Augustus/september 1975
Naar het begin, artikelen en bladwijzers…
abortus,almacht,alomtegenwoordigheid,atheistisch,geen god wat
dan,
geesten,geloof,god,godsdiensten,godsvoorstelling,het doel van het
leven,jezus leeft,
ongeloof,ongelovig,opium voor het
volk,religies,waanvoorstellingen,wijsbegeerte.
Help
mee om deze site te promoten. Vertel het uw…
(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes
)
Naar bladwijzers: Geloof en ongeloof ; Dat er toch wel iets
is..? (Hoe zit dat..?) ; discussie aangaan
over “de Werkelijkheid” ; Ziel ; Toepassing ; Yoga ; Priester ; Waarom verdragen wij het als er elders op de wereld honger geleden wordt. ; Jezus leeft
;
Terug naar: de Startpagina
De bovenstaande vraag horen wij
veelvuldig door de mensen stellen. Slechts weinig mensen beseffen dat die vraag
eigenlijk geen vraag voor de echte vrijdenker is omdat deze niet uitgaat van de
gedachte dat er in het leven iets toegepast moet worden. Als wij echter naar
een alternatief voor god vragen bevinden wij ons op het terrein der
toepassingen. Het onderstaande is een poging voor u wat licht in deze materie
te verschaffen.
Wij zijn in onze moderne wereld
zo vertrouwd met het feit dat wij allerlei dingen, die wij uitgedacht hebben,
toepassen op de bestaande wereld rondom ons, dat het ons nauwelijks opvalt dat
het eigenlijk merkwaardig gesteld is met dat begrip "toepassing". Als
wij er eens even bij stilstaan constateren wij al dadelijk dat “de
toepassing" een centrale rol speelt in ons leven op aarde. De smid die een
stuk ijzer smeedt en de boer die het land beploegt passen beiden iets toe. Zij
passen een bepaalde gedachte inzake het stuk ijzer, respectievelijk de
vruchtbare aarde, toe op dat ijzer en op die aarde. Er is dus in feite een
verhouding tussen de gedachte en datgene waarop de gedachte betrekking heeft.
Die gedachte is van een zodanig karakter dat hij boven het ijzer en de aarde
uitgaat; in de gedachte worden beide beheerst. Het ijzer en de aarde moeten
zich voegen naar de gedachte: zij worden bewerkt. Het bewerken van
ongeacht welk in de natuur voorhanden stuk stof is het concreet voor de dag
komen van het feit dat er een verhouding is tussen de menselijke gedachte en de
natuur. En ook van het feit dat in die verhouding het menselijke denken boven
de natuur uitgaat; als het ware “de meerdere" is. De mens past zijn
gedachten toe op de natuur. In eerste instantie behelzen die gedachten niet
meer dan ervaringen: de primitieve mens ervaart dat de aarde te bewerken
is zodat er opbrengsten komen. Hij ervaart dat brokken ijzer te smeden zijn en
dat er dan werktuigen van gemaakt kunnen worden. Als wij deze verhouding tussen
ervaring en natuur een naam willen geven is het begrip "arbeid" op
zijn plaats. Er zijn ook andere mogelijkheden. In “de techniek"
bijvoorbeeld is de verhouding aanmerkelijk verschoven. De gedachten beperken
zich niet meer tot ervaringen; zij steunen op een ingewikkelde werkzaamheid van
het denken: de wetenschap. En die gedachten betrekken zich niet meer
uitsluitend op de natuurlijk voorhanden stof maar veel meer op de materie in
het algemeen. Concrete zaken als ijzer, aarde, hout, enz., hebben plaats
gemaakt voor moleculaire structuren, koolstofketens en dergelijke. Enerzijds is
dus de eenvoudige gedachte ontwikkeld tot een wetenschappelijk weten, een
formule, en anderzijds is de voorhanden stof meer een abstractie geworden:
de materie. Het voor de dag komen van deze verhouding tussen formule en materie
is “de techniek". Voor het thema waarover ik nu met u filosofeer is vooral
een derde mogelijkheid van belang; de verhouding die er is tussen “de
idee" in de mensen enerzijds en “het Leven" van de mensen anderzijds.
