GEEN GOD WAT DAN..!

Augustus/september 1975

Naar het begin, artikelen en bladwijzers

 

 

abortus,almacht,alomtegenwoordigheid,atheistisch,geen god wat dan,

geesten,geloof,god,godsdiensten,godsvoorstelling,het doel van het leven,jezus leeft,

ongeloof,ongelovig,opium voor het volk,religies,waanvoorstellingen,wijsbegeerte.

 

 

 

Help mee om deze site te promoten. Vertel het uw…

(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )

 

Naar artikelen: Het toenemend belang van het Atheïsme ; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheïsme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ;  Ongewenst atheïsme- zie afl. 32 ;  Een grens te ver (Israël) ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Hoe zit het nou met god ;  Nihilisme ; Het gesprek ;  Het gelijk en de dialoog ;  Is er dan toch een GOD..? Hoe zit dat..? ; Briewisseling- Geweld- Godsdienst- Geloof ; Vrijheid van Godsdienst uit de grondwet

 

Naar bladwijzers: Geloof en ongeloof  ;  Dat er toch wel iets is..? (Hoe zit dat..?)  ;  discussie aangaan  over “de Werkelijkheid” ; Ziel ; Toepassing ; Yoga ; Priester ; Waarom verdragen wij het als er elders op de wereld honger geleden wordt. ;  Jezus leeft ;

 

 

 

Terug naar: de Startpagina

 

GEEN GOD WAT DAN..!

 

 

 

 

De bovenstaande vraag horen wij veelvuldig door de mensen stellen. Slechts weinig mensen beseffen dat die vraag eigenlijk geen vraag voor de echte vrijdenker is omdat deze niet uitgaat van de gedachte dat er in het leven iets toegepast moet worden. Als wij echter naar een alternatief voor god vragen bevinden wij ons op het terrein der toepassingen. Het onderstaande is een poging voor u wat licht in deze materie te verschaffen.

 

HET BEGRIP TOEPASSING

Wij zijn in onze moderne wereld zo vertrouwd met het feit dat wij allerlei dingen, die wij uitgedacht hebben, toepassen op de bestaande wereld rondom ons, dat het ons nauwelijks opvalt dat het eigenlijk merkwaardig gesteld is met dat begrip "toepassing". Als wij er eens even bij stilstaan constateren wij al dadelijk dat “de toepassing" een centrale rol speelt in ons leven op aarde. De smid die een stuk ijzer smeedt en de boer die het land beploegt passen beiden iets toe. Zij passen een bepaalde gedachte inzake het stuk ijzer, respectievelijk de vruchtbare aarde, toe op dat ijzer en op die aarde. Er is dus in feite een verhouding tussen de gedachte en datgene waarop de gedachte betrekking heeft. Die gedachte is van een zodanig karakter dat hij boven het ijzer en de aarde uitgaat; in de gedachte worden beide beheerst. Het ijzer en de aarde moeten zich voegen naar de gedachte: zij worden bewerkt. Het bewerken van ongeacht welk in de natuur voorhanden stuk stof is het concreet voor de dag komen van het feit dat er een verhouding is tussen de menselijke gedachte en de natuur. En ook van het feit dat in die verhouding het menselijke denken boven de natuur uitgaat; als het ware “de meerdere" is. De mens past zijn gedachten toe op de natuur. In eerste instantie behelzen die gedachten niet meer dan ervaringen: de primitieve mens ervaart dat de aarde te bewerken is zodat er opbrengsten komen. Hij ervaart dat brokken ijzer te smeden zijn en dat er dan werktuigen van gemaakt kunnen worden. Als wij deze verhouding tussen ervaring en natuur een naam willen geven is het begrip "arbeid" op zijn plaats. Er zijn ook andere mogelijkheden. In “de techniek" bijvoorbeeld is de verhouding aanmerkelijk verschoven. De gedachten beperken zich niet meer tot ervaringen; zij steunen op een ingewikkelde werkzaamheid van het denken: de wetenschap. En die gedachten betrekken zich niet meer uitsluitend op de natuurlijk voorhanden stof maar veel meer op de materie in het algemeen. Concrete zaken als ijzer, aarde, hout, enz., hebben plaats gemaakt voor moleculaire structuren, koolstofketens en dergelijke. Enerzijds is dus de eenvoudige gedachte ontwikkeld tot een wetenschappelijk weten, een formule, en anderzijds is de voorhanden stof meer een abstractie geworden: de materie. Het voor de dag komen van deze verhouding tussen formule en materie is “de techniek". Voor het thema waarover ik nu met u filosofeer is vooral een derde mogelijkheid van belang; de verhouding die er is tussen “de idee" in de mensen enerzijds en “het Leven" van de mensen anderzijds. Om het niet te ingewikkeld te maken lijkt het mij het beste het zich manifesteren van die verhouding “de beschaving" te noemen. Het is wel aardig om op te merken dat de woorden "toepassen" en "beschaving" uit dezelfde hoek stammen; de begrippen passen en schaven behoren tot de wereld van de timmerman, die het ruwe materiaal geschikt maakt voor een bepaald doel. Het heeft zin het begrip beschaving in dit licht te bekijken; kennelijk hadden de mensen oorspronkelijk een heldere kijk op hun werkelijkheid. Zij gebruikten het begrip "schaven" omdat daarin niet alleen uitdrukking werd gegeven aan een veredelende werking, maar ook aan een veranderende werking. Een beschaafd stuk hout is wel veredeld en voor allerlei doeleinden te gebruiken, maar het is niet meer wat het eigenlijk was.

