HET TOENEMENDE BELANG VAN HET ATHEISME

februari 1996

Auteur: Jan Vis, creatief filosoof

 

Naar het begin, artikelen en bladwijzersÖ

 

atheisme,atheist,geloof,voorstellingen,vrijdenkers,zelfbewustzijn.

 

 

Help mee om deze site te promoten. Vertel het uwÖ!

(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )

 

 

Terug naar: de Startpagina

Naar artikelen: Geen God wat dan;Godsdienst en Geloof;Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Hoe zit het nou met god ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheÔsme ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ;Ongewenst atheÔsme- zie afl. 32 ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ; Is er dan toch een GOD..? Hoe zit dat..? Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Briewisseling- Geweld- Godsdienst- Geloof; Nihilisme en Anarchisme als basis van het AtheÔsme ;††

 

 

Bladwijzers: het verbieden van de godsdienst en geloof ? ; Moraal†† Het geloof floreert meer dan ooit..! ;†† Onverdraagzaam ;

 

Terug naar: de Startpagina

HET TOENEMENDE BELANG VAN HET ATHEISME

 

 

Bij het begin van het nieuwe jaar is het goed om je nog weer eens te realiseren waarom je de dingen doet die je doet. Voor een aantal van ons, vrijdenkers, hangen die dingen ten nauwste samen met het wel en wee van de vrijdenkersbeweging, uiteraard omdat het daarin gaat om een levenshouding en die is nu eenmaal niet los te denken van het dagelijkse leven in al haar variŽteiten. Dat heeft belangrijke consequenties en de eerste daarvan is volgens mij het atheÔsme...

 

Al eerder heb ik in dit blad opgemerkt dat er tegenwoordig steeds vaker negatief gereageerd wordt op het atheÔsme. Dat komt uit een onverwachte hoek: het merkwaardige is namelijk dat die reacties niet komen van de zijde van de gelovigen, van wie zoiets volkomen normaal zou zijn, maar juist van de kant van diegenen die wij min of meer als onze geestverwanten beschouwen: wetenschappers, filosofen, journalisten en kunstenaars. De oorzaak daarvan is volgens mij niet in de eerste plaats doordat die geestverwanten eigenlijk in de verte toch nog gelovig zouden zijn - wat overigens vaker het geval is dan je zou denken - maar de reden is dat atheÔsme een niet mis te verstane stellige uitspraak inhoudt, namelijk dat god volstrekt niet bestaat. De atheÔst kent geen twijfel als het over bovenmenselijke spirituele machten en buitenmenselijke spirituele machten gaat: die bestaan niet! Dat is niet alleen maar een botte ontkenning, zoals de term atheÔsme doet vermoeden, maar het is vooral ook een bevestiging van een resultaat van nadenken. Dat resultaat is in het kort dat buiten menselijke geesten en bovenmenselijke geesten niet bestaan omdat ze niet bestaan kunnen. Als de atheÔst gevraagd wordt zijn uitspraken te staven doet hij er dan ook goed aan geen poging te wagen de mening van gelovigen te bestrijden door te proberen te bewijzen dat hun uitspraken niet kloppen en dat goden niet bestaan. Dat is een vruchteloze zaak die al door menigeen gepoogd is, maar die onvermijdelijk uitloopt in een ja/nee tweestrijd waarbij niemand meer naar iemand luistert. Het is in de praktijk nooit gelukt er zelfs maar een enigszins redelijke discussie van te maken. Wat de atheÔst te doen staat is te laten zien, aannemelijk te maken, dat er geen goden kunnen zijn. Hij gaat er daarbij niet van uit dat hij een bewering van iemand anders zou moeten weerleggen, wat helaas eigenlijk in die vervelende term atheÔsme besloten ligt, maar hij gaat dan van zijn eigen min of meer heldere begrijpen van de werkelijkheid uit om tot de slotsom te komen dat geloven in buitenmenselijke geestenen bovenmenselijke geesten onzin is. Hij kan daarvan zeker zijn omdat hij te weten is gekomen hoe de zaak nu wel in elkaar zit: buitenmenselijke geesten en bovenmenselijke geesten zijn voorstellingen binnen het eigen zelfbewustzijn van de mens en dergelijke voorstellingen komen in de mensen voor zolang zij in hun onvolwassenheid nog niet begrijpen dat hun menszijn een niet-materiŽle factor inhoudt (sla er, wat dit betreft, mijn Constandse-lezing nog eens op na, te weten ďKennen en kunnen, de technologische mensĒ No. 32). Zolang dat onbegrip er is menen zij, bij confrontatie met hun eigen zelfbewustzijn, met iets bovenaards van doen te hebben.