Om het niet te ingewikkeld te maken lijkt het mij het beste het zich
manifesteren van die verhouding “de beschaving" te noemen. Het is wel
aardig om op te merken dat de woorden "toepassen" en
"beschaving" uit dezelfde hoek stammen; de begrippen passen en
schaven behoren tot de wereld van de timmerman, die het ruwe materiaal geschikt
maakt voor een bepaald doel. Het heeft zin het begrip beschaving in dit licht
te bekijken; kennelijk hadden de mensen oorspronkelijk een heldere kijk op hun
werkelijkheid. Zij gebruikten het begrip "schaven" omdat daarin niet
alleen uitdrukking werd gegeven aan een veredelende werking, maar ook aan een
veranderende werking. Een beschaafd stuk hout is wel veredeld en voor allerlei
doeleinden te gebruiken, maar het is niet meer wat het eigenlijk was.
TOEPASSING IN DE GODSDIENSTEN
Het veranderen van iets,
waardoor het zijn oorspronkelijke gesteldheid verliest, is een zaak die in de
godsdiensten duidelijk tot uiting komt. Elke godsdienst is er op uit de mensen
te veranderen; hen af te brengen van hun onbevangen zichzelf-zijn en hen om te
werken tot iets dat aan een bepaalde idee beantwoordt. De natuurlijkheid van de
mensen moet tenietgedaan worden en er moet iets nieuws komen dat verheven is
boven het aardse. Het aardse immers is niet datgene waarom het uiteindelijk
gaat. Het doel van het leven is het verhevene, en daarvan maakt de mens zich
een duidelijke voorstelling. Hij noemt die voorstelling "god" en hij
verbindt daaraan allerlei eigenschappen die hij heeft gevonden door zichzelf
tot in het oneindige te vergroten. Zo vergroot de mens de eigenschap
"macht" tot almacht, het begrip "aanwezigheid" tot
alomtegenwoordigheid, en zijn eigen "er alleen zijn" tot het beeld
van de enige god, die niemand naast zich duld. De godsvoorstelling van de mens,
is altijd een onbeperkte vergroting van de mens zelf. De vraag is interessant hoe de mens er toe
komt een dergelijke voorstelling in zichzelf op te roepen. Velen menen dat dit
een psychologische kwestie is en zij vinden dan dat de vraag daarmee in
principe beantwoord is. Want de psychologie werkt de zaak dan wel verder uit
via vader- en moederfiguren en de menselijke bindingen daarmee. Het is
opvallend hoeveel mensen niet in de gaten hebben dat op die wijze alleen maar
de weg wordt onderzocht waarlangs de mens tot zijn godsvoorstelling komt, maar
nog lang niet de vraag beantwoord wordt waarom de mens noodzakelijk die weg
opgaat. Het is in het bestek van dit artikel niet doenlijk een uitvoerig
antwoord op die vraag te geven. Zie hiervoor: Beweging en Verschijnsel deel 1 , 2 en 3.
Ik moet me tot het volgende bepalen: de mens is het laatste verschijnsel dat in
de werkelijkheid tot bestaan komt. Omdat hij het laatste is, is hij een
bijzonder geval. Hij behoort wel tot de reeks van verschijnselen die wij kennen
als de kosmos, of het heelal, maar tegelijk behoort hij er niet meer toe omdat
hij in de hoedanigheid van de laatste een grenssituatie is. De mens grenst aan
wat anders. Hij grenst aan iets dat anders is dan de reeks het proces - waaruit
hij voortkomt. Dat andere is dus geen proces meer, het is geen verschijnsel,
“het bestaat" niet. Het feit dat “dat andere" niet bestaat houdt nog
niet in dat het voor de mens geen realiteit is: hij is immers dat
grensgeval waarin de bestaande werkelijkheid zijn einde vindt! Het voor de mens
gelden van “dat andere" wordt door de mens van meet af aan ervaren. Hij
komt op grond daarvan tot religies, tot filosofieën, tot godsdiensten en hij
zoekt onvermoeibaar wegen om bij dat andere terecht te komen.