 


TOEPASSING IN DE GODSDIENSTEN

Het veranderen van iets, waardoor het zijn oorspronkelijke gesteldheid verliest, is een zaak die in de godsdiensten duidelijk tot uiting komt. Elke godsdienst is er op uit de mensen te veranderen; hen af te brengen van hun onbevangen zichzelf-zijn en hen om te werken tot iets dat aan een bepaalde idee beantwoordt. De natuurlijkheid van de mensen moet tenietgedaan worden en er moet iets nieuws komen dat verheven is boven het aardse. Het aardse immers is niet datgene waarom het uiteindelijk gaat. Het doel van het leven is het verhevene, en daarvan maakt de mens zich een duidelijke voorstelling. Hij noemt die voorstelling "god" en hij verbindt daaraan allerlei eigenschappen die hij heeft gevonden door zichzelf tot in het oneindige te vergroten. Zo vergroot de mens de eigenschap "macht" tot almacht, het begrip "aanwezigheid" tot alomtegenwoordigheid, en zijn eigen "er alleen zijn" tot het beeld van de enige god, die niemand naast zich duld. De godsvoorstelling van de mens, is altijd een onbeperkte vergroting van de mens zelf.  De vraag is interessant hoe de mens er toe komt een dergelijke voorstelling in zichzelf op te roepen. Velen menen dat dit een psychologische kwestie is en zij vinden dan dat de vraag daarmee in principe beantwoord is. Want de psychologie werkt de zaak dan wel verder uit via vader- en moederfiguren en de menselijke bindingen daarmee. Het is opvallend hoeveel mensen niet in de gaten hebben dat op die wijze alleen maar de weg wordt onderzocht waarlangs de mens tot zijn godsvoorstelling komt, maar nog lang niet de vraag beantwoord wordt waarom de mens noodzakelijk die weg opgaat. Het is in het bestek van dit artikel niet doenlijk een uitvoerig antwoord op die vraag te geven. Zie hiervoor: Beweging en Verschijnsel deel 1 , 2 en 3. Ik moet me tot het volgende bepalen: de mens is het laatste verschijnsel dat in de werkelijkheid tot bestaan komt. Omdat hij het laatste is, is hij een bijzonder geval. Hij behoort wel tot de reeks van verschijnselen die wij kennen als de kosmos, of het heelal, maar tegelijk behoort hij er niet meer toe omdat hij in de hoedanigheid van de laatste een grenssituatie is. De mens grenst aan wat anders. Hij grenst aan iets dat anders is dan de reeks het proces - waaruit hij voortkomt. Dat andere is dus geen proces meer, het is geen verschijnsel, “het bestaat" niet. Het feit dat “dat andere" niet bestaat houdt nog niet in dat het voor de mens geen realiteit is: hij is immers dat grensgeval waarin de bestaande werkelijkheid zijn einde vindt! Het voor de mens gelden van “dat andere" wordt door de mens van meet af aan ervaren. Hij komt op grond daarvan tot religies, tot filosofieën, tot godsdiensten en hij zoekt onvermoeibaar wegen om bij dat andere terecht te komen.

