. 26, d.d. 5 maart 2003.
FILOSOFISCHE INVALLEN
door
JAN VIS
filosoof
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26
Pilatus-1 ; Pilatus-2 ; Pilatus-3 ;
Subjectieve voorstelling
Het begrip 'werkelijkheid' heeft in de filosofie betrekking op alles wat er is,
of dat nu in de gebruikelijke zin van het woord materieel genoemd kan worden of
op enigerlei wijze niet- materieel. Onder het begrip 'werkelijkheid' kunnen
voorwerpen vallen, maar ook verhoudingen, bewegingen en in het algemeen
gebeurtenissen. Kortom: er is niets dat niet onder het begrip 'werkelijkheid'
valt. Als de filosoof zegt dat hij er achter wil komen hoe het zit met de
werkelijkheid dan bedoelt hij uitsluitend deze allesomvattende zaak.
Maar intussen moet men tegenwoordig met dergelijke uitspraken goed oppassen,
want moderne filosofen, die heel vaak uitermate verward denken, zullen er in
veel gevallen hun persoonlijke voorstelling van de voorhanden werkelijkheid mee
bedoelen. Je kunt opmerken dat men bijna nooit in de gaten heeft, althans
zelden consequenties wil trekken uit het feit, dat de werkelijkheid er is naar
twee aspecten, namelijk haar zogezegd 'objectieve' aspect en haar
'subjectieve'. Dit laatste is dan de bedoelde, in het zelfbewustzijn aanwezige,
voorstelling en die is onvermijdelijk persoonsgebonden, vandaar 'subjectief'.
Objectief weten
Er zijn allerlei redenen waarom de moderne mens steeds de zaak omkeert door die
subjectieve werkelijkheid voor objectief door te laten gaan. Dat wil zeggen:
ten onrechte waardeert als een absoluut, universeel geldig gegeven, dat als
enige toegang kan geven tot de waarheid. En het is verklaarbaar waarom
diezelfde moderne mens moeilijk doet over het begrip werkelijkheid in
objectieve zin, de enige ware werkelijkheid dus. Zoals gezegd is voor het
moderne denken de zaak omgekeerd. Wat de denkers 'objectief' noemen is ten
volle subjectief, namelijk aan de cultuur en de persoon gebonden, en wat zij
tegelijkertijd 'subjectief' noemen is de enige ware objectiviteit waarop het
weten van de mensheid gegrond is.
Bovendien vindt de moderne denker het problematisch te erkennen dat er hoe dan
ook toch maar èèn werkelijkheid kan zijn. Een werkelijkheid waarvan te zeggen
is dat 'zij is zoals zij is, hoe zij ook is'. Dit staat los van de vraag of die
of gene er volledig achter zou kunnen komen hoe dat nu allemaal zit, een vraag
overigens die eigenlijk helemaal geen vraag is omdat de mens, als slotakkoord
van de werkelijkheid, overal achter kan komen. De gehele werkelijkheid is
namelijk zijn 'virtuele' inhoud.
Het vluchtgedrag van de moderne intellectuelen (want dat is het) kan verklaard
worden vanuit de omstandigheid dat hun analytische denken geen ruimte laat voor
datgene dat alleen maar denkbaar is. Geen ruimte dus voor de echte
objectiviteit. Daardoor voelen zij zich beter thuis bij een uitermate laffe,
maar tegelijk bijzonder hoogmoedige, ònwetendheid. Men doet het daarbij
voorkomen of we met het summum van intelligentie van doen hebben. Maar iemand
die juist dàt uitermate dom vindt is bij voorbaat verdacht.
De Romein Pilatus
Het begrip 'waarheid' is voor de moderne intellectuelen volslagen taboe. Zij
gedragen zich als Pilatus
die zich destijds al afvroeg wat waarheid is. En die natuurlijk bedoelde dat
dit begrip loos was vanwege het voor hem klare feit dat je de waarheid niet
kunt kennen. Inderdaad kon Pilatus de waarheid niet kennen, want hij was een Romein!