Was het
voor de mensen uit de oude oosterse culturen een uitgemaakte zaak dat een mens
zich in zichzelf moest verdiepen om tot het andere, de essentie, te geraken,
voor de Europese mens is er slechts de weg van de macht, en dus van de dwang,
om zover te komen. Want de godsvoorstelling van de Europeaan houdt de afstand
in tussen de bestaande wereld en, ver daarboven, god. De Europeaan vindt dat er
een afstand is omdat hij "analytisch" is. Dat wil zeggen dat voor hem alles
uitéén is: de werkelijkheid is een verzameling van van elkaar gescheiden
elementen. Heel duidelijk komt dit analytische tot uitdrukking in het feit dat
wij vinden dat wij in de kosmos en op de aarde leven, alsof wij
iets aparts waren. Als ik bij gelegenheid tegen de mensen zeg dat dit niet juist
is omdat wij zowel de kosmos als de aarde ZIJN, dan wordt dit doorgaans niet
zonder meer begrepen. Ook moet u er eens op letten dat wij gewoonlijk de
mensheid als een optelsom van afzonderlijke mensen, of van groepen of rassen
zien. Wij zien de mensheid als een verzameling. Daarom verdragen wij het
als er elders op de wereld honger geleden wordt. Zouden wij de mensheid
als een eenheid beseffen (want haar alleen maar zo denken is lang niet voldoende),
dan was het uitgesloten dat de halve wereld nodeloos honger lijdt. De
mens zoekt dus wegen om dat andere in zichzelf waar te maken. En de Europeaan
doet dat via de godsdienst. Maar voor zover diezelfde Europeaan wat dieper op
de dingen doordenkt verliest hij zijn vertrouwen in het machtsstelsel van de
Europese god. Hij gaat op zoek naar andere wegen. En nu is het van belang er
achter te komen hoe hij die andere mogelijkheden ziet, dat wil zeggen, welke
verhouding er is tussen hemzelf en die andere mogelijkheid.
Zoals gezegd is het
kenmerkend voor de Europese mens zijn godheid te zien als een hoogverheven
aangelegenheid. Omdat die zaak niet meer tot de natuurlijke werkelijkheid
behoort is het onmogelijk er deel aan te krijgen zonder het natuurlijke door te
schrappen. Dat kan, tot op zekere hoogte, tijdens het leven door de dingen en
het lichaam te verzaken, maar het kan pas echt als het leven ten einde is en de
ziel het lichaam
verlaten heeft. Als die ziel
deugt komt hij vanzelf bij god terecht, en de zaak is in orde... De hogere
macht, die god voor de Europeaan is, is niet een macht die in de mens leeft,
maar het is er een die boven en buiten hem staat. Op grond hiervan kan “het
hogere" voor Europees besef niet vanzelf voor de mens gelden; de mens moet
bewerkt, omgevormd, worden totdat hij zich aanpast bij het hogere. Uiteraard is
het omvormen niets anders dan het toepassen van de normen voor het hogere op de
mens. Het tragische voor de Europese mens is dat het niet uitmaakt of hij al
dan niet in de christelijke god meent te geloven, of hij al dan niet in een
oosters religieus inzicht gelooft, of zelfs in een of andere abstractie altijd
keert deze verhouding weer: het gaat over iets hogers dat toegepast moet
worden. Eigenlijk onderscheidt de Europese mens zich niet van de andere
cultuurmensen, zoals die van het oosten. Hij heeft, net als zij, “het
andere" ervaren. Maar hij verschilt van de anderen doordat hij een
scheiding aanlegt tussen het bestaande en “het andere"en dit daardoor tot
een hogere macht maakt. Het besef dat hij heeft van het "andere" is
dus niet het kwalijke, maar kwalijk is het feit dat het voor hem hoger is. Als
wij begrijpen dat dit laatste ingebouwd is in de Europese mens, dan zien wij
ook in dat hij altijd naar een alternatief vraagt. Heeft hij op de een of
andere manier de Europese god losgelaten, dan is er voor hem toch nog altijd de
vraag: "wat is er dan?". Hij vraagt welke verheven normen er dan
toegepast zouden kunnen worden als het niet de normen van de bekende god zijn.
Het vervelende is dat er dan geen betere normen te verzinnen zijn. Betere
normen dan de christelijke zijn niet te bedenken. Maar, let u wel op: ik spreek
over NORMEN, en dat zijn voorschriften inzake de toepassing van een zaak. Als
Bolland zegt dat één
priester meer mensen in bedwang kan houden dan een heel leger
politieagenten, dan doelt hij op dit feit. Evenzo is dit het geval met de
bekende opmerking van Karl Marx dat de godsdienst "opium voor het
volk"zou zijn. Mensen als dominee Glashouwer van de Evangelische Omroep
spreken hierover als zij van de mensen verlangen dat "Jezus leeft" in hen.