Was het voor de mensen uit de oude oosterse culturen een uitgemaakte zaak dat een mens zich in zichzelf moest verdiepen om tot het andere, de essentie, te geraken, voor de Europese mens is er slechts de weg van de macht, en dus van de dwang, om zover te komen. Want de godsvoorstelling van de Europeaan houdt de afstand in tussen de bestaande wereld en, ver daarboven, god. De Europeaan vindt dat er een afstand is omdat hij "analytisch" is. Dat wil zeggen dat voor hem alles uitéén is: de werkelijkheid is een verzameling van van elkaar gescheiden elementen. Heel duidelijk komt dit analytische tot uitdrukking in het feit dat wij vinden dat wij in de kosmos en op de aarde leven, alsof wij iets aparts waren. Als ik bij gelegenheid tegen de mensen zeg dat dit niet juist is omdat wij zowel de kosmos als de aarde ZIJN, dan wordt dit doorgaans niet zonder meer begrepen. Ook moet u er eens op letten dat wij gewoonlijk de mensheid als een optelsom van afzonderlijke mensen, of van groepen of rassen zien. Wij zien de mensheid als een verzameling. Daarom verdragen wij het als er elders op de wereld honger geleden wordt. Zouden wij de mensheid als een eenheid beseffen (want haar alleen maar zo denken is lang niet voldoende), dan was het uitgesloten dat de halve wereld nodeloos honger lijdt. De mens zoekt dus wegen om dat andere in zichzelf waar te maken. En de Europeaan doet dat via de godsdienst. Maar voor zover diezelfde Europeaan wat dieper op de dingen doordenkt verliest hij zijn vertrouwen in het machtsstelsel van de Europese god. Hij gaat op zoek naar andere wegen. En nu is het van belang er achter te komen hoe hij die andere mogelijkheden ziet, dat wil zeggen, welke verhouding er is tussen hemzelf en die andere mogelijkheid.

 

GEEN GOD WAT DAN..!

Zoals gezegd is het kenmerkend voor de Europese mens zijn godheid te zien als een hoogverheven aangelegenheid. Omdat die zaak niet meer tot de natuurlijke werkelijkheid behoort is het onmogelijk er deel aan te krijgen zonder het natuurlijke door te schrappen. Dat kan, tot op zekere hoogte, tijdens het leven door de dingen en het lichaam te verzaken, maar het kan pas echt als het leven ten einde is en de ziel het lichaam verlaten heeft. Als die ziel deugt komt hij vanzelf bij god terecht, en de zaak is in orde... De hogere macht, die god voor de Europeaan is, is niet een macht die in de mens leeft, maar het is er een die boven en buiten hem staat. Op grond hiervan kan “het hogere" voor Europees besef niet vanzelf voor de mens gelden; de mens moet bewerkt, omgevormd, worden totdat hij zich aanpast bij het hogere. Uiteraard is het omvormen niets anders dan het toepassen van de normen voor het hogere op de mens. Het tragische voor de Europese mens is dat het niet uitmaakt of hij al dan niet in de christelijke god meent te geloven, of hij al dan niet in een oosters religieus inzicht gelooft, of zelfs in een of andere abstractie altijd keert deze verhouding weer: het gaat over iets hogers dat toegepast moet worden. Eigenlijk onderscheidt de Europese mens zich niet van de andere cultuurmensen, zoals die van het oosten. Hij heeft, net als zij, “het andere" ervaren. Maar hij verschilt van de anderen doordat hij een scheiding aanlegt tussen het bestaande en “het andere"en dit daardoor tot een hogere macht maakt. Het besef dat hij heeft van het "andere" is dus niet het kwalijke, maar kwalijk is het feit dat het voor hem hoger is. Als wij begrijpen dat dit laatste ingebouwd is in de Europese mens, dan zien wij ook in dat hij altijd naar een alternatief vraagt. Heeft hij op de een of andere manier de Europese god losgelaten, dan is er voor hem toch nog altijd de vraag: "wat is er dan?". Hij vraagt welke verheven normen er dan toegepast zouden kunnen worden als het niet de normen van de bekende god zijn. Het vervelende is dat er dan geen betere normen te verzinnen zijn. Betere normen dan de christelijke zijn niet te bedenken. Maar, let u wel op: ik spreek over NORMEN, en dat zijn voorschriften inzake de toepassing van een zaak. Als Bolland zegt dat één priester meer mensen in bedwang kan houden dan een heel leger politieagenten, dan doelt hij op dit feit. Evenzo is dit het geval met de bekende opmerking van Karl Marx dat de godsdienst "opium voor het volk"zou zijn. Mensen als dominee Glashouwer van de Evangelische Omroep spreken hierover als zij van de mensen verlangen dat "Jezus leeft" in hen. Het gaat dan niet om het levend-zijn van “het andere", maar om het concreet aanwezig zijn van de normen. Dat blijkt dan ook duidelijk uit hun onverdraagzame houding ten aanzien van de homofilie, de abortuskwestie en de seksualiteit. Geheel anders ligt de zaak in de oosterse religies. In feite worden daar geen toe te passen normen vereist. Het zoeken naar “het andere" gaat daar gepaard met het zoeken van jezelf. Maar dit is wel opmerkelijk: als de moderne Europese mens zijn heil zoekt bij het oosten, dan gaat hij daar toch weer normen zoeken. Hij denkt dan zichzelf gevonden te hebben als hij er in slaagt die vermeende normen op zichzelf toe te passen. Daarom is het juist als wij zeggen dat de Europeaan toch weer met een godsdienst komt als hij zich oosters oriënteert.

