GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

Hoorcolleges 1989-1990 en 1990-1991

Naar het begin

abortus,bewustzijn,blut und boden,de ware mens,de wording van de kosmos,e=mc2,ecologie,eenzaamheid,euthanasie,evolutie van het leven,heilige geest,het absolute niets,het arbeidsproces,geest,geloof,genetische manipulatie,god,godsdienst,het begrip tijd,het brein,het ontstaan van de kosmos,het ontstaan van de werkelijkheid,het ontstaan van het heelal,het ontstaansproces,holisme, kernenergie,kosmos,liefde,materie,nieuwe wereldorde,oercel,primaire begrippen,primaire verhoudingen,psyche,relatie,religie, saamhorigheid,solidariteit,veiligheid,vrijheid,wereldbouwer,zelfbewustzijn.

 

Terug naar: de Startpagina     

Help mee om deze site te promoten. Vertel het uw…!

(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )

 

Naar bladwijzers: Vrije tijd ; Boeddhisme ; IK ben de gehele Werkelijkheid. Hoe zit dat..? ; Symmetrie ; Klimaatveranderingen ; Je uitspraken moeten morgen ook nog waar zijn ; Dat “IK er ben”- zie A-nrs.1en2, B, C, D ; onvermijdelijke toeval-3 ; onvermijdelijke toeval-4 ; onvermijdelijke toeval-5 ; onvermijdelijke toeval-6 ; onvermijdelijk toeval-7 ; De kloof-2 ; Profeten-1 ; beweeglijkheid ; samenhang ; Trilling ; brandpunt ; relatie1 ; relatie2 ; KENNIS/WETENSCHAP ; het absolute niets, Fritjof Capra ; Nieuwe Wereldorde ; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2 ; idealisme/nieuwe wereld ; Sofisme/Sofist.! Lees de nrs. 17, 20 en 21 ; Wereldverbeteraars ; Gebrek aan Solidariteit, Gemeenschapszin ( nrs. 37 en 38 ) ; godsdienst en religie ;  Het opbouwen van een Nieuwe Wereld ( nummers 62 t/m 68 ) ;  Gnostiek ; Gnostici ; [ zelfzucht  ; volwassenheid ;]  kernenergie-1 ; kernenergie-2 ; kernenergie-3 ; Wetenschapsfilosofie ; E=MC2 ; volwassen wereld ( vanaf 63 t/m het eind    Beschaving ; Zwaartekracht ; ENERGIE ; RUIMTE ; LIEFDE - o.a. pagina’s 34 t/m 36 ; Armoede-1 ; Armoede-2 ; Armoede-3 ; Trouw-1 ; Trouw-2 ; Neurose-Zelfhaat ; vervreemding-01 ; de verlichting-1 ; verlichting-2 ; verlichting-3 ; verlichting-4 ; verlichting-5 ; verlichting-6 ; Werkgelegenheid ;  Genetische manipulatie - experimenten – Klik op A, B, en C ; DNA-ketens-molecuul – pag. 47 t/m 49 ; Het begin van de materie-energie-(pagina’s 28 t/m 33) ; concurrentie-1 ; concurrentie-2 ; Doodstraf  ;  Lijdensweg ; Hart; volg je Hart, Bewustzijn, Zien, analytisch denken, Zelfbewustzijn, Samenvattend denken, Samenhangend denken ; Wrijving / Spanning ;  Aandeelhouders ; Hersencel-1 ; Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ; Opvoeding-1 ; De kloof-1 ; MET RUST LATEN(o.a. de nrs.41, 42 en 43) ; Opvoeden/Opgevoed-1 ; Elk MENS is maatschappelijk belangrijk ; De mensen moeten socialer worden.? Hoe zo.! ; Voor meer info zie bladwijzers: sociaal-1 , sociaal-2 , sociaal-3 , sociaal-4 ; Geldcircuit-topsporters ; Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ; Eerste Beweger-1 ; Eerste Beweger-2 ; Beleving ; VRIJE MAATSCHAPPIJ..?- Een gereglementeerde maatschappij daarentegen is onvermijdelijk onvrij ; KANT – zie nrs. 01 , 02 , 03 , 04 , 05 ; Beweeglijkheden ; CHAOS ;

 

Naar artikelen: Hoe zit het nou met God ; De ontwikkeling van het denken – o.a. [ ECOLOGIE ] ; beweging en verschijnsel (deel 1)  ( het hoofdwerk ) ; beweging en verschijnsel (deel 2)  ( het hoofdwerk ) ; beweging en verschijnsel (deel 3)  ( het hoofdwerk ) ; de grote vierslag ( nihilisme, anarchisme, socialisme, communisme ) ; de ontwikkeling van de west europese cultuur ; vrouw en wereld

  ( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)

 

 

 

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 1.

Dat is een vraag die eigenlijk iedereen stelt, maar die doorgaans oppervlakkig beantwoord wordt, zodanig dat men genoegen neemt met de eigen persoonlijke voorstelling van de werkelijkheid. Die voorstelling is bij een ieder weer anders. De topmanager van een multinational, de politicus, de paus, de priester, de dominee, de Islamitische ayatollah, zij allemaal komen tot een ander antwoord op bovengenoemde vraag, afhankelijk van de bedoelingen die zij voor zichzelf met de werkelijkheid hebben. Desondanks is het een feit dat iedereen naar de echte werkelijkheid bedoelt te vragen. Men zou zelfs het vermoeden van in een waan te leven niet kunnen verdragen.

We hebben te doen met een merkwaardige situatie. Wij mensen zijn zelf de werkelijkheid en toch vragen wij ons af hoe het zit met de werkelijkheid, met, let wel, diezelfde werkelijkheid! En het is zonder moeite vast te stellen dat wij mensen de enigen zijn die zich dat afvragen. Alle overige al of niet levende verschijnselen schijnen te berusten in hun bestaan, er zonder meer in op te gaan, maar wij doen dat niet: wij stellen er vragen over en hebben bovendien de grootste moeite antwoorden te vinden. Het opvallende daarbij is dat wij mensen de werkelijkheid zijn die naar zichzelf vraagt en die er moeite mee heeft die vraag te beantwoorden. De werkelijkheid verkeert in laatste instantie - de mens blijkt het laatste verschijnsel te zijn - in het ongewisse over zichzelf. Gezien vanuit een wetenschappelijk standpunt heb je met iets onzinnigs te doen. De wetenschappelijke houding is er een waarbij je je tegenover de werkelijkheid opstelt en op objectieve wijze tot onderzoek overgaat. Dat wil zeggen dat je jezelf juist als het andere van de werkelijkheid beschouwt, als iets anders dat van buitenaf de zaak bekijkt en onderzoekt. Je stelt dan vragen over datgene dat jij niet bent. Nu echter gaat het om een verschijnsel dat naar zichzelf vraagt en dat is een eigenaardigheid die maar heel zelden in het filosofische denken naar voren gebracht wordt. Als men er al aandacht aan besteedt wordt dat eigenaardige als regel buiten beschouwing gelaten en zeker niet als uitgangspunt voor het denken gebruikt.

Men weet geen raad met de omstandigheid dat een objectieve houding onmogelijk is. Het een kan geen vraag over het ander stellen. Voor wetenschappelijk besef bevind ik me daardoor volledig in het ongewisse en het is vanuit dat besef te begrijpen dat er gezegd wordt dat je filosofie niet met weten te maken heeft, maar met geloof. Dat maakt elke discussie met iemand die zich wetenschappelijk opstelt wezenlijk onmogelijk...

Vanaf een zeker moment gaat er gelden dat de werkelijkheid denkt. En met behulp van haar eigen denken gaat de werkelijkheid de vraag naar zichzelf proberen op te lossen. Die werkzaamheid vindt kennelijk plaats in de mens en dus is te zeggen dat het al subjectiviteit is wat de klok slaat; er is nergens ook maar één objectief moment te vinden. Het inzicht dat de hele zaak in jezelf besloten ligt is in oude tijden, bijvoorbeeld in de Chinese Taoïstische cultuur, heel duidelijk aanwezig geweest. Men vertelt het verhaal over de wijsgeer Tsjang-tse die gedroomd had een vlinder te zijn en die, wakker geworden, zich afvroeg wat nu het geval was: ben ik een mens die droomt dat hij een vlinder is of ben ik een vlinder die droomt dat hij een mens is! Natuurlijk wist Tsjang-tse best dat hij een mens was, maar hij begreep dat de vraag naar de werkelijkheid een subjectieve vraag is. Een dergelijk begrip van je eigen situatie als mens is in het westerse denken vrijwel volledig verloren gegaan.

Voor analytisch denkende mensen is er ook niets mee te beginnen. Waarop het in het filosofische denken aankomt is de fundamentele constatering dat buiten mijzelf al het andere volstrekt onzeker is. Je kunt zelfs zover gaan dat je betwijfelt of de werkelijkheid er wel is buiten je eigen waarneming om. Je kunt je afvragen of zij niet een schimmenspel is, een zinsbegoocheling van je eigen bewustzijn. Ondanks het feit dat wij allemaal heel goed weten dat de werkelijkheid buiten ons en ongeacht onze aanwezigheid wel degelijk concreet bestaat, moeten wij ons toch goed realiseren dat genoemde vraag er ligt en dat hij een bepaalde betekenis heeft. Deze is hierin gelegen dat al onze ervaringen omtrent de werkelijkheid ervaringen zijn van een buitenwereld die via bepaalde organen, zintuigen, bij ons naar binnen zijn gekomen. De ervaringen behoren tot het terrein van het middellijke omdat er iets is dat als middel fungeert bij het ervaren. Het is dus denkbaar dat de ervaringen ons door die middelen, die zintuigen, voorgespiegeld zijn. Dat is op zichzelf nog niet eens zo gek want het is bekend dat er mensen zijn die inderdaad allerlei dingen, zoals kabouters en heiligen, zien. Weliswaar zijn die mensen niet helemaal goed bij het hoofd, maar toch. Het te betwijfelen karakter van de ervaringen speelt in de moderne wetenschap een belangrijke rol. In feite draait bij het wetenschappelijk onderzoek alles om het zo goed mogelijk elimineren van de onzekerheden en onbetrouwbaarheden die de ervaring met zich mee brengt. Men probeert dit langs kwantitatieve weg door namelijk zoveel mogelijk proeven te doen onder zoveel mogelijk gelijke omstandigheden. Maar ook als er een optimale betrouwbaarheid is bereikt geeft men bij bonafide onderzoek toch altijd nog de marges van onzekerheid aan. Al is het besef van het wezenlijk subjectieve karakter van het weten weggezakt, toch is men bekend met de praktische gevolgen ervan: in elk onderzoek is een bepaalde tolerantie inbegrepen.

Al die vreemde zaken hebben deze betekenis dat je, als je zoekt naar iets waarvan je absoluut zeker kunt zijn als uitgangspunt voor het filosofische denken over de vraag hoe zit het, onvermijdelijk terechtkomt bij jezelf. Later zal blijken dat niet alleen het uitgangspunt voor je denken maar ook het nagaan van de werkelijkheid zelf een innerlijke zaak is, maar nu gaat het om het feit dat je zelf het absoluut zekere uitgangspunt bent.

Buiten dat uitgangspunt om is letterlijk alles in twijfel te trekken. Het is inderdaad zo dat wij de werkelijkheid zijn die naar zichzelf vraagt. Als je daarvan eenmaal goed doordrongen bent kun je het volgende constateren; we hebben nu een absoluut zeker uitgangspunt voor ons filosofische nagaan van de werkelijkheid, maar van dat uitgangspunt zelf weten wij niets te zeggen. Wij kunnen er pas wel iets van zeggen als wij in ons denken zover zijn gekomen dat wij onszelf hebben leren kennen. Dat echter is pas aan het einde van het nagaan van de werkelijkheid het geval. Je moet dus zeggen: ik weet absoluut niet wie of wat ik ben, maar ik weet wel dat ik mijn eigen bestaan, wat dat ook betekenen mag, als onbetwijfelbaar uitgangspunt van mijn denken moet nemen. Daarbij weet ik ook dat ik nog lang niet begrijp waarom ik dat uitgangspunt ben omdat dat begrijpen tot de eindfase van mijn denken behoort. Omdat dit het geval is moet ik me om te beginnen ook niet af gaan vragen wie of wat ik ben. Dat zou inconsequent zijn en stellig tot een waan leiden. Ik moet me afvragen wat er te bedenken is aan het feit datik er ben”. We kunnen dat nu ook op een andere manier zeggen, namelijk: ik weet zeker dat ik ik kan zeggen en nu ga ik uitzoeken wat die zekerheid voor consequenties heeft.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 2.

Het filosoferen is een werkzaamheid die in de praktijk zomaar in een mens een aanvang neemt, voornamelijk omdat een bepaalde persoonlijke aanleg zich doet gelden. Het begin van dat filosoferen kan overal liggen: het is maar net wat je op een bepaald moment opvalt. Van daaruit ga je de werkelijkheid, geconcentreerd op een bepaald thema, zo getrouw mogelijk na. Het netwerk van samenhangen heeft geen speciaal begin en einde en dus kan elk gegeven als beginpunt voor de filosofische gedachtegang dienen. Dat geldt ook voor een beginpunt dat later fout blijkt te zijn. De filosofie zelf echter, als een kunstwerk waarin ontstaan en bestaan worden nagegaan, kent wel degelijk een beginpunt. De vraag daarnaar is doorgaans niet het eerste wat bij iemand die filosofeert opkomt, maar naarmate dat filosoferen tot diepere inzichten in de werkelijkheid leidt wordt ook de vraag naar dat beginpunt klemmender. Je moet immers iets in handen hebben dat absoluut zeker is, dat zich op geen enkele manier in twijfel laat trekken. Veel moderne filosofen vermijden het zoeken naar een antwoord door te beweren dat elke filosofie noodzakelijk met een aanname begint, je zou zeggen: alsof het om een godsdienst ging. Zij zullen dat laatste niet graag toegeven, maar overigens hebben zij wel gelijk. Door hun analytische gesteldheid kennen zij geen absoluut zeker uitgangspunt en dus moeten zij wel met een aanname beginnen. Met onze constatering dat het begrip ik het juiste uitgangspunt is kunnen zij niet uit de voeten, vooral omdat zij niet kunnen begrijpen wat de betekenis van de subjectiviteit is. Juist daaraan verbinden zij onmiddellijk onzekerheid. Vervolgens nemen zij hun toevlucht tot datgene wat, paradoxaal genoeg, echt onzeker is: de wetenschappelijke kennis!

Gewoonlijk meent men, vanuit het individualisme, dat het begrip ik zou betekenen dat je begint met te weten wie je zelf bent. Dat is echter niet de bedoeling en bovendien is het logisch onjuist omdat het weten wie je bent pas aan het einde van het nagaan van de werkelijkheid te voorschijn komt. In feite gaat het louter om de constatering “ik ben er”, zonder dat je ook maar het flauwste vermoeden hebt van de betekenis daarvan. Zelfs als iemand tegenwerpt dat je ook omtrent het “ik ben er” niet zeker bent, blijft toch het begrip ik van kracht. Dat is zelfs het geval als je jezelf ontkent.

De uitspraak “ik ben er” is altijd waar, ongeacht de bevestiging of ontkenning van het begrip ik.

Descartes zat indertijd op het goede spoor toen hij vaststelde Ik denk, dus ik ben. Toch was er niets mee te beginnen omdat hij het denken als basis nam. Dat is evenwel iets dat in twijfel te trekken is omdat je nog lang niet weet wat denken nu eigenlijk is. Stel je het dan als basis, dan heb je van vermeende kennis omtrent de (menselijke) werkelijkheid gebruik gemaakt. Je hebt dan een uitgangspunt, denken, dat op zichzelf onzeker is en op informatie op grond van ervaringen berust. Bovendien is het cultuur- gebonden en dat bleek al spoedig want Descartes verstond er analytisch denken onder en startte daarmee een mechanistische denkcultuur die tot op de dag van vandaag dominant gebleven is. Je kunt je afvragen of dat denken wezenlijk wel denken is. Misschien is het alleen maar verzamelen van informatie, met de daarbij behorende vakkennis hoe je dat verzamelen het beste kunt doen... Niet voor niets ontwikkelde Descartes een methode voor het analytische, verzamelende, denken: Discours de la Méthode, 1637. Voor het mechanistische denken is de werkelijkheid gelijk een ingewikkeld uurwerk waarvan het functioneren voorspelbaar is als je de juiste informatie ter beschikking hebt.

Ons filosoferen heeft ons inmiddels geleerd dat zelfs een oneindig grote hoeveelheid informatie de fundamentele onzekerheid niet opheft. Bijgevolg is te stellen dat Descartes niet geslaagd is in het vinden van een absoluut uitgangspunt. Vaststellen dat je denkt is pas mogelijk als je de gehele werkelijkheid nagegaan bent. Als je ermee begint bij het filosoferen berust de hele zaak op een aan de geldende cultuur gebonden vooronderstelling. Maar het begin moet, zoals gezegd, absoluut zijn en dat betekent dat het van niets afhankelijk mag zijn, nergens door mag worden aangetast, zelfs niet door een zelf-ontkenning. Dat geldt alleen maar voor "ik ben". Het gaat er nu om uit te zoeken wat er met dat "ik ben" aan te vangen is.

Als het goed is volgt er een aantal consequenties die op zichzelf niet meer absoluut zijn omdat er de afhankelijkheid van het "ik ben", het uitgangspunt, is. Dat evenwel neemt niet weg dat zij "zeker" zijn als je op de juiste wijze te werk gaat. Welnu: als ik een onmiskenbare zekerheid is, dan geldt dat onvermijdelijk ook voor niet- ik, in die zin dat er ook nog iets anders is. Je kunt dus spreken van ik en de rest, overigens ook weer zonder aanvankelijk te weten wat dat niet- ik dan is. Ik heb nu twee grootheden in handen en daarvan is de tweede onderscheiden van de eerste en er zelfs de tegenstelling van. Dat betekent dat je nu vast kunt stellen dat de werkelijkheid in zichzelf verdeeld is, uit allerlei ditten en datten bestaat. Heeft de filosoof Hegel niet beweerd dat de werkelijkheid in de grond van de zaak getypeerd wordt door het begrippenpaar het een en het ander? Inderdaad, voor Hegel begint daar het hele verhaal van de werkelijkheid. Maar voor ons begint daar de zekerheid die het rechtvaardigt verder terug te gaan naar datgene dat er oorspronkelijk is. Voor zover bekend is Hegel zover niet terug gegaan, maar de al vaak genoemde filosoof Jan Borger deed dat wel en hij kwam uit op de enkelvoudigheid die aan het begrip het een en het ander ten grondslag ligt. Hij kwam er zodoende toe te stellen: er is slechts het één, in een oneindige hoeveelheid. De werkelijkheid is echter geen homogene massa. Er is een verzameling van verschillende dingen. Natuurlijk wisten wij dit allemaal al lang. Maar wij wisten geen antwoord op de vraag hoe wij dit wisten. Immanuel Kant tobde over die vraag en wilde weten hoe het zat met das Ding an sich. Hij realiseerde zich terdege dat al onze kennis via iets anders bij ons binnengekomen is.

In de redenering, zoals wij die tot nu toe volgden, mag niets ingebracht worden dat tot een verder stadium van weten behoort. Maar, teneinde enigszins een overzicht te krijgen bekijken we de zaak nu toch eens even het licht van ons begrip van de gehele werkelijkheid. Met andere woorden: we nemen de vrijheid terug te kijken. Dan zien we dat de gehele werkelijkheid in ik uitloopt. De werkelijkheid vraagt tenslotte naar zichzelf en dat is nu precies datgene dat wij als ik kennen. Dat ik heeft de gehele werkelijkheid als inhoud. En het doet over zichzelf uitspraken. Het spreekt vanzelf dat voor ieder mens dat begrip ik van kracht is. Ten overvloede: het gaat dus niet om het individuele ik van die of gene persoon die zich verbeeldt de wijsheid in pacht te hebben. Het gaat om de mens en die is de werkelijkheid als ik. Die vraagt tenslotte naar zichzelf. Juist dat is de inhoud van dat begrip ik. Op grond van dat begrip is er het verschijnsel ik dat vanuit zichzelf als het een constateert dat het ander er is, zonder aanvankelijk te weten wat dat allemaal betekent. Maar het is juist dat niet-weten dat een onafhankelijk inzicht mogelijk maakt.

Bladwijzers: KANT – zie nrs. 01 , 02 , 03 , 04 , 05 ; Dat “IK er ben” - zie A-nrs.1en2, B, C, D ;

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 3.

Het enige waarvan je absoluut zeker kunt zijn is het feit van je bestaan. Dat feit manifesteert zich aan het ik zeggen. Maar het is van het grootste belang je goed te realiseren dat je aan dat ik geen enkele inhoud mag geven omdat je, om te beginnen, van geen enkel weten en geen enkele kennis zeker kunt zijn. Je weet dus niet wat je zegt als je ik zegt. Wat dit betreft dreigen de volgende gevaren: 1) je bent geneigd ik een psychologische inhoud te geven, daarmee het unieke van je eigen identiteit beklemtonende; 2) je kunt het bijna niet laten het ik als een subjectiviteit te beschouwen waaruit geen algemene waarheden kunnen voortkomen. 3) je zou, filosoferende over deze kwestie, onwillekeurig, bepaalde filosofische grootheden, zoals zelfbewustzijn, denken en dergelijke, kunnen laten meespelen en daardoor de onbevangenheid van je uitgangspunt teniet doen.

In de filosofie draait alles om slechts één wezenlijke eigenschap: je uitspraken moeten morgen ook nog waar zijn. Die uitspraken moeten dus een onafhankelijk karakter dragen en niet een samenvatting zijn van zaken die je van horen zeggen hebt. Onafhankelijkheid is wat anders dan originaliteit. Het is heel waarschijnlijk dat je voornamelijk uitspraken doet die anderen ook al gedaan hebben. Waarom het echter gaat is dat je uitspraken voortkomen uit en berusten op de enige absolute zekerheid die je hebt; je eigen bestaan. Dat onderscheidt de filosofie van de wetenschap, want in de wetenschap ga je er immers van uit dat je beweringen morgen Onwaar zullen blijken te zijn. De wetenschappelijke vooruitgang berust juist op het verwerpen van voorgaande ideeën en het zoeken van volgende. In de moderne filosofie legt men helaas ook die wetenschappelijke norm aan, vandaar dat men zich uitsluitend bezig houdt met het onderzoeken van reeds bestaande filosofische ideeën, met de bedoeling daarin aanknopingspunten te vinden voor het afwijzen van die ideeën of het rechtvaardigen van andere ideeën. Bij die moderne filosofen is dus het besef weggezakt dat het in de filosofie om onafhankelijk denken gaat, en vooral is dat het geval bij de zogenaamde analytische filosofen.

Ik heb al laten zien dat het begrip ik onmiddellijk met zich mee brengt dat er ook het begrip niet- ik is. In feite heb ik dus twee begrippen in handen, die overigens nauw met elkaar in verband staan. Welbeschouwd zou ik kunnen zeggen dat het begrip ik een déélbaar begrip blijkt te zijn.

Het houdt zichzelf in en het houdt niet- zichzelf in. In feite betekent dit dat de werkelijkheid in zichzelf verdeeld is. Natuurlijk weet iedereen dat, maar lang niet iedereen weet hoe je tot dat weten kunt komen.

Zo weet ook iedereen, althans bijna iedereen, dat het niet te pas komt je medemens te doden. Op zichzelf klopt dat weten. Maar zelfs diegenen die zich met de ethiek bezig houden weten doorgaans niet waarom het niet deugt als je een medemens doodt. Men komt bijna altijd met argumenten die op het recht, de godsdienst, de rede of conditionering van cultuurwaarden gebaseerd zijn. Al die argumenten hebben echter een afhankelijk karakter, vandaar dat het ook kan gebeuren dat iemand het doden van een medemens wel geoorloofd vindt, afhankelijk van speciale omstandigheden zoals oorlog, de wettige doodstraf bij ernstige misdaden en, bij uitzichtloos lijden, euthanasie. Over het waarom van deze kwestie zullen wij nog wel nadenken, maar op het ogenblik is het een illustratie bij mijn bewering dat er in de filosofie onafhankelijk gedacht moet worden en dat dit, vooral tegenwoordig, heel ongebruikelijk is.

Als je tot de conclusie gekomen bent dat de werkelijkheid in zichzelf verdeeld is kan je er vervolgens niet omheen de gevolgtrekking te maken dat er dan iets moet zijn dat niet verder gedeeld kan worden. Laten we zeggen; er moet een ondeelbare bouwsteen zijn. Pas als we dit aan de weet zijn gekomen kan het nagaan van het ontstaan van de dingen een aanvang nemen. Het nagaan van het ontstaan begint dus met een soort van zelfonderzoek dat leidt tot het weten dat er een bouwsteen, een elementair iets moet zijn. Iets waaruit alles is voortgekomen. Als je dat eenmaal weet komt vanzelf in je op je af te vragen langs welke weg je meer over die bouwsteen te weten kunt komen. Er blijken dan twee wegen open te liggen. Als eerste is daar de mogelijkheid om de bestaande dingen uit elkaar te gaan halen, net zolang tot je niet verder kunt. Dat is de weg van de moderne natuurkunde, maar ook die van de ouderwetse alchemisten. Deze onderzoekers werden tot voor kort voor dwazen gehouden. Zij zochten naar de kwintessens van de materie en zij waren van mening dat het vinden daarvan de mogelijkheid bood om andere stoffen, met name goud, te maken; de zogenaamde transmutatie van materie. Om dat maken van goud worden zij gewoonlijk uitgelachen, maar in feite probeerden die alchemisten sinds onheuglijke tijden precies datgene dat wij tegenwoordig tot op grote hoogte wel kunnen. Wij maken weliswaar geen goud, maar wel een grote hoeveelheid natuurvreemde kunststoffen. Er is dus geen reden om die oude onderzoekers belachelijk te maken. Als tweede is daar de filosofische weg en daarvoor geldt dat je het zelf, louter met je eigen denkvermogen, doet, zonder daarbij afhankelijk te zijn van de voorlopige kennis die de wetenschap oplevert. Dan ligt daar al direct de vraag of dat eigenlijk wel kan, dat nagaan van het ontstaan alleen-maar met je eigen brein. Tegenwoordig danken wij bijna alles aan het brein van anderen; vrijwel alles wat wij menen te weten hebben wij van buitenaf, als resultaat van het denken en het onderzoek van andere mensen, aangeboden gekregen en doorgaans hebben wij er zelf maar bitter weinig aan toegevoegd. Op grond van dit feit, dat wij gewend zijn kennis aan anderen te ontlenen, wil het er bij ons niet in dat je, op filosofische wijze, de zaak zelf uit kunt zoeken. We gaan er automatisch van uit dat zoiets door een team van geleerden, met behulp van een grote schat aan verzamelde kennis, gedaan moet worden. Er wordt onmiddellijk geroepen dat het niet kan en dat het zelfs van verbeelding en zelfoverschatting getuigt als je voor jezelf zeker weet dat het wel degelijk mogelijk is. Men wijst daarbij op het verleden waarin het ook aan niemand gelukt zou zijn...

Achteraf weet je waarom de vraag naar het elementaire iets en het ontstaan van de kosmos puur denkend op te lossen is. Daarbij gaat het niet om het opstellen van een theorie, want een theorie behoort bij het wetenschappelijke onderzoek. Je kunt een theorie opstellen en daarna proberen die door onderzoek bevestigd te krijgen en je kunt ook proberen een theorie af te leiden uit een verzameling informatie die door onderzoek verkregen is. Deze twee mogelijkheden lopen in het wetenschappelijk denken door elkaar heen, maar hoe dan ook: theorieën behoren bij beschikbare of verkrijgbare verzamelingen informatie. Zij berusten dus op (voorlopige) kennis en dus op fundamentele onzekerheden. Maar als je eenmaal begrepen hebt wie en wat de mens is weet je dat je, als het over ik gaat, de werkelijkheid bent die over zichzelf uitspraken doet en die als zodanig zichzelf, binnen het kader van het ik, kent. En je weet ook dat je dat kennen in jezelf boven water moet halen en vervolgens, als het over het filosoferen gaat, moet beschrijven. Je beschrijft dan de gehele werkelijkheid juist omdat die in jou, als ik, uitgelopen en voltooid is.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 4.

Het ligt in het karakter van het westerse analytische denken om alles wat in andere culturen en in andere tijden gedacht werd als onzin terzijde te schuiven. Soms zijn enkele analytische denkers zo vriendelijk om niet-westerse denkwijzen voor- wetenschappelijk te noemen, maar ook dan wordt er bedoeld dat het over ongefundeerde meningen en foute associaties zou gaan. Als je echter nagaat waarmee die denkers uit andere culturen bezig waren blijkt dat niet van de westers-analytische oogmerken te verschillen: men wilde de werkelijkheid leren kennen en er, indien mogelijk, invloed op uitoefenen. Verder kun je ook nog opmerken dat men wel degelijk streefde naar toetsbare en bewijsbare kennis en dat men daarbij minstens net zo serieus te werk ging als hedendaagse wetenschappers. Bij nadere beschouwing blijkt dat de door die mensen verworven kennis alleen-maar achterhaald is, precies zoals dat met een heleboel westers analytische kennis ook gebeurd is. Het kenmerk van wetenschap is dat haar verzameling kennis altijd voorlopig van aard is en bijgevolg steeds herzien wordt. Welnu, dat is met die niet-westerse kennis ook gebeurd en het getuigt van arrogantie als men die kennis belachelijk maakt. Daarbij komt nog dat er, juist in de niet-westerse culturen, heel wezenlijke en diepe inzichten in de werkelijkheid voorkwamen, inzichten die wij tegenwoordig zelfs nauwelijks meer kunnen begrijpen.

De successen van de moderne natuurwetenschappen tonen onmiskenbaar aan dat het inderdaad mogelijk is kennis omtrent de werkelijkheid te verkrijgen met behulp van de analytische (denk)methode, het almaar verder uit elkaar halen van de materiële samenstellingen. Dat echter levert, naarmate je dieper in de materie doordringt, een onoverkomelijk probleem op. Filosofisch denkend kun je dat probleem betrekkelijk gemakkelijk oplossen, maar voor de natuurwetenschap is het rampzalig! Het probleem is gelegen in, wat ik zal noemen, het verdwijnend onderscheid. Daarbij gaat het om het feit dat je tenslotte, bij je analytische onderzoek, met dermate kleine materiële samenstellingen te maken krijgt dat die zich niet meer van je instrumenten onderscheiden. Lange tijd kun je je nog redden door steeds meer verfijnde instrumenten te ontwerpen, maar het ligt in de logica dat die uiterst kleine kwanta materie zich met je instrumenten zullen verbinden en daarmee alle onderscheid opheffen.

Op dat moment is het niet meer mogelijk iets aan de weet te komen. Het analytische onderzoek loopt dan vast en het daarbij behorende denken slaat af.

Je kunt het probleem van het verdwijnende onderscheid ook nog als volgt benaderen: op den duur verliezen die uiterst kleine kwanta materie hun eigenschappen. Voor het filosofische denken is dat niet werkelijk een probleem. Je komt tot de conclusie dat de grond van de werkelijkheid gevormd wordt door elementaire ietsen. Daarvan is te zeggen dat zij geen eigenschappen meer hebben. Een eigenschap, afmeting, vorm, gewicht, kleur en dergelijke, is gegrond op het bestaan van een verschil met iets anders. Dat wil zeggen een meer of een minder aanwezig zijn van iets bepaalds. Het een heeft wat meer van dit en het ander wat meer van dat, bij het een ontbreekt iets wat het ander wel heeft, enzovoort. Daarop, op die vergelijking tussen het een en het ander, berust het toekennen van eigenschappen. Denk je evenwel aan elementaire ietsen, dan kun je niet meer denken in de categorie van de eigenschappen. Er zijn dan simpelweg geen eigenschappen meer. Dat betekent dat het analytische onderzoek, dat juist op die eigenschappen en de verschillen daartussen gebaseerd is, onmogelijk is geworden. Voor het analytische denken betekent dat het absolute eindpunt, het kan met geen mogelijkheid verder.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 5.

Als iets geen eigenschappen heeft laat het zich niet vergelijken met iets anders, en als dat het geval is bestaat dat iets op zichzelf, het is helemaal onafhankelijk van wat dan ook. Het begrip vergelijken geldt namelijk alleen maar dan als er een betrekking tussen het een en het ander is. Die betrekking moet bovendien een materiële relatie zijn, een relatie tussen twee (of meer) bouwstenen die een combinatie vormen. Als iets op zichzelf bestaat kan het niet anders dan een beweeglijkheid zijn. Dat begrip beweeglijkheid is enigszins misleidend omdat het associaties oproept met betekenissen uit de taal van alle dag. Die betekenissen echter hebben allemaal betrekking op verschijnselen, op de dingen die wij om ons heen hebben. Die dingen zijn evenwel geen van alle beweeglijk, maar zij zijn op de een of andere manier wel-of-niet in beweging. Dat geldt zelfs voor de levende verschijnselen. Die zijn in zichzelf in beweging. Dat noemen wij doorgaans in zichzelf beweeglijk omdat dit in beweging zijn in het teken blijkt te staan van de beweeglijkheid die voor de elementaire ietsen geldt. Het woord beweeglijkheid is dus nogal misleidend. Het gaat hier echter om een absolute beweeglijkheid. Dat wil zeggen dat die beweeglijkheid door niets afgeremd wordt, ook niet door de aanwezigheid van de andere ietsen: zij hebben immers niets met elkaar te maken. Ons alledaagse woord beweeglijkheid verwijst naar een eigenschap, de eigenschap van het wel of niet, ten opzichte van iets anders, in beweging zijn. Het filosofische begrip beweeglijkheid echter verwijst niet naar een eigenschap, maar naar een toestand.

Ik heb, behalve de term beweeglijkheid, geen algemeen gangbare, en dus begrijpelijke, term kunnen vinden die uitdrukking geeft aan het feit dat de oer-werkelijkheid een toestand zonder eigenschappen is. Je komt immers niet om het feit heen dat alles wat bestaat een variatie van beweeglijkheid is.

Alles beweegt, enerzijds ten opzichte van andere kosmische verschijnselen, anderzijds voor zover het in zichzelf een samenstel van bewegende deeltjes is. Er zijn, in de loop der tijden, allerlei namen aan de oer-werkelijkheid gegeven: grondeloos licht, Tao, Nirwana, Jahwe, substantie, enzovoort. In feite echter is er aan die zaak geen naam te geven en dat is eigenlijk steeds wel aangevoeld. Jahwe bijvoorbeeld kon niet uitgebeeld worden, niet beschreven, en zelfs niet bij name genoemd. Hij werd beschouwd als de volslagen abstractie. Over het algemeen kun je zeggen dat de oude godsbegrippen, die uit de grijze oudheid stammen, pogingen zijn het onzegbare en ondefinieerbare grondprincipe van de werkelijkheid tot uitdrukking te brengen. Men had het daarbij over een beweeglijke, ijle, doorzichtige, onzichtbare, ongrijpbare, volkomen abstracte werkelijkheid. Het Latijnse woord spiritus betekent vluchtigheid en ons woord geest heeft eigenlijk dezelfde betekenis: de geest uit de fles.

Je kunt uit het bovenstaande opmaken dat onze ontdekking van de beweeglijkheden niet bepaald iets nieuws is - altijd al hebben de mensen een vermoeden van deze werkelijkheid gehad. In dit verband is het goed op te merken dat zelfs de platvloerse hedendaagse godsdiensten nog herinneringen oproepen aan dat oude besef van een beweeglijke onbenoembare werkelijkheid. Maar men weet volstrekt niet waarover men het heeft. Dat blijkt bijvoorbeeld als men in één adem god enerzijds eeuwig, onzichtbaar, alomtegenwoordig noemt en anderzijds machtig, bevelend, beledigd, straffend en dergelijke.

De godsdiensten zouden heel wat beter te verdragen zijn als er intelligent met het godsbegrip omgegaan werd, bijvoorbeeld zoals mystici als Meister Eckhart (ca. 1300) en. Jacob Bohme (1575 - 1624) dat gedaan hebben. Maar verre van dat: nergens wordt zo wezenloos over het godsbegrip gedacht als juist binnen de godsdiensten. Eigenlijk wordt er helemaal niet over nagedacht. In de Roomse kerk is het zelfs verboden omdat men heel wel begrijpt dat nadenken over de Roomse god tot ongodsdienstigheid leidt, en dat is natuurlijk niet de bedoeling!

De werkelijkheid als absolute beweeglijkheid is uiteraard niet voor te stellen, maar toch is er wel een benadering mogelijk. Het criterium daarbij is niet zozeer dat je de zaak goed voorstelt, maar dat je dat niet fout doet. Dat is net zo'n criterium als voor de kunst geldig is: je benadert steeds meer de waarheid zonder die ooit goed gestalte te zullen geven. Zo sprak men in het Taoïsme van de werkelijkheid als nevel en ik heb gesproken van de oneindige zee van beweeglijkheden. De vraag is nu wat er in die zee kan gebeuren zonder dat ik er enige, van buiten de beweeglijkheden komende, factor bij betrek. Een factor zoals onderlinge aantrekkingskracht of een remmende kracht of een soort van medium waarin de beweeglijkheden zich bevinden. Het antwoord op die vraag is inmiddels wel bekend; in alle onafhankelijkheid kan het toch niet uitblijven dat twee of meer beweeglijkheden gelijk- op bewegen en dus ten opzichte van elkaar stilstaan.

Hierbij past de volgende opmerking: genoemd ten opzichte van elkaar is een kwalificatie van ons eigen denken. Je kunt zeggen dat zij voor ons denken ten opzichte van elkaar zijn. In feite hebben de beweeglijkheden nog steeds absoluut niets met elkaar te maken. Het lijkt er voor ons op dat dit wel het geval is, maar, bij wijze van spreken: de beweeglijkheden zijn volkomen onverschillig voor dat gelijk- op bewegen en dat ten opzichte van elkaar stilstaan. Zouden zij niet onverschillig zijn, dan waren zij niet op zichzelf en dus ook niet zonder eigenschappen.

Als je dit goed in de gaten hebt zie je in dat het je nu gelukt is de lang gezochte eerste oorzaak, de grote beweger en dergelijke, uit je denken te verwijderen. Er is geen goddelijke wil die de eerste aanzet gegeven heeft. Daarentegen berust de aanzet tot het ontstaan in de zee van beweeglijkheden zelf. Het moge vreemd klinken, maar het is een feit dat de filosofen het probleem van de eerste aanzet nooit opgelost hebben, althans niet zonder er een oneigenlijke factor in te brengen. In het beste geval kwamen zij uit op het toeval, maar daarmee verklaar je niets. Het begrip toeval is in dit verband net zo nietszeggend als het begrip god. Ineen gaan of zich verdichten is ook onhoudbaar omdat dit een betrekking tussen de beweeglijkheden vooronderstelt. Gelijk- op bewegen daarentegen is en onvermijdelijk en onafhankelijk van aan de beweeglijkheden vreemde factoren.

Een volgende opmerking is ook van belang: in de oneindigheid van tijd en ruimte zouden, logisch doorgedacht, alle beweeglijkheden ten opzichte van elkaar stil moeten staan. Dan echter zou de kosmos een homogene ongedifferentieerde massa geworden zijn, een massa waarin wij niet voor zouden komen. Er zou trouwens niets in voorkomen. Dat is in strijd met het begin van onze gedachtegang en, uiteraard, ook met de ervaring. Het is dan ook niet juist om te denken dat tenslotte alle beweeglijkheden ten opzichte van elkaar stilstaan. In feite heb je steeds te doen met stilstaan en niet stilstaan tegelijk. Staat beweeglijkheid A stil ten opzichte van B, dan betekent dat niet noodzakelijk dat hij ook ten opzichte van C stilstaat. De kosmos, die door dit stilstaan ontstaat zal derhalve niet een homogene massa zijn, maar een in zichzelf verdeelde.

 

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 6.

In de westerse cultuur vallen de betekenissen van de woorden godsdienst en religie vrijwel samen, maar eigenlijk zou je onderscheid moeten maken tussen beide woorden. Het woord godsdienst duidt onmiskenbaar op een dienstbaarheid, een ondergeschikt zijn aan een god, aan een hogere en buiten je staande macht. Daarbij wordt de mens onvermijdelijk als een ondergeschikte beschouwd. Het woord religie echter verwijst naar een verbondenheid met en een besef van de werkelijkheid als een groot geheel waarbinnen wij leven. Dat behoeft helemaal geen ondergeschiktheid in te houden, hoogstens een besef van eigen nietigheid. Een dergelijk besef stamt bijna altijd uit de oudheid en het wordt onder woorden gebracht doormiddel van beelden. Dat zijn vaak goddelijke figuren die oorspronkelijk hun betekenis niet ontleenden aan hun hoger en machtig zijn, maar aan dat aspect van de werkelijkheid waarvan zij het symbool waren. Aan zo'n aspect verbond men wel bepaalde vormen van macht, zodat men die goden en godinnen bij allerlei gelegenheden te hulp riep, maar de betekenis ervan was niet de macht. Het ging om de werkelijkheid naar een bepaald aspect. In een godsdienst gaat het niet meer over een aspect van de werkelijkheid, maar louter en alleen over de gedachte dat er een hogere, alles beheersende, macht zou zijn. Een macht die ons zijn wil oplegt zonder daarbij duidelijk te maken waarom hij iets van de mensen wil: de ondoorgrondelijke wegen Gods!

Als je, voor zover thans nog mogelijk, de oorspronkelijke religieuze uitspraken onderzoekt, blijkt dat er vrijwel zonder uitzondering begrepen werd dat de verschijnselen bepaalde gestalten zijn waarin een vluchtige oerwerkelijkheid zich manifesteert.

Er zijn dan ook tal van voorbeelden te geven van uitspraken die verwijzen naar onze zee van beweeglijkheden. Dat men niet effectief over die vluchtige werkelijkheid kon nadenken vindt zijn grond niet in een gemis aan ontwikkeling, of een gebrek aan intelligentie, maar in het feit dat men de ganse werkelijkheid nog als een onverbreekbaar geheel zag. Daardoor formuleerden die mensen uit de oudheid hun gedachten nog doormiddel van een beeldtaal, die doorgaans van een geweldige schoonheid was. Binnen de sfeer van die oude religies was er enerzijds het besef dat de oerwerkelijkheid niet voor te stellen was, maar anderzijds ook het besef dat je de zaak doormiddel van beelden voor de geest kon halen. Dat deed men dan ook! Binnen de sfeer van de (latere) godsdiensten degenereerden die beelden tot voorstellingen, onaantastbaar, voor altijd en voor iedereen geldig en in zekere zin ook betrekking hebbend op realiteiten: de goden bestonden echt, de gebeurtenissen hadden echt plaats gevonden, de hogere macht was een realiteit.

De filosofen hebben zich, behoudens enkele uitzonderingen, niet intensief met de beweeglijkheden bezig gehouden. In de vroeg Griekse tijd kwam het nog wel voor, maar al spoedig, met het zich doorzetten van de westerse cultuur, ging men het zoeken naar de grond van de werkelijkheid rekenen tot het terrein van de natuurwetenschappen. Op dat terrein zijn, zoals bekend, in de moderne tijd schitterende successen geboekt. Maar, het gaat daarbij niet meer om het vertellen over de beweeglijkheden. Het gaat nu over het onderzoek ernaar en dat levert een geheel nieuwe gang van zaken op. Voor zover de westerse filosofen zich toch uitlieten over een oorspronkelijke werkelijkheid wezen zij elke mogelijkheid tot het zich maken van een voorstelling nadrukkelijk van de hand. Ook voor hen geldt dat zij in het teken van het onderzoek staan.

Dat leidt ertoe dat men vindt dat je slechts in abstracto over de zaak na kunt denken en dat elke voorstelling uit den boze is. Op zichzelf is daar wel iets voor te zeggen omdat het begrip voorstelling als vanzelfsprekend verbonden wordt met het vastleggen van een systeem dat eigenlijk in voortdurende beweging is.

Al eerder heb ik er op gewezen dat het filosofische nagaan van de werkelijkheid alleen maar denkend kan geschieden. Op grond daarvan zou je kunnen menen dat een dergelijke filosofie eveneens elke mogelijkheid tot het zich voorstellen uitsluit. Dat echter is een foute mening. Het gaat in de filosofie namelijk niet over een, door het vastgelegd-zijn gekenmerkte, voorstelling, maar over een beweeglijke voorstelling die in geen enkel opzicht vastgehouden wordt. Zo'n voorstelling heeft een ad hoc karakter en dat is het karakter van de werkelijkheid als beeld. Die werkelijkheid is zogezegd voor de geest te halen. Maar als je dat doet zal dat beeld nimmer volmaakt zijn. Zou het dat wel zijn, dat waren de beweeglijkheden voor altijd vast te leggen.. . maar daarmee zou hun absolute beweeglijkheid verloren zijn gegaan. Dat kan natuurlijk niet! Juist door hun absolute beweeglijkheid laten zij zich nimmer vastleggen zodat je nooit zult kunnen zeggen: dat is het, zo ziet het er uit, dit is het laatste woord, ik weet er nu alles van. De zaak is alleen maar te benaderen. Dat kan omdat die zaak wel gezien kan worden en dus ook voor de geest gehaald, maar nimmer echt vast te leggen. Je krijgt die werkelijkheid nooit blijvend te pakken. Je zult haar steeds opnieuw voor de geest moeten halen. Daarbij vervalt dus de wens om dat goed, dat wil zeggen volmaakt, te doen. Waar je echter wel degelijk zorg voor kunt dragen is dat je het niet fout doet. De begrippen goed en niet fout dekken elkaar niet: net als in de kunst kun je het nimmer goed doen, maar wel kun je, zover als je inzicht reikt, ervoor zorgen dat je het niet fout doet. Het gaat derhalve om het achterwege laten van iets. Als het met je denken in orde is zul je bij het filosoferen steeds meer fouten wegwerken, maar altijd zal je beschrijving van de werkelijkheid béter kunnen.

Zodra de mens op de planeet verschijnt is er het zien van de werkelijkheid, maar het zich voor de geest halen maakt een ontwikkeling door en die ontwikkeling komt neer op het herkennen en wegwerken van fouten. Dat geeft vaak de indruk dat de mensen steeds nieuwe dingen zouden ontdekken. Die indruk ontstaat omdat men wel nieuwe dingen kan gaan doen. Maar de wezenlijke ontwikkeling, die van het zelfbewustzijn, behelst het verhelderen van datgene dat er voor de mens reeds vanaf de aanvang was; het zien van de werkelijkheid. De verheldering is niets anders dan het oplossen van de fouten en dus het achterwege laten van het verkeerde. De ethiek bijvoorbeeld pretendeert het goede aan te raden of zelfs wel voor te schrijven, maar in feite kan zij slechts proberen duidelijk te maken wat je zou moeten laten. Er is niet te stellen hoe het moet. Doe je dat toch, dan leg je de zaak vast en daarmee doe je het fout. Zo'n fout moet vermeden worden...

Ook in verband met ons thema, het ontstaan van de kosmos, wil ik wijzen op een FOUT waarin je gemakkelijk kunt vervallen. Dat betreft het begrip RUIMTE. Je bent geneigd te denken dat de beweeglijkheden zich IN de ruimte moeten bevinden. Allicht, want alles wat wij kennen is in de ruimte. In feite echter komt de ruimte aan de beweeglijkheden méé, als je namelijk te doen krijgt met een systeem van vier, allemaal ten opzichte van elkaar stilstaande, beweeglijkheden. Achtereenvolgens vind je: punt, lijn, vlak en ruimte bij het denken aan 1, 2, 3 en 4 beweeglijkheden in één systeem.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 7.

Voor de mensen geldt dat zij de werkelijkheid als mens zijn die zich van zichzelf bewust is geworden. Het gaat er dus om dat de laatste mogelijkheid van het ontstaan zich van zichzelf als voor de dag gekomen verschijnsel, maar ook als totale werkelijkheid, bewust is geworden. Op grond daarvan zou je kunnen veronderstellen dat een door iemand gegeven beschrijving van de werkelijkheid helemaal niet fout zou kunnen zijn en, sterker nog; per definitie goed zou moeten zijn. Toch heb ik gesteld dat het niet mogelijk is zo'n beschrijving goed te doen en dat het al heel wat is als zij niet fout is. Je kunt in een dergelijke beschrijving de zaak alleen maar zo goed mogelijk benaderen. Dat lijkt in strijd met het feit dat wij mensen zogezegd de volmaakte werkelijkheid zelf zijn. Als eerste moet ik er dan op wijzen dat het over een beweeglijke werkelijkheid gaat. De werkelijkheid als beeld, waarop wij ons richten als het over het beschrijven van de zaak gaat, is in geen enkel opzicht vastgelegd omdat het een geheel van samenhangende trillingen is. Op grond daarvan kun je zeggen dat het gaat over iets dat voortdurend verandert om tevens zichzelf gelijk te blijven. Dat moet betekenen dat het vastleggen in een voorstelling, zoals je gedwongen bent om te doen als je er over vertellen wilt, een beschrijving wilt geven, ten enenmale een onmogelijkheid is. En het moet ook en vooral betekenen dat het voor een mens volstrekt onmogelijk is het laatste woord te spreken. Je kunt slechts proberen een momentopname te maken en daaraan als eis stellen dat hij in ieder geval niet fout is, dat wil zeggen: geen verkeerde voorstelling van zaken geeft.

Allerlei mensen en ook sommige filosofen hebben zich verbeeld dat zij wel het laatste woord gesproken hebben.

Vooral in de godsdiensten is dat het geval, maar ook in ideologieën. Daarin wordt zonder meer gesteld dat zo de werkelijkheid is en dat dat de waarheid is, voor nu en altijd. Zulke denksystemen zijn dan ook per definitie conservatief en fundamentalistisch en daaraan wordt, vaak met geweld, de hand gehouden omdat de wezenlijk beweeglijke geaardheid van de werkelijkheid ertoe leidt dat de mensen de zaak steeds opnieuw en dikwijls ondanks zichzelf in twijfel gaan trekken. En daarmee zo'n godsdienst of zo'n ideologie ondermijnen, hetgeen natuurlijk niet de bedoeling is! Men mag niet van de oorspronkelijk ontworpen voorstelling afwijken en als men dat toch doet, dan is men een afvallige. Zo iemand wordt dan vaak ten voorbeeld gesteld aan diegenen die een godsdienst of een ideologie bestrijden. Men wijst er daarbij op dat het blijkbaar mogelijk is je ondanks je godsdienst of je ideologie toch progressief en redelijk en tolerant op te stellen. Maar het is natuurlijk onlogisch om afvalligen van een denksysteem als voorbeeld te stellen voor datzelfde systeem! Het is dan ook juist om te stellen dat bijvoorbeeld de paus gelijk heeft, hoewel hij niets anders dan onzinnige uitspraken doet. Hetzelfde geldt voor de Islamitische ayatollah's, de gereformeerde dominees en ook voor de verstokte Stalinisten uit het Oostblok. Inderdaad zijn alle hervormers, hoe sympathiek hun streven ook is, afvalligen. Duidelijk is daarbij waar te nemen dat het tolereren van ook maar het geringste begin van twijfel tot een lawine van ontevredenheid en opstandigheid leidt, zozeer dat er zelfs een totale wanorde dreigt te ontstaan. Een godsdienst en een ideologie pretenderen de laatste waarheid op tafel te leggen en daardoor vereisen zij 100% onderwerping aan die waarheid. Overigens: in de oorspronkelijke religies, lang geleden, werd er geen onderwerping aan een vastgelegde onveranderlijke voorstelling vereist.

Men had namelijk geen onwrikbaar vaste voorstelling. Dat was zelfs in de Evangelische wereld nog zo. Bijgevolg liet men een ieder vrij om op zijn eigen manier bij de werkelijkheid als beeld, of zo je wilt het bewustzijn, terecht te komen. In het Evangelie staat terecht; Werkt uzelf zaligheid.

Er valt dus niet aan het feit te ontkomen dat elke beschrijving een momentopname is. Maar, in de kunst en als het goed is ook in de filosofie, probeer je ook die momentopname een sfeer van beweeglijkheid te geven. Die sfeer is er dan als het ware aan te proeven; hij wordt er aan afgespiegeld. Dat geeft een zekere ongrijpbaarheid aan kunst en filosofie. Dat komt in de filosofie voor de dag als een toegankelijk zijn voor enigszins andere nuances in de interpretatie van de gehanteerde begrippen. Er is in de filosofie geen absolute eenduidigheid in de betekenis van de begrippen mogelijk, de verwoede pogingen van bijvoorbeeld de Wiener Kreiss ten spijt. Er is, wat betreft het probleem van het slechts te benaderen zijn van de werkelijkheid, nog een andere redenering mogelijk. Als je bijvoorbeeld denkt aan het bouwen van een brug, dan val je onmiddellijk op dat je voor dat bouwen al bij voorbaat moet weten, of aan de weet moet komen, hoe die brug moet worden. Je weet dus precies waar je uit wilt komen, wat het eindresultaat zal moeten zijn. Dat eindresultaat is nauwkeurig in maten en gewichten uit te drukken en er is niets dat ook maar een fractie af mag wijken. Maar, wat geldt voor het bouwen van die brug geldt niet voor het filosofisch nagaan van de werkelijkheid. Daarvan namelijk is het resultaat volkomen ongewis: je begint met niets te weten en gedurende het denkproces houd je dat niet-weten bovendien zorgvuldig in stand omdat je geen, niet uit dat denken zelf voortkomende, argumenten kunt gebruiken. Je mag geen oneigenlijke argumenten, op grond van iets dat je meent te weten, gebruiken.

Je kunt dus zeggen dat je almaar het niet-weten laat gelden: het Socratische standpunt. Dat nu is precies tegengesteld aan het denken dat bij het bouwen van die brug gebruikt moet worden. Dat denken immers is gebaseerd op datgene dat je wel weet. Maar het filosofische denken wordt niet vooraf gegaan door een bekend doel dat bereikt moet worden. Je vraagt juist naar dat doel, naar dat resultaat en je bereikt het misschien als je je denken zo zuiver mogelijk zijn eigen gang laat gaan. Daarbij kun je geen van tevoren opgestelde methodieken en formules gebruiken, alweer omdat je niet kunt weten welke weg je in je denken zult gaan, noch wat het resultaat zal zijn. Omdat dit het geval is kun je nooit een punt bereiken waarop je kunt zeggen dat het goed is. Bij het bouwen van de brug had je een tekening ter beschikking zodat je bij elke handeling kon controleren of het goed was. Bij het filosoferen ontbreekt zo'n tekening, er bestaat geen blauwdruk van het goede. Dat betekent natuurlijk niet dat er dan reden voor onzekerheid zou bestaan.

Juist omdat je ervoor gezorgd hebt dat het niet fout is kun je zeker van je zaak zijn. Om diezelfde reden betekent het ook niet dat je er maar wat op los kunt kletsen. Zou je dat wel doen, dan zou je vastlopen en dan ben je genoodzaakt opnieuw te beginnen. Je kunt niet de fout gaan zoeken, want dat kan alleen maar als je weet wat het goede is, maar dat weet je niet. Opnieuw beginnen is dus de enige mogelijkheid. Trouwens, filosoferen is niets anders dan steeds opnieuw beginnen. Een fout kan niet hersteld worden net zomin als je bij het pianospelen een fout kunt herstellen: je moet opnieuw beginnen... Het bovenstaande speelt ook een rol bij het organiseren van de samenleving. Sinds de Verlichting menen veel mensen dat een goede samenleving te maken zou zijn. Maar ook daarvoor zou je het goede moeten kennen.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 8

gnostiek ; gnostici ;

Het woord vastlopen is eigenlijk een beetje misleidend omdat het suggereert dat je op een zeker moment vast zou zitten met je denken, zoals een voertuig in de modder vast kan lopen. In zekere zin treedt er wel zoiets op; de gedachtegang kan niet verder doorgezet worden. Maar de situatie waarin je je bij het vastlopen bevindt is er juist een waarbij je alle kanten op kunt en elke volgende stap goed is. Het struikelblok daarbij is evenwel dat elke genomen stap niets nieuws oplevert: je krijgt alleen maar steeds méér van hetzelfde, precies zoals je geen nieuwe situatie krijgt als je aan een kist met appelen nog een appel toevoegt. Waarom het bij het volgen van een filosofische gedachtegang gaat is dit, dat je wel in alle richtingen moet kunnen denken, maar dat dit pas dan verantwoord is als dat leidt tot nieuwe situaties, of je de ene dan wel de andere richting ingeslagen bent.

Over het feit dat het goede niet vast te leggen is nog enkele opmerkingen.

Ten eerste dit: hoewel je niet kunt zeggen zo of zo is het goed is het tegelijk een feit dat we van het goede wel weet hebben. In ons is immers de werkelijkheid als beeld aanwezig! Wat ik bedoel is dat je dat beeld niet vast kunt leggen, in formules uitdrukken of in voorstellingen. Je kunt slechts het foute proberen achterwege te laten. Dat strookt ook met het gegeven dat een levend wezen onvermijdelijk in het moment nu leeft en, strikt genomen, geen weet kan hebben van het daarop volgende moment. Dat houdt in dat er wezenlijk niets te bestreven valt. De toekomst is en blijft ongewis. Toch wil je wel deugen, niet als een bandiet door het leven gaan. Dat kan niets anders betekenen dan dit, dat je met de werkelijkheid als beeld wilt samenvallen en juist als je dat probeert bemerk je dat je fouten maakt. Hiermee vervalt elke Prinzipienreiterei, elke beginselvastheid en elke voorgeschreven moraal. Omdat dit het geval is zijn alle zogenaamd principiële mensen onuitstaanbaar; er valt met hen niet te léven. Het is niet uitgesloten dat enkele mensen uit de Evangelische tijd, zogenaamde Gnostici, in de gaten hadden dat het goede zich niet formuleren, en dus ook niet aanwijzen laat. Men vertelt dat de Zoon des mensen gezegd zou hebben: waarom noemt gij mij goed? Niemand is goed dan God alleen, Marcus 10:18. Ten tweede: de uitspraak dat je het goede niet kunt formuleren zou associaties op kunnen roepen met godsdienstige opvattingen over het slechte van de mens en het niet- willen van het goede. Opvattingen derhalve die op de gedachte berusten dat de mens gebrekkig zou zijn en steeds tekort zou schieten, kortom dat hij niet zou deugen. Daarbij echter gaat men wel degelijk van een vastomlijnde voorstelling van het goede uit. In het licht van zo'n voorstelling is de mens inderdaad een gebrekkige stumper. Dat is echter onzin! Dat de werkelijkheid als beeld alleen maar benaderd kan worden komt niet voort uit een gebrek van de mens, maar uit het beweeglijke karakter van dat beeld. Als je die situatie herkent zie je onmiddellijk in dat een mens in wezen helemaal niet gebrekkig is. Ten derde: als het gaat om het goede gaat het om het samenvallen met de werkelijkheid als beeld. Dit nu is bepaald niet gemakkelijk voor zover je genoodzaakt bent te leven temidden van de dwazen dezer wereld, maar daarentegen psychisch licht wat betreft je eigen leven, omdat je op de weg die je gaat geen weerstand ondervindt. Dat komt door het samenvallen, het niet in strijd zijn met de werkelijkheid. Je bent dan gericht op het leven en dat is nu precies het tegengestelde van het gericht zijn op een voorgeschreven hoger doel, zoals dat het geval is bij diegenen die zich aan een vastgelegde voorstelling onderwerpen.

Dezen hebben het betrekkelijk gemakkelijk bij het gaan van hun levensweg, omdat zij domweg de voorschriften van leiders, pausen en Fuhrers, opvolgen en daarbij overeen komen met het gros van de mensen. Moeilijk voor die onderworpenen echter is het om met zichzelf vrede te hebben, vooral omdat zij niet kunnen weten waar hun innerlijke weerstand vandaan komt. Het volgen van de weg van het samenvallen met het beeld berust niet op een besluit dat je op een gegeven moment neemt. Een besluit komt voort uit het zelfbewustzijn, maar dat is nu juist de werkelijkheid als voorstelling, die als regel elk zicht op het beeld belemmert en je een vervalste werkelijkheid voortovert. Daaraan is in het dagelijkse leven alleen maar te ontkomen door jezelf als psyche vrij te laten. Populair gezegd: door je gevoel te laten gelden. Het beroerde bij al deze dingen is echter dat je er aanleg voor moet hebben. Je bent immers volwassen geworden met een levensgrote barrière: de zelfbewuste werkelijkheid als voorstelling.

De zelfbewuste voorstelling is de werkelijkheid zoals jij denkt dat zij is. Die bedachte werkelijkheid ontstaat aan de ervaringen: dingen die je meemaakt en dingen die je in geprogrammeerd krijgt, bijvoorbeeld op school. Die zaak werkt als een filter en laat daarbij alleen maar datgene door dat gewenst wordt, dat te plaatsen is binnen die voorstelling. Al het overige, dat doorstraalt vanuit de werkelijkheid als beeld wordt verdrongen, Of het wordt aanleiding tot psychische storingen voor zover het zich niet goed verdringen laat.

De voorstellingen, die een barrière vormen, ontstaan in de mensheid als volgt: als de mens op de planeet verschijnt staat daar een verschijnsel waarvoor het begrip geest geldt, d.w.z. de materie als niet-materie. Voor dat verschijnsel is alles aanwezig en tegelijk ontkend. Aanwezig zijn, zonder enige uitzondering, alle levens-programma's, de op het overleven gerichte natuurlijke conditioneringen. Voor de planten- en dierenwereld zijn die programma's onontkoombaar, maar voor de mens is dat niet het geval. Hij is juist de levende ontkenning van al die programma's. Hij staat daar, letterlijk en figuurlijk naakt, met een volkomen vrije geest en een zelfbewustzijn dat nog zonder enige inhoud is. Enerzijds omvat de mens dus alle programma's, is hij in niets gespecialiseerd, en anderzijds is dat allemaal ontkend. Bij zijn verschijnen op de planeet kan hij dus alle kanten op, en dat doet hij dan ook; hij doet gaandeweg ontdekkingen, lange tijd vooral inzake dingen die hem in leven kunnen houden. Die ontdekkingen vormen geleidelijk een voorstelling, een programma waaraan hij zich gaat houden. Al spoedig vindt hij dat hij zich er aan moet houden en hij keurt het af als anderen dat niet wensen te doen, kortom: de mens legt ongemerkt voor zichzelf en voor de anderen een barrière aan. Eigenlijk kan een mens zichzelf op alles programmeren, juist omdat voor hem geldt dat hij het absolute totaal van programma's is. Op zichzelf is daarmee niets aan te vangen, maar door de alles ontkennende geest kan de mens er datgene uitpikken dat voor hem nuttig is in de omstandigheden die hij bij zijn verschijnen aantreft. En het is dat nuttige dat hij in zichzelf vastlegt en tot een norm maakt. Zo ontstaat allengs een voorstelling van de werkelijkheid en die berust uitsluitend op dat gedeelte van de kosmos waarin hij zich bevindt. Zijn bepaalde werkelijkheid wordt dé werkelijkheid. Het dier en de plant zijn, vanuit het wordingsproces en de evolutie, geconditioneerd, maar de mens conditioneert zichzelf. Hoewel de voorstellingen met hun vastgelegde programma's tot het ontstaan van een barrière leiden mag je niet zonder meer stellen dat dit alles een kwalijke zaak zou zijn. Hij leert de mensen immers hoe te overleven, niet alleen in praktische zin, maar ook in culturele zin.

gnostiek ; gnostici ;

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 9.

In het zelfbewustzijn van de mensen ontstaat in de loop der tijd een programma, een conditionering, en zo'n programma is steeds maatgevend. Het is bepalend voor de wijze waarop de werkelijkheid gezien wordt. Enerzijds is dat nuttig omdat je moet weten hoe te overleven. Die kennis is de mens bij zijn verschijnen op de planeet niet gegeven, zoals dat bij plant en dier wel het geval is. Bij de mens zijn het de ervaringen die hem leren hoe zijn werkelijkheid, in de praktijk zijn eigen min of meer beperkte milieu, te begrijpen en te benutten is. Anderzijds echter drijven de ingeprente conditioneringen hem steeds verder van zichzelf en de echte werkelijkheid af zodat hij tenslotte een geheel door hemzelf bedachte werkelijkheid voor waar houdt. Tegenwoordig is de fictie vrijwel volledig. Je kunt dat constateren als je goed luistert naar datgene dat bijvoorbeeld politici te vertellen hebben over de samenleving en de maatschappij met de daarin voorkomende processen. Wat zij ook verzinnen, het gaat steeds over een werkelijkheid die geen realiteit is, een werkelijkheid die zo niet is.

Op het ogenblik beleven wij dat de bevolking van de Oost-Europese staten zich bevrijdt van de Marxistisch leninistische staatsmacht.

Daarbij blijkt dat de wereld van de bevolking een geheel andere is dan die hun eigen leiders voor ogen staat, en dat die leiders geen flauw benul hebben van datgene dat in die bevolking leeft. De mensen blijken met grote vreugde het hen opgelegde systeem van zich af te schudden en, let wel, niet in de eerste plaats omdat dat systeem zo tiranniek was, maar omdat het uit een voor de mensen volkomen vreemde en onbegrijpelijke wereldbeschouwing stamt. Een wereldbeschouwing waarin zij zelf, zoals zij werkelijk zijn, niet voorkomen. Dat is des te opmerkelijker omdat de socialistische ideologie van de leiders juist een grote betrokkenheid bij de gewone mensen, de arbeiders, pretendeert. Aanvankelijk meende men dat het alleen maar nodig was het systeem te herzien opdat het beter zou functioneren, maar nu blijkt steeds duidelijker dat de mensen in het geheel geen verwantschap met het systeem zelf voelen. De mensen verlangen naar iets totaal anders dan in de top gedacht wordt.

Over het algemeen kun je zeggen dat de mensen in Oost-Europa op vreedzame wijze de staatsmacht verwerpen. Maar dat vreedzame proces kan niet verhullen dat er een gigantisch conflict aan de orde is: een conflict tussen de werkelijkheid van de bevolking en die van de leiders. Dat heeft alles te maken met de fictie waarin de mensheid terechtgekomen is. Nu is het niet zo dat die Oost-Europese bevolking die fictie doorziet, want straks gaan zij achter de westerse variant van de fictie aan om dan op die manier het contact met de echte werkelijkheid te verliezen. Daarmee zijn zij in zekere zin nog verder van huis...