Het gaat dan niet om het levend-zijn van “het andere", maar om het
concreet aanwezig zijn van de normen. Dat blijkt dan ook duidelijk uit hun
onverdraagzame houding ten aanzien van de homofilie, de abortuskwestie en de
seksualiteit. Geheel anders ligt de zaak in de oosterse religies. In feite
worden daar geen toe te passen normen vereist. Het zoeken naar “het
andere" gaat daar gepaard met het zoeken van jezelf. Maar dit is wel
opmerkelijk: als de moderne Europese mens zijn heil zoekt bij het oosten, dan
gaat hij daar toch weer normen zoeken. Hij denkt dan zichzelf gevonden te
hebben als hij er in slaagt die vermeende normen op zichzelf toe te passen. Daarom
is het juist als wij zeggen dat de Europeaan toch weer met een godsdienst komt
als hij zich oosters oriënteert.
Zo is
de yogarage en de
meditatiemode als een godsdienstig fenomeen te verklaren en geenszins als een
bewijs van toenemende ongelovigheid. Het besef in de Russische mens, zoals die
mens door Dostojewski getekend is, ligt wéér anders. Op het terrein van geloof,
ongeloof en realiteit is de Russische mens eigenlijk verreweg de meest
belangwekkende. Bij wijze van verhaal is dit thema door Dostojewski gesteld in
"de gebroeders Karamazow". Wij zien daar deze accenten: geloof -
Aljosja, ongeloof - Iwan en realiteit - Dimitri. Ik spreek van accenten, omdat
deze drie figuren in wezen één figuur zijn, zodat er in alle onderscheid géén
scheiding is. Het tegelijk gelden van geloof, ongeloof en realisme is een
opvallend kenmerk van het Russische volk.
Misschien is het wel
interessant om hierop bij een volgende gelegenheid terug te komen.
Als de
Europese mens zegt dat hij ongelovig is bedoelt hij vrijwel altijd dat hij niet
in de Europese god gelooft. Soms heeft hij wel een alternatief gevonden voor
die god, maar meestal heeft hij dat niet. Het is ook ondoenlijk een alternatief
voor god te vinden, en daarom bepalen de meeste mensen zich er toe vast te
stellen dat er toch wel iets is, al is dat dan in
geen geval de god van Europa. Het ongeloof van de Europese mens is derhalve
niet denkbaar zonder het geloof, en de verhouding tussen beide ligt zo, dat het
ongeloof het geloof vooronderstelt. Dat betekent dat het ongeloof er
niet zou zijn als het geloof er niet was want je kunt pas dan iets ontkennen
als het er eerst is. Het lijkt op het intrappen van een open deur, als ik
zoiets stel, maar het loont de moeite ons eens even in het feit te verdiepen dat
geloof en ongeloof eigenlijk één zaak zijn. Zij zijn van die éne
zaak de plus en de min pool. Gewoonlijk valt ons dat niet op omdat wij
analytisch denken: de pluspool is voor ons iets heel anders dan de minpool. In
feite echter zijn zij precies hetzelfde, en wordt het verschil alleen
uitgemaakt door het feit dat zij beide tegelijk als één zaak voorkomen. En dat
houdt dan weer in dat de één-op-zich de ander ontkent, dat de ander-op-zich de één ontkent. Zo is de
ontkenning van het geloof tegelijk de bevestiging ervan, en dat ook omgekeerd.
Als wij het bovenstaande begrijpen wordt het ons duidelijk waarom gewoonlijk de
vrijdenker in de discussie met gelovige mensen met een zwak verweer en met
zwakke argumentatie komt. Het is u vast wel opgevallen dat hij altijd in het
defensief gedrongen wordt zodat het er op lijkt dat hij de enige vreemde eend
in de bijt is; dat hij een afwijkend mens is die bovendien iets in zijn
bovenkamer mankeert. Men bestaat het dan ook om in alle ernst vast te stellen
dat het ongeloof van de vrijdenker een psychische frustratie is. Een kwaal dus
die hem niet aan te rekenen is. En iedereen gaat dan met een stalen gezicht
voorbij aan het feit dat alle grote denkers, die deze wereld opgeleverd heeft,
uitgesproken goddeloze figuren waren...Vanuit het ongeloof (in de zin die ik er
aan geef) komen wij in de discussie met gelovigen niet verder dan een
compromis: “de godsdienst is een privaatzaak". Hoewel dit op zichzelf
juist is - ieder moet toch voor zichzelf weten wat hij scharrelt in zijn denken
- is het natuurlijk niet de zaak waarom het gaat. Hoewel ieder het voor
zichzelf maar moet uitzoeken, is het toch zo dat godsdienst en geloof
onzin zijn. De argumenten voor deze zaak vinden wij niet in de discussie over geloof
en ongeloof, maar in de discussie over ”De
Werkelijkheid” (zie
het hoofdwerk Beweging en Verschijnsel van Jan Vis,
creatief filosoof) zelf. En die discussie is juist het tegendeel van
een privaatzaak, want hij heeft niets met u en mij te maken. De vraag is: HOE
ZIT HET. Hoewel ik die vraag zelf moet oplossen, op grond van mijn eigen
ervaring en langs mijn eigen Denkweg, is het antwoord niet aan MIJ gebonden.