Zo is de yogarage en de meditatiemode als een godsdienstig fenomeen te verklaren en geenszins als een bewijs van toenemende ongelovigheid. Het besef in de Russische mens, zoals die mens door Dostojewski getekend is, ligt wéér anders. Op het terrein van geloof, ongeloof en realiteit is de Russische mens eigenlijk verreweg de meest belangwekkende. Bij wijze van verhaal is dit thema door Dostojewski gesteld in "de gebroeders Karamazow". Wij zien daar deze accenten: geloof - Aljosja, ongeloof - Iwan en realiteit - Dimitri. Ik spreek van accenten, omdat deze drie figuren in wezen één figuur zijn, zodat er in alle onderscheid géén scheiding is. Het tegelijk gelden van geloof, ongeloof en realisme is een opvallend kenmerk van het Russische volk.

Misschien is het wel interessant om hierop bij een volgende gelegenheid terug te komen.

 

ONGELOOF

Als de Europese mens zegt dat hij ongelovig is bedoelt hij vrijwel altijd dat hij niet in de Europese god gelooft. Soms heeft hij wel een alternatief gevonden voor die god, maar meestal heeft hij dat niet. Het is ook ondoenlijk een alternatief voor god te vinden, en daarom bepalen de meeste mensen zich er toe vast te stellen dat er toch wel iets is, al is dat dan in geen geval de god van Europa. Het ongeloof van de Europese mens is derhalve niet denkbaar zonder het geloof, en de verhouding tussen beide ligt zo, dat het ongeloof het geloof vooronderstelt. Dat betekent dat het ongeloof er niet zou zijn als het geloof er niet was want je kunt pas dan iets ontkennen als het er eerst is. Het lijkt op het intrappen van een open deur, als ik zoiets stel, maar het loont de moeite ons eens even in het feit te verdiepen dat geloof en ongeloof eigenlijk één zaak zijn. Zij zijn van die éne zaak de plus en de min pool. Gewoonlijk valt ons dat niet op omdat wij analytisch denken: de pluspool is voor ons iets heel anders dan de minpool. In feite echter zijn zij precies hetzelfde, en wordt het verschil alleen uitgemaakt door het feit dat zij beide tegelijk als één zaak voorkomen. En dat houdt dan weer in dat de één-op-zich de ander ontkent,  dat de ander-op-zich de één ontkent. Zo is de ontkenning van het geloof tegelijk de bevestiging ervan, en dat ook omgekeerd. Als wij het bovenstaande begrijpen wordt het ons duidelijk waarom gewoonlijk de vrijdenker in de discussie met gelovige mensen met een zwak verweer en met zwakke argumentatie komt. Het is u vast wel opgevallen dat hij altijd in het defensief gedrongen wordt zodat het er op lijkt dat hij de enige vreemde eend in de bijt is; dat hij een afwijkend mens is die bovendien iets in zijn bovenkamer mankeert. Men bestaat het dan ook om in alle ernst vast te stellen dat het ongeloof van de vrijdenker een psychische frustratie is. Een kwaal dus die hem niet aan te rekenen is. En iedereen gaat dan met een stalen gezicht voorbij aan het feit dat alle grote denkers, die deze wereld opgeleverd heeft, uitgesproken goddeloze figuren waren...Vanuit het ongeloof (in de zin die ik er aan geef) komen wij in de discussie met gelovigen niet verder dan een compromis: “de godsdienst is een privaatzaak". Hoewel dit op zichzelf juist is - ieder moet toch voor zichzelf weten wat hij scharrelt in zijn denken - is het natuurlijk niet de zaak waarom het gaat. Hoewel ieder het voor zichzelf maar moet uitzoeken, is het toch zo dat godsdienst en geloof onzin zijn. De argumenten voor deze zaak vinden wij niet in de discussie over geloof en ongeloof, maar in de discussie over ”De Werkelijkheid” (zie het hoofdwerk Beweging en Verschijnsel van Jan Vis, creatief filosoof)  zelf. En die discussie is juist het tegendeel van een privaatzaak, want hij heeft niets met u en mij te maken. De vraag is: HOE ZIT HET. Hoewel ik die vraag zelf moet oplossen, op grond van mijn eigen ervaring en langs mijn eigen Denkweg, is het antwoord niet aan MIJ gebonden.