Een ander veelzeggend voorbeeld van het conflict tussen de bedachte werkelijkheid en de echte vind je bij het denken over de genetische manipulatie. Men speelt daarbij met de gedachte dat men het straks zo kan regelen dat er alleen nog maar volwaardige mensen geboren worden. Verzekeringsmaatschappijen zijn al volop bezig nieuwe eisen aan hun cliënten te formuleren teneinde hun risico te verkleinen - en hun winsten te vergroten. Maar, de normen voor volwaardigheid worden bedacht vanuit het huidige denken dat op een fictieve werkelijkheid slaat! Bovendien is dat een werkelijkheid anno 1989 en die is over enige tijd natuurlijk weer veranderd.

Vanuit die werkelijkheid wordt echter wel bepaald wanneer bijvoorbeeld een vrouw maar beter tot abortus over kan gaan omdat de vooruitzichten voor het kind niet best zouden zijn. Het benauwende hierbij is niet die abortus, want dat is een persoonlijke beslissing van de vrouw, maar het feit dat die vooruitzichten door een waan- denken bepaald worden. Kenmerkend voor dat waan- denken is dat men in de mening verkeert dat een levend organisme, en speciaal een mens, gemaakt kan worden overeenkomstig de wil van de mens. Daar komt in de praktijk nog bij dat de normen voor die gemaakte mens door een bepaalde élite opgesteld zullen worden. We weten inmiddels wat daarvan te verwachten is... Men heeft bovendien niet eens in de gaten dat geen enkel levend organisme door een ingreep verbeterd kan worden en dat je hoogstens een verkeerde ontwikkeling enigszins kunt stoppen. Als je iemand een been moet amputeren kun je daarmee wel een ziekte een halt toeroepen, maar het resultaat is en blijft toch een invalide!

De mensen drijven dus steeds meer van zichzelf af door de conditioneringen die zij zichzelf inprenten. Toch verheldert het zelfbewustzijn in de loop der tijd en de vraag is nu hoe die twee processen met elkaar te rijmen zijn. Het antwoord op die vraag vind je door na te gaan wat er met de voorstelling gebeurt tijdens het ontwikkelingsproces.

Welnu, die voorstelling wordt wel steeds meer maatgevend, maar het karakter ervan wijzigt zodanig dat hij almaar meer verfijnd wordt. Je kunt dat goed waarnemen bij de ontwikkeling van de wetenschappen. De zaak wordt meer en meer gedetailleerd, het aantal specialismen neemt toe. Dat heeft tot gevolg dat men enerzijds steeds minder weet waarover het gaat en dat anderzijds de doorstraling van de werkelijkheid als beeld steeds sterker wordt omdat de landkaart van de voorstelling betrouwbaarder wordt. De resultaten hiervan zijn duidelijk waarneembaar: de verwarring in de wereld neemt dramatische vormen aan en tegelijk wordt de behoefte aan bevrijding, een andere wijze van denken en een sterkere saamhorigheid almaar groter. Het eerste is gevolg van het feit dat de voorstelling in al zijn onbegrijpelijkheid toch maatgevend blijft en het tweede van het feit dat het beeld meer en meer aan invloed wint. De verheldering heeft dus betrekking op de inhoud van de voorstelling.

Het is een kwestie van het zelfbewustzijn. De mensen bedenken zelf, en stellen zelf als de maat, die steeds onbegrijpelijker voorstelling, die, hoewel onbegrijpelijk, toch gaandeweg dichter bij de waarheid komt. Van dat laatste heeft men echter geen weet: de Onbegrijpelijke voorstelling is de maat en daardoor versterkt zich de fictie.

Het lijkt inderdaad op een paradox, maar het is een te constateren en te verifiëren feit dat je een ontwikkeling naar een grotere humaniteit ziet samengaan met een voortdurend toenemend onzinnig denken over de werkelijkheid en de mensheid. Tegelijk met een helderder besef inzake de vrijheid en de zelfstandigheid van ieder individu, het verzorgen van de natuur en de misdadigheid van oorlogen smeedt men plannen om de mens en de natuur op wetenschappelijke wijze te manipuleren zodat zij aan een bepaald model gaan beantwoorden! Mag het dan verbazen dat zo langzamerhand niemand meer weet hoe het nu eigenlijk zit met onze wereld? De onbegrijpelijkheid overheerst al datgene dat zo langzamerhand onweerstaanbaar tot uiting komt en maakt er een farce van, een belijden met de mond, een doen alsof. Het denken over de doorschemerende echte werkelijkheid is zelfs in hoge mate taboe en wordt al gauw afgedaan met het argument dat het allemaal mystiek zou zijn, of holisme of New Age romantiek. Men verkiest het analytische modern-wetenschappelijke denken, hoewel dat nu juist in een volkomen versnippering van de werkelijkheid uitloopt.

Bladwijzers: Genetische manipulatie - experimenten – Klik op A, B, en C ; DNA-ketens-molecuul – pag. 47 t/m 49 ; 

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 10.

Over het verdwijnend onderscheid heb ik al eerder gesproken: hoe dieper je, doormiddel van de analyse, in de materiële werkelijkheid doordringt, hoe minder onderscheid er gemaakt kan worden en dus hoe minder er waar te nemen valt. Uiteindelijk bereikt de analyse zijn ondergrens. Men kan niet dieper in de materie doordringen. Nu ben je geneigd te veronderstellen dat je, als het je er om te doen is de kwintessens van de werkelijkheid te vinden, vanaf die ondergrens denkend verder moet gaan. Denkend, omdat het empirische onderzoek geen resultaten meer op kan leveren. Het is juist dat vanaf de ondergrens alleen het denken verder kan, maar welbeschouwd is dat niet zonder meer juist. Gezien vanuit de analyse, waarmee je bij het wetenschappelijk onderzoek bezig bent, is het namelijk onmogelijk om denkend verder te gaan. Je denken is immers analytisch! Het heeft bijgevolg geen keuze als het bij de ondergrens aangekomen is.

Onvermijdelijk slaat het op dat moment af en kom je tot de conclusie dat je nu niets meer aan de weet zult kunnen komen. Je kunt die ondergrens niet overschrijden. Als je er dan op gewezen wordt denkend verder te gaan zul je dat onzin vinden. Toch is het geen onzin, maar dat is alleen maar te begrijpen als je inziet dat het een meer ontwikkeld denken is dat vanaf de ondergrens verder gaat.

Er is voor het analytische denken ook een bovengrens, namelijk daar waar de metafysica begint. Het denken heeft daar niet meer de beschikking over onderzoekbare, meetbare en ontleedbare objecten en is dan, volgens de positivistische denkers, speculatief en oncontroleerbaar geworden. Het gaat dan over de werkelijkheid voor zover daarvoor het begrip opgeheven onderscheid geldt: de werkelijkheid die boven de (materiële) onderscheidingen uitgaat. Daartoe behoren alle machten die goddelijk genoemd worden. Ik laat nu de vraag rusten of de positivisten gelijk hebben als zij stellen dat over een dergelijke werkelijkheid niet nagedacht kan worden, omdat het nu uitsluitend hierom gaat dat de analytisch denkende mensen van mening zijn dat er een bovengrens is en dat die raakt aan het voor hen verwerpelijke metafysische. Het analytische denken is dus begrensd, en wel door een ondergrens en een bovengrens. Het kan onmogelijk daarbuiten komen. Dat neemt niet weg dat menig analytisch denkend mens bij voortduring zijn eigen denk-grenzen overschrijdt en daarbij onvermijdelijk met de grootst mogelijke onzin komt; allerlei fantasieën over god, over het een-zijn met het Al en zelfs over het mogelijke bestaan van een schaduw-kosmos, die in alles het tegengestelde van de bestaande kosmos zou zijn. Wat dat betreft zou je de positivisten moeten prijzen als zij elke grensoverschrijding veroordelen. Binnen het kader van hun analytische opvatting zijn zij daarin consequent.

Het blijkt dat de analytisch denkende mensen helemaal niet in staat zijn de werkelijkheid denkend te begrijpen. Hun denken lijkt een begrijpend denken te zijn vanwege het inmiddels hoog ontwikkelde vermogen om uiterst ingewikkelde relaties tussen verschijnselen te berekenen. Dat is inderdaad erg knap, maar toch komt de zaak niet verder dan zoveel maal 1+1=2.Daarvoor moet je de beste van de klas zijn en dus een bepaald soort intelligentie bezitten, maar dat is niet de intelligentie die nodig is bij het begrijpende of samenvattende denken. In feite is het analytische, en dus modern wetenschappelijke denken een verzamelaars- denken en als zodanig vertegenwoordigt het een van de eerste ontwikkelingsfasen van het echte begrijpende denken. Het zorgt ervoor dat alle elementen van de verschijnselenwereld op tafel komen en het deelt die elementen in allerlei rubrieken in.

Uiteraard leidt dat, vanaf het moment dat je door hebt hoe je zoiets aan moet pakken, tot een onvoorstelbaar geraffineerd complex van kennis. Het ligt in de logica dat de mens begint met het verzamelen van kennis en in zoverre is alles orde, maar het is niet in orde als je zou menen dat dit denken echt denken is.

Dat we niet met ontwikkeld denken te maken hebben, maar slechts met een begin- fase van het denken, blijkt duidelijk uit het onvermogen om de kennis die binnen de onder en bovengrens verworven is te begrijpen. Je zou verwachten dat dit niet het geval is, maar telkens weer blijkt dat analytisch denkende mensen ook geen raad weten met de niet- materiele verhoudingen, die zich aan de verschijnselen manifesteren.

Denk bijvoorbeeld aan de psychologie; men kent intussen een grote massa eigenaardigheden van de mens en men heeft die keurig gerubriceerd, maar men heeft er tegelijk geen flauw idee van wat de psyche van de mens eigenlijk is, laat staan dat men weet hoe zij functioneert. Dat geldt in het algemeen voor de zogenaamde mens- wetenschappen, maar het geldt ook voor de hedendaagse filosofie. Dus ook binnen de genoemde grenzen blijkt het denken niet in staat om iets te begrijpen. Het blijft steken in het verzamelen van kennis, men weet veel Over de wereld maar men begrijpt niets van de wereld. Steeds als men zich bezig moet houden met onderwerpen die niet voor analyse vatbaar zijn is het resultaat een mislukking.

De cultuur van het Romeinse Rijk ligt aan de basis van de moderne cultuur. Het verzamelen begon bij de Romeinen, die er op uit waren zoveel mogelijk van de wereld in bezit te krijgen. Rome was het verzamelpunt van alle toentertijd bekende culturen. Aanvankelijk streefde west-Europa hetzelfde na, gesteund door de Christelijke kerk, maar later, sinds de 19e eeuw, gingen de westerse mensen ertoe over de wereld in de vorm van kennis in bezit te nemen. Dat berust dus allemaal op een uitermate primitief denken, een denken dat nog aan het begin van zijn ontwikkeling staat. Dat neemt niet weg dat het niet gemist kan worden. Het blijft als begin- fase zijn rol spelen, maar die rol verandert op den duur zodanig dat de mensen tenslotte weten en begrijpen dat het een primitief denken is, dat het niet meer is dan de materiele basis van het begrijpen. Op die manier zal het dus altijd een rol spelen.

De filosofen Kant, Hegel en Borger maakten onderscheid tussen verstandelijk en redelijk denken. Het eerste is dan analytisch, begrensd en gericht op kennis, en het tweede samenvattend, allesomvattend en wetend. Het bezwaar tegen de wijze waarop dit onderscheid door genoemde filosofen werd gehanteerd is dat het suggereert dat er een tweetal soorten van denken zou bestaan en dat daarbij de eerste soort niet zou deugen en de tweede soort wel. In feite echter gaat het niet om soorten van denken, maar om ontwikkelingsfasen van het denken. Dat ook dat zogenaamde verstandelijke denken deugt blijkt duidelijk uit het feit dat het enorm succesvol is en voor de mensheid het enige gereedschap om op den duur tot een materieel volwaardige wereld te komen.

Als ik nu stel dat de werkelijkheid alleen maar denkend te begrijpen is en dat je de ondergrens zowel als de bovengrens moet overschrijden, dan geldt dit uitsluitend voor het begrijpende denken. Analytisch denkend wordt het niets en dat leidt er onder andere toe dat moderne mensen, die allemaal een zekere wetenschappelijke scholing achter de rug hebben, zonder uitzondering afwijzend staan tegenover de (creatieve) filosofie en die zelfs vaak belachelijk maken.

Bladwijzers: KANT – zie nrs. 01 , 02 , 03 , 04 , 05 ;

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 11

Tijdens de ontwikkeling van het analytische denken kan het samenvattende denken niet tot zijn recht komen, omdat het uit elkaar halen van de werkelijkheid automatisch ook op dat samenvattende denken toegepast wordt en het daarmee, in de ogen van de analyticus, tot onzin maakt.

De analyticus kan zich niet uit die vicieuze cirkel bevrijden en daarom is hij niet in staat een louter op denken berustende gedachtegang inzake de wording van de kosmos te ontwikkelen. Zijn verzamelaars- denken is noodzakelijk begrensd. Ik wil er nogmaals op wijzen dat het niet goed is om van soorten van denken te spreken. Het gaat in feite niet om soorten, maar om fasen van ontwikkeling. Al naar gelang je uitgangspunt kun je, wat betreft het analytische denken, spreken van een eerste fase of een tweede. Er is namelijk aan de fase van de analyse iets vooraf gegaan en die fase behoort eigenlijk ook tot de ontwikkeling van het denken. Het analyseren kan immers pas dan beginnen als het zicht van de mensen op de werkelijkheid helder geworden is. Tijdens de ontwikkeling van dat zicht op de werkelijkheid wordt er natuurlijk ook gedacht en dat denken doet voor het huidige denken bepaald niet onder.

In die allereerste fase dus wordt de werkelijkheid niet zozeer doordacht, maar uitgebeeld. Dat hangt uiteraard samen met het feit dat zich in de mens uit die fase het zicht op de werkelijkheid ontwikkelt tot een steeds meer heldere zaak. Het zien speelt daarbij een centrale rol. De ontwikkeling van dat zien is onmogelijk zonder gebruik te maken van het denken, maar kenmerkend voor die fase is dat het denken ondergeschikt is aan een bepaald doel, namelijk het uitbeelden van de werkelijkheid. Dat heeft als gevolg dat het denken zich uitdrukt in denkbeelden en daarbij gebruik maakt van een beeldtaal. Dat betekent dat het denken niet autonoom is. Het analytische denken is de eerste fase van het autonome denken. Voor die fase geldt dat de geest als de maat wordt gesteld en dat, ten gevolge daarvan, alle verschijnselen van bovenaf worden onderzocht en beoordeeld. Er geldt dus een hoger principe. Datgene waarin dat hogere principe zich manifesteert is het denken en dat leidt er toe dat het denken op zichzelf komt te staan als een autonome en maatgevende grootheid. Gaandeweg levert dit autonome denken in het zelfbewustzijn van de mensen een werkelijkheid op die alleen nog maar uitgedacht is en die als zodanig maatgevend is. Alleen die uitgedachte werkelijkheid is reëel, is de waarheid en de norm voor alle dingen. Zoals ik al eerder heb laten zien krijg je te doen met een alles overheersende fictie die tenslotte de wereld aan de rand van de afgrond brengt.

In de cultuurgeschiedenis zijn de genoemde fasen van het denken duidelijk te onderscheiden. Zo was in de oudheid, en voornamelijk in het oosten, het denken ondergeschikt aan het uitbeelden. Dat uitbeelden baseerde zich op de werkelijkheid als beeld en dus was het een zaak van het bewustzijn. Het ging in de oudheid om dat bewustzijn, dat moest tot klaarheid komen. Als het daarover gaat kan er niet analytisch gedacht worden en dat gebeurde, behalve wellicht bij een enkeling, dan ook niet. Alle denken diende tot het verhelderen van het beeld en daardoor leidde het tot allerlei mooie beeldverhalen, zoals mythen, sprookjes en gedichten. De oudheid heeft vrijwel uitsluitend datgene voortgebracht dat wij tegenwoordig kunst noemen. Ook alle technische verworvenheden staan in het teken van de kunst.

Dat wil niet zeggen dat ze daardoor niet op een hoog peil zouden staan; juist door het gericht zijn op de werkelijkheid als beeld, en dus op samenhang en harmonie, zijn er tal van schitterende technische kundigheden ontwikkeld, bijvoorbeeld in de architectuur, maar ook in de scheepsbouw en dergelijke. Al die verworvenheden echter steunen op eeuwenlange ervaringen en niet op analyse. In de Griekse kunst loopt de gehele zaak uit in Afrodite, als uitbeelding van de werkelijkheid als beeld zoals die inmiddels tot helderheid gekomen was. In het westen meent men nog altijd dat het simpelweg om een godin ging, maar men vergeet te bedenken waarvoor die godin model stond. Zij was model voor een vrouwelijke werkelijkheid, onaangedaan door toevallige omstandigheden, volkomen in zichzelf rustend en alles inhoudend.

Het denken uit de eerste fase was ingebed in het bewustzijn en dus in de wezenlijke werkelijkheid. Dat geeft aan dat denken een sfeer van verhevenheid die voor menig 19e eeuws denker aanleiding was om de zaak te gaan verheerlijken. Vooral de Griekse cultuur werd als de maat voor wijsheid gesteld. Maar een samenvattend denken was het niet en daarom kon het niet echt het kennen van de werkelijkheid tot resultaat hebben. Het valt immers niet te bestrijden dat de denkbeelden uit de oudheid op zichzelf fictief waren. Er bestaan geen goden en godinnen en de gebeurtenissen in de kosmos komen niet voort uit handelingen van geestelijke wezens. Toch ging het niet om een fictie. De mensen hielden zich wel degelijk met de wezenlijke werkelijkheid, ervaarbaar in het bewustzijn, bezig. Dat is echter niet meer te zeggen van de mensen uit de tweede fase van het denken, de analytische. Je zou kunnen zeggen dat zowel het denken van de eerste fase als dat van de tweede fase primitief, in ieder geval onvolkomen, is. Maar dan moet je daarbij wel beseffen dat het primitieve van de eerste fase gelegen is in het feit dat het vooralsnog een beeld- denken is (maar wel reëel) en van de tweede fase in het feit dat het een verzamelaars- denken is (en niet reëel). Te beginnen met de Romeinse cultuur wordt niet meer het bewustzijn, maar het zelfbewustzijn de maat. Dat gaat dan prompt als een hogere zaak gelden en daarmee wordt het denken een autonome zaak die boven alles uit gaat en het gehele leven van de mensen gaat dicteren. In die situatie verkeert de mensheid op het ogenblik.

De filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900) sprak over de oudheid als een dionysische periode, waarin het de mensen om het leven ging en niet om overheersing van het zogenaamd geestelijke. Hij zag in dat in het Westen het Apollinische de overhand had gekregen, dus de oppermacht van het bovenaardse zoals dat door de zon belichaamd was. Daarentegen hield het Dionysische beginsel verband met de aarde en het moederlijke, het erotische, het hartstochtelijke en het gevoelvolle. Inderdaad twee geheel verschillende werelden! Toch heeft dit inzicht Nietzsche er niet van weerhouden tenslotte ook het dionysische tot een hoger principe te verheffen; de Übermensch! Deze was, zoals blijkt uit Also sprach Zarathustra (1891) uiteindelijk ook te deftig om de mensen nog te ontvangen... Het is overigens mogelijk dat Nietzsche heeft willen laten zien dat het Dionysische op den duur overgaat in het Apollinische. Zoals gezegd is het denken van de tweede fase - de eerste fase dus van het autonome denken - te typeren als verzamelaars- denken. Omdat het om het bijeen garen, het bij elkaar optellen, van afzonderlijke elementen gaat kun je ook spreken van een kwantitatief denken. Norm daarvoor is dat alles in getallen uitgedrukt moet worden: alle kennis moet kwantificeerbaar zijn. Voor zover men met formules werkt gaat het om grootheden waarvoor getallen ingevuld kunnen worden. Het samenvattende denken is echter geheel anders.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 12.

gnostiek ; gnostici ; Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ;

De tijd van de oudheid was eigenlijk niet een periode waarin het denken zich ontwikkelde, maar een periode waarin de ontwikkeling van het zien plaatsvond. Dat ging door totdat het beeld helder was. Het denken van de oudheid stond dus in het teken van het zich ontwikkelende zien en daardoor was het niet autonoom, het was ondergeschikt aan iets anders. Maar, te beginnen bij het analytische denken is de zaak wel autonoom. Op het analytische denken volgt het samenvattende denken. Dat wordt, op zijn beurt, weer opgevolgd door het samenhangende denken. In het voorgaande heb ik geen onderscheid gemaakt tussen het samenvattende en het samenhangende denken, maar het is beter dit wel te doen. Dat betekent dat wat ik gezegd heb over samenvattend denken, dat niet beperkt is door een onder en bovengrens, in feite alleen maar geldt voor het samenhangende denken. Het samenvattende denken is nog door en door gebonden aan de analyse. Er is wat voor te zeggen om het holisme tot het samenvattende denken te rekenen. Maar dan moet je het wel houden op de oorspronkelijke betekenis van het holisme: het als inhoud van één groot geheel denken van alles wat er is. Inderdaad gaat het dan over het samenvatten van de afzonderlijke delen. Let je echter op de steeds meer mystieke ontwikkeling van het holisme, dan is er meer te spreken van een vorm van romantiek, zoals die zich al eerder vertoond heeft, bijvoorbeeld in de Duitse cultus van het heilige woud, de edele landman die nog verband hield met zijn bodem en dergelijke. Het is dan ook niet voor niets dat er steeds meer fascistische trekjes bij het populaire holisme naar buiten komen.

Er kan alleen maar dan samenvattend gedacht worden als er iets samen te vatten valt, ineen te denken valt. Je moet daarvoor dus de beschikking hebben over zoveel mogelijk onderdelen van de werkelijkheid. Omdat dit laatste niet het geval was in de oudheid kun je daarbij niet van samenvattend denken spreken. Voor het denken van de oudheid was de werkelijkheid zonder meer ineen, omdat de werkelijkheid en de voorstellingen daarvan gegrond waren in het beeld, dat in de mens de manifestatie is van het bewustzijn. Waarmee het denken zich dus bezig hield was het gaandeweg duidelijker maken van onderscheidingen zoals die aan het zich verhelderende beeld af te lezen waren. Je kunt dan ook spreken van het onderscheidende denken. Maar dat was geen denken dat scheidingen, splitsingen, tussen het een en het ander aanlegde: de zaak werd niet uit elkaar gehaald. Logisch dat je dan ook niet van samenvatten kunt spreken. Het onderscheidende denken bevordert in laatste instantie een helder zichtbare werkelijkheid, en dat is dan de werkelijkheid van het bewustzijn. Over deze werkelijkheid werd gesproken in de Gnostiek.

Zoals bekend vind je daarvan restanten in de geschriften die wij nu nog kennen als de Evangeliën. Maar ook de Griekse kunst, vooral waar het de uitbeelding van Afrodite betreft, was uiting van een helder zicht op de werkelijkheid. Dat zicht was zelfs zo helder dat men voorzag dat spoedig de werkelijkheid gespleten zou gaan worden. In de Evangeliën staan uitspraken die in die richting wijzen, bijvoorbeeld Lucas 2:35, waar staat: en een zwaard zal door uw hart gaan. Dat wordt dan gezegd tegen Maria, die juist als moeder van de ware mens model staat voor het vrouwelijke geheel dat de werkelijkheid is.

De periode van de analyse is te benoemen als de periode van het splitsende oftewel het scheidende denken. Als en voor zover dat denken resultaat oplevert gaat het samenvattende denken inzetten en zich ontwikkelen. Nu gaat het over het samenvatten van materiaal dat door de analyse opgeleverd is.

Dat materiaal ligt bijgevolg ingesloten tussen de eerder genoemde onder en bovengrens. Het samenvatten komt hierop neer dat men dat materiaal in onderling verband gaat brengen. Men gaat denken in relaties. De moderne ecologische wetenschappen zijn daarvan een goed voorbeeld: men onderzoekt de relaties tussen de verschillende verschijnselen en probeert ketens van relaties bloot te leggen. Men bestudeert bijvoorbeeld bepaalde voedselketens in de natuur. Ook op allerlei andere gebieden richt men zich tegenwoordig op de relaties; de moderne maatschappelijke structuren worden meer en meer op netwerken van relaties gebaseerd. Zo krijgt men er gaandeweg oog voor dat verwaarlozing van de derde wereld op den duur dramatische gevolgen voor de gehele wereld zal hebben; dat het negeren van de rechten van de mens in strijd is met moderne opvattingen over maatschappelijke organisatie en dus nadelig voor de gehele wereld. Natuurlijk verkeert dat alles nog in een pril stadium, maar het is toch het begin van samenvattend denken.

Je kunt terecht opmerken dat het materiaal, dat door de analyse opgeleverd wordt, tenslotte uit een vernietigde werkelijkheid bestaat en dat er dan niet veel meer samen te vatten valt. Maar je moet hierbij wel bedenken dat dat materiaal voor de mensen een voorstelling van de werkelijkheid oplevert, weliswaar een volkomen fictieve, maar toch: een voorstelling. En dat is een voorstelling die betrekkelijk nauwkeurig met de echte werkelijkheid overeen komt. Daaraan komt mee dat het beeld meer en meer kan doorstralen. Er zullen steeds meer mensen zijn die van dit doorstralen last krijgen. Dat gebeurt op psychische wijze omdat het gaat over het meetrillen van het lichamelijke met het bewustzijn. Het doorstralen laat zich dus gelden als een zaak van het gevoel, men gaat zich enerzijds minder prettig voelen om anderzijds steeds sterker te beseffen dat het met de wereld een andere kant uit moet. Intussen blijft toch de fictie overheersend omdat het beeld slechts doorstraalt en nog niet echt zichtbaar is. De voorstelling van de werkelijkheid, hoe nauwkeurig ook, valt nog steeds niet samen met de echte werkelijkheid, precies zoals een satelliet- foto van de wereld iets anders is dan die wereld zelf. In de moderne wetenschap bijvoorbeeld zie je dat men steeds meer de werkelijkheid benadert en tegelijk zie je de fictie groter worden. De mensen weten er dus nog steeds geen raad mee, voornamelijk omdat het over een vastgelegde zaak gaat. Op die zaak richt zich het samenvattende denken, het bouwt een loepzuiver model van de werkelijkheid op.

Als het evenwel over de echte werkelijkheid gaat, zoals de mens die kent vanuit het bewustzijn en het beeld, kun je wel stellen dat die werkelijkheid een in zichzelf onderscheiden geheel is (onderscheidend denken), dat zij een verzameling onderdelen is (scheidend denken), dat zij een netwerk van relaties is (samenvattend denken), maar dat daarmee de zaak niet volledig is. Uiteindelijk blijkt de werkelijkheid ook nog samen te hangen en dat is inderdaad het laatste dat van haar gezegd kan worden! Als laatste mogelijkheid van denken is er dus het samenhangende denken, en dat is wat ik eerder bedoelde met denken dat geen onder en bovengrens kent. Dat denken is in staat alles te begrijpen, vanaf de niet te definiëren beweeglijkheden tot en met de werkelijkheid als geest. Als het met het denken zover gekomen is kan ook de werkelijkheid als beeld weer helder gezien worden. Nu echter niet meer als louter een in zichzelf onderscheiden geheel, maar als een geheel waarvan ook de inhoud bekend en begrepen is. Zo'n geheel staat, voor zover het in de mensen incidenteel tot een voorstelling wordt, het zien van het beeld niet meer in de weg omdat het dan tot een beweeglijke voorstelling is geworden.

gnostiek ; gnostici ; Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ;

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 13.

Het is een feit dat men in het wetenschappelijk onderzoek steeds dichter bij de waarheid komt, zij het dan binnen de eerder genoemde beperkingen. Dat is temeer het geval nu het samenvattende denken doorgebroken is en er daardoor de mogelijkheid is ontstaan om een, zoveel mogelijk elementen van de werkelijkheid bevattend, betrouwbaar model van de werkelijkheid te maken. Uiteraard is dat model een voorstelling in en van het zelfbewustzijn, inhoudende de ontdekte dingen en onderlinge verbanden. Het gaat derhalve over de werkelijkheid zoals men denkt dat zij is, het is een uiterst verfijnde tekening ervan. Ondanks het toegenomen waarheidsgehalte van die voorstelling treedt er toch iets merkwaardigs op. Je zou namelijk denken dat nu de fictie, waaraan onze cultuurmensen, zoals al eerder besproken, lijden gaandeweg kleiner wordt. Dat echter is niet het geval; hij wordt groter!

Voor de mens geldt het begrip bewustzijn. Met dat bewustzijn weten de moderne mensen geen raad, zij hebben er meer last dan gemak van. Toch geldt het en doet zijn invloed gevoelen. Dat betekent dat er een diep verdrongen, maar toch op intuïtieve wijze doorwerkend, weten in de mensen aanwezig is, een weten dat berust op de werkelijkheid als beeld. Als nu de voorstelling dat beeld gaat benaderen boezemt hij steeds meer vertrouwen in. Niemand weet waarom die voorstelling vertrouwenwekkender is - omdat men het bewustzijn niet kent - maar toch hecht men er meer geloof aan. Het gevolg daarvan is dat de voorstelling een almaar grotere zekerheid lijkt te bieden, steeds minder in twijfel getrokken kan worden en daardoor de fictie versterkt; het lijkt allemaal plausibel te zijn en op waarheid te berusten. Uiteraard zijn, juist door het wetenschappelijke waarheidsgehalte, nagenoeg alle mensen in die fictie bevangen, zodat eigenlijk de gehele wereld in een ernstige waan is komen te verkeren. Als daarentegen de Paus met de een of andere middeleeuwse opvatting komt is er bijna niemand meer die daarin vertrouwen stelt. Behalve enkele dwazen vindt een ieder zijn bewering belachelijk, neemt het niet serieus. Zo'n bewering vindt, door zijn absurditeit, geen weerklank in het intuïtief geldende bewustzijn en daardoor stelt men er geen vertrouwen in. Een net zo idiote bewering van een moderne wetenschapper vindt echter wel gehoor, omdat zo'n bewering minder contrasteert met het beeld. Daarvan zijn heel wat voorbeelden te geven... Heel tekenend zijn de tegenwoordige wetenschappelijke verhalen over genetische manipulatie, met als belangrijkste bedoeling het verschijnsel mens te verbeteren. Bijna iedereen vertrouwt die verhalen en dat is te begrijpen, want het is een feit dat er een heleboel te rommelen valt in het genetisch materiaal van levende wezens. In de landbouw en veeteelt doet men het overigens al lang, doormiddel van uitgekiend telen en fokken. Maar nu blijkt dat het ook doormiddel van technische ingrepen kan. Wetenschappelijk gezien zijn die feiten niet te ontkennen en daardoor wekken zij vertrouwen.

Als je evenwel in staat bent samenhangend te denken is het niet moeilijk te begrijpen dat al die voorstellingen over verbetering van de werkelijkheid op een fictie berusten. Ten eerste is daar het feit dat je, door het plegen van een ingreep, de samenhang van de (levende) werkelijkheid verbreekt. Eenmaal verbroken is die niet te herstellen, omdat samenhang berust op een niet-materiële situatie van de beweeglijkheden. Door de materiële situatie van de beweeglijkheden te verbreken vervalt de niet-materiële samenhang voor eens en voor altijd. Dat heeft tot gevolg dat het gemanipuleerde levende wezen er onvermijdelijk op achteruit gegaan is, zelfs als het je gelukt is het optreden van ongewenste of levensbedreigende kwalen te verhinderen.

In feite heb je het levende wezen aan je eigen ideeën aangepast. Je hebt het naar je hand gezet: gemanipuleerd. Dat kan onder omstandigheden best wel eens nuttig zijn, maar waarom het wezenlijk gaat is dat je je niet moet verbeelden de zaak verbéterd te hebben! Maar, ten tweede, is daar het karakter van het wordingsproces: tijdens de wording en de latere evolutie van het leven komen alle mogelijkheden zonder mankeren voor de dag. Veel van die mogelijkheden blijken echter, na korter of langer tijd, onhoudbaar te zijn, zodat tenslotte alleen maar die verschijnselen zijn overgebleven die echt niet béter kunnen. Dat geldt in versterkte mate voor het verschijnsel mens omdat die ook nog het slotakkoord van de wording is en daardoor volmaakt genoemd kan worden. Voor het samenhangende denken is het zonder meer duidelijk dat al die verhalen over verbetering van de mens en veredeling van de overige natuur op een gigantische fictie berusten. Het begint trouwens zo langzamerhand ook voor het samenvattende denken duidelijk te worden dat ook het telen en fokken, zoals dat in de landbouw en veeteelt gebeurt, tenslotte tot volkomen gedegenereerde gewassen en dieren leidt. Op het ogenblik is men zelfs al op zoek naar de oorspronkelijke natuurlijke exemplaren. Men begint in te zien dat die eigenlijk toch het beste waren...

Er is nog iets dat voor het samenhangende denken te begrijpen is en niet voor de andere wijzen van denken. Elke levende cel namelijk, ongeacht haar al of niet voorkomen in levende organisaties, heeft de gehele bestaande werkelijkheid, zij het bij wijze van trilling, tot inhoud. Het zou nu te ver voeren om dat duidelijk te maken, ik verwijs daarom naar de cyclus Beweging en Verschijnsel (deel 1, 2, en 3). In ieder geval is het zo dat ook allerlei factoren die de basis van ziektes en afwijkingen vormen op trillende wijze in het organisme aanwezig zijn, juist omdat de gehele werkelijkheid inhoud van de levende cel is. In het erfelijke materiaal zullen de onderzoekers op den duur alle afwijkingen aantreffen. Op het ogenblik kent men er al een groot aantal van. Die afwijkingen evenwel zijn, evenals andere erfelijke eigenschappen, in samenhang in het gehele erfelijke systeem aanwezig. Doordat die samenhang er is zullen zij in principe geen kans krijgen dominant te worden. Je kunt zeggen dat de zaak in evenwicht is. Binnen het geheel van dat evenwichtige systeem spelen de zogenaamd afwijkende factoren een eigen rol, een rol echter die noodzakelijk in het teken van dat evenwicht staat. Zo is het denkbaar, en voor het samenhangende denken zelfs zéker, dat bijvoorbeeld de factor kanker in een gezond lichaam een geheel andere rol speelt dan in een ziek lichaam. Het is inmiddels bekend dat in elk lichaam de factoren voor kanker aanwezig zijn.

Het bovenstaande dient er dus toe duidelijk te maken dat het via het analytische en samenvattende denken benaderen van de waarheid een enorme versterking van de fictie teweegbrengt. De essentiële inhoud van die fictie is de waan dat de mensen de werkelijkheid zouden kunnen verbeteren. Het samenhangende denken doorziet die waan, maar niet alleen dat dat het geval is, het is ook in staat alle verworvenheden van het analytische en samenvattende denken op de juiste wijze te beoordelen. Als eerste blijkt dan dat die verworvenheden niet kunnen dienen om de werkelijkheid te verbeteren, maar om haar te verzorgen. In een verzorgde werkelijkheid kan alles tot zijn recht komen, juist doordat er doormiddel van de analyse en de synthese (het samenvatten) betrouwbare kennis ter beschikking gekomen is. Die kennis kan er onder omstandigheden toe leiden dat men bepaalde ingrepen doet, maar dat gebeurt alleen maar dan wanneer in een speciaal geval een kwalijke ontwikkeling gestopt moet worden.

Genetische manipulatie - experimenten – Klik op A, B, en C ; DNA-ketens-molecuul – pag. 47 t/m 49 ;

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 14.

Opvoeding-1 ; Opvoeden/Opgevoed-1 ;

Er is nog wel iets te zeggen over het, eerder door mij genoemde, doorstralen van de werkelijkheid als beeld door de werkelijkheid als voorstelling. Dat zal bovendien duidelijk maken waarom dat doorstralen in toenemende mate verwarring in de moderne mensen teweegbrengt en ook waarom dat een psychische zaak is. Om er achter te komen hoe dat zit moeten wij als eerste nog eens nagaan wat de werkelijkheid als beeld is en wat als voorstelling, en ook hoe het zit met de werkelijkheid als psyche. De werkelijkheid als beeld is de manifestatie van het bewustzijn voor zover dat een werkelijkheid van vormen is. Het beeld is dus te zien in onszelf. Omdat het bewustzijn het gehele complex van verhoudingen, dat de werkelijkheid vormt, bevat is het een gegeven dat voor ieder mens op precies dezelfde wijze geldt. Het gaat namelijk niet over jouw werkelijkheid of mijn werkelijkheid, maar over de werkelijkheid. Uiteraard geldt dan ook voor het beeld dat dit voor een ieder hetzelfde is.

Het is niet zo dat het bij de een duidelijker is dan bij de ander, of bij de een completer dan bij de ander. Het beeld is volstrekt onafhankelijk van het toevallige verschijnsel, dat elk individueel mens is. Omdat dit het geval is, is het beeld de enig werkelijke parameter, toetssteen, die wij hebben. Dit staat in tegenstelling tot de in het westen algemeen aanvaarde mening dat de menselijke geest de ware toetssteen zou zijn. Deze geest lijkt wel als zodanig te gelden, maar dat komt doordat hij in het westerse denken op die manier functioneert. Hij wordt als de maat genomen vanuit de voor dat denken geldende cultuur. In feite echter is dat een van de misvattingen waaraan culturen altijd mank gaan: er wordt ten onrechte iets als de maat van alle dingen gesteld. Als het echter gaat over het bewustzijn is daarvan wel te zeggen dat daarin de enig ware objectiviteit te vinden is.

Behalve dat het bewustzijn een werkelijkheid van vormen is, geldt natuurlijk ook nog het feit dat het een zaak van trillingen is. Het is een trillend complex van verhoudingen. Op grond daarvan veroorzaakt het in het materiële systeem, dat het lichaam is, ook nog een meetrillen. Dat gebeurt op overeenkomstige wijze als het meetrillen van de klankkast van bijvoorbeeld een viool. Je lichaam trilt dus met zichzelf als bewustzijn mee, en dat komt voor de dag als gevoel. Er is dus een zien hoe de werkelijkheid echt is en er is een voelen. Dat laatste echter is wel afhankelijk van de kwaliteit van het lichaam; het is gebonden aan de persoonlijkheid van een mens.

Op grond van het feit dat voor de mens het begrip geest geldt is er aan de mens ook nog het begrip zelfbewustzijn te bedenken. De inhoud van dat zelfbewustzijn is de voorstelling. Deze wordt, zoals ik al vaker heb uiteen gezet, opgebouwd naar aanleiding van onderwijs, opvoeding en eigen ervaringen. Het spreekt vanzelf dat deze voorstelling strikt beperkt is tot de eigen wereld van een individu: het is jouw wereld, zoals jij meent dat de werkelijkheid is.

Behalve dat het de eigen wereld van een bepaald mens is, is het bovendien een vastgelegde zaak, die weliswaar aan verandering onderhevig is, op gezette tijden bijgesteld wordt, maar die men vervolgens telkens weer als de werkelijkheid vaststelt. Het gaat echter steeds over een individuele werkelijkheid die voor een ieder weer een beetje anders is, maar die, binnen een bepaalde cultuur, wel een collectief grondpatroon vertoont.

Nu liggen de verhoudingen zo dat de meest primitieve voorstellingen het meest ondoordringbaar zijn. Het is bijna niet mogelijk er een verandering in aan te brengen. Je kunt dat bemerken bij erg principiële mensen, bijvoorbeeld stijle gereformeerden: je komt er niet doorheen! Niet alleen dat dit een andersdenkende niet gelukt, ook de werkelijkheid als beeld komt er vrijwel niet doorheen. Er kan nauwelijks iets van het beeld doorstralen. Dat komt dus doordat zo'n voorstelling vanwege zijn primitiviteit zo afwijkend van het beeld is dat er zo ongeveer niets doorheen kan. Als je de voorstelling vergelijkt met bijvoorbeeld een filter, dan kun je in dit verband zeggen dat het filter, door zijn ondoordringbaarheid, vrijwel niets door kan laten. Naarmate echter de voorstelling meer overeen gaat komen met het beeld wordt het een filter dat in staat is méér door te laten. Dat meer overeenkomen met het beeld gebeurt tijdens de ontwikkeling van de mensheid.

Het is dus het proces van de zogenaamde beschaving.

Je zou kunnen menen dat in onze huidige beschaving de voorstelling zo waarheidsgetrouw is geworden dat hij nu bijna alles doorlaat en dat daardoor de mensen behoorlijk vertrouwd zouden zijn met datgene dat vanuit het beeld door gestraald wordt. Dat echter is niet het geval, dat wil zeggen; er straalt wel heel veel door, maar dat wordt in geen enkel opzicht gewaardeerd. Het wordt zonder meer als subjectief en dus oncontroleerbaar afgewezen. De oorzaak daarvan is het feit dat men in onze cultuur eenzijdig gericht is op de voorstelling. De gehele werkelijkheid gaat op in datgene dat de voorstelling te zien geeft. Aandacht voor het bewustzijn en het beeld is er hoegenaamd niet. Intussen blijft dat sterke doorstralen toch doorgaan. Dat leidt er toe dat er in de mensen een drastisch verdringingsproces plaats gaat vinden. Maar dat kan niet verhinderen dat er toch van allerlei aan die verdringing ontsnapt. Dat veroorzaakt een steeds grotere verwarring. Daar komt nog bij dat datgene dat doorstraalt en niet te verdringen blijkt te zijn een psychische werking op de mensen heeft. Het is immers een werkelijkheid van trillingen die onvermijdelijk het lichaam doet meetrillen. Daardoor raakt het gevoel in verwarring en weet geen raad meer met het zelfbewustzijn en zijn voorstelling. Dat is hetgeen men doorgaans bedoelt met de strijd tussen gevoel en verstand: men kan geen antwoord vinden op de vraag of je nu naar het een of naar het ander zou moeten luisteren. Omdat men onderhevig is aan verwarring manifesteert zich een grote onvrede, zonder dat men er achter kan komen waar die vandaan komt.

In het oude Europa hadden de mensen uiteraard ook last van het doorstralen van het beeld en het daarmee samengaande gevoel. Omdat er echter weinig overeenkomst was tussen het beeld en de voorstelling, zelfs in zo'n mate dat beide elkaar tegenspraken, ontstonden er conflicten. Het een botste met het ander. In de Europese Middeleeuwen waren er op gezette tijden hele epidemieën van psychische neurosen, zich uitend in hysterie en een onvoorstelbare zelfhaat. De mensen voelden zich schuldig en gingen er toe over zichzelf te kastijden. Berucht waren de zogenaamde geselprocessies.

En natuurlijk werden die psychische conflicten ferm aangemoedigd door de Roomse kerk, die er een middel in zag om de mensen nog meer aan zich te binden. De moderne mensen vertonen deze conflicten niet meer, juist- omdat de voorstelling een grote overeenkomst met het beeld vertoont, zodat er niet meer zoveel kan botsen. Maar de verwarring is veel en veel groter bij de moderne mens. Het is dan ook geen wonder dat de moderne mensheid lijdt onder een aantal vrijwel ongeneeslijke cultuurziekten. Zij heeft de waarheid als het ware vlak voor haar voeten liggen en kan haar niet herkennen, weet er geen raad mee.

Opvoeding-1 ; Opvoeden/Opgevoed-1 ;

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 15.

Het begin van het filosofische nadenken over de werkelijkheid ligt bij de constatering datik er ben”. Daarbij moet je je goed realiseren dat je slechts het er zijn van dat ik vaststelt, maar dat je absoluut niet weet wie of wat dat ik is. Je moet dat ook niet willen weten, want dat kan pas aan het eind van de filosofische gedachtegang. Datik er ben” is evident, d.w.z. dat staat vast en is niet te ontkennen en dus ook niet vatbaar voor discussie, het is klaarblijkelijk. Uit die zekerheid is de conclusie te trekken dat er ook nog wat anders is, namelijk niet- ik en ook die conclusie is evident. Daaruit volgt dat je met zekerheid kunt stellen dat de werkelijkheid uit ditten en datten, uit het een en het ander bestaat. Dat kan niets anders betekenen dan dat de werkelijkheid een samenstelling is die in de grond van de zaak tot aan elkaar gelijke, niet samengestelde, beweeglijkheden teruggebracht kan worden. Daar ligt het beginpunt voor je nadenken over de werkelijkheid: een onbenoembare oerwerkelijkheid zonder eigenaardigheden, die op zichzelf niet tot de werkelijkheid als het een en het ander behoort.

In het voorgaande is een aantal eigenaardigheden van de mens, namelijk bewustzijn en zelfbewustzijn, het doorstralen van het beeld en dergelijke, aan de orde gekomen, maar eigenlijk weet je die dingen pas aan het eind van je gedachtegang. Tijdens die gedachtegang zelf mogen zij dus niet gebruikt worden als argumenten ter staving van die gedachtegang. Maar, intussen spelen zij, omdat wij het verschijnsel mens zijn, toch hun rol. En alweer; pas aan het eind wéten wij welke rol dat was. Je moet voor ogen houden dat tijdens de gedachtegang het niet-weten bepalend is, uiteraard zonder te weten waarom dat zo is. Je kunt je dus nergens op beroepen, maar er geldt wel iets voor datgene dat je aan de weet komt: het moet te bestrijden zijn! Dat wil zeggen dat de zaak vatbaar moet zijn voor tegenargumenten, je gedachtegang moet helder zijn. Alleen dan is er de mogelijkheid om te onderzoeken of er wellicht fouten in zitten. In feite betekent het aanvoeren van tegenargumenten dat je controleert of je ontdekkingen in alle richtingen samenhangend zijn. Zo kun je je gedachtegang opbouwen.

In de wetenschap begint men ook met niet-weten. Dat is immers de aanleiding om te gaan onderzoeken. Maar, dat niet-weten is slechts de stimulans om tot wel-weten te komen en het is dat wel-weten waarom het gaat. Het feit dat dit wel-weten telkens bijgesteld wordt doet hierbij niet ter zake, waarom het gaat is dat de wetenschap een verzameling kennis oplevert en dat die kennis het niet-weten (tijdelijk) opheft.

Er blijven in die verzameling steeds fouten en blinde vlekken zitten, die in de hoedanigheid van niet-weten een stimulans zijn tot onderzoek, en dus speelt in die zin het niet-weten blijvend een rol. Maar dat is een incidentele rol. Het gaat daarbij om bepaalde onderdelen van de werkelijkheid, waarvoor op een bepaald moment het niet-weten blijkt te gelden. Bovendien zijn het onderdelen die binnen de gangbare voorstelling vallen. De werkelijkheid zelf komt daarbij niet aan bod. Het gaat steeds over gedeelten van de (wetenschappelijke) voorstelling van de werkelijkheid. Als bijvoorbeeld iemand wil promoveren moet hij nauwkeurig aangeven naar welk deelgebied hij onderzoek wil plegen en hij moet ook aantonen dat het over een deelgebied gaat dat nog niet onderzocht is.

Bij de filosofie ligt de zaak heel anders. Het niet-weten geldt niet incidenteel als stimulans voor nauwkeurig begrensd onderzoek, maar het geldt blijvend ten aanzien van de gehele werkelijkheid. Het is geen fase in de ontwikkeling die na onderzoek overwonnen wordt, maar een soort van norm voor het filosofische denken. En het is bijgevolg ook de noodzakelijke grondhouding van de filosoof. Het lijkt paradoxaal, maar de feiten liggen zo dat je door steeds het niet-weten te laten gelden achter de waarheid komt, juist doordat je uitsluitend je denken laat gelden zonder er iets bij nodig te hebben. Het komt er op neer dat je denken onafhankelijk is, zelfs, zoals al eerder gezegd, van jezelf. Aan het einde van je gedachtegang, als je ontdekt hebt wie en wat de mens is, kom je ook aan de weet waarom het niet-weten zo essentieel voor de filosofie is. Het is de enige waarachtige mogelijkheid om de werkelijkheid te leren begrijpen. Dit laatste wordt niet door iedere denker ingezien. Velen menen dat het blijvend gelden van het niet-weten ertoe leidt dat je nooit iets aan de weet zult kunnen komen. Dat is voor die denkers een goede aanleiding om zich voortdurend ongefundeerde uitspraken te permitteren, maar het leidt er ook toe dat men niet de moeite neemt naar de ideeën van anderen te luisteren. Waar men uiteraard dan weer niet tegenop ziet is dit, dat men vrijelijk die gedachten van anderen bespottelijk probeert te maken: het kan immers toch niet waar zijn! In feite zijn bedoelde denkers in de twijfel blijven steken. Wij weten inmiddels dat dit komt door het verduisterd zijn van hun kijk op de werkelijkheid als beeld.

Het gaat in de filosofie om ware uitspraken. Dat zijn uitspraken die wel te bestrijden zijn, maar die niet ontkracht kunnen worden. Dat betekent dat zij onafhankelijk van wat dan ook hun geldigheid blijven behouden. Zij zijn dus ook onafhankelijk van de door de mensen bijeengebrachte verzameling kennis. Om tot die uitspraken te kunnen komen moet, zoals gezegd, het niet-weten blijvend de norm zijn. Dat maakt er het filosoferen niet gemakkelijker op, maar het is nu eenmaal zo! Het is helaas in strijd met het in onze cultuur gangbare denken en dus kun je er niet bepaald roem mee oogsten. Maar er is nog iets: je moet namelijk afstand nemen van jezelf. Dat mag je niet verwarren met zelfverloochening en dergelijke godsdienstige begrippen, waarbij het gaat om het je onderwerpen aan bepaalde voorstellingen inzake hogere machten. Het gaat er om dat de onafhankelijkheid van je denken en je weten ook geldt ten aanzien van je eigen persoon, die geheel toevallig is zoals die is. Die onafhankelijkheid moet er zijn om aan je uitspraken, dus aan je beschrijving van de werkelijkheid, de nodige bewijskracht te geven. Dat evenwel is geen bewijskracht ten opzichte van andere mensen, maar een bewijskracht ten opzichte van jezelf. Het heeft dus niets met overdraagbaarheid te maken.

Voor een ander kun je filosofisch niets bewijzen, maar voor jezelf wel. Daarom is het noodzakelijk afstand van jezelf te nemen. Die afstand maakt een innerlijke objectiviteit mogelijk. Deze objectiviteit leidt tot een voorstelling van de werkelijkheid die nu eens niet vastgelegd is, maar voortdurend beweeglijk. Zonder die objectiviteit leg ik alle voorstellingen vast, d.w.z. ik koppel ze dan aan mezelf en maak ze tot mijn werkelijkheid. Met die objectiviteit wordt het echter dé werkelijkheid. Ziende die werkelijkheid kan ik me, bijvoorbeeld aan het einde van mijn gedachtegang over de werkelijkheid, met recht afvragen of ik de ontdekte feiten terug kan vinden in de realiteit. En zo mag ik dan vaststellen dat de ontdekte eind-situatie inderdaad voorkomt, namelijk als mens.

Als je die objectiviteit zou missen kunnen al je ontdekkingen terug verwezen worden naar jezelf: men is dan gerechtigd te stellen dat je beschrijving slechts over je eigen werkelijkheid gaat.

Zie bladwijzers: Dat “IK er ben” - zie A-nrs.1en2, B, C, D ;

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 16.

Voor het opbouwen van een filosofische gedachtegang (fenomenologie) over het ontstaan en bestaan van de kosmos, dat wil zeggen; de gehele werkelijkheid van de verschijnselen, is het noodzakelijk een absoluut zeker beginpunt te vinden, en vervolgens op zo'n manier te redeneren dat elk volgend moment uitsluitend uit een vorig af te leiden is. Je redenering moet volstrekt onafhankelijk zijn van al datgene dat je, in de vorm van kennis, bij voorbaat voor waar houdt. Toch ga je, bij het overdenken van bepaalde thema's, meestal niet naar dat beginpunt terug. In feite roep je het beeld van de werkelijkheid in jezelf op en probeer je vervolgens het gestelde thema zo genuanceerd en zo samenhangend mogelijk te belichten. Je mag dat doen omdat die werkelijkheid als beeld in jou, als mens, de gehele werkelijkheid in al haar samenhang omvat. Maar, dat laatste kun je alleen maar zeker weten als je over ontstaan en bestaan op genoemde onafhankelijke wijze nagedacht hebt. Heb je dat echter niet of slechts in grote lijnen gedaan, dan is er toch dat beeld en als dat in en door jezelf niet al te zeer belemmerd is kun je wel degelijk betrouwbaar nagaan hoe het zit met de werkelijkheid. De zaak ligt namelijk al klaar in jezelf. Daarom kun je gerust stellen dat je het filosoferen in principe niet kunt leren: als je aanleg zodanig is dat je zicht op het beeld weinig belemmerd is, kun je het eigenlijk al en als dat zicht in ernstige mate belemmerd is zal je het filosoferen nooit leren... Intussen is het voordeel van de fenomenologische gedachtegang dat je inzicht in de werkelijkheid in principe een optimale diepte bereikt. Je gaat immers terug tot op de beweeglijkheden en dus tot op het wezen van de werkelijkheid!

In het westerse denken heeft men het ook over het afstand nemen van jezelf teneinde objectief de werkelijkheid te kunnen bekijken. Dit echter is iets anders dan het door mij bedoelde afstand nemen. De wetenschappelijke objectiviteit komt neer op het jezelf buiten de werkelijkheid stellen, althans het je verbeelden dat je dat doet. Je brengt een scheiding aan tussen jezelf en de kenbare werkelijkheid. Wetenschappelijk gezien is dat noodzakelijk, maar dat wil - dit even terzijde - niet zeggen dat iedere wetenschapper zich daaraan houdt: tegenwoordig zijn nog maar weinig wetenschappers bonafide, de meesten hebben zich met huid en haar aan de commercie en de politiek verkocht. Het begrip innerlijke objectiviteit houdt in dat je jezelf als de werkelijkheid stelt, geen scheiding aanbrengt en daarbij afstand neemt van, dat wil zeggen niets te maken hebt met, je eigen toevallige persoonlijke eigenaardigheden. Tot die eigenaardigheden behoort vooral de kennis, die je vanwege je cultuur tot je genomen hebt, maar ook zijn daar de talloze ongeweten conditioneringen die je in de loop der tijd ingeprent zijn. Je hebt dus niet te maken met die persoonlijke voorstelling en in die zin neem je er afstand van. Alle kennis vanuit die voorstelling is niet geldig. Als je jezelf als de werkelijkheid laat gelden maak je je los van jezelf als de persoonlijke werkelijkheid als voorstelling.

Voor westers begrip kun je niet nadenken over een werkelijkheid waarvan niets te zeggen valt. Maar filosofisch kun je wel degelijk de vraag stellen wat er te zeggen is over een dergelijke werkelijkheid. Om een antwoord te vinden moet je er op letten dat het woordje zeggen twee maal in een andere betekenis voorkomt. De eerste maal betekent het eigenlijk weten en de tweede maal bepalen. De eigenlijke vraag luidt dus; wat kan ik weten van iets dat niet te bepalen is.

Nu moeten wij als eerste dat begrip niet te bepalen onderzoeken. Als je dat doet blijkt dat je gezegd hebt dat ik het niet kan bepalen. Voor mij is de zaak dus niet te bepalen. Waarom is dat het geval? Er blijken twee mogelijkheden te zijn, waarvan de eerste berust op het begrip oneindigheid en de tweede op het begrip absoluutheid. Als je namelijk aan het tellen gaat, bijvoorbeeld de hoeveelheid hemellichamen in het heelal, blijkt dat je almaar door kunt gaan met tellen. Elke laatste blijkt telkens weer de voorlaatste te zijn zodat je nooit uitgeteld raakt. Je weet zeker dat voor de hemellichamen geldt dat hun aantal te tellen is, maar je bemerkt ook dat je op een oneindige hoeveelheid uitkomt. In dat geval kun je zeggen dat de hoeveelheid hemellichamen niet te bepalen is. Er zijn natuurlijk meer voorbeelden te geven van niet te bepalen zaken. In de natuurkunde, en zeker die van de elementaire deeltjes, komen die zaken bij herhaling voor. De quantum mechanica is er zelfs op gebaseerd. In het andere geval, namelijk dat van de werkelijkheid als beweeglijkheden, bemerk je dat er niets te tellen valt, dat de begrippen aantal en hoeveelheid helemaal niet gelden en dat het feit dat je helemaal niets kunt bepalen voorkomt uit de volslagen onbepaaldheid van de beweeglijkheden zelf. Nu heb je dus te doen met iets absoluuts waarvoor elke denkbare bepaaldheid vervalt. De hemellichamen uit het eerste geval waren op zichzelf bepaalde dingen waarvan de hoeveelheid zich in het oneindige verliest, maar de beweeglijkheden uit het tweede geval zijn ook zelf onbepaald. Bij onze eerder gestelde vraag gaat het om het tweede geval. De vraag kan nu dus luiden: wat kan ik weten over een absoluut onbepaalde werkelijkheid. Dat wil zeggen, een werkelijkheid die geen enkele eigenschap vertoont en die nergens betrekking op heeft.

Op de nieuwe vraag is een antwoord te geven. Het kan namelijk niet anders of ik heb te doen met een werkelijkheid van absolute beweeglijkheden. Deze conclusie is niet zo gemakkelijk te begrijpen en daarom eerst het volgende ter verduidelijking: iets is beweeglijk, of in beweging, als het niet aan iets anders vastzit. Als iets wel aan iets anders vastzit is het ten opzichte van datgene waaraan het vastzit onbeweeglijk.

Maar, al vastzittende aan iets anders kan het ten opzichte van een derde object wel weer in beweging zijn. Het aan iets vastzitten betekent dus eigenlijk dat iets ten opzichte van iets anders stilstaat. Voor de werkelijkheid waarover ik het nu heb kan het vastzitten of stilstaan niet gelden omdat het een werkelijkheid is waarvoor het begrip iets anders niet geldt. De absolute onbepaaldheid heeft nergens iets mee te maken en dus heeft hij ook niets te maken met iets anders. Hij kan dan ook niet vastzitten aan iets anders. Dan kan de conclusie alleen maar deze zijn dat die absolute onbepaaldheid een absolute beweeglijkheid is.

Je kunt ook een eenvoudiger redenering volgen, en wel deze: het moet bij de absolute onbepaaldheid wel over een beweeglijkheid gaan omdat er, als dat niet het geval zou zijn, nooit iets had kunnen gebeuren. En dat er iets gebeurd is in de werkelijkheid staat vast vanwege je eerdere ontdekking dat het bestaan van ik een onmiskenbare zekerheid is. Als je vaststelt dat er iets gebeurd is moet er iets zijn dat op de een of andere manier in beweging was. Dat betekent dat de gehele kosmos op bewegingen berust en daaruit volgt dan weer dat het zich bewegen essentieel is. Als je dat begrepen hebt ligt het vervolgens in de logica dat het oorspronkelijke bewegen een absoluut onbepaald karakter gehad moet hebben. Een karakter dus waarvan qua bewegen niets te zeggen valt. Vervolgens kun je besluiten het voortaan over beweeglijkheden te hebben.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 17.

Het gaat nu om de vraag wat je zeggen kunt over een werkelijkheid waarover niets te zeggen valt. Vertaald komt dit hierop neer dat je vraagt wat je zou kunnen weten over een volkomen onbepaalde werkelijkheid. Volgens het analytische denken kun je daarvan niets weten en dat is dan een reden om er het zwijgen toe te doen. Doe je dat niet, dan verval je in speculaties en vervolgens al spoedig in metafysica. Dat is allemaal niet te controleren en dus heb je er niets aan! Op zichzelf, gezien vanuit een systematische analyse van de werkelijkheid, is dat juist. Maar toch zitten er twee fouten in die opvatting. De eerste is deze dat die werkelijkheid, die door de positivisten metafysisch genoemd wordt, wel degelijk te controleren is, maar niet volgens het analytische systeem dat op kwantificeerbaar (= in waarden uit te drukken) onderzoek berust. Het blijkt dat men geen enkel vertrouwen in het denken als zodanig heeft. Men komt dan ook niet tot onafhankelijk denken en kan bijgevolg niet begrijpen dat dit denken juist wel door en door controleerbaar is. Die controle berust op het in alle richtingen aanwezig zijn van samenhang. Ook in de wiskunde denkt men niet onafhankelijk: elke wiskundige formule moet toegankelijk zijn voor het invoeren van bepaalde waarden en daarbij steeds een andere, van tevoren reeds bepaalde, waarde als uitkomst hebben. De tweede fout in de genoemde opvatting is de miskenning van het niet-weten. Als je namelijk constateert dat je van iets qua kennis niets kunt weten doe je een uitspraak die op wel-weten gebaseerd is: je wéét dat je van iets niets kunt weten! Je weet dus wel degelijk iets en dat kun je gebruiken als uitgangspunt voor je gedachtegang. Je hebt er dus wel iets aan. Zoals al eerder gezegd is het juist dat niet-weten dat tot wel-weten leidt. Als je het begin legt bij datgene dat je qua kennis wel meent te weten begin je verkeerd, met als gevolg dat de rest ook verkeerd is, zoals blijkt bij bestudering van de moderne filosofie.

Tegenwoordig wordt systematisch denken als een kenmerk van de ware filosofie beschouwd. Dat is te begrijpen, want de moderne filosofie houdt zich vrijwel uitsluitend met de werkelijkheid als verschijnsel bezig, en die werkelijkheid is gestructureerd volgens vaste patronen zodat bijgevolg het denken daarover ook volgens vaste patronen verloopt. Het is dus een systematisch denken, dat berust op analyse. Daaraan hecht men zoveel waarde dat men het ontbreken van die systematiek als een argument gebruikt om de creatieve filosofie, die op een volkomen onafhankelijk denken berust, als onbetrouwbaar af te wijzen. Inderdaad houdt het onafhankelijke denken zich niet aan de systematiek van de positivistische filosofie, en wel omdat voor dat denken niet de vastgelegde situaties typerend voor de werkelijkheid zijn, maar juist de beweeglijke. Daarin lijkt dat denken op de kunst, waarin elk thema steeds opnieuw gesteld wordt. Het vastgelegde karakter van het verschijnsel komt voort uit de werkelijkheid als absolute beweeglijkheden en is dus een méékomende zaak. Het zich bezig houden met de beweeglijke werkelijkheid leidt onvermijdelijk tot het voortdurend beschouwen van samenhangen in alle mogelijke richtingen en daarin is geen van tevoren bepaalde systematiek te gebruiken. Indien er toch een soort van systematiek geldig zou zijn voor het onafhankelijke creatieve denken zou het die van de almaar wisselende richtingen van benadering moeten zijn, maar zoiets strookt niet met het moderne, geconditioneerde, denken. De werkelijkheid is vol van gebeurtenissen en die leiden er tenslotte toe datik er ben”, zonder dat ik weet waar ik vandaan kom en waar ik naar ga .

Het feit dus datik er ben” wijst er op dat de werkelijkheid op de een of andere manier in zichzelf in beweging is. Er treden voortdurend veranderingen op, maar die zijn niet denkbaar zonder dat er aanvankelijk iets was waarmee de verandering begonnen is, zonder dat dit iets zelf aan verandering onderhevig geweest kan zijn. Wel echter moet dat aanvankelijke iets de mogelijkheid hebben tot veranderingen, zonder dat die mogelijkheid op een eigenschap berust. Die mogelijkheid moet het wezen van dat iets uitmaken. Dat kan dan niets anders zijn dan beweeglijkheid, die er uitsluitend voor zichzelf is en die niet ontvankelijk is voor inwerkingen van welk ander iets dan ook. Dat moet dus een volkomen onbepaalde beweeglijkheid zijn.

Uiteraard is de hierboven vermelde redenering een bewijs achteraf. Dat echter ligt in de logica, want elke beschouwing over de werkelijkheid wordt achteraf door het laatste verschijnsel, de mens, opgezet. De werkelijkheid, aan haar eind gekomen, denkt over zichzelf na. De filosoof Jan Borger verwoordde dit als volgt: de werkelijkheid ten einde buigt in zichzelf terug en aanschouwt als zodanig zichzelf en dat heet spiegeling. Er is wat dit betreft voor de mens geen keuze, hij kan niet anders dan terugdenken. Als hij dat dan gaat doen, dan blijken er twee redeneringen mogelijk te zijn, en die leiden alle twee tot de zekerheid dat de werkelijkheid er een is van beweeglijkheden. De eerste redenering verloopt via het vervallen van eigenschappen naar het volkomen onbepaalde, dat dus beweeglijk moet zijn, en de tweede via het voorkomen van gebeurtenissen naar de conclusie dat de werkelijkheid in beweging is en dat er dus aan haar oorsprong absolute beweeglijkheid moet zijn. Beide redeneringen zijn onweerlegbaar, want zij zijn vatbaar voor tegenargumenten, d.w.z. zij zijn geen duistere en onnavolgbare verhalen.

Elk argument dat tegen de twee genoemde redeneringen ingebracht kan worden blijkt echter een sofisme te zijn, een spitsvondigheid die op een formele negativistische logica berust. Dat is een logica die alles ontkent wat er gezegd wordt zonder in te gaan op de inhoud van het gezegde. Zo zou een sofist kunnen zeggen ik weet niet of “ik er ben”. Het lijkt dan of hij de uitspraak “ik ben er” tegengesproken heeft, maar in feite is dat niet het geval omdat hij zijn eigen uitspraak niet kan doen zonder het over ik- ik weet niet... - te hebben. Formeel logisch is zijn uitspraak wel mogelijk, maar inhoudelijk is hij onhoudbaar. Sofismen zijn drogredeneringen in de vorm van tegenspraken waarbij gebruik gemaakt wordt van het feit dat een mens letterlijk alles kan ontkennen, met inbegrip van zichzelf. In de tweede helft van de 5e eeuw voor onze jaartelling waren er in Griekenland heel wat sofisten. Zij waren leermeesters in het denken en spreken, maar ook in de politieke wijsheid. Dit laatste is veelzeggend, zowel wat de gesteldheid van een sofist als het karakter van de politiek betreft. ! Je kunt overigens van sofisten heel wat leren, echter niet over de inhoud en de bedoeling van een bewering, maar over de vorm ervan. Je leert op een zodanige wijze formuleren (= opbouwen van de vorm) dat datgene dat je zeggen wilt ook werkelijk gezegd wordt. Als je, zoals onlangs iemand deed, beweert dat er gelovigen en atheïsten zijn en dat je beide groepen vervelend vindt, dan zeg je eigenlijk dat je alle mensen vervelend vindt. Daarmee vervalt datgene dat je over gelovigen en atheïsten had willen zeggen. Veel van het gedoe van de filosofen van de Wiener Kreiss kwam ook neer op sofisme. Hoe leerzaam het ook is en hoe noodzakelijk om goed te formuleren, toch gaat het in de filosofie natuurlijk om de inhoud van het beweerde.