Nu blijkt dat het niet zozeer deze conclusie en dit inzicht zijn die moderne geestverwanten van de atheÔst tegen de haren instrijken, maar dat het de zekerheid ervan is die hen stoort. Zij vinden dat je nergens zeker van kunt zijn omdat volgens het moderne denken telkens weer blijkt dat alles uiteindelijk betrekkelijk is. Dus wordt aan die zekerheid van de atheÔst als vanzelfsprekend de consequentie verbonden dat hij wel onverdraagzaam en dogmatisch moet zijn. De feiten lijken die geestverwanten gelijk te geven: de atheÔst wijst het geloof en de godsdienst radicaal af. Sterker nog: hij vindt dat geloof en godsdienst levensgevaarlijke verschijnselen zijn omdat zij de mensen in een ziekelijke waan gevangen houden. En omdat hij dat vindt neemt men voetstoots aan dat hij ook wel zal vinden dat die waan doorbroken moet worden door de mensen het geloof af te nemen en de godsdienst te verbieden. Dit nu is een onterechte en zelfs onrechtvaardige beschuldiging.

 

De atheÔst is er helemaal niet op uit de mensen hun geloof en hun godsdienst af te nemen. Hij is er niet op uit die te verbieden. Dat is bepaald niet van hem te verwachten, hij is immers geen Leninist ! Een tweetal redenen is wat dit betreft aan te voeren : Ten eerste heeft ook de atheÔst het recht niet iemand iets af te nemen, hetzij materieel, hetzij ideŽel en derhalve betwisten de vrijdenker noch de atheÔst de mensen het recht er een geloof op na te houden. Bovendien begrijpen zij hoe het komt dat mensen geloven. Maar anderzijds staan zij wel op hun recht de geloofsvoorstellingen van de gelovigen op hun intellectuele verdiensten te toetsen, precies zoals zij dat met hun eigen ideeŽn gewend zijn te doen, om vervolgens van hun bevindingen kond te doen.

Ten tweede laten dergelijke zaken zich niet afschaffen, verbieden of afnemen. Dat komt doordat zij wezenlijk bij de mens behoren, dat is te zeggen: bij de alsnog onvolwassen mens.

Niet dat iedereen die qua ontwikkeling tot een lid van de nog onvolwassen mensheid gerekend moet worden per se godsdienstig moet zijn, maar wel dat positieve ongelovigheid voorlopig onvermijdelijk tot de uitzonderingen behoort. Regel is enigerlei vorm van gelovigheid zoals die zich meestal manifesteert als het behoren tot en deelnemen aan een godsdienst. Die, overigens zelden herkende en begrepen regel, is er de oorzaak van dat gelovigen hun wanen voor normaal houden en op grond daarvan met grote zelfverzekerdheid het recht opeisen de moraal en de leefregels te bepalen. En ook is die regel oorzaak van het merkwaardige feit dat steevast atheÔsten gedwongen worden aan te tonen dat god niet bestaat, terwijl de gelovigen nimmer bereid zijn hun stelling dat god wel bestaat te staven. Sterker nog: zij zijn doorgaans diep beledigd als je een dergelijk bewijs van hen verlangt. De hele kosmos wijst toch op het bestaan van iets hogers, dat ziet toch ieder normaal mens! Hoe diep moet iemand gezonken zijn om van een gelovige zulk een bewijs te verlangen! Dat zijn uitroepen die je regelmatig tegenkomt, zeker als je als atheÔst op de voorgrond treedt.