Dat wil zeggen: iemand die een exponent was van de toenmalige Romeinse cultuur,
die te typeren is als een 'verzamelaarcultuur'. Die tref je aan bij het begin
van de analytische periode van de mensheid. Analyse immers vooronderstelt een
verzameling, of juister gezegd: een kijk op de werkelijkheid als zou zij
uitsluitend een verzameling van verschillende dingen zijn. Dit is in feite de
werkelijkheid naar het begrip 'totaliteit'.
Bij een dergelijke kijk is het onmogelijk het begrip 'waarheid' te gebruiken.
Dus had Pilatus
eigenlijk volkomen gelijk door vragenderwijs te stellen dat er hoegenaamd geen
waarheid is...
De werkelijkheid als beeld
Er is wel degelijk een waarheid, net zo goed als er een werkelijkheid is. Het
begrip 'waarheid' is te omschrijven als de werkelijkheid als beeld zoals die
voor de ervaring van de mens opgeroepen wordt door het bewustzijn. Alles wat
het beeld iemand laat ervaren, is zonder meer waarheid, hoe die zich onder
omstandigheden ook vertoont. De waarheid kent oneindig veel gedaanten en is
toch steeds de waarheid, zoals bijvoorbeeld het geval is met de vele
kunstwerken die de mensen in de loop der tijden gemaakt hebben.
Omdat echter moderne mensen uitsluitend het accent leggen op de werkelijkheid
als voorstelling, dus de in feite subjectieve werkelijkheid, kunnen zij niet
uit de voeten met ervaringen van de objectieve waarheid. Zij wijzen die dan ook
pertinent af en draaien daarbij de zaak zodanig om dat zij nu die waarheid voor
subjectief houden en hun voorstelling voor objectief!
Hun denken is zo primitief dat zij zich niet eens realiseren dat hun zogenaamde
objectiviteit op niets anders berust dan op de macht van het getal: als velen
iets voor juist houden, bij voorkeur gesteund door betrouwbaar wetenschappelijk
onderzoek, dan moet iets wel objectief juist zijn. Dat die objectiviteit louter
het resultaat is van afspraken, die binnen de moderne cultuur dwingend als
juist worden gewaardeerd, ontgaat hen.
Althans zij willen dat nimmer toegeven.
Niet te gebruiken waarheid
De waarheid leent zich niet voor afspraken of besluiten, al of niet bij
meerderheid. De waarheid leent zich volstrekt nèrgens voor, niet voor
overdracht aan anderen via het onderwijs, niet voor uitdrukken in formules, het
maken van berekeningen of plannen en niet voor het ten voorbeeld stellen aan
anderen. Zelfs voor het verwerkelijken van een ideaal deugt de waarheid niet!
Ze is alleen maar te ervaren, te 'zien', en dat dan ook nog uitsluitend
individueel. Zij vindt langzaam maar zeker haar weg in de wereld doordat steeds
meer mensen er steeds minder onderuit kunnen, zonder daarbij acht te slaan op
wat anderen ervan vinden of zonder anderen op de een of andere manier na te
volgen. De waarheid is strikt individueel en als zodanig tegelijkertijd
universeel.
Academische filosofen willen creatieve, dus alleen maar denkende, filosofen
nogal eens voorhouden dat men niet verplicht is àlles zelf te bedenken. Men kan
zich moeilijk aan de indruk onttrekken dat die academici deze stelling met
graagte onderschrijven om zich de twijfels en de kwellingen te besparen die nu
eenmaal aan een eerlijke filosofische zoektocht meekomen. Anderen en wellicht
beteren, zo menen zij, hebben de zaak al uitgezocht en ter beschikking van de
mensheid gesteld! Je behoeft het er alleen maar mee eens te zijn om een fraaie
filosofische uitspraak te kunnen en te mogen doen!
Zij hebben er weer eens niets van begrepen: filosoferen is niet het aanleggen
van een doorwrochte verzameling uitspraken waarmee men het eens kan zijn,
eventueel uitgebreid met een aantal eigen bedenksels, maar het gaat er bij het
filosoferen om een zo helder mogelijk beeld van de werkelijkheid te verkrijgen,
opdat daar een uiterst verfijnde beschrijving van kan worden gegeven.