Zie bladwijzers: Dat “IK er ben” - zie A-nrs.1en2, B, C, D ;

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 18.   Trouw-1 ; Trouw-2

Het was onder anderen Paul Feyerabend die er op heeft gewezen (Against Method, 1975) dat wetenschappers zich bij hun theorievorming helemaal niet aan de door henzelf aanvaarde methodes houden en dat dit er in feite op neer komt dat elke methode goed is, mits zij consistent (= samenhangend) wordt toegepast. Het is te begrijpen dat de meeste wetenschappers zich fel tegen zo'n opvatting verzetten, want tot op zekere hoogte wordt daarmee de basis van hun wetenschappelijkheid ongeldig verklaard. Intussen is de gedachte van Feyerabend daarom niet minder juist; het is zelfs helemaal niet denkbaar dat een nieuwe ontwikkeling voortkomt uit een oude theorie. Aan zo'n theorie komt immers een bepaalde methodiek van denken mee en die staat vanuit zichzelf geen afwijkingen toe. Daarom is het nu net een methodiek! Maar toch zijn het precies de afwijkingen die tot nieuwe ontwikkelingen leiden. Als iemand derhalve iets nieuws ontdekt en uitwerkt is dat gebaseerd op een fundamentele afwijking van bestaande theorieën en opvattingen. Het is juist het vreemde, het niet met de theorie in overeenstemming zijnde, dat de aandacht trekt van de echte wetenschapper en hem aanzet tot nader onderzoek.

Het gaat bij het bovenstaande uiteraard over de echte wetenschapper. Veel van deze integere geleerden zijn er niet, de wetenschappelijkheid van de moderne wereld reikt over het algemeen niet veel verder dan het benutten van, betrekkelijk klakkeloos aanvaarde, wetenschappelijke kennis ten dienste van maatschappelijke en politieke belangen. De meeste academici zijn een moderne variant van de arbeider, die buiten hem om bepaalde, economisch waardevolle handelingen verricht, gegrond op bestaande, met alle geweld in stand gehouden, voorstellingen. Geen wonder dat deze mensen bevreesd zijn voor gedachten als die van Feyerabend en hem, vaak met unfaire en onwetenschappelijke middelen, proberen te bestrijden. Hetzelfde gebeurt met zogenaamde New Age denkers als Fritjof Capra. Voortdurend worden zijn beweringen verdraaid en, als het even kan, belachelijk gemaakt. Daarbij worden nauwelijks geldige argumenten gebruikt om te pogen zijn ideeën te weerleggen. Zo wordt bijvoorbeeld net gedaan of Capra gezegd zou hebben dat wij van de toenmalige oosterse denkers zouden kunnen leren hoe het zit met de fysica van de elementaire deeltjes. Dat heeft hij echter helemaal niet beweerd: hij heeft er op gewezen dat die oude denkers in de gaten hadden dat de bestaande werkelijkheid uit beweeglijkheden voortgekomen moet zijn en dat veel van de op grond daarvan gedane uitspraken blijken te kloppen met de uitkomsten van de moderne fysica, en tegelijk in strijd zijn met conventionele ideeën over de werkelijkheid, zoals die vooral in het westerse politieke en maatschappelijke denken nog steeds opgeld doen.

Men doet het voorkomen of het invullen van waarden in, door onderzoek verkregen, formules antwoorden geeft die bewijzen of zo'n formule al dan niet juist is. De onbetwistbare juistheid van de uitkomsten van die formules maakt de zaak tot iets dat voor een ieder onontkoombaar is. Je ontkomt dus bijvoorbeeld niet aan het feit dat twee maal twee vier is. Bij nadere beschouwing blijkt het nog maar de vraag te zijn of dat allemaal juist is. Enerzijds heb je inderdaad de wetenschappelijke onontkoombaarheid, maar anderzijds is er de vraag wanneer mensen vertrouwen in een wetenschappelijke uitspraak hebben. Deze laatste vraag heeft betrekking op de cultuur van de mensen. Men laat dat er graag buiten omdat men meent dat objectiviteit niets met cultuur te maken heeft. Dat echter wordt niet door de praktijk van het leven - het enige dat er echt is bevestigd.

Je ziet namelijk dat in bijna alle gevallen bepaalde theorieën door de ene groep leken en vaklui wel worden aanvaard en door een andere groep niet, al naar gelang het vertrouwen dat bepaalde geleerde zegslieden genieten. En nu gaat het over wetenschappelijk onontkoombare kennis, bijvoorbeeld die op het terrein van de kernenergie, de medicijnen, de bestrijdingsmiddelen en de toevoegingen in het voedsel. Maar niet alleen op die terreinen, ook op technologisch gebied zijn de meningen almaar verdeeld. Kortom, het aanvaarden van bepaalde kennis berust niet op logische onontkoombaarheid, maar op niet-rationeel vertrouwen.

Het woord vertrouwen heeft velerlei betekenissen en daardoor is de zaak waarom het nu gaat enigszins verwarrend. Over het algemeen wordt het begrip vertrouwen gebruikt in verband met te verwachten gebeurtenissen of situaties. Als twee mensen elkaar trouw beloven wekken zij bij elkaar de verwachting dat zij zich zullen gedragen zoals was afgesproken. Als de wetenschapper spreekt van betrouwbare kennis heeft hij het over zaken die voorspelbaar zijn. Toepassing van die kennis levert een van tevoren bekend resultaat op, niet toevallig of eenmalig, maar elke keer als die kennis op de proef gesteld wordt. Een betrouwbare auto houdt de voorspelling in dat hij het steeds zal doen, enzovoort. Het begrip vertrouwen dat aan de genoemde voorbeelden ten grondslag ligt heeft betrekking op de werkelijkheid als voorstelling. Binnen het kader van die voorstelling zijn er van tevoren bepaalde gebeurtenissen en situaties te verwachten.

Als er niets bijzonders gebeurt zullen die gebeurtenissen en situaties zich zeker voordoen, je kunt daarop vertrouwen. Nu echter gaat het mij om een ander begrip, dat ook met het woord vertrouwen aan te duiden is. Dat begrip ligt dichtbij het vaker door mij besproken begrip geloof - niet in de godsdienstige zin, want dan behoort het bij de bovengenoemde categorie van verwachtingen, maar in de zin van zien hoe de werkelijkheid is. Het begrip geloven houdt dan verband met het zien van de werkelijkheid als beeld. Het verschil echter met het door mij bedoelde begrip vertrouwen is dit, dat geloof een zeker weten is en vertrouwen een psychische zaak. Een zaak dus die met het meetrillen met de werkelijkheid als bewustzijn te maken heeft. Dat houdt in dat er, als het over vertrouwen gaat, helemaal geen sprake is van enigerlei zekerheid omdat de zaak niet berust op het zien van het beeld, maar op de werkelijkheid als trilling, zoals die in elk levend wezen aanwezig is. Het gaat dus over iets psychisch en de mens ondergaat het dan ook als een soort van gevoel. Je hebt dan het gevoel dat bepaalde uitspraken, theorieën of opvattingen wel eens zouden kunnen kloppen. We zeggen dan doorgaans dat ze je aanspreken en ook dat je er wel iets voor voelt.

Als psychische zaak komt het begrip vertrouwen op een niet-rationele wijze in de mens voor de dag. Hij weet niet waar het op gebaseerd is en nog minder kan hij het denkend bevatten of beargumenteren. Het is deze niet-rationele werking waarop het al of niet aanvaarden van wetenschappelijke theorieën berust. Uiteraard moet het daarbij niet om onzin gaan. Onzin behoort zonder meer tot het als eerste door mij genoemde begrip vertrouwen: het speculeert immers op de (waan)voorstellingen van de mensen! Het gaat nu over het, door menig wetenschapper verdrongen, verschijnsel dat elke theorie voor- en tegenstanders heeft en dat geen van tweeën echte geldige argumenten bezit om zijn standpunt te verdedigen, en daardoor bijna altijd zijn toevlucht neemt tot het verdacht maken van zijn tegenstander. In feite is dit verdacht maken niets anders dan het schenden van iemands betrouwbaarheid en dus de poging te beletten dat mensen vertrouwen in hem hebben of krijgen.

Trouw-1 ; Trouw-2

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 19.   concurrentie-1 ; concurrentie-2

De werkelijkheid als totaaltrilling komt voor de dag in het levende verschijnsel, te beginnen bij de cel. Dat gebeurt op twee manieren, namelijk ten eerste als een beeld, op grond van het feit dat het een werkelijkheid van vormen is en ten tweede gebeurt het op de wijze van het psychische en dat is het meetrillen van het verschijnsel als materiële samenstelling met zichzelf als totaaltrilling. In het kort kun je zeggen: er is de werking van het zien en er is de werking van het gevoel. De mens ziet in zichzelf hoe de werkelijkheid is en hij voelt haar in zichzelf. Op het laatste is het door mij bedoelde vertrouwen gebaseerd. Dat is dus een psychische zaak, die zich niet door rationele argumenten verduidelijken, beschrijven of bewijzen laat. Ik heb de vorige keer gewezen op de verwantschap tussen het begrip geloof (in de ware zin van het woord) en het begrip vertrouwen. Wat dat betreft is het aardig om te weten dat het Engelse begrip faith zowel vertrouwen als geloof betekent...

Bij een andere gelegenheid, zie: De Kunst van het Filosoferen, heb ik laten zien dat het filosofische verhaal de voorstellingen in de toehoorder los maakt zodat, als gevolg daarvan, de werkelijkheid als beeld zichtbaar wordt. Maar ook heb ik er op gewezen dat die overdracht langs de weg van het psychische geschiedt. Dat psychische nu laat zich gelden als vertrouwen hebben in. Het is op grond van dit vertrouwen dat de toehoorder of lezer zich voor de filosofie openstelt, ontvankelijk is voor de zaak. Als het vertrouwen er eenmaal is kan de voorstelling losgemaakt worden. Zonder dat vertrouwen boezemt de creatieve filosofie alleen maar angst in omdat het los worden van de voorstelling een bedreigend verlies van houvast veroorzaakt. Op zijn wijze houdt die angst echter ook verband met vertrouwen, alleen is het dan in negatieve zin: wantrouwen!

Het voor waar aannemen van een wetenschappelijk verhaal berust op zichzelf niet noodzakelijk op het begrip vertrouwen. Het berust daarentegen op een toetsing aan de voorstelling en de daaraan ten grondslag liggende conditioneringen. Als het daarmee overeen komt, of als het daarin in te passen is, wordt het voor waar aangenomen. Welbeschouwd komt het vertrouwen en dus ook het psychische daar helemaal niet aan te pas en dus is ook de persoonlijkheid van degene die van dat verhaal kennis neemt niet in het geding. Anderzijds echter blijft het een feit dat de overdracht van onverschillig welk weten of welke kennis bij de mens toch via het psychische, en dus via het vertrouwen stellen in, verloopt. Het geldt nu eenmaal voor de mens. Dat is dus ook enigszins het geval bij de overdracht van een wetenschappelijk verhaal. Enigszins, omdat het psychische niet in tel is vanwege het in onze cultuur onderdrukken van het bewustzijn, dat echter toch langs allerlei omwegen zijn werking blijft uitoefenen. Men wil daarvan evenwel niets weten en doet dus net of de overdracht via rationele argumenten plaats vindt. Men koestert dan de illusie dat er iets bewezen zou zijn.

Ik heb er al vaak op gewezen dat de rationaliteit van de huidige wetenschappers niet zo heel erg ontwikkeld is. Het blijkt telkens weer dat het irrationele welig tiert en zich alleen maar als betrouwbaar voor kan doen omdat de maatschappelijke status van de wetenschappers tot op heden nog vrijwel onaantastbaar is. In zekere zin is het aureool van die mensen nog zo lichtend dat het straffeloos als vlag gebruikt kan worden om de kwalijke lading te dekken.

Die kwalijke lading bestaat uit het vrijwel onbelemmerd uitleven van de wil tot overheersen van de werkelijkheid, met daaraan meekomend erg veel onderlinge haat en nijd, concurrentie en machtswellust. De wil tot overheersen heeft er al toe geleid dat de meeste wetenschappen tot interventie-wetenschappen verworden zijn en hun reflectieve karakter reeds lang verloren hebben. Het kennen van de werkelijkheid en het begrijpen van haar systemen is gemaakt tot een middel om in te grijpen en haar naar eigen voorstelling om te vormen.

In feite hebben wij te doen met de typisch westerse mens die zich uit het geheel van de samenleving omhoog wil werken: het primitieve Germaanse streven, maar nu gestoken in een modern Angelsaksisch jasje. Het is Jan Rap en zijn maat op hoog intellectueel niveau! Daarbij dient het academische aureool als rechtvaardiging. Men is immers rationeel bezig en men laat het psychische geen rol spelen... om tegelijk volop zijn gefrustreerde gevoelens uit te leven en te spuien onder het mom van wetenschappelijke uitspraken. Je kunt bij herhaling meemaken dat de uitspraak Jouw beweringen zijn niet wetenschappelijk als voldoende argument gezien wordt om een gedachtegang - waarvan men overigens geen nota heeft willen nemen - te verwerpen.

De filosofie bewijst niets, zij kan je alleen maar iets laten voelen en iets laten zien, zodat je het geziene kan vergelijken met de enige betrouwbare parameter, toetssteen, die je hebt: de werkelijkheid als beeld. Bewezen wordt er echter niets, maar dat geldt niet alleen voor de filosofie. Het geldt voor elke vorm van overdracht, ook de wetenschappelijke. Die laatste overdracht is immers gebaseerd op een vergelijking met de voorstelling, waarvan wij inmiddels weten dat juist die volstrekt bepaald aan tijd en plaats is. Wat men in de wetenschap een bewijs noemt valt in feite geheel binnen het kader van de wetenschappelijke voorstellingen en methodieken. Binnen dat kader kun je een uitspraak best bewezen vinden, maar niemand zal je kunnen aantonen dat de zaak echt zo is en niet anders. De zaak is alleen maar zo voor de wetenschap. In de westerse cultuur heeft het begrip bewijs deze betekenis dat je op grond van een logische redenering, bevestigd door analytisch onderzoek, van de onomstotelijke. Juistheid van een formule overtuigd wordt. Zo'n formule slaat op de materiële werkelijkheid zoals die zich op dit moment en op deze plaats voordoet. Algemene geldigheid is dus niet aan de orde. Het bewezen-zijn van bepaalde waarheden, formules en kennis berust daarom op een fictie. Die fictie beheerst zo langzamerhand de gehele moderne wereld.

Van de filosofie kun je daarentegen zeker zijn, als je er maar steeds op let dat de zaak geen psychische weerstand in je oproept en samenvalt met het door de filosofie vrijgekomen beeld van de werkelijkheid. Maar, als dat het geval is kun je nog altijd niet zeggen dat er iets bewezen is. Eventueel wel dat er je iets aangewezen is in de zin van laten zien. En dit laten zien is, hoewel het betrekking heeft op de enig waarachtige parameter en dus op zeker weten, toch een persoonlijke zaak, die begint met het hebben van vertrouwen. Dit is ook te begrijpen als je bedenkt wat voor het laatste verschijnsel, de mens, geldt. In dat verschijnsel, en dus in de bestaande mensen, komt de werkelijkheid tot zelfbewustzijn en, ten gevolge daarvan, tot weten omtrent zichzelf en de gehele werkelijkheid. De ontwikkeling van dat weten is een natuurlijk proces: het ligt in de aard van de mensen en niet in hun vermogens, zoals het vermogen om te analyseren, logisch te denken en te formuleren. Die vermogens zijn een meekomende, een secundaire, zaak.

concurrentie-1 ; concurrentie-2

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 20.

Als het over het denken van de mens gaat, gaat het over een van zijn vermogens en dan betreft het een zaak die aan hem méékomt. Het begrip vermogen betekent in dit verband dat de mens tot iets in staat is en vermogens verwijst naar het complex van dingen waartoe een bepaald mens in staat is. Dat voor de mens het begrip vermogen geldt is geen meekomende zaak, maar een wezenlijke: de mens zou geen mens zijn als het begrip vermogen niet voor hem gold. Maar de verschillende vermogens zelf zijn secundair, het zijn eigenlijk bijzaken.

Bijvoorbeeld: de mens vermag muziek te maken, is daartoe in staat, maar niet iedereen heeft muziek maken in het pakket van zijn vermogens. Het denken behoort tot het vermogen van de mens, maar lang niet elk individu kan er op gelijke wijze mee uit de voeten. Als de ontwikkeling van de mensen om tot weten te komen afhankelijk was van hun denken, dan zou er niet veel van terechtkomen. De mensen zouden almaar verstrikt zijn in hun eigen door tijd en plaats bepaalde denken, zonder de mogelijkheid daaraan te ontsnappen. In feite heeft er een andere ontwikkeling plaats en die is er vanuit het bewustzijn. Als secundair verschijnsel is er dan telkens een enigszins ander denken.

De twee door mij beschreven gedachtegangen, die tot de zekerheid leiden dat de werkelijkheid wezenlijk er een is van absolute beweeglijkheden, zullen door de meeste modern denkende mensen voor cirkelredeneringen en dus voor drogredeneringen worden gehouden. Op zichzelf is die mening een sofisme omdat hij betrekking heeft op de vorm waarin die gedachtegangen gegoten zijn. Hij berust op formele logica. Die vorm ziet er bij de door mij als tweede beschreven gedachtegang als volgt uit; je constateert dat alles in beweging is, daaruit leid je af dat er beweeglijkheden aan de oorsprong moeten liggen, om vervolgens en tenslotte tot de conclusie te komen dat alles in beweging is. Dat is inderdaad, voor sofistisch denken, een cirkelredenering. Maar is het dat nu ook inhoudelijk?

In feite blijken diegenen die zich verdiepen in de vorm van uitspraken zelf met sofismen bezig te zijn. Niet omdat de vorm van filosofische uitspraken niet belangrijk zou zijn en de studie daarvan de filosofie niet ten goede zou komen, maar omdat men meent dat de vorm van uitspraken de essentie van de filosofie zou uitmaken. Populair gezegd; men meent aan de weet te komen hoe het zit door uitspraken te analyseren en naar hun vorm te toetsen. Juist dat nu is je reinste sofisme! De door mij beschreven gedachtegangen zijn alleen qua vorm cirkelredeneringen, maar inhoudelijk zijn zij dat niet. De toenmalige leden van de Wiener Kreiss bijvoorbeeld (o.a. R.Carnap, Ph. Frank, K. Godel, 0. Neurath en M. Schlick ) hielden zich in de jaren twintig en dertig uitvoerig met de filosofische vormen bezig, maar van de inhoud van die vormen hadden zij geen idee. Zij verloren zich dan ook in het zoeken naar een filosofische taal die eenduidig zou moeten zijn, een soort wiskundige symbooltaal. De moderne filosofie staat helaas nog steeds onder invloed van die denkers van de Wiener Kreiss.

In de creatieve filosofie komt je bij herhaling redeneringen tegen die qua vorm cirkelredeneringen zijn, maar die dat qua inhoud helerpaal niet blijken te zijn. Welbeschouwd is de gehele filosofie zo'n redenering. Juist omdat de mens het laatste verschijnsel is sluit in hem de cirkel. Hij is de werkelijkheid die zich in zichzelf afvraagt hoe het nu werkelijk zit met zichzelf. Het begin van dit proces is de mens zelf, als concreet aanwezig verschijnsel dat van zichzelf nog niets af weet en het einde is diezelfde mens, maar nu in de situatie van wel-weten hoe het zit.

En dat wel-weten betreft niet meer uitsluitend hemzelf als toevallig aanwezig verschijnsel, maar het betreft een weten dat algemeen geldig is. Een weten dat morgen en overmorgen ook nog waar is. Het eindpunt van de ogenschijnlijke cirkelredenering is dus geheel iets anders dan het beginpunt, hoewel het qua vorm hetzelfde lijkt. Je zou de indruk kunnen krijgen dat je gevangen zit binnen een gesloten systeem (een cirkel) waaruit je je nooit bevrijden kunt. In feite echter betreft het uiteindelijke, het algemeen geldige weten de gehele werkelijkheid, zowel naar haar wezen (beweeglijkheden) als naar haar verschijning (het heelal) als naar haar laatste mogelijkheid (materie als niet-materie). Meer dan dat is er niet te weten. Het spel van de gedachtegangen en het nagaan hoe de werkelijkheid is kan zich alleen maar afspelen in het laatste en meest volledige systeem waartoe diezelfde werkelijkheid komt. In zoverre is de zaak in zichzelf besloten, maar als je nagaat wat er dan in zichzelf besloten is, dan blijkt dat de gehele werkelijkheid en de werkelijkheid als geheel te zijn.

Het bovenstaande geldt natuurlijk ook voor de wetenschapper. Hij is immers ook een mens! Maar voor de wetenschap, als het complex van onderzoekingen, kennis en niet-kennis, geldt dat niet. Dat komt doordat het voor die wetenschap noodzakelijk is dat de onderzoekende mens zich opstelt alsof hij buiten de werkelijkheid staat. Hij geldt dan als het subject dat naar de werkelijkheid als object kijkt. Er is in dat geval een scheiding tussen subject en object. Die scheiding is door de wetenschapper zelf in het leven geroepen, maar intussen wordt hij beschouwd als iets dat werkelijk zou bestaan. Dat heeft ertoe geleid dat een aantal filosofen enorme studies hebben verricht naar de verhouding tussen het onderzoekende subject en het te onderzoeken object. De wijsgeer Immanuel Kant hield zich indertijd al met die vraag bezig, hij vroeg zich af wat das Ding an sich wel zou kunnen zijn en hij kwam tot de conclusie dat dit niet te kennen was. Hegel heeft er op gewezen dat Kant zich met de verkeerde vraag bezig hield. Dat heeft hij goed gezien, want er is wezenlijk geen Ding an sich. Dat Ding ben je zelf omdat je immers de gehele werkelijkheid inhoudt.

Vanaf het moment dat de mensen zich als individu gaan ontwikkelen maken zij zich los van de werkelijkheid. De mens als ik is op zichzelf een ontkenning van al het andere dat er ook nog is. Hij is afgezonderd van de rest van de werkelijkheid. Dit besef, afgezonderd te zijn van de rest, doet zich in de mensen gelden zonder dat zij zich daarvan bewust zijn. Het is voor hen een vanzelfsprekendheid. Zo is ook het subject-object besef iets dat vanzelf spreekt en dat niet herkend wordt als iets dat tijdelijk in een cultuur opgeld doet. Het kortzichtige van deze zaak is overigens niet gelegen in het feit dat men zich als buitenstaander opstelt, maar in het feit dat men niet weet dat men dit doet. De onderzoekende wetenschapper moet zich voor zijn wetenschap als subject tegenover een object opstellen, maar hij behoort eigenlijk ook te weten dat dit slechts een incidentele wetenschappelijke houding is. Omdat hij dit vooralsnog niet weet is zijn wetenschap irreëel, mist de samenhang met de werkelijkheid en leidt tot levensgevaarlijke excessen. In onze tijd zijn daarvan voorbeelden te over. Sofisten verschuilen zich achter hun zogenaamde wetenschappelijkheid. Zij plaatsen zich buiten hun eigen inhoud en richten zich op de vorm en dus op iets uitwendigs. Van daaruit beschuldigen zij diegenen die zich met de inhoud bezig houden van sofisme, in de zin van cirkel- en drogredeneringen. Waarschijnlijk ligt daar de verklaring voor de algemene aversie tegen de filosofie van Hegel.

Bladwijzers: KANT – zie nrs. 01 , 02 , 03 , 04 , 05 ;

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 21.

Het is een feit dat filosofische redeneringen opgebouwd worden binnen het geheel dat een mens is, zij bestaan slechts in het brein van een mens. Toch houdt dat brein je niet gevangen. Je bent, als laatste verschijnsel, de gehele werkelijkheid. Enerzijds voor zover die werkelijkheid als een geheel aanwezig is in jezelf als bewustzijn en als beeld, en anderzijds voor zover zij als een totaliteit van afzonderlijke dingen inhoud is van je zelfbewustzijn en de voorstelling. Als de filosofische redeneringen zich zogezegd alleen-maar in het brein afspelen, gaat het over een zaak die de volledige werkelijkheid omvat. Hij omvat dus alles wat er is, zowel de materiële verschijnselen als de niet-materiële beweeglijkheden. Tot deze ontdekking kom je als je, te beginnen met het onmiddellijke weten dat je er bent, de werkelijkheid nagaat. Je begint dus met het bestaan van ik zonder het hoe en waarom te weten, en je eindigt met datzelfde ik, dat dan evenwel precies weet hoe het zit. Het begin- ik is een ander dan het eind- ik; het eerste ik is inderdaad besloten in en beperkt tot het (toevallige) verschijnsel, maar het tweede ik is de werkelijkheid-als-ik. Daarom is je redenering om daartoe te komen in geen geval een cirkel- redenering, zoals de moderne wetenschappelijke sofisten ten onrechte menen.

Als het nu zo is dat de wezenlijke natuur van de mens gelegen is in het zich realiseren als de werkelijkheid-als-ik, dan kun je je afvragen of je dit als een ethische opgave zou moeten beschouwen. Over het algemeen wordt deze vraag door de moderne denkers met ja beantwoord. Dat hangt samen met het eerder door mij vermelde feit dat men een scheiding tussen subject en object aanlegt en daardoor in de mening verkeert dat er op de een of andere manier een doel voor de mens weggelegd is. Het leven zou bedoeld zijn om boven het subjectieve uit te stijgen en bij een objectief bestaan, redelijk verantwoord, terecht te komen. Er zijn er echter ook die een dergelijke bedoeling afwijzen, maar die komen dan tot de conclusie dat het met de mens nooit wat zal worden en dat hij blijvend niet zal deugen. Er verandert wel van alles, maar er verbetert niets. Men houdt het dus op twee mogelijkheden: of de mens moet zich een ethisch doel stellen, Of hij zal nooit deugen.

In feite ligt voor het moderne denken de zaak zo, dat men een eventuele betere toekomst afhankelijk stelt van achtereenvolgens het denken, de kennis, de wil en het handelen van de mensen. Dat is een ethische opvatting van het leven, waarbij men speculeert op de vermogens van de mens. Dat echter zijn méékomende zaken die het gevolg zijn van het gelden van zelfbewustzijn, maar die niet de essentie van de mens uitmaken. De essentie is gelegen in het er zijn als de gehele werkelijkheid (totaliteit) en tevens het er zijn als samenhangende werkelijkheid (geheel). Die essentie is zonder meer in de mens aanwezig, het ligt in de natuur van de mens besloten. Aanvankelijk staat daaraan van allerlei in de weg, namelijk de voorstellingen die de mens als inhoud van zijn zelfbewustzijn koestert. Precies dus datgene dat onder de rubrieken denken, kennis, willen en handelen valt. Maar ook het opruimen van die barrières behoort tot de natuur van de mens. Hij behoeft zichzelf daartoe niet aan te zetten, het gebeurt op natuurlijke, vanzelfsprekende wijze. De werkelijkheid zelf is nergens van afhankelijk. Er is niets buiten haar, zelfs de god van de godsdienstigen valt er binnen omdat aan hem bestaan toegekend wordt. Dus blijft onder alle omstandigheden gelden de werkelijkheid nergens van afhankelijk is. Bijgevolg moet voor de mens, die de werkelijkheid-als-ik is, die onafhankelijkheid ook van kracht zijn.

Op de een of andere manier weten de mensen dit ook wel, want zij streven, hoewel doorgaans op een domme manier, voortdurend naar zelfstandigheid, naar onafhankelijkheid. Het feit dat zij daarvoor de andere mensen nodig hebben staat hieraan niet in de weg, die afhankelijkheid berust op de samenhang in de werkelijkheid. Naar zijn essentie is de mens nergens van afhankelijk, maar dan kan hij ook niet afhankelijk zijn van de zaken die, op grond van het zelfbewustzijn, aan hem meekomen en die in zekere zin buiten het proces staan. Zijn vermogens, en dus zijn denken, kennis, willen en handelen zijn niet bepalend als het gaat over het proces van het zich realiseren van de natuur van de mens. Zij zijn slechts de daaruit voortkomende manifestatie van dat proces waarin de mens zich als de werkelijkheid-als-ik realiseert. Die vermogens zijn het daarentegen juist die afhankelijk zijn van dat proces, en niet andersom. De genoemde ethische opvatting, waarin het toekomstige welzijn van de mensen afhankelijk gesteld wordt van de menselijke vermogens, is een volstrekte omkering van de feiten! Daardoor moet de ethiek noodzakelijk resulteren in een stelsel van geboden en verboden, en daarvan is dan weer het gevolg dat de mensen per definitie altijd tekort schieten. Het is waar: als je het denken, de kennis, het willen en het handelen als de maat neemt ligt het in de logica te constateren dat alles béter had gekund, maar als je inziet dat de mens de uiterste mogelijkheid van de werkelijkheid zelf is begrijp je dat hij beschouwd zou moeten worden als een volmaakt kind. Een kind dat weliswaar voortdurend blundert, maar niet omdat het niet zou deugen. Uit het feit dat de mensen hun wandaden betreuren en proberen die te vermijden blijkt dat er een soort besef van goed en kwaad in hen leeft en juist dat besef zou er niet kunnen zijn als zij geen volmaakt kind waren.. .

Het zich realiseren als de werkelijkheid-als-ik kan helemaal geen ethische opgave zijn omdat het er aan ten grondslag liggende proces niet afhankelijk is van de vermogens van de mens. Het begrip opgave houdt in dat je je inzet voor een doel dat door jouw toedoen bereikt kan worden. Maar daarvan is nu geen sprake. Overigens is er tegen die ethische gedachtegang nog een wat meer praktisch bezwaar in te brengen, en dat zit hierin dat je bij het stellen van je doel en het uitvoeren van de daartoe leidende handelingen onvermijdelijk redeneert vanuit tijdelijk gangbaar denken en tijdelijk geldige kennis, zodat je willen en handelen slechts in zeer beperkte mate zinvol kunnen zijn. Als ik bijvoorbeeld in de Middeleeuwen zou leven zou ik best wel kunnen bedenken dat alle mensen recht op voedsel en onderdak moeten hebben, maar er zou voor mij geen enkele mogelijkheid zijn om een daarop betrekking hebbend plan ten uitvoer te leggen. Voor mij zou dat trouwens ook nu nog niet mogelijk zijn. Zo zijn er talloze voorbeelden die allemaal duidelijk maken dat een ethische opgave in dit verband irreëel is. De geschiedenis wijst dan ook uit dat er nooit iets van terechtgekomen is.

Zoals gezegd zijn er ook denkers die menen dat er van de mens nooit iets terecht zal komen. Ook die opvatting is evenwel onjuist, het is immers de werkelijkheid zelf die zich in de mens en als mens aan het realiseren is. Datgene dat voor de mens geldt wordt dus vanzelf realiteit, en wel deze realiteit dat de materie zich als niet-materie gaat gedragen. Dat houdt in dat het bewustzijn gaat gelden en dat het zelfbewustzijn zich daaraan spiegelt om zodoende een waarachtige en steeds beweeglijke voorstelling te verwerven.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN BESTAAN

No 22

Onder historici en filosofen is er al geruime tijd een discussie gaande over de vraag of de geschiedenis zich volgens bepaalde wetten afspeelt en, indien dit het geval blijkt te zijn, welke wetten. Zo komt de Franse filosoof Raymond Aron (1905-1983) tot de conclusie dat er geen historische wetten bestaan, althans dat dergelijke wetten, zo zij al door de filosofen geformuleerd zijn, niet wetenschappelijk gegrond kunnen worden. De geschiedenis is dus niet te determineren. Dat zou dan betekenen dat er niets over de toekomst te zeggen is: je kunt geen voorspellingen doen. Als je eens nagaat wat de aard van het denken is dat tot zulke vraagstellingen komt, dan kom je tot de ontdekking dat het een natuurwetenschappelijk denken is. Men wil eigenlijk graag de toekomst kunnen voorspellen, op wetenschappelijke wijze en dus zonder de flauwekul van astrologen, pis- en koffiedikkijkers, zogenaamd bijbelse openbaringen en dergelijke, want er moet beleid gemaakt worden. Op het ogenblik is dat weer in versterkte mate aan de orde nu in Oost-Europa de politieke en economische stelsels ingestort zijn.

We hebben dus eigenlijk met een natuurwetenschappelijk denken te doen: uitgaande van een gegeven situatie moet een bepaalde gebeurtenis noodzakelijk leiden tot een bepaald, van tevoren bekend, resultaat. Het gaat dus over een tot een formule teruggebrachte werkelijkheid. Dat is zo langzamerhand het geval op alle terreinen van het leven. Men begint bijvoorbeeld in de sociologie met dat leven doormiddel van enquêtes kwantificeerbaar (in getallen uit te drukken) te maken om vervolgens statistieken op te stellen waaruit, op grond van bepaalde formules, voorspellingen gedaan kunnen worden. Dat in wezen natuurkundige denken is alles overheersend en daardoor zoekt men ook in de filosofie over de geschiedenis naar wetten, formules en ontwikkelingen die voorspelbaar zouden kunnen zijn. Alleen, men heeft die niet gevonden.

Eigenlijk moet je heel andere vragen stellen. Je hebt immers te doen met het zich realiseren van de werkelijkheid-als-ik, uitgaande van ik- als-werkelijkheid. Dat houdt in dat er geen ethische opgave is maar zogezegd een natuurlijk proces. Dat is een onafhankelijke zaak waarin denken, kennen, willen en handelen in principe geen rol spelen. Hoewel het leven op zichzelf vol is van toevalligheden kunnen ook die, als het over de gang van de geschiedenis gaat, niet wezenlijk bepalend zijn. Zij zijn dat slechts incidenteel, als aanzet tot het zich realiseren van verhoudingen die op de een of andere manier toch noodzakelijk voor de dag moeten komen. Als we echter met een natuurlijk, een kosmisch proces van doen hebben zou je juist dan met recht kunnen veronderstellen dat er een stelsel van wetten aan ten grondslag zou liggen. Inderdaad is dat het geval, maar het blijken wel andersoortige wetten te zijn. Je kunt nagaan dat er in de geschiedenis opeenvolgende fasen zijn en dat die logisch uit elkaar voortvloeien. Zo wordt bijvoorbeeld de periode van het zien, gericht op bewustzijn en beeld, opgevolgd door de periode van de analyse waarin men zich op de voorstelling richt en op het uiteenleggen daarvan. Zo kun je ook nagaan welke ontwikkelingen in de toekomst op de onze zullen moeten volgen en waartoe die zullen leiden. Maar dat laatste betreft geen voorspellingen in de natuurkundige zin van het woord. Zulke voorspellingen betreffen gebeurtenissen die zich concreet en onafhankelijk van de overige gebeurtenissen zullen afspelen. Het betreft nu echter voorspellingen over processen die niet rechtstreeks tot één bepaald resultaat leiden, zoals in de natuurkunde het geval is, maar tot talloze resultaten waarvan de houdbaarheid moet blijken.

Zoals ik al in een ander verband heb laten zien is het gehele wordingsproces een afvalproces. Dat houdt in dat de werkelijkheid tijdens haar wording letterlijk alle mogelijkheden van een bepaald stadium realiseert om vervolgens, tijdens en dankzij de voortgang van de wording, alle onhoudbare gerealiseerde mogelijkheden te laten instorten. De Onhoudbaarheid van die voor de dag gekomen verschijnselen moet dus blijken, en dat gebeurt temidden van de overige verschijnselen, onder de daarbij behorende omstandigheden, met als basis- gegeven de aanleg van die verschijnselen. Die aanleg is op zijn beurt geworteld in verschijnselen van een voorgaande fase en daarom kan de houdbaarheid niet bij voorbaat meegegeven zijn. Je kunt hierbij denken aan een vrouw die zwanger is: zij kan de groeiende vrucht op geen enkele manier zodanig manipuleren dat die al bij voorbaat in staat zal zijn zich staande te houden. Zij kan het kind niet wapenen tegen wat het te wachten staat. Het kind is zij namelijk zelf, zij het op andere wijze. Het volgende berust dus op het voorgaande, is daarvan een variant die zich zelfstandig moet zien te handhaven. In dit verband is op te merken dat de typering the survival of the fittest niet helemaal van toepassing is; hij suggereert namelijk dat er voor de zwakkere toch nog ontsnapping mogelijk zou zijn. Dat geldt inderdaad voor de natuur, maar niet voor de evolutie: wat er niet kan zijn kan er niet zijn!

De werkelijkheid in haar voortgang laat dus, bij wijze van spreken, datgene dat zij onhoudbaar acht niet bij voorbaat achterwege (doelgerichtheid), maar zij geeft elke mogelijkheid de kans. Dat zijn steeds specifieke mogelijkheden, in die zin dat het om bepaalde individuele verschijnselen gaat. Daarvan blijkt wat houdbaar is en dat blijft bestaan, terwijl ook blijkt wat onhoudbaar is. Dit laatste kan tijdens de wording twee kanten uit: of het verdwijnt, Of het evolueert verder. Dat laatste geldt uiteraard alleen tijdens de evolutie van het leven, als dit proces klaar is kunnen er alleen nog maar aanpassingen plaats vinden. Precies hetzelfde geldt voor het ontwikkelingsproces van de mensen, met als waarneembaar resultaat daarvan, de geschiedenis. Van dat proces is ook niet van tevoren te zeggen wat het op zal leveren qua gebeurtenissen (de mogelijkheden) die tot specifiek menselijk bestaan zullen leiden, maar wel is te zeggen hoe dat proces zelf zal verlopen. Je kunt namelijk nagaan welke factoren essentieel zijn, dat wil zeggen: vatbaarheid bezitten om voort te gaan.

Dus ook op grond van het feit dat de toekomst zich voor ons voltrekt via het afvalproces kunnen wij onszelf geen ethische opgaven stellen. Wij weten immers niet wat er te voorschijn komt en evenmin weten wij wat daarvan zal moeten verdwijnen. Toch is ons handelen niet zonder ethiek, maar ook die is, om zo te zeggen, negatief geladen: het gaat er om dingen achterwege te laten als hun onhoudbaarheid gebleken is. We kunnen eigenlijk alle kanten uit, maar we moeten steeds zoeken naar datgene dat de voorspelling inhoudt houdbaar te zijn. Zo'n voorspelling ligt in de lijn die het ontwikkelingsproces gaat, en dat is de lijn die de werkelijkheid zelf volgt in haar transformatie van de mens naar de werkelijkheid-als-ik. Die werkelijkheid staat niet als een doel voor ogen. Je weet niet hoe zij er uit zal zien. Maar het volgen van de lijn van de ontwikkeling, en dus welbeschouwd het samenvallen met de werkelijkheid, is wel mogelijk voor de mens. Dat is echter een zaak van realisme, van bewust leven, maar wel op zo'n manier dat er geen doelgerichtheid aan te pas komt.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 23.

Opvoeding-1 ; Opvoeden/Opgevoed-1 ;

Hoewel de meeste hedendaagse denkers van mening zijn dat het leven van de mensheid niet gedetermineerd is en dat er dus geen voorspellingen over de toekomst zijn te doen en er geen doel aan te wijzen is, vinden diezelfde denkers gewoonlijk toch dat er voor de individuele mensen een opgave geldt. Die opgave heeft een ethisch en een moreel karakter omdat het de uiteindelijke bedoeling van een mens zou zijn om goed te leven. Niemand kan zeggen wat dat goede leven dan inhoudt zodat men zelf maar wat verzint. Vroeger waren die verzinsels godsdienstig van karakter. Men meende dat aan de wil van god gehoorzaamd moest worden en dat dit zou leiden tot eenwording van de individuele mens met het goddelijke. Een algemeen maatschappelijke opgave was nauwelijks aanwezig, behalve dan het voorschrift dat de mensen elkaar geen kwaad mochten doen. Tegenwoordig komt men daarentegen met maatschappelijke opgaven die betrekking hebben op de organisatie en inrichting van de staat en die derhalve een sterk politiek karakter hebben. Opgaven om als individu het eigen heil te bewerken zijn nagenoeg allemaal verdwenen, behalve bij een minderheid van Evangelische en Islamitische fundamentalisten.

De politiek gekleurde moderne opgave, die aan de mens gesteld wordt, is welbeschouwd marxistisch van karakter. Het Marxisme en de daarop gebaseerde theorieën zijn feitelijk nog de enige toekomstvisies. De christelijke leer en het zogenaamde liberalisme zijn beide op het heil van de individu gericht: de eerste belooft de mens in het goddelijke opgenomen te worden en de tweede belooft de mens vrijheid en zelfstandigheid. Het marxisme daarentegen belooft een goede maatschappij waarin het welzijn van de individuen automatisch verzekerd is. Het gaat nu niet om het feit dat de marxistische theorieën op zichzelf onhoudbaar zijn, het gaat er om dat er een toekomstvisie, met daaraan gekoppeld een opgave, op tafel gelegd wordt. Als je het Marxisme naar zijn essentie beschouwt kom je tot de ontdekking dat het als zodanig de westerse cultuur vrijwel geheel bepaalt. Natuurlijk zal bijna iedereen dat ontkennen. Men wil niet marxistisch genoemd worden omdat men die term onmiddellijk associeert met een politiek machtsstelsel dat niet zo erg humaan is. Maar, het gaat om enkele essentiële waarden. Als eerste is daar de opvatting dat het menselijk leven economisch bepaald zou zijn, als tweede dat de staat de zaken heeft te regelen, te leiden en vooral ook te sturen, ten derde dat de staat te zorgen heeft voor het welzijn van de mensen. Deze opvattingen zijn in de moderne democratische wereld in sterke mate tot realiteiten omgezet, maar let wel: zonder dat zij marxistisch genoemd worden en als zodanig herkend. De ondernemingen bijvoorbeeld zijn niet meer vrij om te doen en te laten wat de eigenaars willen, er is een geleide economie. Men probeert wel de lakens uit te delen, maar men heeft daartoe de instemming van de regering nodig. Dat men die regering zoveel mogelijk onder druk zet en manipuleert bewijst juist dat het niet meer mogelijk is eenzijdig de eigen zin door te drijven. De lonen worden door de regering bepaald en men is gedwongen om zich aan allerlei arbeidsovereenkomsten te houden. De productiemiddelen zijn wel niet echt aan het volk toegevallen, maar zij zijn ook niet meer uitsluitend het bezit van een enkele kapitalist. De zaak is diffuus geworden doordat de productiemiddelen in handen zijn gekomen van aandeelhouders. De regering bestaat niet meer uit regenten die op grond van hun geboorte de macht hebben, maar daarentegen uit mensen die, desnoods op corrupte wijze, uit het volk zijn voortgekomen. In zekere zin is dus de dictatuur van het proletariaat gerealiseerd.

De concrete toekomstmodellen van het oorspronkelijke Marxisme zijn niet verwerkelijkt, maar de geest van het Marxisme is overal doorgedrongen.

Nogmaals: dit mag niet partij- politiek opgevat worden, het gaat erom wat er in de cultuur is gebeurd. In die cultuur socialiseert de westerse wereld zichzelf. Je kunt dus stellen dat het Marxisme, naar de geest genomen, als enige nog een visie op de toekomst heeft. Daaraan komt mee dat er aan de mensen een opgave gesteld wordt. Die opgave berust in het Marxisme op de foute mening dat de menselijke werkelijkheid zich volgens natuurwetenschappelijke wetten realiseert. Die 19e eeuwse gedachte wordt, zoals gezegd, namelijk meer onderschreven. Opvallend is intussen wel dat alle bestuurders, managers, kortom beleidsmakers, bezig zijn met het organiseren van een toekomstige maatschappij, vanuit de, niet wetenschappelijk gegronde, overtuiging dat de wereld maakbaar is. In zoverre is men toch weer, zij het onbewust, marxistisch bezig!

Zoals ik al heb laten zien geldt er toch een soort van wet, namelijk die van het afvallen van datgene dat onhoudbaar blijkt. Je kunt dan ook deze voorspelling doen dat het onhoudbare zeker zal afvallen. Van sommige zaken is na te gaan dat zij onhoudbaar zijn, bijvoorbeeld het gebruik van fossiele brandstoffen, kernenergie en gifstoffen, maar dan gaat het over zaken die wij inmiddels hebben leren kennen. Van wat wij nog niet kennen is uiteraard niets te voorspellen. De tijd zal dat leren, d.w.z. tijdens de voortgang van het proces van de werkelijkheid komt dat voor de dag. Voor een aantal moderne mensen is bijvoorbeeld het opvoeden van een kind een soort van opgave. Dat echter is verkeerd gedacht omdat er hierin geen keuze aanwezig is. Een kind moet opgevoed worden, want dat ligt in de lijn van het levensproces. Voor een bepaalde moeder kan het, onder omstandigheden, een opgave zijn, maar ook dan zal het kind opgevoed worden, desnoods door iemand anders. Het door mij bedoelde begrip opgave houdt een keuze in en dat is het geval omdat het een zaak van het zelfbewustzijn is. Je bedenkt een bepaald model voor de toekomst en je besluit daar naar toe te werken.

Als er nu geen ethische opgave voor de mens mogelijk is, wat zal hij dan moeten doen of laten? Eigenlijk is elke stap voorwaarts een stap in het duister. Dat hebben de mensen altijd al begrepen en daarom hebben zij hun gedrag steeds in conventies vastgelegd; dit mag wel en dat mag niet. Men heeft het leven als een opgave gesteld. In de Islam bijvoorbeeld is dat heel sterk, die godsdienst is één complex van opgaven. Het gehele dagelijkse leven is van uur tot uur geregeld en voorgeschreven. Dat geeft de mensen houvast zodat zij niet stuurloos rondzwalken doordat zij niet weten wat zij doen of laten moeten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Islam voor de echte gelovigen erg veel betekent en dat er steeds meer mensen tot die godsdienst overgaan. Het feit dat zo'n godsdienst veel betekent vooronderstelt op zijn beurt weer dat er in principe geen opgave is. Zou die er wel zijn, dan behoefden de mensen geen complex van regels en voorschriften te verzinnen.

Wezenlijk is de oplossing hierin gelegen dat de mens moet proberen zichzelf te zijn, en dat houdt in dat hij de werkelijkheid als ik moet realiseren.

Het zich realiseren als de werkelijkheid als ik kan inhoudelijk niet als opgave gesteld worden. Ik weet de concrete inhoud immers niet. Het enige wat ik kan doen is mezelf, voor zover ik om te beginnen ik als de werkelijkheid ben, in twijfel trekken en daarmee doorzichtig maken. Door het vervallen van alles dat vastgelegd is kun je dan je realiteit testen op houdbaarheid.

Opvoeding-1 ; Opvoeden/Opgevoed-1 ;

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2

No 24.

Al eerder heb ik er op gewezen dat het in twijfel trekken van je eigen voorstelling niets anders is dan het losmaken van al datgene dat vastgelegd is. Het is het laten gelden van het feit dat de werkelijkheid uitloopt in de werkelijkheid als niet-materie. Daarvan is te zeggen dat al het samengevoegde als zodanig vervallen is om vervolgens te gaan gelden alsof het de oorspronkelijke werkelijkheid was, namelijk die van de beweeglijkheden. Voor zover dit nu het geval is hebben wij te doen met het twijfelen. Dit heeft een zodanige uitwerking op het zelfbewustzijn dat de inhoud daarvan, die op een verzameling ervaringen berust, in een ander verband geplaatst kan worden en in laatste instantie in het juiste verband. Voor zover dit voor iemand geldt is er te zeggen dat hij samenvalt met de werkelijkheid. Vanuit dit samenvallen is het handelen van zo iemand gericht op het heden, op het moment nu, en de doorwerking van dit handelen naar de toekomst wordt steeds weer beoordeeld als de volgende momenten nu aangebroken zijn. Omdat er op elk moment nu een nieuw complex van verbanden in de voorstelling aangelegd wordt - gebaseerd op de samenhang binnen de werkelijkheid als beeld - is er steeds sprake van een zo getrouw mogelijk samenvallen met de werkelijkheid. Hierdoor is het onmogelijk geworden een verkeerde weg in te slaan, wat overigens niet zo opgevat mag worden dat er geen fouten meer gemaakt worden. Juist het volgen van de goede weg houdt in dat dit onvermijdelijk wel zal gebeuren, maar het maken van fouten heft niet op dat toch de juiste weg gevolgd wordt. Die juiste weg wordt dus niet bepaald door een in de toekomst gesteld doel, maar daarentegen door de voortdurende toetsing van het moment nu met de werkelijkheid als beeld en, als het over het psychische gaat, met de werkelijkheid als bewustzijn. Dit alles berust dus in de praktijk op de twijfel. Omdat die twijfel essentieel is en dus onafhankelijk van denken, kennen, willen en handelen is er niet van een opgave te spreken; voor zover hij werkzaam is in een bepaald mens is hij dat zomaar. Zolang de mensen nog onderworpen zijn aan cultuurwaarden wordt het twijfelen als een onaangename afwijking beschouwd, maar zodra de mensen volwassen zijn geldt het als normaal. Intussen zal het ook dan bij de een sterker zijn dan bij de ander.

Wat de geest van het Marxisme in de moderne westerse cultuur betreft moet ik nogmaals met nadruk opmerken dat het om een aantal fundamentele waarden gaat. Het was nu toevallig Karl Marx die daarop de aandacht gevestigd heeft, maar dat had ook iemand anders kunnen zijn. De mensheid was aan het ontdekken en onderzoeken van die fundamentele waarden toegekomen. Marx was daarin dan ook niet de enige en de eerste. Allerlei denkers hielden zich met dit thema bezig en het is dit complex van nieuwe ideeën dat, naar aanleiding van het werk van Marx, de geschiedenis ingegaan is als marxisme. De concrete theorie van Marx is intussen onhoudbaar gebleken evenals de door die theorie geïnspireerde politieke en economische stelsels, maar de geest van de theorieën van die toenmalige denkers en wereldverbeteraars is overal in de moderne wereld doorgedrongen. Als je de toestand in Oost-Europa en vooral in de Sovjet-Unie bekijkt dan kun je vaststellen dat men daar mentaal een eeuw achterloopt. Onder de vlag van communisme en socialisme heeft men een systeem van ongebreidelde machtsvorming en persoonlijke verrijking in het leven geroepen. Ongebreideld omdat er niet tegelijk een rem op dat streven ingebouwd is. De monopoliepositie van de partij, die altijd gelijk heeft en altijd het goede met de mensen voor heeft, heeft alle weerstand bij voorbaat onmogelijk gemaakt. Daartoe was natuurlijk een geraffineerd controle- en veiligheidssysteem nodig en dat is dan ook het enige gebleken dat efficiënt functioneerde: niets ontsnapte aan de aandacht van de spionnen. Dat ligt in het westen anders: aan het individuele streven naar macht en rijkdom staan anderen, die precies hetzelfde willen, in de weg. Omdat hun aanwezigheid erkend wordt, legitiem is, kunnen zij als rem werken. Juist omdat het recht van elke westerse mens om zonder meer zichzelf waar te maken algemeen erkend is, als uitvloeisel van het individualisme, weerhouden de mensen elkaar van ongebreidelde dictatuur. Een moderne politieke, economische en technologische organisatie is niet mogelijk zonder erkenning van het recht van ieder individu om zich omhoog te werken. Ontzeg je het merendeel van de mensen dat recht en ken je het wel toe aan een élite, dan is er zelfs niet van een organisatie te spreken. Gebleken is dan ook dat er in het zogenaamde Oostblok - en in de overige socialistische staten - wel een machtsstelsel is, maar geen organisatie.

Het probleem bij situaties als de bovengenoemde is steeds weer dat je in verleiding gebracht wordt door de mooie idealen die voorgespiegeld worden. In feite dus de humane opgave die men zegt te volbrengen. Maar zo'n opgave strookt niet met de werkelijke verhoudingen in de werkelijkheid - en dat blijkt dan ook. Daarom geldt ook hier weer dat het om het heden gaat: wat is de praktijk, wat versieren de leiders voor zichzelf, hoe behandelen zij hun medemensen, enzovoort. Idealen zijn altijd verleidelijk omdat zij aan onze eigen voorstelling van een betere wereld beantwoorden. Maar zij leiden ons af van het enige dat werkelijk essentieel is, namelijk het heden dat moet samenvallen met de echte werkelijkheid.

Vanuit dat heden zijn geen voorspellingen te doen in de zin van het construeren van modellen voor de toekomst. Maar je kunt wel voorspellingen doen waar het zaken betreft die in dat heden liggen. Die dus al aanwezig zijn, zoals het gebruik van kernenergie. Vanuit het spiegelen aan de werkelijkheid als beeld op het op grond daarvan nagaan van het ontstaan en bestaan van de kosmos weet je dat het verschijnsel zich sterker tegen het uit elkaar halen verzet naarmate je er dieper in doordringt. Dat verzet vertoont zich op minstens twee manieren, ten eerste als een toenemende on beheersbaarheid van het technologische proces, op grond van de grotere beweeglijkheid van de elementen, en ten tweede als een almaar groter wordende behoefte aan energie om dat proces uit te voeren. Dat laatste eveneens op grond van die grotere beweeglijkheid. Het eerstgenoemde levert een gevaarlijker technologie op en het tweede een verlies aan energie. Op grond van deze feiten kun je voorspellen dat het gebruik van kernenergie een doodlopende weg is en dat men er eens mee op zal houden.

Een ander voorbeeld is de fossiele brandstof. Niet alleen dat de voorraad daarvan straks uitgeput zal zijn, maar vooral ook dat die brandstof buitengewoon onrendabel is. Je stopt er meer energie in dan je er uit krijgt. Gewoonlijk wordt namelijk vergeten dat de prijs die je voor een liter benzine betaalt de kwantitatieve uitdrukking van energie is. Om die prijs te kunnen betalen moet je energie afgestaan hebben, hetzij door lichamelijke, hetzij door geestelijke arbeid. Dit laatste zou in evenwicht kunnen zijn met de energie die je er in je auto voor terug krijgt, ware het niet dat je automotor erg veel energie verloren doet gaan, in ieder geval ruimschoots meer dan de helft. Daardoor vervalt op den duur ook het gebruik van deze energiebron.

Inzake bovengenoemde voorbeelden kun je dus met zekerheid voorspellingen doen, maar die zijn niet naar tijd, plaats en ruimte te voorspellen. ,Je bent gebonden aan de oerwet van het onvermijdelijke toeval.

Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

Eerste Beweger-1 ; Eerste Beweger-2 ;

No 25.

Als het over het onvermijdelijke toeval gaat kun je best wel over een oerwet spreken, maar dat kun je alleen maar doen als je een duidelijk inzicht hebt in het begrip wet. Het is namelijk een begrip dat uitsluitend in je eigen denken aanwezig is omdat het betrekking heeft op de werkelijkheid als voorstelling. Op grond daarvan kun je het een subjectief begrip noemen. Weliswaar vinden de wetenschappers het een objectief begrip, maar die zogenaamde objectiviteit berust louter op afspraken. De meerderheid van de wetenschappers is het er over eens dat iets onder bepaalde voorwaarden een wet genoemd kan worden. Juist uit het feit dat men zich op conventies, afspraken, baseert, blijkt dat er in die zaak zelf geen waarheid zit: kennelijk is waarheid datgene dat afgesproken is waar te zijn! Als je dan het begrip wet hanteert bevind je je op het terrein van de als objectief geldende subjectieve voorstelling. Binnen die voorstelling gaat het dan over noodzakelijke causaliteiten en ook causale noodzakelijkheden. Een causaliteit is een oorzakelijkheid die bij overeenstemming tussen verschillende individuele voorstellingen geldig verklaard wordt en op grond daarvan toetsbaar is. Als ertussen bepaalde mensen geen overeenstemming is over een bepaalde oorzaak-gevolg relatie verklaren zij hem voor Ongeldig, terwijl andere mensen misschien van mening zijn dat die relatie wel degelijk geldig is. Het is maar net hoe het valt!

In ons gangbare denken houdt een wet dus verband met iets bepaalds binnen onze voorstelling, dat wij een noodzakelijke causaliteit vinden. Omdat het voor ons iets noodzakelijks is kennen wij aan een daarop betrekking hebbende wet een absolute waarde toe. Anders gezegd; je hebt je er aan te houden. Als wij nu, filosoferende, spreken over een oerwet die voor de werkelijkheid zou gelden (namelijk de wet van het onvermijdelijke toeval), dan hebben wij het eigenlijk over een causaliteit die voor de werkelijkheid als beweeglijkheden van kracht zou zijn. Als vanzelfsprekend wordt dan de oorspronkelijke werkelijkheid verondersteld onderworpen te zijn aan een noodzakelijke causaliteit die bij voorbaat en zonder pardon geldig is. Zo'n onderworpenheid brengt ons echter in moeilijkheden, want, als er een oerwet van kracht zou zijn voor de beweeglijkheden, dan zouden wij te doen hebben met iets dat aan de beweeglijkheden vooraf gaat.

Zij zouden dan helemaal niet de oorspronkelijke werkelijkheid zijn, in tegenstelling tot datgene dat wij, uitgaande van ik als de werkelijkheid, gevonden hebben. Je zou gedwongen zijn de godsdienstigen gelijk te geven als zij beweren dat hun god het oorspronkelijke is, dat hij de eerste oorzaak is en vanuit die hoedanigheid de zaak in beweging heeft gezet. Dus: denkende volgens de gangbare methode kom je uit op een oerprincipe dat de kosmos veroorzaakt heeft. Het behoeft dan ook geenszins te verwonderen dat de gehele westerse cultuur daarop steunt, of de mensen het nu god noemen of de eerste beweger (Newton), of een universele geest of de opperbouwmeester van het heelal (vrijmetselaars), de voorzienigheid of wat dan ook. Zelfs Einstein had het over god, hoewel hij daar natuurwetenschappelijk niets mee te maken had. Het ligt inderdaad in de logica van dat gangbare denken om de werkelijkheid te beschouwen als afhankelijk van en onderworpen aan een hoger principe. Het is best mogelijk dat er hier of daar iemand is die niet aan kan nemen dat er een eerste oorzaak zou zijn, en die vermoedt dat de werkelijkheid helemaal niet afhankelijk en onderworpen is, maar ook dan blijft het de vraag of zo iemand door zijn eigen voorstelling heen kan denken. Dat echter is binnen onze cultuur een zeldzaamheid.

Gewoonlijk zal hij dan ook al spoedig de moed opgeven en zeggen dat er met een begin zonder eerste oorzaak en onderworpenheid aan een wet niets aan te vangen is. Daarbij komt nog dat de verleiding groot is om het probleem te ontwijken. Je moet immers door je eigen voorstelling heengaan en dat betekent in de eerste plaats een volstrekt verlies aan houvast. De op de voorstelling gerichte mensen merken nooit veel op aan de werkelijkheid, maar zij voelen het onmiddellijk aan als een idee bedreigend is voor hun vertrouwde voorstelling en dus voor hun zielerust...

Wij zijn via een samenhangende redenering tot de slotsom gekomen dat de oorspronkelijke werkelijkheid er een van beweeglijkheden is en dat die beweeglijkheden naar hun aard van niets afhankelijk zijn, zelfs niet van elkaar. In de strikte zin van het woord kun je dus niet stellen dat er een wet aan de werkelijkheid ten grondslag ligt, maar als je met de term oerwet bedoelt een mogelijkheid die zich van de aanvang af, dus van de aanwezigheid van de beweeglijkheden af, laat gelden en die door alles heen blijft gaan, dan kun je rustig de term oerwet handhaven. De bedoelde oerwet is de wet van het onvermijdelijke toeval. Bij het nadenken hierover komt als eerste de vraag op wat er zou kunnen gebeuren met die onafhankelijke beweeglijkheden en waarop de zekerheid berust dat het gebeurt. Vanuit ons wijsgerig denken weten we inmiddels wat er zou kunnen gebeuren: twee beweeglijkheden bewegen overeenkomstig en staan daardoor stil ten opzichte van elkaar, hetgeen vervolgens betekent dat zij aan elkaar vastzitten, aaneengegroeid zijn tot een eenheid van twee. We weten ook dat het gebeurt: juist omdat de beweeglijkheden, wat de aard van hun beweeglijk-zijn betreft, niets met elkaar te maken hebben kunnen zij met elkaar aaneengroeien. Hadden zij wel iets met elkaar te maken, dan was de kosmos tot éér, homogeen geheel uitgegroeid. Dat is hij echter niet. Vanuit ons uitgangspunt, namelijk ik als de werkelijkheid weten wij dat de kosmos in zichzelf onderscheiden, heterogeen, is. Bovendien zou de gedachte, dat ze wel iets met elkaar te maken hebben, berusten op een bij voorbaat geldende causale wet, en die gedachte is onhoudbaar.

De gedachte dat zij niets met elkaar te maken hebben berust niet op een wet, het is juist de absolute afwezigheid van iets dergelijks. Het aaneengroeien kan dus optreden en het zal dus optreden, maar als dat het geval is hebben wij te doen met een uitzondering, in die zin dat de zaak in strijd is met het wezen van de werkelijkheid. Het waren onder anderen Hegel en Bolland die van een verkeerde werkelijkheid spraken, zonder overigens iets af te weten van de beweeglijkheden. Je kunt ook zeggen; de werkelijkheid verkeert (zet zich om tot) in haar tegendeel. Dat tenslotte wij mensen er zijn is dus niet een zaak die, alweer op grond van de een of andere wet, moet, maar een zaak die kan bij wijze van uitzondering. Wat kan er dan gebeuren? Vanuit het enige gegeven dat je hebt kan er alleen maar aaneengroeien plaats vinden. Alle andere denkbaarheden, zoals elkaar afremmen (het begrip hinderen dat Jan Borger hanteert), of elkaar aantrekken en afstoten vooronderstellen een relatie tussen de beweeglijkheden en dus een oorzakelijke wet.

Het niet moeten, maar toch kunnen is datgene dat wij toeval noemen.

Omdat dit voor de werkelijkheid, als je uitgaat van de onafhankelijke beweeglijkheden, blijkt te gelden kun je stellen dat de kosmos een toevallige aangelegenheid is, net zo toevallig als het getroffen worden door een vallende dakpan. Op grond van deze toevallige aanwezigheid van de kosmos vervalt de gedachte dat hij een bepaalde zin zou hebben en er zou zijn om een bepaald doel te bereiken. Toch is het ontstaan van de kosmos onvermijdelijk, maar niet omdat er een wet aan ten grondslag zou liggen. Wel echter omdat hij de oneindigheid zelve is.

Eerste Beweger-1 ; Eerste Beweger-2 ;

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

no 26.

We hebben ontdekt dat de beweeglijkheden aan het begin van het ontstaan van de kosmos liggen. Nu kun je je afvragen waar die beweeglijkheden vandaan gekomen zijn, en die vraag houdt in dat je het mogelijk acht dat er nog iets aan vooraf zou zijn gegaan. Maar, als je zoiets veronderstelt blijven onze gedachtegangen, die geleid hebben tot die oorspronkelijke werkelijkheid van beweeglijkheden, onverminderd geldig. Zelfs als je, met de priesters, van mening bent dat een intelligentie of godheid het oorspronkelijke is moet je tot de noodzakelijke conclusie komen dat ook daarvoor het begrip beweeglijkheid van kracht is. Je komt in geen enkel geval tot een andere uitkomst. Je kunt best toegeven dat het allemaal heel mysterieus is dat voor de beweeglijkheden een absoluut er-zijn geldt. Het geheimzinnige is hierin gelegen dat er van die beweeglijkheden niets te begrijpen valt. Maar dan moet je bedenken dat het begrip begrijpen in het geheel niet van toepassing is. Je denken kan niets met die beweeglijkheden zelf aanvangen, omdat er niets voor die zaak geldt, maar je denken kan uit hun aanwezigheid wel een conclusie trekken, namelijk dat beweeglijkheden die onafhankelijk van elkaar zijn bij (onvermijdelijk) toeval gelijk- op kunnen bewegen en daardoor ten opzichte van elkaar stil kunnen staan.

Hoe meer inzicht je krijgt in het verhaal van de beweeglijkheden, hoe duidelijker het wordt dat het een samenhangend verhaal is dat het mogelijk maakt om niet alleen de aanwezigheid van de kosmische verschijnselen, maar vooral de menselijke eigenaardigheden te verklaren.

Die eigenaardigheden gaan ons direct aan omdat wij mensen de werkelijkheid zijn die naar zichzelf vraagt, op grond van het zelfbewustzijn. Dat betekent dat wij aangewezen zijn op inzicht in de werkelijkheid. Bij het nagaan van de weg waarlangs wij zijn ontstaan blijkt dan ook dat wij ter wereld zijn gekomen zonder enige programmering wat betreft ons doen en laten op de planeet. De poes heeft daar geen last van: voor hem ligt bij voorbaat vast wat hij zal gaan doen en laten. Hij heeft geen enkel probleem aan zijn leven, hij behoeft geen inzicht te verwerven, want op zijn manier heeft hij dat gewoon vanuit de natuur. De mens echter komt als iets onmogelijks ter wereld, juist omdat die natuur in hem ontkend is, en nu wordt die onmogelijkheid tot een mogelijkheid doordat het in het wezen van de mens ligt dat hij inzicht kan verwerven. Dit verhelderingsproces is in de praktijk een lijdensweg; voor elke mensheid, waar ook in de kosmos, is er die lijdensweg om tot inzicht te komen en tenslotte zichzelf te vinden. Voor de individuele mens liggen allerlei wegen open, het is helemaal niet noodzakelijk om de weg van de filosofie te volgen, maar tot inzicht moet het in ieder geval komen. Volg je echter wel de weg van de filosofie, en doe je dat door onafhankelijk en samenhangend te denken, dan blijkt na verloop van tijd dat het verhaal van de beweeglijkheden als enige aanspraak kan maken op inzichtelijkheid.