Dank zij de binnen het hedendaagse denken populaire mening dat er niets zeker is, floreert in de moderne maatschappij het geloof meer dan ooit. Het wordt namelijk steeds meer serieus genomen als een zinvol stelsel van normen en waarden. En als zodanig wordt het aanvaard en gerespecteerd temidden van andere morele mogelijkheden. Het geloof mag weer! leder het zijne is de kreet die daarbij geslaakt wordt. Dat lijkt te getuigen van grote tolerantie, maar in feite is het, volgens mij onmiskenbaar, een uiting van betreurenswaardige intellectuele lafheid. Men verbloemt namelijk daarmee het eigen onvermogen en de eigen geestelijke luiheid om nu eens werkelijk door te denken op het thema van het geloof. En men verschuilt zich achter zogenaamde tolerantie en redelijkheid. Maar intussen neemt men voor de gelovigen de door allerlei ketters met veel opofferingen, moeite en strijd opgeworpen maatschappelijke hindernissen weg en maakt de weg vrij voor een nog grotere invloed. Een invloed die zich veel meer in het verborgene gelden laat dan vroeger het geval was toen de dominee en de pastoor het voor het zeggen hadden. Die gelovigen opereren namelijk nauwelijks meer in groepsverband. Daarom: het klopt als vrijdenkers en humanisten verheugd constateren dat de kerken bezig zijn te verdwijnen. Maar wat niet klopt is de daaraan gekoppelde mening dat het geloof eveneens op de terugweg zou zijn. De enorme aantallen leden van onder andere de Evangelische Omroep en de onvoorstelbare groei daarvan, de deelname aan allerlei evangelisatie bewegingen en daarnaast de aanhang van een menigte vreemdsoortige occulte toestanden en theorieŽn spreken wat dit betreft een duidelijke taal. Het geloof is bezig steeds meer een zaak van de mens als individu te worden. Al die hedendaagse bewegingen richten zich tot de individu en van een hecht collectief, zoals vroeger een kerk, is vrijwel geen sprake meer. En juist als individu laten de nieuwe gelovigen zich geducht gelden, op de plaats namelijk waar zij door god gesteld zijn: in de scholen, de wijken, de hulpverlening enzovoort. Daarbij doen zij zich voor als neutraal , openbaar en onconfessioneel, maar intussen is het toch hun persoonlijke geloof dat hun gedrag bepaalt, meer nog en indringender dan vroeger toen de dominee en de pastoor dat deden. En, als het even kan, moet het ook dat van anderen bepalen, die er eigenlijk niets van moeten hebben...Hierbij moet overigens opgemerkt worden dat eenzelfde omstandigheid voor een goed deel het succes van de Islam verklaart, die in al zijn morele stugheid toch wezenlijk appelleert aan de individuele gelovige, ook al bezit die een individualiteit van nog nauwelijks enige betekenis. Vandaar dat er eigenlijk in de Islam geen collectief met een interne hiŽrarchie bestaat.

De activiteiten van die nieuwe gelovigen zijn niet te neutraliseren doormiddel van grote collectieven. De zaak ontsnapt daar geheel en al aan, hetgeen bijvoorbeeld moge blijken uit de stiekeme manier waarop de evolutietheorie onlangs weggefrommeld is. Slechts de individuele benadering kan enigszins een dam opwerpen tegen hun aanwassende invloed. De vrijdenkers zijn van oudsher individualisten. Zou er niet juist in deze tijd een geweldige taak op hen wachten?

 

Bovenstaande tekst is geschreven: door Jan Vis, filosoof.

 

PS. Hoewel ieder het voor zichzelf maar moet uitzoeken, is het toch zo dat godsdienst en geloof onzin zijn. De argumenten voor deze zaak vinden wij niet in de discussie over geloof en ongeloof, maar in de discussie over ĒDe WerkelijkheidĒ (het hoofdwerk Beweging en Verschijnsel van Jan Vis, creatief filosoof) zelf. En die discussie is juist het tegendeel van een privaatzaak, want hij heeft niets met u en mij te maken. De vraag is: HOE ZIT HET. Hoewel ik die vraag zelf moet oplossen, op grond van mijn eigen ervaring en langs mijn eigen Denkweg, is het antwoord niet aan MIJ gebonden. (citaat uit geen god, wat dan?)

 

 

Terug naar: de Startpagina

 

Pagina's zijn door mij uit het tijdschrift van De Vrije Gedachte No. 262 februari 1996 overgenomen.†††

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten maar juist voor alle mensen, is het citeren uitmijn werk zonder meer toegestaan. Wel echter zou ik het op prijs stellen dat het citeren vergezeld gaat van een duidelijke bronvermelding! (Jan Vis)

 

website analysis
online hit counter