Om dat schone doel te bereiken mòet de filosoof alles geheel op eigen kracht
uitzoeken. En dat moet hij telkens opnieuw doen, want het steeds verder
nuanceren van het te beschrijven beeld richt zich noodzakelijk op het geheel
daarvan. Een stukje van de werkelijkheid kan slechts geanalyseerd worden, dus
worden uiteengelegd in zijn onderdelen. Maar daarmee wordt volstrekt niets over
de werkelijkheid gezegd. Het overnemen van een bepaalde uitspraak, eens door
een denker gedaan, is als het zich eigen maken van een stukje van de
werkelijkheid en dat is, in het licht van het filosoferen, van geen enkele
betekenis...
Het wiel uitvinden
Het zou bij een ieder grote bevreemding wekken als een pianist tijdens een
recital plotseling zijn spel staakte om vervolgens als verklaring voor zijn
gedrag mede te delen dat het nu volgende gedeelte al eerder en beter door
Wilhelm Kempf gespeeld is en dat hij het zinloos vindt 'het wiel opnieuw uit te
vinden' en dat men ook niet verplicht gesteld kan worden alles zèlf uit te
zoeken.
Misschien dat een modern 'kunstenaar' met een dergelijke 'performance' kan
komen? Dat zou niet eens zo gek zijn want het behoort toch al tot de mode net
te doen alsof men muziek maakt. Het zou dus niet behoeven te verbazen als zelfs
het publiek er laaiend enthousiast over was, zeggende dat men eindelijk weer
eens met een 'geniaal' kunstenaar van doen heeft...
Iedereen die niet door de moderne kunstenaars gehersenspoeld is begrijpt
onmiddellijk dat die pianist de zaak belazert en dat hij in feite zijn te
spelen werken grondig, noot voor noot, had moeten bestuderen om ze daarna zo
mooi mogelijk te kunnen spelen. Daarbij heeft hij aan wat anderen op muzikale
wijze tot stand gebracht hebben geen enkele boodschap. Hij moet de hele zaak
zèlf en op eigen kracht voor elkaar zien te krijgen.
Zo ook de filosoof: het komen tot een zo helder mogelijke en genuanceerde
beschrijving van de werkelijkheid kan alleen maar op autonome wijze geschieden.
In feite heeft hij niets aan de beweringen van anderen. Trouwens, een
belangrijk kenmerk van de kunst en de filosofie is dat men geen platgetreden
paden bewandelt. Essentie van beide activiteiten is die ène waarheid steeds
weer opnieuw tot uitdrukking te brengen.
Het bekende liedje
Wanneer en voorzover er steeds meer mensen onder de invloed van de waarheid
komen te staan is het via hun psyche dat zij elkaar op het stuk van de waarheid
zullen kunnen verstaan. Jammer genoeg voor de moderne mensen gaat dat hele
proces van toegroeien naar de waarheid buiten het gebruikelijke denken om. Zij
hebben er dus op geen enkele manier vat op. Eigenlijk is dat maar goed ook,
want anders zouden zij ook van het ènige houvast dat de mens inderdaad heeft, namelijk de
werkelijkheid als waarheid, een zaak van geestelijken, politici en managers
maken om die vervolgens gewoontegetrouw aan de mensen op te dringen, uiteraard
met een beroep op 'het hogere'.
Kortom: het bekende liedje..!
Wat is waarheid en juistheid..?, zie afleveringen 4, 7, 8,
9, 10, 16, 18, 20,
22, 23, 26
Pilatus-1 ; Pilatus-2 ; Pilatus-3
;
Einde
de
gestolde neerslag van een bepaalde fase van de ontwikkeling van het zelfbewustzijn.
Er worden allerlei dingen vastgelegd, als norm gesteld, die tijdens die fase
duidelijk zijn geworden. De neerslag van zo’n fase stolt tot cultuur.
Onder een ideologie versta ik: een
overheersend cultuurdenkbeeld dat gebaseerd is op de voorstelling hoe de
werkelijkheid zou moeten zijn.
Terug naar: de Homepage van Rob van Es voor méér informatie
=========================================================
|
|