Hoewel je kunt zeggen dat er een onbeperkt aantal wegen open ligt om tot inzicht te komen moet er toch op gewezen worden dat er één weg is die wat dit betreft doodlopend is. Dat is de weg van de analyse, de weg dus die wij in onze hedendaagse cultuur gaan. Daarmee wil ik niet suggereren dat de mensen in onze cultuur verkeerd bezig zijn, of dat het, zoals sommige denkers beweren, fout gegaan is met de mensheid. Ook het analyseren van de werkelijkheid behoort bij het verkrijgen van inzicht, maar het is op zichzelf geen begaanbare weg daartoe. Het analyseren is een van de nevenwerkingen van het zelfbewustzijn. Als zodanig is het onmisbaar, maar zodra het als de maat voor de dingen gesteld wordt belemmert het zelfs het voortgaan naar inzicht. Het woord inzicht geeft aan dat het er om gaat door de voorstelling heen te zien zodat er een spiegeling met het beeld ontstaat. Voorwaarde voor dat er doorheen zien is het, doormiddel van de twijfel, beweeglijk maken van de voorstelling en het is daarbij nauwelijks van belang in welke mate die voorstelling, als resultaat van analyse, gedetailleerd is. Ook gedetailleerd is hij nog steeds vastgelegd en dus in alle opzichten maatgevend, hetgeen aanleiding geeft tot een soort van hoogmoedige betweterigheid die alle grond mist. Hoe meer de voorstelling gedetailleerd is, hoe meer hij de mens verstrikt in zijn eigen opvattingen, overtuigingen en waandenkbeelden. Al vaak heb ik er op gewezen dat dit hopeloze verstrikt zijn in eigen opvattingen een almaar duidelijker aan de dag tredend kenmerk van de moderne cultuur is. Met het toenemen van de verwarring wordt de roep om verandering steeds luider, terwijl tegelijk de voorstelling verfijnder is dan ooit. Het is inderdaad paradoxaal: er is een gigantische hoeveelheid kennis ter beschikking, maar er is nauwelijks enig inzicht. Het als de maat stellen en het heil verwachten van het analytische onderzoek leidt af van de weg naar inzicht. Analyse is geen hoofdzaak, maar daarentegen een (onmisbare) bijzaak! Op den duur komt het zoeken naar inzicht wel weer terug en wel aanvankelijk als een reactie op de analyse.

Als het gaat over het ontstaan van de kosmos blijkt dat je te maken hebt met iets dat kan zonder dat het moet, maar dat desondanks zonder mankeren plaatsgrijpt. Dat het plaats heeft gegrepen staat vast; het feit dat wij er zijn is niet te loochenen. Het onvermijdelijke van het ontstaan en bestaan is echter in directe zin niet gelegen in de beweeglijkheden zelf, maar in het feit dat er niets aan te bedenken valt. Zo is er aan de zee van beweeglijkheden geen einde te bedenken. Dat zou wel het geval zijn als er aan die zaak ruimte voorondersteld was, maar dat is, zoals we gezien hebben, onmogelijk. Het begrip ruimte blijkt later pas voor de dag te komen als wij aan een samengaan van vier beweeglijkheden denken. Je kunt dus aan de zee van beweeglijkheden geen einde, en dus geen begrenzing, denken. Evenmin geldt het begrip tijd; dat komt namelijk nog weer later voor de dag als de verhoudingen tussen de beweeglijkheden al materieel geworden zijn. Derhalve: als ik niet mag denken aan ruimte en ook niet aan tijd is het onvermijdelijk dat datgene dat kan maar niet moet (het toeval) toch optreedt. Het begrip toeval komt welbeschouwd direct aan de beweeglijkheden mee, maar het begrip onvermijdelijkheid begrijp je pas als je inziet dat de begrippen tijd en ruimte om te beginnen niet gelden.

De oorspronkelijke werkelijkheid is er een van beweeglijkheden. Dat houdt in dat ik gerechtigd ben te denken aan één beweeglijkheid en aan méér beweeglijkheden. Ik kan een soort van optelsom gaan maken omdat ik genoodzaakt ben kwantitatief te gaan denken. Uitgaande van een enkele beweeglijkheid voeg ik er telkens een aan toe en ga dan kijken welk kwalitatief resultaat dat oplevert. Al spoedig blijkt dat alle gebeurtenissen terug te brengen zijn tot zoveel maal twee. Dat is logisch omdat het basis- principe het ten opzichte van elkaar stilstaan van twee beweeglijkheden is. Er is in onze cultuur weerstand tegen het feit dat je een kwantitatieve denkweg moet volgen. Vanuit de christelijke erfenis enerzijds en vanuit de moderne natuurwetenschap anderzijds heeft men argwaan tegen het materiële en het getalsmatige. Men dweept liever met het geestelijke en het onzekere.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 27.

We hebben al vastgesteld dat onze gedachtegang eigenlijk kwantitatief is. Men staat daar in de filosofie absoluut afwijzend tegenover omdat men vindt dat het om geestelijke zaken zou moeten gaan in de filosofie. Vanuit die opvatting is er een aversie tegen het getalsmatige en die is in onze cultuur van christelijke oorsprong. In het christendom gaat het uiteindelijk niet om het aardse, maar om het boven de aarde verheven goddelijke. Daarbij wordt dat aardse gezien als het getalsmatige en dat is iets minderwaardigs. Het christendom heeft die afwijzing van het getalsmatige overgenomen van het oude oosten. In het Boeddhisme en het Taoïsme ligt de nadruk ook op een niet aardse werkelijkheid. De aarde en de dingen daarop zijn volgens dat denken eigenlijk zinsbegoochelingen, een droom van Boeddha, terwijl het gaat om de vluchtige, eeuwige en beweeglijke werkelijkheid die daaraan ten grondslag ligt. Hoewel al die culturen een sterke toespitsing op het geestelijke vertonen, is het die culturen toch nooit gelukt een behoorlijke beschrijving van dat geestelijke te geven.

Men heeft er wel allerlei kwalificaties aan toegekend die op zichzelf niet onjuist zijn, maar dat de geest de laatste en materieel onmogelijke verhouding van de beweeglijkheden is, heeft men nooit begrepen.

Het is verwarrend; er zit een grond van waarheid in datgene dat van de geest gezegd wordt en bijgevolg ook in de afwijzing van het getalsmatige. Het gaat immers om de kwaliteit van het bestaande. Maar die kwaliteit is niet mogelijk zonder de eraan voorafgaande kwantitatieve wording van de materiële wereld. En uit die wording zijn wij mensen voortgekomen. Je kunt daarom stellen dat ons bestaan die geest, als zijnde niet-materie, uitsluit en dat het een werkelijkheid is die de onze niet is. Het is inderdaad het laatste wat aan het ontstaan te bedenken valt, maar juist daarom is er niets mee te beginnen. Je kunt er alleen filosofisch mee uit de voeten, als je tenminste vasthoudt aan het feit dat de beweeglijkheden op zichzelf niets aan zich bedenken laten. Door alle tijden heen heeft men aangevoeld dat die niet materiële verhouding van kracht is, maar uit de afwijzing van het kwantitatieve, ook bij de filosofen, blijkt dat men dit nooit begrepen heeft en steeds verkeerd heeft aangevoeld. Je ziet dat dan ook in de praktijk, want niemand heeft zich er ooit aan gehouden, neen, men heeft zich met hart en ziel en zonder scrupules gestort in de stoffelijke wereld. En dat in toenemende mate. Tot overmaat van ramp heeft men dit ook nog op de verkeerde manier gedaan, namelijk door te proberen alles binnen te slepen, persoonlijke rijkdom te verwerven. Hoe dan ook, het gaat de mensen om de materie en de rest is kletspraat.

Kom je met een in eerste aanleg kwantitatieve gedachtegang, dan oordeelt men dat het materialisme is, een stoffelijke denkwijze. Een berucht voorbeeld daarvan is het historisch materialisme van Marx. Maar volgens tegenwoordige denkers zou dat een overwonnen standpunt zijn. Dat is niet helemaal ten onrechte want de werkelijkheid is niet vanuit de verschijnselen te verklaren. Maar de basis is inderdaad kwantitatief omdat het over het bij elkaar voegen van verhoudingen gaat. Het verhaal zelf is evenwel helemaal niet kwantitatief, want het gaat over beweeglijkheden die niet materieel zijn. De materie begint pas bij een verhoudingen systeem van vijf beweeglijkheden, en zij is pas echt materie bij het aaneengegroeid zijn van drie achtledige systemen. Omdat het voortdurend over beweeglijkheden en hun verhoudingen gaat is het wezenlijk geen materialistisch verhaal.

Materialisme betekent in onze cultuur niet het aaneengroeien van verhoudingen van beweeglijkheid, maar het zich tot structuren samenstellen van de materie, in feite de bouwstenen. Daarom kan men tot geen andere conclusie komen dan deze dat de geest een werking van de materie is. Hoe dat zit legt men niet uit, men weet het niet. In mijn gedachtegang is de geest daarentegen een ontkenning van materie, hij heeft op zichzelf met materie niets te maken en kan er dus ook geen werking van zijn.

Op de genoemde kwantitatieve basis rust een kwalitatief resultaat. Daarmee heb je te maken. Denk je bijvoorbeeld aan twee aaneengegroeide beweeglijkheden, is datgene dat je dan hebt wat anders dan een combinatie bestaande uit twee maal één beweeglijkheid, en dat andere is het nu precies wat de kwaliteit uitmaakt. Het gaat dan namelijk over het ineen zijn van twee. Je bereikt door het toevoegen van telkens een nieuwe verhouding een nieuwe kwaliteit.

Voeg je bij de eenheid van twee beweeglijkheden een derde, dan krijg je weer iets geheel anders dat niet te beschrijven is met behulp van een beschrijving van de samenstellende delen. Op elk niveau van de werkelijkheid geldt dat het kwalitatieve gevolg is van een kwantitatief proces. Om die gevolgen gaat het, want dat is de werkelijkheid. En zo zijn zelfbewustzijn en geest niet denkbaar zonder de kwantitatieve opbouw van de verschijnselen.

Ondanks alle geestelijke verhalen die ons van het tegendeel zouden moeten overtuigen is het toch een feit dat het de weg van de westerse mensheid is om zich met de dingen bezig te houden. En dus letterlijk met de materie doende te zijn. Dat ligt besloten in het verhelderingsproces dat voor de mensheid geldt. Je kunt je afvragen wat dat zogenaamde materialisme voor een zaak is. Hoe zijn de mensen in het westen met de materie bezig? Dan blijkt dat de kwaliteit geen essentiële rol speelt. Het is een meekomende zaak, die er echter ook niet af gedacht kan worden. Zonder enige kwaliteit is er nergens iets mee te doen: de geproduceerde artikelen bijvoorbeeld zullen toch in ieder geval goed moeten functioneren en over het algemeen doen zij dat dan ook. Maar daarom gaat het niet, het gaat daarentegen om de winsten die met de productie van artikelen gemaakt kunnen worden. Als je zo bezig bent ben je niet kwalitatief bezig. Niet alleen dat je artikelen beneden de maat zijn, maar vooral ook dat je de kwaliteit van onze planeet aantast. Je pleegt namelijk roofbouw. Tegenwoordig verziekt men met niets ontziende wreedheid de planeet. Het ligt in de logica dat de mensen zich op de materie richten, en wel omdat de mensen bezitter en beheerser van de planeet zijn. Maar omdat de mensen de ware verhoudingen daarin niet begrijpen leidt dit tot plunder en roofbouw.

Nog iets over het systeem van vijf beweeglijkheden. Als wij op kwantitatieve wijze de beweeglijkheden bekijken komt er een moment dat er voor het eerst een afwijkende situatie ontstaat. Dat is het geval bij vijf beweeglijkheden. Daar ligt het begin van materie, maar dan wel op een zodanige wijze dat het wel en niet materie tegelijk is. Het blijkt dat de vijfde beweeglijkheid niet meer stil kan staan ten opzichte van de voorgaande vier, en dat roept een beweging ten opzichte van de ruimte op. Ruimte is namelijk het begrip vier. Die beweging is de eerste vorm van de materie en het is in feite een nog niet materiële vorm. Je kunt je dit denken als louter energie die in zoverre bepaald is dat zij in een bepaalde richting werkzaam is. In de gebruikelijke zin van het woord is hier nog van geen materie te spreken, maar in onze gedachtegang is het het moment dat de ruimte in energie over gaat, en dat moment is tegelijk wel en niet materieel, het is een grensgeval en dat geeft zoals altijd een dubbele situatie te zien.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 28.

Een systeem van vijf beweeglijkheden is het begin van de materie, zonder vooralsnog écht materie, in de stoffelijke zin van het woord, te zijn. Zo'n systeem is wel en niet materie tegelijk, je kunt het energie noemen.

Het merkwaardige van dat systeem is dat de vijfde beweeglijkheid op geen enkele manier zo te denken is dat hij ten opzichte van elk van de reeds aanwezige vier beweeglijkheden (RUIMTE) stilstaat. Je zou kunnen proberen die vijfde beweeglijkheid op een andere manier ten opzichte van de oorspronkelijke vier te rangschikken, maar tegen die poging zijn twee bezwaren: ten eerste lukt het ook dan niet om alle onderlinge verhoudingen gelijkwaardig te laten zijn en ten tweede is een dergelijke poging in strijd met de kwantitatieve gedachtegang die het systeem van vier opgeleverd heeft. Je bent verplicht vanuit die vier, als het systeem ruimte te denken. Dan blijkt dat je op vier plaatsen die vijfde beweeglijkheid kunt situeren en ook blijkt dat elk van die plaatsen voldoet omdat het steeds dezelfde nieuwe situatie oplevert. Je ontkomt niet aan het feit dat de vijfde niet stilstaat ten opzichte van één van de oorspronkelijke vier beweeglijkheden.

Het erbij denken van de vijfde beweeglijkheid levert een nieuwe grondsituatie op, anders gezegd een volgend niveau. Het kenmerkende daarvan is dat dit systeem in zichzelf in beweging is. Dat is geen voortgaande beweging, maar een wisselende beweging: hij is er wel en niet tegelijk, omdat hij ten opzichte van de ruimte (vier beweeglijkheden die allemaal ten opzichte van elkaar stilstaan) wel in beweging is, maar ten opzichte van het vlak (de eerste drie beweeglijkheden) niet. Wij mogen in dit verband niet aan een voortgaande beweging denken omdat het gehele systeem zich niet voortbeweegt. Het verandert niet van plaats, maar het is nadrukkelijk in zichzelf in beweging. Dat houdt in dat we niet meer met het absolute beweeglijk-zijn van een op zichzelf zijnde beweeglijkheid van doen hebben, maar met een in beweging zijn ten opzichte van iets anders. Dat betekent dat we een gerichte beweging gevonden hebben, een beweging dus die aan iets bepaald is, hetgeen niet wil zeggen dat wij hem zouden kunnen bepalen. Het is een gericht in beweging zijn ten opzichte van de ruimte en daaraan valt niets te bepalen omdat er geen referentiekader is.

Je kunt vaststellen dat het systeem van vijf beweeglijkheden een bepaalde symmetrie vertoont, namelijk deze dat de vijfde beweeglijkheid ten opzichte van het vlak van de eerste drie beweeglijkheden zich symmetrisch ten opzichte van de vierde bevindt. Daaruit zou je af kunnen leiden dat vier en vijf verwisselbaar zijn, dezelfde functie vervullen. Dat is evenwel een foute redenering, juist omdat die redenering kwantitatief moet zijn. Je had er immers al vier bijeen gedacht en van daaruit komt de vijfde erbij. De vierde behoudt dus zijn oorspronkelijke functie, namelijk het vormen van ruimte uit het vlak van de eerste drie. Er zit dus geen symmetrie in de zaak. Je hebt zonder meer te doen met een in beweging zijn ten opzichte van de ruimte. Op zichzelf is dat niet zo verwonderlijk omdat wij alle hemellichamen kennen als zich voortbewegend ten opzichte van de ruimte. Wij zeggen dan dat zij een baan of een weg door de ruimte volgen. Dat wij zo'n baan berekenen ten opzichte van andere hemellichamen is een andere zaak, die louter met ons denken te maken heeft.

De kosmos begint in feite met de aanwezigheid van energie. Die is op zichzelf wel en niet materieel en het ziet ernaar uit dat dit aardig klopt met wat men in de natuurwetenschap gevonden heeft. Men denkt daarbij aan iets dat zowel golf als deeltje is en dat is destijds door Albert Einstein uitgedrukt in de formule E=Mc2. Daarin zijn (E)nergie en (M)assa verwisselbaar. Het is niet onmogelijk dat het natuurkundige begrip massa in de grond van de zaak terug te brengen is tot aantallen beweeglijkheden. Hoe dan ook, men heeft inmiddels ontdekt dat er een overeenkomst is tussen een deeltje en energie. Nu vindt men het moeilijk om zomaar over energie te spreken zonder aan te nemen dat er iets is dat energetisch is, omdat natuurkundig niet aan te tonen is dat er iets is.

Maar volgens onze gedachtegang is er wel degelijk iets: een systeem van vijf beweeglijkheden is dat energetische iets. Zo'n systeem laat zich echter niet empirisch aantonen.

Kwantitatief redenerend krijgen wij de volgende gedachtegang: toen wij nog aan vier beweeglijkheden dachten hebben wij er een vijfde bij gedacht. Deze kwam op een willekeurige plaats, want er zijn vier mogelijkheden om hem te situeren zonder dat er iets anders voor de dag komt. De volgende stap moet dan zijn dat wij ook de overgebleven plaatsen opvullen. Dan blijkt dat elke nieuwe aanvulling precies hetzelfde systeem oplevert. Bijvoorbeeld een systeem van zes is altijd hetzelfde systeem, waar je die zesde beweeglijkheid ook situeert. Hetzelfde geldt voor zeven en acht. Pas bij acht beweeglijkheden kun je op die manier niet verder; je hebt dan het uiterste niveau bereikt. Het nu gevonden systeem van acht beweeglijkheden vertoont het merkwaardige verschijnsel dat de daarin aanwezige vier bewegingen ten opzichte van de ruimte elkaar precies in het midden van het systeem in evenwicht houden. Dat middelpunt heb ik het brandpunt genoemd; het is in feite een energetisch brandpunt dat in en aan de ruimte bepaald is. Je kunt zeggen: het is een vast punt in de ruimte, dat overigens niet te bepalen is. Maar toch is het aan vier dimensies bepaald. Voor een dergelijke (niet te bepalen) bepaling zijn inderdaad vier dimensies nodig, alle vier in een andere richting, zodanig dat die richtingen elkaar nergens overlappen. Het brandpunt van vier onafhankelijk van elkaar bestaande, in een achtledig systeem verenigde, bewegingen ten opzichte van de ruimte is het eerste moment van er-zijn van de materie. Dat is evenwel nog niet de natuurkundige materie omdat het niet te bepalen zijn het kenmerk ervan is.

Je hebt dus nu een vast punt in de ruimte gevonden. Waar dat punt is kan niemand zeggen. Maar wel kun je zeggen dat het een punt is waarin de energie zich opgeheven heeft zonder verdwenen te zijn. Het is een evenwichtssituatie, die in feite de basis is voor de zogenaamde bouwsteen van het heelal. Als basis voor die bouwsteen hebben wij te doen met een energetisch punt waarvoor geldt dat het er is, zij het niet empirisch aantoonbaar. Het is overigens interessant te weten dat men in de wiskunde ook spreekt van een vast punt in de ruimte en dat punt wordt als iets niet-materieels beschouwd. Men heeft zeer wel begrepen dat er aan het begin van de materiële werkelijkheid een dubbelsituatie aanwezig moet zijn waarvan het niet- materiele karakter op de voorgrond staat. Nogmaals, wij hadden eerst energieën in een bepaalde richting, maar nu hebben wij deze situatie dat die richtingen zich aan elkaar geneutraliseerd hebben en samen zijn gekomen in één brandpunt. Dat brandpunt ligt om zo te zeggen stil, en dat is nu precies de voorwaarde voor het zich in beweging zetten en het zich voortbewegen van lichamen door de ruimte. Voortbewegen immers vooronderstelt stilstand, in een beginpunt en in een eindpunt. Zonder een zich voortbewegen kan er geen zich combineren, botsen en afstoten van deeltjes zijn.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 29

Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ;

Het brandpunt, als een vast energetisch punt in de ruimte, ontstaat ten gevolge van het aaneengroeien van acht beweeglijkheden. Van die acht beweeglijkheden geldt voor diegenen die er als laatste vier zijn bijgekomen een dubbele verhouding: zij staan zowel niet als wel stil ten opzichte van de ruimte, die door de eerste vier gevormd is. Ik spreek daarom van vrije beweeglijkheden - niet omdat zij geheel op zichzelf zouden zijn, wat eigenlijk voor elke beweeglijkheid, ongeacht het systeem waarin hij is terechtgekomen, blijft gelden - maar omdat zij binnen het achtledige systeem een zekere vrijheid hebben, namelijk om in een bepaalde richting beweeglijk te zijn. Het brandpunt is qua energie neutraal omdat de vier, op de vrije beweeglijkheden gerichte, energieën (bewegingen) de zaak in ruimtelijk evenwicht houden. Wij moeten hierbij goed in de gaten houden dat nu alles draait om dat brandpunt, want dat is de basis van waaruit de vorming van de bouwsteen van het heelal plaatsvindt. Zonder die acht beweeglijkheden zou dat brandpunt er niet zijn, maar als het er eenmaal is kun je om zo te zeggen die beweeglijkheden vergeten. Zij zijn en blijven slechts de grondoorzaak van stelsels van verhoudingen. De gehele werkelijkheid bestaat uit dergelijke stelsels. Die zijn in wezen niet te begrijpen zonder het gedoe van de beweeglijkheden te doorzien, maar tevens is het een feit dat het ontstaan van het heelal vanaf een bepaald niveau (de bouwsteen) het gevolg is van stelsels van verhoudingen die zich als stelsel laten gelden en niet langer van afzonderlijke beweeglijkheden. Afzonderlijke beweeglijkheden spelen een bepalende rol tot en met het systeem van acht.

Het systeem van acht beweeglijkheden is eigenlijk een ineen-zijn van vier systemen van vijf beweeglijkheden. In feite dus van vier energieën, die ook op zichzelf gedacht kunnen worden zonder vooralsnog tot een achtledig systeem aaneengegroeid te zijn. Je kunt je dan de zee van beweeglijkheden denken als een ongeordende energetische ruimte. In die energetische ruimte ontstaan patronen van gerichte energieën en dat zijn eigenlijk golfpatronen die enerzijds volkomen willekeurig zijn, maar die anderzijds toch wervelingen volgens een bepaalde, niet te voorspellen, orde zijn. In het moderne wetenschappelijke onderzoek is men er achter gekomen dat grote massa's kleine deeltjes steeds van chaotische bewegingen overgaan naar bewegingen volgens niet te voorspellen patronen. In de meteorologie heeft men daarmee te maken, bijvoorbeeld bij het ontstaan van wolkenformaties. Ook zijn sommige natuurkundigen van mening dat de verschijnselen ontstaan uit energetische velden. Hoe dan ook, onze zee van beweeglijkheden kent een niveau waarop de ruimte energetisch is en zich in patronen formeert. Eventueel kun je die energetische ruimte benoemen met het begrip ether. Vroeger sprak men wel van ethergolven, een begrip dat naar het schijnt door de meeste natuurkundigen afgeschaft is, maar dat filosofisch toch heel goed bruikbaar is. Die energetische patronen zijn het die tot nieuwe stelsels van verhoudingen leiden, om te beginnen het achtledige systeem met zijn brandpunt.

Zoals gezegd is het brandpunt een vast punt in de energetische ruimte, vast in die zin dat het zich niet verplaatst. Dat wekt verwondering, maar misschien is het zinvol om te bedenken dat in de oneindigheid alles stilstaat, hoewel alles beweeglijk is. Het kan immers nergens naar toe! Het zich verplaatsen is altijd een ten opzichte van iets anders. En nu is het kenmerkende van het brandpunt dat het zich niet ten opzichte van iets anders verplaatst.

Als zodanig is het de grondstof waaruit de bouwsteen gevormd zal gaan worden, het is als het ware de klei waaruit de steen bestaat.

Bij het ontstaan van het heelal gaan de bouwstenen zich samenvoegen in allerlei combinaties; er treedt een verdichtingsproces op. Ons brandpunt echter verplaatst zich niet en dus kan er vanuit zo'n brandpunt op zichzelf geen combinatie met iets anders voortkomen. Dat blijkt inderdaad te kloppen; wij moeten namelijk niet vergeten dat het brandpunt in vier richtingen vrije beweeglijkheden bevat. Voor die beweeglijkheden geldt dat zij nog de mogelijkheid bezitten om met andere beweeglijkheden aaneen te groeien. Het kan dan niet anders dan dat er, uitgaande van zo'n vrije beweeglijkheid nog een achtledig systeem met een brandpunt ontstaat, en wel op zo'n manier dat die vrije beweeglijkheid in dat nieuw aangegroeide systeem ook de plaats van een vrije beweeglijkheid inneemt. Dat laatste moet hij wel omdat hij al een gerichte beweging heeft.

Er is, bij het aangroeien van nog een achtledig systeem, nu een eenheid van twee brandpunten ontstaan, d.w.z. één systeem met twee brandpunten die niet van elkaar gescheiden zijn door een grens, maar die daarentegen in elkaar overgaan. Dat betekent dat niet te zeggen is waar de een ophoudt en de ander begint; denk je aan de een, dan denk je onmiddellijk aan de ander. Waarover het nu gaat is eigenlijk het begrip twee, dat als zelfstandig begrip te onderscheiden is van het telwoord twee, dat op een totaal van twee zelfstandige eenheden duidt. Dit totaal, en dus het telwoord, geldt nu niet, maar wel geldt het begrip geheel. In dat geheel is echter wel een overgangspunt aanwezig, namelijk die bepaalde beweeglijkheid die vrij was en die nu als het ware in het midden zit. Precies daar zitten de begrippen ineen-zijn en samenhang. Dat zijn heel essentiële begrippen die wij bij het nagaan van het ontstaan van de kosmos steeds weer tegenkomen. Ik kom daar nog op terug.

Het spreekt vanzelf dat ook aan de overige drie vrije beweeglijkheden nieuwe achtledige systemen kunnen groeien, maar dat levert geen wezenlijk nieuwe situatie op. Je krijgt dan namelijk te doen met nog een aantal keren hetzelfde. Wat echter wel van belang is, is het feit dat aan het nieuw aangegroeide systeem nog weer een systeem kan groeien, en dan hebben wij de bouwsteen gevonden. Die is dus drievoudig, hij bestaat uit een eenheid van drie brandpunten. Die eenheid is echter heel bijzonder omdat er tweemaal het geheel van twee in voorkomt en eenmaal het totaal van twee. Het oorspronkelijke brandpunt (A) is uitgegroeid tot het geheel (AB) en brandpunt (B) is op zijn beurt uitgegroeid tot het geheel (BC). In dat systeem vormen de brandpunten (A) en (C) echter geen geheel. Zij behoren in het systeem (ABC) dankzij (B), die bemiddelt tussen (A) en (C).

In feite hebben wij met de bouwsteen (ABC) een systeem gevonden dat zich qua aaneengroeien van beweeglijkheden niet verder ontwikkelen kan. Dat is te zeggen; er zijn nog wel vrije beweeglijkheden aanwezig die de mogelijkheid van het aangroeien van nieuwe achtledige systemen inhouden, maar dat leidt niet tot nieuwe situaties. Het leidt tot herhalingen, in die zin dat dergelijke systemen steeds tot zoveel maal drie te herleiden zijn. Het basissysteem is en blijft echter de bouwsteen als eenheid van drie brandpunten waarvan er twee niet samenhangen. Die twee zijn ten opzichte van elkaar in trilling. Dat is een heel concrete trilling die zich afspeelt rond de bemiddelaar (B). Behalve dat er in de bouwsteen een trilling aanwezig is treedt er ook een zich voortbewegen op. Het systeem van drie vaste energetische punten in de ruimte komt als systeem in beweging, gaat zogezegd een baan in de ruimte beschrijven.

Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ;

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 30

Bij het nagaan van de werkelijkheid, voor zover voor haar geldt dat zij via een proces ontstaan is, blijkt dat er verschillende niveaus zijn. Zo is het eerste niveau dat van het aaneengroeien van beweeglijkheden, louter op grond van het feit dat zij, in alle onafhankelijkheid, ten opzichte van elkaar stil kunnen staan. Ik gebruik hier het begrip groeien ter onderscheiding van het begrip combineren of samenstellen. De reden hiervan is dat het groeien geschiedt vanuit een systeem zelf. Zodra de mogelijkheid daar is dat twee beweeglijkheden met elkaar een systeem vormen, is er ook de mogelijkheid dat andere beweeglijkheden ten opzichte van dat systeem eveneens stil komen te staan. Aan dat stilstaan van die andere beweeglijkheden is het reeds aanwezige systeem van twee beweeglijkheden voorondersteld. Het is juist dat systeem dat het meedoen van andere beweeglijkheden oproept. Dat betekent het als ik zeg: een systeem kan (uit)groeien tot een meer omvattend systeem.

Het zich combineren slaat echter op een gebeurtenis die niet vanuit een aanwezig systeem geschiedt, maar vanuit het in beweging zijn van twee of meer afzonderlijke en buiten elkaar bestaande systemen, die elkaar ontmoeten en onder bepaalde omstandigheden een samenstelling kunnen vormen. Het draait hierbij dus niet om beweeglijkheden op zichzelf, maar om beweeglijkheden binnen een bepaald systeem, in feite het drievoudige systeem dat ik bouwsteen genoemd heb. Je kunt zeggen dat het samenstellen of combineren een uitwendige kwestie is en daarbij is het kenmerkende dat de zich met elkaar combinerende systemen in staat moeten zijn op elkaar te reageren. Formeel gezegd: zij moeten het andere aan zich hebben Dat is daarentegen niet het geval bij de beweeglijkheden zelf, want die kunnen helemaal niet op elkaar of op wat dan ook reageren. Je kunt dat een inwendige aangelegenheid noemen. Op het eerste niveau (groeien) van de wording moet je denken in termen van beweeglijkheden en op het tweede niveau (combineren) in termen van bestaande systemen, in feite drievoudige materiële bouwstenen.

Aan de binnen het systeem van de bouwsteen nog aanwezige vrije beweeglijkheden kunnen uiteraard nog weer systemen aangroeien, maar die leveren, zoals al eerder aangetoond, geen nieuwe situaties op doch slechts herhalingen. Natuurkundig gezien zijn dergelijke herhalingen anders van karakter dan de zuivere drievoudige bouwstenen, maar hun karakter is vanuit de bouwstenen te verklaren; het zijn er variaties van. Zo blijken er vele soorten fysische deeltjes te bestaan. Het begrip groeien is in dit verband veelzeggend omdat het associaties oproept met biologische processen. Als een organisme groeit komen er geen reeds uitwendig bestaande cellen bij, maar is het het organisme zelf dat het ontstaan van nieuwe cellen bewerkt. Zo gaat het dus ook op het eerste niveau van het ontstaan van de werkelijkheid. Begrijpelijk is dat dit eerste niveau van het ontstaan niet voor analytisch onderzoek vatbaar is. Ook het biologische groeien leent zich immers niet voor analyse.

Op een gegeven moment is er een systeem van twee brandpunten. In dat systeem is er een verbindende beweeglijkheid en dat is van oorsprong een vrije en dus energetische beweeglijkheid van het achtledige systeem dat als eerste aanwezig was (A).

Binnen het nieuw aangegroeide systeem (B) geldt die verbindende beweeglijkheid eigenlijk ook als een vrije beweeglijkheid, maar toch is er iets mee gebeurd waardoor er andere verhoudingen zijn gaan gelden.

Deze zijn namelijk dat die verbindende beweeglijkheid niet meer vrij is en dat de bewegingen (energieën) ten opzichte van beide brandpunten er niet meer zijn; zij zijn vervallen. De brandpunten (A) en (B) zijn dan ten opzichte van elkaar ook niet meer energetisch. Bovendien is er nu een ander ruimtebegrip gaan gelden. Het vervallen van energie is iets anders dan het neutraliseren van energie.

In het laatste geval zijn energieën zodanig gericht dat zij zich bij het zich met elkaar combineren opheffen. Dat gebeurt bij het vormen van samenstellingen van bouwstenen. De beide energieën blijven daarbij ieder voor zich aanwezig, maar in hun samenstelling gelden zij als neutraal, ongeveer zoals positief en negatief elkaar neutraliseren. Anders gezegd: er is dan de energie (a) en er is de energie (b) en er is binnen het kader van de samenstelling (ab) de vervallen energie van zowel (a) als (b). Zou je (a) en (b) weer van elkaar scheiden, dan komt er in beide componenten opnieuw energie te voorschijn. Op dit principe berust het opwekken van atoomenergie.

Wanneer twee brandpunten aaneengegroeid en hun energieën ten opzichte van elkaar vervallen zijn, en wanneer je dus van het ineen-zijn van twee brandpunten kunt spreken, is er samenhang tussen beide systemen. Die samenhang geldt via de verbindende, van oorsprong vrije, beweeglijkheid. Behalve echter dat er nu samenhang optreedt heeft zich ook de ruimte uitgebreid. Dat is als volgt na te gaan: om te beginnen geldt natuurlijk voor zowel het achtledige brandpunt (A) als voor het brandpunt (B) het feit dat de centrale vier, als eerste samengegroeide, beweeglijkheden gelden als het begrip ruimte. De beweeglijkheid die in de twee-eenheid (AB) de verbindende zal gaan worden gold in principe als in beweging ten opzichte van de ruimte van (A), en dat gold op dezelfde manier ten opzichte van de ruimte van (B). Doordat hij nu niet meer vrij is en niet meer in beweging ten opzichte van beide brandpunten (A) en (B) staat hij stil ten opzichte van de ruimte van (A) en de ruimte van (B). Daardoor vormt hij met drie beweeglijkheden van de ruimte van (A) en net zo met drie beweeglijkheden van de ruimte van (B) nogmaals ruimte. Uitgaande van de ruimte van brandpunt (A) kun je nu achtereenvolgens vier maal het begrip ruimte tegenkomen als je naar (B) gaat, en omgekeerd is dat natuurlijk ook het geval. Die vier ruimtes zijn niet van elkaar gescheiden en ook liggen zij niet naast elkaar, neen, zij gaan volledig in elkaar over. Dat betekent dat wij van doen hebben met een continue uitbreiding van de ruimte. Die uitbreiding is niet zomaar ontstaan, maar hij is tot stand gekomen door het uitgroeien van één brandpunt (A) tot een eenheid van twee brandpunten (AB).

Uit het bovenstaande kun je nu het volgende afleiden: met het aaneengroeien van brandpunten gaan de dan te voorschijn komende systemen ruimte innemen. Het gaat nu daarbij niet over datgene dat wij gewoonlijk de ruimte noemen, namelijk die ruimte waarin de voorwerpen zich bevinden. Het gaat daarentegen om de ruimte die de verschijnselen innemen, zogezegd het volume van alle verschijnselen. De kosmische ruimte evenwel berust op de overal voorkomende verhouding van vier, ten opzichte van elkaar stilstaande, beweeglijkheden.

In een ander verband heb ik dat de discontinue ruimte genoemd en dat is een ruimte die méékomt aan de beweeglijkheden voor zover die een systeem van vier vormen. De ruimte die voorwerpen innemen, het volume, berust echter op de eenheid van twee brandpunten. Dat betekent dat de begrippen volume en samenhang bij elkaar behoren en daarbij is voor het eerste begrip de tussen (A) en (B) doorlopende ruimte essentieel en voor het tweede begrip de genoemde verbindende beweeglijkheid.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 31.

Al eerder heb ik er op gewezen dat er ook aan de drievoudige bouwsteen nog vrije beweeglijkheden voorkomen en dat daaraan nog weer nieuwe achtledige systemen kunnen groeien. Naar aanleiding daarvan kun je je afvragen of je al die verschillende mogelijkheden niet stuk voor stuk zou moeten bekijken. Dat echter is niet nodig, omdat alles wat er kan gebeuren qua aangroeien weer terug te brengen is tot drievoudige bouwstenen. Dat betekent dat je het bestaan en de aard van die verder uitgegroeide systemen kunt verklaren vanuit de eigenschappen van de bouwsteen. Die bouwsteen zelf is qua eigenschappen niet vanuit het voorgaande te verklaren. Ik wijs er in dit verband op dat je de aanwezigheid van de bouwsteen alleen maar kwantitatief kunt verklaren uit iets dat er aan voorafgaat. Kwalitatief, dus qua karakter, is dat onmogelijk. De bouwsteen vertoont een heel andere kwaliteit dan de er aan ten grondslag liggende afzonderlijke brandpunten.

Als het mogelijk zou zijn om verder uitgegroeide bouwstenen natuurkundig te onderzoeken, zou blijken dat er een groot aantal fysische deeltjes bestaat. Die deeltjes kunnen natuurkundig niet anders dan elementair genoemd worden omdat zij zich niet laten ontleden. Het feit dat dit onmogelijk is berust echter niet op de veronderstelling dat zij werkelijk elementair en dus ondeelbaar en onherleidbaar zouden zijn. Je kunt ze immers tot een drievoudige bouwsteen herleiden! De bedoelde analytische onmogelijkheid berust op een eigenaardigheid van de instrumenten die voor het onderzoek gebruikt worden. Een meetapparaat kan alleen maar meten als datgene dat het meten moet zich onderscheidt van het apparaat. Dus: een te meten deeltje moet anders van structuur zijn dan bijvoorbeeld de taster die de aanwezigheid van dat deeltje opmerkt en registreert. Eigenlijk berust het meten en registreren op het bestaan van verschillen. Nu is het zo dat een fundamentele en dus drievoudige bouwsteen de basis vormt van alle materie. Hij is dus ook de basis van het meetinstrument, en op grond daarvan is er geen principieel verschil tussen dat instrument en de bouwsteen. Het gevolg is dat er niets gemeten wordt. Heb je echter te doen met bouwstenen die nog verder uitgegroeid zijn, dan kan er in principe wel gemeten worden. Hierbij past een opmerking; ook die uitgegroeide bouwsteen is terug te brengen tot de fundamentele drievoudige bouwsteen. Daarom zal die uitgegroeide bouwsteen zich niet zelf vertonen. Wat misschien ooit nog wel eens opgemerkt en gemeten kan worden is datgene dat hij in de meetapparatuur teweegbrengt als die apparatuur tenminste verfijnd genoeg is. De drievoudige bouwsteen zelf zal echter niets teweeg brengen.

We kunnen dus concluderen dat de natuurkundigen op grond van onderzoek niet verder zullen kunnen komen dan het herkennen van een aantal verschillende systemen die zij elementair zullen noemen. Men spreekt dan van fysische deeltjes.

In feite zijn de verder uitgegroeide bouwstenen variaties van de drievoudige oerverhouding van de materie. Daartoe is alles terug te brengen, echter niet, zoals uit het bovenstaande blijkt, op analytische en dus splitsende wijze. Het kan alleen maar op denkende wijze. Ouderwetse filosofen zouden wat dit betreft de volgende uitspraak doen: de werkelijkheid van de verschijnselen is terug te brengen tot het getal drie. Zonder nadere toelichting is zo'n uitspraak natuurlijk een loze en romantische bewering. Intussen is gebleken dat in de drievoudige bouwsteen twee keer het begrip samenhang voorkomt.

Daarbij behoort ook het begrip uitgebreide ruimte in de zin van ruimte die door die bouwsteen ingenomen wordt - volume dus. Verder is er het feit dat de twee buitenste achtledige systemen (A en C) ten opzichte van elkaar zelfstandig zijn en tegelijkertijd iets met elkaar te maken hebben via het middelste systeem (B). Zij vormen met elkaar geen twee-eenheid, maar zijn toch met elkaar verbonden, en voor zo'n complex geldt het begrip totaal. De buitenste achtledige systemen, en dus in feite de buitenste brandpunten, zijn ten opzichte van elkaar in beweging en in die beweging geldt het binnenste brandpunt (B) als het dode punt. Een ten opzichte van elkaar in beweging zijn en tegelijk ten opzichte van een derde punt in rust zijn is het begrip trilling. Het rustpunt is dat dode punt. Dat is het punt waarin een trilling zichzelf ontkent omdat de beweging in de éne richting gecompenseerd wordt door de beweging in de andere richting.

Zo is het in trilling zijn van het gehele systeem (ABC) tot rust gekomen in het brandpunt (B).

Als er een beweging is tussen twee elementen, namelijk (A) en (C), en er is tegelijk een rustpunt aanwezig (B) kan het gehele systeem (ABC) gedefinieerd worden als in zichzelf in trilling. De materiele bouwsteen is dus een verschijnsel dat in zichzelf trilt en wel op een zodanige wijze dat die interne trilling er een is die in de ruimte plaats vindt. Dat is iets anders dan het energetisch in beweging zijn ten opzichte van de ruimte, zoals wij dat bij het vijfledige energetische systeem aangetroffen hebben. De bouwsteen trilt in de ruimte om tevens voor zichzelf een vast punt te zijn. Dat betekent, eenvoudig gezegd, dat wij te doen hebben met een zich op trillende wijze door de ruimte voortbewegend ding. Een ding dat zich zowel als golf alsook als deeltje kan laten gelden. Daarbij moet opgemerkt worden dat dit trillen in de ruimte wel veroorzaakt wordt door de energie die aan het eerder genoemde vijfledige systeempje meekomt, maar dat het zich nu vertoont als een concrete materiele trilling, een trilling die plaats vindt ten opzichte van een dood punt (B) binnen een systeem. Het is een trilling die meetbaar zou zijn als je technisch in staat was om iets dergelijks te meten. Later, als het verschijnsel tot leven komt, is het dan ook het complex van die trillingen dat als het in zichzelf in beweging zijn van dat verschijnsel te voorschijn komt. Op die materiële trilling van de bouwsteen berust dus het levend-zijn. Dan echter is die trilling heel goed waarneembaar.

Zoals al eerder gezegd komt het begrip uitgebreide ruimte, oftewel volume, twee keer voor in de bouwsteen. Dat lijkt eigenaardig, maar toch is het te begrijpen, als je namelijk bedenkt dat het systeem in zichzelf trilt. Dat betekent dat voor dat systeem het begrip anders- zijn van kracht is. Het is immers zo om onmiddellijk ook anders te zijn, uiteraard op grond van die trilling. Er gelden dus twee begrippen, die onlosmakelijk met elkaar samenhangen, maar die intussen toch van elkaar onderscheiden zijn. Dat nu is het gevolg van die twee maal voorkomende ruimte. Omdat die dubbele ruimte er is kunnen die twee begrippen gelden. Overigens: wanneer bij het levende verschijnsel het begrip volume zich wijzigt in het begrip inhoud treedt het dubbele karakter ervan duidelijk op de voorgrond. De inhoud van een levend wezen kan het één zijn, maar ook het ander. In feite doel ik hier op een vrouwelijke of mannelijke inhoud. Dat lijkt vergezocht, maar dat komt doordat het voor ons zo vanzelfsprekend is dat er qua inhoud twee mogelijkheden zijn. Je moet echter goed bedenken dat de werkelijkheid één groot samenhangend systeem is waarin de ervoor geldende begrippen, overal, in allerlei variaties, voorkomen. Zonder het dubbele aspect van de bouwsteen zou er in het geheel niet van een later optredende dubbele inhoud te spreken zijn.

 

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 32.

Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ; de kloof-1 (t/m nr. 36) ;

Aan de drievoudige bouwsteen ABC (een verhouding van 22 beweeglijkheden) valt een aantal zaken te bedenken, die steeds weer een rol blijken te spelen bij zowel het ontstaan van de werkelijkheid als het bestaan ervan. Het is goed om die zaken nog even op een rijtje te zetten; 1) De drievoudige bouwsteen is een ding, een voorwerp, dat zich in de ruimte verplaatst. Hoe dat zich verplaatsen gebeurt laat ik voorlopig buiten beschouwing, het is te lezen in Beweging en verschijnsel (deel 1, 2, en 3). Het gaat hierbij om de kosmische ruimte. Om begrijpelijke misverstanden te voorkomen wijs ik er op dat die kosmische ruimte ten onrechte gewoonlijk als een lege ruimte wordt gezien, in die zin dat het een soort van oneindig niets zou zijn. Die zienswijze is fout, tenzij men ermee bedoelt dat er in zo'n ruimte geen (kenbare) voorwerpen voorkomen. In feite echter is de kosmische ruimte helemaal niet leeg, maar gevuld met beweeglijkheden, die, in een verhouding van vier staande, het begrip “ruimte” aan zich bedenken laten. En die ruimte is onmiddellijk ook energetisch, op grond van de verhouding vijf. Een zogenaamde lege ruimte wordt dus gevormd door beweeglijkheden en in die “zee van beweeglijkheden” beweegt de drievoudige bouwsteen zich voort. Wis- en natuurkundige berekeningen, waarin de kosmische ruimte bijvoorbeeld als gekromd gedacht wordt, zijn alleen maar mogelijk juist omdat het begrip ruimte meekomt aan de beweeglijkheden in de verhouding “vier” en omdat die ruimte energetisch is in de verhouding “vijf”. Zonder die twee verhoudingen zijn dergelijke berekeningen onmogelijk. Ongeweten zijn de wis- en natuurkundigen in de weer met zaken die op primaire verhoudingen berusten. Die primaire verhoudingen leiden ertoe dat er in de kosmische ruimte energetische patronen ontstaan en dergelijke patronen kunnen niet anders dan gekromd, in zichzelf gebogen, zijn. Langs die patronen bewegen de bouwstenen zich voort.

2) De drievoudige bouwsteen beweegt zich voort in een bepaalde richting en die is gebaseerd op de energetische patronen in de kosmische ruimte.

Het gelden van het begrip richting is essentieel bij het zich met elkaar verbinden van systemen van bouwstenen. 3) De drievoudige bouwsteen is in zichzelf in trilling. Daarover heb ik uitvoerig gesproken en ik heb er op gewezen dat het over een materiële trilling gaat. Een trilling die later, als het ding levend geworden is, duidelijk waarneembaar is. 4) De drievoudige bouwsteen heeft het andere aan zich, hetgeen wil zeggen dat hij de mogelijkheid heeft op andere dingen te reageren. Dat reageren heeft niets meer met het begrip uitgroeien te maken, want daarbij ging het om absoluut onafhankelijke beweeglijkheden die zelf geen enkele rol speelden in het vormen van verhoudingen. Nu echter heb je te doen met dingen die wel op andere dingen reageren, dingen die zelf al tot minstens drievoudige bouwstenen uitgegroeid zijn. Het kan nu gaan om allerlei reacties, maar voor ons is van belang de reactie waarbij twee dingen zich met elkaar verbinden, een combinatie of samenstelling vormen. Wat betreft die reacties van (systemen van) bouwstenen op elkaar moet nog opgemerkt worden dat die reacties geformuleerd worden in termen die aan ons eigen analytische denken ontspruiten. Als wij die reacties bestuderen komt het ons bijvoorbeeld voor dat bepaalde fysische deeltjes elkaar aantrekken. Wij interpreteren dit als aantrekken omdat het kracht kost om ze van elkaar te halen. In feite echter zijn er alleen-maar bewegingen. 5) De drievoudige bouwsteen neemt ruimte in, hij heeft volume. Dit begrip ruimte is een dubbelbegrip dat later, bij het tot leven gekomen verschijnsel, betekenis krijgt in de vorm van het begrip inhoud. 6) Voor de drievoudige bouwsteen geldt ook het begrip samenhang. Ook dit is in feite een dubbelbegrip omdat de verhouding samenhang twee maal voorkomt, namelijk in de verhoudingen (AB) en (BC). Ook dit begrip is van het grootste belang voor het begrijpen van levende verschijnsel omdat dit deze eigenaardigheid vertoont dat het niet gesplitst kan worden zonder dat het zichzelf als verschijnsel vernietigt.

Het mooie is dat de gang van zaken bij het ontstaan van de kosmos, maar ook uiteindelijke menselijke verschijnsel, met bovenstaande eigenaardigheden van de bouwsteen verklaard kunnen worden. Dat geldt in wezen ook voor wetenschappelijke verklaringen van de werkelijkheid, maar, zoals ik al zo vaak beklemtoond heb: die vallen buiten het bestek van de filosofie. De werkelijkheid is een spel van bovengenoemde begrippen. Het feit dat de bouwstenen zich in een bepaalde richting voortbewegen is de sleutel om verder te kunnen denken over het ontstaan. Op grond van richting en voortbeweging is het mogelijk dat bouwstenen elkaar ontmoeten en bij zo'n ontmoeting kan het zo vallen dat die twee bewegingsrichtingen elkaar neutraliseren of opheffen, zonder overigens voor zichzelf te vervallen. Daartoe is het nodig dat de twee bewegingsrichtingen in elkaars verlengde liggen, maar energetisch tegengesteld zijn. De met die richtingen van beweging corresponderende vrije beweeglijkheden van beide dingen komen dan tegen elkaar aan te liggen. Uiteraard houdt dit in dat zij nu niet langer ten opzichte van elkaar beweeglijk zijn. Daarmee zitten de bouwstenen aan elkaar vast.

Tussen de twee gecombineerde bouwstenen, die dus nu een “samenstelling” vormen, bevinden zich twee tegen elkaar aanliggende beweeglijkheden. Tussen die twee beweeglijkheden bevindt zich een scheiding, die als scheiding niets is.

In tegenstelling tot alle andere begrippen die op de een of andere manier tot verhoudingen van beweeglijkheden zijn te herleiden, geldt hier dat het begrip “scheiding” tot niets, zelfs “het absolute niets”, teruggebracht kan worden. De zogenaamd lege ruimte was nog een spel van beweeglijkheden, maar nu gaat het over een zaak tussen twee beweeglijkheden. Wat dit betreft vallen de volgende eigenaardigheden op: 1) Het “absolute niets” is, gezien vanuit de werkelijkheid als een spel van beweeglijkheden, in geen geval een primair begrip. Het is daarentegen een begrip dat aan de werkelijkheid voor zover ze zich in zichzelf samenstelt, en dus dingen oftewel verschijnselen vormt, méékomt. Het behoort dus tot de materiële wereld. 2) Het begrip “absoluut niets” betekent op zichzelf letterlijk niets, maar, gezien vanuit de bouwstenen betekent het “grens”. De grens namelijk tussen de ene en de andere bouwsteen. Het begrip “grens” houdt een absolute scheiding tussen het een en het ander in, maar het is wel een scheiding die overbrugd wordt, op grond van het feit namelijk dat precies daar het evenwichtspunt zich bevindt tussen de opgeheven bewegingen van beide bouwstenen. Dat evenwichtspunt is het begrip “relatie” of “betrekking”. In dat punt staan het een en het ander tot elkaar in betrekking. Dat tot elkaar in betrekking staan is heel iets anders dan het “in elkaar overgaan” zoals we dat bij het aaneengroeien van twee brandpunten gezien hebben. Daarbij was immers van geen scheiding te spreken! Je kon niet uitmaken waar het ene brandpunt eindigde en het andere begon; het was een twee-eenheid. Via de relatie kun je van de ene bouwsteen naar de andere gaan, precies zoals je een grens tussen twee landen passeert. Maar die grens blijft bestaan en die twee landen ook. Daarom kun je beter niet van de grens als “overgang” spreken, want er gaat niets in elkaar over. Wellicht is de term “overweg” in dit verband beter.

Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ;

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 33.

Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ;

Welbeschouwd heb je met de voornoemde zes eigenaardigheden van de bouwsteen een begrippenstelsel in handen. Dat stelsel voldoet om de gehele werkelijkheid te verklaren. Je ziet dan dat die begrippen voortdurend van betekenis veranderen en gaandeweg ook een ruimere inhoud krijgen. Dat culmineert in het verschijnsel mens. Toch zou het onjuist zijn om vanuit dat stelsel te gaan werken, of, anders gezegd: dat stelsel te gaan beschouwen als een soort van formule of methodiek om bepaalde, van tevoren gedefinieerde, problemen in het licht van dat stelsel te verklaren. De filosofie dient niet om problemen op te lossen of verschijnselen te verklaren, zij lost op en verklaart zonder dat er a priori een probleem gesteld is! Dat oplossend vermogen heeft betrekking op de gehele werkelijkheid en niet op een bepaald, van tevoren gesteld, probleem. Naarmate dat oplossend vermogen effectiever wordt blijkt achteraf dat bepaalde zaken, die vanuit allerlei cultuur-opvattingen als een probleem gezien werden, zich opgelost hebben. Gebruik je de filosofie om bepaalde problemen op te lossen, dan neem je automatisch je toevlucht tot basisbegrippen die je als elementen van een maatgevende denkmethode gaat laten gelden, en daarmee heb je de zaak omgedraaid. Op die manier kun je niet alleen alles verklaren, maar ook nog elke gewenste verklaring een schijn van onweerlegbaarheid geven. Je kunt dan zelfs bewijzen dat god bestaat, zoals sommige navolgers van bijvoorbeeld Hegel hebben gedaan!

Het gevaar dreigt dat je dat begrippenstelsel gaat gebruiken om naar bepaalde, jou welgevallige, verklaringen toe te redeneren. Dat zou helemaal in de lijn liggen van het moderne denken. In en voor dat denken zijn alle redeneringen namelijk doelgericht; vooropgesteld wordt dat zij op iets bepaalds uitkomen. Dat is de laatste tijd in toenemende mate waar te nemen in de ontwikkeling die de universiteiten doormaken. Oorspronkelijk hadden de universiteiten twee doelstellingen: ten eerste het geven van (hooggekwalificeerd) onderwijs en ten tweede het plegen van (grensverleggend) onderzoek. Als je afgestudeerd was (Drs.) gaf je er blijk van met succes het onderwijs gevolgd te hebben, en als je promoveerde (Dr.) bleek daaruit dat je met vrucht onderzoek op je vakgebied gepleegd had. Drs. word je op grond van examens, maar Dr. word je op grond van onderzoek.

Genoemde doelstellingen behoren door de universiteiten zelf geconcretiseerd te worden. Een buitenstaander kan en mag niet bepalen wat de inhoud van het onderwijs zou moeten zijn, evenmin als een buitenstaander het terrein en de aard van een onderzoek mag bepalen. De normen voor die beide zaken liggen bij de universiteit zelf, zij behoort autonoom te zijn. Tegenwoordig zie je echter dat het bedrijfsleven meer en meer de kwaliteit, het terrein en de aard van het onderwijs en het onderzoek bepaalt, uiteraard doormiddel van het al of niet ter beschikking stellen van financiële middelen. Voor dat doelgerichte denken, waarbij a priori problemen gesteld worden die om een verklaring of om een rechtvaardiging vragen, geldt dat het denkmethodes ter beschikking moet hebben, en daar ligt het gevaar dat voor de filosofie schuilt in het gaan gebruiken van die zes eigenaardigheden als elementen van een denkmethode. De moderne filosofie is daaraan al bijna in haar geheel ten prooi gevallen, zij het met geheel andere basisbegrippen.

Een schrijnend voorbeeld van het gebruiken van basisbegrippen als methode voor een bepaalde denkwijze is de door Hegel ontdekte dialectiek van het denken. Een vergelijking tussen Hegel en Marx is wat dat betreft verhelderend.

Hegel namelijk bemerkte dat je het denken in jezelf zijn eigen gang moet laten gaan en dat je het derhalve niet bij voorbaat in het keurslijf van een methode of een doelstelling moet dwingen. Daarbij ontdekte hij dat vrij denken zich heen en weer beweegt, een soort van tweegesprek is. Dat gaat dan via een stelling (these) en een tegenstelling (antithese) naar een samenstelling (synthese), welke laatste stap op zijn beurt weer als een these gaat gelden. Hij noemde deze gang van zaken dialectisch. Hegel zei dus: het denken blijkt dialectisch te zijn. Wat gingen zijn navolgers, in het bijzonder Karl Marx, nu doen? Zij stelden dat denken dialectisch behoort te zijn en zij gingen de dialectiek gebruiken als een doelgerichte denkmethode! Het resultaat hebben wij vooral bij Marx gezien: niet alleen dat hij zijn thesen en antithesen betrekkelijk willekeurig uitkoos om zijn doel, het opstellen van een theorie over de maatschappij, te bereiken, maar ook dat inmiddels is gebleken dat die hele theorie niet deugde en alleen maar gebruikt kon worden als een ideologische rechtvaardiging van machtssystemen waarin de individualiteit van de mensen onbarmhartig onderdrukt werd, een logisch gevolg van de misvatting dat de individu aan de gemeenschap (de staat) ondergeschikt zou moeten zijn.

En zijn analyse van de westerse wereld bleek ook al helemaal fout; van zijn voorspellingen is er niet een uitgekomen, denk maar aan zijn dictatuur van het proletariaat en zijn afbrokkelen van de staat!

De begrippen grens en scheiding en absolute niets verdienen ook nog enige toelichting. Het is namelijk niet voor niets dat hierbij het begrip absoluut ter sprake komt. De zaak ligt namelijk heel ongenuanceerd: het één houdt abrupt op en het ander begint. Er is geen sprake van een geleidelijke overgang, in die zin dat het steeds minder het één wordt en steeds meer het ander. Beide blijven tot aan het raakpunt volledig zichzelf. Je kunt hierbij dus niet van een overgang spreken, zoals dat wel het geval was bij twee aaneengegroeide en dus een eenheid vormende achtledige systemen. Daarbij is inderdaad van een vervloeien van het een naar het ander te spreken, op zodanige wijze dat (a) onmogelijk zonder (b) te denken is. Maar bij het zich combineren van twee bouwstenen is dat niet het geval. Je kunt de ene bouwsteen heel gemakkelijk zonder de andere denken en het is maar net hoe het valt of ze met elkaar een samenstelling vormen. Het raakpunt van de bouwstenen (A) en (B) is echter volstrekt onmiskenbaar noch (A), noch (B). Het is een punt dat op geen enkele manier in twijfel te trekken is en het is dus iets absoluuts, en dit ondanks het feit dat het bestaat dankzij de aanwezigheid van de samenstelling (A+B) en daarvan dus in zekere zin afhankelijk is. De begrippen grens en scheiding zijn bijgevolg varianten van het begrip het absolute niets. Dat blijkt ook uit onze taal: als je zegt grens of als je zegt scheiding, dan zeg je helemaal niets. Het zijn loze uitspraken, die pas betekenis krijgen als je vermeldt waartussen zij de grens of de scheiding vormen. Op dat moment stel je een absoluut begrip.

Op het raakpunt neutraliseren de bewegingen van de bouwstenen (A) en (B) elkaar. Dat heeft een consequentie en daarvoor geldt het begrip relatie oftewel betrekking. In het raakpunt zijn die twee bouwstenen op elkaar betrokken. Dat betekent dat een betrekking of een relatie letterlijk op niets gebaseerd is en dat is dan ook nog een niets dat op geen enkele manier op te heffen of te nuanceren is. Het is absoluut. Maar, gezien vanuit (A) en (B) is er contact en dat is een contact dat een absolute kloof overbrugt, zonder dat, let wel, die kloof verdwijnt. Bij een relatie tussen mensen blijft iedereen op zichzelf en gaat niet in de ander over, de scheiding tussen de een en de ander blijft bestaan.

Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ;

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)

No 34.  

Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ;

Twee (of meer) met elkaar gecombineerde bouwstenen hebben niets met elkaar gemeen, behalve het raakpunt waarin zij beide in het absolute niets op ontkende wijze aanwezig zijn: noch de een, noch de ander. Er is geen sprake van in elkaar overgaan. Wel echter is er via het raakpunt een relatie en die is gebaseerd op het geneutraliseerd zijn van twee bewegingen. De relatie tussen twee bouwstenen is iets anders dan de samenhang tussen twee brandpunten. Dat geldt ook bij de onderlinge verhoudingen van de mensen. Niet alle mensen hebben met elkaar een persoonlijke relatie, maar alle mensen hangen wel met elkaar samen; de mensheid is eigenlijk één geheel.

Tegenwoordig, door de ontwikkeling van communicatie systemen, is de relatie tussen de mensen tamelijk veelzijdig en dat brengt hen enigszins tot elkaar, overbrugt de kloof van het absolute niets een beetje. Maar wat betreft het inhoud geven aan de samenhang blijft het doorgaans bij mooie woorden.

Inzake het in elkaar overgaan is het van belang je goed te realiseren dat de brandpunten (a) en (b), ondanks het feit dat (a) niet zonder (b) is en (b) niet zonder (a), wel degelijk van elkaar te onderscheiden blijven. Die situatie van ongescheiden onderscheiden zijn vind je terug als het over de liefde van twee mensen gaat. Het begrip liefde is echter bij de moderne mensen een ziekelijke zaak geworden omdat men het verschil niet meer ziet tussen samenhang en relatie, en daardoor het liefdesbegrip voortdurend inhoud geeft doormiddel van bij de relatie behorende begrippen. Men heeft het dan over bij elkaar passen en gelijkgestemde geesten, over hobby's die beide partners beoefenen en over het feit dat men zo goed met elkaar kan praten. Kortom: allemaal grootheden uit het complex van relatie-begrippen. In werkelijkheid kun je in het liefdesbegrip twee onderscheidingen maken: enerzijds zijn er de partners (a) en (b) ieder voor zich, en anderzijds is er de eenheid, het samenvloeien, van die twee (ab). Voornamelijk vanuit de christelijke ethiek is de nadruk vooral komen te liggen op die eenheid (ab). Daardoor werd de liefde de norm voor het huwelijk en de moderne varianten daarvan. Die norm schrijft voor dat beide partners zich in die eenheid moeten invoegen, zich moeten aanpassen aan de eenheid. In feite moeten de partners zichzelf min of meer wegcijferen ter wille van het huwelijk. Daarmee wordt het voor zich zijn van de partners verminkt. Zij zijn er dan niet meer. Omdat de mensen zich hiervan steeds meer bewust zijn geworden hebben zij een uitweg gezocht precies daar waar hij niet ligt, namelijk bij de relatie en de verbetering daarvan. Ook in de Europese filosofie heeft de (romantische) gedachte postgevat dat de partners zich in de liefde boven zichzelf uit zouden verheffen tot een eenheid van twee. Maar die gedachte is dus fout. In de eenheid van twee moeten beide partners juist bij zichzelf blijven en als zodanig een eenheid vormen. Die eenheid is niet te definiëren, je kunt geen opsomming geven van, zaken waarom het zou gaan. Je kunt hoogstens zeggen wat je eraan beleeft.

Het in elkaar overgaan heeft bij de levende wezens zelfs een biologisch aspect. In de voorplanting namelijk versmelt de zaadcel met de eicel. Daarbij echter gaat het onderscheid tussen die twee verloren. Er is op een gegeven moment één bevruchte cel, die tot een nieuw organisme uitgroeit. Nu gaat het echter om het zelfbewuste aspect, en dus zogezegd om wat een mens eraan beleeft. Dat is dus wat anders dan datgene waarin mensen met elkaar overeenstemmen. In de liefde beleef je dat de ander op andere wijze jezelf is.

Die ander is inhoud van jouw leven geworden en samen leef je dezelfde richting uit. Je voelt dat je niet meer alleen bent, dat de ruimte van je leven uitgebreid is naar nog iemand, maar dat staat precies in tegenstelling tot dat wat er gebeurt als je je, ter wille van de eenheid, wegcijfert. Eigenlijk kun je aan het in elkaar overgaan, dus aan de liefde, geen concrete waarden verbinden, juist omdat alles overgang is. Alles wat je erover zegt is maar een taalkundige gooi naar een juiste uitdrukking en die dekt nooit de zaak waarom het gaat.

De vergelijking van bijvoorbeeld water met het begrip samenhang is gevaarlijk. Water is namelijk een combinatie van drie atomen: twee atomen waterstof en een atoom zuurstof.

Als combinatie is water iets anders dan die drie atomen afzonderlijk, maar water kan ten allen tijde tot die drie atomen teruggebracht worden. De combinatie van bouwstenen is (desnoods alleen maar denkend) terug te brengen tot zijn samenstellende bouwstenen. Bedenk je echter dat je een twee-eenheid van brandpunten wilt splitsen, dan houd je geen twee achtledige systemen over, maar slechts één systeem omdat een van de twee niet compleet is en dus instort. Hij is immers een systeem van maar zeven beweeglijkheden! Daarom laat het begrip samenhang geen splitsing toe. Dat is ook beseft in de liefde. Men dacht haar als iets eeuwigs, iets onverbrekelijks en destijds zei men; Wat god samengevoegd heeft zal de mens niet scheiden. Intussen kunnen partners wel uit elkaar groeien, maar inderdaad is het onmogelijk om van het ene moment op het andere je liefde voor iemand ongedaan te maken.

Het raakpunt tussen twee bouwstenen, en dus het punt van het absolute niets, is helemaal niet ondefinieerbaar. Het is een vlijmscherp gelokaliseerd punt dat niet in twijfel te trekken is, maar het is wel een punt dat geen enkele inhoud heeft; zelfs de beweeglijkheden zijn afwezig. Daarom geven wij er zelf automatisch en noodgedwongen een inhoud aan. De woorden grens en scheiding en niets krijgen betekenis (= taalkundige inhoud) door het feit dat wij erbij vermelden waartussen dat niets zich bevindt. Op het moment dat er, in het door ons besproken geval, twee bouwstenen met elkaar verbonden zijn treedt het begrip niets op en dan is het absoluut. Zonder die bouwstenen, en dus zonder de materiële werkelijkheid, kan het begrip niets niet bestaan. Eigenlijk betekent het dan ook niet-iets! Dat is terecht, want het geldt daar waar je noch van (A), noch van (B) meer kunt spreken.

De kloof tussen (A) en (B) wordt als het ware overspannen door de relatie tussen (A) en (B). Daarmee verdwijnt die kloof niet, hij wordt zelfs door die overspanning geaccentueerd! Juist doordat je de wil hebt nader tot elkaar te komen, zoals dat bij mensen het geval kan zijn, gaat de kloof als een extra grote belemmering gelden. Het zoeken van een relatie bevestigt het bestaan van de kloof en die kloof verhindert in principe het in elkaar overgaan. Het absolute niets daarvan wordt min of meer maatgevend. Het gedicht zegt: daar waren twee koningskinderen, zij hadden elkander zo lief (!); zij konden bijeen niet komen; het water was veel te diep. Dat handelt over het probleem van de relatie, die niet denkbaar is zonder een absolute kloof. Hieraan kun je overigens ook zien dat de begrippen in de filosofie geen vaste waarde kunnen hebben en zich daardoor niet lenen voor het van tevoren opstellen van een methodiek. Telkens verandert de betekenis van de begrippen, al naar gelang de situatie waarin ze optreden. Nu is bijvoorbeeld het begrip kloof of scheiding, dat aanvankelijk een nietszeggend begrip was, geworden tot een véélzeggend begrip dat een dominante rol speelt.

Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Overgang-4 ;

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 35.   Trouw-1 ; Trouw-2

Je zou het kunnen betreuren dat het je niet gelukt onder woorden te brengen waaraan je liefde voor een ander mens tot uitdrukking komt. Het beleven van die liefde is niet te definiëren, je kunt er slechts een taalkundige gooi naar doen.

De filosofische definitie van het begrip liefde, namelijk het samenhangen van de een en de ander, het in elkaar overgaan en het toch aanwezig blijven van zowel de een als de ander, maakt niet op praktische wijze duidelijk wat er aan de hand is tussen twee (of meer) mensen. Toch is het logisch dat de concrete beleving van de liefde niet goed in woorden uit te drukken is. Woorden leggen iets vast, maar het opmerkelijke van het in elkaar overgaan is nu juist dat er niets vast te leggen valt. Je kunt het niet uitsluitend over (a) hebben en ook niet uitsluitend over (b), steeds heb je te doen met een variatie van beide. Als je echter iets wilt definiëren zul je het met iets anders moeten vergelijken. Iets anders dat duidelijk gescheiden is van het te definiëren object. Zo kun je bijvoorbeeld de maat van iets opgeven; die maat echter bestaat uit een aantal eenheden van vergelijking, zeg centimeters. Een definitie, oftewel een bepaling, van iets heeft iets uitwendigs nodig om als eenheid van vergelijking te dienen. Je bepaalt iets aan iets anders. De liefde van (a) voor (b) is niet te bepalen of te definiëren omdat beiden helemaal niet van elkaar gescheiden zijn zodat (a) niet aan (b) bepaald kan worden en omgekeerd. Het is onmogelijk te bedenken dat (b) voor (a) als iets anders zou kunnen fungeren. De liefde is dan ook niet in een waarde uit te drukken. Dit onzegbare aspect van de werkelijkheid kom je heel duidelijk tegen in de kunst als je zou willen proberen onder woorden te brengen wat de schoonheid is die door een kunstwerk uitgedrukt wordt. De kunst geeft uitdrukking aan de werkelijkheid als samenhang en dus is het in elkaar overgaan van het een en het ander essentieel. De kunst geeft dan ook geen opsomming van aparte elementen, maar een in zichzelf genuanceerd geheel van die elementen.

Omdat het onmogelijk is dat (b) bepalend is met betrekking tot (a) en dat (a) bepalend is met betrekking tot (b), is het ook niet mogelijk dat beide of een van de twee ter wille van de eenheid belemmerd worden. Zo'n belemmering zou een bepaling of beperking betekenen, maar die komt dus in de twee-eenheid niet voor. Juist het samenhangen van (a) en (b) vooronderstelt het volledig en ongehinderd aanwezig zijn van beide. Dat laat zich gemakkelijk begrijpen als je bedenkt dat het grondbegrip samenhang te vinden is bij twee aaneengegroeide achtledige systemen, dus bij twee brandpunten die een twee-eenheid vormen. Die samenhang kan er alleen maar zijn als die twee systemen er volledig zijn, zonder dat er aan een van de twee of beide ook maar een enkele beweeglijkheid ontbreekt.

Het samenhangen vertoont zich bij de mensen in het feit dat in de liefde van twee mensen beide partners ongehinderd aanwezig moeten zijn. Dat is voor de moderne mens moeilijk te begrijpen omdat deze, zoals al eerder gezegd, bijna automatisch in termen van het begrip relatie denkt. Dit begrip, tezamen met de van oorsprong christelijke nadruk op de eenheid van twee, levert het begrip zelfverloochening op, in die zin dat elk van de twee geliefden zichzelf zou moeten wegcijferen ter wille van de eenheid. Daarover gaat het nu echter niet. Je moet je echter wel afvragen welke begrippen inhoud zijn van het begrip liefde. Ik kom dan op een tweetal begrippen, namelijk eerlijkheid en trouw. Het eerste betekent dat je voor jezelf alles laat gelden wat er te gelden heeft, dat je dus niets in jezelf verdoezelt. Dat hangt ten nauwste samen met het begrip twijfel.

Een eerlijk mens durft voor zichzelf toe te geven dat hij twijfelt.

Het tweede betekent dat je jezelf, als geheel van allerlei eigenaardigheden, zo helder mogelijk laat gelden en dat je dus niet van dat geheel afwijkt. Je verschuilt jezelf niet achter uiterlijkheden.

Dat het huidige denken geheel in het teken van de relaties staat blijkt ook weer als het over het begrip trouw gaat. Men beschouwt het als een uitwendige zaak: trouw ben je als je je houdt aan afspraken die je met een ander gemaakt hebt. En je verwacht van die ander dat hij hetzelfde zal doen. Omdat een dergelijk begrip van trouw berust op toezeggingen over en weer, die bovendien ook nog afhankelijk zijn van de situatie waarin men zich op een bepaald moment bevindt, is er geen enkele zekerheid dat men zijn afspraken zal houden. Daarom worden er dan ook sancties afgesproken. In werkelijkheid echter slaat het begrip trouw op jezelf: je bent trouw aan jezelf en als je dat in alle eerlijkheid bent behoeven er geen trouwbeloften gedaan te worden. Dat geldt trouwens ook voor het liefdesbegrip. Ook dat wordt binnen de context van de relatie getrokken. Daardoor spreekt men pas dan van liefde als er iets is tussen twee mensen. In feite echter geldt het begrip liefde voor jezelf, in die zin dat het samenhangen en in elkaar overgaan behoort tot de verhoudingen die je voor jezelf en in jezelf laat gelden, ongeacht het al of niet aanwezig zijn van een ander, ten opzichte van wie zich die verhoudingen concretiseren. In het kort samengevat komt de zaak wezenlijk hier op neer dat alle begrippen die uit het samenhangen binnen de twee-eenheid voortkomen, gelden voor datgene dat met iets anders samenhangt. Zij gelden dus vanuit elk van de samenhangende elementen. Bij de twee-eenheid van de brandpunten van twee aaneengegroeide achtledige systemen gelden bedoelde begrippen dus vanuit zowel het brandpunt (a) als vanuit het brandpunt (b). En bij mensen gelden zij vanuit de ene partner en vanuit de andere partner, en niet vanuit de eenheid van die twee. Daarom gelden zij voor de een Ongeacht de aanwezigheid van de ander. Het opmerkelijke hierbij is evenwel dat juist in deze constellatie van verhoudingen de ander altijd ingecalculeerd is; hij (of zij) is bij voorbaat al aanwezig, ook al is hij er in concreto nog niet. Dat betekent dat de liefde een zaak is van grote ruimte. Maar als de liefde in het teken van de relatie staat is het een benauwde aangelegenheid.

Het begrip relatie gaat gelden als twee bouwstenen zich met elkaar gecombineerd hebben. Voordat dat het geval is geldt dat begrip niet, anders gezegd: voor een relatie zijn er altijd (minstens) twee grootheden nodig, in het geval van de mensen moeten er dus altijd twee of meer mensen in het geding zijn. Bovendien moet er iets wederkerigs aanwezig zijn. De een stemt met de ander op de een of andere manier overeen. In tegenstelling tot het liefdesbegrip is het relatiebegrip een voorwaardelijk begrip. Onder bepaalde voorwaarden - denk aan het zich combineren van twee bouwstenen! - kan de relatie een feit zijn. Het sterkste voorbeeld van een complex van relaties is de maatschappij. Tegenwoordig is men er op uit een maatschappij vanuit bepaalde denkbeelden, dus van bovenaf, te organiseren. Daardoor verliezen relaties hun vanzelfsprekende karakter en worden min of meer afgedwongen zaken. De zelforganisatie, waarmee elke maatschappij begonnen is, berust op veel natuurlijker relaties en is daardoor eigenlijk veel beter om in te leven. Een maatschappij van afgedwongen relatievormen blijft noodzakelijk beneden zijn mogelijke niveau en is daardoor uiterst labiel. Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat zo'n maatschappij over een machtig en alles doordringend geweldsapparaat beschikt.

Trouw-1 ; Trouw-2

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

Bladwijzers: De kloof-2( t/m 46 ) ; de kloof-1 (t/m nr. 36)

No 36.

Als het over de liefde gaat ben je niet afhankelijk van de aanwezigheid en de geaardheid van de ander. De liefde is voor elk individu een autonome zaak. Maar bij een relatie ben je wel degelijk van de ander afhankelijk. Als die ander namelijk geen pogingen onderneemt om met je in contact te treden (je te ontmoeten) hebben jouw toenaderingen tot die ander geen zin. Omgekeerd, namelijk gedacht vanuit die ander, geldt natuurlijk precies hetzelfde. De relatie is afhankelijk van twee, elkaar ontmoetende, grootheden. Bij het zich combineren van bouwstenen is dat zonder meer duidelijk: de bouwsteen (A) heeft maar af te wachten of er een andere bouwsteen (B) is waarmee een combinatie aangegaan kan worden. En dat geldt voor (B) ten opzichte van (A) ook. Het is dan ook begrijpelijk, hoewel doorgaans nogal kleinzielig, dat mensen de neiging hebben de ander de schuld te geven als een relatie stukgelopen is. Aan dat de schuld geven komt uit dat een relatie afhankelijkheid inhoudt.

Het begrip relatie houdt eigenlijk een onmogelijkheid in. Die onmogelijkheid is gelegen in het absolute niets, dat het een volstrekt van het ander scheidt. Van een in elkaar overgaan en het vormen van een eenheid is geen sprake. De relatie kan slechts het absolute niets, die kloof tussen het een en het ander, overbruggen, maar dat is altijd een voorwaardelijke zaak die op verhoudingen berust die met elkaar overeen moeten stemmen. Alles wat buiten die overeenkomst ligt kan in de relatie geen rol spelen.

Dat is nog wat te verduidelijken als je je indenkt wat er bij het ontstaan van een relatie gebeurt; het een (bijvoorbeeld een bouwsteen) beweegt zich voort en het ander doet hetzelfde; op grond van het onvermijdelijke toeval ontmoeten die twee elkaar en op grond van datzelfde toeval kan die ontmoeting zo zijn dat een energetische beweging van het een overeenstemt met de energetische beweging van het ander. In dat geval neutraliseren die, energetische bewegingen elkaar met als gevolg dat het een aan het ander vast komt te zitten. Het aan elkaar vast zitten is er op grond van één energetische beweging van het een zowel als van het ander. De bij beide ook nog aanwezige andere energetische bewegingen spelen wat betreft die bepaalde combinatie geen rol. De relatie omvat dus maar een gedeelte van het er-zijn (= energetisch in beweging zijn) van zowel het een als het ander.

De ontmoeting is dus zuiver toevallig, hoewel die in de oneindige tijd en ruimte niet uit kan blijven. Voor de natuurkundige echter is het elkaar ontmoeten en het zich met elkaar combineren een empirisch gegéven, wat er bij analytisch onderzoek toe leidt dat hij tot de conclusie komt dat er aantrekkende krachten in het spel zijn. Natuurkundig gezien is deze conclusie juist, al moeten we er wel rekening mee houden dat die hele idee van aantrekkende en afstotende krachten binnen afzienbare tijd te water gelaten zal worden. Zo begint men er bijvoorbeeld op het ogenblik in de natuurkunde al over te twijfelen of onze, sinds Newton (1643-1727) gangbare, opvatting over de zwaartekracht juist is; het schijnt dat men telkens op bepaalde ongerijmdheden stuit bij de vergelijking van metingen met theoretische berekeningen. Hoe dan ook, het is mogelijk dat de natuurkundigen straks niet meer met genoemde krachten rekenen, maar louter met bewegingen.

Als ertussen het een en het ander een relatie is ontstaan blijft het feit gelden dat beide geen verwantschap met elkaar hebben. De een is niet een beetje de ander en de ander is niet een beetje de een.

Dat er geen verwantschap is blijkt uit het feit dat bijvoorbeeld een steen na splijting twee stenen oplevert en dat geen van beide stenen iets anders is geworden dan de oorspronkelijke steen. Zou er verwantschap tussen de samenstellende elementen van die steen geweest zijn, dan leverde splijting geen twee stenen op maar twee andere dingen. Dat is het geval als je een levend wezen uit elkaar haalt. De elementen die je dan krijgt hebben niets meer met het oorspronkelijke geheel te maken. De gehele zogenaamd anorganische werkelijkheid bestaat uit schier eindeloos gevarieerde combinaties met de daarbij behorende relaties. Die werkelijkheid is doortrokken van het feit dat er geen verwantschappen zijn en dat in die zin het een niets met het ander te maken heeft. Vanuit deze gesteldheid is er een netwerk van relaties waarin bepaalde overeenkomsten geneutraliseerd worden. De werkelijkheid van de dingen is een fundamenteel in zichzelf gescheiden werkelijkheid. Waar het ene ding is kan het andere niet tegelijkertijd zijn. De dingen zijn gescheiden door het absolute niets.

De mensen zijn ook dingen, hoewel heel bijzonder van aard. Het bijzondere is gelegen in het feit dat in die dingen het samenhangen op de voorgrond is komen te staan. Dus zijn kenmerkend de begrippen in elkaar overgaan, verwantschap, liefde en dergelijke. Maar voor de mens als ding geldt het begrip relatie, met alle eerder genoemde eigenaardigheden. Zo is daar ook de afhankelijkheid van elkaar en de noodzaak dat er iets gemeenschappelijks is. Dat gemeenschappelijke betreft in de mensheid een netwerk van bepaalde (individuele) relaties. In het beste geval zijn zoveel mogelijk relaties gerealiseerd. Maar, welbeschouwd blijft toch onder alle omstandigheden gelden dat de menselijke relaties een uitsluitend karakter hebben, er is altijd wel iets dat er buiten valt. Het is van groot belang dit voor ogen te houden, vooral ten aanzien van het huidige streven in de maatschappij om alles in een van tevoren bedacht systeem van relaties te vangen en daarbij geen rekening te houden met het feit dat er veel is dat daar buiten valt - met als resultaat het niet tot hun recht komen van veel mensen.

Als je naar de mensheid kijkt dan zie je dat zowel de relatie als het samenhangen geconcretiseerd is, namelijk in de maatschappij, en de samenleving. Slordig als het moderne denken is maakt het nauwelijks onderscheid tussen beide begrippen, maar uit het hiervoor gezegde moge blijken dat er wel degelijk een groot onderscheid is. Het samenhangen doet zich gelden als een besef van verwantschap, dat overigens tot op de dag van vandaag heel banaal als bloedverwantschap opgevat wordt: letterlijk in de zin van familie en ideologisch in de zin van Blut und Boden. Los daarvan echter is te constateren dat de verwantschap voor de dag komt in de samenleving. Daarnaast behoren alle mensen ergens bij, op grond van iets uitwendigs; zij werken samen, organiseren zaken, maken afspraken, verdelen arbeid, enzovoort. Dat is de mensheid als maatschappij, die op relaties berust en waarbij de verhouding zo ligt dat de een de ander nodig heeft en de een van de ander afhankelijk is.

In onze huidige wereld ontbreekt het aan samenhang, dus aan liefde. Maar de relaties tussen de mensen zijn zo langzamerhand behoorlijk uitgebreid en georganiseerd. Kennelijk is dat feit echter niet of nauwelijks van invloed op het samenhangen van de mensen.

Als je nu begrepen hebt dat de relatie noodzakelijk een uitsluitend karakter heeft en in zekere zin de kloof tussen het een en het ander bevestigt, dan begrijp je ook dat de samenhang op de achtergrond raakt - totdat deze zich langs een andere weg opnieuw gaat laten gelden.

de kloof-1 (t/m nr. 36) ; De kloof-2( t/m 46 ) ;

 

Naar boven

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)

No 37.

Je hoort tegenwoordig vaak de klacht dat er zo weinig samenhang tussen de mensen is. Meestal heeft men het dan over een gebrek aan solidariteit, gemeenschapszin en saamhorigheid. Opvallend is daarbij dat die begrippen steeds gesteld worden in het licht van eenstemmigheid: de mensen zouden zich achter gemeenschappelijke idealen of doelstellingen moeten scharen en meer begrip voor elkaar tonen. Dat zou niet alleen het geval zijn in de mensheid als zodanig, maar ook in de particuliere betrekkingen zoals het huwelijk, de bewoners van een flat of wijk en dergelijke. Men wil dan die situatie verbeteren en denkt daarbij als vanzelfsprekend in termen van relaties. Dat is begrijpelijk, want men kent het onderscheid tussen samenhang en relatie niet meer en bovendien denkt men uitsluitend in relaties. Het gevolg daarvan is dat de kloof tussen de mensen almaar meer op de voorgrond komt te staan en er van verbetering nauwelijks meer sprake is: bijna alle gemaakte plannen lopen in het honderd of halen niets uit.

Ik heb er al op gewezen dat er in het begrip relatie een onmogelijke factor zit, berustend op het absolute niets dat tussen het een en het ander aanwezig is. Die onmogelijke factor gaat zich als een realiteit laten gelden op het moment dat tussen het een en het ander een relatie ontstaat. Het leggen van de verbinding maakt de kloof van het absolute niets tot een realiteit, tot een factor waarmee rekening gehouden moet worden. Dat nu is bij de relaties tussen de mensen ook het geval: het besef en het gevoelen van een scheiding tussen de mensen neemt aan betekenis toe naarmate de relaties intensiever worden.

De basis van de moderne cultuur is de mens als particulariteit, de mens als ik. Die mens is absoluut gescheiden van de ander, welke voor hem geldt als niet- ik. Die niet- ik is uiteraard minder belangrijk dan die ik, maar toch is er juist dan de noodzakelijke behoefte om relaties aan te knopen. Dus: het zich van elkaar scheiden van de mensen als ik doet het aantal en de intensiteit van de relaties toenemen. Dat leidt tot een dubbele situatie omdat de mensen enerzijds, bij wijze van spreken, allemaal telefoon hebben en anderzijds en tegelijkertijd zich nauwelijks iets aan elkaar gelegen laten liggen. Op zichzelf is dat niemand kwalijk te nemen, want de kloof tussen de mensen gaat een steeds grotere negatieve rol spelen. Onze huidige maatschappij houdt zich, zo goed en zo kwaad als het gaat, in stand doormiddel van het netwerk van relaties, maar is eigenlijk al vrijwel volledig versnipperd, oftewel geparticulariseerd.

Bij relaties gaat het altijd over zaken waarin de een en de ander met elkaar overeenstemmen. Alles wat daarbuiten valt kan niet tot zijn recht komen en dat is ook het geval als de relaties in hoge mate geïntensiveerd zijn. Het netwerk kan nimmer alle menselijke mogelijkheden omvatten. Dat zijn er namelijk zo onvoorstelbaar veel! Ieder mens is immers uniek.

In feite blijken er maar heel weinig zaken te zijn waarin alle mensen met elkaar overeenstemmen; er is nauwelijks een grootste gemene deler te vinden. Bijgevolg blijft er een zeer groot deel van de menselijke eigenaardigheden buitengesloten. In onze maatschappij is het bovendien nog zo dat de relaties zich beperken tot particuliere belangen. Dat is logisch, want het is de zich verwerkelijkende individu die zich, louter voor zichzelf, laat gelden als bezitter van de gehele werkelijkheid. Voor die individu geldt het begrip kapitalist en dat is de mens voor zover die alles naar zich toe wil trekken.

Hij kan niet anders dan de ander zien als een object waaraan voordeel te behalen valt. Dat voordeel is bepalend voor de aard van de relatie en dat betekent dat er niet alleen van allerlei buitengesloten is, maar dat er ook veroordeeld wordt. Het onbelangrijke mag er wezenlijk niet zijn: de dromers, de kunstenaars, de vrouwen, de ouderen, ja zelfs de kinderen worden als principieel Onmaatschappelijk beschouwd. Voor zover er toch belang aan wordt gehecht is dat steeds in het licht van iets anders en niet in het licht van de eigen werkelijkheid van die mensen. Kinderen bijvoorbeeld worden belangrijk gevonden omdat ze straks een positie zullen bekleden en geld zullen verdienen, de kunstenaars zijn tegenwoordig in tel omdat er een enorm geldcircuit aan meekomt, enzovoort. In feite is elk mens maatschappelijk belangrijk en is er niemand die tevergeefs op deze wereld is gekomen; zo vreemd kan het niet met iemand zitten of hij heeft wel overeenstemming met iemand anders zodat hij niet buitengesloten noch veroordeeld kan worden. Die overeenstemming houdt afhankelijkheid in en dus is het op zichzelf in orde als de mensen voor elkaar nuttig zijn. Het is echter nog niet in orde als dat nut bepaald wordt door het eigenbelang. Dat inzicht echter kan pas dan vruchten afwerpen als de mens als ik zich zover gerealiseerd heeft dat hij in gaat zien dat de andere mens evengoed als ik heeft te gelden. Op grond daarvan kan zich het maatschappelijke gemeenschapsbegrip ontwikkelen. Voorlopig evenwel is het nog lang zover niet, hoewel het begin van die ontwikkeling zich sinds het optreden van de idee van het socialisme doorgezet heeft niet te verwarren met het Marxisme dat welbeschouwd alleen maar een blauwdruk is voor een machtsstelsel waarin de mensen aan de staat ondergeschikt moeten zijn.

We hebben al gezien dat ook de wederkerigheid een kenmerk van de relatie is: bij het zich met elkaar combineren van twee bouwstenen gaat het immers om bewegingen van beide bouwstenen die zich aan elkaar neutraliseren. Zo is ook te stellen dat de relatie tussen twee mensen van beiden uit moet gaan. Hoewel dit een voor de hand liggend feit is, kan er toch iets aan bedacht worden dat, vooral in verband met huidige ontwikkelingen in het maatschappelijk denken, van groot belang is. Wat zien wij tegenwoordig? Men is er meer en meer op uit de maatschappij te organiseren volgens van tevoren bedachte blauwdrukken. De relaties tussen de mensen - want daarop heeft het begrip organisatie betrekking - worden geregeld overeenkomstig bepaalde wetenschappelijke theorieën. Daarbij is het zo, dat de mensen zich maar hebben aan te passen aan de op die theorieën gegronde voorschriften. Dat betekent dat de relaties niet meer ontstaan vanuit de mensen zelf, maar vanuit een als hoger gewaardeerde macht, ditmaal niet die van een godheid maar die van het intellect, vertegenwoordigd door de wetenschappers.

De relaties worden dus in een bepaald systeem gedwongen en dat systeem berust op een van bovenaf denken. In een dergelijk systeem kan er van wederkerigheid geen sprake meer zijn. Doordat de mensen, althans maatschappelijk gezien, niet meer zelf hun relaties aanknopen ontstaat er een onverschillige sfeer in de maatschappij, de zaak wordt meer en meer anoniem en de kwaliteit van het maatschappelijk handelen wordt steeds minder. Dat is te constateren op het terrein van de productie, maar ook op dat van de politiek en het sociale leven.

De enig juiste vorm van organisatie is die van de zelforganisatie, in die zin dat de mensen zelf met elkaar hun afspraken maken, noodzakelijk op grond van zaken waarmee zij op een bepaald moment en op een bepaalde plaats te maken hebben. De mensen beseffen dan die afspraken als nuttig en dat houdt automatisch in dat zij zichzelf benadelen als zij die afspraken niet zouden nakomen.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 38.

De begrippen samenhang en relatie zijn, zoals we gezien hebben, aan te treffen aan het begin van de gedachtegang over ontstaan en bestaan. Dat is op zichzelf niets bijzonders, maar er is wel een consequentie aan verbonden. Die consequentie is dat je op een heel andere manier dan de gebruikelijke tewerk gaat bij het oplossen van bepaalde vraagstukken. Gebruikelijk is dat men datgene dat men aantreft en dat bepaalde vragen oproept, aan een onderzoek gaat onderwerpen, gaat analyseren. Wat is nu het karakter van die uitkomsten en wat kunnen die verklaren? Ten eerste staan die uitkomsten in het teken van de heersende cultuur omdat de oorspronkelijke waarneming van datgene dat men aantreft door de bril van die cultuur plaatsvindt. Ten tweede vertonen die uitkomsten geen enkele samenhang meer; men gaat er zelf verband in aanbrengen, en dat ook weer door de cultuur gekleurd. Wat is men dan aan de weet gekomen? Wezenlijk niets: de relaties zijn niet de oorspronkelijke maar het zijn nieuw bedachte verbanden en er is geen wezenlijke samenhang.

De oorspronkelijke relaties zijn ontstaan door het zich combineren van twee (of meer) verschijnselen, die op zichzelf combinaties van bouwstenen zijn. Die combinaties zijn vanuit die verschijnselen ontstaan, zonder dat daarvoor iets uitwendigs - iets dat die bouwstenen dwong zich met elkaar te combineren - nodig was. De combinerende factor was immers het energetisch beweeglijk zijn vanuit het brandpunt naar een vrije beweeglijkheid. We hebben gesproken van een zichzelf organiseren van de verschijnselen. Omdat dit werkelijk het proces is dat zich in de kosmos afspeelt is het noodzakelijk, als je datgene dat je aantreft en dat vragen oproept wilt begrijpen, om de zaak vanuit dat proces na te gaan. Je gaat niet het aangetroffene analyseren, maar je gaat kijken wat er voor de werkelijkheid als zodanig geldt. Je gaat dus uitzoeken welke begrippen er voor de werkelijkheid gelden. Voor zover je dat gelukt bemerk je dat de verhoudingen en systemen in de je omringende verschijnselenwereld allemaal aanwezig zijn op grond van verhoudingen die je al in het eerste begin van de denkweg over de werkelijkheid aantreft. Alles blijkt op een aantal primaire verhoudingen te berusten.

Vanuit die primaire verhoudingen nadenkend ontstaat een geheel ander verhaal over de zaken die je in de praktijk aantreft. Dat verhaal verloopt precies andersom, vergeleken bij de analytische methode. Je ontdekt (1) dat het bij het begrip relatie noodzakelijk over de verschijnende materie gaat, je ontdekt (2) dat er een niet op te heffen kloof gaapt waarvoor (3) het absolute niets geldt, je ontdekt voorts (4) dat het begrip relatie een selectief karakter heeft omdat het allerlei verhoudingen uitsluit en dus (5) op bepaalde en beperkte overeenkomsten berust en dat die overeenkomsten (6) aanleiding geven om de kloof te overbruggen. Op grond van al die ontdekkingen komt datgene dat je ontdekt in een geheel andere context te staan dan wanneer je louter analyserend bezig bent. Je ontdekt bijvoorbeeld dat bepaalde relatie problemen in de maatschappij niet door stimulering of dwang of maatregelen van bovenaf opgelost kunnen worden, maar uitsluitend vanuit de in die problemen betrokken mensen zelf. In de praktijk lossen de mensen de problemen dan ook zelf op, zij het vaak niet op de wijze die de overheden gewild hebben.

Wat je aantreft door concrete praktische verschijnselen te analyseren zijn welbeschouwd zaken die voor elke situatie van kracht zijn.

Door het analyseren van een bepaald, door jezelf geïsoleerd, verschijnsel lijkt het echter of je iets aan de weet bent gekomen dat specifiek voor dat verschijnsel geldt, maar dat is helemaal niet het geval. Je uitkomsten zijn evenzeer van toepassing op andere situaties. Ontdek je bijvoorbeeld dat buitenlandse inwoners nogal buitengesloten zijn, dan is dat iets dat ook voor grote groepen andere mensen, niet-buitenlanders, geldt. Alleen vanuit het nadenken op grond van de genoemde primaire begrippen weet je dat isolement onvermijdelijk aan het begrip relatie meekomt omdat er nu eenmaal een selectieve factor in zit. De Spaanse filosoof Ortega y Gasset (1883-1955) sprak in dit verband over de absolute eenzaamheid van elk mens. Vanuit de primaire begrippen weet je ook dat de kloof, het absolute niets, nooit op te heffen valt en dat dit, zoals al gezegd, zeker niet op grond van de tegenwoordig zo in trek zijnde beleidsadviezen mogelijk is. Analyseren van de aangetroffen situaties levert alleen maar een grotere eenzaamheid op, omdat de kloof daardoor geaccentueerd wordt. Dat verklaart waarom er in de praktijk van de moderne maatschappij nooit iets van het zogenaamde beleid terechtkomt. Voor dat mislukken voert men dan graag aan dat er geen geld beschikbaar zou zijn geweest, maar dat is dan weer typisch een uitvlucht van het analytisch denken. Er is immers geen gebrek aan geld, er is een schreeuwend gebrek aan begrip, aan inzicht in de werkelijkheid. Zou dat inzicht er wel zijn, men zou heel anders te werk gaan. Men zou in ieder geval de maatschappij op een zodanige manier vrij laten dat de zelforganisatie van de mensen ongehinderd zijn gang kon gaan, met inbegrip van tijdelijk Ongunstige ontwikkelingen, die zichzelf overigens, juist op grond van die zelforganisatie, altijd weer bijsturen.

Het denken vanuit de primaire begrippen maakt het in begin en beginsel onmogelijk om de werkelijkheid als voorstelling te gaan verwisselen voor de echte werkelijkheid. Die onmogelijkheid is gelegen in het feit dat die primaire begrippen op verhoudingen van beweeglijkheid berusten, en dat staat in tegenstelling tot de uitkomsten van analytisch onderzoek omdat die uit een vastgelegde, vaststaande zaak voortkomen. In feite immers is alle empirische onderzoek een analyse van de eigen voorstelling omtrent de werkelijkheid; het is geen wezenlijk nadenken over de echte werkelijkheid. Die voorstelling is voor de meeste cultuurmensen de maat en er geldt dan voor: zo zit het en niet anders.

Wij hebben kunnen opmerken dat de bedoelde primaire begrippen aan het begin van de denkweg over de werkelijkheid als een patroon van beweeglijkheden liggen. Er komen verderop uiteraard ook nog vele begrippen te voorschijn, maar die zijn allemaal op de een of andere manier te herleiden tot die primaire basisbegrippen. Het blijken er variaties van te zijn. De basisbegrippen zijn gelegen op de denkweg tot en met het zich combineren van twee bouwstenen. Met dat zich combineren treedt het begrip relatie op en daarmee is de reeks begrippen feitelijk afgesloten. Je zou kunnen menen dat bijvoorbeeld het begrip geest iets geheel nieuws is. Dat echter is niet het geval, het begrip geest betekent immers dat de beweeglijkheden, opgenomen in combinaties (samenstellingen), zich gaan laten gelden alsof ze terug waren in hun oorspronkelijke toestand, de toestand namelijk van volkomen vrijheid. Dat is niets nieuws: wij vonden die situatie helemaal aan het begin van onze denkweg! Je kunt zeggen dat het begrip geest een geheel nieuwe en laatste variant is van de samenstelling (een basisbegrip, namelijk combineren) en ook een laatste variant van samengaan van beweeglijkheden. Die laatste variant bevat dus factoren die aan het begin van de denkweg te voorschijn zijn gekomen.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 39.

De reeks primaire begrippen houdt op met het zich combineren van twee bouwstenen, en dus met het ontstaan van de relatie. Daarna ontmoet je op je denkweg alleen nog maar begrippen die variaties zijn op de primaire begrippen, variaties dus waarin meerdere primaire begrippen gelijktijdig een rol spelen. Zelfs de door menigeen als bijzonder gewaardeerde laatste begrippen, zoals daar zijn liefde, schoonheid, harmonie en dergelijke zijn terug te brengen tot de primaire begrippen. De basis van die begrippen blijkt namelijk achtereenvolgens te zijn: ineen-zijn (van twee brandpunten), samenhang (van twee achtledige systemen) en samengaan (op basis van een betrekking tussen twee bouwstenen). Over het begrip geest heb ik al eerder gesproken. De verklaring voor het feit dat er maar een betrekkelijk kleine verzameling van primaire begrippen bestaat en dat die begrippen aan het begin van de denkweg over het ontstaan te voorschijn komen is hierin gelegen dat er qua materieel verschijnsel niets nieuws meer komt na de drievoudige bouwsteen. Alles wat dan nog ontstaat zijn combinaties van bouwstenen, en dat in velerlei variaties.

Vanuit de primaire begrippen redenerend vertoont de werkelijkheid zich aan ons op een geheel andere wijze dan wanneer wij, overeenkomstig het moderne westerse denken, analytisch tewerk gaan. Dat blijkt onder andere als je over het begrip relatie nadenkt. Voor alle duidelijkheid: onder het begrip relatie versta ik de verzameling betrekkingen die tussen het ene en het andere verschijnsel aanwezig zijn, waarbij voor die verschijnselen geldt dat zij ook op zichzelf kunnen bestaan zonder onderlinge betrekking. Tussen twee mensen bijvoorbeeld kan een relatie zijn, maar het hoeft niet. De procedure volgens het moderne denken gaat dan als volgt: men merkt een bepaald verschijnsel op en ontdekt dat men niet weet hoe het daarmee zit.

Uitgaande van dat aangetroffen verschijnsel gaat men de zaak aan een analyse onderwerpen en het resultaat daarvan is een zekere hoeveelheid informatie. Die informatie gaat men dan verwerken op een zodanige wijze dat de zaak kwantificeerbaar wordt. Dat wil zeggen dat alles in getallen uitgedrukt gaat worden. Uit onderlinge vergelijking van die getallen, wat wezenlijk een statistische bezigheid is, trekt men tenslotte conclusies die op hun beurt weer aanleiding kunnen zijn tot bepaalde beleidsadviezen. Men vindt dat men gerechtigd is die adviezen te geven omdat men meent dat het gekwantificeerde resultaat van die analyse aangeeft hoe het zit met dat aangetroffen verschijnsel. In feite echter weet men helemaal niet hoe het zit en het behoeft je dan ook niet te verwonderen dat de op grond van die beleidsadviezen genomen maatregelen na enige tijd geen enkele uitwerking gehad blijken te hebben.

Het ligt in de logica dat de op grond van beleidsadviezen geregelde zaken mislukken omdat de voorstelling van de werkelijkheid, zoals die op grond van de gekwantificeerde uitkomsten van het analytische onderzoek in het zelfbewustzijn van de onderzoekers gevormd is, niet overeenstemt met de echte werkelijkheid. Behalve dat deze afwijking van de echte werkelijkheid veroorzaakt wordt door het bij analyse vervallen van de samenhang is er nog een oorzaak van dit afwijken te geven. Filosofisch kun je je namelijk afvragen wat iemand ziet als hij een bepaald verschijnsel ziet. Datgene dat iemand waarneemt wordt onmiddellijk opgenomen in het zelfbewustzijn.

Daar blijft het echter niet bij, want dat opnemen gelukt alleen maar voor zover het waargenomene (de informatie) past in de reeds bestaande voorstelling die iemand van de werkelijkheid heeft. Het moet als een stukje van een legpuzzel passen in het totale plaatje. Dat betekent dat een bepaalde, door meerdere mensen waargenomen, gebeurtenis onvermijdelijk in verschillende werkelijkheden terechtkomt. Alle mensen hebben een eigen voorstelling van de werkelijkheid in hun hoofd. Veel verschillen die voorstellingen niet omdat zij bijna volledig door de geldende cultuur geprogrammeerd zijn, maar toch zijn er verschillen en dat is net genoeg om tot afwijkingen inzake waargenomen gebeurtenissen te leiden. Als we dit nu in verband brengen met het feit dat modern analytisch onderzoek begint met waargenomen gebeurtenissen of situaties, dan is het niet moeilijk te begrijpen dat alle onderzoeken betrekking hebben op verschillende voorstellingen van de werkelijkheid en dat zij geen van alle slaan op de werkelijkheid.

De vraag is nu of het mogelijk zou zijn er achter te komen hoe het zit met de dingen zonder dat er steeds een vertekening optreedt. Zoals wij al besproken hebben is dat mogelijk, maar dat vereist een wijze van denken in de moderne westerse cultuur niet alleen ongebruikelijk is, maar die zelfs, als men er kennis mee maakt, onverbiddelijk van de hand gewezen wordt. Ik heb het vereiste denken filosofisch denken genoemd, maar ook daarmee zullen de moderne filosofen beslist niet instemmen. De gehele moderne filosofie staat immers in het teken van de analyse en is bevangen in het gangbare wetenschappelijke denken. De filosofen bewandelen dus dezelfde weg als hierboven is beschreven en zij komen met even dubieuze antwoorden. De bedoelde mogelijkheid is gelegen in het nagaan van het ontstaan van de werkelijkheid. Dat nagaan is denken op een samenhangende manier, precies volgens de verhoudingen die in de werkelijkheid gelden.

Dank zij deze wijze van denken zijn wij een aantal begrippen aan de weet gekomen die voor het begrip relatie gelden. Het ongewone van die wijze van denken is dat het aanvankelijke vermoeden, dat de gehele werkelijkheid terug te brengen zou moeten zijn tot één enkelvoudig principe, de aanzet en de inspiratie is voor het volgen van een gedachtegang over de werkelijkheid. Door die gedachtegang te gaan volgen blijkt na enige tijd dat dat aanvankelijke vermoeden juist was.

De filosofen uit vroeger tijden gingen bijna allemaal uit van het genoemde vermoeden. Op grond daarvan stelden zij vragen betreffende het wezen van de mens, de deugd, de natuur en de, door hen nog veronderstelde, godenwereld. Zij vroegen dus steeds naar de essentie van de werkelijkheid. De moderne filosofen echter hebben zich daarvan afgewend en de reden daarvoor is een heel banale: zij waren tot de overtuiging gekomen dat je er toch niet achter komt. Feitelijk is dat een belachelijk standpunt. Is het niet juist de filosofie die dergelijke, niet empirisch onderzoekbare, thema's zou moeten overdenken? En nu zijn het precies de filosofen die het erbij laten zitten! Werkelijk filosofisch nadenkend wordt het je duidelijk dat er in de werkelijkheid bepaalde processen zijn en ook leer je begrijpen wat de betekenis van die processen is. Maar je komt er niet achter hoe die processen concreet verlopen, welke materie erbij betrokken is en dergelijke. Je kunt niet aan de weet komen hoe het zit met de elementaire deeltjes, zoals de quarks, de neutronen enzovoort. Maar wel ontdek je hoe het komt dat er van die deeltjes zijn. En dat alles komt voort uit een gedachtegang die gegrond is op een enkelvoudig principe. Die gedachtegang leidt er onder andere ook toe dat het begrip relatie in een heel ander daglicht komt te staan dan bij wetenschappelijke analyse het geval is.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 40.

Wat is nu eigenlijk het onderscheid tussen het filosofische terugbrengen van de werkelijkheid tot een eenvoudig principe en het wetenschappelijk analytische zoeken naar zo'n principe? Als eerste moet je dan bedenken dat de analyse niet verder kan komen dan de bouwsteen. Je bent namelijk de verschijnselen uit elkaar aan het halen en dat veronderstelt een samengesteld object van onderzoek. Je kunt alleen maar datgene uit elkaar halen dat samengesteld is. Zou je dan de bouwsteen willen onderzoeken dan zou ook die samengesteld moeten zijn, maar dat is hij niet. Het kenmerkende van een samengesteld object is dat het door relaties, betrekkingen, bijeen gehouden wordt. De bouwsteen is, zoals we gezien hebben, gegrond op samenhangen en daarin komt het begrip relatie niet voor; hij is tot stand gekomen door het aaneengroeien van beweeglijkheden. Bij dat aaneengroeien zijn de beweeglijkheden niet betrokken. Het systeem ontstaat juist omdat de beweeglijkheden onafhankelijk van elkaar zijn. Ik heb in dit verband gesproken over energetische patronen. Als je bijvoorbeeld een mensenmassa in een winkelstraat van bovenaf filmt en daarna die film nader gaat bekijken, dan zie je dat er in het gewoel van al die van elkaar onafhankelijke mensen bepaalde, overigens niet voorspelbare, patronen aanwezig zijn. Die mensen zelf zijn onwetend van zulke patronen, maar toch zijn zij spelers in het geheel van het gewoel. Zo ook met de werkelijkheid als beweeglijkheden.

Er ontstaan daarin patronen en vanaf het moment dat er patronen zijn die systemen van vijf beweeglijkheden formeren treden er energetische patronen op die uitmonden in systemen van acht beweeglijkheden (met hun brandpunten). Die laatste systemen groeien dan weer uit tot bouwstenen. De bouwsteen is het laatst mogelijke patroon van de beweeglijkheden zelf. Daarna ontstaan er patronen van bouwstenen en deze zijn toegankelijk voor analyse omdat de relatie bepalend is. Vanuit die analyse is niet te verklaren hoe het komt dat er een bouwsteen is en waarom hij zich gedraagt zoals hij zich gedraagt. Je kunt dus stellen dat je op grond van analytisch onderzoek wel aan de weet komt wat je hebt, maar niet hoe het zit.

In de filosofie gaat het helemaal niet om wat je hebt, maar juist om de vraag hoe het zit. Daar kom je achter door de werkelijkheid terug te brengen tot een eenvoudige grondslag. Je haalt haar daarvoor niet uit elkaar en je rubriceert het gevondene niet. Filosofisch ligt daar je interesse niet. Dat terugbrengen tot een eenvoudig principe vangt aan met het vermoeden dat er zo'n principe moet zijn. Bij dat vermoeden ligt je filosofische interesse. Van daaruit kom je tot de ontdekking dat de oorspronkelijke werkelijkheid er een van beweeglijkheden moet zijn. Daarbij geldt het begrip beweeglijkheid niet als een eigenschap van iets, maar als het karakter van iets. Het zijn van de eenvoudige werkelijkheid is beweeglijkheid. Als je daarop doordenkt blijkt je aanvankelijke vermoeden juist geweest te zijn: de werkelijkheid berust inderdaad op een eenvoudig principe. Wetenschappelijk gezien heb je nu eigenlijk een cirkelredenering gevolgd. Je hebt je eigen uitgangspunt bevestigd. Maar filosofisch is die redenering een juiste, om redenen die ik nu even buiten beschouwing laat, vooral omdat ik dat al eerder besproken heb.

Het blijkt dat het kenmerkende van de verschijnselenwereld de relatie is.

Je zou kunnen menen dat de bouwsteen dat is, maar juist omdat letterlijk alles uit identieke bouwstenen gevormd is, is dat niets bijzonders.

Bepalend voor alle verschijnselen zijn de talloze variaties in de betrekkingen tussen de bouwstenen. Dat netwerk van relaties maakt uit hoe het met het een zit en hoe met het ander. De eigenaardigheid van bijvoorbeeld een atoom helium en van een atoom ijzer ligt in het netwerk van relaties van elk van die atomen. Dat beide uit bouwstenen bestaan is oud nieuws. Filosofisch ga je niet uitzoeken hoe dat netwerk van relaties in elkaar steekt bij een ijzer- of heliumatoom - dat is werk voor de natuurkundige. Hij gaat onder andere na of er misschien sprake is van isotopen, die scheikundig hetzelfde lijken, maar natuurkundig hemelsbreed verschillen, bijvoorbeeld in atoomgewicht. Voor de filosoof is het voldoende om te weten dat het om clusters van relaties gaat. Hij bemoeit zich niet met het analytische rubriceren daarvan. Als het goed is doet hij daarover dan ook geen uitspraken.

Ten overvloede wijs ik er nogmaals op dat de bouwstenen, in hun zich combineren met elkaar, zelf in dat combineren betrokken zijn. De aanleiding tot het zich combineren berust op het onvermijdelijke toeval, dat dan overigens al danig ingeperkt is door de energetische patronen waarin de zaak zich afspeelt. Maar, eenmaal een combinatie vormend zijn de bouwstenen betrokken in het nieuw ontstane verschijnsel.

Zij hebben zogezegd met elkaar te maken: ze remmen elkaar af of versnellen elkaar, kortom, hun gedrag wordt van een gedrag ieder voor zich tot een gedrag ieder in overeenstemming met de totale combinatie. De combinatie bepaalt voortaan hun gedrag- Dus alweer blijkt dat de cluster van relaties kenmerkend voor het verschijnsel is. Het is filosofisch niet interessant welke clusters er allemaal kunnen zijn, maar wel van belang is de vraag hoever gaat dat met die clusters? - Dan blijkt dat er een moment van optimale innigheid is en dat daarbij een aantal verhoudingen verwisselbaar wordt, enzovoort. Tenslotte kom je dan bij de mens uit en ook bij hem vind je de relatie als praktisch kenmerkend - naast uiteraard datgene dat daar bovenuit gaat omdat de mens als laatste verschijnsel tevens ontkenning van zichzelf is. Misschien is het je wel eens opgevallen dat men in de wetenschap geen antwoord kan vinden op vragen die juist op bijzondere situaties van clusters van relaties betrekking hebben. Zo kan men er maar niet achter komen hoe het komt dat er leven ontstaat, en ook blijft duister waarom de mens zich van zichzelf bewust is en kan denken. Duidelijk zal zijn dat juist die vragen door de creatieve filosofie beantwoord kunnen worden, en wel omdat het begrip relatie naar zijn werkelijke betekenis begrepen wordt. Die betekenis komt bij analyse niet voor de dag, sterker nog: hij gaat volkomen verloren!

De relatie tussen mensen heeft een exclusief karakter, en wel op twee manieren. Ten eerste is de relatie exclusief omdat hij uniek is: elke relatie tussen twee mensen is enig in zijn soort en berust op heel speciale overeenkomsten. Ten tweede, omdat een bepaalde relatie tussen twee mensen op zichzelf andere relaties uitsluit. Er kunnen uiteraard wel andere relaties bestaan, maar die vallen buiten de reeds bestaande. Een mens heeft doorgaans met meerdere mensen relaties, maar die zijn steeds anders. Hij wordt dan ook door die anderen op verschillende wijze gezien: de een zal dit in een bepaald mens waarderen en de ander dat. Er zijn dus velerlei mogelijkheden en die zijn, alweer, filosofisch niet te beschrijven. Maar wel moet je je afvragen wat de uiterste mogelijkheid van een relatie zou kunnen zijn. Helemaal samenvallen van twee mensen is onmogelijk, zoals we gezien hebben. Er is dus steeds een gedeeltelijk samenvallen. De optimale mogelijkheid daarvan komt tot zijn recht als beide partners in een relatie zo getrouw mogelijk zichzelf zijn.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 41.

Elke relatie tussen twee mensen is uniek, er is zo geen tweede relatie te vinden. Toch kun je tegelijkertijd stellen dat in een bepaald cultuurgebied alle relaties wel zo ongeveer hetzelfde zijn, omdat zij allemaal het gevolg zijn van conditioneringen die beide partners in zo'n relatie vanuit de cultuur ondergaan hebben. Al die relaties binnen een bepaalde cultuur vertonen een zelfde patroon, maar toch is het ook een feit dat, binnen een dergelijk patroon, elke relatie verschilt van elke andere. Behalve dat alle relaties uniek zijn is er ook nog het feit dat relaties een uitsluitend karakter hebben. Dat laatste ligt enigszins moeilijk voor het moderne denken. Volgens dat denken betekent het dat er maar één relatie de maat is, speciaal in het geval van liefdesbetrekkingen, culminerend in het huwelijk.

Geheel binnen het kader van dat denken zijn er dan ook weer psychologen, zoals Erich Fromm (1900-1980), die er de nadruk op leggen dat exclusieve liefdesrelaties het leven benauwd maken en de mensen het zich ontplooien beletten. Zij willen dus het exclusieve weg hebben uit de relatie.

Wat ik bedoel met het begrip exclusief is niet dat er maar één relatie de maat zou zijn, maar dat elke relatie logischerwijs niet meer dan twee partners kan bevatten. Met andere woorden: het is steeds een zaak tussen twee componenten, twee mensen. Een relatie tussen drie of meer componenten is onmogelijk. Dat wordt begrijpelijk als je eens denkt aan een driehoeksverhouding tussen de personen A, B en C. Zo'n verhouding bestaat uit de relaties A-B, B-C en C-A. Dat is driemaal een relatie van twee grootheden. In die verhouding is elk van die drie relaties uniek en exclusief. In die zin bedoel ik het. Het spreekt vanzelf dat één persoon meerdere relaties kan hebben en in de praktijk heeft iedereen die ook, zij het dat dit doorgaans geen liefdesrelaties zijn, althans geen relaties waarin de seksualiteit een praktische rol speelt. Het gehele netwerk van relaties dat de werkelijkheid vormt is kwantitatief uit te drukken als zoveel maal twee. Dat geldt vanaf de eerste combinatie van twee bouwstenen tot en met het geeft niet welke relatie tussen de mensen.

Omdat de kloof tussen twee mensen nimmer op te heffen is en omdat de relatie tussen die mensen altijd berust op slechts een bepaald aantal overeenkomsten, terwijl andere mogelijkheden in die bepaalde relatie niet tot hun recht kunnen komen, is de vraag te stellen hoever het kan gaan met een relatie. Dat wil zeggen: wat geldt er voor een optimale relatie? Het is onmogelijk om vast te stellen welke overeenkomsten in de relatie aanwezig moeten zijn. Evenzeer is het onmogelijk een aantal te noemen. Dus kun je niet gaan denken in kwantitatieve termen, juist omdat je van tevoren al weet dat niet alle eigenaardigheden van beide partners tot hun recht kunnen komen binnen die relatie. De vraag wat een optimale relatie is kan op deze wijze dus niet beantwoord worden. Het is van belang dit te weten, want in het moderne denken wordt, als het over de zogenaamde relatieproblemen gaat, steeds gesteld dat beide partners zoveel mogelijk dingen samen moeten doen en waar mogelijk alles met elkaar moeten uitpraten. Nu is uitpraten altijd beter dan elkaar te lijf gaan, maar toch blijkt in de praktijk steeds weer dat het niet werkelijk helpt. Dat komt doordat men niet inziet dat een goede relatie niet afhankelijk is van het aantal en de soort overeenkomsten tussen beide partners. Een optimale relatie is er alleen dan wanneer beide partners zo getrouw mogelijk zichzelf zijn.

In het het verlengde van het bovenstaande is op te merken dat er in het moderne denken twee mogelijkheden gezien worden: of je laat al datgene dat niet in de relatie past, omdat je daarin niet met de ander overeenstemt, voortaan achterwege, Of je gaat net zolang met de ander praten tot die zich gaat verbeelden dat er een overeenkomst is. In beide gevallen zijn de partners niet meer getrouw zichzelf; een van de twee of beiden geven een verkeerde voorstelling van zichzelf. De hele zaak berust dan op een leugen! Onnodig te zeggen dat in zo'n situatie de machtsstrijd niet uit kan blijven. Een gevolg van een dergelijke toestand is dat de bestaande relatie ook niet tot zijn recht kan komen. Doorgaans verzandt hij in de praktijk tot alleen nog maar ruzie. Als je in dit verband nog eens even aan de situatie van de zich met elkaar combinerende bouwstenen denkt, dan wordt meteen duidelijk dat in een relatie alles heeft te gelden.

Een incomplete bouwsteen zonder nog andere energetische (- vrije) beweeglijkheden is geen bouwsteen, en die kan dus niet opgenomen worden in een combinatie. Zo is het ook bij de mens: als niet alles kan gelden kan er feitelijk niets gelden. Maar dat alles kan niet in zijn geheel in de combinatie opgenomen zijn. Dat is te zeggen: het is er in vercalculeerd op de wijze van er buiten vallen.

Als twee mensen zo getrouw mogelijk zichzelf zijn kan de relatie veel overeenkomsten omvatten, maar ook weinig en daarover is geen enkel oordeel te geven. Welbeschouwd kun je zelfs stellen dat de relatie niet staat of valt met datgene dat er binnen mogelijk is, maar juist met datgene dat er buiten tot zijn recht kan komen. Naarmate dit laatste meer het geval is voelt een mens zich vrijer en is daardoor meer ontspannen. Er is niet de frustrerende noodzaak om alles op zodanige wijze te vervormen dat het eventueel over het smalle bruggetje geperst kan worden dat over de kloof ligt. In onze cultuur denken de mensen in relaties. Maar omdat die relaties analytisch benaderd worden komen zij in een Onwerkelijk daglicht te staan en aan die fictieve zaak vinden de mensen dat zij zich moeten onderwerpen. Zij vinden dat zij ter wille van de relatie van alles moeten inleveren en tegelijk kunnen zij maar niet begrijpen wat er de oorzaak van is dat er desondanks zo weinig van terechtkomt.

Het zuiver laten gelden van het begrip relatie is in de praktijk moeilijk. Dat komt echter niet vanwege onze gebrekkigheid, maar vanwege de cultuur waaraan wij onderworpen zijn. Zoals al zo vaak gezegd: die cultuur is analytisch. Als men dan van daaruit over de relatie nadenkt wil men uitzoeken waaruit die relatie bestaat. Maar dat is nu net datgene dat niet te zeggen is en dat zelfs niet belangrijk is. Welke overeenkomsten er zijn en hoeveel dat er zijn is, zoals we gezien hebben, niet essentieel. De aan de analyse meekomende kwantitatieve, rubricerende en statistische denkmethode leidt niet tot begrip inzake de relatie. Bij analyse van het verschijnsel vind je de relatie, maar wat je in handen krijgt is niet die relatie zelf, maar datgene dat er van over blijft. Dat echter heeft niets meer gemeen met de oorspronkelijke verschijnselen (mensen) waartussen die relatie aanwezig was. Datgene dat in de relatie ingecalculeerd was op de wijze van er buiten vallen komt in het geheel niet aan bod - terwijl het nu juist zo essentieel was! Als alles tot gelding komt kan er een relatie zijn. Die is er dan vanuit beide zich combinerende grootheden, die ten opzichte van elkaar stil zijn komen te staan. Denk maar aan de bouwstenen! Bij analyse echter lijkt het alsof beide elkaar vasthouden, maar juist dat is niet waar. Dit is ook van belang voor de menselijke relaties: als het goed is houdt men elkaar niet vast, maar laat men elkaar met rust!

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 42.

Als we de een of andere materiële samenstelling uit elkaar halen bemerken we dat we daarvoor kracht moeten aanwenden. Je komt dan, op grond van de natuurkundige wet actie = reactie, tot de conclusie dat de delen van die samenstelling door een kracht bijeengehouden worden. Je ontdekt die kracht doordat je de zaak uit elkaar haalt, of, met andere woorden: bij analyse ontdek je die kracht. Hij is gebonden aan het analyseren. In feite echter bestaat die kracht helemaal niet.

De samenstellende delen staan slechts ten opzichte van elkaar stil en volharden eventueel in die situatie doordat zij opgenomen zijn in kosmische energetische patronen van de vijfledige systemen - dus groepjes van vijf beweeglijkheden. Het stilstaan ten opzichte van elkaar is derhalve, gedacht in termen van energie, een rusttoestand. De zaak berust immers op energetische bewegingen (van brandpunt naar vrije beweeglijkheid) die zich aan elkaar geneutraliseerd hebben!

Daar waar genoemde energetische bewegingen zich aan elkaar geneutraliseerd hebben bevindt zich de relatie, sterker nog: die geneutraliseerde bewegingen zijn de relatie. Voor die relatie geldt dus dat het een rusttoestand is en het is onjuist om te menen dat de relatie gebaseerd is op een spel van krachten. Nu is ook dit weer van wezenlijk belang voor het begrip relatie zoals dat voor de mens geldt. Bij het beantwoorden van de vraag wat er geldt voor een optimale relatie komt voor de dag dat het niet alleen gaat om het zo getrouw mogelijk jezelf zijn, maar evenzeer op het elkaar met rust laten. Dat laatste blijkt doorgaans in de praktijk erg moeilijk te zijn. De mensen klampen zich aan elkaar vast en laten daarbij ten opzichte van elkaar allerlei waardeoordelen gelden. Die waardeoordelen kunnen betrekking hebben op overeenkomsten binnen het kader van de relatie: ze houden bijvoorbeeld allebei van schaken, of ze voelen zich erotisch tot elkaar aangetrokken. Die overeenkomsten worden dan min of meer maatgevend en daardoor voor beide partners waardevol. Datzelfde kan ook het geval zijn met zaken die buiten de relatie vallen en die een afstotende werking hebben, ook weer met de daaraan verbonden waardeoordelen. Hoe dan ook, er blijkt een heel geduw en getrek aan de relaties mee te komen. De mensen vrezen elkaar kwijt te raken en gaan er daardoor automatisch toe over aan zichzelf Ontrouw te worden en elkaar niet met rust te laten. Dat laatste houdt in dat er bewegingen in de relatie ontstaan die niet goed uit de voeten kunnen. Dat is het begrip wrijving. Die bewegingen worden ervaren als krachten en dat leidt tot spanningen. Wrijving en spanningen typeren de relaties van de mensen, vooral de moderne mensen. Dat zijn dus bepaald geen optimale relaties, integendeel: mede doordat men meent dat relaties op wederzijds elkaar kennen gebaseerd moeten zijn zinkt men steeds dieper weg in een geanalyseerde werkelijkheid die, zoals we gezien hebben, een foutieve voorstelling van het begrip relatie oplevert.

In strijd met het streven in onze cultuur om relaties, op grond van uit de analyse verkregen voorstellingen, aan te knopen, blijkt het ontstaan van relaties gegrond te zijn op natuurlijke factoren. Bedoeld zijn nu factoren die niet uit het denken voortkomen, zoals dat met alle moderne relatie-theorieën het geval is, maar factoren die vanzelf tot gelding komen. In de praktijk zijn dat overwegend psychische factoren. Je voelt dat iemand je ligt of juist niet. Dat gevoelen, dat zich niet laat onderzoeken en beredeneren, is doorslaggevend en ook dit is in strijd met de moderne opvattingen die inhouden dat je met behulp van een bepaald soort van redelijkheid en voorzien van een grote dosis tolerantie met alle mensen goede betrekkingen zou moeten aanknopen en onderhouden. Ook sociaal en maatschappelijk vieren deze opvattingen hoogtij, voornamelijk omdat zij essentieel zijn voor een dynamische maatschappij waarin vooral de economie als een god vereerd wordt. Het zal duidelijk zijn dat een dergelijke maatschappij gedoemd is ver beneden zijn mogelijkheden te blijven omdat het een en al geduw en getrek is tussen individuen die zich anders voordoen dan zij zijn...

De maatschappij is het netwerk van relaties tussen mensen. Dat netwerk houdt van alles in, maar steeds weer geldt dat het alleen maar dan een optimale zaak kan zijn als de relaties zo natuurlijk mogelijk zijn. In die situatie zijn de mensen vrijelijk zichzelf en zij laten elkaar daarbij geheel en al met rust. Waardeoordelen, belangen en ethiek bepalen niet langer de onderlinge verhoudingen, tolerantie en redelijkheid zijn niet meer nodig omdat zo'n maatschappij door werkelijke vrijheid gekenmerkt wordt. Een gereglementeerde maatschappij daarentegen is onvermijdelijk onvrij, armoedig, bemoeizuchtig en leugenachtig. Je behoeft daarvan niet altijd last te hebben, zeker niet als zo'n maatschappij een administratief karakter heeft, zoals dat met de onze het geval is. Bedenk: het feit dat je er weinig last van hebt betekent nog lang niet dat wij in een vrije maatschappij zouden leven. Vroeger was de maatschappij vooral statisch en daardoor veel minder gereglementeerd, maar je had veel meer last van de regels en voorschriften: één stap buiten de voor jou bestemde plaats leverde onmiddellijk een terechtwijzing op. Trouwen met iemand van een andere stand of van een andere kerk werd - letterlijk - als een misstap gezien! Het woord terechtwijzing is trouwens veelzeggend: men wijst je je plaats.. .

De persoonlijke eigenaardigheden van mensen kunnen niet allemaal in een bepaalde relatie opgenomen zijn. Zoals al eerder gezegd valt er een aantal buiten. Die er buiten vallende eigenaardigheden (mogelijkheden) vallen er echter niet echt buiten, in die zin dat zij, gezien vanuit de bestaande relatie, eigenlijk helemaal niet zouden bestaan. Zij vallen er wel buiten, maar zij spelen als zodanig wel degelijk hun rol. Zou dat niet het geval zijn, dan zou de relatie op een leugen berusten. Men zou het doen voorkomen alsof die buitengesloten eigenaardigheden er helemaal niet waren! . Het getrouw jezelf zijn echter houdt het laten gelden van dat buitengeslotene nadrukkelijk in. Dat speelt dan ook een buitengewoon belangrijke rol. Datgene dat in de relatie tot zijn recht kan komen is eigenlijk nauwelijks interessant omdat dat allemaal wel in orde is. Daarentegen is het buitengeslotene in zekere zin een verstorende factor omdat hij in principe in strijd is met het ingeslotene. Dat verstorende karakter wordt bij analyse van de relatie niet erkend en dus wordt in de hulpverlening geprobeerd die verstoring doormiddel van zogenaamd redelijke afspraken en regelingen op te heffen. Daarmee wordt bij relatieproblemen de mensen nog minder de gelegenheid gegeven elkaar met rust te laten dan voordien al het geval was. Mag het dan een wonder heten dat vrijwel niemand van een relatie- therapie opknapt?

Het is heel goed mogelijk dat het begrip met rust laten verkeerd begrepen wordt. In ons huidige denken heeft het een onverschillige inhoud, in die zin dat het je koud laat hoe het met iemand zit en hoe het iemand vergaat. Die onverschillige inhoud berust op de kloof, die aan het begrip relatie ten grondslag ligt. Die kloof wordt, zoals gezegd, geaccentueerd door het gericht-zijn in de moderne cultuur op de (verkeerd begrepen) relatie. Omdat dit accent er is krijgt het met rust laten een onverschillige inhoud, een inhoud die op het begrip scheiding gebaseerd is.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 43.

Wij moeten ervoor oppassen dat wij het begrip met rust laten niet interpreteren als onverschilligheid, in de zin van niets met elkaar te maken hebben. Daarbij gaat het namelijk over de kloof, het absolute niets, en die wordt overbrugd door de relatie. Gangbaar is het om die relatie optimaal te vinden als er zoveel mogelijk overeenkomsten tussen de ene mens en de andere binnen die relatie hun plaats kunnen vinden. Dat is kwantitatief gedacht. In feite echter is het aantal overeenkomsten niet interessant. Van belang is slechts de aard van de zaak, bepaald door het zo getrouw mogelijk zichzelf zijn en het elkaar met rust laten. Op grond hiervan betekent het met rust laten niet dat men niets met elkaar te maken wil hebben, maar dat men zichzelf en elkaar zo goed mogelijk zichzelf laat zijn.

De mensen hebben wel degelijk met elkaar te maken en wel in die zin dat zij elkaar voor de leugen in de relatie behoeden. Zij zijn wat dit betreft dus juist niet onverschillig voor elkaar. Zij willen dat zij zo getrouw mogelijk zichzelf zijn. Anderzijds is er toch ook weer wel van onverschilligheid te spreken, namelijk als het gaat over waarden die de een aan de ander zou kunnen opleggen. Voor die waarden en de daarbij behorende oordelen zijn de partners in een goede relatie onverschillig. Zouden zij die waarden laten gelden, dan zouden zij elkaar eerst recht verwaarlozen.

Je ziet hoe dit alles in strijd is met het gangbare denken, dat zegt dat er in een goede relatie zoveel mogelijk waarden tot gelding moeten komen.

Als je onverschillig bent voor de waarden in een relatie en juist niet onverschillig voor het zichzelf zijn van de ander, kan de vraag opkomen of je die ander volledig zou moeten kennen om de zaak tot zijn recht te laten komen. Daarom gaat het echter niet - de ander is trouwens nooit volledig te kennen. Waarom het gaat is dat die ander zo helder mogelijk zichzelf is.

De inhoud daarvan behoef je helemaal niet volledig te kennen.

Een andere vraag is of je alles dan maar goed hebt te vinden. Dat echter is geenszins het geval. Je kunt zelfs stellen dat je bijna niets goed vindt. Niet goed vind je namelijk het geval dat de ander een fout maakt. Uiteraard kun je dat alleen maar beoordelen als die ander zichzelf is. Het gaat dan om een bepaald soort van fouten.

Ten eerste zijn er de fouten die iemand uit onwetendheid maakt. Dat is doorgaans het geval bij kinderen. Als het even kan belet je het kind bepaalde fouten te maken, met de bedoeling het te beschermen. Die bescherming is noodzakelijk om het kind de gelegenheid te geven zich tot zo helder mogelijk zichzelf zijn te ontplooien. Je verhindert bijvoorbeeld het kind om een gevaarlijke weg over te steken, met een scherp mes te spelen en dergelijke.

Ten tweede kunnen mensen fouten maken die hun zichzelf zijn kunnen vervormen en hun leven tot een leugen maken. Zulke fouten kun je niet door de vingers zien en het is noodzakelijk de ander er op te wijzen. Ook bij jezelf zul je fouten onder ogen moeten zien. Toch wordt het hier al moeilijk te bepalen of je, als het over iemand anders gaat, zult ingrijpen of de zaak met rust laten.

Hoe dan ook, in een optimale relatie zijn pogingen om fouten te corrigeren niet gericht op je eigen waarden die je de ander wilt opdringen, maar op het feit dat een mens zo getrouw mogelijk zichzelf moet zijn.

Als dat het geval is kan er dan ook geen sprake zijn van macht uitoefenen en bijgevolg zijn dan de voorwaarden aanwezig voor een ontspannen relatie.

Het bedisselen, de bemoeizucht en het gemoraliseer krijgen dan geen kans, evenmin trouwens datgene dat in de wandeling houden van genoemd wordt en dat gewoonlijk niets anders is dan wederkerige eigenliefde. Een eigenliefde die ingegeven wordt door het van bovenaf denken dat op alle mogelijke manieren de essentie is van onze moderne cultuur. Het jezelf en elkaar behoeden voor rampen heeft betrekking op de zo helder mogelijke persoonlijkheid van een mens, maar het jezelf en elkaar opleggen van waarden slaat op cultuurvoorstellingen die wij omtrent onszelf en elkaar hebben. Het eerste is vormend, het tweede verminkend.