Daarom heb ik niets met privaatzaken op, en wat betreft De Vrije Gedachte vind ik het misschien wel het zwakste waarmee we ooit gekomen zijn...

 

DE BEWEEGLIJKE WERKELIJKHEID

Het kenmerk van die andere  werkelijkheid, die gaat gelden als het proces zijn laatste verschijnsel heeft opgeleverd, is de beweeglijkheid. Die beweeglijkheid staat in tegenstelling tot de bestaande werkelijkheid, waarvan het kenmerk het starre is. Zelfs de laatste verschijnselenreeks, die van het dierenrijk, is er een van starre verschijnselen, hoewel die verschijnselen toch ook beweeglijk zijn. Die verschijnselen "leven" namelijk, en dat is in wezen niets anders dan "in zichzelf beweeglijk zijn". Dus: de bestaande werkelijkheid is een starre, een vastgelegde aangelegenheid, terwijl de door ons bedoelde "andere werkelijkheid” een beweeglijke is. We spreken er nu over alsof het twee werkelijkheden zijn; dit is echter geenszins het geval. We hebben te doen met twee situaties waarin de bouwstenen van de werkelijkheid kunnen komen te verkeren. Die twee situaties treden TEGELIJK op als het proces aan zijn eind is gekomen. De grens is de mens.

 

Doordat beide situaties tegelijk (en in hetzelfde verschijnsel) optreden is ertussen die situaties geen afstand. Van een hoger of een lager is niet te spreken. Het beweeglijke staat niet boven het starre; het is daarmee één zaak. Maar wel is het een feit dat het beweeglijke qua VOLGORDE komt na het starre. Op grond hiervan beseft de mens dat het om het beweeglijke gaat. Hoewel het bovenstaande maar een zeer korte uiteenzetting is, moet het mogelijk zijn er enkele belangrijke dingen uit af te leiden. Ten eerste: er is geen beweeglijke werkelijkheid op zichzelf. Geesten die zelfstandig zouden bestaan, en geesten die uit de mens kunnen treden, en goddelijke geesten zijn er niet. Beweeglijkheid (=geest) zonder verschijnsel (=lichaam) is ondenkbaar. Ten tweede: elke idee waarin het beweeglijke als norm gesteld wordt voor het leven van de mens, is een onhoudbare idee. Ook als die idee eventueel atheïstisch is. Want het beweeglijke wordt dan als maatgevend en dus als hoger gesteld. Ten derde: de realiteit is deze dat beweeglijkheid en starheid één zaak zijn. Het beweeglijke is tegelijk star en het starre is tegelijk beweeglijk. “De geest” is, bij de mens, tegelijk “lichaam” en het "lichaam" is tegelijk "geest". Als wij de zaak zo zien en denken en beleven - want het denken alleen is niet voldoende - dan zien wij onszelf en de werkelijkheid zoals die zijn. Wij zijn dan realisten. De inhoud van dit realisme is veel ruimer dan de inhoud die er gewoonlijk aan gegeven wordt. Want doorgaans beperkt de zaak zich tot het materiele, tot de vastgelegde werkelijkheid. En dan wordt het andere aspect niet gezien. Dat levert een benauwde zakelijkheid op waarin alleen maar het "hebben" van kracht is. Maar het nu bedoelde realisme is een door en door levende menselijke werkelijkheid. Daarbij is het onmogelijk op welke wijze dan ook gelovig te zijn; er is hier geen sprake van ongeloof noch geloof: de realistische mens weet niet eens waarover het gaat als zulke dingen ter sprake komen. En voor zover hij dit wel weet, weet hij dit omdat hij de werkelijkheid en haar culturele verschijningsvormen begrepen heeft.