Daarom
heb ik niets met privaatzaken op, en wat betreft De Vrije Gedachte vind ik het
misschien wel het zwakste waarmee we ooit gekomen zijn...
Het
kenmerk van die andere werkelijkheid, die
gaat gelden als het proces zijn laatste verschijnsel heeft opgeleverd, is de
beweeglijkheid. Die beweeglijkheid staat in tegenstelling tot de bestaande
werkelijkheid, waarvan het kenmerk het starre is. Zelfs de laatste
verschijnselenreeks, die van het dierenrijk, is er een van starre
verschijnselen, hoewel die verschijnselen toch ook beweeglijk zijn. Die
verschijnselen "leven" namelijk, en dat is in wezen niets anders dan
"in zichzelf beweeglijk zijn". Dus: de bestaande werkelijkheid is een
starre, een vastgelegde aangelegenheid, terwijl de door ons bedoelde
"andere werkelijkheid” een beweeglijke is. We spreken er nu over alsof het
twee werkelijkheden zijn; dit is echter geenszins het geval. We hebben te doen
met twee situaties waarin de bouwstenen van de werkelijkheid kunnen komen te
verkeren. Die twee situaties treden TEGELIJK op als het proces aan zijn eind is
gekomen. De grens is de mens.
Doordat
beide situaties tegelijk (en in hetzelfde verschijnsel) optreden is ertussen
die situaties geen afstand. Van een hoger of een lager is niet te spreken. Het
beweeglijke staat niet boven het starre; het is daarmee één zaak. Maar wel is
het een feit dat het beweeglijke qua VOLGORDE komt na het starre. Op grond
hiervan beseft de mens dat het om het beweeglijke gaat. Hoewel het bovenstaande
maar een zeer korte uiteenzetting is, moet het mogelijk zijn er enkele
belangrijke dingen uit af te leiden. Ten eerste: er is geen beweeglijke
werkelijkheid op zichzelf. Geesten die zelfstandig zouden bestaan, en geesten
die uit de mens kunnen treden, en goddelijke geesten zijn er niet.
Beweeglijkheid (=geest) zonder verschijnsel (=lichaam) is ondenkbaar. Ten
tweede: elke idee waarin het beweeglijke als norm gesteld wordt voor het leven
van de mens, is een onhoudbare idee. Ook als die idee eventueel atheïstisch is.
Want het beweeglijke wordt dan als maatgevend en dus als hoger gesteld. Ten
derde: de realiteit is deze dat beweeglijkheid en starheid één zaak zijn. Het
beweeglijke is tegelijk star en het starre is tegelijk beweeglijk. “De geest”
is, bij de mens, tegelijk “lichaam” en het "lichaam" is tegelijk
"geest". Als wij de zaak zo zien en denken en beleven - want het
denken alleen is niet voldoende - dan zien wij onszelf en de werkelijkheid
zoals die zijn. Wij zijn dan realisten. De inhoud van dit realisme is veel
ruimer dan de inhoud die er gewoonlijk aan gegeven wordt. Want doorgaans
beperkt de zaak zich tot het materiele, tot de vastgelegde werkelijkheid. En
dan wordt het andere aspect niet gezien. Dat levert een benauwde zakelijkheid
op waarin alleen maar het "hebben" van kracht is. Maar het nu
bedoelde realisme is een door en door levende menselijke werkelijkheid. Daarbij
is het onmogelijk op welke wijze dan ook gelovig te zijn; er is hier geen
sprake van ongeloof noch geloof: de realistische mens weet niet eens waarover
het gaat als zulke dingen ter sprake komen. En voor zover hij dit wel weet,
weet hij dit omdat hij de werkelijkheid en haar culturele verschijningsvormen
begrepen heeft.