Het netwerk van relaties tussen de mensen is het maatschappelijke. Dat staat tegenwoordig vrijwel uitsluitend in de belangstelling, maar er is toch ook nog zoiets als gemeenschap, samenleving. Om daarin inzicht te verkrijgen moeten we wederom terug naar de bouwsteen en zoeken naar primaire begrippen die de grondslag ervan kunnen blootleggen. We herinneren ons dat de bouwsteen geen combinatie, samenstelling, is, maar een aaneen groeisel van drie achtledige systemen van beweeglijkheden (A, B en C). Je kunt hem een weefsel van beweeglijkheden noemen. Het aaneengegroeid zijn, het weefsel, berust op het ineen-zijn van de beweeglijkheden A en B en van de beweeglijkheden B en C. Die twee situaties van ineen-zijn houden ieder het begrip samenhang in, maar tussen de systemen A en C is geen samenhang maar energetische trilling. Dus A-B kent samenhang, B-C kent samenhang, maar A-C kent trilling. Het begrip samenhang gaat in het proces van het ontstaan aan de relatie vooraf: de bouwsteen kent in zichzelf samenhang, maar hij kent geen samenstelling, want die vormt hij pas samen met een andere bouwsteen. Dus is aan de relatie de samenhang voorondersteld. Bovendien is op te merken dat de samenhang voor de bouwsteen een inwendige zaak is en de relatie een uitwendige. Samenhang komt voort uit de primaire werkelijkheid, maar relatie daarentegen uit de secundaire. Al eerder heb ik er op gewezen dat ertussen de mensen altijd samenhang is (al is iedereen dat zo langzamerhand vergeten!), maar dat er lang niet altijd relaties tussen mensen zijn. Hetzelfde geldt trouwens voor de gehele wereld van de verschijnselen, de kosmos. De relaties, oftewel betrekkingen, zijn onmogelijk denkbaar zonder daaraan voorafgaand de samenhang te denken.

Als de samenhangende werkelijkheid (primair) voorafgaat aan de samengestelde werkelijkheid (secundair) is het een onvermijdelijke conclusie dat het samengestelde inhoud van het samenhangende is. Het is er om zo te zeggen als inhoud uit voortgekomen. Betrekken wij deze verhouding nu op de wereld van de mensen, dan kunnen wij stellen dat de maatschappij, als netwerk van relaties, inhoud is van de samenleving, als weefsel van samenhangen. Onmiddellijk valt dan op dat deze verhouding in het huidige denken precies andersom gedacht wordt. Men is namelijk van mening dat een goed geregelde maatschappij in zichzelf het samenleven mogelijk maakt en men gaat daarbij zover dat men het samenleven haar plaats geeft binnen het kader van de vrije tijd. Samenleven doe je als het maatschappelijke gedoe - tegenwoordig de arbeid - er op zit. Het leven is verschrompeld tot een soort van restwaarde van de maatschappij.

Sinds de zogenaamde Verlichting, culminerend in de Franse Revolutie van 1789, is men de maat gaan leggen bij de rede. Het is nog maar de vraag wat je onder de rede zou kunnen verstaan, maar in ieder geval komt aan die maatgevende rede mee dat men tot de overtuiging kwam dat de maatschappij maakbaar zou zijn. En een goed gemaakte maatschappij zou vanzelf een samenleving inhouden, althans, dat dachten diegenen die in de gaten hadden dat het begrip samenleving iets geheel anders betekent dan het begrip maatschappij. De meesten hadden dat echter helemaal niet in de gaten...

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 44

Al meerdere malen heb ik er op gewezen dat het gehele ontstaan en bestaan van de werkelijkheid te beschrijven is met behulp van een betrekkelijk beperkt aantal primaire begrippen. Deze begrippen zijn af te leiden uit het karakter van de werkelijkheid als beweeglijkheden, door namelijk na te gaan welke systemen van verhoudingen van beweeglijkheid er mogelijk, en dientengevolge onvermijdelijk zijn. Het uitzoeken van deze systemen van verhoudingen is tamelijk moeilijk, vooral omdat je genoodzaakt bent na te denken over zaken die buiten het terrein van het alledaagse liggen. Het duurt een hele tijd voordat je er enigszins vertrouwd mee bent. Dat wordt niet in de laatste plaats veroorzaakt door de omstandigheid dat de structuur van de primaire werkelijkheid, zoals die zich van de enkele beweeglijkheid ontwikkelt tot en met de drievoudige bouwsteen, zich niet leent voor een beschrijving in de vorm van een theorie, die als een lesje uit het hoofd geleerd kan worden. Je moet de zaak telkens weer opnieuw voor de geest halen, zodat je ook steeds weer voor problemen komt te staan. Voor de filosoof, die zich hiermee bezig houdt, is dat problematische karakter van de primaire werkelijkheid juist een bron van inspiratie, maar bij diegenen die kennis nemen van zijn gedachtegangen leidt het vaak tot wanhoop. Naar aanleiding daarvan komt de vraag op of het nu wel zo noodzakelijk is volledig inzicht in (begrijpen van) de primaire werkelijkheid te verwerven, ondanks het feit dat uit dit inzicht de primaire begrippen voortkomen.

Om de vraag naar de noodzaak van een volledig inzicht als vraag helder te maken en vervolgens een antwoord te vinden is het goed om na te gaan hoe in onszelf de denkprocessen verlopen. Volgens de meeste filosofen geldt er een aantal normen voor het denken: je zou volgens denknoodwendigheden te werk gaan en je zou gebonden zijn aan bepaalde categorieën (Kant) en ook zou je voortdurend met bewijsvoeringen en toetsingen bezig zijn, kortom, er zou zich een gereglementeerd denkspel in je afspelen. Vooral de moderne filosofen beijveren zich in het opstellen van wetenschapsfilosofieën, onderzoek van de taal en dergelijke. Dat alles levert dan een bijna onbegrijpelijk programma op waaraan het denken onderworpen zou zijn. Als je kennis neemt van al die uitspraken over het denken ga je je afvragen over wiens denken die filosofen het nu eigenlijk hebben. In ieder geval niet over het denken zoals dat zich in ons afspeelt. Bij jezelf kun je opmerken dat het denken voortdurend heen en weer schiet; elke gedachte roept een volgende op, en dat niet op grond van enigerlei logisch systeem, maar op grond van associaties. Zo kun je de meest wonderlijke denkreizen bij jezelf waarnemen, maar nooit neem je waar dat je denken verloopt volgens de beschrijvingen van de filosofen.

Ook een bepaald thema dat je om de een of andere reden bezig houdt is nooit constant in je gedachten. Telkens komt het weer even op en voor je er erg in hebt heeft het tot iets geheel anders geleid. En na een tijdje komt het dan weer terug. Eigenlijk gaat het er chaotisch aan toe in je brein zonder dat je kunt stellen dat je een verward en chaotisch mens bent. Over een dergelijke, min of meer ziekelijke, afwijking gaat het nu niet. Intussen is het een feit dat je gedachten op grond van associaties heen en weer schieten. Het verband tussen die gedachten is niet volgens normen, maar het berust op die associaties. Dat is het verband tussen alle gedachten die in je brein rondreizen. Over het heen en weer schieten is te zeggen dat het een logisch gevolg is van het feit dat beweeglijkheid het grondprincipe van de werkelijkheid is en ook is te zeggen dat alles in alle richtingen met alles samenhangt.

Op grond hiervan kan het alle kanten uit en daarom gebeurt dat dan ook.

Volgens Hegel moet je je denken zijn eigen gang laten gaan. Of hij hiermee dat heen en weer schieten bedoelde is niet met zekerheid te zeggen, maar het is wel een feit dat juist dit chaotische proces aanleiding kan geven tot het doen van nieuwe ontdekkingen en het tot zijn recht komen van onverwachte invallen.

Systematiek, logische opbouw, zelfweerspreking en concentratie op een bepaald onderwerp treedt pas dan op als je je inzichten onder woorden gaat brengen, een filosofisch betoog gaat opbouwen. Daarbij let je wel degelijk op allerlei taalkundige en logische regels. Maar dan ben je aan het werk, je bent bezig een bepaald inzicht vast te leggen. Je bent doende om je denken te vertalen in een betoog. Om dat werk te kunnen volbrengen moet je je hoofd erbij houden en alleen al die uitdrukking geeft aan dat je hoofd blijkbaar van zichzelf uit geheel anders functioneert! Het is zelfs zo sterk dat je je moet oefenen in het je concentreren op een bepaald thema. Zou je dat niet doen, je betoog zou onbegrijpelijk, verward en voor de lezer of toehoorder zeker niet verhelderend zijn. Maar, in wezen is het concentreren en vervolgens vastleggen van gedachten tégennatuurlijk, in die zin dat het berust op het zichzelf ontkennen zoals dat voor het verschijnsel mens geldt. Het begrip niet-materie speelt immers een rol. Het begrip tegennatuurlijk houdt dus geen diskwalificatie in; het behoort essentieel bij de mens.

Terug naar de oorspronkelijke vraag: maakt het eigenlijk wel wat uit of je al of niet ter volle inzicht hebt in de verhoudingen van de primaire werkelijkheid? Voor zover het voor de individuele mens ergens om gaat, gaat het dan om dat inzicht en begrip? Als het antwoord ja zou zijn staat meteen al vast dat bijna iedereen al bij voorbaat als verloren beschouwd moet worden. Vrijwel niemand zou als mens tot zijn recht kunnen komen. De mens is het verschijnsel waarin voor de dag komt dat de werkelijkheid tenslotte tot weten omtrent zichzelf is gekomen. Zou dat afhankelijk zijn van (intellectueel) begrijpen van onder andere de primaire werkelijkheid, dan zou het geroemde weten een povere zaak zijn. In feite zou het helemaal niet waar zijn dat de werkelijkheid zich tot weten omtrent zichzelf heeft ontwikkeld. Het blijkt dat het helemaal niet om begrijpen gaat! Welbeschouwd is begrijpen niets anders dan een luxe - niet in die zin dat het er af gedacht kan worden, maar wel in die zin dat de filosofie en de kunst zich vertonen als toegespitste eigenaardigheden van enkelingen.

Voor die enkelingen is het begrijpen een levensdoel, niet omdat het hun leven richting zou geven, maar omdat het hun wijze van arbeiden is. Het is de wijze waarop zij de materie omzetten tot materie als niet-materie, de werkelijkheid als mens realiseren.

Voor zover het de mens ergens om gaat, gaat het er om dat je er bent. Je bent er niet als je je, op grond van je voorstelling, verbeeldt dit of dat te zijn, onderscheiden van je medemensen. Dus: wat anders dan de anderen. In dat geval ben je er als een bedenksel, een fictie zelfs. Echt er zijn is niet afhankelijk van het inzicht in de primaire werkelijkheid, is niet afhankelijk van begrijpen, maar het is uiteraard ook niet zonder dat begrijpen. Een ieder begrijpt zo het zijne, maar daarom gaat het niet. Waarom het wel gaat is datgene dat ik het zien genoemd heb. Dat berust op het, door de voorstelling heen, ervaren van jezelf als bewustzijn, en dat dan ook nog zodanig dat je met jezelf als bewustzijn vertrouwd bent, er vertrouwen in stelt en het niet wegredeneert. Als dat voor je geldt val je samen met de werkelijkheid, en dan ben je er.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 45.

Er is een onderscheid te maken tussen het op slagorde brengen van alle gedachteflitsen en de natuurlijke werking van het denken. Dit laatste gebeurt via allerlei associaties, die in je brein opkomen juist omdat alles met alles samenhangt en omdat er dus steeds naar alle kanten verbanden zijn te leggen. Dat dit mogelijk is vindt zijn verklaring in het feit dat de natuurlijke werking van het denken gegrond is in het bewustzijn. Zoals al zo vaak beklemtoond is die gehele werkelijkheid van het bewustzijn in onze cultuur een verwaarloosde zaak. Vanaf de 18e eeuwse Verlichting heeft men zichzelf en elkaar aangepraat dat het denken, zoals het van nature is, niet deugt. En men is zich gaan verbeelden dat het denken aan regels gebonden zou moeten zijn. Men ging zelfs zover dat men probeerde aan te tonen dat het denken van nature gereglementeerd zou zijn. Kant bijvoorbeeld heeft daartoe een poging gewaagd in onder andere zijn Kritik der reinen Vernunft (1781), Kritik der praktischen Vernunft (1788) en Kritik der Urteilskraft (1790). Destijds verwachtte men veel van dat gereglementeerde denken. En zo ongeveer niemand heeft zich afgevraagd waaruit dan gebleken was dat het denken niet effectief zou zijn. Als wij er nu op terugkijken moeten wij vaststellen dat het tot gemeengoed geworden logische denken wel veel teweeggebracht heeft, maar volstrekt niet geleid heeft tot een menselijker wereld...

De wetenschappers kunnen er op wijzen dat zij inmiddels een veel diepere analyse van de werkelijkheid gemaakt hebben; de kennis is veel omvangrijker geworden; de mensen hebben onderwijs genoten; de democratie is algemeen aanvaard als staatsvorm, enzovoort. Er is een grote behendigheid ontstaan in het toepassen van methodieken, maar het denken zelf is geenszins verhelderd. In feite zijn de in de Verlichting geformuleerde denkregels op steeds meer terreinen toegepast, uiteraard tevens voorzien van aanpassingen. Dat is dus eigenlijk een kwantitatieve ontwikkeling: méér van hetzelfde! Maar intussen hebben de ficties zich steviger dan ooit genesteld in het denken van de mensen en er zijn nauwelijks nieuwe inzichten op het terrein van het leven, de samenleving en de maatschappij ontstaan. Welbeschouwd heeft men voortgeborduurd op het oude stramien, en dat in modernere vormen steeds maar weer opnieuw bevestigd. Denk bijvoorbeeld aan het van bovenaf denken.

Het is een feit dat de mens, voor zover voor hem het begrip zelfbewustzijn van kracht is, slagorde aanbrengt in die veelheid van denkassociaties die voortdurend in hem opkomen. Zonder zo'n slagorde heb je in de praktijk niets aan dat min of meer chaotische heen en weer schieten van gedachten. Maar, het maakt een heel verschil of je almaar opnieuw slagorde aanbrengt in het associatieve natuurlijke denken, of dat je er geen aandacht meer aan besteedt en voortgaat die, eenmaal aangebrachte, slagorde te verfijnen. In het laatste geval ga je steeds verder van huis, maar in het eerste ontstaan er voortdurend werkelijk nieuwe inzichten. Die nieuwe inzichten, verwerkt tot een nieuwe slagorde, brengen de mens en de wereld verder. Het verwerken tot een nieuwe slagorde valt onder het begrip arbeid. Het is het tot zelfbewustzijn brengen, en dus tot slotakkoord componeren, van de werkelijkheid als bewustzijn en daarmee is het het tot mens omvormen van de verschijnselenwereld. De filosoof Jan Borger noemde dat het vermenselijken van de aarde. Dat is in feite het begrip arbeid. Het gelden van dat begrip resulteert niet alleen in een hoeveelheid concrete dingen (woningen, voedsel, communicatie- netwerken en dergelijke), maar ook in een aantal abstracties, samen te vatten onder de rubriek weten.

De filosofie, als uitgewerkt en onder woorden gebracht inzicht in de werkelijkheid, berust op dat associatieve denken. Zou de basis van het filosoferen niet dat voortdurend heen en weer schieten van associaties zijn, de filosofie zou niets uit kunnen werken, in slagorde onder woorden brengen, dat ook maar enigszins de moeite van het weten waard is. Er zou de filosoof nooit iets opvallen en invallen. Hij zou verloren raken in het almaar geraffineerder analyseren van eenmaal opgestelde slagordes - precies wat vrijwel alle moderne filosofen overkomen is! Zij denken zo nauwgezet mogelijk volgens wetenschappelijk uitgedokterde methodieken, die in de wetenschap inderdaad gevolgd moeten worden, maar die voor de filosofie fnuikend zijn. Zoals gezegd zijn het juist de associaties die doorwerkt en in kaart gebracht moeten worden. Dat is dus de filosofie als arbeid.

De associaties zijn afspiegelingen (kenbaarheden) van de werkelijkheid als bewustzijn. Dat is geen verzameling van op zichzelf staande grootheden maar een samenhangend, in zichzelf genuanceerd, geheel van beelden. Het is zogezegd een weefsel van samenhangen. Dat bestaat niet uit causale verbanden, in die zin dat de verbanden volgens bepaalde noodzakelijke lijnen verlopen, zo dat je, beginnende bij A, gegarandeerd bij B uitkomt, zoals dat in het zelfbewustzijn het geval is. Het weefsel breidt zich naar alle kanten uit. Het belichten van één aspect betekent onmiddellijk het belichten van allerlei er omheen, precies wat je waarneemt als je een lichtbundel op een bepaald gedeelte van je kamer richt. Er is de gehele kamer, maar je ziet iets bepaalds met een steeds vager wordende omgeving. Het overspringen van je aandacht van dat ene aspect naar de omgeving is te vergelijken met het associatieve denken. Met logica heeft dit alles niets te maken. Datgene dat wij onder logica verstaan is een reglementering van het denken in het kader van het begrip arbeid. Het heeft dus alles met het zelfbewustzijn te maken. Maar, het associatief heen en weer schieten van de gedachten is, hoewel niet logisch toch ook niet willekeurig. Het berust immers op de samenhang! Je ziet dan ook weefsels en geen vastgelegde lijnen.

De wereld zou er sinds de normering van het denken beter op zijn geworden?

Inderdaad is het een feit dat er, althans in een gedeelte van de wereld, veel meer spullen ter beschikking zijn gekomen. Je moet je wat dit betreft echter terdege realiseren dat het er bij de vervaardiging van die spullen niet om gegaan is, en dat het er nog steeds niet om gaat, de mensen van die noodzakelijke goederen te voorzien, teneinde het overleven gemakkelijker en het leven gelukkiger te maken. Als dat het geval was, dan zou het gebrek van de overgrote meerderheid van de mensheid al geruime tijd opgeheven zijn. En ook: de kennis, die inmiddels verworven is, zou, als het denken als zodanig er helderder op geworden was, niet of slechts bij vergissing gebruikt zijn om vernietigingswapens te vervaardigen. Wat er werkelijk gebeurd is, is dit dat het zich toe-eigenen van rijkdom en macht in versnelde mate doorgegaan is. Men heeft geen spullen gemaakt omwille van die spullen zelf, namelijk als basis van het overleven, maar om er zelf beter van te worden. En de wapens zijn en worden gemaakt om er voordeel uit te slaan dat het gros van de mensen op macht uit is. In feite is dus het oude programma van het zoeken van rijkdom en macht gehandhaafd. Dat oude programma berust op voorstellingen, en dus op slagorde gebrachte gedachten, uit lang vervlogen tijden toen de analyse nog niet verder was dan de constatering dat het een iets anders is dan het ander, dat het een het ander uitsluit en dat het een het ander in de weg staat. Die slagorde is in het denken uitgewerkt, sinds de Verlichting op uiterst effectieve wijze.

Bladwijzers: KANT – zie nrs. 01 , 02 , 03 , 04 , 05 ;

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 46.

Wat betreft het onderscheid tussen het natuurlijke associatieve denken en het verwerkte denken, vallende onder de rubriek arbeid, is nog op te merken dat dit ook aan te wijzen is als je de dierenwereld vergelijkt met die van de mens. Ik heb elders al laten zien dat dieren, en wellicht ook planten, wel degelijk denken. Dat denken echter komt niet verder dan het associatieve. De steeds optredende associaties worden door de dieren niet verwerkt tot op slagorde gebrachte denkproducten, maar dienen louter als impulsen om de aanwezige natuurlijke programma's in werking te stellen. Daarin heeft het dier geen keuze. Je kunt dat ook proefondervindelijk vaststellen: de kat reageert op een weggeworpen propje papier precies zo als op een muis. Tal van wetenschappelijke onderzoeken bevestigen het feit dat het bij de dieren om associaties gaat. Als het denken niet verder gaat dan het impulsief reageren op associaties, kun je stellen dat de dieren niet arbeiden. Dat doen zij dan ook niet (behalve in een aantal gevallen voor de mens!). Hoezeer zij ook, om te overleven, ingrijpen in hun milieu, nooit komt het tot arbeid, zelfs niet bij de mieren die toch vaak als voorbeeld voor de nijvere mens gesteld worden... Het op slagorde brengen van de associaties (arbeid) is eigenlijk een incidentele zaak: je doet dat telkens opnieuw, de gehele dag door. Door het, daarbij telkens te voorschijn komende, nieuwe ontwikkelt zich het zelfbewuste, het verwerkte denken. Leg je dat denken echter vast, vanuit de mening dat er gereglementeerd moet worden, dan is er in principe geen ontwikkeling meer. Er kan dan slechts uitbreiding zijn, doordat er steeds nieuwe vastgelegde zaken bijkomen. Dat laatste typeert ons moderne denken.

Maar let op: op zichzelf is dat best in orde, het bevordert, in de vorm van technologie, het omzetten van de natuur tot een werkelijkheid van de mens. Niet in orde is het evenwel als men zich eenzijdig en dogmatisch afwendt van de associaties omdat die niet-logisch, voor ons besef chaotisch en ongereglementeerd zijn, en dus als onbetrouwbaar zouden moeten worden gekwalificeerd.

Nu zullen wij het begrip samenhang nader bekijken. Als wij dat doen met het model van de bouwsteen voor ogen, dan kunnen wij constateren dat het begrip samenhang twee maal voorkomt in de bouwsteen. In het systeem van drie brandpunten (A-B-C), dat de bouwsteen vormt, zijn dat de verhoudingen A-B en B-C. Terzijde: tussen A en C is geen samenhang, maar trilling. In het brandpunt B is de samenhang onderbroken, maar niet verbroken! In B komen als het ware beide samenhangende verhoudingen, beide eenheden van twee, samen. Je mag het dus in geen geval zo denken dat de samenhang doorloopt van A, via B naar C. Het is geen continuüm. Als je daarbij bedenkt dat de samenhang inhoud is van het begrip ruimte, dan wordt het begrijpelijk dat voor de kosmische ruimte het begrip uitgebreidheid geldt. Dit begrip betekent namelijk dat het niet gaat over een almaar in alle richtingen voortgaande homogene ruimte, maar dat het gaat over een ruimte die, hoewel ononderbroken voortgaande, toch onderbroken is. In de praktijk betekent dat, dat de ruimte in stukjes te verdelen is en dus gemeten kan worden. Hier ligt de basis van het begrip afstand. Het feit dat je eindeloos door kunt gaan met meten doet aan de meetbaarheid van de kosmische ruimte niets af.

Het nadenken over de primaire systemen, waartoe de beweeglijkheden uitgroeien, is op zichzelf bijna niet te doen zonder je voorstelling te hulp te roepen.

Het meest duidelijk is dan om een aantal gelijke bolletjes te rangschikken, in toenemend aantal en zodanig dat er steeds zoveel mogelijk elkaar raken.

Als je dat goed doet kom je vanzelf bij de bouwsteen uit. Daaraan zijn de primaire verhoudingen af te lezen. In werkelijkheid zijn het natuurlijk geen bolletjes. De bol geeft alleen maar aan dat je met een beweeglijkheid van doen hebt die naar alle kanten hetzelfde karakter vertoont, namelijk beweeglijkheid. Verder moet je in de gaten houden dat er, als het ware om de bouwsteen heen, nog talloze beweeglijkheden (bolletjes) aanwezig zijn. Die echter doen in een bepaalde bouwsteen niet mee, maar kunnen wel tot een ander systeem behoren. In feite gaat het er niet om hoeveel beweeglijkheden - in onze voorstelling: bolletjes - er aanwezig zijn. Het gaat alleen maar om de vraag welk systeem er binnen een aantal (een kluitje) beweeglijkheden mogelijk is.

Is het zo dat binnen het geheel van de bouwsteen van een ononderbroken onderbreking van de samenhang te spreken is, daarbuiten treedt een werkelijke onderbreking op. Daar, waar de ene bouwsteen zich met de andere combineert, vloeit de ruimte, met- daarin de samenhang, niet via één enkele, van oorsprong vrije, beweeglijkheid over van het ene brandpunt naar het andere, maar daar komen twee vrije beweeglijkheden tegen elkaar aan te liggen, op zodanige wijze dat beide elkaars energetische beweging neutraliseren.

In plaats van een samenhang is daar een kloof, het absolute niets, die slechts in zoverre overbrugd wordt dat- er een relatie tussen de ene en de andere bouwsteen ontstaan is. Over dit laatste hebben wij al uitvoerig gesproken. Er is nu dus sprake van een tweetal onderbrekingen van de samenhang: ten eerste de onderbreking die ONONDERBROKEN is (binnen de bouwsteen) en ten tweede de onderbreking die absoluut is (tussen de bouwstenen). Het is deze laatste onderbreking die typerend is voor alle verschijnselen. Zij zijn opgebouwd volgens het wankele evenwicht tussen richtingen van energie. Bijgevolg zijn de verschijnselen te ontleden, een onderneming waarbij steeds meer energie vrijkomt naarmate die ontleding dieper in de materie doordringt. Zoals bekend komt er bij het splijten van de atoomkern een gigantische hoeveelheid energie vrij.

Er wordt vaak beweerd dat het levende verschijnsel zich niet splijten laat, maar dat is een onvolledige bewering. Er behoort bij gezegd te worden dat het zich niet splijten laat zonder zich als levend geheel op te heffen. In feite is ook een biologische structuur, een levend weefsel, uit elkaar te halen. Dat is intussen op wreedaardige wijze (doodslag) en op wetenschappelijke wijze (chirurgie en dergelijke) duidelijk geworden. In het eerste geval gaat het er inderdaad om het levend-zijn van het verschijnsel op te heffen en in het tweede geval is het altijd weer de zorg van de medicus het zich opheffen van het levend-zijn te voorkomen. Maar, gespleten kan het levende verschijnsel wel degelijk worden, precies zoals dat met alle verschijnselen het geval is. Het splijten van het verschijnsel gaat in theorie door totdat er alleen nog maar een bouwsteen over is. In de praktijk echter gaat het zover niet, om redenen die ik nu even buiten beschouwing wil laten, maar die ik in een ander verband uiteengezet heb. Theoretisch zal men tot de bouwsteen komen, maar dan zal er iets opmerkelijks optreden: men zal gaan spreken van een ondeelbaarheid, in de zin van het Griekse atoom. Terecht, want er kan niet verder gedeeld worden. Wat misschien wel nooit tot de fysici door zal dringen is dit, dat het ondeelbare atoom, het ondeelbare elementaire deeltje, toch nog een systeem is van drie brandpunten (energetische punten), gegroeid uit een samengaan van 22 beweeglijkheden. Omdat zij echter bijeen zijn op grond van louter samenhang (de brandpunten) en ten opzichte van elkaar stilstaan (de beweeglijkheden zelf) valt er hier niets meer te splitsen.

de kloof-1 (t/m nr. 36) ; De kloof-2( t/m 46 )

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 47.

De bouwstenen combineren zich met elkaar, in die zin dat zij met elkaar relaties aangaan. Dit proces bereikt echter een grens; er komt een moment dat het niet verder kan. In een bepaalde ruimte kunnen niet meer bouwstenen dan er in kunnen, en dat is het geval als die bouwstenen op een zodanige wijze gerangschikt zijn dat er met geen mogelijkheid nog een bouwsteen bij gedacht kan worden. Hierbij doet het niet ter zake hoe groot die bepaalde ruimte is: steeds komt er een moment dat de meest innige samenstelling te voorschijn gekomen is. Dat dit mogelijk is komt voort uit het feit dat de bouwsteen een ruimtelijke aangelegenheid is, juist doordat de ruimte A-B verbonden is met de ruimte B-C, hetgeen het geval is in het brandpunt B. Dat is de basis van datgene dat wij de kosmische ruimte noemen. En binnen die ruimten geldt het begrip samenhang, waarvan wij al geconstateerd hebben dat die ononderbroken onderbroken is.

Het heeft geen zin om een zo groot mogelijke ruimte, gevuld met een zo innig mogelijke samenstelling, te denken. In feite ligt de zaak zo, dat de eerste mogelijkheid van een optimaal innige samenstelling gelegen is bij een zo gering mogelijk aantal bouwstenen in een structuur van uiterste innigheid. Het ligt voor de hand dat dit maar een uiterst klein verschijnsel zal zijn, vergeleken bij de meeste verschijnselen. Het gaat hierbij niet- om de grootte van het optimaal innige verschijnsel, maar het gaat om de aard ervan. Niet de kwantiteit is typerend voor de zaak, maar de kwaliteit. Die kwaliteit kan evenwel niet gerealiseerd worden zonder een bepaalde kwantiteit. Een zo innig mogelijke samenstelling vooronderstelt immers dat er een bepaald en noodzakelijk aantal bouwstenen aanwezig is. Een levende cel, die de manifestatie is van een zo klein mogelijke optimaal innige structuur, blijkt maar een uiterst klein verschijnsel te zijn; je moet- er zelfs de microscoop bijhalen om er wat van te zien! Hoewel klein is het toch een combinatie van ontzaglijk veel bouwstenen.

In een levende cel komt, wat de samenhang betreft, een geheel nieuwe situatie voor, en wel op grond van die optimale innigheid. Die nieuwe situatie is deze dat het begrip verwisselbaarheid voor de volledige, optimaal innige, samenstelling gaat gelden. Dat wil zeggen dat het niet meer met zekerheid is te stellen dat een bepaalde twee-eenheid van brandpunten, waarvoor het begrip samenhang geldt, tot een bepaalde bouwsteen behoort. Die twee-eenheid kan tot de éne bouwsteen behoren, maar evengoed tot de andere. En dat geldt uiteraard ook voor de samenhang. Dat betekent dat er niet meer met zekerheid is te zeggen wat er nu samenhangt; het kunnen deze twee brandpunten zijn, maar ook die andere twee. Van belang is om op te merken dat het hierbij niet om een in elkaar overgaan gaat. Dat was het geval bij de twee-eenheid van twee brandpunten zelf. Daarbij is niet te zeggen wat nu brandpunt A is en wat B, waar de een ophoudt en de ander begint: zij vloeien in elkaar over. Nu echter gaat het om verwisselbaarheid. Het kan zo zijn, maar ook anders. Het anders- zijn levert geen nieuwe structuur op. Het is en blijft die optimaal innige structuur met zijn patroon van relaties. Slechts de samenhang kan zo zijn en anders zijn. Met andere woorden: hetzelfde optimaal innige verschijnsel is qua samenhang in zichzelf steeds anders, zonder zelf van karakter te veranderen. In de levende cel is de samenhang op verwisselbare wijze ononderbroken onderbroken. Maar, het feit dat de zaak verwisselbaar is houdt niet in dat het alles op willekeurige wijze geschiedt.

Neem ik een bepaalde verwisseling aan, dan betekent dat onmiddellijk en onvermijdelijk dat de gehele structuur in het teken van die bepaalde verwisseling komt te staan. Verwisseling geldt dus voor die gehele innige samenstelling en is gebonden aan regelmatige patronen. Eerder heb ik dit de van zichzelf afwijkende regelmaat genoemd, een zaak die typerend is voor het levende verschijnsel. De absolute onderbreking van de samenhang (tussen de bouwstenen) is nu in feite relatief geworden, in die zin dat hij er tegelijk wel en niet is. Het is dus niet zo dat de absolute onderbreking vervalt, in tegendeel: hij blijft gelden, maar dan op die manier dat hij zo kan zijn en ook anders. Op die wijze gaat het weefsel van samenhangen op zichzelf een systeem vormen. Een systeem binnen het kader van dat bepaalde optimaal innige verschijnsel.

Als het gaat over het begrip samenhang blijken er dus enkele onderscheidingen mogelijk te zijn.

Als eerste is er de samenhang zelf (A-B), als tweede de ononderbroken onderbroken samenhang (A-B-C), beide behorend tot de primaire werkelijkheid. Ten derde is er als secundaire werkelijkheid de absoluut onderbroken samenhang tussen de bouwstenen en tenslotte hebben wij de relatieve, dat wil zeggen de verwisselbare onderbroken samenhang in de optimaal innige samenstelling, de levende cel. Die relatieve samenhang is af te lezen aan de levende cel. In die levende cel blijkt een vloeistof (protoplasma) in voortdurende stroming te zijn. Dat die vloeistof in stroming is berust natuurlijk in de eerste plaats op het feit dat de levende cel in zichzelf in beweging is. Maar die beweging is er niet zomaar een, het is een gecoördineerde die bepaalde patronen vertoont. Dat laatste berust op het begrip relatieve samenhang, dat in dit verband te vertalen is met het begrip stroming. Als voorbeeld kun je denken aan stromend water. Dat water heeft op zichzelf geen vaste vorm, maar wel een voortdurende afwisseling van structuren, zonder daarbij zelf van karakter te veranderen. De watermoleculen zijn ieder op zichzelf om tegelijk toch ook weer samenhangend te zijn. Die voortdurende afwisseling van innerlijke structuren, die tegelijk samenhangend is, is te benoemen met het begrip stroming. Zo blijkt dat de levende cel niet zomaar in zichzelf beweegt, maar dat doet volgens patronen van stroming. Het in beweging zijn is geheel en al gestructureerd, en dat is alleen maar mogelijk als er samenhang in de zaak zit, in feite dus een relatieve samenhang. In het levende verschijnsel vormt die relatieve samenhang een systeem.

Omdat het in het levende verschijnsel toch nog altijd onderbroken samenhangen zijn, al staan zij tot elkaar in relatie, is het mogelijk om een levend wezen uit elkaar te halen. In de wetenschap is men inmiddels al zover gekomen dat men de DNA-ketens binnen de celkern kan ontleden en eventueel van structuur veranderen. Men verwacht daarvan dat het mogelijk zal zijn het organisme te verbeteren. Dat echter zal een illusie blijken te zijn. Bij dat uit elkaar halen verbreek je de relaties tussen de bouwstenen. Dat doende vervalt de innigheid van de samenstelling, met als gevolg dat de gehele structuur van relatieve samenhangen vervalt. Daarmee is het leven uit dat levende wezen verdwenen. Om een levend wezen te doden is het dus helemaal niet nodig om de gehele zaak uit elkaar te halen. Als ergens een essentiële samenhang verbroken is, is elke samenhang verbroken omdat dan de gehele structuur vernietigd is. Wij vinden dat nog in principe terug bij de hoger georganiseerde levensvormen. Om zo'n levensvorm te doden behoef je niet alle cellen uit elkaar te halen: het volstaat om een gedeelte van de totale structuur te verwoesten.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 48.

De gedachtegang naar het levende verschijnsel toe ziet er in grote lijnen als volgt uit: de samenhang is aanwezig, maar dan wel in een kwantitatief kader omdat hij slechts als inhoud van de bouwsteen zoveel maal in de samenstelling, die het verschijnsel is, voorkomt; op grond van, zich aan elkaar neutraliserende, gerichte energetische bewegingen zit een aantal bouwstenen aan elkaar vast en dat in laatste instantie zodanig dat er geen inniger structuur meer mogelijk is; als die optimaal innige structuur er eenmaal is treedt het begrip verwisselbaarheid (conversie) op, waardoor het binnen die innige structuur mogelijk wordt de samenhang te laten gelden in allerlei richtingen binnen de gehele structuur van dat optimaal innige verschijnsel. Op grond van het feit dat- die structuur het gevolg is van het vormen van relaties tussen de bouwstenen is de verwisselbare samenhang een relatieve, namelijk een die afhankelijk is van de relaties.

De structuren, waartoe de zich met elkaar combinerende bouwstenen komen op grond van het aangaan van relaties, zijn regelmatig van karakter. Dat is een logisch gevolg van het feit dat er een voorwaarde aan de relatie is gesteld: de richtingen van de twee vrije beweeglijkheden, waarlangs de relatie tot stand komt, moeten op tegengestelde wijze dezelfde zijn, dat wil zeggen dat zij op één rechte lijn moeten liggen. De structuur van de optimaal innige samenstelling is er dus een van sublieme regelmaat, subliem omdat er geen hogere verfijning van die structuur mogelijk is. Bovendien is die optimaal verfijnde structuur cyclisch, omdat elk systeem binnen die structuur op overeenkomstige wijze verwisselbaar moet zijn. Dat laatste zou, dit ter verduidelijking, niet het geval zijn als die structuur lineair van karakter was. In dat geval zou bijvoorbeeld een verwisseling tussen de eerste en de laatste bouwsteen onmogelijk zijn. Maar bij een cirkel of bolvormige structuur verkeren alle punten ten opzichte van elkaar in dezelfde positie. Overigens moeten we daarbij niet alleen aan de oppervlakte van een bol denken, maar ook aan de inhoudelijke structuur ervan.

Als de kritieke fase van de optimaal innige structuur is bereikt gaat de regelmaat daarvan van zichzelf afwijken. Dat betekent niet dat- de zaak Onregelmatig wordt - dan zou die gehele structuur instorten - maar dat de regelmaat zo kan zijn en tevens ook anders. Dat is een moeilijk punt omdat wij, vanuit onze denktraditie, onwillekeurig aan iets anders gaan denken. Nu echter gaat het om een zaak die in zichzelf, zonder van karakter te veranderen, onmiddellijk anders is. Als voorbeeld kun je hierbij denken aan de weg van Rotterdam naar Gouda. Denk je die weg andersom, namelijk van Gouda naar Rotterdam, dan gaat het niet plotseling over een andere weg, maar over precies dezelfde! De zaak komt dus hier op neer dat de van zichzelf afwijkende regelmaat een gevolg is van de verwisselbaarheid van de elementen die de optimaal innige structuur vormen. In de praktijk kennen wij die van zichzelf afwijkende regelmaat als het levend-zijn van de levende cel.

Voor het optreden van de kritieke fase is de verwisselbaarheid onmogelijk. Er komt altijd een moment waarop je geen kant meer uit kunt bij het nagaan van de structuur. Dat is het geval omdat er dan iets aan ontbreekt. En dat éne iets is net voldoende om de hele zaak onmogelijk te maken. Het verwisselbaar-zijn moet ongehinderd doorgang kunnen vinden en moet als het ware als een perpetuum mobile het karakter van eeuwig doorgaan hebben.

Het levend-zijn van de levende cel heeft dan ook dit karakter; het komt voor de dag alsof het nooit op zal houden, alsof er in het geheel geen vergankelijkheid bestaat. Intussen bestaat die toch, en die heeft, zoals i k later nog zal trachten uit te leggen, te maken met het optreden van één enkel moment van afslaan van de verwisselbaarheid.

Wij kunnen met recht spreken van een kritieke fase, omdat het er op dat moment, het moment van de vervolmaking van de innigheid, maar net om gaat of de laatste schakel in de structuur er komt of niet. Een tussenoplossing is niet mogelijk: de zaak komt tot leven of niet, en omdat de kans letterlijk maar zo klein is en van zoveel, ook uitwendige, factoren afhankelijk, is het te begrijpen dat wij in de ons bekende kosmos tot nu toe geen enkel geval hebben aangetroffen waarin het echt doorgegaan is, zoals op onze planeet wel het geval is. Je kunt dan ook stellen dat het leven op een uiterst smalle basis stoelt; er behoeft maar iets te gebeuren en het is ermee gedaan. Intussen gaat het zich combineren van grote hoeveelheden bouwstenen gewoon door. Er ontstaan van allerlei, vergeleken met de levende cel, gigantische samenstellingen, in alle mogelijke structuren, zogezegd van nevelvlek tot zonnestelsel. Maar ook ontstaan er voortdurend heel kleine deeltjes en zelfs nieuwe bouwstenen. In tegenstelling tot wat velen menen is het wordingsproces almaar aan de gang in de kosmos. Het is er een komen en gaan van verschijnselen en soms is daar een planeet bij die door het kritieke punt heen komt en leven voortbrengt. Wij moeten de zaak dus zo begrijpen dat het ontstaan van verschijnselen, gedacht binnen het kader van het tijdsverloop, niet ophoudt als de optimaal innige samenstelling voor de dag gekomen is. De kritieke fase kan, bij wijze van spreken, op elk moment optreden zonder dat er de praktische mogelijkheid is om zich door te zetten. Voor dat doorzetten moet aan een groot aantal voorwaarden voldaan zijn, samen te vatten onder de rubriek levensvoorwaarden. Die komen hier op neer dat er de mogelijkheid moet zijn om de niet-levende materie om te zetten tot inhoud van de levende materie. Het zich doorzetten, door de kritieke fase heen, is dus afhankelijk van de uitwendige situatie. Ook hierop kom ik nog terug.

Zoals gezegd geldt er voor het levende verschijnsel een relatieve samenhang. Afhankelijk namelijk van de structuur van de onderlinge relaties van de bouwstenen, oftewel het kristallijnen net van relaties, is er de samenhang. Deze bestaat dan ook uitsluitend binnen dat bepaalde, optimaal innige, verschijnsel. Aanvankelijk zat binnen dat verschijnsel alles aan elkaar vast, en dat volgens noodzakelijke patronen, maar daarna is er ook de relatieve samenhang. Dat is een nieuwe situatie in de ontstaansgeschiedenis. En vanaf dit moment moeten wij, bij het nagaan van de werkelijkheid, in een nieuwe grootheid gaan denken: de levende cel. De niet levende materie is voor ons, filosofisch gezien, verder niet interessant. Niet dat er nog niet een heleboel aan te bedenken zou zijn, maar dat komt allemaal wezenlijk neer op nog weer hetzelfde, in velerlei varianten.

Nog een opmerking: in de filosofie, vooral de zogenaamd idealistische, wordt de samenhang, als kenmerk van het levende wezen, voortdurend beklemtoond. Dat is ook in het holisme het geval. Maar, opmerkelijk is dat die samenhang steeds als een feit geconstateerd wordt. Een feit dat te herkennen is bij de beschouwing van het levende wezen. Waarom die samenhang er is en welke hoedanigheid zij heeft, dat wordt nergens tot in de diepte uitgewerkt. Het ontbreekt die denkers niet aan een diep inzicht, maar wel aan een diepe uitwerking.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 49.

Je bent geneigd om het ontstaansproces doelgericht te denken, in die zin dat je er onwillekeurig van uitgaat dat het, bij een bepaalde eindfase aangekomen, in zijn geheel ophoudt en dan als het ware statisch wordt, blijft zoals het op dat moment is. En dat het zich uitsluitend volgens de in die eindfase opgeleverde nieuwe (levende) systemen verder ontwikkelt. De neiging om zo te denken komt voort uit het in onze cultuur gangbare lineaire denken: iets begint hier en eindigt daar, en in dat eindpunt houdt alles op. Als je in je denken de werkelijkheid in stukjes opdeelt - en dat gebeurt in onze cultuur - is het lineaire denken inderdaad noodzakelijk en effectief. Maar als je de werkelijkheid consequent als één in zichzelf beweeglijk geheel blijft zien ligt de zaak anders. Het ontstaan en het op elkaar reageren van allerlei verschijnselen gaat gewoon door: bouwstenen verbinden zich met elkaar, verschijnselen vormen zich. Het heelal is en blijft een dynamische zaak.

Het is een feit dat het tijdsverloop een rol speelt, de optimaal innige samenstelling is er niet ineens, hij is het laatste en kritieke moment van het zich met elkaar verbinden van bouwstenen. Zo gezien verloopt er dus tijd. Maar dat proces vindt steeds plaats, niet alleen op het moment dat een geheel zonnestelsel om zo te zeggen klaar is. Tijdens het ontstaan van dat zonnestelsel spelen zich ook die processen af die onvermijdelijk toevallig tot optimaal innige samenstellingen leiden. Alleen: qua levend-zijn wordt het niets met die samenstellingen. Zij blijven steken in het stadium van voorwaarde tot het leven. Om werkelijk tot leven te komen moet het milieu daartoe geschikt zijn. Het geheel van dat betreffende zonnestelsel moet dus in de juiste conditie zijn. Je kunt je deze zaak zo voorstellen dat het ontstane verschijnsel incidenteel almaar tegen het leven aanzit en dat het steeds maar niet lukt - totdat het op een zeker moment wel lukt, hier of daar. Overigens moet je daarbij wel oppassen niet planmatig te gaan denken, alsof er een blauwdruk aan de werkelijkheid ten grondslag zou liggen! Wat wel aan haar ten grondslag ligt is het onvermijdelijke toeval. Je weet dus zeker dat het op een keer moet lukken, maar waar en wanneer dat gebeurt is, in tegenstelling tot wat met iets planmatigs het geval is, met geen mogelijkheid te voorspellen.

Volgens betrouwbare wetenschappers komen er in ons zonnestelsel op allerlei plaatsen organische structuren voor. Eigenlijk zouden die restanten of voortbrengselen van levende wezens moeten zijn, maar: dat die wezens ooit op die plaats en onder die omstandigheden geleefd zouden hebben is Onmogelijk. Waar komen die organische structuren dan vandaan? Welnu, de hierboven beschreven gedachtegang geeft een antwoord op die vraag. Er zijn steeds samenstellingen die in principe tot leven kunnen komen, maar die zich in een milieu bevinden waarin dat toch onmogelijk is. Er moet namelijk aan de verwerkelijking van een essentieel begrip voldaan zijn, en dat is het begrip inhoud. Het levende wezen heeft de gehele bestaande werkelijkheid op trillende (energetische) wijze tot inhoud en die verhouding moet zich kunnen realiseren. Het proces van het zich realiseren van het tot inhoud hebben van de werkelijkheid kennen wij als het zich voeden. Dus: het milieu waarin zo'n optimaal innige samenstelling zich blijkt te bevinden moet als voeding omgezet kunnen worden tot inhoud van het levende wezen. In een ander verband (zie: Beweging en Verschijnsel deel 1, 2, en 3) heb ik gewezen op de eenheid van buitenwereld en binnenwereld.

En je kunt dus nu zeggen dat die eenheid realiseerbaar moet zijn. Op zichzelf bestaat er daartoe maar een kleine kans, al kan hij niet uitblijven. Je zou zelfs van iets wonderlijks kunnen spreken! Wij weten uit de praktijk dat alle levende wezens afhankelijk zijn van hun milieu. Gewoonlijk zeggen wij dan, dat het levende wezen moet eten, en wel om in leven te blijven. Praktisch gesproken is deze uitdrukking juist, maar eigenlijk gaat het om de verwerkelijking van het begrip inhoud zoals dat voor het levende wezen geldt, en omdat dat het geval is voedt het zich.

Het ligt in de logica dat de meest innige structuur van een verzameling van met elkaar verbonden bouwstenen cyclisch van aard is. Maar het is ook denkbaar dat zo'n innige structuur de vorm van een langgerekte keten heeft, die er op zijn beurt al of niet als een lange spiraal uitziet. Het schijnt dat het zogenaamde DNA, dat de erfelijkheid bepaalt, een onvoorstelbaar lange keten van optimale dichtheid is. Nu is het best mogelijk dat de structuur in die keten van zodanige aard is dat er, om zo te zeggen, geen enkele bouwsteen meer bij kan. Toch is er in dat geval niet van een optimale verwisselbaarheid te spreken, en eigenlijk zelfs helemaal van geen verwisselbaarheid omdat alle bouwstenen juist een lijn vormen door de specifieke positie die zij in het geheel innemen. Zodra je probeert of het ook anders kan vervalt de gehele keten. Hieruit kun je afleiden dat de optimale verwisselbaarheid niet kan gelden voor een verschijnsel dat op lineaire wijze als een keten opgebouwd is. Een opmerking: als men bezig is met manipulatie van het DNA molecuul en daarbij een element door een ander probeert te vervangen, is men, in onze zin van het woord, niet bezig met verwisselbaarheid. Dit laatste begrip heeft betrekking op de bouwstenen, die in laatste instantie zo kunnen zijn, maar ook anders. Wat men bij die manipulatie verwisselt zijn gehele verschijnselen die op zichzelf reeds uit talloze bouwstenen bestaan.

Denk ik aan bol met inhoud, dan kan ik me wel indenken dat bijna alle structuren van bouwstenen verwisselbaar zijn. Ik kan, bij wijze van spreken elk gewenst groepje van drie brandpunten als een bouwsteen beschouwen, en omdat ik dat kan is het ook werkelijk mogelijk dat het éne groepje zichzelf afwisselt met het andere groepje. In zichzelf kan die bol dus een verwisselbare samenhang vertonen: de relatieve samenhang. De mogelijkheid van verwisselen gaat vrijwel onbeperkt door; overal in het inwendige van de bol geldt die mogelijkheid. Toch is het niet zo dat binnen de bolstructuur alle bouwstenen verwisselbaar zijn. Een uitzondering vormen namelijk die bouwstenen die aan de oppervlakte van de bol liggen. Voor hen geldt een gedeeltelijke conversie: wel naar binnen toe, maar niet naar buiten. Dat betekent dat de relatieve samenhang wel aanwezig is naar het inwendige, maar niet naar het uitwendige. Naar buiten toe breekt de samenhang af en daar blijven de structuren van de bouwstenen louter in het teken staan van de levenloze samenstelling, die alleen maar op relaties berust. Dan hebben wij het over de huid of de wand van het levende wezen, in eerste instantie de levende cel. Die wand gedraagt zich naar buiten alsof hij een gewoon niet-levend verschijnsel was, maar intussen geldt hij naar binnen toe als een levend wezen. Naar binnen is hij leven en naar buiten verschijnsel of ding. Alleen in de bolvorm met optimale innigheid van structuur is het mogelijk dat de relatieve samenhang optimaal is. Optimaal wil letterlijk zeggen zo groot mogelijk, maar uiteraard niet dat de verwisselbaarheid honderd procent is. En die optimale conversie levert dus een in zichzelf besloten bolvormig verschijnsel op. De grondvorm van de levende cel is dan ook die van de bol.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 50

Behalve de verwisselbare relatieve samenhang is er in de bouwsteen ook nog trilling. Als je de bouwsteen A-B-C nader beschouwt, dan blijkt dat de verhouding tussen het polaire brandpunt A en het centrale brandpunt B van zodanige aard is dat er géén beweging is. De brandpunten A en B hebben aan elkaar hun beweging opgeheven. Hetzelfde geldt voor de verhouding tussen de brandpunten B en C. Maar, tussen de brandpunten A en C is in geen enkel opzicht samenhang, er is geen twee-eenheid A-C. In die verhouding kan er geen beweging opgeheven zijn. Dus is die nog steeds aanwezig. Je kunt evenwel niet zeggen dat ertussen A en C Iets is. Het begrip Iets geldt immers pas daar waar twee bouwstenen aan elkaar raken en met elkaar een relatie hebben gevormd. Allen daar is het absolute niets aanwezig. De situatie van de brandpunten A en C is echter van geheel andere aard en, strikt genomen, moet je je realiseren dat ertussen A en C een aantal beweeglijkheden aanwezig is, dat echter in het systeem A-B-C (de bouwsteen) geen rol speelt - althans geen directe rol. Wat betreft de verhouding A-C moet je dus vaststellen dat er niet Iets is, dat er ook geen opgeheven beweging is en ook geen relatie waarin, zoals we al eerder gezien hebben, de bewegingen geneutraliseerd zijn.

Wat is dat voor een beweging, die ertussen A en C is? In ieder geval is het een bijzondere beweging die berust op het feit dat A, B en C één systeem vormen. Die bijzondere beweging benoem ik met het begrip trilling, en wel omdat hij er tegelijkertijd wel en niet is. Bekijk ik namelijk het brandpunt A vanuit het centrale brandpunt B, dan is er geen beweging en hetzelfde is het geval als ik C vanuit B bekijk. A-B en C-B zijn ineengegroeide systemen met opgeheven bewegingen. Gezien vanuit B is er dus geen beweging. Maar dat ligt geheel anders als ik de bouwsteen bekijk vanuit A of C. Dan is er wel degelijk beweging. Deze dubbel-situatie, wat betreft de aanwezigheid van bewegingen, kennen wij als het begrip trilling. Daarin speelt het dode punt B een essentiële rol. Een beweging, die er vanuit een bepaald punt (B) niet is en die er toch is tussen de twee polen (A en C) is een trilling. Hoe je je een dergelijke trilling zou kunnen voorstellen weet ik niet, maar zeker is dat de bouwsteen energetisch is, zowel ten opzichte van de ruimte, op grond van zijn nog vrije beweeglijkheden, als ten opzichte van zichzelf als centraal brandpunt B.

Over het energetisch zijn van de werkelijkheid nog het volgende. Het begrip energie treedt voor het eerst op daar waar er een systeem van vijf beweeglijkheden is. De vijfde beweeglijkheid immers is niet meer als stilstaand ten opzichte van de reeds aanwezige vier beweeglijkheden te denken. Hij beweegt tegelijkertijd wel en niet ten opzichte van die vier en dat doet hij dan ook nog in een bepaalde richting ten opzichte van die vier. Dat is een in een bepaalde richting wel en niet beweeglijk zijn ten opzichte van de ruimte. Energie is dus een immateriële zaak: de bouwsteen is in deze fase immers nog niet aanwezig! Maar, je kunt wel zeggen dat deze energetische zaak de basis voor de verschijnselen is. Die basis is dus te beschrijven als een energetische ruimte. Omdat evenwel die ruimte gevormd wordt door gerichte energieën ontstaan er in de aanvankelijke chaos (onvermijdelijk) toevallige patronen: energie patronen. En die zijn nog steeds géén verschijnselen omdat er nu nog geen bouwstenen zijn, althans, in Onze gedachtegang zijn er nog geen bouwstenen.

Naar aanleiding van het bovenstaande wil ik er nog eens op wijzen dat de werkelijkheid zich aan ons voorstelt in overeenstemming met de wijze waarop wij over haar denken. Denken wij na over het begrip energie dan vertoont de werkelijkheid patronen, denken wij na over de inwendige beweeglijkheid van de bouwsteen dan blijkt die, afhankelijk van ons uitgangspunt (bezien vanuit A en C of bezien vanuit B) wel en tegelijk niet aanwezig te zijn, denken wij na over de interactie van de bouwstenen dan vertoont de werkelijkheid zich als een soort van constructie. Dat leidt er toe dat een heleboel op zichzelf tegenstrijdige gedachten en constateringen tegelijkertijd waar zijn, een waarheid die zich overigens alleen laat kennen als je in staat bent over het geheel van de werkelijkheid na te denken.

Het energetisch-zijn van de bouwsteen in zichzelf, dus de trilling in de bouwsteen, is niet meer die gerichte energie die zich chaotisch in de ruimte laat gelden. Het is een zeer bepaald energetisch-zijn van de beide polaire brandpunten ten opzichte van elkaar en tegelijk een opgeheven energetisch-zijn ten opzichte van het centrale brandpunt. Je kunt dan ook beter van een bepaald soort beweging spreken, een trilling. Die trilling is manifest en dat wil zeggen dat hij, zij het op indirecte wijze, empirisch aan te tonen is. In het natuurkundig onderzoek heeft men er voortdurend mee te maken. Maar ook gaat hij een dominante en onmiddellijk herkenbare rol spelen bij het levende verschijnsel. Haar kenmerk is immers dat zij in zichzelf in beweging is!

Bij de meest innige structuur van een complex bouwstenen aangeland, hebben wij in principe nog altijd te doen met een verzameling van op zichzelf staande, binnen de bouwstenen besloten, trillingen. Die trillingen hebben eigenlijk niets met elkaar te maken en wezenlijk verschillen zij niet van de verzameling trillingen binnen elk willekeurig verschijnsel. Het gaat gewoon over zoveel maal een trillinkje en die zijn niet merkbaar, leiden niet tot een eigenschap van zo'n verschijnsel in zijn geheel. Je vindt ze pas als je overgaat tot natuurkundige splitsing en ook dan nog slechts op indirecte wijze. Echter: het opmerkelijke van een optimaal innige structuur is verwisselbaarheid, en die laat zich uiteraard ook gelden met betrekking tot de trillingen. Die worden dus ook verwisselbaar en bijgevolg van elkaar afhankelijk. Zij krijgen nu wel degelijk met elkaar te maken en hebben om zo te zeggen ieder een eigen inbreng in het geheel van de zaak. Het gevolg daarvan is dat de verzameling afzonderlijke trillingen ook gaat gelden als een totaaltrilling, een trilling die het totaal van het betreffende optimaal innige verschijnsel in zichzelf in beweging zet. Dat verschijnsel wordt nu gedomineerd door het in beweging zijn. Deze situatie herkennen wij: we hebben te doen met het levend-zijn.

Aan het begrip totaaltrilling is, binnen de context van het optimaal innige verschijnsel, nog iets te bedenken: deze trilling is niet zomaar eer willekeurige die, ongehinderd door wat dan ook, zijn eigen gang gaat! Het is daarentegen een zeer gecoördineerde, in zekere zin een doelmatige, als het ware in dienst van het gehele verschijnsel. Om dat te begrijpen moeten wij nu het begrip samenhang in de gedachtegang invoegen. Het is de werking van dat begrip dat als gevolg heeft dat het tot leven gekomen verschijnsel een geheel is geworden. Dat geheel is dus te beschrijven als een samenhangend totaal. Een van de eigenaardigheden daarvan, is het feit dat elke verandering hier leidt tot een volledige verandering van het geheel. Geen gebeurtenis is plaatselijk, geïsoleerd, maar altijd is elke gebeurtenis op zijn wijze datgene dat met het geheel gebeurt. Elk onderdeel is op zijn wijze onmiddellijk het geheel.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 51

Er is in de filosofie een term die luidt manifest. Dat betekent dat een bepaalde verhouding tot manifestatie is gekomen en dat hij dus waarneembaar en aantoonbaar is, al of niet op directe wijze. Dat wil nog niet zeggen dat zo'n manifeste zaak onmiddellijk begrepen kan worden en dat dus de waarheid van die zaak zonder meer duidelijk is. Voor een zonder meer duidelijke waarheid, die niet misverstaan kan worden, kennen wij het filosofische begrip evidentie. Dat echter is een gevaarlijk begrip omdat de waarheid van een manifeste zaak verscholen ligt achter de waarneming: het gaat immers over een verschijnsel dat wezenlijk alleen maar dan te begrijpen is als je de, er aan ten grondslag liggende, systemen van beweeglijkheden ontdekt hebt. Het begrip manifest slaat dus uitsluitend op het feit dat iets zich als verschijnsel kenbaar gemaakt heeft, en vervolgens kun je zeggen dat dit manifest-zijn evident is. Maar je kunt niet zonder meer zeggen dat de waarheid van een manifestatie evident is. Eigenlijk is er maar één evidente waarheid en dat is deze dat voor een ieder van ons geldt “Ik ben er”. Ik heb die evidentie dan ook als uitgangspunt voor het filosoferen over Ontstaan en Bestaan genomen.

De trilling in de bouwsteen is manifest. Hij is, zij het langs allerlei wetenschappelijke omwegen, in de realiteit te constateren. Op indirecte wijze is natuur- wetenschappelijk vast te stellen dat er deeltjes moeten bestaan die in zichzelf in trilling zijn. De totaaltrilling in de optimaal innige structuur is zelfs op directe wijze te constateren: je kunt gewoon met je zintuigen zien dat een bepaald verschijnsel levend is. Volkomen anders ligt de zaak als het gaat over het begrip het geheel, zoals dat voor de totaaltrilling blijkt te gelden. Iets wat voor een zaak geldt is niet manifest; het is alleen maar aan die zaak te bedenken en je kunt het niet aanwijzen. Je weet pas dat een levend wezen een geheel is op het moment dat je dat levende wezen aantast. Pas bij de ontkenning blijkt dat je met een onaantastbaar geheel van doen hebt Het onaantastbare geheel geldt ook voor de levende organisaties van meerdere cellen. Je overleeft wel een kleine verwonding maar de grondverhouding ligt toch zo dat je op moet letten dat je er niet aan onderdoor gaat. In principe liggen de verhoudingen zodanig dat je door een aantasting doodgaat, en vervolgens kun je dan iets ondernemen om dat te verhinderen. De gehele medische wetenschap is gegrond op dat principe: het zo veel en zo goed mogelijk verhinderen dat iemand dood gaat. Het doodgaan is dus de basis-verhouding en nu is het, medisch gezien, de kunst om de grenzen zoveel mogelijk te verleggen. De vraag of dat onder alle omstandigheden wel zo wenselijk is ligt natuurlijk op een geheel ander terrein...

Een bepaald voorwerp, bijvoorbeeld een tafel, laat zich niet kennen als iets dat in zichzelf beweeglijk is. Sterker nog: als zo'n tafel beweegt deugt hij niet als tafel! In die tafel is de trilling van de bouwsteen dus niet manifest voor onze zintuigen, wel echter als wij hem met behulp van instrumenten gaan onderzoeken. Dat echter is een wetenschappelijke aangelegenheid waarvan de uitkomsten geen rol mogen spelen als argumentatie voor onze filosofische gedachtegang. Het feit dat een levend wezen in zichzelf in beweging is, is voor onze zintuigen wel onmiddellijk manifest en daarom mogen we dat wel als argument gebruiken.

En ook hierbij zien wij dat de waarheid omtrent dat in zichzelf bewegen niet evident is: pas na een hele denkweg ontdek je de waarheid omtrent dat bewegen.

Voor de totaaltrilling geldt dat het een geheel is. Anders gezegd: het totaal is onmiddellijk het geheel en dat geheel houdt het totaal in. Het geheel is iets anders dan het totaal, dit laatste is manifest (verschijnsel), maar het eerste is alleen maar een begrip, en dus iets dat uitsluitend gedacht kan worden. Als je gaat zoeken vind je niets anders dan het totaal, niets meer en niets minder. De draagwijdte van deze verhouding is veel groter dan je aanvankelijk zou denken. In het primaire levende verschijnsel, in de oercel, zit een optimaal innige structuur van de bouwstenen. Dat betekent dat elke willekeurige structuur die je in gedachten neemt altijd teruggevonden kan worden in de structuur van dat primaire levende verschijnsel. En uiteraard is elk patroon van trillingen van bouwstenen ook terug te vinden in bedoeld verschijnsel. Hieruit kun je concluderen dat de gehele ontstane werkelijkheid op de wijze van een trilling in dat verschijnsel aanwezig is. Niet bij wijze van optelsom, zoals naar verluidt alle verschillende dieren in de ark van Noach aanwezig waren, maar op de wijze van ineen-zijn. De totaaltrilling is een trilling waarin alle denkbare trillingen van verschijnselen ineen aanwezig zijn. Het geheel van die trilling houdt dus op trillende wijze alle verschijnselen, ook zichzelf, in. Van bijvoorbeeld een steen is niet te zeggen dat hij zichzelf inhoudt. Hij bestaat uit een aantal verschillende structuren en verder gaat het bij hem niet. Maar de oercel houdt, behalve de uitwendige werkelijkheid, ook nog zichzelf in. Dat is een belangrijk punt, zoals nog blijken zal.

Wij kunnen nu zeggen dat de levende cel de gehele buitenwereld op trillende wijze tot inhoud heeft. Dat betekent dat de buitenwereld, mits gedacht als een complex van een groot aantal, op een bepaalde wijze gerangschikte, trillingen, onmiddellijk binnenwereld is. Er is dus een overeenkomst tussen de buitenwereld en de binnenwereld en wel zodanig dat de werkelijkheid zichzelf tot inhoud van het leven gemaakt heeft. Dat is precies datgene dat wij benoemen met het begrip bewustzijn. Voor zover voor de totaaltrilling geldt dat hij een geheel is, met als inhoud op trillende wijze de som van alle verschijnselen, geldt voor hem het begrip bewustzijn. De situatie is nu deze dat de werkelijkheid zich van zichzelf bewust is geworden. Zij vindt zichzelf terug in de levende cel en spiegelt zichzelf daarin af. Dat betekent dat de levende wezens kunnen leven temidden van de overige verschijnselen, er op kunnen reageren en er zelfs van kunnen leven. Zij zijn om zo te zeggen bezig in hun milieu; hun beweeglijk zijn is niet zomaar een toevallige activiteit, los van alles er omheen. Zo zijn de oercellen niet te denken zonder het water van de oerzee waarin zij zich bevinden. En in die oerzee leven zij in samenhang met die oerzee en alles wat zich daarin bevindt. Er is een samenspel tussen de binnenwereld en de buitenwereld, en dat blijft gelden tot en met de mens: zonder milieu kan ook de mens niet leven, zoals tegenwoordig op tragische wijze blijkt.

Als wij nadenken over het begrip bewustzijn kost het ons moeite die zaak voorlopig even los te zien van ons zelfbewustzijn. Dat is op zichzelf niet verwonderlijk omdat dit nadenken een zelfbewuste aangelegenheid is. Daarom is het goed om niet teveel aan de mens te denken en je te beperken tot de planten en de dieren. Uit de biologie en de ecologie weten wij bijvoorbeeld dat al het leven zich afspeelt binnen een biotoop en dat daarin alle verschillende levensvormen ten nauwste met elkaar samenhangen.

Dat blijft gelden voor alle levende organisaties, alleen is het wel zo dat de mensen zich, op grond van hun aanleg, op een andere wijze in hun biotoop bewegen. Vaak legt men in de natuurbescherming de nadruk op de schoonheid van de natuur, maar essentieel is uiteraard het in stand houden en verzorgen van het biotoop.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 52

Alle structuren van met elkaar gecombineerde bouwstenen die minder innig zijn dan de optimaal innige en die dus, om zo te zeggen, vooraf gegaan zijn, aan de laatste mogelijkheid qua innig-zijn, zijn in gedachten terug te vinden als inhoud van die optimaal innige structuur. Dat is niet een samenstelling zoals een legpuzzel, waarin het ene stukje naast het andere gelegen is, maar het is een ineen-zijn van alle structuren. Als je bijvoorbeeld een bepaalde ruimte vult met kleine balletjes, dan kun je elke denkbare combinatie van balletjes naar believen aanwijzen zonder dat je al die combinaties naast elkaar rangschikt. Zo zijn alle bestaande verschijnselen, die in een grote variëteit in het heelal als zelfstandige lichamen aanwezig zijn en die alle gegrond zijn op bepaalde structuur-verhoudingen, in de levende cel op de wijze van een totaaltrilling ineen.

Al die verschillende verschijnselen in het heelal zijn volgens de wetenschappers terug te brengen tot een bepaald aantal elementen, op het ogenblik zijn er zo'n 108 bekend. Die elementen vormen met elkaar allerlei verbindingen die de ons uit het dagelijkse leven bekende stoffen opleveren. In wezen is de variëteit dus niet zo groot als hij op het eerste gezicht lijkt. In theorie moet het mogelijk zijn om met een goed computer programma na te gaan hoeveel verschillende combinaties van bouwstenen er zijn voordat je bij de meest innige combinatie uitkomt. Het kan dan niet anders of je komt op een bepaald aantal uit. Eenvoudig zal dat echter niet zijn omdat je eerst op de zogenaamde elementaire deeltjes uitkomt, vervolgens op de atomen en daarna nog moleculen moet gaan formeren. Die moleculen moeten dan met elkaar de meest innige structuur van de bouwstenen opleveren. Het is bijna onbegonnen werk, maar misschien komt er ooit nog eens een computer die het kan. Omdat de hele zaak in wezen neerkomt op combinaties van bepaalde groepen (kwanta) van bouwstenen, respectievelijk elementaire deeltjes, atomen en moleculen moet er een berekening van gemaakt kunnen worden.