 

DE REALISTISCHE MENS EN HET BEWEEGLIJKE

Hoewel het beweeglijke en het starre als één zaak voorkomen is er wel een onderscheid (geen scheiding) te maken. Het zijn tenslotte twee verschillende situaties. Omdat dit onderscheid er is kan de mens zowel de éne als de andere situatie doordenken en op die wijze tot een idee komen. Wij zouden nu kunnen veronderstellen dat deze idee weer als een soort van hogere macht kan gaan optreden en de mensen onder druk zetten. Het zou inderdaad de eerste keer niet zijn dat een ruimtelijke idee in de praktijk uitgroeide tot een dwangstelsel. Is dat niet met de evangelische idee, die aanvankelijk toch ook géén godsdienstig en zelfs geen gelovig inzicht in de werkelijkheid was, gebeurd, en is het eigenlijk niet het noodlot van alle ideeën? Wat deze vraag betreft wijs ik u op het volgende: alle grote ideeën die de mensheid heeft opgeleverd zijn op de een of andere wijze gebaseerd geweest op het besef van iets hogers. Of dit hogere nu letterlijk boven de bestaande mens of binnen de bestaande mens werd gedacht doet weinig ter zake, hoewel het uiteraard wel een andere religieuze praktijk met zich meebracht. Hoe die praktijk evenwel ook was, de geschiedenis leert ons dat er altijd individuen zijn geweest die de alleenvertegenwoordiging van het hogere voor zich opeisen. Zelfs de meest abstracte religieuze inzichten boden nog voldoende gelegenheid voor op macht beluste lieden om hun medemensen te tiranniseren. Dit alles kan alleen op voorwaarde van een machtsbesef, en dat kan er alleen zijn als er iets is dat hoger is. De "realistische idee" echter is wezenlijk anders omdat er hierbij geen sprake is van hogere zaken. Het kenmerkende is juist de afwezigheid van het machtige. Het is te begrijpen dat er dan ook geen mogelijkheid voor dwingelandij is; er kan nooit iemand opstaan die zich beroept op die idee, en er gezag aan ontleent. Wat de "intellectuele kant” van de idee betreft: juist als er in het denken geen scheiding is tussen de éne en de andere werkelijkheid, is het mogelijk, en zelfs betrekkelijk gemakkelijk, de werkelijke situatie waarin de mens leeft te doorgronden. Het spreekt vanzelf dat de éne mens dit meer genuanceerd doet dan de andere mens en dat het in sommige mensen zelfs tot wijsbegeerte komt, maar voor allen is het mogelijk een niet vertekend beeld van de werkelijkheid te verkrijgen. Dit is dan ook de situatie waarin de mensen, als zij straks eenmaal volwassen geworden zullen zijn komen te verkeren. Hun beeld van de werkelijkheid is niet meer vertekend, zij kijken niet meer tegen een fictie aan. Voor ons is het vaak moeilijk ons in te denken dat er eens een mensheid zal zijn die verlost is van waanvoorstellingen. Dat komt doordat rondom ons de onvolwassenheid noodzakelijk hoogtij viert. Van daaruit is het moeilijk ons voor te stellen dat het de mens mogelijk is - zonder daartoe gedwongen te zijn - als een behoorlijk mens te leven en niet alles naar zich toe te halen en voor eigen welzijn te misbruiken. Toch is het ook voor ons mogelijk deze dingen nu al te begrijpen. Wij begrijpen dan ook waarom de mens tot nu toe zich overgeleverd heeft aan godsdiensten en de daarbij behorende alternatieven en wij begrijpen het wezen van die godsdiensten. Wij weten echter geen antwoord op de vraag: "geen god wat dan?" Omdat wij inzien dat datgene dat er "dan" zou moeten zijn ook onzin is en niet wezenlijk verschilt van de fictie die god is.

 

Zie discussie over ”De Werkelijkheid”: Beweging en Verschijnsel deel 1, 2 en 3

 

 

 

Bovenstaande tekst is geschreven:

Door Jan Vis, filosoof.

Augustus/september 1975

 

Terug naar: de Startpagina

Artikel werd geplaatst in de uitgave "IN NIETS NEUTRAAL" van De Vrije Gedachte te Rotterdam.

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit dit artikel zonder meer toegestaan.

Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld.

 

website analysis
online hit counter