Hoewel het beweeglijke en het
starre als één zaak voorkomen is er wel een onderscheid (geen scheiding) te
maken. Het zijn tenslotte twee verschillende situaties. Omdat dit onderscheid
er is kan de mens zowel de éne als de andere situatie doordenken en op die
wijze tot een idee komen. Wij zouden nu kunnen veronderstellen dat deze idee
weer als een soort van hogere macht kan gaan optreden en de mensen onder druk
zetten. Het zou inderdaad de eerste keer niet zijn dat een ruimtelijke idee in
de praktijk uitgroeide tot een dwangstelsel. Is dat niet met de evangelische
idee, die aanvankelijk toch ook géén godsdienstig en zelfs geen gelovig inzicht
in de werkelijkheid was, gebeurd, en is het eigenlijk niet het noodlot van alle
ideeën? Wat deze vraag betreft wijs ik u op het volgende: alle grote ideeën die
de mensheid heeft opgeleverd zijn op de een of andere wijze gebaseerd geweest
op het besef van iets hogers. Of dit hogere nu letterlijk boven de bestaande
mens of binnen de bestaande mens werd gedacht doet weinig ter zake, hoewel het
uiteraard wel een andere religieuze praktijk met zich meebracht. Hoe die
praktijk evenwel ook was, de geschiedenis leert ons dat er altijd individuen
zijn geweest die de alleenvertegenwoordiging van het hogere voor zich opeisen.
Zelfs de meest abstracte religieuze inzichten boden nog voldoende gelegenheid
voor op macht beluste lieden om hun medemensen te tiranniseren. Dit alles kan
alleen op voorwaarde van een machtsbesef, en dat kan er alleen zijn als er iets
is dat hoger is. De "realistische idee" echter is wezenlijk anders
omdat er hierbij geen sprake is van hogere zaken. Het kenmerkende is juist de
afwezigheid van het machtige. Het is te begrijpen dat er dan ook geen
mogelijkheid voor dwingelandij is; er kan nooit iemand opstaan die zich beroept
op die idee, en er gezag aan ontleent. Wat de "intellectuele kant” van de
idee betreft: juist als er in het denken geen scheiding is tussen de éne en de
andere werkelijkheid, is het mogelijk, en zelfs betrekkelijk gemakkelijk, de
werkelijke situatie waarin de mens leeft te doorgronden. Het spreekt vanzelf
dat de éne mens dit meer genuanceerd doet dan de andere mens en dat het in
sommige mensen zelfs tot wijsbegeerte komt, maar voor allen is het mogelijk een
niet vertekend beeld van de werkelijkheid te verkrijgen. Dit is dan ook de
situatie waarin de mensen, als zij straks eenmaal volwassen geworden zullen
zijn komen te verkeren. Hun beeld van de werkelijkheid is niet meer vertekend,
zij kijken niet meer tegen een fictie aan. Voor ons is het vaak moeilijk ons in
te denken dat er eens een mensheid zal zijn die verlost is van
waanvoorstellingen. Dat komt doordat rondom ons de onvolwassenheid noodzakelijk
hoogtij viert. Van daaruit is het moeilijk ons voor te stellen dat het de mens
mogelijk is - zonder daartoe gedwongen te zijn - als een behoorlijk mens te
leven en niet alles naar zich toe te halen en voor eigen welzijn te misbruiken.
Toch is het ook voor ons mogelijk deze dingen nu al te begrijpen. Wij
begrijpen dan ook waarom de mens tot nu toe zich overgeleverd heeft aan
godsdiensten en de daarbij behorende alternatieven en wij begrijpen het wezen
van die godsdiensten. Wij weten echter geen antwoord op de vraag: "geen
god wat dan?" Omdat wij inzien dat datgene dat er "dan" zou
moeten zijn ook onzin is en niet wezenlijk verschilt van de fictie die god is.
Zie discussie
over ”De
Werkelijkheid”: Beweging en Verschijnsel deel 1, 2 en 3
Bovenstaande
tekst is geschreven:
Door
Jan Vis, filosoof.
Augustus/september
1975
Terug naar: de Startpagina
Artikel werd geplaatst in de uitgave
"IN NIETS NEUTRAAL" van De Vrije Gedachte te Rotterdam.
Aangezien de filosofie er niet is voor enkele
bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit dit artikel
zonder meer toegestaan.
Bronvermelding wordt echter wel op prijs
gesteld.
|
|