Wij kennen aan de levende cel bewustzijn toe omdat er een verhouding is tussen de inhoud van die cel en de werkelijkheid buiten die cel. Er is een verhouding tussen de binnenwereld en de buitenwereld. De levende cel houdt de buitenwereld op een bepaalde wijze in. Het feit van dit inhouden is datgene dat wij bewustzijn noemen. Nu kan dit woord op zichzelf tot allerlei verwarringen aanleiding geven, voornamelijk omdat het doorgaans in verschillende betekenissen gebruikt wordt. Toch is het beter om het niet door een of ander wetenschappelijk woord te vervangen omdat de werkelijkheid dan teveel buiten jezelf komt te staan - alsof het om iets gaat dat alleen maar objectief benaderd kan worden. Eigenlijk is dat een slimme truc van het wetenschappelijke denken. Het feit dat je zelf bewustzijn bent, dat dit voor je geldt, wordt dan in sterke mate verdoezeld.

Bewustzijn wil dus zeggen dat je je eigen buitenwereld bevat en daardoor met die buitenwereld in wisselwerking kunt treden. De buitenwereld komt als het ware terug in de binnenwereld en laat zich daarin gelden. In de term bewusteloos komt tot uiting dat iemand niet meer in staat is tot wisselwerking met de buitenwereld. Eigenlijk slaat die term op het zelfbewustzijn, maar hij geeft in ieder geval aan dat er van een wisselwerking sprake moet zijn.

De werkelijkheid als bewustzijn is, omdat het over een zaak van trillingen gaat, een dynamische aangelegenheid. Dit leidt er toe dat het de levende cel aanzet tot activiteiten, zij gaat zogezegd iets doen. Zij komt tot een zeker gedrag in haar omgeving, en dat gedrag is nu net genoemde wisselwerking. In het gedrag gaat het ergens om, er moet iets gerealiseerd worden en dat komt neer op het manifesteren van de verhoudingen die gelden. Zo is er in de eerste plaats het tot inhoud maken van de werkelijkheid als omgeving: het zich voeden. En in de tweede plaats is er het zichzelf voortbrengen: de voortplanting.

Het is mogelijk om te denken dat het hele filosofische verhaal tot en met de levende cel beperkt is tot datgene dat wij op onze aarde kunnen waarnemen. Met andere woorden: zou de zaak elders in de kosmos niet geheel anders kunnen zitten, met als consequentie dat bijvoorbeeld het laatste verschijnsel - dat wij hier als mens kennen - er daar heel anders uitziet, zeg als een soort van intelligente kikker. Die vraag houdt veel geleerden bezig en dan vooral in verband met het feit dat men op ruimtereizen andere intelligente wezens zou moeten kunnen herkennen. Om op dergelijke vragen een antwoord te kunnen geven moeten wij nog eens nagaan op welke manier wij over de werkelijkheid nadenken en welke gegevens wij daarbij gebruiken. De wezenlijke vraag is dus: kan ons filosofische verhaal ook anders? Het antwoord moet luiden dat dit niet mogelijk is. Zelfs als er fouten in ons verhaal zitten zijn die niet van dien aard dat zij het hele verhaal doen instorten. Dat komt doordat wij van geen enkele vorm van informatie gebruik gemaakt hebben en als uitgangspunt slechts één evidentie genomen hebben, namelijk het (voorlopig nietszeggende) feit datik er ben”. Zonder ons op welke kennis dan ook te baseren hebben wij uit die evidentie afgeleid dat er oorspronkelijk beweeglijkheden moeten zijn en dat die onvermijdelijk toevallig tot bepaalde energetische (= gericht beweeglijke) patronen moeten leiden. Daarop voortgaande kwamen wij tot bouwstenen, tot combinaties daarvan en op een gegeven moment ook tot de levende cel, enzovoort. Tenslotte was daar een verschijnsel dat wij mens noemen en wij hebben uitgezocht wat er voor dat verschijnsel geldt. Dat alles zonder ons op kennis te baseren. Hadden wij dat wel gedaan, dan was ons verhaal inderdaad aan onze planeet gebonden en het bood geen enkele garantie dat de zaak op andere planeten precies eender zou zijn. Intussen is wel te bedenken dat precies diezelfde zaak, in feite dus precies hetzelfde ontstaansproces, elders in de kosmos gevarieerd voorkomt. Omdat bijvoorbeeld het leven aangewezen is op haar buitenwereld, dus haar biotoop, zullen de omstandigheden van grote invloed zijn. Het is onvermijdelijk dat de ligging van de continenten, de aan- of afwezigheid van natuurlijke barrières, het klimaat van grote gebieden er het complex van nog velerlei andere omstandigheden veel gunstiger - maar ook ongunstiger - is dan bij ons.

Dat heeft een ander menselijk gedrag tot gevolg: misschien minder strijd, minder ellende van honger, dorst en ziekten en wellicht een snellere verheldering van het zelfbewustzijn. Maar de wezenlijke thema's betreffende datgene dat de mens uit moet zoeken en moet realiseren, zoals bijvoorbeeld het omzetten van de planeet tot Een menselijke werkelijkheid, een leefbaar biotoop, zullen precies dezelfde zijn. Omdat wij ons niet op plaats- en tijdgebonden informatie gebaseerd hebben kunnen wij van het bovenstaande zeker zijn en is het ondenkbaar dat intelligente wezens elders een wezenlijk ander uiterlijk en gedrag zullen vertonen, maar wel kun je dus allerlei variaties verwachten. Het aardige en zelfs zinvolle van onze manier van onafhankelijk filosoferen is dit, dat je op echte zekerheden uitkomt, die niet alleen morgen, maar ook elders hun geldigheid behouden.

Zie bladwijzers: Dat “IK er ben” -zie  A-nrs.1en2, B, C, D ;

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 53.

 

Het ligt in de aard van ons analytische denken om alles uit elkaar te halen en vervolgens in rubrieken in te delen. Zo heeft de moderne wetenschap bijna alle verschijningsvormen van het leven in soorten ingedeeld. Nu is het waar dat er talloze verschillende vormen van leven zijn en het is ook waar dat het goed is die in groepen in te delen om er enigszins overzicht over te krijgen. Maar, zoals bijna altijd het geval is: die rubrieken gaan een eigen leven leiden zodat men tenslotte uit het oog gaat verliezen dat het toch allemaal over één levend verschijnsel gaat, een verschijnsel dat zichzelf naar velerlei vormen organiseert, maar dat in wezen slechts bestaat uit de levende cel. Uit die cel komen alle variaties voort. Het is desnoods handig om indelingen te maken, maar het is van levensbelang om in te zien dat er slechts één levend verschijnsel is. Het lijkt er op dat er verschillende cellen zijn; een hersencel ziet er anders uit dan een levercel. Die verschillen echter berusten op de functie van de cellen en niet op de aard van de cellen zelf. Wat voor de oercel geldt is ook blijvend van kracht voor die cel die in de organisatie van het brein haar functie vervult. De complexe cel-organisatie van bijvoorbeeld het menselijk brein is begonnen als één enkele cel: de moederlijke eicel en deze is zich gaan delen en bij het voortgaan van die deling zijn er steeds meer specialisaties opgetreden.

De werkelijkheid als totaaltrilling is, als inhoud van de cel, een geheel en dat geheel kennen wij als het bewustzijn. Dat bewustzijn is dus het geheel van in alle richtingen samenhangende trillingen, die de totaaltrilling vormen. Het is de buitenwereld die op trillende wijze in de cel aanwezig is. Op grond van dat trillen is de cel actief, je kunt zeggen: zij doet wat in haar omgeving. Dat kan zij doen omdat die omgeving er voor haar is, populair gezegd: zij kent haar omgeving. In feite weet zij natuurlijk van niets. Woorden als weten en kennen slaan op onze menselijke situatie, maar wij hebben nu eenmaal geen termen voor zaken die buiten ons zelfbewustzijn liggen. Dus stel ik toch maar gewoon dat de cel haar omgeving kent, en dat is hetgeen ik bewustzijn noem. Bewustzijn houdt dus in dat voor de levende cel het begrip het andere geldt, en op dat andere wordt dynamisch gereageerd. Het levend-zijn van het verschijnsel vertoont dus twee aspecten. Ten eerste het in zichzelf beweeglijk zijn op grond van de totaaltrilling als trilling, en ten tweede het buiten zichzelf dynamisch zijn op grond van het feit dat de totaaltrilling op trillende wijze identiek is met de buitenwereld.

Het hele begrippen-complex van totaaltrilling, die behalve een totaal ook nog een geheel is, noem ik nu bewustzijn en nu vraag ik mij af wat er voor dat bewustzijn geldt. Die vraag is desnoods niet zo interessant, want je hebt er in de praktijk niet zo veel aan als je al die nuances in de verhoudingen begrepen hebt. Toch ligt hier de basis voor een belangrijk inzicht, het inzicht namelijk in jezelf als bewustzijn, een inzicht dat des te zinvoller wordt naarmate de ontwikkeling van onze cultuur zich meer en meer fixeert op het zelfbewustzijn en dus op de werkelijkheid als voorstelling. Het bewustzijn wordt gevormd door het geheel van één totaaltrilling, die evenwel op zichzelf toch uit een totaal van trillingen bestaat en dus op de een of andere manier een verzameling van trillingen is. Je moet je dan afvragen hoe die trillingen zich tot elkaar verhouden.

Het zou in de lijn van het moderne denken liggen om de nadruk te leggen op het feit dat je met verschillende trillingen van doen hebt en te vergeten dat die wel een geheel vormen. Het verschil komt dan op de voorgrond te liggen. Daarmee is de kans verkeken om het bewustzijn te leren begrijpen. Dat werkt als volgt: je wilt die verschillende trillingen van elkaar onderscheiden om ze te kunnen rubriceren en je bemerkt steeds weer dat het je niet gelukt omdat het allemaal zo ingewikkeld is en zo in elkaar grijpt. Dat betekent dat je eigenlijk vindt dat onderscheiden en rubriceren in principe mogelijk is, maar helaas (voorlopig) door de grote mate van ingewikkeldheid mislukt. Op grond hiervan blijf je vervolgens steeds opnieuw proberen er slagorde in te krijgen en je komt nooit tot de ontdekking dat er hier niets te onderscheiden en te rubriceren valt! Het essentiële punt is dat al die verschillende trillingen niet naast elkaar zijn en niet in elkaar grijpen, maar in elkaar overgaan. Dat betekent dat de structuur van verhoudingen A onmiddellijk overgaat in de structuur van verhoudingen B enzovoort, zonder daarbij ooit bij een van die structuren te blijven stilstaan. Als voorbeeld kun je hierbij denken aan een bepaalde wolk in de lucht: die wolk verandert voortdurend om tegelijkertijd toch diezelfde wolk te blijven. Die verandering is er op grond van de beweeglijkheid van de waterdampdeeltjes waaruit die wolk bestaat. Zo is het bewustzijn een voortdurend veranderen van vormen, op grond van veranderende structuren van trillingen. Dat veranderen gebeurt, hoewel eindeloos gevarieerd, niet willekeurig; het is daarentegen steeds een afspiegeling van de concrete verschijningsvormen in de kosmos.

Aan dat veranderen moet nog wel iets bedacht worden. Gewoonlijk namelijk gaan onze gedachten uit naar een opeenvolging van (kortstondige) statische situaties: eerst heb je situatie A, vervolgens situatie B en zo verder. In de mechanica van Newton bijvoorbeeld wordt de baan van een bewegend voorwerp beschouwd als een snelle opeenvolging van momenten van stilstand en met behulp van die voorstelling kan de weg van dat voorwerp berekend worden. Een ander voorbeeld: een film bestaat uit een reeks van volledig opgebouwde beeldjes, die door hun snelle opeenvolging de indruk van een geleidelijke verandering geven. Telkens is er dus een compleet beeld. Het beeld A is compleet, het beeld B is compleet, enzovoort. In feite gaan al die punten op de kogelbaan van Newton en die beelden van die film niet in elkaar over. Zij staan op zichzelf en kunnen als zodanig ook bepaald worden. Vooral bij het voorbeeld van de film is duidelijk dat elk beeld er als een zelfstandig beeld (foto) uitgeknipt kan worden. Als je daarbij van verandering wilt spreken is dat eigenlijk een verandering in schijn omdat elk onderdeel zich op zichzelf als onveranderlijk vertoont. Geheel anders ligt de zaak als het gaat over het in elkaar overgaan.

Daarbij gaat het niet om steeds een nieuw totaalbeeld, maar om datgene uit het totaalbeeld dat aan verandering onderhevig is. Dat wil in feite zeggen: datgene dat in beweging is. Dus alleen het in beweging zijnde valt onder het begrip in elkaar overgaan. Dat is geen zaak van een opeenvolging van kortstondige momenten van stilstand, maar een zaak van constant anders- zijn. De beweging wordt hierbij dus niet gedacht als zijnde schoksgewijs, maar als volkomen vloeiend, traploos zogezegd. Net als bij genoemde wolk gaat het om één zaak (de totaaltrilling als geheel) die in zichzelf beweegt en daardoor almaar andere vormen aanneemt. Dat geheel van almaar veranderende vormen is de werkelijkheid als beeld, en als zodanig laat het bewustzijn zich in het levende wezen gelden. Die werkelijkheid bestaat dus niet uit een opeenvolging van statische plaatjes, maar uit een voortdurend spel van veranderingen. Het zal duidelijk zijn dat de mogelijkheid om onderscheidingen te maken en om in rubrieken in te delen in dit geval uitgesloten is; het streven daartoe is tot mislukken gedoemd omdat het een volstrekt verkeerd streven is.

Hersencel-1 ;

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 54.

Het bewustzijn laat zich gelden als een beeld van de werkelijkheid. Dat is echter geen statisch beeld, zoals een plaatje of een voorstelling, maar het is een voortdurend in elkaar overgaan van beelden. Dat is iets anders dan een afwisseling van beelden, zoals ik al heb laten zien aan het voorbeeld van de film. Voor die in elkaar overgaande beelden geldt het begrip vorm, in die zin dat dit begrip aan het beeld ten grondslag ligt. Het begrip vorm evenwel komt voort uit het verschijnsel voor zover dat een samenstel van bouwstenen is. We hebben al eerder gezien dat die bouwstenen zich in bepaalde richtingen aan elkaar vastleggen en daardoor bepaalde structuren gaan vormen. Zo'n structuur beperkt zich echter niet alleen maar tot het raster van relaties, ook de in de bouwsteen aanwezige trilling (tussen de brandpunten A en C) vormt met de trillingen van de overige, in een bepaald verschijnsel opgenomen, bouwstenen een structuur van gerichte trillingen. Je hebt dus een structuur van relaties en je hebt een structuur van trillingen. Beide zien er anders uit, maar behoren toch onlosmakelijk bij elkaar, zoals bijvoorbeeld de vlakken van een kubus niet denkbaar zijn zonder de ribben van die kubus. Nu is het de structuur van trillingen die inhoud is van de totaaltrilling binnen de oercel. Het op een bepaalde wijze gerangschikt zijn, en dus het hebben van een structuur, is wat ik noem het begrip vorm. Elk verschijnsel heeft een bepaalde vorm, omdat elk verschijnsel gekenmerkt wordt door een structuur van, enerzijds, relaties en anderzijds trillingen. De vorm, gebaseerd op dit laatste is inhoud van de totaaltrilling en dus is te zeggen dat we bij die totaaltrilling te doen hebben met een veelheid van vormen. Omdat voor de werkelijkheid als bewustzijn geldt dat het een geheel is, kunnen we spreken van een geheel van vormen. Dat zijn vormen die in elkaar overgaan en om hieraan uitdrukking te geven spreek ik van de werkelijkheid als beeld. In die werkelijkheid zijn alle vormen ineen.

In de oercel zitten alle voorgaande vormen besloten, inclusief de vorm van die oercel zelf. Je kunt zeggen dat op het moment van optreden van de oercel, de werkelijkheid in zichzelf aanwezig is. De werkelijkheid keert zich op dat moment in zichzelf. Uiteraard zijn dat maar woorden... zo spreekt de filosoof Jan Borger over het zich in zichzelf spiegelen van de werkelijkheid. Maar het is niet zeker of hij hiermee hetzelfde bedoelt. Je kunt namelijk nooit precies weten waarover iemand het bij dit soort van gedachtegangen heeft, enerzijds omdat je als toehoorder of lezer onwillekeurig aan elk woord een enigszins persoonlijke betekenis geeft en anderzijds omdat het niemand gelukt precies en eenduidig uit te drukken wat hij aan de werkelijkheid beleeft. Bovendien moet je voorzichtig zijn met de uitspraken van anderen omdat het gevaar dreigt dat je het, aan die uitspraken ten grondslag liggende, inzicht letterlijk ter kennis neemt, dat wil zeggen: voor waar aanneemt zonder er zelf kritisch over nagedacht te hebben. Daardoor ontstaat er, doorgaans ongemerkt, een blinde vlek in je eigen gedachtegang dan ook, alle voorgaande vormen van structuren van trillingen zijn in de oercel aanwezig en die werkelijkheid als beeld is de wijze waarop het bewustzijn zich laat gelden. Nogmaals: het is van belang voor ogen te houden dat elke laatste vorm ook zichzelf inhoudt. Dat wil zeggen dat de oercel ook zichzelf als vorm inhoudt. De reden hiervan is deze dat het bewustzijn pas kan gaan optreden als het verschijnsel er al is. De materiële structuur gaat aan het bewustzijn vooraf. Voor het bewustzijn is alles, om zo te zeggen, geschiedenis, het is verleden tijd.

Het is iets dat voorbij is, niet in de zin dat het er nu niet meer is, maar in de zin dat het reeds geworden is.

Het bestaan geldt er al voor en het óntstaan is verleden tijd.

Voor de zelfbewuste mens is het ook van belang zich te realiseren dat elke inhoud van hetzij het bewustzijn, hetzij het zelfbewustzijn, verleden tijd is. Al eerder heb ik er op gewezen dat het moment nu altijd net voorbij is. Onvolwassen mensen proberen dat voorbije nu steeds in hun voorstelling vast te houden en met behulp van die voorstelling de komende momenten nu te begrijpen en te beheersen. Het gevolg is echter dat zij almaar achter de feiten aanlopen, de vorige oorlog proberen te winnen. Volwassen mensen houden dat verleden niet vast. Hun voorstelling is beweeglijk en zij bekijken telkens weer opnieuw de realiteiten waarmee zij te maken krijgen. Gelukkig laat het bewustzijn zich niet vasthouden, zodat haar inhoud steeds, tot aan het moment nu volledig is en als zodanig een geheel van in elkaar overgaande vormen is. Daarom pleeg ik, als het over het bewustzijn gaat, te spreken over de echte werkelijkheid. ..

Het nadeel van de uitdrukking de werkelijkheid als beeld is dat hij de suggestie wekt dat er inderdaad iets te zien zou zijn. Dat wil zeggen: dat er op zichzelf iets te zien zou zijn. Dat echter is niet het geval. Het gaat immers over een trillende zaak! Dus is die werkelijkheid als beeld op zichzelf niet te zien, maar op indirecte wijze is dat wel het geval. Zo ziet de mens de werkelijkheid als beeld op zichzelf niet, maar hij ziet haar aan iets anders, namelijk aan de voorstelling. Nu is het zo dat er aan die voorstelling eigenlijk niets bijzonders te zien is omdat hij gewoonlijk vastgelegd is en daardoor geldt als een bekende werkelijkheid. Je hebt er kennis van. Maar, er is wel iets bijzonders te zien als en voor zover die voorstelling min of meer beweeglijk is. Aan die beweeglijke voorstelling straalt de werkelijkheid als beeld af en op die indirecte wijze is zij dan te zien. Gevolg is dat de scheidingen tussen het een en het ander vervagen. Dan gaat het niet meer over dit of dat, maar over iets algemeens, iets waarvoor een algemene waarheid geldt. Dat is de laatste mogelijkheid waartoe een mens kan komen.

Het beweeglijk zijn van de voorstelling is voor de mens eigenlijk een natuurlijke situatie. Je kunt zeggen: de voorstelling behoort wezenlijk diffuus, doorzichtig, te zijn. Dat is het geval omdat de werkelijkheid als zelfbewustzijn grenst aan datgene dat ik in een ander verband de werkelijkheid als geest heb genoemd. In laatstgenoemde situatie van de werkelijkheid gedraagt de materie zich alsof zij weer louter beweeglijkheden was. Daardoor storten de voorstellingen in, om zich tegelijkertijd weer op te bouwen en wederom in te storten. Eigenlijk straalt het bewustzijn zich dus voortdurend af aan de voorstelling, omdat deze eigenlijk altijd beweeglijk is. Onvolwassen mensen echter ontkennen die beweeglijkheid en leggen de voorstelling vast, om daarmee tevens zichzelf voor de echte werkelijkheid af te sluiten.

Het bijzondere van kunstwerken is dat daaraan de echte werkelijkheid tot uitdrukking komt. In feite echter zie je een bepaald plaatje - als het over beeldende kunst- gaat - en in de muziek hoor je bepaalde frequenties van geluidstrillingen. Beide zijn gewone materiële zaken. Maar aan die zaken beleef je de werkelijkheid als beeld, oftewel het bewustzijn. Dat is het mysterieuze, het onuitspreekbare van de kunst. Ook kenmerken van het bewustzijn, zoals liefelijkheid, gemoedelijkheid en schoonheid spiegelen zich aan de mens af. Op zichzelf zijn zij niet zichtbaar.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 55.

Voor meer info zie bladwijzers: sociaal-1 , sociaal-2 , sociaal-3 , sociaal-4  

We hebben te doen met twee werkelijkheden, of, beter gezegd: met twee systemen van verhoudingen van beweeglijkheden die in het laatste verschijnsel, de mens, voorkomen. Enerzijds is er de werkelijkheid als beeld en anderzijds de werkelijkheid als voorstelling. Beide systemen zijn, in zekere zin, in strijd met elkaar. In de voorstelling staat alles apart, tussen alle elementen binnen de voorstelling loopt een scheiding, zodat je kunt zeggen het één is niet het ander. Maar in de werkelijkheid als beeld gaat alles in alles over en daarover zou je kunnen zeggen het één is onmiddellijk het ander. Ook is te zeggen dat het in de voorstelling gaat om een opeenvolging van op zichzelf staande elementen, terwijl het daarentegen bij het beeld gaat om een in zichzelf veranderlijk zijn. Tenslotte moet ook nog opgemerkt worden dat de voorstelling een persoonlijke werkelijkheid is, opgebouwd uit eigen ervaringen, en dat het beeld universeel is, geheel buiten jezelf om ontstaan.

De tegenstrijdige werkelijkheden van beeld en voorstelling moeten zich toch op de een of andere manier tot een harmonieus samengaan ontwikkelen wil je als mens tot je recht kunnen komen. Volgens de westerse denk-traditie kunnen tegenstrijdigheden alleen maar tot overeenstemming komen door het sluiten van een compromis. Daarbij leveren beide wat in, net zoveel als nodig is om tot iets gemeenschappelijks te komen en dat gemeenschappelijke heet dan de gulden middenweg. Die middenweg is kenmerkend voor alle beschavingen, niet voor niets zit in dat woord het begrip schaven verwerkt: je haalt er wat af! Over het algemeen weten de mensen niets af van zichzelf als bewustzijn en dus weten zij ook niets van de werkelijkheid als beeld. Dat zij tussen deze werkelijkheid en de voorstelling een compromis sluiten ontgaat hen bijgevolg ook ten enenmale, maar de gevolgen ervan bemerken zij wel.

Zij bemerken bijvoorbeeld dat zij zoiets als een geweten hebben en dat zij zich af kunnen vragen wat goed en kwaad is. En zij bemerken dat zij intuïtief een afkeer van misdadigheid hebben en dergelijke. Maar dat aan zulke intuïties een bepaalde werkelijkheid ten grondslag ligt... op dat idee komen zij zelden. Intussen sluiten zij wel voortdurend compromissen tussen die werkelijkheid - die zij niet kennen - en hun voorstellingen, meestal zo dat zij hun zogenaamde geweten wegredeneren. Dat is het sluiten van compromissen.

Als ik zeg dat het beeld en de voorstelling met elkaar in harmonie moeten komen, dan bedoel ik geen compromis, want daarin komen beide helemaal niet tot hun recht, maar blijven noodgedwongen voortdurend onder de maat. Het gaat er uiteraard om dat beeld en voorstelling zo zuiver mogelijk kunnen gelden. Je moet dus uitzoeken hoe de werkelijke wisselwerking tussen die twee is. Als nu het beeld zichtbaar is aan de voorstelling en daarbij de universele waarheid manifesteert, dan geldt dat beeld als toetssteen voor de voorstelling. De maat voor de waarheid van de voorstelling ligt bij het beeld. Dat is een absolute maat, die onafhankelijk is van wat dan ook, ook van mezelf! Hij heeft aan mij geen boodschap, maar ik heb wel degelijk een boodschap aan die absolute maat, als ik tenminste niet in een illusie wil leven en samen wil vallen met de werkelijkheid.

Aan de toetssteen van het beeld stel je je voorstelling bij, maar de vraag is wel of je daarin altijd slaagt. Lukt het wel altijd om je voorstelling in overeenstemming te brengen met het beeld? Het antwoord moet zijn: nee, het lukt je niet altijd. Dat betekent dat je bij herhaling fouten zult maken, veroorzaakt namelijk door enerzijds het feit dat de voorstelling ongemerkt toch nog hier en daar vastgelegd is en anderzijds doordat hij op allerlei punten gebrekkig is. In zo'n geval herken je het achterliggende beeld niet eens! . Gevolg is dat je fouten gaat maken... Een wereld waarin de mensen hun voorstellingen spiegelen en toetsen aan het beeld en daarbij onvermijdelijk fouten maken is, ondanks die fouten, toch een geheel andere dan een beschaafde wereld waarin men het almaar met zichzelf als bewustzijn (het beeld) op een akkoordje gooit. Laten we de eerste situatie voor het gemak even een goede wereld noemen en de tweede een verkeerde. Dan is te zeggen dat er in een goede wereld fouten gemaakt worden, zonder dat het goed-zijn van die wereld daardoor aangetast of ongedaan gemaakt wordt. De fouten worden na verloop van tijd hersteld en dat laatste is een blijvende ontwikkeling. In een verkeerde wereld daarentegen volgt men almaar blindelings de eigen voorstelling en voor zover men daarmee niet helemaal vrede heeft sluit men een compromis met zichzelf. Het gevolg is dat letterlijk alles beneden de maat blijft en er helemaal niets tot zijn recht komt. In een verkeerde wereld worden uiteraard ook fouten gemaakt, maar dat is niet het kenmerkende: kenmerkend is dat die wereld zelf fout is! Je kunt alleen maar dan een fout maken als er de bedoeling en de mogelijkheid is om iets goed te doen. Zijn die bedoeling en die mogelijkheid niet aanwezig, dan deugt er van de zaak zelf niets en dan verliest het begrip fout zijn betekenis. De kunst en de creatieve filosofie zijn voorbeelden van iets goed doen en binnen dat kader steeds incidentele fouten maken. De politiek en de economie zijn voorbeelden van iets volstrekt verkeerd doen, met, daaraan meekomend, de leegheid van het begrip fout.

Het inhoudsverlies van het begrip fout komt goed uit als het over de oorlog gaat.

Als de mensen weer eens aan het oorlogvoeren zijn, wie hebben er dan fouten gemaakt zodat het tot zoiets afschuwelijks kon komen? Probeer je dat na te gaan, dan blijkt dat er nergens iets van deugt. Dat nagaan heeft dus geen enkele zin, want je blijft gevangen in een krankzinnig geheel dat van het begin tot het eind verkeerd is. Je bent eigenlijk gedwongen partij te kiezen, maar ook dat slaat nergens op. Denkende vanuit een moraal, in de zin van spiegeling aan de werkelijkheid als beeld, kun je feitelijk geen enkel oordeel vormen over het incidentele gedrag van de vechtende partijen omdat er nergens iets van deugt. De begrippen goed en fout hebben hun betekenis verloren...

In de verkeerde wereld houden de mensen elkaar voor dat zij eigenlijk toch sociaal zouden moeten zijn. Maar, de denkers vinden dat dit toch eigenlijk wel een probleem is omdat er een onoverkomelijke tegenstelling zou blijken te bestaan tussen het zogenaamd individuele en het sociale. Om een compromis daartussen tot stand te brengen zou de mensen geleerd moeten worden hoe zij sociaal kunnen zijn. Uiteraard gaat het dan over een sociaal-zijn binnen zekere grenzen en gebonden aan een aantal regels en normen. Het sociale karakter van een mens zou dus een soort van toegevoegde waarde zijn, die je je via bepaalde leerprocessen eigen kunt maken. Dat is typisch een verkeerde voorstelling van zaken. Het sociaal-zijn van mensen is gelegen in hun bewustzijn, waarin alles ineen is en alles in alles overgaat. Wanneer dus het bewustzijn, in feite het beeld, als toetssteen geldt voor de voorstelling treedt het sociale aspect vanzelf als iets essentieels op de voorgrond. Als een mens dan al iets zou moeten leren is het niet het sociaal-zijn, maar het individu-zijn! .

Voor meer info zie bladwijzers: sociaal-1 , sociaal-2 , sociaal-3 , sociaal-4

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 56.

We hebben gezien dat de werkelijkheid als beeld de maat is voor de voorstelling, en ook dat dit beeld een universele zaak is en bijgevolg als een absolute maat kan gelden. Dit nu is gemakkelijk voor misverstand vatbaar, en zal dus gegarandeerd door een modern denkend iemand die dit leest misverstaan worden. Zo iemand zal namelijk menen dat een dergelijke absolute maat in een formule uitgedrukt kan worden en vervolgens aan de mensen afgedwongen. Je komt dan terecht bij de beruchte categorische imperatief van Immanuel Kant, die de mensen toeriep: Du sollst. Kant en met hem menig ander denker - kwam tot de conclusie dat de mensen gedwongen moeten worden het goede te doen. Het staat vast dat zoiets afgeleid zal worden uit de uitspraak dat het beeld de maat is. Dat ligt namelijk geheel in de lijn van het westerse denken: de geschiedenis laat zien dat men steeds normen heeft geformuleerd en heeft geprobeerd de mensen een moraal af te dwingen. Tot op de dag van vandaag is men daarmee bezig! Op de een of andere wijze zijn ideologieën altijd terug te brengen tot vage vermoedens omtrent de werkelijkheid als beeld en logischerwijs gaat dit vergezeld van het vermoeden met iets absoluuts van doen te hebben. Iets dus dat boven de mensen uitgaat en daardoor gehoorzaamheid afdwingt.

De uitspraak het beeld is de maat houdt volstrekt niet in dat het beeld ook als de maat te stellen zou zijn.

Daarvoor zijn twee redenen aan te geven. Ten eerste is daar het feit dat het beeld een beweeglijke werkelijkheid is, voortdurend in zichzelf veranderlijk en op zichzelf niet kenbaar. Er is dus geen enkele mogelijkheid die zaak in formules en dus in een moraalstelsel vast te leggen. Er is dan ook geen mogelijkheid er een ideologie van te maken en die vervolgens aan anderen op te leggen. Ten tweede het volgende: de werkelijkheid als beeld is te ervaren aan de voorstelling, zij spiegelt zich daaraan af. Dit betekent dat de ervaring van het beeld een persoonlijke zaak is. Iedereen heeft immers zijn eigen voorstelling van de werkelijkheid! Weliswaar lijken, binnen een bepaald cultuurgebied, al die voorstellingen erg op elkaar, maar toch zijn er geen twee gelijk. Gevolg is dat de afspiegeling van de werkelijkheid als beeld bij een ieder in zijn eigen sfeer geschiedt en qua afspiegeling nooit hetzelfde is. Voor een ieder is de ervaring van het beeld anders, maar, let wel: het is steeds een gevarieerde afspiegeling van de echte werkelijkheid, het is steeds de echte werkelijkheid als persoonlijke sfeer.

Opvallend is dat het merendeel van de westerse denkers, als zij nadenken over de toekomst van de mensheid, hun aandacht concentreren op de werkelijkheid als voorstelling. Zij hopen en verwachten dat een voor alle mensen gemeenschappelijke voorstelling met zoveel mogelijk overeenkomstige factoren de redding voor de mensheid zal zijn. Die idee berust op de 19e eeuwse misvatting dat het rationele wetenschappelijke denken, waarin twee keer twee onmiskenbaar vier is, tot zo'n eenheidsvoorstelling zal leiden en dat daarmee de onenigheid onder de mensen verdwijnt. Inderdaad is er een sterke overeenkomst tussen de voorstellingen van de individuele mensen ontstaan, maar ook is intussen gebleken dat de verschillen er niet minder om zijn geworden. Het essentiële punt is dan ook niet de overeenstemming, maar het verschil. De voorstellingen kunnen niet anders dan verschillend zijn - dan moet je ook niet willen dat dit niet het geval zou zijn en streven naar een soort van gelijkschakeling van alle mensen, wat trouwens een oude en verfoeilijke droom van elke machthebber is...

Ook wat dit betreft is de kunst een goed voorbeeld: elke kunstenaar geeft de werkelijkheid aan de hand van zijn eigen voorstelling gestalte. Er zijn dan ook geen twee kunstwerken eender, maar wel spiegelen zij - als het goed is - allemaal precies dezelfde universele werkelijkheid af. En een ieder zal onmiddellijk beamen dat het onzinnig is de kunst te willen gelijkschakelen, wat overigens ook, heel kenmerkend, de wens van alle dictatoriale machthebbers is! Voor de creatieve filosofie geldt het bovenstaande ook. Omdat ook de filosoof zijn waarheid ontleent aan datgene dat zich aan zijn voorstelling afspiegelt zal zijn betoog onvermijdelijk afwijken van dat van andere filosofen. Een eenduidige filosofische taal is ten enenmale Ondenkbaar, maar wel zal het steeds over dezelfde werkelijkheid gaan, als je tenminste met filosofie in de ware zin des woords te doen hebt. En dit houdt onmiddellijk in dat er geen filosofische discussie mogelijk is. Je kunt je slechts zo goed mogelijk op de hoogte stellen van een filosofisch verhaal en daartoe is de filosoof verplicht zijn gedachtegangen zo helder mogelijk te verwoorden.

Omdat het afspiegelen van het beeld bij een ieder een eigen sfeer oproept en dus in geen geval tot het opstellen van voorschriften aanleiding kan geven, is het ook niet mogelijk dat er een bepaalde moraal als de maat gesteld wordt.

In feite is er helemaal geen moraal, maar dat wil niet zeggen dat mensen niet moreel kunnen zijn. Juist het voor een ieder persoonlijk maatgevend zijn van de werkelijkheid als beeld maakt van de mens een moreel wezen. Dat is een wezen dat er op let de werkelijkheid niet te verbreken, omdat die maatgevende werkelijkheid een zaak van ineen-zijn is. Het niet willen verbreken van de werkelijkheid is echter heel iets anders dan het niet mogen verbreken. Het begrip mogen verwijst naar een voorschrift en dus naar een uitwendig gezag of een uitwendige macht. Daarop stoelt de moraal. Maar moreel-zijn is een zaak van eigen samenvallen met de werkelijkheid. Het is dus een zaak van jezelf-zijn. Als en voor zover een mens zichzelf is zal hij trachten het geheel niet te verbreken. Iemand die zo leeft is een moreel mens en van zo iemand is te zeggen dat hij of zij goed is. Maar juist omdat dit goede geldt kunnen er fouten gemaakt worden, en zo’n fout komt neer op het verbreken van het geheel. Als en voor zover een mens zichzelf uitgeleverd heeft aan zijn eigen voorstelling en het met zijn bewustzijn, ervaarbaar als beeld, op een akkoordje gooit geldt voor hem dat de werkelijkheid verbroken is. Dan heeft het begrip fout geen zelfstandige betekenis meer, de inhoud ervan beperkt zich tot het overschreden hebben van een bepaalde, in de maatgevende moraal vastgelegde, grens. Je maakt dan een fout als je te ver gaat. De inhoud van dat begrip fout is een betrekkelijke, het is maar net hoe er op een zeker moment tegen een bepaalde kwestie aangekeken wordt. Morgen kan dat weer anders zijn: het is je verboden om iemand te vermoorden, maar onder omstandigheden wordt het zelfs van je verwacht en ben je strafbaar als je weigert. Wanneer een goed mens een fout maakt is de oorzaak daarvan gelegen in zijn voorstelling. Het afspiegelen van het beeld is alleen maar dan zo zuiver mogelijk als de voorstelling optimaal overeen komt met de echte werkelijkheid, dus als er zoveel mogelijk verwantschap is tussen beeld en voorstelling. Een voorstelling die niets gemeen heeft met het beeld kan ook niets afspiegelen. De voorstelling moet dan ook zo dicht mogelijk tegen de feiten aanliggen en daarbij spreekt het vanzelf dat die feiten doormiddel van de wetenschap getoetst moeten zijn. Dat behoef je overigens niet zelf te doen, kennisname van die feiten is voldoende.

Bladwijzers: KANT – zie nrs. 01 , 02 , 03 , 04 , 05 ;

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 57.

Alleen een goed mens kan een fout maken. Dat is het geval als zo'n mens zich vergist en de zaak, ondanks zijn bedoeling het goed te doen, verkeerd uitpakt. Maar in een verkeerde wereld kan een mens eigenlijk geen fout maken omdat alles fout is. Als men dan toch van een fout spreekt gaat het er doorgaans om dat men te ver gegaan is. Er worden grenzen getrokken en men moet daarbinnen blijven, hetgeen betekent dat er geen wezenlijk verschil is tussen datgene dat binnen die grens blijft en datgene dat er buiten ligt. En het is altijd maar de vraag waar de grens op een bepaald moment getrokken wordt, zodat een bepaald gedrag de ene dag getolereerd wordt en de andere dag veroordeeld.

Het maken van fouten door een goed mens kan alleen maar veroorzaakt worden door een storing in de voorstelling. Daaraan is het immers dat het beeld zich afspiegelt. Nu kan het volgende met die voorstelling aan de hand zijn: hij kan, ten eerste, niet helemaal duidelijk zijn, of, anders gezegd, de voorstelling kan niet zo erg zelfbewust zijn.

Hij is altijd inhoud van de werkelijkheid als zelfbewustzijn, maar de duidelijkheid daarvan is gradueel. Bij de een is de zaak wat duidelijker dan bij de ander. Ten tweede kunnen er blinde vlekken in de voorstelling voorkomen. Het is ondenkbaar dat je voorstelling inderdaad alles omvat en dat alles je even duidelijk voor de geest staat. Steeds weer zul je op zaken stuiten waarmee je geen persoonlijke ervaring hebt of waarvan je niet via mededelingen van anderen kennis hebt genomen. Anders gezegd: je kunt niet overal verstand van hebben. De werkelijkheid is volkomen onvoorspelbaar zodat het niet uit kan blijven dat je op gezette tijden voor iets komt te staan dat onduidelijk voor je is of iets waarvan je de kennis ontbreekt. Je gaat dan fouten maken, maar die fouten tasten het gelden van de werkelijkheid als beeld niet aan en dus kun je zeggen dat je wereld goed blijft.

In het bovenstaande gaat het over de voorstelling voor zover die een statisch karakter heeft, en dus de voorstelling voor zover die vastgelegd is. Maar, er is ook nog een dynamisch aspect aan de werkelijkheid als zelfbewustzijn, en dat aspect is bepalend voor het afspiegelen van het beeld. Een eenzijdig statische voorstelling, die te vergelijken is met een onbeweeglijk plaatje, kan helemaal geen spiegeling met het beeld teweeg brengen. Je kijkt er dan tegenaan als tegen een muur, je kunt er niet doorheen kijken, geen doorzicht verkrijgen. We zeggen dan dat iemand een plaat voor zijn kop heeft. Het afspiegelen kan dan ook alleen maar optreden als de voorstelling ook nog dynamisch, beweeglijk, is. Die beweeglijkheid is bij de afzonderlijke mens een kwestie van aanleg en bij de mensheid een kwestie van ontwikkeling - niet te verwarren met beschaving. Je kunt dat ook aan de praktijk constateren. Je ziet namelijk dat elke volgende generatie iets losser van moraal is dan de voorgaande. Weliswaar wordt die lossere moraal ook weer vastgelegd, zodat de spiegeling weer wordt opgeheven, maar toch zijn er steeds die momenten van betrekkelijke beweeglijkheid. Die leveren dan een nieuwe, in de praktijk tijdelijke, spiegeling op, en het zijn die momenten van spiegeling die de ontwikkeling van de mensheid bepalen.

De cruciale vraag is dus: in hoeverre is iemand in staat zijn statische voorstelling, min of meer onduidelijk en voorzien van blinde vlekken, beweeglijk te laten zijn, dat wil zeggen, in twijfel te trekken. Van volwassen mensen is te zeggen dat zij daartoe volledig in staat zijn.

Het is zelfs zo dat het het kenmerk van volwassen mensen is dat zij hun voorstelling voortdurend in twijfel trekken, hem vervolgens vast leggen om hem onmiddellijk weer te betwijfelen. Daardoor ontstaat een snelle opeenvolging van momenten van spiegeling. In die zin is het dat de werkelijkheid als beeld, en dus eigenlijk het bewustzijn, als de maat genomen wordt. Als er in die situatie een fout gemaakt wordt heeft die dus betrekking op de voorstelling naar zijn vastgelegde aspect. De daarop volgende spiegeling kan die fout aan het licht brengen.

Het maken van een fout houdt in dat de werkelijkheid voor een moment verbroken wordt. Voor die werkelijkheid geldt, omdat het de werkelijkheid van het bewustzijn is, dat alles ineen is. Dat is het evangelische begrip liefde en in die gedachtegang is het incidentele verbreken van de werkelijkheid het begrip zonde. Opmerkelijk is dat er in de evangelien staat dat je alle zonden vergeven zullen worden, behalve de zonde tegen de heilige geest.

Stellig is hier bedoeld dat een fout geen essentiële betekenis heeft, maar het verkeerd zijn wel. In een verkeerde wereld (dat is een wereld die omgekeerd is, die op zijn kop staat) is de werkelijkheid verbroken. Dat is de situatie van die wereld. Maar in een goede wereld wordt de werkelijkheid incidenteel verbroken (een fout maken) zonder dat dit tot een verbroken werkelijkheid leidt. Trouwens: alleen maar een ongebroken zaak, een geheel of heelheid, kan op een moment verbroken worden, maar in een verbroken zaak heeft het begrip verbreken geen betekenis, behalve deze dat je nog verder kunt gaan met verbreken. En, volgens de dan geldende moraal, kun je ook nog te ver gaan...

De mensen in een verkeerde wereld zeggen steeds dat het niets uitmaakt als je hier en daar steelt, de zaak oplicht, liegt en bedriegt, omdat het toch een rotzooi is. Ongeweten slaan zij daarmee de spijker precies op de kop het maakt niets uit en het is een rotzooi. Vrijwel iedereen scharrelt er maar wat op los. Daarbij proberen zij voortdurend de door henzelf gestelde grenzen te overschrijden, uiteraard in het geniep. Je moet zorgen niet tegen de lamp te lopen. Word je betrapt, dan ben je dom geweest. De werkelijkheid waarin de hedendaagse mensen leven is die van de voorstelling, waarin alles van alles gescheiden is en als zodanig een verzameling vormt. En nu is het zaak zoveel als mogelijk van die verzameling binnen te halen. In feite gaat het er dus om zo ver mogelijk met het verbreken te gaan. Het zal duidelijk zijn dat het stellen van grenzen wel een rem op dat verbrekende gedoe zet, maar het verbreken zelf niet opheft. Het opheffen daarvan is afhankelijk van het moreel-zijn van de individuen. Zoals gezegd gaat het daarbij om het als de maat beseffen van de werkelijkheid als beeld. Populair uitgedrukt: het luisteren naar je geweten.

De voorstelling, voor zover die statisch is, is niet denkbaar zonder gebrekkigheid, en dat wil zeggen: zonder onduidelijkheid en blinde vlekken. Omdat de voorstelling opgebouwd is uit ervaringen, te weten levenservaringen, kenniservaringen en zelfervaringen, moet die gebrekkigheid terug gedrongen worden via die ervaringen. De voorstelling moet zo waarheidsgetrouw mogelijk worden. Om zover te komen is het wetenschappelijk denken het middel bij uitstek. Het is immers dat denken dat zich met de werkelijkheid als voorstelling bezig houdt. Aan de hand van die voorstelling besluit je wat je zult gaan onderzoeken en hoe je dat zult doen en het resultaat daarvan wordt tenslotte op zijn beurt een onderdeel van je voorstelling. Het wetenschappelijk denken is het enige adequate middel dat wij bezitten om de voorstelling betrouwbaar te maken.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 58

Over het trekken van grenzen wil ik nog het volgende opmerken: als men over de verhouding tussen afzonderlijke mensen spreekt wil men daarvoor graag als norm stellen dat ieders persoonlijke vrijheid niet verder gaat dan de grens waar de vrijheid van de ander begint. Dat lijkt een redelijke norm waarmee je het eens kunt zijn, mits je ervan uitgaat dat je met een verbroken werkelijkheid van doen hebt waarin de een de ander in de weg staat. Omdat alles het karakter van verbroken-zijn heeft kun je niet meer doen dan grenzen stellen aan het verbreken.

Bovenstaande uitspraak is daarvan de neerslag en daarvan is te zeggen dat het in een verkeerde wereld een redelijke levenshouding is. In feite echter laat die uitspraak zien dat men wel op de hoogte is van de feitelijke situatie waarin de moderne mensen verkeren, maar dat men geen inzicht heeft in de wezenlijke verhoudingen. Het verbroken-zijn is immers maar een aspect van de werkelijkheid, een voor de mensen tijdelijke fase van de ontwikkeling, en dan ook nog een fase waarin alles op zijn kop staat! Het is dus ook een aspect dat door volwassen enkelingen genegeerd kan worden. Voor die enkelingen is de essentie van het leven niet dat de een van de ander gescheiden is door een grens, maar dat de een in de ander Over gaat, zodat je kunt zeggen: de een is op andere wijze de ander, en omgekeerd. Dat houdt in een volledig jezelf kunnen zijn, in tegenstelling tot de situatie van het door een grens gescheiden zijn, waarbij je levenshouding onvermijdelijk bepaald wordt door de grenzen die de anderen stellen. Dat mag in een verkeerde wereld het uiterste van redelijkheid zijn, in een goede wereld is het een belemmering voor het leven.

Het is zaak de voorstelling zo betrouwbaar mogelijk te laten zijn, opdat de spiegeling aan het beeld effectief kan zijn. Een godsdienstige voorstelling bijvoorbeeld komt zo weinig overeen met de werkelijkheid dat er nauwelijks van enige spiegeling sprake kan zijn. Er valt aan zo'n voorstelling niets te beleven. Hetzelfde geldt voor de moderne beeldende kunst waarin de voorstelling volkomen stukgemaakt is onder invloed van onze analytische cultuur. Die kunst geeft wel een goed tijdsbeeld, namelijk een beeld van een tijd waarin het nergens meer om gaat omdat het geheel verbroken is. Een dergelijke kunst kan wel emoties oproepen, maar geen spiegeling. Bijgevolg ook geen schoonheid, harmonie en samenhang. De echte werkelijkheid is teloor gegaan. Werkelijk kunstenaarschap komt dan ook nog maar zelden voor.

In de moderne bonafide wetenschap neemt men er geen genoegen meer mee als de voorstelling van de werkelijkheid niet zo goed mogelijk klopt. Men is er immers juist mee bezig die voorstelling nauwgezet te onderzoeken! Ondanks die zuivere bedoelingen moeten we toch op enkele zaken letten, teneinde misverstanden te voorkomen. Ik heb er meer dan eens op gewezen dat je er wetenschappelijk niet achter kunt komen hoe de echte werkelijkheid is. Dat komt juist doordat men uitsluitend met de voorstelling bezig is. Die mag dan nog zo waarheidsgetrouw zijn, het is en blijft toch slechts een voorstelling. En nu is het onze cultuur die er voor zorgt dat die wetenschappelijk betrouwbare voorstelling geen verwantschap vertoont met de echte werkelijkheid. De spiegeling met de werkelijkheid als beeld namelijk wordt als zijnde onwetenschappelijk afgewezen. Beeld en voorstelling komen wel in grote mate overeen, zodat er spiegeling zou kunnen zijn, maar men wil er niet aan dat beide met elkaar verwant zijn. Voor zover die verwantschap zich af en toe laat gevoelen wijst men die af.

Het zouden slechts intuïties zijn, gevoelsmatige fantasieën en ongegronde veronderstellingen. Tegelijk is bij herhaling te constateren dat wetenschappelijke ontdekkingen steevast hun oorsprong vinden in buitenwetenschappelijke invallen en vermoedens! En men wil al helemaal geen moment overwegen dat de functie van de wetenschap alleen maar dan zinvol kan zijn als haar toetssteen bij de werkelijkheid als beeld ligt. Dat blijkt heel duidelijk in de technologie. Afgezien van het feit dat de economie de producenten dwingt hun producten beneden de maat te houden, kun je toch niet ontkennen dat die producten als regel goed zijn en functioneren. Toch deugt er iets niet aan de technologie. De planeet raakt steeds meer vervuild. Dat echter komt niet door die technologie zelf, maar door het ontbreken van de spiegeling met het beeld. Zou die spiegeling er wel zijn, men zou de technologische processen in samenhang met het leven laten zijn.

Het onrealistische van de wetenschap ligt dus niet bij haar wetenschappelijke activiteiten als zodanig, maar bij haar functie wat betreft het leven op aarde. Zij kan op zichzelf de waarheid niet boven water krijgen, maar de wetenschappers verkeren in de veronderstelling dat dit wel het geval is. Zij zien hun voorstelling aan voor de echte werkelijkheid. Die fictie is er de oorzaak van dat men zo langzamerhand niet meer weet waarmee men bezig is, een onzekerheid die tegenwoordig steeds meer naar voren komt. Daardoor ontstaan er van allerlei excessen die voor de mensen levensbedreigend zijn, zoals bijvoorbeeld nucleaire en genetische experimenten, vergiftiging van de natuur en rampzalige klimaatveranderingen door het kappen van wouden. ( Toevoeging door (rve): De ontwikkeling van het denken – o.a. [ ECOLOGIE en VERVUILING ] )

Een volgend punt, dat aanleiding kan geven tot verwarring is dit, dat alle wetenschappelijke kennis voorlopige kennis is. Je moet daarbij echter wel bedenken dat die kennis nooit helemaal fout is omdat er altijd onderzoek aan ten grondslag ligt. Het betreft geen beweringen die zomaar gedaan zijn, althans als het over bonafide wetenschappers gaat en niet over academici die het eenmaal opgedane pakket kennis gebruiken om een positie in de maatschappij te veroveren. Het moet dus gaan over zuivere wetenschap. Deze zuivere wetenschap levert het materiaal voor een waarheidsgetrouwe voorstelling, maar het is niet noodzakelijk om je zelf in de wetenschap te bekwamen. Nog afgezien van het feit dat dit onmogelijk is, moet je bedenken dat je de resultaten van het onderzoek toch wel te weten komt. Het ligt namelijk in de logica dat iedereen op zijn wijze wetenschappelijk wordt. In een cultuur die op de voorstelling gericht is neemt iedereen in mindere of meerdere mate kennis van de wetenschappelijke verworvenheden. Eigenlijk zijn wij allemaal wetenschappelijk ingesteld, ons hele doen en laten, de spullen die ons omgeven, de wijze waarop wij problemen te lijf gaan, dat alles heeft een wetenschappelijke grond. Uiteraard speelt het onderwijs daar een belangrijke rol in.

Het gaat dus wezenlijk niet om de hoeveelheid wetenschappelijke kennis die je ter beschikking hebt, maar om de wijze van denken die aan je doen en laten ten grondslag ligt. Die wijze van denken berust al lang niet meer op loze beweringen van profeten, pausen, dominees en mystieke goeroes. Hij berust, direct of indirect, op wetenschap. Bij de wetenschappers zelf leidt dat doorgaans tot een vastgelegde voorstelling die voor de echte werkelijkheid gehouden wordt, maar bij diegenen die er alleen maar zijdelings kennis van nemen blijft er ruimte voor beweeglijkheid en dus spiegeling. Bij die mensen kan de kennis tot een totaalvoorstelling leiden, een algemeen zicht op de realiteit en dat is nu precies wat er nodig is om verwantschap te ervaren met de werkelijkheid als beeld.

Genetische manipulatie - experimenten – Klik op A, B, en C ; DNA-ketens-molecuul – pag. 47 t/m 49 ;  

Bovenkant document

 

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 59.

Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ;

Een wijdverbreid en al eerder door mij genoemd misverstand is dit, dat de mensen van onze cultuur in de mening verkeren dat men in de wetenschap de werkelijkheid als zodanig onderzoekt. En het is waar: men ontleedt en onderzoekt de concrete verschijnselen. Maar het is bovenal waar dat aan zo'n concreet onderzoek een voorstelling van het te onderzoeken object of probleem voorafgaat. Men gaat niet in het wilde weg onderzoeken. Aan de voorstelling merkt men op dat er blinde vlekken zijn en vanuit de voorstelling stelt men een programma van onderzoek op. De voorstelling bepaalt de gehele handelwijze, en ook het resultaat: de werkelijkheid geeft slechts antwoord op de - vanuit de voorstelling - gestelde vragen. In die zin bedoel ik het als ik zeg dat de wetenschap zich bezig houdt met onderzoek van de voorstelling. Het op de voorstelling gerichte denken is door Kantiaans en Hegeliaanse denkers gewoonlijk verstandelijk denken genoemd. Vooral de navolgers van Hegel hadden nogal wat bezwaren tegen dit verstandelijke denken. Zij waren van mening dat het redelijke denken er bovenuit ging en tot getrouwere inzichten in de werkelijkheid zou leiden, reden waarom zij dat verstandelijke denken afwezen. Dat laatste nu is onzin: hoezeer het ook een feit is dat de fixatie op de voorstelling tot vervreemding leidt, je kunt er niet zonder - als je jezelf tenminste niet tot de oermens wilt terugbrengen. Waarom het werkelijk gaat is dit dat er een andere kijk op dat denken komt door het tot zijn recht komen van de spiegeling. Als dat het geval is weten de mensen pas echt waar ze mee bezig zijn. Maar de bezwaren van genoemde denkers zijn op zichzelf niet ongegrond. Het verstandelijke denken levert geen enkel antwoord op als het gaat over de waarheid inzake de werkelijkheid. Heel duidelijk is dat te merken aan de zogenaamde ethiek waarin men er maar geen kans toe ziet het denken in voor en tegen te overwinnen.

Over het algemeen hebben de mensen van de westerse cultuur niet in de gaten dat het bij het onderzoek en dus het verwerven van kennis gaat om de voorstelling. Dat heeft enkele belangrijke gevolgen: ten eerste is men er heilig van overtuigd dat men met de werkelijkheid zelf bezig is en, ten tweede houdt men bijgevolg alles wat op de een of andere manier buiten de voorstelling valt voor onwerkelijk, voor irreëel. Men denkt met hersenspinsels en loze fantasieën van doen te hebben en wijst de zaak zonder pardon af. In feite komt dit er op neer dat men niets wil weten van al datgene dat door de voorstelling heen straalt en zich er aan afspiegelt. Dat valt allemaal buiten het terrein van de wetenschap en is, in een cultuur die op wetenschappelijke wijze op de voorstelling gefixeerd is, zonder meer onzin. Op dit vlak ligt het grote probleem dat creatieve filosofen hebben met vertegenwoordigers van de officiële wetenschap. Daarin worden de resultaten van het creatieve denken volstrekt afgewezen en zelfs te vuur en te zwaard bestreden, terwijl het omgekeerd helemaal niet zo is. Dat creatieve filosofen de wetenschap afwijzen - al worden zij daar wel met regelmaat van beschuldigd! De creatieve filosofen houden het zeer wel voor mogelijk dat bijvoorbeeld het onderzoek naar de elementaire deeltjes tot juiste resultaten leidt. Maar, daar ligt het probleem niet. Het probleem ligt bij het feit dat men niet wil inzien dat die resultaten bepaald worden door de voorstelling en dat de creatieve filosofie, doordat zij zich bezig houdt met datgene dat van de werkelijkheid als beeld doorstraalt, wel eens tot heel andere conclusies zou kunnen komen. En het zijn die conclusies die als onzin worden afgewezen en bestreden.

Ik heb het al meer dan eens gezegd: de filosofie kan wel de wetenschap bevatten, maar de wetenschap niet de filosofie...

Als ik stel dat men al datgene dat door de voorstelling heen straalt zonder meer afwijst, dan wil dat nog niet zeggen dat men zou weten wat men afwijst. Men heeft er absoluut geen notie van om welke werkingen van de werkelijkheid het gaat. Wat men dan ook in de praktijk afwijst zijn de uitspraken die je vanuit die spiegeling doet. Daarom zeurt men over bewijzen die zouden ontbreken. En men vraagt of er vakliteratuur over dat onderwerp voorhanden is, want als je gesteund wordt door het gezag van gerenommeerde geleerden wil men er toch iets anders tegenaan kijken! Maar, die vakliteratuur is er niet, want de wetenschap houdt zich met iets geheel anders bezig. Men heeft daar nog nooit over deze dingen nagedacht. Er bestaat hoogstens literatuur van de hand van andere filosofen, maar die zijn uiteraard al even verdacht. Toch is er een zekere onrust onder de wetenschappers. Zij ontkomen bij tijden niet aan het gevoel dat er iets meer met de werkelijkheid aan de hand is. Dat is er de oorzaak van dat de academische wetenschappen- filosofie zich in een grote belangstelling mag verheugen. Een van de baanbrekers op dat gebied is de filosoof Karl Popper (geb.1902), die een aantal in de wetenschap vastgeroeste veronderstellingen meedogenloos onderuit gehaald heeft - tot grote woede van het wetenschappelijke volk!

Als wij nu zien dat in onze huidige wereld alles wat met het bewustzijn te maken heeft, zoals daar zijn schoonheid, warmte, gemoedelijkheid en dergelijke, steeds meer verdwijnt, dan komt dat niet doordat er voor de voorstelling geen mogelijkheden meer zouden zijn tot spiegeling, maar dan komt dat doordat men in onze cultuur afwijzend staat tegenover, en zelfs wel beangst is voor, alle uitingen en werkingen van de werkelijkheid als bewustzijn. Het is dus een zeer zelfbewuste aangelegenheid, men wijst niet gevoelsmatig af of intuïtief, neen, men doet dat heel bewust, zogezegd bij zijn volle verstand. Het is een wilskwestie: men wil het eenvoudigweg tot geen enkele prijs. Mogelijkheden tot spiegeling (=doorstraling) zijn er te over, omdat de voorstelling zo langzamerhand behoorlijk natuurgetrouw is. Het tot op grote hoogte mogelijk zijn van de spiegeling blijkt in onze wereld ondanks alles aan een aantal zaken. Meer dan ooit beseft bijvoorbeeld het gros van de mensen dat oorlog niet deugt. Dat blijkt enerzijds uit het sterke gevoelsmatige verzet tegen de oorlog er anderzijds uit de bijna lachwekkende behoefte om een oorlog te rechtvaardigen, lachwekkend omdat de leugens zo doorzichtig zijn. Iets dergelijks doet zich voor ten aanzien van de derde wereld en ten aanzien van het milieu. Ook hebben de mensen de behoefte gevoeld om de rechten van de mens te formuleren en als norm op schrift te stellen. Zo zijn er nog veel meer voorbeelden te geven. Je merkt dus op dat dit soort zaken als een probleem herkend worden - wat men er verder over zegt en hoe men er onderuit probeert te komen doet nu even niet ter zake. Het gaat er om dat het herkend wordt, en dat geschiedt naar aanleiding van buiten-wetenschappelijke impulsen. Het gehele complex van buiten-wetenschappelijke impulsen fungeert wezenlijk als een onderstroom in de westerse wereld. Het is zelfs niet alleen een ondergrondse, maar vooral ook subversieve tegendraadse beweging. Dat geldt in feite ook voor de moderne creatieve filosofie. Je kunt stellen dat de Europese filosofie na Hegel, dus ruwweg sinds de helft van de 19e eeuw, ondergronds is gegaan, in die zin dat zij nog vrijwel uitsluitend aanspreekt bij diegenen die niet tot de wetenschappelijke of maatschappelijke bovenlaag behoren. Die filosofie kan dan ook niet anders dan heel bewust niet-academisch zijn.

Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ;

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 60.

Inzake de creatieve filosofie zijn nog een paar opmerkingen te maken. Als je namelijk constateert dat die filosofie ondergronds is gegaan word je er benieuwd naar over welke filosofen het dan wel zou kunnen gaan. Maar, je kunt alleen maar namen noemen als je die filosofen persoonlijk kent, of toevallig enkele van hun manuscripten in handen hebt gekregen - ze treden immers niet op de voorgrond via de thans gebruikelijke media! Door die tamelijk grote onbekendheid is het moeilijk en gevaarlijk een oordeel te geven omdat je nauwelijks over informatie kunt beschikken. Een enkel goed voorbeeld kan ik wel geven: de Nederlandse filosoof Jan Borger (1888-1965), die zijn leven lang op eigen gelegenheid cursussen gegeven heeft, niet op academische wijze voor een geschoold publiek, maar hardop filosoferend voor een ieder die het horen wilde. Iets dergelijks, maar dan voor een wat meer intellectueel gehoor, deed Krishnamurti (1895-1986), die inderdaad wel een grote bekendheid heeft gekregen, maar stellig niet doordat de vak filosofen hem zo bewonderden! Het is best mogelijk dat er toevallig op het ogenblik niemand op die manier bezig is: louter denkend, zonder gebruik te maken van de kennis waarover wij menen te beschikken en zonder ook maar een enkele vooronderstelling in stand te houden. Alleen al op grond van dit laatste is wel met zekerheid te stellen dat het er in ieder geval maar weinig zullen zijn.

Het ondergronds gaan van de creatieve filosofie kan op twee manieren uitgelegd worden: je kunt de nadruk leggen op de omstandigheid dat er voor zo'n filosofie geen belangstelling is en dat de zaak daardoor niet aan bod kan komen. Feitelijk is dat wel juist, je krijgt als creatief filosoof inderdaad geen poot aan de grond. Niemand is bereid je een leerstoel aan te bieden en je werken uit te geven. Mentaal is het echter niet juist. De tweede uitleg is dan ook deze dat zo'n filosoof helemaal niet in een dergelijke belangstelling wil komen te staan omdat hij zelfs de suggestie wil vermijden dat hij tot het wetenschappelijke wereldje zou behoren. Vanuit zijn filosofie weet hij dat hij volstrekt niets met de wetenschap te maken heeft (al denkt hij wel over de wetenschap na), en hij weet ook dat zijn wijze van denken noodzakelijk strijdig is met de huidige cultuur en het daarbij behorende gereglementeerde denken. Zijn ondergronds zijn is dus een gevolg van zijn eigen inzicht in de werkelijkheid en daarom streeft hij niet naar erkenning. Wie zou hem trouwens moeten en kunnen erkennen? Maar, als dat, door een samenloop van omstandigheden, toch zou gebeuren zou dat onvermijdelijk ten nadele van de filosofie zijn. Ze zou in het gangbare denken verworden tot een mode- verschijnsel en daarmee zou haar wezenlijke inhoud verloren gaan. Dat is tot op zekere hoogte het geval met de filosofie van Krishnamurti: velen hebben hem aangehoord en hem geciteerd zonder er ook maar iets van begrepen te hebben...

Het afwijzen van de creatieve filosofie door de huidige denkers is niet iets dat uit onwetendheid voortkomt. Dat wil zeggen: men is wel onwetend over de inhoud van die filosofie, maar men weet tegelijkertijd heel bewust wat men afwijst. Voor zover men er per ongeluk mee in aanraking komt beseft men onmiddellijk dat het over een denken gaat dat alle waarden vernietigt en dat dus in de meest letterlijke zin levensbedreigend is.

Het gezaghebbende denken wordt, met zijn resultaten, op zijn minst twijfelachtig, alsmede alles wat op het ogenblik voor de wereld en haar bewoners uitgedacht, geregeld en nagestreefd wordt. De maatschappelijke status op grond van kennis vervalt zonder meer en de onderlinge verhoudingen tussen de mensen zijn niet meer op macht te baseren.

In feite dondert onze gehele maatschappij in elkaar en dat is niet iets waarnaar men uit zit te kijken! Dus: hoewel men niets weet over de inhoud van zo'n filosofie voelt men onbewust aan dat men er verre van moet blijven, en vervolgens verwijst men heel bewust die hele filosofie naar de vuilnisbak. Daartoe heeft men argumenten te over, die in het algemeen hier op neerkomen dat er in die filosofie niets bewezen wordt! En ook het ontbreken van wetenschappelijke status wordt graag - doorgaans in bedekte termen - als argument gebruikt.

De moderne westerse mens is de mens die zich zelfbewust toelegt op zichzelf als voorstelling. Die mens is er alles aan gelegen om die voorstelling in stand te houden. Deze mag uiteraard wel verfijnd en bijgesteld worden, maar hij mag niet, onder invloed van de doorstraling van de werkelijkheid als beeld, wezenlijk veranderen. Er mag geen sprake zijn van een ander inzicht in de werkelijkheid. Je kunt dat zelfs in de praktijk opmerken: als er, door de niet tegen te houden doorstraling, een nieuw wetenschappelijk idee ontstaat doet men alle mogelijke onwetenschappelijke moeite dat idee de grond in te boren, en dat met het excuus dat zo'n idee net zo lang bestreden moet worden totdat niemand er meer onderuit kan. Dat lijkt een waarborg voor de kwaliteit van zo'n nieuw idee, maar in wezen berust de zaak op een bijna hysterische angst dat men zijn vat op de werkelijkheid zal verliezen. De voorstelling is voor die moderne mens immers de werkelijkheid!

Er is een drietal cruciale momenten op de weg die de mensheid gaat om volwassen te worden. Het eerste moment is uiteraard het verschijnen van de mens op aarde. Uit verhalen achteraf blijkt dat het een paradijselijk moment was. Er was een verschijnsel te voorschijn gekomen dat op geen enkele wijze overeen kwam met de op allerlei manieren voor het leven toegeruste planten en dieren. Men heeft de mens dan ook een onschuldig wezen genoemd, een onbeschreven blad dat absoluut niet op het overleven ingesteld was, maar dat tegelijkertijd over een uniek vermogen beschikte: het vermogen om tot weten te komen, op grond van de aanwezigheid van een voorstelling van de werkelijkheid. Het tweede cruciale moment treedt op als de voorstelling zich uitgebreid heeft tot de gehele gevormde werkelijkheid. Als dus de werkelijkheid als vorm in de voorstelling is komen te liggen. Dat betreft de werkelijkheid zoals ze er uitziet en wij kennen dat als het evangelische moment in de cultuurgeschiedenis: de mens ziet hoe de werkelijkheid is. De Grieken uitten dat in de schone vorm van de Afrodite en de Apollo en in het schoonste begrip dat denkbaar is, namelijk het liefdesbegrip. Het was de tijd van de zieners, die zelfs in de gaten hadden dat de werkelijkheid als vorm zou gaan vervallen bij de verdere ontwikkeling van de mens. Doordat zij de werkelijkheid als vorm kenden ondergingen zij een sterke doorstraling van het beeld, zodat zij een diep inzicht hadden. Tegen die doorstraling op zichzelf voelden zij geen weerstand omdat zij juist tot de werkelijkheid als vorm waren gekomen via die doorstraling, dus via het laten gelden van het bewustzijn.

Daarom was het hen al die eeuwen te doen geweest. Het derde cruciale moment breekt aan als de mens de werkelijkheid naar haar structuur heeft leren kennen en deze in de voorstelling ligt. Dat wil niet zeggen dat de mensen dan van alle dingen alles afweten, maar het wil zeggen dat de mensen in staat zijn alles effectief te onderzoeken, omdat in principe alles onderzocht is. Dat betekent niet dat men dan iets van de beweeglijkheden af weet: men heeft immers alleen maar het samengestelde verschijnsel onderzocht.

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 61.    Armoede-1 ; Armoede-2 ; Armoede-3

Allereerst een algemene opmerking: je moet onderscheid maken tussen enerzijds de begrippen mens of mensheid en anderzijds de mensen. In het eerste geval gaat het over de werkelijkheid voor zover die haar eigen slotakkoord opgeleverd heeft. Je spreekt dan over de mens of over de mensheid als een geheel. Maar als je het over de mensen hebt doel je op de verzameling van afzonderlijke verschijnselen, en je calculeert daarbij in dat die verzameling in zichzelf gevarieerd is en wel op een zodanige wijze dat er geen twee mensen aan elkaar gelijk zijn. Bovendien vertoont dat gehele complex van variaties een soort van glijdende schaal die grofweg hier op neer komt dat de mensheid in zichzelf gevarieerd is van nauwelijks zelfbewust naar optimaal zelfbewust. Je kunt ook zeggen: het gaat van dof naar helder. En dat is het geval op elk moment dat de mensheid er is. Steeds vertegenwoordigen de mensen een variatie van de glijdende schaal van dof naar helder. Als het nu gaat over de essentie van een bepaald cultuurmoment ligt de verhouding zo dat zo'n essentie voor alle tot dat moment behorende mensen geldt, maar dat die essentie slechts bij de meer zelfbewuste mensen op enigerlei wijze voor de dag komt. Bij het gros van de mensen is het niet meer dan een vaag besef dat zich soms op psychologische wijze laat gevoelen. Zo is het zien hoe de werkelijkheid is tijdens het tweede cruciale cultuurmoment in de praktijk zelfbewust aanwezig in maar weinig mensen, maar als een soort van sfeer is die zaak steeds aanwezig.

Op een zeker moment lag de werkelijkheid als vorm in de voorstelling van de mens. Een aantal begaafde mensen kon toen zien hoe de werkelijkheid is. Zij gaven daarvan uiting in hun beelden (Afrodite en Apollo) en hun verhalen (sommige filosofieën en de evangelische verhalen). Doordat de werkelijkheid naar haar vorm helder in de voorstelling lag was er ook een optimale doorstraling van de werkelijkheid als beeld. Het beeld werd zuiver afgespiegeld aan die heldere voorstelling en was eigenlijk zelfs een realiteit. Men sprak dan ook van een andere werkelijkheid als iets dat concreet aanwezig was. Over die werkelijkheid wist men van alles te vertellen, maar men wist niet hoe die zaak in elkaar steekt. Men zag een samenhangend en schoon geheel waarvan men de inhoud niet kende. De schone en zuivere vorm is natuurlijk wel mooi om te zien, maar je kunt er niet doorheen kijken. Zij is ondoorzichtig. Bijgevolg ging men naar de inhoud ervan vragen en dan zie je dat er een begin is van natuurwetenschappen en filosofie. Opmerkelijk is daarbij dat men de uitgangspunten voor die wetenschap en filosofie zocht in onderdelen van die gevormde werkelijkheid: de elementen lucht, water, aarde, vuur en dergelijke en ook, wat later en wat meer in de prille westerse sfeer, in de ondeelbare materie (het atoom).

Voor de mens van het derde cruciale moment liggen de zaken heel anders. Hij beschikt niet over een voorstelling die zuiver laat zien hoe het is, maar over een verzameling snippers, die weliswaar betrouwbaar zijn en waarvan hij ook de onderlinge relaties kent, maar die geen geheel vormen waaraan hij kan zien hoe het is. Het is alsof hij een heleboel stukjes van een legpuzzel in handen heeft, maar niet weet tot welk plaatje die samengevoegd zullen moeten worden. De grillige omtrek van die stukjes geven hem wel aanwijzingen over de relaties (hoe passen die stukjes in elkaar), maar het gehele plaatje ontbreekt. Je kunt stellen dat de stukjes steeds betrouwbaarder worden en tegelijkertijd worden zij almaar kleiner. Op grond van die betrouwbaarheid kan het beeld zich in principe afspiegelen aan die stukjes, maar op grond van dat versnipperd-zijn wordt het toch geen beeld dat samenhangend en helder is.

De mens van het derde cruciale moment kent nu wel de structuur, maar daar doorheen straalt geen beeld. Het mag dan ook geen wonder heten dat er inzake de werkelijkheid een toenemende verwarring heerst en dat er steeds minder mensen zijn die nog met een idee of met inzicht komen. Naast de wetenschappelijke rijkdom staat een inzichtelijke armoede. Men weet werkelijk niet meer waarover het gaat en alle bestuursbesluiten zijn een slag in de lucht, terwijl de aan die besluiten ten grondslag liggende kennis redelijk betrouwbaar is.

Toch gebeurt er iets met die mens van het derde moment. De verzameling stukjes en relaties wordt gaandeweg in zichzelf meer aan verandering onderhevig. Hoe kleiner die dingen worden, hoe meer de zaak van statisch naar dynamisch transformeert. In de maatschappij zie je dat dynamisch worden ook, de zaak komt in zichzelf in beweging. De oude statische verhoudingen lossen zich op, verliezen hun vastgelegd-zijn en maken plaats voor variabele verhoudingen. Dat leidt natuurlijk tot een almaar groter verlies aan houvast, maar ook tot een grotere doorzichtigheid van de voorstelling. De vroegere ondoorzichtigheid gaat vervallen. Dat leidt er niet toe dat de werkelijkheid als beeld zichtbaar wordt - er is immers niets te zien - maar het leidt ertoe dat het beeld zichtbaar gemaakt kan worden, door namelijk alle aanwezige elementen met hun onderlinge relaties samen te voegen, op te bouwen tot een voorstelling.

We hebben dus met het volgende te maken: er is de verzameling van stukjes en hun relaties; er is het dynamisch worden van die zaak en er is het doorzichtig worden ervan. Op grond van deze drie factoren kan de mens van het derde moment zijn nieuwe voorstelling samenstellen en deze tegelijkertijd toetsen aan het dan doorstralende beeld van de werkelijkheid. Je kunt stellen dat die mens zijn werkelijkheid als voorstelling in zekere zin reconstrueert, haar zelf opnieuw opbouwt door al zijn kennis te integreren. Nu echter niet naar het hem goeddunkt, zoals hij dat deed toen hij nog niet voldoende wist en de zaak nog niet dynamisch was, maar op onzelfzuchtige wijze volgens de werkelijkheid als beeld. Het komt er nu dus op neer dat we te doen krijgen met de mens die zijn eigen werkelijkheid opbouwt en die dat zelf, geheel op eigen kracht, doen moet. Daarbij kan hem geen blauwdruk voor ogen staan omdat de werkelijkheid als beeld op zichzelf niet zichtbaar is. Pas achteraf, als hij iets samengesteld heeft, kan hij toetsen aan het beeld. Het is dus een zaak van proberen, vergissen en opnieuw proberen, precies zoals de natuur tijdens de evolutie van het leven te werk is gegaan.

Als je nogmaals de mens van het tweede moment vergelijkt met die van het derde moment, dan kom je tot de volgende opmerkelijke ontdekking: de mens van het tweede moment kreeg eigenlijk alles zomaar aangeboden; daar ontstond zomaar de werkelijkheid als vorm in de voorstelling, weliswaar na een betrekkelijk lange tijd van voorbereiding, maar toch zo dat die mens er zelf niets aan behoefde te doen. De zaak was met recht aan de kinderen geopenbaard - de kinderen omdat het hen zomaar gegeven was en geopenbaard omdat de zaak zomaar zonder meer zichtbaar was. De mens van het derde moment echter, dus de mens die zich voorbereidt om volwassen te worden, moet aan de slag. Hij moet de zaak opbouwen, samenstellen en daarbij voortdurend toetsen. Hij heeft dus in zekere zin een opgave. Nu reeds kun je aan de moderne mensheid constateren dat de mensen zoeken naar wegen om tot een goede wereld te komen en dat dit gepaard gaat met een steeds sterker besef dat de mensen dit zelf moeten doen. In dit verband is de vraag interessant of de filosofie hierin een rol kan spelen.

Armoede-1 ; Armoede-2 ; Armoede-3

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

Eerste Beweger-1 ; Eerste Beweger-2 ; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2

 

No 62.

De analyse van de werkelijkheid gaat niet verder dan de bouwsteen van het heelal, de aan alles ten grondslag liggende, drie brandpunten omvattende, meest eenvoudige verschijningsvorm van de materie. De mens van het derde cruciale cultuurmoment treft in zichzelf een voorstelling aan die in principe versnipperd is tot een verzameling bouwstenen en relaties tussen bouwstenen. Dat geldt evenwel in principe omdat het helemaal niet nodig is dat al het bestaande tot die elementaire toestand teruggebracht is. Het gaat er om dat men aan de weet is gekomen dat de werkelijkheid uit bouwstenen bestaat, wat er voor die bouwstenen geldt en hoe een samenstelling van bouwstenen in stand gehouden wordt. Dat laatste wil zeggen: hoe het zit met de relaties. Als de mensen dat allemaal weten kennen zij in principe elk verschijnsel. Hierbij passen echter twee opmerkingen. Ten eerste: de mens van dat derde moment komt vanuit zijn cultuur denken niet tot de ontdekking dat de werkelijkheid een spel van beweeglijkheden is. Hij zal dan ook geen verklaring kunnen geven voor de aanwezigheid van de bouwsteen en voor het karakter ervan. Hij kan niet meer doen dan die zaak als een gegeven aanvaarden. In de praktijk is dat geen bezwaar, eigenlijk zijn de beweeglijkheden niet zo interessant, behalve voor die filosofen die serieus naar de oergrond van de werkelijkheid vragen. Voor hen is het nadenken over de systemen van beweeglijkheden wel van belang, al was het alleen maar om te kunnen begrijpen en eventueel te kunnen vertellen dat de werkelijkheid zichzelf vormt en hoe dat in zijn werk gaat. Kennis alleen maar van de bouwstenen immers beantwoordt vragen naar een schepper, een superintelligentie of een eerste beweger niet. Alleen het nadenken over de beweeglijkheden kan op dergelijke vragen een antwoord geven en dus alle mogelijke godsdienstige, religieuze of anderszins mystieke ideeën ontzenuwen. Ten tweede: de bouwsteen is op zichzelf niet te vinden. Hij kan op den duur slechts theoretisch afgeleid worden uit waargenomen, uiterst ijle en fundamentele verschijnselen. Men komt dan tot een enkelvoudige universele theorie die vanuit de theoretische bouwsteen alle verschijnselen kan verklaren.

Dat de bouwsteen op zichzelf niet te vinden is wordt veroorzaakt door het feit dat alle waarnemingsapparatuur ook uit diezelfde bouwstenen bestaat zodat er geen onderscheid meer is tussen datgene dat waarneemt en datgene dat waar te nemen is. Bij het vervallen van dat onderscheid is er geen waarneming meer mogelijk.

De westerse mens is de mens die begint met het opbouwen van een nieuwe wereld. Vanaf het moment dat die westerse mens zich van zichzelf bewust begon te worden, namelijk vanaf het tijdperk van de Verlichting halverwege de 18e eeuw, heeft hij zich beijverd om de wereld te verbeteren. Maar inderdaad kon hij niet meer doen dan hier en daar verbeteringen aanbrengen. Het was hem niet mogelijk een goede wereld te bouwen en nog steeds gelukt dat niet. Van belang is echter dat, met het wakker worden van de westerse mensheid, het besef sterker werd dat er voor de mensen een opgave is. Dat besef is een juist besef en ook is juist dat die opgave niet beperkt blijft tot de morele aspecten van het menselijk leven - wat nog wel het geval was voor de mensen van het tweede cruciale moment - maar wel degelijk het praktische leven betreft. Er moet letterlijk een wereld opgebouwd worden! Men is daarmee sinds de Verlichting ijverig aan de gang gegaan, maar doordat er nog steeds geen mogelijkheid is om het opgebouwde effectief te toetsen aan de werkelijkheid zelf, in plaats van aan particuliere belangen, is er in feite nog niet veel van terechtgekomen.

Dat wil zeggen: de zaak is beperkt gebleven tot deelgebieden die onderling geen samenhang vertonen.

De moderne mens wordt in zijn streven naar een betere wereld gestimuleerd vanuit twee richtingen. De belangrijkste daarvan is deze dat hij beseft dat de wereld goed moet worden en vervolgens deze dat hij telkens weer en steeds duidelijker bemerkt dat het niet lukt op de manier waarop hij tot nu toe bezig is. Dat laatste leidt ertoe dat die moderne mens gaandeweg zijn vertrouwen verliest in zijn eigen gedoe, althans voor zover dat gedoe gericht is op de opbouw van een wereld. Gaat het over het onderzoek van de materie en over de ontwikkeling van de technologie, dan blijkt dat de mensen daarin weer wel vertrouwen hebben - afgezien van de terechte angst voor levensbedreigende toepassingen. Maar het vertrouwen in de opbouw als zodanig verdwijnt steeds meer. Op zichzelf is dat verklaarbaar, maar die verklaring wordt voorlopig nog niet als juist aanvaard. Men kan zich niet indenken dat de oorzaak van de mislukking gelegen is in de voorstelling die men heeft van een goede wereld.

De vraag hoe een goede wereld er uit zou moeten zien is een vraag die niet te beantwoorden is. Niemand kan van tevoren weten over welke kennis en mogelijkheden de mensen straks zullen beschikken. Ook kan niemand van tevoren weten hoe de natuurlijke toestand van de planeet straks zal zijn, misschien verandert de stand van de aardas wel weer! Allerlei ontwikkelingen en veranderingen zijn niet te voorspellen en dus is er geen enkel model voor een toekomstige goede wereld te ontwerpen. Wel is te zeggen dat er een aantal begrippen tot zijn recht zal moeten komen, begrippen als individu, maatschappij en samenleving. En voor dat tot zijn recht komen is nodig dat er voldoende communicatie en informatie is. Maar het gaat nu letterlijk over het opbouwen van een wereld en dan lenen de genoemde begrippen zich niet voor het ontwerpen van een blauwdruk.

Hoe je er ook tegenaan kijkt, een blauwdruk van een goede wereld is niet te maken. Maar dat is nu net wel datgene waarmee de moderne mensen voortdurend bezig zijn!

Tot nu toe gaat alles doelgericht en de norm daarvoor is uiteraard gelegen in de werkelijkheid als voorstelling. Men stelt zich de zaak voor, maakt een blauwdruk en gaat vervolgens aan de slag. Tijdens dat gehele proces zijn de resultaten bepaald door en gebonden aan die voorstelling en dus ook aan de kennis van het moment waarop die blauwdruk gemaakt werd. De zaak is dan onvermijdelijk al bij voorbaat achterhaald. Zou het gelukken hem toch te realiseren, dan is er iets ouderwets tot stand gekomen dat helemaal niet meer voldoet. Het is een gedateerde zaak en daaraan is met geen mogelijkheid te ontkomen. Bovendien: wiens blauwdruk wordt gerealiseerd en wie maakt uit dat het juist die moet zijn? We hebben toch te doen met een mensheid van zelfstandige, gelijkwaardige en zelfbewuste mensen. Dan is er van tevoren geen voor iedereen bevredigend model te maken. Steeds zal een aantal individuen niet aan hun trekken komen en onmogelijk zichzelf kunnen zijn. Hoe dan ook: op die manier kan geen goede wereld opgebouwd worden. En, er komt nog iets bij: het gaat om een beweeglijke zaak van levende mensen en die is op geen enkele wijze in een blauwdruk vast te leggen.

De werkelijke toetssteen voor een goede wereld is echter niet de voorstelling, maar de werkelijkheid als beeld. Die werkelijkheid laat zich kennen als er al iets tot stand gebracht is - zij spiegelt zich daaraan af. Het heeft derhalve geen enkele zin, en het is zelfs fout, om van tevoren een ontwerp te maken. De toetsing kan alleen maar achteraf geschieden tijdens het opbouwen. En dat opbouwen is een flexibele zaak.

Eerste Beweger-1 ; Eerste Beweger-2 ; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2

 

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 63. ( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)

Voor meer info zie bladwijzers: sociaal-1 , sociaal-2 , sociaal-3 , sociaal-4

 

Als je het verhaal over het opbouwen van een nieuwe wereld vertelt aan mensen die bevangen zijn in het gangbare denken, komen er steevast reacties in de geest van: het is allemaal idealisme, het zijn maar fantasieën, en er valt niets te bewijzen. Bovendien is men van mening dat de mens slecht is en dat je hem hoogstens af kunt leren zich als zodanig te gedragen, en dat zou dan een vrijwel onmogelijke opgave zijn. Het grootste struikelblok is echter dat de groei naar volwassenheid in zijn laatste fase alleen maar via de mens als individu, de mens als ik, gedacht kan worden. Men kan dan geen andere conclusie trekken dan deze dat er tenslotte alleen nog maar egoïsten zullen zijn. Die conclusie beseft men als onmenselijk en dus zullen er regels gesteld moeten worden en leerprogramma's opgezet om dat resultaat te vermijden. Er moet een verandering in de mentaliteit tot stand gebracht worden, in die zin dat de mens geleerd moet worden om sociaal te zijn en bereid om zich bepaalde opofferingen te getroosten: ze moeten leren ook eens aan een ander te denken! Het bovenstaande geeft in het kort weer wat je te horen krijgt als je het over het opbouwen van een nieuwe wereld hebt. Daaruit blijkt dat men niet alleen het verhaal niet begrijpt, maar, wat erger is, totaal geen begrip heeft van zichzelf als mens, en daarmee van de gehele werkelijkheid.

Het grote verschil tussen het tot nu toe gebruikelijke opbouwen en het toekomstige van de volwassen mens is hierin gelegen dat in het eerste geval de voorstelling de maat is en in het tweede geval het beeld. Nu is er wat dit laatste betreft een probleem. Het beeld is namelijk niet kenbaar zonder een voorstelling. Er moet eerst iets zijn wil er spiegeling kunnen optreden. De oplossing voor het probleem is dit, dat bij het gebruikelijke opbouwen de voorstelling van hoe het worden moet vastgelegd is. Daarvan mag niet afgeweken worden. Maar bij het volwassen opbouwen is de voorstelling beweeglijk en daardoor wordt die niet gekenmerkt door hoe het worden moet (blauwdruk of model), maar door hoe doe je het. Dat is het geval juist doordat de spiegeling met het beeld maatgevend is. Het gaat nu niet om een blauwdruk of een model, maar om wat je zou kunnen noemen een paradigma, iets wat letterlijk als een voorbeeld werkt. Dat voorbeeld dwingt je tot almaar toetsen tijdens je gedoe. De weg waarlangs is de maat, in tegenstelling tot het onvolwassen gedoe waarbij het doel de maat is.

De gerealiseerde blauwdruk levert een resultaat op dat staat in het teken van het verleden. Het is bij voorbaat al gedateerd. Dat is voortdurend het geval in de technologie voor zover het gaat om producten die aan de man gebracht moeten worden. Men houdt geregeld ontwikkelingen tegen omdat men nu net een programma opgezet heeft volgens een andere, eigenlijk al ouderwetse, methode. In feite loopt men steeds achteraan, ondanks alle mooie ontwerpen. Vooral bij overheden is dat kenmerkend. Het is dan ook onvermijdelijk dat overheden conservatief zijn en dat de dienaren ervan voortdurend de mensen in de weg lopen. Het gaat er nu niet om dat die overheden tot op zekere hoogte de mensen beletten zich te misdragen. Wat dat betreft zijn overheden eigenlijk nog op hun best omdat zij het zich eenzijdig doorzetten van enkelingen reguleren. Nu gaat het echter om de pretentie van overheden de zaak te besturen, hetgeen wil zeggen: te leiden naar een goede wereld. Die pretentie kunnen zij niet waar maken. Als de individu zichzelf uit gewikkeld heeft, waarmee hebben wij dan te doen? Hebben wij dan een super-egoïst?

Neen, daarmee hebben wij dan niet te maken. Tot een dergelijke conclusie komen alleen diegenen die geen begrip hebben van de mens en de werkelijkheid. Zij denken dat de mens is zoals hij zich op een bepaald moment vertoont. Zo vertoont de ons bekende individu zich als een rover en een moordenaar die alleen maar zichzelf als ik wil bevestigen. Maar zo is de mens niet! Zo is hij tijdelijk, gedurende de uitwikkeling tot individu. Maar als dat proces straks achter de rug is heeft hij zich waargemaakt als niets meer en niets minder dan het slotakkoord van de werkelijkheid. Als zodanig is hij er dan, en dan vertegenwoordigt hij begrippen die gelden voor het samenhangende geheel dat de werkelijkheid is. Hij is dan geen egoïst, maar juist het geheel waarbinnen alles tot zijn recht kan komen. Juist als hij de uitgewikkelde individu is verbreekt hij de werkelijkheid niet, laat zich niet als rover en moordenaar gelden. Als voor hem geldt dat het hem uitsluitend om zichzelf gaat houdt dat in dat het hem om de werkelijkheid gaat. In feite is het natuurlijk de werkelijkheid zelf die stelt dat het haar om haarzelf gaat. Dan is verbreken onmogelijk geworden.

Voor die volwassen individu ligt er geen voorstelling van een toekomstige wereld vast. Voor hem geldt letterlijk: we zullen wel zien.

Dat betekent niet dat hij de dingen maar op zijn beloop laat, neen, het betekent in dit verband juist dat hij niets verwaarloost, dat hij alles doet wat zijn hand vindt om te doen. In de kwaliteit van de werkelijkheid zelf kan hij niets verwaarlozen. Alles moet tot zijn recht komen en terecht zijn. Dat is dus volkomen in strijd met al datgene dat men gewoonlijk over de toekomstige mens beweert en ook met datgene dat men afleidt uit het filosofische verhaal zoals ik dat beschreven heb. Men begrijpt niet dat in het filosofische verhaal alle mensen ingecalculeerd zijn, dat zij allemaal meedoen in een nieuwe wereld, ongeacht hun speciale aanleg en eigenaardigheden. Tot nu toe zijn alle mensen helemaal niet inbegrepen. Slechts diegenen tellen mee die nuttig zijn. Dat betekent dat de werkelijkheid verbroken wordt, uiteraard op grond van een waardeoordeel. Het begrip nut in een volwassen wereld heeft daarentegen slechts betekenis in het licht van de samenhang en verliest daarmee zijn verbrekende karakter. Het geldt wel, maar op een andere manier, het geldt binnen een andere context, namelijk die van de samenhang.

Het begrip samenhangend nut geldt voor de individuele volwassen mens.

Niemand kan een algemeen geldende betekenis aan dat begrip geven. Voor de een is dit nuttig en voor de ander dat. Maar juist omdat elk volwassen individu op zijn wijze de werkelijkheid zelf is krijgt het begrip nut zijn alomvattende betekenis: wat voor mij nuttig is is vanzelf zinvol voor het geheel. Het zinvol zijn voor het geheel berust dus niet op een afweging, je vraagt je niet af of iets ten aanzien van het geheel verantwoord is. Het is immers automatisch verantwoord als het voor jezelf verantwoord is, omdat je, in die volwassen situatie, de werkelijkheid zelf bent. In die situatie behoeft iemand die verantwoording niet geleerd te worden - dat is niet te leren en niemand kan het een ander leren. Maar voor zichzelf leert de individu het wel, maar dat geschiedt via de weg van het proberen, zich vergissen en het opnieuw proberen. En hij kan dat doen omdat hij voor zichzelf stelt: we zullen wel zien. De volwassen individu is de werkelijkheid die zichzelf opbouwt en verzorgt.

Het gaat hem dus uitsluitend om zichzelf. Dat is overigens altijd al het geval geweest met de mensen, alleen weten zij lange tijd niet wat dat begrip zichzelf betekent en inhoudt, en daardoor beginnen zij met alles naar zich toe te halen. Dat echter levert desondanks de benodigde kennis op om de nieuwe wereld op te bouwen...

Voor meer info zie bladwijzers: sociaal-1 , sociaal-2 , sociaal-3 , sociaal-4

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 64

Voor het opbouwen van een nieuwe wereld moeten de mensen zowel kennis als materiaal ter beschikking hebben. Die kennis valt uiteen in praktische kennis: weten hoe je iets moet doen, en theoretische kennis: weten waarom je iets doet zoals je het doet. En wat de materialen betreft kun je bijvoorbeeld denken aan de kunststoffen, die bijna eindeloze toepassingen mogelijk maken. We kunnen nu wel laatdunkend doen over die materialen, soms terecht in verband met de vervuiling van het milieu, maar het blijft een feit dat zonder die materialen geen enkele moderne ontwikkeling mogelijk is. Van een plank kun je geen schrijfmachine maken!

Het zich doorzetten van het verwerven van betrouwbare kennis vangt aan ten tijde van de Verlichting en daaraan komt onmiddellijk mee dat men ging proberen bruikbare materialen te maken. Dat hangt allemaal samen met het steeds sterker wordende besef dat de mens zichzelf een opgave moet stellen omdat een goede wereld niet vanzelf ontstaat, maar gemaakt moet worden. Op het ogenblik is nagenoeg iedereen ervan overtuigd dat dit moet. Je ziet dan ook dat de leiders van deze wereld voortdurend bezig zijn een nieuwe wereld te ontwerpen. Uiteraard nemen zij daarbij hun eigen vastgelegde voorstelling als de maat en denken bijgevolg uitsluitend aan hun eigen belangen. Zij hebben daardoor een wereldorde voor ogen waarnaar je niet behoeft uit te kijken. Om de kwaliteit van die wereldorde gaat het nu echter niet, het gaat er om dat men er mee bezig is en dat dit over de gehele wereld het geval is. Je moet bij dit soort zaken er op bedacht zijn dat wij doorgaans van de zogenaamde vooruitgang alleen maar goede dingen verwachten. Heel vaak echter brengt die vooruitgang grote rampen, misdadigheid, wanorde en vertwijfeling met zich mee.

Bovenkant document

De behoefte om een nieuwe wereld op te bouwen is een zelfbewuste zaak. Dat wil niet zeggen dat iedereen dit bewust weet, maar het wil zeggen dat het voortkomt uit en geleid wordt door de werkelijkheid als zelfbewustzijn. Dat vertoont zich op deze manier dat zo ongeveer iedereen het er over heeft zonder echt te weten waarover men het heeft. Men spreekt van en werkt aan een nieuwe wereldorde en heeft tegelijkertijd geen flauw idee van de betekenis daarvan zodat men niet verder komt dan het najagen van eigen belangen zoals die af te leiden zijn uit de eigen vastgelegde en maatgevende voorstelling. Omdat dit een zelfbewuste aangelegenheid is laat hij zich gelden in de mens als individu, zodat je kunt zeggen: de mensen zijn er concreet mee bezig. Zodoende geschiedt het opbouwen van de wereld doormiddel van het bewust nemen van besluiten op grond van keuzen. Je kunt niet meer, zoals in de oudheid en nog lange tijd in Europa, spreken van een ontwikkeling die domweg plaats vindt - het is een ontwikkeling op grond van keuzes en besluiten. Een individueel mens, jij of ik, kan namelijk ook een andere keuze maken en besluiten daarnaar te handelen. Of hij een dergelijke keuze maakt en waarom hij dat eventueel doet is een andere zaak, in ieder geval kan het omdat een mens alles kan ontkennen, op alles nee kan zeggen. Over het algemeen besluiten de moderne mensen echter om er ja op te zeggen, ondanks alle terechte ontevredenheid over de gang van zaken en de resultaten.

Bovenkant document

De mens kan dus een keuze maken. Dat wil echter niet zeggen dat er voor hem, cultureel gesproken, op den duur nog een keuze is. Het ligt in de lijn van het ontwikkelingsproces dat de moderne mensen er niet onderuit kunnen op zelfbewuste wijze een begin te maken met het opbouwen van een menselijke wereld.

Wie besluit om daaraan niet mee te doen, hetgeen iets anders betekent dan niet meedoen met het najagen van particuliere belangen er het handhaven van onhoudbare voorstellingen en toestanden, gaat in feite tegen de ontwikkeling in. Dat houd je niet lang vol! Hoewel dus ieder individu voor zichzelf nee kan zeggen omdat hij een keuze kan maken, kan de individu in zijn algemeenheid geen nee zeggen. Er valt voor de moderne mens niets te kiezen.

Het opbouwen van een nieuwe wereld is sinds de Verlichting een zelfbewuste, algemeen geldende, zaak geworden. Op slapend zelfbewuste wijze was dat proces echter al lange tijd aan de gang. Met het zich doorzetten van de West-Europese mens na het tijdperk van de Romeinse overheersing is het opbouwen eigenlijk al begonnen. Dat bracht met zich mee dat de afzonderlijke mensen begonnen hun wereldje op te bouwen en dat tezamen met anderen uit te breiden tot dorpen, steden en tenslotte zelfs staten. Tegelijk daarmee kreeg de arbeid steeds meer betekenis. Dat immers is het omzetten van een natuurlijke wereld tot een menselijke wereld! In de oudheid lag deze zaak heel anders. Uiteraard deden de mensen in het dagelijkse leven wat er te doen viel: een huisje bouwen, de akker bewerken, brood bakken, gereedschap maken, schepen bouwen en dergelijke. Maar daarom ging het qua cultuur niet, het ging om het verheerlijken van de werkelijkheid, met als gevolg tempels, piramides en paleizen. En uiteraard ook kunstwerken en versieringen. Alles stond in het teken van het hogere. Dat is geheel iets anders dan het opbouwen van een wereld, een wereld van individuele mensen!

In het kerstverhaal, zoals wij dat nog aantreffen in de bijbel, wordt gesproken over Jozef, die een timmerman zou zijn geweest. Dat zou een oninteressante mededeling zijn, ware het niet dat in de oorspronkelijke tekst vermeld staat dat hij een wereldbouwer was. Het is uiteraard niet goed meer na te gaan wat men daarmee precies bedoelde, maar als je de betekenis van genoemd verhaal in de gaten hebt en het dan ook nog beziet in het verband van de toenmalige denkbeelden is het zeker dat toentertijd het besef ontwaakte dat de mens zich als bouwer van een wereld moest gaan laten gelden. Je kunt dus constateren dat er een omslag in de wereldbeschouwing en het denken opgetreden was en dat men in was gaan zien - het was een tijd van zieners - dat er voor de mens, met betrekking tot de wereld, iets te doen is. Ongeveer in diezelfde tijd begon Plato zich af te vragen wat er aan de staat te bedenken valt en hoe die opgebouwd zou moeten worden.

Eigenlijk komt, wat betreft het opbouwen, alles neer op kennis. Inderdaad heb je ook materiaal nodig, maar ook het verkrijgen daarvan berust op kennis. Dat is ook het geval met nog een andere voorwaarde, namelijk de aanwezigheid van communicatie. Het is trouwens ook zo dat de mens, bij zijn verschijnen op aarde, over niets anders beschikt dan over zijn vermogen om kennis te vergaren. De mens kan niets zonder kennis van zaken, hij bezit geen enkel natuurlijk programma om te overleven en hij moet letterlijk alles leren. Het is dan ook daarmee dat hij onmiddellijk een begin maakt. Aanvankelijk behoudt hij de verworven kennis voor zichzelf en gebruikt haar om zijn eigen wereld op te bouwen, maar er komt een moment dat hij tot de ontdekking komt dat dit eigenlijk helemaal niet gaat. Dat is het moment dat de andere mensen hem dit beletten, op grond van het feit dat zij precies hetzelfde willen.

Dit moment is essentieel voor het doorbreken van het inzicht dat er aan een gemeenschappelijke wereld gewerkt moet worden. Zolang dit moment nog niet aangebroken is, en dat is nog steeds het geval, gaat de eigen particuliere wereld voor alles, maar opvallend is daarbij dat men het steeds meer doet voorkomen of men ter wille van de gemeenschap bezig is: de werkgever die schijnheilig over werkgelegenheid praat...

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 65

Voor meer info zie bladwijzers: sociaal-1 , sociaal-2 , sociaal-3 , sociaal-4  

Zolang de mens als individu nog niet bij zichzelf is terechtgekomen kan de ander nog niet bij hem terecht. En zolang dit nog niet over de gehele wereld het geval is komt er eigenlijk van niemand iets terecht, noch van de kapitalist voor wie het zichzelf zijn nog helemaal particulier is, noch van de slachtoffers aan wie alles ontnomen wordt. Intussen is het opbouwproces al wel begonnen en het blijkt dat dit een succes is, in die zin dat het inderdaad gelukt om de wereld geheel naar menselijk inzicht op te bouwen. Denkende aan de onvoorstelbare ellende die dit opbouwen voor steeds meer mensen teweegbrengt ben je geneigd van een mislukking te spreken, maar zo kun je de zaak toch eigenlijk niet stellen. Er spelen hier twee factoren een rol: ten eerste de kwantitatieve factor, namelijk het opbouwen zelf en daarvan is te zeggen dat dit mogelijk is gebleken, en ten tweede de kwalitatieve factor waarvan te zeggen is dat die nog steeds niet aan bod is gekomen, zodat hij ook niet mislukt kan zijn. Er is nog helemaal geen poging gewaagd een wereld voor elkaar te bouwen - nog altijd wordt er een wereld voor mijzelf gebouwd. Toch is er al wel het besef dat je voor elkaar moet opbouwen, vandaar dat de meest zelfzuchtige economische en politieke programma's gerechtvaardigd worden doormiddel van een beroep op iets sociaals: de werkgelegenheid, de staatsveiligheid, de volksgezondheid en dergelijke. Het begrip voor elkaar wordt gebruikt als vlag om de zelfzuchtige lading te dekken. Dat wijst er dus op dat het al wel tot de mens als individu door gaat dringen dat aan hemzelf de ander terecht moet zijn. Let op: het begrip voor elkaar is geen collectief begrip: van mij, als individu, gaat uit dat de ander ook individu is, zodat datgene dat voor mij geldt ook voor hem van kracht is. Bij een collectief begrip gaat het niet van mij uit, maar van het collectief en dan kan ik de ander niet tot zijn recht laten komen. Mislukken vooronderstelt dat er een goede poging gewaagd is. Zo zal de beginnende volwassen mens gegarandeerd voor heel wat mislukkingen komen te staan en genoodzaakt zijn opnieuw te beginnen. Maar elke stap die hij zet is bedoeld om voor en met elkaar een goede wereld op te bouwen. Die stap wordt niet vanuit een overheid of iets dergelijks gezet, maar vanuit de individuele mens: jij en ik zijn daarmee bezig. Overheden, en dus collectieven, kunnen zulke stappen niet zetten omdat zij per definitie individu-ontkennend zijn.

Nog even een opmerking inzake het filosofische nadenken over datgene dat een bepaalde cultuur zoals de onze vertoont. Ik houd daarbij, ditmaal als voorbeeld, het nadenken over het thema opbouwen aan. Het blijkt namelijk dat er qua nadenken twee wegen te begaan zijn. De eerste weg berust op de kijk die je op de werkelijkheid hebt. Die kijk wordt gekarakteriseerd door het doorstralen van de werkelijkheid als beeld. Die werkelijkheid spiegelt zich aan je voorstelling van de realiteit af en dan zie je dat het tot nu toe bij het opbouwen steeds om zelfzuchtige eigenbelangen gaat. Je ervaringen van je eigen zien overtuigen je ervan dat zelfzucht de drijfveer is. Lang niet iedereen toetst zijn voorstelling aan de werkelijkheid als beeld. Maar diegene die dat wel doet ontdekt aan zijn ervaringen hoe het zit - in ons voorbeeld met het opbouwen van een nieuwe wereld. Naast de weg van de aan het beeld gespiegelde ervaringen is er, ten tweede, ook nog de weg van de redenering. Wat betreft het opbouwen ga je dan na welk aspect van de werkelijkheid in de westerse wereld tot ontwikkeling komt en hoe die ontwikkeling noodzakelijk moet verlopen.

Je ontdekt dat het om de individu, de mens als ik, gaat en je leidt daaruit vervolgens af dat die individu aanvankelijk particulier is (zelfzuchtig) om tenslotte, als hij eenmaal bij zichzelf terecht is gekomen, sociaal te zijn.

In het kort: je komt dan aan de weet hoe het zit met zijn opbouwen van een wereld. Je weet dan al bij voorbaat dat dit opbouwen geen sociaal karakter kan hebben, niet goedbedoeld kan zijn, en dat alle fraaie verhalen noodzakelijk leugens moeten zijn, hetgeen niet betekent dat hier van bewuste kwaadwilligheid gesproken mag worden - velen zijn echt goedwillend, zonder evenwel te weten hoe het zit. Als je langs deze weg nadenkt blijkt het helemaal niet noodzakelijk om een zo groot mogelijk aantal ervaringen op te doen. Je bent dan nauwelijks afhankelijk van de zogenaamde feiten, die trouwens toch steeds verdraaid worden.

Zoals gezegd gaat het altijd om kennis. Het vermogen om kennis te vergaren is de enige gave waarover de mens bij zijn verschijnen op de planeet beschikt. Doormiddel van die gave moet hij zien te overleven en tenslotte een menselijke wereld te bouwen. Echter, die kennis staat niet op zichzelf. Zij hangt samen met de werkelijkheid als voorstelling, die er op haar beurt weer is op grond van een complex van begrippen die voor de werkelijkheid in haar laatste moment gelden. Het is de werkelijkheid die tot kennis omtrent zichzelf komt. Dat is een werkelijkheid die in zichzelf samenhangend is, berustend op het begrip ineen-zijn, en die in zichzelf gestructureerd is als een netwerk van relaties, berustend op het begrip uiteen-zijn. Dat betekent dat kennis niet opgesloten blijft in het brein van diegene die haar verworven heeft, maar medegedeeld wordt aan anderen. Zonder dat mededelen zou de mensheid nimmer iets geleerd hebben. Het verwerven van kennis leidt onmiddellijk tot het tot stand brengen van communicatie, van kennisoverdracht. Die communicatie op zichzelf is een zaak van relaties, in de communicatie komen de relaties tot hun recht. Het is de verbinding tussen de een en de ander, voor zover die zich manifesteren in het teken van het uiteen zijn. Het uitbreiden van die verbindingen is tegenwoordig volop aan de gang. Vrijwel de gehele wereld is al via communicatie kanalen te bereiken. De samenhang echter is in onze huidige wereld minder duidelijk zichtbaar, hetgeen te begrijpen is als je bedenkt dat de ontwikkeling tot individu onvermijdelijk verbrekend werkt ten aanzien van de samenhang. Toch zijn er tekenen die er op wijzen dat een (onbewust) besef van samenhang almaar sterker aan het worden is. Je kunt daarbij bijvoorbeeld denken aan het groeiende algemene medegevoel met de mensen van de derde wereld. En de wetenschap van de ecologie wijst in die richting. Je ziet verder ook dat men, in tegenstelling tot vroeger, bereid is zogenaamd onontwikkelde volkeren ook als mensen te beschouwen. Hoe dan ook, op ondergrondse wijze zet het besef van samenhang zich gestaag door en daarin speelt uiteraard de verbeterde communicatie een belangrijke rol. Maar de essentie van de samenhang is het ineen-zijn zoals dat in de werkelijkheid naar haar laatste mogelijkheid tot realiteit geworden is.

De voorstelling, opgebouwd doormiddel van kennis, het voor de voorstelling op zichzelf geldende uiteen-zijn dat aanleiding geeft tot het tot stand brengen van communicatie, het zich aan de voorstelling afspiegelende beeld dat tot een besef van samenhang leidt op grond van het ineen-zijn, dat hele complex van begrippen vormt de essentie van en de drijfveer voor de menselijke activiteiten. In de moderne wereld komt die hele zaak aan bod, aanvankelijk ter bevrediging van de particuliere zelfzucht, maar tenslotte met de bedoeling een nieuwe wereld op te bouwen. De daarvoor benodigde kennis kost niets, zij laat zich onbelemmerd aan iedereen mededelen zonder dat er iemand armer van wordt!

Voor meer info zie bladwijzers: sociaal-1 , sociaal-2 , sociaal-3 , sociaal-4

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 66.   Armoede-1 ; Armoede-2 ; Armoede-3

Het opbouwen van een nieuwe wereld is in feite het arbeidsproces waarin de mens de bij zijn verschijnen aangetroffen werkelijkheid omzet tot zichzelf, er een werkelijkheid van en voor mensen van maakt. Van dat proces is het opbouwen de laatste en zelfbewuste fase. Het omzetten geschiedt nu vanuit het denken, in tegenstelling tot vroeger toen het min of meer onbewust, bij wijze van een bepaald gevoel of besef, tot uiting kwam en nog uitsluitend in het teken van het Overleven stond. Maar, het feit dat het zelfbewust is betekent niet dat men weet waarmee men bezig is: de alsnog onvolwassen individu is nog louter voor zichzelf bezig. Eerst de volwassen individu weet dat het niet om hemzelf als particulier maar om de wereld gaat. Intussen is het toch zo dat het zelfbewustzijn bezig is eigen verhoudingen te realiseren en dat is een zaak die via het denken verloopt en die afhankelijk is van kennis. Maar niet kennis zonder meer. Je kunt onder andere ook kennis afleiden uit de filosofische spiegeling met het beeld. Hoewel de filosofie op zichzelf geen kennis vak is kan datgene dat zij boven water brengt door anderen als kennis opgevat worden en als zodanig bestudeerd volgens een leerproces, zoals dat tegenwoordig met de voortbrengselen van de filosofie gedaan wordt. Voor het opbouwen van de wereld is die filosofische kennis echter van geen (direct) belang, het gaat nu zuiver om kennis zoals die door analytisch wetenschappelijk onderzoek van de werkelijkheid verkregen is. Nu het echter om deze kennis blijkt te gaan dringt de vraag zich op hoe het hiermee zit, temeer omdat inmiddels steeds duidelijker wordt dat deze kennis tot een almaar grotere verwarring en versnippering leidt. Met de toename van de hoeveelheid en de kwaliteit van de wetenschappelijke kennis neemt het inzicht in de werkelijkheid in gelijke mate af. Men weet nu al nauwelijks meer waar men mee bezig is, de wereld vervuilt en de armoede neemt alleen maar toe. Bovendien is het onmogelijk geworden om op de hoogte te zijn van alle beschikbare kennis, dus: hoe wil je ze toepassen?

Het groeiende besef dat de mensen hun wereld zelf op moeten bouwen heeft geresulteerd in de gedachte dat de wereld maakbaar zou zijn. Die gedachte heeft postgevat sinds de Verlichting, in de loop van de 18e eeuw. Zoals gezegd is deze gedachte op zichzelf juist, maar omdat men vanuit geheel verkeerde ideeën denkt en er een verkeerde uitwerking aan geeft kun je die gedachte toch beter verwerpen. Men gaat aan de gang vanuit voorstellingen die opgebouwd zijn aan de hand van op een bepaald moment aanwezige kennis. Dan wordt er een plan opgesteld en uitgevoerd. Maar, je hebt je dan overgeleverd aan een voorstelling van de toekomst die enerzijds geen ruimte voor nieuwe en onverwachte ontwikkelingen meer bevat - het moet zo en zo worden - en die anderzijds berust op verouderde informatie die geldig geacht werd op het moment van het plannen- maken. Dat die informatie verouderd is ligt in de aard van de wetenschap besloten. Het ligt immers in haar bedoeling het morgen beter te weten. Daarom is al haar kennis voorlopige kennis. Je kunt daaraan niet ontkomen en dit gaat zelfs zover dat je niet eens kunt weten Of bepaalde kennis juist is. Het feit dat de juistheid voortdurend bevestigd wordt (het principe van de herhaling) zegt niets over de juistheid. Het maakt die kennis hoogstens betrouwbaar en bruikbaar. Hoe dan ook, het resultaat is onvermijdelijk een wereld die achter blijft bij haar eigen mogelijkheden. De ontworpen toekomstbeelden zijn gebaseerd op het verleden. Het is de paradox van alle utopieën dat zij messianistisch zijn, dat wil zeggen: gericht op de toekomst, maar gegrond in het verleden.

Onze conclusie moet dus zijn dat op deze manier de wereld helemaal niet maakbaar is en er zelfs alleen maar onleefbaarder van wordt, onderworpen aan een dwingende organisatie en reglementering.

De belangrijkste reden evenwel waarom het gangbare begrip maakbaarheid onhoudbaar blijkt is gelegen in het karakter van de analyse zelf. Dat bepaalt namelijk de geaardheid van de verworven kennis. Door de analyse komt een grote hoeveelheid kenniselementen (data) vrij die allemaal onafhankelijk van elkaar aanwezig zijn. Tegelijk komen er relaties tussen die elementen voor de dag, maar die zijn in zoverre vertekend dat zij afhankelijk zijn van de gevolgde analytische methode en dus van onze eigen voorstelling. Bij de ene methode zal een relatie tussen twee data er anders uitzien dan bij de andere. Maar het belangrijkste is dat de samenhang die voor een complex van data geldt, volkomen in het niets verdwenen is. De hele zaak hangt als los zand aan elkaar. Dat zou nog niet zo erg zijn als je, vanuit het analytische denken, tot de ontdekking kon komen dat je iets kwijtgeraakt was, maar door het onmeetbare, niet in waarden uit te drukken, karakter van de samenhang mis je haar na de toepassing van de analyse niet eens. Vanuit dat analytische denken zul je er dan ook nooit naar zoeken en daarmee vervalt de mogelijkheid om die data, die kenniselementen, te gebruiken voor het opbouwen. Het wordt nimmer een samenhangend geheel, en dus geen goede nieuwe wereld.

Hoe zit het nu wel met dat opbouwen en met die daarvoor benodigde kennis?

Als eerste moet je dan bedenken dat voor die zaak de ontwikkelde, volwassen individu onontbeerlijk is. Voor elk van die individuen is de wereld mijn wereld en omdat dit voor iedereen geldt leidt dit ertoe dat het begrip onze wereld van kracht is geworden. De gehele wereld is zowel van jou als van mij. Omdat het over volwassen mensen gaat is de leidraad in en voor die gezamenlijke wereld gelegen in de echte werkelijkheid, namelijk die van het bewustzijn. En dat manifesteert zich in de spiegeling tussen voorstelling en beeld. Als die spiegeling met het beeld als de maat genomen wordt vervallen de vaste voorstelling en het vastgestelde plan en dat maakt het mogelijk dat alle op zichzelf staande kenniselementen als vanzelf op hun plaats vallen. Omdat zij steeds gespiegeld worden aan de werkelijkheid als beeld komen zij vanzelf in samenhang te verkeren. Op grond van de beweeglijk geworden voorstelling, waarin de data in samenhang zijn, wordt het nu mogelijk een goede wereld op te bouwen en daarbij alle kennis zinvol te gebruiken. Bij dat zinvolle gebruik behoort dat de kennis nu niet langer achterhaald is en dat haar voorlopige karakter geen belemmering meer vormt, juist omdat het steeds kennis van nu is en omdat ook die voorlopige kennis haar betrouwbaarheid aan de spiegeling, de toetsing aan het beeld, ontleent.

Er is tegenwoordig steeds meer discussie over de zogenaamde ethiek van de wetenschap. Men gaat beseffen dat de analytische wetenschap op zichzelf tot vernietiging leidt en op grond daarvan wil men gaan reglementeren naar ethische normen. Men zoekt naar een wetenschap van de ethiek die maatgevend zou moeten zijn. Maar zo'n wetenschap is onvermijdelijk ook analytisch en gebonden aan dezelfde wijze van denken. Een antwoord is daarvan dus niet te verwachten. Het gaat in feite echter helemaal niet om een wetenschap, het gaat om toetsing met de echte werkelijkheid.

Het gaat niet om wetenschap, maar om inzicht! Je moet zien hoe de werkelijkheid is, met als gevolg dat alle kennis op zijn plaats ligt. In een wereld waarin dat het geval is zijn armoede, onrecht, vervuiling en verwaarlozing ondenkbaar, niet omdat men vindt dat er wat aan gedaan moet worden, binnen redelijke grenzen, zoals dat thans het geval is, maar omdat onze wereld zo helemaal niet zijn kan.

Armoede-1 ; Armoede-2 ; Armoede-3

 

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 67.    Armoede-1 ; Armoede-2 ; Armoede-3

Voor meer info zie bladwijzers: sociaal-1 , sociaal-2 , sociaal-3 , sociaal-4

Het opbouwen van de wereld is al geruime tijd aan de gang. Aan dat opbouwen is voorondersteld dat de mens als individu wakker is geworden - het gaat immers om een wereld van vrije, zelfbewust aanwezige mensen en niet om een wereld van aan een collectief onderworpen mensen. Maar, de mens als individu begint met een fixatie op zichzelf als particulier. Voor zover aan die individu meekomt dat hij de wereld gaat opbouwen is dat om te beginnen een particuliere zaak en daarmee is het een zaak die eigenlijk verkeerd is. Verkeerd opbouwen is echter ook opbouwen en dat is wat je tegenwoordig dan ook om je heen ziet gebeuren. Het proces zet zich al in als de juiste gesteldheid nog niet bij de mensen aanwezig is. Daardoor lopen tot nu toe alle pogingen op niets uit, of eigenlijk: zij lopen in armoede en vervuiling uit. Om op te bouwen moet je materiaal hebben en om daaraan te komen moet je de gegeven werkelijkheid afbreken. Dat geschiedt via het verwerven van kennis doormiddel van de wetenschappelijke analyse. Die analyse gelukt steeds beter, maar het opbouwen heeft, door het alsnog ontbreken van spiegeling met het bewustzijn, in feite slechts negatieve gevolgen: elk opbouw-resultaat staat tegenover toegenomen armoede en vervuiling.

Veel denkers komen met betrekking tot een nieuwe wereld slechts tot een romantisch verhaal. Daarin worden de negatieve factoren buiten werking gesteld en alleen de als positief beoordeelde ingecalculeerd. Dat buiten werking stellen gebeurt door de een of andere vorm van moeten, van dwang, in te voeren: de mensen moeten socialer worden, meer bij elkaar betrokken, minder egoïstisch, enzovoort. Kortom, men buigt gewoon de realiteit om teneinde het zogenaamd positieve geloofwaardiger te maken. Daarin speelt het geloof dat de mensen iets zouden kunnen leren, volgens de thans in zwang zijnde leerprocessen, een sterke rol. Men gelooft dat mensen kunnen leren sociaal te zijn en dergelijke. Bij andere gelegenheden heb ik uitvoerig aangetoond dat een mens van alles kan leren, behalve die kwaliteiten die gegrond zijn in de werkelijkheid als bewustzijn. (Voor meer info zie bladwijzers: sociaal-1 , sociaal-2 , sociaal-3 , sociaal-4 )  Het romantische verhaal is een fictie en vaak zelfs een leugen omdat onbewust of bewust de werkelijkheid verbogen wordt met de bedoeling een bepaalde voorstelling van een toekomstige wereld geloofwaardig te maken. Opvallend is overigens dat in dergelijke voorstellingen de macht centraal staat.

Je kunt je afvragen waar het heen moet met de wetenschap. De mens en de natuur verdwijnen er uit om plaats te maken voor chemische en elektrische systemen die eventueel naar believen veranderd kunnen worden. Die vragen echter hebben in wezen geen betrekking op de wetenschap als zodanig, maar op de wijze waarop men die wetenschap beoordeelt. Men beoordeelt haar vanuit onvolwassen particulier belang en ten gevolge daarvan is zij bedreigend voor de mensen en de natuur.

Het gaat nu echter over een wetenschap die als menselijke activiteit nog niet terecht is gekomen. Haar werkelijke betekenis wordt nog niet gezien. Die werkelijke betekenis ligt in haar functie in het opbouwen van de wereld. Dat vooronderstelt dat de verworven kennis begrepen wordt in samenhang met de werkelijkheid zoal die kenbaar is via de spiegeling van de voorstelling met het beeld.

Al vaak heb ik er op gewezen dat de door wetenschappelijk onderzoek verkregen kennis onzeker is omdat het in de verwachting ligt dat we het morgen beter, of misschien wel anders, zullen weten. Je weet zeker dat de kennis steeds zuiverder wordt. Zij is gebonden aan de tijd: op dit moment denken wij dat iets zo en zo zit.

Deze onzekerheid van de kennis blijft gelden, ook als de mensen straks volwassen zijn. Dus ook de voor het opbouwen benodigde kennis behoudt haar onzekere karakter, je kunt nooit weten of je kennis juist of onjuist is. Dat heeft niets met domheid of beperktheid te maken - zo is het karakter van wetenschappelijk verworven kennis. Bijgevolg kom je daarmee niet verder dan uitproberen in welke situaties zij met succes controleerbaar en toepasbaar is. Waarom het bij de wetenschappelijk verworven kennis gaat is niet de vraag of zij al dan niet juist is, maar of zij betrouwbaar wordt gevonden. In een onvolwassen mensheid ligt het criterium voor betrouwbaarheid bij het aantal vakgenoten dat, na de zaak zelf gecontroleerd te hebben, tot dezelfde conclusie komt. Zo'n controle houdt niet alleen in dat men precies hetzelfde onderzoek gaat doen (bevestigend), maar ook dat men gaat proberen tegenonderzoek te doen (ontkennend). Blijkt bij dit laatste onderzoek dat de zaak niet klopt, dan wordt die bepaalde kennis voor onbetrouwbaar verklaard. En nog altijd weet men niet of het juist is of niet. In feite tracht men dus bij elkaar steun te vinden. Je moet je als wetenschapper met je ontdekking of je theorie voor het forum van de wetenschap staande weten te houden! Het gaat dus bij de vraag naar de betrouwbaarheid van kennis om zoveel mogelijk steun van anderen. Het is merkwaardig, maar wel verklaarbaar, dat men over het algemeen zo weinig geneigd is toe te geven dat het allemaal een zaak van onderlinge overeenstemming is, en dat terwijl men zelf spreekt van betrouwbare kennis. Zoals zo vaak weet men niet wat men zegt! In dit geval gaat het inderdaad om een juist besef. betrouwbaarheid is het criterium voor kennis. Eigenlijk is het dus een kwestie van geloven: je gelooft dat dit of dat juist is, zonder het zeker te weten. Terzijde merk ik hierbij op dat je je af kunt vragen wat nu nog de waarde van bewijzen en toetsingen is. ..

Ook een volwassen mensheid is aangewezen op kennis die betrouwbaar geacht wordt. Die betrouwbaarheid wordt echter niet meer afgemeten aan het aantal vakgenoten dat overeenkomstige voorstellingen bezit, maar aan de spiegeling met de werkelijkheid als bewustzijn. Dus aan de werkelijkheid als beeld. Dan maakt het niet meer uit dat het in feite om onzekere kennis gaat, want het betreft dan niet langer vastgelegde voorstellingen, maar beweeglijke, het gaat niet meer om dat wat vaststaat maar om dat wat in beweging is, niet meer om het statische maar om het dynamische, in de praktijk het procesmatige. Dat is alleen mogelijk als alle kennis, op zijn plaats is gevallen, correspondeert met het beeld en dus samenhangend is, niet meer hier en daar aanwezig is omdat zij als het bezit van particulieren beschouwd wordt. Alle kennis wordt dus van de mensheid als geheel. Het wordt een sociaal gegeven.

Tegenwoordig probeert men voortdurend kennis in eigen zak te houden. Uiteraard gelukt dat uiteindelijk niet: zonder dat iemand er qua kennis armer van wordt verspreidt de kennis zich op den duur over de gehele wereld. Dat is het karakter van de kennis en dat laat zich gelden. In een volwassen wereld is de kennis niet langer exclusief.

Als de toetsing van de betrouwbaarheid van bepaalde kennis, denk bijvoorbeeld aan bestrijdingsmiddelen, geschiedt aan die vastgelegde voorstelling, hangt de betrouwbaarheid af van bepaalde en beperkte doelstellingen: het onkruid moet uitgeroeid worden. Maar die specifieke betrouwbaarheid blijkt bij toetsing met het beeld onhoudbaar te zijn, je bent bezig de natuur te vernietigen. Dat geldt voor elke specifieke betrouwbaarheid, zij blijkt steeds onhoudbaar, juist omdat zij betrekking heeft op deelgebieden van de werkelijkheid en dus op een verbroken werkelijkheid.

Voor meer info zie bladwijzers: sociaal-1 , sociaal-2 , sociaal-3 , sociaal-4

Armoede-1 ; Armoede-2 ; Armoede-3

GEDACHTEN OVER ONTSTAAN EN BESTAAN

No 68   concurrentie-1 ; concurrentie-2

Kennis die verkregen is door analytisch onderzoek van de werkelijkheid, in de huidige betekenis van het woord, is kennis waarvan je nooit kunt bepalen of ze juist is of niet. Dat is zo omdat het steeds gedateerde kennis is, gefundeerd in de stand van zaken van een bepaald moment. Juist zijn is wat anders dan betrouwbaar zijn en dit laatste kan wel voor die kennis gelden. De moderne wetenschap kent een groot aantal criteria voor betrouwbaarheid, bijeengebracht onder de noemer kennistheorie. Al die criteria echter zijn tijdgebonden: wat thans als betrouwbaar geldt wordt straks onbetrouwbaar gevonden, maar daarmee vervalt het nut van die vroegere kennis niet. De nieuwe kennis voldoet alleen maar beter. En vaak lijkt dit laatste maar zo gedurende een zekere tijd zodat men teruggrijpt op het oude. Hoe dan ook, betrouwbaarheid is een veranderlijk begrip, maar het is wel een begrip dat blijft gelden, ook in een volwassen wereld waarin de criteria zijn komen te liggen bij de werkelijkheid als beeld. In een onvolwassen wereld ligt het criterium niet bij het beeld, maar bij een zo breed mogelijke erkenning door vakgenoten. Dat is wezenlijk een maatschappelijke zaak en niet- een wetenschappelijke; hij is dan ook afhankelijk van de heersende machten met hun belangen en doelstellingen. Die zijn het die in feite bepalend zijn voor de waardering van wetenschappelijke verworvenheden.

Je kunt het vermogen van de wetenschap om zichzelf te corrigeren als positief waarderen, maar dan moet je daarbij wel onder ogen zien dat dit vermogen zich in een onvolwassen wereld laat gelden ondanks de wetenschap zelf. Want de wetenschappelijke wereld verzet zich voortdurend en bij voorbaat tegen elke correctie, juist omdat zij wezenlijk onderworpen is aan de mechanismen van de maatschappij en dus van de heersende cultuur. Dat verzet is fundamenteel, het is de grondhouding van de onvolwassen wetenschap. Dat men zich daarbij beroept op de integriteit van de wetenschap zelf is alleen maar vertoon, retoriek. Het is de clan van wetenschappers die hun eigen status van deskundigheid hoog willen houden. Volwassen wetenschap echter staat open naar alle nieuwe ideeën, begint niet met verzet, maar met belangstelling. Zij doet niet smalend als iemand wat ongewoons beweert en vindt iets niet bij voorbaat belachelijk.

Dat komt doordat de werkelijkheid als beeld, die de toetssteen is, geen vastgelegde normen kent. In principe is alles mogelijk en vervolgens moet blijken in hoeverre een gedachte of theorie betrouwbaar is. Bij voorbaat gestelde normen zijn hier onmogelijk. Maar die zijn er wel als je in een onvolwassen wereld afhankelijk bent van een aantal anderen die met elkaar uitgemaakt hebben wat betrouwbaar is en wat niet, en dat ook nog op buiten-wetenschappelijke, want maatschappelijke, gronden. Toetsing met het beeld levert een geheel andere wereld op omdat belangen van machtige groeperingen niet langer doorslaggevend zijn wat betreft het al of niet betrouwbaar zijn van kennis. Dit wil overigens niet zeggen dat de huidige, als betrouwbaar gewaardeerde, kennis, op grond van genoemde verkeerde criteria, eigenlijk onbetrouwbaar zou zijn. Over het algemeen is de natuurwetenschappelijke kennis redelijk te vertrouwen, maar de economische, sociologische en psychologische kennis bijvoorbeeld is doorgaans uiterst dubieus.. .

Gewoonlijk wordt door de wetenschappers gesteld dat zij wat betreft het onderzoek niets met ethiek of moraal te maken hebben.

Op zichzelf is dat juist, maar je moet er toch wel bij bedenken dat en de keuze van het object van onderzoek en het onmiddellijke zoeken naar toepassing van de resultaten wel degelijk ethisch bepaald zijn. De verkregen kennis wordt vroeg of laat eigendom van de mensheid en daarmee afhankelijk van de moraal en de ethiek, zoals die in een onvolwassen wereld voorgeschreven wordt en in een volwassen wereld berust op de spiegeling met de werkelijkheid als beeld en dus een zaak van het bewustzijn is. Omdat dit laatste voor de huidige wetenschap geen criterium is kent zij geen moraal noch ethiek, maar een volwassen wetenschap kent die wel omdat toetsing met het beeld onmiddellijk toetsing met de waarheid betekent. Die wetenschap kan dus helemaal niet zonder ethiek en moraal zijn. Zij gelden vanzelf, juist omdat er toetsing aan het beeld is, en je kunt dan ook zeggen dat beide eigenlijk als norm vervallen: een vanzelfsprekendheid kan niet als norm gesteld worden!

Bij de opbouw van een volwassen wereld toetsen de mensen individueel aan de werkelijkheid als beeld. Afgedwongen overeenstemming met elkaar is dan niet langer essentieel omdat het zich richten op het beeld vanzelf overeenstemming oplevert: het gaat immers voor een ieder over dezelfde werkelijkheid! Daardoor is elke individuele toetsing tevens een algemene en vervalt de noodzaak om medestanders te zoeken teneinde gelijk te krijgen. Het enige struikelblok kan dan nog gelegen zijn in het feit dat iedereen het beeld in zijn eigen kleur ziet, in zijn eigen sfeer. Dat echter is nauwelijks een probleem omdat ertussen volwassen mensen goede relaties zijn waarin de onderlinge verschillen geen aanleiding tot concurrentie meer opleveren, althans niet die concurrentie die uitloopt in de poging elkaar weg te drukken. Als het er om gaat om door het laten gelden van de verschillen tot een bredere kijk op een zaak te komen, dan is concurrentie zelfs een essentieel aspect van een goede relatie.

De vraag is te stellen of er ook kennis is waarvan je zeker kunt zijn. Dat is wezenlijk een vraag naar een op andere wijze verkregen kennis. Uiteraard antwoordt een wetenschapper dat dergelijke kennis onmogelijk is, maar heeft hij daarin gelijk? Zijn er geen absolute zekerheden?

In de cursus Beweging en Verschijnsel (deel 1, 2, en 3) heb ik laten zien dat je zelf een absolute zekerheid bent. De mens die ik zegt is zeker van eigen er-zijn. Waarvan die ik-zegger om te beginnen niet zeker is, is de betekenis van dat er-zijn. Uitgaande van dit absolute gegeven is de werkelijkheid na te gaan, met zekerheid na te gaan. De uit dit nagaan verkregen zekerheden zijn de leidraad voor de volwassen mens bij zijn opbouwen van de wereld. Ik heb er al op gewezen dat dit opbouwen een zaak van doen, van handelen is. Het is een zaak van het zelfbewustzijn. Het leven van de mensen echter berust op het bewustzijn en de levende mens beoordeelt zichzelf doormiddel van de spiegeling van zijn voorstelling aan de werkelijkheid als beeld. Dat is zijn moraal, zijn ethiek. De werkelijkheid als beeld is het zich afspiegelende bewustzijn. Omdat deze verhoudingen voor de volwassen mens gelden kun je nu voor het eerst van echt leven spreken! Omdat het evenwel een zaak van het bewustzijn is heeft de zelfbewuste kennis geen dominante betekenis. De kennis, het begrijpen, is in een onvolwassen cultuur overgewaardeerd. In feite behoef je niet te weten hoe het zit om te kunnen leven. Als de mens daarvan afhankelijk was zou niemand ooit kunnen leven, want niemand weet alles en zal alles weten. Maar bewustzijn geldt voor een ieder in volle omvang, zonder beperking. Je behoeft het alleen maar te laten gelden. Het bezitten van kennis en het begrijpen daarvan zijn qua leven een extra, een luxe. Dit extra echter, deze luxe, levert een leefbare wereld op, mits de zaak ingebed is in het bewustzijn. Omdat dit niet op kennis berust is niet van tevoren te zeggen hoe die leefbare wereld er uit moet zien: zij moet blijken leefbaar te zijn…

concurrentie-1 ; concurrentie-2

Verslag van de te Gouda gegeven CURSUS in de seizoenen

1989-1990 en 1990-1991

door JAN VIS

Terug naar: de Startpagina

 

 

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten maar juist voor alle mensen is het citeren uit deze bundel zonder meer toegestaan

Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld.

 

website analysis
website analysis